ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4

I

ocr page 5

Aanmerkt de leliën des velds en de vogelen des hemels.

ocr page 6

fgt;

li ur

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

905

D396

ocr page 7

I).B. UTRECHT A ^

6flt;3e

Aanmerkt de leliën des yelas en de vogelen des hemels

DRIE TOESPRAKEN

DOOE

S. KIERKEGAARD.

UIT HET HOOGDUITSCH VERTAALD

DOOE

H. H. BARGEE,

Predikant te Bloemendaal.

BIBLIOTHEEK DEP RIJKSUNIVERSITEIT ^UTRECHT

ROTTERDAM,

J. M. BREDÉE.

THEÖL INST.

RijksunWers!*^^'J

UTRECHfes\\^uX*

ocr page 8

Snelpersdrukkerij — G. G. Calleubacli — Nijkerk.

ocr page 9

VOORREDE.

Het is niet meer noodig den schrijver van dit boekje nog in te leiden bij ons Nederlandsch publiek. Het is door bekwamer hand dan de mijne geschied, icaar Br. A. J. Th. Jonker reeds meer dan eenmaal de aandacht op hem vestigde. Men vindt ook in dit geschrift diepe gedachten, uitgesproken in eenvoudigen vorm. Moge het menig bekommerd harte ter bemoediging zijn!

En men behoeft niet bekommerd te wezen, om deze toespraken met dankbaarheid aan te hooren. Of worden wij niet allen in onzen kouden, materia-listischen tijd maar al te veel naar omlaag getrokken? Loopen toij niet allen gevaar om aan het genot den vrede, aan de gejaagdheid onzer eemc onze gemoedsrust, aan de betooveringen van het stoffelijke de onzichtbare heerlijkheid des menschen ten offer te brengen? Laat dan in de stille uren, die u te midden van het drukke leven onzer dagen nog overblijven, Kierkegaard eens tot u spreken en hij zal u leer en wat het zegt, mensch te wezen, om u tot de waardeering van het voorrecht, maar ook tot de vervulling der roeping aan te sporen, die daaraan verbonden zijn.

B.

ocr page 10

GEBED.

Vader in den hemel! Van U liomen slechts goede gaven en volmaakte giften; als gij den mensch een leer aar beschikt, den bekommerden tot een leidsman, dan zal het ook wel nuttig zijn, zijn onderwijs en leiding te volgen. Zoo geef dan nu, dat de bekommerden in waarheid mogen leeren van de van Godswege aangewezen leeraars, de leliën des velds en de vogelen des hemels! Amen.

ocr page 11

Niemand kan twee lieeren dienen; want of hij zal den eenen liaten en den anderen liefhebben, of hij zal den eenen aanhangen en den anderen verachten ; gij kunt Gode niet dienen en den Mammon.

Daarom zeg ik n; zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten, en wat gij drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmede gij u kleeden zult: is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleeding?

Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelsche Vader voedt nogtans dezelve; gaat gij dezelve niet zeer veel te boven ?

Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, eene el tot zijne lengte toedoen?

En wat zijt gij bezorgd voor de kleeding? Aanmerkt de leliën des velds, hoe zij wassen : zij arbeiden niet en spinnen niet;

En ik zeg u, dat ook Salomo, in al zijne heerlijkheid, niet is bekleed geweest gelijk eene van dezen.

Indien nu God het gras des velds, dat heden is en morgen in den oven geworpen wordt, alzoo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleeden, gij klein-geloovigen ?

Daarom zijt niet bezorgd, zeggende: wat zullen wij eten? of wat zullen wij drinken? of waarmede zullen wij ons kleeden?

ocr page 12

8

Want al deze dingen zoeken de Heidenen; want uw hemelsche Vader weet, dat gij al deze dingen behoeft.

Maar zoekt eerst het koningrijk Gods en zijne gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.

Zijt dan niet bezorgd tegen den morgen: want de morgen zal voor het zijne zorgen: elke dag heeft genoeg aan zijn zelfs kwaad.

matth. VI : 25—34.

Wie heeft deze bladzijde uit het Evangelie niet van zijne vroegste jeugd gekend en zich menigmaal verheugd over deze blijde boodschap! Toch is zij niet zoo zonder meer eene b 1 ij d e boodschap; zij heeft eene kenmerkende eigenschap, die haar in bij zonderen zin tot een evangelie maakt, deze namelijk, dat zij zich niet richt tot de gezonden, de sterken, de gelukkigen, maar tot de zorgdragenden, de bekommerden. Ach, het is ook wel noodzakelijk dat het Evangelie zich de bekommerden aantrekt en voor hen zorg draagt op de rechte wijze, want ieder, wien zorgen drukken — en dat vooral naar mate zij de ziel zwaarder belasten, — komt door zijne mismoedigheid in verzoeking om uit 'smenschens mond geen woorden van troost en bemoediging te willen aanhooren.

Terecht of te onrecht, dat doet er niet toe,

ocr page 13

9

f

maar het is hem, als was geen m e n s c h in staat hem over zijne zorgen te spreken, zooals hij het wenschen zou. Kan de gelukkige hem wel ooit begrijpen, moet het hem niet toeschijnen, alsof de sterke zich door zijn medelijden boven hem verheft, moet niet de bekommerde zijnen kommer nog vermeerderen? Is dit in der daad zoo, dan is het beter omtezien naar andere . vertroosters en onderwijzers, wier spreken niet

aan misverstand onderhevig is, wier opwekkende taal geen heimelijk verwijt bevat, wier blik niet veroordeelt, wier troost niet prikkelt maar tot kalmte brengt.

Het Evangelie wijst de bekommerden naar zulke vertroosters, naar de leliën des velds en de vogelen des hemels. Bij hen is geen misverstand mogelijk, zij zwijgen — uit eerbied van de bekommerden. Alle misverstand toch komt voort uit het spreken, of juister nog uit de in dat spreken liggende vergelijking. Wanneer b. v. de gelukkige tot den bekommerde zegt: „wees toch opgeruimd!quot; zoo bedoelt hij daarbij: „zooals ik het ben,quot; en als de moedige zegt: „wees sterk!quot; ^ stelt hij daarbij den bekommerde niet zich zelf

tot een voorbeeld? Zwijgen daarentegen toont eerbied voor den kommer en eerbied voor den bekommerde, gelijk Job's vrienden, toen zij uit

ocr page 14

10

eerbied zwijgend bij den lijder nederzaten en hem eer bewezen.

Maar zij zagen toch op hem in zijne smart, en als een mensch ook maar eenen anderen aanziet, ligt niet reeds daarin weder eene vergelijking ? Kan over het algemeen een mensch, al zwijgt hij dan ook, wel zóó aanwezig zijn, dat zijne tegenwoordigheid niet reeds op zich zelve tot het maken eener vergelijking dringt? Neen, dat kan op zijn hoogst een onschuldig kind, dat ook eenige overeenkomst heeft met de leliën des velds en de vogelen des hemels. En nu dezen zei ven dan 1 Want al heeft de lelie rijkelijk hare nooddruft, zij vergelijkt haren welstand niet met iemands armoede en al kan zij ook zonder zorg prijken in al hare schoonheid, zij maakt voor zich geene vergelijking, noch met een Salomo noch met den leelijksten mensch; en al verheft zich de vogel ook gemakkelijk ten hemel, hij maakt geene vergelijking tusschen zijne lichte vlucht en den zwaren gang van den bekommerde, en al verzamelt hij ook niet in de schuren, — rijker als hij is dan de bekommerde, zelfs al heeft deze de schuren vol — hij vergelijkt zijne rijke onafhankelijkheid niet met den behoeftige, die te vergeefs bijeenbrengt. Neen, wordt er door iemand troost gezocht — hij zoeke het daar, waar de lelie in

ocr page 15

11

hare schoonheid quot;bloeit — op het veld, daar, waar de vogel in zijne vrije woning is — onder den hemel: daar heerscht eene ongestoorde stilte, een onafgebroken zwijgen, — daar is niemand aanwezig dan God, de bekommerde zelf en — de leliën.

Laat ons dan nu zien, hoe de bezorgde, als hij op eene juiste wijze de leliën des velds en de vogelen des hemels aanziet, leert

zich er mede tevreden te stellen, dat hij mensch is.

Aanmerkt de leliën des velds; aanmerkt, dat wil zeggen, zie ze nauwkeurig aan, maak ze tot het voorwerp niet van een vluchtig zien als in het voorbijgaan, maar van uwe overdenking.

Menigeen, die leeft in eene groote stad, ziet misschien nooit leliën; menigeen, die leeft op het land, gaat ze misschien dagelijks onverschillig voorbij; ach, hoe weinigen zijn er, die haar naaide aanwijzing van den tekst goed aanzien — die leliën des velds! Want hier is geen sprake van die zeldzame planten, die een tuinier in zijne gaarde aankweekt en die door de deskundigen bewonderd worden; neen, ga naar buiten op het veld, waar geen mensch zorgt voor de verlatene

ocr page 16

12

leliën, en waar men toch terstond kan bespeuren, dat zij niet verlaten zijn.

Zou de bekommerde dit ook niet gaarne doen? Ach, hij is toch ook als de verlatene lelie, verlaten, miskend, voorbijgezien, geen mensch bekommert zich om hem, totdat hij door de rechte beschouwing van de lelie leert verstaan, dat hij niet verlaten is.

Daar gaat dan de bezorgde naar buiten op het veld en blijft staan bij de leliën. Hij loopt niet rond, als een vroolijk kind of gelijk een volwassene met een kinderlijk gemoed het wel eens doen kan, om de schoonste te vinden. Neen, met stillen, nadenkenden ernst beschouwt hij ze, zooals zij daar staan in eene talrijke, bonte menigte, de eene even zoo goed als de andere, z o o a 1 s z ij wassen. Neen, hoe zij wassen, ziet hij eigenlijk niet, maar hij ziet toch hoe zij wassen, of juist daaruit, dat het hem onbegrijpelijk is hoe zij wassen, ziet hij, dat er Een is, die haar even zoo nauwkeurig kent als de tuinier zijne zeldzame planten. Een, die dagelijks naar haar omziet, des morgens en des avonds, Een, die haar wasdom en voorspoed geeft. Yermoedelijk is dat wel diezelfde Eene, die ook de zeldzame planten van den tuinier doet wassen, welke evenwel wegens de hulp van den tuinman zoo gemakkelijk tot mis-

ocr page 17

13

verstand aanleiding geven. Hier toch, waar men den tuinier ziet, waar geen moeite noch kosten gespaard worden om de zeldzame planten van den rijke tot ontwikkeling te brengen, schijnt het misschien veel begrijpelijker, dat zij wassen. Op het veld daarentegen, waar niemand, niemand, niemand zich om de verlatene leliën bekommert, hoe kunnen zij daar groeien? En toch wassen zij.

Maar dan moeten toch wel de arme leliën zelve des te harder arbeiden? Neen zij arbeiden tniet. Dat zijn slechts de zeldzame bloemen, die zooveel arbeid eischen om ze tot groei te brengen. Daar, waar een tapijt is kostelijker dan in der koningen zalen, daar arbeidt men niet. Terwijl het oog van den beschouwer zich in dien aanblik vermeit, behoeft onze ziel zich niet met de gedachte te kwellen, dat die arme deerniswaardige leliën toch zoo hard moeten werken om dit schoone kleed te weven. Dit is slechts het geval bij de voortbrengselen der menschelijke kunstvaardigheid, waarbij het oog wordt verblind dooide fijnheid van den arbeid, maar tegelijk zich met tranen moet vullen bij de gedachte aan het lijden der arme weefsters.

De leliën arbeiden niet en spinnen niet; zij doen eigenlijk niets anders dan zich tooien.

ocr page 18

14

of nog juister, versierd te worden. Gelijk in de voorgaande verzen, waar van de vogelen gesproken wordt, met de woorden: „dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren,quot; vergelijkenderwijs wordt gezinspeeld op het werk van den man, zoo bevatten deze woorden van de leliën eene heen wij zing naar het werk der vrouw. De vrouw blijft tehuis, zij gaat niet uit om voor de behoeften des levens te zorgen, zij blijft binnenshuis, naait en spint en zoekt alles zoo smaakvol mogelijk in te richten. Zij is dagelijks bezig en arbeidt vlijtig, maar het meeste daarvan heeft betrekking op den uitwen-digen tooi. Zoo ook de lelie. Zij blijft te huis, zij verlaat haar plaats niet, zij arbeidt niet en zij spint niet — zij tooit zich alleen op, of juister nog, zij wordt getooid. Indien de lelie ooit zorg zou kennen, dan zou deze niet op het voedsel betrekking hebben — zoo als het bij den vogel het geval kon zijn, die overal heen vliegt en voedsel verzamelt — neen, de zorg der lelie zou naar echt vrouwelijke wijze zich daarop werpen, of zij nu wel schoon en voldoende getooid zou wezen. Maar zij is zonder zorg.

Want getooid is zij, dat is zeker; ja de beschouwer kan het niet laten, hij bukt zich neer tot de enkele lelie, hij neemt de eerste de beste

ocr page 19

15

- en ik zeg u, dat Salomo, in al zijne heerlijkheid, niet is bekleed geweest, gelijk eene van dezen. Dan beschouwt hij haar nauwkeurig en van nabij en of ook al zijn gemoed onrustig was en zijn hart hevig klopte, hij vindt zijne rust weder, al ware het alleen om deze lelie te beschouwen. Hoe nauwkeuriger hij toeziet, des te meer verwondert hij zich over hare schoonheid en haren zinrijken vorm: want slechts van de voortbrengselen der menschel ij ke kunstvaardigheid geldt het, dat, naarmate men ze beziet, men des te meer gebreken en onvolmaaktheden ontdekt. Als gij uw oog met het kunstig geslepen glas wapent, ziet gij zelfs in het fijnste weefsel, dat door een mensch vervaardigd werd, de grove inslagdraden. Ach, het is, alsof de mensch tot zijne eigene verootmoediging de uitvinding gedaan heeft, waarop hij zoo trotsch is. Toen hij uitvond het glas kunstig te slijpen, zoodat het het voorwerp vergroot, toen ontdekte hij tevens met behulp van dat vergrootglas, dat zelfs de fijnste arbeid des menschen \ grof en onvolmaakt is. Maar de ontdekking, die de menschheid vernedert, maakt God groot. 1 Nooit heeft iemand met behulp van het vergrootglas ontdekt, dat eene lelie minder schoon minder zinrijk gevormd was. Integendeel, hare schoonheid

ocr page 20

16

cn zinrijkheid werd daardoor steeds grooter. Ja, deze uitvinding eerde God, gelijk iedere uitvinding dat moet doen; want slechts bij een kunstenaar onder de menschen gebeurt het, dat zij die hem goed en door een dagelijkschen omgang kennen, toch opmerken, dat hij niet groot is; bij dien kunstenaar, die het veldtapijt weefde en de schoonheid der leliën wrocht, stijgt de bewondering en klimt de aanbidding, naarmate wij Hem naderen.

Daar staat dan de bezorgde, die met zijne zorgen tot de leliën ging, tusschen dezen op het veld en is verwonderd over de schoonheid der lelie, die hij beschouwt; hij heeft de eerste de beste genomen, hij heeft niet uitgezocht, het komt hem niet in de gedachte, dat er ééne lelie zou zijn, waai van niet kan gezegd worden, dat ook Salomo in al zijne heerlijkheid niet is bekleed geweest als eene van dezen. Stel, dat de lelie spreken kon, zou zij dan niet tot den bezorgde zeggen: „Waarom verwondert gij u zoo over mij, zou het niet even heerlijk zijn een mensch te wezen; zou wat van mij, zulk een nietig schepsel geldt, ook niet waar zijn van den mensch, die het wonderwerk der schepping is?quot;

Maar eene lelie kan niet spreken, en zoo was het dan de bekommerde zelf, die tot zich zeiven sprak; alleen onder de leliën, is hij er mede

ocr page 21

17

tevreden, een mensch te zijn. Gelijk de lelie, zonder te arbeiden en zonder te spinnen, schooner is dan de heerlijkheid van Salomo, geheel in dienzelfden zin is ook een mensch zonder eenige verdienste van zijne zijde, alleen daardoor, dat hij een mensch is, heerlijker dan Salome's heerlijkheid.

Ach, door een bestendigen omgang met men-schen vergeet hij geheel, bij het opzoeken van vergelijkingen, bij het letten op het onderscheid tusschen den eenen mensch en den anderen, wat het zegt, een mensch te zijn. Op het veld daarentegen, bij de lehën, waar de hemel zich over hem welft, hoog, als over eenen heerscher, vrij, als de adem van den wind daarbuiten, waar de groote gedachten, door het firmament in hem opgewekt, alle kleingeestigheid verjagen, daar is de bekommerde de eenige mensch en leert van de leliën, wat hij van een mensch misschien niet leeren kon.

„Aanmerkt de leliën des velds.quot; Hoe kort, hoe plechtig, hoe rechtvaardig wordt hier over de leliën gesproken! Hier wordt er in het geheel niet aan gedacht, dat er een onderscheid zou kunnen zijn tusschen de leliën onder elkander: op gelijke wijze wordt hier van allen te zamen, als van ieder in het bijzonder gesproken. Misschien kon

ocr page 22

18

iemand meenen, dat het ook te veel zou gevergd zijn, zich in te laten met het onderscheid dei-leliën onder elkander en hare mogelijke bekommernissen, die door dit onderscheid veroorzaakt worden. Maar stel eens, dat het zoo was, dat er tusschen de leliën onder elkander een onderscheid bestond als onder de menschen; stel, dit onderscheid hield de leliën even zoo bezig en in bekommernis als de menschen; dan zou het geen deelneming maar menschelijke eigenliefde zijn, als men zoo kort af en uit de hoogte van de zorgen en bekommernissen der arme, kleine leliën kon spreken, als waren die niet waard, dat men daarop lette.

Laat ons de zaak wat nader beschouwen; en daar de bekommerde, die naar buiten tot de leliën ging, juist wenschte om de vergelijking met andere menschen te ontgaan; daar hij zoo ongaarne wilde, dat eenig ander mensch tot hem over zijne bekommernis spreken zou, zoo moet mijne rede zijne bekommernis eerbiedigen en ik zal niet van eenig mensch spreken noch van een bekommerd mensch, maar spreek liever van de bekommerde lelie.

Daar was eens eene lelie, die op eene afgelegene plaats stond aan een klein vlietend water en goed bekend was met eenige brandnetels en een paar andere bloemen in de nabijheid. De lelie was

ocr page 23

r i

I

I 19

naar de geloofswaardige beschrijving van het Evangelie schooner bekleed dan Salomo in al zijne heerlijkheid, daarbij onbezorgd en blijde, den geheelen dag. Ongemerkt en gelukkig gingen de dagen voorbij als de vlietende beek, die zacht murmelend wegvloeide. Maar daar gebeurde het, dat op zekeren dag een kleine vogel de lelie kwam bezoeken. Den volgenden dag kwam hij weder, bleef dan eenige dagen weg, totdat hij weder terug kwam. Dit scheen de lelie zonderling en onverklaarbaar; onverklaarbaar, omdat de vogel niet op dezelfde plaats bleef als de bloemen; zonderling, omdat de vogel zoo wispelturig kon rquot; wezen. Maar gelijk het zoo dikwijls gaat, ging

het ook de lelie: zij beminde den vogel juist des te meer, omdat hij zoo wispelturig was.

Deze kleine vogel was een booze vogel; in plaats van zich te verheugen over hare schoonheid en zich met haar te verblijden in haar onschuldig geluk, wilde hij zich daardoor gewicht bijzetten, dat hij, in tegenstelling met zijne vrijheid, aan de lelie hare gebondenheid liet gevoelen. En dit niet alleen, maar de kleine vogel zwetste * ook gaarne en vertelde nu, los en vast, waar en

onwaar. Hij vertelde hoe op andere plaatsen in groote menigte leliën stonden van gansch andere pracht en hoe daar eene vreugde en opgewekt-

\

i'

ocr page 24

20

heid, een heerlijke geur, een rijkdom van kleuren, een zang der vogelen was, die alle beschrijving te boven gingen. Dat alles verhaalde de vogel, en ieder zijner vertellingen eindigde gewoonlijk met de voor de lelie vernederende opmerking, dat in vergelijking met die heerlijkheid de hare niets was, ja zoo onbeduidend, dat het nog de vraag was, met welk recht zij zich eigenlijk eene lelie noemde.

Toen werd de lelie bedroefd, en dat al meer, hoe meer zij naar den vogel luisterde. Zij sliep des nachts niet rustig meer en ontwaakte niet meer vroolijk aan den morgen; zij gevoelde zich gevangen en gebonden; zij vond het ruischen van het water vervelend en den dag lang. In hare droefheid begon zij nu zich bezig te houden met zich zelve en met haar lot, — van den morgen tot den avond. „Het mag aangenaam zijn,quot; zoo sprak zij in zich zelve, „nu en dan eens naar het ruischen der beek te luisteren, maar dag uit dag in altijd hetzelfde te hooren, dat is toch al te vervelend.quot; „Het kan misschien goed zijn nu en dan eens op eene afgelegene plaats in de eenzaamheid te wezen, maar het geheele leven door vergeten te worden, zonder gezelschap te zijn, of in het gezelschap van brandnetels, die toch geen gezelschap voor eene lelie zijn, dat is niet uit te houden.quot; „En er dan zoo armelijk uit

ocr page 25

21

te zien,quot; zoo dacht verder de lelie, „zoo onbeduidend te zijn, als de kleine vogel zegt, dat ik ben; ach, waarom ben ik toch niet op eeneandere plaats nedergezet, in andere omstandigheden; ach waarom ben ik niet een Keizerskroon geworden !quot; — want dit had haar de kleine vogel verteld, dat de Keizerskroon onder alle leliën voor de schoonste gehouden werd en voor alle anderen een voorwerp van wangunst was. Toen de lelie nu tot hare smart bemerkte, dat deze bekommering haar geheel in beslag nam, sprak zij ook weder zeer verstandig tot zich zelve, maar toch niet verstandig genoeg, om den kommer weg te nemen uit haar gedachten, wel zoo, dat zij zich duidelijk maakte, dat er toch reden voor was. „Want,quot; zeide zij, „mijn wensch is niet onredelijk, ik verlang niet het onmogelijke, om te worden wat ik niet ben, b.v. een vogel; mijn wensch is alleen eene prachtige lelie te worden, of wel de schoonste.quot;

Inmiddels vloog de kleine vogel af en aan; ieder zijner bezoeken, ieder afscheid voedde de onrust der lelie. Ten laatste vertrouwde zij zich geheel aan den vogel toe.

Op zekeren avond kwamen zij overeen, dat op den volgenden morgen eene verandering zou plaats hebben en aan de bekommering een einde zou gemaakt worden. Op den volgenden morgen kwam

ocr page 26

22

het vogeltje bijtijds en met zijn kleinen snavel maakte hij den wortel der lelie van de aarde los, zoodat zij vrij werd. Toen dit gelukt was, nam hij de lelie op zijne kleine vleugels en vloog weg. De afspraak was, dat de vogel met de lelie daarheen zou vliegen, waar die prachtige leliën bloeien, — dan zou hij haar daar weder behulpzaam zijn, om geplant te worden. Door verandering van plaats en de nieuwe omgeving, zou het haar dan kunnen gelukken in gezelschap met die velen, eene prachtige lelie te worden, misschien wel een Keizerskroon, van alle anderen benijd. Ach, onderweg verwelkte de lelie. — Had zij zich vergenoegd eene lelie te zijn, zij was niet in bekommering geraakt; was zij niet bekommerd geworden, zij was dan gebleven waar zij stond, — waar zij stond in al hare schoonheid; en was zij blijven staan, zoo was zij juist die lelie geweest, waarvan de prediker des Zondags sprak, toen hij het woord van den tekst aanhaalde: „Aanmerkt de lelie des velds, ik zeg u, dat Salomo in al zijne heerlijkheid niet bekleed was als zij.quot;

Zoo ging het dus de bekommerde lelie, die van ééne zorg vervuld was, eene prachtige lelie, ja zelfs een Keizerskroon te worden. De lelie is de mensch. De slechte kleine vogel is die onrustige geest van vergelijkingen maken, die overal rond

ocr page 27

23

dwaalt, onbestendig en wispelturig, en die zich op deze wijze voedt met de verderfelijke wetenschap, dat er onderscheid is; en evenals de vogel zich niet in den toestand der lelie verplaatste, zoo doet hij die vergelijkingen maakt het ook niet; hij stelt óf zich zeiven in de plaats eens anderen, óf een ander in zijne plaats. De kleine vogel is de verdichter, de verleider, het verdichtende, het verleidende in den mensch, waarmede het gaat als met de vertelling van den vogel, waaien onwaar, waarheid en verdichting is hier door-eengemengd. Dit is namelijk waar, dat er een onderscheid bestaat en dat daarover veel te zeggen is, maar dat dit onderscheid, hetzij dit tot jubelen of tot vertwijfelen brengt, het hoogste zou wezen, dat is onwaar. In de bekommering, door de vergelijking gewekt, gaat de bekommerde ten slotte zoo ver, om voor dit onderscheid te vergeten, dat hij een mensch is; in zijne vertwijfeling meent hij zoo veel van andere menschen te verschillen, dat liet voor hem zelfs de vraag wordt, of hij werkelijk een mensch is, gelijk ook de kleine vogel meende, dat de lelie zoo weinig aanzien had, dat het nog de vraag ware, of zij werkelijk eene lelie was. Maar ook de verdediging der bekommering, die zich daarbij nog wel voor verstandig aanziet, is

ocr page 28

24

geen andere. Men heeft geen dwaze begeerten, als b. v. om een vogel te worden, men wil slechts dat bijzondere wezen, dat men niet is. Als nu de vergelijking den hartstocht der bekommering-geprikkeld, en den bekommerde heeft losgerukt van den moederschoot der aarde d. i. van den vasten wil om datgene te zijn, waartoe men bestemd is, dan schijnt het een oogenblik, als ware de vergelijking gekomen om den bekommerde af te halen tot het gewenschte doel. Zij komt ook werkelijk en haalt hem, maar — gelijk de dood den mensch afhaalt. Onder het zweven der mismoedigheid laat zij den bekommerde omkomen.

Misschien kan nu iemand niet zonder te glimlachen denken aan het hartstochtelijk verlangen der lelie om eene Keizerskroon te worden en hoe zij onderweg stierf. Hij bedenke dan, dat het veeleer is om te weenen, als een mensch even dwaze wenschen koestert, even onverstandig — maar neen, ik mag de door God aangewezene leermeesters, de leliën des velds, niet beschuldigen. De lelie is niet onverstandig, zij bekommert zich nooit aldus en juist daarom moeten wij van haar leeren. En ais nu een mensch, evenals de lelie, zich tevredenstelt met te zijn, wat hij is, dan wordt hij niet krank van bekommering over het tijdelijke; en als hij niet over het tijdelijke be-

ocr page 29

25

kommerd wordt, dan blijft hij staan op de plaats, die hem is aangewezen; en blijft hij daar, dan is hij in waarheid daardoor, dath ij eenmensch is, heerlijker dan de heerlijkheid van Salomo.

Wat leert dus de bekommerde van de leliën? Hij leert zich er medetevreden testellen, dat hij een mensch is. Juist daarin, dat de ' mensch zich hiermede niet vergenoegen wil, dat zijne door vergelijking met anderen opgewekte bekommernis hem naar het bijzondere doet haken, heeft alle wereldse he bekommering haren grond. Van de aardsche en tijdelijke zorg mag men daarentegen niet zoo vooraf en zonder meer zeggen, dat zij door het opmaken een er vergelijking veroorzaakt wordt. Want dat de mensch in het oogenblik van werkelijk gebrek behoefte aan voedsel en kleeding gevoelt, daartoe heeft hij niet eerst noodig eene vergelijking te maken. Hij, die eenzaam leefde tusschen de leliën des velds, zou dit ook weten. Zorg voor het levensonderhoud, of gelijk men gewoonlijk in het droevig meervoud zegt, zorgen voor het onderhoud hebben haar oorzaak niet in het te voren opmaken eener vergelijking. Iets anders is het, of niet ontelbare malen de vergelijking heimelijk mede in het spel is bij de bepaling van

ocr page 30

26

hetgeen men verstaat onder levensbehoeften, of

daar niet iets........doch neen, de bekommerde

wil zoo ongaarne, juist om de vergelijking te ontgaan, dat eenig ander mensch daarvan tot hem spreken zou. quot;Welnu, laat ons zien, of men niet, wat deze zorg betreft, veel van de vogelen leeren kan.

Wij willen dan nu zien, hoe hij die bekommer^ is van wege de zorgen voor z ij n levensonderhoud, door goed acht te geven op de vogelen des hemels, er mede tevreden leert zijn, dat hij een mensch is.

Aanziet de vogelen des hemels. Ziet hen aan, dat wil zeggen, geeft nauwkeurig op hen acht. Zoo komt de visscher des morgens om naar zijn angel te zien, die den nacht over was uitgezet; zoo komt de geneesheer om naar den kranke te zien; zoo staat daar het kind en ziet toe, als de volwassene iets doet, dat het kind nog nooit heeft opgemerkt. Volkomen op dezelfde wijze moet men, niet met verdeelden zin en verstrooide gedachten, maar met ingespannene opmerkzaamheid en met nadenken, zoo mogelijk met bewondering, op de vogelen acht geven. Mocht iemand zeggen: „vogels heeft men zoo dikwijls gezien, dat is niets merkwaardigs,quot; dan

ocr page 31

27

heeft hij de uitnoodiging in den tekst van „de vogelen onder ') den hemel,quot; niet begrepen. „Aanziet de vogelen onder den hemel, zoo lezen wij, en deze bijvoeging is van beteekenis. Wel ziet men namelijk ook vogels op de aarde, maar in zoover men uit het zien naar hen nut wil trekken, moet men hen onder den hemel zien, of zich voortdurend daaraan herinneren, dat zij hun tehuis onder den hemel hebben. Kon iemand, omdat hij voortdurend een vogel op de aarde ziet, vergeten, dat het een vogel onder den hemel is, zoo zou hij zich zelf verhinderd hebben in het verstaan van het evangelie dei-vogelen onder den hemel. — „Zij zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren.quot; Hoe zou dit ook daar mogelijk zijn, waar de vogelen hun verblijf hebben, — onder den hemel, daar, waar zij leven zonder zorg voor het tijdelijke, bij het oogenblik. De zorgende mensch op de aarde leert van den tijd den tijd gebruiken en wanneer hij uit een en verleden tijd zijne schuren gevuld heeft en voor het tegenwoordige voorzien is, dan is hij toch op zijne hoede en zaait weder voor een komenden oogst, opdat hij

*) Wegens de woordspeling van den schrijver volgen wij hier de vertaling van Luther. In het oorspronkelijke staat eenvoudig de tweede naamval, des hemels.

ocr page 32

28

zijne schuren opnieuw zou kunnen vullen voor toekomende tijden — En uw hemelsche Vader voedt nochtans dezelve. De hemelsche Vader, ja, dat is duidelijk Hij alleen moet het zijn. Waar lederen morgen, middag en avond de landbouwer naar huiten komt en de vogelen tezamen roept om hen voedsel te geven, daar kan de toeschouwer gemakkelijk miszien en gelooven, dat het de landbouwer is, die de vogelen voedt. Maar ginds, waar geen landbouwer is, — op het veld, daar waar geen voorraadschuur is, — onder den hemel, waar de onbezorgde vogelen, zonder te zaaien of te maaien of in de schuren te verzamelen, en zonder zorgen voor het levensonderhoud met lichte vlucht opstijgen over woud en weide, daar moet het wel de hemelsche Vader zijn, die hen voedt. Of zullen wij misschien dwaselijk zeggen, wat wel reeds menige dwaze landbouwer gezegd heeft: „de vogels stelenquot;, zoodat het toch weder de landbouwer is, die hen voedt, daar deze dan stelen van hem? Neen, de hemelsche Vader voedt hen, ongerekend dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren. Uit zegt tevens, dat de hemelsche Vader ook die schepselen voedt, die zaaien en maaien en verzamelen in de schuren, en daarom moet hij, die zich zelf verzorgt.

ocr page 33

29

van de vogelen des hemels leeren, dat het toch de hemelsche Vader is, die hen voedt. Maar wie niets, volstrekt niets op aarde bezit, die zoo, — ja zoo maar leeft „onder den hemelquot; en met zorg verneemt, dat hij zeer na verwant is aan de vogelen des hemels, die — zoo vr ooi ijk zijn, die vooral leert ons, dat de hemelsche Vader hen voedt.

„Aanziet de vogelen des hemels — uw hemelsche Vader voedt dezelve.quot; Hoe kort, hoe plechtig, hoe rechtvaardig wordt hier over de vogelen gesproken. Allen zijn bedoeld, daar is er niet een enkele uitgesloten. De hemelsche Vader vergeet er geen. Hij, die zijne milde hand openten alles, wat leeft, met welgevallen spijzigt.

In de woorden van het Evangelie van de vogelen doet ook niet het geringste aan eenig onderscheid denken, dat b. v., dat de een rijkelijk ontvangt en de ander bekrompen, de een misschien voorraad voor langeren tijd, de ander slechts het oogenblikkelijk noodige, dat nu en dan zelfs een enkele wachten moest, vergeefs wachten, misschien zelfs hongerig ter ruste gaan; neen, er is slechts sprake van de vogelen, en daarvan dat de hemelsche Vader hen voedt.

Maar zegt misschien iemand; „als ook werkelijk nu en dan eens een vogel te weinig krijgt, als er eens een van honger sterft, dan is dat zoo

ocr page 34

30

erg nog niet.quot; Hoe, zal een mensch zich vermeten zoo van de vogelen te spreken? Is en blijft dan de zorg voor het voedsel in den grond der zaak niet dezelfde of het nu een vogel is, die ze heeft, of een mensch ? Gesteld, het leven der vogelen was niet onbekend met het onderscheid dat er is ten aanzien van het inkomen; gesteld, dit onderscheid hield den vogel bezig en in zorg op dezelfde wijze

als de menschen....... op dezelfde wijze? Als

dat wordt aangenomen, dan kunnen wij in deze rede ontwijken wat den bekommerde zoo onaangenaam is, dat een mensch hem van zijne bekommering spreekt, dan kunnen wij blijven op het veld en verhalen van de bekommernis eens vogels.

Daar was eens eene houtduif; in het donkere woud, waar het zoo somber en ongezellig is, had zij haar nest tusschen de eenzame hooge stammen. Maar zeer dicht daarbij, waar de rook opstijgt uit de landbouwerswoning, woonden anderen, hare verre verwanten, eenige tamme duiven. Een paar daarvan trof zij dikwijls aan. Zij zat gaarne op eene tak, die over den hof van den landman hing. De beide tamme duiven zaten op den nok van het dak, maar de afstand was niet zoo groot, dat zij niet in een gesprek van gedachten konden wisselen. Op zekeren dag spraken zij nu van de tijdsomstandigheden en van het voedsel. De hout-

ocr page 35

31

duif zeide: „Ik heb tot nog toe mijn voedsel gehad. Ik laat aan lederen dag zijne eigene zorgen over en op deze wijze kom ik door de wereld.quot; De tamme duif had nauwkeurig toegeluisterd, niet zonder door het geheele lichaam een zeker gevoel van wellust te ondervinden. Zij zette dan ook een hoogen krop op en antwoordde: „Neen, dan gaan wij anders te werk. Bij ons, dat wil zeggen bij den rijken boer bij wien wij wonen, is de toekomst verzekerd. Als de tijd van den oogst komt, dan zit ik of mijn mannetje op het dak en wij letten op. Nu rijdt de boer het eene voer koren na het andere binnen, en als hij er zooveel heeft binnengereden, dat ik ze niet meer kan tellen, dan weet ik, dat er voorraad is voorlangen tijd; dat weet ik uit ondervinding.quot; Nadat zij zoo had gesproken, keerde zij zich niet zonder een zeker zelfgevoel tot het mannetje, dat daarbij zat, als wilde zij zeggen: „Niet waar, mijn liefje, wij hebben onze schaapjes op het droge?quot;

Toen de houtduif te huis kwam, dacht zij verder over de zaak na. Terstond lachtte het haar toe als iets zeer behaaglijks te weten, dat men zijn inkomen voor langen tijd verzekerd heeft. Daartegenover was het toch maar een kommervol bestaan, altijd in het onzekere te leven, zoodat men nooit kan zeggen men weet, dat men

ocr page 36

32

verzorgd is. Het is daarom het beste, zoo dacht zij, dat gij beproeft, of gij u niet een grooten voorraad kunt verzamelen, dien gij kunt neder-leggen op de eene of andere veilige plaats.

Op den volgenden morgen ontwaakte zij vroeger dan gewoonlijk en had het nu zoo druk met verzamelen, dat zij nauwelijks tijd nam om te eten, laat staan om genoeg te eten. Maar het was als zweefde daar een noodlot boven haar, dat het haar niet mocht gelukken, zich zekeren welstand te verwerven. Telkens als zij wat voorraad verzameld had en aan de eene of andere veilig geachte plaats had verborgen, — zie, als zij terugkwam om het na te zien, dan was het weg. Toch kwam er geen wezenlijke verandering in haar onderhoud. Zij vond iederen dag haar voedsel als vroeger en, als zij minder gebruikte, dan kwam dit daaruit voort, dat zij verzamelen wilde en zich tot eten geen tijd liet, want zij had als vroeger rijkelijk haar voedsel. Ach, toch was bij haar eene groote verandering gekomen. Hoewel zij er verre van af was gebrek te lijden, had zij zich toch gebrek in de toekomst voorgesteld; haar rust was gevloden, zij had zorg voor haar levensonderhoud.

Van nu aan was de houtduif bezorgd; hare vederen verloren den glans, hare vlucht die ge-

ocr page 37

33

makkelijkheid, haar vroeger eigen; haar dag ging voorbij in een vruchteloos pogen om zich eene zekere welvaart te verzamelen; hare droomen waren plannen der machtelooze verbeelding; zij was niet vroolijk meer, ja zelfs afgunstig geworden op de rijke duiven. Zij vond lederen dag haar voedsel, en dat voldoende, en toch was het haar, als kreeg zij niet genoeg, omdat zij honger leed in bezorgdheid voor de toekomst. Zij had zich gevangen in dat net, waarin geen vogelvanger haar kon verstrikken, in hetgeen zij zich had voorgesteld. „Het mag zijn,quot; zeide zij tot zich zelve, „het mag zijn, dat ik mijn onderhoud heb, als ik lederen dag zooveel vind, als ik gebruiken kan, den grooten voorraad, dien ik wensch te verzamelen, kan ik toch niet op eens verbruiken, en in zekeren zin kan men toch niet meer eten dan genoeg; maar het zou toch recht aangenaam zijn bevrijd te wezen van die onzekerheid, waardoor men zoo afhankelijk blijft.quot; „Het kan wel wezen,quot; zeide zij in zich zelve, „dat de tamme duiven de zekerheid van haar onderhoud duur moeten betalen; het kan wel wezen, dat zij menige bekommering hebben, maar mij staat die zekerheid voor de toekomst maar bestendig voor oogen; ach, waarom moest ik een arme houtduif worden en niet eene van die rijke duiven!quot; — Zij be-

ocr page 38

34

merkte toen wel, dat deze bezorgdheid haar geheel in beslag nam, maar sprak dan weder zeer verstandig tot zich zelve, doch niet verstandig genoeg, om hare bekommernis weg te nemen en hare gedachten tot rust te brengen. Zij bewees zich zelve integendeel, dat hare bezorgdheid billijk was. „Ik verlang toch niets onredelijks,quot; zeide zij, „ook niets dat onmogelijk is, ik verlang niet te worden, als die rijke boer, maar alleen als een van die rijke duiven.quot;

Ten laatste bedacht zij eene list. Op zekeren dag vloog zij vroeg weg en zette zich op de nok der boerenwoning tusschen de tamme duiven. Toen zij nu opmerkzaam werd op eene opening, waardoor dezen binnen vlogen, vloog zij ook daarin. Daar moest wel de voorraadschuur wezen. Maar toen de boer des avonds kwam en de duiventil sloot, ontdekte hij terstond de vreemde duif. Deze werd nu in een klein hok alleen gezet tot den volgenden morgen, toen geslacht en — van de zorgen voor het levensonderhoud verlost. Ach, de bekommerde duif had zich zelf gevangen en dat niet alleen in hare bekommernis, maar ook in de duiventil — ten doode. Had de houtduif er genoeg aan gehad, dat zij een vogel onder den hemel was, dan had de hemelsche Vader haar gevoed; dan was zij gebleven daar, waar zij te-

ocr page 39

35

huis was, tusschen de hooge eenzame boomen, die het trillende kirren der zwaarmoedige houtduif zoo goed verstonden, dan was zij degene geweest, waarvan de prediker des Zondags sprak, toen hij het woord van den tekst aanhaalde: „Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren, en uwe hemelsche Vader voedt nogtans dezelve.quot;

De houtduif is de mensch — doch neen, laat ons niet vergeten, dat het slechts eene vertelling is, die om den bekommerde te ontzien, de houtduif in zulk een ongunstig daglicht stelde. Gelijk bij de opvoeding van een prins niet zelden een ander kind, dat met hem wordt groot gebracht, voor hem de straf moet ondergaan, zoo heeft deze vertelling alles op de houtduif doen neerkomen. Ed deze heeft zich gewillig daarin geschikt, want zij weet het immers, dat zij een der van God gegevene leermeesters is, waarvan wij leeren moeten. Dat doet een onderwijzer wel meer, dat hij aan zich zelf het verkeerde laat zien, waarvoor hij waarschuwen wil. De houtduif zelve is onbezorgd, ja zij is juist degene vau wie de tekst spreekt. Dus, de houtduif is de mensch. Wanneer hij, evenals zij, er genoeg aan heeft om datgene te zijn, wat hij is, dan verstaat hij wat de vogelen des hemels hem leeren,

ocr page 40

36

dat het de hemelsche Vader is, die hem voedt. Maar voedt hem de hemelsche Vader, dan behoeft hij ook geen zorg te hebben voor het voedsel, dan woont hij niet slechts als de rijke duiven bij den rijken landman, maar bij Hem, die rijker dan allen is. En hij woont inderdaad bij Hem, want hemel en aarde zijn Gods huis en zoo woont dan de mensch bij God.

Wat wil het dus zeggen, zich daarmede tevreden te stellen, dat men een mensch is? Het is, er genoeg aan te hebben, dat men een schepsel is, een schepsel, dat zich evenzoomin kan onderhouden, als het zich zelf kon scheppen. Wil nu een mensch God vergeten — en zich zelf voeden, dan heeft hij zorgen voor het onderhoud. Het is zeker prijzenswaard en Gode welgevallig, dat de mensch om zijn onderhoud te vinden zaait en maait en vergadert in de schuren; maar hij heeft zorgen daarover, als hij God gaat vergeten en met zijnen arbeid meent zich zelf te voeden. Ook de rijkste mensch, die ooit geleefd heeft, had, toen hij God vergat en zich zelf meende te kunnen onderhouden, zorg voor het levensonderhoud. Laat ons niet zoo dwaas en kleingeestig wezen om te zeggen, dat de rijke mensch van deze zorg ontslagen is en alleen de arme ze zou kennen. Neen, slechts hij

ocr page 41

37

is daarvan verlost, die, — zich vergenoegende een mensch te zijn, — erkent, dat de hemelsche Vader hem voedt; en dat kan de arme even zoo goed als de rijke.

De bezorgdheid voor het levensonderhoud is dus het net, waarin de mensch verstrikt wordt, niet door een vreemde macht, niet door de werkelijkheid, maar alleen door zich zei ven. en dan de rijke zoowel als de arme, wanneer hij zich namelijk daarmede niet tevreden stelt, dat hij een mensch is. En wanneer hem dit niet genoeg is, wat is dan het meerdere, dat hij verlangt? Het is dit: hij wil zijne eigene Voorzienigheid zijn óf voor het geheele leven óf voor den dag van morgen, en als hij dit wil, dan gaat hij — met al zijn beleid — in den strik, de rijke zoowel de arme. Hij wil zich zelf als het ware verschansen op eene veilige plaats, kleiner of grooter, maar die niet valt onder het gebied van de Voorzienigheid Gods, van de zorgende hoede des hemelschen Vaders. Hij bemerkt niet, voordat het te laat is, dat hij in deze verschanste zekerheid woont als — in eene gevangenis. Wat de boer bij de duif deed, dat doet hij bij zich zeiven. Hij sluit de til in de meening, dat hij nu geborgen is, — en zie hij is nu gevangen. Want hij is gevangen, die zich b:j veel of weinig

ocr page 42

38

goederen heeft vastgezet in de meening, dat hij zich zelf verzorgt; h ij alleen is vrij en zonder zorg, die bij veel of weinig goederen, ja onder armoede erkent, dat de hemelsche Yader hem voedt. En wie met vermetelen zin zich zelf in zijn beleid heeft opgesloten en gevangen, heeft juist als de houtduif zich zei ven gevangen ten doode.

Maar zoo wordt het dan duidelijk, dat ook de bekommernis over het voedsel uit vergelijking ontstaat, hieruit namelijk, dat de mensch zich niet tevredenstelt een mensch te wezen, maar op jammerlijke en vermetele wijze zich met God gaat meten. Hij wil dan eene zekerheid in zich zei ven hebben, die geen mensch hebben mag, eene zekerheid, die dan ook op niets anders uitloopt dan op — zorg.

Maar ook op andere wijze blijkt de zorg voor het levensonderhoud uit het maken van vergelijkingen te ontstaan, in zooverre zij namelijk niet uit een werkelijk dagelijksch gebrek voortkomt, maar uit een toekomstigen nood, dien men zich voorstelt. Die vergelijkingen komen dan weder daaruit voort, dat het den mensch niet genoeg is een mensch te zijn. Gelijk de arme vogel des hemels eerst door zich te vergelijken met de rijke vogels zijne zorg ontdekte, die hij vroeger niet kende, zoo gaat ook de mensch eerst daardoor.

ocr page 43

39

dat hij zich met andere menschen vergelijkt en op het onderscheid acht geeft, naar het buitengewone verlangen. Hij wil welgesteld, vermogend, rijk, kortom op eene of andere wijze verzekerd zijn; en deze zijne zorg staat in verband met zijn zich vergelijken.

Maar wij kunnen verder gaan. Misschien houdt de bekommerde in het maken zijner vergelijkingen zich bij dat verschil in hoeveelheid niet op en noemt hij dat ook geen zorg voor het levensonderhoud, wat veel meer wereldsche bekommernis is, als b.v. dat een ander meer heeft dan hij. Ook dan nog ligt er niettemin eene vergelijking ten grondslag aan zijne zorg voor het onderhoud, voorzoover deze niet uit een werkelijk voorhanden zijnde nood voortkomt, maar uit eenen, dien hij zich heeft voorgesteld. Van waar komt het, dat de vogel geene zorgen voor het voedsel heeft? Dit is de reden. Hij vergelijkt den eenen dag niet met den anderen en laat naar het woord des Evangelies aan lederen dag zijn eigen kwaad. Nu moge ook al de bekommerde zijn lot niet vergelijken met dat van eenig ander mensch en in dezen zin ,;zich rein bewaren van de wereld,quot; als hij evenwel angstig den eenen dag tegen den anderen opweegt; als hij, heden rijkelijk het zijne hebbende gaat zeggen: „Maar wat zal het morgen

ocr page 44

40

zijn?quot; — en heeft hij het eens bekrompen: „Morgen zal het nog erger wezen!quot; — dan maakt hij toch eene vergelijking.

Deze wijze van vergelijken was het, waardoor de houtduif in hare zorgvolle zelf-bekommering van dag tot dag meer zorgen ontdekte; zij stemde toe, dat zij genoeg had, maar de onzekerheid verontrustte haar. Zij bleef zoo afhankelijk — van God. Het maakte haar ontevreden, dat zij nooit met zekerheid van den volgenden dag spreken kon. O, laat ons niet vergeten, dat zij met goddelijke zekerheid had kunnen spreken, als zij gezegd had; „de hemelsche Vader zal mij ook morgen voeden.quot; Laat ons niet vergeten, dat zij met de allergrootste zekerheid had kunnen spreken van den volgenden dag, als zij zich daartoe bepaald had, recht, van harte, G-od te danken voor den dag van heden! Is het niet zoo? Denk u eene bruid, door haar geliefde bezocht. Als zij nu tot hem zeide: „Komt gij morgen weder?quot; — dan zou hare liefde niet vrij van bekommernis zijn. Maar als zij, zonder over morgen te spreken zich om zijnen hals werpt en zegt: „O, heerlijk, dat gij van daag zijt gekomen!quot; dan toont zij zich volkomen gerust over den dag van morgen. Of wanneer van twee verloofden, de eene tot haren geliefde zegt: „Komt gij nu ook morgen weder?quot;

ocr page 45

41

en de andere: „Dank u, dat gij heden kwaamt?quot; — wie van dezen beide zou zich het meest verzekerd toonen, dat de geliefde morgen zou wederkomen ?

Dikwijls hoort men den arme tot den rijke zeggen: „Ja, gij kunt wel vroolijk zijn, gij hebt geen zorgen voor het voedsel!quot; Gave God, dat de arme toch wilde begrijpen, hoeveel beter het Evangelie 't met hem meent. Het Evangelie laat zich niet verblinden door de zinsbegoocheling van dat schijnbare onderscheid. Het laat zich niet verleiden om partij te kiezen voor den eenen mensch tegen den anderen, voor den rijke tegen den arme of voor den arme tegen den rijke. Geene zorgen voor het voedsel te hebben is ook in Gods oogen een voorrecht. Zou de rijke dan dit voorrecht hebben en de arme daarvan geheel zijn uitgesloten? Neen, als de arme zich daarmede tevreden stelt, dat hij een mensch is, en van de vogelen des hemels wil leeren onbezorgd te zijn, dan zou hij zich in zijne eenvoudigheid verheffen boven dit schijnbare onderscheid. Misschien zou hij somtijds aanleiding hebben om te zeggen: „De arme rijke, hij heeft toch wel vele zorgen voor zijn onderhoud!quot; Want welk mensch kan toch met recht en billijkheid van zich zeiven zeggen, dat hij voor zijn levensonderhoud geene zorgen heeft? Als de rijke dit zegt met het oog

ocr page 46

42

op zijne rijkdommen, is er dan wel zin in dit zeggen? Schreit het niet ten hemel, zooals hij zich op datzelfde oogenhlik tegenspreekt, hij, die de zorgen voor het onderhoud vasthoudt, terwijl hij ze van zich af houdt door zijne schatten en uit zorg voor zijn onderhoud zijne schatten zoo nauwgezet bewaakt en vermeerdert! Ja, als de rijke al zijn goed wilde weggeven, wegwerpen zijn geld en — zijne zorgen en dan zeggen: „Ik heb geen zorg voor mijn onderhoud!quot; dan eerst zou dit zeggen beteekenis hebben. En dit is het geval met den arme, als hij, — die niets bezit en in zooverre ook niets heeft weg te werpen — zijne zorgen voor het levensonderhoud op God werpt en nu zegt: Ik heb geene zorgenquot;. Is het niet zoo? Moet niet eerst de rijkdom weg, als het zelfs mogelijk kan zijn, dat er zin in dat zeggen komt? Als iemand, die eene kostelijke verzameling van uitnemende geneesmiddelen bezat, waarvan hij dagelijks gebruik maakte, wilde zeggen, terwijl hij op die middelen wees: „Ik ben niet ziek!quot; — zou hij niet in ten hemel schreiende tegenspraak met zich zeiven wezen ?

Daar wordt menigmaal in de wereld getwist onder de menschen over afhankelijkheid en onafhankelijkheid, over het geluk van zich onafhan-

ocr page 47

43

kelijk te weten en den last van afhankelijk te zijn. Maar nooit heeft de menschelijke gedachte een schooner beeld der onafhankelijkheid gevonden dan in die kleine vogelen des hemels. Hoe merkwaardig is dan het zeggen, dat het zoo zwaar is — licht als een vogel te zijn. Afhankelijk te zijn van zijne schatten, dat is afhankelijkheid en zware dienstbaarheid ook; afhankelijk, geheel afhankelijk te zijn van God, dat is onafhankelijkheid. De bekommerde houtduif was, onverstandig genoeg, bevreesd om geheel afhankelijk te blijven van God, daarom hield zij op onafhankelijk en een beeld der onafhankelijkheid te zijn, hield zij op een vogel des hemels te wezen, die geheel afhankelijk is van God. Afhankelijk te zijn van God is de eenige onaf-hankelijkheid; want God bezwaart niet. Dat doet slechts het aardsche en in het bijzonder aardsche schatten. Wie daarom geheel af hankelijk is van Hem heeft geene bezwaren, hij is licht. Dat is het geval met den arme, als hij zich er mede tevreden stellende, dat hij een mensch is, zijn blik staat op de vogelen — onder den hemel, waarheen toch ten allen tijde hij, die bidt, in het gebed opziet. Die bidt? Neen, de onafhankelijke dankt.

ocr page 48

11.

Daar zorg en bekommernis zich vastzetten in de ziel, naarmate zij haar meer in beslag nemen, is het zaak voor den bekommerde naar afleiding omtezien. Als de bekommerde zich verlaten gevoelt en toch, met zich zeiven in tegenspraak, niet naar deelneming verlangt, omdat zij hem benauwt en drukt en tenakomt, zoodat hij bijna evenzeer lijdt door de deelneming als door de smart; dan voere men hem in eene omgeving, waar niets hem aan zijnen kommer herinnert, zelfs de deelneming niet, waar als het ware deelneming is en toch niet is; eene omgeving, waarin de aandoenlijke nabijheid der deelneming gevoeld wordt, alsof zij er Avas, en tegelijkertijd hare verzachtende afwezigheid, omdat er toch in werkelijkheid geene deelneming is.

Zoo brengt de gelezene tekst den bekommerde naar buiten op het veld, in die omgeving, die

ocr page 49

45

hem wil opnemen in het groote geheel des levens, die hem wil winnen voor het leven in gemeenschap met al het bestaande. Daar nu de bekommernis zich bij hem heeft vastgezet, zoo moet er iets plaats hebben, om zijn oog en zin daarvan af te trekken. Daartoe kunnen twee bewegingen, ons door den tekst aanbevolen, dienen. Want, als de bekommerde de leliën aanziet aan zijne voeten, dan ziet hij neder, en als hij neder ziet naar de leliën, ziet hij geene bekommernis. Het kan wel zijn, dat hij in zijne zorg evenwel reeds gebogen ging, ternederzag en dan zijne bekommeris aanschouwde; maar, als hij neder-ziet om de leliën aan te zien, dan ziet hij af van zijne bekommernis. En wanneer hij naar het voorschrift van den tekst naar de vogelen des hemels ziet, dan ziet hij opwaarts en, als hij opziet naar de vogelen, dan ziet hij zijne bekommernis niet. Het kan Avel zijn, dat hij in zijne zorg evenwel reeds omhoog zag, als hij een zucht der bekommering opzond tot God en dien met een blik der bekommering nazag; maar, als hij opziet, om de vogelen aan te zien onder den hemel, dan ziet hij af van zijne bekommernis. Men kan dat zich vastzetten der bekommernis in de ziel eens menschen niet beter kenmerken, dan wanneer men het vergelijkt met het sta-

ocr page 50

46

ren van het oog. Als het oog staart ziet het strak voor zich uit, ziet het bestendig één punt en toch ziet het eigenlijk niets. De wetenschap verklaart, het ziet zijn eigen zien. Dan zegt de arts: „Beweeg het oog.quot; Zoo zegt nu het Evangelie : ;.Leid de gedachten af, verstrooi den zin, zie neder naar de leliën, zie opwaarts tot de vogelen en laat af nog langer te staren op de bekommernis!quot; Wanneer nu, terwijl het oog op de leliën neerziet, de tranen niet meer vloeien, is het dan niet de lelie, die als het ware de tranen droogde! Wanneer de wind de tranen wegneemt uit het oog, dat naar de vogelen opziet, zijn het dan niet de vogelen, die als het ware de tranen droogden! Zelfs als de geliefde daarbij zit en de tranen afdroogt, maar de bekommerde toch blijft ween en, droogt zij dan de tranen wel? Neen, wie er den bekommerde toe brengt om op te houden met weenen, die droogt de tranen af.

Dit is het nu, wat men goddel ij ke afleiding noemen mag, die niet als de wereldsche en ij dele het ongeduld prikkelt en de bekommernis voedt, maar afleidt, tot kalmte brengt, opheft, hoe meer men met vromen zin zich aan haar overgeeft. Het vernuft des menschen heeft veel uitgevonden dat de gedachten moet afleiden en opvroolijken.

ocr page 51

47

maar wordt niet in den lof, dien men voor zulke uitvindingen over heeft, het vruchtelooze van haar streven uitgesproken? Laat ons een voorbeeld nemen, waarbij de ij dele en wereldsche afleiding zich in haren waren aard vertoont, juist zooals zij is, zoo nietswaardig en in tegenspraak met zich zelve. Een vuurwerkmaker tracht het oog te verblijden en de gedachten af te leiden door in het donker van den nacht die zoo kunstige, vluchtige vlammen te ontsteken. En toch, als het uurwerk maar een half uur op zich laat wachten, ja als er maar enkele oogenblikken voorbijgaan tusschen het eene stuk en het andere, dan worden de toeschouwers ongeduldig. Het is dus de taak van den kunstenaar, telkens sneller af te werken ; het best, het meest volmaakt zou het wezen, het geheele program af te steken in enkele minuten. Maar daar deze afleiding den tijd moet verdrijven, zoo toont zij hier duidelijk de tegenspraak, waarin zij met zich zelve is. Nu de afleiding, in het toppunt der volmaaktheid, dat de kunst haar deed bereiken, slechts enkele minuten verdrijven kan — zien wij juist daarin met schrikwekkende klaarheid, hoelang de tijd is. Tegen betaling koopt men zich den toegang, om in de spanning van het ongeduld te kunnen wachten op het beginnen van het vermaak, en in hetzelfde oogenblik is het

ocr page 52

48

voorbij. Gelijk de knetterende vlammen van het vuurwerk verlichten en op hetzelfde oogenblik weder in het niet verdwijnen, zoo moet het met diens ziel geschapen zijn, die geene andere dan zulk eene afleiding kent: nog in de oogen-blikken der afleiding vertwijfelt hij, omdat de ^ijd zoo lang is.

O, hoe geheel anders staat het met de goddelijke afleiding! Zaagt gij ooit naar den helderen sterrenhemel, en hebt gij dan ooit iets met meer kalmte aanschouwd ? Dat kost niets; daar is geen prikkeling tot ongeduld: daar is het niet, heden avond vóór tien uur! Neen, daar wacht men op u, hoewel men in een anderei? zin niet op u wacht — want gelijk de sterren nu fonkelend schitteren in den nacht, zoo hebben zij duizendeiJ jaren daar gestaan, onveranderd. Gelijk God zich onzichtbaar maakt en er daarom menigeen is, die nooit op Hem lette; zoo schittert ook de sterrenhemel onmerkbaar boven ons, en daarom is er misschien menigeen, die hem nooit recht beschouwde. De goddelijke Majesteit versmaadt alle onwaren schijn. Zij wil niet in het oog vallen; en de heerlijkheid van den sterrenhemel is daarom zonder eenigen pronkzucht. Zie, gij waart misschien doelloos naar buiten gegaan, waar jaar uit jaar in, zonder dat men daarop lette, dit ver-

ocr page 53

49

heven schouwspel te zien is, gij bleeft toevallig staan en wendet uwen blik naar boven, — toen hebt gij het toch wel gevoeld; de overweldigende indruk steeg met ieder oogenblik. Hij nam u meer en meer in beslag, hij ontrukte u aan het tijdelijke; en met ieder oogenblik, dat gij voortgaat in de beschouwing des hemels, zinkt dieper en dieper in de vergetelheid weg, wat vergeten moet worden. O, goddelijke afleiding, gij zijt niet trouweloos en verraderlijk, als gij u eene afleiding noemt! Neen gij zijt in het verbond met den Eeuwige, en daarom is alleen de aanvang moeielijk. Als deze gemaakt is, dan brengt deze afleiding eene toenemende — stilte en met haar, verheffing des harten.

Zoo is het met alles in de natuur. Het schijnt zoo onbeduidend en is toch zoo oneindig rijk. Als gij in eene gewichtige zaak snel uwen weg gaat en deze loopt langs het strand der zee, pas dan op. Het is waar, daar is niemand, die u aanroept; daar hoort men geene uitnoodiging noch bevel om te blijven stilstaan; en toch, pas op, spoed u, opdat gij niet, als gij één oogenblik stilstaat, in het deinen der golven het overweldigende der eenvormigheid opmerkt. En zoo is het ook met de lelie des velds en den vogel des hemels. Als gij haast hebt om te gaan „naar uwen akker,

ocr page 54

50

naar uw juk ossen, naar uwe vrouwquot; ') en een vogel vliegt u voorbij, zie niet naar hem om. Als gij naar hem omziet, moet gij misschien lang blijven staan en hem nazien. Als het werktijd is, waarin men zijn arbeid moet verrichten, als de maaier met haast zijnen sikkel scherpt en dien in het koren zet, laat hem dan niet zien naar de lelie aan zijne voeten, opdat zij hem niet overrede en alzoo beiden, de lelie en de maaier, blijven staan.

Maar den bekommerde waarschuwen wij niet. Integendeel. Hem gebiedt de tekst naar buiten te gaan op het veld en daar stil te staan, om de lelie en den vogel aan te zien, opdat de goddelijke afleiding het starend oog zich zou doen bewegen, en zij de gedachten verstrooie, waarin de bekommerde zich heeft vastgezet. Aanmerkt de lelie! Zie, hoe zij bevallig voor onze voeten staat, versmaad haar niet, zij wacht er op, dat gij u zult opvroolijken aan hare schoonheid! Zie, hoe zij zich heen en weer beweegt, alles van zich afschuddende, om bekoorlijk te blijven! Zie, hoe zij zich verfrischt aan den wind, zich als het ware in beweging stelt, om zich, in rust, weder te verheugen in haar gelukkig bestaan! Zie, hoe

*) Luk. XIV : 18—20.

ocr page 55

51

vriendelijk zij is, altijd gereed om te schertsen en te spelen, terwijl zij toch weder door haar toegeven den hevigsten storm doorstaat en over hem zegeviert! Aanzie den vogel des hemels! Zie, hoe hij vliegt! Misschien komt hij van een grooten afstand, uit verre, verre gelukkige streken — dat is toch het geval met sommigen; misschien vliegt hij weg naar verre, verre streken — laat hem uwe bekommernis dan medenemen! En dat doet hij, zonder den last te gevoelen, wanneer gij hem slechts blijft nazien. Zie, hoe hij nu stilstaat! Hij rust uit — in de oneindige ruimte; hij rust uit daar, waar geen rust mogelijk schijnt! Zie, hoe hij zijn weg vindt! En is er wel een weg, — door welke benauwdheden en tegenstrijdigheden van het menschenleven hij gaan moge, — die zoo moeielijk, zoo onbegrijpelijk is, als de raadselachtige weg des vogels door de lucht. Dus ook daar is weg en steg, waar ons het vinden van een weg eene onmogelijkheid schijnt.

Maar, daar alle afleiding niet slechts den tijd verdrijven, maar voornamelijk ten doel hebben moet den bekommerde iets anders aan te bieden, waaraan hij kan denken, zoo willen wij nu zien, hoe de bekommerde, die naar de lelie en den vogel ziet, met hulp der goddelijke afleiding gedrongen wordt om te bedenken.

ocr page 56

52

hoe heerlijk het is, een mensch te zijn!

„Indien nu God het gras des velds____

alzoo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleeden, gij k 1 einge 1 oo vigen?quot; God kleedt het gras, dus is het gras bekleed. Het schoongevormde omhulsel van den stengel, de fijne lijnen van het blad, de bekoorlijke tinten der kleurenmengeling, de geheele rijkdom, als ik zoo spreken mag, van hare strikken en linten, dit alles behoort mede tot het kleed der lelie, en het is God, die haar alzoo bekleedt. „Zal Hij u niet veelmeer kleeden, gij kleingeloovigen?quot; — Gij kleingeloovigen!quot; dat is eene berisping van zacht vermaan. Zoo spreekt men tot hem, die onrecht heeft, als de liefde niet bij machte is streng te spreken. Zij dreigt hem dan afkeurend met den vinger en zegt tot hem: „Gij kleinge-loovige!quot;, maar zegt dat zoo vriendelijk, dat de berisping niet kwetst, niet bedroeft, niet ter neerslaat, maar eer opheft en vrijmoedig maakt. Als een kind tot den volwassene komt en om iets vraagt, wat het eigenlijk reeds heeft en sinds lang gehad heeft, zonder daarop te letten, en het nu meent daarom te mosten vragen in plaats van daarvoor te danken, wat zal de volwassene hem antwoorden? Zal lij niet vriendelijk verwijtend

ocr page 57

53

zeggen: „Ja mijn lieve jongen, morgen zult gij het al hebben, gij kleingeloovigequot; ? Datbeteekent dan, als gij eenmaal tot een beter inzicht komt, zult gij erkennen, dat gij het hadt, dat gij het voortdurend gehad hebt en dat het daarom gemis aan erkentelijkheid was, hoe vergeeflijk en natuurlijk ook bij een kind, dat gij om datgene vraagdet — wat gij hadt.

Ma-ar is dit de beteekenis van het woord, dan wordt ook in dezen tekst niet alleen gezegd, dat de mensch bekleed is als het gras, maar dat hij veel schooner bekleed is. Letten wij nu op de daarbij gevoegde berisping „gij kleinge-loovigen,quot; dan wordt hier eigenlijk gezegd: Zou God u niet veelmeer bekleed hebben? Hier is dus niet zoozeer sprake van het nieuwe kleed, dat men gaarne voor den Zondag wil hebben, of dat men noodzakelijk noodig heeft, maar daarvan, dat de ondankbare gaat vergeten, hoe heerlijk de mensch door Gods hand bekleed is.

Laat ons dit toch goed bezien. Hier wordt gezegd, dat de lelie bekleed is; maar dit is toch niet in dien zin te verstaan, dat haar bestaan is af te scheiden van hare kleeding, dat haar zijn iets anders en hare bekleeding iets anders is. Niet in dezen zin dus, zij is eene lelie en bovendien nog bekleed; neen, het lelie-zijn is hare be-

ocr page 58

kleeding. Zou nu de mensch in dezen zin niet veel schooner bekleed zijn? Of zou het geoorloofd zijn, uit zorg voor kleedingstukken de eerste he-kleeding geheel voorbij te zien? O, gij kleinge-loovige, gij ondankbare in uwen ingebeelden nood, gij bekommerde, hoe groot ook uw nood was, — dat gij zoo geheel hebt kunnen vergeten, hoe God u bekleed heeft! Ga tot de mieren en word wijs, ga tot de lelie en leer, hoe heerlijk het is, een mensch te wezen, hoe heerlijk gij bekleed zijt, gij kleingeloovige!

De wereldsche bekommering tracht altijd den mensch te vervoeren tot de kleingeestige onrust van het vergelijken, en brengt hem af van de verhevene kalmte van eenvoudige gedachten. De wereldsche bekommering houdt zich bezig met kleederen en verschil van kleeding. Is zij dan niet als het kind, dat bedroefd komt vragen om hetgeen het heeft en waartegen de volwassene vriendelijk verwijtend zegt: „Gij zult het morgen reeds hebben, gij kleingeloovige?quot; Zelfs den behoeftige wil onze tekst allereerst daaraan herinneren, dat hij nieb geheel mag vergeten hoe heerlijk hij van God bekleed is. Door de lelie aan te zien, wordt hij vermaand zijne bekleeding met die der lelie te vergelijken — ook dan nog, als armoede hem in lompen gehuld heeft.

ocr page 59

55

Moest dan niet aan ieder de uitnoodiging om van de leliën te leeren, welkom zijn? Ach, in het dagelijksche, wereldsche leven vergelijkingen makende, vergeet men meer en meer, misschien geheel, die groote, verhevene, eenvoudige gedachte, die de eerste moet wezen. De eene mensch vergelijkt zich met den anderen, het eene geslacht met het andere en zoo groeit de opgestapelde menigte van vergelijkingen den mensch in den vollen zin des woords over het hoofd. Ach, hoevele ongelukkigen zijn er, die van dit valsche spel bedrogen, nooit eenen indruk ontvangen dier verhevene, eenvoudige, dier eerste gedachte — dat het zoo heerlijk is een mensch te zijn.

Heerscher te wezen — ja, welk een strijd wordt er in de wereld niet om gevoerd, hetzij om over rijken en landen te heerschen, hetzij om toch éénen mensch te hebben, waarover men heerscht — uitgenomen zich zeiven, waarover ternauwernood zich iemand bekommert. Maar daar buiten op het veld bij de leliën, waar ieder mensch, naar de bedoeling Gods, heerscher is, daar wil niemand het wezen. Een wonder te zijn — ja, welke eene inspanning doet men in de wereld niet om dit geluk te bereiken, en wat doet niet de wangunst om het te verhinderen !

ocr page 60

56

Maar daar buiten op het veld bij de leliën, waar ieder mensch dat wonder der schepping is, waartoe God hem gemaakt heeft, daar wil niemand het wezen. Een enkele betergezinde zal misschien alleen glimlachen, maar de menigte spot met schellen lach over den dwaze, die dit zou noemen, een heerscher, een wonder te wezen. En toch, wat kan de koninklijke Prediker meenen met de woorden: „God zonderde den mensch af, om te zien of hij zich zelf met het dier zou gelijkstellen?quot; Want wie, hoewel hij afgezonderd is, niet reeds door die eerste gedachte op zich zelve tot kalmte komt, niet getroost, bemoedigd, opgebeurd wordt maar zich overgeeft aan dat nietige werk van het opmaken van vergelijkingen, die stelt zich zelf gelijk met een dier, hetzij hij hoog staat op de trap der vergelijking, of laag. Een dier, één enkel n.1. alleen genomen, is niet afgezonderd, het is geen wezen op zich zelf, het is een nommer, en behoort onder datgene, wat de beroemdste heidensche wijsgeer de bestemming van het dier genoemd heeft, onder de soort. En als nu een mensch ontevreden zich afkeert van die eerste gedachte, om zich te storten in den stroom der vergelijkingen, dan maakt ook hij zich zelf tot een nommer der soort en stelt zich gelijk met het dier, hetzij hij op de

ocr page 61

-

57

trap der vergelijking boven aan staat of beneden.

Maar bij de leliën is de bekommerde afgezonderd, ver verwijderd van alle menschelijke — of misschien juister, onmenschelijke — vergelijkingen tdsschen mensch en mensch. Ja, wie de grootste stad der wereld verlaten had zou nog geene zoo bonte menigte, geene zoo verwarde, ontzettende verscheidenheid achter zich laten, als hij, die zich afkeert van de o n menschel ij ke vergelijkingen, om, waarachtig men schel ijk, zijne bekleeding te vergelijken met die der lelie.

Onder die bekleeding moet dan zooals gebleken is, het mensch-zijn verstaan worden. Reeds een -gt; heiden heeft dit opgemerkt. Hij meende, dat het

de ziel was, die, zoo als hij zinrijk zeide, als een wever zelf het lichaam weefde, dat den mensch bekleedt. En nu prees hij in groote bewondering de zinrijke schepping van het menschelijk lichaam, zoo heerlijk, dat geen plant of dier de vergelijking daarmede doorstaan kan. Hij zag als het ware in gedachten ontstaan die rechtopgaande gestalte, die het meest kenmerkende onderscheid des menschen is, en terwijl hij dit al denkend naging, verhieven 4 zich zijne gedachten tot eene hoogere vlucht. Hij

verwonderde zich over den zinlijken vorm van het menschelijk oog en nog meer over zijn blik; want ook het dier heeft o o g e n, de mensch

I/ i

ocr page 62

58

alleen heeft een blik. Daarom wordt hij ook in de schoone moedertaal van dien bewonderenden denker genoemd, „degene, die opwaarts bliktquot;. Hierdoor worden twee zaken aangeduid; vooreerst, dat de gestalte des menschen als een fiere stam rechtopgaat en dan, dat deze rechtopgaande gestalte den blik omhoog heft. Of al de hooge stam hooger reikt, door zijn blik verheft de rechtopgaande mensch fier zijn hoofd hooger dan de bergen. Zoo staat ook de rechtopgaande mensch daar als — gebieder, en daarom vond die bewonderende heiden het zoo heerlijk, dat de mensch het eenige schepsel was, dat handen had; want de hand strekt de gebieder uit, als hij beveelt. En zoo ging hij voort, deze bewonderaar, en wist op velerlei wijze zoo schoon te spreken van de heerlijke bekleeding des menschen. Maar deze bewonderende woorden blijven toch in zoo verre gebrekkig, als zij de bekleeding des menschen aan de ziel toeschrijven. Gebrekkig toch is ook dat spreken, dat wel die eerste gedachte opmerkt, maar G-od niet. Neen, als de mensch zich met de lelie vergelijken zal, dan moet hij zeggen, mijne bekleeding is alles, wat mij tot mensch maakt, niets daarvan heb ik mij zelf te danken, maar heerlijk is zij.

Wat zullen wij nu van deze heerlijkheid

ocr page 63

59

zeggen? Voordat men daarvan alles gezegd heeft, kan men lang daarover spreken, en daartoe ia het hier de plaats niet. Laat ons daarom liever kort zijn, en alles samenvatten in dit ééne woord: God schiep den mensch naar Zijn beeld.

God schiep den mensch naar zijn beeld: zou dat niet heerlijk zijn, zóó bekleed te wezen ? Zegt de tekst tot eer der lelie, dat zij Salomo in zijne heerlijkheid overtreft, zou het niet oneindig heerlijker zijn, op God te gelijken!

Als de mensch in den waterspiegel ziet, dan aanschouwt hij zijn eigen beeld, maar het water i s niet het beeld van den mensch, en als hij zich verwijdert, dan is ook het beeld weg. Het water is het beeld niet en kan het beeld zelfs niet vasthouden. Van waar dit? Hieruit, dat — evenals juist de lichamelijke aanwezigheid onmogelijk maakt, dat men alomtegenwoordig is — de zichtbare gestalte door hare zichtbaarheid beperkt en machteloos is. Maar God is geest, is onzichtbaar en het beeld der onzichtbaarheid is weder onzichtbaarheid. Zoo geeft de onzichtbare schepper zich zelf terag in de onzichtbaarheid, welke een kenteeken van den geest is.

Geest te zijn, dat is des menschen onzichtbare heerlijkheid. Als nu de bekommerde daar buiten op het veld staat tusschen de leliën en iedere

ocr page 64

60

bloem tot hem zegt; „Denk aan God!quot; dan antwoordt de mensch: „Dat zal ik ook doen, lieve bloempjes; ik zal Hem aanbidden, dat kunt gij, arme kleinen, niet!quot; De rechtopgaande is dus een, die aanbidt. De rechtopgaande houding is eene onderscheiding, maar zich in aanbidding te kunnen nederwerpen, dat is toch nog heerlijker, en de geheele natuur is ééne g::oote stoet van dienstbaren, die den mensch, den gebieder herinnert, dat hij God heeft te aanbidden. Dat is het, quot;waarop gewacht wordt; niet, dat de mensch komt om de heerschappij over te nemen, wat ook heerlijk en hem opgedragen is, maar dat hij in aanbidding den Schepper prijst. De natuur kan slechts den mensch herinneren om dit te doen. Heerlij k is het gekleed te zijn als de lelie; heerlijker de met den blik naar boven gerichte gebieder te wezen, maar het heerlijkst van alles, een niets te zijn in aanbidding!

Aanbidden is niet hetzelfde als heerschen en toch is de aanbidding juist datgene, waardoor de mensch op God gelijkt en het „aanbidden Gods in geest en in waarheidquot; is het voorrecht zijner onzichtbare heerlijkheid, die hem boven alle schepselen eigen is. De gelijkenis tusschen den mensch en God is niet eene rechtstreeksche, maar ligt juist in eene tegenstelling. Eerst als de on-

ocr page 65

61

eindige God het eeuwige en alom gehuldigde voorwerp der aanbidding geworden is, en de mensch een, die ten allen tijde aanbidt, eerst dan is er gelijkenis tusschen beiden. Wil de mensch op God gelijken door te heerschen, dan heeft hij God vergeten, dan is God weg, en de mensch speelt den heerscher in Gods afwezigheid. Zoo was het leven in het heidendom; dat was het leven des menschen in Gods afwezigheid. Daarom was het heidendom juist als de natuur en het ergste, wat daarvan gezegd kan worden is dit: het kon niet aanbidden. Zelfs die edele, zoo eenvoudige wijze van zooeven kon zwijgen in verwondering, maar aanbidden kon hij niet. Dat aanbidden-kunnen is geene zichtbare heerlijkheid, zooals de natuur ons vertoont, en toch smeekt deze zuchtend haren gebieder, den zwakken mensch, dat hij voor geen prijs moge vergeten — aan te bidden. O, hoe heerlijk is het, een mensch te zijn!

Zoo deed dan inderdaad de afleiding, die de leliën gaven, den bekommerde aan iets geheel anders denken dan aan zijne bekommernis. Hij kwam er toe, om recht in te zien, hoe heerlijk het is, een mensch te z ij n. Doet nu het gewoel der wereld hem dit weer vergeten in de kwelling der vergelijkingen en der tegenstrijdigheid van het onderscheid

ocr page 66

62

tusschen den eenen mensch en den anderen, dan is dit niet de schuld der leliën. Integendeel, omdat hij de leliën vergeten heeft, werd ook datgene door hem vergeten, wat hij van haar leeren moest en dat tevens iets is, wat hij voor geen prijs mocht vergeten voor haar te doen.

Indien men de wereldsche bekommernis met een enkel woord teekenen moest, zou men dan niet moeten zeggen: zij is eene bekommernis over kleederen, eene bekommernis om uitwen-digen schijn. Vandaar dat wij, opgebeurd door de onzichtbare heerlijkheid, het hoogst verheven worden boven de wereldsche bekommernis. Deze onzichtbare heerlijkheid nu is het aanbidden, dat tevens een ^dienst is, die der lelie bewezen wordt.

Dit van de onderwijzing door de leliën, wij willen nu zien op welke wijze de bekommerde van den vogel leert, hoe heerlijk het is een mensch te z ij n.

De vogel zaait niet en maait niet en verzamelt niet in de schuren; de vogel kent geen zorg voor het voedsel. Maar is dat nu een volmaakte toestand? Is het een bewijs van volmaaktheid zonder angst te zijn in het gevaar, als men het niet kent, als men niet weet, dat het aanwezig is? Is het volmaaktheid, onbevreesd ergens in te gaan, waar men niet zien

ocr page 67

63

kan, zorgeloos voort te gaan, als men in den slaap wandelt? Neen, dan kan men het met meer recht eenen volmaakten toestand noemen, om het gevaar te kennen, het voor oogen te hebben, wakende te zijn, m. a. w. zorgen te kunnen hebben, — om dan namelijk de vreeze te overwinnen en haar door geloof en vertrouwen te verdrijven. Want in de onbezorgdheid des ge-loofs is men in waarheid zonder zorg voor het levensonderhoud. Deze onbezorgdheid des geloofs is een zweven in hoogere beteekenis, waarvan de lichte vlucht des vogels het schoone, hoewel nog onvolkomene zinnebeeld is. Daarom spreken wij ook van het zich verheffen op de vleugelen des geloofs, en deze vleugelslag in hoogeren zin is het volmaakte, de vleugelslag des vogels slechts eene zwakke afbeelding. Ja zelfs de steilste vlucht van den stoutsten vogel schijnt slechts eene aan het aardsche en tijdelijke eigene matheid te wezen, in vergelijking met het hooge, rustige zweven des geloofs; het eerste komt ons voor als ware het een langzaam zinken, als wij zien, hoe licht het geloof ten hemel stijgt.

Dit willen wij nader beschouwen. Waarom heeft de vogel geen zorg voor zijn voedsel? Omdat hij slechts bij het oogenblik leeft, omdat dus in den vogel niets eeuwigs is. — Maar is dat nu wel

ocr page 68

64

volmaaktheid? Of waardoor wordt het mogelijk, zorg voor het voedsel te hebben? Daardoor, dat het eeuwige en het tijdelijke elkander raken in één bewustzijn, of juister nog daardoor, dat de mensch bewustzijn heeft. Met dit bewustzijn reikt hij ver, ver over het tegenwoordig oogen-blik heen; zoo ver kan geen vogel vliegen. En juist daardoor wordt de mensch opmerkzaam op het gevaar, dat de vogel niet beseft. Voor hem, wien de eeuwigheid zich ontdekte, ontsluit zich ook de dag van morgen. Door dat bewustzijn ziet hij eene wereld, die de vogel, hoe ver hij ook gevlogen heeft, niet kent, het toekomstige. En als dit toekomstige door het bewustzijn wordt teruggetrokken in het tegenwoordige, dan wordt die bekommernis gezien, die de vogel niet kent. Hoe ver hij ook wegvloog en van waar hij ook terugkeerde, hij vloog nooit tot aan de toekomst en keerde nooit van daar terug.

Daar nu de mensch bewustzijn is, zoo is hij eene plaats, waar het eeuwige en het tijdelijke elkaar voortdurend raken. Dit zamentreffen in het menschelijk bewustzijn kan op meer dan eene wijze pijnlijk zijn. Een van die aanrakingen, die den mensch bijzonder aandoet, is de zorg voor het levensonderhoud. Het is waar, de afstand tusschen haar en het eeuwige schijnt

ocr page 69

wel oneindig groot te wezen. Bij haar is er geen sprake van, om den ledigen tijd aan te vullen met de eeno of andere schoone daad, of grootsche gedachte, of verheffende gevoelsaandoening als in uren, waarvan men zegt, dat zij doorleefd worden voor de eeuwigheid. Ach neen, hier komt slechts ter sprake dat armzalig werken in uren, die in den vollen zin des woords voor het tijdelijke doorleefd worden, dat armzalig werken om de middelen te verschaffen voor het tijdelijk bestaan. Maar toch is de toestand, dat men zorgen kan hebben, iets voortreffelijks en niets anders dan de openbaring der vernedering des menschen tot zijne verhooging. Want zoo hoog als God verhoogt, zoo diep buigt hij ook neder en alzoo beteek ent diep neergebogen zijn ook hoog verhoogd zijn. Heeft nu God den mensch hoog verheven boven de vogelen door de eeuwigheid in zijn bewustzijn neer te leggen, zoo stelt hij hem ook weder om zoo te zeggen, onder de vogelen, door zijn bekend zijn met zorgen, met die aard-sche, nietige zorgen, die de vogel niet kent. O, hoe voornaam staat het, dat de vogel geen zorgen kent voor zijn voedsel — en toch hoeveel voortreffelijker is het, ze te kunnen hebben!

Als dus de mensch ook van den vogel leeren en hem zijn leermeester noemen kan, zoo kan

5

ocr page 70

66

dit toch niet bedoeld zijn in den hoogsten zin van het woord. Gelijk een vogel zonder zorg is voor het voedsel, zoo is toch een kind het ook. En wie wilde nu nooit leeren van een kind! Als de ingebeelde of werkelijke nood eenen mensch mismoedig, ontstemd, gedrukt maakt, dan zal hij zich gaarne zachter laten stemmen, gaarne leeren van een kind, gaarne het kind in zijnen stillen, dankbaren aard zijn leermeester noemen. Maar, als nu het kind het woord wilde opnemen om hem toe te spreken tot onderrichting, dan zou de volwassene wel vriendelijk zeggen; „Neen, mijn kind, dat is nu iets, waarvan gij geen verstand hebt.quot; En als het kind dan niet zweeg, dan zou de volwassene zeggen, dat het geen gehoorzaam kind was; misschien zou hij zelfs niet aarzelen den leermeester — een klap te geven en dat met recht. In ernst is dus de volwassene de leermeester van het kind en zoo kon men slechts in schertsenden ernst het kind den leermeester des volwassenen noemen. Dan is het ook een hoogere, der volmaaktheid meer nabijkomende toestand zorg voor het onderhoud te kunnen hebben en de mensch dus verreweg de meerdere, hoe gaarne hij ook volgens de aanwijzing-van den tekst van den vogel leert en in stille, dankbare stemming hem zijn leermeester noemt.

ocr page 71

67

De vogel, die zonder zorg voor het voedsel is, is daarin dus niet het voorbeeld des menschen en toch gaat de mensch, juist omdat hij die zorg kan hebben, zijn voorbeeld verre te boven. De mensch mag dan ook nooit vergeten, dat hij, die hem tot zijne eerste kinderlijke onderwijzing naaide vogelen verwees, in der waarheid en in ernst het eigenlijke voorbeeld is, dat juist hij het ware, het wezenlijke voorbeeld is van menschelijke volmaaktheid. Want als daar gezegd wordt: „De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des menschen heeft niet, waar hij het hoofd nederlegge,quot; dan spreekt de Heer van een toestand, die hulpbehoevender is, dan die des vogels, en kent dien als zijnen eigenen. Maar waarom wordt dan toch altijd van de zorg voor het onderhoud in eenen geest gesproken, alsof de vrouw gelukkiger is dan de man, omdat het in de eerste plaats hem aangaat voor het inkomen te zorgen; alsof de gevangene gelukkig is, omdat hij door den Staat wordt onderhouden; alsof gelukkig is, wie als het ware slapende rijk wordt en hij de gelukkigste, die door zijn rijkdom, naar het schijnt, er van verstoken is, om den Godmensch in zijne armoede zijn voorbeeld te noemen ?

Maar daarbuiten bij de vogelen kan de bekom-

ocr page 72

68

merde zoo niet spreken; hij ziet naar den vogel en vergeet de ingebeelde bekommernis geheel, zelfs den werkelijken nood vergeet hij voor een oogenblik, hij wordt zachter gestemd, hij wordt opgebeurd. Maar als de vogel zich nu aanmatigde een terechtwijzend woord te zeggen, dan zou de mensch antwoorden: „Dat is iets, mijn kleine vriend, waarvan gij geen verstand hebt,quot; d. w. z. de mensch zou zich bewust worden, dat het iets volmaakts bij hem is, zorgen voor het onderhoud te kunnen hebben.

De vogel zaait niet en maait niet en verzamelt niet in de schuur, dat betee-kent: de vogel arbeidt niet. Maar is het dan een volmaakte toestand niet te arbeiden? Is dat het ware den tijd van den dag weg te rooven op dezelfde wijze, als de slaap den tijd van den nacht wegsteelt? Want wel ontwaakt de vogel tijdig tot zijn gezang en toch, als hij heeft uitgeslapen, ontwaakt hij eigenlijk oin te droomen; zelfs zijn schoonste gezang is niets anders dan het droomen van eene ongelukkige liefde, en zoo verslaapt en verdroomt hij zijn geheele leven. Maar is dat nu zoo voortreffelijk? Is het een bewijs van volmaaktheid bij het kind, dat het speelt en moede wordt — gelijk de werkman van zijnen arbeid, — en dan slaapt en weder

ocr page 73

69

speelt? Het staat lief bij een kind; ach, wie zou niet gaarne van een kind leeren! En als de volwassene somtijds zijn werk wel doet, maar niet blijde, veeleer verdrietig daarbij wordt, o, daar zal hij zich gaarne door het kind zachter laten stemmen, zal gaarne van hem leeren, gaarne het kind in zijnen stillen dankbaren aard zijnen leermeester noemen. Maar hij zon zich niet bedenken, als het noodig was, den leermeester — terecht te zetten, en de volwassene zou recht daartoe hebben. Daar men dus in ernst den volwassene als den leermeester van het kind beschouwt, zoo kan slechts in schertsenden ernst het kind de leermeester van den volwassene genoemd worden.

De vogel arbeidt niet, zijn leven is niets-doen. Is dat nu wel zijne volmaaktheid? Dan is het zeker ook eene onvolmaaktheid bij God, dat Hij werkt, werkt tot nu toe? Is dat volmaaktheid van den vogel, dat hij in moeielijke tijden neder-zit en niets weet te doen en van honger sterft ? In andere gevallen oordeelen wij zoo niet.

Als een zeeman zich in zijne boot nederlegt en haar overgeeft aan het ruwe weder en verder niets weet te doen, dan spreken wij niet van zijne voortreffelijkheid; maar als de koene zeeman het roer weet te hanteeren, als hij met overleg, met kracht, met volharding storm en onweder

ocr page 74

70

bekampt en zich aan het gevaar ontworstelt, dan bewonderen wij hem. Als wij laat op den morgen eenen, die zooeven eerst opgestaan is, onbehagelijk en hongerig zien wachten, of hij niet toevallig zijn voedsel vinden zal, zullen wij dat prijzen? Maar als wij des morgens vroeg den wakkeren arbeider zien, of als wij hem niet zien, toch vroeg op den morgen zien, dat hij reeds op zijn post is geweest, dat de visscher reeds daarbuiten bij zijn net was, dat de boerenknecht de koeien heeft uitgedreven, dan prijzen wij dien visscher en dien boerenknecht. Te arbeiden is des menschen voortreffelijkheid. Daardoor dat hij werkt, gelijkt de mensch op God, die ook werkt. En als nu een mensch voor zijn onderhoud arbeidt, dan zullen wij toch niet dwaselijk zeggen, dat hij zich zelf verzorgt. Liever willen wij, juist om ons er aan te herinneren, hoe heerlijk het is, een mensch te wezen, zeggen: hij werkt met God voor zijn onderhoud. Hij werkt met God, dus is hij Gods mede arbeider. Zie, dat is de vogel niet. De vogel vindt ook voedsel, maar hij is niet Gods medearbeider. De vogel vindt het voedsel, gelijk daarbuiten op het land een bedelaar zijn onderhoud vindt; maar den knecht, die voor zijn onderhoud werkt, noemt de boer zijn medearbeider.

De vogel arbeidt niet — en toch verkrijgt hij

ocr page 75

71

zijn voedsel; is dat een bewijs van een volmaakten toestand bij den vogel? Wij zeggen toch anders, die niet werkt zal ook niet eten, en dat zegt God ook. Als God nu eene uitzondering maakt met den vogel, dan is het, omdat de arme vogel niet arbeiden kan. De arme vogel kan niet arbeiden — spreekt men zoo van iets, dat voortreffelijk is? Neen voortreffelijk is het, te arbeiden. Het is niet, gelijk men het op jammerlijke wijze voorstelt, eene harde noodzakelijkheid om te moeten werken voor zijn brood. O neen, tot een volmaakten toestand behoort ook dit, dat men niet zijn gansche leven lang kind is en niet altijd ouders heeft om voor ons te zorgen, zoowel bij hun leven, als nog na hunnen dood. De harde noodzakelijkheid, die intusschen juist de voortreffelijkheid van den mensch aanduidt, is er slechts om hem te dwingen, die niet uit vrije beweging verstaan wil, dat arbeiden iets voortreffelijks is, en daarom niet welgemoed aan den arbeid gaan wil. Ook dan, als die dusgenaamde harde noodzakelijkheid er niet was, zou het toch een gebrek zijn, als een mensch den arbeid naliet.

Men zegt weieens betreffende de ridderorden, die een koning uitdeelt, dat sommigen vereerd worden door het eereteeken, dat zij dragen, maar anderen

ocr page 76

72

omdat zij het dragen, het eereteeken adelen. Laat ons een grootsch voorbeeld aanvoeren, waarvan men wel zeker zeggen kan, dat het den arbeid geadeld heeft, den Apostel Paulus. Als ooit iemand voor de verkondiging des evangelies den dag tweemaal zoo lang gewenscht heeft, als ooit iemand ieder uur op zich zelve van oneindige waarde heeft weten te maken voor velen, als ooit iemand zich gemakkelijk van de gemeenten had kunnen laten onderhouden, dan zeker Paulus. Toch verkoos hij voor zijn onderhoud met zijne eigene handen te werken. Hoe nederig heeft hij God gedankt, dat hij de eer genoot gegeeseld, vervolgd, bespot te worden, hoe trotsch noemt hij, zoo nederig voor God, zijne banden eere-teekenen; zoo rekende hij het ook een eere, met eigene handen te arbeiden; eene eere, dat hij in den dienst des evangelies met de schoone schaamte als van eene vrouw, en de heilige schaamte eens Apostels kon zeggen : Ik heb geen penning verdiend door de verkondiging des woords, ik heb geen rijk huwelijk gedaan daardoor, dat ik Apostel werd: eene eere, dat hij tegenover den geringsten mensch kon zeggen: Ik ben niet ontkomen aan eenig bezwaar des levens, ik heb de eer genoten met eigene handen te werken!

Ach, als men zijne vergelijkingen opmaakt te

ocr page 77

73

midden van de wanhopige, schitterende of jammerlijke ellende der wereld, waar men evenzoomin weet wat eer, als wat volmaaktheid is; daar voert men, laf of verraderlijk, eene andere taal. Maar daarbuiten bij de vogelen, daar verstaat de bekommerde, hoe heerlijk het is, te ; arbeiden, en daardoor ook hoe heerlijk het is, een mensch te zijn. Want dit maakt toch 'het onderscheid niet of de ééne mensch werkt voor eene kroon, de ander voor zijn brood, de één om overvloed te verzamelen, de ander om zich tegen armoede te beveiligen, neen het onderscheid, waarop wij gewezen worden is dit, dat de vogel niet arbeiden kan.

Zoo werd inderdaad den bekommerde in zijne afleiding bij de vogelen iets geheel anders te bedenken gegeven dan zijne bekommernis. Hij ging zoo naar waarheid inzien, hoe h e e r 1 ij k het is te werken, hoe heerlijk het is, een mensch te zijn. Mocht hij dat nu onder het werk weer vergeten, dan zal misschien zijn vrien-lijke leermeester de vogel, toch nog wel bij hem voorbijvliegen om hem het verge tene te herinneren, als hij dan maar naar den vogel ziet.

ocr page 78

III.

Daar zorg en bekommernis, naarmate zij dieper in de ziel dringen, ook des te meer kracht aan den bekommerde instorten, zoo is het wel waarschijnlijk, dat de troostende vriend in den strijd moet te kort schieten. Het is namelijk als een strijd, die tusschen de bekommernis en den troost gevoerd wordt, die elkaar wederkeerig als vijanden aanzien — even als de ziekelijkheid en de geneesmiddelen — en die elkaar dan ook niet verdragen, ten minste niet terstond. En wie heeft het niet ervaren, welke kracht de bekommering aan den mensch kan mededeelen; hoe vernuftig en veilig hij zich weet te verschansen tegen den troost; hoe gezwind hij, wat anders geen legerhoofd verstaat, in hetzelfde oogenblik, waarin de verdedigingstroepen zijner bekommernis ontwapend werden, hen op nieuw weder tot verdediging in het gevecht weet te brengen. Wie heeft niet aanschouwd, hoe de hartstocht der bekommering den

ocr page 79

75

mensch eene kracht en onverwinbaarheid in gedachten en woorden bijzet, waarbij het den trooster zelf bijna bang wordt! Wie heeft het niet ondervonden, dat geen ander, om iemand voor zich te winnen, zoo vleiend en innemend zijne belangen kan voordragen als een bekommerde, om zich zelf en den vertrooster nog eens weder te bewijzen, dat er voor hem geen troost is! En als nu in dezen strijd tegen den troost de bekommerde de sterkere blijft, — hetzij voor den schijn uit hardnekkigheid, hetzij omdat zijn kommer waarlijk zoo groot is, — is er dan niets aan te doen? O, zeker; men beproeve dan den bekommerde eene aanleiding te geven om zich in den kommervollen toestand van eenen anderen te verplaatsen, want hij, die van anderen geen troost wil aannemen, wil dikwijls wel deelnemen in hunnen kommer. Als de bekommerde dit doet, dan vergeet hij den strijd, dien hij tegen den troost voert. Terwijl hij weemoedig met eenen anderen medelijdt, wordt ook zijn hart week. De wapenen, die hij vroeger voerde tegen den troost, worden hem ontwrongen. Geleek hij vroeger een wel verzekerde stad, nu gelijkt hij eene overwonnene vesting. Door de zorgen met een ander te deelen, vindt de bekommerde zelf troost.

Daarom voert de voorgelezen tekst den le-

ocr page 80

76

kommerde naar buiten op het veld, en hij, die zich overwinnaar achtte over allen troost zijner medemenschen, bevindt zich nu op eens in eene geheel andere omgeving.

Aanmerk het gras, „het gras des velds, dat heden is en morgen in den oven geworpen wordt.quot; Ach welk een armzalig leven, welk een nietswaardig bestaan! En, als het niet in den oven geworpen wordt, wat dan? „Dan gaat de zon op met de hitte en heeft het gras dor gemaakt en zijne bloem is afgevallen en de schoone gedaante haars aanschijns is vergaan.quot; — Zoo verwelkt het gras en niemand kent zijne plaats meer. Keen niemand, niemand kent die plaats terug, niemand vraagt er naar, en als ook iemand vroeg, het zou toch eene onmogelijkheid zijn haar te vinden. Welk een jammerlijk bestaan, zoo geheel vergeten te worden!

Aanzie den vogel! „Verkoopt men niet twee muschjes voor eenen penning?quot; Ach, een muschje heeft geen waarde, twee moeten er zijn, als een kooper daarvoor e e n e n penning geven zal. Welke verandering! Daar even nog zoo blijde, zoo ge lukkig — en nu niet eenmaal eenen penning waard! Zoo sterft de vogel! Welk een hard lot zóó te moeten sterven! En als dan met de nieuwe lente de eerste zwaluw wederkeert, dan begroeten

ocr page 81

77

allen haar met blijdschap; maar niemand weet of het dezelfde is van het vorige jaar. Niemand kent haar, dus kan ook niemand haar weder herkennen.

O, wel is er in de natuur schoonheid en jeugd en bekoorlijkheid, wel is er in haar een veelvoudig en wemelend leven en vreugde en gejubel; maar daar is ook eene diepe, ondoorgrondelijke smart, waarvan geen der schepselen daarbuiten eenig besef heeft, en juist deze omstandigheid, dat geen hunner daarvan iets beseft, stemt den mensch tot weemoed. Zóó schoon te zijn, zóó te bloeien als de lelie; zóó rond te vliegen, zóó met de geliefde zijn nest te bouwen als de vogel; zóó te leven en — zoo ellendig te sterven, is dat leven of is dat dood? Zoo vraagt men ook bij den kranke, bij wien het beslissende oogenblik der ziekte gekomen is, maar dan ziet men het gevaar voor oogen en ziet het met huivering. In de natuur daarentegen, waar alles zoo vriendelijk ons tegenlacht en zoo zonder gevaar schijnt te zijn — vanwaar komt hier toch de bange vraag: „Is het leven of dood?quot; En toch is het leven der natuur altijd in deze spanning. Is het leven, dat, eeuwig jong, zich zelf telkens vernieuwt — of is het vergankelijkheid, die zich listig verbergt, om niet voor datgene herkend te worden, wat zij is? Ja de

ocr page 82

78

bekoorlijkheid der lelie, de onbezorgdheid des vogels zijn slechts maskers der vergankelijkheid, die in het verborgen haren roof zoekt te grijpen. Want het leven in de natuur is kort, zangrijk, bloeiend, maar ieder oogenblik een prooi des doods.

Bij deze beschouwingen verzinkt de bekommerde in weemoed; het wordt hem duister voor de oogen; de schoonheid der natuur verbleekt; de zang der vogelen verstomt tot eene stilheid als van liet graf; de vergankelijkheid dreigt alles te verslinden; en toch kan hij den vogel en de lelie niet vergeten, ja het is, als wilde hij hen door zijn denken aan hen van den dood redden, die ieder oogenblik dreigt. Juist daarin ligt het weemoedige. Of wat is aangrijpender, de ernstige vermaning van den dood of de klacht van den weemoed, die er ligt in de woorden: „Is het leven of dood?quot; De dood spreekt het ontzettende woord: „het is voorbij!quot; — maar aangrijpender is de angstige vraag van den weemoed: „Is dat leven of is het dood?quot; De verschijning des doods — dien bleeken man met zijne zeis — is vreeselijk, maar aangrijpender is het, als de dood zich als de lelie met schoonheid bekleedt. Bij zulke weemoedige overwegingen wordt de bekommerde zwak als eene vrouw, weerloos als

ocr page 83

79

eene overwonnene vesting en — de troost vindt ingang.

Laat ons nu zien, hoe den bekommerde, door de weemoedige beschouwing van de lelie en van den vogel, werkelijk iets anders te denken gegeven wordt dan zijne bekommernis; laat ons zien hoe hij gedrongen wordt om recht te bedenken,

welke zaligheid den mensch beloofd is!

„Niemand kan twee heer en dienen: want of hij zal den eenen haten en den anderen liefhebben, of hij zal den e e n e n aanhangen en den anderen verachten; gij kunt niet God dienen en den Mammon.quot;

Is dat ook een woord uit het Evangelie? Zeker, zoo begint de voorgelezene tekst van de leliën des velds en de vogelen des hemels. Maar richten deze woorden zich dan tot den bekommerde? Zeker, tot een bekommerde, wien een hoogere waarde wordt toegekend; juist daarom zijn deze woorden zoo streng. Hoe strenger de zielzorger den bekommerde toespreekt en hoe meer hij van hem komt vorderen, des te hooger schat hij hem. Strengheid van vordering veronderstelt erkenning van waarde. Is het niet zoo? Als een arts ziet.

ocr page 84

80

dat het met een kranke afloopt, dan kan men het terstond aan zijn wijze van spreken bemerken; hij spreekt er zoo overheen, ontwijkend, of mompelt maar iets. Als de arts daarentegen ziet, dat er nog veel kan worden aangewend, dat in liet bijzonder de kranke zelf er veel toe bijbrengen kan, dan spreekt hij streng. Strengheid is dus juist erkenning van waarde. Het is daarom volstrekt niet dwaas, als een mensch, in plaats van om zachtheid te vragen, zegt; „o, spreek toch hard tegen mij!quot; En zijn niet de strenge woorden van den tekst te vergelijken met die van een ernstig vader, die tot zijn kind zegt: „Ik wil geen klachten hooren!quot;? Is de ernstige vader daarom zonder deelneming voor de bekommernis van zijn kind? In het geheel niet; hij wil juist, dat de bekommernis de rechte zijn zal, maar hij is als een verterend vuur tegen de dwaze bekommernis. Van de leliën en de vogelen kan op velerlei wijze gesproken worden; aandoenlijk, vleijend, gevoelig, dichterlijk. Als echter het Evangelie ambtshalve spreekt, dan spreekt het met den ernst der eeuwigheid, dan is het geen tijd meer om droomend de lelie aan te staren of vol verlangen den vogel na te zien. Eene korte leerrijke heenwijzing naar lelie en vogel en dan, dan terstond de ernstige eisch der

ocr page 85

81

eeuwigheid. En gelijk de goddelijke afleiding den bekommerde iets anders te denken gaf, zoo doet ook de strenge toespraak van den ernst der eeuwigheid hem in ernst en in der waarheid aan iets anders denken dan aan zijne bekommernis.

Niemand kan twee heeren dienen. Hier kan geene onzekerheid zijn, welke twee hier zijn bedoeld. Daarom wordt de bekommerde naar buiten gebracht op het veld; waar er geen sprake zijn kan van eenige verhouding tot eenigmensch, als b. v. om eenen heerscher als onderhoorige te dienen of eenen wijze als leerling, maar slechts van dit eene. God te dienen of de wereld.

De natuur dient geen twee heeren, bij haar geen aarzeling noch twijfel. De arme vogel des hemels, de bekoorlijke lelie des velds dienen geen twee heeren. Dient de lelie God ook al niet in den eigenlijken zin, zoo dient zij toch uitsluitend tot verheerlijking Gods. Zij spint niet, zij arbeidt niet, zij wil voor zich zelf niets zijn, noch hebben. Dient de vogel God ook al niet in den eigenlijken zin, zoo bestaat hij toch slechts tot verheerlijking Gods, hij zingt tot Zijnen lof en verlangt zelf niets te wezen. Zoo is het met alles in de natuur. Dat is hare volmaaktheid, — maar ook hare onvolmaaktheid; want daardoor is er bij haar geene vrijheid. De lelie staat in het vrije veld,

6

ocr page 86

82

de vogel vliegt onder den vrijen hemel, toch zijn zij gebonden door de noodwendigheid en hebben niet te kiezen.

Of hij zal den een en haten en den anderen liefhebben, of hij zal den eenen aanhangen en den anderen verachten; dus liefde tot God is haat tegen de wereld, liefde tot de wereld is haat tegen God. Of liefhebben, of haten — dat is het, waarom het gaat; hierover wordt de gevaarlijkste strijd gestreden, die er in de wereld is. En waar is de plaats van dezen strijd? In het hart des menschen. Als nu een mensch in zijn binnenste dezen strijd gevoelt, dan zoekt hij er misschien afleiding in, om het razen der elementen en den strijd der natuur aan te zien, omdat hij gevoelt, dat deze strijd slechts een spel is, daar het toch om het even blijft, of bij voorbeeld de storm overwint of de zee. Ja waarom bestrijden toch de storm en de zee elkander, en waarover strijden zij? Dat vragen wij niet bij den gevaarlijken strijd in het hart des menschen; hier wordt om het hoogste gestreden, om het even of datgene, wat de mensch in zijn verblinding boven God gaat stellen, millioenen zijn, of slechts ééne penning. Is het maar één penning, dan schijnt het alsof men streed om niets, en toch staat het hoogste op het

ocr page 87

83

spel, alles is ingezet. Of is het niet even krenkend voor een meisje, als haar geliefde een millioen gulden boven haar bezit stelt, als dat hij haar om eenen penning prijs geeft.

De gedachte aan het ontzettende en gevaarlijke van dezen strijd heeft dus nu die eerste weemoedige beschouwingen teruggedrongen, zoodat wij er nu toe kunnen overgaan, om dat heerlijke voorrecht des menschen te beschouwen, dat hem eene vr ij e keuze vergund is. quot;Welk eene zaligheid is daardoor niet aan hem beloofd, die goed kiest!

Vrije keuze, — weet gij, M. H., in twee woorden iets heerlijkers te noemen dan vrije keuze? Zeker, het zalige daarvan ligt alleen hierin, dat men goed kiest; maar de keuze zelve is toch de heerlijke voorwaarde tot deze zaligheid. Wat kwelt een meisje zich om de optelling van alle voortreffelijke eigenschappen van haren aanstaanden man, als zij niet vrij mocht kiezen. En in het tegenovergesteld geval weet zij, als anderen de veelvoudige deugden van den geliefde prijzen of zijne vele fouten optellen, geen heerlijker antwoord te geven dan dit; „hij is de vrije keus van mijn hart!quot; Vrije keuze, ja dat is een heerlijk kleinood, doch niet bestemd om begraven of weggesloten te worden; want het is beter geene

ocr page 88

84

keuze te hebben, dan de vrijheid om te kiezen ongebruikt te laten. Zij wordt dan een strik, waarin hij zich zeiven vangt, die niet vrij werd door het kiezen. Vrije keuze is een onverlies-baar goed, maar dat, als gij het niet gebruikt, u ten vloek wordt. Bij deze keuze gaat het niet over het kiezen tusschen rood en groen, zilver en goud; neen hier betreft het de keuze tusschen God en de wereld. Kunt gij bij eenige keuze iets grooters naast elkander plaatsen. Kent gij een meer overweldigende en tevens teedere betooning van Gods toegeeflijkheid en inschikkelijkheid tegenover den mensch, dan dat Hij zich in zekeren zin naast de wereld plaatst, om aan den mensch toch maar de gelegenheid te geven om te k i e z e n. Hoe onbeteekenend is iedere andere keuze, zelfs die van het meisje tusschen hare minnaren, in vergelijking met deze keuze tusschen God en de wereld! Maar is het inderdaad wel eene v r ij e keuze? Of kleeft haar niet veeleer dit als een gebrek aan, dat de mensch bij de keuze, waarvan hier sprake is, niet alleen kiezen kan, maar dat hij ook kiezen moet?

Zou het niet zeer heilzaam zijn voor een jong maisje, als het een ernstigen vader had, die tot haar zeide: „Mijn kind, gij hebt uwe vrijheid, gij kunt zelf kiezen, maar gij moet ook zelf

ocr page 89

kiezen?quot; Zou het haar dan heilzaam blijven, als zij vrije keus had maar door haar preutschheid nooit tot eene keuze kon komen? Neen, de mensch moet kiezen; dit te vorderen is God aan zich zelf en aan zijne eere verschuldigd, terwijl Hij daarin tegelijkertijd zijne vaderlijke bezorgdheid voor den mensch betoont. Heeft God zich daartoe vernederd, dat Hij gekozen kan worden, dan moet de mensch ook kiezen, — God laat zich niet bespotten. Daarom staat de zaak zoo, dat, als een mensch het doen een er keuze nalaat, dit geheel hetzelfde is, alsof hij in zijne vermetelheid de wereld koos.

De mensch moet kiezen tusschen God en den Mammon. Dat is de onveranderlijk vaststaande voorwaarde der keuze; daarvan is geen uitzondeling; neen, in alle eeuwigheid niet. Niemand mag zeggen: „God en Mammon staan niet onvoorwaardelijk tegen elkander over, men kan bij de keuze beiden vereenigen,quot; — want dat wil zeggen, het kiezen nalaten. Als er een keus tusschen twee moet gedaan worden, beiden te willen kiezen, dat beteekent juist hetzelfde, als zich aan de keus tot zijn eigen verderf onttrekken. Niemand mag zeggen: „Men kan een weinig Mammon en God tegelijk kiezen.quot; Neen. o neen, het is vermetele Godslaste-

ocr page 90

86

ring om te denken, dat alleen hij, die veel geld kiest, den Mammon kiest. Ja waarlijk, wie ook maar éénen penning begeert te bezitten zonder God, wie ook maar éénen penning voor zich zelf hebben wil, die kiest den Mammon. Eén penning is genoeg; de keuze is geschied; hij heeft den Mammon gekozen; of het weinig is, dat beteekent niets. Als iemand een meisj e versmaadt en een ander kiest, en dit andere in geene vergelijking kan komen met het eerste, blijft dan toch niet het feit bestaan, dat hij het eerste verworpen heeft? Als iemand voor het geld, waarvoor hij het kostbaarste had kunnen koopen, zich beuzel ingen en kinderspeelgoed koopt, blijft dan toch niet het feit bestaan, dat hij versmaad heeft het kostbaarste te koopen? Is het dan eene verontschuldiging voor hem, dat hij toch iets gekocht heeft, dat nietig en waardeloos was? Als iemand dit niet verstaat, dan is het omdat hij niet verstaan wil, dat God in het oogenblik der keuze ter plaatse is, niet om bezichtigd, maar om gekozen te worden.

Het is daarom eene bedriegelijke taal, als iemand zegt. God is zoo verheven, dat hij zich niet neder-buigen kan, om gekozen te worden; want dan is de keuze afgeschaft. En als de keuze is afgeschaft, omdat God niet ter plaatse is als een voorwerp

ocr page 91

87

der keuze, dan behoeft ook de Mammon niet eerst gekozen te worden. Juist omdat God aanwezig is bij de keuze, wordt het kiezen mogelijk tus-schen God en den Mammon. En waar God aanwezig is om gekozen te worden, daar verkrijgt de beslissing der keuze den ernst der eeuwigheid. Want, dat wordt nooit vergeten, wat den mensch hierin werd vergund, en evenmin hoe hij koos. Dus is dat zeggen, dat de hoogheid Gods hem in den weg staat om zich te laten kiezen. Godslastering, die op eene hoffelijke wijze God zoekt ter zijde te schuiven, en die in plaats van ootmoedig en dankbaar aantenemen, wat God aanbiedt, zeer voornaam eene kennis wil voorwenden van de zwarigheden, die, om zoo te zeggen, met het God-zijn verbonden moeten wezen. God een doornenkroon op het hoofd te zetten en hem te spuwen in het aangezicht is Godslastering ; maar Hem zoo verheven te maken, dat Zijne tegenwoordigheid eene ij dele inbeelding wordt, dat is ook Godslastering.

Dus de mensch moet kiezen. Het is een gevaarlijke strijd in het binnenste des menschen, als hij kiezen moet tusschen God en de wereld. Maar dit gevaar is juist de heerlijke voorwaarde der keuze. En welke is dan nu de zaligheid, welke hem beloofd werd, die g o e d kiest, of, wat het-

ocr page 92

88

zelfde is, wat moet de mensch kiezen? Hij moet het koningrijk Gods kiezen en zijne gerechtigheid. Daarvoor moet hij alles opgeven, om het even, of dit „allesquot; millioenen zijn, of maar één penning. Want ook wie éénen penning kiest in plaats van God, kiest den Mammon. Slechts als een mensch, of hij al arbeidt en spint, toch geheel wordt als de lelie, die niet arbeidt en spint; slechts als een mensch, of hij al zaait en maait en verzamelt in de schuur, toch geheel wordt als de vogel, die niet zaait noch maait, noch verzamelt in de schuur, slechts dan dient hij den Mammon niet.

Zoekt eerst het koningrijk Gods en z ij n e gerechtigheid, en deze dingen zullen u toegeworpen worden. Het k o n i n g r ij k Gods, dat is dus de naam voor de zaligheid, die den mensch beloofd is. Voor dezen naam en zijne heerlijkheid verbleekt en verdwijnt alle schoonheid en alle vrede der natuur. Terwijl de weemoed, door smart neergebogen, de vergankelijkheid der natuur aanschouwt, ziet het oog des geloofs met vertrouwen op de onzichtbare heerlijkheid.

„Zoekt eerst het koningrijk Gods — dat boven is.quot; De vogel zoekt niet; hoe ver hij vliegt, hij zoekt niet, hij wordt getrokken en ge-

ocr page 93

89

dreven; zijn langste vlucht is een trek. Maar hij, in wiens ziel het eeuwige woont, hij zoekt en tracht. Als hij niet bedrogen wordt door de wereld van den schijn, zooals hij, die de schaduw in plaats van de gestalte omhelst; als hij niet bedrogen wordt door den tijd, zooals hij, die bestendig op een „morgenquot; wacht; als hij niet bedrogen wordt door vergankelijke genietingen, zooals hij, die zich onderweg ophoudt; als dit niet geschiedt, dan kan de wereld zijn verlangen niet bevredigen, maar hem slechts helpen en voortdrijven om te blijven te zoeken naar den Eeuwige, naar het koningrijk Gods, dat boven in den hemel is. Zoo hoog kwam de vogel nimmer; hoe hoog hij ook vliegen mag, hij vliegt toch altijd onder den hemel.

Zoekt eerst het koningrijk Gods, — dat binnen in u is. De bloem zoekt naar niets; zal zij iets erlangen, dan moet het tot haar komen; zij wacht, en doet dat zelfs zonder te verlangen. Maar wien de wereld van den schijn niet bedroog door verblinding, wien de tijd niet in slaap wiegde door zijne eentoonigheid, wien de vergankelijke genietingen niet bedrogen door de betoo vering — hem bevredigt de wereld niet. Zij kan niet anders dan hem helpen, omdat zij hem onder pijnlijke ervaringen wakende en wachtende houdt om te

ocr page 94

90

zoeken naar den Eeuwige, naar het koningrijk Gods, dat binnen in den mensch is. Zulk eene onzichtbare heerlijkheid kent de bloem niet. Zij moet terstond verraden, al wat zij bezit. Vlug verbreekt de knop het geheim en zij verraadt de inwendige heerlijkheid, die dan ook spoedig voorbij is.

„Zoekt eerst het koningrijk Godsquot;. Dat is de volgorde, die gevorderd wordt, maar in werkelijkheid is het omgekeerd. quot;Wat het eerst zich voor den mensch stelt, is juist het zichtbare en vergankelijke, dat hem verzoekt en aanlokt, ja bijwijlen zoo boeit, dat hij eerst het laatst of misschien ook nooit naar het koningrijk Gods gaat zoeken. De rechte aanvang is, eerst te zoeken naar het koningrijk Gods en die begint er dus mede om de zichtbare wereld te laten ondergaan. O, moeielijke aanvang! Wij weten niet bepaald aan te geven, hoe het aardsche leven van een mensch begint; ongemerkt is het aangevangen, en de mensch zelf is aan de moeie-lijkheid van den aanvang ontheven. Maar het leven voor de eeuwigheid begint met eerst te zoeken naar het Koningrijk Gods. Daarbij is er geen tijd om vooraf rijkdom te verzamelen of ook maar één penning te sparen; want de aanvang is, eerst zoeken naar het koningrijk

ocr page 95

91

Gods. Als een mensch iets is opgedragen, waarvan hij weet, dat het iederen morgen eerst moet gedaan worden, dan weet hij ook, dat hij er niet aan kan denken, iets anders vooruit te doen. Hij weet, dat, zelfs als hij het voorgeschre-vene op eenen anderen tijd van den dag verrichtte, dit onverstandig zou wezen, want het moet eerst gedaan worden. En van zulk eene aardsche handeling zou het nog mogelijk wezen, dat deze ook op een anderen tijd van den dag verricht werd; maar wat het zoeken naar het koningrijk Gods aangaat, dit moet eerst geschieden. Dit is onwedersprekelijk de eenige wijze, waarop zich dit werk laat verrichten. Wie ge-looven mocht het op een anderen tijd, op een ander uur te kunnen doen, bij hem is het nog niet tot een aanvang gekomen, dio immers bestaat in het eerst daarnaar zoeken. Wie niet eerst daarnaar zoekt, zoekt in het geheel niet naar het koningrijk Gods, overschillig, volmaakt onverschillig of hij heengaat en zoekt naar één penning of naar millioenen.

„Het koningrijk Gods en Zijne gerechtigheidquot;; door de laatste uitdrukking wordt de eerste verklaard, want het koningrijk Gods is rechtvaardigheid en vrede en b 1 ij dschap, dooiden Heiligen Geestquot;. Hier kan er dus geen

ocr page 96

92

sprake van wezen om op ontdekking uit te gaan, om het koningrijk Gods te vinden, want dat rijk is gerechtigheid. Maar wat is dan gerechtigheid? Dat is, eerst te zoeken naar het koningrijk Gods. Gerechtigheid bestaat niet in buitengewone eigenschappen; want juist daarover zal Gerechtigheid u rekenschap vragen, als zij over u ten gerichte zit; evenmin bestaat zij in aardsche onbeduidendheid, want geen mensch is zoo nietig, dat hij geen onrecht kan doen: evenmin bestaat zij in macht en geweld, want geen mensch staat zoo hoog, dat hij hooger zou kunnen staan dan de gerechtigheid, dat hij de kroon zou moeten nederleggen om gerechtigheid te kunnen oefenen. Gerechtigheid is eerst te zoeken naar het koningrijk Gods.

Als gij nu recht en billijkheid jegens de men-schen oefent, maar God vergeet; oefent gij dan gerechtigheid? Is hij, die op zulk eene wijze gerechtigheid oefent, niet gelijk aan een dief, die recht en billijkheid oefent met het geld, dat hij gestolen heeft? God vergeten, wil dat niet zooveel zeggen als, uw geheele zijn stelen? Maalais gij eerst, vóór alles wat gij verder doet, het koningrijk Gods zoekt, dan zult gij geene ongerechtigheid jegens een mensch oefenen en gij zult ook God niet vergeten; want hoe zou men kun-

ocr page 97

93

nen vergeten, wat onophoudelijk het eerste is, waarnaar men zoekt!

Als nu een mensch eerst zoekt naar het koningrijk Gods, dan „zullen alle deze dingen hem toegeworpen wordenquot;. Het wordt hem toegeworpen. Daar is maar één ding waarnaar men zoeken zal, het koningrijk Gods. Noch naar de duizenden van den rijkdom noch naar den penning der armoede zult gij zoeken; alle deze dingen worden u toegeworpen.

Alle deze dingen. — O, welke zaligheid moet het koningrijk Gods niet in zich besluiten! Neem alles, wat de vogel en de lelie heeft, alles wat de natuur aan kracht en heerlijkheid bezit, denk u dat alles te zamen, en gij hebt, hetgeen besloten is in het woord „alle deze dingen.quot; Zoo hoog moet dus het rijk Gods staan in onze schatting, dat men met het oog daarop over al het andere spreken kan op eene wijze, die onze geringschatting daarvan uitdrukt en hoeverre men daarboven verheven is. O, welk eene zaligheid moet het koningrijk Gods niet in zich bevatten!

Zoo werd inderdaad den bekommerde in zijnen weemoed bij de lelie en den vogel iets anders te bedenken gegeven, dan zijne bekommernis. Hij leerde inzien, welke zaligheid den mensch

ocr page 98

94

beloofd is. Al mag de lelie verwelken, en hare schoonheid verhleeken, al mag het blad ter aarde vallen en de vogel wegvliegen, al mag het donker worden op ons pad; het koningrijk Gods wisselt niet met de wenteling der jaren. „Alle dingen,quot; die de mensch op aarde het zijne noemt, mogen lang of kort in gebruik zijn, rijkelijk of bekrompen zijn toebedeeld, hun oogenblik hebben, waarin zij ontbeerd of genoten worden, hun oogenblik, waarin men over hen spreekt, totdat zij in den dood voor eeuwig vergeten worden; Gods rijk is toch datgene, wat eerst gezocht moet worden maar ook blijft tot in alle eeuwigheid; en als nu reeds wat vergaan moet, zoo heerlijk is, dan moet datgene, wat blijft, nog veel heerlijker zijn.

ocr page 99

Bij den uitgever dezes is mede verschenen:

S. KIERKEGAAED. Wees gewaarschuwd! Vertaald door

Dr. A. J. Th. Jonker. In linnen band /'1,25.

OTTO FÜNOKE. Uit mijn levensboek. Prijs: (»0 cents,

gebonden 90 cents.

NICOLAAS BEETS. Paiilns in de gewichtigste oogen-bllkken van zijn leven en werkzaamheid, éde druk. Prijs: /1,60: gebonden ƒ1,90.

EUCHARIÜS KüNDIG. Ervaringen aan ziek- en sterfbedden, naar de zesde uitgave voor Nederland bewerkt onder toeziebt van Dr. F. van Gheel Gildemeester. Prijs: /1,80; gebonden in linnen /2,25.

PANSY. Flora Shipley en hare vriendinnen, door Dr. J. J. P. Valeton, Oud-hoogleeraar. Prijs: /1,50; gebonden /1,00.

Dr. A. J. TH. JONKER. Gedachtenis, aangeboden aan de Rotterdamscbe Gemeente. Prijs: 80 Cent, met portret/1,25. Gebonden met portret /1.60.

J. P. LANGE. Nieuwe Christen-Harptonen, nagezongen door J. J. L. ten Kate, 3de druk. Prijs: 50 ct., gebonden 90 ct. FELIX BUNGENER. Bij het lijkje van mijn kind. Drie dagen uit het leven van een vader, door Dr. W. G. Brill. Prijs: /0,75; gebonden /1,—.

G. W. VAN DER POT. Kruimeltjes. Prijs in linnen band 90 cents.

ocr page 100
ocr page 101
ocr page 102
ocr page 103
ocr page 104