ftbWfr-oWIrKw tvlt;J i^dj^
-; - 'XCla i ' 1 - 'l
i ^11. ai
: XA i ~ i l *1 lt;j'
1 IKL i o '. (1 x-v J1 â¢
Jwk X' l~iD ]*â 1 â 15. U,
OlrtA. ^ tXw-1. V^. .. gt;vWCvgt;. C^.quot;- -.1/3 ^ ⢠(⢠\y*
(-(i.
»» o 'i - \i) a. ^ »* 3.
llw. 1 V?Ca.C» ' lt;. .
SIO â¢
A/0 (IJ,3^ lt;ÃD.
(Iquot; ^'- w
iyy\A/ii /D'v-C»-/A/Vv WCvCv--\ O tVCX'VCA^-v
QC ^ ^ ⢠i
M lu-8 .
--Kjcvw^ -⢠1 quot;. 12)
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
1101 4101
U. 3 » 'l^r.EC-IT AG B 45
FEESTSTOFFEN.
BRTRACIITING VAN HET LIJDEN EN STERVEN VAN ONZEN IIEERE JEZUS CHRISTUS.
LUKAS II VS. 1â7 (II VS. 7â12)
EN
LUKAS XXIY vs. IâII,
(Xquot;. 7, 23, 24 â 25 cn 31â32)
DER
SCHRIFTVERKLARINGEN
DK. II. F. KOHLBRÃGGE.
Tn leven Predikant bij de NederlandschâGereformeerde Gemeente te Elberfeld.
UTRECHT. - W. MEIJER. 1887.
24 April 1886.
SCHRIFTVERKLARING
VAN
Dr. H. F. KOn^BRiiGGE.
Betrachting van het lijden en sterven van onzen Heere Jesus Christus. ')
Het is mij eene behoefte, Mijne Geliefden! in dit avonduur eens niet in beeldspraak of gelijkenissen, maar in ronde, open woorden met nlieden te spreken. Onze dierbare en hooggeloofde Heere en Heiland Jesus Christus, onze groote God en Zaligmaker, leeft, en is gezeten ter rechterhand des Vaders: Hij hangt niet meer aan het kruis, Hij sterft ook niet meer, maar Hij leeft tot in eeuwigheid, een Hoogepriester naar de ordeninge Melchizédeks; Hij is alle hemelen doorgegaan met Zijn eigen bloed, en nu staat Hij voor den troon des Vaders als eeuwige Hoogepriester en Advocaat voor de Zijnen, Hij leeft en zit ter rechterhand des Vaders als de verhoogde Koning en Middelaar Zijns volks! En zóó kan Hij ons zien, kan Hij ons hooren, kan Hij ons verstaan en kennen; en voor Hem is niets verborgen, geen list, geen zonde, geen och! en geen ach! geen tranen, geen smarten, geen zwakten; en al is Hij opgevaren ter rechterhand des Vaders, toch heeft Hij
1) Gehouden te Elberfcld, 3 April 1859.
No. 7.
2
tot de Zijnen gesproken: âZiet.' Ik ben met uheden alle de dagen tot aan de voleinding der wereld. Dewijl Hij nu leeft, is Hij allen, die Hem van den Yader zijn gegeven, nabij, van den moeder-Bchoot tot het graf; Hij is nabij den kleine en den groote; den groote en den kleine. Zoo is Mij de. eeuwige trouwe Herder, die zoekt, die voortdurend zoekt het verloren schaap, en als Hij het gevonden heeft verheugt Hij zich, legt het op Zijnen schouder en draagt het naar huis tot Zijnen Vader, alwaar de ware schaapskooi is, de ware weide, het ware
^TerwirHij zoo als Koning verhoogd is, heeft toch Zijn volk van deze verhooging eigenlijk geen begrip maar de kracht Zijner verhooging verheerlijkt Hij in hen, zonder dat zij het zelf weten; terwijl zij door nood en vertwijfeling heen moeten, verheerlijkt Hij Zijne macht in Zijne kinderen, zonder dat zij het gevaar, waarin zij zich tegenover de vijanden bevinden, recht bespeuren.
Maar bij de Zijnen, bij Zijne armen en ellendigen, vertoont Hij zich liefst, zoo als Hij het troostvolst voor hen is, d. i. in de gedaante Zijner allerhoogste liefde, in de gestalte des krnises, zoodat ±lij voor de Zijnen de litteekenen in Zijne handen en voeten en in Zijne zijde nooit aflegt; nooit aflegt de doornenkroon, en nooit aflegt Zijnen naam: Jezus van Nazareth. Dat doet hij nooit omdat allen waarvan Hij spreekt: âZie Ik en de kinde ren die Gij Mij gegeven hebtquot;, zonde hebben; ei daar zij nu voortdurend zonde hebben, voortduren onrein zijn, zoo hebben zij ook voortdurend rei niging van noode, en zij kunnen, noch zullen z-door iemand anders laten reinigen dan door bquot;
neii Heere alleen, Die moet het doen; en als Hij iemand rein wascht, dan geeft Hij hem ook vrede, waarachtige ruste in 't binnenste. Dat kunnen alle andere zuiveraars der arme ziel niet schenken.
Gaarne wil ik u zeggen, wat Hij hebben wil. Hij wil het hart hebben, en dat wel juist zóó als het is. Hij is een goed geneesheer, Hij wil bet harte onvoorwaardelijk hebben, Hij wil dat wij Hem het harte (wij weten maar al te goed wat daar uit voortkomt) geheel en al overgeven zoo als het is; en met het harte ook ons geheele lichaam zooals het is, en met dat lichaam onzen ganschen weg en wil, zoodat wij tot eene nul worden, en Hij alleen alles zij.
Hoe komt nu een mensch er toe den Heere Jezus zijn hart te geven? quot;Wel! dat is nu toch een kinderachtige vraag! Ik vraag u: hebt gij uw harte reeds den Heere Jezus gegeven, zoodat gij weet: ik heb het niet meer; Hij heeft het ? Met minder kunt gij niet toe, men kan met al de weldaden, die de Heere Jezus verworven heeft, toch niets beginnen, want het zijn immers alleen weldaden en schatten , waarvan wij eerst voor en na gebruik leeren maken, als wij in Hem, en Hij in ons is.
De gansche hemel, de vergeving der zonden, leven en zaligheid, ja, alles wat een mensch maar bedenken kan van hulp, van troost, van uitredding, het heeft toch alles geene waarde, als wij Hem niet hebben, als wij Hem niet door een waarachtig geloof zijn ingeplant, als wij in den diepsten grond des harten niet met Hem vereenigd zijn, als wij Hem niet hart en hand hebben geschonken! Met den duivel kan de mensch eene prachtige hemelvaart doen, maar ten laatste wordt hij toch met al het heerlijke, dat
4
hij meende te hebben, van zijne ingebeelde hoogte neergestort. Met den Heere Jezus kan men de versclirikkelijkste hellevaart beleven, maar al is de weg, dien Hij met ons houdt, ook nog zoo diep, eindelijk komt men er toch door, er toch uit!
Wat vroeg ik ulieden daar zooeven? Zijt gij uw hart aan den Heere Jezus kwijt geraakt? Hebt (jij Hem zonder eenig voorbehoud hart en hand gegeven ? Hebt gij uwe zonde gevoeld, ja hebt gij nog zonde? Zijt gjj een groot zondaar voor Hem geworden? Hebt gij Hem nageweend? Weent gij Hem nog na ? Volgt gij Hem zooals de Kananeesche vrouw, zooals de melaatsche, die luid riep; âHeere! zoo Gij wilt. Gij kunt mij reinigen?quot;
Het is voorzeker waar: in aanvechting geven wedergeboorte en bekeering geen vasten steun , maar zonder bekeering, zonder wedergeboorte komt gy toch niet in het koninkrijk der hemelen. Daar is het geen droom, maar waarachtige, hartveranderende genade die het hart, het steenen hart, verbroken en Verbrijzeld heeft. Dat is onmisbaar voor den mensch!
Wie wedergeboren en bekeerd is zal daar gewis niet op steunen, maar wat niet geboren is leeft niet, wat niet geboren is denkt niet, en wat niet wederom geboren is , leeft en gelooft niet, het lijdt en duldt ook niet. Wie geene genade kent, wordt misschien als hoog geestelijk aangezien en gegroet, totdat alles verandert zoodra de waarheid hem in den weg treedt. Dan slaat men den Heere aan het kruis, stoot alles van zich, keert terug in de wereld, en stort zich liever weer in allen onvrede en onrust, dan dat men de wapenen aflegt.
Ziet nu eens toe, geliefden! Is het genoeg, dat wij het lijdon en sterven van onzen dierbaren
5
Heere eu Heiland wekelijks of eiken (Lig des Hee-ren, het zij in beeldspraak en gelijkenissen, het zij wezenlijk, beschouwen, of moeten wij niet voor ons zeiven daar iets aan hebben? Wat er aan hebben, niet in dien zin alleen, dat uien zegt: wel! dat was een mooie preek! dat was schoon getroffen! maar er in dien zin wat aan hebben, dat men Hem vindt, die ter rechterhand des Vaders verhoogd is en Zijne eeuwige liefde verheerlijken wil aan arme, verloren zondaren. Beeldt u toch niet in, dat gij allen Hem gezocht, allen Hem gevonden hebt. Het is geheel iets anders waarheid te hebben gevonden en te liooren, dan Jezus te hebben gevonden.
De menseh stelt zich zoo licht tevreden, omdat hij zijnen steun vindt in de zichtbare dingen. Ach! dan kan men christelijk en geloovig zijn. Kan zelfs nu en dan liefhebben, maar het blijft alles toch bij het oude, het harte is niet gebroken en gesmolten voor God, eigen weg en eigen wil houdt men vast, en men is verkeerd, terwijl men meent bekeerd te zjjn.
Wij hebben in den laatsten tijd verschillende geliefde vrienden ten grave geleid, en het duurt nog zóó of zóó lang, dan zijn wij ook niet meer hier. Wat is nu troostvoller en liefelijker dan te kunnen denken; Ik heb eenen Heiland! mijn Heiland, Hij is do mijne, de mijne voor eeuwig! Maar och! dat zeggen de onbekeerden zoo spoedig, die zijn daar zoo spoedig mede klaar, dat is bij hun eene uitgemaakte zaak , daar mag geen bedenking tegen opkomen of uitgesproken worden. Bij degenen echter, die naar genade hongeren en dorsten, zit het zoo diep in de ziel; Zoude dat waar kunnen zijn? Zou Jezus mijn Heiland zijn ? Zijt Gij ook mijn Jezus?
6
Ziet, zulk eene ziel heeft zooveel zonden, die voor hara rekening liggen, en zij weent: och! mijn God! als ik dat bedenk, wat ik mijn leven lang begaan heb, en nog ben, dan weet ik niet waarheen mij te wenden! De onbekeerden weten dat wel beter, maar de waarachtig bekeerden en de begenadigden , die welen niets. Ja! zij weten: de Heiland heelt! maar, kan Hij ook Heiland zijn ? kan Hij ook mij genadig wezen ? zou het mogelijk zijn, dat Hij ook mijne zonde op Zich geladen, gedragen , verzoend heeft ? Is het waar! wil Hij ook mij wasschen van mijne zonden? Zoo kruipt men Hem na, ja ! het koningskind kruipt Hem na, als ware het een bedelkind, en bedelt om genade, om genade I Ach ! mijne Geliefden ! voor dat wij sterven moeten wij het toch weten, persoonlijk weten , gij en ik, we moeten het weten of onze groote schuld uitgedelgd is! Of deze rekening, â waaronder gij en ik met ons eigen bloed willen onderteekenen, dat wij den eeuwigen dood verdiend hebben, â of deze rekening met Zijn bloed betaald is of niet. Ja het is niet genoeg dat zoo te zingen, maar het moet ook in mijn hart gezonken zijn! Het handschrift is geschreven en alles is betaald, en zoo het mij niet in 't hart is gezonken moei het er nog inzinken.
Het lijden des Heeren Jezus Christus is louter zoetheid, louter heerlijkheid, louter balsem wat er aan is ; alles , alles volkomen geschikt om eiken traan af te droogen en elke, ook de felste smart, te stillen ! Het lijden des Heeren Jezus stilt de treurige ziel, zooals een weenend kind vertroost wordt met een stukje suiker! O het lijden des Heeren Jezus is zoeter dan suiker, honing en honingzeem ! Maar die zoetheid wordt alleen gesmaakt in 't verborgene.
7
quot;Wat daar de verlegene, bekommerde, aangevochtene, hard geplaagde ziel geniet, laat zich met geen woorden beschrijven!
Wij moeten gemeenzaam worden met den Heere, ons aan Hem gewennen. Ik begrijp niet, hoe een mensch zich eeuwig met den Heere in 't Paradijs kan verheugen, als hij zich niet aan Hem gewend heeft, hier niet met Hem op en neer gegaan is, niet met Hem geleefd heeft, zich met Hem niet heeft neder-gelegd en niet met Hem is opgestaan, om met Hem alles te genieten. Dit is een geloofstuk ja, maar het is niet een geloofsbegrip, dat in de lucht zweeft, maar dat uitgeoefend wordt en beleefd. De onbegenadigde , als hij dit hoort, denkt: ja, zoo is het, en dat doe ik ook! Maar de begenadigde zucht: âoch! ik gruwelijke zondaar, hoe weinig, hoe weinig houd ik mij met den Heere bezig.quot; Ik versta niet het verheerlijkt worden met den Heere, tenzij w4j eerst met Hem geleden hebben, en ik begrijp geen eeuwig leven met Hem, als dat eeuwige leven niet reeds hier een aanvang heeft genomen; ik geloof ook niet dat men zonder dat ten leven ingaat. Ik begrijp niet hoe men met Hem wil gekroond worden, als men niet hier beneden den goeden strijd gestreden heeft, en ik geloof ook niet dat er zonder dat eene krone zijn zal!
Alzoo twee mogen tot één worden : Jezus en de zondaar. En die twee worden één, wel is waar door de prediking des Goddelijken quot;Woords, maar dat is het toch eigenlijk niet, maar zóó worden ze één, dat de Heilige Geest de eene, namelijk de benauwde ziel, er toe drijft te zeggen : Geef mij Jezus! of ik sterf, zonder Jezus ben ik verloren! en dat de Ander komt en zegt: daar hebt gij Mjjnenriug;
8
Ik ben de uwe en gij de Mijne! Dat kan een kind te beurt vallen, een klein, jong kind, daartoe behoort geene geleerdheid, geen bijzondere graad van verstandsontwikkeling, de zaak is eenvoudig deze: Jezus is Jezus, en Hij zoekt het verlorene. Hij maakt zalig van zonden. Dus hier beneden verbinden zich die twee: het verlorene met Jezus, Jezus echter is de eerste; Jezus en de zondaar verbinden zich. En daar is Grod de Vader ook bij tegenwoordig, en komt ook ter bruiloft, voegt de handen te zamen, spreekt er den zegen over uit en zegt, dat die ruiling en die goederengemeenschap naar Zijne eeuwige uitverkiezing en voornemen is; Hjj zegt dat het Zijn wil is, dat de Heere Jezus als uw Bruidegom , u aanneemt met al het uwe, en dat het Zijn wensch is, dat Hij al uwe zonden voortdurend achter Zijnen rug werpt en zegt ; Ik denk er niet meer aan, Ik ben u eeuwig-genadig, en alles wat Mijn is, zult gij ook hebben. Als nu een kind spreekt; o Heere! ik weet niets, en ik ken u niet, maar ik moet U hebben, en Gij hebt zelf gezegd, dat Gij bij een kind, bij een ondeugend kind wonen wilt, zoo kom toch tot mij met Uwe genade; zoo zal God dat kind verhoeren. En als een volwassene tot Hem komt en niets mede brengt dan zonde en schuld, dien zal God ook verhoeren!
Nog een ding heb ik u te zeggen: waar waarachtige bekeering, waarachtige wedergeboorte is, daar kan men in de zonde niet leven, daar kan men het in de zonde niet uithouden. O daar wordt men schrikkelijk door de zonde geplaagd en gefolterd, daar voelt de mensch hellepijnen in zijn binnenste, en zijn geweten verklaagt hem ; maar berouw is er, waarachtig en oprecht berouw!
9
En hoe meer het harte gebroken is en zucht vanwege de zonden, des te drooger zijn vaak de oogen naar het gevoel van zulk een zondaar, en hoe meer het zuchten tot den Hecre, het verborgen roepen tot Hem om genade ook in don donkersten nacht toeneemt, des te meer is het een armen zondaar te moede, als lag er een zware steen op zijn hart, die eiken zucht poogt onder te houden; maar doorgebroken moet er worden, men kan het in de zonde niet uithouden; en het waarachtige en oprechte berouw is aanwezig.
De scheiding is er, waarvan de Heere in 't Paradijs gesproken heeft; Ik zal vijandschap zetten. Waar dat plaats heeft, waar waarachtige verlorenheid is, zal men zichzelven rust noch vrede gunnen, totdat men voor zichzelven weet, waar de zonden gebleven zijn. Bespiegelingen en woordenzifte-rijen helpen hier niets, maar men moet aan de voeten des Heeren Jezus verzekerd zijn geworden van de vergeving zijner zonden! Dat heeft echter niemand gezien, dat is tusschen den Heere en de arme ziel alleen voorgevallen!
Of dit nu bij alle menschen op gelijke wijze geschiedt, daarvan spreken wij hier niet, het is echter veel heilzamer voor eenen mensch, eens goed wakker te worden geschud, dan dat hij in zijnen doodslaap liggen blijft en door den duivel nog dieper in slaap wordt gezongen met de woorden: Gij zijt Gods kind! Het geldt hier de eeuwige eeuwigheid; het geldt hier het deelgenootschap van een Heiland, Die de volheid bezit tegenover al onze behoeften; het gaat hier om zulk eenen Heiland, die juist geschikt is voor den zondaar. Die op zichzelven reeds boven alles beminnelijk en dierbaar is, Die waarachtig bereid is
10
den arme te helpen! Zie! zoo komt dan het arme volk door de poort des voorhofs henen tot het brandofferaltaar, daar wordt ge één met Jezus! Daar komt de heilzame betrachting van Zijn lijden. Die heilzame betrachting is echter niet, dat wij er een leerstuk van maken, dat wij er godsdienstige aandoeningen door opwekken, maar dat wij als zondaars op ééne reeks met Kajafas, Pilatus, Judas en al zulke menschen komen, en moeten bekennen; al hunne zonden heb ik ook begaan. Dat kan men geheel letterlijk zoo opvatten, en zoo gij genade hebt ontvangen, om eerlijk met u zeiven om te gaan en acht te geven op de uitgangen uws harten, dan behoeft gij niet eens zoo diep te delven om dagelijks, ja elk uur, Herodes, Judas en Pilatus en al zulke menschen op de marktplaats van uw hart te zien op en neerwandelen en op den hoogen rechterstoel stijgen. Zie! zoo ik u aan iets helpen zal in dit tijdelijk leven, zoo moet gij toch weten dat gij hulpbehoevend zijt, en zoo de Heere u helpen zal, dan moet gij toch weten dat gij zonde hebt. Kom dus zooals gij zijt, en laat Kajafas Kajafas, Pilatus Pilatus, Judas Judas zijn, laat ook Adam Adam zijn, maar ga gij met den Heere alléén op Golgótha, zink daar aan Zijne voeten neder en smeek : âUw bloed kome over ons en over onze kinderen tot zaligheid, tot heil, tot vergeving der zonden !quot; quot;Wie Kajafas, Judas, Pilatus, wie zulke lieden verdoemt, om zich zei ven te rechtvaardigen, zal nooit binnenkomen ! De Heere zoekt de allerellendigsten, Hij wil de armsten helpen, Hij wil de allerverdoemenswaardig-sten genade bewijzen. Ach! men kan zeker zóó verdorven, zóó door en door verdorven niet zijn, dat de Heere niet zou willen helpen! Zien wij, gij, ik,
11
em nu als zulk een Helper aan, zoo erkennen ij Hem als God geopenbaard in het vleesch, als nzen grooten God en Zaligmaker. Dan daalt de ansche hemel neder, dat is de eeuwige liefde, de iefde des Vaders, de liefde des Zoons. En zóó zien ij, gij, ik in deze goddelijke heerlijkheid de onein-ge waarde van al Zijne heilverdiensten, de onein-ige macht om eeuwrig te redden, eeuwig den dood n den dood te houden, en om ons over alles heen dragen. Zóó aanschouwen wij Zijne souvereini-teit, en dat de hel geene macht heeft ons Zijn hart och Zijnen hemel toe te sluiten. Zoo ziet gij, zoo zie ik Hem aan als een waarachtig mensch, wonderbaar om en om! Hij heeft geen zonde, Hij is heilig, en toch roept H|j {als Borg) dat het door alle hemelen henenklinkt: Mijne ongerechtigheden hebben Mij aangegrepen, dat Ik niet heb kunnen zien; Mijn hart heeft Mij verlaten! Ps. 40: 13. Ja dan ziet gij, dan zie ik Hem als onzen Borg en Plaats-bekleeder, zooals Hij voor elke zonde zoowel als voor alle zonden, voor alle zonden zoo goed als voor deze of gene bijzondere overtreding, betaald en waarachtig geleden heeft! En nu aanschouwt gij hoe de schare Hem neemt, Hem bindt, en wegleidt, en gij hoort tot u spreken: alle duivelen hadden u voor eeuwig moeten binden en wegleiden; zoodafc gij naar recht de uitspraak zoudt moeten verwachten: Bindt hem aan handen en voeten en werpt hem uit in de buitenste duisternis! Maar voor uwe plaats wordt nu Jezus genomen, en zij binden Hem en leiden Hem henen! En o mijn Heere en mijn Heiland!, terwijl ze II nemen, hinden en wegleiden, spreekt Gij tot mij ; âNeem Mij, bind Mij en leg Mij op het hout, Ik sterf voor n/quot; En zoo zie ik
12
in dezen dood alle deugden en volmaaktheden Godal op het heerlijkst verheerlijkt, tot onzen eeuwigen! troost! Geen van ons blijft hier rechtvaardig. Het] edele Sanhedrin heeft zich hier geopenbaard in zijne ongerechtigheid, de nobele Pilatus en de Romeinen desgelijks; do discipelen, die bij Hem blijven zouden, en met Hem in den dood zouden gaan, verlaten Hem, alle menschen, gij, ik, wij schieten hier oVer, en God alléén is rechtvaardig, God alleen blijft rechtvaardig! Hij blijft rechtvaardig ook waar Hij verhardt, dien Hij wil. Hij blijft rechtvaardig als Hij zich erbarmt, over wien Hij wil. En wij, gij en ik , wij zien op het kruis, ja, juist aldaar: Gods woord is waar! Wat Hij gezegd heeft van den mensch, wat Hij betuigd heeft van Zijne genade, het is alles waar, het is vervuld oj) Golgotha! Alle deugden en volmaaktheden Gods, zij blinken heerlijk uit in het bloed des Heeren, dat mij laaft; uit Zijne woorden stralen zij te voorschijn, u en mij tot heil. Zóó staande bij het kruis, klemmen wij ons in onze geheele machteloosheid aan Zijne Almacht, in onze trouweloosheid aan Zijne trouw, in de hardheid onzes harten aan Zijne barmhartigheid, in onzen nood aan Zijne volheid, in onzen dood aan Zijn leven! Ea zóó wordt de vergeving der zonden geloofd, ja zij wordt geloofd tegen alles aan. Met zulk eene liefde waarmede God liefheeft, waarmede de Heere Jesus liefheeft, neemt Hij de zonden weg, neemt Hij de zonden alle weg, voor eeuwig weg I
De Almachtige God verleene ons allen Zjjne genade, om in te zien hoe wij buiten Hem verloren zijn , en de verloste ziel spreke tot Hem: Gij hebt mij het harte genomen met een Uwer oogen! Amen.
BIJSCHRIFTEN
op Mattheiis, Cap.
Na zulk een langen, bangen nacht, Na zooveel hoon en harde slagen,
Nadat Hij 't zware Kruis wou dragen En daaraan hangen, diep veracht, Doorboord aan handen en aan voeten Om voor mijn goddeloos doen te boeten, Verlaten! ach! van mensch en God, Gelaafd niet edik, elk ten spot. Doorstoken, en in 't graf geborgen; Daarvoor een wacht en zware steen; â⢠Eén waakt er om voor 't lijk te zorgen, Mijn Heer breekt dra door alles heen! Mijn Heil blsef in Zijn dood vertrouwen, Zijn vleesch ziet de verderving niet, Hij gaat, dat moet de hel aanschouwen, Het graf uit, eer de zon het ziet. â Val om gij wacht! De steen er af! Gij houdt mijn Leven niet in 't graf! O Nacht! o Dood! o helsch gezag! 'k Ben zeker van mijn eeuwgen dag!
Vraag niet meer hoe laat het is
Nu do Heer verrezen is.
O! uw nacht is doorgestreden;
O! gij hebt nu uitgeleden.
Gij zjjt met Hem opgestaan,
't Woord toont uw victorie aan!
Dit maak ik lijders! u bekend,
Dat licht maakt aan uw nacht een end!
14
Wat kom ik om het graf te zien?
'k Zie haast wat ik hier niet kan zien;
âEr is geen dood, geen zondekwaad, Als maar 't geloofsoog opengaat.quot;
quot;Werp elk beletsel op mijn graf; Eén werpt er alles toch weer af.
De steen er af!
Mijn Jesus is niet meer in 't graf.
Ik zet me op u, gij steenen wet.
Daar niets het leven meer belet.
Zet u hier met mij neer, â 't is eeuwige rust; Uw vlaswiek, schoon zij rookt, wie is 't die ze i
bluscht ?
Die mag voor 's Engels blik verstuiven, Die 't waagt den steen weer op te schuiven.
De bliksem toont zijn liefdegloed; 't Sneeuwwit, wat H|j aan d'aarde doet.
's Bliksems kracht en klaarheid Toont Gods macht en waarheid. â 't Sneeuwwit kleed:
Dat Hij al mijn smet vergeet;
En: wat kleed ik aan zal trekken,
Als mij Jesus op komt wekken. â 's Hemels bliksem treft de wacht,
En mij troost de witte dracht.
Dooden zijn ze, die vertrouwden,
Dat ze in 't graf mij konden houden!
Zal wereldsche soldaten Hun macht of kracht wat baten,
15
Als een der hemellingen Hun wacht komt binnendringen?
Die elk de spits eens boden,
Hoe liggen zij als dooden!
De vrouw, die met den duivel sprak In 't Paradijs,
En zoo onwijs Haar eigen goddelijk beeld verbrak.
Zij is door Jesus vrijgekocht.
En wordt van Engelen aangezocht
Om nu met haar te spreken Van 't Beeld, dat alle helsche macht, Verdubble ze ook haar list en kracht.
Niet meer vermag te breken. â
Waartoe met vrees en zalf belaan?
Heeft Hij het niet gezegd, dat Hij weer op moet
staan ?
Nu, houd dat niet voor u alleen.
Maar stil der broederen geween!
Lag Hij ter neer Zoo dood In 's aardnjks schoot; â
't Was toch de Heer!
Hij was in 't graf verborgen En maakte uit dien nacht Voor mij den blijdsten morgen.
O leeraar, leer aan 't woord gelooven:
n't Komt door een vrouw 1), â maar 't komt van
boven.quot; â
1) Gal. 4, vs. 4.
16
En toch is 't Abraham niet recht,
Wat Sara hem van Hagar zegt. 1)
Hoe! bang en blij te zijn, gaat dat te zaam? Tot het âheel blijquot; te zijn, ben ik, ach, niet bekwaam.
Yerblijd u toch!
Hier is geen zelfbedrog!
'k Heb 't n vooraf gezegd, en als u nu wat treft] Zoo weet gij, wat de ziel verheft.
En zie! eer gij 't vermoedt,
Wordt gij van Jesus zelf gegroet!
Dan eens houd ik Zijn voeten vast,
Dan laat ik ze weer schandelijk los,
Door streken van den helschen vos!
Groed, dat Hij zich met mij belast. Mij vasthoudt, waar ik sta of ga.
Met Zijn onzichtbare gena.
Wat brengt deez' Paaschweek nieuwe dingen,
Waarvan wij eeuwig, eeuwig zingen!
't Is nu geen week van werken meer.
Maar alles rustdag voor den Heer!
17/18 April, 1862.
1) Gal. 4. vs. 30.
Uitgegeven bij H. BUSK ES te Utrecht, Ilaverstraat.
Voor Duitsehland verkrijgbaar bij F. Bücrmann, Elherfeld. Prijs van dit (dnbbel) Nummer G Cts. â Franco per post 7 Cts.
I
SCHRIFTVERKLARINGEN
VAN
Dr. S. F. KOHIiBBÃGGE.
Lukas 2 vs. 1â7.
En het geschiedde in diezelue dagen, dat er een -jebod uitging van den keiier Augustus, dal de ge-heele wereld beschreven zoude worden. Deze eerste beschrijving geschiedde, als Cyrenins over Syrië stadhouder ivas. En zij gingen allen om beschreven te worden, een iegelijk naar zijne eigene stad.
Hier op aarde schijnt alles van het toeval af te hangen, ja vaak ziet het er uit als ware er geen God, die de wereld regeert. Het gaat echter altoos zóó, dat God zich verborgen houdt. Wel openbaart Hij zich; echter niet aan de wereld, maar alleen aan de armen en ellendigen , aan Zijn waarachtig volk. Wonderbaar is de wijze, waarop God de wereld regeert, en alles in het verborgene tot stand brengt. De wereld maakt veel ophef, veel drukte van alles wat zij doet, maar bij den Heere is alles , voor Zijn volk, eene zake des geloofs, eene school des kruises, en met dat volk gaat het steeds in en door het lijden heen. Van deze wondere Godsregeering neemt de wereld echter geen notitie, want zij waant zelve God te zijn, en zij weet niet, dat zij met al haar doen en laten , met al haar woelen en werken toch niet anders doen kan, dan wat dient tot uitvoering van 's Heeren raad, ter zaligheid van Zijn volk. Rome had goud noodig en had geen goud genoeg,
No. 23. 18 December 1886.
2
om aan al zijne lusten on begeerlijkheden te voldoen. Het was toen onze Heere Jesus Christus zoude geboren worden, een vreesehjke tijd, een zeer bewogen tijd. Door alle landen der wereld liep toen ter tijde het gerucht, dat er in het oosten een Koning zoude opstaan, die de geheele wereld zoude beheerschen, maar niemand bekommerde zich daarom. De zedeloosheid was tot zulk een' top gestegen, dat men denken moest: God moet komen en de geheele wereld ter helle werpen.
Veel groote mannen loefden in openbaren strijd met elkander, en wilden elk voor zich de heerschappij in handen hebben, de diplomaten ') beslisten dan ten gunste van dezen, dan ten gunste van dien. Het was toen juist als heden ten dage, nu de macfa-tigsten der aarde in Parijs, Londen, Berlijn, Weenen of Constantinopel beslissen, hoe alles gaan moet, en de wereld onder elkander verdeelen, terwijl een iegelijk van het zichtbare zooveel zoekt te verkrijgen als hij kan. Hoe het te dien dage onder de volken toeging, lezen wij in Hom. 2 en 3, en het Israëlie-tische volk was diep verzonken in allerlei huichelarij en eigengerechtigheid. Kortom, er scheen geen goede draad meer op aarde te zijn. Eenigen waren er nog over, die wachtten op den Troost Israëls. Dat waren echter meest lieden, die zoo naar onze berekening vijftien a achttien stuivers per dag verdienden en in hutjes of op zolderkamertjes leefden, en dan was er, hier of daar, een enkele vermogende onder. Dat waren 's Heeren uitverkorenen.
En terwijl zoo het verval altoos grooter werd, en alle gerechtigheid der menschen te schande werd gemaakt, terwijl men stout en driest Gods heilige
1) Gebeerde staatkui d (li! uiannen, die de geschilleu tusschen het eene volk en het andere moeten slechten.
,8
4 '
-wet met voeten trad, en op de schandelijkste wijze met den waren godsdienst spotte, Het de Almachtige een jongen man den Romeinschen keizerstroon beklimmen , en gaf hem zóó macht en heerschappij over de gansche toen bekende wereld, opdat er ééne overheid ware in alle landen, toen de tijd gekomen was voor Gods heilig Evangelie.
Toen giny er een gebod uit van den keizer, Avguslus genaamd, dat de geheele wereld zonde beschreven worden. Het was nog niet genoeg, dat de Joden van elke honderd gulden inkomen die zij bezaten, vijftig aan belastingen moesten betalen, de Romeinen wilden nog meer hebben. Ook wilde de keizer zijne eigene macht kennen, hij wilde het getal weten zijner onderdanen, en daarom moest een iegelijk optrekken naar zijne eigene stad, om beschreven te worden.
Op denzelfden tijd, toen dit gebod uitging van den keizer Augustus, ging er ook een gebod uit van den Heere God in den hemel. Het gebod van Augustus werd openlijk bekend gemaakt, maar's Heeren besluit en gebod bleef verborgen. Gods tijd was nu gekomen, want toen de volheid der tijden geko-men iva.t, zond God Zijnen Zoon, geworden uit eene vrouwe (Gal. 4 vs. 4). Gods tijd is altijd daar, als het er bij ons het schrikkelijkst uitziet, als men door vele zonden bezwaard is, als men te schande is geworden met al zijnen hoogmoed ! Want eerst dan leert de mensch, dat hij een mensch is, eerst dan gaat men zijnen God zoeken, anders blijft het bij de oude huichelarij. En van God ging een gebod uit, dat het evangelie zoude gepredikt worden allen creaturen.
Van dit goddelijke gebod wist Augustus niets. Wel had hij vele dichters en letterkundigen om zich verzameld, die allerlei schoons aan Israels oude pro-
feten ontleenden, maar wat die daarin yan Christus lazen, dat legden zij op hiinne wijze uit, van een' wereldlijken, sterfelijken Koning. Zoo werd het woord des Heeren overal verkeerd toegepast. Wat God voor had, wist niemand. Wel was er alom veel
fekiag bij de Joden, vooral bij de geleerde oden, die lang hadden nagevorscht of de tijd, dat de Messias zoude geboren worden, nog niet was aangebroken.ekiag bij de Joden, vooral bij de geleerde oden, die lang hadden nagevorscht of de tijd, dat de Messias zoude geboren worden, nog niet was aangebroken.
En de Messias kwam, maar â op eene andere wijze dan men zich had voorgesteld. Naar het zichtbare kwam er niets over het land, dan nood en ellende, er scheen geen God meer in Israël te zijn, alles scheen van toevallige omstandigheden, van het noodlot, af te hangen. Dat waren toen ter tijde zoo de gewone uitdrukkingen, en dat ia nog heden ten dage gangbare munt: men klaagt b. v. veel over de geld- en handelscrisis, over de lage markten enz. en men denkt er niet om, dat het de Heere is, die den menschen op nieuw deze les wil inprenten, dat zij menschen zijn en niets meer, en dat zjj geheel afhankelijk van Hem zijn, opdat ze op de borst zouden leeren slaan en zeggen: Goud en zilver ziju geen goden, maar de Ueere alléén is God! Zegt men dit echter, en spreekt men het voor de wereld on-Terholen uit, zoo krijgt men ten antwoord: o! denk dat toch niet van ons, dat wij het goud en zilver vereeren, wij vereeren alléén God, den Heere. Maar door hunnen wandel bewijzen dezulken het tegendeel, bewijzen, dat zij 's Heeren gebod niet liefhebben. Al bouwen ze in Jeruzalem ook synagogen en al doorreizen ze met den grootsten ijver zee en land om éénen jodengenoot te maken, en al meenen zjj vele menschen te bekeeren, ja zoo sterk te zijn, dat zij zelfs duivelen kunnen uitwerpen, zoo begrijpen en verstaan zij toch niet, dat demensch een
s
inenseh is, men droomt den zoeten droom, dat men Gode gelijk is, of ten minste een halve engel, en vergeet, dat men do zijnen behandelt naar de luimen en invallen van zijn eigen hoofd, van zijne eigene begeerlijkheid, en niet volgens de wet der liefde, niet in afhankelijkheid van Gods genade.
Zoo moest dan een iegelijk in zijne eigene stad gaan, om beschreven te worden. Verder dacht men aan niets : dat staat daar nu zoo eenvoudig geschreven, en dat moeten wij ter harte nemen, want Gods wijze van doen is nog heden ten dage niet anders. Het volk des Heeren trekt stillekens door dit leven henen, verborgen voor de wereld.
Dat volk looft echter den Heere en zingt: Gij hebt ons Gode gekocht met uwen bloede en Gij hebt ons gemaakt tot koningen en priesters, en wij zullen als koningen heerschen op aarde. En dit volk zegt ook: onze Vader! die in de hemelen zijt: Uw Naam worde geheiligd, Uw koningrijk kome! En terwijl dit volk alzoo bidt, is de gèheele hemel er op uit, de tranen en gebeden van dit arme volk in eene flesch te vergaderen totdat Gods ure daar is. Dan wordt deze fiool omgestort en een: quot;Wee! Wee! gaat uit over den ganschen aardbodem, en er wordt van den hemel een grooten steen geworpen in do zee, in de zee der wereld en der volken, zoodat hare wateren beginnen te bruischen, en het machtige Tyrus er van overdekt wordt. quot;Wij moeten op de eenvoudigheid des evangelies acht geven, opdat ook wij niet mede overstroomd worden, maar op die Hand zien, die alles regeert, en leeren vlieden tot den levenden God. Alleen dit is de weg, om onzen trots, onzen hoogmoed, onze gerustheid, onze vermetelheid af te leggen, maar ook elke vertwijfeling, quot;Want zoo vreeselijk kan het er, noch in de openbare zaken, noch in het verborgene leven van een men-»
6
schonkind uitzien, of er is daar boven eene macht der genade en der ontferming, en even snel als deze machtig is, om alles om te keeron ten verderve, even snel is zij ook om alles weder in zegen en overvloed te veranderen.
God de Heere heeft in deze wereld Zijn eigen volk: onbekend trekken zij door de wereld henen.. Het moge waar zijn, dat men in den loop der eeuwen Maria is gnan vereeren en vele beelden van haar heeft opgericht, het moge wanr zijn, dat vele duizenden nu nog Jozef en Maria als heiligen aanroepen, en zóó Gods heilig tweede gebod overtreden en tegen de bede: Uiv Naam worde geheiligd, zondigen , even waar is het, dat zoo de ware Maria en Jozef op aarde kwamen, zij door allen zouden verworpen worden, en dat niemand op hen zoude letten, evenmin nu, als toen zij hier op aarde vertoefden. God de Heere wendt zich tot dezulken, die zich van Hem hebben afgewend. God de Heere is zulk een God, die Zich verheerlijken wil bjj armen en ellendigen. Die Zijne macht verheerlijkt te midden van onse machteloosheid, Zijne genade te midden van onze overtredingen, Zijnen rijkdom te midden van onze armoede.
Toen ging ook op Jozef: ook op, onder zooveel duizenden. Vierhonderd profeten profeteerden den koning Achab niets dan goeds; toch was er nog één profeet des Heeren, die profeteerde juist het tegendeel, 1 Kon. 22. Kaïn bracht met veel ophef van de vruchten zijns velds den Heere een offer; van Habel staat er: en Habel bracht oo/i van de eerstgeborenen enz. Gen. 4, vs. 4. Gods waarachtige instrumenten gelden weinig bij de wereld, zijn onbekend en niet geiien bij het vleesch, dat hen veracht. Zoo gaat het altoos, dat, noch het heilige, noch het onheilige dezer wereld, die instrumenten ziet en
kent, waarvan God zich wil bedienen. Samuël moest een van Isaï's zonen zalyen; en Isaï brengt een' sclioonen jongeling tot hem, maar de Geest sprak tot Samuël: zie zijne gestalte niet aan,noch de hoogheid zijner statuur, de mensch ziet aan wat voor oogen is, maar de Heere ziet het harte aan. En nog een trad er op, en nog een, tot er zeven te zanien waren. Toen vroeg Samuël; is er nog niet een? âJa,quot; luidde het antwoord, de allerkleinste, maar die is op het veld, en zie, die was het juist, dien Samuël moest zalven: âIndien gij u niel verandert, en wnrdl gelijk de kin der kens, zoo zuil gij in 't koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.quot; Matth. 18, vs. 3. Als kinderen onder volwassenen komen, kan het bij hen niet opkomen, dat zij iets kunnen uitrichten, het liefst loopen zij weg. Alzoo, wie zichzelven uitsluit, die wordt ingesloten in de armen van Gods ontferming. Zij, die van iedereen over het hoofd worden gezien , zij, aan wie niemand denkt, terwijl iedereen zichzelven zalig spreekt, dal zijn de ware kinderen Gods. Zoo stond het ook met Jozef. Waar kwam die van daan? Uit Judea? Neen, uit Galilea, uit het arme zondaarsland, uit een land, dat alles onrein maakte wat er uit voortkwam, uit een veracht land, dat echter door den Heere uitverkoren was, en waarvan Jesaia zegt; Het volk, dal in duisternis wandelt, zal een groot licht zien, degenen, die wonen in het land der schaduwen des doods, over dezelve zal een licht schijnen. Jes. 9, vs. 1. Ja, Jozef kwam uit dalzelfde Galilea, waarvan de Heere Jesus, na Zijne opstanding, gezegd heeft; âIk ga u voor naar Galilea, aldaar zult gij Mij zienquot; waar Hij zich het meeste opgehouden, en geleerd en gewerkt heeft. Dadr woonde Jozef, een prins uit het geslacht Davids ; maar thans was hij een eenvoudig handwerker.
8
Hij leefde niet aan het hof, was niet des Konings Opperschenker, was geen Minister, maar hij was, zooals wij zeggen zouden, âin de neerquot; gekomen, hij was timmerman en niets meer. Nu komt deze Jozef uit Galilea, en wel uit de stad Nazareth. Dat klinkt nog erger, dat was die stad, waarvan Na-thanaël later zeide: Kan uit Nazareth iets goeds komen? Zekerlijk wist men van Nazareth in het hooge kerkbestuur te Jeruzalem niets anders, dan dat het een diepgezonken plaatsje was, ja het diepstgezonkene uit het gansche land, een plaatsje, waar volstrekt geen godsvrucht heerschte, waar ook geen menschen woonden, die zich om God en Zijn Woord bekommerden: eene plaats met een woord, waarheen het meer dan tijd was, dat er eens een duchtige dominé heen werd gezonden, om die god-delooze menschen te bekeeren. Maar juist in die plaats had God Zijnen Jozef en Zijne Maria. Deze prins en deze prinses uit Davids huis begaven zich alzoo op weg, om naar die stad te trekken, waar David gewoond had, waar hij de schapen had geweid, waar hij den leeuw en den beer gedood had, waar hij veel psalmen gezongen, en veel gebeden had; ja naar die stad trokken zij, waar Boaz gewoond had, en waar de gansche schoone en liefelijke geschiedenis van Ruth voorviel. Deze stad heette Bethlehem, d. i. Broodhuis. Daarheen trekt Jozef, want eigenlijk behoort hij in Galilea niet te huis, noch in Nazareth, maar in Bethlehem, ja de troon des ganschen lands kwam eigenlijk zijne Maria toe. Dat wist wel niemand, dat er in dat verachte Nazareth een prins en eene erfprinses uit Davids huis woonden; maar men geloofde algemeen dat de Messias uit het heilige en schatrijke huis van Hillel zoude komen, dien de Joden tot op den huidigen dag nog zalig spreken. En ziet! nu kwam hij
9
Tiit die verachte stad! Als Jozef verteld had, dat hij uit het geslacht Davids was, zoude een ieder gezegd hebben: Welk eene aanmatiging! Maar, nochtans was het waar, hij behoorde tot het koninklijke huis van David. In Zijne wijsheid had de Heere het echter zoo geschikt, dat van Zerubabel af tot op Christus anderen op den troon zaten dan zij, wien hij van rechtswege toekwam. Het huis Davids was weggeworpen on leefde alleen in 't verborgene voor God. Wonderbaar is alles toegegaan van Zerubabel tot op Christus. De vrouwen uit het huis Davids hebben in dit tijdperk meest allen eerst kinderen gekregen, op een' leeftijd, dat zij er naar den gewonen loop der wereld geen uitzicht meer op hadden, of de mannen waren reeds bejaard, toen zij erfgenamen ontvingen. Zoo geschiedde er wonder op wonder, zoodat er loch nog altoos ééne spruit uit Davids huis was; maar eindelijk, toen hielden de wonderen op, juist toen de laatste uit Davids stam Jakob heette: hem werd eene dochter, maar geen zoon geboren.
Zoo lezen wij Matth. 1 vs. 16: En Jakob gewon Jozef, den man van Maria, uil welke geboren is Jesus, gezegd Christus. Dat is nu zóó geschreven, naar de toenmalige joodsche gewoonte van do geslachtsregisters in te richten. Eigenlijk moest er staan: Jakob gewon Maria, maar omdat Maria geen zoon, maar eene dochter was, zoude het met de toen heer-schende gebruiken in strijd zijn geweest haar naam in het geslachtsregister op te nemen, en omdat Jozef Maria's echtgenoot werd, bracht de gewoonte mede in plaats van Jakob gewon Maria . te schrijven : Jakob gewon Jozef, maar met de uitdrukkelijke toevoeging: den man van Maria. Ware Jozef werkelijk Jakobs eigen zoon geweest, en niet maar zijn behuwdzoon, zoo zoude Maria's naam hier vol-
10
strekt niet genoemd zijn! Door deze toeyoeging echter: Lam
den man van Maria, kon een ieder, die te dien Ln z](
dage dit geslachtsregister las, zonneklaar begrijpen, its aii(
dat de raeening was : Jakob gewon Maria, die wet â ^y.uu-Jozef in hel huwelijk Irad. Jakob beduidt: âWor-
stelaarquot;, en Maria âWederspannigheid.quot; Maria's «toen
vader heeft het dus ondervonden, hoe wederspannig Ijjoem
â wij tegen God kunnen zijn als Zijne wegen anders |^eI1
zijn dan wij ons hadden voorgesteld. Want zoo jword
redeneert ons vleesch : zoo de Heere beloofd heeft:quot; |nict
gij zult eten van den arbeid uwer handen, â hoe komt Ihoorc
het dan, dat ik geen werk heb? Zoo Hij beloofd len u
heeft: welgelukzalig zult gij zijn, en 't zal u wol |het
gaan, â hoe komt het dan, dat het mij zóó sleclit gaat |uo-e:
en ik gebrek moet lijden? Hoe komt het, dat juist ihet
als God van genade spreekt, de zonde begint te I
woeden, als nooit te voren? Hoe komt het, dat als J wij
de Heere allerlei kostelijke beloften geeft, en het oogen- | ^ei.
blik van derzelver vervulling haast is aangebroken, I ^
het dan juist alles zój toegaat, dat de arme mensch I
denken moet: God heeft mij vergeten? Dan wordt H c/e ^
men wederspannig, wordt geheel verkeerd en doet I die
vaak allerlei dwaze dingen, daar men niet verstaat, n lmi
dat God ons wil onderwijzen, zooals de ouders hunne jl \)0e
kleine kindertjes lesren loopen. Dan wordt de hand, || jes
die zij vasthielden, terug getrokken, en zij vallen^ tl pï0
maar dit geschiedt geenszins, opdat ze vallen zouden, 11 Ge,
maar opdat ze zouden leeren goed en rechtop te gaan I de
Zoo laat ook God de Heere de Zijnen vaak schijn- I zef
baar alleen staan, want het is altoos 's Heeren weg 'â Ga
en wijze van doen geweest, hemel en aarde uil niet â tot
te scheppen. I u
Maar bij zulk eene leiding des Heeren met ons, â is
die Zijne wegen niet verstaan, komt de wederspan- â -wi
nigheid op in onze harten, en dit bedoelde ook deze B
Jakob, toen hij als laatste erfgenaam uit Davids Je
. 11
Pi
lam rast en zeker eenen zoon meende te bekomen,, n ziet! liet was eene dochter! Toen dacht hij : nu a alles uit en voorbij ! Waarom doet de Heere dat? Vaarom handelt hjj zóó? En deze gedachten zijns arten heeft hij uitgedrukt in den naam zijner dochter toen hjj ze Maria d. i. âhare quot;VVederspannigheidquot; oemde. Zeker zal hij wel de woorden gekend hebben, Jes. 7 vs. 14; Ziet! eene maagd zal zwanger worden en zal eenen zoon baren, maar hij heeft hefe niet verstaan. De discipelen hebben het ook gehoord, dat de Heere Jesus zoude gekruisigd worden en uit de dooden zoude opstaan, maar zij verstonden het niet. God heeft ook gezegd : uw brood wordt u gegeven, doch dat verstaan wij ook niet, tenzij wij het brood zien, en nog minder verstaan en ; eloovea wij, dat alles van Zijne vaderlijke hand komt, want wij begrijpen het niet, dat God ook in dien zin Vader zijn kan, dat Hij ons slaat en tuchtigt, want dat schijnt ons geen vaderlijke handelwijze te zijn.
Vs. 4. En Jozef ging ook op van Galilea uil de stad Nazarelh naar .Inden, lol de stad Davids, die Bethlehem genaamd wordt (omdat hij uil den huize en geslachte Davids was). Hadden wij dit te boek moeten stellen, wij hadden geschreven ; âomdat Jesus aldaar moest geboren wordenquot;, of: âopdat de profetie zoude vervuld wordenquot;, maar de Heilige Geest handelt anders. Die geeft eenvoudig aan, wat de eerste aanleiding tot de reis was, wat er in Jozefs hart omging. Plad Maria dan niet den engel Gabriël gezien en gehoord? Had de Heere dan niet tot Jozef gezegd : vrees niet, Maria, uwe vrouw, tot u te nemen, want datgene, dat in haar ontvangen is, is van den Heiligen Geest? Zou men dan niet verwachten, dat Jozef aan Lukas in de pen zoude gegeven hebben : âOpdat aldaar de beloofde Messias, Jesus, die Zijn volk zalig maakt van hunne zonden.
12
zoude geboren worden? Maar, lieve vrienden, heeft dan de Heere ook niet tot n menig woord, menige belofte gesproken, en hebt gij dat ook niet vaak vergeten? Ach! alles, alles kuanen wij onthouden, maar de beloften Gods, maar wat Hij ons beloofd heeft, dat kunnen wij geenszins in 't harte bewaren Maar Hij, die het beloofd heeft, is getrouw en voert het nochtans alles op de heerlijkste wijze uit op Zijnen tijd; en daarbij kunnen wij van ons doen niet eens rekenschap geven, wij begrijpen niet, dat de Heere ons op Zijne armen, in Zijnen schoot draagt, en dat juist die weg, die ons volstrekt niet bevalt, de weg voor ons is, om daar te komen, waar Hij ons hebben wil, om aan ons Zijne genade, goedertierenheid en waarheid te verheerlijken.
Jozef ging alzoo op naar Bethlehem, om beschreven te worden met Maria zijne ondertrouwde vrouw, welke bevrucht was. Dat klinkt nu gansch jammerlijk, eene ondertrouwde vrouw, welke bevrucht is! He evangeliën waren vroeger niet te zamen gevoegd, niet in één boek ingebonden, maar elk der vier evangeliën kwam, op zich zelf staande, daar waar het heen kwam, en daar stond nu in 't Evangelie van Lukas zoo iets vreeselijks opgeteekend! Ach, als de zaak zoo lag, dan moest er immers uit Maria een kind geboren worden, waarop alleenlijk vloek, maar -geen zegen des Heeren rusten kon! Naar ons oordeel, had Lukas toch wat voorzichtiger moeten schrijven. Maar de Heilige Geest, die Lukas' pen bestuurde en hem alles woord voor woord ingaf, weet wel wat Hij doet. Later heeft men onzen gezegenden Heiland durven verwijten. Joh. 8 vs. 41: wij zijn niet uit hoererij geboren ! Deze omstandigheid, namelijk dat de ondertrouwde Maria bevrucht was, wordt verteld zoo als de menschen die naar het uiterl|jk moesten beoordeelen, ja wij lezen zelfs, dat Jozef zijn eigen
13
erloofde bruid van onkuischheid verdacht hadT Matth. Its. 19). Hij alzoo, de heilige Heere, wilde i en met Zijne moeder de verdenking dragen, als are Hij zulk een geweest, waarvan geschreven staat: m zoo waart gij sommigen, maar gij zijt afgewasschen, ij zijt gereinigd in het bloed des Lams, en door den Seest van onzen God. Want de geestelijke en ichamelijke hoererij is eene krankheid, die ons men-chcn maar al te veel aankleeft, en daarom heeft ïj, de vlekkeloos Heilige, deze schrikkelijke ver-enking op Zich willen laden, opdat wij zouden mogen preken en zingen: Welgelukzalig is hij, wiens jvertreding vergeven, wiens zonde bedekt is, welgelukzalig is de mensch, wien de Heere de onge-echtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen Dedrog is (Ps. 32 vs. 1. 2)
Welk eene reis was dat voor Jozef en Maria! in armoede, zorgen en allerlei bezwaren! Waaromhad de Heere God niet alles vooruit laten bestellen en klaar maken voor de reize? Waarom zijn er geen engelen gekomen , die Maria op hunne armen naar Bethlehem droegen? Waarom had de Heere het toegelaten, dat Maria zoo was verarmd? Dat, zoo als Luther zingt, heeft Hij al voor ons gedaan, om ons Zijn liefde te toonen aan. Geen haarbreed heeft Ii)j voor ons willen vooruit hebben. In zijne ouders uit Davids koninklijk geslacht, heeft Hij alles willen verliezen, opdat Hij, naar de wereld, een niets ware, Hij, die Alles is. Hij, de Koning der gerechtigheid n des vredes, Hij, die Koning is op de gansche arde, om met liefde en genade te regeeren, een oning echter, wiens rijk niet is van deze wereld! n dit leed Hij alles, opdat zij, die Hij tot koningen ezalfd heeft, den troost zouden hebben: mijn lieve leere en Heiland heeft denzelfden weg des kruises illen gaan, dien ik ook doorgegaan ben en nog
14
door moet, en heeft Zich zoo geopenbaard, als (Bm on overste Leidsman onzes geloofs. De Heere handelcB-hikte in al de omstandigheden zijner menschwording gelijBen n( David deed; toen David met zij a gansche legMaddei haast van dorst versmachtte en eenige helden heMutmo in eenen helm een dronk waters reikten, goot hij d;»aat s â water uit, zooals wij lezen; 2 Sam. 23 , vs 14â1 'iBcomt, â waar de zijnen zoo geleden haddeu, wilde Daviftreedt het niet goed hebben. Zoo beeft de Heere J-esulooda in het leger Zijner verlosten met den laagsteu ran® Vs willen beginnen, en alles zelf mede strijden en medlu w lijden. Niet als Koning, niet als generaal wilde zijne aardscbe loopbaan beginnen, maar als diensta/ie?-/^ knecht, als gemeen soldaat heeft Hij alle vernioeieflin z nissen, alle bezwaren van den veldtocht door erJgans door willen smaken en proeven. Waarlijk, er zijiBei' lt; niet veel moeders, die niet vol angst en zorgen zijnS onze als zij de geboorte van een kind te gemoed zien.Ivoor gewoonlijk is daar allerlei nood en angst voorhanden ;â geei .zoo mogen zulke moeders dan tot haren troost weten,à niet dat er eens een Koning door deze wereld trok, ge-1 vlec dragen onder het harte Zijner moeder, eu dat zijl Daf met Hem over berg en dal naar Bethlehem moesti kril trekken. Zóó arm is de Heere Jesus geworden ,i ope om een arm kind rijk te maken, in de hope derl Hij eeuwige heerlijkheid. I alh
Terwijl Jozef eu Maria daar zoo henen trokken, I pre werd de nood al grooter en schrikkelijker. ZijB hoi komen in Bethlehem en vinden niets, eu hebbenâ va niets. En hel geschiedde, als de lijd vervuld tücis.B pb dal zij haren zoude. Ach! men zou denken, dcB be smart, een kind te baren, ware op zichzelve reeds B lilt;: genoeg, en nu al die nood er nog bij, in eene vreemde jfi za stad, midden onder vreemde menschen, en niets tea h( hebben, niets te bezitten! Ach! de eene nood komt bij ^ et den anderen, eu waarom dit alles ? Dat geschiedde alles â n
V 15
m onze zonden, en nochtans alles naar Gods voorbe-ohikten raad en. wil. Ja, als wij nu eenmaal door e» nood, door de benauwdheid henen moeten, dan adden Avjj wel gaarne, dat die ons op zulk eene wijze mtmoette, als wij het ons voorstellen, maar neon ! het aat altoos anders, altoos erger en erger, totdat God comt, om Zijne genade en trouwe te verheerlijken, dan reedt het heil midden uit nood en dood te voorschijn, ;oodat men moet zeggen: dat had ili nooit gedacht.
Vs. 7. En zij baarde haven eerstgeboren zoon, ii wond hem in doeken en leide hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geene plaats was in de herberg. Alzoo niemand was er, om dat kindeke in zijne armen op te nemen! Maar al kwam de gansche heerlijkheid des hemels op aarde, toch zou er daarvoor geen plaats zijn hier beneden. Hij, onze gezegende Heiland, komt, om ruimte te maken voor de Zijnen, maar zelf vindt Hij geen ruimte, opening, maar overal harten van steen. Ach ! niet voordat Hij het steenen hart wegneemt en een begint men te roepen: Heere! onrein harte, en laat dat uwe dat vindt de Heere nergens
vleeschen hart geeft, Daal neder in mijn kribbe zijn. Zonder
van ons, maar nochtans plaats in de herberj.
heid laat zich
opening, en dat verwacht Hij ook niet anders, want Hij wil niemand iets verschuldigd zijn , maar allen alles geven. Al de joden van dien tijd hebben de profeten gekend, gelezen, gepredikt en uitgelegd, of hooren prediken en uitleggen, zooals nu nog de meesten
vindt de waarheid geen dezer wereld, en de ware waar-n eenen hoek werpen; daar blijft zij liggen, om van dezen hoek uit â want redden en zaligmaken is nu eenmaal haar lust en begeerte â het werk der verlossing aan te vangen. O ! welk een wonderbare aanblik ! Waarom, zoude men vragen nam God uit het ondankbare Bethlehem, uit de
als ideli
gelij
le he
à lt;J
-17
Javi I-e su ran, mee],
H
enst oeie^ v ei ziji zijn ien, len: ten, ge-
ZÃ1 jestquot; en, dor
1
16
ondankbare wereld Zijn Kind niet weder onmiddelijk tot Zich ia den hemel, sprekende: zij willen Hem toch uiet hebben, bij zulke menschen is toch alles â verloren? Maar, kent de Heere God ons dan niet tot op het gebeente, en heeft Hij ons niet van alle eeuwigheid zóó gekend, dat Hij wel weet, dat niemand onzer Hem hebben wil, dat niemand van nature ia den hemel komen wil, ja dat wij vol zitten van verkeerdheid en vijandschap tegen Zijne genade? Maar in de Almacht Zijner genade en ontferming doet Hij wat Hij wil, en ontfermt Zich, diens Hij Zich ontfermen wil, zendt Zijnen Zoon en laat Hem in een hoek, in den stal werpen, en deze Zoon komt geheel vrijwillig, ja. Hij komt om 's Vaders welbehagen te doen. En de Vader gaf Hem een lichaam, zoodat Hij een teeder en zwak kindeke was, en ook toen reeds was er voor Hem geen plaats onder de menschen.
O wie kan zich recht den nood voorstellen, waarin Jozef en Maria verkeerden! Als God van eere heeft gesproken, en de weg voert dan in een onreinen beestenstal, is dat dan eere? Als God allerlei beloften geeft, en men wordt dan zoo in een hoek gesmeten ? Ach! de gansche wereld, de joodsche, de christelijke wereld komen en werpen eene banier op, waarop zij den naam Jesus schrijven, maar niet den naam van den levenden Heere Jesus, en dan wordt het kindeke, de waarachtige Heiland, in een hoek geworpen! Is dal Gods weg ? Ja! dat is Gods weg, en nooit is Zijn weg anders geweest, opdat alle vleesch zoude weten, dat het midden in den dood ligt, en hard en onbarmhartig is voor den levenden Heiland.
Uitgegeven bij H. BUSKES te Utrecht, Haverstraat. Voor Dnitschland verkrijgbaar bij F. BUCOIANN, Elberfeld. Prijs per Nummer 3 Cis. Franco per post 4 Cts.
SCHRIFT VERKLAROGE^
VAN
Igt;r. II. F. KOHIiBK ÃGG£.
Lukas 2 vs. 7â12.
En de moeder des Heeren? Zij had niet een a het noodige om haar kind te bekleeden! Zoo neemt zij van de bedekselen van haar eigen lichaam, wikkelt haar kind daarin en legt liet in de kribbe. Lukas, de geneesheer, vermeldt nog deze kribbe in 't bijzonder. Menigeen, mijne lieve vrienden ! heeft wel eens voor een wiegje gestaan, waarin een klein, teeder kindeke lag, de hoop en vreugde zijner moeder: de moeder weent bitterlijk, want het kind is krank, het lacht haar nog even toe en â sterft. Dan, o vader! o tot den dood toe bedroefde moeder! verplaatst u in den geest bij de kribbe des Heeren Jesus! Daar ligt ook een kindeke in, en dat fluistert vriendelijk: laat de kinderkens tot Mij komen. Maar ook wij volwassenen blijven niet altoos gezond; in één oogwenk ligt de sterkste daarneder en de dood is daar. O daar, op dat laatste ziekbed, hoe is daar de heerlijkste gedaante plotseling veranderd, verwelkt de schoonste' bloem, Yervlogen de zoetste hoop ! Maar ik werp een blik in de kribbe, en het
Ook dit blaadje zal even als het vorige en dat over Job 19 vs. 25 zestien bladzijden bevatten. Met vijftien Januari zal daardoor geen blaadje kunnen verschijnen. Daarentegen hopen wij, zoo de Heere wil, den Januari 1887 met eene reeks uitleggingen van onzen Schrijver over Jakobus I te beginnen; hartelijk wenschen wij, dat velen daardoor getroost mogen worden en opgebouwd in ons allerheiligst geloof.
D. R.
No. 24 en 25. 1 Januari 1887.
2
kindeke lacht mij vriendelijk toe en zegt: Ik ben uw leven en liet leven der uwen, wie in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven, en zal den dood niet zien in der eeuwigheid, gelooft gij dat ?
Alles, wat de Heere Jesus was, was Hij om on-zentvvil. Hij was zwak, opdat wij sterk zouden zijn te midden van al onze groote zwakheid. Hij werd arm, opdat wij rijk zouden zijn in Zijne genade. Dat alles werd Hij om onzentwille, opdat wij , die vleesche-l|jk zijn en in liet vleesch leven, eenen getrouwen Hoogepriester zouden hebben, die al onze lichamelijke en geestelijke belioeften kent, en die als eeuwige Koning leeft en regeert om ons te doen toekomen, wat Hij ons heeft beloofd.
Eens kreeg David lust, water uit Bethleheras bornput te drinken, en o! hoe gelukzalig is dat volk, wien de Heere het geeft een' waarachtigen dorst te hebben naar datzelfde water! Maar daarvan kan niemand zich één droppel verschaffen, die bornput is omringd door het leger der Filistijnen , door het leger der helsche vijanden, die luide roepen : gij zult er geen droppel van hebben! Maar door Gods genade quot;had David helden, en sommigen hunner hadden den moed midden door den vijand heen te breken, en een dronk voor David te halen. Davids dorst was echter niet naar dkt water op zich zelve, maar als vorst en voorganger van zijn volk, smeekte hij daarom , dat Bethlehem van al de vijanden bevrijd mocht zijn, en het gansche leger der Filistijnen verstrooid worden (2 Sani. 23 vs. 14â-17-) Boven in den hemel is in den eeuwigen vrederaad ook een' bornput ontsloten, eene bron geopend, opdat een iegelijk daaruit drinken zoude, die het leven in eigen hand niet meer kan vinden, en de ware David heeft hier op aarde willen dorsten, opdat Zijn Brood
huis geopend zoude zijn, en de bron ontsloten voor alle armen en ellendigen, die dorsten naar gerechtigheid en eeuwig heil! üit dezen burnput, geopend in den eeuwigen vrederaad, ontspringt een stroom van barmhartigheid en genade. En de ïïeere God blijft den armen en ellendigen gedenken, Hij heeft hulp besteld bij eenen Held, die door Zijnen krach-tigen arm deze bron eeuwig geopend houdt, opdat alle versmachtenden daaruit rijkelijk zouden drinken en verzadigd worden. Die Held is onze Heere Jesus Christus, do waarachtige Hemelsche lioaz, die als de rechte Losser alles weder oreugt wat Elimelech verloren heefc, en die de Rechter der weduwen, de Vader der weezen zijn wil. Wij hebben gezieu , hoe de van allen verlatene en miskende Maria aan 's Hoeren hand, uit liet armezondaarsland, uit die beruchte stad Nazareth, naar Bethlehem was gekomen. Wij vernamen , hoe zij en Jozef daar in den stal bij de kribbe zaten, en er voor hunne oogen niets te zien was dan een arm, zwak kindeke. Zij hoorden nergens van, zij vernamen niets, hen zocht niemand op, het was, alsof de Heere hen verlaten had! üe beloften Gods hadden zij wel vernomen, maar nu was alles weer weg, ja, een kind was hun geboren, maar in welken toestand bevond zich dat kindeke! Daar lag het in armoedige doeken gewikkeld in de kribbe, in den stal, in een ware spelonke Adullams In die spelonk kwamen tot David alleen degenen, die schulden hadden, die bedroefd en benauwd van geest waren. Maar de Heere Jesus lag geheel eenzaam in de kribbe, terwjjl een os of een ezel zijn eenig gezelschap was. O laat ons juichen over zulk eene heerlijkheid der genade, die de Heere door deze Zijne vrijwillige vernedering voor heeft willen tot stand brengen : wij zullen echter daarover eerst recht juichen, zoo
wij geleerd hebben en leeren ons op ééne lijn te stellen met den os en den ezel, die in de nabijheid van 's Heeren kribbe vastgebonden waren, ja waar wij van harte Amen leeren zeggen op Jes. I vs. 3: Een os kent zijn' bezit Ier, en een ezel de krib zijns heeren; maar Israël heeft geen kennis, mijn volk verslaat niet. Zoo wij echter wederkeeren tot den Heere, beschaamd over onze verschrikkelijke zonden, zullen wij ervaren , dat de Heere zich erbarmt over het vee, ja over hen. die nog dieper dan het vee gezonken zijn. En als wij al^oo verootmoedigd en verbrijzeld van harte zijn gemaakt, zullen wij Hem ook zien in Zijne heerlijkheid en verkwikkende genade!
In eene kribbe, in een stal ligt de Heere, maar toch ligt Hij daar als de Heere van hemel en aarde. Wat Hij in den beestenstal was, dat was Hij om onzentwille, om den wille van Zijn arm, arm volk, om in hunne natuur, die gezondigd had, voor de zonde te betalen, om in hunne natuur den eeuwigen dood te overwinnen, en weder te verwerven vernieuwing des levens en eeuwige gerechtigheid. Daarom wilde Hij arm worden, den troon der heerlijkheid, de tegenwoordigheid en aanbidding der engelen verlaten, en alle grootheid en majesteit afleggen, opdat niemand zoude kunnen zeggen, dat de Heere iets bij hen vooruit had. Een kindeke werd Hij, op zoodanige wijze ontvangen en geboren, dat er tot Maria gezegd werd; Zalig is zij, die geloofd heeft. Aide ellende van den kinderlijken leeftijd, al de ellende van een' zuigeling wilde Hij in Zich opnemen, want Hij is ook der kinderen Heiland, en in de wedergeboorte verandert Hij alle volwassenen, die Hom toebehooren, wederom in kinderen. Neen, niets heeft Hij willen bezitten om alzoo te beschamen aller men-echenkinderen kracht, sterkte, rijkdom en wijsheid.
5
Hij wil niets hebben dan het woord en het gebod
des Vaders, om hetzelve gehoorzaam te zijn , en door o-yloof den eeuwigen Vader eere te geven.
En zoodra Hij hier op aarde was, heeft Hij deze Zijne keus geopenbaard: 1 Cor. I vs. 26â29. Want (jij ziel uwe roeping, bmeders! dal gij niet vele wijzen zijl naar Jen vleesche, niet vele machtigen, niet vele edelen , maar het dwaze der wereld heeft God uilrerkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zoude; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zoude beschamen; en het onedele der wereld, en het verachte heeft God nituerkoren, en hetgeen niet is, opdat Hij hetgeen iet is, le niet zoude maken, opdat geen vleesch zoude roemen voor Hem. Wie door God zeiven tot een zondaar is gemaakt, wie ineen is gezonken voor den donder van Sinaï, wie roept uit 's harten diep-sten grond: O God! wees mij zondaar genadig, die kan liet, ook op hot zachtste rustbed, niet uithouden, het is hem als een beestenstal, het wordt hem tot hooi en stroo, en, diep in zonde en onreinheid verzonken, wenscht hij weder een klein kind te zijn. Zulk een slaat zich op de borst en roept; ach, ware ik nog een kind! Maar arme ziel, wat zoude het u helpen, weder een kind te zijn? Elk kind is immers in zonde en ongerechtigheid ontvangen en geboren? Maar juist voor dien wortel onzer zonde en ellende heeft de Heere zich willen nederleggen, toen Hij een ellendig, zwak kindeke werd, en hoewel rein en onbevlekt in Zichzelven, onze onreinheid, onzen vloek op Zich heeft willen nemen. Om Zijnen Vader wederom eere te geven, wilde Hij van al liet zichtbare niets hebben, en van alles beroofd zijn, ja, ofschoon Hij de Koning der koningen was en eeu hemelsch paleis bewoonde, wilde Hij eeu
6
arm kindeke worden en in eene kribbe ter neer liggen. Waar God zal verheerlijkt worden, beleeft men eene hellevaart, danr gaat het door de diepste armoede en ellende henen, en men heelt in deze armoede en ellende niets dan 's Heeren M oord, en de vertroostingen des Heiligen Geestes.
Eenzaam en verlaten zitten Maria en Jozef in den stal ter neder, en â buiten op het veld bevinden zich eenige herders. Op Bethlehems velden groeide nog gros. ontsproten en bedauwd door do tranen van David, dien armen, door vader en broeders miskenden, jongen ! Die tranen lagen daar nog, cm God de Hoere gedacht er nog aan, want David was immers een beeld van Christus, toen hij zich over zijn vee erbarmde en het redde van den leeuw en den beer; om Davids, om Christus wille heeft God de Heere den herderstand gezegend, en dezen verachten, maar nochtans koninklijken stand in Bethlehem doen voortleven. En aan de herders wil de Heere Jesus zich allereerst openbaren, en niet tot den Hooge-priester, niet tot de Schriftgeleerden en Farizeeën, niet tot de Koningen is Hij het eerst gekomen. Daarom zijn nu andere standen geenszins uitgesloten, want ook de wijzen uit het Oosten kwamen om Jesus te aanbidden, maar de herders werden het eerst in den stal gebracht, opdat Maria en Jozef door hen zouden vertroost worden. Als een arme , maar die van God geleerd is, tot een' anderen arme en treurige komt om hem te troosten, dan zal zulk een veel heerlijker kunnen spreken dan een lichamelijk of geestelijk rijke, die geen nood kent; zuljc een arme zal de wonderen Gods veel meer doen uitblinken, bet zal veel beter den weg den harten vinden, waar zulk een arme van de goedertierenheid en trouwe des Heeren getuigt. Daarom moest het vooral
voor Maria een zeer sterke vertroosting zijn, toen do herders in den stal kwamen, daar zij niets van het voorafgaande konde weten, en dezen nu vertelden van de pracht en heerlijkheid , die zij aanschouwd hadden.
Een arm en zwak kindeke lag daar in de kribbe, een zeer zwak kindeke, maar nochtans is het sterk : bezondig er u niet aan! Een zwak kindeke werd Hij, opdat wij sterk zouden zijn in Hem, een klein kindeke werd Hij, opdat Hij vele kinderen met zich nemen zoude in de eeuwige heerlijkheid, en dit kindeke bezit eene onbegrensde macht, bezondig er uwe ziele niet aan. quot;Wel rust het niet in een gouden, met edelgesteenten versierde wieg, wel is het niet gekleed in reine zijde of sierlijke kanton, maar in armoede en ontbering ligt het ter neder, opdat al Zijne armen en ellendigen tot Hem de toevlucht zouden hebben, en ervaren, terwijl zij de handen naar Hem uitstrekken, dat Hij den armen goed, dat Hij de Heiland van zondaren is. quot;Wat Hij geworden is, is Hij nochtans niet. Wel ligt Hij daar in de kribbe, maar alle rivieren en zeeën der wereld zijn in Zijne macht, wel ligt Hij daar, in den schoot Zijner moeder, maar de starren en de melkweg zijn Zijn pad, hier ligt Hij zwak en arm in de kribbe, maar daarboven staat Zijn troon hoog opgericht boven alle werelden! Geheel eenzaam is Hij hier in dien duisteren stal, zonder pracht, noch sieraad, opdat alle dieren tot deze arke zouden komen, en voedsel vinden in deze kribbe. Maar dit kindeke heeft nochtans een lijfwacht van louter vorsten, heerschappijen, troonen en machten, waarvan één enkel, als hij zijn arm verheft, honderd vijf en tachtig duizend in eenen nacht verslaat, zooals Sanherib, die de slagorde Israels gehoond had. het tot zijnen schrik ervaren heeft. Zóó komt des Heeren Engel, de Engel
8
diens Heeren, die in de kribbe ligt als een waarachtig raensch, en nochtans de Hoere, de eeuwige God, Jehovah! Waarom heeft de Heere dat heerlijk Evangelie van liet vleosch geworden Woord niet allereerst door Maria laten verkondigen ? Ach! Dat ware der arme Maria onmogelijk geweest! En waaide Heere Jesus komt, daar is Hij zAvak met de zwakken, arm met de armen, ellendig met de ellen-digen. O, Hij gaat zoo zachtkena te werk met de zwakken, ja Hij kruipt zoj met hen voorwaarts op den weg, terwijl Hij ze op hunne reize liefelijke woorden toespreekt. Hij is nedergedaald in den vernederden toestand, waarin wij sinds Adams val rerkeereu, en is verzocht geworden in alle dingen, gelijk als wij, doch zonder zonde. Te gelijkertijd omringt Hem de gansche heerlijkheid des hemels, maar daarvan mogen wij niets zien, het moet voor ons eene zake des geloofs blijven. Zijt gij echter met den Heere Jesus op den weg â Mahanaïm! daar ziet ge in eens twee machtige heirlegers, is de Heere Jesus bij u in uw vertrekje â Mahanaïm! u omringt eene hemelsche lijfwacht, die wel onzichtbaar is, maar wier hulp en liefdedienst ondervonden wordt. Gen. 32, vs. 1 en 2.
Plotseling trad de engel dos Heeren tot die arme herders, en de heerlijkheid des Heeren omscheen ze, de heerlijkheid des Heeren Jesus! De Heere handelt als een groote Koning. Als die ergens op bezoek komt, of ten oorlog trekt, is hij gansch eenvoudig gekleed, maar om hem heen prijken zijne generaals en veldoTersten in den kostbaarsten dosch. De heerlijkheid des Heeren Jesus glinsterde niet in de kribbe, maar was buiten op het veld bij de engelen, want die hun omgevende heerlijkheid hebben deze hemelsche geesten niet in zich zeiven, maar uit
9
God, door Christus, stroomt die op hen neder. Deze klaarheid, deze heerlijkheid der engelen is de vreugde, die van hen afstraalt, omdat de weg tot den ge-nadetroon nu openstaat, omdat de hemelen gescheurd zijn, en er een nieuwe, levende weg is om tot God te komen, ja 't is de vreugde dei- engelen over de zondaren, die zich tot God bekeeren. Daar ligt de Heere Jesus in de kribbe, Hij is gekomen om gerechtigheid op te richten op aarde, en de Paradijsbelofte te vervullen, waarvan alle Profeten geprofeteerd hebben; en. in de vreugde daarover dat Hij, op Wien alle ellendigen gehoopt hadden, nu ook werkelijk gekomen was, traden zij tot de herders, die zich over hun vee erbarmden, en verkondigden hen de groote barmhartigheid, die God over hen had doen aanbreken; deze vreugde der engelen stroomt op de herders over, zoodat de heerlijkheid des Heeren ook hen omscheen. Zie! zoo is het daarboven in den hemel gesteld, daar is vreugde bij de heilige engelen, als zij hier op aarde een arm menschenkind zien, dat niet meer weet, hoe verder te komen op den weg, en hulpeloos ter neder ligt: dan denken zij: o! wat zal die heilig lachen, als wij tot hem komen met het niet verwachte heil, en wij hem toefluisteren: heb goeden moed! de zonden zijn u vergeven ! Dat was de heerlijkheid des Heeren, die de herders omscheen, en waar wij ook van lezen, Jesaja 6 vs. 1â3: hi hel jaar, toen de koning Uzzia stierf, zag ik lt;lm Heere. lillende op eenen Imogen en verhevenen troon, en Zijne zoomen vervullende den tempel. Jlc serajs stonden boven Hem, een iegelijk had zes vleugelen, met twee bedekte ieder zijn aangezicht, en met twee bedekte hij zijne voelen, en met twee vloog hij. En de een riep lof, den ander, en zeide: heilig, heilig, heilig is de Heere der heir schar en \
10
Pe gnnsche narde li van Zijne heerlijkheid vol. quot;Wij arme zondaren derven de heerlijkheid Gods, wij liggen van nature in smaad en in schande, wij zijn in Adam gevallen door verleiding des duivels en onze eigene, moedwillige ongehoorzaamheid , wij zijn van alle eere en gaven beroofd, hebben den moed, noch de macht meer onze oogen tot God op te heffen, maar verbergen ons achter het geboomte, als Hij tot ons komt. De Heere Jesus echter komt met heerlijkheid, met eeuwige eere. Hjj brengt dié door ons verloren eere, de heerlijkheid, die wij derven, liet beeld Gods, dat wij geschonden hebben, weder, en legt dat alles op hen, die in zonde en schande terneder liggen, maar die door Gods genade bekommerd zijn over hunne zonden, en er naar hongeren en dorsten , om deze eere weder te ont-
o /
vangen, en met het kleed der gerechtigheid bekleed te worden: op allen, die in het stof terneder liggen, legt Hij deze heerlijkheid, en spreekt: Joh. 17 vs. 22 ; II,- hel) hun Mijne heerlijkheid yecievcn en daarom o Yader! zult Gij niet dulden, dat de duivel ze daarvan beroove!
Zulk eene heerlijkheid, als daar in Bethlehems veld te zien was, is echter van dien aard, dat zjj den mensch verbrijzelt en ter aarde doet zinken, daarom lezen we ook van de herders: zij vreesden mei {tronie vreeze. Ach! wij arme menschenkinderen kunnen zoo zonder God voortleven, en daarbij ijveren voor een zoogenaamd evangelie, dat het ware niet is. ja zelfs veel schoone leerredenen aanhooren, maar waar de heerlijkheid des Heeren het harte doordringt, waar de Heere zelf tot ons komt met Zijne heilige wet, daar zinkt de mensch terneder. De herders vreesden met groote vreeze, en dat deed ook Jesaja zooals wij lezen: Jesaja 6, vs. 5: Toen zeide ik: Wee mij.
11
want ik verga, dewijl ik een wan van onreine lilijien hen, en wone in het midden vcm een vulk, dut â¢onrein van lipiien is. Onreine lippen! ach! ik heb niet eens meer lippen om te stamelen van de heerlijkheid des Heeren Jesu! alles wat ik daarover zeggen wil, dient slechts om die sneeuwwitte heer-lijkheid te bezoedelen, in plaats van die te verheerlijken, en ik moet daarvan prediken met deze mijne onreine lippen, en ik weet er niets van te zeggen, tenzy de Heere het mij op die onreine lippen legt! Ja, zoo schandelijk, zoo zondig, zoo door de zonde verpest ben ik ! en uit mijn hart komt niets voort dan zonde en ongerechtigheid! Toen Samuël te Bethlehem kwam om David tot Koning te zalven kwamen de oudsten der stad hem bevende te (jemoet, en zeiden: is uwe komst met vredef 1 Sam. 16, vs. 4b. Zij meenden dat Samuël naar Bethlehem kwam met de tuchtroede, om hem te straften. Ach! als de heerlijkheid des Heeren ons bestraalt, als de waarachtige waarheid tot ons komt, dan liegen wij die waarheid wat voor, maar juist zij maakt de verkeerdheid des harten openbaar. Ja! Zóó is hot met den mensch gesteld, en niet anders, hij kan het maar al te goed zonder God in de wereld uithouden. En ligt men dan op het sterfbed, dan doen wij, zoo wij niet waarachtig tot God bekeerd zijn, even als de misdadigers voor de rechtbank, die dan genade! genade! roepen: maar ala het te laai is. De rechter kan geen genade schenken, de wet moet gehandhaafd worden. O ! bekeer u dan eer het te laat is! Maar ach! welke kunstgrepen en listen heeft de duivel niet, om zelfs de gedachte van waarachtige bekeering uit het hart te verbannen, en toch hopen allen nog wel eens in den hemel aan te landen! Ik herhaal het u echter, nog eenmaal en nog eenmaal:
12
liekeer u eer het te laat is. Dat is echter de waarachtige bekeering, als een zondaar wegzinkt, ja ter aarde stort voor de heerlijkheid en genade Grods! God eischt niet van u, dat gij dit of dat zult doen om Zijn hart te vermurwen, maar Hij wil uw harte hebben. quot;Waar echter liet echte zaligmakende: Wee mij ! uit het harte opstijgt, dat de Heere er zelf ingelegd heeft, daar spreekt de Heere Jesus: âVader, dat kan Ik niet langer aanzien, dat de dood op aarde alles verwoesten zou. Geef Mij een men-schelijk lichaam, opdat de dood Mij verwoeste, opdat Ik de dood des doods zij, en de Mijnen leven in aller eeuwen eeuwigheid!quot; Zoo is het in den hemel gesteld, zoo is het harte Qoda, zoo bereid is Hij den ellendigen elke zware last van het harte te nemen. Terwijl de herders vreezen met groote vreeze, spreekt de enge! Lot hen: Vreest niet! En toen Jesaja uitriep: wee mjj, ik verga, vlooq een dei-serafs tot hem , en had eene gloeiende hooi in de hand, die hij mei den lang van het altaar genomen had, en hij roerde zijnen mond daarmede aan en zeide : Zie, deze heefl moe lippen aangeroerd., alzoo is uwe misdaad van n geweken, en uwe zonde is verzoend. Jesaja 6 vs. 6 en 7. Het roode bloed en de Heilige Geest kwamen en reinigden Jesaja's lippen, en waar die rein zijn, is de gansche mensch rein; die gewasschen is heeft niet van noode dan de voeten te wasschen, want hij is geheel rein.
En vol vrede en zalige rust werd Jesaja toen zijn lippen aangeraakt waren met die gloeiende kolen, en vrede! vrede! geademd werd in het verbrijzelde hart. En zoo ging het ook den herders, tot hen klonk het liefelijke woord: Ziel! ik verkondiq u f/roole blijdschap: ja, gij vreest te recht, gij onbekeerde , gij wereldling, gij hebt alle oorzaak tot
13
â vreeze ! Zoo gij echter leert waarachtig te vreezen, zoo is de oorzaak uwer billijke vrees weggenomen. God, Zijne heilige engelen, de geheele hemel komt voor u op, waar gij zaligmakend hebt leeren vreezen. En al komt dan de hel met alle duivelen op u los, zoo God voor u is, wie zal dan tegen u zijn !
Ziel! Geeft acht, gij bedroefden, slaat hetmoege-weende oog eens op, ziet mij eens aan, sprak des Heeren engel. Zie niet op vleesch en blued, niet op nood en dood, maar zie Mij aan, zegt de Heere Jesus. Ik verkondig u groote vreugde en blijdschap. De duivel wil ons treurig en bezwaard hebben, maar de Heere Jesus wil, dat wij ons verheugen: want gewis! het zal alles goed gaan als wij ons door Hem laten leiden en van Hem leeren te ge-looven in God als in onzen genadigen God en Vader, ilaar ach! wij arme menschenkinderen laten den duivel veel te veel met ons sollen, ons veel te veel door hem heen eu weer werpen, in plaats van ons aan God te houden, en den zwarten helhond weg jagen met het bloed Jesu Christi. Waarlijk, wie arm en ellendig is heeft geen reden tot droefheid. Ziet, Ik verkondig u groole blijdschap! O, er is geen grootere vreugde op aarde, dan dat een zondaar, die vol zonde en schuld is, die gansch bedorven is, die meent, dat hij verloren moet gaan, en dat hij geen God heeft, en daarom treurend en vol angst en nood zijn levensweg bewandelt, plotseling des Heeren woord verneemt: Vrees niet! Ik heb u verlost, Ik delg uwe zonde uit als een nevel en uwe misdaad als eene morgenwolk. Geen zwaarder droefheid dan de droefheid naar God van wege de zonde, geen grooter vreugde dan waar God komt met Zijne hulpe, met de hulpe Zijns aangezichts en spreekt: wees getroost o ziele! wacht op deu
14
Heere, ja , wacht op den Heere , nog eeu weinig , nog een weinig , en gij zult alles beërven.
En nu, acli hadden wij maar een hart om de groote barmhartigheid des Heeren te begrijpen, maar hot arme, kleine menscheuhart heeft geen vatbaarheid voor Gods genade! En nochtans daalt de gansche hemel neêr, om deze groote blijdschap te verkondigen. De engelen kennen onzen verloren toestand niet, zij hebben het nooit ondervonden, wat het is, in de hel te liggen en door Belials-banden gebonden te zijn ; nood , ellende, doodelijk verderf kennen zij niet, daarom kunnen ze ook niet verstaan wat yenade is , maar toch ontgloeien zij in heilige vreugde, als de Heere Jesus zich wil verheerlijken aan zulke zondaars, als wij zijn! Wel weten zij, hoe zondig en ellendig wij zijn , wel weten zij wat in onze harten steekt, maar daar houden zij zich niet mede op, maar zien op hunnen grooten Koning, en bezingen de gebeurtenis, dat Hij den hemel heefc verlaten, ons vleesch en bloed heeft aangenomen en daar nu ligt in zulk eene ellendige kribbe. Daar verheugen de engelen zich over, dat God barmhartig is , en dat is de vreugde der helle, deze hartelijke barmhartigheid onzes Gods verre te houden van den armen mensch, door eigengerechtigheid en zonde, 's Heeren vreugde en blijdschap is het den diepgebogen zondaar weder op te richten en aan te nemen, den klagenden en weenenden te troosten, en ledige val en te vullen. Zie! dat is 's hemels wijze van doen, dat is de regeering der eeuwige genade.
Daarom klonk het in Bethlehem's velden: Ziet! wij verkondigen u groote blijdschap, en dat niet alleen aan u o herders, maar blijdschap die al den volke wezen znl, dat is al het arme volk. Deengelen -weten wel, waar al dat arme volk verscholen zit,
15
dat deze allerhoogste weldaad heeft ontvangen, zij weten wel, waar van daan ze komen, namelijk uit Galilea, uit het arme zoudaarsland, uit Nazareth, die beruchte stad; wel waren er ook eenigen te Jerusalem, maar nochtans âal, den volkequot;, zeggen de engelen, want in de veelheid der onderdanen is der koningen heerlijkheid. Ja dat is ook de rechte heerlijkheid van Koning Jesus, vele onderdanen te hebben, dat is Zijne zaligheid, dat alle arme zondaren, ja juist de ergste, de diepst gezonken zondaren in Zijn rijk zouden opgenomen worden, en dat is de vreugde der engelen aan al dit ellendig volk te verkondigen het groote heil, dat hun is wedervaren.
quot;Welnu! richt gij u trotsch omhoog en staat pal, gij wet! gij duivelen! gij farizeeën alle, waar onze Heiland maar heen komt, kunt gij dien stroom van genade, die uit Zijn hart ontspringt, niet tegenhouden! Waar Hij komt, storten de tegensprekers in het stof terneder, en als Hij opstaat versmelten Zijne vijanden als was voor het vuur! Hij heeft Zijn zwaard aangegord, om den treurigen blijdschap te schenken en ze te bekleeden met de kleederen des heils, dat is: âde blijdschap die al den volke geschieden zou, namelijk al het arme en ellendige volk, dat meent: voor mij is er geen zaligheid.quot; Ja! Hij zal nochtans komen op Zijnen tijd, op Zijne ure en u toeroepen; u is heden de Zaligmaker geboren, namelijk Christus, de lleere, in de stad Davids. De engelen beginnen dadelijk met de heilige Schrift, met Mozes en de profeten. Hoe bekend moest dat alles den herders in de ooren klinken: âZaligmaker,quot; âChristus,quot; âstad Davids.'' U is de Zaligmaker geboren ! Welk eene schijnbare tegenspraak. Waarom zeiden de engelen niet: de Zaligmaker is van den hemel nedergedaald? Omdat Jesus geen Zaligmaker
16
is met een achijn-lichaam, maar een Heiland, die waarachtig- vleesch eu bloed lieeft aangenomen, en ofsclioon Hij in zich zeiven rein, vlekkeloos en onschuldig was, zoo heeft Hij toch ons verdorven vleesch eu bloed, onze ziel, die weenen en lijden kan, aangenomen, en werd zoo, in vereoniging met Zijne Godheid, de Zaligmaker, Immanuël, Grod met ons!
Heeft Christus mijn vleesch en bloed aangenomen, dan kan de duivel mij niet meer krijgen, dan mag hij zich aan mijn stof vergasten, maar nochtans zal mijn lichaam eens verheerlijkt opstaan, en van den ganschen verlosten mensch zal geen klauw in 's duivels geweld blijven, want den geheelen mensch heeft Christus als Zaligmaker en Heiland in Zich opgenomen en verheerlijkt. Daarom heet dat kindeke in de kribbe: Zaligmaker of Heiland.
O ! al was iemand honderd jaren tot God bekeerd, zoo kan hij toch nooit uitspreken, wat in dat woord; Zaligmaker, Heiland, opgesloten is, altoos, altoos is men dat weer vergeten. Het beduidt: dat Hij een geneesheer is, die eene doodelijke wonde heelen kan, die een door vurige slangen gebetene, die het gift der zonde in zijne aderen heeft, en daarom sterven moet, gezond kan maken. Ja, zulk een Heiland is Hij, die met Zijne reine lippen het doodelijk vergift uitzuigt en den wijnen de olie Zijner vertroostingen in de wonden giet. En al moeten wij dan ook eenmaal sterven, toch sterven wij niet door het vergift der helsche slang, maar omdat Hij wil, dat wij zalig inslapen, en in dien slaap wil Hij ons door de engelen doen overdragen in Zijn Paradijs! Daar is het ander» gesteld dan in Bethlehems Btal! Amen!
Uitgegeven bij H. BUSKES te Utrecht , Haverstraat.
Voor Dnitschland verkrijgbaar bij F. BÃCKMANN, Elberfeld.
Prijs per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Cts.
SCHRIFT VERKLARINGEjV
VAN
Igt;r. II. F. KOHL.BRÃGGE.
Paasch-blaadje over Lukas 24 vs. 1â11.
.j
(De lezers worden verzocht, allereerst dit gedeelte van het Paasch-kapittel bij Lukas aandachtig te lezen).
Wat gij daar leest, lieve vrienden! is louter evangelie , louter blijde boodschap voor uwe arme, aan-gevochtene ziel, maar, al staat dat alles daar zoo heerlijk geschreven, toch kunnen wij, kinderen van Adam, ons zeiven niet helpen, niet troosten met het evangelie der opstanding van onzen Heiland uit de dooden. Als wij deze geschiedenis oplettend lezen, moet ons de wijze verbazen, waarop alles hier is opgeteekend. Meent echter niet, dat wij zullen beproeven u te bewijzen, hoezeer dit verhaal met datgene, wat wij bij de andere evangelisten vinden, overeenstemt, want het is louter waanwijsheid en goddeloosheid Gods quot;Woord in eenig stuk in twijfel te trekken, en er bestaat volstrekt geen tegenstrijdigheid in de verschillende verhalen der opstanding, ;oo men die slechts met een eenvoudig, d. i. met en door Gods Geest verlicht oog leest. Deze tegen-|strijdigheden bestaan alleen voor de kranke hersenen |van sommige wijzen dezer eeuw, en wat voor troost [kan ons dat woordenziften en schiften geven, als iwij vol angst daarover zijn, niet of Gods Woord wel l^al kunnen bestaan voor het oordeel van dwaze inenschenkinderen, die alleen wijs zijn in eigen N°. 31 en 32. 9 April 1887.
oogen, maar of wij wel bestaan zullen in den dag der dagen, als Hij, die opgestaan is uit de dooden, komen zal op de wolken des hemels.
Is er nu hier of daar een eerlijke twijfelaar, die niet alles in de letter van dit verhaal begrijpt, en voor wien dit een steen des aanstoots is, zoo wil ik gaarne deze zwarigheden voor hem trachten op te lossen, maar de zielen, die naar troost en licht dorsten, willen wij daarmede niet vermoeien, maar liever met hen eten en drinken van het heerlijke evangelie, dat wij hier vinden.
Lieve lezer! er is ééne zaak , die gij en ik, die een ieder weten moet, en dat is het antwoord op de vraag; ben ik op weg naar den hemel, op den engen weg naar het Jerusalem, dat boven is; â of staan mijne voeten nog op den weg des verderfs, waarvan het einde is de eeuwige dood, eeuwig huilen, eeuwige knersing dor tanden ? Die nog op den weg des verderfs wandelen, bekommeren zich daar niet over, of zij leven of wel dood zijn in zonden en misdaden , en zij kunnen er zich ook niet over bekommeren, want zij zijn geestelijk dood, en een doode ziet niets, hoort niets, kan niets. Die echter op den eeuwigen weg, op den weg naar den hemel zjjn geplaatst, hebben vele angsten, vele bekommernissen in het hart daarover, of zij werkelijk aan 't eind hunner reis het eeuwige leven zullen beërven. Daar zijn ze bekommerd over, dat is de groote vraag, die hen vervult met schrik en vreeze, niet, of dit of dat in GodsWoord wel juist is, maar of Jesus leeft, en of die levende Jesus hun Jesus is voor tijd en eeuwigheid! Als de Heere Jesus zich aan eene ziel mededeelt, die nog hier in Mesech woont, openbaart Hij Zich aan dezelve, en om Hem te hebben, Hem te zien. Hem
rquot; 3
te genieten, daar gaat het een iegelijk om, die ooit iets van die liefelijke nabijheid heeft gesmaakt. Schijnt de Heere nu dood te zijn, is Hij weer verre van de ziel geweken , dan moet zij dit ééne weten : of Hij leefl, noch lans leeft! en of zij wel waarachtig met Hem van den dood is overgegaan in het eeuwige leven! quot;Wie dood is, gelooft de opstanding des Heeren zonder de minste zwarigheid, ja, die bekommert zich weinig, of er in 't geheel wel eene opstanding uit de dooden is ; zoo in 't algemeen, ja! zooals aan een verstands-begrip of leerstuk, gelooven duizenden er aan in 't uitwendige Christendom, hoewel ze er niets van gelooven. Wie echter door God zelve levend is gemaakt, gelooft en belijdt met mond en hart het stuk der opstanding, en terwijl zulk eene ziel gelooft, kan zij het tot hare bittere smart toch niet gelooven: de zaak is haar te groot, te hoog, te heerlijk!
Daar ik nu in de opstanding van Christus, als het onderpand mijner zalige opstanding geloof, wensch ik van harte het te blijven gelooven, er mij op te verlaten als op mijn eenig anker in leven en sterven, en kan het toch niet! O hoe gaarne zoude ik toch willen weten, of er waarlijk op weg naar Jerusalem meer van zulke patienten zijn, die even zwak en ellendig zijn als ik, die even als ik gelooven, begeeren te gelooven, en die het toch telkens weer niet kunnen ! Of er onder 's Heeren volk nu meer zulke patienten zijn, dat moet ik uit 's Heeren Woord, uit Zijn Evangelie, en niet van hooren zeggen, weten. Uit Zijn heilig Evangelie moet ik het weten, of, ea waar broeders en zusters des Heeren zijn even als ik, die den Heere niets dan verkeerdheid en zonde kunnen toonen, die van
4
Hem, den besten, geduldigsten Leermeester, het beste onderwijs hebben genoten, en toch niets weten, die niet kunnen gelooven, en toch gelooven en lief hebben, die hongeren en dorsten naar alle goede werken en toch even als ik vol verkeerdheid zitten !
Aanvechting leert op hel Woord acht geven. Dat verstaat gij nog niet, lieve kinderen ! en gij, jonge lieden! verstaat het ook nog niet: âwant, die niet in vele verzoekingen en aanvechtingen gevallen zijnquot; verstaan daar niets van, hetzij ze jong of oud zjjn. Die nu voor zich zeiven nog geen aanvechtingen kennen, moeten eerst maar eens goed leoren, dat het voor de zonden en overtredingen van ellendige Adamskinderen was, dat de Heere Jesus stierf, drie dagen in het graf lag en uit de dooden opstond. Bij dit evangelie moeten ze blijven, en volharden, en er zich door geen nieuwerwetsche schijnwijsheid van laten afbrengen, en dan worden zij ook zalig, maar zóó, dat zij vroeger of later in hun leven er iets van zullen gewaar worden, wat ook gij, lieve kinderen! wel eens gelezen hebt, van die twee discipelen, die zoo bezwaard op den weg naar Emmaus wandelden: namelijk dat, toen de Heere Jesus Zich bij hen gevoegd en hun de schriften geopend had, zij spraken: Was ons hart niet brandende in ons, loen Hij mei ons sprak op den wegquot;/ Luk. 24 vs. 32. Ja! dat zult ge vroeger of later op uwen levensweg ondervinden, dat, terwijl gij zoo stil daarheen gaat. Hij, die liefelijke Heiland, die schoonste onder de menschenkinderen u plotseling nabij komt, maar dan weet ge niet, wie het is, die met u spreekt; dat leert ge eerst later ^,bij het breken des broods, bij Zijn goddelijk onderin wijs, dat~~2rjjn verbroken lichaam alleen de spijs tff^uwer ziele is, en Zijn vergoten bloed de eenige ware
5
I
spijs en drank voor haar. Kent ge hier nog niets van, o houdt dan aan bij den Heere! Yer-staat gij dat nog niet recht, maar zoudt gij het toch gaarne verstaan, o smeek den Heere het u te leeren. Deze verheerlijkte Heiland, die nu aan 's Yaders rechterhand in de hemelen zit, en eens in ons ellendig vleesch en bloed op aarde rond wandelde, leeft nog, en persoonlijk openbaart Hij zich aan de zielen van arme zondaars door Zijn Woord en door Zijnen Heiligen Geest. Zie! dat moet waar worden bij ulieden, dat moet ge leeren kennen, zal liet wel met u zijn. Als ge dit gesmaakt hebt, dan gaat de weg echter verder, weer de diepte in, en wel in deze diepte, dat ge van alles, wat de Heere u gaf te smaken en te genieten, niets meer over hebt, ja alles , wat Hij u geleerd had , weer vergeten zijt. En dan zet Zijne trouwe hand u uit uwe armoede in Zijn lieflijk Evangelie over, want daartoe, om degenen, die in hunnen geestelijken druk omkomen , weer op te helpen, is het Woord van God ons gegeven. Alleen God verstaat het met de moeden een woord ter rechter tijd te spreken. Kom, laat nu het hoofd eens niet zoo moedeloos hangen, maar werp met mij een blik in 't Evangelie. Dan zult gij eens zien , wie de Heere lief heeft, en wien Hij haat, hoe het met hen gesteld is , die de opstanding uit de dooden gelooven, en die waarlijk op den weg naar den hemel zijn, want dat zult gij omtrent vrouwen, die zich naar 's Heeren graf opmaakten, toch wTel niet in twijfel trekken.
En op den eersten dag der week, of, zooals Luther zegt, op den eersten dag van den sabbat , zeer vroeg in den morgenstond, gingen zij naar hel graf, dat waren diezelfde vrouwen, waarvan wij in
6
het 233te kapittel vs. 55 en 56 dit lezen : en ook de vrouwen, die met Hem gekomen waren uil Galilea, volgden na, en aanschouwden hel graf, en hoe Zijn lichaam gelegd iverd, en ivedergekeerd zijnde, bereidden zij specerijen en zalven, en op den sabbat rusllen zij naar het gebod. Rustten zij op den zoogenaamden âgoeden Yrijdagquot;? Neen op den sabbat, staat er, rustten zij naar het gebod.
Alzoo, op den dag, dien wij âgoeden Vrijdag-' noemen , bereidden die vrouwen 's avonds laat hare* specerijen, en wilden daarmede 's Heeren lichaam balsemen en voor verrotting bewaren. quot;Wel, wel! zal menig kind zeggen, hoe dwaas was dat van die vrouwen! wij zijn toch veel wijzer! Wij hebben immers op de catechisatie den 16leu Psalm geleerd, en weten, dat dit op Christus ziet;
Gij zult mijn ziel niet in de hel vergeten.
Uw Heil'ge zal van geen verderving weten !
Ja, lieve kinderen! dat hadden die vrouwen ook wel geleerd, die kenden den lö'1⢠Psalm ook wel, ja zij hadden beter onderwijs gehad dan de beste leeraar op aarde u geven kon: zij hadden het van den Heere Jesus zelve geleerd, en toch! ââ Maar ik zal u, lieve lezer, eens eene vraag voorleggen : is die Jesus, in wiens opstanding gy zoo goed kunt gelooven, veel beter en vaster dan die arme vrouwen, wel de Christus Gods? Is het wel de rechte Jesus? O al heeft die er ons honderdmaal van overtuigd, dat Hij de rechte, dat Hij onze Jesus is, toch weten wij nog niets als Hij ons geloof in den smeltkroes werpt, als wij in nood en dood op Hem alleen moeten hopen. Als Hij zelve dan niet tot ons komt, staan we radeloos en verlegen, en kunnen niet gelooven, hoe gaarne wij ook willen gelooven. Gewis, wij moesten
de vijar zorg zoo en i heut durv
Hij
hart Hen de £ deze of lt; o H H allei de ] wee: imm wer( krac en (
ZOU(
dan E
en â Psa Zijn dan Hee dat Hac leze der
de vijanden des Heeren, ook dien grooten aartsvijand uit de hel, de vreugde niet gunnen, onze zorg en twijfelmoedigheid te aanschouwen, maar ach! zoo ellendig zijn die arme patienten des Heeren Jesus, en niet anders, zóó zwak van krachten en van geheugen ! En toch, wie zal het van deze vrouwen durven ontkennen, dat ze zusteren des Heeren waren ? Hij was het immers, die de liefde Gods in hare harten had uitgestort door den Heiligen Geest, zonder Hem konden zjj het niet uithouden ! En zoo zegt de arme ziel, die even weinig weet en begrijpt als deze vrouwen: of Hij leeft, of Hij voor mij leeft, of dood is, dat weet ik niet, één ding weet ik, o Heere Jesus, ü, U moet ik hebben, of ik sterf.
Hier kunnen wij zien, lieve lezer, hoe God wilde dat allereerst vrouwen tot het graf zouden gaan, en dit deed de Heere om aan aan gevochtenen te bewijzen, dat Hij weer opricht wat de duivel bedorven heeft. Het was immers de vrouw, die iiet eerst door den duivel ten val werd gebracht, het waren vrouwen, die het eerst de kracht der opstanding Jesu Christi zouden ervaren; en dat liet de Heere zoo gebeuren, opdat allen moed zouden vatten , die, evenals die arme vrouwen, niets dan ellende en zwakheid in zich vinden.
Daar naderen nu deze geliefde zusteren des Heeren, en wat zochten zij P Kwamen zij zien, of de zestiende Psalm in vervulling was gegaan? Of het woord uit Zijnen mond waar was geworden ? Hadden zij dat dan alles vergeten, en wilden zij waarlijk, door den Heere te zalven, toonen , dat zij het er voor hielden, dat Hij in het graf was, en ook in het graf bleef? Hadden zij dan werkelijk alles vergeten? Ja lieve lezers, wat gelooft gij eigenlijk van de vergeving der zonden? Als ik u eens op den man afvroeg ;
8
hoe zijt gij rechtvaardig voor God? quot;Wat is uw eenige troost in leven en in sterven ? Misschien zijn er onder u, die zeggen zullen : daar kan ik goed antwoord op geven, daar heb ik reeds vaak antwoord op gegeven, voor twintig of dertig jaren heb ik dat reeds met mijn bloed onderteekend, ik twijfel niet, maar zwaai dapper met den hoed, en spreek het vrijmoediglijk uit, trots alle duivelen, die zich aan mijne beenen hangen om mijn vrijmoedig in en uitgaan met mijnen God te verhinderen, nochtans kom ik in de eeuwige heerlijkheid! Maar nu dagen nieuwe nood en oude zonden voor mij op, oude dood en ellende in eene nieuwe gestalte, eu alles is weer verdwenen, wat ik meende, nooit meer in twijfel te trekken. Maar dan blijft toch dit ééne over in de ziel: ik moet Jesus hebben, al ligt Hij voor mij in 't graf. Toch moet ik Hem hebben, naar het graf moet ik henen, al was daar ook niets te vinden dan 's Heeren dood lichaam. In mijnen angst sla ik het Woord op, maar ook dat zwijgt en schijnt in 't graf te zijn gegaan, de catechismus ook, en ik, die anderen zoo vaak troosten kon, kan zelf nergens bij! O ik kan dat quot;VVoord, dat dierbare Woord van God, waarin ik toch al mijn heil zie, niet meer gelooven, het is mij alles zóó duister, zóó schrikkelijk, zóó bange! Nochtans blijf ik aan 't zoeken, aan 't bladeren in mijnen dierbaren Bijbel, hierin heb ik eens troost gevonden, hierin vind ik misschien weer troost, want ik moet Hem, ik moet Jesus weer hebben, of ik sterf! Zoo was het ook in 't hart dier bekommerde vrouwen gesteld , naar Hem, naar Hem moesten ze henen , al was het dan maar naar Zijn graf; het stuk de opstanding uit de dooden vatten zij niet recht, ja.
jii
â -
9
opstaan, zeker zal Hij opstaan, ten uitersten dage misschien! Intusschen, hoewel geheel beroofd van allen troost, en ofschoon zij niets meer van Hem gewaar worden, ook niets meer aan het Woord hebben , hadden deze Trouwen echter die liefde tot den Heere in 't harte, dat zy Hem wilden balsemen. Hem voor verderfenis en verrotting wilden bewaren; gansch heimelijk dachten zij misschien: âen wie weet, of er nog geen hulp opdaagt.quot;
Ach men zou wel gaan vragen: hoe kan de mensch zóó dwaas zijn! Ja zoo dwaas is de mensch, dat kunnen wij in 't dagelijksche leven ook gewaar worden, en de wijste wijsgeer der wereld vermag niet deze vrouwen te verdoemen, en schouderophalend te zeggen: Och, dat waren ook maar domme vrouwen, want in 't geestelijke leven; in het leven der genade, hangt ailes, dag aan dag, alleenlijk af van vrije genade, dat leven berust niet op mijn verstand en op mijne kracht, maar het is alleen de Heilige Geest, die dat verwekt heeft, en ook dag voor dag levendig moet houden. Daarom bidt ook David Ps. 51 vs. 13; Vermerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uwen Heiligen Geest niet van mij.
Daar komen nu die arme vrouwen met hunne specerijen en zalven! Welk een zware arbeid voor haar, die vaten en kruiken vol zalf naar het graf over te brengen! Wat zal dat een geld gekost hebben! En wat wilt ge nu met dat alles beginnen, lieve zusters ? Daarover zal zich nu wel geen wijsgeer en geen godgeleerde, die niet van God geleerd is of wordt, bekommeren, maar die disschen niets op, dan stinkenden kost, die ter helle voert, en die vragen er niet naar, wat bekommerde zielen eigenlijk met al dat tobben, met al dat zware
81 «n 32.
10
werk, dat zij zich opleggen, bedoelen: zij weten zich immers spoedig over alles heen te zetten, en dat moeten dan die vrouwen ook maar doen. Maar, al zag het er schijnbaar bij deze vrouwen zoo ruim niet uit, toch woonde liefde en geloof in hare benauwde harten. Daar komen zij aan met hare specerijen, hebben veel geld daarvoor uitgegeven en â waartoe ? Zij willen Jesus zalven, en terwijl ze nog meer specerijen en zalven dragen, tot Hem in het graf gaan om Hem voor verderf te bewaren! En Hij was reeds lang opgestaan, de banden des doods hadden Hem, den Vorst des levens, niet kunnen houden! Nog meer specerijen en zalven brengen zij ter plaatse, en denken zelfs niet aan de mogelijkheid eener opstanding uit de dooden. Wat leven heeft, heeft het leven lief, ziet gaarne leven, en niet in eens wordt men van zijne werkheiligheid verlost. Men kan leven uit God hebben, en toch nog meenen den Heere met alles tegemoet te moeten komen en te dienen. Ja, als de rechtvaardiging door het geloof om Christus' wille alleen, met het verstand aangenomen wordt, dan valt alles licht, dan gaat alles als van zelf, en dan kan men over Christus spreken, en er zich weinig over bekommeren, of men tegelijkertijd de zonde drinkt als water. Als men de waarheid Gods alleen met het verstand aanneemt, dan zingt men dapper:
Er valt niets meer uit te maken,
Hel en toorn zijn geblusclit!
En bij alle onze zaken Hebben wij de zoetste rust.
Ja wij plukken maar de vruchten Van des Heeren bangen strijd,
Want Hij heeft in Gods gerichte.
Ons voor eeuwig vrij gepleit.
'Hl
Ãi
li
Is 't waar, dat zoo luide gezongen wordt, zonder dat het hartezaak is, zonder dat het door den Heiligen Geest in 't hart is geschreven, dan schijnt het wel een opgeruimd leven te zijn, een vroolijk Christendom, zooals men zegt, maar de baan is glad, en die het luidst zingt en vooruit gaat, ligt het snelst in 't slijk. Waar echter de gerechtigheid des geloofs zonder werken zich openbaart, daar vindt zij een volk, dat tot over de ooren in werkheiligheid verdiept is.
Maar al die werken, al die specerijen en zalven dienen immers nergens toe? Dat is al naar men het neemt. Wat geen leven uit God heeft, kan in een ommezien al de werken der wet, de geheele plaag der werkheiligheid over boord werpen, maar wat leven heeft, loojjt altoos weer van onder Gods vrije genade weg, als do storm echter geweldig achter hem is, als alle duivelen hem op de hielen zitten, laat hij zich,- anderen tot heil, in de zee werpen, en laat alles aan boord achter, wat hij mede had gebracht. Na drie booze en lange nachten daagt hij toch weer op uit de diepte, uit de helsche duisternis, uit den buik van den walvisch! Dat moet geleerd, herhaaldelijk geleerd en ervaren worden op den weg des levens, en al heb ik het u honderdmaal gepredikt, zult gij het toch nog duizend maal van mij vernemen; âMij hebt gij niet cjebracht hel kleinvee uwer branclojferen, en met uwe slachtofferen hebt ge Mij niet geëerd; Ik heb u Mij niet doen dienen met spijsoffer en Ik heb u niet vermoeid mei wierook. Mij hebt ge geen kalmus voor geld gekocht, en mei hel veile uiver slachtoffers hebt ge Mij niel gedrenkt, Jes. 43:22â24.
Al is uwe vroomheid nog zoo oprecht en welge-
meend, en geen huichelarij, wil de Heere zeggen, nochtans: Mij hebt ge niets daardoor aangebracht. En heeft Hij niet volkomen het recht zoo te spreken ? Is dat alles dan meer dan uwe en mijne schuldige plicht? Voor Grods rechterstoel, in Zijn gericht kan echter dat alles niets baten. Daar geldt alleen wat de Heere Jesus leed, bloedde, sprak en stierf, en anders niets onder den geheelen hemel, en wat gij zelf daarstelt, is daar niet aangebracht. Ja! de Heere zegt nog verder in Jes. 43 vs. 24: Gij hebt Mij arbeid gemaakt met uwe zonden: alzoo daar noemt de Heere al uwe zelf uitgedachte goede werken, zonde. En heeft de Heere wederom niet volkomen het recht zoo te spreken?
Is dat dan geen ontzettende zonde, als gij gehoord en geleerd hebt: âWat gelooft gij van de vergeving der zonden?quot; âHoe zijt gij rechtvaardig voor God?quot; dat gij voortdurend het antwoord vergeten zijt? Is dat niet dwaas en verkeerd, in uw eigen erfdeel aanhoudend naar een paar koperen penningen te zoeken om de rekening met uwen echten man te vereffenen, die reeds lang alles van u heeft betaald, en u van alles koninklijk voorziet? Mij hebt gij arbeid gemaakt met uwe zonden, gij hebt Mij vermoeid met uwe ongerechtigheden! En nu, na deze ernstige bestraffing en ^ vermaning, neemt de Heere u bij de hand, wascht u in Zijn bloed en spreekt (vs. 25): //c, Ik hen het, die uwe overtredingen uitdelg, om Mijnentwille, en Ik gedenk uwe zonden niet, en uitgewischt zijn ze voor eeuwig ! O, dat moet men zelf ondervonden hebben, men moet het doorleefd hebben, om te gelooven, dat wij zóó, en niet anders, met het dierbare Evangelie leven. Maar o Heere Jesus! hoe groot is Uwe genade!
13
Gij delgt mijne overtredingen uit om Uws Zelfs wille, en Gij gedenkt mjjner zonden niet! en ik? OHeere! met het allerbeste, dat Gij mij in Uwe liefde hebt geschonken, kan ik nog niets, dan TJ arbeid en smarte geven! En als gij daarover nu bekommerd ter neer zit, wat dan aan te vangen! Lieve lezer! Kent ge deze kwaal ook! Hebt ge ook al eens iets gevoeld van deze krankheid? Zoo ja! zoek dan in de Heilige Schrift, en zie op deze vrouwen, zooals Lukas ze ons beschrijft! Die waren van dat zelfde volkje als gij en ook ik, zij hadden specerijen en zalf bereid om des Heeren doode lichaam te zalven: ja! denken ze, zou dat niet welgevallig zijn in 's Heeren oog, waar wij ons zoo vele moeite voor hebben gegeven ? O! het lacht den mensch, den armen zondaar zoo toe, iets te bereiden, dat hij mede kan brengen bij den Heere, de liefde en ijver te toonen, die hem bezielt, en om het leven, dat de Heere hem schonk, ook levendig te houden. Nu, dat ge specerijen en zalven bereid hebt, zal de Heere u wel vergeven, maar zoo ge daardoor uw geestelijk leven wilt gaande houden, grijpt gij in het werk des Heiligen Geestes: en daarom moogt ge ook uwe zalfpotten en specenjvaten rustig uit de hand zetten, want in den hemel kunt gij er niet mee komen, en ge kunt ze ook daar niet heen mede nemen ! Laat ze maar rustig hier beneden staan, als getuigen van uwen welgemeenden, maar noodeloozen ijver. Door de doodsvallei en over den Jordaan komt men alleen met hetgeen Hij deed | door Zijn kruis, en â met het kruis dat Hij u oplegde, en dat gij gewoonlijk niet zoo gewillig draagt, als de lasten, die gij u zeiven meendet te moeten opleggen.
Daar gaan die vrouwen alzoo naar 'tgraf, be-
19
14
laden met specerijen en zalven, om haren Heiland voor verrotting te bewaren, die reeds lang de banden des doods verbroken had! Ik zeicle, er was geloof en liefde io hare harten, ja de hoop ontbrak ook niet, maar het lag alles door elkander! Maar zeg mij eens Moeder: zoo gij een klein meisje hebt, dat begint eene kous te leeren breien, â zijt gij dan niet blijde, ook al laat zij steek voor steek vallen, ja al kwam er niets van die kous terecht, zoo gij later niet alles weer in orde bracht, wat die kleine handjes verkeerd hebben gedaan? Gij Vader, â zijt gij niet blijde als uw zoontje begint te schrijven, ook al kan hij nog geen letter op het papier brengen , zoo gij de pen niet vasthoudt en bestuurt ? Ja, geloof, hoop, liefde, het lag alles in het hart dier vrouwen, en het lag er toch alles verkeerd! Maar Hij, de Heere, heeft ook geduld met de Zijnen met Zijne kleine, zwakke kindertjes.
Dat is de heerlijke waarheid, die wij uit het zoete evangelie van Gods genade moeten leeren, opdat we niet overgeestelijk worden, maar er over leeren jubelen, dat er meer zulke zwakke patienten als wij op den weg naar den hemel zijn, en dat wij zien, hoe het met hen afliep.
Door nacht en nevel drongen die vrouwen heen, en vragen niet eens, of zij tot het graf, ja in 't geheel wel in den hof zullen worden toegelaten, waar het graf in lag! Plotseling komt echter bij eene der vrouwen de gedachte op: ja! maar die steen? Er ligt immers een groote steen voor de deur des grafs! Dat was nu het Ja maar'''' van den duivel. Ja! dat had de duivel gaarne gewild, dat de vrouwen hadden gedacht en gezegd: ja! dat is ook waar! daar ligt die groote steen, dien kunnen
u16
wij tocli niet afwentelen van de deur des grafs, kom laat ons maar weer naar huis gaan ! O! hoe zou de vijand haar alsdan bespot hebben, zoo zij, nadat zij al die specerijen en zalf bereid hadden, om den wille van dien grooten steen weder waren omgekeerd! Zoo werpt dan nu de duivel haar deze zwarigheid op 't harte: dien grooten steen! wie zal ons dien van de deur afwentelen! Zij wilden den Heere Jesus zoeken en hoopten Hem te vinden, maar ach! daar ligt zulk een zware steen voor de deur van 't graf! En zoo doet de zielevijand altoos. Hebt gij allerlei specerijen en zalven bereid, allerlei goede werken van uwe keus te zamen gebracht om den Heere te gaan zalven, en in de hoop Hem ook te vinden, dan werpt de vijand u een grooten steen op 't hart, zoodat ge meent om te komen. En nu leze heilige vrouwen, onze geliefde zusters! Geloof n liefde hadden ze toch, te midden van hunne lopeloosheid , en daarom konden ze niet terugkeeren, want hun dreef de Heilige Geest, die komt van uit len hemel in hare zielen; naar het graf moeten se heen, en luide klonk het in hare harten:
Ik zink in 't eeuwige verderf,
ü moet ik hebben of ik sterf!
Nu zijn de vrouwen tot het graf genaderd, o wee welk eene ontzetting! De steen is van de deur des grafs afgewenteld ! Maar, lieve zusters! nu kunt gij immers des te gemakkelijker in 't graf treden? Neen, neen! dan hadden wij nog veel liever met onze zwakke handen getracht zelve het graf open te krijgen, maar zóó! neen! dat is te geheimzinnig , te vreemd! O! wij arme Adams kinderen !
Als de Heere ons in Zijne genade en trouwe te schande laat worden met al onze werken en spe-
6
16
cerijen, dan wordt dit juist voor ons eene bron van allerlei zwarigheden. Uit het hart des menschen komt voort onverstand. Mark. 7 vs. 21, 22. Ach! nu de steen weg is, meenen zij, dat het er nog veel erger uitziet dan ooit te voren. Nochtans treden zij in het graf, maar nu is het nog erger, nu is alles uit en voorbij, nu is het doode lichaam des Heeren ook weg! Ach, dat is zeker gestolen, en nu hebben wij niets meer van Hem over, wij hebben Hem niet meer, Zijn Woord, Zijnen troost niet meer, en nu kunnen wij Zijn dood lichaam ook niet eens meer balsemen! Misschien ware het ons nog gelukt dat voor verrotting te bewaren, maar och wie weet in welken afgrond de vijanden Hem geworpen hebben. Nu is alles uit en voorbij, ach, wat moet er nu van de geheele zaak worden! Merkwaardige lieden! Wat staat er in 't Evangelium? Zij vonden hel lichaam niet? Zij vonden Jesus'' lichaam Neen, maar zij vonden het lichaam van den Heere Jesus niet. Alzoo, zij hebben gezegd: het lichaam van den Heere Jesus is niet meer in het graf. Wiens doode lichaam zoekt gij? Het doode lichaam desgenen, die mijne zonden heeft gedragen. Nog eens, wiens doode lichaam zoekt gij, lieve vrouwen ? Het lichaam des Heeren. Des Heeren? Maar bedenkt gij wel, wat gij daar uitspreekt ? Daarmede zegt gij, dat die Heere de almachtige God is, Die was, Die is, Die komen zal, dat Hij de eeuwige Verbonds-God is, de Getrouwe! Als gij Hem âJesusquot; noemt, spreekt gij het uit, dat Hij de Heiland is, die Zijn volk zalig maakt van al hunne zonden. Het is nu eenmaal zoo, en de weg is niet anders, dan door allerlei moeite en bezwaren heen; allerlei nood verheft zich, allerlei krankheden breken los, dan doet zich dit
'r 17
'O '
bezwaar, dan dat, op, zonden verheffen zich T vroeger ongekende zonden, enger en enger wordt de weg! Gij roept den Naam des Heeren aan, den schoonen, dierbaren Naam van den Heere Jesus, maar gij moet droevig klagen, ik vind den Heere niet, ik heb Hem niet! Nu, is dat niet zeer dwaas van ons, ora zoo den moed te laten zinken? Als wij hierover maar eens één oogenblik nadachten, zouden wij zien, dat wij alle reden hebben om ons diep te schamen. Alleen ons ongeloof maakt ons reeds waardig, om eeuwig van voor Zijn aangezicht verstoeten te worden. Zoo Hij werkelijk de Heere is, dan is Hij ook de Heere, de Koning aller Koningen, de Heere aller Heeren. Hij is op aarde gekomen, toch niet om paarden en runderen maar om m e n s c h e n levend te maken. Hij is niet op aarde gekomen om te heerschen in een uiterlijk, zichtbaar koninkrijk, om over Holland, Engeland, Pruisen, Frankrijk te heerschen, maar om zonde 7 duivel, wereld en dood in eeuwige banden te sluiten. En als zulk een beminnelijk vorst spreekt Hij: âO gij mijn klein duifje', dat in de spleten der steenrotsen woont, laat Mij uwe stemme hooren, want uwe stemme is lieflijk.quot; O men moest zichzelven verfoeien in stof en assche, dat, als wij den Heere Jesus kennen, zooals wij Hem hebben leeren kennen, wij nochtans geheel moedeloos ter neer kunnen zitten, en niet in Hem kunnen gelooven, niet op Hem ons kunnen verlaten voor tijd en eeuwigheid. Wij willen altoos meer zijn dan eene nul, eene 6 of eene 9 met een' grooten pluim onder of boven , en toch is het de Heere alleen, die gelden zal, en wij niets. O wij moesten ons ten doode toe schamen over de hardheid en ongeloovigheid onzer harten.
18
Zjjn dat nu pelgrims op reis naar den hemel? Is dat met genade bestaanbaar? Ik moet in't Evangelie zoeken, ik moet in Gods heiligdom treden, om te zien, of ik wel op den rechten weg, op den eeuwigen weg ben; ik moet het weten, of er in den Bijbel ook broeders en zusters zijn, met wie het even ellendig gesteld is als met mij! Ja! hier bij het graf vind ik mijne geestverwanten, mijne lotgenooten, in dezelfde armoede. Zij spreken het uit, dat Hij de Heere Jesus is, en daar niemand dit zeggen kan, dan door den Heiligen Geest, zijn ze ook waarachtig kinderen Gods. Nu staan ze daar bij het graf en wee-nen en klagen bitterlijk, alsof de Heere voor eeuwig dood zou blijven, alsof de vijand Hem in handen zou kunnen houden! En even zoo geestelijk krank zijn wij: gij en ik, mijn arme medezondaar, die gebukt gaat onder uwe pakken, als wij geen vergeving dei-zonden kunnen gelooven en toch weten dat Hij alle uwe en mijne zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout. 1 Petr. 2 vs. 24. Ja gedragen heeft Hij ze, niet die zonden, waarvan we zoo voor de leus bekennen, dat we er ons wel eens aan schuldig gemaakt hebben, of ons schuldig aan maken, maar zware, verschrikkelijke, verdoemenswaardige zonden heeft Hij gedragen, Hij, het dierbare Lam Gods! Uwe en mijne zonden zijn wel onmetelijk groot, maar Hij is nog veel grooter; en daar Hij dood, duivel, wereld en zonde overwonnen heeft, hoe zouden die Hem in het graf kunnen houden, en Hem kunnen verhinderen al onze zonden te werpen in eene zee van eeuwige vergetelheid?
De vrouwen vinden het doode lichaam des Heeren Jesus niet, en zij zijn daarover zeer bekommerd. Diegenen, die in het Evangelie worden beschreven â-
V 1!'
niet alleen in het Evangelie van het lijden en sterven, maar evengoed in het Evangelie van de opstanding van onzen Heere Jesus Christus â zijn daarover bekommerd, dat zij het doode lichaam des Heeren niet vinden. Zijt gij nu bekommerd, waarachtig bekommerd, o koester dan toch geen harde gedachten van den Ileere, hoewel gij het nauwelijks laten kunt, en zonder Zijne genade ook nimmer laten zult. Juist van de bekommerden heeft de Heere een groot leger te velde liggen, Zijne boden zijn altoos op de been om Zijnen bekommerden troost te brengen. Ja daarheen stuurt Hij Zijne boden, waar Hij weet, dat bekommerden wonen, want die moeten uit den nood geholpen worden.
Toen de Heere hemel en aarde schiep, schiep Hij ook de rotsen, de hemelhooge bergen, en liet daar allerlei waterstroomen en rivieren van nederdalen. Zoo b. v. naar het westen den Rhone, eene rivier in Frankrijk, naar het oosten den Rijn; en zoo laat Hij in de nieuwe schepping rijke stroomen van troost, van leven, van genade vlieten naar oosten en westen, naar zuiden en noorden. En daar de vrouwen nu recht bekommerd waren, vonden zy ook, wat ze zochten. Zie! staat er, d. i. geef goed acht; Zoo stonden bij haar iwee mannen â in den mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan â zoo waren ook hier genoeg getuigen, om de waarheid te bevestigen , dat Jesus leeft. Die bekommerde vrouwen zagen die gestalten van men-schen voor mannen aan, het waren echter geen mannen, maar engelen, in blinkende kleederen, staat er verder. Dat was een teeken van overwinning, van heil, van leven. Die heerlijke engelen dragen dezelfde kleederen, die alle bekommerden des Heeren
20
Jesus ook aan hebben, al zien zij ze zelve niet. Want de duivel maakt hun wijs, dat dit maar slechte kleeren zijn, die zij dragen, die geheel uit de mode zijn, en dat de kleur ook erg ouderwetsch is, en dat ze die zelve anders moeten verven, want niets komt den duivel zoo afschuwelijk voor dan de blinkend witte kleur van het kleed van Jesus' gerechtigheid. Nu laat de Heere Jesus Zijne schaapjes echter getrouwelijk waarschuwen niet naar den duivel te luisteren en diens mode niet te volgen, want sneeuwwit glinsteren de kleeren van allen, die uit de groote verdrukking komen, en die hunne kleederen gewasschen en wit gemaakt hebben in het bloed des Lams, en nu voor eeuwig voor den troon staan! Daar kunt gij zien, waarom die engelen aan 't graf zulke blinkende kleederen droegen: alles was licht en heerlijk; die heerlijkheid, dat licht drong door de kleederen henen, daar is bij hen geen schaduw van duisternis. Zijt gij bekommerd, waarlijk bekommerd over uwe zonden, zijt gij waarlijk met zonden bezwaard, en kunt gij het er niet in uithouden, en is uw verderf u een zware last, hadt gij ook gaarne den Heere Jesus tot mv Heiland, en kunt gij Hem niet vinden? Hebt gij Hem niet, ja ligt er als een zware grafzerk op uw hart, en weet gij, dat gij dien zelf over u hebt gehaald, stijgt uit uw hart de bange kreet omhoog : is er nog redding voor mij te vinden ? Zou de Heere thans mijn God en Groël willen zijn ? O zie eens om in dat graf! Daar zitten de engelen in blinkende kleederen, geen schaduw van duisternis is aan hen, en luide roepen zij: er is vergeving der zonden, vergeving van alle zonden! Is er nu iemand, dien het eene zware droefenis is zoo vol van allerlei zonden te zijn, dat hij het nog zoo zonder
\\ 21
Jesus uithouden kan, dat de kracht der opstanding Jesu Christi zich zoo weinig aan hem verheerlijkt, dat zulk een arme tobber eens een blik in het graf werpe. Geen duisternis, geen toorn bij God voor allen, die als zondaars tot Hem komen. Niets staat den Heere Jesus in den weg om ook aan den allerverdorvenste genade te bewijzen, om ook tot hem van vrede te spreken, en een nieuw verbond, een eeuwig zoutverbond met hem te sluiten.
En in dit verbond wil Hij zulk eenen mensch bevestigen en verzegelen door de Sacramenten van Doop en Avondmaal!
De vrouwen verschrikken echter , en slaan hare oogen weder ter aarde. Als de hemel komt, en van vrede spreekt, dan wordt de mensch bevreesd. Wat zeggen nu de engelen tot die verschrikte vrouwen ? Wat zoekt gij den levende bij de dooden ? De dood is gedood in de overwinning Christi, in uwe doode dingen, in uwe doode wettische werken zult ge Hem niet vinden, en gij zult Hem ook niet overreden, zich daarin te begeven. Hij leeft, Hij leeft! en als wij nu dien levenden Heiland gaan zoeken, dan zouden wij Hem zoo gaarne vinden in onze werken, in alle doode geschiedenissen, die wij zelf hebben uitgedacht! Toen Hij in 't graf lag, lag Hij in 't graf, in 's duivels geweld, en droeg den vloek, als ware Hij de zonde van alle zondaren, want de zonde van allen, die waarlijk zondaren zijn, heeft God op Hem geworpen, en zoo heeft Hij betaald voor de zonde. Hij heeft eene volkomene betaling aangebracht, Hjj is in 't graf gegaan, en de schuldbrief is verscheurd voor eeuwig! Hem kan de duivel niet meer vasthouden, want de heerschappij des duivels is verbroken. De Heere is levend uit het graf getreden,
22
Yolkomen gerechtvaardigd, niet voor Zichzelven, want Hij was vlekkeloos rein in Zichzelven, en geen zonde, duivel noch toorn heerscht over Hem, en van Hem stroomt niets af dan vrede, genade, barmhartigheid en hemelsche vreugde. Zóó is Zijn leven, Zijne Sulamith ten goede: wat zoekt gij dan den levende bij de dooden! en al uwe oude geschiedenissen, die tegen u getuigen, zijn in Jesus' graf blijven liggen, en daar Hij leeft, geldl voor God niets dan vergeving der zonden, gerechtigheid, leven en zaligheid.
Dat heeft de Heere gezegd, dat zeggen ook de engelen: gedenk er aan, wal Hij tot u gesproken heeft, toen Bij nog in Galilea was, alzoo in het land der arme zondaars. Hebt gij het daar niet vernomen , heeft Hij het u niet daar gezegd, toen Hij u staande hield, en Hij u riep en op Zijnen weg zette? Weet gij het niet meer, wat Hij u toen gezegd heeft ? Heeft Hij u toen en daar niet beloofd geheel het treurige erfdeel van Adam met al uwe zonden voor Zijne rekening te nemen ? Heeft Hij het u dan niet toegeroepen, dat Hij Zich voor u had laten kruisigen ? Fluisterde Hij u daar en toen niet in 't oor, dat gij zoo moedeloos en bekommerd niet moest zijn, want dat Hij voor u in den dood ging om alles te betalen, en dat Hij ook zou opstaan uit de dooden?
Hoe staat dan uwe zaak eigenlijk, o gij met zonden bezwaarde ziel ?
Gij hebt aan 't graf gedacht, aan uwe met moeite samengebrachte specerijen, aan dien zwaren grafsteen, aan bet doode lichaam van den Heere, maar gij hebt niet gedacht aan hetgeen de Heere u beloofd heeft, toen Hij u op den weg naar den hemel zette, toen gij als een arme zondaar aan Zijne voeten zonkt.
vn 23
O hoe beschaamd staat men dan met al zijne specerijen en zalven! Maar in Galilea, in het land dei-arme zondaren, wordt men als een arm zondaar op nieuw opgenomen in de eeuwige liefdearmen, en heerlijk openbaart Hij de kracht Zijner opstanding.
En wat zullen wij dan zeggen, wat zullen wij Hem antwoorden? Heere! Gij alleen zijt alles, en ik ben niets voor u dan een overtreder van moederslijf aan. Zóó is de de weg, en niet anders, en zód komt men ook niet bedrogen uit.
1
[eoige gedacliten over Joh, 2D vs. 11 eo verv,
Wat geloofden dan eigenlijk die vrouwen, die den Heere wilden balsemen ? Zou men dat eigenlijk wel geloof noemen? Hoe dikwijls had God de Heere niet gezegd: des menschen Zoon zal ten derden dage opstaan uit de dooden, en wat hielden zij hier van eigenlijk voor waarheid? Schenen zij niet al die woorden des Heeren vergeten te hebben ? En ook Maria Magdalena, die hier in al de anderen nog scheen te overtreffen! âMij dunktquot;, zal de eigengerechtige zeggen, die geen ander geloof bezit dan van zijn eigen maaksel, âdat als ik van âzeven duivelen bezeten was geweest, zooals Maria âMagdalena, en die duivelen zijn uit mij uitge-âdreven, dan heb ik mij boven anderen schrikkelijk âverdorven, ellendig en verloren gevoeld, en ben ânu wonderbaarlijk en onverhoeds daaruit verlost, âdan moet mijn hart toch van dankbaarheid overvloeien, dan moet ik toch zulk eene vatbaarheid âvoor eeuwige waarheden verkregen hebben, dat ik
24
âtoch zeker moet weten, dat Gods zaak in den âdood niet kan blijven liggen, ja daar zegt mij âzelf mijn gezond verstand:
Ligt ook de waarheid in het graf
Al wat haar drukt, het moet er af.
âDan moet ik toch oor en hart hebben voor alle âdierbare woorden van mijnen grooten God en âHeiland, dan moet ik wel eene geloofshebbeljjkheid âhebben in mij zeiven om ten allen tijde te weten: âChristus kan niet slapen al slaapt Hij ook, Hij âkan niet dood zijn al is Hij dood. Hij moet uit âhet graf weer zegepralend te voorschijn komen. âAls ik mij vast op Zyne woorden verlaat, dan zal âHij, die mij ven zeven duivelen verlostte, die âLazarus uit de dooden opwekte, ook zelf niet in 't graf blijven liggen.quot; Mijn lieve lezer, zulke redeneeringen zijn licht voor dengene, die het geloof meent te bezitten, en het rtiel heeft, het niet van den Heere heeft ontvangen. Ja het moest zoo zijn! Maar daar geen van 's Heeren kinderen sterker in den geloove is dan de arme Maria Magdalena. is er voor ons arme , menschenkinderen, geen grooter stof tot jubelen en juichen dan dat de Heere gesproken heeft: Mijne genade is u genoeg, en Mijne kracht wordt in zwakheid volbracht.
Wij geven Oüzen lezers met het Paaschfdest een dubbel blaadje, lt;laar wij het jammer vonden het sehoone stuk te splitsen. Daarom zal het vervolg der uitleggingen over Jakobus l niet voor 7 Mei kunnen verschijnen. üe Ked.
Uitgegeven bij H. BUSKES te Utrecht , Haver straat.
Voor Dnitsehland verkrijgbaar bij F. BUCKMANN, Elberfeld. Prijs per Nnmmer 3 Cts. Franco per post 4 Cts.
S CHEIF TYER KLARING EN
VAN
Igt;r. H. F. KOHXBKÃJGGE.
Kerst-blaadje over Lukas 2 vs. 1â10.
Welgelukzalig, ja driewerf welgelukzalig is de mensch, in wien deze geschiedenis alzoo leeft, als had hij ze zelf met zijne oogen aanschouwd en met zijne handen getast! Maar om hiertoe te komen, is het allereerste en allernoodigste, dat de zondaar door den Heiligen Geest verlicht en door dien Geest tot Christus gebracht worde, opdat hij al het te Bethléhem gebeurde op zichzelven leere toepassen, en daarvan voor zichzelven heilzame vruchten plukke. De natuurlijke, onwedergeboren mensch leest en hoort deze geschiedenis, verheugt er zich ook eenigermate over, ja meent er het een en ander van te begrijpen, maar verder werkt dat alles niets bij hem uit, want hij blijft in de wereld steken, en de wereld houdt hem vast met ijzeren klauwen, hij blijft op de zonden zitten, en die zonden binden hem vast met onoplosbare banden; hij blijft in den ijdelen waan verkeeren, dat hij nochtans een Christen, ja een goed Christen is, en zoo gaat hij met zijnen ingebeelden hemel, voor zooverre hij zich daarover nog bekommert, ter helle. Waar het Evangelie, de blijde boodschap, komt, daar is dat voor den éénen, wat de wolkkolom den Egyptenaren was â nacht en doodschaduw, want hoewel die meenden een even goed geloof te hebben als de kinderen Israëls, kwamen zij toch om in de No. 51 amp; 52.. 24 December 1887.
2
Roode zee; â en wederom is dat zelfde Evangelie Toor de geroepenen en uitverkorenen des Heeren een hemelsch licht, met hetwelk de Heere hen door de woestijn henen, vrjj en veilig brengt in het land der belofte, in het hemelsche en eeuwige Kanaan.
Om ons dus ook bij het behandelen van het heerlijke Kerstevangelie niet te bedriegen, en niet op valsche gronden eene ij dele hoop te bouwen, is het voor alles noodig, dat wij ons zeiven recht beproeven, waar wij staan. Want dit Evangelie predikt ons van een hemelschen Geneesheer, ja! maar alléén voor geestelijk kranken, van eenen liefelijken balsem, ja! maar alléén op brandende wonden; van blijde tijding van verlossing en bevrijding , ja! maar alleen voor hem of haar, die eens verbrokenen geestes is, en die beeft voor Gods Woord! Hier is dus van eene waarachtige bekeering allereerst sprake, daarvan, dat de harde nek gebroken, het harte in waarheid vernieuwd worde. Ik zeide: van eene waarachtige bekeering is hier allereerst sprake, want koning Saul scheen ook bekeerd te zijn, ja zijne bekeering scheen van den echten stempel, ofschoon zij het niet was, want later viel hij in zijn eigen zwaard: maar David was, ofschoon een zondaar , een man naar Gods harte.
God zoekt hen op, die Hem niet zoeken; God bewaart voor de helle dezulken, die, aan zichzelven overgelaten, rechtstreeks ter helle zouden varen. Waar God komt, daar is bij den mensch niets aanwezig, daar ziet Hij niets, waarbij Hij Zijn werk zou kunnen aanvangen. Zulks vond de Heere bij Adam ook niet; toen Hij hem vriendelijk toeriep: âAdam, waar zijt gij?quot; Toen zeide Adam niet âo Heere! wat zijt Gij toch ontfermend en genadig, dat Gij
3
nog omziet naar mij, die U vrijwillig heb verlatenquot;, maar hij sprak: âde vrouw, die Gij mij hebt gegeven, heeft mij verleidquot;, werpende alzoo de schuld deels op zijne vrouw, deels op den Heere, die hem deze had gegeven, en de vrouw wierp de schuld op de slang. Zoo was er wel zelfrechtvaardiging bij hen, maar geen verbrijzeling, geen boete, geen berouw over het bedreven kwaad: wel vreeze voor toorn en verdoemenis, maar geene droefenis, dat zij van Grod, den God huns levens, waren afgevallen. Maar in het hart, dat door den Heiligen Geest is verbrijzeld, laat die Geest ook gewis de vraag opkomen: zoude er ook voor mij genade zijn te vinden ? Ach! zulk een hart vindt in zichzelven niets van berouw, van bekeering, van oprechtheid, â en toch is dat alles aanwezig. Daar wordt naar genade gevraagd, opdat men God den Heere zoeken en vinden mochte. En daar laat God Adam en Eva het liefelijk Evangelie vernemen; Hij laat hen het zóó vernemen, dat Hij in hunne tegenwoordigheid den duivel voorspelt, wat zijn lot zijn zal, en eene breuke, eene scheur, eene vijandschap aankondigt tusschen den dienst der duivelen en den dienst des levenden Gods, tusschen zonde en heiligheid, tusschen de wereld en den Heere der legermachten, eene breuke, die Hij , door de verkondiging van Zijn goddelijk Woord Zelf daarstelt. Toen moesten onze eerste ouders uitroepen: o welk eene tijding! Er is nog genade voor ons te vinden! Genade! Voor mij, verloren Adam , voor mij, verloren Eva! En toen heeft de Heere hun geleerd, wat zij uit zichzelven nooit bedacht zouden hebben. Zij dachten alleen aan hunne naaktheid, aan hun beroofd zijn van alles, wat zij bezeten hadden; maar de Heere leerde hun, dat zij Zijn allerheiligst
4
gebod hadden overtreden, en dat zij gerebelleerd hadden tegen den God huns levens! Want zonde is zonde, en het verschrikkelijkste van de zonden is, dat zij gepleegd worden tegen 's Heeren allerheiligste wet, tegen 's mensohen hoogste goed. Nu is het wel waar, dat er niet letterlijk staat, dat Adam in den Heere geloofd heeft, maar zijn geloof blijkt daaruit, dat hij Eva kort daarop eene moeder aller levenden noemde, dat is, van allen, die tot het ware geloof komen. Ook staat er niet uitdrukkelijk, dat Adam gerechtvaardigd werd, maar wel, dat God hem en zijne vrouw bedekte met rokken van vellen. En dan lezen wij, dat die hooge Adam, die ons allen ia verstand zoo verre overtrof, met deze hem geschonken rokken van vellen nog niets wist aan te vangen, maar dat de Heere Zelf ze hem moest aantrekken!
Wel vernemen wij, dat de Heere sprak: ânu is Adam geworden als onzer éénquot;, waardoor Hij meende: ânu is hij in Christus, en zie Ik hem aan in Christus, en in Christus heeft hij alles terug, wat hij verloren had;quot; maar aan zichzelven overgelaten, kon Adam niets anders doen dan die rokken wederom uittrekken, en naar den boom des levens grijpen, die in het midden des hofs stond. Dan zou hij wel ia 't leven gebleven zijn, maar zonder God, zonder genade, zonder verwachting eener zalige eeuwigheid zou dat leven zijn geweest. Daarom drijft hem de Heere, alleen uit brandende liefde en ontferming, uit het Paradijs in de ellende des dagelijkschen levens, in de zorgen voor het schamel stukske brood, totdat hij tot de aarde weer zou keeren, waaruit hij was genomen. Al het leed en al de ellende dezes levens zouden er toe strek-
5
ken hem te beletten van den boom des levens te eten; God wilde Zijnen armen, uit het Paradijs Ter-dreven menschenkinderen, de genade geven, hunne zielen als eene buit weg te dragen, en hen in Christus in te planten en te doen blijven.
Lijden, nood, ellende, zonde, tranen, bittere tranen vaak, wisselen gedurig af in het leven van Gods kinderen, en al smaken niet allen daarvan evenveel, toch blijft het eene waarheid, dat de uitnemendheid dezes levens is moeite en verdriet. Maar Hij, die reeds in 'tParadijs beloofd was, is gekomen, en komt nog, te midden onzer ellende. Hij, die in 't Paradijs beloofd was, laat echter geen Paradijs planten, om daarin geboren te worden, maar daar komt Hij, waar gij de aarde bevochtigt met uw zweet en uwe tranen, daar waar ellende, nood en smart is; daar, waar zonde en verkeerdheid is, komt Hij nog, om de werken des duivels te verbreken. Hij wil dat alles met ons deelen. Hij wil het niet beter hebben dan wij, Hij wil het niet beter hebben dan het armste kind, dat hier geboren wordt. En waar Hij zóó komt, te midden onzer ellende, wordt Zjjne geschiedenis de geschiedenis van al Zijn volk.
Hoe heeft de Heere de belofte, in het Paradijs gegeven, vervuld? Wij kunnen dit lezen in den Profeet Zacharia, Gap. 6 vs. 7, Die sterke hagel-vlekkige paarden â dat zijn de oude Romeinen â gingen uit, en zochten voort te gaan, om het land te doorwandelen: want Hij, namelijk de Engel, Christus, had gezegd: Gaat henen! doonvandelt het land; en zij doorwandelden hel land. Ja deze Romeinen hadden het heilige land doorwandeld. Het scheen, alsof Israëls God opgehouden
6
had te regeeren, alsof alles van louter toeval afhing; en wie een blik in de geschiedenis slaat, moet duizendmaal vragen: waarom zóó en niet anders? Maar eindelijk lossen al die onsamenhangende klanken zich op in het liefelijkst akkoord! Wij vinden er in de eerste tien verzen van ons hoofdstuk met geen woord gewag van gemaakt, wie het eigenlijk was, die hier werd geboren. quot;Waar deze Koning wordt geboren, is met vleeschelijke oogen niets te zien, daar gaat alles stil en eenvoudig toe, maar zoo de aarde niet weet en ziet, wat er voorvalt, de hemel des te beter!
De machtigste vorsten en keizers benevens de invloedrijkste staatslieden hebben het schier onmogelijke gedaan om het oude Romeinsche rijk staande te houden , maar het is nochtans gevallen; alle andere machtige koninkrijken der aarde zijn ook gevallen, de volken zijn door elkander geworpen, en tot op den huidigen dag drinkt de aarde overal bloed, overal geschieden de ontzettendste dingen, en een stroom van ongerechtigheid gaat over het aardrijk, dat bereid is verbrand te worden in de vlammen van Gods oordeel! Maar op deze zondige, diep gevallen aarde heeft de Heere Zijn volk, en dat heeft Hij gehad van het Paradijs af, en Hij heeft het nog, tot op heden toe, en Hij zal het hebben tot op den jongsten dag, als Hij zal komen met de wolken des hemels, om te oordeelen de levenden en de dooden. Bij dit volk moet Zijne belofte verheerlijkt en vervuld worden, en met de belofte des eeuwigen levens ook beloften voor dit leven, b. v.: predikt den rechtvaardige, dat het hem wèl zal gaan, maar wee den goddelooiel want het zal hem kwalijk gaan. Om dit ééne kind te Bethléhem te laten geboren
7
worden moesten alle volken der aarde door elkander worden geworpen, en dat wel, opdat zij, die van nature kinderen des toorns zijn, in genade zouden worden aangenomen. En om deze in genade aangenomen kinderen, ja om één enkel kind uit deze gezegende schare, werpt God de Heere nog de geheele wereld door elkander, 's Heer en raad bestaat, en al woeden de golven hemelhoog, Hij heeft het hart aller koningen in de hand en neigt het als waterbeken. Hier ging het om de vervulling van Gods belofte, Micha 5 vs. 1, En gij Bethlehem Efralha ! zijl gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Vit u zal Mij voortkomen, die een lleerscher zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid. Uit het kleine en geringe, daaruit komt het te voorschijn.
Hoe is Maria eigenlijk van Nazareth naar Bethléhem gekomen? Scheen dit niet eene onmogelijkheid, dat zij, de behoeftige vrouw, zulk eene reis ondernam, en dat nog wel in hoog zwangeren toestand ? Moest zij, op het zoo vaak struikelende muildier, waarop men, zelfs als men geheel gezond is, als men er niet aan is gewend, geen half uur kan rijden zonder ongesteld te worden, veertien Duitsche mijlen afleggen ? Dat scheen immers onmogelijk. Laat ons Maria's weg tot op dit tijdstip eens nagaan, lieve lezer! Dat zij de laatst overgebleven erfgename van Davids troon was, had de Heere voor hare oogen verborgen, en Hij liet haar hare wegen gaan, zoodat zij zich in eenvoudigheid des harten verloofde aan Jozef, die niet meer was dan een handwerksman. Toen zond de Heere Zijnen engel tot haar, en zij vernam uit diens mond: Gij
8
heht genade bij God gevonden! en zij had daarop gesproken: Zie de dienstmaagd des Heer en, mij geschiede naar üw woord. Naar Bethlehem kwam zij, maar hoe? Ja! hoe komt alles tot stand wat God tot stand wil gebracht hebben? De Heere laat den Romeinschen keizer Augustus aan zijne hebzucht en gelddorst den teugel vieren, Hij werpt in het machtige, van het Joodsche land zoover afgelegen Rome alles door elkander, zoodat alles wat haar inwoners hadden, verkwist, verbrast en verspeeld was. Toen hadden de trotsche wereld-beheerschers weder geld noodig, en de geheele wereld, ook het betrekkelijk kleine Joodsche land, moest beschreven worden, opdat men voor het opleggen eener nieuwe belasting maar alles spoedig in orde kon hebben. Allen moeten openlijk verklaren, wat zij bezitten aan roerende of onroerende goederen; zij moeten zich in klassen laten indeelen, zooals nu nog geschiedt bij wat wij hoofdelijken omslag noemen.
En zoo gingen zij allen op om beschreven te worden, een iegelijk naar zijne eigene stad. Zonder deze wonderbare beschikking en besturing zoude het Maria, ofschoon zij wist Wien zij onder 'tharte droeg, nooit zijn ingevallen zich naar Bethléhem te begeven, ten einde zoo Micha V vs. 1 in vervulling te doen gaan. Geen menschenkind op Gods aardbodem, ook Jozef niet, dacht er aan, dat deze geheele schatting geen ander doel had, dan de Heiland in Bethléhem te doen geboren worden. En wat voor eene vrouw was Maria? Ik meen dat zij nog zeer jong was, eene, die alles rondweg zeide, wat haar op de tong kwam, die de ongerechtigheid en de kromme wegen bestrafte, en dat daarom wel
9
menigeen in Nazareth vijandig tegen haar zal geweest zijn. Uit het loflied, dat zij te Hebron bij de oude Elizabeth zong, kunnen wij dit met genoegzame zekerheid opmaken. En dit stond vast in Maria's hart: Grod en Zijn Woord gelden meer bij mij, dan de wereld en hare ijdele pracht. Toen zij verloofd werd, zal zij wel vele gelukwenschen ontvangen hebben met haar aanstaand huwelijk. Maar ach! daar komt de Heere tusschenbeide, en z|j staat daar als eene in het oog dor wereld geschandvlekte! Ja! Onze dierbare Heere en Heiland heeft reeds in het lichaam Zijner moeder moeten verdragen, dat men Hem hield voor het kind eener slechte, lichtzinnige vrouw! En geen wonder! Al wie Grod niet kent, kan niet anders dan Hem miskennen : miskend worden ook alle wegen des Heeren, en geen mensch betreedt die uit eigen wil. God heeft echter alle middelen en wegen in Zijne hand om Zijne doeleinden te bereiken. Zoo trekken die duizenden op, de een naar deze, de andere naar gene stad, uit welke hij afkomstig is. Dat is zoo 's werelds loop, en ik zeg gewis niet te veel, als ik beweer, dat bij die duizenden de wereld de hoofdzaak was, terwijl Gods Woord, de Messias, de beloofde Christus bijzaken waren, waaraan men dacht, als men er den tijd voor had. Ja! zij hadden niets in 't hoofd, dan hunne wereldsche belangen, dan keizer Augustus en zijn nieuw belastingstelsel.
Zulk eene drukkende belasting was er nog nooit geweest, want die opschrijving of beschrijving was de eerste, zooals zij in het tweede vers van ons Kersthoofdstuk wordt genoemd. En dat alles had de Heere alleen laten geschieden, opdat Maria, ten
10
tijde van 's Heeren geboorte, niet te Nazareth, maar te Bethléhem zou zijn. De plannen van Keizer Augustus zijn echter toen nog niet verwezenlijkt, eerst vele jaren later werd die nieuwe belasting ingevoerd.
Vs. 4, En Jozef ging ook op van Galilea uit de stad Nazareth naar Judea. Jozef was maar een onbeduidend man, een eenvoudig timmerman; en toch had de Heere nog in hem een prins uit Davids huis laten overblijven, opdat Maria, de laatste kroonerfgenaam van dien Koning, op hare moeiehjke reis de noodige hulp en bescherming zou hebben. Zoo diep was het vorstelijk huis van David gezonken! Maar, hoe was dat nu met 's Heeren beloften van vrede en eere te rijmen? quot;Was dat nu het antwoord op Davids geloovig gebed: Hij zal genade en eere geven? Ja, mijne lezers! maar God had ook gezegd; het zwaard zal van uw huis niet wijken tot in eeuwigheid! Zie, als de Heere zelf ons heeft geplaatst op den wagen van Zijn vrijwillig volk, dan gaat Hij met ons eenen geheel anderen weg op dan wij meenden, dan gaat het schijnbaar met ons ter helle. De wereld heeft op den bok van haar prachtig rijtuig den duivel als koetsier zitten, en haar sierlijke paarden draven over de hoogten der bergen tot aan den wolkenboog. Maar de Heere houdt met de Zijnen eene hellevaart; dat gaat de diepte in, dat gaat vaak van den eenen ruischenden kuil in den anderen, ja daar roept vaak de afgrond tot den afgrond; zóó is 's Heeren weg. Had David, had Salomo het dan niet ruimschoots verdiend, dat hun huis van alle uiterlijke heerlijkheid ontbloot werd? Waar een kind Gods gezondigd heeft, daar moet hij het weten, dat de tempel Gods ontheiligd is; wel blijft de tempel Gods Gods tempel, maar
11
de gevolgen der zonde moeten gedragen, kan het zijn, geduldig gedragen worden, dat ia niet anders. Maar, alle beloften Gods van leven, vrede en eere aan David gedaan, zijn nochtans vervuld! Wanneer? Op den dag dat Christus werd geboren. quot;Waar? In een beestenstal.
David, de koning, zou een onderdaan zijn en blijven van den hemelschen Koning. Ware hij geen kind Gods geweest, had de Heere hem niet liefgehad, zoo zoude Hij hem nog zevenmaal grooter gemaakt hebben, dan hij ooit in zijne dagen van voorspoed was. En, ofschoon de wereld David vertreedt en verwerpt, zoo heeft toch de Heere Zich over hem ontfermd: hij moest Gods raad dienen, en deze hemelsche Koning levert eenen veldslag, waarbij Hij Zelf het allermeeste met slijk en bloed bedekt is. Christus moest arm worden, opdat Hij ons door Zijne armoede rijk zoude maken, en dit was de rede, waarom Davids huis zoo diep gezonken moest zijn, en waarom de Heere Zijne bedreiging: âhet zwaard zal van uw huis niet wijken,quot; zoo schijnbaar onverbiddelijk ten uitvoer legde. Maar Zijne belofte vervulde de Heere nochtans! O dat, waarom in Duitschland een arm kind Gods in zijne benauwdheid tot den Heere roept, het moet soms in Parijs beslist worden! Zoo is de weg, waarin Gods beloften worden vervuld.
Toen ging Jozef ook op. Aan hem was niets bijzonders te zien. Ach! Waar heeft de mensch oogen voor? Naakt zijn wij ter wereld gekomen, en naakt zullen wij weder daaruit gaan. Is er grooter rijkdom op aarde dan Gods genade? Is er iets hoogers, iets heerlijkers dan een kind Góds te zijn? Dat was echter Jozef, hoe weinig heerlijks er
12
uitwendig aan hem was te zien. In de hel zijn allen even arm, eu in den hemel allen even rijk, en die hier geestelijk het armst waren, zullen daarboven het meest genieten. Toen ging ook Jozef op van Galilea, nit zulk eenen achterhoek zouden wij zeggen, uit een land, waar veel zwijnen vandaan kwamen, en dan nog bovendien uit Nazareth, uit die verachte stad ! Ja! maar waar komt dan eigenlijk ieder kind Grods vandaan ? Ach! moet niet elk hunner zeggen: mijn vader was een verdorven Syriër, en mijne moeder was eene Hethitische? Heeft niet het land, waar ik geboren ben, veel overeenkomst met de hel, en is mijne vaderstad niet de stad des verderfs? Jozef trekt op van Nazareth naar Bethlehem. Zoo wordt Micha 5 vs. 1 vervuld: En gij! Bethléhem Efralha, zijl gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Neen! wilde de Heere zeggen, gij zijt de kleinste niet, al meent gij dat ook van u zeiven! Hier, in het stille Bethléhem , liggen tranen en gebeden, hier woonde eens die kleine David en hier hoedde hij zijne schaapjes in nacht en nevel; hier leefde eens de arme Ruth, hier de eerlijke en oprechte Boaz; en die hebben nog een verborgen zegen nagelaten aan dat kleine Bethléhem! Neen Bethléhem! gij zijt de kleinste niet, xuant uil u zal de Heerscher voorlkomenl Alzoo kwam Jozef met Maria te Bethléhem. De Heilige Schrift zegt niet âmet de Heilige Maria, met de moeder Gods, met de hemelkoningin!quot; Neen! Schapen! O schapen mijner weide, gij zijt menschen, maar Ik ben uw God, spreekt de Heere. Gewis was Maria een kind Gods, een schaap des Heeren, en dat was Jozef ook, maar hier is geen sprake van hen, maar van den
13
grooton Herder, die geboren zou worden. Nu voegt het Evangelie â in onze wijsheid, die dwaasheid is voor God, zouden wij zeggen: haast onvoorzichtig, â er bij ; die was zwanger, en er staat niet eenmaal bij âvan den Heiligen Geest,quot; gelijk wij zoo gaarne zouden hebben om den lasteraars den mond te kunnen stoppen. Maar, zoo liet de Heilige Geest dit heerlijk Kerstevangelie te boek stellen, om op den voorgrond te zetten, hoe Gods beloften vervuld worden. Het komt, het komt alles, wat God beloofd heeft. Ja, Hij vervult Zijne belofte van vergeving der zonden, zoodat gij den Koning als uw Koning zult vinden, en Hem zien in Zijne schoonheid; ja gij zult ze beleven, de vervulling van Zijne beloften van eeuwig leven, van gerechtigheid en heiliging. Hij zal het alles getrouwelijk vervullen, ook de beloften voor dit leven, maar zóó, dat die ook in het eeuwige leven overgaan. Den Heere staat alles ten dienste, Hij laat alles tot stand komen; gij weet niet waar van daan, gij weet niet hoe. De Heere is altoos een verrassend God geweest met Zijn heil. Een kind Gods heeft God, den levenden God tot zijn deel en erfenis, en voor den levenden God, is de geheele aarde met hare volheid, met alles wat daarop leeft, niet meer dan een drupje van eenen emmer, een stofje aan de weegschaal: Zijne kinderen, Zijne eigene, duurgekochte kinderen, die alleen hebben waarde in 's Heeren oogen. De groote, gruwelijke steden Sodom en Gomorra zou Hij niet verwoest hebben, zoo Hij er tien rechtvaardigen in had gezien, en, toen Hij ze, naar Zijn rechtvaardig oordeel, nochtans verdelgen moest, stond Lot Hem nog in den weg, en Hij maakte geen begin met de ver-
14
delging van Sodom voor dat Lot de stad had verlaten, zooals gij in deze geschiedenis lezen kunt, Genesis en 19. Zoo dierbaar zijn Hem Zijne kinderen. Ik geef volken in uwe â¢plaats, zegt de Heere Jes. 43 vs. 3, 4 en wederom Jez. 52 vs. 3: Gij zijl om niet verkocht, gij zult ook zonder geld gelost worden. Het Evangelie voegt echter bij Maria's naam deze woorden: âzij was zwanger,quot; willende daarmede te kennen geven, hoe groot de nood en ellende vaak is, als God Zijne beloften komt vervullen. Ja met recht zingen wij: (Ps. 103 vs. 5 naar de duitsche vertaling) âdoor kommer en verdriet voert Hij de Zijnen veilig lquot; want welk een kommer, welk eene angst overviel hier deze laatste erfdochter uit Davids huis; gelijk nu nog vaak allerlei huiselijke nood en armoede Gods kinderen overvallen, alleen, opdat zij de waarheid van de belofte zouden ondervinden: uw brood wordt u gegeven, uwe wateren zij gewis. Als God ons de belofte schenkt van reinheid en heiligheid dan opent Hij allereerst, en ook bij voortduring, de oogen voor eigene ellende. Ach! al heeft men zijn huis ook met bezemen gekeerd, als de Heere komt, zien wij bij het licht van Zijn heerlijk aangezicht meer en meer zonde, daar schijnt geen einde aan te komen! Daarom voegt Lukas dit er bij, opdat wij zouden zien, hoe diep de nood is, waarin de Heere Zich openbaart! Wij gewennen ons zoo spoedig aan de zoete klanken des Evangelies; daarom is het zoo heilzaam voor ons telkens en telkens weer opnieuw door allerlei nood en ellende te ervaren en te proeven, dat het Paradijs hier verloren is. En wij worden over-vloediglijk getroost, als wij een toevlucht krijgen
15
tot het harte van onzen levenden Heiland, en het leeren verstaan in al onzen kommer en in al ons verdriet: al dat leed, Hij stuurt het in huis, opdat wij ons niet aan het zichtbare zouden vergapen, maar alléén en alléén hopen op Zijne genade!
Maria is zwanger, en de tjjd nadert, dat zij baren zal. Jozef doet wat hij kan, om in allerijl af te doen, wat hij te Bethlehem te verrichten heeft, in de hoop, Maria nog ter rechter tijd naar huis te kunnen brengen; maar ach! daar zijn zoo velen, die zich moeten laten opschrijven en âal te vriendelijk zijn de heeren op het raadhuis ook niet! Zulk een arm timmerman moet vaak lang wachten, voor hij aan de beurt komt! Ach! wat mag Maria gedacht hebben, toen zij bespeurde, dat hare ure gekomen was! Misschien wel: maar ik heb hier niets, ook niet het geringste, en dan hier in dien beestenstal! Hooger en hooger klimt de nood, misschien had zij wel niet eenmaal genoeg olie in hare lamp, om den langen nacht tegemoet te gaan. Waar is nu haar God? O! is het waar, dat ook dit alles van Zijne Vaderlijke hand komt? Ook dit, ook dat, 't welk ons oogenblikkelijk het harte verscheurt? Ja! het is nochtans waar, ook dit alles, dus ook wat ik haast niet dragen kan. Onze Heere sprak eenmaal. Joh. 17 vs. 18: gelijk Gij Mij gezonden hehl in de wereld, zoo zende Ik hen ook, en Joh. 15 vs. 20: de dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Wel ons dus op ons kruis! Dat zijn de echte kenteekenen van genade, als wij in de wereld zijn, gelijk Hij er in was, die hier niets had om er Zijn gezegend hoofd op neder te leggen.
En, toen zij op die zelfde plaats kwamen, werden
16
de dagen vervuld, dat zij baren zou. Dacht Maria nu in bet gebeel niet aan de belofte van Bethléhem? Gelezen heeft zij die zeker dikwijls, en, toen zij bij Elisabeth was, werd zij ook vervuld met den Heiligen Geest; maar ach! nood is nood, en de Bijbel? Nu ja! De Bijbel, (denkt de door alle baren en golven geslingerde ziel), ach, er staat zooveel op het heilige blad, dat heerlijk en verkwikkend is, maar waar is de mensch, die dat alles vast kan houden ? Abraham had het ook vergeten, dat God gezegd had: in uwen zade zullen alle volkeren der aarde gezegend worden! Hij lachte veeleer, en dacht: dat is immers onmogelijk! Ach! mocht Ismaël toch leven voor Uw aangezicht! En toch was Abrahams geloof gewis het echte, en hij heeft geen oogenblik gewankeld, maar op hope tegen hope geloofd, en aan de belofte Gods niet getwijfeld. In hel leven van Gods kinderen gaat het zoo op en af, in het leven van hen, die de belofte hebben en er ook, op hope tegen hope, aan gelooven; zóó liggen zij in de hel, en zóó is de hemel in hun hart, zóó gelooven zij alles, en een oogenblik later kunnen zij ook het geringste niet gelooven; zóó zingen zij psalmen in den nacht, en zóó breken zij weder uit in luid geween, zóó grijpen zij naar de wereld, en zóó laten zij dezelve weder vol afschuw varen. De wereld, het zichtbare! Ach! welk eene macht hebben die toch over het onzichtbare! Hoe bitter kan een kind Gods weenen en huilen, ja geheel vertwijfeld en wanhopig zijn, maar o! als God maar één straaltje geeft van Zijn liefelijk licht, dan juicht bet weder in Zijnen God. Maar door al die smarten henen zegeviert Christus over al de machten der helle en het arme kind des Heeren is gered! Dit
Ã
17
leert ons het Kerstevangelie, en dat mogen wij niet vergeten, maar in ons harte bewaren; dat de weg van Maria, die begenadigde vrouw, al erger en erger werd, en het nochtans Gods weg was. Ja zoo was 'sHeeren weg voor Maria, de eenig overgebleven erfgename uit de wettige koninklijke lijn van Salomo! Toen zij te Bethlehem waren, werden de dagen vervuld, dat zij baren zoude, en ziet! wat ongeluk scheen, bleek het grootste heil te zijn. quot;Waren zij niet juist op dat tijdstip te Bethlehem geweest, dan ware immers Gods Woord niet waar geworden, dan waren immers de beloften niet vervuld, dan hadden de vijanden kunnen zeggen: Micha 5 vs. 1 is toch niet waar geworden! En dat moest voorkomen worden, geen tittel noch jota van Gods Woord mag ter aarde vallen, maar waar dit geschiedt, wordt de weg enger en enger, dieper en dieper, en ziet! Juist daar in de diepste diepte gaat de eeuwige heilzon op. Halleluja!
En zij baarde haren eerstgeboren zoon. Zóó baarde deze kroonerfgename den kroonprins uit Davids huis. Wat maakt eene welgeaarde moeder al niet voor toebereidselen om haren eerstgeborene te bekleeden! En Maria had niets dan eenige eenvoudige doeken om het kindeke Jesus in te wikkelen , niets dan eene kribbe om er Hem in neer te leggen, want, staat er : er was voor hen geen plaats iti de herberg. Geen plaats vindt Gods Woord tot op den huidigen dag in deze van God afgevallen wereld! Ook de geringste niet! Eigenwillige, vleesche-lijk vrome werken, als zij maar een schoonen schijn hebben, vinden in haar plaats genoeg, maar 's Heeren werk niet. Enkele zielen zijn het slechts, die dat leeren waardeeren en liefhebben,
18
en verder niemand op Gods wijden aardbodem. Zoo is het met 's Heeren wegen gelegen: Hij laat geen groote schare volks te zamen bazuinen, om te bewonderen , wat Hij doet. O! aanschouwt toch het groote wonder van de geboorte Christi! Wie van u een huis bezit, en achter dat huis een' stal, zal toch niet die stal aanwijzen, als de plaats, waar zijn oudste kind moet ter wereld komen: zijn oudste noch zijn jongste kind zou hij aan zoo iets blootstellen , en deed hij het, iedereen zou hem toeroepen : barbaar! kindermoordenaar! En zal dan de Heere der heirscharen, die hemel en aarde bezit, als Hij in de wereld komt geen prachtig paleis, of ten minste niet het beste huis in Bethlehem voor Zich laten inrichten ? Moeten niet allerlei kanten, kostbare fluweel en en zijden kleederen bereid liggen, moest niet de kostbaarste wieg klaar staan om dit kindeke te ontvangen? Maar alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eenig geboren Zoon voor ons heeft gegeven! En zoo is het onzen Immanuël altoos gegaan. In Gethsemané liet God de Vader Zijnen Zoon al de bitterheid en benauwdheden des doods uitdrinken: Hij heeft het toegelaten, dat men dien Zoon in het allerheiligste aangezicht sloeg. Hij heeft Hem door Pilatus laten mishandelen en des doods schuldig verklaren, zoodat deze heiden eindelijk uitriep: zie den Mensch! Eindelijk heeft de Vader Hem, toen Hij aan het kruis was genageld, drie gansche uren verlaten, opdat wij tot God genomen en nimmermeer van Hem verlaten zouden worden! Op deze wijze zond God, de Heere des hemels, Zijneenig, geliefd Kind in de wereld. O trots en hoogmoed des vleesches, o wereldliefde van het afwijkende menschenhart,
19
hoe wordt gij daar verootmoedigd en beschaamd! Dat is de ware hoogheid, die de Heere hier aan den dag legt: die neemt niets aan van eenig menschenkind, die zoekt geen heil en geen troost bij menschenkinderen, wier deel in dit leven is! Memand zal zich kunnen beroemen, iets hoegenaamd te hebben bijgedragen, om den Heere der heerlijkheid bij Zijn werk te helpen.
Dit kunt gij uit alles lezen, wat uw geestesoog in Bethlehem's stal aanschouwt. Aanschouw deze koninklijke moeder in dezen beestenstal, aanschouw die linnen doeken, die steenen kribbe, aanschouw het kindeke op stroo gelegen; o mijn koud en versteend harte, zoo deze aanblik u niet verbrijzelt, gij quot;feult den Koning niet zien in Zijne schoonheid! Ook nu nog neemt Hij van het uwe niets aan, want niets vroeg Hij voor Zich, toen Hij het licht der wereld aanschouwde, Hij die Zelf de eeuwige Zon der gerechtigheid is.
Van ons nam Hij niets, maar met den os des velds deelde Hij, wat die bezat, daarmede was Hij tevreden, opdat gij, o dwaas menschenkind! eens zoudt ophouden met al uwe buitensporige eischen van aardsch geluk en weelde in dit ellendige leven, en opdat gij zoudt leeren al uw heil, al uwe vreugde te stellen in de vrije, souvereine genade van uwen God! Opdat gij, ook als gij het goed hebt in dit leven, alles leert beschouwen als onverdiende geschenken van Zijne Vaderlijke band, en niet als voortbrengselen van uwe kunst, als vruchten uws verstands, of van iets, dat in u is te vinden. Van den Heere alleen komt alles, en daar zult gij leeren uw eenvoudig dagelijksch brood, uw karig dagloon, uwe schamele turven te beschouwen als een
20
genadegeschenk van Zijne trouw. Den Heere heeft niemand rijk gemaakt, maar allen, die voor Hem in 't stof nederzinken, zal Hij rijk maken aan genade en hemelsche goederen, en ook genoeg, ja overvloed, schenken voor dit leven.
De ware kerke Gods ziet hier naar het zichtbare weinig meer dan ellende en nood, dan angst en smaad, zoodat, wanneer iemand, hetzij priester of Leviet, daar voorbij komt, en er een blik in werpt, hij zeggen moet: Mijn God! welk eene ellende, â en dit zeggende wandelt hij verder. Maar gij, die zooveel op hebt met de pracht en praal van de wereld, wat zal dan eenmaal uwe woning zijn? Een enge doodkist en meer niet. En al uwe kleederpracht, zij zal niet eenmaal uw vleesch kunnen beschermen tegen de wormen, die u zullen verteren. Neem deze les mede naar huis: daar in dien stal was de ezel, die Maria in Bethléhem had gebracht, de os was er, die er gewend was uit de kribbe te eten, misschien was het maar een magere ploegos, zooals zij in het Oosten voor den landbouw gebruikt worden; en vervuld is des Heeren woord, Jesaia I vs. 2, 3. Hoort gij hemelen! en neemt ter oore gij aarde, ivant de Heere spreekt: Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd, maar zij hebben tegen Mij overtreden! Een os kent zijnen bezitter en een ezel de krib zijns Heeren, maar Israel heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet-, en leer om genade roepen, smeek den Heere eenen droppel Zijns dierbaren bloeds op u te laten vallen, opdat uw harde hart verbrijzeld worde. Al het heerlijkste en schoonste der aarde is ijdelheid en schijn, en het bitterst harteleed is nog het meest te vinden, waar de hoogste pracht is, namelijk aan de koninklijke hoven. Neem
21
deze les mede naar huis, en gij zult weten, waarom de Heere in eenen stal moest geboren worden.
De gansche wereld is voor God niet meer dan een beestenstal, gelijk Petrus gewaar werd, toen hij er niet aan wilde, zich met de Heidenen in te laten, en de Heere hem dat groote witte laken toonde vol onreine dieren, die Hij in den hemel wilde opnemen.
Maar te midden van al deze armoede, van al dezen jammer en nood, o vertwijfel niet, gij arm kind des Heeren! Waar de Heere is, daar is de hemel, daar is heerlijkheid, daar is waarachtige vreugde, daar is alles geluk, zaligheid, al wordt slechts het tegendeel daarvan gezien. O ! waar een arm zondaar in het stof ligt, en vol berouw weenend om ontferming schreit, daar legert zich de gansche hemel om hem henen, daar verwonderen zich de engelen en roepen: o! hoe heerlijk, hoe prachtig! En daar komt ook gewis het lofgezang des Heeren Jesus. Ach waar zulk een arm kind Gods in zijne angst en aanvechting op en neder gaat, vol bekommernis daarover, of Gods belofte wel aan hem zal vervuld worden, waar een mensch zoo worstelt met God, daar legert zich de geheele hemel om hem en zegt: o! hoe heerlijk! En terwijl er in Bethlé-hems stal niets te zien is dan jammer en ellende, ziet het er op Betlilóhems velden anders uit, want daar is het met oogen te zien, en met handen te tasten, dat hier hemel en aarde vereenigd zijn geworden. Laten u de linnen doeken en de kribbe maar niet te slecht zijn, want zoo is nu eenmaal de wijze, waarop de Koning des hemels in dit Meseeh gelegerd is! Zie, daar gaat het hemelsche hof open! En uit den hemelburg dalen de vorstendommen en
22
machten van het eeuwig Sion neder en legeren zich, schoon onzichtbaar, om het Kind in de kribbe. En nog zal het van elk kind, waarvan dit eene Kind in de kribbe spreekt: zie Ik en de kinderen, die Gij Mij hebt gegeven, aan den dag komen, dat het des Heeren is. Ach! ween toch niet zoo, gij arm kind Gods! te midden van uwen nood en uwe ellende, daar is waarlijk geen oorzaak voor! Dat is de trouwe hand uws Vaders, die alle omstandigheden voortdurend zóó bestuurt, dat er juist voor u nooit plaats is in de herberg dezer wereld: dat geschiedt niet by geval, maar daar liggen heerlijke, goddelijke beloften achter, die vervuld zullen worden op 's Heeren tijd, en dan zal al uw weenen in een eeuwig gejuich veranderd worden. Want zoo de almachtige God maar uw deel en erve is, zal alles goed uitkomen , en zal het einde eeuwige zaligheid zijn. Sla uwe matgeweende oogen toch eens óp, en zie wat er bij de herders voorvalt in Bethléhems velden. Dat waren arme menschen, en hunne gesprekken liepen dan eens over Gods beloften, over den beloofden Messias, en of die waarlijk nog komen zoude; dan weer over den prijs der wol, en hoe zij die het best verkoopen konden, over de schapen, over vrouw en kinderen, over de wolven, die hunne kudde bedreigden, over zonden en nooden, over Gods wegen, en of het ook waarlijk geschieden zou, wat de Heere in Zijn allerheiligst Woord gesproken heeft. En terwijl zij elkander zoo allerlei verhaalden , en meenden, zoo als zij nu voortsukkelden, zoo zoude het blijven tot den einde, daar trad tot hen een engel des Heeren, diens Heeren namelijk, die in de kribbe lag. In den stal is niets bijzonders te zien, noch te hooren, en wilt gij de zaak goed onder-
23
zoeken, dan moet gij het quot;Woord opslaan. Daar kunt gij het zien, hoe het der waarachtige gemeente in deze wereld gaat. De vervloekte Cham, die zijnen vader bespot had, en dus den zegen van de Tervulling van het vijfde gebod had verbeurd, bouwt steden naast steden, zoodat deze van God vervloekte de gezegende scheen te zyn, terwijl de waarlijk gezegende Sem ten laatste niets over had dan een kleinkind van 15 jaren. De wereld mag het ruim hebben, opdat, bij het volbrengen van haren wil en van hare lusten het aan den dag kome, wat zij drijft, maar de tot God bekeerde zondaar komt in de engte en benauwdheid. Dat is 's Heeren weg met al de Zijnen. Maar uit die engte en uit die benauwdheid weet de Heere hen heerlijk te verlossen, zoodat zij zeggen, dat heeft de Heere gedaan.
En ziet! Een engel des Heeren stond bij ken, en de heerlijkheid des Heeren omscheen hen! Het eerste, waaraan God ons door Zjjnen Heiligen Geest ontdekt, is dat wij zondaren zijn, en de heerlijkheid Gods derven. Want het was de heerlijkheid des Heeren Jesus, die hen omscheen. Aan Hem is alles licht, genade, liefde, heerlijkheid, klaarheid en goddelijke glans. Als God de Heere ons Zijnen Christus geeft, dan geeft Hij ons met Hem alles. Arm, gansch arm wordt onze Heere en Heiland, om ons rijk te maken aan hemelsche en, voor zoo verre wij het behoeven, ook aan aardsche goederen; Hij komt tot de ziel, Hij openbaart Zich, en alles is licht en heerlijkheid voor hem, dien de oogen geopend zijn, zoodat hij uit ervaring kan zeggen: één ding weet ik, dat ik blind was en nu zie. Dan wordt met de oogen des harten hetzelfde gezien,
24
wat toenmaals de herders ook met vleeschelijke oogen zagen, daar wordt met handen getast, wat God bereid heeft dengenen, die Hem liefhebben, name-hjk, dat God rechtvaardig is in alle Zijne wegen, en dat Hij rijk is aan ontferming voor allen, die Hem aanroepen.
Gods volk echter is een ootmoedig, ja een vreesachtig volk. Hoe nader bij de genade, hoe meer vreeze hebben zij vaak: daarom staat er ook van de herders: en zij vreesden met gronte vreeze. Nu treedt echter de bode des Heeren tot hen en spreekt: vrees niet, uw heil staat vast, want ziet! ik verkondig u groole blijdschap die al den volke wezen zal. Groote blijdschap? Welke blijdschap echter? Ach, mijne Geliefden! grootere vreugde ken ik niet, dan wanneer iemand gaat roepen: ontferm u over mij armen zondaar, o God, laat Uwe barmhartigheid en ontferming over mij lichten. Gij zijt groot en vol erbarmen, verheerlijk U, laat Uwe heerlijkheid over mij opgaan, en delg al mijne schulden uit.
â Wasch mij van mijne ongerechtigheid en reinig mij van alle mijne zonden. Daar is de bede: Heere Jesus! indien Gij wilt. Gij kunt mij reinigen. En het antwoord is gewis: Ik wil, word gereinigd! Amen.
Wegens het Kerstfeest verschijnt dit blaadje 8 dagen vroeger dan gewoonlijk; het volgende nummer (n0. 53) zal dan eerst op 14 Januari 18S8 verschijnen.
Uitgegeven bij W. MEIJER te Utrecht, Jerusalemsteeg. Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. Bückmann, Elberfeld. Prijs van dit dubbel nummer (24 bl.) 6 Cts.
SCHRIFTVERKLARINGEN
VAN
Dr. II. F. KOHIiBRÃGGE.
Eerst-blaadje over den Engelenzang.
En van stonde aan was er met den engel eene menigte des hemelschen heirlegers, prijzende God en zeggende; eere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mentchen een welbehagen ! Lukas 2 vs. 13 en 14.
Zoo heeft dan hemel en aarde zich vereenigd in de velden van Bethlehem, zoo is de hemel willen nederdalen op aarde! Toen Gods eeuwige Zoon hierbeneden kwam en, bekleed met ons ellendig vleesch en bloed, in de kribbe lag, kon de hemel niet in den hemel blijven, want hemel is het daar, en is het alleenlijk daar, waar Jezus is. Daarom daalden zij neder uit den hoogen de heirscharen der engelen, al de vurige wagenen en paarden uit de eeuwige heerlijkheid, op de stille velden van Bethlehem. Dat waren diezelfde vurige wagenen en paarden, waarvan wij lezen in de geschiedenis van den profeet Elisa, toen hij, door vijanden omringd, bad, dat de Heere zijnen jongen de oogen openen zoude; en toen zag de jongen al de vurige rossen en wagenen, die den berg rondom Elisa vervulden. Dat waren dezelfde hemelsche heirscharen, waarvan ook Daniël zegt; duizendmaal duizend engelen dienden Hem, en tienduizendmaal tienduizenden stonden voor Hem. (Daniel 7,10.) En deze hemelsche heirscharen vervulden Bethlehem weldra met hunne lofliederen.
No. 77. 22 December 1888.
2
Er is, lieve lezer! geen lof Gods, ja God wil nergens anders over geloofd en geprezen zijn dan daarover, dat Hij geopenbaard is geworden in het vleesch en den rampzaligen toestand van het diep gevallen menschelijk geslacht heeft willen ter harte nemen. De diepten Gods kan geen mensch, geen engel, ook de grootste troongeest, niet peilen, alleen de Geest Gods, alleen de Heilige Geest onderzoekt de diepten Gods en doorziet wat in Gode is verborgen, om dan deze heerlijkheid te openbaren aan een wormke, dat in liet stof ligt te worstelen, en aaa hetzelve al deze heerlijkheid tot troost en verkwikking mede te deelen. En dit wonder, dat de Allerhoogste zich wil openbaren in het allergeringste, aan een wormke in het stof, daarvan verstaan de engelen zóó veel, dat zij er van leven. Ik zeg: dat zy er van leven; want het leven, de vreugde en de eeuwige zaligheid der verhevene troongeesten bestaat daarin, dat zij God loven, en wel daarover loven, dat Hij zich verheerlijkt heeft en verheerlijkt in hetgeen niets is, in dat, wat verloren is; dat is de stof van hun lofpsalm en dat zal het blijven totdat de laatste der uitverkorenen zal zijn binnengehaald! En dan vangt de eeuwige zaligheid eerst recht aan, en zullen psalmen en lofliederen nog anders gezongen worden dan hier op aarde. Zooals dan de heiligen en uitverkorenen zingen zullen, kunnen de engelen het echter nooit of immer, maar nochtans zullen zij den lof Gods met hen mede verheffen, daarover, dat Hij zich ontfermd heeft diens Hij wilde, en verhard heeft hem, dien Hij wilde.
Alzoo: in Bethlehems velden zongen de engelen: eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde,
3
en daarna gaven zij den grond aan, waarom dat zoo is, namelijk; in de menschen een welbehagen?
Om dit âin de hoogtequot;, of âin de hoogste hemelenquot; en âop aardequot; recht te verstaan, hebben wij de beteekenis na te vorschen van wat Jesaia zegt in het zevende hoofdstuk, vers 10 en 11, van zijne profetiën: en de Heere voer voort te spreken tot Achaz, zeggende: eisch[u een teeken van den Heere, uwen God! eisch beneden in de diepte, of eisch boven uit de hoogte. Koning Achaz verkeerde met zijn geheele volk in den diepsten nood. De Syriërs waren gekomen met Efraïm, d. i. met de tien stammen, en hadden eenen raadslag gemaakt en gesproken : Laat ons optrekken tegen Juda en het verdriet aandoen, en het onder ons deelen. Toen ijlde de profeet vol van troost, raad, waarheid, gerechtigheid en trouwe Gods, tot den Koning en predikte tegenover de Syriërs en alle vijanden van Juda en Jeruzalem: alzoo zegt de Heere: het zal niet bestaan en het zal niet geschieden; als wilde hij zeggen: Ontsteek in toorn tegen ons, o gij volken allen, ontbrand tegen ons, gij gansche wereld, gij duivelen allen, en zoek ons te verslinden, toch zult gij met schande en schaamte van ons moeten vlieden! Neemt het ter ooren gij allen, die tegen ons land optrekt, omgordt u, en wordt verbroken! Beraadslaagd eenen raad; doch hij zal vernietigd worden, spreekt een woord, doch het zal niet bestaan, want God is met ons! De Heere zal opstaan tot den strijd met Zijne bliksemstralen en donderslagen! Ja! beraadslaagt een raad, en wordt verbroken; schikt en zet alles naar uw goeddunken en vleeschelijke wijsheid, nochtans zal er niets van tot stand komen, de Heere zal onder hen blazen, en zij zullen verstrooid worden.
Smeedt vrij de stoutste ontwerpen, bespreek u onder elkander met de wijsste overleggingen, span al uwe krachten, uwe listen, uwe kunsten in 'twerk, zoodat gij meent: nu is het eene uitgemaakte zaak, wij hebben dat gehaatte volk verslonden en vernietigd, nochtans zal ulieder raad niet bestaan, want: God met ons, Immanuël! Christus is hier, God met ons, in de kribbe van Bethlehem! Mijne oogen hebben Hem aanschouwd , den zoon der maagd, wiens naam is: Immanuël!
Eisch u een teeken, spreekt de profeet tot den koning, eisch u een teeken van den Heere uwen God! Eisch u een teeken daarvan, dat genade verheerlijkt zal worden, dat de macht der trouwe en liefde Gods om Zijns grooten Naams wille alleen, louter uit genade en ontferming in ulieder midden zal verheerlijkt worden. Gij denkt en zegt wel: dat is onmogelijk, en gij hebt gelijk. Ja! het is onmogelijk, en nog eens onmogelijk, en nog eens onmogelijk! Dat wij gered zouden worden, het is onmogelijk op aarde te midden van ons verderf, het is onmogelijk in den hemel voor Gods heiligheid, maar nochtans! Eisch u een teeken uit de hoogte, of zooals de grondtekst eigenlijk is: maakt hel hoog ten hoog sten, d. i. eisch u een teeken van den Heere te midden van uw verderf, van de helsche benauwdheid , waarin gij ligt verzonken, eisch u een teeken beneden in de diepte, en gij zult het ontvangen, het zal u gegeven worden, al schijnt het ook onmogelijk door de diepte uws verderfs en door de hoogte van Gods onkrenkbare heiligheid: nochtans hemel en aarde worden vereenigd, God en mensch worden één i^ een zwak ellendig kindeke â dat doet alles, dat doet alles alléén. Achaz wilde echter
5
van dat teeken niets weten, want hij wilde zijn diep bederf, zijnen dood, zijnen doemwaardigen toestand voor den Heere niet erkennen, hij wilde den harden nek niet buigen voor Gods heiligheid en gerechtigheid, ja hij wilde er niets van weten, dat hij midden in den dood en de helle lag.
Eere zij God in de hoogte! of zooals onze Statenvertaling zoo schoon heeft, in de hoogste hemelen. Ja! eere zij God in den hemel der hemelen, daar boven in de geheime schatkameren en kasten van Gods eeuwigen vredenraad, in het eeuwige Licht, waarin Hij woont, en waarin engel noch seraf een blik vermag te werpen!
Het is onmogelijk, dat een mensch, dat een zondaar zalig worde, zooals na Adams val de zaak tusschen God en mensch staat. Hoort het, gij allen! en neemt het ter harte, gij allen, hetzij gij bekeerd zijt of. onbekeerd, gij wedergeborenen en niet-wederge-borenen, gij die leeft, en gij die meent, dat gg leeft, en zijt toch dood! het is onmogelijk, dat een mensch, dat een zondaar zalig worde, hetzij hier, hetzij hier boven! Wat? onmogelijk? Neen! dat staat toch niet in het Evangelie, neen! dat heb ik toch wel beter gelezen in mijnen catechismus. Daar staat het immers duidelijk te lezen, dat ik zalig worde, indien ik geloof. Ja! indien, indien \ Maar juist dit indien is het punt, waar het op aan komt. Wie niet in de praktijk des levens, wie niet persoonlijk voor zich-zelven ervaart, dat het hem uit zichzelve geheel onmogelijk is te gelooven, die heeft niets dan een ij del, een roomsch geloof, en zoo hij niet van God zelf het alleen zaligmakend geloof aan het zoete Evangelie ontvangt, zal hij ook roomsch sterven, en met zijn ingebeeld geloof rechtstreeks ter helle
6
yaren, juist dan als hij meent, dat de hemel voor hem zal opengaan. Bij de menschen is het onmogelijk , zoo sprak de mond der waarheid eens! Maar, denkt menigeen, ik heb toch dit of dat gedaan, ik ben toch zoo of zoo geworden, als ik nu eens tot deze of geene hoogte zal zijn opgeklommen, zoude het dan nog onmogelijk zijn? Lieve lezer! zoolang gij het in uwe eigene ziel niet hebt ondervonden, dat het eene onmogelijke zaak is, dat gij zalig wordt, zoolang is het ook eene onmogelijke zaak voor Gods rechterstoel, en zoolang moet ik tegenover u do uitspraak handhaven; het is onmogelijk, dat gij zalig wordt; het is eene geheel afgesnedene zaak. God is heilig en rechtvaardig, daarom kan hij geen on-reinen opnemen in Zijnen hemel, noch dulden in Zijne heilige tegenwoordigheid, maar Hij moet den zoodanige straffen en veroordeelen. God is geest, wij zijn vleesch, en geest en vleesch kunnen niet vereenigd worden. Gloeiend ijzer en hout kunnen nog eerder één worden dan vleesch en geest, dan mensch en God, maar ook dit is eene onmogelijke zaak, want het gloeiend ijzer steekt het hout in brand. Daarboven in de hoogste hemelen, in de binnenkameren van onzen God, bestaat de onmogelijkheid, dat één van ons zalig worde, want daarboven ligt een boek opengeslagen, dat ons veroordeelt en vervloekt, dat is het boek van Gods eeuwige en eeuwig geldende wet.
O laat ons hierover toch niet zoo lichtzinnig heen-loopen, want onze onwetendheid omtrent den algeheelen dood en verdoemenis, waarin wij van nature liggen, is de onzalige bron, waaruit allerlei ongerechtigheden in leven en wandel voortspruiten. Daarboven in den hemel geldt eene heilige wet, die mij ver-
oordeelt en Terdoemt, en Grod, dien ik van nature geneigd ben te haten, kan ik niet liefhebben, zooala de wet zulks van mij eischt, want Hij bestraft al mijne handelingen, Hij verbrandt al mijne zelfgemaakte vroomheid, en voor Zijn heilig oog zinkt al mijne voortreffelijkheid in het slijk. Onmogelijk is het dus vanwege Zijne onbevlekte heiligheid voor God daarboven, onmogelijk voor den mensch vanwege zijnen dood en verderf. Was de zonde alleen uiterlijk, bestond zij alleen in eenige uiterlijke vlekken en gebreken , die mij aankleven, zoo zoude ik misschien die vlekken kunnen afwasschcn en mijne huid reinigen. De huid van den moorman zwart van buiten, blank van binnen, is, volgens Gods Woord, niet rein te wasschen, maar onze huid, onze geestelijke huid is van buiten blank en zuiver, doch van binnen zwart als roet, dat wil zeggen: al schijnen wij van buiten glad en schoon, nochtans zijn wij van binnen van moederslijf aan onrein en verdorven. Het is onmogelijk, dat een mensch, dat een zondaar ook maar bij eéne daad, eene eenige gedachte zich zoude kunnen losmaken en bevrijden van de zonde, die hem aankleeft. Ach! al heeft zooeven de een of ander oprecht berouw over zijne zonde gehad, al heeft hij zich op het allerhevigst gekweld en de heetste tranen gestort, geen minuut later, of de zonde ontbrandt weer opnieuw in al hare kracht! Wie is de mensch, die God de eere kan geven, die hem toekomt? Ja onszelven eeren, dat verstaan wij, onze geestverwanten eeren, en van andere menschen eere eischen en aannemen, dat verstaan wij. Naar onze eigene lusten willen wij wandelen, zelf God zijn en Hem het roer der kerk- en wereldrégeering ontrukken, om het in onze eigene bevlekte handen te nemen.
8
Aan vrede is op deze van God afgevallen aarde niet te denken, want niets verstaat het kind Adams beter dan zichzelven te kwellen en te pijnigen. Al heeft de zondaar boete gedaan in allerlei zelf-uitgedachte kwellingen, en handen en voeten afgerukt en afgehouwen, die hem ergerden, ja al wenschte hij zich 't hart uit het lijf te rukken en in duizend stukken te vermorzelen, van steen is dat hart, een steenen hart blijft het aan zichzelven overgelaten, en geen mensch leeft er, die ook maar ééne traan van berouw zich uit het oog persen kan, geen waarachtige, oprechte zucht wil uit dat steenen hart tot God opstijgen. Ach, er is eene diepe, gapende klove tusschen den Schepper en Zijn gevallen schepsel, zoodat, waar genade komt om zich te verheerlijken, het vleesch terugschrikt en zich vol angst afwendt. Ach! genade is voor den armen mensch een ondoorgrondelijke zee, een gloeiende oven, vol getrokken zwaarden. Van nature woont er in 's men-schen hart een inwendige haat tegen de genade, zoodat hij, in plaats van die gretig en met beide handen aan te grijpen (zooals velen meenen, dat zij kunnen, en het ook aan anderen voorschrijven), er zich vol angst en afkeer van afwendt.
O laat ons dit toch niet ontveinzen, maar erkennen wij het openhartig, want alleen dit is de weg om tot een vrij en vroolijk leven te geraken, en te midden van dit leven, dat toch niet anders is dan een gestadige dood, een beginsel der eeuwige vreugde te genieten. Laat het ons vrijmoedig uitspreken: zoowel daar boven als hier beneden is het eene onmogelijke zaak, dat wij zalig worden Dat gelooven, dat ervaren, dat belijden allen, die uit God geboren zijn, en die ondervonden, dat de Heere alleen ver-
9
lost uit de macht van den helschen Farao. Want ook onze zielevijand heeft veel wagenen en paarden, en vaste vestingen, waaruit niemand zichzelven kan verlossen. Maar de Heere is gekomen, een onoverwinnelijke, strijdbare held! In den eeuwigen raad Gods stond het vast: de mensch is een opstandeling tegen mij, de geheele aarde is eene oproerige, rebelleerende stad, die ik met vuur verbranden moet. Het is onmogelijk, het is niet in overeenstemming met Mijne heerlijkheid en heiligheid, dat deze rebelleerende mensch in het leven blijve! En van deze onmogelijkheid komt de kennis op aarde door Gods heilige wet, die den mensch veroordeelt en verbrijzelt. Evenals Farao den kinderen Israëls toeriep: ik ben niet tevreden met uwen arbeid, ledig, ledig gaat gijlieden om, zoo roept de wet ook ons toe, ik kan uw werk niet aannemen, want het is onrein en bevlekt, Gij moet het stroo voor uwe tichelovens zelf verzamelen, en of gij al zegt: wij kunnen het niet, zoo spreekt de heilige wet, dat gaat mij niet aan, gij moet het kunnen, gij hebt het vroeger kunnen doen, dat gij het niet meer kunt, verzwaart uwe schuld. Het werk der wet moet er zijn, geheel onbevlekt, zonder smet of gebrek! O! hoe ondervinden wij het dus, dat het eene onmogelijke zaak is zalig te worden, hoe klinkt het dan door de ziele: gij hebt niets verdiend dan den eeuwigen dood! Uwen catechismus kent gij misschien woordelijk van buiten; het geheele evangelie verstaat gij, kunt het anderen prediken, met schoone zalvende woorden, maar indien gij het in uw hart niet ondervonden en gesmaakt hebt, dat gij een zondaar zijt, en dat uwe zaligheid dus eene onmogelijke, afgesnedene zaak is, dan helpt u dat alles niets. Alleen Gods Geest
10
kan u deze onmogelijkheid leeren kennen, alleen Gods Geest kan n die diepte doen zien, waarin gij verzonken zijt.
Dat wisten de engelen: de mensch, dat heerlijke meesterstuk van Gods handen, is verdorven, is verloren. De engelen hadden, het vernomen; de geheele wereld is voor God verdoemelijk. De engelen wisten het; hier, op deze schoone aarde, heerscht thans niets meer dan vijandschap tegen God, en aan vrede met Hem is niet meer te denken! Maar het was in de geheimste binnenkamer der eeuwige heerlijkheid, dat een besluit genomen werd: Een arm zwak kin-deke verschijnt, de engelen zien het in armoedige, ellendige doeken gewikkeld. Dat kindeke werd niet op eenen troon gezet, maar moest in eene kribbe nederliggen, en niet de engelen des hemels, maar ezels en runderen omringen dien nieuwgeboren Koning! En de engelen slaan dit schouwspel gade en zinken weg in bewondering en aanbidding. Zij ijlen tot de herders en heffen hun hemelsch loflied aan. Toen kon de hemel niet meer in den hemel blijven, alle geesten en machten moesten dien Psalm medezingen , moesten mede ter kerk in Bethlehems velden, om met die gemeente mede te zingen, en er luide over te juichen en te jubelen, dat gered was, wat verloren was gegaan!
âEere zij God in de hoogste hemelen.quot; Den Heere alleen de eere, geen engel, geen schepsel, geen mensch, geen vleesch! Het wonder dat, hier te zien was, was in geen menschenhart, in geen troongeest opgeklommen, dat had de eeuwige Wijsheid alleen tot stand gebracht. Dood en verdoemenis was uitgesproken en verzegeld, en de gevallen mensch moest voor eeuwig branden in de vlammen van Gods toorn.
11
Met zeven zegelen was verzegeld het boek, dat van binnen en van buiten was beschreven. Uit en gedaan was het met den mensch voor eeuwig! En terwijl de hemel deze treurmare verneemt, wordt er een Lam gezien, een arm zwak kindeke! De hemel vraagt vol verbazing: hoe is Zijn Naam? En het aatwoord luidt: God met ons! Immanuël! Eere zij God in de hoogste hemelen! Dat was alleen Zijn werk, een weg en middel uit te vinden, waarbij Zijne heilige wet ongeschonden bleef, en nochtans de arme mensch niet ter helle voer. God met ons, Immanuel wordt in de zee van onzen jammer, van onzen welverdienden vloek geworpen, en gered zijn voor eeuwig allen, die Hij in Zijne vrijwillige liefde heeft liefgehad met eene eeuwige liefde, en die niets dan vleesch zijn in zichzelven. Het vonnis der veroordeeling, der verdoemenis, dat over het in Adam gevallen menschelijk geslacht was uitgesproken, het wordt niet teruggenomen, de Heere wederroept het niet, maar Christus, de eeuwige Wijsheid, treedt tusschenbeiden, neemt vloek, toorn en verdoemenis op Zich, en in Zich neemt Hij op al zijne armen en ellendigen, die midden in de helle liggen, die niet meer rechts noch links weten. Hij laadt op Zich de helsche vijandschap des vleesches, bekleedt Zich met ons vleesch en bloed, en wordt de Borg en Middelaar van allen, die Hem in de binnenkamer van Gods eeuwigen vrederaad door Zijnen Vader zijn geschonken. Ja! voor den ganschen hemel, tegenover de wet en de hel spreekt hij het luide uit: dit zijn Mijne broeders en zusters, die Ik liefheb, mijn Vader maak ik tot hun Vader, mijn God tot hunnen God.
Dat is Gode welgevallig. Als Hij, de Schepper, één woord spreekt, dan staan duizend werelden daar,
12
uit niet te voorschijn geroepen, en millioenen van schitterende sterren fonkelen aan den hemel. Hij heeft geen mensch van noode. En deze God, die wat Hij gesproken heeft, nooit wederroept, geeft geheel vrijwillig het liefste, dat Hij heeft. Zichzelf, Zijn eigen hart. Zijnen geliefden Zoon, van eeuwigheid voortgebracht! Dien geeft hij vrijwillig in den dood, die neemt het geheele werk onzer verlossing en zaligheid op Zich.
Eere zij God in de hoogste hemelen voor Zijne wonderlijke menschen- en zondaarsliefde! Eere zij God in de hoogste hemelen voor Zijne gerechtigheid en heiligheid. Die worden niet gekreukt noch gekrenkt in dit proces, maar blijven bij de vrijspraak ongeschonden. Eere zij God in de hoogste hemelen voor Zijne wijsheid, waarmede Hij Zich eene gemeente ten eeuwigen leven heeft uitverkoren, en waardoor zij dit leven ook verkrijgt. Eere zij God in de hoogste hemelen voor Zijne genade, goedheid en barmhartigheid, voor Zijne trouwe en waarheid, waardoor alles zoo gekomen is, als het van het Paradijs af beloofd en geopenbaard was.
En nu: vrede op aarde. De aarde, zooals zij na Adams val is geworden, is voor de engelen eene hel. Ook voor den rechtvaardige, die in Christus alleen zijne gerechtigheid heeft, is deze aarde vaak eene helle, waaruit hij verlangt verlost te zjjn. En de schijnvroomheid, de huichelarij, die op aarde heerscht, is den oprechte nog meer eene plaag, dan hare openbare goddeloosheid. De wereld is voor de engelen eene ware hel, en niet minder voor hem, die zijne zonde en ongerechtigheid heeft leeren kennen en die ondervindt, dat hij verloren is: hij behoeft niet meer in de hel geworpen te worden;
13
behoeft ook geen hevigen boetestrijd meer door te kampen om dit te ervaren. De nood, waarin hij geraakt bij zijnen strijd voor genade, gerechtigheid eu waarheid, is hem hel genoeg.
Vrede op aarde! Vrede komt van God alleen, dien kon geen mensch in 't leven roepen. De mensch , zooals hij van nature daar heen leeft, is reeds veroordeeld en verdoemd; wordt hij nu ontdekt aan zijne ongerechtigheid, ongehoorzaamheid en verderf, zoo kan hij zich geen vrede verschaffen, al spande hij ook alles in om dien te verkrijgen. Het ledige hart moet door den Heere vervuld worden, genade moet in dat arme, gejaagde hart wonen, de barmhartigheid Gods de gapende wonde heelen. Christus moet in het harte wonen, het kindeke van Bethlehem; en voor Gods rechterstoel moet zulk een zondaar gerechtvaardigd en vrij gesproken worden. Dat alleen kan den zondaar helpen en baten, en dan weet God de Heere door Zijne leidingen en wegen, door Zijnen Heiligen Geest, ons zoo klein te maken, dat wij op de borst leeren slaan en uitroepen: Heere Jezus! hoe is het mogelijk, dat gij zulk een, als ik ben, lief hebt? Dit is alleen de weg om tot duurzamen, eeuwigen vrede te geraken. Zoo drukt eene onmetelijke zware schuld zulk een mensch ter neder, zoodat hij uitroept: met mij is alles gedaan, ik ben verloren, verloren voor eeuwig, en op éénmaal wordt hij vrij gesproken, en smaakt den zoetsten vrede. En dien vrede, het is de Heere zelf, die dien in het verbrijzelde hart ademt; hoe het kwam, weet men zelve niet, maar men voelt zich o zóó rijk in deze goddelijke barmhartigheid. Dan wordt die goddelijke vrede gesmaakt, waarvan Hom. 5 vs. 1 geschreven staat: Wij dan, gerechtvaardigd zijnde
i
14
uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen 11 eere Jezus Christus. Ja vrede wordt er gesmaakt, vrede te midden van oorlog en onvrede, van nood, dood en ellende, want zoo zingen wij immers met den 118den Psalm:
Ik zal door 's vijands zwaard niet sterven,
Maar leven, en des Heeren daan ,
Waardoor wij zóó veel heil verwerven,
Elk, tot Zijn eer. doen gadeslaan.
Zoo van harte te zingen, dat is vrede met God smaken, en dan voelt men zich ook in vrede met de geheele wereld, met alle menschen, vrienden oi' vijanden: de vrienden heeft men lief, omdat ze ook dienzelfden vrede kennen, de vijanden, omdat men hen in dezen goddelijken vrede, alles van harte kan vergeven, ja men heeft vrede met de dieren ea steenen des velds, want in de oogen desgenen, die op den troon zit, is men als een die vrede vindt, Hooglied 8 vs. 10.
quot;Wat is de grond van dezen vrede bij God? In menschen een welbehagen, ja een welbehagen in menschen, die dieper liggen verzonken dan het vee des velds, die dommer zijn dan de heesten, oproeriger dan de duivelen uit de hel; welbehagen in menschen, aan wie geen goed haar is te vinden, en die voor God vol bedrog en valschheid zijn, ja niets anders zijn in Zijn heilig oog dan vervloekte leugenaars. In menschen, die afgodendienaars zijn in allerlei opzicht, die in vleeschelijke lusten dieper verzonken zijn dan het vee des velds, die gruwelen plegen kunnen, die het stomme vee niet kent. Ach! alles, alles is bij den mensch verdorven, en naar lichaam en ziel gelijkt hij op eene oorspronkelijk
15 l*
schoone harp, maar wier snaren nu alleenlijk gestemd zijn om den duivel lofliederen te zingen. Hoe is het dan mogelijk, dat die heilige God welbehagen in zulke diepgevallen schepselen hebben kan? Is er dan iets anders bij den mensch te vinden dan altoos terugkeerende verkeerdheid en vijandschap? Ach, stond de hemel in onze macht, wij zouden voortdurend onszelven en onzen naaste in den hemel plaatsen, of daar buiten sluiten, naar ons welbehagen. Ja, zoo en niet anders is de mensch, maar wie wil dat weten, wie denkt niet bij zichzelveu; ik ben toch eigenlijk een halve engel? En van nature kan de â eene mensch den andere niet anders doen dan hem in onrust en onvrede heen en weder jagen en naar
1de hel drijven. En aan zulke monsters heeft de heilige God van hemel en aarde een welbehagen ? Hoe is het mogeijjk? Hoe kan dat waar zijn? Uitleggen kan ik u dat niet, maar ik heb het op den diepsten bodem mijns harten beleefd en ondervonden, en gij zijt ook geroepen het op den diepsten bodem uws harten te ervaren, dat woord uit Ez. 34 vs. 31:de hel drijven. En aan zulke monsters heeft de heilige God van hemel en aarde een welbehagen ? Hoe is het mogeijjk? Hoe kan dat waar zijn? Uitleggen kan ik u dat niet, maar ik heb het op den diepsten bodem mijns harten beleefd en ondervonden, en gij zijt ook geroepen het op den diepsten bodem uws harten te ervaren, dat woord uit Ez. 34 vs. 31: Gij nu, o mijne schapen, schapen mijner weide, gij zijt menschen; maar ik ben uw God. Geloofd zij zijn heilige Naam, Immanuel, God met ons! Amen.
Uitgegeven bij W. MEIJER te Utrecht, Jerusalemsteeg, Voor Duitschlaud verkrijgbaar bij F. BÃCKMANN, Elberfeld. Prijs per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Cts.
|
h\ ! ;-
SCHRIFTVERKLARINGEN
VAN
Dr. II. F. KOHXBRÃGGE.
Over het lijden en sterven onzes Heeren Jezus Christus, v i 3 4 3 x'
Lieve lezer! geliefde broeders en zusters in den Heere! zoo spreekt de Heere: Vrees niet, gij wormpje Jakobs, gij volkje Israels, Ik help u, spreekt de Heere, en uw Verlosser is de Heilige Israels! Jes. 41 vs. 14. Ja, Hij, wiens Naam Jezus is, is alleen de Heilige, en dat wel, omdat Hij alleen den wil Zijns Vaders gedaan heeft en doet, en de wil des Vaders is het, dat er uit degenen, die Hij, de Vader, aan den Zoon heeft gegeven, niet één zoude verloren gaan, maar dat zij allen het eeuwige leven zouden hebben. Opdat dit geschiede, opdat al de Zijnen het eeuwige leven zouden hebben, heeft Hij, de Koning der eere, die, nu Hij niet meer aan het kruis hangt, maar, verhoogd in eeuwige heerlijkheid, alles beheerscht, aan Zijn kruis alles verdiend, wat er noodig was, om verlorene, totaal verlorene zondaars, volkomen zalig te maken. Gelijk Hij nu alles aan het kruis volbracht heeft, zoo zoekt Hij, die eens sprak: waar twee of drie in Mijnen naam vergaderd zijn, daar ben Ik in hun midden, de verlorenen ook op, onvermoeid zoekt Hij hen op, met Zijn allerheiligst quot;Woord, met den troost en de werking van den door Hem verworven Geest; en daardoor spreekt Hij de ellendigen en verlorenen voortdurend moed en kracht in, en fluistert Hij de bedrukten No. 85. 13 April 1889.
2
en bedroefden, die van wege hunne zonden en ongerechtigheden niet weten waar zij blij ven moeten, goede, vriendelijke en troostrijke woorden toe. Ja! van des Heeren Jezus lippen vloeit voortdurend genade, vloeien er verkwikkende en heerlijke woorden, die de armen en ellendigen moed geven, om tegenover dood, zonde en nood, den vijand geen gewonnen spel te geven, maar zich op genade of ongenade, in hunnen nood, vast te blijven klemmen aan den sterken God Jakobs. En, dat Hij den beangsten en benauwden zielen steeds nabij is met woorden van troost en zaligheid, dat is geheel en al naar het welbehagen des Vaders, want zoo staat er Ps. 45 vs. 3: Gij zijl veel schooner dan de menschen-kinderen; genade is uilgestort in uwe lippen, daarom heeft u God gezegend in eeuwigheid.
Hoe Hij nu, onze gezegende en nooit volprezen Groël en Zaligmaker, ons steeds weder opzoekt, en in de Zijnen werkt met zijn liefelijk Woord, en ons het voorrecht verleent om, te zamen vergaderd, woorden van troost en verkwikking te vernemen, dat willen wij in het kort nagaan bij de behandeling van eenige bijzonderheden van Zijn allerheiligst lijden en sterven op Golgotha, waar onze gezegende Heere en Heiland aan het kruis den dood stierf; wij willen de woorden, die hij aan dat kruis uitsprak, met elkaar bespreken, en dan nagaan, wat er onmiddellijk, nadat Hij den geest gaf, geschiedde; en hoe Hij van Zijn kruis afgenomen en eindelijk begraven werd.
Yertoeven wij, lieve lezers, terwijl wij zulks doen, met aandacht des harten op Golgotha, en geve de Heere het ons allen in genade, dat deze onze betrachtingen die vrucht mogen afwerpen, dat wij onder onze dagelijksche bezigheden, onder ons werk en
l') 3
de bemoeienissen van allerhanden aard, die ons dan hier, dan daar roepen, maar bovenal in ons laatste uurtje, met de gedachten onzes harten, bewust of onbewust, mogen vertoeven op Golgotha!
De Heere Jezus Christus hangt daar op Golgotha aan het kruis als een vloek, opdat wij, die niets dan vloek en verdoemenis verdienen, van ons kruis af zouden genomen, en door God, Zijnen Vader, gezegend worden. Met doorboorde handen en voeten hangt Hij daar, opdat onze, door den duivel en de hel geketende en geboeide handen en voeten, vrijheid zouden verkrijgen om in Gods wegen te wandelen, Aan de boomen, aan het groene hout van het eerste Paradijs, waarin wij reeds in Adam gezondigd hebben, en in den eeuwigen dood verzonken, hadden wij van stonde aan opgehangen moeten worden, maar Hij liet zich vrijwillig op Golgotha aan het dorre hout des kruises nagelen, opdat wij in alle eeuwigheid zouden eten van den boom des levens, die daar staat in het nieuwe Paradijs onzes Gods, en wiens bladeren zijn tot genezing en verkwikking der heidenen. Onze Heere en Goël op Golgotha, en wij, die door genade de Zijnen zijn geworden, en allen, die Hij er nog toe roepen zal, in den hemel der eeuwige heerlijkheid.
Als wij, die verwaardigd worden met den Heere uit Zijnen kelk te drinken, in smarten, nood, droefenis, lijden en dood zijn verzonken, wat is dan alles, wat wij te doorworstelen hebben, vergeleken bij Zijn lijden op Golgotha? Daar hangt Hij tus-schen twee moordenaars, Hij, die Zijne eeuwige woonstede had tusschen de heilige en blinkende engelen! En nog heden ten dage, ook in ons midden, waar bevindt Hij zich anders, dan tusschen en onder
gt; f5
4
moordenaars en overtreders? De eene moordenaar gaat verloren, de andere wordt aangenomen. Die aangenomen wordt, belijdt zijne eigene schuld en de onschuld des Heeren Jezus Christus, en begint God zijnen Schepper te vreezen en Hem de eere te geven en te roepen; âHeere! Gij zijt Koning, Koning over duivel, zonde en dood, Heere! gedenk mijner, als Gij in Uw Koningrijk zult gekomen zijn!quot; En gij, lieve lezer! die uzelven weg moet werpen voor Gods aangezicht, die uzelven moet verfoeien in stof en assche, maar toch geen ander toevluchtsoord kent dan den troon der genade, o spreek het maar vrij uit: mijn Heere was loen, en is nu onder de overtreders, en daardoor is er voor mij plaats bereid in de gemeente der eerstgeborenen en volmaakt rechtvaardigen! ^ Naakt, ontbloot van al Zijne kleederen hangt Hij (jei, daar aan hot kruis, en over Hem henen golft de ijskoude wind der helsche duisternis, ijskoud wordt alles om Hem henen, en bovendien bestormden de vreesselijkste aanvechtingen Zijne vlekkeloos reine ziel! Bedenkt dit, o menschenkinderen! gij die afgoderij en hoogmoed pleegt met kleederpracht; men-schenkind! bedenk het, dat het lichaam meer is dan de kleeding. Menschenkind! gedenk aan de zonden uwer jeugd, aan de zonden van onkuischheid en ontucht, aan uwe tallooze overtredingen van het zevende gebod! Ach! hoe naakt, hoe van alles ontbloot, voelt de arme mensch zich, als hij, door den donder der wet verbrijzeld, voor Gods rechterstoel ter neder ligt! Wat helpt dan alle kleederpracht! naakt, ontbloot van alle heerlijkheid voelt hij zich,
want hij heeft geen God voor zijne ziel. En Hij, die alles bekleedt, Hij laat zich van Zijne kleederen
bero
nog heid tigh Idee zich dooi ,Tezi zit Idee à alle zal bed voo
doo
Hij
op het ver het
scl: tro ha; gei Jo tei en te| 011 kr
5
p.. -berooven, om ons, goddeloozen en verkeerden, die 10«nog zooveel op hebben met onze eigenwillige vroomheid, te bekleeden met den mantel Zijner gerechtigheid, met de kleederen Zijns heils! En Hij bekleedt ons alzoo, dat de geloovige ziel, die in zichzelf naakt is en van alles ontdaan, volkomen is door Zijne genade, en spreken mag: âmijn Heere Jezus hing van alles ontbloot aan het kruis, en ik zit met Hem aan, aan Zijn heerlijk avondmaal, bekleed met het mij door Hem verworven bruiloftskleed.quot; Alles wordt vervuld, wat God heeft gesproken, vrö I alles neemt een einde, maar Gods Woord en gebod 'er' ;â zal blijven. Alles moge bedriegen, maar Gods quot;Woord ,in bedriegt niet, en veilig kan men daarop bouwen J quot; voor tijd en eeuwigheid. Gaat uit op de voetstappen | der schapen, en ziet, of do eeuwige God, de Schepper ^ der einden der aarde, aan wiens verstand geen e doorgronden is, niet alles, alles laat komen, wat Hij gezegd heeft, opdat de arme, die niets heeft om op te hopen, die niet weet, waar zich te bergen, op het onfeilbaar Woord des Heeren zoude hopen; want vervuld wordt zeker en gewis alles, wat God daarin heeft gesproken door Zijne dienaren en profeten.
Wij zien een opschrift boven het kruis, het opschrift Zijner beschuldiging, en dit opschrift zal, trots de hel en de wereld, blijven gelden en gehandhaafd worden; âWat ik geschreven heb, heb ik geschrevenquot;: Jezus de Nazarener, âde Koning der Joden.quot; Dat was alzoo de schuld, die men Hem ⢠ten laste legde, dat Hij koning wilde zijn! Ach! ^ * il en toch voert Hij als Koning alleen maar krijg tegen de vijanden onzer zielen; en schijnt Hij tegen 0' jl ons krijg te voeren, zoo is dat toch niets dan een krijg der liefde, der eeuwige liefde, zooals Hij met
naai
en I gint e te ling ner, En foor stof ;ent
rdt de ine af-en-lan len en iet nt-en )el
en
6
Jakob worstelde aan het veer van Jabbok. Dan wil de Heere tot ons zeggen: âin den ijver Mijner liefde over u, rust Ik niet, voordat ik u geheel verbrijzeld en te niet heb gemaakt, opdat gij alle schijnleven, dat gij meent in uwe eigene hand te bezitten, zoudt verliezen, en gij het eeuwige leven moogt vinden, dat Ik u verwierf en u schenk uit vrije genade!quot; Ach! lieve lezers, wij kunnen dien strijd niet opnemen met onze doodvijanden, met de wereld, met den duivel, met het aanklagende geweten, dat ons zoo kan pijnigen; ook niet met onze boezemzonden, wij kunnen dien strijd wel aanvangen, en, waar waarachtig leven is, zal dit ook gewis niet ontbreken, maar wij kunnen dien strijd nooit zegevierend ten einde brengen, want wij missen daartoe alle kracht en macht; maar dat opschrift op het kruis, wat zegt ons dat? Verkondigt dat ons niet, dat de Koning van hemel en aarde om onzentwille een Nazarener, d. i. de allerverachtste van allen is willen worden ? Verkondigt ons dat opschrift niet: de Heere Jezus aan het kruis, de Heere Jezus met Zijn bloed, met het volkomene rantsoen, dat Hij brengt, is Koning! Ja Koning is Hij, opdat wij, te midden van den heetsten strijd met onze ontelbare ziele-vijanden, en te midden eener worsteling op leven en dood, en de onmogelijkheid gevoelende om die zelf ten onder te brengen, ons met schreien en weenen aan Zijne doorboorde voeten mogen neder-werpen, opdat Hij al onze ziele-vijanden dood sla, en daartoe bezit Hij van Zijn kruis af de volko-menste macht en bevoegdheid. En al steekt de slang Hem in de verzenen, nochtans doorboort de opgerichte kruispaal den hairigen schedel van den Satan en verbrijzelt dien.
7
Welk opschrift der bescliuldiging verdienen wij, lieve lezer? Ach! zoo het eens alles aan 't licht der zon kwam, wat in het verborgene geschiedt, ach! zoo de wet, zoo de heilige, eeuwige, onherroepelijke, onverbrekelijke wet Gods eens tegen ons gehandhaafd werd, zooals de menschelijke wetten en inzettingen tegen de overtreders in het burgerlijke leven gehandhaafd worden, ach! indien het eens bij onzen dood in het openbaar werd vermeld, wat wij in ons leven gedaan hebben, ja wat menigeen nog aan de hand houdt in het verborgene, ofschoon hij onder het gehoor der waarheid Gods is te vinden, wat moet dan wel op onze doodkist het opschrift onzer beschuldiging zijn? Welk opschrift zouden wij verdienen ? O, welgelukzalig, die voor Gods rechterstoel nederzinkt, en van schaamte en schande niet waagt den mond te openen. Ja! zalig is hij of zij, die vernomen heeft, verneemt of vernemen zal: welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven , wiens zonde bedekt is. Zijn onze zonden waarachtig voor Gods aangezicht bedekt, dan heeft Hij, Jezus, onze eeuwige Koning, die bedekt met het opschrift Zijner beschuldiging aan het kruis. Dan is het de alles overtreffende macht Zijner liefde, Zijner vrije genade, dat Hij de zonde alzoo bedekt heeft, dat noch de duivel, noch het aanklagende geweten van den zondaar zelf, die meer vinden kan, maar dat wat vergeven is, ook geheel en al is vergeven, verzegeld met het bloed van Jezus Christus, en weggenomen van de beladene conscientie, âMijn Heere en Goël aan het kruisquot;, zoo spreke een iegelijk die den twee en dertigsten Psalm mocht vinden te midden van zijn zondennood en zielennacht, mijn Heere en Goël aan het kruis, en het opschrift Zijner beschuldiging
8
boven Zijn hoofd. Het opschrift mijner beschuldi-ging is, dat ik een opstandeling, een rebelleerder â¢ei was en ben tegen Hem, tegen Zijne vrije, souvereine § genade, maar wat Hij mij op het hoofd zet, is geen tr0' opschrift der beschuldiging, maar wel de kroon des e ®en levens, eene gouden kroon, de kroon der gerechtig-heid en heiligheid des Heeren, Hecren. En nu lieve v lezer! hoort het mede aan, hoe vleesch en bloed den i .e' genadigen Heere aan het kruis bespot hebben: En hel ; . volk stond en zag het aan. En ook de oversten mei hen beschimpten hem, zeggende: Anderen heeft Hij verlost, dat Hij nu zichzelven verlosse, zoo Hij is de Christus, de uitverkorene Gods.' En ook de krijgsknechten lol Hem komende, bespotten hem, enbrachten Hem edik, en zeiden; Indien gij de Koning der Joden zijl, zoo verlos u zeiven (Luk. 23 vs. 35â37). Ach ! hoe kunnen alle duivelen over eenen armen lijder losbreken met hun gespot, en hunne lasteringen! Hoe gaarne, o hoe gaarne zoude men van de zonde, van het oogeloof verlost zijn, hoe gaarne doorbreken tot licht en vrede, en altoos enger wordt die band, die als een ijzere ring alle leden tezamen snoert! Hoe gaarne zou men heilig zijn, zoo dat lichaam en ziel, ja alle krachten den Heere alleen geheiligd waren, en â och! als ware een doode aan een levende gekluisterd, zoo kan de zonde geketend zijn juist aan hem, dien de zonde een gruwel en afschuw is! En o, dan ontbreekt het niet aan heete aanvechtingen, dan komen er allerlei lasteringen en beschuldigingen op in de ziel. Zoo gij de wereld in waarheid vaarwel hebt gezegd en haar afscheid hebt gegeven, zoo waarachtig de goede keus van Ruth de uwe is, zoo zal het u niet anders gaan, dan het den Heere aan het kruis ging. âZiet gequot;, zal er dan van
me
het
sla;
op
gn
iets
aar
om
gec
dat
mii
dai
sm
en
dai
hoi
bei
wi
va
tot
vb
da
zu
sc
Cl
9
binnen tot u gezegd worden, ânu kunt gij niets meer, kom, geloof nu eens, zooals gjj voor jaar en dag geloofd hebt. Toon ons nu eens, dat uw vertrouwen op den Heere is; vroeger waart gij zulk een held, en nu ligt gij moedeloos ter neder, vroeger kondet gij u over alles weg zetten! alles weg bidden, weg zingen, en nu struikelt gij over eenen stroohalm! Heeft de Heere een welbehagen in u, zijt gij een kind Gods, nu ja, dan â maar gij zijt het immers niet.quot; En heviger en heviger steekt de doorn in het vleesch, zwaarder en zwaarder vallen de vuistslagen van den engel des Satans (2 Cor. 12 vs 7b) op het nedergehogene hoofd, en gruwelijker, altoos gruwelijker wordt de duisternis om ons henen. Zoo iets, en nog veel meer, heeft de Heere doorgeworsteld aan het kruis! En dat niet om Zijnentwille, maar om onzent wille, die zoo vaak heen en weer worden gedreven door den storm der aanvechtingen. En daarom, lieve lezer! zoo de duivel u aanklaagt te midden van al uwen angst en nood, bedenk het dan, dat Christus den vollen kelk van hoon en smaad, dien wij verdiend hadden, geledigd heeft, en dat Hij daarmede al hel OM^e/oo/quot;heeft verzoend, dat ons in onzen zielenstrijd zoo pijnigen kan! En hoe meer de duivelen eene arme ziel met al hunne beschuldigingen en pijlen overvallen en doorboren willen, des te meer wil de Heere, dat zij moed vatte, en weet Hij dezulken soms toch nog vriendelijk toe te spreken, zoodat zij in hun binnenste overvloedige vertroosting ontvangen. En gij, o wereld! daar hebt gij uwe eere, ik gun ze u van harte, eens zult gij met de geheele menigte der duivelen te schande worden, maar zij, die in de gelijkmaking Christi, in het vervullen van de overblijfselen Zijns
I
10
lijdens langs den weg, die in den twee en twintigsten Psalm beschreven staat, worden geleid, zullen Hem, met hun zaad loven tot in alle eeuwigheid.
Voor Jezus ging de zon toen onder, ik kreeg licht. Die 't zonlicht schiep, verzonk ia duisternissen. In den beginne schiep God hemel en aarde, en duisternis lag op den afgrond en de Geest Gods zweefde over de wateren; aan het kruis schiep de Heere eenen nieuwen hemel en eene nieuwe aarde, en niet op den afgrond, waarin wij lagen, maar op Hem zweefde, niet de heilige Geest Gods, maar de geheele macht der duisternis. (Lukas 23 vs. 44. 45 ) Voor ons wilde Hij de heerschappij der duisternis, waarin wij allen geboren zijn, wegnemen, en opdat wij als rechte kinderen Israëls, te midden van een in nacht en duisternis verzonken Egypte, licht zouden hebben, trok Hij vrijwillig de gansche duisternis op zich. En in deze duisternis had Hij, het ongeschapen Woord, er niets aan, dat Hij het ongeschapen Woord was, niets daarvan, wat Hij deed, wat Hij leed, wat ons in de hitte der aanvechting nog het hoofd boven water kon houden; neen! Hij lag midden in helsche aanvechtingen, midden in de helle, midden in den gloed van Gods eeuwigen toorn tegen de zonde, midden in de eeuwige verdoemenis. En gij, o mensch! kent gij iets daarvan, wat het is, zonder God te zijn? Zoo gij onbekeerd zijt, verstaat gij daarvan niets, maar gij hebt genoeg aan de wereld, aan uzelven, en aan een weinig godsdienst op de koop toe! Maar wanneer God zich eens over u ontfermt, dan zult gij weten, wat het is verloren, d. i., zonder God te zijn. O deze verlorenheid, o dat derven der heerlijkheid Gods, wie heeft ooit de diepten daarvan gepeild! Schrikkelijk
11
is dat, en daarom, gij, die tot nu toe den Heere Jezus de eere niet hebt gegeven, ontwaak uit uwen doodslaap, opdat gij niet eenmaal ontwaakt in de eeuwige verdoemenis; opdat, als gij eenmaal op uw sterfbed vraagt: hoe laat is het? het antwoord u niet in de ziel dondere: le laat, te laat! Bedenk toch, o mensch! wat tot uwen eeuwigen vrede dient, en hoe zwaar God de zonde straft, zóó zwaar, dat Hij, aleer Hij ze ongestraft liet, Zijn eenig geliefd Kind Jezus genomen heeft, en Hem heeft geworpen in de golven des toorns en der verdoemenis, die zich boven onze hoofden hadden moeten toesluiten, en die zich ook gewis zullen toesluiten boven het hoofd van allen, waarover de Heere Jezus zich niet ontfermt. Keemt Hij echter dien geheel en last des toorns Gods op Zich, nu dan doet Hij dat ook als Borg en Plaatsbekleeder, en geeft het Zijnen armen en ellen-digen te juichen:
Nu weet ik, dat de macht der duisternis Vernietigd is; moet ik ook radeloos weenen In duistere dalen, alle troost verdwenen Voor 't zielenoog! zoo ben ik toch gewis:
Eer zal de zon, beroofd van licht en gloed, In 's afgronds duisteren kuil voor eeuwig zinken.
Eer Jezus mij vergeten zou; Zijn bloed Zal ik met Hem in eeuwigheid eens drinken.
Zoo duister kan het voor een kind Gods niet worden, dat zijn kaarsje geheel en al zoude uitge-bluscht worden, ook al schijnt dit, naar zijn gevoel, reeds lang geschied te zijn, want om het licht uit te blazen, dat God zelf heeft ontstoken, is de geheele hel te zwak. Licht is er, licht genoeg ia er nochtans, te midden der duisternis, daar, waar Jezus is. Voel ik dat nu niet in mijn harte, voel ik integen-
12
deel dat Hij verre, verre van mij is, zoo wil ik blijven roepen, schreien, stenen om hulp, totdat de Zon der gerechtigheid ook ia mijne ziel opga. Hij heeft het beloofd, en Zijn quot;Woord is getrouw en waarachtig: uw licht zal zijn als van zeven dagen (Jesaja 30 vs. 26). En daarom, mijn Heere Jezus drie bange uren in de macht der duisternis, en daarom, en daarom alleen, ik, zijn verloste, eeuwig en altoos in het licht des hemels, in de stad der gouden straten en der eeuwig bloeiende palmboomen !
Met edik wilden zij den Heere laven, met onreinen edik, toen Hij luide klaagde: Mij dorst! Ach! sinds den vorigen avond had Hij niet één dronk water genoten in al Zijne bittere benauwdheden. Niet waar? elk waarachtig kind van God weet het maar al te goed, dat het in de verschrikkingen Gods haast geen seconde uit te houden is, en in den nood, in den bangen strijd dien de Heere te strijden had, had Hij geen enkelen druppel water tot lafenis. En nochtans! Hij wil Zich niet wreken aan hen, die Hem al dat lijden, al dat leed berokkend hebben! âWat Ik redden wil, zal nochtans gered zijn, al mishandelt het mij en slaat mij in 't aangezicht, en aan het licht zal het komen, wat sterker is, des menschen verkeerdheid, of de vrijwillige, souvereine liefde Gods.quot; Maar de menschen bespotten Hem.
Het volgende blaadje zal reeds op 20 April verschijnen; blaadje n0. 87 verschijnt dan 11 Mei.
Uitgegeven bij W. MEIJER te TJteecht, Jerusalemsteeg.
Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BÃCKMANN, Eiberfeld. Prijs per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Cts.
SCHRIFTVERKLARINGEN
VAN
Igt;r. H. Fi KOHXBRÃGOE.
Over het lijden en sterven onzes Heer en Jezus Christus.
Ha! roepen zij, wacht, laat ons zien of Elias komen zal, om hem te helpen! en nochtans neemt Hij dien dronk onreinen edik van die zelfde spotters aan. Mijne lezers! Hebt gij wel eens gelezen van den rijken man, die in de vlammen der hel luide riep om één droppelde water, maar het niet kon krijgen? Geef den Heere toch hart en hand, gij menschenkind! opdat ook gij niet eens moogt schreien en roepen om één droppeltje water, maar dat niet zult kunnen bekomen. Geef den Heere toch hand en hart, gij aangevochtene! al plaagt de zonde, al plaagt het ongeloof u nog zoozeer; al de stroomen der hemelsche gaven, alle liefelijkheden des hemels zij zijn de uwen! Den dorst, dien wij in aller eeuwen eeuwigheid hadden moeten lijden, Hij heeft dien voor ons geleden op Golgotha! En gij stervende! gij hopeloos ter neder liggende! een koele laafdronk midden in uwen doodstrijd, in uwen doodsnood heeft de Heere Jezus voor u verdiend door Zijnen dorst â o laat toch varen de bange gedachte, dat Hij u niet genadig zoude willen zijn, en geef Hem een kus voor dien door Hem verdienden laafdronk. Mijn Heere en mijn Goël aan het kruis, en Zijn dorst gelaafd met onreinen edik! welnu wereld! ik laat mij door u met edik laven, ik wil u geen verwijten doen, No. 86. 20 April 1889.
14
maar er komt een dag, waarop gij het zien zult, dat er aan ellendigen en verlatenon toch nog eene andere lafenis toe te reiken is, dan wat gij voor lafenis wilt laten doorgaan, en wat toch maar onreine edik, en geen lafenis is! Mijn Heere en Verlosser!quot; zoo spreke een ieder die door Hem gelaafd wordt, âwerd met edik gelaafd en met spot overladen, en mij, mij ellendigen worm, vloeien te midden van allen strijd en aanvechting alle zaligheden, alle honig en melk van het hemelsche Kanaan toe!quot; En daarom; wie dorst heeft Iwme, en die wil, neme hel water des levens om niet (Openb. 22 vs. 17).
Laat ons nu vernemen de woorden, die onze Heere en Heiland sprak, terwijl Hij , als een worm en geen man, aan het hout des kruises hing.
âVader!quot; dat is het eerste woord, dat wij van Hem vernemen, toen Hij onder de wreedste martelingen, de vreeselijkste smarten aan het kruis was geslagen, toen men Hem, den alleen goeden, den heiligen Israëls tot de misdadigen had gerekend. âVader! het komt toch alles van Uwe vaderlijke hand, Vader zijt gij. Vader blijft gij, ook waar Gij het duldt, dat menschen mij met smaad overdekken en vertreden, ja, mij met de misdadigen gelijk stellen. Mijn geheele volk, de voornaamsten der zondaren, Ik zal ze wassehen en reinigen in Mijn bloed. Misdadigers, dat zijn ze voor U, maar Ik neem hun overtredingen, al hunne overtredingen op Mij. Vader! Gij weet dat de menschen U, dat ze Mij niet kennen, dat zij niet weten wat zij doen.quot; quot;Want ach! lieve lezers! onder de heiligen wordt de duivel nog wel geduld; zie in de heilige stad, in het heilige Jeruzalem is wel plaats voor den duivel, in de christenheid is wel plaats voor den anti-christ, maar
15
de waarachtige God, de waarachtige en levende Heere Jesus gold, geldt en zal in de wereld nooit voor iets meer dan voor een ketter en overtreder gelden. quot;Want, wat weet gij er van, o Winde wereld! wat zonde, wat gerechtigheid is? Dit is immers in uwe oogen eene misdaad, dat ik u den kuil aanwijs, waarin gij voor eeuwig ter neder storten moet, zoo gij blijft op den breeden weg des verderfs? Het is immers in uwe oogen eene misdaad, dat ik u uit waarachtige liefde met geweld terugbrengen en u redden wil van den gapenden afgrond, dien gij tegemoet gaat? Maar dat is in uwe oogen eene weldaad, dat is in uwe oogen liefde, zoo ik u vleie, en u, tegen beter weten in, zeg: de weg, dien gij betreedt, en welks einde de dood is, is de weg ten hemel! Maar de eeuwige waarheid heeft lief, en omdat zij waarachtig liefheeft, geeft zij van de waarheid geen jota noch tittel af: want, ach! heden zien wij elkaar nog, morgen liggen wij misschien dood, en spoedig in het gra., en dan klinkt de bazuine Gfods, die roept: gij dooden! staat op en komt voor het gericht! En te midden van dit alles onderwijst de Heere met goddelijke lankmoedigheid en geduld, de Zijnen, die met de misdadigen gerekend worden, zich niet te wreken, niet weder te schelden, niet te dreigen, maar van alles, wat hun aangedaan wordt, te gelooven: âVader! alles wat menschen mij aandoen, het komt nochtans alleen van Uwe vaderlijke hand.quot; Grelukzalig, driewerf gelukzalig daarom hij, die door de wereld tot de overtreders gerekend en met Christus aan een schandpaal geslagen wordt en spreekt: dat bad, dat bidt de Heere ook voor mij: Vader! vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen!
I fi
gtïv % ih â¢
Een Man, een Rechter der weduwen is de Heere, ofschoon Hjj aan het kruis hangt, en van af Zijn kruis zorgt Hij voor weduwen en eenzamen. Een Vader is Hij der weezen en veriatenen op Zijn kruis, en van af Zijn kruis. Zijn bloed is de verkwikking en verlustiging van elk door weezen bewoond huis; dat bloed is een hooge muur en sterke omtuining voor het huis der verlatene en eenzame weduwen. Daarom, gij eenzame weduwen! die tot uwen troost en leuze hebt genomen: die u gemaakt heeft is uw Man, gedenk aan Zijn: vrouwe! zie uw zoon! En gij wees! gij jongeling! wiens liefhebbende vader weg werd gedragen en voor eeuwig tehuis is gehaald, gedenk aan des Heeren Jezus woord: zoon! zie uwe moeder!
Wie het geleerd heeft, lieve lezer! van harte den een en vijftigsten Psalm te bidden, en te roepen: Wees mij genadig o Heere, naar de grootheid Uwer barmharligheid, verlos mij van bloedschulden o God! gij God mijns heils! ach! hij kan nochtans op zijn sterfbed soms zeer ellendig en benauwd worden, zoodat hij zich gelukzalig zoude prijzen, zoo hem tegen de ure zijns doods ook maar ééne gedachte aan den levenden God voorkwam, maar helaas! hij vindt er geene. Heere gedenk mijner \ dat zij het gebed eens iegelijken die zich onder zijn kruis niet meer voelt dan een moordenaar, dan een misdadiger! En dat zij ook het gebed van den onkuischen en echtbreker, die ophoudt zichzelven te verontschuldigen en te rechtvaardigen, wiens oogen open zijn gegaan voor zijn verderf en God tergende zonden, waardoor hij anderen vermoord heeft, en bloemen heeft geplukt, die alleen in Gods hof bloeien mogen. Heere gedenk mijner, roepe hij met den moordenaar, als de
17
oordeelen Gods over zijne goddeloosheid losbreken. Heere gedenk mijner! Heere gedenk mijner! al hang ik hier met gebroken beenen aan het kruis mijner schande. âHedenquot;, dat is het woord des Heeren tot zulk een armen, berouwvollen kermer; en Zijn âhedenquot; blijft âhedenquot;, Jezus Christus heden en gisteren dezelfde, en tol in alle eeuwigheid! Hij aan het kruis, ik van het kruis genomen. Hij van het kruis genomen! en ik misdadiger in het Paradijs!
âIk zal u niet begeven noch verlaten,quot; dat roept de Heere u allen toe, die geen andere toevlucht hebt dan de schaduw Zijner vleugelen! Maar zoo het â Abbaquot; u niet over de lippen wil, zoo het door allerlei benauwdheid en angst teruggedrongen, telkens teruggedrongen wordt, wat raad dan? Hoe moet gij het leeren te midden van alles, en niettegenstaande alles, nochtans âmijnquot; God, âmijnquot; Vader te zeggen? Dat heeft Hij voor u verdiend, gij door onweder voort-gedrevene, ongetrooste! dat heeft Hij voor u gehaald uit de diepe zee der vertwijfeling en der duisternis, toen Hij riep: mijn God! mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten ?! En daarom, zeg het maar vrij uit, te midden uwer benauwdheden: mijn Heiland en Verlosser werd van God verlaten, opdat ik tot God genomen, en nimmermeer van Hem verlaten zoude worden, dat heeft Hij beloofd, dat gezworen met een eeuwig zoutverbond!
âHet is volbracht.quot; David heerschte wel als Koning, maar nochtans moest hij zeggen: gedenk aan David en al zijn lijden! en toen David den raad Gods uitgediend had, kon ook hij zich rustig neder-leggen en spreken: het is volbracht. O, wat is dat zalig als het dagwerk volbracht is, welk eene vreugde voor het geheele huisgezin, als wederom dit of dat
18
volbracht is! quot;VVelk eene vreugde voor eene moeder, al ging het dan langs den rand des grafs, als een kind, een mensch ter wereld is geboren, en de luide kreet door het huis klinkt: er is een kind geboren, uit den dood is het leven voortgekomen, de moeder leeft, het kiadeke leeft, ook hier alzoo; het is volbracht. Maar op Grolgotha had dit woord: âhel is volbrachtquot; toch nog eene geheel andere beteekenis, want daar beduiden die woorden: dat er eene eeuwig geldende betaling voor alle zonden en schuld is aangebracht, dat de dood verslonden is in de over-winningo Christi! En op dit âhet is volbrachtquot; leg daarop uw hoofd maar gerust neder, als de dood nadert, en geef maar rustig al wat u lief en dierbaar is, man, vrouw, kinderen in de handen van Hem, die u in de wereld geroepen heeft om zijn raad met en door u te vervullen, en door wiens genade gij zeggen moogt: ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; voorts is mij weggelegd de kroone der rechtvaardigheid, welke de Heere, de rechtvaardige Rechter, mij geven zal in dien dag, en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijne verschijning hebben liefgehad! 2 Tim. 4 vs. 7, 8.
En op dit âhet is volbrachtquot; volgde die andere uitroep, die de aarde deed schudden: âVader in uwe handen beveel ik mijnen geest! En onze Heere en Heiland, Hij, het eeuwige Woord, sterft, maar niet vervuld met hemelsei)en troost, niet juichend sterft Hij, maar zich vastklemmend aan het geschrevene Woord. Een woord uit den 31steu Psalm komt Hem voor, en toen Hem dat woord voorkwam, gaf Hij den geest met sterk geroep. Hij, die niet sterven kon, legt vrijwillig het leven af, om voor
19 A
zijne dooden het leven te verwerven, opdat Hij naar het gebod Zijns Vaders voor zijne dooden weder het leven zoude aannemen, en hen zoo verwerven zoude den Geest der genade en der gebeden. En zoo heeft Hij het verdiend, dat de aangevochtene ziel, hoe zwaar hare aanvechting ook zijn moge, nochtans veilig en gerust kan en wil sterven met het woord op de lippen : Vader in Uwe handen beveel ik mijnen geest. Gij hebt mij verlost, gij Heere, gij God der waarheid!
Het heeft geen nood met u, o mensch! indien gij, en al was Let nog in uw laatste uurtje, leert inzien, dat God alleen God is, en gij een menscb, een zondaar en niets meer, en gij dan, al was het ter elfde ure nog de toevlucht leert nemen tot Hem, die sprak: Vrees niet, geloof alleenlijk.
Dat zeg ik u echter alleen om u tegen wanhoop en vertwijfeling, die u in uw sterven nog zoude kunnen overvallen, een wel beproefd wapen in de hand te geven, maar geenszins tot gerustheid des vleesches. quot;Want Joab heeft het niets gebaat, dat hij in zijn sterven de hoornen des altaars aangreep, want Joab had ook geen ander voornemen, dan om, indien hij in 't leven gespaard bleef, den hemel te verwoesten , en de hel te verheerlijken.
Haar met u heeft het geen nood, gij die arm en ellendig, boetvaardig op d^ borst slaat, ook al staan alle duivelen rondom u om u te verhinderen, tot die ééno gerechtigheid de toevlucht te nemen, die alléén voor God geldt, namelijk de gerechtigheid Jesu Christi! Het heeft geen nood met u, het ziet er voor u zoo erg niet uit als gij denkt, o gij arm kind des Heeren, gij die daar midden in uwe angsten, nooden en aanvechtingen den naam des Heeren Jezus aanroept, dien schoonén Naam, dien eenigen naam
20
gegeven onder dea hemel, waardoor wij moeten zalig worden. Ja! het is waar, bij ons is niets aanwezig als toorn, vloek, schuld, verdoemenis, maar bij God, in den hemel der heerlijkheid, daar geldt wat anders, daar is wat anders, daar geldt alleen het bloed des Heeren Jezus Christus, dat ons reinigt van alle zonden. In dat bloed is geopend een versche en levende weg tot de arke des verbonds, tot den troon der genade. Verneem het, gij jonge man, gij jonge dochter, gij volwassene, gij oude van dagen, verneem het, dat de weg tot den troon der genade geopend is door God Zelf, want door den stervenskreet van den Heere Jezus Christus scheurt het voorhangsel des tempels van boven tot beneden. Alzoo, niet langer gesloten, maar wijd geopend is de weg tot den genadetroon, voor allen, die naar «genade liggen te hongeren en te dorsten! Als ik u zeg, dat hier in den omtrek deze of gene stad is gelegen, en u den naam dezer stad noem, zult gij immers niet in twijfel trekken, of deze stad er werkelijk is, en waarom gelooft gij dan niet, als ik u verzeker, dat niets den Heere in den weg staat om u in genade en ontferming aan te nemen? Geen zonde, geen verkeerdheid, welke ook, waarover gij u beschuldigt, kan Hem verhinderen zich over u te ontfermen. O, mijne opgechtste broeders en zusters! gij, die altijd vol vrees zijt of gij, ja juist gij wel genade bij God gevonden hebt, hoe lang zal ik u toch moeten bezweren, dat er bij den Heere geen zweem noch schaduw van toorn is, tegen armen en ellendigen, zoo als gij! Heeft Hij dan niet gezegd: bergen zullen wijken en heuvels wankelen, maar mijne genade zal niet van u wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen? En hebt gij Hem
J? 21
nog niet gevonden, o vertwijfel niet, maai'blijf Hem aanroepen tot dat ook gij zeggen kunt: ik heb geworsteld , ik heb liet ondervonden, nu weet ik het: het voorhangsel is verscheurd, er is geen voorhangsel meer.
Ook van dien laatsten stervenskreet van onzen Heere geldt het woord uit den 293t,:u Psalm: de slem des Heeren is met kracht, de slem des lleeren is mei heerlijkheid; de aarde beefde en de steenrotsen scheurden; waar is het, waar blijft het, maar och! het menschelijke hart is harder dan eene steenrots, onbewegelijker dan de aarde, waarop onze voeten staan. Ach! dat toch geen uwer deze geschiedenissen van het lijden en sterven des Heeren Jezus Christus moge lezen, zonder dat ook zijn hart beeft, zooals toen de aarde beefde, en zijn hart verscheurd worde, gelijk toen de steenrotsen scheurden. Want alles, wat op Grolgotha geschiedde, was toch alleenlijk de vrucht van des Heeren vrijwillige liefde en genade. Maar, al siddert de geheele natuur, de mensch blijft, uit en van zichzelven, ijskoud, dood. In zijnen hoogmoed en eigengerechtigheid meent de dwaze mensch te bezitten, wat hij hebben moet om voor Gods rechterstoel te kunnen verschijnen, want o hoe ver meent hij niet reeds gevorderd te zijn, en wat heeft hij al niet voor wondere dingen beleefd ! Maar, maar dat ian u alles geen blijvende rust geven, lieve lezer! maar de levende Heiland en zijn woord: hel is volbracht \ dat moet in uw harte leven, persoonlijk moet gij vrede met Hem gesloten hebben, persoonlijk Hem ingeplant zijn en Zijne sterkte aangegrepen hebben. Is Hij machtig genoeg om u te helpen of niet? Zijne stemme dringt tot in de diepste diepten des grafs, en het doodenrijk moet terug geven, wat het onbevoegd in zijne macht
22
heeft, want ontslapen heiligen staan op uit hunne graven, en uit het graf van allerlei jammer en ellende, waarin gjj nu al zoo lang ligt te jammeren, zoude Hij niet sterk genoeg zijn om u daaruit op te wekken ? O, die liefde, die brandende liefde des Heeren Jezus Christus, zij is zoo geweldig, zoo sterk, zoo kostelijk, zoo zoet, zoo gaarne vergevend , zoo mild, zoo goed, het is louter liefde en genade, het is alles begeerlijk, wat aan Hem is, en ons ellendig vleesch en bloed heeft Hij willen aannemen, ons is Hij gelijk willen worden in onze uiterste zwakheid en ellende, al onze zwakheid en ellende heeft Hij op zich geladen ! Welnu, o ziele! wat dunkt u van zulk een verlosser ? Tot Hom, tot Hem alleen gevlucht met al uwe zonden, al uwe nooden, en gij zult het ervaren, Hij is de armen en ellendigen genadig en goed! want een Heiland voor Zondaren, dat is Hij! Daar hangt Hij, de Vorst des levens, die allen het leven geeft, aan het kruis als een lijk, bedekt met bloed en wonden, en alles zwijgt, alles is stom. Geen priester, geen pharizeër slaat bier op de borst en bekent wat hij gedaan heeft. En toch hebben hunne oogen aanschouwd, dat hij dooden opwekte! Maar zoo groot is in des menschenhart de haat tegen Grod en den naaste! Nog eerder zal een ruwe soldaat, nog eerder een onbeschaafde krijgsknecht de waarheid des heils huldigen, dan een christelijke professor der theologie '). Verhard, hard
1) Deze in 1859 door onzen schrijver uitgesproken woorden zijn o. a. ook bewaarheid in den onlangs te Göttingen overleden woordvoerder der moderne theologie in Duitschland, den hekenden en door velen hooggeroemden Professor llitschl. Deze man hield zichzelven voor een groot licht, en meende ook een geheel nieuw licht over sommige gedeelten der glorierijke geschiedenis van Nederlands kerk
(iï 23 ;^-i
als steen wordt de mensch van stap tot stap in zijne vermeende kennis van goed en kwaad, in zjjne philosophic en waanwijsheid! Die romeinsche man beefde en roept uit, niet, dat is een zoon der goden â want och! hoe vele en welke afschuwelijke afgoden hadden de romeinen niet â neen! dat wist bij wel, dat die aan het kruis gestorvene niets met zijne romeinsche afgoden gemeen had; maar hij roept; waarlijk deze man was Gods Zoon, waarlijk! deze mensch was rechtvaardig! Welaan! hongert en dorst gij naar de genade, die dezen hoofdman te beurt viel, wilt ook gij gaarne met hem uitroepen: waarlijk deze is Grods Zoon, zoo moet gij tot de belijdenis komen: ik ben niet waardig Gods zoon, Gods dochter, Gods kind genaamd te worden, maar Hij daar aan het kruis. Hij alleen is Gods Zoon, deze alleen is rechtvaardig. Zoolang wij meenen, ook nog maar één stipje gerechtigheid in ons zeiven te bezitten, zoolang wij meenen, dat er na Adams val ook nog maar
en natie verspreid te hebben; zijne beweringen waren echter voor een groot gedeelte niets dan herhalingen van remonstrantsche, in revolutionaire tijden opgekomen beschouwingen, die door de geschiedkundige onderzoekingen van later tijd omver zijn geworpen. Van onzen schrijver zeide hij niets meer of minder dan; het is de moeite niet waard dezen man in zijnen verwarden gedachtengang te volgen! Het is te hopen, dat Prof. Ritschl in zijn uiterste nog zijne eigene wijsheid als dwaasheid heeft leeren verwerpen, en heeft leeren hopen op de genade van dien zelfden God, op wien onze vaderen als arme zondaren hebben gehoopt en met wien zij niet beschaamd zijn uitgekomen, Hij, wiens genade en ontferming, wiens Woord door den ontslapen schrijver onzer âSchriftverklaringenquot; zoo heerlijk wederom op den kandelaar is gezet, toen schier niemand er meer naar vroeg. Heeft Prof. Ritschl zijne dwalingen niet afgelegd, dan zal de eenvoudige romeinsche hoofdman al zijne vermeende wijsheid beschamen, entegen hem getuigen in den dag der dagen; en zal hij ondervinden, wat het zegt: licht duisternis, en duisternis licht te hebben genoemd.
De Redactie.
24
één vonkje licht in ons is overgebleven, boven hetgeen overgebleven is om ons alle onschuld te benemen, zoolang wij dus, en al is het maar met een vezeltje, aan den ouden stam Adams hangen, zoo meenen wij ook Gods gebod te kunnen houden, al is het dan ook maar gebrekkig, maar wij vergeten daarbij, dat, wat wij Gods wet noemen, Gods wet niet is, maar een voor onze onbarmhartigheid en roomsche kloosterheiligheid vervormd schaduwbeeld daarvan. Weet gij, hoe liet bij zulke eigengemaakte nauwgezetheid toegaat? Daarbij viert men den goeden Yrijdag zeer streng, en zet dien boven alle andere dagen des jaars, maar de viering van den dag des Heeren, dooiden Heere Zelf in het vierde gebod ingesteld, wordt verzuimd, en die dag zelf ontheiligd. Alles wat onder de wet is, is zoo gezind, en daarom verlangde ook de geheele hoogepriesterlijke synagoge, dat Jezus van het kruis zoude genomen worden, weggenomen moest Hij worden, weggenomen van het aardrijk, hoe eerder, hoe beter! Had de Heere hen dan ooit eenig leed aangedaan? Ach neen! maar zij vierden juist een bijzonder, een plechtig feest, en daarop mochten de gekruisigden niet aan het hout blijven hangen, daarom baden zij Pilatus, dat de beenderen der gekruisigden zouden verbroken worden. Maar, lieve lezer, ziet ge! den Heere Jezus de beenderen te verbreken , dat is een werk, dat men nooit gedaan krijgt. Hart en long worden Hem wel doorboord, maar geheel en onverbroken blijft Hij. Want zoo had de Heere Pleere eens bevolen van zijn Paaschlam; gij zult geen been daarvan breken. Ex. 12 vs. 46. En gelijk toen gesproken werd tot het volk Israël: wel zult gij allen van mijn paaschlam eten, gij mannen, vrouwen, kinderen, zoo zegt de Heere nog;
25
gij allen, mannen, vrouwen, kinderen, eet vrij van mijn waarachtig paaschlam, maar geen been zal Hem gebroken worden, maar een gansche Christus zal Hij blijven, geen halven Christus zult gij hebben, maar een Christus, die om en om is, wat Hij is, namelijk een algeaoegzame Borg en Verlosser! Niemand had den krijgsknecht bevolen des Heeren zijde te doorsteken, hij deed het vrijwillig, en toch niet vrijwillig, voor zooverre het God in den hemel was, die zijne speer bestuurde. Openbaar zoude het worden, dat wij menschenkinderen, nadat de Heere voor ons gestorven is aan het kruishout, waaraan wij Hem hebben gehangen, nog bovendien met zware hamers aanrukken om zijne beenderen te verbrijzelen. Maar de Heere zal er zjjn volk wel voor bewaren, dit gruwelstuk en zooveel andere dwaze gruwelstukken ten uitvoer te brengen. Ach! hoe zijn wij allen gezind! Waar Hij, gestorven om onzentwil, aan het kruis hangt, nemen wij nog eene speer en boorboren hem daarmede het hart. Welgelukzalig hij, die met mij instemt in de belijdenis zijner zonde en schuld! Dan geldt hem, dan geldt ons dat schoone woord: e)i zij zullen zien, in Wien zij gesloken hebben! Want dan wordt dat zien een zaligmakend zien, verbonden met waarachtig berouw, en waarachtig geloof, en waar dat aanwezig is, daar spreekt men met vreugde: wie is hel, die de wereld overwint, dan die geloofl, dal Jezus is de Zoon van God? Deze is hel, die gekomen is door ivaler en bloed, namelijk Jezus, de Chrislus: niet door hel water alleen, maar door het water en hel bloed. En de Geest is het, die getuigt, dal de Geest de waarheid is. (1 Joh. 5 vs. 5 en 6). En in dit bloed is eene volkomene betaling, het eeuwige rantsoen voor alle
26
zonden, en het water is het water des Heiligen Gees-tes, het water der ontzondiging en waarachtige heiliging. Dat vloeit eeuwigljjk voort uit Zijn liefdehart. En zoo is dan het kruis de troon Gods, waaruit voortkomt die wonderbare rivier van levend water, die al dieper en dieper wordt, hoe verder gij er in voortgaat, totdat gij niet meer met uwe voeten staat, maar drijft, op genade drijft, en zoo gedreven en gedrongen wordt tot de boomen des levens, wier bladeren alle wonden genezen. Ezechiël 47 vs. 1 â12. Openbaring 22 vs. 1,2. »
Daar hangt alzoo het doode lichaam des Heeren met de doornenkroon op het hoofd, waardoor bloed over Zijne slapen vloeit, het vloeit ook van de doorboorde handen en voeten, en het bloed en water, dat uit Zijne zijde vloeit langs de speer des krijgsknechts, vloeit op deze van God afgevallen aarde. Leert deze krygsknecht boetvaardig op de borst te slaan, zoo heeft hij vergeving der zonde in het door hem gestorte bloed. En komt gij tot u zelven, o zondaar! en leert gij boetvaardig op de borst slaan, en zeggen: oHeere! hoe dikwijls! hoe dikwijls heb ik u niet het hart doorboord door mijne zonden, dan zal Hij u aanzien met Zijne heilige oogen, zoodat gij krank wordt van liefde, en nergens heil vindt dan onder de schaduw Zijner vleugelen. Daar hangt des Heeren Jezus lichaam aan het hout, met de gapende wonde in de zijde, waarin de door den storm des twijfels en des ongeloofs voortgedrevene en voortgejaagde Thomassen hunne handen zullen mogen leggen. Bij de goddeloozen had men zijn graf besteld, zij naderen reeds om Hem, den Heilige, op Golgotha bij de misdadigers onder den grond te stoppen. Maar God leeft, God zorgt voor de Zijnen, en die Mij eer en, zal Ik
27
eeren is Zijn woord 1 Sam. 2 vs. 30. Daar treedt een eerlijk raadsheer, Jozef van Arimathea, een rijke man, te voorschijn. God had hem rijkdom gegeven, maar ofschoon hij zooveel goederen bezat, wilde hij toch nog meer bezitten, hij moest bovendien toch nog wat hebben, en dat was hem meer waard dan al zijn geld en goed, dan al de eer en aanzien welke hij genoot, en dat eene, dat hij begeerde, was het doode lichaam van den Heere Jezus. Hier vroeg hij naar geld noch eere, al had hij er ook vroeger naar gevraagd, want wij lezen, dat hij zich verborgen hield om de vreeze der joden, maar nu alles weg is, nu alles in den dood is gegaan, nu treedt hij, de rijke, aanzienlijke man te voorschijn om den dooden Heere Jezus te eeren. Ja! ja! al woedt de duivel nog zoo hevig, nochtans God waakt over zijne kinderen, en zorgt dat geen been van hen verbroken wordt Ps. 34 vs. 21. En zijn zij in God waarlijk rijk geweest, zoo zullen zij ook in den dood met de rijken zijn, opdat Jezaia 53 vervuld worde aan het hoofd én aan de leden. Zie, zulk een rijk, aanzienlijk man wachtte op het koningrijk Gods, op het koningrijk Christi, maar in het verborgene. Een eerlijk raadsheer was hij, want eerlijk maakt de Heere de Zijnen, zelfs voor dat zij voor Hem durven uitkomen, huichelaars zijn zij niet, want zij hebben zelfs van hunne jeugd af recht en gerechtigheid lief. Het schijnt ons een waagstuk voor den Heere uit te komen, een heldenstuk maar één woordje voor Zijne waarheid te spreken, als het er om gaat, en men lieden tegenover zich heeft, die den waarachtige Heere Jezus niet kennen. Jozef van Arimathea verstoutte zich, en vroeg om het lichaam van dien gekruisigden, want meer was dat dierbare lichaam
28
niet in de oogen van hen, die het in handen hadden. Een waagstuk, een heldenstuk, was het, maar het was de Heere, die er den moed toe gaf. En Pilatus, die van den Heere niets wilde weten, â ach! wie heeft de ware waarheid lief? â waarheid en recht gelden bij Pilatus niets, maar Jozef van Arimathea, dien rijken, hooggeplaatsten, aanzienlijken man kon hij toch zoo niet afschepen, en met de grootste beleefdheid en welwillendheid schenkt hij aan Jozef het lichaam des Heeren, dat hij zonder diens tusschen-komst, rustig aan de willekeur der woeste soldaten zou hebben prijsgegeven. Pilatus weet niet wat hij weg geeft, Jozef van Arimathea niet, wat hij ten geschenke ontvangt. De Heere echter werd gelegd in fijn lijnwaad, daardoor heeft de Heere voor ons ook een fijn blinkend lijnwaad bereid, waarin wij goed geborgen zijn, als de dood komt. En nu werd de Heere in eenen tuin, in eenen hof gedragen. In het hof Eden is Adam gevallen, in dien hof heeft hij van den verboden boom gegeten, en zoo zich zeiven en alle zijne nakomelingen van de schatten van het eerste Paradijs beroofd! In eenen hof lijdt Christus, worstelt Hij in den gebede tot den bloede toe! Nu wil hij ook in eenen hof begraven worden, en in eenen hof opstaan en aldaar aan eene Maria Magdalena verschijnen,, van wie Hij zeven duivelen uitgeworpen had. In eenen hof gelukte het den duivel Eva van den levenden Grod af te trekken, in eenen hof moet Maria haren Grod en haren Heere wedervinden â en de duivel is overwonnen voor eeuwig! In een hof wil hij opstaan, maar ook in alle eeuwigheid in een hof leven, want zoo spreekt Hij tot den moordenaar: heden suit gij mei Mij in het Paradijs zijn.
/^1 29
In een nieuw graf werd de Heere gelegd. Uw graf, mijn graf, waar zal het zijn! maar Christus graf moet een nieuw graf zijn. In eenen rotssteen is het gehouwen, opdat de onmogelijkheid bestaan zoude, dat het lichaam door de muren kon verdwijnen. Een zware steen werd er voorgelegd, en des te heter, want hoe vaster gesloten, hoe vreeselijker wordt het graf des Heeren Jezus, eene ware kruidkamer voor de hel. Sleep vrij balken en grafsteenen aan, gij wereld en helle! om Christus te begraven en Zijn graf toe te metselen. Als dit kruid vuur vat, vliegen alle uwe paleizen en vestingen in de lucht. Dat is van oudsher de vrucht der opstanding Christi. Maar eerst nadert Nikodemus ook nog. O, laat ons toch niet zoo hoogmoedig zijn en van onze ingebeelde hoogte op de vreesachtigen neder-zien, die gaarne vooruit zouden willen en niet kunnen. Wat God in hen aangevangen heeft, zal Hij ook in hen voleindigen. Zie, nu het er op aan komt, nu de waarheid schijnbaar niet zegeviert, maar alles in den dood schijnt gegaan te zijn, blijven de helden allen te huis, niemand komt om den Heere te helpen begraven; maar nu treedt die anders zoo vreesachtige Mkodemus te voorschijn en brengt honderd pond aloë en myrrhe aan, elk pond van ongeveer negentig gulden waarde, dus volle negen duizend gulden. Zooveel had de Heere in Zijn leven nooit bezeten, maar Grod eert, die Hem eeren, en aan hen, die voor Gods waarheid opkomen en daarvoor sterven, zal het openbaar worden, dat zij een koninklijk volk zijn, en eenen Koning hebben, wiens beide het zilver en goud is.
En nu, daar ligt nu de Heere Jezus in het graf. O, die arme moeder, die arme vrouwen, die Hem uit
30
Galilea waren gevolgd, zij keereu naar huis terug, wat is er nu waar van de geheele geschiedenis ? Ook Jozef gaat bedrukt en bedroefd naar huis. Ach! hoe treurig zal het in hunne woningen geweest zijn, och! hoe treurig ziet het er niet vaak in onze woningen uit! Hier is de vader, ginds de moeder begraven, en ledig staan hunne zetels, de kinderen zij n weggenomen, de zoon is begraven. Alles is dood en begraven, Gods beloften heeft men ook mede moeten begraven, want wat de Heere beloofd had, al mijne tranen, al mijne gebeden zij waren te vergeefs, z|j zijn weder in het graf gezonken. En de vrienden, mijne vrienden zij zijn teruggekeerd, een ieder tot het zijne! wat was nu waar van de geheele zaak? En nochtans een flauwe schemering blijft in het hart voortglimmen, nochtans is er iets, dat voortleeft op den diepsten bodem der ziel. Is het hoop ? Ik weet het niet, ik kan het niet onderscheiden! Is het verwachting? ik weet het niet. Is het geloof? geloof aan de opstanding, aan het eeuwige leven? Ik weet het evenmin. Welgelukzalig gij, die zoo heen en weer tobt, welgelukzalig gij, dien voortdurend alles uit de handen wordt geslagen. Kent gij dan het profetisch woord niet, dat zegt: dat de Christus alle deze dingen lijden en atzoo in zijne heerlijkheid moet ingaan ? Kent gij dat woord dus niet, dat allen, die in Christus godzaliglijk willen leven, vervolging moeten lijden? Weet gij dan niet, dat alle ceremoniën der wet, alle gereedschappen in den tabernakel er op heen wijzen, dat de weg door lijden tot heerlijkheid gaat. Ach , wij arme menschen, wat weten, wat onthouden wij ! Komt op den Paasch-morgen aan den disch des Heeren, geliefden, daar zult gij Zijn vriendelijk: âgoeden morgen!quot; vernemen.
SCHRIFTVERKLARINGEN
VAN
Dr. H. Ti KOHLBRÃOGE.
Kerst-blaadje over Mattheüs 2 vs. 1â12.
DE WIJZEN UIT HET OOSTEN.
Geliefden! Nadat wij aandachtig de twaalf eerste verzen van Matth. 2 te zamen hebben gelezen, willen wij de geschiedenis, die daarin bevat is, vers voor vers nagaan, en er troost en leering uit scheppen voor onze zielen.
Wat wij daar lazen van de aanbidding door de wijzen uit het oosten, gebeurde voordal Jozef met Maria en het kindeke naar Jeruzalem optrok, als de dagen Larer reiniging vervuld waren, tiaar de wel van Moies, om Hem den Eeere voor le stellen in den tempel, gelijk wij zulks Lukas 2 vs. 22 lezen. Voordat Jozef en Maria nu naar Jeruzalem gingen, om de wet der reiniging te vervullen, het kindeke den Heere in den tempel voor te stellen en de voor-geschrevene offers te brongen, viel voor, wat wij zoo even lazen.
Nadat zij deze wet vervuld hadden, was het voor-quot; nemen naar hunne woonplaats Nazareth in Gfaljjfea terug te keeren, maar in den droom verscheen .aau' Jozef een engel, â en zij moesten naar Egypte. Zegt Lukas nu in het 399te vers van het tweede hoofdstuk: en als zij alles voleindigd hadden, wal naar de wet des II eer en te doen was, keerden zij weder naar Galilea, tot hunne stad Nazareth, zoo is zulks
No. 108. 21 December 188».
2
geenszins in tegenspraak met Matth., maar Lukas gaat de geschiedenis der aanbidding der wijzen en de vlucht naar Egypte stilzwijgend voorbij. Dit weinige vooraf, lieve lezer! om u het verband van ons geschiedverhaal en het tijdstip der daarin vermelde gebeurtenissen duidelijk te maken.
Vs. 1. âToen nu Jezus geboren wasquot; zoo lezen wij allereerst. In dezen naam âJezusquot; is de gansche volheid der Godheid uitgesproken, gelijk die, ons ten goede, bestaat. Deze volheid der Godheid, des heils, der zaligheid wordt alzoo geboren, wordt mensch, wordt een zwak kindeke. Daar mogen wij wel met Luther zingen:
Dat heeft Hij al' voor ons gedaan,
Daar zien wij 's Heeren liefde aan !
âToen nu Jezus geboren was te Bethlehem quot; toen alzoo de belofte, die wij Micha 5 vs. 1 lezen, vervuld werd, te Bethlehem, gelegen in Judea, in dat gezegende land, in het land der belofte, waar men, zooals vreemden meenden, den waren God loofde. In de dagen van den koning Ilevodes â deze Herodes was een woedende vijand , een vreeselijke tyran, zoodat keizer Augustus, die toch zelf een heiden was, van zijne gruweldaden hoorende, getuigde; âik zoude nog liever Herodes' zwijn dan Herodes' zoon zijn;quot; niettemin was hij op zijne manier een ij veraar voor den godsdienst, en heeft hij onmetelijke sommen besteed om den joodschen tempel te Jeruzalem, die vervallen was, wederom opterichten. â In de dagen nu van dezen Herodes â ziel! lezen wij d. i. geef nu goed acht! zijn aangekomen, nu, wie dan? Wat lezen wij in dit ons quot;eerste vers? Kwam Herodes? Kwam het geheele joodsche land ? geheelJeruzalem?
3
Mets van dit alles vinden wij vermeld. Maar mijne geliefden! Het evangelie is ook maar alleen eene blijde boodschap voor aangevoclitenen, eene boodschap des heils voor dezulken, die niet hunne eigene eere, maar de eere Grods zoeken. Daar zaten nu Jozef en Maria met het kindeke, eenzaam en verlaten, in den stal. quot;Wel waren er herders tot hen gekomen, die het kindeken hadden aangebeden, en die de blijde tijding Zijner geboorte ook aan degenen hebben medegedeeld, die op de vertroosting Israëls wachtten. Maar hoe ging het nadien, hoe ging het hun in 't algemeen? Ach niet anders dan het nog gaat. Twee zullen op één bed liggen, zullen hetzelfde ervaren, en de een zal hemelsche vreugde hebben genoten en daarvan vervuld zijn, terwijl de andere niets in het hoofd en in het hart heeft dan duivel en wereld, en geheel dood en doof is voor hetgeen een ander ondervonden en vernomen heeft. Ja wel zijn sommigen tot het kindeke in de kribbe gekomen, en hebben zich verheugd en verwonderd, maar waarom spoedde zich niet het geheele volk tot Hem? Waarom maar eenigen? nu toch de beloften van alle eeuwen vervuld werden! Ach, geliefden! ook heden ten dage worden er vele kerken gebouwd, vele boeken geschreven, er wordt veel geijverd voor zending en evangelisatie, maar het geschiedt meestal maar om het geweten toe te pleisteren; zoo gaat het ook onder ons toe, zelfs in onze gemeente ; en bij al dien schoonen schijn, blijft men dood onder de werken der wet, men staat met één' voet in de wereld, en hoopt toch met den ander' onverhinderd in den hemel te kunnen stappen. Zoo was het toen, en zoo is het in den grond nog met de zaak gelegen, en dat is de oorzaak, dat zoo weinigen zich op weg begaven,
4
en op weg begeven, om den waarachtigen Christus te vinden. Zoo zaten Jozef en Maria met het kindeke, eenzaam en verlaten, in den stal, maar voor zulke veriatenen is het zoete evangelie, voor hen, die den Heere Jezus in waarheid, d. i. in onverderfelijkheid liefhebben! en juist uit het evangelie zullen zij vernemen , dat, zooals het hunnen Heere ging in de wereld, het hun ook gaat, en dat het lijden, dat zij ondervinden in de wereld, ook dat huns Heeren en Zaligmakers was.
Daar zitten nu Jozef en Maria, en niemand komt tot hen , als misschien zoo de eene of andere, die ook nog de tale Kanaans verstaat. Maar werd dan niet het geheele volk Israëls bekeerd? spoedde het uitverkoren volk zich niet tot zijnen nieuwgeboren Koning ? Niets van dit alles gebeurde, alles bleef schijnbaar bij het oude. Maar hun wegblijven ontsproot misschien uit onkunde ? Moest het dan niet door het geheele land verkondigd worden, moest het te Jeruzalem niet alom bekend gemaakt worden, dat de beloofde Messias eindelijk verschenen was? Ja, mijne geliefden! daar heeft God wel voor gezorgd, en daar zorgt Hij nog voor. Al, wat Hem de Vader gegeven heeft, dat komt tot Hem, de overigen gaan verloren: niettemin zal de Heere gerechtvaardigd zijn in Zijn richten, de geheele wereld zal voor Hem moeten zwijgen, als Hij ten oordeel komt; en niemand zal in den jongsten dag kunnen zeggen : wij hebben niet geweten, wat tot onze zaligheid van noode was. God heeft er wel middelen en wegen toe gehad, om de verschijning van Zijnen Zoon in het vleeseh, ook te Jeruzalem bekend te maken. Maar rustte niet op Maria en Jozef de heilige verplichting naar Jeruzalem te ijlen en het kindeke
Jezus, den Koning van hemel en aarde, daar alom rond te dragen, hem overal te vertoonen en Hem als Koning te doen huldigen? Ach, lieve lezer! zulk uiterlijk, vleeschelijk vertoon dient nergens toe, alleen wat uit den Greest geboren is, dat is Geest, alleen, wat uit den Geest is geboren, kent en aanbidt Zijnen Koning. Men zoude in Jeruzalem de arme Maria, in wie niemand de troonerfgename van David herkende, bitter bespot, en het kindeke mishandeld hebben; ook is dit kindeke niet gekomen om rumoer te maken, maar nog gaat het in des Heeren wegen mét de Zijnen toe, als ten tijde, toen Hij te Jeruzalem den tempel liet bouwen; daar werd in de stad Gods geen hamerslag gehoord, maar al de cederen, die voor den tempelbouw moesten dienen, waren op den Libanon geveld, en de balken voor den goddelijken bouw aldaar gereed gemaakt. Als de Heere God aan het bouwen is, verneemt de wereld er niets van, ook de godsdienstige wereld verneemt niets; wat de Heere doet, dat wordt niet in de nieuwsbladen besproken en uitgebazuind, daar wordt niet opgeteld, hoe velen bekeerd werden, en hoevelen onbekeerd bleven. Wat God de Heere doet, geschiedt in het verborgene, en Hij weet het ook wel te verbergen, ook al kan het op den duur niet verborgen blijven. Des Heeren bloemen zijn allen maar kleine bloeme-kens; daar gaan de groote mannen aan voorbij, of zij zetten er hunnen voet op!
Ofschoon er dus in Jeruzalem geen plaats voor Maria en Jozef en het kindeke zoude geweest zijn, nochtans wist God middelen en wegen te vinden, om Zijn heil, de blijde boodschap Zijns evangeliums, ook in .leruzalem te brengen. De Heere is steeds overal en in alles de eerste, en het zal wel waar
blijven, wat wij Jesaja 65 vs. 1 lezen: Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden. Want wie maakten zich nu op om in Jeruzalem te vernemen naar den nieuwgeboren KoniDg van Israël? Het waren wijzen uit het oosten, of uit het morgenland, zooals het oosten in den Bijbel vaak genoemd wordt. Voor ons ligt Judea reeds in het verre oosten, maar indien wij aldaar woonden, zouden wij nog oostelijker gelegen landen âhet Oostenquot; noemen. Men is het er daarom in de geleerde wereld niet over eens, waar vandaan die wijzen eigenlijk kwamen, en of Chaldea, Perzie of Arabic hun vaderland was. Dit is echter zeker : er kwamen mannen uit verre streken, en zoo werd vervuld, wat wij in Ps. 72 vs. 9, 10 lezen : de ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor Zijn aangezicht knielen, en Zijne vijanden zullen hel slof lekken. De koningen van Thar sis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen ; de koningen van Scheba en Seba zullen vereeringen toevoeren; en Jesaja 60 vs. 5 en verv.: dan zult gij het zien en samenvloeien, en uw hart zal vervaard zijn en verwijd worden; want de menigte der zee zal tol n gekeerd worden, het heir der heidenen zal tot u komen; een hoop kemelen zal u bedekken, de snelle kemelen van Midian en Hef a; zij allen uit Scheba zullen komen; goud en wierook zullen zij aanbrengen, en zij zullen den overvloedigen lof des Heeren boodschappen. En vs. 9 en 10 : want de eilanden zullen Mij verwachten, en de schepen van Tarsis vooreerst, om uwe kinderen van verre le brengen, hun zilver en hun goud met hen, tot den naam des Heeren, uws Gods, en tot den Heilige Israels, dewijl Hij u heerlijk gemaakt heeft. En de vreemden zullen uwe muren bouwen, en hunne koningen zullen u
7
dienen: want in Mijne verbolgenheid heb Ik u geslagen, maar in Mijn welbehagen heb Ik Mij over u ontfermd. Dus de wijzen uit het oosten, die kwamen naar Jeruzalem, om naar den jonggeboren Koning te vragen, naar wien niemand omzag in zijn eigen land. Deze wijzen waren natuurkundigen, die veel kennis hadden van den loop der natuur en der starren, wier baan zij wisten te berekenen ;'het waren ook priesters, ingewijd in de geheimen hunner godsdienst; ook waren zij, wat wij staatkundigen of diplomaten noemen, die gewoon waren aan het hof te leven; en deze wijze mannen kwamen uit hun vergelegen vaderland, om al hunne wijsheid aan de voeten van den Heere Jezus af te leggen. Die nabij waren, de Joden, waren verre van God; die verre afwoonden, de wijzen, kwamen zóó nabij , dat zij persoonlijk den Heere Jezus mochten zien en aanbidden. Mijne geliefden! houdt u ook maar dicht bij den Heere, opdat Hij niet van u wijke! Ach zelfs de nood, waarin de Joden toen ter tijde verzonken waren, bracht hen niet tot waarachtige bekeering, want zij deden zich daarop te goed, dat zij Grods volk waren, ook meenden zij het ware geloof te bezitten, en beroemden zich daarop. Want, niettegenstaande de ontzettende belastingen, die zij op moesten brengen, hadden zij toch genoeg, om goed te leven, te eten, te drinken, zich te kleeden; en kwam men met anderen te zamen, of ook in de eenzaamheid, niets dan de wereld vervulde het hart, niets dan de wereld om en om. Maar het gaat er om, of wij het waarachtige, inwendige leven kennen, een verborgen leven met den Heere. Ja, het moge schoon zijn Gods woord te hebben, de prediking van het zuivere woord Gods te hooren, het is aangenaam,
8
als het ons uiterlijk voor den wind gaat, maar o wee! dat alles kan een valstrik voor ons menschen worden. Nog eens, het gaat om liet verborgene, waarachtige leven met den Heere. Maar daarvan wilde het joodsche volk toen ter tijde niets weten. De Joden hadden geen kennis van zonde en ellende, zij wisten niet, dat zij mensehen, diep gevallen zondaren, vleeschehjk en verkocht onder de zonde, waren; daarom vernamen zij ook niets van het woord des Heeren, ofschoon zij ooren hadden.
De wijzen uit het oosten kwamen alzoo te Jeruzalem, en vroegen vrijmoedig: waar is de geboren Koning der Joden ? die kon toch nergens anders zijn dan in Jeruzalem, die moest wel, gehuld in kostelijke kant en zijde, in eene gouden wieg liggen! Immers naar Jeruzalem togen zij henen, naar de stad Gods, naar die heilige stad! Misschien hebben zij van een der omliggende bergen op Jeruzalem nedergezien, en gesproken: gelukzalig zijt gij, o stad Gods! gelukzalig het volk, dat in u woont! Het mag hen te moede zijn geweest, zooals het Luther te moede was, toen hij Rome in de verte zag, en meende er den hemel te zullen vinden; of zooals het eens een vreemdeling te moede was, die veel van ons Wupperdal ') gehoord en gedroomd had, en die, toen hij het van den top der bergen af aan zijne voeten zag liggen, zijnen hoed afnam en uitriep: o gezegende streken, hier zijn alle menschen bekeerd! Ja, zult gij zeggen, maar dat was immers eene dwaling, dat had die vreemdeling immers mis! Maar, gij die zoo spreekt, vraag gij uzelven liever eens af: ben ik wel bekeerd, en zoo het antwoord ja is, vraag uzelven dan eens af: heb
1) Het dal, waarin Elberfeld is gelegen.
9
ik mijzelven bekeerd, of ben ik door God bekeerd ? En zoo dat waar is, bekeert gy u dan wel dagelijks opnieuw tot den Heere uwen God van al uwe zonden? Luide klonk alzoo door Jeruzalem de vraag der wijzen: waar is de geboren Koning der Joden? Dat betwijfelden zij geen oogenblik, dat die Koning geboren, dat Hij in het joodsche land geboren is! Vol eerbied noemen zij Hem : Koning der Joden. Zij koesterden alzoo oprechte hoogachting en eerbied voor de Joden, en van zichzelven dachten zij gewis: o wij zijn maar heidenen, wij staan eigenlijk buiten het genadeverbond, dat de God Israëls met Zijn volk sloot, daarom schiet er voor ons ook niets anders over, dan op vrije genade en ontferming te hopen; o! wat zijn die Joden, wier land wij nu na zulk eene lange reis bereikt hebben, toch gezegende, gelukzalige mensehen ! nu hebben zij dien grooten Koning, waarvan al hunne profeten geprofeteerd hebben, en waarvan wij in ons vergelegen vaderland zulke heerlijke dingen vernomen hebben. Dezen Koning, die den Joden is geschonken, en dus hun toebehoort, we moeten Hem echter ook zien en aanbidden! O wat was dit toch vleiend voor de Joden, dat zulke wijze mannen uit verafgelegen landen kwamen, en dat zij voor de godsdienstige bewoners, voor Judea en Jeruzalem zulk eene hoogachting koesterden, dat zij den Koning der Joden wilden aanbidden! Ja, vleiend was dit misschien wel voor de Joden, maar deze eenvoudige vraag der wijzen moet hen toch ook als een donderslag in de ooren hebben geklonken; want zij wisten van de geheele zaak niets. Als gij een gulden hebt, weet gij immers wel, dat gij eenen gulden hebt ? Maar, maar o ziele! weet gij het wel, dat gij eenen Koning hebt? De Joden hadden eenen Koning,
10
eenen van Israëls Grod gegeven Koning, en â zij aanbaden Hem niet. Bidt gij waarlijk uwen Koning aan in het verborgene? Ja? Welnu, dan zal dat wel uit uwe werken blijken. Want wat geloofden de wijzen uit het oosten van dezen Koning? Hielden zij Hem voor een aardsch vorst? Gewis niet! dat zullen wij spoedig te zien krijgen.
Korten tijd voor de geboorte van onzen dierbaren Zaligmaker had Herodes door de Parizeën vernomen, dat hij met zijn geheele geslacht van den troon zoude gestoten worden door een Koning, die in Judea zoude opkomen. Toen nu Herodes de eenvoudige vraag der wijzen vernam, dacht hij terstond: zie! daar is die Koning nu reeds, waarvan de Parizeën mij geproken hebben.
De wijzen toch, mijne geliefden! hoewel uit hun geheele gedrag blijkt, hoe eenvoudig en kinderlijk de genade des evangeliums hen gemaakt had, waren geen domme, maar geleerde, beschaafde, aanzienlijke en voorname mannen, anders zouden zij het niet gewaagd hebben met zulk eene diep ingrijpende vraag in een voor hun vreemd land voor den dag te komen. Wie zoude het b. v. in onze dagen wagen, tot den keizer der Franschen te gaan en hem vrijmoedig te vragen : waar is de nieuwgeboren koning van Frankrijk? ]). Zoude men zoo handelende geen gevaar loopen oogenblikkelijk gevangen te worden gezet? De wijzen uit het oosten echter waren wijzen van den echten stempel, zij vroegen weinig naar Herodes toorn, het kwam ook niet in hen op, dat hij hunne vraag verkeerd uitleggen kon, ja zij meenden, dat hij
1) Deze woorden zijn iu 1859 uitgesproken, toen Napoleon III nog keizer van Frankrijk was, dus elf jaren vóór diens val in 1870. De Red.
11
zich van harte met hen verheugen zou: zij dachten immers aan geen aardsch rijk, aan geen aardschen Koning, maar een rijk van licht, leven, vrijheid, vergeving der zonden en zaligheid. Zij zeggen: wij hebben gezien Zijne star in hel oosten (vs. 2.) Het waren dus lieden, die verstand van sterrekunde hadden, van boven hadden zij het vernomen, wat zij wisten omtrent dezen Koning.
Maar Herodes dacht: o wee, die Koning komt om mij kroon en scepter te ontnemen! Maar dat doet de ware Heere Jezus niet! Die laat een ieder zijn kroon en scepter, maar Hij komt met een ander rijk tot ons, met het koninkrijk der hemelen, met vergeving der zonden en eeuwig leven. Maar waar Christus komt, waar Zijn waarachtig Woord moet gepredikt worden, daar ontbrandt spoedig de vijandschap der menschen. quot;Want niet Herodes alleen, maar een iegelijk onzer wil zich handhaven, en zijn eigen rijk staande houden! en van genade, van vrije genade, willen wij niets weten van nature. Want die werpt ons met al onze ingebeelde voortreffelijkheid ter aarde, die wijst ons den rechten weg aan door de ons bestraffende en kastijdende wet, en zoo moeten wij onze kroon en scepter zeiven uit de handen werpen, en daar wil niemand aan! en ofschoon wij in zonden ontvangen en geboren, en dood zijn in zonden en misdaden, blijven wij toch van ons zelf beweren, dat wij godvreezend en voortreffelijk zijn! Genade, genade alleen, daar wil niemand van hooren! Om ons steen en harte klein te maken en te verbrijzelen, moet er eene andere macht van boven komen, namelijk de Heilige Geest! en zoo er niet een druppel van des Heeren Jezus bloed op ons steenen harte valt, zal het nooit en
12
nimmer verbrijzeld en verbroken worden, maar zal de duivel zijne heerschappij in ons blijven voeren, en wij zullen van den waarachtigen Jezus zeggen, dat Hij onze zielerust verstoort. Ja, wij willen wel van Jezus hooren, maar alleen maar van eenen Jezus, die onze kromme eu verkeerde wegen goedkeurt, en Zijne toestemming verleent tot allerlei zonden en ongerechtigheden. De waarachtige, levende Heere Jezus echter, redt alleen degenen, die in nood en verlegenheid zitten, en wel daarover, dat zij, o zoo gaarne! naar al de geboden Gods zouden leven, en zich daaraan onderwerpen, maar dat zij het niet kunnen ten uitvoer brengen; daarom nemen zij de toevlucht tot den Heere, hunnen hemelschen Heelmeester. Wie zoo niet is gezind, die vindt den Heere Jezus veel te streng, en kan het bij Hem niet uithouden. Herodes denkt: ânu is het met mijn rijk uit en gedaan,quot; en Jeruzalem denkt: âach! wij hebben reeds zoovele verdrukkingen ondergaan van dezen Herodes en van de Romeinen! Zoude dit nu waarlijk de Verlosser zijn, waarvan de profeten voorzegd hebben? nu, dan staat er nog heel wat anders voor de deur! Neen! het is beter maar als joden voort te leven, om te laten besnijden, in den Bijbel te lezen, en dan over den Messias te spreken, anderen te onderwijzen in de leer omtrent Hem, maar dien nieuwgeboren Koning te gaan aanbidden en Hem te huldigen neen! dat niet! Welk een heirleger van lijden zoude dan niet over ons losbreken ?quot; Men wil wel een christen heeten, maar men wil geen christen zijn. 's Zondags wil men zoo meer of min christelijk zijn, maar in de week, neen! Zich aan den waren Heere Jezus te onderwerpen , neen! daar wil men niets van weten. Geen
13
wonder dus, dat wij lezen vs. 3: De koning Herodes nu, dit gehoord hebbende, werd ontroerd, en geheel Jeruzalem met hem.
Zooals u bekend zal zijn, lieve lezers! werd er toen eene groote synode te zamen geroepen. Daar vergaderden allerlei hooge kerkelijke machten te zamen, de geleerdsten, de vroomsten, de besten, de knapsten uit het geheels joodsche land, zjj, die het meest geoefend waren in de kennis der profetische Schriften; om de kosten dezer vergadering te dekken heeft Herodes misschien wel in zijnen angst eenige duizende guldens verstrekt, want van alle steden des joodschen lands kwamen de schriftgeleerden naar Jeruzalem, om uit de Heilige Schriften des Ouden Yerbonds (de eenigen die toen voorhanden waren) te onderzoeken en te beslissen, waar de Christus zoude geboren worden. Zoo hielden zij dan eene groote vergadering, en, zooals het meer in de geleerde wereld gebeurt, de één beweerde dit, de andere weer wat anders. Maar de knapste en meest ontwikkelde hoofden onder hen, hadden toch nog oogen om te lezen wat Micha 5 vs. 1 staat, en erkenden, dat wat daar is geschreven, ontwijfelbaar op den Messias zag. Alzoo Bethlehem was Zijne geboorteplaats, en daar moest Hij te vinden zijn. Zoo komen zij dan met het resultaat hunner onderzoekingen tot Zijne Majesteit Herodes, en deelden hem mede, wat de synode beslist had: namelijk, dat die nieuwgeboren Koning in Bethlehem en nergens anders moest zijn verschenen. Zij gebruikten daarbij de Grieksche vertaling, want toen ter tijde was het Oude Testamen reeds sinds vele jaren van de hebreeuwsche in de grieksche taal overgezet. En dat zij deze vertaling gebruikten, was oorzaak, dat de aanhaling Micha 5
14
vs. 1, die wij in ons hoofdstuk vinden eenigszins verschilt van hetgeen wij bij den profeet Micha lezen, doch de beteekenis is dezelfde. Nu wist Herodes, waar het kindeke Jezus te vinden was, helaas! al die kosten en al die onderzoekingen waren geschied, niet met het voornemen, om met de wijzen dat gezegende kind te gaan aanbidden, maar om het â te dooden. Een eenigszins goed onderricht catechisatie-kind zal er misschien om glimlachen, dat Herodes met al zijne wijsheid niet wist, op wien Micha's woorden zagen, en dat er zooveel wijze en geleerde mannen moesten te zamen komen , om uit te maken, wat nu in een christelijk huisgezin een kind van vijf jaren reeds weet. Maar, lieve lezer! wij willen liever eens bij Micha's woorden zelve stilstaan, en daaruit opmerken 's Heeren trouwe zorg en liefde voor al, wat klein en gering is, en gelijk Hij soms deze of gene familie of huisgezin zichtbaar regeert en er over waakt, zoo heeft Hij ook steden en plaatsen, die Hij eene bijzondere bestemming heeft gegeven. Zoo was het ook met Bethlehem. Dit stedeke was door den Heere bestemd tot geboorteplaats van Zijnen lieven Zoon. Daar heeft Ruth, daar heeft David gewoond, en hunne gebeden zijn, als de dauw op de moeskruiden, op die zoo rijk gezegende plaats blijven liggen, en zijn opgeklommen als eene liefelijke reuk tot Gods troon, tot den troon van Hem, die deze hooge eer voor dat kleine, verachte stedeke had bestemd.
Maar Geliefden! wij moeten er ons echter voor hoeden te veel aan zulke onderscheidingen te hechten , want als de geheele wereld door het vuur vergaan zal, dan zal ook Bethlehem verbranden. Maar een kind kan begrijpen, dat Bethlehem in Micha
15
5 vs. 1 behalve den letterlijken zin der woorden , ook nog een beeld, en wel een zeer liefelijk beeld is voor eene geestelijke zaak. De meeuing is deze: o gij arme ziel! gij zijt wel de kleinste, ja de kleinste, ja de kleinste van allen; en diep is uwe bekommering daarover, dat gij veel te klein zijt, om met uwe doodzwakke armen de takken en twijgen van den levensboom te bereiken, waaraan het brood des levens hangt, en toch! dal moei gij hebben. Gij weent en vreest van honger te zullen omkomen, niemand komt tot u om u dat levensbrood te geven, en gij zijt ook veel te ziek en zwak, om dat zelf te plukken, of den boom te beklimmen. Ach! vaak hebt gij het beproefd, maar gij zijt daarbjj gevallen, en hebt u deerlijk verwond, en gij meent te zullen omkomen, en denkt, dat de helsche beer of wolf reeds op u staat te loeren om u voor eeuwig te verslinden. Vrees niet! gij die zoo spreekt! gij, juist gij, zijt geenszins de minste, de kleinste! Ach, dat is heerlijk, dat is verkwikkend om te hooren, zal menigeen zeggen; maar, maar in den grond wil niemand klein zijn; integendeel, ieder wil groot, ja de grootste zijn, dat is onzer aller gebrek. Daarom verstond Herodes niets van de Schrift, hoewel hij er in las, en zeker Micha's profetie ook wel kende, maar hij was een groot koning! en zoude hij nu moeten onderdoen, voor een Koning in Bethlehem geboren! die mogelijkheid kwam zelfs niet bij hem op; en de hoogepriesters en schriftgeleerden waren immers ook in hunne eigene oogen voortreffelijke en groote mannen, en daarom verstonden zij er niets van, wat het is klein en gering, ja de minste te zijn voor 's Heeren aangezicht. Zijt gij echter in waarheid klein, weet dan, dat hier Bethlehem nog
16
eene andere beteekenis heeft, en dat de meening is: zijt gij klein, zijt gij daarover bekommerd, dat gij klein zijt, welnu, in 's Heeren oogen zijt gij geenszins de minste. Sprak de Heere niet tot Gideon: uw duizend is geenszins het armste uit Israël, en gij zijt geenszins de kleinste in uws Vaders huis? Vernam hij niet het heerlijke woord: ga heen in deze uwe kracht? En deze voorliefde des Heeren voor het kleine en geringe openbaart zich ook in het maatschappelijke, alledaagsche leven; zoo gij de penningen verkwist, zie! of Grod de Heere u ten laatste ook niet de guldens ontneemt. Geef echter acht op het kleine, wees klein voor God en men-schen, klein in uwe eigene oogen, en zie of het heil des Heeren niet voor u zal opdagen!
Herodes echter was niet klein; hij dacht: laat die nieuwgeboren Koning der Joden zijn wie Hij zij, ik sla Hem dood. Of Hij Gods Zoon, of Hij een kind van God is, daar vraag ik niet na: sterven moet Hij! Met God in den hemel zal ik die zaak dan later wel in orde brengen. Overigens doe ik ook mijn plicht met Hem te dooden, want als Hij volwassen werd, zoude Hij toch maar een oproermaker zijn en mijn geheele rijk omverwerpen. Want zoo zijn 's menschen gedachten en overleggingen; komt de Heere ons met Zijnen lieven Zoou Jezus Christus, ons eeuwig heil, te gemoet, dan voelen wij wel in ons geweten, met wien wij den strijd aanbinden, maar wat vragen wij daarna? Zoo de Heere niet tusschenbeide treedt, vermoorden wij Zijn dierbaar Lam. En nu de schriftgeleerden? en de inwoners van het groote, prachtige, godsdienstige Jeruzalem? Vernomen hadden zij genoeg; de tijding aangaande den Koning der Joden had in de stad
17
weerklonken: de wijzen waren immers aanzienlijke lieden, die ongetwijfeld met groote pracht en heerlijkheid de stad zijn binnengetrokken. Bovendien was het aanwezig zijn dezer groote kerkvergadering, en het daar als waarheid uitgemaakte feit â dat namelijk de Messias te Bethlehem geboren was â langen tijd het onderwerp aller gesprekken in Jeruzalem geweest. Maar naar Bethlehem henen trekt â niemand. En gij, die u hierover verwonderd, waar gaat gij henen? Ik? Wel' ik heb eene vergadering bij te wonen, eene of andere boodschap te doen, ik moet voor het eten zorgen, ik moet koken en breien. En gij ? O ik heb dit of dat te doen! En gij? O ik, ik weer wat anders. Maar ik heb te huis ook wel mijn gezangboek en mijnen Bijbel in de lade liggen , en ik lees er ook wel in, denk toch niet, dat ik goddeloos ben, neen! gewis, ik ben godsdienstig en oppassend,
Zoo is men met geheel Jeruzalem rijk en verrijkt en heeft aan geen ding gebrek! Doen zich nu echter allerlei verkeerde dingen, allerlei duivelarijen bij dezulken voor, dan weet men er, zooals men zegt, spoedig eene mouw aan te passen, maar komt er uit zichzelven nooit toe, te erkennen : ik ben vleesche-lijk, verkocht onder de zonde. Zoo blijft alles bij het oude, men wordt niet verootmoedigd, niet genoeg ten minste, om naar dat kleine plaatsje te gaan en een Koning in de kribbe te aanbidden.
Toen heeft IIerodes de wijzen heimelijk geroepen en met hen gesproken. Hij gaf leugenachtig voor, dat ook hij wilde komen en het Kindeke aanbidden en hij beval hun, voor dat zij naar huis reisden, hem wederom te Jeruzalem te bezoeken en hem alles mede te deelen, wat zij zouden zien en vinden.
18
Herodes wist alzoo zijne moordgedachten te verber-gen onder den dekmantel der huichelarij, en in hunne oprechtheid denken de wijzen: misschien meent hij ook wel, wat hij zegt Zij bleven echter niet te Jeruzalem maar begaven zich op weg naar Bethlehem. Zien zij dan niemand op dien weg? Neen! die weg is eenzaam en woest, en toch wemelt Jeruzalem van godsdienstige menschen! Dat is mogelijk, het zag er uiterlijk zeer schoon uit, maaide weg van Jeruzalem naar Bethlehem ligt woest, niemand gaat daarop, en alléén moesten de wijzen hunnen tocht beginnen en voortzetten. Waren er dan in het geheel geen kinderen Gods meer in Jeruzalem? Wel zeker! en'slleeren oog was op hen, want korten tijd daarna ontmoeten wij in den tempel Hanna en Simeon. Maar die wisten toen misschien nog van niets af, zij leefden stil en verborgen in hunne dakkamertjes, lazen wel Gods Woord, maar hadden geene nieuwsbladen, en waren dus niet op de hoojrte van wrat er in kerk en staat voorviel. En op eene geheel bijzondere wijze moest op Zijnen tijd de Heere Zelf tot hen komen om hen door Zijnen Geest op dat tijdstip naar den tempel te drijven, toen ook Jozef met Maria en het Kindekc aldaar waren. Zoo zijn gewoonlijk de wegen des Heiligen Geestes!
Alleen begeven zich dus de wijzen op weg, op eeuen weg, waarop niemand met hen was. O, als men den Bijbel recht verstond en begreep, wat daarin staat, men zoude dien verbranden, en dat zouden zij misschien het eerst doen, die het meest daarin lezen. Want dat dierbare boek in ééne getuigenis Gods tegen alle vleesch. Is het u nu waarlijk ernst met uw christendom, met uw vragen en klagen, welnu,
19
begeef u dan op weg met de wijzen. Aan teekenen van den hoogen hemel ontbreekt het nimmer, ja de bewoners van het zuidelijke halfrond zien nacht op nacht het teeken des kruises aan den hemel staan. Aan goddelijke woorden en profetiën ontbreekt het evenmin, zoodat men niet in twijfel behoeft te verkeeren. Maar weet gij lieve lezer! waaraan het hapert? Men is niet klein, niet verbroken , niet dwaas in eigen oog, Is men dat, o dan vindt men spoedig dezen weg, dien de wijzen gingen, en die alleen ten leven leidt.
Men zoude denken Herodes had toch wel de beleefdheid kunnen hebben, om iemand vooruit naar Bethlehem te sturen om de zaak te onderzoeken, en eene passende woning voor die vreemdelingen te doen toebereiden, ook had hij hun wel krijgslieden of eenige andere mannen als reisgezelschap en wegwijzers kunnen medegeven. Neen! niets van dat alles deed hij, en alleen reisden de wijzen kunnen weg. Hoe groot zal misschien niet hunne angst en verlegenheid geweest zijn: âwat zullen wij nu beginnen als wij in de stad komen, waar zullen wij nu het kindeke vinden?quot; hebben zij misschien gevraagd, maar ziet! daar, plotseling, ongedacht, onverwacht zien zij de star des Heeren, de star, die oude welbekende star uit hun vergelegen moederland aan den hoogen hemel staan! Wat was dat nu voor eene star, vraagt de menschelijke nieuwsgierigheid? Ja, dat weet ik niet, maar wel dat de Heere liet wist, en dat Hij die star misschien wel door de hand der engelen gebracht heeft tot boven de plaats, waar het kindeke was.
Ook ons heeft de Heere op den weg gezet, wij naderen de stad Gods, en om ons henen en in ons
20
ââ
is het dikke duisternis, maar in die duisternis o Zion! zal toch altoos weer het'licht voor u opgaan, en plotseling staat Hij aan onzen hemel, die ons eeuwig licht, onze blinkende morgenstar is! Wel, wel zegt de wereld, wil die of die den Koning zoeken? en zoekt hij dien nu op dezen woesten, eenzamen weg? Niemand gaat immers met u! gij verbeeldt u misschien, dat gij dat licht des Geestes alleen in pacht hebt ? Maar zulke smaadtaal kan de wijzen niet ophouden, zij gevoelen troost en kracht nederdalen in hunne harten, de Heere Zelf is bij hen, en Zijne starre glinstert boven de plaats, waar het kindeke was. Die plaats heet hier geen stal meer, want in de oogen der wjjzen was die stal een paleis, veel heerlijker dan dat van Herodes. Wat vragen zij naar het uiterlijke, naar de uiterlijke omgeving van den hemelschen Koning, als zij Hem maar hebben. Dat was de hoofdzaak.
En nu treden zij binnen. Maar Jozef! gij moogt die mannen niet binnenlaten, want de wet van Mozes verbiedt uitdrukkelijk, dat vreemden mogen binnentreden , waar eene vrouw in de dagen harer reiniging is. Ja! denkt Jozef, dat is waar, en zoo luidt het gebod, maar de wet zegt ook âgij zult niet doodslaan!quot; De wet verbiedt, dat die vreemden binnenkomen, en wederom verbiedt de wet, hen misschien in nacht en nevel buiten te laten staan. En liefde, liefde Qods en des naasten is de hoofdsom der wet. En dus welkom, duizendmaal welkom, gij dierbare vreemdelingen! die uit de verte tot ons komt! En nu treden de wijzen binnen, zij zien overal rond en vinden het kindeke met zijne moeder! Nu hebben zij gevonden, wat hun in het verre oosten was geopenbaard, zij zijn niet
ijl'ij !iamp;!
V:.
21
beschaamd uitgekomen met den Heere. In koning Herodes hadden zij eenen onkoninklijken, onwaar-digen man gevonden, bij de Joden, bij de godsdienstige Joden hadden zjj niets dan wereldliefde en verkeerdheid aangetroffen, maar nu hebben zij den Koning Zelve, hun door de starre aangewezen. Zij vonden het Kindeke met Maria, Zijne moeder, en nu volgt er tot beschaming van alle pausgezinden en roomschen niet; en zij aanbaden Maria, noch: zij aanbaden het Kindeke en Zijne moeder, maar wel staat er â en hierbij staat ons verstand stil, zij aanbaden het zwakke Kindeke. dat in zulke diepe armoede in eene kribbe lag, en lieten dus de moeder moeder zijn. En dat doen deze wijze mannen, die gewoon waren aan het hof te leven, waar alles blinkt en straalt van goud en juweelen! Zij bevinden zich in dien onreinen stal, maar zij denken er niet over na, dat hunne scboone kostbare kleederen verontreinigd konden worden, en zinken neer voor de kribbe en aanbidden den God van bemel en van aarde, die daarin lag. Zoo is het waarachtig zaligmakend geloof! dat vraagt niet naar het zichtbare. En hoe mag het Jozef en Maria wel te moede zijn geweest? Zie, zullen zij elkander hebben toegeroepen , het is nochtans waar! Jezus is Jezus. Ziet ge nu, dierbare man! zal Maria misschien gezegd hebben, dat Gods Woord waar wordt: zij zullen lol ii komen. (Ps. 72)? En nu leggen de wijzen â misschien had Jozef geen vijf stuivers meer â voor het kindeke Jezus â aan Herodes hadden zij ook wel zulke geschenken kunnen geven â wat vorsten uit het Oosten aan machtige bevriende vorsten schenken.
Zoo zien wij hier het Kindeke Jezus, aangebeden
.
22
door vreemde vorsten, verworpen door Zijn volk; terwijl Herodes voornemens is het te vermoorden, Geopenbaard, verschenen is Christus, want Hij wordt niet gezocht, niet begeerd. Maar daar zitten in eenen verafgelegenen hoek eenzamen en veriatenen, en die zien vorsten tot zich komen. Deze, waarlijk vorstelijke mannen vragen niet naar het zichtbare, naar het uiterlijke, maar aanbidden dat zwakke kindeke, als den waarachtigen, sterken, levenden God! Wij zien hier vereenigd de diepste armoede en koninklyken rijkdom. Nadat de wijzen getoond hadden op welke wijze het ware geloof gelooft, namelijk zonder het zichtbare in aanmerking te nemen, keeren zij terug naar hun land; maar zij reizen niet over Jeruzalem, want daar hebben zij den schoenen Bruidegom hunner zielen niet gevonden, maar wel in de onreinheid en armoede van Bethlehem's stal. En nu zij hunnen Koning hadden gevonden, trekken zij ook niet meer naar Sinaï, dat volgens Gal. 4 vs. 25 overeenkomt met Jeruzalem , dat nu is , en dienstbaar is met hare kiu deren, maar zij keeren terug naar hun vergelegen vaderland: in hunne harten nemen zij den Heere Jezus mede, en als zij te huis gekomen zijn, leeft en heerscht Hij als Koning in hunne harten en in hun leven; en volgen wij de wijzen in hun vaderland, wij zullen ook met hen binnentrekken in het Jerusalem daarboven. Amen!
al i'lfeii :â
I
Uitgegeven bij W. MEIJER, Commelinstraat 33, Amsterdam., Voor Duitschlaiid verkrijgbaar bij F. BÃCKMANN, Elberfeld. Prijs per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Cts.
1
SCHRIFTVERKLARING EN
TAN
lgt;r. H. F. KOIllVBRÃGGE.
Geliefde lezers! Zeker vertoeven onze gedachten nog dikwijls bij onzen tot zijne vaderen verzamelden, dierbaren Koning Willem III, dien vorst, die zooveel voor zijne Nederlanders over had, en in wiens borst zulk een warm hart klopte voor het echt gereformeerde volk hier te lande. Ja! »ook Hij was van zijn stamhuisquot;, een echte Oranje, die gaarne opkwam voor armen en verdrukten, en daar zijn er nog in Nederland, die dat niet alleen van anderen hoorden zeggen, maar ook persoonlijk hebben ondervonden! Zeker is het ons nog vaak als een bange droom, dat de laatste vorst uit het huis van Oranje van ons is weggenomen,en dat hij daar in dien stillen grafkelder te Delft rust, waarover de Heere met Zijnen almachtigen arm waakte, toen revolutie en Fransch geweld hier alles beheerschte. O, indien wij het recht gevoelden, wat het beduidt, dat onze Oranjestam, onze geliefde Oranjeboom schier is omgeveld, wij zouden wel met den Profeet uitroepen : och, dat mijn hoofd ivater ware, en mijn oog ecne springader van tranen ! zoo zoude ik dag en nacht heweenen de verslagenen van de dochter mijns volks ! Jeremia 9 vs. 1.
Heere ontferm u, Heere ontferm u over ons, en wees onze lieve, jonge Koningin genadig, die Gij ons nog als een overblijfsel gelaten hebt in uwe groote barmhartigheid. Vervul aan haar, die laatste afstammelinge van zoo velen, die U aanriepen in nood en dood en die met U niet bedrogen zijn uitgekomen, Uwe dierbare belofte :
»En hun Godgeheiligd zaad Zal 't gezegend aardrijk erven.quot;
No. 129. 20 Dec. 1890.
2
Geef haar sliet goed, dat niminermeer vergaatquot; en wees Gij o Heere ! eene vurige muur rondom Haaien Hare vorstelijke moeder, van nu aan tot in alle eeuwigheid, Amen !
En nu, lieve lezers! ofschoon wij vast besloten zijn in onze blaadjes geen redeneeringen over kerkelijke, noch staatkundige vraagstukken in te vlechten, meenen wij nochtans met een vrij geweten in deze historische dagen, een woord aan u te mogen richten ! O hadden wij toch geopende oogen om te zien, dat de Heere een twist met ons heeft en dat het onzt zonden zijn, waardoor de Heere als het ware gedwongen werd slag op slag te doen volgen ! O ! kou het ook van ons gezegd worden : e.r is eene stem gehoord op de hoot/d plaatsen, een geween en smeekinge van liet volk van Nederland, omdat zij hunnen weg verkeerd en den Heere, lamnen God vergeten hebben.quot; En waar de Heere dan nog zoo vriendelijk roept: »Keer weder, gij afkeerige kinderen, Ik zal uwe afkeeringen genezenquot;, daar zij het ook onze bede Ziet! hier zijn wij, wij komen tot U, ivant Gij zijl de Heere, onze God! Jeremia 3:21, 22.
De dierbare man Gods, wiens talrijke nagelatene geschriften wij door de uitgave onzer »Schriftverklaringenquot; nog aan de vergetelheid mogen onttrekken was een warme vriend en aanhanger van het huis van Oranje, en, hoewel er, tengevolge van het aan hem gepleegde kerkelijk geweld, voor hem in Nederland geen plaats was te vinden, bleef toch de liefde voor Oranje en Nederland in hem gloeien, zijn ge heele leven lang. Op de ondubbelzinnigste wijze bleek dit vooral in den jare 1862, toen duizenden in Nederland geld verzamelden, om daarvoor eenen prachtig versierden Staten-Bijbel aan den Koning aan te bieden, als een bewijs van dankbaarheid voor
3
's Konings heldenmoedig gedrag in den watersnood van 1861. Met de grootste belangstelling nam onze schryver aan deze pogingen deel, al stond hij ook niet aan het hoofd der beweging, die geleid werd door een van zijne oudste en ij verigste vrienden, door den waardigen J. L. Bernhardi te Utrecht, een man, wiens naam nog voor velen onvergetelijk is en blijft. Met eenen ijver, die boven allen lof verheven is, wist de heer Bernhardi dit plan ten uitvoer te leggen, en de Heere zelf baande hem den weg tot 's Konings paleis te 's Hage, waar hij in persoon het boek der boeken aan den Koning mocht aanbieden en met de talrijke schare uit alle volksklassen, die met hem het paleis waren binnengetreden, den Koning het welbekende:
»Dat 's Heeren zegen op ü daal.
Zijn gunst uit Zion uw bestraalquot;
mocht toezingen. Onze ontslapen Koning zeide daarop met tranen in de oogen: dat gebeurt zeker niet veel Koningen op aarde! Deze beweging, die toen ter tijde het land in rep en roer bracht, schijnt nu geheel te zijn vergeten, of opzettelijk te worden doodgezwegen, want nergens wordt er een woord van gerept. Het was ons daarom eene behoefte er nog eens aan te herinneren, hoe daar tegenover elkander stonden een Vorst, die zijn leven gewaagd had om de wille van zijne onderdanen, en een volk, dat hem uit dankbaarheid het Woord des Heeren Heeren bracht. Bij het ontwerpen der historische medaillons, die dien Bijbel versieren, stond onze schrijver zijnen geliefden vriend Bernhardi met raad en daad ter zijde, en diende hem uit den rijken schat zijner wetenschappelijke en geschiedkundige kennis. Zoowel de opschriften rondom de medaillons, als de opdracht, die voren in dien Bijbel is ingebonden, waren het
werk van Dr. H. F. Kolilbrügge. Wij deelen dit onzen lezers mede, overtuigd, dat het hunne liefde en achting zal vergrooten voor dien man, wiens werken wij na zooveel jaren nog verwaardigd worden aan de Nederlandsche Sulamith aan te bieden, als een koelen laafdronk te midden van den heeten strijd dezer dagen. Wij hopen de »Opdracht aan den Koningquot; by gelegenheid onzen lezers nog eens mede te deelen.
De Redactie.
Kerstblaadje voor het jaar 189 0.
De Herders in Bethlehems stal.
Geliefden! Wij willen ons met de herders uit Bethlehems velden opmaken, om eens van nabij te bezien, wat er in Bethlehem geschied was, en wat de hemelsche heirscharen bezongen hebben in de stilte der nacht. Laat ons daarom te zamen lezen: Lukas 2 :15â20.
En het geschiedde, als de engelen van hen weggevaren loaren naar den hemel, dat de herders tot elkander zeiden : laat ons dan heengaan naar Bethlehem, en laat ons zien het -woord, dat er geschied is, hetioelk de Heere ons heeft verkondigd. En zij kwamen met haast en vonden Maria, en Jozef, en het kindeke liggende in de kribbe. En als zij het gezien hadden, maakten zij alom hekend het woord, dat hun van dit kindeke gezegd was. En allen, die het hoorden, verwonderden xich over hetgeen hun gezegd werd van de herders. Doch Maria heivaarde deze woorden alle te zamen, overleggende die in haar harte. En de herders keer'den wederom, verheerlijkende en â¢prijzende God over alles, wat zij gehoord en gezien hadden, gelijk tot lien gesproken was.
De engelen waren dus wedergekeerd naar den hemel, want deze zondige aarde is geen verblijfplaats voor die reine geesten, »wier lust het is op 's Heeren wenk te starenquot; Nochtans dalen zij ook wel heden ten dage onzichtbaar op aarde neder, want zij zijn immers gedienstige geesten, uitgezonden »ten dienste van hen, die de zaligheid beërven zullen,quot; en zij verheugen zich van ganscher harte, als hun lofzang : eere zij
6
God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in de menschen een welbehagen, weerklank vindt in een Terslagen en verbrijzeld hart, dat het luide uitroept: o God ! o God, wie ben ik ? Hoe is het mogelijk, dat Gij, die te rein zijt van oogen, om het kwaad te aanschouwen, nochtans welgevallen kunt hebben in zulk een vloek- en doemwaardigen zondaar, want o mgn Heere en mijn God, ik kan van schaamte en schande den mond niet opendoen, als ik bedenk wie en wat ik ben. En nochtans hebt gij een welgevallen in mij. Gij Heere, die een gruwel hebt aan alle ongerechtigheid ! Ik zoude het niet hinnm gelooven, maar Uw eigen Woord predikt het mij, de engelen des hemels hebben het gezongen op Bethlehems velden ; en heb ik het niet zelf ervaren, o gij trouwe Heere ! dat toen de bange kreet tot U ten hemel steeg : Heere! indien Gij wilt, Gij hunt mij reinigen, Uw vriendelijk antwoord tot mij kwam: Ik wil, wordt gereinigd. Berqen zullen wel wijken en heuvelen wankelen, maar Mijne goedertierenheid zal van U niet wijken en het verhond Mijns vredes zal niet loankelen, zegt de Heere uw Ontfermer ! Ja ! Heere ! dit hebben de ooren mijns harten mogen vernemen, en toen die eene belofte mij ontviel, en ik vol angst ineen zonk, en tot U smeekte: »Heere Jezus! ach, laat mij toch gt;nog eens ervaren, dat Gij mij nog lief hebt, dat »Gij werkelijk mijn Heiland zijtquot;, toen hebt Gij mij immers wederom zoo vriendelijk toegeroepen: Ik heb u lief gehad, met eene eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid. En nu wordt ons elk jaar opnieuw dat zalige evangelie, die blijde boodschap verkondigd van dit Eindeke, dat in de kribbe lag, in doeken gewonden. Dat Kindeke is de Vredevorst, die al onzen kommer stilt, die ons optrekt uit den afgrond des verderfs,waarin wij allen van nature
7
liggen. Ja, altoos en altoos weer laat Hij ons dat verkondigen, opdat wij zouden leeren roepen in eiken nieuwen nood: xHeere Jezus erbarm u mijnerquot;. Dat is het Evangelie, dat de Heere ons achteraan draagt, waar wij ons ook bevinden.
Mijne geliefden ! vestigen wij onze blikken op de herders ! Toen de engelen van hen weg waren gegaan en teruggekeerd waren naar den hemel, spraken zij : gt;laat ons dan heengaan naar Bethlehem en laat »ons zien het woord, dat er geschied is, hetwelk de »Heere ons heeft verkondigdquot; Van ouds her mijne geliefden ! heeft de duivel het er op toegelegd, wat te Bethlehem geschied is, ongeschied te maken in de harten der arme menschenkiuderen. Het komt ook in geen menschenhart op deze dingen te gelooven, en wij zullen die nimmer voor waar houden, veel minder er op leunen en steunen met onze zielen, tenzij de Heilige Geest ons ooren en hart opent. Indien wij ons heden te Bethlehem bevonden, mijne geliefden ! zouden wij er misschien hetzelfde kunnen hooren verkondigen, wat wij hier hooren, maar het kiudeke in de kribbe zouden wij er niet meer aantreffen, want dat is niet meer hier op aarde, maar toch heeft Hij hier op aarde nog eene plaats, waarin Hij veilig ligt geborgen, en dat zijn de harten van Zijn volk, van het volk van God, dat hier op reis is, in de woestijn des levens ! Wanneer de herders zeggen: laat ons dan heengaan, dan beduidt dit eigenlijk inde Grieksche taal: laat ons » doorbrekenquot;, laat ons doorbreken door de duisternis des nachts, door allen tegenstand henen ! Mijne geliefden ! de harten omhoog en zóó doorgebroken tot den eeuwigen genadetroon, waarop Christus zit ter rechterhand des alm ach ti gen Vaders! Het was den herderen niefe genoeg naar de kerk te gaan, en dan al het gehoorde
8
weer spoedig te vergeten, maar laat öns doorbreken, zeiden zij, opdat wij zelf, wij persoonlijk aan ons zeiven mogen zien, wat er te Bethlehem geschied is.
Wat was daar geschied? Wat God de Heere van den beginne der wereld af beloofd had, dat geschieden zoude. Het eeuwig raadsbesluit Gods was nu werkelijkheid geworden in dit Kind, het raadsbesluit om u het zaligmakend geloof te schenken en u te heiligen om en om, het raadsbesluit, dat gij, o arme en bekommerde ziel! nooit en nimmer zult verloren gaan, maar dat Zijn Woord ook voor u zal vervuld worden; Jamp; geef Mijnen schapen het eeuwige leven, en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal ze rukken uit mijne hand. Mijn Vader, die ze, Mij gegeven heeft, is meerder dan allen en niemand zal ze rukken uit de hand Mijns Vaders! Zoolang Ik, hun Herder, leve, zal geen mijner schapen omkomen. O, mijne geliefden! wij behoeven onze harten niet op te sieren, als wij tot Hem gaan, maar mogen ze Hem geven niet zooals zij moeten zijn, maar zooals zij zijn, als wij in ootmoed tot Hem zeggen : o dierbaar Kind ! ik kan u niets anders brengen dan zonden en ongerechtigheden, niets dan een steenen harte, maar ik weet, dat gij mij reinigen kunt, en zoo wit als sneeuw wasschen met uw dierbaar bloed, en het steenen hart uit mijnen boezem kunt Gij wegnemen en mij daarvoor een vleeschen harte geven. Ach, Heere ! ik weet het zelve niet, hoe het komt, dat Gij zóó schoon en heerlijk zijt in mijne oogen, dat Gij mij zóó dierbaar zijt geworden. Ach ! als ik alles bedenk, moet ik wel uitroepen : maar zijt Gij mij wel dierbaar, heb ik ü wel in waarheid lief ? Dan moest ik immers de zonde meer haten en schuwen, maar nochtans, nochtans Heere, ik kan u niet laten gaan, ik moet u liefheb-
9
ben, al ben ik ook om en om een verkeerde knecht! Ik heb mijn hart in uwe handen overgegeven, of liever, ik weet, dat Gij mij het harte genomen hebt niet uwe oogen , mij tot ü getrokken hebt met de koorden uwer liefde. Gij hebt mij het eerst liefgehad, want gij hebt uw eigen leven voor mij in den dood gegeven, Gij hebt uw dierbaar bloed voor mij vergoten en mij daarmede gekocht tot uw eigendom. Daarom kan ik van u geen afstand doen, maar blijf aan u hangen op hope tegen hope.
De herders kwamen en vonden Maria en Jozef, en het kindeke, liggende in de kribbe. 0 wat moet er in Maria zijn omgegaan, toen die herders kwamen aansnellen en in den stal binnentraden ! Mijne geliefden ! wie uwer kent nood ? wie weet wat het zegt, zich eenzaam en verlaten te gevoelen, verlaten van God en menschen ? Wie weet het, wat het beduidt Gods Woord te hebben, en het tegendeel te beleven ? Wat zagen Maria en Jozef, wat hoorden zij ? Ach, het was immers de machtige engel Ga-briël, die het Maria aangekondigd had, dat zij, de troon erfgename van David, eenen zoon zoude baren, die op den troon zijns Vaders David zoude zitten tot in eeuwigheid, maar wat zien hare oogen ? Niets, als dat haar kind in de kribbe lag, op stroo, en dat hij gewonden was in eenvoudige, armoedige doeken. En nu mijne geliefden ! gelooft gij dat Maria en Jozef zoo vroolijk hebben kunnen zingen, als vele duizenden het, van harte of niet van harte, sinds eeuwen doen op het kerstfeest ? Ach! in nood en eenzaamheid, wanneer het ons te moede is, als of God en menschen ons verlaten hebben, dan zingt men niet, maar men meent in zijnen druk om te komen. De mensch kan immers uit eigen kracht geen gebruik van des Heeren woord maken, hij kan de
10
beloften Gods niet aangrijpen naar willekeur, maar liet is de Heere, die hem dat bij moet brengen, en zóó boog kan de nood niet klimmen, of de Heere kan Zijue avme kinderen er wel uitredden. Maria en Jozef zagen daar het kindeke Jezus voor zich, zij konden het weten, en hadden het bebooren te weten, wie het was, die daar in de kribbe lag, maar zij hebben voor het oogenblik, geheel en al, alles vergeten, wat de Heere hun had laten aanzeggen. Daar komen nu echter de herders aansnellen, het waren goede trouwe menschen, eenvoudigen lieden, die bij hunne kudden getrouwelijk de wacht hielden dag en nacht. Wat mogen die tot Maria gezegd hebben ? Zij hebben gewis niets anders kunnen zeggen dan: zie ! deze, die daar in de kribbe ligt, is onze troost, deze is onze Heiland. Gezegend Kindeke, welkom ! duizendmaal welkom, Gij dierbare, waarde gast, Gij drager van al onzen honger en kommer. Mijn licht, mijn troost, mijn zegen, mijn eenig goed, zoo zal gewis-selijk een ieder des herders uitgeroepen hebben, en bij hun gejubel begon de vreugde weer te gloren in het moederhart van Maria en zij voelde zich niet langer van God en menschen verlaten. Zi] hoorde dingen, die zij verstond, en toch niet verstond, die zij aan kon nemen, en toch weer niet aan kon nemen. O geliefden, laat dit eens een proefsteen zijn voor u. En, als gij onder eene zware last, zóó gebukt gaat, dat gij er onder meent te bezwijken, zegt dan ook eens tot dat Kindeke, dat nu hoog op den troon ter rechterhand des Vaders zit: o welkom, duizendmaal welkom! Gij, die al onzen honger en kommer op u geladen hebt; o mijne ziele ! gelooft gij dat ? Als Hij uw licht is, vertwijfel dan niet in uwe duisternis, maar hef den psalm aan, midden in den nacht:
11
God braclit, na tegenlieden,
Hen weer op 't rechte pad,
Hij richtte hunne schreden Naar een gewenschte stad!
Ps. 107 ; 4a.
Mijn licht! ja dat zijt Gij, Heere Jezus, en als ik in de duisternis zit en geen licht heh, dan wil ik nochtans op U hopen ! Mijn eenige troost zijt Gij, o mijn Goël! Ach, wat is dit leven toch een gestadige dood, wat is het vol angsten en treurigheid ! Men weet vaak niet hoe men het uit kan houden, van al den jammer, die men smaakt, als b. v. eene onzer dierbaarste betrekkingen, waarop men de schoonste verwachtingen gevestigd had, van onze zijde wordt weggenomen, uit het huis wordt gedragen in eene doodkist om een prooi der wormen te worden. Maar mijne ziele ! als de Heere nu hem of haar, dien gij beweent aan Zijn hart heeft genomen ? En als Hij IJ, die alleen zijt achtergebleven, toefluistert: Ik leef! en gij zult ook leven ? Ja Heere Jezus! ja mijn troost, dat zijt Gij alleen !
Midden in het leven Van den dood omgeven,
Vinden wij noch hulp, noch raad.
Waar is hulp te erlangen.
Waar gena te ontvangen ?
Slechts bij U, mijn toeverlaat!
O, beproeft n zeiven toch eens goed mijne geliefden ! of dat ook in waarheid uw eenige troost, uw eenige toevlucht is, als de dood u in allerlei gestalten omgeeft, als de duivel u met allerlei aanvechtingen en angsten verschrikt en benauwt! David bidt aan het slot van den 119den Psalm: laat mijne ziel leven,enzij zal U loven,en laat uw redden mij helpen.Ik heh gedwaald als een verloren schaap; zoek uwen knecht, want mue geboden
- -
12
heb ik niet vergeten ; en hij bekent hieimede, dat hij midden in den dood ligt, want wie bidt: laat mijne ziel leven, die voelt, dat de dood er op uit is hem te verworgen, en juist in zulke uren mogen wij ,tot den Heere spreken: Gij, ja Gij alleen zijt mijn leven !
O, geliefden! laat ons ook »doorbrekenquot; tot Bethlehem, en zien het woord, dat daar geschied is, zoo zullen wij Hem ook vinden in het verborgene, in onze stille binnenkamer, want dat is de plaats, waar des Heeren volk hun hart uitstort voor hunnen God, en waar Hij ook allerlei woorden van troost en leven voor hen bereid houdt. O Hij kan den bidder zoo nabij zijn, dat het geen ijdel woord der lippen, geen dichterlijk beeld, maar waarachtige -waarheid is, als wy het uitspreken: de Heere is, mijne eere en mijne kroon. Hij is mijn deel, mijn rots, mijn eeuwig goed! De herders hebben het kindeke gezien met lichamelijke oogen, en wij hooren en zien geestelijk hetzelfde, wat zij gehoord en gezien hebben, als de Heere Jezus ons uit onzen grooten dood overzet in het leven van waarachtige wedergeboorte en bekeering. Als Hij het rechte geloof in ons werkt, dan zien wij Hem nog beter, dan de herders Hem toen zagen. Toen de herders nu het kindeke goed gezien en beschouwd hadden, spoedden zij zich overal heen, waar zij maar wisten, dat er een kind van God woonde, zoo een, die op den troost Israels wachtte ! Want het volk des Heeren is zulk een wonderlijk volk, het is onbekend en nochtans bekend, onbekend bij de wereld, maar wel bekend bij den Heere der heerlijkheid; en de kinderen des huizes kennen elkaar ook wel, en al gaan zij ook eenen tijd lang hunnen weg eenzaam en verlaten, toch vinden zij de voetstappen der schapen weder terug, en het eene schaap komt het andere schaap
il'l -li ï * -
iiüh : i f, :
â¢1 'V
Jh
11'! l:iquot; | ; I 1
lü li lij i - '
« M-H
13
weder te ontmoeten, en verheugt zich daarover van harte. Zoo zochten ook de herders het volk des Heeren op, en overal, waar zij wisten: daar of daar woont er een, die door twijfelingen heen en weer wordt gedreven, of die in nood zit, of die vervuld is van angst en vreeze, of reikhalzend uitziet naar den God zijns heils, daar vertelden zij, wat zij gehoord en gezien hadden, en, lezen wy in vs. 18: allen, die het hoorden, verwonderden zich over hetgeen hun gezegd werd van de herders. Waarover verwonderden zij zich ? Over een teeder pas geboren kin-deke ! En waarom verwonderden zij zich daarover ? Wisten zij dan niet, dat de beloofde Verlosser, de; hope Israëls, als eene teedere spruite, als de zoon der maagd, in ons arm vleesch en bloed zoude verschijnen ? Zij wisten dit zeker wel, en de belofte uit Jesaja VII zal hun gewis niet onbekend zijn geweest, maar nochtans, onder welke gedaante stellen wij ons dengenen voor, die ons zal verlossen van al onze vijanden ? Een reus, vol macht en heerlijkheid moest het zijn, ook naar de gedachten hunner harten. Ach! als de menschen van koninklijke heerlijkheid booren, dan denken zij aanstonds aan paleizen en aan een gouden troon! Maar hier in Bethlehem, zulk eene armoede! Allereerst verwonderden zij, die op den troost Israëls wachtten, zich over des Heeren geboorte zelve, maar niet minder over het armoedige dezer geboorte.
Maar geliefden! de Heer Jezus is nu eenmaal de rechte kameraad der armen, en die wonen meer in hutjes en dakkamertjes dan in paleizen, en liggen hier meer op stroo dan op donzen bedden.
Ach, laat ons toch in gedachtenis houden, dat Hij om onzent wille zoo arm is willen worden, om ons rijk te maken aan hemelsche goederen, en om ons
14
ook hierbeneden van alles te voorzien, wat wij behoeven, zoodat men wel met den GSsten Psalm instemmen kan : Springt op van vreugd, verheit Zijn lof, Die, daar Hij woont in 't hemelhof. Een vader is der weezen!
Die weduwen haar recht verschaft. Die streng haar ouderdrukkers straft, En voor Zijn wraak doet vreezen.
En al woont gij niet in een hutje of dakkamertje, zijt gij nochtans niet dood arm, als gij niets hebt dan zonden, als gij Jezus niet kent, als uwen Jezus als Hij uw hart niet tot Zich heeft getrokken, want als gij sterft moet gij alles, alles achterlaten, als gij Hem uw hart niet hebt gegeven ! Doodarm zijn wij allen van nature, doodarm zijt ook gij, zoo gij niet tot God bekeerd zijt. De Heere Jezus wil echter te gemoet komen in allerlei soort van armoede. Hij komt, om den last des eeuwigen toorns Gods tegen de zonde te dragen, waaronder wij voor eeuwig hadden moeten verzinken ; Hij komt, om ons door Zijnen dood het eeuwige leven te verwerven. Dat zijn wonderen, dat blijven wonderen, en daarom hebben zij zich ook allen verwonderd, die de verkondiging dei-herders vernamen. En uit dit wonder ontspruit telkens eene nieuwe reeks van wonderen, want is dat geen eeuwig wonder, dat een mensch, die van nature een monster is van hoogmoed en opgeblazenheid, plotseling begint te roepen; Heere ! wat wilt Gij, dat ik doen zal ? Is het geen wonder, als een kreupele kan opspringen van vreugde in zijnen God ? Is het geen wonder, dat men zich verheugen kan in zijnen God, ook als er geen rund meer op het stal is ? Is het geen wonder eindelijk, als een stervende handeklappend uitroept in zijn laatste uurtje: kom gij schoone vreugdekroon! blijf niet langer uit, o
15
mijn reiswagen ! Kom Heere Jezus, kom haastiglijk !
In denzelfden nacht, toen der engelen lied klonk over Bethlehems velden, zijn de herders ook begonnen te zingen, en wat is nu hunne bezigheid ? Nu zingen zij daar boven met dezelfde engelen, die hen hier opgezocht en getroost hebben in den diepsten nacht, en ons geeft de Heere het ook wel eens te zingen, ons die nog op reis zijn in de woestijn : Prijst den Heer met blijde galmen; Gij mijn ziel! hebt rijke stof,
'k zal, zoo lang ik leef, mijn psalmen Vroolijk wijden aan Zijn lof.
'k Zal, zoo lang ik 't licht geniet, Hem verhoogen in mijn lied.
Ps. 14G : 1.
Maria, de moeder des Heeren, Was nog zeer jong, toen dit alles met haar voorviel, maar zij was eene opmerkzame en teedere ziel. Wat de herders tot haar spraken, hoe zij het kindeke aanbaden, verstrekte haar tot troost, en zij heeft het alles in haar harte begraven. Wij lezen vs. 19 : doch Maria hetcaarde deze woorden alle te samen, overleggende die in haar hart. O, wat bezat die Maria toch een kostelijken schat! en gij, o bekommerde en treurige ziel, gij hebt dien schat ook ; dat is het goede deel, en wie dat bezit, van dien zal het niet genomen worden ! Doch behoudt, wat gij hebt, opdat niemand uwe kroon roove ! Die schat zal u te pas komen, als kasten en kisten leeg zijn, als uw hart bezwijkt van droefenis, als de dood aan uwe vensteren klopt. Die schat komt u te pas in treurigheid en smart, daarom houdt deze woorden in gedachtenis, en begraaf ze in uwe ziele. Als gij het leert, even als Maria al deze dingen te overleggen in uw hart, dan zal het den duivel nooit gelukken u onder den voet te houden. Laat dan over ons komen wat er
16
-
komen wil, laat er gebeuren wat er gebeuren wil, lieb goeden moed, o ziele, want eer zullen de starren van den hemel vallen, eer zullen zon en maan ver-bleeken, dan dat Jezus zoude opbonden Jezus te zgn. Amen.
|Sf
Uitgegeven bij F. P. D'HUIJ, Middelburg.
Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BüCKMANN, Elher/eld, Prijs per Nummer 3 Ots. Franco per post 4 O's.
S C II R 1 F T V E B5, ii L A il I X G E \
VAN
Ur. 51. F. KOHL^eïIGGÃ.
OVER
Mattheus 27 vs. 62â66 en 28 vs. 1â3.
PAASCHBLAAEJE VOOB HET JAAS 1891.
Ues anderen daags nu, welke is na de voorbereiding, vergaderden de overpriesters en de farizeecn tot Pilatus, zeggende: Heer ! wij zijn indachtig, dat deze verleider, nog levende, gezegd heeft: na drie dagen zal ik opstaan. Beveel dan, dat liet graf verzekerd worde tol den derden dag toe, opdat zijne discipelen misschien niet komen bij nacht, en stelen hem, en zeggen tot het volk : Hij is opgestaan van de dood.en : en zoo zal de laatste dwaling erger zijn dan de eerste. En Pilatus zeide tot henlieden ; Gij hebt eene wacht; gaat heen, verzekert het graf, gelijk gij het verstaat. En zij heengaande, verzekerden het graf met de wacht, dm steen verzegeld hebbende. En laat na den Sabbat, als het begon te lichten, tegen den eersten dag der week, kwam Maria. Magdalena, er» de andere Maria, om het graf te bezien. En ziet,! er geschiedde eene groote aardbeving ; want een engel des Heer en, nederdalende uit den hemel,kwam toe, en wentelde den steen af van de deur, en zat op denzelven. En zijne gedaante was gelijk de bliksem, en zijne kleeding ruit gelijk sneeuw.
Mijne geliefden! De omstandiglieden, waaronder de Heere Jezus Christus Zich op den dag Zijner opstanding geopenbaard heeft, en aan de vrouwen is verschenen, liggen in het geschiedverhaal der opstanding, zooals die bij de vier Evangelisten beschreven zijn, eenigszins verstrooid. Wij willen trachten de geschiedenis van het op dien dag gebeurde, zoo veel
No. 130. 28 Maart 1891.
mogelijk, van stap tot stap na te gaan, niet tot voldoening eener ij dele nieuwsgierigheid, maar opdat het geheele verhaal van des Heeren opstanding ons eene bron van bemoediging en vertroosting zij, en opdat de vrome leere, ook in den donkersten nacht van nood en ellende, niet te vertwijfelen, maar met op-gerichten hoofd zijnen Heere en Zaligmaker uit de hemelen te verwachten. Toen het laat na den Sabbat begon te lichten, op den eersten dag der week, begaven de vrouwen, waarvan wij ook Mattheus 27 vs. 55 en 56 gewag vinden gemaakt, zich op weg naar het graf; beladen met specerijen, die zij mede hadden genomen, om het lichaam des Heeren nog meer te balsemen dan het reeds geschied was Op den weg spraken zij er met elkaar over, wat z'y toch zouden aanvangen met den grooten steen, die op den mond des grafs lag, want dat er wachters bij het graf waren geplaatst,wisten zij nog niet. Onder die vrouwen, die daar zoo treurig en bezwaard voortwandelden, was er zeker geene, die zoo treurig en bezwaard was, als Maria Magdalena. Zij was immers vroeger van zeven duivelen bezeten geweest, en de Heere had haar daarvan verlost, maar ik behoef u wel niet mede te deelen, hoe de geheele hel nu weer losgebroken zal zijn in haar harte, nu zy al haar heil in het graf had zien verzinken ! Eene vrouw, die door zeven duivelen gedreven is, is geene beminnelijke, zachtmoedige, bedaarde vrouw, maar eene diep rampzalige, des te rampzaliger, naarmate zij licht genoten heeft, en dat licht weer voor haar is onder gegaan. Toen de vrouwen by het graf gekomen waren, zagen zij, dat de steen afgewenteld was, maar in plaats van zich daarover te verheugen, zijn zij in hare droefheid zóó blind, dat zij denken: »Ach nu is alles uit en gedaan ! »tot nu toe konden wij het doode lichaam des Heeren
I ii _
1 â III
S,:;
H'hI:
3
ten minste nog zien, ons daaraan verkwikken, en dat balsemen, maar nu is het gestolen en verdwenen uit onze oogenquot;.
Want wat was er gebeurd ? Te vergeefs hadden de Hoogepriester en de zijnen zich in dien nacht op i hunne legersteden neergevleid om rust te vinden, en vroeg in den morgen vergaderen zij om te beraadslagen, en begeven zich tot Pilatus, dien zij geza-menlijk verzoeken, eene wacht bij het graf des Naza-reners te plaatsen, »want,quot; zeggen zij, gt;nu is zijn »lichaam in de macht van Jozef van Arimathea ge-»komen, die behoort immers ook tot zijne discipelen, »en die kon zijne medegenooten wel in den hof »binnenlaten, om het lichaam des verleiders te stelen »en dan alom te verspreiden dat Hij is opgestaan. »Gebeurt dit, dan is al onze moeite te vergeefs ge-
1 m OO
i sweest, dan triomfeert de leugen immers en, eerwaarde i «broeders ! de waarheid moet gehandhaafd worden »ten koste van alles !quot; Ach ! evenmin als Pilatus een God had, evenmin hadden de Farizeën een God, van den levenden God wist noch de een, noch de ander, y.ij wisten alleen van soldaten. Pilatus verveelde de geheele zaak van Jezus van Nazareth, zij streed hem tegen de borst, bij zich zeiven dacht hij : »nu, ulieder »vrees heeft ook niet veel te beduiden, gij ellendige «huichelaarstroep !quot; Hy wijst er hun op, dat zij zelve â eene wacht hebben, en veroorlooft hun, om er van af te zijn, het graf te laten bewaren: gij hebl eene : wacht, zegt hij, verse/eert het graf, zooah gij het verstaat, »Zie zoo !quot; denkt hij, »nu is Jezus van Nazareth »dood en begraven!quot; En zoo denkt de geheele wereld ook, hij ligt iu het graf, een groote steen er boven op, wachters bewaken het graf, nu hebben wij rust, die komt nooit meer te voorschijn ! O, hoe zal toen de hel gejuicht hebben, en als het haar toegelaten
4
was, zoude zij nog grootere rotsblokken op het graf des Heeren hebben geworpen. Ja, zoo juicht de geheele
Maar plotseling,
het begon
voordat
te
li
lüHiiü
ill'
'HiW
â ilP f.
lil
iii
iifi
i ui
I lil
J
hel: »Hii is dood, nooit komt Hij weer uit liet graf, 3gt;dood is Hij, en dood blijft Hijquot;.
vroeg in den morgenstond,
lichten, was Hij opgestaan, met wien ieder meende afgerekend te hebben, en, als was voor het vuur, zoo versmelt de gansche schaar der wachters voor Hem, die Zijnen Christus, die Zijne waarheid niet in het graf laat blijven, al is die ook met schande beladen, met den hoon der gansche wereld overdekt, in een vergeten hoek geworpen. Als des Heeren tijd daar is, weet Hij wel de geheele wereld, als huichelaars aan het licht te doen komen, en als de waarheid uit het graf opstaat, als die blinkende zon door de dikke wolken breekt, dan wordt zij herkend door allen, in wier harten gebaande wegen zijn ! Plotseling bewoog eene aardbeving den grond, een engel da hemel en heft den zwaren steen van den mond des grafs op, als ware die maar eene dunne plank geweest en zet zich op dien steen neder, als op een zegeteeken ! Zoo is die zware en vreeselijke steen een profeet des levens geworden, en kan het arme volk des Heeren zeker zijn, dat de overwinning over hel, dood en graf, ja over eiken vijand, hun verzekerd is. De wachters anders dappere soldaten, worden van schrik als dooden, en zoo verwijdert God de Heere hen allen van het graf. Hier, in dezen schoonen hof, mogen geen honden meer zijn, geen ruwe soldaten, die de arme bedrukte vrouwen zouden verschrikt hebben, die vrouwen, die des Heeren oog op hunnen weg naar het graf zoo trouw bewaakte, ofschoon zij niets van Hem gewaar werden en in hunnen druk meenden te vergaan. Daar nadert Maria Magdalena liet graf, zij ziet dat de steen afgewenteld is, ook zij heeft zeker de aardbe
5
; graf
heele v'n8quot; bespeurd, maar van hetgeen er verder is
graf, voorgevallen weet zij niets. Uit Johannes 20 weten ding, wij, dat zij, den steen van het grat weggenomen :m te en nieenende, dat zij des Heeren lichaam ge
iende l stolen hadden, wegliep en tot Simon Petrus kwam en â¢.zoo Johannes, den discipel, dien Jezus liefhad, om Hem,. l'ün mede te deelen, wat zij gezien had. Petrus, zoo i het lezen wij Johannes 20 vs. 3, clan ging uit, en de aden, | andere discipel, en zij kwamen tot het graf. Johannes i een loopt sneller dan Petrus, komt eerst tot het graf, en ar is,l als hij nederbukte, zag hij de doeken liggen ; nochtans s aan s g'uS er niet hl- Zoo verlaat hij het graf weder it het |en vertelt alles, wat hij heeft gezien, aan Petrus, die Jikke ie^s achteraan kwam. Die ging in het graf, en zag 'n, in gt; quot;K'^ alleen de doeken liggen, maar ook den zweetdoek, woou; 1 die op des Heeren hoofd was geweest, zag hij niet ndenfflbij de doeken liggen, maar in het bijzonder in eene ;1 desBfindure plaats zamengerold. En nu! welke gevolg-reest. trekking maken zij nu uit dit alles ? Geen andere â ken ! ^1111 deze : ja ! wat Maria ons gezegd heeft, is waar ! ;t des 4 d68 Heeren lichaam is weggenomen. Daartegen is eeren'B ^e^3 -0 doen. Wij moeten nadere opheldering af-graf, I wachten, om te kunnen zeggen, waar het lichaam iters, â 011268 Heeren heen gekomen is, maar dat is maar al Dden, I waar, hier in dit graf ligt Hij niet meer ! Ziet nu het f eens die wijze mannen met hun koel, beredeneerend verfden stand ! Ach, als de Heere er niet voor zorgt, dat ons rukte \ even als den moordenaar voortdurend de beenderen , die t verbrijzeld worden, dan weten en verstaan wij niets f zoo I vai1 de waarheid Gods, al meenen wij die van buiten waar I kennen. Dat zyn nu de twee uitverkorene discipelen, DaarI Petrus en Johannes. Petrus, die eens gezegd had: it di' s »Heere ! tot wien zullen wij henengaan ? Gij hebt ;dbe- ^de woorden des eeuwigen levens.quot; Hier in den hof, r| 'Jti bet open graf des Heeren, heeft hij alles vergeten,
6
wat hij ooit omtrent de waarheid Gods geleerd had, de geheele Heilige Schrift, die er overal van getuigt, dat Christus op zou staan uit de dooden, ja het geheele mondelinge onderricht des Heeren, die het hem zoo vaak verkondigd had, dat de zoon des menschen na Zijn smartelijken en smadelijken dood zou opstaan uit het graf! Eu Johannes begreep ook niets van de geheele zaak en geloofde, ja wat Maria hem verteld had, dat namelijk des Heeren lichaam gestolen was. Maar ligt de zaak bij ons anders, mijne geliefden V Ach, wij arme menschenkinderen ! Als wij bij mooi weer en zonneschijn met ons scheepje uitzeilen op de wijde zee, dan zijn wij zoo wijs en voorzichtig, kunnen ook goed acht geven, mecnen ten minste dat wij goed acht kunnen geven, en ook werkelijk geven, op roer en kompas, maar o wee ! als de storm zich verheft, dan verstijft ons het bloed in de aderen, en wij zijn al onze wijsheid kwijt. Ach! wij arme menschenkin-deren weten vaak alles zoo goed, vinden ook de heerlijkste troostgronden om anderen te troosten, maai als het kruis onszelven trelt, dan begint het van binnen te woelen en dan weerklinkt het van de wanden des harten : Is dat nu Christus ? is dat nu des Heeren trouw en belofte ? Is dat nu Zijn weg ? En dan komt er nog die veel bangere vraag in het hart op : is Christus wel werkelijk uit de dooden opgestaan ? en zoo ja ! is Hij dan wel roo?' mij opgestaan, is Hij wel mijn Christus ? Ach ! te midden van zulke geestelijke stormen vergeten wij het woord des Heeren, en missen uit ons zeiven alle kracht, om ons daaraan vast te klemmen. Wat zouden zij nu verder doen. die arme discipelen, die Petrus en Johannes, wat bleef er verder voor hen over ? Treurig en terneergeslagen staan zij daar. Alle heerlijkheid en schoonheid der natuur kan toch niet troosten, als het van
7
had, I bimien nacht en duisternis is. De jongeren keeren
uigt. I naar Jeruzalem terug, maar, lezen wij Joh. 20 vs. 11 :
ge- 1 Maria stond huilen hij het graf, weenende. Toen zij
hem ; bukkende in het graf keek, zag zij twee engelen in
ehen : witte kleederen zitten, eenen aan het hoofd, en een
taan aan de voeten, waar het lichaam van Jezus gelegen
n de had. Het waren heerlijke gestalten, als van cheruhijnen,
â¢teld die uitgezonden waren, om het. ledige graf des Heeren
was. met hunne vleugelen te overschaduwen. Maar Maria
len V Magdalena geeft weinig acht op deze blinkende ge-
nooi daanten ; bitterlijk weenend blijft zij tegen den harden
gt;p de rots leunen. » Vrouw! wal iveent gij, zegt de eene
an en engel tot haar. Maar de arme Maria bespeurt niet
goed eens, dat het een engel is, die niet haar spreekt, en
roer zij schijnt het niet ter harte te némen. Geen engel,
heft, geen vriendelijk lachende morgenzon, geen blinkende
zijn kleederen kunnen hare ziel verkwikken, haar kan niets
ikin- helpen dan Jezus alleen, en die ontbreekt haar. In
k de hare diepe smart antwoordt zij ; omdat zij mijnen
maai Heere hebben weggenomen, en ik iceet niet, waar zij
van Hem gelegd hebben! vs. 13. Zij blijft staan, waar zij
nden , staat, en weent, tot zij niet meer weenen kan, en in
;eren dit weenen, dat maar korten tijd duurt, was eene
iiomt ; eeuwigheid van smart en jammer opgesloten. Men
) : is â moet het ervaren hebben, om te weten, hoe diep de
? en quot; ' troosteloosheid en het zielelijden is, als men Jezus
Hij gevonden en Hem wederom verloren heeft. Men was
^â ees- gered, uit de diepste diepte opgetrokken, men had
eren, vol vreugde uitgeroepen : ik geloof Heere ! kom mijn
,raan i ongeloof te hulp! O hoe blauw was toen de hemel,
loen. 'l welke heerlijke dingen zag toen het zielsoog, hoe
wat 1 juichte toen hemel en aarde, hoe fonkelden toen de
:ieer-; starren, en plotseling was alles weder weg, en alle
oon- machten des afgronds, alle duivelen uit de hel storm-
van den los op het arme aangevochten gemoed. Zie,
8
dan staat zulk eene ziel ook treurig daar, even als Maria Magdalena bij liet ledige graf, en weent zich bijn- dood. Ja, daar stond nu die ongelukkige vrouw, lioe kon zij ooit geholpen worden Ja ! hoe worde ik geholpen in mijne droefheid en harteleed ? vraagt zoo menig voortgedreven en voortgezweept hart! Daar ziet Maria Magdalena (¥) plotseling eenen man staan, en denkt: o dat is zeker de hovenier van Jozef van Arimathea, dien wil ik eens ondervragen, want het is immers wel mogelijk, dat Jozelf zelf het lichaam des Heeren naar elders heeft laten overbrengen. Plotseling echter richt deze vermeende hovenier de zelfde vraag tot haar, die ook de engel haar deed : » Vrouwe ! zvat iveent gijquot;, en voegt er bij : »wien zoe.li (/ij? en zij antwoordt: H/'rr, zoo gij Hem weggedragen hebt, zeg mij, waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Uern wegnemen. En twee woorden worden uitgesproken : »Mariaquot; en »Rabbouniquot; ! en weg is de treurigheid, en zij zinkt aan Zijne doorboorde voeten. Hij leett, Hij leeft voortaan, mijn Goël, mijn Verlosser ! Nu vreest zij niet meer voor de zeven duivelen, want al vielen die haar opnieuw aan, nu heeft zij den eenigen slan-genvertreder bij zich, die ze allen wel onder den voet weet te houden en te dooden. Maar de Heere spreekt gansch vriendelijk tot haar : Raak mij met aan, want ik ben nog niet opgevaren tot Mijnen Vader ; maar ga heen tot Mijne broeders, en zeg hun : Ik vare op tot Mijnen Vader en tot ween Vader, en tot Mijnen God en uwen God,! Maria Magdalena ging en boodschapte den discipelen, dat zij den Heere gezien had, en dat Hij haar dit gezegd, had. Joh. 20 vs. 17, 18. En Markus 16 vs. 9 lezen wij : En als Jezus opgestaan was, des morgens vroeg, op den eersten dag der week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit ivelkc
9
Hij zeven duivelen uitgeworpen had.
Uit het 16e hoofdstuk van Markus vs. 1 weten wij, dat behalve Maria Magdalena en Maria, de moeder van Jakobus, die Mattheus »de andere Mariaquot; noemt, ook nog andere vrouwen in den vroegen morgenstond zich met haar hadden op weg begeven naar Jozefs hof, om het lichaam des Heeren te balsemen. Volgens Markus 16 vs. 1 was dit o. a. Salome, en bi} Lukas (Lukas 24 vs. 10) vinden wij ook Johanna genoemd, de vrouw van Herodes' rentmeester, eene zeer rijke vrouw. Deze allen was het om rust, om vrede, om troost te doen in hunne diepe droefheid over des Heeren dood, maar hoe vreemd zal het haar om het hart geweest zijn, toen zij in den hof kwamen ! Welk een rust, welk een vrede ademt hier alles ! Maar het hart der vrouwen was nochtans vervuld van angst en vreeze, want zij denken aan den grooten steen, die op het graf ligt, en er zijn geen mannen bij haar, die haar konden helpen den steen van het graf af te wentelen. En toen zij het graf bereikt hadden, steeg hare angst en schrik noy hooo-er, want er lag; geen
O O O ' O O
steen meer op het graf, en zij denken: o wij ongelukkige vrouwen ! het doode lichaam des Heeren is weg! Want zoo gaat het in de werkelijkheid des levens toe : waar de Heere ons zeer nabij is met Zijne hulp, daar denken wij, aan ons zei ven overgelaten, aan niets, dan aan ondergang en dood. Waar Hij bezig is het een of ander tot stand te brengen, tot verheerlijking van Zijnen grooten Naam en Zijne eeuwige trouw en waarheid, daar buigt Hij ons diep in liet stof ter neder, zoodat wij denken : er is voor mij geen heil meer in eeuwigheid. Plotseling verschijnt aan deze vrouwen een jongeling, met blinkende kleederen ; wat moet dat nu beduiden ? zullen zij gedacht hebben, en hunne harten zullen nog banger geklopt
10
H
hebben. »Maar geliefde zusters ! hebt gij dan nooit »gelezen, dat een wit kleed geen rouw, maar over-»winning beduidt ?quot; Maar och ! zij zijn dit alles vergeten, want bij die blinkende heerlijkheid en zuiverheid des engels voelen zij nog dieper, dat ze niets zijn en hebben dan zonde en ellende, en dat zij de eeuwige verdoemenis hebben verdiend. Maar de hemelsche jongeling roept hun toe : » Vreest gijlieden niet, want »ik iveet, dat gij zoekt Jezus, die gekruisigd teas.quot;
Niet waar? Dien zoekt gij, en in het binnenste uwer ziel spreekt gij :
»Geef mij Jezus, of ik sterf,
»Buiten Hem is 't ziels verderf.quot;
»Gij zoekt Jezus den Nazarener, den van allen
gt; verworpenen en gesmaaden, voor wien gij u niet »schaamt, maar bet luide bekent: Hy is veel schooner, »dan de menschenkinderen ! »Maar lieve zusters! »hier is Hij niet!quot; â »Niet?quot; »Neen! Hij is opge-»staan, ziet de plaats, waar de Heere gelegen heeft.
â¢ii
gt; Blijft nu echter hier niet langer staan, maar spoedt »u naar Zijne jongeren, en deelt hen mede, dat de »Heere is opgestaan ; en ziet ! Hij gaat u voor naar »Galilea, daar zult gij Hem zien. Ziet! ik heb het »ulieden gezegd!quot; En terstond spoeden de vrouwen zich naar Jeruzalem, om deze blijde tijding aan de broederen mede te deelen. O hoe veel zullen zij op dien weg te bespreken en te overleggen gehad hebben, b. v. : »ware het toch niet beter, eerst den Heere »Zelf op te zoeken, dan konden wij toch nog veel »beter getuigenis er van afleggen, dat Hij leeft, dan »nu, dat onze oogen Hem nog niet zagen anderen konden alleen juichen van vreugde. En, terwijl zij zoo voortgingen, ontmoette hen de Heere Zelf en sprak tot haar: We est gegroet! en zij, tol Hem komende, grepen zijne voelen en aanbaden Hem. Maar
_
11
Hij sprak : Vreest niet ! yaat henen, hoodschapt mijnen broederen dat zij heemjaan naar Galilea, en aldaar zullen zij mij zien. Matth. 28 : 10. HeLt gij het vernomen, geliefden ! hoe de Heere degenen noemt, die Hem van den Vader zijn gegeven ? Hij noemt ze : »Ziine broederen.quot; Hebt. gij het gehoord, waar Hij zich wil laten vinden ? »In Galileaquot;, in het land der zonde en des doods. En nu mijne geliefden! ga nog eens een oogenblik mede naar het groote Jeruzalem. Daar kunnen wij zeker in menig armoedig vertrekje binnentreden, waarin of eene zieke weduwvrouw troosteloos ter neder zit, öf eenige van allen verlaten weezen hopeloos te zamen zitten, of een of andere eenzame, diep verzonken is in rouw en smart, en zij roepen weenend uit: »Jezus is gekruisigd en gestorven, wat is nu nog waar ?quot; Ach ! hoe vele onbekende zielen, die Hem gekend hadden, hoe vele rechtvaardigen â zeker meer dan vijftig, geloof dat maar vast, anders ware die goddelooze stad reeds lang omgekeerd geweest â leefden hier en daar
O ^ O O
verstrooid binnen de muren van Jeruzalem ! En plotseling zagen velen hunner eene hemelsche verschijning, en in waarachtige, menschalijke gedaante verschenen aan deze ongelukkigen, lang ontslapene heiligen, om hun troost en bemoediging toe te spreken, en het zal ook toen wel geklonken hebben ; Vreest niet! de dood is te niet gedaan ; noch dood, noch rouw, noch nood kan u meer vasthouden in den kuil der wanhoop, want het bloed van Gods Lam vermag alles, dat wascht ons rein van alle onze zonden. Wij lezen hiervan Matth. 27 : 52, 53 : En de graven werden geopend, en vele lichamen der heilige», die ontslapen waren, werdm opgewekt-, en uit de graven uitgegaan zijnde, na zijne opstanding, kwamen zij in de heilige stad, en zijn velen verschenen. Terwijl
12
dit alles nu voorviel, waren ook de soldaten, die als wacht bij het graf waren gesteld geweest, in de stad teruggekeerd. Zij komen vol angst en kloppen aan, aan het hoogepriesterlijk paleis, want naar Pilatus, den romeinschen landvoogd, durven zij niet henen, daar zij eerst van schrik als dooden waren geworden, en daarna lafhartig waren gevloden. Misschien zal
O _ O
de heilige kerkvader zich eerst wel niet gaarne in zijn morgengebed hebben laten storen, waarin hij zeker den God Israels van ganscher harte zal gedankt hebben, dat die verleider uit Galilea nu eindelijk in liet graf lag, en dat er nu wel spoedig geen spoor meer zoude te vinden '/iju van die gehaatte sekte der Nazareners. Maar de soldaten houden aan, zij moeten den hoogepriester spreken. »Nuquot; zegt deze »wat is er gebeurd ?quot; Sidderend en bevend staan die dappere krijgsknechten daar, voor Kajafas en zijne medegenooten, en vertellen, wat er in den af-geloopen nacht geschied is. De Hoogepriester wil liun echter alles uit het hoofd praten, en zegt: »Gijlieden hebt zeker te veel gedronken, en daardoor »diep geslapen en zware droomen gehad !quot; âNeen! »neen ! heilige Vader,quot; antwoorden zij, »wij hebben »onzen plicht trouwelijk vervuld, wij hebber, niet »geslapen, wij waren volkomen wakker, en zoo als »wij het u vertellen, is het ook geschied; o, het was »vreeselijk!quot; En de Hoogepriester: »nu ik wil sulieden niet tegenspreken, ik wil aannemen, wat »gij zegt, maar ziet ! gij zijt niet geheel vrij van «bijgeloof, en houdt u wel eens op niet tooverij, gij «verbeeldt u zeker spooksels gezien te hebben.quot; â »Neen ! neen, dat waren geen spooksels ! Wij hebben »het duidelijk gezien, hoe de steen afgewenteld werd, «zonder de minste moeite, wij hebben het gezien, »lioe een engel van den hemel nederdaalde, wiens
13
«gestalte was als een bliksem, en hoe hij zich op »dien grooten grafsteen nederzette.quot; De hoogepriester, geen raad wetende met de zaak, wendt zich nu tot de andere priesters, zeggende : »wat zullen wij toch »beginnen, eerwaarde broeders! met deze koppige »soldaten?quot; en zich weder tot dezen wendende : »het »is toch mogelijk, dat gijlieden u bedrogen hebt; »in ieder geval mag er niets van uitlekken. Vertel »maar, dat gij geslapen hebt, en dat zijne jongeren »gekomen zijn, en Hem hebben gestolen. Met den »landvoogd zullen wij de zaak wel in orde brengen ; gt;want ziet ge ! de godsdienst loopt gevaar ! Gij zijt gt;toch brave, eerlijke lieden, wilt gijlieden ons niet »behulpzaam zijn, den godsdienst in stand te houden, »en zóó het geheele volk te redden ? Denkt toch »welk een bloedbad er van zoude kunnen komen! »En gij, mijnheer de penningmeester! hier hebt gij »den sleutel der geldkist, sluit die eens spoedig open, »en geef deze dappere, wakkere en oppassende sol-» daten eens eene goede som geldsquot;. »Wat Vquot; zejru'en
.... ~ OO
de soldaten, terwijl zij een stap terug treden, »zouden wij geld aannemen ?quot; Maar het eind was, dat, toen maar eerst de hoofdman gewonnen was, zij zelfs gaarne het geld opstreken, en eenvoudig overal gingen verhalen, dat zij nergens van wisten, dat zij geslapen hadden. Welk eene schande voor hen, dit te vertellen ! Zoo weet de duivel zich altoos te helpen, zoo helpt de geheele wereld zich, zij weten niets van waarheid, en met goud en zilver moet alles te zamen gelijmd en te zamen gebonden worden.
Mijn'; geliefden ! wenden wij onze blikken van dit tooneel af, en laat ons nog een blik werpen in den hof, waar het graf was. Toen de engelen bij het graf aan de vrouwen verschenen, zeiden zij ook nog tot haar: wat zoekt gijlieden den levende bij de
14
dood en ? Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan. Gedenkt, hoe Hij tot u gesproken heeft, als Hij nog in Galilea was, zeggende : de Zoon des menschen moet overgeleverd worden in de handen der zondige menschen, en gekruisigd worden, en ten derden dage wederom opstaan. Luk. 24 : 5bâ7. Dat vernamen Johanna en de overige vrouwen, en hun smart was gestild en zy zeiden : »ja ! dat is toch ook waar !quot; En geliefden ! laat ons ook spreken met haar : ja ! het is gewisselijk waar, geen dood kan mij meer binden, geen graf kan mij meer houden, geen toorn mij meer in den afgrond werpen ! Laat de geheele wereld maar komen en een zware grafzerk op mijn graf wentelen, laat de duivel van nieuw op my loskomen, om mijne arme ziel te verslinden, mijne ziel, die door Jezus verlost is, geen nood, neen! want Jezus is opgestaan uit de dooden ! Amen.quot;
Uitgegeven bij F. P. D'HUJJ, Middelburg.
Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BdCKMANN, Eiberfeld-Prijs per Nummer 3 Cts, Franco per post i Cts.
SCHUIFT V 15 R K L4 iamp;I \
VAN
Igt;r. II. F. liOeomiiGGIE.
K E JR S T B Ij A 13 J K
VOOR
HET JAAR 189 1.
In Rome, de groote wereldstad, werd in den tijd, waarvan het welbekende tweede hoofdstuk van Lukas spreekt, gespeeld, gedanst, gebrast, volgde de eene verkwisting op de andere, en bij dat alles werd er geklaagd, gezucht en geweend, en Augustus, de eerste romeinsche keizer, de machtige wereldbeheer-scher zucht zelfs in zijn paleis in het binnenste zijns harten, â En Rome moet geld hebben, de keizerlijke stadhouder Gyrcnias is in zijne buitengewone zending in Judea aangekomen om geld te halen uit het Joodsche land, waarin bijna geen lof' Gods meer woont: men trouwt en w rdt ten huwelijk gegeven, men koopt en men verkoopt, en te midden van dat alles worden alle krachten ingespannen, om de oude vrijheid weder te krijgen, en alles klaagt, alles zucht ! Zoo zucht het geheele schepsel en ligt onder de ijdelheid begraven, zonder er van los te kunnen komen, zonder daarvan los te willen worden.
Te dier tijd ging eene prinses uit het vroeger zoo rijke huis van David, begeleid door eenen prins uit het zelfde huis, ongeacht, ongekend, ja miskend, zonder dat één menschenkind er acht op gaf, onbemiddeld, ja arm, den moeilijken weg van Nazareth No. 155. 19 December 1891.
naar Bethlehem, over hooge bergen en door diepe dalen. Dezen moeilijlien tocht moest zij ondernemen in hoogst z wangeren toestand. Of zij eene ezelin heeft gehad of dat zij hare voeten nog bovendien door heeft moeten loopen, dat weet God ! En toch ! wat zij onder het harte draagt, is nog wat edelers dan keizer Augustus : want dat was de Heere des hemels en der aarde, het was die, door wien keizer Augustus regeerde, en keizer Augustus wist het niet, dat hij door Hem regeerde, en de wereld kende Hem niet. Nochtans was Hij alleen der wereld heil en licht. Moeten wij hier iets uit leeren, mijne geliefden ? Er zijn nog prinstn en prinsessen uit het huis Davids, louter vorsten en koningskinderen â en, dat zij zulks zijn, hebben zij aan het kindeke Jezus te danken, en zij zullen Hem eeuwig daarvoor lof en eere geven ! Zij hebben ook den moeilijksten, bezwaarlijksten weg te bewandelen, dien men zich voor kan stellen : zij zijn daarbij bevrucht, want in hen leeft datzelfde kind, dat onder het harte van Maria lag. Hij, de Koning des Hemels en der aarde. Nochtans reizen ook zij onbekend, ongeacht, ja miskend, meestal arm en onbemiddeld, den moeielijken weg over menigen hoogen berg, door menig diep dal, om daar heen te komen, waar zy met den Heere heen moeten ; of zij ter bekwamer tijd eene ezelin vinden, dan of zij zich de voeten moeten doorloopen, dat weet God ! Het moet u niet bevreemden, o gij vorstenkinderen ! dat het u niet anders gaat, dan het Jozef en Maria ging : van buiten moet ons de zon verbranden, want alleen zoo worden wij naar het inwendige den Heere toebereid. Het was van ouds her Gods weg, dat Hij de Zijnen door allerlei kruis, lijden en tegenspoed geoefend heeft. En al schijnt de beproeving des geloofs ook in den aanvang
geen oorzaak van vreugde, maar van droefenis te zijn, en al dreigt vaak het hart te bezwijken onder den zwaren last van uit eu inwendig lijden en tegenspoed van allerlei aard, wat schaadt het eene arme ziel, zoo zij daardoor het beeld des Zoons Gods maar gelijkvormig wordt gemaakt ? Maria, de moeder des Heeren, had er zich wel aan mogen ergeren, dat God haar niet de minste geriefelijkheid dezes levens te beurt had doen vallen, daar zij toch naar het woord van den Engel Gabriël, dien onder het harte droeg, die een koning over het huis Jakobs zoude zijn en wiens koningrijk geen einde zoude nemen. Wij lezen echter niet, dat zij zich daaraan geërgerd heeft. Hoe het haar en Jozef mag te moede zijn geweest op die lange, bezwaarlijke reis, daarvan is niets voor ons opgeteekend in de Heilige Schrift. Maar wij weten het immers wel uit eigene ervaring, dat God ons in het verborgene ondersteunt en door den invloed Zyns Heiligen Geesces staande houdt; en, ofschoon wij het zelf menigmaal niet weten, wat wij in ons dragen, en wie ons draagt, zoo bekomen wij toch wel eens een moedgevend reislied op onzen pelgrimsweg, zoodat de oogen ons van blijdschap in God overloopen.
Mijne geliefden ! wij voelen ons vaak het sterkst opgebouwd, als wij niet meer vooruit kunnen, en juist in den donkeren nacht blinkt ons wel eens eene star Gods in het oog, die ons toeroept : weldra zi.jt gij daar. Eindelijk, eirdelijk lost zich toch alles voor des Heeren schapen op in hem elsche, eeuwige vreugde en heerlijkheid: en waar het in het kleine vooruit gaat, daar komt het groote Gods en wil het kleine groot maken Niet zoo spoedig hebban echter de vorsten en vorstinnen Gods het eind der reis bereikt. Als menige raoeielijke gang gemaakt is, en wij nu denken rust
4
te hebben gevonden, dan beginnen opnieuw de bezwaren zich te vermenigvuldigen aan alle zijden. Waar de belofte Christi komt, daar ontstaat een moeielijke gang, en, waar Hij moet geboren worden, daar moeten wij nauw ingesloten worden ; in plaats van ruimte te vinden, wordt liet al enger en enger. Het gaat ons zooals het Maria ging, nadat zij den moeielijken weg van Nazareth naar Jeruzalem afgelegd had, en nu eindelijk in Bethlehem was aangekomen, daar was aangekomen, waar zij volgens den inhoud van het geheele Woord des Heeren henen moest! Ach ! nu scheen het wel, alsof God buiten de poort was blijven staan, alsof Hij haar voor altoos had verlaten! Nergens wilde men Maria en Jozef in huis nemen, voor iedereen was er plaats in de herberg, alleen voor hen niet, en de prinses uit Davids huis, de eenige wettige erfgenaam der kroon, moest zich met eenen stal te vreden stellen, en weinig scheelde het, of haar Zoon ware op de opene straat geboren. Maar zóó is de weg, en niet anders : geen plaats in de wereld, geen plaats op deze aarde voor dien, die de wereld in Zijne hand houdt, opdat zij niet wankele, opdat zij niefc in de hel veizinke. en in eeuwige duisternis opgelost worde, geen plaats, noch ruimte dan naar God, naar boven toe, voor allen, uit wier mond de verkondiging van Gods woord uitgaat met getuigenis op getuigenis, het leven aanbrengende, genade gevende, verkwikkende woord des Heeren ! Zij worden door den Heere Zelf nauw ingesloten, opdat Zijne waarheid besta, en Zijne gerechtigheid alleen als gerechtigheid de overwinning wegdrage, als Hij alle vleesch met deszelfs ijdelen roem ten oordeel oproept. Daarom moet het ulieden, o gij vorsten-kinderen Gods ! niet bevreemden, als gij, na allerlei moeielijke wegen opnieuw als met een
5
engen band omsloten wordt, wanneer er juist daar, waar gij meent rust te zullen vinden, u allerlei angsten, als barensweeën overvallen, als gij geen plaats kunt vinden voor het woord des levens, ja, als liet zóó toegaat, dat, van alles wat gij ziet, niets in overeenstemming schijnt te zijn met de heerlijke, koninklijke beloften, en goede woorden Gods, die gij van Hem ontvangen hebt. Een en hetzelfde lot met Christus, een en hetzelfde lot met Maria on Jozef in onze eigene stad, zoo wij met Christus eenerlei gedaante zullen hebben in heerlijkheid. Het is goed, dat wij geen plaats in de herberg der wereld vinden ; het is goed, dat wij Hem ook bij ons zei ven niet daar kunnen heen legg«n, wat wij wel zouden willen â verwachtingen, eer, gerechtigheden naar menschelijk oordeel, gemak en begeerlijkheid des vleesches, dat alles moet te gronde gaan, waar de Heere geopenbaard wordt, en geen van ons ral den roem wegdragen, iets voor Hem te hebben gedaan ; ook zal de wereld niet kunnen roemen iets voor ons en onzen Heere te hebben gedaan. Hij alleen zal het zijn, die ons ryk maakt. Hij alleen, die ons helpt uit allerlei benauwdheid !
Rijk gemaakt ? Ja ! voor de eeuwigheid; geholpen ? ja! tegen den duivel en den dood ! En het zal blijken, dat Hij ons helpen zal voor den toekomenden toorn. Mijne geliefden ! terwijl ik dit zeg, maak ik eene tegenstelling tusschen de kribbe onzes Heeren en onze doodkist. Het laatste huis, dat wij betrekken, is eene kist van zes of zeven planken, en daarin heeft de mensch, met al zijne inbeeldingen des harten, met al zijnen hoogmoed, geen plaats meer om zich te verroeren of te bewegen : en dat is ook niet meer noodig, zijn levenslicht is uitgeblazen en het heeft een einde genomen met alle trotschheid.
6
met alle aanmatigingen des menschen, een einde met al het najagen van hetgeen hier beneden is ; en alles wat men hier had, het moet achtergelaten worden. Eens komt de ure, mijne geliefden ! dat wij in dit ons laatste, in dit ons planken huis moeten opgesloten worden, want wij moeten allen verrotten en tot stof wederkeeren Het kerkhof en de lijkkoets herinneren ons dat dagelijks, herinneren het een iegelijk onzer: al erven zuil gij, gij z'j' slof, en tot stof suil gij weder-keere.n ! Daarmede is het echter niet afgeloopen, als de mensch naar zijn eeuwig huis toe gaat, als wij in de doodkist liggen, en naar het kerkhof gebracht worden, want als wij tot verrotting zijn overgegaan, zoo zijn wij toch voor God, als leefden wij, en het Kind, dat in de kribbe lag, dat zoo eng daarin lag besloten, zal ons stof weten te verzamelen, weder met onze ziel weten te vereenigen, en Zijn woord : Gij (Jonden ! Maat op, en iornt tot het oordeel, zal met dezelfde kracht weergalmen, als toen Hij sprak : daar zij licht! en daar wan licht. Wanneer wij dus inde doodkist liggen, is nog niet alles met ons afgeloopen voor het aangezichte Gods, want voor het aangezichte Gods liggen er twee boeken ter gedachtenis, het boek des werkverbonds, en het boek des levens des Kinds, dat in de kribbe lag. Staat een mensch niet met name in het laatste boek, dan zullen al zijne werken op het allernauwkeurigst onderzocht, worden, en het schuldregister ligt opgeslagen voor God. Staat men echter met name in het boek van het eenige geliefde Kind des Heeren, in het boek des Heeren Jezus, dan is het zonden- en schuldregister doorgehaald door de hand des Almachtigen Gods, het bloed van Christus heeft de schuld uitgedelgd, de zonden weggenomen. Leggen wij ons daarom, mijne geliefden ' alleen de vraag voor : waar zult gij heengekomen zijn, o mijne
ziel! als men mij in de kist legt, als men mij naar het kerkhof rijdt ? Leggen wij ons allen de vraag voor: hen ih waarachtig töt den Heere bekeerd ? de vraag: hen ik in waarheid mei God verzoend ? F1 eb ik in waarheid barmhartigheid gevonden ? ben ik in waarheid afgewasschen, gereinigd, gerechtvaardigd door den Naam des Heeren Jezus, en door den Geest Gods? Wat leren heeft, vleit zich niet, en wil zich wel laten beproeven en onderzoeken, en het echte goud schuwt den toetsteen niet. Moe staat het verder met uwe werken ? Brengt gij allen vruchten voort der bekeering waardig? Wie zich door deze woorden geslagen en bestraft voelt, die sta op uit het ijdele en vergankelijke der zichtbare dingen, want die gaan ten slotte allen in vuur en vlammen op, en de geheele wereld met al hare pracht en heerlijkheid kan een mensch niets baten als de dood door de vensteren klimt! Wat helpt ons eene schoone kerstbespiegeling, wat helpt iemand eene gehoorde predikatie, zoo hij niet daarna doet ? Het leven is kort, en de eeuwigheid lang, en o ! eene verschrikkelijke eeuwigheid zal liet zijn, verre van het eeuwige licht, verre van den Heere Jezus, verre van de eeuwige vreugde, verre van het liefelijk aangezicht Gods, verre van den gloed Zijner liefde, in de ijskoude, donkere hel, in het gezelschap van alle duivelen, van alle verdoemden ! In eeuwige armoede te zijn verzonken, omdat men geen God voor zijn hart heeft, o hoe vreeselijk moet dat zijn ! Ik moet ernstig spreken, mijne geliefden! ik moet menigeen, die zich misschien vleit in den hemel mede te zullen aanzitten aan de bruiloft des Lams, ernstig vermanen. dat hij het ter harte neme, wat ik zeg, en God om ontferming smeekt, eer het te laat is. En u, bekommerden ! roep ik luide toe : terug van uwe
8
zonden, terug van het lichaam uws doods, en naar de kribbe des Heeren Jezus henen! Wie ligt daarin ? Wie ligt daar in armoedige doeken V Hy ligt daarin, die het eenen armen zondaar leert blijmoedig uit te roepen : ik hebbe. begeerte om ontbonden te worden, en met Christus te zijn. Hebben wij in onze eerste ouders in het Paradijs den dood over ons gehaald, den tijdelijken en den eeuwigen dood, hebben wij in dezen dood allen gezondigd, zyn wij van nature allen kinderen des toorns, slaven der zonden, steeds geprikkeld, om den wil des duivels te doen, en zyn wij allen vervreemd van het leven Gods, derven wij allen Zijne heerlijkheid, zijn wij allen ontbloot van gerechtigheid voor God; hier in de kribbe ligt de Heere der heerlijkheid,Hij wil ons ruimte verschaffen en plaats voor ons bereiden, Hij wil Zijne heerlijkheid op ons leggen. Hij is gekomen, om onzen dood weg te nemen, door Zijnen dood. Hij wil onze Levensvorst zijn, Hij wil zonde voor ons zijn, opdat wij zouden zijn rechtvaardigheid Gods in Hem. Hij zal de heerschappij der zonde in ons te niet doen. Hij wil ons bedekken met Zijne genade. Hij zal de werken des duivels in ons te niet doen, en ons leiden en regeeren door Zijnen Geest. Hij zal den prikkel des doods verbreken. Hij is den dood een gift, en der helle eene pestilentie. Daar ligt Hij in de kribbe, in armoedige doeken, naanw ingesloten. Hij wil ons ruimte maken, en, vergeleken bij den schat, die voor hulp-en heilbehoe-vende zondaars in die kribbe ligt, verliezen alle heerlijkheden dezes levens haren glans, verbleekt al het klatergoud der wereld. Wien is het bang en benauwd om het hart, als hij denkt aan de eeuwigheid, als hij denkt aan de ure des doods, en wel weet, dat hij tot nu toe niet verzoend is met God ? Wie vraagt naar leven, naar verlossing, wie weet niet, waarheen
hi] vlieden zal, van wege den angst zijner ziele, hier, in de kribbe is raad voor hem ! Een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven ! Wie heeft Hem ons gegeven ? God heeft Hem gegeven als het Lam Gods, dat de zonden der wereld draagt. En hij die Hem heeft gegeven, heeft gezworen : Zoo waarachtig als ik leef, spreekt de IJeere ilcere, zoo ik lust h'b in dm dood dss goddeJ.oozen ! maar daarin hel) ik lust, dat de goddelooze zich bekcere van zijnen weq, en leve ! Een woord tot u is dat zelfde woord »bekeert u !quot; »bekeei-t u van uwe booze wegen, want waarom zoudt gij sterven, gij huis Israels?quot; Waarom zoudt gij sterven, gij die waant van den huize Israels te zijn, maar uwe werken deugen niet, zij zijn niet in God gedaan. Wilt gij werken doen die blijven, werken gelijk aan de werken, die den dooden, die in den Heere sterven, navolgen, zoo verloochen u zelreu, en leer het woord verstaan : Zijt heilig, want Ik beu heilig ! O ! hoe gelukkig is hij, die weten wil, dat hij een mensch is, en dat hij vleesch en bloed met zich om draagt! O hoe gelukkig is hij, dien de zonden als zonden, als overtreding tegen de heiligheid Gods een zware nood zijn, waarvan hij zou wenschen verlost te zijn. Ik roep het u luide toe; Hij is gekomen in vleesch, Jezus de Christus! Hoop op Hem, vertrouw op Hem, gij allen, die, als in een graf, in uwen dood en verderf ingemetseld ligt. O laat de hoop niet varen, laat den moed niet zinken, den moed des ge-loofs, om aan te houden om genade, om ontferming, om uitredding van den Heere ! Dat Hij zoo nauw besloten lag in eene kribbe, dat Hij zoo machteloos, zoo arm, zoo hulpeloos ter neder lag, geschiedde het niet, opdat wij eenen barmhartigen Hoogepriester en Heiland zouden hebben ? Niet in Rome, niet in Jeruzalem, niet van eene keizerlijke, niet van eene,
10
naar de wereld rijke en machtige vrouw is Hij willen geboren worden, maar van eene dood arme moeder, opdat Hij in alles de aanvanger en voleiudiger des geloofs zoude zijn. Verlossing van zonde, goede werken, allerlei vrucht des Geestes, geloof, liefde, hoop, zachtzinnigheid, lijdzaamheid, kuischheid, aanvang en volharding, eene volkomene heiliging, dat is Hij ons alles, dat heeft Hij alles voor ons verworven, dat hebben wij alles in Hem, als wij van harte belijden en blijven belijden : Heere Jezus ! Gij zijt mijn geboren Koning, en ik begeer uw onderdaan te ziju, en voor eeuwig te blijven! Zoo zal de zonde niet over mij heerschen, hoe zij mij ook pijnige. Gij wilt alles voor mij zijn, gij hebt macht en genade genoeg, ontferm u mijner ! maak Gij mij zalig !
Mijne geliefden ! Er wordt in deze dagen veel gezongen, en van duizenden lippen klinken de bekende woorden van Luther :
Was ons dit kindeke niet geboren. Dan waren wij allemaal verloren,
maar zijn wij daarom allen verlost? Gods Woord sluit niemand uit, dan die in een anderen dan den door God verordineerden weg zalig wil worden. Desniettegenstaande zal het er toch om gaan of wij waarachtig tot God bekeerd zijn, of wij in waarheid gelooven, dat wij met al onze gerechtigheid, met al ons doen. verloren zijn ; of wij in waarheid geen andere verlossing begeeren dan in en door onzen geborenen
O O .. . . ~
Heiland ; of wij in waarheid Hem als onzen Heere en Koning begeeren te aanbidden, of wij alleenlijk verzoening bij God, of wij alleenlijk verlossing, gerechtigheid en heiligheid bij Hem en door Hem zoeken, en daarom de wereld en ons zeiven verloochenen. God die Zijnen tijd en ure kent, late ook dit heden voor dezen en genen onbekeerde een geze-
11
gend heden ^ijn! O ! dat het hem als een bliksemstraal door de ziel ging : ik ben verloren ! o mocht ik dezen Heiland waarvan gepredikt wordt, vinden als mijn God en mijn Koning.
Een woord ook tot n, die reeds zoo veel van de genade Christi, van de liefde Gods, van de gemeenschap des Heiligen Geestes gehoord hebt, en, ook in dé armoedige geboorte onzes Heeren Zijne groote liefde tot zondaren aanschouwt, en bij dat alles toch niet tot ruimte kunt komen voor u zeiven, noch niet kunt gelooven, dat dit alles ook u ten goede is geschied. O geef uwe zielen toch geen rust, voordat gij tot het geloof gekomen zijt aan Hem, die voor arme zondaren in de wereld kwam, en voor den diepst verlorene verlossing heeft aangebracht. Zie niet op uwen eigenen behoeftigen zielstoestand, laat die u niet van den Heere terughouden, niet van Hem verwijderen. Zie veeleer op Ttijne. doeken, op Zijne kribbe! zoude Hij een klein kindeke geworden zijn, zou Hij zóó arm in de wereld zijn gekomen, indien Hij groote zondaren niet lief had gehad en tot rust had willen brengen ? Als Hij niet dezulken, die niets hebben en niets zijn, rijk had willen maken door Zijne armoede, en had willen heiligen door Zijne onschuld en heiligheid ?
O gij allen, die deze waarheid hoort verkondigen, geeft u zeiven er aan, en de wereld en al uwe onge-rechtige geschiedenissen, en verkies het kleine, het verborgene, het zwakke en onaanzienlijke van het vleesch geworden Woord ! Dan hebt gij meer heerschappij en meer rijkdom dan keizer Augustus had; want dit kindeke Jezus maakt allen, die niet zien, en nochtans in Hem gelooven, tot heeren des hemels, en belooft hun, dat zij met Hem zullen zitten op Zijnen troon, en met Hem overwinnen en heerschen tot in alle
12
eeuwigheid! Mijne geliefden ! Hij,die in de kribbe lag geeft waarachtigen levensmoed, en ook stervensmoed en stervenstroost. In de kribbe heeft Hij het weik onzer zaligheid begonnen, al de dagen Zijns vleesches heeft Hij dat werk voortgezet, aan het kruis heeft Hij dat volkomen voleindigd. Nu zit Hij op Zijnen troon. Laat ons op Hem vertrouwen, welken tuoeie-lijken weg wij ook te gaan hebben. Vindt gij hier met uwen Heere geen plaats in de herberg dezer wereld, zet Zijne kribbe maar in uwe doodlcist. en dan getroost en moedig daarin ! Wij hebben geen kunstig verdichte fabelen geloofd. Daarom, als wij ontvraken, zullen wij Hem zien, gelijk Hij is ! Daarom ; dankt den Heere, want Hij is vriendelijk en Zijne goedertierenheid duurt in der eeuwigheid ! Amen.
Uitgegeven bij F. P. D HÃIJ, Middelburg.
Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BiiCKMANN, Eiberfdd.
Prijs per dimmer Cis. Fjajico per pos? 4 Cis.
UITLEGGINGEN
OVER HET
EVANGELIE VAN JOHANNES,
(HOOFDSTUK XXI.)
UITLEGGINGEN
OVER HET
EVANGELIE VAN JOHANNES.
(HOOFDSTUK XXI.)
DOOR
«â
DP. H. F. KOHLBRÃGGE,
lu leven Predikant bij de Nederlandseh-Gereformeerde Oemeente te Eiber fel d.
UTRECHT. â W. MEIJER. 1889.
SCHRIFTVERKLARINGEN
VAN
Dr. II. Fi KOHIiBRlTGGE.
Evangelie Johannes XXL
Wij willen, lieve lezer! ons nu eens gedurende eenigen tijd bezig houden, met liet verhaal der openbaring van onzen grooten Grod en Zaligmaker bij de zee van Tiberias. De wijze, waarop de apostel Johannes ons deze verschijning mededeelt, is zoo eenvoudig en verheven, en tegelijkertijd zoo wonderbaar en geheimzinnig, dat wij het niet wagen zouden uit quot;eigen kracht of licht, den sluier, die over dit gansche verhaal ligt uitgespreid, ook maar eenigzins op te heffen. Wat ons echter de Heere God Zelf, tot onzen troost daarin te zien en te smaken gaf, dat willen wij u, geliefde lezers! ook niet onthouden, maar het u tot uwe vertroosting mededeelen.
Tot uwe vertroosting, zeggen wij, want de waarheid der opstanding Jesu Christi, de volheid der schatten van macht en sterkte, die daaruit ontspruiten, kunnen ons nooit genoeg worden voorgehouden, omdat het in nood en aanvechting eene zware zaak is daaraan te blijven gelooven. De duivel houdt nooit op ons met allerlei aanvechtingen te bestoken, en ons zand in de geestelijke oogen te werpen, opdat wij niet langer zouden hopen op de No. 87. Mei 1889.
kracht der opstanding onzes Verlossers, en niets ondervinden van de diepten van troost en sterkte, die daarin liggen opgesloten. Wij willen bij onze beschouwingen over Johannes 21, den text voet voor voet volgen.
Na dezen, lezen wij vs. 1, openbaarde Jezus Zichzelven wederom den discipelen aan de zee van Tiberias.
Wie openbaarde Zich ? Jezus, en in dezen schoonen naam ligt alles opgesloten wat men zich maar voorstellen kan, van goddelijke en koninklijke redding uit alle nooden van lichaam en ziel. In den naam; âJezus quot; wordt alles uitgesproken, wat Hij voor de Zijnen is, zoodat zij zeggen mogen: Hij is Jezus, die Zijn volk zalig maakt van hunne zonden.
Hij âopenbaardequot; Zich. Dat zegt meer, dan dat Hij aan Zijne jongeren verscheen. Het is eene koninklijke wijze van spreken; het was een werk Zijner barmhartigheid, genade en nederbuigende liefde. Johannes wil daarmede te kennen geven, dat Hij Zich wel om en bij Zijne discipelen bevond, toen zij zich zoo eenzaam en verlaten gevoelden, dat Hij wel hun Heere en Verlosser was, hoewel zij Hem niet zagen, maar dat het Zijn vrijmachtig welbehagen was, Zich aan deze armen en ellen-digen te openbaren, en hun zichtbaar te gemoet te treden.
Hij openbaarde Zich âna dezenquot; dat wil zeggen nadat Hij Zich reeds kenbaar gemaakt had voor hun oog, gelijk wij zulks in het voorgaande twintigste capittel lezen. Dit âna dezenquot; geeft ons te kennen, dat de Heere Zich geen rust gunt, voor dat Hij de Zijnen er van heeft overtuigd, dat Hij
3
Inm levende Heere en Zaligmaker is, die voor hen nood en dood overwonnen en verslonden heeft tot ia alle eeuwigheid. Als Hij dat naar Zijne goddelijke wijsheid en bijzondere leiding met elk der Zijnen genoeg gedaan heeft, vaart Hij van hen op, gelijk wij zulks ook lezen in den weg, dien de Heere met den patriarch Abraham hield. Toen de Heere Zich herhaaldelijk aan hem had geopenbaard en met hem had gesproken voer Hij van hem op, zooals wij zulks Genesis 17 vs. 22 lezen.
Hij openbaarde Zich âden discipelen.quot; Met aan het geheele volk. Door hun getuigenis daarvan, dat Hij opgewekt is tot onze rechtvaardigmaking, zouden wij en velen voor en na ons gebracht worden tot het geloof in Zijnen Naam.
Hij openbaarde Zich bij de zee van Tiberias. Dat was het meer lager gelegen gedeelte van het meer Genesareth, of het meer van Galilea. Men noemde dit meer ook wel eens: âzee van Tiberias,quot; naar de stad Tiberias, die aan eene der oevers van het meer Genesareth was gelegen. Zoo ging Zijn woord tot hen gesproken in vervulling: Zie! Ik ga u voor naar Galilea, en dat andere woord door den engel gesproken: aldaar zult gij Hem zien! Dat de Heere Zich juist aan de oevers van dit meer wilde openbaren, geschiedde gewis allereerst, omdat de jongeren zich op dat tijdstip met hun scheepje op de onrustige baren van dit meer bevonden: werpen wij echter een dieperen blik op het geheel dier openbaring, zoo worden wij gewaar, dat het de Heere Zelf was, die alle omstandigheden zoo had doen te zamen loopen, om onder het zinnebeeld der zichtbare dingen den discipelen te openbaren, hoe de Heere onder de menschenkinderen optreedt, als Heerscher
4
over alle dingen, als verhoogde Middelaar, als Koning der gereclitigheid en des vredes, als de groote Profeet, die door Zijne heilsboden Zijne uitverkorenen verzamelt uit alle volken, talen en natiën, en bij de verworvene verlossing beschermt en behoedt, zoodat Z|jn Raad vervuld wordt, welke is: de verheerlijking van alle Zijne verlosten dooien bij Hem.
De wijze, waarop Hij Zich toen aan Zijne discipelen openbaarde, verschilt daarin van de wijze, waarop Hij Zich nu nog aan al Zijn volk openbaart, dat de discipelen Hem met hunne lichamelijke oogen zagen â zij stemt echter daarin met hetgeen Zijn volk nu nog gewaar wordt, overeen, dat zij, evenals Zijn geheele volk uit vroeger en later tijden. Hem ook zagen met de oogen des harten, in Zijne koninklijke heerlijkheid en majesteit, in Zijne Godheid en scheppende kracht. De discipelen zagen Hem alzoo ook met lichamelijke oogen, wij echter beleven de vervulling der belofte; âuwe oogen zullen den Koning zien in Zijne schoonheidquot;, als Hij Zich voor de oogen onzes harten openbaart met de woorden der apostelen en profeten, door den Geest des geloofs,
âGalileaV een naam afgeleid van een woord, dat bruischen dér wateren en golven beduidt, is bij de heilige profeten een zinnebeeld der volken, die zich evenals de baren der zee verdringen en opvolgen en zoo heen en weer rollen en zich vooruit bewegen in eene zee van hartstochten en zonden, naar de zee des doods en der verdoemenis. Tiberias was eene stad door den koning Herodes gebouwd ter eere van zijnen vriend, den keizer Tiberius, en werd spoedig de hoofdstad van het geheele land van Galilea; de
inwoners der stad vormden eene uit alle oorden des lands te zamen gestroomde menschenmassa. Hoe het, van een zedelijk standpunt geoordeeld, in deze stad uitzag, blijkt uit eene nog heden in de omgeving van het meer Grenesareth gebruikelijke spreekwijze : dat in Tiberias de koning van alle onreinheid, ja van alle onreine gedierte zijnen zetel heeft: voorwaar een treffend zinnebeeld van den duivel, die ook de koning van alle onreinheid en zonde is! De zee van Tiberias, of' het meer Genesareth, vooral het lagere gedeelte daarvan, waaraan die stad was gelegen, beduidde alzoo deze geheele van God afgevallen aarde, die sinds Adams val niets anders is geworden dan eene zee van gruwelen, van onreinheid , van ongerechtigheid, van onheiligheid, ja van alles wat door den heiligen en hoogen God vervloekt is. De visschen, die in deze zee rondzwommen, beduiden in de beeldspraak des Heiligen Geestes, menschen, en wel menschen, die gewonnen en geboren, groot geworden en opgevoed zijn in zulk eene zee van gruwelen, dood en verdoemenis. Om u te bewijzen, dat zóó werkelijk de meening en beeldspraak des Heiligen Geestes is, herinneren wij u aan Ezech. 47 vs. 8, 9 waar wij lezen: toen zeide Hij tot mij; deze wateren vlieden uil naar hel voorste Galilea, en dalen af in hel vlakke veld: daarna komen zij in de zee; in de zee uitgebracht zijnde, zoo worden de wateren gezond. Ja! het zal geschieden, dat alle levende ziel, die er wemelt, overal, waarhenen eene der twee beken zal komen, leven zal, en daar zal zeer veel visch zijn, omdat deze wateren daarhenen zullen gekomen zijn, en zij zullen gezond worden, en het zal leven, alles, waar henen deze beek zal komen.
6
Aan die zee van Tiberias openbaarde Zich de Heere. Achter het historische feit, dat de Heere, na Zijne opstanding, Zich naar Galilea begaf, ligt dus de waarheid verborgen, dat Hij, na Zijne opstanding, Zich begeeft in het land der schaduwen des doods, waar de gebondenen, de dooden in zonden en misdaden wonen, en dat Hij Zich juist in Galilea bij de zee van Tiberias openbaarde, be-teekent, dat Hij Zich openbaart aan dezulken, die verzonken zijn in eene zee van gruwelen en ongerechtigheid, juist daar, waar de duivel, als de vorst dei-duisternis, der zonde en des doods. Zijnen troon heeft opgericht; ja! daar openbaart de Heere Zich, om dezulken, die door den vorst der duisternis geketend zijn, te verlossen, uit hunne diepte op te halen en hunne voeten te zetten op den weg des vredes.
Ja! met Zijne gansclie heerlijkheid, eene heerlijkheid als des Eeniggeborenen des Vaders, openbaarde Hij Zich aldaar. Hij openbaarde zich aldaar als de eeuwig levende Middelaar en Koning Zijner Kerk, als Degene die alleen de sleutelen der helle en des doods draagt, Hij openbaart Zich aan de oevers van deze zee van gruwelen en onreinheid, als de Almachtige, die opgewekt uit de dooden, nooit meer sterft, maar roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren. Hij openbaart Zich met de heerlijkheid eens Konings, die met de Zijnen aanzit, en hun eenen koninklijken maaltijd bereid heeft, van den buit, dien zij op Zijn goddelijk bevel uit deze zee des verderfs veroverd hebben. Dit be-teekent, dat hij hun vreugde en blijdschap bereidt over degenen, die door hun woord in Hem gelooven zouden; en wat Hij, door hun woord uit de zee
des verderfs verovert, dat wordt voor hen eene bron van verheuging en heil, een altoosdnrend maal, dat zij met den Heere Jezus zullen genieten in alle eeuwigheid.
Van dit alles, wat zij bij de verkondiging des Evangeliums nog beleven zouden, wilde Hij Zijnen apostelen eenen voorsmaak geven; daarom zeggen de woorden die nu in ons capittel volgen; en Hij openbaarde Zich aldus, meer dan zij bij den eersten aanblik schijnen te zeggen. Verder lezen wij vs. 2: Er waren te zamen Simon Petrus, en Thomas, gezegd Didymus, en Nathanaël, die van Kana in Galilea was, en de zonen van Zebedeus, en twee andere van Zijne discipelen.
vEr waren te zamenquot; lezen wij. Dat was eene vrucht der opstanding des Heeren Jezus Christus, eene vrucht Zijner goddelijke genade, want o! hoe verstrooid waren zij niet, een elk naar het zijne, toen de duivel getracht had hen te ziften als de tarwe! Aanschouwt hier de aanvankelijke verhooring van het Hoogepriesterlijke gebed: en Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, gelijk als wij één zijn, en ziet hier ook de waarheid van den heerlijken 133stei1 Psalm: ziet\ hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook zamenwonen! Laat ons die hier verzamelde broeders eens wat naderbij beschouwen. Daar lezen wij van Simon Petrus: Vroeger heette hij steeds Simon, toegenaamd Petrus: Voor het geloofsoog was hij echter, naar de meening des Heiligen Greestes, nadat de Heere hem na Zijne opstanding als de Overwinnaar van hel en dood was verschenen, en nadat ook hij des Heeren liefelijk: âvrede zij uliedenquot; vernomen had, niet meer Simon
8
toegenaamd Petrus, maar Simon Petrus, d. i. rotssteen : niet omdat hij eenige kracht of sterkte in zichzelven bezat, maar naar genadige toerekening. Petrus word hier het eerst genoemd, omdat de Heere Zich van hem bediende, om Zich aan Zijne discipelen op die heerlijke wijze te openbaren, die wij in ons capittel beschreven vinden; want Petrus was degene, der discipelen, die het inviel te gaan vis-schen. Symbolisch word hij echter het eerst genoemd, omdat hij het was, die door zijn getuigenis op den Pinksterdag allereerst voor Joden en Heidenen de schatkameren des heils ontsloot, zooals de Heere hem beloofd had: Ik zal u de sleutelen des hemelrijks geven. Op den Pinksterdag en bij Cornelius, den heidenschen hoofdman, sloot hij die schatkameren des Heeren Jezus, open, en bij Ananias en Saffira en bij Simon den toovernaar sloot hij die zelfde schatkameren toe.
Dit was echter maar een aanvankelijk open en toe sluiten, want wij weten, dat de apostel Paulus veel overvloediger gearbeid heeft dan Petrus. Ook geschiedde dit open en toe sluiten door den apostel Petrus alleen krachtens de sleutelen, hem door den Heere Zelf toevertrouwd, en deze bevoegdheid, deze macht hield op met Petrus dood. Op de door hem afgelegde belijdenis, op dezen rotssteen op deze âPetraquot; werd de jonge gemeente gegrondvest, ja! op die belijdenis; Gij zijt de Christus de Zoon des levendigen Gods. Daarom is het eene grove dwaling en aanmatiging van hetgeen hem geenszins toekomt, als de Paus van Rome beweert Petrus opvolger te zijn, daar de Heere nooit eenig menschenkind tot Petrus opvolger gesteld heeft. Petrus word hier daarenboven de eerste genoemd, omdat hij meer nog
9
dan anderen genade behoefde, genade, die hem alle beenderen verbrijzelen zoude, opdat hij in dien weg geschikt en toebereid zoude worden, om andere verbrijzelden en verbrokenen van harte, te troosten met den troost, dien hij zelf van den Heere in zijnen druk had ontvangen. quot;Want, lieve lezer! hij, die het oprecht meent, maar nog niet is waar hij wezen moet, is een bijzonder voorwerp van des Heeren trouwe liefde en tucht. Wij zullen dit aan het slot van ons capittel nog nader en uitvoeriger bespreken. Wij kunnen echter daaruit reeds nu leeren, dat, zoo de Heere ons verootmoedigt, ja als in het stof ter neder drukt, zulks ons niet moet bevreemden, want de Heere handelt zoo met ons uit louter liefde en trouwe, gelijk ook David sprak: door Uwe verootmoediging en hebt Gij mij groot gemaakt, 2 Samuel 22 vs. 36, en Ps. 119 vs. 71 â 75: het is mij goed, dal ik verdrukt il ben geweest, opdat ik Uwe inzettingen leerde. De wet Uws monds is mij beter, dan duizenden van goud of zilver. Uwe handen hebben mij gemaakt en bereid; maak mij verstandig, opdat ik uwe geboden leere. Die U vreezen, zullen mij aanzien en zich verblijden, omdat ik op Uw woord gehoopt heb. Ik weet Heerel dat Uwe gerichten de gerechtigheid zijn, en dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt.
De tweede discipel, die nu na Petrus genoemd wordt is Thomas. Deze Thomas had eens uitgeroepen:
laat ons met Hem gaan, opdat wij met Hem sterven, Johannes 11 vs. 16. Dit woord, dat hij toen uit de volheid des harten uitsprak, zal hem zeker wel vaak door den vorst der duisternis zijn verweten, het zal hem door de ziel gesneden hebben, dat hij
10
later den Heere zoo schandelijk verlaten had, en dit schuldgevoel zal hem ook na des Heeren opstanding en genadige openbaring nooit geheel verlaten hebben. Tot hem had de Heere gezegd: Omdat gij mij gezien hebt, Thomas! hebt gij geloofd: zalig, die niet gezien en nochtans geloofd zullen hebben. Maar dezen door den Heere Zelf zoo onverwachts getroosten en verzekerden Thomas, zoude eene vernieuwde openbaring van 's Heeren liefde en trouwe, niettemin zeer versterken en verkwikken. Want zijn toenaam wajt âDidymusquot; dat beduidt tweeling. Zijn tweelingbroeder was waarschijnlijk dood, want wij vinden nergens van hem gewag gemaakt; de dood van eenen tweelingbroeder echter wordt door den over blij venden nooit vergeten, want het is hem alsof zijne eene helft leeft en de andere in het graf ligt, dat gaf hem veel te denken en te tobben, en geestelijk ging het hem niet anders. En wien het ook zoo te moede is, dat Romeinen 7 hem als uit het harte is geschreven, kent ook de klacht:
Ik leg in strijd en wederstrljd ,
Help gij, o Heere! mij zwakke,
en die kent ook de behoeften van zulk een door vele stormen en nooden heen en weer gedreven Didymus-hart. De Heere Jezus kende echter Thomas nooden en behoeften nog veel beter, ontfermde Zich over hem, en bracht hem aan den oever en op de baren van de zee van Tiberias, om hem met eene vernieuwde openbaring te vertroosten.
De derde der hier verzamelde jongeren was Na-thanaël, dat is âTheodoorquot; of âGods gave.quot; Dat was een Israëliet zonder bedrog, hij gaf zich voor God en menschen, zoo als hij was, en sprak uit, wat hij
11
voelde en dacht. Toen hij zich onder den vijgenboom bevond, om daar, ongezien door de menschen, om de vertroosting Israels voor zijne eigene ziel aan te houden, had hem de Heere gezien. Hij was van Kana ia Galilea, daar had hij de eerste openbaringen van 's Heeren heerlijkheid kunnen aanschouwen, toen de Heere door het woord Zijner almacht water in wijn veranderde, en wie eenmaal zulk een wonder te aanschouwen krijgt, die beleeft er nog wel meer, door 's Heeren trouwe en ontferming.
De vierde en vijfde waren âde twee zonen van Zebedeus.quot; Johannes de evangelist verzwijgt hier opzettelijk zijnen eigenen naam, en den naam van zijnen broeder Jakobus; hij wil met zijnen eigeneu naam, den schoonen Naam âJezusquot; niet in 't licht staan, en dat mag de naam van zijnen broeder evenmin. Hij heeft er echter een vermaak in, de heerlijkheid der liefde Christi te prijzen, en de Heilige Geest heeft er overal in de evangelien een vermaak in den naam van dien vader der twee apostelen Jakobus en Johannes op den voorgrond te plaatsen, wiens naam Zebedeus was, dat beduidt âmilde geverquot;, want met vreugde gaf hij zijne kinderen over, tot den dienst des Heeren Jezus, ofschoon hij een bejaard man was, en deze zijne Itwee zonen zijn steun in dit aardsche leven en bij hijn handwerk waren. De Heere beloonde hem lechter daarvoor met eene wonderbaar rijken visch-vangst, en zijne vrouw, Salome, volgde den Heere en diende Hem van hare goederen. Het huis van Zebedeus was van den Heere rijk gezegend, en j daarin zouden zijne zonen een vernieuwd bewijs | hebben, hoe de Heere, ook bij de kinderen van zulk henen vader Zijn goddelijk woord waar maakt:
12
Welgelukzalig is de man, die den Heere vreest, die grooten lust heeft in Zijne geboden; in zijn huis zal have en rijkdom zijn en zijn zaad zal geweldig zijn op de aarde. De Heere gaf den twee zonen van Zebedeus den bijnaam van v Boanergesquot; dat beduidt: zonen des donders. Markus 3 va. 17.
Nog twee andere discipelen des Heeren Jezus waren bij de zee van Tiberias tegenwoordig, maar de Heilige Geest vermeldt hunnen naam niet, en daarom, weet ik, lieve lezer! u geen beteren raad te geven, dan zoo gij dit leest of hoort, u op te maken en u naar uwen Heiland te spoeden, opdat gij een dezer twee zijn moogt, en als zoodanig mede moogt genieten en getuigen van Zijne liefelijke en heerlijke openbaring.
Uitgegeven bij W. MEIJER te Utrecht, Jerusalemsteeg. Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BÃCKMANN, Elberfeld.
Prijs per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Cts.
SCHRIFTVERKLARINGEN
VAN
Dr. II. Fi KOHLBRÃGGE.
Evangelie Johannes XXL
Het moet ons in het oog vallen, dat er juist een zevental van 's Heeren apostelen vergaderd was, en spoedig zullen wij bij eenig nadenken tot de overtuiging komen, dat ook het getal âzevenquot; hier eene geestelijke beteekenis heeft.
Wij vinden in het boek Esther, dat zeven kamerbewaarders voor het aangezicht van den koning Ahasveros dienende waren; deze zeven maakten alzoo zijnen rijksraad of raad van state uit (Esther I vs. 10), en zij waren het, die hem eene bruid moesten zoeken. In het boek Daniël lezen wij ook van eenen raad der wachters in de hoogte. En in het boek der Openbaringen vinden wij van de zeven geesten, die voor den troon Gods zijn, gewag gemaakt. Hier, aan de zee van Tiberias hebben wij voor ons den Koning der koningen met zijne zeven wachters, die hem ook eene bruid zouden veroveren en tegemoet voeren, eene uitverkorene bruid, die Hij Zich scheppen zoude uit de diepe wereldzee. En het voorhof van Zijn paleis is de oever der zeekust, en de muren en wanden van Zijne woning zijn de teruggetredene, voor Zijn aangezicht gevlodene bergen, en het donkerblauwe uitspansel is Zijn troonhemel.
No. 88, 25 Mei 1889,
14
De Heere bediende zich van Simon Petrus, om zich nader aan Zijne jongeren te openbaren, want zoo lezen wij verder; Simon Petrus zeide tot hen: ik ga visschen. Terwijl zij op den Heere en op de vervulling Zijner belofte, dat zij Hem in Galileo, zouden zien, wachten, verzuimen zij hun dagelijks beroep niet, worden geen monschenvisschers op eigen of anderer lieden gezag, maar vlijtig en ijverig ziet men hen op nieuw, als visschers van visschen han-teeren; zij liggen niet loom en lui in hunne huizen te slapen, zeggen niet: wij hebben eene andere, eene hoogere roeping en dus mogen en moeten onze geestverwanten en geloofsgenooten ons eenen tijd lang aan de kost en verder levensonderhoud helpen, maar, eerlijk en vlijtig, nemen zij, op Grods zegen hopende, hun beroep weder op, ten einde niemand lastig te hoeven vallen en ook iets te hebben, om den nood-druftigen mede te deelen. Zij toonen alzoo in de vreeze Gods, te gedenken aan het woord des Heeren: âin het zweet uws aanschijns zult gij uw brood etenquot;, en zoo arbeiden zij met hunne eigene handen, terwijl duizend anderen slapen, en dat doen zij in den duisteren nacht, en op opene zee. Zij schrijven den Heere niet eigenwillig den weg voor, waarin Hij hen aan den kost moet helpen, maar blijven stil en eenvoudig in den weg van hun alledaagsch beroep en handwerk, het aan den Heere over latende, zoo het zijn raad was, hen morgen of overmorgen in eenen anderen werkkring te stellen en hen dan ook daarin langs andere wegen van het noodige levensonderhoud te voorzien. Zij stelden ook bij hun dagelijks werk hunne hope op den levenden Grod en Diens zegen en togen vroolijk en welgemoed aan den arbeid. Zoo was Petrus zin, en zoo ook de zin der zea andere
r
15
jongeren: zij zeiden lol hem: wij (jaan mei u, zij gingen uit en traden lerslond in het schip. Welk een kostelijk en broederlijk te zamengaan bij zoo veel verschil van inborst eu karakter! quot;VVie had dat bewerkt? Dat was wederom de vrucht van's Heer en gebed: opdat zij één zijn mogen, dat was de vrucht van het gebed van Hem, die het zoo koninklijk verstaat do verst uiteenloopende karakters tot één doel te vereenigen, tot één voornemen, tot ééne daad.
Maar ach! op al dat sclioone volgt er nu een benauwend en zorgwekkend âenquot;. Eti, lezen wij, in dien nacht vingen zij niels. Was dan de nacht een ongeschikte tijd voor den visclivangst? Neen, het was juist de beste tijd daartoe. Maar wie gedenkt aan Ps. 127? Hoe bang mag het den jongeren om 't hart zijn geweest! Hoe vaak zullen zij gevraagd hebben: hoe is dat nu mogelijk? Is dat nu 's Heeren weg? Ach! was de Heere maar bij ons! Merk op, lieve lezer! dat hier niet alleen staat: âen zij vingen nietsquot;, maar: in dien nacht vingen zij niels. Waarom niet? Ach! dat heeft zich reeds menige menschen-visscher, menige huisvader afgevraagd: waarom vang ik niets, juist in dezen mijnen nood en uiterste duisternis? Waarom loopt mij juist nu, alles tegen? Waarom helpt de Heere mij niet in mijne verlegenheid? Waarom kan ik nergens werk vinden, waarom, al heb ik werk, mislukt mij alles en vergaat als het ware onder mijne handen? Ach! was de Heere maar hier! En o, welk eene duisternis ligt zich daar vaak op 't hart, als alles, alles tegenloopt, en het was toch Gods heilig woord en zaak, waarvoor wij opkwamen! En vol wanhoop zien de weenende oogen op het ziekbed der geliefde kranken, op de ledige geldkist; ja de schuldheer is gedrongen in het huis
16
der weduwe der profetenzonen, en dreigt hen van alles te berooven! Ach! hoe vaak herhaalt zich in het leven van Gods waarachtig volk, in het leven van des Heeren jongeren, in lichamelijken en geestelijken zin dit woord: en in dien nacht vingen zij niets.
Omdat Hij zich wilde openbaren in Zijne gansche macht en heerlijkheid, daarom had Hij eiken visch geboden, niet in het uitgeworpen net te komen. Hij is echter op den weg en Zijne doorboorde voeten spoeden zich ter uwer hulp, o Zion! dat deukt: de Heere heeft mij begeven en de Heere heeft mij verlaten. En: âwie helpt zóó, als Hijquot;? Neen, nochtans is er loon voor uwen arbeid, en uw bloed, uw lijden, uwe tranen, zij zijn voor Hem niet vergeten. Hij vinde ons echter, als Hij komt, op de rechte plaats, en dat was voor deze visschers op hun schip, bij hunne netten. En daar, op ons heen en weder geworpen schip, bij onze ledige netten weet Hij ons wel te vinden. En gij! die u den geheelen nacht hebt afgetobd en niets hebt gevangen, hoe heilig zult gij nog lachen! Hij spoedt zich reeds u ter hulpe! Hij komt:
Zion! zing uw God ter eer,
Hallelujah! loof den Heer!
En, lezen wij verder vers 4, als hel nu morgenstond geworden was, stond Jezus op den oever; doch de discipelen wisten niet, dal hel Jesuswas! Ja, de Heere helpt Zijne ellendigen. Hij helpt ze heerlijk! Hij helpt ze bij het krieken van den dageraad! Voor Hem is het niet verborgen geweest, hoe zij zich afgetobd, schijnbaar vruchteloos afgetobd hebben op de baren der zee, want Hij zelf had het
17
verordend, dat zij niets zouden vangen. Hij helpt Zijne gemeente met het aanbreken van den morgenstond! Van dezen morgen der redding en hulp hebben de Zijnen veel, veel ervaren en ervaren er nog veel van, zooals wij b. v. in den 30sten Psalm lezen: des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich! En op den morgenstond der hulpe des Heerea, wachten Gods kinderen altijd en altijd weder, en Gods Woord spoort hen daartoe aan, zooals wij in Ps. 130 vs. 5â8 lezen: Ik verwacht den Heere, mijne ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord. Mijne ziel wacht op den Heere, meer dan de wachters op den morgen, de wachters op den morgen\ Israël hope op den Heerel want bij den Heere is goedertierenheid en bij Hem is veel verlossing. En Hij zal Israel verlossen van al zijne ongerechtigheden.
In den grondtext vinden wij in het 4de vers van Joh. 21 nog bet woord âreedsquot;, âstond Jezus âreedsquot; op den oeverquot;. quot;Wat beduidt dit woordje âreedsquot;? Wat wil dat zeggen? O dat beduidt dat het morgenlicht reeds doorgebroken, dat het licht aan het dagen was, maar dat voor hen met het morgenlicht geen heil scheen te verrijzen, dat het er dus voor 's Heeren discipelen uitzag, alsof de morgen wel aanbrak maar zij geen hulpe ontvingen, alsof zij buitengesloten waren! ja alsof de tijd om ook maar het geringste te vangen voor hen lang voorbij was gegaan. Neen! van hunne vischvangst zou er, ten minste heden, niets te recht komen! Dit âreedsquot; herinnert ons het droeve woord der Emmaüsgangers: doch ook, benevens dit alles, is het heden de derde dag van dat deze dingen geschied zijn. Dit woordje âreedsquot; of âbenevens dit allesquot; herinnert ook aan
18
Eom. 4 vs. 19, waar van den aartsvader Abraham ook gezegd werd, dat naar het zichtbare de vervulling van Gods belofte eene onmogelijkheid scheen te zijn geworden. Als een ster in den donkeren nacht, in den diepsten nood, flonkert hier de naam âJezusquot;! Jezus stond op den oever. Oever beduidt in het oorspronkelijke: verbreker van de golven der zee. De Heere stond alzoo op een vlakke, doch verhevene plaats, waaraan de golven braken en het schuim der zee omhoog spatte. Want lieve lezer! waar Jezus staat, daar breken de woedende golven en baren der zee, en hunne trotsche woede zinkt weg aan Zijne voeten. Alle golven en baren van nood en ellende, van zonden en hartstochten, hoe brandend zij ook om hoog mogen schuimen, juist dan wanneer zij breken, zij moeten stil en effen, ja spiegelglad worden voor het aangezicht des Heeren Jezus! De oever waarop Jezus staat is het einde der zee, en daar moet hare woede zwijgen.
Op den oever slaat Jezus. Geen golven noch baren kunnen Hem meer over het hoofd gaan, zullen Hem meer ter nederwerpen, noch medeslepen in de diepte, om Hem daar te doen verdrinken. Hij is opgestaan. Hij staat nu op een vasten en onbe-wegelijken bodem, op den vasten bazaltbodem des onvergankelijken levens! Voor Hem is er geen zee meer, en deze woorden: Jezus stond op den oever herinneren ons aan dat andere woord uit Openbaringen 21 vs. 4. En ik zag eenen nieuwen hemel en eene nieuwe aarde, ruant de eerste hemel en de eerste aarde was voorhijgeyaan, en de zee was niet meer. '
quot;Wij hebben u immers gezegd, dat de gansche handelwijze des Heeren in Joh. 21 zinnebeeldig was.
19
Voor Hem is de zee niet meer. In den nieuwen hemel, en op de nieuwe aarde, in de nieuwe schepping woont gerechtigheid. In het nieuwe Paradijs, dat in en met Hem ontlook, toen Hij opstond uit Zijn graf, staat zelfs op de schellen der paarden: Heiligheid des Heeren. De zee van zonden en misdaden, de zee des doods, der verdoemenis, der woedende hartstochten, der schrikkelijkste ellende, is voor Hem niet moer. In deze zee lag Hij, om hare wateren gezond te maken, opdat het daarin wemele van allerlei visschen en opdat deze visschen alle dienstbaar zouden worden gemaakt voor Zijn Koningrijk. En daar des Heeren openbaring aan de zee van Tiberias, het doel had, zijne discipelen te leeren, hoe 's Heeren wegen zijn, verstaan wij het ook, waarom Hij zich niet tot hen op de golven der zee begaf, maar op den veiligen, vasten oever bleef staan. Tegen Hem vermocht die groote, woeste zee niets meer, voor Hem was zij niet meer. Deze zee had Hem met hare woedende en kokende baren heen en weer geworpen, toen onbarmhartige zeelieden Hem over boord wierpen, als eenen misdadiger. Toen lag Hij in de diepte der zee en de walvisch des grafs slokte Hem op, moest Hem drie dagen en drie nachten in zijn ingewand dragen, en dan aan wal spuwen en daarbij zelf te gronde gaan. En deze walvisch des doods en des grafs had eens de zee deze wereld stinkend gemaakt, maar kan, na Christi overwinning over dood en graf, geen tand noch vin meer roeren. De dood is gedood en verslonden in Zijnen dood, in de overwinning Christi. De bazaltzuilen der eeuwigheid schragen Zijnen troon, de oevers dei-zee rusten aan Zijne doorboorde voeten.
En is de zee naar het zichtbare, ook in geestelijken
zin nog aanwezig, dan dient zulks alleen ter eere van Zijn Allerheiligsten Naam, opdat dood en graf leeren Hem te ontzien, Hem te verheerlijken, en alle rijkdommen in haren schoot te dragen, die Hij voor de zijnen heeft weggelegd, ook waar zij zeiven nog op die woeste zee zich bevinden. Jezus stond op den oever ! Heerlijk beeld van Zijne overwinning, van Zijne eeuwige ruste, nu dat Hij de dood en de hel overwonnen heeft! Wij zijn met ons scheepje nog op de zilte, woedende baren der zee, maar Hij die vast en veilig op den eeuwigen oever staat, zal ons ook brengen, waar Hij is en met ons de volheid doen zien der ons door Hem bereide en verworvene vangst.
Aan het slot van het vierde vers lezen wij nu verder; maar de discipelen wisten niet, dal het Jezus was. In den grondtekst staat âde discipelen echter wisten het zeker wel niet, dat het de Heere was.quot; Dit staat nu niet geschreven om den discipelen iets te verwijten, want gewis! de geheele hemel zal van vreugde gejuicht hebben, toen de Heilige Geest deze woorden liet opteekenen door den Evan-gelie-schrjjver. O hoe blijkt zonneklaar daaruit, dat het des Heeren wijze van doen is de Zijnen, die in nood en angst zijn, te verrassen met Zijne hulpe, juist dan, als zij zulks het minst vermoeden. Als wij ons lang afgetobd hebben en niets hebben gevangen en naar onze berekening en overlegging de tijd der hulp al lang voorbij is, zoo weten wij het ook wel niet, dat er Een bij ons, ja zeer nabij ons is en â dat deze Eene Jezus is; want ach! als wij de hulp en uitredding nog niet zien, zien wij ook den Heere niet, erkennen onzen Heiland niet, en wij denken er niet aan, dat Hij leeft, dat Hij zich
21
eerst aan ons openbaart en dat dan eerst het heil volgt. Het is alsof de Evangelist met andere woorden wilde zeggen: zal die moede strijder daar, die zichzelven en alles, wat hij is en heeft, verloren schat, het wel vermoeden, dat de Heere Jezus hem zóó nabij is? Ja, zal hij er wel iets van kunnen gelooven, dat die Heere, die vlak voor hom staat, hem geheel onverwacht zal toouen dat Hij werkelijk zijn Heiland en Verlosser is? dan luidt het antwoord, neen! dat zal hij gewis en zeker niet kunnen gelooven. En dan wordt het den nadenkenden lezer overgelaten de gevolgtrekking te maken: wat zal die toch juichen als hij het eens te weten komt, welk een Jezus, Jezus is!
Op den oever, dat is aan het einde der zee, waarop wij ons aftobben, staat Jezus, en zijn discipel, die meer dan eenmaal ervaren heeft, dat de uitkomsten des Heeren komen, als de nood ten top is gestegen, ziet Jezus staan, en weet toch niet, dat het Jezus ré. Gideon wist ook niet dat het Jezus Christus was, die hem verscheen eu tot hem sprak; de Heere zij met u, gij strijdbare held? want Hij antwoordde: och mijn Ileerel zoo de Heere met ons is, iv aar om is ons dan dit alles wedervaren? De onvruchtbare vrouw van Manoach wist ook niet, dat het haar Heere en Heiland was, die tot haar sprak: Zie nu, gij zijt onvruchtbaar en hebt niet gebaard, maar gij zult zwanger worden en eenen zoon barenl Richt. 13 vs. 13. Gij God des aan-ziens! noemde Hem Hagar, toen de Heere zich in de woestijn aan haar openbaarde, en zij uitriep: Heb ik ook hier gezien naar Dien, die mij aanziet? En zoo luidt des Heeren Woord, Jezaia 65 vs. 1: Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden.
22
âquot;Wie is het toch, die daar op den oever staat, âalsof hij ons iets geven, of iets van ons hebben wilquot;, zal misschien Johannes gevraagd hebben, toen hij den Heere gewaar werd. En Simon Petrus: â'tis zeker een vischhandelaar!quot; en Nathanaël: âwie weet of het Jezus niet is!quot; En Thomas: âdat kan ik âniet gelooven, want die zoude ons niet den geheelen ânacht hulpeloos hebben laten rond tobben!quot; En Jakobus: âja! de Heere kan nog helpen!quot; En Thomas weder: âdat is immers onmogelijk, dat wij ânu nog wat zouden vangen, de tijd is lang voorbij.quot; En Petrus: âo die vreemdeling wil zeker geld van âons hebben, daarom komt hij ons bespieden of âwij ook wat gevangen hebben,quot; en de beide anderen: âGrod moge ons genadig zijn! wat zal er ânu geschieden? en wat nu te beginnen? Het net âblijft drijven, komt laat ons het binnenhalen. Er âkomt heden toch niets van.quot; Zoo zullen denkelijk de jongeren onder elkaar geredeneerd hebben, en, terwijl de helle morgen reeds daar was, elkaar het hart bezwaard en benauwd hebben gemaakt. Plotseling vernemen zij de stem: kinder hens! hebt gij niet eenige toespijs? De Heere Jezus richtte deze vraag tot zijne jongeren, omdat zij niet wisten, dat Hij Jezus was. De vriendelijke toespraak: kinderkensl is ontleend aan de genegenheid van eenen onderwijzer jegens diegenen die hij onderwijst, en Hij wilde daarmede aan zijne discipelen te kennen geven, dat Hij hen van harte lief had, en dat Hij hen gaarne wil onderrichten, opdat zij in Zijne leerschool het geluk mochten leeren smaken, dat aan Zijne leer verbonden is. Wij vinden dit zelfde woord ook 1 Joh. 2 vs. 18 waar Johannes schrijft: kinderkensl hel is de laatste ure. en 1 Joh. 2 vs. 21:
23
kinderkens! bewaart u zeiven voor de afgoden! De Ileere Jezus vroeg hier niet: hebt gij ook iets te eten maar: hebt gij ook eenige toespijs? De hoofd-kost was brood, de toekOst of toespijs was visch of iets anders. De Heere wilde hier mede te kennen geven: Bij Mij is er spijs voor u in overvloed, maar hebt gij ook iets gevangen, dat wij onder het gebruik dier spijze genieten, waarover wij ons te zamen verheugen kunnen? Voorwaar! eene merkwaardige vraag! Niet veel vraagt de Heere: Hij vraagt alleenlijk eenige toespijs. Wij zouden meenen, dat moest den discipelen toch in het oog zijn gevallen, dat de eigentlijke spijze en dat wel in overvloed voor hen bij dien vreemdeling aanwezig was, bij Hem, die hoewel Hij hun God en Heiland was, hen tegemoet trad als een vreemde, en hen om toespijs vraagde.
Maar och! dergelijke vragen richt de Heere ook zoo vaak aan ons, maar wij verstaan ze ook niet en merken er niet op, omdat onze ooren verdoofd en onze oogen verblind zijn door do overmacht der zichtbare dingen. Want, hoe dwaas is het toch, dat wij ons zoo laten verblinden, en er ons niet van harte over verheugen, dat Hij alles voor ons zijn wil? Want, omdat Hij alles voor ons zijn wil, richt Hij zulke vragen tot ons, opdat onze oogen op Hem zouden zijn, te midden van alles wat ons nood veroorzaakt en oogenblikkelijk ter neder drukt. Hij doet ons zulke vragen, omdat Hij ons alles rijkelijk wil verleenen. Als Hij ons dus te midden onzer angst en benauwdheid aantreft en ons, o zoo vriendelijk vraagt: hebt gij werkelijk niets gevangen? dan behoorden wij vroolijk en getroost te antwoorden: ja Heere! wij hebben U en als wij U hebben, vragen
24
wc naar hemel, noch naar aarde, en o hoe spoedig zouden wij ervaren en begrijpen: Hij zal ons vervullen uit de volheid Zijner schatkameren, en ons oog zoude gesloten zijn voor alle armoede en gebrek naar lichaam en ziel. Algenoegzaam en almachtig is de Heere. Maar wij hebben geen oor voor Zijne vriendelijke toespraak: kinderlcens, zien alleen daarop, dat wij niets hebben, worden verlegen, staan daar met beschaamdheid des aangezichts, ja doen gelijk de jpngeren en beantwoorden die liefelijke toeroep: kinderkensl met een onvriendelijk en barsch; Neen!
Maar geliefden! tot zulk een Neen! moet het ook met ons, arme menschenkinderen, komen en welgelukzalig de oprechten van harte die het van Hem leeren uit te roepen: ach Heere Jezus! ik heb niets! Wij moeten het in elk opzicht in de ervaringen des levens leeren verstaan, wat de Heere bedoelt, als Hij zegt: zonder Mij kunt gij niets doen. En o, wanneer dat bange Neen! dat wij op Zijne vraag moeten antwoorden, ons het harte doorsnijdt, zoodat het er onder verbroken en verbrijzeld wordt, dan zal Hij ons ook geven te ervaren en het ook met onzen wandel te bevestigen, wat Paulus zeide: ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft.
Uitgegeven bij W. MEIJER te Utrecht, Jerusalcmsteey. Voor Duitaehlatid verkrijgbaar bij F. BÃCKMANN, Elierfeld. Prijs per Nummer 3 Cis. Franco per post 4 Cts.
SCHRIFTVERKLARINGEN
VAN
Or. H. Fi KOHL.BRÃGGE.
Evangelie Johannes XXI
Dit alles leert men echter alleenlijk in wegen, die ons verstand verre te boven gaan, en die lijnrecht tegen onze ervaringen, ja door het onmogelijke henen loopen. 0^ er is zooveel noodig, eer wij het goed en grondig weten, dat er met onze viskunst weinig, ja niets tot stand komt, maar dat alles afhangt van het raadsbesluit van Hem die spreekt; Mijn zoon! âgeef Mij uw hart en laten Mijne wegen u welgevallenquot;. Daarom lezen wij verder; en Hij sprak tot hen: werpt het net ter rechterzijde van hel schip, en gij zult vangen. Tot nu toe had het net gehangen daar, waar het behoorde te hangen, d. i. tusschen het schip en den oever, want, naar den oever toe zwemt de visch, als zij bemerkt, dat men haar vangen wil, en zóó valt zij in het uitgespreide net of zwemt er aan voorbij. Werpt men echter de netten ter rechterzijde des schips, d. w. z. naar de opene zee henen, zoo slaat de golfslag de netten onder het schip: op ongeveer twee honderd schreden van de wal heeft men dan de diepte, en daar komt geen visch meer in de netten. Het bevel des Heeren Jezus scheen dus tegen alle kunst, verstand en ervaring der visschers in te druischen. Was er dan ter linkerzijde des schips, d. i. tusschen het schip en No. 89. 8 Juni 1889.
26
den oever geen visch aanwezig, zoo kon men het met recht onnoozel en bespottelijk noemen, het net ter rechterzijde uit te werpen. Maar, zóó ziet het er uit, als de Heere begint te werken, en in de diepte, in den afgrond, daar, waar gij het niet meent, zult gij uwen Christus vinden. Daarom volg des Heeren bevel, en redeneer niet te veel, opdat uw hoogge-roemd meuschelijk vernuft u niet te gronde richtte. Grehoorzaam 's Heeren stem en het zal goed gaan, ook al meent gij het tegendeel. Want: âzoo zult gij vinden'''' spreekt de Heere, en waarlijk! men vind op 's Heeren Woord overvloediglijk, verre boven bidden en denken, zoodat de uitkomst onze stoutste verwachtingen overtreft.
Wij meenen echter, dat zoo alles niet toegaat volgens onze kennis van zaken, ons vernuft, onze ervaringen, zoo komt er van de geheele zaak niets terecht; maar, in alle omstandigheden dezes aardschen en des eeuwigen levens blijft het daarbij, wat de Heere Heere door Zijnen profeet Jezaia sprak: Mijne gedachten zijn niet uwe gedachten, en mijne wegen zijn niet uwe wegen, spreekt de Heere. Want gelijk de hemel hoog er is dan de aarde, zoo zijn ook Mijne wegen honger dan uwe vjegen, en Mijne gedachten dan ulieder gedachten. Want gelijk de regen en de sneeuw van den hemel nederdaalt en derwaarts niet wederkeert, maar doorvochtigt de aarde en maakt dat zij voorlbrenge en uitspruite en zaad geve den zaaier en brood den eter, alzoo zal Mijn woord, dat uit Mijnen mond uitgaat ook zijn: het zal niet ledig tot Mij wederkeeren, maar hel zal doen, wal Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen, waartoe Ik het zen de.
Ja! het woord des Heeren zal voorspoedig zijn
27
in hetgeen waartoe Hij het zendt. Want zoo lezen wij verder: zij wierpen hel dan, en konden hetzelve niet meer trekken van ivege de menigte der visschen. De heilige Geest prijst het in de jongeren, dat zij het net uitwierpen, zonder er over te redekavelen of die Man. van wien zij het misschien reeds in hun binnenste voelden, wie Hij was, ofschoon zij zulks niet met zekerheid wisten, wel verstand van visschen had. Daarentegen wordt het Hand. 27 vs. 11 gelaakt, dat de hoofdman den stuurman en den schipper meer geloofde dan hetgeen van Paulus gezegd werd, omdat hij dacht, dat de stuurman en schipper meer van de scheepskunst afwisten dan Paulus.
De Heere echter verleende op den oever van de zee van Tiberias, aan Zijn woord zulk eene kracht, dat de discipelen daaraan gehoorzaamden, zonder eenig tegenspreken of murmureeren. En, wat Hij den eigenwijzen en hoogmoedigeu schriftgeleerden en Parizeen, die meer op hadden met hunne eigene kunsten en bekwaamheden, dan met den van God gezondenen Profeet en Koning, verborg, dat openbaarde Hij en dat openbaart Hij nog aan de kinder-kens en aan de eenvoudigen, op zulk eene wijze, dat zij in Hem gelooven, ook al druischt, wat Hij zegt schijnbaar tegen het menschelijk vernuft in, zoodat zij des Heeren woord en weg wel onderscheiden kunnen, ook al hebben zij Hem persoonlijk nog niet uit Zijn Woord leeren kennen.
Dat is alzoo het onderscheid tusschen de ware geloovigen en de eigenwijzen en murmureerders, dat Gods kinderen, waar des Heeren Woord tot hen komt, niet te rade gaan met vleesch en bloed, maar in eenvoudigheid des harten doen wat Hij zegt, ook al schijnt het tegen het menschelijk vernuft in te
28
loopen; wij zeggen schijnt in te loopen, want met het waarachtig, van Grod verlicht verstand â en dat alleen is den naam van verstand waardig â zal hetgeen de Schepper van hemel en aarde spreekt, Hij die alleen wonderen doet, toch wel niet in tegenspraak zijn! Wat nu do vrucht van zulk geloof en van zulke gehoorzaamheid is, zien wij niet terstond in, maar wij leeren het naderhand begrijpen, dat do zee, die met hare volheid des Heeren is, toch wol vol visch was, toen wij ons vruchteloos aftobden, om iets te vangen, en alle visschen in de meer vlak liggende golven aan ons net voorbij zwommen. Do visschen des Heeren echter zwemmen allen in dc diepte, daar worden zij gevangen, en daaruit verhoogd Hij ze aan Zijne rechterhand!
En zij konden hetzelve (het net) niet meer trekken! o wonder! en zoo even was nog niets aanwezig! Maar zijn er dan waarlijk geen visschen in de zee, als wij met onze hooggeroemde visschers-kunst niets vangen? Zij konden het net niet meer trekken van wege de menigte. Zoo wist de Heero hun niet alleen eenigc toespijs te geven, maar eeno volheid en overvloed, die alles wat zij zich konden voorstellen verre overtrof. Zij konden het net niet meer trekken van wege de menigte dér visschen. Hier zien wij in vervulling gaan, wat van onzen uit de dooden opgewekten Christus voorzegd was in den S611 Psalm. Daar lezen wij vs. 7â8: Gij doet Hem (des Menschenzoon) heerschen over de werken uwer handen ; Gij hebt alles onder Zijne voeten gezet, schapen en ossen, allen die; ook mede de dieren des velds, het gevogelte des hemels en de visschen der zee, heigeen de paden der zeeën doorwandelt.
29
Hoe kwam nu deze menigte van visschen plotseling in het net? Dat geschiedde door het quot;Woord van dien zelfden Heere, Die tot nu toe eiken visch geboden had, verre van het net verwijderd te blijven. Bevond zich nu deze menigte van visschen werkelijk reeds in de zee, of riep de Heere die in het aanzijn door het woord Zijner macht ? Ik kan het niet bepalen, maar indien zij reeds in de zee aanwezig waren, zoo was het niet te min eene daad der onbegrensde heerschappij, ja der almacht des Heeren, dat zulk eene menigte visschen, aan de rechterzijde van het schip waren, en zoo in het net vielen. Wanneer dus de visschen zich aan de linkerzijde des schips niet willen laten vangen, zoo heeft Hij ia Zijne vurige liefde middelen en wegen genoeg, om ze nochtans in Zijn net te brengen. Hij spreekt en het is er, Hij gebiedt en het staat er. Nauwelijks ziet de opmerkzame Johannes met zijnen adelaarsblik deze menigte van visschen in het net, of hij gevoelt in zijn binnenste: Hij, Die daar op den oever staat, en op Wiens woord dit wonder geschiedde, is meer dan een mensch! Zoo lezen wij: de discipel dan, welken Jesus liefhad, sprak tot Petrus: hel is de Heere! Dat zeidc Johannes niet uit zich-zelven, maar het was de Geest Gods die hem zoo deed spreken en hij wilde daar mede zeggen: het is Jehovah, de Almachtige, quot;Wien niets in den weg staat, om ons de wonderen Zijner genade te openbaren, de wonderen Zijner almacht en trouw, om ons leven en overvloed te schenken. Johannes noemt zich hier; den discipel, welken Jezus liefhad: nog eenmaal spreekt hij zoo in dit 21ste hoofdstuk; het eerst echter gebruikte hij deze uitdrukking, toen zijne medediscipelen den Heere door hem lieten
met dat liot-die aak van in, do wol om lak Do do rei-
eer iets lien n-s-eer ero enc ien det en. sen vas
Gij de jne ide en Vén
30
vragen, wie het was, die Hem verraden zoude. Ook noemde hij zich zoo, toen de Heere van af Zijn kruis hem de zorg voor Zijne moeder opdroeg; ook aan den morgen der opstanding, toen hij van zich zeiven zoo goed als van Petrus zegt; âwant zij wisten âde Schrift nog niet, dat Hij van de dooden moest âopstaan.quot; Johannes noemde zich echter niet zoo, om zich hoven zijne medediscipelen te verheffen, want in het elfde kapittel van zijn evangelie zegt hij niet, zooals wij verwachten zouden: Jezus had Maria en Lazarus en Martha lief, maar, alle vleesch voor gras rekenende, en daarom geen onderscheid tusschen den eenen broeder of zuster en den anderen makende, schrijft hij: Jezus nu had Martha en hare zuster en Lazarus lief, daar zet hij alzoo Martha boven aan. Johannes was ootmoedig en dacht aan het gebed: Uw naam worde geheiligd. Hij kent zijn eigen naam niet meer, weet ook niets van zijne liefde tot den Heere, vooral niet, nu hij nog vermelden moet, dat tot Petrus de verootmoedigende vraag zoude gericht worden: hebt gij My lief? Hij is vervuld van aanbidding voor den schoonen en heerlyken Naam des Heeren, voor Diens onverwoestehjke en eeuwige liefde tot hem, armen zondaar, gelijk hij ook schrijft in Joh. 13 vs. 1: Jezus nu, gelijk Hij de Zijnen, die in de wereld zijn, heefi lief gehad, alzoo heeft Hij hen lief gehad tol hel einde. En in zijn eersten zendbrief Hoofdst. 4 vs. 10, lezen wij: hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijnen Zoon gezonden heeft tot eene verzoening van onze zonden. En vs. 19: Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst lief gehad heeft. En Openb. I vs. 5. Jezus Christus, Die ons heeft lief gehad en onze
31
zonden heeft gewasschen in Zijn bloed. Dat is alzoo de ware liefde: van zichzelven niets te willen weten, maar luide te belijden, dat God genadig is, en dat de Heere ons, groote zondaren, lief heeft; in deze liefde is de overwinning gewis en zeker, zooals ook Paulus schrijft: maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons heeft lief gehad!
Het was dan ook met het oog op des Heeren eeuwige en onveranderlijke liefde, dat het juist Peti-us en geen andere der jongeren was, tot wien Johannes zeide: hel is de Heere. Hij wist wel, hoe hij het verbrijzelde hart van Petrus het best verheugen kon, want Petrus, hoewel hij een Petrus was , had tegenover al zijne zonden behoefte aan eene herhaalde openbaring van 's Heeren onveranderlijke liefde en trouw.
En dat bleek ook. Petrus werd door vreugde als overstelpt, zooals wij verder lezen: Simon Pelrus dan, hoorende dat hel de Heere was, omgordde het opperkleed [want hij was naakt) en wierp zichzelven in de zee. De naam Simon, dat wil zeggen: God heeft verhoord, staat hier op de rechte plaats. Petrus verkreeg alzoo den wensch zijns harten, den Heere nog eens te mogen zien tot bevrediging en geruststelling zijner arme ziel. O welke goede troostvolle woorden, welke eene blijde tijding voor de zachtmoedigen en bekommerden van harte! Maar, om zich tot den Heere op te maken, stond er Petrus iets in den weg: hij was naakt, dat wil zeggen: hij had zooveel van zijne kleeding afgeworpen, als met de toen heerschende zeden en met de welvoegelijkheid overeenkwam, (vergelijk 1 Sam. 19 vs. 24 en 2 Sam. 6 vs. 20) ten einde by zijn zwaar en moeielijk werk zoo min mogelijk door
32
zijne kleeding gehinderd te worden. Vlug trekt hij een kleedingstuk aan, dat wij gewoon zijn hemdrok of kamisool te noemen, knoopt het in groote haast toe, en werpt zich over boord in zee, om maar zoo spoedig mogelijk bij den Heere te zijn.
Wij zouden uit deze geschiedenis allerlei beschouwingen kunnen afleiden, en allerlei onderwijzing daaruit trekken; voor heden echter slechts dit weinige: een knecht werpt snel iets om, trekt wat aan, als hy onverwacht voor zijnen heer en meester heeft te verschijnen, en in dit geval zal het grijpen naar een of ander kleedingstuk, zijn eerste beweging zijn.
Ware bekommerden zullen het ervaren dat, hoewel de schoone naam die op hen is gelegd, hen als het ware in het aangezicht slaat, omdat zij dien door hunne zonde en ongerechtigheden duizendmaal verbeurd hebben â och! ook Petrus zal zijn naam Petrus wel schaamrood hebben doen staan, toen hij den Heere had verloochend â zij nochtans door den hun van den Heere geschonken nieuwen Naam zullen getroost worden, ook dat het hun naar den naam Simon zal gaan: d. w. z. Grod heeft verhoord, zoodat zij den wensch huns harten zullen ontvangen, om door eene vernieuwde openbaring des Heeren, door Zijn Woord en Geest, in Zijne genade bevestigd te worden, en ook in allerlei omstandigheden des levens door 's Heeren uitreddingen en wonderen er van verzekerd te worden, dat Hij waarlijk om en bij hen is in hunnen nood.
Wij leeren verder uit dit verhaal, dat wij menschen, al naar ons beroep zulks medebrengt, in onze kleeding eenvoudig en gemeenzaam met onze medemen-schen mogen verkeeren, maar nooit anders dan in de stiptste overeenstemming met goede zeden en
33
welvoegelijkheid, zelfs onder onze naaste bekenden en bloedverwanten. Ook voor des Heeren aangezicht hebben wij, ook uiterlijk, alle welvoegelijkheid in acht te nemen, want Hij is een groote Koning; daarom mochten de priesters ook geen trappen tot het altaar hebben, mochten zij ook niet de ruimte tusschen den kandelaar en den waud des heiligdoms betreden, maar eerbiedig en bescheiden voor den kandelaar blijven staan, als zij voor diens licht moesten zorgen.
Er is een geestelijk ontbloot zijn, waarin men wel voor den Heere moet verschijnen, zooals men is, omdat men geen ander kleed bezit, om zijne naaktheid te dekken, dan ellendige vijgenbladeren. Ik hoorde uwe stem in den hof, sprak Adam, want ik vreesde zeer, dewijl ik naakt ben. Wij lezen verder: God de Heere maakte voor Adam en zijne vrouw rokken van vellen en trok ze hun aan.
Er is nog een ontbloot zijn, waarvan de Heere zegt: Ik raad u, dal gij van Mij koopt goud, beproefd, komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden en ivilte kleederen, opdat gij moogl hekleed worden, en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en, zalf uwe oogen mei oogen-zalf, opdat gij zien moogl. Openb. Ill vs. 18.
Bij de waarachtig bekommerden is een diep gevoel van schaamte, een ontbloot zijn van alles, een derven der heerlijkheid Gods; als deze echter midden in hunne zielennood vernemen: het is de Heere! dan aarzelen zij niet langer, want zij weten: in hunne eigene lappen en lompen, met de vijgenbladeren hunner eigengerechtigheid kunnen zij voor den Heere niet versclnjnen; daarom laten zij zich niet langer door allerlei âjamaarsquot; uit de hel, door allerlei tegenwerpingen des vleesches, noch door de
34
de schande hunner naaktheid zelve, terughouden, maar zij versieren zich in allen ootmoed met het hun door den Heere geschonken bruiloftskleed, dat hun â werd geschoaken, niet opdat zij het achteloos zouden laten liggen, maar opdat zij er mede zouden bekleed zijn in eeuwigheid. Hun branden de woorden des Heeren op het harte: niet ledig zult gij voor Mijn aangezicht verschijnen, en ook wat de Apostel zegt; aangedaan hebbende het borstwapen des geloofs en der liefde, en tot eenen helm, de hoop der zaligheid! Uit liefde, eerbied en dankbaarheid ontstaat de groote nood en verlegenheid daarover, dat men niets heeft, om voor 's Heeren aangezicht te verschijnen; in dien nood wordt de vrijmoedigheid geboren, zich met het hemel-sche bruiloftskleed der gerechtigheid en heiligheid Jezu Christi te versieren, om dan van achteren te zien, dat de kracht en macht, om zulks te doen, niet uit ons was, maar ons van boven werd geschonken. Al verzinken geloof en hoop in den afgrond dei-vertwijfeling, de liefde blijft, de eeuwige vrijmachtige liefde des Heeren Heeren, en deze liefde wekt liefde, eene liefde, die vurig en ijverig is, en niet vraagt of er ook een leeuw op den weg is, niet vraagt naar vele wateren, die haar willen uitblusschen, niet naar hoogte noch diepte, maar zij breekt door, tot zij bij den Heere is, overwint alle bezwaren, werpt zich over boord in de diepste zee, zij heeft maar één doel in 't oog en deze, door God zelf gewekte, liefde bereikt ook haar doel, want ook haar zullen vele wateren niet kunnen uitblusschen. En de andere discipelen, lezen wij verder, kwamen met het scheepje {want zij waren niet verre van het land, maar omtrent tweehonderd ellen, slepende het nel met de visschen). Hadden die andere discipelen nu den
35
Heere minder lief dan Petrus? O neen! Johannes was daar immers ook bij. Waarom wierpen ook zij zich niet in de zee? Zij waren immers van den oever en dus ook van den Heere niet verre verwijderd. Wij hebben over de verschillende bewegingen en handelingen van hen, die des Heeren zijn, geen oordeel uit te spreken. Aan Petrus gaf de heilige Geest het, in zulk een vuur des ij vers en der liefde ontstoken te zijn, dat hij in dezen ijver, als brandende van liefde voor den Heere kwam te staan: zoo werd hij voorbereid op de verootmoediging, die hem wachte: uit 's Heeren mond te vernemen, dat onze liefde tot den Heere niets is, en niets te beduiden heeft, maar dat Zijne liefde alleen liefde is, Zjjne trouwe liefde tot arme en verlorene zondaars, waardoor Hij het gebroken riet niet verbreekt, noch de rookende vlaswiek uitbluscht. De andere disciftelen konden zich daaraan spiegelen, wanneer zij de verootmoediging hoorden, die Petrus ten deel viel: zoo leerden zy verstaan, wat Johannes toonde goed te weten, toen hij zich den discipel noemde, dien Jezus lief had, en niet de discipel die Jezus lief had. Zij volgden met het schip en trokken het net.
Hadden allen zich in zee geworpen, wat ware er van het schip te recht gekomen, en van het net met de vele visschen? Er zoude niets terecht gekomen zijn van de gansche openbaring des Heeren, die aan de discipelen bij de zee van Tiberias wilde leeren, hoe Hij als verhoogde Middelaar leeft en regeert. Aan Petrus zoude de waarheid blijken van wat wij lezen: Jes. 43 vs. 21â24, aan de anderen, wat wij Rom. 12 en 1 Cor. 12 vermeld vinden.
Zij trokken het net met de visschen, d. i. zij sleepten het met moeite en inspanning door de
36
wateren naar den oever toe, want het net was te vol, om het in het schip te kunnen binnen halen. Dat is nu allen menschenvisschers en in 't algemeen elk, die in zorg en aanvechting is, om iets te vangen, tot troost gezegd, hetzij voor het geestelijke of voor het tijdelijke leven; hetzij het hun om de waarachtige vruchten der dankbaarheid of om datgene is te doen, wat tot het huiswezen of den huisstand behoort. De Heere zal zich hun in Zijne wondermacht en genade wel zóó openbaren, dat zij ondervinden, dat zij alles van Hem zullen ontvangen, wat zij behoeven, om met hetgeen Hij verleent, rijkelijk en koninklijk vooruit te komen, ja zóó, dat zij het niet eens alles in hun scheepje zullen kunnen bergen.
En nu geliefden! nog een blik geworpen op de zee van Tiberias met hare wijduitgestrekte oevers, op het volle net, en wij zullen met het oog op onze eigene verborgene en openbare levensgeschiedenis wel ruime stof hebben, om te juichen:
Meer van Genezareth!
Al verwerpt u de wet,
Al heeft zij u vervloekt,
Ziet! hoe Jezus u zoekt !
Wat zijt gij rijk aan vis,
Als Jezus bij u is !
Uitgegeven bij W. MEIJER te Utrecht, Jerusalemsteeg. Voor Duitschlaud verkrijgbaar bij F. BÃCKMANN, Elberfeld. Prijs per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Cis.
SCHRIFTVERKLARINGEN
VAN
Dr. H. Fé KOHLBRÃOGE.
Evangelie Johannes XXI.
Waar het den Heere behaagt, Zich in Zijne volle heerlijkheid te openbaren, daar volgt het eene wonder op het andere, maar dit geschiedt op zulk eene wijze, dat wij het ook proeven en smaken van wien deze wonderen ons toekomen, en dit wel volgens hetgeen Hij ons beloofd heeft door Zijn AVoord en Greest. Dit zien wij klaar en duidelijk uit het 9'Je vers van Joh. 21 : Als zij dan aan hei land gecjaanwaren, zagen zij een kolenvuur liggen, en visch daarop liggen, en brood. Naar den grondtekst staat hier eigenlijk : âtoen zij uit het schip aan land waren gegaan, zagen zij een kolenvuur en een gebraden vischje, dat daarop lag, en brood.quot;
Zoo even zagen de discipelen nog niets, dan den Heere en den oever, waarop Hij stond; toen zij echter uit hun schip aan wal waren gestapt, valt hun blik plotseling op dit alles. Het woord âzagenquot; (âzagen zijquot;) drukt hier in de grondtaal uit, dat hunne oogcu aanschouwden, wat zij even te voren nog niet zagen, en dat zij met de inwendige zinnen vernamen en dat hun als het ware werd gezegd, dat het werkelijk een kolenvuur was, dat zij aanschouwden. Grelijk eene schoone, vuurroode bloem ons dadelijk in het oog valt, zoo trof do schoone, roode, stralende gloed der gladde en levendig brandende kolen het oog der discipelen. Wat hen nog No. 90. 22 Juni 1888.
38
meer treffen moest, was de aanblik van het gebradene vischje, dat op deze kolen lag en het eene brood, dat daarbij gereed lag.
quot;Waar kwam dat alles plotseling van daan, en wat had dat alles voor beteekenis?
Het was de Heere, die daar op don oever stond.
Op Zijn woord hadden zij dat volle net met vissollen verkregen. Hij had alleen naar eenige toespijze gevraagd, en zie! er was reeds voor toespijze genoeg door Hem gezorgd en aan brood ontbrak het ook niet. Maar, hoe wonderbaar, hoe geheimzinnig zag het er niet alles uit, wat zij hier aanschouwden! Een kolenvuur met zulke schoone gloeiende kolen, en toch hadden zij van te voren geen rook van den oever zieu opstijgen. En waar kwam dat gebradene vischje van daan? Wat moest dat beduiden, en dan dat éene brood? O het was hier wonder op wonder! Zij gevoelden het: het was de Heere, die hen op de zee hun net vol visschen had gegeven, het was diezelfde Heere, die hier op den oever dit alles voor hen uit niet te voorschijn riep door het Woord Zijner goddelijke kracht. Want de beteekenis van dit alles is niet verre te zoeken. Aan allen door den Heere geroepene menschenvisschers, aan de geheele gemeente Gods, ja aan elk noodlijdende, die des Heeren is, en op Zijne hulpe wacht, roept dit alles luide toe : âhebt gij ook niets voor oogen dan eene wilde en dorre woestijn, de Heere is hier, en nog een weinig, en gij zult ervaren, wat de hand van uwen God en Verlosser vermag.quot;
Wij moeten echter ons scheepje verlaten hebben en op den oever zijn gekomen, waar Jezus zich bevindt, waar Hij staat, d. w. z., dat wij niet langer een schip, een middel onder de voeten moeten heb-
39
ben, om op te drijven, maar dat wij, om Zijne wonderen te beleven, moeten geland zijn op den bodem Zijner opstanding en Zijner verheerlijking, waarmede Hij tot onze rechtvaardiging verheerlijkt is. En dan ervaren wij, dat, al is er oogenljlikkehjk niets aanwezig, nochtans, op Zijn Woord en bevel, spoedig alles daar is, wat wij behoeven; want als de Heere over alle dingen, stelt Hij voor de Zijnen daar, wat Hij wil, als wij ons slechts op den vasten grond Zijner opstanding bevinden, want daarop moeten onze voeten staan, gelijk de Apostel Paul us in Rom. 5 vs. 2 getuigt: door ivelken â namelijk onzen Heere Jezus Christus â luij ook de loeleiding hebben door hel geloof tot deze genade, in welke wij slaan, en roemen in de hoop der heerlijkheid Gods. Op den bodem Zijner opstanding, als overwinnaar van hel en dood, zien wij in elk opzicht, en legt Hij zelf het ons door den heiligen Geest gedurig voor oogen, wat de verdienende oorzaak is van al de wonderen, waarmede Hij ons omringt.
Want dit wonderbare, levende rood-gloeiende kolenvuur, wat beduidt het anders als den gloed vair Grods toorn en liefde? wat anders, als des Heeren Jezus allerheiligst lijden en sterven, en deszelfs eeuwigdurende geldigheid, waarde, macht en gloed, zooals dan ook dit lijden, als de verzoening aller onzer zonden altoos voor des Heeren genadetroon blijft gelden, en daar, als het ware, gereed ligt, gelijk dat gloeiende kolenvuur daar op den oever lag. En het gebradene vischje? O, dat is immers een heerlijk beeld daarvan, hoe de Heere Jezus in het vuur des toorns en der liefde Gods voor -ons, als het ware, gebraden, en toebereid is aan het kruis, opdat Hij als onze gekruisigde Heiland, onze
40
eeuwige eu algenoegzame zielen-spijs zij en blijve in alle eeuwigheid.
Maar waarom neemt de heilige Geest hier het beeld van een vischje , waarom mocht het niet een groote yisch zijn, die daar op het vuur lag? Omdat Hij zich om onzentwille heeft willen vernederen en zeer, zeer klein is geworden, zooals Jesaia ons zulks in het 53ste kapittel beschrijft, en zooals Paulus de Apostel betuigt in het 2,le kapittel van den brief aan dc Philippenzen, âdal Hij Zich zeiven heefl vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende.'''' En dat ééne brood, dat is immers ook weeleen beeld van Hem, die het brood des levens is, die het brood is, dat van den hemel is nedergedaald, een beeld van Hem in de macht van Zijn onvergankelijk, ons aan 't leven behoudend leven?
Maar een enkel brood? Dat was immers nauwelijks één dag teerkost voor éenen man? O, hier is geen gevaar, hier kunnen alle zorgen verdwijnen. In dit ééne brood ligt Zijn leven, en daarmede kon Hij zijne zeven raadsheeren, die rondom Hem stonden ftan de zee van Tiberias, wel verzadigen, eu bovendien wel honderd vier en veertig duizend, en ook nog de geheele schaar, die uit de groote verdrukking komt, en die niemand tellen kan. Aanschouwt de macht, lieve lezer! van dit ééne gebradene vischje! Zoo gebraden , zóó schijnbaar machteloos, als het daar ligt op die gloeiende kolen, voert het de heerschappij over de geheele zee en hare volheid, en zoo dood en zwijgend hot daar voor ons ligt, kon het wel honderd drie en vijftig groote visschen vangen.
Het ware voor den Heere gewis maar eene kleinigheid geweest, zijne jongeren met dit ééne gebradene vischje te spijzigen, gelijk Hij hen ook
41
allen mededeelde van het écne brood. Maar Hij, die al die visschen had geschapen en die ook de Schepper van hen is die dezelve door hot Woord Zijner macht gevangen hebben, wilde zich met hen verheugen over deze wonderbare vischvangst, gelijk Hij ergens elders zegt: ojidnt zich te zam en verheugen beide, hij die zaait en zij die maaien. Daarom ook volgt er hier: Jezus zeide lol hen: Brengt van de visschen, die gij nu gevangen hebt.
De discipelen moesten van de visschen brengen; dat had den schijn, alsof do Heere van deze wonderbare vangst eenige visschen behoefde, opdat ze gebraden en gegeten zouden worden door Hom en zijne jongeren. In zoo verre als het des Heeren wil was, na dien langen nacht van vruchteloozen arbeid, zijne discipelen met lichamelijke spijze te verkwikken, zoo had Hij door Zijne scheppende Almacht volkomen genoeg aan dat ééne vischje en aan dat ééne brood om hen te verzadigen, en heeft Hij hen ook in werkelijkheid daarmede gespijzigd, zoodat de visschen die gevangen waren en nu moesten gebraden worden, meer toe-spijze waren. Vergeten wij niet, lieve lezer! dat in de geheele handelwijze des Heeren eene diepere beteekenis lag verscholen: de visschen in het net der discipelen beduiden menachen, menschen, die, zoo als de Heere het eenmaal uitsprak, door hun woord in Hem zouden gelooven, Joh. 17: en niet, omdat zij lichamelijk door de discipelcn zouden genuttigd worden en zoo met het eene gebradene vischje één zouden zijn, sprak de Heere: brengt van de visschen, die gij nu gevangen hebt; maar, door sommige dier visschen op hetzelfde vuur te laten toebereiden, waarop dat ééne vischje, dat een beeld van Hem zeiven was, gebraden was, wilde Hij hen
42
leeren, hoe de Zijnen deelgenootschap zouden hebben aan hot lijden, dat Hem overkomen was, en dat zij gelijk de Apostel Paulus het noemt âde overblijfselen Zijns lijdensquot; zouden vervullen. Het lot der overige visschen, die toen niet op die heete kolen werden toebereid, zoude later toch ook zijn, aan de kracht des vuurs d. i. aan allerlei lijden en verdrukkingen onderworpen te zijn, en zoo ook deel te hebben aan de gemeenschap des lijdens Christi. Daarom zegt ook de Apostel: zijn de eerstelingen heilig, zoo is het gansche deeg heilig. De eerstelingen die door der Apostelen woord in den Heere zouden gelooven, en die reeds zoo spoedig allerlei druk en vervolging hadden uit te staan, om der waarheid wille, werden afgebeeld door diegenen der 153 visschen, die aanstonds uit het net genomen en toebereid moesten worden, en dus vóór anderen deel ontvingen aan het lijden van het op zoo heete kolen toebereide ééne vischje. De discipelen moesten bij dezen maaltijd, waar zij een deel hunner vischvangst nuttigden tot stilling van hunnen honger, zich met den Heere verheugen , daarover dat hun arbeid niet ijdel was geweest in den Heere, waar het hun op 'sHeeren Woord alles zoo heerlijk wras gelukt, gelijk de Heere zelf het ook mocht ondervinden, hoe door Zijne hand het welbehagen des Heeren gelukkiglijk was voortgegaan. Ook wilde de Heere Zijnen jongeren toonen dat de visschen, die zij uit hun net moesten nemen, en op hetzelfde vuur leggen, waarop het ééne vischje lag, van dezelfde aard en hoedanigheid waren als dat vischje zelf. quot;Want in alle stukken is ons de Heere gelijk willen worden, uitgenomen de zonde.
Alleen was het in het oog vallend, dat het vischje, dat reeds op de kolen lag, zóó klein was, en de
43
door de discipelen gevangenen zóó bijzonder groot. Hoe kwam dat, dat die zoo groot waren? Omdat zij zóó groot waren, was de reeds gebraden visch zoo klein, en omdat Hij zoo klein was geworden, waren zij weer in eene andere beteekenis groot en groot van waarde in 's Vaders oogen ; dat die visschen zóó groot, dat is, dat zij zulke groote zondaren waren, dat had dien éénen visch klein gemaakt, en dat dat eene vischje zich vernederd had tot in den dood, ja tot in den dood des krnises, dat zoude in eenen anderen zin, die gruwelijk groote visschen, heerlijk en dierbaar maken. Het moet onze aandacht niet ontgaan, dat de Heere zegt: brengt van de visschen, die gij nu gevangen hebt, want met dit ânuquot; wilde de Heere te kennen geven, dat het alléén om den wille van dat ééne gebradene vischje was, dat zij zulk eene menigte visschen gevangen hadden, en dat alzoo alle visschen, die toen en ooit door den Heeren Jezus visschers gevangen werden of zullen worden gevangen, reeds van alle eeuwigheid de Zijnen waren; en zoo zien wij, dat het des Heeren welbehagen is, door den dienst van menschen, menschen, die reeds van eeuwigheid Hem gegeven zijn, in het net van Zijn Evangelie te laten vangen; en dat het Zijn allerheiligste wil is, dat zich daarover zijne dienaren en boden zullen verheugen, met hooge vreugde.
Daarom zegt Paulus ook: zoo dan mijne geliefde broeders! mijne blijdschap en kroon! staal ahoo in den Heere, geliefden! Philip 4 vs. 1. Wie krijgt echter de visschen, lieve lezer! de Heere of Zijn dienaar? Niel ik, maar de genade Gods, die met mij is, antwoordt de apostel Paulus op deze vraag. Nauwelijks had de Heere echter dit bevel gegeven,
44
namelijk om van de gevangen visschen eenige aan wal te brengen, of Simon Petrus lezen wij vs. 11 ging op en trok hel net, dat aan een touw hing, dat hij dus los moest maken en trok hel nel op hel land. Hoe kwam het, dat het Simon Petrus en niet een der andere jongeren was, die aangegord werd om dit werk op zich te nemen ? Dat was de Geest des Heercn Hoeren, die hem dreef, en die Geest wilde daarmede voorzeggen, dat de eerstelingen uit de heidenen door zijne prediking tot de kennis der waarheid zouden komen, gelijk Petrus zelf dit betuigt. Hand. 15 vs. 7.
Nu vinden wij verder, dat het net vol groote visschen was geweest, ja zelf het getal dier visschen wordt nauwkeurig aangegeven, honderd drie en vijftig groote visschen! Hebben de andere discipelen Petrus geholpen? Ik weet het niet, lieve lezer! Daar er alleen geschreven staat, dat Petrus het heeft gedaan, is het niet waarschijnlijk, dat de anderen hem hebben geholpen. De wateren der zee zelf hebben hem misschien geholpen , waaraan wij kunnen zien, dat de wateren der ongerechtigheid, als zij zien, dat hunne prooi, dat wil zeggen de visschen, die den Heere toebe-hooren, hun ontsnapt, zelf gaan medewerken en er toe dienen moeten om die duurgekochte visschen aan het veilige strand te brengen, d. w. z. om de gevangenen des Heeren Jezus op den vasten bodem Zijner opstanding hoog boven de schuimende golven van zonde en ongerechtigheid te plaatsen, en hen daarvan te verlossen en er tegen te beveiligen.
quot;Wie ooit met zijne handen ook maar één eenigen grooten visch aan 't land heeft getrokken uit het water, die zal toestemmen, dat het alle menschelijkc kracht verre te boven gaat, een net met honderd
45
drie en vijftig groote visschen aan wal te trekken. Wij mogen hier wel met Paulus uitroepen: wie is lol alle deze dingen bekwaam ? Voorwaar! eene geweldige vraag, die hij tot zijne lezers richt, en dat wol toen hij even te voren gezegd had: Gode zij dank, die ons allen tijd doel triomfeeren in Christus, en den reuk zijner kennis door ons openbaar maakt in alle plaatsen! 2 Cor. 2 : 14.
Ja! hoe kwam Simon Petrus aan deze bovennatuurlijke kracht? Het zware gewicht van deze groote menigte van visschen, dat wij met het net, en alles wat er bij kwam, wel op drie duizend pond mogen schatten, bood te meer tegenstand, hoe ondieper liet water werd, waardoor het gesleept moest worden, dus hoe dichter aan wal, hoe zwaarder het werk was, dat Petrus te doen had. Zoo ook in het geestelijk leven: hoe dichter bij de genade, hoe heviger de tegenstand. Wat in de wateren der zonde en ongerechtigheid is ontvangen en geboren, en gewoon is daarin als in zijn element te leven â en dat is ons aller toestand van nature ââ zal nooit anders op den vasten grond der opstanding Jesu Christi komen en gefundeerd worden, als door bovennatuurlijke kracht, door kracht van boven. Maar juist deze kracht maakt de zwaksten sterk, gelijk wij ook lezen van Jakob, die toen hij Rachel zag, geheel alleen van den mond des puts den steen wierp, dien al de andere herderen met vereende krachten nauwelijks op konden heffen en weg nemen. Dat was, omdat de liefde Gods in zijn hart was uitgegoten door den Heiligen Greest, en het was die zelfde Geest des Heeren Heeren, die Petrus aangordde en kracht gaf tot een werk, waarover hij zelf zich verwonderen, ja verbazen moest. De zes
46
andere discipelen hadden immers nauwelijks het volle net kunnen vasthouden en vooruitsiepen, toen zij zich in het schip bevonden, dat natuurlijk veel meer trok dan zij allen tezamen, en na brengt Simon Petrus, dat zware net geheel alleen door het ondiepe water aan wal! âIk kan nietquot;, âik ben nog te jongquot; zoo zal het bij ons altijd uit het hart opkomen, en âdat is immers onmogelijkquot;, maar o, zie nu eens, lieve lezer! wat de Heere vermag en welke kracht Hij eenen armen zwakken mensch weet te geven! De zwakheid, de ellende blijve ons deel, de kracht is des Heeren! en des Heeren alleen! Ik vermag alle dingen door Chrislus, die mij kracht geeft. En Mozes was toch nog niet uit den nood geholpen, toen hij op Jethro's woord: dit volk is u te zwaar, gij kunt hen niet allen dragen , oudsten verkoos!
O! wat zijn het toch zalige oogenblikken, als ons de Heere verkwikt met Zijne genadige openbaringen, en Zijne liefelijke nabijheid! dan doet Hij wonderen aan en door de Zijnen, al zijn die ook uit en van zichzelven zoo zwak, dat zij volstrekt niets vermogen.
De Heilige Geest zegt ons, dat het groote visschen waren, dus door elkander gerekend zeventien pond zwaar, en toch noemde de Heere hen vischkens, want eigentlijk staat er vs. 10 in het oorspronkelijke: brengt ons de vischkens die gij nu gevangen hebt. Die visschen beduiden menschen, groote visschen beduiden groote zondaren, maar de Heere noemt ze nochtans vischkens, omdat het voor Hem maar eene kleinigheid is hunne zonden wreg te nemen en uit te delgen, al zijn ze ook nog zoo groot. Daarom noemt de Heere hen ook kleine gebradene vischkens, niet omdat zij reeds werkelijk op of in het vuur waren
47
geweest, maar omdat de Heere Grod hen reeds als volkomen toebereid wilde beschouwen om den wille van dat eene vischje, d. i. om Christi wille. Dat is nu eene prediking van de genadige toerekening, gelijk ook de Apostel spreekt: In Hem zijt gij volkomen, d. w. z. volkomen toebereid voor de eeuwige zaligheid en heerlijkheid. Do Heere zorgde er ook voor, dat de jongeren, voor dat zij van de gevangene visschen eenigon tot toespijze brachten, het met zekerheid te weten kwamen, hoeveel visschen zij gevangen hadden. Ja, zij zijn allen geteld, en nu lieve lezer! verneem hun getal: honderd drie en vijftig. Dat was geen toeval, het is een getal van groote beteekenis. Zouden wij u alles willen mede-deelen wat in dat getal ligt opgesloten zoo zouden wij daaraan wel stof voor verschillende leerredenen hebben, en in de zalige eeuwigheid zal er uit dit getal 153 nog ruime aanleiding zijn te vinden, om God den Heere te loven en te prijzen voor Zijne groote genade en barmhartigheid. Slechts eenige kleinigheden willen wij u hiervan mededeelen.
ïen eerste wijst dit getal ons daarop, dat uit alle geslachten, natiën en tongen sommigen, den Heere alleen bekend, en Hem van eeuwigheid gegeven , door het gepredikte woord op den vasten bodem van Christi opstanding ingeplant zouden worden, den levenden Christus zouden worden ingelijfd. quot;Want zoo spreekt de Heere (en dus is, wat wij u hier zeggen, op Zijn geschreven quot;Woord gegrond en geen ijdele bewering): ivederorn is hel koninkrijk der hemelen gelijk aan een net, geworpen in de zee, en dal allerlei soorten van visschen zamenbrengl; hetwelk, wanneer het vol geworden is, de visschers aan den oever optrekken, en nederziltende, lezen hel
48
goede uit in hunne valen, maar hel kwade werpen zij weg. Ahoo zal het in de voleinding der eeuwen wezen: de engelen zulten uitgaan, en de hoozen afscheiden uit hel midden der rechtvaardigen, en zullen dezelve in den vurig en oven werpen; daar zal zijn weening en knersing der tanden. Matth. 13: 47â50. In het grieksch staat eigenlijk niet allerlei soort van visch, maar alle soort van visch. Nu zegt de kerkvader Hieronymus, dat zij, die over de natuurlijke geschiedenis der visschen hebben geschreven, uw leeren dat er 153 soorten van visch bestaan. Hij voegt er bij, dat Johannes 21 ons dus leert, dat er door den Apostel van alle soorten der visschen zouden gevangen worden, en er dus tot 'sHeeren gemeente zouden gebracht worden, en daarin gevonden worden edelen en onedelen, rijken en armen, en er alzoo door de prediking des zuiveren evangeliums, door dat groote vischnet uit allerlei geslachten van menschen uit de zee des tijds in de veilige haven der eeuwigheid zouden opgetrokken worden.
Ten anderen is het opmerkenswaardig, dat het getal der vreemden, die ten tijde van David en Salomo, deze twee heerlijke voorbeelden van onzen Heere Jezus Christus, onzen hoog geloofden Koning en met eere en heerlijkheid gekroonden Held en Overwinnaar, in het land van Israël waren, honderd drie en vijftig duizend en zes honderd bedroeg (2 Chron. 2 : 17). In dit getal was het getal der visschen, die gevangen zouden worden voorzegd, de duizend voor eenheid gerekend, m. a. w. elke duizend voor één.
Uitgegeven bij W. MEIJER te Uteechï, Jerusalemsleeg. Voor Duitachland verkrijgbaar bij F. BÃCKMANNquot;, Elierfeld. Prijs per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Cis.
SCHRIFT VERKLARINGEN
VAN
Igt;r. BI. F. KOHliBRÃGGÃ.
Evangelie Johannes XXI
De zeshonderd vreemden, die dan nog bij die honderd drie en vijftig duizend kwamen, herinneren ons aan het getal zes, (honderd voor één genomen), dat het getal der wet is, symbool of zinnebeeld der moeite en moeitevollen arbeid, waarbij de mensch, op zichzelven, tot de zeven, d. i. tot de ruste Gods in het verbond der genade nimmer komt, maar waartoe alleen gekomen is die ééne Heere en Heiland, die, als het ééne gebradene vischje, den eisch der wet volkomen heeft vervuld, en voor Zijne honderd drie en vijftig groote visschen gerechtigheid, vrede en het eeuwig leven heeft verworven.
Bij het tellen der visschen zal er zeker wel veel op te merken en te leeren zyn geweest, want ook daarbij zal geen toeval, maar 's Heeren wil en bevel alleen gegolden hebben, en alles door Hem wonderbaar bestuurd zijn; en gewis hebben zij, nadat zij het geheele getal, 153 groote visschen, te zamen hadden, de handen in elkaar geslagen van bewondering en aanbidding, ofschoon zij zeker eerst des Heeren hand hierin niet zagen. O, tot op den huldigen dag beleven de kinderen Gods het vaak, dat anderen hen op de wonderbare leidingen Gods met hen opmerkzaam moeten maken, als het ware voor hen tellen, eer zij er op de wonderbaarste wijze bij bepaald worden, dat juist zooveel hen telkens en
No. 91. 6 Joli 1889.
50
telkens toekomt, als zij voor de oogenblikkelijke omstandigheden, waarin zij zich bevinden, van noode hebben. Wie zulke ervaringen bij ondervinding kent, zal met blijdschap bedenken, dat de jongeren door deze groote menigte visschen in staat werden gesteld, om ruimschoots in al hunne behoeften te voorzien, totdat zij van Gralilea weer in Judea zouden teruggekeerd zijn. En, ook in getallen zien wij vaak de wonderbare hand van Gods Voorzienigheid, zoodat ons vaak in een eenvoudig getal of datum op de levendigste wijze de trouwe en Almacht Gods zonneklaar voor oogeu staat geschilderd. Zoo leert men, dat voor elk mensch in 't bijzonder, zoowel als voor de geheele gemeente des Heeren, alles geschiedt volgens den bij God bestemden tijd, en getal van dag en ure: ja, dag en ure van geboorte, van wedergeboorte, van redding uit allerlei nood en benauwdheden, dag en ure ook des doods en der zalige opneming in de eeuwige heerlijkheid!
Veel, mijne lezers! zouden wij u nog mede kunnen deelen, omtrent de wonderen, die in het getal 153 opgesloten liggen, maar, wij willen er u voor ditmaal alleen bij bepalen, dat in geen ander getal zoozeer de eere en heerlijkheid der heilige Drieëenigheid wordt uitgesproken. En daarom zal dit getal, honderd drie en vijftig, ook blijven staan, als een heerlijk loflied voor Hem, uit Wien, door Wien en tot Wien alle dingen zyn. Ja een diamanten schakel zal het blijven, in die gouden keten van Gods heil; die Hij te voren geordineerd heeft, die heeft Hij ook geroepen, die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd, die Hij gerechtvaardigd heeft, die heeft Hij ook verheerlijkt!
Zoo staat dan dit vast getal daar, tot beschaming van allen, die de valsche leer van den vrijen wil
51
des menschen, van eene algemeene genade, en van eenen mogelijken afval der heiligen drijven; want zij zullen het bewijs schuldig moeten bljjven, dat er onder deze 153 vissehen doode of verrotte visschen zijn geweest, en zoo is hun op den oever van het meer van Tiberias voor goed den mond gestopt. Hoe vast en veelbeteekenend dit getal is, dat blijve ten eeuwigen dage staan, tot troost van alle groote visschen, van alle groote zondaren, die door de krachtdadige roeping eu Almacht des Heeren, uit de wilde wateren der zee in het net des Woords zijn gekomen, die, van dit net uit op den vasten grond Zijner opstanding, Zijns onvergankelijken levens zijn gebracht; die, zoo ontoebereid, zoo ongebraden als zij waren, heerlijk en dierbaar zijn geweest in des Heeren oogen, omdat Hij op hen den naam deed rusten van het ééne gebradene vischje, den schoonen Naam van onzen Göel en Verlosser, Jezus Christus, hooggeloofd tot in eeuwigheid!
O, geliefde lezer! als wij maar oogen ontvangen om te zien, is het geheele evangelium maar ééne keten van wonderen! Wij hebben hier drie op elkaar volgende wonderen in één enkel vers, en dat wel in het elfde. Eerst zien wij hoe aan Petrus bovennatuurlijke kracht werd geschonken, om het net aan wal te slepen, eene kracht die den mensch van nature geheel en al ontbreekt â ten anderen vernemen wij het bepaalde getal der visschen, dat volgens den eeuwig geldenden raad Gods vastgesteld en verordineerd was, ter eere van al Gods deugden en volmaaktheden ; eindelijk vernemen wij nog aan het slot van dit vers het schoone woord: âhoewel er zoo velen waren, zoo scheurde het net niet,quot; of nochtans niet, zooals er eigentlyk staat. Ik zeg dat dit een groot
52
en heerlijk woord is, een woord bijna even gewichtig als dat andere woord: het is volbracht, en dit heerlijke âhoewelquot; en ânochtansquot; word uit het aan het kruis uitgesprokene: het is volbracht, geboren telkens, als de nood van Gods volk ten top is gestegen.
âHoewelquot; de visschen zoo groot en zoo talrijk waren, ânochtansquot; scheurde het niet. O, dit woord klinkt als eene stemme des donders allen vijanden in de ooren, maar voor die liefhebbers des evange-liums is het een zilver klokgelui vol vreugde, of liever het klinkt als de stem eener groote schare, ja als eene stemme veler wateren, door alle eeuwen en tjjden henen, als een lied der optochten, van geslachte tot geslachte, voor allen, die door de woestijn op reis zijn naar het hemelsch Jeruzalem. Hoeivel er zoo veel (visschen) waren zoo (of beter : ânochtansquot;) scheurde hel net niet. Vestigen wij ons oog alleen op het uitwendige van hetgeen hier geschiedde, zoo scheen er niets anders te verwachten, dan, dat het net scheuren zoude. Het was toch niet van ijzer, noch van koperdraad, maar een zeer eenvoudig gewoon vischnet, dat niet gemaakt was, om zoovele en zulke groote visschen te bevatten. Daarenboven lagen deze groote en vele visschen niet stil in het net, maar, zoolang zij nog niet aan den vasten wal waren, spartelden en sloegen zij door elkaar en beten om zich henen, om toch maar eene opening in het net en zóó eenen terugweg naar de open zee te verkrijgen. Bovendien was het te vreezen, dat ervoor of achter aan het net eene scheur zoude ontstaan , want voor zulk eene menigte van visschen was dit net niet geschikt. Bij eenen vroegeren vischtocht, die wij in Lukas V vermeld vinden, scheurde het net werkelijk; maar, dat was ook hun
53
net; des Heeren vischnet echter scheurt nooit. Het wonderbare hierin moet Johannes dadelijk in 't oog zijn gevallen, evenals den andere discipelen, want, terwijl Petrus het net door de wateren trok, moeten de overigen wel gevreesd hebben, dat het zoude scheuren, en zij zullen, toen het net veilig aan wal was, en zij het aantal groote visschen zagen, die het bevatte, vol bewondering en aanbidding geweest zijn, daarover, dat dit zwakke net ânochtansquot; niet gescheurd was. Ware het net op zichzelven geschikt geweest, om zulk eene menigte visch te bevatten, dan zoude Johannes niet uitdrukkelijk vermeld hebben: âhet scheurde niet.quot; Ach! hoe treurig, hoe ondankbaar is het toch, dat wij er uit ons zeiven nooit acht op geven, hoeveel er is, dat dagelijks gebruikt word, en dat door het aanhoudend gebruik, dat wij er van maken, reeds lang moest versleten zijn, en nochtans in stand blijft door 's Heeren quot;genade en behoudende kracht.
En, nu mijne lezers! laat ons te zamen de be-teekenis nagaan van dit feit, laat ons nagaan, wat de Heere van alle tijden en alle eeuwen zijne kerk heeft willen leeren, door de wijze waarop Hij zich openbaarde bij de zee van Tiberias. Het vischnet was een beeld van des Heeren allerheiligst woord en van alle in en door dat woord geheiligde middelen en wegen, waardoor het den Heere behaagt, diep gevallen menschen, die dood zijn in zonden en misdaden , staande te houden op hunnen verkeerden weg, hen onder de heerschappij te brengen van Zijne vrije genade, hen daarop vast te houden en hen te trekken en te fonderen op den vasten grond Zijner opstanding, en Zijner overwinning. En zoo moet bewondering en aanbidding de harten van 's Heeren
54
kinderen uit alle eeuwen en tijden vervullen, dat de mazen van dat zwakke net niet gescheurd zijn, hoewel tegelijkertijd gewis bij de zoodanigen bange vrees aanwezig zal zijn, dat het net toch noch eindelijk scheuren mocht en de vurige wensch en bede zal nooit ontbreken, dat de Heere zulks genadiglijk verhoede!
Wat wij bij de zee van Tiberias allereerst kunnen leeren is dit: alles hangt hier aan het net, aan het geheel blijven van dat zwakke net: scheurt dat, zoo zijn des Heeren visschen verstrooid en verloren. Zal het scheuren ? De hel zegt: ja! het zal scheuren, het is onmogelijk, dat het geheel blijve, en zij verheugt zich reeds in de gedachte, dat des Heeren en zijner discipelen wonderbare vischvangst haar buit zal zijn. Het net moet scheuren, het kan niet geheel blijven, zoo roepen alle Belialsmannen der geheele wereld, en gewis! zoo het van hen afhing, er bleef geen stuk van behouden. En het hart van elk, die des Heeren Woord kent en lief heeft, slaat vol angst het werk gade, als op 's Heeren bevel zwakke mensehenvisschers dat zware net door de wateren moeten slepen. Ach! zoo het net maar niet scheurt, ach! zoo het maar geheel blijft! Ja! het is waar: het net is vol visschen, wonder op wonder heeft de Heere gedaan, maar als het net nu eens scheurt, als alles weer in den dood gaat, wat dan? Een vangst, als nooit te voren hadden de jongeren des Heeren gedaan, eene vangst, waarvan zij vele dagen zouden kunnen leven, maar als het net nu eens scheurde, wat dan? Dan zouden zij alles gehad hebben, en toch niets bezitten.
Gij jonge man of huisvader! die den Heere vreest en op Hem het oog slaat, gij hebt misschien eene
55
broodwinning of ander middel van bestaan gevonden voor dit tijdelijk leven, voor u zeiven, voor uw vrouw en kinderen, en ziet daarin 's Heeren wondere hand, evenals de discipelen die in het volle vischnet zagen. Lang en te vergeefs hebt gij u misschien vermoeid met nutteloozen arbeid en moeite. Eindelijk! de Heere is gekomen, en heeft uitkomst gegeven, heeft wonderen gedaan, zoodat het net vol groote visschen luide van Zijne trouw en Almacht getuigt! Maar zal het duren, zal het bevestigd worden ? ach! het ziet er niet naar uit!
Eene ziel is onder de genademiddelen gekomen, en die hebben haar heil bewerkt, en door 's Heeren wondere genade heeft zij leeren zien, waar hare eeuwige zaligheid ligt, maar ach! hoe kookt en bruischt alles in haar binnenste! En gelijk die groote en vele visschen door hunne onstuimige bewegingen en hunne eigene zwaarte het net dreigden te verscheuren, zoo dreigen de hevige en onstuimige bewegingen en woelingen van vele en zware zonden de ziel aan deze genademiddelen, door Grod tot haar heil besteld, te ontrukken, en haar zoo van honger en kommer te doen omkomen. Zal zij zich op de genademiddelen verlaten, zullen zij beproefd worden bevonden ?
Elke gemeente Gods bestaat uit groote en vele zondaren, die met hunne bewegingen en begeerlijkheden naar zoogenaamde vrijheid â ja! lieve lezer! van nature vermogen wij niets anders â alleenlijk daar op uit zijn, de mazen van het net, dat ons tot onze eeuwige behoudenis omgeeft, te verscheuren en zoo van onder de genademiddelen weg te komen. Zal het net, zal het zwakke net des Woords niet scheuren ? Zullen de genademiddelen beproefd worden
56
bevonden? Zie! dat is de bange vraag, die nacht en dag liet hart van ieder waarachtig van den Heere geroepen menschenvisser vervult.
Ach! hoe veel tegenwerpingen en tegensprekingen gaan er niet uit van vleesch en bloed met hunne vleeschelijke en wereldsche wijsheid! Maar er is geen tegenwerping of tegenspreking van het hooge en ingebeelde vernuft, die niet door het evangelium Gods volkomen wederlegd en tot zwijgeu gebracht wordt. En o, hoe vriendelijk en vertroostend beantwoord dat zelfde evangelium niet de bange vragen en twijfelingen van alle oprechte zielen! âHoewel er zoo velen waren, nochtans scheurde het net nietquot;. Er ligt in die eenvoudige woorden voor des Heeren volk, voor Zijne uitverkorene gemeente van alle tijden en alle landen, eene heerlijke belofte, die ia den zes en veerstigsten Psalm aldus luidt: daarom zullen wij niet vreezen, al veranderde de aarde hare plaats en al werden de bergen verzet in hel hart der zeeën. Ps. 46 vs. 3.
Wij lezen in Job 26 vs. 8, lieve lezers! het volgende: Hij bindt de wateren in Zijne wolken, nochtans scheurt de wolk daaronder niet. Dat is Zijne handelwijze, zóó is Zijne regering, zóó is het gelegen met de wonderen Zijner Almacht en genade! En daarom! hoewel ik niets dan zonde en ellende heb, en in mij zie, zoo wil ik nochtans op Hem hopen, zooals Abraham, Izak, Jakob, David, Josaphat te midden hunner ellende en onvruchtbaarheid op Hem gehoopt hebben, en niet bedrogen zijn uitgekomen. âHoewel, nochtans.,, In dit âhoewelquot; ligt de gansche macht en strijd des afgronds tegen alles wat des Heeren is, in dit eenvoudige ânochtansquot; het gansche Evangelium opgesloten. Zoo vinden wij
57
ook in het antwoord op de zestigste vraag van onzen Heidelbergsche Cathechismus dit heerlijke âhoewel â nochtansquot; terug: alzoo dat âal is hetquot; (of âhoewelquot;) âdat mij mijn geweten aanklaagt, dat ik tegen al de âgeboden Gods zwaarlijk gezondigd en geen derzelven âgehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid ge-âneigd ben, nochtans God zonder eenige mijner âverdiensten, uit loutere genade, mij de volkomene âgenoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van âChristus schenkt en toerekent even als had ik nooit âzonde gehad, noch gedaan, ja, als had ik ook al âde gehoorzaamheid volbracht, welke Christus voor âmij volbracht heeft, voor zoo verre ik zulk eene weldaad met een geloovig harte aanneem.quot;
En o! zoo heeft het geen nood met dat zwakke net, zoo zinkt de geheele storm dien de hel tegen hetzelfde los liet, terug in den afgrond, waar zij ontstond; vergeet dit niet o gij door onweder voor-gedrevene, ongetrooste ziele ! Hij, die als de Overwinnaar van hel en dood nu staat op den bodem der opstanding, op den vasten grond des onverganke-1 ijken levens, Hij is het, die de visschen geschapen heeft. Hij is het, die ze heeft uitverkoren, Hij kent hun getal. Hij heeft u, o zwakke menschenvisscher! kracht gegeven, om dat net door de wateren te slepen; o laat den moed dan niet zinken, Hij heeft die visschen niet voor en in het net gebracht, opdat zij Hem weder zouden ontsnappen ! Het is de Heere, die al deze wonderen deed, en, hoewel naar alle menschelijke berekeningen dit net niet behouden blijven kan, zoo zal het nochtans niet scheuren! maar des Heeren visschen zullen vast en veilig aan wal worden getrokken, in den haven der eeuwige ruste. Hij laat niet varen de werken Zijner handen.
58
Hij is niet aan het net gebonden, maar, geloofd en geprezen zij Zijn allerheiligste Naam! het net is aaa Hem gebonden on gehouden, juist dit eenvoudige net des woords, waardoor Hij Zijnen raad tot zaligheid van zondaren ten uitvoer wil leggen. Waar God het vischnet laat trekken, daar scheurt het niet! Maar dit moet boven alles gelden: wij dragen dezen schal in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij Godes en niet uil ons. 2 Cor. 4 vs. 7. En ook dat andere woord: en ik hoorde eene slem eener groote schare, en als eene stem veler wateren, en als eene stem van sterke donderslagen, zeggende: Halleluja! want de Heere, de Almachtige God heeft als Koning geheerscht-, laat ons blijde zijn en vreugde bedrijven, en Hem de heerlijkheid geven; want de bruiloft des Lams is gekomen! Openb. 19 vs. 6 en 7a. Van deze bruiloft des Lams zien wij hier een voorloopige feestmaaltijd, een klein beginsel of voorsmaak in de volgende woorden, die in het twaalfde vers alzoo luiden : Jezus zei.de tot hen: Komt herwaarts, houdt het middagmaal. Naar het Grieksch staat er: komt herwaarts, gebruikt het middagmaal of ontbijt. Het was alzoo een ontbijt of morgen-maaltijd, waartoe de Heere hen uitnoodigde. Hier ontbreken mij de woorden, lieve lezer! om u mede te deelen, wat mijn hart gevoelt bij deze woorden. Den geheelen langen, hangen nacht hadden de discipelen zich vermoeid en niets gevangen, eindelijk op een tijd en ure, toen alles voorbij scheen te zijn, en er niets meer scheen te verwachten, was de Heere met redding gekomen, en op 's Heeren tijd hadden zij eene uitkomst gevonden, waaraan niemand had gedacht en waarbij alles eerst verkeerd scheen te gaau. Maar nu ligt daar de hun geschonken schat,
59
honderd drie en vijftig groote visschen, het net is niet gescheurd, en nu worden zij op eenmaal weggeroepen van dat net, van die visschen, van dien geheelen schat en dat wel, om met den Heere eenl eenvoudig ontbijt te gebruiken.
Wij lezen in het vier en twintigste hoofdstuk van Lukas, dat, toen de Heere Jezus met twee Zijner jongeren te Emmaus aan den disch zat, Hij het brood nam, dankte, het brood brak en het hun gaf; dat Hij nog dienzelfden avond te Jeruzalem midden onder Zijne jongeren trad, en dat, toen zij van vreugde nog niet konden gelooven, dat Hij het werkelijk was, en dat Hij werkelijk was opgestaan, Hij hun gansch vriendelijk vroeg : hebt gij niet iets te eten ? en dat zij Hem toen een stuk van eenen gebraden visch en honinggraten voorlegden, hetwelk Hij nam en voor hun oogen opat; het was alzoo een avondmaaltijd, dien Hij te Emmaus gaf en te Jeruzalem nam, opdat zij Hem te Emmaus zouden herkennen aan de breking des broods, en te Jeruzalem zich zouden verheugen, dat Hij geen geest, noch spooksel was, maar werkelijk hun uit de dooden opgestane Heere en Koning.
Hier roept Hij Zijne rijksherauten tot eenen morgenmaaltijd of ontbijt, niet om hen van de waarheid Zijner opstanding te overtuigen en hun die nogmaals te verzekeren, maar om hen bij te brengen, dat, nu Hij opgestaan is, Hij leeft tot in alle eeuwigheid, hun en allen, die door hun woord in Hem gelooven zouden, tot heil en troost, eeuwiglijk en altoos.
Dit ontbijt of morgenmaaltijd had eene geestelijke beteekenis, zooals de Heere in dit geheele kapittel de discipelen onderwijzen wilde in de wijze, waarop Hij Zijne gemeente leidt en draagt door dit leven.
60
Het was niet alleen een werkelijk, maar ook een geestelijk maal, dat de Heere daar op den oever der zee met Zijne discipelen nam, opdat 's Heeren wijze van doen met hen, hen versterken zou, en die versterking zoude dienen in 's Heeren hand, om de vele en groote visschen, door hun woord, â het net, dat zij slepen zouden in de zee der wereld en des verderfs, waarin al die groote visschen gewonnen en geboren waren â te trekken tot eeuwige vreugde en zaligheid. En zoo blijft deze morgenmaaltijd, dien de Heere bij de zee van Tiberias aan Zijne zeven rijkstrawanten aanbood, ten eeuwigen troost staan voor alle van Hem gezonden boden en menschenvisschers; en door zulk eenen met Hem gehouden maaltijd, door zulke verkwikkingen, onderwijst Hij nog heden ten dage al de Zijnen in de kracht Zijner opstanding en van Zijn onvergankelijk leven, opdat zij, nadat Hij in hunne eigene harten geopenbaard zoude zijn als Gods eeniggeboren Zoon, door zulk eene door Hem geschonken en door Hem onderhoudene kracht, den raad van Zijn goddelijk welbehagen zoude dienen, door Hem zeiven worden zij verkwikt, niet uitsluitend door gaven en uitkomsten, maar doordat Hij zich persoonlijk aan hunne zielen openbaart, en zy zoo mei Hem eenen verkwikkenden en versterkenden maaltijd genieten.
Uitgegeven bij W. MEIJER te Utrecht, Jerusalemstecg. Voor Dnitschland verkrijgbaar bij F. BÃCKMANN, Elierfeld. Prijs per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Cts.
SCIIRI PT VERKLARINGEN
VAN
Dr. IT. F. KOHTiBRUOamp;E.
Evangelie Johannes XXI
Tot zulk eenen maaltijd noodigt Hij echter ook de ziele, die eonen langen, hangen nacht van nood en ellende achter zich heeft on niets heeft gevangen, die veel geweend, veel geleden en luid geroepen heeft: âWachter! wat is er van den nacht? De morgen is âgekomen, maar nog is het nacht!'quot; En dan openbaart de ïïeere zicli plotseling, onverwacht, ongedacht door Zijn Woord en Geest, door Zijn allerheiligst gebod, in de werken Zijner Almacht en in de heerschappij Zijner vrije genade; dan wordt Zijn heil ook gesmaakt en geproefd, hetzij in uiterlijke uitreddingen en uitkomsten, hetzij door liet wegnomen van inwendige en geestelijke benauwdheden des harten, en dan is er heil, heil dul Hij heejL gegeven! Maar nu is de weg; van dat verworvene heil af, en tot Hom, den Gever des heils henen, opdat de ziel, boven al het haar geschonkene, ook nog met Hem zelve gemeenschap oefene, door Hom zelve verkwikt worde, door de .verkwikkende kracht, die van Hem na Zijne opstanding uitgaat. Het geheele leven dergenen, die des Heeren zijn, is niet anders dan een gestadige dood en, om uit dezen dood, dag voor dag, nacht voor nacht, het leven als het ware te voorschijn te worstelen en te voorschijn te zien roepen, daartoe moeten de Zijnen voortdurend door Hem zeiven gespijsd en gelaafd worden ten eeuwigen No. 92. 20 Juli 1889
62
leven , anders is er geen kracht, om vooruit te komen, te midden van onze grenzenlooze onmacht Ja! de visschen zijn gevangen, het net is niet gescheurd, maar al het heil, dat men beleefd heeft, het gaat toch weer in den dood en ontzinkt ons voortdurend, doch de kracht van een eenmaal met den Heere gehouden maaltijd blijft, sterkt en voedt ia het verborgene, van uit het binnenste des harten den ge-heelen mensch, doet hem overwinning op overwinning behalen en leert hem te midden zijner ellende te juichen:
Ik zal door 's vijands zwaard niet sterven ,
Maar leven, en des Heeren diian,
Waardoor wij zooveel heils verwerven.
Elk, tot Zijn eer, doen gadeslaan.
En dezen maaltijd, deze verkwikking ontvangen allen, die des Heeren zijn, nog éénmaal, als zjj na hun laatste uurtje opwaken, en met des Heeren beeld verzadigd zullen worden, Ps. 17 vs. 15.
Komt herwaarts, houdt hel middagmaal! (naar het grieksch âhet ontbijt of morgenmaaltijdquot;) roept de Heere, en de echo in do ziel klinkt die niet: wie slecht is, heere zich herwaarts Spreuk. 9 vs. 4? quot;Want wat dunkt u? moest niet verwondering en verbazing de jongeren vervullen, moesten zij niet in aanbidding wegzinken, toen zij die uitnoodiging tot dezen verkwikkenden morgenmaal tijd uit 's Heeren mond vernamen? Ginds lagen de honderd drie en vijftig visscheu. De Heere had ze wel toebereide en gebradene visschen genoemd, maar de jongeren hadden niets voor oogeu, dan, dat ze nog geheel rauw en ontoebereid waren, en zij er dus nog niets van konden nuttigen: wel lag daar op het kolenvuur één gebraden vischje en één brood daarbij, maar
(33
wat zoude dat onder zoo velen? Waar was eigentlijk liet maal, waartoe de Heere hen noodigde? Nochtans, de kraclit der roeping was sterker, dan de tegenwerping des vleesches: er is immers niets aanwezig! Op des Ileeren woord verlaten zij het net met al de visschen, volgen Zijne stem en komen: opdat liet echter werkelijk tot eenen verkwikkenden maaltijd kome, moet er nog, buiten alles wat reeds geschied was, nog een groot wonder, groot ten minste in hunne oogen, geschieden; maar ook dat verwachten zij van Hem, Die hen roept. En, omdat zij het getroost van Hem verwachten, kan het ook geen ander dan Jezus zijn, die daar voor lien staat, gelijk Johannes ook reeds gezegd had: het is de lleere! rLoo-dra zij het woord vernemen: komt herwaarts, houdl het middagmaal, weten zij ook allen: liet is de Heere. Zullen zij Hem nu nog nader ondervragen en de misschien in hen opkomende twijfelingen uitspreken? Neen! daartoe had geen der jongeren den moed; daarom laat Johannes ook volgen: en niemand van de discipelen durfde Hem vragen: Wie zijt gij? wetende, dal hel de lleere was. Toen de Heere tot Gridoon sprak: omdat Ik met u zal zijn, zult gij de Midianieten slaan, als een eenig man, zeide Gideon tot den Heere: indien ik nu genade gevonden heb in uwe oogen, zoo doe mij een teeken, dal gij het zijt, die met mij spreekt. In de woorden âgij, dat Gij het zijlquot; sprak Gideon de gewisheid uit, dat het de Heere, de engel des Verbonds, d. i. Christus was Die met hem sprak. Hij bad echter, om hulpe tegen de zwakheid van zijn geloof, tegen de twijfelingen, die in zijn hart zouden opkomen en daarom smeekte hij om een toeken.
In onzen text gaf de Heere dit teeken ongevraagd,
64
want geheel vrijwillig sprak Hij: Koml herwaarts! gebruikt het middagmaal (naar den grondtext âmorgenmaalquot;). Aan deze woorden herkennen de discipelen den Heere, maar alles kwam hun zoo wonderbaar, zoo geheimzinnig voor, dat het hun was, als dengenen die droomen, en o! zoo gaarne hadden zij Hem nog eens gevraagd, hoewel zij Hem herkenden: Grij, die dit alles daargesteld en uit niet te voorschijn hebt geroepen, en ons nu zoo vriendelijk tot n roept, zijt gij werkelijk degene voor wien wij n houden ? Bij den eersten blik, dien wij op Johannes woorden werpen, zonden wij kunnen vragen: zoo de discipelen het werkelijk zoo goed wisten, dat het de Heere was, dan was het immers onnoodig op te teekenen, dat zij Hem niet durfden vragen, wie Hij was, wetende, dat het de Heere was: wisten zij
Ir
I I
;ili|
à !
i'Mlj' il :
lij li i i !
ili
il i gt;-1 '11
li ü I
dat, nu, waartoe zouden zij Hem dan nog ondervraagd hebben, omtrent hetgeen zij toch reeds zeker wisten? Maar mijne lezers, juist dit is een sterk bewijs voor do waarheid van dit geschiedverhaal, want zóó en niet anders gaat het in 't werkelijke leven. Door den Greest der kennis des Heeren weten wij het bij menige omstandigheid en aangelegenheid, dat het de Heere is, Die met ons op den weg is, Die met ons spreekt, Die ons antwoord gaf in den nood. Die ons eene tafel aanrictit, daar waar niets voorhanden is. Die ons zalft en vertroost met Zijne olie der vreugde, te midden van de zwaarste zorgen en de diepste droefenis des harten. Ja! hoe dikwijls gaat het ons niet, als den kinderen Israëls toen zij uitriepen: âManna!quot; d. i. wat is dat? wat beduidt dat? en dat wij het toch zeer goed weten in ons binnenste: het is de Heere! dat is van Hem geschied, dat kon Hij alleen weten, zóó kon Hij alleen helpen,
65
zóó kon Hij alleen alles te zamcn laten loopen, zóó kon Hij alleen vertroosten; maar niettegenstaande dit, zouden wij toch van dit alles nog wel eene nadere bevestiging willen gehad hebben, want o! er komen soms zulke godslasterlijke gedachten bij ons op: bijv. kan dat alles ook van den duivel, en niet van den Heere zijn geweest? Was het misschien geen zinsbedrog? Misschien een spel des toevals, of het slot van eene wonderbare aaneenschakeling van allerlei dingen en zaken? Bij zulke gedachten zoude menigeen vragen: waarom, zoo gij noch twijfelt, hebt gij het niet beter onderzocht, en zijt niet dieper doorgedrongen, om zeker te weten, dat dit alles van den Heere was ? En hoe zal dan het antwoord luiden? ach! daartoe ontbrak mij de moed, dat durfde ik niet, ik wist het le goed, dat alles van den Heere was, en bij de verzekering en vastheid, die Hij mij liet aanschouwen, schroomde ik, voor Hein ook maar ééne gedachte des twijfels en des ougeloofs, die in mij opkwam, bloot te leggen!
Laat ons niet vergeten, lieve lezer, dat Johannes dit alles opgeteekend heeft, lange jaren, na dat het was geschied. Er zijn na dit heerlijke morgenmaal aan de zee van Tiberias voor de discipelen nog bange tijden gekomen, waarin het hun ging zooals Johannes den Dooper, toen hij in de gevangenis lag, en twee zijner jongeren tot den Heere zond met de bange vraag: zijt Gij Degene, die komen zou, of ver-wachlen wij eenen anderen'? He Evangelist Johannes wil alzoo met de woorden: en niemand van de discipelen durfde Hem vragen, wie zijl gij? welende, dat hel de //eere was, ons doen begrijpen, dat de Heere verre boven bidden en denken gedaan had, door zich aan dezulken te openbaren, wien het
66
â
te zeer aau moed en liefde ontbrak, om zich door verder onderzoek en ondervragen er vast van te overtuigen, dat Hij werkelijk de Heere was, maar, die veel te voel valsehe schaamte en hoogmoed hadden, om vrij uit te erkennen, wat in hunne harten woont, en daaruit te voorschijn komt. Nochtans was 's Heeren openbaring zoo geweldig, dat zij het zeer goed wisten: dat is van den Heere, en van Hem alleen geschied. O! in uren van nood en aanvechting moeten Gods kinderen zich dikwijls verwijten, dat zij de ure der minne, toen de Heere van vrede met hunne ziel sprak, niet beter gebruikt hebben, om het nog vaster te weten te komen, dat Hij het was die hen troostte en op hielp uit hunne diepe ellende, maar dan geldt het, tegen alle beschuldigingen en smartelijke twijfelingen in, te blijven gedenken, dat wij op dezen of dien tijd of ure het toch zeer goed en zeer zeker wisten, dat het de Heere zelf was; dat het in geen hoek geschied is, en, dat het geen vleesch noch bloed was, dat ons zulke heerlijke dingen openbaarde. Daarom roepen deze evangelische woorden ons toe te midden onzer benauwdheid; al kwam er veel in u op, dat u weerhield de zaak tot den grond toe te onderzoeken, zoo kunt gij toch niet ontkennen, dat gij het toen en toen , zeer zeker en vast geweten hebt, dat het de Heere zelf was, Die zich aan u geopenbaard en uwe ziel liefelijk omhelsd heeft, dat zij in de groeve der vertering niet kwame.
Daarom is deze opmerking van den Evangelist Johannes eene verkwikking voor de oprechten ; want in den diepsten grond des harten zijn wij niets dan atheïsten, die bij het klaarste bewustzijn: Christus is hier, en dit of dat is van Hem geschied, allerlei
ij;
III II il
ï
m:
h
§ il1
i
li' iii
67
openbaringen zijner genade en trouw zelf weer trachten uit te wisschen en door valsche nederigheid het schuwen door te breken tot de volle verzekerdheid des geloofs. Van valsche openbaringen zal de mensch veel ophef maken, waarachtige openbaringen van 's Heeren liefde en trouw, gaan wij spoedig weer in twijfel trekken. Bij voorgewende, ingébeelde openbaringen is men zeker en gerust, en toch zonder zekerheid of ware zielsrust. Bij waarachtige openbaringen des Heeren, komt de arme mensch maar al te zeer aan den dag als hetgeen bij waarlijk van nature is, dat is: vervreemd en vijandig tegen den Heere, ja hij is veel te hoogmoedig en te arm aan ware liefde en moed, om zijne roeping en verkiezing vast te maken. Ban wordt de ziel heen en weer gedreven tusschen goede en slechte gedachten, tusschen valsche schaamte en bescheidenheid, tusschen hardheid des harten en eerbied, tusschen twijfel en geloof.
Wanneer wij op zulk eene wijze leeren acht slaan op do uitgangen van onze harten, zullen wij ook begrijpen, wat er bedoeld word met het 13llc vers, waar wij lezen: Jezus dan kwam, en nam hel brood en gaf hel hun en de visch desgelijks (in het Grieksch staat: âden kleinen gebraden visch.quot;)
Stellen wij ons voor, lieve lezer, hoe de jongeren zich daar tot het morgenmaal nederzetten, zonder te zien, waar het ontbijt van daan moest komen, dan zullen^ wij eerst de beteekenis vatten der woorden: âJezus dan kwam.quot; De openbaring Zijner macht, even snel voor het geestelijke, als voor het lichamelijke, is altijd een komen. Hoe vaak lezen wij niet in de Psalmen en bij de Profeten: Uij komt, Hij komt, juist daar, waar de gemeente Gods in de
68
grootste bonauwdlieid was. Ja! zelfs in de ure des doods, van hoe veler lippen komt dan nog de kreet: Kom Heere Jezus! Zijne hulp is altoos een snel, onvermoeid, ongedacht, verrassend te voorschijn treden. Zoo komt Hij Zelf, Hij, Jezus, in de volle beteekenis van dien schoonen naam. En vele duizenden hebben zulk een komen des Heeren Jezus voor hunne ziel en in allerlei benauwdheid ervaren, en duizenden zullen het nog ondervinden die in geestelijken of lichamelijken nood op Hem wachten. Vervolgens nam Jezus het brood, d. i. het kleine brood, dat de discipelen bij het kolenvuur hadden zien liggen. Hij gaf het hun, en onder hunne handen vermenigvuldigde zich dat, op zulk eene wijze, dat het volkomen toereikend was, om heu allen te verzadigen.
Vervolgens gaf de Heere hun van dat ééne gebraden vischje en ook dat gaf voedsel aan allen, en de honderd drie-en-vijftig schoten hier volkomen over. Dat was nu eens een vriendelijk morgenmaal in het koninkrijk der hemelen! en de Heere wilde hiermede in een beeld Zijnen discipelen iets anders bijbrengen Het was een maaltijd, om er den 78stc,l Psalm by te zingen. Hoe blinkt hier de majesteit en de genade van onzen almachtigen Verlosser uit, als Zoon des Vaders, als Heere over Zijn eigen huis, als de groote Huisvader en Uitdeeler van Gods verborgenheden in het midden Zijner gemeente; Die een iegelijk zijn bescheiden deel van Zijne goddelijke gaven en schatten toereikt, en dat wel zoo, dat een iegelijk het gansche bezit, en er toch maar zooveel van geniet als hij er oogenblikkelijk van ontvangt. Wij zien hier de groote Koning in het koninkrijk der hemelen, Die, onder het beeld van brood en visch. Zijne rijksherauten vervult met alles wat Hij voor hen is en
69
blijft, en dat niet alleen voor hen maar ook voor allen, die door hun woord in Hem zouden gelooven.
Het is opmerkelijk, dat wij bij dezen maaltijd van geen, door den Heere uitgesproken gebed of dankzegging gewag vinden gemaakt: en dat was, omdat Hij Zicli wilde openbaren, als den Schepper en de oorzaak van al het geschapene, als den Vorst des levens, ja als het leven zelve. Wij lezen ook niet, dat Hij het brood brak, voordat Hij het uitreikte, en daarmede wilde Hij de Zijnen leeren, dat Hij, éénmaal aau het kruis gebroken zijnde, als het eenig geldende offer voor de zonden, na Zijne opstanding niet meer gebroken wordt, maar dat Hij in waarheid door die eene offerhande, éénmaal volbracht, in eeuwigheid heefl volmaakt, degenen, die geheiligd worden, Hebr. 10 vs. 14. Ongebroken gaf Hij dit ééne brood aan de Zijnen, ten bewijze dat, ofschoon Hij hun aller Heere en Heiland is, nochtans ieder voor zich Hem persoonlijk geheel en al, als zijn volkomen Zaligmaker ontvangt en bezit tot Zijn eeuwig erfdeel. Dat voedende en versterkende brood was tevens een zinnebeeld van het door Hem verworven eeuwig leven, en van de ons aan het leven houdende kracht Zijner opstanding. Hot eene gebradene vischje was ook een beeld van Hem, maar meer in betrekking tot Zijn allerheiligst lijden en sterven, en van de voortdurende kracht en geldigheid daarvan. Ook dit wordt niet verdeeld, maar Hij reikt het hun toe, gelijk het is, opdat zij zouden weten; allen, die Hem toebehooren, allereerst wij Zijne zeven rijkstrawanten en menschenvisschers, hebben in dezelfde mate en wijze deel aan dit lijden en sterven, tot versterking van ons natuurlijk en geestelijk leven, en van het leven van allen, die door
70
ons woord in Hem gelooven zullen. Dat Hij eerst liet brood en toen den visch nam, beduidt, dat iu Zijn rijk Zijne opstanding de hoofdzaak is, en dat Zijn allerheiligst lijden en sterven eerst rechte, verkwikkende zielespijze wordt, wanneer in onze zielen de opstanding des Heeren Jezus de vaste bodem is geworden, met andere woorden, wanneer wij van Hern zeiven hebben geleerd, dat Hij leeft; wanneer Hij in onze zielen is geopenbaard, als onze levende Zaligmaker, Die dood was, maar nu leeft in alle eeuwigheid Ja! want zóó staat de zaak, wanneer wij in waarheid zijn gekomen onder de heerschappij Zijner genade: zoolang men nog onder de wet is, zoolang men nog niet uit ervaring weet, dat, wie niet wederom geboren is, het koninkrijk Gods niet kan zien, zoolang beschouwt men de opstanding des Heeren Jezus meer als eene bijzaak. Zijn wij echter geheel en al overgeplant in Hem, geheel gefondeerd op den vasten bodem van Zijn leven, dan wordt de kracht Zijner opstanding, de kracht, die van Hem na Zijne opstanding uitgaat de hoofdzaak: niet dat daardoor het allerheiligst lijden en sterven ook maar in de geringste mate bijzaak zoude worden, want dat is even onmisbaar bij eiken geestelijken maaltijd, als melk of boter bij het voedende en versterkende brood.
Met dit eene brood Zijner opstanding spijst de Heere nog heden ten dage al Zijne heiligen, eveneens met het gebradene vischje Zijns hjdens en stervens. Deze spijze en toespijze reikt Hij hen nog voortdurend toe, allen geeft Hij hetzelfde geestelijk voedsel, elk van hen ontvangt het geheel en al, volkomen. Deze spijze gaat van hand tot hand, van mond tot mond, zij vermenigvuldigt zich, terwijl zij genoten
71
word. En wat kan de ziel, die naar den Heere hongert en dorst, nog meer wensclien? Alleen deze spijs kan haar verzadigen, alleen daarin kan zij ruste vinden, al het andere, hoeveel het ook zij, hoe het ook schittere, kan haar niet helpen. Als ik ?( maar heb, sprak Azaf, vraag ik naar hemel noch aarde. Dat de Heere van de 153 vissehen niets afnam, beduidt, dat wij allen en al het onze, als het om de waarachtige spijziging ten eeuwige leven, om de waarachtige lafenis der ziele gaat, volkomen overschieten. Niemand kan ons, wij kunnen niemand dezer hemelsche spijze, deelachtig maken. Nochtans zullen des Heeren honderd drie-en-vijftig grootc vissehen, dat is, zal Zijne waarachtige gemeente, zullen Zijne heiligen waarachtig en geheel toebereid, ja onberispelijk voor Zijn aangezicht zijn, om de wille van dat ééne gebradene vischje. Wij zijn nu aan het H1quot;0 vers gekomen, dat alzoo luidt:
Dat is nu de derde maal, dat Jezus Zijnen discipelen geopenbaard is, nadat Hij van de dooden was opgewekt.
De Heere Jezus heeft Zich, voor zooveel wij dit in de evangelien kunnen nagaan, in het geheel tienmaal aan Zijne jongeren vertoond, nadat Hij uit de dooden was opgestaan. En nemen wij de vertaling, die hier voorkomt, als juist aan, dan zouden wij moeten aannemen, dat van de tien verschijningen des Hoeren, dit de derde ware geweest. Hiermede zoude echter in strijd zijn, dat Hij reeds op den dag Zijner opstanding Zich meer dan driemaal aan de Zijnen heeft vertoond. Ook versta ik dat woord openbaring, âopenbaarde Zichquot; anders.
In het eerste hoofdstuk van zijn evangelie zegt de Apostel Johannes in hel 14c vers: en hel woord
72
is vleescJi geworden en heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijne heerlijkheid aanschouwd, eene heerlijkheid, als des E enig geborenen van den Vader vol genade en waarheid, wat bijua gelijk luidt met dos apostels woorden 1 Timotbeus 3 vs. 16: God is geopenbaard in hel vlcesch. In liet tweede hoofdstuk van het evangelie van Johannes lezen wij ook nog in het Hae vers: dit beginsel der teekenen heeft Jezus gedaan te Kana in Gaiilea en heeft Zijne heerlijkheid geopenbaard; en Zijne discipelen geloofden in Hem. In het 46ste en de volgende verzen van het vierde hoofdstuk van het evangelie van Johannes lezen wij: Zoo kwam dan Jezus wederom te Kana in Gaiilea, waar Hij hel water wijn gemaakt had. En er was een zeker koninklijk hoveling, wiens zoon krank was te Kapórnaum. Jezus zeide lot hem: Tenzij dal gijlieden teekenen en wonderen ziet, zoo zult gij niet gelooven; de koninklijke hoveling zeide tol Hem: Heere! kom af eer mijn kind sterft! Jezus zeide tot hem: Ga heen! uw zoon leeft! Aan het slot van dit geheele geschiedverhaal lezen wij: dit âtweedequot; teeken heeft Jezus wederom gedaan, als Hij uit Judea in Gaiilea gekomen was.
D ïï U K F O U T.
In N0. 91. Pag. Ã7 reg, 18 van onderen staat: waar zij âmoet zijn : ivaar hij.
Uitgege,ven bij W. MEIJER te Utrecht, Jerusalemsteeg. Voor Doitschlarid verkrijgbaar bij F. BUCKMANN, Elierfeld. Prijs per Nummer 3 Cts, Franco per post 4 Cts.
SCHRIFTVERKLARINGEN
VAN
ör. II. F. KOHI.BRÃOOE.
Evangelie Johannes XXI
Terecht vragen wij: waarom geeft de Evangelist dit zoo nauwkeurig aan ? en ligt hier niet in opgesloten, dat hij in het vervolg nog een derde teeken zal aanwijzen, als in Galilea geschied, opdat ook hier het woord gelde: âin den mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan?quot;
Het antwoord hierop is bevestigend. Het derde teeken, dat in Galilea geschiedde, vinden wij in ons tekst-hoofdstuk, en dat gaf de Heere toen Hij van de dooden was opgestaan.
Doch er ligt nog een diepere zin in deze woorden des Apostels Johannes, en die ligt geheel en al op het gebied des geestelijken levens, en der inwendige geschiedenis der Kerke Gods. Het woordje ânuquot; of zooals het beter vertaald wordt âreeds,quot; dat wij in het 14. vers lezen, beduidt, dat de Heere niet traag is geweest met Zijne genade, maar vroeg op is geweest, om de Zijnen, die in nood waren, te helpen en bij te staan. Wat nu het inwendig leven betreft, zoo bestaat er daarin werkelijk eene drievoudige openbaring des Heeren. Vooreerst bij den eersten aanvang der bekeering, ten tweede als de ziele van onder het reeds in Adam verbroken werkverbond overgebracht wordt onder de heerschappij van vrije genade, ten derde, als zij in deze genade volkomen bevestigd en verzegeld wordt. En wat de geschiedenis No. 93. 3 Augustus 1889.
74
der kerk betreft, zoo hebben wij de eerste openbaring op het Pinksterfeest, de tweede ten tijde der hervorming, en do derde? Wie oogen heeft om te zien, die zie! 1)
Voor des Heeren openbaringen in de geschiedenis Zijner Kerk behoeven wij geen ander bewijs dan die geschiedenis zelf. Voor die in de zielen der ge-loovigen, spreken de ondervondene openbaringen zelve luide genoeg, en wat Elihu zegt Job 33 vs. 29: Zie, dit alles iverkl God tioee- o[ driemaal mei eenen man.
Zulke openbaringen geschieden echter in Galilea, niet in Judea, zij vallen te beurt aan hen die in schaduwen des doods zitten, aan zondaren, niet aan heiligen, aan kranken, niet aan gezonden; aan kindekens, niet aan verstandigen; aan dwazen, niet aan wijzen.
Liefde des Heiligen Geestes is het, die er ons hier opmerkzaam op maakt, dat zulke wonderen en teekenen van den Heere werkelijk geschied zijn; en met welk doel zij geschied zijn, dit kunnen wij immer zeer duidelijk zien uit het slot van Johannes 20. Liefde des Geestes is het echter ook, die er ons opmerkzaam op maakt, dat de derde openbaring van des Heeren heerlijkheid plaats vond na Zijne opstanding uit de dooden; want wat de geheele openbaring des Heeren bij de zee van Tiberias eigenlijk beduidt, zullen wij nooit en nimmer vatten tot onzen eeuwigen troost en bij eigene ondervinding, voor dat wij zelve persoonlijk deel hebben ontvangen aan des Heeren opstanding, en dat in ons
1) Uitgesproken te Elberfelrl in den jare 1855.
De Red,
75
leeft, wat de apostel Paulus uitroept Philip. 3 vs.
10 en 11: opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding, en de gemeenschap Zijns Ujdens, Zijnen dood gelijkvormig wordende; of ik eenigs-zins moge komen tot de wederopstanding der dooden!
De hoofdsom der waarachtige leer der zaligheid is en blijft, dat de mensch, wie hij zich ook verheelt te zijn, op het allerdiepst vernederd, en de Heere op het allerhoogste verhoogd worde. Aan den mensch, zooals hij van nature is, mag niets goeds overblijven, en die roem zal den Heere gegeven moeten worden, dat Hij alleen goed is, en dat Zijne goedertierenheid duurt tot in eeuwigheid! Eerst dan, wanneer de Zijnen dit recht geleerd hebben, is het des Heeren welbehagen, door hen, een iegelijk in zijnen eigenen kring en beroep, iets tot heil en ten nutte van anderen te laten tot stand brengen, maar dat geschiedt nooit voor dat zij in het niet zijn verzonken voor Zijn allerheiligst woord, voordat zij geleerd hebben zich voortdurend voor Gods rechterstoel te verwerpen en te verdoemen, zoodat zij al wat goed is alleen aan den Heere en Zijne vrijmachtige genade toeschrijven, zich zeiven echter veroordeelen en met Salomo leeren uitroepen; want geen memch is er, die niet zondigt (1 Kon. 8 vs. 46) en Spreuk. 20 vs. 9: wie kan zeggen: ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijtte zonde? Daar de Heere het zijne lieve kinderen bij ervaring wil leeren, dal waar de sonde meerder geworden is, de genade veel meer overvloedig is geweest (Rom. 5 vs. 20''), ontdekt Hij hun aan hunne eigene ellende niet op eenmaal, maar voor en na, langzamerhand moeren meer. Bij den aanvang der bekeering worden de Zijnen plotseling aangegrepen en vervuld door het
76
smaken en proeven Zijner vrijwillige liefde, of wel ter neder geworpen door het gevoel van Gods toorn en van hunne eigene ellende en verdorvenheid. Maar o! hoewel dit alles van den Heere geschiedde, hleef er toch nog zoo veel onverbroken en on verbrijzeld in hen over. Daarom laat Hij in Zijne goddelijke wijsheid alles zoo te zamen loopen, dat de trotsche inbeeldingen des harten in het stof zinken, en dat de ziel liet door en door leert verstaan: het is genade, liet is niets dan genade, waardoor ik arme mensch gered kan worden! Om ons dit bij te brengen heeft de Heere Zijne eigene middelen en wegen. Als Hij maar even Zijn goddelijk aangezicht verbergt, zien des Hoeren kinderen spoedig in hunne eigene harten, wat de Profeet Ezechiël in de afvalligen en afgodendienaars zag, namelijk gruwelijke boosheden, afbeeldingen van allerlei gruwelijk en onrein gedierte, allerlei afgoden en drekgoden, geschilderd en afgebeeld op wanden (ook des harten). Van stap tot stap storten de Zijnen van hunne zelfgemaakte hoogten in den afgrond huns verderfs, en Hij, die nochtans hen draagt op vleugelen, als eens arends, laat hen wel eens zóó diep vallen, dat zij het hun geheele leven lang indachtig blijven; want zij hebben het ondervonden, dat zij in hunnen val de rotsmuren zóó nabij waren gekomen, dat zij gewis daartegen verpletterd zouden zijn, ware Hij, hun getrouwe God en Zaligmaker, niet toegeschoten en had Hij hen niet zóó doen nederstorten, dat ze in Zijne armen terecht kwamen. O! dan wordt de Psalm: âuiL diepten van ellenden'''' nog geheel anders gezongen dan bij den aanvang van den weg. De Heere, die het echter zoo heerlijk en koninklijk verstaat Zijn arm volk uit diepten van ellenden op
77
te heffen, openbaart zich alsnu aan hunne zielen op zulk eene wijze, dat zij bij ziclizelven niets meer dan zonde en dood gewaar worden en zij nochtans te gelijkertijd vast gefondeerd worden in de belijdenis: in Hem alleen is ons heil; en op deze belijdenis leven en sterven zij. En wat dan nog, ook na herhaalde openbaringen en verootmoedigingen van hoogmoed en eigenwaan in hen blijft leven, dat weet Hij door Zijnen Heiligen Geest wel onder den voet te houden, zoodat de mensch zich vrij en vrank beweegt in allo Godc welgevallige werken, of rust in stillen vrede, al naarmate de Geest in de raderen is, en het eene of het andere werkt. Toen de Heere aan Abraham verscheen, na de geboorte van Ismaël, en na de instelling der besnijdenis hem de vervulling der belofte als zeer nabij voorstelde, toen Sara over de belofte Gods lachte, en ook Abraham er het zijne van mag gedacht hebben, sprak hij tot den Heere in zijn gebed voor Sodom: zie toch, ik heb mij onderwonden le spreken lol den Heere, hoewel ik stof en assche ben (Gen. 18 vs. 27). Toen de Heere Job geantwoord had uit een onweder, en met hem had gesproken, zeide Job, hoewel hij zich dapper tegen de eigengerechtigen verdedigd had: mei hel gehoor des oors heb ik u gehoord, maar nu ziel U mijn oorj, daarom verfoei ik mijzelven, en heb berouw in stof en assche (Job 42 vs. 5 en 6). Toen Agur de vraag opwierp: wie heeft al de einden der aarde gesteld, hoe is Zijn naam, en hoe is de naam Zijns Zoons, zoo gij het weel, toen bekende hij tegelijkertijd van zichzelve: Voorwaar/ ik ben onvernuftiger dan iemand, en ik heb geen menschenversland; en ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen
78
gekend (Spreuken 30 vs. 4h en vs. 2). David, de man naar Gods harte , moest het een en andermaal ondervinden, wat de mensch, wat de bekeerde mensch is, als hij in hoogmoed en verblinding meent op eigene beenen te kunnen staan, en zoo is hij diep verootmoedigd, ja geheel verbroken en verbrijzeld, gelijk wij zulks weten uit de geschiedenis van Uria en uit die der volkstelling. Salomo, die wijze man, zou zijn lid der liederen niet ter neder schrijven, voordat hij volkomen te niet gemaakt en voor zich zeiven een arme dwaas was geworden door de afgoderij zijner vreemde vrouwen. Toen Jesaja de heerlijkheid des Heeren Heeren zag, riep hij uit: wee mij! ivant ik verga! dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in t midden eens volks, dal onrein van lippen is (Jes. 6 vs. 5) en de stemme die zegt: Roept: alle vleesch is gras en al zijnequot; heerlijkheid eene hloeme des velds, kwam eerst tot hem, toen eene kool van het altaar zijne lippen had aangeroerd , en de Heere tot hem had gesproken zie! deze (de kool des altaars) heeft uwe lippen aangeroerd, alzoo is uioe misdaad van u geweken, en uwe zonde is verzoend (Jes. 6 vs. 7). In Daniël bleef er geen kracht over, toen de Heere zich aan hem in een gezicht geopenbaard had: Daniël 10 vs. 8 en 9. Ik dan werd alleen overgelaten , en zag dil groote gezicht, en er bleef in mij geene kracht overig; en mijne sierlijkheid werd aan mij veranderd in eene verderving, zoadat ik geene kracht behield. En ik hoorde de stem Zijner woorden; en toen ik de stem Zijner woorden hoorde, zoo viel ik in eenen diepen slaap op mijn anngezicht, met mijn aangezicht ter aarde. En ys. 16: En ziet, Een, den menschenkinderen gelijk,
79
raakte mijne lippen aan; toen deed ik mijnen mond open, en ik sprak, en zeide lot dien, die tegenover mij stond: Mijn Tleere, om des gezicht s wille keeren zich mijne weeën over mij, zoodat ik geen kracht behoude. Johannes getuigt van zich zeiven in de Openbaring: toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijne voelen, en Hij leide Zijne rechterhand op mij, en sprak tot mij: vrees niet! Ik ben de Eerste en de Laatste. Op. 1 vs. 17.
De Apostel .Paulus heeft het nooit of nimmer kunnen vergeten, dat hij de gemeente des Heeren vervolgd had, en noemde zich daarom âden voorna am sten der zondarenquot;, prijst echter tegelijkertijd de barmhartigheid, die hem was wedervaren, en getuigt dat het Evangelie een getrouw en aller aanneming waardig woord is. Ja, waar hij spreekt van de eerste openbaring, die hem van 's Heeren wege te beurt viel, spreekt hij daarvan in de nederige ja diep ootmoedige woorden: En ten laatsten van allen is Hij ook van mij, als van eenen ontijdig geborene gezien, want ik ben de minste van de apostelen, die niet waardig ben een apostel genaamd te worden, daarom dat ik de gemeente Gods vervolgd heb. 1 Cor. 15 vs. 8, 9. En hij, die vóór anderen roemen kon, roemt het liefst over de dingen zijner zwakheid, en klaagt er luide over, dat een Satansengel hem met vuisten slaat. En o! welk een welbehagen heeft hij in het antwoord des Heeren op zijn gebed: Mijne kracht wordt in zwakheid volbracht! Ik niets, maar de genade Gods, die met mij is, die is alleen alles, zoo luidt de grondtoon van zijne verkondiging. Ook van Petrus wil de Heere, dat wij het leeren zullen: de mensch niets, wie hij ook zij, en de
80
Heerc alléén alles. Wij, die des Heeren zijn, kunnen het van Petrus leeren, dat ook de zwaarste zondeval op zich zelf niet in staat is ons van zonde te overtuigen, en te doen zien, dat er in ons, dat is in ons vleesch, niets goed woont. Ach! al zijn wij nog zoo verbrijzeld en verbroken door 's Heeren trouwe, vaderlijke hand, al was ons berouw nog zoo oprecht, ja! al heeft de Heere meer dan eens van vrede tot onze ziel gesproken , zoodat wij Hem in Zijn liefelijk licht als den Vorst des levens in al Zijne liefelijkheid en genade hebben aanschouwd, zoo zouden wij toch weer in al onze verkeerdheid en hoogmoed ons op zelf gemaakte hoogten vastzetten, zoo de Heere geen raad wist tegen alle onze verkeerdheden. Maar o! Hij verstaat het zoo koninklijk, door Zijne trouwe en genadige beproeving en ontdekking, alles voor de zijnen ter neder te slaan, wat in hunne harten en nieren huist, en niets anders is, dan zelfaanbidding, dan zelfverheffing boven anderen. En in welke schrikkelijke vlammen zoude dit alles niet uitbarsten, zoo Hij niet wegen met ons insloeg, waarop ons voortdurend de dwaasheid en afschuwelijkheid onzer zelfverheffing in 't oog moet vallen! En sloeg de Heere niet telkens met de Zijnen, vooral met Zijne menschenvisschers zulke verootmoedigende wegen in, niemand hunner zoude volharden met de handhaving Zijner geboden, en met het getuigen van Zijne genade en ontferming.
Grelijk de Heere nu bij Zijnen Petrus raad heeft geweten, om hem als een trouwen Godsgezant, te doen volharden bij het getuigenis van vrije, souvereine genade, wist Hij er hem ook voor te bewaren zijne mededieustknechten en dienstmaagden te slaan, en te eten en te drinken met de dronkaards. Daarvoor
81
wilde de Heere Zijnen Petrus behoeden, Hij wilde niet, dat Petrus zich zelve zoude zegenen, maar dat hij door handhaving der goddelijke wet de mededienstknechten Christ! aan zich zeiven zoude ontdekken , en door luide verkondiging van Gods vrije genade in Christus Jezus, een medewerken hunner blijdschap mocht zijn en blijven. Dit was het doel, waarmede de Heere Jezus aan Petrus de verootmoedigende vraag richtte: Simon, zoon van Jonas, held gij mij liever dan deze? (dan deze mij hebben) Hij zeide lol Hem: Ja, Heere! gij weel, dal ik u liefheb. Hij zeide lol hem : weid mijne lammeren. Hij zeide wederom lol hem len tweede male: Simon, zoon van Jonas! hebl gij mij lief-, hij zeide lol Hem; ja, Heere! gij weel, dat ik u liefheb. Hij iride lol hem: hoed mijne schapen. Hij zeide tol hem len derden male: Simon zoon van Jonas! hebt gij mij lief? Hij zeide lol Hem: Heere! gij weel alle dingen, gij weel, dal ik u liefheb. Jezus zeide tol hem: weid mijne schapen. Joh. 21 vs. 15â17.
Wat wij u echter mede wenschen te deelen, omtrent des Heeren doen met Petrus, wordt uit de meeste vertalingen van deze woorden niet recht duidelijk, en daarom willen wij ze u nauwkeurig volgens den Griekschen grondtekst wedergeven. Aldaar luiden zij: âToen zij nu den maaltijd gebruikt had-âden, sprak Jezus tot Simon Petrus: Simon Jonas-âzoon, hebt gij Mij lief? Meer als deze? Spreekt âhij tot Hem:. Heere, Gij weet, dat ik van U boude. âSpreekt Jezus tot hem: weid mijn lammertjes. Spreekt âJezus tot hem ten tweedenmale: Simon, Jonaszoon, âhebt gij Mij lief ? Petrus spreekt tot Hem : Ja Heere, âGij weet, dat ik van ü houde. Sprak Jezus tot âhem: hoed mijne schapen! Toen spreekt Jezus tot
82
âhem ten derdenmale; Simon, Jonaszoon! houdt gij âvan Mij? Toen werd Petrus treurig, omdat Hij ten âderdenmale tot hem zeide; houdt gy van Mij. En âhij (Petrus) antwoordende zeide tot Hem: Heere! âGij weet alle dingen, Grij weet, dat ik van U houde. âToen antwoordde hem Jezus: weid mijne schapen.quot;
Het is eene uitgemaakte zaak, dat de beide Griek-sche woorden welke âliefhebbenquot; en âvan iemand houdenquot; beteekenen dikwijls voor elkander en door elkander kunnen gebruikt worden; zoo schrijft onze apostel verscheidene malen: de discipel dien Jezus liefheeft, éénmaal in Joh. 20 vs. 2: de discipel van wien Jezus âveel hieldquot;. Johannes 5 vs. 9 zegt hij: de Vader âhoudt van den Zoonquot; en Joh. 3 vs. 35: de Vader âheeft den Zoon liefquot;. Echter is het niet twijfelachtig en blijkt liet uit het gansche verband, waarin deze woorden hier voorkomen, dat er hier wel terdege onderscheid is te maken, en de Heere hier aan deze twee woorden een verschillende be-teekenis hechtte.
Dit verschil is het volgende: Waar men âliefheeftquot; daar is een band, een gloed; daar is een verlangen, eene begeerte naar het geliefde voorwerp; waar men liefheeft, daar is bewondering, eerbied, vertrouwen , daar neemt men iemand met vreugde en juichen op, en smaakt volkomen vrede in zijne of hare tegenwoordigheid , daar is alles hartezaak, en geen hartstocht; waar men âvan iemand houdtquot;, beschouwt en verzorgt men die, als zijn eigendom-, kust en liefkoost het, maar het is alles meer voorbijgaande hartstocht en overlegging des verstands dan eene zaak des harten. Men kan van meer dan een persoon âhoudenquot;, en als men alleen âvan iemand houdtquot;, zonder iemand van harte âlief te hebbenquot;, dan is er
83
nog iets in den weg, weswegen de liefde niet volmaakt is. Een groot redenaar (Marcellus, Hoofdst. 5) zeide eens tot iemand: âwie zoude ooit gedacht âhebben, dat er bij de liefde, die ik voor u koester, ânog iets bij konde komen. En toch kwam er zoo âveel bij, dat het mij voorkomt, alsof ik u nu eerst âlief had gekregen, en vroeger alleen van u hield.quot;
Na de maaltijden hadden de ouden het gebruik allerlei gesprekken te voeren, die, uit het gemoed ontsproten, ook tot het gemoed van anderen den weg moesten vinden. Dat was zoo de geschikte tijd en ure daarvoor. De Heere bediende zich alzoo ook van de geschiktste tijd en ure, toen ziel en lichaam gesterkt waren door het genotene maal, en Petrus ziel alzoo geopend was om de woorden des eeuwigen Herders, die als spiessen en nagelen zijn, zoo in zich op te nemen, dat ze nooit meer uit zijn harte wijken zouden. Petrus had zichzelven zeer op den voorgrond gesteld. Hij alleen had zich in zee geworpen, hij alleen het net voortgesleept. Jezus spreekt hier tot Simon Petrus, dat is tot dien, dien Hij een rotssteen genoemd had, die in de ure der verzoeking schandelijk bezweken was, oiaar door 's Heeren vergevende genade, volkomen vergiffenis en ontferming had gevonden.
Simon Jonaszoon of Simon Bar-Jona, zoo noemt de Heere Petrus in dit gesprek driemaal. Met dezen naam had Hij hem ook genoemd, toen Hij hem voor liet eerst tot zich riep, zooals wij zulks lezen: Joh. I vs. 43. En hij leidde hem lolJezxis. En Jezus hem aanziende, zeide; Gij zijl Simon, de zoon van Jonas, gij zult genaamd worden Cefai, hetwelk overgezet wordl, Petrus (d. i. rotssteen), Jona beduidt: duive. Alzoo: gij Simon, gij, die door Mijnen genadigen
84
blik u toegeworpen, hebt geleerd om _ genade en vergiffenis aller uwer zonde te roepen, te roepen uit de diepte, waarin gij u vrijwillig en moedwillig had gestort, gij die echter, ook na ontvangene en vernieuwde genade op u zei ven zoo zwak zijt, als het jonge eener duive, gij, hebt gij mij liever dan deze? De Heere herinnert Petrus hier, aan zijn antwoord den Heere gegeven, toen Hij kort voor Zijne gevangenneming tot de Zijnen had gezegd: in dezen nacht zult gij allen aan mij geergerd worden; het antwoord luidde immers: al werden zij ook allen aan u geergerd, ik zal nimmer meer aan u geergerd worden, Matth. 26 vs. 33, en vs. 35 : Al moest ik ook mei u slerven, zoo zal ik u geenszins verloochenen.
Ach! wat was er van al die schoone voornemens, toen zeker in oprechtheid uitgesproken, in de werkelijkheid geworden ? En deze beschamende vraag: hebt gij mij liever dan deze? richtte de Heere tot zijnen Petrus, opdat die zou leeren te bekennen, dat hij in zijn volharden bij de leer der zaligheid, in zijne trouw tegenover den Heere, geen haar beter was, dan al des Heeren lieve volk. Die vraag verbrijzelde hem. Liefhebben? hij, den Heere meer liefhebben dan de andere Hem liefhebben, ach! daar kon hij zelf niet meer aan denken! Ja, van den Heere lief te hebben meer dan de anderen, daar zelfs durft hij geen woord meer van reppen; want helaas! hij had het wel anders getoond in het paleis en in het voorportaal des hoogenpriesters.
Uitgegeven bij W. MEIJER te Utrecht, Jerusalemsteeg. Voor Doitschland verkrijgbaar bij F. BÃCKMANN, Elberfeld. Prijs per Nnmmer 3 Cts. Franco per post 4 Cts.
SCHRIPTVERKLARINGEff
VAN
Dr. H. Fi KOHXBRÃGOE.
Evangelie Johannes XXI
Wat hij echter, niettegenstaande dit alles tocli nog in zijn binnenste meent te bespeuren, is dat hij nochtans genegenheid voor den Heere koestert, dat hij âvan Hem houdtquot;. Dat was nu de werking van den eersten genadeslag, hem door den Heere gegeven in zijne trouwe liefde: dat hij zich niet meer voor beter en getrouwer kon houden, dan de andere discipelen waren, zich dus niet meer boven zijne broeders kon verheffen. Had hij dit vroeger zoo vaak gedaan, nu waagt hij zelfs niet meer uit te spreken, dat hij den Heere liefheeft, hij gevoelt zich geheel en al onbekwaam daartoe, maar, dat hij zich nochtans aan den Heere verknocht voelt, dat hij nochtans âvan den Heere houdtquot;, dat kon hij niet zwijgen, dat moet hij toch luide uitspreken. Maar de Heere antwoordt niet veel op Petrus verzekeringen, en zegt hem eenvoudig: weid mijne lammeren. Met het woord lammeren bedoelt de Heere, de kleinen, de eerstbeginnenden, de zwakken in het geloof, dezulken, met wie men gewoonlijk meent te kunnen en te mogen doen, wat men wil, omdat aan hen toch zooveel niet is gelegen. Maar met dat âmijnequot;, mijne lammeren, spreekt de Heere het uit, dat deze kleinen en geringen, niet aan Petrus, niet aan eenig menschenkind, wie dan ook, toebehooren, maar, dat No. 94. 17 Augustus 1889.
86
zij Zijn eigen, dierbaar, duur gekocht eigendom zijn, waarvoor Hij Zijn dierbaar bloed heeft vergoten. Die moest Petrus âweidenquot;. Hij moest ze dus niet slaan, niet bedroeven, maar op groene grazige weiden brengen, waar zij dat kostelijke, versterkende voedsel zouden vinden, dat zij in hunne zwakheid van noode hadden. En dat moeten alle herders en voorgangers in 's Heeren gemeente van hunnen oversten Herder leeren, en dat weet Hij die herders, die waarlijk van Hem gezonden zijn, ook wel bij te brengen: hoe Hij de lammerkens in Zijne armen vergadert en in Zijnen schoot draagt. De Heere wilde alzoo tot Petrus zeggen: nu gij het zoo aan uzelven hebt gezien, dat gij uit uzelven noch geloof hebt, noch liefde , zooals die behoort te zijn, dat is liefde niet uit een gedeeld, maar uit een volkomen harte, nu gij hebt leeren inzien, dat gij in de ure der verzoeking geen oogenblik kunt blijven staan, zoo Ik u niet vast-houde, welaan! heb dan ook geduld met de eerst-beginnenden en zwakken, gelijk Ik met u hebbe, en wees onder mijnen staf, waarmede Ik u geleide, een barmhartige en zachtmoedige voorganger en opziener over de zwakken en ellendigen, en geef hun zulk voedsel, dat zij verdragen, en waardoor zij groeien en bloeien kunnen.
Maar het duurde uiet lang, of de Heere gaf Petrus eenen tweeden slag. Simon, Jonas' zoon! hebt gij Mij lief? vraagt de Heere hem ten tweede male, als wilde Hij zeggen: ik vraag u niet of gij genegenheid voor Mij koestert, of gij veel van Mij houdt, maar of gij Mij liefhebt, want uwe liefde wil Ik hebben, uw hart geheel, onverdeeld, met al uwe zinnen. En in dezen zin, vraag Ik u: hebt gij Mij lief? En Petrus antwoord was wederom zeer
87
bescheiden: Heere! Gij weet dat ik van U houde. Ach! de herinnering aan zijne zonden en overtredingen, de kennis, die hij had verkregen van zijn eigen, diep bederf, verhinderden hem het voor des Heeren aangezicht luide uit te spreken, dat hij Hem lief had, maar zeer bescheiden en vreezende nog te veel te zeggen, spreekt hij weder: Heere! Grij weet dat ik van U houde. Maar ook op deze betuiging schijnt de Heere weinig acht te slaan, want Hij zegt eenvoudig: hoed Mijne schapen. Met âschapenquot; bedoelt de Heere hier de meergevorderden , die reeds verder op den weg waren gekomen dan de eerstbeginnenden. âHoedenquot; beduidt hier, alles verrichten, wat het herdersambt met zich brengt. De Heere wilde hem alzoo zeggen: durft en kunt gij het van uzelven niet in waarheid zeggen, dat gij Mij lief hebt, zoo blijf daaraan gedenken, en leg mijnen schapen geen lasten op, die gij zelf niet kunt dragen, maar behandel hen in ieder opzicht, zooals Ik ze kenne en zooals gij o herder! uzelven hebt leeren kennen, en leer hen met David roepen, en roep gij zelve ook voortdurend voor cn met hen en voor uzelven: Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uwen knecht, want Uwe geboden heb ik niet vergelen, Ps. 119 vs. 176. Voeg u tot hen, die het van Mij leerden en voortdurend leeren, te bekennen: Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijnen weg, maar de Heere heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanloopen, Jes. 53 vs. 6. Petrus, die zich-zelven nu door en door had leeren kennen, als een zwak, ellendig menschenkind, moest leeren des Heeren schapen te troosten en voor te lichten met de waarheid: Gij nu, o schapen, schapen Mijner weide,
88
gij zijl menschen, maar Ik ben uw God, spreekt de Heere Heere, Ez. 34 vs. 31.
Het duurde echter niet lang, of de Heere brengt Zijnen Petrus een nog treffender, een nog meer yer-ootmoedigenden slag toe, door hem plotseling, alsof Hij van Petrus verzekeringen niets geloofde, te vragen; Simon, Jona's zoon, houdt gij van Mij? (zoo staat er dit derdemaal in den grondtekst). De Heere wilde daarmede zeggen: Welaan! gij kunt niet van uzelven zeggen, dat gij Mij âliefhebtquot;, maar verzekert het, dat gij âvan Mij houdtquot;, maar is ook dit wel waar? Moet Ik ook dit niet in twijfel trekken? hebt gij geen aanleiding daartoe gegeven door uw lafhartig gedrag, door uwe menschenvrees, door uwe eeden, dat gij Mij niet kent ? Onderzoek u nog eens goed, beproef uzelven nog eens goed, en zie dan eens of gij wel werkelijk âvan Mij houdtquot; I Of er niet veel is, dat niet alleen nevens Mij, maar boven Mij de genegenheid uws harten bezit, ja of er werkelijk wel eenige genegenheid tot Mij in dat booze hart woont! Deze uitspraak des Heeren nu was vreeselijk, om te vernemen voor Petrus, en verbrijzelde hem geheel en al. Hij werd er treurig en geheel verslagen onder en sprak: Heere! Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik âvan U houdequot;. Wederom schijnt de Heere weinig acht te geven op Petrus woorden, en wederom is het: weid Mijne schapen! en dat wel, ofschoon Petrus zich op Hem beroept als op den Alwetende, als op dengene, die de harten en nieren des menschen beproeft, en tot op den grond toe kent.
Petrus, lezen wij verder, werd bedroefd, omdat de Heere ten derde male tot hem sprak: âSimon Jonaszoon! houdt gij van Mij?quot; O hoe gaarne had
89
Petrus het uit'sHeeren mond vernomen: âNu, welaan! Petrus, dat wil Ik wel gelooven, dat gij van Mij houdt, dat gij genegenheid tot Mij gevoelt, dat betwijfel ik niet in het minstequot;, want o! wij worden zoo gaarne geprezen en opgehemeld door God en menschen! Het bedroefde Petrus, dat de Heere hem alles ontnam, wat hij nog meende te bezitten, alles, waar Petrus zooveel mede op had, en waarmede hij zich toch ten verderve zoude geholpen hebben, zoo de Heere het hem niet had ontnomen in Zijne trouwe liefde. Hij werd treurig, omdat de Heere tot hem zeide, dat hij, Petrus, niet eenmaal van den Heere hield. Aan deze hem toegebrachte wonde scheen Petrus te moeten doodbloeden, voor deze treurigheid scheen er geen troost te bestaan; en bovendien, het was immers het laatste gesprek, dat de Heere met hem hield op aarde? O hoe moest deze vraag des Heeren hem door merg en been, door hart en ziel heensnijdcn, want zij deed hem het ijdele en nietsbeduidende van al zijne verzekeringen zonneklaar inzien, en daar de Heere er geen acht op scheen te slaan, kon hij er zelf ook niet langer op bouwen. Hoe naakt, hoe ontdaan van alle heerlijkheid moet hij zich gevoeld hebben, maar â juist zóó was hij wel toebereid, om des Heeren schapen te weiden. Ik zeg om die te âweidenquot; juist zooals hij de lammer-kens des Heeren âiveidenquot; moest. Want des Heeren Jesu eigene schapen worden op het laatst weer kleine lammertjes gelijk, en zoo diep als Petrus hier kwam te zitten, nadat de Heere begonnen was hem te onderzoeken, zoo diep komen al des Heeren schapen voor en na ook te zitten. Hun trouwe overste Herder verstaat het zoo goed, hen van al hunne zelfgemaakte hoogten af te brengen, en dan
90
moeten zij ten slotte evenzoo geweid worden, als de zwakke en zwakste lammerkens, d. i. met genade, en genade alleen. quot;Welke voorganger heeft daar verstand van ? wie heeft liefde, geduld, barmhartigheid met, wie heeft een hart voor de schapen? Die voorganger alleen, die met de geheele gemeente Grods belijdt: weet, dat de Heere is God; Hij heeft ons gemaakt {en niet wij) zijn volk en de schapen zijner weide, Ps. 100 vs. 3.
Petrus ontving hier eene onderwijzing van den Heere, die hij wel nooit meer zal vergeten hebben, en wel onthouden moest, tot zijn eigen troost en tot troost van anderen. Hij zoude het van zichzelven ondervinden, dat wanneer men oud en grijs is geworden in 's Heeren dienst, men toch ten slotte weer wordt als een hulpeloos kindeke, ja een weder-strever, een rebelleerder tegen Gods wegen en leidingen, en dat het alleen de Heere is, die door allerlei, vaak harde, maar altoos doeltreffende middelen en wegen, die Hem wel ter hand zijn, het in genade voor ons bewerkt, dat ons einde een Hem verheerlijkend einde zij.
Wat nu volgt, lieve lezer, bewijst de waarheid der goddelijke woorden, die wij in Jesaia 48 vs. 8 lezen Ook hebt gij ze (d. i. de dingen, die de Heere vroeger verkondigd had) niet geweien, ook van toen af is uw oor niet geopend geweest: want Ik heb geweten, dat gij gansch trouweloos handelen zoudt, en dat gij van den buik af een overtreder zijt genoemd en Jes. 43 vs 2ih: Gij hebt Mij arbeid gemaakt met uwe zonden, gij hebt Mij vermoeid met uwe ongerechtigheden. Om dit duidelijk te maken laat de Heere volgen: Voorwaar! Voorwaar zeg Ik u, al gelooft gij het nu niet, maar komen.
91
zal het , ervaren zult gij het, opdat gij met David leert zeggen; opdat Gij rechtvaardig zijt in uw spreken en rein zijl in uw richten, Ps. 51 vs. 6''.
Toen gij jonger waart gordel gij uzelven, en wan-deldet alwaar gij wildet. Hiermede wilde de Heere zeggen: bij den aanvang uwer bekeering, en tot op den huidigen dag wist gij u vlug op de been te maken, gij verstond het in eigene of verleende kracht, hetzij in oprechtheid, hetzij in overmoed en zelfverheerlijking, allerlei op touw te zetten, allerlei te doen en te drijven, wat gij voor recht hield; als een held boodt gij allen vijanden het hoofd; maar: wanneer gij oud zult geworden zijn, dan zal Mijn Geest u nog wat anders leeren, namelijk, wat de profeet Jeremia zegt (Capittel 9 vs. 23 en 24): Zoo zegt de Heere: Een tv ij ze beroeme zich niet in zijne wijsheid en de sterke beroeme zich niet in zijne sterkheid, een rijke beroeme zich niet in zijnen rijkdom. Maar, die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat en Mij kent, dat ik de Heere ben, doende weldadigheid, recht en gerechtigheid op aarde, want in die dingen heb ik lust, spreekt de Heere; en Jeremia 10 vs. 23: Ik weet o ITeere! dat bij den rnensch zijn weg niet is, het is niet bij eenen man, die wandelt, dat hij zijnen gang richte. Dus: wanneer gij oud zult geworden zijn, zult gij uwe handen uitstrekken, gij zult u met uwe handen niet meer dapper kunnen verweren, zooals gij deedt, toen gij zooveel ophad met de kracht en bekwaamheid dezer uwe handen, en toen gij, naar eigen keus en overleg, het zwaard kondet trekken, om er de vijanden mede te verslaan, en een ander, een vijand, zal u gorden, d. w. z. u, die tot nu toe een vrij man waart, binden naar zijne, niet naar uwe keuze. Zoo sprak de Heere
92
ook tot zijnen knecht Ezechiël: Want u aangaande, menschenkind! ziel, zij zouden dikke touwen aan u leggen, en zij zouden u daarmede hinden, Ez. 3 vs. 25. Dan, o Petrus! wilde de Heere zeggen, zal men u geleiden, als een hulpeloos kind, als een schaap ter slachtbank, en dan zult gij niet willen, maar gij zult tegenstreven, gij, die het zoo plechtig verzekerd had: âik ben bereid, om met u in de gevangenis en âin den dood te gaan.quot; Toen zeide Ik totu: quot;Waar âIk heenga, kunt gij Mij nu niet volgen, maar gij âzult Mij namaalsycAgen,quot; dit zeide ik totu, o mijn Petrus, toen gij Mij verzekerd had, âik zal mijn leven voor U zettenquot;. Dit ânamaalsquot; zal komen, en dan zult gij ondervinden, wat men te gelooven heeft van den best gemeenden wil en genegenheid des menschen, om zijn leven voor Mij te laten. Gij zult ondervinden, dat gij u alsdan daartegen zult verzetten, ja, dat het alleen de overmacht der vijanden zal zijn, die er u ouder Mijn bestuur toe zal brengen werkelijk uw leven voor mij te laten. Ja, deze onwil, dit tegenstreven van uw eigen hart, zal nog de bitterste droppel zijn in den beker, die u gereikt zal worden. Dat de Heere dit zeide met het oog op Petrus dood, weten wij uit de verdere woorden van den Evangelist, die luiden: en dit zeide Hij, he-teekenende hoedanig en dood hij sterven zoude. Dit schijnt nu wel in tegenspraak te zijn met zichzelven, want hoe kan dit zaraen gaan, niet te willen sterven, en nochtans God door zijnen dood te zullen verheerlijken? Deze schijnbare tegenspraak, lieve lezer, lost zich op, gelijk de duisternis zich oplost, als de zon opgaat in hare pracht.
Toen de Heere dit gezegd had, sprak Hij verder tot Petrus: volg mij. O welk een genadig woord!
93
Het zijn de zonen, die Hij lief heeft, die Hij kastijdt en geeselt, en daarom, wolgelukzalig, die Hij kastijdt en leert uit Zijne wet! Daar stond nu Petrus, ontdaan van al zijne vermeende heerlijkheid en al het goede, dat hij meende te bezitten, of ooit inde toekomst hoopte te bereiken, was hem uit de handen genomen, en de Heere zelf had het hem duidelijk gemaakt, dat hij den Heere niet liefhad, ja niet eenmaal van Hem hield, en hoe hij dit ook mocht tegen spreken, en het tegendeel beweeren, het hielp hem niets, en zijne verzekeringen konden hem tegenover den Heere niets baten.
Men zoude meenen, dat, toen Petrus zóó vernederd, zóó van alles ontdaan was door den Heere, hij ook verootmoedigd zoude zijn tot in den diepsten grond des harten, maar hiervan is weinig bij hem te bespeuren, en evenals wij allen, die van Adam zijn gekomen, blijft hij een verkeerde, een tegenspreker tot aan zijn laatsten snik, hoewel hij met zijnen dood, al was het dan ook tegenstrevende, den waren God Israëls verheerlijken zoude; maar toch laat die trouwe Heere en Heiland hem niet varen, maar roept hem nochtans toe: Volg Mij. Waarheen moest Petrus den Heere volgen? Waarheen gaat het dan, als men in waarheid den Heere volgt? Door lijden, nood, angst en tegenspoed, door tranen, benauwdheden en verdrukking, door heeten strijd, vaak tot den bloede toe, in en door den dood henen â in den eeuwigen vrede, in de eeuwige heerlijkheid, in de eeuwige ruste! Zoude Petrus, zonder dit trekkende: âvolg Mij quot; des Heeren Jezus, nog weggeloopen, nog afgevailen zijn? Ja! zonder dit woord des Heeren, gewis; want, als de mensch van alles ontkleed en ontdaan is, en niets
94
meer gewaar wordt dan oude zonden en nieuwe nooden, zal hij dan den moed hebben te volharden in 's Heeren weg, tenzij de Heere hem vasthoudt en moed inspreekt door Zijn allerheiligst Woord, en verkwikkende beloften ?
Het is genade, nederbuigende en ontfermende genade jegens ons, arme zondaren, lieve lezers! dat het Evangelie ons duidelijk doet zien, hoe slecht Petrus toen nog de liefelijke woorden des Heeren verstond en ter harte nam, want, in plaats van allen en alles te laten varen, de hand in eigen boezem te steken en zich zeiven te beproeven met hetgeen hij van den Heere vernomen had, in plaats van dooide geweldige prediking, die tot hem was gekomen, verootmoedigd en geheel verbrijzeld te zijn, daar deze prediking hem inwendig had moeten verpletteren, bewijst hij opnieuw hoe diep het menschelijk verderf is, en, dat er uit onze harten, ook na ontvangene genade, niets voortkomt dan onverstand en verkeerde overleggingen.
Petrus, zoo lezen wij, zich omkeerende, zacj den discipel volgen, welken Jezus liefhad, die ook in het avondmaal op Zijne borst gevallen was en gezegd had: Heere, wie is het, die u verraden zal? Jezus en Petrus wandelden alzoo te zamen vooruit, en Johannes liep achter hen; want o, lieve lezer! er is in 's Heeren gemeente altoos zoo de een of ander, die maar achteraan komt, zoo maar achteraan hinkt, en van wien wij in onzen hoogmoed meenen, dat hij wat geheel anders op het oog heeft, dan wij, daar hij veel minder op heeft met hetgeen in ons oog alleen geldt, en alleen in aanmerking komt; en daarom schatten wij den zoodanige ook niet zoo hoog, als wij onszelven en sommigen, die ons roemen en
95
prijzen, hoogschatten: terwijl toch zulk een achteraan loopende, die weinig mede wordt geteld, de ondubbel-zinnigste bewijzen van zijne trouw en aanhankelijkheid aan het Woord des Heeron heeft gegeven en nog geeft, zonder groote gedachten van zich zei ven te koesteren, ja, die zulke bewijzen gegeven heeft meer dan wij. Petrus wilde niet gaarne hooren, wat de Heere hem onder het oog bracht, daarom keerde hij zich om en zag Johannes achter den Heere aankomende. En wat werd hij gewaar? Wat hem nog als een gebod moest worden voorgehouden, dat deed Johannes reeds geheel van zeiven, zonder dat hij vooraf gevraagd had; Heere geldt dit woord ook mij, en zoo voelde Petrus zich door Johannes bestraft.
Als Pelrus, zoo lezen wij verder vs. 21, dezen zag, zeide hij lol Jezus: Heere! maar wal zal deze? Petrus meende: als zoo mijn lot zal zijn, wat zal dan wel met dezen geschieden, die boven ons allen Uw vertrouwen geniet, zoo als wij in den laatsten nacht voor uw lijden en sterven aan het avondmaal duidelijk bespeurd hebben? Met deze vraag werpt Petrus, als het ware, de geheele toepassing van wat de Heere hem had voorgehouden, verre van zich af, hij zoekt uitvluchten, zoo als wij dat ook zoo vaak doen, en bemoeit zich, geheel en al onnoodig daarmede, hoe een ander handelt en wandelt, en wat diens toekomst wel zal opleveren. Want de toepassing van hetgeen ons bestraft en verootmoedigt en ons onze rechte plicht voorhoudt, wenden wij gaarne van ons af, en zoeken er een ander aan te toetsen en te beproeven. âJa,quot; zeggen wij dan âik zal zeker âwel eens geleid worden, waar ik niet heen wil, maar âdeze of die zal gewis wel in uwen hemel komen.
96
âdeze Johannes zal wel aan uwe rechter- of linkerhand âkomen te zitten in uw koningrijk: zooals zijne moeder âhet voor hem gebeden heeft. Ja, voor hem hebt gij âaltoos meer over gehad, dan voor mij! en ach! ik âheb het ook wel verdiend, dat zulk een vreeselijk âlot, als gij mij voorspeld hebt, het mijne wordt!quot; Zoo spreken wij Petrus na, en vergeten, dat het eigenlijk eene hooge eere en onderscheiding was, die Petrus te beurt viel. Petrus zelf zag er zooveel heerlijks niet in: integendeel, hij werpt die hem door 's Ileeren vrijmachtige genade verleende onderscheiding verre van zich, en verwijt het den Heere als het ware, dat hij voor Johannes iets veel beters, een veel heerlijker levenslot had weggelegd. Johannes, ja! die stond veel hooger bij den Heere aangeschreven , dan hij, Petrus, en hij vergat bij zulk eene dwaze redeneering geheel en al, waarop voor Johannes dat vermeende heerlijker levenslot, die eervolle bestemming uit zoude loopen!
De Heere echter, die niet moede noch mat wordt om zijne afgedwaalde schapen weer op het rechte spoor te brengen, Hij, die vol is van liefde en ontferming , Hij, die weet wat maaksel wij zijn, gedachtig dat wij stof zijn, schenkt op nieuw aan Petrus de genade, die hij met deze vraag omtrent Johannes, van de hand had gewezen. Hij geeft hem antwoord op zijne vraag, maar, dat antwoord geeft aan Petrus ten duidelijkste te kennen, dat Hij, de Heere, Sou-verein is, en met het Zijne en met de Zijnen doet, wat Hem welbehaagt, en dat Hij van Zijn doen en laten niemand rekenschap schuldig is. Een ieder heeft voor zichzelven te weten, waartoe Hij van den Heere geroepen is, en â te volgen. Daarom antwoordde de Heere ook; indien ik wil, dat hij blijft, d. i.
97
in het leven blijve, totdat ik kom â met deze woorden betuigt de Heere, dat Hij alleen souverein is en de Heere over dood en leven. Met dit âtotdat Ik komquot; bedoelt de Heere, datzelfde âkomenquot;, waarvan Hij ook voor Kajafas en het Sanhedrin getuigenis had afgelegd, en de Heere wilde hier Petrus in herinnering brengen, dat Hij stond te komen als een Rechter over levenden en dooden, en dat hij, Petrus, alsdan rekenschap zoude moeten afleggen voor al zijne werken. Wat gaat het ons aan, lieve lezer! in betrekking tot onzen naaste? Wat gaat het u aan zeide de Heer tot Petrus, dat is uwe zaak niet. O het dunkt ons menschen zulk eene lichte zaak, den Heere te volgen! en waar men zichzelven nog niet kent, en dus nog meent iets bijzonders te zijn, daar is het spoedig uitgesproken: Heere ik zal u volgen, waar gij ook heen moogt gaan, maar o! hoe slecht laat men de zaak liggen! Komt echter in waarheid '5 Heer en bevel tot ons, dan ervaren wij het wel, hoe zwaar het valt daaraan te gehoorzamen, ja, hoe onmogelijk dat is voor vleesch en bloed, en hoe gaarne wij er ons van zouden ontslaan, Hem te volgen en van Hem getuigenis af te leggen, en te midden van een krom en verdraaid geslacht, de ééne gerechtigheid, die voor God geldt te prijzen, en zoo alle ongerechtigheid den mond te stoppen.
Er lag dus in dit: âVolg Mijquot; eene ernstige terechtwijzing voor Petrus opgesloten, maar ook eene vernieuwde roeping, om het Lam te volgen, waar het ook heen moge gaan. Hoe noodig zulk eene vermaning en vernieuwde roeping voor Petrus was, kunnen wij ten duidelijkste zien uit zijn geheel bestaan, waardoor hij, ook nog na het Pinksterfeest aan zijne joodsche vooroordeelen bleef hangen, en
98
er zich niet door eigen kracht van kon bevrijden, zoools wij zulks weten uit zijn gedrag tegenover Cornelius. In den brief aan de Galaten deelt Paulus ons ook mede, dat Petrus in plaats van den Heere te volgen, zonder naar menschen te vragen, er zich in eigen kracht niet over heen kon zetten, â wat menschen, wier adem in hunne neuzen is, van zijnen handel en wandel dachten, en hoe zij dien beoordeelen zouden. Des te heerlijker blinkt bij zulk een karakter de Almacht des Heiligen Geestes uit, wanneer wij bedenken, dat die zelfde Petrus op het Pinksterfeest en ook bij de twistvragen, die omtrent de besnijdenis waren opgekomen (Hand. 15), niet met vleesch en bloed te rade ging, en zich aan menschelijke influistering niet heeft gestoord, maar doorgetast heeft en vrij en vrank uitgesproken heeft, wat hem de Geest gaf uit te spreken. Heerlijk is het ook, later steeds Petrus en Johannes, niet Johannes en Petrus te zamen te zien.
Het is genade, lieve lezers! dat het evangelium, nadat het ons verhaald heeft tot onzen troost, hoe slecht Petrus toen nog des Heeren Jezus woorden verstond, ja welke uitvluchten hij zocht, ons ook mededeelt, dat de andere discipelen het niet beter hebben verstaan dan Petrus, wat de Heere eigenlijk bedoelde. Dit woord dan, zoo lezen wij vs. 23, ging uit onder de broederen, dat deze discipel niet zoude sterven. Welk eene teederheid der liefde! Johannes bestraft zijne medediscipelen niet, maar juist hier, waar zij bewijzen hoe waar des Heeren woord is, dat er uit 's menschen hart louter onverstand voorkomt; juist hier, nu zij zoo dwaas en willekeurig met des Heeren woorden omgingen, en ieder ander zoude gezegd hebben: laat ze varen,
99
het zijn blinde leidslieden der blinden, zij zijn nog geheel ontbloot van geestelijke kennis en onderscheiding , juist daar noemt Johannes hen: âbroedersquot;, âer ging een woord uit onder de broederen.quot; Wie tot zijnen broeder zegt: gij dwaas! die zal strafbaar zijn door het helsche Tuur. Ziet gij, lieve lezer! zulk eene terechtwijzing, als Johannes hier geeft, bestraft het beste en scherpste, namelijk dat men eenvoudig zegt: dit of dat heeft Hij gezegd, zoo of zoo staat er geschreven, zonder wjjdloopende uitleggingen er bij. Vroeger was Johannes ook onverstandig geweest, maar o hoe lieflijk wist hij hen nu des Heeren Woord uit te leggen en duidelijk te maken! En Jezus, zegt hij, had tot hem niet gezegd, dat hij niet sterven zou, maar: Indien Ik wil, dat hij blijft, totdat Ik home, wat gaat het u aan. En nu was het nog de vraag, wie van deze twee het meest lijden zoude, Petrus tot wien de Heere gesproken had: waar Ik heenga, kunt gij Mij nu niet volgen, maar gij zult Mij namaals volgen, maar die, den marteldood stervende, spoedig van alle lijden en tranen was ontheven, of Johannes, die nog hier in dit jammerdal is moeten blijven tot na de verwoesting van Jeruzalem, en nog in de ruimste mate heeft moeten beleven, wat Samuël en Jesaja, wat Jeremia, wat Daniël en Mozes beleefd en ondervonden hebben. Ach! hij heeft met zijne oogen afval op afval moeten aanschouwen en daarover smart op smart gevoeld, zoodat hij in waarheid den kelk, dien de Heere uitgedronken heeft, tot op den bodem toe heeft moeten ledigen. Dat was nog een geheel ander, een oneindig zwaarder lijden, dan wat Petrus moest ondergaan. Er is alzoo geen oorzaak om hen te benijden, die de Heere van andere men-
100
schen onderscheidt, want zulken zjjn meer dan andere geplaagd en geslagen.
Heerlijke genade is er ook te vinden in de woorden : Deze is de discipel, die van deze dingen getuigt, en deze dingen geschreven heeft. Want hij teekende deze dingen, ja alles, wat wij in zijn heerlijk Evangelie vinden, op, in eenen tijd, toen alle bewijzen ontbraken, dat zijn getuigenis waarheid was. Maar juist tegenover den helschen storm, die zich, toen hij zijn Evangelie schreef van alle zijden tegen het Woord des Heeren met macht verhief, liet hij in naam van alle geloovige zielen, die toen ter tijde leefden, volgen: en wij welen dat zijn getuigenis waarachtig is. Dat klinkt juist zoo, als wanneer hij in zijn eersten zendbrief zegt: doch wij iceten dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat ivij den Waarachtige kennen; en wij zijn in den Waarachtige, namelijk in Zijnen Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en hel eeuioige leven. Kinderkens! bewaart u zeiven van de afgoden. Amen. 1 Joh. 5 vs. 20 en 21, en 1 Joh. 2 vs. 18: Kinderkens! het is de laatste ure, en gelijk gij gehoord hebt, dal de anti-chrisl komt, zoo zijn ook nu vele anti-christen geworden, waaruit wij kennen, dat het de laatste ure is. Johannes noemt zichzelven een discipel, d. i. een leerjongen, een die nog school gaat, een die nog veel heeft te leeren, want, o lieve lezer! als men te strijden heeft met het tegendeel van wat men gezien en gehoopt heeft, op goede gronden gehoopt heeft, dan ervaren wij eerst, hoe onwetend wij zijn, en dat wij bij voortduring moeten leeren geestelijk te spellen, te lezen, te rekenen en te schrijven.
En, om nu ook alle latere geloovigen moed te
101
geven in dezen geestelijken strijd, en hen te verzekeren, dat het hun aan geen troost, noch raad, noch hulp, noch uitkomst zal ontbreken te midden van nood, zonde, dood en ellende, besluit Johannes tegen alle tegenstrijdigheden van het zichtbare zijn Evangelie met deze plechtige woorden, die wel zonder overdrijving waar zullen blijven: er zijn nog veie andere dingen, die Jezus gedaanjieeft. Jezus, zegt hij, de Zaligmaker, die Zijn volk zalig maakt van hunne zonden, die een volkomen Uithelper is uit nood en dood, uit verdrukkingen en uit allerlei lijden. Welke, zoo zij elk bijzonder geschreven werden, ik acht, ik Johannes, die beleefd heb en nog beleef, dat God genadig is, en dat Hij woord houdt tegen alles in, dat ook de wereld zelve, de geschreven hoeken niet zoude bevatten. Bevatten, dat is begrijpen, of ook omvatten, d. w. z. dat de wereld daartoe te klein zoude zijn. Dit schreef Johannes toen hij zijn Evangelium besloot, en zonder nu te spreken van de achttien eeuwen, die sedert dien tijd verliepen, en waarin het getal der zaken en wonderen, die Jezus gedaan heeft in Zijne gemeente en ten behoeve van Zijne heiligen, die Hem aangeroepen hebben uit alle geslachten en tongen en natiën, welke wonderen het getal der sterren verre te boven gaat, zoo vraag ik aan een iegelijk, die uit groote verdrukking is gekomen; zou de wereld de boeken kunnen bevatten, die volgeschreven moesten worden, wilden wij, die het lijden en den dood Christi gelijkvormig worden gemaakt, ai de wondere dingen één voor één beschrijven, die Jezus aan en voor ons gedaan heeft?
Het Evangelie van Markus sluit bijna even zoo als dat van Johannes: en de Heere wrocht mede, lezen
102
wij aldaar, en bevestigde het woord door teekenen, die er op volgden. Maar alzoo sluit het Evangelie, om ons in ons zielenlijden te troosten, alzoo om het Israël Gods te midden der smarten en angsten, die het in deze wereld te verduren heeft, te bemoedigen met de vaste belofte, dat Hij hen redden en uithelpen zal, en dat wij nog meer wonderen van genade en uitredding te wachten hebben, dan wij reeds beleefd hebben, want zoo luidt Zijne belofte: Zie! Ik ben met ulieden alle de dagen tot aan de voleinding der wereld! Amen!
Uitgegeven bij W. MEIJER te Uikecht, Jerusalemsteeg. Voor Duitschlaiid verkrijgbaar bij F. BÃCKMANN, Elterfeld. Prijs per Nnmmer 3 Cts. Franco per post 4 Cts.
8 C H R1F T V E R K L A K 1 \ G H N
van
Dr. H. F. KOHLBRÃGQE
Geliefden! De Apostel Paulus schrijft aan de Filippensen, dat het hem niet verdroot hun hetzelfde nogmaals te schrijven, want dat was hun goed, opdat hun hart bevestigd wierd. Zoo moge het ook ons niet verdrieten, maar mogen onze harten veeleer vastgemaakt en bevestigd worden, wanneer wij altoos en altoos weer dieper ingeleid en bevestigd worden in de zaligmakende waarheid, dat Christus is opgestaan uit de dooden.
Allereerst hebben wij van deze opstanding den troost, dat zij waar is, en dat het geen kunstig verdichte fabel is, maar eeuwige waarheid, wanneer wij zeggen : Christus is opgestaan uit de dooden. Daarvan schrijft de Apostel Paulus : indien Chriitm niet opgestaan is uit de dooden, zoo is uw geloof te vergeefs, zoo zijt gij nog in uwe zonden.
Als wij deze waarheid vernemen, dan zeggen wij menschen gewoonlijk : maar is dat ook voor mij, geldt dat ook voor mij ? zonder dat wij er werk van maken,
No. 111.
Met hoeveel belangstelling- onze lezers ongetwijfeld de Schriftverklaringen over Exodus zullen gelezen hebben, ge-looven wij, dat het hun niet onwelkom zal zijn, nu het Paaschfeest eerst even achter den rug ligt, eene uitlegging van twee verschijningen des Heeren Jezus Christus aan Zijne discipelen te ontvangen. Wij nemen dan later de verklaringen omtrent de omzwervingen der kinderen Israëls weder 0p- Red.
19 April.
ons hart in de schiftuurlijke en historische waarheid der opstanding Jezu Christi vast te maken. O, begin er toch eens mede, mijne geliefden, indien gij wenscht te weten of het ook voor u is, met deze schriftuurlijke waarheid in uw harte te bewegen en te overwegen : »Christus is gestorven voor onze zonden, en opgewekt tot onze rechtvaardigmakingquot;, opdat dit vast bewezen feit, deze daadzaak, in uw gemoed leve en gij daaraan van ganscher harte gelooft. Zie! terwijl gij dit feit overdenkt en overweegt, zal de Heilige Geest onverwacht en ongedacht dit antwoord in u geven ; ook voor mijne, zonden, is Hij gestorven, ook voor mij is Hij opgestaan. Wie eene groote schuld heeft te betalen, en zich deswege in groote verlegenheid bevindt, die moet vóór alles weten, of er een middel is, dat hem uit zijne verlegenheid redden kan, of er ergens geld voorhanden is, waarmede hij zijne schulden kan betalen. Wat ik zeg, moge vreemd klinken, maar het is gewisselijk waar. Want, in den grond des harten wordt nooit en nimmer de waarheid der opstanding Jezu Christi geloofd, tenzij de Heilige Geest ons deze zaligmakende waarheid leere verstaan, en er ons telkens weer in bevestige. En geschiedt dit, dan volgt ook gewis de zalige troost ; ook voor mij is Hij opgestaan, en ik ben niet meer in mijne zonden! Want, immers, indien de Apostel schrijft: «indien Christus niet uit de dooden is opgestaan, zoo is uw geloof ijdel, zoo zijt gij nog in uwe zonden,quot; zoo ligt in zijne woorden opgesloten : »indien Hij echter waarlijk opgestaan is, zoo is uw geloof niet ijdel, zoo zijt gij niet meer in uwe zonden ! maar hebt eenen genadigen God en Vader, een getrouwen Heiland daar boven in den hemel.quot; En is deze troost in het hart aanwezig, dan wordt die ook wezenlijk gesmaakt te midden van de
3
dagelijks gemaakte ervaring van de treurige waarheid, dat wij midden in den dood liggen; zoodat te midden van onzen dood ook dagelijks verlossing, en opstanding uit dezen dood geloofd wordt. Dat hield o. a. onzen lieven broeder David staande, toen hij vluchten moest voor Saul, den tyran, en hij, door al zijne broederen uitgeworpen, zich moest verbergen aan het hof van Achis, den koning der Filistijnen. Toen riepen immers al de vorsten der Filistijnen: ha ! is dat niet David, de toekomstige koning van Israël, hij, die onzen Goliath dood heeft geslagen V Dat hoorde David, en het werd hem bang om 't harte, en hij wist geen ander middel, om zich te redden, dan zich gek aan te stellen, zoodat de zever hem in den baard liep, en Achis hem ook werkelijk voor krankzinnig hield. En zie! niettegenstaande dit alles, geloofde David aan uitkomst, aan uitredding, aan opstanding uit den vreeselijken dood, waarin hij aan Achis hof verkeerde. Hij geloofde niet aan uitkomst en opstanding, toen hij verlost was uit het hof van Achis, maar juist toen hij nog daar in den vreese-lijksten nood en dood lag verzonken. En dit geloof, dat gelooft tegen al het zichtbare, ja tegen den dood in, is ook het eenige en geschikste middel om te midden van alles wat ons treft, staande te worden gehouden, en niet te vertwijfelen, aan de Almacht, hulp, trouw en genade van onzen God. Het is ook het eenige middel, om over eiken nood, eiken dood henen, op den gekruisigden en uit den dooden op-gewekten Christus te zien, het eenige middel om op God te blijven vertrouwen, en op Hem te blijven hopen, om hulp, verlossing, leven uit den dood, zoodat men, midden in den dood liggende, nochtans uitroepen kan : verblijd u niet over mij, o mijne vijandinnel wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan;
4
wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal mij de Heere een licht zijn, Micha 7 vs. 8, en:
Ik zal door 's vijands zwaard niet sterven,
Maar leven ; en des Heeren daan,
Waardoor wij zoo veel heils verwerven,
Elk, tot Zijn eer, doen gadeslaan.
Vs. 118 vs. 8b.
Dit moest ik u in gedachtenis brengen, mijne geliefden ! want het menschelijke hart is van nature hoogmoedig en opgeblazen, en het meent groote dingen te kunnen doen, en op eigen voeten te kunnen gaan en staan, maar dit ijdele vertrouwen staat alleen vast, zoolang er geen nood is, en het lieve zonnetje schijnt. En dat zelfde hoogmoedige hart kan iu ééne minuut, ja in ééne seconde zoo veranderen, dat het wanhoopt aan alles, dat het siddert en beeft, als espenloof, en niets meer vasthouden kan, noch vast houden wil!
Nog eens, ik herhaal het; het klinkt vreemd, als ik u zeg, dat wij, van nature, niet aan de opstanding Jezu Christi kunnen gelooven, en dat het daarom hoog noodig is in deze zaligmakende waarheid voortdurend bevestigd te worden. Dat wij in deze waarheid bevestigd en versterkt worden, hoewel wij ze niet kunnen gelooven, dat is de genade en barmhartigheid van onzen God. Hij geeft ons het dierbare Evangelie, opdat, indien wij beschaamd zijn en diep berouw gevoelen over ons ongeloof, wij in Zijn Woord zouden lezen, dat God de Heere zulke ongeloovigen niet verwerpt vanwege hun ongeloof, maar dat Hij Zich hun deerniswaardigen toestand aantrekt, en dat Hij * gewisselijk ter Zijner tijd en ure, komen zal, om hunne arme, voortgedrevene en benauwde zielen vroolijk te maken met Zijnen troost en met Zijnen
5
vrede. Dan zien wij uit dat heerlijke Evangelie, dat de Heere ons vanwege ons ongeloof niet verwerpt, maar ons vriendelyk onderwijzen wil, opdat wij het geloof aan Christus opstanding niet zouden laten varen.
Laat ons, om hierin bevestigd te worden, te samen lezen, wat geschreven staat;
Ev. Joh. 20 : 19, 20.
Als het dan acond irax, op denzdven eersten dag der week, en als de deuren gesloten maren, waar de discipelen vergaderd, waren, om de vreeze der joden, kwam Jezus en stond tn 't midden, en zeide tot hen : Vrede zij ulieden. En dit gezegd hebbende, loonde Hij hun Zijne handen en Zijne zijde. De discipelen dan werden verblijd, als zij den Heere zagen.
De discipelen waren hier vergaderd : de discipelen des Heere Jezus, tot welke de Heere Zelf gezegd had dat vleesch noch bloed hun had geopenbaard, wat zij van Hem wisten, maar hun Vader in de hemelen: de discipelen, die gedurende drie jaren het vertroostende en heilzame onderwijs van den Heere genoten hadden, die hoog begenadige discipelen, tot wie de Heere Zelf gezegd had : »ulieden »is het gegeven, de verborgenheden van het koning-gt;rijk der hemelen te kennen, maar tot degenen, die »buiten zijn, spreek ik door gelijkenissen, opdat zij »ziende, niet zien, en hoorende, niet hooren, noch ook »verstaanquot; ; die discipelen zien wij hier vergaderd, tot wie de Heere gezegd had: »gij zijt steeds bij Mij »gebleven in alle mijne verzoekingen, en Ik veror-»dineer u het koningrijk, gelijk Mijn Vader het My »verordineerd heeft.quot;
Deze discipelen waren vergaderd, maar zij waren gewis niet in eene stemming zoo opgewekt en vroolijk, als waarin velen uwer zijn, als zij het schoone
6
paaschlied aanheffen, dat de Heere door Zijnen dienstknecht Luther ons geschonken heeft:
Hij die in doodsche banden lag,
Voor onze schuld gegeven,
Is opgestaan ten derden dag.
En bracht ons zoo het leven.
Daarom laat ons vroolijk zijn,
God danken met klanken rein.
En zingen : Halleluja !
Neen! de stemming, waarin zulke woorden gezongen worden, ontbrak hun geheel en al, en verslagen, verlegen, hard bekommerd, met het hoofd op de borst gezonken, en vol vragen der twijfelmoedigheid, zaten zij daar ter neer. Zij konden 's Heeren weg maar niet vatten, noch begrijpen: is er dan niets meer waar van Gods waarheid V Hebben wij ons dan al deze jaren lang bedrogen ? Dood is Hij! dood is Hij! En wat die vrouwen nu ook mogen praten, wij, juist wij, die Hem het allernaast stonden, hebben Hein niet gezien. Neen! wij kunnen het niet gelooven, wij willen het niet gelooven, en al konden wij het gelooven, wij willen het niet gelooven, en kunnen het ook niet, al wilden wij. Maar dat is wonderlijk, dat, niettegenstaande dit alles, die droeve twijfelaars nochtans vergaderd waren. Het zwaard had den Herder getroffen, de schapen waren verstrooid geworden, maar ziet! dat is nu die wonderbare gemeenschap der heiligen, dat is de Geest, die in hen was, dat is het onvergankelijke zaad, waaruit zij waren geboren ! Dat was het, wat hen te zamen dreef, zoodat de een den ander opzocht en zij elkaar hunnen angst, hunnen nood, hunne bezwaren en twijfelingen mededeelden.
Wat was dat nu voor ecne kerk, wat was dat nu voor eene vergadering ? In plaats van zich onderling
te bemoedigen en te versterken, maakte de een den ander nog maar meer bezwaard en twijfelmoedig, en men hielp zich over en weer nog maar dieper in nacht en duisternis. De een was zoo wijs als de ander: »Gods Woord, nn ja! God! de Heere »Jezus ! ja, daarvoor hebben wij immers den groot-»sten eerbied; en wij. willen gewis dat niet laten »varen, noch in het minste daarvan afwijken. »Maar wij hebben immers niets dan den gruwe-»lijksten dood voor oogen ? alles, alles is met ons »iiit en gedaan.quot; Dat zegt nu Johannes wel niet uitdrukkelijk, maar Lukas deelt ons mede (Luk. 24 vs. 11) dat de woorden der vrouwen, die den levenden Heere gezien hadden, hun, den discipelen, i j del geklap schenen te zijn, en zij haar niet geloofden.
En toch was het des Heeren Woord, dat die vrouwen tot hen spraken, en dat zij van den Heere ontvangen hadden. Want zoo had immers de Heere Zelf tot Maria Magdalena en de andere vrouwen gesproken : boodschapt het mijne broederen, dat Ik opgestaan ben en hen voorga naar Galilea. Maar de discipelen wilden de vrouwen niet gelooven. Zij zaten zoo diep in angst, in nood, in vertwijfeling en vreeze ! Dn deuren waren ge-'doten, zoo bang waren zij, dat de dienstknechten des Hoogepriesters zouden komen, en sommigen uit hen zouden gevangen nemen.
O wat is het volk des Heeren toch een zonderling volk: het gelooft, en terwijl het gelooft, gelooft het toch niet. Eng sluit het zich aan elkander aan, maar terzelfder tijd gevoelt het weinig of niets van den zaligen band, die hen allen te zamen houdt, maar een ieder gaat gebukt onder den zwaren last, die op zijne schouders rust, het hoofd hangt op de toegeschroefde borst, allerlei twijfelingen drijven de ziel heen en weder, en nochtans is er in het harte een vragen naar den
8
levenden God! Zullen wij dit niet ter harte nemen, en ons zeiven eens afvragen : gelooft gij het eigenlijk wel ?
Klinkt u dat ook niet als ijdei geklap in de ooren, als een ander u verkondigt: zoo gewis als Jezus opgestaan is, zijt gij niet meer in uwe zenden, ofschoon gij er naar uw gevoel diep in ligt verzonken ? En zoo gewis, als Jezus uit de dooden is opgestaan, zijt gij uit al uwen nood verlost, al zijt gij benauwd van alle zijden V Neemt gij dit onvoorwaardelijk aan,als een ander u dat predikt V Kunt gij dat aannemen, dat eer zon en maan en sterren van den hemel zullen vallen, eer God éen eenig gebed der Zijnen niet eindelijk, eindelijk verhoeren zoude, of liever eer hij niet reeds al uwe gebeden verhoord heeft, terwijl gij denkt, dat Hij doof is voor uwe klachten? Eer zullen zon, ma n en sterren van den hemel vallen, eer de Heere Jezus den duivel zoude veroorloven één enkel schaapje Zijner kudde te verslinden. En al waart gij ook in den muil des vaders der leugenen, des helschen vijands vastgeraakt, ja zóó diep in zijne keel verslonden, dat gij er alleen als bij een oorlapje uit kunt worden getrokken, zoo komt gij er toch ge-wisselijk uit, zoo waar Jezus Christus uit de dooden is opgestaan ! Ja ! het is u nu weder gezegd en nogmaals gezegd, maar als morgen of overmorgen het bij u is : oude zonde en nieuwe nood, hoe zal het er dan bij u uitzien ? Ach 1 leer toch eens allereerst u op eene rij te stellen met die discipelen des Heeren Jezus, die daar zoo vol schrik en vreeze vergaderd waren, en leer dan eens uit 's harten grond bekennen : ik geloof evenmin iets van 's Heeren opstanding als zij; en wat ik daaromtrent ook heere, wat men mij daarvan verkondige, wat ik ook daarover moge gelezen hebben, ik geloef de opstanding
9
van den Heere Jezus niet, en ik kan ei- niet aan gelooven. Deze zonde moet erkend en beleden worden, en onze onmacht om te gelooven, verontschuldigt ons in geenerlei opzicht! En waar het harde ongeloof een arm menschenkind waarlijk tot zonde wordt, daar wordt ook zijn harte verbrijzeld. Grg blijft op uwe zonden zitten, in uwen nood, gij wenscht wel, dat alles met u anders werd, zoudt ook gaarne uit allen onvrede en vreeze verlost zijn, en dat zoude dan onmiddellijk moeten plaats grijpen, als gij het wilt. Maar zoo is 's Heeren weg niet. Hij wil ons leeren door geloof, en niet door aanschouwen, te wandelen. Dat verstaat eene huisvrouw toch wel, als ik tot haar zeg; wat staat gij te klagen over die groote menigte vuil linnen, dat gij te reinigen hebt ? Hier is water, hier is zeep ! Dat het linnen vuil is, weten wij, maar wat baat het daarover te jammeren en te klagen ? Dat het goed niet ingewreven, niet in het reinigende water gestoken wordt, dat is verschrikkelijk, want zoo blijft alles vuil, en gij blijft, als de avond naakt, nog met ai uw onrein waschgoed zitten. En gelijk de onreinheid van het linnen op zich zeiven geen beletsel is tot zijne reiniging, zoo staat de zonde ook den Heere niet in den weg om u te verlossen, maar dat moet u de hoofdzonde, de zonde aller zonden worden, dat gij het harde ongeloof en de onzalige twijfelingen niet voor zonde erkennen wilt; want het is niet anders, dan ons ongelukzalig en dwaas ongeloof, dat ons verhindert genade te gelooven, waar niets dan zonde gezien wordt; leven te gelooven, waar wij midden in den dood liggen ; waar eenzaamheid en verlatenheid gevoeld en ervaren wordt, den hoed te zwaaien en blijde uit te roepen : »omdat gt;Christus van God verlaten is geweest, kan ik nooit gt;en nimmermeer van God verlaten blijvenquot;. De
10
discipelen waren vol vrees, maar te midden van hunne vrees voor de Joden hadden zi] nochtans geloof. Zij geloofden wel niet, dat Jezus opgestaan was, maar nochtans was er geloof bij hen aanwezig, een geloof echter, waarvan zij zich zeiven geen rekenschap konden geven, noch rekenschap van konden afleggen; want immers zij waren vergaderd. Waren zij geheel en al ongeloovig geweest, dan zouden zij zich niet op straat gewaagd hebben, maar toen uit Jeruzalem gevlucht zijn. Dat doen zij echter niet, maar zij komen te zamen : en zoo bleek het zaligmakend geloof in hen te wonen, maar nochtans zagen en gevoelden zij niets dan het hardste ongeloof. Wat was daarvan de oorzaak? Omdat zij, om te kunnen gelooven, den Heere Jezus Zelf wilden gezien hebben, zij moesten de waarheid Zijner op ⢠standing zelf ondervinden, zelf ervaren hebben. Maar wat is de oorzaak hunner en onzer vreesachtigheid ? De zonde is de ware oorzaak der vreesachtigheid want ach ! hoe schandelijk was hun gedrag geweest! Zij waren immers allen lafhartig op de vlucht gegaan, zij die gezworen hadden : neen ! wij gaan met u in den dood, wat er ook gebeure, wij blijven u getrouw, toij verlaten en verloochenen u nimmermeer ! Want zulk eene goede meening heelt een mensch, die nog niet aan zich zeiven ontdekt is, van zich zei ven. O, als de groote Herder daar boven ons niet door alle diepten en engten henen draagt, dan zijn wij allen, o ! zoo spoedig van den rechten weg af, en vlieden verre, verre van Hem. Ja, het was de zonde, het was het kwade geweten, dat deze vreesachtigheid in hen veroorzaakte. Indien zij geen zonden op het geweten hadden gehad, zij zouden de deuren niet zoo angstvallig gesloten hebben, en zouden niet zoo bang zijn
11
geweest voor de Joden. Want, als ik een rrij geweten heb, behoef ik banden, noch dood te vreezen, behoef ik niets te schuwen, wat God mij over het hoofd wil doen komen. Dan kan ik rustig zingen :
De Heer is bij tnij, 'k zal niet vreezen ;
De Heer zal mij getrouw behoên.
Daar (rod mijn schild en hulp wil wezen,
Wat zal een nietig rnensch mij doen ?
Ps. 118 vs. 3b.
Maar hadden dan de discipelen nooit van de opstanding des Heeren Jezus uit de dooden gehoord ? Had dan de Heere Jezus niet voorzegd, dat Hij zoude opstaan, uit de dooden ? Hadden zij het niet in de Schrift kunnen lezen, en was het hun niet door de vrouwen, die dierbare zusters in den Heere, luide aangezegd, dat het werkelijk geschied was ? Ja ! maar antwoord gij eens, lieve lezer ! heeft de Heere Jezus ook niet reeds menig woord tot u gesproken ? misschien wel onlangs, toen gij mocht aanzitten aan Zijnen disch ? En kort daarop â och ! misschien wel aan dien disch zeiven, ontmoette u het een of ander, en het hoofd zonk weer op de borst en alles was weer geheel verkeerd en verdraaid in uw binnenste. Zie ! dan wordt de rnensch door vreeze overvallen, het verstand, het geestelijke verstand bewolkt zich, het hoofd duizelt, en dan gelooft men niets meer dan dood, verderf en ondergang, en de gedachte aan verlossing en opstanding is verre van ons gevloden.
Niets geloofden deze jongeren, zij konden niets gelooven, zij wilden ook niets gelooven, want de zonde belette hun zulks. Heilzame weg! 0 mijne geliefden ! waren wij ook maar in waarheid over onze zonden bezwaard! Gewis! de discipelen wensch-
12
ten van ganscher harte, dat, wat zij gehoord hadden, waar mocht zijn, zij hongerden en dorstten er na, den Heere Jezus te zien, maar nochtans was het hun bang om 't harte. O welk een heilzame weg ! waarop de raensch door de heilige wet Gods alzoo wordt ter nedergeworpen, dat hij een waarachtig en berouwvol gevoel zijner zonden ontvangt ! Is maar eerst het waarachtige berouw over de zonde in het harte gewerkt, dan ontstaat er ook strijd in dat verbrijzelde en treurende hart, en wel daarover dat men de opstanding gaarne wilde, maar niet kan ge-looven, een hevige strijd ontbrandt in het binnenste, waarbij het nacht, stikdonkere nacht wordt in de ziel, en ook het laatste vonkje van licht wordt nit-gebluscht, zoodat men de vertwijfeling nabij is. Maar dan is ook de Heere niet verre, en ongedacht en ongemerkt, staat Hij bij zulk een ter dood toe benauwd en wanhopig menschenkind.
Den duivel ten hoon verscheen de Heere Jezus na Zijne opstanding allereerst niet aan eenen man, maar aan eone zwakke vrouw, en dat wel aan Maria Mag-dalena, uit wie Hij zeven duivelen had uitgeworpen. Ook de tweede verschijning viel het zwakkere geslacht te beurte, want het waren wederom vrouwen, die Hij op den weg te gemoet kwam en Zijn vriendelijk : »Wees gegroet!quot; toeriep.
Wegens ongesteldheid van een onzer medearbeiders moeten wij met de uitgave der beloofde derde geschenkleerrede nog een korten tijd wachten. De Red.
Uitgegeven bij W. MEIJER, Commelinstraat 33, Amsterdam. Voor Dnitschland verkrijgbaar bij F. BüCKMANN, Eiberfeld. Prijs per Nummer 3 Ots. Franco per post 4 Cts.
SCHUIF TVERKLA K1 ft GEN
VAN
Dr. H. F. KOHI.BRfjGGE.
Kv. Job. 20. (Vervolg.)^
Maar daarna is Hij van lieverlede aan al Zijn volk verschenen, en was Hij ook Zijner discipelen indachtig, en spoedde Zich tot hen, toen zij er nog niets van wisten. Daar zaten zij te samen vergaderd ; zij wierpen zeker allerlei twistvragen op : vragen van mismoedigheid, van wanhoop, van angst, en zoo maakten zij het zich zeiven en elkander banger en banger, duisterder en duisterder. Zie! daar op eens komt Jezus en staat midden onder hen, en spreekt: vrede zij ii! O ! welk eene verrassing was dat! Dat hadden zij nooit durven gelooven, dat terwijl bij hun zooveel zonden waren, bij Hem zooveel genade was! Dat was meer dan zij ooit verwacht hadden, dat Hg het hun wilde vergeven, van ganscher harte vergeven, dat zij Hem getrotseerd hadden en Hem niet hadden geloofd, toen Hij tot hen zeide : in dezen nacht zult (jij allen aan mij geërgerd worden. Maar zóó is de Heere ! zóó openbaart zich steeds de waarheid Zijner opstanding. Gesloten waren de deuren om de vreeze der Joden, en in hun ongeloof meenden zij; nu wij de deuren gesloten hebben, kan God, kan de Heere Jezus ook niet binnen komen. Gewis! dat is eene heldin, die, waar de nood ten top is gestegen, met het »nochtans des geloofsquot; komt en het waagt uit te spreken: hoe vreeselijk het er ook uit moge zien, toch staan de zaken andere ! Maar wij arme men-schenkinderen, verstaan van nature niets anders, dan onze deuren te sluiten, om door dezen maatregel, zoo wjj meenen, nog ergeren nood en angst uit onze huizen en harten te houden, en dan sluiten wij vaak niet
No. 112. 26 April.
14
alleen onze deur, maar de vensters er nog bij, en doen de blinden potdicht, opdat er toch maar geen straaltje van licht en uitkomst in ons hart schijne. En dan klimt de nood wel eens zóó hoog, dat, waar God begint te troosten, men door de hevigheid dei-smart geen troost aannemen kan, ja ook niet aannemen wil. »Ja! zegt dan het benauwde hart, voor ⢠anderen moge dat alles gelden, en ook ik heb het. »als waarachtig erkend en ervaren in de vroegere gt;wegen, die de Heere met mij ging, maar nu ! nu »is het een tijd van algeheelen ondergang !quot; Maar aan al zulke sombere gedachten en redeneeringen stoort de Heere Jezus zich niet, en de wijze waarop Hij komt is geheel zacht en ongemerkt. Hij breekt de sloten en grendels niet in etukken; neen! als Hij komt, laat Hij vooreerst de nood de nood, de vreeze der Joden de vreeze der Joden zijn. Hij slaat de deuren niet wijd open, Hij treedt niet binnen met een legioen engelen, Hij begint niet met den discipelen te verwijten: »waarom zijt gij toch zoo onge-gt;loovig ? Ik ga nu immers alle vijanden op 't hoofd gt;slaan, hunne leugenmonden zullen nu voor goed gt;gestopt worden, zij zullen allen weten, dat ik ben »opgestaan uit de dooden!quot; Neen! zoo handelt de Heere niet; maar gansch ongemerkt en zachtkens, treedt hij binnen. Hij laat de nood, waarin de Zijnen op dat oogenblik verkeeren, voor hetgeen die was, en met zijn verheerlijkt lichaam komt Hij door de geslotene deur henen. Meent nu niet, dat Hij de deur zachtkens geopend en zoo binnen gekomen is, want dat was onmogelijk door de wijze, waarop toen ter tijde de deuren gebouwd waren en open werden gedaan. Niet met uiterlijk gelaat, niet met pronk en pracht, komt de Heere Jezus; Hij verslaat niet plotseling alle Zijne vijanden, want Hij verschijnt
15
niet aan Zijne jongeren om hen opgeblazen en vol inbeeldingen des harten temaken, zoodat zij hunne tegenstanders luide kunnen toeroepen: ziet gi] nu wel, dat wij gelijk hadden en gijlieden ongelijk had ? Hij laat de zaak, zoo als zij is, laat de deur, die gesloten was, gesloten blijven ; genoeg, //?} staat in hun midden!
Waar de Heere Jezus vrede geeft, daar geeft Hg dien niet, zoo als de wereld hem geeft. Bij de wereld heet alleen uiterlijke vrede, vrede, een vrede, die echter spoedig in haat en tweedracht verandert. De vrede, dien de Heere Jezus brengt, is niet zichtbaar, maar een vaste, onzichtbare, waarachtige, zoete en hemelsche vrede, zoodat een arm geplaagd menschen-kind er door getroost is, en God de Heere hem, ofschoon zijn geweten hem aanklaagt, dat hij geen der geboden Gods ooit gehouden heeft, maar nog steeds tot alle hoosheid geneigd is, hem nochtans wil toerekenen, wat Christus gedaan en volbracht heeft. Uiterlijk, zichtbaar, tastbaar, neemt de Heere Jezus, waar Hij met Zijnen vrede komt niet aanstonds nood en dood weg, Hij slaat niet plotseling alle Zijne vijanden dood. Hij maakt niet plotseling een eind aan de boosheid en vijandschap der menschen, want ach! dan zoude Hij wel de geheele wereld in vlammen moeten doen ondergaan ! Neen ! maar, dat is Zijn weg en wijze van regeeren, dat Hij tot op den jongsten dag den duivel duivel, den paus paus laat zijn, en zonde, nood en dood laat woeden hier op aarde. Dat moet zoo blijven tot den grooten dag des oordeels: maar Hij trekt binnen in het arme, verslagen hart. En waar Jezus vrede geeft, daar is ook vrede, te midden van den heetsten strijd, en daar zijn de zonden waarachtig weggenomen, hoe hevig de strijd ook zij, dien men daarmede te voeren heeft, hoe hoog de golven van nood en dood ook mogen gaan ; daar is vrede
16
met God, en een nieuwe, levende weg tot den troon der genade, om voortdurend om genade te blijven bedelen.
Waar de Heere vrede geeft, daar is vrede, te midden van nood en dood, te midden van alle vijanden. Ach ! mijne geliefden ! het is toch niet de vraag, hoe de zaken er hier uiterlijk uitzien, maar, hoe het waarachtig in het harte is gelegen. Gun den duivel maar zijn schijnleven, zijn schijnvrede, zijne schijnoverwinningen! want, waarlijk, onze oogen zullen het nog aanschouwen, dat dat alles ten laatste in verwarring en verrotting zal eindigen. Hier binnen in de borst, in het vaak bange, gejaagde hart is het, dat Jezus Zijnen vrede geeft en als Hij vrede geeft, dan weet men het ook wel. Als de vrede Gods in het harte aanwezig is, dan is men kalm en gerust, gelijk een koning rustig den vijand tegenover staat, als hij zijn wel doordacht en overlegd krijgsplan in den zak draagt. Wat baat hem echter dat heerlijke en kostelijke plan, wat baten hem alle berekeningen, als hij rustig in zijn paleis blyft zitten? Midden onder zijne vijanden moet hij heerschen en vrede hebben. Zoo is het ook gelegen met het koningrijk Gods, met het koningrijk der hemelen, met de heerschappij des geloofs. Vrede, te midden van onvrede, vrede! midden onder de vijanden, dat is 's Heeren leuze.
Als gij nu leest, hoe de Heere Jezus handelt met Zijne discipelen, kunt gij uit het heerlijke evangelie leeren, dat, als gij beschaamd en bedrukt ter neder zit van wege de hardheid uws ongeloofs, de Heere Jezus zulke ongeloovigen als gij, geenszins verwerpt. En, indien gij nu, niettegenstaande uw ongeloof en de hardheid uws harten, hongert en dorst naar vrede met God, zoo geldt u deze troost des evangeliums: Jezus komt door geslotene deuren henen! Toenmaals
17
verscheen Hij zichtbaar en tastbaar, maar nog komt Hij door geslotene deuren des harten henen, en vervult met Zijnen vrede zulk een hart, dat gaarne zoude gelooven, en niet kan gelooven, en dat zich zeiven geheel en al verwerpt van wege dit schrikkelijke ongeloof. Maar de Heere Jezus doet nog meer, als Hij vrede, als Hij Zijnen vrede geeft. Hij eischt geen onbegrensd vertrouwen, geen onwankelbaar geloof van de Zijnen, zooals er wel hoogmoedige menschen zijn, die willen, dat men hen geheel en in alles vertroawe. Neen! dat eischt de Heere niet van de Zijnen, maar Hij behandelt hen gansch zachtkens en liefelijk. De discipelen zien den Heere, zij hooren Zijnen vriendelijken groet: vrfde zij u Heden, maar gelooven, nu te gelooven. neen ! die zaak is hun toch nog al te hoog, dat kunnen en vermogen zij niet. Terwijl Hij nu van vrede spreekttot hunne zielen, willen zij er toch nog niet aan. Hem als hunnen volkomenen Zaligmaker te erkennen. Ziet nu eens Geliefden ! of er wel iets is, dat zoo hoogmoedig en tegelijkertijd zoo vreesachtig is als het menschelijke hart V Het verneemt het evangelie, die blijde boodschap van verlossing en uitkomst, en blijft nochtans aan zonde, nood en dood hangen, en blijft daarop zien. Daar komt nu Jezus, en zij houden Hem voor eenen geest. Maar Hij toornt niet over hun ongeloof, maar komt, als een barmhartig Hoogepriester. hunne zwakheden liefelijk te hulp.
En wat doet Hij nu ? Een wonder ? Schept Hij plotseling eene klok aan den wand, waar er zoo even nog geene hing ? Laat Hij den donder rollen, de bliksemstralen door de lucht schieten ? Schept Hij op eens spijs en drank op den disch, die zoo even nog ledig was ? Zulke wonderen mogen het schijngeloof doen juichen in oogenblikkelijke opgewonden-
18
heid, maar het zaligmakende geloof heeft daar niet genoeg aan: en dat wist de Heere ook. Want Hij weet nog veel beter dan wij zei ven, dat, al hebben wij tal van wonderen en uitreddingen beleefd, wij nochtans, als de nood aan den man komt, even ongeloovig, even verkeerd zijn, als ooit te voren. Neen! om vast te staan, of liever, om vastgehouden te worden is er iets anders van noode! De Heere toont hun Zijne doorboorde handen, Zijne doorboorde zijde, die de krijgsknecht met zijnen speer doorstoken had. Zie! dat is het, waardoor het hart, waarin de Heere Jezus Zijnen hemelschen vrede geblazen heeft, bevestigd wordt. Want, al schenkt cle Heere u Zijnen vrede, toch zal er bij u nog altoos in meerder of mindere mate de herinnering aan uwe zonden overblijven. De Heere heeft wel al uwe zonden en ongerechtigheden in eene zee van eeuwige barmhartigheid en vergetelheid geworpen, maar gij zelve kunt het niet vergeten, welk een snoode zondaar gij zijt en hoe zwaar gij overtreden hebt. Al heeft Hij in genade het geheele pak uwer zonden u van den rug genomen, toch zullen, als gij opnieuw in nood geraakt, allerlei gedachten op u losstormen, b. v. zie! dat doet God zeker om mij de zonden mijner jeugd nog te huis te zoeken. Of wel; waarmede heb ik het toch verdiend, dat de Heere mij zóó zwaar bezoekt ? Ik weet het niet, o Heere V toon het mij toch; dit heb ik gedaan, of dat heb ik misdreven, om welke dezer zonden is het dan nu, dat Uw zware hand op mij rust ? Zoo komt dan de duivel met zijne listen, om u door allerlei beweringen en aanvechtingen dien zoeten zielevrede te ontnemen, dien de Heere Jezus in uw hart had gegeven. Maar ook dan laat de Heere u niet aan den vijand, noch aan u zeiven over, maar Hy vestigt de oogen
19
van uw geestelijk verstand op de wonden in Zijne handen en in Zijne zijde : gt;Ziequot;, zegt Hij dan, »die »wonden zijn Mij, u ten goede, geslagen en gij hebt »daarin een vast bewijs, dat Ik u de zonden uwer »jeugd vergeven heb, en daarvoor heb betaald in »uwe plaats. Deze wonden in Mijne handen, zijn »de kwitantie, en in deze wonden kunt gij ook lezen, »dat gij in Mijne beide handpalmen gegraveerd »zijt. Want al uwe zonden zijn u vergeven ! En zie »nu eens op die wonde in Mijne zijde, en door die »wond henen in Mijn hart, wat leest gij daarin anders »dan trouwe liefde tot u ? Ziet gij dan nu, o ziele ! »welk een Heiland Ik voor u ben, en hoe Mijn hart »van trouwe liefde tot u vervuld is V
En nu volgt er : de. discipelen dan werden verblijd, als zij den llec/re zagen. Zie ! dat is de hemelsche, de waarachtige vreugde, die daaruit ontstaat, dat de Heere ons Zijnen vrede schenkt, ons vervolgens Zijne wonden toont, de wonden Zijner doorboorde handen en zijde, opdat wij altoos meer zouden ge-fondeerd worden op Zijn allerheiligst lijden en sterven, en alzoo daaruit, tegen al onze zonden in, den eenigen waarachtigen, blij venden troost zouden ontvangen. Er staat hier echter niet: de discipelen werden verheugd, toen zij de wonden zagen in Zyne handen en in Zijne doorboorde zijde, maar de discipelen werden verblijd, toen zij dm Heere zagen. Ik kan bij de lidteekenen des Heeren Jezus niet blijven staan, ook niet bij het historische feit, dat Hij uit de dooden is opgestaan, maar ik moet mijnen gestorvenen en uit de dooden opgewekten Zaligmaker Zelf zien met de oogen mijns harten, zoodat ik niet alleen alles, wat Hij voor mij verdiend, maar Hem Zelve hebbe tot mijn eeuwig erfdeel. Aan de lidteekenen in Zijne handen en in Zijne zijde hebben de
20
discipelen den Heere Jezus erkend, en, toen zij Hem erkend hadden, hebben zij niet langer op Zijne lid-teekenen gezien, maar hebben Hem Zelf in 't aangezicht geschouwd. En toen wei-den zij verblijd. Maar zij bleven in de zaal, waarin zij vergaderd waren, de deuren bleven gesloten, en toen zij recht verblijd waren, zie! toen was de Heere weer op eens verdwenen. Wat leeren wij nu uit dit Evangelie? Dit mijne geliefden ! om het nog eens duidelijk te herhalen : allereerst dat wij bij het licht van Gods heilige wet onze zonden en ongerechtigheid leereu
o O o
zien en gevoelen ; en dan, dat, waar vrees en angst ons vervullen en wij niet gelooven kunnen, wij het den duivel daarom niet gewonnen geven, maar Gods Woord, Zijn dierbaar Evangelie ter hand nemen. Dan zullen wij in die discipelen, die daar zoo hopeloos en radeloos vergaderd zaten, onze broeders herkennen ; dan zullen wij met ons gansche hart zeggen : lieve broeder Johannes, lieve broeder Petrus, Bartholomeus, en hoe gij allen heeten moogt! gijlieden zijt van hetzelfde vleesch en bloed als ik, ook u was het onmogelijk iets te gelooven uit u zeiven. Wat ben ik toch blijde eens broeders te ontmoeten, wien het evenzoo ging en gaat als mij ! Broeders! zeg het mij toch eens: zijt gij verlaten gebleven in uwen nood ? En hoe was het u daaronder te moede ? O ! het was mij ontzettend bang en benauwd, ik wilde gelooven, maar ik kon niet! Waarom dan nietV O, dat waren mijne vele en zware zonden, die mij in den weg stonden. Die veroorzaakten in mij zulk eene benauwdheid, dat, terwijl ik van ganscher harte begeerde, dat het waar mocht zijn, dat Hij was opgestaan, ik nochtans dacht: ach! maar (jij hebt immers toch niets aan die opstanding, want, als Hij leeft, dan zult gij niets ontvangen, dan eene scherpe bestraffing, niets beleven, dan dat Hij
21
u ter helle en in de verdoemenis werpt, en iets anders heb ik ook niet verdiend. Maar lieve broeder! bleef het nu daar bij ? Zie ! terwij l wij daar zoo te zamen in een vergeten hoekje vergaderd waren, en de een den anderen alles nog maar duisterder maakte, daar werd op eens de Geest des Heeren vaardig, ik sla den Bijbel op, en mijn oog valt op het liefelijke: vrede zij u lieden en daar kwam ook in eens vrede in mijn hart,/tolt;» weet ik zelve niet! Maar het bleef geen vrede daar binnen, alles werd mij weder bestreden ; oude zouden werden weei' levendig â maar daar wees de trouwe Herder mij op Jezaja 53 ; v: aar lijk Hij heeft ome krankheden on zich aenomen, en onze smarten heeft Hij gedragen. En toen ik daar zoo door Zijnen Geest ingeleid was, herkende ik Hem aan Zijnen vrede, genade en goedertierenheid, zie ! dit is het, wat mij zoo blijde maakt.
Maar lieve broeder V hebt gij dan nu geen zonde en nood meer? Zijt gij, na dat gij vrede hebt gevonden nu over zonde en rood henen V Ach neen ! hoe ouder ik worde, hoe meer stof ik in alle hoeken zie liggen; hoe meer ik naar reinheid verlang, des te meer plaagt mij de onreinheid. Ziet ge, zonde en nood is er nog genoeg aan alle zijden, en de dood plaagt mij in allerlei gestalte -â maar nochtans ben ik verblijd ! Maar waarover zijt gij dan verblijd ? Uiterlijk ziet het er toch niet naar vreugde en blijdschap uit ? Neen ! zeker niet. Maar wat beduidt alie nood en zonde, wat alle geplaag van wereld en duivel tegenover den Heere Jezus V Hnn heb ik gezien, zoo spreekt hij of zij, die gaarne gelooven mocht en niet kon, en toch tegen wil en dank in gelooven moest, in Zijn Woord is Hij mij verschenen, ik heb Hem gezien en Zijn vrede heeft Hij mij in 't harte gegeven. Jezus leeft, en voor Hem is alles dood, wat
22
Zijn rijk tegen staat!
De Heere Jezus herhaalt het woord: vrede zij ulieden, opdat het goed en wei bewaard in hunne harten blijve liggen. De Heere had, zoodra hij hun verscheen, tot hen gesproken: vrede zij u lieden, Hij had Iran Zijne handen en Zijne zijde getoond en, gelijk Lukas ons vermeldt, ook Zijne voeten. Daarna waren de discipelen verblijd, toen zij den Heere zagen. Maar de Heere kent de Zijnen beter, dan zij zich zeiven kennen, en Hij weet het, o zoo goed, dat zij niet vaster staan dan een windwijzer, die nu hier, dan ginds wijst. Daarom spreekt Hij nog eenmaal tot hunne harten: vrede zij u lieden! Want Hij is onvermoeibaar, als het geldt de Zijnen in het eeuwige verbond der genade te bevestigen ; en zoo spreekt Hij met een iegelijk der Zijnen, twee of driemaal zeer krachtiglijk, en opdat de discipelen Zijnen vrede blijvend in zich moesten hebben, herhaalt Hg Zijn liefelijk: vrede zij ulieden.
Verder zegt Hij : getijlcerwijs de Vader Mij gezonden heeft, zende -ik ook ulieden. De Vader nu had den Zoon gezonden, om het werk te volbrengen dat Hg Hem op de hand gelegd had, namelijk om te zoeken en zalig te maken, wat verloren was. Om dit werk te volbrengen, had de Vader Hem toegerust met den Heiligen Geest, gelijk wij lezen, dat toen Hij gedoopt werd, de Heilige Geest, in de gedaante eener duive op Hem nederdaalde, en gelijk Hij spreekt Jes. 61: de Geest des Heer en Heer en is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd, om eene blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen, Hij heeft Mij gezonden, om te verhinden de gebrokenen van harte. Alzoo : om te zoeken en zalig te maken, wat verloren was, daartoe had de Vader Hem gezonden ; om het treurige te troosten, het ternederliggende op te heffen, om de
23
gebondenen los te maken van hunne banden, en woorden des vredes en der bemoediging, als olie in verslagene harten te doen vloeien, om met de moeden een woord te spreken ter rechter tijd, alzoo om den armen mensch te geven vrede en vreugde in den Heiligen Geest. En als dit geschiedt, zullen droefenis, duivel, dood, nood en zonde niet meer over ons heerschen, al worden ze niet van ons weggenomen ; maar wij zijn tot koningen en priesters gemaakt en zullen met Hem over dat alles heerschen. gt;En zij zullen het goed hebbenquot;, zegt de Heere van Zijne schapen, waar Hij hun het eeuwige leven en overvloed van grazige weiden belooft. Want het koninkrijk Gods is een rijk van vrede en vreugde in den Heiligen Geest tegen allen jammer en verdriet in, en alzoo smaken wij in onze harten het beginsel der eeuwige vreugde, want de hemelsche en eeuwige vreugde zal bestaan in den lof des Heeren.
De Heere Jezus zegt dus : gelijk de Vader mij gezonden heeft en den Heiligen Geest heeft geschonken, alzoo schenke ik ulieden ook den Heiligen Geest, en zende u onder de menschen, de wereld in. Waarom blaast Hij op hen ? oiu hen daardoor het bewijs te geven, dat Hij waarachtig mensch is, en tegelijkertijd waarachtig God, waut, wat Hij op hen blaast, is de Heilige Geest, die van Hem, gelijk van deu Vader uitgaat. Wij lezen immers in Joh. 20 : 22, en als Hij dit gezegd had, hlies Hij op hen en zeide tot hen : ontvangt den Heiligen Geest. Hij blaast op hen als het ware Zijn binnenste Ik, Zijn eigen inwendig leven, en spreekt tot hen : ontvangt den Heiligen Geest. Daar was schijnbaar niets aanwezig, geen kracht, geen macht, geene zichtbare heerschappij. Wij hebben niets voor ons dan menschen, menschen van gelijke beweging als wij, en die evenmin als wij,
r '--â . .. .u.u.^u. |
24
.
ook maar de geringste bekwaamheid hadden in zich zeiven tot het werk, waartoe zij werden uitgezonden. Want toen de Heere binnenkwam door de geslotene deuren, zaten zij daar allen te zamen, vervuld van de vreeze des doods en van het schrikkelijkste ongeloof, want het was immers uit vreeze voor de Joden, dat zij die deuren gesloten hadden. Zij hadden alzoo angst en vreeze, maar niet het minste vertrouwen op den levenden God. De Heere echter weet wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn. De Heere wil geen heerschappij voeren voor het oog der geheele wereld, maar Hij wil Zyn gmadc. verheerlijken,opdat het openbaar worde,dat het alles alleen maar het werk des Heiligen Geestes is, en geen werk van menschen ; gelijk ook de apostel Paulus schrijft: Maar wij hel * hm dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij van God, en niet uit ons, 2 Cor. 4 : 7. 0 hoe moet ons dat verheugen, als wij daar den Heere Jezus zoo plotseling zien verschijnen te midden Zijner van onverstand en ongeloof vervulde discipelen ! Dan blaast Hij Zijnen Heiligen Geest op die verkeerden en onwetenden, en verdwijnen moest hun angst en duisternis, gelijk de duisternis der nacht verdwijnt, als de zon opgaat in hare pracht!
En nu onderwijst de Heere hen zeer vriendelijk en duidelijk, waarmede deze zijne lieve jongeren te doen zouden hebben, bij het werk waartoe Hij hen riep ; namelijk met hetzelfde, waarmede Hij steeds te doen had en heeft, en dat was : met zondaren en met hunne zonden.
Uitgegeven bij W. MEIJER, Commelinstraat 33, Awsterdam. Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BüOKMANN, Elhe.rfelfl. Prijs per Nnmmer 3 Cts. Franco per post 4 Cts,
S C H It 1F T V E11 li L A R IN GEN
VAN
Or. Hf. F. ROHLRRÃTGtSE.
Ev. Joh. 30. (Vervolg.)
Gelijk Hij de hemelsche heelmeester is, zoo zendt Hij ook Zijne discipelen met Zijnen kostelijken balsem, met den geheelen schat Zijner hemelsche artsenijen uit. Hun loon is daar hoven in den hemel, en wat zij hier beneden behoeven. Hij zal het hun niet laten ontbreken; hun werk is : elleudigen en verslagenen van harten, met hemelschen balsem te verkwikken, met de kostelijke zalf Zijns Heiligen Geestes. Dat was de taak, die Hij hun opdroeg, en zoo ontvingen zij van Hem de macht, om tegen den vloek der wet, tegen de hel en het aanklagende geweten in, tegen den duivel en de zonde in, tot arme menschenkin-deren te zeggen: uwe zonden zijn u vergeven ; tot zulke menschenkinderen, die met berouw en droefenis hunne zonden belijden en zeggen: zij zijn mij van harte leed ; die het erkennen : God ! Gij zijt rechtvaardig in uwe oordeelen, maar ik heb gezondigd en gedaan, wat kwaad is in uwe oogen. Zoo gaf de Heere hun de macht de zonden te vergeven, en als zij dat deden, goldt het ook daarboven in den hemel. Ik kan toch niet met eene ladder ten hemel stijgen, om den Heere te vragen, hoe het er daar voor mij uitziet. En daarom stelt God de Heere nog heden dezulken aan, hier beneden, die blind en doof in zich zeiven zijn, die geen pluimpje van den mond kunnen blazen, die volstrekt niet gelooven kunnen uit zich zeiven, maar de ellen-digsten en deerniswaardigsten zijn van alle menschen ; dezulken bekleedt de Heere met Zijne koninklijke macht, en laat door hen den volke openlijk verkondigen, vergeving der zonden in Zijnen Naam.
No. 113. 10 Mei.
26
Nu weet giilieden, welk een rijk de Heere Jezus heeft, van welken aard dat is, wat daarin Zijn ambt is, en wat het werk was, dat Hij den Apostelen opdroeg : zonde, en wederom zonde, dat was het, waar zij gedurig tegenover zouden staan, zoodat, waar zij openlijk optraden voor de gemeente, hetzij die uit drie of vier zielen, of uit duizenden bestond, zij steeds met allerlei verkeerdheden en zonden zouden te doen hebben. Allereerst zouden zij dat in en bij zich zeiven ontdekken en ervaren, opdat zij zoo zouden leeren barmhartig te zijn tegen anderen. Hun moest eerst zeiven barmhartigheid geschied zijn. Zij moeten geen heiligen in eigen oog zijn geworden of zijn, maar voortdurend ervaren, dat zij zondaren zijn, om en om, onrein van top tot teen. Zulke, van God gezondene, dienstknechten kunnen zich zeiven niet helpen, maar zij moeten telkens en telkens weer door den hemelschen Medicijnmeester geholpen en uitgered worden. En dan worden zij ook geduldig met de verkeerden, en dit geduld geeft de Heere hun. Vaak zouden zij wel alles willen laten varen, aan alles vertwijfelen en weenend uitroepen : »het helpt toch niet, al mijn »arbeid is toch te vergeefs !quot; Maar dan zegt de Heere tot hen; »wat heb Ik dan toch voor een rijk ? In »Miin rijk doe Ik nu en voortdurend niets anders dan »zonden vergeven, en zondaren te recht brengen van »de dwaling huns wegs.quot; Jezus wil ons arme menschen kinderen goedsmoeds maken, door de vergeving der zonden. Hij gaf aan Zijne discipelen deze macht, om tot het volk te zeggen ; de zonden zijn u vergeven, en : dien gij de zonden vergeven hebt, dien zijn ze ook vergeven. Nu kunnen wij wel zeggen: o! dat waren maar menschen van gelijke beweging als wij ! Maar wij vergeten dan, dat het Jezus is, die zulke macht aan de Zijnen verleent. Dat gaat evenzoo toe als bij eene
27
lichamelijke krankheid; het is dan wel de geneesheer, die ons de geneesmiddelen voorschrijft, maar nochtans is het de Heere alleen, van wien de genezing komt. Waar nu smart en berouw over de zonden aanwezig zijn, waar de zonden beleden worden, en God in het recht wordt gesteld, daar is het ook God de Heere zelf, die de zonden vergeeft door den mond zijner dienaren. Waar echter geen berouw is, maar eigenwijsheid, hardnekkigheid en verharding, waar men zijne zonden niet belijdt, maar zich zeiven rechtvaardigen wil, daar worden zulke zonden ook behouden en niet vergeven, al moge men nog zoo luide roepen, dat men het artikel der vergeving der zonden ook wel gelooft. Wanneer zij, die van den Heere gezonden zijn, spreken : de zonden zijn u behouden, zoo mogen de verkeerden praten en beweren, wat zij willen, zij zullen toch ter helle varen met hun eigengemaakt en ingebeeld geloof. Eln deze macht verleent de Heere niet alleen dengenen, die Hij tot het ambt der prediking roept, maar aan al Zijne lieve kinderen, zoodat de eene broeder den anderen, die in nood verkeerd van wege de zonde, en op zijn sterfbed vol angst uitroept: waar zal ik henenvlieden, ik zie niets dan zonde, en wederom zonde, getroost en gerust toe mag roepen : zoo waar als Jezus leeft de zouden zijn u vergeven ! Tot dengene echter, die in zijne verkeerdheid, weigert de bestraffing aan te nemen, en zijne zonden te bekennen, mag een iegelijk, die met den geest van God gezalfd is, spreken : het is niet waar, gij weet niets van de vergeving der zonden, al weet gij er nog zooveel van te roemen ! Dit is het ambt dat de Heere Jezus zijneft geloovigen opgedragen heeit; namelijk tot op het uiterste geduld, barmhartigheid en liefde te oefenen tegenover den allerzwaksten ; niets te verbreken, wat God wil behouden
28
hebben, maar het te vertroosten en te heelen ; daarentegen niet te zalven dengene, die God terneer geworpen wil hebben, maar dezulken in 's Heeren naam aan stukken te slaan.
Toen de Heere zoo met Zijne discipelen over de vergeving der zonden sprak, was één hunner afwezig. Dat was er een, die niets kon gelooven, en voortdurend met God twistte en tegen Hem opstond; maar ten slotte moest hij toch weer naar den Heere, en ook naar de broederen toe kruipen. Hij moest nochtans weten, wat er dan eigenlijk gaande was. Het ging hem, gelijk het menigeen nog gaat. Hij meent in de prediking iets te vernemen, dat hem ergernis geeft, en, in plaats van het Woord vol vreugde aan te nemen, legt hij het verkeerd uit, wil van 's Heeren woord niets meer weten, blijft uit de kerk weg, zwerft eenzaam door bosschen en velden, om, zoo hij meent, dan met God te spreken en zijn hart uit te storten over het onrecht, dat hem geschied is, maar, waar de Heere in het midden is, daar ontbreekt hij.
Thomas, één der twaalven ; een dus van 's Heeren uitverkorenen. Hier laat de Heilige Geest door den apostel Johannes, al 's Heeren leerjongeren schande aandoen, hun, als het ware, neus en ooren afsnijden, om het voor iedereen openbaar te maken, dat zij niets dan zwakke menschen waren, en dat het alleen genade, vrye genade was, die zich aan hen heeft verheerlijkt. Daarom moet deze uitspraak over Thomas, blijven staan in 's Heeren Woord, evenals wat de discipelen van zich zelven getuigden; zij wisten de schriften nog niet. En zoo zal het ook geschreven blijven, wat wij lezen omtrent het harde ongeloof van een van 's Heeren twaalf apostelen. Dit wordt nu niet gezegd tot geruststelling dergenen,
29
die in hunnen hoogmoed wandelen, en denken: o de vergeving der zonden, dat is immers eene uitgemaakte zaak, dat spreekt van zelf, maar tot troost dergenen, die hard aangevochten zijn vanwege hun ongeloof ; want die leeren uit de geschiedenis van Thomas, dat de Heere alles hoort, wat zij daar zoo wanhopig liggen te jammeren en te klagen, en dat Hij hen nochtans niet zal laten steken, maar zich vriendelijk over hen wil ontfermen.
Thomas heette ook Didymus; dit beduidt »tweelingquot; ; tegelijkertijd met eenen anderen broeder had hij onder het hart zijner moeder gelegen. Van deze omstandigheid trekt de Heilige Geest partij, want Thomas lag nog onder het moederhart van Gods vrije genade, en, als zoodanig, had hij steeds een tweelingbroeder bij zich, die echter geheel anders gezind was : zoo als Paulus zegt: het vleesch begeert tegen den Geest en den Geest tegen het vleesch. Zoo was Thomas voortdurend in strijd ; nu was het twijfel, dan geloof bij hem ; dat ging zoo op en neer, zoodat hij nergens rust nog vrede had. ü ! indien de Heere Jezus zich niet over hem had ontfermd, wat zonde er dan van dien ongeloovigen Thomas terecht zijn gekomen ?
De andere jongeren nu, die discipelen, die verblijd waren geworden, toen zij den Heere zagen, deelden het hem aanstonds, bij zijne intrede in het vertrek, waar zij vergaderd waren, mede, dat de Heere was opgestaan. Want de genade wil niet alles voor zich alleen hebben ; zij is niet afgunstig, maar, daar leeft dit in het harte : o kwam toch de geheele wereld, om t? aanschouwen, hoe goed, hoe vriendelijk de Heere is! Zoo konden de discipelen dan niet nalaten het aan Thomas mede te deelen: wij hebben den Heere gezien!quot; Dat geloof ik niet, sprak Thomas
30
echter, »dat is onmogelijk, gij lieden hebt u wat 311-j.gebeeld, wat door den duivel laten wijsmaken; ik »kan het niet gelooven, en wil het ook niet gelooven !quot; Zoo stond de zaak bij Thomas. En toch was dat dezelfde Thomas, die gezegd had: laat ons ook gaan, opdat wij met Hem sterven ! En nu was hij zóó ongeloovig, zóó verkeerd ! Maar, even groot als zijn ongeloof was, even groot was ook zijne oprechtheid. Ja ! dat was nu eens een ongeloovige, bij uitnemendheid ; die dreef het tot het uiterste, diens ongeloof en vertwijfeling was toch al te erg ! Zoo handelt geen Christen, zoo kan alleen een kind der wereld spreken, wat is dat nu voor stoutmoedige taal! Die spreekt eene taal, die niet te dulden is! Hoor maar, wat hij zegt: indien ik in Zijne handen niet zie het teeken der nagelen! ja het eenvoudige zien is hem nog niet eenmaal genoeg, want zoo gaat hij voort: en mijnen vinger steke in het teeken der nagelen â hoort toch ! â en steke mijne hand in Zijne zijde, ik zal geenszins gelooven ! Met zijne eigene oogen wil hij alzoo den Heere zien, zelf wil hij de lidteekenen des Heeren zien, en zijne zondige vingeren daarin steken ! en â o klinkt het niet haast als godslastering? hij wil zijne zondige, met allerlei doode werken bevlekte hand leggen in 's Heeren doorboorde zijde ! Thomas had het moeten gelooven, wat de jongeren hem vertelden, want zij hadden den Heere gezien en gesproken, en de vrouwen immers ook. Maar Thomas is nu eenmaal niet anders, hij is zoo verkeerd. Wat is er toch met zulk een ongeloovige aan te vangen. Geliefden ! willen wij hem maar niet in de hel werpen ? want, gewis Thomas gedrag is volstrekt niet liefelijk. Wat twee of drie getuigen bevestigen, moest hi} toch als waarheid laten gelden. En hier waren nog wel tien getuigen, en zulke getuigen, op wie
31
de Heere Zijnen Heiligen Geest had geblazen ! Maar ! wat is het toch goed. dat de Heere God barmhartiger is dan wij menschen ! Als de eene of andere zaak niet gegaan is naar om goeddunken, niet gesneden is met oma schaar, dan mag zij volstrekt niet deugen in onze oogen. Dan heerscht bij ons niets dun lieide-loosheid, niets dan ingenomenheid met ons zeiven. Dan kiezen wij voor ons zeiven een of twee personen uit, waar wij goed mede vooruit kunnen, die worden dan zalig, en over al de anderen spreken wij spoedig het doemvonnis uit: o! die is zoo verkeerd ! Of : die of die heeft niets te beduiden , met dien kan ik niet omgaan ! En zoo wordt op de onbarmhartigste wijze de staf gebroken over de zoo-danigen. Maar gelietden, Thomassen heeft de Heere altoos hier op aarde ! Dat zijn arme kinderen, die door de overige broederen verlaten worden, en waarover allen gaarne den staf breken. Maar de Heere Jezus is nu eenmaal genadig, barmhartig en geduldig : dat heeft Hij van Zijnen Vader geleerd, en juist daartoe is Hij van Zijnen Vader in de wereld gezonden, om Zijne lankmoedigheid en genade aan de allerellendigsten en aller verkeerdsten te verhee lijken O, er zijn er velen, dien de Heere te hulpe moet komen. Nu is Hij hier, dan weer daar met Zijnen troost en Zijne uitredding ; Hij houdt het boekske in de hand, waarop alle Zijne uitverkorenen geschreven staan, en dan spoedt Hij zich hier, dan daar henen, om dan dezen, dan genen te verkwikken met de hulp Zijns aangezichts. Zij zijn tot zijn oor opgeklommen al die wanhopige woorden en kreten van Zijnen Thomas en, in plaats van nu te zeggen : die moet verpletterd worden, zegt Hij: kom ! dien armen twijfelaar wil Ik eens verrassen, dien moet Ik er uit helpen, dien wil Ik met Mijne liefde zoo verteederen, dat zijn verhard harte
32
week worde voor eenwig, dien wil ik zoo gelukkig maken, dat hij gelukzalig is tot in alle eeuwigheid ! Maar dat doet de Heere niet aanstonds, neen ! Hij wacht nog een weinig: Maandag, Dinsdag, Woensdag, Donderdag, Vrijdag, Zaturdag â want, zegt het gebod : zes dagen zult gij arbeiden, het dagelijksche brood verdienen, voor vrouw en kinderen zorgen, ook op deze werkdagen voor of na de maaltijden een hoofdstuk uit Gods Woord lezen, doch niet mijmeren over allerlei diepzinnige vraagstukken, maar in alle eenvoudigheid bidden : geef ons heden ons dagelijksch brood. En dan wordt het langzamerhand wederZondag.
En na acht dagen waren de discipelen wederom binnen, en Thomas met hen. Waarom niet na vijf of na zes dagen ? Hier heeft de Heilige Geest den Zondag ingesteld en geheiligd. Die Geest heeft de discipelen zoo geleid en bestuurd, dat zij des Zondags te samen kwamen, en niet meer op den Joodschen Sabbath, die was gebroken en afgeschaft, maar »de dag des Heerenquot; de achtste dag, de dag der opstanding was nu aangebroken. Alzoo: na acht dagen waren zij wederom binnen en Thomas met hen. Dat waren bittere acht dagen, die Thomas achter den rug had ! Hij zal in deze bange week wel weinig of niets geslapen hebben, en zal dus des daags wel zoo moede, zoo verlamd zijn geweest, dat hij gaarne zijn werk ook maar zoude hebben verzuimd. Thomas is ongetwijfeld zeer ongelukkig geweest in dezen tijd ; maar hij bleef nochtans hardnekkig weigeren te gelooven, ten zij, wat hij eischte ook geschiedde.
Toen de discipelen echter wederom vergaderd waren, kon Thomas het toch niet langer daar buiten uithouden, hij moest toch ook weer in de vergadering komen, om te booren of er misschien nog een
33
troostwoordje yoor hem vallen zoude. Zeker hebben de discipelen, toen hij binnentradt, gevraagd : zijt gij nu nog zoo ongeloovig ? Neem het nu toch eindelijk eens aan, xoij hebben Hem immers gezien ! Maar bij die vragen zinkt zijn hoofd nog dieper op de horst, hij geeft niet eens antwoord, maar blijft stom ; onbewegelijk zit hij daar, als een blok, niemand weet meer iets tot hem te zeggen en sommigen denken misschien : hij wordt krankzimng. Het scheen of er geen genade was, om zich aan hem te verheerlijken. Het zag er uit, als of men maar van oogen-hlik tot oogenblik moest verwachten, dat God komen zou, om met een vreeselijken slag dezen ongeloovigen Thomas den harden nek te breken : want, dacht men, het ontbreekt hem zeker wel aan het rechte gevoel van schuld, aan eene op Gods wet gegrondde ontdekking van zijne zonden en ongerechtigheid ; het kan ook wel zijn, dat hij booze stukken uitgevoerd heeft, en dat het verborgene zonden zijn, die de Heere nu aan hem te huis zoekt! Zie! zoo oordeelen wij over onze broeders en zusters, als de wateren hun over 't hoofd gaan ! Maar, als het zoo ver met den mensch is gekomen, dan is hei juist des Heeren tijd. Als alles bij den mensch is weggemaaid, en hij daar als een blok ter neder zit, dan komt de Heere, dan is Hij niet verre meer. Wanneer de Heere zich dan over eenen zoodanigen ontfermt, dan doet Hij dat ook uit louter barmhartigheid, maar even goed zoude zulk een Thomas ook in die zeven dagen eene buit des duivels kunnen geworden zijn ! Dit alles wordt ons echter medegedeeld, lieve lezer ! niet opdat wij zouden trachten Thomas gedrag en toestand na te bootsen ; maar, opdat, indien iemand in denzelfden jammerlijken toestand als Thomas is geraakt, het hem tot troost moge zijn, wat hij hier in het Evangelie leest:
34
en, als hi] dan daardoor op de been is geholpen, en hij een broeder ontmoet, wien het ook zoo bang te moede is, dan oefene hij barmhartigheid en liefde jegens hem, en vergete het niet: die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle ! Want:
Onttrekt gij Heere ! het Dijne
Blijft zonde en dood het mijne.
Ach ! er behoeft maar één stofje in onze veel geprezene hersenen te vliegen en het is uit, met al ons denken, met al ons gelooven. God behoeft maar te komen en den mensch aan te tasten in zijn vleesch, daar waar gij het gevoeligst is. en de mensch zinkt weg in den dood ! jeder mensch heeft zijne zwakke zijde, en daarom moet hij erkennen, dat het werk des Heeren is, en bedenken, als allerlei twijfelingen hem, als in eenen maalstroom, heen en weder drijven : de Heere kent al mijne gedachten, al mijne nooden, en Hij is niet verre met Zijne hulp !
Geen mensch kan eenen geestelijk nedergebogene oprichten ; dat vermag de Heere alleen door Zijne almachtige genade. Alzoo, de Heere Jezus had de droevige woorden van Thomas gehoord. Zeven dagen lang laat Hij hem loopen, Hij denkt: o dat is een goede zieke ! aan dien zal Ik mijne kunst eens toonen. Langzaam kruipen de dagen echter voor Thomas daar henen, zijn vreesselijk ongeloof wordt hem eindelijk zelt tot een zware last. Dat woord : dat hij niet wilde gelooven, tenzij hij zijne vingeren steken kon in 's Heeren lidteekenen, was wel uit zijnen mond gegaan, maar op den tweeden dag heeft hij misschien reeds gedacht: had ik dattoch maar niet uitgesproken. Hij had het zoo gaarne geloofd, dat de Heere opgestaan, ook hem ten goede opgestaan was ! Hoe gaarne had hij den Heere Jezus, al ware het ook maar van uit
i. J I!-' -i j. Il'fiji
H
-Ãl i
1 ifi' â !⢠li 'I !
m
ö - H1 li
j. %
i1 i|
I
1
'II'
35
de verste verte gezien, hoe gelukkig ware hij dan niet geweest! Maar nochtans volhardt hij in zijn ongeloof, neemt niets terug van wat hij gezegd had ; en spoedig is hij weer even hard en ongeloovig als vroeger. In zijne woning kan hij het echter ook niet uithouden, maar moet daarheen, waar ook de anderen zijn. Zoo gaat hij dan daarhenen en als nu de elven vergaderd zijn, Jcomt Jezus.
Waren de discipelen nu op dezen tweeden Zondag moediger dan voorheen, nu de Heere hun Zijnen vrede had geschonken, en zij verblijd waren geworden, toen zij den fleere zagen V den Heiligen (jeest hadden ontvangen en de macht, om de zonden ie vergeven of te behouden, en zij zeiven hadden uitgeroepen : de Heere is waarlijk opgestaan ?
O, neen ! want wederom lezen wij ; Jezus kwam toen de deuren gesloten waren. Vrede en vreugde had de Heere hun geschonken, den Heiligen Geest hadden zij ontvangen de sleutelen des hemelsrijks bovendien, zelve hadden zij getuigd : de Heere is opgestaan en wij hebben Hem gezien en â acht dagen l;)ter zijn ze weer eren wijs, even voorzichtig, en sluiten de deur zorgvuldig toe, opdat geen jood binnendringe en hen wegvoere; zie juist dezelfde vrees als vroeger. Maar zijn wij anders ? Smaken ook wij niet vrede en vreugde onder de verkondiging des Woords ? en â in één oogwenk is alles weer weg. Ach ! hoe goed is het, dat de Heere u in het verborgen, Zijn hemelsch Manna in den mond heeft gestoken, zoodat gij gegeten hebt zonder het zelf te bespeuren ! Want zoo, en niet anders gaat het waarachtig in het leven toe. Dat betuigt ons het zoete, dierbare, kostelijke en schoone evangelie, en wij zien daaruit, dat des Heeren Jezus Apostelen, deze zuilen en pilaren der Kerk, ook niets meer hadden en wisten dan wü, en
36
hoe waar het van hen was â o Heere ! maak het ook van ons waar â dat woord : gry nu, schapen, o schapen Mijner weide, gij zijt me?ischen, maar ik hen uio God. Ezechiel 34 : 31. De discipelen waren alzoo wederom vol vreeze. En de Heere ? Zegt Bij misschien: neen ! aan deze menschen is toch niets te doen, die zijn al te verkeerd? Zij hebben niets, geen vertrouwen op God, geen vertrouwen op Mij, zij gelooven niets van de opstanding uit de doo-den, maar blijven allen op hunne zonden en verkeerdheden zitten, welaan ! laten zij er dan maar in verzinken ? Ik schep Mij eene nieuwe wereld ? Neen ! niets van dat alles ! De geduldige Heiland, die de zonden vergeeft dergenen, dien het van wege hnnne zonden bang om 't harte is, staat des Zondags weer in hunne vergadering, naar Zijne belofte ; waar twee of drie vergaderd zijn in Mijnen IS aam, daar ben Ik in hun midden. Math. 18 ; 20. Zoo komt dan de Heere wederom tot hen met zijn koninklijk en vriendelijk : Vrede zij ulieden ! De Heere is onvermoeid, gelijk Hij de Zijnen ook onvermoeid maakt, het reeds aan de kinderkens, die nog in de wieg liggen, in het oor te zingen :
Loof den Heer, want Hij is goed Loof Hem met een blij gemoed,
Want Zijn gunst alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid !
of dergelijke versjes meer.
Uitgegeven bij W. MEIJER., Commelinslraat 33, Amsterdam. Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BiiCKMANN, Eiberfeld. Prijs per Nnminer 3 Cts. Franco per post 1 Cts.
SCHRIFTVERKLARINGEN
VAN
Or. h. f. kohlbrCgge.
Ev- Joh. 80. (Vervolg.)
Vrede zij ulieden! Daarna ze.ide Hij tol Thomas : breng uwen vinger hier. 0, hoe moet het toen Thomas te moede zijn geweest! De Heere zegt niet tot hem: gt;doe uwe oogen nu eens wijd openquot; ! maar: »breng »uwen vinger hier. Gij hebt gezegd, dat gij in gt;deze teekenen der nagelen, uwen vinger wildetste-gt;ken. Het was u niet genoeg, dat deze Mijne han-»den doorboord werden, gij bege^rdet nog bovendien juwen vinger .in deze wonden te steken, gij maakt in »uw rampzalig ongeloof van uwen vinger een spijker, »om Mijne handen nog eenmaal te doorboren, welaan ! »kom nu hier, en doe het! Voel nu eens recht goed »of die wonden geen diepe wonden zijn, en ot zij niet gt;voor u werden geslagen ! Enquot; gaat de Heere voort; gt;zie mijne handen : nu kunt gij uwen vinger naar uws gt;harten lust in mijne lidteekenen liggen, en breng iuxoe hand, en steek ze in mijne zijde, overtuig u zelve »nu eens goed, en zijt niet ongeloovig, maar geloovig.quot; Hoe kon de Heere zeggen; wees niet ongeloovig, maar geloovig ? Ja, zoo is gewoonlijk des Heeren wijze van doen en spreken: zeer kort, met een enkel woord ontdekt Hij aan den mensch zijne zonde en ongerechtigheid, en door Zijn goddelijk woord, door den adem Zijns monds maakt Hij met één machtwoord den armsten soldaat tot generaal, tot een overste Zijns volks, en verandert den ongeloovigste in een geloovige. Hij komt met Zijn koninklijk bevel, dat de dingen, die niet zijn, roept, alsof zij waren, en spreekt: weest niet ongeloovig, maar geloovig, Ik veroorloof het u ; en, of al alles in uw binnenste daar
No. 114. 24 Mei 1890,
38
tegen in stormt, laat u niet uit het veld slaan, en zijt gij tot nu toe ongeloovig geweest, weest geloovig ! Hier is het bewijs, dat gij gelooven moogt. Ik zoude deze wonden niet dragen, indien Ik niet Dezelfde â was. Die aan het kruis heeft gehangen ; en dat ik opgestaan ben uit de dooden, gij kunt het nu met uwe oogen zien, o Thomas, want Ik lig immers niet meer in 't graf. Gij weet het immers zelf wel, waarom Ik deze wonden draag, dat zij Mij geslagen zyn, om uwentwille, om de wille van velen. Dit is de wijze, waarop God de Heere zijn heilig evangelie den men-schen bijbrengt. Zóó geeft hij het geloof aan den / armen menseh, die niet gelooven wil, noch gelooven kan, maar den Heere aanwijst, wat hij moet zgn en bezitten, eer hij gelooven zal; aan zulken geeft Hij verlof en vrijheid dit harde ongeloof af te leggen; en de zonden op Zijn hoofd, als op het hoofd van Gods dierbaar Lam, te leggen. Zoo levert Hij het bewijs, dat de vaste grond gelegd is, waarop men gelooven mag: want van tweeën één: of ik moet voor eeuwig omkomen door de slagen
IP
i 'li i
it 4
des helschen moordenaars, of de Heere neemt al mijne zonden op Zich. Draagt Hy de zonden, â en, dat Hij ze gedragen heeft, staat in Zyne lidteekenen te lezen â dan ben ik ook van mijne zonden verlost, en mag ik hier getroost in den geloove leven, en als ik sterf, ingaan in de eeuwige heerlykheid. En ziet, toen was onze lieve broeder door deze wonderbare liefde plotseling overwonnen, nedergeworpen en verslagen, en in deze zaligheid werd het hem zoo zalig te moede, dat er geen einde was aan zulk eene zee van zaligheden. Geen enkel verwijt deed de Heere hem, geen ééne enkele zonde wierp Hij hem voor de voeten, ook zijn vreeselijk ongeloof heeft Hij hem niet verweten, maar hem alleen vriendelijk
39
gezegd: ach, blijf toch niet volharden in uwe verkeerdheid, Ik zelf lever u immers het bewijs, dat alles goed staat, alles in order is daarboven. Toen ging voor Thomas de hemel open, en hij riep vol vreugde uit: mijn 11 eer e! en mijn God! Heeft Thomas dat nu uit die lidteekenen gelezen ? O. hij heeft oneindig meer verkregen, dan hij ooit in zijn ongeloof begeerd had. Hij wilde alleen maar overtuigd zijn, bewijzen hebben voor zijn verstand, voor zijn geweten, voor zijn hart: het giag hem bij dit alles echter alleen om zich zeiven, en niet om de verheerlijking van 's Heeren Naam: daar dacht hij niet eens aan. Nu komt echter de Heere en verwijt hem niets ; maar toen Thomas sidderde en beefde, en niets anders verwachtte, dan, dat de Heere hem zoude verdoemen en in de hel werpen, â hij kon immers uit 's Heeren woord merken, dat de Heere zijne godslasterlijke uitspraak gehoord had - juist toen kwam de Heere en zeide zeer vriendelijk: breng uwen vinger hier. Thomas dacht: nu is het met mij gedaan, nu zal de Heere tot mij zeggen : anderen mogen in Mijn koninkrijk binnengaan, maar gij blijft eeuwig buiten, en voor u staat geen andere weg open dan de weg van Judas Iskarioth ! Maar, in plaats van dit komt de Heere zeer vriendelijk en zaehtkens en zegt: lieve Thomas ! uw zaak is in orde, vrees niet langer, geloof alleenlijk, alle zonden zijn u vergeven. Ik ben uw goede, genadige, getrouwe Heiland en Ontfermer. Dat zag hij nu niet uit zich zeiven in die wonden geschreven staan, maar de almacht der genade en barmhartigheid des Heeren Jezus grijpt hem zoo hevig aan, dat hij Hem herkent en luide begint te loven, als zijn Heere en zijn God! In deze lidteekenen ziet hy Hem als zijn Heere, die hem Zich ten eigendom had gekocht met Zijn dierbaar bloed en aan Wien hij
40
zich als dienstknecht overgegeven had voor tijd en eeuwigheid; en hij herkent in deze lidteekenen ook zijn Grod, Die in Zijne oneindige barmhartigheid en liefde hem al zgne zonden en verkeerdheden gena-diglijk vergeeft, hem veroorlooft zijne handen in Zijne zijde te leggen en dus zeer vriendelijk en gemeenzaam met hem omgaat, Nu is Thomas getroost.
De Alwetende had echter bij dit alles nog aan anderen gedacht, aan allen namelijk, dien het ook zoo gaan zou als Thomas, en dezulken waren er altoos van het Paradijs aan, zg waren er sinds den tijd van Thomas, achttien eeuwen lang, tot op den dag van heden. Niets verweet Hij Zijnen geliefden Thomas, maar Hij zeide tot hem : lieve Thomas ! omdat gij Mij gezien hebt, hebt gij geloofd, gevoelt gij u zalig: maar het zal nog wel geheel anders met u komen; dan zult gij Mij niet meer zien, en alle, alle, die na u zullen komen en die Ik ook verrassen zal met Mijne genade zullen Mij niet, zoo als gij, met lichamelijke oogen zien.
Maar niettegenstaande dit, spreekt de Heere die allen zalig, die niet gezien, en nochtans geloofd sullen hebben, want de Heere wil de harten der Zijnen in de Schriften, in Zijn allerheiligst woord inleiden. Daarom voegt Johannes na dit alles nog deze woorden aan dit geschiedverhaal toe : Jezus dan heeft nog wel veel andere teekc.nen in de tegenwoordigheid Zijner discipelen gedaan, â teekenen namelijk Zijner liefde, barmhartigheid en geduld, â die niet zijn geschreven in dit boek, want er zoude geen papier genoeg zijn, om alles op te schrijven, wat de Heere aan de Zijnen gedaan heeft, en nog bij voortduring doet: hoe Hij voortdurend hunne zonden wegneemt, en hunne verkeerdheden genadiglijk bedekt, maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft dat Jezus, de Jezus, dien
41
gij in de Schrift hebt, die geleden heeft, die is gestorven, begraven en opgestaan is uit de dooden, die met Zijne jongeren hier op aarde, ook na Zijne opstanding, heeft gegeten en gedronken, die dus mensch is van gelijke beweging als wij â de Christus is, dc Zoon Gods. Opdat gij dit waarachtig zoudt geloo-ven, is dit alles geschreven, opdat gij geloovende het leven hebt, niet in U, niet in uw verstand, maar in Zijnen Naam, en dat gij alzoo dezen .Naam aanroept in allen nood.
Zalig, zegt de Eleere Jezus, die niet gezien en nochtans geloofd zullen hebben, zalig, die niet zien van wege al de tegenstrijdigheden van het zichtbare, en die nochtans tegen al het tegenstrijdige in, het ge-looven : Jezus leeft! Amen.
EENIGE VRAGEN EN ANTWOORDEN NAAR AANLEIDING VAN HET ARTIKEL : , / -
yi 4 t *
â0PG3VAEE1T TEN HEMEL.quot;
Wanneer men op reis door de woestijn is, moet men de oogen opslaan ten hemel, naar de sterren, wil men den rechten weg, de ware richting vinden. En zoo moet op de reis door de woestijn dezes levens ook de blik ten hemel worden gericht, moet gezocht worden, wat daar boven is, waar Christus is. Christus, de opgewekte uit de dooden moet gedurig gezocht en gevonden worden, anders raakt men van den rechten weg af, en op bij- en doolpaden, die ter helle voeren. Niet wat hier op aarde is, moet gezocht worden. Op aarde zijn die leden, die reeds aan het kruis Christi gedood zijn, en dus doode leden zijn: deze leden, namelijk hoererij, onreinigheid, schande-
42
p
lijke bewegingen, kwade begeerlijkheden en de gierigheid, welke is afgoderij (Coll. 3 ; 5), mogen niet gediend worden, anders bereikt men het eind der reize niet, maar komt om in de woestijn. Maar gezocht moet worden, wat daarboven is, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods opdat wij ook daarheen komen, waar Hij is. Hoe kan ik het weten, of ik op den weg des levens ben, of ik daarop blijven en volharden zal, en of ik Hem, mijnen God, mijnen Heiland, mijn Verlosser eens waarachtig in gerechtigheid zal aanschouwen ? Hoe kan ik daarvan verzekerd zijn V Dat kunt gij, als Hij, op uw angstig klagen en kermen, Zijnen Heiligen Geest in uw harte zendt, in dat afgetobde, verslagene en verbrijzelde harte, dat wel door allerlei zonden en twijfelingen heen en weder geworpen wordt, wel met den dood in allerlei gestalte worstelt, maar dat nochtans luide vraagt naar den Heere en Zijne Sterkte, die Geest vat u alsdan bij de hand, die leidt u veilig door de diepe wateren, door den feilen gloed des vuurs, door alle gevaren en beken Belials henen, zoodat ten laatste toch de ziel gered zal zijn en daar staan als een wonder van Gods almachtige en vrijmachtige genade. Dat is de nuttigheid van het geloof, aan dat heerlijke artikel gt;Opgevaren ten hemel!quot;
En op grond van dit alles geliefden ! komen wij nu met eenige eenvoudige maar hoogstgewichtige vragen tot u, en wel allereerst met deze:
Waar zijt gij!
Gewis eene gewichtige vraag, maar waaraan haast niemand denkt met toepassing op zich zei ven. Waar zijt gij ? Waar houdt gij u op ? Hier in uwe woonplaats ? In uwe werkplaats ? In uw beroep ? Bij den
ffl|| ijil
, -Jt!; i-
ilv 'f,;'
i|
iiii.
i'
â f
P
*i-ft-
it: ati fflïj
ÃL
43
arbeid ? Maar daar vraag ik nu op dit oogenblik niet naar. Maar, deze vraag doe ik u : hebt hij u reeds tot den Heere bekeerd ? zoodat de hoofdzaak bij u is geworden den Heere te hebben, Zijne barmhartigheid, Zijne genade ? Is het reeds uw vurig verlangen geworden eenmaal in den hemel te komen en daar 's Heeren aangezicht te aanschouwen in gerechtigheid ? Dan blijft gij ook niet op uwe zonden zitten, dan zyt gij niet meer in den dood, dan zijt gij van den dood overgegaan in het leven, dan zijt gij van de hel en hare heerschappij verlost, dan is uw wandel reeds in den hemel! want zoo spreekt de Apostel Paulus (Efezen 2, 6) Hij heeft ons mede opgewekt, en ons wede gezet in den hemel, in Christus. En Filip. 3, 20. Maar â o dat een iegelijk onzer zich toch recht beproeve â onze wandel is in de. hemelen, waaruit ivij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus.
Want, wees gewaarschuwd ! indien gij in de wereld blijft, zoo zijt gij ook van de wereld, wandelt gij hier op aarde te midden der hel en des verderfs, en zijt gij in de macht des duivels.
Wat doet gij ?
Ja ! daar is eene wet, eene heilige wet Gods ! Het valt u licht er maar op los te zondigen, maar daar boven is het heilige ernst, daar wordt dat zoo licht niet genomen, als gij het doet. Als men het woord des evangelies verneemt, denkt men wel eens, dat God er geen acht op geeft, als men Hem lastert, en zijn eigen hoofd volgt, zijn eigen verkeerden weg opgaat. Maar nog eens, er is eene heilige wet en daar boven is het heilige ernst, deze heilige wet ook te handhaven. Of onze tijd al niets meer van de wet des Heeren wil weten, God zoekt elke overtreding van Zijne
44
heilige geboden te huis, tot op een titel en jota. Ei daarom : wat doel gij ?
Heeft de donder van Sinaï u reeds waarachtig met een heilzamen schrik vervuld ? Klinkt het totl in de diepste diepte uws harten ; o waar moet ikf zondaar henen ? Verneem het alsdan, wat de Heerel Jezus in den hemel doet ? Hij bidt voor u ! Hoef menige ongelukkige moeder worstelt met den Heerel voor haar zoon of' dochter, die Gods Woord niet ken-j nen, noch begrijpen willen ! Worden deze gebeden! der ouders verhoord ? O hoe vaak ! hoe vaak! wor-j den zij verhoord ! Maar de gebeden van onzen Heere 1 Jezus Christus worden altoos verhoord door Zijnen j hemelschen Vader, en dat wel op grond van hetl eeuwig geldend offer op Golgotha gebracht. Houdt 1 dat in gedachtenis! en, waar dan de wet der zonde, [ die in uwe leden is, u meesleept en u gevangen neemt onder de heerschappij der zonde en des doods, spreek daar vrij uit tot die gevangenbewaarders ; hoe vast gij mij ook hebt genomen, nochtans zult gij mij niet gevangen houden ! En wordt alle licht voor u uitge-bluscht, zoodat u in uw hart wordt toegeroepen : gij zijt verloren, gij zijt verdoemd, van wege uwe zonden ! weet dan : daar boven zit er Een, die u liefheeft, die u liefheeft voor eeuwig, niettegenstaande uw diep bederf, u liefheeft met eeuwige macht, op grond van de eeuwige gerechtigheid, die Hij zelf heeft aangebracht. Maar over u, gij goddelooze ! die u niet bekeert tot den God des levens, zal het ten laatste regenen strikken, vuur en zwavel. En toch! en toch ! gij jongeling! gij jonge dochter! die van God niets wilt weten, hoe verslagen, hoe verpletterd zult gij eens ter nederliggen, als Hij, die voor u bidt, u staande houdt met de Almacht Zijner liefde !
I it
â
I I
Is
I
I
] â
'4 ii i
mil:! '
I
r
i
iil'1 : :
I
I
45
Waar gaat gij henen?
)e eene sterft voor, de andere na; zult ook gij niet ïenmaal sterven ? Dagelijks hebt gij stervenden voor oogen! uitterenden, doodkranken ! en gij ? Gij laat i door de wereld en de zonde vastbinden! Maar zult jij dan nooit sterven ?
O eeuwigheid ! o donderwoord !
O zwaard! dat door de ziele boort! O aanvang zonder eenig einde!
Dit moet u voorgehouden worden op leven en dood: zegen of vloek, leven of dood. Het is niet genoeg de waarheid in het verstand te hebben, maar het hart, het hart, dat moet branden in 's Heeren liefde! Gij hebt te kiezen tusschen eeuwig wel en eeuwig wee. En wordt het u heet onder de voeten, voelt gij de vlammen der hel u in het harte branden, welaan ! hoort des Heeren Woord: Komt tot Mij gij allen die vermoeid en heiast zijt, en : Heere ! indien gij wilt, gij kunt mij reinigen. Hij is bereid genadig te zijn, zonden te vergeven en iveg te nemen. De zonde verhindert hem niet zulks te doen, ook de schrikke-lijkste niet, Hij heeft ze allen willen dragen in Zijn lichaam op het hout, en o, zoo gaarne wil Hij en kan Hij al uwe zonden achter Zijnen rug in de diepten der zee werpen. Maar nog eens, waar gaat gij henen ? Zijt gij des Heeren ? heb dan goeden moed ! weest getroost, gij gelukzalig kind in wiens harte de leuze is : ik moet naar den hemel ! Waar gaat gij henen ? Christus voer op ten hemel. Hij heeft de deuren des hemels ontsloten. Hij heeft u woning bereid in het huis des Vaders, eene vrije, eeuwig vrije woning, ruim genoeg voor u, om in te wonen, omgeven door de barmhartigheden des Heeren Heeren, en door de macht
a. Er
ichtig et tot gt;et ik Eleere Hoe ïeere ken-)eden
46
Zyner genade. Wie ia het, die u houden zal op den weg naar Kanaiin? Wie zal u door de woestijn henen brengen ? Dat zal de Heilige Geest doen, en die alleen. Dien zendt de Heere Jezus van boven, van Zijnen troon, opdat Hij met onzen geest getuige, dat wij kinderen Gods zijn en ons leere roepen : Abba ! Vader ! Doet die Geest dat niet ganseh getrouwelijk ? Hoe kwam er anders één kind Gods door de verdrukking dezer aarde, door tallooze aanvechtingen en verzoekingen henen ? Wie geeft het, dat een kind Gods volhardt, op den rechten weg blijft, op den goeden, op den eeuwigen weg, als duivel, wereld en zonden hem daar van af zoeken te trekken. Dat is alleen het werk des Heiligen Geestes.
Wat ziet gij ?
Welgelukzalig zijn diegenen, die, nadat zij langen tijd op den doolweg hebben gewandeld, waarop de wereld en hare heerlijkheid hen verlokt hadden, nu beginnen in te zien, dat al die pracht en heerlijkheid niets te beduiden hebben, maar van luttel waarde zijn, en die nu zooals zij zijn op den eeuwigen Ont-fermer hopen, die het verlorene weet te recht te brengen en het verdoolde op den rechten weg weet te leiden. En nu in uw zoeken!
Wat zoskt gij ?
i[
li
it ' ü' I ï1'}!! M ⢠tl:
1
ül
O God de Heere is een verterend God. Zijne genade is geweldig om hen te zoeken, die tot nu toe wat geheel anders zochten dan Hem. Want gij, o menschen-kind ! kunt van nature niets zoeken, dan het zichtbare, dan wat uw vleesch welbehagelijk is, en wat u eeuwig verderven zoude. Maar Hij, de Heere kan en wil uw heil zoeken, uw geluk, voor tijd en eeuwigheid ! O deze genade Gods is zoo overweldigend in
rui
HI
I
-L
hare heerschappij en invloed op diegenen, die Hem
47
niet zoeken en die bekennen moeten: ik heb geheel iets anders gezocht. Wat ziet gij in uwen nacht, als het geestelijk leven u ontzinkt, als gij u eene prooi des doods gevoelt, en gij van het liefelijk tegenpand des Geestes niets meer voelt, noch ziet ? Waar is Christus ? Daar boven zit Hij ! Zie opwaarts, gelijk God tot Abraham sprak : tel de sterren, zoo gij ze tellen kunt! Is het waar ? Zit Christus werkelijk daarboven ? Ja, dat is waar, dat is gewisselijk waar, dat bevestigt ons het woord des Heeren. Is het werkelijk waar? Zit Christus daar boven ? Ja ! dat is gewisselijk waar, dat leert ons ook de ondervinding: Hij verhoort het gebed, en vervult de Zijnen met allerlei heil. Is het waar, dat Christus daar boven is, gezeten aan de rechterhand des Vaders ? Ja ! zegt het harte in de levende hoop, wanneer ook niets gezien wordt. Naar boven het hoofd, naar boven de oogen, daarheen waar Christus is ! Hier beneden is geen troost, geen redding, geen uitkomst, maar het hoofd naar boven, daar henen waar Christus, is en de zoetste troost zal u toevloeien, een verkwikkende regen nederdalen op het dorre land. Zijn er nog meer daar boven dan de Heere Jezus ? Daar zitten op goudene tronen, ook jonge kinderkens en zingen schoone psalmen, en spelen op gouden harpen, zulke kinderkens, wier vrome moeders bittere tranen stortten, toen God de Heere dezelve van de moederborst rukte, en tot Zich nam. Daar boven leven zij allen gewis en waarachtig, die in den Heere Jezus zijn ontslapen. Dat alles weten wij door le hemelvaart Christi.
En nu is het nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen, maar dat weten wij, dat wij, die Zijne glorierijke toekomst met vreugde tegemoet zien, die Zijne glorierijke verschijning liefhebben. Hem zullen zien gelijk Hij is. Amen.
48
Ilandelinson 1, 23 :
En zij stelden ei' twee, Jozef, genaamd Barsabas, die toegenaamd- wan Justus, en Matthias.
Lag liet aan de personen of aan de namen, dat het lot op Matthias viel ? Jozef beteekent; »Hij, de Heere, voege er toe!quot; Barsabas : »Zoon der gevangenis,quot; Justus; »de rechtvaardigequot;. Voorwaar vele hoedanigheden in de oogen der gemeente, te veel in de oogen van een doodarmen zondaar, die met den tollenaar zucht; »Mij n God wees mij zondaar genadigquot;, en met Ps. 51 : »Zijt mij genadig, o God!quot; Matthias beteekent heel eenvoudig: »Gods gave.quot; »Ik zal u geven de gewisse weldadigheden Davids.quot; Denk bij deze namen aan Manasse en Efraim (Gen. 41 : 50, 51). In den naam Manasse (God heeft mij doen vergeten enz.) ligt altijd nog iets van het eigen ik, in Efraim (God heeft mij doen wassen enz.), wat uitgesproken is in Jesaja 37, 31: »Want het ontko-mene, dat overgebleven is van het huis van Juda, zal wederom nederwaarts wortelen, en het zal opwaarts vrucht dragen.quot;
In plaats van Judas Iskarioth kon alleen God onmid-delijk eenen anderen apostel geven : moest uwe gave Gods komen.
Uitgegeven bij W. MEIJER, Commelinstraat 33, Amsterdam. Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BüCKMANN, Eiberfeli Prijs per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Cts.
V B R K L A RI N G
VAN
14 88tequot; PSALM.
V E R K L A H 1 N G
VAN
ssten
DOOK
E5. H. F. KOHLBEÃGGB,
In leven Predikant, bij de NederlandscJi-Gereformeerde Gemeente te Eiber leid.
f I
|
MIDDELBURG â F. P. D'HUU. 1891.
S C lï 115 F ï V E 15 Si L 4 III X fiE X
VAN
2gt;r. ES. F. S4«2'iaJSiKÃâ¬S«*E.
OVER
Dea 148quot;quot; Psalm.'1
Vs. 1. Hallelujah! looft den Heer e uit de hemelen; looft Hem in de hoogste plaatsen.
*) Daar onze liandscliriften over Deut. 8 ten eiiule zijn, bieden wij nu onzen lezers eene heerlijke uitlegging van Psalm 148. Voorzeker is deze psalm een der minst gelezenen, en toch zulk een juweel 1
Wij vonden de verklaring van dien Psalm juist zoo geschikt in eenen tijd, waarin des Heeren macht en genade, en Zijne Almacht over al het geschapene zoo duidelijk blijkt. Wienis het hirt niet haast bezwekea van schrik en vrees bij den langen langen winter, dien wij beleefd hebben, en bij al de berichten, omtrent de bijna iabelachtige dikte v.m het ijs op onze rivieren? Wie weet of er nu ook niet, in den een of anderen vergeten hoek van ons vaderland, de kreet is opgestegen tot den Almachtigen : Ileere ! Heere! wij zullen nog allen verdrinken, als die ijsvelden losgaan ! En zie de adem des Almachtigen verhief zich, toen brandstoffen en drinkwater alom begonnen te ontbreken, en de drie weken, die achter ons liggen , doen het aan het van üod afgevallen volk nog als met gouden letteren lezen : God in genadig. God verhoort liet geween van hen, die van harte belijden : wij hebben niets dan toorn verdiend ! Oranje, de dierbaren Oranjeboom, naamt Gij o Heere! biji.a geheel weg in uw oordeel over ons,o zullen nu uwe watervloeden ook nog komen en ons bedelven onder de woedende baren ? En zie ! de Heere heeft geholpen, heelt getoond, dat het ook van de sterkste ijsschotsen geldt: de Heere heeft geblazen en zij zijn verstrooid ! O Nederland, zulk een God is uw God, genadig, lankmoedig, traag tot toorn, en gaarne, o zoo gaarne vergevende al uwe zonden en ongerechtigheden. Daarom, o ! mocht de wonderbare alloop van den harden winter 1890-91 ook voor Nederland nog eene vriende lijke roepstem zijn. waardoor de Heere ons, arme zondaren, op Zijne wegen lokt. Bekeert u tot ilij, o gij afkeerige kinderen, Ik zal uwe afkeeringen genezen. Ja Hem, Hem alleen de eere voor Zijn werk en wonderen, ook in dezen benauwden No. 133. 14 Fabr. 1891.
2
2. Looft He.m, al Zijne engelen, looft Hem, al Zijne, heir schar en.
3. Looft Hein, zon en titaan! looft Hem, alle gij lichtende sterren !
4. Looft Hem, gij hemelen der hemelen! en gij tva-tere», die boven de hemelen zijt!
5. Dat zij dm naam des Heeren loven : want als Hij het beval, zoo werden zij geschapen.
6. En Hij heeft ze bevestigd voor altoos, in eeuwigheid; LI ij heeft hun een orde gegeven, die geen van hen zal overtreden.
7. Looft den Heere, van de aarde ; gij walvisschen en alle afgronden !
8. Vuur en hagel, sneauw en damp ; gij stormwind, die Zijn woord doet.
9. Gij bergen en alle heuvelen; vruchtboomen en alle cederhoomen !
10. Hel wild gedierte en alle vee; kruipendgedierte en gevleugeld gevogelte !
11. Gij koningen der aarde, en alle volken ! gij vorsten en alle rechters der aarde !
12. Jongelingen en ook maagden ; gij ouden met de jongen !
13. Dal zij den Naam des Heeren loven : want Zijn Naam alleen is hoog verheven; Zijne Majesteit is over de aarde en den hemel.
11. En Hij heeft den hoorn Zijns volks verhoogd, den roem al Zijner gunstqenooten, dor kinderen Israöls, des volks, dat nabij Hem is! Hallelujah !
winter ! Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat we niet vernield zijn. Geen buskruid, noch dynamiet konden helpen, dan toen de adem des Allerhoogsten het ijs reeds bros gemaakt had. Hem, Hem alleen de eere.
God de Heere verlichtte het zielsoog van allen, die deze verklaring lezen zullen, opdat zij er vracht van mogen plukken ten «euwigen leven. I)e Ked.
3
Het middelpunt Tan dezen geheelen Psalm is het 13'ie vers: dat zij den Naam des Heeien loven', want Zijn Naam alleen is hoog verheven ! Is nu Zijn Naam alleen hoog verheven, dan prijze Hem, Hem alléén, alles, wat op aarde is, en geve Hem eere en heerlijkheid. Dit wordt ook bekend en beleden in de gemeente Zijner uitverkorenen, op den berg Sion, dien Hij gegrondvest heeft op eeuwige vastigheden ! Ja! Hij Zelf maakt het openbaar, door Zijne groote daden, hoe hoog verheven Zijn Naam is, en dat openbaart Hij niet ten Zijnen nutte,niet om Zelf nog meer verhoogd te worden, dan Hij van alle eeuwigheid is, maar Hij openbaart het, opdat Zijne arme gjmeente, die hier op hare reis door de woestijn vaak in haren druk meent te bezwijken, moed zoude vatten, en meer en meer zoude leeren, welk een God haar God is ! Om t/den hoorn Zijns volks te oerhoogen' bedient Hij zich niet alleen van het allerbeste, wat Hij heeft, namelijk van Zijn dierbaar en reinigend bloed, maar nadat Hij voor Zijne gemeente Zijn eigen hartebloed vergoten heeft, bedient Hij zich ook, om haar ter hulp te komen van de geheele natuur, van de geheele zichtbare schepping ; en in dozen onzen 148sten Psalm roept de Heilige Geest al het geschapene op, om des Heeren lof te zingen, opdat Zijn lof zoude openbaar worden in de gemeente der armen en ellendigen, dien de duivel den mond zoekt te stoppen, opdat zij niet langer den Naam des Heeren zouden prijzen; ik herhaal het, dat de Ueere dit alles doet en laat geschieden ten beste van dezulken, dien de duivel den mond zoekt te stoppen. Ziet, mijne geliefden ! ik sta heden voor u, met opgeheven hoofde, in de kracht van mijnen God, die mij in geen ding beschaamd heeft gemaakt, maar letterlijk heeft vervuld, wat ik u kort geleden toeriep, toen wij in zoo grooten angst
4
en nood verkeerden, 1) namelijk dat twee of drie eenvoudige godvreezende zielen, die den Heere in den gebede aanloopen, meer vermogen dan de keizers van Frankrijk en Oostenrijk, ja dan alle potentaten dezer wereld te zamen. Ik sta met mijnen God niet beschaamd voor ulieden, nadat ik er n op wees, dat de Heere God in den hemel nog meer en nog andere soldaten heeft dan die thans in Italië te velde liggen (1859). Misschien is er wel de een of ander, in wiens hart, bij het vernemen dezer woorden, een »ja maarquot; opkomt, zoodat hij ougeloovig de schouders ophaalt. Maar ik vraag het ulieden, die zoo gezind zijt, plechtig af: zijt gij wel werkelijk bewust geweest van het ons dreigende gevaar ? Hebt gij wel werkelijk geworsteld, met God geworsteld in den gebede ? Hebt gij wel werkelijk, in den geest, reeds het Duitsche bloed zien vloeien met stroomen
1
Deze woorden werden uitgespioken den 17-'uli 1850, toen de oorlog tussclien Frankrijk en Oostenrijk in Italië juist ge-eindigd was. Hoewel Frankrijk de veldslagen allen won, werd het toch door de vreeselijkste onweders, die weer allerlei ziekten in zijne legers tergevolge hadden, gedwongen veel spoediger, dan iemand verwacht had, den vrede te sluiten, eigenlijk tegen den wil en de begeerte van Napoleon III, die toen in Frankrijk heerschte Telkens en telkens zojht deze heerscher Pruisen in den oorlog met Oostenrijk te mengen, omdat hij toen reeds begeerigs blikken op de Ãliijnprovincie sloeg. Hoewel de oorlog, ook voor Pruissen, elk oogenblik dreigde, zoodat het leger reeds marschvaardig was, hield de Heere het zwaard telkens nog terug, en maakte eindelijk door Zijnen Almachtigen arm, door Zijne stormen en watervloeden Zelf een einde aan den bloedigen Italiaanschen oorlog. Zoo bleef Pruisen, ja geheel Duitschland, nog bewaard voor de verschrikking van den oorlog, en toen elf jaren later Napoleon in werkelijkheid zijnen lang voorgenomen aanval op Unitsch-land gewaagd had, eindigde die niet met Dnitschland's, maar met zijnen eigenen val. Dit weinige om de bedoeling van onzen schrijver duidelijk te maken, ook voor de lezers van onzen tijd. quot; De Red.
5
aan den oevers van den Rhijn ? Hebt gij wel, in den geest, het zwaard des Heeren zien nederdalen op Pruisischen moed, op Pruisischen overmoed ? Nu is de vrede er, en het is niets dan eene daad des Heeren Heeren, Hij heeft de gebeden vei-hoord. Hij is opgestaan, Hij heeft zich ontfermd over Zijne potentaten, over Zijne vorsten, die in armzalige kelderwoningen, of in dakkamertjes wonen, en die uit hun verbolgen hoekjes Hem achterna geweend hebben, en Hem hebben gesmeekt het dreigende zwaard toch weer in de schede te steken. Mijne geliefde broeders en zusters ! gij, die met mij geworsteld hebt in den gebede, om genade, om uitredding, om ontferming voor ons arm vaderland, o ! laat ons ook te zamen Hem loven met de heerlijke woorden van den 148sten Psalm. Waartoe is deze Psalm ons gegeven ? Deze, ons geslacht nu zoo vreemd geworden psalm, was drie honderd jaren geleden van letter tot letter niet alleen bekend, maar de waarheid, die daarin wordt uitgesproken, werd ook beleefd en ervaren, en daarom zal deze psalm het eigendom der kerke Gods blijven tot op den dag van heden, ja tot den jongsten aller dagen. Eu dat dit waar is, hebben wij dezer dagen weer beleefd, nu de Heere God op de slagvelden van Italië (1859) met Zijnen donder en bliksem tusschen de strijdende legers is gevaren, en zóó den hoogmoed der machtige keizers van Frankrijk en Oostenrijk heeft verlamd. Zijn hagel is terneer gevallen van den hemel, en zij stoven links en rcehts uit elkaar , die machtige heirscharen, die op het punt stonden elkaar te vernielen. God de Heere was het, die de wateren van den Mincio verre uit zijne oevers deed, treden zoodat die woedende stroom de strijdenden uit elkaar hield, en wederom liet Hij die wateren in het gewone stroombed terugkeeren, omdat
6
Zijne barmhartigheid niet gedoogde, dat menschen en beesten zouden verdrinken, of hunnen dorst met slijk in plaats van met water zouden lesschen.
0, liet is zoo eeuwig waar, dat de geheele schepping geschapen is ter eere Gods, en dat wel zoo, dat ook het geringste in de natuur zich niet roeren, noch bewegen kan, zonder Zijnen heiligen wil, maar dat alles Hem gehoorzamen moet op Zijnen wenk! Als wij het boek der natuur opslaan, en met een God verheerlijkend oog daarin lezen, zullen wij wel spoedig zien, dat het geringste wormke in het stol het veel heter dan de mensch verstaat, zijnen Schepper te loven. De mensch lastert God, als hij diens weg niet verstaat, maar het geringste stofje, dat wij met het bloote oog nauwelijks gewaar worden, looft en gehoorzaamt Hem. Maar dit is, hoewel het eeuwig waar blijft, de eigenlijke bedoeling van dezen Psalm niet : de 148ste Psalm wil ons leeren : verstaan de vorsten dezer wereld het, groote en machtige legers te zamen te brengen, zoodat den volkeren het bloed verstijft in de aderen van schrik voor de dingen die komen zullen, welaan! de Heere in den hemel heeft nog andere legermachten, een talloos heir van hemel-sche krijgsknechten. Maar geen mensch denkt er aan, dat Hij gereed staat, elk oogenblik gereed staat, met de hemelsche benden Zijne armen en ellendigenter hulp te ijlen, die in hunnen nood en angst tot Hem roepen. en die met Ps. 27 vs. 4. spreken : Eén ding heb ik van den lieert; begeerd, dit zal ik zoeken : dat ik al de. dagen mijns levins mocht wonen in het huis des 11 eer en, om de. liefelijkheid des IJeeren te aanschouwen, en ie onderzoeken in Zijnen tempel, en gelaafd en ge-wasschen te worden in de font dn, die giopend is voor het hw's Davids, en voorde ivuovers vav Jtruzalem, tegen de. zonde en tegen de. onreinigheid (Zach. 13vs. 1)
7
In deze hunne ruste worden zij, o zoo vaak gestoord, ook door allerlei oorlogen en gerncliten van oorlogen, en tegen dezen hunnen angst krijgen zij van den Heere, tot hunne krygsleus, den 148sten Psalm. Toen de Heere God Zijne honderdduizenden uit Egypte geleidde, liet Hij eene kleine heilige tente, de tente der zaïnenkomste.dentabernakel,oprichten,waarin Hij wilde wonen bij de menschenkindereu. De tabernakel nu met al deszelfs gereedschappen was eene afschaduwing van den Heere uit den Hemel, van Jezus Christus. En, sinds die in het vleesch is verschenen, wordt het luide der gemeente Gods toegeroepen: »Vrees niet, gij klein kuddeken! want het is üws »Vaders welbehagen ulieden het koningrijk te geven.quot; Ten behoeve dezer kleine kudde, voor Zijne arme en aangevochtene gemeente, zet de Heere .'illes in rep en roer, opdat zij daar zoude staan, gelijk zij ook daarstaat, als een opgericht teeken Zijner Almacht, ter eere van Zijnen nooit volprezen Naam, die alléén te loven en te prijzen is, zooals onze Psalm het ook uitspreekt Maar, maar, wie gelooft dat ? Ja! indien de wijzen dezer wereld, indien de staatkundigen weken lang de vredesvoorwaarden gewikt en gewogen hadden, ja, zegt men dan zoude het een duurzamer, en beter vrede kunnen 7,ijn â Maar, nu God de Heere het voortzetten van den oorlog letterlijk belet en onmogelijk gemaakt heeft, (1) en de machtige keizers wel vrede moesten sluiten, nu halen velen de schouders op, en
1
De vrede van Villa fnnka tusschen Frankrijk en Oostenrijk werd gesloten nauwelijks drie weken na den laatsten veldslag, de slug van Solferino. En, dat zij, die toen in hunne vermeende wijsheid dachten : ,/die vrede zou wel niet duurzaam zijn !quot; zich bedrogen, heeft de uitkomst bewezen. Tusschen deze twee rijken ia de vrede tot op heden niet gestoord geweest. De Red.
8
zijn ontevreden, in plaats van luide den Heere de eere te geven, dat Hij tussclien beiden is getreden en het gebed Zijns volks verhoord heeft. Een wonder des Almachtigen maq volstrekt niet geschied zyn! Maar, wat de menschen in hun ongeloof, in hunne blindheid, in hunnen dood niet zien, en niet willen zien, dat roept de 148ste Psalm luide uit, en zij gelooven, wat daarin staat, dien de Heilige Geest met dezen Psalm de oogen opent, zoodat zij het zien: het was Gods hand, het was Gods raad, het was des Heeren genade en ontferming alleen, die zóó spoedig een eind maakte aan het bloedvergieten, en liet oorlogszwaard van het overige Europa, allereerst van Duitsch-land weerde! Maar de Heere, o die krijgt toch eigenlijk nooit de eere van wat Hij doet, en het zijn altoos mannen van groot verstand en naam, die den dank en eere ontvangen, voor wat de Heere deed. De wereld, mijne geliefden ! zij looft den Heere niet, maar zij lastert Hem! En zijne gemeente ? Ach ! indien Hij zelf niet gedurig in haar midden komt met Zijn Woord en Geest, indien Hy zelf de tieusnarige instrumenten in haar midden niet komt stemmen, dan zit ook Zijne lieve gemeente stom en zwijgend daar, al geschieden ook de grootste wonderen ! Dat is, omdat, waar God de Heere Zijnen almachtigen arm verheft, de duivel ook spoedig op de been is, en die verstaat het maar al te goed het liefelijk snarenspel, ter eere des Almachtigen aangeheven, te verstoren, ja de snaren te doen springen, en een grooten stop te zetten op de bazuinen, die den lof des Heeren deden weerklinken ; want het is den duivel een doorn in het oog, als de Heere geloofd en geprezen wordt door het volk, dat toch alleen geschapen is, opdat het de deugden zoude verkondigen Desgenen, die liet geroepen heeft
iot Z
jodig den 1 3evel waar
9
tot Zijn wonderbaar licht. Daarom is het geen overbodig woord, als de 148ste Psalm ons toeroept: looft den Heere, want dat woord is een bevel, een genade bevel echter : looft Hem midden in uwe nood ! want waar deze Psalm komt, is de nood niet over, maar nog aanwezig en juist te midden van angst en aanvechting, laat de Heilige Geest ons die bemoedigende woorden vernemen. Deze Psalm klinkt luide door de wereld, en is de donder des Almachtigen, die daar henen rolt en alles, wat Gods volk benauwt en verschrikt, doet wegsmelten, als was voor het vuur.
Ziet, hoe woedden én stormen én baren, toen de jongeren zich vermoeiden, om het scheepke op zee vooruit te doen komen en de Heere Jezus sliep! Maar hun jammerkreet: Heere help ons, wij vergaan, deed Hem spoedig ontwaken, en met het woord Zijner Almacht, stilde Hij den wind en de golven.
Zie ! zóó is Zijn woord, zóó is ook deze Psalm! Wat beduiden voor Hem groote legers ? wat onafzienbare strijdmachten, wat zijn voor Hem stalen kanonnen en geweren, waarmede men ongeloofelijk veel schoten in ééne enkele minuut doen kan ? Voor Hem is dat alles rook en ijdelheid, en als Hij spreekt, dan ligt dat alles machteloos ter neer. Hij vangt de wijzen in hunne argelistigheid, en verwart de machtigen der aarde, die over den vrede onderhandelen, in hunne eigene sluwe raadslagen en overleggingen, zoodat zij daar, moeten staan met beschaamde kaken, want de Heere Zelf komt, en met Zijnen donder, hagel en overstroomingen treedt Hij Zelf tusschen beide, zoodat de overwinnaar evenmin den strijd voortzetten kon, als de overwonnene, en al zijne plannen, die eerst schenen te zullen gelukken, in rook en ijdelheid opgingen ! Ja, de Heere roept het ons toe met den 148sten Psalm: te midden van nood en dood,Hallelujah!looit den
10
Heereuit de hemelen, looft Hem in de hoogste plaatsen! En dat laat de Heere ons verkondigen, opdat wij midden in nood en dood hartelijk en heilig zouden lachen, en midden in onzen angst spreken: Heere God! daar staat het in dien heerlijken Psalm, dat Gij toch nog andere soldaten hebt, als die de vorsten dezer wereld te zamen brengen, om elkander de heerschappij over de volkeren der aarde te ontrukken ! En wordt deze Psalm ons voorgehouden, als de nood voorloopig geweken, als 't gebed verhoord, de uitkomst gekomen is, o welgelukzalig dan het volk,dat,nadat God zich als God betoond heeft. Hem dan ook de eere geeft van Zijn eigen werk;maar wee,driewerf wee! datvolk,dat na de grootste daden Gods, nog verder van Hem afwijkt. Zulk een Psalm, als de I489te, wordt gevonden in angst en nood der ziele, en is gelijk een spijker, dien men op den weg vindt, en dien men in den zak steekt; zulk een spijker kan te pas komen, als men gereedschap of kleederen op wil hangen, ter plaatse, waar het aan een kuop of spijker ontbreekt. ^Hallelujah ! looft den Heerequot;, dat is: zegt Hem lof en dank tegen al het woeden van duivel en wereld in. Looft Hem ! en verkondigt het luide, dat bij Hem alleen genade, dat bij Hem alleen ontferming is,bij Hem alleen uitkomst,bij Hem alleen vergeving van alle zonden en van alle schuld, ja! Hij kan redding on uitkomst geven,waar alles met ondergang dreigt,waar de zaken er op het allerergste uitzien, waar hemel en aarde dreigt onder te gaan, en de geheele wereld als op eeue dunne plank schijnt te drijven op de woedende golven ! Ja! ook dan is er bij Hem nog redding en uitkomst! En daarom : looi Hem, Hallelujah ! Looft den God des verbonds, den ouden trouwen God ! ja, zondaren dat zijn wij van top tot teen, maar â Christus is hier ! houdt n vast aan Zijn werk, aan Zijne gerechtigheid aan Zijn
11
even, aan Zijne genade,wat ook over u dreigt te komen! Spreek vrij tot uwen God: âo Heere ! Gij vermoogt ,toch meer met uwen kleinsten vinger, dan al de vorsten met hunne legermaohten, dan alle volkeren met hunne woede.quot; Looit God in uwe stille binnenkamer, in het verborgene, maar ook in het open-3aar, te midden Zijner gemeente ! Houdt het Hem naar onverdroten voor: wij hebben niets anders ferdiend, dan dat Gij ons vernielt in Uwen toorn, wij lebben het verdiend, dat Gij Israël uitdelgt van onder ien hemel, maar zijt Gij toch nog niet de oude, trouwe God? Wat zouden de heidenen, wat zouden ille duivelen zeggen, als Gy ons liet varen, als Gij [Tw eigen Woord niet meer waar maakt bij ons ? lie! dat is God loven, Hem Zijne vorige trouw, goedertierenheid en ontferming voor te houden en iet Hem te zeggen: Heere God ! hier lig ik voor awen troon ! Ik ben niets dan een verloren zondaar Dm en om, en gewis 1 Gij zijt rechtvaardig als Gij mij laat omkomen, maar o! waar zoudt Gij Uwe fenade. Uwe trouw beter kunnen verheerlijken, dan lier in mijne jammerlijke ellende, in mijn diep en lopeloos verderf ? Looft den Heere ! Ja ! maar, maar gs welk een weg ging het toch niet met Job ? Voorzeker! en de zaligsprekingen van den eersten 5salm klinken in de praktijk des levens, dikwijls meer als vervloekingen, zoodat de aangevochten ziel meent, dat er veeleer moest staan :, wee ! hem of haar, die niet zit in den raad der goddeloozen, en dat klaag-iederen en jammerkreten meer voegen dan lolliede-en ! Maar nochtans,zoo lezen wij Ps. 145: Een lofzang, van David! O mijn God, en Koning! Ik zal U ver-wogen, en uwen naam loven in eeuwigheid en altoos ! Sn Psalm 146 : Hallelujah ! in het eerste, Hallelujah ! het laatste vers. En Ps. 147 : Looft den Heexe,
12
1 want onzen God te psalmzingen is qoed, dewijl Hij liefelijk is, de lof is be tamelijk. En Ps. 148 : Looft den IIeere en nog eens : looft den Heei-e ew âHallelujaquot; en nog eens Halleluja. J5n Ps. 149 één loflied van het begin tot het einde, en eindelijk Ps. 150, dat loflied, om in nood en dood, op goeden Vrijdag, te zingen met bruisende orgeltoonen, één Hallelujah van het eerste tot, het laatste vers. Daarom : Ik zal dmHeeré zingen in mijn leven ; ik zal m'jnm God psalmzingen, terwijl ik nog hen. Ps 104 vs. 33.
Verstaat mij wel mijne geliefden ! Zulk een lof is geen lippenwerk, maar eene opwelling uit het hart eens ellendigen, eens verslagenen, eens verbrijzelden, uit de ziel van een arm menschenkind, dat gedrukt ging onder eigen nood, onder den nood van anderen, maar, die met dien nood rechtstreeks tot God ging, en tot God sprak : âHeere! ik kan niet meer, help »Gy ons ! O daar zagen wij ze wegtrekken, onze dap-»pere landweer, met achterlating van vrouw en kind, »de jongelieden, die de hoop en oogappel hunner »ouders zijn! o Heere! Gij ziet de tranen vloeien van »zoo velen, die eerst onlangs door den band des »huwelijks werden verbonden. Gij ziet al die achter-
gt; gebleven vrouwen eu kinderen, en Heere ! hierkun-gt;nen wij niet helpen. O Heere! daal Gij toch neer uit »Sion en treedt Gij tusschenbeide, opdat ook niet over »ons Vaderland het vreeselijk bloedvergieten kome, en »onze schoone gewesten den vijand ten prooi worden ! »Heere God! Gij alleen zijt toch God in den hemel, tgt; en Gij staat ver boven alle keizers en koningen der
gt; aarde !quot; Ziet, mijne geliefden, zóó wordt God geloofd.
Uitgegeven bij F. P. D'HÃU, Middeiburq.
Voor Diiitschland verkrijgbaar bij F. BdCKlIANN, Elberfeld Prijs per Nummer 3 Ots. Pranoo per post 4 Cts.
S C tï ïl a F T \ E II R L 4 il ï ff G E ft
VAN
Or. H. F. ÃS.OSÃL3RSJGC5E.
OVER
Den 140quot;quot; Psalm.
De hemelen moeten Hem loven, die uit den hemel der hemelen is.nedergedaald op deze zondige aarde, Hem, die niet alleen Heere is hier op aarde, niet alleen in Berlijn, in Londen, in Weenen, in Parijs, maar die ook de Heere is in de hoogste plaatsen ! Hem moeten zij loven, die in onze ellende is gekomen. Hem, van wien wij zingen, dat Hij uit des hemels zaal is nedergedaald, om Zijne wonderen groot te maken. Looft Hem, al Zijne engelen ! lezen wij verder. Waarom moeten die Hem loven ? Daarom, dat er zoo eenigen waren, zoo drie hier, zoo twee daar, die op aarde tot Hem geroepen hebben, toen de nood aan den man was ; daarom dat zij Hem in dien nood en dreigenden ondergang hebben aangeloopen als waterstroo-men, om redding en ontferming. Ja! daar zullen de engelen Hem ook om loven, als een zondaar zich bekeert van zijnen verkeerden weg, want zoo staat er geschreven Luk. 15 vs. 1: Jk zeg ulieden, dat er alzoo blijdschap zal zijn in den hemel over éér en zondaar, die zich bekeert, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen, die de bekeering niet van noode hebben. Als er hier of daar een arme of ellendige is, die met God worstelt in den gebede en zegt: »Heere ! ik laat »[J niet gaan, tenzij Gij mij zegentquot; : dan treden alle engelen voor den troon van God en van het Lam, en zeggen : »Hoort gij, o hemelen ! wat deze ellendige »zegt ? Hij looft zijnen God, zijnen Jezus, zgnen No. 13^. ⢠28 Febr. 1891.
14
^Heiland op de recnte wijze, en wat hij bidt, dat zal »liij ook verkrijgenquot;. Staat niet yan de hemelen geschreven in den 19en Paal m : de hemelen verf,ellen Gods eer, en het uitspanfel verkondigt de werken Zijner handen ? En legt Paulus dit niet alzoo uit, dat die woorden toepast op de verkondiging des evangelies, zooals wij dit lezen in Rom. 10 : dat de hemelen Gods eere verkondigen, daarover dat Hij. eenen armen zondaar genadig is, en met Zijn eeuwig evangelie komt tot aan de uiterste einden des hemels en der aarde, waar er maar een is, die weenend zijne stem tot God verheft ? Des Heeren Woord komt, en Zijne waarheid prediken ons zon en maan, starren en regen, ja, alle teekenen, die aan den hemel worden gezien. Mijne geliefden! toen de engel des Heeren tot de herders in Bethlehems velden kwam, omscheen hem de heerlijkheid des Heeren, en hij sprak tot de herders vriendelijk en moedgevend, toen zij vreesden met groote vreeze : »Vrees niet! want ziet! ik ver-»kondig u groote blijdschap, die al den volke wezen gt;zal, namelijk, dat u heden geboren is de Zaligmaker, 2 welke is Christus, de Heere, in de stad Davidsquot; ; en van stonde aan was er met den engel eene menigte des hemelschen heirlegers prijzende God en zeggende : Eere zij God in de hoogste hemelen en vrede op aarde, in de menschen een welbehagen. En eenmaal lag de koning Hiskia te worstelen met den Heere, en riep Hem aan tegen dien vreeselijken vorst, met zijn roomsch-babyIonisch, schijnvroom geloof. En hij hield het den Heere voor, dat al die goden, waarvan Rabsake roemde, toch geen goden waren, maar dat de Heere alleen God is ! En vuistslag op vuistslag liet de duivel op 's kouings hoofd, op 's konings harte vallen, en dreigde hem geheel te vernielen, maar Hiskia bleef roepen tegen alles in, en ten hemel steeg
15
zijn gebed en zijne smeekingen kwamen tot voor den troon van God. Looft den Heere, al gij engelen ! en door den hemel weerklonk het: o gi] allen ! gg engelen ! nadert om den Heere te prijzen ; daar ligt er op aarde een te worstelen met zijnen God ! wie van ons zal nederdalen, om Gods groote daden uit te richten ? En een engel daalt neder, en door het zwaard diens engels vallen er in eenen nacht 185,000 vijanden, zoodat het beleg opgebroken en Jeruzalem, dat reeds verloren scheen, verlost is. En in Samaria was eens de hongersnood zoo hoog geklommen, dat de goddelooze koning aan eene vrouw, die in haren honger tot hem zeide ; help mij beer koning! ten antwoord gaf : »de »Heere helpt u niet ! waarvan zoude ik u helpen, »van den dorschvloer of van de wijnpers? Er is gt; immers niets meer in de stad!quot; Maar de Heere had nog gedachten des vredes over het goddelooze Samaria en â looft Hem ! al gij Zijne engelen â Hij liet Zijne hemelsche heirlegers nederdalen, en de vijanden, die Samaria belegerden, werden bevreesd en verschrikt, zoodat zij uit elkaar stoven, uit vrees voor eene legermacht, die onzichtbaar was, en al hunnen rijkdom en overvloed, de buit werd der uitgehongerde stad (2 Kon. 6 en 7). De Heere roept nog zoo vaak Zijne engelen, en spreekt tot den machtigsten vijand : tot hiertoe en niet verder ! Met Zijnen donder, bliksem en hagel werpt Hij zich dan tusschen de strijdende legers en laat het allen ondervinden : daar leeft er Een in den hemel, die boven allen is. En dan verwekken de vleugelen Zijner engelen wel eens zulk eene duisternis, dat de eene vijand den anderen niet meer kan zien. Dergelijke wonderen deed de Heere zoo vaak, als Duitschland, Engeland en vooral het kleine Holland, of welk land dan ook, waar het licht der ware waarheid op den kandelaar stond, in nood kwam, ook
16
ââ
door eigen scliuld van nalatigheid, omdat zij de grenzen hunner landpalen niet genoegzaam gedekt hadden. Zie ! dan schenen de vijanden maar zoo te kunnen binnentrekken, en gedaan scheen het voor altoos met land en kerk ! Maar dan waren er zoo van die ver-getene dorpen, in nevel en damp verborgen, en op die dorpen woonden, in onaanzienlijke en eenvoudige woningen, eenige vergetene en verachte lieden, van dezulken, die altoos aller afschrapsel en uitvaagsel waren. Die hieven dan hunne handen naar het hei-ligdoii), die smeekten dan tot God met luider stem, dat Hij opstaan zoude, en ziet! eene groote beroering overviel plotseling de vijanden. Zij meenden trompetgeschal en ander veldmuziek te hooren en dachten, dat er eene groote legermacht op hen los rukte. Maar van deze legermacht werd nooit iets gezien. Het was de Heere, die de vijanden op de vlucht had gejaagd. En daarom: looft Hem ! gij Zijne engelen, looft Hem, gij Zijne hemelsche scharen. Juicht bij beurte, dat Hij de God der armen en ellendigen is. Allen, die niet arm en ellendig zijn, maar rijk en sterk in eigen oogen, zullen te schande worden, maaide Heere helpt Zijne ellendigen heerlijk uit al hunne nooden. Op welke wijze de engelen den Heere loven, weten wij niet, en dat behoeft de gsmeente Gods ook niet te weten. God is eigenlijk veel te groot, om ooit naar waarde geloofd te worden, en, wat wij Hem ter eere spreken of zingen, is eigenlijk geen lof: en indien Hij geen lankmoedig en vergevend Vader was, die medelijden heeft met onze zwakheden, was het maar beter voor ons, onzen mond gesloten te houden. Er kan hier op aarde geen loflied aangeheven worden, dat uiet met zonde bevlekt is, en Hij is eigenlijk verre, verre boven den lof van zondige menschen-kinderen verheven. Maar in Zijne groote genade heeft
17
God Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven, als liet Lam, dat de zonde der wereld draagt; dat Lam wordt geslacht en gebraden in de brandende vlammen van Gods toorn en van Gods liefde, en, nadat dat Lam geslacht en Zijn bloed vergoten is, nadat dat Lam ten hemel is gevaren in de vlammen van het altaar des kruises, wil God, voor het oog der geheele wereld, geprezen zijn in en door Zijne gemeente, ten beste dier arme gemeente, ten beste van arme zondaren. Alle machten, troonen en heers chap p ij en des hemels moeten Hem daarom loven en prijzen, dat Hij zóó genadig is, dat Hij zonden vergeeft, en goddeloozen een wel gefondeerd recht op het eeuwige leven schenkt. Nu verder: loojt Hem zon en rnaunl Maar, zon en maan, die hebben toch geen mond om den Heere te loven? Gij, die zoo spreekt, zie eens naar de zon, en vraag u eens af, eiken morgen, als zij weer opgaat: hoe zoude het met mij staan, als de zon heden eens ten laatste male voor mij opging'? Toen de Heere Jezus, van God verlaten, aan het kruis hing, toen verlooide zon haren glans, en toen de Heere uitriep : »Mijn »God ! mijn God ! waarom hebt Gij mij verlaten ? en : »het is volbrachtquot;, toen ging de zon weder op. Zie! dit was de wijze, waarop de zon den Heere prees, van Hem getuigde. Toen Jakob door Pniel ging, waar hij Gods aangezicht aanschouwd had, toen ging de zon ook weer op. Loofde toen de zon God niet ?
En Jozua 10 vs. 12 lezen wij: Toen sprak Jozua tot den Heere : ten dage als de Heere de Amorieten voor het aangezicht dquot;r hinderen leraëls overgaf, en zeide voor de oogen dér kinderen Israels: Zon! sla stil te Giheon ! en gij maait ! in het dal van Ajalon! en vs. 13 en 14 : en de eon stond stil, en de maan bleet' staan, totdat het volk zich gewroken had. Is dit niet geschreven in het boek des oprechten ? De zon nu
18
stond stil in het midden des hemels, en haastte niet om onder te gaan omtrent een volkomen dag. En er icas qeen dag aan dezen gelijk, voor hem, noch na hem, dat de lleere de stem eens mans alsoo verhoorde: want de Heere slreedt voor Israël. Zie ! daar hebt gij de uitspraak uit den 148steii Psalm vs. 3: Looft Looft Hem, zon en maan ! Ja 1 de Heere schiep u, gij zon en maan, opdat gij zoudt blinken aan het wijde gewelf des hemels, maar ook ten dienste vim Zijn arm en ellendig volk ; dat hebben wij nu ook weer beleefd, mijne geliefden ! want, toen er hier gebeden en geroepen werd tot den machtigen God van hemel en aarde, die om Jezus Christus wil onze God en onze Vader is, begon zon en maan aan de oevers van den Mincio zoo hevig te branden en te steken, dat duizenden van strijders, onverschillig of zij tot de overwinnaars of de overwonnenen behoorden, den geest gaven, zoodat de typhus en andere kwaadaardige ziekten in weinige dagen meer men-schen ten grave sleepten, dan er weggemaaid waren door het zwaard des oorlogs. God de Heere liet dit geschieden, opdat die machtige vorsten, die de een den ander den scepter over de koningrijken der aarde wilden ontrukken, met hunne oogen zouden zien : er is nog Een Hoogere dan wij, dat is de Heere in den hemel, wiens naam is Heere derHeeren ! Op diergelijke wijze heeft God zoo dikwijls het arme Duitschland of Holland geholpen, die landen, waarop de anti-christ steeds zyne handlangers en strijdmachten afzond, omdat het licht des Evangelies, dat de Beere ontstoken had en dat daar helder op den ka7idelaar brandde, hem steeds een doorn in het oog was. Dan eens liet de Heere, al naar de behoefte des oogen-bliks, eene vreeselijke hitte ontstaan, oi er ontstond onverwacht storm en onweder, waardoor de Heere de vijanden plaagde,diezonderZijne krachtdadige tusschen-
19
komst de kerke Gods geheel verwoest zouden hebben. Ja ! het is geschied dat, toen de vijand in den nacht de vesting Sluis in Zeeland, die hij in den donkeren nacht wilde overrompelen, reeds zeer nabij was gekomen, er plotseling, ofschoon het donkere maan was. zulk een helder licht van den hemel scheen, dat men om kwart voor twee, dus in het allerholste van den nacht, de wijzers op den toren van Sluis duidelijk den tijd kon zien aanwyzen ; zoo werd men ook den naderenden vijand gewaar, di:n echter, voor dat men hem weg kon jager, de schrik op het hart viel, zoodat hij het hazenpad koos. Ziet ge, daar ging het weder toe naar Psalm 148 vs. 3 : looft Hem alle gij lichlendc sterren! Van den hemel streden zij, de sterren uit hare loopplaatsen s 'reden tec/en Sisera ! zoo zong Deborah in haar loflied. (Richteren 5 vs. 20.) Mijne geliefden! in het jaar 1600 hing het geheele lot van Holland aan het winnen of verliezen van éénen eenigen veldslag. Maar de Heere gaf onzen prins Maurits van Oranje Nassau, een vast vertrouwen op Hem den almachtigen God ! De prins bevond zich met zijn leger in Zeeuwsch-Vlaanderen, afgesneden van alle menschelijke redding of hulp; en, hij zelf had nog de laatste schepen weggestuurd, om eene mogelijke vlucht te verhinderen, ja, geheel onmogelijk te maken. Het scheen dus met hem en zijn geheele leger eene afge-snedene zaak te zijn, eene geheel reddeloos verlorene zaak; »maar, dacht de prins. God leeft toch nog ! Hy »is niet doodquot; ; en ziet! plotseling breekt de zon blinkende door de wolken en schijnt den vijanden vlak in de oogen, zoodat zij, door dien onverwachten lichtglans verblind, geen goed schot meer kunnen doen, en de stormwind, dien zij eerst van achteren hadden, keerde onverwacht op 's Heeren bevel, en dreef hun bovendien wolken van stof en zand in de
20
oogen. En niet prins Maurits, maar de vijand, die reeds luide victorie gekraaid liad en meende geheel Holland iu zijne macht te hebben, ging op de vlucht, en gewonnen was de onvergetelijke slag van Nieuw-poort, die ten eeuwigen dage, als een gedenkteeken van 's Heeren trouw geboekt staat in 's lands histo-rieblaau ! En het was niet alleen Nederland, maar het Evangelie Gods, de ware gereformeerde religie, waarom het in dien veldslag ging, en die toen ook voor ons, die ons heden ten dage nog daaraan moge, laven,behouden werd. En daarom ; Looft Hem ! gij zon, maan en blinkende sterreu, want gij zijt de krijgsknechten en legermachten van den levenden God ! En niet tot houthakkers en waterputters heeft onze koning Salomo de Zijnen gesteld, maar tot machtige vorsten onder Hem, zoodat, als Gods volk maar even de weenende stem verheft en uit de benauwdheid tot den Heere roept, het geheele leger des hemels, zon en maan en sterren hun ten dienste staan en gehoorzaam zijn. En daarom :
Ja, wonderen heeft de Heere gedaan ! O li// oogen zien het vroolijk aan.
O volk ! door Zijne hand bereid.
Zing 's Heeren lof in eeuwigheid !
Ja loven en prijzen moeten Hem alle armen en ellendigen, eeuwiglijk en altoos !
Mijne geliefden, ik hoop, dat gij tot nu toe mijne bedoeling bij het behandelen van den IdSsten Psalm zult begrepen hebben. Het is beeldspraak, het is een zinnebeeldige wijze van spreken, dit begrijpt gij immers wel, wanneer in onzen Psalm gezegd wordt, dat zon, maan en sterren God loven. Die schoone hemellichamen hebben in meer letterlijken zin geen stem, en stom en zwijgend staan zij aan des hemels trans ; maar God heeft die allen geschapen, opdat zij
21
zouden medewerken tot Zijne verheerlijking in het midden der gemeente. Zóó leren Hem de hemelen dei-hemelen, ja de wateren, die boven den hemel zijn ! Want van waar zendt de Heere Zijnen verkwikkenden en vruchtbaarmakenden regen op aarde ? En wiens hand is het, die bij tijden den hemel toesluit, zoodat alles versmacht op aarde ? Eenmaal was de wereld gehqel van God afgevallen, nadat de zonen Gods zich naar hunne begeerlijkheden vrouwen genomen hadden uit de dochteren der mensehen, en toen de zonde en ongerechtigheid ten top was gestegen, zie! toen gingen de sluizen des hemels open, en de zondvloed kwam en verdelgde alle vleesch, dat op aarde was. Toen loofden de wateren, die boven de aarde zijn, den Heere, maar zij waren ook Zijne dienstknechten ten nutte van den armen Ts oack. die dit alles lang voor-
â O
zien en voorzegd had, en den bitteren spot en smaad der wereldlingen van dien tijd had moeten dragen, die zij over hem uitstortten, toen hij de arke bouwde op Gods bevel. Maar de wateren zijn gekomen, al geloofde niemand het, en al sloeg niemand acht op Noach's prediking, en zij hebben den Heere geloofd en luide verkondigd, dat de Heere de vromen te midden van den nood helpt en redt. En in later eeuwen stond de profeet Elia voor het aangezicht van den godde-loozen Achab en sprak tot Hem in den naam des Heeren Heeren: Zoo waarachtir/ als de Heere, de God. Israels, leeft, voor trims aangezicht ik sta, indien deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn rooord! (IKon, 17 vs. 1.) Elia was een mensch van gelijke beweging als wij. En de Heere sloot den hemel, en geen dropken regen viel op aarde neder, drie en een half jaar lang. En toen die zelfde Elia aan Achab overvloed van regen had beloofd, toog de koning henen, om te eten en te drinken,
22
maar Elia ging naar de hoogte yan Karmel en verbeidde met bidden en smeeken, of de Heere nu ook doen zoude, wat Hij beloofd had, en Zijn woord zoude waar maken. En toen hij tot zevenmaal toe zijnen jongen uitgezonden had naar de zee, om te zien of er geen wolken aan den gezichtseinder optrokken, en hij, zesmaal teleurgesteld, te ernstiger bad, toen vernam hij ten zevenden male de blijde tijding : jgt; Zie ! gt;eene kleine wolk, als eens mans hand, gaat op van de zee.quot; Toen kon hij den jongen tot den koning zenden met het bevel : Span aan, en kom af, dat u de regen niet ophoude. En, lezen wij 1 Kon. 18 vs. 4 j : JEn het geftch^edde ondertusschen, dat de hemel van wolken en wind zwart werd, en er kwam een groote regen. Zie, zóó loofden wind, regen en wolken den God des hemels, die de wolken van regen deed druppen op het gebed van Elia, die toch maar een mensch was van gelyke beweging als wij! En o, hoe vaak is het niet geschied, dat, als des Heeren geloovige soldaten in den heeten strijd voor het evangelie Gods haast van dorst bezweken, en uit dezen hunnen heeten dorst tot Hem om water schreiden als er nergens één wolkje te zien was, de Heere nochtans binnen korten tijd hen verkwikte met overvloedigen regen. Meer dan eens is het geschied in den hangen strijd,dien onze vaderen in Holland met de Spanjaarden hadden te strijden, dat God op het gebed Zijns volks alle bronnen en beken liet uitdroogen, ja het water op de groote rivieren zoo laag deed worden, dat de vijanden van hunne voorgenomen strijdplannen moesten afzien, ja zulk een hevigen dorst leden, dat zij te vergeefs eenen gulden boden voor eene enkele
O O
flesch water. En wederom heeft de Heere, al naar de behoefte des oogenbliks, geheele landstreken in Holland doen onderloopen, om den vijand te beletten
23
zijnen bloedigen Teldtocht voort te zetten, zoodat hij niet kon komen tot in het hart des lauds. Ontelbare keeren zijn donder en regen des Heeren soldaten geweest, waarmede Hij de Zijnen, die in de benauwdheid zaten, ter hulpe kwam, en den vijand, die reeds alles scheen ingenomen te hebben, op de vlucht dreef, en zijne zegeliederen deed verstommen. God de Heere doet met de wateren des uitspansels, wat Hem behaagt, en dat doet Hij ook met Zijnen geestelijken regen, zoodat er in de eene plaats leven van boyen komt,en het onderde doodsbeenderen beginnen te rumoeren,terwijl cp de andere plaats alles dood en kond blijft, en. terwijl het licht der waarachtige waarheid in het eene land helder op den kandelaar brandt, het ander land in de dikke duisternis van ongeloof en bijgeloof blijft verzinken, en dat alles naar des 's Heeren raad en bevel. Zoo moeten alle wateren, geestelijke zoowel als natuurlijke, die boven het uitspansel zijn, den Heere loven. De wolken des hemels draagt Hij als in een dunnen doek, zoo dun dat wij er niets van gewaar worden. Waar alles dor en uitgedroogd is, daar doet Hij een grooten watervloed ontstaan, en waar alles versmacht van hitte en droogte, geestelijk of lichamelijk, daar wordt ook nog heden ten dage blijde gejuicht, al moet het Z'on des Heeren ook vaak lang, lang wachten in zijnen druk :
Een milden regen zondt G' o Heer !
Op Uw bezwijkend erfnis neer.
Om kracht aan haar te geven.
Ps. GS vs. 14b.
Ja ! de beehjes der rivier Gods, sullm verblijden de stad Gods, het heiligdom der woningen des AUerhoog-sten ! Ps. 46 vs. 5. Zie ! dat is het wat Ps 143 vs. 4 beduidt: Looft Hem, gij hemel der hemelen ! en gij
24
Wateren, die boven do, hemelen zijt! Mijne geliefden ! als de hemel lang gesloten blijft en het noodige drinkwater begint te ontbreken, dan gaan de menschen Taak God lasteren, omdat Hij geen regen zendt, -en vergeten Hem daarover te loven, dat Hij, ook in de grootste droogte en dorheid, bloemen en vruchten, velden en wouden verfrischt en verkwikt met Zijnen liefelijken dauw! En als de godslasteringen al te hoog gaan, dan ontfermt Hg Zich weder over Zijne arme, verkeerde schepselen en vei'hoort in Zijne barmhartigheid het gebed der Zijnen, die tot Hem spreken : Heere ! üw groote Naam wordt gelasterd door hen, die U niet kennen, Heere! sta op en toon dat Gij God zijt en dat Uwe wolken nog overvloed van wateren hebben ! Zie, dat looft Hem ook, het arme en ellendige volk, dat tot Hem roept uit de benauwdheid. en dat volk zal Hem ook de eere geven hier op aarde en eens daarboven in den hemel, terwijl zij, die Hem gelasterd hebben, eens voor eeuwig in de vlammen der helle in hunnen brandenden dorst zullen schreeuwen om één droppel water, zonder dien te kunnen bekomen ! En, dat de hemel der hemelen, ja alle wateren,die boven den hemel zijn, den Heere loven, dat geschiedt om des grooten Naams wille van Hem , waarvan in Philip. 2 vs 9â11 staat geschreven; daarom (omdat Hij gehoorzaam geworden was tot den dood des kruises) heejt God Hem ook uitermate verhoogd, en heeft, Hem eenen naam gegeven,ie elke hoven allen naam is,opdat in den naam van Jezus zich zou buigen alle knie der genen, die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn, en alle tong zoude belijden, dat Jezus Christus de, Heere zij tot heerlijkheid Gods des Vaders.
Uitgegeven bij F. P. D'IIUIJ, Middelburq.
Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BiiCKMANN, Elherfeld. Prijs per Nummer 3 Cta. Franco per post 4 Cts.
SCHRIFT IÃRÃLAEINGEjV
VAN
Dr. II. F. ÃOeMsaiiClQE.
OVER 9 sten
^«ïiixa â
Ja, al de werken Zijner handen zij moeten Hem loven! Waarom? Het antwoord vinden wij Ps. 148 vs. 5, 6 : trant alt Hij het beval, zoo werden zij geschapen en Hij heoj'l ze bevestigd voor altoos in eeuwigheid. Hij heeft hun eene orde gegeven, die niemand hunner overtreden zal. Ja, van Hem, den levenden God, hangt alles, alles af! Wat ergert de nieuwe, zoogenaamde wetenschap zich aan de in Gods Woord vermelde wonderen ? hoe waagt het drieste ongeloof des menschen die in twijfel te trekken ? Als de Heere teil, geschieden er nog wonderen, want Hem kan niets in den weg staan, en als Hij werkt, wie zal het dan keeren ? De hemel der hemelen, zon, maan en sterren, alle legioenen van engelen, die voor den troon zijn, zij zijn allen des Heeren soldaten, en waar Hij wil, dat zij heen trekken, daar zijn ze ook in één oogwenk, ter hulpe Zijner uitverkorenen, en tot beschaming Zijner en hunner vijanden. O, laat ons daarom van al onze ijdele berekeningen afzien, en niet te angstig wikken en wegen; zóó of zóó zal het gaan. Toen Prins Frederik Hendrik van Oranje de sterke stad Hulst in Zeeland belegerde, verhoorde God het geroep van eenige armen en el-lendigen; want nadat de maand October met storm en sneeuw was begonnen, gaf Hij op 't einde van October weer Augustus-weder, wat de inneming dier stad zeer bevorderde. »Als de prins van Oranje »den Bosch inneemtquot;, riepen in 1630 de Spanjaarden, No. 135. 14 Maart 1891.
26
»dan is God gens, dan is de Heere Zelf gereformeerd geworden.quot; En â Oranje nam den Bosch in, en zoo kon ieder als met oogen zien,hoe ij dele grootspraak de Room-schen hadden gedreven, die meenden, dat het maar eene kleinigheid was, het licht des Evangelies hier te lande uit te blusschen, en die alles in het werk stelden, om dit ook werkelijk gedaan te krijgen. En dan liet de Heere, op den eenen tijd, stroomen van regen vallen, of Hij hield de sluizen des hemels dicht gesloten, zoodat er geen droppel regen viel, al naaide behoefte des oogenbliks, en toonde zoo, dat flii de lastertaal der vijanden gehoord had, en dat Hij werkelijk gereformeerd was, â zoo als de vijanden gespot hadden, â m^t a. w. dat Hij openlijk partij had getrokken voor die gehaatte geuzen, wier doodvonnis reeds geteekend lag. God spreekt, en het is er. Hij gebiedt en het staat er, Hij is aan geen wetten van ruenschen, aan geen natuurwetten gebonden, ook niet aan die wetten en ordeningen, die Hij Zelf heeft ingesteld. En toch is er ééne zaak waaraan het Hem behaagt heeft Zich Zeiven te verbinden, er is ééue instelling, die voor Hem geldt, en dat is Zijn eigen Woord, Zijne uit loutere genade geschonken belofte! Zijn volk te helpen in den nood, dat is Hem eene wet ! Roep Mij aan in den dag der he-nauwdheid, en Ik zal u helpen en gij zult Mij eer en, Ps. 50 vs. 15. Zie, daar hebt gij nu de wet. waaraan de Heere van hemel en aarde Zich onderworpen heeft, o gij arm Zion ! dat zoo vaak denkt, dat de Heere u heeft begeven en verlaten ! Dit is de orde en regel, waarnaar de Heere handelt: Hij spreekt en het is er. Hij gebiedt en het staat er, dat, waarom Zijne ellendigen Hem gesmeekt hadden. Zoo draagt Hij hemel en aarde door het Woord Zijner kracht, door Zijnen almachtigen arm. Niet
27
alleen quot;vroeger geschiedden er wonderen zonder tal, niet alleen in het grijze voorleden, maar Hij toont nog voortdurend, dat Hij de oude trouwe God is van Zijn Israël, dat Hij nog met wonderen en teekenen omringt. Zoo houdt Hij voortdurend alles in Zijne hand, en bestiert zon, maan en sterren, ja de ge-leele zichtbare schepping zóó, dat zij allen dienen moeten ten nutte van Gods uitverkorenen, wier geleden en verzuchtingen tot hunnen Heere en God als het ware, de bevelen zijn, waaraan al het geschapene moet gehoorzamen. quot;Wanf, wat Zijne anderen wenschen, in hunnen nood, dat wenscht de ïeere ook, en voor zoo ver hun wil niet uitgaat tot dingen, die hun zouden kunnen schaden, wil de Heere hun alles rijkelijk verleenen, wat zij begeeren. De kinderen Gods spreken in hunne benauwdheid: »Heere! dit of dat hebt Gij gezegd, dit of dat hebt gt;Gij beloofd, o maak nu toch ook üw woord waar, »want het geldt hier immers niet mijne eer, niet de gt;eer van eenig menschenkind,maar alleen de ser en verheerlijking van Uwen grooten Naam!quot; Zie,zulke gebeden verhoo-t de Heere, en dan maakt Hij zich op, en dan moeten hemel en aarde Hem gehoorzamen op Zijnen wenk. Ja, de Spanjaarden hebben het nu drie honderd jaar geleden in Nederland zelf moeten bekennen : »wind en weer strijden voor de geuzen.quot; s Loof den Heere van de aardequot;, lezen wij nu verder Ps. 148 vs. 7. Wij hebben nu eerst een blik ten hemel geslagen, en gezien, welk een groot heir van dienstknechten onze God en Heere, onze hemelsche Salomo daar boven ten dienste staan, om Zijne arme en ellendige dienstknechten en dienstmaagden ter hulpe te snellen in hunne nooden en angsten. Nu komt er : »Looft den Heere van de aardequot;, en dat woord wordt allereerst in onzen psalm gericht tot de
is
23
walvisschen en tot alle afgronden. Wat hebben de walvisschen te doen, naar des Heeren bevel ? Ik wil er mij niet in verdiepen, wat die groote walvisschen voor dieren zijn, noch er u op wijzen, dat de Heere die heeft geschapen, om te spelen in de groote wateren. Liever herinner ik n daaraan, dat er eens een man was, een man Gods, een profeet, dien God het bevel bad gegeven aan eene groote, goddelooze stad het woord van bekeering en vergeving der zonden te prediken. Deze man Gods wilde echter dit bevel niet gehoorzamen, en ging de wijde zee op, om zich aan dit bevel te onttrekken. Maar de Heere wierp eenen grooten wind op de zee. De scheepslieden wekten den slapenden profeet op, en vroegen hem vol angst: wat is u, gij hard slapende ? wie zijt gij, en van waar komt gij ? Toen beleed Jona het vrijmoedig: ik ben een Hebreër, en ik vreeze den Heere, den God des hemels, die de zee en het drooge gemaakt heeft. Neem mij op, en werp mij in zee, zoo zal de zee stil worden om u lieden. En de Heere, zoo lezen wij Jona I vs. 17, beschikte eenen grooten msch, om Jona in te slokken. Deze groote visch heeft Jona opgenomen en uit des vissches ingewand heeft hij den Heere Zijnen God den heerlijken lofzang toe gezongen, dien wij Jona II opgeteekend vinden. Zie! toen zong deze walvisch mede 's Heeren lof, ja, is zelf tot een beeld geworden van het graf van den Heere Jezus Christus, zooals de Heere heelt gezegd; gelijk Jonas drie dagen en drie nachten was in den huik van den walvisch, alzoo zal de Zoon des menschen drie dagen en drie, nachten toezen in het hart der aarde. Matt. 12 vs. 40 En wat leeft en wemelt niet alles op den bodem der groote zeeën! en wat komt daaruit niet voort! Lees eens aandachtig, mijne geliefden! het 41ste hoofdstuk van het boek Job. Het is om
29
van bewondering weg te zinken, als men bedenkt dat God de diepte der zeeën gesteld heeft tot schat-kameren, en wat Hij daaruit al laat voortkomen, ten behoeve der Zijnen, ten behoeve van hen, die vasthouden aan des Heeren Woord, aan de ware waarheid, aan leere der vrije, souvereine genade Gods, zoodat de vijanden zelf ten laatste moeten getuigen : wij wilden dit volk te niet maken, maar het is ons niet gelukt. En de Heere gaf het aan dezulken, o. a. ook in Nederland, toen er niets geen middelen van verdediging noch bestaan meer voorhanden waren, uit de diepten der zeeën allerlei schatten te voorschijn te halen, zoodat het Nederlandsche volk tot op den huidigejj dag een der rijkste volken der aarde is. Zoo leert de Heere ons, dat Zijne hulpe het allerdichtst nabij is daar, waar hulp en uitredding ondenkbaar schijnen. Zóó gaat het in het geestelijke, zoo ook in het natuurlijke : uit de diepste diepte redt de machtige hand des Heeren ! En verschijnen er groote monsters, die gereed staan met open muil Gods arme volk te verslinden. Hij de Heere weet zulke monsters wel een haak in den neus te leggen, en ze op het strand te doen werpen door Zijne golven en baren, zoodat hunne gebeenten liggen te bleeken in de zon, en de stank hunner verrotting den dampkring verpest. Ja, het is zoo waar, wat wij Psalm 148 vs. 8 lezen : vuur en hagel, sneeuw en damp; gij stormwind, die Zijn woord doet! Vuur beteekent hier allereerst het bliksemvuur en on weder. Ook met Zijne onweders, bliksem en hagel weet Hjj Zijne vijanden te bezoeken, en Zijne vrienden te helpen. Dat heeft de Heere iu den loop der tijden reeds zoo vaak gedaan, en Hij is nedergedaald met Zijne bliksemstralen en donderslagen, zoodat de vijanden met al hunne macht en list toch niets tot stand hebben kunnen brengen, maar
30
het zelf hebben moeten uitroepen: gt; God is Geus geworden !quot; Zóó heeft het vuur Hem gelooid, en dat is ook thans geschied (1859) in Italië, waar de Heere met Zijne onweders tusschenbeide is gekomen, en de strijdende Franschen en Oostenrijkers met Zijnen almachtigen arm, met het vuur des hemels verre uit elkaar heeft gedreven, zoodat alle hooggeroemde en als onwederstaanbaar verklaarde vuurmonden moesten verstommen, en alleen het vuur des hemels den Heere des hemels prees! Eens zond een machtig, maar goddeloos koning een generaal tot een profeet des Hoeren met het bevel: gij man Gods ! de koning zegt: Kom af! 2 Kon. 1 vs. 9. Maar wat verbeeld de mensch zich in zijnen waan God den Heere te kunnen bedriegen. Hem als het ware een compliment te maken, en met een »gg man Gods!quot; den diepen haat te bedekken, dien hij koestert jegens hem, die des Heeren is ! Indien ik dan een man Gods ben (antwoordde Elia) zoo dale vuur van den Icmel en vertere u en uwe vijftigen vs. 10. En zoo als Elia gesproken had geschiedde het ook, en het geschiedde ten tweede male. Heeft toen het vuur des hemels den Heere des hemels niet geloofd, datzelfde vuur, dat Sodom en Gomorra verteerde, toen er geen één rechtvaardige meer in die steden aanwezig was ? En wederom, toen een van allen verworpen en buiten gesloten profeet des Heeren voor hot altaar trad, en den Heere aanriep, daalde toen niet het vuur des hemels neder en stak de offerande op het altaar, schoon driemaal met water begoten, in vuur en vlam ? En heeft het vuur niet des Heeren wil gedaan. Hem niet geloofd, toen de drie jongelingen in den brandenden oven werden geworpen, en het vuur geen haar van hun hoofd verzengen kon ? Is dat ook niet gebleken met den brandenden braambosch, dien Mozes zag branden in
31
lichten gloed, zonder dat de braambosch verteeide ? Wat nu den hagel betreft, is het liefelijk wat wij lezen : Exodus 9 vs. 22â26. Toen zeide de 11 tere tot Mozes : Strek moe hand uit naar den hemel, en er zal hagel zijn in het gansche Egyptenland; over de men-schen en over hei vee, en over al het kruid des velds in Egyptenland. Toen strekte Mozes zijnen staf naar den hemel; en de FJeere gaf donder en hagel en het vuur schoot naar de aarde, en de He ere liet hagel regenen over Egypteland. En er was hagel, en vuur in het midden des hag els vervangen; hij was zeer zwaar, desgelijks is in het gansche Egypteland nooit geweest, sedert het tot een volk geweest is. En de hagel sloeg in geheel Egypteland alles, wat op het veld was, van de menschen af tot de beesten toe; ook sloeg de hagel al het kruid des velds, en verbrak al het geboomte des velds alleen â gij vuur en hagel! looft den Heere ! Vuur en hagel zendt de Heere van den hemel, om Zijn volk te verlossen en, nu Farao dit volk niat wilde laten trekken naar des Heeren woord, zal Farao's volk getroffen worden, maar Gods volk zal vrij uitgaan â in het land Go sen, ivaar de kinderen Israels waren, daar was geen hagel. Wy hebben iets dergelijks in onze streken beleefd, geliefden ! Er is eens in eenen zekeren nacht een vreeselijke hagel gevallen ; toen zijn er verscheidene menschen geweest, die vol van schrik en vreeze hunne legersteden moesten verlaten ; de Heere heeft toen dien vreeselijke hagel willen gebruiken om harten te bekeeren en te verbrijzelen, die vroeger doof en gesloten waren geweest voor de zoete stem des evangelies.
Wij lezen verder nog Jozua 10 vs. 10 en vervolgens : En de 11 eere verschrikte hen â de Amorieten â voor het aangezicht van Israël; en hij sloeg hen met eenen groolen slag te Gibeon, en vervolgde hen op den
32
iceg, waar men naar Beth-Hor on opgaat, en sloeg hen tot Azeku en tot MaJckeda toe. Het geschiedde nu, toen zij voor het aangezicht van Israël vluchtten, zijnde in den afgang van Beth-Horon, zoo wierp de Heere groote steenen op hen van den hemel, tot Azeku toe, dal zij slier ren ; daar waren er meer, die van de hagel-steenen stierven, dan die de kinderen Israels met hel zwaard doodden.
Ziet gij, zóó zijn vuur en hagel des Heeren soldaten. Hij behoeft geene stalen kanonnen, om zijne vijanden uit elkaar te doen stuiven, en waar de menschen zoo veel roemen en pralen over hun verstand en hunne uitvindingen, alsof zij alles uit konden richten, daar komt de Heere tusschenbeide met Zijne pijlen, met Zijne spitskogels, en die treffen nog anders, dan wat de menschen uitgedacht en uitgevonden hebben! Verder spreekt Psalm 148 ook nog van sneeuw en damp. Van sneeuw en ijs lezen wij Psalm 147 vs 16â18: Hij geeft sneeuw als wol; Hij strooit den rijm als asch, Hij werpt Zijn ijs heen als stukken ; wie zou bestaan voor Zijne koudel Hij zendt Zijn woord en doet ze smelten; Hij doet Zijn wind waaien, de wateren vloeien henen. Mijne geliefden ! ik herinner mij bij de woorden :»Hij geeft sneeuw als wolquot;, hoe menig kind van arme ouders, dat tegen wil en dank met het groote Fransche leger, ten tijde van Napoleon I, naar Rusland had moeten trekken, op den vreese-lijken terugtocht van daar, letterlijk in den sneeuw eene warme bedekking vond tegen de vreeselijkste koude, en zoo bewaard werd voor den jammerlijksten dood. Ja ! op dezen merkwaardigen terugtocht heeft God geheele regimenten, die anders hadden moeten omkomen, door een overvloedigen sneeuw voor den ondergang behoed. Hebt gij, geliefden, wel eens eene sneeuwvlok door het vergrootglas bezien ? Elk vlokje
83
vormt eene sierlijke figuur, eene bloem, een driehoek, en daaruit bestaat nu de warme bedekking, waarmede de Heere de Telden in Zijne vaderlijke trouw bedekt tegen de zoo vinnige koude, en waarmede Hij in koude nachten de reten en scheuren van zoo menige armoedige en bouwvallige hut zoo goed weet te sluiten, dat de ijskoude noordenwind er niet door heen kan dringen. O ! de Heere heeft het 100 dikwijls weten waar te maken, dat sneeuw en ijs Hem moesten loven. Sneeuw en ijs hebben Hem ook moeten loven, toen de Hollandsche vloot ten tijde der Spaansche vervolging op de Zuiderzee tusschen machtige ijsschotsen vastgevroren lag. De Spanjaarden naderden met eene groote macht over het ijs, en niets scheen hunne plannen te kunnen verijdelen, want het ijs had eene dikte van meer dan twee voeten, en reeds roemden de vijanden luide : wij hebben ze in onze macht en hunne verwoesting is zeker. Arm Holland ! arme kerk hier te lande ! voor u geen redding, noch uitkomst meer! Het schijnt gedaan met u voor altoos ! Wordt die vloot verwoest, dan is het gedaan met de vrijheid dezer landen, gedaan met de prediking des Woords, gedaan met het ongestoord bezit van den Bijbel in kerken en huizen, en voor de geloovigen is er niets meer te wachten dan een smadelijke dood aan de galg, op het rad of op den brandstapel ! Dan zullen ook zoo veel andere steden en streken, waarheen de gereformeerde leer, van Holland uit, verbreid werd, nooit of nimmer in het genot komen van de zuivere gereformeerde religie ! Maar de Heere leeft nog ! en éénen nacht lang laat Hij eenen hevigen sneeuwstorm waaien, die de ijsschotsen uit elkaar jaagt en de vloot kan de hooge zee bereiken en is bewaard voor den aanslag des vijands. En toen de schepen veilig en wel geborgen waren,
34
toen sloot het ijs zich weder, maar de vijantien moesten blijven, waar zij waren, nadat zij de riool: voor hunne oogen hadden zien ontsnappen. »Loofc den Heere op aarde, vuur en hagel, sneeuw en gt;dampquot; of nevel! O hoe vaak is het niet gebeurd, dat als de Engelsche, Duitsche of Hollandsehe legers in gevaar waren, en er uit die legers tot God den Heere werd geroepen, Hij dan een dikken mist heeft doen opkomen en wolken van damp en nevel den vijanden in liet gezicht gedreven, zoodat zij verward uit elkaar stoven, of zoo verblind werden, dat zij werden geslagen. Ja, zij zijn allen des Heeren dienaren, die Zijnen wil uitrichten, »vuur en hagel, sneeuw en damp, gij gt;stormwind, die Zijn woord doet.quot; De stormwind is niet anders dan de adem des almachtigen Vaders in de hemelen. En als Hij Zijne stormen laat waaien, dan weet Hij wel wat Hij doet, al beefb en siddert ons harte binnen in ons, wanneer de storm daken van de huizen licht, of derzelver muren omver werpt. Ja, de stormwind is de adem des Aïmachiigen, die Zijnen wil ten uitvoer legt, b. v.: als een Jona reeds vracht betaald heeft, om des Heeren aangezicht te ontvlieden, dan werpt de Heere eenen groeten wind op de zee, en daarmede haalt Hij spoedig Zijnen Jona in, en 's Pïeereu weg met hem gaat door de diepte, ja door des vissches ingewand henen toch naar Ninive, opdat het openbaar worde, dat God alleen God, en de mengch louter ijdelheid is. De stadLeiden was eens door de vijanden nauw ingesloten, maar er ging uit de stad een geschrei op tot den Almachtigen ; doch de nood werd hooger en hooger, en de hongersnood steeg ten top! Hoe kan er brood in de uitgehongerde stad komen ? VVel liggen de schepen vol levensmiddelen gereed, maar hoe kunnen die schepen ooit de stad genaken ? Wel heeft de prins het land onder water
35
doen zetten, wel doen de dappere Zeeuwen het uiterste om door den vijand heen te breken, maar de diepgang der schepen is grooter dan de diepte van het water. Daar zendt de Heere plotseling eenen geheelen dag lang een hevigen storm uit het westen, die het water met razende kracht het land injaagt, en de schepen een goed eind vooruit doet komen. En na een korten poos gezwegen te hebben, verheft de storm zich weder, en de schepen worden door de golven gedragen, door den storm gezweept tot onder de wallen der arme, uitgehongerde stad ! En den daarop volgenden dag draaide de wind van het zuidwesten naar het noordwesten en begon een hevige orkaan de vijanden, als meteen bezem des verderfs, uit Lei-dens omstreken te verdry ven. Zie ! zoo weet de Heere door Zijne stormen Zijn arm volk te bewaren en te redden, dat volk, dat midden uit de benauwdheid tot Hem roept. En dat geschiedde gedurende het beleg van Leiden niet eenmaal, maar verscheiden malen. Want er waren in Leiden armen en ellendigen, die tot God riepen, en waar dat geschiedt, daar is de uitredding nabij,al schijnt die ook geheel onmogelijk. Ja, de Heere gaf aan het benarde Leiden zulk eene heerlijke uitkomst, dat de machtige Spaansche veldheer Valdès, die de belegering geleid had, bij het opbreken van het beleg, uit moest roepen: »het zijn geen menschen, maar de stormen, die ons verjaagd hebben,quot; En, voordat de dag der volkomene verlossing was aangebroken, gedurende het beleg, juist toen de vijanden eenen aanval op de stad wilden beproeven, liet de Heere zulk een hevigen wind waaien, dat het onmogelijk was van Leiden naar Delft te komen, en geen mensch op de beenen kon blijven staan. Wat ik u mededeel uit den schat onzer vaderlandsche geschiedenis, deel ik u mede, opdat gij bevestigd zoudt
36
worden in uw allerheiligst geloof, opdat gij zoudt weten, welke sterke krijgsknechten onzen God in den hemel ten dienste staan, en opdat gij in al uwe nooden niet zoudt zien op het zichtbare, maar op de almacht, trouw, hulpe en ontferming des Heeren fleeren.
Verder lezen wij in Ps. 148 vs. 9 : gij he.rnm en alle heuvelen. Die moeten ook den Heere loven. Hoe zouden zij, die in dalen en valleien wonen, daarin kunnen leven, indien het water niet van de hoogten in de diepten vloeide?
De bergen zullen vrede dragen.
De heuvels heilig recht;
Hij zal ons vroolijk op doen dagen Het heil, ons toegezegd.
Psalm 72 vs. 2.
Ja, de Heere komt van de hoogten tot de armen en ellendigen, die op Hem wachten, die op Zijne goedertierenheid hopen, dien het om de ware waarheid te doen is ; en het zal op allerlei wijze vervuld wor-dan, dat de bergen en allerlei heuvelen God den Heere zullen loven. Ja, geestelijk en stoffelijk zal het waar worden : Hoe liefelijk zijn op de hergen de voelen dergenen, die den vrede verkondigen.
Uitgegeven bij F. P. D'HÃIJ, Middelburg.
Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BiiCIOIANN, Eiberfeld. Prijs per Nummer 3 Ots. Franco per post 4 Cts.
8CHRiFT\ÃRKL4lllx\GEN
VAN
Dr. II. F. KOHLBKÃGGE.
OVER
Den 148sS3° Psalm.
Als wij de bergen aanzien, dan moeten wij denken : dat zijn des Heeren voorraadssehuren, waarin Hij alles voor Zijne menschenkinderen bewaart. De streek, waarin wij wonen, ons dal. is dicht bevolkt, maar al verdubbelde zich ook het getal van deszelfs inwoners, toch zoude de Heere wel raad weten, om uit Zijne, ons omringende bergen alles te doen voortkomen, wat die vele duizenden tot levensonderhoud zouden behoeven. Hij heeft zoo Zijne verborgene, onuitputtelijke schatkameren, waaruit Hij alles te voorschijn roept om Zijne arme en ellendigen van alles te voorzien wat zij behoeven en alzoo koninklijk voor hen te zorgen.
Voorzeker! zij zullen Zijne wonderen beleven, als zij in hunne nooden en behoeften de handen niet uitstrekken tot ongerechtigheid, maar alles, wat hen drukt en bezwaart, aan Zijne voeten nederleggen en tot Hem spreken, o mijn Heere en mijn God ! hier is mjjn zwak, arm en ellendig lichaam, met al zijne behoeften; Gij hebt het geschapen, en het is uwe zaak, o Heere ! die behoeften te vervullen, mijne zaak is het echter te volharden in Uw allerheiligst gebod. Dan komt het wel aan het licht, dat des Heeren hand alles vermag, en dat Hij uit Zijne bergen en heuvelen, schatten te voorschijn weet te roepen, waaraan geen mensch denkt; maar de hoofdzaak is en blijft maar dat boven alles gaat, en in het binnenste harte leve : bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen ;
No. 137. 11 April 1891.
38
maar Mijne ooeclertierevheid zal van u niet wijken, en het verhond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw oniferrner (Jez. 54 vs. 10), en het luide uit het hart en van de lippen klinke ;
Dat Bazans hemelhooge berg Met al zijn heuv'len Zion terg,
En wane 't overtreiien !
Wat springt gij bergen trotsch omhoog ! Wat. wilt g 'u in der volk'ren oog,
Bij Ziens berg verheffen !
God Zelf heeft dezen berg begeerd Ter woning, om aldaar geëerd.
Zijn heerlijkheid te toonen :
De Heer, die Hem verkozen heeft. Die trouwe houdt en eeuwig leeft, Zal hier ook eeuwig wonen.
Ps. 68 vs. 8.
En als gij, o groote Bazansberg! u niet leert buigen voor den God der legermachten, dan zult gij in den afgrond verzinken. Waar Gods waarheid echter in het harte leeft, daar zal het uok in het natuurlijke waar worden, dat de bergen en heuvelen den Heere loven.
Verder lezen wij igt;vruchtboo7nen en alle cederhoomenquot;.
Mijne geliefden ! Het is de Heere, die ons het voedsel des geestes, maar Hij is het ook, die ons het voedsel des lichaams verleent, maar daar denken wij niet aan, daar slaan wij geen acht op, en toch hangt ook dat alles af van den levenden God. Daar denken wij weinig aan, als wij overvloed van alles hebben, maar, als wij in nood geraken, in armoede en gebrek, dan rijst de gedachte aan 's Heeren genade en almacht weer in ons op. Het is ook de Heere, die ons vruchtboomen met heerlijk en verkwikkende ooft schenkt, die, zoo zij het eene jaar onvruchtbaar zijn, het andere des te
39
meer vrucht dragen. Hij is het ook, die boomen laat groeien, om tot werkhout te dienen, om er huizen, schuren en allerlei gebouwen en andere voorwerpen tot huiselijk gebruik van te vervaardigen. Ook in dit opzicht loven de boomen God den Heere. Hij is het, die den Libanon versierde met het prachtigste cederwoud, dat ooit op aarde was. Van dit prachtige hout liet Hij Zijn huis te Jeruzalem bouwen, opdat het volk Israël Hem daarin zoude loven. Maar, als het volk Hem niet meer looft, en vreemden afgodendienst in den tempel des Heeren pleegt, dan maakt de Heere ook de cederbosschen van Libanon der aarde gelijk, en vervult alzoo letterlijk wat wij Jezaja 10 vs. 18â19 lezen : Ook zal Hij verteren de heerlijkheid zijns ivouds en zijns vruchtbaren velds, van de ziel af tot het vleesch toe; en hij zal zijn, gelijk als wanneer een vaandrager versmelt, en de overgeblevene boomen zijns ivouds zullen weinige in getal zijn, ja, een jongen zou ze opschrijven. Heden ten dage is er van dat gansche prachtige cederenwoud op de hoogten van Libanon haast niets meer overig en een geheel van zeven of acht verre van elkaar verwijderde cederen staan nog daar, als een treurig overblijfsel van vroegere pracht en heerlijkheid.
Nu worden in onzen psalm verder, mijne geliefden ! tot des Heeren lof opgeroepen het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte (Ps. 148 vs. 10). Nemen wij bijv. van het wild gedierte den leeuw. Er was eens een man Gods, een profeet, die, toen de goddelooze vorst Jerobeam, tot wiens waarschuwing en bestraffing de Heere hem naar Bethel had gezonden, hem noodigde bij zich te blijven, geheel onverschrokken en dapper antwoordde, zeggende ; al gaaft gij mij de helft van uw huis, zoo zoude ik niet met u gaan, en ik zoude in deze plaats geen brood
40
eten, noch water drinken; want zoo heeft mij de, Heere geboden door Zijn Woord, zeggende: gij zult geen brood eten, noch water drinken, en gij zult niet wederkeer en door den weg, dien gij gegaan zijt. 1 Kon. 13 ts. 8 â 9. In diezelfde plaats echter, in Bethel, was er een oude profeet, die loog den man Gods wat voor, en bracht hem in Bethel terug en deed hem, tegen des Heeren uitdrukkelijk bevel in, eten en drinken te dier plaats. Toen nu de man Gods op de terugreis naar Juda was, ontmoette hem een leeuw, die hem doodde, maar dit wilde, verscheurende dier raakte noch het lichaam van dien man Gods, noch den ge-zadelden ezel aan, maar bleef stil en zwijgend staan. Zie ! zoo voltrok dit wilde dier des Heeren vonnis en loofde zoo den Heere, die den hemel en de aarde gemaakt heeft. En hoe zij geheel in de macht des Heeren Heeren zijn, en zonder Zijnen wil niemand een haar kunnen krommen, dat hebben de leeuwen ook moeten bewijzen, want toen de profeet Daniël, omdat hij zijnen God boven alles eerde en niet wilde aflaten Hem alleen aan te roepen, in den leeuwenkuil was geworpen, toen vleiden deze wilde leeuwen zich stil en rustig aan de voeten van den man Gods en deerden hem niet. En toen de koning vol angst tot Daniël riep om te weten, of hij nog leefde, antwoordde Daniël hem : Mijn God, heeft Zijnen engel gezonden, en Hij heeft den muil der leeuwen toegesloten, dat zij mij niet hsachadigd, hebben. Dan. 6 vs. 23a. Toen werd Daniël uit den kuil bevrijd, en de mannen, die hem beschuldigd hadden, werden er in zijne plaats ingeworpen. en, lezen wij vs. 25, zij kwamen niet op den grond des kuilf, of de leeuwen heerschten over hen. De leeuw en de beer, die David versloeg, de leeuwen, die door Davids helden in den sneeuw tijd werden verslagen, zij hebben den Heere moeten loven. En
41
ook de honden hebben Hem moeten prijzen, die honden, die de goddelooze koningin lezebel verslonden, maar haar bekkeneel, handen en voeten onaangeroerd lieten liggen tot een getuigenis. Zoo heeft ook de ezelin van Bileam den Heere moeten loven, toen dit onvernuftige dier des profeten dwaasheid bestrafte; die profeet, die als een getrouw getuige Gods wiklc gelden, en wien het in den grond om niets anders te doen was, dan om een huis vol goud en zilver, wat hij echter niet verkreeg. Ja! gt;looft den lieere, gij wilde dieren en alle veequot;. Vooral het vee, bovenal het lietelijke lam, dat overal in de Schrift het beeld is van dat Ãéne Lam Gods, dat de zonden der wereld droeg, en wiens lof te zingen eens onze zaligheid zal zijn. En o, hoe vaak heeft niet de Heere door een paard, of door eenvoudige runderen geheele steden gered en de inwoners in het leven behouden, tegen alle berekening in, zoodat die onnoozele beesten niet in de handen des vijands vielen. Tot het »gewormtequot;, waarvan in onzen psalm sprake is, behooren ook de slangen. En waar in onzen psalm gesproken wordt van »gewormtequot;, laat ons dan ook gedenken aan dien éénen worm, dien God beschikte, toen de profeet Jona toornig daarover was, dat de Heere niet handelde volgens hetgeen Hij door hem had laten profeteeren. Zie! dit had Jona verdroten met groot verdriet, en zijn toorn was ontstoken. En toen hij in zijnen opstand tegen des Heeren weg met Ninivé, waarin zoo duidelijk bleek, dat de Heere te midddi Zijns toorns der barmhartigheid blijft gedenken, de stad had verlaten, om uit de verte te zien, wat er van Ninivé zoude worden, liet de Heere een wonderboom opschieten, om Zijn murmureerend kind tegen de hitte der zonnestralen te beschaduwen. Maar toen Jona zich over dezen wonderboom, over deze tijdelijke weldaad des Heeren
42
verheugde met groote blijdschap, toen beschikte de Heere eenen worm des anderen daags in het opgaan van den dageraad; die stak den wonderboom, dat hij verdorde. Wat nu de slangen betreft, zoo lezen wij, dat Aarons staf in eene slang veranderde en dat die slang de staven der Egyptenaren verslond, toen die ook in slangen veranderd waren. (Exodus 7 vs. 12), Verder vinden wij nog in de Heilige Schrift vermeld, dat eene slang, eene adder, den apostel Paulus in de hand beet, zoodat al de hem omringenden verschrikten en spraken: deze mensch is gewisselijk een doodslager, welken de wraak niet laat- leven, daar hij uit de zee ontkomen is. (Handel. £8 vs. 4b.) Maar, lezen wij verder in het 4de en 5de vers, hij schudde het heest af in het vuur, en leed niets kwaads. En zij verwachtten, dat hij zou opzwellen, of terstond dood neervallen. Maar, ah zij lang verwacht hadden, en zagen, dat geen ongemak hem overkwam, werden zij veranderd, en zeiden, dat hij een Grd was. Zie! zoo heeft dit vergiftige beest, deze adder, zijns ondanks, den Heere moeten loven en prijzen. Het is in den loop der eeuwen meermalen geschiedt, dat de Heere, tot eere van Zijnen heiligen Naam, op het gebed, dat Zijne ellen-digen tot Hem opzonden. Zijnen en hunnen vijanden geheele zwermen van sprinkhanen in het aangezicht joeg, zoodat hunne macht gebroken was, en zij van hunnen voorgenomen aanval op des Heeren volk moesten afzien. Nu spreekt onze psalm ook nog van »vogelenquot;, die den Heere loven. Getuigt de Heilige Schrift niet van de muschkens, dat men twee derzelven koopt voor éénen penning, en dat nochtans geen derzelven van het dak valt, zonder den wil des hemelschen Vaders ! Van de raven lezen wij (Lukas 12 vs. 24): Aanmerkt de raven, dat zij niet saaien, noch maaien, welke geen spijskamer, noch schuur hebben, en God
43
voedt dezelve, hoe veel gaat gij de vogelen ie boven ? En hoe hebben juist de raven, deze anders zoo gulzige dieren, hunnen Schepper geprezen, toen zi] op 's Heeren bevel vleesch en brood brachten aan den profeet Elia, die zonder hunne hulp van honger had moeten omkomen. Ja, zulke verachte en afschuwelijke raven verstaan het nog wel eens veel beter, hunnen Schepper te loven, dan de mensch in zijnen hoogmoed en inbeeldingen des harten. In den 147sten Psalm lezen wij ook nog, dat de jonge raven tot God roepen, en dat Hij ze verhoort.
Mijne geliefden! welk een rijken troost hebben wij nu reeds uit dezen 148sten Psalm kunnen scheppen: wij kunnen daaruit zoo duidelijk zien, dat al het eschapene in de hand van onzen genadigen en getrouwen Vader berust, en dat Hij hulp en redding in overvloed bereid heeft voor Zijne arme kinderen, opdat zij nooit noch nimmer zouden vertwijfelen, maar volharden in den gebede tot Hem den Koning der koningen, den Heere der heeren. Ja! als wij daaraan gedenken, dan roepen wij blijde uit met den 146sten Psalm :
Piijs den Heer met blijde galmen;
Gij, mijn ziel! hebt rijke, stof;
'k Zal, zoo lang ik leef, mijn psalmen
Vroolijk wijden aan Zijn lof:
'k Zal, zoo lang ik 't licht geniet. Hem verhoogen in mijn lied.
Ps. 146 vs. 1.
0 dat is ook zoo recht een psalm voor de ouden van dagen, als die eens een terugblik mogen werpen op den weg waarlangs de Heere hen geleid heeft tot op heden. Gode alleen de eere ! ja dat is de grondtoon van de geheele Heilige Schrift, van het geschrevene woord Gods, maar het is niet minder de grond-
44
toon van het levende woord des Heeren, van de waarheid Gods, zoo als die zich openbaart en handhaaft in de geschiedenis der wereld, in de geschiedenis der volken, en der bijzondere personen. Ja, Gode alleen de eere ! en zij zullen allen beschaamd en te schande worden, zij zullen allen uitgeroeid worden, die Hem, den levenden God, de eere niet geven. Dat is de draad, die door de geheele Heilige Schrift henen loopt, dat wordt ook waar in den loop der eeuwen, en alle mannen van name, alle namen, die niet anders dan met eerbied en ontzag genoemd worden, zij vergaan en kunnen niet helpen, zoo zij, die die namen dragen, den God van hemel en aarde, onzen Heere Jezus Christus, den Heere der Hejrlijkheid, de eere niet geven. Deze Naam alleen is een sterke toren, die van geen wankelen noch wijken weet, maar vast en wel gefondeerd blijft staan, en wie dezen Naam aanroept, wie daarop alleen zijn vertrouwen stelt, wie den naam des Heeren Jezus Christus aanroept in den nood, die ondervindt het ook, dat de Heere Zich zijner niet schaamt, maar, dat Hij juist armen en ellendigen aanneemt tot Zijn volk, zoodat Hij onder hen wonen en hun God zijn wil, ja zulke armen en ellendigen zullen het beleven, dat des Heeren belofte ook aan hen vervuld zal worden: die Mij eeren, zal ik eeren. Ja, het wordt, na lang wachten, als met handen getast en met oogen gezien, dat de geheele zichtbare schepping alleen bestaat tot verheerlijking van des Heeren grooten en heiligen Naam, en ten dienste van hen, die des Heeren zijn. Wij zullen dit nog verder kunnen beschouwen, uit dat gedeelte van den 148sten Psalm, dat wij u nog te verklaren hebben. Wij zijn nu genaderd tot het 14de vers, waar wij tot het slot het volgende lezen : Gij koningen der aarde, en alle volken! gij vor-
45
sten, en alle rechters der aarde! Jongelingen en ook maagden, gij ouden met-de jongen, dat zij den Naam des Heeren loven; want Zijn Naam alleen is hoog verheven; Zijne Majesteit is over de aarde en den hemel. En Hij heeft den hoorn Zijns volks verhoogd, den roem al Zijner gunstgenooten, der kinderen Israels, des volks, dat nabij Hem is. Halelujah. Na liet 12de vers begint in het oorspronkelijke eene nienwe regel; waarom ? Waarom zullen jongelingen en maagden, de ouden met de jongen Hem prijzeu ? Want, lezen wij in het 13de vers; Zijn naam alleen is hoog verheven, Zijne Majesteit is over de aarde en den hemel. Waarom moeten die allen Hem prijzen en loven? Vooreerst omdat. Zijn Naam alleen te loven en te prijzen is, maar ook daarover, dat Hij den hoorn Zijns volks verhoogt, den roem van al Zijne gunstgenooten. Zoo wil dan de Heere, dat Zijn geheele volk Hem love, en Hij verstaat het koninklijk hun eerst stof tot loven en prijzen te geven, en dan ook Zelf den lof Zijns Naams op hunne lippen te leggen. Niet te vergeefs toch, staat deze 148ste Psalm in (iods Woord, en de woorden, die wij daarin lezen, zijn des Heeren woorden, zijn woorden des Heiligen Greestes: daarom zijn het ook geen ledige, geen onvruchtbare woorden, maar woorden, die uitgericht hebben, uitrichten, en zullen uitrichten, wat zij bedoelen en beteekenen! De hoofdwaarheid van dezen geheelen 148sten Psalm is: dat des Heeren Naam alleen verhoogd zij, ja op het allerhoogste verhoogd worde, en dat alle andere namen, die genoemd worden in den hemel of op aarde, ja al zijn zij voor een tijd hoog, hoog verheven, verzinken en verdwijnen moeten als rook en damp, indien zij niet te zamen gevlochten zijn met den Naam des Heeren Jezus, en indien zij niet te zamen met diens schoonen Naam
46
opgeschreven zijn in het boek des levens. Maar de namen van Mozes, van Abraham, van David, van Salomo, van Petrus, van Paulus, van de overige apostelen en van zoovele getrouwe getuigen en geliefde kinderen des Heeren, zij zijn gebleven tot op dezen dag, en zijn niet uitgeroeid, zoo als de namen van hen, wier deel in dit leven was. De Naam dei Heeren is verhoogd beven allen, en Hij die daarboven op Zijnen troon zit, zal allen verdelgen, die zich tegen Hem willen verheffen. Daarom spreekt ooli Mozes in het 32ste hoofdstuk van Deuternomium vs 1â4: Neig de oor en, gij hemel! en ik zal spreken l en de aarde hoove de redenen mijn monds. Mijne leei druipe als een rcqen, mijne rede vloeie als een dauw als een stofregen op de grasscheutjes, en als drop pelen op het kruid. Want ik zal den Naam des Heeren uitroepen ; geeft onzen God grootheid ! Hij is de Rotssteen, wiens werk volhomen is: want al Zijne wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht, rechtvaardig en recht is Hij. En zoo is des Heeren Naam een sterke toren, en deze Naam zal alleen verhoogd en hoog geprezen zijn en blijven door hen, die heb ben leeren bidden : »Onze Vader, die in de hemelei gt;zijt! Uw Naam worde geheiligd.quot; De Naam de; Heeren is eigenlijk veel te hoog en te heilig, on door menschentongen naar waarde te worden geprezen en menschelijke lippen zijn het onwaardig dien uil te spreken. Maar het heeft den Heere behaagd Ziel te openbaren aan een zondig en van Hem afgeval len volk, en tot zulk een volk heeft Hij met eenei eed gesproken : Ik toil uw God zijn, en gij zult Mijn volk zijn. En aan dit volk openbaart Hij zich mei den naam : Ik zal zijn, die ik zijn zal, de trouwe Verbondsgod. Hij openbaart zich hun met den naam waarbij zij Hem kennen en waarbij zij Hem
aam
naai
al li
Uitl
groc
ij vei
daai
van
totquot;
Zijn
in 1:
te n
alle*
Zijn
mee
de o
verd
heei
hebl
maa
zoo
nog
in
het
kun
moe
tege
dei-
alle
Zijn
zij
op en neei zóó
47
aanroepen, met den naam gt;Vaderquot;, met den naam, waarop zij al hnnne angsten, al hunne nooden, al hunne zorgen werpen, met den naam Goël, Redder, Uithelper ! Hij Zelf leert het den Zijnen, Zijnen grooten naam te heiligen en aan te roepen, Hij Zelf ijvert voor de eere Zijns naams, en die e^re bestaat daarin, dat er dagelijks zondaren worden bekeerd van de dwaling huns wegs, en worden toegedaan totquot; Zijn waarachtig volk. Hij ijvert voor de eere Zijns Nnams, opdat die Naam alleen de hoogste zij, in hemel of op aarde, en alle aardsche namen moeten te niet gaan en verdwijnen, opdat des Heeren naam alleen verheven zij. Hij heeft Zijn Verbondsnaam, ijn Vadernaam, Zijn verlossenden Naam in de gemeente geopenbaard, in de zichtbare, zoowel als in de onzichtbare gemeente, die,als de zichtbare schepping verdwenen zal zijn. Hem eeuwig zal aanbidden in heerlijkheid. Dezen Zijn Naam wil Hij verheerlgkt hebben in de gemeente, en niet alleen in de gemeente, maar ook in de geheele wereld, opd. t Zijn lof klinke, zoo verre de hemelen reiken En ten slotte zal toch g ieder, die zich verzet tegen den God des hemels in hoogmoed en verachting, een ieder, die meent het werk zijner verlossing en zaligheid zelf wel te kunnen klaar krijgen, zonder den levenden God, het moeten uitspreken: dit of dat is Gods vinger, en tegen Hem vermogen wij niets ! En tot aan de einden der aarde, van de noordpool tot aan de zuidpool, in alle hemelstreken heeft de Heere de zoodanigen, die Zijnen Naam aanroepen, en het ook ondervinden, dat zij dat niet te vergeefs doen ; dezulken, die hopen op een onzichtbaren God ; die hunne zonden, schulden en smarten aan hunnen God openbaren en die, wanneer zij Zijne hulp ondervinden. Hem ook loven ; en zóó klinkt Zijn lof alom tot aan de einden der aarde.
d(
48
Er zijn op aarde welbekende en machtige namen, die veel en krachtig helpen kunnen, maar er is toch maar Eén naam, die klinkt tot aan de einden der aarde; de armsten, de verachtsten, de minst bekenden roepen dezen Naam aan, ondervinden Zijne hulp, en loven en prijzen des Heeren genade en ontferming ! Mij is barmhartigheid geschied. Wei wordt dit alles niet zoo openbaar, ja alles spant te zamen om zulke wonderen van Gods trouw, als het ware dood te zwijgen, vooral ook in de gedenkboeken der ge schiedenis, maar nochtans breekt de lof des Heeren Heeren door alles heen, en weet zich te verheerlijken, door dat een iegelijk, die den naam des Heeren in waarheid aanroept, ook hulp en redding verkrijgt, Daarvoor zij Zijn Naam geprezen van geslachte tot geslachte! Zie, dat is het Halleluja van den 148sten Psalm: »Halleluja! looft den Heere »uit »de hemelen, looft Hem in de hoogste plaatse slooft Hem, al Zijne heirscharen, looft Hem zon en smaan, looft Hem, al gij blinkende starren, looft »Hem, gij hemel der hemelen, en gij wateren, die gt; boven de hemelen zgt! Dat zij den naam des gt;Heeren prijzen want als Hg het beval, zoo werden gt;zij geschapen en Hij heeft ze bevestigd voor altoos »in eeuwigheid. Hij heeft hun eene orde gegeven, die »geen van hen zal overtreden. Looft den Heere van gt;de aarde, gij walvisschen en alle afgronden ! Vuui gt;en hagel, sneeuw en damp, gij stormwind, die Zijm »wil doet! Gij bergen en alle heuvelen, vruchtboomei »en cederboomen, het wild gedierte en alle zee, krui-gt;pend gedierte en alle gevleugeld gevogelte!quot;
Uitgegeven bij F. P. D'HUU, Middelburg.
Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BiiCKMANN, Eiberf elJ
I'rijs per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Cts.
SCURIFTIEKKLARINGÃN
van
Dr. II. F. KOHL,BRÃâ¬iGEI.
OVER
Den 148quot;quot; Psalm.
Mijne geliefden ! ik heb het u bewezen, dat deze woorden geen doode woorden zijn, maar, dat zij waarheid zijn en waarheid worden bevonden, zoodat, terwijl er hier oï daar een ellendige roept, roept en schreit te midden in den nood. God de Heere de geheele zichtbare schepping alzoo regeert en bestuurt, dat alles moet medewerken om de eere Zijns alleen heiligen Naams grootte maken en te doen erkennen als de eenige redding en uitkomst voor de geheele gemeente Gods. Wij zijn nu genaderd tot het elfde vers, dat alzoo luidt: Gij kortingen der aarde, en alle volken ! gij vorsten, en alle rechters der aarde ! Nu zal misschien de een of ander zeggen : Nu ja, de vorsten der aarde welk een God aanbidden die ? Ach ! de rechters op aarde, wij weten maar al te goed, hoe het met hen gesteld is ! Maar nochtans, geen menschelijke redeneeringen zullen deze woorden kunnen uitwisschen uit des Heeren woord, en zooals het hier geschreven staat, zoo is het waar geworden, en zoo zal het nog waar worden (1). Niet te vergeefs staat deze Psalm
1
En dat is ook geschied: elf jaren, nadat deze woorden uitgesproken zijn, in 1870, toen de toekomstige eerste protestant-sche keizer van Duitschland, Wilhelm I, na de grootste over-vrinningen het luide uitsprak : »laat ons God prijzen voor Zijne genadequot;, en »welk een omkeer door des Heeren leidingquot;.
De Rid.
No. 138. 25 April 1891.
50
in Gods Woord, en ik heb het u duidelijk aangetoond uit de geschiedenis, vooral ook uit de geschiedenis van het kleine Nederland, hoe de engelen des hemels, hoe zon, maan en starren, vuur, hagel, sneeuw, nevel, en stormen volgens den raad Gods Hem hebben moeten dienen, om Zijn arm en ellendig volk te helpen, dat tot Hem riep te midden der benauwdheid. Wij hebben u aangetoond, hoe hierdoor volgens des Heeren bestel de levenlooze schepselen Hem hebben moeten loven en prijzen. Maar ook de koningen der aarde zullen dit moeten doen, willens ot onwillens. God heeft alles geschapen om Zijns grooten Naams wille, dat wil zeggen : opdat de naam Jezus -â Zaligmaker, die Zijn volk zalig maakt van hunne zonden â heerlijk blinke in het midden der gemeente, en opdat het zonneklaar zoude blijken: Hem zal men geen been kunnen breken, want Hij is het, die den hoorn Zyns volks verhoogt. Laat ons, om te bewijzen dat ook de koningen der aarde den Heere moeten loven, eenige plaatsen opslaan uit des Heeren Woord. Laat ons allereerst eens te zamen lezen het 2de en 3de vers van Ezra 1, daar vinden wij: Zoo zegt Korea, koning van Perzië: de Heere, de God des hemels, heeft mij alle koningrijken der aarde gegeven, en Hij heeft mij bevolen, Hern een huis te houwen te Jeruzalem., hetwelk in Juda is. Wie is onder ulieden van al Zijn volk ? Zijn God zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem, dat in Juda is, en hij bouwe hel huis van den God van Israël; Hij is de God, die te Jeruzalem -woont, of, zooals het beter vertaald wordt: gt;Hij, die te Jerusalem woont, is God.quot; En Ezra 7 vs. 12â14 : Arthahsasta, koning der koningen, aan Ezra, den priester, den schriftgeleerde der wet van den God des hemels, volkomen vrede en op zulken tijd! Van mij wordt hevel gegeven, dat al, wie vrijwillig is in mijn koningrijk
51
van het volk van Israël, en van deszelfs priesteren en Levieten, om te gaan naar Jeruzalem, dat hij met u ga. Dewijl gij van voor den koning en zijne zeven raadsheer en gezonden zijt, om onderzoek te doen in Judea en te Jeruzalem naar de wet uws Gods, die in uxve hand is. En vs. 23 : Al raat naar het hevel van den God des hemels is, dat het vUjtiglijk gedaan worde, voor het huis van den God des hemels; want waartoe zoude er 'groote toorn zijn over het â huis des konings en zijner kinderen ?
Verder lezen wij bij den profeet Daniël (Dan. 2 vs.
46, 47) : Toen viel de koning Nehukadnezar op zijn aangezicht en aanbad Daniël; en hij zeide, dal men hem met spijsoffer en liefelijk reukwerk een dvankoffer zoude doen. De koning antwoordde Daniël en zeide: het is de waarheid, dat ulieder God een ' ïod der goden it, en een Ileere der koningen, en die de verborgenheden openbaart, dewijl gij deze verborgenheid hebt kunnen openbaren. En Daniël 3 vs. 28, 29 : Nehukadnezar antwoordde en zeide : Geloofd zij de God van Sadrach, Mesach en Abednego, die Zijnen engel gezonden, en Zijne knechten verlost heeft, die op Hem vertrouwd hebben, en des konings woord veranderd, en hunne lichamen overgegeven hebben, opdat zij geenen god. eerden, noch aanbaden, dan hunnen God! Daarom wordt van mij een bi.vel gegeven, dat alle volk, natie en tong, die lastering spreekt tegen den God van Sadrach. Mesach en Abednego, in stukken gehouwen worde, en zijn huis tot een drekhoop gesteld worde; want er is geen ander God, die alzoo verlossen kan. En hoofdstuk 4 vers 30â33 lezen wij hoe de Heere dezen zelfden koning Nebukadnezer bezocht had van we ge zijnen grooten hoogmoed, wanneer hij zeide : Zie het groote Babel, dat ik gebouwd heb tot een huis des konink-rijks door de sterkte mijner macht, en ter eere mijner
52
heerlijkheid. Dit ivoord,{ys. 31) nog zijnde in des konings mond, viel er eene stem uit dm hemel: U, o koning Nebu-kadnezar wordt gezegd : het koningrijk is van u gegaan, en men zal u van de rnensehen verstooten, en uwe woning zal bij de beesten des velds zijn ; men zal u gras te smaken geven, als den ossen, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat gij bekent, dat de Allerhoogste over de koningrijken d*r mensehen heerschappij heeft,en dat Hij ze geeft aan wien Hij wil. Ter zei ver ure werd dat woord volbracht over JVebukadnezar, want hij loerd uit de rnensehen verstooten en hij at gras als de ossen, en zijn lichaam iverd van den dauw des hemels natgemaakt, totdat zijn haar xoies als der arenden vederen,en zijne nagelen als der vogelen. Ziet! zoo wist de Heere dien hoog-moedigen koning te veranderen in een waren vogelverschrikker, maar Hij wist er hem ook toe te brengen den Heere des hemels te loven: dit lezen wij in het vierde hoofdstuk van Daniël van vs. 34â37. Wij stellen hier bijzonder op den voorgrond hetgeen wij omtrent Nebukadnezers schuldbelijdenis, nadat hij weer tot zich zei ven was gekomen, vinden opgeteekend in het 35ste vers: daarin zegt hij: en al de inwoners der aarde zijn als niets geacht, en Hij doet naar Zijnen wil met het heir des hemels en de inwoners der aarde, en er is memand, die Zijne hand afslaan, of tot Hem zeggen kan: wat doet Gij! En in het 37ste vs. lezen wij uitdrukkelijk ; Nu prijs ik, Nebukadnezar, en verhoog en verheerlijk den koning des hemels, omdat al Zijne werken waarheid, en Zijne paden gericht en zijn en Hij is machtig te vernederen degenen, die in hoogmoed wandelen. Eu in het zesde kapittel van den profeet Daniël lezen wij, van af het 19de vers : loen ging de koning naar zijn paleis, en. overnachtte nuchte-ren, en liet geen vreugdespel voor zich brengen ; en zijn slaap week verre van hem. Toen stond de koning m
53
den vroegen morgenstond met het licht op, en hij ging met haast henen tot den kuil der leeuwen. Als hij nu tot den kuil genaderd wan, riep hij tot Daniël met eene droeve stem ; de koning antwoordde en zeide tot Daniël : o Daniël! gij knecht des leven dm Gods ! Heeft ook uw God, dien gij gedurig lijk eert, u van de leeuwen kunnen verlossen f Toen sprak Daniël tot den koning : o Koning, leef in eeuwigheid! Mijn God. heeft Zijnen engel önden en Hij heeft mij den muil des leeuwen toegesloten, dat zij mij niet beschadigd hebben, orndat van Hem onschuld in mij gevonden is ; ook heb ik o Koning ! tegen U geene misdaad gedaan. Toen werd de koning bij zich zeiven zeer vroolijk en zeide dat men Daniël uit den kuil zoude i)v,{:fcw.En.wat die vreugde des komngs nog meer uitwerkte, dat vinden wij in vers 16-28ste van hetzelfde hoofdstuk. Daar lezen wij: Toen schreef de koning Darius aan alle volken, natiën en ton-gen, die op de gansche aarde rooonden : Uw vrede worde vermenigvuldigd; van mij is bevel gegeven, dat men in de gansche heerschappij mijns koningsrijks beve en nddere voor het aangezicht van den God van Daniël, want Hij is de levende God, en bestendig in eeuwigheden, ',n Zijn koningrijk is niet verderjelijk, en Zijne heerschappij is tot het einde toe. Hij verlost en redt, en Hij doet teekenen en wonderen in den hemel en op de aarde! die heeft Daniël uit hel geweld, der leeuwen verlost. Ziet geliefden! zoo is dat woord uit den l48sten Psalm in vervulling gegaan, dat de koningen der aarde Hem moeten loven. gt;Wie is het tochquot;, vroeg eens de keizer van Turkije in den tijd der Spaansche overheersching hier te lande, gt;wie is het toch, die dat »kleine landje zoo bijstaat, dat de machtigste koning gt;der aarde het niet ten onder kan krijgen?quot; gt;Jaquot;, antwoordde zijn eerste staatsminister, »de inwoners »van dat landje steunen op de koningin van Engeland,
wngs Tehu-n, en g zal aken )er u over
5 Hij
l dat i uit i, en aOjhkt^ lage-oog-
'gel-
â¢ren-rii in Wij wij
Hij
kend
me.rs i.jnen irde Hem ezen ver-it al zijn oog-Am Toen chtc' zijn 9 in
\ 54
»en hopen, dat die hen helpen zal!quot; Maar, antwoordde de keizer, »dat kan niet, want de rrouw,-de koningin »Elizabeth, die daar heerscht, heeft genoeg met haar
gt; eigen land te doen; bovendien veracht zij dit kleine
gt; volk, en schaamt zich, dat het hare geloofsgenooten zijn.quot; »Danquot;, sprak daarop een ander zijner raads-gt;lieden, ^verwachten zij misschien hulp uit Frankrijkquot;. »Neen !quot; zeide de keizer, »Frankrijk heeft de handen gt;vol genoeg met de inwendige onlusten te stillen, »waardoor bet verscheurd wordt, dat is onmogelijk gt;Maar, mijne heeren! vervolgde de keizer, weet gjj »wie dat kleine land helpt en bijstaat ? Het is God »van den hemel, die dat vrome volk helpt en bijstaat, »omdat het Hem vreest en aanroept in den noodquot;. Ja mijne geliefden, zoo was het, en het wordt den armen en ellendigen tot hunnen troost medegedeeld in den 148sten Psalm, dat de koningen der aarde den Heere moeten loven ; dezulken wordt dit aangezegd, opdat zij in al hunne nooden zouden hopen op den levenden God, zij, die noch met zwaarden, noch met spiesen, noch met dappere strijdrossen kunnen vechten, en juist dezulken moeten het weten, dat de God, dien zij aanroepen, de God aller Goden, de Heere aller Heeren is, en dat Hij alle koningen en richters der aarde zoodanig in Zijne macht heeft, dat zij zich zonder Zijnen allerheiligsten wil niet kunnen roeren uoch bewegen, ja, dat Hij hun aller hart in Zijne hand heeft en leidt als waterbeken, zoodat zij ten laatste Hem nog de eere moeten geven. Laat ons daarom blijven aanhouden bij Hem om genade, opdat Zijn Woord bij ons blijve. Zijne eeuwige waarheid. Zijne goede leer, opdat wij niet verzinken in de zorgen en genietingen dezes aardschen levens en niet omkomen met de wereld, die in het booze ligt. Wij vinden het telkens en telkens in de geschiedenis van
55
Goés kerk hier op aarde terug dat vorsten en koningen, die een tijdlang de gemeente Gods hebben vervolgd en verdrukt, eindelijk het hebben moeten bekennen; »Daar boven leeft een God, tegen Wien wij niets »vermogen!quot;
Nu worden verder tot den lof des Heeren opgeroepen de jongelingen en maagden, de ouden met de jongen. En wat beduidt dit allereerst! 0 mijne geliefden ! dat het toch niet vergeten worde het woord van den Prediker: Verblijd u o jongeling! in uwe jeugd, en laat uw hart zich vermaken in de dagen uwer jongelingschap, en wandel in de wegen uios harten en in de aanschouwing uwer oogen; maar weet, dat God, om al deze dingen, u zal doen komen voor het gericht. Pred. 11 vs. 9. En dit andere woord uit den 119en Psalm: Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden t Als hij dat houdt naar Uw woord, ja, dan zal des jongelings weg zuiver zijn, als hij hem houdt naar des Heeren Woord, maar dan ook zeker. Weet gij, mijne geliefden ! wat jongelingen en jongedochters, indien zij recht gelukkig en vroolijk willen zijn voor tijd en eeuwigheid, moeten najagen ? Daarop, o jongeling ! o jongedochter ! ook van onzen tijd, moet gy allereerst uit zijn, dat die heerlijke belofte, die God aan Zijne gemeente gaf, moe zonen en uwe dochteren zullen profeteeren ook bij u vervuld worde, en de waarachtige vreeze Gods bij ulieden wone. De gemeente Gods is Godes huis, daarin is God de Vader, Jezus Christus de oudste broeder, en de Heilige Geest de leeraar en trooster. Om der wille van dit huis alleen bestaan zy, al die hemelsche heirscharen, zon, maan en sterren, ja de geheele zichtbare schepping bestaat alleen om der wille van dit huis. Zoo bestond ook eens al het geschapene om Adams wille, en waren alle schepselen Gods aan Adams heerschappij
56
onderworpen. Nu is al het geschapene het eigendom van Christus, ten dienste van Zijne gemeente, en nu staan alle dingen onder Zijne heerschappij, zoowel in de maatschappij, als in het huisgezin. Jongelingen en maagden, ouden van dagen en jongen, zij allen moeten Hem loven en Zijnen heiligen Naam prijzen. Maar gij jongelingen en jongedochters! doet gij dat wel in waarheid ? Is de Heere in der waarheid uwe hoogste vreugde en zaligheid, gaat die vreugde, die Hjj in het harte kan geven, wel in waarheid bij ulieden boven het koorn en den most dezer wereld ? Ach ! van nature zullen jongelingen en jongedochters den Heere evenmin loven en prijzen als de koningen, rechters en machtigen der aarde zulks doen. Nochtans blijft dit woord uit den 148sten Psalm van hun gelden, en zij hebben dit ter harte te nemen, opdat de Heere met Zijne genade, met de prediking van Zijn Woord, met de troostvolle invloeden van Zijnen Geest niet aftrekke van een land, van eene gemeente, van de enkele zielen. Het is alleen in de ware vreeze Gods, dat een waarlijk gezegend huisgezin tot stand komt, en bij elke echtelijke verbindtenis herhaalt zich opnieuw de paradijsgeschiedenis. Toen sprak de Heere : God schiep den mensch naar Zijn beeld, naar het beeld Gods schiep Hij ze, man en vrouw schiep Hij ze ; en nog geldt het : Hij zegende ze en sprak tot hen: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u, en vervult het aardrijk. Uit den huwelijken stand komt alles voort wat leeft, ook de gemeente Gods, en door het huisgezin wordt het geheele menschelijke geslacht in stand gehouden. Maar wat geschiedt er, als een volk, als eene gemeente afwijkt van den levenden God ? Ach ! als de Heere met Zyne oordeelen over land en volk komt, hoe ziet het er dan uit ? Zie ! dat kant gij lezen bijv. in den 78sten Psalm vers
57
62â63. En Hij leverde Zijn vo'k over ten zie aarde, en werd. verholgen tegen Zijne erfenis, en zie, dan geschiedt, waarover de hel lacht en de hemel weent, namelijk: Het vuur verteerde hunne jongelingen en hunne jongedochters werden niet geprezen. Daarom, gij jongelingen, gij jongedochters ! vreest den Heere en prijst Zijnen Naam ! En by den profeet Jezaja lezen wij (Jez. 9 vs. 12â16a) ; Want di' volk keert zich niet tot dien, die het slaat, en den Heere der heir-scharen zoeken zij niet. Daarom zal de Heere ajhouwt, n uit Israël den kop en de staart, den tak en de bieze, op éénen daq. (De oude en aanzienlijke, die is de kop; maar de profeet, die valschheid leert, die is de staart). Want de leiders dezes volks zijn verleiders, en die van hen geleid, worden, toorden ingeslokt. Daarom zal Zich de Heere niet verblijden over hunne jongelingen, en hunner weezen en hunner weduwen zal Hij zich niet ontfermen, want zij zijn al te. zanten huichelaars en bot sdoeners, en alle mond spreekt dwaasheid. En Klaagliederen 5 vers 11â14 lezen wij: Zij hebben de. vrouwen in Zion verkracht, en de jongedochters in de steden van Jnda. De vorsten zijn door hunlie.der hand opgehangen, de. aangezichten der ouden zijn niet geëerd geweest. Zij hebben de jongelingen weggenomen, om ie malen, en de jongens struikelen ouder het hout. De ouden houden op van de poorle, en de jongelingen van hun snarenspel.
Daarom, gij jongelingen en jongedochtere! looft den Heere in den tijd des welbehagens. Looft Hem, gij ouden met de jongen. 0, dat is eene weldaad boven andere weldaden, dat er jongelingen en jongedochters zijn op aarde, dat is eene weldaad voor eene stad, voor een land, voor eene gemeente. Neem dit weg, en Gods schepping zinkt in elkander. De profeten weten niets beter om het sieraad en de heerlijkheid
58
der gemeente Gods yoor te stellen, dan die te vergelijken met de versierselen eener bruid, en met alles, wat daartoe behoort. Het hangt echter van Gods vrijwillig welbehagen af, of een land, of eene stad, of eene gemeente zulke heerlijke bruiloftsfeesten vieren mag, en indien de jongelingen en jongedochters den Heere niet willen prijzen, niet in Zgne wegen willen wandelen, maar naar de wereld en haar genot hunkeren en dat najagen, zoo kan in vervulling gaan, wat de profeten gedreigd hebben. Wandelen zij echter in de rechte wegen des Heeren, zoodat zij Zgne genade alleen roemen en prijzen, dan zal ook vervuld worden, wat wg lezen in Jeremia 33 vers 10â12: Alzoo zegt de Heere: In deze plaats (waarvan gij zegt: Zij is woest, dat er geen mensch en geen beest in is) in de straten van Juda en op de straten van Jeruzalem, die zoo verwoest zijn, dat er geen mensch, en geen inwoner en geen beest in is, zal wederom gehoord worden, de stem der vroolijkheid en de stem der blijdschap, de stem des bruidegoms en de stern der bruid ; de stern dergenen, die zeggen: looft den Heere der heirscharen; want de Heere is goed, want Zijne goeder-tierendheid is in der eeuwigheid! De stem dergenen, die lof aanbrengen ten huize des Heeren ; want ik zal de gevangenis des lands wenden als in het eerste, zegt de Heere. Zoo zegt de Heere der heirscharen : In deze plaats, die zoo woest is, dat er geen mensch, zelfs tot het vee toe, in is, mitsgaders in al der zeiver steden, zullen 'wederom woningen zijn van herderen, die de kudden doen legeren. En ook omtrent de ouden en jongen, d. i. omtrentdekin-derkens, hebben wij zulke heerlijke profetiën en beloften in Gods Woord ; en hoe heerlijk worden die vervuld in de kinderen der stad Gods! Waar God Zgn levend Woord aan een volk gegeven heeft, daar wandelt de oude van dagen, vader of moeder, vroolijk en vrijmoedig rond, en
I
59
vertelt van de wondere leidingen des Heeren en roemt luide Zijne trouw ! O hoe schoon is het niet om aan te zien,als de jonge kinderkeus te zamen spelen,hoe liefelijk zijn zij niet om aan te zien, zelfs wanneer zij God nog niet kennen en van Hem nog niets weten! Hoe schoon zgn de rozen op hunne wangen, hoe liefelijk de vriendelijke lach op hun gelaat, hoe aangenaam is het, ze te zien huppelen en spelen langs de straten ! Maar ach ! hoe spoedig kan dat alles gedaan zijn, als de Heere met Zijne oordeelen komt, en het zwaard des oorlogs uit de schede trekt! Ach ! er zijn nog ouden van dagen onder ons, die het zich nog wel kunnen herinneren, dat op anders druk bezochte straten het gras welig omhoog schoot! O hoe schoon is het, wanneer vervuld wordt, wat wg lezen bij den profeet Zacharia, kapittel 8 vs. 3 en vv.: Alzoo zegt de Heere; Ik hen wedergekeerd tot Zion, en Ik zal in het midden van Jeruzalem toonm ; en Jeruzalem zal geheelen ivorden eene stad der waarheid, en de berg de» Heeren der heit scharen, een berg der heiligheid. Zeker gold deze belofte allereerst de stad Jeruzalem in letterlijken zin, maar zij geldt elke stad of plaats in de geheele christenheid, waar God Zelf maar de ware waarheid op den kandelaar geplaatst heeft. Alzoo zegt de Heere der heirscharer : er zullen nog oude mannen en oude vrouwen zitten op de straten van Jeruzalem, die zullen God loven voor Zijne genade en trouw, waarmede Hij hen zoo lang bewaard en bijgestaan heeft, zoodat het hun aan. niets heeft ontbroken op den ganschen langen weg! een ieder tal zijnen stok in zijne hand hebben, van voege de veelheid der dagen. En de straten der stad zullen vervuld worden met knechtjes en meisjes spelende op hare straten. Alzoo zegt de Heere der heirscha-rtn: Omdat het wonderlijk is in deoogen van het overblijf-
L
60
sel dezes volks in deze dagen, zou het daarom ook in Mijne oogen wonderlijk zijn ; spretkt de Heere der heir scharen. Daarom »loof den Heere ! gij koningen op aarde ! en ook gij Torsten,rechters en priesters, en allen,die in hoogten zijtgeplaatst. Het is de God deshemels,het is onze Heere Jezus Chri3tus,hooggeloofdin alle eeuwigheid, vanwien alleen gij demachtontvangt,diegij oogenblikkelijk bezit. Looft den Heere ! gij jongelingen en jongedoebters, gij ouden met de jongen ! Verheerlijkt Zijnen Naam, want Zijne Naam is een sterke toevlucht voor al de Zijnen, en die Hem eeren, wil Hij ook eeren.
Om u het geheel van den 148sten Psalm recht duidelijk voor oogen te stellen, en u te doen be grypen, wat de ware beteekenis en toepassing daarvan is, wilde ik u gaarne iets voorlezen uit een dier boeken, die de kerk mag lezen, maar niet om daaruit de waarheid van eenig hoofdstuk der christelyke leer te bewijzen, uit de zoogenaamde apokriefe boeken, en ik wilde dit daarom doen, omdat het daarin vermelde zoo uitnemend bij de uitlegging van onzen Psalm te pas komt. (Zie het volgende blaadje.)
Uitgegeven bij F. P. D'HUIJ, Middelburg.
Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BüCKHANN, Eiber ff ld.
Prijs per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Cts.
S CII Rï F T \ E K amp; li A 111 i\ G B N
VAN
Or. II. F. KOHLBmiOftE.
OVER
stsa
Wij nemen dus het 5de hoofdstuk van het boek Judith voor ons, waar wij lezen ; »Eu het werd »Holofernes den krijgsoverste van het leger der gt;Assyriërs geboodschapt dat de kinderen Israels zich »bereidden tot den krijg, en dat zij de doorgangen »der gebergten besloten, en al de spitsen der hooge «bergen bemuurd hadden, en dat zij in de vlakke
gt; velden beletsels gesteld hadden. En hij wierd zeer «toornig van gemoed, en hij riep al de oversten der «Moabieten en de krijgsoversten der Ammonieten en gt;al de vorsten van het land aan de zee. En hij zeide »tot hun : zeg mij toch gij kinderen Kanaans ! wat gt;volk dit zij, dat zich op dit gebergte onthoudt, en »wat steden het zijn, die zij bewonen ; en de menigte
gt; van hun heirleger, en waarin hunne kracht en hunne «sterkte bestaat, en welke koning onder hun is «opgestaan die een leidsman is onder hun leger. En «waarom zij mij den rug gekeerd hebben, dat zij mij «niet zijn in 't gemoed gekomen, buiten alle degenen, «die in het westen wonen ! En Achior, de overste «van al de kinderen Ammons, zeide tot hem: Mijn «heere! 'hoor toch een woord uit den mond uws «knechts, en ik zal u de waarheid verhalen van dit «volk, dat nabij u woont, en dit gebergte bewoont; «en geen leugen zal uit den mond uws knechts gaan. «Dit volk komt af van de Chaldeën. En zij hebben «eerst als vreemdelingen gewoond in Mesopotamiën;
No. 139. 9 Mei 1891.
62
gt;want zij wilden niet volgen de goden hunner vaderen,
gt; welke in 't land van Chaldea waren. En zij zijn
gt; afgetreden van den weg hunner vaderen, en hebben »den God des hemels aangebeden, den God, dien zij
gt; kenden, en die (hunne vaderen) hebben ze verdreven gt;van het aangezicht hunner goden, en zij zijn naar gt;Mesopotamien gebracht, en hebben daar vele dagen »als vreemdelingen gewoond ; en hun God heeft ge-» boden, dat zij zouden gfian uit het land hunner vreera-»delingschappen en reizen naar het land Kanaan ; en gt;zij bleven aldaar wonen, en vermenigvuldigden aan »goud, en aan zilver en aan zeer veel vee. En zijn »afgetrokken naar Egypte (want hongersnood had gt;het land Kanaan bereikt, en zij woonden aldaar als »vreemdelingen totdat zij wedergekeerd zijn, en zij ïzijn aldaar geworden tot eene groote menigte, en »huu geslacht was ontelbaar. En de koning van »Egypte stond tegen hun op, en gebruikte listigheid »tegen hun door arbeid, en door maken van tegel-»steen en, en vernederde ze en maakte ze tot slaven. gt;En zij riepen tot hunnen God, en Hij sloeg gansch gt;Egypteland met plagen, die niet te genezen waren, »en de Egyptenaars dreven ze uit van hun aange-»zicht. En God heeft de Roode zee voor hun uit-s-gedroogd, en heeft ze geleid naar den weg des bergs gt;Sinaï en Kades Barnea, en zij hebben verdreven allen, gt;die de woestijn bewoonden. En zij hebben zich «neergezet in het land der Amorieten, en hebben al
gt; de Esebonieten uitgeroeid door hunne sterkte. En »door de Jordaan getrokken zijnde, hebben zij dit »geheele gebergte tot eene erfenis ontvangen. En zij »verdreven van voor hun aangezicht de Kanaanie-»ten, en de Feresieten en de Sichemieten, en de gt;Sichemieten, en al de Gergesenen, en zij hebben in gt;'t zelfde gebergte vele dagen gewoond. En zoo lange
63
»zij niet zondigden voor hunnen God, zoo ging liet »hun wel; want met hun is een God, die de onge-gt;reclitiglieid haat. Maar toen zij afgeweken zijn van »den weg, dien Hij hun had voorgesteld, zoo zijn zij »door vele krijgen zeer verwoest geworden. Eu zijn »gevankelijk weggevoerd in een vreemd land, en de stempel huns Gods is tot den grond toe afgeworpen, »en hunne steden zijn ingenomen van hunne vijanden. gt;En nu, bekeerd zijnde tot hunnen God, zijn zij weder gt;gekomen uit hare verstrooing, daar zij henen ver-gt;strooid waren en hebben zich te Jeruzalem neder-gt;gezet, daar hun heiligdom is, en hebben het gebergte gt;bewoond, wam; het was woest. En nu, heerschende »heer! zoo er misdaad in dit volk is, en zoo zij »zondigen tegen hunnen God, en zoo wij bemerken, »dat er onder bun zoodanige ergernisse is, zoo zullen »wij opklimmen en hun overweldigen. Maar zoo »daar geen ongerechtigheid onder hun volk is, zoo »ga mijn heer hun voorbij ; opdat bun Heere hun »niet mogelijk bescherme, en hun God voor hun zij, gt;en wij zullen een smaad zijn voor het geheele land.quot;
Weet gij geliefden! wat de rechte lof is, waartoe de 148ste Psalm ons opwekt ? Het is b. v. zulk een loflied aan te heffen, als het tweede en derde vers van den 103den Psalm :
Loof Hem, die u, al wat gij hebt misdreven. Hoeveel het zij, genadig wil vergeven ; Uw krankheên kent en liefderijk geneest;
Die van t verderf uw leven wil verschoonen. Met goedheid en barmhartigheên u kroonen ; Die in den nood uw Redder is geweest.
Loof Hem, die u vergunt uw ziel verlangen. En 't goede tot verzading doet ontvangen ;
61
Uw jeugd vernieuwt gelijk eens arends jeugd, De Heer doet recht, is heilig in Zijn richten, Treft iemand druk. Hij wil den druk verlichten, En hart en mond vervullen met Zijn vreugd.
Zie, zulk een lofzang klinkt zoo ver de hemelen reiken, wnnt dat is boven alles waarom wij Hem loven, namelijk de vergeving aller onzer zonden om Jezus Christus wille. Ja, Hi] Zelf is het hoogste goed der armen en ellendigen, en Hi] verstaat het heerlijk, mond en hart te vervullen metZijne vreugd! De verhooging Zijns volks is verbonden aan den lof Zijns Naams, daarom volgt er op de slotwoorden van het 13e vers van den 148stenPsalm een heerlijk En. En Hij heeft den hoorn Zijns volks verhoogd. Het volk des Heeren is eigenlijk dat volk, dat het meest te beduiden heelt op aarde, al is het uiterlijk nog zoo veracht en gering. Waar geen volk des Heeren is, daar klinkt ook geen lof des Heeren, wel wordt daar misschien een uiterlijk loflied gehoord,maar dat is niet het loflied, dat in den 148-sten Psalm bedoeld wordt. Hij, de levende God, Vader, Zoon en Heilige Geest, Hij die Zich aan Zijn volk openbaart met Zijnen geheelen Naam, als Dengene, die was, die is, en die zijn zal, als de Alfa en de Omega, Hij verhoogt de hoorn Zijns volks, Hij maakt de eere Zijns volks groot. Het woord hoorn beduidt hier eere of macht. In het morgenland droeg men eene hoofdbedekking, versierd met een hoorn, en aan dezen hoorn was bij de vrouwen de sluier bevestigd, en naarmate men hooger geplaatst was in de maatschappelijke zamenleving, droeg men een hooger hoorn, al naarmate men macht, eere of rijkdommen bezat. Het wat een teeken van diepen rouw, in dien vrouwen in plaats van den wijden, geplooiden rok, dien zij gewoonlijk droegen, een eng kleed, eenen zak
65
gelijk, aantrokken, en in plaats van het hoofd te versieren met den gebruikelyken hoorn, het met assche en aarde te bestrooide. Zoo zegt Job o. a. Job 10 vs. 15, 16: ik heb eenen zak over mijne huid //enaait/, ik hel» mijnen hoorn in het slof gedaan. Mijn aangezicht is gansch hemndderd van weenen, en over mijne oogleden is des doods schaduw! nadat hij geklaagd had : ik had rust, maar Hij heèft mij verbroken, en hij mijnen nek gegrepen, en mij verpletterd, en Hij heeft mij Zich tot een doelwit opgericht. (Vs. 12) Zie ! daar is weder de hoorn het beeld van eere en macht. Dat vinden wij ook Ps. 89 vs. 16, 17 : Welgelukzalig is het volk, hetwelk het gek lank kent; o li eere, zij zullen in het licht uws aanschijns wandelen,zij zullen zich den ganschen dag verheugen in Uwen naam, en door uwe erecldigheid verhoogd worden. (Luthersche vert. : »door uwe genade zult gij onzen hoorn verhoogenquot;.) En David noemt den Heere Zelf den hoorn Zijn volks, zooals wij lezen Ps. 18 vs. 2, 3: Hij zeide dan : Ik zal u hartelijk liefhebben, Heere mijne Sterkte ; de Heere is mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uit helper! mijn God, mijn Rots, op welken ik betrouw; mijn schild en »de Hoorn mijns heihsquot;, mijn hoog vertrek; En in den 75sten Psalm vinden wij het woord gt; hoornquot; ook als het zinnebeeld van macht en geweld. Vs. iâ8. Ik heb gezegd tot de onzinnig en : weest niet onzinnig; en tot de goddeloozen : verhoogt den hoorn niet! Verhoogt uwen hoorn niet omhoog, spreekt niet met stijven hals ; want hel verhoogen kimt niet uil hét oosten, noch uit het westen, noch uit de ivoestijn ; maar God is Rechter; Hij vernedert dezen en verhoogt genen, en vs. 10,11 : En ik zal het in eeuwigheid verkondigen, ik zal den God. Jakobs psalmzingen, en ik zal alle hoornen der goddeloozen afhouwen ; de hoornen des
66
rechtvaardicjen zullen verhoogd worden. O ! het volk Gods, liet volk des Heeren, dat is zulk een wonderbaar volk ! het is geschapen, om tot eere te worden gebracht. Van huize uit, van nature is het een Lo-Ammi, een »niet-volk, een Lo-Ruchama, d. i gt;een niet-ontfermdquot; volk. Maar de Zone Gods, Jezus Christus, is verschenen, IIij die Zich uit het gansche menscheliike geslacht eene gemeente ten eeuwigen leven heeft uitverkoren, en door Zjin Geest en wóórd, in eenigheid des waren geloofs, van den beginne der wereld tot den einde toe, verzamelt. Hij is het ook, die deze gemeente beschermt en onderhoudt. En die door Zijne genade den 148sten Psalm van harte leert medezingen, wie juicht: Hij heojt den hoorn Zijns volks vfrhoogd. den roem al Zijner gunslgenooten, die leert het ook van harte met den Catechismus uit te spreken: «ik geloof, dat ik van deze gemeente »een levend lidmaat ben en eeuwig bliiven zal!quot; Een volk, dat zich zelt vaak voor genadeloos houdt, maar toch van en door de genade Zijns Gods leeft, een volk, duur gekocht, niet met goud of zilver, maar met het bloed des Heeren Christus, Hem tot een eeuwig erfdeel en eigendom. Onder dit volk
o o
kan uiterlijk een geheel land en natie begrepen zijn, voor zoo verre onder zulk een volk het licht des waarachtigen Woords des evangelies der zaligheid op den kandelaar staat. Er kan ook eene gemeente onder verstaan worden, maar ook de enkele zielen, die te zamen komen. Het ïb niet noodig, dat het hij menschen als een volk Gods bekend sta, want gelijk ik u reeds meermalen zeide; het koningrijk des Heeren Jezus reikt tot aan de einden der aarde. Overal heeft Hij de Zijnen, die Hij met Zijne eigene hand van hunnen verkeerden weg heeft teruggehaald, krachtdadig geroepen en bekeerd. Vat zijn degenen,
67
die Hij zijn volk noemt. Voor dat volk is Hij de Koning der eere, en heeft Hij hier een spotmantel van purper gedragen, opdat dat volk eens moge prijken in fijn, blinkend lijnwaad, dus is liet volk des Heeren ook een volk der eere, een volk, dat tot eere zal gebracht worden. Want zoo luidt de gouden keten Zijns heils : die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, den heelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de eerstgeborene zij onder vele broederen. En die Hij te voren verordineerd hoeft, die heeft Hij ook geroepen ; en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd, en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt. Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen : zoo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn ? Die ook Ziju eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zoude Hij ons met Hem niet alle dingen schenken ? Wie zal hesehuldiging inbrengen tegen de uilverkorenen (iods? (Hom. 8 vers 29â33a.) Het volk des Heeren heeft een hoorn der eere en der macht. Maar deze eere en deze macht wordt niet gezien, niet begrepen, noch door de wereld, noch door dit volk zelf. Deze eer wordt in het stof getreden, aangevallen, aangevochten, deze macht willen de vijanden verbreken en verbrijzelen, ja de geheele hel is er op uit, de eere en de macht van Gods volk te vernietigen. Er is geen volk op de wereld, dat zoo veel eere, zoo veel macht bezit, als Gods volk. Hooger staat het dan de engelen, hooger dan deze vorsten des hemels, en dus ook hooger dan alle vorsten der aarde, want welke vorst is er, die in eere en macht met een engel is te vergelijken ? Ja, de macht van Gods volk is onoverwinnelijk en, indien het maar in waarheid Gods volk is, dan vermag de machtigste vorst der aarde niets daartegen, en
68
alle geweldige golven en baren der woelige en woedende wereldzee moeten breken tegen de rots, waarop des Heeren volk met Zijnen grooten Koning gegrondvest staat. Zeven machtige koningen, veel machtiger dan het volk Israël, moesten in het stof neerzinken op 's Heeren bevel. Ja! het geschiedde zelf, dat een en dertig koningen zich tegen des Heeren volk verbonden hadden en dat toch zij allen werden omgebracht, zoodat het volk Israël hunne handen ontkwam. Nochtans geschiedt het vaak in dit leven, dat het volk des Heeren het onderspit moet delven, want waar de Koning der eere een spotkleed moest dragen, hoe zoude het dan hier in deze wereld Zijn volk anders gaan ! Ja, dat volk wordt veracht, verstoeten, weggeworpen, alle duivelen uit de hel, alle machten dezer wereld, die in het booze ligt, komen op dit arme en toch zoo rijke volk af, om zijne macht en eere te verduisteren cn in het slijk te treden. Dan klinkt het vaak van alle zijden : de Filistijnen over u, o Simson ! en de arme held Gods staat daar met uitgegraven oogen, terwijl het er uitziet of zijn God voor eeuwig van hem was geweken O! in zulke wegen zinkt de hoorn van Gods volk in het stof, en wordt zijne kracht verbroken. Maar, weet gij, lieve lezer, wat nochtans in zulke wegen de sterkte van Gods waarachtig volk is en blijft ? Dat is het, dat de Heere tot hen gesproken heeft; Bidt en gij zult ' ontvangen, zoekt en gij zult vinden, klopt aan en u zal open gedaan worden. Al wat gij den Vader bidt in mijnen Naam, dat zult ge ontvangen.
Opent iiwen mond,
Eisch van Mij vrijmoedig!
Op Mijn trouwverbond.
Al wat u ontbreekt.
69
Schenk Ik, zoo gij 't smeekt,
Mild en overvloedig.
Psalm 81 vers 12.
MTrti wilt gij Esther ? zoo luidt het tot dit volk, vaar het bevende en sidderende voor zijnen grooten ionirg verschijnt, zeg my wat gij begeert! Tot de lelft van mijn koningrijk zal ik u geven ! Ja! mijn ans'che koningrijk. Hemel en aarde zullen voorbij 'aan, maar gij, ó mijn volk ! zult nooit en nimmer n 't stof blijven liggen. De hoorn van dat volk moet rerhoogd worden, hunne heerlijkheid moet aan het icht treden, als de heldere morgen, zooals de Heere gezegd heeft: Die Mij eer en, zal ik ook eer en. De gansche macht der wereld en der helle moeten voor de macht en heerlijkheid van Gods volk wijken en jeschaamd het veld ruimen, want zoo luidt het hier in onzen Psalm: de IL ere zal den hoorn Zijns volks verhoog en. Wie den Ueere Jezus eert, dien zal Hij ook eeren, wie Gods waarheid eert, wie haar aanhangt, wie bij haar blijft, wat of wie er ook van afwijke en afvalle, die wordt door den Heere geëerd en komt koninklijk tor eere. Al schijnt de zaak eerst anders te gaan, al schijnt Gods volk te moeten onder-iggen in den strijd, toch luidt het ten slotte van de vijanden: »zij zijn gevallen, zij zijn vergeten, zij »hebben zich gekromd, en zij zijn gevallen, maar wg Jzijn gerezen en zijn staande geblevenquot;. Onze hulpe staat in den Naam des Heeren Heeren, die den hemel en de aarde geschapen heeft. Dit geldt in het algemeen, maar ook voor bijzondere personen en aangelegenheden. Wie waarachtig een levend lidmaat is van het met eere en glorie gekroonde Hoofd der gemeente, wie waarachtig tot des Heeren volk behoort, diens hoorn moge een tijdlang in het stof vertreden zijn,
woe' iarop rond-tiger nken t een ver' tnge-ont-3ven Iven loest Zijn ver-alle men acht Dan )ver met God like en ieve van dat zult m u aidt
70
ja men moge er hern toe gebracht hebben zelf zijn hoorn in het stof te laten zinken, zoo waar de Heere Jezus Koning is, zoo waar God alleen God is, die God, die den hemel en de aarde gemaakt heeft, zoo waar zal ook de hoorn van zulk een kind des Heeren uit het stof verhoogd worden. Gods volk heeft eens voor altoos vergeving van zonden ontvangen, het kent vergeving van zonden en weet ook met welk doel vergeving van zonden verleend wordt, namelijk: opdat Gij gevreesd wordt (Psalm 1 '0 vs. 4.) Van het oogenblik af, dat men vergeving der zonden ontvangt, is ook »vreeze des Heerenquot; in het hart aanwezig, vreeze des Heeren, om bij het alleen zaligmakend geloof in Jezus Christus te blyven, vreeze des Heeren, om voor Zijn aa' gezicht den strijd met de zonden aan te binden, die van ganscher harte te mijden en te vlieden, en ook in de grootste en hevigste hitte van dezen strijd het vaandel nooit en nimmer af te geven. Maar in dezen strijd gaat de weg, dien de Heere met Zijn waarachtig volk houdt, door allerlei verootmoedigingen henen. De verachtste, de aller verachtste op aarde is de Koning van hemel en aarde, en even veracht zijn allen, die in waarheid tot Zijn volk behooren. Dat volk ondervindt allerlei miskenning, smaad, hoon ; allerlei onbillijkheden en onrechtvaardige behandelingen en beoordeelingen zgn zijn deel, en het gaat met dat volk zoowel door kwaad als door goed gerucht. Maar het woord des Heeren blijft staan, en het wordt vervuld op des Heeren tijd. Daarom, o volk des Heeren ! geef uw vaandel niet af, maar geef uw hoorn, uwe eer en aanzien in de handen Gods. Is uw hoorn in het stoi gezonkan, en kunt gij zelf het daaruit niet opheffen, gevoelt gij uwe geheele onmacht en onbekwaamheid daartoe, welaan ! sla uw oog op den Heere, wentel
71
uwen weg op Hem, beveel Hem uwe zaak, laat Hem het oordeel over, die gesproten lieeft: Af ij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreelt de IIeere ; maar doe gij recht en wijk geen haarbreed terug. Dan zult gij zien en ervaren, dat God den hoorn Zijns volks heerlijk weet te verhoogen. Dat gaat echter wel door een heeten strijd henen, vaak door eenen strijd op leven en dood. Gewis zult gij niet totquot; eer e komen, wanneer gij uzelven met het artikel »vergeving van zondenquot; zoekt te troosten, om u zelf daardoor eere te verschaffen, of om den een of anderen zondigen weg te gelijkertijd, en naar gij meent, met eene ruimere conscientie te kunnen aanhouden, maar die komt tot eere, die alle golven en baren zich over het hoofd laat gaan, maar nochtans blijft bij Gods gebod en waarheid, allereerst zich zeiven onvoorwaardelijk daaraan onderwerpt, en eer al het zichtbare laat varen, dan in het allerminst tegen één der geboden Gods te zondigen. Zulk een mensch zegt van ganscher harte: ^Heere God! dat gt;is Uw wil, üw Woord, uw gebod, maar ik kan het »met ten uitvoer leggen, o help Gij mij !quot; Maar de wil en de begeerte is, dat Gods gebod geschiede, en dat Zyn gebod werkelijk opgevolgd worde, er moge dan van komen, wat er van kome.
Al ligt de waarheid in het graf.
Al wat haar drukt het moet er af.
De hoorn van Gods volk, zijne eere en heerlijkheid is verbonden aan de belijdenis van des Heeren Naam, aan de belijdenis van den Naam des Heeren Jezus Christus, den Heere der heerlijkheid. Deze belijdenis is een scherp, tweesnijdend zwaard, dat uit hunnen mond gaat. Wie den Naam des Heeren Jezus in waarheid belijdt voor de menschen, die belijdt het ook, dat hij zelf een arm zondaar is, dat hij vele
72
---â¢
zonden heeft, maar dat de Heere zijne gerechtigheid en sterkte is, en dat die de gerechtigheid, die Hij op Golgotha verworven heeft, een arm menschen-kind ook schenkt en toerekent. Dat is de roem van des Heeren volk, en luide prijzen zij Gods ontferming. Zijne eeuwige genade en trouw, eu dat het loutere, vrije, souvereine genade is, waardoor zij zijn, wat zij eijli. Zij weten, ja hebben het van den Heere Zelf geleerd, dat alle zelfgemaakte heiligheid voor dés Heeren heilig oog, voor den rechterstoel Zijner heilige wet van nul eu geener waarde is, en dat voor Gods aangezicht alleen geldt het heilig leven van den Heere Jezus Christus. Daarom staat er ook sje-
...... c?
durig in onzen Psalm, dat Zijne heiligen, zijne gunst-genooten Hem moetsn loven, want Hij is het, Die den hoorn Zijns volks verhoogt, den roem aller Zijner gunstgenooten. Daar staat geschreven : wie roemt, roerne, inden Heere. (1 Cor. 1 vs. 31). Allen dus, die in waarheid vergeving van zonden hebben ontvangen, roemen niet in zich zeiven, maar in nood en dood, onder kruis en smart, te midden van allerlei in- en uitwendige aanvechting, roemen zij den Heere alleen. En weet gij, hoe dit toegaat, mijne geliefden ? Sla eens op Micha 7 vs. 7 en vervolgens, daaar leest gij: maar ik zal uitzien naar den Heere, ik saL loachten op den God mijns hals; mijn (tod zal mij hoeren. Ver-blijd u ni t over mij, o mijne vijandin! wanneer ik gevallen hen â zie! nu komt het roemen in den Heere â zal ik weder opstaan, ivanneev ik in duisternis zal geseten zijn, zal de Heere mij een licht zijn.
â
Uitgegeven bij F. P. D'HÃIJ, Middelburg.
Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BuCKMANN, Eiberfeld,
l'rijs per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Cis.
En, al heb ik het ook over en over verdiend, dat ik in dezen ellendigen en schrikkelijken toestand geraakt ben, ik zal des II eer en gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd, maar Hy laat mij niet in de helle liggen, waarin ik mij nu bevind. Hij geeft mij niet voor eeuwig in uw macht en geweld over, 0 gà vijanden allen ! geestelijke of lichamelijke, gij zult toch de overwinning niet verkrijgen, eu gij zult niet kunnen zeggen ; Heali! wij hebben hem over-mocht ! Ja, zegt de profeet (Micha 7) : ik zul des lleeren gramschap dragen, totdat Hij mijnen twist twiste en mijn recht uitvoere : IIij zal mij uitbrengen aan het licht, â d. i : Hij zal den hoorn Zijns volks verhoogen â ; ik zal mijne lust zien aan Zijne wraak ? neen ! aan Zijne gerechtigheid of, zooals Luther vertaalt, »aan Zijne genadequot;. Zie! op deze wijze is het, dat de Heere den roem Zijner gunstgenooten verhoogt. En mijne vijandin zal het zien, en schaamte zal haar bedekken ; die tot mij zegt: waar is de Heere, u w God ? Van deze dingen is het, dat des Heeren waarachtig volk roemt. Ik laat aan mijnen God het oordeel daarover of ik goede werken heb of niet, of ik heilig ben of niet, of ik rechtvaardig ben of niet, want mij komt daarover liet oordeel niet toe. Maar ik weet, wat mijn Rechter tot mij gezegd heeft, namelijk; Ik reken u toe de gerechtigheid van den Borg, Jezus Christus, en Ik schenk om niet aan godde-No. 140. 23 Mei 1891.
8⬠IS 111 FT V E RK L A 111 GE A
VAN
SM'. H. F. KOllLBRLCiGE:.
74
loozen diens gerechtigheid en heiligheid. Hij heeft tot mij gezegd: Ik reken u die toe, alsof gij zelf al de gerechtigheid dier zelfde wet, die u veroordeelt, volkomen volbracht had. En daarom, o mijn broeder! o mijne zuster! wil ik van niets anders weten, noch roemen, en het o ! zoo gaarne belijden, dat ik zwak, arm en ellendig ben, dat ik niets kan, dat ik niets weet, en dat ik de wetenschap der heiligen niet gekend heb, dat ik van top tot teen me-laatsch ben voor des Heeren heilig aangezicht, en dat ik dien heiligen God daarboven in den hemel nooit iets heb toegebracht, noch zal toebrengen, zoo als het behoort toegebracht te worden. Maar .Zijne genade is genade, om en om, en deze genade ontkennen of verloochenen, omdat ik een zondaar ben, neen ! o duivel ! dat krijgt gij niet meer van mij gedaan ! Neen ik blijf er bij, en tegenover al mijne onmetelijke schuld, die gij mij terecht verwijt, is hier bij mijnen Borg en Middelaar volkomene betaling. En n o wereld ! die tot mij zegt: als gij bij zulk een dwaas geloot blijft, bij zulk eene dweeperij, dan zult gij nog geheel broodeloos worden en tot den bedelstaf geraken, u antwoord ik: God voedt de vogelen wel, de muschkens op het dak, en zoude Hij dan mij begeven of verlaten, die volgens Zijn eigen woord vele muschkens te boven ga ? En zoo gij mij het kleine getal voorhoudt dergenen, die dit geloof bezitten, dan antwoord ik, was er niet eens een Miclia, die geheel alleen tegenover vier honderd en vijftig profeten Baiils stond, zie ! dat lees ik in hetgeen geschreven staat in des Heeren eigen Woord. Dat is de roem van het ware volk Gods! Dat volk weet, dat hem de zonden vergeven zijn, dat volk weet ook dat het tot aan zijnen jongsten snik van genade alleen zal moeten leven, en telkens weer op nieuw
75
vergeving van zonden zal noodig hebben, omdat een iegelijk, die tot dat volk behoort een arm zondaar is en blijft. Ja, dit moet het volk des Heeren goed weten, opdat het eens voor altoos een streep hale door eigen leven en eigen werk, want alleen zón zal het leeren mot een vast voornemen des harten met God en den naasten te handelen en te wandelen naar Gods geboden, naar Gods allerheiligsten wil, en niet naar den wille van het eigene, verkeerde hart, niet naar de overleggingen van het hoogmoedige en toch van de ware wijsheid Gods vervreemde en bedorven verstand. Laat daar de gansche hel maar tegen opkomen, en de geheele wereld bovendien, zy zullen het Woord des Heeren moeten laten staan ! Dat zal nooit noch nimmer voorbij gaan, al gaan ook hemel en aarde voorbij. God verhoogt den hoorn Zijns volks, den roem aller Zijne gnnstgenooten ! Wel gaat het door strijd en kruis henen, en waar Abraham roemt tegenover de koningen van Soclom : heb mijne hand opgeheven tot den Heere, dc.n Allerhoogsten God, die hemel en aarde, bezit,zoo ik van een draad aan tot een schoenriem toe,ja! zoo ik van alles,wat het uwe is, iets neme ! opdat gij niet zegt: ik heb Abram rijk gemaakt! (Gen. 14 vs. 22, 23), daar zal wel in zijn ziel de bange gedachte opgekomen zijn: o! als deze koning van Sodom en zijne bondgenooten nu maar niet op mg afkomen en mij aanvallen, hoewel ik hen hielp hunne vijanden te verslaan ! Want juist als men luide getuigd en geroemd heeft van den Naam des Heeren, komen vaak angst en aanvechtingen van allerlei aard op ons af, en waar men roemt, zooals het behoort, namenlijk in den Heere, daar loopt de weg door den smeltkroes der ellende henen, en de duivel roept ons luide toe, hetzij in ons hart door allerlei helsche inblazingen, hetzij door zijne handlangers met luide
76
en hartverscheurende verwijten : âHebt gij hot dur-Ten uitspreken, dat gij gelooft, en hebt gij luide verkondigd, wat gij gelooft, namelijk, dat de sterkte en de gerechtigheid des Heeren zijn, welaan! ik wil u eens op de proef stellen of dat wel werkelijk zoo waarheid bij u is.quot; Ach ! dan wordt de hoorn der eere van Gods volk zeer, zeer klein, zijn roem neemt af en wordt zeer mager, dan ontzinkt alle vaste grond onder de voeten, zoo dat men nauwelijks meerden mond waagt te openen, om één woord te zeggen. Dan schiet er voor Hiskia niets meer over, dan in het heiligdom des Heeren Heeren te gaan, den hoon-brief, die hem was toegezonden, uit te breiden voor diens aangezicht, en luide tot den hemel te roepen: »Heere! Heere ! zie toch, wat deze Sanherib waagt »te schrijven! Heere! dat is toch immers niet waar ? ïgt; En de wonderen Go-Is, waarvan uw Israël van ouds gt;her omringd was, en nog omringd is, tot op den hui-sdigen dag, zij waren toch niet het werk van deze »afgoden, van deze valsche goden en godsdiensten, »waarop Sanherib pocht.quot; Zijn in den loop der geschiedenis van alle volken en natiën, waar maar ooit Gods Woord hoog op den kandelaar stond, niet altoos de vijanden als leugenaars voor het licht gekomen, en is het einde niet altoos geweest, dat de eene vijand den anderen ten verderve hielp ? Nu dan ileere mijn God ! toon dat Uwe waarheid Uwe waarheid is en laat mij niet te schande worden! ü heb ik geroemd in het midden dei-gemeente, en in de tegenwoordigheid dergenen, die als goden gerekend werden, heb ik Uwen naam geloofd en geprezen! Dan zal het ook waar worden : die Mij eer en, zal ik ook eer en. Het zal blijken, zonneklaar blijken, dat er een God is, die leeft, en dat er een volk is, dat op Hem alléén vertrouwt,
77
want Hij is het, die den hoorn zijns volks verhoogt, den. roem al Zijner gunstgenooten. Al Zijne gunstgenooten zijn opgenomen in Zijn verhond, en, die Hij eenmaal heeft lief gehad, die heeft Hij ook lief tot den einde, want het is eene eeuwige liefde, waarmede Hij hen lief gehad en tot zich getrokken heeft. Eu niet op grond van dit of van dat, maar alleen op grond van Christi gerechtigheid heeft Hij dat volk lief, dat in deze gerechtigdheid alleen zijn grond heeft voor tijd en eeuwigheid, Het is uit vrije gunst, dat zij zijn, wat zij zijn. en zij zijn opgenomen en goed geborgen in Zijne koninklijke gunst, goedheid, vriendelijkheid, ontferming en genade. Dit zijn alzoo de gunstgenooten des Heeren, die in waarheid roemen in Hem alléén. En, opdat wij nu niet zouden denken: ja, dat was wel waar voor Abraham, die zijnen zoon uit de dooden weder ontving, of voor een Mozes, die het Israël Gods droogvoets door de roode zee geleidde, maar dat zijn maar oude wonderen van den ouden tijd, die nu niet meer beleefd worden, en waaraan men maar niet te veel moet terugdenken, noch ze terngwenschen, daarom zegt de Heere hier, den roem aller Zijner gunstgenooten, zonder onderscheid, hetzij zij Abraham, Izak, Jakob, Mozes, David of Daniël heeten, of wel namen dragen, die bij de menschen niet genoemd, ja moedwillig doodgezwegen worden, maar des te beter bij den Heere bekend staan. Voor die allen blijft het waar, dat zij met hunnen Koning te beschikken hebben, naar dezen 148sten Psalm, over den hemel, en over de hemelsche heirscharen, over zon, maan en starren, over vuur, hagel, sneeuw en nevel, over stormwinden, dieren en vogels, ja over alle vorsten en koningen der aarde. Al Zijne gunstgenooten moeten Hem prijzen, Hem love, dus ook de geringste, de allerge-
78
ringste, die maar dorpelswacliters zijn van des Hee-ren huis; die het minste gelden, en het minste weten, maar dit êene luide uitspreken: âéén ding iveel ik, dat ik nbind was, maar na zin,quot; een ding weten, maur dat ook goed weten : mij is harmhartujlmd c/e-schied. Deze allen, waar zij dan ook leven, ja, in welke verborgen hoeken en holen zij ook zitten, zij zullen tlem loven, ja, hun lofiied zal hooger en hooger stijgen,en terwijl zij alles verzaken, wat niet Christus is,enwatdus niet voor de eeuwigheid kan redden,zal de Heere meer en meer Zijnen lof op hunne lippenléggen en hen ook meer en meer stof tot roemen geven. Dat is het ware Israël Gods, want al Zijne gunstgenooten zijn kinderen Israels. Wij zouden liever zeggen, kinderen van Abraham of van Jacob. Maar het was, worstelende met des Heeren Engel, d. i. met den Heere Christus Zelve, dat Jacob den toenaam van Israël ontving. Daarom heeten de ware gunstgenooten des Heeren, het Israël Gods, want zij zijn allen in de benauwdheid en in den nood geboren, en het is hun allen te doen, om den lof en de heerlijkheid des Heeren Jezus Christus. Zoo zijn zij dan de ware kinderen Israels, die den zogen ontvangen hebben, die in hun worstelen met God en menschen het weenend uitroepen, ik laat u niet gaan, tenzij Gij mij zegent, en zoo God en de menschen te sterk zijn en den zegen wegdragen. Zij worstelen met God en komen zoo door allen nood, aanvechting en bestrijdingen henen, en juichen en jubelen ten laatste : Bel is gekromd, Nebn wordt nedergeworpen, Jez. 46 vs. 1, en in den Heere alleen hebben wij gerechtigheid en sterkte ! Dit volk wordt ook in Gods Woord hesclireven als een volk dat Hem dient, of zoo als het in den grondtekst luidt: »dat tot Hem nadert, dat nabij Hem isquot; of ook, als het volk desgenen.
79
die tot Hem nadert. In dien laatsten zin is het het volk van den Borg Jezus Christus, van wien geschreven staat; en, zijn Heerlijke zal uit hem zijn en zijn Heersc/ier uit het midden van hem voortkomen, en Ik zal Hem doen naderen, en Hij zal tot mij genaken : want wie is IJij, die met Zijn hart borg wordt om tot mij te, genaken f spreekt de lieere, Jeremia 30 vs. 21. Hi], de Heere Jezus, is het die de zaak niet God uitgemaakt heeft en uitmaakt. liet is in Christus, dat Gods volk tot hunnen God nadert. Maar nu, in Christus Jezus, zijl gij, die eertijds verre icaart, nalnj geworden door het hlned ra?} Christus; want Hij is onze vrede, die deze heiden, heeft (''n gema/ikt, den middeimunr des afsehcidsels gehroken hehhe.nde (Ef. 2 vs. 13, 14). Het is dus een priesterlijk volk, dat tot God nadert, dat toegang tot God heeft door den Heiligen Geest in Christus, het is een volk, dat tot Hem komt, en Hem zóó dient. Een ander, waarachtig dienen des Heeren is er niet, want Hij wordt niet van menschenhanden gediend, als iets behoevende ; en dan dient gij Hem naar Zijn harte, als gij met het bloed van Christus, als. eenigen pleitgrond, in het heiligdom, in het verborgene tot den Heere nadert. Daar, in het verborgene, ontsluit de Heere u de gordijnen der eeuwigheid, dan kunt gij vooi Hem alles klagen, alles zeggen, daar uw geheele hart voor Hem uitstorten, en alles, wat u drukt en bezwaart, dat deelt gij Hem mede, zonder Hem iets te verzwijgen of te verbergen. Dit is de weg van Gods volk. En den roem van dit volk zal Hij steeds verhoogen, want Hij zal op hun bang geroep antwoorden met genade en verkwikking in het hart, allereerst met vreugde en lofliederen, maar ook met den donder en den hagel Zijner oordeel^n over de vijanden. Amen!
80
BLADVULLING-.
Iets over den drie-en-dertigsten Psa'.m,
De drie en dertigste psalm, geliefden! is een psalm om te zingen, als men voor eeue diepe zee staat, waar men door henen moet, als men aan den rand van een afgrond zich bevindt, en aan de overzijde wezen moet; als men aan den oever van de Jordaan des doods staat, die vol is tot aan hare oevers, als het pad door die groote wateren loopt, en men dat pad niet kan betreden, noch vinden. Alle psalmen waarin gezegd wordt : »zingt vroolijk den Heerequot;, of »ik wil mijnen God psalmzingen, terwijl ik nog benquot;, zijn geen psalmen om te zingen in zegen en overvloed, maar als er geen rund meer in de stalling is. (Habakuk 3 vs, 17) De Heere kent de Zijnen, en Hij kent ook hun pad door de woestijn. Hij weet, dat de discipel niet is boven zijnen meester, noch de dienstknecht boven zijnen heer, en dat dus de weg der Zijnen, in deze vijandige wereld door allerlei ellende en miskenning henen loopt. Dat weten wij ook uit het leven van David. Ach geliefden ! geef maar eens nauwkeurig acht op de voetstappen der schapen, en welke wegen zij van oudsher achter hunnen Herder hebben moeten gaan. Het pad dergenen, die waarlijk des Heeren zijn, gaat hier door het water, door alle wateren, ja, door liet vuur henen ; vaak zijn zij omringd door schijnvromen, die goddeloos zijn, door menschen, die wel l ene mensche-lijke gedaante hebben, maar in den grond duivelen zijn ; zij moeten steeds op hunne hoede en goed gewapend zijn tegenover vijanden, die van links en rechts op hun afkomen, zij verliezen telkens den veldslag, en zijn toch een opgericht zegeteeken des Heeren. Den olijftak des goddelijken vredes geven zij
81
niet uit de handen, dat is hun vaandel, zij zijn telkens «twijfelmoedig, maar niet mismoedig, nederge-worpen, doch niet daarin verlaten.quot; Twee dingen zijn er, die zij altoos ervaren: allerlei ellende en alleriei uitredding. Altoos bevinden zij, die des Heeren zijn, zich in allerlei bezwaren en benauwdheden, maar uitredding, volkomene uitredding beleven zij eenmaal, tweemaal, driemaal, zevenmaal, honderdmaal. Zij hebben eenen Koning op wien zij vertrouwen; die Koning heet Jezus, en wat hun dan ook overkome, die Koning verstaat het heerlijk hunne zielen stil te maken in Hem. Hij weet hen er toe te brengen, alles wat hun drukt, of' bezwaart voortdurend uit de hand te geven, en in Zijne Almachtige hand te kggen.
Mijne geliefden ! Het lied, dat eeuwig gezongen zal worden, het lied van Mozes, en van het Lam, dat leeren zij, die het eeuwig zullen zingen, hier beneden, op de pelgrimsreis en zij leeren het zingen, zooals de vogels ook leeren zingen, namelijk in eene enge kooi, in eene kooi, die, juist opdat zij zouden leeren zingen, toegedekt wordt met eene dikke doek, zoodat het arme zingvogeltje niets om zich heeft dan zwarten nacht. Want, hoe heeft de Heere Zijn volk van oudsher geleid ? Nauwelijks zijn zij gered, of zij bevinden zich weer in gevaar van om te komen, en gaat het dan eens een tijd lang berg op, spoedig daarna moeten zij weer de diepte in. Het volk Israels was nog maar even door het bloed des Lams uit liet diensthuis van Egypte ontkomen, zij waren nauwelijks door des Heeren uitgestrekten arm vooruit geleid, of zij kwamen voor de Roode Zee te staan, zonder eenig uitzicht daar doorheen te komen. Maaide Heere klieft de zee, zoodat hare golven bruisch-en, en de wateren verheffen zich als muren, zoodat
82
het volk droogvoets de overzijde bereikt, maar nauwelijks zijn zij aan den oever gekomen, of zij hebben gebrek aan drinkwater, een dag, twee dagen, drie dagen lang! Eindelijk vinden zij water, maar het is bitter, en zij kunnen hunnen dorst niet lesscheu. God weet echter dat bittere water voor zijn volk zoet te maken, en zij vinden zeventig palmboomen en twaalf waterfonteinen ; maar na deze heerlijke verkwikking moeten zij weer de woestijn in, en geraken in het diepe dorre zand, waar niets groeit. Zie ! dat is nu een juist beeld van den weg, dien de Heere met Zijn volk gaat! Van nature begrijpen wij niets van dieu weg des Heeren. Zij, dien het hier op aarde alleen om den uiterlijken zegen te doen is, worden op des Heeren tijd en ure ten laatste door Zijn oordelen overvallen, en hunne lichamen vallen in de woestijn, maar die blijven op des Heeren weg, die komen door alles, ja! door alles henen. Woest en dor is de woestijn dezes levens, maar God zij geloofd en geprezen, wij, die den Heere hebben gevonden,als onzen //eert',hebben daarin geen blijvende plaats, maar wij trekken naar het land der eeuwige ruste ; gelijk geschreven staat: zoo zegt de Heere: het volk der öveniebleve.nen van het zwaard heeft genade gevonden in de woeatijn, namelijk Israël, als Ik heenging, om hen tot rust te brengen. (Jerem. 31 vs. 2.) O, dat volk des Heeren is zulk een wonderbaar volk, het zijn dooden, die Hij telkens weer levend maakt, ellendigen, tot wier hulp hij telkens toeschiet, het zijn dezulken, tot wie bij voortduring gezegd wordt: buig u neder, dat wij over u gaan, en wier geschiedenis de Heere beschrijft met de woorden : en gij leqdet uwen rug neder als aarde, en als eene straat dengenen, die daarover gaan. (Je-saja 51 vs. 23). Maar zij hebben den Heere tot hun deel en erfenis, dien trouwen Verbondsgod, en al
83
stijgen de wateren ook voortdurend nog zoo hoog, één blik van Zijne genade, éen liefdewoordje van Hera is genoeg, om hen lucht te verschaffen, en te bevrijden, want, al verging hemel en aarde, mijn God blijft leven, mijn Jezus blijft leven, en ik met hem ! Daarom : gij rechtvaardigen ! juicht vroolijk in den Heere! lof betaamt den oprechten !
David was een goede en getrouwe koning, en bovendien een kundig en bekwaam krijgsman Hij wist het wel, dat hij met de oprechten in Israël door alles heen zoude komen, en dat het de tien volken, die rondom hem waren (Ps. 8li) nooit zoude gelukken de kleine gemeente Israels, het wormke Jacobs te verwoesten. Hij heeft echter nooit sezegd ;
.. O O
» verheugt u daarover, dat gij mij liebtquot;, maar » verheugt u in den Heere V' O gij quot;echtvaardigen! dieir voor God aanklaagt, en u als verdoemelijke en vloekwaardige zondaars hebt leeren kennen, ik herhaal het, verheugt u in den Heere ! en met het oog op den brandofferaltaar en de arke des verbonds roep ik u toe: gij zijt rechtvaardig en heilig !
Den Heere moeten wij prijzen met schoone klanken. Hem loven met harpen, en tiensnarige instrumenten ! Dat beteekent de instrumenten, de werktuigen, waar-
. . . O 7
mede de Heere Jezus gekruisigd is! O geliefden! laat on« toch nooit vergeten, dat wij niets verdiend hebben, noch verdienen, dan den eeuwigen dood, en dat wij eeuwig zouden moeten branden in de helsche vlammen indien Christus niet verschenen ware in het vleesch en ons niet door Zijnen dood eene eeuwige verlossing had aangebracht; en reeds lang zouden wij zwijgen in de groeve der vertering, eu onze ziel in het diepste der hel liggen, voor hun bij wien de Heere,met voorbijgaan van zoo vele anderen. Zijne vrije genade heeft verheerlijkt, bij hen, wien de Heere-
84
al hunne zonden genadiglijk heeft vergeven, en zoo recht op het eeuwige leven heeft geschonken, vooral wanneer Hij dezulken, wanneer Hij ons geeft te smaken en te proeven, dat Hij vriendelijk is, nochtans vriendelijk ook in de diepste wegen van kruis en druk, bij hun is zulk een woord een droppel koud water voor den van dorst versmachtende ! En in zoo menigen bangen nacht, als gij niet meer weet, waar gij staat, en waar uw vroeger gekend geestelijk leven is gebleven, verheug u dan nochtans in Hem, maak u harpen en snarenspel uit de verbrokene dingen, die verbrijzeld aan uwo voeten liggen, die God Zelf u uit de hand schijnt geslagen te hebben ; ja uit al uwe schoonste zichtbare dingen, die in stof en asch vervlogen zijn, maak er u instrumenten uit om Hem, uwen God, te loven ! Het blijft er bij : hier beneden is het de plaats der gelukzaligheid niet, maar het is nood en strijd, angst en doodsgevaar van de wieg af tot aan het graf! Alleen, die in waarheid de gerechtig-
o 7 ^ o
heid liefhebben, allen, die alleen in Jezus gerechtigheid heil zien voor tijd en eeuwigheid, zij hebben hier veel vreugde ? Neen ! veel vijanden, die hen bewust of onbewust verachten, verbrijzelen, ja onder hunne voeten vertreden. Welnu ! gij krijgsknecht Jezu Christi! indien gij dan waarlijk een krijgsknecht Jezu Christi zijt, wat trekt gij u dan alles aan, en vreest als een lafaard ; verheerlijk liever uwen Koning, en ik wijs u hierop een nieuwen lofzang, gij hebt het misschien vaak gezongen: »0 mijn ziel wat buigt g'u neder?quot; of: »stel op den Heer'in alles uw vertrouwen.quot; Nietwaar, dat hebt gij immers al wel honderd en duizendmaal gezongen in uwen druk, en ik met nlieden, maar nu wijs ik u eens op een anderen psalm, op een nieuw lied, en dat is de drie en dertigste psalm ; en al kent gij dien ook geheel
85
en al van buiten, toch blijft Gods Woord, daarin
voor eeuwis nieuw en eeuwig frisch.
_____
Het woord des Heeren is waarachtig en getrouw ; dat is het, waarom gij Hem een nieuw loflied moet aanheffen. Hem ter eere, »Ach!quot; zult gij zeggen, »ik kan niet zingen!quot; Maar gij, die zoo spreekt, bedenk dan toch eens, dat het alleen door almachtige genade is, dat gij op dit oogenblik nog niet midden in de vlammen der hel ligt voor eeuwig. Er staat in dezen onzen psalm in het 13de vers : de Hcere schouwt uit den hemd, en ziet alle rnenschen-kinderen, en denk nu hierbij eens, o gij bekommerde en bezwaarde huisvader! aan uw huis, aan uwe vrouw, aan uwe kinderen, en denk aan uw kast, aan uw gereedschap, waarop voor uw zielsoog gegraveerd staquot;t : gij zult eten den arbeid uwer handen ; weUjelukzaliy zult r/ij zijn, en het zal u welgaan â en uw kast is leeg, uw gereedschap ligt te verroesten, en er is nergens één slag werk voor u te verkrijgen. Ja, dat is zwaar, dat is benauwd, dat drukt het gemoed ter neder, en was het dit nog maar alleen, maar er is zóó veel, zóó veel bovendien, (iij hebt gelijk, en wij voelen met u mede, maar denk er toch ook eens over, wat gij, wat wij eigenlijk verdiend hebben, en hoe genadig de Heere het, niettegenstaande al onze zonden, tot op heden met ons gemaakt heeft! Heeft Hij ons niet Zijn eigen dierbaar Woord gegeven ? maar luisteren wij wel daarnaar ? Wij hebben Zijn Woord in onze huizen liggen, maar lezen wij er wel in ? En zoo wij het misschien lezen en hooren, de ware zielenood, waarin wij het alleen leeren begrijpen en verstaan, ontbreekt ons. Is het nu geen grootere genade, dat God ons door allerlei kruiswegen en tegenspoed komt bezoeken, en ons zoo terug brengt, waar wij wezen moeten, dan dat Hij Zijne
86
kindertjes rustig laat eten en drinken, zoodat er ten laatste, geen gedachte meer bij hen is aan Gods genade en ontferming, aan zijnen zaligen hemel, aan de eeuwige heerlijkheid ? Is het ons niet jaar en dag trouwelijk voorgezegd, dat de oordeelen Gods aanstaande zijn, 'ook over ons vaderland ? maar wie slaat er acht op ? Daarom ; henen, nit met de afgoden ! En zal God dan geen woord en trouwe houden, zal Hij een volk beschaamd laten staan, dat zich ouder Zijne oordeelen buigt, dat Hem vreest, en dat te midden der benauwdheid Zijn aangezicht zoekt ? Dat moet Hij weten. Hij doe wat recht is in Zijne oogen, maar dat sta bij ons vast, wat er ook gebeure ; Liever met den Heere berg af en de diepte in, dan met den duivel berg op, want des Heeren barmhartigheden zijn veel en Zijne goedertierenheid is tot in der eeuwigheid !
Uitgegeven bij F. P. D'HÃIJ, Middelburg.
Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BiiCKJIANN, Elber/eld.
Prijs per Nummer 3 C(s. Franto per post i Cts.