KEUE VAN HEILIGENLEYENS.
ii.
* van de
ares Pli
bijgenaamd de âWonderdoenster der XIXe eeuw
Vrij bewerkt volgens liet Italiaansch
DOOK
J. F. J. CORNELISZ,
R. K. Priester.
V
\ o T H '
nu
/gt;v
'Jê
Bergen-op-Zoom , J A NT A. G. JUTEN.
â '4/ -
IMPRIMATUR.
Bergis ad Zomam, 8 Febr. 1895.
M. P. W. SMITS, rector, ad hoc delegatus.
VERKLARING VAN DEN SCHRIJVER.
Om te gehoorzamen aan het Dekreet van Paus Urbanus VIII, verklaar ik hiermede, dat ik aan alle in dit boekje medegedeelde wonderen, openbaringen, gunsten en andere gebeurtenissen, geen ander dan menschelijk gezag wil toekennen ; behoudens de gevallen die, in deze, reeds door den Apostolischen Stoel, van wien ik mij den gehoorzamen zoon verklaar, zijn bekrachtigd of nog zullen bekrachtigd worden.
J. F. J. CORNELISZ, R. K. Priester.
Op St. Philomenadag, 1894..
l
OPDRACHT AAN DE PI. PHILOMENA.
Groote PI. Philomena, Wondercloenster der negentiende eeuw, waardige Bruid van Jezus Christus, Spiegel der godvruchtige zielen, Hulp van allen, die u met vertrouwen aanroepen, â duld, dat ik niet uitdrukkelijke toewijding dit nederig, ter uwer eer geschreven boekje, aan uwe voeten nederlegge. Aan wieu toch der Heiligen, na de Onbevlekt Ontvangene en haar kui-schen Bruidegom, zou ik beter het verhaal van uw leven en uwe wonderen kunnen opdragen?
O Gij, die, het Lam volgend waar het gaat, van uit den hemel met bijzondere toegenegenheid op uwe vereerders ne-derziet, vooral wanneer deze zwak zijn of in lijden, hoor het nederige verzoek, dat ik tot u richt.
Zend uwen overvloedigen zegen over mijn geringen arbeid en over degenen, die deze bladzijden, met geloof en devotie tot u, zullen lezen. Moge dit geschriftje, naast de vele, die sinds lang uwe glorie verkondigen, stichting brengen in de harten. Moge het, vooral, velen in deze onzalige tijden aanzetten om in uwe navolging en door uwe hulp, de deugd van kuischheid volgens staat en stand â ook waar het moeite kost - met volmaaktheid te beoefenen!
De Schrijver.
â
-
., 11
â ^ .... ..........i ( h* : '*' '
â
. .. . , I.....â ::! ; -i: i
mm
OPMERKING VOOR DEN LEZER.
Wie eenigszins de geschiedenis der H. Philomena bestudeerde , weet, dat er over haar leven en hare martelie, behalve enkele aanduidingen op haar grafgesteente, geen andere bescheiden bestaan dan die de Heilige zelve in eenige visioenen aan drie bevoorrechte zielen heeft willen geven. Deze visioenen zijn door den Missionaris Don Francesco do Lucia, eenmaal bezitter der eerbiedwaardige overblijfselen van de H. Philomena, opgeteekend.
Dewijl ik voor gewone Geloovigen schreef en daarom de geschiedenis van dit leven en dezen marteldood zoo breedvoerig mogelijk wilde te boek stellen, heb ik â mij nauwkeurig vasthoudend aan het veropenbaarde, waar ik dat aanraakte â getracht, de leemten in de geschiedenis der H. Philomena zooveel doenlijk weg te nemen. En wel, door gebruik te maken: 1°, van wat ik meende, dat gewijde en ongewijde Geschiedenis mij aanbood; 2°, van de gegevens der gewoonten en gebruiken van de Romeinsch-heidensche Maatschappij ten tijde des Keizerrijke; 3°, van de gevolgtrekkingen die, mijns.
VI
inziens, gereedelijk uit de in de visioenen geopenbaarde bijzon-derheden voortvloeiden. l)
In zake de in het tweede gedeelte van dit werkje aangehaalde wonderen, heb ik mij, uit den aard der zaak, geheel gehouden aan de hoofdtrekken, die ik beschreven vond; mij voorbehoudend de rangschikking en verkorting dier mirakelen.
De Schrijver.
') Zij, die gaarne den authentieken tekst der visioenen en een grooter aantal wonderen willen inzien, kumien deze, onder andere, vinden in de volgende bronnen:
a. De Italiaansche werken van Don Francesco de Lucia. h. Leven en mirakelen van de H. Philomena, Brussel. Van der Borcht. 1835.
c. Hetzelfde werkje; Amsterdam. Gosling. 1835.
(I. Marie, Alphonse etPhilomène. Bruxelles. Charles de Mat. 1841. Æ. Vie nouvelle du Curé d'Ars (met een Aanhangsel van het leven der H. Philomena) par Jean Darche. Paris, Victor Palmé. 1870. cj Vie très-complète, van Jean Darche.
VOORREDE.
De koninklijke profeet David heeft, onder de ingeving des H. Geestes, vóór vele eeuwen geschreven: âwonderbaar is
God in zijne Hei igen;.......Hij zelf zal sterkte en kracht
geven aan zijn volk!quot; â¢)
Deze woorden, van eeuwigheid tot eeuwigheid waar (de onfeilbare uitspraak van Dengene, die de Waarheid is!), zijn ten overvloede bekrachtigd door drie volle eeuwen van martelaarschap. Ik bedoel de drie eerste bloedige eeuwen van Christus' Kerk op aarde; van af hare stichting, tot aan Konstantijn den Groote. In het bijzonder heeft de waarheid dezer onfeilbare godsspraak uitgeschenen in de glorievolle martelie der jeugdige heilige Maagd, die ik aan de godvruchtige aandacht mijner lezers wil voorstellen, der H. Philomena. Wonderbaar, werkelijk wonderbaar, zijn Gods werken geweest in de H. Philomena. Wonderbaar in haar leven, wonderbaar in haren marteldood , wonderbaar in de terugvinding barer heilige overblijfselen ; wonderbaar nog, in de visioenen, die haar vergeten leven deden kennen, de overvloedige mirakelen, die God ter harer
') Psalm 67 : 36.
VOORREDE.
eere gewrocht heeft, de vele genaden, die door ha,re tusschen-komst ontvangen zijn.
Ik nam mij voor het leven dezer groote Heilige te beschrij-ven, met het hooge doel, haar eeredienst in Nederland meer en meer te verbreiden. Het is waarlijk te bejammeren, dat, terwijl de vereering dezer machtige Maagd en Martelares in weinige jaren zoo vele landen en provinciën vervulde, men in Nederland, waar toch meerdere kleine geschriften over haar bestaan, dienzelfden eeredienst zoo vergeet. Wat de verspreiding van de vereering dezer Heilige aanbelangt, daarover werd reeds in de eerste helft der eeuw, ongeveer in dezer voege, geschreven: âhet grootste wonder, dat de H. Philomena heeft bewerkt, is, zonder tegenspraak, de snelheid waarmede haar eeredienst zich verspreidde. Haar naam is sinds het mirakel der wonderbare zweeting, die men in 1823 aan haar beeld in de kerk van Mugnano bemerkte, in eenige jaren tot aan de uiterste palen der aarde verspreid geworden. De boeken, die over hare wonderen handelen, hare beelden en schilderijen, zijn door ijverige Missionarissen naar China heengebracht, naar Japan, naar verschillende Katholieke landen van Azië en Amerika. In Europa (bij name in Italië, in Frankrijk en in het naburige België), breidt zich haar eeredienst dagelijks meer en meer uit; grooten en kleinen, herders en schapen. Kardinalen en Bisschoppen, vereenigen zich om haar te eeren.quot; M
VIII
Die onverschilligheid voor de H. Philomena in Nederland is te meer te betreuren, dewijl in onzen tijd van grof materialisme en allesoverstroomend zedenbederf, de Katholiek niet genoeg Schutspatronen hebben kan; de Jeugd, om de kostbaarste harer deugden, de kuischheid, te bewaren; de vol-
') De Verkorter van het groote werk van Francesco de Lucia.
VOOEREDE.
wassen Geloovigen, om het fondament eener welgeordende maatschappij, de heiligheid des huwelijks, zooveel mogelijk hoog te houden.
Zooals uit het verloop van dit werkje blijken zal, wordt de H. Philomena te recht aangeroepen als eene Medepatrones voor de kostbare deugd van kuisckheid. Zij wordt door de H. Kerk vereerd als Maagd; bovendien, weinigen onder de Heiligen heeft meer dan zij uitgestaan om deze deugd ongeschonden te bewaren. Daarom heeft God haar macht gegeven degenen in hun nood op bijzondere wijze bij te staan, die oprecht en vol geloof tot haar hunnen toevlucht nemen. Hoe groot hare macht is, zal nader uit het tweede gedeelte van dit werkje blijken.
Wanneer ik over de geringheid van den eeredienst der H. Philomena ten onzent nadenk, kan ik geen reden vinden voor dit verzuim, dan de onbekendheid van velen, van bijna allen, met haar maagdelijk leven en haar glorievol martelaarschap. In het tegenovergesteld geval immers zou eene Heilige niet zoozeer verwaarloosd worden, die, wat koninklijke afkomst, maagdelijk leven, bittere martelingen en groote wonderwerken aangaat, op ééne lijn kan staan, op ééne lijn moet staan, met de hoogvereerde Maagden van het Romeinsche Martelaarsboek: de H.H. Agnes, Cecilia, Agatha, Lucia, Katharina en anderen. Philomena, de Grieksche koningstelg, was van hooger adel dan Agnes, Cecilia en Katharina; zij is gemarteld in even jeugdigen leeftijd als de H. Agnes, tellende nog niet veertien jaren; gelijk de PI. Katharina voor Maxi-minus en zijne wijsgeeren, heeft zij voor keizer Diokletiaan, zijn hof en zijne heidensche priesters, alle drogredenen, tegen het Christendom aangebracht, glansrijk overwonnen; grooter smarten heeft zij geleden dan de H. Lucia. Eindelijk, heeft
IX
VOORREDE.
niet de H. Philomena, door Gods tusschenkomst, nog wel in onze dagen, voor onze oogen, evenveel, misschien meerder mirakelen gedaan dan vele der groote Martelaressen, die ik zoo even noemde?
Daarom, mijne Lezers, staan wij op uit onze onverschilligheid en wenden wij onze oogen naar dat schitterend licht uit de eerste tijden der H. Kerk. Wèl is zij lange eeuwen onbekend en als vergeten gebleven; maar nu schittert zij, door des Heeren voorbeschikking, te meer, naar de mate hare glorie langer in het duister der Katakomben verborgen was. Lezen wij met aandacht deze regelen, te harer eer en te uwer stichting geschreven. Laten wij voorts bij de glorievolle namen der Eomeinsche Martelaressen, den zusternaam der groote Grieksche H. Philomena voegen. Vereeren wij haar; stellen wij onzen toevlucht in hare machtige bescherming; bevelen wij haar, in deze ellendige tijden, ons zoo vaak beproefd geloof en de kuischheid onzer kinderen aan.
H. Philomena, bewaar gij ons ongeschonden naar ziel en lichaam; hebben wij echter gezondigd, breng ons dan, in boete, terug tot de eerste dagen onzer onschuld! Zóó zij het!
X
Eerste Gedeelte.
EERSTE HOOFDSTUK.
Het Graf van de H. Philomena, sinds eeuwen verloren,
wordt teruggevonden.
Het is van algemeene bekendheid dat er, meestal door uitstekende Oudheidkundigen, gerugsteund door de welwillendheid der Pausen, bijna zonder onderbreking uitgra-vingen gedaan worden in de Katakomben van Rome. Deze uitgravingen hebben een tweeledig doel. Zij dienen, voornamelijk, om de overblijfselen der Martelaren uitliet bloedige tijdvak der Romeinsche Kerkvervolgingen terug te vinden. Ten andere, om, door ontdekkingen van mindere of meerdere waarde daar ter plaatse gedaan , nieuwe bewijsgronden machtig te worden uit de eerste tijden der Katholieke Kerk; ten einde de aanslagen der Ketters en der Ongeloovigen tegen hare Apostoliciteit, met glans te kunnen weerleggen.
De Romeinsche Katakomben, zooals de meeste Lezers weten, dienden tijdens de bloedige vervolgingen der drie eerste eeuwen onzer Jaartelling den Christenen tot schuilplaats , den Martelaren tot grafstede. Daar, in die onderaardsche, in den grond uitgehouwen, gangen en kapellen, die zich gedeeltelijk onder het oude Rome, gedeeltelijk onder de Gampagna Romana uitstrekten, konden de
12
Romeinsche Christenen in de eenzaamheid hunne door de keizers verboden kerkelijke geheimen vieren en de in een glorievollen martelstrijd gevallen medebroeders op plechtige wijze ter ruste leggen.
In het begin onzer eeuw werden in de zoogenaamde Katakomben van de H. Priscilla aan den Salariaanschen weg, ten Noord-Oosten van Rome, de uitgravingen met bijzonderen ijver doorgezet. Onder meerdere vond men een graf, dat aanstonds, om zijn eigenaardigen sluitsteen, die een geheele geschiedenis ontsluierde, de aandacht trok der gansche Romeinsche geleerde wereld.
Volgens het opschrift en de verdere afbeeldingen van den uit gebakken aarde vervaardigden steen, behoorde dit graf aan eene tot dan toe geheel onbekende Maagd en Martelares, met name Philomena. Het opschrift luidde: Fihmiena, pax tecum fiat! Dat is: Filumena, de vrede zij met u! Deze woorden waren van alle zijden omgeven door symbolische of zinnebeeldige teekens. ^
Het eerste symbool stelde een anker voor, het zinnebeeld der hoop. Dit duidde niet alleen de kracht aan, waarmede de Heilige voor haar God gestreden had en de edelmoedige standvastigheid der Maagd; het verkondigde tevens in onweerlegbare taal de waarheid, dat zij op eene zelfde wijze gemarteld was geworden als vóór haar de H. Paus Clemens I, de leerling van den H. Petrus. Deze werd op bevel van keizer Trajanus, met een anker aan den hals, in het diepst der zee geworpen.
Het tweede symbool bestond in een pijl. Dat teeken, waar het op het graf der Martelaren was ingesneden, bewees, dat de hier rustende eene zelfde straf ondergaan
^ Over den naam der H. Philomena, spreken wij later.
13
had als de H. Sebastianus, de hoofdman der keizerlijke lijfwacht; die (ter wille van het geloof in Christus) op bevel van den dwingeland Diokletiaan met pijlen doorschoten werd.
Het derde symbool gaf een palmtak te aanschouwen, ongeveer in het midden van den grafsteen aangebracht: zinnebeeld, alléén reeds meer dan voldoende om luide te verkondigen, dat deze Bloedgetuige op schitterende wijze de overwinning behaald had over de wreedheid harer rechters en de woede der beulen.
Onder boven genoemden palmtak bevond zich een soort van geeselzweep. Dit slavenstraftuig, gewoonlijk gebruikt om het onschuldige lichaam der aan hun geloof getrouwe Christenen ten doode toe te verscheuren, bewees, dat de heilige maagd, onder meerdere strafoefeningen, ook bloedig 1 gegeeseld was.
Voorts waren op den grafsteen afgebeeld twee andere pijlen, zoodanig naast elkander geplaatst, dat de 'eerste zijn punt omhoog droeg, de andere omlaag. De herhaling van dit moordtuig op denzelfden grafsteen wees zonneklaar op het feit, dat de Martelares tot tweemaal toe het doelwit der boogschutters geweest was. De omstandigheid van de zonderlinge verhouding der pijlen tegenover elkander, kon niet anders worden uitgelegd, dan dat bij de marteling der H. Philomena een zelfde wonder geschied was als later bij de verschijning van den H. Aartsengel Michael op den berg G-argano in Apulië, waar een afgeschoten pijl langs de reeds dooiioopen baan terugkeerde om voor de voeten van den boogschutter neer te vallen.
Eindelijk nog versierde eene lelie den grafsteen; symbool van de onschuld en den maagddom dezer heilige Martelares.
Al deze zinnebeelden, versterkt door de vinding
I
.1
14
eener heilige hloedvaas, waarvan aanstonds zal gesproken worden, getuigden hoogelijk, dat de hier gevonden overblijfselen toebehoorden aan eene Bloedgetuige van Christus, die den dubbelen zege over het vleesch en over de wereld behaald had; aan eene Heilige, die bijgevolg door de H. Kerk als Maagd en als Martelares zou worden vereerd.
Na een eerste onderzoek van den sluitsteen werd het kostbaar Graf met alle voorzichtigheid en eerbied geopend. Daar lagen de heilige overblijfselen van haar, die binnen korte jaren genoemd zou worden: de groote Wonder-doenster der XIXe eeuw.
Lang had de Heer de glorie zijner Bruid in het duister der Katakomben opgesloten gehouden; van dit oogenblik af behaagde het Hem âvoor wiens oogen duizend jaren zijn als de dag van gisteren, die voorbij ging,quot;1) haar roem hooger te laten schitteren, naar de mate deze langer onder de korenmaat verborgen bleef; den roem van eene der meest verheven Maagden, den roem van eene der heiligste Martelaressen uit Gods triomfeerende Kerk.
Bij de opening werd in het graf eene uiterst dunne glazen vaas gevonden, een soort van fleschje zonder hals met breede opening; dat, deels gebroken in vele scherfjes, deels zeer goed bewaard was, en tegen welks wanden het opgedroogde bloed kleefde der heilige Martelares. Volgens de Christen gebruiken in ie eerste drie eeuwen, drie lange eeuwen van hardnekkige vervolging, werd bij de marteling der Bloedgetuigen door godvruchtige zielen een weinig van hun bloed opgegaard. Meerdere malen waagden de heldhaftige Christenen bezittingen en leven om dat bloed machtig te worden. Was het hun geheel onmogelijk
Psalm 89 : 4.
15
zich deze kostbare reliquie te verschaffen, gebood de voorzichtigheid, niet tot de plaats der marteling te naderen, dan wisten zij, vaak voor goud, dat bloed van heidenen of van de beulen te verkrijgen. Een gedeelte van dat kostbare vocht werd in boven beschreven glazen vaasjes bij het lichaam in het graf neergezet, tot getuigenis voor de komende geslachten, dat hier de stoffelijke overblijfselen van een martelaar rustten. Op dezelfde wijze hadden Philomena's medechristenen ten haren opzichte gehandeld; het bloedfleschje was ook hier de onwraakbare getuige eener glorievolle martelie.
Terwijl eenige aanwezigen zich met de uiterste zorg en eerbied onledig hielden het heilige bloed, zooverre het aan de afgebroken scherfjes en stukjes van het fleschje kleefde, daarvan los te maken en in eene kristallen vaas te verzamelen, â werden de omstanders, onder wie zich geleerden en oudheidkenners bevonden, door verwondering bevangen. Eensklaps begon de kristallen vaas, waarop zich aller aandacht vestigde, voor hunne oogen een schitterend licht te vertoonen. Nader komend, om met bedaardheid het hooge wonder te onderzoeken, kunnen zij den mond niet gesloten houden; allen loven als om strijd, door eerbied en bewondering aangegrepen, Gods goedheid, die er steeds op uit is de glorie zijner Heiligen te doen uitschijnen. Het wonder vond plaats op de volgende wijze. De heilige bloedsprankjes veranderden, tijdens den overgang van de flesch-scherven naar de kristallen vaas, in kostbare schitterende voorwerpen en bleven alsdan den glans behouden. Sommige bloedstukjes hadden den glans en de kleur van zuiver goud, andere van zilver; nog andere van diamanten, robijnen, smaragden en kostbare gesteenten. In plaats van de kleine bloed-
16
deeltjes, die, aan het fleschje klevend, eene donkere en bruine zelfstandigheid geleken, zag men in de kristallen vaas slechts den vermengden glans der meest verschillende kleuren, op de wijze waarop deze schitteren in den regenboog. Zoo wilde God, van den aanvang af, de lieve heilige Philomena verheerlijken; Hij wilde als een voorsmaak geven van den glans, waarmede haar gelukzalig lichaam bekleed zal worden op den tijd dat het, om met de H. Schrift te spreken, âglinsteren zal als de vonken in drooge rietbosschenquot;') en âals de fonkelende sterren aan het uitspansel.quot; -)
Volgens de bestaande voorschriften werden de kostbare overblijfselen der zalige Maagd naar de algemeene be-ivaarplaats gebracht der heilige gebeenten in de Katakom-ben gevonden; eene bewaarplaats, die onder de hooge hoede was gesteld van een Pauselijken Custos.
Laten wij na deze inleiding overgaan tot het Verhaal van het heilig leven en den kostbaren marteldood der H. Philomena.
TWEEDE HOOFDSTUK.
quot;Wondervolle geboorte en eerste jeugd der H. Philomena.
De H. Philomena, Maagd en Martelares, onder do regeering en door het toedoen van den wreeden keizer Diokletianus, den .grootsten aller kerkvervolgers, gemarteld, werd tegen het einde der derde eeuw van onze jaartelling uit vorstelijke ouders geboren in het oude land
^ Sap. 3. 7. 2) Dan. 12. 3.
17
der vrijheid, in Griekenland. Haar vader, de vorst van een klein gebied, nam, niettegenstaande de reeds eeuwenoude Romeinsche overheersching, eene schier onafhankelijke stelling in; hare moeder was eene afstammelinge der oude Grieksche of Macedonische koningen. Beide ouders leefden, tot kort voor de geboorte hunner dochter, in de diepste duisternis van het barbaarsche Heidendom.
Edoch, waren zij voornaam in het oog der wereld, volgens velen gelukkig, zij zeiven gevoelden zich bij al hun overvloed diep rampzalig. Van dag tot dag zagen zij duidelijker, dat, niettegenstaande al hun grootheid en vorstelijken luister, hun geslacht met hen zou uitsterven. Lang reeds hadden zij te vergeefs naar het kind uitgezien, dat hun glorievol geslacht tot in het diepst der tijden zou voortplanten en van hunne schatten erven. Daarom verzuimden zij niet, veelvuldige gebeden te storten en groote offers aan hunne valsche goden te brengen; deze echter lieten zich onbetuigd. Reeds honderde jaren vroeger had David dergelijke goden naar hunne juiste waarde geschat, toen hij in Gods naam neerschreef: âde afgoden der Heidenen zijn (slechts) zilver en goud. het werk van men-schenhanden. (Wel) hebben zij een mond, maar spreken doen ze niet; (wel) oogen, maar zij zien niet; ooren en zij hoeren niet!'quot;1) Hoe zouden zulke arme afgoden de edelste gevoelens dier ongelukkige ouders hebben kunnen bevredigen ?
De ware God, die in zijne oneindige barmhartigheid ook de ongelukkige Heidenen als zijne kinderen blijft beschouwen, sloeg van uit den hoogen hemel een genadigen blik op de waarschijnlijk te goeder trouw dwalende ou-
b Psalm 113: 12â15.
2
18
ders der H. Philomena. Hij schonk hun de erfgename, die zij te vergeefs van de afgoden verwacht hadden. Hij deed meer; Hij schonk hun eene Heilige, op wonderdadige wijze, reeds voor^hare geboorte aangekondigd. Volgens de gewoonte der prinsen had haar vader een lijfarts aan zijn Hof, een geneesheer van hoogen naam, geboortig uit Rome; met name Pnblius. Deze was een Christen ; zooals uit latere openbaringen en de hier volgende feiten blijkt, ook van heiligen levenswandel.
Dagelijks aanschouwde Publius de nuttelooze smeekingen en de offers der heidensche ouders. Met hun ongeluk en hunne heidensche verblindheid begaan en tot in het binnenste zijner medelijdende ziel geraakt, gevoelde hij zich door den H. Geest gedreven die armen te troosten, zoo mogelijk, te redden door hen tot het ware Geloof te bekeeren. Zijne pogingen met een vurig gebed ondersteunend, begon hij in den breede te spreken over de dwaasheden van het Heidendom. Dra bemerkte hij, dat zijne eerste leering in goede aarde viel en ging hij over tot het uiteenzetten der hooge verhevenheid van Christus' heilaanbrengende leer. Hij lichtte toe, hoe zij te vergeefs de duivelsche afgoden om hulp en uitkomst smeekten in de teere zaak, die hun zoozeer aan het hart lag. Eindelijk, hetzij uit groot vertrouwen op Gods goedheid, hetzij door eene inwendige openbaring des H. Geestes, ging hij zóó ver, dat hij met stellige zekerheid een nakomeling beloofde, zoo zij slechts hunne dwalingen afzweren, zich aan het zoete juk van Christus onderwerpen en het H. Doopsel in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes wilden ontvangen.
Langzamerhand opende zich hun geest voor de heilzame waarheden des Christendoms. De begeerte naar
19
de vervulling der belofte door Publius in Jezus' naam gedaan, de zalving waarmede God de woorden van den geneesheer overgoot, de genade ten slotte, door den Heer te dezer tijde meer dan gewoonlijk geschonken, dat alles nam ook de laatste der vooroordeelen weg, die oude gewoonten en menschelijk opzicht, tot dan aan hunne bekeering in den weg gelegd hadden. Beiden lieten zich doopen.
Niet lang na dezen heugelijken feestdag deed God de belofte gestand door Publius in Zijn naam uitgesproken en werd hunne bekeering bekrachtigd door de geboorte eener erfgename. Deze werd door de gelukkige ouders Lumena geheeten, d.i. licht of liever oorzaak onzes lichts. Op deze wijze wilden zij openlijk getuigen, dat deze door God geschonken dochter het onderpand was, waaraan zij zeiven het licht des Geloofs te danken hadden. Bij den H. Doop veranderden de priesteren der Kerk dezen naam in Filumena {fllia luMinis)1 d.i. dochter des lichts. Hierdoor wilden op hunne beurt de Gezalfden des Heeren beduiden, dat de H. Philomena op dezen dag door hare geestelijke wedergeboorte, als dochter des lichts, als eerste geloovige dezer familie, geboren werd.
Uit deze gegevens valt op te merken, dat, alhoewel de naam onzer glorievolle Maagd en Martelares heden ten dage meestal Philomena geschreven wordt, deze eigenlijk fllia luminis, dus Filumena is. Zoodanig luidt ten minste het godvruchtig gevoelen van Don Francesco de Lucia, aan wien de op 25 Mei 1802 teruggevonden overblijfselen der H. Philomena, in de maand Augustus van het jaar 1805, door den Pauselijken Custos Mgr. Ponzetti werden geschonken. Eerstgenoemde ijverige en geleerde man, die veel over de Heilige te boek bracht, verwerpt
(nog wel, zoo als hij ons zelf in zijne Geschriften, verhaalt, door een inwendig gevoel dat hem herhaaldelijk aanspoorde) uitdrnkkelijk de Grieksche schrijfwijze voor de Latijnsche. Overigens zon ook de eerste, volgens welke haar naam welbeminde beteekent, eene voorbeduiding inhouden van haar toekomstig leven en glorievollen strijd. Het was immers, dewijl zij de welbeminde Bruid des Heeren was en dit tot den dood toe blijven wilde, dat Diokletiaan haar zoo vreeselijk deed martelen en eindelijk onthoofden. Tegenover hen, die liever de Grieksche schrijfwijze zouden willen verdedigen, dewijl de H. Philomena en hare ouders Grieken waren, kunnen wij aanmerken, dat zij geboren werd op het einde der 3e eeuw, op welk tijdstip de Latijnsche taal in de hoogere standen, ook in Griekenland, als ingeburgerd was. Ten andere kunnen wij redelijker wijze aannemen, dat de invloed van den geneesheer Publius, die als Romein eene voorliefde had voor de Latijnsche taal, na al de wondervolle gebeurtenissen, niet zonder beteekenis op den naam van de H. Philomena gebleven zal zijn.
Even als in het leven van vele Heiligen, vooral heilige Martelaren, een minder of meer uitgebreid tijdperk voorkomt, waarover de Geschiedenis ons in liet onzekere laat, zoo behaagde het God ons onbekend te laten met de bijzondere levensomstandigheden van de jeugd der H. Philomena. Deze Heilige heeft in hare tamelijk breedvoerige Openbaringen, voor den tijd van af hare geboorte tot aan hare reis naar Rome, slechts twee omstandigheden medegedeeld: dat de teederheid harer ouders voo]- hunne dochter zoo groot was, dat zij haar altijd bij zich wilden hebben; voorts, dat zij in haar twaalfde jaar de gelofte van eeuwigdurende knischheid aflegde. Toch,
21
Lezer, is het onbekende in het leven der Heiligen veeltijds op te maken uit de volmaakte (Jeugd hunner vroegere en latere levensdagen, of uit de minder of meer moeilijke tijdsomstandigheden, waarin zij geleefd hebben, enz. Zoo ook kunnen wij het gemis aan bescheiden uit de jonge jaren der H. Philomena met meer dan genoegzame zekerheid herstellen, deels uit het moeilijke tijdvak van geloofsvervolging, dat haar zag geboren worden; deels uit hare dagelijksche omgeving; deels uit de hooge genaden, die God haar schonk, en waarvan de gelofte van eeuwigdurende kuischheid de bloem en de roem was; deels en vooral uit hare voorbestemming tot een verheven martelaarschap.
De teederheid van Philomena's ouders (waarvan de Heilige in hare Visioenen gewag maakt), voor hun eenig-geliefd kind, hunne erfgename, was grooter dan de gewone liefde van brave ouders tegenover hun kroost. Zij beschouwden , nog steeds onder den indruk van Philomena's wondervolle geboorte en voorgelicht door den braven Pu-blius, hunne dochter als een kind van genade. Niets verzuimden ze daarom van alles wat waarlijk godvruchtige ouders voor eene heilige opvoeding hunner kinderen kunnen doen. Ter wille barer vorstelijke afkomst haalden zij voor Philomena van heinde en verre beroemde leermeesters aan ; meer zorg nog werd er besteed aan hare geestelijke ontwikkeling. Van hare prilste jeugd af stond zij onder de hooge hoede van heilige priesters, die haar vroegrijp verstand in alle waarheden des Geloofs inwijdden en haar onschuldig hart tot de beoefening van alle deugden voorbereidden.
Als wij dit neerschrijven, zijn wij genoegzaam zeker niet te falen. Philomena's ouders zullen in hunne dankbaarheid,
22
aangespoord als zij waren en voorgegaan door de verheven voorbeelden en de heilige lessen van den god-vruchtigen geneesheer, binnen korte jaren tot eene zekere volmaaktheid in hot Christendom zijn opgeklommen en alsdan duidelijk hebben ingezien, dat een waarlijk Christelijke opvoeding voor hunne dochter van oneindig hooger waarde was dan alle stoffelijke schatten, die zij haar konden nalaten. Yoorts, wat zal dezelfde Publius niet gewaakt hebben over de jeugdige jaren van haar, die hij als het kind der belofte beschouwde, en van wie hij misschien, wie zal het logenstraffen, tegelijk met de belofte harer geboorte, eene openbaring ontvangen had; eene openbaring over hare glorievolle toekomst, haar maagd-dom , haar martelaarschap. Vooral echter strekt ons tot onderpand harer heilige opvoeding, Philomena's volmaakte deugd reeds in de prilste jaren; ook hare standvastigheid tegenover alle aanlokselen en alle straffen van keizer Diokletiaan. In de bange dagen van haar martelaarschap heeft zij een bitteren strijd moeten voeren tegen vuur en zwaard, meer echter tegen de bekoringen van het vleesch; een strijd zoo zwaar, dat zij dien alleen met goed gevolg ten einde heeft kunnen brengen, doordat zij in haar korte levensjaren in de school van Christus tot vollen wasdom gekomen was. Toen had haar hart leeren verachten, wat van deze wereld is, zich verheffen boven het vleesch, slechts hakend naar den omgang met haar eenigen Bruidegom, Christus.
Deze opvoeding der H. Philomena, die haar deed begrijpen, wat alleen het ware geluk des Christens uitmaakt, â niet rijkdom, niet aardsche genoegens, niet volgen van eigen wil; wèl het volbrengen van Gods wet, ook, des noods, te midden der grootste opofferingen met verlies
23
van goed en leven â deze opvoeding is eene ernstige les voor Ouders aan wie God zijne dierbaarste panden heeft toevertrouwd; kinderen, voor wie de Zoon zijn eigen Bloed stortte; zielen, die eenmaal van der Ouderen hand zullen worden opgeëischt. Gedenkt toch, vaders, moeders, meesters en oversten, het woord des H. Geestes; âden weg, dien iemand opgaat in zijne jeugd, daarvan zal hij, oud geworden, niet afwijken!quot;1) Zoo is het. Ouders, uwe jongelingen, uwe jongedochters zullen, nog in hoogen ouderdom, den weg gaan, dien gij hun geleerd hebt, dien gij hun hebt aangewezen ten hemel of ter helle. Mochten zij in later dagen afwijken, veeltijds zullen zij terugkeeren op het goede pad hun door u in hunne jeugd getoond. Wee echter u, indien zij, afgedwaald zijnde en indagen van smart of berouw zoekend naar den weg van boete en bekeering, den rechten weg niet vinden, omdat (/(7 hun in de jeugd het goede pad niet hebt aangewezen! Wee u dan!
DERDE HOOFDSTUK.
Vroege ontwikkeling der H. Philomena; hare belofte « van kuischheid.
Vrijelijk mogen wij op de korte levensdagen der H. Philomena het woord toepassen van het Boek der Wijsheid : âvroeg voleind heeft zij vele jaren bereikt.quot;
Beschouwen wij eenige der nuttige uren zooals deze jeugdige, vroeg ontwikkelde Heilige, die wist vol te maken
1
) Boek der Wijsheid 4. 13.
24
I
voor het aanschijn des Heeren. Yroeg ontwikkeld was zij, zonder twijfel. Dit, door hare geboorte uit ouders van hoogen stand te midden der vroegrijpende natuur van haar in een zuidelijk zonnegloeien gekoesterd vaderland; meer echter, door de voorkomende genade des H. Geestes en door hare maagdelijke onschuld. Wat toch zal deze Heiligmaker bij zooveel reinheid der ziel en des lichaams niet in haar hart hebben uitgewerkt! Wijst ons de Geschiedenis personen aan, die op twaalfjarigen leeftijd even diep bedorven waren als de meest losbandigen in lateren ouderdom; hebben wij zeiven misschien in onze omgeving de treurige ervaring opgedaan, dat de mensch, reeds in zijne prille jeugd, onpeilbaar laag kan zinken; dan â zullen wij ook het tegenovergestelde moeten aannemen voor eene heilige Maagd, die op wonderdadige wijze aan haar ouders geschonken, eens de bloedgetuige van Christus zijn zal. Wij zullen dat moeten aannemen, vooral, waar deze (door de voorkomende genade des H. Geestes bestierd) op twaalfjarigen leeftijd meent hare kuischheid aan haar Bruidegom te moeten verpanden, om zich aldus tot het bloedige offer van haar leven voor te bereiden. Niet te vergeefs heeft de zevende Zaligspreking der Berg-predikatie uit des Verlossers mond over de wereld geklonken: âzalig zijn de zuiveren van harte, want zij zullen God zien!quot;1) Zij zullen God zien hiernamaals; ook hier op aarde zullen zij God zien en begrijpen, vooral in de wonderen der genaden over hen zei ven en anderen.
Wat zal die zoete, die liefelijke maagd gevoeld hebben, wanneer zij, eenzaam met God, omging te midden der vaderlijke lustwaranden; daar, waar de rijke
') Matth. 5. 8.
25
Grieksche natuur het zegel van des Heeren oneindige volmaaktheid drukte op al wat haar omringde en allen zong van de goedheid en de grootheid des Bruidegoms! Hoe zal hare onschuldige ziel de geuren van het gebed gemengd hebben met die van duizenden bloemen en welriekende heestergewassen! Hoe zullen haar de rozen gesproken hebben van goddelijke liefde, de aloëâ en myr-rhestruiken van versterving, de purperen passiebloemen van bloed en martelaarschap! Wie zal ontkennen, dat de H. Philomena, zij, die leefde te midden van tranen en vervolging onder het Schrikbewind van Diokletiaan en zijne keizerlijke trawanten Maximianus en Galerius, bij het klimmen harer jaren een voorgevoel gehad hebbe van den strijd, die haar eenmaal wachtte; eene ontluikende zucht zelfs naar liet martelaarschap, eene vurige begeerte om als bloedgetuige voor den Bruidegom in het strijdperk te treden? Zeker is het (wij weten het uit de Openbaringen), dat zij in haar twaalfde jaar haar maagddom aan Jezus verpandde; tevens, dat de gelofte van eeuwigdurende kuischheid te dien tijde, vooral bij de maagden van aanzienlijken stand, vaak de kansen voor het martelaarschap met zich medebracht.
Wie zal ons uiteen zetten, wat al genaden het hart der H. Philomena overstroomden, wanneer zij, metengel-reine godsvrucht, tegenwoordig was bij het groote Sacrificie onzer altaren, waar Jezus telken dage zijn kostbaren Kruisdood vernieuwt? Wie zal ons zeggen met hoe groote nauwgezetheid, met hoeveel vrucht, zij in het heilig Sacrament der Boetvaardigheid zich van de kleine fouten reinigde, waarin, volgens den Wijzen man, ook de rechtvaardige zeven maal (daags) valt; liever nog, hoe zij zich in dat goddelijke Bloedbad versterkte tot meerder
26
strijd? Wie zal ons beschrijven de wonderbare volmaaktheid, de gloeiende liefde, de zielsverrukking, waarmede zij, naar de gewoonten der eerste Christenen waarschijnlijk dagelijks, haar God en Zaligmaker nuttigde iu de H. Communie? Dat alles voerde hare edele ziel op tot zoo grooten trap van volmaaktheid, dat zij, te midden der wereld vertoevend, zich geheel aan de wereld onthechtte. âAlles wat in de wereld is,quot; zegt de H. Apostel Joannes, âdat is de begeerlijkheid des vleesches, de begeerlijkheid der oogen en de hoovaardij des levens.quot;') Deze drie vijanden des menschen heeft de heilige Philomena niet mannelijke standvastiglieid bevochten. Laten wij, immers al waakten hare ouders nog zoo teeder over haar, niet meenen dat de heilige maagd zoolang zij onder het vaderlijk dak was geene bekoringen had te overwinnen. Integendeel; deze waren zoo vele en zoo ingrijpende, dat zij slechts door hare deugd, hare versterving en hare standvastigheid, de duizend gevaren kon te bovenkomen welke haar van alle zijden omringden. Nooit zag men iemand op zoo jeugdigen leeftijd aan grooter moeilijkheden blootgesteld; nooit werden er aanlokselen ten toon gespreid, die meer in staat waren een onervaren hart te verleiden. Dagelijks moest zij aan het Hof harer ouders vertoeven; eene plaats, die gewoonlijk de aanleiding is van vele vleiereien, van eene menigte zonden en van duizenderlei gevaren. Bovendien leefde zij in eene eeuw, die, alhoewel reeds eenigszins geheiligd door den geur des Evangelies, toch in het openbaar nog geheel heidensch was; in eene eeuw, waarin de onkuische afgodendienaars straten en wegen, bijeenkomsten en maaltijden,
') Jeës. 2 16
27
morgen en avond met hunne ongebondenheden vervulden. Deze alle waren zoovele moeilijkheden voor Philomena's deugd, waaruit geene zorgzame opvoeding, geen ouderlijke waakzaamheid, slechts versterving en standvastigheid haar konden redden. Over de versterving gedurende haar lijdenstijdperk, toen de godgewijde maagd den hartstochtelijken Keizer voor haar zag, eerst met beloften en vleie-reien, later met bedreigingen en lijfstraffen, â zullen wij hier niets verder bijvoegen, dewijl deze omstandigheden te hunner plaatse zullen behandeld worden.
Wij kunnen dit hoofdstuk niet beter sluiten, dan door op de jeugd der H. Philomena de woorden toe te passen, waarmede de eerbiedwaardige Pastoor van Ars Gfods genadewerkingen in eene zuivere ziel beschrijft. Gelijk eene schoone blanke duif de heldere waterplassen verlaat en klapwiekend boven de aarde hare vleugelen droogschudt; zóó fladderde als het ware de H. Geest boven de engelreine ziel der jeugdige maagd, om haar, van af hare prilste jaren, met den balsem zijner hemelsche liefdegaven te bedauwen; opdat zij, door de volheid zijner genaden voorkomen, zich op koninklijke wijze tot het martelaarschap zou voorbereiden.
VIERDE HOOFDSTUK.
Reis naar Home; de H. Philomena verschijnt voor keizer Siokletiaan.
Met angstvalligen ijver, zooals wij zagen, waakten de ouders der H. Philomena over het aanvallig kind dat in-
2S
tusschen haar 14(le levensjaar was ingetreden. Het gebeurde te dien tijde, door de goddelijke voorbeschikking, die de Heilige uit het diepste harer vaderlandsche eenzaamheid naar het strijdperk der wereldstad Rome wilde roepen, dat haar vader zich verplicht zag den Romeinse] i en keizer Diokletianns te voet te vallen. Sinds onheugelijke tijden had hij en zijne voorvaderen zich, temidden der Romeinsche overheersching, in eene betrekkelijke onafhankelijkheid mogen verheugen. Sinds eenigen tijd echter dachten er de veldheeren des Keizers over, mogelijk wel onder dezes persoonlijke goedkeuring, den prins te beoorlogen; eene zaak, die allicht op het verlies der onafhankelijkheid van zijn vorstendom zou uitloopen. Philo-mena's vader achtte het zijn hoogste belang, naar het ver verwijderd Rome heen te trekken. Daar zou hij â waarschijnlijk met een luisterrijk gevolg om meerder indruk te maken â zich aan de voeten van den Alleenheer-scher der wereld werpen en voor die hooge rechtbank zijn goedgemeend recht verdedigen.
Na rijp beraad met zijne hovelingen en veldoversten aanvaardt hij de lange reize; eerst over land naar de Grieksche kust, van daar over zee tot aan Brundnsinm (het huidige Brindisi aan liet Kanaal van Otranto), voorts langs den ouden Appischen weg naar Rome. Hij vertrekt, vergezeld van zijne gemalin, zijn kind en alles wat hij groots heeft aan zijn Hof. Zijn eenig kind ligt hem zoo nauw aan het hart, dat hij, niettegenstaande de overgroote gevaren, die een onaangenaam lange reis en het toenmaals nog heidensch Rome voor haar zouden opleveren, het beter achtte haar in zijn gevolg onder eigen hoede te hebben, dan dat kostbare pand aan de bescherming en het vertrouwen van loontrekkende dienaren in
29
het verre Griekenland achter te laten. Arme vader! Wat zal zijne ontgoocheling groot zijn!
De H. Philomena aan het vaderlijk paleis en hare vertrekken gewoon, is aanstonds gereed aan haars vaders roepstem gehoor te geven. Met, dat zij a it ijdele vrouwelijke nieuwsgierigheid de groote wereldstad en het weelderige keizerlijk Hof verlangt te zien; neen, uit enkel geJioorzaamheid. Het ouderlijk bevel getrouw, sluit zij zich aan bij den reisstoet, verdraagt alle ongemakken van land- en zeereis en houdt zich te midden van het reisgewoel, bijna uitsluitend met haar Bruidegom, met Jezus bezig. Aandoenlijk schouwspel! Eene rijke, jeugdige, uitgelezen maagd wordt ter slachtbank geleid door hen, die haar het leven schonken! O God, wat zijt Gij wonderbaar in de wegen uwer Heiligen!
Een zeer behartenswaardig voorbeeld voor de jongeren van jaren ligt in dit gedrag der H. Philomena opgesloten. Van haar kunnen dezen leeren hoe zij, zoolang zij in ondergeschiktheid leven, zich aan de wijze leiding hunner ouders moeten onderwerpen. Mogelijk had de heilige Maagd, wier verstand op jeugdigen leeftijd reeds scherp ontwikkeld was, zoo zij naar menschelijke beweegredenen geluisterd hadde, verlangd, rustig in het vaderlijk huis te blijven. Zij toch zag duidelijk, hoe hare ouders, door haar aan één gevaar te willen onttrekken, andere menig vu Idiger gevaren voor haar bereidden. Meer dan dat. Zij had, bij name, een voorgevoel van den grooten strijd, die* zij, de Bruid van Christus, ter wille harer kuischheid, in de wereldstad Rome en in de hooge hofkringen zou hebben te doorstaan. Maar zij kende het vorstelijk woord der H. Schrift: âeen man die gehoor-
30
zaamt, zal van zegepralen spreken.quot;1) Zij wist dat, als God haar ter wille der gehoorzaamheid op de proef zou stellen, Hij nog steeds dezelfde God der legerscharen was, die Judith eens bij Holofernes en Jozef aan het Hof van Pharao beschermde. Daarom wierp zij zich vol vertrouwen in de armen van haar Bruidegom, die zich nooit âvan dengene, die naar Hem opziet, terugtrekt om hem te laten vallenquot; ^; zóó, gehoorzaamde zij Gods bevel in het gebod harer ouders. Hadde de H. Philomena zich wederspannig getoond, hadde zij door een lastig aanhouden het haren ouders dusdanig moeilijk gemaakt, dat deze eindelijk in haar achterblijven zouden hebben toegestemd, dan zou haar gewis de glorievolle martelkroon ontgaan zijn, die haar nu tot eene gelijke maakt van de grootste, de lieftalligste heilige Maagden en Martelaressen uit het roemrijkste tijdvak van Gods kerk; Martelaressen, die ik in mijn Voorwoord noemde.
Gij allen daarom, die op eenige wijze in onderdanigheid gesteld zijt, kinderen, dienstboden, eert uwen vader, eert uwe moeder, eert uwe meesters en oversten, opdat gij lang en gelukkig moogt leven op aarde. Erkent in hen Gods evenbeeld, in hun woord Gods bevel; weest onderdanig en gehoorzaamt zonder tegenspreken. Behaalt gij daardoor niet eene martelkroon, zooals de H. Philomena, gij zult ten minste met deze groote Heilige van zegening kunnen spreken en overwinning bij overwinning verkrijgen.
Na de zeereis gelukkig volbracht te hebben, bereikten Philomena's ouders met hun gevolg te Brundusium de Italiaansche kust. Yan daaruit benuttigden zij het over-
') Spreuken 21. 28. S. Augustinus.
31
oude Romeinsche recht'), dat hun , als zijnde zij met eene openbare zending aan het Staatsbestuur belast, veroorloofde op 's lands kosten te reizen. De verschillende Overheden langs den Appischen weg, die rechtstreeks op Rome uitliep, verschaften den prins en zijn gevolg, op hunne enkele aanvrage, huisvesting, gedeeltelijk levensonderhoud en vrij vervoer. Zoo vervolgden zij in alle veiligheid hun langen tocht door Italië's weelderigste landouwen, Calabrië. Apulië, Campania, Latium, en bereikten weinige dagen later het doel hunner reize, de hoofdstad der wereld, Rome. Ook de H. Philomena betrad, in haar ouders gevolg, de stad der Zeven Keuvelen; zij zou deze niet meer verlaten. Hier zou zij sterven na bloedigen kamp; van hier uit zou de Bruidegom haar, gekleed in het purper der martelaren, inleiden in de reien der zalige Maagden, die het Lam volgen, waar het gaat.
Den eersten dag na hunne aankomst, eenigszins bekomen van de vermoeienissen der lange en te dien tijde zeer ongemakkelijke reize, onderhandelde de prins, die den Keizer van het doel zijner komst had doen verwittigen, ten zijnen huize, met de hem toegezonden zaakgelastigden van Diokletiaan. Dezen namen de redenen zijner komst breedvoerig op, brachten verslag uit aan hun meester en kondigden den prins een plechtig en openbaar keizerlijk Verhoor aan tegen den eerstvolgenden morgen.
Vroeg in den ochtend traden Philomena's ouders, in hunne prachtigste staatsiekleederen gehuld, den weg op naar het keizerlijk paleis, vergezeld van hunne dienaren en krijgsoversten; deze allen, even als hunne gebieders, in kostbare gewaden en uitrustingen gestoken. Zij droegen
') Volgens de Wet: lulia de Procinciis.
32
de beste geschenken uit het verre Griekenland om, zoo mogelijk, het hart van den vijandigen Diokletiaan te winnen. Boven allen muntte Philomena uit, die aan de hand harer ouders voortschreed. Hare jeugdige jaren, hare bevallige vormen, hare eenvoudige, doch wonderbaar schoone Grieksche kleederdracht, hare zedige ingetogenheid en kinderlijke majesteit deden haar, te midden van al dat gewoel, schitteren als de purperrijpe druiventros van haar, edel vaderland tusschen zijne hoogroode bladeren.
Het paleis naderend, staken zij het zoogenaamd vesti-hulurn ('t voorplein) over en traden door prachtige bronzen deuren het, niettegenstaande het vroege morgenuur, reeds met bezoekers opgevulde atrium (de wachtzaal) binnen, dat geheel door Dorische zuilengangen omsloten was.') Hier behoefden zij niet lang te toeven, dewijl een der keizerlijke geheimschrijvers hen verbeidde. Hij wenkte allen naar het impluvium (binnenhof), dat, achter de wachtzaal gelegen, reeds tot de binnenvertrekken van het paleis behoorde. In dit binnenhof, met een sierlijk op ivoren kolommen rustend en gebeeldhouwd dak gedekt, was eene groote opening, bestemd, om den te Rome niet al te overvloedigen regen, op te vangen in eene rijk versierde kom; achter die regenkom stond het altaar der huisgoden. Rechts en links van het binnenhof zagen zij kleine door kostbare voorhangsels gesloten vertrekken; dat waren zoovele afgezonderde spreekkamers, alsook doorgangen naar de bijzondere verblijven des Keizers en de groote zalen. Te dezer plaatse bevonden zich vele Officieren der lijfwacht, die hunne dienstbeurt bij den Keizer
Zie voor deze beschrijving en wat volgt: M. Ph. Lebas. Ro-meinsche Oudheden. 121.
33
kwamen vervullen; zij lieten de gezanten met verschuldig-den eerbied voorbijgaan. Eindelijk traden de Grieken door een der gesluierde deuren in de groote gehoorzaal. Yan de pracht, die hier heerschte en die alle beschrij ving te boven gaat, kunnen alleen zij zich eenig denkbeeld vormen, die uit de beschrijving van het domus aurea, het gulden huis van keizer Nero, weten, met wat schatten-verslindende pracht de Romeinsche heerschers hunne paleizen versierden.
De geheimschrijver deed den Keizer van de aankomst des prinsen verwittigen. Aanstonds trad Diokletiaan, in het zoo bekende, zoo kostbare gewaad der Romeinsche Imperatoren gekleed, de zaal binnen. Hij nam, na aller hulde ontvangen te hebben, plaats op den troon; zijn schitterend gevolg schaarde zich in een halven kring rondom zijn zetel. Nu trad de Grieksche Vorst toe op den Keizer en las hem een smeekschrift voor, ter verdediging van de belangen zijns rijks. Duidelijk deed hij uitkomen hoe zijne voorvaderen, niettegenstaande de Romeinsche overheersching, zoowel onder de Republiek als tijdens het Keizerrijk steeds vrij en onafhankelijk hunne onderdanen geregeerd hadden; hoe hij zelf steeds op den besten voet met de Romeinen geleefd had: eindelijk, hoe nu, om nietige redenen, 's Keizers veldheeren het er op aanlegden hem van zijn voorvaderlijk erfdeel te berooven. Hij besloot met een beroep te doen op den rechtvaardigheidszin van den groeten Keizer.
Diokletiaan, van het begin zijner Regeering af, zeer bloeddorstig,l) was te dezer tijde, tengevolge zijner bloedige Christenvervolging, in bijzonder sombere stemming. Al-
') Rohrbacher 30ste Boek.
3
34
hoewel hij ook nu de uitdrukking van wreedheid op zijne harde soldatentrekken droeg, ontving hij de Grieken met de grootste welwillendheid. Aanstonds bij het optreden van het Gezantschap had hij, hetzij vooruit gewaarschuwd, hetzij dat hij nooit zijne blikken wist in te toornen, de bewonderenswaardige verschijning der H. Philomena ontwaard. Al den tijd dat haar vader in den breede zijne belangen uiteenzette, vestigde de Keizer zoozeer zijne aandacht op de jeugdige maagd, dat hij geen oog of ooi-had voor alles wat er in de Vergadering voorviel. Tevens wierp hij zoo stoutmoedige blikken op haar, dat het heilige kind zeker van schaamte en toorn gebloosd zou hebben, hadde zij niet van hare prille jaren af de gewoonte aangenomen, steeds in het openbare leven hare oogen neergeslagen te houden. Intusschen liep des prinsen pleidooi ten einde.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Keizer Diokletiaan vordert de H. Philomena van haar vader tot zijne gemalin; de Heilige weigert.
Door de algemeene plechtige stilte, die na de redevoering-des Vorsten intrad, tot bezinning geroepen, rees de Keizer van zijn gouden zetel en antwoordde ongeveer in dezer voege: âhet behaagt mij, doorluchtige zoon van zoovele dappere voorvaderen, uwe verdediging in genade te ontvangen. Aanhoor mijn besluit. Mijne veldheeren zullen u voorts niet meer verontrusten; ik zal zelfs bevelen, dat zij u tegen uwe inlandsche vijanden beschermen. Meer nog; uwe tegenstanders zullen ten eeuwigen dage ook mijne tegenstanders zijn, want ik wil, dat vrede en voor-
35
spoed voor altijd het deel zij van uw vorstendom. Als tegemoetkoming aan zooveel goedheid heb ik, uw keizer en heer, een tegenverzoek te doen. Ieder Romein weet, dat ik om hooge staatsbelangen mijne echtgenoote verloren heb;1) gij echter, grootmoedige prins, gij kunt, ter vergelding mijner keizerlijke bescherming over uw vaderland, mijne'eenzaamheid in vreugde doen verkeeren. Ik vraag de hand uwer dochter Philomena, om haar tot mijne wettige gemalin te verheffen en haar naast mij te plaatsen op den troon der Romemsche Cesars!quot;
Een donderslag bij helderen hemel zou niet meer verrassend gewerkt hebben op de hooge Vergadering, die de keizerlijke rede aanhoorde, dan deze woorden. Verachting voor den moordenaar zijner heilige echtgenoote; afgunst, tegenover hem, dien zij een Griekschen gelukzoeker noemden , omdat hij schoonvader des keizers zou worden ; bij de wijsten en deugdzaamsten misnoegen over dit al te ongelijke huwelijk; verwondering bij anderen over den nooit verwachten afloop dezer plechtige Vergadering; al deze gevoelens stonden duidelijk op het aanschijn dei-anders geveinsde hovelingen te lezen. Diokletiaan was zoo geheel in zijne beschouwingen verslonden, dat hij deze teekenen van algemeene afkeuring niet bemerkte.
Meer dan anderen schrikte de H. Philomena. Zeker, het was te dien tijde een Christenmaagd, om bijzondere reden, toegelaten zich met een Heiden door een wettig huwelijk te verbinden; meerdere malen toch waren dergelijke verbintenissen, heden ten dage door de Kerktucht ongeldig verklaard, voor de betrokken Heidensche personen, zoowel als voor de ontluikende Christenkerk van het hoogste belang geweest. Leert ons niet de Ge-
') Don Francesco de Lucia.' Bemerkingen op het 2e visioen.
schiedenis, dat de H. Cecilia door het huwelijk haar hei-denschen gemaal Valerianus en dezes broeder Tiburtius tot het Christendom en de martelkroon bracht? Lezen wij niet, dat, door hare echtvereeniging, de H. Monica, haar man Patricias bekeerde en der H. Kerk een harer grootste lichten schonk, den H. Augustinus? Was het niet het echtverbond der heilige koningin Clothildis met den heidenschen Frank Chlodwig, dat de bekeering van het geheele Frankische rijk ten gevolge had? Wie zal ons zeggen of de H. Philomena, indien zij den tiran had mogen huwen, niet de geweldigste der tien kerkvervolgingen (die van Diokletiaan) had doen ophouden? Edoch, was dat anderen geoorloofd, aan de H. Philomena was zulk eene echtverbintenis verboden, dewijl zij, zooals wij reeds zagen, ongeveer twee jaren voor dit tijdstip haar maagddom aan den goddelijken Bruidegom, aan Jezus Christus verpandde.
Zoo haast had niet de ongelukkige vader der Martelares het keizerlijk woord vernomen, of, verblind door eene eer, welke hij verre was van te verwachten, gaf hij zijne vaderlijke toestemming (eene toestemming, die hij den volgenden dag zou moeten terugtrekken) in dezer voege: âgroote Cesar, gij bereidt ons, onwaardigen ouders, een geluk zoo groot, dat uw voorstel ons doet duizelen. Gij zult mij echter verooiiooven een antwoord, dat zoowel bij ons als bij onze dochter slechts bevestigend zijn kan, eenige uren uit te stellen, opdat wij haar op dit groot en overwacht geluk kunnen voorbereiden !quot; ') ^enigszins
*) Uit den tekst der Veropenbaringen door de H. Philomena gedaan, valt niet met zekerheid op te maken, of zij aanstonds na haar vaders antwoord, dus nog staande'de plechtige Vergadering, haar
37
ontevreden over deze oplossing, hief de Keizer de Vergadering op: aanstonds keerde de prinselijke familie naar haar tijdelijk verblijf terug.
Na zich van hunne staatsiekleederen ontdaan te hebben, ontboden de verheugde ouders hunne dochter Philomena, zoowel om hare toestemming te vernemen als om haar geluk te wenschen. De maagd, die, sinds het noodlottige woord over des Keizers lippen vloeide, geheel in zien zelve gekeerd geweest was, vurig biddend tot haar machtigen Bruidegom, had de weinige haar te huis geschonken oogenblikken in stille eenzaamheid doorgebracht. Na de openbare Yergadering aan haar verblijf gekomen, had zij hare dienares weggezonden, om eenzaam neergeknield zich tot den strijd voor te bereiden. Vurig om kracht biddend, vooi' het geval dat zij ter wille van Jezus zou moeten strijden, had zij hare gelofte vernieuwd en Gode het offer haars levens aangeboden; zij was er van overtuigd, met den keizerlijken tiran viel niet re spotten. God verhoorde het kinderlijk smeeken van Philomena; Hij versterkte de
besluit om de hand van Diokletiaan te weigeren, aan den Keizer heeft medegedeeld. Om vele redenen is het mijn gevoelen, dat zulks niet geschied is. Onder meer : 1°, omdat Philomena in deze openbare Vergadering de al te haastige uitspraak haars vaders niet zal hebben willen beschamen; 2°, dewijl eene zoo zedige maagd het zeker voor onpassend zal gehouden hebben in eene plechtige Vergadering eene pleitrede te houden, waartoe hare weigering allicht zou geleid hebben; 3°, vooral, omdat zij zal gemeend hebben voor een heidensch , misschien wulpsch gezelschap, niet te moeten spreken over de heilige en teere gelofte, waardoor zij aan Jezus Christus verbonden was.
Mede komt het mij voor, na vergelijking van verschillende omstandigheden uit meergenoemde Openbaringen, dat hare ouders tot op dit oogenblik volledig onbekend geweest zullen zijn met Philo-mena's belofte van eeuwigdurende kuischheid.
maagd tegen alle vervolgers, ook tegen hen, die hare natuurlijke verdedigers hadden moeten zijn, tegen hare ouders. Met Gods wil volkomen tevreden, begaf zich de edelmoedige doch standvastige Martelares naar hen. Haar vader en hare moeder traden haar met gelukwenschen te gemoet en getuigden, dat nooit hooger eer hun geslacht was te beurt gevallen.
Aanstonds verklaarde de Heilige, dat zij in het geluk harer ouders niet deelen kon, dewijl zij, reeds voor twee jaren, haar hart door gelofte van eeuwigdurende kuisch-heid aan God had weggeschonken. Op deze woorden ontstaken hare ouders in hevigen toorn ; zij brachten alle beweegredenen bij, die kortzichtige, menschelijke wijsheid ooit kon uitvinden, om eene dochter, waar zij Gods H. Wil meent te zien, aan het wankelen te brengen. Het flere woord echter der Heilige was en bleef: âmijne geliefde ouders, ge kunt toch niet van mij verlangen, dat ik ter wille van een mensch, ter wille van ij dele en vergankelijke grootheid, te kort schiete in de plechtige gelofte, die ik eens aan God zeiven deed. Hoort daarom mijn onherroepelijk besluit: ik wil noch kan over mij zelve beschikken ; voor het overige, wat er gebeure. God zal mijn verdediger zijn!quot;
Ook iiu gaf de vader zich niet gewonnen. Hetzij dat hij, hoewel reeds veertien jaar Christen, niet genoeg in den geest des Christendoms was doorgedrongen; hetzij dat hij werkelijk in de meening verkeerde als zou de gelofte van een nog niet veertienjarig meisje voor zoo hooge redenen van Staat moeten zwichten; hij poogde door alle middelen haar zijne meening over te doen, dat zij op den dag harer gelofte te jong van jaren geweest was om zich op die wijze tegenover God te verbinden.
39
dewijl zij klaarblijkelijk onbewust geweest was van de groote verantwoordelijkheid, die zij toenmaals op hare schouderen nam. Al zijne toespraken vergeefsch en de standvastigheid der Maagd onwankelbaar ziende, geraakte hij in ongewone opgewondenheid, en uitte hij de verschrikkelijkste bedreigingen.
De genadewerking des H. Geestes maakte de H. Philornena onoverwinlijk. Zij, de zwakke maagd, jong in jaren, maar oud in wijsheid en kracht des Heeren, stond daar als de onaanzienlijke rots, die telkens voor woedende zeeën schijnt te moeten bukken; deze blijft echter, hoe fel gebeukt, onwrikbaar, dewijl zij vereenzelvigd is met haar hardgranieten grondslag. Ook Philornena zal blijven staan, onwrikbaar te midden der woedende zeeën en der stormen, die haar vanwege den keizerlijken dwingeland zullen overstelpen. En dat alles, omdat zij geworteld is in de kracht uit den Hooge; omdat zij één is met haar Bruidegom, die de wereld overwonnen heeft. Neen! Geen moederlijke tranen, geen smeekbede eens vaders, geen keizerlijke ongenade zullen haar scheiden van Hem, die alleen haar leven en hare liefde is!
Eindelijk zag de Grieksche prins, die, niettegenstaande zijne dreigende houding tegenover zijn vroeger zoo teergeliefd en aangebeden kind, zijne vaderliefde niet geheel kon verloochenen, meer dan genoegzaam de nutteloosheid in van verdere pogingen. Hij begaf zich daarom naar den Keizer, ten einde hem het weigerend antwoord zijner dochter over te brengen; tevens poogde hij haar te verdedigen en van zijn woord, des ochtends in plechtig gehoor gegeven, ontslagen te worden. Hij vond Diokletiaan, meer nog dan voor eenige uren, half waanzinnig van liefde. In plaats van den ontroostbaren vader uit zijne
40
foltering te verlossen, door hem te gelasten met zijne dochter op het spoedigst Rome en Italië te verlaten, beval de Keizer, dat hij bij het aanbreken van den volgenden dag zijne dochter persoonlijk in zijne tegenwoordigheid zou geleiden.
ZESDE HOOFDSTUK.
De H. Philomena tegenover nieuwe moeilijkheden; zij blijft getrouw aan haar goddelijken Bruidegom.
Toen, na een langen nacht, het morgenuur was aangebroken, dat noodlottige uur, waarop hij zijne dochter opnieuw aan den Keizer zou moeten voorstellen, deed haar vader de H. Philomena nogmaals in zijne tegenwoordigheid en die harer moeder verschijnen. Ontroostbaar, opgewondendoor toorn en droefheid, zich gekrenkt gevoelende in zijne tee-derste vaderlijke gevoelens, deed hij der heilige Maagd beurtelings de heftigste verwijten, de teerhartigste beden. Ook de moeder voegde hare smeekingen bij de zijne; ook zij vleide, bad, bedreigde. Alles te vergeefs. Eindelijk wierpen zich beiden voor haar ter aarde, omvatten hare knieën, besproeiden deze met hunne tranen en riepen uit: âo dochter, veelgeliefde, langafgebeden dochter, heb toch medelijden met uw beminden vader, uwe droeve moeder; heb medelijden met uw vaderland en erbarm u over ons en onze onderdanen. Indien gij voor uw eigen lichaam geen onheil vreest, hoe groot ook, gedenk wat rampen over ons allen zullen neerkomen op den dag, dat de om uwe halsstarrigheid in woede ontstoken Keizer de sluizen van zijn toorn over ons en ons vorstendom zal openen! Daarom, dochter, heb medelijden met
41
allen die u dierbaar zijn!quot; Philomena, door den Koning der Martelaren begeesterd, antwoordt op plechtige wijze: âneen, vader; neen, moeder; neen, duizendmaal neen! God en de belofte aan Jezus Christus gebracht zijn mij boven alles dierbaar; dierbaar boven u, dierbaar boven mijn vaderland, dierbaar boven mijn leven! Mijn vaderland , mijn koninkrijk, is de hemel! Laat Diokletiaan, die geesel Gods, mij wreedaardig pijnigen, zoo de Heer het toelaat; ik ben tot alles bereid, om eeuwig mijn Bruidegom te kunnen bezitten!quot;
Diep bedroefd, begaven zich nu Philomena's ouders, door de standvastige Maagd vergezeld, naar het keizerlijk paleis. In korte woorden gaf de prins den Keizer verslag van den toestand en smeekte hem om genade. Diokletiaan, door zijne dolzinnige liefde begoocheld, wilde hem niet verstaan; hij meende, dat hij door lieftallige woorden persoonlijk eene toestemming zou verkrijgen, die teedere ouderliefde te vergeefs had willen afdwingen. Gewoonlijk overheerschend en stroef, kon de Keizer, wanneer hij zulks wilde, edel en innemend zijn; zijne welbespraaktheid en zijn persoonlijke invloed had, naar hij meende, wel moeilijker gevallen tot een gunstig einde gebracht. Hij maakte daarom van zijne uiterste lieftalligheid gebruik, sprak de meest welgekozen woorden, deed de grootste beloften; in een woord, hij verwaarloosde niets van al de kunstgrepen, die een zoo schijnbaar argelooze maagd in de netten zijner welsprekendheid moesten verwarren. Alles was nogmaals vergeefsch; eerst welsprekendheid, dan beloften, eindelijk bedreigingen.
Is de overgang van hopelooze liefde tot diepen haat-somtijds plotseling, wat moet dan de haat groot geweest zijn bij Diokletiaan, wien het leven van tienduizenden
42
niets waard was, wien zelfs het doodsvonnis, op zijn bevel, aan zijne echtgenoote en dochter voltrokken, voor eeuwig-brandmerkt, â toen hij zich versmaad zag door eene Grieksche prinses, wel van koninklijken bloede, maar in vergelijking met hem slechts een aardworm, die hij kon vertrappen; groot te meer, als hij bedacht, dat hij, de oppermachtige Cesar, naar hare hand gedongen had in een plechtig verhoor, ten aanzien van alles wat Rome en zijn Hof aanzienlijks bevatte. Ja, vreeselijk moest die haat zijn en wraakvol in zijne gevolgen. Plotseling ontsteekt hij in razende woede; hij roept zijne lijfwachten, die uitvoerders van zoovele gruweldaden, en beveelt hun, dat zij de Heilige maagd, beroofd van het daglicht, in den diepsten kerker van zijn paleis zullen werpen. Zij zou, aan handen en voeten geketend, slechts gevoed worden met water en brood. Op het eigen oogenblik werden de bevelen des keizers voltrokken; de treurende ouders keerden in diepe verslagenheid naar hun tijdelijk verblijf terug.
Dobberend tusschen vrees en hoop, doch vast overtuigd dat bitter berouw, smarten en schande de standvastigheid der in zijn oog overmoedige prinses en het vertrouwen op haar goddelijken Bruidegom zouden doen wankelen, daalde de Keizer dagelijks af naar haar onderaardschen kerker. Dan deed hij haar in zijne tegenwoordigheid voor een oogenblik van de boeien ontslaan, opdat zr, voor zijne oogen, het weinige brood en het luttele water zou nuttigen, dat men haar verstrekte. Vreesde hij misschien, hij die zelfs niet bij benadering de verheven offers naar hare werkelijke waarde vermocht te schatten, die de H. Philomena aan haar God bracht, vreesde hij misschien, dat zij zich door den hongerdood van den last
43
des levens wilde ontdoen? In dat geval zou al de hoop zijner versmachtende liefde voor eeuwig verijdeld zijn. Na den afloop van haar soberen maaltijd werden de boeien op nieuw aangelegd, en hervatte de Keizer zijne bedreigingen en zijne smeekingen. Deze laatste waren vaak zoo bitter voor de Heilige, dat ze, zooals zij zelf in hare Visioenen openbaarde, zonder Gods bijzondere genade voor hare deugd gevaarlijk zouden geweest zijn. Wat echter de Keizer smeekte, wat hij bijna veertig dagen lang dreigde, strafte, beloofde, de Martelares was, door de beschermende hand van haar goddelijken Bruidegom, standvastiger dan ooit. De genade des H. Geestes versterkte haar op zoo in het oog loopende wijze, dat zij onbezweken bleef te midden van bekoringen en pijnen, die zoowel haar zielskracht als de krachten des lichaams schenen te overtreffen.
Langzamerhand zelfs begon de jeugdige kampvechtster op te klimmen tot de hooge volmaaktheid van het innerlijke leven, die slechts het deel is der Heiligen. Gelouterd door dag en nacht aanhoudende martelingen en ontberingen, onthechtte zij zich geheel aan de aarde, en begon zij alleen uit en door liefde tot Jezus Christus te leven. Iedere overwinning op eene bijzondere aanvechting des tirans behaald, was eene zekere aanduiding, een voorbode, van nieuwe pijniging, nieuwe vervolging. In dat geval stortte zij haar gebed nog vuriger; dan werd, zoo mogelijk, haar vertrouwen in God nog grooter. Dagelijks gevoelde zij, te midden van al hare ontberingen, van al haar lijden, een grooteren zielsvrede; dagelijks vermeerderde de vreugde, die zij had over het voorrecht, voor God schande, smaad en vervolging te mogen lijden. In die gelukkige oogen-blikken riep zij met den H. Paulus uit: âvervuld ben ik
44
met vertroosting, overvloeiend ben ik van blijdschap bij al onze verdrukking!quot;1) Het gebed was, gelijk bij alle Heiligen, die zich ooit te midden van bovenmenschelijke moeiten en gevaren bevonden, haar aanhoudend voedsel geworden. Onophoudelijk hief zij hare geketende ledematen omhoog tot Jezus, den Overwinnaar van dood en hel., tot Maria de koningin der Martelaren. Tot Maria vooral., hare lieve moeder, wier steun zij zoozeer behoefde, om tegenover een allesvermogenden dwingeland hare gelofte van kuischheid ongeschonden te kunnen bewaren.
Lezer, wie gij zijn moogt, in den bloei uwer jaren of in meer gevorderden leeftijd, vergeet nooit, dat ieder die prijs stelt op eer en deugd, gebed behoeft; maar ook â dat hef gebed bij God almachtig is om in al onze behoeften te voorzien. Door een nederig, vertrouwvol en volhardend gebed, kan ieder, in alle omstandigheden des levens, de moeilijkste en de meest onverwachte aanvechtingen des vleesches, des duivels en der wereld overwinnen; waren deze zelfs boven alle menschelijke berekening groot. Zich op deze waarheid grondend, zegt de H. Alphonsus de Ligorio: âdie bidt wordt zalig, die niet bidt gaat verloren.quot; Ten voorbeeld van dit alles strekke ons de H. Philomena. De aanvallen van Diokletiaan waren zoo aanhoudend en zoo hevig, dat het haar, men-schelijker wijze gesproken, onmogelijk was de overwinning te behalen. Maar de Martelares heeft gebeden, gebeden tot God, gebeden tot zijne H. Moeder; gebeden met nederigheid, met vertrouwen, met volharding. Toen heeft, de Heer Engelen gezonden, opdat zij, om met den 90,,en psalm te spreken, âniet haren voet zoude stooten aan
'j 2 Cor. 7. 4.
45
eenigen steen.quot; Sterk door deze bescherming, heeft zij ongeschonden âte midden van addergebroed gewandeld en leeuwen en draken vertreden.quot; Doet, lezers, die prijs stelt op uwe kuischheid, desgelijks; dan zal aan u even goed als aan de H. Philomena het woord bewaarheid worden, dat de Bruidegom sprak in het binnenste haars harten: âdewijl zij op Mij gehoopt heeft, zoo wil Ik haar bevrijden, haar beschermen; want zij heeft mijnen Naam erkend!quot;')
Op boven beschreven wijze aan handen en voeten met ijzeren ketenen beladen, dagelijks door Diokletiaan om de toestemming tot een haar verboden echtvereeniging lastig gevallen, deeis door zijne vleierijen en smeekingen, deels door zijne verwenschingen en bedreigingen gemarteld, zuchtte de Heilige reeds zeven en dertig lange dagen en nachten in het ondragelijk vunzig kerkerhol. Eindelijk weer verschijnend, beet haar de Keizer met onverholen bitterheid toe: âik verlies hier al te lang mijn tijd, zonder dat ik iets vorder; welnu, hoor mijn onherroepelijk besluit. Heden ben ik niet hier gekomen om opnieuw nuttelooze smeekingen te doen, wel echter om u mijn keizerlijken wil bekend te maken. Indien gij, Philomena van Griekenland, in mijn eenig en vurig verlangen toestemmen en mijne wettige echtgenoote worden wilt, dan zal op dit eigen oogenblik uw lijden een einde en uw glorie een begin nemen. Wilt gij integendeel, dat ik u dwingen zal mijne gemalin te zijn, welaan, het zij zoo, ook dat zal geschieden; maar dan zal ik doof blijven voor uw klachten en tranen. Tegenstand kan Diokletiaan wel verbitteren , niet tegenhouden; nooit heeft tegenspoed mij tot
') Psalm 90. 12â14.
46
onderwerping gebracht. Kies dus of vrees mijne wraak!quot; Bij deze woorden keerde hij der heilige Martelares den rug en wierp, in een niet bedwongen vlaag van toorn, met hevigheid de deur der gevangenis achter zich toe.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
De Moeder Gods bezoekt de H. Philomena en verkondigt haar het begin harer eigenlijke marteling; de Heilige wordt gegeeseld en door twee Engelen wonderdadig genezen.
De teerling was geworpen, de bloedige offerande zou beginnen. Had de dwingeland lange dagen niet gerust, had de duivel hem telkens nieuwe gedachten ingegeven, hoe hij de Martelares het méést zou kwellen en bedreigen , ook de H. Philomena, zooals wij boven zagen, had zich niet bij den strijd neergelegd. Dag in, dag uit, had zij al vuriger en vuriger tot God en zijne lieve Moeder gebeden. En ziet, de Koningin des hemels, die. Moeder van God zijnde, tevens de moeder der menschen is en de bijzondere beschermster van hen, die haar vurig aanroepen, Maria gewaardigde zich de Martelares een zichtbaar blijk te geven van hare tevredenheid en moederlijke hulp. Door een goddelijken lichtglans, die oogen-blikkelijk elke duisternis verjoeg, omstraald, verscheen zij, het Jezuskind op hare armen dragend, in het zwarte kerkerhol, waar de in hemelsche beschouwingen verslonden maagd op hare knieën lag. De goddelijke Bruidegom had geene woorden genoeg om haar te bedanken voor hare standvastigheid; met eene hemelzoete stem beloofde
47
Hij haar de eeuwig schitterende lelie der maagden en den altijd groenenden palmtak der martelaren. Daarna sprak de goddelijke Moeder: âmijn liefkind, mijne welbeminde dochter, ik kom tot n om u te verkondigen dat uwe verlossing nabij is; hef dus uw hoofd omhoog, na drie dagen zuit gij dit vunzige kerkerhol verlaten!quot; Deze plotselinge zoo aanmoedigende verschijning vervulde de ziel der lieve maagd met eene hemelsche vreugde. Zij meende reeds de zekerheid te hebben van iets, waarom zij zoo vurig gebeden, waarnaar zij zoo smachtend verlangd had: verlost te worden van de allerhevigste beproevingen waardoor hare kuischheid zoo vaak en zoo langdurig in gevaar gebracht was.
De moeder des hemels, hare vreugde ziende, en wetend hoe allernadeeligst een valsche en niet vervulde hoop op den mensch kan werken, haastte zich aan hare eerste woorden toe te voegen: â'tis waar, mijne dochter, de duivelachtige aanvechtingen zullen na drie dagen ophou-den; niet echter dan nadat gij ondragelijke lichaamssmarten geleden en een laatsten doch vreeselijken strijd voor uwe deugden zult hebben doorstaan!quot; Ophethooren dezer onverwachte tijding verbleekte de H. Philomena. Zij, het kind van nog niet veertien jaren, stond dus voor eene zee van smarten; voor bekoringen zoo hevig als slechts de hel die kan uitdenken. Hare kortstondige vreugde was geweken, de menschelijke zwakheid nam voor een oogenblik de overhand en zoo groote bitterheid overviel haar dat zij meende te sterven. In haar doodsangst riep zij uit: âo mijn Bruidegom en gij, lieve Moeder, voor wie ik reeds zoo lang en zoo kloekmoedig gestreden heb; voor wie als martelares te sterven ik zoo vurig heb
4S
verlangd, komt mij te hulp, schraagt mijne wankelende krachten?quot;
Nu sprak de zoete Lievevrouw ten derden male tot het onschuldige kind in dezer voege: âMijne lieve dochter, nog eens, schep moed en vertrouw op mij; gij weet hoe innig ik u bemin. De naam, dien gij in het H. Doopsel ontvingt, is het onderpand dezer toegenegenheid, door de overeenkomst, dien hij heeft met den naam van mijn Zoon en den Mijnen. Gij heet Lumena, gelijk uw Bruidegom Licht genoemd wordt. Ster, Zon; en ik, Dageraad, Ster, Maan in de volheid van hare heerlijkheid. Laat daarom geene vreeze, welke ook, toe in uw hart; ik zelf zal u ten allen tijde krachtdadig ter zijde staan. Het is waar, een oogeiïblik kon de menschelijke natuur u ter neder slaan en hare rechten eischen; edoch, wanneer het uur van den strijd gekomen is, zal de genade uw hart in zoo groote mate overstroomen, dat gij u volkomen versterkt gevoelen zult. De H. Aartsengel Gabriël, wiens naam kracht Gods beteekent, zal dan ter uwer hulpe gereed staan. Van af dit oogenblik heb ik hem gebeden, dat hij u, als mijne welbeminde, op bijzondere wijze onder zijne machtige bescherming zal nemen!quot; Deze allerzoetste troostwoorden van de zoetste der moeders werkten wonderdadig op het hart der smetteloos-reine Maagd. Terwijl het goddelijk visioen verdween, bleef een hemelsche geur in het zwarte kerkerhol achter. Philomena gevoelde zich wonderbaar verkwikt.
Het bezoek der Moeder Gods aan de jeugdige martelares was de voorbode geweest van een vernieuwden, allerverwoedsten aanval der hel. Diokletiaan ten einde raad en meer dan ooit van het eene uiterste tot het
49
andere overslaande, van onuitbluschbaren liefdegloed tot krankzinnigen haat, verlangde een einde te maken aan zijne vergeefsche pogingen. Hij zon eindelijk overgaan tot de hevigste folteringen, ten einde haar, die hij noemde eene jeugdige stijfhoofdige, te dwingen, zij het ook tegen haar wil, zich Keizerin van Rome te laten kroonen. Wanhopend aan eenig goed gevolg, zoo hij den strijd in het onderaard-sche^duister van een paleiskerker bleef voortzetten, besloot hij de H. Philomena in het openbaar, ten aanzien zijner hovelingen, ten aanzien van het geheele volk desnoods, te kastijden. Hij beval dat men de nog steeds geboeide Martelares naar de strafzaal, tot de bijgebouwen van zijn paleis behoorend, zou overvoeren; daar zou zij openlijk de schandelijke straf der weerspannige slaven, de geeseling, verduren.
Na eenig toeven voor zijn rechterstoel verschenen, werd de jeugdige Bloedgetuige van Jezus Christus, op de volgende wijze, door den verbitterden Keizer toegesproken en veroordeeld. âDewijl gij,quot; zoo zeide hij, âdie ik in mijn hooge genade op den troon dei' Romeinsche Cesars wilde beuren, u niet geschaamd hebt, een door zijn eigen volk tot den smaadvolsten dood veroordeelden boosdoener voor uw Bruidegom te kiezen, boven een roemvol regeerenden Keizer, â is het billijk, dat gij met hem de straffen deelet, die aan zijn schandig sterven op een Kruishout zijn voorafgegaan. Deshalve, veroordeel ik u om hier in het openbaar wreedaardig gegeeseld te worden!quot; Het eenigste antwoord der moedige Maagd was: âmijn Jezus, mijn bloedige Bruidegom, voor U smacht ik naar dit lijden! Help mij in den strijd tegen de hel en hare dienaren; al mijn vertrouwen is op Uwe wonden!quot;
Bij het hoeren dezer kloekmoedige taal, die zijne aller
4
50
laatste hoop verijdelde, beval de dwingeland dat men met de strafoefening zon beginnen. Aanstonds werd de H. Philomena aan de geeselkolom gebonden en met zooveel geweld en een zoo groot aantal slagen gegeeseld, dat haar lichaam, gelijk dat van haar goddelijken Jezus, geheel bebloed was en slechts ééne wonde van het hoofd tot de voeten. De marteling was zóó hevig, dat sommige hovelingen duidelijke teekenen gaven van misnoegen over zooveel duivelsche wreedheid. Toen Diokletiaan bemerkte, dat de zwakke maagd op het punt was in onmacht te vallen, ja, dat zij misschien zou sterven, ontstak hij in de hevigste woede en beval dat men haar spoedig uit zijne oogen verwijderen en in haar vunzig kerkerhol zou neerwerpen. De beulen volvoerden dit bevel, zonder haar op eenige wijze te verzorgen; niet het geringste verband werd er gelegd, geen verzachtend geneesmiddel toegediend.
De Keizer was overtuigd, dat de zoo wreed gemartelde de onderstane pijniging slechts weinig tijds zou overleven ; maar, hij schoot te kort in zijn strijd tegen den Almachtige. Dezen behaagde het de glorievolle martelie zijner gewijde Bruid, tot de verheerlijking zijns Naams,, te verlengen; tot eeuwigdurenden roem der H. Philomena en tot schande harer vijanden. IJdel bleek daarom, door Gods tusschenkomst, de verwachting des dwin-gelands; ijdel echter ook het verlangen der geduldige Maagd, die gehoopt had, heden nog, het einde van haar hevigen strijd te zien en toegelaten te zullen worden tot de eeuwige omhelzing van haar goddelijken Bruidegom.
Zoo lag dan de heilige Bloedgetuige van Jezus Christus, zonder eenige voorzorg neergeworpen en uit duizend wonden bloedend, neder op den vochtigenkerkerbodem. Wèl
51
leed zij onuitstaanbare smarten, maar inwendig vloeide zij over van vrede en troost over den wettig volstreden strijd. In het oog harer vervolgers was zij eene melaat-sche zooals zij daar neerlag; voor God, die alles naar zijne werkelijke waarde schat, een kostbare parel, een juweel met fonkelrooden weerschijn, flonkerend door het voor den Geliefde gestorte martelaarsbloed. Eensklaps wordt, de onderaardsche kerker door een hemelschen glans verhelderd en dalen twee Engelen, schitterend van licht, neder naast de lijdenssponde der Heilige. Zij brengen aan Philomena den dank des Bruidegoms, moedigen haar aan tot nieuwen strijd, zalven hare wonden met godde-lijken balsem en laten de standvastige Martelares in geestverrukking, dosh geheel genezen achter. Nu gevoelt zij zich met nog meer moed bezield dan vóór de gruwzame geeseling; zij haakt naar nieuwe smarten en wil het eeuwige bezit van Jezus verdienen, door het storten van haar laatsten druppel bloed.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
De H. Philomena maakt alle aanvallen tegen haar Geloof te schande. In den Tiber geworpen, wordt zij door twee Engelen gered; daarna, met pijlen doorschoten, door God genezen.
Den volgenden morgen, van de wonderdadige genezing der heilige Martelares verwittigd en zijne ooren niet ge-loovend, doet de Keizer haar in zijne tegenwoordigheid en die zijner hovelingen voorbrengen. Niet zonder verbazing, erkent hij het mirakel en betuigt, dat zij volkomen
52
genezen is; zoo ook des Keizers dienaren, die den vori-gen dag bij de wreede geeseling tegenwoordig geweest waren. Op nieuw herleeft de hoop van Diokletiaan; zijne overdreven en dwaze liefde tot de jeugdige Martelares is verre van uitgedoofd. Hij tracht haar te doen gelooven, dat zij de volmaakte herstelling des lichaams te danken heeft aan den oppersten der heidensche goden, aan Jupiter, die volstrekt verlangt, dat zij Keizerin van Rome zijn zal. Bij deze en vele andere drogredenen, voegt hij de aanzienlijkste beloften, de vleiendste woorden, de ver-lokkendste aanbiedingen. Hij spant, in één woord, alles in het werk, wat in zijn vermogen is, om haar voor zijn wil te doen bukken; nogmaals hoopt hij het werk der hel, dat hij reeds veertig dagen heeft volgehouden, met een gunstig gevolg te zullen bekroonen.
Nieuwe, nog niet ondervonden moeilijkheden dus voor de H. Philomena! Zij hoort door den Keizer het Christendom en dezes goddelijke wonderen lasteren en den droeven, valschen afgodendienst der Heidenen verkondigen. Zelfs de hovelingen springen den Keizer bij; vooral, eenige hooggeplaatste heidensche Priesters, die, als steeds bij plechtige gelegenheden, ook waarschijnlijk nu den Keizer, in zijne hoedanigheid van Pontifex Maximus, omstuwen. Dezen, beter onderricht in alle heidensche dwaalleeringen en bijgevolg beter bespraakt dan andere hovelingen, meenen den Keizer aan zich te zullen verplichten, zoo ze de moedige jonkvrouw overtuigen dat zij alles versmaadt en alles lijdt voor ijdele hersenschimmen. De goddelijke Geest, die eens van zichzelven neerschreef: âIJveraar is de naam des Heerenquot; '),
3) Ex. 34. 14.
53
en âmijne Glorie zal ik een anderen niet afstaan,quot;') sterkte in deze allermoeilijkste omstandigheden de zwakke Maagd met standvastigheid en vervulde haar met zóóveel wijsheid, dat zij al hunne drogredenen weerlegde. Met zóó groote klaarheid verdedigde zij haar Geloof en zette zij het Christendom uiteen, dat, zooals de Visioenen op dit punt getuigen, ânoch Diokletiaan, noch een zijner handlangers een woord meer wisten te antwoorden!quot; Wat is God toch wonder in zijne werken! Gelijk eenige jaren later de EL Katharina te Alexandrië zegevierend staan zou voor den rechterstoel des dwingelands Maximus, te midden van een groot getal Geleerden, tegen hooge belooningen uit verre landen bijeen geroepen, om haar van de valsch-heid des Christendoms te overtuigen en voor het Heidendom te winnen, â zóó bevindt zich hier de nog niet veertienjarige Philomena voor keizer Diokletiaan en zijne trawanten, om, in de kracht des H. Geestes, de dwaze wijsheid dezer Vergadering te doen bukken voorde wondermacht van Dengene, wiens leer âden Joden eene ergernis, den Heidenen eene dwaasheid (was).quot; ;)
Zich op nieuw en op zoo tastbare wijze overwonnen ziende, verviel de Keizer in een zonderlingen aanval van woede; zijne hovelingen weken als verschrikt ter zijde. Hij vloekte bij zijne valsche goden en beval, dat zijne lijfwacht, op staanden voet, de wonderdadig genezen Maagd, met een anker aan den hals, in de diepste wateren van den Tiber zoude verdrinken.
Aanstonds werd aan de uitvoering van dit bevel de hand gelegd en op die wijze het tooneel der marteling onder de oogen gebracht van geheel Rome. De open-
') Is. 42. 8
J) 1. Cor. 1. 23.
54
baarheid, waarmede de Keizer voor weinige weken in een plechtig Verhoor de hand der H. Philomena geëischt had, de langdurigheid harer gevangenis, hare standvastigheid en de reeds na hare geeseling voorgevallen wonderen, dat alles had de belangstelling, althans de nieuwsgierigheid, van velen opgewekt. Geen wonder, dat er, wanneer de Bloedgetuige van Christus in Homes straten verscheen te midden van soldaten en beulen, eene duizendhoofdige menigte te wachten stond. Onder dezen, men mag het gereedelijk aannemen, waren eenige Christenen; anderen tot het Christendom geneigd. Dezen werden, bij het zien der kloekmoedige en zoo jeugdige Martelares, tot in het diepst hunner ziel bewogen. De ^roo^e had slechts
verachting voor haar over. Luide kreten zij haar uit als eene zinnelooze, die den vreeselijksten marteldood verkoos boven een door iedere Romeinsche begeerd huwelijk met den oppermachtigen Cesar. Onder smaad en hoongelach werd zij daarom begeleid naar de, voor haar dood, door de beulen gekozen plaats aan den Tiber.
God, âdie het heelal met drie vingeren omkneld houdtquot;1) en in Zijne almacht aan zeeën en wateren gebiedt, had ook ditmaal anders beschikt dan de wreedaardige Keizer; Zijne Bruid zou den dood niet vinden in de wateren van Romes vloed. Ten tweeden male zond Hij haar zijne heilige Engelen ter hulp. Twee dezer gelukzalige geesten sneden, op het oogenblik der marteling, de koorden door, waarmede de Heilige aan het anker gebonden was. Dit plofte in de kokende wateren neer, terwijl Gods dienaren de moedige Bloedgetuige, onder het oog van de duizende toeschouwers der wereldstad, op zachte wijze nederzetten aan den oever der rivier.
1
) Isaias. 40. 12.
55
Het nieuwe wonder, dat een aanzienlijk getal goedge-zinden tot het ware Geloof in Christus bekeerde, werd ditmaal door den Keizer aan zekere geheime toovermid-delen toegeschreven. Op zijn bevel werd derhalve de Maagd andermaal door Romes straten voortgesleurd naar eene andere strafplaats; daar, zou zij zoolang met eens hagelbui van pijlen doorboord worden, dat zij er, onder de oogen der talrijke menigte, het leven bij zoude inschieten. Zij moest, zoo luidde 's Keizers onherroepelijk bevel, sterven; en op dezelfde wreede wijze, waarop Diokletiaan, weinig tijds geleden, den H. Sebastianus, bevelhebber zijner keizerlijke lijfwacht, had doen martelen. Zonder verder oponthoud werd dit onmenschelijk bevel voltrokken; met zóóveel wreedaardigheid werd de H. Philomena doorschoten, dat geheel haar lichaam met pijlen overdekt was en stroomen bloeds uit al hare ledematen ter aarde vloeiden. Geheel verscheurd, viel zij, den dood nabij, uitgeput ter aarde. De tiran, die zich waarschijnlijk met eigen oogen in dit schouwspel verlustigd had, deed haar na de marteling, zeker van haar aanstaanden dood, nogmaals naar het duistere kerkerhol van zijn paleis vervoeren; daar kon zij, van allen verlaten, den bitteren dood verbeiden.
Maar de goddelijke Bruidegom verliet zijne Heilige niet; op nieuw kwam Hij haar ter hulpe. Hij zond der zalige Maagd een allerzoetsten slaap over; bij haar ontwaken was zij geheel genezen van elke wonde.
56
NEGENDE HOOFDSTUK.
De H. Philoiriena wordt ten tweeden male doorschoten; ditmaal met gloeiende pijlen. Gods wonderbare tnssohenkomst.
De keizer doet haar onthoofden.
Deze nieuwe, zoo wondervolle herstelling, na de vreese-lijke wonden van den voorafgaanden martelstrijd, kon onmogelijk verborgen blijven voor den Keizer. Nu sloeg zijne woede tot razernij over. âWelaan,quot; zoo beval hij, âdat zij op nieuw met pijlen doorboord worde; ditmaal zoo lang, totdat zij voor mijne oogen den geest gegeven hebbe!quot; Dwaze Diokletiaan, die meende tegen God-zelf sterk te zijn!
De bekwaamste boogschutters worden ontboden. Dezen spannen al hunne krachten in en mikken met juistheid; alles te vergeefs! De pijlen weigeren hun dienst, vallen in stukken neder of wijken af van hunne baan; de meest kundige zelfs is niet bij machte de heilige Maagd te wonden. Yan oogenblik tot oogenblik meer opgewonden bij zoo klaarblijkelijke hemelsche tusschenkomst, scheldt Diokletiaan de Bloedgetuige voor eene toovenares. In den waan, dat hare duivelskunsten, zoo hij ze noemde, niet tegen vuur bestand zullen zijn, beveelt hij een vuuroven aan te halen. Daarin moeten de punten der ijzeren pijlen witgloeiend gestookt en zoo andermaal op het slachtoffer gericht worden. Ten vijfden male streed nu de Heer voor zijne heilige Bruid; ditmaal, als de over zoo hard-nekkigen wederstand vertoornde God. De pijlen, bij de eerste poging meest alle gebroken, breken niet meer. Zij nemen, na vooraf een gedeelte hunner baan te hebben afgelegd, eene tegenovergestelde richting en keeren zich
57
woedend tegen degenen, die ze op de Heilige hebben afgeschoten. Zes der boogschutters storten dood ter aarde, verscheiden andere verloochenen het Heidendom; ook het volk betuigt zijne vreugde over de verlossing der zalige Maagd en roept, dat zij vrijgelaten moet worden. Velen loven den God der Christenen, die machtig is de zijnen, zoo noodig door wonderen, van den dood te redden, indien Hem zulks behaagt.
Bij het zien dezer bovennatuurlijke voorvallen, wordt het den tiran bang om het hart. Niet, dat hij medelijden gevoelen zou voor zijn zoo wreedaardig gemarteld slachtoffer ; niet, dat hij zich maar eenigszins storen zou aan de zoo duidelijk waarneembare goddelijke tusschenkomst; neen, hij vreest, dat het volk, hetwelk zoo vele jaren reeds zijne wreedheden verfoeit en hier openlijk voor Philomena getuigt, tot geweld zal overslaan. Wie weet, zij willen misschien de Bloedgetuige uit zijne klauwen verlossen; eene daad, die hem in zijne eer aantasten en van het genoegen beroovenzou, de prinses, die een Keizer zoo vuig versmaadde, tot in den dood te vervolgen.
Daarom, nog steeds van dwaze liefde en nuttelooze woede brandend doch zonneklaar inziend dat al zijne verwachtingen ijdel zijn, dat niets den standvastigen wil der heilige Martelares kan breken, vervalt Diokletiaan in een soort van zinneloosheid. Tijdens deze razernij beveelt hij, dat zijne lijfwachten haar het hoofd zullen afslaan.
Bij het vernemen van dat gruwzaam bevel, springt de H. Philomena op van vreugde en roept zij uit: âzoo is dan de winter voorbij, hebben de slagregens opgehouden en is de lente verschenen! Ik kom, o mijn Bruidegom, ik kom, ik ga gekroond worden!quot;1) Met denzelfden on-
1
) Romeinsch Brevier.
58
gebroken moed, waarmede zij de valsche raadgevingen harer ouders overwonnen, de duivelsche aanvechtingen tegen hare deugd afgeslagen, de spitsvondigheden des Keizers en zijner heidensche Priesters weerlegd en de bloedige martelingen doorstaan heeft, buigt zij het onschuldige hoofd en vliegt heen naar de hemelsche gewesten. quot;Wat eens de Joodsche Synagoge zong bij den triomf der kuische Judith, dat mogen wij hen nazeggen bij de zegepraal onzer kuische Philomena: âgij, maagd, zijt de roem van Jeruzalem; gij, de vreugde van Israël; gij, de eer van ons (Christen) volk! Want gij hebt mannelijk gehandeld en uw hart is gestaald geworden, dewijl gij de kuischheid (boven alles) bemindet; deshalve heeft de hand des Heeren u versterkt en daarom zult gij gezegend zijn in eeuwigheid!quot; ;)
Zóó stierf deze roemvolle Bloedgetuige Gods. Zij stierf op hetzelfde uur, waarin haar Bruidegom zijn leven ten offer bracht voor de zaligheid der wereld, des Vrijdags, op het derde uur na den middag. âKostbaar is voor het aanschijn des Heeren de dood zijner rechtvaardigen!quot;2) Niet alleen dartelt, aanstonds na haar verscheiden, de jeugdige Heilige voor Gods troon, omhangen met het sneeuwwitte kleed der Maagden en liet bloedroode gewaad der Martelaren, dragende in hare handen den palmtak der overwinning, â maar God heeft haar, zooals zij zelve in het Visioen aan de godvruchtige kloosterzuster Maria Luigia te Napels openbaarde, âeene voorname plaats aangewezenquot; onder degenen, die Zijn troon in alle eeuwigheid omringen.
De onmeedoogende tiran, die tegenover de werken des
*) Judith 15. 10 eu 11.
Psalm 115. 15.
59
H. Geestes in deze heilige Martelares zoo klaarblijkelijk met God-zelf den spot gedreven had, zou van nu af gevoelen, dat des Heeren hand ook de Romeinsche Cesars treffen kan, wanneer en waar het Zijner Almacht goeddunkt. Nauwlijks was het hoofd der H. Philomena in zijn bijzijn onder het zwaard des beuls gevallen, of hij geraakte in de uiterste wanhoop. Vloekend riep hij uit: âzoo is het dan gedaan met haar; Philomena zal nooit mijne echtgenoote worden! Tot haar laatsten snik is zij mij wederspannig geweest; nu is zij dood, maar ik, hoe zal ik leven!quot; ') In dolle woede trok hij zijn baard uit, stortte zich onder afgrijselijke stuiptrekkingen van het bovenste zijns troons op den grond neder, beet alles wat onder zijn bereik was met zijne tanden stuk en getuigde, dat hij geen keizer meer blijven wilde. Het gevoelen is niet ongewettigd, dat de vreeselijke marteldood der H. Philomena en zijne bedrogen hoop mede de oorzaken geweest zijn, die Diokletiaan genoopt hebben, korten tijd na den marteldood der Heilige, in het jaar 305, kroon en schepter neer te leggen en zich in het onaanzienlijk Salone in Dalmatië terug te trekken. â ) De Lezer weet, dat des Keizers leven voorts eene aanhoudende marteling geweest is en dat hij zich doodgehongerd heeft, dewijl keizer Con-stantijn zijne standbeelden had doen verwijderen. â '')
De H. Philomena heeft den strijd ten einde toe volbracht. Zegepralend is zij te voorschijn gekomen uit de duivelsche aanvallen tegen hare kinderliefde, hare kuisch-heid, haar geloof, haar bloedend lichaam, hare gefolterde ziel. Nu bezit zij eene kroon, schooner dan alle diademen,
') Woorden uit het Eerste Visioen.
Rom. Gesch. in vita Diocletiani.
'1) Lactantius, De mort. persec.
60
die een aardsch Keizer op hare slapen had kunnen drukken, hemelsche luister omgeeft haar; want, om met den H. Paulus te spreken, âeene overtreffende zwaarte van heerlijkheidquot; '), haar dompelend in een zee van zaligheid, heeft God aan haar gewrocht. Welaan, zal eene aarde, die zoo kostbaren parel kweekte, geen deel hebben aan hare verdiensten? Of veeleer, is zij niet heengegaan om van uit de woonplaats Gods, waar zij zoo naast zit aan den troon des Lams, ons, achtergebleven hulpeloozen, aan hare verdiensten deelachtig te maken? God dank! Zóó is het! Een regen van genaden zal over het aardrijk nederdauwen ter wille van de H. Philomena, die, op aarde verblijvend, alles voor God heeft veil gehad.
Die overvloedige gunsten eenigszins uitéén te zetten, ziedaar de korte taak die ons in het Tweede Gedeelte van dit werkje overblijft.
') 2. Corinth. 4. 17.
Tweede Gedeelte,
TIENDE HOOFDSTUK.
Overvoering der H.H. Reliquiën naar Mugnano, in Suid-Italië. quot;Wonderen te Napels.
Vijftien eeuwen lang zijn de kostbare Overblijfselen der H. Maagd en Martelares Philomena verborgen gebleven, door de geheele wereld vergeten; eensklaps verschijnen zij, door Grod-zelf met eer en glorie omkroond. Den 25sU'u Mei van het jaar 1802 gevonden, werden zij, zooals wij te dezer plaatse verder uiteen zullen zetten, den 10l1quot; Augustus 1805, voor goed te Mugnano in het Italiaansche Bisdom Nola ter vereering uitgesteld. Daar begonnen aanstonds de wonderen in zóó grooten getale, dat zij der H. Martelares den naam van de groote Wonderdoenster der XIXda eeuw hebben verworven. Waarom de Overblijfselen dezer voorname Heilige vijftien eeuwen verborgen moesten blijven, wie is er, die het ons zeggen zal? Hoe meer ik over deze wonderbare daadzaak nadenk, des te meer moet ik hier Gods zichtbare leiding aanbidden. Ik vraag mij af, hoe het mogelijk was dat de gedachtenis eener Heilige, zoo roemruchtig van afkomst, zoo onvergelijkelijk door kuischheid, zoo openlijk voor het aanschijn van geheel Rome op de langdurigste en de vreeselijkste wijze gemarteld, in Gods Kerk als ver-
62
loren ging op hetzelfde tijdstip, waarin hare gelijken, Agnes en Lucia â welke laatste niet eens te Rome maar te Syracuse gemarteld is â aanstonds in den Romein-schen Kanon werden opgenomen? Indien ik eene reden moest aangeven van deze duidelijke voorbeschikking des Heeren, ik zou geen andere kunnen en durven noemen dan deze: dat God den nood der tijden voorziende, ons eene bijzondere Patrones heeft willen bewaren, die Zijne allerliefste Bruid is. Aan onze dagen zouden ten goede komen, zoo wilde het Zijne Voorzienigheid, hare verdiensten; onzen dagen zou ten deel vallen de overvloed van mirakelen, die Hij ter verheerlijking van de H. Philomena zou doen in eene mate, als wilde hij daardoor de schade herstellen, die zij vijftien honderd lange jaren geleden had. Dank daarvoor Zijner eeuwige Barmhartigheid; ons echter de plicht, in Gods inzichten te treden en de lieve Heilige naar vermogen, met alle vertrouwen, te eeren en hare machtige voorspraak in te roepen.
Drie jaren na het terugvinden der kostbare Overblijfselen van de H. Philomena, kwam een zeer bekend en ijverig Missionaris, Don Francesco de Lucia, door Mon-signore Bartolomeo de Cesare, verkoren Bisschop van Potenza vergezeld, van Napels naar Rome, om een der op eigen naam uitgegraven lichamen voor zijne huiskapel te verzoeken.') God had dit oogenblik uitverkoren om
') De lichamen der heilige Martelaren op zóódanige wijze in de Eomeinsche Katakomben gevonden, dat niet eenig monument hun naam aanduidt, krijgen een nieuwen naam, onder welken zij voortaan door de H. Kerk erkend en vereerd worden. Het gevolg van deze gewoonte is, dat de overblijfselen der Heiligen, wier namen door hun Grafgesteente of anderszins bekend zijn, zooals wij dat van de H. Philomena gezien hebben, hooger geschat worden, dan de niet bij name bekende lichamen.
63
een begin te maken met de Openbare Vereering onzer Heilige en de ontelbare reeks mirakelen, die ter gelegenheid dier vereering zouden geschieden. Van nu af wilde Hij de groote glorie bekend maken, waarmede Hij deze heilige Maagd reeds vóór vele eeuwen in den hemel omkleed heeft; velen ook deelachtig maken aan de vruchten harer machtige voorspraak.
Men was, te Rome, in den beginne, niet zeer geneigd zoo groot een verzoek voetstoots toe te staan. De bekende ijver nochtans van den Missionaris, zijn groote verdiensten, mede zijne aanhoudende gebeden, gesteund dooide machtige voorspraak des Bisschops van Potenza, deden eindelijk de Pauselijke Bewaarders der heilige lichamen besluiten zijne aanvraag in te willigen. Van de noodige volmachten voorzien werd hij (toegelaten tot de zalen, waar de heilige uit de Katakomben opgegraven Overblijfselen berustten, opdat hij daar zelf eene keus zou doen), ontvangen door Monsignore Ponzetti, toenmaals Pauselijk Custos. Nauwelijks bevond zich Don Francesco de Lucia te midden van zoo vele heilige lichamen, of, de Reliquieën der H. Philomena naderend, gevoelde hij, zooals hij later zelf te boek stelde, eene geheel buitengewone aandoening. Deze toekende zich zoodanig op zijn gelaat af, dat zij met verwondering door Mgr. Ponzetti werd opgemerkt. Hij stond als aan de plaats vastgenageld en gevoelde een hevigen innerlijken aandrang om de Overblijfselen dezer groote Maagd en Martelares te bezitten. Waarschijnlijk niet onderricht van het schitterend mirakel der glinsterende bloedpartikels bij de terugvinding van het Graf der Heilige,1) dorst hij nochtans zijne begeerten niet
1
) Zie: Eerste Hoofdstuk.
V
64
uitdrukken, in de vreeze, dat er niet aan voldaan zou worden. Toch bleef hij deze Overblijfselen boven alle andere stellen, om redenen, waarvan hij zich geene verklaring kon geven. Terwijl hij immer tusschen hoop en vreeze op dezelfde plaats bleef vertoeven, liet Monsignore Ponzetti, die hem reeds geruimen tijd met zijne overdenkingen alleen gelaten had, zeggen: dat hij zelf de voorliefde van den Missionaris bemerkt hebbende voor het lichaam der H. Philomena, dit volgaarne afstond. Tevens werden er de profetische woorden bijgevoegd: âMonseigneur is overtuigd, dat de Heilige gaarne naar Mugnano heengaat en dat zij daar vele mirakelen doen zaïr
Dit bericht was den braven priester als eene tijding uit den hemel. Nu had hij geene gedachten meer dan om de beste wijze te vinden, waarop hij den kostbaren schat naar zijn eigen woning, te Mugnano, zou overbrengen. Te vergeefs echter ; naar zijn tijdelijk verblijf weergekeerd, verwachtte hij de heilige Overblijfselen, die hem, volgens afspraak, dien eigen dag zouden overhandigd worden. Ook de tweede, de derde dag verstreek zonder dat hij zich in het bezit van den schat, waaraan geheel zijne ziel hing, gesteld zag; hij begon te twijfelen of Mgr. Ponzetti zijn woord wel gestand zou doen. Inderdaad, hetzij dat er van hoogerhand tegenbevel gekomen was, hetzij, dat de Pauselijke Custos inzag te ver gegaan te zijn door aan een privaat priester het geheele lichaam eener op naam uitgegraven Martelares af te staan, nogwel op een tijd, waarin (zooals in 1805) zeer weinige dergelijke overblijfselen gevonden werden; Mgr. Ponzetti deed den Missionaris weten, dat hij zich verplicht zag zijne belofte in te trekken. Tegelijk zond hij hem een
65
lijst van twaalf, niet op naam gevonden, lichamen, waaruit Don Francesco zelf eene keuze zou doen.
De godvruchtige priester zag zich door dit verloop dei-zaak niet weinig teleurgesteld. Dat hij zich te Napels en te Mugnano, waarheen hij reeds bericht gezonden had, zou moeten verontschuldigen , was van zijne nederigheid niet te veel gevergd; dat hij echter, niettegenstaande alle tegenheden, niet besluiten kon zijne keuze op een ander lichaam dan dat der H. Philomena te bepalen, was iets wat hem zeer ter harte ging. En toch, de redenen dei-intrekking eener reeds toegestane gunst waren, in deze, van zoo ernstigen aard, dat de Missionaris er zich bij moest neerleggen. Nauwelijks intusschen had hij, door bovenvermelde en vele andere moeilijkheden, alle hoop verloren ooit de kostbare Reliquieën zijner geliefde Heilige machtig te zullen worden, daar werden zij hem, op het onverwachtst en zonder naderen aandrang, in zijne woning-ter hand gesteld. O aanbiddenswaardige leiding der goddelijke Almacht, die wilde, dat de Vereering der H. Philomena van den beginne af door wonderbare wegen zou loopen!
Zoo spoedig- mogelijk vertrok de gelukkige bezitter, in tegenwoordigheid van Mgr. Bartölomeo de Cesare uit Rome naar Napels. Bij de kortheid, die wij in acht te nemen hebben, ontbreekt ons de gelegenheid veel van deze reis te zeggen. Ik wil daarom alleen vermelden, dat er, voordat zij Napels bereikten, reeds vier wonderen geschied waren. De drie eerste betroffen meer bijzonder de heilige priesters die beloofd hadden âdat zij de kostbare Reliquieën met den meest mogelijken eerbied zouden overvoerenquot;. Voorts ontsnapten zij zeiven en hunne medereizigers, in de omstreken van Capua, zóó wonderdadig aan een rechtstreeksch levensgevaar, dat allen,
5
66
uit één mond, hun behoud aan de H. Philomena toeschreven.
Te Napels aangekomen, werden de hooge reizigers door een vroom en voornaam man, Don Antonio Terres, vol vreugde ontvangen. Deze zette de heilige Reliquieën in zijne huiskapel neder en werd, haar ter wille, als een andere Abinadab, een nieuwe Obededom, ruimschoots door God gezegend. Aanstonds maakte men toebereidselen tot den openbaren eeredienst. Nadat het H. Gebeente der Martelares gerangschikt was, werden zij bekleed met een niet al te kunstig vervaardigd bordpapieren lichaam, eenvoudig doch sierlijk omhangen met een vrouwelijk gewaad van edelen vorm. Alsdan legde men de Heilige in een glazen reliquiekast, die met de kerkelijke zegels gesloten werd. Dewijl de huiskapel dei-familie Terres te klein van inhoud was om den toeloop der velen, die de kostbare Overblijfselen verlangden te vereeren, toe te laten, werden deze overgebracht naar eene openbare kerk der stad; waar zij op het altaar van O. L. Yrouw der Genade werden uitgesteld. Drie dagen lang was de toeloop der menigte en hunne godsvrucht buitengewoon; toch deed de H. Philomena, tegen aller verwachting, in deze kerk niet het geringste mirakel. Het is bekend dat de Italianen, bij name de Napolitanen, vurig en onstuimig bidden kunnen ; zij bleven intusschen, waar zij om een wonder smeekten, onverhoord. God wilde hierdoor toonen dat hij voor de verheerlijking zijner Bruid niet het weelderige Napels, maar het arme landstadje Mugnano, in het bisdom van Nola, waarheen Don Francesco de heilige Reliquieën vervoerde, had aangewezen. Dat bleek te meer, toen de Pastoor van bovengenoemde parochiekerk en zijne parochianen later
67
verklaarden, dat, hadde de Heilige in hunne kerk mirakelen verricht, zij allen de uiterste moeite gedaan zouden hebben om haar voor zich te behouden.
God wilde nochtans de godsvrucht der Napolitanen en de hartelijkheid der familie Terres niet geheel onbeloond laten; ook de stad Napels, zij het uiet in eene openbare parochiekerk, zou eenige wonderen mogen aanschouwen. Nadat de heilige Overblijfselen teruggebracht waren naar voornoemde huiskapel, geschiedden er, kort achtereen, drie mirakuleuze genezingen. De eerste betrof de godvruchtige Angela Rosa, gemalin van den heer des huizes. Mevrouw Terres, die sinds twaalf jaren aan eene onge-neeselijke kwaal leed, zag met vertrouwen op naar de H, Philomena, wier kostbaar overschot onder haar hei-bergzaam dak rustte; zij genas geheel. Uit dankbaarheid vereerde zij de Heilige met een kelk van hooge waarde. Het tweede mirakel deed de heilige Martelares ter genezing van den Advokaat Michaële Ulpicella, sinds lange maanden met de allerzwaarste heupjicht geplaagd; in een draagstoel werd hij bij de heilige Reliquieën gebracht, te voet. God en de H. Philomena dankend, verliet hij de kapel. De derde genezing geschiedde aan eene dame, mede van den hoogsten stand, wier hand ongeneeslijk door kanker was aangetast. Yertrouwvol legde zij, bij het slapen gaan, eene reliquie der Heilige op hare wonden; de heelmeester, die den volgenden morgen kwam om hare hand af te zetten, vond geen kanker meer.
68
ELFDE HOOFDSTUK.
Van Napels naar Mugnano; onderweg nieuwe mirakelen.
De Heilige wordt te Mugnano in triomf ontvangen; groote volkstoeloop en vele wonderen.
Zooals wij weten, waren de Reliquieën der H. Philo-mena bestemd om vereerd te worden in het kleine berg-stadje Mugnano in het koninkrijk Napels, de verblijfplaats van den godvmchtigen Don Francesco de Lucia. Ja, daar, zou God toonen, hoezeer Hij zijne Bruid bemint; hoe machtig deze hij Hem is. Laten wij daarom overgaan tot het beschrijven van den Triomftocht, waarmede de kostbare Overblijfselen door de inwoners der geheele landstreek te Mugnano werden ingehaald.
De burgers der stad Mugnano waren, door het oponthoud te Napels en de daar voorgevallen wonderen, geheel bekend geworden met het groote geluk dat hun te beurt zou vallen. Daarom hadden zij twee sterke dragers naar Don Francesco afgezonden om bij het verdere vervoer behulpzaam te zijn en het ongeduld te boodschappen, waarmede allen de aankomst der Heilige verbeidden. Nu mocht de ijverige Missionaris niet langer toegeven aan de beden der familie Terres, die de kostbare overblijfselen nog ten harent verlangde te behouden. Om die brave lieden te troosten, stelde hij aan de gade van Don Antonio de sleutels ter hand, waarmede de reliquiekast gesloten was ; daarna aanvaardde hij aanstonds de reis.
Gedurende de reis gevoelde zich een der dragers, die reeds van af den vorigen dag ongesteld was, geheel ongeschikt zijn dienst verder te verrichten. Don Francesco, vol geloof, zeide hem: âheb moed, mijn zoon;
69
betrouw op de H. Philomena; volbreng uw plicht, en gij zult genezen zijn!quot; De brave man deed wat de Missionaris hem beval; op hetzelfde oogenblik was hij geheel hersteld. Opmerkelijk ook was op dit tijdstip de lichtheid der heilige Overblijfselen; de genezen drager kon niet nalaten bijna ieder oogenblik uit te roepen; âo wat is de H. Philomena licht, zij weegt niet meer dan eene veder!quot; De eerwaarde bezitter der Reliquieën, die den tocht bestierde, uit godsdienstigen eerbied een tijd lang een der dragers aflossend, bevond, dat de mirakuleus genezene de volle waarheid gesproken had. Hij kon deze lichtheid slechts aan een wonder toeschrijven; een wonder, dat zich uit volgende feiten nog duidelijker zai openbaren.
Don Francesco, van het ongeduld verwittigd waarmede men te Mugnano wachtte, had met geheel zijn gevolg Napels tegen den avond verlaten. Op de maan vertrouwend, nam hij geen voorzorgen om hun pad des nachts, zoo noodig, te verlichten; zonder hindernissen konden zij tegen het aanbreken van den dag gemakkelijk hunne bestemming bereiken. Maar ziet, daar verdwijnt de helderheid des hemels achter dreigende wolken; geheel het geleide vervolgt den weg onder onheilspellende duisternis. God liet dat alles toe, om zijne dienstmaagd te verheerlijken. Zoodra hadden niet allen tot God, door de tusschenkomst der H. Philomena, met vurigheid gebeden, of er verscheen eene lichtkolom, waarvan het onderste uiteinde op de heilige Overblijfselen scheen te rusten. Deze bleef tot aan den morgenstond hun pad verlichten.
Er ontstond een algemeene vreugde, een oogenblik slechts gestoord om plaats te maken voor de blijdschap van een nieuw mirakel. Tot het dorp Cimitile genaderd,
70
werd de Heilige zóó zwaar, dat de dragers hun weg bijna niet konden vervolgen. Hoe dichter bij de plaats, hoe zwaarder de last; ieder oogenblik bleef men stilstaan. Don Francesco sprak den dragers moed in, edoch, met den besten wil, konden zij niet verder; hunne krachten waren ten einde. Juist sloeg het middernacht; tot den dageraad hier vertoeven was geheel het gemaakte plan doen mislukken. Waar echter de noodige krachten van daan gehaald op dat nachtelijk uur? Er kon geene hulp komen dan van God; nogmaals dus met nieuwen moed voortgegaan. Een oogenblik later stonden de dragers, hijgend en uitgeput, weder stil. Intusschen verschijnen eenige inwoners van Mugnano, die den kostbaren schat te gemoet gereisd waren; zij sluiten zich aan bij de dragers. O wonder! Nauwlijks hebben deze bevoorrechten zicli bij hen gevoegd, of meerder krachten zijn onnoodig; de Heilige heeft hare vorige lichtheid teruggekregen! Nu versterven de klachten op aller lippen, men hoort niets meer dan den uitroep: âmirakel, mirakel! Leve God; leve de H. Philomena!quot;
Om de feestelijke stemming waarmede de inwoners van Mugnano hunne Heilige ontvingen, volledig te verklaren, moeten wij te dezer plaatse nog een ander mirakel inlasschen; een mirakel, waardoor de Heer aller harten voor zijne Bruid gewonnen had, reeds vóór de aankomst harer Reliquieën. Sedert vele weken heerschte er te Mugnano en omstreken eene verschrikkelijke droogte. Het gebeurde, dat daags voor den Triomfdag der H. Philomena in het stadje alle klokken geluid werden ten tee-ken der algemeene vreugde. Eenige inwoners zeiden in hun eenvoudig, doch geloovig vertrouwen tot elkander: âals de nieuwe Heilige de vereering, welke wij voor haar
71
koesteren nog wilde doen toenemen, behoefde zij slechts onze akkers met een malschen regen te besproeien!quot; Vóór dat de klokken zwegen viel de zoo lang verwachte regen in overvloed. Nu riep men van alle kanten: âdank aan God! Leve onze nieuwe Heilige!quot;
Het was onder deze stemming, dat de morgen aanbrak; de morgen, door den Heer uitgekozen om zijne lieve Bruid, om de H. Philomena, haren Triomftocht te laten vieren. Na de lange nachtelijke reize nadert de godvruchtige stoet het stadje; van verre galmen de blijde tonen der stadsklokken en de geestelijke gezangen der inwoners hun toe. Geheel de bevolking is op de been, allen willen de geliefde Heilige ontvangen; de kinderen vooral, met olijftakken in de handen, springen van blijdschap rondom de heilige Overblijfselen.
Yan alle omliggende buurten stroomt het geloovige volk toe om in den triomftocht der nieuwe Heilige en hare gunsten te deelen. Hoe verheven is toch het Katholiek Geloof! Een storm van vreugdekreten breekt telkens op nieuw los: âglorie aan God; leve de H. Philomena!quot; Het is een ware triomftocht, een triomftocht, zooals alleen de vurige Italianen, in hun kinderlijk vertrouwen, aan God en zijne Heiligen kunnen aanbieden. Edoch, juichte Gods strijdende kerk op aarde, juichte zij voor eene Hemellinge, voor een lidmaat der zegepralende kerk hierboven, â de Hel en hare duivelen, die de H. Philomena tijdens haar veertig lijdensdagen zoo gruwelijk bestookt hadden, zouden nog eens hunne krachten beproeven. Terwijl Don Francesco de heilige Overblijfselen onthult, om ze door de omstanders te doen vereeren; terwijl dichte drommen zich om het lichaam der H. Philomena verdringen en alom het geroep weergalmt; âo God, wat
72
is zij schoon, zij straalt van hemelschen glans!quot;; on-staat er bij heldere lucht een ontzettende orkaan, die met de grootste woede op de saamgepakte menigte neerploft. Nu hoort men vernieuwde kreeten; ditmaal van ontzetting en gebed. âGod, barmhartigheid! H. Philome-na heb medelijden met uwe dienaren en dienaressen!quot; Intusschen valt de storm met zooveel hevigheid op de heilige Reliquieën neer, als moesten deze, op kist der Hel, vernietigd worden. Maar de Heer sprak op nieuw het woord, dat hij vroeger tot de verbolgen zee gezegd had: âtot hier zult gij komen, verder niet; hier zult gij de woede uwer baren breken!quot; ')
De storm neemt, als ware hij door eene onzichtbare hand uit zijne baan geleid, zonder eenig onheil te dezer plaatse gesticht te hebben, een andere richting. Hij valt op een naburigen berg, ontwortelt daar eenige boomen, ten teeken zijner ontzettende kracht, en verdwijnt zooals hij gekomen was. De orkaan had alleen gediend om nieuwen luister aan dezen dag der Dienaresse Gods bij te zetten. Don Francesco dankt uit aller naam God en zijne lieve Heilige; de processie stelt zich in orde en trekt, te midden van de nog altijd aangroeiende menigte, de kerk van O. L. Vrouw van Genade binnen, waar het heilige lichaam op het hoogaltaar plechtig ter vereering wordt uitgesteld. Van af dezen dag, den 10'lequot; Augustus 1805, den eigen dag van den marteldood der H. Philomena, werd het kleine stadje Mugnano (in het bisdom van Nola, eenige uren boven Napels, gelegen) het tooneel eener zoo groote menigte wonderen, dat het korte bestek van dit werkje niet toelaat ze alle op te sommen. Wij zullen hier en
'j Job 38, II.
73
daar eene greep doen ; vooral onder de mirakelen, die den eereclienst en het lichaam der ]\^irtelaresse zelf aangaan.
De dag, volgende op dien der plechtige ontvangst, een Zondag, was bestemd tot het feest der Inhuldiging en zou voortaan, als de voornaamste feestdag der Heilige, met een plechtig Octaaf gevierd worden. Ook de H. Kerk heeft het ritueel Officie der H. Philumena, dat zij aan sommige Bisdommen toestond, op den H'1quot;quot; Augustus gesteld. Den geheelen dag door, stroomden, met de inwoners van Mugnano, ook de geloovigen van wijd en zijd naar de kerk om de nieuwe Heilige te komen 'er-eeren. In hun eenvoud riepen zij elkander toe: âwij moeten mirakelen zien ; wanneer zal de H. Philomena wonderen verrichten?quot; Zij wisten toen nog niet, dat hun geloof reeds met een mirakel beloond was. Dien eigen nacht had zekere Angelo Bianco, die sinds vele maanden met hevige jichtpijnen te bed lag, zich gedrongen gevoeld den bijstand der H. Martelares in te roepen. Hij deed de belofte, dat hij den volgenden dag, indien zijne pijnen zouden ophouden, de processie langs Mugnano's straten zou volgen. Zijn groot vertrouwen genas hem.
Acht dagen later, op den dag der sluiting van het plechtig Octaaf, zagen de omstanders, op het oogenblik der Consecratie tijdens de plechtige Hoogmis, een kind van tien jaren, dat nooit had kunnen loepen of op zijne beenen staan en daarom door de godvreezende moeder op de armen ter plechtige H. Philomena-Mis gedragen was, eensklaps vooruitdringen om bij haar heilig Graf de Wonderdeenster te bedanken. Het kind was volmaakt hersteld. Dit openbaar mirakel lokte zooveel volks naaide plechtige Vespers van denzelfden Octaafdag, dat de beperkte ruimte der kerk ontoereikend was de saamge-
74
stroomde duizenden te bevatten. Daardoor zag eene ongelukkige moeder uit het dorp Avella zich den toegang afgesneden. Vast overtuigd, dat haar kind heden genezen zal, dringt zij, onder vurig gebed, door de saamgedrongen menigte. Eindelijk, na groote inspanning, bij de heilige Graftombe aangekomeu, bestrijkt zij de oogen van haar dochtertje, dat gel wel blind en door de voornaamste geneesheeeren ongeneeselijk verklaard is, met de olie uit de lamp, die voor Philomena's Eeliquieën brandt. O wonder! Het kind ziet en is geheel genezen! De opgewondenheid van het volk wordt nu zoo groot, dat Pater Antonio Yetrano, die het woord Gods verkondigde ter eere der Heilige, verplicht is zijne predikatie te staken, het kind in zijne armen te nemen en het aan geheel de dankbare vergadering te toonen. Allen hielden niet op de groote Wonderdoenster luide te loven.
Daags na het Octaaf, op 19 Augustus, deed de H. Phi-lomena een groot aantal dergelijke genezingen ; later zullen wij van deze nog hier en daar een enkel aanhalen. Nu gaan wij over tot de wonderen, die aan de heilige overblijfselen zelf der H. Philomena geschiedden.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
quot;Wonderen aan het nagebootste lichaam der H. Philomena en hare kleederen geschied.
Zooals de Lezer uit een der voorgaande hoofdstukken weet, was Don Francesco de Lucia naar Rome gekomen om van daar een heilig lichaam voor zijne bijzondere huiskapel mede te brengen. Als hij echter de groote
75
wonderen zag, die God ter eere der H. Philomena verrichtte, alsmede den nooit gekenden toeloop van stad en land, meende hij Gods wil niet te mogen weerstreven door zijne eigenliefde boven de inwoners van Mugnano en het, Bisdom van Nola testellen. Hij besloot derhalve het heilig lichaam der H. Philomena in de openbare kerk van O. L. Vrouw der Genade, ter vereering van allen, te laten rusten. Van nu af was het zijn éénige eerzucht zijner lieve Heilige eene kapel te bouwen, harer waardig. Maar ach, de tijden waren, ten gevolge van Napoleon's over-heersching, zóó slecht, dat de toch reeds arme inwoners van Zuid-Italië niets voor hunne Beschermster konden doen. Daarom werd een der kerkkapellen voor de mira-kuleuze Overblijfselen ingeruimd en kreeg de H. Philomena, aldaar een altaar van den uitersten eenvoud. Zóó bleef de toestand tot het jaar ISl-i. Toen was het tijdstip aangebroken, dat God de harten van de vermogenden dezer wereld, zelfs door een mirakel, wilde vermurwen, opdat deze hunne schatten zouden offeren ter eere zijner H. Bruid.
Er woonde te Napels een beroemd rechtsgeleerde, Signore Alessandro Serio. Deze had, evenals zijne godvruchtige echtgenoote, veel devotie tot de H. Philomena. Het gebeurde, dat beiden, die te Mugnano rijke bezittingen hadden, op den feestdag der H. Philomena daarheen kwamen. Signore Alessandro, die sinds lang inwendige pijnen leed, verergerde dien dag, niettegenstaande hunne vurige smeekingen tot de Heilige, op zulk eene wijze, dat hij den dood nabij kwam. Het geval werd nog ernstiger, doordat de Advocaat, alhoewel hij op sterven lag, niet bij machte was zijne biecht te spreken. Wat de godvruchtige echtgenoote bad, wat zij smeekte, wat zij zelfs klaagde, niets hielp. Iets later legt zij, vol geloof.
76
een afbeeldsel der Heilige, dat ze onder haar bereik vindt, op het stervend lichaam van haar gemaal; daarna doet zij, voor hem, de gelofte een marmeren altaar te zullen bouwen ter eere der H. Philomena. Aanstonds verklaart de doodelijk zieke, dat het stervensgevaar voorbij is. Hij biecht met buitengewone dankbaarheid en staat op van een krankbed, dat hem, dien eigen dag, den dood zoo nabij gebracht had.
Bij de oprichting van bovengemeld altaar, had er een nieuw wonder plaats van geheel ongewone soort. Een bekwaam kunstenaar brak de marnieren plaat, die de altaartombe moest bedekken; de scheur was zoo aanzienlijk, dat men er langs ééne zijde een vinger kon inleggen. Algemeene ontevredenheid en klachten; schaamte bij den overigens zeer bekwamen werkman. Dewijl er voor dit oogenblik niets beters gedaan kon worden, poogde hij, op zijne kunst vertrouwend, de plaat zoo goed mogelijk te herstellen. Toen hij beide deelen met een stuk ijzer naar elkander gehaald had en hij de spleet met pleister-specie vulde, stak de H. Philomena den vinger uit en herstelde, des kunstenaars hand besturend, den steen op zoo wonderbare wijze, dat slechts eene donkere streep, ten eeuwigen dage, van het mirakel blijft getuigen.
Dewijl de kapel der Heilige te Mugnano zulke groote veranderingen ten goede zou ondergaan, was het passend, dat men zich eindelijk ook eens met de Overblijfselen zelf der H. Philomena zou bezig houden. Deze bevonden zich noch in denzelfden toestand, waarin zij, in 1805, te Napels waren gerangschikt en ingekleed. Te dien tijde was Don Francesco de Lucia in geenen deele tevreden geweest over het werk des vervaardigers van het bordpapieren lichaam. De houding er van was niet
77
betamelijk genoeg; de kleur van het gelaat veel te mat; het aanschijn, door de misvormde opening der lippen, onbevallig; eindelijk, het lichaam en de daarnaar gemaakte reliquiekast te klein. Om al deze fouten eenig-zins te vergoeden, had de Missionaris in 1805 alle zorg besteed aan de eenvoudige kleederen. Het onderkleed had hij laten vervaardigen van witte zijde, zinnebeeld der maagdelijk kuischheid; het overkleed van een purperen stof, naar Grieksch model gesneden, zooals het gewoonlijk voor Martelaren gebezigd werd.
Op zekeren dag nu, in het jaar 1814, zagen zij die met de heilige Overblijfselen zeer goed bekend waren, het van bordpapier vervaardigd lichaam en deszelfs gesteldheid geheel veranderd. Tot op heden was de Heilige voorgesteld geweest in liggende houding, met de eenigzins scherp uitstekende knieën omhoog; op dit oogenblik rustten deze laatste op de kussens waarmede de geheele reliquiekast van onderen bezet was, terwijl het lichaam een zittenden stand had aangenomen. Zelfs het hoofdkussen had de verandering medegemaakt en bevond zich aan het boveneinde der kast, achter het hoofd der H. Philomena. De symbolen der marteling, pijl en lelie, alsmede de palmtak der overwinning, waren zoodanig gerangschikt, dat het geheel nauwkeuriger was voorgesteld en alles er gunstiger uitzag. Als om deze mira-kuleuze veranderingen beter te doen uitkomen, had ook het gelaat zijn stroeve en scheeve lijnen verloren. De kin geleek op die eener jeugdige sluimerende; de lippen, tot heden alleen geopend om de Heilige te misvormen, waren, gepaard aan de liefelijkheid der trekken en de frissche tinten der wangen, een en al bevalligheid. De haartooi, vroeger zoo goed als geheel verborgen, kwam
78
I
nu tot zijn volle recht en viel in fraaie lokken neder.
Zoodra deze veranderingen bekend werden, kwamen zeer velen toegeloopen om zich met eigen oogen van de grootheid der wonderwerken te overtuigen. Allen, ge-loovigen en ongeloovigen, moesten de waarheid der feiten gestand doen. De laatsten echter schreeuwden het uit, dat hier een godvruchtig bedrog in het spel was. Men kon hen zelfs niet overtuigen door de vier ongeschonden zegels te toonen, vroeger door de kerkelijke Overheid gelegd; noch door het feit, dat de sleutels der reliquie-kast berustten in handen der afwezige familie Terres. God kwam nogmaals tusschenbeide. Op het oogenblik, dat eenige hooggeplaatste personen, uit de hoofdstad overgekomen , bezig waren de zegels te onderzoeken en de medegebrachte sleutels op het slot te beproeven, het God toe dat een zesjarig, door de pokken ö/mc? geworden
kind, plotseling helderziend werd. Zoo wilde de Heer, door een nieuw wonder, de mirakelen bevestigen aan het lichaam der H. Philomena geschied.
Edoch, er geschiedde meer aan datzelfde lichaam. Men had besloten nieuwe en kostbare kleederen voor de Heilige te laten maken; maar, dewijl er ook een rijkere reliquiekast vervaardigd zou worden, bleef men talmen. Weldra bemerkten nu de vereerders der H. Philomena, dat haar verschoten kleederen in flarden uit elkander vielen. Dagelijks raakte het eene stuk na het andere los; deze stukken verspreidden zich op zoodanige wijze door de reliquiekast, alsof zij opzettelijk naar alle kanten gestrooid werden. God, die zóó naijverig geweest was op den roem zijner Bruid, dat Hij zelfs haar nagebootst lichaam onder zijne bescherming genomen had, wilde op deze manier te kennen geven, dat er niet langer getoefd mocht worden
79
de Heilige met passenden luister te omkleeden. Na zulke waarschuwingen besloot men dadelijk de handen aan het werk te slaan. Er was nog slechts ééne moeilijkheid. De hoofdtooi der Martelares, alhoewel op wonderdadige wijze gerangschikt, liet ter linkerzijde eene aanzienlijke gaping over; er was bij oe eerste inkleeding te weinig haar benuttigd. De haren waren toenmaals van zijde vervaardigd geweest; nu was zoo maar niet voetstoots dezelfde stof in de vroeger gebezigde kleur voorradig. De tijd ontbrak om nieuwe haren te ontbieden; natuurlijk vrouwenhaar gebruiken, vond men niet passend. Bij al dat toeven zagen de bezoekers, daags voor Pinksteren, dat God-zelf de open plek met nieuwe haarlokken bekleed had. Deze
bleken versch gewasschen en keurig gerangschikt; hare
*.
frischheid en bevalligheid gaven nog meerder liefelijkheid aan het geheele voorkomen der Heilige. Is het te verwonderen, dat allen eenparig getuigden : een nieuw mirakel!
Nadat de H. Philomena met nieuwe en allerkostbaarste gewaden gekleed was, bleek de nieuwe reliquiekast, die te voren nauwkeurig was opgemeten, te klein. Het nagemaakte lichaam was derhalve niet alleen aanvalliger, maar ook grooter geworden. Tot drie malen toe werd er eene nieuwe, ieder keer eenigzins grootere kast vervaardigd; telkens bevond men haar te klein. Zelfs de kleederen der Heilige, bij hare nieuwe inkleeding te lang, waren nu te kort geworden. Het gebeurde, dat eenige* priesters, voor de vierde reliquiekast weder een nieuw bedrog der Goddelijke Voorzienigheid vreezende, in hunne kortzichtige wijsheid meenden hierin te kunnen voorzien, door de Reliquieën der H. Philomena wat nader bij een te brengen en het bordpapieren lichaam saam te persen. Te vergeefs: nogmaals het zelfde wonder. Door deze
i
80
mirakelen nam de eerbied voor de heilige overblijfselen dagelijks toe, terneer daar het God behaagde onophoudelijk nieuwe wonderen in haar te bewerken. Hiervan nog één voorbeeld, om dit hoofdstuk te eindigen. Het wonder, dat ik hier bijvoeg, lost voor den welmeenenden Lezer de vraag op, door eenige halfgeloovigen gedaan: waartoe toch dienen sommige wonderen, die liet oog der wereld als beuzelachtig beschouwt ? Ik antwoord: steeds tot Gods glorie, meestal tot het heil der zielen. De Lezer oordeele zelf. Men schreef 1831; de toeloop naar de H. Philomena was in de maand Juni van dat jaar overgroot. Op zekeren dag-zagen de vele geloovigen, in een vurig gebed rondom de heilige Overblijfselen vereenigd, dat het gelaat der Heilige, steeds zoo aanvallig en stralend van glorie, plotseling verduistert en trekken van gestrengheid aanneemt. Don Francesco de Lucia, op dat oogenblik ter plaatse, verklaart zulks nooit aan het gelaat der Wonderdoenster gezien te hebben. Dezelfde verklaring legden ook verschillende inwoners van Mugnano af. De verschrikte bezoekers verdubbelen aanstonds hun gebed; de Heilige van haar kant laat hen niet lang in onzekerheid. Terwijl de onheilspellende wolk van het zalige gelaat verdwijnt, keert de vroegere helderheid in die mate terug, dat men zich niets liefelijker, niets majestueuzer, niets hemelscher kon voorstellen dan het aanschijn dezer H. Philomena. Zij, die bij dit schitterend wonder tegenwoordig waren, loofden, als uit één mond G ods wondermacht in zijne Heiligen. Wat hen echter nog meer trof dan het groote mirakel, dat zoo even voor hunne oogen plaats had, was de bekeering van één der aanwezigen. Deze, een groote zondaar, legde onder tranen van berouw en dankbaarheid, de bekentenis af, dat hij een oogenblik te voren
81
nog geheel ongeloovig, door de zichtbare wonderen aan het lichaam der H. Philomena geschied, van gedachten was veranderd. Hij smeekte de lieve Heilige een aanzienlijk offer aan te nemen, dat hij, ten bewijze zijner oprechte bekeering, aan hare voeten nederlegde.
Wie zal ons zeggen, hoeveel andere zondaren door de vele gedaanteveranderingen der Heilige bekeerd zijn? Hoevelen er, van apostelen der ondeugd en des ongeloofs, apostelen geworden zijn van deugd en volmaaktheid?
DERTIENDE HOOFDSTUK.
De Heilige helpt hare dienaren in allen nood.
Laten wij nu eenige der vele wonderen beschrijven, waaruit duidelijk blijkt, dat de H. Philomena zich niet bepaalt tot het verleenen van hulp in bijzondere gevallen, maar, dat zij hare dienaren beschermt in alle mogelijke omstandigheden, ziekten en gevaren.
De arme echtelieden Thoma Tedesco en Ursula Serio hadden een dochtertje, Philomena, dat vaak al te onvoorzichtig was. Het wondde in het jaar 1830, op den feestdag zeiven der Heilige, haar rechteroog zóó ernstig met eene schaar, dat hare familie vreesde voor altijddurende blindheid] vijf dagen lang liep er water en bloed uit de verschrikkelijke wonde. De ouders van het meisje namen hun toevlucht tot de H. Martelares, maar hun gebed was noch nederig, noch gelaten; zij gaven der H. Philomena te kennen, dat zij hunne dochter liever dood dan blind zouden zien. Don Francesco de Lucia, met het geval in kennis gesteld, berispt de ouders over de onbarmhartigheid
6
82
hunner gevoelens -jegens het kind. Daarna roept hij de dochter tot zich en zegt, haar troostend: âmijn kind, begeef u naar de kapel der Heilige, doop den vingertop in de olie harer lamp en bestrijk daarmede uwe wonden!quot; Vol vertrouwen ijlt de kleine naar tie kerk en doet wat haar gezegd is. Tegen het gevoelen der geneesheeren in, genas het oog geheel; wat meer is, het meisje had sindsdien, zichtbaar, een meer glanzend licht in het rechteroog dan in het andere. Ook had zij een onbepaald geloof gekregen in de wondermacht der H. Philomena. Iets later ontmoet zij een harer neven, wiens gelaat deerlijk gehrand was door de vreugdevuren, op den feestdag der Heilige ontstoken. Niets was eenvoudiger voor hem, zoo meende zij, dan genezing te vinden. Hij behoefde zich slechts naar de kapel der Martelares te begeven, zijne wonden met de olie harer lamp te bevochtigen en hij zou genezen zijn. De jongeling luistert en doet wat het meisje haar voorhoudt. O wonder! Des morgens ontwakend, bevindt hij, dat al zijne brandwonden weg zijn. Ziet! Dat is de kracht Gods, den wijzen dezer wereld verborgen, maar geopenbaard aan de eenvoudigen en de nederigen van harte!
Eene ongelukkige moeder, Rosa de Lucia, beval op de vurigste wijze haar stervend achtjarig zoontje aan de H. Philomena. Niets hielp, haar k\\u\ stierf. De moederlijke smart, wel verre van het vertrouwen dier heldhaftige vrouw weg te nemen, doet haar geloof in de lieve Heilige nog toenemen. Zij grijpt'eene afbeelding der heilige Martelares, werpt die op het lijkje van haar lieveling en smeekt de H. Philomena met brandende tranen en luide gebeden, dat zij haar den kleine toch zal teruggeven. Het kind ontwaakt als uit eene diepe sluimering
83
en springt uit zijn bedje. Dezelfde oogen, die haar zoon te voren dood gezien hadden, zien hem nu zonder eenig overgebleven spoor van krankheid voor zich staan.
Een jongeling, met name Gaëtano Cimilde, was, in het jaar 1833, door zijne krankzinnigheid tot zalk een staat van ellende vervallen, dat hij voor zijne huisgenootenen voor zich zelf gevaarlijk werd. Zijne bewaarders zagen zich genoodzaakt hem te binden, daar hij steeds neiging-betoonde uit het venster te springen of zich in het vuur te werpen. Goede raad was intusschen duur. Geen touwen waren sterk genoeg om hem onschadelijk te maken, de zwaarste koorden zwichten voor de woeste kracht van den razende; hij was zóó boos dat niemand hem meer dorst naderen. In deze ellende nam zijne omgeving haar toevlucht tot de H. Philomena; men legde hem reliquieën der Heilige op het hoofd en iiij genas, van lieverlede, volkomen.
Eene vrouw van Jean-de-Belleville in Savooie, Elisabeth Roux geheeten, die in den hoogsten graad tering had, genas op den derden dag eener negendaagsche oefening, die zij hield op aanraden van den eerbiedwaardigen Pastoor van Ars, dien grooten dienaar der H. Philomena, ter eere der groote Wonderdoenster.
Zeker nog zeer jeugdig meisje kon zich slechts op krukken voortbewegen. Dewijl zij een volledig vertrouwen in de H. Philomena had, vervoerde men haar naar het meest beroemde heiligdom dezer Heilige in Frankrijk, naar het dorpje Ars bij Lyon. Daar aangekomen, ontmoet zij bovengenoemden Pastoor van Ars en vraagt hem, in haar bekoorlijken eenvoud: âzeg. Heer Pastoor, zal ik mijne krukken bij de H. Philomena brengen?quot; Deze antwoordt: Ja, mijn kind, breng ze haar op staanden
84
voet!quot; Het meisje gehoorzaamt en krijgt op hetzelfde oogenblik, ter belooning van haar groot geloof, eene al-geheele genezing. [
Tijdens de ongeluksjaren 1854 en 1855, werd het schoone Italië vreeselijk geteisterd door eene besmettelijke ziekte. Vele personen namen hun toevlucht tot de H. Philomena; eenigen deden zelfs gezamelijk openbare godvruchtige oefeningen, haar ter eere. Zij, die het meest bij die oefeningen uitmuntten, werden van de besmetting gevrijwaard, of, als zij reeds aangetast waren, genezen.
Te Martorano, eene stad van Opper-Calabrië, wendde,
in het jaar 1831, de kanunnik Nicolao Lanza al zijn pogen aan, om den eeredienst der H. Philomena te verbreiden. Er leefde daar eene arme weduwe met hare zeventienjarige dochter, Rosina Milano, zoozeer door langdurige ongesteldheden onderkomen, dat hare tong verdroogd was. Nadat zij het mogelijke ter genezing van haar meisje beproefd en de artsen dit ongeneeselijk verklaard hadden,
lieten beiden alle hoop op beterschap varen. Bij liet verhaal der wonderen, door de H. Philomena gewrocht,
kwamen zij tot andere gedachten ; nu zou Rosina, alhoewel van de spraak beroofd, misschien nog genezing erlangen. Van hare dochter vergezeld, begeeft zich de brave moeder naar den godvruchtigen priester. Beiden verzoeken zijne tusschenkomst bij de lieve Heilige, dewijl alle menschelijke hulp te kort schiet. De ootmoedige man weerstaat hun smeeken, hij kan echter op den duur geen weerstand blijven bieden aan hun grooten aandrang en het lijden der dochter; hij laat zich daarom overhalen, i
tot troost der ongelukkige, althans iets te doen. Het boek openend der Beschrijving van Philomena's wonderen,
legt hij het afbeeldsel der Heilige op Rosina's hoofd en
85
bidt God, dat Deze haar geneze ter wille van het lijden en de verdiensten zijner doorluchtige Bloedgetuige. Alsdan vraagt hij: âRosina, hoe lang zijt gij reeds van uwe spraak beroofd?quot; Het meisje antwoordt tot verwondering aller aanwezenden. Zij is geheel hersteld, niettegenstaande de vroegere verklaringen der geneesheeren.
Te Nola in Italië gevoelden eeuige kloosterzusters zich overgelukkig, dewijl zij in het bezit gekomen waren van een beeld der H. Philomena. Eene blinde werkzuster onder hen, die veel van de mirakelen der Wonder-doenster gehoord had, was niet weinig bedroefd, dat zij alleen het lieve-beeld niet mocht aanschouwen. Yurig bad zij tot de Heilige, opdat deze ook haar die gunst zou toestaan. De H. Philomena verhoorde het godvruchtig verlangen enjschonk haar liet gezicht weder.
In 1848|ondervonden een liefhebbende vader en moeder, dat hun kind, niettegenstaande alle zorgen, niet instaat was zich recht op de beenen te houden. Het was reeds zeven jaar oud, weshalve zij meenden een geneesheer te moeten raadplegen. Deze deelde hun als stellige waarheid mede, dat het rechterbeentje geheel kromgegroeid was; de eenigste hoop op genezing bestond daarin, het zieke been zoodanig in een geneeskundig verband te zetten, dat het kind zich wel verplicht zou zien onbewegelijk te blijven. De ouders waren met deze kunstbewerking, bij een zoo jeugdig kind, al bitter weinig ingenomen; zij gaven er de voorkeur aan, zich tot de H. Philomena te wenden. Zij namen hun kind mede naar Ars, en deden in dat genadeoord eene noveen met den eerbiedwaardigen Pastoor. Hun kind kreeg het volledig gebruik van het rechterbeen.
Eene moeder deed, in het jaar 1858, met haar geheel blind zoontje dezelfde bedevaart. Ter plaatse gekomen,
86
begon ook zij de bekende noveen; reeds na den tweeden dag genas haar kind. Dronken van vreugde, den Eerwaarden Heer Lenfant ontmoetend, roept zij dezen toe; âEerwaarde, ik ben uiterst verheugd van uit mijne zeer verwijderde woonplaats naar Ars gekomen te zijn ; uw Pastoor is een heilige. Mijn kind was blind, ik bracht het eergisteren bij hem; hij beval mij eene negendaagsche oefening te doen ter eere der H. Philomena. Zie, ik ben nauwelijks aan mijn tweeden dag en reeds is mijn kind geheel genezen.quot;
Ook een ander kind van twaalf jaren, Boyer genaamd en afkomstig uit het dorp Mussy in het Bisdom van Autun, werd, op den IS1'1quot;quot; April 1865, te Ars door de H. Philomena van lamheid in een zijner beenen genezen.
In de Fransche stad Chaumont lag de algemeen vereerde Ingenieur Viennot, in de maand Maart 1866, (je-vaarlijk ziek; hij had hevigen bloedaandrang naar het hart. Zijne familie was zeer met zijn lijden en den daaruit volgenden allerbedenkelijkston toestand begaan; dit te meer, dewijl de lijder Protestant was. Nu werd de H. Philomena in de zaak betrokken; vurige gebeden rezen voor den ongelukkige ten Hemel. En ziet, de groote Wonderdoenster bracht genezing en bekeering. Op Witten Donderdag werd de heer Viennot gedoopt; op Paasch-dag, zat hij met de andere Geloovigen aan de Tafel des Heeren.
Deze en dergelijke voorbeelden zijn bij menigte te verhalen; gevallen, geschied aan oud en jong, aan rijk en arm. Wij moeten ons beperken en gaan daarom over tot een ander soort van wonderen, waarin de H. Philomena hare macht toont over de woedende elementen : water, vuur, zeestormen, orkanen, enz.
87
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
De H. Philomena beheerscht de elementen en de natuur cm hare vereerders te beschermen.
Tijdens een Oktoberdag van het jaar 1832, heerschte er, op de vaak zoo grimmige Adriatische zee (tus-schen Italië, Dalmatië en Turkije)' een vreeselijke storm, gepaard met onweder. Twee visschersbooten leden schipbreuk bij den voet van Monte-Gargano in Apulië, in het gezicht der havenstad Yiesti. Tevergeefs loopt al wat de stad aan inwoners bevat naar de reede, te vergeefs hoort men het noodgeschrei der ongelukkige varensgezellen; alles schijnt reddeloos verloren. Mensche-lijke hulp schiet hier te kort, maar God is nabij. Zou de vurige Italiaan, in het land zelf der H. Philomena, deze groote Wonderdoenster vergeten? Allen roepen eenparig de hulp der groote Heilige in; haar naam klinkt uit boven het geloei der zee. Eensklaps, zonder zich over de wijze hunner redding rekenschap te kunnen geven, bevinden zich de schipbreukelingen op den oever, waar zij met de inwoners van Viesti der H. Philomena knielend hun welgemeenden dank betuigen. Nauwelijks echter is hun dankgebed ten einde of de bootsman Paolo d'Aposto bemerkt, dat zijn beide kinderen aan het getal der geredden ontbreken. Geheel de bevolking van Viesti rijst op en ziet, hoe de woedende golven de arme kinderen verre van de haven des behouds hebben afgevoerd; hoe deze te midden der schuimende baren rondspartelen. Welk menschelijk middel zal hen redden? Geen! Welnu, nogmaals tot de
88
H. Martelares gebeden! ,,H. Philomena,quot; zoo klinkt het op nieuw van alle kanten, âvoltrek uw werk; red ook de beide kinderen!quot; Opdat intusschen het bovennatuurlijke der redding meer zou uitkomen, wilde God dat de jongste der drenkelingen, slechts acht jaren oud, terzelfder ure hetzelfde gebed zon spreken als zij, die zich op de reede bevonden. Zich het beeld der Heilige herinnerend dat eerst kortelings in de kerk der Capucijnen te Viesti uitgesteld was, bad hij: âheilige Maagd, die eerst onlangs in de kerk der Taters geplaatst zijt, red mij en mijn broeder van den dood!quot; Ook aan den oever volhardde men in een vertrouwvol smeeken, totdat de kinderen ongedeerd uit de schuimende wateren aan wal stapten. Toen loofden allen, met duizend stemmen, de groote macht van God en bedankten zij hunne Beschermster.
Eenige maanden vroeger, op het einde van Juli 1832, woedde er, in hetzelfde Apnliö, een orkaan, die het geheele land doortrok en, volgens de Dagbladen, velen het leven kostte. Anna Maria de Filippo bevond zich dien dag te midden van het veld, op weg naar haar huis te Foggia. Toen zij eene kerk voorbijging, overweldigde haar een wervelwind. Eerst werpt deze haar ter aarde; heft haar daarna omhoog, draait haar rond en berooft haar van een deel harer kleederen en van haar schoeisel. Eindelijk slaat hij haar op nieuw tegen den grond en rolt haar met zooveel geweld, nu eens naar den eenen dan naar den anderen kant, dat haar de dood voor oogen staat. De ongelukkige beveelt zich, in haar uitersten nood, aan de Moeder der Smarten en aan de H. Philomena, terwijl zij zich herinnert, dat in deze kerk eene kapel der Heilige is en haar beeld hier vereerd wordt. Het oogenblik dat de stormwind rust, als om nieuwe krachten te vergaderen, benuttigt zij om
89
de kerk te bereiken. Helaas, zij vindt deze gesloten. âO hemel!quot; roept zij uit, âlieve H. Philomena, om dei-wille Gods, heb medelijden! Open de kerkdeur en laat mij niet sterven, zonder dat ik de heilige Sacramenten ontvangen hebbe!quot; Aanstonds opent zich de deur, zoo verre noodig is om haar een toevluchtsoord te leenen; tevens hoort zij eene stem die haar zegt; âAnna, kom vlug binnen, ik ben het, die opende!quot; Toen de koster naderhand de deur nog ontsloten vond, betuigde hij, ontwijfelbaar zeker te weten, deze des morgens gesloten te hebben.
De leden der familie Testa te Avellino, in het Napelsche, waren in het openbaar zeer verknocht aan de vereering der H. Philomena. Nadat zij alle hulpmiddelen uitgeput hadden om hun ongelukkigen zoon Don Alberto, die sinds zijne kindsche jaren uiterst zwak geweest was, van zijne kwalen te genezen, kwamen zij in 1832 in persoon naar Mugnano om bij het Graf der Heilige leniging in hunne droefheid te zoeken. Daar aanwezig, gaf de H. Philomena hun de duidelijkste teekenen van toegenegenheid. Zichtbaar veranderde haar aanschijn, zij opende een der oogen om den zieke en zijne familie aan te zien. Don Alberto, door deze gunstige voorteekens opgebeurd, gevoelde zich eenige dagen veel beter; weldra nochtans was hij zwakker dan voorheen. De familie hield intusschen niet op met aan te houden bij de Heilige en keerde naar Avellino terug.-Later op het jaar kwamen zij op nieuw naar Mugnano en baden, zoo mogelijk, nog inniger dan zij steeds gedaan hadden. Bij hun eerste morgenbezoek, bemerkten zij dezelfde gunstige veranderingen in het gelaat der Zalige Maagd als vroeger. Des avonds, aan het Graf teruggekeerd, hoopten zij op het geliefde aanschijn der Heilige nieuwe
90
voorteekenen der genezing van Don Alberto te lezen; edoch, op dat oogenblik was de hemel door zulke zware regens verduisterd, dat zes brandende waskaarsen de Graftombe slechts onvoldoende konden verlichten. De aanwezigen waren daarover niet weinig te leur gesteld, als plotseling een lichtstraal, vallende door een â venster in Oosten, het gelaat der H. Philomena zóó zeer in lichtgloed zet, dat allen het naar welgevallen kunnen beschouwen. Dit mirakel was te meer bemerkenswaardig, dewijl de omfloerste zon op dat oogenblik niet in het Oosten, maar in het Westen stond. Zooveel goedheid van de groote quot;Wonderdoenster kon niet dan een gunstig voorteeken zijn. Te gelijkertijde zagen de omstaanders zeer duidelijk de oogen der Heilige, tot acht malen toe, zich snel openen en sluiten. Na eenige dagen was Don Alberto zoodanig genezen, dat hij een ander mensch scheen.
Ziehier een paar korte voorbeelden, hoe de H. Philomena ook het vuur beheerscht, wanneer zij hare dienaren beschermen wil. Eene moeder te Napels had de onvoorzichtige gewoonte, bij het slapen gaan, hare kleederen en die harer dochter Philomena neder te leggen onder eene lamp, altijd brandend voor een beeldje der Heilige. Nooit had dit tot ongelukken aanleiding gegeven, toen op zekeren nacht, in 1823, een vuursprankje der oliepit omlaag viel, te midden der kleederon. Des morgens vond men den stoel, waarop deze lagen, half, en al de kleederen der moeder geheel verbrand. Het kleed der kleine Philomena, dat, van zeer brandbare katoen vervaardigd, boven op lag, was ongedeerd gebleven. Alleen zag men op een der mouwtjes een teeken van het vuur, ter breedte van een draad; als wilde de H. Philomena daardoor aantoonen, dat ook dit kleed had moeten verbranden, maar dat zij, terwille van het haar
91
in den H. Doop toegewijd schepseltje dezer eigendom, misschien wel het geheele huis harer ouders, voor dreigend gevaar had behoed.
De reeds meer vernoemde stad Avellino, werd op eene dergelijke wijze van den ondergang behoed. Daar, was een zóó hevigen brand uitgebroken, dat deze geheel do stad met den ondergang bedreigde. Een godvruchtig man, zeer aan den dienst der ïï. Philomena verknocht, komt in allen haast toegeloopen; hij neemt eene afbeelding der H. Wonderdoenster, die hij bij zich draagt, en werpt deze, onder een vurig en vertrouwvol gebed, te midden der vlammen. Aanstonds wijkt het dreigend gevaar en binnen weinig tijds is het vuur geheel uitgedoofd.
Toen de inwoners van Castello Vetere, in hunne dankbaarheid voor de vele genaden die zij van de H. Philomena ontvingen, eene kapel ter harer eere en een marmeren altaar gebouwd hadden, wilden zij in triomf eene schilderij binnen halen, die te Mngnano naar het authentieke beeld der Heilige vervaardigd was. Op het oogenblik, dat de rijk versierde draagbaar, waarop men de schilderij aanvoerde, vol vreugde door het stadje werd gedragen, bevond men, dat de straten aanmerkelijk te smal waren om doortocht aan de breede draagbaar te verleenen. Geen nood; de eenvoudige lieden van Castello Yetere hebben het geloof waarvan de Zaligmaker in zijn H. Evangelie zegt, dat het bergen verzetten zal. Terwijl eenigen der voorsten met bedruktheid omzien, om te weten hoe de zaak verloopen zal, gaan de dragers steeds hun weg; hetzij, dat zij het beletsel niet kenden, hetzij, dat zij zich door een mirakuleus zinsbedrog dat beletsel steeds meer verwijderd voorstelden dan het werkelijk was. Zonder
92
de draagbaar in scheeve richting te brengen, blijven zij doorgaan, totdat de kapel bereikt is.
Eenige maanden later geschiedde hetzelfde wonder, in. dezelfde stad, op nieuw; toen een beeld der Heilige door zes mannen, drie aan drie, werd aangevoerd. Eenige hoeken van straten waren, op zijn minst genomen, voor de helft te smal, dan dat zij de dragers met het in de kist verpakte beeld konden doorlaten. Toch gingen zij, ten aanschonwe van vele honderden, zonder eenige belemmering hun weg; als over een marktplein liepen zij voort, totdat zij ter bestemde plaatse waren aangekomen.
Het gebeurde in 1862 dat men in Oostelijk Frankrijk, in den loop van den zomer, te weinig water had om de graanmolens in gang te houden. Een noodzakelijk gevolg van dit ongerief was, dat velen moeite hadden hun graan gemalen te krijgen. Eene vrome vrouw, zeer gehecht aan den dienst der H. Philomena, bezat slechts het derde gedeelte van het meel, dat zij gewoonlijk gebruikte. Toch begaf zij zich aan den arbeid, terwijl zij in haar groot geloof de H. Philomena verzocht haar in haren nood ter hulpe te willen komen. Het gebeurde alsdan, dat zij niet alleen eenige kleine korfjes, die zij voor het deeg gereed gemaakt had, vulde, maar, dat zij ook de andere korven gebruiken moest, die zij benuttigde als er volop meel was. Zij bakte evenveel brood als gewoonlijk. Bovendien bleek haar brood van veel betere hoedanigheid te zijn.
Deze en dergelijke gevallen zijn in groote menigte aangehaald in de Geschriften van Don Francesco de Lucia en andere Schrijvers.
93
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Voorliefde der H. Philomena voor de kinderen, bijzonder voor die, welke in het H. Loopsel haar naam
ontvingen.
Het is eene opmerkenswaardige, edoch waarachtige daadzaak, dat alle Heiligen een groote voorliefde hebben voor kinderen. Volgen zij eensdeels hierin het voorbeeld des goddelijken Leermeesters, die zegde: âverhindert de kleinen niet tot Mij te komen, dergelijken behoort het rijk der hemelenquot; 1), dan is het, ten andere, gewis de onsclntld der kinderen, die het hart der Heiligen aantrekt. Bijzonder is dat het geval bi;, de Heiligen die Maagd zijn, bij name de H. Philomena; zij toch zien in de kleinen hun maagdelijk evenbeeld.
Wanneer ik alle mirakelen wilde aanhalen, die de H. Philomena ter wille van kinderen gedaan heeft, dan zon de nog beschikbare plaatsruimte te klein zijn. Ik wil daarom eenige der meest aangrijpende gevallen vermelden; eerst over kinderen in 'talgemeen, daarna van hen, die den naam Philomena dragen. Reeds heb ik hier en daar in dit tweede gedeelte eenige gevallen aangestipt.
Een meisje, Fortnnata genaamd, had reeds zekeren leeftijd bereikt, zonder dat zij menschel ij kc klanken kon uitbrengen. Vergeefsch waren alle middelen der kunst geweest; in die mate zelfs, dat de bekwaamste heelmeesters haar voor ongeneeslijk hielden. Eens, dat men een af-
1
Matth. 19:14.
91
beeldsel der H. Philomena vóór haar plaatste, beschouwde zij de Heilige met aandacht en begon heel aardig te stamelen. Het volmaakte gebruik der tong en der spraak liet zich nu niet lang meer wachten.
Een jongetje van zeven jaren, Domenico Masullo, te Monte Forte woonachtig, die op jeugdigen leeftijd reeds zeer doordrongen was van eerbied en liefde tot de H. Philomena, viel op het onverwachtst met het hoofd voorover van een hoogen en steilen wal in een modderpoel. Er verliep ongeveer een vol uur, vóórdat de, op het hulpgeschrei zijner makkers toegeschoten redders, volledige hulp konden brengen. Waarschijnlijk zou de dood van het kind het gevolg des ongevals geweest zijn, hadde dit niet zijne lieve Heilige tijdens zijn val aangeroepen, en ware niet de Wunderdoenster op hare beurt haar zoo verknochten dienaar ter hulpe gesneld. De redders, die het kind niet konden zien, bevelen hem, nadat hij nog teekens van leven gegeven heeft, de koord, die zij toewerpen, zorgvuldig om het lijf te binden. Zij vergeten, in hun angst, dat het dwazenwerk is, dusdanig bevel te geven aan een zevenjarig knaapje. En toch, o wonder, eenige minuten later wordt het kind, alhoewel geheel bemorst, met goed gevolg tegen den wal opgetrokken. Hij was gebonden op eene wijze, zooals een volwassen mensch zich zelf niet zou kunnen bevestigen. Alge-meene verwondering! Men vraagt om uitleg. In zijn eenvoud verhaalt de jongen, dat hij, tijdens zijn val, de H. Philomena had aangeroepen en dat zij zelve hem ter hulp gesneld was in de gedaante eener jeugdige persoon, in het wit gekleed, met goudblonde haren. Aanstonds had zij hem uit den modderpoel getrokken en daarna, al den tijd dat hij op redding wachtte, on-
95
ge veer een uur lang, in hare handen vastgehouden. Het toegeworpen touw nog, knoopte zij met eigen handen, na hetzelve langs beenen en armen gebonden en over verschillende deelen des lichaams bevestigd te hebben, achter den hals vast. Op deze wijze kon men het kind ophijschen zonder hem eenig leed te doen. Onnoodig te zeggen, dat Eomenico, nat tot op de huid, volkomen gezond was.
Een kleine jongen, met name Charles Fraynes, te Lournes in Frankrijk, lag, in 1861, op den rand van het graf, teu gevolge eener longontsteking. Nadat zijn doodstrijd eenige dagen geduurd had, gaven de geneesheeren alle hoop op. De familie deed niet alzoo, maar richtte vurige gebeden tot de H. Philomena. Deze genas het kind, reeds den vierden dag, nadat men eene noveen ter harer eere begonnen had. Een votief-geschenk getuigt nog steeds van de groote gunst.
Te Monte Forte ontglipte de eenige dochter der echtelieden Lelio Gesualdo en Antonia Valentino, nog geen jaar oud, aan de armen harer .draagster en viel, van uit een zeer hoog venster, op den openharen weg. De val der kleine Rosa was zoo geweldig, dat eene goot van gebakken aarde, waar zij tegen stootte, gedeeltelijk beschadigd werd ; daarna kwam het kind op de harde straat-steenen te land. De moeder, het vreeselijk gevaar harer dochter ziende, riep, onder den val, luide uit: âo goede 11. Philomena, ik zal u dat kind toewijden, als gij het mij behoudt!quot; Ook de vader, die zich op dat oogenblik in de straat bevond, deed een soortgelijk gebed. Daarna vliegt hij naar zijn kind, heft het op van den grond, onderzoekt het met aandacht en bevindt het zonder eenige wonde, zonder eenige kneuzing. Geen ander bewijs van
96
den hevigen val is te vinden, dan dat een zilveren ornament, door Rosa gedragen, gebroken was.
Een nog jeugdig meisje, met name Angela, zat vurig te bidden voor haar beeldje van de H. Philomena. Als haar gevraagd werd, wat er de reden van was, antwoordde de kleine: âO, ik heb wel gelijk mij bij de Heilige te beklagen! Ik had veel moeite gedaan om een lief kuikentje groot te brengen, dat voor de H. Philomena bestemd was. Nu is mijn kipje verdwenen; twee dagen lang heb ik het overal te vergeefs gezocht! De goede Heilige had het mij wel terug kunnen brengen; ik verzeker u, zij zou zich niet behoeven te vermoeien om liet te vinden!quot; Zou zulk kinderlijk vertrouwen bij de Heilige onverhoord blijven? Op hetzelfde oogenblik hoort Angela tegen hare deur pikken; zij opent. Daar staat het kippetje te midden van de sneeuw.
Een kleine jongen maakte het zijne moeder niet weinig lastig, omdat hij een kostbaren ring, zooals hij dien noemde, al spelende met zijn makkers, verloren had. De moeder, die eene groote godsvrucht tot de H. Philomena had, deed haar eene gelofte voor het geval, dat zij den ring terug zou brengen. Den volgenden morgen hing het kleinood te schitteren aan een rozenstruik.
Zekere arme vrouw, Theresia Borini, echtgenoote van Giovanni Troja, beiden zeer brave lieden, wonende in bovengenoemde havenstad Viesti, bevond zich bij de geboorte van haar kind, dat zij beloofd had aan de Heilige te zullen toewijden, in zoodanigen staat van verregaande armoede, dat zij niet eens de noodige kleedingstukken bezat om het arme wicht tegen de koude te beschutten. Zij bad vurig tot de H. Martelares, die haar, zooals zij zegde, kon helpen, indien zij slechts wilde. In den uitersten
97
nood, vond eene vrouw die Theresia medelijdend ter zijde stond, in eene schier ledige kast, een bundeltje lijntvaad, waarin niets ontbrak wat voor een pasgeboren kind be-noodigd is. De kleertjes waren alle zindelijk, en doortrokken van een balsemgeur die het geheele vertrek vervulde. De moeder gevoelde aanstonds van waar liet hemelsch geschenk haar toekwam; zij wist niet, hoe zij de H. Philomena genoeg zon bedanken. Het arme doch rijk gekleede kind werd ten doop gebracht; spoedig was het verloop der wonderen zoodanig verspreid, dat er als een volksoploop voor het hnis van Theresia plaats vond. Hierbij liet de Heilige het niet. Des nachts ontwaakte de moeder op het geschrei van het wichtje. Bij het walmende lamplicht richt zij de oogen naar haar kind, doch vindt het niet in de kribbe. In de grootste ongerustheid blikt zij naar alle kanten rond, totdat zij eene jonge, in 't wit gekleede maagd ziet, van bovennatuurlijke schoonheid, op wier armen het kind rustte dat zij zachtkens liefkoosde. Wat een hemelsch visioen voor de verschrikte moeder! Van vreugde dronken roept zij nit: âO! H. Philomena, mijne lieve beschermster!quot; De Heilige stond op, legde het wicht, dat zij kuste, in de kribbe, terwijl de verschijning verdween.
Nu volgen een paar voorbeelden van kinderen, die den naam van Philomena in het II, Doopsel ontvingen; voorts zal ik naar een paar andere in dit werkje verwijzen.
Eene vijfjarige dochter van Nicolao Canonico en Maria de Monte Forte, met name Philomena, speelde op zekeren dag bij de opening van een grooten oven. welks voorplaat los geraakte en haar zóó ongelukkig op den kleinen voet viel, dat de vierde teen quot;Van het arme kind geheel werd afgeschenrd. Op haar geween toegeschoten, namen de
98
ouders bet meisje in de armen en legden het te bed. De geroepen heelmeester poogde door al de middelen zijner kunst de bijtende pijnen te verzachten, edoch, het kind kon niet slapen. In den nacht, wanneer alles in huis rustte, zoo verhaalde later het meisje, kwam de H. Phi-lomena tot haar, gaf haar eenige versnaperingen en zeide: âhoud u maar goed , lieve kleine, en zeg aan uwe moeder, dat ik zelf uwe wonden heelen zal!quot; Alsdan verdween de Heilige. Het kind roept hare moeder, die met al de huisgenooteu, aan wie zij het gebeurde vertelt, komt aangeloopen. Allen zijn op dat verhaal zeer verheugd en verlangen vurig naar de beloofde genezing. Des morgens was de kleine weer frisch en gezond ; slechts ontbrak haaide verloren teen. De geloovige ouders waren overtuigd, dat de Heilige, die intusschen nog eenige malen aan de kleine verscheen, ook dat gebrek zou verhelpen. En waarlijk, niettegenstaande de afgesneden teen begraven was, schonk haar de H. Philomena, twee dagen voor haar feestdag, een nieuwen teen, volmaakt gelijk aan den vroegeren.
Domenico Moccia, een ambachtsman te Castello Yètere, was de eerste daar ter plaatse, die zijne dochter op den naam der H. Philomena deed doopen. Als om tetoonen, hoe aangenaam haar deze daad was, nam de groote Wonderdoenster dat kind van af hare vroegste jaren in bijzondere bescherming. Zoo vond de moeder telken morgen het dekkleed, waarmede zij het kind des avonds geheel bedekte om het tegen de lastige muggensteken te beveiligen, nauwkeurig samengevouwen, aan het benedeneinde der wieg liggen. Het wonderlijkste van deze geheele toedracht was, dat zij haar dochtertje nooit, noch aan de handen, noch in het aangezicht, op eenige wijze
99
gestoken zag. Het kon niet anders of de lieve Heilige hield de wacht bij hunne Philomena. De brave ouders bedankten haar van ganscher harte; het schijnt, dat zij te dezer gelegenheid zelfs beloofden, wanneer het kind hen zou kunnen vergezellen, eene bedevaart naar het heilig Graf te Mugnano te zullen doen. Zoo dra de kleine drie jaren oud geworden was, volbrachten zij hunne gelofte. Doch ziet, nauwelijks waren zij in de tegenwoordigheid der heilige Overblijfselen gekomen, of de jeugdige Philomena toonde de grootste teekenen van schrik en poogde herhaaldelijk, tot verwondering van alle aanwezenden, de plaats te verlaten. Deze ontsteltenis ging in droefheid over, toen het kind ook den volgenden dag dezelfde teekenen van afkoer toonde, zoo vaak men het bij de H. Philomena bracht. In zeer treurige stemming namen de ouders hunne dochter op den terugweg mede. Nu echter behaagde het God , tot de glorie zijner Bruid, hun de oplossing te geven van het wonderlijke voorval. Op des vaders vraag, waarom zij te Mugnano zoo onwillig geweest was, antwoordde de kleine aanstonds: âlieve vader, de H. Philomena wilde mij bij de hand nemen en zegde, dat ik bij haar blijven moest en niet heengaan! Ik kon toch mijne moeder niet verlaten!quot;1)
') Ziet nog tu.-ec reeds beschreven voorbeelden van kinderen, die den nanHi van Philomena droegen. Het eerste, bladz. 81; het tweede, bladz. 90.
100
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
Ds H. Philomona medepatrones der H. Deugd van Knisch-heid. Opwekking tot haar eeredienst. Besluit.
Indien wij alle voorbeelden van de bescherming door de H. Philomena aan hare dienaars in vroegeren en Uiteren tijd verleend, wilden opsommen, dan zon dit kleine boekje geen einde hebben. Wij zouden dan moeten verhalen, hoe vaak deze Heilige bewijzen van voorliefde of bijzondere hulp gegeven heeft aan sommige personen, door de verandering haver gelaatstrekken, zoowel in de wonderbeelden te Mugnano als in hare beelden en schilderijen op andere plaatsen: hoe vele wonderen zij verricht heeft aan de olie der lampen haar ter eere brandend, in die mate zelfs dat ééue lamp, door eene haar gewijde maagd ontstoken, met kleine tusschenpozingen twee volle jaren op mirakuleuze wijze aan bleef; hoe vaak, meestal in de handen van den bevoorrechten Don Francesco, boeken, ter harer eer geschreven, prentjes en plaatjes, die hare afbeelding droegen, op bovennatuurlijke wijze vermenigvuldigd zijn. Wij zouden dan uitéén moeten zetten, hoe zij velen het leven geschonken, die in gevaar waren gewaarschuwd, een onschuldige van een onteerend vonnis en een ter dood veroordeelde van de galg verlost heeft. Wij zouden zelfs moeten spreken van rechtvaardige straffen, die zij, in Gods naam, heeft doen neerkomen over de schuldigen, die plechtige, aan haar gedane geloften, verbraken, zich aan haren eeredienst of aan de haar toegewijde personen vergrepen.
Wie zal ons het juiste getal aangeven der zondaren
101
die door haar hunne ketenen verbraken; der moeders, die uit hare handen hunne, op den weg der misdaden verdwaalde zonen en dochters terugontvingen; der zieken, die, na alles vergeefs beproefd te hebben, haar hunne gezondheid danken; der echtgenooten, die van haar don vrede huns huisgezins en de zegeningen van een heilig huwelijk verkregen; der kinderen, die, in doodsgevaar, door hare bemiddeling nog tijdig gedoopt werden? Wie vooral, zal ons zeggen, hoevele maagden, hoevele jongelingen, aan de H. Philomena het behoud hunner kuisch-heid danken?
Dat de H. Philomena eene bijzondere voorliefde heeft voor de kuische zielen; dat zij voor hen, die in bekoringen tegen de deugd van kuischheid, met de hulp van Maria en Jozef,quot; ook hare machtige bescherming inroepen, zich niet onbetuigd zal laten; dat zij degenen, die, reeds gevallen zijnde, zich uit hun zondenstaat willen opheffen, krachtdadig zal bijstaan; dat alles is boven twijfel verheven. Wordt zij niet als Maagd door de H. Kerk vereerd? Heeft zij niet, juist om hare deugd te bewaren, den langdurigsten, den vreeselijksten strijd tegen keizer Diokletiaan en zijne trawanten gestreden? Heeft zij niet, zooals uit dit kleine geschriftje duidelijk blijkt, alles over voor kinderen, die nog verondersteld worden de maagdelijke zuiverheid dés Doopsels bewaard te hebben? Heeft zij niet met overvloedige zegeningen de Italiaansche Congregatie der meisjes overladen, die, in de wereld verblijvende, Philomena ter eere haar maagddom aan God opdragen, en tot teeken harer toewijding een bijzonder kleed en een kruis dragen? Heeft zij niet met nadruk op de groote verdiensten der heilige kuischheid gewezen in hare gesprekken met de godvruchtige kloosterzuster Maria
102
Luigia te Napels? Deze was dezelfde, die het voorrecht had, het derde (en uitvoerigste) Yisioen over het leven en den marteldood der H. Philomena te mogen hebben. Zij y
had niet weinig moeite met eenige soorten van bekoringen, (
ook met bekoringen tegen de heilige deugd. Het schijnt,
dat God deze bekoringen toeliet, met het bepaalde doel de Religieuze op deze wijze te louteren, haar meer geschikt te maken tot een werktuig om den roem der H.
Philomena te helpen verbreiden. De H. Wonderdoenster schonk haar zeer groote genaden, verloste haar van de hevige aanvechtingen tegen de kuischheid en deed alle moeilijkheden in vreugde en zielsvrede verkeeren. De samenspraken, die de bevoorrechte Kloosterlinge aan den voet des Kruises met de H. Philomena hield, liepen meestal over de heilige kuischheid. Zij sprak met voorliefde over den maagdelijken staat en zette uiteen, welke raid- 1
delen zij zelve had aangewend, om te midden een er hei-densche wereld, en later tegenover de aanvallen van Diokletiaan, hare deugd ongeschonden voor God te bewaren.
Zijn alle deze bewijzen niet genoeg om u te doen besluiten de H. Philomena als medepatrones voor de heilige deugd van kuischheid te verklaren, hoort dan het woord van den eerbied waardigen dienaar Gods, Jean Marie Vian-ney, den zoozeer bekenden Pastoor van Ars, den Heilige onzer dagen, wiens proces van Zaligverklaring te Rome aanhangig is. Het is van algemeene bekendheid, dat die man der Voorzienigheid opging in den eeredienst der H.
Philomena. Zijn geschiedschrijver Monnin zegt van hem:
) ' 4
âde aandoenlijkste overeenstemming heeft steeds geheerscht V
tusschen de H. Philomena en haar dienaar. Zij ga f hem.
-
alles, icat hij vroeg; hij beminde haar zóózeer, dat hij alles voor haar over had.quot;
103
Laat ik deze korte woorden van Monnin iets breedvoeriger, volgens de beschrijving van Jean Darche, uiteen zetten. Letten wij daarbij vooral op het laatste punt, waar hij ons zeggen zal hoe de Pastoor van Ars dacht over de macht der H. Philomena in zake de heilige deugd van 'kuischheid. Jean Darche ') schrijft ongeveer als volgt. Geheel de wereld weet, dat er tusschen den Pastoor van Ars en de H. Philomena eene betrekking bestond, die aan het wonderbare grensde. Hij deed al zijne werken om haar eeredienst te verbreiden; zij, tot belooning, gebruikte hare macht om hem voor de volkeren te verheerlijken. Hij schreef aan haar toe de zoo overvloedige mirakelen, die er te Ars geschiedden; zij verhoorde elk zijner gebeden bij God. Deze zalige omgang heeft tijdens zijn bevoorrecht leven nooit opgehouden; na de goddelijke Moedermaagd lag de H. Philomena hem het meest aan het hart. Zij was zijne toevlucht in de bekoringen, zijn troost in de wederwaardigheden , zijne voorspraak bij God en de H. Maagd. Zij behandelde hem als eene beminde zuster, weliswaar reeds gekroond met de hemelsche gelukzaligheid, maar steeds geneigd om naar zijn gebed te luisteren en hem bij te staan in de zware zending, die God op zijne schouderen gelegd had. Het gevolg van dat alles was, dat de eerbiedwaardige man steeds van haar sprak. Van haar sprak hij, in zijn zoo beroemd geworden Katechismus; van haar, op den predikstoel; van haar, in den biechtstoel. âMijne kinderen,quot; aldus leeraarde hij, âde H. Philomena is zóó machtig en heeft een zóó goed hart, dat zij ons kan en ons zal helpen als wij maar met vertrouwen tot haar gaan. Hare edelmoedigheid tot God
') Vie nouvelle, etc 34® hoofdstuk.
104
heeft in haar marteldood zulk een trap van heldhaftigheid bereikt en zij is Hem zoo aangenaam geweest door haar maagddom, dat Hij haar nooit iets zal weigeren van alles, wat zij vraagt. Daarom, kinderen, in al onze,wederwaardigheden, in alle bekoringen die wij tegen de heiligste der deugden, dc kuischheid, zouden ondervinden, roepen wij met de H. Moedermaagd ook de II. Philomena aan; wij kunnen zeker zijn, dat wij onze bedorven natuur zullen overioinnen!quot;
Ziedaar de woorden van een toekomstigen Heilige. Is het noodig, dat ik hier nog iets hij voege om u te overtuigen? Neen, voorzeker. Welnu dan; wilt gij immer, al zouden ook uwe beproevingen en bekoringen veelvuldig zijn, de H. Kuischheid bewaren, neemt dan voortaan, naast de Onbevlekt Ontvangene en den H. Jozef, naast den H. Aloysius, ook dc 11. Philomena tut beschermster uwer deugd.
In mijn Voorwoord heb ik, in het algemeen, doen zien, hoe snel de eeredienst der H. Philomena zich heeft uitgebreid. Voor bijzonderheden, heb ik toen voornamelijk op Italië gewezen. En toch, er is een land, nader bij het onze gelegen, een land dat haast evenveel wonderen te aanschouwen geeft en evenveel gebed tot de H. Philomena richt als het eerstgenoemde; ik bedoel Frankrijk. Frankrijk , bekend om zijne misdaden en goddeloosheid, maar ook boven alle landen uitmuntend in offervaardigheid en groote deugden. Men vindt in dat land vele bedevaartsoorden ter eere der H. Philomena; kapellen en kerken, die overvloeien van godsvrucht tot haar en getuigen van menigvuldige mirakelen. Om er slechts eenige, de voornaamste , te noemen: de genadekapellen te Ars, te Fourvières, te Thivet, te Sempigny, te Neuville-sur-Seine,
105
te Saulles, te Neuville-au-Roi, te Tours, te Parijs (kerk van St. Gfervais), weergalmen van haar lof, vloeien over van hare wonderwerken.
Het is van die genade-oorden vooral, en van hen, die tot de H. Philomena hunnen toevlucht nemen, dat Jenn Darche ') deze merkwaardige woorden schreef, waarmede wij sluiten zullen: âPhilomena, zij wordt aangeroepen door den grijsaard, die op den rand des grafs staat; door den soldaat, die zijne familie verlaat om op de slagvelden al de verschrikkingen des oorlogs te tarten; door den zieke, die, te midden zijner smarten, bevend de handen tot haar opheft; door den stervende, die, aan al de angsten eener onzekere eeuwigheid ten prooi, van haar redding en zaligheid afsmeekt! In hoevele duizende omstandigheden des levens, oogenschijnlijk zonder belang, maar voor onze zielen van het allergrootste gewicht, heeft niet de H. Wonderdoenster hare macht en de uiterste goedheid haars harten getoond? â Dat alles, dewijl zij, naast de Onbevlekte Moeder en haren kuischen Bruidegom, eene Middelares is van de grootste waarde voor het mensch-dom! Ja, de goddelijke Voorzienigheid gebruikt de H. Philomena om allen met alle goederen te vervullen!quot;
H. Philomena, bid voor ons en breng uwe dienaren en dienaressen tot God, hier en hiernamaals! Zoo zij het!
*) Vie nouvelle, etc. 2e gedeelte; 14tie hoofdstuk.
⢠I,:.:- - â ü «W
I
INHOUD
EERSTE GEDEELTE.
I. Het Graf der H. Philomena wordt teruggevonden.
II. Wondervolle Geboorte en eerste Jeugd der H. Philomena.
III. Vroege ontwikkeling der H. Philomena; hare Gelofte
van Knischeid..........
IV. Reis naar Rome; zij verschijnt voor Keizer Diokletiaan.
V. De Keizer vordert de H. Philomena van haar vader
op tot zijne gemalin; zij weigert......
VI. Nieuwe moeilijkheden; de Heilige blijft getrouw aan
haar Bruidegom.........
VII. De H. Moeder Gods kondigt haar het begin aan van
den strijd; de Heilige wordt gegeeseld en door Engelen genezen...........
VIII. De H. Philomena overwint de aanvallen tegen haar Ge
loof. In den Tiber geworpen, wordt zij wonderdadig gered; daarna met pijlen doorschoten. .
IX. Zij wordt ten tweeden male, ditmaal met gloeiende
pijlen, doorschoten. De Keizer doet haar onthoofden.
Blz. 11
16
27
34
40
46
51
56
108
TWEEDE GEDEELTE.
X. De Overblijfselen der Heilige worden vervoerd naar
Zuidelijk-Italië. Wonderen te Napels. . ⢠. 61
XI. Van Napels naar Mugnano, waar zij in triomf wordt
ontvangen; vele mirakelen.......68
XII. Wonderen aan de kostbare Overblijfselen der Heilige
Philomena geschied........74
XIII. De Heilige helpt hare dienaren in allen nood. . . 81
XIV. De H. Philomena beheerscht de elementen en de natuur
om hare Vereerders te beschermen.....87
XV. Voorliefde der H. Philomena voor Kinderen; bijzonder
voor die in het H. Doopsel haar naam ontvingen. . 93
XVI. De H. Philomena medepatrones der H. Deugd van
Kuischheid. Opwekking tot haar Eeredienst. Besluit. 100
A. M. D. G.
......
â
'â¢WM.
mm