VERKLARING VAN HET BOEK RUTH.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
nm 0018
VERKLARING
M.S. !JTP.i
VAN HET
1 1
BOEK RUTH,
DOOR
H. F. KOHLBRÃOGE.
In leven Predikant bij de Nederlandsch-Gereformeerde Gemeente te Elberfeld.
! BIBLIOTHEEK der j RIJKSUNIVERSITEIT [ UTRECHT
UTKECHT, H. B ü S K E S. 1 886.
Gcdrulit ter âUtrechtsche Drukkerijquot; te Utrecht â Jcruzalemsteeg.
1 Februari 1886,
SCHRIFTVERKLARING
VAN
Dr. H. F. KOIlLiBRÃGf« E.
quot;V OOK. W O O IR. 13.
âAls er geene profetie is, wordt het volk ontbloot; maar welgelukzalig is hij, die de wet bewaart.quot; (Spr. 39v. 18.)
âTot de wet en tot de getuigenis! zoo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn dat zij geen dageraad zullen hebbenquot; (Jes. 8v. 20j. Deze twee woorden uit Gods heilige getuigenis zullen eeuwig waar blijven; voor ons tegenwoordig menschengeslacht gelden zij nog evenzeer in al hun kracht als eens voor 't volk Israel. Hoe verpletterend is hun waarheid geopenbaard bij de straften die het uitverkoren volk Gods getroffen hebben voor zijn afvvyken van Gods Wet en Woord 1
Schrikkelijke oordeelen zijn er over heengegaan, als volk is het vernietigd geworden.
Eu hoe staat het nu met het volk van Nederland, dat even als Israel een volk mag heeten waaraan God zijne wonderen en weldaden op eene overvloedige wijze geschonken heeft? Houdt het vast aan Gods geboden ? Op deze vraag behoeven wij geen antwoord te geven, een ieder steke slechts de hand in den boezem ; aan alle zijden is er de lichtzinnigste overtreding, 't zij in den vorm van eigengerechtigheid , 't zij in den vorm van ruwe overtreding.
No. 1.
Dus ook ons allen zal de straf treffen, ook wij zullen ontbloot worden, zoo des Heeren genade ons niet wederom tot Zijn Woord doet terugkeeren.
Aan de geachte lezers wordt verzocht aan de verspreiding der blaadjes zooveel mogelijk te willen medewerken.
2
Dat kunnen wij niet uit ons zeiven. Hij zorgt er in zijne trouw voor dat Zijne waarheid verkondigd wordt door woord en schrift van leeraars die Hij, hen door Zijnen Geest verlichtende, uitzendt in Zijnen naam.
Eén van die getrouwe verkondigers is de zalig ontslapen Dr. H. F. Kohlbrügge geweest, die met alle kracht hem door God geschonken, Nederlands volk wederom tot Gods Wqord wilde terugbrengen door hen de gerechtigheid te prediken, die alleen voor God geldt, de gerechtigheid van Jezus Christus.
Ouder zijne nagelaten geschriften is zooveel heerlijks en troostrijks te vinden, dat eenigeo zijner vrienden meenden dien rijken schat niet te mogen terughouden, maar hem aan wijder kring bekend te moeten maken, opdat zóó de ontslapen Kohlbrügge in Gods hand nog een middel moge worden om Nederlands volk tot de oude waarheid terug te brengen.
Zij willen hiertoe gaarne, zooveel het hun mogelijk is, iedereen in de gelegenheid stellen, en hoopen daarom by genoegzame deelneming, ongeveer om de 14 dagen 1) ± 8 bladzijden druks het licht te doen zien, waarin uit de nagelaten geschriften van Kohlbrügge verklaringen van Gods Woord medegedeeld worden. Zij stellen zich dan voor jaarlijks 25 a 30 blaadjes uit te geven a 3 ct., zoodat dus de kosten niet hooger dan een gulden 's jaars zullen beloopen.
Zooveel mogelijk zullen zij trachten aan ieder blaadje een zoodanigen inhoud te geven, dat het een op zich zelf staand geheel vormt, en toch weder zoo aan het voorgaande zich aansluit, dat zij in deeltjes samen gebonden een doorloopend geheel vormen. Van dezen wensch eene wet te maken is hun onmogelijk, daar zij zich beperken moeten bij wat zij hebben.
Dat er velen gevonden mochten worden, die tot versprei-
1) Het tweede blaadje zal bij uitzondering eerst 15 Feb. van de pers komen, opdat alle boekhandelaars en particuliere abonnés tijd genoeg mochten hebben hun wenschen bij den uitgever bekend te maken.
\
3
ding dezer blaadjes willen meewerken, is hun hartewensch en hun verzoek aan allen die zich vrienden noemen van onzen schrijver.
En zoo treedt dan in de wereld, gij woord vol troost, vol vermaning en leering, moogt gij niet het licht zien om strijd te wekken en tweedracht, maar moogt gij worden een band der liefde, een troetelkind van velen, die in de verdrukking zitten.
Daartoe geve de Heere Zijnen zegen.
Bewijzen voor de waarheid van Gods Woord.
Welke bewijzen bezitten wij dat het boek,'t welk wij onder den naam Bijbel, Heilige Schrift en Woord Gods kennen, ook waarachtig Gods Woord is?
Wij hebben daarvoor de volgende zoowel innerlijke als uiterlyke bewijzen.
Ten Eerste. Het gevoel der waarheid aan Gods Woord, dat wij, wanneer wij daarin lezen, in ons hart ondervinden, 'twelk zich onwillekeurig bij ons opdringt, als de oneindige liefde, de groote wijsheid des Hee-ren. Zijne gerechtigheid en genade zich aan ons openbaren. Wij gevoelen het wel, dat dit niet door het verstand eens zondigen menschen voortgebracht is, wij voelen, dat het waarlijk Gods Woord is.
Hoe diep en onnaspeurlijk zijn toch de raadsbesluiten des Heeren, hoe volkomen zijn alle Zijne inzettingen en geboden! Welk eene oneindige wijsheid ligt er b. v. in de wetgeving op Sinaï, in die wet, welke als een voorbeeld, dat aan alle eischen
4
beantwoordt eenig daar staat, 't welk zelfs van dezulken, die niets van Gods Woord gelooven, als zoodanig moet erkend worden. De mensch met zijn zwak verstand kan de oneindige liefde, de groote wijsheid en den onnavolgbaren eenvoud, welke wij in den Bijbel vinden, niet eens vatten, hoe zou dan die Heilige Schrift uit zijn hart voortgekomen zijn!
Ten hveede is de vervulling van alle beloften die de Heere den menschen reeds in de vroegste tijden gegeven heeft, en deels dadelijk, deels eerst langen tijd daarna vervuld weerden, een zichtbaar bewijs voor de waarheid van de Heilige Schrift.
Zoo vinden wij de gansche geschiedenis van onzen Heere Jezus Christus reeds in het Oude Testament als eene belofte: Adam was de eerste, wien de Heere in Zijnen Zoon eenen Verlosser beloofde (Gen. 3), toen hem de weg ten leven door zijne ongehoorzaamheid ten eenemale ontoegankelijk was geworden. Deze profetie werd later aan Abraham, Izak en Jacob herhaald, daarna vinden wij haar aan David gegeven (2 Sam. 7), en later den Koning Achaz door den profeet Jesaja (Jes. 7 : 14.). En zoo vinden wij die verkondiging in alle boeken van Mozes en van de profeten overal terug, en in de Psalmen en Profeten wordt er in 't bijzonder op gewezen.
Buitendien vinden wij verder in de boeken van Mozes, van Samuël, der Koningen en der Kronij-ken vele voorzeggingen, wier vervulling wij reeds in het Oude Testament lezen, zooals die van de beloften, die de Heere Abraham, Izak en Jacob gaf ten opzichte van hun geslacht, dat hun zaad zoude worden als het zand aan den oever der zee , en dat God hun zaad na hen in het beloofde land
5
zou brengen, hetwelk werkelijk, zooals wij in het boek Jozua lezen, aan het volk Israels is vervuld geworden, terwijl Hebr. 11 : 9 en 10 ons te kennen geeft, welk Land zoowel voor Abraham als voor alle degenen, die na hem in den geloove sterven, daarmede bedoeld wordt.
In het eerste boek van Samuel vinden wij vooreerst de vervulling der voorzegging die door Eli aan Hanna, de huisvrouw van Elkana (Cap. 1 : 17) gegeven was, en de profetie des Heeren verkondigd door den mond van Samuel aangaande Eli en zijne zonen en later over Saul en David. In het tweede lezen wij de profetie van den profeet Nathan: âdat het zwaard niet wijken zoude van het huis Davids tot in eeuwigheidquot;, welker volkomene vervulling wij vinden in de latere geschiedenis der nakomelingen Davids.
In het eerste boek der Koningen lezen wij in het llde Kap. vers 12 en 13 dat de Heere het koninkrijk uit de hand van Salomo scheuren, en hem slechts eenen stam om Davids wille overlaten zou, zooals God Salomo wegens zijne afgoderij gedreigd had, en waarvan wij de voltrekking reeds in het 12de hoofdstuk vinden, waardoor tevens de voorspelling van Ahia aan Jerobeam vervuld werd. Het IB116 hoofdstuk bevat de merkwaardige woorden van den man Gods tegen hot altaar te Bethel, die de koning [Josia vervuld heeft (2 Kon. 23:16). In het l^6 hoofdstuk vinden wij den voorzegden dood vanJero-pcams zoon. De vervulling der bedreiging, die wij Kap. 21 : 24 over den dood van Isebel en over Ihet huis Achabs lezen , vinden wij 2 Kon. 9 : 36â37. sDe voorzegging van den dood van Ahazia, 2 Kon. P : 1, 6 en 17. In het 20ste hoofdstuk en in 't voorgaande
6
de voorzeggingen die God aan Hiskia, en in het 228te hoofdst. die de Heere aan Josia deed toekomen. In het laatste hoofdst van het tweede boek der Koningen en Kromjken wordt ons de verwoesting van Jeruzalem, de wegvoering in de Babylonische ballingschap en de weder opbouwing des tempels door Cyrus verhaald, van welke drie gebeurtenissen in de profetien zoo dikwijls sprake is.
Ten derde geeft ons de nadere beschouwing van den aard en de wijze, hoe God Zijn Woord aan ons openbaar gemaakt heeft, een vast geloof aan de waarheid der Heilige Schrift. God heeft hier, zoo als altijd, de zwakste instrumenten ter uitvoering van Zijnen wil gebruikt, om Zijne heerlijkheid met te machtiger glans te doen uitkomen. Immers de Profeeten en Apostelen zijn niet zoodanigen geweest, die bij de verspreiding hunner leer eigenbelang of een ander menschelijk doel voor oogen hadden, of ook maar een geordend, voor hunnen geest helder stelsel volgden , maar zij spraken door den Geest gedreven zooals de Heere het hun in den mond gaf.
Tot eigen uitwerking eener leer waren zij :
1°. te weinig beschaafd zooals Mattheus, Marcus en Petrus.
2°. te weinig genegen; immers Mozes en Jeremia onder anderen weigerden aanvankelijk de roeping des Heeren te volgen.
3°. zouden zij stellig eenen anderen weg gekozen hebben, indien eigenbelang hen had gedreven, want immers gedurende hun gansche leven hadden zij met vervolging, angst en nood te strijden; ook waren zij waarlijk geen geestdrijvers, die met fanatischen ijver hunne leer door alles heen, zonder te letten op de vastgestelde ordeningen Gods, verdedigden,
r
maar zij bleven in den stand, waarin zij door God geplaatst waren, en verlieten dien niet eerder tot God hen, door de verandering der omstandigheden van het raaatsohappelijk leven, daarheen bracht, waar Hij ze hebben wilde, en ze zoo, al was het ook tegen eigen beter weten, als het ware dwong Zijnen wil te volbrengen, zooals Hij dan ook daarvoor steeds middelen gebruikt, die den gewonen loop der omstandigheden niet te buiten gaan.
De mensch was slechts het werktuig, dat geheel en al geleid werd door de hand des Meesters niet wetende waar het heenging, of waar het op uitliep. Want Gods wegen zijn immers niet onze wegen en onze gedachten niet Zijne gedachten. Zooverstonden ook de Apostelen in het geheel niet wat Jezus hun zeide, en steeds waren zij verbaasd, wanneer Zijne voorspellingen vervuld werden.
Het verschil van meening der Apostelen, na het heengaan van hunnen Meester, over de besnijdenis en het vasthouden aan Joodsche gebruiken en inzettingen, bewijzen ons dat velen hunner ook toen nog niet den ganschen omvang der leer, die zij verbreidden, begrepen, en zich over deze zoolang bestaande gebruiken niet konden heen zetten; zoo konden de meesten het vrije, doortastende optreden van den Apostel Paulus in don beginne niet goedkeuren; en zoo lezen wij (Hand. 21), hoe zij hem trachtten te bewegen op de Joodsche, door Mozes gegeven inzettingen meer acht te geven, en hoe Paulus aanstonds dezer vermaning gehoor gaf, omdat zulks niet IJ tegen zijn geweten streed; verder lezen wij hoe Petrus eerst door het gezicht, waarin de Heere hem toonde, âdat voor Hem geen aanzien des persoons bestaat,quot; zich er toe brengen laat aan den wensch van Cornelius
8
gelioor te geven, terwijl hij vóór dit gezicht niet geloofde , dat God ook een heiden bekeeren zoude, waaruit ons immers duidelijk wordt hoe weinig hij het wezen der vrije genade Gods verstond.
Zoo hingen dan de discipelen slechts aan het Woord des Heeren en zochten met een oprecht harte in Zijne wegen te wandelen, ofschoon het einde van dezen weg voor hun verstand donker was. Een ieder sprak en schreef niet anders dan de Heere hem ingaf, zonder van te voren daaromtrent met de overige Apostelen overeengekomen te zijn. Hieruit kan men dan ook verklaren de tegenstrijdigheden , die wij met betrekking op den tijd en op andere kleine bijkomende omstandigheden in de vier Evangeliën vinden, daar een ieder volgens zijn karakter schrijft. .Zoo heeft Mattheus hoofdzakelijk getracht duidelijk te maken hoe Jezus Christus de bij Mozes en de Profeeten beloofde en van David afstammende Messias en Koning is. Zoo herkennen wij aan de korte, krachtige en aaneengeschakelde mededeeling van Markus duidelijk den krijgsman, die orde en geiioorzaamheid handhaaft; terwijl Lucas, als arts, bijzonder de genezing der zielen door onzen Verlosser uitdrukt; en Johannes de heerlijkheid van het Woord, toen het in het vleesch was, bewijst.
( Wordt vervolgd).
Uitgegeven bij H. BÃSKBS le Otreoht, Huverstraat. Prijs per Mnitimcr 3 Cts. â Franco per post 4 Cts.
tweede druk. 15 Febr. 1886.
SCHRIFT VERKLAEING
VAN
Dr. H. f. KOHliBR ÃG oe.
Bewijzen voor de waarheid van Gods Woord.
(Vervolg.)
Ten vierde is voor ons een bewijs voor de waarheid der Heilige Schrift, dat zij, niettegenstaande alle inspanningen der menschen om haar omver te stooten, zich nochtans door zooveel eeuwen heen staande gehouden heeft; en dat de invloed dezer leer, door arme visschers en handwerkslieden verbreid, zich, zonder menschelijk toedoen, op geheele volken en natiën heeft doen gelden.
Ten vijfde is eindelijk het meest klaarblijkelijk bewijs voor de waarheid van het Woord de eigen ondervinding. Zoo men zich werkelijk aan het Woord Gods houdt en God vertrouwt, dan zal een iegelijk ondervinden dat het Woord geen leugen is, maar dat men zich stellig en zeker op alle stukken en uitspraken verlaten kan. Alle beloften, die den geloovige gegeven zijn, zullen ook aan hem vervuld worden. 1 Petr. 1 vs. 24, 25: âWant alle vleesch is als gras, en alle heerlijkheid des menschen is als eene bloem van het gras. Het gras is verdord , en zijne bloem is afgevallen; maar het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid, en dit is het Woord, dat onder u verkondigd is.quot; Vergelijk ook Joh. 7:17.
No. 2.
Leerrede over den Inhoud der Heilige Schrift.
Mijne Geliefden!
Wij zullen heden spreken over de hoofdsom van den inhoud der Heilige Schrift. 1)
⢠Wij bedoelen daarmee den inhoud, die der troost behoevende ziel het eeuwige leven geeft, die ziel verkwikt en op den weg des eeuwigen levens houdt. De mensch kan met zijn verstand en goed geheugen alles opnoemen wat letterlijk in den Bijbel staat, maar zijn verstand zal hem nooit leeren wat voor hem in dit Woord geschreven is. Hij zal er op zijn hoogst in vinden, (zoo hij naar eigen meening een vroom man is), algemeene uitspraken, zooals dat het den vrome eindelijk wel zal gaan, dat de goddelooze, als hij zijn einde bereikt heeft, ontvangen zal naar zijne goddeloosheid en roekeloosheid; of algemeene gezegden, als vertrouwen op God, over het nut der ellende, over het eeuwige leven, en daarover hoe de vreeze des Heeren het beginsel der wijsheid is; daarna moge hij nu zoowat zijnen wandel regelen, in den grond van zijn hart en gemoed leeft en sterft hij zonder waarachtige vreeze Gods.
Eerst daar, waar God den mensch tot de overtuiging gebracht heeft, dat hij in zich zeiven verloren, dat hij een zondaar en goddelooze is, en dus onder den vloek ligt en do verdoemenis tegemoet gaat, zoo hij niet genade voor God gevonden heeft,
1
Daar het niet goed mogelijk was deze preek in tweeën te splitsen, bieden wij den abonne's een dubbel nommer aan voor den gewonen prijs van 3 «t.
1
brengt ook God zelf den mensch met al Zijne uitverkorenen op de hoofdsom van den inhoud Zijns Woords, doordat Hij in den mensch het geloof werkt: dat deze inhoud ook voor hem gegeven is, â en dan is voor hem de hoofdsom van den inhoud des Woords Gods: Christus e.n hel eeuwige ijenade-verbond. Van dezen inhoud leeft hij, op dien berustende gaat hij eenmaal in vrede heen, want deze inhoud is voor hem het volkomen richtsnoer des geloofs en van het wandelen voor God. Hiervan laat hij niets wegnemen en ook niets aan toevoegen.
Wij, die dezen inhoud uit ervaring kennen, of met andere woorden; wij, die in dit eeuwige verbond der genade zijn opgenomen door Gods groote barmhartigheid, en wier leven Christus, Christus alleen is, vinden dezen inhoud in de geheele Heilige Schrift des Ouden en des Nieuwen Testaments, Wij schatten het Nieuwe Testament niet zoo hoog om het Oude daardoor minder te schatten of op zij te zetten, (zooals de wederdoopers doen, of die tegen den kinderdoop zijn), neen! wij houden het Oude en het Nieuwe Testament voor het ééne woord Gods, en vinden den inhoud âChristus en het eeuwige genadever-bondquot; zoowel in het gansche Oude Testament, en iu ieder afzonderlijk boek deszelven, als ook in het gansche Nieuwe Testament en ieder afzonderlijk boek of brief daarvan, en wij laten daar tegen of daarnaast niets opkomen of gelden als richtsnoer des geloofs.
Dit is de dwaling waaraan men de wederdoopers en alle degenen, die zich Evangelischen noemen, kan herkennen, namelijk dat zjj het Oude Testament lager stellen dan het Nieuwe, of niet voorhet volkomen woord
4
ter zaligheid houden, of als âletterquot; en âten deele niet evangelischquot; schelden, en daarentegen met een geest dweepen, die niet staan kan naast dat, wat er geschreven staat. quot;Wij hebben in leven en sterven genoeg aan de woorden van den twaalfden Psalm: âDe redenen des Heeren zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaalquot;, zoo ook van den 19. Psalm: âDe wet des Heeren is volmaakt, bekeerende de ziel, de getuigenis des Heeren is gewis, den slechten wijsheid gevendequot;, en van Psalm 119 vs. 84: âO Heere! Uw woord bestaat in der eeuwigheid in de hemelenquot;. Zoo roept de Heere Jesus tot de Joden, Joh. 5 vs. 39: âOnderzoekt de Schriften, want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben, die zijn het, die van Mij getuigenquot;, 't welk Hij klaarblijkelijk van de Schrift des Ouden Testaments gezegd heeft. En dit bevel volgden de Bereënsen op, van wie wij lezen. Hand. 17 vs. 11: âZij ontvingen het woord (het door Paulus en Silas gepredikte) met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften of deze dingen alzoo waren.quot; Daarom ontvangen wij dankbaar wat wij lezen, Rom. 15 vs. 4; âWant al wat te voren geschreven is, dat is tot onze leering te voren geschreven, opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der schriften, (des Ouden Testaments) hoop hebben zoudenquot;, en wat wij lezen, 2 Petr. 1 vs. 19: âWij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schynende in eene duistere plaatsquot; enz. In 't kort: Paulus schrijft aan Timothëus over de Heilige Schrift des Ouden Testaments: âZij kan u wijs maken tot zaligheid, door het geloof, hetwelk in Christus Jesus is. Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig
5
tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is. Opdat de mensch Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.quot; Wij zullen dus wel den zekeren weg gaan, zoo wij ons houden aan dat, wat de Heere Jesus ons in de bekende gelijkenis meedeelt, Luk. 16 vs. 27â31 : âIk bid u dan, vader, dat gij hem zendt tot mijns vaders huis. Want ik heb vijf broeders; dat hjj hun dit betuige, opdat ook zij niet komen in deze plaats der pijniging. Abraham zeide tot hem: Zij hebben Mozes en de profeten, dat zij die hooren. En hij zeide: Neen, vader Abraham maar zoo iemand van de dooden tot hen heenging, zij zouden zich laten bekeeren. Doch Abraham zeide tot hem: Indien zij Mozes en de profeten niet hooren, zoo zullen zij ook, al ware het, dat er iemand uit de dooden opstond, zich niet laten gezeggen.quot;
Zoo nu de aanhangers van den Paus zich op niet geschreven overleveringen beroepen, om daarmee hun leer en instellingen staande te houden, die lijnrecht tegen Gods Woord indruischen , zich beroepende op 2 Thess. 5 vs. 15, zoo zullen z|j er toch niets meê winnen. Paulus predikte niets anders dan wat hij schreef, en schreef niets anders dan wat hij predikte, en wij houden, tegen al zulke overleveringen in, vast aan de woorden, Jes. 8 vs. 20: âTot de wet en tot de getuigenis! zoo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn dat zij areen dageraad zullen hebben.quot;
De ondervinding leert ons, dat zoo wij één , ook maar een enkele spreuk der Heilige Schrift door verlichting en genade des Heiligen Geestes in ons hart krijgen ter vertroosting des eeuwigen levens
6
en tot volharding in het geloof, van stonde af aan het gansclie Woord Gods aan deze ééne spreuk als het ware aangeregen wordt, zoodat deze eene spreuk als het ware in onze hand een sleutel is, waarmee wij alle poorten der zaligheid ontsluiten.
Zoodanige spreuken zijn onder anderen Jer. 31 vs. 31â34, of Rom. 8 vs. 28â31; Jes. 53 vs. 4, of Joh. 1 vs. 29; Jes. 54 vs. 8â10, of Ezech. 37 vs. 26 en 27, of 1 Tim. 1 vs. 15; Hab. 2 vs. 4, of Rom. 1 vs. 16 en 17; Jes. 45 vs. 22â24, of Rom. 3 vs. 24â28; Ezech. 16 v. 62 en 63, of Rom. 7 vs. 4â14; Ps. 23, of Joh. 10 vs. 27â29; Jes. 49 YS. 14â16, of Job, 17 vs 20â22; Ps. 37 vs. 5, of Luk. 12 vs. 6 en 7 ; Gen. 21 vs. 1, of 2 Cor. 1 vs. 20.
Gij verneemt, Mijne Geliefden! door de aangehaalde plaatsen, dat waar ik van de hoofdsom des inhouds der Heilige Schrift spreek, ik daarmede bedoel wat de mensch boven alle dingen noodig heeft, namelijk zijner ziele zaligheid, dat hij God gevonden hebbe, als zijnen genadigen God en verzoenden Vader, dat hij het leven, het eeuwige, gevonden hebbe , 't welk in den Zone Gods, Christus Jesus , onzen Heere is; en dan vereenigt zich alles, wat ⢠in de Heilige Schrift staat, in de vier hoofdpunten, die wij vinden : Ezech. 18 : 23; Job. 3 vs. 3. 16 en Hosea i3 vs. 14; of in deze twee woorden, die wij lezen Hand. 4 vs. 12 en Efez. 2 vs. 5â9.
Yerder is de hoofdsom der Heilige Schrift zoo als de Heere die in eene spreuk geeft bij Hosea 13 vs. 4: âHet heeft u bedorven, o Israël! want in Mij is uwe hulp.quot; En dan is het in de Heilige Schrift als in de zee, waar de waterstroomen de golven opheffen en de baren groot worden, maar keer om keer ter neer geslagen
7
worden, tot zij breken aan de rotsen of effen worden aan de oevers. Alles is er eene getuigenis van zonde op zonde, van zelfverheffing der eigengerechtigheid en vreeselijke vernedering van mensehelijken trots, alles eene getuigenis van afval voor en afval na, en hoog daarboven verheven een eeuwige Ontfer-mer, die voor Zich bewaart wien Hij wil, en die genadig is dengene, dien Hij genadig zijn zal, die voor allen weldadig, maar ook rechtvaardig is, die hen, welke tegen hem opstaan, als 't ware op laat gaan in hun eigene ongerechtigheid, en in het verderf, dat zij zeiven gewild hebben, terwijl Zijn quot;Woord staande blijft, waarachtig in al zijne gezegden.
Do lOB116 Psalm geeft ons hiervan een trouw en waarschuwend, maar ook troostend, bewijs.
Laten wij nu overdenken den vorm en den zin der Heilige Schrift. quot;Wat de uiterlijke vorm betreft, deze is altoos verhevener en schooner dan alles wat men in stijl en taal schoon en verheven denken kan. De zin is duidelijk, leder woord of ieder gezegde drukt het duidelijkst en krachtigst uit, wat het Woord zeggen wil. Er heerscht daar in alles samenhang, alles stemt overeen; de volkomenste harmonie. Ieder woord of ieder beeld toont de zaak zoo als zij is. De poëzie der Heilige Schrift is niet geiijk poëzie der wereld. Hier is alles waar, al wat er gezegd wordt koninklijk, waardig der majesteit des Allerhoogsten. En of ook de Schrift ten allen tijde door de geleerden bestreden werd, onder anderen ook wat de kennis der natuur betreft, toch is zij steeds door meerder geleerden als eenig waar in al haar woorden erkend geworden. Maar de meeste geleerden zyn niet zoo geleerd dat zij het zien kunnen, of te vijandig om het te willen.
8
De innerlijke vorm is de heerlijke en gepaste zin, waarmede Hij, Die in dit Woord spreekt, dat is, de Heere zelf, al dat zegt wat Hij zegt; daar is alles in overeenstemming met de gedachten die God uit op eene voor ons menschen begrijpelijke wijze, en met het doel, dat God met Zijne woorden beoogt. Natuurlijk kan het niet anders of daar, waar de Allerhoogste spreekt, of Zijne gedachten in Zijnen Naam laat spreken, het gesprokene niet anders dan de volkomenheid der schoonheid en waarheid zijn kan.
De woorden der Heilige Schrift hebben allen slechts één en zin, zij moeten volgens de letter verstaan worden, zoo als: âDaar zij licht, en daar werd licht,quot; â of zinnebeeldig, naar het beeld, dat in de letter opgesloten is, zooals: âMaak u op, word verlicht, want uw licht komt.quot;
Het is daarom een spel van het vernuft zoo men beweert, dat ieder woord der Schrift een viervou-digen zin heeft, een letterlijken, een allegorischen, een anagogischen en een tropologischen zin, 1) en goddeloos, deur en poort openend aan iedere wille-
1
Aan de schriftleer een allegorischen zin toeschrijven heteekent die wijze van schriftverklaring, welke zegt: In den Bijbel hebben de woorden nog eenen anderen dan den letterlijken zin, zij zeggen iets anders dan de letter leert. Meer in 't bijzonder wordt dan met die uitlegging bedoeld aan te toonen, wat wij volgens den tekst, die verklaard wordt, te gelooven hebben.
De .anagogische zin wil aanwijzen wat men volgens het te verklaren schriftwoord in het hemelsche leven te verwachten heeft. (eig. opwaarts voerende zin.)
De tropologische zin is de zin welke ons zeggen moet, wat wij volgens het behandelde schriftwoord te doen hebben in het zedelijke. (Eig. beteekent het, dat aan den zin der woorden eene andere wending gegeven wordt.)
Vooral de roomsche kerk heeft zich aan deze wijze van schriftverklaring (?) schuldig gemaakt.
9
keur der uitlegging, is de stelling: Ieder woord en ieder gezegde der Heilige Schrift beteekent alles, wat het beteekenen kan.
Geheel en al anders is het en God verheerlijkend â daar bij al de verbazende verscheidenheid eene eenheid in de werken Gods in de natuur en in de genade heerscht, zoodat het ééne een afbeeldsel des anderen is â met de Heilige Schrift in de hand het natuurlijke in het geestelijke, of het geestelijke in de natuur als in een beeld uitgedrukt te zien.
De Heilige Schrift is daarom duidelijk en verstaanbaar, omdat God daarin tot den mensch spreekt, en Hij naar Zijne goedheid zoo met de menschen spreekt dat zij Hem verstaan kunnen. Een kind van 24 jaar, zoo men hem dat voorhoudt, of van zes jaren, zoo het lezen geleerd heeft, kan genoeg van Gods Woord verstaan, om God in Zijne wet te erkennen, en verder noodzakelijk is om zalig te worden. Ook leert zulk een kind veel gemakkelijker uit den Bijbel van buiten dan b. v. vragen uit den Catechismus. En zoo is de Heilige Schrift ook verstaanbaar genoeg voor volwassenen, opdat zij Gods wil erkennen, en leeren het hoofdpunt der Heilige Schrift: hoe hart en geweten en de geheele mensch tot God staan moeten, en in Wien hunne zaligheid is. Daar tegenover staan er ook zeer hooge dingen in, die moeielijk te verstaan zijn, doch deze dingen zijn hoog van wege hunne eenvoudigheid, waarom ook de geleerde woordenvitters en de groote hoop in de wereld er niets van begrijpen, maar de geringen en eenvoudigen verstaan het wel! Ons blind-zijn alleen is er de oorzaak van, dat wij Gods Woord niet verstaan; en onze eigenliefde, wereldsgezindheid en gevangen zijn in het zichtbare, dat wij de Schrift
10
niet begrijpen. En het bljjft altoos waar: âDe natuurlijke mensch verstaat niet de dingen, die des Geestes Gods zijn.quot; Het inzicht, dat de natuurlijke mensch in Gods woord heeft, is geen ander dan dat der Egyp-tenaren toen zij Israël vervolgden. Zij konden zien hoe dezen droogvoets door de Roode Zee gingen, en zagen het toch niet. Zij geloofden te kunnen doen, wat Israël deed, maar zij allen zijn vergaan in den vloed. Zoo zal ook een huichelaar de Schrift lezen, en dikwijls er . meer van weten en verstaan dan de eenvoudige en oprechte, maar hij past het niet op zichzelven en op zijne meest geliefkoosde zonden toe, en zoo strekt zijne kunst hem tot verderf. Terwijl hij meent in het licht te zitten ziet hij niet dat en hoe hij in de grootste duisternis is. En degenen, die liever uitpluizen dan naar het Woord doen, maken van de Schrift alles wat zij willen om hunne droomenjen daarmede voor zich duidelijk te maken, en gelijk zij verdraaid zijn, verdraaien zij de Heilige Schrift en blijven verdraaid. Eu zij, die gaarne in de wereld en in de zonde blijven zitten, halen uit de Schriften vele dingen voor den dag, die dc Apostelen en Profeten niet zoo bedoeld hebben, om hun geweten het zwijgen op te leggen. Het ware inzicht in de Heilige Schrift begint met Ps. 32 of Ps. 51, waar God door Zijnen Heiligen Geest den mensch openbaart hoe groot zijne zonde en ellende is. Daar ziet God den ellendige en die een gebroken geest heeft en Zijn Woord vreest, aan. Dan toont God hem in Zijn Woord, hoe tij van al zijne zonde en ellende verlost kan worden, en neemt hem op in het verbond Zijner genade, en trekt hem door Zijn Woord tot Zijnen Zoon. Daar ziet en hoort de mensch in het Woord slechts Christus en leert daar verder in: zijne begeerte naar het heil,
11
hoe hij God voor zulk eene verlossing zal dankbaar zijn, zoodat het gaat uit geloof tot geloof, zooals er geschreven staat, Spr. 4 vs. 18: âMaar het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot den vollen dag toe;quot; en Ps. 97 vs. 11: âHet licht is voor den rechtvaardige gezaaid, en vroolijkheid voor de oprechten van hart,quot; en Ps. 119 vs. 105: âUw woord is eene lamp voor mijnen voet, en een licht voor mijn pad.quot;
Waar het zóó gaat, daar houdt men vast aan Gods Woord en waarheid, aan de vervulling Zijner beloften, vreest Zijne bedreigingen en gelooft dezelve niet minder dan Zijne beloftenissen, en daar merkt men op en onthoudt hoe alles zoo komt, als Gods woord het voorzegd heeft; b. v. Jes. 34 vs. 16; 1 Kon. 13 vs. 32; 2 Kon. 7 vs. 17â-18; 2 Chron. 26 vs. 21. Men leest met vreugde, wat in Joz. 21 vs. 45 geschreven staat: âEr viel niet één woord van al de goede woorden, die de Heere gesproken had tot het huis van Israël; het kwam altemaal.'r en Ps. 119 vs. 97. âIn alle volmaaktheid heb ik een einde gezien; maar Uw gebod is zeer wijd.quot;
Toen de Kamerling, de Moorman, van Jeruzalem, waar hij in den tempel niets gevonden had voor zijne ziel, wederom huiswaarts keerende, in zijne wagen zat, en den Profeet Jesaia las, vroeg hem Pilippus, dien de Geest tot dezen man gezonden had: âVerstaat gij ook, hetgeen gij leest?quot; Maar hij antwoordde: âHoe zou ik toch kunnen, zoo mij niet iemand onderricht?quot; En Pillippus opende zijnen mond en predikte hem het Evangelie van Jesus, van dien Jesus die bevolen had: âVerkondigt het Evangelium aan alle Kreaturen!quot; en ook tot de Joden gezegd had: âOnderzoekt de schriften!quot; Dus willen nu de
12
leiders van millioenen, die den armen en eenvoudigen verbieden de Heilige Schrift te lezen, aan zulke «envoudigen het Evangelie onttrekken, en willen niet zien, dat de profeten tot het geheele Israël en tot de volkeren gesproken hebben, en dat de apostolische schriften voor geheele gemeenten geschreven zijn? En alleen met betrekking op Gods woord is het verbod der menschen sterker dan de begeerte, de nieuwsgierigheid en de weetgierigheid. Men gebruikt als voorwendsel dat het volk de Schriften niet begrijpen kan en maakt de zoogenaamde kerk, d. i. de geestelijkheid of den paus, tot uitlegger der Schrift. Dat zal men gelooven, wat menschen vaststellen â¬n leeren ! Anderen verheffen het menschelijk vernuft tot den waren uitlegger der Schrift, en nemen er slechts zooveel van aan, als zij hiermede in overeenstemming knnnen brengen; alles wat boven hetzelve staat verwerpen zij. Zoo is beider verdoemenis geheel naar recht. Van des menschen vernuft staat er geschreven in den brief van Judas: âMaar dezen, hetgeen zij niet weten, dat lasteren zij; en hetgeen zij natuurlijk, als de onredelijke dieren, weten, in hetzelve verderven zij, zich.quot; En van alle men-echelijke autoriteit als uitlegster van het Woord Gods lezen wij tot onze vertroosting 1 Joh. 2 ts. 27: âEn de zalving, die gijlieden van hem ontvangen hebt, blijft in u, en gij hebt niet van noode, dat iemand u leere; maar gelijk dezelfde zalving u leert van alle dingen, zoo is zij ook waarachtig, en is geene leugen; en gelijk zij u geleerd heeft, zoo zult gij in hem blijven;quot; vergl. Ps. 119 vs. 23.
En wie iets van deze zalving ontvangen heeft, wordt gebouwd op het fondament der Apostelen â¢en Profeten, waarvan Jesus Christus de uiterste hoek-
13
steen is. Zulkeen slaat acht op de vermaning: Hebr, 13 vs. 17: âZijt uwen voorgangeren gehoorzaam, en zijt hun onderdanig: want zij waken voor uwe zielen.'' Maar in gemeenschap met zulke leeraar» wijken zij van een iegelijk, die de leer van Christus niet brengt. Noodzakelijker dan het dagelijksche brood of de kleeding, noodzakelijker dan alles wat wij noodig hebben, is voor ons de Heilige Schrift; want zij is het eenige door God verordineerde middel tot het geloof en tot onze dagelijksche bekeering. De mensch zal immers bij brood alleen niet leven, maar bij alle Woord, dat door de mond Gods uitgaat l Zoo is dan Gods Woord ons leven. Wij vinden daarin het leven en het noodzakelijk voedsel voor het geestelijke levsn. Verder is voor ons dit Woord de eenig getrouwe Leidsman door dit leven, en eene sterke en zekere troost in allen dood, opdat wij volharden in het geduld Christi bij alle aanvechting, zooals wij lezen Ps. 23; 4: âAl ging ik ook in een dal der schaduwe des doods, ik zou geen kwaad vreezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.quot;
Het leert ons volkomen hoe wij voor God inwendig heilig zijn, in Zijne wegen wandelen en er op blijven.
Het is het onverbreekbare zwaard des Geestes, gegeven om onze sterke geestelijke vijanden te overwinnen. In een woord: âIk schaam mijquot;, schrijft Paulus, âdes Evangelies van Christus niet, want het is eene kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft.quot;
Alleen rustende op dit Woord kan de uitverkorene gerust sterven.
En nu dit Woord, â op welken prijs wordt het door velen onzer geschat? O, gij jongelieden der ge-
14
meente, moge eenmaal niet tegen ulieden getuigen â¢wat wij lezen Ps. 119 vs. 7, 1 Joh. 2 vs. 14 en 2 Tim. 3 vs. 15. O, gij ouders! wilt uwe oorèn openen voor de apostolische vermaning, Efez. 6 vs. 4: âVoedt hen (uwe kinderen) op in de leering en vermaning des Heerenquot;. O, gij allen, die mij hoort, luistert naar het bevel des Apostels; Col. 3 vs. 16: âHet woord van Christus wone rijkelijk in u in alle wijsheid!quot;
Gelukkige huisgezinnen en alleenstaanden, wier dagelijksch voedsel de Bijbel is! Wat men heden niet verstaat, verstaat men morgen, of over jaar en dag. Maar niemand zegge: Dat weet ik reeds! Hot ivelen doet het niet. De Schrift geeft eiken dag haar voedsel en maakt sterk voor het werk en dapper in den strijd van dit leven, en wie haar honderd jaren lang gelezen en herlezen heeft, blijft nog een bedelaar voor de poort van dezen tempel. Laat ons bedelaars blijven en volharden in gebed en smeekingen. De 119de Psalm is voor ons een leiddraad in alle gevallen.
Zóó roept de Wijsheid in het woord der Heilige Schrift, Spreuk. 1 vs. 32, 33: âWant de afkeering der slechten zal hen dooden, en de voorspoed der zotten zal hen verderven. Maar die naar Mij hoort zal zeker wonen, en hij zal gerust zijn van de vreeze des kwaads;quot; en Spreuk. 15 vs. 24: âDe weg des levens is den verstandige naar boven ; opdat hij afwjjke van de hel beneden.quot; Amen!
*) quot;Wat mijn God doet, is welgedaan. Ei! zing dit vrij, mijn harte! Al moet ik langs den kruisweg gaan, De kruisweg is de hemelbaan; De Hemel kent geen smarte.
Gewis, de roe, die mij kastijdt,
Is in de hand mijns Heeren,
Die roe heeft ieder kind verblijd. En, schoon zij 't vleesch soms openrijt, Het zal den geest niet deren.
Een bastaard waart gij zonder 't juk,
Nu zijt ge een van zijn kind'ren, Daarvan is 't teeken kruis en druk, En uit die druk rijst uw geluk, De voorspoed zou dat hind'ren.
Ei! wend liet naar uw Heiland heen,
En knelt het, ga 't Hem klagen; Gij draagt het kruis toch niet alleen: Hij zendt Zijn Engelen om u heen, Hij zelve helpt u dragen.
Hoe meer geloof, hoe minder last:
Yeel kruis brengt veel genade; De roede sla, de liefde wast. Zóó houdt gij Vaders hand meer vast, En neemt Hem meer te rade.
*) Dit gedicht van de hand van onzen schrijver zond hij aan zijnen iroeder Jacobus, toen deze in het ziekenhuis lag en vele lichaamlijke in geestelijke zorgen hem drukten.
16
Houd goeden moed, het kruis is goed,
Het leert u dagelijks sterven;
Meer dierbaar wordt u 's Heilands bloed, Hoe meerder zuivering van 't gemoed , Hoe minder ge af zult zwerven.
Hoe zwaarder kruis, hoe schooner loon,
En heerlijkheid naar 't lijden, Op moeielijk' arbeid 't heerlijkst loon,
Van 't kruis stijgt gij ten Hemeltroon, Op schreien volgt verbljjden.
Welaan mjjn ziel! het ga zoo 't wil,
Laat Vader voor u zorgen.
Wat baat u onwil en bedil?
Uw hulp spoedt aan, ei! wacht, wees stil, Haast daagt de blijde morgen!
Die morgen, ja! hij komt gewis.
En â weg is al het duister.
En helder wat nu donker is,
Wat ween ik dat ik 't licht nu mis,
'k Zie 't haast in vollen luister.
Wat mijn God doet is welgedaan ,
Ei! zing dit luid mijn harte!
Al moet ik langs den kruisweg gaan, De kruisweg is de hemelbaan;
De Hemel kent geen smarte.
Tweede herziene druk.
Uitgegeven bij H. BÃSKES te Utkecht, Havcrstraat. Prijs per Snmmer 3 Cts. â Franco per post 4 Cts. Buiten inteekening 5 Cts.
No. 3. tweede druk. 1 Maart 1886.
SCHRIFTVERKLARING
VAN
Dr. H. F. KOIIT.Blti OOK.
4
-
Verklaring van het boek Ruth.
Eindelijk komt toch alles goed terecht, indien maar de Ileere God in genade met ons is, en ons leert ons aan niets anders te houden dan aan Zijn Woord en aan Zijne barmhartigheid. Wel gaat liet ons nooit zóó, als wij het ons hadden voorgesteld, ook al ging het ons in don aanvang zóó goed, dat wij meenden, zoo zal het ook blijven! Maar onze wegen zijn niet Grods wregen, en onze gedachten zijn niet Zijne gedachten. Wanneer het in den hemel goed gaat, gaat liet hier boneden scheef, in den hemel gaat het ten leven, hier beneden schijnt het ten doode te gaan!
Maar Eén leeft er, en Die heeft alles gedaan, en Die doet alles, en wat Hij doet, dat doet Hij om Zijns Naams wille, opdat Zijn Naam verheerlijkt zij. De duivel is en blijft een leugenaar, maar de Heere is waarachtig, en wat Hij belooft, dat houdt Hij gewis! Hij tuchtigt echter eenen iege-hjken zoon dien Hij aanneemt, en het zal met ons gaan, niet zoo als wij hot ons voorgesteld hebben, maar zoo als God wil, omdat wij niet beoordeelen kunnen wat voor ons heilzaam en zaligend is; dat weet God alleen. Wij moeten door de diepte henen,
maar zoo zsker als Christus uit de doodeii is opgestaan, zoo zeker zal Hij de Zijnen niet begeven noch verlaten, maar Hij zal ze met Zich uit de diepte op doen komen; zoo zeker als Hij gezalfd is zal Hij ook de Zijnen zalven met vreugde en zalig-
heid! . , , .
Wat Hij heeft gedaan in Zijne regeering, dat is geschied opdat Hij bekend zoude worden als de Eerstgeborene onder vele broederen, als de waarachtige David, als de eenige God en Heiland, opdat Hij bekend zij en erkend blijve als Degene, Die hen met goederen vervult, die het zichtbare niet aanmerken, maar zich vasthouden aan het onzichtbare, en niets anders zoeken dan liet Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid. Hoe duidelijk deze waarheid overal in Gods Wóórd uitblinkt, zullen wij met elkander betrachten naar aanleiding van bet boek Ruth.
Ruth, Cap. I.
Vs. 1. âIn de dagen als de Ridders richtten,^ d i. in den tijd tusschen Jozua en Saul, âgeschiedde het, dal er honger in heiland was. Ja! daar, in dat land, dat God gezegend bad, in dat land, vloeiende van melk en honing, juist in dat land van overvloed ontstond hongersnood, en dat wel om der zonden wille van de kinderen Gods, die in dat land woonden.
^Daarom loog een man van Belhlehem-Juda om als vreemdeling le verkeeren in de velden Moabsquot; Van Bethichem-Juda 1) trok hij weg, van het Broodhuis in Juda, van dat Broodhuis, waarop Gods lof geschreven stond. »IIij loog weg in de
1
Bethlehem beteekent âBroodhuis.quot;
3
velden Moabsy Moab was een rijk land, waar men meestal van veeteelt leefde, dus een schoon en lieerljjk land, maar tooh een afschuwelijk land, want daar heerschte niet de onvervalschte gereformeerde leer, maar een afschuwelijk mengsel van allerlei leugenen. Die man redeneerde echter zóó: Hier, in Juda, is hongersnood, daar, in Moab, is hrood. En zoo toog hij henen, want hij meende dat hij voor zijne vrouw en kinderen moest zorgen en ze moest onderhonden, en hij wist niet of was het vergeten dat het lot van vrouw en kinderen niet in zijne hand maar in Gods hand rustte.
Vs. 2. ygt;Dp. nanw nn deze* mnns vws Elimèléch 't wolk beduidt: âMijn God is Koning.quot; Deze zijn naam moest hem bestraffen. Is God mijn Koning, dan kan mij immers niets ontbreken, dan ben ik immers een rijke, voorname man! Maar daaraan dacht Elimélech niet!
â En de naam zijner huisvroaw was Naómiquot; âLiefelijkheidquot;; maar hem was het verre van liefelijk in zijn huis te moede, want hij had geen brood! En zijne zonen deden hem nog het meeste kommer en verdriet aan. namen zijner zonen waren
Machlon en Chiljon, Efralhers van Delhlchem-Juda'quot;. Het moet hem niet aangenaam zijn geweest hunne namen te hooren, want die beduiden âdaar komt niets van , dat verdwijntquot; en zoo meer. Efra-thers waren ze. Efraïm beduidt âIk zal wassen in 't land mijner verdrukking.quot;
âEn zij kwamen in de velden Moahs en hieven aldaar.^ In plaats van nog bijtijds terug te keeren en te zeggen: Ik kan het in Moab niet uithouden, want al is het er nog zoo schoon, ik heb er de ware leer niet, (kan men dan van de waarheid
i
leven? ja! zeker en vast!) bleven zij daar wonen, om maar brood te hebben. Het waren menschen en niets meer. Naomi, de moeder, cene godvree-zende vrouw, zal misschien alles gedaan hebben om in Juda te blijven, maar eene vrouw moet haren man volgen. Misschien is haar naam haar nog eenigzins tot troost geweest, of de naam van den man, dien God haar door hare ouders had gegeven.
Vs. 3. âEn EUnu'lech, de man van Naómi, â stierf, maar zij icerd overgelaten niet hare twee zonen.quot;1 Die godvreezende vrouw verliest haar man, haren God en Koning. Alles gaat in 't graf, zij wordt alleen overgelaten met hare twee zonen, wier namen niet veel goeds beloven.
Vs. 4. *Die namen zich Moabilische vrouwen dus geene echt ^gereformeerde vrouwen, geen vrouwen, die den God Israëls kenden Welk eene angst, welk eene zielenood moet dat voor Naomi geweest zijn, want eene waarachtig vrome moeder bidt immers dag en nacht van den Heere al, dat hare kinderen ook God mogen vreezen, en waar vreemde, ongeloovige vrouwen komen heerschen zij met sterke hand, en de man wordt zwak en geeft overal toe, waar niet toegegeven mag worden. Maar wat wilde die arme Naomi zeggen ? Eindelijk moet zij toch hare toestemminggeven, met een: âGod erbarm U over hen!quot; De naam âOrpci' beduidde ook niet veel goeds! âDe naam der andere was Ruth quot; d. i. âSchoone, Schoonheid.quot; âEn zij bleven aldaar omtrent tien jaren.quot; Tien jaren: dat was zoo naar Gods wijsheid. Het geheel onzer levensjaren moet doorleefd worden , maar eenmaal moet het met den mensch tot een kiezen of deelen komen, of Gods gebod al
clan niet in huis en hart regeeren zal. Van het oogen-blik af dat God iemand gaat bekeeren weet Hij wel hoe Hij er den zondaar toe brengen moet om vast te gelooven, dat hij Gods heilige tien geboden houden moet. Men kan meenen genade, geloof en evangelie te bezitten en toch Gods wet niet achten ; men kan vroom heeten, zonder het te zijn; een broeder, eene zuster in de Heere heeten en toch in het verborgene God willen bedriegen, maar dat mnij zoo niet blijven. Voor Zijne kinderen nu heeft God middelen en wegen om hun dit te leeren, maar dit leert Hij niet aan alle menschen; de overigen laat Hij in hunne wegen loopen. Hier duurde het tien jaren. De Heere had zich eene dezer Moabi-tische vrouwen uitverkoren, opdat uit hare verbintenis met eenen man uit Juda Hij zoude voortkomen , Die het leven der wereld is.
Vs. 5. âEn die tiree, Machlon en Chiljon, stierven ook; alzoo iverd deze vrouw ovenjelalen, na hare twee zonen en na haren man.'''' Ku komt de Heere met nog zwaarder kastijdingen. Alles wordt tot den grond toe afgebroken ; dat is zoo des Heeren wijze, zóó moeten allen die Christi zijn, den dood Christi gelijkvormig worden gemaakt. Na tien jaren stierven de beide zonen. Daar stond zij nu, de weduwvrouw met nog twee andere weduwen; drie weduwen alzoo te zamen! En toch deze drievoudige slag was een genadige slag van God den Heere! Maar wat begreep Naómi daarvan in den smeltkroes der ellende! Zij ziet de beide weduwen, ziet geen mannelijke bescherming meer over haar huis, zij woont in een vreemd land, en de twee jonge vrouwen kleven eenen afschuwelijken godsdienst aan! Ja, op God is zij geworpen, op Hem hoopt
6
zij, maar zij ziet niets dan dat zij een lange rouw-sleep draagt, waar iedereen op treedt.
Vs. 6. » Toen maalde zij zich op mei hare schoon dochters, en keerde weder uil de velden van Moah wanl zij had gehoord in hel land van Moah, dat^ de lleere Zijn volk bezochl had, gevende hun brood. Daar komt do tijding: De Heero lioeft Zijn volk bezocht en luin weder brood gegeven! Ja! het is toch, en toch waar: God verlaat de Zijnen niet! Ja in zorg en kommer kan alles zoo wel heen slepen, 10, ⢠20 jaren! Maar de Heere komt toch! Velen uwer hebben liet ook wel eens ervaren, dat ze eenige weken gebrek moesten lijden, maar clan kwam de lleere toch weer met werk en met biood. Was er dan in Moab geen brood? Ja, inMoabwel! maar daar geeft do Heere geen brood aan Naomi. Er is wel brood in Moab, maar dat smaakt haar niet, zij kan het niet eten! Ja! veel goeds heeft ^ de Heere mij gedaan, (zoo mag zij gedacht hebben), maar al behoor ik tot des Heeren volk, die twee Moabitische vrouwen behooren er niet toe, die hebben iets heel anders in den zin dan Bethléhem-Juda; die wenschen misschien weer in het huwelijk te treden! Maar ach! heeft zo misschien weenend uitgeroepen, behoor ik zelf wel tot des Heeien volk? O! vaar ter helle, gij vrome duivel, ik kan er niet naar vragen of zij of ik zelf tot dat volk behoor. God spijst de jonge raven! Ik spoed mij naar mijn vaderland, naar Bethlehem-Juda, en neem die twee zwarte raven mede, want ik eet toch liever roggebrood met des Heeren volk den lekkernij mot de afgodendienaars!
Vs. 7, 8. ))Daarom ging zij uit de plaats waar zij geweest was, en hare twee schoondochters
4
mei haar. Als zij nu gingen op den tv eg om veder le keeren naar hel land Juda, zoo zeide Naómi lot hare twee schoondochters: Gaal henen, keert weder, een iegelijk lot het huis van ha/e moeder; de Ueere doe hij u weldadigheid gelijk ais gij gedaan hebt bij de dooden en bij mij.quot; Toen zij nu te zamen op reis waren gegaan, werd Naómi met liet lot dier twee vrouwen bewogen, en zij dacht: als zij bij mij blijven, zullen ze nooit meer gelukkig zijn, nooit meer eenen andoren echtgenoot vinden, liet is beter, het is verstandiger, dal; ze tot de haren tei ugkeeren ! Toen sprak zij: Gaat heen, keert terug! Maar ofschoon liet heidensche, d. i. ongeloovige vrouwen waren, heeft die vrome moeder haar toch Gods waarheid (wij zouden zeggen den Catechismus) voorgehouden, want zjj zeide: de Heere doe bij u weldadigheid, geljjk gij gedaan hebt aan de dooden, (namelijk toen die nog loefden), en aan mij! O! dat volk des Heereu is toch een eigenaardig volk! Als men hun maar den geringsten dienst bewijst, antwoorden zij met allerlei zegeningen! Wat hadden die beiden dan voor bijzonders gedaan? Haar schuldigen plicht en niets meer, vader en moeder waren ze gehoorzaam geweest zooals het behoort. Maar het volk des Heeren, ook waar het allerlei diensten en onderwerping eischen kan, zegt nochtans: Gij hebt mij barmhartigheid bewezen!
Vs. 9. ygt;Ue Ueere geve u, dal gij rust vindt, een iegelijk in het huis van haren man â en eeuwige rust! Naómi zegt niet: Neen, neen! gij zult en moet met mij naar Bethlehem trekken, anders valt gij der eeuwige verdoemenis ten deel: dat laat zij aan God God den Heiligen Geest over! Gelijk later de Heere Jezus tot Zijne discipelen , zegt zij tot hare dochteren:
quot;Wilt gijlieden ook niet heengaan ? Neen! denk:
zoo ze met mij gaan, moet het geheel vrijwillig wezen! daarom sprak zij : Lieve kinderen! keert terug tot uw huis! Haren innigsten zegen had ze beiden geschonken: en was het Gods wil haar te be-keeren, welnu! dan kon Hij ze even goed in Moab vinden als in Juda, waar de menigte at en dronk, schijnbaar als Gods volk leefde en stierf, en in de helle ontwaakte als een volk des duivels!
Ys. 10. )gt; E n zij zeiden lol haar: Wij zullen zekerlijk met u weder keer en lol uw volk. ' Beiden, Ruth en Orpa, schijnen hetzelfde te zeggen, maar bij de eene was het een vast voorgenomen en uitgesproken besluit, bij de andere was het hoogstens wat napraten.
Het is ons eene behoefte al dengenen , die door hunne vriendelijke medewerking tot de verspreiding dezer blaadjes hebben bijgedragen, onzen hartelijken dank te betuigen. Toch kunnen wij niet nalaten allen vrienden van onzen schrijver ook nog verder om ondersteuning te verzoeken, daar wij bij grooter deelname wenschen den prijs der blaadjes, die in den beginne zoo hoog moest gesteld worden , te kunnen verlagen , om , zooveel ons dit mogelijk is, iedereen in de gelegenheid te stellen , deze blaadjes aan te schaffen. â
In 't belang van de geachte abonnc's, die in kleinere plaatsen wonen , merken wij op , dat, zoo al de blaadjes aan éénen abonné tegelijk kunnen worden gezonden , de portokosten belangrijk verminderen.
Uitgegeven bij H. BUSKES te Utrecht, Ilaversiraat. Prijs per Nummer 8 Cts, Franco per post 4 Cts.
No. 4. 1»«TEEDE DRUK. 15 Maart 1886.
SCHRIFTVERKLARING
VAN
Igt;r. ir. F. KOIILBRilGOK.
Verklaring van het boek Euth.
(Vervolg.)
Vs. 11 â13. âMaar Naomi zeide: Keert weder mijne dochters!'''' enz. Naomi, hoewel haar het harte verbroken is van allerlei leed, blijft hier verstandig en redelijk. Ik kan u geen gelukkige toekomst beloven , zegt ze, gaat naar huis terug, mijne kinderen! misschien vindt gij dan nog eens een' anderen echtgenoot; ik kan u nergens aan helpen: want de hand des U eer en is teijen mij uitgegaan. Met deze laatste woorden blijft zij bij de belijdenis, dat ârijkdom en armoede en alle dingen (Heidelb. Cat. Vr. 27) niet bij geval, maar van Zijne Vaderlijke liand ons toekomen!quot; Doch zij kan onder dit alles zich zeiven niet troosten, niet zingen noch jubelen! zij spreekt het uit zooals het haar om 't harte is, in allen eenvoud en oprechtheid! Ik kan u niet helpen, ik ben arm en ellendig, dat is nu zoo Gods weg met mij, mij in de ellende te brengen!
Vs. 14. v Toen hieven zij hare slem op en weenden wederom : en Or pa kuste hare schoonmoeder, maar Euth kleefde haar aan.quot;
Daar vloeiden nog meer tranen , Orpa weent omdat ze hoort: ik kan u niet helpen, ik kan niet voor uwe toekomst zorgen! Ruth weent omdat ze Naomi, de geliefde moeder, hoort klagen: des Heer en hand is legen mij uitgegaan. Daar spreekt Orpa op sui-kerzoeten toon: o moeder, lief moedertje! en kust ze en zegt: ja, gij hebt gelijk, de Heere is overal te vinden, ook ia Moab! en treed ik dan nog eens in 't huwelijk, dan kan God mijn' heidenschen man ook bekeeren! Neen! gij hebt gelijk ! ik wilde met u gaan, omdat ge mijne moeder zijt, maar nu ge mij de mogelijkheid, in Moab nog eens een eigen haard te hebben, zoo verstandig voorhoudt, blijf ik te huis! Gij hebt gelijk, moedertje! in Moab doe ik misschien nog eens een rijk huwelijk, want eeu armen man, zoo een uit Bethelem-Juda, â daar zou ik wel hartelijk voor bedanken! Zoo redeneert Orpa bij zichzelve in haar dwaasheid, zij kust de moeder en â verlaat ze.
Maar Rulh kleefde haar aan! Neen, denkt deze, mijne dierbare moeder, die mij zooveel van de wonderen Gods heeft verhaald, kan ik niet verlaten! Met haar, met des Heeren volk, waartoe zij behoort, wil ik leven en sterven! Dat stond bij haar vast, dat was het onverbreekbare voornemen en de vaste keuze haars harten!
Al had zij tienmaal zoo gelukkig kunnen worden als Orpa het zich voorstelde, zij zou alles van de hand hebben gewezen! God en Zijn volk ! dat stond bij haar vast. Rulh kleefde haar aan, staat er geschreven!
Vs. 15, âDaarom zeide zij â â zie uwe zwagerinne is wedergekeerd lol haar volk en lot hare goden; keer gij ook weder, uwe twagerinne naquot;. Toen dacht Naomi: Nu wil ik zien dat ik naar Bethlehem kom,
3
daar wil ik onder dak zien te komen, en mij door het leven te helpen tot ik sterf. Maar nog eens wil ze Euth waarschuwen ; Zie, zegt ze, uwe zwa-gerinne is wedergekeerd tot haar volk en tot hare goden; keer gij ook weder, uwe zwagerinne na.
âTol haar volkquot;, dat was tot een rijk volk, âlot hare godenquot;, dat waren goden met goud en zilver behangen! Keer gij ook om, uwe zwagerinne na!
Vs. 16. âMaar Ruth zeide : Val mij niet tegen, dal ik u zou verlaten, om van achter u weder te keeren: wat ivaar gij zult heengaan , zal ik ook heengaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten; uw volk is mijn volk, en uw God mijn Godl' Was Ruth zoo zeer aan hare schoonmoeder gehecht ? Ja en neen ! niet naar den vleesche, maar zij hing haar aan, omdat ze in haar den Ileere zag! In Moab kan men veel hebben en bezitten , veel koopen en genieten, maar wat helpt dat alles de arme ziel?
Vs. 17, 18. Waar gij zult sterven, zal ik sterven en aldaar zal ik begraven worden ; alzoo doe mij de Heere; en alzoo doe Hij daartoe, zoo niet de dood alleen zal scheiding maken lusschen mij en lus-schen n !quot; enz. Nu doet Ruth nog eenen eed! Dat volk heeft zij lief, 't welk God lief had. Afgewezen, als het ware verstoeten door de moeder, houdt zij aan, even als de Kananeesche vrouw bij den Heere om genade! Al is Naomi nog zoo arm, zij spreekt: Val mij niet tegen! Al hoort zij van hare schoonmoeder ook niet één uitlokkend woord, maar niets dan verwerping, ach, spreekt zij, val mij niet tegen! Waarom wil zij niet heengaan? Omdat alleen zóó alles goed uitkomt.
Vs. 19, 20. âAlzoo gingen die beiden tot ze te Delhlehem kwamen : en hel geschiedde als zij le
Belhlehem inkwamen, dal de yansche xlad over haar beroerd werd, en zij zeiden: Is dal NaómiT' enz.
Wij lezen van Abraham en Izaak, dat zij beidea te zamen naar den berg Moria gingen. Welke gedachten zullen daar in Abrahams harte opgeklommen zijn ? En welke gedachten zullen Naomi's hart bestormd hebben , toen zij daar met Ruth henenging? Naomi was vroeger in Bethlehem eene aanzienlijke vrouwe geweest. Ach! hoe mag het in haar toch gestormd hebben. Missshien vermoedde zij, dat hare vroegere buren en vrienden haar zouden komen zien, en zulke bezoeken zijn niet aangenaam, als men vroeger in voorspoed geleefd heeft! Zoo werd Naomi's ziel gefolterd! Zoo gingen die beiden te zamen, tot ze te Bethlehem kwamen. Daar moesten ze door de poorte binnengaan. De poort was toen zooveel als het stad- of gemeentehuis thans; de voornaamsten dei-stad namen er zitting. Wat zoo door de poort ging was dan op aller tong. Wel! zeidc men , ziet eens aan! daar is Naomi terug gekeerd! Is dat Naomi? Ach! als men eene stad verlaten moet, waar men alles naar wensch gehad heeft, en men moet dan weer alleen terugkeeren, onder geheel andere omstandigheden, dan is het vaak bang om 't harte. Ja! God leeft nog wel, maar Hij houdt zich verborgen; er leeft wel een Trooster; maar men heeft zelf geen troost. Zoo was zij dan op aller tong, want als het goed gaat, als men man, vrouw, kinderen en goede dagen heeft, dan geniet men eere, maar wordt het blad omgekeerd , dan worden de menschen vaak duivels. Als God de Zijnen in de diepte der ellende brengt, voelen zij zich niet alleen verlaten, maar iedereen
heeft ook nog wat op hen aan te merken En met het geestelijke leven gaat het niet anders: och, och! is dat nu Naomi, die wij vroeger gekend hebben! Wat is die toch veranderd! O dat smartte die arme Naomi zoo, gaarne was zij weggekropen, en had zich schuil gehouden! Daarom sprak zij; Noend mij niet Naomi maar noemt mij Mara, d. i. Bilterheid. âDo Almachtige heeft mij bitterheid, aangedaan.quot; De Almachtige! Dat beduidt: Hij die overvloed van alles heeft. Hij kan alles, Hij behoeft maar te spreken en het is er. Ja het ware in Zijne macht geweest mij te helpen, mijnen man in 't leven te behouden, en alles anders voor mij te doen uitkomen. Ja Hij had mij ook nu kunnen helpen, Hij had het kunnen verhoeden dat ik niet in zulke treurige omstandigheden hier terug keer, maar dat is Zijn welbehagen niet geweest!
Vs. 21. âVol looij ik iv eg, maar ledig heeft mij de Ileere doen wederkeeren. Waarom zoudl ge mij Naomi noemen , daar de Ileere legen mij getuigt, en de Almachtige mij kwaad aangedaan heeft
Vol, d. i. rijk, leeg, d. i. arm, bitterheid d, i. vernederen bedroeven.
Is dat nu christelijk, zoo van den Heere te spreken ? Is dat nu kinderzin ? Ja zeker, en die het in den smeltkroes der ellende anders maken, zijn niet oprecht voor den Heere.
Kan men nu van Naomi zeggen, Hij zal noch wankelen noch bezwijken, die op den Heere vertrouwt, en op zijn goedheid bouwt? (Ps. 125) Ja en dat ze nochtans op God hoopt, bewijst ze daarmede, dat ze tot tweemaal toe den Heere âden Al-machiigéquot; noemt. Juist dat is het rechte geloof, en daarin openbaart zich bij haar dit geloof, dat ze
6
zegt: de Almachtige heeft mij bedroefd! Aan Gods beloften blijft ze hangen, al schijnen die voor haar niet te gelden, aan Gods waarheid houdt zij vast ; al schijnt voor haar alles een logen te zijn wat God in Zijn Woord gezegd heeft. Met zulke woorden spreekt ze uit wat haar op 't harte ligt, en dat ze wel wat anders van den Heere had verwacht. Zij wilde niet meer Naomi heeten, maar Bitterheid! Hoe vreemd is het toch vaak met den mensch gesteld! Van wien kwam dan al het leed van Naomi ? Had zij dan niet gehoord, dat alles van Zijne vaderlijke hand ons toekomt, en wij in tegenspoed geduldig zullen zijn? Wat had dat alles dan eigenlijk te beduiden ? Leefde zij dan alleen voor dit leven ? Was zij niet op weg naar den hemel ? Komt het er eigenlijk wel veel op aan of men arm is of rijk? Was Naomi toch eigenlijk niet aardschgezind, nu zij zich de geheele zaak zoo aantrok en maar alleen over het aardsche dacht. Ach! dat was toch maar een slaafsche, oud-testamentische geest. Die vrouw kende het evangelie niet! O ga heen , gij beschuldiger! zij kende het evangelie beter dan gij!
God hebben wij niet gezien, en den hemel ook niet. Een ding weet ik, dat God beloften heeft gegeven voor het eeuwige leven, en daaraan ook beloften voor dit leven heeft verbonden. En komt de Heere mij nu tegen, word ik met zorgen bezwaard, en verhoort Hij mijn gebed niet, als ik Hem smeek mij te helpen en mijnen toestand te veranderen, dan maak ik daaruit het besluit op: de beloften gelden mij niet voor dit leven, dus zal ik ook in den dood niet geholpen worden; is Hij hier beneden, in 't aardsche leven, mijn God niet, zoo zal ik Hem ook nooit als mijnen God en Vader aanschouwen.
7
Naomi sprak het in de benauwdheid harer ziele
uit, en kleedde de geheele zaak op dezelfde wijze in als wij ze in dergelijke gevallen ook inkleeden. Zorgen, nooden, vernedering en verachting kunnen het hart kwellen, maar als men recht staat brengt men het voor des Heeren aangezicht. Zij wilde Mara genoemd worden; het ging haar zoo als het Maria Magdalena bij het graf des Heeren, zooals het den beiden jongeren ging, die op weg naar Emmaus waren!
God heeft eenen Naam gegeven onder den Hemel, waardoor wij kunnen zalig worden, en door dien Eenen Naam onder den Hemel is men erfgenaam des Hemels en erfgenaam der beloftenissen; in den doop nu komen we op dezen Naam des Heeren te staan; in des Heeren boek worden we als kinderen Gods opgeschreven. Maar nu kom ik in nood, het gaat mij zooals het Naomi ging, daar vergeet ook ik den liefelijken Naam des Heeren en denk nergens aan dan aan Mara, bitterheid, de Heere heeft mij bitterheid aangedaan! Waar de Heere ons in de ellende brengt, waar Hij wegblijft, waar Hij het licht uitblaast, met galle en alsem drenkt, daar juist is Hij op weg ons te verrassen met Zijn heil, met Zijne wegen, juist daar is Hij op weg om voor ons te doen opgaan de Zon der Gerechtigheid.
Vs. 22. âAlzoo kwam Naomi weder en Rulh de Moabilische, hare schoondochter, met haar. die uil de velden Moabs weder kwam. En zij kwamen le Bethlehem in 'l begin van den gerstenoogslquot;. Euth, de Moabitische, een heidenkind, voor wie geen beloften schenen te bestaan. De velden Moabs, dat klinkt ongeveer als Galilea! Bethlehem beteekent Broodhuis. Wanneer kwamen ze in dat Broodhuis? Al ziet men niets meer, nochtans is het dag. Al
kunt gij geene genade zien, nochtans is ze daar, maar voor het oogenhlik ziet ge noch licht, noch genade. Wanneer, denkt ge, zal de hulpe komen? Als gij naar God bedroefd zijt, u in zorg en angst bevindt, maar toch op Gods belofte blijft hopen, dan kunt ge gerust uw horloge in de hand nemen en zeggen: Nu is de ure der verhooring mjjner gebeden, de ure der verlossing, der genade, de tijd, dat het komen moet, aangebroken, want het water is mij aan de lippen gekomen! Om den tijd van den gerstenoogst, d. i. om het Paaschfeest. Naomi, Liefelijkheid, was dood voor haar en in Mara, Bitterheid, veranderd. Man en zonen, geburen en vrienden , alles wat rijk en aanzienlijk was, het was alles dood voor haar, want zij had niets, en dan wordt men van allen verlaten. Maar als alles voorbij is, dan is het 's Heeren tijd; Hij doodt en Hij maakt levend. Hij voert in de helle en weder er uit! Altoos is daar weer een Paaschfeest, waar Christus gekruisigd werd, waar Hij riep ; Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten, waar wij meenden ; Hij zou ons verlossen, en het is nu reeds de derde dag!
Deze verklaringen van het Boek Euth, uit het Hoog-duitsch vertaald, zijn gedurende het improviseeren door eene, van onzen schrijver geautoriseerde, vriendenhand opgeschreven. Plaatsgebrek verhinderde ons dit reeds in het vorige nommer te vermelden.
Uitgegeven bij H. BüSKES te Utrecht, Ilaverstraat. Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. Bückmann, Elberfeld Prijs per Nommer 3 Cis. Franco per post 4 Cts.
No. 5. 27 Maart 1886.
schriftverklaring
van
lgt;r. If. F. KOHIiBRÃG^£.
Verklaring van het boek Euth.
Capittel II, vs. 1 â 9.
âNaomi nu had eenen bloedvriend van haren man , eenen man, geweldig van vermogen, van het (jeslachl van Elimélech, en zijn naam was Boas.quot; Bloedvriend, d. i. een bloedverwant. Zulk een bloedverwant, hebben wij ook. Waar Elimélech is â mijn God is Koning â daar is ook zeker en vast de bloedverwant Boas, d. i. Christus. Wat heeft Deze Boas te doen ?
Tot heil en zegen van Mara en Ruth was hij in het Broodhuis: Deze kan helpen, wil helpen en zal helpen. Maar op dezen Boas had Mara-Naomi niet gerekend, want dat doet de menseh van nature niet; men loopt veel liever vleesch en bloed na; alleen de oprechten gaan tot God Mara rekent niet op Boas, want, denkt zij, ik ben genadeloos en genadeleeg, ik ben arm en nooddruftig, ik zit diep in den nood. En Ruth wist van dat alles niets; zjj was immers geen joodsche, geen christelijke vrouw, maar een heidenkind! Nochtans
zal Boas zijn woord wel handhaven : Komt herwaarts tot Mij, gij allen die vermoeid en belast zijt; Hij helpt de ellendigen heerlijk.
Vs. 2. âEn Rulh, de Moabilische, zeide tol Naomi: Laat mij toch in het veld gaan, en van de aren oplezen achter dien, in wiens oogen ik genade vinden zal. En zij zeide lot haar: Ga heen, mijne dochter! Hoe komt Ruth hjj Boas? In Moab was Ruth eene aanzienlijke vrouw. Toch sprak Ruth tot Naomi (de Heilige Geest handhaaft hier door alles heen den naam Naomi) : laat mij gaan en van de aren oplezen, achter diea, in wiens oogen ik genade vinden zal, d. i. gnnst vinden zal. Neen! dat was toch te erg, dat deden alleen de gemeenste maagden, de allerarmste kinderen, en dat zoude Ruth doen, die van zulk eene aanzienlijke afkomst was. Zij gaat gekleed evenzoo als hare schoonmoeder, overigens gevoelt zij niets van gering of aanzienlijk; zij denkt maar alleen aan den nood, waarin zij verkeeren, en dat men geen middelen verachten mag, die God veroorloofd en verordend heeft. Opdat men Boas vinden zou ontstaat er nood in het Broodhuis, en Ruth onderwerpt zich aldaar aan Gods hevel.- Wat heeft God gezegd ? Deutr. 24 vs. 19: âWanneer gij uwen oogst op uwen akker afgeoogst, en eene garf op den akker vergeten zult hebben, zoo zult gij niet weder-keeren, om die op te nemen: voor den vreemdeling, voor den wees en voor de weduwen zal zij zijn; opdat u de Heere, uw God zegene in al het werk uwer handen.
Veroorlooft mij even eene opmerking, in 't voorbijgaan mijne Geliefden, al behoort ze niet regelrecht tot onzen tekst. Als ik eenige zakken appels
geplukt heb, behooren ze mij dan niet toe? Neen, God heeft ze u gegeven, en er staan altoos genoeg jongens bij te kijken die gaarne ook wat van dat schoone fruit mede krijgen. Zoo geeft dan God Zjjne geboden met de wijste voorzorg. Leviticus 19 vs. 9, 10. Die aanzienlijke, jonge vrouw buigt zich onder Gods verordening en onder Zijne armenwet: alles wat God beveelt is eerlijk en eervol. Borgen en leenen is stelen, maar God heeft wetten en inzettingen gegeven, en wel hem, die zich daaraan onderwerpt. Dat doet Ruth, en do Moeder, die ook van een zeer aanzienlijken stand is zegt niet: âNeen, dat is niet fatsoenlijk,quot; maar, âga heen, mijne dochter!quot; Hoort het nogmaals: onder wat God verordent, wat met zijne ordonnantiën overeenkomt, buigt Ruth zich vrijwillig. Dit nu is de rechte genadeweg voor dit en voor het eeuwige leven , dat men het in zijnen nood daar zoekt, waar God het aangewezen en geboden heeft, namelijk in den weg van eerlijken arbeid en in een niet vragen naar zichzelven.
Wnjt is, ook in geestelijken zin, de grootste hinderpaal om Boas te vinden? Is het niet de hoogmoed? Wie zich onder Gods hand vernedert^ maakt God groot, en wie zich voor God deemoedigl zal door den Ileere hoog verheven worden.
Vs. 3. In het geestelijke zijn zij de maaiers die Gods Woord aan de gemeente brengen. Zoo ginri zij heen, en kwam en las op in hel veld, achter de maaiers; en haar viel hij geval voor, een deel van hel veld van Boas, die van het geslacht van Elimelech ivas. Zoo viel haar bij geval voor: dat schijnt hier als bij toeval te geschieden, maar het boek Ruth is door den Heiligen Geest
4
geschreven. Er staat niot âGod bestuurde liet dat,quot; maar zoo is het opgeschreven als of door louter toeval alles zoo gekomen is. Waar men zich aan 's Heeren bevel onderwerpt, gaat alles als van zelf. God heeft het zoo verordend, dat, waar men zich onder Zjjne wet buigt, het eene uit het andere voortkomt, alsof eene bloem zich langzamerhand ontsluit. Waar men in geestelijken nood zich wegwerpt, en de maaiers (de verkondiging des Evangelies) volgt, is men op het veld des Heeren Jezus, eer men het weet!
Wat was Boas voor een man?
Vs. 4. En ziet, Bons kwam van Belhlehem, en zeide lol de maaiers: De Heere zij mei ulieden! En zij zeiden lol hem: De IIeere zegene u! Boas zegent; vloekt niet, twist niet, is minzaam en liefdevol, geeft hun het loon dat hun toekomt; altijd heeft hij den Heere in 't harte, en mocht o zoo gaarne, dat zijne maaiers Dien ook kenden, en zooals het gewoonlijk gaat, als ondergeschikten zoo behandeld worden, daar krijgen ze eerbied voor hunne meesters. Daarom antwoorden zij : de Heere zegene u! Ja! het gaat soms wonderlijk in de wereld toe. Een brood- of fabriekheer, al is hij nog zoo machtig, kan zijne ondergeschikten zelf niet rijk maken. Al doet een koopman nog zoo veel zaken , hij zelf kan de menschen niet rjjk maken. Maar daar hij vriendelijk is, zijn de ondergeschikten ook vriendelijk, en dragen het geld met zakken vol in huis met hun: de Heere zegene u!
Boas was een man die overal oogen had. Hij dulde stof noch vlekken op de kleederen d. i. in het harte, want al klinkt het vreemd, toch is het waar, menschen die zichzelven veroordeelen en
arm on ellendig zijn voor God hebben wel honderd oogen en hebben die op alles!
Vs. 5. Daarna zeide Boas lot zijnen jongen, die over de maaiers gezel was: Wiens is deze jonge vrouw? Op Boas veld, op Christus veld kan men niet zijn of Hij ziet het met liet honderd oogen. Hij bekommert zich niet alleen over de maaiers, maar over allen, die op dat veld zijn. Hij vraagt naar degenen die naar Hem niet vragen. (Zie Gen. 16 : 13.)
Ys. 6 en 7. En de jongen die over de maaiers gezel ivas antwoordde en zeide: Deze is de Moabi-lische jonge vrouw, die mei Naomi rueder gekomen is uit de velden Moabs. En zij heeft gezegd: Laat mij loch oplezen en aren bij de garven verzamelen achter de maaiers; zoo is zij gekomen en heeft geslaan van des morgens af tol nu toe; nu is haar le huis blijven weinig. Zij ging niet weg van den akker: het is bijna als of die jongen haar beschuldigt, dat het nu tijd wordt dat zij van het veld verwijderd werd. Zie! dat is de rechte vlijt, de rechte werkzaamheid! Nu het haar geoorloofd is te verzamelen, doet zij het zoo veel en zoo lang mogelijk. quot;Wat zal die arme Ruth gebeefd hebben, toen zij vernam; hij heeft naar u gevraagd! Ach, wat zal daaruit komen!
Vs. 8. Toen zeide Boas lol Ruth: Hoorl gij niet, mijne dochter? Ga niet om in een ander veld op le lezen; ook zult gij van hier nïel weggaan, maar hier zult gij u houden bij mijne maagden. Welk eene eigenaardige taal van Boas! Hoort gij niet mijne dochter ? In den diepen nood, in het felste van den strijd, is men doof en of er al drie, ja zeven maal gezegd wordt Vrees niet! men hoort toch niets dan den donder der wet, en dat
6
men verdoemd, vervloekt en verloren is; steeds klinkt het door in de ziel, gij wordt nooit verhoord! Gij zijt nooit geholpen, gij zijt maar een Moabitische!
Mijne dochter! voegt Boas cr uit vriendelijkheid bij , en zet ze zoo in eens onder de doehteren Israels!
' Gaat niet om in een ander veld op te lezen, zooals de Heere ook zegt: Gij zult geen' anderen God aanbidden en niet tot eene andere genade gaan. Bij Mij zult gij bl|jvon, bij Mij zult gij leven en overvloed hebben! Dus de ware Boassen stooteu do ziel niet af, maar geven het bevel: Gaat niet van hier! Daarmede heeft ook Jakob den Heere overwonnen, doordat hij bij den Heere bleef en sprak : Ik zal IJ niet laten gaan, tenzij Gij mij zegent. En de Heere Jezus zegt nog tot de arme maagden, die zich zoo onder Gods wet en gebod . buigen, dat ze als armen en ellendigen aan 't zoeken komen: Gaat niet van hier ! houdt u bij Mijn volk en bij hen, die in Mijnen dienst staan, want daar hebt gij gelegenheid te vernemen dat Israels God alleen God is.
Vs. 9. Uiue oorjen zullen zijn op dit veld, dal zij maaien zullen, en (jij zuil achter haarlieden gaan; heb ik den jongens niet geboden dat men u niet aanroere? als u dorst, zoo ga lol de vaten, en drink van hetgeen de jongens zullen geschept hebben. Jongens, d. i. opzieners, zooals ze nog in de gemeente des Hoeren zijn. Ach! die hond, dc aanklager der broederen, wil de arme Ruth wel aanranden, maar zoo gij op het veld der genade zijt, waarop ik u alle volheid toewensch, dan mag niemand u leed aan doen. Dan is het zooals in dc Openbaring staat: de Geest en de bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet. En zoo u
7
dorst, zoo ga tot het Woord des Heeren, waar het ook zij. Zou ya tul de vaten, er was misschien nog eene poel van slecht water, waar de armen uit konden drinken. Wat mijne jongens drinken, zult ook gij drinken, zooals ook de Heere zegt: wat Ik mijnen jongens geef, zult gij, Moabitisehe, ook hebben.
Voor wij verder gaan heb ik eene opmerking: het ver wondere niemand dat ik bij de uitlegging-van het boek Ruth zoo veel op het inwendige leven toepas van degenen, die den Heere zoeken en vinden , en in 't geheel zoo veel op Christus betrekking doe hebben. Of het geheele aardsche leven is voor ons niets waard , óf wel het komt uit de eeuwigheid en keert weer tot de eeuwigheid terug. Is dit zoo met ons, dan zien wij overal hetzelfde in het leven des geloovigen, wat we in de natuur zien. i en I Het draagt alles één stempel en één afdruk van ierllGods macht en genade, geljjk Hij die heeft ver-jiien llieerljjkt in den hemel in Christus.
ver- I Wij zouden in de Heilige Schrift niet voortdu-Irend deze verhevene taal vinden, ware het niet I's Heeren welgevallen geweest in de gansche schepping ons, om zoo te spreken, afbeeldingen te geven van hetgeen bij Hem is, en alzoo door al het zichtbare de Zijnen te leeren, op te voeden, te verkwikken en te vertroosten met Zijn Woord. De geloovige is met zijnen God en met zijn volk , hij heeft gezocht de gerechtigheid van het koninkrijk aan- ider hemelen, en alles wat hij ontmoet, alles wat zijt, Imet hem gebeurt kan hij slechts vanuit dat stand-landlpunt beschouwen; zoo is alles voor hem een beeld, ringleene afspiegeling der eeuwige heerlijkheid.
inkt
Gij ahe! heid iels! loals God
Bij
ver-zic-1 lier! len, niet ezus | ider
uien m u ten, 'lept r ill , de
die J Ruth was een schepsel Gods, een menschenkind, ; en leene vrouw; als zoodanig heeft ze zeker ook wel
jo n
eens voor zich zelve naar huiselijk geluk, en eigen haard verlangt, maar nochtans ging het haW daarom niet!
Het was haar te doen om God, om den rijkdom Zijner genade, om de eeuwige heerlijkheid! Zoo zij iets gezocht had, dat haar van den Heere aftrok, zij luid het in Moah kunnen vinden. Zij zou in Moab ruimschoots gelegenheid gehad hebben eigen huis en hof te bezitten. Maar zij heeft Moab en zijne afgoden versmaad, en is eene arme, klagende weduwe gevolgd, zij heeft, toen zij medeging, niets anders gezien dan het tegendeel van Gods beloften, en toch heeft zij in de woorden der moeder gezocht, en zoekende gevonden wat haar helpen kon voor de eeuwigheid: zij heeft geloofd dat ze in dien weg alles, ook voor dit leven zou vinden. Zoo leefden in haar hart Gods wet, de eeuwige goederen, de genade en de barmhartigheid des Heeren. En zoo, vervuld met deze genade, is zij ai kleiner en kleiner geworden, en daar zij nergens aan dacht, dan aan een kommervollen arbeid om haar en hare geliefde schoonmoeder in 't leven te behouden, heeft zij geheel onverwachts ook dat tijdelijke gevonden, waarvan God de Heere wel weet, dat het voor den mensch levensbehoefte is, ja zij heeft het gevonden als iets dat eeuwig en onvergankelijk was, want in al, al die weldaden heeft zij zich het meest verkwikt aan de genade en de barmhartigheid van Israels God!
Uitgegeven bij H. BUSK ES te Utrecht , Haverstraat. Voor Duitsclilaiid verkrijgbaar bij K. Bückmann, Elberfeld. Prijs per Nummer 3 Cis. â Franco per post 4 Cis.
10 April 1886.
SCHRIFTTERKLARING
VAN
Igt;r. H. F. KOIIT.RmiCOE.
Verklaring van het boek Euth.
Ccip. II vs. 10, 11.
Geliefden! De zichtbare dingen zijn eene afschaduwing der onzichtbare. In dezen zin willen wij onze betrachtingen over de geschiedenis van Ruth voortzetten , en beschouwen hoe Boas haar met hulp uit Zijn heiligdom te gemoet kwam.
Hoort gij niet, mijne dochter? had hij vs. 8 gesproken. Hoor, o dochter! en zie, en neig uw oor, (Ps. 45) Ga niet om in een ander veld op te lezen, want op mijnen akker alleen zult ge genade en barmhartig-heid vinden; ga niet weg van hier, denk ook niet, dat het onbescheiden is, zoo veel aren op te lezen, want ik wil u rijker en rijker maken, en u de volheid schenken. Houd u bij mijne maagden, volg die na, en waar Mijne maaiers maaien, juist daar is deze rijkdom en volheid voor u te vinden, en dat wel geheel volgens Mijne wet. Ik heb mijnen maaiers geboden, dat niemand u leed doe, want Ik weet dat ge eene arme, beschroomde ziel zijt, die zich liefst stil en verborgen houdt en onopgemerkt achter
Wo. 6.
de maaiers heen gaat. Zoo u dorst, zoo ga tot de vaten en drink van hetgeen de jongens zullen geschept hebben. Hiermede deelt hij aan Ruth van alles mede, wat op den akker en op het veld is, want niemand mocht, zonder dat het hem geoorloofd was, uit die voor Boas jongens alleen bestemde vaten drinken; maar het was Boas' welbehagen haar als eene dochter te behandelen, als eene die hem toebehoorde , hem den machtigen en rijken man! En zoo klinken deze woorden als die uit de Openbaring: de Geest en de bruid zeggen: Kom! En die het hoort zegge: Kom! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.
Vs, 10. Toen viel zij op haar aangezicht, en boog zich Ier aarde, en zij zeide tol hem: Waarom heb ik genade gevonden in mee oog en, dal gij mij kent, daar ik eene vreemde ben?
Toen, staat er, viel zij op haar aangezicht en boog zich ter aarde, en zeide tot Hem; Waarom heb ik genade gevonden in uwe oogen? Zij had zich vrij op de wet kunnen beroepen, want de wet veroorloofde haar aren op te lezen zoo veel zij wilde. Maar op dit recht, dat haar volgons de wet toekwam, maakt zij geen aanspraak, want hoe konden Gods schoone en liefelijke instellingen haar gelden, haar, de Moabitische, de vreemde, die zooeven in Beth-lehem-Juda aankwam!
Ja, in zoo verre denkt zij aan de wet, dat zij er zich onder buigt en als eene arme komt, het als genade en barmhartigheid beschouwt, dat zij opzamelen mag, en hoe dieper zij zichzelve vernedert, en onder de wet buigt, hoe meer Boas zijne genade aan haar verheerlijkt, zoodat haar niet gelden zou het recht der vreemdelingen, maar dat
3
zij vrij erfrecht zou outvaagen met de imvouers des lands, als eene vrije erfdochter!
O mijne geliefden! Waar God ons zoo mot hulpo tegemoet komt uit Zijn heiligdom, hetzij middelljjk of onmiddellijk, laten wij ons daar toch niets aanmatigen, alsof wij recht hadden op die hulp; en niet denken: ik ben een mensch, een kind Gods, een geloovigc, ik heb do goede kous gedaan, heb mijne plichten vervuld, en daarom is die of die, (de rijke Boas, zou Ruth gezegd hebben, indien ze zoo verkeerd gedacht had) verplicht mij te helpen; ik ben hem volstrekt geen dankbaarheid schuldig, want God is het. Die het door zulk eenen doet!
Neen! zoo was Ruth niet gestemd! En toen zij gevonden had, wat haar naar Gods wet toekwam, zeide zij niet met hoogmoed; Nu heb ik genoog; maar met beide handen neemt zij aan wat Boas haar schenkt; en toen zij alles opgelezen had sprak zij niet: Dat heeft God mij gegeven, maar zij valt op haar aangezicht en spreekt: quot;Waarom heb ik genade gevonden in uwe oogen? Ik, de arme onbekende weduwe. Welk eeno verrassing heeft de ïïeere den nederige en bescheidene bereid! Buig u maar diep onder alle uitspraken van Gods heilige wet, en gij zult uitkomsten vinden in eiken nood en dood, ook als gij dit het allerminst verwacht! En hoe zoet klinken de woorden van onzen Boas der hard aangevochtene ziel, die zich diep onder Gods wet vernedert en o zoo gaarne verlost zoude zijn van alle zonden. Daar staat in eens haar Verlosser voor haar! Waar is zulke verlossing nu te vinden? Allereerst in Gods Woord, terwijl die ziel zoo vol angst en vrees, geheel in stilte uit het Woord hier een aartje en daar een aartje opzamelt, met weenen en
snikken vaak, en zij in eens verneemt: Hoort gij) mijne dochter?!
Ja mijne Geliefden; waar deHeere, de hemelsche Boas, komt met de scliatten Zijner liefde, waar Hij omziet naar zulk eenen die dacht: naar mij kan Hij niet omzien; wanneer men in een eenzaam hoekje zit, en zich vervreemd voelt van het genadeverbond der uitverkorenen Gods, waar Hij zich ook zoo openbaart met Zijn heil, met Zijn Woord, en geheel onverwacht ons zoon of dochter noemt, daar zinkt men in het niet voor zulk eene genade en barmhartigheid. Want hoe zouden wij het ooit met iets ter wereld kunnen verdienen, dat de Heere, de hemelsche Boas, tot ons komt om ons te verlossen, ons te troosten, en ons uit te helpen? waarmede zouden wij het kunnen verdienen dat Hij ons kennen wil ? Zijn wij, zoo wij den diepsten grond onzes harten en de beweegredenen en oorzaken van ons doen en laten nagaan, niet voortdurend Moabieten? hebben wij niet voortdurend allerlei afgoden voor ons opgericht? En al hebben wij den waren God als onzen God gevonden, vervreemden wij ons dan toch niet voortdurend van Hem door onze zonden, en is het iets anders dan vrije genade, zoo Hij ons niet als vreemden behandelt?
Mijne Geliefden! Er zijn rechtvaardigen, die nooit vergeten wat gerechtigheid is; de geringste daad van rechtvaardigheid en trouw blijft onuitwischbaar in hun geheugen geprent, terwijl ze de tegen hen bedreven zonden en overtredingen licht vergeten, zooals de Heere de hunne vergeet. Daar zijn rechtvaardige lieden, die niet altoos zoo angstig vragen: Is dat ook een Hethiter, is dat ook een Moabiet? maar die het luid uitspreken: Mijn vader was een
bedorven Syriër, en mijne moeder eene Hethitische; en die het zelf hebben vernomen: gij die daar in uw bloed ligt, leef, ja leef! O die rechtvaardigen zijn niet altoos aan hot ziften tusaehen personen en personen, zij zitten niet de zonden van hunne naasten lang uit te meten, maar binden liever alles te zamen in een bundeltje en werpen het ia cene zee van eeuwige vergetelheid! Eene enkele daad van recht en gerechtigheid schatten zij echter zoo hoog bij Moabieten en Hethitischen (wij zouden zeggen bij wereldlingen), dat zij uit den diepsten grond des harten spreken: Dat vergelde u de Heere in uw laatste uurtje! En zulk een rechtvaardige was ook Boas, en zoo handelde hij ook.
Vs. 11. En Boas anlwoordde en zeide lol haar: Hel is mij wel aangezegd alles, wal gij bij uwe schoonmoeder gedaan hebl, na den dood nws mans, en hebt uwen vader en uwe moeder en het land uwer geboorte verlaten en zijl heengegaan lot een volk, dat gij van te voren niet hendel. âIs dat dan zoo wat bijzonders, als iemand zich bij Gods volk aansluit? Is dat dan iets meer dan schuldige plicht? quot;Wat is er dan ook bij de afgoden te vinden; het is eer te verwonderen, dat hij of zij niet reeds veel vroeger do goede keus gedaan heeft, gelijk het behoorde.quot; Zoo mag misschien het vrome, eigengerechtig vleesch redeneeren, maar God de Heere en de ware rechtvaardigen stellen een gedrag als dat van Ruth op hoogen prijs! Zij weten het te waardeeren waar in waarheid deze zin des harten aanwezig is: alles te laten varen wat men met de handen tasten en met dc oogen zien kan; al het zichtbare, dat zoo blinkt en heerlijk schijnt, niets te tellen, om het onzichtbare te kiezen , waarvan men niet weet wat er achter steekt!
6
Ja meu krijgt spoedig genoeg te proeven en te smaken, dat achter de onzichtbare dingen, die men verkoren heeft, het kruis steekt, het: ânoemt mij niet Naomi, maar Mara, want de Almachtige lieeft mij bitterheid aangedaan.quot; En de Heere, de hemelsehc Boas, weet het te waardeeren, waar eene ziel zich van de eeuwige goederen niet laat aftrekken door al dat kruis, en door al dien druk!
Ja! gezeten op den hoogen rechterstoel, waarop wij ons zoo gaarne plaatsen, mcenen wij, dat het maar eene geringe zaak is zich aan te sluiten aan eene oude, bekommerde, verlegene en arme vrouw, en haar als eene moeder te behandelen en te eeren, die niet mede zingt, niet mede speelt, niet mede danst, maar in een hoekje zit en klaagt, en daarenboven in hare wanhoop van den Heere soms dingen uitspreekt, die-zulk eene als Ruth niet eens goed begrijpt.
Men meent het was gansch eenvoudig voor Ruth en ook maar eene kleinigheid om vader, moeder en vaderland te verlaten, en dan zich bij een volk te voegen, dat zij eigenlijk nog niet eens kende. Evenwel zijn er duizenden christenen, die het haar niet nadoen.
Ach men leest zoo gaarne die schoone woorden: âDe Zoon des menschen is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren is,quot; en o! zoo snel maakt men dan de gevolgtrekking ; ik ben verloren, dus is Hij voor mij gekomen; ach! men vindt ze zoo heerlijk die belofte: âMijne schapen hooren Mijne stem en Ik ken dezelve en zij volgen Mij. En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheidquot;, en o, men is er zoo vlug mede te zeggen: dus ik krijg het eeuwige leven. Waar echter
de waarheid is en leeft, daar is geen leugen, noch bedrog! Wie liet, waar het waarachtige licht schijnt, nog in de duisternis kan uithouden, die moge misschien het geheele Evangelie van buiten kennen, maar hij doet niet wat de Moabitische deed, en God de Heere weet van al zijn doen en drijven niets!
Orpa heeft ook tranen gestort, wilde schijnbaar ook wel mede gaan naar Juda, on had zij zich een bundel preeken van âdien goeden dominé, uit dat goede landquot; kunnen verschaffen , zij zoude er-gewis een mede hebben genomen: maar zij zelve bleef in Moab â en stierf aldaar.
Maar de Heere heeft gezegd: âWie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardigquot;; en de duivel zit in al de heerlijkheid van het zichtbare om den armen mensch te betooveren en hem er van af te houden zich op leven en dood in Gods handen over te geven en om Christus wille alles te laten varen. En nochtans! verlaten wordt zulk eene arme Ruth nooit en nimmer; God kent den nood dergenen, die alles haten en versmaden, wat hen verhinderen zou de keuze, door God zelve in hun harte gelegd, de waarachtig goede keuze, ook op te volgen. O zoo van alle zichtbare heerlijkheid beroofd te zijn, in in Ruth's geval, vader, moeder noch vaderland meer te hebben, dat was met vleeschelijke oogen bekeken het ergste wat men zich voorstellen kon! Ik leef liever arm in mijn vaderland, dan in overvloed in den vreemde. Maar waar God de Heere ons uit ons vaderland brengt, waar zóó en niet anders Zijn weg met ons is, daar krijgen wij een ander Vaderland in 't oog, een' anderen Vader, eene andere moeder; daar kan men alles getroost en
veilig den Heere in handen geven. Maar juist m die ure, toen Ruth vader, moeder en vaderland verliet, wat had zij toen in de plaats daarvoor? Immers niets! Wat had en wat bezat Rutli toen? Eene moeder, Ja! maar het volk, waarheen ze trok, kende zij niet, zij kon ook die vreemde taal spreken noch verstaan, moest dat alles nog leeren. En wat kon die arme moeder haar aanbieden, wat haar vergoeden? Als eene arme weeze aren oplezen achter de maaiers, dat was haar lot! Welk eene vernedering!
Daar spreekt misschien iemand: Zie, zij hoort bij Naomi, bij die vrouw, die vroeger zoo rijk was en in dat groote huis woonde, en nu is deze zóó arm, dat eene arme wees haar het te zamen gebedelde naar huis moet dragen. In Moab was het volk rijk, daar kon men met meer gemak 3 gulden verdienen dan in Israël een' stuiver, in Moab was overvloed van alles, en zoo Orpa's ouders behoeftig waren geweest, gewis! zij was ook wel medegegaan naar Bethlehem-Juda!
Het volgende blaadje (24 April), zal niet het vervolg der verklaring van het Boek Euth bevatten ; en wel daar wij meenen den geachten lezers niet van ondienst te zijn , zoo wij hun op het Paaschfeest ook eene Paasehpreek aanbieden. No. 7 zal dan een dubbel Nommer worden van 16 bladz. ii 6 ets. en opdat de kosten hierdoor niet verhoogd worden zal No. 8, waarin wij de Verklaring van Euth denken te vervolgen, niet 8 maar 32 Mei verschijnen. Dus eerst 4 weken na Pasehen.
Uitgegeven bij H. BÃSKES te Utrecht, Baverstraai. Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. Bückmanm , F.lherfeld.
Trijs per Nummer 3 Cfs. â Franco per post 4 Cts.
lo. 8. 22 Mei 1886,
SCHRIFT YEHKLAROO
VAN
Br. II. F. KOIIIiKRÃ(*â¬*£.
Verklaring van het boek Ruth.
Cap. II vs. 11â13.
Staan or niet ontelbare beloften op de Evangelie-bladen? Maar als men in een' toestand verkeert, als die van Rutli toen zij daar in Juda aankwam , vraagt de ziel in haren nood: zullen die woorden ook voor nnj vervuld worden? Ik weet liet hoe de Heere Daniël gered heeft, ik weet hoe van Sadrach , Mesach en Abednego in den gloeienden oven geen haar verzengd is , ik weet dat Ruth alles, alles gevonden heeft, wat zij behoefde; maar nu is de nood, de angst daar! Ik heb vader, moeder, vaderland verlaten, ik heb deze of gene ongerechtigheid uit de hand geworpen. Ik verdiende mijn brood met ongerechtigheid, 100, 200 gulden per week niet schrapen en stelen, en met een koen besluit heb ik het laten varen, maar waar moet ik nu van leven ? Ja, God de Heere heeft gezegd: Roep Mij aan in den dag dor benauwdheid, en Ik zal er u uithelpen; en als de verhooring gekomen is, als het gemis van vader, moeder en vaderland mij zal vergoed zijn, dan zal ik dat ook gelooven! Ja, God heeft gezegd; Ik zal u verlossen; maar alle duivelen vallen over mij
lt;2
als ik afstand doe van alles, wat niet met Gods geboden overeen komt; van wat ik zoo gaarne heb, waarmede ik zóó beu te zamen gegroeid dat ik er mede en voor zou willen sterven!
quot;Welnu! de mensch behoude vrij wat hem goed dunkt, hij geloove op zijne manier het lieve evangelie, hij behoude al het zichtbare, alle ongerechtigheden, die hem daaraan vastbinden, maar dat zij hem dan tevens aangezegd op leven en dood: dat God van dit zijn ijdel geloof, noch van al zijn doen en drijven niels afweet. En als de Heere Jesus komen zal op de wolken des hemels zal Hij niet vragen naar godsdienstige meeningen, maar naar waarachtig goede werken. Het is mij wel aangezegd, zegt Boas, alles wat gij bij uwe schoonmoeder gedaan hebt, na den dood nws mans, en hebt uwen vader en uwe moeder en het land uwer geboorte verlaten, en zijt heengegaan tot een volk, dat gij van tevoren niet kendet, aan mijn volk hebt gij u aangesloten! en hebt daarbij gedacht: ja, wat het eigenlijk voor een volk is, wat het weet en gelooft, weet ik niet eens recht, maar ik weet dat het oprecht is, en recht door zee gaat, en dat is ook de behoefte van mijne arme ziel!
De rechtvaardige Boas heeft het goed onthouden wat hij van Ruth had vernomen, en als hij nu verneemt wie die arme vrouw is, die op zijn veld aren opzamelt, klimt in eens de gedachte in hem op: Ha! die moet van haren stuiver millioenen krijgen! Den rechten Boas nu, den Heere des hemels en der aarde, den almachtigon Koning, wordt ook aangezegd wat hier zulk eene Moabietische doet. Hij prent het diep in Zijn geheugen, en herinnert het Zich goed, en als Hij de Moabietische op
het vlakke veld vindt, dan denkt Hij: het geheele hemelrijk zult gij met Mij erven!
Eens sterven vader en moeder, en als wij sterven ontvalt het vaderland ons ook, en de kostelijke wereld, waarvoor zoo menigeen zijne ziel verkoopt, â z|j gaat eens in vlammen op. Doch één volk is er, dat op den Heere hoopt, en dat gaat voor en na, en ten uitersten dage, met verheerlijkte lichamen binnen in des Konings paleis, en zal daar eeuwige vreugde en zaligheid genieten.
Nochtans valt het zwaar hier de goede keus te doen, het dierbaarste wat men heeft, vader of moeder, vrouw of kind, te laten varen; zwaar valt het don eigen wil, de ongerechtigheid, den zelf gekozen weg te verlaten, en zich bij een volk aan te sluiten, dat men niet kent, en met dat arme volk versmaad-heid te lijden!
Vs. 12. De Hecre veryelde u uwe daad! en uw luon zij volkomen van den 11 eere, den God Israels, onder Wiens vleugelen gij gekomen zijl om toevlucht te nemen. âDe Heere vergelde u uwe daad.quot; Boas zegt niet: dat wil ik u vergelden, maar de II eer e vergelde u uwe daad. Uwe daad, t. w. dat gij het zichtbare niet hebt aangezien; in Ruth's geval, dat gij vader, moeder en vaderland hebt verlaten. Dat is nu die gerechtigheid des geloofs , waarvan beide Paulus en Jakobus getuigen!
Ja dat vergelde u de Heere! dat gij hebt geloofd en hebt lief gehad! Een inensch is met lichaam en ziel één geheel, en tijdelijke en eeuwige dingen hangen nauw te zamen.
Van wien hebben wij alle uiterlijke weldaden, vader, moeder en vaderland dan ontvangen ? Immers van den Heere. Is het dan zoo vreemd indien Hij,
wat Hij ons eerst gaf, weer ontneemt? Is het zoo f vreemd, dat de vader tot den zoon zegt: Greef mij â dat boek eens terug; dat de moeder tot de dochter ; zegt: Geef mij die naald eens hierJ' Behoort niet alles wat we bezitten den Heere, den grooten Koning? Zal de aardsche Koning er ons voor danken, zoo wij hem een land afstaan, en niet voor Koning en Vaderland ten oorlog trekken? Maar de trouwe God Israëls, de in Zichzelven algenoegzame, Die alles gemaakt heeft om Zijns zelfs wille; Hij, van Wien wij vader en moeder gekregen hebben, Hij, die de liefde tot het Vaderland in ons hart geeft, die dus het volste recht heeft al die weldaden weer terug te nemen, als het zoo zijn moet tot eere Zijns Naams, Hij, Die dat alles ook alleen doot, komt; en de Heilige Geest spreekt: Dat vergelde u de Heere! Gewis! een enkel woord van een schijnbaar wereldsch mensch, waardoor hij met het zichtbare breekt en ] voor het volk des Heeren uitkomt, is voor den Heere God en den waren rechtvaardige genoeg om te zeggen: Dat vergelde u de Heere! Zie! zoo is het er nu mede gelegen, dat een mensch door het geloof alleen gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet! Want wat gelooft gij dan in den grond, zoo gij, tegen Gods wil in, vader en moeder en vaderland, m. a. w. het zichtbare, in ongerechtigheid vasthoudt? Wat is dat dan eigenlijk voor een geloof, kan dat wel den naam van geloof dragen ? Ja! zegt men, het geloof bestaat in de aanneming der ii vergeving der zonden; ik geloof de vergeving dei-zonden, en zoo zijn ze mij dan ook vergeven in de toerekening der gerechtigheid van Christus. Maar zjjn dan nu ook waarlijk uwe zonden van u genomen, of is niet veeleer alles, wat in u is, hooi, stroo
cn
wai
bi'a
Zoc
en
wei
een
uw
var
nie
we
vol
mo
gee
]
licl
des
me
de
die
Tl
eeü Sta wij afs' wo wai zoo
Hü
gei loo
hl dai
en stoppelen, en zijn niet alle zichtbare dingen, waaraan ge vasthoudt, liet vuur, dat liet stroo in brand steekt, zoodat alles in de vlammen verteert? Zoo gij meent vergeving der zonden te hebben en nochtans in eene valsche leer en in booze werken wilt blijven zitten, zoo hebt gij niets dan een modegeloof, waarmede gij voor het oogenblik uw geweten in slaap wilt sussen. Ruth kon toen van de vergeving der zonden op uwe manier nog niets gelooven, want zij was niet zoo goed onderwezen als gij; maar dat leefde in Ruths hart: het volk mijner moeder is mijn volk, de God mijner moeder is mijn God en ik wil geen ander volk, geen andoren God hebben!
In Simons huis kwam ook eens eene vrouw die lief had en geloofde, en dat wel zóó, dat ze de voeten dos Heeren Jesus nat maakte mot hare tranen en met hare haren afdroogde, zij weende bitterlijk en de Heere sprak: Hare zouden zijn haar vergeven, die vele waren: want zij heeft veel liefgehad.
Maar hoe geraak ik nu daar toe, eenen Boas, conen Verlosser te vinden, die ook mijn Verlosser is ? Sta af van wat tegen Gods Woord is; dat is de wijze, waarop God ons bevrijdt en ons helpt, dat afstand gedaan worde van alles, waar niets gezien wordt dan het tegendeel van Gods beloften en waarheid. Bij den Heere is loon voor Sions arbeid, zoo dat men om Zijnentwille niets verlaten kan, dat Hij niet honderdvoudig weder geeft. Dat heeft Hij gezegd, en Hij houdt woord! En niet alleen zulk een loon schenkt Hij, maar Hij geeft een volkomen loon.
Uw loon zij volkomen van den Heere, den God Israels. Hij geeft dat loon zóó, dat men ervaart, dat Hij de getrouwe Verbondsgod is, 011 aan Zijn
6
met Hem worstelend volk geeft Hij den naam Israël. Komt meu tot dezen God, tot den God Israels, om toevlucht te nemen onder Zijne vleugelen, zoo zal gewis het dierbare woord vervuld worden: Die zoekt, die vindt, die klopt, dien zal open gedaan worden, en wie om Mijnentwille alles verlaat zal ook honderdvoudig weder ontvangen. Wat is echter de weg om van alle ongerechtigheid verlost te worden? Dat men kome arm en ellendig, zich tot Gods genade wende, zich onder die genade diep ver-nedere, en zich niet van den duivel late opblazen. Zóó blijve men bij de genade, en waar men daarbij volhardt, daaraan door God gehouden wordt, zal ook in elke behoefte des menschen voorzien worden. De Heere God schenkt het alles uit vrije genade cü: barmhartigheid, want de godzaligheid heeft de belofte beide des tegenwoordigen en toekomenden levens.
Vs. 13. En zij zeide: Laai mij genade vinden in uwe ooyen, mijn Heer! dewijl yij mij jelroosl held, en dewijl gij naar hel hart van uwe dienstmaagd gesproken hebt, hoeivel ik niet ben gelijk eene uwer dienstmaagden. Zij sprak dus: Laat mij genade vinden in uwe oogen. Zij had gezegd: Uw volk is mijn volk, uw God is mijn God; zij had zich gevoegd onder de armenwet, die haar het recht toekende om aren op te lezen, en nu had zij onverwachts en plotseling Dien gevonden, van quot;Wien zij meende dat Hij naar haar niet wilde noch kon omzien. Zij had er zooveel bijzonders niet ingezien, Moab en zijne afgoden vaarwel te hebben gezegd, en de goede keus te hebben gedaan; zij was blijde van het schijnbaar zoo heerlijke Moab af te zijn, en zij had het ook zoo iets bijzonder braafs niet gevonden zich als eene arme maagd
onder de instelling der wet te buigen! En nu verneemt zij plotseling uit den mond van dezen aanzienlijken man: de Heere vergelde u uwe daad en uw loon zij volkomen van den Heere, den God Israels, onder Wiens vleugelen gij gekomen zijt om toevlucht te nemen. Alzoo: gij zult vinden, omdat gij gezocht hebt; omdat gij de goede keuze gedaan hebt zult gij een volkomen loon vinden van den Heere, die uw God en Heiland is. Zjjt gjj gekomen om eene toevlucht te nemen onder | Zijne vleugelen, zoo zult gij ook ervaren hoe do | Zon der gerechtigheid over u oprijst, en dat gij ge-I nezing vinden zult!
Zij had echter noch oor noch hart voor hetgeen Boas sprak, zij had er geen oor voor dat men haar prees omdat zij onder de vleugelen van Israels God toevlucht had genomen. Dit eene zegt ze maar; Laat mij genade vinden in uwe oogen. Zoo gaat het altoos met de ziele, die waarachtig de goede keus gedaan heeft: die weet ook niet wat haar zou vergolden worden, en waarom zjj een volkomen loon zoude ontvangen. Wel is het haar liefelijk te vernemen: uw loon zjj volkomen van den Heere! want dat neemt zij op alsof Boas zeide:
Illij, die een goed werk in u begonnen heeft, zal het ook voleindigen tot op Zijnen dag.llij, die een goed werk in u begonnen heeft, zal het ook voleindigen tot op Zijnen dag.
Om ééne zaak is het eene ziel als Ruth maar te doen en dat is: Genade voor den Heere! Want al licb ik de goede keus gedaan, al heb ik mij aan I de wet Gods in alle stukken onderworpen, al heb ;T ik de maaiers nog zoo trouw gevolgd, toch heb ik gcene verdienste noch gerechtigheid, toch kan ik geene goede werken bij mij vinden, maar ik ben onwaardig ook liet geringste gunstbewijs van don Heere
aide,
te ontvangen, laat staan eon volkomen loonl want alles, wat ik van God ontvang, te verzondigen, dat versta ik, en anders niets: daarom zegt Ruth ook niet âlaat mij maar op dit veld blijven,quot; maar: âlaat mij genade vinden in uwe oogen.quot; Als ik genade vind in uwe oogen, spreekt zij, dan heb ik u en met u ook het geheele veld, den geheelen akker met alles, wat er op is, maar uwe genade is mij veel meer waard, dan het volkomen loon, uwe genade is mij veel meer waard dan elke vergelding!
âGij hebt mij getroost!quot; Waarmede had Boas haar getroost? Ach! hoe vaak zal de duivel haar toegefluisterd hebben: waarom zijt ge toch niet in Moab gebleven, daar had ge zooveel ellende niet behoeven uit te staan als hier, want waar is dan nu eigenlijk dat volk des Hoeren, waaraan gij u wildet aansluiten ? Niemand bekommert zich immers om u, en zoo God mot u is, waarom gaat liet u dan zóó? Het is of gij krankzinnig zijt, gij aanzienlijke vrouw! En liet arme zwakke monschen-hart kan zulke aanvallen uit de hol geen dapperen tegenstand bieden, maar zinkt weg in rouw en droefenis.
Daar verneemt zij echter uit den mond van Boas, van dien voornamen man: Uwe kous was nochtans eone goede kous, het was goed , dat gjj Moab, dat gij den dienst dos duivels vaarwel hebt gezegd; bij dit volk zal het u welgaan, ook al gaat uw weg door kruis en druk heen! Dat was nu do troost dien zij uit Boas' woorden kreeg. En daarom zegt ze ook: Gij hebt mij getroost en gij hebt vriendelijk met mij gesproken!
Uitgegeven bij H. BÃamp;KES te Utrecht, Haverstraat. Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BÃCKMANN, Elberfeld. Prijs lier Nummer 3 Cts. Franco per jtost 4 Cts.
5 Juni 1886.
SCHRIFTVERKLARING
VAN
]gt;r. Iï. F. KOIIXBRÃGGE.
Verklaring van het boek Euth.
Cap. II vs. 14â16.
Ja! vriendelijke woorden spreekt de Heere tot de arme aangevochtene ziel: hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten dergenen, die tot Zion spreken : Uw God is Koning! Om troost is liet zulk eene ziel te doen, want zij is diep bedroefd. Daarom begint de Catechismus ook met den eenigen troost in leven en in sterven, want getroost moet de arme ziel worden, daar ze zoo zwaar gewond is kunnen harde woorden ze niet op de been helpen. Het regent vaak allerlei slagen van wet, duivel, zonde en schuld op zulk eenen ellendige, maar de rechte Boas spreekt vriendelijk met de arme Ruth, en wie mij in zulken diepen nood getroost heeft heb ik lief tot in alle eeuwigheid. Die Man, die Man aan Gods rechterhand heeft mij eenen eeuwigen onvergankelijken troost gebracht, en al komt er ook telkens nieuwe treurigheid in mijn hart op, ben ik eenmaal in waarheid getroost, dan weet ik ook van Wien die troost kwam, en dat vleesch en bloed mij dit niet heeft geopenbaard, maar dat het van mijns Konings lippen vloeide, daarom ia
No. 9.
mijne ziel genezen, als ik maar voortdurend, ook na zulk eene vertroosting, slechts genade vind in Zijne oogen!
Ja ik zal uog door veel strijd, door veel nood, door veel angsten heen moeten, doch Hij, die mij voor jaar en dag getroost heeft, kome maar met Zijne genade, dan ben ik geholpen! âLaat mij genade vinden in uwe oogenquot;, klinkt het daar gedurig van de wanden des harten. Ziet ik zal nu zacht-kens voorttreden alle mijne dagen, van wege de bitterheid mijner ziel, maar Gij hebt mijne ziel liefelijk getroost: âMijn zoon! mijne dochter, de zonden zijn u vergeven.quot;
Zie, ik ben niet gelijk eene uwer maagden! Dat is nu de ware ootmoed, die is niet vroom, niet voortreffelijk in eigen oogen, die is niet aanmatigend , die denkt niet: zóo of zoo moet ik het hebben, dat en dit moet ik bezitten, want ik ben even goed als de andere knechten en maagden des Heeren! Neen, zulk eene ziel zet zich in een hoekje, en ziet van verre hoe gelukkig de Koning en hoe gelukkig Zijn volk is! O kon ik ook zoo heilig leven als die dienstmaagden des Heeren! Maar ik ben niet als eene van deze, en toch, en toch hebt Gij mijne ziel liefelijk getroost, en vriendelijk met Uwe maagd gesproken. Wat volgt er nu op zulk een ootmoed? Wat gebeurt er met degenen, die zich zeiven uitsluiten en toch geloof toonen door te zeggen : âuwe maagdquot;, d. i. uwen dienst heb ik verkoren? Boas maakt het heerlijker en heerlijker.
Vs. 14. Als het nu etenstijd was, zeide Boas tot haar: Kom. hier bij, en eet van het brood, en doop uwe bete in den azijn. Zoo zat zij neder aan de zijde van de maaiers, en hij langde
haar geroost koren, en zij al, en werd verzadigd en hield over. Zoo gaat het in 't gewoone leven, zoo ook ia het geestelijke, wie zich verhoogt zal vernederd worden, wie zich vernedert zal verhoogd worden, en wie zich vernedert vindt overvloedighjk. Ik ben niet gelijk eene uwer dienstmaagden, maar toch is de Heere mij dierbaar. Zie! dat is de rechte, Gode welgevallige zin, waarbij men ook overvloedighjk ontvangt uit de volheid van Hem, die alles in allen vervult.
Als het nu etenstijd was, zeide Boas tol haar: Kom hierbij en eel! Dat was eigenlijk niet zoo als het behoorde, want laat Boas eerst zulken tot de maaltijd toe, dan kunnen er nog wel honderd gasten bijkomen, waaronder voorzeker nog vele andere armen, die aren wilden oplezen, die legden eenvoudig beslag op wat hun volgens de wet niet toekwam. Maar omdat Ruth zoo ootmoedig was, werd zij behandeld alsof zij geene vreemde ware , ja zij is behandeld geworden als eene dienstmaagd, als zulk eene die tot Boas huisgezin behoorde!
Wanneer is het etenstijd? In het dagelijksche leven heeft de Heere dien tijd gegeven eu ook het gebed: âGreef ons heden ons dagelijksch broodquot;, en Hij, die dat gebed gegeven heeft, heeft ook het brood laten bakken, en alle groenten en moeskruiden laten groeien. Hij is Heere, God en Koning en zorgt genadiglijk voor alles. Is er hier, in de streek, die wij bewonen, wel iemand, wiens behoeften God niet dagelijks drie of viermaal vervult, zoodat ieder de nooddruft des levens vindt? Of hebben wij dat misschien aan onze vroomheid, onze eerlijkheid , ons oppassen, ons verstand te danken ? Is het niet alles een vrije gift van Gods barmhartig-
heid? O die zoo vaak wedorkcerende dagelijk-sche maaltijden, hoe weinig acht slaat mea er op, tenzij men honger heeft. En men geeft tusschen de maaltijden gewoonlijk aan kinderen niet te eten. opdat ze met rechten honger aan den discb komen!
Geestelijk en Irehamelijk is het dan etenstijd, wanneer de mensch zich moede gewerkt heeft, en hij wat tot versterking behoeft om niet te bezwijken.
Geestelijk is de etenstijd gekomen, als de mensch zulk een honger heeft naar het brood des levens, dat hij het niet meer uithouden kan. Als een mensch hongert en dorst naar gerechtigheid, dan kan men ook verzekerd zijn, dat de tijd der verzadiging, de tijd der rust en des vredes voor hem in den hemel is aangebroken, en wie waarlijk naar God bedroefd is, die wete, dat de ure der vertroosting nabij is!
Als men in treurigheid is verzonken, als de tranen over de wangen rollen, als de duivel ons inblaast: âHet helpt u toch alles niets!quot; juist dan is het tijd, dat God uwe tranen komt afdroegen, en de ziel komt verkwikken met Zijne genade en met Zijne liefde; dan breekt de tijd aan, dat Hij den mensch leven en overvloed geeft. Als men het in zijne ellende niet langer uit kan houden, als de ziel meent: Ik kan nooit vertroost worden , als men weigert zich te laten troosten, als het erger en erger wordt met het arme hart, dan is de etenstijd nabij, en bevindt men zich maar op Boas veld, dan verneemt men weldra de liefelijke roepstem: Wie is slecht? hij keere zich herwaarts!
Onder het beeld van brood verstaat de Heere alles wat de mensch behoeft om in 't leven te blijven.
5
âDoop uwe hele iu den azijn.'' Waarmede zal het , [ brood uit den hemel genoten worden? In den azijn, i iu al het zure en bittere dezes levens, daar smaakt liet des te zoeter! Wat het uiterlijke betreft, de Heere had het zoo verordineerd om voor de gezond-hoid der menschen te zorgen, en de rechtvaardigen letten op Zijn bevel ook op de gezondheid der-genen, ciie hen omringen. Boas zorgde voor de gezondheid van Ruth, toeu hij sprak : Doop uwe bete iu den azijn, want in de hitte is het drinken van koud water schadelijk en gevaarlijk, en hoe meer men er van drinkt, hoe dorstiger men wordt. Opdat nu de maaiers en de dienstmaagden niet ziek zouden worden door het onmatig gebruik van koud | water, kregen zij het niet alleen, maar vermengd met azijn, want zóó kon men er maar weinig van gebruiken.
In het geestelijke kan men het nu zóó uitleggen: Doop de bete, die gij ontvangen hebt, in de wet, in de tien geboden, dan zal het hemelsche brood u des te beter smaken, dan zult gij ervaren, dat uw brood met dit zure en bittere vermengd des te | zoeter smaakt, en de geboden des Heeren, die an-| ders zoo zwaar zijn, als van zelf worden opgevolgd. Zoo zat zij neder aan de zijde van de maaiers. Zij zette zich neder bij hen, door wie zij al dat goede ontving, en zoo doet de ziel, die van den Heere wat te proeven en te smaken krijgt, ook.
En hij langde haar geroost horen Wat zet de hemelsche Boas den zijnen voor? Het was Paschen,
8'i daarom kreeg Huth paasch-eten. De etenstijd is daar, _| wie is slecht? Hij keere zich herwaarts! en ete nu Christus' gekruisigd lichaam, en drinke van Zijn vergoten bloed! Zij zat neder bij allen, die gezellen zijn'i daarom kreeg Huth paasch-eten. De etenstijd is daar, _| wie is slecht? Hij keere zich herwaarts! en ete nu Christus' gekruisigd lichaam, en drinke van Zijn vergoten bloed! Zij zat neder bij allen, die gezellen zijn
6
vau des Heereu volk, en terwijl zij het gekruisigde lichaam en het vergoten bloed dos Hoeren geniet, zet de rechte Boas haar geroost koren voor. Dat smaakt haar zóó heerlijk, dat die gekruisigde Heere haar Heiland is! dat de ziele zingt; 'k Werp mijn gewetons klagen, de zonden die mij plagen, in Jesns' ledig graf.
Hij langde geroost koren. Zoo at zij ook, en wat men van Hem bekomt, dat is eene koninklijke maaltijd, het is alles even heerlijk, en zulk eene ziele wordt verzadigd. De ellendigen zullen eten en verzadigd worden, en zulke ellendigen, die verzadigd worden, laten ook nog wat over! O, wie troosteloos is, wie de goede keus heeft gedaan en toch zichzelven buiten sluit, die verneemt: De Heere vergelde u uwe daad, en uw loon zij volkomen van den Heere, den God Israels. Maar wie toegelaten wordt om in waarheid het gekruisigde lichaam des Heeren Jezus te eten en Zijn vergoten bloed te drinken, krijgt ook een' mond, om des Heeren lof te verkondigen, die wordt een herkauwend dier gelijk en is rijkelijk verzadigd, ja om nog allerlei weg te dragen : men heeft alles ontvangen; maar men wil toch nog meer hebben tot lof des Heeren!
Vs. 15. Als zij nu opstond, om op te lezen, zoo gebood Boas zijnen jongens, zeggende: Laat haai' ook lusschen de garven oplezen en beschaamt haar niet. âBeschaamt ze niet,quot; O het is zoo de handelwijze dergenen, die overvloed hebben, anderen beschaamd te maken en te vernederen! Die veel bezitten in deze wereld weten niet hoe het een arm mensch om 't harte is. Men moet zelf arm geweest zijn om dat woord te verstaan; âBeschaamt ze niet.quot;
De Heere wil echter niet, dat de armen en ellen-
7
digcn beschaamd worden, want dat zijn dezulken, die zich niet gaarne op den voorgrond plaatsen, en zij doen het alleen maar door den nood gedrongen, anders hielden zij zich gewis verborgen. Zij worden licht ontmoedigd en afgeschrikt, want zij meenen dat alleen hunne tegenwoordigheid op hot veld des woords voor zulk eenen Heere en Heiland reeds te veel is. Als dezulken beschaamd worden gemaakt juicht de hel, maar de engelen weenen, die heerlijke geesten, die altoos Gods aangezicht aanschouwen en God den ^ Heere naar de oogen zien en geen grootere vreugde kennen, dan dat do Yader hun beveelt zich door het luchtruim naar deze aarde te spoeden, om hen te helpen, die treurig en verlaten in een hoekje zitten, en die zoo te troosten, dat zij moed krijgen om te zingen en te juichen. Maar daar blijft quot;het niet bij. Boas gaat voort met spreken.
Vs. 16. Ja! laai ook allengskens van de hand-vollen voor haar wat vallen, en laat hel liggen, dal zij het opleze, en bestraft haar niet. Men zou zeggen: Hoe is het mogelijk dat zulk eene beschroomde en bescheidene maagd moed genoeg had om toe te grijpen, maar het kwam door hare groote armoede, door haren diepen ootmoed, dat ze vrijmoedig was. Is men niet arm, en niet ootmoedig, dan denkt men: De maaiers kunnen mij dienen.
Waar maar armoede is blijft men aan 't oplezen, en Boas spreekt: Laat ook van de handvollen oor haar allengskens wat vallen. Die aanzienlijke [man opent zijn geheele hart, zijn geheele veld! Hij jjVril dat ik alles oprape, wat Hij mij schenkt, en ik |mag Hem, Dien milddadigen Man, niet beleedigen. lArmoede, nood, ootmoed drijven haar zooveel op te jlezen als zij kan. Zoo gaat het ook op het veld
§
der genade. Komt men arm en ledig op Gods veld, dan leest men op, één, twee of drie aren, men voelt er zich door versterkt en begint weer op te lezen; men zoekt tussehen de profeten, in Jesaïa, Jeremia en de andere. Die laten dan ook allengs-kens handenvol vallen, en zoude men dat niet alles oplezen in zijne groote armoede en nood? Boas' tarwe kan men immers nooit te veel bekomen!
Laat ze oplezen! Het is 's Heeren bevel. Niemand bestraffe haar daarvoor! Geen waarachtig van God den Heere geleerde theologische professor, zal, zoo hij God vreest, zich niet gaarne bij des Heeren arme dienstknechten en dienstmaagden nederzetten , om uit hunnen eenvoudigen mond te vernemen: den overvloedigen lof des Heeren voor Zijnej barmhartigheid en, trouw! Ja, hoe meer men van God geleerd is, des te minder weet men; en men vindt heerlijk wat een ander weet, heerlijk wat men verneemt van dien Koning, wiens lof en Naam men mede begint te stamelen, als men het anderen ooi; hoort doen!
Dus zij moest niet bestraft worden.
Drukfout. N0. 8, bldz. 4, reg. 7 v. bov. land â lees: kind.
Uitgegeven bij H. BUSKES te Utrecht , Haverstraat. Voor Duitsehland verkrijgbaar bij F. BÃCKMANN, Klherfcld. Prijs per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Cts.
19 Juni 1886.
^ SCHRIFTVERKLAROGEN
0P 'e VAN esaïa,
lengs Dr. II. F. KOHLBRÃCiCiE.
t allesl __
Boas'l
l!Nic| VerkUring van het boek Ruth.
ichtigl essor, I ij des I
leder-I Cep. II vs. 17â19.
7â¢quot; I Vs. 17. Alzoo las zij op in dal veld, lot aan
â |ne j den avond; en zij sloeg uit wal zij opgelezen had,
1 van li en het was omlrenl eene efa gerst. Als het avond
men| ig geworden, kan men niet meer zien; bij dag moet
m(H men oplezen, niet in het duistere van den nacht.
I mc,nJ Als de nacht daar is, kan men niet meer in
II 00 1 Jesaja zien staan: âBergen zullen wijken en hen-
1 velen wankelen; maar Mijne goedertierenheid zal
I van n niet wijken, en het verbond Mijns vredes
I zal niet wankelen, zegt de Heere uw Ontfermer!quot;
I en: âVreest niet, wanneer gij zult gaan door
ind. I ^ water. Ik zal bij u zijn, en door de rivieren,
i zij zullen u niet overstroomen; wanneer gij door
1 het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden,
| en de vlam zal u niet aansteken.quot; Als de nacht,
' als de dood komt, komen vaak de duivelen ook,
__1 j maar heeft men veel van den Heere opgelezen,
: dan ligt dat diep, maar veilig geborgen. Sla
.eld j maar uit, wat ge opgelezen hebt! Efa is het tienvoudige van eenen Gomer. Gomer beduidt het bescheiden deel, dat God de Heere den mensch
No. 10.
der genade. Komt men arm en ledig op Gods veld, dan leest men op, één, twee of drie aren, men yoelt er zich door versterkt en begint weer op te lezen: men zoekt tusschen de profeten, in Jesaïa, Jeremia en de andere. Die laten dan ook allengs-kens handenvol vallen, en zoude men dat niet alles oplezen in zijne groote armoede en nood? Boas' tarwe kan men immers nooit te veel bekomen!
Laat ze oplezen! Het is 's Heeren bevel. Niemand bestraffe haar daarvoor! Green waarachtig van God den Heere geleerde theologische professor, zal, zoo hij God vreest, zich niet gaarne bij des Heeren arme dienstknechten en dienstmaagden nederzetten , om uit hunnen eenvoudigen mond te vernemen: den overvloedigen lof des Heeren voor Zijne barmhartigheid en trouw! Ja, hoe meer men van God geleerd is, des te minder weet men; en men vindt heerlijk wat een ander weet, heerlijk wat men verneemt van dien Koning, wiens lof en Naam men mede begint te stamelen, als men het anderen ook hoort doen!
Dus zij moest niet bestraft worden.
Drukfout. N0. 8, bldz. 4, reg. 7 v. bov. laud â lees: kind.
Uitgegeven bij H. BUSKES te Utrecht, Eaverstraat. Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BÃCKMANN, Elberfeld. Prijs per Nnmmer 3 Cts. Franco per post 4 Cts.
19 Jtmi 1886.
SCHRIFT VERKLAROGEN
VAN
Dr. II. F. ROHLBRLGGE.
!Nii Verklaring van het boek Ruth.
Cap. II vs. 17â19.
Vs. 17. Alzoo las zij op in dat veld, tol aan den avond; en zij sloeg uit wal zij opgelezen had, en het was omtrent eene efa gerst. Als het avond is geworden, kan men niet meer zien; bij dag moet men oplezen, niet in het duistere van den nacht. Als de nacht daar ia, kan men niet meer in Jesaja zien staan: âBergen zullen wijken en heuvelen wankelen; maar Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere uw Ontfermer 1quot; en: âVreest niet, wanneer gij zult gaan door het water. Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstroomen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken.quot; Als de nacht, als de dood komt, komen vaak de duivelen ook, maar heeft men veel van den Heere opgelezen, dan ligt dat diep, maar veilig geborgen. Sla maar uit, wat ge opgelezen hebt! Efa is het tienvoudige van eenen Gomer. Gomer beduidt het bescheiden deel, dat God de Heere den mensch
No. 10.
2
geeft. In de woestijn verzamelde ieder een Gomer manna. Efa, dat is de volheid, do volheid dei-tien geboden!
Haast zou zulk eene Ruth er toe gekomen om uit te roepen: Ook ik! ook ik! b. v. als zij leest: Gij zijtin Hem volmaakt! Voor zich zelve had ze voor tien dagen genoeg. Maar daar zij alles met hare schoonmoeder deelde, had zij maar voor vijf dagen voorraad. Dat is het getal van vermenigvuldiging; had zij genoeg voor vijf dagen, dan kon ze ook zeker en vast overtuigd zijn, dat Hij voor tien dagen geven zou, ja dat Hij het voor haar zou voleinden.
Vs. 18. En zij nam het op en kwam in de stad; en hare schoonmoeder zag, wal zij opgelezen had; ook bracht zij voort, en gaf haar, ivat zij van hare verzadiging over gehouden had.
Ja in diezelfde stad kwam zij, waar iedereen gezegd had: Is dat Naomi? Nu kon zij het luide uitroepen: De Heere geeft den hongerigen brood; (Ps. 146 vs. 7); nu kon zij vrij en ongedeerd dooide poort in de stad gaan, en de geliefde moeder zou zien hoe God zorgt! en hoe Hij is een Vader der weezen, een Rechter dor weduwen, de Beschermer der vreemdelingen, Hij is de trouwe en waarachtige God Israëls. Indien het den armen en nooddruftigen niet wel gaat, komt dat daar van daan, dat zij niet aanhouden bij Dien, Die wat mededeelen kan. Hoog kan de nood stijgen, alle golven en baren kunnen ons, naar Ps. 42, over het hoofd gaan, maar nog hooger troont de Almachtige, die schijnbaar niet hoort, maar toch gereed staat om het alles voor ons daar te stellen, wat wij voor tijd en eeuwigheid noodig hebben, op denzelfden dag, ja in hetzelfde uur dat wij vertwijfelen, en toch te midden van onze vertwijfeling bij Hem aanhouden.
Hoe zal het N-': ni toch wel te moede zijn ge-woest den geheelen langen dag, dat hare schoondochter op 't veld was ? Zeker heeft zij in 't verborgen, in hare binnenkamer met den God Israels ge-v.'orsield, zeker ging zij in hare woning op en neer één maal, twee maal, zeven maal misschien, en zuchtte daarbij tot God: o Heere! wees toch mijne arme Ruth nabij, dat zij vinde, wat zij, wat ik behoef om te leven; wat ik voor haar en voor mijzelve van U afsmeek! Maar wat duurt het toch lang eer Kuth te huis komt! Zal er wel iets van de geheele zaak terecht komen? De avond valt en het begint koud te worden, zij wil de lamp der hope aansteken , maar de duivel zoekt het kleine licht uit te blazen. De lamp heeft nog maar zeer weinig olie, zij dreigt uit te gaan, maar de liefde houdt aan bij God, ook als het donker wordt. Daar gaat de deur open, âe» zij zag wat zij opgelezen had, ook bracht zij (Ruth) voort en gaf haar wal zij van hare verzadiging overgehouden had.quot; Zóó verrast God de Almachtige! Met vreugde brengt Ruth voort en geeft aan hare schoonmoeder wat zij overgehouden had. Met weinig was zij verzadigd, maar wat zij mede bracht was genoeg voor vijf gansche dagen. Dat is nu de wonderbare gemeenschap der heiligen, die wij belijden. Die heiligen Gods zijn arme schepselen, de een zit in angst, en de ander in nood, de één bidt en worstelt, en de ander gaat er op uit of hij wat vinden kan, en als het nu duister wordt en de avond gevallen is, als kruis, nood, tegenspoed en aanvechting van alle zijden losbreken, dan komt de een tot den ander, deelt mede van hetgeen hem verzadigd heeft, vertroost met den troost waarmede hij zelf is getroost geworden, en wat hij medebrengt is niet gering.
Lieve aangevochtene ziel! die haast in uwen druk bezwijkt, blijf tocb bij ons, en doe ons den smaad niet aan onze zonden, onze nooden voor ingebeelde en afgebeelde zonden en nooden, den Christus, dien wij u prediken, voor eenen ingebeelden en afge-beelden Christus te houden! Ook wij hadden grooten honger, maar zijn verzadigd geworden, ook wij hadden grooten angst en benauwdheid, maar wij riepen tot God, en Hij heeft ons verhoord. quot;Wij hebben nog allerlei nooden, hooggaanden nood en benauwdheid, het water staat ons tot aan de lippen, maar Hij weet wel uit de groote wateren op te trekken. O houd toch met ons aan bij den Heere, gij arme ziel, ook wij hebben groote, verschrikkelijke, stinkende zonden, en gruwelijke gebreken, maar wij hebben ook een almachtigen Heiland, en wij zijn nu sterk in Hem, om u te prediken, dat juist Hij de Heiland is, geschikt om zulke groote zonden en zulken grooten nood weg te nemen. Wij zijn verlost, ja! en terwijl wij u dit mededeelen, belijden wij ook: Hij is geen ingebeelde, doode Heiland, maar er is in waarheid geen zonde, die Hij niet heelen, waarvan Hij niet verlossen kan allen, die daarmede tot den troon Zijner genade vluchten! Er is geen nood zoo groot, waaruit Hij niet zoude kunnen verlossen, en daarom: houd aan met roepen, met smeeken, met zuchten, al valt ook de avond en al is het duister en koud geworden â helpen wil Hij, helpen kan Hij, helpen zal Hij. Lang genoeg had ons de duivel een slot aan den mond gehangen, al onze beenderen waren verouderd (Ps. 32) van nood en ellende, geen woord des lofs kwam meer van de lippen, en nog drukt ons alles wat ons omringt in den afgrond neder! Maar Mara houdt aan bij God, of God haar weder tot Naomi wil maken,
5
en terwijl zij zoo vol angst tot God roept, ervaart ze liet geheel ongedacht, geheel onverwacht: het heil is gekomen, o Zion! uw God is Koning!
Verwonderd, verbaasd, verlegen staat Naomi, zij weet niet hoe zij het heeft! Waar komt dat van daan? Dat is immers wonderbaar, bijna een Efa gerst! En ik zou mij reeds over eenige korreltjes verheugd hebben, om ten minste voor dezen avond wat te eten te hebben en dan te sterven: dan ware ik nog rustig ingeslapen met het bewijs, dat God het gebed verhoort!
Vs. 19. \[aar hebt gij heden opcjelezen, en waar hebl gij gewrocht'? enz. Ja, waar komt het van daan? Van Hem, Dien wij niet meetellen, van Wien wij armen, ongeloovigen, het niet gelooven kunnen; wij die zoo hard van harte zijn, en ons nog altoos meer verharden door het in de uiterlijke omstandigheden te willen zoeken; wij die voortdurend vergeten, dat de Heeregesproken heeft: âEer ik u in moeders buik formeerde heb ik u gekend.quot; Zóó eng kan de weg niet worden, of Hij zal wel weten ruimte te verschaffen! Eu hoe meer wij benauwd en beangst worden, des te meer vreugde smaken wij later, hoe prangender de nood was, des te heerlijker de verlossing, hoe zwaarder en smartelijker de zonde, des te heerlijker de genade!
âWaar hebl gij heden opgelezen?quot; Ruth had niet gewerkt, maar aren opgelezen. Maar dat reeds was voor haar een zware arbeid. Niet om loon had zij gewerkt, gewrocht, maar zij had genade gezocht, en ook aanvankelijk verkregen, en toen wilde zij verder werken, meenende zoodoende meer genade te vinden! Die man, bij wien gij heden gewrocht hebt, moet wel een zeer genadige man zijn. Ja dat is hij ook! En dat mogen wij ook van onzen
druk
uaad ïelde dien ifge-ioten wij wij Wij i en j pen,
P te I j
ere, quot;jkef naar zijn
Hij
i en 1 ver-jden I md, niet die Er mde ien, ond
pen ge ond :
32) 'ani ons udt ;en,
'
Boas zeggen. quot;VVaar men, meenende dat het zoo behoort, iverkl om meer genade te verkrijgen, daar ervaart men wel, dat men een' genadigen Heiland heeft, Die geeft verre boven bidden of denken. Ja mijne dierbare Ruth! zal JSTaomi misschien gedacht hebben, wie u zegent moet ook zelf gezegend zijn. Gods volk is gezegend voor alle eeuwigheid, en tot koningen en priesters gezalfd, en zij zelf doen niets liever, ja niet anders dan zegenen, maar den ganschen dag worden zij vervloekt door duivel, wereld, zonde en nood. En toch, ofschoon zij zoo vervloekt worden, zegenen zij voortdurend; en wee! driewerf wee hem, die den zegen des rechtvaardigen niet als zegen aanneemt. Want de dauwdroppels des zegens worden wel eens in steenen veranderd, die op het hoofd van hem nederstorten, die meent kracht en tijdelijke middelen genoeg te hebben om zich zeiven staande te houden. Alle rechtvaardigen hebben van hunnen Koning den last ontvangen, voor een dronk koud water een vat vol kostehjken wijn uit te deelen en toe te wenschen. En Grod de Heere verhoort hen, en doet naar dien afgebeden zegen, waar maar een menschenkind is, dat genade van noode heeft en niet staat in eigen kracht.
âGezegend zij, die u gekend heeft.'quot; Dat klinkt ongeveer zoo als wij lezen, Ps. 144 : 1 en 2; âGezegend zij de Heere, mijn rotssteen, â mijne goedertierenheid en mijn burg, mijn hoog vertrek, en mijn bevrijder voor mij!quot; Wat ziet de arme moeder dan in Ruth? Eene Heidensche, eene Moabietische; gewis, hij verdiende gezegend te worden, die zulk eene kennen wilde, maar zij zag ook in Ruth eene dochter, die de goede keuze gedaan had, wier harte was naar het harte Gods, en die het uitgesproken had; Uw volk is mijn volk, uw God is mijn God! Een ge-
1
liefd kind zag zij in haar, waarop alles losstormde; maar, sprak zij: Uwe keus is waarachtig en oprecht en dus zal u een plaats niet ontgaan in den hemel, in de schoone hemelzaal, en daar wil ik toe hooren, o mijn kind ! hoe gij uwe harpe bespeelt, en ik ga achter u staan om naar die liefelijke klanken te luisteren. Gij mijn kind, mijne dierbare Ruth! hebt de goede keuze gedaan, daarom zeg ik midden in mijne armoedé u den hemel toe, en daar woont er Eén, Die uwe keus kent en eerbiedigt, en niet voor dwaasheid houdt, en u leven en overvloed schenkt, âgezegend zij Hij!quot;
Naomi vraagt dus bij wien ze opgelezen had, en Ruth had, toen zij op den akker was, natuurlijk den naam des eigenaars vernomen: En zij verhaalde aan hare schoonmoeder bij wien zij gewrocht had, en zeide: De naam des mans, bij welken ik heden gewrocht heb is Boas.
Wij lezen in het eerste boek der Koningen (Cap. 7 vs. 15.); Hij vormde twee koperen pilaren, een iegelijk 18 ellen hoog, (18 is 3X6) en een draad van 12 ellen was de omvang van elke pilaar (Luth. Yert.) 1 Kon. 7 vs. 21: Daarna richtte » hij (Salomo) de pilaren op in het voorhuis des tempels; en den rechter pilaar opgericht hebbende, zoo noemde hij zijnen naam âJachinquot; en den linker pilaar opgericht hebbende, zoo noemde hij zijnen naam Boas.quot; Jachin beduidt: âHij, de Heere, zal hem bevestigenquot;; Boas beduidt: âIn Zijne krachtquot; of âIn Hem is kracht.quot;
De geestelijke mensch onderscheidt alle dingen; dat kan de natuurlijke mensch niet. De geestelijke mensch heeft een open oog, en ziet naar alle zijden heen. Dat komt van wege den grooten angst, waarin hij zich bevindt. Hij heeft een scherp oor voor het geringste, ja zelfs het zachtst gefluisterde, woord, hij vangt
8
liet beter op dan wat met eene stemme des donders wordt gesproken. De man bij wien Euth gewrocht had, heette Boas. In hem is kracht. Ja mijne Geliefden! Laat ons maar zóó tot God roepen als Naomi, zóó weenen te midden der diepste aanvechting, en spoedig zal Euth binnen treden met zegen en overvloed, en het uitspreken: Boas! in Hem is kracht; het is de waarheid. Hij alleen is de sterke God Israëls.
âHoe zal dat wezen, dewijl ik geenen man bekenne?quot; sprak Maria. Gabriel, d. i. âGod is een man, die wat vermagquot; zegt tot haar: âDe Heilige Geest zal over u komen enz.quot; (Lukas I vs. 35.) In Hem is kracht, in ons, in Euth niet. Wat Hij aangevangen heeft, dat zal Hij ook voleindigen, en al stijgt uw nood dan nog zoo hoog, God is nog sterker en nog hooger.
Groot moge daar mijne armoede zijn, maar Hij kan mij opheffen. Hem staat alles ten dienste, ook de uitwendige omstandigheden. En al was de gansche loop der wereld tegen ons. Hij weet door te. tasten en Zijnen raad door te zetten. Waar Hij barmhartigheid wil bewijzen, en Zijne heerschappij grondvesten, wie zal Hem daar kunnen verhinderen! Hij zal werken; en wie zal het keeren ?
Ach ! hoe gaarne had de mensch kracht in zijne eigene hand, hoe gaarne bezat hij zelf den geheelen akker om dien naar willekeur te kunnen afmaaien; hoe gaarne had hij den geheelen oogst in zijne schuur, om dan in een onbewaakt oogen blik het geheele land, den geheelen oogst en de geheele schuur door te brengen en te verzondigen! O, laat ons toch zwak zijn en zwak blijven, laat ons met den Apostel liefst roemen van de dingen onzer zwakheid; het zij ons genoeg dat er in Hem kracht is, kracht om uwe zonde weg te nemen, kracht om ons tegen alle gevoel van schuld in om genade te laten schreien,, kracht om met Zijn bloed de eeuwig geldende kwitantie te teekenen, kracht om den verklager der broederen te laten lasteren, en hem uit den hemel te werpen.
I
Uitgegeven bij H. BUSKES te Utrecht , Haver straat. Voor Dnitschland verkrijgbaar bij F. BÃCKMANN, Elberfeld. Prijs per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 C(s,
3 Juli 1886.
SCHRIFT VEHKLAROG EN
VAN
Igt;r. II. F. KOIIIiBRiiGGIÃ.
Verklaring van het boek Ruth.
Cap. II vs. 20â21.
Toen Naomi vernomen liad bij wien Rutli gewrocht liad, sprak zij, vs. 20, 21: â Gezeyend zij hij den lleere, die zijne iveldadigheid niet heeft nagelalen aan de levenden en aan de doodenenz., d. i. hij moet meer bij den Ileere gelden dan de allergrootste dezer aarde, hij moet bij den Heere wonen in Zijn paleis eeuwiglijk en altoos! Gezegend zij hij den Heere! d. i.: De Heere hebbe hem aangenomen in eeuwige genade, en late over hem opgaan en over hem lichten Zjjn vriendelijk aangezicht, en vervulle hem met Zijnen vrede; omdat hij zijne weldadigheid (barmhartigheid, vertaaquot; Luther) n; quot;leeft nagelaten. God wil geen offeranden, maar barmhartigheid, doch geene barmhartigheid naar de wijze der godde-loozen, want de barmhartigheden derznlken noemt de Schrift wreed. Immers zij denken; âMijn hart is niet van steen, maar week, kom toon mij ook zulk een hart, opdat uit ons opstijgen tranen en zuchten tot God!quot; Neen, zulke barmhartigheid vertroost niet.
m li.
Daarom o mijn broeder! o mijne zuster! zoo gy u niet wilt verlieffen, niet met Jobs vrienden spreken: âo gij vrome! wat zijt ge nu goddeloos! gij trooster! wat zijt ge nu zelve van troost beroofd!quot; maar indien gij te midden van uwen uiterlijken of innerlijken rijkdom arm blijft, indien gij, ofschoon God u rechtvaardig en heilig heeft gesproken, toch geen anderen naam wilt dragen dan dien van zondaar, zoo zult gij waarachtig mijn broeder of mijne zuster zijn, en mij louter barmhartigheid bewijzen. Daarom behoeft gij niet arm te worden, blijf rijk, behoud vrij wat gij hebt, maar wees arm, arm van geest, met mij ! Dit is de taal van 't arme Zion des Heeren.
Want wat uit God is, heeft niets dan God en ellende, en te midden dezer ellende troost het zich zeiven en anderen met den'hemelschen Koning, en spreekt het luide uit, dat wTie Dien aanbidt uitverkoren is. Want elkeen, die in het koninkrijk der hemelen tot de vorsten wordt geteld, is den arme en ellendige behulpzaam om den Koning te vinden. Woorden van dezelfde beteokenis, maar iets gewijzigd, lezen wij, Ef. I vs. 3; âGezegend zij de God en Vader onzes Heeren Jesus Chris lusquot; enz. De God en Vader onzes Heeren Jesus Christus is een genadig God, en omdat Hij gezegd heeft, dat wij aangenaam zijn in Zijne oogen, daarom heeft Hij ons met gaven van allerlei aard gelukkig en zalig gemaakt.
Boas heeft tot Ruth gesproken: âMijne dochter, het is openbaar geworden dat gij uwe schoonmoeder zijt gevolgd, dat gij haar troost zijt en tot haar hebt gesproken: Uw volk is mijn volk, uw God is mijn God. Het is bekend geworden, wat uwe keus is; uwe armoede, uwe tranen, de rijkdom uwer
gehoorzaamlieid, zij zijn door mij niet vergeten. Omdat gij barmhartigheid bewezen hebt, hebt gij ook barmhartigheid gevonden.quot;
Wat is de schat, dien wij ons zelven kunnen vergaderen tegen het laatste oordeel? Dat is die schat, dat wij onzen naaste barmhartigheid bewijzen. Door, naarmate de Heere ons zeiven bedeeld heeft, onzen naaste te helpen, met een rijksdaalder of met een cent; of, indien wij dat zelfs niet bezitten, door mot den armen broeder of zuster onze laatste snede roggebrood te deelen, daardoor leggen wij ons dan een verborgen schat weg en zullen daar boven barmhartigheid vinden. Dan zal er tot ons gezegd worden: Gij zijt barmhartig geweest in het geringe, Ik wil het in de ruimste en overvloedigste mate jegens u zijn. Niet dat onze goede werken iets zouden verdienen, (deze belooning geschiedt niet naar verdienste, maar uit genade; Heidelb. Catech. Yr. 63), maar waar de barmhartigheid jegens den armen broeder ontbreekt en blijft ontbreken, daar is het zaligmakend geloof niet aanwezig, hoe schoon men ook wete te spreken.
De verborgenheid, die Ruth tot hiertoe onbekend was gebleven, namelijk dat zij een losser, een Verlosser had, wordt haar nu door Naomi geopenbaard. Als Ruth dit geweten had zoude het haar niet zoo bang te moede zijn geweest. Maar hoe gaat het in 't leven, niet slechts in den aanvang, maar tot aan 't eind van 's Heeren weg ? Als men in nood is, ach! wie heft dan uit zich zeiven een psalm aan? Men moge eens even een psalm opslaan, maar de tranen beletten wel dat men dien ten einde leest, en â weg is de eerste vraag en antwoord vnn den Catechismus.
Gewis! wat kan dien mensch schaden, die een
4
erfgenaam is des eeuwigen levens, die gerechtvaardigd is in Christus Jesus? Wat schaadt het mij dan, of ook alles mij verlaat, alles mij ontzinkt? Rijk blijf ik toch met God mijnen Vader, met Christus mijnen Broeder! Wat kan mjj dan nederbuigen ? En toch zegt de 42ste Psalm: Wat buigt gij u neder o mijne ziel! en zijt onrustig in mij? Ach! zoo gij mij op den man afvraagt: Zijt gij rechtvaardig voor God, dan vang ik aan te sidderen en te beven. O, vraag mij niet, als ik in nood zit: Hebt gij een' dooden of een levenden God? Ik zal u, tenzij de â Heere toeschiete, het antwoord schuldig moeten blij- , ven. Schud mijn hart uit, en gij zult er tot op den dicpsten bodem niets in vinden dan nood, angst, strijd en versagen. Daar moet de Heere zelf toeschieten en mij geloof en gebed schenken. Ja! soms waait het eens even door de ziel: de Heere zal 't voorzien! Maar o! welk eene benauwdheid bij mij, totdat Hij waarlijk in al mijne behoeften voorzien heeft!
Wat gelooft gij van de voorzienigheid Gods? Alles komt van Zijne Vaderlijke hand. Maar o, als de nood prangt, als de Heere Zijn liefelijk aangezicht bedekt, kunt gij het dan gelooven en voor waar houden ? Ik niet. Schrei tot God, bid, strijd, worstel, maar telkens is het weer: Alle duivelen en Filistijnen over u, o Simson!
Voorts zeicle Naomi lol haar: Die man is onze nabestaande, hij is een van onze lossers. Wanneer in Israël iemand verarmd was, kon hij zijn eigendom aan zijne nabestaanden verkoopen, maar het was Gods wil, dat hij toch weer zijn erfdeel terug bekwam. De verloren zoon had wel alles in zonde en schande doorgebracht, maar toen hij tot zich zeiven kwam
cn berouw had, ontving hij alles weder. De wet des Heeren, Zijne instelling bedoelde dus, dat geen Israëliet zoude te gronde gaan, maar een ieder van hen zoude verlost worden en overvloed ontvangen. Daarom stelde de Heere in, dat, wanneer iemand verarmd was, hij toch, na een bepaald aantal jaren, weder tot het zijne moest komen. En gij, o zondaar ! krijgt ook alles weder als de Heilige Geest tot u komt. Die arme vrouw bezat dus, krachtens Gods wet en ordonnantie, een veel omvattend recht; hoe schijnbaar achteruit geschoven en weggeworpen zij ook was, bezat juist zij, krachtens de wet, een recht dat nooit omver te stooten was. Wanneer nu een bloedverwant de have en erfenis van den ander aanvaardde en wederbracht, moest hij, als deel dezer erfenis, ook diens kinderlooze weduwe tot vrouw nemen en zijnen broeder zaad verwekken , en dat zaad droeg dan den naam van den overleden echtgenoot. âDie man is onze nabestaandequot;. Onze armoede en nood is de Zijne, Zijn rijkdom de onze, onze zwakheid de Zijne, Zijne kracht de onze, onze dood de Zijne, Zijn loven het onze! O gij arme Ruths, die een' Verlosser hebt en het niet weet, neen ik kan het u niet langer verzwijgen, ik heb den Man gevonden, dien Man aan Gods rechterhand, die aan de dagen van onze smart en weduwschap een einde maakt, en een huis verschaft hier op aarde, en voor eeuwig in de hemelen. Hij is onze losser, onze Verlosser, zijn erfdeel zijn wij, zooals Christus onze medeërfgenaam is als des menschen zoon ; Hij erft onzen dood, onzen vloek, onze zonde en straf. Daarenboven is Christus onze bloedvriend en medeërfgenaam als des menschen zoon en als Gods Zoon; want door Zijn lijden cn
6
dood, door de gerechtigheid, die Hij heeft aangebracht,
heeft Hij voor den zondaar alle hemelsche schatten veroverd, en Zijnen Vader met ons verzoend, opdat wij vrede en zaligheid zouden hebben als wij ontwaken aan den anderen oever des Jordaans, in het hemelsche Jeruzalem! Is het dan niet ook voor ons een heerlijk woord, dat woord van Naomi: Die Man is onze nabestaande. Hij is een van onze lossers, Hij betaalt de schuldbrieven? Losser staat tegenover bloedwreker, want de duivel heeft dag noch nacht rust en zoekt diegenen er onder te werken, die zijne; bev handlangers tot zwijgen hebben gebracht. Ja! die,, ik Man aan Gods rechterhand is onze broeder, onze medeerfgenaam als wij bekommerd, treurig en ellendig zijn en diep in nood zitten, en het dan maken zoo als Kaomi, die bleef roepen en aanhouden, ook toen de avond begon të vallen; als wij het maken zoo als Ruth, die niets te zwaar viel om genade te vinden. Ja! onze nabestaande en losser is Hij, die gezegd heeft: âUw Maker is uw Manquot; (Jes. 54). Daar wist Ruth toen nog weinig van af. Ruth dacht misschien ook: Wat weet ik, arm heidenkind, van do genade, die in de wet van Sinaï opgesloten is? Dat ging haar niet aan, dat begreep zij niet eens! Zij had niet beleefd dat Mozes veertig dagen en veertig nachten op Sinaï is geweest en daar in den geestGethsémanó heeft gezien en Gabbatha, Golgotha, i den hof, het graf, des Heeren opstanding en hemel- ! vaart en de uitstorting des Heiligen Geestes, in een woord, dat hij daar gezien heeft het geheele huis Gods en den Hoogepriester, die allen, kleinen en grooten , zegent. Dat alles verstond Ruth, de Moa-bietische, zoo niet. Zij verheugde zich dat zij en vooral hare geliefde schoonmoeder wat te eten
â had bell i
vei-loss ver tot mei ook wei
ik
r
quot;had en ten minste voor 't oogenblik niet van honger behoefde om te komen.
Alzoo heeft de Moabietische, door de wet vervloekt, verdoemd, verworpen, krachtens de wel, een' verlosser en zij zelve â weet het niet. Zij vertelt verder wat zij vernomen heeft: dit en dat zeide hjj tot mij, dit en dat heb ik uit zijnen mond vernomen. Het werk, dat Hij aangevangen heeft, zal Hij ook voleindigen, dat werk der mij aanvankelijk be-wezene barmhartigheid heb ik u getoond, dat is het bewijs der âefaquot;, dat is de volheid! Meer weet ik niet, of Hij mijn Losser, mijn Verlosser is, weet ik niet, ik weet alleen maar, dat Hij mij opgezocht en vriendelijk toegesproken beeft, en mij heeft toegestaan op Zijnen akker, bij Zijn volk te blijven, totdat de maaiers den geheelon oogst zouden hebben binnengebracht! Wat is nude oogst, dien de maaiers van den bemelachen Boas in te oogsten hebben? Jesus zeide eens: Do oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinigen! Wat is Zijn oogst? De moordenaar aan 't kruis is met Hem ten hemel gevaren, en ook Ruth, de Moabietische, heeft Hij als eene liefelijke garve willen inoogsten. Dat had Ruth echter goed begrepen: zij mocht op den akker blijven totdat de oogst voleindigd was; zij wist: de honger, dien ik geleden heb, is nu voorbij en gij, mijne lieve moeder! behoeft nu ook geen gebrek meer te lijden, want ik mag op den akker blijven zoolang de tarwe- en gersteoogst duurt!
Maar de moeder denkt: âWij zullen eens zien wat uit dit alles wordtquot;; zij is er niet zoo spoedig mede gereed, Ruth volkomen de handen op te leggen en te zeggen: âO mijn kind! wat hebt gij het nu goed! wat zijt gij nu gelukkig.quot; Neen! ze zal gedacht
iieljbeii; âEigenlijk wil een mensehenkind tocli niet naar den hemel. Het is beter dat de deuren maar worden toegebouden, totdat de nacht aanbreekt, en de helsche hond of de brieschende leeuw komt; beter dat de mensch door schade en schande wijzer is geworden, dan zal hij beginnen te roepen tot den levenden Godquot;.
GODS WEG.
Gods weg is eerst bezwaarlijk,
Voor die wat draagt, gevaarlijk!
Gods weg is in 't begin zeer steil,
Dies moeilijk; hij toont slechts verdrukking, Geween, gesteen en bangen strijd, Men raakt er zelfs het dierbaarst kwijt. Maar verder op is 't ânochtans heilquot; En â van het kruis In 's Vaders huis:
Het eind' is âeeuwge zielsverrukking.quot;
Yan n°. 13 af hopen wij deze blaadjes te kunnen uitbreiden en wel zóó, dat zij voortaan gemiddeld 12 blz. zullen bevatten. De redactie behoudt zich echter het recht voor, telkens aan de blaadjes de uitbreiding te geven, welke haar goeddunkt. De prijs wordt niet verhoogd.
Uitgegeven bij H. BUSKES te Utkecht, ILaverüraat. Voor Duitschland verkrijgbaar bij 1' . BÃCKMANN, Elberfelcl.
Prijs per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Cis.
17 Juli 188a
No. 12.
met naar , en rnit; ijzer I tot
SCHRIFT YERKLARmGEN
VAN
Dr. 11. F. KOHliBRÃCfl GE.
Verklaring van het boek Euth.
Cap. II vs. 32â33. Cap. Ill vs. 1â4.
Daarom 1) zegt zij eenvoudig vs. 22: Hel is goed, mijne dochter! dal gij mei zijne maagden uiig aal, opdal zij u niel tegenvallen in een ander veld. Hoor mijn kiud! Op Boas' akker vindt gij niets dan zegen, daar is voor u het leven, allerlei heil en zaligheid, en daar zult gij alles vinden, wat gij noodig hebt voor tijd en eeuwigheid. Misschien zoudt gij denken: âO, als ik op een anderen akker ga oplozen , kan ik toch altoos weer tot Boas' akker terug-keerenquot;, maar dat is zoo niet, op geen anderen akker zult gij verzadiging der vreugde vinden, zooals bij Hem. Op een anderen, vreemden akker kunt gij licht iemand ontmoeten, die u alles uit de hand slaat, wat gij hier opgelezen hebt. Daar, op dat vreemde veld, zoude men u kunnen verwonden, ja zelfs dooden. Alzoo blijf bij Boas' maagden, volhard bij de keuze, die gij gedaan hebt, blijf bij Gods wet en gebod, blijf op het veld des heiligen, liefelijken
uit- I biz. 1 echt i elke i
1
Zie u°. 11.
Evangeliums, en ga niet op een vreemd en Icetterscli veld, waar gij bij al het geroep: âHier is de Christus, daar is de Christusquot;, op het laatst bedrogen zoudt uitkomen.
De Moabietische Ruth heeft toch het 5ae gebod goed verstaan, beter dan vele Israëlietische, beter dan vele schijn-geloovige kinderen.
Vs. 23. Alzoo, (volgens Naomi's raad, die voor haar als wet gold), hield zij zich bij de maacjden van Boas, om op te lezen, totdal de gersteoogst en tarweoogst voleindigd waren-, en zij bleef bij hare schoonmoeder. In den Heere Heere hebben wij gerechtigheid en sterkte, gerechtigheid om gerechtvaardigd en vrijgesproken te worden; sterkte, om als arme bedelaars op Jesus' veld te blijven, en er ons geenszins voor te schamen, dat wij maar om genade bedelen en blijven bedelen, totdat de gerste- en tarweoogst voleindigd is, d. i. van het Paasch- tot het Pinksterfeest.
Alzoo doorleefde zij op Boas' veld, op hare wijze, wat wij bij onze uitleggingen van Johannes XXI, bij de wonderbare vischvangst, beschouwd hebben. Gelijk de jongeren eene menigte visschen, had zij eene menigte aren verkregen, een grooten buit, en daarmede is zij tot hare schoonmoeder teruggekeerd en heeft zich stil gehouden, is bij haar gebleven, tot zij nog meer van haar te hooren kreeg.
Cap. III.
Vs. 1: En Naomi, hare schoonmoeder, zeide tot haar: Mijne dochter! zoude ik u geene rust zoeken, dat hel n welga?
Ruth is alzoo bij de maagden van Boas gebleven, zooals Naomi haar had aangeraden, zij had aren op-
3
gelezen, totdat de gerste- eu tarweoogst afgeloopen was. Zij is alzoo van liet Paascli- tot het Pinksterfeest op liet veld van Boas gebleven. Zij liad, zooals men liclit begrijpen kan, op het veld van dezen voornamen man veel veruomen, dat hare ziel verkwikte. Want van die zoogenaamde, veel versmaadde, Oud-Testamentisehe geloovigen kan men in alle tijden voel leeren, dat men bij anderen niet zoo hoort. Zij had dus op het veld van Boas (wij zouden zeggen onder de levende prediking des AVoords) een rijken buit naar huis gedragen voor lijf en ziele, voor tijd en eeuwigheid. Zie, haar hart werd brandende in haar, bij het vernemen van zulk eene heerlijkheid en volheid, eu voorzeker hoeft zij gedacht: âOch, gave God dat oo/c ik waardig was onder dat volk te worden geteld!quot; Ofschoon do tijd door haar op Boas' veld doorleefd, de tijd tusschen Paschen, het feest der opstanding, en Pinksteren, het feest der uitstorting des Heiligen Geestes, hare ziel verkwikt en goed gedaan had, toch bleef zij klagen: âVoor mijzelven heb ik den God Israels nog niet, en kan ook nog niet gelooven dat ik tot dat volk zou behooren, dat ik tot mijn volk rjekozen heb.quot;
Toen het aren oplezen was afgeloopen, is zij tot Naomi teruggekeerd, en toen was ook die troostvolle gelegenheid voorbij om wat voor hare ziel te vernemen. Zoolang zij op het veld achter de maaiers aren kon oplezen, (zoolang zij de levende prediking vernam, zouden wij zeggen) zoolang de tijd des oogstens duurde, en zij den vriendelijken Boas dagelijks zag, en hoorde spreken, had zij een leven naar haar hart. Zij leefde echter door den troost, dien zij uit dat alles ontving, maar in den troost leefde zij nog niet!
Zoolang zij op het veld was, zoolang zij die hoer-
4
lijko verkondiging vernam, voelde zij nergens anders behoefte aan, en was volkomen tevreden, maar nu was die verkwikkende tijd voorbij. Zij zit nu bij hare schoonmoeder in liet kleine vertrok dat zij samen bewoonden. Ja! wat zal er nu gebeuren ? Het schoen alles uit en voorbij te zijn. En dit verstoorde den vrede, dien Ruth op het veld gesmaakt had, ook de laatste overblijfselen, waarvan zij nog teerde. En is de zielevrede gestoord, dan is hij geheel en al gestoord; dan drukken vaak de zorgen van aardschc dingen, van geluk en zekerheid voor dit leven, een kind Gods meer ter neder dan de nood der ziele! Echter niet dat Ruth geluk of welstand zoude begeerd hebben zonder den Heere. Neen ! geheel Moab en al zijne heerlijkheid heeft ze versmaad, en dit doen alle ware Ruths nog, en dat zullen de ware Ruths blijven doen tot het einde der wereld, zoo velen als er de Heere toe roepen zal!
Ruth, eene Moabietische, een heidenkind, door de wet vervloekt, zocht rust voor den tijd, rust voor de eeuwigheid, dat was zoo bij haar dooreen gevlochten. Zij wilde niet alleen daarboven, maar ook reeds hier op aarde tot hot waarachtige volk des Hoeren behooren, en daarmede gelukkig zijn, daarmede alleen! Al het uiterlijke, al het aardsche, had voor haar, en heeft voor alle waarachtige vro^ men alleen waarde in zooverre als het bezit daarvan de waarheid van Gods Woord bevestigt, en zij daar van de vervulling van Gods beloften voor zichzolve verkrijgen. quot;Wat God aan Abraham beloofde: âIn uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde,quot; dat was het, wat zij zocht en beoogde. Maar nu zat zij daar met hare schoonmoeder in eene voor haar vreemde stad ter neder.
5
Ja! 'tis waar! een Bloedvriend hadden zij, -wiens naam Boas was, wij zijn Zijne maagschap en Hij is de Losser, maar wat helpt het zijn en hot is, als ik niet weet dat Hij de mijne, dat Hij met mij is? als ik Hem niet gevonden heb, ik persoonlijk, \oov mijne arme ziele? als ik niet voor eenwig met Hom verbonden ben? Of het al duizendmaal waar is op grond van Gods Woord en ordonnantiën, dat Hij de Losser is, rust en troost heb ik toch niet! Ik moet Hem zelf vinden, dan zal ik rust smaken, en eerder niet! Wat helpen mij alle beloften, als die niet bij mij vervuld worden? Wat helpt al hot âzeker weten of do kennis, waardoor ik het alles voor waar ach tig houde wat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft,quot; zonder dat âzeker vertrouwen,'t welk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen aan andoren, maar ook aan mij, vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken zij, uit loutere genade, alleen om de verdiensten van Christus ?quot; (Heidelb. Catech. Vr. 21).
Zoo was dan de vrede, dien Ruth van Boas' veld (wij zouden zeggen van het gehoor des gepredikten AVoords) medegebracht had, weer vervlogen, en was zij vol onvrede, dit merkt Naomi, die in den geestelijken zin van het boek Ruth doorgaans een beeld des Heiligen Geestes is; daarom zegt zij tot haar; âMijne dochter! zoude ik u geene rust zoeken, dat het u welga?quot; Naomi zegt niet: âIk wil voor mijzolve rust zoekenquot;; zij heeft gedacht: âOok voor mij zal God alles wèl makenquot;, maar het heil, dat in Gods instelling opgesloten was, kon alleen voor haar vervuld worden in hare schoondochter.
Naomi was oud en afgeleefd: ja! mag zij gedacht
6
hebben, ik zal mij voorzeker verheugen, als God het werk, dat Hij zoo wonderbaar aangevangen hoeft, ook aan mij voleindigt, maar eigenlijk is er toch niets meer in dit Mesech dat mij verheugen zou. Haast is mijne reis ten einde, maar toch zoude ik het nog gaarne beleven, hoe God Zijne waarheid weet te handhaven; hoe Hij Zijne âMara'squot; weder tot Naomi's maakt, en hoe Hij het koninklijk verstaat, de tranen van de wangen te drogen. 1)
Daarom wil ik zorg dragen, dat mijne dierbare schoondochter op die plaats komt, die God de Heere voor haar bestemd heeft, dat zij met dien man ver-eenigd worde, wien zij met al ons verloren erfgoed, volgons Gods ordonantie toebehoort. En dat alles, opdat Gods wet gehandhaafd worde, en de Heere zelf bij ons vervulle, wat Hij beloofd heeft.
Zij zegt niet zoo maar los weg-: Ik wil ruste voor u zoeken; zij bedoelt' niet eene rust waarbij men in slaap gesust wordt en zich verbeeldt tijdelijk en eeuwig gelukkig te zijn, zonder dat men dat heil van den Heere zelf ontvangen heeft; neen, Naomi spreekt van zulk eene rust, waarbij het haar wel zoude gaan.
1
Iets dergelijks als Naomi hier beoogt, mag o. a. Amalia v. Solms, weduwe van prins Frederik Hendrik , oDdervondeu hebbeu, toeu zij, iu 1672, na 22 lange jaren van verdrukking, en ondanks den tegenstand van alle zichtbare en onziehlbare machten, haren kleinzoon, prins Willem III van Oranje, later Koning van Engeland, tot de waardigheden van zijne doorluchte vaderen zag verheven. Bij het vernemen van deze tijding riep zij uit: Nu weet ik waarom ik nog zoo lang in 't leven beu gespaard! God de Heere wilde mij met mijne bijna blind geschreide oogen nog eens doen zien, dat voor Hem geen ding onmogelijk is, en dat Hij het koninklijk verstaat alle tranen af te drogen. Aanmerking der Redactie.
âTToe gaat liet u, lioe staat liet met u,quot; is dikwijls de vraag, waarmede Gods arme volk elkander ontmoet, en vaak luidt het antwoord: âSlecht, zeer slecht.quot; Maar waarom o ziele, gaat het u dan slecht? Omdat de ware rust mij ontbreekt, omdat ik geen vrede heb gevonden voor mijne arme ziel! ü, sla toch het Heilige Blad op, en zie wat daar staat geschreven! Het is de stem eener liefhebbende moeder, de stem van God den Heiligen Geest, die ge daar verneemt en die u toeroept: âMijne dochter, Ik wil u rust zoeken dat het u welga! Maar gelijk de weg, om waarachtige rust te vinden voor Ruth, door een afgrond ging, zoo gaat ook van elke ziel do weg om tot waarachtigen vrede te komen, door een' afgrond van angst en bezwaardheid heen! Die weg is nu eenmaal voor arme Adamskinderen niet anders. Maar omkomen in dezen afgrond zult gij nooit en nimmermeer, gij verdrukte, door onweder voortge-drevene en ongetrooste!quot;
Wat is nu de rust die Naomi voor Eutli zoekt?
Vs. 2â4.. .. Boas (in hem is kracht) . .. van onze bloedvriendschap... zal dezen nacht gerst op den dorschvloer wannen. Zoo baad u, zalf u,.. . en ga af naar den dorschvloer; maar maak u den man niet bekend, totdat hij geëindigd zal hebben op den dorschvloer te wannen.... Als hij nederligt,... ga dan in, en sla zijn voetdeksel op, en leg u; zoo zal hij u te kennen geven, wat gij doen zult. Wat mag er wel bij Ruth omgegaan zijn, toen Naomi haar dit bevel gaf! Neen! dat ging geheel tegen alle verstand, tegen allo gewoonten, ja schijnbaar tegen allo welvoegelijkheid in, en het was avond, het was nacht toen Boas gerst zon wannen op den dorschvloer! Ach! 't was haast onmo-
3
o-elijk voor Ruth dezen raad der moeder op te vol-o-en! Dat scheen immers eeuc onbeschaamde handelwijze, dat liep tegen alle zoogenaamd gezond verstand in! Maar Naomi! moet men dan zelfs allen schijn des kwaads niet vermijden? ïot nu toe had Ruth nog een goeden naam gehad, moet zij dien nu in gevaar brengen? Dat kon misschien eene lichtzinnige persoon doen, maar geene eerlijke, zedige, jonge weduwvrouw! Wat zal Boas zelt van haar deuken, als hij dit gewaar wordt? Wat zullen de menschen zeggen ? Zoo liep zij immers gevaar even zoo behandeld te worden als later David door zijne oudere broeders behandeld werd, toen zij hem toeriepen; Waarom zijt ge niet gebleven bij de weinige schapen in de woestijn? Wij kennen u wel cn de boosheid uws harten.
Uitgegeven bij II. BUSKES te Utrecht, Haverstracit, Voor Duitscliland verkrijgbaar bij Bückmann , Elberfeld.
Prijs per Nummer 3 Cts. â Franco i)ei' igt;ost 4 Cts,
31 Juli 1886,
SCHRIFT VERKLAROG EN
VAN
Igt;r. II. F. KOHLBRLGGE.
Verklaring van het boek Ruth.
Cap. Ill vs. 1â5.
Maar mijne Geliefden! hoc waar dit alles ook schijnen moge, laat ons dc zaak nader onderzoeken, dan zullen wij ophouden ons over Naomi's raad te bevreemden. Had de moeder, had de waarlijk vrome Naomi de wet niet geheel en al op hare zijde? Voorzeker! lees het maar, Leviticus 25: âWanneer uw broeder zal verarmd zijn en iets van zijne bezitting verkocht zal hebben, zoo zal zijn losser, die zijn nabestaande is, komen, en zal het verkochte zijns broeders lossenquot;. Broeder beteekent hier; Mede-Israëliet , medegenoot in den geloove, vriend of bloedvriend. Alzoo, toen Elimélech Bethlehem verliet, had hij in groote geldverlegenheid alles verkocht en was zoo naar Moab getogen; nu komt de weduwe van Elimélech, en wel als âMaraquot; terug, en was dus Boas als naaste bloedverwant door de wet des iïeeren verplicht, de have van Elimélech voor Naomi te lossen, en dat wel met alles, wat daar aan verbonden was, gelijk men hier te lande een huis willende
No. 13,
Icoopen, waarop een hypotheek of servituut rust, verplicht is, dien op dat pand rustenden last af te lossen of voor wettig te erkennen, en hem dus mede over te nemen. Laat ons nu eens verder zien wat er in Deut. 25 geschreven staat. â Ziet! dat betreft het tweede stuk, namelijk de verplichting van Boas om met de nagelatene goederen van Elimélech ook Ruth, de kinderlooze weduwe van Elimólechs zoon, zich ter
vrouw te nemen.
Alzoo rechtvaardigde Gods wet en ordonnantie den raad van Naomi geheel en al. Maar al heeft men het recht op zyne zijde, toch is het niet altoos zoo gemakkelijk den naaste, den bloedverwant te bewegen overeenkomstig de instellingen der wet te handelen. Ook wij hebben vaak de wet op onze zijde, en toch voelen wij hoe zwaar het is onzen woorden ingang te verschaffen, waar wij het volste recht hebben 'broeders of zusters Gods gebod voor te houden, al ware het maar alleen, dat men hem of haar, die in drift opstuift, toeroept: âWees toch een weinig vriendelijker!quot;
De schijnbaar geringste geboden des Heeren zijn genadige wetten; alle prediken zij de genade, die in Jesus Christus is, eii alzoo; redding voor lichaam en ziel, voor tijd en eeuwigheid.
Naomi stelde vertrouwen op de eerlijkheid en rechtvaardigheid van Boas; dat had zij wel aan hem bespeurd : hij vervulde niet alleen de letter der wet, maar eerbiedigde die ook in geestelijken zin, want het gebod des Heeren is zeer wijd, daarom is het onmogelijk voor alle omstandigheden bijzondere bevelen te geven, â de liefde is de vervulling der wet.
Naomi kende Boas als een barmhartig man, die nergens naar vroeg dan of men zich in nood bevond.
Neen! dat was geen man om iemand te bespotten of uit te lachen, iemands naam op aller tong te brengen, en de zwakheden van anderen openbaar te maken. Boas, dat wist zij, heeft zelf nood gekend; hij is een arm zondaar geworden, wien genade en barmhartigheid geschied is, en die nu zelf genade en barmhartigheid uitoefent, omdat hij daarin zijn heil, zijn geluk en zijnen rijkdom heeft gevonden, maar niettegenstaande dat wist zij met hoeveel zwarigheden het gepaard ging, zulk een man aan de op hem rustende verplichtingen te herinneren.
Het was Naomi niet te doen om haar verloren erfdeel, haar have en goed weder te krijgen: och! haar leven spoedde ten einde, en als zij maar eenige stuivers met het spinnewiel of de naald verdiende, dan had zij genoeg; maar daar was het haar om te doen, dat de Paradijsbelofte vervuld werd, dat Christus in vleesche zoude komen; in de keten van Diens wording moest hare geliefde schoondochter eene schakel zijn, en te dien einde moest zij met dien man, met dien Losser verbonden worden, wien zij volgens Gods instelling toebehoorde. Ja, gewis, de slang was listig, en naar haar luisterende is de vrouw in overtreding gevonden, maar als wij het gedrag van Naomi bij het licht van Gods quot;Woord betrachten, mogen wij wel lulde zeggen; God, wiens kracht in zwakheid volbracht wordt, heeft er ook vaak een welbehagen in aan de vrouw, te midden barer zwakheid, hemelsche wijsheid te verleenen om de listen des vijands te verijdelen.
Naomi, steunende en leunende op Gods instelling, gaat dus met verstand te werk, en zij wist, hoewel haar aan Euth gegeven bevel tegen de uiterlijke welvoegelijkheid scheen in te druischen,
4
dat zij niets anders beoogde dan de vervulling der wet en het waar worden van 's ïïeeren Woord.
Als Christus op Zijnen dorschvloer Zijne tarwe en gerst begint te wannen, dan is de tijd daar, zich tot Hem op te maken. Zoo gij het hebt moeten opgeven n zelve zalig te maken, u zelve te troosten, o arme ziel! laat u dan vrij op de proef stellen, en laat aan uwen Heiland maar rustig de beslissing over of gij tarwe of kaf zijt. Juist dan, o ziel! als dat gebeurt, wat we lezen Matth. 3, vs. 12: Hij zal Zijnen dorschvloer doorzuiveren, en Zijne tarwe in Zijne schuur samenbrengen en zal het kaf met onuitblus-sehelijk vuur verbranden, dan is do tijd gekomen in zulken zielenood, u scherp door den Heere te laten onderzoeken. Tarwe! watisbij den Heere tarwe? Matth. 5 , vs. 3â11: Zalig zijn de armen van geest, enz. Als tarwe of gerst gelden voor den Heere zij , die zich gelijk Euth arm en ellendig gevoelen, die zich eene Moabietische, een arm zondaar gevoelen, vervloekt door de wet; maar die toch met Ruth vrijmoedig spreken; Uw volk is mijn volk, uw God is mijn God! Hij is des Heeren tarwe, die zich beslist en getrouw aansluit aan 's Heeren volk, dat vaak uit louter Mara's bestaat, maar ook, als een arm bedelkind, de maaiers volgt om aren op te lezen, en zich houdt bij de maagden van dien Man, wiens naam: âSterke God'1 is. Zie! dat is des Heeren tarwe en gerst.
Kaf daarentegen is alles, wat meent iets bijzonders te zijn en dat tocli niets is, dat, wat zich zeiven troosten en op de been houden kan door gestolen troost. quot;Wie echter arm en ellendig is, moet jubelen en juichen als de Heere de wan in de hand neemt. Hij heeft honderd duizend oogen om op te zoeken wat ver-
loren, wat arm en ellendig is, en het zijn Zijne eigene woorden: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u ruste geven. En juist als Hij opstaat en Zijne oogen de geheele aarde doorloopen , ziet Hij vriendelijk op allen, die waarachtig maar gerechtigheid en troost hongeren en dorsten, en die alleen zal Hij in Zijne schuur verzamelen, al het overige is voor Hem kaf en niets meer!
Ach ! waarmede zal ik mij baden en zalven ? Welk kleed moet ik aantrekken om voor den Heere te verschijnen? O ziele! pleit vrij op alles, wat de Heere in Zijn heilig Woord beloofd heeft, maar maak daar toch niet veel misbaar, niet veel omslag van voor menschen. Laat niemand het vernemen, laat niemand u kennen als gij op des Heeren dorschvloer zijt. Dat brengt de ware zaligmakende ontdekking en nood der ziele mede, dat men in het verborgene met God alleen worstelt en bij Hem aan houdt. | Is men dan uitgered, dan doelt men later gaarne aan anderen mede welk een Uithelper de Heere is, zooals David ook in den IIG0611 Psalm doet. De beschroomde, echt kuische en zedige zielen, die door alle bolwerken van menschelijke instellingen den weg tot Christus hebben gevonden, voelen zich eerst nog vreeseljjk ellendig, maar met deze ellende vallen zij hunne broeders en zusters niet lastig, maar zij zoeken er uit te geraken, en nu zij geleerd hebben hoe groot hunne zonde en ellende is, leeren zij ook, hoe zij van al hunne zonde en ellende verlost worden , en waar deze twee stukken door den Heiligen Geest grondig geleerd worden, daar zal ook nimmer het derde stuk ontbreken.
Ja! het was een eigenaardig voorschrift, dat Ruth
6
op te volgen had. âSla zijn voetdeksel op en Leg n.quot; Van tweeën een; óf Boas neemt ze in genade aan, óf hij vertreedt ze met zijne voeten, en juist voor deze moest zij zich neder leggen! En o ! mijne Geliefden! in geestelijken zin blijft er voor ons arme menschen ook niets anders over dan, met terzijde zetting van alle mcnschelijke vonden en welvoegelijkheidsvoorschriften om daardoor zalig te worden, dagelijks het kruis op te nemen, ons op genade of ongenade te werpen in de armen van eenen souvereinen God, en zóó de versmaadheid Christi voor grooteren rijkdom te achten dan alle schatten van Egypte.
Wat bedoel ik daarmede, dat ik zeg: âalle men-schelijke vonden en welvoegeljjksvoorschriften?quot;
Is het dan eigenlijk wel met deze overeen te brengen , dat iemand, die met gedachten, woorden en werken schuldig staat voor de wet des Heeren, kome en zich nederlegge aan 'sHeeren gezegende voeten?
Allerlei wasschingen en reinigingen kunnen ons veel beter behagen dan vrije genade, schijnen ons ook meer met Gods woord overeen te komen; ja! de beloften, die daarin staan, gedurig en gedurig te bepeinzen, en ons zeiven daarmede te troosten, ons op te sieren met allerlei ware en valsche deugden om den Heere te ontmoeten, dal gaat nog! Waar echter leven is, heeft men daaraan niet genoeg. Daar is eene waarachtige werkzaamheid in de ziel, door den Heiligen Geest ontstoken, om waarachtig met Hem vereenigd te zijn, die ter rechterhand des Yaders zit, om door Hem te leeren stamelen: Abba, Vader! ja eene waarachtige, levendige werkzaamheid om met Christus vereenigd te zijn en Hem te hebben als Man, Goël en Vriend. O, hoe stormt het daar bij
7
vaak in 't harte! Wat! gij, gij zoudt het wagen voor Zijne heilige voeten neer te zinken! Gij Moabietische ! Gij, die uw geheele leven do afgoden gediend hebt! Gij zoudt het met Christus wagen, gij zondaar of zondares, gij door de wet vervloekte?
Ja, door dezen afgrond moet het henen, over dezen afgrond moet de ziel heen gezet worden. Ging het anders dan maar alléén om Christus wille i zoo kon de zondaar zijne eigene eer nog redden, maar waar bleef dan de eere Gods ? Ik moet het in des Heeren Jesus naam wagen, op grond van Zijn Woord, en het Gode overlaten, of ik genade zal vinden al dan niet!
Zoo ik op deze wereld het een of ander verzoekschrift aan een koning of vorst wil overhandigen, zoo moet ik mij net en welvoegelijk kleeden, maar moet ik voor den Heere des hemels en der aarde verschijnen, dan ben ik inwendig toch zwart, en hoe ik mij ook wasschen en baden moge, ik beu en blijf voor Hem eene Moabietische, een zondaar. En o! dan zijn allo duivelen nabij met duizend oogen, â maar alle engelen bovendien! De wet, dat de bloedvriend de kinderlooze weduwe van zjjnen verarmden broeder tot zich had te nemen, was immers alleen in het belang van Joodsche vrouwen gegeven, en Ruth was eene Moabietische; maar als de nood hoog is gestegen, kan men daar niet naar vragen; zoo b. v. ook niet die vrouw, die twaalf jaren lang ziek was geweest, en geenen man aanraken mocht, want dat was door de wet streng verboden; maar wat moest zij aanvangen? Nood breekt wet; zij kon er niet naar vragen. Ik zalf mij met Zijn Woord, mag zij gedacht hebben, ik kleed mij met Zijne beloften, en met de bede op de lippen: Gij Zone Davids! ontferm u mijner,
8
wil ik arm, blind cn ellendig, als eene echt Moa-bietische op de plaats acht geven, waar zij Hem neergelegd hebben. Die plaats moot wel Golgotha heeten: daar voor het kruis zink ik neer aan Zijne voeten!
De moeder heeft het gezegd, die weet wat zij zegt, dat gold bij Ruth, on het behaagt Gode nog ons door der ouderen hand te regeeren. Het Woord en de Geest zeggen (en de Geest weet wat Hij zegt): Vraagt niet naar rfie wet, en dat voorschrift der wet, dat de zaligheid alleen voor de Joden, voor hen, die de wet vervullen, is. Kom gij als een heidenkind. Vraag daar niet naar, hoe het er bij u uitziet, zink aan Zijne voeten neder! Hij zal u geenzins verstoeten, maar u zeggen, wat ge doen moet.
O! het is zulk een moederlijke raad, de raad van God 'den Heiligen Geest: Waag het in Christus' Naam! Spreek er met niemand over, raadpleeg niemand, maar wTorstel met Hem in 't verborgene, en Hij zal u zelf zeggen en leeren, wat gij doen moet om zalig te worden.
O! wat zal ik van Hom vernemen! wat zal Hy mij voorschrijven? Dat gij u met Hem verbinden moet voor tijd en eeuwigheid, dan zal Hij u zeggen . Geef Mij hand en hart o ziele! zóó ben Ik de uwe, en al het uwe is het Mijne!
Daarop sprak Ruth, vs. 5; Al ivat gij tot mij zegt, zal ik doen. O, wat beschaamt deze Moabie-tische velen, die ingebeeld en wijsneuzig zijn, en achter den rug der moeder dingen doen, die hen voor tijd en eeuwigheid verderven ! Die dochter is gelukzalig, die begrijpt dat haar moeder, zoo die ten minste geene ravenmoeder is , toch het geluk van haar kind op het oog heeft. O kind! wat uwe moeder
9
u zegt, doe dat, dat komt goed uit, en gij behoeft u verder nergens om te bekommeren.
In het geestelijke geeft deze Moabietische ons ook een beschamend voorbeeld; wij willen zoo gaarne Gode gelijk zijn, en van velen bewonderd worden. Maar het blijft er maar bij: wat uwe moeder u zegt, doe dat; in geestelijken zin; wat de Heilige Geest ons in het Woord toeroept, doe dat! Grijp dien reinen Man met uwe onreine handen aan den zoom Zijns kleeds, eenmaal, tweemaal, zevenmaal, honderdmaal, en zóó is Hij de uwe en zijt gij do Zijne.
Wij spraken onlangs in onze uitlegging over de wetten en instellingen der welvoegehjkheid. Ik heb bespeurd dat sommige eigenwijze menschen meenden dat wij Naomi's raad hadden te beoordeelen naar de toenmalige zeden, naar de Joodsche zeden. Dat dit echter niet zoo is, merken wij uit vs. 14 : âWant hy zeide: Het worde niet bekend, dat eene vrouw op den dorschvloer gekomen is.quot; Wij zeiden, dat men in den allerdiepsten nood niet vragen kan naar dv, menschelijke instellingen der welvoegehjkheid. Verre was het echter van ons, daarmede de welvoegelijk-heid ook maar eenigzins als eene onverschillige zaak voor te stellen. Integendeel: zich welvoegelijk en zedig te gedragen maakt een gewichtig deel uit van het geestelijk leven. Neen! al dat onwelvoe-gelijke, dat dikwijls voorvalt, is gewis niet uit God, b. v. dat men zich aan niemand stoort, maar altoos zijn eigen wil zoekt door te drijven; dat vrije gedrag waarbij men God noch menschen ontziet, zoodat de dienstmeid zich inbeeldt vrouw, de knecht heer in het huis te zijn; dat hij, die zijnen tijdelijken nood komt klagen, meent dat alles voor hem gereed moet staan. Dat alles is gewis niet uit God. Maar
10
dat is uit God, dat men zich in deze wereld mets aanmatigt, zich zelven voor een groote nul houdt, en van niemand ter wereld eemgen dienst of hulp eischt of verlangt. Dat is uit God, dat men zijnen nood met God alleen afhandelt, zich altoos teiug houdt en niet op de hoogste plaats dringt.
Noo- eens: Nooit en nimmer kan dat uit Lxoa zijn, dat men stout en driest zich met den naaste op eene lijn plaatst, maar dat is uit God, dat men ootmoedig is en niet denkt: ik ben even goed als gij Ik ben een kind van God, en gij hebt my te eeren. Hier ben ik! en alles moet voor my wijken, in dezen zin behoort de welvoegelijkheid en welie-vendheid gewis tot het geestelijk leven, o. a. dat men alle welvoegelijkheid en wellevendheid op_ het nauwkeurigst in acht neemt, en het is de duivel,
die de zaak anders voorstelt.
God en den naaste' te eeren, en voor zich geene eer te zoeken, dat is het, wat God wil, en dat men wel begrijpt dat niemand van den Heere iets te eischen heeft. Als ik er van spreek, dat men de letter e wet er aan moet geven, bedoel ik die wetten e vormen, die de mensch zich zelven m zijnen hoogmoe heeft gesteld; hij meent, dat, daar hij zoo aanzienlijk en beschaafd is, hij soms het ccn of ander mot doen kan bijvoorbeeld voor God en de Zijnen Viyni dig uitkomen. Dan vraagt zulk een mensch den rechtvaardigen naaste om raad, wat hem â -staat wil goeden raad hebben en wil dien toch met hebben, en komt zoo in de schromelijkste ring! Neen, dat is te erg, wat zouden de men-schen wel zeggen, en dan komt er nog zoo veel bij ja____neen .... en wat is dan de ware reden
yin zulke besluiteloosheid en karakterloosheid? Men
11
â¢wïl vereenigen, wat onvereenigbaar is, namelijk den hemel en de begeerlijkheid der wereld, maaj uiterlijk moet dan toch alles zoo zuiver schijnen als glas en de oprechte broeder moet het nog goedkeuren. Als God evenwel iemand in do leer neemt, dan gaat het anders, dan leert de mensch, dat hij vele en zware nooden heeft, dan komt door genade de vraag in hem op, hoe hij van al deze ellende kan verlost worden. Dan leeft in hem het hem bestraffende gebod, maar ook de hartelijke begeerte om overeenkomstig de wet uit dezen noud verlost te zijn. Dan geeft het Woord, de wet een bevel dat goed en wijs is, het bevel: Doe dat, en gij zult leven ! Maar door dit gebod kan geen kind Adams leven, want hij ligt midden in den dood. En als de Heilige Geest hem dat leert, houdt de zondaar op te denken: Ik ben wat bijzonders, daar heeft het met alle aanmatiging een einde, daar worden trots en hoogmoed afgelegd, en daar leert de zondaar zijne zonde en schuld niet langer verbloemen, maar zichzelven en alles, wat in en aan hem is veroordeelen en verdoemen voor het heilig aangezicht des Heeren.
Daar de raad van Naomi ook met de Joodsche zeden en gewoonten geenzins overeenstemde, was het voor Ruth eene zeer zware taak dien op te volgen, het was iets waar vleesch en bloed, waar haar gevoel van eer als vrouw tegen op moest komen. Nochtans zegt zij, vast overtuigd van de liefde en trouw van Naomi: Alles wat gij tot mij zegt zal ik doen.
De weg om tot het waarachtige heil voor tijd en eeuwigheid te geraken, gaat altoos door den afgrond henen, maar elk kind des Heeren werpt zich in dien afgrond om, op grond van het Goddelijke Woord,
12
genade bij den Heere te vinden, uitredding voor dit leven en de eeuwige zaligheid. Nog eens, die weg gaat niet anders dan door don afgrond henen. Wie het zaligmakend geloof deelachtig is geworden, verstaat dat. Op alle wegen des Heeren, die waarlijk op den hemel uitloopen, ontmoet men een heirleger van duivelen, die dien weg willen afsluiten. Ach, dan heeft de mensch niets meer in zijne hand, daar gaat het niet meer naar eigene meeningen en overleggingen, maar daar wordt de mensch geheel en al afhankelijk van 's Heeren wil. quot;Wat de duivel geeft is hoogstens klatergoud of verzilverd blik, ook steekt er van binnen slechts vergift in, en toch is er geen mensch op Gods aardbodem, zelfs geen kind Gods, zoolang het nog onder de wet is, die in den grond iets anders zoekt dan de Sodoms appelen dezer wereld. Gods wil en weg gelijkt nog op eene hellevaart. En o! nu langs zulk een weg alleen de eeuwige zaligheid te kunnen verkrijgen! Op zulk een' weg verlies ik immers al mijn eigen eer, wat heb ik dan nog, als ik den dood moet schrijven op mijne zelfgemaakte boetedoeningen, op mijne tranen, mijne gebeden, mijnen strijd tegen de zonde, waar ik o! zoo veel meè op heb! op mijne slechte werken niet alleen, maar ook op mijne zelf uitgedachte goede werken, als ik voortaan mijne goede werken, mijne geheele heiliging aan mijnen Heiland in de hand moet geven, en alleen daarop uit moet zijn, dat ik op Zijnen dorschvloer kome, dat ik Hem vinde, en in Hem moge gevonden zijn!
Uitgegeven bij H. BUSKES te Utbecht, Haver straat. Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BÃCKMANN, Etberfeld.
Prijs per Knmmer 3 Cts. Franco per post 4 Cts.
No. 14. 14 Augustus 1886.
SCHRIFT VERKLAEINGEJf
VAN
Br. H. F. KOniiBRÃG GE.
Verklaringvan het boek Ruth.
Cap. Ill vs. 6â11.
O, dan vind ik niets meer in mijzelven, dan beduid ik ook niets meer, dan moet ik leeren, dat het niet is desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods. Dan is het gedaan met mijne voortreffelijkheid boven anderen, die vaak zoo groot was in mijne en anderer men-schen oogen, dan neemt alles een einde wat ik tot nu toe was en nog ben; zóó kom ik op ééne lijn te staan met tollenaren en zondaren, ik, die misschien vader in Christus, of moeder in Israël genoemd worde. Dan heb ik niets meer vóór bij de kinderkens, die nog niets hebben, niets kennen en niets kunnen. Ja, dan houden hoeren en tollenaren en moordenaren op in mijne oogen slechter te zijn dan ik, want ik voel dat ik de slechtste van allen op Gods aardbodem ben. Is zulk een weg niet een afgrond? Intusschen is er voor ons zondaren geen andere weg tot tijdelijk en eeuwig heil, dan dat men allen hoogmoed en aanmatiging aflegt, en tot den Heere beslist zegge: Alles wat Gij zegt, zal ik doen.
2
A Hes â Ruth heeft het gelegd âalles. Nu laat de Heilige Geest nog iets volgen, dat niet voor niet geschreven staat:
Vs. 6. Alzoo ging zij af naar den dorschvloer en deed naar atles, wat hare schoonmoeder haar geboden had. Niets ia treuriger te aanschouwen, dan iemand die met geschikte hand den pijl op den boog spant, en die op het oogcnblik, dat de pijl afgeschoten moet worden, plotseling verlamd is. Dat Ruth ook deed wat hare schoonmoeder haar had bevolen, is ons door de bijzondere zorg des Heiligen Geestes opgetpekend. Zij deed het, alles, niet ten halve, hoewel het eene hellevaart scheen te zijn.
Vs. 7 en 8. Als nu Boaz gegeten en gedronken had, kwam hij om neder te liggen. Daarna kwam zij stilletjes in, en sloeg zijn voetdeksel op en leide zich. En het geschiedde ter middernacht dat die man verschrikte en om zich greep, en ziet, eene vrouw lag aan zijn voetdeksel. De geboden des Heeren zijn zoodanig ingericht, dat het zwakke m genade wordt aangenomen, maar, volgens 's Heeren wil, 's Heeren tijd heeft af te wachten, en dat voor de heilige wet, het sterke, op zichzelf staande, (en dus buiten de vereeniging met den eenigen Borg en Middelaar, Jesus Christus) verworpen en verdoemd is. . n j
Deze hoedanigheden en eigenaardigheden van (iods heilige wet waren diep in Boaz' harte geprent. Heilige schrik voor 's Heeren wet, die op elke overtreding de rechtvaardige straf laat volgen, moest hem vervullen, toen hij merkte dat er eene vrouw aan zijne voeten lag, en hij niet wist wie deze vrouw was, en wat zij beoogde; en wij gaan zeker niet te ver, zoo we zeggen dat de duivel (wetende
dat hij niet door de sterkte des mans, maar door de genade Gods, die Hij vaak over de vrouw, als over het zwakkere vat, overvloediglijk uitstort, overwonnen wordt), Boaz allerlei smadelijke en kwade verdenkingen in het hart zal geworpen hebben tegen Ruth, die hij niet kon herkennen. En toch Ruth bevond zich daar volgens het bevel van haar schoonmoeder! Zij had niet naar zichzelve gevraagd, zij had gevraagd naar Gods instelling, naar welke zij Boaz toebehoorde: zij heeft zich, om zoo te spreken, geworpen onder de verdoemenis der wet. O, hoe blinkt in het geheele gedrag van Boaz zijne waarachtige en oprechte vroomheid uit! Neen! Boaz geleek niet op die menschen, wier zoogenaamd goed hart en wier oprechtheid altoos wordt geprezen, ofschoon zij niets dan booze stukken uitvoeren; en die om 's Heeren volk te tergen en te kwellen hunne eigene schande opschuimen als de baren der zee! Bij hunne medgezellen gezeten, zijn juist zij de eersten, om een vlek te wei-pen op den goeden naam en faam van Gods kinderen, en de smadelijkste verdenkingen omtrent hen niet alleen in hun hart te koesteren, maar ook openlijk uit te spreken en uit te strooien.
Ach! sinds het den Heere behaagde door do zwakheid der vrouw het sterke dezer wereld te beschamen , heeft men steeds tegen haar, vooral zoo ze God vreest, de wreedste verdenkingen en lasteringen te berde gebracht. Zelfs Jozef verdenkt de kuische en onschuldige Maria van echtbreuk, en heeft alzoo het Heilige Gods, dat uit haar zoude geboren worden, gehouden voor eene vrucht van echtbreuk en hoererij. quot;Wel had hij zeker vaak in de Schriften de belofte gelezen: Ziet! eene maagd zal zwanger worden enz. (Jes. 7 vs. 14), maar dit kon toch niet op zijne
Maria zien! En wie gelooft het nog, dat de Heere Jesus, het eeuwige Woord van God, vleesch is geworden voor ons, en onder ons heeft gewoond (Joh. 1 vs. 12)? Wie kan zich daarvan eene juiste voorstelling maken? Dat God mensch is geworden, wie gelooft dat in den grond des harten? Omdat Jozef echter een rechtvaardig man was, en dus wist hoe zwak de mensch is, handelde hij niet volgens de wet, die hem, zoo zijn vermoeden de waarheid bleek te zijn, het recht gaf Maria aan de straffe des vuurs over te leveren, maar hij was van zins haar heimelijk te verlaten, zooals wij in Matth. I lezen.
En juist omdat Boaz een rechtvaardig man was, verschrikte hij daarover; dat er eene vrouw op den dorschvloer was gekomen, maar zoodra hij vernam wie die vrouw was, begon hij haar te zegenen.
Vs. 9 en 10. En hij zeide: Wie zijl gij? En zij zeide: Ik ben Ruth, uwe dienstmaagd; breid dan uwen vleugel uit over uwe dienstmaagd, want gij zijt de losser. En hij zeide: Gezegend zijl gij den Heere, mijne dochter, enz. O! welk een zeldzaam vrome man was Boaz toch. Honderden zouden in zijne plaats die vrouw met hunne voeten vertreden hebben, zonder zelfs naar hare klacht en verantwoording te willen luisteren, en dat niet omdat ze zulk een rein hart hebben! maar omdat zulk eene daad naar hunne meening ongepast is. Wat voorgeeft kuisch te zijn, en dit bewijzen wil door anderen altoos van het tegendeel te verdenken en te beschuldigen, deugt niet; wat zich om en om mensch voelt en dus zwak, zondig en ellendig; en daarom geen behagen heeft in anderer zonden en overtredingen, wordt door den Heiligen Geest in goede tucht en
orde gehouden, zoodat de wereld niets op zulk een vinden kan, hoe ijverig ze ook zoekt.
Boaz wist welk eeae liefdevolle en gehoorzame dochter Ruth was, hij wist beslist hoe haar keuze was om Naomi's God en Naomi's volk de hare te noemen.
En zou nu Boaz, omdat hij hare handelwijze niet aanstonds begreep, deze jonge, diep ongelukkige, maar godzalige weduwvrouw onmiddellijk gaan verdoemen en van de laagste oogmerken en bedoelingen beschuldigen? Neen, gewis niet, en juist daarin openbaarde zich bij Boaz de waarachtige vreeze des Hee-ren. Zulk eene zachtmoedigheid en zulk eenen liefdevollen zin treft men onder honderd mensehen misschien maar bij een of twee aan! Vooral onder de voorgangers in kerkelijke of wereldlijke zaken is zulk eene handelwijze schaars te vinden. quot;Wie veel ondergeschikten heeft, en dus over velen heeft te gebieden, eischt gewoonlijk van dezen volle kracht en geschiktheid tot het werk, en wil dat alles onberispelijk zij. Is er dan ook maar het geringste misdaan, dan klinkt aanstonds de barsche stem door kerk of huis, door werkplaats en fabriekzaal: âWie heeft dat gedaan?quot; âWiens schuld is dat?quot;
En dan wordt den schuldig of onschuldig verdachte nauwelijks de tijd vergund één woord tot zijne verontschuldiging of rechtvaardiging te spreken. Wat half bekeerd is, en dus zichzelf bekeerd heeft, plaatst zich stout en driest in den hemel en weet niet dat het nog midden in de hel is! Dan wil men, bij al het onstuimig of meer ingetogen najagen van het zichtbare dezer wereld, bij de menschen toch nog voor onberispelijk en vroom gelden, maar uit het hart komt niets voort dan booze overleggingen
6
en â onverstand. (Marc. 7 vs. 22.) De waarachtig door God en tot God bekeerden kennen met David (Ps. 18 en Ps. 116) benauwdheid en droefenis, ja hel-sche angsten en beken Belials: vaak meenen ze ter helle te zjjn gezonken â en toch is de hemel in hun harte, want de liefde Gods ia daarin uitgestort door den Heiligen Geest, die hun is gegeven. (Rom. 5 vs. 5b).
De oprechten, zooals Boaz er een was, zijn uiterlijk vaak niet zulke uitstekende en groote lieden: bv. Paulus maakte bij al zijne voortreffelijkheid niet veel ophef van zichzelven, maar als hij aanving te spreken, in zijn bidden en worstelen met God, in zijn zoeken en trachten naar heil en zaligheid voor den naaste en voor de geheele Kerke Gods, dan hoorde en zag men wat waarachtige vroomheid en heiligheid is. Waar de grond goed is, met andere woorden, waar het liarte gereinigd is door het geloof, en gewasschen in het bloed Jesu Christi, daar is men zelf de zwakste van allen, en zal men anderen geen lasten opleggen, die men zelf met geen vinger aanroert! O, welk een onderscheid tusschen het gedrag van Boaz en dat van den boozen, eigenge-rechtigen Cham, die, toen hij de overtreding zijns vaders gewaar werd, zooveel zeide als: âKijk nu onzen vromen vader eens!quot; terwijl Sem en Japhet, ruggelings gaande , de schande hnns vaders bedekten. Wat klein is in eigen oogen wordt door God gezegend, maar wie meent sterk en groot te zijn en het kleine en zwakke verdrukt, â hij wordt van den Heere vervloekt, en ledig heengezonden.
En Boaz zeide tot Ruth: Gezegend zijt gij den Heere, mijne dochter! Hij zeide niet: âGezegend zijt ge mijquot;. Is het niet de Heere, dien we op al
7
onze wegen tot Leidsman moeten hebben ? Moet Hij niet onze eenige gids zijn op den weg des levens? opdat zijn Naam verheerlijkt zij en de mond des god-deloozen genoodzaakt worde te zwijgen? Alzoo Boaz verbond die zwakke vrouw met den Heere, prijst haar over hare vaste, besliste keus Hem toe te be-hooren, en maakt haar tot eene erfgename van allerlei heil en zegen.
Gij hebt deze uwe laatste iveldadigheid beter ye-maaJit dan de eerste enz. Het eerste, waarover Ruth wordt geprezen, is, dat ze hare schoonmoeder standvastig aangekleefd heeft en haar gevolgd is, het andere, dat zij tot Boaz sprak: Ik ben Ruth uwe dienstmaagd; breid uwen vleugel uit over uwe dienstmaagd , want gij zijt de losser. O mijne Geliefden ! hoe is Boaz hier weer geheel en al een beeld van dien hemelschen Losser, tot wien elke waarljjk arm gemaakte ziel leert zeggen: Ontferm u mijner, Gij zijt gij van God zelf er toe geordineerd degenen te helpen, die geen helper hebben !
Op Golgotha hing Hij met doorboorde handen en voeten, en terwijl Zijn dierbaar bloed van Zijn hoofd en wangen afstroomde, hoorde men van Zijne lippen : Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat zij doen, en: Heden zult gij met mij in 't Paradijs zijn, en nogmaals: Het is volbracht. Boven Zijn hoofd het opschrift: Jesus de Nazarener, de Koning der Joden! Niemand echter van dat gansche volk had medelijden met Hem, niemand van Zijn eigen volk koos Hem tot Koning, Wiens heerlijkheid en liefelijkheid met het oog des harten aanschouwd wordt in lijden en smarte! Ook Hij, deze Man van Golgotha, deze hemelsche Boaz had gegeten en gedronken, had gezegd: Ik heb grootelijks begeerd dit pascha
8
met u te eten, eer ik lijde. (Lukas 22 vs. 15). Hij had het brood gebroken en het den zijnen gegeven en gezegd : Neemt en eet! En daarna had Hij hun den kelk der dankzegging toegereikt en gesproken: Dit is mijn bloed dat vergoten wordt tot vergeving der zonden: drinkt allen daaruit! Toen nu onze hemel-sche Boaz zóó gegeten en gedronken had, was Zijn hart ook vroolijk geworden, dat hart van den Man van smarten en krankheden, vrijwillig en met vurige liefde voor Zijne arme gemeente heeft Hij zich laten nemen en binden op het altaar des kruises! O leest eens na wat er van Hem staat geschreven: b. v. Ps. 72 vs. 16 en 17, Ps. 78 vs. 65, Jeremia 81 vs. 26. 0! in welk een' diepen en vasten slaap schijnt de Heere Jesus vaak niet verzonken te zijn voor die arme Ruths, die nog niet weten dat ze des Heeren zijn, en tot wie het woord nog niet is gekomen: Uw Maker'is uw Man (Jesaja 54 vs. 5a.) O gij armen en ellendigen! bij wie de hoofdzaak is of gij waarlijk Christus nog eens als den uwe zult vinden, die het vaak met duizend smarten uitroept: Heere Jesus! U moet ik hebben of ik sterf. O luister toch naar de moederlijke, liefdevolle stem des Heiligen Geestes, zooals die in Gods quot;Woord tot u spreekt, zink voor Zijne voeten neer: die tot Hem komt, zal Hij geenzins uitwerpen! Ja het valt zoo licht niet, het schijnt gevaarlijk te zijn, het is niet volgens de wet, die kracht en reinheid eischt, en gij zijt de zwakste der zwakken, en een stroom van ongerechtigheid werpt u heen en weder, daarom verwerpt u alles wat groot en sterk is. Nochtans o ziele! waag het in des Heeren Naam! Alles zwijgt, hemel en aarde zijn als van koper, niemand fluistert u een woordje van troost toe, en het is of er
9
een grafzerk op uwe borst drukt. Ach! hoe bang is het u, hoe vreest gij, dat iemand gewaar worde wat er in u omgaat, en u van Boaz veld en dorsch-vloer weg zal jagen. âToon Hem uwe gedaante,quot; spreekt nochtans het woord tot u, er bestaat eene wet Gods, eene instelling van Zijne vaderlijke hand, een bevel ten leven, u ten goede: het is van Gods wege dat Christus is gesteld tot Heiland en Zaligmaker van arme zondaren ! O kniel maar neer aan zijne doorboorde voeten ; treedt Hij ons weg, dan treedt Hij ons weg. In den afgrond liggen wij toch! eene arme, verlatene weduwvrouw, een hutje in de komkommerhof zijn we toch!
Alle golven en baren gaan over ons, erger dan verloren kan het niet: treedt Hij ons weg, welaan het is nog beter in den beginne door Hem verstoeten te worden, zooals de Kananeesche vrouw, dan door den duivel en de wereld gcliefdkoosd te worden en eens eeuwig om te komen! O kniel maar neer voor Zijne voeten! Het heeft Hem veel angst en schrik, ja zijn eigen leven gekost u, zonder afbreuk aan de wet te doen, te mogen helpen, en de engelen in den hemel, die van zonden en smart niets weten, kunnen dit niet verstaan, hoewel ze begeerig zijn in deze dingen in te zien! Alleen om de angsten en benauwdheden, die Hij doorgestaan heeft, kan Hij u helpen uit uwen angst en benauwdheid; Hij zal u wel vragen wie gij zijt, het u ook leerenzoo ge het nog niet weet: geef Hem dan antwoord; vertel Hem zonder omwegen wie gij zijt, en dat gij, o zoo gaarne! in Zijnen dienst wilt overgaan; want dat de zware last der eenzaamheid, der verlorenheid, des noods en der aanvechting u te zwaar is; o houd maar aan bij Hem: Laat mij uwe maagd, uw knecht, uwe
10
dochter, uw zoon zijn ! Neem mij aan zoo als ik ben , Gij zijt er van God den Vader toe gegeven en geordineerd: een anderen pleitgrond heb ik niet.
De duivel kan, noch wil ons verlossen, wij kunnen de zonde door onze eigene kracht niet overwinnen, maar er is een gebod uitgegaan van den Vader en dat luidt: Hebt gij zonden; zoo leg ze op het Lam Gods, op den door Hem verordineerden Verlosser, en houd het dien voor dat Hij de Verlosser, de Bloedvriend is! Ja, Hij is van ons geslacht, heeft het goed van zijne verarmde en in Adam diep gevallen broeders in zijn bezit gekregen: en dat wel in volkomene overeenstemming met de wet van Sinaï. Of wij ons Moabietischen voelen, doet niets ter zake , Gij o Heere Jesus ! zijt de Verlosser! Ook der Moabietischen? O hoe liefelijk klinkt denzulkehet woord uit Rom. IH vs, 29. Is God een God der Joden alleen of ook der heidenen? Ja ook der heidenen. Ook de arme en ellendige, die zich niet tot Gods volk durft rekenen, mag tot Hem smeeken; Verlos mij van bloedschulden, o God mijns heils! en neem mij aan als den uwe! En gelijk Boaz Ruth zegende, zoo zegent ook de Heere de Zijnen, die van armoede en ellende het nergens anders weten te zoeken dan bij Hem.
Verder zegt Boaz: Gij hebt deze uwe laatste weldadigheid beter gemaakt dan de eerste, terwijl gij geen jonge gezellen zijt nagegaan, hetzij arm of rijk enz.
Ruth had niets anders gezocht noch begeerd , dan wat haar volgens Gods wet toekwam, maar ofschoon Boaz rijk was, verheft hij zich daar niet op. Het ging Ruth ook niet om iets uiterlijks, om rijkdom of schoonheid, maar alleen om de vervulling van Gods belofte.
Vs. 11. En nu mijne dochter! vrees niet: al wal gij (jezerjd hebt zal ik doen, want de gansche stad
tl
mijns volks weel dal ge eene deugdelijke (deugdzame L. V.) vrouw zijl.
Zoo luidt ook steeds des Heeren Jesus' antwoord op de angstige klachten der Zijnen: Vreest niet! Vreest niet! Dat klinkt de geheele Schrift door. Zij had tot hare moeder gesproken; Alles wat gij mij zegt, zal ik doen, en zij is naar den dorschvloer gegaan, en heeft alles gedaan, en nu luidt het ook tot haar: Alles wat gij gezegd hebt enz. Zooals de ïïeere Jesus ook zegt: Alles wat gij den Vader bidden zult in Mijnen Naam, dat zal Ik doen. Nu wordt zij ook door Boaz, d. i. door den Heere, zeer geprezen. Hij zegt: Niet alleen ik, maar de geheele stad weet dat gij eene deugdelijke vrouw zijt. Ziet! dat is de ware deugd: dat men meent geene deugd te bezitten, en men toch deugdzaam is: dat men niet in het oog der menschen als iets byzondors wil doorgaan, en luide geprezen worden, maar dat men in het verborgene eene Moabietische, een arme zondaar of zondares is en blijft, in eigen oog, en voor God, dat men als een zoodanige tot den Heere komt, en dat men Hem, Hemzelven klaagt, dat men eene Moabietische, een zondaar is! En waar men zich zóó voor den Heere verootmoedigt, juist daar zal het werk, de wandel goed zijn, daar zullen de plichten vervuld worden in het huis, in de kerk, in de werkplaats en voor God in den hemel! want zulk eene ziel zoekt geen genot, noch bezit van vergankelijke dingen, maar in Gods wet en gebod is al hare lust.
Vs. 12. Nu dan, wel is hel waar dat ik een losser ben, maar er is nog een andere losser, nader dan ik. (Deze andere losser is volgens de meening des Heiligen Geestes, Gods wel-, wilt dit bij deze geheele uitlegging, mijne Geliefden! niet vergeten).
12
Ruth moest alzoo nog wachten, gelijk ook de ziel, die Gods beloften ontvangt, nog wachten, vaak lang wachten moet op de vervulling dier belofte (Ps. 40 vs. 1). Boaz is bereid haar de zijne te noemen, maar niet anders dan zóó, dat aan alle gerechtigheid voldaan zij. De geheele stad, die geroepen had: Is dat nu Naomi, is dat nu Ruth? zou op dit huwelijk ook niet het minste aan te merken hebben, het zou in ieder opzicht met 's Heeren wil en wet overeenkomstig zijn. En zoo wilde ook onze bemelsche Boaz, daar hemel en aarde getuigen zijn geweest van onzen diepen val in Adam en van onze ellende en armoede, Zijne gemeente. Zijne bruid niet anders in Zijnen schoonen hemel brengen dan op grond van eeuwige gerechtigheid. En daarom: Blijf hier dezen nacht over! En o dit is geen rustige, maar een angstige tijd, als wij Grods belofte hebben en op de vervulling daarvan moeten wachten. Dan zucht en zingt men:
Ik blijf den Heer verwachten,
Mijn ziel wacht ongestoord.
Ik hoop in al mijn klachten Op Zijn onfeilbaar Woord.
Mijn ziel, vol angst en zorgen,
Wacht sterker op den Heer,
Dan wachters op den morgen,
Den morgen, Ach! wanneer?
Ter voorkomiDg van verwarring bij betaling wordt den geachten abcmné's herinnert, dat Nquot;. 7 een dubbel nommer is en dua 6 cents kost.
Uitgegeven bij H. BUSKES te Utrecht, Haverslraat.
Voor Dnitsebland verkrijgbaar bij F. Bückmann , Ellerfeld.
Prijs per Nummer 3 Cts. â Franco per post 4 Cts.
No. 15. 28 Augastns 1886.
SCHRIFTVERKLARINGEN
VAN
Br. II. F. KOHXBRtGGE.
Verklaring van het boek Euth.
Cap. Ill vs. 13â15,
Verder sprak Boaz, vs. 13: Voorts in den morgen zal het geschieden, indien hij u lost, goed, laat hem lossen; maar indien het hem niet lust u te lossen, zoo zal ik u lossen, zoo waarachtig als de Heere leeft! Leg u neder tot den morgen toe.
Het is Boaz niet om geld, goed of schoonheid te doen; daarom sprak hij: o Ruth! omdat gij u tot mij wendt opdat Gods gebod, Gods belofte gehandhaafd worde, omdat ik de Losser ben, het zij zoo! maar er is nog een losser, nader dan ik. Met dien losser moet eerst de zaak uitgemaakt worden. Misschien wil die wèl uw erfgoed, uw erfdeel hebben, maar u niet. Welaan! verwerpt hij u (gelijk Gods heilige wet ons allen moet verwerpen en verdoemen), zoo neem ik u met al uwe armoede en verlatenheid tot de mijne aan. En daarom: vrede zij u! En o! mijne Geliefden! met het: vrede zij u ! van onzen hemelschen Boaz kunnen wij zalig inslapen, Hij zal het voor ons maken. Al houdt
Hij zich verborgen, zoo wij in Zijne handpalmen gegraveerd zijn, zal Hij in de poorte des gerichts onze zaak wel uitrechten en bepleiten tegenover den verdoemenden eisch van Gods wet. Hij zal het doen, Hij alleen.
In menige levensomstandigheid, in menigen hangen toestand, waarin wij geraken, rijst de vraag in ons op: Behoeft de door God vrij gemaakte mensch nog ketenen te dragen ? Hij is toch niet vrij, die ketenen draagt! Is de mensch vrij gemaakt, waarom dan nog die ketenen? De vrij gemaakte wandelt echter door geloof en niet door aanschomven. Daarom draagt ook de verloste nog ketenen, omdat hij niet volkomen is in het geloof, omdat hij geen volkomen begrip heeft van het geloof. Hij draagt ketenen, omdat het zoo zijn moet, omdat God in Zijne wijsheid den toestand van zonde en ellende, waarin wij zijn gekomen door den zondeval, niet opheft hier in Mesech..
De toestand, waarin wij ons sinds den zondeval bevinden, is een rampzalige toestand. Het is een jammerlijke toestand, maar de mensch is ook niet meer dan eene jammer-gestalte, sinds hij van God, zijn leven, afviel. Daarom kan ook een mensch, zoolang hij nog vleesch en bloed mot zich omdraagt, de zaligheid, die God hem bereid heeft, niet dragen. Omdat de zaak nu eenmaal zóó staat, heeft de Heere besloten dien jammerlijken toestand, die ellende des levens niet op te heffen, maar het den mensch te laten prediken, midden in zijne ellende, dat er een betere toestand is, waarvan de eerstelingen hem in den geloove reeds hier kunnen verkwikken, en die hij eenmaal volkomen zal bezitten als hij van hier gaat.
Dat wij ketenen en banden te dragen hebben, is niet Godes, maar onze eigene, verdoemenswaardige, schuld, en het is alleen Gods barmhartigheid, zoo wij eene levende hoop ontvangen op een volkomene verlossing. En hoe die barmhartigheid des Heeren, midden in onze banden, ons verkwikken en doorhelpen kan, dat wordt ervaren door al Zijne armen en ellendigen. Hoe weinig er echter van de heerlijkheid Gods bespeurd wordt, ondervinden wij in alle de uit- en inwendige ellende dezes levens. De liefelijke vertroostingen en wonderbare uitreddingen, die de Heere ons schenkt, zijn ons echter een voorsmaak onzer volkomene verlossing aan de andore zijde des Jordaans; van deze eeuwige vreugde kunnen wij hier reeds een beginsel in ons harte voelen, als de Heere al do drukkende bezwaren ons bij oogenblikken van hart en borst komt wentelen. Daaraan weten wij dat er een heilzon aan 't dagen is, een dag waarop alle ketenen en banden zullen verdwijnen.
God de Heere wil echter de zijnen oefenen, dat ze volharden en geduld hebben, weten en leeren welk eene kostelijke vrucht do lijdzaamheid heeft. Neen ! de hope op Hem, den levenden God, zal nooit beschaamd worden, maar Zijne liefde zal hen, die tot Hom vluchten, door alles heendragen, en zóó heerlijk verlossen. De Koning van Perzië had den godde-loozen Haman veroorloofd, en dit met zijn zegelring bezegeld, dat hij al het volk der Joden op eénen dag mocht uitroeien. Dit woord, eenmaal van des Konings lippen gevloeid, mocht niet herroepen worden. Maar de Koning liet een ander bevel uitgaan, waardoor het geheele ter dood veroordeelde volk der Joden vrij uitging, en zoo hief het laatste bevel de doodendo
werking van het eerste op. En Gods eenmaal gesproken woord: âten dage als gij daarvan eel, zult gij den dood stervenquot; kan ook zoo maar niet weg geblazen worden, nadat het den duivel, als eenen anderen Haman, gelukt is, Adam ea al zijne nakomelingen in den eeuwigen dood te storten; want de waarheid van Gods woord moet gehandhaafd worden. Maar in Zijne wijsheid heeft God nog andere geboden doen uitgaan, b. v.: Gij verdrukte, door onweder voort gedrevene, ongetrooste! ziedaar mijn veld vol golvend graan! lees aren op achter de maaiers, en gij zult overvloedige genade en uitredding vinden. Den Man der hulpe, den Man aan Gods rechterhand zult gij vinden op dit Mijn veld: en hebt ge Dien gevonden, o worstelend volk, weet dan ook, dat Hij nooit of nimmer uwe hoop op Hem zal beschamen; neen! Hij zal u van rondom vertroosten met Zijn liefelijk licht, Hij zal u niet ledig van Zijn veld naar huis zenden, Hij zal u een onderpand geven, waardoor gij zult verzekerd worden, dat Hij uwe zaak voor Zijne rekening heeft genomen. Neen! o ziele! Hij zal u nooit begeven, noch verlaten, Hij zal u nooit vergeten, gij arm Zion ! dat meent dat Hij u vergeten en verlaten heeft! !) Hoop op Hem, in stilheid en vertrouwen zal uwe sterkte zijn. 1) Van dit standpunt uit willen wij het laatste gedeelte van het derde kapittel van Euth verder betrachten.
Ys. 14â18. Alzoo lag zij neder aan zijn voetdeksel lol den morgen toe; en hij stond op, eer dat de een den ander kennen kon; want hij zeide: het worde niet hekend, dat eene vrouw op den
1
Jesaja 30 vs. 15.
5
dorschvloer is gekomen. Voorts zeide hij: Langden sluier die op u is, en houd dien; en zij hield hem, en hij mal zes malen (gomer) gerst en leidde ze op haar; daarna ging hij in de stad. Zij nu kwam tot hare schoonmoeder, dewelke zeide: Wie zijt gij mijne dochter? En zij verhaalde haar alles, wat die man haar gedaan had. Ook zeide zij: Deze zes maten onz. tot vers 18.
Hoe kon Ruth zóó rust vinden ? Mijne Geliefden! is er rust, is er vrede voor de ziel, die de belofte van verlossing van den Heere heeft ontvangen, en toch nog wachten moet? Ja! er is rust voor zulk eene ziel, want in het tot haar gesproken woord is een verkwikkende en rust gevende kracht. Ach! gelijk Ruth zich den gcheelen dag gekweld en afgetobd had, om alles te doen wat hare schoonmoeder haar had bevolen, zoo is ook de ontdekte ziel, die tot den Heere Jesus is gekomen, moede en afgetobd. Zorgen, angsten en allerlei nooden werpen zulk eene ziel van de eene diepte in de andere, want het gaat haar niet om den ijdelen roem van uiterlijke godsvrucht, maar om de vervulling van 's Heeren wet naar den letterlijken, en bovenal naar den geestelijken zin. Daar is het eene voortdurende worsteling, een gedurig breken met al het zichtbare; en hoe smartelijk en afmattend is dan de ervaring in eigen hart en leven, dat ook bij den grootsten ijver en den heetsten strijd, het den mensch nooit zal gelukken zich zóó te reinigen, zich zóó te bekleeden, dat hij voor Gods heilig oog zoude kunnen bestaan. O! daar is men verbrijzeld en moede, en moet het met zijn eigen bloed onderteekenen, dat uit de werken der wet geen vleesch zal gerechtvaardigd worden. En
6
als dan het zoete en zalige: vrede zij u! van onzen hemelschen Boaz in de ziele klinkt, gelijk Hij ook eens tot zijne apostelen sprak: âRust een â weinigquot; (Marcus 6 : 31), dan daalt er vrede in het hart en men begint te gelooven: er zal verlossing komen, ook al ziet men nog niets. O, die rust is dan als een beginsel der eeuwige vreugde voor zulk eene afgetobde ziel, die met al haar zoeken en graven naar gerechtigheid, steeds tot de slotsom is moeten komen: groot en vele zijn mijne overtredingen ! Daar gaat het als in 't Hooglied: Ik sliep, maar mijn hart waakte. Als men lang in 't duistere is geweest en de belofte komt: âMet den morgen daagt uw heilquot;, dan is de morgen er nog niet, dan is de heilzon nog niet aan 't dagen, dan is het nog nacht, vaak stikdonkere nacht, maar de belofte des Heeren, Zijn âonfeilbaar ivoordquot;, houdt de hoop in het hart levendig en schenkt, ook te midden der duisternis, den zoetsten vrede. En daar gaat het naar het woord Ps. 139 : 18b ivord ik wakker, zoo ben ik nog bij U! Zoo ook ontwaakte Ruth en maakte zich op naar de stad, eer het licht aanbrak, en de eene mensch den ander kennen kon, dus toen het nog nacht was.
Men bespeurt hier zoowel bij Boaz, vs. 14, als bij Ruth, die zich naar de stad opmaakte eer de dag aanbrak, den grootsten zorg dat om hunnentwille den naam des Heeren niet zoude gelasterd worden. Zij vermeden zelfs den schijn des kwaads; en dit is eene zaak, die men ook heden ten dage wel te behartigen heeft. Sinds de mensch is gevallen, is men maar al te zeer geneigd tot allerlei verkeerde handelingen, ook op zedelijk gebied, en nog spoediger is men gereed den onschuldigen naaste in een
I
7
kwaad gerucht te brengen en diens goeden naam te verwoesten. Dit verkeerde gedrag ontspruit uit ge-ringaehting van het 7de en van het 9de gebod. Maar daar de mensch in Adam gevallen is, daar de zaak nu eenmaal zoo staat en er steeds allerlei verkeerdheden en allerlei lasteringen zullen zijn in deze wereld, kan men ieder, die Gods Woord belijdt en liefheeft, niet genoeg herinneren; Wandelt met wijsheid bij degenen die builen zijn (Coll. 4: 5), en; bezorgt
1 hetgeen eerlijk is voor alle mensch en hetgeen eerlijk is voor alle mensch en (Rom. 12: 17) en de geheele vermaning van Paulus: Philip. 4: 8.
Hierin geven, zoowel Ruth als Boaz, ons een treffend voorbeeld: Boaz zeide immers, opdat niemand merke dal er eene vrouwe op den dorsch-vloer is geweest. Ja! waar de waarachtige vreeze Gods is, waar de heilige Geest waarlijk in het harte leeft, daar zal het eene levensvraag zijn, zóó te wandelen, dat Gods heilige Naam om onzentwille niet gelasterd, maar geëerd en geprezen worde. Maar hoe zelden is zij onder christen-belijders te vinden, deze heilige bezorgdheid voor de eere van f Gods naam! Hoe gaat het gewoonlijk zelfs toe onder 'degenen die uiterlijk der waarheid zijn toegedaan? (of zulk een gedrag echter waarlijk met Gods Woord overeenkomt, meen ik te moeten betwijfelen!) De meesten zouden de waarlijk godvruchtige Ruth vertreden en weggejaagd hebben, en daardoor aan de geheele stad de grootste ergernis hebben gegeven, Maar zóó deed Boaz niet. Hij droeg zorg dat, noch om zijnentwil, noch om Ruths wille, Gods Naam kon gelasterd worden. Om de eere van 's Heeren Naam was het hem boven alles te doen, en dit is het jeigenaardig kenmerk van alle ware kinderen Gods: üe laten op dien allerheiligsten Naam geen stofje
8
kleven, maar hunne bede is voor en na: Vader! Uw Naam worde geheiligd! Ik zeg niet dat op hun eigen kleed niet vaak stof ligt, maar 's Heeren Naam is en blijft voor hen de heiligheid der heiligheden. En hoe zorgen ze daarvoor? Zóó, dat het hun hartezaak is dat die Naam om hunnentwil niet gelasterd, maar geëerd en geprezen worde, en daardoor dat zij in hunnen handel en wandel ook den schijn des kwaads mijden, zoo veel het hun maar mogelijk is. En dit was ook de reden waarom beiden den dorschvloer verlieten voor dat de dag aanbrak. Trouwelijk zorgde Boaz hierin voor de cere van Ruth, voor zijne eigene eer, en zoo voor dc eere van 's Heeren Naam.
Mijne Geliefden! het boek Ruth, hoe klein het ook van omvang is, is een hoogst gewichtig en eigenaardig bijbelboek. Ik zoude meer dan een half jaar behoeven , om u mode te deelen, wat de Profeten daaruit gezien en daaruit geput hebben. Maar weet dit eene: Christus, de Heere der heerlijkheid, en Zijne heilige gemeente treden, voor het door Gods Geest verlichte oog, haast uit elk vers met hemel-schen glans te voorschijn. Dat wil ik ulieden op 't harte drukken: om eene gerechtigheid op te richten uit de werken, die niet is die gerechtigheid, welke alléén voor God geldt, ziet men vaak het levendige en zaligmakende geloof voorbij, dat in dit boek heerscht, en al de vruchten van ware godzaligheid, die dit geloof voortbrengt. Het gedrag van Ruth en Boaz veroordeelt alle vonden van heiligheid, uitgedacht door menschen, die het niet om de vervulling van Gods geboden te doen is, maar alleen om een uiterlijken roem van godsvrucht en deugd. O, lees deze geschiedenissen, door de heiligen Geest op-
9
geteekend, en gedurende eeuwen door Gods hand voor Gods kerk bewaard, toch niet zoo lichtvaardig en onnadenkend. Het zijn hoogst gewichtige stukken, die vaak vergeten en op zijde geworpen worden, maar, wie zijn eigen lichtzinnig gedrag, zijne ijdele woorden en overleggingen des harten nagaat, wie bedenkt hoe vaak hij aanleiding gaf en geeft tot lastering van 's Heeren naam, wie zijn gedrag vergelijkt met dat van Gods heiligen, zooals dat in 't boek Euth staat opgeteekend, die zal op do borst moeten slaan, en zeggen: o God! wees mij zondaar genadig!
Ja! aan Boaz, zoo wel als aan Ruth, en ook aan de waarlijk vrome Naomi, kan men zien, wat ware net vruchten des geloofs zijn, zoo als de 91ste vraag en ei^ antwoord van onzen Catechismus ze beschrijft. Wie ia waarlijk, als een arm, verloren zondaar, voor Gods 10quot; rechterstoel heeft gelegen en nog dagelijks ligt, die 0:ar zal er geen vermaak in scheppen, zijn naaste waar ^eitr' te nemen, te bespieden, te belasteren en te plagen, ^ 3 maar, die verstaat den nood en angst van zijne be-ime ' kommerde broeders en zusters, en met liefdevolle [1. en vurige barmhartigheid zal hij hen ophelpen, door r1?,quot; ten op dien barmhartigen Samaritaan te wijzen, die 161 ' ook zijn redder was in den nood! En waar het ® om de uitredding en hot heil van anderen gaat, laat 1 1 ons daar gerust de handhaving van onzen goeden 5 zaquot; naam aan den Ileere overlaten : Heb ik Gods waar-van gggQQjjj; v00r mijno arme ziel, heb ik die omhelsd
' en opgegeten (Jerem. 15 : 16) en word ik daarom door ^ 01' de wereld belasterd en verketterd, welaan! dan mogen lleen a|je (iuive]cn 0Yer nilj iloon vallen en mij, de mijnen,
' mijnen goeden naam, mijne eer door het slijk sleepen, it op- (j0(j za|
zijne belofte handhaven: âDie mij eer en, zal ik eer enquot; ] en waar de liefde tot God en tot den
10
armen naaste dc drijfveer was van mijne handelwijze, daar zal schande en schaamte nederdalen op het hoofd van hem, die deze liefde uit God niet verstond.
Ruth moest ook in deze geheele zaak de handhaving van haren goeden naam aan den Heere overlaten en de Heere heeft door Boaz ook koninklijk daarvoor gezorgd! Hoe licht hadden lastertongen Boaz en Ruth beiden in opspraak kunnen brengen, zoo iemand bespeurd had, dat er eene vrouw op den dorschvloer was gekomen. God zorgt! Ja gewis! het zij u in al uw in- en uitgaan daarom te doen, dat ook niet den geringsten smet op uwen goeden naam en faam kleve, want: âeen goede naam is beter dan ot'iequot; zegt het Woord, en boe licht is men dezen schat kwijt. Maar bovenal zij het u om de eer van 's 11 eer en naam te doen. En waar gij, bij de hulp, die gij uwen naaste te bewijzen hebt, gevaar loopt verdacht en belasterd te worden, vraag daar niet naar u zeiven, en laat aan God over in welk daglicht de menschen, die hooi zijn, en wier adem in hunnen neus is (Jes. 2: 22), u plaatsen. Het was liefde, goddelijke liefde, die u dreef hulpeloozen in den nood bij te staan; en daarom: God zal het voor u maken, gij miskende broeder of zuster! vrede zij u!
Maar hoewel Boaz haar naar hare schoonmoeder terug zond vóór het aanbreken des dags, liet hij haar toch niet hulpeloos van zich gaan: hij ontsloot zijne schatkameren en gaf haar ongeveer twee honderd gulden; hij gunde zich alzoo den tjjd, Ruth, met allerlei gaven overdekt, heen te zenden.
Ys. 15. Voorts zeide hij enz. Zes maten was niet zulk eene groote hoeveelheid, wat de valsclielijk ver-
11
â waande -wetenschap ook beweren moge; het was niet zoo veel als zij bekwam toen zij op liet veld Boaz het eerst ontmoette. Kapittel 2 vs. 17 lezen wij bijna eene Epha, d. i. bijna 10 maat of gomer; nu krijgt zij 6 gomer. Zoo gaat het ook in 't geestelijke leven. Die allereerste tijd, die allereerste ure, dat allereerste oogenblik der eerste liefde, waarin Christus zich aan de ziel openbaart, keert hier in de woestijn zóó nimmer weder: want dan krijgt men bijna de gelieele volheid en schoonheid des Heeren te zien. Langen, langen tijd had men in den ruischen-den kuil, in modderig slijk gelegen: (Ps. 40 vs. 1 en 2), en de vloek der wet had de ziel verbroken en verbrijzeld: toen werd men door God zelf uit Zijn Woord getroost en gerechtvaardigd, en men voelde: zóó, langs dezen weg, om Christi bloed en gerechtigheid alleen, ben ik rechtvaardig voor God; en toch ontbrak er nog iets aan dezen vrede, want ook te midden van die eerste vreugde voelde men zijn zonde en schuld, ook al zag men die geworpen in het diepste der zee!
Ja toen was het bijna 10 gomer, bijna de volheid. Maar er komt weer een andere tijd, waar men, bij vermeerderd gevoel van schuld en doemwaardigheid , uitziet naar de vereeniging zijner ziel met Christus, een tijd waar men den troost, den liefelijken troost verloren heeft, en zoekt en zucht om dien weder te bekomen; dan is het der ziele bang, o zóó bang vaak, maar toch is deze weg van schijnbaren achteruitgang, vooruitgang, want langs dien weg leert men het, evenals Ruth, met den Heere Christus wagen: dan zorgt de Heere ook dat wij niet in onzen druk omkomen en dan geeft de Heere ook 6 maat of gomer.
12
13e ouden verstonden de taal der bloemen; en als
zij bouwmeesters waren verstonden zij ook goed de beteekenis der getallen. Bijna eene epha gerst (wat Ruth op het veld vau Boaz kreeg) is bijna 10 maat of gomer: vijf, wilde de Heere daarmede zeggen, voor uwe schoonmoeder, niet geheel vijf voor u, want u staat nog meer te wachten: dit dubbel getal van vijf riep dus Ruth toe: Gij krijgt nog meer, want vijf is het getal van vermenigvuldiging. Alzoo, dat Ruth de tweede maal voor zichzelve 6 maat kreeg, dus meer dan de wet eischt, moest haar rust geven ; zij had nu genoeg te eten voor de volgende dagen, en, wilde Boaz zeggen, als uw voorraad dan op is, is er nog meer voor u te krijgen! Zié! zóó gaat het ook in 't geestelijke loven. Wees heden of morgen gerechtvaardigd en blijde in uwen God, overmorgen is het weer: oude zonden en nieuwe nood! Roep heden vrijmoedig uit; ja! ik ben af-gewasschen, ja! ik ben geheiligd, ja! ik ben gerechtvaardigd in den naam dos Hoeren Jesus, en door den Geest onzes Gods (1 Cor. 6 vs. 11), en hoewel ik vol zonden en ellenden ben, weet ik toch, dat ik met een onberispelijke conscientie voor God en menschen zoek te wandelen, â morgen ontbreekt u misschien de moed het te herhalen, en overmorgen durft gij het nog minder. Dan zijn de zes gomer weder op, en er groeien wormen in het manna van gisteren en eergisteren.
Uitgegeven bij H. BUSKES te Utrecht, Eaverstraat. Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BÃCKMANN, Elberfeld. Prijs iMjr Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Cts.
^0, I®- 11 September 1886,
SCHRIFT YEKKLARIJfGEN
VAN
Dr. II. F. KOBXBRÃGGE.
Verklaring van hetboek Ruth.
Cap. Ill ys. 15 â16.
Dat meende Boaz toen hij Ruth 6 maat gerste gaf nog cene zaak slechts had hij haar te geven om tot 7, het getal des eeuwigen Verbonds, te komen-hij wilde zeggen: als bruid zijt gij nu in 't bezit eener^ volledige uitrusting, alles wat uw Bruidegom voor 't oogenblik schenken kan, bezit gij. Spoedig zult gij vernemen, wat nog bovendien voor u is weggelegd en wat in de belofte reeds uw deel is: Ik zal u Mij ondertrouwen in eemvigheid, ja ik zal Mij u ondertrouwen in gerechtigheit en ingericht en in goedertierenheid en in barmhartigheden. En ik zal u Mij ondertrouwen in geloof-, en gij zult den Heere kennen (Hosea 2 vs. 18 en 19).
Vs. 15b. Daarna ging hij in de stad. Daarna, nadat hij Ruth koninklijk en heerlijk uitgerust had. En zoo handelt de Heere ook. Bevindt gij u waarlijk in nood, en hebt gij den hemelschen Uithelper en Goël gevonden, dan zal Zijn eerste zorg zijn u vrede en vreugde te schenken, en dan zal eerst al het andere volgen. Alzoo lief heeft God de wereld ge-
2
had, dat Hij Zijneri eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh. 3 vs. 16). Die âm Hem geloovenquot;, zijn dezulken, die roepen; Heere Jesus! Gij Zone Davids, ontferm U mijner! O, is Hjj het niet die het verlorene schaap opzoekt, en als Hij het dan opzoekt, zal Hij het dan ook niet veilig te huis brcugen?
Hij eert het zwakke, en om het zwakke en ellendige te helpen, heeft Hij zich op den troon dei-heerlijkheid gezet, om eens met al de Zijnen te heerschen, als Hij ze zal hebben opgewekt ten uitersten dage. Nu heerscht Hij met hen in het verborgene, en Zijne heerschappij der genade en barmhartigheid regeert de geheele wereld, hoe weinig men er ook vaak van gewaar worde. Hij verliet den Zijnen ten goede deze aarde, waar Zijne gezegende voeten eens op rondwandelden en â gaat naar zijne stad, naar Zijn henielsch Jeruzalem, in het huis des Vaders met de vele woningen: hij gaat er henen om zijnen arme lluths plaats te bereiden!
Toen de Heere den bitteren nacht Zijns hjdens doorgestaan had, toen Hij zich zóó eene gemeente, eene bruid gekocht had met Zijn eigen bloed, toen Hij haar zóó den Heiligen Geest had verworven, waardoor ze leert zeggen tot Hem: Breid uwen vleugel over mij uit, want Gij zijt de Losser, toen is Hij, de Heere Christus, de ware Loaz, opgestaan, voor dat het begon te lichten, en opgevaren ten hemel om daar voor den rechterstoel Gods te verschijnen, ons ten goede. Ja! daartoe is Hij opgevaren , om de zaak Zijner gemeente in het gericht te bepleiten! Hij onze eenige, van God gezalfde en verordineerde, A.dvokaat en Pleitbezorger! Daarom
3
luidt hot ook Vein Boaz: en hij ging in de stad' Waarom moest Ruth den weg naar hare scboou-moeder alleen afleggen ? Waarom nam Boaz haar niet met zich mede naar diezelfde stad waar Naomi ook woonde? Het was immers duister en daarom gevaarlijk voor Ruth, zoodat zij licht onder roovcrs had kunnen vervallen? Waarom moest zij alleen gaan, en nog eenmaal een tijd van angst en schrik beloven? O! in zijn harte droeg hij haar mede, maar nog moest dit voor haar verborgen zijn, gelijk ook wij moeten leeren wandelen door geloof, en niet door aanschouwen.
Zes maat of gomer had Boaz haar geschonken. God do Heero had ze op den dorschvloer gebracht, diezelfde God zoude ze ook veilig tot Naomi brengen, dacht Boaz! Ja gewis! het was in zijn harte haar Losser te zijn, maar nog moest het in de poorte des gerichts uitgemaakt worden of ook de andere Losser, die nader was dan hij, gewillig was haar te lossen. Zoo lang dit nog niet was beslist, kon hij zo niet openlijk, als de zijne erkennen. Geestelijk gesproken; eerst moot do vrijspreking dor ziel voor den rechterstoel van Gods heilige wet, (waarvan die nadere losser hot beeld is) uitgemaakt worden. Zoo ging do Heero Zijnen weg naar de hemelstad en moet Zijne bruid, die Hij verlost hooft, hier vaak eenzaam haar weg vervolgen: wel wordt zij langs denzelfden weg geleid; gelijk Hij was, is ook zij in de wereld; on door de overblijfselen van Zijn lijden, die ook aan en in haar vervuld worden, wordt zij in alle stukken Zijnen dood gelijkvormig gemaakt; maar het is niet altoos duidelijk te zien, dat zij do Zijne en Hij de hare is; vaak is deze heerlijkheid der bruid Christi inwendig (Ps. 45),
4
verborgen voor het oog der wereld, verborgen, wat nog veel smartelijker is, voor haar eigen ziele-oog. En toch Hij slaat haar strijd, haar worstelingen in deze vijandige wereld, waar zij als vreemdelinge haar weg voortzet, getrouwelijk gade, en weet ze, als eeuwige Koning, in elk gevaar, in eiken nood te beschutten tegen 's vijands geweld. Hij zelfheeft haren weg van stap tot stap toebereid en bepaald, en, zoo als Hij er was, is ook zij in de wereld. Hij heeft ze even lief, alsof Hij ze reeds te huis gehaald had. Dat heeft Boaz aan Ruth bewezen door de 6 maat of gomer gerste, dat bewijst de hemelsche Boaz aan Zijne bruid door de hemelsche gaven die Hij haar mededeelt, en over haar uitstort; en waarin zij een onderpand heeft uit Zijne trouwe hand, en waardoor zij zoekt de dingen die daar boven zijn. Zoo roept de Heere Jesus zijne verdrukte gemeente op haren pelgrimstocht, uit den hemel toe: quot;Wees getroost gij eenzame! de Heere zal u verzamelen!
Vs. 16. Luther vertaalt: Hoe staat het met U mijne dochter ? Onze Staten-vertaling heeft: wie zijt gij mijne dochter! alsof de duisternis Naomi belet had haar schoondochter te herkennen. Wij willen voor dit maal de eerste vertaling volgen en u, lieve lezer! wie ge ook zijn moogt, van welken stand of ouderdom, hetzij ge eene groote stad of een klein vergeten dorpje bewoont, deze vraag voor leggen: Hoe staal hel met u? Gij weet nu wat Boaz deed, en wie de rechte Boaz is. Maar wat baat dit u alles, zoo ge geen antwoord weet op die groote levensvraag: hoe staat het met u? O hoe gelukzalig zoude ik u prijzen, zoo ook van uwe lippen zulk een antwoord kwam, dat men van u kon zeggen: âen hij of zij verhaalde het allesquot;, zooals van Ruth vs. 16
5
te lezen, namelijk aan den Heere, den waarachtigen God Israëls, die genezing heeft voor elke wonde, uitredding uit eiken nood. Vol angst verbeidde Naomi de terugkomst van Ruth, achl zij zal in dezen nacht wel niet gerust hebben â zij was immers wakker toen Ruth te huis kwam â maar zij zal aangehouden hebben met gebeden en smeekingen voor hare dierbare schoondochter, en o! wat moet er in haar harte omgegaan zijn, toen zij aan de 6 maat gerst die Ruth medebracht, gewaar werd wat een liefdevol hart Boaz had!
Ik heb het u meer gezegd en herhaal het nog. Geestelijke en tijdelijke dingen zijn voor den geloo-vige, eigenlijk voor ieder mensch nauw ineen gevlochten. En dat doet de Heere, om ons door de zichtbare dingen, die vergaan, tot de onzichtbare op te leiden, die eeuwig blijven. Want de zichtbare dingen zijn tijdelijk, (2 Cor. 4 vs. 18) en zijn op zich zelf van luttel waarde ; want wij moeten eenmaal allen van hier, kunnen niets met ons mede nemen, en van al het zichtbare is er niets dat onze arme zielen kan redden; het zichtbare is vergankelijk en draagt ellende, dood en verdoemenis in zich mede. Maar de weg waarin God de Heere ook in onze tijdelijke behoeften wil voorzien, is deze: zoek eerst het koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid en alle andere dingen zullen u ivnrden toegeworpen. Matth. 6, vs. 33.
Niets moet daarom godvruchtigen ouders meer ter harte gaan, dan dat hunne dochteren, hunne zonen God vreezen: en de kinderen die God vreezen, zullen hot ondervinden hoe God koninklijk, voor al hunne behoeften, een ieder naar zijnen aanleg en stand, zorgen zal, en hoe de Heere alles wel zal maken.
16
6
Het is moeielijk van den mensch te weten waar de grens licht tusschen hetgeen hij voor zich zeiven zoekt, en wat God voor hem bestemd heeft. De hoofdzaak is echter, dat een iegelijk die God vreest, niets meer schrome dan in de ijdele en vergankelijke dingen dezes levens, zoo zeer verward te worden, dat hij gevaar loopt zijne ziel er aan te ver-koopen. Ja dat is de hoofdzaak; genade bij God te vinden, en zóó in de genade te zijn geborgen, dat de vervulling van Gods belofte, dat de tijdelijke weldaden des Heeren geen valstrik kunnen worden voor zijne onsterfelijke ziel! Ach wij arme menschen-kinderen! als Gods genade ons niet telkens in de laagte houdt, worden wij opgeblazen en in onzen overmoed vergeten wij den Heere. Hebben wij echter genade bij God gevonden, dan verheugen wij ons in eenvoudigheid des harten over 's Heeren koninklijke en vaderlijke weldaden.
Zoo moet dit voor ons de hoofdzaak blijven: Hoe staat het met u mijn zoon! mijne dochter! Hoe staat het met u, mijne arme ziel? Gij moet een Verlosser hebben, en als gjj geen Verlosser hebt, blijft gij eeuwig arm. Zie! toen Ruth op het veld is gekomen, heeft zij zegen en overvloed gevonden en, handelende naar Naomi's trouwen raad, heeft zij rust en vrede gevonden.
Ja Naomi zag met angst uit naar de verhooring harer gebeden. Ach! ouders, die God vreezen, gaat niets zoo zeer ter harte, dan dat hunne kinderen deel hebben aan de eeuwige zaligheid, die ze hun als erfgoed niet kunnen nalaten, maar die ze dag en nacht voor hen afsmeeken. Ja, dat is ook bovenal de begeerte mijns harten, dat mijne kinderen met mij komen in de eeuwige heerlijkheid, dat die mij
navolgen, als ik te huis ben gehaald. Maar nu zal het er voor zulke kinderen op aankomen, of naar den wil der vrome ouders gehandeld wordt, of de raad van 'sH'ïeren woord opgevolgd is, en of men zich over den afgrond gewaagd heeft, die ligt tusschen belofte en vervulling, tusschen ellende en verlossing, tusschen den diepsten nood en het vinden van hem die alleen redden kan.
Ruth heeft gehandeld naar het woord harer schoonmoeder. Het heeft Gode behaagt ook in betrekking tot het eeuwige leven de kinderen te regeeren door de hand van hunne vrome ouders, en zoo kan het niet uitblijven, dat het zulken kinderen wel gaat. quot;Want Godvreezenden ouders is het daarom te doen, dat de kinderen mede den hemel beërven, en zij begeeren van het tijdelijke dezer wereld voor hen niets, dan wat met het eeuwige verbonden is, en mede in de eeuwige zaligheid overgaat.
Ruth kon hare schoonmoeder goede tijding brengen (Vs. 16). O dat kan men ook als men aan de voeten des Verlossers gezonken is, en Hij tot de ziele heeft gesproken; Wie tot Mij komt, dien zal Ik geenzins uitwerpen. Wie aan 's Heilands voeten ligt, zal het ook vernemen: Ik zal het voor u maken ; die zal het ook vernemen dat die Heiland voor hem in de stad is gegaan, voor Hem is ten hemel gevaren om daar zijn Advokaat en Pleitbezorger te zijn, en hij zal ook voor zijn geestelijk leven zulke dingen beleven, dat hij het vrijmoedig zal kunnen zeggen: deze 6 maat garste gaf Hij mij,
Boaz was een vermogend man, en mild in 't geven. Het was zijn leven, anderen wel te doen ; hoe meer hij weg gaf, hoe meer hij ontving, en dat ontsproot daaruit, dat hij zelf op Gods tijd er-
8
voer wat het is geestelijk ledig te zijn. Want, ware weldadigheid en mededeelzaamheid is geen vrucht van onzen akker. God de Heere moet ons leeren weldadig en mild te zijn. Boaz zelf had ervaren, wat armoede en gebrek is, en nu was dit zijne grootste zaligheid andere menschen met allerlei weldaden te overladen, en door zulke milddadigheid de gewonde harten vrolijk te doen zingen.
Zoo doet de ware Boaz ook. Volgens 's Heeren wet mogen wij niet ledig voor Zijn aangezicht verschijnen: dat heeft God de Heere gezegd. (Exodus 23). Daar staat, dat men driemaal 's jaars den Heere feest moest houden. God gunt zijn volk vrede en rust, en Hij geeft zijn volk ook alles, opdat ze rust en vrede zouden hebben. De duivel ziet gaarne treurige, zure gezichten. Maar de Heere God wil, dat wij Hem loven, omdat Hij goed en vriendelijk is: hoe weinig is genoeg om kinderen vrolijk te maken! Alzoo er moet den Heere iets gebracht worden! Neen! dat gaat niet aan, dat de mensch, die zijn geheele leven Gods geboden met voeten trad, in zijn laatste uurtje er plotseling met een zelf gemaakt: o God! wees mij zondaar genadig, door zoude komen I Neen! bij menigeen zal het juist in het laatste uurtje uitkomen, wat de Heere zegt, Spreuken 1 vs. 24â31. Het is een leugen-uitvlucht waarmede de onbekeerde mensch zich vleit en in slaap sust: o! op mijn sterfbed komt toch alles terecht; en dan er maar op los blijft zondigen! Dat is niets dan een paapsch geloof, alsof men door een meer of minder geestelijk laatste oliesel den hemel kon ingaan. Neen! de zaak moet vroeger uitgemaakt worden, opdat men niet ledig voor God verschijne I Wij willen geenzins ont-
9
kennen, dat God machtig is ook op het sterfbed iemand genade te schenken, maar doorgaans is er geen roepen tot Grod in de worsteling des doods meer aanwezig bij hen die God hier nooit aangeroepen hebben, maar het vergankelijke gezocht en ook verkregen hebben. Waarmede moeten wij dan eigenlijk voor God verschijnen? Ik heb gezegd dat de weg voor Ruth door den afgrond ging, dat zij hare schoonmoeder gehoorzaam is geweest en alzoo den woorde Gods; dat het de keus haars harten was: uw volk is mijn volk, uw God is mijn God. Zij heeft gezocht het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid, heeft zich niet geërgerd over Naomi's leed en armoede, maar de woorden dier arme moeder waren hare vreugde en lust. Zij heeft een Verlosser gezocht voor hare ziel, en is als de armste der dienstmaagden aan Diens voeten gezonken. Dat is de weg om niet ledig voor God te verschijnen. Waar geen ellende is, zoekt men ook geen verlossing, waar geen kennis van zonden is, is ook geen zoeken naar den Heere Jesus. Staat het recht met den mensch, dan leeft dat in hem: ik ben verloren, en hij zal rust noch vrede hebben, voor dat hij den Heiland heeft gevonden. En dan is de zaak nog niet zoo in eens klaar, hij is nog niet dadelijk waar hij wezen moet, namelijk geheel en al onder de heerschappij der genade, maar voor en na, voetje voor voetje, komt men er toe te zeggen; deze 6 maat gerste gaf Hij mij en Hij zal het verder voor mij maken.
Wat zijn dan deze zes maat, die men van Hem ontvangt en die men Hem te brengen heeft? Is het de gerechtigheid en heiligheid Christi? Ja ! en neen! want gewoonlijk zoekt de onbekeerde mensch zich van zulk eene levensvraag af te maken door te
10
zeggen: ja wel! ik sterf op het offer van Christus; natuurlijk vertrouw ik daarop als ik ga sterven, en dan blijft men onbekeerd, dient de wereld en do zonde, en ziet met een medelijdend schouderophalen op de ware heiligen dos Ileeren .Tcsus neder, op die armen en ellendigen wier keuze; uw volk is mijn volk, uw God is mijn God, eene besliste en van God gewenschte keus des harten is. Wie zóó spreekt en handelt, kan misschien beter vertrouwen, met den mond altijd, dan Gods arme kinderen, maar zulk een toevlucht is een toevlucht der lougenen, dat, wat Gods Woord noemt een âvoorzichtig verdrag met de hel.quot; Op deze wjjze dus neon! op deze wijze gebracht, is het niet het offer Ghristi waarmede men voor God moet verschijnen. ^Nergens vinden wij , dat do volkomeno gerechtigheid en heiligheid Christi den mensch zoo maar geschonken wordt; maar wel dat zij don mensch geschonken en toegerekend wordt, voor zoo verre wij zulk eene weldaad met een geloovig hart aannemen (Zondag 23). Waar dit zaligmakend, van God don heiligen Geest gewerkte geloof niet aanwezig is, daar is geen vertrouwen op Christi gerechtigheid, hoe men er ook over spreke. Daar zijn het niets dan sluitredenen van het verstand, maar men lag nooit met het pak zijner schulden en overtredingen voor Gods rechterstoel , en werd ook nooit in 't gerichte Gods vrijgesproken. Het is alzoo die éeno gerechtigheid en heiligheid Christi den yeloove toegerekend? Ja! en nogmaals ja! Het is dat eéne offer Jesu Christi dat voer God geldt, hot eenige, waarmede men in Zijn gericht verschijnen kan? Ja! en nogmaals ja! Maar nu vrage een ieder zichzelven af, of hij de gerechtigheid en heiligheid Christi niet alléén met
11
liet verstand heeft gestolen, en of bij hem het geestelijk leven wel met deze zijne belijdenis is verbonden. Want zoo waar als het is, dat in het tijdelijke , een ieder die nood en ellende kent, zich geen rust gunt, voordat hij waarachtig rust heeft gevonden, zoo waarachtig is het ook dat iedere ziel, wil zij niet bedrogen uitkomen voor de eeuwigheid , nood en ellende moet gekend hebben, en met deze nood en ellende tot den Ileerc Jesus moet zijn gekomen. Ja, door den Heiligen Geest gedreven , zal zij zich geen rust gunnen voor dat zij den eeuwigen Erbarmer heeft gevonden en door Hem is vrij gesproken in het gericht. Ja! daarvan moet zij do zekerheid hebben, en die verkrijgt zij onder de verkondiging des eeuwigen evangelies: waardoor de heilige Geest, even als door het gebruik der Sacramenten , het geloof in de armen en ellendigen werkt (lleidelb. Catechismus Zondag 25).
Wat zijn dus de 6 maat? Het aanvankelijke geestelijke leven, het leven uit God gewerkt in de wedergeboorte, dat leven is als een kindeke; het kan niet opwassen, noch sterk worden door menschelijke kracht en inspanning; maar het leven uit God bloeit in lijden, nood, angst, zorgen, strijd en onrust. Ach! wie leven uit God ontvangen heeft, weet het vaak zelf niet. Wat is dan toch dat leven uit God? Zijn het deugden die de monsch bezit? Neen! het is een op en neer gaan met den Heere, met den God Israels, die het leven der ziel is geworden, zonder wien men licht noch lucht heeft, het is in één woord alles, wat in de gemeenschap met Aan levenden Heiland gesmaakt en ondervonden wordt. Daar weet men hoe de Heere de ziel verkwikken en de wildernis veranderen kan in een hof van Eden (Je-
12
saja 35). Daar hoort en herkent men in de woorden : Gij zult niet ledig tot uwe schoonmoeder we-derkeeren, 's Heeren stem die zegt: Gij zult niet ledig voor Mijn aangezicht verschijnen.
Wat moet men dan den Heere brengen? Een verbroken en verbrijzeld hart zult Gij o Heere! niet verachten. Neemt dus God de Heere een verbrijzeld hart aan ? O! wie kan dat brengen, tenzjj de Heere zelf het hem eerst schenkt! God wil niets in onze hand zien om voor Hem te verschijnen dan Zijn Zoon, dien Hij ons uit vurige liefde schonk; en wie daarmede komt, en daarmede alleen, is Hem welgevallig, ook al moet die arme offeraar klagen, dat zijn hart van steen is. Ja! daarbij blijft het: de gerechtigheid en de heiligheid van dat ééne offer op Golgotha gebracht, is het waarmede men voor God kan bestaan.
Nochtans komt hij met ledige handen, die met dit ééne offer schijnt te komen en onbekeerd is; die meent God met eenige ijdele praatjes over dit offer, te kunnen bedriegenterwijl zijn hart onverbroken blijft. Dat is een ijdel geloof, een geloof dat al naar mate de wind waait of de tijdgeest vordert, wat zwaarder of lichter van gehalte is, het is ver-standsgeloof, maar geen geloof gewerkt door God den heiligen Geest!
Uitgegeven bij H. BÃSKES te ütkeoht, Haverstraat. Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. Buckmann , Jilberfeld. Prijs per Nummer 3 Cts. â Franco per post 4 Cts.
No. 17. 25 September 1886.
30 r- --â â
SCHRIFTVERKLARINGEN
VAN
Br. H. F. KOHIiBRtiOGE.
Verklaring van het boek Euth.
Cap. Ill vs. 16âIV vs. 1.
Wie echter waarachtig met het offer Christi komt, vindt niets iu zich dan doemwaardigheid en zonde, maar in zijn binnenste, al is het in zijne oogen ook nog zoo onrein en verkeerd, leeft de goede keuze: Uw volk; o Heere Jesus! is mijn volk. Uw God is mijn God! Daar is een hart, dat zich zeiven aanklaagt en God gelijk geeft. Een recht geplaatst hart is er, dat spreekt: (Ps. 115 vs. 1) ISiel ons, niet ons, uwen Naam alleen geef eer; een hart dat niets vuriger begeert, dan met God verzoend te zijn en verzoend te blijven.
Dit alles zijn echter geen vruchten van onzen akker, want het geheele leven is een leven in Christus, maar gewerkt in ons, en alleen adem scheppend in bet ware element: God den Heere zelf. O! wie die allerhoogste weldaad van God don Heere ontving, zoekt niet de gedachte aan Christi dood en gerechtigheid zich in te prenten door allerlei overleggingen en sluitredenen van het verstand, maar daar is
2
het alles leven. Dat is het, wat de Apostel bedoelt als hij zegt: In Hom zijt gij vplkomen, d. i. naar de maat der wet. Daar bestaat de waarachtige vereeni-ging met Christus. En dat geestelijk leven kan niet ledig noch onvruchtbaar zijn, want Hij is sterk op quot;Wiens dorschvloer wij ons bevinden, op Wiens veld wij aren gelezen hebben, aan Wiens voeten wij gezonken zijn! Hij is het, die ons 6 maat toewerpt, Hij leeft en zorgt, en roept ons toe: Gij zult niet ledig tot uwe schoonmoeder wederkeeren! En omdat er eene vereeniging is met Hem, die leeft, is er ook een gedurig roepen tot Hem, en eene volharding, die voor storm noch onweer wijkt. Als arme bedelaars leest men daar aren op, op het veld, en omdat Boaz, onze hemelsche Boaz, een weldadig man is, zal Hij geven en aan 't geven blijven. En het zal geschieden, dat Hij zeggen zal: lang den sluier, die op u is, en houd dien, en dan meet Hij u gewis 6 maten gersle toe, oheilbegeerige ziel! d. i. Hij brengt u tot dit zalige bewustzijn, tot die heilige zekerheid, dat gij durft spreken: Ik ben des Heeren. Ja! Hij brengt er u toé, door al de ervaringen Zijner genade en trouw, dat gij verzegeld wordt, om in hope te zeggen: Mijn Vriend is de mijne en ik de Zijne! Ik zeg echter : in hope! Dat alles verneemt Naomi en zij spreekt: Zit stille mijne dochter! O welk een heerlijk woord! Alles wat de ziel behoeft, elk door de wet geboden werk, de geheele hemel, het gezegende uiterlijk voorkomen, dat God beloofd heeft, het ligt alles in dit woordje besloten: wees stille! Ook dat men plotseling uit den bangsten kerker, uit den zwaar-sten nood in vrijheid wordt gesteld. Al zijn t)equot; loften voor mij nog niet vervuld, toch zal ik de
3
vervüllmg er vaa beleven, maar elke poging van mijne zijde, om God den Heere daarbij te helpen, zou de geheele zaak bederven. Alles wat wij in het werk stellen om de vervulling van Gods beloften te verhaasten, zou ons in 't ongeluk storten. Zit stille! wees stille, mijne dochter! dat is een heerlijk woord! Wij lezen Jesaia 30 vs. 15; Want alzoo zegl de 'e Heere, de Heilige Israels: door ivederkee-rmg en rust zoudl gijlieden behouden worden, en in slilheid en vertrouwen zou uwe sterkte zijn, 'doch gijlieden hebt niet gewild. âHeerequot; dat is âVerbondsgodquot;; Heere Heere is de God Zebaoth, die al es kan, wat Hij wil, en Wien alles ten dienste staat, Heere der heirscharen, die alles onder Zijne voeten verbrijzelt, wat den raad onzer zaligheid tegen staat. De âHeiligequot; is degene, die niet liegt, maar getrouw is^ en waarachtig, die het wel verstaat de duisternis te verdrijven, en die Zijn volk verlossen kan en zal van alle ongerechtigheden. Ja. als de âHeiligequot; openbaart Hij zich ouder een volk, dat met Hem worstelt in den nood, of ten minste worstelen moest. Maar, voegt de Heere er blJ' gijlieden hebt niet gewild. Door de geheele geschiedenis der kerk zoowel als der wereld is dit openbaar geworden: _ de raad des Heeren staat vast, ^ en wij stervelingen kunnen daaraan tittel noch jota veranderen, Hij doet al Zijn welbehagen, en op Zijnen tijd en op Zijne wijze helpt Hij Zijne ellendigen heerlijk. Alle pogingen van men-schelijk vernuft of kracht beduiden niets, en leiden tot niets, totdat Hij zich opmaakt, en het besluit neemt: Nu wil Ik mij opmaken,- nu wil Ik Mijnen beminde toonen wat II: doen zal. God de Heere begt: âGij hebt niet gewildquot;, en ik mocht daarop
antwoorden; och Heere! ik kon met wachten enik kon niet willen! Mijne ziel is angstig en benanwd in In ren nood! o hoe gaarne zoude ik de geheele zaak S eigen hand nemen, om den goeden afloop
éi srv,, :s,.3 Sf«:
doet hem aan 't gevaar bloot, te zinken en te verdonker Hoe stiller hij zich houdt, dos te meer zekerheid heeft hij boven te blijven of weder boven komen drijven. Maar o! wij menschenkmderen. In w. vnt?\/^e zihiquot; - ongeduld, en allerlei godde-looze poo-incen om bet kruis te ontvluchten, ons van de straf onler0 ongerechtigheid te ontslaan, en m een oogwenk te verkrijgen wat wij meenen in ons bezit ïe moeten hebben! God de Heere stoort zich echter niet aan al het dwaze gewoel der verdoolde stervelingen. Zelfs in geschillen en oneenigheden over het allerheiligst geloof brengt de mensch het zelden verder met al zijne ijverige pogingen, dan over zich zeiven en anderen de schromelijkste vei-vol-ing te verwekken. Nam men meer m het ve
boilene don toevlucht tot den Heere - gewis men zou0 ongedachte en ongehoopte wonderen beleven maar die weg dunkt ons, in onzen hoogmoed, veel te eenvoudig. Geloof des Heeren Woord: Zijne belofte zal vervuld worden; laat dat gerust aan Hem over aan Hem, het eeuwige, vleesch geworden Woor , gij vermoogt niets, de Heere alles ! Wat gij doen wilt is verloren arbeid! Hoe stiller men zich houdt en hoe meer men tot Hem den toevlucht neemt met
5
alles, des te beter gaat het. De gelieele hel is er op uit, Gods kinderen te bewegen, van dit goede standpunt af te wijken. Hij zal hel doen, Hij heeft hel gedaan, Hij alleen. Zit stille mijne dochter! blaffende honden bijten niet, en zij die het hoogste woord voeren, brengen gewoonlijk het minste tot stand.
Als wij stillekens blijven bij het Woord, en volharden in quot;de hope op den Heere, ook, als alles schijnt ineen te zinken, zullen wij het zien en beleven: Gods raad bestaat. O als wij, door 's Heeren Geest geleerd, in onzen nood ons alleenlijk houden aan Zijn kruis, aan Zijne opstanding, dan vermogen alle vijanden niets tegen ons. O! dat woord van stille zijn en vertrouwen op den levenden God is voorwaar een lieflijk woord, maar ofschoon men het vaak gelezen of gehoord heeft, heeft men het toch nooit recht gelezen, noch gehoord. Waar God beloofd heeft ons den weg te banen, daar wil de mensch in zijne dwaasheid zich veel liever dood moede arbeiden, dan Hem de zaak in handen stellen. O wat wordt men daar moede en mat! Niets schijnt te gebeuren van wat God gezegd heeft! Ach Heere! klinkt het daar in 't harte, hoe lange! hoe lange! ik wacht op U, meer dan de wachters op den morgen, maar de morgen blijft uit. Daar komt het liefeljjke Woord en daalt in 't hart, men weet zelf niet hoe. â Zoo komt het tot een vasthouden aan dat Woord, ja! tot een waarachtig feest der opstanding, tot waarachtige hoop op den levenden God, en men begrijpt het woord: Want deze Man zal niet rusten tot Hij heden dit alles zal voleind hebben. Vs 18.
Is het dan nog geen uitgemaakte zaak? Wat het beschrevene recht, wat het recht, dat in Israël gold, betreft, was de zaak nog niet beslist, maar wat de 17.
6
gezindheid van den man Boaz betrof, was de zaak reeds lang uitgemaakt. Naomi dacht bij zichzelve; deze Boaz is de ware Losser, en, al had ik ook honderd bloedverwanten, die ons nader waren dan hij, niemand is zóó gezind als hij: dus ben ik in mijn hart ten volle verzekerd; die zaak loopt goed af! Ging het Boaz om iets anders dan om de eere Gods, ja dan ware het eene andere zaak. Maar nu kan ik alles rustig aan hem overlaten. Die andere bloedverwant lost wel mijn erfdeel, maar Ruth, mijne arme Ruth, versmaadt hij; dien is het om geld te doen, Boaz om der ziele zaligheid, en daarom zal Boaz ook niet rusten, totdat hij deze zaak hebbe voleindigd.
En waar is het dan den waren Boaz om te doen? Om ons in Adam verloren erfgoed ? O neen: Hij is zoo rijk, dat Hij hemel en aarde uit niet heeft geschapen. Is het Hem om werken te doen, die wij tot stand moeten brengen door onze kracht? Ach! alle waarachtig goede werken dalen van Hem af. Hij heeft ze alle in Zijne hand, en wij kunnen niet één goed werk doen, dat Hij niet voor ons verdiend, onuitgewerkt, en waar Hij ons niet ingezet heeft, (Efeze 2 vs. 10), zooals ook in Art 24 onzer Nederl. Geloofsbelijdenis zoo schoon uitgedrukt wordt; wij zijn in God gehouden, voor de goede werken die wij doen en niel Hij in ons, aangezien Hij het is, die in ons werkt, beide het willen en het volbrengen, naar Zijn welbehagen. Alzoo, de waarachtig goede werken zijn een geschenk uit 's Heeren hand, eene vrucht van Zijn lijden en sterven. Hij wil al ons verloren goed, ons in Adam verloren erfdeel lossen, en alles voor ons in orde brengen: hierbij kan echter niets gelden dan de allerhoogste wil van den Souvereinen God, en die luidt aldus: Hij is een
7
Rechter der weduwen en Yader der weezen, een God der ellendigen, een verlosser van verloreuen. Als zoodanig kende Boaz Hem, en nog beter heeft Hem als zoodanig de ware Boaz gekend, en heeft van Hem gepredikt en van Hem getuigd: en de rechte, de hemelsche Boaz heeft ook dezen, allerhoogsten, god-delijken wil volkomen volbracht. Ja Hij is gekomen, om een Vader der weezen, een Rechter der weduwen te zijn: een God der armen, een verlosser der noodlijdenden, ja om voor al de Zijnen te zijn een volkomen Borg en Middelaar, de eeuwige en eenige Advokaat en Pleitbezorger. Dezen grooten Heiland en Verlosser is het evenals Boaz om den wille Gods te doen. Ja! dan was Boaz in zijn element, wanneer hij anderen kon gelukkig maken en verblijden, en zóó is ook de Heere Jesus, want het is des Vaders welbehagen, hen die onder den last des rechtvaardigen toorns Gods tegen de zonde eeuwiglijk hadden moeten verzinken, gelukkig en zalig te maken, met zich te vereenigen, opdat zij de volheid van alles, namelijk Hem, de bron van alle zaligheid, zouden hebben, en zoo de volle zeven maat bezitten. En zóó blijft het waar en eeuwig waar, dat Christus niet zal rusten, tot dat Hij heden die zaak hebbe voleind, zooals ook Paulus betuigt: Hij, die in u een goed werk begonnen heeft, zal het ook voleinden tol op dag Jesu Chris li! (Filip. 1, 6).
Cap. 4.
Ofschoon Ruth volwassen en ook mondig was, daar zij reeds getrouwd was geweest, had zij toch tot hare schoonmoeder gezegd: Alles wat gij tot mij spreekt, zal ik ook doen. Zij had hierop geene uitzonderingen gemaakt, zij had gehoorzaamheid beloofd,
8
zonder zulke voorwaarden te stellen, waardoor zij toch eigenlijk haar eigen wil kon doorzetten, maar, ontdekt aan hare eigene ellende, stelde zij haar geheele lot, hare geheele toekomst in de handen van Naomi. Ruth heeft niet gehandeld, zooals velen, die den ouderen onderdanig zijn zoolang er niets voorvalt, dat tegen hunnen eigenen wil aandruischt: Ruth had voor zichzelve geen wil, noch wenschen. Zij sprak niet: ja! ja! ik. wil gehoorzamen, opdat ik toch mijn zin krijge, maar ze heeft gezien op hare ellende, op Gods quot;Woord, gebod en belofte. Zij heeft zich in alles gedragen naar den wil der moeder.
Het blijft daarbij, mijne hoorders! wat wij reeds vroeger besproken hebben; alles staat vast in het quot;Woord, waarin eens hemel en aarde zijn geschapen. Blijft gij maar in het quot;Woord, dan gaat alles goed, maar valt gij van dit quot;Woord af, ook al wilt gij het Woord nog hebben, om u zoo wat op te sieren en op te knappen en uwe ongerechtigheden te bedekken, zoo gaat gij ten verderve. \Vat de Moeder bevolen had: Zit stille, mijne dochter! dat is goed uitgekomen.
Daar zaten nu Ruth en Naomi te zamen, en konden niet weten wat er in de stad geschiedde: en zeker was Naomi volhardende gebleven in gebeden en smeekingen tot den Almachtigen God, die alles in Zijne hand, macht, en geweld heeft. Nog rijst er vaak in hare ziel eene bange twijfeling op, of dan nu waarlijk een eind is gekomen aan al haar nood!
Dat weet zij. God is almachtig en Boaz is zijn getrouwe knecht en zal deze zaak ook getrouwelijk voleindigen. En zoo is het ook in 't geestelijk leven.
9
Christus is opgevaren in Zijne hemelstad, maar wat begrijpt Zijne gemeente daarvan, als nood en dood aanwezig is, tenzij Hij zelf het haar wil openbaren ? Maar terwijl zij zoo angstig en bekommerd terneder zit, is Hij, haar hemelsche Bruidegom, haar ten goede, werkzaam; terwijl zij vol angst naar Hem uitziet, is Hij bezig het haar te doen ervaren, dat Hij een Vader der weezen een Rechter der weduwen is, een Redder uit den nood van alle hulpeloozen! Hij heeft in de dagen Zijns vleesches onze geheele ellende van nabij gezien en ervaren, en daarom is Hij ook zoo barmhartig, en weet voor een armen mensch, die niets voor de wet en naar de wet klaar kan krijgen, alles terecht te brengen, volgens den eisch dierzelfde wet. Ja! onze Heiland weet wat armoede is. Hij weet ook dat Zijne armen en ellendigen te arm zijn, om te vervullen, wat de wet Gods van hen eischt, hoe gaarne zij ook zouden wrillen.
Door zulk eene liefde tot nooddruftigen bezield, gaat Boaz op in de poorte des gerichts, en met nog veel vuriger liefde tot de Zijnen is Christus opgevaren ten hemel, en gezeten ter rechterhand Gods, ook om zoo te zeggen in de poorte des gerichts. Die poort was in Boaz tijd als 't ware de rechtbank of het stadhuis. Alles wat geschiedde, en beraadslaagd werd tot heil der stad, werd in de poort des gerichts besloten: daar was het ook, dat gekocht en verkocht werd, en waar alle koop en verkoopsakten voor getuigen werden vastgesteld: daar werd de rechtvaardige vrijgesproken, en de godde-loozc veroordeeld, daar werd afgekeurd, wat af te keuren was, en geprezen, wat lof verdiende.
In tegenwoordigheid van getuigen, ja! van het gansche volk, werd alles vastgesteld, wat voor jaren
10
lang, om zoo te spreken voor eeuwige dagen, kracht van wet zoude hebben! Nu! zulk eene poort is er nog in den hemel, en dezelfde poort is er nog op aarde. Waar het de rechlvaardiging en heiliging van eenen armen zondaar geldt, zijn hemel en aarde één geworden: het woord des levens, de prediking van vrije genade, klinkt in de gemeente, en daardoor wordt alles omgekeerd, worden de gedachten uit veler harten openbaar, en spreekt de hemelsche Boaz zelf het vonnis uit, hetzij ten doode, hetzij ten leven.
âZiet, daar ging de losser voorbij.quot; Wie is die losser, tot wien Boaz spreekt: Wijk herwaarts! zet u hier, gij zulk een!? Zal die losser zich nederzetten? De andere losser, dien ook wij te woord hebben te staan, is de wet. Door de wet zoude alles weer in orde en terecht kunnen worden gebracht, indien de wet het verlorene voor hare rekening kon nemen om het te verlossen. In dien zin is de wet onze naaste losser.
In Adam hebben wij ons geheele heil, onze ge-heele zaligheid te gronde gericht, en zoo alle geschiktheid voor de vervulling der wet verloren. Maar daar zulks geschied is, niet alleen op inblazing des duivels, maar bovendien door moedwillige ongehoorzaamheid, kan de wet bij haren heiligen eisch niet vragen naar onzen ellendigen en verloren toestand. Volgens Romeinen VII vs. 4 zijn wij der wet gedood door het lichaam Christi, ja zijn wij geestelijk dooden om en om. Maar nog eens, de wet kan, als zij hare heilige geboden uitspreekt, er niet naar vragen, of bij ons de macht en de kracht is, om die te vervullen; zij moet op haren eisch blijven staan, zonder een tittel noch jota daarvan
11
prijs te geven, al zijn wij nog zoo arm en ellendig, ja al is er bij ons, door onze eigene schuld, niets meer aanwezig dan dood en onmacht.
Nochtans! voor Gods heilige wet moet de zaak in orde komen. Indien het, waar het de zaligheid der ziel geldt, de vraag was om uiterlijke werken, dan zoude de wet voorzeker onze losser kunnen zijn. Wij zijn geschapen naar het beeld en naar de geljjkenis Gods, en waren in het Paradijs in het bezit van allen zegen en overvloed. Nu hebben wij, door onze moedwillige ongehoorzaamheid, alles verdorven en verloren, maar daar kan de wet niet naar vragen. De wet is de eerste, de naaste , die aanspraak op ons heeft, en hadden wij ons zeiven niet totaal van alle volmaaktheden en gaven beroofd, wij zouden inderdaad bij en door de wet kunnen leven. Geeft goed acht, mijne Geliefden! Alles wat de wet eischt, kan men wel schijnbaar door de wet verkrijgen, b. v. een hart, dat week schijnt te zijn; allerlei uiterlijke boetedoeningen, allerlei uiterlijk voortreffelijke werken, waarvoor gij, in zoo verre ze niet opzettelijk gehuicheld zijn, ook loon zult ontvangen. (Rom. 2 vs. 10). Er is geen groo-ter wijsheid, ook voor den onbekeerden, ongeloovi-gen menscli, dan zijnen uiterlijken levenswandel, naar Gods geboden in te richten, maar: â daar volgt een âmaarquot; â bij al dat voortreffelijke, bij al die pogingen blijft de mensch, het hart der menschen, onveranderd, onwedergeboren.
De mensch wordt door de wet wel versierd, en voor dit leven gelukkig gemaakt, maar als wij sterven, moeten wij naakt in onze doodkist. Die gerechtigheid, welke in alle stukken der wet Gods gelijkvormig is, kan een kind Adams toch nooil klaar krijgen,
12
en hoe oprechter en vuriger zijn ijver is om door de wet Gode aangenaam te worden, des te meer zal het arme menschenkind ervaren, dat hij in Adam veel te diep is gevallen om ooit langs dien weg voor God te bestaan. Maar alleen waar de Heilige Geest in de raderen is, komt men tot deze zaligmakende erkentenis, dat men niets heeft en niets kan, en dood is in zonden en misdaden. Hoe benauwd die ervaring ook zij, daar en daar alleen zal de zon der gerechtigheid opgaan, onder wier vleugelen genezing is, genezing voor altoos. Maar hoe gaat het gewoonlijk in zoogenaamde godsdienstige kringen ? In één oogenblik weet men zich zei ven uit de ellende te helpen, omdat men daar wel over heeft gepraat, maar er nooit iets van heeft gevoeld.
Dan springt men met een koen besluit, waaraan de Heilige Geest hoogstens een handje helpen mag, in het volle Evangelie over, en dan gelooft men, zooals men zegt, in éénen adem door, weet van geen strijd, noch aanvechting meer, kan altoos zingen en roemen; maar ach! hoe jammerlijk zal die arme mensch met zulke inbeeldingen des harten zich bedrogen zien in 't laatste uurtje !
Drukfouten voorkomende in N0. 16,-
Pag. 6 reg. 1. van boven staat: âvanquot; lees: âvoorquot;
â 6 â 2. â » u âlichtquot; â âligt ^
â 10 â 8. â â » âgewenscUe â âgewerkte
12 â 11. , â â âZoon, dienquot; â âLam, dat
lie gÃ
Uitgegeven bij H. BUSKES te Utrecht, Haverstraat. Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BÃCKMANN , Elberfeld. Prijs per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Cis.
9 October 1886.
SCHRIFTVERKLARINGEN
VAN
Dr. U. F. KOHXBRtJG GE.
Verklaring van het boek Eulh.
Cap. IV vs. 1â5.
Hoe stond het echter met Naomi? Zij had haren akker , haar geheele erfdeel verloren, en Ruth was doodarm. Welnu! neemt de nadere losser hen aan, dan zullen ze van de vrucht van dien wederverkre-gen akker kunnen leven hier op aarde. Waarom ook niet? Voorzeker, men kan schijnbaar allerlei schoone vruchten vertoonen, en bij de menschen voor een voorbeeld van heiligheid gelden. En toch zijn het alles niets dan doode werken, zoolang men niet met den levenden Christus verbonden is, en de dood steekt er in, al weet men ook, vaak beter dan de ware Christenen, over troost in treurigheid, over vrede te midden van onvrede te spreken, ja al staat men opgericht daar, en weet God te danken, dat men niet is gelijk dien moordenaar, dien echtbreker, dien tollenaar daar ginds. O, dan vlecht men zichzelven eene blinkende halsketen van allerlei beloften, en zingt zich met een schoon lied in slaap: âRust zacht, lieve ziel! gij zult eens zalig ontslapen, en dan komt gij zonder twijfel in den hemel!quot; Ach! waarom
No. 18.
2
blijven de meesten, bij alles wat zij over dit schoone boek van Ruth vernemen, in de zichtbare dingen hangen? Waarom prediken wij echter over alle deze zaken ? Immers alléén, opdat gij in uwen diepen geestelijken nood en ellende met den levenden quot;Christus, met den hemelschen Boaz zoudt verbonden worden, en Hem leeren volgen door bezaaide en onbezaaide landen. Ja! daarom wordt u dit alles gepredikt, opdat het u eeuwig en ook tijdelijk welga, opdat het niet eerst zij een opvliegen als op arendsvleugelen , en daarna een jammerlijk hinken, maar opdat er eene waarachtige verbrijzeling bij ulieden zij, opdat gij in waarheid als weduwen u eenzaam en verlaten zoudt gevoelen. Ja! zóó wordt men voor God een arm kindeke, dat in oprechtheid uitroept: âIk heb alles, ja alles verloren.quot; Ja! daarom wordt u dit alles medegedeeld, opdat gij niet op uwe zonden zoudt blijven zitten, en niet door eenig ander middel, dan alleen door Christus zoekt behouden te worden.
Ik herhaal het u, dat de wet des menschen eerste en naaste losser is; ik bedoel daarmede, dat hoewel wij in Adam alle kracht tot vervulling der wet hebben verloren, de heilige wet Gods, nochtans, het sterkste en volkomenste recht heeft. Waar in waarheid, dus door den Heiligen Geest, kennis is gekomen van zonde, schuld en ellende, daar is ook waarachtig berouw over de zonde aanwezig, geen berouw, omdat men door zijne zonde tot schade en schande is gekomen, maar berouw over de zonde als zonde, en daar is ook van het allereerste oogenblik af aan strijd, en strijd op leven en dood, voor des Heeren aangezicht, niet om van de straf der zonde, maar van de zonde zelve los te komen. Deze strijd geschiedt echter dikwijls zonder dat men de wet Gods,
3
dien allernaasten en allereersten losser, recht kent. Ja! Daar wordt men door den moederlijken raad en de kracht des Heiligen Geestes gedreven te doen wat die Moeder, wat God in Zijn allerheiligst en door Zijnen Geest ingegeven quot;Woord zegt. Daar spoedt men zich op 't veld, de maaiers achterna; en daar begint het geklag en het geween: Heere Jesus! Gij Zone Davids! erbarm U mijner, Gij alleen kunt helpen.
Maar wie eigenlijk die Heere Jesus, die Zone Davids is, weet men nog niet, men heeft Hem nog niet gevonden, die het eeuwige leven is. Juist den-zulken roep ik toe: blijft toch nog eens goed stilstaan bij Boaz' woord; âEr is nog een losser, nader dan ikquot;, en beschouw eens wat die andere losser doet,
Hoe komt het toch, dat het geestelijk leven zich zoo schaars openbaart in 'smenschen doen en laten? Hoe komt het, dat zoovelen geloovig willen zijn, en voor geloovigen willen gelden, en toch tot over de ooren in de wereld blijven zitten? Hoe komt het, dat men God, de eeuwige zaligheid en Zijn allerheiligst Woord, als eene bijzaak beschouwt, en de ziel eigenlijk alleen najaagt en behagen schept in de vergankelijke dingen dezer wereld? Hoe komt het, dat een schijnbaar godsdienstig mensch zijn eigen hoofd volgt, zijn eigen zin en wil doorzet, en zoo weinig bewijzen geeft, dat er leven, waarachtig geestelijk leven in hem is ? Dat men wel schuld belijdt, en over zijne zonden klaagt, maar toch voortgaat de wereld aanstoot te geven door zijn verkeerd gedrag, en duidelijk toont in dit verkeerde doen meer behagen te scheppen dan in 's Heeren Woord en Wet? Dat komt daar vandaan, dat men nog nooit bedacht heeft dat er een losser is, die ons nog nader is dan de Hemeische Boaz, en dat diens eischen,
4
hoewel wij er geen tittel, noch jota van kunnen volbrengen zooals ze volbracht moeten worden, nochtans voor ons blijven gelden.
Het is zoo heilzaam voor u, o mensch! dat gij eerst zelf uwen weg goed zoekt te maken voor 's Heeren aangezicht, vóórdat gij van Christus begint te roemen. Versta mij echter wel, ik bedoel niet dat gij steeds er op uit moet zijn om anderen te bespieden en waar te nemen, en uwen naaste te beschuldigen, dat hij de wet niet hoog genoeg in eere houdt! Neen! anderen van wetteloosheid te verdenken, kan u niets baten, en hen, die door de wet der wet gestorven zijn en nu Christo leven, en zoo Gode vrucht dragen, (iets dat gij nog niet kent), van wetteloosheid te beschuldigen, zou uw oordeel nog zwaarder maken. Neen! gij! gijzelf hebt den strijd aan te binden met uwe zonden en booze lusten. Span al uwe krachten in, ja strijd tot op den bloede, om van uwe zonden af te komen, dan zullen wij eens nader te zamen spreken. quot;Waar eigenliefde en wereldliefde is, wat heeft men daar anders dan hoogmoed en inbeeldingen des harten? Van tweeën een : dien dan liever de afgoden geheel, dan geldt ge voor niets dan' een wereldling, en Gods Naam zal om uwentwil niet langer gelasterd worden, want nu is uw geloof een ijdel geloof, en u ontbreekt dat allereerste beginsel des geestelijken levens: vreeze des Heeren, en de vaste overtuiging: er is een losser, nader dan Boaz, nader dan Christus, en die blijft zijn volle recht op mij en op alles wat ik doe en laat, behouden.
Dat is het, mijne Geliefden, wat mij op het harte ligt u in te prenten, opdat gij niet bedrogen uitkomt en ik rein zij van uw bloed! Gods wet is
5
heilig, en verdoemt elke zonde, en wee! driewerf wee! hem of haar die meent dat men met de zonde spelen kan. Wee dengenen die zich mot het Evangelie zalven, van genade roemen, en toch met hunne naaste betrekkingen als hond en kat leven kunnen! Wee dengenen, die denken zich met de genade wat te kunnen opknappen, en tegelijkertijd de wereld dienen, en hunne verkeerde lusten inwilligen. Neen! er moet een hart zijn, verbroken en verbrijzeld door het pak der zonden, zoodat het den mensch waarachtig daarom te doen is, in overeenstemming te zijn met Gods gebod en wet, het kostte wat het wil!
Zoo staat het met alle oprechte kinderen Gods, die haasten zich om huns levens wil Sodom te ontvlieden en in Zoar geborgen te zijn, die laten zich met geen evangelisch liedje in slaap zingen, maar die voelen tot in merg en been: God is rechtvaardig als Hij over de zonde toornt, en die gestreng bestraft: O! er wordt zooveel gehuicheld en gelogen met dat: âik kan nietquot;; in den mond der oprechten is het een jammerkreet! in den mond der halve wereldlingen en onbekeerden louter huichelarij.
Wat tot het waarachtig belijden van 's Heeren Naam zal komen, moet door den strijd henen, maar het heeft er Eén bij zich die wat vermag, en dan zal de waarachtige heiligheid ook niet ontbreken. Mot éénen ruk, met eénen sprong komt men van de verkeerdheid niet af, tenzij hot een sprong ware in den afgrond van Gods erbarming, in de zee dor goddelijke genade: Heere Jesus, ik heb het overal gezocht, ik kan niet meer!
Dat is een kenteeken des waarachtigen levens: dat men den catechismus van buiten kent, en teksten zonder tal, en zichzelven daar toch niet mede troos-18
6
ten en helpen kan. En dat verwekt dan een hangen strijd, men zoekt het goed te maken, slooft zich af, worstelt, bidt, strijdt tegen de zonde, de zonden en wroegingen doorsnijden het hart, men wordt geheel verbrijzeld voor God, de oogen zijn rood geweend voor God, en toch voelt men zich harder dan steen. Het hart is als een harde steenrots, geen zucht wil er uit; en terwijl men klaagt dat men zoo dood is, is er een luid geween den Heere Jesus achterna. Maar dat alles helpt niet, en het is maar gedurig:
Ik zink in 't eeuwige verderf:
U moet ik hebben, of ik sterf!
Waarom, o gij, die zoo spreekt, wilt gij den Heere hebben? Om van uwe armoede af te zijn? Om alles weer te hebben wat gij in Adam hebt verloren ? Neen! opdat mijne arme ziel geborgen zij in Zijne eeuwige barmhartigheid. Duivel en dood zitten mij op de hielen; de hemel daarboven is als van koper en de hel dreigt mij te verslinden! Welnu, ziele! op dezen uwen geheelen zielestrijd is niets af te dingen, gjj dorst naar God,, en hebt een heiligen lust aan Zijne geboden, naar den inwendigen mensch, gij offert vrijwillig alles op om in waarheid zoo te zijn als gij volgens de wet zijn moet. Maar eene zaak leg ik u voor.
Al gelukte het u langs dezen weg uw in Adam verloren erfgoed weder te verkrijgen, gij zoudt er toch niets meer aan hebben, want gij zjjt ongeschikt geworden het te genieten. En zoo Jesus niet de mijne is, kan ik het in den hemel niet uithouden.
En om den hemel zeiven is het mij ook niet te doen, al is het er nog zoo heerlijk. Ik moet Zijn
hart bezitten en Hij het mijne, slechts hand in hand met Hem ben ik geborgen. Wat helpen mij alle werken der wet? De wet eischt dezelve en heeft het volste recht ze te eischen, de Geest Gods getuigt met mijnen geest dat ik in oprechtheid God zoek te behagen, maar ikzelf ben daardoor niet veranderd, niet vernieuwd, niet wedergeboren uit water en geest! Al had ik de grootste geloofsdaden verricht: al konde ik mot Elia zóó bidden, dat de hemel zich op mijn gebed sloot, of milden regen liet regenen, of ik duivelen konde uitwerpen, wat zou mij dat alles nog baten tegen het uurtje des doods? Maar, dat mijn naam opgeschreven is in de hemelen, daarboven in de poorten des gerichts, dat het daarboven weerklinkt: God Jakobs! Gij zijt do mijne, en dat de Heere zegt, gij zijt de Mjjne, dat is het wat alleen gelukkig en zalig maakt. Dan kan ik alle de heerlijkheden van deze wereld wegwerpen en versmaden, alle uiterlijke heerlijkheid verdoemen en haten, omdat de ziel daar zoo licht in verstikt wordt, en ik op die wijze ongelukkig, ja diep rampzalig zou zijn. Als ik niet hand en hart aan den Heere heb gegeven, of liever, als Hijzelf ze niet genomen heeft, wat baten mij dan rijkdom en eer, wat baten mij man, vrouw of kind ? Eene vrouw kan haren man, een man zijne vrouw, het ware, eenige geluk niet schenken, ouders kunnen hunne kinderen, kinderen hunne ouders niet zaligmaken. En opdat gij begrijpen zoudt, dat Christus alleen uw heil is voor tijd en eeuwigheid, opdat ge begrijpen zoudt dat gij buiten Hem verloren zijt, daarom leg ik u het boek Ruth uit. Het andere volgt dan alles als vanzelf, zooals de Heere gezegd heeft: Zoekt eerst het Koninkrijk Gods
8
en zijne gerechtigheid en alle deze dingen zullen u toegeworpen worden.
âAlle deze dingenquot; op die wijze als de Heere wil. Heeft men aan Hem genoeg? De duivel komt in den hemel en klaagt de Jozua's aan, en in de helle komt de Heere en neemt mij, arm verkoold stuk hout! met Zich mee. (Zach. 3.)
Waar ik ben, is mij om 't even, als de Heere maar mijn God is, en ik Zijn kind ben! Met Hem, met mijnen Christus is de hel geen hel meer, en zonder Hem is de hemel geen hemel. Dat is nu de geestelijke beteekenis van het vierde Capittel van Ruth. Daarin legt de Heere Jesus der wet de vraag voor: wilt gij de arme Ruth, de Moabietische, lossen of niet!
Vs. 2. En hij nam tien mannen van de oudsten der stad, en zeide: Zet u hier; en zij zetten zich.
In den mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan; hier zijn er tien aanwezig, want het moest voor het geheele volk plechtig betuigd worden, dat alles geschiedde overeenkomstig Gods heilige tien geboden. Boaz toont hierdoor, dat de Hemelsche Boaz boven de tien geboden staat, en ze toch voor het oog van hemel en aarde eert en bevestigt.
Vs. 3 en 4. Toen zeide hij tot dien losser: het stuk lands, dat van onzen broeder Elimélech was, heeft Naomi, die uit der Moabieten land is iveder-gekomen, verkocht; En ik heb yezeyd: Ik zal het voor uiv oor openbaren, zeggende : aanvaard het in tegenwoordigheid der inwoners, en in tegenwoordigheid der oudsten mijns volks, zoo gij het zult lossen, los het; en zoo men het ook niet zou lossen, verklaar het mij, dat ik het wete: want
er is niemand, behalve gij, die het losse en ik na u. Toen zeide hij-. Ik zal het lossen.
âIk wil het lossenquot;, sprak de nadere losser.
Vs. 5. Maar Boaz zeide: ten dage als gij het land aanvaardt van de hand van Naomi, zult gij hel ook aanvaarden van Rtith, de Moabielische, de huisvrouw des verslorvenen, om de naam des verstorvenen te verwekken over zijn erfdeel.
Als gij den akker ne^mt moet gij Euth zelve echter ook tot u nemen.
Op welke wijze laat de Heere waarachtige vruchten der heiligheid ontspruiten? Van boven, door Zijnen Heiligen Geest. Nog eens: op welke wijze laat God de Heere waarachtige vruchten der heiligheid ontspruiten? Van boven door den Heiligen Geest, niet waar? en niet door onze kracht, ook al zijt gij een geloovige! Ja gewis! van boven door den Heiligen Geest, maar nochtans zóó, dat die niet buiten het uitverkoren vat om ontstaan, maar in en door hetzelve. Ruth was eene arme, verlatene weduwvrouw, tot nu toe onvruchtbaar, tenminste zij bezat geen kind uit haar eerste huwelijk; en toch uit die Moa-bietische, uit dit heidenkind, dat van den waren Is-raëlitischen godsdienst nauwelijks iets afwist, zoude de ware vrucht, Christus, voortkomen, zij was bestemd eene schakel te zijn in de keten Zijner mensch-wording: ja! uit deze verworpene, doodarme weduwvrouw, uit deze âOMyrwc/i^arequot; (Jesaja 54 vs. 1) uit dit heidenkind zou voortkomen het heil der wereld!
Spreekt de Heere niet: (Hosea 14 vs. 9c,) âUwe vrucht is uit Mij bevondenquot;? Voorzeker! maar om dit woord recht te verstaan moeten wij er Ps. 72 mede vergelijken, waar geschreven staat: dat men Hem de schatten van Scheba brengen zal: 01 dat is zulk een'
10
rijke bruidegom, over wien die Psalm spreekt, en, waar Hij de mijne is en ik de Zijne, daar behoef ik niet meer over mijne armoede en ellende te tobben, en wat ik in mijn hart ook voor ongerechtigheden zie, met dezen rijken bruidegom ben ik rijk genoeg. Hij zal mij aan de ongerechtigheden niet prijsgeven, en de genade zal in mij heerschappij voeren en niet de zonde. Nog eens: het komt van boven,' door Zijnen Heiligen Geest, maar zeer bestemd in mij, en door mij henen.
Maar ik, ach, ik ben onvruchtbaar, een heidenkind , eene arme en verlatene! Op alle deze tegen-werpingen geeft het Evangelie dit alles afdoend antwoord: Waarlijk! Hij heeft ome krankheden op Zich genomen en onze smarten heeft Hij gedragen. (Jesaia 53 vs. 4a).
Het gaat er nu maar om, of wij vereenigd en verbonden zijn met den hemelschen Boaz. Die is rijk genoeg, om in onze armoede te voorzien. Hij is om zoo te spreken, een heidenkind geworden om onzentwille, toen Hij Zich, evenals alle heidenkinderen liet doopen in den Jordaan. Ja! Hij, ofschoon i de leeuw uit Juda's stam, is een heidenkind gelijk willen worden, opdat wij, arme heidenkinderen, in Zijn geestelijk Israël zouden opgenomen worden, en er tot ons zou kunnen gezegd worden: Vrede zal over Israël zijn. (Ps. 128 vs. 66). Schijnbaar kan men veel goede en voortreffelijke werken hebben en bezitten, maar het is hier de vraag, of zij deugen in 's Hee-ren oogen. Het ging hier om eenen akker en om eene persoon. Al geldt gij voor nog zoo eerlijk, braaf en rechtvaardig voor de menschen, denkt gij dat gij voor 's Heeren oog zult kunnen bestaan, dat Hij u zal willen kennen, zoo gij geen arme Euth,
11
geen Moabietische, geen heidenkind zijt in 't verborgene voor Zijn aangezicht? Voor den Heere Jesus is niemand geestelijk gezond, Die wil alleen weten van dezulken, die zonder Hem geen raad weten, die het zonder Hem niet kunnen uithouden. Zij, die meenen de goede werken te bezitten, en daar veel mee op hebben, ofschoon deze het licht van de Zon der Gerechtigheid niet kunnen verdragen, zij, die van zichzelven zeggen, dat zij Joden zijn, maar liegen , en Gods arme Zion, dat hier in druk moet versmachten, met allerlei lasteringen overstelpen, gelden niets bij Hem, want bij hen kan Hij niet met genade, met barmhartigheid komen, en zoo zijnen Vader verheerlijken! En of er al veel menschen zijn, die over hunne zonden klagen, en er met veel woorden altoos over spreken, toch kent Hij ze niet, zoo ze niet tevens den Heere na weenen en Hem smeeken Zich over hen te erbarmen. Niet alle blinden, me-laatschen, kranken heeft Hij zoo maar zonder onderscheid geholpen, maar waar geroepen werd: Heere Jesus! Gij Zone Davids, ontferm U mijner; waar Hij wist, dat het van harte ging, omdat Hij Zelf die bede in 't hart-gelegd had! De wet eischt werken, werken zonder eenig gebrek of feil, maar kan zich met armen en ellendigen niet inlaten. Om door de wet gerechtvaardigd te zijn, zoude men niet alleen nooit meer moeten zondigen, maar nooit eene eenige gedachte tegen eenig gebod Gods hebben mogen koesteren, en men zou van geboorte een reine Israeliet, maar geen in zonde en dood geboren kind Adams moeten zijn. Neen! de wet kan er zich niet mede bezig houden geestelijk doodgeborenen weer levend te maken, en hun naam voor ondergang te bewaren. De wet zoude de werken van dezulken kunnen aan-
12
nemen, indien ze namelijk in staat waren iets voort te brengen, dat goed en rein ware, en naar den eisch der wet; maar de wet Gods kan zich niet over den zondaar ontfermen, kan geene barmhartigheden uitoefenen. Doe alzoo wat gij wilt, heb zooveel voortreffelijks, dat gij boven iedereen uitmunt, voor den Heere hebt ge toch niets en zijt ge niets. Dat is nu juist, wat niemand weten wil: men zegt wel, ik ben zóó goddeloos, ik ben zóó slecht! maar veelal is het lippenwerk, en men spreekt zóó, omdat men meent dat het zóó behoort; maar er zijn er in waarheid veel meer, die zich voor vroom, dan die zich voor goddeloos houden, veel meer, die zich voor gered, dan die zich voor verloren aanzien, veel meer, die slapen, of zich in allerlei nuttelooze werken, die God hun niet geboden heeft, verdiepen, dan die in vreeze en beven hunnen weg bewandelen vanwege hunne eeuwige behoudenis.
Bij den uitgever dezes zijn mede verkrijgbaar:
PORTRETTEN
van wijlen Dr. KOHLBRÃGGE.
Groot formaat .... a / 1,25. Kabinet formaat. . . . k f 0,15.
Uitgegeven bij H. BUSKES te Utrecht, Haverstraat. Voor Duitschland verkrijgbaar bij Tquot;. Bückmann, Elberfeld. Prijs per Nnmuier 3 Ctst â Franco per post é Cts,
23 October 1886.
SCHRIFT VEEKLARING EN
VAX
Dr. H. F. liOUXBRÃGGE.
Verklaring van het boek Ruth.
Cap. IV.
Nog eens: wat de Heere voor Ruth deed, dat geschiedde voor haar en met haar. Zij was in zich zelve eene Moabietische, eene onvruchtbare, en toch juist uit haar en aan haar zou Gods belofte vervuld worden, en zij, de Moabietische, zou prijken in het geslachtsregister van het vleesch geworden Woord: van onzen gezegenden Heere en Heiland Jesus Christus. En zoude diezelfde Heere en Heiland, die nu leeft tot in alle eeuwigheid, u niet willen helpen, ook al voelt gij u zoo zwart als een duivel? Ook als gij klagen moet: ik ben gezonken onder het vee, want dat looft zijnen Schepper en kent Grods tijden! Maar hoe gaat het gewoonlijk? In plaats van in de schuld te vallen, denkt men: o! dat heeft den tijd nog wel, do hemel is nu toch open en als ik maar roep, zal God wel ten allen tijde klaar staan, om mij te hooren!
Dat is echter de hoofdinhoud van het overschoone boek Ruth: er is een ware, een hemelsche Boaz. He wet kon onze losser niet zijn, maar Hij wil ons
No, 19.
2
verlossen. Hij neemt eene Moabietische, een heiden-kind , eene arme en onvruchtbare, in genade aan, en schaamt zich niet het voor hemel en aarde uit te spreken: zulke Ruths neem Ik aan, dat zijn de Mijne, (vs. 9 en 10).
Hij heeft het erfdeel aanvaard van dezulken, die in Adam totaal dood en gestorven zijn, en alles hebben bedorven. Hij heeft het erfdeel aanvaard van eene doodarme, en voor Zijne rekening genomen wat door God was verdoemd j met zulk eene bruid heeft Hij zich verbonden voor eeuwig. Zijn eigen heiligen Naam, Zijn leven. Zijn eigen dierbaar hartebloed heeft Hij gegeven, om den in Adam gestorvenen eenen naam te verwekken, zoodat die alles wat zij verloren hebben weder bekomen. Ja,
Zijn eigen schoonen Naam, dien eenigen Naam onder den hemel gegeven, waardoor wij moeten zalig worden, legt Hij op dezulken, en zóó komt alles terecht voor Zijn arm en ellendig volk, dat Hij in en met zich levendig heeft gemaakt, en dat zich niettegenstaande dat vaak in den stikdonkeren nacht des doods i voelt verzonken. Dit spreekt Boaz uit in het 10Je :
vers: Daartoe aanvaarde ik wij ook Ruth, de Moabiliesche, de huisvrouw van Machlon, lot eene j WGi vrouwe, om den naam des verstowenen over zijn ti^h erfdeel te verwekken, opdat de naam des verstor-venen niet worde uitgeroeid van zijne broederen, en van de poort zijner plaats; gijlieden zijt heden getuigen. En de oudsten des volks, de Seraphim, en de zielen der volmaakt rechtvaardigen, ja de gansche hemel staat daarbij! En waar de hemelsche Boaz komt en de arme Ruth te huis haalt als de zijne,
roept de gansche hemelstad hel.uit; Wij zijn getuigen.
Het zal u hoop ik, geliefde lezer! niet verdrieten, zoo wij nog eens een terugblik werpen op het eerste
get
een
len
alL
Ja!
de
en
ma;
tien
er
in
Hij
ter
Wo
nooi
Mas
sten
naai
goei
wil,
wil
Hee
ous
tiö' geoi
V
wien
wan;
zaak
die 1
den
wedi
aan
werl
3
gedeelte van dit vierde Capittel. Ik wilde nog eens een kleinen naoogst houden on u ook dezen mededee-len. Zijl sterk, en Hij zal n lied er harl versterken, allen gij, die op den 11 eere hoopt! Ps. 31 vs. 25. Ja! dat mogen wij elkaar toewenschen. Heeft men de belofte ontvangen: de Ileere zal u niet begeven en Hij zal u niet verlateu, of iets dergelijks, dan mag men op Hem blijven hopen, al duurde het tien, twintig, veertig jaren, eer men de vervulling er van beleeft. Hij komt, ja Hij komt gewis. U in den steek late», u voor eeuwig verlaten, kan Hij nooit of nimmer, want Zijne belofte staat vaster dan eene rots. Het gaat er echter om, op Zjjn Woord te blijven hopen: en dat gaat door allerlei nood en verdrukking, ja vaak door den dood henen. Maar de Heere zelf heeft den weg bepaald en bestemd , dien Hij met ons houden wil, en vraagt niet naar onzen eigenen, verkeerden wil, dien Hij, ons ten goede, niet inwilligen kan. Gaat het naar Zijnen wil, dan wil Hij ons zalig maken, de duivel echter wil ons te niet maken en verderven. Waar de Heere ons echter zalig maakt en verlost, daar staat ons heil voor Hem op koperen zuilen vast, en dat wel in volmaakte overeenstemming met Zijne gerechtigheid, zoo als die in Zijne allerheiligste wet is geopenbaard.
Vs. 1. En Doaz ging op in de poorle. Hij, van wien Naomi betuigd had: zit stille mijne dochter! want Die man zal niet rusten tenzij Hij heden deze zaak voleind hebbe! (Capittel 3 vs. 18), die Man, die hemelsche Boaz leeft er voor, ellende en nood uit den weg te ruimen. Ja! Die is de ware Rechter der weduwen, de rechte Vader der weezen. Ja! deze Man aan Gods rechterhand kent geen heerlijker ambt en werk, dan ongeluk te verzachten, en allerlei jammer
4
op te heffen. En voor dat dit geschied is, gunt Hij zich ook geen rust. Hij hoeft uwe bede gehoord, gij die even als Ruth in Juda u vreemdelingen en bijwoners voelt hier op aarde, en Hij zal niet rusten, eer gij uwe begeerte, met Hem verbonden te zijn, ook vervuld ziet. Gelijk lioaz zich zette in de poort des gerichts, in die poorte waar over allerlei zaken beslist en vonnis geveld werd, zoo is onze Heere en Heiland Jesus Christus, hoog geloofd in eeuwigheid, nog in de poorte des gerichts gezeten. En deze poorte des gerichts, die Gods volk ten goede daar is, zal nooit of nimmer door de poorten dor helle overweldigd worden. De raad des Heeren is onverbrekelijk. En daar zette Boaz zich. Hij kan het rustig afwachten, hoe de zaak loopen zal, Hij weet dat de losser, die nader, is, door de poort zal komen. En gewis! waar Christus zich opmaakt om een zondaar te verlossen, daar zal Gods heilige wet zich ook doen gelden, en bij zulk oenen aankloppen. Van nature weet de mensch haast niets, ja eigenlijk volstrekt niets van de wet. Waar Christus echter in de ziel wordt geopenbaard, daar meldt de wet zich ook aan: daar vertoont Gods heilige wet zich ook, ja juist, hij of zij aan wien of wie Christus zich openbaart, krijgt met de heilige wet des Hoeren te doen. De wet komt men haren dreigenden eisch op het van God levendgemaakte hart af, maar Christus onzen Heiland komt deze verschijning niet beangstigen. Daarom spreekt de hemelsche Boaz ook: wijk her-waar Is! zei u hier, gij zulk een! De wet, van haar goed recht overtuigd, zet zich ook rustig in de poorte neder. Nu komt vs. 2; En hij nam lien wannen van de oudsten der slad: en zeide: zei u hier neder, en zij zeilen zich. Dat waren nu tien mannen van de oudsten der stad. Waar Christus komt, onder-
5
handelt Hij zelf met de wet, dien naderen losser, en dan slaat Hij do tien geboden op, en dan wordt het in volkomen overeeustemming en toestemming der wet uitgemaakt, dat aan den eisch der wet genoeg is geschied, op Golgotha! Nu , waar Christus komt, daar brengt Hij den heiligen Geest mede, en Die overtuigt den mensch van zonde, van gerechtigheid en van oordeel. Dan staat de zondaar als een dood- en doemschuldige daar, en de wet zelve zal beslissen of zij hem redding aanbrengen kan, al dan niet. In het gewone, burgerlijke leven, beduidt dit, dat deze tien de geheele stad, de geheele gemeente vertegenwoordigen, zooals er ook in de gelijkenis van lien maagden wordt gesproken. Hier (bij Ruth) vertegenwoordigen deze tien de geheele stad, die zelfde stad, die geroepen had: is dat Naomi ?
ïien mannen van de oudsten der stad. Eenigen schrijven het aan louter toeval toe, dat er juist tien mannen waren, gelijk het ook als van zelve is gekomen, dat gij van het begin onzer gemeente af tien mannen verkozen hebt en verkiest voor den kerke-raad. 1) Hier staat lien mannen. Maar in het vierde vers van dit vierde hoofdstuk komt liet anders. Daar lozen wij niet: koop het in tegenwoordigheid van de oudsten en burgers, maar van de burgers en oudsten. En in het elfde vers staat niet; en de oudsten, mitsgaders al het volk, dat in de poort was, maar : al het volk dat in de poort was, mitsgaders de oudsten. In vers 9 staat daarentegen: Boaz sprak tot de oudsten en tot het volk. Dat is de wijsheid des Heiligen Geestes, en Zijne eigenaardige wijze van spreken en schrijven, die wij ook bijzonder in de Handelingen der Apostelen opmer-
1
Er wordt herinnerd, dat deze uitleggingen indertijd te Elberfeld zijn uitgesproken (aanm. d. Red.)
19.
6
ken. Daar hebben wij ook altoos afwisselend: de gemeente en de ouderlingen, de ouderlingen en de gemeente (zie b. v. Hand. 15 vs. 1, 2, 4). Daar heeft men aan het hoofd de Apostelen , die met de oudsten de gemeente besturen , de oudsten vertegenwoordigen de gemeente en komen voor haar op, leiden en regee-ren ze door en met het Woord des levens. quot;Waar het geldt de wet te handhaven, neemt Boaz tienmannen van do oudsten der stad en spreekt tot de oudsten en al hel volk: âGij zijt getuigen.quot; Is dit echter geschied, zoo komt de gemeente, wier stem, ja of neen, te beslissen heeft, vooraan te staan. Dit merken wij reeds hier; ook nog vroeger in het vierde boek van Mozes, en later in de Handelingen der Apostelen. quot;Wilt ge het beërven ? zegt Boaz (volgens Luthers vertaling), van de inwoners d. i. voor het oog der burgers en oudsten mijns volks!
Al wat God de Heere doet, dat doet Hij volgens recht en gerechtigheid, en het zal voor de gansche gemeente, ja voor hemel en aarde openbaar worden, dat de wet, dat Gods gerechtigheid is geschied. Het volk is in het burgerlijke leven niet óm der regee-ringe wille, de gemeente is er in het kerkelijke niet om der oudsten wille, maar regeering en oudsten zijn er om den wille des volks en der gemeente. En daarom moet het volk de regeering, de gemeente den raad harer oudsten hoogschatten en eeren, omdat zij ambten bekleeden, die zij niet om zich zeiven, maar ter wille des volks en der gemeente bekleeden. Dan zijn de oudsten en de regeering de eersten, die te beslissen hebben, maar waar hun het heil des volks, het heil der gemeente ter harte gaat, is hun ja of neen, het ja of neen der gansche gemeente of des volks, overal waar Gods Evangelie en waarheid heerscht. Waar het Woord des Heeren en Zijn waarachtig
I i
7
Evangelie is, daar wordt de wet gehandhaafd, waar de wet gehandhaafd wordt, daar wordt het Woord gehandhaafd, en â waar het Woord gehandhaafd wordt, daar moeten de kinderen Beliala verstommen, en waar de Geest dos Heeren, op het volk en op de regeering, op de oudsten en de gemeente rust, daar is één hart en ééne ziel! Maar, omdat het volk, in zich zeiven, te zwak is om Gods raadsbesluit uit te voeren, regeert God de Heere zelf onmiddellijk zóó, dat Zijn woord bestaat, en al Zijn welbehagen geschiedt, en ten andere, in den weg der middelen, stelt Hij mannen aan, door wier hand alles in orde en regel wordt gehouden. Maar zóó regeert de Heere, en zóó weet Hij het te maken in Zijne wijsheid, dat, waar Hij vrijspreekt of veroordeelt, het geheele volk het gewaar wordt, alle burgers van Jeruzalem, alle oudsten, niet alleen der gemeente, maar ook des volks, zoodat ze dit goddelijk vonnis moeten billijken. Welk eene genade was het toch, dat God zulke wetten en instellingen gaf: den verstorvene zoude zaad verwekt worden, opdat zijn naam niet uitgedelgd werd uit Israël! Ach! menigeen zoude er wel duizend guldens en meer voor hebben willen geven, een uitgestorven naam voor ondergang te mogen bewaren! Menigeen is het iets schrikkelijks, te sterven zonder kinderen, die zijnen naam voortplanten. Maar, er is iets dat nog veel verschrikkelijker is, en dat is, dat een mensch sterft, zonder hope des eeuwigen levens! Niets is daarentegen zoeter, dan te sterven met het zalige bewustzijn: ik sterf wel, maar toch sterf ik niet, want de dood is voor mij geen dood, maar een doorgang tot het eeuwige leven, en ik kan nimmermeer sterven.
Adam is gestorven, den geestelijken en lichame-
8
lijken dood, volgens de uitspraak; ten dage dat gij daarvan eet (van den boom der kenuisse des goeds en des kwaads namelijk) zult gij den dood sterven. Adam, het schepsel en kind des Hoeren, was door den duivel vermoord. Maar God had in Zijne groote barmhartigheid besloten : deze verstorven Adam zal weder leven, zijn naam zal nochtans niet uitgodelgd worden. Adam zou leven in Christus, het zaad der vrouwe, en in en door Dien eenen eeuwigen, onvergankelijken naam bezitten.
En deze paradijsgeschiedenis herhaalt zich nog telkens mot Gods kinderen, en ook met het volk Israël, waarmede God een verbond sloot. Krachtens dit verbond gaf God aan het volk een goed land, een land vloeiend van melk en honing, en toon nu een ieder zijn erfdeel, zijn bescheiden deel had, moest ook dat erfdeel in de familie blijven. En in zulk een verbond , het verbond der werken, treedt God de Heere nog met een elk der Zijnen. Wie uit de wereld, en dus niet uit God is, verstaat dit niet, maar wie tot den Heere bekeerd is, kan het vatten. En zoo geeft God de Heere ook aan elk der Zijnen hun geestelijk erfdeel, zoodra ze Hem gevonden hebben, en dat heeft de mensch dan te bewaren, gelijk ook Adam het Paradijs bewaren en bebouwen moest. Nochtans waren er onder Israël, die verarmden, en hun gansche erfdeel verloren, en dezen waren het beeld van het geheele Israël Gods. quot;Want niet anders is de geschiedenis van dat volk. Alle kinderen Gods maken het met hun geestelijk erfgoed zoo als de verloren zoon: wat wij in de hand krijgen, gaat verloren. Men heeft alles verkocht en het geld met eten en drinken doorgebracht. Dan is men ten slotte doodarm, en heeft niets meer, en weg is de vreugde en vrede, die men van den
9
Hecre had genoten. Maar de Heere komt met de Zijnen niet bedrogen uit, Hij weet, wat maaksel zij zijn en is gedachtig, dat wij stof zijn (Ps. 103 vs. 14). Waar een kind des Ileeron, dus een arm en ellendig menschenkind, in zulke geestelijke armoede vervallen is, kan de barmhartige Hecre in de hemelen toch onmogelijk behagen scheppen in de armoede en ellende van Zijn schepsel; maar Hij heeft zelf een jaar der verlossing, een jubeljaar ingesteld, waarin elk verarmd Israëliet het verlorene wederom zoude ontvangen. O hoe heerlijk zijn toch al de wetten en instellingen, die God aan het oude Israël gaf, hoe weinig slaan wij er acht op in onzen hoogmoed en onze waanwijsheid, en wat zijn zij een heerlijke spiegel van wat de Heere nu nog is voor Zijne armen en ellendigen! De Heere had ingesteld, dat een ander lid derzelfde familie het verlorene erfgoed weder inkoopen moest, maar zóó, dat de verarmde hot verlorene goed niet wederom verliezen /.quot;oh, en er alleen de vruchten van genieten konde. Zoodra Boaz Elimelechs akker kocht, was die, volgens do wet, weder het eigendom van Naomi. Volgens deze genadige instelling, in dit genadever-bond, kan de arme niet meer eigendunkelijk met zijn erfgoed handelen, want hij krijgt het niet weer in handen, het wordt in de hemelen bewaard (1 Petr. 1 vs. 4), maar hij geniet er do vruchten van. Boaz laat het land bewerken en bebouwen, maar ten nutte van Naomi; laat voor Naomi ploegen, zaaien en oogsten, en aan Naomi zoowel als aan Ruth zoude het land toebehooren, dat hij volgens Gods instelling, den overledenen verwekken moest. Boaz was rijk genoeg, en bezat akkers en weilanden in overvloed, en het was niet om zij a grondbezittingen te vermeerderen, dat hij Naomi's akker kocht, maar
10
liij deed dit volgens Gods ordonnantie, Naomi ten nutte. En zoo leefde Naomi van de vruchten des lands, dat zij te zamen met Elimelecli bezeten, maar verkocht had, het was Boaz' eigendom, maar zij genoot de vruchten. Kon men dan niet in waarheid zeggen: zij bezat haren akker, hoewel ze dien verkocht had? Zij was weder rijk, hoewel zij niets in de hand had?
Vs. 9. Toen zeide Doaz tol de oudsten, en al het volk: Gijlieden zijl getuigen dal ik aanvaard heb alles, wat van Elimélech geweest is, en alles ivat van Chiljon en Mach Ion geweest is van de hand van Naomi.
Hoe kon Boaz dat alles echter aanvaarden van de hand Naomi's? Die had immers al haar eigendom aan anderen verkocht, zij had alles weg moeten doen. Maar er was eene goddelijke ordonnantie, dat, niettegenstaande dit, op eenen door God zelf bepaalden tijd al het verlorene weer in Naomi's bezit zoude komen. En al had zij nu dien akker nog niet, ja al was een ander nog eigenaar, toch behoorde die akker en bleef die behooren aan Naomi, omdat er een gebod des Geestes ten leven, een genadeverbond van den Heere, haar ten goede, bestond: krachtens deze goddelijke genadewet was de akker de hare, en was de hare gebleven, maar geld, om dien te lossen uit de hand desgenen, aan wien ze hem verkocht had, had ze niet. En omdat Naomi niet lossen kon, moest zij dien wel in Boaz' handen laten, maar dit was gelieel ia baar voordeel , en bevrijdde haar van allerlei ellende en zware zorgen. Boaz kocht het eigendom van Naomi, die niets had om te betalen, dus zoowel van den vreemden man, in wiens bezit dat stuk land was gekomen, als van Naomi zelve, die liet door allerlei
11
tegenspoed had moeten verkoopen. Van de hand Naomi's kocht hij het, omdat het volgens de wet haar eigendom was, en altoos was gebleven.
Naomi bekwam den akker terug, zoodra Boaz betaald had. Naomi genoot de vruchten, Boaz had het land in bezit, en liet het voor haar bearbeiden. Ja! al heeft ook een menschenkind, (en niets meer dan dat zijn do anno kinderen des Hoeren) alles verloren, zijn erfgoed, zijn heil, zijne zaligheid, en al weet zulk een arme niet meer wat te doen om Gods straffende gerechtigheid te ontgaan, en weder tot genade te komen, toch zij het zulk eenon arme en benauwde van geest luide gepredikt: er is een gebod des Geestes ten leven, u ten goede, er is een genadeverbond, en op grond daarvan, spreekt de Heere: Ik wil niet, dat deze arme, die alles verloren heeft, arm blijve! Ik kan de ellende en den nood dezer arme ziel niet langer aanzien, neen! zij moet verkwikt en vertroost worden, en alle stroomen des Geestes, alle verkwikkingen uit Zion, die zij meende,, voor eeuwig verbeurd te hebben, zij moeten in de ruimste mate over haar worden uitgestort. En, heeft de Heere het bevel laten uitgaan: zij moet alles weder hebben, dan heeft zij ook alles weder; maar zulk eene beangste en bekommerde ziel weet dan nog niet aanstonds, dat ze alles terug heeft gekregen! Zij ziel niets dan nood en ellende, en dat alles, wat zij van den Heere had ontvangen, in de handen des vreemden is, en zij weet geen raad om uit de hand des duivels verlost, van de aanklagingen der haar verdoemende wet bevrijd te worden. En toch is al het verlorene, volgens 's Hoeren uitspraak, volgens Zijn liefelijk Evangelie, het hare voor eeuwig! Ja! zij zal van God alles weder ontvangen, zij zal van God rijkelijk getroost eu
12
verkwikt worden, de ziel, die niets meer heeft, en die zelve de genoteno vreugde en vrede uit God zoek gemaakt heeft! Het zal haar gaan als Ruth! Zij zal tot den hemelschen Boaz gedreven worden, zij zal leerea met alles rechtstreeks tot Hem te gaan, het te wagen met een: Kom ik om, dan kom ik om, en o! al treedt Hij mij ook weg. Hij is nochtans veel schooner, dan de menschea kinderen. Hij, op wiens lippen genade is uitgestort. Hij, de barm-hartigste aller barmhartigen! Dan zinkt zulk eene ziel, te midden van den haar omgevenden nacht en die duisternissen, aan 's Heeren voeten en spreekt: Breid uwen vleugel over mij uit, want ik ben uwe maagd! Ja daar bebouwt Boaz den akker, die in vreemde handen, in de handen van duivel en dood was overgegaan, dnar koopt hij los uit de strikken der helle en des doods, daar maakt Hij los uit de banden van het aanklagende geweten, en der verdoemende wet, en dan verlooft Boaz, de hemelsche «Boaz, zich met de arme, verlorene, heidensche Ruth , en door haar ziet Naomi den uitgestorvenen naam van Elimélech voortgeplant tot in het duizendste geslacht.
Ja! Zóó plukken wij de vruchten Van des Heeren bangen strijd!
Want Hij Leeft in Gods gerichte Ons voor eeuwig vrij gepleit.
Uitgegeven bij H. BUSKES te Utrecht, Haver straat. Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BÃCKMANN , Elberfeld. Prijs per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Cis.
6 November 1886.
SCHRIFTVERKLARINGEN
VAN
No. 20.
Dr. H. F. KOHXBRÃGCiE.
Verklaring van het boek Ruth.
Cap. IV.
Dc wet zegt het luide, dat zij ons erfgoed, onzen desolaten boedel, niet aanvaarden kan. Zij wil wèl goede werken van ons hebben, en heeft ook, hoewel wij ons volkomen ongeschikt voor haar hebben gemaakt, het volste recht, die van ons te eischen. Maar al vervult men de wet naar den letter, voor zooverre zelfs daarvan bij een gevallen kind Adams nog sprake kan zijn, toch hebt gij geen aanspraak op loon of dank van den Heere. De wet is niet verplicht u te prijzen of te handhaven, maar gij zijt en blijft schuldig de wet te houden, ofschoon de kracht daartoe u ontbreekt. Zoo gij b. v. uwe plichten als burger der stad uwer inwoning nauwgezet vervult, hebt gij daardoor geen aanspraak op den lof der overheid, maar als burger der stad zijt gij verplicht voor de handhaving der wet zorg te dragen. Ziet! dat leefde ook in Boaz' hart: de wet moet gehandhaafd worden, de nadere losser
2
(Cap. Ill vs. 12) moet in alles gekend en ge-eerd â worden, eerst moet de zaak met hem afgehandeld zijn. Hem moet gevraagd worden: wilt gij het erfgoed van Kuth aanvaarden, zijt gij rijk genoeg om alles te betalen, en haar en Naomi uit alle geweld des duivels te redden? Dan antwoordt de nadere losser (de wet): ja! ik zal het lossen (het erfgoed Naomi's), met andere woorden, ja: de goede werken wil ik wel aanvaarden, die zulk eene doet, (namelijk zóó doet, alu de mensch zich die als goed voorstelde). Zoo ik , de wet, dan de nadere losser ben, welnu! den akker wil ik wel aanvaarden, maar Ruth, de weduwe van Machlon, aanvaard ik niel als mijne vrouw, want daar kan ik mij niet mee inlaten, om overledenen zaad te verwekken, waarbij dan mijn eigen naam niet in aanmerking zoude komen; neen! eene heidensche, eene Moabietische, eene onvruchtbare mij ter vrouwe te nemen, dat ligt geheel buiten mijnen kring. En dat is ook der wet onmogelijk, daarom zegt ook de nadere losser: los gij mijne lossing voor u, want ik zal niet kunnen lossen. (Rom. 8 vs. 3).
Ziet, mijne geliefden ! zoo iemand waarachtig vroom is, wie heeft daar voordeel van. God of hijzelf? God kan in ééne sekonde duizend werelden scheppen , en die vervullen met waarachtig vrome menschen, die doen wat Hem behaagt, met engelen, die op Zijne bevelen acht slaan. Wie vroom is, plukt daar zelf de goede vruchten van, en oogst daar zelf het voordeel van in. Wie goddeloos is, schaadt niemand meer dan zichzelven. Ach! waarom ziet men dan met zulk een zelfbehagen op zijne eigene voortreffelijkheid, ach! waarom wil men het dan zoo noode hooren, dat alle voortreffelijkheid en vroomheid voor
3
Gods rechterstoel niets gelden, ach! waarom blaast men zich zoo gaarne op voor God en menschen! en vergeet, wie men van nature is.
De wet schrijft eerlijkheid voor, en verklaart alle menschen , sinds Adams val, met het volste recht voor dieven. De wet schrijft kuischheid voor, en noemt met het volste recht alle menschenkinderen overtreders van het zevende gebod. De wet schrijft zachtmoedigheid en hulpvaardigheid voor, en kent ons toch allen na Adams val als moordenaars. Al zijt gij nu nog zoo eerlijk, al zijt ge ook 50 jaar lang eerlijk geweest, gij zijt toch niet te vertrouwen, want voor God zijt ge nochtans een dief. Wees kuisch , wees vroom, geef uwen laatsten cent weg, de wet noemt u toch gierig en onrein, en zoo Gods Geest u aan uzelven ontdekt heeft, zult gij het ver-oordeelende van 's Heeren wet moeten billijken. Ja! zegt de wet, de nadere losser, ik wil uwen akker, uwe werken wel aannemen, maar u vrijspreken, u reinigen, u rechtvaardigen kan ik nooit en nimmer, en, eer dan gijzelf meent, zult gij, zoo gij door mij rechtvaardig voor God wilt worden, ervaren, dat gij een moordenaar, een dief, een huichelaar zijt!
Wat heeft alzoo de wet, waar het om uwe rechtvaardigheid voor God gaat, met u te doen, o bekommerde ziel? De andere losser kon Ruth niet ter vrouwe nemen; op den akker der wet moet volmaakt en onberispelijk werk geleverd worden, want de wet kan geen barmhartigheid, geen toegevendheid oefenen, en indien gij dus door werken der wet zoekt gerechtvaardigd te worden en eene andere gerechtigheid zoekt op te richten dan die ééne, die voor God geldt, dan zult gij te vergeefs zoeken.
Maar Boaz ging het om het geluk en de zaligheid
4
van Ruth, de Moabietische, en niet om haren akkor, daarom, sprak hij vs. 9: Gijlieden zijl heden getuigen enz. Ziet! zoo kwam de naam Elimélech (mijn God is Koning) weder tot eer, en het is of wij het vernemen: God had den mensch goed en naar Zijn evenbeeld geschapen. De beide namen Chiljon en Machlon beduiden niets dan verderf en ondergang. Maar wat? vergist Boaz zich niet? In het eerste kapittel lezen wij: Machlon en Chiljon, en hier zegt Boaz plotseling: Chiljon en Machlon. Hier noemt hij Chiljon het eerste, ofschoon Machlon de eerstgeborene was. En Chiljon had daarenboven eene vrouw achtergelaten, die terug is gekeerd tot de afgoden ? en niet bij zijne vaderen, maar in het vreemde Moab ligt hij begraven. Maar heeft nu God den armen Chiljon vergeten?. Wat Machlon betreft, was het kennelijk te zien dat God zijner gedacht, want uit Ruth, zijne weduwe, komt de erfgenaam der belofte voort, en Machlon, den afgestorvene, wordt zaad verwekt. Maar Chiljon, het kind van Elimélech en Naomi, dus een kind veler gebeden, heeft zich eene vrouw genomen, die wel weende en een schijn van bekeering had, maar het was niet meer dan eene morgenwolk , en zij is terugkeerd tot de afgoden! Heeft nu echter de Heere, de Almachtige en Getrouwe het stof van Chiljon vergeten? vergeet gij, o Heere! dat stof, dat daar verre weg in vreemde aarde rust? Neen! zegt Boaz, en door hem do hemelsche Boaz: wel rust het stof van Naomi's zonen in vreemde aarde, en weet van vader noch moeder meer, maar daarom gedenk ik hunner nog, en allereerst aan Chiljon, van wien alles in den dood schijnt gegaan te zijn. O! hoe blinkt evenwel Gods gerechtigheid uit in de gansche Heilige Schrift, die eene gerech-
5
tigheid, die voor God geldt, en op grond van welken God genade bewijst, zonder Zijne gerechtigheid of heiligheid te krenken!
Ys. 7. Nu was dit van ouds eene yewoonle in Israël, bij de lossing en bij de verwisseling, om de gansche zaak le bevestigen, zoo trok de man zijnen schoen uil en gaf dien aan zijnen naaste-, en dit was tot eene getuigenis in Israel.
Die gewoonte schijnt men naar aanleiding van Deutr. 25 vs. 7â-10 ingevoerd te hebben, maar daar luidt Gods ordonnantie toch nog bepaalder en duidelijker. Daar kan men lezen, hoe volgens des Heeren wet hij gestraft wordt, die, tegen die heilige wet in, het zwakke niet eert, dat, wat hulp behoeft, niet helpt, en hoe de Heere toornt over hem, die zich hoogmoedig afkeert van hetgeen in schande is verzonken. Daar lezen wij Deutr. 25 vs. 9 welke vreeselijke schande zulk eenen moest aangedaan worden door haar, die hij versmaad bad, en dat deze bestraffing geschiedde op Gods bevel. Want het is des Heeren wil, dat zwakken en ellendigen geholpen worden, en wie dezulken veracht, wordt in den heiligen hemel veracht door de engelen Gods. Zoo luidde de instelling Gods in Deutr. 25, maar die schijnt in Israël niet van kracht te zijn gebleven, maar men schijnt er de gewoonte uit te hebben getrokken, die in Ruth 4 vs. 7 vermeld wordt.
Zoo had men ook hierin Gods gebod krachteloos gemaakt door menschelijke inzettingen.
quot;Waar gij uwen voet zet, is de bodem, voor het oogenblik ten minste, de uwe: hetzij gij een arme pelgrim op den weg zijt, of op en neer kunt gaan op uwen eigenen akker, in uwe eigene huizen! En als men in Israël vreemden veroorloofde dit ook te
20.
6
doen, als men vreemden op of in zijn eigendom toeliet, gold de vrijheid, de voeten geschoeid te hebben, als het bewijs daarvan. Als men tot eenen vreemde sprak: doe u voetschoeisel aan, beduidde dit: ik geef u recht mijn grond en bodem te betreden. Maar zoo ik de schoenen van de voeten doe, zoo verklaar ik daarmede: ik heb geen recht meer dien grond en bodem te betreden, ik doe er plechtig afstand van en geef mijn recht, den akker te betreden, aan een' ander.
Daarom lezen wij vs. 8: Zoo zeide deze losser tot Boaz: aanvaard gij het voor u; en hij trok zijnen schoen uit.
Dat was nu het handgeld, en de nadere losser ging met éénen schoen naar huis, tot een bewijs ervan: ik heb mijn recht op Naomi's akker, en op Ruth, aan een ander afgestaan.
De wet, de nadere losser, heeft dus geen volkomen schoeisel meer, en mag alzoo den akker der genade niet meer betreden om de arme Ruth te verdoemen, want de oude zuurdeesem moet uitgezuiverd worden, omdat alleen door vrije genade het onvergankelijke en eeuwige erfrecht van het geestelijke Israël gehandhaafd wordt.
Nu komt de zegen, dien Boaz ontvangen heeft, toen hij verklaard had, dat hij Ruth lossen wilde: zoo lezen wij :
Vs. 11 en 12. En al het volk, dat in de poort was, mitsgaders de oudsten, zeiden: wij zijn getuigen : de lleere make deze vrouw, die in uw huis komt, als Rachel en als Lea, die beiden het huis van Israël gebouwd hebben, en handel kloekelijk in fifrata, en maak uwen naam vermaard in Bethlehem.
7
En uw huis zij als het huis van Perez, (dien Thamar aan Juda baarde) van het zaad dat de Heere u geven zal uit deze jonge vrouw.
Hoe komt nu het volk van Betliléhem-Jnda aan dezen zegen? Het is anders het volk eigen, de ongerechtigheid toe te juichen, en den rechtvaardige met eenparige stemmen te verwerpen.
Maar hier hebben wij een volk voor ons dat, door Eichteren, door het Woord en den Geest des Heeren bestuurd wordt. En of ook al een volk een tijd lang de gerechtigheid verwerpt, toch zal het waar worden, dat, waar men met de gerechtigheid volhoudt, men den dag zal beleven, waarop het volk de gerechtigheid prijzen en de ongerechtigheid verwerpen zal.
Het is niemand van nature eigen, dat te kiezen en te prijzen, wat voor God recht en gerechtigheid is, maar het is ons allen van nature eigen dat voor schoon en deugd te houden, wat in 's Heeren oog een gruwel is. (Lukas 16 vs. 15). Maar gelijk God door Zijn Woord en Geest elk der Zijnen van den weg des verderfs tot het eeuwige heil bekeert, zoo komen er ook tijden en uren, dat de Heere een geheel volk omzet, zoodat het de leugen en alle schijn-waarheid verwerpt, en alleen die gerechtigheid prijst, die voor God geldt, namelijk de gerechtigheid Jesu Christi. En wie deze gerechtigheid heeft te handhaven, wie de goede keus gedaan heeft, het voor tijd en eeuwigheid met Christus te wagen, die vrage niet wat menschen van hem zeggen, ook de allerhoogst geplaatsten en aanzienlijken, die de hoogste eere genieten in Kerk of Staat. (2 Samuel 16 vs. 23.) Wie het waarachtige Woord der gemeente heeft te brengen, vrage nooit: wat zullen de menschen er
8
van zeggen â¢, maar: wat is waarheid voor 's Heeren aangezicht? En zoo ga hij zijnen gang in alle oprechtheid en goddelijke kracht, dan zal ook God de Heere Zijne belofte vervullen, Ps. 84 vs. 12: De Heere zal yenade en eere geven. Hij zal hel goede niet onthouden, dengenen die in op ree h Iheidwandelen.
En zoo grijpt de Heere zelf het volk aan, dat in de poort was, en Zijn Geest komt over dat volk. Zij zien in Boaz een rechtvaardigen man, dien' het om niets dan om recht en gerechtigheid gaat, en zij wisten ook van Ruth, dat zij de goede keus had gedaan, dat zij niet hare eigene eer, maar den God Israels gezocht had. Het volk zag, dat Boaz de losser van Naomi en Ruth wilde zijn, niet uit eigen belang, maar opdat Gods genade gezien en verheerlijkt zoude worden, en dat wel aan eene vrouw, waarvan allen wisten dat zij eene deugdzame vrouw was, wier vroomheid uit hare werken was te bewijzen, en op wier levenswandel het zonneklaar stond te lezen: bij haar geldt niets dan God de Heere, en Diens allerheiligst gebod, en dientengevolge de op dat gebod gegronde wil harer schoonmoeder.
Deze over Boaz en Ruth uitgesproken zegen kwam alzoo van den Heiligen Geest. Niet door eigen deugd, noch door eigene gerechtigheid wordt de mensch gered, maar het is God de Heere, die arme kinderen Adams, arme zondaren en zondaressen, tot rechtvaardige mannen en vrouwen maakt. Op kromme en goddeloose wegen kan nooit Zijn zegen rusten, maar Hij ziet het wel, waar eene arme ziel gerechtigheid najaagt, want dat heeft Hij zelf in zulk eene ziel bewerkt. En zoo blijft het waar: En de goedertierenheid, Heere! is uwe: want
9
Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn ivcrk. Ps. 62 vs. 13. Zoo gij uwe ouders eert, zult gij ook ervaren, dat God Zijn Woord vervult, dat aan het vijfde gebod eene belofte is verbonden. Bedenk alles wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat welluidt. Loop b.v. niet om elke kleinigheid, die u tegenstaat, uit uwen dienst of uwe betrekking, opdat de wereld het aan u gewaar wordt: âdie heeftzich-zslven niet gezochtquot;, en God zal u zegenen. Wie echter zichzelyen zoekt, zijn eigen eer of belang bedoelt, al heeft het ook nog zulk een schoonen godsdionstigen schijn, die zal ervaren, dat men God den Heere niet om den tuin kan leiden, als ware Hij een mensch, en dat God hom straft, naar dat hij gedaan heeft.
In Zijne onuitputtelijke liefde heeft de Heere het verlorene lief. Wie nu zijnen eigenen verlorenen toestand heeft leeren kennen, en daarmede tot den Heere heeft leeren vluchten, krijgt ook onderwijs in de liefde tot den naaste; en waar men zijnen even-mensch eert en lief heeft, zegent God op de wonderbaarste wijze. Zoo ontvingen Boaz en Ruth eenen zegen uit don mond des volks, maar ingegeven door den Heiligen Geest, van Hem, die gesproken heeft en nog spreekt: geef u geheel aan Mij over en gij zult ervaren wie Ik ben. Aan den zegen van dezen Verbonds-God is alles gelegen. Te vergeefs zal men zich moeite geven, om een huis te bouwen, eene vrouw te bekomen, die daarin woont, te vergeefs is alles, wat men onderneemt, zoo do grond niet is: Gods wil eu gebod. Waar God de Heere dezen grond in het hart heeft gelegd, daar laat Hij nooit varen de werken Zijner handen, maar
10
zegent overvloediglijk, ver boven bidden en denken. Gewoonlijk denkt men, dat God zich om de zaken des dagelijkschcn levens niet bekommert, en meent, dat de hoofdzaak is de kerk te bouwen. En men vergeet, dat elk huis eene kerk behoort te zijn, en dat de geheele kerk gebouwd is, als elk huisgezin eene kleine kerk is; en dat niet om zich zeiven en de zijnen op te sieren met een uiterlijk vertoon van godsdienstigheid waarbij het harte verre ia van den levenden God, maar om zich onder Gods Woord te buigen, Gods gebod in eere te houden, in een woord, dat in zulk een huisgezin alles in het werk wordt gesteld, opdat Gods naam niet gelasterd , maar geëerd en geprezen wordt, en men den naaste wel doe, ja door weldoen den mond stoppe aan de. onwetendheid der dwaze menschen. (1 Petv. 2 vs. 15).
De zegen, dien het volk uitsprak, was toch een merkwaardige zegen! De Heere make deze vrouw, die in uw huis komt, als Rachel en als Lea, die beiden het huis van Israël gebouwd hebben. Zonder vrouw is het huis geen huis, dat gebouwd kan worden; en deze vrouw malie de Heere ais Rachel en Lea, die beiden hel huis van Israël gebouwd hebben. Waarom noemt de Heilige Geest juist hier deze twee? Waren er dan niet meer heilige vrouwen, wier namen hier konden aangehaald worden ? Waarom zegt de Heilige Geest: Rachel en Lea, en niet: Lea en Rachel, daar toch Lea de oudere, en eerstgehuwde, was?
Ruth was, hoewel van heidensche en Moabitische afkomst, eene onberispelijke vrouw. Maar Boaz had alles aanvaard, wat van Elimélech, Chiljon en Mach-lon geweest was. Bij zijn huwelijk met Ruth ge-
11
denkt hij ook aan Chiljon, ofschoon Euth niet Chil-jon's maar Machlon's vrouwe was geweest. En om Chiljon's wille worden hier beide Rachel en Lea genoemd : het huis van Boaz zoude als 't ware een dubbel, een zeer wijd en vorstelijk huis zijn, dat beide zonen van Elimélech en Naomi vertegenwoordigen moest. Daarom werden beide namen, Eachel en Lea, aangehaald. En Rachel, om wie Jakob zeven jaren lang aangehouden had, werd achteruitgezet , verschoven en ter zijde geworpen door haren huichelachtigen en gierigen vader; daarom moest zij hier voor aan komen. Ja, Rachel heeft het tot op don bodem des harten vele jaren lang gesmaakt, wat het is, achteruitgezet en verschoven te worden, en denzelfden beker der smaad heeft Ruth ook uit moeten drinken tot op den droesem, toen zij achter de maaiers aren oplas op Boaz' veld ! Maar o! waar men het zwijgend verdraagt, dat men verongelijkt en miskend wordt, en alles Grod in de handen stelt, en bij Zijn woord en gebod blijft, daar zal men ook gewisselijk eere ontvangen van den Heere, den God Zebaoth, en wat jaren lang achteruitgezet , verschoven en als begraven was, staat plotseling boven aan. Daarenboven was Rachel in den aanvang onvruchtbaar, en ook Rulh had geen kind uit haar huwelijk met Machlon. Maar toch heeft Rachel twee zonen verkregen van den Heere: Jozef en Benjamin. Daarom moest Rachel ook bovenaan staan in den zegen des volks, opdat Ruth zoude weten tot haren troost, dat Hij, die homel en aarde uit niet geschapen heeft, ook wel machtig is het huis van Israël te bouwen, en dat het op Gods wegen alzoo luidt: eerst onvruchtbaarheid en verongelijking , en dan zegen, eere en heerlijkheid,
12
Tiooals liet ook te lezen staat 1 Samuel 2 vs. 5. quot;Wat hadden Rachel en Lea gedaan ? Het huis van Israël gebouwd. Met Israël wordt hier bedoeld : de aartsvader Jakob, die echter hier Israël genoemd wordt naar den nieuwen naam, dien hem de Heere had gegeven, toen bij zich vorstelijk had gedragen met God en menschen. Jakob meende, dat met hem alles gedaan was; hij dacht, dat de vijand zoude komen, en hem zou glaan, de moeder en de zonen. In zijnen nood heeft Jakob met God en menschen geworsteld en gezegd: ik laat U niet gaan, tenzij Gij mij zegent. Hij is aan den Heere blijven hangen, heeft overwonnen en heeft zóó den zegen ontvangen. Boaz bleef ook bij den Heere. Ruth kleefde hare schoonmoeder en zóó den Hëere aan, en zoo moest hier staan de naam dezer beide vrouwen, die het huis van Israël gebouwd hadden, en datzelfde huis zou nu ook gebouwd worden uit Ruth. Wat doet alzoo eene vrouw, die God vreest? Zij bouwt haar huis, doch dit geschiedt niet alleen, doordat zij kinderen verkrijgt, maar allereerst en voornamelijk door hetgeen wij lezen: Spreuken 14 vs. 1: Elke wijze vrouw bouwt haarhuis; maar die dwaas is, breekt het aj met hare handen.
Door âeene die zeer dwaas isquot; verstaat de Heilige Geest zulk eene vrouw, die ongedurig is in al haar wezen, en zoowel voor zich zelve als voor hare kinderen steeds het oog heeft op het tijdelijke en vergankelijke dezer wereld.
Uitgegeven bij H. BUSKES te Uteecht ⢠Haverstraat, Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BüCKMANN, Elberfeld.
Prijs per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Cts.
No. 21. 20 November 1886.
SCHRIFTVERKLARINGEN
VAN
Dr. H. F. KOHLHRtOOE:.
Verklaring van het boek Euth.
Cap. IV.
Eene âzeer dwaze vrouw,quot; meent, dat het liuis te bouwen uitsluitend daarin bestaat, kinderen ter wereld te brengen en lichamelijk op te voeden; die dan verder maar eigen lust en zoogenaamd vermaak najaagt, en de kinderen meer als eene bijzaak beschouwt, ze vertroetelt en bederft, en verzuimt hen van de vroegste jeugd af Gods gebod en Gods Woord voor te houden.
âEene die zeer dwaas isquot; meent, dat de kinderen eigenlijk bestaan om den ouders roem te verschaffen, of, wat nog erger is, de inkomsten te helpen vermeerderen. Daar wordt alzoo niet gedacht aan het tijdelijk en eeuwig behoud des huizes, maar aan oogenblikkelijken lust en vermaak, men vergeet daar, dat alles uit Gods hand komt, maar tracht alles te verkrijgen, wat de ijdelbeid en wereldschgezindheid ingeeft.
Eene wijze vrouw ecliter ziet al hot vergankelijke, ook haar eigen huis, in het licht der eeuwigheid,
2
zij ziet bij zichzelve niets dan zonde en schuld, maar weet toch alles zoo in te richten, dat haar huis gegrond is op het heil des Heeren, op den rotssteen Christus, als op het eeuwige, onvergankelijke fondament. Ziilk eene moeder jaagt geen jjdel, wereldsch genot na, noch voor zichzelve, noch voor hare kinderen, maar dat zoekt zij, wat voor eeuwig behon-den, voor eeuwige gelukkig maken kan. Zij begrijpt, dat zij daartoe leeft, en een huis van Grod den Heere heeft ontvangen, opdat dat huis dure tot in aller eeuwen eeuwigheid. Het huis wordt afgebroken , wanneer de vrouw denkt: ik ben hier de baas, en mag heerschen zooveel ik wil; gebouwd wordt het huis daarentegen, als de vrouw denkt: ik ben hier dienstmaagd van mijnen God, de dienstmaagd van den Heere en do dienstmaagd van don man, dien Hij mij heeft gegeven, de moeder en leidsvrouw mijner kinderen.
Zoo zoekt zij, als eene in eigen oog geringe dienstmaagd , de eere van haren God, de eere van haar huis hoog te houden, en wat anderen met veel geld nauwelijks tot stand brengen, dat krijgt zij klaar door spaarzaamheid en gebed; zoo heeft zij altoos allerlei om haren man en hare kinderen mede te verheugen. Ja, zóó is het met eene in Gods oogen wijze vrouwr gesteld. De vrouw is daar, opdat bet huis door haar gebouwd worde, en dat moet de vrouw ook weten, maar ook: dat zij het niet kan, maar dat zij met haar gansche huis, met man en kinderen , des lleeren is. Zoo worstelt zij met haren God, en gebouwd wordt haar huis ten eeuwigen dage, ook al meent zij in haren druk te vergaan!
Vs. 11. En handel kloekelijk in Efralha, en vwak uwen naam vermaard in Bethlehem! Handel kloe-
3
kelijk beduidt in de Ilebreeuwscliotaal: Wees krachtig , het ontbreke u nooit aan kracht om door te zetten, wat gij onderneemt; (zooals in liet laatste vers van Ps. 81; Woest sterk! en Hij zal ulieder hart versterken, o allen gij, die op den Heere hoopt!) Zulk eene vrouw blijve dus aan 't worstelen met God. Efratha, de plaats waar zij met Naomi heen-getogen was, beduidt wassen, toenemen. In de stad, die zulk een heerlijken naam heeft, houdt zulk eene wijze vromv aan in 't gebod, en waar zij zóó werkzaam is, komt zij te midden van hare zwakheid alles te boven, door kracht, die God haar verleent, juist dan als zij denkt: nu is alles verloren! En zoo ervaart zij , wat de Heere voor haar is en vóórhaar doet. Bethlehem beduidt Broodhuis. Welke vrouw wordt van God geprezen? Zij, die zichzelve niet prijst, noch lof van menschen begeert. Het is der vrouw eigen, gaarne als eene geschikte en bekwame huismoeder te worden geprezen. Die vrouwen zullen voor God en menschen geprezen worden, die niet weten, dat zij voortreffelijk zijn, en het met haren levenswandel bewijzen, dat zij dienstmaagden van haren God, dienstmaagden voor hare echtgenooten, moeders en leidsvrouwen van hare kinderen zijn.
Vs. 12. En uw huis zij als hel huis van Perez, [dien T ham ar aan Juda baarde), van hel zaad, dat de Heere n cjeven zal uil deze jonge vrouw-'
Die jonge vrouw had echter in haar vorig liuwe-lijk niets gekend dan onvruchtbaarheid. Maar wat komt het er op aan, wrat men tot nu toe beleefd heeft, als God nu zegen geven wil!
Perez beduidt Doorbreker. Ach ! hoe lang heeft het geduurd, totdat die naam waarheid werd! Welkeen langen tijd van Perez tot Boaz! Maar een ceder, en
4
een eikenboom groeit niet in eenen dag! En waar God werkt, en waar Hij Zijnen zegen geeft, gaat het langzaam maar zeker; Hij werkt in de laagte, in het verborgene; wat Hij werkt, is klein en toch veel grooter dan alle heldenstukken van het vleesch, en toch blijft het klein, het is zwak en toch machtig, geinig en toch veel, onaanzienlijk en toch der zon gelijk, die opgaat in hare pracht. Zoo is het gesteld, waar God Zijn echt, maar verborgen werk tot stand brengt. Hier zegt de Heilige Geest door het volk; âhet huis van Perezquot;. quot;Waarom niet liever een anderen naam hier, dan dien van Perez? Omdat het geheele boek Ruth wel Perez, dat is ,,doorbrekerquot; zou kunnen heeten, want de geheele geschiedenis, die daarin voorkomt, is van het begin tot het einde een âdoorbreken met Godquot;. Daar was aanvankelijk niets te zien dan jammer en ellende: eene weduwvrouw, die zoo ongelukkig was, dat zij door nood en armoede gedreven, hare beide schoondochters van zich wilde laten gaan: haar man was ten grave gedaald, geen dappere zonen vergezelden haar, toen zij in Bethléhem aankwam. Allen hadden haar gekend als eene rijke, aanzienlijke vrouw, en nu had zij niets, niets meer, en toch eene heidensche, Moabietische breekt met haar door, en spreekt het uit: uw volk is mijn volk, uw God is mijn God. Maar welk recht heeft de heidensche Ruth te zeggen: uw volk is mjjn volk? Zij was immers niet uit Israël geboren; maar in den geloove breekt zij nochtans door, en noemt een volk het hare, dat het hare niet was, en zij noemt Israels God haren God, hoewel Hij haar tot nu toe vreemd was, en zulk een doorbreken in den geloove is den Heere welgevallig. En toen zij te Bethléhem aankwamen, toen de moeder het aangezicht bedekken
5
moest, toen de vrienden en gebnren spraken: Is dat Naomi ? liet zij zich ook door de hartverscheurende taal der moeder niet van den goeden weg afbrengen , en bleef zeggen: uw volk is mijn volk, uw God is mijn God. Zij, die in Moab rijkdom had gekend, wilde niets meer zijn dan een bedelkind, eene arme weeze, en zóó breekt zij door en spoedt zich op Boaz' veld. En toen zij gewaar werd, hoeveel goeds die man haar deed, en Naomi sprak: mijne dochter! zoude ik u geen rust zoeken, dat het u welga, vraagt zij wederom naar niets, maar breekt door; en toen hare schoonmoeder sprak: zit stille, daar zat zij ook stille, en was in de poort des ge-ricbts niet te vinden. Het was haar volle recht geweest, in die poorte op te gaan, en den naderen losser, die haar versmaadde, hoewel hij haren akker wel had willen lossen, te behandelen naar Deutero-nominm 25 vs. 9, maar zij wilde den booze niet wederstaan, en daarom liet zij het bij de gewoonte, die, volgens Ruth 4, bij Israël in zwang was, berusten, en zoo brak zij door, hoewel zij stil bij Naomi te huis zat.
Waar nu zulk eene vrouw het huis bouwt, daar wordt het ook gebouwd als dat van Perez, want wie eenmaal met den Heere doorbrak, komt ook verder door alles henen.
Maar nu komt er iets, wat alle met eigengemaakte heiligheid versierde mannen en vrouwen met schouderophalen zullen lezen, en zoo zullen zij voor smaad en schande rekenen den zegen, dien de Heilige Geest het volk gaf uit te spreken: Perez, dien Tham ar aan Juda baarde. Laat ons de geschiedenis , die achter deze woorden ligt, eens nagaan , want God de Heilige Geest kan het volk toch 21.
2
zij ziet bij zichzelve niets dan zonde en schuld, maar weet toch alles zoo in te richten, dat haar huis gegrond is op het heil des Ilecren, op den rotssteen Christus, als op het eeuwige, onvergankelijke fondament. Zulk eene moeder jaagt geen ijdol, wereldsch genot na, noch voor zichzelve, noch voor hare kinderen, maar dat zoekt zij, wat voor eeuwig behouden, voor eeuwige gelukkig maken kan. Zij begri]ptr dat zij daartoe leeft, eu een huis van God den Heere heeft ontvangen, opdat dat huis dure tot ia aller eeuwen eeuwigheid. Het huis wordt afgebroken, wanneer do vrouw denkt: ik ben hier de baas, en mag heerschen zooveel ik wil; gebouwd wordt het huis daarentegen, als de vrouw denkt: ik ben hier dienstmaagd van mijnen God, de dienstmaagd van den Heere en de dienstmaagd van den man, dien Hij mij heeft gegeven, de moeder en leidsvrouw mijner kinderen.
Zoo zoekt zij, als eene in eigen oog geringe dienstmaagd, de eero van haren God, de eere van haar huis hoog te houden, en wat anderen met veel geld nauwelijks tot stand brengen, dat krijgt zij klaar door spaarzaamheid en gebed: zoo heeft zij altoos allerlei om haren man en hare kinderen mede te verheugen. Ja, zóó is het met eene in Gods oogen wyze vrouw gesteld. De vrouw is daar, opdat het huis door haar gebouwd worde, en dat moet de vrouw ook weten, maar ook: dat zij bet niet kan, maar dat zij met haar ganschc huis, met man en kinderen , des lleeren is. Zoo worstelt zij met haren God, en gebouwd wordt haar huis ten eeuwigen dage, oojc al meent zij in haren druk te vergaan!
Vs. 11. En handel kloekelijk in Efralha, en maak uwen naam vermaard in Belhlchem! Handel kloe-
3
kolijk beduidt in de Hebreeuwschetaal: Wees krachtig, het ontbreke u nooit aan kracht om door te zetten, wat gij onderneemt; (zooals in liet laatste vers van Ps. 31: Woest sterk! en Hij zal ulieder hart versterken, o allen gij, die op den Heere hoopt!) Zulk eene vrouw bljjve dus aan 't worstelen met God. Efratha, de plaats waar zij met I^aomi been-getogen was, beduidt wassen, toenemen. In de stad, die zulk een heerlijken naam heeft, houdt zulk eene wijze vronw aan in 't gebed, en waar zij zóó werkzaam is, komt zij te midden van hare zwakheid alles te boven, door kracht, die God haar verleent, juist dan als zij denkt: nu is alles verloren! En zoo ervaart zij , wat de Heere voor haar is en vóórhaar doet. IJethléhem beduidt Broodhuis. Welke vrouw wordt van God geprezen? Zij, die zichzelve niet prijst, noch lof van meuschen begeert. Het is der vrouw eigen, gaarne als eene geschikte en bekwame huismoeder te worden geprezen. Die vrouwen zullen voor God enmenschen geprezen worden, die niet weten, dat zij voortreffelijk zijn, en het met haren levenswandel bewijzen, dat zij dienstmaagden van haren God, dienstmaagden voor hare echtgenooten, moeders en leidsvrouwen van hare kinderen zijn.
Vs. 12. En uw huis zij als het huis van Perez, [dien Th am ar aan Jada baarde), van hel zaad, dat de Heere u geven zal uil deze jonr/e vrouw!
Die jonge vrouw had echter in haar vorig huwelijk niets gekend dan onvruchtbaarheid. Maar wat komt het er op aan, wat men tot nu toe beleefd heeft, als God nu zegen geven wil!
Perez beduidt Doorbreker. Ach ! hoe lang heeft het geduurd, totdat die naam waarheid werd! Welkeen langen tijd van Perez tot Boaz! Maar een ceder, en
4
een eikenboom groeit niet in eenen dag! En -waar God â¢werkt, en waar Hij Zijnen zegen geeft, gaat het langzaam maar zeker; Hij werkt in de laagte, in het verborgene; wat Hij werkt, is klein en toch veel grooter dan alle heldenstukken van liet vleesch, en toch blijft het klein, het is zwak en toch machtig, geinig en toch veel, onaanzienlijk en toch der zon gelijk, die opgaat in hare pracht. Zoo is het gesteld, waar God Zijn echt, maar verborgen werk tot stand brengt. Hier zegt de Heilige Geest door het volk: âhot huis van Perezquot;. Waarom niet liever een anderen naam hier, dan dien van Perez? Omdat het geheele boek Ruth wel Perez, dat is ,,doorbrekerquot; zon kunnen heeten, want de geheele geschiedenis, die daarin voorkomt, is van het begin tot het einde een âdoorbreken met Godquot;. Daar was aanvankelijk niets te zien dan jammer en ellende: eene weduwvrouw , die zoo ongelukkig was, dat zij door nood en armoede gedreven, hare beide schoondochters van zich wilde laten gaan: haar man was ten grave gedaald, geen dappere zonen vergezelden haar, toen zij in Bethléhem aankwam. Allen hadden haar gekend als eene rijke, aanzienlijke vrouw, en nu had zij niets, niets meer, en toch eene heidensche, Moabietische breekt met haar door, en spreekt het uit: uw volk is mijn volk, uw God is mijn God. Maar welk recht heeft de heidensche Ruth te zeggen: uw volk is mijn volk? Zij was immers niet uit Israël geboren; maar in den geloove breekt zij nochtans door, en noemt een volk het hare, dat het hare niet was, en zij noemt Israels God haren God, hoewel Hij haar tot nu toe vreemd was, en zulk een doorbreken in den geloove is den Heere welgevallig. En toen zij te Bethléhem aankwamen, toen demoeder het aangezicht bedekken
5
moest, toen de vrienden en geburen spraken: Is dat Naomi ? liet zij zich ook door de hartverscheurende taal der moeder niet van den goeden weg afbrengen , en bleef zeggen; uw volk is mijn volk, uw God is mijn God. Zij, die in Moab rijkdom had gekend, wilde niets meer zijn dan oen bedelkind, eene arme weeze, en zóó breekt zij door en spoedt zich op Boaz' veld. En toen zij gewaar werd, hoeveel goeds die man haar deed , en Naomi sprak: mijne dochter! zoude ik n geen rust zoeken, dal hel u welga, vraagt zij wederom naar niets, maar breekt door; en toen hare schoonmoeder sprak: zit stille, daar zat zij ook stille, en was in de poort des ge-richts niet te vinden. Het was haar volle recht geweest, in die poorte op te gaan, en den naderen losser, die haar versmaadde, hoewel hij haren akker wel had willen lossen, te behandelen naar Deutero-nomium 25 vs. 9, maar zij wilde den booze niet wederstaan, en daarom liet zij het bij de gewoonte, die, volgens Ruth 4, bij Israël in zwang was, berusten, en zoo brak zij door, hoewel zij stil bij Naomi te huis zat.
Waar nu zulk eene vrouw het huis bouwt, daar wordt het ook gebouwd als dat van Perez, want wie eenmaal met den Heere doorbrak, komt ook verder door alles henen.
Maar nu komt er iets, wat alle met eigengemaakte heiligheid versierde mannen en vrouwen met schouderophalen zullen lezen, en zoo zullen zij voor smaad en schande rekenen den zegen, dien de Heilige Geest het volk gaf uit te spreken: Perez, dien Thamar aan Juda baarde. Laat ons de geschiedenis , die achter deze woorden ligt, eens nagaan , want God de Heilige Geest kan het volk toch 21.
6
niet hebben doen uitspreken, wat niet met Q-ods heiligheid overeenstemde. Juda nam zich eene Ka-naanitiesche vrouw, dus geen vrouw, die God vreesde. Hij moest dit niet gedaan hebben, maar eene andere, eene geloovige vrouw genomen hebben. Ja! hij moest, hij moest, maar hij had het niet gedaan, en den lust zijner oogen volgende, had hij zich aan eene Kanaanitiesche verbonden. Staat dit nu geschreven om Juda's doen te verontschuldigen en goed te keuren? Geenszins! maar daartoe staat het geschreven, opdat, zoo er ergens een Juda is, die in angst en nood zit over zjjne zonden: die Juda zou weten, dat er genade bij Grod voor hem te vinden is. De vrucht van zulk eene Kanaanitiesche deugt echter niet. Met de roeden van dien boom, dien men zelf heeft geplant, wordt men later geslagen. Voorzeker kan God alles goed maken, maar waar men een' verkeerden weg heeft betreden, daar moet men ook ervaren, wat daarop te vinden is, en waar men stout en driest meende eigen wil en zin te kunnen volgen, daar moet men ook proeven en smaken, wat men gedaan heeft.
Uit zijne heidensche vrouw had Juda een zoon, wiens naam was Ger, dien gaf hij eene vrouw, met nameThamar. Ik trek geenszins in twijfel, dat Juda getracht heeft dezen zijnen zoon in de leering en vermaning des Heeren op te voeden, maar evenmin betwijfel ik, dat deze vrouw alles afgebroken zal hebben, wat Juda opbouwde.
quot;Wie zal dit echter kunnen bewijzen ? Dit is zeker, de jonge man deugde niet, en de Heere sloeg hem dood. Niettegenstaande dit bleef Thamar de erfgename van den zegen der belofte, omdat zij met den oudsten zoon, den erfgenaam, verbonden was geweest.
7
Volgens dengoddelijken wil, later in de wet uitgesproken, moest zij den tweeden zoon ter vrouwe worden, opdat door dezen zijnen broeder zaad zoude verwekt worden. Maar ach! die tweede zoon van Juda heeft Thamar allerlei verdriet en harteleed aangedaan: dat was vreeselijk, dat was iemand, wiens zonde men haast niet waagt uit te spreken. Ach! waren er maar niet al te veel echtelieden, die geen achtslaan op het zevende gebod en deszelfs heerlijke uitlegging in den 41stea Zondag van onzen Catechismus: dat alle onkuischheid van God vervloekt is, en dat wij daarom, derzelve van harte vijand zijnde, kuisch en tuchtelijk leven moeten, hetzij in den heiligen huwelijken staat, of buiten denzelven. Vr. en Antw. 108. Ach! waren er maar niet al te veel jongelieden , die in het verborgen allerlei gruwelen plegen, waarvan God gezegd heeft, dat die zulke dingen doen het Koninkrijk Gods geenszins zullen beërven. Ach ! dat zij toch eens leerden inzien , dat zij zulke ongerechtigheden wel voor men-schen, maar niet voor den Heere kunnen verbergen, en o! dat al zulke overtreders, hetzij in den heiligen huwelijken staat, of buiten denzelven, met hunne schandelijke zonden tot God leerden vluchten en bij Hem om vergiffenis en verlossing van hnnne ongerechtigheden leerden aanhouden!
Doch genoeg hierover; ook dezen boozen zoon van Juda uit eene Kanaiinitiesche vrouw sloeg de Heere dood. Toen sprak Juda tot Thamar: wanneer mijn derde zoon oud genoeg is, zal ik hem met u verbinden. Maar toen die tijd was gekomen, mag Juda in zijne vleeschelijke liefde tot dien derden zoon gedacht hebben: â o! hoe vaak verzondigen ouders zich daardoor, dat zij vleesch en bloed boven Gods
8
quot;Woord en bevel stellen ! â zouden waarlijk mijne zonen zoo goddeloos zijn geweest? Zou de schuld niet aan Thamar liggen? Zoo ik haar met mijnen derden zoon verbind, zal die misschien ook sterven. Juda wilde zijn kind niet aan het oordeel des Hee-ren blootstellen. Thamar echter dacht: ik ben de erfgename der beloftenis, door mij moet het huis van Juda, waaruit eens de Messias zal voortkomen, voortgeplant worden, maar hoe is dat mogelijk, zoo ik kinderloos blijve? En zoo heeft zij in hare smart, in de bitterheid barer ziele, den weg ingeslagen, dien wij Genesis 38 beschreven vinden. Was dit, op het zachtst genomen, niet hoogst voorbarig-van haar? Had zij niet beter gedaan, zoo zij op God gehoopt, en Hem hare zaak toevertrouwd had? Want de Heere was immers machtig, Juda's hart te bewegen haar met Sela, zijn' derden zoon, te verbinden? Jal gewisselijk ware dat beter en loffelijker geweest, dat verstaat zich van zelf, want de Heere spreekt: al wat gjj den Vader bidden zult in Mijnen Naam, dat zal Ik doen. Ja, gewis er ware voor Thamar geen beter en veiliger weg geweest, dan te bidden zonder ophouden! Maar zij was geen gewone vrouw, en had de schrikkelijkste ellende en tegenspoed beleefd! Zij vroeg naar niets meer, dan naar de vervulling der belofte. Is dit nu ons ten voorbeeld geschreven, opdat ook wij onzen wil en zin door zouden zetten, het koste dan wat het kost? Oneen! gewisselijk niet, want door het gebed kunnen wij alles bekomen, en God zal ons verhoeren, en verlossen uit elke benauwdheid, dat kan Hij niet laten, dat heeft Hij honderdmaal in Zijn Woord beloofd, maar Hij spreekt ook: gij schapen, schapen Mijner weide, gij zijt mensehen, â en zoo wist de Heere ook,
9
dat Thamar de redeneerkunst niet verstond, en hefc haar, frots hare voorbarigheid, in den grond des harten om de vervulling der belofte ging, en om niets andera.
Deze geschiedenis, nog eens, is ons niet ten voorbeeld geschreven, maar tot troost voor allen, die God blijven aanroepen ook in nooden, die zij zelve over zich hebben gehaald; die, hetzij zij gezondigd of wel gedaan hebben, blijven roepen: Heere! ontferm U mijner, ik lig in nood en angst verzonken, maar o! verlos mij naar Uw Woord! Nog eens! liet ging Thamar om de vervulling der belofte, wier erfgename zij was, en daarom zag de Heere veel bij haar over het hoofd, en droeg haar in Zijne lankmoedigheid, zoodat zij zelf nog do voorzichtigheid had, van Juda pand en onderpand te nemen. Zij wist echter, dat de dood des vuurs haar wachtte. Niet door vleeschelijken lust gedreven, had zij den weg ingeslagsn. dien zij insloeg, niet om later een leven vol onreinheid te kunnen leiden. Neen ! zij wist, dat door zoo te handelen als zij deed, er voor haar niets meer te hopen viel hier op aarde, en in het verschiet zag zij reeds de vlammen, die haar moesten verteren.
Juda was weduwnaar geworden. Diezelfde Juday van wien de Heere sprak : Juda! gij zijt het, u zullen uwe broeders loven! schijnt weinig gedacht te hebben aan het woord: dwaalt niet; noch hoereerders, noch ontuchtigen, nocli overspelers zullen het Koninklijk Gods beërven, zooals wij dit in 1 Cor. 6 vs. 10 lezen, en zooals het ook even goed Gods Woord en bevel was, al was hot toen nog niet te boek gesteld. Ik kan u niet genoeg herhalen, dat ook deze bijzonderheid omtrent Juda's gedrag geens-
10
zins in Gods Woord is opgeteekend ons tot een voorbeeld, zoodat iemand onzer zoude meenen: heeft Juda gezondigd, nu, dan mag ik het ook wel eens doen. Neen! wie zulke gevolgtrekkingen maakt, schaadt zichzelven voor tijd en eeuwigheid, en zal de vreeselijke gevolgen plukken van zijn lichtzinnig â¢en goddeloos gedrag. Zulke geschiedenissen, die ons de overtredingen van Gods heiligen vermelden, zijn tot -troost geschreven van arme zondaren, opdat, wie gezondigd heeft, op de borst leere slaan, zich zelf verfoeie in stof en assche, en met eon verbrijzeld hart uitroepe: o God! wees mij zondaar genadig. Opdat dezulken niet tot den strop of het water, maar tot den levenden God zouden gaan, staat er in Gods Woord geschreven: er is genade voor u, o zondaar ! en verlossing uit uwe zonden en overtredingen.
Juda maakte het echter, toen zijne zonde ontdekt zoude worden, even als David, toen de profeet Nathan hem bestrafte: gelijk David sprak: de man, die dat gedaan heeft, is des doods schuldig, zonder te bedenken, dat hij die man was, zoo sprak ook Juda: breng ze hiervoor, dat zij verbrand worde! Maar gelijk Nathan aan David zijne zonde bekend maakte, zoo openbaarde Thamar ook de overtreding van Juda, toen zij tot hem zeide: beken toch, wiens deze zegelring, en deze snoeren, en deze staf zijn. En Juda zag zijne zonde in, rechtvaardigde zich zeiven niet, sprak ook niet, nu ja! zonde is zonde, laat ons deze geschiedenis nu maar doodzwijgen, â want ik ben een geloovig, begenadigd man, maar hij sprak: zij is rechivaardiger dan ik, met andere woorden: ik heb gezondigd! Ziet! zóó was de geboorte van Perez uit Juda.
De oudsten uit Bethlehem-Juda, die, door den
11
Heiligen Geest gedreven, dezen zegen over Boaz en Ruth uitspraken, waren groote zondaren voor God, en zulke zondaren houden zich niet lang op met de overtredingen hunner zusters en broeders.
Dezulken kunnen het 3Sste hoofdstuk van Genesis lezen zonder schouderophalen, en denken er niet aan, over de arme Thamar den staf te breken. Daartoe hebben zij te veel met hunne eigene zonden en overtredingen te doen, en zien nauwelijks zonde in anderen, maar, ook waar ze voor uiterlijke, grove zonden bewaard werden, kennen zij toch hunne eigene zwakheid, en eerbiedigen Gods raadsbesluit, volgens hetwelk in Gods wegen dit woord geldt: waar de zonde meerder is geworden, is de genade veel meer overvloedig geweest. En daarom, al gaat de nood ook nog zoo hoog, zoo de mensch, de zondaar, op God blijft hopen, waar het brekende zielsoog op Hem ziet, door wiens striemen wij genezen zijn, dan helpt de Heere uit dien nood, en schenkt leven, zaligheid en verlossing uit alle ongerechtigheid ! Eu zóó zullen zij genade en eere ontvangen, die zich zeiven verdoemen en verwerpen, maar nochtans op den Heere blijven hopen, ook in den stikdonkersten nacht! En zóó zal de Heere Heere, de God Zcbaoth, de God Israels geprezen worden eeuw in, eeuw uit, en tot in alle eeuwigheid, als Degene, die den vreemdeling in Israël inplant, als de Rechter der weduwen, als de Vader der weezen, als de God, die hen uit de diepte ophaalt, die meenden eeuwiglijk om te komen, en dezulken zet op den Kotssteen, die allen vijanden te hoog is!
A M E K
GENESIS XXXII: 31.
God zocht ik in mijn bangsten nacht, Hij wilde: ik zou Hem laten trekken;
Dit was om liefdestrijd te rekken!
Sints rees de zon in al haar pracht.
Wat was het, dat ik sterker was Dan die deez' aard draait om haar as?
Ik kwam er zonder wond niet af: In zwakheid zal Zijn kracht steeds blijken,
Ik mag .met mijn figuur niet prijken. Dies ga ik hinkend tot aan 't graf.
Verwring de heup! â of ik vergeet Wie mij verloste, en stilde 't leed.
Wil God u werpen in het stot,
En met Zijn toorn ter aarde drukken,
Het moet u in dees kamp gelukken, Wanneer gij staan blijft op Zijn Lof.
No
Wis dat Zijn neerlaag Hem verblijdt, Als gij zóó overwinnaar zijt.
Uitgegeven bij H. BÃSKES te Uteecht. Ilaverstraat. Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BÃCKMANN, Elberfeld. Prijs per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Cts.
No. 22. 4 December 1886.
SCHRIFTVERKLARINGEN
VAN
Dr. II. F. KOHLBRtiGGE.
Job 19 vs. 25, ^
Mijne geliefde broeders en zusters! Het is niet goed, als wij alleen des Zondags Christenen zijn, maar de geheele week door moeten wrij Christenen wezen. Het vertrouwen op den levenden God moet niet alleen aanwezig zijn, als wij iets zien, als wij naar ons begrip iets Itebben, waarop wij ons kunnen verlaten, maar veel meer dan wanneer er niets is. De waarheid Gods, de waarheid des geloofs is niet van onze gewaarwordingen of van ons gevoelen afhankelijk, ze is niet gebonden aan hetgeen wij zien of grijpen kunnen, maar berust op Gods beloften, door het geloof omhelsd. Die God, Die in den hemel woont, en alles in Zijn hand, macht en geweld heeft, regeert, en voor Hem zijn de menschen als een druppel aan den emmer, als een stofje aan de weegschaal. Wat
1) Nu de uitleggingen van het boek Ruth ten einde liepen, meenden wij onzen lezers geen ondienst te doen, met er eene betrachting over Job 19 vs. 25 aan toe te voegen, waarin de hoofdtrekken van het boek Ruth nog eens, vooral in hunne geestelijke beteekenis, op den voorgrond worden gezet. Wij meenen hiermede in den geest van onzen schrijver te handelen, die op zijne uitleggingen meermalen zulk eene betrachting als slotrede liet volgen. Zoo b. v. is aan de uitleggingen vau Joh. Til eene leerrede over Rom. VIII vs. 32, aan de Jonapreken, eene slotleerrede over Matth. 12 vs. 40 toegevoegd.
De Red.
gebeurt, gebeurt alleen door Zijne hand, geschiedt alleenlijk naar Zijnen raad en gelijk Hij het bij Zich-zelven heeft besloten. Zóó hebben wij vaak oorzaak met Job te neggen: zouden wij het goede van God ontvangen en het kwade niet ontvangen? Job 2 vs. 10. âGeef ons heden ons dagehjksch broodquot; is de bede, die de Heere ons gaf; maar als wij geen brood meer hebben, en voor morgen en overmorgen ook niets meer hebben, dan zitten wij diep in zorgen. Voor zoo veel wij naar ons begrip zouden hebben, willen wij wel acht slaan op het evangelie, maar wij luisteren niet gaarne naar Zijne heilige geboden, Zijne heilige wet. Het is bekend, dat wij in eene plaats wonen '), die sints eeuwen, boven vele andere, met Gods Woord en waarheid is begenadigd, maar het is ook bekend, dat de zonden onzer woonplaats ten hemel schreeuwen, dat hare misdaden voor God niet zijn vergeten, en zij vol is van gruwelen tegen den heiligen en levenden God ! Waar zullen wij nu blijven, waar heen zullen wij vlieden, als Gods oordeelen over onze stad zullen aanvangen? Waar zullen Zijne kinderen blijven, die Zijnen Naam aanroepen? Waar zullen wij ons herbergen, als wij gedenken aan onze eigene zonden? als wij indachtig worden onze lichtzinnigheid, onzen hoogmoed, onzen wandel zonder den levenden God, waarbij wij wel iets van genade kennen of meenen te kennen, maar slechts alleen zoo lang de Heere ons niets in den weg legt! Waar eullen wij blijven, als God de Heere, heden of morgen, voor iionderden en duizenden den staf des broods breekt, zoodat men niet meer weet wat te eten of te drinken, of waarmede zich te kleeden? Dan staan wij rade-
1) Elberfcld.
3
loos daar , eu waar zullen wij dan den moed van daan halen, om te bidden: âGeef ons heden ons dagelijksch broodquot;, daar wij zulke groote en gruwelijke zondaars zijn? Mijne Greliefden! als God komt, dan gaat het gewoonlijk, alsof, terwijl alles licht is, er plotseling een glas springt '). Ãij God is geen ding onmogelijk. Kan God brood en kleederon geven, kan Hij werk verschaffen, kan Hij helpen, als buitendien volstrekt geene uitzichten daarop bestaan ? Aller antwoord is gewis; Ja ! Maar wat heb ik aan dat bloote; yV(, wat heb ik aan de Almacht Gods op zichzelve? Alleen dan heb ik daaraan iets voor mijne arme ziel, te midden van mijnen kommer en mijne zorgen, als ik mij met al het mijne mag werpen op don levenden God. Wat is toch wel het zwaarste stuk voor het geloof? Dat is de wederopstanding der dooden. l)at God een mensch, op wonderbare wijze, laat geboren worden, dat Hij hem laat opvoeden en van alles verzorgt, dat Hij hem laat sterven en hem in den hemel opneemt, dat is alles nog niets, maar dat Hij ten laatste ook over het stof blijft staan, dat Hij , als de wormen reeds lang deze mijne oogen, dit mijn lichaam, deze mijne huid zullen doorknaagd hebben, nochtans alles weder zal verzamelen en te voorschijn roepen uit de graven, zoodat een ieder voor Hem zal staan in zijn eigen lichaam, dat is groot, dat is wonderbaar! Zoo wij recht daarvan overtuigd zijn, mogen wij Hem dan niet al het andere vrij overlaten, al het andere Hem toevertrouwen? Wanneer wij lang in de graven zullen zijn gezonken, als ons stof lang vergeten is in het land der levenden , als de wormen
1) Op hetzelfde oogenb ik, dat de schrijver deze woorden uitsprak^ sprong het glas van een der gaslampen.
4
ons lichaam doorknaagd, en geheel opgelost zullen hebben, waar zal dan het stof blijven!
Wie zal daarover waken? Wie zal dat weer verzamelen en verheerlijken, zoodat het gelijkvormig zij aan verheerlijkte lichaam Christi? Dat kan Hij aileen! dat zal IIij alleen doen, die getrouwe Vriend! En zoo Hij dat doen kan en doen zal, zal Hij dan ook niet voor alles voor dit leven zorg dragen ? Dit betuigt de lijdende Job als hij spreekt in Job 19 v's. 25: Want ik weet, mijn Verlosser leeft!
Wij slaan hier acht op den naam âVerlosserquot;; op het geloof dat spreekt; âmijn Verlosserquot;; op hetgeen van dezen Verlosser gezegd wordt: âHij leeftquot;; op de vaste overtuiging die zich daarin uitspreekt, dat Job zegt: ik weet, en eindigen met eenige toepasselijke aanmerkingen.
Het woord âVerlosserquot; beduidt hetzelfde als âBloedvriend , nabestaandequot;, die ons naar het bloed de naaste is, die het recht bezit, zijnen bloedvriend te helpen , hem vrij te keepen, zoo hij zichzelven verkocht heeft, hem vrij te koopen niet alleen voor zooverre het zijn persoon betreft, maar ook zijne goederen, die hij mocht hebben verkocht of weggeworpen. âLosser, verlosserquot; beteekent iemand, die met een losgeld, eenen losprijs de goederen wederom verwerft, die een bevriend persoon verkocht heeft. Verder beduidt het woord âverlosserquot; een bloed-wreker, die het vergotene bloed eens verslagenen wreekt; als ook hij, die de kinderlooze weduwe van zijnen broeder of nabestaande zich ter vrouwe neemt.
In deze verschillende beteekenissen vinden wij het woord âverlosser' dikwijls in de Heilige Schrift, zoo vooral in Levit. 25 vs. 25, waar wij lezen: âWanneer uw broeder zal, verarmd zijn, en iets van zijne bezitting zal verkocht hebben, zoo zaL
5
zijn losser, die hem nabestaande is, komen, en zal hel verkochte zijns broeders lossen. En vers 47 van het zelfde capittel: En wanneer de hand eens vreemdelings en bijwoners, die bij u is, wal bekomen zal hebben, en uw broeder, die bij hem is, verarmd zal zijn, dat hij zich aan den vreemdeling en bijwoner, die bij u is, of aan den stam van hel geslacht der vreemdelingen zal ver' kocht hebben; nadat hij zich zal verkocht hebben, zal er lossing voor hem zijn: een van zijne broeders zal hem lossen; of zijn oom, of de zoon zijns ooms zal hem lossen, of die uil de naasten zijns vleesches van zijn geslacht is, zal hem lossen; of heeft zijne hand wat bekomen, dat hij zichzelf losse. Deze instelling gaf God de Heere ook als profetie, ziende op den geestelijken bloedvriend Christus. Als iemand zich aan den duivel of de zonde als slaaf verkocht heeft, in slavernij geraakt en arm geworden is, zoo geeft God naar Zijne wet, d. i. naar Zijne genade, het recht, dat zulk een mensch, die zichzelven verkocht heeft, een losser, een bloedvriend hebbe, tot wien hij moet komen, en die hem zal verlossen Dit is ook het geval, als iemand uit armoede zijne goederen heeft verkocht; daarvan hebben wij ook heerlijke voorzeggingen en instellingen. âLosserquot; beteekent echter ook âBloed-wrekerquot;, Numeri 35 vs. 19: v De wreker des bloeds, die zal den doodslager dooden: als hij hem ontmoet, zal hij hem dooden.quot; Gelijk hij doodsloeg, moet hij ook zelf doodgeslagen worden. Wanneer de doodslager zich niet in eene vrijstad bevond, mocht de bloedwreker hem dooden, ja volgens de wet, was hij daartoe verplicht. Deze instelling was ook eene profetie op Christus. In een ander beeld, waar van de vrijsteden wordt gesproken, beteekent
6
de doodslager den duivel, die den armen mensch doodslaat: daar is dan Christus de bloedwreker, die Zich rust noch vrede gunt, totdat hij den duivel ook doodgeslagen heeft. Christus is voor al de Zijnen de -vvare, allernaaste Bloedvrierid, zoodat Hij geen engelen aanneemt, maar het arme zaad Abrahams, dat neemt Hij aan. Overmits dan de kinderen des vleesches en bloeds deelachtig zijn, zoo is Hij ook desgelijks derzelven deelachtig geworden, opdat Hij door den dood te niet zonde doen dengene, die het geweld des doods had. dal is den duivel, en verlossen zon al degenen, die wet vreeze des doods, door al hun leven, der dienstbaarheid onderworpen waren. Hebr. 2 vs. 14â16. Nog komt het woord âVerlosserquot;, âLosserquot; in zijne volle beteekenis voor in het schoone boek Ruth. Daar staat geschreven Cap. 2 vs. 19, 20: Toen zeide hare schoonmoeder tot haar: Waar hebt gij heden opgelezen, en waar hebt gij gewrocht? Gezegend zij, die u gekend heeft, En zij verhaalde hare schoonmoeder bij wien zij gewrocht had, en zeide: de naam des mans, bij welken ik heden gewrocht hebbe, is Doaz. Toen zeide Naomi tot hare schoondochter: Gezegend zij hij den Ueere, die zijne weldadigheid niet heeft nagelaten aan de levenden en aan de dooden. Voorts zeide Naomi tot haar-, die man is ons naastbestaande, hij is een van onze lossers: Christus is onze ware Bloedvriend en Losser, dat wil zeggen: Hij beërft al het goed, dat wij verloren hebben, dat wij in onzen nood en armoede verkocht, en er aan gegeven hebben, wat wij dus niet meer bezitten. Hij beërft en koopt het, en geeft het ons weder met ziehzelven, en zet ons weder in ons verloren erfdeel. Zoo ook Cap. 4. Den anderen, den naderen bloedverwant, d.i. de wet, moest eerst gevraagd worden, met hem moest
de zaak vereffend worden , eer dat Christus als de ware Bloedvriend optreden kon. Boaz ging op ia de poorte des gerichts, en zette zich aldaar neder. En als de andere erfgenaam voorbijging, sprak Boaz mot hem en zeide : Wijk herwaarts! zet u hier, gij zulk een. En hij, Boaz, nam tien mannen, naar het getal van Gods geboden, van de oudsten der stad, en sprak: zet ulieden neder, en zij zetten zich. Toen zeide hij tot dien losser: het stuk land, dat van Elimelech, onzen broeder, was, heeft Naomi, die uit der Moabieten land is wedergekeerd, verkocht. Ruth 4 vs 1â3. Dat beteekent: zij vraagt, dat gij of ik het losse. Wilt gij het lossen of niet? Ja, ik wil het lossen, sprak de nadere bloedvriend. Goed! maar dan moet gij u ook Ruth, de arme, kinderlooze Moabietische weduwe, ter vrouwe nemen, om den naam van onzen verstorven Ãroeder over zijn erfdeel te verwekken. Dit wilde echter de nadere bloedverwant, de wet, niet, want do wet wil wel onze werken hebben, maar ons zelf kan zij niet aannemen. Christus echter wil zich over de arme, onvruchtbare weduwvrouw erbarmen, zooals geschreven staat, Jes. 54 vs. 1; Zing vroohjk! gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt, enz.
Dat is alzoo een Goël of Verlosser ! Een losser of verlosser is dus volgens do Hebreeuwsche taal zulk een, die iemand loskoopt met een losgeld, en dat niet alleen den persoon, maar die ook de verloren goederen en eigendommen terugbrengt. Verder een, die het vergotene bloed wreekt, dus het leven der zijnen beschermt en bewaart, en eindelijk zulk eenen, die de van alle anderen gehate, en versmaadde ziel aanneemt, en haar Heiland, Beschermer en Man wordt, en bovendien haar Bloedvriend is. En zoo beschouwde Job Jesus Christus als zijn Goël, Bloedvriend, Losser en Verlosser.
8
Nu geven wij acht op Jobs geloof. Mijn Verlosser, spreekt hij: die alzoo mij, niet alleen anderen maar ook mij, met een losgeld vrijgekocht heeft en vrij koopen zal: die niet alleen voor anderen, maar ook voor mij alle verlorene goederen medegebracht heeft, en zal wederbrengen, die voor mijne arme ziel zorgt, waar niemand anders voor zorgt, die een wreker is van mijn uitgestort bloed, en mijne ver-gotene tranen telt, en zich rust noch vrede guut, totdat mijn bloed op mijne vijanden gewroken is. Dat zegt Job, even als David: 0 Heere 1 Ja , ik ben uw knecht, ik ben uw knecht, de zoon uwer dienstmaagd, gij hebt mijne handen losgemaakt Ps. 6. Gij hebt recht op mjj, dien ge vrijgekocht hebt! Of zooals Thomas uitroept: Mijn Heere en mijn God, want dat is de eigenschap van het ware geloof âmijnquot; te zeggen. Ook toen Hij van Zijnen Vader verlaten was, riep onze Heiland: Mijn God! Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten ? Dit âmijnquot; zeggen bevat ook in zich eene betuiging van liefde en teederheid. En zoo bekent dan de geloo-vige, als hij âmijnquot; zegt: mijn Heiland en Verlosser, dat hij zelf zich aan den duivel verkocht heeft, en in diens strikken vast is geraakt, dat hij al zijn goed verkwist en doorgebracht heeft, dat hij in zijn bloed verslagen ligt, en dat zijne ziel is als de ziel eener eenzame en verlatene weduwe, die door alle onweders voortgedreven en ongetroost is. Hij bekent het alzoo, dat hij onder de zonde verkocht is, en als een arme en ellendige daar staat, die echter ook van harte spreekt: âin dezen Goël, in dezen Verlosser heb ik alles weder, en ben ik zelf gezet op den weg des heils.quot; De geloovige bekent door dit âmjjnquot; zeggen, dat zulk een Goël onontbeerlijk voor hem is, dat hij anders gewis ver-
9
loren is, maar midden in zijne verlorenheid bekent hij het: deze is mijn Verlosser, Hjj is mijne eeuwige toevlucht, en buiten Hem ben ik om en om, geheel en al, ook wat de hope der toekomende heerlijkheid betreft, een verloren mensch.
Maar deze is de mijne, wij zijn met elkander verbonden; en ofschoon Hij eigenlijk mijn Rechter zijn moest, omdat ik mij onder de zonde verkocht, en alles, wat Hij mij gegeven heeft, doorgebracht heb, zoo verwacht ik Hem toch met een opgericht hoofd uit de hemelen, want ik weet, dat Hij mij niet veroordeelen zal, daar Hij zich zelf te voren onder het gerichte Gods gesteld heeft om mijnentwille , en dat weet ik ook, dat Hij woord en trouwe houdt. En ofschoon ik verloren ben, en alles verloren heb, nochtans heb ik eenen machtigen Bloedvriend. Hij is mijn Goël en Borg, Hij zal voor mij betalen, en heeft voor mij betaald tot den laatsten penning toe. En ofschoon ik diep in de ellende zit, ben ik nochtans niet ongelukkig, want Hij leeft, die mijne arme , eenzame en verlatene ziel in genade heeft aangenomen, en Hij is mijn Borg, die mijne zaak tot de Zijne heeft gemaakt.
Verder heb ik gezegd, dat Hij leeft, dat Hij een levende Verlosser is, en geen doode afgod. Wat is levend? Ach, mijne Geliefden! wat is in ons oog levend? In ons oog leeft alleen wat wij zien, vleesch en bloed, de menschen, de guldens, die wij in handen krijgen, het werk, dat wij hebben, om er ons brood mee te verdienen, in een woord, alles leeft voor ons, wat wij zien, en met onze oogen bekijken kunnen. Maar God? Maar de Heere Jesus ? Hij alleen moet in onze oogen leven. quot;Welgelukzalig zijn wij, zoo al het andere voor ons in den dood gaat. Van Hem betuigt de Apostel Paulus, Rom.
10
6 vs. 9 en 10: wetende, dal Christus uit de dooden opgewekt zijnde, niet meer sterft ; de dood heerschl niet meer over Hem. Want dal Hij gestorven is, dal is Hij der zonde éénmaal gestorven; en dat Hij leeft, dal leeft Hij Gode, dat wil zeggen: eens, voor altoos. En Openb. 1 vs. 17, 18: En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijne voelen : en Hij leide Zijne rechterhand op mij, zeggende Int mij: vrees niet, Ik ben de eerste, de laatste, en die leef, en Ik ben dood geweest, en Ik ben levend in alle eeuwigheid! Amen. En Ik heb de sleutels der helle en des doods. De alziende Goël, de Verlosser, mijn Verlosser en God, leeft! Hij is niet dood, Hij is niet als de afgoden, die ooren hebben en toch aiet hooren, die oogen hebben en toch niet zien, die niet spreken met hunne tongen, die handen hebben en niet kunnen grijpen, die voeten hebben en zich niet op weg kunnen spoeden, om ons te helpen (Ps. 115, vs. 5) vv. Neen, Hij, onze Goël en Heiland, leeft. Hij heeft ooren en hoort het weenen, het schreien. het gebed der Zijnen, ja H|j verneemt ook de stille verzuchtingen, die tot Hem opstijgen. Hij hoort de ouden van dagen. Hij hoort de kindertjes, ja zelfs de kindertjes van twee en drie jaren, die, terwijl hunne ouders onder den last der nood en des kruises neergebogen zijn, in hunnen kinderlijken eenvoud spreken: Heere Jesus, Vader en Moeder zijn zoo bitter bedroefd tot den dood toe. Gij kunt helpen, ach! help dan toch ook! Hij heeft oogen en ziet wat in do kast ligt en wat op de tafel staat, en wat in het harte diep verborgen is. Hij ziet het alles. Hij heeft ook handen, om te helpen, en voeten, om Zich tot degenen te spoeden, die diep gebogen in 't stof ter neer liggen. En als ook alles ontbreekt, al is
11
er geen vrucht van den wijnslok en rjeen rund up den slal meer, (Habakuk III: 17) nochtans is hij gelukzalig en nog eenmaal gelukzalig, die op den levenden God hoopt; hij, die psalmenter hand neemt, en zingt: Hij leeft! mijn Goël leeft! Dat weel ik, zegt Jub, ik weet, dat mijn Verlosser leeft. Het Hebreeuwsche woord geeft zulk een weten te verstaan, waarhij men om en om van eene zaak overtuigd is, er niet aan twijfelt, maar er ten volle van is verzekerd, een âwetenquot; zooals het weten van den Hoven aartsvader Jacob was, toen hij Jozefs beide zonen ging zegenen. Gen. 48 vs. 17, vv. âToen Jozef zag, dat zijn vader zijne rechterhand âop het hoofd van Efraïm leide, zoo was het kwaad âin zijne oogen, en hij ondervatte zijns vaders hand, âom die van het hoofd van Efraïm, op het hoofd âvan Manasse af te brengen. En Jozef zeide tot âzijnen vader: niet alzoo, mijn vader, want deze âis de eerstgeborene, leg uwe rechterhand op zijn, âhoofd. Maar zijn vader weigerde het, en zeide: âik weel hel mijn zoon, ik weel hel, hij zal ook âtot een volk worden, en hij zal ook groot worden; âmanr nochtans zal zijn kleinste broeder grooter âworden dan hij, en zijn zaad zal eene volle menigte âder volken wordenquot;. Alzoo, Job wil zeggen: ik ben er van verzekerd, en twijfel er geenszins aan T gelijk ook Paulus zegt: Rom. 8 vs. 38 en 39; wanl ik hen verzekerd, dal noch dood, noch leven, noch, engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel, ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods; welke is in Christus Jesus, onzen IIeere.
Hoe kon Job dat weten ? Dat wist hij uit de ia het Paradijs geschonkene beloften, dat kon hij weten
12
van Sem , dat kon hij weten van Abraham, want quot;volgens vele oude schriftverklaarders, was Job een kleinzoon van Ezau, alzoo behoorde hij tot het vijfde geslacht na Abraham. Uit de Paradijsbelofte alzoo kon hij het weten, uit de levende prediking had hij het vernomen, en eindelijk wist hij het door â openbariug des Heiligen Greestes. Daar heeft hij het geweten, evengoed als wij, dat het beloofde vrouwenzaad lijden en sterven zou, dat liet weder--om op zoude staan en den dood overwinnen, dat Hij leven en onsterfelijkheid aan den dag zoude brengen, dat Hij niet alleen de ziel zoude verlossen, maar dat Hij ook het liciiaam zoude verlossen, door dood, en graf, door verrotting en vernietiging henen! ja dat Hij, niettegenstaande de verrotting des vleesches, lijf en ziel, weder tot één geheel ver-eenigd, in Zijne heerlijkheid zoude opnemen. Dit weten wordt hem om zoo te zeggen door den nood afgeperst. In het geheele boek Job zien wij een vreeselijken strijd. Job begrijpt Gods wegen niet. Ondoorgrondelijk zijn hem de gangen des Heeren , zooals Hij hem leidt. Hij steunt geenszins op zijne eigene gerechtigheid, maar weet toch, dat hij met een goed geweten voor God en menschen geleefd heeft. Hij verstaat echter niet, dat de Koning der Koningen hem daartoe uitverkoren en gezet heeft om aller duivelen mikpunt te zijn, omdat Hij door Zijnen oprechten knecht Job, de geheele hel wilde beschamen. En in dezen nood en angst, in deze hoogste aanvechtingen, spreekt hij het vaste en allerhoogste geloof uit, juist toen hy zóó diep in nood zat, dat hij spreken moest: ^Hij heeft Zijnen toorn tegen mij onstoken en mij âbij Zich geacht als Zijne vijanden. Zijne benden zijn âte zamen aangekomen, en hebben tegen mij haren
13
âweg gebaand, en hebben zich gelegerd rondom mijne âtent. Mijne broeders heeft Hij verre van mij ge-âdaan, en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van âmij vervreemd, mijne nabestaanden houden op en âmijne bekenden vergeten mij. Mijne huisgenooten âen mjjne dienstmaagden achten mij voor eenen âvreemde; een uitlander ben ik in hunne oogen. Ik riep âmijnen knecht, en hij antwoordde niet: ik smeekte âmet mijnen mond tot hem. Mijn adem is mijne âhuisvrouwe vreemd; en ik smeek om de kinderen âmijns buiks wil; ook versmaden mij de jonge kinde-âren; sta ik op, zoo spreken zij mij tegen. Alle âmenschen mijns heimeljjken raads hebben een' âgruwel aan mij , en die ik lief had, zijn tegen my âgekeerd. Mijn gebeente kleeft aan mijne huid en âaan mijn vleesch, en ik ben ontkomen met de huid âmijner tanden. Ontfermt u mijner! ontfermt u âmijner, o gij mijne vrienden! want de hand Gods âheeft mij aangeraakt!quot; Job 19 vs. 11â21. Daar roept Job dus om ontferming bij de vrienden, maar vindt die niet, maar stijf en strak zien zij hem aan, als wilden zij zeggen ; meent gij, dat gij rechtvaardiger zijt dan God ? Hoe verheft gij u, in uwe eigengerechtigheid! In dezen nood nu roept en weent hij: Och, of mijne ivoorden toch geschreven werden, och! of zij in een bock ook werden op-geteekend! â dat heeft God laten geschieden â dat zij met een ijzeren griffel en lood voor eeuwig in een rot* gehouwen wierden.
En nu laat hij onmiddelijk volgen: wnnl ik weet, mijn Verlosser leef!quot; Hoe kwam het, dat Job dit met zulke cene zekerheid zeggen kon? Er zijn er velen, die dit woord stout en driest in den mond nemen, zonder dat het eene zaak des harten is. Wie echter met Job weet âdat zijn Verlosser leeft,quot;
14
die kent ook de gansclie macht des twijfels, dien is het vaak bange, ja zeer bange geweest, dien is het nog vaak bange om 'thart. Die dit woord alleenlijk met de ooren hooren, en mot den mond uitspreken, zonder dat het in hun hart leeft, die kunnen het licht zeggen ; ik weet, dat mijn Arerlosser leeft, â¬n luide zingen; âJesus loeft! met Hem ook wij.quot; quot;Waar echter geen twijfelingen zijn, waar geen bestrijdingen zijn, waar geen angst, geen versagen is, waar geen gedurig onderzoeken is, of de grond, waarop men staat, wel vast is, daar is ook geen zaligmakend geloof.
Want Geliefden, waar zoo alles ontzinkt, daar moet bet aan den dag komen, waarop men gebouwd heeft, en wat men weet en gelooft. Dan, als alles is weggenomen, wordt het geloof levendig gemaakt.
En ofschoon de vijanden daar machtig zijn, ofschoon de waterstr.oomen vreesebjk bruischen, zoodat men meent te moeten omkomen voor eeuwig, nochtans breekt de sterre Jacobs, de blinkende morgenstar, in den duisteren nacht door, ja juist daar begint de Heere Jesus te blinken â en door allen nood henen, â met den glans van Zijn bloed, van Zijne doornenkroon, -met het licht Zijner heerlijkheid en macht!
Waar dit geloofd wordt in waarheid â dat de Heere zoo den duistersten nacht in den heerlijksten dag kan veranderen â daar twijfelt men er niet aan. Maar dat kan men zelf niet uitvinden, daartoe zou men niet komen met sluitredenen van het verstand, dat leert men alleen door genade, door onderwijzing des Heiligen Geestes! Daar is dan ook waarachtige verandering des harten aanwezig, zoodat men levend is gemaakt, en overgezet in het rijk van den Zone Gods.
Voorwaar! het blijft niet uit, dat de ziel heen en weer wordt geslingerd, het gaat gedurig op en neer, nu -eens ligt de ziel vol angst ter neder, dan is zij er
15
weer boven op, nu is zij vol vreeze, dan jubelt zij weer, nu heeft men niets, en clan klapt men in de handen van vreugde. Er is strijd en kamp in de ziele, en in dien strijd komt de verzekering: Hij is 't, Hij is 't, Hij is de Verlosser, mijn Verlosser, die leeft tot in alle eeuwigheid !
O, dat heerlijke woord des Heeren, dat kan maken, dat, ofóchoon er niets in den stal, niets in de kast is, er nochtans geen gebrek is; dat, waar het werk ophoudt, er nochtans brood komt; dat, waar de ziele nedergedrukt en geperst wordt, er nochtans verademing is; dat een arm schepsel, dat met God worstelt, Hem in waarheid vindt en gezegend wordt! Niet afgeweken van het dierbare Bijbelboek, niet opgehouden met het gebed! Wat in dit boek staat, dat hljjft. Eer vergaan hemel en aarde dan een van 's Heeren goede, genadige en onwankelbare woorden ! Eer vallen de sterren van den hemel, dan dat deze God, deze Goël de gebeden en smeekingen der Zijnen niet zou verhooren.
Maar o! laat ons toch één ding ter harte nemen, en dat is het behoud onzer arme zielen! Wij verstaan het niet, die te redden, wij denken hoogstens aan uitredding voor 't lichaam. Daar behoort genade toe, om te weten, dat men zijne ziel te verliezen heeft, ja! om te weten, dat men eene ziel te verliezen heeft, eene kostelijke ziel! Want al schenkt God het een en ander voor dit leven, wat baat het, zoo de arme ziel niet gered is ? Het volk had eens in de woestijn niets te eten, en zij morden tegen God, omdat zij geen vleesch hadden. Waar echter gemord wordt tegen God, daar toont Hij, dat Hij God is. Hij laat kwakkelen komen, het volk wordt rijkelijk verzadigd, maar tegelijker tyd ontsteekt de toorn des Heeren geweldig over hot volk. Dat hadden zij er nu vanl
16
quot;W at de mensch begeert, wat hij op vleeschelijke wijze van Grod afdwingen wil, als ware dat de vervulling van Gods belofte, welaan! hij zal het hebben! maar dan zal God gewis met Zijne tuchtroede komen, opdat de arme ziel onder al dien ingebeelden zegen niet verloren ga.
âIk weet, dat mijn Verlosser leeft!quot; Dat is de ware toevlucht. Tot Hem gevloden, waar nood voorhanden is. Dan houdt men zich aan Zijn kruis, -al dreigen dood en helle, en werpl zijn nood, angst gebrek en armoede, zijne zorgen voor vrouw en kind, huis en hof, met alles wat ons in 't aardsche leven drukt, op Hem ! Zoo Hij zelfs voor het stof zorgt, als Hij, de laatste, bljjft staan over ons stof, over ons graf, als Hij ons stof, nadat het ineengestort, of van de wormen gegeten is, weder te zamen brengt, opdat Hij het gelijkvormig make aan Zijn verheerlijkt lichaam , o wat kan hij dan ook niet doen voor dit aardsche leven? Wat kan Hij dan ook niet doen in onzen nood ? Wat, als wij morgen of overmorgen geen werk hebben? Wat kan dan de Heere? Alles heeft Hij in Zijn hand, macht en geweld! Waarnaar en van het zichtbare niets meer te hopen is, laat daar onze blik gevestigd blijven op Hem die leeft, en die zoo almachtig is, dat dood, zonde, duivel, leven en genade, alles in Zijne handen berust. Hij ontfermt zich met eeuwige ontferming, ook waar Hij straft en i tuchtigt en met Zijn oordeelen komt over stad en land. Nochtans bewijst Hij, dat Zijn Naam Jesus is, en dat Hij ook zorgt voor het dagelijksch brood, Hij die arm wilde worden om onzentwille, opdat wij door Zijne armoede zouden rijk worden. Amen.
Uitgegeven bij H. BÃSKES te Utbeoht, Ilaverstraal.
Voor Duitschlnnd verkrijgbaar bij F. BDCKMANN, Elberfeld.
Prijs per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Cts.
ke 3r-n! 3n, en
de )r-al je-d, en ils if, de tij
ie 5n â k in et k )0
n i i.
n e ir