LANGS DEN WEG.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
U.B. UTRECHT C. WAGNER AS A
64f 2
Langs den Weg.
JACQUES UUSSKAU amp; Co., Uituevkrs. AMSTERDAM - KAAPSTAD.
NA AH HET FRANSCH
H. J. HANA.
Met inleidend woord van
L. C. SCHULLER TOT PEURSUM,
Predikant to Anisl.unhiin,
Reeds meermalen ions ik in de gelegenheid om de aandaeh! te vestigen ofgt; den Parijschen predikant C. Wagner. Zy// -Jeugdquot;, c//'n ^Kloekheidquot; en zijn » Eenvoudquot; loerden door mannen van geheel vei -schillende theologische richting aanbevolen, en hebben, ook in hnnne vertalingen, bij onze beschaafden ingang geiwnden.
Zeer trokken mij ook aan de kortere, eerst verspreide stukjes, onder den titel: Le Long du Chemin uitgegeven. Zij getuigen van groole opmerkingsgave en rein, liefdevol gevoel. Zij kunnen menigeen leeren het groote te waardeeren, dat zich in het kleine openbaart. Om ze ivcl te kunnen genieten, moet men op dat hoogere standpunt staan, dat Beets bezingt in zijn: »De omtuining uit!quot; vamuaar men ziet, dat (rods geest m allen werkt en dat hij ingevallen is »waar iets tot Hooger zich verheftquot;. Men moet zich met ergeren aan de jonge zieke, die misschien niet weet wat zij igt;van haar geloofquot; is, en het knnnen velen, dat het arme oudje op Allerheiligen haar kamertje, als een kerkhof, met ruikers en kransen
overlaadt. Men moet het hoofd hamen ontblooten bij ieder gebed, ook dat een minder hooge vlucht neemt dan het onze, in val wie mede wil trekken of duwenquot; den waren broeder erkennen, en met de blijden kunnen blij zijn, evengoed als men kan weenen met de weenenden.
Ik vertrouw, dat dit hoekje in zijn Hollandsch kleed een voorspoedigen weg zal vinden en aan menigeen eenige goede oogenblikken zal bezorgen, en vruchtbare gedachten hij hem opwekken zal.
En terwijl ik deze aanbeveling, die mij gevraagd werd, schrijf, terwijl mijne oogen zveiden over de onmetelijke, donkergroene zee en over het zonnige, van kleurige gestalten wemelende strand, kan ik niet nalaten met hartelijke sympathie te denken aan den vertaler, door lichaamsgebrek reeds jaren lang aan huis gebonden, reien de vertaling genoegen gaf en s;oed deed. Moge ook deze arbeid in verschillend opzicht voor hem vruchtbaar zijn, en zijnen lezers weikont iL'ezen !
L. C. SCHULLER TOT PEURSUM.
Z ANDVOORT,
20 Augustus 18lt;j6.
INHOUD.
Jïladz.
In het yasthuis..... .... i
Naar buiten! . . ..............^
Wiegen..............j j
De witte mins............
Twee vergetenen........................jg
Een treurige ruil...............
,,De liefde wil wel eens kibbelenquot;.......27
Kinderlijke vragen..........
Verloren moeite..........37
Liefde en tyrannic . . . ..........^
Duistere paden...........
Rose en zwart , ...................^
De kleine schoorsteenveger.........(gt;0
Onder de hooge boomen..........gj
Het kind van den zandman................^2
De gevallen tak............
Jonge raven en jonge kinderen........g3
Doorknaagd..........................gg
De eend van den kolenkooper........^ .
Het gezang van den gevangene . ......uq
VIII
Bladz.
Grootvaders kamer . ..........105
Ten speelbal van golven en wiiulen......11°
Opvoeders-scheerders ... ........115
Het vijffrancsstuk van mijnheer Houvasi.....12°
Ãók een ontdekkingstocht ... .....I2^
Grootmoeders slokje .... ..... â ïj2
God behoedt de kinderkens........'38
De kurk...............'44
Indringers in de schelpenwereld........'49
Oogen die niet zien; ooren die niet hooien. ⢠15^
Over tabak...............
Een lesje van de sprinkhanen........'^5
Mensch of strooman?...........
Doortrekkende vreemdelingen.........'79
Het touw van den leidekker.........l85
Ken oud vrouwtje............'9'
Een gebrekkig spreekwoord.........200
Tweeërlei oogpunt.......... * 205
Voor Papa's verjaardag. ... ......212
De vleugels...............2I''
Vervlogen dagen . . . ⢠⢠.....221
IN HET GASTHUIS.
elder en kraakzindelijk tusschen hunne smetteloos witte gordijnen, staan de rijen bedden in de lange gasthuiszaal. Allen gelijk en gelijkvormig. â Maar in de eenvormigheid der lijsten, wat al verscheidenheid van gezichten! Zooveel zieken, zooveel geschiedenissen, en altemaal ware geschiedenissen. De ontelbaar vele paden, betreden door hen die daar lijden, zijn voor eenige dagen in één punt saamgeloopen. Zij zijn zoo ongeveer overal vandaan gekomen, na allerlei zóó verschillende lotswisselingen, dat de toevallige ontmoeting der betrokken personen de onder-
In het gasthuis.
2
linge tegenstelling in hunne omstandigheden des te scherper doet uitkomen. Tusschen het eene bed en het andere ligt slechts één schrede, â toch vormt die afstand vaak de ruimte tusschen twee werelden.
De vrouw bij wier bed die werkman en zijne twee meisjes zijn komen zitten, is herstellende van een zware zenuwzinkingkoorts. De ernstige aard harer ziekte had haar genoodzaakt, haar gezin te verlaten, om hier verpleegd te kunnen worden. Lang heeft de angstige spanning geduurd, en wreed was de scheiding. Maar nu is het gevaar voorbij, en komen de krachten terug. Thuis staan haar stoel en stoof reeds weer klaar op het welbekende plekje. Nog een paar dagen, om wat aan te sterken, dan mag zij het gasthuis uit. Dan zullen de kinderen hunne moeder terugkrijgen, en de man zijne vrouw; en in het weer voltallig geworden gezin zal het geluk
In het gasthuis.
3
juist verhoogd worden door de herinnering aan al wat men heeft geleden. De blijdschap is dan ook op hun gelaat te lezen, en glinstert in hunne oogen. Er vormt zich rondom dit in een rustbed veranderde ziekbed, midden tusschen al die glimlachjes, zulk een zachte stralenkrans, dat het op dit plekje veel lichter schijnt te zijn, dan ergens elders in de zaal.
Daar vlak naast sluimert een andere vrouw. Zij is nog jong, maar heur haar is reeds spierwit, en hare gesloten oogen zijn omlijst door blauwzwarte kringen; hare magere, ingevallen wangen en hare spichtige handen zijn bleeker dan het linnen, waarop zij rusten. Reeds zes maanden achtereen ligt zij daar zoo: gebonden aan dezelfde plaats, die zij alleen zal verlaten om in het graf gelegd te worden. Men heeft haar op zekeren dag halfdood gevonden, in een kamer waar zij wegkwijnde van verlatenheid en ontberingen, uit-
4
terend onder een ongeneeslijke kwaal. Deze vrouw heeft vroeger geld gehad; haar man heeft het verbrast, en is daarna spoorloos verdwenen. En hunne kinderen, â die slapen op het kerkhof. Zoo staat zij geheel alleen op de wereld: niemand wacht haar, niemand komt haar ooit bezoeken, en geen sterveling zal een traan om haar laten. Maar zij klaagt nooit. Er huist in dit uitgeputte en afgestreden lichaam een kracht tot berusten, waartegenover men onwillekeurig het hoofd buigt. Het is geen stoïcynsche onverschilligheid ; het is geen vrucht van een beredeneerd en geformuleerd geloof; door niets openbaart het zich naar buiten, tenzij nu en dan door een gebed, of eigenlijk meer een verzuchting, met iets kinderlijks in den toon, dat het hart treft en haar Gods nabijheid doet gevoelen. Ik weet niet, wat zij âvan haar geloofquot; is, en ook niet of zij wel zou begrijpen, wat wij onder dat woord verstaan. Maar zóóveel ongekunstelde eenvoud tegenover het lijden en den dood is méér waard, dan alle belijdenissen.
In het gasthuis.
5
Voorzeker : de geest van Jezus, in zijne innigste en meest mysterieuse openbaringen, is hier aanwezig geweest. Overweldigd door de zedelijke grootheid, die ik in en door deze ellende te aanschouwen krijg, hoor ik boven deze sluimering, die wellicht de laatste zal zijn, als een ademtocht des hemels deze woorden suizen : âDie in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven /quot;
NAAR BUITEN.
[TAe jonge zwanen, verre van het water groot-gebracht, en de in gevangenschap levende jonge zwaluwen, dien men het heengaan belet, als de groote zwerm hunner makkers hare vleugelen ontplooit naar het land der opgaande zon, worden door een onweerstaanbaar heimwee gekweld, waarin de liefderijkste verzorging hen niet kan troosten.
o o
Wat moet er niet omgaan in het gemoed van jonge kinderen, geboortig uit landelijke en geheel met het buitenleven doordrongen gezinnen, en die nu hunne dagen slijten in Pa-rijsche vlieringkamertjes, achter binnenplaat-
Naar hiiten.
7
sen, waar zelfs het gras tusschen de steenen niet genoeg lucht en zon heeft ?
Er was eens een erg bleek jongetje. Zijne wereld was een blindloopende straat in de voorstad; al het uitzicht dat hij had, was op muren en schoorsteenen; en al wat hij van den hemel zag, was een smal strookje heel in de hoogte, tusschen twee rijen daken. Nooit had hij ander water zien stroomen, dan dat uit de gootpijpen in het riool loopt, en nooit andere tuinen zien bloeien, dan die op een vensterbank kunnen geplaatst worden. Men zag hem dikwijls in een eenzaam hoekje zitten, bedroefd en neerslachtig, met groote, wijdgeopende oogen, en blijkbaar peinzend over onbereikbare dingen, die hij evenmin kon begrijpen als noemen. Zijne ouders maakten zich ongerust over hem. Iemand die altijd nauwlettend acht gaf op de sporen, door smart en droefheid op kindergezichtjes ach-
Naar builen.
tergelaten, deed zijn vader en moeder het aanbod, hem eens een zomer op het platteland te laten doorbrengen. En zoo trok hij heen met een kleine vacantie-kolonie, â en werd hij plotseling, schier zonder merkbaren overgang, in een volkomen tegenovergestelden levenssfeer overgebracht. Het was als een openbaring. Alles kwam hem eensklaps èn nieuw èn reeds bekend voor. Hij zag, alsof het oude kennissen waren, overal dingen, waarvan hij tot dusver zelfs den naam niet geweten had. Dat gaf voortdurende verrassingen, en ontdekkingen, en uitroepen van blijdschap.
In één woord : voor het eerst van zijn leven gevoelde hij zich nu in zijn element. De buitenlucht maakte hem dronken, de bloemen roerden hem tot tranen. Langen tijd achtereen kon hij overdag staan kijken naar de visschen, die in het water speelden, en 's avonds naar het gloeien der sterren in de onbegrensde hemelruimte. De kuikens, de lammeren, de paarden, al de trouwe huisdieren, overlaadde
8
Naar buiten.
hij met aaadoenlijke liefkoozingen, zooals men alleen ten beste heeft voor vrienden, die na een langdurige scheiding zijn weergevonden. Na de gekunstelde wereld, waarin hij wegkwijnde, bracht zijn echte wereld hem weer geheel op streek. Op dagenlange krachtige lichaamsbeweging, op de baden in het licht en den zonneschijn, volgden nachten met vasten en versterkenden slaap. En toen hij eindelijk terugkwam, was hij zóó sterk en opgeruimd, en had hij zulk een gezonde bruine kleur, dat zijne ouders hunne oogen niet konden gelooven. Maar zij bemerkten óók al zeer spoedig, dat zijn hart niet mede teruggekomen was. Hij had het buiten gelaten, langs de heggen, de paden, de weilanden en de dichte schaduw der bosschen, waar men zoo heerlijk aardbeien kan plukken, en meteen de vogels hoort zingen.
Hij sprak er onophoudelijk over: hij vertelde en beschreef wat hij gezien had, en nam zich vast voor, er weer heen te gaan.
Op een goeden dag, in het eerstvolgende
Aaar buiten.
voorjaar, deed hij heimelijk een brief op de post voor de nienschen, bij wie hij buiten gelogeerd had. Hij verzocht den boer, hem in dienst te nemen als knechtje op de boerderij, in de schuur of in de stallen, om het even voor welk soort van werk, maar liefst zoo spoedig mogelijk. Hij beloofde met alles tevreden te zullen zijn, en desnoods in het hooi te zullen slapen.
Het verzoek werd niet ingewilligd, althans niet in dien vorm. Jongens van tien jaar zijn er nog niet op berekend om als boerenknecht te gaan werken. Maar wel gaf de boer zijn jongen vriend de toezegging, dat hij nog weer eens een poos buiten mocht komen logeeren, waar hij dan tevens de noodige krachten kon opdoen voor zijn geliefkoosden werkkring, en zijn vriendschapsbond hernieuwen met den reinen geest van velden en bosschen.
WIEGEN.
e Heiland heeft eens gezegd : âDe vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des menschen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegge.quot; Ik heb dikwijls aan die weemoedige woorden gedacht, wanneer ik in onze groote steden het lot der kinderen uit de volksklasse aanschouwde. Waar moeten zij geborgen worden, die kleine gasten, die als schipbreukelingen komen aanspoelen op het strand des levens? Nauwelijks zijn zij ter wereld gekomen, of zij vertrekken maar al te dikwijls naar het platteland. De moeder heeft alleen de smarten
Wiegen.
der moederschap, zonder de genoegens. Zij heeft een onbekend wezentje lief, dat een heel eind van haar af leeft, hier of daar in een der dorpjes van den achterhoek. De kleine zal misschien den een of anderen dag wel weder tot haar terugkeeren; maar de tijd der onuitsprekelijke lieftalligheid en der genotvolle verrassingen, die het eigenaardig kenmerk der eerste kindsheid zijn, is dan onherroepelijk verstreken. Het zal dan een kleine vreemdeling voor haar zijn, die veel liever naar zijne min terug wil. Hij zal zijne moeder leeren liefhebben nadat zij over en weer aan elkander voorgesteld zijn. Natuurlijk komen zij spoedig weer op goeden voet, en gaan zij innig veel van elkaar houden; maar wat al teedere kusjes hebben zij over en weer gemist! Men moet zelve moeder zijn, om te weten wat dergelijke maatregelen te betee-kenen hebben, voor de harten namelijk, â wat al ontberingen en pijnlijke zorgen!
Maar niet allen worden naar buiten gezonden. Zoo goed en zoo kwaad als het gaat, tracht
12
13
men ze op de een of andere wijze een lig-en slaapplaats te bezorgen. Een wieg heeft altijd iets aandoenlijks. Zelfs in het armoedigste kamertje is het wiegje de groote spil waar alles om draait, dat gevoelt men dadelijk. Al is het er slechts een van mandewerk, dan roert; juist die armelijkheid ons des te dieper; men denkt onwillekeurig aan de kribbe van Bethlehem. Maar vaak staat de wieg, hoe klein en schamel ook, nog te veel in den weg; dan wordt het kind naar een hoekje van het bed verwezen.
Zoo ben ik eens een groentenvrouw tegengekomen, die haren pasgeborene in een hoek van haren wagen had geborgen, tusschen de manden met aardbeien en de bossen wortelen en rapen. Zoo kon zij tenminste voortdurend een oogje op hem houden. Hij lag daar te slapen, vreedzaam en wel, midden onder het straatrumoer. Het geschreeuw der kooplui, het geratel der voorthossende omnibussen, het geblaf van rondzwervende honden, de schommelingen van zijn rijdende wieg, â niets kon hem storen.
Wiegen
14
Wat goede verzorging betreft: gelooft maar vrij, dat het hem in dit opzicht aan niets ontbrak. En toch ! wanneer men midden in de bosschen vol heerlijke geuren en schaduw en stilte, de wollige nestjes heeft zien schommelen onder het gesuis van den wind, en de vogelkens vreedzaam heeft zien leven in de gelukkige vrijheid der natuur, dan wordt men overweldigd door een innig medelijden met de kinderen der menschen, die zooveel moeite hebben om een plek te vinden, waarop zij het hoofd kunnen nederleggen.
DE WITTE MUTS.
Itijcl en immer ziet men haar op dezelfde plaats zitten, het goede oudje met de witte muts, gebogen over haar naaiwerk. Zooals zij daar zit, is zij â in de omlijsting van het venster, en in dit hoekje der eenzame straat â eene onbewegelijke schilderij, waarin voor zoover den voorbijgangers heugt nooit eenige verandering is gekomen. Het eene jaargetijde volgt op het andere, de kinderen worden groote menschen, de lotelingen gaan onder dienst en komen weer thuis, â en het goede oudje zit maar trouwdoor te naaien.
Een jong marine-officier, die bij haar in
De unite tui lis.
de buurt woont en tien jaar geleden scheep is gegaan naar de koloniën, is onlangs van daar teruggekeerd. Hij had een paar maal een reis om de wereld gedaan, met zware stormen te kampen gehad, deelgenomen aan gevechten, en al de aandoeningen van een veelbewogen leven doorgemaakt. In zijne afwezigheid waren er o zooveel dingen veranderd ! Straten en pleinen hadden andere namen en huizen gekregen, en tal van oude kameraden ontbraken er op het appèl. Maar de oude vrouw zat nog altijd voor het venster te naaien: precies zooals hij er haar had zien zitten op den dag van zijn vertrek.
Onder die onveranderlijke witte muts huist eene enkele, blijvende herinnering. Het arme oudje heeft alles verloren, en daar heeft haar hoofd onder geleden. Haar man slaapt al jaren lang op het kerkhof. Haar zoon, een ongelukskind, bemoeit zich volstrekt niet met haar: hij is erger dan dood, hij is verloren ...
En nu denkt zij, dag aan dag, aan een
i6
De witte muts.
allerliefst dochtertje, dat heel jong gestorven is, en welks beeld al hare gedachten vervult. Het is reeds lang geleden, dat het kleine grafzerkje, zoo duur gekocht, van het kerkhof verdwenen is, om plaats te maken voor anderen. Maar onder een schier geheel verbleekt kinderportret houden trouw verzorgde bloemen den eeredienst in stand, die aan de zerk niet meer bewezen kan worden, â en wanneer het Allerheiligen is, wordt het kleine kamertje overladen met ruikers en kransen, waartusschen men zachtkens gebeden hoort prevelen.
Moge God ze verhooren, die gebeden van het arme oudje, dat altijd zit te naaien, af en toe wel eens schreit, maar zich nooit beklaagt !
'7
TWEE VERGETENEN.
C\e zaal waarin de Kerstboom zijne herin-
^ neringen heeft gevierd en zijne geschenken heeft rondgestrooid, loopt langzaam ledig. In vroolijke stemming verspreiden de troepjes kinderen zich op straat naar alle kanten, en iedereen laat zien wat hij gekregen, of vertelt wat hij gezien heeft. Eenzaam en alleen, in het doodstille lokaal, waar nu de lichten uitgaan, is de denneboom achtergebleven, als in peinzende stemming. Een laatste waskaars staat er nog te flikkeren, en haar verflauwend schijnsel werpt een zwak licht op een voorwerp, dat tusschen twee bijzonder dichte
Twee vergetenen.
takken is verborgen gebleven. Het is een mooi popje, met blauwe oogen, rooskleurige wangen, en een weelderigen overvloed van blond haar; droomerig strekt het zijne mollige armpjes uit. Niemand heeft het daar in de hoogte tusschen het dichte loof ontdekt. Al de bevalligheden, die de pop tentoonspreidt, zijn onopgemerkt gebleven. Zij is daar heel en al aan haar lot overgelaten, de lieve vergetene.
quot;f
Op de lijdenssponde, waar zij herstellende is van een zware en gevaarlijke ziekte, zit een klein meisje blijkbaar op iets te wachten. Het is Kerstavond: een avond vol verrassingen voor het kleine volkje. Zal er ook voor haar de een of andere verrassing komen ? Helaas! het armoedige huisgezin, welks noo-den en zorgen door de ziekte nog hooger gestegen zijn, heeft veel te veel moeite om in het onmisbaar noodzakelijke te voorzien, dan dat er aan het overbodige gedacht zou kunnen
*9
20
worden. Maar het kind heeft een paar dagen geleden een vriendinnetje gesproken, dat haar verteld heeft van een Kerstboom, met belofte wat speelgoed voor haar meê te zullen brengen. De vriendin zal nu wel spoedig komen... Zou men niet zeggen, dat er reeds iemand op de trap aankomt ?... Dat moet zij natuurlijk wezen ... Maar de voetstappen gaan voorbij, en sterven weg, en de deur blijft gesloten. Er naderen weer andere stappen, die óók voorbijgaan ; en evenals met de voetstappen, gaat het ook met de uren, â hare vriendin komt niet. Eindelijk en ten laatste, het wachten moede en niets meer hopend, laat de kleine zieke zich weer achterover vallen op haar kussen en snikt: vergeten!
Neen, arm kind! gij zijt niet vergeten, evenmin als de pop die ginds aan den boom is blijven hangen. Dezelfde hand, die deze ophing, verborgen voor de zoekende blikken.
Twee vergeienen.
21
zal haar weldra weten te vinden en u weten te brengen ! Gij zijt voor elkaar bestemd, dat is stellig en zeker, en met nog wat te wachten, zult gij niets verliezen. Nooit zal een pop een zorgzamer moedertje gehad hebben, en een klein meisje nooit een verrukkelijker pop. â Waar zal dan al het verdriet gebleven zijn ? â Vergeten !
EEN TREURIGE RUIL.
motregen.
Op de met een kleverige modder bedekte straatsteenen glijden de paarden telkens uit, en vallen zij soms. De mist pakt zich saam rondom de boomen, de daken, de lange rijen gevels der eindelooze straten, en de voorbijgangers zijn heel en al ten prooi aan hun kwaad humeur. Het is een naargeestige dag. De menschen en de dingen schijnen eenparig te zeggen: het gaat slecht!
Op een der steile wegen, waarlangs men uit Parijs de voorstad Belleville bereikt, heeft
edert den vroegen ochtend valt er een fijne
23
een karretje het hard te verantwoorden. De man die er voor is gespannen, rekt zich zoo ver mogelijk uit, en met een krachtige poging, die hem bijna met zijn neus den grond doet raken, tracht hij weer gang in het wagentje te krijgen. Eene vrouw en twee kinderen duwen den wagen. Maar het baat niets. Waarlijk, wat hun betreft, gaat het niet alleen slecht, maar gaat het in 't geheel niet! â Hoe akelig, in zulk een weer te moeten verhuizen! Zij hebben, die arme zielen, heel hun inboedeltje op die kar geladen. Het heeft inderdaad niet veel te beteekenen, â niet meer dan het hoog noodzakelijke: wat bed-degoed, een tafel, een paar stoelen, waaraan hier en daar enkele eenvoudige stukjes keukengereedschap zijn opgehangen. De weelde wordt vertegenwoordigd door een kouwelijk sijsje, dat in zijn kooi zit te bibberen. Maar zelfs dit weinige is toch voor 't oogenblik nog te veel. De vracht gaat de krachten van het gespan te boven. Eindelijk krijgen twee voorbijgangers, twee barmhartige Samaritanen,
Een treurige ruil
medelijden met het groepje. Met hunne sterke armen weten zij beweging in het karretje te krijgen, en werken zij het omhoog tot bovenaan de glooiing.
Verkleumd van koude, door en door nat, bereiken de menschen met de meubelen 's avonds hunne nieuwe woning. Helaas! zij is zóó donker en zóó haveloos, dat zij wel een zusje lijkt van de vorige, die zij pas hebben verlaten. Deze verhuizing zal het gezin komen te staan op een verloren Zondag, een beschadigden inboedel, en misschien nog wel een ziekte op den koop toe. Maar in de oude buurt hadden zij geen crediet meer. In een winstgevender omgeving hopen zij in beter doen te komen. Sedert vijf jaar, toen zij in de reusachtige wereldstad zijn komen wonen, hebben zij minstens een half dozijn malen hunne toevlucht tot dit redmiddel genomen.
Daar ginds, op het platteland, begint de nederige woning, die zij er verlaten hebben, bijna in puin te vallen. Het gras groeit hoog tegen de houten wanden op, de
24
Een treurige ruil.
spinnen versperren de vensters, de beek suist er zacht en vreedzaam, de bloemen zijn prachtig, en de vogels zingen, â maar niemand heeft er iets aan. Waarom hebben zij dit hoekje in het bosch verlaten ? Was hunne vroegere armoede geen rijkdom, vergeleken bij hunne tegenwoordige ellende ? O, die geheimzinnige aantrekkingskracht der groote steden, die zooveel overeenkomst heeft met de toovermacht der afgronden en draaikolken ! Eenige oüwijvenpraatjes zijn voldoende geweest, om dien plattelandskinderen het hoofd op hol te brengen. De van ouds bekende en onveranderlijk stille afzondering, waarin zelfs de geringste de voor hem bestemde plaats bekleedt, waarin de boomen en de rotsen oude vrienden worden, hebben zij verruild voor de wanhopige eenzaamheid der groote menschenvvoestijn, waar het individu zoek raakt in de menigte, zonder evenmin eenig spoor achter te laten, als er van een voortvliegenden vogel in de lucht overblijft.
En dan te moeten zeggen, dat die goede
25
20
luitjes zoodoende, tegelijk met duizenden anderen, een der schrikwekkendste bestanddeelen van het sociale vraagstuk hebben geschapen: de ontvolking van het platteland en de overbevolking der groote steden!
âDE LIEFDE WIL WEL EENS KIBBELEN.quot;
e spreekwoorden zijn gemaakt voor men-schen met gezond verstand, dat wil zeggen voor hen, die ze niet letterlijk opvatten en als machtspreuken bezigen. â Want maar al te dikwijls heeft een spreekwoord werkelijk ongelijk. En om alleen van het bovengenoemde te spreken, zou ik niemand aanraden, met twist en kibbelarijen vrede te hebben, door ze te beschouwen als de onbedriegelijkste ken-teekenen van liefde, of ten minste van genegenheid.
Hoeveel menscben zouden elkaar hartstoch-
28 âDe litfde wil wel eens kibbelen!'''
telijk liefhebben, als men in dit opzicht te rade mocht gaan met hunne hoogloopende twisten; en hoeveel anderen zouden daarentegen moeten twijfelen aan het bestaan eener werkelijke genegenheid, omdat zij zich nooit geopenbaard heeft door twisten, en zelfs nooit door plagerijen ! -- De zaak is deze, dat men overal getwist en gekibbel aantreft. Zij tieren even welig als het onkruid. Onder al de mensche-lijke ellenden behooren zij tot de gemeensten en bedroevendsten, en zijn zij een verergering van al de anderen, terwijl de liefde of de vriendschap even zeldzaam zijn als sommige kostbare bloemen, die slechts op enkele plaatsen worden aangetroffen. Uit dit oogpunt beschouwd, is er niets bedriegelijkers dan het zeggen ; De liefde wil wel eens kibbelen.
Wat echter niet wegneemt, dat het ondeugende spreekwoordje een korrelken waarheid bevat, en dit alle dagen op de meest onvoorziene en treffende wijze doet blijken. En dat komt omdat er een der aangrijpendste zielkundige vraagstukken in verborgen is. Maak
..De liefde wil wel eens kibbelen.'''' 29
u niet ongerust: ik zal dat vraagstuk hier niet nader gaan toelichten. Maar gij zult mij wel willen vergunnen, u op dit pas eens een geschiedenis van een paar brave luitjes te vertellen.
Zij hadden elkaar nu reeds vijftig jaar lief. Zij hadden alles samen gedeeld, schouder aan schouder geworsteld, naast elkaar in den pas geloopen, èn over de met bloemen bezoomde paden, èn over de moeilijk te begane wegen. Menigmaal hadden zij samen tranen gestort op dierbare graven. Elk geluk en elke beproeving had hen nauwer vereenigd. Hunne wederzijdsche verhouding behield een frisch-heid, men zou het bijna een naïeveteit kunnen noemen, die onder zulke grijze haren iets onbeschrijflijk aandoenlijks had. Maar ondanks dat alles, konden zij dikwijls heftig kibbelen. Kibbelen voor de grap! zult gij misschien zeggen. Volstrekt niet! Het was hóóge ernst, hoewel het bijna altijd over beuzelachtige dingen ging, maar die in hunne oogen de gewichtige beteekenis van een Staatszaak aan-
3o .,De liefde wil wel eens kibbelend
namen. Nu eens brak de oorlog uit met betrekking tot hunne talrijke kleinzonen, die door den een met strengheid, door den ander met toegevendheid werden beoordeeld. Soms ook werden zij vuur en vlam over de politiek. Maar het meest betreden slagveld was dat der gemeenschappelijke herinneringen. Nooit kon er een de minste of geringste gebeurtenis uit vroeger tijd vertellen, of de ander kwam tusschenbeiden om te verbeteren of tegen te spreken. Als het eene verhaal uit was, en eer het andere begon, kwam er onvermijdelijk een pauze om te kijven, b.v. over een datum, over het menu van een diner, over een nietsje. Geen van beiden konden zij verdragen, dat het een of andere feit in de herinnering van den man niet dezelfde sporen had achtergelaten als in die van de vrouw.
Die dagelijksche twisten begonnen al spoedig pijnlijk te worden. Een vreemde zou er de gevolgtrekking uit afgeleid hebben, dat het een ongelukkig huwelijk was. Maar de ingewijden wisten wel hoe het er mede stond.
âDe liefde wil wel eens kibbelefi.quot; 31
Ik herinner mij nog de oorzaak van hun laatste gekibbel: het was de vraag of men dertig jaar geleden, bij gelegenheid van het doopmaal hunner jongste dochter, met zijn veertienen aan tafel had gezeten, zooals papa beweerde, of met zijn vijftienen, zooals mama verzekerde, 't Was een vreeselijk geval!
Maar helaas! den volgenden dag was papa niet meer onder de'levenden : hij was 's avonds te voren ingeslapen, om niet weer te ontwaken. Zij overleefde hem slechts eenige weken, ronddwalend als een schim, en volgde hem toen in 't graf.... Wat hun betreft, was het spreekwoord ten minste een waar woord geweest : De liefde wil ivel eens kibbelen.
KINDERLIJKE VRAGEN.
't AY^/as in het bosch, het âbois de Boulognequot; ^ bij Parijs, omstreeks vijf uur na den middag. De equipages volgden elkaar geregeld op, en voerden eene schitterende, kakelbonte wereld aan, die door de nieuwsgierigen in 't voorbijgaan bekeken werd. De kleine Paul stond op den wandelweg bij zijn papa, en liet zich geene enkele bijzonderheid van dit voortdurend wisselende schouwspel ontsnappen. Eensklaps kwam er een arbeider voorbij, in zijn werkpak, en natuurlijk ook niet smetteloos rein van gelaat en handen. Hij stak scherp af tegen dien langen stoet van pracht
Kituierlijke vragen.
en voornaamheid, en dit contrast bleek het kind te treffen.
s
âPapa, ivaar zijn die werklieden toch voorV
âWaar die voor zijn, mijn jongen? Dat zal ik u eens zeggen. Als er geen werklieden waren, zoudt gij van honger moeten sterven; gij zoudt geen dak hebben om u te beschutten, geen kleeding om u te dekken, geen bed om in te slapen. Gij bewondert in hooge mate de prachtig gekleede dames en heeren, die hier in al deze equipages voorbij rijden. Welnu, van het kantwerk der parasols en de bloemen der hoeden af, tot de wielen dei-rijtuigen toe, zijn het werklieden die dat alles gemaakt hebben. Eveneens hebben zij dezen weg gemaakt, de boomen langs de wandelpaden geplant, de rustbanken vervaardigd, en de bruggen aangelegd. Van de Notre-Dame en het Panthéon en den top des Eiffeltorens at, tot het plaveisel der straten toe, bevindt er zich in heel dit groote Parijs geen enkele steen, geen enkele balk, geen enkel stuk ijzer, dat niet door werklieden is toebe-
33
Kinderlijke vragen
reid en ter bestemder plaatse aangebracht.
Elk stuk brood hebben wij te danken aan de langdurige en geduldige werkzaamheden der boeren, die in regen en wind zaaien, om te maaien onder den verzengenden gloed der zon in de hondsdagen. Alles is gegrond en gebouwd op den arbeid. De werkman die daar zooeven voorbijging, schijnt de een of andere soort van machines te vervaardigen. Men noemt hem een âhandwerksmanquot; omdat zijn arbeid met de handen verricht wordt. Er zijn ook nog andere arbeiders, namelijk die, zooals men het noemt, ,,met hun hoofdquot; werken: ingenieurs, geleerden, dokters, wijsgeeren, professoren, kunstenaars, enz. Om te kunnen blijven bestaan, heeft de menschheid behoefte aan al die arbeiders. Aangezien wij de vruchten genieten van hunne inspanning, moet elk onzer op zijn beurt zich trachten nuttig te maken. De waarde van een mensch hangt af van de inspanningen, die hij zich getroost voor het welzijn zijner medemenschen. De groote vraag ten opzichte van ieder mensch
35
is clan ook juist die, welke gij mij zooeven gedaan hebt, zonder nog iets van hare gewichtige en ver reikende strekking te beseffen ; Waartoe dient hij?quot;
âMaar papa, vertel mij dan toch óók eens, waartoe die fraai gekleede lieden dienen, die hier wandelen?quot;
âDie menschen, kindlief, kan men in twee soorten verdeelen. Die van de ééne soort rusten uit van hunnen arbeid. Er loopen daar menschen, die zóó vermoeid zijn, dat een uur verpoozing een groote weldaad voor hen is. Na deze welverdiende ontspanning zullen zij met meer kracht en opgewektheid hunne bezigheden hervatten. Maar onder de lieden die gij hier ziet, zijn er ook anderen, welke hun tijd slijten met rusten Zij doen nooit iets anders dan lijdelijk voort te leven, en te genieten van den arbeid van anderen. Dat zijn de nutteloozen en de doodeters. Hunne rust is louter ledigheid, d. w. z. iets zondigs en schadelijks. God keurt hun gedrag af, en alle weidenkenden verafschuwen het. Het zou
Kinderlijke vragen.
beter zijn, onder den grond te slapen bij de dooden, dan onder de levenden te vertoeven zonder iets te doen !quot;
âPapa, ik zou zoo graag willen weten, waartoe ik nuttig zou kunnen zijn?quot;
âGij, mijn zoon, gij kunt voor het oogen-blik slechts van bescheiden nut zijn. Uw plicht bestaat hierin: u voor te bereiden om later een nuttig mensch te worden. Gij volbrengt dien plicht door te gehoorzamen, en door uw uiterste best te doen om te leeren. Wanneer wij eenmaal opgemerkt zullen hebben, terwijl wij u aan't werk zien, van welken aard uwe bekwaamheden zijn, zullen wij u onze hulp verkenen in het kiezen van een loopbaan. De werkzaamheden van den geest en die van het lichaam zijn beiden even eerbiedwaardig. De hoofdzaak is, dat men datgene, wat men te doen heeft, goed doet. Uw vader heeft ten uwen opzichte slechts één wensch, en wel deze ; dat gij, hetzij als denker of als handwerksman, een kloek en rechtschapen arbeider moogt worden lquot;
VERLOREN MOEITE.
welk een prachtige oogst! Als men op den top van den heuvel staat, ziet men hem zijne golven voortstuwen, waarover snel en reusachtig de schaduwen der wolken heen-glijden. Als groene golven steken de breed-getakte pereboomen boven den oceaan van halmen uit. De lucht is vol gegons van bijen en van het eindelooze gesjilp van sprinkhanen en krekeltjes, waarboven de levendige slag van den kwartel hoog uitklinkt. Er heerscht alom blijdschap over dezen heerlijken overvloed, de belooning van langdurigen arbeid.
Verloreii woeite.
38
Tusschen het geritsel van die myriaden welluidende halmen, die langs elkaar heenglijden onder de drukking van het koeltje, meent men reeds de gouden tarwekorrels te hooren stroomen. Kom thans, ijverige landbouwer! de voren wachten u, om u voor al uw arbeid en moeite honderdvoudig te beloonen!
Twee uur later omlijst dezelfde horizon een gansch ander tafreel. Ontwortelde boomen, neergehageld koren, en â hier en daar â de aarde zelf ijzingwekkend gespleten. Overal losgerukte stukken en brokken, overal gehavende dingen, overal de schrikkelijke sporen van de werking eener verwoestende kracht. Men zou gezegd hebben, dat de oorlog door die streek was getrokken, in den razenden galop van honderd escadrons artillerie en onder den helschen stortvloed van ijzer en vuur. â Alles is platgetrapt, aan gruizels geslagen. â- Vruchteloos zoudt gij trachten
Verloren moeite.
na te gaan, wat vroeger tarwe, of rogge, of haver geweest is. Wat er van is overgebleven, daar op den grond, is niets anders dan een vormeloos haksel, waartusschen â kris en kras opeengestapeld en door elkaar geworpen â neergestormde stammen en boomtakken verspreid liggen. En op de in woestenijen herschapen velden ziet men de arme boeren rondzwerven, alsof zij loopen te zoeken naar hunne verloren oogsten, zooals men na een veldslag de lijken bijeenzoekt. Zij maken, al wijzend en hoofdschuddend, elkaar opmerkzaam op doode vogeltjes, op in den storm om 't leven gekomen hazen en konijnen en ander wild, op door den bliksen getroffen en omvergeworpen boomen, die nu aan splinters uiteengeslagen zijn, en â hier en daar â op een hagelsteen van monsterachtige grootte, die langzaam in een volgeloopen wagenspoor ligt te smelten.
Die arme menschen ! Wat hebben zij anders overgehouden, dan oogen om te schreien ? En inderdaad: bijna allen hebben zij dan
39
Verloren moeite.
40
ook tranen in de stem. 't Is hartverscheurend!
Niets ontmoedigender dan vergeefsche moeite; wat al menschen die er niet tegen bestand zijn, en er dadelijk het hoofd en de armen bij laten hangen! Maar de landman weet zijn verdriet te bedwingen. Hij wischt zijne tranen af, om beter uit zijne oogen te kunnen zien, en hervat zijne werkzaamheden. Hij is bewonderenswaardig in de volharding, waarmede hij telkens weder van meet af begint. Door zijn kalmen moed, zijn vermogen om te worstelen, te strijden, en weer op te staan, doet hij aan den matroos denken. Ondanks het groote verschil in omgeving, hebben de handen die de ploeg besturen, zeer veel overeenkomst met die, welke de zeilen hijschen en strijken. Zoowel dezen als genen hebben bij ervaring leeren verstaan, wat bidden en wat lijden is Zoowel dezen als genen hebben, om kloek en sterk te blijven, be-
41
hoefte om te hopen op dien God, die in het leven kan behouden, ondanks de machten des doods. â Morgen reeds zullen diezelfde akkers het zaad ontvangen voor een nieuwen oogst, en zal de hoop weer ontkiemen in de vernielde voren. Er vallen bij die eenvoudige en ruwe arbeiders lessen te leeren voor de lieden met verzwakte wilskracht, en ook voor de blooden en vreesachtigen, die door een nietsje overbluft worden ; een bespottelijk slag van menschen, die altijd op 't punt staan om schipbreuk te lijden op den vasten wal, of van honger te sterven aan een weelderig voorzienen disch.
God behoede u, vriendelijke lezer, en geve u goeden moed onder uw tobben, vooral wanneer het vergeefsche moeite is geworden !
quot;a
LIEFDE EN TYRANNIE.
/Ælt;?/ kind: âWat houd ik toch veel van mijn sijsje! 't Is ook zoo'n aardige vogel. En ik zorg wel, dat hij geen gebrek lijdt. Om te rusten, heeft hij dit heerlijk zachte nestje; om te springen en pret te maken, deze stokjes en dezen ring, die als een schommel in zijn kooi is opgehangen. In zijn fonteintje is het water altijd frisch en helder; en zijn etensbakje ligt vol zaad, van het beste dat er te krijgen is.
,,En die kooi hier, zijn huisje, is zoo mooi, zoo snoezig! Welk een gelukkig leventje moet mijn sijsje er in hebben: zoo beveiligd tegen
LieJde en tyrannic.
al wat gebrek en gevaar heet! En hoe diep zal hij zijne arme makkers beklagen, die niets anders ter wereld bezitten dan een boomtak, om op te gaan rusten, â die onbeschut zijn tegen den regen, met wie stormen en onweders vrij spel hebben, en die op den grond belaagd worden door de katten uit de huizen, en in de hoogte door de sperwers uit de lucht!quot;
De vader: âHet spijt mij, kindlief, dat deze vogel, die zoo mooi zingt, zich niet in ónze taal kan uitdrukken. Uw sijsje zou ongetwijfeld duizende vriendelijke woordjes te zeggen hebben, om u te bedanken voor de goede verzorging. Maar toch meen ik ook stellig en zeker te weten, dat hij u â met al de bedaardheid en al de fijne kieschheid van zulk een teergevoelig schepseltje â verlof zou vragen om één wensch uit te spreken.quot;
âEn welke wensch zou dat dan wel zijn, lieve vader ?quot;
âOm te mogen leven als zijne natuurge-nooten : om van dag tot dag zijn eigen voedsel
43
Liefde cn tyramiie.
te mogen zoeken, zooals het te vinden is in de vorens en op de wegen; zelf zijn nestje te mogen bouwen, in de schaduw van zijn lievelingsstruik ; naar hartelust her- en derwaarts te mogen vliegen, en de bosschen te doen weergalmen van de echo's zijner zangen.quot;
âWat u zegt! Maar, vader, diewenschzou toch in de hoogste mate onredelijk zijn! Van hoeveel genoegens zou mijn arme sijs zich daardoor berooven ! Hij zou kou lijden, en honger krijgen, en wanneer hij 's nachts hier of daar op een boomtak zat te slapen, met zijn kopje onder zijn vleugel, zou hij groot gevaar loopen om in de klauwen te vallen van die leelijke nachtuilen, die in donker even goed kunnen zien alsof het klaar dag is.quot;
âDat is waar, mijn kind; maar uw sijs zou dan toch óók het leven leiden, waarvoor God hem geschapen heeft, terwijl gij hem tot een heel andere levenswijze hebt gedwongen. â Dan zou hij de vrijheid hebben, terwijl hij nu een gevangene is. En gevangenschap is zóó'n groot ongeluk, dat al de lieflijkheden,
44
Liefde en tyravvie.
waarmede men het omringt, niets anders zijn dan bloemen om ketenen te bedekken. Ondanks die bloemen, drukken de ketenen toch even zwaar op den gevangene. Geloof mij dan ook maar vrij, lieve kind: indien uw sijs tot u kon spreken, zou hij u smeeken om hem de vrijheid terug te geven; en dus â nu gij zegt, dat gij zooveel van hem houdt, blijft er niets anders voor u over, dan zijn kooitje open te zetten.quot;
âOch, vader! zeg dat toch nooit weer! Ik zou het niet kunnen doen! Dat zou mij veel te ongelukkig maken. Afstand te moeten doen van mijn allerliefste sijsje, dat is mij onmogelijk; ik zou denken dat het beestje dood was, als ik het niet meer zag. Ik houd véél te veel van hem, om hem weg te laten vliegen !quot;
En dat is nu juist de manier waarop wij menschen elkaar liefhebben, althans in verreweg de meeste gevallen. Onze genegenheden zijn slechts openbaringen van zelfzucht in een anderen vorm. Wij eischen wel degelijk, dat
45
Liefde en tyrannie.
zij, die wij liefhebben, gelukkig zullen zijn op ónze manier.
Als er iets hartverscheurenders is dan het schouwspel van onze hatelijkheden, en van het kwaad dat zij aanrichten, dan is 't wel het schouwspel van onze tyrannieke genegenheden. Wij beschouwen hen, die wij liefhebben, als ons willoos en zielloos eigendom. Er zijn op deze wereld heel wat menschen, die â evenals de sijs van het kind â te véél bemind worden, en dat tot hun ongeluk. Men bemint hen zóó sterk, dat zij totaal beroofd worden van hunne vrijheid op het gebied van keuze en smaak, van hunne bekwaamheden, van hun wil, ja tot zelfs van hunne overtuigingen. In één woord: men bemint ze dood.
Er zijn kinderen, die zóó beschut en beveiligd worden, zóó gekoesterd, zóó aan alle kanten omringd met zorgen en voorzorgen, dat zij er onder stikken. Wanneer hun een ongeluk overkomt, schreeuwt de geheele wereld dan ook eenparig: âWaaraan kunnen zij toch gebrek gehad hebben?quot; â Aan niets,
46
Liefde en tyrannie.
natuurlijk, indien men aanneemt dat God den VQgel geschapen heeft voor de kooi, evenals de mensch de kooi gemaakt heeft voor den vogel.
Sommige menschen, begaafd met geestkracht en verstand, zijn in het verderf gestort door al te angstvallige genegenheden. Er bestaat een oprechte, maar blinde soort van liefde, die de verlamming en, op den langen duur, den dood der ziel tengevolge heeft.
Liefhebben is niet genoeg; men moet bij de liefde ook oordeel voegen, benevens eerbied voor de vrijheid van anderen en voor de onschendbaarheid van hun geestelijk leven. Want niet enkel en uitsluitend voor het lichaam is het gebod gegeven : âGij zult niet dooden!quot;
47
DUISTERE PADEN.
)
jachtsneeuw rond, opgezweept door een snerpenden wind, en sloeg zij hard en scherp ais fijne hagelkorreltjes tegen de vensterruiten. In het eenzaam gelegen huisje zat de familie bijeen, in een nauwen kring rondom het vuur. Het waren de grootmoeder, de moeder en vier jonge kinderen. Bij den eersten oogopslag kon men duidelijk zien, dat de oude dame het groote midden- en aantrekkingspunt van al deze levens was. Een nestvol jonge leeuwerikken kruipt niet dichter opeen onder moeders vleugelen, dan deze kleine kinderen
et was Oudejaarsavond. Buiten stoof de
Duistere paden.
49
en hunne moeder wegscholen onder de beschuttende zorg der grootmoeder. Zij schenen er als met een deken door omwikkeld en toegestopt te zijn. En inderdaad; de arme jonge weduwe en hare weezen waren als verschrikte vogeltjes na een onweersbui. Hun hart had ook zooveel doorgemaakt in het afgeloopen jaar! De vader rustte op het kerkhof. Zijn dood had een rein geluk verbrijzeld, en eene algeheele omwenteling veroorzaakt in het levenslot van zijne vrouw en kinderen. Beroofd van hun natuurlijken steun, waren zij een schuilplaats komen zoeken in het kleine huisje, waarin grootmoeder reeds sedert jaren alleen woonde. En thans, aan den avond van dezen laatsten dag des jaars, wierpen zij in hunne gedachten diep smartelijke blikken op het verledene terug. Het scheen hun toe, dat het ongeluk hen voor altijd tot zijn prooi had gekozen; en het sombere, klagende geloei van den wind wekte allerlei onheilspellende vermoedens in hunne harten op. Waarom heeft God ons zoo zwaar geslagen ? Waartoe
4
Duistere paden.
die slagen op het hoofd der jonge kinderen ? Hebben wij méér dan anderen deze gestrengheid verdiend ? Waarom maakt God scheiding tusschen hen die elkaar liefhebben, en laat Hij dikwijls dezulken bijeen, die eikaar slechts verdriet berokkenen en wederkeerig het leven vergiftigen ? In dat soort van vragen, die bij de jonge weduwe aan de orde van den dag waren, was zij dezen avond onuitputtelijk, â ja, zij was nu blijkbaar met een buitengewoon hartstochtelijk gevoel van bitterheid vervuld. Zij was gekomen tot een toestand van innerlijk verzet tegen hetgeen in hare oogen eene onrechtvaardigheid van God was. Grootmoeder hoorde stilzwijgend al die verzuchtingen en klaagliederen aan, en bleef zich intus-schen met haar borduurwerk bezig houden.
Zij legde juist in den ruiker bloemen, dien zij met eene aan liefde grenzende bezorgdheid op haar stramien weefde, de laatste hand aan een bewonderenswaardig schoone dahlia. Toen dit fijne onderdeel van den bouquet voltooid was, zag zij met een lieven glimlach hare
5°
Duistere paden.
dochter en de kleinkinderen aan. En daarop het hoofd schuddend, en zich meer rechtstreeks tot de jonge weduwe richtend, zeide zij;
â't Is vvèl vreemd, kindlief! Uw lot gelijkt o zooveel op het mijne. Ook ik ben van uwen vader gescheiden te midden van ons geluk en onze jeugd, zonder ruime hulpmiddelen, belast met het onderhoud en de opvoeding van kleine kinderen.
Maar de invloed dien mijn geloof op mijne rampen gehad heeft, was van geheel anderen aard, dan dien ik het uwe zie hebben op uw verdriet. Gij schijnt altijd enkel en alleen aan God te denken om Hem te vragen, waarom Hij u geslagen heeft! Maar als ik aan Hem dacht, was het om mij te herinneren, dat Hij mij wilde genezen, mij vertroosten, mij versterken. Ik riep Hem aan in mijne droefenissen en bekommeringen. Ik bracht al mijne lasten tot Hem, en ik zeide tot Hem met onzen Heiland: Verlos ons van den booze ! En ik geloof dat ik beter deed dan gij, niet alleen voor den vrede mijns harten, maar ook uit het
51
Duistere paden.
oogpunt van den eerbied, dien wij aan onzen Vader in de hemelen verschuldigd zijn. Zonder twijfel: alles komt van God. Niets is uitgesloten van zijn wil en zijne Voorzienigheid, zelfs het kwade dat ons overkomt door het toedoen der menschen.
Maar terwijl het altijd zeer moeielijk voor ons is, te zeggen om welke reden wij geslagen worden, kunnen wij steeds met volkomen zekerheid zeggen : God wil ons genezen. Of de rampen, waaronder wij lijden, de gevolgen zijn van onze eigene zonden, of van de zonden van anderen, of van bovennatuurlijke of goddelijke oorzaken, â e'én ding blijft altijd waarheid: God wil ons heil'.
Ik heb mijn leven lang mijn geheele geloof op dit eéne punt gegrondvest. Ik heb er mij geheel eli uitsluitend door laten bezielen. Ik heb nooit eenige verklaring van het onverklaarbare gevraagd; ik ben ook niet in opstand gekomen tegen de menschen, en nog minder tegen God. Lief kind, er bestaat maar ee'n middel tegen de menschelijke smar-
52
53
ten, maar ééne ster op de duistere paden: namelijk zich blindelings toe te vertrouwen aan de Hand, die de sterren bestuurt. Geluk-k'g zij, die in hunne harten, in hunne ervaringen, in de onderwijzingen en bezielende waarheden van het Evangelie, drangredenen genoeg vinden om dit vertrouwen in hen te voeden en te versterken. Beveel den Heer uw wegen, en vraag Hem nooit: waaroml Want indien gij, om te hopen en getroost te worden, genoodzaakt waart het antwoord op die vraag af te wachten, zoudt gij tot wanhoop gebracht worden. Gij zoudt trouwens niet in staat zijn, diep genoeg te dalen, of hoog genoeg te klimmen, om het antwoord te vinden. Laat ons den moed hebben, kinderen te zijn, en ons geheel te onderwerpen aan den wil des Vaders. Gij ziet het werk, waaraan ik hier bezig ben. Bekijk de achterzijde van dit borduursel eens. Welk een onontwarbaar kruisnet van draden! Wat al schijnbaar onzinnige her- en derwaarts gerichte steken: men zou 't voor het werk van
Duistere paden.
het toeval of van een krankzinnige aanzien. Maar zoodra gij het van de goede zijde bezichtigt, zult gij diezelfde draden regelmatige figuren zien vormen. En zoo is het nu ook met ons leven gesteld. Dat het ons duister, onverklaarbaar, tegenstrijdig toeschijnt, komt doordat wij het hier beneden slechts aan âden verkeerden kantquot; kunnen bezien. Maar de Heer onze God ziet den anderen kant; en wat voor Ãns duister is, straalt voor Hèm in het helderste licht.
Beveel den Heer uw wegen!quot;
54
ROSE EN ZWART.
Tin de eetzaal staat de gedekte tafel te wachten op de gasten voor het diner. Mama heeft de laatste hand gelegd aan het tafellaken en de servetten, allen van een smetteloos witte kleur. Daarna is zij de kamer uitgegaan, druk, overdruk bezig, na papa nogmaals aangespoord te hebben om toch goed op âden kleinequot; te letten.
Vader en zoon kunnen zoo prettig samen spelen, terwijl zij met gelijken eetlust wachten op het maal, dat zoo dadelijk klaar zal zijn. Men onderneemt een ritje te paard op vaders knieën; men vertelt mooie geschiedenisjes;
Rose en zwart
men haalt samen zelfs allerlei dwaze grappen uit: in één woord â overheerlijk ! Vraag maar niet, wie van de twee, de vader of het kind, de meeste pret heeft. Dat heeft niemand ooit te weten kunnen komen....
Ondertusschen laten de gasten zich wachten. Een oogenblik later begint âde kleinequot; een onderzoekingstocht door de kamer te ondernemen, en verzinkt papa in een droo-mend gepeins.
Daar in de verte, achter de daken, gaat de Maartzon langzaam onder. Rooskleurige tinten, die van oogenblik tot oogenblik lichter worden, smelten stervend in den dampkring weg. De dag slaapt zachtkens in. En de vader, vermoeid van den arbeid des daags, geeft zich zonder weerstand over aan die tooverkracht der mooie avonden. Heel zijn wezen is heengegaan, tegelijk met zijn droom, naar ginds, naar ginds....
âWaar gouden wolkjes zweven langs 't azuur.quot;
En wat doet âde kleinequot; in dien tijd?
Rose en zwart.
Achter den rug van papa verdiept ook hij zich geheel, niet in den droom, maar in de daad. Hij heeft een inktkoker weten te pakken.
Midden voor de tafel gezeteld, en zich van zijn wijsvinger als een penseel bedienend, gaat hij op het tafellaken teekenen. Zijn werk brengt hem in verrukking: dat kan men duidelijk zien. Het scheppingsgenot schittert in zijne oogen. Bij elke zwarte streep, die hij op het witte tafellaken zet, wordt zijn gezichtje als door een nieuwen glans verhelderd. Maar eindelijk, alsof hij zich niet langer kan bedwingen tegenover al de schoonheden van zijn voltooid meesterstuk, begint het kind plotseling in de handen te klappen en luidkeels te roepen: âPappa! pappa! tijt ereis wat mooie teetening van tleine \quot; Voor de k, waarover zijn stemregistertje nog niet beschikt, behelpt hij zich met een t, â maar âpappaquot; verstaat hem best.
Want bij het hooren van dat stemmetje schrikt de vader eensklaps op, ten prooi aan een onheilspellend voorgevoel. Hij keert zich
57
Rose en zwart.
driftig om, overziet met één enkelen oogopslag den omvang der ramp, en kan slechts deze gesmoorde verwensching uiten; âEllendige jongen ! wat heb je nu weer uitgevoerd ?quot; Op hetzelfde oogenblik opent mama de kamerdeur, begrijpt alles, en roept: âHemelsche goedheid!quot;
Tusschen die twee toonbeelden van schrik en verbijstering zit onze âkleinequot;, ontsteld en in den volsten zin des vvoords verpletterd, tranen met tuiten te huilen. Als men ook zóó zijn best meent gedaan te hebben, en het zóó slecht ziet afloopen!
De hooggaande uitbarsting van zijn verdriet ontwapent de ouders. Zij weten nu niet, hoe zij âden kleinequot; maar troosten zullen. Gauw een ander tafellaken! en alles is weer
in orde....
Zoo gezegd, zoo gedaan. Opnieuw staat de smetteloos witte tafel de genoodigden te wachten. âDe kleinequot; huilt al niet meer. Hij heeft beloofd, het nooit weer te zullen doen.
En daar laat nu eindelijk de schel zich hooreiv
58
Rose cn zwart.
daar zijn de vrienden! Zij kunnen komen; alles in huis ziet er onberispelijk uit.
Maar 't mag wezen zooals het wil: voortaan zal papa, wanneer hij droomt en peinst en mijmert, met de oogen verdiept in de stralen der ondergaande zon, zich niet kunnen weerhouden, voorbij die rose zonneschijf een mollig handje te zien glijden, dat heel en al zwart is van inkt.
59
DE KLEINE SCHOORSTEENVEGER.
die kleine schoorsteenvegersjongen! Ik kan zulke zwarte schepsels niet aanzien; het lijkt wel een neger, of een kaboutermannetje. Hij zal zeker wel erg ondeugend zijn, niet waar, papa ?quot;
âZoo moet ge niet spreken, kleine meid! Zonder dat gij het zelf weet, toont ge u daardoor zeer ondankbaar. Want dat die schoorsteenvegersjongen zoo zwart ziet... ts om uwentwil!quot;
âOm mij ?! Hoe bedoelt u dat, papa ? Ik begrijp u niet.quot;
at is hij toch verschrikkelijk leelijk, papa,
De kleine schoorsteenveger. 61
âDan zal ik het u eens uitleggen. â In deze koude winterdagen branden er vuren in alle huizen. Er worden duizenden kachels en haarden gestookt, om ons te verwarmen en er onze spijzen op te koken. Daardoor zet er zich roet aan de wanden der schoor-steenen vast, en worden zij langzamerhand vuil. Na verloop van eenigen tijd moeten zij noodzakelijk geveegd worden. Als er nu eens geen schoorsteenvegers waren, wie zou zich dan met dat werkje belasten ? Papa ? of mama ? of gij misschien? Maar elk onzer, wie het ook deed, zou er zich onvermijdelijk zwart bij maken. Verbeeld u eens, hoe wij er uit zouden zien! Ik geloof niet, dat gij veel smaak in dat werk zoudt hebben. Wees dus maar blijde, dat de kleine schoorsteenveger er zich mede belast, en wees er dankbaar voor, want ik zeg het nog eens ... om mventwil ziet hij zoo zwartquot;
âDaar had ik niet aan gedacht, beste papa.quot; âDan moet gij er nu voortaan om denken, meisje! En nu we toch eenmaal over dit onder-
62
werp aan 't praten zijn, moet ge nog een oogenblikje naar mij blijven luisteren. Om uwentwil is de molenaar wit; voor ü is de slager rood; voor u is de landman verbrand door de zon, gebruind door den windenden regen ; voor u heeft de schoenmaker een ronden rug, heeft de metselaar vereelte handen, stelt de dokter zich aan allerlei besmettingen bloot, staat de machinist op zijn locomotief, en verdedigt de soldaat onze grenzen: wanneer die menschen op hun post sterven, is het om uwentwil. Ieder die een nuttig werk doet, volbrengt het voor anderen. Ieder is, in zijn werkkring, de dienaar en de vertegenwoordiger zijner medemenschen. En hoe zwaarder, geringer en slechter betaald dat werk is, hoe meer men de uitvoerder van zulk een werk moet eeren.quot;
âNu, ik beloof u, papaatje, ik zal nooit meer van den schoorsteenveger zeggen, dat hij leelijk is, â en evenmin van de metselaars, of van de kolenbranders.quot;
âDat is nog niet genoeg, kindlief. Hoe
63
grooter gij wordt, des te duidelijker zult gij bespeuren, hoeveel mannen en vrouwen er voor u werken, hetzij met de handen of met het hoofd. Wanneer gij dit eenmaal goed begrepen hebt, zult gij u niet meer tevreden stellen met de werklieden te achten. Gij zult u dan ook verplicht gevoelen, ze na te volgen. Op uw beurt zult gij u óók nuttig trachten te maken. Ook gij zult u dan uwerzijds voor anderen moeiten en inspanningen hebben te getroosten. En als gij dan vermoeid afgemat en uitgeput door het eerlijke en goede werk, dat elk onzer ten plicht is gesteld, dan zult gij nog dikwijls om den kleinen schoorsteenveger denken. Elke arbeid des menschen laat sporen achter i op de handen, op het gelaat, op het hart. Wanneer men terdege zijn plicht heeft gedaan, is men gewoonlijk vol rimpels, vol litteekens, vol stof, en somtijds vol bloed. Dat is, in de meeste gevallen, geen mooi gezicht, mijne dochter ; maar toch is er niets eerbiedwaardigers in de wereld. Eén ding wensch ik u toe, en dat is:
64 De kleine schoorsteenveger.
âEvenals gij zoo straks in uwe kinderlijke onwetendheid hebt uitgeroepen: âO,, wat is hij toch leelijk, die schoorsteenveger!quot; â mocht gij zoo ook eenmaal, geleerd door het leven, uitroepen tegenover alle werklieden, die door hunnen arbeid geteekend, misvormd ot gewond zijn: âO, wat zijn ze schoon!quot;
âNiemand is leelijk dan de booswichten en de luiaards. Want van hen kan men naar waarheid zeggen: Hoe meer zij zich sieren en optooien, hoe afzichtelijker zij er uitzien!quot;
ONDER DE HOOGE BOOMEN.
r\e hooge boomen verdwijnen. Onze eeuw ^ vol nuttigheidsbejag veroordeelt ze ter dood. Wat brengen zij op? Het zijn maar sta-in-den-wegs, en kostbare óók, en daarom zijn zij gedoemd te vallen, om plaats te maken voor licht hakhout, dat vlug opschiet en om de twintig jaar gerooid kan worden. De versregel van La Fontaine :
âVoor deze schaduw zal het nageslacht u danken,quot;
is niet in overeenstemming met ons jacht maken op onmiddellijke resultaten. Wij zijn veel meer geneigd om te verwoesten wat onze
5
Onder de hooge hoornen.
voorzaten ons nagelaten hebben, dan ons in sedachten reeds bezi? te houden met onze nakomelingen.
Ik kan er natuurlijk niets aan veranderen, maar er toch ook niet lijdelijk in berusten. Met droefheid en weemoed zie ik het oude bosch en de eeuwenheugende boomen onder de bijlslagen vallen. Als ik hier of daar op de straatwegen de wagens tegenkom, die de stammen dezer oude reuzen wegvoeren, krijg ik een gevoel alsof ik een begrafenisstoet voorbij zie komen. Laat ons deze dooden groeten: iets van onszelven, van het beste van onszelven, gaat met hen heen.
Diep beklagenswaardig is hij, die in den boom niets anders ziet dan de allereerste grondstof voor den timmerman, den meubelmaker of den kolenbrander. Hij miskent de ziel der dingen. Want er schuilt een ziel in den boom, en bovenal in het woud. Het Oude Testament noemt de cederen van den Libanon âde cederboomen Gods.quot; De Heer heeft ze geplant. Iets van Hem vloeit er
66
Onder de hooge hoornen.
in hun sap en suist er in hunne takken
In den ouden tijd koesterde men voor den boom een vereering, die wij niet te haastig moeten uitmaken voor enkel afgoderij en bijgeloof. God gave dat onze harten, die het heilig huiveren zoo ten eenenmale ontwend zijn iets behouden hadden van die vrome en aandoenlijke ontroering! Wij behoeven hier slechts te denken aan de gewijde bosschen, aan de symbolische boomen, zooals de olijf en den eik, die in zoo hooge waarde stonden bij de profeten, bij de barden, en bij allen die hun weg door deze wereld gingen, maar onder de vluchtige en vluchtende geruchten steeds de groote en geheimzinnige stem der Eeuwigheid beluisterden.
Het woud is de eerste tempel geweest, en het nog altijd ongeëvenaarde model van alle heiligdommen. Lang voordat de Gothische spitsboog zich verhief, en het licht zijne stralen brak door de geschilderde vensterruiten der kathedralen, sloten de oude boomen hunne takken saam tot gewelven, en liet het
67
68 Onder de hooge boom en.
honderdvervige gebladerte het tieerstroomende goud der ondergaande zonnen doorsijpelen.
De oude, hooge boomen zijn nog altijd eerwaardige voorouders, die hunne beschermende armen over ons uitstrekken, die oude geschiedenissen vertellen, uit langvervlogen tijden, en die het heden wiegen in den eerbied voor het verledene.
Het zijn ook de bescheiden vertrouwelingen onzer gedachten. Zij vereenzelvigen er zich mede, wekken ze op, en lichten ze toe. Evenals in het geruisch der golven, vindt de ziel â met hare telkens wisselende aandoe-nineen â zich terusr in de stemmen van het
o
woud. Niets evenaart de zoetheid, de onbeschrijfelijke innigheid, van sommige lispelende koeltjes. Zij doen u denken aan dat suizen van eene zachte stilte, aan dat lichte en nauwelijks waarneembare geluid, waarin de profeet Elia de aanwezigheid des Heeren herkende.
Wanneer de avondwind de takken der dennen in beweging brengt, meent men soms snik-
Onder dc hooge boomen. 69
ken en verzuchtingen tehooren. Aide weemoed en al de rouw onzer harten trillen schreiend door de wouden.
Vroolijke tonen, vaak schaterend, zweven er door de beukenbosschen. Het zijn frissche lachbuien, rondo's en melodién, waarin de geestdrift en de vroolijkheid bezongen wordt.
Onder de eikeboomen, als zij schudden en beven in den wind, verneemt men mannelijke klanken : het geschal van krijgsklaroenen, die aan den strijd doen denken en er het gemoed toe stemmen.
Maar vooral onder den indruk van het onweder wordt het woud schoon. Dan brengt het ons onze innerlijke worstelingen voor den geest: de aanvallen op de ziel van de tegen haar ontketende en losgelaten krachten. Dat deinende groen, die loeiende golven van bladeren en twijgen, die gekronkelde en als in hunne krachtsinspanning zich wringende takken, die forsche stammen, op rijen geschaard als tot vuren gereed staande krijgers, die kreten, dat gekraak en geknapper, dat neerploffen
Onder de hooge hoornen.
van stukken en brokken, en soms die totale verwoestingen, â dat alles vervult den geest met een machtige ontroering. Men vereenzelvigt zich voor een oogenblik met dit door den storm bestookte woud : men volgt de slingeringen van den strijd met een huiveringwekkende belangstelling, alsof daar een stuk van ons eigen levenslot werd afgespeeld. De mensch kiest partij voor den boom tegen den orkaan. En als de onweersbui voorbij is, â welk een verrukkelijk genot, de takken in de zon te zien schitteren, en de duizenden druppels, die aan de bladeren hangen, te zien fonkelen als zoovele vreugdevuren. Maar als de boom bezweken is !.. . dan krimpt het hart van weemoed ineen en wijdt het hem een traan, als aan de overwonnenen, die op het veld van eer gevallen zijn.
Mijn lezer, mijn broeder, voor wien ik hier deze regelen zit te schrijven in de schaduw van oude populieren, ik hoop dat gij toegankelijk zijt voor de gedachte, die ze heeft ingegeven. De oude, hooge boomen zijn het
7°
7i
zinnebeeld van al die dingen, die door den kleinzieligen geldmakerij-geest onzer dagen voor nutteloos verklaard worden, maar toch voor de menschheid onmisbaar zijn. Onze eer en ons heil zijn betrokken bij die werkelijkheden, die op geen weegschaal gewogen kunnen worden en welker waarde niet in cijfers is uit te drukken. O, welk een treurige wereld is dat toch, waarin men zich niet ontziet, zelfs de schuilplaats der ziel te verwoesten! De droom, de schoonheid, het ideaal, de liefde, alles wat het leven waardig maakt om geleefd te worden, vlucht heen uit die wereld, evenals de vogelkens de van hunne bosschen beroofde landstreken ontvluchten. Genade voor de oude hooge boomen! 1 .aat ons altijd in het bezit mogen blijven van die gewijde en geheimzinnige toevluchtsoorden, in welker top de vogel zijn nestje verbergt â en de ziel haren droom !
â¢k
HET KIND VAN DEN ZANDMAN.
rak! â krak !.. . . piep-piep! ..., Door de buitenwijk, met hare reusachtig lange en breede straten, nadert log en langzaam het karretje van den koopman met zand. â Geel en fijn zand voor de huismoeders en de herbergiers, zand voor de vogelkooitjes, en ook voor de kippen, die anders wel eens eieren zonder schaal zouden kunnen leggen. De man verkoopt het aan al wie maar wil, in kleine zakjes; en als hij weer verder gaat, port hij zijn paard een beetje aan en roept hij zijn koopwaar uit, â en zoo gaat het van den vroegen morgen tot den laten avond.
Het kind van den zandman.
't Is een ruw baantje, en niet zeer winstgevend ! Het niag dan ook inderdaad een moeilijk vraagstuk heeten, een gezin en een paard den kost te geven van de enkele stuivers, die hij dagelijks ophaalt. En tóch heb ik onlangs een vroolijk en tevreden gezichtje gezien te midden van deze armzalige kostwinning: dat was het kind van den zandman Verbeeld u een grooten dreumis van een jaar of vier, frisch van kleur en een aardig krullekopje, met bloote beenen en hoog opgestroopte mouwen. Hij was daar neergezet achterin zijns vaders kar, waar hij met handenvol zand tegelijk een houten emmertje zat te vullen. Rondom hem heen stonden de aldus gevormde âzandkoekjesquot; op rijen, en werd hun aantal steeds vermeerderd, sommigen reeds uitgedroogd door de zon, anderen pas versch gebakken, nog glimmend van vochtigheid. Af en toe wilden de schommelende bewegingen van het voertuig er wel eens een paar omwerpen, die dan echter dadelijk weer door anderen vervangen werden. â Nog nooit
74 Het kind van den zandman.
heeft een banketbakker zich zóóveel inspan-ning getroost voor het kneden eener pastei, als dat prachtige kereltje bij het kneden van zijn zand. Hij scheen er met hart en ziel in verdiept te zijn, en zich verder om heel de buitenwereld geen aasje te bekommeren. Hij zat van boven tot onder vol zand, tot op zijne wangen en in zijne haren toe! Maar dat hinderde hem volstrekt niet. Van tijd tot tijd kwam zijn vader een zakje vullen, voor een huismoeder of een dienstmeisje, en haalde hij het kind onder de bedrijven eens aan. Maar onze kleine pasteibakker scheen er weinig of niets van te bemerken. â Zelfs zijn stuk brood, en welk een stuk! bleef onopgemerkt in een hoek liggen. Niet omdat hij een lekkerbek was, â dat in de verste verte niet: de korst, die hier en daar de duidelijk zichtbare sporen van een paar krachtige beten vertoonde, bewees genoegzaam het tegendeel; maar de hartstocht voor het kneden en graven was machtiger dan de honger. Tijd om te eten? Wel zeker! Er was op dit oogenblik
Het kind van den zandman.
wel wat anders te doen! Moesten er niet nog, nadat de pasteitjes gekneed en gebakken waren, bergen opgeworpen, en vestingwerken aangelegd, en grotten gedolven, en tunnels geboord worden ?
En ik zeide bij mijzelven: hoeveel kinderen, die houten paarden en rijtuigen, helmen en sabels en volledige wapenrustingen, bouw-doozen, keukentjes, poppen, locomotieven en stoombootjes, koestallen, schaapskooien, arken Noachs, en heel den speelgoedbazaar hebben, zijn niet zoo gelukkig als deze kleine!
Wat heeft een kind noodig om gelukkig te zijn? Een gezonde, werkzame geest, en iets om dien geest bezig te houden. De voldoening is niet afhankelijk van de velerlei soorten bezigheden, maar van de wijze waarop zij boeiend en aantrekkelijk zijn gemaakt. De hoogere rang en kracht van het innerlijke leven treedt nergens zoo beslist op den voorgrond, als in de spelen van het kind. Dat spel, met al zijn geestdrift en al zijn rijkdom.
75
Het kind van den zandman.
vervult de ziel en de verbeelding heel en al. Een stukje hout, een steen, een nietsje, leveren hem voldoende bouwstof. Maar men kan die innerlijke aandrift tegenwerken door een al te nauwlettend bewaakt en te stelselmatig geregeld leven: door het opdringen van een groot aantal kant en klaar afgeleverde stukken speelgoed, die geen arbeidsveld openlaten voor den vindingrijken geest, voor het genot van iets te scheppen en iets zélf te doen.
De groote overvloed van zeer samengesteld en zeer kostbaar speelgoed maakt de kinderen lusteloos en onverschillig, bederft hen en doet ze ondankbaar worden. Midden in dien overvloed zitten zij van verveling te gapen, verliezen zij den lust om zelf iets te knutselen en den prikkel om zich in te spannen. Door blindelings en onberedeneerd steeds op de bevordering van hun genoegen bedacht te zijn, beneemt men hun het vermogen om zich gelukkig te gevoelen.
Dit is dan ook de reden, waarom zoovele kinderen uit de volksklasse â mits zij overi-
76
Het kind van tien zandman.
gens bemind en geliefd worden, en geen gebrek aan het noodige hebben â vaak gelukkiger zijn dan rijke kinderen; en waarom het kleine plattelandsvolkje, vrij en naar hartelust rondloopend door de velden, over de weilanden, langs de oevers der beken en het strand der zeeën, koninkjes zijn te noemen in vergelijking van de kinderen uit de groote steden.
Ik zou met pleizier al het speelgoed uit de weelderigst ingerichte magazijnen ruilen voor een hoop zand aan den oever van den Oceaan, al was het dan ook in een hoek van een karretje!
77
DE GEVALLEN TAK.
't \ V-Vas in de laatste dagen van Maart. Hier ' ⢠en daar deden witteplekjes op de landerijen en in de wagensporen op den weg nog aan de laatste sneeuwbuien denken. Het bosch, hoewel nog geheel bladerloos, begon toch reeds te weergalmen van het gezang der meezen en merels, en iets van die mooie, licht-roode tint aan te nemen, die het naderend ontluiken der bladeren voorspelt. Misschien zou men, als men héél dichtbij was gaan zoeken, hier of daar onder de heiningen, op plekjes die het meest voor den zonneschijn vrij lagen en het best tegen den wind beschut
De gevallen tak.
79
waren, een vroeg viooltje gevonden hebben, zedig verscholen tusschen het dorre gras van verleden jaar. Maar ik was veel te droefgeestig gestemd om viooltjes te plukken! Voorteekenen van den dood hielden mijn geest bezig en neergedrukt. Eensklaps, midden op het smalle pad dat ik afliep, stiet mijn voet tegen een pas afgehakten tak van een kersenboom. Ik raapte hem op. De vele en volle knoppen waren op het punt om uit te botten. Dat ging mij toch aan 't hart. Arme gevallen tak, zeide ik bij mijzelf, gij zult nooit weer de lente terugzien! En al voortwandelend, maakte ik behoedzaam de buitenste bekleedsels, eerst bruin, dan groen, van een der kleine uitspruitsels los. Het bevatte zes microscopisch kleine knopjes, ter grootte van een bijzonder klein speldeknopje. Dat waren de toekomstige bloesems. Zij waren er dus reeds: warmpjes beschut en gekoesterd, weggestopt als zuigelingen in hunne wollige dekblaadjes. Een bewonderenswaardige zorg en voorzienigheid, waarin de levenskiemen moesten sluimeren,
De gevallen tak.
beschut tegen de ijzige winterkoude. Heel die daar opgesloten wereld had slechts op een üefkoozenden zonnestraal gewacht, om geboren te worden .... Eén wreede houw met het snoeimes, â en aan al dien arbeid was eensklaps een einde gemaakt. Dat sneed mij door het hart. Ik nam den tak eerbiedig mede naar huis, en zette hem in een vaasje met water op mijn schrijftafel.
Wat ik gehoopt had, gebeurde. Na verloop van verscheidene dagen begonnen de knoppen te zwellen en open te gaan, en .... prachtige bloemen bedekten den tak met hunne welriekende trosjes.
Als het koeltje door het openstaande venster naar binnen woei, slingerden die bloemen zachtkens heen en weer, als zoovele klokjes, en verbeeldde ik mij, in hun nauwelijks waarneembaar geritsel allerlei dingen op te merken, waarvan ik hier de vage herinnering opteeken.
Zij zeiden: âWij zijn de kleine zusters der sterren. Wij brengen hier beneden fluisterend
8o
De gevallen tak.
en lispelend aan de donkere aarde over, wat zij daarboven in de stralende oneindigheid verkondigen. Wij zijn de zwakke stemmen der groote Hoop. Ons leven duurt slechts een morgen, maar tóch zijn wij de vluchtige bood-schapsters eener eeuwige tijding. Beklaag ons niet om onzen afgehouwen tak ! Aan den rand des grafs, waar wij onze bladeren verliezen, is onze glimlach zachter en onze beteekenis treffender. De onsterflijke Liefde heeft ons met een zóó smetteloos wit kleed getooid, alsof wij altijd moesten blijven leven. Doch daarom zijn wij voor haar toch niet verloren : wij dienen haar stervende, evenals onze aan den boom gebleven zusters haar dienen door vruchten voort te brengen. Wij voldoen aan de ons gegeven bestemming, wij volgen den ons voorgeschreven weg. De Hand die alle dingen bestuurt, heeft ons gezegend. Ons lot is zacht, en onze toekomst is zeker!quot;
Terwijl ik met mijn hart die gedempte stemmen beluisterde, die een gemurmel van hoop rondom zich heen deden ontstaan, werd ik
6
81
82
in mijne onmiddellijke nabijheid iets gewaar, dat aangrijpender en ontzagwekkender was dan al het andere. De Geest die troost en geruststelt, de teedere en krachtige Liefde, die in onze ellende deelt, die onze tranen verzamelt, die den nacht onzer graven verheldert, omzweefde mij. En tot in de diepste diepten mijner ziel hoorde ik deze woorden weerklinken; âWees niet bekommerd! Ook de haren uws hoofds zijn allen geteld. Geef acht op de vogelen des hemels, aanschouw de leliën
des velds!quot;
Nooit zal een met prachtige rijpe kersen beladen tak zóó kostelijke vruchten hebben gedragen, als die arme, in hare lente afgehouwen twijg. Krachtens den wil des Vaders heeft zij in een uur van genade gediend om de blijde boodschap te verkondigen, en om te herinneren dat het zinnebeeld van s men-schen hoop uit een dood stuk hout op Golgotha is ontsproten.
JONGE RAVEN EN JONGE KINDEREN.
et was in een veld van het weelder g
vruchtbare Normandië, in de verte begrensd door die rijen hooge boomen, waarmee de landhoeven hier rondom zijn afgesloten en omheind. Men zag klaproosjes schitteren en schommelen tusschen de groene golven der korenakkers, en in de klavervelden liepen de koeien te grazen rondom de palen. Op een stuk bouwland, dat zoo pas was omgespit, deed een troep raven zich naar hartelust te goed aan de winstgevende jacht op larven en aardwormen. Zij waren allen bedaard en volijverig, als napluizers die heel de wereld
84
om zich heen vergeten, en zich aan één doel of voorwerp wijden.
Slechts één enkele maakte hierop een uitzondering. 't Was een nog jonge raaf, wat men duidelijk aan zijne stem kon hooren, want hij bediende er zich juist op dit oogenblik van. Men zag zoonlief met aaneengesloten pooten, en den bek hardnekkig opengesperd, rondom den ouden, doodbedaarden raaf rondspringen, die onder al deze drukte volkomen onverschillig scheen te blijven. Het jong schreeuwde, werkte voortdurend met kop en vleugels, en maakte inderdaad een vreeselijk spektakel.- Het eene oogenblik was hij driftig, brutaal, onbeschaamd, het andere oogenblik smeekend en jammerend.
En waartoe diende dit alles ? Wel, dat was nogal eenvoudig: hij vroeg om een bekvol eten. Hij wilde dat zijn oude vader zijn uiterste best zou doen om hoe eer hoe beter de lekkerste brokjes te gaan opzoeken, die hij, het jong, dan in een enkelen hap zou kunnen inzwelgen, om dadelijk daarna al schreeuwend en fladderend nog meer van die
Jonge raven cn jonge kinderen.
smakelijke hapjes te vragen. Hij wilde hier op het veld het oude leventje van het nest nog blijven voortzetten, waar de kleine veder-looze vogeltjes zich den ganschen lieven dag de maag laten volstoppen door hunne ouders, en daarvoor geen andere moeite behoeven te doen dan als uitgehongerden te schreeuwen. Maar de oude trok er zich niets niemendal van aan. Van tijd tot tijd, als het rumoer hem begon te vervelen, vloog hij een eindje verder weg; en terwijl hij daartoe dan zijn aanloopje nam, bemerkte men dat hij mank was. Deze laatste bijzonderheid maakte mijne verontwaardiging gaande. Die jonge luiaard, reeds groot en rap, dik in de veeren, zoo sterk als men maar verlangen kon, wilde zich dus laten bedienen door zijn gebrekkigen vader! Waarom jaagde hij niet voor twee, ten einde op zijn beurt eens een bekvol eten te kunnen geven aan hem, die er hem nu reeds zoo dikwijls van had voorzien!
Gij denkt hierbij, nietwaar? aan sommige kinderen, die op dit niet zeer aantrekkelijke
85
86 Jonge raven en jonge kinderen.
soort van vogels gelijken. En inderdaad, helaas! hun aantal is legio onder alle rangen en standen der maatschappij. Leven ten koste van zijn vader en moeder, zich door hen laten bedienen, hen voor zich te laten slaven en sloven, is een zeer gebruikelijke handelwijze. Ongelukkigerwijs is de kloeke standvastigheid van den ouden raaf niet het deel van vele ouders. De raaf liet zijn telg schreeuwen, wel wetende dat de nijpende honger hem weldra van die be-deltaktiek zou doen afzien, en hij dan wel heel alleen zijn voedsel zou gaan zoeken, evenals alle raven van zijn leeftijd doen. De ouders daarentegen laten zich verbidden en vermurwen; en daaruit ontstaan dan verkeerde en vernederende toestanden, waarvan zij eerst de medeplichtigen en later de slachtoffers worden. Zich aan tafel te laten bedienen door een oude moeder; haar 's morgens het eerst te laten opstaan, zelfs wanneer zij zwak en sukkelend is; zich zóózeer te gewennen om verzorgd te worden, tot men er niets meer van bemerkt dat zij, die ons deze zorgen
Jonge raven en jonge kinderen.
verstrekken, lijdende zijn en veeleerbehoefte zouden hebben om door óns verzorgd te worden, â dat alles is de schandelijkste ondankbaarheid.
Jonge lezer, mijn vriend, zie wel toe, dat gij niet op dien jongen raaf gelijkt!
Wat den oude betreft, de fabel heeft hem eertijds zeer harde lessen doen hooren ; maar laatst heb ik bemerkt, dat het hem óók wel eens gebeurt, lessen te geven, die dan beter zijn dan de beste kaas.
87
DOORKNAAGD.
/^\p tweehonderd pas afstands van het eeuwenoude bosch, midden op een groote, onbebouwde plek gronds, bezaaid met rietgewas en madeliefjes, verhief zich ^degroote eikquot;. Het kleinste kind uren ver in den omtrek kende hem. Zijn groenende bladerkroon was een onbedriegelijk kenteeken aan den horizont. De oudste oudjes hadden hem daar altijd zien staan. Bij menschenheugenis was hij niet veranderd. Hoeveel reizigers hadden er al uitgerust in zijn schaduw ! Hoeveel troepjes boerenarbeiders waren daar, in het drukst van den oogsttijd, een uurtje komen uitblazen! Over
Doorknaagd.
hoeveel feesten hadden die takken reeds hunne beschuttende armen uitgestrekt! Nergens kon men zoo prettig dansen als hier! Als toevluchtsoord der vogels, of als verzamelplaats der menschen, â die oude uit vroeger eeuwen scheen met een geheimzinnig leven bezield te zijn; het was of hij zoo iets als een ziel bezat, een mengeling van kracht en goedheid.
De laatste orkaan is hem komen bestormen, â en toen ik hem wederzag, lag hij geveld. Een overblijfsel van den reusachtigen stam, dat onbewegelijk in den grond was blijven zitten, deed aan een geknakte zuil denken ; van binnen zag het er hol uit: doorknaagd tot aan de schors. De kroon en het onmetelijke takkenwoud strekten zich over den grond uit, in de houding van door den bliksem neergevelde reuzen.
Dergelijke ruïnen doen een wereld van gedachten bij mij opwellen .... Dus van dezen geweldigen boom, het type van duurzaamheid en weerstandsvermogen, was het hart door-
89
Doorknaagd.
knaagd! Terwijl de stormen hem teisterden, en alle weer en wind der telkens wisselende jaargetijden over hem heenging, hem van buiten bestokend en schuddend, had er in zijn binnenste een onzichtbare arbeid plaats, die hem van dag tot dag verzwakte. En toch werd hij telkens weer opnieuw groen, en diende hij tot schuilplaats van nestjes, en tot beschutting van slapenden, en liet hij zijne bladeren suizen op de maat van het gezang der feestvierende jeugd!
Hij heeft mij doen denken, die oude eikeboom, aan sommige menschen, die het in hun leven bijzonder hard te verantwoorden hebben gehad en wier oude dag iets onbeschrijfelijk aandoenlijks heeft. Al de wisselingen van lot en leven zijn over hen heengegaan, en de verwoede aanvallen der stormvlagen zijn hun niet bespaard geworden. En â wat nog erger is dan de slagen van het noodlot! â de innerlijke kwellingen der ziel, de knagende zorgen en tobberijen van allerlei aard, hebben hen ondermijnd. Maar zij zijn altijd goedaar-
Doorknaagd.
dig, innemend en vriendelijk gebleven. Fier en met opgeheven hoofd dragen zij de houwen en litteekenen van den orkaan, en de rimpels die de bliksem in hun voorhoofd groefde. En wat de innerlijke verwoestingen aangaat, door het lijden van den geest nf van het gevoel in hun binnenste aangericht: die houden zij zorgvuldig in hunne ziel verborgen, om er het leven van anderen niet door te verdonkeren.
Volgaarne moedigen zij de jongeren aan, en bevorderen zij hun geestdrift, door aan hunne vermaken en uitspanningen deel te nemen. In hunne nabijheid komen onze beproevingen ons minder bitter voor, en verkrijgt onze vreugde ietszachters en stemmigers. Zij vestigen zóó weinig de aandacht op zichzelf, dat wij â juist door hen steeds met zooveel ontzag en bewondering te vereeren, en hen altijd opgeruimd en in goed humeur te zien â maar al te dikwijls vergeten, dat zij misschien lijden, en in ieder geval sterfelijk zijn.
Maar op zekeren dag is hunne kracht ge-
91
Doorknaagd.
92
broken : hun dood geeft ons afgronden van smart te aanschouwen, waarmede wij tot dusver onbekend waren gebleven, en martelingen te zien, die zorgvuldig voor aller blikken verborgen werden gehouden. En dan wordt hunne goedhartigheid in onze schatting vermeerderd met heel de waarde van hun lijden! Hoezeer wij ook reeds getroffen waren door al de zedelijke schoonheid, de teedere liefde, de onverwinbare hoop, die er in hen was, leeren wij dit alles eerst goed en recht kennen nadat zij ons verlaten hebben. Evenals Jakob, toen hij te Bethel ontwaakte, vol ontroering uitriep : âWaarlijk, de Heer is aan deze plaats, en ik heb het niet geweten!quot; zeggen wij op hun graf: âDe Heer was in deze men-schen, en wij hebben het niet geweten!quot;
DE EEND VAN DEN KOLENKOOPER.
y'oor het zwarte huisje van een steenkolen-kooper verdrong zich een nieuwsgierige menigte. Kleine jongens en meisjes, telegrambestellers met een tasch vol dringende tijdingen, koksknechtjes met een cigarette tusschen de lippen en hunne smakelijk beladen manden in evenwicht op hun hoofd. En van seconde tot seconde werd die volkshoop al grooter en grooter. Reeds stonden zij tot over den rand van het trottoir en namen zij een deel van de smalle straat in beslag, waarin de rijtuigen begonnen te stoppen en de koetsiers te vloeken.
Dc eend van den kolenkooper.
94
Wat was daar toch gebeurd ? Een misdaad ? Een zelfmoord ? Dat vroegen de laatst aangekomenen onder dezen troep leegloopers aan elkaar; doch aangezien niemand er iets van wist, kregen zij slechts schouderophalende gebaren ten antwoord. De eerste zes rijen toeschouwers waren de ëénige ingewijden in het geheim. Van tijd tot tijd barstten zij in een lang en schaterend gelach uit, hetgeen den politie-agent, die haastig was komen toesnellen om de orde te herstellen, deed vermoeden dat het geval niet veel te betee-kenen had. Ik van mijnen kant kan u daar dan ook de verzekering van geven, want ik stond op een der âeerste rangen,quot; en ik vermaakte er mij kostelijk ! De aanleidende oorzaak dezer volksverzameling, die voor een oogenblik het verkeer in deze straat heel en al gestremd had, was doodeenvoudig een gewone eend. Geen âeendquot; uit den komkommertijd der courantenwereld, maar een wezenlijke, echte eend van vleesch en been. Ik zal er niet bijvoegen : en veereti, want zij was, hoe-
De eend van den kolenkooper. 95
wel bijzonder groot en vet, nog van kop tot staart bedekt met dat harige dons, waarmee de jonge vogeltjes altijd zoo warmpjes zijn toegestopt. En die eend was bezig een bad te nemen! Zij had het hard noodig, dat verzeker ik u, want het was een echte kolenkoopers-eend. Hare pooten en haar bek, die vroeger geel waren, hadden nu een soort van inkt-kleur aangenomen, en heel haar lichaam geleek sprekend op een schoenpoetsersborstel. Zij baadde zich in een steenen schotel, niet met de schuwheid van een schoolkind, dat bang voor 't water is, maar met een bewonderenswaardige geestdrift en opgewektheid. Heel haar lichaam spartelde rusteloos heen en weer, ging het eene oogenblik omhoog, en zakte het volgende oogenblik weer weg; hare vleugelstompjes bewogen zich met razende snelheid; zij wierp den kop naar achteren, en gebruikte hem als een handschoen, om er zich den rug mede te wrijven. Zij had eigenlijk zoo graag eens flink willen zwemmen, zich hals over kop in het water dompelen,
96
en er heel en al onder verdwijnen. Maar helaas ! de schotel was zóó klein, dat al de daartoe strekkende pogingen van het jonge eendje geen ander gevolg hadden, dan dat de popperig kleine badkuip er door overliep, bedenkelijk wankelde, en zelfs dreigde om te vallen; en telkens als de eend dan haar evenwicht verloor, ging er een schaterend gelach uit het publiek op. De vloer van den winkel was één groote plas. Wat den steenkolenman zelf betrof; hij gevoelde zich gelukkiger dan een schouwburgdirecteur, die een stampvolle zaal bijna flauw ziet vallen tegenover zijne acteurs. Hij stond het tooneel aan te zien met kruiselings over elkaar geslagen armen, zijn gelaat ontplooid door een breeden grijnslach, die de eigenaardig groote witte tanden van den Auvergnaat liet zien....
Plotseling maakte de eend in het zwartachtig bruin geworden water nog weer eens, maar nu voor het laatst, eene onhandige beweging, waardoor zij den schotel geheel omverwierp, en moest zij dus nu wel haar badkuip
De eend van den kolenkoopcr. 97
verlaten, onder het uitvoeren eener onbeschrijflijke buiteling....
Die arme eend! Ik zag haar de vlucht nemen en zich onder een stapel brandhout verschuilen. Zij scheen er nu nog veel vuiler uit te zien, dan vóór zij was gaan baden.
Terwijl ik mijn weg vervolgde, bleef ik voortdurend aan die beklagenswaardige eend denken. Onwillekeurig zeide ik bij mijzelf: En dat is nu toch werkelijk het evenbeeld van hetgeen de meeste menschen doen ! Naast het groote leven, dat God gemaakt heeft, scheppen zij zich een bestaantje van hun eigen keus en hun eigen maaksel ; klein, ellendig en bekrompen. Zij verlaten de breede, diepe stroomen, de bronnen, de meren, de beken, de rivieren, die tot overloopens toe met kracht en blijdschap gevuld zijn, en vervangen ze door een beetje morsig water, dat vuil in-plaats van schoon maakt. De bekrompen leerstelsels der wijsgeeren, de ingewikkelde formules der godgeleerden, de kleingeestige wetten en bepalingen der waanwijzen, deangst-
7
De eend van den kolenkooper.
vallige en aan het kinderachtige grenzende voorschriften van het ziekelijk ascetisme, de uitputtende geneugten der wereldlingen of der lichtmissen van beroep, â dat alles staat, welbeschouwd, tegenover het ware, werkelijke leven, volkomen gelijk met het schoteltje van den kolenkoopman. Hoe meer men er zich in baadt, hoe meer men er zijne reinheid bij inboet!
HET GEZANG VAN DEN GEVANGENE.
{Opgedragen aan een vriendelijk leeuwerikje.}
as in de Rue du Eauconnier, achter het
Karei de Groote-gymnasium. Ik drentelde langzaam op het trottoir heen en weder, in afwachting dat de school uit zou gaan.
Er liepen maar weinig menschen door de straat, en er was geen enkel rijtuig te zien : een verwonderlijke stilte voor een stad als Parijs.
Hoe kwam het, dat mijn geest dien ochtend met meer bewustheid dan anders zijne kluisters scheen te gevoelen, en dat ik de straat ditmaal nauwer en somberder vond dan
IO0 Het gezang van den gevangene.
gewoonlijk ? Dat weet ik niet. Maar er komen soms van die uren, waarin de keten n drukt, waarin het leven u moeilijker, het kwaad u machtiger, de hulp u verder verwijderd toeschijnt. En zulk eene ure doorleefde ik thans.
Men kan dergelijke oogenblikken in één enkel woord samenvatten: het vlot niet. Dat begrijpt iedereen. En wat het ergste is: het gevoel dat wij in vele opzichten zelf de schuld dragen van die mistroostige stemmingen, maakt ze dikwijls nog drukkender. En, vriendelijke lezer 1 waartoe het u te verbergen? in dit laatste geval verkeerde ik op dat oogenblik....
Plotseling begon in een der houten kooitjes, die hier en daar buiten de ramen hingen, een leeuwerik te zingen, te zingen met een verrukkelijk geluid, dat rechts en links tot op verren afstand door de lucht weergalmde. Er was in dien zang een gloed, een geestdrift, een oprechtheid, die inderdaad onweerstaanbaar mocht heeten. In een oogenblik drong dat gezang tot het diepst mijner
Hei gezang van den gevangene.
ziel door, beheerschte het mij geheel, en sleepte het mij mede.
De neerdrukkende morgennevel, de loodzware dampkring der armelijke straatjes, de sombere loop mijner gedachten, â dit alles verdween, om plaats te maken voor een schoonen droom.
Dat gezang werd in een oogwenk herschapen in een visioen vol licht en kleuren en landschappen. Op onafzienbare akkers en velden, tusschen het groene, in den wind heen en weer golvende graan, zag ik een groote schare landlieden rondloopen en werken : jonge meisjes lachten en schertsten, kinderen speelden, beekjes glinsterden in den zonneschijn, de schaduw der zilverwitte wolken gleed over de landerijen, â en daar om-hoog, heel in de hoogte, verdween, als een onmerkbaar stipje in het azuur, een leeuwerik, die al meer en meer steeg, en de paarlen zijner tonen onder zich rondstrooide.
En toch was het deze laatste bijzonderheid, die mij tot de werkelijkheid terugbracht.
IO£
io2 Het gezang van den gevangene.
Want hoorde ik hier niet inderdaad het gezang van een gevangene} â Ik bekeek hem eens wat nauwkeuriger in zijn kooi. Voorover gebogen op zijn stokje gezeten, zong hij nog altijd, met de gezwollen borst vol melodieën. â Hoe gedwongen moest hij zich hier gevoelen! Zijne klepperende vleugeltjes gaven het genoegzaam te kennen; die kleine vlerken, die gewoon waren om met hun snelle geklapwiek het gezang te begeleiden, en evenals dat lied zich al hooger en hooger te verheffen, in een vervoering van vreugde en vrijheid. Het gezang steeg thans alleen omhoog, en de kleine ziel en vleugels van dit bevallige lichaam bleven gevangen binnen enge grenzen.
Arme gevangene! hoevele malen heeft hij zich niet eerst moeten stooten tegen de onverbiddelijke wanden van zijn kerker, eer hij het eindelijk zóó ver gebracht had, dat hij in die houding kon zingen! Ik besefte met een gevoel van bitterheid al het droevige van zijn levenslot, en al de wreedheid van den
Het gezang van den gevangene. 103
mensch, die slechts een kooi heeft aan te bieden in ruil voor de door God geschonken onmetelijkheid.
En tóch zong hij, het arme beest, en ver-vroolijkte hij in dezen uithoek van Parijs meer dan één wezen, dat evenals hij in gevangenschap leefde; arme vrouwen die onder zware lasten gebukt gingen, eenzame thuis-zitters, hopelooze zieken, schoolkinderen die van ruimte en bewesrinsc droomden achter de
O O
muren der leerkamer. En mij, tot mij, had hij over zooveel dingen gesproken, dat ik er heel en al ontroerd door was geworden.
Ik zal u nooit vergeten, klein leeuwerikje des Heeren! Hij is het, die uwe vleugels gemaakt en u uwen zang geleerd heeft. Gij hebt mij doen zien, dat de mensch moet leeren zingen in zijne gevangenis. Het dient nergens toe, zich het hoofd te breken en de vleugels te bezeeren; en nog minder, stil en zwijgend in een hoek te gaan zitten, om er zich langzaam door de wanhoop te laten verteren. Men moet zich door middel van den
io4 Het gezang van den gevangene.
invvendigen mensch trachten te bevrijden, en â ondanks de droeve werkelijkheid die ons omsluit â den lof zingen van het licht, de liefde, de vergiffenis, de gerechtigheid. Want, nietwaar kleine leeuwerik? in de oogenblikken waarin gij zingt, vergeet gij uwe ellende, en bezit gij alles wat gij verloren hebt.
Uw zang is mij nooit schooner voorgekomen dan heden. Hij is het symbool onzer gevangen en gewonde zielen, die zich echter niet kunnen weerhouden, telkens weer omhoog te stijgen naar de vrijheid! In de boeien, in den angst, in de zonde, zelfs op den drempel des grafs, herhalen zij telkens weer dat oude, troostvolle gezang, dat hun door onvergetelijke stemmen uit den hemel geleerd is.
Het beste dat wij hebben, ligt in dien zang. De engelen der verlossing komen ons op de vleugelen van dat gezang bezoeken. Gelukkig de mensch, die het nooit vergeet!
GROOTVADERS KAMER.
rootvader heeft veel gewerkt. Hij heeft spierwit haar, een erg gerimpeld gezicht, en een erg gekromde rug. Het leven is niet zacht en toegevend voor hem geweest, en hij is nooit gemakkelijk geslaagd. Maar niettemin is hij gekomen waar hij wezen wilde. Hij heeft de bezwaren en hinderpalen overwonnen, en het noodlot afgemat. Het vaderlijk erfdeel is onder zijne handen gestadig toegenomen. De eenvoudige boerderij heeft de afmetingen van een vorstelijk domein verkregen. En met het woonhuis is het evenzoo gegaan: was het vroeger bekrompen en
Grootvaders kamer.
boersch, thans is alles er even ruim en geriefelijk.
Maar al die veranderingen hebben niet de minste of geringste wijziging gebracht in grootvaders hart. Het is nog steeds even eenvoudig als vroeger gebleven. In een hoek van dit groote huis, te midden van al die gedaanteverwisselingen, heeft hij voor zichzelven een onschendbaar en onveranderlijk plekje afgezonderd : dat is zijne kamer.
Met een kort en bondig woord heeft hij de architecten heengezonden, die hem met hunne âeischen der symmetriequot; aan boord kwamen, en zoo ook zijne zoons en kleinzoons met hun verfijnden smaak, en zijne aangetrouwde kinderen, die uit aanzienlijke kringen afkomstig zijn. Die allen beweerden stijf en sterk, dat in een goed gebouwd en welinge-richt huis alles in denzelfden stijl behoorde te zijn. Grootvader heeft hen maar aan laten praten. Hij heeft niets laten afdingen op zijn eerbied voor die oude kamer, met hare oude muren, hare oude meubelen, en hare oude
io6
Grootvaders kamer.
portretten. Al die gedenkstukken uit vroeger tijd zijn daar bijeen. Dat is zijn liefste plekje om eens goed uit te rusten, om tc peinzen en te mijmeren over den ouden tijd, en om heel zijn arbeidzaam leven in gedachten nog weer eens te doorleven.
Wat zal er van grootvaders kamer worden, wanneer hij er eens niet meer is ? Die kleinzoons, die aan den ouden werker het beste van wat zij zijn en het beste van wat zij bezitten, te danken hebben, â - zullen die daar nog wel eens komen zitten, als in een heiligdom ? Of zal de kamer donker, eenzaam en verlaten blijven, langzamerhand bedolven onder het stof der vergetelheid, totdat op zekeren dag een laatste poging in de richting van âde eischen der symmetriequot; haar geheel en spoorloos doet verdwijnen, en haren inhoud naar den uitdragerswinkel verjaagt ?
Arme dierbare gedenkstukken, gewijde reliquien der familie, getuigen uit den ouden tijd, uit dagen van worsteling, van eenvoud, van armoede misschien ! Hoe verschillend wordt
io8 Grootvaders kamer.
£7ij soms door de menschen behandeld, overeenkomstig hunne eigene waarde!
Sommigen verachten en verbergen u. Als zij konden, zouden zij u uitvvisschen, zooals men vuile vlekken wegveegt. Zij verbeelden zich, dat men â- om groot te zijn en iets te beteekenen â zijn allereerste begin moet vereeten. Alles wat er hen aan herinneren kan, dat zij van onderen op begonnen zijn, grieft en ergert hen. Zij schamen zich over hunne kindsheid, over hun ouderlijk huis, ja zelfs over hun ouden vader en oude moeder.
Gelukkig voor de eer en het welzijn der menschheid, zijn er ook lieden, door wie de familie-herinneringen des te meer geëerbiedigd worden, naarmate zij zeiven nederiger zijn. Die lieden beseffen, terwijl zij de inspraken van hun trouwe hart volgen, dat de tee-dere eerbied jegens het verledene een der reinste bronnen onzer kracht is, niet alleen voor de personen in 't bijzonder, maar ook voor de maatschappij.
Wee denzulken, die hun verleden vergeten !
Grootvaders kamer.
Zij weten niet wat zij doen, de verblinden! Zij bemerken niet, dat zij schatten wegwerpen, dat zij zichzelven verkleinen en vernietigen, door zich te willen vergrooten. Zij weten niet, die lieden, die zich wel uit den oudvaderlijken bodem zouden willen losrukken, dat het met den mensch evenals met de boomen gesteld is; dat hem door de wortels zijn sap en zijn levenskracht toevloeien.
TEN SPEELBAL VAN GOLVEN EN WINDEN.
et onmetelijke, eentonige strand verlengde
tot in een onafzienbare verte zijne spiegelgladde oppervlakte van mooi, ragfijn zand. De zon daalde, de zee steeg. Onder den purperrood getinten avondhemel strekte zich de somberblauwe watervlakte uit, waarop hier en daar, als zwermen witte sterren, de sneeuw-grijze lichamen der meeuwen schitterden en wiegelden, 't Was of de groote troepen zeevogels, her- en derwaarts in het licht der onder-gaande zon verspreid, hunne vleugels deden ontvlammen in de gouden stralen van den
Teil speelbal van golven en winden. 111
avond. Van de toppen der rotsen vestigden de zwarte waterraven, in de kalme houding van droomenden, hun onbewegelijken blik op het eindeloos verschiet.
Eensklaps kwam er, voortgestuwd door het van de landzijde opstekende koeltje, een zonderling voorwerp voor mijne voeten rollen. Het wras een klein houten hoepeltje, blijkbaar ergens van afgebroken, dat door den wind meedoogenloos gejaagd en geplaagd werd, zooals een spelende jongen zijn drijftol voort-zweept. In zijn hellenden gang kwam het nietige stukje speelgoed met elke omwenteling al dichter en dichter bij de zee, en al spoedig werd het dan ook door een golf opgenomen en medegevoerd. Nu was het opeens veranderd in een dobber, die met de grootste gehoorzaamheid al de zuigingen en stroomingen van het water volgde: rijzend, dalend, verdwijnend, weer te voorschijn komend, glijdend, dansend, springend en huppelend. De kruinen der golven wierpen het elkaar over en weer toe. Maar weldra komt er een grootere golf
ii2 Ten speelbal van golven en winden.
aanrollen, die het kleine voorwerp op haar rug neemt en naar het strand draagt, waar het als een schipbreukeling blijft liggen.
Nauwelijks is het daar aangekomen, of een windvlaag, die een hoos van dorre bladeren opjaagt, valt er weer op aan en laat het allerlei grappige buitelingen maken. Jt Is een dollemanstocht over de rimpels in Jt zand, over de hier en daar verstrooid liggende schelpen, de bosjes zeewier, en de duizenden voorwerpen, die de golven altijd op het strand achterlaten.
Een oogenblik verbeeldde ik mij, dat de zwerftocht, dien ik met steeds toenemende belangstelling gadesloeg, plotseling geëindigd was. Verward in de reusachtige scharen eener doode krab, bleef het hoepeltje liggen.
Zoo heeft het dan nu eindelijk de welverdiende rust gevonden, dacht ik. Maar ik had buiten den opkomenden vloed gerekend....
Ternauwernood waren er eenige oogenblik-ken verloopen, of een kolossale watermassa, een echte beweegbare muur, smakte met
Ten speelbal van golven en winden. 113
daverend geraas op het zand neer: alles, het zeewier, de krab, de schelpen, alles verdween in een verschrikkelijk geplas. Zoodra de kalmte zich eenigermate hersteld had, zag ik het hoepeltje een eindweegs verder op het water drijven, â en toen de schaduwen zich begonnen te verlengen, en den hemel, den oceaan, het strand met duisternis te omhullen .... toen was het broze voorwerpje weldra uit mijne oogen verdwenen.
Terwijl ik mij verwijderde, en in het zand de onvermijdelijke sporen achterliet, die de voeten van eiken voorbijganger er op afdrukken, doch die door de golven weer in een ommezien worden uitgewischt, dacht ik aan den onrus-tigen levensloop der menschen, met al hunne tegenstrijdige belangen : aan hen die door de golven geslingerd en door den storm gegeeseld worden, aan al die geplaagde en gemartelde levens, die slechts aan de eene ellende ontkomen om in de andere te vervallen, totdat een laatste orkaan hen opneemt, om hen naar het wijde watervlak der eeuwigheid voort te stuwen.
8
114 Ten speelbal van golven en winden.
Ik dacht verder aan al die oppervlakkige en lichtzinnige levens, zonder gids en zonder bestendigheid, - aan de zielen wien het aan een innerlijk steunpunt ontbreekt, en die steeds den eerste den beste volgen, gehoorzamen en toebehooren. Medegesleept door hunne hartstochten en begeerten, voortgedreven door hunne belangen, op sleeptouw genomen door den wil van anderen, in spanning door beloften of bedreigingen, worden zij beurtelings gegrepen en losgelaten door tegenstrijdige krachten. Zij doen het kwade uit sleur, en het goede bij toeval, zonder slecht of goed te zijn. Hun zwervend en doelloos leven â dat in zijn ordeloozen gang het best te vergelijken is met de slingerende bewegingen van mijn kleinen gestranden zwerveling, die door de zee op het land werd geworpen, en door den wind weer in zee geslingerd, zou, evenals de korte geschiedenis van dezen schipbreukeling, tot opschrift kunnen hebben:
Ten speelbal van golven en winden!
OPVOEDERS-SCHEERDERS.
0P een der kaden van Parijs, niet ver van de oude paleizen der Fransche koningen, staat winter en zomer een grijsaard met een streng gelaat en een langen, golvenden baard. Hij is een hondenscheerder, een persoon van gewicht. Hij hoort vertrouwelijke mededee-lingen aan, en verstrekt heilzame raadgevingen. Laatst zag ik een dame naar hem toe-loopen, met een bedeesd gezicht, met dat gezicht dat de moeders zetten als zij hare jeugdige zonen voor het eerst naar de deftige, barsche pedagogen geleiden. Zij had,
! 16 Oopvoeders-scheerders.
zorgvuldig 111 dc plooien vlt;iii liciicn nicintcl gewikkeld, een jong hondje bij zich, waaromtrent zij des grijsaards raad wilde inwinnen.
Zonder op te staan, en ook zonder zijn
hoed af te nemen (sommige verrichtingen zijn onvereenigbaar met die blijken eener alle-daagsche beleefdheid), verklaarde de man, met een paar korte en bitse woorden, dat dc hond er âontoonbaarquot; uitzag. â Die ooren hangen veel te ver naar beneden, die staait is te lang, dat alles moet eens geducht opgeknapt worden.
De dame werd wel een beetje bleek, maar wist toch hare ontroering te bedwingen. Zij zocht naar een antwoord 5 maar reeds had de man het hondje opgepakt, en zeide hij op geruststellenden toon: âLaat mij maar eens begaan; u zult zien, het is in een oogenblik klaar en afgeloopen!quot; Daarna haalde hij uit zijn zak met gereedschap een paar ijzeren staafjes, die hij door middel van schroeven aan de ooren van den patient bevestigde.
Opvoeders-scheerders.
Toen dit gedaan was, nam hij een scheermes ter hand, en sneed hij alles wat buiten de staafjes uitstak, glad af. Vervolgens nam hij een groote schaar op, en knipte hij, met een los en ongedwongen gebaar, een stuk van den staart af.
De ?.rme dame was meer dood dan levend ; het hondje, wezenloos van schrik, angst en pijn, jankte niet, kermde niet, liet geen enkel geluid hooren. Eindelijk schudde het zacht kreunend zijne arme ooren, die nu twee roode driehoekjes waren geworden, en zijn jammerlijk bloedend stompje staart. Wat den man zelf betreft â- op een triomfantelijken, maar toch altijd hoogst waardigen toon zeide hij : âZiezoo, mevrouw, nu kunt u eerst zesfpen
00
dat u een hond hebt! De kosten zij n twee francs.quot;
Een zonderlinge vertooning! dacht ik; maar ik meen zoo iets wel eens meer gezien te hebben. Want gaan sommigen ook niet op dezelfde wijze bij dc opvoeding van den mensch te werk ?
117
118 Opvoeders-scheerders.
Ziehier b. v. een weinigje zelfstandige ondernemingsgeest, dat nog maar even om den hoek komt gluren,... een weinigje oorspronkelijkheid, een stoutheid om vrijelijk te denken of met onafhankelijkheid te gelooven, iemand te zijn, in een woord, die niet op alle andere menschen gelijkt. Zulke dingen mogen niet oogluikend toegelaten worden! Men moet zoo iemand tot het gereglementeerde type terugbrengen. Als hij het niet reeds door erfelijkheid bekomen heeft, drukt men het hem met kracht en geweld op. Ongetwijfeld komt de natuur daartegen in opstand, en protesteert het gezond verstand er tegen; maar de lieden die innig overtuigd zijn van de voortreffelijkheid hunner bewerkingen, laten zich door zoo'n kleinigheid niet uit het veld slaan: âLaat ons maar begaan; 't is in een oogenblik klaar \quot; Gij vertrouwt hun een mensch in den dop toe; zij geven u een pasklaar gemaakt model terug, het een of andere wezen waaraan zij het kostbaarste ontnomen hebben, dat het bezat. â
Opvoeders-scheerders.
Dat is tenminste weer zóóveel gewonnen !
Geef nu maar zonder morren uwe twee francs. Men kan zoo'n prachtig werk eigenlijk niet te duur betalen !
119
HET VIJFFRANCSSTUK VAN MIJNHEER HOUVAST.
C\e preek was zooeven geëindigd. Het was de dag der groote collecte. De leeraar had gesproken over de bittere ellende, die om leniging schreide, â en het moet ter eere van mijnheer Houvast gezegd worden: ditmaal had deze oproeping hem niet onverschillig gelaten. Wanneer er van een collecte sprake was, wantrouwde hij zichzelven gewoonlijk, en ompantserde hij zich met de grootst mogelijke onaandoenlijkheid tegen alles wat men hem mocht willen vertellen. Als de gevaarlijkste van alle gevaarlijke verleiders
Het vijffrancs stuk van mijnheer Houvast. 121
schuwde en ontweek hij den man, die hem trachtte te overreden om iets te geven. In zijne denkbeelden betreffende de ellende zijner medemenschen vond hij trouwens ruimschoots vrijheid om zoo te handelen. Uit zijn oogpunt beschouwd, was de armoede bf een verdiende kastijding, bf doodeenvoudig bedriegerij. En om nu nooit gevaar te loopen, in strijd met zijn âbeginselquot; te handelen, door aan eene ondoordachte opwelling gehoor te geven, ledigde hij zorgvuldig zijn portemonnaie alvorens hij naar de kerk ging.
En ook dezen ochtend was hij weer volgens zijne vaste gewoonte te werk gegaan, â maar thans had hij er spijt van ; ja, het scheelde zelfs niet veel of hij had aan een zijner buren wat geld te leen gevraagd, om dat in het collectezakje te werpen. Terwijl hij op dit oogenblik nog eens al zijne zakken doorzocht, als om zijn geweten te paaien, stak hij ook werktuigelijk de hand in een zijner vestzakjes, en ontdekte hij daarin.... o wonder boven wonder !.... een vijffrancsstuk. Maar vvijffrancs-
12 2 Het vijffrancssiuk van mijnheer Houvast.
stukquot; is eigenlijk misschien wat te veel gezegd, want het muntstuk droeg het jaartal 1853 en gaf het borstbeeld van een koning van Sicilië en Jeruzalem te zien, met het randschrift: Ferdinandus //, Dei gratia Rex. Nu weet iedereen, dat die muntstukken slechts 3 francs 75 centimes waard zijn, en het was dan ook juist om die reden, dat mijnheer Houvast dezen uitheemschen vogel uit zijn portemonnaie had verbannen, evenals men een schurftig schaap buiten de schaapskooi sluit. Daar hij het bij vergissing ontvangen had, was het zijn bepaalde voornemen, het op dezelfde manier weer uit te geven; maar tot nog toe hadden de waakzame kassiers het hem geregeld met alle mogelijke soorten van beleefdheid teruggegeven. Het stond ongetwijfeld geschreven, dacht hij, dat dit geldstuk dienst zou moeten doen om den een of anderen ongelukkige te ondersteunen; en nu zat hij het heimelijk nog eens te bekijken, terwijl hij het in de holte zijner hand hield, in afwachting dat de collectant voorbij zou komen.
Het vijffrancssiuk va?i mijnheer Houvast. 123
Maar de kerk was groot, en gevuld met een dicht opeengepakte menigte, â en mijnheer Houvast had dus al den tijd om nog eens goed over het geval na te denken. Tus-schen de breede rijen der kerkbezoekers kon men duidelijk het geld in de collectezakjes hooren vallen. Het geoefende gehoor van onzen man meende zelfs van tijd tot tijd den eigenaardigen klank van een goudstuk te onderscheiden. Hij verheugde zich stillekens in het vooruitzicht, ditmaal aan die algemeene weldadigheid meê te zullen doen, â- en daarna zijn geldstuk nog eens bekijkend, prevelde hij : âNu is het zoo dadelijk üw beurt, Fer-dinandiis Rex /quot;
Maar een oogenblik later begon hij de zaak aldus te beredeneeren: De collecte schijnt dezen keer verwonderlijk goed te slagen. Het geld valt zoo dik en zoo dicht als het manna uit den hemel, als een echte gouden regen. Als ik een stuk van twee francs, of van één franc, bij mij had, zou ik het er evengoed meê kunnen doen.... En opnieuw zat hij zijn
124 liet v ij francs stuk van mijnheer Houvast.
oude munt aandachtig te bekijken. Gisteren had hij nog een hekel aan dat geldstuk, waarmede men zulk een welgeslaagde bedriegerij jegens hem gepleegd had : âHoor eens, koning Ferdinand! je bent doodeenvoudig een oplichter: je hebt 1 franc 25 te kort gedaan aan een eerlijk koopman, vader van een huisgezin !...quot; Maar thans begon die schelmsche koning er in zijne oogen weder min of meer als een nobel vorst uit te zien. Zijn geheele uiterlijk teekende adeldom en rechtschapenheid. Mijnheer Houvast begreep nu, dat hij hem verkeerd beoordeeld had, en het scheelde niet veel of hij had hem om vergiffenis gevraagd : âDrie francs vijfenzeventig! Had hij wel het recht om zulk een som zoo maar weg te werpen ? Zou het eigenlijk niet een dwaasheid zijn, een bewijs van ouderdom en suffigheid, van zwakheid, van zijn naderenden dood misschien ?quot; Bij die gedachte ging de hand, waarin hij het geldstuk vasthield, weer stevig dicht.
Nog altijd hoorde hij het geld in de zakjes
Hei vijffrancssttik van mijnheer Houvast. 125
der collectanten vallen, â⢠maar thans ergerde hij zich aan dat geluid. Zijne gedachten hadden eene andere richting genomen, en waren weer in het gewone, van ouds bekende spoor beland. Hij peinsde over de mogelijke misbruiken, die er van al deze door de openbare liefdadigheid ingezamelde gaven gemaakt konden worden. In wiens handen zouden zij komen ? Misschien in handen van flesschen-trekkers, van leegloopers, van zoogenaamde zieken en gebrekkigen, die in hun vuistje zouden lachen om de onnoozelheid hunner slachtoffers!
En het zakje kwam al nader en nader; nog maar een paar seconden, en het zou hem worden voorgehouden....
En toen, met een haastig en beslist gebaar, stak mijnheer Houvast het geldstuk weer in zijn vestzak; en uit aangeboren schroom, om niet de algemeene aandacht op zijn persoon te vestigen, liet hij â een ouden koperen knoop in het zakje glijden.
In den avond van dienzelfden dag, om-
120 liet vijjjrancsstuk van mijnheer Houvast.
streeks middernacht, ontmoette mijnheer Houvast op de imperiale van een omnibus een der collectanten van dien ochtend, en vroeg hij dezen, hoe de collecte was uitgevallen.
âMagertjes,quot; was het antwoord, âgeweldig magertjes! Geen enkel goudstuk, weinig zilver, een massa kopergeld, en zelfs een ouden koperen knoop! . . .
,.Neen, dan zijn de menschen werkelijk vandaag niet heel scheutig geweest!quot; zeide mijnheer Houvast.
Tegelijkertijd stopte hij, in donker, den voorbijkomenden conducteur een geldstuk in de hand, en riep hij hem toe:
âTivee plaatsen____ Je hebt zeker wel terug
van vijf francs?quot;
âWel, mijnheer Houvast, 't is waarlijk al te vriendelijk van u, voor mij óók te betalen 1quot; betuigde zijn buurman----
____En toen de arme conducteur, na afloop
van zijn diensttijd op den omnibus, de ontvangst van dien dag natelde tusschen zijne door de koude verstijfde vingers, ontdekte hij
liet vijffrancssitik vati mijnheer Houvast. 127
er een buitenlandsch muntstuk bij, met het jaartal 1853 en dit randschrift:
Ferdinandus II, Dei gratia Rex Sic. et Hier. (Ferdinandus II, door Gods genade koning van Sicilië en Jeruzalem).
Oók een ontdekkingstocht.
i3o
misdaad of ondeugd een rol speelt, 't Is dan ook volstrekt niet te verwonderen, dat zij op den langen duur een grooten voorraad inlichtingen en bijzonderheden ten nadeele der menschheid opzamelen. En die voorraad wordt dan langzamerhand voor hun geheugen en hun hart een zware last, en voor hun wil een oorzaak van tegenstand en belemmering. De aanschouwing van het kwade werkt ontmoedigend : het maakt zwartgallig en is zelfs verderfelijk. Het goede daarentegen voedt en onderhoudt de geestkracht, en daarom; wie het weet te ontdekken, leeft er van. Telkens wanneer gij er een weinigje van hebt weten op te rapen tusschen de massa's slechte dingen, waarmee de wereld bedekt is, hebt gij daardoor voor uzelf en anderen een bron van hoop geopend. â Maar evenals men, om goed met zijne oogen te kunnen zien, ze terdege moet schoonmaken, evenzoo moet men, om zich tot de ontdekking van het goede toe te rusten, zijn hart reinigen. De dief ziet overal dieven. De onreine vindt alom niets
Oók een ontdekkingstocht. 131
anders dan onreinheid. De leugenaar verzinkt hoe langer hoe dieper in de bedriegerij. Een norsch en twistziek karakter ontmoet slechts toornige menschen, â en inderdaad, als zoo iemand eens een engel ontmoette, zou hij in staat zijn om zelfs dézen zijn geduld te doen verliezen. Maar doe uw best om eerlijk te zijn, en gij zult aan de eerlijkheid gelooven; wees rein, en gij zult aan de reinheid gelooven ; wees oprecht, en gij zult niet meer aan de oprechtheid twijfelen; wees voorkomend, en gij zult tot uw eigen verbazing eens zien, hoeveel vriendelijke menschen er zijn. Dat alles is stellig en zeker waar. Neem er maar eens de proef van, als ge mij niet op mijn woord wilt gelooven, en weldra zult gij overtuigd zijn, dat van al de tochten, die men hier op aarde kan ondernemen, er geen zóó belangwekkend is, als de tocht ter ontdekking van het goede!
GROOTMOEDERS STOKJE.
C\oor de groote oude vensters met de kleine ruitjes is er in de kamer een zonnestraal binnengeslopen, die nu op den vloer schijnt te sluimeren. â¢â Grootmoeder, die óók al is ingedut, laat hare armen rusten op de leuningen van den grooten fauteuil. Men weet eigenlijk niet recht, wat blanker is: haar zilvergrijze haren, haar mooie bleeke gelaat, of hare vermagerde handen, die zooveel werk hebben gedaan en zooveel kleine kinderen gewiegd.
Ondertusschen is âde kleinequot; bezig, zich zoo goed mogelijk te amuseeren. Hij heeft
Grootmoeders stokje.
zich meester weten te maken van het kruk-stokje, dat aan de hand van het slapende oudje ontgleden is. Van dat stokje heeft hij zijn paard gemaakt, â en welk een paard! Vurig, steigerend, ontembaar als het is, draaft het edele ros onder zijn jeugdigen ruiter de geheele kamer rond. 't Is een onbetaalbaar, een bedwelmend genot! Pas op de stoelen! pas op de grijze steenen kruik, die daar zoo dicht aan den rand van de tafel staat! â Poes, die doodelijk ongerust is geworden, heeft â na herhaalde malen een andere schuilplaats gekozen te hebben â eindelijk haar heil gezocht op het bovenste topje van een kast. Uit dit verheven oogpunt blijft zij nu met een grappigen angst het geheele too-neel gadeslaan. â ^Ue kleinequot; bemerkt echter niets van dit alles, behalve dat hij onbeschrijflijk veel pret heeft, en daarom zet hij zijn rit dan ook steeds onverpoosd voort en roept hij onophoudelijk: âHeisa, paardje! Vooruit, paard! Hu, hu! vooruit, bles!quot;
Maar zie eens: door dien rumoerigen rij-
133
Grootmoeders stokje.
toer is grootmoeder al spoedig wakker geworden. Zij slaat hare oogen op, â en terwijl zij de vertooning aanziet, wordt zij onweerstaanbaar overmeesterd door een zonderlingen indruk. Haar krukstokje is in een paard herschapen, en is dus nu een stuk speelgoed geworden, â datzelfde stokje, waarin zij slechts met zooveel moeite berust had, en waarvan het gebruik haar toch nog voortdurend zoo zwaar viel! Tot dusver was zij het altijd blijven beschouwen als een noodzakelijk kwaad: als een van die onaangename voorwerpen, waarvan men zich des te liever zou willen ontdoen, naarmate zij onmisbaarder zijn geworden. Want doet het haar inderdaad niet terugdenken aan hare vroegere kracht, aan hare jaren van arbeid en waakzaamheid, en aan den gebrekkigen toestand waarin zij nü verkeert ? En het baat weinig of men al zijn best doet om niet tegen het onvermijdelijke te murmu-reeren; oud leeren worden, is een moeilijke kunst.
Hoe verstandig en moedig zij ook was,
134
Grootmoeders stokje.
toch kwamen er ook voor grootmoeder van die dagen, waarop haar leven haar een even smartelijke als duistere beproeving toescheen. Dan bleef zij stilstaan voor de moeilijkheden harer taak, evenals een kind dat lezen moet leeren, en daarbij telkens struikelt over de groote, niet te ontraadselen woorden, die de boekenwereld tot een veld vol klemmen en voetangels voor hem maken!
En nu ziet zij daar, hoe diezelfde leelijke krukstok door de poezele, mollige knuistjes van haar lieven kleinzoon gestreeld en geliefkoosd en in triomf medegevoerd wordt, als het mooiste en vermakelijkste stuk speelgoed, dat er op de wereld bestaat! Het maakte op haar den indruk alsof er in dit bekoorlijke tafreel van een kinderleven de een of andere heimelijke en welwillende bedoeling verborgen was: de een of andere boodschap aan haar adres. Onmerkbaar verhieven hare gedachten, die nu tot de beteekenis waren doorgedrongen van hetgeen hier hare oogen getroffen had, zich omhoog naar den heiligen Wil, die
135
136 Grootmoeders stokje.
al onze lotswisselingen regelt, naar de Opperste Wijsheid, die bekend is met hetgeen de niensch niet weet. Zij dacht aan Hem, die jonge klimopranken doet opgroeien langs de knoestige stammen der oude eiken ; aan Hem, die op de ruwe oppervlakten van bouwvallige muren gansche sneeuwtrossen van egelantieren doet ontluiken, â en die, om de uren van haren levensavond te verhelderen, lachende jongskens naar de oude grootmoeders zendt, opdat zij de lokken hunner blonde krulle-kopjes zouden vermengen met de zilverwitte haren dier oude hoofden, en roet hunne volle, frissche lippen lange kussen zouden drukken op die gerimpelde en zorgvolle gezichten.
Thans begon de kleine moê te worden, en vertraagde hij meer en meer den draf van zijn paard.
âGeef mij nu mijn stok maar terug!quot; zei grootmoeder.
âWel zeker, grootmoeder, hier is hij al,quot; antwoordde de kleine; âmaar beloof mij dan
Grootmoeders stokje.
ook, dat u hem mij nog wel eens zult lee-nen, als ik weer een paard noodig heb.quot;
.... En 't was de éérste keer, dat grootmoeder met een vriendelijken glimlach haar krukstokje aanzag.
137
GOD BEHOEDT DE KINDERKENS.
Pen van die bootjes, die het verkeer op onze kanalen en rivieren onderhouden, ligt in de nabijheid van de Austerlitz-brug te Parijs vastgemeerd. 't Is pas geschilderd en geteerd, en vertoont zich hier dus in al zijn glimmende reinheid. Zooals het daar ligt; aan den achtersteven met bloemen versierd, met zijne blinkend gelapte ruitjes en onberispelijk geplooide gordijntjes, is dit popperig kleine vaartuigje een aantrekkelijkheid en een lust voor aller oogen.
Maar toch is het niet die aardige kleine
God behoedt de kinderkens.
139
boot, die sedert eenige minuten een gansche rij toeschouwers, over de traliehekken langs de kade geleund, in ademlooze spanning houdt. Een dreumesje van een jaar of drie vier, op de een of andere wijze aan het toezicht zijner moeder ontsnapt, kruipt op handen en voeten over het dek van het bootje rond. Als ik zeg, dat hij er ârondkruiptquot;, is dat eigenlijk niet volkomen juist. Het kleintje spant alle krachten in om zich zoo voordeelig mogelijk voor te doen, en werpt zich met een ongelooflijke bewegelijkheid van links naar rechts en van rechts naar links, â men zou bijna kunnen zeggen, dat hij galoppeert. Ieder oogen-blik loopt hij het grootste gevaar van de wereld om in 't water te vallen. Er vaart een rilling door de toeschouwers, die niet bij het kereltje kunnen komen, omdat er in dezen omtrek geen trap naar den waterkant is, en die zich dus behelpen met luidkeels te schreeuwen, om de aandacht te trekken. Maar er is niemand die hen hoort. En intusschen zet het ventje zijn tocht voort, nu eens langs den
God behoedt de kinder keus.
uitersten rand van het smalle vaartuig, en dan weer terugkrabbelend naar het midden van het dek.
Eindelijk neemt hij een oogenblikje rust, juist lang genoeg om zich goed te laten zien. Werkelijk, het zou jammer zijn als dit kind een ongeluk overkwam: het is een aardige schalk, en het publiek kan er nu over oor-deelen. Want om u de waarheid te zeggen : het is vandaag erg warm, en daarom heeft hij niets anders dan een kort hemdje aan.
En bovendien is dit dunne kleedingstuk over de geheele lengte van den rug opengespleten. Men zou zeggen, dat het eenvoudig een schortje of boezelaartje is. Het koordje, waarmee de beide einden bijeen worden gehouden, is aan den hals onder een bosje haar bedolven. De armen, die voor het oogenblik tot vermeerdering der beweegkracht bijdragen, ondersteunen de borst als een paar gedraaide zuiltjes. Wat de beenen betreft, die door den zonneschijn gestreeld en gebronsd worden, dat zijn ware pronkjuweeltjes op het stuk van
140
God behoedt de kinder kens. 141
molligheid. Als men er een eentje zoekt, die goed in zijn vleesch zit, dan moet men hém hebben !
Maar ondertusschen is hij weer met zijne kabrioien begonnen. Hij springt en trappelt als een konijn. Hij heeft er schik in, al de dingen te betasten, die hij op zijn weg tegenkomt ; hij klautert over de op het dek liggende ra's, doet zijn best om tegen den mast op te gaan staan, maar valt zoo lang als hij is op zijn neus, en bekommert er zich geen zier om ; hij doet een reis om de wereld langs het watervat ; hij posteert zich midden in een zware rol kabeltouw, zooals een vogeltje binnen in zijn nest zou kruipen; hij pakt met de eene hand zijn voet beet, en bekijkt hem alsof het de grootste merkwaardigheid van de wereld was. En dat alles in minder tijd, dan ik noodig heb gehad om het u te vertellen. Maar helaas! na die onschuldige lichaamsoefeningen gaat hij gevaarlijker waagstukjes ondernemen, tot groote ontsteltenis van de rij toeschouwers. Want nu nadert hij niet alleen
142
den rand van het dek, maar buigt hij er zich overheen,om het water voorbij te zien stroomen. Eén tochtje, één nietsje, zou genoeg zijn om hem zijn evenwicht te doen verliezen. De angst der voorbijgangers is tot het hoogste toppunt gestegen; kinderen stampvoeten en schreien van benauwdheid, dames houden haar zakdoek voor de oogen en roepen : âOch Heer! daar gaat hij!quot; 't Is om iemand de haren te berge te doen rijzen. En de dreumes zelf? Wel, hij giert van de pret, die schavuit!
Op dit oogenblik duikt er een hoofd op, boven het kleine trapje, dat in de kajuit dei-bewoners van het vaartuigje uitkomt. Het is de moeder, die daar juist bemerkt heeft, dat haar zoon er van door gegaan is. Met een enkelen oogopslag heeft zij alles begrepen, en nu wordt zij zoo wit als een lijk. Maar zonder een kreet te uiten, zonder een woord te spreken, sluipt zij voorwaarts langs het dek, nadert het in gevaar verkeerende kind van achteren, en grijpt hem bij een zijner beenen vast. Een diepe, langgerekte zucht van ver-
God behoedt de kinderkens.
lichting gaat er uit de menigte op, die zich nu naar alle kanten verstrooit, al mompelend : âGod behoedt de kinderkens!quot;
De moeder zal dat op haar beurt óók wel denken ; maar om de dwaze guitenstreken van haren lieveling niet aan te moedigen, dient zij hem, niet in boosheid, en ook niet al te hardhandig, een kleine afstraffing toe, vergezeld van de toelichtende opmerking; ^Ziezoo, dat zal je leer en /quot;
143
DE KURK.
Jjlrisch en helder, tusschen hare rietboschjes en onder de breede takken dei elzen, stroomt de kleine beek, in de grillige bochtjes van haren loop een kurk meevoerend. De reis gaat niet zonder hindernissen. Hier zijn het riethalmpjes, die zich tegen den doortocht verzetten; ginds moet er een sprong over een waterval gedaan worden. Maar de kurk komt al deze hinderpalen zegevierend te boven, gaat stillekens haars weegs langs haar weggetje, en doet ondertusschen beurtelings als vaartuig dienst voor de goudbronzen juffers, voor de nijvere bijen, en voor de dai tele vlinders.
De kurk.
Thans is zij in de nabijheid van den molen gekomen; nu vertraagt zij haren loop. En weldra verkeert zij zelfs in een toestand van volslagen onbewegelijkheid. Bij de gesloten sluis ligt een lange rist strootjes en dorre bladeren kris en kras dooreen. Er blijft voor de kurk niets anders over, dan zich in hun gevolg te scharen. Dat doet zij dan ook. En zoo gaan nu de lange, lange uren een voor een om ....
Eindelijk knarst er een ijzeren haak, en gaat de sluisdeur open. Na medegesleurd te zijn in den nauwen doorgang, stort het water zich, met al wat het draagt, woest en onstuimig in de grootere ruimte daarbuiten neer. De kurk verdwijnt in een schuimlaag van kokende golven. Maar zij komt deze beproeving te boven, en begint weer met frisschen moed te drijven. Weldra herneemt de strooming weer hare gewone kalmte, het schuim verdwijnt, â- en nu vangt er, tusschen prachtige weilanden door, een gemakkelijke en voorspoedige watertocht aan.
I45
10
De kurk.
Maar nu doet er zich een tegenspoed van geheel nieuwen aard voor. Op zekere hoogte is de oever, ondermijnd door de golven, langzamerhand afgebrokkeld. Daar stroomt de plotseling verbreede beek dus over een bedding van ruimer oppervlakte. Men zou het voor een meertje in miniatuur kunnen aanzien. De straatjeugd noemt die plek: âhet groote zwembadquot;, en er zijn dan ook juist op dit oogenblik een half dozijn jongens aanwezig, die naar hartelust in het water rond-spartelen. Nauwelijks komt de kurk opdagen, of zij wordt met een eenparig geschreeuw begroet: heel de bende snelt toe, om haar te grijpen.
Er ontstaat een wedstrijd, waarbij de kurk de inzet is. Telkens veroverd en telkens weer ontroofd, gaat zij van hand tot hand, â en daarbij hebben er, in het onder de slagen hoog opspattende water, de dolste buitelingen plaats en weerklinken er de bitterste ver-wenschingen. Eindelijk wordt er een soort van wapenstilstand gesloten, en spreekt men
146
Dc kurk.
UT
een spelletje af, dat ten doel heeft, de kurk te doen zinken. De vrienden wapenen zich met knuppels, en ieder brengt op zijn beurt het broze stukje eikenschors de verwoedste slagen toe. Bij eiken slag ziet men de kurk onderdompelen en verdwijnen, maar om een klein eindje verder weer boven te komen. Daarna begint men haar met steenworpen te bestoken. De sterksten rapen halve rotsblokken op, heffen ze met uitgestrekte armen omhoog, en laten ze in hun volle zwaarte op de kurk neerploffen. Het zal toch eindelijk wel beneden blijven, dat vervelende ding! schreeuwen zij. Onder een hagelbui van stee-nen wordt het water zwart, en verandert het zwembad in een modderpoel; het gras en de bloemen van den mooien oever worden door de verbitterde straatjongens platgetrapt. Maar de kurk, hoe dikwijls ook in de diepte geslingerd, komt telkens weer te voorschijn. Eindelijk laat het razende troepje haar met rust, en gaan zij ergens elders weer ander kattekwaad uithalen. â- Maar zij, de kurk.
De kurk.
zet haren weg voort in het avondlicht, naaide zilveren stranden, naar de gouden stroomen, naar de onmetelijke zee, dikwijls opgehouden, maar nooit tot stilstand gebracht.
Van hoeveel schijnbaar zwakke en broze dingen, maar die in den grond der zaak onoverwinnelijk zijn, is die kleine kurk niet het zinnebeeld?
148
INDRINGERS IN DE SCHELPEN-WERELD.
ou er wel iets heerlijkers zijn, clan langs het nog vochtige strand te wandelen, met bloote voeten over het vaste zand ? De zee zingt u haar indrukwekkend lied voor, de frissche wind vult uwe longen, en de uren gaan even snel voorbij als de zwaluwen, zonder een enkel spoor van hun vlucht achter te laten. Als men moede van het loopen is, gaat men hier of daar op een rots zitten, die tijdens de eb door het vallen van het water is bloot gekomen, en kan men eens goed zien naar hetgeen er voorvalt in het water, dat
150 Indringers in de schelpenwereld.
in de holten van hef graniet, als in diepe bekers, is blijven staan. Op den bodem van het heldere aquarium groeit een bonte afwisseling van varens, in allerlei vorm en allerlei kleur, van zeewier, enz. Het zijn linten, bladeren, mossen, sponsachtige gewassen, waar-tussehen men allerlei kleine vischjes: schichtig voortschietende garnalen, schuins zwemmende krabben en ontelbare schelpdieren, ziet ronddwalen. Wat al wonderen zijn hier bijeen in weinige druppels water, en welk een rust en ontspanning is het voor den geest, zich eens voorover te buigen naar deze miniatuur-meertjes, die elk een gansche wereld in zich bevatten ! Men doet er somtijds zonderlinge vondsten. Luister maar eens.
Sedert eenige oogenblikken zag ik een vreemdsoortig voorwerp zich her- en derwaarts bewegen, zonder dat ik er den eigenlijken aard van kon bepalen. Het was veelvormig, veelkleurig, en kwam met niets bekends overeen; maar toch bewoog het zich, en scheen het levend te zijn. Hoe langer hoe nieuws-
Indringers in de sckelpeniüereld. 15:
gieriger wordend, dompelde ik mijn arm in het water en haalde ik het zeewonder er uit. Het was geen enkel beest: het was een gan-sche kolonie, en zoo vreemd en wonderbaarlijk als men ooit gezien heeft. In het midden zag ik een schelp, een oude schelp, afkomstig van een zeeslak, die den bijnaam van koekoek draagt. Maar reeds lang is die eerste en natuurlijke bewoner niet meer in leven. In zijne plaats was er nu een zeer zonderling wezen genesteld, gewapend met groote scharen of tangen, die het naar verkiezing uitstak of introk, een allergrappigst schepseltje, dat in de wandeling âPeter de Kluizenaarquot; wordt genoemd. Op den bovenkant der schelp zaten twee zee-anemonen geplakt, hoogst belangwekkende weekdieren, die het vermogen hebben om zich als een bloem te openen en als een knop te sluiten. De verder nog beschikbare ruimte, naast hen, was ingenomen door een tros microscopisch kleine oestertjes en een hoopje zoo mogelijk nog kleiner mossels. Wanneer men alles saam weer in het water
152 Indringers in dc schelpenwereld.
dompelde, sleepte de hoofdbewoner, Peter de Kluizenaar, begaafd met een voor zijne kleinheid verwonderlijke kracht, heel alleen de schelp voort, met en benevens de anemonen, de oesters en de mosselen, schepsels die anders onbewegelijk zijn, maar zich nu â door de willekeur van hun geschubden vervoerder â tot eene eeuwigdurende beweging veroordeeld zagen.
Inderdaad, het was een buitengewoon vermakelijk genot, die onbeschrijflijke équipage te zien voortsukkelen! En terwijl ik mij geheel en al overgaf aan de onschuldige bekoring van een voor mij ânog nooit vertoondquot; schouwspel, vroeg ik mijzelven af: âWaar ter wereld kan ik iets dergelijks reeds meer gezien hebben ? . ^
Ik behoefde niet veel moeite te doen om het mij te herinneren. Een soortgelijk verschijnsel, en wel van een buitengewoon treffende gelijkenis, vindt men soms in de geschiedenis der menschelijke instellingen. Wanneer zij ten minste lang in wezen blijven en in
Indringers in de schelpenwereld. 153
hun vorm een krachtig weerstandsvermogen
o ö
bezitten, gaat de geest, die ze oorspronkelijk ontworpen en ten uitvoer gebracht heeft, er eindelijk uit verloren. Dan blijft er niets anders van over dan de schelp. Daar zij vele gerieflijkheden en een veilige schuilplaats aanbiedt, komt de een of andere nieuwe bewoner er al spoedig zijn intrek nemen. Na verloop van zekeren tijd gevoelt hij er zich zóó goed thuis, dat hij zich reeds verbeeldt, er altijd geweest te zijn. Naast hem, bij hem, boven hem, komen er zich nog anderen vestigen. Dat alles is op hetzelfde middenpunt geënt, en wordt door dezelfde beweging medegevoerd ; maar wat al tegenstrijdige, toevallig opeengehoopte, en toch tot samenleven veroordeelde dingen! â en vooral: welk een onderscheid met hetgeen er in het begin geweest is!
Hier hebt ge bijvoorbeeld eene liefdadige instelling, oorspronkelijk gegrondvest door een onbaatzuchtig man. Die man is gestorven, maar zijne stichting heeft hem overleefd. Doch
154 Indringers in de schelpemuereld.
langzamerhand dringt er een andere geest binnen. Het huis is goed. Een âdirecteurquot; neemt er heel gezellig zijn intrek, vergezeld van een heirleger ondergeschikte ambtenaren, â een personeel van belang! In de omgeving van al die indringers en huurlingen ziet men de misbruiken steeds bijzonder weelderig ontkiemen en voortwoekeren. Eindelijk gaat het zóó ver, dat het grootste gedeelte der inkomsten wordt opgestreken door de ambtenaren, â en dezelfde instelling, die gesticht is tot leniging van de ellenden der menschheid, wordt nu in de allereerste plaats dienstbaar gemaakt om aan eenige sluwe klanten een goed betaald nietsdoenersbaantje te bezorgen.
De godsdienstige en staatkundige gebruiken, de bureaucratie van alle landen, zouden ons tal van voorbeelden aan de hand kunnen doen, om onze vergelijking met bewijzen te staven. Hoe dikwijls toch zien wij, dat instellingen, die zich zeer oud noemen en, om zich een schijn van wettigheid te geven, zich beroepen op den geest waaraan zij hun ont-
Indringers in de schelpemvcreld. 155
staan te danken hebben, slechts een opcen-hooping van misbruiken zijn, een ongelooflijk en tegenstrijdig mengelmoes van praktijken, die niet in het minste of geringste verband meer staan met de bedoelingen van den oor-spronkelijken stichter!
Dit neemt echter niet weg, dat zulke kleine monstertjes als Peter de Kluizenaar allerver-makelijkste beestjes zijn, â en voor alles ter wereld zou ik hun vreedzaam bestaan niet in opspraak willen brengen.
OOGEN DIE NIET ZIEN; OOREN DIE NIET HOOREN.
eze woorden hebben heden morgen voortdurend door mijne gedachten weerklonken, en wel tengevolge van eene bijzondere omstandigheid, die ik hier zal beschrijven.
Aan de achterzijde der ruime binnenplaats, rondom vol stallen, opgehoopt vol materialen, van de Parijsche Omnibus-Maatschappij, vlak boven een ver vooruitstekend afdak, waaronder den ganschen lieven dag paarden beslagen worden, huist het kleine gezin van den smid. Terwijl de man beneden het ijzer smeedt, ligt zijne vrouw daarboven doodziek
Oogen die niet zien; enz.
aan een borstkwaal. Die arme vrouw! Als ik hare kamer binnentreed, krijgen mijne oogen het treffendste schouwspel te zien, dat men zich voorstellen kan. Zooals zij daar op hare legerstede ligt, doodsbleek, doet de zieke nog alle mogelijke moeite om den haar verstik-kenden hoest te bedwingen; terwijl een eindje verderop, bij het venster, drie kleine meisjes op een zonnig plekje aan't spelen zijn. Blootsvoets, de blonde krulletjes schromelijk dooreen geward, hebben zij heel dat eigenaardig verwaarloosde voorkomen van kinderen, die de moederlijke zorgen moeten missen; maar hare vroolijkheid getuigt toch vaneen bloeiende gezondheid, en hare dikke wangen bewijzen onweersprekelijk, dat zij geen honger lijden.
Midden in de kamer zit een buurvrouw met veel geplas en geplons een klein jongske te wasschen. Dat is het vierde kind van den smid. De geboorte van het ventje dagteekent van slechts zes weken herwaarts, en is de genadeslag voor de moeder geweest. Wat het
157
Oogen die niet zien
wichtje zelf betreft, het ziet er sterk en flink. uit; aan zijne levendige bewegingen, zijn stevig vleesch, zijn uit volle borst weerklinkend geschreeuw, zou men niet zeggen, dat eene stervende vrouw hem ter wereld heeft gebracht.
Dus daar, in die kamer, wordt een drama afgespeeld. Een moeder, een jonge moeder nog, vervuld met de begeerte om te leven, voelt dat zij langzaam door de ziekte gesloopt wordt. Morgen misschien zal de dood zijn werk aan haar volbracht hebben, â en in afwachting daarvan ziet het arme schepsel het haar zoo dierbare nestje rond en vraagt zij zich af; Wat zal er van hen worden ? Maar van al dien angst zien de kinderen niets: moeders afgrijselijke hoestbuien storen hen niet in hunne spelletjes; de engel des doods, die deze lijdenssponde nadert, is onzichtbaar voor hunne oogen. Als zij het eens konden vermoeden! Als het afgrijselijke van dezen toestand niet voor hen met een sluier bedekt was, hoe zouden zij er bestand tegen
ÃS8
O or en die niet hoor en.
159
zijn ? Er zou niets anders voor hen overblijven clan tranen, dan rouw, dan een leven dat reeds in zijn vroegen ochtendstond door het verdriet tot verwelking ware gedoemd. â Ongetwijfeld is het pijnlijk, die zorgelooze jeugd daar te zien bij deze teringlijderes, die haren toestand volkomen beseft en doorziet. En toch .... is het niet beter, dat sommige dingen voor de kleinen verborgen blijven, dat sommige ellenden hun nog onbekend zijn, dat de al te zware lasten aan hunne schouders gespaard blijven ? Is het geen barmhartigheid, geen ontferming, dat hunne ooren niet hooren en hunne oogen niet zien ?.. ..
OVER TABAK.
r zal hier geen sprake zijn van nicotine, noch van de âVereeniging tegen het overmatig rooken.quot; 't Is hier om heel iets anders te doen, gelijk men zoo dadelijk zien zal. En toch is de tabak er meê gemoeid. Maar wij zullen zoo spoedig mogelijk de oplossing van het raadsel geven.
't Was omstreeks half September, aan den oever van de Dordogne. De oogst was overal binnengehaald, en de wijngaarden kon men met den dag zien aanrijpen. Hier en daar, tusschen de met zware druiventrossen bela-
Over tabak.
den wijnstokken, lag een stuk tabaksland, niet weelderig gebladerde planten bezet. Die planten zelf, zeer wijd uit elkaar geplaatst, met een angstvallige zorg voor de juiste verdeeling der rijen en tusschenruimten, strekten tot op verren afstand hunne regelmatige gelederen uit. Het deed u onwillekeurig droo-men van mooie, bruingele sigaren, â van winteravonden, in liet hoekje van den haard doorgebracht met het turen naar de voortdrijvende kringetjes rook, al keuvelend met een paar goede vrienden.
Op een dier tabaksvelden zag ik een boer, die geheel in zijn werk verdiept scheen. Maar hij was een goedhartig man en gaf mij volgaarne eenige gewenschte inlichtingen, zonder dat hij mij daarom juist als een luiaard behandelde, hoewel ik voor't oogenblik de leeg-looper was en hij de arbeider.
Hij sprak mij over de ârégiequot;, die in Frankrijk heel den tabakshandel tot het monopolie der Regeering maakt, over sigarenfabrieken, over indirecte belastingen, en over
11
i6i
Over tabak.
nog vele andere dingen, die niet meer in verband stonden met de eerstgenoemden, wat wel meer gebeurt als men eenmaal aan zijn praatzucht den vrijen teugel viert. Maar voordat ik afscheid van hem nam, deed ik hem deze vraag:
âHoe zou het toch komen, beste vriend, dat de tabak die men in de tuinen plant, nooit zulke mooie bladeren krijgt als deze hier ?quot;
âO,quot; antwoordde hij, âdat komt doordat men ze in de tuinen maar vrij voort laat groeien. De steel schiet dan hoog op, en de bladeren blijven betrekkelijk klein. Maar wij tabaksteelders snijden er het hart uit, en beletten daardoor de planten om te hoog op te schieten: al het sap stroomt dan naaide bladeren, die er des te prachtiger door worden.quot;
Na deze toelichting wisselden wij onzen afscheidsgroet. Maar terwijl ik mijne wandeling tusschen de velden weer voortzette, bleven die laatste woorden van den boer mij
102
Over tabak.
voortdurend in de ooren klinken ; âWij snijden er het hart uit... dan worden de bladeren des te prachtiger!quot; Uitsnijding van het hart! Een zonderlinge samenkoppeling van woorden! En van het een op het ander komend, deed het geval mij denken aan die menschen, wien alles gelukt in deze wereld, doordien zij de uitsnijding van het hart op zichzelven toegepast hebben. In tal van omstandigheden is het hart erg lastig. Zij die er te veel van hebben, worden voortdurend bemoeilijkt door gevoelens, door aarzelingen en beschroomdheden, door medelijden met hun naaste, enz. Ieder oogen-blik belet die lastige kameraad hun het voortgaan. Zij nemen misschien toe in hoogte, in adeldom, in innerlijke waarde. Maar wat heeft men daaraan ? Dient het ergens toe in de wereld? Om te slagen, om zijn karretje op een zandweg te krijgen, om op den voorgrond te komen, moet men kloekmoedig de operatie op zich toepassen, waaraan de Fran-sche boeren hun tabak onderwerpen. Want dan gaat alles zoo goed als men maar wen-
Over tabak.
sclien kan, en worden de bladeren er des te prachtiger door.
..... Maar zou de man, die het zoo ver
gebracht heeft, nog wel de sigaar waard zijn, die hij rookt?
164
EEN LESJE VAN DE SPRINKHANEN.
k kwam van den Bella-Tolla af, een berg
in Hoog-Walliserland, dus in de Zwitser-sche Alpen, wiens top, drie duizend meter boven de oppervlakte der zee, zoo vermaard en belangwekkend is om het verwonderlijk schoone vergezicht, dat men van daar op de gletschers heeft. Na de volslagen stilte der bergtoppen, waar men geen enkel geluid en geene enkele beweging meer waarneemt, kwam ik weer in de streek der weilanden, waar overal het getjingel der klokjes weerklinkt, die om den hals der kudden hangen, en het einde-looze gedruisch der bergstroomen zich steeds
166 Een lesje van de sprinkhanen.
boven alles uit laat hooren. De gloeiende warmte der Augustuszon, de verrukkelijke schoonheid van dit plekje, het verdrietige gevoel dat ik mij met eiken voetstap verder verwijderde van al de heerlijkheden, die ik daar omhoog had mogen aanschouwen, â alles lokte mij uit om hier een poosje te rusten. Een rustplaats in de schaduw kon het niet wezen, want ternauwernood begon men heel in de laagte de sombere kruinen der oude dennen te onderscheiden. Ik strekte mij dus in de volle middagzon uit, op dat fijne en dichte gras, dat aan een berenvel doet denken.
Al wordt men ook overstroomd door de stralen van het zonnetje der hondsdagen, toch is men op een berg altijd op zijn gemak: in die prikkelende, opwekkende lucht, getemperd door de nabijheid der eeuwige sneeuw. â In de eerste oogenblikken had ik alleen aandacht voor het blauwe hemelgewelf en de witte bergkruinen, beiden even smetteloos In een reusachtigen kring geschaard, schenen de Alpen daar te staan peinzen en mij-
Een lesje van de sprinkhanen. 167
meren, als een vergadering van grijze, denkende hoofden, die reeds eeuwen lang de groote vraagstukken dezer wereld bestudeeren.
Maar na verloop van eenigen tijd wendde ik mijne oogen van dit grootsche schouwspel af,, om eens te kijken naar hetgeen er in mijne onmiddellijke nabijheid in het gras voorviel. Een troepje sprinkhanen gierde het daar uit van de pret. Het was er een oor-verdoovend gegons van harde vleugels, een eindeloos gekrioel van koppen en pooten, een onvermoeid heen en weer geloop in het warme licht.
Dat glinsterde en sprong en vloog en klauterde en begon telkens weer van voren af. Maar wat mij het meeste trof, waren de bijzonder levendige hartstochten, die deze kleine wezens in beweging schenen te brengen. Sommigen hunner, zonder eenigen twijfel de mannetjes, namen een blufferige houding aan, blijkbaar met oogmerk om hun makkers ontzag in te boezemen. Zij zetten tusschen hunne schilden met smaragdgroenen weerschijn een even
i68 Een lesje van de sprivkhanen.
hooge borst, als de ridders uit den ouden tijd in hun stalen wapenrusting. Zij sleepten hunne kolossale achterpooten met zich voort op dezelfde manier, als sommige cavallerie-offi-cieren de scheede van hun lange sabel over de straatsteenen der groote steden laten rinkelen. Met een air van gewicht staken zij hunne voelhoorns omhoog; en als zij een paar hunner natuurgenooten tegenkwamen, hielden zij plotseling stil, bleven om zoo te zeggen als een jachthond met opgeheven voorpoot staan, en zagen elkaar wederkeerig met zoo wantrouwende en minachtende blikken aan, dat men ze zich onmogelijk kan voorstellen. âWaar de hoogmoed al niet schuilt!quot; zeide ik glimlachend bij mijzelf.
Dit alles verschafte mij, meer dan een uur lang, een buitengewoon genoegen, niet zonder mij tevens te herinneren wat er zoo al voorvalt aan den voet der bergen, in de vlakten en in de steden, te midden van de groote men-schenmaatschappij. Die kortstondig levende insecten, zoo geheel verdiept in hunne kleine
Een lesje van de sprinkhanen.
169
intriges, zoo geheel vervuld met hunne nietige persoontjes tegenover de kolossale Alpen, kolossaal uit het oogpunt èn van hun massa en van hun duur, â dit alles is wel het sprekend evenbeeld van de menschen, die zich druk bezig houden met hunne beuzelingen te midden van de grootste mysteriën en de gewichtigste vraagstukken. Wanneer men, zonder bij de zaak betrokken te zijn, in een rustig uurtje languit in het gras liggend, al dat woelen en krioelen der insecten gadeslaat, terwijl het omlijst wordt door een zonnestraal, vindt men het onbeschrijflijk grappig, dat kleine beestjes, die bij de eerste de beste koude naast elkaar in hetzelfde zand zullen nederliggen, zich zoo ijdel en rumoerig aanstellen. Een poosje later, als men weer is teruggekeerd in het wagenspoor van den maatschappelijken sleur, in de dagelijksche botsing der hartstochten en der eigenliefde, volgt men onwillekeurig hun voorbeeld, en is men zelf, zonder het te weten, die sprinkhaan vol eigenwaan, die een laatdunkende
i68 Een lesje van de sprivkhanen.
hooge borst, als de ridders uit den ouden tijd in hun stalen wapenrusting. Zij sleepten hunne kolossale achterpooten met zich voort op dezelfde manier, als sommige cavallerie-offi-cieren de scheede van hun lange sabel over de straatsteenen der groote steden laten rinkelen. Met een air van gewicht staken zij hunne voelhoorns omhoog; en als zij een paar hunner natuurgenooten tegenkwamen, hielden zij plotseling stil, bleven om zoo te zeggen als een jachthond met opgeheven voorpoot staan, en zagen elkaar wederkeerig met zoo wantrouwende en minachtende blikken aan, dat men ze zich onmogelijk kan voorstellen. âWaar de hoogmoed al niet schuilt!quot; zeide ik glimlachend bij mijzelf.
Dit alles verschafte mij, meer dan een uur lang, een buitengewoon genoegen, niet zonder mij tevens te herinneren wat er zoo al voorvalt aan den voet der bergen, in de vlakten en in de steden, te midden van de groote men-schenmaatschappij. Die kortstondig levende insecten, zoo geheel verdiept in hunne kleine
Een lesje van de sprinkhanen.
169
intriges, zoo geheel vervuld met hunne nietige persoontjes tegenover de kolossale Alpen, kolossaal uit het oogpunt èn van hun massa en van hun duur, â dit alles is wel het sprekend evenbeeld van de menschen, die zich druk bezig houden met hunne beuzelingen te midden van de grootste mysteriën en de gewichtigste vraagstukken. Wanneer men, zonder bij de zaak betrokken te zijn, in een rustig uurtje languit in het gras liggend, al dat woelen en krioelen der insecten gadeslaat, terwijl het omlijst wordt door een zonnestraal, vindt men het onbeschrijflijk grappig, dat kleine beestjes, die bij de eerste de beste koude naast elkaar in hetzelfde zand zullen nederliggen, zich zoo ijdel en rumoerig aanstellen. Een poosje later, als men weer is teruggekeerd in het wagenspoor van den maatschappelijken sleur, in de dagelijksche botsing der hartstochten en der eigenliefde, volgt men onwillekeurig hun voorbeeld, en is men zelf, zonder het te weten, die sprinkhaan vol eigenwaan, die een laatdunkende
Mensch of slrootnan 1
ringste notitie van hem te nemen ? Geen hunner salueert hem in 't voorbijgaan Op klompen, in mouwvesten, de muts op één oor en de pijp tusschen de tanden, bewegen zij zich in allerlei richtingen. De een danst met zijn stalbezem rond, anderen zijn aan 't boksen, nog weer anderen spelen haasje-over, of verlustigen zich in allerlei soorten van vroolijke bokkensprongen. Wat den generaal betreft, â kalm en rustig, als een bronzen standbeeld, schijnt hij met een vaderlijken blik hunne potsen en zelfs hunne oneerbiedige gebaren aan te zien. Wat een grappige generaal is dat toch!
Maar nu begint de zaak er anders uit te zien. Door een zijdeurtje komt een troepje ruiters naar buiten, die zich tegenover den man met de pluim in 't gelid scharen. Nauwelijks staan zij op rijen, of zij trekken de blanke sabel. Een der voorste cavalleristen rijdt buiten het peleton op, en met uitge-strekten arm, de sabel fonkelend in den zonneschijn, rent hij regelrecht op den generaal
172
Mensch oj stro oman ?
aan. Na hem volgt een tweede, een derde, en zoo al de anderen. In vliegende vaart draven al de manschappen er een voor een voorbij, waarbij zij zóóveel stof opjagen, dat ik weinig of niets meer kan onderscheiden. Als de stofwolk eindelijk opgetrokken is, krijg ik mijn generaal weer te zien. Nog altijd heeft hij zich niet verroerd. Maar.... met behulp van een verrekijker ontdek ik over heel zijn lichaam wijde, gapende gaten, en zie ik dat er overal groote dotten stroo hangen uit zijn opengereten en aan flarden gescheurde uniform. En nü wordt alles mij op eens duidelijk; men heeft gecxcerceerd op den strooman. en mijn zoogenaamde generaal was niets anders dan een opgezette pop!
Thans zoudt gij zeker wel willen weten, waarom ik u deze geschiedenis vertel? Nu, ik zal mijne bedoeling niet onder stoelen of banken steken, en het ronduit zeggen.
Er zijn in deze wereld een menigte luitjes, die er zoo op 't oog als menschen uitzien, en zelfs een pluim op het hoofd hebben. Maar
173
174 Mensch of stroomanl
in werkelijkheid zijn het stroomannen. Ik denk hier vooral aan dezulken, wier grootste kracht in hunne onaandoenlijkheid bestaat. Zij zijn altijd op dezelfde temperatuur, vertoonen altijd hetzelfde gezicht, zien alles steeds met dezelfde onverstoorbare kalmte aan. Van buiten en op een kleinen afstand bezien, zijn het karakters, stoïcijnen, met kalmen moed in 't hart, of ook wel zachtmoedige discipelen van Christus.
De liederlijkheid boezemt hun geen walging in, de leugen hindert hen niet, laagheden stuiten hun niet tegen de borst. Maar bezie hen eens wat meer van nabij , en gij zult spoedig uit den droom geholpen zijn. Een schromelijke dwaling had u voor grootheid van ziel of zachtaardigheid doen aanzien, wat in werkelijkheid slechts onmacht is. De schijnbare geslotenheid dezer wezens bedekt diepe zedelijke leemten, en hunne innerlijke holheid openbaart zich naar buiten door een volslagen onvatbaarheid om zich te ontzetten, om hartstochtelijk te zijn, om verontwaardigd te worden.
Mensch of stroonian 1
Als gij water heet maakt, gaat het koken. Beproef eens, het dat koken te beletten ; de gevormde stoom zal zich tot een zoo kolossale kracht samenpakken, dat zij weldra alles aan stukken slaat. En wanneer gij, in tegenwoordigheid van een levend mensch, zekere onrechtvaardigheden, zekere slechtheden, zekere lage of schurkachtige handelingen pleegt, wordt hij warm en begint hij inwendig te koken. Tracht hem dat eens te beletten: zijn weerstandsvermogen zal vermeerderd worden met de volle zwaarte uwer neerdrukkende kracht; en plotseling zal hij, onder de machtige werking van den inwendigen gloed, alle hinderpalen uit den weg slaan.
Water dat niet in staat is om te koken, zou geen water zijn. Een mensch die niet vatbaar is voor verontwaardiging, is geen mensch. Zijt gij een mensch ? Hebt gij ingewanden, hebt gij bloed, hebt gij een hart ? Antwoorden is niet noodig; daar zullen de omstandigheden zich wel mede belasten. Ik zal wel eens zien, hoe gij u tegenover zekere
Mensch oj strooman ?
openbaringen van den booze houdt. Als gij niet woedend opvliegt, als gij niet naar de wapenen grijpt, medegesleept door uwe verontwaardiging, genoodzaakt om bij uzelven te zeggen; dat is mij toch wat al te kras! â dan zijt gij reeds veroordeeld. Al staakt gij in een leeuwenhuid, gij zijt toch maai opgezet 1
Behoef ik hier nog wel bij te voegen, dat de gemoedsstemming, waarvan hier sprake is, niet het minste of geringste te maken heeft met die van wraak, geweld en dweepzucht ? Die geest is altijd boosaardig, omdat hij uit een bittere bron opwelt, en zich voedt met het onreine vuur onzer verachtelijkste hartstochten. De rechte en zuivere verontwaardiging daarentegen heeft haar bron in de liefde. ^Haat het kwade! heeft de Apostel Paulus gezegd. En inderdaad; het is onmogelijk de menschen lief te hebben, zonder tegelijkertijd en met gelijke kracht die groote moordenares te haten, die de zonde heet. onder al hare vormen, en zonder dien haat door daden te doen
Mensch of sirootnan^ 177
blijken. Wij behoeven niet te vreezen, dat wij met het Evangelie in botsing zullen komen, door aan die gerechtvaardigde verontwaardiging toe te geven ; er bestaat volstrekt geen overeenkomst tusschen een Christen en wat men een goeden sukkel noemt. Men denkt te weinig aan de schoone en edelmoedige krijgshaftigheid, die er in de Christelijke liefde schuilt. Zich verzetten, protesteeren, worstelen, ziedaar zoovele vormen, waaronder die liefde zich óók openbaart! Het is gebrek aan liefde, zijn naaste te sparen, wanneer zijn toestand eischt dat hij worde aangegrepen, geschokt, ontrukt aan de ernstigste gevaren. Natuurlijk blijven de forsche middelen alleen voor het laatste uiterste bewaard; maar er doen zich omstandigheden voor, waarin zij gebiedend noodzakelijk worden. Er komen zelfs oogenblikken, waarin er slechts één enkele hoop overblijft om dien verdoolden de oogen te openen ; namelijk ons met zóódanige kracht tegen hen te verzetten, dat zij het onwaardige van hun gedrag kunnen af-
12
178
meten naar den afschuw, dien het ons inboezemt. In ieder geval kan men zonder vrees voor vergissing zeggen : de welgemikte slag, die een geweten doet ontwaken, is beter dan de liefkoozing, die het in slaap sust.
DOORTREKKENDE VREEMDELINGEN.
j ^aatst op een Woensdag, toen het erg koud was, liep ik langs den Boulevard de l'Hó-pital te Parijs. De fijne takjes der boomen staken scherp en duidelijk af tegen den helderen hemel, waar, hoewel het nog niet laat op den middag was, even drie uur, de zon reeds de roode tinten van haren ondergang begon aan te nemen. Op het steilste gedeelte van den boulevard bemerkte ik twee voertuigen, die met moeite tegen den weg opreden; het waren gezinnen van vreemdelingen, die zeker gingen overwinteren op een of
Doortrekkende vreemdelingen.
ander ongebruikt stuk land buiten de barrière d'Italie. Het eerste voertuig, het mooiste van de twee, wel wat oud, maar dat er met zijne groene luikjes nog min of meer coquet uitzag, had zulke nietige wieltjes, dat zij bij elke omwenteling heen en weer schudden en een instorting deden vreezen. De trekkracht bestond allereerst uit een éénoogig paard, van een geelachtig-bruine kleur, met witte vlekken. Twee knieriemen getuigden van een niet zeer vasten gang, maar óók van een liefderijk bezorgden meester. Naast het paard liep een kleine, maar bijzonder vlugge zwarte ezel. Hij had, evenals zijn kameraad, boven op zijn kop een pluim van groen en wit. Beiden trokken en tobden zoo hard als zij konden; het paard met groote stappen, de ezel met heel kleine en haastige stapjes. De gang en de houding dezer beide makkers, onder hunne versleten tuigen, die op menige plaats meer touw dan leer lieten zien, was alles behalve gelijk, â en de ezel, die alle krachten inspande om zijn rang op te houden, deed
Doortrekkende vreemdelingen. 181
onwillekeurig denken aan de woorden van Virgilius: Sequitur.... non passibus cequis Aan den linkerkant, het paard bij den teugel houdend, liep de man; aan de rechterzijde, af en toe den ezel aandrijvend, stapte de vrouw mede. Zij spraken tot hunne beestjes als tot vrienden, die men aanmoedigt, zonder geschreeuw en zonder slagen.
Achter dit voertuig, en het om zoo te zeg--
O O
gen op de hielen volgend, reed een ander, eigenlijk niet veel meer dan een karretje. Hier bestond de beweegkracht uit drieërlei wezens : een vrouw die het lemoen vasthield en, om hare handen tegen de koude te beschutten, ze in herhaaldelijk verstelde roede wanten gestoken had; een hond, die â met een touw om den hals, en zijn tong tot op den grond uit zijn bek hangend â onder het voertuig werkte wat hij kon; en eindelijk een man met een houten been, die al duwend en strompelend achteraan kwam.
â¢) Hij volgt, maar niet met gelijken tred.
Doortrekkende vreemdelingen.
Het schouwspel was werkelijk vreemd en zonderling. Langs den geheelen weg bleven de voorbijgangers telkens even staan, om de vertooning na te kijken. Ik voor mij, die den kant van diezelfde barrière d'Itaüe uit ging, werwaarts heel die moeitevolle optocht gericht was, ik kon er mijne oogen niet van afwenden. Van het trottoir, waarop ik bedaard voortdrentelde, zag ik die brave menschen en die goede beesten langzaam vooruitkomen, af en toe eens stilstaand, om uit te blazen, en dan weer met nieuwen moed aan 't loopen gaande. Van tijd tot tijd, wanneer het tweede voertuig wat ten achteren was, hield het eerste een oogenblik op, wachtte tot de achterblijver bij was, en nam hem dan een stap of wat als 't ware op sleeptouw ....
Toen ik op het hoogste gedeelte van den weg was gekomen, sloeg ik een zijstraat in. Maar de herinnering aan hetgeen ik zooeven gezien had, bleef mij als iets buitengewoons en treffends bij. Ik had daar, in een volmaakte welwillendheid, zeer verschillende wezens
182
Doortrekkende vreemdelingen.
zien samenwerken. Ik had, in een omlijsting van zeer bescheiden vormen, den moed, den goeden wil en de onderlinge hulpvaardigheid aan 't werk gezien. Dank zij dien goeden eigenschappen, waren een paard, een ezel, een kind, een gebrekkige man en een paar vrouwen, er in geslaagd, een steil oploopenden weg te beklimmen, ondanks de waggelende wielen en de hobbelige straatsteenen. Welk een les van verheven moraliteit en van hooge politiek! Allen die de hand aan een gemeenschappelijken arbeid slaan, waarbij de samenwerking van âveel hoofden, veel zinnen!quot; een noodzakelijk vereischte is, zouden er de beste vruchten van kunnen plukken. Ik beveel dit aan in de overweging van allen, die op kerkelijk gebied arbeiden. Gewoon als zij zijn aan de verheerlijking van het geduld der heiligen en van de lankmoedigheid der vermaardste geloovigen, zullen zij de betuiging hunner hulde niet kunnen weigeren aan de nederigste beoefenaars dezer zeldzame deugden; en misschien zullen zij, na mijne
Doortrekkende vreemdelingen.
brave luitjes en mijne goede beestjes gezien te hebben, wat meer menschlievendheid in acht nemen tegenover medewerkers, die over de ondergeschikte bijzonderheden niet evenzoo denken als zij. Nu de weg eenmaal zoo hard en onze middelen zoo zwak zijn, laat ons nu vereenigd handelen ! Laat het paard en de ezel, laat hij, die zijne twee goede beenen, en hij, die er slechts een heeft, hun pogingen vereenigen !
Laat ons geene enkele helpende kracht verachten! Al wie mede wil duwen of trekken, is de ware broeder; en gevaarlijk zijn alleen dezulken, die spaken in de wielen steken.
184
HET TOUW VAN DEN LEIDEKKER.
het volle zonlicht, stil en statig naar den ochtendhemel. Een zwerm witte en zwarte zwaluwen gonst er fladderend omheen, en te midden van de vroolijke geluidjes, waarmee zij de lucht vervullen, bespeurt men een menschen-stem, die men weet niet vanwaar neerdaalt. Zij zingt, die zuivere en welluidende stem, en kleine, zeer korte en krachtige tikjes met den hamer accompagneeren haar.
Het is de stem van een leidekker, die tus-schen hemel en aarde hangt, daar in de hoogte, een paar voet onder het kruis. Hem daar te
e spits van den kerktoren verheft zich, in
186 Het touw van den leidekker.
zien hangen, is alleen reeds genoeg om kippenvel te krijgen ! Men denkt met een rilling van afschuw aan de gapende leegte, die daar open en wijd onder hem ligt, en aan al die verdiepingen van zuilen en gewelven; men denkt aan al de mogelijkheden van vallen, aan de afgrijselijke kneuzingen en beenbreuken, die een menschenlichaam zou ondergaan, dat van kroonlijst tot kroonlijst neertuimelde, terugkaatsend en opspringend tegen de hoeken, tegen de dakgoten, en ten slotte als in een afgrond neerploffend op de straatsteenen ! Die gedachte doet u duizelen, en herinnert u voor een oogenblik aan de nachtmerries, waarin men zich krampachtig vastklemt aan den overstekenden rand eener goot, als een waanzinnige, op 't punt om in de diepte neer te smakken....
Maar onze leidekker schijnt van geen vrees of angst te weten. Zonder blikken of blozen gaat hij voort met zijn werk. De oude steenen heiligen, die de musschen nestjes laten maken in hunne baarden en mouwen, gevoelen
Het touw van den leidekker. 187
zich niet kalmer op hun voetstuk, dan die man daar op zijn dak.
Hoe komt hij aan dat gevoel van veiligheid? Het is een gevolg van zijn vertrouwen. Zijn leven hangt ontegenzeggelijk aan een touw, maar.... hij kent dat touw, en hij maakt er staat op, evengoed als gij staat kunt maken op de stevigheid van den grond. Hij twijfelt niet, en hij beeft niet. Hij weet: als de klok in den kerktoren straks twaalf uur slaat, zal hij van knoop tot knoop naar beneden klimmen, door een der galmgaten in den toren weer naar binnen gaan, de ontelbaar vele trappen afloopen, en â na thuis zijne vrouw en kinderen een dagzoen gegeven te hebben â zich met hen aan tafel zetten om te eten.
Dat vertrouwbare touw bracht mij aan 't nadenken. Wanneer men eens even goed op het woord zijner medemenschen kon vertrouwen, als de leidekker op zijn touw!
Want in waarheid ; ieders leven hangt voor een groot gedeelte van anderer trouw af.
i88
Voor hoevele wezens is het bestaan niet als 't ware opgehangen aan een belofte, die men hun gedaan heeft! Als die belofte vast en zeker is. gevoelen zij zich gelukkig, veilig, gewaarborgd. Maar zoodra die belofte, als een verteerd stuk touw, bezwijkt en breekt, zijn zij in het verderf gestort.
Mag het woord van een mensch minder waard wezen, dan het hennep van een touw ? Het moest zoo niet wezen; maar, helaas! het is zoo.
âIk heb u lief, ik zal u altijd blijven liefhebben, uw leven is mijn leven; ik verbind mij heden aan u met eene heilige belofte, en nooit of nimmer zal ik mijn lot van het uwe scheiden !quot; Een man heeft deze belofte gedaan aan eene vrouw, en â op dat woord staat makende â heeft zij met vertrouwen hare toekomst in zijne handen gesteld. Voortaan zullen een menschenleven en, door dat leven, misschien vele anderen: kinderen, onschuldi-gen, aan een woord hangen.
Maar de dagen verloopen, de omstandig-
Hei touw van de7i leidekker
heden worden gewijzigd, en de mensch wijzigt zich tegelijk met hen. Evenals de regen, de hagel, de zonneschijn, beurtelings op een touw hun invloed oefenend, het doornat maken, het weer uitdrogen, het ontleden, en het eindelijk vezel voor vezel vernielen, â zoo oefenen ook allerlei soorten van oorzaken hunnen invloed op den wil des menschen uit, en verzwakken zij dien langzamerhand. En.... op een goeden, of liever kwaden dag breekt het touw!
Er zijn in deze wereld maar al te veel menschen, die hunne touwen vervaardigen van ondeugdelijken hennep, of die ze uit onverschilligheid en zorgeloosheid laten bederven. Zij zijn niet in staat om op een regenach-tigen dag te volbrengen, wat zij op een dag met mooi weer beloofd hebben. In den handel, op de geldmarkt, in de vriendschap, in de liefde, in de politiek, in den godsdienst, zijn er maar al te veel versleten touwtjes !
âWelke menschen kan men eigenlijk vertrouwen ?quot; vraagt gij. âMen is van niemand zeker meer!quot;
189
190 Het touw van den leidekker.
Maar gij, die zoo spreekt, zou men op ü kunnen vertrouwen ?
Als gij mij naar een geneesmiddel tegen dit kwaad vraagt, wil ik er u met alle liefde een aan de hand doen. Het laat zich in deze drie woorden samenvatten: Houd uw woord!
Gij zult mij misschien de vraag doen: âWat zou e'én enkel goed touw baten te midden van zooveel slechten, en één enkel oprecht en vertrouwbaar man te midden van zooveel huichelaars ?quot; Maar dan geef ik u ten antwoord: Juist omdat iedereen er aldus over redeneert, bezwijkt en kraakt alles onder onze voeten, en wordt het vertrouwen, die grondslag van het maatschappelijk leven, aan 't wankelen gebracht. Houd uw woord.' zeg ik u, wees een man, vervul uwe belofte, en â leve het touw van den leidekker!
EEN O LT D VROUWTJE.
Aan de jongelui opgedragen.
^|k had haar in geen twintig jaar gezien.
Was zij toen reeds gekromd en gerimpeld, â hoe ouwelijk moest zij dan nü wel wezen: ondermijnd door de ziekten en de zoo harde beproevingen der laatste jaren !...
Na de schaduwrijke lanen doorgegaan te zijn van het oudevrouwenhuis, waarin zij haren levensavond doorbrengt, sta ik weldra voor haar kamertje. â Verbeeld u een nestje van een min of meer coquetten eenvoud : overal wit neteldoek, al de randen en de oppervlakten der meubelen onberispelijk
Een oud vrouwtje.
netjes ; hier en daar wat versch geplukte bloemen ; op-en-top een jonge meisjes-kamertje, behoudens allerlei heel oude portretjes en snuisterijtjes, die natuurlijk nog met hart en ziel bemind worden, dat kan men met één oogopslag wel dadelijk begrijpen. En te midden van dat alles een grooten ziekenstoel, waarin een zeer wit gezicht door een zeer witte muts omlijst wordt.
Wij zaten lang met elkaar te praten, overheerlijk! â Waarom heeft zij slechts weinig over zichzelve gesproken ; over hare eenzaamheid, over haar langdurig lijden ? Ik had er haar misschien op weg toe moeten helpen, er haar met zachten aandrang toe moeten nopen. Maar ik verbeeld mij, dit herhaalde malen beproefd te hebben, en .... na mededeeling van enkele kleinigheden, begon zij dadelijk over iets anders te praten, vroeg zij op deel-nemenden toon naar allerlei dingen, en gaf zij blijk van hare warme belangstelling in ieders leven en wederwaardigheden, zoowel in de studiën en de toekomst der jongelui,
192
193
als in den gezondheidstoestand van het kleine volkje. Niets laat haar onverschillig. Nochtans wenscht zij niets terug van dit leven, waarin zij zoo diep en zoo levendig belangstelt, â en de bedekte toespeling op haren naderenden dood is haar tegelijk met een glimlach over de lippen gekomen.
Sedert ik haar verlaten heb, blijf ik onwillekeurig slechts aan haar denken. Mijn hart is daarginds gevangen gebleven, waar te midden der schaduw van de zachtkens heen en weer schommelende bladeren een zonnestraal speelt op het gelaat eener tachtigjarige...
Waarom heeft dat schouwspel mij zoo bekoord, zoo betooverd ? Wat groots en geheimzinnigs heb ik toch aanschouwd onder dat broze en verwelkte uiterlijk ?
Ik meen er mij eenigszins rekenschap van te kunnen geven, zonder nog in al zijn omvang te beseften wat ik gevoel. In dat stokoude vrouwtje heeft zich een macht aan mij geopenbaard. Zij heeft mij een vluchtigen blik doen werpen op het geheim van het
13
Een oud vromvtje.
ware leven en de ware jeugd, daarin bestaande, dat men zich weet los te maken van zich-zelven, om in de liefde een voller leven terug te vinden. Zeldzame verschijningen, waarin de reine helderheid der ziel haar licht werpt op alle beproevingen, en waarin de goedheid jegens anderen onophoudelijk is toegenomen, ondanks alle zware lasten ! Die onbaatzuchtige oudjes zijn de zachtste en toch onweerstaanbaarste macht, welke er op de wereld te vinden is. Door hen spreekt God tot ons; en ik geloof niet, dat de jeugd ergens een gewichtiger openbaring dan deze ontvangen kan.
Jonge lezer, jeugdige lezeres, die toevallig dit boekje ter hand neemt en deze bladzijde leest, â als gij het voorrecht zult begrijpen, dat u in de jeugd en het leven geschonken is, moet gij vóór alle dingen iets leeren beseffen van dit soort van innerlijke schoonheid, die ik u onmogelijk zou kunnen beschrijven, zóó verheven is zij.
Met de jeugd is het als met de erfgoederen en de gaven van allerlei aard. Om haar waarlijk
194
Een oud vrouwtje.
te bezitten, moet men haar veroveren. Als gij, om u jong te kunnen noemen, niets anders dan uw twintigjarigen leeftijd kondt doen gelden, zou ik dat een erbarmelijken grondslag vinden. Onvermijdelijk zoudt gij er toe komen, de in u aanwezige levensschatten te miskennen of te misbruiken. Gij zoudt er eindelijk en ten laatste niets anders dan onvruchtbaar berouw van overhouden.
Het leven is een goddelijke leerschool, waarin de onvergankelijke werkelijkheden ons onder vergankelijke vormen geopenbaard moeten worden. Wij ontwaken in het eeuwige, na door het tijdelijke te zijn heengegaan. Met hare bevalligheid, hare innerlijke kracht, hare grootmoedige opwellingen, moet de lichamelijke jeugd voor ons de opwekking zijn tot het groote leven, dat onze hoogste bestemming is, krachtens den wil Desgenen die ons geschapen heeft. De jeugd is een wonderbaarlijk boek, waarvan men de beteekenis hoe eer hoe beter moet ontcijferen en onthouden Ik zeg âhoe eer hoe beterquot;, want de
I95
196
bladzijden worden spoedig omgeslagen; en wie er den geur niet van opzamelt, heeft louter tevergeefs geleefd.
Want inderdaad: na die heerlijke ontwikkeling van kracht en ijver komt er een tijd, waarin het uitwendige leven afneemt. Stuk voor stuk worden de bestanddeelen van dat leven ons ontnomen. Zij hebben eerst dienst moeten doen voor de opbouwing van het inwendige leven. Thans is hun tijd voorbij, en hebben zij hunne diensten bewezen. Zij kunnen dus vervallen. Maar wee dan hem, die zich krampachtig aan den vorm heeft vastgeklemd : die den zin en de strekking van het boek zijns levens niet ontdekt heeft! Voor hem zal het slechts een kunstig vuurwerk geweest zijn, dat plotseling voor een oogenblik de nachtelijke duisternis verdrijft, maar om haar daarna des te zwarter en ondoordringbaarder te doen schijnen. De oude dag der zelfzuch-tigen en der genotzoekers is een toestand van totale uitputting. Daarom is de wereld vol grijsaards, die van alles afstand hebben ge-
Een oud vromvtje.
daan, voor alles onverschillig zijn geworden, behalve voor dat armzalig overblijfseltje van stoffelijk leven : een doorgeknaagde en broze band, waaraan zij, tot hunne ontzetting, boven den afgrond hangen te schommelen. Welk een huiveringwekkende les zijn dergelijke levensavonden voor een jeugd, die slechts met het vleesch rekent!
Maar wie in het leven bovenal oog heeft gehad voor het inwendige, voor de ziel, en die heeft leeren leven in de diepe werkelijkheden, â - die ontdekt, terwijl hij ouder wordt, een nieuwen gezichtseinder. Daar hij zich niet vereenzelvigd heeft met het genot zijner persoonlijke bezittingen, vergaat hij niet tegelijk met deze. Het is met hem evenals met den vogel, die rijp is om uit het ei te komen, wanneer de schaal openbarst. Het hoogere, het gevleugelde leven is geboren. Hij ziet zonder spijt of smart de vormen breken, die gediend hebben om de eerste beginselen van dat leven te beschutten.
Ziedaar dus, wat ik onlangs gelezen heb
197
Een oud in-omutje
op het gelaat en in het hart eener oude vrouw, â- en nu kom ik al meer tot de overtuiging : De ware jeugd, de bewonderenswaardigste, wier glans de frischheid der rozen overtreft, is de jeugd onder de grijze haren. Haar glimlach is reiner, en vooral duurzamer, dan die uwe mooie, twintigjarige oogen ver-vroolijkt. Want het speelt, dat glimlachje, in oogen die door tranen verduisterd zijn, en het blijft standvastig onder de schrijnende litteekenen der smart. Het is niet meer afhankelijk van een zonnestraal; het is ontvlamd aan de bron van het onsterflijke licht.
En daarom : als gij het leven en de jeugd liefhebt, moet gij opmerkzaam leeren worden op de schoone âoude dagenquot; en levensavonden, die het groote geheim der wéllevenskunst bezitten. Zoekt ze op, zooals Diogenes naar een mensch zocht, â en indien gij zoo gelukkig mocht zijn, ze te ontmoeten, neemt dan al de geestdrift, al de vereering, al de liefde, waarvoor uw hart vatbaar is, en legt ze aan hunne voeten neder, als een reine en edele
Een oud vrouwtje.
I99
hulde. Wanneer gij dat gedaan hebt, zal uwe jeugd u schooner dan eertijds voorkomen, en zult gij niet meer vreezen, dat zij ooit zal eindigen, omdat gij geleerd zult hebben, haar lief te hebben in hetgeen zij onsterflijks heeft.
EEN GEBREKKIG SPREEKWOORD.
de spreekwijze; âverdeelen om
Het drukt een onloochen-
bare waarheid uit. Maar evenals er geene medaille zonder keerzijde is, zoo is er ook geen onfeilbaar spreekwoord. Zekere arme oude vrouw, die ik gekend heb, zal er ons het bewijs van leveren, want â niet door te ver-deelen, maar door te vereenigen, kwam zij tot heerschen.
Zij had reeds lang de zes kruisjes achter den rug, toen men haar de bewaking van een dozijn koeien toevertrouwde. Door het volbrengen van die taak verdiende zij haar
Een gebrekkig spreekwoord.
voedsel en deksel; maar ... het was geen verdienen met nietsdoen.
Toezicht te houden op kalme en ingetogen beesten, die geen moeite doen om op verboden terrein te gaan grazen, is een idyllisch genot. Men zet zich hier of daar in de schaduw van een wilg neer; men kijkt naar het stroomen der rivier en naar het vliegen dei-vogels, of men sluimert half in onder het gepiep van de krekeltjes en de kikvorschen, waarbij men slechts van tijd tot tijd een lod-derigen blik in het rond behoeft te werpen, om er zich van te overtuigen dat alles goed gaat. Maar dat was in de verste verte het geval niet met ons oude vrouwtje! Hare koeien, een wispelturig en onhandelbaar volkje, maakten haar het leven geducht zuur. Het eene oogenblik bestookten de kwaadaardige dieren elkaar met hoornstooten ; het volgende oogenblik, met den neus in den wind, en het gras in de weide versmadend, snoven zij de geuren van een naburig klaverveld op, of den heerlijken reuk der groenende korenakkers. Zij
201
Een gebrekkig spreekwoord
sprongen over de hekken heen, ondernamen op en in het pas opkomende zaaisel allerlei verwoestende wedrennen, en rekten zoo ver als zij konden hun hals uit, om bij de bladeren der appelboomen te komen. En het arme oudje, met de eene hand op haren krukstok leunend, de andere hand gewapend met een daarin machteloozen knuppel, liep hinkend en strompelend achter hare tuchtelingen aan, zonder zich van den vroegen morgen tot den laten avond een oogenblik rust te gunnen. Tot overmaat van ramp beweerden booze tongen onophoudelijk, dat zij de kudde slecht bewaakte en het dus zoo niet langer gaan kon.
Een medelijdende voorbijganger gaf haar een herdershond ten geschenke, een ruwe knaap, vlug op de pooten en met dreigende kaken: toen ging het wat beter. De arme oude genoot nu een schijntje van wat men rust zou kunnen noemen. Maar â er bleef nog heel wat te wenschen! Hoe wakker hij ook was, de hond kon niet overal te gelijk zijn. Terwijl hij de groote vaalbonte achterna
202
Een gebrekkig spreekwoord.
holde over een klaverveld, was de kleine grijze vaars, die wel van den duivel bezeten leek, druk bezig om zich naar hartelust volop te goed te doen aan de hartjes der beetwortels. En bovendien; zelfs de beste hond begint toch eindelijk boos te worden. En zoo ging het ook hier. De koebeesten kwamen thuis met een opengereten oor, of met bloedende neusgaten. Nu was 't uit! De hond werd ten eeuwigen dage verbannen, en het oudje moest het voortaan maar zonder hond zien te stellen.
En toen, ten einde raad, met de pijnlijke gewaarwording van een Minister, die zich zijne portefeuille voelt ontglippen, bedacht de koewachtster in haar oude hoofd een voortreffelijk redmiddel.
Zij schafte zich twee kettingen aan, van verscheidene meters lengte, en maakte er hare beesten zes bij zes aan vast. Van dien dag af was het met de dollemans-wedrennen gedaan. Nu zij aan één en denzelfden band bevestigd waren, hielden de koeien elkaar onderling tegen en in bedwang. En zoo
203
Een gebrekkig spreekwoord.
moesten zij, of zij wilden of niet, wel stil op hun plaats blijven en vreedzaam voortgrazen. Wat het oude vrouwtje bctreftgt; zij bouwde voor zich, van wat steenen en mos, onder den naburigen beuk, een gemakkelijke zitplaats, die heel wat hechter stond dan vele tronen, en vanwaar zij, al breiend, een wakend oogje kon houden op hare onderdanen.
Door hen te vereenigen, had zij hen bedwongen.
204
TWEEÃRLEI OOGPUNT.
w
ij waren met ons zessen vrienden, en kwamen uit het hooger gelegen Salève terug, na in Monnetier ontbeten te hebben bij âhet Bocheltjequot;. â 't Was in het laatst van November, met prachtig mooi weer. De top van den berg fonkelde onder den ijzel. Maar op zijne halve hoogte zou men gezegd hebben, dat het lente was. Bij eiken voetstap dien wij over het lauwe gras deden, lachten ons madeliefjes toe. De struiken koesterden in den zonneschijn hunne bladerlooze takken, waaraan een oogst van veelkleurige bessen hing. Bessen van eglantieren en van witte
2o6
hagedoorns, bessen van hulsten, van jeneverstruiken en van wilde pruimen; sommige hoogrood, alsof het kralen waren, anderen donkerder, als wijnmeer, nog anderen weer dofbruin, of zwart als inkt. Onze zakken begonnen langzamerhand vol te worden met die bergvruchten; en wij dachten reeds aan de kleine handjes, die dezen landelijken buit met blijdschap zouden verwelkomen, om er gebruik van te maken bij hunne spelen, daarginds, achter de muren der groote stad.
Eensklaps, juist op het oogenblik toen ik mij even bukte om een prachtige woudroos te plukken, zag ik aan de dorens van den struik een witte vlok hangen, die krampachtig beefde onder de zachte drukking van het koeltje: een licht vedertje, zonder twijfel een schatting die de struik van den een of anderen vogelvleugel geheven had. Nauwelijks had ik deze opmerkingen gemaakt, of ik ontdekte in de onmiddellijke nabijheid een plekje, dat geheel met veertjes versierd was, waarvan er echter eenigen met bloed bevlekt waren.
Tweeërl ei oog punt.
't Was het deerlijk gehavende kleed van een kwikstaartje, nog duidelijk herkenbaar aan zijne blauwe, grijze en gouden tinten, en aan de lange, uitgerafelde staartpennen. En toen ik alles nog eens wat nader bekeek, ontdekte ik op het mos den bek en de twee pootjes...
â Arm vogeltje! overvallen door den een of anderen sperwer, levend geplukt, en hier op deze eigen plek verslonden!. .. Wij zetten in onze gedachten heel dit drama onder een struik weer in elkaar. Wij zagen de stalen klauwen dit broze lichaam grijpen en bewerken, en den roofgierigen bek de veeren bij bossen uit het lijfje trekken, om te beter in het vleesch te kunnen bijten en het bloed te drinken ... De lucht, over den berg stroomend, bewoog die overschotjes van vleugels, die ijle bosjes dons: het scheen bijna of zij nog beefden onder een akelige herinnering.
Dit alles maakte ons medelijden gaande, terwijl er een droefgeestig windje zuchtte tus-schen de gele halmen en de verdroogde bladeren. Dat aardige kwikstaartje, zoo vroolijk.
207
2o8
zoo bevallig, hoeveel had het moeten lijden
Maar allengskens begonnen onze gedachten een anderen loop te nemen, en wel naar aanleiding van dezelfde voorwerpen. Al waren wij op de plaats van een drama, â hadden wij hier óók niet met de overblijfselen van een ontbijt te doen ? Iemand was hier opgegeten ; maar iemand anders had zich hier te goed gedaan! En hetzelfde feit veranderde telkens geheel van aard, al naarmate men het bezag bf uit het oogpunt van het kwikstaartje, bf uit dat van den sperwer. Den laatstgenoemde kon de plek, waar wij ons bevonden, slechts aan genot en voldoening herinneren. Kik stuk, uit het lichaam van zijn slachtoffer gescheurd, was voor hem een lekker hapje geweest. De doodsangst van het kleine vogeltje, toen het zich voelde grijpen en meesleuren, was voor den roofvogel het wellustig genot geweest van een welgelukten aanslag, van een eindelijk bemachtigde prooi.
â Die overdenkingen ontsloten ons een wijd, een onafzienbaar gezichtsveld. Want
209
vallen er ook niet in de groote menschen-maatschappij zulke dingen voor, als het feit dat hier onze schreden vertraagd en onze aandacht geboeid had ?
Wanneer men zich te midden dier maatschappij beweegt, ontdekt men er dan geen brokstukken, geen ruïnes, geen treurige overblijfselen van ten offer gebrachte levens, het best te vergelijken met die bebloede veeren, die ons zulk een sombere geschiedenis verteld hadden ? Dan roept men uit: daar is iemand verslonden! en gij wordt overweldigd door afschuw. Maar men denkt er niet immer aan, dat iemand daar een maaltijd gebruikt heeft en tevreden vertrokken zal zijn. En toch behoorde men ook voor die andere zijde derquaes-tie niet blind te zijn. Hoe wreed en bloedig de zaak er dan ook uitzie, zij bevat een groote les. En alleen door daarmede rekening te houden, leert men eerst recht begrijpen, waarom de menschen over dezelfde feiten zulke geheel verschillende meeningen hebben. Dat komt eenvoudig daardoor, dat de eler en gegeiene
Iweeërlei oogpunt.
niet eenstemmig oordeelen over de genoegens van het feestmaal.
Die quaestie van het oogpunt wordt nog ernstiger, wanneer de schoone zijde eener zaak onze aandacht en belangstelling trekt. Gij ziet een menigte die zich vermaakt, een man die voordeelen behaalt, of zich uitspanningen vergunt. Draag dan vooral zorg, de medaille om te keeren en ook hare tegenzijde te bezien. Onderzoek of dat vermaak niet genoten wordt ten koste van anderen, en of dit voordeel, waarmee dezen zich gelukwen-schen, niet de prijs is van de smarten, en vaak ook van de vernedering, van genen. Deel te dien opzichte niet in de onverschilligheid der groote massa. Want die onver-
O O
schilligheid doet in ons binnenste een roof-vogelaard geboren worden.
De meeste lieden beminnen, dikwijls huns ondanks, hunne medemenschen op dezelfde manier, als de sperwer van de kleine vogeltjes houdt. Ben ik er wel volkomen zeker van,
2 JO
Tweecrlei oogputit.
dat mijne liefde en de uwe, waarde lezer, niet van dat soort zijn?
Fijne veertjes, donzig tooisel van den ochtendzanger, die het eerst den dageraad groet, â thans de treurige speelbal der winden geworden, â gij doet mij denken aan het lot van meer dan één lachend en onbezorgd kind!
Zij die het volgden, het bespiedden, het van liefde spraken, â waar zijn zij ?
Heengevlogen---- evenals de sperwer, die,
wanneer zijn maaltijd is afgeloopen, zijn bek aan het gras afveegt en zijne vleugels weer uitslaat, om naar andere plaatsen en nieuwe overwinningen te vliegen.
211
VOOR PAPA'S VERJAARDAG.
u is het al veertien dagen, dat er in het
geheele huis een geest van geheimzinnigheid heerscht. In alle hoeken en gaten worden er samenzweringen en complotten gesmeed. Ieder oogenblik stuit men op een gesloten deur, en vindt men laden op slot, die anders altijd open staan. Wat zou er toch te doen zijn? â Nu, dat is nogal eenvoudig! Papa's verjaardag is op handen, en dus maken de kinderen hunne verrassingen in orde. In deze oude lade is een zorgvuldig dichtgebonden pakje verstopt, en daar achter die deur, die maar niet open wil, heeft iemand zich heel
Voor Papa's verjaardag.
in zijn eentje opgesloten, om de laatste hand te leggen aan een prachtige landkaart.
Toen hij al zijne broers en zusters zoo druk in de weer zag, heeft de jongste niet achter willen blijven. Sedert verscheidene dagen is hij op bepaalde tijden spoorloos verdwenen, zonder dat iemand nog heeft kunnen ontdekken, waar hij zich verschuilt. Hij heeft op zolder, achter het oude duivenhok, een hoekje gevonden, waar ook hij op zijn beurt voor Papa gaat werken. Wat zou hij toch in zijn schild voeren ? Ja, dat is nu eens zijn geheim. ..
Maar de avond vóór den grooten dag is gekomen. Alvorens de kinderen naar bed zijn gegaan, hebben zij oude Lijsje nog eens goed op 't hart gedrukt, hen toch vooral héél vroeg te roepen, zoodat zij Papa dadelijk als hij wakker wordt kunnen bestormen. En de kleine? Die is op Lijsje's schoot geklauterd, heeft haar twee klinkende zoenen gegeven, en haar ingefluisterd: âHoor eens, je moet me roepen . . . me roepen .. . kwartier vóór heel vroeg!quot;
213
214 Voor Papa's verjaardag.
Den volgenden ochtend, vóór dag en dauw, kleeden al de jongeluitjes zich in der haast aan; zij loopen zenuwachtig heen en weer, maken zich slagvaardig, en verdringen elkaar voor Papa's deur, kant en klaar om er op het eerste sein binnen te treden. Eindelijk meent een der kleine oortjes, die voortdurend tegen het sleutelgat gehouden worden, eenig geritsel in de kamer gehoord te hebben. Dat is het beslissende oogenblik, â- en nu stormen zij allen, beladen met ruikers, met doozen, met kunstwerken, eenklaps het vertrek binnen. Papa's bed wordt onder bloemen bedolven, en daar stapelt men ook de geschenken op. En dan, onder het ontpakken dezer kostbare voorwerpen, volgt er een stortvloed van kussen en omhelzingen en onophoudelijke uitroepen.
Tot dusver heeft âde kleinequot; nog niets gegeven. Hij blijft zoo ver mogelijk in de achterhoede. En met de handen op den rug slaat hij alles gade wat er voorvalt. Als eindelijk de ergste drukte wat voorbij is, komt hij min
Voor Papa's verjaardag. 215
of meer bedeesd aansluipen, en biedt hij â terwijl zijne oudere broers en zusters het vol verbazing aanzien â een tamelijk verkreukelde rol grijs papier aan . . . met een brief er bij ... .
Als Papa het stuk papier ontrolt, krijgt hij iets te aanschouwen, dat op een veelkleurig borduurwerk gelijkt, zonder bepaalden vorm of teekening, â iets dat een niet te beschrijven effect maakt.
En wat den brief betreft, die bevat, bij wijze van adres, een aantal âhanepootenquot;, en van binnen vier bladzijden vol met dezelfde geheimzinnige teekens, afgewisseld door verscheidene inktvlekken. âDe kleinequot; is, onder ons gezegd en gebleven, nog volslagen ongeletterd. Bij het zien van die âcadeauxquot; beginnen de groote broers het uit te schateren van 't lachen, zoodat het kind, nu heel en al uit het veld geslagen, in tranen uitbarst.
Maar Papa, diep bewogen als hij is, tilt den armen kleine op, neemt hem in zijne armen, omhelst en kust hem met de teeder-
2i6 Vóór Papas verjaardag.
ste liefde, en roept hem op bemoedigenden en vertrouwelijken toon toe: âDank je wel, beste jongen ! Wees maar gerust, en huil niet: je cadeau doet mij geweldig veel pleizier, hoor! Van je mooie borduurwerk zal ik een paar pantoffels voor mij laten maken, en je brief zal ik in mijn portefeuille bewaren â want, zie je, ik kan dat schrift van je best lezen! Je hebt me willen schrijven, dat je heel veel van me houdt, en datzelfde heb je ook in je borduurwerk genaaid met roode, blauwe, groene en gele wol. Dat is voldoende. Als je eens wat grooter bent, zal je me wel, evenals je broers, mooier afgewerkte cadeaux en netjes geschreven wenschen aanbieden. Maar ik hoop, dat je daarin dan altijd even hartelijk als nu zult kunnen zeggen: Ik houd héél veel van mijn Papa!quot;
DE VLEUGELS.
en gloeiend vuur vlamt achter in de gaarkeuken. Aan reusachtige spitten geregen, worden de vogels al ronddraaiend bruin gebraden. En bij den knapperenden haard staan een troep klanten en koks al pratend hunne handen te warmen.
Op straat gaat de herfstwind te keer als een razende. â Wat zijn toch die zonderlinge stukken en brokken, die hij daar vooraan heen en weer doet waaien, en die als uithangbord van het magazijn schijnen dienst te doen? â Dat zijn .... vleugels. Zooals zij daar hangen, aan lange risten, schommelen
De vleugels.
zij heen en weer, links en rechts, al naar de tocht zijn spel met hen drijft. Er zijn er van allerlei vorm en van allerlei kleur: raven-vleugels, patrijsvleugels, vleugels van wilde eenden, breede vluchten van zeemeeuwen, lichte wiekjes van zwaluwen en spreeuwen, alles door en over elkaar, onparig, gekneusd, gehavend en beschadigd.
Die vleugels hebben in allerlei hemelstreken geklapwiekt, en boven allerlei golven gezweefd. Zij hebben zich naar de bergtoppen verheven, en zich op de onweders gewiegd. Zij hebben jonge broedsels verwarmd, het voorjaar aangediend, de nadering van stormen verkondigd, â en nu zijn ze daar allen gestrand !
Sommigen werden in volle vlucht neergeveld door het lood van den jager, anderen zijn door middel van het slagnet buitgemaakt. Want achter elk paar vleugels ligt altijd de een of andere vijand op de loer. De strooper bespiedt ze aan den zoom van het bosch; op de pas omgeploegde voren zijn strikken en
2l8
De vleugels.
vallen gezet; en zelfs in de nabijheid van het nest, op den huiselijken tak, ligt de verraderlijke lijmstok te wachten....
Arme vleugels! Zijt gij niet het sprekend evenbeeld van zoovele jeugdige verwachtingen, van zoovele zielen vol veerkracht in hun levensmorgen ? Als een vroolijke zwerm, evenals gij, heffen zij zich omhoog en vliegen zij rond in het licht. Maar te veel belemmerende krachten hebben tegen hen saamgezworen. Wanneer het booze en moorddadige leven zijn werk gedaan heeft, vinden wij 's avonds niets anders terug dan verminkte overblijfselen, op de bloedende vlerken gelijkend, die door den ruwen wind langs de wegen en paden worden voortgezweept.
En toch, afgerukte en misvormde vleugelen, tóch zijt en blijft gij vleugelen! Gij spreekt tot ons van de onbekende ruimte, van lichtende bergtoppen, van azuren vlakten. Gij roept ons toe, zelfs nu gij overwonnen zijt, dat het edeler is, te bezwijken onder het opstijgen naar de hoogten, dan ongedeerd
219
Dc vleugels.
te blijven door langs den grond te kruipen.
Geknakte vleugels, ik groet u! Terwijl ik even deze donkere zijstraat inliep, in den Novembermist, hebt gij mij doen terugdenken aan heerlijke zomeravonden, waarop men zijne droomen aan de vlucht der blauwe duiven hangt, die hunne gouden wieken uitslaan naar onzichtbare Paradijzen.
220
VERVLOGEN DAGEN
Mag men achter zicli omzien ? Christus zegt: âNeen.quot; Maar wanneer Hij zoo spreekt, denkt Hij aan het nutteloos berouw, en vooral aan al die huisbakken of kinderachtige bijgedachten, die ons beletten om met vasten tred in het spoor voort te loopen, nadat wij eenmaal de hand aan den ploeg geslagen hebben. In dit geval moeten wij beslist en kloekmoedig verlaten wat achter ons is, cn onszelven dwingen om voorwaarts te gaan. Maar Christus heeft ons niet verboden, ons dit of dat te herinneren. De éénige godsdienstige plechtigheid, die Hij heeft ingesteld, het Heilig Avond-
Vervlogen dagen.
4
r
2 22
maal, gaat vergezeld van de woorden: âDoet dat tot Mijne gedachtenis!quot; En nu reeds sedert negentien eeuwen voedt de Christenheid zich met deze herinnering, als met een levensbrood.
De herinnering is een groote kracht. Sommige menschen vergeten gemakkelijk. Wat voorbij is, heeft in hunne oogen afgedaan, en wat zij niet meer zien, bestaat voor hen ook niet meer.
Een vroegere misslag is geen misslag meer; een vroegere weldaad telt niet meer mede; een vriend uit vroeger tijd is een vreemdeling ; de herinnering aan een geleden smart is een lastige ontmoeting, die men zooveel mogelijk moet vermijden. En wat de dooden betreft, die zijn voor goed dood.
Wanneer men de lieden, die zoo gemakkelijk iets vergeten, herinnert aan een oude belofte, aan een feit uit vroeger jaren, maken zij u uit voor een droomer, voor iemand die oude koeien uit de sloot haalt, voor een suffer, en ik weet waar niet al voor. âDenkt ge, dat
. I
223
wij den tijd hebben om ons nog met die oude dingen bezig te houden ? Men moet tegenwoordig aan het heden denken; alleen het heden rekent mee!quot;
Ik verzet mij tegen dit axioma. Vergeten, is het kenteeken van een oppervlakkigen geest, van een alledaagsche ziel. Als er iets is, dat den mensch onderscheidt, dan is het dit, dat hij niet eenig en alleen in het heden leeft, en niet de slaaf is van de vluchtig voorbijgaande ure, van den oogenblikkelijken indruk. Hij ziet verder. Zijne vatbaarheid om te gelooven aan vroeger gebeurde feiten, om te denken aan hetgeen hij niet meer ziet en niet meer aanraakt, â in zijn hart en in zijn geest de herinneringen te bewaren aan dingen, welker spoor uit de zichtbare wereld verdwenen is, â dat is een zijner hoogste voorrechten. Zonder de herinnering zou het menschdom gedoemd zijn om altijd gelijkvloers voort te trappelen, en eeuwiglijk in één en hetzelfde spoor rond te draaien. Herinner to! is een der groote levenswetten.
Vervlogen dagen.
maal, gaat vergezeld van de woorden: âDoet dat tot Mijne gedachtenis!quot; En nu reeds sedert negentien eeuwen voedt de Christenheid zich met deze herinnering, als met een levensbrood.
De herinnering is een groote kracht.
Sommige menschen vergeten gemakkelijk. Wat voorbij is, heeft in hunne oogen afgedaan, en wat zij niet meer zien, bestaat voor hen ook niet meer.
Een vroegere misslag is geen misslag meer; een vroegere weldaad telt niet meer mede; een vriend uit vroeger tijd is een vreemdeling ; de herinnering aan een geleden smart is een lastige ontmoeting, die men zooveel mogelijk moet vermijden. En wat de dooden betreft, die zijn voor goed dood.
Wanneer men de lieden, die zoo gemakkelijk iets vergeten, herinnert aan een oude belofte, aan een feit uit vroeger jaren, maken zij u uit voor een droomer, voor iemand die oude koeien uit de sloot haalt, voor een suffer, en ik weet waar niet al voor. âDenkt ge, dat
2 22
Vervloden dagen.
wij den tijd hebben om ons nog met die oude dingen bezig te houden ? Men moet tegenwoordig aan het heden denken; alleen het heden rekent mee
Ik verzet mij tegen dit axioma. Vergeten, is het kenteeken van een oppervlakkigen geest, van een alledaagsche ziel. Als er iets is, dat den mensch onderscheidt, dan is het dit, dat hij niet eenig en alleen in het heden leeft, en niet de slaaf is van de vluchtig voorbijgaande ure, van den oogenblikkelijken indruk. Hij ziet verder. Zijne vatbaarheid om te gelooven aan vroeger gebeurde feiten, om te denken aan hetgeen hij niet meer ziet en niet meer aanraakt, â in zijn hart en in zijn geest de herinneringen te bewaren aan dingen, welker spoor uit de zichtbare wereld verdwenen is, â dat is een zijner hoogste voorrechten. Zonder de herinnering zou het menschdom gedoemd zijn om altijd gelijkvloers voort te trappelen, en eeuwiglijk in één en hetzelfde spoor rond te draaien. Herinner u! is een der groote levenswetten.
223
Vervlogen dagen.
Men moet zich die wet op elk gebied des levens te binnen brengen. Wee den landen, die hun geschiedenis vergeten, altijd weer opnieuw in dezelfde fouten vervallen, en de vrucht der heilzaamste ervaringen laten verloren gaan! Wee den Kerken, wier bekrompen opvatting de grenzen niet weet te overschrijden van het oogenblik waarin wij leven, om weer tot hun oorsprong op te klimmen, en daaruit geestkracht, eerbied en liefdevolle ruimte van blik te putten! Wee den huisgezinnen, waaruit de herinnering aan dierbare dooden verbannen is, en waar niets u de vrome herdenking aan het verledene te binnen brengt! Wee den mensch, die zich nooit in achter-waartsche richting beweegt, om zich nog weer eens in langvervlogen dagen te zien leven, als voor Gods oog den door hem afgelegden weg te onderzoeken, en zich te sterken door berouw en dankbaarheid!
Wij laten ons niet medesleepen door de rumoerige strooming van het overdrukke heden! Als het verleden niets was, wat zou
224
Vervlogen dagen.
dan het heden waard zijn? Bestaat de éénige waarde der dingen niet in hetgeen zij blijvends hebben ?
Het leven is alleen goed voor hem, die er de vruchten van vergadert in zijne ziel, en ze daar met vromen eerbied zorsvuldier be-
O o
waart. Voor dien arbeid leven wij. Al wat voorbijgaat, moet een blijvend spoor in ons binnenste achterlaten. Het leven is een taal, waarvan de eeuwige werkelijkheid de betee-kenis en den grondslag vormt. Als gij het leve 1 niet wilt verliezen moet gij u herinneren. Daarom roepen de bladeren die vallen, de dooden die gaan slapen, de wegstervende zonsondergangen, de verflauwende stemmen, de jaren die ten einde spoeden, â daarom roept alles ons toe: Herinner u!
225
/
Nieuwe Uitgaven van JACQUES DUSSEAU amp; C».
AMSTERDAMâKAAPSTAD.
⢠^ * HET ZOUT DER AARDE.
Een verhaal uit Rusland
ERNST SCHRILL
Schrijver van: âUoherc FahrvnhöfV', âTJedwigquot;, âUit RuslancVs steppenquot; enz.
Prijs Æ1.25; in fraai prachtbandje /quot;1.60.
VELDBLOEMEN.
doop.
SELLY DE JONG.
Prijs in fraai prachtbandje, verguld op snede yl.40.
* R O T H. ^ *
Naar het Duitseh door
MEVR. D O EDESâC L A RISSE. Een allerliefst verhaal voor kinderen.
MKT 3 PLATEN.
Prijs /0.90; in fraai bandje Æ 1.20.