ENQUETE
^ T
à **/â ' BKTKRFFENDE
WERKING EN UITBEEIDINQ
DER WET VAN 19 SRPTEMBER 1874
(STAATSBLAD No. 1301
Bmgt; . l
EN NAAR DEN
T0'. STA ND VAN FABRIEKEN EN WERKPLAATSEN
M:. : .
BUNDEL II
/ 790- m\
umuHiLnsium J
- ,, V1, 1 :lt;?' S i Kt â¢
SNEEK Y TTEKSÃ N T z. 1887
X
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
ENQUETE
Ar /\
BETREFFENDE f 'L, \
WEEKING EN UITBREIDING DER WET VAN 19 SEPTEMBER 1874
(STAATSBLAD No. 130)
EN NAAR DEN
TOESTAND VAN FABRIEKEN EN WERKPLAATSEN
de Heeren VEENIEES VAN DEE LOEFF, Voorzitter. GOEMAN BOEGESIUS Onder-Voorzitter. BEELAEETS VAN BLOKLAND. EUYS VAN BEEEENBEOEK. HELDT. SMIT. VAN ALPHEN. VAN DEE SLEYDEN en BAHLMANN.
BUNDEL II
T â ï v;.
ov^rn^r'satst: quot;:-Vikotbiiésbibilot'neeK
roo? «scHiiPtNrs sem
\ fA , . iV 7 tl f RfO
SNEEK H. PYTTERSEN Tz. BIBLiOTHEEK DER 1 1887
LRIJKSUNIVERSITEIT RIJKSUNIVERSITEIT UT-RECHT
ZITTING VAN MAANDAG 17 JANUARI 1887.
Tegenwoordig de heeren:
|
Veknikrs van der Loeff, Voorzitter. Goeman Borgesius, Onder- Voorzitter. Beelaerts van Blokland. Ruys van Beerenbroek. Verhoor van den heer ür. E. Wintgeiis. ( Verkort.) 5098. De Voorzitter: Wilt gij zoo feed zijn uw naam, voornaam, ouder-om, betrekking en woonplaats op te geven ?eed zijn uw naam, voornaam, ouder-om, betrekking en woonplaats op te geven ? A. Eduard Wintgens, oud 36 jaren, doctor, adjunct-inspecteur van het geneeskundig Staatstoezicht voor Noordbrabant en Limburg, wonende te Maastricht. 5099. V. Gij zijt adjunct-inspecteur van het geneeskundig Staatstoezicht, sinds October 1884? A. Ja 5100. V. Waart gij vóór October 1884 in de eene of andere ambtelijke betrekking. A. Jawel. Gedurende ',vier jaren was ik schoolopziener te Heerlen. 5101. V. En tevens practiseerend dokter ? A. Ja. 5102. V, Bestond te Heerlen misschien eene gemeentelijke verordening krachtens art. 82 van de wet op het lager onderwijs ? A. Neen; trouwens in het geheele arrondissement Heerlen niet. Ik heb daaromtrent naar aanleiding van de missive, die ik van uwe Commissie ontving, informatiën genomen bij den districtsschoolopziener voor Maastricht en Roermond. Deze heeft mij gezegd, dat nergens in Limburg gebruik gemaakt is van art. 82 der wet op het lager onderwijs, om bepalingen vast te stellen, regelende den arbeid. Alleen weet ik dat te Vaals in der tijd belooningen werden uitgeloofd om het schoolbezoek te bevorderen. In alle andere gemeenten in Limburg is dat niet het geval. SlOS. V. Werd in die gemeenten waar |
Bahlmann. Heldt. Smit. Van Alphen. gij in der tijd als schoolopziener af en toe kwaamt, de wet van 1874 behoorlijk nageleefd? A. Naar mijn weten, ja. Ik heb bij deze gelegenheid van de officieren van justitie te Maastricht en te Roermond geïnformeerd, en dezen hebben mij verzekerd, dat die wet zooveel mogelijk wordt nageleefd. Zij hebben mij eene statistiek gegeven, waaruit bljjkt dat er in Limburg van 1874 tot 1886 82 vervolgingen zijn ingesteld tegen personen die zich tegen die wet bezondigd hebben, en dat daarop 65 veroordeelingen zijn gevolgd met geldelijke boeten. 5104. V. Mijne vraag betrof meer of gij als schoolopziener den indruk hebt ontvangen niet slechts of er vervolgingen werden ingesteld, maar of men toezag op de uitvoering van de wet, of die Werd gecontroleerd ? A. Dat kan ik niet zoo bepaald zeggen, want in het arrondissement Heerlen bestaat bijna geen industrie. 5105. V. Maar wat gelooft gij te dien opzichte? Gij hebt toch zeker ook in uwe nieuwe betrekking wel bijgehouden wat er op het gebied dat wij nu bespreken in uwe nieuwe standplaats zoo al omgaat? A. In Maastricht wordt onder do arbeidende klasse de school nog al eens verzuimd. 5106. V. De quaestie is niet, of dc school verzuimd wordt, maar of de kinderen arbeid doen ? A Dat laatste geloof ik niet, en ik geloof het daarom niet, omdat op de meeste fabrieken te Maastricht geen jongens worden aangenomen. 5107. Ue hoer Ruys van Beerenbroek: En meisjes ook niet? A. Neen. |
4
|
5111. De Voorzitter; Uw indruk is over het algemeen, dat door de kinde-ren vóór den 12jarigen leeftijd geen arbeid wordt verricht op fabrieken of werkplaatsen ? A. Ja. 5115. V. Gij hebt u in de laatste weken ten behoeve van de enquête commissie en op persoonlijk verzoek en onder medewerking van ons geacht medelid, den heer Ruys van Beeren-broek, beziggehouden met het onderzoeken van een aantal fabrieken te Maastricht ? A. Jawel. 5116. V. Gij werdt overal waar gij u hebt aangemeld om een omlerzock te doen met welwillendheid ontvangen, niet waar ? A. Jawel. 5117. V. Nergens heeft men van u gevergd dat gij vergezeld zoudt zjjn van een commissaris van politie, of eenig ander van de officieele personen die in art. 5 der wet op het Geneeskundig Staatstoezicht opgenoemd zijn ? A. Neen, men heeft ons overal vrij toegelaten. 5118. V. Gij hebt nooit te dien opzichte eenige belemmerende ondervinding gemaakt ? A. Neen, op dit punt niet. 5119. V. Op andere punten dan wel ? A. Dat weet ik niet, er zijn wel eens fabrieken waar niet altijd de inlichtingen gegeven worden die men vraagt. Men moet niet vergeten, dat wij altjjd op het gebied van fabriekshygiene blijven en men voor een grondig onderzoek voor elke fabriek eigenlijk een specialiteit zou moeten zijn, zoodat men voor den fabrikant als niet deskundige staat en wel eens inlichtingen moet vragen. 5120. \', Gij zegt dat er inlichtingen zijn, die men u niet verschaft heeft. Heeft men ook in de fabrieken, die gij bezocht en gezien hebt, eenigerlei onderdeel voor u verborgen gehouden ? A. Ik ben door die fabrieken gegaan, en het kwam mij voor dat de fabrikanten misschien dachten te veel op de proef gesteld te worden ; want de commissieleden hebben nog al dikwijls de verschillende fabrieken bezocht. |
5121. De heer Ruys van Beeren-hroek : Maar wanneer gij vroegt om iets te zien, is u dat dan wel eens geweigerd '7 A. Neen, dat niet. 5122. De Voorzitter: Laat ik mijne vraag nog eens preciseeren, de quaestie is moeilijk, maar ik doe de vraag niet zonder reden. Kan het zijn dat in de fabrieken die gij in do laatste weken bezocht hebt enkele onderdeden aan uw oog onttrokken zjjn, of durft gij te zeggen dat gij zo in al haar onderdeelen hebt gein-specteerd ? A. Neen, dat durf ik niet absoluut zeker te zeggen. Nadat ik onder anderen met den heer Van Cleef de fabriek van den heer Regout gezien had, merkte de Maastrichtsche courant op dat wij niet alles bezocht hadden. En ik moet erkennen dat ik bij mijn rondgang ook den indruk heb ontvangen dat ik de fabriek niet in alle onderdeelen gezien had. 5123. V. Is dit geen aanleiding voor u geweest om er naderhand nog eens heen te gaan? A. Er zijn toen andere heeren, de heeren Ruys van Beerenbroek en Bekaar, naar die fabriek geweest. 5124. V. Het bezoek van den heer Ruys kunnen wij nu ter zijde laten. Maar nadat in de couranten er op gewezen was, dat er bij uw bezoek wel voor gezorgd was u niet alles te laten zien, is dit toen voor u geen aanleiding geweest om uwe inspectie te herhalen'? A. Ik had het gaarne gedaan, maar ik moest andere fabrieken ook nog bezoeken, had mijn gewone werk te doen, zoodat de gelegenheid tot een herhaald bezoek mij ontbrak. 5125. V. Volgens beleefde uitnoodi-ging van dezo Commissie hadt gij nog tal van andere fabrieken te bezoeken, en daarom dus hebt gij dit tweede bezoek aan genoemde fabriek moeten achterwege laten. Maar hot feit kan toch als feit waar zijn ? A. Ja, het kan waar zijn. 5126. V. Welke fabrieken hebt gij zoo al ten onzen behoeve gezien ? A. 1quot;. De fabriek van aardewerk, glas en diversen van Regout; 2°. de cera-mique-fabriek; 3°. de behangselpapier-fabriek van J. II. Rutten ; 4°. die van |
|
de gebroeders Regout; 5quot;. de deken-fabriek van Jules Regout; 6°. de ge-weerfabriek van De Beaumont; 70. de papierfabriek van L. Lhoest: 80. de spijkerfabriek van Th. Regout; 9°. de stoommeelmolen van Dolk; 10°. de tabaksfabriek van Philips; Hquot;. de ver-micellie-fabriek van Bauduin; 12quot;. die van Pagnier; 13°. de ijzergieterij van F. Van Oppen; 14°. de zinkwitfabriek. 5127. V. Als ik het goed begrijp, zjjn er onder die 14 fabrieken enkele die met het oog op onze enquête weinig of geene bedenkelijke kanten hebben, niet waar? A. Zoo is het. 5128. V. Bedrieg ik mij, als ik daaronder in de eerste plaats de geweer-fabriek van De Beaumont opnoem? A. üie heeft niets bedenkelijks. 5129. V. Is daar dus niets door u opgemerkt, dat ge begrijpt dat veranderd zou moeten worden? A. Er zijn vier hoofdzalen. In de eerste zaal, waar de vijlers werkzaam zijn, ontwaart men van stofontwikkeling bijna niets. De zalen zijn zeer goed verlicht, en de ventilatie heeft plaats door het openzetten van ramen. Die eerste, vrij groote zaal wordt verlicht van twee kanten en is niet overbevolkt. Dan de zaal waar do freezers (free-zen is snijden) bezig zijn. Daar worden de voorwerpen van staal, die aan de feweren voorkomen, afgesneden, en dit eeft geen bedenkelijken kant, omdat het gebeurt terwijl de staaldeelen bevochtigd zijn met olie, zoodat er geen stofontwikkeling plaats heeft. Het is ook van belang voor den fabrikant zelf dat er olie bijkomt, omdat anders de werktuigen te veel afslijten.eweren voorkomen, afgesneden, en dit eeft geen bedenkelijken kant, omdat het gebeurt terwijl de staaldeelen bevochtigd zijn met olie, zoodat er geen stofontwikkeling plaats heeft. Het is ook van belang voor den fabrikant zelf dat er olie bijkomt, omdat anders de werktuigen te veel afslijten. Hetzelfde heb ik opgemerkt in de zaal waar de hoorders en draaiers werken. Daar wordt het staal niet natgemaakt met olie, maar met zeepwater. Ook daar is dus geen stofontwikkeling. 51S0. V. Hebt gij in de geweerfabriek van De Beaumont ook werkzaam ge-vonden.jongens van 14, 10 en 18 jaren? A. £r is één jongen van 16, en er zijn er 3 van 18 jaren. 5134. V Er zijn immers 45 volwassen werklieden? A. In het geheel 50 werklieden. 5135. V. De geweerfabriek van De |
Beaumont gaf dus geen aanleiding tot opmerkingen of mededeel ingen uit het oogpunt dezer enquête ? A. Neen. 5136. V. Geldt dit ook niet den stoommeelmolen van Dolk? A. In het algemeen heeft in die molens veel stofontwikkeling plaats; in dien van Dolk eerder iets minder dan in andere. 5138. V. Wordt nu en dan daar des nachts gewerkt? A. Bij groote bestellingen. 5139. V. Wordt tegenwoordig niet voortdurend bij nacht gewerkt met eene dag- en een nachtploeg ? A. De menschen die malen, andere niet. 5140. V. Wordt er des Zondags gewerkt? A. Neen. Ik wensch nog te zeggen dat het scherpen der steenen met een bril geschiedt en zonder respirator. 5141. V. Verlangt het volk dien niet? A. Dit in de eerste plaats, en ten andere heb ik dien nergens gevonden in werkplaatsen met stofontwikkeling. 5142. V. Gij zegt dat gij die nergens gevonden hebt, bedoelt quot;gij daarmede dat zij nergens gebruikt worden? A. De werklieden weigeren de respirators; zij zijn daarvan niet gediend. 5143. V. Waarom niet? A. Omdat zij meenen dat het te warm is en het hun hinderen zou in de ademhaling. Zij zijn gebruikt geworden in de papierfabriek door de sorteerders van lompen, doch men vond de constructie er van niet doelmatig. 5147. V. Geeft de stoommeelmolen van Dolk u verder geene aanleiding tot opmerkingen ? A. Natuurlijk is er bijzonder veel meelstof en dus dispositie voor ziekten van de ademhalingswerktuigen. Maar mij is ook opgevallen dat de bodemluiken nergens beschermd zijn, en dat is, dunkt mij, gevaarlijk. 5148. V. Zijn dat de luiken waardoor het graan wordt op- en afgelaten? A. Ja. 5149. V. Zijn er reeds ongelukken mede voorgekomen? A. Neen. 5150. V. Dus de ondervinding bevestigt uwe vrees niet? A. Neen. Dan heeft het mij ook ge- |
|
troffen dut de machinedeelen op sommige plaatsen beter beschermd konden zijn. Maar op dit punt zal de heer Bekaar, die hieromtrent een onderzoek heeft ingesteld, nadere bijzonderheden kunnen mededeelen. 5151. V. Wat is uw indruk geweest van de vermicellifabrieken van den heer Bauduin en van den heer Pagnier? A. üat is een heel onschuldige fabricage. Bij den heer Pagnier werken 12 personen, zes mannen en zes vrouwen, in zeer ruime en goed verlichte fabriekslokalen. 5152. V. In die fabriek van den heer Pagnier zijn eene gehuwde vrouw, twee ongehuwde vrouwen en twee aankomende meisjes van 16â18 en van 12â10 jaar werkzaam ? A. Ja, die meisjes hebben een zeer lichten arbeid te vervullen. Zij worden hoofdzakelijk gebruikt voor het krullen en verpakken van do vermicelli. Die vrouwen werken daar te zamen in een groot en goed verlicht lokaal. 5153. V. De werktijd is ll'/a uur? A. Ja, van 's morgens 0 tot 's avonds ö1/} ; zij hebben een rusttijd van een uur om te eten, en twee rusttijden van een klein kwartier. 5156. V. Hoe is uw indruk â om nog eene fabriek te noemen, waar verder geene getuigen voor opkomen â van de behangselpapierfabriek van de heeran gebrs. Regout 1 A. Zeer gunstig. 5157. V. Zijn daar geen vrouwen of aankomende jongens? A. Er zijn 5 jongens, maar geen meisjes of vrouwen. In het geheel zijn'er 17 werklieden De fabriek is overgenomen van de firma Claerenboets. Het oude gebouw is thans ingericht voor magazijnen, en daarnevens is eene nieuwe fabriek opgebouwd, die in alle opzichten ruim is en goed verlicht en verwarmd wordt. 5158. V. Omtrent het gebouw valt dus niets bijzonders op te merken. Maar worden er ook voor de gezondheid na-deelige verfstoffen gebruikt? A. Dat zal wel zoo zijn, doch in dit opzicht hangt men geheel af van de verklaringen van den fabrikant. 5159. V. Hoe dat? A. Wel omdat het moeilijk zou zijn dat te controleeren. |
5160. V. Dat ben ik minder met u eens. Wanneer gij als inspecteur komt onderzoeken of er gevaarlijke verfstoffen worden gebruikt, dan behoeft gij u toch niet tevreden te stellen met de verklaringen van den fabrikant. Zoudt gij het recht niet hebben u zelf bij eigen onderzoek te overtuigen ? Maar, wat daarvan zij, gij hebt dat punt dus niet onderzocht ? A. Neen, dat zou met veel werk en omslag gepaard gaan. Er worden een massa verfstoffen gebruikt, waarvan sommige wel, andere niet schadelijk kunnen zijn. Een dergelijk onderzoek zou toch tot geen resultaten leiden. Den eenen dag kunnen geen schadelijke verfstoffen gebruikt worden, en den anderen wel. 5161. V. Hebt gij er nooit producten gezien, waarop kleuren voorkwamen, die u deden vermoeden, dat er wel schadelijke stoffen voor gebruikt zijn? A. Daarop zou ik u geen antwoord kunnen geven. 5102. V. Ik meen dat u op deze vraag, als deskundige wel antwoord zoudt kunnen geven. Welke kleuren zijn schadelijk? A. Parijsch-groen. 5163. V. Hebt gij fabrikaten gezien met Parijsch-groen bewerkt ? A. Noen. 5164. V. Hebt gij er bepaald naar gekeken ? A. Ik heb in het algemeen naar de werkzaamheden gekeken, maar niet alles in kleinigheden ingegaan. 5165. Zijn er magazijnen, voorraden, pakhuizen ? Ik bedoel nu niet te vragen, of gij alle pakken onderzocht hebt, het spreekt vanzelf, dat het niet gaat, maar hebt gij niet in het algemeen de afgewerkte artikelen bezien? A. Neen, dat niet, doch de fabrikanten verklaarden, dat er geen schadelijke kleuren gebruikt worden. 5166. V. Zijn er andere kleuren die gevaarlijk zijn buiten de groene ? A. Dat ik weet niet. 5107. V In Duitschland is het gebruik van arsenicum op dergelijke fabrieken verboden, niet waar? A. Ik kan het niet verzekeren; ik weet wel dat in de fabriek van Rutten arsenikhoudende stoffen (Parijsch-groen) |
7
|
gebruikt worden voor de aanmenging van andere verfstoffen. 5168. V. Dus uwe verklaringen omtrent die fabrieken op de punten die wij behandeld hebben, steunen eenvoudig op de mededeelingen van de ge-inspecteerde heeren fabrikanten zelve ? A. Ja. 5173. De Voorzitter; Dan wil ik u eenige vragen doen over de grooto industrie. Wij zullen daarbij volgen den staat, door de goede zorgen van ons geacht medelid, den heer Ruys, opgemaakt. üm te beginnen met de aardewerken glasfabriek van de firma T. Regout, waar een zeer talrijk personeel werkzaam is, kunt gij ons daarvan het personeel opgeven ? A. In de afdeeling «aardewerkquot; zijn werkzaam: 784 mannen, 341 jongens van 12â16 jaar, 128 van 16â18, 318 -p meisjes van 12â16 jaar, 144 meisjes 16â18 jaar, 127 gehuwde vrouwen en 262 ongehuwde vrouwen. Aan de afdeeling «glaswerk' werken 418 mannen, 111 jongens van 12â16 jaren, 55 jongens van 16â18 jaren, 21 meisjes van 12â16 jaren, 22 meisjes van 16â18 jaren, 58 gehuwde en 65 ongehuwde vrouwen. 1 In algemeenen dienst zijn 327 man nen, 6 jongens van 12â18 jaren, 7 jongens van 16â18 jaren, 9 gehuwde en 6 ongehuwde vrouwen. Het totaal van het personeel, dat bij de heeren Regout werkzaam is, bedraagt dus ruim 3200 mannen en vrouwen. 5174. V. Zou het misschien niet het best zijn, dat gij op de wijze, die u het helderste en volledigste voorkomt, een exposé gaaft van de gansche werkzaamheid, zooals die door u is opgemerkt, waarbij gij dan te gelijk kunt inlas-schen al wat u voorkomt der mededee-ling met het oog op de onderwerpen der enquête waard te zijn. Gaarne geef ik u daarvoor het woord. A. In de eerste plaats het aardewerk. Dat wordt gefabriceerd uit verschillende kleisoorten. Die worden vermengd en vermalen, aangeroerd en dooreenge-mengd met water; dat water wordt er naderhand op machinale wijze uitgeperst. en ten slotte wordt do klei dan |
tot eene vaste, eene stevige brij verwerkt. Die brij komt dan in vormen en wordt zoo tot een voorwerp gemaakt. Dat voorwerp gaat in de droogkast om te drogen, vervolgens wordt het even gebakken in een oven, daarna wordt het geglazeerd, weer gebakken; en als het geschilderd moet worden, gaat het in de schilderkamer, wordt beschilderd en gaat nog eens in den oven. Dat is in het groot wat er gebeurt. 5175. De heer Rnys van Beereu-broek: Wat valt bij de grondstofbe-werking op te merken, o. a. bii de gipsbewerking ? A. De gips wordt droog gemalen, en dit verwekt natuurlijk veel stof. Ik heb daarbij opgemerkt dat de steenen niet in kassen ronddraaien. Het komt mij voor dat dit mogelijk zou zijn en men daardoor minder last van het stof zou hebben. Dat gipsmalen is niet eene bijzonder gezonde werkzaamheid. De vraag is alleen : kan het anders ? Kan men bjjv. de gips nat malen ? en dit geloof ik niet. 5176. V. Hoe is het lokaal waar dit gebeurt ? A. Dat lokaal is zeer ruim. 5177. V. Waren daar alleen mannen werkzaam ? A. Ja. slechts twee personen. 5179. V. Hebt gij de machinekamer gezien ? A. Ja, die is afgezonderd. 5180. V. Hebt gij den aardmolen waaide aarde gemalen wordt, gezien ? A. Die geeft nog al stof. 5181. V. Die wordt immers nat gemalen ? A. Ja, maar dit geeft veel vuil. 5182. V. Wie werken daar? A. Niet veel personen, alleen volwassen personen. 5183. V. Hebt gij daaromtrent iets aan te merken ? A. Neen. 5184. quot;V. En omtrent het aardeper-sen? A. Evenmin. 5185. V. Geschiedt het niet onder 4 a 5 atmosfeeren, waarbij de vloeibare stof in zakken wordt gebracht; waarin het water verwijderd wordt en dus brij overblijft ? A. Ja, die brij wordt daarna gebracht |
8
|
in eone machine, waar zij verder verwerkt wordt. 5186. V. Is die bouw oud of nieuw? A. Nieuw. 5187. V. Geschiedt het werk in kelders ? A. Ja. 5188. V. Zijn die vochtig en bedompt? A. Bedompt in geen geval. 5189. V. Is de geheele inrichting ruim? A. Ja. 5190. V. Waar heeft het vormen plaats? A. In een flink gebouw. 5191. V. Is er behoorlijke ventilatie? A. Al de lokalen kunnen behoorlijk geventileerd worden door tuimelramen; vooral is het van belang dat iedere zaal door twee exhausters geventileerd wordt. 5192. V. Hebt gij omtrent de exhausters iets mede te deelen ? A. Ja, in de geheele fabriek zijn 17 exhausters in werking, die eene stoommachine van 68 paardenkracht ver-eischen. 5193. V. Hoeveel lucht verplaatst die per minuut? A. Ieder exhauster verplaatst 183 kubiek meter. De lucht wordt daarbij heel vernuftig naar beneden geschoven, zoodat zij den mond der arbeiders niet voorbijgaat. 5194. V. In die lokalen waar gevormd wordt, is ook de droogoven? A. Ja. Naderhand worden die vormen van den droogoven verder getransporteerd. Stofontwikkeling kon ik niet zien. Alleen, wanneer men de personen beziet, ziet men een licht beslag op de huid, veel niet, maar toch iets. 5195. V. Hoe worden die lokalen gereinigd ? A. Tweemalen in de week met water, geschrobt als 't ware. 5196. V. Hoe wordt het water er in gebracht ? A. Met buizen en kranen. 5197. V. Waarvan zijn de vloeren? A. Van hout. 5198. V. In het oude gebouw, maar in het nieuwe van steen; maar misschien hebt gij uwe aandacht er meer speciaal op gevestigd. Er zjjn twee manieren van uit- en inbrengen van vormen in die ovens ? A. De vormers zijn mannen, en ieder |
man heeft een jongen bij zich tot het aanbrengen van aarde en tot het wegbrengen van de gevormde voorwerpen naar de droogkasten. 5199. V. Dat zijn jongens van ongeveer 13 jaar ? A. Ja. 5200. V. Acht gij dat werk ook te zwaar voor hun leeftijd? A. Dat kan ik niet zeggen. 5201. V. Voor volwassen mannenook zeker niet? A. Neen; maar ik vind het métier niet bijzonder gezond. 5202. V. Wat is in het algemeen uw denkbeeld over het werk, door de vormers verricht ? Is hot gezond of niet ? A. Dat is altijd een ongezond werk. De vraag is, dunkt mij: wat hebben de fabrikanten gedaan om dat nadeel zooveel mogelijk tegen te gaan ? En dan durf ik zeggen, dat hier heel wat gedaan is. p 5203. V. In dezelfde afdeeling «vormersquot; zijn, behalve de vormers, speciaal voor dat werk, ook andere vormers, die, wanneer de potten gedeeltelijk droog zijn, ze nog onder handen krijgen om ze verder af te polijsten en er tuiten en ooren en kleine deelen aan te zetten. Hebt gij dat afwerken gezien? A. Ja, de menschen die daaraan wer- / ken, ademen ook slechte stoffen in. 5204. V. De stof is daar drooger. Is de inademing daarvan nadeeliger? A. In het algemeen is het inademen van minerale stoffen zeer nadeelig, en veel slechter voor de gezondheid dan het inademen van plantaardige stoffen. 5205. V. Nu komen wij aan de biscuitovens, waar de afgewerkte .voorwerpen die wij besproken hebben, de eerste keer gebakken worden. Hoe zijn daar de lokalen? A. Ruim en groot. 5207. V. Hebt gij dergelijke ovens zien laden l A. Neen; wel zien leegmaken. 5208. V. Welke temperatuur hebt ge toen bevonden ? A. Ik had geen thermometer bij mij; maar de oven was volkomen koud. 5209. V. Hebt gij ook soms van fabrikanten of werklieden vernomen dat dit niet altijd het geval is? A. Ik heb wel eens zulke praatjes |
9
|
vernomen, maar heb dat niet kunnen nagaan ; althans toen ik dien oven zag leegmaken, was hij volkomen koud. SSll. V. Het uithalen, hoe geschiedt dat? A. De mannen gaan er in en halen de voorwerpen er uit, die dan door vrouwen, misschien ook wel jongens, verder worden weggedragen. 5212. V. Zijn het volwassen mannen die in den oven gaan? A. Ja. 5213. V. Acht gij dat een zwaar werk ? A. Dat kan ik niet zeggen. Zij dragen een muts en dragen de cassette van vuurvasten steen, waar de voorwerpen in gebakken zijn op het hoofd. Ik heb wol zwaarder zien werken. 5214. V. £n ieder draagt maar één cassette, niet waar? A. Ja, het werk is niet te zwaar althans. 5215. V. Ondergaan de voorwerpen na uit den oven gekomen te zijn, nog eene tweede bewerking ? A. Dan worden zij geglazuurd. 5216. V. Om even bij dat glazuren stil te staan, hebt gij dat zien doen ? A. Ja. 5217. V. Op welke wijze geschiedt dat? A Met kleine voorwerpen geschiedt dit aldus : de persoon, die met het glazuren belast is, brengt de voorwerpen in een grooten kuip met azuurbrij, die daarna op eene zeef gelegd worden. De persoon die er mede belast is gaat zelf met de hand in de giazuurbrij 5218. V. Wat denkt gij daarvan ? A. Op den duur moet dat nadeelig werken, dat kan niet anders. 5219. V. Waar bestaat dat glazuur dan uit ? A. Uit loodwitbestanddeelen, die evenals dit met kwik het geval is, opgenomen worden door de huid. Dit kan aanleiding geven tot vergiftiging. Ik heb gevraagd of dit werk aanhoudend door denzelfden persoon geschiedde; door den fabrikant werd geantwoord, dat zij afgewisseld worden. 5220. V. Heeft de fabrikant ook gezegd, hoelang dezelfde personen in die afdeeling bleven? A. Ik meen een paar maanden hoogstens. 5221. V. Ik had gehoord een paar jaren. |
A. Men moet afgaan op de verklaringen van de fabrikanten. 5222. V. Gij spraakt van kleine voorwerpen die met de hand worden ingebracht, maar hoe geschiedt het met andere voorworpen, bijv. borden? A. Met de tang en komt de persoon dus niet in aanraking met de brij. 5223. V. Die vloeistof die het glazuur geeft is koud, nietwaar, zoodat uit dien hoofde hoegenaamd geen gevaar bestaat? A. Juist. Er bestaan instructiën voor die menschon die in die afdeeling werken, waar het glazuur bewerkt wordt. In hoever zij opgevolgd worden, weet ik niet. Zij mogen b.v. niet eten in de lokalen. Zij moeten hunne handen was-schen voor zij eten. Arbeiders zijn zeer onvoorzichtig. 5224. V. Gij zegt: daar werken bij dat glazuren vrouwen, meisjes en zelfs jonge meisjes. Wat is hare bezigheid? A. Zij nemen de voorwerpen aan, en plaatsen ze weer op een plank. Daarna worden de voorwerpen weggebracht. 5225. V. Dat is dus niet gevaarlijk ? A. Neen. 5226. V. Is het glazuur dan al droog ? A. Neen, geheel droog nog niet, maar in de stof getrokken. 5227. De heer Beelaerts van Blokland: Is er controle op het wasschen der handen door de werklieden? A. Ik weet het niet zeker. 5228. V. Moeten zij hunne handen niet vertoonen aan den meesterknecht, zoo zij in het lokaal komen waar zij hun brood eten? A. Ik weet het niet. 5231. De heer Ruys van Beeren-broek: Nadat de voorwerpen geglazuurd zijn, komen zij weder in een oven. Hebt gij omtrent die ovens iets anders op te merken en mede te deelen dan omtrent de biscuit-ovens ? A. Niets bijzonders 5232. V. Gij hebt zoö even gesproken van het beschilderen van do voorwerpen, wanneer zij geglazuurd zijn. Kunt gij daaromtrent iets mededeelen? A. Het schilderen geschiedt in eene zaal, door mannen en meisjes van verschillenden leeftijd. In die zaal heerscht een terpentijnlucht; maar de firma Re-gout heeft die zaal door middel van exhausters doen ventileeren en ik geloof |
10
|
dat dit voldoende is. Hot is ook bokend dat het inademen van terpentijn door sommige menschen goed, door andere minder goed verdragen wordt. 5233 v. Is het werk daar door vrouwen en meer speciaal door meisjes ver-rioht, zwaar of licht. A. Het werk is licht. Het is kunstarbeid door ontwikkelde meisjes verricht. 5234. V. Hebt gij er ook mannen zien schilderen, en zitten mannen en vrouwen door elkander ? A. Ja, maar er zjjn niet veel mannen. 5235. V. Het geschilderde goed wordt vervolgens in ovens gebracht, de zoogenaamde raouffles, hebt gij die ook gezien ? A. Neen, ik geloof niet dat daarbij iets valt op te merken 523(5. V. Wij spraken zoo even van cassettes. Het maken daarvan hebt gij waarschijnlijk gezien ; valt daaromtrent niets op te merken ? A. Ja, het maken der grondstof. Daarbij zijn 4 of 5 werklieden werkzaam. 5237. V. Geldt uwe vroegere opmerking omtrent het droogmalen van stoffen ook dit werk? A. Ja, het ontwikkelt ook veel stof. 5238. V. Het bakken der cassettes in de ovens heeft u geene aanleiding tot opmerkingen gegeven ? A. Neen. 5242. V. Wat is uw totale indruk omtrent de gezondheid der werklieden in de afdeeling «aardewerkquot; geweest? A. Dat die niet al te florissant was. De arbeiders zagen er over het algemeen niet sterk uit. 5243. V. Is dat, naar uw oordeel, een gevolg van den overmatigen arbeid of van den aard van het werk? A. Ik geloof dat die toestand hoofdzakelijk is toe te schrijven aan het weinig gezond métier en niet zoozeer aan overmatigen arbeid. 5244. v. In sommige afdeelingen en meer speciaal bij de biscuit-ovens werken mannen, vrouwen, meisjes en jongens door elkander. Is het u ook opgevallen, dat dit minder verkieslijk zou zijn met met oog op de zedelijkheid? A. Ik moet zeggen, over het algemeen heerecht er orde. Overal zijn opzichters, zoodat er niet veel gelegenheid tot gezamenlijk praten bestaat en de werklieden goed worden beziggehouden. |
5245. De Voorzitter: Mag ik u dan een paar vragen doen naar aanleiding van hetgeen ge gaandeweg aan den heer Ruys hebt geantwoord. Wanneer zjjt ge in de fabriek geweest en hebt ge daar gezien wat ge ons gezegd hebt? A. In het laatst van December 1886, de vorige maand. 5246. V. Was dat de eerste maal dat ge in die fabriek kwaamt? A. De allereerste keer. 5247. V. Hoe lang zjjt ge in die fabriek geweest ? A. Een namiddag. 5248. V. In de geheele fabriek één namiddag ? A. Ja, 5249. V. Het bezoek is u dan vermoedelijk eenigszins gemakkelijk gemaakt en bespoedigd doordat men u rondleidde ? A. Ik werd rondgebracht) door den heer Regout. 5250. V. Ge hebt de fabriek dus geïnspecteerd aan de hand van den heer Regout ? A. Ja. 5251. V. Vondt ge den heer Regout daar toevallig, of hadt ge aangekondigd dat ge komen zoudt ? A. Ik had het 's namiddags geannonceerd dat ik zou komen. 5252. V. Gij werdt dus gewacht aan do fabriek ? A. Ja. 5253. V. Met -andere woorden; ge kwaamt niet in eens invallen in die fabriek ? A. Neen. 5254. V. Zijt gij nooit overwachts de fabriek gaan inspecteeren ? A. Neen. 5255. V. Gij hebt zeker af en toe wel gehoord dat, te recht of ten onrechte, geklaagd wordt over den toestand van het werkvolk in sommige onderdeelen van do fabriek? A. Ja. 5256. V. Gaf u dit nooit aanleiding u daarmede te bemoeien? A. De fabriek is vroeger nagegaan door den heer Dr. Ruysch. 5257. V. Wij spreken niet over hetgeen door uw voorganger gedaan is. Maar ik vraag u : hebt gij, in hetgeen gij hoordet of laast, nooit aanleiding |
11
|
gevonden om eene inspectie te doen ? A. Neen, ik ben ook nog slechts twee jaren te Maastricht en had in dien tijd ook andere werkzaamheden te doen. 5258. V. Dan wensch ik te komen op enkele détails van het bezoek dat gij dan nu wel aan de hand van den heer Regout in de fabriek gebracht hebt. Hebt gij een oven zien uithalen ? A. Ja. 5259. V. Wat haalde men er uit? A. Gewoon aardewerk, kopjes, schoteltjes enz. 5260. A. Waren die voorwerpen in bakken ? A In cassettes. 5261. V. Wat is de materie van die cassettes ? A. Dat zijn vuurvaste steenen. 5262. V. Is zulk een oven groot? A. Ja. 5263. V. Welke is de afmeting van de inwendige werkbare ruimte? A. Plus minus 5 M. middellijn. 5264. V. Worden die ovens gloeiend gestookt? A. ,1a 5265 V. Hebt gij dat gezien? A. Nooit. 5266. V. Waren de ovens koud toen gij de fabriek bezocht? A. Ja. 5267. V. Hebt gij niet vernomen dat het werkvolk in de ovens werd gezonden om ze te ledigen, als ze nog zeer verre van koud waren ? A. Dat heb ik in de laatste dagen gehoord. 5268. V'. Hebt gij daaromtrent vroeger nooit klachten vernomen ? A. Neen. 5269. V. Hebt gij daaromtrent niet iets in de couranten gelezen ? A. Neen. 5270. V. Gij hebt ons straks gezegd dat gij wel eens praatjes gehoord hadt over den toestand van menschen in die ovens om deze ledig te maken, terwijl die nog heet waren ? A. Ja, in den laatsten tijd, nadat de enquête ingesteld is, maar vóór dien tijd niet. De meeste inlichtingen en praatjes daaromtrent dagteekenen van den laatsten tijd. 5271. V. Is het u toch opgevallen dat die menschen een muts op het hoofd hadden'! Wat was dat voor een soortr van muts? |
A. Van boven dik gevoerd om de drukking van de cassette op het hoofd te verminderen. 5272. V. Waren die menschen gewoon gekleed toen zij in de ovens gingen? A. Ja wel. 5273. V. Weet gij dat wel?| A. Ja wel. 5274. V. Waren zij niet half naakt ? A. Neen. 5275. V. Hebt gij nooit naai' aanlei-van die praatjes, die gij later gehoord hebt, en van hetgeen er gaande was, u opgewekt gevoeld om dat punt te rechercheeren en daarheen te gaan op een oogenblik, dat gij niet wordt afr/e-ivachtf Want hot is toch een gruwelijk ding als het waar is wat men zegt. A. Uat praatje heb ik eerst veertien dagen geleden grootendeels gehoord 5276. V. Had het niet op uw weg gelegen dat dan toch eens te gaan zien ? A, Ik heb zooveel te doen. Ik ben overal geweest en heb mijn gewone werk ook te doen. 5277. V. Do heer Regout houdt zelf een sterftetafel omtrent zijn fabriek? A. Daaromtrent kan ik geen inlichtingen geven. 5278. V. Hebt gij er naar gevraagd? A. Ja. 5279. V. De heer Regout houdt dus sterftestaten ? A. Ja, ik heb naar die staten gevraagd, maar men heeft mij geantwoord, dat men daar niet van af wist. 5280. V. Ge zegt daar nu iets anders dan daar zoo meteen. Niet dat ik u aan uwe eerste verklaring wil houden â het kan zijn dat gij u versproken hebt â maar ik heb uit u verkregen dat gij begrepen hadt, dat er sterftestaten waren? A. Er is eene ziekenkas; en wanneer men het beheer over zulk een fonds heeft, veronderstel ik dat men wel staten zal hebben. Er moeten dan toch uitkeerin-gen geschieden aan weduwen en kinderen van weduwen. 5281. V. Gij hebt die sterftestaten echter niet verkregen ? A. Neen. 5282. V. De heer Beelaerts van Blokland heeft u eene vraag gedaan over het al dan niet verwisselen van het perso-- |
12
|
neel iu de afdeeling vooi- liet glazuren. In het Verslag van het Geneeskundig Staatstoezicht over 1883, bladz. 310, komen eenigo mededeelingen voor over de fabrieken, die wij nu behandelen. Daar wordt uitdrukkelijk medegedeeld, dat er geconstateerd was, dat juist onder de glazuurders, wegens de loodverbindin-gen, die door deze menschen gebezigd worden, veel gevallen van loodvergifti-ging voorkwamen ; maar dat dit minder geworden was, dank â naar men onderstelde â aan de meerdere reinheid van het personeel, het verbod om in de lokalen te schaften zonder vooraf de handen gewasschen te hebben, en verder aan de verwisseling van het daar werkzame personeel met dat van andere zalen. Dus hebt gij nooit onderzocht of daar de hand aan wordt gehouden ? A. Neen, daartoe zou men diemenschen moeten kennen. 5283. V. Maar toen gij de fabriek bezocht, is het toen niet in u opgekomen om eens aan de werklieden te vragen, hoe zij dachten over de inrichting van een en ander? A. Neen. 5284. V. Dus gij hebt niet gevraagd of aan die bepaling om vóór het eten de handen te wasschen en de verwisseling die onder den invloed van den heer fiuysch in 1883 in het leven werd geroepen, de hand werd gehouden ? A. Neen, dat zouden de werklieden het best kunnen zeggen. 5285. V. Juist, maar daarom doe ik u de vraag, of gij er bij hen naar geïnformeerd hebt. Gij hebt dat dus niet gedaan ? A. Neen, want dan had ik die men-schen moeten kennen. 5286. De heer Beelaerts van Blokland : Hebt gij de privaten in die fabriek gezien ? A. Ja. 5287. V. Welken indruk hebt gij daarvan ontvangen? A. Het zijn geen privaten, zooals men aantreft in deftige huizen, maar zoover betreft de quaestie van afvoer van fae-calia en het voldoend afloopen van urine, dan moot ik u zeggen dat zij voldoende jzijn. 5288. V. Hebt gij stank opgemerkt 1 |
A. Ik geloof dat er chloorkalk gestrooid wordt, als ik mij niet vergis. 5289. V. Hebt gij de privaten in alle afdeelingen van de fabriek van Regout bezocht ? A. Neen, niet alle afdeelingen, ik heb ze hier en daar gezien. 5290. V Hebt gij de privaten in de afdeeling, die wij nu in het bijzonder bespreken, bezocht? A. Ja. 5291. De Voorzitter; Ik wenschte nog eens eene vraag te doen: zijn uin het algemeen bijzonderheden bekend omtrent de sterfte onder het werkvolk op de fabriek waarvan wij spreken? A. Neen, ik heb alleen geïnformeerd omtrent de zieken ten gevolge van lood-vergiftiging. Op Calvariënberg zijn 15 lichte en 2 zware gevallen voorgekomen, met verlamming van de extcnsoren. 5292. V. Hebt gij, als resultaat van uw onderzoek in de fabriek, ook eenige foede wenken aan de eigenaars var. e fabriek kunnen geven, of aanwijzingen kunnen doen omtrent verbeteringen, die uit een hygiënisch oogpunt, in het belang van het volk zouden kunnen worden aangebracht?oede wenken aan de eigenaars var. e fabriek kunnen geven, of aanwijzingen kunnen doen omtrent verbeteringen, die uit een hygiënisch oogpunt, in het belang van het volk zouden kunnen worden aangebracht? A. Neen. 5293. V. Niets? A. Al don tijd die beschikbaar was, heb ik gebruikt om zooveel mogelijk fabrieken te gaan zien; ik heb dus den tijd niet gehad. 5294. De heer Goeman Borgesins: Indien thans tot u de vraag werd gedaan: welke verbeteringen zoudt gij in het belang der werklieden op de fabrieken wenschelijk achten? zoudt gij dan geene kans zien om er enkele aan te geven? A. Ja, men zou in de plaatsen, waar de grondstoffen worden gemalen, de steenen kunnen dekken, en er zou kunnen nagegaan worden in hoever goede respirators mogelijk zijn voor die men-schen. 52C5. V. En wat zoudt gij in de afdeeling waar geglazuurd wordt wen-schen te veranderen? A. Daar zou ik het personeel zeer dikwijls verwisselen, nooit een vast personeel aanstellen, en goed doen nagaan, dat de menschen hunne handen wasschen voordat zij eten. In het kort, ik zou eene reinheid voorschrijven, die aan het buitengewone grenst. |
13
|
De vergiftigingsverschijnselen zijn ons nog al bekend. Dr. Vrijens, die de seotie-armen uit Wijk behandelt, heeft in 5 jaren tijds 10 gevallen van loodvergiftiging geconstateerd. 5290. V. Ik wensch nog even eene vraag te doen over do ovens. Zoudt gij meenen dat een verbod wenschelijk ware om de ovens te laten ledigen, terwijl de temperatuur nog op eene zekere hoogte is? A. Het spreekt vanzelf dat de ovens koud moeten zijn. üat is een maatregel die de fabrikanten kunnen en moeten nemen. 530't. V. De heer Knys van Becren-broek: In verband met de vraag omtrent overmatigen of zwaren arbeid, hebt gij ook wel gezien op welke wijze de aarde, later de potten, en nog later de afgewerkte goederen van de eene plaats naar de andere vervoerd worden ? Worden zij gedragen of geschiedt het vervoer per wagen? A. Het geschiedt alles per wagen. 5305. V'. De Voorzitter : Ik wil u nog eene enkele vraag doen. Er is straks gesproken over loodvergiftiging, maaier zijn toch ook andere ziekten, die onder het arbeiderspersoneel frequent voorkomen ? A. Ik heb daaromtrent informaties ingewonnen bij de dokters te Maastricht, en heb toen vernomen, dat er zeer veel tering voorkomt. 5306. V. Ik vind hier in het verslag der «Vereeniging tot bevordering der volksgezondheid te Maastricht, over 1885quot;, 82 gevallen van tering enbloed-spawing, 88 gevallen van acute ziekten der ademhalingswerktuigen en 94 van acute ziekten der spijsverteringsorganen. Hebt gij verband opgemerkt tusschen die, naar het schijnt, hooge cijfers en den aard der werkzaamheden aan de fabriek ? A. Van de acute ziekten der ademhalingswerktuigen geloof ik dit verband niet. Dit is meer het geval met de phtisis, die zich langzamerhand door het inademen van de a tof, van de aardmassa afkomstig, ontwikkelt. Te Maastricht is, vooral in de zomermaanden, de kindersterfte buitengewoon groot. Misschien is dit van invloed op het zoo even door |
u genoemde cijfer der acute ziekten dei-spijsverteringsorganen, want de kinderen sterven meestal aan aandoening van het digestie-apparaat. 5307. V. Maar de 82 gevallen van keel- en longtering schrijft gij misschien voor een groot deel daaraan toe ? A. In Limburg komt nog al veel tering voor, niet minder dan hier in Holland. 5308. V. Wat zijn uwe opmerkingen omtrent het bijzonder gevaarlijke van het werk der werklieden, die de randen van het vaatwerk behandelen ? A. Die randen zijn nog al droog en dat geeft dus meer opstuiving. 5309. V. Dus is dat een gevaarlijk werk? A Ja. 5312. V. Welke zijn de werklieden in die fabriek die met vergiftige stoffen omgaan ? A. Bedoelt gij het glaceeren? 5313. V. Ik doe de vraag aan u. A. Dan is het in de afdeeling van het glaceeren. 5314. V. Anders niet? A. Ik heb het niet gezien. 5315. V. Heeft in deze fabriek nachtwerk plaats ? A. Do stokers van do ovens doen nachtwerk. 5316. V. Andere werklieden niet? A. Ik weet het niet zeker. 5317. De heer Goeimin Borgesius: Er zijn ook getrouwde vrouwen in deze j fabriek. Hebt go ook geïnformeerd of er voor en na do bevalling gelet werd op de hygiënische eischen, in dien zin ! dat de noodige tijd gegeven werd ? A. Ik heb die vraag gesteld aan den fabrikant, en deze heeft mij gezegd, dat dan vrijheid ten aanzien van het bezoeken der fabriek gegeven wordt. 5318. V. Hebt gij niet getracht op andere wijze omtrent dit punt gegevens te verkrijgen ? A. Neen. 53'! 9. De heer Ruys van Beeren-Ijroek : Is het u bekend dat in de fabriek crèches bestaan waar de getrouwde vrouwen eenige dagen, bij voorbeeld 14 dagen na de bevalling hunne zuigelingen kunnen deponeeren, terwijl de vrouwen op de fabriek zijn ? A. Ik heb het niet geboord. 5S20. V. Hebt gij die crèches ook niet ! gezien in de fabriek ? |
14
|
A. Neen. 53-21. De Voorzittel*: Kunt gij zeggen dat ze er niet zijn? A. Neen, dat weet ik niet. 53-2-2. V. Wij zullen nu overgaan tot de afdeeling glas. Ik verzoek u ook daaromtrent een exposé te geven, zooals gij zoo even deedt voor het artikel aardewerk. A. De grondstoffen van het glas zijn zand, soda, glasscherven enz., en voor de betere soorten kwarts en menie. Die stoffen worden gedroogd, gemengd en gemalen, dat ook veel aanleiding geeft tot stof. De menie wordt in de fabriek gemaakt door ongeveer 10 werklieden, twee a driemaal per jaar. Wij hebben het niet gezien. 53l23. V. Volgt nu het werken in de ovens ? A. De grondstof wordt gesmolten in de smeltkroezen, en daarna wordt de gesmolten zelfstandigheid geblazen 53-24. V. Hebt gij die werkzaamheden bijgewoond ? A. Ja. 5326. De heer Buys van Beeren-broek : Wanneer die quot;stukken geblazen zijn, worden zij verder afgewerkt en gebracht boven den oven, waarin het glas gesmolten is, en moeten daarin eenige uren langzamerhand verkoelen*? A. Ja, die ploeg bestaat uit 7 personen, waarvan 3 volwassen zijn. 5327. V. Die stukken worden dan gebracht op het spoor wegje daarboven en verkoelen dan langzamerhand. Van welken leeftijd zijn nu de daarbjj geplaatste jongens ? A. Van 12â10 jaar voor het lichte werk en van 10â18 voor het zwaardere. 5328. V. De blazers zijn volwassen mannen, niet waar? A. Ja. 5329. V. De jongens van 12 tot 10 jaar doen het lichtere werk, waarin bestaat dat ? A. In de eerste plaats heeft men een jongen, meestal de jongste, om den vorm af te koelen en de glaspijpen schoon te maken; een tweede om de gemaakte voorwerpen in de koelovens te brengen ; de derde om de gemaakte voorwerpen te verwarmen en de gewenachte gedaante te verkrijgen; een vierde om het glas uit den kroes te halen en nog eens aan de ovens te brengen voor het bijwerk. |
5330. V. Acht gij dat werk zwaar voor die jongens? A. Ãp zich zelf niet, maar er zijn vele bezwaren aan verbonden door het nachtwerk. De ploegen werken afwisselend, de eene de eene week, de andere in de volgende week gedurende den nacht. 5331. V. In de nabijheid van die ovens, waar het glas gesmolten wordt, is zoowel des zomers als des winters, een vrij hooge temperatuur. Is dat van nadeeli- fen invloed op de gezondheid van dieen invloed op de gezondheid van die inderen ? A. Zeer zeker is het niet aanbevelenswaardig. 5382. V. Hoe zagen zij er over 't algemeen uit? A. Zeker niet ongunstiger dan de aard-werkers ; maar ik heb er over 't algemeen geen ongunstigen indruk van gekregen. 5333. V. Wanneer het glas uit de koelovens komt, wordt hot gesorteerd. Dat geschiedt in een groot lokaal naast de glasblazerij Is dat behoorlijk geventileerd ? A. Ja, het is van boven en aan de kanton met jalouziën geventileerd. Het is heel hoog, zoodat het er zelfs tocht. 5334. V. Voor dat sorteoren worden vrouwen gebruikt. Is dat een zwaar werk ? A. Neen. 5335. V. Nadat het glas gesorteerd is, wordt het geslepen. Men heeft in de slijpafdeeling in de eerste plaats het slijpen van kleine stukken. Is dat werk ongezond of gezond ? A. Men kan geene stofontwikkeling zien; maar naar ik geïnformeerd heb bij eenige doktoren, komen bij slijpers vele gevallen van tering voor. In de laatste jaren is het natslijpen in gebruik gekomen. Vroeger geschiedde dit droog. 5336. V. Worden in dat lokaal ook exhausters gebruikt? A. Ja. 5337. V. De atmosfeer is dus niet met stof bezwangerd ? A. Neen. 5338. V. Bij dat slijpen van kleine glazen komt nog eene andere werkzaam- |
15
|
heid, namelijk het aanleggen van randen. Daarvoor worden kleine ovens gebruikt, waaraan ook vrouwen werken? A. Ja. 5339. V. Is dat nadeelig? A. Ja, die menschen staan voor een heet vuur. 5340. V. En nemen zij voorzorgsmaatregelen ? A. Zij dragen brillen. 5341. Hoelang werken zij? A. Den gewonen werktijd, meen ik. 5342. V. En hoe-gaat het slijpen van groote stukken? A. Dat gebeurt ook nat. 5343. V. Geschiedt dat door mannen, vrouwen of meisjes? A. Door mannen. 5345 V. Welke bewerking ondergaat het glas nog meer na het slijpen? A. Dan wordt het wel gegraveerd. 5346. V. üp verschillende wijze? A. Ja, met de hand of machinaal. 5347. V. Wordt daarbij stof ontwikkeld ? A. Dat kan ik niet zeggen. Het glas wordt van binnen en buiten met vet bekleed, en dan worden er met een stift de figuren in gemaakt. 5348. V. Er wordt ook gegraveerd bij wijze van drukken. Daarbij wordt hot las gedompeld in een vloeistof en wordt et in de zuurkamer bewerkt? A. Ja, maar daar zijn slechts twee menschen voor. 5349. V. Welke stof ontwikkelt zich daar'? A. Zuur- en waterstof, maar de man die dat werk deed was er al 15 jaar. 5350. V. En hoe zag die er uit? A. Gewoon. 5351. V. Waren de lokalen behoorlijk geventileerd? A. Het was een klein lokaal, maar er was van alle kanten licht door ramen. 5353. De Voorzitter; Hebt gij in de glasslijperij opgemerkt, dat de vrouwen, die daar zaten, groene brillen droegen ? A. Ja. 5354. V. Hebt gij kunnen constateeren, dat onder de vrouwen in die afdeeling veel oogziekten voorkwamen? A. Dat weet ik niet, daarvoor zou men al die menschen nader moeten onderzoeken. |
5355. V. Hoeveel hebt gij er wel on derzocht ? A. Ik heb er geen onderzocht. 5356. quot;V. Dus gij weet het niet? A. Neen. Ik heb ook nooit gehoord dat op Cal-variënberg, waar die menschen dan zouden komen, bijzonder veel oogziekten geconstateerd worden, en daar kom ik nog al eens. 5357. V. Anders het feit dat groene brillen verstrekt worden bij arbeid, wijst er op dat het een bedenkelijke arbeid is? A Ja, het is een schrikkelijk licht. 5358. Do heer Goeman Borgesius: Ik heb voor mij liggen een rapport omtrent glasblazerijen in het noorden des lands. Daarin schrijft de burgemeester van de plaats, dat naar zijne overtuiging een werktijd van twaalf uren voorkinderen in glasblazerijen, vooral waar zij 's nachts ook moeten werken bij afwisseling, te lang is met het oog op de groote hitte, die de jongens daar reeds moeten lijden. A. Ik moot zeggen, zoo'n oven is niet alles, en twaalf uur is voor jongens lang. Het geheele werk vind ik niet aanbevelenswaardig. 5359. V. Hebt gij ook gevraagd of onderzocht of dat werk op de gezondheid van de jongens een schadelijken invloed uitoefent? A. Dat is moeilijk te onderzoeken, dan zou men persoon voor persoon moeten nagaan. Men kan het echter wel afleiden; het ligt in den aard der zaak. dat het werk niet gezond kan zijn. 5360. V. U hebt straks gezegd, dat over het algemeen dé menschen in de glasblazerijen er niet slechter uitzagen dan die in de aardewerkfabrieken. Nu zegt gij dat deze er wel ongunstig uitzien, en daaruit moet ik dus opmaken, dat de menschen in de glasblazerijen er ook niet gunstig uitzien. A. Het is geen werk dat men zoo onverschillig kan toevertrouwen aan kinderen. 5361. V. Welke verbeteringen zoudt gij voor die afdeeling in het belang der hygiëne wenschclijk achten? A. Ik zou wensohen dat het slijpen van het glas nat geschiedde; dat er groote, ruime, goed geventileerde zalen waren; en op de glasblazerij geen kin- |
10
|
deren werkten, terwijl ik nachtarbeid voor die kinderen zeer afkeurenswaardig vind. 5362. V. Gij spraakt zoo even van nieuwe en oude gebouwen. Is een gedeelte van die fabriek gevestigd in nieuwe en een ander gedeelte in oude gebouwen ? A. De aardewerkfabriek is gevestigd in nieuwe gebouwen, die over het algemeen voldoende zijn ; het slijpen geschiedt in luchtige, vrij goed geventileerde zalen. 5363. V. Men heeft mij gezegd â ik kan verkeerd ingelicht wezen â â dat het grootste gedeelte van de werkzaamheden op die fabriek plaats had in minder gunstige oude gebouwen? A. Grootendeels durf ik niet zeggen. 5364. V. Maar toch voor een groot deel? A. Ja. Er zijn oude en minder oude gebouwen bij. Het is een oude fabriek. 5365. V. En lieten die oude gebouwen uit het oogpunt der gezondheid veel te wenschen over in vergelijking met de nieuwere ? A. Ik kan dit niet bepaald zeggen, omdat ik niet geloof in alle gebouwen geweest te zijc. 537-1. De Voorzitter: In sommige afdeelingen, zooals door de aarde- en glaswerkers en door de ovenstokers, wordt des nachts gewerkt. Doch deze mededeeling hebt gij al wederom van den fabrikant ? A. Ik kon de waarheid daarvan toch moeilijk in persoon constateeren ? 5372. V. De vraag wat er zoo al persoonlijk, ook omtrent de toestanden bij nacht, door u zou kunnen geconstateerd worden, zullen wij daarlaten. Zoudt gij mij cenige mededeelingen willen doen aangaande de ceramick-fa-briek en andere fabrieken ? A. Het aardewerk wordt daar op dezelfde wijze bereid als in de andere fabriek. 5373. V. Wat de -wijze van werken betreft refereert ge u dus aan de mededeelingen die ge gedaan hebt omtrent de afgehandelde fabriek. Kan daarmede volstaan worden? |
A. Dat wil zeggen, de ligging van de céramique is veel gunstiger dan die dei-fabriek van den heer Regout. Zij ligt aan alle zjjden open, in een veld, zoo mooi als het maar kan; en het terrein is veel uitgestrekter, 11 hectaren voor slechts 800 werklieden. 5374. V. Hebt gij die fabriek ook bij deze gelegenheid voor het eerst bezocht?. A. Ja. 5375. V. Hebt ge eenigermate opmerkenswaardige afwijkingen waargenomen in do wijze van werken (altijd in verband met de onderwerpen van deze enquête) in vergelijking met de fabriek van den heer Regout? A In het algemeen is alles er grooter; verder van elkander gelegen, nieuwer. 5376. V. Hebt gij daar ook het ledigen van zulk een oven bijgewoond? A. Ja. 5377. V. Was uw bezoek geannonceerd ? A. Neen. 5378. V. Was de oven heet? A. Neen. 5379. V. Ge kwaamt dus onverwacht? A. Ja, met den heer Bekaar. 5380. V. Hoe was het uitzicht van de werklieden in die fabriek? A. De aardewerkers zien er ook niet gunstig uit. De vormers in het algemeen niet. 5381. V. Hebt gij ook nog bijzonderheden mede te deelen omtrent die fabriek ? A. Het malen van de grondstof geschiedt in een groot lokaal en nat, zoodat er volstrekt geen stofontwikkeling is waar te nemen. 5382. V. In die fabriek werken 97 jongens van 16 tot 18 en 51 jongens van 12 tot 16 jaren ? A. Juist, doch niet van 12 tot 16 maar van 13 tot 16 jaren. 5383. V. Worden jongens beneden de 13 jaren niet aangenomen? A. De fabrikant neemt jongens van 12 jaren niet aan. 5385. V. Zijn er gehuwde en ongehuwde vrouwen ? A. 18 gehuwde en 16 ongehuwde vrouwen cn verder 28 meisjes van 16 tot 18 en 27 van 12 tot 16 jaren. 5386. V. Worden meisjes van 12 jaren wel aangenomen ? A. Neen, dit moet ook zijn van 13 to 16 jaren. |
17
|
5387. V. quot;Wordt er 's nachts gewerkt in deze fabriek ? A. Door de stokers. 5389. V. Hetzelfde geldt zeker voor den Zondag ? A. .Ta. 5390. V. Hebt gij nog andere mede-deelingen ? A. Jn eene oude zaal van de fabriek Clermont worden de atecnen nog droog gemalen, door 4 a 5 werklieden; veel stofontwikkeling. 5391. De heer Itnvs van Boereu-Itroek : Zijn de lokalen goed gereinigd ? A. Er heerscht groote zindelijkheid. 5392. V. Zijn de vloeren van hout of van steen 1 A. Dat weet ik niet. De zalen zijn ruim en goed verlicht; die der potvor-mers hebben tuimelramen en worden geventileerd door exhausters. In die zalen zijn de afgesloten droogkasten. 5393. De Voorzitter: Wilt gij ons nu uwe bevindingen mededeelen in do behangselpapiorfabriek van ,T. H. Rutten. Is dat eene dergelijke fabriek als waarvan gij gesproken hebt, behoorende aan de gebroeders Regout ? A. Deze is grooter. Er zijn 5à werklieden en er worden jongens van quot;12âIC jaar gebruikt. 5394. V. Vrouwenarbeid komt daarbij niet te pas ? A. Neen. De arbeid duurt er 's morgens van 7âd2 en 's namiddags van ïâ7 uren. Des winters een half uur later. Rusttijd van een kwartier tot 20 minuten in voor- en namiddag. Nachten Zondagswerk komt er niet voor; overwerken is er zeldzaam. 5395. V. Hebt gij daar ook iets onderzocht omtrent het gebruik van vergiftige stoffen ? A. Volgens opgaaf van den fabrikant worden vergiftige verfstoffen in geringe hoeveelheid verwerkt tot vermenging van de andere verfstoffen. 5396. V. Maar buiten die mededeelin-gen van de fabrikanten weet gij daaromtrent niets ? A. Pardon. Maar ik moet u ook doen opmerken dat een enkel onderzoek niet voldoenden waarborg zou geven dat die . stoffen niet gebruikt worden, men zou herhaalde malen en geheel onverwacht een onderzoek moeten instellen. II. |
5397. V. Een onderzoek heeft immers i nooit plaats gehad ? A. Zoover mij bekend, niet. 5398. V. Hebt gij verder nog iets omtrent die fabriek mede te deelen ? A. Ja. Het koken van de lijm heeft ; plaats in een kelder, waar veel walm j ontwikkeld wordt en waar de afvoer van dien walm alleen kan geschieden : door een keldergat, üp het oogenblik dat ik kwam, trof ik er een man aan, die het oog hield op het koken van lijm op een kleine kachel. Bij de gebroeders Hegout heeft het koken van lijm in een grooten ketel in de lucht plaats, zoodat do werklieden volstrekt geen last van walm hebben. De lokalen zijn laag van verdieping, maar enorm groot vergeleken met het aantal werklieden, en goed verwarmd en verlicht. Het zijn zeer oude gebouwen. De jongens, die daar aan het werk zijn, worden meestal gebruikt als ophan-gers van rollen en zijn behulpzaam bij het drukken. Zij roeren de verfstof in een bak gelijk; wanneer dat gedaan is, wordt de stempel goed nat gemaakt op het papier geplaatst, en helpen zij mede om den hefboom aan te drukken, hetgeen een zeer lichte arbeid is. De fabriek bestaat uit twee gebouwen ; het eene waar de handdrukkers werkzaam zijn, het andere waar machinaal gedrukt wordt; beide deelen zijn echter met elkander in verbinding, zoodat men in geval van brand altijd weg kan komen. Overigens zijn er in die oude gebouwen nauwe trapjes. 5399. V. Kunt gij ons nu het een en ander mededeelen over de wollendeken-fabriek van Jules Regout ? A Daar wordt als grondstof wol gebruikt. Het groote voordeel ia dat zij gereinigd ingekocht wordt, en dat reinigen niet in de fabriek behoeft te geschieden. Machinaal wordt de grondstof in een vertrek door één persoon door elkander gemengd. Daar zweven natuurlijk wolvlokken in de lucht. Dan wordt de stof gevet met oleïne, gecardeerd, gesponnen en geweven. In dat cardeer-lokaal, dat zeer groot is werken 7 vrouwen. 3 mannen en een meesterknecht. Alleen is mij opgevallen dat de machines daar nog al dicht bij elkander staan. 5400. V. Is dat zwaar werk? |
2
18
|
A. Neen. 5401. V. Het personeel is niet groot, in 't geheel 34. Er zijn 7 jongens van 16 tot 18 en 9 van 12 tot 14 jaar. Voorts 1 gehuwde en 3 ongehuwde vrouwen en de rest mannen? Komt dat overeen met uw gegevens? A. Jawel. 5407. V. De heer Buys van Beeren-broek: Behalve het cardeeren, wordt er ook gesponnen ? A. Ja, er is een spinnerij en een weverij. Daarvoor zijn groote lokalen, waar, in verhouding tot het getal personen, dat er werkt, overvloed van lucht is. 5408. V. Is het geen afmattend werk? A. Neen. 5409. V. Het vollen heeft in een volgend lokaal plaats, niet waar? A. Ja, daar worden de dekens met zeep behandeld. 5410. V. Is dat een groot lokaal? A. Ja, en zeer hoog van verdieping? 5411. V. Daar werken alleen mannen, niet waar? A. Ja. 5412. V. Daar is noch des nachts, noch overmatige arbeid ? A. Neen. De afval wordt in de droog-kamer gebracht en de dekens, nadat zij gereed zijn, in de zoogenaamde zwa-velkamer. Ik heb nagegaan in hoever dat nadeelig kon zijn voor de gezondheid. Doch kwaad kan het niet. Kr zijn twee kleine kamers voor die bewerking. In iedere kamer is een gemetselde bak, waar pijpzwavel in gelegd wordt. Die zwavel wordt in brand gestoken met een stuk gloeiend ijzer. Door de verbranding van zwavel ontstaat zwavelig-zuur. Om dat zwaveligzuur in het lokaal te houden zijn alle reten met leem toe-geplakt, zoodat er niets ontsnappen kan. Men moet dat doen. anders zou de ge-heele bewerking noodeloos zijn. 5414. V. En dan worden de dekens nog gedroogd, niet waar ? A. Ja. 5415. De Voorzitter; Laat ons thans overgaan tot de Koninklijke Nederland-sche papierfabriek van L'Hoeste. Het talrijk personeel van die fabriek bestaat uit; 241 mannen. 16 jongens van 16â18 jaar. 7 « »12â16 » |
69 gehuwde vrouwen. 108 ongehuwde » 41 meisjes van 16â18 jaar, en 36 » » 12â16 jaar. Niet waar? A. Ja. 5416. V. Daar hebt gij waarschijnlijk nog al interessante ondervindingen gemaakt. Zoudt u ons daarvan een en ander willen mededeelen ? A. Aan de eischen, die men met het oog op do hygiëne kan stellen, ia over het algemeen goed voldaan. 5417. V. Hadt gij die fabriek vroeger ook al bezocht? A. Jawel. 5424. V. Hebt gij daar bedenkelijke zaken waargenomen ? A. Neen, daar is goed gezorgd voor de gezondheid. 5425. V. Werken de meisjes, die op die fabriek nog al talrijk zijn â ongeveer 80 beneden de 18 jaren â ook in de lompen ? A. Neen, dat zijn meestal volwassen vrouwen. 5426. V. Welken arbeid verrichten die meisjes ? A. Zij worden gebruikt voor het fatsoeneeren, knippen van papier, modellen maken, het tot pakketten verwerken, enz. 5427. V. Worden zij niet voor anderen arbeid gebruikt ? A. Neen, tot zwaren arbeid worden zij niet gebruikt. Wel worden zij gebruikt tot liet satineeren van papier. 5428. V. Is het satineeren niet schadelijk voor de gezondheid? A. Neen. Er bestaat wel eenig gevaar voor de machines. 5429. V. Ei- worden dus geene stoffen aangewend, schadelijk voor de gezondheid ? A. Voor zoovor mij bekend, niet. 5430 V. Werken de aankomende meisjes met de volwassen werklieden de gewone uren medequot;? A. Ja, zij werken van 's morgens 7â 11 Vj en van 's middags 1â61/!! uur. 5431. V. Werken zij over, doen zij nachtwerken of moeten zij Zondags arbeiden ? A. Neen, dat niet. Nachtwerk geschiedt alleen door stokers en machinisten. |
19
|
' 543-2. V. Er zijn 23 jongens in de fabriek. Wat doen die daar? A. De machine smeren, boodschappen doen en andere kleine werkzaamheden. 5433. V. Aan den fabriekmatigen arbeid nemen zij dus geen deel ? A. Dat heb ik niet gezien. 5434. V. Staat die fabriek in eene gunstige reputatie wat betreft den gezondheidstoestand van het personeel, of doen â¬r zich daarbij bedenkelijke verschijnselen voor? A. Zoover mij bekend niet, en ik heb er nog al wat over hooren spreken. 5435. Hebt gij. wat het vrouwen-personeel in zijn vollen omgang betreft, nooit eenigerlei min gunstige mededee-ling op het stuk der zedelijkheid ontvangen ? A. Ik heb er nooit iets van gehoord. 5436. V. Van vroegere jaren ook niet ? A. Ook niet, 5437. V. Zitten de vrouwen bij elkander ? A. Behalve bij hot satineei en, dat door mannen en vrouwen gezamenlijk verricht wordt, werken de vrouwen in afzonderlijke zalen. 5438. V. Hebt gij don indruk verkregen, dat do arbeid der volwassen vrouwen in het algemeen minder gunstig â¢werkt op haar phjsiek? A Dat kan ik niet zeggen. 5439. V. Acht gij het werk, dat de vrouwen verrichten, geschikt voor vrouwen? A. Zeker. 5440. V. Ik spreek niet van het maken van pakjes, maar ook van hot uitzoeken van lompen. Vindt gij dat ook geschikt ? A. Ja, dat is iets anders. Het sortoe-ren van lompen is wel geen zwaar werk, maar het kan gevaarlijk zijn juist dooide stofontwikkeling. 5442. V. Worden die lompen, voordat men ze sorteert, ontsmet? A. Neen. 5443. V. Zou dat kunnen geschieden, zonder overdrovene en oninwilligbare eischen aan de industrie te stollen? A. Men zou dan ontsmettingsovens moeten hebben, maar het zou een verschrikkelijk werk zijn, want de lompen â¢worden met groote karren aangevoerd. |
5444. V. Als ik u goed begrijp, acht ge het dus in theorie wenschelijk, maar zoudt ge het in de practijk een over-matigen eisch vinden? A. Wenschelijk is het zeker, maar zonder de industrie to veel te benadee-len zou het bezwaarlijk zijn. 5445. V. Gebeurt het ergens buitenslands in dien tak van nijverheid ? A. Naar mijn weten niet. 544C. De heer Ruys van Beereu-hrock: In de eerste plaats heeft men in de fabriek het lompen sorteeren. Zijn de zalen, waar dat geschiedt, geventileerd ? A. Ja, met tuimelramen. 5447. V. Niet op andere wijze, niet met exhausters? A. Noen, maar het zjjn zoo groote zalen, dat ik uit oen sanitair oogpunt geen verandering noodig acht. 5448. V Het snijden en sorteeren geschiedt uitsluitend door vrouwen ? A. Ja. 5449. V. Moeten zij niet andere kleeding aantrekken, als zij in de fabriek komen ? A.Ja. 5450. V. Heeft men er ook eone kleedzaal ? A. Ja. 5451. V. Heeft men in die kleedzaal wasinrichtingen, waar gelegenheid bestaat om zich te reinigen ? A Ja 5452. V. Wanneer de lompen gesorteerd zjjn, gaan ze naar de magazijnen. Worden ze daar gebracht door vrouwen ? A. Ja. 5i53. V. Is het uiterlijk van de lompensorteerders ongunstiger dan van de andere vrouwelijke werklieden? A. Ik heb niets ongunstigers opgemerkt. De vrouwen die daar werken zijn ouder dan de anderen. De lompensor-teerders zijn tusschen de 30 en 40 jaren, de andere meisjes zijn van 20 a 25 jaren en jonger. 5454 V. Nadat de lompon gesorteerd zijn, wat gebeurt dan ? A. Dan worden ze gebuild in afgeschoten kasten, waarin eene machine draait. 5455. V. Is dat werk ongezond ? A. Noen. 5456. V. Zijn die werktuigen afgesloten ? |
20
|
A. Totaal. 5457. V. En als de lompen gebuild zijn, wat dan ? A. Dan worden ze gekookt en dus ook ontsmet in groote ijzeren cylinders. 5458. V. En daarna worden ze gebleekt ? A. Ja. D;it geschiedt op eenigen afstand in een groot lokaal door'2 of drie lieden. Iets ongezonds valt daarbij niet op te merken, hinderlijke reuk is er niet. 5450. V. Hebt gjj iets mede te deelen ten aanzien van het raaien der lompen ? A. Neen, de lokalen zijn ruim en goed geventileerd 54C0 V. Bij het maken van papier wordt ook wel hout gebezigd ; hebt gij de houtafdeeling bezocht? A. Zij is een zeer ruim lokaal. Het hout wordt er gezaagd, gekapt, gekloofd en gereinigd. De kleine splinters worden gesorteerd en in groote ketels in zwaveligzure kalk gekookt, waarbij niets ongezonds plaats heeft, 5461. V, En bij het bereiden van de zwaveligzure kalk ? A, Ook niet. 5464. V. Bij het satineeren van het papier wordt gebruik gemaakt van meisjes, die staande of zittende haar niet te zwaar werk doen De satineermachine zelve wordt door mannen bediend. Onder welk toezicht staan die meisjes daar? A. Onder eene opzichteresse. 5465. V. Is de inpakzaal behoorlijk ruim ? A. Ja, evenals allo andere zalen. 5466. V, Gij hebt gezegd, dat de vrouwen van half twaalf tot één uur schafttijd hebben, ofschoon in andere fabrieken die tijd gewoonljjk van 12 tot '1V2 uur is. Weet gij daarvan de reden? A. De mannen gaan ook van 12 tot 1V2 schaften; de vrouwen gaan een half uur vroeger, om thuis het eten gereed te kunnen maken. Daardoor komen tevens mannen en vrouwen weinig met elkaar in aanraking. Alleen des avonds verlaten allen de fabriek op hetzelfde uur. 5467. V. Hoe is de ligging van de fabriek ? A. Zeer gunstig, op een van de hoogste punten van Maastricht, vlak aan de Maas; er is genoeg licht en lucht. 5468. V. Hoe is liet met de privaten gesteld? |
A. Die zjjn heel goed, er zijn drie groepen, afgescheiden voor mannen en vrouwen. J)e faecaliën worden directnaar de Maas afgevoerd ; door een centraal riool worden zij met groote kracht weggespoeld. Er is geen reuk, er worden dan ook 10 000 kub. meters water per minuut afgevoerd. Trouwens bij papierfabricage is altijd veel waterverbruik. 546!). V. Waar heeft de chloorberei-ding plaats ? A. Buiten op een open terrein. Het geschiedt machinaal, in gemetselde bakken, die aan den buitenkant met houten planken zjjn afgesloten, zoodat er van reuk geen sprake is en geen nadeelige gassen ontsnappen. Ik heb dit werk laten doen terwijl ik er was. 5470. De Voorzitter: Zoudt gij ons nu het een en ander willen meedeelen omtrent de spijkerfabriek van den heer Thomas Regout. Daar zijn 00 mannen werkzaam, 9 jongens van löâ18 jaar, 11 jongens van 12â16 jaar, 8 ongehuwde vrouwen en een meisje tusschen de 16 en 18 jaar? A. Ja. 5471. V. Hebt gij ook eenige bijzondere bevindingen omtrent die fabriek mede te deelen? A. Er is zeer veel geraas. Wanneer men er uit komt, kan men in de eersto oogenblikken bijna niet hooren. Ik geloof dus wel dat dit geraas tot doofheid bij de werklieden aanleiding kan geven. Verder is er een groot bodemluik dat niet beschermd is, en dat ik nog al gevaarlijk vind. 5472. V. Zou dat luik gesloten kunnen worden, zonder hinder voor het bedrijf ? A. Ja. 5473. V. Zijn er naar uw weten ook ongelukken gebeurd? A. Daarvan is mij niets bekend. Verder heb ik opgemerkt, dat het ziften van de spijkers machinaal geschiedt, dat daarbij drie personen bezig zijn, en dat er niet veel stof ontwikkeld wordt, daar die zwaar en min of meer vochtig is. 5474. V. Welken bijzonder schadelijken kant heeft dan deze fabriek ? A. Eigenlijk geen Alleen zijn de twee werklieden, die aan den oven staan, waar de spijkers gegloeid worden, aan een nog al hooge temperatuur blootgesteld. |
21
|
Die bakken met spijkers worden er om de '2 uren uitgenomen en door andere vervangen. Een 10 minuten staan zij dus bloot aan groote gloeihitte. Wel worden daarbij schofels gebruikt met lange stelen, doch de temperatuur waaraan zij in dien tusschentijd blootstaan is nog al aanmerkelijk. 5475. V. Dat werk wordt toch zeker niet door ongehuwde vrouwen gedaan? A. Neen, die houden zich uitsluitend bezig met ziften en verpakken. 5476. V. Overwerken gebeurt daar zelden en Zondags- en nachtwerk komt daar nooit voor, niet waar? A. Neen. 5477. V. Dan kunnen wij van deze fabriek afstappen. Wij komen nu tot de tabakslabriek van de heeren gebroeders Philips. Daarop werken 55 man, twee jongens van Ui tot IH en 14 van l'i tot 16 jaar; verder 26 gehuwde en 38 ongehuwde vrouwen, benevens quot;2 meisjes beneden de 18 jaar. Hebt gij die meisjes en die ongetrouwde vrouwen daar aan het werk gezien ? A. Ja, ik heb de geheele fabriek nagegaan. 5478. V. Wat deden die vrouwen voor werk? A. Die vrouwen worden gebruikt voor het maken van sigaren. Zij werken in twee zalen en die laten, wat de ruimte betreft, het is trouwens een oud gebouw, wel wat te wenschen over. In de zaal waar '29 vrouwen werken, heeft iedere vrouw 3 kubieke meter lucht, en in de zaal waar '25 vrouwen werken, heeft iedere vrouw p.m. S'/j kubieke meters. Dit vind ik te weinig voor zalen waar tabak verwerkt wordt. Het is mij opgevallen, dat in het algemeen de ruimte in deze fabriek wel wat te wenschen overlaat, want hier is hoofdzakeljjk ruimte en goede ventilatie noodig. Ik heb onder anderen 5 lokalen speciaal nagegaan. In de eerste plaats heb ik de spinnerij bezocht, waar '23 werklieden zijn. De menschen hebben daar te beschikken over ongeveer 13 kubieke meters lucht per hoofd. 5479. V. Wilt gij het werk beschrijven, dat in die afdeeling gebeurt? A. L)e tabak wordt daar tot draden gesponnen en gesausd. |
5480. V. Dus daar wordt roltabak gemaakt? A. Ja. ⢠Daar is nog al een penetrante tabakslucht, en ook riekt het er erg naar de saus, die ze daar gebruiken. Dat is een zeer onaangename lucht. Er zijn 4 vensters en één bovenlicht; drie van de vensters kunnen geopend worden. In de sorteerkamer van tabak wordt veel stof ontwikkeld. Zes personen zijn er werkzaam, waarvan ieder zoo wat over 14 MJ. lucht te beschikken heeft. Er kan maar één venster geopend worden. De zaal wordt verlicht door 4 vensters. Er heerscht een onaangename, penetrante tabakslucht. De sorteerkamer van sigaren is over het algemeen lichter; daar zijn 10menschen werkzaam die zoo wat over 30 M3. lucht beschikken. 5481. V. Maar hoeveel man zitten op de sigarenmakerij ? A. Daar zitten op eene zaal '29 vrouwen en op de andere '25. 548*2. V. Dus de sigaren worden alleen door vrouwen gemaakt ? A. Zij maken ook sigaretten. 5483. V. Wat doen de jongens dan? A. Kistjes maken, sorteeren, strippen. 5484. V. En de meisjes, zoo weinig als er dan zijn? A. Sigaren en sigaretten maken. 5487. V. Hebt gij iets bijzonders mede te deelen over de ijzergieterij ? A. Neen, daar is de toestand gewoon. 5488. V. En op de zinkwitfabriek? A. Uie fabriek, welke ik bezocht heb, ligt ongeveer op een kwartier afstand van Maastricht, in een open veld. Ik ben dikwijls langs die fabriek gekomen, maar aan den plantengroei in den omtrek der fabriek kan men niets bemerken van schadelijke dampen. Daar zijn 14 mannen en 3 jongens werkzaam. De fabricage heeft ongeveer op de volgende wijze plaats. Er zijn 4 ovens, waarin het mengsel van zinkerts met cokes gedaan wordt. Zoodra nu de werkman ziet dat zich zinkdampen gaan ontwikkelen, sluit hij den oven. Bjj een hooge temperatuur van 300° wordt het zinkgas door een tamelijk langen weg, door zeer dikke, zware pijpen op- en afgevoerd naar eene afzonderlijke condenseerka- |
22
|
mer, in de condensators, üit Geschiedt zonder eenig nadoel voor de gezondheid der werklieden. Nadat het zinkwit is verzameld, wordt het in kisten verpakt, waarbij geene respiratoren worden gebezigd. En daarbij heb ik ook niet veel stofontwikkeling waargenomen, omdat het zinkwit zwaar is. Nu moet ik echter het volgende doen opmerken. In die lange pijpen blijft altijd zinkwit hangen, dat wekeljjks verzameld wordt en wel 800 tot iOÃO kilo bedraagt. Dat is niet zoo zuiver en moet in een aparten zifter gezift worden. Dit geschiedt in een groot lokaal, gedeelteljjk ook als paklolcaal gebezigd, in open zifters. Voor dat werk worden twee jongens gebruikt, die ook niet van respiratoren voorzien zijn. Zij werken hoogstens'2V2 dag daaraan en worden op andere dagen van de week met ander werk beziggehouden. 5489. V. Hebt gij wel eens den schadelijken invloed van dat werk ontdekt ? A. Dr. Vrijens, de geneesheer van de zinkwitfabriek, heeft mij verklaard, dat in de vier jaren, dat hij de mensehen behandelt, geen geval van vergiftiging is voorgekomen. 5400. V. Is er een atzonderiijke dokter aan die inrichting? A. Dat wil zeggen, hij wordt dooiden fabrikant betaald. Do arbeiders hebben niet alleen vrij dokter en apotheker, maar voor hun vrouwen ook verloskundige hulp. Dr. Vrijens verklaart dat de toestand niet ongunstig is. Het zijn meestal buitenmenschen, die ook buiten wonen, en wel 14 volwassenen en 3 jongens, die in dag- en nachtploegen verdeeld zijn. £491. V. Wat de volwassen menschen betreft zullen wij dit daarlaten ; maar was de toestand der lokalen van dien aard, dat gij aanstonds zaagt, dat daar maatregelen zouden te nemen zijn, nog meer in het belang van de gezondheid van het werkvolk? A. Neen. 5492. V. Zoudt ge meenen dat het wcnschelijk zou zijn het werken van kinderen in fabrieken en werkplaatsen, dat thans volgens de wet van 1874 verboden is beneden lü jaren, ook te verbieden tot een hoogeren leeftijd ? |
A. Voor sommige industrieën zou ik het wenschelijk vinden, maar voor be-hangselfabrieken bijv. zou ik het niet noodig achten, want dat daar jongens van 12 jaar werken, heeft zulk een groot nadeel niet. Het is licht werk. 5493. V. Maar het kan toch bedenkelijk zijn als er vergiftige stoffen gebruikt worden. A. Ja, maar datzelfde is het geval ton aanzien van volwassenen, het inademen staat gelijk. 5494. V. Ik releveer het, omdat gij bij voorkeur die fabrieken aanwijst als inrichtingen, waar gij jongens zoudt willen toelaten. A. Omdat de arbeid er niet zwaar is, maar met reserve omtrent de kleurstoffen. 5495. V. En de andere fabrieken 7 A. Ik zou het niet wenschelijk achten dat in glasblazerijen en aardewerkfabrieken jongens van 12 jaren werden toegelaten. 549ü. V. Tot welken leeftijd zoudt gij wenschen dat het verbod werd opgevoerd ? A. Minstens tot 14 jaren. 5497. V. Hebt gij met fabrikanten wel gesproken over het opvoeren van het verbod tot 14 jaren? A. Neen. 5498. V. Welke is uwe meening overliet werken van vrouwen en aankomende meisjes in de fabrieken ? A. Waar de arbeid niet zwaar is, zie ik in den arbeid van vrouwen en meisjes geen bezwaar. De vraag is of zij met thuis te blijven leven kunnen. 5499. V. Wat gij zeidet over den leeftijd, geldt dat ook voor de meisjes? A. Ja. 5500. V. En welk is uw oordeel over den arbeid van gehuwde vrouwen ? A. Ik heb op dit punt geene speciale ervaring. In het algemeen meen ik dat de plaats van de vrouw is in het gezin. Maar tinancieele invloeden doen zich hierbij gelden. De vraag is, of de man genoeg verdient om in de kosten van het gezin te voorzien. 5501. V. Hebt gij thans nog eenige mededeelingen aan de Commissie te doen? A. Ik verwijs naar mijn rapport. 5502. V. Dan bedank ik u voor de |
23
|
moeite die gij u in de laatste weken gegeven hebt en voor uwe opkomst heden. Uw verhoor is afgeloopen. Dr. E. Wintgens. Verhoor van den heer L. T. van Kleef. ( Verkort.) 5503. De Voorzitter: Mag ik uw naam en voornaam, uwe betrekking, uw ouderdom en uwe woonplaats weten ? A. Lambertus Theodorus Van Kleef, arts te Maastricht, oud 40 jaren, eerste geneesheer van het gesticht Calvariën-berg. 5504. V. Is dat gesticht eene stedelijke instelling ? A. Hot behoort tot het burgerlijk armbestuur. en is een zelfstandig lichaam. Het is ingericht voor gebrekkige mannen en vrouwen, voor krankzinnigen en is tevens hospitaal. 5505. V. Zijt gij geneesheer aan dat hospitaal? A. Ja. 5508. V. Hoe groot is de bevolking van het gesticht ? A. Met de krankzinnigen en zieken omtrent 400 menschen. 5509. V. Derhalve is het een mannen-en vrouwengesticht, een krankzinnigengesticht en een hospitaal ? A. Ja. 5510. V. En heeft dat hospitaal doorloopend een honderdtal zieken? A. Ja. 5511. V. Is het arbeiderspersoneel daaronder sterk vertegenwoordigd? A. Ja, dit ressorteert onder het armbestuur, en alle ernstige zieken komen in het hospitaal. 5512. V Hebben de fabriekarbeiders geen ziekenfondsen of bussen onder elkaar ? A. Zeer weinig. 5513. V. Zoodat alles neerkomt op de gemeentelijke zorg? A. Grootendeels. Ik meen dat plus minus 1200 gezinnen, volgens de daarvan opgemaakte lijst, onder het armbestuur ressorteeren. 5514. V. Derhalve komt te Maastricht de zorg voor het arbeiderspersoneel, in geval van ziekte, bijna uitsluitend ten laste van de gemeente ? |
A Voor het grootste gedeelte. 5515. V. Fondsen, vereenigingen voor dat doel, ondersteund door patroons van fabrieken, zijn u dus niet bekend? A. Zeer zeker zijn er bussen. Aan de groote fabriek van Regout is een bus voor faiënciers en glasblazers, maar slechts een klein deel van de werklieden is er in; zij zijn niet gedwongen er in te gaan; een groot gedeelte laat het derhalve maar aankomen op het armbestuur. Zoodra een werkman een paar weken gehuwd is, meldt hij zich aan bij het armbestuur om geneeskundige behandeling en medicijnen. Dat is absoluut regel. Reeds sedert jaren is in Maastricht eene quaestie hangende om eene algemeene ziekenbus op te richten en te trachten de fabrikanten over te halen daarin met al hunne werklieden te gaan. Reeds zes of zeven jaren geleden zjjn de reglementen gedrukt en gereed gemaakt, üp het oogenblik is het armbestuur in onderhandeling â ik heb mij er ook mede bemoeid â en ik geloof dat er kans is, dat binnen korten tijd een ziekenfonds zal opgericht worden waarin een groot deel der fabrikanten met hunne werklieden zal komen. Dat zou inderdaad een groote verbetering zijn. 5516. V. Maar een zin onder de arbeidende bevolking om uit eigen bijdragen zich te verzekeren in geval van ziekte, ontbreekt dus in Maastricht? A. Ja. 5517. V. Ik heb deze vraag gedaan, omdat er andere plaatsen in ons land zijn waar die geest onder de arbeidende bevolking anders is, en waar wel dege-Ijjk aan dergelijke vereenigingen in ruime mate wordt deelgenomen en door do werklieden zelve met toewijding voor een goed beheer wordt gezorgd. In Maastricht, waar die geest schijnt te ontbreken, steunt de arbeidende bevolking dus voor het grootste gedeelte op de publieke armenzorg? A. Ja, en ik geloof dat daarvoor allerlei oorzaken zijn. Vooreerst is het volkskarakter in Limburg anders dan in Holland. Zij leven graag luchtig en vroolijk. De geest van sparen zit niet zoo in het karakter van het Limburgsche volk, als in ons echte Hollanders. Het is een ander ras van |
24
|
menschen. met eene geheel andere levensopvatting. Ik weet niet hoe dit op andere plaatsen is, maar op de meeste fabrieken te Maastricht komen de kinderen, zonder eeiiige opvoeding genoten te hebben Zij blijven daar meestal tot zij gaan trouwen, waartoe zij meestal genoodzaakt zijn. Hoe kan men verwachten dat in een huishouden, waaide man niet genoeg kan verdienen om zijne vrouw te onderhouden, spaarzaamheid heerseht ? De man verdient /' 5 a Æ 6 's weeks; het is dus noodig dat de vrouw er eeu paar gulden bij verdient. Bij de minste ongelegenheid ontbreekt het hun aan de hulpbronnen, en soms beginnen zij maar een huishouden op te zetten, zonder dat er iets is. 5518. V. Gij hebt gesproken van verschillende oorzaken; zijn er, behalve de oorzaken door u opgenoemd, nog andere redenen ? A. Ik spreek alleen met het oog op mijn vak en de opdracht die ik ontvangen heb van den heer Ruys van Beerenbroek om feiten te verzamelen die betrekking hebben op het gevaar in de fabrieken. Er zullen nog wel andere oorzaken wezen, maar hoewel ik als dokter in het gesticht vele menschen te zien krijg, zoo kan ik minder oordeelen over het leven in de huisgezinnen. Wat ik daaromtrent weet heb ik meer van hooren zeggen, zoodat ik daarover a fond geen volkomen geheel kan geven. Eene dergelijke studie ligt minder op mijn weg. 5519. V. Goed, maar na de inlichtin-tingen die gij reeds hebt verstrekt, ligt het wel op onzen weg om te vragen naar dingen die gij wel kunt weten. A. Ik zal met genoegen antwoorden. 55-20. V. Gij hebt ons verschillende dingen medegedeeld, bijv. dat de kinderen zoo vroeg op de fabriek komen, dat zij nachtwerk moeten doen, en toen hebt gij ons verder verteld hoe die menschen leven, dat, zoodra zij tot leeftijd komen, zij al zeer spoedig genoodzaakt zijn te trouwen, enz. enz. Is dat komen op de fabriek op 12ja-rigen leeftijd zoo algemeen ? A. Ja, al wat plaats kan vinden op de fabriek moet er heen, omdat de ouders niet in staat zijn de kinderen te onderhouden. |
5521. V. Dat geschiedt uit een oogpunt van den kost te verdienen ? A. Ja, voor het geldelijk voordeel. 5522. V. Van uw standpunt, als man van kennis en oordeel, wat is dan uwe meening daaromtrent? Keurt gij het goed, of vindt gij het betreurenswaardig? Begrijpt gij dat er iets tot verbetering moet gedaan worden ? Wij wenschen daaromtrent gaarne uwe meening te hooren. A. Van mijn standpunt als dokter moet ik zeggen, dat de I2jarige leeftijd veel te jong is om de kinderen te dwingen om slavelijken arbeid te verrichten. Er bestaat natuurlijk een groot onderscheid in het werk dat te Maastricht verricht woi-dt. Ik vind het verschrikkelijk, dat een jongen van 12 jaar nachtwerk moet doen in de glasblazerij, en dagen achtereen van 's avonds 7 tot 's morgens 7 moet werken. De jongens zjjn's morgens zoo af, dat zij zich niet meer op de been kunnen houden overdag. Zij moeten dan gaan slapen, terwijl andere kinderen schreeuwen; zjj moeten wakker gemaakt worden om to eten en te drinken en gaan dus even vermoeid weer naar de fabriek als zjj er vandaan kwamen. Zij zien er dan ook zoo chétief, zoo mager en miserabel uit, dat het akelig is om aan te zien. In Maastricht loopen veel menschen met kromme beenen. Men kan geen honderd passen doen of men ziet iemand met kromme beenen. Dat zijn glasblazers, die door het hangen en staan 's nachts in de fabrieken zoodanig vermoeid zijn, dat de ledematen zich daardoor verkrommen. Het is dus wenschelijk om de jongens zoo vroeg niet naar de fabrieken te zenden. 5523. V. Gjj hebt ons veel medegedeeld wat stof geeft tot nadenken en nadere bespreking en wat inderdaad niet onbelangrijk is. Uw indruk dus van die opkomende fabrieksbevolking is verre van gunstig, wat den physieken toestand betreft? A. Ja, zij zijn slecht gevoed, vooral in den slechten tijd. 5524. V. Gij hebt ons ook gewezen op den schadelijken invloed van den arbeid, die van die jonge schepsels gevorderd wordt, welke duidelijke sporen nalaat in den bouw en den geheelen gezondheidstoestand van het lichaam ? |
25
|
A. Ja. 5525. V. Gij hebt die mededeelingen kunnen doen op grond van de waarnemingen die gij daaromtrent hebt gemaakt en hebt naar aanleiding daarvan uw oordeel uitgesproken, dat het zeer wenschelijk zou zijn, dat aan de kinderen bjj de wet werd verboden, om vóór het 14de jaar op de fabriek te werken ? Dat hebben wjj goed begrepen, niet waar ? A. Zeer zeker. Op het twaalfde jaar zijn de kinderen te jong om zoolang in de fabrieken te werken. 55-26. V. Gij zoudt dus 14 jaren wen-achelijk vinden ? A. Ja. 5527. V. Gij zeidet daar dat hot zoo verkeerd was, dat die aankomende jongens gebruikt werden voor slaverigen arbeid ? A. Ja, ik bedoel daarmede overmatig â werken. 5528. V. Gelooft gij dat dat veel voorkomt ?. A. Ik vind dat het voor een jongen van 12 jaren te veel is om den geheelen dag zonder rusttijd te werken; dat acht ik iets verschrikkelijks. 5529. V. Zou zich dat feiteljjk voordoen 7 A. Zonder den minsten twijfel. Bij de glasblazerijen wei-ken de jongens ook des nachts. 5530. V. Gij hebt reeds gezegd dat in do glasblazerijen de jongens somtijds 7 dagen lang den geheelen nacht moeten overwerken. Maar hebt gij dat overdag werken van de jongens meer van nabij kunnen waarnemen, of steunt uwe verklaring op de mededeelingen van derden? A. Mijn gezegde steunt op do waarneming van de jongens, die ik onder behandeling krijg en een miserabel, mager en chétif physiek hebben. Dat pauperisme kan natuurlijk geen andere oorzaak hebben dan dat de jongens werken moeten op een leeftijd, die daarvoor niet geschikt is en slecht voedsel ontvangen, zoodat hunne ontwikkeling vanzelf achterlijk blijft. 5537. V. Hebt gij er wel onderhanden gehad wegens ongelukken die zij in de fabriek hebben gekregen. |
A. Ik heb den heer Ruys een staat gegeven van al de gevallen van ongelukken die in vjjf jaren in het hospitaal en bij mij loopende zijn behandeld. Dat is relatief weinig. Groote ongelukken gebeuren in Maastricht niet. Op den geheelen staat komt maar één persoon voor, die gestorven is aan verwonding, en dat is nog niet toe te schrijven aan de inrichting van de machines. Het overige zijn kleine ongelukken, het raken van de vingertoppen tusschen de engre-nages, vingers die bij het overleggen van riemen beklemd raakten.en weinige beenbreuken. In de meeste fabrieken te Maastricht kunnen zeer goed ongelukken vermeden worden, en wanneer men zich niet roekeloos in gevaar begeeft zij n ze niet te vreezen. Acht man op de honderd per jaar, die een ongeluk kregen is inderdaad zeer weinig bij eene zoo groote fabrieksbevolking 5538. V. Komt gij in fabrieken ? A. Zelden; ik heb de papier- en de behangselfabriek bezocht, alsmede de fabriek van den heer Kegout. Deze laatste bezocht ik vóór een paar jaar met den adjunct-inspecteur Ruysch, thans referendaris aan het Departement van Bin-nenlandsche Zaken; men had toen eene kleine machine aangevoerd. Nog onlangs herhaalde ik dat bezoek met den heer VVintgens, adjunct-inspecteur van het geneeskundig Staatstoezicht. 5544. V. Hebt gjj in uwe betrekking aanleiding gehad om op te merken, dat sommige faorieksarbeid speciale ziokten onder het werkvolk doet ontstaan ? A. In enkele vakken, b.v. het werk in porseleinfabrieken, ofschoon het statistisch niet bewezen is, komen meer teringgevallen dan in andere voor. In Maastricht noemt men dat «pottemanne-kens-krankte. Een ieder die genoodzaakt is zich aan het inademen van stof bloot te stellen, krijgt zieke longen. Nu maakt het een groot verschil van welke qualiteit do stof is. Zeer fljne scherpe stofdeeltjes maken de longen veel sneller ziek dan grover stofdeelen. Plantaardige stof, zooals bij meelfabrieken voorkomt, maakt de longen ook min of meer ziek, maar geeft geen heftige aandoeningen voor het geheele leven. Of men de vele gevallen van tering bij de aardewerkers uitsluitend moet toeschrijven aan het inademen van veel |
26
|
stof is zeer twijfelachtig, want die werklieden zijn in de allergunstigste conditie buitendien om de tering te krijgen ; zij zijn van chétive ouders, worden slecht gevoed en beginnen reeds zeer jeugdig te arbeiden. Men kan dus niet anders verwachten. Het zou intusschen een zeer gecompliceerd werk zjjn uit de statistiek te bepalen of in die fabrieken de sterfte grooter is dan in die waar ze niet in die stof werken, en toch in dezelfde armoede verkeeren. Ik betwijfel of het verschil heel groot zou zjjn. Andere ziekten komen bijna niet voor. Alleen komen voor enkele loodvergifti-gingen, zoowel in de fabriek van Regout als in de ceramiekfabriek. Groote verwondingen komen zelden voor, wel lichte. Van loodvergiftiging hebben zich hoogstens twintig gevallen in de laatste 2 of 3 jaren voorgedaan. In het glazuursel zit loodwit, üo men-schen die daarmede den geheelcn dag in contact komen, staan dus, omdat zij zich niet behoorlijk wasschen, wanneer zij eten of drinken, min of meer aan loodvergiftiging bloot. Dat was gemakkelijk te veranderen, wanneer aan hen nu en dan andere werkzaamheden werden opgedragen. Belangrijk is het trouwens niet eens. Op het groot aantal fabriekwerkers is het aantal gevallen zeer gering. Ongelukken komen dus hoogst zelden voor, ziekten door de fabriek teweeggebracht, ook weinig ; alleen bij de ver-nissers. 5546. V. Wordt in het algemeen in de fabrieken, die gij gezien hebt, al het mogelijke gedaan, met hot oog op de hygiene in den tegenwoordigen stand van die wetenschap en voor zooverre die zich rijmen laat met de eischen van industrie en industrieelen, al het mogelijke gedaan om gevaar en schade voor het werkvolk af te wenden ? Of gelooft gij dat daaromtrent nog wel het een of ander te wenschen overblijft ? A. In kleinigheden wel natuurlijk, maar uit een algemeen oogpunt zijn de fabrieken uit een hygiënisch oogpunt niet slecht. De lokalen zijn zeer ruim, goed verlicht en hebben eene ferme ventilatie. Op onderdeelen zal er echter altijd wat te verbeteren zijn. Waar gips gemalen wordt, moet het natuurlijk stuiven, dat kan niet verholpen worden, en zoo zijn er meer zaken die niet te ontgaan zijn, omdat zij eigen zijn aan het fabrikaat. |
5551. De Voorzitter: In verband met het punt waarmede wij bezig zijn, wensch ik te vragen, hebt gij niet opgemerkt, dat een groot gedeelte van de werklieden van de fabriek van Regout zelden een hoogen ouderdom bereiken, dat zij op 40 of SOjarigen leeftijd sterven? A. Ja, zij sterven aan de potteman-nekensziekte. 5552. V. En eindigt dat gewoonlijk met den dood? A. Als die ziek zijn, eindigt dat met den dood; het is longtering. 5553. V. En dat neemt zijn afloop van het 40- of 50ste levensjaar? A. Ja. 5554. V. En dat komt dikwijls voor? A. Ik heb zooeven beweerd, dat het niet statistisch bewezen is of onder die bevolking meer tering voorkomt dan onder eenige andere bevolking die onder dezelfde omstandigheden leeft, in de stof. 5555. V. Hebt u das in de betrekkelijke afdeeling van de fabriek der hee-ren Regout menschen van hoogeren leeftijd gezien? A. Wel zeker. 5556. V. Worden de menschen er dus oud? Zijn er die er oud geworden zijn? A. Wel zeker; hier zijn geen ziekten als bij andere industrieën voorkomen, bij phosphorusfabrieken, kwikzilvermijnen bij voorbeeld. De mensehen die in deze mijnen leven â zij komen hier niet voor â die moeten in 10 jaar ongeveer dood. Dat is echter bij deze fabrieken niet het geval. Men kan hier zeer gezond zijn. Wanneer men deze bevolking vergelijkt met eene andere die onder dezelfde omstandigheden verkeert, dan zal hier misschien 1, 2,30/o meer tering voorkomen dan onder menschen die niet in de stof werken. 5557. V. Komt vrouwenarbeid te Maastricht voor? A. Ja. 5558. V. Ook arbeid van jonge meisjes ? A. Ja, jonge meisjes en ook gehuwde vrouwen wel. Zoolang de man niet ge- |
27
|
noog verdient, moeten de vrouwen wel medewerken. 5559. V. Om flnancieele redenen, maar het feit zelf zult gij waarschijnlijk wel niet goedkeuren. A. Wanneer de vrouw een arbeid heeft naar hare krachten ? Waarom dan niet ? Bij voorbeeld zooals in de fabriek van den heer Regout, waar de meeste schilderen. 5560. V. Nu spreekt gij van de meisjes ; maar de getrouwde vrouwen ? A. Voor deze zou het in elk opzicht wenschelijk zijn dat zij niet meer in de fabriek werkten. Maar wanneer men de zaak uit een financieel oogpunt beschouwt dan is het geheel iets anders. Wanneer bij voorbeeld een arbeider f5 of f C per week verdient en de vrouw verdient er met schilderen nog f 6, f8 bij, dan kan het huisgezin leven. Zet men echter die vrouw aan de deur, dan lijdt het huisgezin armoede. Het is mijns inziens daarom beter dat de vrouw me-dehelpt om den kost te verdienen dan dat zij dit niet doet. 5501. V. De zaak is dus dat de huishoudens opgezet worden zonder dat er behoorlijke middelen aanwezig zijn. A. Ja. 556'2, De heer Biililmann: Gij hebt gezegd dat het wenschelijk zou zijn dat kinderen beneden de 14 jaren niet in de fabrieken werkten. Bedoelt gij dit in het algemeen of slechts ten opzichte van nachtwerk. A. Ik bedoel dit in het algemeen. Een kind van 12 jaren is physiek en intellectueel niet genoeg ontwikkeld om in eone fabriek te werken. Eerst op hun 14de, 15de jaar beginnen zij pas een beetje mensch te worden. 5563. V. Gij vindt het dus over het algemeen wenschelijk dat kinderen beneden de 14 jaren niet werken. Hetzelfde geldt bij u voor de gehuwde vrouwen. Maar is nu niet wat gij van de laatsten gezegd hebt omtrent de noodzakelijkheid om, in verband met de slechte loonen, voor het huisgezin mede te werken, ook niet op de kinderen van 12 tot 14 jaar toepasselijk ? |
A. Ik kan hierop antwoorden, dat de vrouwen in den regel geen werk verrichten dat zoo bijzonder schadelijk voor de gezondheid is. Daarentegen is kinderarbeid nadeelig voor de ontwikkeling. Wanneer de kinderen niet schoolgaan, maar van don ochtend tot den avond moeten werken, vormt men een zwakker geslacht. 5563 bis. De heer Ruys van Beeren-hroek : Zoo straks hebtquot;gij, in antwoord op een vraag meer bepaaldelijk omtrent de pottenmannen, verklaard dat zij gewoonlijk geen hooger leeftijd dan 40 jaren bereikten, doch dat het zeer zeker voorkwam, dat sommigen ouder worden. Kunt gij nu ook mededeelen of ditzelfde geldt voor de aardewerkers, de glasblazers en de glasslijpers? A. O neen, glasblazers zijn er in de fabriek van Regout bijna niet. Diemen-schen zijn glasvormers; zij werken met persen en machines. Weinigen zijn er die blazen, en dan is het nog geen zwaar, werk. De blazers in eene flesschenfabriek, waar zij met groot geweld den geheelen dag blazen, kunnen ziekelijk worden; maar bij den heer Regout is het zulk klein werk, dat zij van dat blazen alleen niet ziek kunnen worden. De hooge temperatuur echter is onaangenaam; doch zij worden daaraan van jongs af gewend en klagen er niet over. 5564. V. Het glasslijpen ? A. Dat geschiedt vochtig, zoodat men er niets van inademt 5565. V. En het glas droogslijpen ? A. Dat was vroeger nadeelig. 5566. V. Doch daar zijn maatregelen tegen genomen ? A. Ja, er zijn exhausters aangebracht en het slijpen geschiedt nu alles nat. Het stof is dus tot een minimum teruggebracht. 5567. V. Zoodat daar die gevaarlijke inademing niet plaats heeft, als bij het pottenwerk'? A. Alles is vochtig; er is dus zeer weinig slof. Het eenige waaraan men het constateeren kan, is dat de jongens een wit laagje van impalpabele stof op het gezicht hebben. 5568. V. Gij hebt gesproken van de afdeeling aardewerk, waar de stiften worden gemaakt en van verwondingen, door u daar geconstateerd, aan de vingertoppen ? A. Dat heb ik nagegaan en het is op mijne instantie dat de machine weder verdwenen is. De fabrikant in Enge- |
|
land had eene machine gevonden, die de kleine triangels maakte waarop de borden geplaatst worden, die anders aan elkander bakken. Die worden bij massa's gemaakt, omdat ze slechts eenmaal worden gebruikt met het oog op de fijne puntjes. Vroeger had men kleine slagmachines, die echter te langzaam werkten. Nu had men in Engeland eene machine gezien die als slagpers werkte. Men draait daarbij met de rechterhand aan een vliegwiel; de pers gaat omhoog, het voorwerp wordt weggenomen, ne-dergelegd en weder een ander stuk leem ingebracht. liet krijgt den slag. Alles geschiedt zeer regelmatig; de minste onoplettendheid brengt de vingers tusschei; de machine, en deze neomt 2 of 3 toppen beet. Een groot nadeel voor de meisjes; de toppen worden doof en eerst na een paar weken kunnen zij het werk hervatten. Die ongelukken waren zoo menigvuldig, dat ik de zaak onderzocht; men hoeft mij de machine fetoond. waarna mij bleek dat aanhou-end onheilen moesten voorkomen. Nu is dat tamelijk veranderd en heeft men weder slagmachines gemaakt, waar ieder voorwerp voor zich wordt geperst. Men moet daarbij al zeer onattent zijn, wil 'men een ongeluk krijgen. Deze komen dan ook nu zeer weinig voor.etoond. waarna mij bleek dat aanhou-end onheilen moesten voorkomen. Nu is dat tamelijk veranderd en heeft men weder slagmachines gemaakt, waar ieder voorwerp voor zich wordt geperst. Men moet daarbij al zeer onattent zijn, wil 'men een ongeluk krijgen. Deze komen dan ook nu zeer weinig voor. 5509. V. Gij hebt zien werken op die afdeeling. Hebt gij opgelet van welken leeftijd die kinderen zijn ? A. Jonge meisjes van 12, 13, 14jaar. 5570. V. Is het een zwaar werk'.' A. Neon, maar een werk waaraan zij al hare aandacht moeten wijden, en dat allerslechtst betaald wordt. 5571. V. Zijt gij in de afdeeling geweest waar de kleuren bereid en getri-tureerd worden ? A. Neen, bij die gelegenheid niet. 5572. V. Hebt gij geene loodwitbe-reiding gezien? A. Neen, zij maken wel menie zelf, maar van loodwit woet ik het niet. 5572amp;is. V. Zij maken ook loodwit. 5573. De heer Beelaerts van Blokland : Hebt gij eenige ervaring opgedaan omtrent drankmisbruik onder de arbeiders ? |
A. Van tijd tot tijd komen er gevallen voor, bij feestelijke gelegenheden bijv. als de arbeiders in beschonken toestand rondloopen. Dat er daardoor in Maastricht meer ziek worden dan elders kan men niet beweren. Opvallend in Maastricht is dat er zooveel krankzinnigen voorkomen. In het gesticht hebben wij er zestig, terwijl er nog veel in den Ãosch geplaatst zijn, omdat er volgens de wet niet meer in het gesticht mogen opgenomen worden. 5574. De heer Buys vau Beereu-broek: Staat dat in verband met het drankmisbruik ? A. In verband met het pauperisme. Waar het pauperisme groot is zijn veel krankzinnigen. 5575. V. Het zijn dus alle lieden van de mindere klasse? A. Ja. Maastricht heeft 30000 zielen, de helft der bevolking is arm. Derhalve als men op de 15000 zielen 60 krankzinnigen heeft, dan is dat reeds daarvoor alleen vier a vijf per mille. Nu geeft de algemeene statistiek in België althans aan slechts 2 a 3 per mille krankzinnigen, waarvan 2 per mille in de gestichten en een per mille losloopend. Dat is voor Maastricht derhalve te veel. 5576. De heer Van Alphen: Gij hebt de ovens waarin het aardewerk gebakken wordt, niet anders dan in kouden toestand aangetroifen ? Zijn in het hospitaal geen gevallen voorgekomen van menschen. die dooide groote hitte ziek geworden waren of ander letsel verkregen hadden? A. Neen. 5577. De beer Buys van Beeren-broek; Is u aangaande de papierfabrieken iets bekend van ziekten daaraan verbonden ? A. Heel weinig. Er komen daar echter meer ongelukken voor dan in andere fabrieken, omdat er meer machinerieën zijn. Van tijd tot tijd raakt er wel eens een tusschen de walsen. 5578. V. De kalander-machine is toch voorzien ? A. Ik geloof het wel; maar onder die walsers heb ik er gezien die toevallig met de vingers tusschen de walsen geraakten, met de armen tot aan het hoofd werden ingetrokken en daardoor hevige biandwonden bekwamen. De geheele arm was dan verbrand. 5579. V. Hoe staat het met de ziektegevallen bij het sorteeren van lompen? |
29
|
A. In het hospitaal heb ik daar niets van gezien. 5581. V. Zijt gij ook bekend met plannen tot oprichting van crèches ? A. Neen, zij zijn er althans niet. Wel is het eene bekende zaak dat sommige vrouwen die op de fabriek werken de kinderen uitbesteden en dat de wezens slecht voedsel krijgen. Particulieren hebben wel eens plannen geopperd, maar het is er altijd bij gebleven. Het zou anders eene goede zaak zijn. 5582. V. Weet gij ook hoe hot staat met de soepkokerij ? A. Ik weet dat er een bestaat, maar het schijnt dat er hoe langer hoe minder gebruik van wordt gemaakt. 5583. V. Waarom ? A. Dat weet ik niet. 5584. De Voorzitter : Gij hebt straks als uw stellige overtuiging te kennen gegeven dat het werken van kinderen beneden de 14 jaar is af' te keuren. Maar acht gij het boven de 14 jaar ook zoo verkeerd? A. Het is moeilijk om te zeggen dat het eerst beginnen moet met het '15de, Ifide, 17de jaar. Dat is zeer moeilijk. Met het iide en 15de jaar kan het zeer zeker schadelijk zijn om zes dagen in de week van 's avonds 7 tot 's morgens 7 te werken. Om echter op het oogenblik te verklaren op dezen of op dien leeftijd kan men pas beginnen, dat is moeilijk. Het hangt ook van de ontwikkeling van den jongen af. Men zou om zeker te gaan een anderen maatregel moeten nemen, men zou dan geneeskundig moeten onderzoeken of de jongens genoegzaam ontwikkeld zijn om zekeren arbeid te doen. Er zijn er die op hun 12de jaar al sterk genoeg zijn. 5585. De heer Buys van Beeren-broek : Weet gij dat jongens geneeskundig onderzocht worden alvorens tot de fabrieken toegelaten te worden? A. Ja, dr. üidtmann keurt voor de faïencerie van Regout. Ik heb daar met den heer P. Regout over gesproken, die neemt degenen die voor de faïencerie zijn afgekeurd. 5586. V. üp welke afdeeling? A. Op de glasblazerij. Misschien terecht, omdat de jongens daar niet onder dezelfde omstandigheden werken als op de faïencerie. |
5587. De Voorzitter: Als ik het goed begrijp, worden de jongens medisch onderzocht, en die voor de eene afdeeling ongeschikt worden geoordeeld, worden toch geömployeerd voor eene andere afdeeling. A. Ja, dat kan ook zeer goed. 5588. V. Maar gij hebt ons straks beschreven hoe de kinderen er uitzien, die daar werken. A. O ja. het kan zijn dat een jongen ongeschikt wordt geoordeeld voor het werken in de faïencerie, in de stof, en dat hij daarentegen zeer goed gebruikt kan worden in de glasblazerij, omdat hij daar onder andere conditiën is. 5589. De heer Goeman Borgesins: Maar wij hebben van u vernomen dat gij juist het werken van zulke jonge kinderen van 12 jaren in de glasblazerijen schadelijk acht? A. Ja, maar zij moeten toch ergens werken. Wanneer door een dokter verklaard wordt dat zij niet in staat zijn in stof te werken, dan zijn de heeren Regout toch in hun recht om ze in eene andere afdeeling werkzaam te doen zijn. Iemand, die afgekeurd wordt voor soldaat is daarom nog zeer goed geschikt voor vele andere betrekkingen. 5500. V. Gij gaat hierbij uit van do stelling dat de door u gewenschte toestand niet bestaat. A. Zeer zeker; ik zou zeer wenschen dat zij niet voor hun veertiende jaar aan het werk zouden gesteld worden. 5591. De heer Buys van Beeren-broek : Gij hebt gezegd dat werken in een met stof bezwangerde lucht zeer nadeelig voor de longen en longtering het gevolg daarvan is. Zjjn u, behalve de door u besproken beroepen, nog andere bekend waar hetzelfde het geval is? A. Steenhouwers bijv. en in het algemeen al die vakken, waarbij stof ontwikkeld wordt, met uitzondering van de bakkers en molenaars, omdat het stof waarmede dezen verkeeren, van een plantaardigen oorsprong is. Zij hoesten wel en krijgen chronische bronchitte, maar krijgen geen tuberculose. Bij de steenhouwers daarentegen veroorzaakt het ingeademde stof wel degelijk tuberculose. Die lieden zijn zeer gepredisponeerd ; zij krijgen ulceratieve pro- |
30
|
â¢cessen in de longen en zijn daardoor dubbel vatbaar voor tuberculose, die zij dan ook in den regel krijgen. 5592. De Voorzitter: Hebt gij uit u zeiven nog iets mede te deelen dat gij begrijpt van nut te kunnen zijn ? zoo niet, dan danken wij dat gij zijt willen komen. Uw verhoor is afgeloo-pen. Dr. v. Kleef. Verhoor van den heer A. A. Bekaar. ( Verkort.) 5593. V. Wilt gij zoo goed zijn uw naam, voornaam, qualiteit, ouderdom en woonplaats op te geven? A. Andries Abraham Bekaar, oud 41 jaar, ingenieur van den waterstaat, wonende te Maastricht. 5594. V. Gij hebt, in opdracht van den Minister van Waterstaat, voldaan aan een verzoek, dat bij monde van den heer Ruj s van Beerenbroek namens onze Commissie van enquête tot u is gericht, om namelijk in de laatste weken eenige fabrieken en werkplaatsen in Maastricht te onderzoeken ? A. Ja. 5595. V. Gij hebt een groot getal van die fabrieken en werkplaatsen onderzocht ? A. Negentien. 5597. V. Wij hebben over verscheidene, zoo niet over al die fabrieken bij monde van den heer Wintgens, die gedeeltelijk met u die fabrieken bezocht heeft, tamelijk breedvoerige mededeelin-gen ontvangen over den gang der werkzaamheden, de sterkte van het arbeidend personeel, de werkuren, enz. enz. Wij zullen niet in alle détails daarop terugkomen, dat zou te veel tijd wegnemen. Wenseht gij. die mot het oog op deze enquête deze fabrieken alle bezocht hebt, ons ook eenige opmerkingen daaromtrent mede te deelen. A. Over het algemeen heb ik bevonden dat de groote fabrieken het best zijn ingericht, wat betreft de maatregelen van veiligheid en voor de gezondheid. De kleine fabrieken laten zoo hier en daar wel eens wat te wenschen over. Heel voel ongelukken gebeuren in de kleine fabrieken gelukkig niet, omdat er veel ruimte is en de werklieden dus niet te dicht bij de machines behoeven te komen. |
De stoommachines en ketels staan in de meeste fabrieken in afzondorljjke lokalen. Mijn eerste opmerking geldt het ge-heele land. De machinisten in de groote fabrieken zijn gewoonlijk menschon die langzamerhand zijn opgeklommen. Zij zijn begonnen met smoren, zijn vervolgens gaan stoken en hebben zoodoende eenig inzicht in de machinerie verkregen. Maar bij kleine fabrieken neemt men daarvoor meestal den eersten den besten. Ik acht dat een groot bezwaar. Men krijgt dan machinisten, die volstrekt niet op de hoogte van hunne taak zijn, en die bij het minste wat er gebeurt den kluts kwijt raken. In de groote fabrieken heb ik bijna overal gevonden signalen, hetzij in den vorm van een alarmbel, hetzij van eene fluit, waardoor de machinist in tijd van gevaar een teeken kan geven om in eens alles te doen stilstaan. In de kleine fabrieken is dit niet het geval. Bjj sommige lovert dat geen groot bezwaar op, omdat de machinekamer onmiddellijk aan het werklokaal grenst; bij andere, waar die afstand grooter is, echter wel. Ook daar moet in eenige seconden de geheele machine kunnen stilstaan. Een oud-ingenieur van het stoomwezen heeft mij medegedeeld, dat, in gevallen waarin de wet wordt overtreden en zelfs veiligheidskleppen worden vastgezet en dientengevolge procesverbaal is opgemaakt, wel vervolging heeft plaats gehad, maar vrijspraak is gevolgd, waarschijnlijk door leemte in de wet. De peilglazen dienden tot veiligheid van den machinist omgeven te zijn met omhulsels van gaas of van dubbel glas. Dat zag ik in Maastricht niet. 5598. V. Ook elders? A. Neen. Ook het vliegwiel kan groote ongelukken veroorzaken. In kleine fabrieken wordt het bij het in gang brengen der machine met de hand in bewe- fing gebracht, en daar heeft men kans at het, over het doode punt komende, den man medesleurt, vooral indien de plaatsruimte, waarover hij beschikt, gering is. Dit is hier en daar ook het geval.ing gebracht, en daar heeft men kans at het, over het doode punt komende, den man medesleurt, vooral indien de plaatsruimte, waarover hij beschikt, gering is. Dit is hier en daar ook het geval. |
31
|
Bij de groote fabrieken zijn de wielen te groot ora dit te kunnen doen, en daar gebeurt het, hetzij met een getande staaf, hetzij op eene andere wijze, in ieder geval zonder gevaar, meestal. De groote vliegwielen dienen ook omringd te zijn met een gesmeed ijzeren band voor het springen, omdat het zoo ontzaglijk snel rondwentelt. Dit komt echter slechts bjj uitzondering voor; ik heb het alleen gezien bij de groote machines van de Société Céramique te Maastricht. Het opzetten van riemen is dikwijls in de fabrieken eene oorzaak van ongelukken. De riem moet er zoo omgebracht worden; de as wordt langzaam bewogen, de werkman drukt den riem tegen de eene schijf en, terwijl de andere langzaam beweegt, wordt de riem er op geschoven en dan laat de werkman los. Op die wijze kan geen ongeluk voorkomen, maar nu gebeurt het wel dat een feoefend werkman, die veel met dit werk elast is, het gevaar zoo niet inziet, en, om moeite te besparen en zijn kameraden niet te hulp te roepen, den riem op de schijf brengt, terwijl de machine in vollen gang is. Laat hij op het juiste ©ogenblik los, dan kan het geen kwaad, maar houdt hij een oogenblik te lang vast of heeft hij het ongeluk om te struikelen en, zooals men onwillekeurig doet als men struikelt, te grijpen naar den riem, dan wordt hij meêgeslingerd en verpletterd dikwijls.eoefend werkman, die veel met dit werk elast is, het gevaar zoo niet inziet, en, om moeite te besparen en zijn kameraden niet te hulp te roepen, den riem op de schijf brengt, terwijl de machine in vollen gang is. Laat hij op het juiste ©ogenblik los, dan kan het geen kwaad, maar houdt hij een oogenblik te lang vast of heeft hij het ongeluk om te struikelen en, zooals men onwillekeurig doet als men struikelt, te grijpen naar den riem, dan wordt hij meêgeslingerd en verpletterd dikwijls. üf het in Maastricht gebeurd is kan ik niet zeggen, maar in allen gevalle is het een gevaar dat weg to nemen is, omdat er toestellen zijn, waarbij de werkman buiten gevaar blijft. 5601. De heer Ruys van Beeren-broek; Dat zijn macliines om den riem op het wiel te brengen, niet om ze van de draaiende schijf naar de vaste te brengen ? A. Juist. Het smeren, dat ook eene groote bron van ongelukken is, gebeurt volgens de fabrikanten altijd wanneer de werktuigen in i'ust zijn. Maar dit gebod wordt zeer dikwijls overtreden, en ik heb gezien dat men de machines en assen smeerde, terwijl die in werking waren. 5602. De Voorzitter: Waar hebt gij dat gezien ? |
A. In de «Société Céramiquequot;. Volgens den fabrikant was dit eene uitzondering en was er geen gevaar. Dit gebrek doet zich natuurlijk niet voor in fabrieken waar automatische smeerwerk-tuigen aan de machines zijn, en die bestaan in de meeste groote fabrieken. 5603. V Ook in Maastricht? A. Ja. Wat ik overal in Maastricht gemist heb, is een reglement, dat in elke werkplaats moest opgehangen zijn en waarin bij voorbeeld het smeren tijdens de beweging der machines bepaald verboden werd, waarbij den werkman eenige voorschriften gegeven worden, waaraan hij zich in het belang van zijn eigen veiligheid te houden heeft. Wel heb ik op een paar plaatsen, zooals in de spijkerfabriek, een klein reglement gevonden, maar dat is ook het eenige wat ik mij herinneren kan. De fabrikanten gaven toe dat het wel goed zou zijn en sommigen zeiden dat zij het doen zouden. Wat ik ook bjj iedere fabriek noodig acht, is een verbandkist met linnen en dergelijke, om bij ongelukken dadelijk de noodige hulp te kunnen verschaffen. Dit is op eene zeer goede wijze geregeld bij de firma Regout en de Neder-landsche papierfabriek; overigens geloof ik niet dat dit in Maastricht ergens geschied. Wanneer men daarbij nog, zooals op de Nederlandsche gist- en spiritusfabriek te Delft, twee of drie flink ontwikkelde werklieden onderwijs gaf in de eerste beginselen der verbandleer, zouden veel ongelukken wel niet voorkomen maar nietzulke gevolgen hebben als nu somtijds. Levensverzekering tegen ongelukken bestaat te Maastricht niet. Wel kan ik echter dit zeggen, dat de werklieden eenige ondersteuning genieten uit de ziekenbussen, die de meeste fabrikanten hebben. 5604. V. Wat bedoelt gij met de ziekenkassen die bij de meeste fabrieken zijn? Zijn dat ziekenbussen die de werklieden onder elkander maken ? A. Ja, en waartoe de fabrikant bijdraagt. 5605 V. Zijt gij zeker, dat die bij de meeste fabrieken bestaan ? A »üe meestequot; is misschien wat al te bepaald. |
32
|
5600. V. Ik doe de vraag, omdat wij straks uit do verklaring van den heer Van Kleef meenden verstaan te hebben, dat de lust onder het werkvolk in Maastricht, om op die wijze tegen kwade eventualiteiten te zorgen niet zeer ontwikkeld was en men alles liet neder-komen op de stad A. Mijne uitdrukking van zoo even was ook wat 'sterk. Het moest zijn «verscheidenequot;. 5007. V. Wilt gij dan nu maar doorgaan? A. Tegen brandgevaar is hier en daar goed gezorgd, maar bij anderen niet. Bij de groote fabrieken is het in het algemeen goed, bij sommige kleine laat het te wenschen over. Waar ook naar mijne meening niet genoeg op gelet wordt, dat is de kleeding der arbeiders. De arbeider is zeer gesteld op eene losse kiel, dikwijls op wijde mouwen, hij draagt een schootsvel, en ik behoef niet te zeggen dat als hij dan met de machines in aanraking komt, hij groot gevaar loopt. Het zou goed zijn als men hem eene nauwsluitende kleeding en vooral dicht gemaakte mouwen kon voorschrijven. 5608. V. Zijn dat geene dingen die bij het werkvolk zelf opkomen ? Ik vind uwe opmerking zeer juist, maar zijn zij niet intelligent genoeg om zelf te begrijpen dat het nemen van die eenvoudige en onkostbare voorzorg eischend is? A. Wel intelligent genoeg, maar zij volgen de oude gewoonte. Ik zag bijv. een werkman, die een hoogst gevaarlijk werktuig in de wapenfabriek van Beaumont behandelde, althans voor iemand die er met zijne vrij wijde mouwen tus-schen kwam. Toen ik hierop den fabrikant wees, werd mij gezegd: »Ik heb zelfs soms met eigen hand een touw om de mouw gebonden, maar hij verkiest het niet te laten.quot; 5609. De heer Rnys van Beeren-liroek: Hoe is het met het binnenwaarts opengaan van de deuren ? A. De deuren zijn aldus: in de groote fabrieken waren tamelijk veel deuren, die naar beide zijden open slaan, zooals het ook behoort. In kleine fabrieken is daar niet op gelet. Daar vindt men ook dikwijls trappen, die wat de ruimte en de verlichting betreft wat te wenschen overlaten. |
Er is nog iets dat ik nergens gevonden heb. De schijven zijn aan de assen meestal met nokken verbonden, de assen op die plaats eenigszins plat gesmeed. Men vindt dergelijke platte deelen in do schijven. Nu vindt men daartusschen een wig beslagen met een dikken kop, die koppen steken uit. Nu gebeurt het wel dat die koppen een riem kunnen pakken en om de as wikkelen, waardoor een of ander werktuig medege-sleept worden kan, waardoor gevaar voor ongelukken ontstaat. Dit gevaar is zeer gemakkelijk te voorkomen door eenvoudig over zulk een nok een klein kapje te maken. Dat is niet kostbaar, maar toch wordt het niet gevonden. Ook de riemen, die met groote snelheid zich bewegen, leveren gevaar op. Men moest zo nergens dan omkokerd vinden, en dat is ook het geval in de groote fabrieken; in de kleine wordt er zoo het schijnt minder op gelet. Het ondervangen van riemen door een plank er onder, opdat als de riem breekt, deze niet tegen den werkman geslingerd wordt, heb ik alleen gevonden bij de firma Regout. 5010. De heer Rnys van Beeren-broek : En dit wordt'daar streng doorgevoerd ? A. Ja zeer streng. Verder dienden in groote fabrieken de omwentelingen van do vliegwielen en dp stoomdruk geregistreerd te worden, opdat de fabrikant zijn machinist kunne controleeren. Dit is alleen bekend in de papierfabriek, In de ceremiekfabriek was het vroeger, maar daar is het opgeheven; waarschijnlijk omdat het te lastig was. Ook geloof ik dat het hoogst wen-sohelijk zou zijn dat er bij het in het leven roepen van eene wet op den arbeid, fabriek-inspecteurs kwamen, vooral practisehe menschen ; zijn het zuiver theoretische menschen, dan kunnen zij beter achterwege blijven. Het is eene gewichtige betrekking. Men mag toch aan een fabrikant geen te hooge eischen stellen, maar de eischen die men stelt moeten doorgedreven worden. Dat kan alleen een practicus zijn en niet een technoloog, die de polytechnische school pas verlaten heeft. Hij moet in het vak geweest zijn. |
33
|
Komt er nu ooit eene wet op den ai-beid met bepalingen betreffende de veiligheid en de gezondheid, dan moet men naar mijn inzien, niet te veel regle-monteeren. Men zal zich moeten bepalen tot zeer algemeeno voorschriften en veel moeten overlaten aan het goed oordeel van de fabrieksinspecteurs. Die moeten goed gekozen zijn; men kanonmogeljjk treden in alle mogelijke details. Vorder acht ik het noodig dat de fabrikant beschermd is tegen willekeur van de inspecteurs, door beroep te hebben op den Minister. Er dient wel een hoofdinspecteur te zijn, die zijn oordeel laat gaan over alles en die ook noodig is om overal in het geheele land eenheid van voorschriften te hebben. Wanneer dan ieder jaar een regeeringsverslag het licht zag, waarin verzameld is wat de inspecteurs bevonden hebben wat de oorzaken der ongelukken zijn en der veiligheid misschien en tevens de middelen, die zij denken dat noodig zijn, dan twijfel ik geen oogenblik, of er zou zeer veel goeds uit voortvloeien. 5611. V. Dat zijn uwe algemeene beschouwingen. Wil een van de heeren naar aanleiding daarvan eenige vragen doen ? 5612. De heer lialilniaiiu: U hebt zoo straks gezegd dat degenen, die benoemd worden tot fabriekinspeeteurs, vooral practische menschen moesten zijn en niet jongelieden die zoo van de Polytechnische school kwamen. Naar aanleiding daarvan wensch ik u te vragen: denkt gij dat het benoodigde personeel te vinden zou zjjn door uitbreiding van de inspecteurs op de stoomtoestellen ? De inspectie voor het stoomwezen bestaat uit 17 ingenieurs en opzichters ; zou nu voor de fabrieksinspectie, waarvoor uit den aard der zaak practische en met de machinerie, hoofdzakelijk met stoomketels, bekende personen gevorderd worden, een even groot corps voldoende zijn. A. Ik geloof het wel. 5613. V. Gij zult wel in de courant gelezen hebben dat er thans zooveel overtollig personeel bij de staatsspoorwegen is. Meent gij dat daardoor het personeel voor de fabrieks-inspectie zou kunnen aangevuld worden ? A. Dat durf ik niet te beslissen. |
5614. De heer Buys van Beeren-l»roek: De inspecteurs zouden dan moeten zijn practische lieden, die niet alleen met machines omgaan, maar ook met verscheidene machines en fabrikaten volkomen bekend zijn. A. Daarmede zijn natuurlijk de ingenieurs bij de Staatsspoorwegen niet bekend. Intusschen geloof ik, dat ieder ingenieur, wanneer hij maar eenigen tijd eene fabriek heeft bezocht, in staat is om op de hoogte te komen. 5615 De Voorzitter: Gij hebt, om tot het eigenlijk onderwerp der enquête terug te keeren, verscheidene fabrieken, bezocht. Hebt gij naar aanleiding daarvan van uwe zijde ook nog eenige opmerkingen, beschouwingen of mededee-lingen te doen ? A. Ja, ik zou zeggen vooral omtrent de drie groote fabrieken 7 5616. V. Die van Regout, de Céramique en die van L'Hoeste ? A. Ja. 5617. V. Wilt ge dan met die van den Heer Regout beginnen ? A. Do veiligheidsmaatregelen zijn bij die fabriek over het algemeen zeer goed. Doch er zijn enkele kleine leemten. Er zijn nog eenige riemen, die ik zou willen omgeven met een schotje. Er is oen enkele riem, die nog niet ondervangen is. Maar anders zou ik bijna niet weten wat er veranderd moest worden. Er is bij Regout een ascenseur, die door alle verdiepingen gaat. Hij is goed ingericht. Hij is van dien aard, dat men er onmogelijk bij kan. De man, die hem bedient, kan de deur open doen naar buiten, maar zij kan niet van buiten geopend worden Dat is een uitstekende maatregel, maar wat minder goed is, is, dat er, als de ketting breekt, er niets aan te doen is en alles naar beneden komt. Men heeft inrichtingen, die zoo zijn, dat als een ketting breekt, de ascenseur vanzelf wordt opgehouden of met eene kleine snelheid, bijv. van 1 meter in de seconde, naar beneden gaat, en dan is er geen gevaar bij. Vroeger heeft men er hier eene inrichting bij gehad dat hij niet verder kon vallen dan de eerstvolgende verdieping, maar dat scheen moeilijk in het gebruik en is weggenomen. Die ascenseurs dienen om bouwstoffen |
II.
3
34
|
naar boven te roeren en ook somtijds raensohen. 5618. De heer Ruys van Beeren-broek : De meesten gaan toch langs de trap naar boven? A. Ik meen mij te herinneren dat indertijd zich een meisje bij het gebruik van den ascenseur den voet gekwetst heeft. 5619. V. Hebt gij uit het oogpunt van veiligheid ook nog eenige opmerkingen omtrent die fabriek te maken? A. Neen, wat veiligheid betreft, staat die fabriek zeer hoog. Zelfs in den kolder waar de klei wordt geperst, zijn de machinerieën in houten kasten gesloten. Er is echter nog iets. Het zoogenaamde puntjes maken, dat zijn driekante stiftjes. Dat gebeurt door kinderen, en bij een tamelijk snelle beweging. Do kinderen bewegen met de hand een hefboom en nemen dan, wanneer do stempel is afgedrukt, zulk een puntje zeer snel weg. Nu zou het kunnen gebeuren dat een vinger van een kind door onvoorzichtigheid er tusschen kwam. Vroeger waren er inrichtingen, die werkten met een wiel, waaraan door het kind gedraaid werd en dan gebeurde het dat het wiel te ver werd doorgedraaid en zoo werd menig kind gekwetst. Dit hoeft men veranderd en nu is liet veel beter, maar toch nog gevaarlijk. In ieder geval moest verboden worden kinderen aan machinerieën te laten werken. Ik heb kinderen op andere fabrieken zien werken aan werktuigen met raderwerken, waar zij niet aan behoefden te komen, maar een kind blijft een kind. Het brengen van de riemen van de vaste op de losse schijf gebeurt bij snel-loopende riemen niet met de hand. Hij riemen, die langzaam loopcn. gebeurt het meestal met de hand. £r ontbreekt aan die inrichting echter iets, namelijk om de riem, wanneer zij op de losso schijf gezet is, vast te zetten. Men vindt dat weinig, maar toch op de papierfabriek; de werkman verkiest er zich echter niet van te bedienen. In de glasslijperijen zou ik het wen-schelijk achten wanneer over de slijp-steenen kapjes waren, hetgeen bijna niets kost. Wanneer toch de werkman het glas tegen de schijf houdt, die snel ronddraait, zit hij er met zijn hoofd tamelijk dicht bij. Hij kon dus bij het springen van de schijf licht een stuk in het gelaat krijgen. |
Tegen brandgevaar is de fabriek van Regout goed beveiligd. De zolders zijn van ijzer en steen. De brandweer is goed geoefend. In de houtzagerij heeft men boven den cirkelzaag een kapje gemaakt. Dat heb ik nergens anders zoo gevonden dan juist in de fabriek van den heer Regout. Dat kapje heeft het voordeel dat, als een plank op mocht springen, deze niet tegen den werkman kan aanspringen, en dat, als de man het niet absoluut zelf wil, hij zijn vinger crook niet bij kan kwetsen. De ventilatie schijnt mij, zoover ik er over oordeelen mag, onvoldoende in de gipsbranderij; daar is het ontzaglijk stoffig, en de eenige ventilatie is een koker van misschien 80 c.M. hoog, waar niet veel lucht doorgaat. Ik heb er ten minste niet veel trek bemerkt. Zoo, waar de gips gemalen wordt: daar bestaat de ventilatie enkel uit de gelegenheid om de deur open te zetten. 5620. V. liet zijn groote ruime lokalen ? A. Ja. In de glasslijperij kon meer ventilatie zijn, vooral omdat het werk voor de gezondheid zoo nadeelig wordt geacht. Ue werkman is voor een deel zelf schuld er aan, dat er zoo weinig luchtverversching is ; iedere slijper zit namelijk voor een raam dat van boven gedeeltelijk tuimelend is, maar toen wij ons bezoek brachten waren alle ramen dicht. Zij vonden het er te koud. Overigens kon de kunstmatige ventilatie nog veel verbeterd worden. Het eene lokaal loopt in het andere, en naar ik meen was op dat oogenblik de ventilator afgesloten door een deur, waarin zich een aantal gaten bevinden. De werkman is dus dikwijls zelf schuld. Ook heb ik kinderen in het glazuur zien werken, hetgeen, naar mijne meening, verboden moest worden. 5621. V. De heer Ruys van Beeren-hroek: Welk werk deden zjj daar? A. Ik meen er een gezien te hebben, die met de handen in hot glazuur kwam. Hiervan ben ik echter niet zeker; wel weet ik, dat zij de gebakken borden die uit het glazuurbad kwamen, met de handen vastnamen. |
35
|
Ook is er, dunkt mij, meer ventilatie noodig in de lokalen waar gevormd wordt. 562'2. V. Maar daar is toch een exhauster ? A. Dan moesten er meer zijn. 50'23. V. Ge weet dat we er bij avond en bij dag geweest zjjn en dat de temperatuur zeer verschilde? A. Ja, bjj avond, toen het gas op was, was het bepaald te warm. 56-24. De Voorzitter; Hebt gij nog iets mede te deelen ? A. Ja, omtrent do ontlediging der ovens. Daar zjjn zeer verschillende lezingen over. Ãr wordt in Maastricht beweerd, dat de ovens, wanneer er veel bestellingen zijn, te veel in overijling moeten geledigd worden. Nu wordt beweerd, dat men die ovens niet genoeg afkoelt. Er is een werkman die dit, niet aan mij maar aan een ander, verklaard heeft, met het bepaalde doel dat het in deze Commissie ter sprake zou komen. Ik heb tevergeefs getracht dien werkman te spreken, doch zijn naam wilde men mij niet noemen. Ik had hem nameljjk willen raden om zich tot deze Commissie te wenden. Vroeger schijnt het te spoedig ledigen dikwijls gebeurd te zijn; althans twee mijner onderhoorigen hebben mij dit verzekerd. De een, de opzichter Joosten, en do andere, de sluisknecht Guts, waren, do eerste '20 jaar, de tweede 10 jaar geleden, werkzaam in de fabriek. Dit bewijst voor het oogenblik niet veel. Dit tweetal heeft echter hetzelfde verhaal gedaan, dat namelijk de werkman in den oven werd gezonden om met vlugheid het gebakken goed er uit te halen. Hij kwam er na eenige minuten uit om te bekoelen, en dan er weder in. De temperatuur was zóó, hebben die menschen mij verteld, dat dan somtijds hunne mouwen en de handschoenen, waarmede zij de voorwerpen aanvatten, in brand zijn geraakt Nu zou ik volstrekt niet durven beweren dat dit tegenwoordig nog zoo is. Ik heb drie of vier. ovens zien ontledigen, maar er niets van bemerkt. 5625. V. Was dat op een oogenblik waarop men u verwachtte, of kwaamt gij onverwachts? A. Neen. ik kwam er niet onverwachts. |
5626. V. Kwaamt gij er met den heer W intgens ? A. Neen, met den heer Ruys. Ik ben er tweemalen met hem geweest. 5lt;i27. V. Men wist dus toen dat gij komen zoudt ? A. Ja. I3ij een dier gelegenheden zijn eenige informatiën genomen naar dat ontledigen, dat wil zeggen wij hebben gevraagd aan den firmant die ons geleidde , of do temperatuur ook werd waargenomen Toen heeft die geantwoord: neen, daar houden wij geen vaste aanteekening van ; in den winter is het afkoelen natuurlijk veel beter, maar in den zomer kan het nogal warm zijn.quot; Dat zijn zijn eigen woorden. Hij heeft er bij gezegd, dat de temperatuur niet zoo was, dat er niet in te werken viel; want dat de firma ovens genoeg had. en dat die heete temperatuur zich alleen kon voordoen, wanneer er niet genoeg ovens waren. 5628. V. De firma kon toch wellicht | een geldelijk belang hebben om in denzelfden oven te doen stoken ? Het is immers â ik spreek als leek â gemakkelijker om gloeihitte te verkrijgen, | wanneer de oven niet geheel is afgekoeld ? Het zou dus voordeeliger voor de firma kunnen zijn om te bljjven doorwerken, dan van meet af te beginnen ? A Wel iets, maar niet veel. tiet behoort natuurlijk tot de mogelijkheden, maar ik geloof niet dat die reden bestaat. Sommige ovens worden 60 uren gestookt en 60 uren afgekoeld voor de eerste bakking; voor de tweede bakking wordt 30 uren gestookt en 30 uren afgekoeld. 5629. V. Misschien spreekt al uit dat verschil van cijfers het belang Maar hebt gij hiermede het punt van het lee-gen van de ovens afgehandeld ? A. Ja. 56S0. V. Dan wensch ik u a propos daarvan toch nog eene vraag te doen. U is medebestuurder van het departement Maastricht van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen? A. Ja. 5631 V. In het stuk dat het departement ons gezonden heeft in antwoord op den brief dien wij kort na ons op- |
3G
|
treden hebben gezonden, zooals u weet. wordt dat feit ook vermeld en nogal met zeer stellige woorden. Waren er nu onder uwe medebestuurders heeren, die daar misschien moer van wisten, dan aan u persoonlijk bekend is ? A. liet bestuur van hot Nut heeft natuurlijk informaties ingewonnen hier en daar bij verschillende personen, en zoo is ook dit punt ter sprake gekomen, en toevallig weet ik van waar wij deze mededeeling hebben. Het is van denzelfden werkman, waarvan ik zooeven sprak, die niet te bewegen was om zijn naam te noemen, die heeft het medegedeeld aan Baron de Bieberstein. 563'2. V. üus er blijkt ook hieruit weder, dat er bij de werklieden vrees bestaat om hier bij de Commissie te komen of haar feiten mede te deelen, schriftelijk met opgaaf van hun naam, met het oog op hetgeen zij te duchten hebben van hunne patroons? A. Dat heb ik algemeen gehoord. 5033. V. Hebt u dat ook op eene andere wijze bemerkt dan door hooren zeggen ? A. Niet anders dan het geval waarvan ik reeds sprak. Het is mij niet gelukt met den werkman, die do mededeeling had gedaan, in relatie te komen. Hij heeft die reden bepaald opgegeven en zelfs niet willen hebben, dat zijn naam aan mij bekend werd. 5634. De heer Ruys van Beeren-Wroek: Maar heeft dè fabrikant bij ons tweede bezoek niet medegedeeld, dat er proeven genomen werden om den oven spoediger af te koelen door het aanbrengen van roosters en het uithalen van het vuur? A. Ik kan het mij niet herinneren. Maar nu kon het zeer goed zijn, dat ik eens rondkeek, terwijl gij met den heer Beelaerts en den fabrikant spraakt. 5635. De heer Beelaerts van Blokland ; Ik wensch den getuige te vragen, wat zijn indruk is over de zindeljjk-heid? A. In de fabriek van den heer Regout heb ik van de zindelijkheid geen groot idee gekregen, dat wil zeggen, in de aardewerkafdeeling en daar nog wel alleen in de zalen waar de aarde gevormd wordt. Het was beter in de So-ciété Céramique. Vooral in de kamers. |
waar de potten gevormd worden, was in de fabriek Regout de vloer glad dooide klei, die daar gevallen en vertrapt was. Maar er schijnt nogal geschrobt te worden, dat is mij ten minste medegedeeld. 5636. De heer Ruys van Beeren-broek : Gij hebt eenè lijst gezien hoe-vele malen er geschrobt werd? A. Ja, dat was in ieder lokaal driemaal 's weeks. 5637. V. En ook op welke wijze de vloer werd geïnundeerd? A. Ja, dat geschiedt door pijpen met gaten, waardoor het water over den grond vloeit. 5638. V. Welken indruk hadt gij van de soort van werk dat door vrouwen en meisjes verricht werd ? A. Zij verrichten licht werk, behalve het persen bij het puntjes maken, want dat voortdurend nederdrukken van den stempel is wat zwaar voor kinderen. 5639. V. Hoe was uw gevoelen over het uitladen der ovens ? A. Dat was naar mijn idee geen te zwaar werk, de cassetten, die het gebakken goed inhouden, worden uit den oven gedragen, van hand tot hand overgenomen en op tafels geledigd. Ook de soepkokerij heeft een zeer goeden indruk op mij gemaakt. Zij bestaat uit een afzonderlijk lokaal, waar ieder werkman voor 5 cents een kom soep krijgt. Vele kinderen van buiten krijgen de soep voor niet. 5640. De Voorzitter; Deel ons nu eens een en ander over de Société Céramique mede? A. De veiligheidsmaatregelen in de Ceramiek zijn bijna even goed als in de fabriek der heeren Rogout. De riemen zijn er niet van onderen ondervangen, maar overigens staat alles er tamelijk wel gelijk. 5643. V. Hebt gij nog bijzonderheden te vermelden omtrent de Ceramiek? A. Een lokaal bevond ik minder goed, dat, waar de specie voor de zoogenaamde cassetten gemaakt wordt. Dat geeft nog al stof, omdat het droog gebeurt, en dat lokaal is zonder behoorlijke ventilatie. Maar de directeur heeft gezegd, dat hij van plan was het door een nieuw te vervangen. Overigens is eigenlijk daarvan niets anders te zeggen dan |
37
|
van de fabrieken van de liriiia Kegout. 5649. V. De heer Jtuys vau Beeren-broek: Hoe was de' totaal indruk dien gij daar verkregen hebt van het werkvolk? A. Ik kan niet zeggen dat ik daaraan veel bijzonders gezien heb. Fabriekarbeiders zien er bijna nooit florisant uit. Zoo ook hier. 5651. De heer Beelaerts van Blokland : Hebt gij bij de fabrieken van den heer Regout onderscheid kannen zien tusschen de oude en nieuwe gebouwen? A. Ja, de nieuwe gebouwen zijn over het algemeen veel beter dan de oude. 5652. V. Welk deel is het oude ? A. Ik meen mij te herinneren dat het oude gedeelte niet precies aan de straat ligt. 5653. V. Wat wordt er verricht? A. Er wordt veel gemalen. 5654. V. Aarde of gips? A. Ik geloof beide, maar dit staat mij op het oogenblik niet voor den geest. 5655. De heer Rnys vau Beeren-broek: Maar het vormen, waar hebtu dat gezien ? A. In de nieuwe lokalen. 5656. V. Maar in de oude lokalen hebt gij dat niet gezien, üij hebt het gezien in een nieuw lokaal met 4 verdiepingen niet waar? A. Ja. 5657. De heer Beelaerts van Blokland : Hebt gij den indruk dat gij alle lokalen der fabriek hebt â gezien ? Of zouden er zijn die u ontsnapt zijn? A. Hoogstwaarschijnlijk niet, want toen de heer Ruys en ik er heengingen voor de tweede maal, passeerden wij een van de hoeren Regout, die gereed stond om in zijn rijtuig te stappen. Hij zeidoons: ga naar de fabriek, laat u den geheelen plattegrond voorleggen en wijs zelf de lokalen aan, ⢠die gij zien wilt. Dat is gebeurd. Wij hebben het plan in handen gehad en gedurende ons geheele bezoek in handen gehouden. Toen ons bezoek ten einde was, hebben wij het plan voor ons genomen en samen goed nagegaan waar wij geweest waren en waar wij twijfelden hebben wij gevraagd: wat is dit en wat is dat ? ïk geloof dat wij alles gezien hebben, al mogen wij een onkel lokaal hebben overgeslagen, want daar kan ik geen eed op doen. |
5658. De Voorzitter; Nu nog de Koninklijke Xederlandsche Papierfabriek. Weet gij daarvan ook bijzonderheden te vertellen ? Er werken daar vele vrouwen. Is de arbeid dien zij daar verrichten, geschikt voor haar? A. Ja. 5650. V. Wat was dat voor werk? A. Ik heb geen enkele vrouw bij de machine zien werken. Zij hielden zich bezig met plooien en papier tellen. Jonge meisjes maakten enveloppes, met eene kleine trapmachine. Zoover ik gezien heb, was het alles licht werk. Eene menigte vrouwen was bovendien in de lompen aan het werk ; ik meen zelfs enkel vrouwen. 5660 V. Dit zijn de punten die reeds breedvoerig met den heer AVintgens besproken zijn, dus hier niet herhaald behoeven te worden. Hebt gij nog andere bijzonderheden opgemerkt ? A. Ik heb daar gevonden wat ik bij alle groote machines zou wenschen, namelijk een automatischen compteur der omwentelingen vim het vliegwiel. Wat meer is, daar wordt ook geregeld de stoomdruk geregistreerd. A lies staat daartoe in verband met eene groote buis. De kookvaten, waar de stoom in gevoerd wordt, zijn voorzien van manometers, die op hoogeren druk zijn beproefd dan voor het gewone gebruik noodig is. Er zijn ook schellen om de machinisten te waarschuwen dat zij stil moeten houden. De groote werktuigen worden automatisch gesmeerd, de kleinere niet. ijij sommige gebeurt dit onder de beweging, maar bij die machines geloof ik niet dat daar eenig gevaar bij is Over het vastzetten der riemschijvcn heb ik reeds gehandeld. Men vindt ook tamelijk veel machinedoelen afgesloten, maar toch ook niet alle. Ik geloof dat het wenschelijk is nog meer af te sluiten; men is daarin niet zoover gegaan als bij de firma Regout. Wat in de papierfabriek wel aanleiding heeft gegeven tot kwetsuren van werklieden is het brengen der vellen papier tusschen de wal sen. Er is meer flan één werktuig waar de werkman soms aan de vingers, de hand of den geheelen arm is gekwetst. Nu heeft de directeur der papierfabriek |
|
bij sommige werktuigen tlaaiin voorzien. Hij heeft voor de walsen een rolletje of een latje gebracht, zoodat de werkman zijne vingers niet verder kan brengen dan tot op zekeren afstand. Ik zag daar meer dan één machine, waarbij dat niet gebeurd was, Toen vroeg ik den directeur naar de reden daarvan, en deelde hij mij mede, dat zulks niet kon. De directeur is een hoogst bekwaam man, en ik ben huiverig om het tegendeel te beweren, maar ik geloof toch dat het wol kan. Indien er eene lat of rol niet kon aangebracht worden, geloof ik dat men met eene ijzeren plaat zeer voel zou kunnen doen. Eene zeer goede inrichting was de cirkelzaal, waarbij het hout niet tegen in bewogen werd, maar de werkman op grooten afstand van de zaag bleef en door eene stang de zaag naar het het hout werd toegetrokken Op die wijze ontstaan er geen ongelukken. Daarentegen vond ik er een werktuig voor houtwerk dat wel gevaarlijk is. Men maakt er papier van hout. Ue blokjes, die door de cirkelzaag zijn gezaagd, omtrent 3 decimeter lang, moeten gekloofd worden. Dat werktuig is een bijl die met tamelijk groote snelheid op en neergaat. Nu neemt de werkman een blokje in beide handen en brengt dat onder dien bijl. Als do werkman nu goed toeziet, loopt hij niet het minst gevaar, want het blokje heeft 10 a 15 centimeter dikte, er is dus ruimte genoeg. Is de werkman onnadenkend dan loopt hij groot gevaar een stuk van zijn hand te verliezen. 50(51. De heer Ruys van Beeren-broek : De bjjl blijft'toch op tameljjk grooten afstand van de tafel ? A. Dat is zoo, en de hand kan er niet geheel onder komen als de werkman uit zijn oogen kijkt Daar was in te voorzien, indien men den werkman verplichtte het blokje telkens met een tang aan te pakken, maar dat zou eenige meerdere moeite en tijd kosten. |
Het lokaal waar het hout bewerkt wordt, is electrisch verlicht, wat ten opzichte van brandgevaar eene uitmuntende zaak is. Voor het mogelijk uitgaan van het licht heeft men een paar olielampen, die er altijd aanwezig zijn. Tegen brandgevaar zijn in de papierfabriek goede maatregelen genomen. Door het geheele lokaal loopt eene waterleiding, men heeft een eigen, goed geoefende brandweer, men kan eenige lokalen met ijzeren deuren afsluiten, en de trappen zijn van steen, flink breed en alle van leuningen voorzien. Het hijschwerktuig om de lompen op te halen was goed ingericht, in zooverre dat de lier van de opening afgescheiden stond ; en het was streng verboden onder de opening door te loopen. Ook daar zijn hulpmiddelen aanwezig ingeval van ongelukken. De lokalen zijn zeer ruim en luchtig en zoo zindelijk als men verlangen kan. Alleen waar de lompen gesneden worden, was het wat stoffig 5665. De Voorzitter; Hebt gij ook iets bijzonders aangetrolfen in de behangselpapierfabriek van Rutten? A, Er zijn twee machines, die dicht bij elkander staan in een tameljjk bekrompen lokaal. Ik zou daar de riem-schijven en raderen wel wat meer willen zien afsluiten. 5CCC. V. Dat is het eenige meer speciale punt ? A. Er is ook niet gezorgd voor het kwetsen van de vingers, 5()67. V. Aan de oalander-machine? A, Ja. 5668 V. Wat hebt gij gezien in de behangselpapierfabriek van Gebroeders Regout ? A. Hetzelfde, 5669. V. In de geweermakerij van De Beaumont hebt gij daar iets bijzonders bemerkt ? A. H et heeft daar mijn opmerkzaamheid getrokken, dat de stoommachine slechts gedeeltelijk is omgeven door een balustrade, zoodat de doorloop langs den zuigerstang totaal onbeschut is. Nu is het wel mogelijk dat die plaats door zeer weinigen wordt bezocht, â ik meen zelfs enkel door don machinist â doch ik zou het toch zaak vinden, dat de doorloopende zuigerstang door een koker was afgesloten, zooals dat elders geschiedt. Ook zijn de bollen van de regulateur â een gewone regulateur van Watt â niet zonder gevaar. Die bollen liggen zoowat op de hoogte van het hoofd van een man, waardoor deze, wanneer hij maar |
3!)
|
cenigszins den gewonen weg verlaat en een weinig te veel op zijde gaat, kans beloopt die bollen tegen liet hoofd te krijgen. Met een kleinigheid, het zeiten namelijk van een schotje, is dit gevaar te verhelpen. Dit schotje behoeft volstrekt geen overbodige ruimte in te nemen. De gewone zaagmachine kan niet veel kwaad, alleen zou ik eenige tandraderen bedekt willen zien, omdat do werkman, die in de onmiddellijke nabijheid werkt, bij onvoorzichtigheid anders licht duim of vingers er tussehen kan krijgen. De cirkelzagen zjjn er niet bedekt, en dat acht ik gevaarlijk De lintzaag evenmin. Maai' die lintzaag scheen rnij, bij de wijze waarop er mede gewerkt wordt, niet gevaarlijk. Zij wordt gebruikt om de kolven van geweren uit te snjjden. Nu had men eene zeer lange plank, deze werd tegen de lintzaag bewogen en dan door een ander werkman achteruitgetrokken. Als men altijd zoo werkt, kan er weinig gevaar bestaan. Dit zou er alleen zijn als do lintzaag brak, want dan zou iemand gewond kunnen worden door de rondvliegende stukken. Doch dit kan men voorkomen door er een eenvoudig kokertje om te maken Over dat werktuig, dat bestaat uit dien draai-enden cylinder mot mossen, heb ik straks reeds iets gezegd. 5670. De heer Ruys van Beeren-hroek : Hebt gij in ' de dekenfabriek iets meldenswaardigs gevonden ? A Tn de machinekamer was alles goed De zuigerstang was behoorlijk afgesloten. Wat ik minder goed vond, was het kaardlokaal, waar een aantal snelloo-pendo werktuigen waren; do doorgangen tussehen die machines waren te nauw. 5B71. V. Liepen die raderwerken met te groote snelheid ? A. Neen, maar snel genoeg om kleine voorzorgsmaatregelen noodig te maken. Die behoeven niet omvangrjjk te wezen. 5672. V. En in de spijkerfabriek van Th Regout ? A. Daar vindt men hetzelfde, dat do doorgangen tussehen de verschillende werktuigen wel wat nauw zijn. Daarbij een kleine ascenseur, waarmede ook menschen naar boven gaan en met hetzelfde gebrek als de andere ascenseur, dat namelijk als de riemen breken, hij naar beneden valt. |
5673. V. Men behoeft er niet mede naar boven te gaan, want de trap is in de onmiddellijke nabijheid. A. Ik heb er oen persoon mede naar boven zion gaan 5674. V. Wij hebben te zamen twee meelmolens bezocht; wat hebt gij daar gevonden voor bescherming van de riemen ? A. Dat daar byna niets beschermd was. Eenige bescherming in den maasmolen van Franquinet en Le Maire, en in dien van Dolk niets behalve een koker, om een snelloopende riem, van anderhalven meter lang; ovrrigens was alles open en bloot, ofschoon vele gedeelten zich zeer snel bewogen. 5675. V. Veel werkvolk is daar niet? A. Neen, niet veel, en het is waar, dat dio doelen, die zich snel bewegen, op plaatsen staan, waar het werkvolk niet veel behoeft te komen. 5676. V. En hoe is het met de drukkerijen van de St. Paulus-vereeniging en van Njjpels? A Daar waren gasmotors, die stonden in het lokaal zelf, zooals gewoonlijk, liet zou goed zijn als die afgesloten werden. Men kon passeeren tussehen een gasmotor en een ander werktuig, en dat was verboden. Dus als men zich aan het verbod hield, liep men geen gevaar. 5677. Hebt gij ook iets in de ijzergieterijen gevonden ? A Daaromtrent heb ik niets bijzonders te vermelden. 5078. V. En omtrent de vermicellifa-brieken ? A. Ook niet veel. Daar konden hielen daar de riemen wat meer omkokerd zijn. In de fabriek van den heer A. Bauduin, Boschstraat, stonden in een lokaal eenige werktuigen naast elkander, maar men moest daar niet tussehen door. Dit zou op zich zelf geen kwaad zijn, maar een paar kleine vliegwielen staken iets uit in den toegang achter die machines. Ik zag een werkman met het hoofd dicht bjj dat wiel staan, maar hij behoefde daar niet te wezen. 5679. V. Heeft de machinerie in de tabaksfabriek van Philips u ook aanleiding tot bemerkingen gegeven ? A. Ik zou het wel wenschelijk vinden dat de machine zich in een ander lokaal bevond dan waar gewerkt wordt. Er is |
40
|
een klein personae! in dat lokaal, en als men voorzichtig is, zullen er geene ongelukken mede gebeuren. 5G81. V. Hebt gij omtrent de zink-witt'abriek ook iets te zeggen ? A. De toegang van het lokaal waar het zinkwit verzameld wordt naar den zolder laat te wenschen over. De ladder die daartoe leidt is zeer steil en nauw. Dat kon beter zjjn. maar de werkman zelf had er geen bezwaar tegen. 5084. De Voorzitter : Gij hebt als bestuurder van het »Nut'' ook mede onderteekend dat gij het wenschelijk acht, kinderen beneden 14 jaar den arbeid te verbieden. Is dat ook uwe persoonlijke meening? A. Ja, tenzij men het getal werkuren wilde beperken en de kinderen verplichten eene herhalingsschool bij te wonen. Dan zou ik het wel willen toelaten van 12 tot \\ jaar. 5685. V. Anders zou u het eenvoudig verbieden tot het 14de jaar, evenals dat nu plaats heeft tot het 12de? A. Ja. 5686. V. Hebt gij eenigerlei bepaalde zienswijze over het 's nachts laten werken van aankomende jongens en meisjes in fabrieken en werkplaatsen ? A. Dat moest verboden zijn 5687. V. En het werken van getrouwde vrouwen op fabrieken hebt gij daar ook gevolgen van gezien die gij minder wenschelijk vondt? A. Gevolgen van gezien, dat kan ik niet zeggen. Maar aan getrouwde vrou- | wen, die kinderen hebben, moest het verboden worden om in fabrieken te werken. 5688. V. Hebt gij te Maastricht ooit opgemerkt dat aan deze of gene fabriek, ik laat den naam geheel en al daar, fetrouwde vrouwen met zuigende kineren naar de fabriek kwamen en hunne kinderen hier of daar aan de fabriek deponeerden ?etrouwde vrouwen met zuigende kineren naar de fabriek kwamen en hunne kinderen hier of daar aan de fabriek deponeerden ? A. Ik heb dat zelf niet opgemerkt, maar het is ons medegedeeld door een onzer medeleden in het Nutsbestuur. wien het was gezegd. De mededeeling komt niet van mij 5689. V. Maar zij is van geloofwaardige zijde aan uw bestuur medegedeeld? A. Ja. |
5690. V. Uw medelid heeft die mededeeling gekregen van eene zijde die hem voorkwam alleszins betrouwbaar te zijn? A Ja, zooals trouwens het geheele rapport afkomstig is. 5691. De heer Ruys van Beeren-brook : Bij de firma P. Regout zijn wij te zamen geweest en daar is zoo iets niet, evenals wij in meerdere fabrieken zjjn geweest, maar nergens hebben wij zoo iets gevonden; er zou dan toch eene vaste vrouw met het toezicht moeten belast zijn ; het zou eene bepaalde crèche moeten wezen. A Neen, ik heb er ook niets van gezien. 5092. V. Is u er iets van bekend dat, 'zooals in dat rapport staat, op sommige fabrieken de kinderen examens moeten doen? Een fabriek is ons bekend, namelijk de papierfabriek? A. Neen, van andere is mij niets bekend. 5693. V. Weet gij dan ook of zeer vele kinderen, die aan dat lichte examen deelnemen, daaraan niet kunnen voldoen ? A. Dat weet ik niet uit persoonlijke ondervinding. 5694. V. Dan zult gij evenmin weten of de kinderen al naar gelang zij van bijzondere dan wel van openbare scholen komen, beter of minder goed voldoen ? A. Dat is ons medegedeeld. 5695. V. Dit weet ge dus niet uit eigen ervaring maar slechts van hooren zeggen? A. De getuigenis daaromtrent is afgelegd door den heer Lhoest, maar niet aan mij. 5696 V. Dat zou dan ook de eenige zijn die er iets van kon weten, want dat is de eenige fabriek waar zulk een examen gehouden wordt. â Dat rapport is dus samengesteld uit bijeengebrachte informatiën ? A. Ja, misschien staat er wel wat in dat onjuist is, maar de juistheid van alle feiten in het rapport vermeld konden wij persoonlijk moeilijk nagaan. 5697. De Voorzitter: Hebt gij ons verder niets meer mede te deelen? A. Neen, Mijnheer de Voorzitter. 5698. V. Dan danken wij u voor de vele moeite, die gij u in de laatste weken voor ons gegeven hebt en tevens voor de heden gedane mededeelingen. A. A. Bekaar. |
ZITTING VAN DINSDAG IS JANUARI 1887.
Tegenwoordig de heeren:
Versiers van der Loeit, Voorzitter. Hei.dt.
Goemax BuRGESirs, Onder-Voorzitter. Smit.
Beelaerts van Blokland. i Van Alphen.
Reïs van Beekenbroek. ! J. D. Veegens, Griffier.
|
Verhoor van den heer F. E. Fouquet, te Maastricht. 5699. üe Voorzitter; Wilt gij uw naam, voornamen, ouderdom, beroep en woonplaats opgeven ? A. Dr. Frans Emanuel Fouquet, oud 64 jaren, praktizeerend geneesheer te Maastricht. 5700. V. Staat gij ook in eenigerlei relatie tot een of meer fabrieken te Maastricht ? A. Ik ben gedurende ongeveer 25 jaren geneesheer der armen geweest in eene sectie, waar de meeste werklieden van de fabriek van Regout wonen. Ook ben ik omstreeks 10 jaren lang geneesheer van de glasslijpers geweest. Daar ik die laatste betrekking echter sedert 15 jaren neergelegd heb en ook in de laatste jaren geen armenpraktijk meer fehad heb, is mijne ondervinding van en tegenwoordigen tijd niet zoo uitgebreid meer. mijne ondervinding uit vroegere jaren kan ik echter wel mede-deelen.ehad heb, is mijne ondervinding van en tegenwoordigen tijd niet zoo uitgebreid meer. mijne ondervinding uit vroegere jaren kan ik echter wel mede-deelen. 5701. V. Mijne vraag had eigenlijk deze strekking; is er eene periode geweest dat gij op verzoek en voor rekening van de fabrikanten u belast hadt met de medische zorg voor hunne werklieden ? A. Door de firma Regout was ik aangesteld als geneesheer der glasslijpers. 5702. V. Tegen honorarium waart gij door de fabrikanten aangesteld, zoodat u door de patiënten niets verschuldigd was ? A. Er was eene bus, waaraan ieder werkman een zeker percent van zijne verdiensten bijdroeg. De heeren Regout stelden den geneesheer aan, maar die kas was van de werklieden. |
5703. V. Dus kwam het niet uit de kas der fabrikanten ? A. Neen, uit die bus. Hot kan zijn dat de heeren Regout er uit eigen middelen toe bijdroegen, maar eigenlijk was die bus van de glasslijpers. Daarom trokken zij er uit als zij ziek waren en kregen zij geneeskundige behandeling. Er was een vast traktement voor den geneesheer. 5704. V. Weet gij wat die glasslijpers elke week contribueerden ? A. Dat is mij ontgaan. 5705. V. Zijt gij misschien op denzelfden voet belast met het verstrekken van geneeskundige hulp aan de werklieden van andere fabrieken ? A. Mijne meeste patiënten zijn werklieden op de fabriek van Regout. In eene sectie, loopende van het Dassin tot aan de Kleine Gracht, wonen bijna uitsluitend personen uit de arbeidende klasse; in de Raamstraat bij voorbeeld, die in die sectie ligt, woonden destijds (in 1807, toen de cholera heerschte) 850 personen, van welke slechts een paar gezinnen niet armlastig waren. 5700. V. Strekt de geneeskundige hulp, die gij verleent aan de werklieden van de fabriek, zich uit over het geheele gezin van de arbeiders of bepaalt die zich alleen tot de personen der arbeiders ? A. Tot de personen der arbeiders, maar ik was tegelijk dokter van de armen, en daardoor behandelde ik ook de fa-miliën. 5707. V. Dus wat de gezinnen betreft, was de geneeskundige hulp die gij verleendet voor rekening van het armbestuur ? A. Ja. In de eene straat, waarvan ik zooeven sprak, waar 860 gezinnen |
42
|
wonen, belmiitlelde ik bij de laatste cholera-epidemie 150 cholera-gevallen. 5708. V. Hebt gij die betrekking van geneesheer gedurende 25 jaren waargenomen ? A. Armendokter ben ik gedurende 25 jaren; maar de betrekking van geneesheer der glasslijpers vervulde ik gedurende 10 of 12 jaren. 5709. V. Gij hebt gezegd dat gij b|j andere fabrieken met de ziekenbussen niets te maken hebt, niet waar ? A. Dat heb ik gezegd. 5710. V. Wel ten aanzien van uwe betrekking als armendokter ? A. Ja. 5711. V. Wilt gij zoo goed zijn ons eenige punten uit uwe ervaring mede te deelen, die in verband staan met de onderwerpen dezer enquête ? A. De werkman te Maastricht staat niet op lager peil dan die in België, Frankrijk en Engeland. Doorgaans is hij een fatsoenlijk man. Politiek is hij niet sterk ontwikkeld. Er heerscht onder die volksklasse veel armoede. Ik geloof wel dat de werkman zoo moreel als intellectueel niet zeer ont-â¢wikkeld is; ware dat beter, zijn toestand zoude ook materieel veel beter zijn. De werkman is van nature zeer onachtzaam. Ik heb werklieden gekend, die mooie verdiensten hadden en nochtans in armoede leefden. Zoo b. v. een werkman die zelfs 10 francs per dag verdiende en met zijn huisgezin eenige honderden francs per maand ontving, en toch bezaten die menschen niets. Als zij meer onderwijs kregen en moreel meer ontwikkeld waren, zouden zij ook meer eergevoel hebben. Ik geloof dat het den werkman vooral aan eene soort eergevoel ontbreekt. Bij voorbeeld een werkman maakt zich er feen schande van om dronken te zijn. !n ik moet bekennen dat de drankwet, ofschoon voor vele neringdoenden zeer bezwarend, voor den werkman goede resultaten heeft opgeleverd. Vroeger zag men in Maastricht â ik ben een goede 30 jaar daar in de praktijk â den werkman des Zondags en Maandags dronken over de straat gaan, hij werkte dan niet en den volgenden dag werd naar den geneesheer om een briefje gezonden, omdat zij ziek waren. Sedert de invoering van du drankwet, omdat zij gevat worden en het schande is gevat te worden, ziet men veel minder dronken personen dan vroeger. Jn dat opzicht heeft de drankwet een goed resultaat gehad, want het is eene voorname zaak het eergevoel bij den arbeider te ontwikkelen.een schande van om dronken te zijn. !n ik moet bekennen dat de drankwet, ofschoon voor vele neringdoenden zeer bezwarend, voor den werkman goede resultaten heeft opgeleverd. Vroeger zag men in Maastricht â ik ben een goede 30 jaar daar in de praktijk â den werkman des Zondags en Maandags dronken over de straat gaan, hij werkte dan niet en den volgenden dag werd naar den geneesheer om een briefje gezonden, omdat zij ziek waren. Sedert de invoering van du drankwet, omdat zij gevat worden en het schande is gevat te worden, ziet men veel minder dronken personen dan vroeger. Jn dat opzicht heeft de drankwet een goed resultaat gehad, want het is eene voorname zaak het eergevoel bij den arbeider te ontwikkelen. |
Dat eergevoel is in nog een ander punt zeer ten achteren. Bijv. een jong-mensch van de kleine burgerklasse, de handarbeider, zal zich er een schande van maken wanneer hij relation met een meisje had waarbij hij kinderen had, maar dat is eigenlijk in Maastricht bij de fabriekswerkers bijna algemeen. Doorgaande heeft een jong arbeider een vast meisje; zoolang hij onder de militie is kan hij niet trouwen en heeft dan soms een, twee kinderen, maar hij trouwt haar later altijd. Ik ben ongeveer 25 jaren dokter van de armen geweest, en ik durf verklaren dat ik bijna nooit venerische ziekten bij hen gevonden heb. Dat komt omdat de mannen niet noodig hebben elders te gaan. Zij hebben meestal een of twee, soms drie kinderen bij hunne meisjes; maar zij huwen ze altijd. Ik heb eene familie onder mijne patiënten gehad, waar 3 of 4 meisjes in dien toestand verkeerden. Ik geloof ook dat het wenscheljjk zou zijn om den leeftijd, voor het schoolgaan van de kinderen bepaald, uit te breiden. Ik zou er sterk voor zijn dat de jongens van fabrieks- en handarbeiders tot hun veertiende of vijftiende jaar op school gingen. Men zou bij voorbeeld kunnen bepalen dat zij slechts eenige uren per dag werkten, en eenige andere uren in de school moesten doorbrengen. Zooals die zaak thans geregeld is, ben ik zeker dat er jongens in fabrieken zijn, die. na daar eenige jaren gewerkt te hebben, hun lezen en schrijven verleerd hebben ; althans genoegen in lezen bestaat er bij den fabrieksarbeider niet. Wanneer ik bij een fabrieksarbeider kom, waar boeken zijn, en waar ik bemerk dat hij leest, dan is dat reeds een goed teeken; dan is dat een bewijs dat die man er niet van houdt om de herbergen af te loo-pen en eenige orde in zijn huishouden betracht. Als een kind niet alleen kan lezen. |
43
|
maar ook verstaat wat het leest uu er genoegen in heeft, dan is dat reeds een stap voorwaarts. In vele gezinnen heeft men bijv. de Katholieke Illustratie, en dat is goed. Die platen ontwikkelen hot oog, de kinderen loeren zien, begrijpen. Daarom zou ik het zoo nuttig achten als de kinderen, de lagere school verlatend, naar eene ambachtsschool gingen om wat meer van do rekenkunde te leeren en ook de beginselen van stelen meetkunde, rechtlijnig- en handtee-kenen, boetseeren enz. Dat zou veel waard zijn. Men zegt wel eens, wat geeft dat alles voor een fabrieksarbeider, maar dat is niet goed gezien. Iemand die lang opzichter was geweest zeide mij: bij een glasblazer die wat schilderen kan, zijn oog en kunstzin meer ontwikkeld en zoo iemand zal zelfs het eenvoudigste glaswerk beter en mooier bewerken dan iemand die dat alleen doet alsof hij eene machine ware. Ik geloof dat in dit opzicht de Fran-sche werklieden meer ontwikkeld zijn dan de onze, ook zien zij meer, bij voorbeeld te Parijs. In de fabrieken heeft men machinisten, mecaniciens, schrijnwerkers, smeden enz. en nu geloof ik, dat het zeer goed zou zijn, als die menschen rechtlijnig teekenen konden leeren, zoodat zij konden werken naar plannen, die voorgelegd worden. Dit is zeker, dat de arbeider armoede lijdt en toch betaalt hij voor huishuur meer dan een ander. Ik heb huizen gekend, die een paar duizend gulden waard waren en die 20 a 220/0 aan den verhuurder opbrachten. Die huizen zijn zoo oud, dat zij ternauwernood aan elkaar hangen en bevatten soms 10 kamers Een arbeider betaalt voor iedere kamer 60 a 75 centen per week en daar woont hij dan met vrouw en kinderen. Het is mij eens voorgekomen, dat ik 's avonds laat op oen kamer kwam waar de geheele familie op stroo op den grond lag te slapen, 5 op eene rij, met de voeten naar binnen. |
De meeste arbeiders hebben maar ééne kamer, slechts zeer goede arbeiders hebben er twee of drie. Wanneer nu zulk eene geheele familie in ééne kamer slaapt, dan behoef ik u niet te zeggerr welk een luchtje in zoo'n vertrek heerscht. Een geval als ik zooeven schetste komt wel is waar zelden voor, maar toch hebben do arbeiders in den regel maar ééne kamer. Zulk een vertrek, dat dag en nacht gebruikt wordt en slechts zelden geventileerd, is eigenlijk een brandpunt van infectie en van ongezondheid Er is geen ventilatie en daarbij wordt de kachel gestookt, zoodat het mij dikwijls is voorgekomen dat ik 's morgens geroepen werd, omdat de menschen moesten braken en hoofdpijn hadden en op het punt waren van te stikken. Zooals ik zeide is de huur zeer hoog ; stel dat zulk een huis 1 0 kamers bevat, die elk voor 70 ets. per week verhuurd zijn, dan geeft dit per jaar reeds 350 gulden, wanneer nu het huis maar een paar duizend heeft gekost, dan heeft de eigenaar reeds 20 a 25quot;/o. Zulk een huur betaalt niemand uit een anderen stand. Als de arbeider daarin kon geholpen worden, zoodat Regeering, provincie of gemeente aan de maatschappijen die zich zouden vormen, steun verschaften op zekere voorwaarden, dan zou dit zeer goed werken. In dit opzicht wordt te Maastricht weinig gedaan. Er moesten inrichtingen worden getroffen, zoodat de arbeider na zekeren tijd eigenaar kon worden. Wanneer men het eenmaal zoover kan brengen dat de arbeider iets bezit, dan heeft men iets goeds verricht, want iemand die iets heeft, hecht veel meer aan het handhaven der orde, en zal er niet zoo spoedig too overgaan om de orde in den Staat te verstoren. Vorder gebeuren er in de fabriek nog al ongelukken ; maar dat is niet alleen het geval in de fabriek, doch doorgaans gebeuren er nog meer ongelukken bij het oprichten van gebouwen en bij verbouwingen. Nog onlangs zag ik daarvan een treurig voorbeeld. Zeker werkman van buiten, die aan het bouwen van een huis hielp, had een korten poos het werk verlaten en kwam dronken terug. De patroon wilde niet dat hij in dien toestand ging werken, maar de man stond er op om toch aan het werk te gaan. Het gevolg er van was dat hij van de |
44
|
tweede verdieping viel en twee dagen daarna dood was. Nu moest er, mijns inziens, een poli-tie-maatregel genomen worden, waarbij h'et den patroons op straffe verboden werd, om zulke menschen aan het werk te laten gaan. üesnoods moeten zij dan de hulp der politie inroepen. In de fabrieken gebeuren dikwijls ongelukken door onachtzaamheid, maar de drank is de groote oorzaak. De Maandagen zijn dan ook het gevaarljjkste voor de werklieden. Men zegt wel dat de fabrikanten niet zouden kunnen concurreeren en voort-werken wanneer de kinderen nog langer dan tegenwoordig op school moeten blijven, maar ik geloof' dat de gewoonte hieraan voel afdoet; als men er eenmaal aan gewend is zal men het niet meer voelen. Bovendien is het ook waar dat al s een arbeider drie of vier kinderen heeft die werken, hij zelf' zijn huisgezin veronachtzaamt en op de kinderen steunt. Verdienen zij genoeg voor liet gezin, dan gaat de vader nu en dan eens luieren. De hand werkpatroons hebben verder veel moeite om jongens te krijgen, omdat de kinderen reeds zeer Jong naar de fabriek gaan waar zij dan wat verdienen en tot eene soort van machines worden gemaakt. Ik geloof dat wanneer er arbeidersscholen bestonden, en de kinderen niet verplicht waren op hun 12de jaar naar de fabriek te gaan, zij de voorkeur zouden geven aan een beroep waarvoor zij beter geschikt zijn. Op hun veertiende jaar zullen zij toch beter kunnen oordeelen welk werk hun het best lijkt. Nu echter worden de kinderen op hun twaalfde jaar gedwongen naar de fabriek te gaan en worden zoodoende machines, terwijl zij anders misschien smid of meubelmaker of iets dergelijks zouden geworden zijn, waardoor zij zeker in eene betere conditie zouden zijn gekomen. Want het is ontegenzeggelijk dat tusschen den handwerksman en den fabrieksarbeider eene groote klove bestaat. De eigenlijke handwerksman is doorgaans fatsoenlijker en meer ontwikkeld! |
Dit is zeker, dat er veel armoede onder de werklieden bestaat, doordat zij in den regel te onbekwaam en niet genoeg ontwikkeld zijn om vooruit te komen, zoodat zij steeds op dezelfde hoogte blijven staan. Daarbij komt nog, dat somtijds jonge mensehen met een dagloon van 70 cents a f 1 reeds gehuwd zijn en kinderen hebben. Natuurlijk is dan de armoede daar. Het eerste gevolg is dat de vrouw ook uit werken moet gaan. Bij ons wordt door het armbestuur zeer veel voor de werklieden gedaan. Ik geloof dat wel V3 van de populatie genot heeft van de armbedeeling, ten minste onder den vorm van geneeskundige behandeling en medicamenten. Dat gaat zelfs zoo ver, dat ik fabrikanten heb hooren zeggen: zouden wij eene bus maken voor de werklieden en medicamenten verschaffen ? Zij kunnen naar het armbestuur gaan. Maar daardoor wordt de arbeider zorgeloos gemaakt en verliest hij zijn eergevoel. In het algemeen vind ik, dat bij ons de arbeider te veel gewoon is op de armverzorging te steunen. Als de arbeider zelf wat bijdroeg, misschien met medewerking van den fabrikant, ora te zorgen voor tijden van ziekte of van onbekwaamheid door lichaamsgebreken of ouderdom, zou hij een geheel ander mensch zijn. Daarom geloof ik dat de assurantie van arbeiders veel goeds zou uitrichten. Er bestaat bij de fabriek eene beurs, waarin bijgedragen wordt door werklieden en patroons. Maar wat is het geval ? Wanneer de dagloonen laag zijn, vragen de arbeiders spoedig het geld te verdoelen. Maar wanneer de Staat er zich mee bemoeide en eene wet vaststelde die het verdoelen van die gelden verbood, om die te bewaren voor ziekte, ouderdom en gebrekkigen, dan zouden de arbeiders niet het recht hebben aan die beurzen te raken. Ik weet evenwel dat het gebeurd is op de dekenfabriek van den heer Jules Kegout. Daar was eene kas van f1100. De arbeiders vroegen het geld te verdeelen. Dat moest verhinderd kunnen worden, want latei-hebben zij zeiven er spijt van, maar de behoefte van het oogenblik dringt er hen soms toe. 5712. De heer Ruys van Beeren-broek: Is die f 1100 toen werkelijk onder de arbeiders verdeeld? A. Ja. |
45
|
Do arbeider houdt niet van sparen ;; wanneer men iets deed voor zijne ontwikkeling, zou hij spaarzamer worden en beter voor zijn gezin zorgen. Men trachte van hem een klein burger te maken, dan zou veel gewonnen zijn. 5713. De Voorzitter: Gij hebt belangrijke mededeelingen gedaan, waartoe uwe langdurige ondervinding alleszins aanleiding gaf. Gij hebt punten aangeraakt, bijv. de quaestie der arbeiderswoningen, speciale door u waargenomen ongelukken onder het werkvolk, en meer zaken waaromtrent wij u niet mogen vragen, daar ze buiten het kader van deze enquête liggen. Dit neemt echter niet weg dat wij u met veel belangstelling hebben aangehoord. Daarentegen hebt gij verscheidene punten behandeld, die zeer eng samenhangen met hetgeen waarvoor wij hier bijeen zijn, en waarover wij u gaarne nog nader zullen hooren. Gij hebt met groote sympathie gesproken over de goede werking der drankwet; maar nu zou ik ook gaarne uwe meening eens vernemen omtrent de werking van de wet op den kinderarbeid van 1874. Was de toestand, wat het laten werken van kinderen betreft, vóór 1874 inderdaad bedenkelijk in Maastricht ? Hebt fij de invoering van de wet van 1874ij de invoering van de wet van 1874 unnen goedkeuren en daarvan goede uitkomsten gezien, of wat is te dien opzichte uwe ervaring geweest? A. Ik geloof dat die wet zeer veel foed heeft gedaan. Er waren destijdsoed heeft gedaan. Er waren destijds inderen van 7 en 8 jaar, die soms zeer langen tijd in de fabriek werkten, en dan in eene slecht ingerichte woning moesten vertoeven. 5714. V. Hebt gij dien toestand vóór 1874 in bijzondere fabrieken opgemerkt? A. Ja, ik heb dikwerf kinderen des avonds laat naar de fabriek zien gaan en anderen, die des nachts hadden gewerkt, er des morgens vandaan zien komen. 5715. V. En aan die ellende heeft de wet van den heer Van Houten van 1874 een einde gemaakt? A. Ja. 5716. V. Gelooft gjj dat op ditoogenblik nog kinderen beneden de 12 jaar voor arbeid worden gebruikt ? A. Neen, dat geloof ik niet. |
5717. V. Maar toch wel kinderen die even 12 jaar zijn ? A. Ja, dat wel. 5718. V. Is dat ook het geval in de glasblazerij ? A. Ik zou het niet kunnen zeggen. 5719. V. Maar in het algemeen weet gij met zekerheid te zeggen, dat zeer jeugdige kinderen, altijd boven den leeftijd van 12 jaren, in ruime mate voor allerlei werk worden gebezigd in Maastricht? A Dat geloof ik wel. 5720. V. Is het uwe ervaring niet, dat dit hoogst schadelijk is voor de lichamelijke ontwikkeling? A. Voor geest en lichaam beide. Het kan niet goed zijn, dat een kind van 12 jaren, dat lichamelijk min ontwikkeld is, reeds voor den leeftijd over-matigen arbeid moet verrichten. 5721. V. Hebt gij dat in uwe praktijk dikwijls kunnen waarnemen ? A. De kinderen waren dikwijls ziek. 5722. V. Hebt gij ondervonden dat de ontwikkeling der kinderen leed onder het werken op fabrieken ? Zagen zij er meestal niet chótief uit? A. Zeker. Als de boeren, de buiten-menschen, zich niet dikwijls in onze stad kwamen vestigen, zou het ras niet zijn wat het nog is. Die buitenmenschen vestigen zich bijv. als varkenslager, herbergier of winkelier en huwen daar. Ik feloof wel dat zij krachtiger bloed ineloof wel dat zij krachtiger bloed in et volk brengen. 5723. V. De toestand onder het bestaande régime is dus van dien aard, dat als niet gaandeweg versch bloed van buiten werd aangebracht, hij schier onhoudbaar zou worden ? A. Ja, er ontstaat daardoor eene nieuwe generatie; er is groote sterfte onder de arbeiders, vooral onder de kinderen onder één jaar. 5724. V. Maar kwamen er veel ziekten en sterfgevallen voor onder het jeugdige volk van 12â16 jaar, dat onder uwe handen kwam ? A. Jawel. 5725. V. Gij hebt op grond uwer ondervinding u sterk uitgelaten over de wenschelijkheid om den arbeid van kinderen eerst te doen aanvangen op 14, 15jarigen leeftijd? A. Ja. |
46
|
bl-Zö. V. Gij hebt daarbij met name genoemd, de jongens; dwaal ik indien ik veronderstel dat dat een lapsus linguae -is en dat gij dit voorzeker ook van toepassing acht op meisjes ? A. Uwe onderstelling is juist. Voor meisjes acht ik dit in nog sterker mate geldend. Ik keur den bestaanden toestand ten sterkste af. 57-27. V. Welke ervaring hebt gij ten opzichte van het werken van gehuwde en ongehuwde vrouwen op fabrieken met het oog op de physiok, de moraliteit en de belangen van het gezin ? A. Uit een moreel oogpunt is dat zeer zeker slecht, maar om nu precies aan te geven welk deel daarvan toekomt aan het werken in de fabriek, is moeilijk. 57'28. V. Natuurlijk; men zou daar, waar zoovele oorzaken naast elkander staan die leiden tot een gelijk effect, roekeloos handelen dat effect toe te schrijven aan één bepaalde oorzaak. Maar dat belet niet, dat gij als deskundige en man van ervaring zeer zeker den bestaanden toestand van het laten werken van jongens en meisjes als een zeer ernstige oorzaak beschouwt van de bestaande misstanden ? A. Ja zeker. 5729. V. En het nachtwerken van jonge meisjes en vrouwen, hoe denkt gij daar over ? A. üat is zeer slecht. Zoowel moreel als physiek. 5730. V. Kwam het wel voor, toen gij nog intimer met het doen en laten van de fabrieksarbeiders bekend waart, dat de getrouwde vrouwen hare kinderen mot zich medenamen naar de fabriek en die daar deponeerden vóórdat zij aan het werk gingen. A. Dar is mij niet bekend. 5731. V. Werden de kinderen bij buurvrouwen gelaten ? A. Ja bij buurvrouwen. Sommigen lieten ze bij hare moeders of zusters, die te huis bleven. 573-2. V. Gaven zij ze ook wel bij vreemden in bewaring. A. Jawel. 5733. V. Gij zult zeker wel geobser-*eerd hebben, dat dit niet gunstig werkt op den toesiand van hot gezin? A. Ja. |
5734. V. Wat den leeftijd aangaat, zoudt gij dus wenschen, dat de arbeid niet begon voor het 14de of 15de jaar1/ A. Ja. 5736. V. WTelnu, laat ons eens aannemen dat allo arbeid verboden was beneden de 14 jaar, zoudt u dan denken dat daarmede genoeg was gedaan, of zoudt gij meenen dat de wet eenige beperkingsn moest stellen omtrent den duur van het werk van kinderen van 14â10 jaar? A. Ja, het verbod om langer te werken dan 8 uren. 5737. V. Met strenge uitsluiting, onderstel ik. van alle nachtwerk'? A. En van bepaalden arbeid, bij machines bij voorbeeld. 5738. V. Daarop komen wij zoo straks, maar u zoudt den arbeid voor die kinderen die even boven de limite van het absoluut verbod zijn, willen beperken tot 8 uur? A. Ja. 5739. V. U hebt gezegd dat de arbeider over hot algemeen, wat do intelligentie betreft, zoo weinig ontwikkeld is, en den wensch uitgesproken dat het onderwijs beter zou wezen. Wij komen straks op het latere onderwijs, dat gij zoudt willen laten geven en zullen u daarover gaarne hooren, maar thans zou ik u willen vragen: wat is uwe ervaring ? Dat het kind tot 12 jaren althans behoorlijk lager onderwijs krijgt ? Of laat ook dat te wenschen over ? A. Dat gaat redelijk wel bij ons. 5740. V. Zijt gij misschien in de eene of andere betrekking van nabij met deze zaken bekend ? Zijt gij lid van de plaatselijke schoolcommissie? A. Ja, en jarenlang geweest. 5741. V. Dus toevallig zijt gjj in staat ook te dien opzichte mededeelingen te doen. Wordt de lagere school te Maastricht door kinderen beneden de 12 jaren trouw bezocht ? A. Ja, nogal trouw. 5742. V. Er is in een uit Maastricht bij ons ingekomen stuk met groote stelligheid verzekerd, dat er op hetoogen-blik van overheidswege eene zoo onvoldoende inrichting van het lager onderwijs aldaar is, dat er een groot getal kinderen â men noemt het cjjfer van 500 â |
47
|
nog altijd zoekende is naar plaatsing op de scholen. Kunt gij ook zeggen of dit zoo is? A Dat zou ik niet kunnen zeggen. 5743. V. Spreekt gij het bepaald tegen, of weet gij het niet met juistheid te zeggen ? A. Ik kan het niet met juistheid zeggen. 5744. V. Zijt gij ook lid van den gemeenteraad ? A Ja. 5745. V. En als zoodanig hebt gij miaachien zitting in eene commissie, die meer speciaal met de zorg voor het onderwijs is belast. Hebt gjj in die qua-liteiten nooit kunnen bemerken dat er behoefte was aan uitbreiding van het getal scholen ? A. Dat kan ik niet zeggen; maar ik geloof dat men veel overdrijft. 5746. V. £r staat in dat stuk: «het is gebleken dat over het algemeen de kinderen, die de openbare school bezochten, boter ontwikkeld zijn dan die welke van de bijzondere scholen komen. Daarom is het zooveel te meer te betreuren dat in Maastricht alechts éóne openbare school voor on- en minvermogenden bestaat en dat vele kinderen -â men spreekt van 500 â geheel van onderwijs verstoken zijn.quot; Is het waar, dat er in Maastricht slechta eene openbare school is ? A. Er is eene openbare school voor betalenden, maar ook nog eene andere voor onvermogendon. 5747. V. Maar in het stuk wordt gezegd dat er slechts ééne openbare school ia. Js dit nu waar of niet? A. Neen, dat is niet waar. Er is eene school voor betalenden, maar ook eene voor onvermogend en. 5748. V. Gaan de kinderen uit de fabrieksbevolking, waarvan wij nu spreken, bijna allen op de kostelooze school ? A. Veel bij de Broeders en Zusters 5749. V. Maar wanneer zjj de scholen van de stad willen bezoeken, gaan zij dan veelal op de kostelooze school? A Dan bezoeken zij de school voor onvermogenden, de armenschool. 5750. V. En is er te Maastricht maar ééne armenschool ? A. Ja, Mijnheer de Voorzitter. |
5751. V. Door hoeveel kinderen nu wordt die ééne armenschool bezocht? Zit zij vol ? A Zoowat 500 kinderen, denk ik Ik geloof echter, dat er beneden nog een vertrek disponibel is. Had ik te voren geweten, dat deze vragen gedaan zouden worden, dan had ik mij beter op de hoogte gesteld. 5752. V. Wanneer ik het goed begrijp, dan staan de cijfers â wat trouwens volstrekt niet kwalijk te nemen is â u niet levendig voor don geest. Gij vindt echter geen vrijheid om tegen te spreken, dat voor de school werkelijk zulk een groot aantal adspiranten is? A. Dan kan ik niet zoggen. Er zijn soms menschen die gaarne hunne kinde ren op de school der onvermogenden zouden hebben en die toch nog eenige middelen hebben, zoodat er twijfel bestaat of men die kinderen zal admit-teeren in de school voor onvermogenden of voor betalenden; maar ik geloof dat. als een kind van onvermogenden ter plaatsing op do school aangeboden wordt, er ook plaats voor is. 5753. V. Gij zoudt dus wenschen, dat, wanneer kinderen de lagere school verlaten hebben, zij dan nog verder gaand onderwijs konden bekomen in verschillende vakken, en met name in wat teekenen eu boetseeren, omdat dat speciaal in Maastricht te pas kan komen. Maar is er dan niets van dien aard in Maastricht? A. Er is eene burgeravondschool die alleen in den winter, van September tot April of Mei, gehouden word. Daar kunnen de jongens eiken nvond van 7 tot 9 uren gaan. Maar verbeeld u een kind van 12 jaar, dat in een fabriek of winkel werkt van quot;s morgens 7 uren af tot l-2 uren, en 's middags van 1 uur tot half 7, hoe kan iemand vergen dat zulk een kind genegen zou zjjn om van 7 tot 9 uren 's avonds nog wat te leeren ? Als bij voorbeeld een jongen slechts van 7â12 en 1 â 4 uur behoefde te werken, dan zou hij een uur rust kunnen nemen en daarna van 5â8 uren naar school kunnen gaan. Maar van een kind te vergen, dat het na 10 uren arbeid in de fabriek of de ateliers, nog lust zou gevoelen om in de school te gaan leeren, |
48
|
beschouw ik onmogelijk. Ik houd die avondscholen voor uitstekend voor men-schen dio uit eigen beweging begrijpen dat zij wat leeren moeten; maai' voor kinderen, die daartoe eenigszins gedwongen moeten worden, beschouw ik zo onvoldoende. 5754. V. Dus de gelegenheid om te leeren bestaat te Maastricht wel. maar het onderwijs wordt gegeven 's avonds te 7 uren, wanneer na het lange werken, dat van de kinderen in de fabrieken en ateliers geëischt wordt, het kind niet meer in staat is om met eenige opgewektheid van geest en dus met vrucht het onderwijs te volgen ? A. Ja. Daardoor worden die scholen ook minder bezocht. Zjj worden bijna uitsluitend bezocht door zonen van ambachtslieden of meesters van ateliers, die hunne zonen vroeger de fabriek doen verlaten. 5755. V. Dus voor het kind van den gewonen werkman bestaat feitelijk de gelegenheid niet om vruchtbaar onderwijs te genieten. Dit wordt onmogelijk door den lang ingespannen arbeid in fabrieken en ateliers ? A. Ja. 5757. Gij hecht niet aan de bewering, dat de fabrikanten den arbeid van jonge kinderen niet kunnen missen, omdat zij anders do concurrentie niet zouden kunnen volhouden; gij hieldt dat voor eene phrase. Evenwel hebt gij er met goede reden bijgevoegd, dat er vaders van gezinnen zijn, die op hunne kinderen steunen. Is u dikwijls gebleken, dat ouders gedeeltelijk leven van het loon hunner jonge kinderen? A. Ik heb die opmerking niet zelfgemaakt, maar van anderen vernomen. 5758. V. Hebt gij van meer dan ééne zijde gehoord, dat het een bestaande toestand is? A. Ja; wanneer (Je werklieden gaarne uitspanning nemen en drinken, en toch kunnen bestaan, zullen zij minder voor hunne huisgezinnen zorgen. 5759. V. Gij hebt reeds gewaagd van ongelukken, die in fabrieken voorkomen; hebt gij wel eens aanleiding gehad de fabrieken zelve te bezoeken? A. Ik ben meermalen in verschillende fabrieken geweest |
5760. V. Hebt gjj die bezocht met het doel om den toestand waar te nemen en u te overtuigen of daar inderdaad gevaar was voor ongelukken voor jong en oud? A. Ik ben geneesheer van de glasslijpers geweest en heb die inrichtingen wel eens bezocht, omdat in dien tijd vele teringgovallen onder hen plaats hadden. Tering komt bij die werklieden veel voor, en dat wordt toegeschreven aan die kleine particules van het glas-vork, die zij inademen. Ik heb menschen gekend die herculisch gevormd waren, en toch gestorven zijn aan tering, en niet alleen de man, maar ook de vrouw, want dat tering aanstekelijk is, staat bij mij vast. 5761. V. Wat hebt gij daar nog verder gezien ? A. Ja, die menschen werken in het nat, zij hebben gewoonlijk op de armen een verdikt rood en zwerend vel. Als er geen ventilatie is blijft de stof in de lucht zweven en ademen zij die in. Nu is het inademen daarvan niet altijd de reden van het ontstaan van tering, maar doordat do vliezen van binnen gekwetst worden door de inademing van die stof hebben de bacillen van de tering daar vrijen ingang. 5762. V. Gelooft gij, dat er wel iets te verzinnen zou zijn, om dat gevaarte voorkomen ? A. Ik heb gehoord dat er thans gewerkt wordt onder warm water en dat er toestellen zijn waarbij door zuiging naar boven de lucht weggenomen wordt. 5763. V. Dat hebt gij gelezen niet waar? â A. Ja. 5764. V. Maar zijn die toestellen aanwezig in de fabrieken te Maastricht ? A. Dat kan ik niet met zekerheid zeggen. 5765. V. Waren zo er in uw tijd ? A. Ik geloofhet niet, ik heb ze althans niet gezien. 5766. V. Hebt gij nooit gehoord dat van de volwassen werklieden in de aardewerkfabriek gevergd wordt in de ovens te gaan, terwijl die ovens nog in staat van verhitting zijn ? A. Neen, met zekerheid niet. 5767. V. Dat betreft trouwens de tweede afdeeling van die fabriek, waar uwe patiënten niet thuis behooren, want gij hadt de glasslijpers? |
49
|
A. Ja, ik had ook de aardewerkers. 5768. V. Hebt gij nooit gevallen gehad van brandwonden, verschroeiingen of verzengingen bij de aardewerkers ? A. Neen, er kwamen wel eens brandwonden voor; die waren echter niet veroorzaakt door de ovens, maar door ongelukken in de huizen. 5709. V. Hebt gij in het algemeen in de fabrieken ook opgemerkt dat de machinerieën gevaarlijk waren voor degenen die zich daar bewegen en daar werken? A. Het is meer gebeurd dat kinderen door hunne kleederen met eene rol in aanraking kwamen, medegesleurd werden, een been braken of dood bleven. 5770. V. Oordeelt gij u geen deskundige genoeg om aan te geven of daar niets tegen te doen is door de werktuigen te beschutten ? A. Ik meen dat zij tegenwoordig meestal beschut worden 5771. V. Is dat eigen waarneming? A. Ja, ik heb wel gezien dat daartoe eene ijzeren omheining werd gebruikt. 5772. V. Volgens uwe mededeelingen zou het ondenioud van oude en zieke werklieden grootendeels, zelfs wel voor V, der populatie, komen voor rekening van de stad, niet waar ? A. Ja, dat was mijne ondervinding als armendokter. 5773. V. quot;Van de zijde der fabrieken wordt dus voor het onderhoud van versleten werklieden weinig of niets gedaan. Alles komt maar voor rekening van de stad? A. Heel veel. Een chef in eene fabriek zeide mij eens, waarom zouden wij een eigen dokter nemen voor de werklui, zij hebben een armendokter. 5774. V. En met de fondsen, de ver-eenigingen, do bussen en hoe men ze noemen wil, schijnt het niet al te best te gaan, wel ? A. Neen. 5775. V. Het feit, dat gij daar zooeven noemdet, dat men het ziekenfonds van een van de fabrieken verdeeld heeft, heeft naar ik meen plaats gehad in de dekenfabriek van den heer Jules Regout, niet waar ? Dat fonds bevatte f HOà aan kapitaal, als ik mg niet vergis? A. Ja, de werklieden hebben den heer Regout verplicht om te deelen, zij hadden recht op het geld. Als de wet dit II, |
belette, dan zou dit wel goed werken. 5776. V. Wij zullen dat recht van die menschen nu maar eens daarlaten, maar waar het op aankomt is dit, dat het kapitaal, waarop dit fonds steunde en drijven moest, eenvoudig verdeeld werd ? A. Ja. 5777. V. in welk jaar is dat ongeveer geweest ? A. Misschien een paar jaar geleden, het is mij door den heer Kegout zelf verteld. 5778. V. Beklaagde die heer zich daarover? A. Ja, want op die wijze is het onmogelijk een fonds in stand te houden. 5779. V. Do heer Regout had dus begrepen, dat hij aan dien eisch moest voldoen ? A. Hij kon er niet aan weerstaan. 5780. V. Naar ik hoorde bestaat het Maandaghouden in Maastricht ook ? A. Ja. maar niet zoo erg als vroeger, omdat de loonen minder hoog zijn en er dus minder luxe is. En dan ook heeft de drankwet goed gewerkt. Vroeger zagen de menschen er zoo geen oneer in om dronken langs de straat te loopen, maar nu wel, omdat zij door de politie-agenten worden gevat en naar de wacht gebracht. 5781. V. Maar weg is het kwaad toch nog niet? A, Neon, dat gaat ook zoo niet, maar men ziet minder dronkaards. 5782. De heer Enys van Beeren-broek : Ik zou nog wel een enkel woord met getuige willen wisselen naar aanleiding van hetgeen hij in het begin heeft gezegd, namelijk dat de moreelo en intellectueele ontwikkeling meer speciaal van den arbeider te Maastricht te wenschen overlaat. Ik wil nu niet treden in eene onderscheiding tusschen moreele en intellectueele ontwikkeling, maar ik wensch den getuige te vragen, wat aangaat de moreele zijde van de ontwikkeling, of te Maastricht op dit gebied nog al wat gedaan wordt? A. Ja, door de geestelijkheid wordt daarin veel belang gesteld. 5783. V. En wordt het onderwijs ook in de hand gewerkt door de geestelijkheid ? A. Zeker, heel sterk. 4 |
50
|
5784. V. Getuigen daarvan zijn waarschijnlijk de bijzondere scholen ? A. «ser stellig. 5785. V. Onder de scholen van die categorie zijn waarschijnlijk ook de Zondagsscholen aan getuige bekend ? A. Ja. 5780. V. Die van St. Vincentius? A. Jawel, ik ken heeren die daar zelfs mede les geven, maar ik ben er nooit geweest. 5787. V. üp die wijze tracht men dus het werkvolk zelfs Zondags af te houden van uitspattingen? A. Jawel. 5788. V. U hebt gesproken van dronken lieden en drankmisbruik in verband met de drankwet. Weet gij ook welke drank het meest te Maastricht gebruikt wordt, bier of jenever, en waaraan die lieden zich bedrinken ? A. Er wordt het meeste bier gedronken. 5789. V. Bier is daar dus de volksdrank, en cr wordt te Maastricht minderiene-ver gedronken dan in de andere gedeelte van het land ? A. Zeer zeker; wel gaan de arbeiders, om 12 uur uit de fabriek komende, in een herberg en drinken daar een of twee borrels, maar dan gaan zij ook naar huis. 5790. V. Men drinkt dus in Maastricht de jenever, enkele gevallen uitgezonderd, niet in die mate dat men het eene uitspatting kan noemen? A. Ik heb reeds gezegd dat onze werklieden over het algemeen zeer fatsoenlijk zijn. 5791. V. Gij hebt ook gezegd dat het lezen voor den werkman zoo noodig was, en gij hebt ook ecne illustratie genoemd, die hier en daar aangetroffen wordt. Is het u bekend dat die illustratie veel gelezen wordt ? A. Ja. zeer veel. 579-J. V. Er bestaan ook leesgezelschappen, die lectuur verschaffen? A. Zeer zeker, in de St. Servatius-vereeniging kan men eiken Zondag boeken krijgen. 5793. \. Wordt er een druk gebruik van gemaakt ? A. Ja, men ziet de kinderen er altijd mot boeken vandaan komen. |
5794. V. Gij hebt in uwe praktijk veel met de mindere klasse omgegaan, hebt gij ook kunnen merken dat in die klasse veel gelezen wordt, dat de lieden hunne vrije uren daaraan besteden? A. Zeer zeker. Ik heb er dikwijls illustraties gevonden. 5795. Met eon enkel woord hebt gij over arbeiderswoningen gesproken. En ofschoon dit punt wel eenigszins buiten het kader dezer enquête ligt, is dit toch niet meer het geval dan met de arbeidersscholen. Te Maastricht zijn voor en na arbeiderswoningen opgericht, die gij waarschijnlijk wel hebt bezocht. Kunt gij er ook eenige opnoemen? A. Men heeft die van den heer Re-gout buiten de Boschpoort in het Quar-tier Amélie en die buiten de Capucijner-straat op den Singelwcg. 5796. V. Zijn die woningen over het algemeen goed ingericht? A. Met die buiten do Boschpoort ben ik minder bekend. Wel met de woningen bij het Lindenkruis en bij de papierfabriek. En die zijn zeer goed ingericht. Het hangt er veel van af of de men-schen weder onderverhuren aan anderen. 5797. V. Weet gij ook of dat door sommige eigenaren verboden wordt? A. Dat kan ik niet zoggen. 5798. V. Gij hebt straks gezegd dat arbeidersscholen zoo gunstig zouden werken, omdat de kinderen, na tot hun 14-jarigen leeftijd de arbeidersschool bezocht te hebben meer ontwikkeld zouden zijn en beter in staat om zelf hun beroep te kiezen. Maar zou, volgens uw meening, ook op dien leeftijd niet de keuze van een beroep meer van de ouders afhangen en zouden de kinderen niet evengoed gedwongen worden om naaide fabriek te gaan. A. Die dwang is zeer natuurljjk. De kinderen verdienen, al zijn zij pas 12jaren, daar allicht dadelijk een kwartje daags, hetgeen reeds eene merkelijke verlichting in het huishouden is. Komt nu een knaap echter op zijn '14de jaar aan de fabriek en kent hij dan reeds hand- en lijnteekenen, dan komt hij veel sneller vooruit en leert in een jaar meer dan in drie als machine doorgebracht. Ik sprak laatst den heer Jaunez, die mij vertelde dat jongens van quot;15 a '16 jareii die op de arbeidersschool teekenen hadden |
51
|
geleerd, bij de afdeeling «ceramiekquot; waren geplaatst en daar drie en een halven franc daags verdienen. 5799. V. Volkomen juist, maar wanneer al de kinderen zoo ontwikkeld worden wie zoudt gij dan voor het gewone fabriekswerk willen gebruiken ? A. Daar zullen er altoos genoeg zjjn, maar men hoort de werkbazen klagen dat zij niet genoeg jongens hebben voor hun werk. 5800 V. Te Maastricht kunnen zij leeren teekenen op de stads-burger-avondschool, en die cursus wordt nog al trouw gevolgd. Gij zelf weet, als lid der plaatselijke schoolcommissie, dat tegenwoordig zeer de hand gehouden wordt aan het teekenen ? A. Ik zou bij het organiseeren van vakonderwjjs voor de werklieden dit niet te veel willen uitbreiden: ik zou het willen beperken ; alleen het hoog noo-dige, om er vrucht van te hebben. 5801. V. Gij hebt ook het sparen van den arbeider aangeroerd, en gezegd, dat hij daar niet voor is. In het algemeen geloof ik wel, dat daar veel van aan is, maar toch dat door een aantal arbeiders het tegenovergestelde wordt getoond. Wat is uw gevoelen over de stedelijke spaarbank en van de spaarbank (alleen voor arbeiders) van de St. Vincentius-vereeniging ? A. Sommigen, die f2,50 of f3 verdienen, kunnen wat sparen, maar als een arbeider daar niet toe gedwongen wordt, is het moeilijk. Het zijn meest dienstboden die sparen. 5802. V. Over uwe ondervinding met betrekking tot het werken van kinderen, vóór de wet van 1874, is zooeven door den President een enkel woord met u gewisseld. En daarvan hebt gij opgegeven dat gij vroeger gezien hebt dat kinderen van 7 en 8 jaren naar de fabriek gingen. Kunt gjj ook opgeven welke fabriek dit was ? A. Ik meen dat het eene fabriek van do heeren Regout was. 5803. V. Vondt gij die kinderen in de afdeeling glasslijpers, waar gij dokter waart ? A. Ik geloof niet dat daar kinderen zijn. Ik meen dat het was bij de glasblazers, waarvan ik minder ondervinding heb, omdat ik daar niet praktizeerde. |
580i. V. Gij hebt vermeld dat de boer in de stad komt werken ? A. Ja 5805. V. Waarom komen die buitenlieden in de stad werken ? A. Omdat buiten de verdiensten gering zijn. Vroeger betaalde een boer aan zijne arbeiders 15 cent per dag met den kost. Zij zijn dus buiten slecht betaald, en trachten door in de stad werk te zoeken, hun lot te verbeteren. 5800 V. Zoudt gij niet meenen, dat de arbeiders in de dorpen met 15 cent en den kost het beter hebben dan vele fabrieksarbeiders, mot de toestanden die gij ons van de fabrieken verteld hebt? A. üat kan ik niet zeggen, de lieden konden niet bestaan en kwamen daarom naar de stad. 5807. V. Bedoelt gij met het laatste arbeiden door kinderen van 12 tot 16 jaar, het arbeiden in fabrieken of ook bij ander werk? A Bij alle handwerken. Dezer dagen sprak ik met een ontwikkeld meubelmaker, die mij zeide dat een kind van 12 jaar eene machine blijft als het moet werken, terwijl de kinderen die op hun 14de jaar beginnen en een weinig teekenen leerden, spoedig vooruit komen. 5808. V. Jlen moet daaromtrent niet overdrijven; wanneer een kind van 12 jaar in do ambachtsschool theoretisch en practisch onderwezen en aan het werk gezet wordt en bijv. leert schaven, zagen enz., is dat toch ook arbeid, maar een lichte arbeid, en het is dan toch gedurende eenige uren van den dag nuttig bezig ? A. üe kinderen leeren daar de noodige gereedschappen en materialen kennen, alsmede de elementaire handgrepen van de werktuigen, wat al veel is. Daarbij leeren zij teekenen, zoodat zij spoedig op eenige hoogte zijn; wanneer een jongen van 12 jaar kruljongen wordt en dit 2, 3 jaar blijft tot aller spot, zou men dat niet met een jongen kunnen doen die reeds zoo ver ontwikkeld is. 5809. V. Door den President is gesproken over het nachtwerk van jonge meisjes en vrouwen en uwe meening daaromtrent gevraagd. Gij hebt gezegd dat gij dit in abstracto afkeurdet. Nu wenschte ik u te vragen, of het u bekend is, dat te Maastricht meer spe- |
52
|
ciaal vrouwen en meisjes des nachts werken 7 A. Vroeger wel, maar ik weet niet hoo het thans is. 5810. V. In welke fabriek dan vroeger ? A. Ik kan mij dat niet meer herinneren. 5811. Y. Ik kan bepaald zeggen dat het nu het geval niet is. Als lid dei-plaatselijke schoolcommissie zijt gij volkomen op de hoogte van hot onderwijs en van de ontwikkeling der schoolgaande kinderen. Naar aanleiding van een volzin, voorkomende in een stuk waarop door den Voorzitter reeds gedoeld is, en waarin gezegd wordt dat de kinderen der openbare school beter ontwikkeld zijn dan die van de bijzondere, wensch ik daaromtrent uwe meening en ervaring te weten. A. Mijne ervaring is dat de leerlingen van de openbare armenschool, in casu de Augustijnerschool beter ontwikkeld zijn dan de kinderen die op bij-zondere armenscholen onderwijs genieten. 5812. V. Waarom is dat? Omdat zij trouwer de school bezoeken, of omdat er onder de arbeidende klassen ook trappen van ontwikkeling zijn en van meerdere of mindere gegoedheid en dat op de stedelijke school meer gegoede kinderen gaan? A. Dat kan wel zijn. Maar ik geloof dat een onderwijzer., die zich in de maatschappij beweegt, meer ontwikkeld is dan iemand die opgesloten is, meer de behoeften van allen leert kennen, meer de maatschappelijke delicatesse leert kennen en door den omgang met vrouwen, zooals men in het Fransch zegt, meer gepolisseerd wordt Op de onderwijzers van de openbare scholen is hoegenaamd geen smet te werpen. Ik geloof dat iemand, die omgang heeft met vrouwen, veel meer ontwikkeld is, en ook anderen meer kan ontwikkelen dan iemand die altijd opgesloten is, en dat daarom do maatschappelijke toestand van de onderwijzers van de openbare scholen doorgaande beter is dan van hen, die aan de bijzondere scholen werkzaam zijn. 5813. â V. Hebt gij bemerkt dat het onderwijzend personeel van de bijzondere scholen niet genoegzaam ontwikkeld zou zjjn, dat het voor zijne taak berekend kan geacht worden? |
A. Dat zog ik niet; maar ik acht het personeel van de bijzondere scholen niet zoo ontwikkeld als dat van de openbare scholen. Kn dat ligt, naar mijn inzien, in den maatschappelijken toestand. Iemand, die voortdurend in wrijving is met de maatschappij moet meer ontwikkeld worden dan hjj die altijd opgesloten is 5814. V. Gij zult toch niet beweren dat de personen, die zich met het bijzonder onderwijs bezighouden, opgesloten zijn in dien zin, dat zij geheel van de maatschappij zijn afgesloten en daarmede in het geheel niet in contact komen ? A Ik zal een voorbeeld noemen. Ik neem een jongen, die naar eene kostschool gaat en een die in zijne familie wordt groot gebracht. Nu zal de jongen in de familie delicater en meer ontwikkeld worden dan die van de kostschool. Hij zal zich beter voordoen en niet zoo ruw zjjn als de jongen die altijd onder jongens is. .r)815. V. Dat zal, dunkt mij, veel afhangen van begaafdheid en karakter ?â A. Goed, maar neemt twee jongens met hetzelfde karakter en dan geef ik de voorkeur aan den jongen die in de familie natuurlijk eene goede, wordt opgevoed. 5810. V. Streng door-redeneerend zoudt gij er dan toe moeten komen geen afscheiding meer te trekken op de scholen van beiderlei kunne? A. Ik ben vroeger op eene school geweest van jongens en meisjes ; de jongens zaten aan de eene, de meisjes aan de andere zijde, niet door elkander, en ik herinner mij daarvan geen slechte dingen. Het staat dan ook bij mij vast dat jongens die omgaan met vrouwen en juffrouwen beter ontwikkeld zijn, fijner gevoelen, meer letten op hunne uitdrukkingen, niet zoo ruw zijn als de jongens die alleen omgang hebben met mannen. 5817. V. Als lid van den gemeenteraad, van de commissie van onderwijs, armwezen en openbare instellingen weet gjj natuurlijk wat er gebeurt op de Augustijnerschool : hoeveel kinderen er gaan, of er al of niet kinderen geweigerd moeten worden en hoeveel. Volgens hetzelfde stuk, waarop ik zooeven doelde en dat ook door den President is vermeld, zouden er te |
53
|
Maastricht 500 kinderen geheel en al van onderwijs verstoken zijn en zou het een gevolg zijn van de geringe plaatsruimte op de school, is u daar iets van bekend ? A. Ik geloof, dat, indien het bestaat, dit meer de schuld is van de ouders dan van de stedelijke regeering. 5818. V. Is het u bekend, dat op.de Augustijnerschool een groot getal kinderen geweigerd is geworden? A. Neen, alleen in geval er twijfel bestond of zij armlastig waren, doch ik geloof niet, dat kinderen, die armlastig zijn, geweigerd worden. 5819. V. Is het u niet bekend, dat nog onlangs die school met eene klasse is vermeerderd ? A. Ik geloof, dat men liever kinderen opneemt waaromtrent men twijfelt, dan dat men ze weigert. 5820. V. Ia het u, die ten gevolge van uwe betrekking nog al veel op straat zijt, om visites te brengen, ook opgevallen, dat er veel kinderen, die in den leeftijd vallen van naar school te gaan, op de straat rondloopen? A. Dat kan ik hoegenaamd niet zeggen. 58-21. V. Nog eene enkele vraag; gij hebt straks gezegd dat volgens uwe meening, de ontwikkeling van de kinderen van de openbare scholen beter is dan die van de kinderen van de bijzondere scholen, zijn u daarvan feiten bekend of is het een meer algemeen denkbeeld van u ? A. Dat is te zeggen, ik heb bevonden dat de kinderen op de armenscholen tamelijk ontwikkeld waren, en ik heb ook de bijzondere armenscholen bezocht, en bevonden dat de kinderen daar minder ontwikkeld waren. Nu kan het zijn dat die kinderen daar van een nog la-geren trap zijn, maar ik geloof dat de onderwijzer, die zich in de wereld beweegt, meer tact heeft en eigenlijk beter weet hoe de kinderen te ontwikkelen dan iemand die altoos van de wereld verwijderd is. 5822. V. Hebt gij bij het bijwonen van de lessen een zoodanig verschil van doceeren opgemerkt, een zoo opvallend onderscheid, dat dit aanleiding kan geven tot een dergelijk verschil van appreciatie ? |
A. Ik geloof dat hei onderwijs van het personeel der openbare scholen meer methodisch is. Deze onderwijzers laten de kinderen meer redeneeren, zooals bij het rekenen bijv., zij laten altoos meer aan de kinderen vragen waarom. 5823. V. Maar bepaalde feiten hebt u niet opgemerkt ? A. Ik heb zelf gezien wat ik mededeelde. 5824. V. De hoer Van Alplien: Ik wensch nog eene enkele vraag te doen over ziekenbussen. U hebt straks gezegd, doctor Fouquet, dat er geen groote prikkel bestaat om veel werk te maken van ziekenbussen aan fabrieken, omdat algemeen de toevlucht wordt genomen tot den algemeenen armenstaat. Bestaat deze geheel uit fondsen, waarop ieder een zeker publiek recht heeft, of moet hij zijne inkomsten trekken uit collecten en stedelijke subsidiön ? A. Die goederen van de armen zijn nog al aanzienlijk en spruiten voort uit de bians de la dicouverle. DeFransche republiek heeft vroeger die goederen van de openbare instellingen, van de zusters, de broeders en de kloosters ge-confisceerd; maar, ik meen in 1804, zijn de biens de la découverle aan het armbestuur gegeven. De inkomsten van die goederen worden geschat op f 130 000 'sjaars. Er bestaat echter geen ziekenfonds, maar ik geloof dat het armbestuur zulk een fonds wil oprichten. 5825. V. Maar moeten de uitgaven welke men doet, niet aangevuld worden uit de stedelijke kas ? A. Neen, er blijft integendeel jaarlijks nog een batig saldo over. 5826. De Voorzitter: Ik dank u zeer voor de gegeven inlichtingen. F. E. Fouqcet. Verhoor van den heer dr. J. A. Sijst. 5827. De Voorzitter. Welke zijn uw naam, voornaam, beroep, ouderdom en woonplaats ? A. Jules Adolph Nijst, 52 jaar, prak-tizeerend geneesheer te Maastricht. 5828. V. Hebt gij bij de uitoefening uwer gewone praktijk ook soms bijzondere aanleiding gehad om in nauwe |
54
|
aanraking te komen met de arbeiders van fabrieken en hunne gezinnen? A. Zeer zeker. 5829. Waarin bestond die aanleiding? A. Eerstens ben ik gemeonte-ai men-dokter van eene wijk, want er zijn 5 wijken; verder ben ik geweest 12jaren dokter van de glasslijpers, van â 1873 â 1885 ; 4 jaren van de glasblazers en 4 jaren van de Céramique te Wijk. 5831. Heeft uwe langdurige ondervinding u ook gegevens aan de hand gedaan waarvan gij begrijpt, dat het nuttig zal zijn hier niededeeling te doen in het belang van het onderwerp der enquête? A. Jawel, Mijnheer de Voorzitter, maar natuurlijk vooral op het gebied der ziekten. Bij glasslijpers en aardewerkers is de voornaamste en eenige ziekte, die het gevolg is van den aard van hun werk, de phthysis. Door het stof, dat zich aanhoudend in de lucht bevindt, ontstaat natuurlijk hoest, gevolgd door chronische ontsteking der slijmvliezen, die ook de longen aantast, en eindelijk komt de tering. De lieden beseffen dit zelf zoozeer, dat die tering door hen slijpers- en pottemansziekte genoemd wordt, naar het werk waardoor zij ontstaan is. Bij slijpers is de ziekte nog veel erger dan 'bij de aardewerkers, omdat het stof van het glas, dat aanhoudend in de lucht zweeft, veel scherper is dan het stof van het aardewerk. Het ergst van alles is het echter nog bij het slijpen van bajonetten, dat ik te Luik, waar ik studeerde, heb leeren kennen. De arbeiders aan dat laatste werk houden het geen twee jaar uit of zij sterven. Dat was althans in dien tijd het geval. Het waren toen allen meisjes. Die bajonetten werden geslepen op een steen en dat gaf een straal van vuur, voeten lang. Wel stonden zij er achter, maar het stof van het ijzer zweefde in de lucht, dat werd ingeademd en dit was het groote bederf. Bij de ziekte der aardewerkers beboeren ook de loodvergiftigingen, omdat de borden en andere aardewerken, nadat zij gemaakt zjjn, gevernist moeten worden. De lieden zitten den geheelen dag met de handen in dat vernis waar loodpraeparaten in zijn. Dit leidt zeer dikwijls tot chronische loodvergiftigin- |
fen met paralysiè. Jk heb gehoord dat eze wijze van werken thans veranderd is.en met paralysiè. Jk heb gehoord dat eze wijze van werken thans veranderd is. Ook menie wordt gebruikt en. het is om het fijnste te krijgen, gezift. Ook weder dat stof wordt ingeademd, en brengt acute vergiftiging teweeg. Hetzelfde is het geval bij personen die acetas plumbi maken. Dat wordt gemaakt met plakken van lood tusschen paardenmest, bevochtigd met azijnzuur, waardoor er eene laag acetas plumbi op ontstaat, die dan in handen genomen wordt. Door het aanraken van die natte stof blijft zo aan de handen kleven en omdat de de menschen alvorens te gaan eten de handen niet wasschen, komt de stof in het lichaam en krijgt men loodvergifti- ging- Dan heeft men verder gloeiovens, die eene ontzettende hitte verspreiden, want ook wanneer de ovens zoogenaamd uit zijn, heeft men nog eene zeer hooge temperatuur. Do werklieden werken daar half naakt, maar omdat zij dan telkens van die heete in eene koude atmosfeer komen, heeft men vele acute gevallen van verkoudheden. Eene andere fabriek is de ijzergieterij. Daar staan de werklieden bloot aan het spatten van het ijzer. Wanneer de vormen nog eenigszins nat zijn, dan springen zij gemakkelijk. Wat de koperfabrieken betreft, ik heb geen kopervergiftiging gezien, maar wel dat de zwaveldampen chronisch hoesten ten gevolge hebben. Vroeger werd in de behangselpapierfabriek arsenik gebruikt, maar thans niet meer. Ten aanzien van de zinkfabriek deden zich, volgens de verklaring van een mij bekend geneesheer, geen speciale ziekten voor. De werklieden zijn sterk. Uit de fabriek te Eysden bij Maastricht ont-ontsnapte vroeger veel zinkwit, zoodat gras en boomen er onder leden. Ook is de kolendamp daar zeer nadeelig. In de papierfabriek, eene allerprachtigste inrichting, wordt chloor gebruikt voor het ontkleuren van het linnen. Na dat ontkleuren komt het in de wasch-bakken, waar zich die chloor vrij sterk ontwikkelt. Hierdoor ontstaan keelziekten, chronisch hoesten, slechte spijsver- |
55
|
tering; de lieden vermageren, omdat de chloor vergiftigend werkt. 5832. V. Gij zeidet daareven dat, wat die chronische vergiftiging betreft, dit in den laatsten tijd veranderd was, door het invoeren eener nieuwe behandeling ? A. Ik heb gehoord, dat de arbeiders eene soort van tang zouden hebben om het bord vast te grijpen. Die werklieden arbeiden echter op stuk, en daar het gebruik van die tang niet zoo gauw gaat moet de verdienste van den werkman daaronder lijden. 5833. V. Hebt gij het gebruiken van die tang zelf waargenomen? A. Neen, ik heb nooit ieis waargenomen, want in - de fabrieken der firma Regout, wordt een ieder, bij aanplakbiljet, verzocht niet te vragen om de fabrieken te zien. ten einde eene onaangename weigering te voorkomen. 5834. V. Dus de fabrieken der firma Regout hebt gij nooit bezocht ? A. Nooit, wel die van Lhoest (Lammens). 5835. V. Gij hebt wel werklieden behandeld. die in de fabrieken desheeren Regout kwalen opdeden ? A Ja 5836. V. Hebt gij daar talrijke gevallen van tering onder do slijpers, loodvorgif-tiging bij de émailwerkers en bij de menschen. die in de menie werken opgemerkt ? A. Ja. 5837. V. Zouden er geen preservatieve maatregelen tegen die euvels te bedenken zijn ? A. Ik weet niet hoe die fabrieken eigenlijk zijn ingericht, dus ook niet hoe men er door ventilatie iets aan zou kunnen doen. 5838. V. Gij .kent de localiteiten niet, dus is het ijdel er u naar te vragen? A. Ja, alleen weet ik dit, dat, nadat de vorm gedroogd is, die afgedraaid moet worden om dien zuiver en glad gepolijst te krijgen, en dan ontstaat veel stof. 5839. V. Gij hebt ons zooeven medegedeeld, dat bij het uitnemen van gebakken goed uit de ovens, die ovens nog in hooge mate verhit zijn. Weet gij met zekerheid dat dit het geval is ? A. Die menschen vertellen het allen zelf. |
5840. V. Aan u zeiven ook? A. Ja, bepaald meermalen. Ik heb zoo dikwijls gevraagd welke temperatuur in die ovens was. Men antwoordde dan: »0 God! 't is er bijna niet om uit te houden.'quot; De menschen gaan er bijna nakend in, en worden over het geheele lijf met zweetdroppels bedekt. 5841. V. Die menschen beklagen zich daarover bij u. Hebben zij u ook in détails verteld hoe het toegaat, waardoor gjj eenigszins een beeld verkregen hebt van dien toestand in zulk een oven ? A. Het eerste wat een dokter aan zulke menschen vraagt, is: wat is uw beroep ? Hij heeft dan den leiddraad voor de ziekte. Moest zulk een werkman en vertoont hij verschijnselen van longontsteking, en de dokter verneemt dat hij in de ovens werkt, dan laat hij zich daarvan meer vertellen. Niet eens, maar honderde malen heb ik naar de temne-ratuur van die ovens gevraagd. Het antwoord luidde steeds, dat in die ovens eeue zeer hooge, een bijna verstikkende temperatuur heerscht. 5842. V. Is het voor het fabrikaat noo-dig, dat die menschen in de ovens gedreven worden, of is het alleen om meer spoed te maken? A. Dat geschiedt om de ovens zoo spoedig mogelijk leeg te krijgen; dan bespaart men warmte. 5843. V. Het verschil tusschen winter- en zomertemperatuur heeft daarop zeker weinig invloed? A. Och noen, dat heeft daar weinig mede to maken. Als de oven maar even zóó is dat een mensch er in kan, begint het werk. 5844. V. Weet gij ook of er voorzorgsmaatregelen genomen worden om den overgang uit die groote hitte in do gewone temperatuur minder nadeelig to doen worden ? A. Neen, dat is mij niet bekend. 5845. V. In een stuk door een te Maastricht bestaande vereeniging omtrent het door u uit eigen beweging ter sprake gebrachte punt wordt het volgende gezegd: «Bij druk werk is het aantal ovens voor aardewerk soms te gering. Er is dan geen tijdof gelegenheid om de ovens te laten bekoelen, zoodat de arbeiders half naakt er in moeten gaan om het |
50
|
werk, dat gereed is, er uit te halen. En dan gebeurt het dat de lappen waarmede zjj de handen omwinden, door de hitte in brand vliegen. Het behoeft geen betoog, dat deze wijze van het ledigen der ovens, die door het stichten van meerdere ovens geheel onnoodig zou worden gemaakt, niet alleen gevaarlijk, maar hoogst ongezond voor den arbeider isquot;. Stemt dat met uwe mede-deelingen overeen ? A. Dit komt met mijn gezegde overeen, maar ik heb nooit geobserveerd dat zij brandwonden hadden. 584G. V. In een ander stuk, dat wij gekregen hebben staat letterlijk als volgt: «dan de slaven uit de ovens met hun uitgedroogd lichaam van matheid moete naar de geloeijende ovens in, om de waar er uit te halen dat hun do haren op het hoof verbrande meester het is te warm wat de warm â gij gaad voor twee dagen naar huis en nog eeno keelde poort af dan moet die arme slaaf maar dootstil naar de hel van warmtequot;. Dit kunnen dus inderdaad feiten zijn? A. Het branden van het haar is wel wat overdreven, dat zij in de ovens moeten of anders de poort uitgaan is ook eene bepaalde waarheid. Als zij om ander werk vragen, wordt er gezegd: gij doet dit werk, of gij gaat de poort uit. 5847. V. Dus voor zoover het mogelijk is geweest om uit de tweede hand fegevens te verzamelen, en uit do ver-laringen van uwe patienten omtrent deze feiten moet gij erkennon, dat er voor u geen reden is om in het algemeen de juistheid van die beweringen in twijfel te trekken ?egevens te verzamelen, en uit do ver-laringen van uwe patienten omtrent deze feiten moet gij erkennon, dat er voor u geen reden is om in het algemeen de juistheid van die beweringen in twijfel te trekken ? A. Het wordt mij te dikwijls gerepe- 5848. V. En op welke fabriek heeft dit met name betrekking, naar u onderstelt ? A. Op die van de firma Regout. 5849. V. Met name op de aardewerk-afdeeling ? A. Op alle afdeelingen. 5850. V. Heeft u in uwe praktijk aanleiding gehad om bepaalde observaties te maken over den schadelijken invloed van het te vroeg in de fabriek arbeiden van aankomende jongens en meisjes, kinderen van 12, 13, 14, 15, 16 jaar? |
A. Ja, dat is voornamelijk bij glasblazers. Daar heeft men 4 soorten van Sersonen: den souffleur, den carreur, en groeten gamin en den kleinen gamin.ersonen: den souffleur, den carreur, en groeten gamin en den kleinen gamin. De kleine gamin, de jongste jongen staat met de pijp voor den oven en haalt door eene kleine opening het gloeiende glas er uit en loopt er mede naar den groeten gamin, deze geeft het aan den carreur, die in de hoogte staat, opdat de groote stukken niet op den grond zouden komen, en de souffleur staat onder en snijdt het af. De souffleur is eigenlijk de baas. 5851. V. En naar uwe meening is het werk, waarvan gij ons eene korte beschrijving gegeven hebt,- schadelijk voor die aankomende jongens? A. Zeer zeker; die kinderen zien er allerellendigst en als levende skeletten uit. Daarbij komt, dat zij niet genoegzaam gevoed worden en slechts fü,25 per dag verdienen. 5852. V. Het is dus niet uw indruk, dat de arbeidersbevolking aldaar er zoo florissant uitziet en voor een medisch oog geen aanleiding geeft om te denken, dat er in die fabrieken dingen plaats grijpen die schadelijk zijn voor de gezondheid ? â Gij lacht; maar in hot allereerste begin van onze verhooren is ons van medische zijde cjezeyd, dat de arbeidsbevolking te Maastricht, als men die zoo op het oog zag, in geen enkel opzicht aanleiding gaf tot het instellen van eenig onderzoek. Is uwe ervaring eene andere ? A. Dan worden die kinderen nagejaagd, alles moet snel gaan en als de jongens dan niet sterk zijn, worden zij loomerig en mislukt er dan het eene ot andere stuk dan krijgen zij er op, niet alleen met de hand maar ook wel met een gloeiend ijzer. Dat gebeurt nu niet veel â maar er wordt ook niet veel feklaagd, want als de baas het hoort eugt het niet. Eenmaal heb ik gezien dat het ijzer, doordat het gloeiend was, zich om de knie had geslagen en op de knieschijf eene vrij dikke brandstreep had achtergelaten.eklaagd, want als de baas het hoort eugt het niet. Eenmaal heb ik gezien dat het ijzer, doordat het gloeiend was, zich om de knie had geslagen en op de knieschijf eene vrij dikke brandstreep had achtergelaten. 5853. V. Die feiten zelve hebt gij natuurlijk niet gezien, maar wel de gevolgen er van? A. Natuurlijk vraag ik, als een jongen met zoo iets bij mij komt, hoe of |
0(
|
hij daaraan komt. En dan wordt het verteld. 5854. V. Hoe is het, met zulke dingen voor oogen, te verklaren dat niettegenstaande alle mogelijke moeite door ons gedaan om werklieden tot getuigen voor deze enquête te krijgen, slechts één brief van een werkman is ontvangen uit geheel Maastricht. Is daarvoor eene verklaarbare reden, bij voorbeeld vrees? A. Vrees om te spreken meent gij ? 5855. V. Vrees om te spreken zal ik niet zeggen, maar wellicht vrees van weggejaagd te worden, omdat men gesproken heeft? A. Dat zou bepaald eene reden kunnen zijn. 5856. V. Hebt gij eene bepaalde meening over het laten arbeiden in fabrieken van aankomende jongens lüâ16 jaren in hot algemeen: keurt gij het af? Zoudt gij het wenschelijk vinden dat het verboden werd of acht gij den toestand bestaanbaar? A. Ik zou den leeftijd minstens op 14 en liefst op 16 jaren gesteld willen zien. De jongens zijn dan meer ontwikkeld en sterk genoeg om te werken. Op 12-jarigen leeftijd zjjn het nog kinderen, die met knikkers moeten spelen. 5857. V. ICn deze kinderen spelen niet met knikkers! Zijn zij echter behoorlijk ontwikkeld, wat het onderwijs betreft ? A. Neen, zij blijven bij afwezigheid van de moeder tehuis om op de kleinere kinderen te passen. In plaats daarvan leggen zij de kleinen eenvoudig in do wieg en loopen de straat op. 5858. V. Dus dit hangt, wanneer ik het goed begrijp, ook alweer samen met het werken in do fabrieken door de moeder ? Ook dat keurt gij af ? A. Juist omdat ik wist, dat er een enquête zou gehouden worden, heb ik er met verscheidene vrouwen over gesproken. Zij waren eenparig van oordeel, dat het verboden moest worden, maar tevens dat het eene noodzakelijkheid is omdat de mannen niet genoeg verdienen dat het gezin er van zou kunnen bestaan. De arbeid der moeders is ook alweer eene reden van de groote sterfte onder de kinderen, die thans de borst niet krijgen, daar de moeders reeds drie weken na de bevalling weer aan het werk moeten zijn. |
in Maastricht sterven de meeste kindoren beneden den leeftijd van één jaar, en dat is de oorzaak daarvan. 5859. V. Dus gij hebt met het oog op deze enquête, met vrouwen uit dien stand over deze zakon gesproken. Hebben zij ook niet andere dingen gezegd ? A. Ja, er is geen middageten. De mannon komen om 12 uren van de fabriek en om 1 uur moeten zij er weder zijn. Zij drinken een kop koffie, eten een boterham en daarbij moet het blijven. 5860. V. Maar aan do fabriek der firma Regout is, meende ik, eene soepkokerij. Wordt daar geen gebruik van gemaakt ? A. Dat is van latere origine; daar weet ik niet van. Ik geloof dat zij een jaar of drie bestaat. 5861. V. En heeft men aan de andere fabrieken niets van dien aard? A. Neen, maar daar betalen zij beter. De werklieden daar heb ik althans nooit boeren klagen. 5862. V. Hebben de klachten, die door u vernomen werden bij de besprekingen met het oog op deze enquête dan meer bepaald betrekking op de fabrieken van de firma Regout? A. Ja, vandaar is eens die opstand van de glasblazers gekomen. Nadat er veertien dagen gewerkt was, werd gezegd : wij betalen maar zóóveel uit. 5863. V. Dat was die loonsvermindering ? A. Ja; dat was na veertien dagen werkens. Er was niet vooraf gewaarschuwd : wij gaan dat doen. 5864. V. Gij spreekt van 14 dagen omdat het loon uitbetaald wordt par quin-zaine. Niot waar? Maar krijgen de men-sohen hun loon onmiddellijk na het verstreken van die quinzaine of verloopen er nog eenige dagen tusschen den verval- en den betaaldag? A. Dit weet ik niet? 5865. V. Die loonsvermindering werd dus niet vooraf aangekondigd maar ingevoerd nadat het hoogere loon reeds verdiend was? A. Ja, zooals mij is verzekerd. 5866. V. Hebt gij wel gehoord dat het loon verminderd werd als het bleek dat de werkman, die bij stuk betaald |
58
i A. Ik weet het niet. De Céraniique j ken ik niet lang genoeg. Bij Lhoest gebeurt het niet; daar blijven de werklieden lang, omdat de patroon zeer humaan jegens hen is. Al die werklieden hebben hem lief.
5874. V. Dus een hebbelijkheid van klaagliederen aan te heffen, rauwelijks er maar op toe, zonder regard op personen in 't algemeen, hebt gij bij de werklieden in Maastricht niet opgemerkt ?
A. In het algemeen niet.
5876. V. Gij zegt dat de menschen bij Lhoest niet klagen en hun patroon liefhebben ?
A. Ja, ook op de Céraniique.
5877. V. De nadeelige dingen, die gij gememoreerd hebt en hebt moeten me-moreeren, omdat gjj verplicht zijt als getuige hier de waai heid te zeggen, die nadeelige dingen hebben betrekking, op welke fabrieken ?
A. Voornamelijk op de fabrieken van de firma Regout. Ook in de Céramique heb ik ook wel tering bij de aardewerkers waargenomen, maar niet zooveel als bi) de fabrieken van de firma Regout.
5878. V. Hoe is de toestand in de kleinere fabrieken, als de geweermakerij, de deken- spijker- en behangselpapierfabrieken ?
A. Daarover heb ik geene speciale opmerkingen.
5879. V. Gij hebt dus geen roden om een ongunstigen dunk te hebben van den toestand van do kleinere fabrieken in Maastricht?
A. Juist.
5880. De heer Rnys van Beeren-broek : De jonge werlclieden van 13â15 jaar komen op de fabrieken natuurlijk in aanraking met de oudere werklieden. Werkt dat contact op hunne ontwikkeling in goeden of slechten zin?
A. In het algemeen is het peil van beschaving van de werklieden tamelijk laag. Zij hebben een taal en wijze van spreken, ook op zedelijk gebied, die allesbehalve kan geroemd worden. De jonge werklieden komen ook in contact met de meisjes, en. dientengevolge krijgen zij ook buiten hot werk omgang met elkaar, waardoor vele onnatuurlijke kinderen ontstaan. De meisjes zijn echter geen slechte vrouwen; wanneer
wordt, een zeker cijfer bereikt hud ? i
A. Ja.
5867. V. Als dus de werkman door sterkere inspanning een hooger loon zou kunnen verdienen, treedt de loonsvermindering in met het effect dat ondanks do meerdere inspanning het loon en definitive denzelfden standaard bleef' behouden ? Is dit zoo 7
A. Ja; als de menschen pas aan het werk komen hebben zij nog geen behendigheid in het vak. Zij krijgen dan bijv. f'2 voor 100 te vormen stukken, doch als zjj er later 200 maken ontvangen zij slechts f 1, zoodat in den regel niet meer dan f 1,50 per dag kan verdiend worden. Uit was het geval bij de faïenciers volgens het verhaal van de werklieden ; zelf heb ik het niet waargenomen.
58C8. V. Uw praktijk brengt u evenwel in de kringen van die mensehen, en dan storten zij hun hart door die klachten voor u, den dokter, uit ?
A. Ja.
5869. V. En op grond van die mede-deelingen en van uwe onder die omstandigheden verkregen ervaring legt gij uwe verklaring af?
A. Ja.
5870. V. Hoe denkt gij â de vraag is misschien naïf, maar toch wensch ik uw antwoord daarop te vernemen â over het nachtwerk van aankomende meisjes en van vrouwen; keurt gij dit goed of af?
A. ik weet niet dat door vrouwen en meisjes te Maastricht des nachts gewerkt wordt.
5871. V. Ook niet door vrouwen?
A. Ik geloof het niet.
587-2 V. In onderscheiding van de vorige vragen kunt gij met het oog op feitelijke ervaring op die vraag aangaande het nachtwerk geen bepaald antwoord geven ?
A. Neen.
5873. V. Wanneer die werklieden oud zijn geworden, voor zoover dat dan met hen het geval wordt, en versleten zijn, hoe komen zij dan aan hun einde?
A. Dan worden zij heel eenvoudig aan de deur gezet. Dat gaat tegenwoordig een weinig vroeger, en wel als zij wat minder werk prestoeren.
5874. V. Is. dat in alle fabrieken zoo?
ü'
9
|
liunne vrijers hun militieplicht vervuld hebben, trouwen zij. Zij moeten tot hun 24ste jaar wachten; eerder kunnen zij niet huwen, zij hebben dan reeds een, twee of drie kinderen. Het is eene zeldzaamheid als een man, die van dienst afkomt, van zijn meisje afziet. 5881. Gij zijt werkzaam geweest als dokter bij de militie en hebt als zoodanig nogal ondervinding kunnen opdoen, wat de lichamelijke ontwikkeling betreft van de jongens, die onder dienst moeten. Hoe staat het daai'mede? A. In het laatste jaar niet, maar vroeger moesten er veel worden afgekeurd. Die echter soldaat worden, knappen, al zijn zij wat achterlijk, onder dienst wel op: zij gaan er beter uitzien, en als zij na afloop van den diensttijd weder naar de fabrieken gaan. wat regel is, dan kunnen zjj weder een tijd mede. .5882, V. Gij komt als sectiedokter nog al eens met de gezinnen in aanraking. Hoe staat het, naar uwe ondervin- 1 ding, met de ontwikkeling dier menschen; doen zij nog al aan lectuur ? A. Niet veel, de meesten kunnen niet eenmaal schrijven en die al lezen kunnen, ontbreekt het daarvoor aan tijd, behalve op Zondag. 5883. V. Zijn er te Maastricht ook leesgezelschappen ? A. Ja. De Katholieke Heerenvereeni-ging en de Loge hebben bibliotheken die kosteloos lectuur verschaffen. Het meeste gebruik wordt gemaakt van de lectuur der eerstgenoemde vereeniging. 5884. V. Gij hebt gesproken over het kinderen krijgen van ongehuwde fabrieksarbeidsters. Waar blijven die kinderen, dat wil zeggen, wanneer de arbeidsters weinig tijd na hare bevalling weder naar de fabriek gaan? A. üie blijven te huis bij de grootmoeder, die voert ze pap, dan krijgen ze darmontsteking en dan gaan zij dood. 5885. V. Is het u bekend of er eene crèche op de eene of andere fabriek is waar de kinderen gebracht worden gedurende het werk ? A. Die ken ik niet, maar ik heb wol gehoord, dat er eene crèche in de fabriek der firma Regout zou ingevoerd zijn. |
588ü. De Voorzitter: Gij hebt vernomen dat praatje liep, maar of het waar is weet gij niet? A. Ik weet het niet en geloof het ook niet. 5887. V. Hebt gij ook ondervinding opgedaan omtrent het drankmisbruik onder de arbeiders? A. Dat gebeurt nog al, vooral die arbeiders welke den geheelen dag voor het vuur staan drinken nog al. 5888. V. Dus gij bedoelt meer bepaald de blazers? A. Ja, maar ook de slijpers. 5889. V. Drinken zij gedurende het werk ? A. Neen. dat is verboden. 5890. V. Zij brengen dus op de fabriek de flesch niet mede ? A. Neen, dat mag niet. 5891. V. Drinken de vrouwen en de meisjes ook? A. Dronken vrouwen en meisjes ziet men bijna nooit. 5892. V. Wat drinken zij, jenever of bier? A. Zij drinken veel jenever. Wanneer het volk om 12 uur uit de fabriek komt, dan stormt het naar al de vergunnink-jes in de Boschstraat, en dan wordt er nogal tamelijk gedronken, dat gaat uit bakskens. 5893. V. De Voorzitter : Ik dank u vriendelijk voor uwe inlichtingen. Dn. J. Nijst. Verhoor van den heer dr. L. H. P. Scliols: 5894. De Voorzitter: Wilt gij zoo goed zijn uw naam voornaam, beroep, ouderdom en woonplaats op te geven ? A. Leonardus Hubertus Petrus Schols, medieinae doctor en arts, oud 38 jaren, wonende te Maastricht. 5895. V. Mijnheer Schols, u is oen van de zeer weinige personen, die gevolg hebben gegeven aan onze oproeping om zich aan te melden tot het teven van dienstige inlichtingen. Wij ebben van uw aanbod gebruik gemaakt. Mogen wij u nu gelegenheid geven om aan ons die mededeelingen te doen, die u begrijpt dat voor de zaak waarvoor wij hier zijn, van nut en belang kunnen wezen ?even van dienstige inlichtingen. Wij ebben van uw aanbod gebruik gemaakt. Mogen wij u nu gelegenheid geven om aan ons die mededeelingen te doen, die u begrijpt dat voor de zaak waarvoor wij hier zijn, van nut en belang kunnen wezen ? |
CU
|
A. Wilt u ook eone bepaalde volgorde aangeven ? 5896. V. Neen, wij laten die geheel aan u over; u kunt dat dan inrichten, zooals het u het gemakkelijkst is. A. Aangaande de eerste punten heb ik weinig mede te deelen; alleen betrekkelijk de eerste vraag is mij een en ander opgevallen; ik bedoel den kinderarbeid. Vooral schipperskinderen worden zeer dikwijls gebruikt als last- of trekdieren. Kinderen van 7, 8 jaar worden door hunne ouders genoodzaakt om de schepen langs de vaarten te trekken, en kunnen natuurlijk geen onderwijs genieten. Die kinderen zijn den geheelen tijd op het schip, trekken van de eene plaats naar do andere en zijn dus buiten de gelegenheid om scholen te bezoeken. Bij gelegenheid dat ik wel eens op zulk een schip kwam, is mij gebleken dat die kinderen weinig onderwijs genoten hebben. De toestand, wat kinderarbeid betreft, is echter veel verbeterd; want ik herinner mij hoe ik voor 15, 16 jaren des nachts om 12 uur kinderen van 8, 9, 10 jaren over de straat heb zien gaan met een keteltje, waarin wat aardappelen of brood, die zich naar de glasblazerij begaven. Dit heeft gelukkig niet meer plaats. Omtrent hoofdpunt II kan ik slechts mededeelen dat voor zoover ik weet te Maastricht eene bedoelde plaatselijke verordening niet bestaat. De aard van den arbeid is zeer verschillend. Op de grootste fabriek die wij hebben, op die van de firma Regout, gebruikt men de meisjes meestal om te schilderen. Dit is eene goede bezigheid voor haar, in een vrij gezond lokaal met goede verlichting, goede lucht en alles wat er noodig is. Verder worden zij gebruikt voor het inpakken, nazien der waren, afkappen, het beplakken van aardewerk door middel van figuren enz., alles zeer lichte arbeid. De jongens worden gebruikt als pot-tenknechts, dat wil zeggen: zij moeten den vormer die de borden maakt behulpzaam zijn, de borden aannemen, ze in de droogkasten zetten; voor een groot gedeelte echter ook bij de glasblazers om de voorwerpen weg te brengen naar den koeloven enz. |
Omtrent de wijze van loonberekening heb ik geene bepaalde zekerheid, de pottenjongens worden door den potten-baas betaald. Natuurlijk heeft die hulp voor een prikje plaats, of de vader gebruikt zijn zoon daarvoor. 5897. De heer Ruys van Beeren-broek : Gij zegt dat de arbeid van die jongens door den pottenbaas moet betaald worden. Is het u ook bekend dat dit loon wordt geregeld door den fabrikant, die bepaalt hoeveel percenten van het loon de baas en de jongen krijgt? A. Dat weet ik niet. De volgende vraag betreft den arbeid van vrouwen en kinderen in da fabriek zelf. Do meisjes zijn meestal van den leeftijd van 13 en 14 jaren. Zij verrichten gewoonlijk de lichtste bezigheden, als : het snijden van papier, terwijl zij bij het vernissen slechts voor het dragen van de kleinste stukken gebruikt worden. Op do Céramique bestaat het algemeen voorschrift dat, als een der meisjes zich ziek meldt, zij slechts een briefje van den dokter behoeft over te leggen, dat zich sporen van loodvorgiftiging vertoond hebben om onmiddellijk in eene andere afdeeling geplaatst te worden. 5898. De Voorzitter: Is dit alleen op de Céramique het geval? A. Bij de firma Regout heb ik de afdeeling niet onderzocht, zoodat ik daar niet van afweet. Overigens kan, mijns inziens, de arbeid van meisjes in de fabrieken niet voorkomen worden. Vooreerst kan men het uitknippen van het papier niet aan oudere personen of aan jongens opdragen. Ook zijn de meisjes geschikter voor het opplakken der versierselen op de potjes. Het aanbrengen van andere kleine versierselen kan evengoed dooide meisjes verricht worden, die zoodoende natuurljjk tot ondersteuning van het huisgezin bijdragen. Ook zelfs getrouwde vrouwen. Er is mij een geval bekend, dat de man een ongeluk had gekregen in do kiezelgroeven; hij is verlamd en kan niets doen. Gaat men nu de vrouw verhinderen te werken, dan kunnen zij niet in hun onderhoud voorzien. Hij kookt den pot, zij gaat werken, en zoo blijft het huishouden in stand. Dat het bedrijf op jeugdigen leeftijd |
61
|
beter wordt aangeleerd, daar ia iets van aan ; maar liet verschil tusschen 12 of 14 jaar en 10 jaar is toch zoo groot niet. Er zijn echter werktuigen waarvoor wel bepaald handigheid noodig is. Zoo zijn er voor het maken van die kleine driehoekjes, die dienen om de potten van elkander te houden. Er behoort groote handigheid toe, om daarmede om te gaan. Vroeger had men daarvoor eene machine, waar men dikwijls met de vingers tusschenkwam. Men moest die met den voet in beweging brengen, een hefboom besturen en van een oogenblik gebruik maken om het voorwerp er uit te pikken. Dan werd men niet zelden verwond. Wat de veiligheid der werklieden met opzicht tot de machinerieën betreft, geloof ik dat die voor een groot gedeelte bestaat. Maar de werkman, altijd met denzelfden toesta! omgaande, raakt er zoo aan gewend, dat hij de gevaarlijkste dingen doet. Zoo had in de papierfabriek een jongen een ongeluk gekregen , omdat hij onder de bank was doorgekropen waarop eene machino stond, van welke een hefboom onder de bank doorging. Ik vroeg hoe zich dat toegedragen had, en om het mij te toonen, kroop een andere jongen onder de bank door, terwijl de machine in werking was. Dit is nalatigheid en roekeloosheid van de werklieden zeiven. Ook het eigenbelang van do fabrikanten vordert dat niet roekeloos gehandeld wordt en dat geene machine wordt gelaten zonder preventieve maatregelen Nog een ander geval is mij bekend van een jongen die een drijfriem wilde aftrekken. Een jongen komt in zijn vrij uur bij een ander zien hoe dat gaat. Hij ziet hoe de riem van het wiel wordt afgenomen en er met een haak weer opgeschoven. Hij wil dit ook doen; ondertusschen grijpt de riem den jongen en zijn arm gaat af. |
De schadelijkheid voor de gezondheid is inherent aan het vak, onder andere voor de faïenciers. In Maastricht heeft men het spreekwoord: een faïencier wordt niet ouder dan 40 jaren; dan volgt de tering. Ik heb mij zeiven gevraagd of dit zoo is. Ik heb opgemaakt eene lijst van de leden der ziekenbus van de faïenciers van de firma P. Regout van Februari 1882, en ik heb nagegaan wat er van die personen geworden is. En dan vind ik dat er 214 werklieden zjjn: 4 geboren tusschen 1820 en 1830, dus ouder dan 52 jaar toen de lijst werd opgemaakt; 21 ouder dan 42 en jonger dan 52 jaar; 51 tusschen 32 en 42 jaar; 138 tusschen 22 en 32 jaar. De ouderen in aanmerking nemende, kan men dus niet zeggen dat allen op zekeren leeftijd sterven. Volgens dezelfde lijst zijn nog op de fabriek 174 lieden, afwezig 21 die naar andere fabrieken, naar Harderwijk, naar Saargemund of naar andere vakken gegaan zijn, brievenbestellers worden enz. Overleden zijn 19, alzoo een sterftecijfer van 19 op 214, gedurende 4 jaar on circa 11.5 maanden, of van 17.74 op 1000, een getal dat gunstig is naar gelang het beroep zoo ongezond is. De cijfers zijn juist en kunnen op den burgerlijken stand worden nagegaan. Ziekte-oorzaken zijn er bepaald bij de faïenciers, maar gedeeltelijk door eigen schuld. Komende uit eene verhitte ka mor, halen zij aarde in een vochtigen kolder, die op zekeren afstand is. Naar mijn inzien kon dit gevoegelijk gebeuren door anderen. Volgens den fabrikant zou dan echter de aarde te droog worden en dus minder geschikt om te bearbeiden. Deze tegenwerping heeft ook hare waarde. Zoo zorgt de werkman die uit de fabriek komt, niet voor het verwisselen van kleeren, en gaat met bemorst fezicht en witte handen naar huis, waaroor hij gedeeltelijk die stofjes naar binnen krijgt Vroeger ging de ventilatie langs boven, sedert is die langs onder gemaakt. Wordt de ventilatie wat sterk, dan klaagt de werkman over koudeezicht en witte handen naar huis, waaroor hij gedeeltelijk die stofjes naar binnen krijgt Vroeger ging de ventilatie langs boven, sedert is die langs onder gemaakt. Wordt de ventilatie wat sterk, dan klaagt de werkman over koude en-hangt zijne kleêren te drogen. De klachten die de werklieden somtijds uiten over de betaling zijn niet altijd zeer gegrond. Voor eenigen tijd verkeerde een werkman. Willens genaamd, uit de cité ouvrière, in slechte omstandigheden. Zijne vrouw vertelde, dat hij maar drie gulden verdiende, maaibij onderzoek bleek dat hij 12 gulden verdiende en daarbij een lui werkman was. De faïenceriekas schijnt heel goed te werken. Een werkman die f2 a f2,25 verdiende is zeventien maanden zonder arbeid en krijgt eiken dag een gulden. |
62
|
De lood vergiftigingen, die vroeger voorkwamen, zijn tegenwoordig vrij wat verminderd door het invoeren van tangen, waarmede het voorwerp in het lood-praeparaat wordt gestoken, terwijl vroe- fer bij de beweiking het voorwerp in e hand gehouden werd. Zoodra er iets bemerkt wordt, gaat de werkman van den bak af.er bij de beweiking het voorwerp in e hand gehouden werd. Zoodra er iets bemerkt wordt, gaat de werkman van den bak af. £ene andere bezigheid, die zeer onaangenaam voor het volk is, is het uithalen van de ovens. Zoodra er afgestookt is, moeten de ovens namelijk uitgehaald en denzelfden dag weer gevuld. â Waarom? Ja, omdat men anders meer ovens moet hebben en warmte zou verliezen. De ploeg die dat weik doet, bestaat uit 21 of 23 werklieden Ieder van hen moet er een honderdtal cassetten uithalen, en kan daarna uitgaan. Hij kan ook eerder weggaan, als hij zich ziek of te warm gevoelt. Hij is gedurende dien tijd aan eene groote hitte blootgesteld, die vooral in den zomer vrij sterk kan zijn. Maar vergelijkt men dit werk met het- feen in de nabijheid van Maastricht, in lelgië bij de hoogovens geschiedt, dan is het niets. De menschen die uit de ovens komen, die wij nu behandelen, zijn badende in hun zweet.een in de nabijheid van Maastricht, in lelgië bij de hoogovens geschiedt, dan is het niets. De menschen die uit de ovens komen, die wij nu behandelen, zijn badende in hun zweet. Het inpakken gaat vrij gemakkelijk. De ovens zijn dan afgekoeld, en de voorwerpen, die er in geplaatst worden zijn koud. Over het algemeen moet ik echter zeggen dat de werkman zelf heel weinig doet om zich zelf in een beteren toestand te brengen. Hij werkt als eene machine en als hij, het werk gaat per stuk, met wat harder te werken in 5 dagen aan zijn geld kan komen, dan doet hij dat, alleen om een paar dagen vrijaf te hebben. Over de gezondheidsregelen die hem voorgeschreven worden bekommert hij zich niet veel. Het instrument dat hem verstrekt wordt orn aan de ademhaling bij het slijpen te gemoet te komen, gebruikt hij niet, alleen om een paar dozijn meer op een dag te kunnen afwerken. Ue toestand in zijn huis laat ook te wenschen over. |
Eene bouwvereeniging te Maastricht heeft daarin verbetering willen brengen en tot dat doel arbeiderswoningen gesticht die beneden een kamer en een keuken en boven twee slaapkamers hebben. Maar wat doen de bewoners ? Een van de kamers voor de kinderen wordt dan verhuurd aan een neef of door een ouden vader ingenomen, en de kinderen moeten zich dan maar behelpen op ééne kamer. Ook willen zij wel een salon heb ben, en do zitkamer bewonen zij alleen bij uitzondering. Ook gebeurt het wel, dat zij de kamers, die voor de kinderen bestemd zijn, bewonen. De vrouwen, die altijd in de fabrieken werkzaam zijn geweest, kennen al heel weinig van het toebereiden van spijzen en weten niets om het te huis aangenaam te maken, en 's avonds gaat de man naar de kroeg, en daarmede is het uit. De werkman begrijpt niet altijd wat er in zijn belang gedaan wordt. Bij voorbeeld, in de gaarkeukens worden soepen verstrekt, maar de voedzame soepen verkiezen de werklieden niet. tr is een turfvereeniging voor hen opgericht, maar daarvan wordt door een heel andere klasse van lieden gebruik gemaakt. De arbeiders hebben ook weinig aanleg voor sparen. Zij staan er wel op, dat, wanneer er feest is, het weekgeld wordt uitbetaald, en twee of drie dagen latei-gaat alles naar de bank van leening wat zij hebben Nu zou men donken, dat et-des winters meer in de bank van leening gebracht wordt dan des zomers, maar juist het tegenovergestelde geschiedt. In den zomer als de arbeider meer kan verdienen, brengt hij meer in de bank van leening, omdat hij weet dat hij de goederen tegen den komenden Zaterdag weer kan inlossen. Geld overleggen is bij het grootsie deel der werklieden of onmogelijk of zij zijn er niet toe te brengen. Ik weet er aardige voorbeelden van, dat waat-het hun was opgelegd, zij er toch geen gevolg aan hebben gegeven Van hetgeen zij vroeger geleerd hebben in de scholen is heel weinig overgebleven; de meesten kunnen wel lezen, maar zij begrijpen niet wat zij lezen; van de moraliteitsbegrippen is ook weinig overgebleven. Ik zou ook nog de aandacht willen vestigen op de toestanden bij de spoorwegen. Daar gebeurt het dat de machinisten een zeer langen tijd achtereen in het werk zijn. Ik heb mij daarvan een op |
G3
|
gaaf lateu verstrekken, en daaruit blijkt het volgende: W E K K U K E X le dag v.'sm.l 1â10.10 'sav.jdus 11.10 urea 2e quot; quot; 3âS quot; » 17 quot; 3e » quot; 10â5 quot; quot; 7 quot; 4e â â 8â8'/2 quot; quot; 12 V2 quot; en de vijfde dag is de man in het atelier werkzaam voor de reparatiën. Den zesdon dag is hij geheel vrij. Nu kan het gebeuren dat zelfs die vrije dag wegvalt, namelijk wanneer eene andere machine in het ongereede is geraakt, want dan moet een andere machinist met zjjne machine â elke machinist heeft zijne eigene machine â invallen, en dan gaat de man, wiens machine defect is, in het atelier werken. Hij heeft dus gedurende 5 dagen gemiddeld 11 '74 uur per dag gewerkt waaronder 17 uur aan een stuk op de machine, of althans aan het werk. Ik meen hiermede de meeste dingen die ter kennis van de Commissie moesten gebracht worden, verteld te hebben. 5899. V. Wanneer ik u goed begrijp, dan zijn de kinderen van de schippers en de machinisten op de locomotieven de arbeidende personen, die uwe sympathie hebben opgewekt. Maar wat daarentegen de fabrieksbevolking in Maastricht betreft zijn de toestanden nog al dragelijk. Heb ik dat niet goed begrepen zoo? A. Dat zeg ik niet. Ik ben juist hier gekomen omdat mijne opvatting van de werklieden eenigszins anders is dan die van vele anderen. Ik bewijs hier met feiten dat de toestanden in Maastricht nog niet zoo slecht zijn. Dat bjjvoorbeeld de sterfgevallen in de faïencefabriek niet zoo talrijk zijn, meen ik te hebben kunnen bewijzen. Dat de meeste personen daar aan tering doodgaan is zeker, maar het cijfer is toch niet zoo groot. De werkman kan er buitendien veel aan doen om zich daartegen te vrijwaren, door zich te onthouden van jenever, door geregeld te leven enz. De oudste menschen heb ik dan ook steeds gekend als de kalmste en meest bedaarde menschen. 5900. V. Als ik u goed begrepen heb, dan komt uwe mcdedeeling op hot volgende neder: Het des avonds gaan werken van de kinderen op de fabrieken komt zoo goed als niet meer voor. |
Met kinderen bedoelt u kinderen boven de 12 jaren. De gezinnen, waarin de mannen tehuis zitten en voor het huishouden zorgen, terwijl de vrouwen op de fabrieken werken, leveren een toestand op, waarvan gij zegt, dat het nogal heel goed gaat. De inrichting in de fabrieken te Maastricht, waarbij kinderhanden gebruikt worden om stiftjes te prepareeren â wat door deskundigen verklaard is te zijn een allergevaarlijkst en allerbeden-kelijkst bedrijf â vindt gij juist voor kinderen niet ongeschikt. Uit zijn alle uw eigen mededeelingen, die ik genoteerd heb. Verder; De ongelukken der werklieden vinden dikwijls hun oorzaak in eigen roekeloosheid. De oorzaak van de sterfte onder de faïenciers is niet met name tering, die zij in de uitoefening van hun vak opdoen, maar de werkman is niet genegen om voor zich zelf te waken. De loodvergiftigingen zijn verminderd, want er zijn tangetjes ingevoerd om het object in het email te doopen. Het gedreven worden van het volkom het gebakken voorwerp van aardewerk uit den oven te halen â ja, dat kan des zomers wel eene eenigszins vrij sterke hitte geven, maar die ziek wordt kan er uit. \ oor zich zelf doet de werkman bijna niets. Zijn huis richt hij zoo in, dat hij er als het ware nog een salon op tracht na te houden, en de vrouwen verstaan niet eens de kunst het eten voor haar man smakelijk klaar te maken, zoodat de mannen ergens moeten gaan zitten, in herbergen als anderszins. Is dat niet de zakelijke inhoud van de verklaring, die gij afgelegd hebt ? A. Misschien heb ik het in de uiteenzetting wat te rooskleurig gemaakt. , 5901. V. Ik zal u maar dadelijk eene vraag doen. Welke beweegredenen hebt gij om hier te komen ? A. Ik meen in het belang van den werkman 5902. V. Drijft het belang van den werkman u hierheen ? En drijft u dat belang alleen, om juist deze dingen, waar ik geen oordeel over uitspreek of zij waar of niet waar zjjn, dat laat ik 1 in het midden, want ik zit hier niet als |
04
|
rechter, maar dan toch uitsluitend dingen die pleiten ton nadeele van den werkman, hier voor do Commissie te komen verklaren ? Wilt gij daarop antwoorden ? A. De indruk dien de werkman op mij maakt, waar ik hem alle dag gadesla, is van dien aard, dat ik meen dat hij meer moest doen voor zich zelf. 5903. V. üat is geen antwoord op mijne vraag. Mijne vraag is deze : wordt gij door hier te komen en ons de zaken uiteen te zetten, zooals gij gedaan hebt en niets anders â want gij zoidet dat gij niets meer te zeggen hadt, dus ook niets tot verbetering â geleid door de meening, dat die mededeelingen strekken kunnen in het belang van den werkman 9 A. De vraag is : hoe is de toestand van den werkman te Maastricht? 5904. V. Permitteer mij. Indien wij u hadden opgeroepen en u hadden verzocht ons een beeld to geven van den toestand van den werkman te Maastricht, dan zou voor mijne vraag geen aanleiding zijn. Maar zoo is de positie niet. Wij hebben u niet opgeroepen. Gij hebt u zeiven aangegeven om hier verklaringen te komen doen. Wat is uw motief voor uwe reis van Maastricht naar hier ? Uw antwoord is: de behartiging van de belangen van den werkman. Indien gij ons aan het slot van uw exposé gegeven hadt middelen tot verbetering, dan zou ik uwe houding misschien nog hebben begrepen, maar gij zijt er alleen toe gekomen om ons en noir de zaken mede te deelen en alleen te zeggen wat tegen den werkman pleit. Dat begrijp ik niet. Nu doe ik u eene andere vraag â en ik vestig er uwe aandacht op dat de Commissie bevoegd is een eed van u te vorderen â met welke fabrikanten hebt gij vooraf over uwe opkomst gesproken ? A. Met geen enkele. De eenige per-soón met wien ik vroeger in relatie ben geweest was een van de heeren Regout. Bij voorkomende gelegenheid heb ik de zaak met hem besproken en ben in de fabriek geweest, hoewel daartoe weinig toegang is. In de Céramique ben ik zeer dikwijls geweest bij ongelukken enz.; maar in den laatsten tijd heb ik met geen fabrikant een woord over dezezaken gesproken. |
5905. V. Gij zegt dus, dat geen fabrikant kennis draagt van uw reis naar 's Gravenhage, dat gij met geen fabrikant daaromtrent in eenige bespreking zijt getreden ? A. Juist. 5900. V. Bedenk wel wat gij zegt: hebt gij bij geen der fabrikanten inlichtingen gevraagd ter uwer voorbereiding voor uwe mededeelingen ? Dit lag toch voor de hand. en in uw geval zou ik het gedaan hebben. A. Ik niet; ik wilde geheel onpartijdig in de zaak zijn, en niet belast worden door iemand om voor hem hier te komen spreken De door mij gebezigde lijst is van 188'2, toen ik eene bus had ; thans ben ik geen bus dokter meer, en om te weten welke werklieden er nog zijn, heb ik mij bij den burgerlijken stand vervoegd, zonder dat de heer Regout noch iemand daarvan kennis droeg. 5907. V. Zijt gij dokter geweest aan eene bus van werklieden? A Ja. 5908. V. En dat zijt gij niet meer? A. Neen, sedert het sterven van dr. Dumoulin, dus sedert 5 jaar. 5909. V. Heeft die dood u aanleiding gegeven om te bedanken voor die bus? A. Ja, mijne praktijk werd zoo uitgebreid, dat ik dat ambt daarbij niet kon waarnemen. Aan de nCéramiqué' ben ik nog voor do helft. 5910. De heer Beelaerts ran Blokland : Geheel daargelaten of gij eenigs-zins ten gunste of ten nadeele van werklieden eene verklaring aflegt, wensch ik te weten welke de bronnen uwer waarneming zijn. Gij hebt ons onderscheidene punten medegedeeld: hoe weet gij die ? A. Omtrent welke feiten verlangt gij speciale bewijzen ? 5911. V. De feiten omtrent het minder nadeelige voor de gezondheid van die verschillende werkzaamheden in de fabrieken, die gij hebt'opgenoemd; hebt gij die zelf waargenomen, bij voorbeeld dat uithalen van die ovens? A. Ja, dat heb ik zelf gezien in den winter in de Céramique. 5912. V. Lang geleden? A. üat zal zoo wat een jaar of drie geleden zijn. 5913. V. En niet bij de firma Regout? |
05
|
A. In de fabriek der firma Eegout wordt niemand toegelaten tenzij dat het hoog jioodig is. 5914. Dus ook het maken van de stiftjes, waarover gij gesproken hebt, hebt gij zelf niet gezien? A. Neen, maar ik heb wel de kinderen verbonden die daarbij geblesseerd zijn. Ik heb gezegd dat handen en voeten tegelijk bezig zijn, de voeten brengen een hefboom in beweging, en op hetzelfde oogenblik wordt met de hand gepikt. 5915. V. Acht gij dat niet gevaarlijk ? A. Dat heb ik niet gezegd. 5916. V. Ik vraag niet wat gij gezegd hebt, maar wat gij nu verklaart, acht gij dat werk gevaarlijk ? A. Dat acht ik zeer gevaarlijk. Het feit is daar dat er geblesseerden van komen. 5917. V. Heb ik goed gehoord dat... volgens uwe mcdedeeling, 's zomers meer in de bank van leening gebracht wordt dan 's winters? A. Ja, dat verschilt zeer. 5018. V. Van wien weet gij dat? A. Van den directeur der bank van leening, dien ik er zelf naar gevraagd heb. 5919. V. Gij zegt: dat verschilt zeer. Is dat verschil van eenig belang ? A. Ik geloof het wel. De directeur heeft mij gezegd: 's zomers komen zij met vijf of zes pakken kleeren, om die in de bank te zetten, 's winters slechts met een of twee pakken. Op mijne vraag, waarom dat 's winters zoo weinig was, antwoordde de directeur : ja, de slechte tijden ; zij verdienen dan te weinig om het tegen den aanstaanden Zaterdag te kunnen lossen. 5920. V. Zou de kermis daarvan ook een reden ktmnen zijn ? A. Niet alleen de kermis, maar alle mogelijke zaken, waaraan zij hun geld kunnen geven. In den regel denkt het volk niet aan sparen. Zij, die stil te huis blijyen, behooren tot de uitzonderingen. Een mijner kennissen heeft mij uit eigen ondervinding daaromtrent het volgende medegedeeld: Voor eenige jaren had hij onder zijne werklieden, die f 6,50 per week verdienden â thans verdienen zij f7 â '24 koffierapers. Hij gaf er de voorkeur aan om daarvoor zijne werklieden, geholpen II. |
door hunne vrouwen en kinderen, te bezigen. Zij verdienden dan, door die hulp, f12 tot f 15 's weeks. Hun werd toen gezegd; het is een gulden tijd voor u! Spaar nu; laat uw geld staan, dan kunt gij 6 percent interest krijgen. Later kunt gij er iets voor inkoopen of uw geld met de renten terugnemen. Niet een heeft er gespaard. Thans sparen er van de werklieden die nu f7,50 verdienen tegen f 12 op f5. Vroeger vier 50 cents en drie f l. Als er dan wat bij elkander is, wordt er een stukje voor gekocht, of gaat het naar de spaarbank. 5921. V. Kunt gij ook bijzonderheden mededeelen omtrent misbruik van sterken drank ? A. Over het algemeen is dat minder groot dan in Noord-Nederland, althans wat jenever betreft, maar bier wordt in groote hoeveelheden gebruikt. Om en bij de fabrieken zijn tal van kroegen waar do werkman een of twee borrels gaat gebruiken. Als hij Zaterdag zijn loon ontvangt, is daarheen zijn eerste gang, om af te betalen ; wat hij overhoud, geeft hij dan aan de vrouw, die er maar mede moet zien rond te komen. Zooals ik reeds mededeelde omtrent Willems, wiens vrouw in de meening verkeerde dat haar man f3 verdiende, terwijl bij onderzoek bleek dat hij f12 verdiende, en als hij niet lui ware geweest, nog meer had kunnen verdienen, gaat het meer. 5922. De heer Goeman ISorgesius; Hoe komt gij aan de wetenschap dat kinderen van 12 tot 14 jaar 's nachts niet meer in de fabrieken werken? A. Toen ik student was en 's avonds van een partijtje naar huis keerde, kwam ik de arme stumpers met troepjes van 3, 4 tegen, met een klein blikken trommeltje ; zij gingen dan op hunne klompjes naar de fabriek en dan zeide ik bij mij zelf: gij gaat nu mooi naar bed en de werklieden moeten naar hun werk. Nu ik tegenwoordig op alle uren van den nacht op straat ben, gebeurt het niet meer dat ik ze tegen kom. 5923. V. Gij kunt alleen verklaren dat gij ze niet meer tegenkomt, maar als ik het goed begrijp, verklaart gij niet dat er niet meer 's nachts gewerkt wordt. Hebt gij er niet naar geïnformeerd ? 5 |
|
A. De heer van der Loeff maakt er mij eene grief van als ik mijne opinie zeg omtrent hetgeen ik heb opgemerkt. 5924. V. Meer dan één deskundige uit Maastricht heeft verklaard, dat het wel degelijk geschiedde, met name bij de glasblazerij. Gij weet alleen, dat het niet geschiedt, omdat gij ze niet tegenkomt ? A. Ik ben ze niet tegengekomen 59-25. De heer Ruys van Beeren-broek: Men moet niet uit het oog verliezen, dat de tijd, waarvan getuige spreekt, vóór 1874 was, toen in de glasblazerij gewerkt werd van 12 tot 12; toen zag men natuurlijk om den tijd van middernacht het werkvolk gaan naar en komen uit de fabriek en daarbij ook kinderen â dat is een feit, dat niet te ontkennen valt â van 9, 10, 11 jaar. Maar sedert is de toestand in de glasblazerij in zoover veranderd, dat, afgezien van het niet meer werken van kinderen beneden de twaalf jaar, ook de tijd van aflossing is veranderd, en de werktijd niet meer is van 12 uur's morgens tot 12 uur 's nachts voor de eene ploeg en van middernacht tot 12 uur des middags voor de andere, maar van 7 uur 's avonds tot 7 uur 's morgens voor de eene ploeg en van 7 uur'smor- gens tot 7 uur 's avonds voor de andere, lerhalve het in den nacht op straat loopen van kinderen en het tegenkomen daarvan is niet meer mogelijk.ens tot 7 uur 's avonds voor de andere, lerhalve het in den nacht op straat loopen van kinderen en het tegenkomen daarvan is niet meer mogelijk. 592(3. De heer Goeman Borgesius; Mag ik hier bijvoegen, dat dit volstrekt niet bewijst dat het niet meer gebeurt, altijd sprekende van kinderen boven de twaalf jaren. A. Ik ben vóór 1874, in den tijd toen ik nog student was, stumpers tegengekomen van 8, 9 jaar. 5927. De heer Ruys van Beeren-broek: Hebt u hier speciaal het oog op meerdere fabrieken of op eene enkele ? A. Op eene enkele. 5928. V. Dat was de glasblazerij, niet waar ? A. Ja. 5929. V. Is het u bekend, dat nog in andere fabrieken kinderen 's nachts werken ? A. Neen. 5930. De heer Goeman Borgcsins: |
Heb ik goed verstaan, dat u uit de staten, die u hebt, afgeleid hebt, dat de sterfte onder de faïenciers te Maastricht gemiddeld is 17 per 1000? A. 17,74 per mille. 5931. V. Uit de staten die ik voor mij heb en die getrokken zijn uit het Ver slag omtrent de volksgezondheid te Maastricht, blijkt, dat in 1883 de sterfte op de geheele bevolking, arm en rijk â u weet dat de sterfte onder de armen het grootst is â bedroeg 25,1 per mille. In 1884 bedroeg het 29,47 per mille. Gij zult mij toestemmen dat die cijfers wel eenigszins een contrast vormen met het door u genoemde cijfer. Zoudt gij nu uit uwe cijfers de conclusie willen of durven trekken, dat daaruit blijkt, dat het arbeiden van die faïenciers uit een hygiënisch oogpunt onder gunstiger omstandigheden plaats heeft? A. ik heb geen conclusie willen trekken, maar slechts willen wijzen op de overdrijving. 5932. V. Maar wanneer de sterfte over de geheele bevolking 29,47 por mille bedraagt, dan is het toch niet aan te nemen, dat onder menschen, die zulk voor de gezondheid schadelijk werk verrichten, de sterfte slechts 17,74 per mille bedraagt ? A. Gij vergeet dat onder dat cijfer van 29,47 per mille zich ook bevinden de kinderen van 1â5 jaren, waarvan de helft gewoonlijk sterft vóór zij dien leeftijd bereikt hebben. Wanneer gij die er aftrekt, dan zult gij een geheel ander sterftecijfer krijgen. 5933. V. Maar het verschil is zeer groot: 17 en 29. A. Juist omdat het getal mij zoo voor-deelig is voorgekomen, heb ik de noodzakelijkheid ingezien om het hier mede te deelen en een nader onderzoek in te stellen. Den heer W'intgens heb ik opgaven gevraagd, hij heeft ze mij beloofd, doch op het oogenblik heb ik ze nog niet. Het getal overledenen in al die jaren nemende, moest ik nu de sterfte-statistiek nagaan. En dan geef ik toe dat de meesten aan tering zijn gestorven. Maar volgens mijn staat, opgemaakt tijdens ik als dokter aan de fabriek werkzaam was, is het feit door mij opgegeven niet te wederleggen. 5934. V. Bij mij kwam terstond do |
67
|
gedachte op, of het verschil niet daarin ligt dat de meeste faïenciers niet als zoodanig zijn gestorven, maar dat zij voor hun dood do fabriek hebben verlaten. Kan dit het geval niet zijn. A. Pardon. Ik heb gevraagd wat of de levensduur der personen is. Ik heb hier de namen der 19 overledenen voor mij met de data van hun geboorte. Juist om de gunstige verhouding heb ik het getal medegedeeld. Ik geef dit niet als een overwaardelijk iets, maar heb eenvoudig de aandacht der Commissie op deze statistiek, die door een bevoegd ambtenaar moet opgemaakt worden, willen vestigen. 5935. V. Juist omdat het cijfer mjj zoo vreemd voorkwam, heb ik nadere toelichting gevraagd. A. De zaak is eenvoudig deze, dat wanneer ik het cijfer 17 krijg, daarbij niet de kinderen gerekend zijn 5936. V. De kindersterfte is, zooals gij weet, te Maastricht buitengewoon groot. Aan welke oorzaken schrijft u dit toe? A. In de eerste plaats aan de omstandigheid dat de kinderen veelal niet het natuurlijke voedsel verkrijgen, maar met pap govoed worden. Zij worden onder de hoede gesteld van eene vrouw die ze voor eenige centen houdt. Om 12 uren worden de kleinen teruggehaald en krijgen dan weer wat pap. Zoo gaat het door, totdat zij dood z|jn. Ook de begrafenisfondsen zijn, naar het mij voorkomt, aan die sterfte niet onschuldig. 5937. V. Dus, wanneer ik het goed begrijp, acht ook gij het werken der vrouwen op de fabrieken nadeelig? A. Ja zeker. Ik heb vroeger ook alleen beweerd dat men het niet kan verbieden, omdat de vrouwen voor sommigen fabrieksarbeid bij uitstek geschikt zijn en zij, wanneer zij een groot huishouden hebben, de verdienste op de fabriek niet kunnen missen, zooals bleek uit het geval dat ik u noemde. 5938. De heer Ruys van Beeren-broek: Er bestaat se'dert eenige jaren te Maastricht eene vereeniging tot bevordering der volksgezondheid, die zich zeer heeft beziggehouden met het na- f aan der statistieken met betrekking tot aan der statistieken met betrekking tot laastricht. Weet de getuige misschien, â welke de bevindingen daaromtrent zijn. |
meer bepaald de sterfteverhouding van kinderen van 1 tot 5 jaar tot die van ' personen boven dien leeftijd, en welke factor die sterfte van 1 tot 5 jaren is in het geheele sterftecijfer? A. Daaromtrent kan ik niet meer zeggen dan in het verslag staat. Do Gewer-bestatistik is nog niet aangeraakt, en die kan alleen met bepaalde kennis van zaken en veel moeite behandeld worden, daar elk geval moet worden geschift. Ik heb er eene proeve van geleverd en ik zeg u de conclusie. Als ge hetzelfde gaat doen bij de landbouwers en sluit de kinderen uit, dan zult ge zeker een veel minder sterftegeval krijgen ; maar juist omdat het getal zoo weinig was, meende ik er u kennis mede te moeten laten maken. 5939. V. Het sterftecijfer van Maastricht is hoog. Daaronder is het sterftecijfer van de kinderen een zeer beduidende factor. Gij komt veel in aanraking met menschen van allerlei stand. Hoe is in het algemeen de gezondheidstoestand van den werkman te Maastricht? A. Die kon over het algemeen beter zijn, 5940. V. Welke zijn daarvan de oorzaken 7 A. De bekrompene en ondoelmatig ingerichte woningen. Verder de voeding. Zij voeden zich over het algemeen met aardappelen, terwijl zij voor hetzelfde geld erwten en boonen konden eten. Vleesch is voor hen niet te bekomen. Alleen varkensvleesch eten zij en twee of drie keeren gezouten vleesch. Dan eindelijk de fabrieken, die ook hare na-deelige zijden hebben. 5941. V. Gij zijt ook wel in aanraking met begrafenisbussen. Is u iets bekend van de minder gunstige werking dier bussen ? Weet gij ook dat soms kinderen in begrafenisbussen worden ingeschreven en dan niet goed worden behandeld en zelfs verwaarloosd. A. Als ik bepaalde bewijzen bad, zou ik er den officier van justitie kennis van hebben gegeven om de zaak te vervolgen. Maar dat die bussen een na-deeligen invloed uitoefenen, daarvan ben ik overtuigd. 5942. V. Tusschen verwaarloozen van kinderen en feiten als gij bedoelt is een groot verschil, want die verwaarloozing is moeilijk te bewijzen. Alleen feiten, |
G8
|
die aan moedwillige veronachtzaming zijn toe te schrijven on die den dood ten gevolge hebben, zouden in die categorie vallen. Maar de grootere sterfte is zeker te wijten aan slechtere voeding ? A. Die voeding is voornamelijk papvoeding. Indien ik mag aanvoeren wat ik noo-dig acht ter verbetering van den toestand, zou ik dit zeggen. Gaarne zag ik vanwege den Staat pensioenkassen opgericht, waarin de fabrikanten zeker percentage moeten storten onder controle van den Staat, voor alle hunne werklieden. Bjj het verlaten door een werkman van de fabriek worde zijn aandeel in de algemeene kas gestort. Wegens het moedwillig beschadigen van frondstof en het te laat komen, moeten oeten opgelegd worden ten bate van de kas. Voorts behooren er te zijn ziekenbussen, niet overgelaten aan de willekeur der fabrikanten, waarin de werkman recht had op ziekengeld en op geneeskundige behandeling en apotheek, met de bepaling dat het armbestuur geen beslag kan leggen op die ondersteuning.rondstof en het te laat komen, moeten oeten opgelegd worden ten bate van de kas. Voorts behooren er te zijn ziekenbussen, niet overgelaten aan de willekeur der fabrikanten, waarin de werkman recht had op ziekengeld en op geneeskundige behandeling en apotheek, met de bepaling dat het armbestuur geen beslag kan leggen op die ondersteuning. |
Voorts beperking van den arbeid, waarbij aan kinderen van 12â16 jaar beurtelings een halve dag arbeid en een halve schooldag wordt voorgeschreven, met aanvulling van de vrije uren door technische opleiding in lezen, rekenen en teekenen. 5943. V. Zoudt gij die school in de fabriek of in de gemeente wenschen? A. Wanneer de fabriek niet in het centrum gelegen is, brengt het belang van den fabrikant mede, om de school in zijne fabriek te houden; anders kan die van gemeentewege of door particulieren worden opgericht. Lichte arbeid, zooals papier snijden en tellen, kleine voorwerpen inpakken enz., zou aan meisjes en kinderen kunnen worden toevertrouwd. 5944. De Voorzitter: Hebt gij nog verdere punten te bespreken ? A. Ik meen dat ik het voornaamste heb aangeroerd. 5945. De Voorzitter: Dan is uw verhoor afgeloopen. L. Schols. |
ZITTING VAN WOENSDAG 19 JANUARI 1887.
Tegenwoordig de heeren :
Verniers van der Loeff, Voorzitter. I Ruys van Beerenbroek.
Goeman Borgesiüs, Onder-Voorzitter, j Van Alphen.
Beelaerts van Blokland. | Van der Sleyden.
Bahlmann. 1 J. D. Veegens, Griffier.
|
Verhoor van den heer J. H. Wijnen. 5946 De Voorzitter: Wilt gij zoo goed zjjn uw naam, voornamen, quali-teit, ouderdom en woonplaats op te geven ? A. Jan Hendrik Wijnen, rector van het gesticht «de Nieuwenhofquot;, oud 48 jaren, wonende te Maastricht. 594'7. V. Het gesticht «de Nieuwenhofquot; is eene instelling van bijzondere liefdadigheid, en heeft ton doel het opnemen en verplegen van weezen. Niet waar? A. Van halve weezen. Als de beide ouders van de kinderen gestorven zijn, worden zij, als zij nog geen 12 jaar oud zijn, in het gewone weeshuis opgenomen. |
5948 V. Neemt gij de kinderen op, onverschillig van welken leeftijd ? A. Neen, van hun zevende jaar; zij blijven totdat zij den vollen ouderdom van 19 jaren bereikt hebben. 5949. V. Zoowel jongens als meisjes? A. Ja. 5950. V. Hoeveel zijn er gemiddeld? A Zoowat 105. 5951. V. Half om half, jongens en meisjes ? A. Neen, meer jongens, *1,. 5952. V. De kinderen krijgen daar waarschijnlijk lager onderwijs, maar zullen ook nog wol iets anders leeren ? A. Zij blijven op school tot twaalf jaar voluit. Dan gaan de jongens een |
C9
|
ambacht leeren; zij worden hetzij schoenmaker, timmerman of schrijnwerker, terwijl de meisjes naaien en strijken leeren, of wel, als beido ouders overleden zijn, worden zij opgeleid voor dienstmeisje. 5953. V. Leeren de jongens het ambacht in het gesticht of daarbuiten ? A. In de stad op winkels. 5954. V. Hoe lang zijt gij reeds rector? A. ïwee en een half jaar. 5955. V. Voor dien tijd waart gij kapelaan ? A. Ja, ik was 20 jaar kapelaan in de fabrieksparochie St. Mathias te Maastricht. 5956. V. Gij hebt dus ruimschoots gelegenheid gehad om met de fabrieksbevolking in aanraking te komen? A. Dagelijks. 5957. V. Gij hebt u jarenlang het lot aangetrokken van de jonge kinderen, en gij hebt meermalen in het openbaar blijk gegeven van eene zeer ware belangstelling voor dat deel der jeugdige bevolking, waaraan reeds eischen van arbeid in werkplaatsen en fabriek gesteld worden, niet waar? A. Ja. 5958. V. Gij hebt daarover geschreven en u daardoor veel moeite gegeven ook vóór het jaar 1874? A. Ja. 5959. V. Gij waart een warm voorstander van het voorstel van den heer Van Houten? A. Voor zoover het voorstel is aan- Sen omen, ben ik het met den heer Van louten volkomen eens. Ik ben echter geen voorstander van hetgeen de heer Van Houten daarbij had voorgesteld, namelijk van den schooldwang.en omen, ben ik het met den heer Van louten volkomen eens. Ik ben echter geen voorstander van hetgeen de heer Van Houten daarbij had voorgesteld, namelijk van den schooldwang. 5960. V. Gij zaagt er dus geen bezwaar in, dat de Staat zijn arm uitstrekte over die kinderen en ze beschermde ? A. Neen, volgens mijne overtuiging heeft de Staat het recht om tusschen-beide te komen voor het geval, dat de toestand zoodanig is, dat die tussohen-komst in het algemeen belang der maatschappij en meer speciaal in het belang Tan minderjarigen noodzakelijk geacht â wordt. |
Volgens mijne meening was de toestand zoodanig in dien tijd, zoowel op stoffelijk als op godsdienstig en zedelijk gebied, dat de Staat niet alleen het recht, maar ook den plicht had om tusschen-beide te treden en de kinderen te beschermen tegenover de macht van de ouders en van de fabrikanten. 5961. V. Dus het komt u voor, dat de wet van 1874 een weldaad is geweest voor velen? A. Indien ik mijne meening mag zeggen, dan kan het vaderland den hoer Van Houten niet genoog dankbaar zijn voor het voorstel, dat hij destijds heeft fedaan, waarvan de invoering der wet et gevolg is geweest. Die wet heeft onnoemelijk voel goeds, vooral voor den arbeidenden stand teweeggebracht, in de eerste plaats op stoffelijk gebied. Vroe-edaan, waarvan de invoering der wet et gevolg is geweest. Die wet heeft onnoemelijk voel goeds, vooral voor den arbeidenden stand teweeggebracht, in de eerste plaats op stoffelijk gebied. Vroe- fer heerschte een toestand dien men zich ezwaarlijk nog kan voorstellen. Toen moesten kinderen van 7 en 8 jaren werken, soms ook 's nachts.er heerschte een toestand dien men zich ezwaarlijk nog kan voorstellen. Toen moesten kinderen van 7 en 8 jaren werken, soms ook 's nachts. 's Nachts om 12 uur gingen zij naar de fabriek en kwamen 's middags om 12 uur thuis en omgekeerd. Ik heb het geval gehoord dat men de kinderen 's nachts uit het bed moest halen en ze op den grond in de koude moest neder-leggen om ze wakker te krijgen, omdat die arme schelmen, als ik ze zoo noemen mag, niet konden staan; zoo dronken waren zij van den slaap dat de ouders ze naar de fabriek moesten dragen. Het is eens gebeurd dat de koster onzer kerk, die vlak bij de fabriek is, 's morgens toen hij de kerk wilde openen, een arm kind van 9 jaar op den drempel in slaap vond in bijna bevroren toestand. Vermoedelijk was het 's nachts langs de kerk gekomen, had een oogenblik willen rusten en was daarvoor in slaap gevallen, door de koude bevangen en nu gevonden. De toestand was dus ellendig, de gezondheidstoestand droevig, de sterfte onder de kinderen was veel grooter dan thans. Op dit punt is nu veel verbetering; de sterfte is afgenomen, gelijk u wel van andere zijde zult hebben vernomen. In de tweede plaats heeft de wet-Van Houten op godsdienstig gebied onnoemlijk veel goeds gedaan. Vroeger kwamen, vooral in onze parochie, de kinderen die arbeidden op den leeftijd van 12, 13 jaren in het godsdienstig onderwijs. Zij wisten van God noch Zijn gebod en |
71
|
telijke lêer worden onderwezen, ten einde zich voor te bereiden voor de Heilige Communie, of zij moeten schoolgaan. Wanneer er zich kinderen aanmelden, die niet op school gaan, wordt er in de eerste plaats gezorgd, om consequent te blijven, dat de kinderen naar eene bijzondere school gaan; kunnen zij daar geen plaats vinden, dan dwingen wij ze zelfs uitdrukkelijk naar do openbare school te gaan. Ik moet tot lof zeggen van de onder-wijzeis, speciaal van de stadsarmenschool, dat het gemoedelijke, degelijke, brave menschen zijn, waaraan wij onze kinderen gerust durven toevertrouwen. Ofschoon dat onderwijs, volgens onze beginselen, als gebrekkig en niet geheel voldoende beschouwd wordt, vinden wij het oneindig voel beter, dat de kindereu daar schoolgaan en leeren, dan dat zij op de straat loopen. Daarom wordt van onzen kant alles gedaan om ze, zoo niet op do bijzondere, dan op de openbare school te krjjgen. Dit is wat ik over art. 82 kan ?eg-gen. 5903. V. Dus, als ik u goed begrepen heb, heeft de wet van 1874, van den heer Van Houten, hoewel zij, wat u zeer toejuicht en goedkeurt, dan niet inhoudt eenigerlei bepaling ten fine van schooldwang, nochtans toch feitelijk zeer krachtdadig het trouwe schoolbezoek bevorderd. Is dat zoo niet uwe meening ? A. Jawel, ongetwijfeld. 5964. V. Dat trouwere schoolbezoek is dus verkregen, en de beterschap te dien opzichte is ontstaan, doordat toen maar eenmaal weggenomen was de gelegenheid om de kinderen te exploitee-ren, de ouders begrepen dat zij wèl deden met te zorgen dat zjj met op straat liepen, maar trouw de school bezochten, een streven waarin de geestelijkheid te Maastricht de ouders krachtig steunde? A. Volkomen juist. 5965. V. Geeft uw ondervinding u soms den moed om te hopen, dat in dezelfde goede richting wellicht ook goede resultaten zouden kunnen verwacht worden, indien de wetgever in den loop der tijden een kleinen stap verder ging? |
A. Ik geloof van ja. Mijn gevoelen komt hierop neer, dat hot wenschelijk 1 ware het verbod van fabrieksarbeid uit te breiden tot den volkomen ouderdom van 13 jaren. Vooreerst konden wij de kinderen â ik zie de mogelijkheid althans daarvan in voor een groot aantal kinderen â een jaar langer op de school en bij het godsdienstonderwijs houden. Stelde u de vraag zoo : of het verbod niet tot het 14de jaar ware uit te breiden, dan meen ik te moeten antwoorden dat dan de wet te ver zou gaan. Vooreerst meen ik dat het niet mogelijk zal zijn om de kinderen nog twee jaren na de aanneming voor de H. communie, die op het 12de jaar geschiedt, in school te houden, en evenmin bjj het godsdienstonderwijs. Het gevaar zou dus ontstaan dat de kinderen op straat liepen en alzoo eer deugnieten werden dan fatsoenlijke jongens. Zou het dan misschien te vinden zijn door het halven-dag-stelsel in te voeren gelijk dat in Engeland bestaat? Ik geloof dat dit hier onmogelijk is; vooreerst heeft men in Engeland, bij de groote fabrieken ten minste, fabrieksscholen, waarin de kinderen die 's morgens werken, 's middags j schoolgaan en omgekeerd. In Duitsch-i land heeft men den Schulzwang, waardoor de kinderen verplicht zijn om tot i hun 14de jaar school te gaan, maar daar wij dat stelsel bij ons niet hebben en waarschijnlgk nooit zullen krijgen, geloof ik dat het niet goed zou zijn om de kinderen bloot te stellen om een 1 jaar lang op straat te loopen en een gemeene jongen te worden. De wet moet daarom nemen 13 jaar. 5966. V. Het goede doel, namelijk ' om de kinderen tot het 14de jaar onderwijs te laten genieten, acht gij zonder schooldwang niet te bereiken ? A. Ik geloof dat het niet mogelijk is; tot het 13de jaar is het al moeilijk. 5966'jis. V. Maar wettelijken schooldwang z'oudt u niet aandurven en niet wenschen tot het 14de jaar1? A. In geen geval, in geen geval. Wanneer de openbare scholen â ik spreek nu niet over de Rijkskweekscholen â overal waren als in Maastricht, dat wil zeggen, strikt en streng neutraal, dan zou ik er geen absoluut bezwaar in zien, om den schooldwang in te voeren ; maar daar het gebleken is, dat de openbare |
73
|
school niet overal even strcnsf neutraal is, zoo zouden wij, Katholieken, onder geen beding kunnen medewerken om den schooldwang in te voeren, want het zou in dat geval voor ons een gewetensdwang worden. 5967. V. Gij meent dus dat, in strijd met de bedoeling van do wet op het lager onderwijs, in vele plaatsen een tint aan het onderwijs gegeven wordt, die er do neutraliteit aan ontneemt? A. Ja, Mijnheer de Voorzitter. 5968. V. Ãn de openbare school daarom dan voor uwe geloofsgenooten onbruikbaar is ? A. Ja. Ons beginsel is het dat, waar de openbare school streng neutraal is, de Katholieken er gebruik van mogen maken, wanneer zij geen bijzonder onderwijs kunnen ontvangen. 5969. V. Wordt de wet van 1874, naar uwe meening, in Limburg trouw en behoorlijk nageleefd? A. Ja, over het algemeen wel; misschien met eene enkele uitzondering in een kleine fabriek of steenbakkerij, waar nog eens een kind onder de l'ï jaren aan het werk wordt genomen. Op de groote fabrieken wordt die wet streng toegepast, zelfs heeft de heer Lhoest, directeur van de Koninklijke papierfabriek, die ik een modelfabrikant zou willen noemen, sinds eenige jaren besloten om op zijne fabriek geen kinderen aan te nemen beneden de IS jaren, en dan nog na blijk gegeven te hebben van eenige kennis in het lezen, schrijven en rekenen. IJie fabrikant helpt dus het schoolgaan bevorderen. 5970. V. Maar desniettemin betreurt gij het, dat er geen inspectie ad hoc is op het stuk van naleving van de wet van 1874? A. Naar mjjn bescheiden meening was op dit punt de wet-Van Houten wel wat te algemeen; zij liet de uitvoering aan de politie over. Zooals het gewoonlijk gaat werd er, wanneer hier of daar een geval van overtreding bekend werd, de zaak onderzocht en proces-verbaal opgemaakt, maar een bepaald onderzoek van politiewege geloof ik niet dat plaats heeft. Dit is dan ook te moeilijker, omdat de toegang tot de fabriek voor de politie niet vrij is. |
Derhalve, indien op dat punt eene verandering moest komen, zouden er meer speciaal eenige ambtenaren met de uitvoering en met het toezicht op het onderhouden van de wet belast moeten worden, bijv. de commissarissen van politie, de inspecteurs van het geneeskundig Staatstoezicht, do officieren van justitie of wie men zal goedvinden. Die personen zouden niet alleen het recht van toegang op de fabrieken moeten hebben, maar ook verplicht moeten zijn om die driemaal 's jaars te bezoeken, evenals de schoolopzieners de scholen. Verder zou het ook wenschelijk zijn, dat, gelijk ik in eene Fransche wet van 1841 en een Pruisisch reglement van 1855 gelezen heb, in elke fabriek eene lijst moest wezen van al de jongo werklieden beneden 16 jaar, met een extract uit den burgerlijken stand er bij, opdat de inspecteur dadelijk zou kunnen zien dat het geen kinderen zijn. Ten tweede zou ik het wenschelijk achten, dat op 1 Januari en '1 Juli bij de politie moesten opgegeven worden de nieuwe aangenomen werklieden beneden den leeftijd van 16 jaar. Dat zijn van die maatregelen, die de uitvoering der wet zeer zouden kunnen helpen bevorderen. 5971. V. Ik moet u eene opmerking maken. Er moet in uwe verklaringen waar wij groot belang in stellen en waar men natuurlijk in het algemeen groot belang in stellen zal met oog op uwe persoonlijkheid en uwe antecedenten, feene onzekerheid en geene verwarring eerschen. Nu moet ik u indachtig maken op een punt, namelijk dat de opmerkingen, die gij maakt over verbetering en verscherping van het toezicht, toch meer uwe eventueele wenschen bij eene verdere uitbreiding van de wet van 1874 gelden. Immers, gij hebt straks gezegd â en dat strookt geheel met den algemee-nen indruk dien men verkrijgt â dat inderdaad de wet van 1874 zooals zij daar ligt tamelijk goed wordt nageleefd, zij het dan ook misschien door het eigen besef der fabrikanten, den invloed van de ouders en de geestelijkheid enz., ook zonder scherp toezicht van de politie. Voor de wet van 1874 zouden al die maatregelen niet noodig zijn, maar gij spreekt het uit dat die wenschen bevredigd zouden moeten worden als die weteene onzekerheid en geene verwarring eerschen. Nu moet ik u indachtig maken op een punt, namelijk dat de opmerkingen, die gij maakt over verbetering en verscherping van het toezicht, toch meer uwe eventueele wenschen bij eene verdere uitbreiding van de wet van 1874 gelden. Immers, gij hebt straks gezegd â en dat strookt geheel met den algemee-nen indruk dien men verkrijgt â dat inderdaad de wet van 1874 zooals zij daar ligt tamelijk goed wordt nageleefd, zij het dan ook misschien door het eigen besef der fabrikanten, den invloed van de ouders en de geestelijkheid enz., ook zonder scherp toezicht van de politie. Voor de wet van 1874 zouden al die maatregelen niet noodig zijn, maar gij spreekt het uit dat die wenschen bevredigd zouden moeten worden als die wet |
*
74
|
uitgebreid en het verbod van arbeid voor kinderen verder uitgestrekt werd. Zoo is het immers te verstaan? A. Ja, zoo is het, en nog zeg ik, dat, als ook andere maatregelen moesten genomen worden, die inspectie ook streng zou moeten worden gehouden. 597'2. V. De wet van 1874 wordt dus vrij voldoende nageleefd, en haro werking is bijna geheel gunstig? A. Ja. 5973 V. Kunnen wij nu de quaestie omtrent den ouderdom waarop arbeid geoorloofd wordt voor afgehandeld houden, of wenscbt gij er nog iets aan toe te voegen ? A. Voor het oogenblik niet. 5974. V. Nog óéne vraag tot verklaring van het eerste gedeelte uwer depositie. Gij hebt gesproken over den toestand vóór 1874, en gezegd, dat gij toen kleine kinderen des nachts naar de fabriek hebt zien gaan ; welke fabriek was dat ? A. Gezien niet, maar ik weet het van andere personen, wat betreft de fabriek van de firma Regout; in de andere fabrieken wordt des nachts niet gewerkt, dit geschiedt alleen in do glasblazerij. 5975. V. Had dat vóór 1874 plaats met de hulp van die kinderen ? A. Ja, thans komen zij op des mor-geos om 6 uren tot (5 uren dos avonds of omgekeerd, en zijn het alle kinderen boven de 12 jaar. 5976. V. Straks hebt gij daarvan gesproken in verband mot do ellende, dat kinderen van 10, 9, 8 jaar werden gebezigd? A. Ja, dat gold de glasblazerij en de aardewerkfabriek van den heer Regout. 5977. V. Wil thans verder gaan. A. In den regel arbeiden do werklieden 10 uur daags 's morgens 5 en 's middags vijf uren, met een rusttijd tusschenbeide van 1 Va uur. Op de meeste fabrieken hebben zij ook '/4 uur voor het drinken van een kop koffie. Het werk van de vrouwen en kinderen is zoo verschillend, dat er moeilijk iets van te zeggen valt. In de glasblazerij en do aardewerkfabriek moeten de jongens meestal de grondstof voor de te vervaardigen voorwerpen aanbrengen. Wanneer zij 14 jaar oud zijn moeten zij het nog gloeiend glas afknippen. In de papierfabriek werken veel vrouwen en meisjes, zij plooien en tellen het papier, pakken het in, enz. |
Op de papierfabrieken is eigenlijk geen werk, voor zoover ik weet, dat eenigszins zwaar of moeilijk is, dan alleen dat bij de satineermachine. Ook op andere fabrieken, zooals de aardewerkfabriek, waar kinderen arbeiden, is liet niet te zwaar of te overmatig. Alleen één punt wensch ik hierbij te bespreken, namelijk de quaestie van de ovens op do fabriek van de firma Regout; van de «Céramiquequot; te Wijk ben ik niet op de hoogte, ik kan alleen constateeren dat de toestand daar beter is, vooral wat aangaat de verzorging van de werklieden en hunne algemeene behandeling. Maar op de aardewerkfabriek van de firma Regout is eerstens dit inconvenient, dat bij het uithalen van de cassetten uit de bakovens vrouwen gebruikt worden, en dat geeft een zeer onzodelijken toestand, want de mannen gaan in een zeer onfatsoenlijken staat in de ovens en wel zoo, dat er geen vrouwen bij te pas moesten komen of met hen in aanraking, want die mannen zijn bijna gansch naakt. Ten tweede durf ik dat ovenwerk noemen een onmenschelijk werk. In den winter gaat het nogal bij het groote verschil van temperatuur, dan koelen de ovens tamelijk snel af, maar in den zomer, als de thermometer '20 a 22 graden Reaumur aanwijst, dan gaat het afkoelen veel minder snel. £n wat is dan het geval ? De fabrikant zou gaarne zijne waren uit den oven hebben, bij het verzenden is haast, en van den anderen kant staan nieuwe waren gereed om in de ovens gebracht te worden. Nu wordt zulk een oven op eene vreeselijke, allervreeselijkste hitte opengebroken, en dan moet na eenigen tijd van af koeling, de werkman daar in dien oven gaan, waarin, ik durf het rechtuit verklaren, de fabrikant zijn jachthond of zijn paard niet zou wagen, mijne hoeren! en daar moet zoo een mensch ingaan, zooals een zwemmer in het water gaat, en ik zou haast zeggen dat die nog fatsoenlijker gekleed is. Do arme drommels hebben doeken om het hoofd om zich voor de verschrikkelijke hitte te dekken. Het is mij |
75
|
dooi- ooggetuigen verzekerd, dat het gebeurd is, dat door de verschrikkelijke overmaat van hitte, die doeken op het hoofd verschroeiden. De man komt gansch buiten adem uit den oven, na â 10 minuten of hoogstens een kwartier daarin gewerkt te hebben, hij valt dan op den grond of op een blok neder, drinkt daarna een liter water, rust een kwartier of wat uit en moet dan weder in den oven. En wat verdient hij daarmede? f 1.25 per dag. Dit werk is vermoordend voor den arbeider. Uit het medegedeelde zou ik deze conclusie willen trekken, dat het wen-schelijk is dat die toestand verbeterd â syprdo, 5978. V. Om bij dit punt te blijven. Wat gij ons hebt medegedeeld, en ik voeg er al dadelijk bij, dat het volstrekt niet strijdt met eenigerlei verklaring, die wij tot nu toe gehoord hebben, weet gij niet uit eigen waarneming? A. Ik heb het zelf niet waargenomen, maar ik weet het van geloofwaardige personen, van employés en chefs die daar geweest zjjn, toen die zaken gebeurden, 5979. V. Gij weet het dus van de werklieden, die dat moorddadig werk gedaan hebben. Zij zelve hebben het u verklaard ? A Ja, zij hebben het mij in gemoede verklaard. 5980. V. Gij weet het ook van opzichters en chefs, die bjj het werk tegenwoordig waren ? A. Ja. 5981. V. Zijn die nog in dienst? A. Neen, zjj zjjn thans buiten dienst. 598'2. V. \Veet gij of een van die lieden ook door ons is opgeroepen. A. Staat bij u ook op de lijst zekere Thuis'? 5983. V. Kent gij zijne voornamen ook ? A. Neen, maar hij woont aan het eind van de Uitbelderstraat 5984. Wat is hij tegenwoordig? A. Ik meen dat hij werkt of gewerkt heeft op eene branderij. 5985. V. In Wijck of in Maastricht? A. In Maastricht. De man heeft gewerkt bij de firma Regout |
5986. V. U die natuurlijk uit den aard uwer betrekking op zeer vertrouwelijken voet tot die menschen staat, evenals die menachen tot u, u heeft uit den mond van mensehen die u weet dat volkomen geloofwaardig zijn, als feiten, die zij zelf ondervonden hebben of gezien, de feiten vernomen, die gij ons daar straks hebt geschilderd ? A. Zeer zeker, daar komt de gansche quaestie op neer, dat er geen voldoend aantal ovens is, dus eene quaestie van geld. 5987. V. Nog eene vraag; zijn die medcdeelingen die u te dien opzichte ontvangen hebt van tamelijk recenter?, datum of jaren geleden ? A, Het is al van over een tijd: 5988. V. Wat noemt u een tijd? A. Ik ben al twee jaren van de parochie weg en die menschen zijn 5, 6 jaren uit de fabriek. Maar ik heb toch in den laatsten tijd van andere geestelijken wel gehoord, die nog dagelijks met het werkvolk omgaan, evenals van. don man dien ik u noemde, die nog dagelijks met zijn vroegere confraters omgaat, en die hebben mij gezegd dat het in den zomer hetzelfde is. 5989. V. En die man heeft u dat in de laatste da^en gezegd ? En die man is geloofwaardig? A. Ja. Die man heeft het werk gestaakt, omdat hij inzag dat hij zich doodwerkte. 5990. V. Als nu die zaken zoo zijn als u ons hebt medegedeeld, en bekend zijn, heeft dan niemand in Maastricht zich die zaken aangetrokken? Is het u niet bekend dat iemand, op welke wijze dan ook, zijn invloed heeft laten gelden om in het armzalig lot dier menschen verbetering te brengen ? A. Ik zou het niet kunnen zeggeu. Mij dunkt de heeren fabrikanten moesten dat uit hun eigen begrijpen, maar ik weet niet of er middelen zijn aangewend. Bovendien er zijn van die heeren waar ook heel weinig aan te doen valt; zoodra er quaestie is van geld, is er niets mede aan te vangen. 5991 De heer Balilmaim : Getuige heeft gezegd dat hot uithalen der ovens alleen eene quaestie van geld was en dat wanneer er meer ovens werden aangemaakt, de gelegenheid zou bestaan om ze langer te laten afkoelen, om dergelijke toestanden als nu bestaan te voor-i komen. Weet getuige ook wat de kos_ |
76
|
ten van zulk oen oven approximatief zouden zij voor den eigenaar? A. Daarop durf ik moeilijk te antwoorden ; deze vraag valt buiten mijn vak; de heeren moesten dat maar aan een ingenieur vragen. 59£2. De Voorzitter: En zoudt u raeenen dat al waren er belangrijke sommen bij het bouwen van een oven gemoeid, dan toch. wanneer het zich handelt over de vraag om een einde te maken aan dergelijke toestanden, gelijk gij daar beschreven hebt, de mensohelijkheid ook zou behooren hare eischen te doen gelden ? A. Zeer zeker, en wanneer de fabrikanten een Vj of 1 pet. 'sjaars minder verdienen dan zullen zij daarom niet armer worden. Over de quaestie van loon wil ik heenstappen, die zal u genoegzaam bekend zijn. 5093. V. Hebt gij alzoo niets daaromtrent mede te deelen? A. Niets bijzonders. De kinderen van 12 tot 14 jaar verdienen 20 tot 25 centen per dag, terwijl het gemiddelde loon voor vrouwen 55 centen daags bedraagt. Do uitbetaling van het loon geschiedt op bijna alle fabrieken om de '14 dagen. Nu zou ik het beter achten, ofschoon de wetgever hier moeilijk tusschenbeide zal kunnen treden, dat de uitbetaling van het loon om de 8 dagen geschiedt en niet zooals nu des Zaterdags, maar des Donderdags. Ik zou dit wenschen oradat wanneer een werkman om de 14 dagen geld ontvangt hij dan meent schatrijk te wezen; dan gaat hij des avonds aan den zwier en offert ook zijn Zondag daaraan op. Wanneer de uitbetaling echter om de 8 dagen en des Donderdags geschiedt, dat kan het huisgezin beter de etenswaren a contant koopen, omdat er Vrijdag en Zaterdag markt is en zou het dan niet, zooals nu, de waren uit de derde hand en 100 pet. duurder moeten betalen. 5994. V. Is het u soms bekend dat het loon, dat berekend wordt per quin-zaine, in een der afdeelingen van de fabriek van den heer Regout eerst betaald wordt aan het einde van het tweede quinzaine ? A. Ik herinner mij, dat er eene zekere af-deeling bestond, die per maand werkte, |
maar of het nog bestaat duif ik niet zeggen. 5995. V. Heeft die uitbetaling van het loon om de 14 dagen niet nog het schadelijk gevolg, dat veel door het werkvolk op crediet gekocht wordt in kleine winkels? A. Ja. Als zij eiken Donderdag betaald werden zouden zij op de markt uit de eerste hand kunnen koopen. 5996 V. Wenseht een der heeren omtrent dit punt eenige vraag te doen ? Zoo niet, mag ik den getuige dan verzoeken voort te gaan. A. Omtrent de verhouding van het getal mannen en vrouwen is moeilijk iets te zeggen. Wat den verstandelijken toestand der arbeidende klasse betreft is deze natuurlijkerwijze veel minder gunstig dan die der burgerklasse. Dat volgt vooreerst uit do omgeving waarin de kinderen leven; ten tweede dat zij in den regel niet zoo lang de school bezoeken als de burgerkinderen ; ten derde dat de fabrieksarbeid, veel meer machinaal is en daarbij niet niet zooveel te denken is als bij andere vakken. Maar er wordt bij ons veel gedaan om dien verstandelijken toestand te verbeteren. Gelijk ik straks zeide geschiedt dat in de congegratiën. Dan hebben wij bibliotheken waar de arbeidende klasse gratis boeken kan krijgen, en wel van Katholieke zijde eerstens van de zoogenaamde Heerenvereeniging, die in het vorige jaar 28000 boeken gratis ter lezing heeft uitgegeven; zij hebben 1200 lezers gehad, die regelmatig van de bibliotheek gebruik maakten. Daarenboven hebben wij nog 2 privaat bibliotheken waar elke arbeider gratis een boek kan halen als een geestelijke hem een bon geeft, terwijl degeen, die het eenigszins doen kan, er 2 cent per week voor betaalt. Wij hebben ook beproefd aan de jonge werklieden eene soort van herhalings-onderwijs te geven. Ik spreek uit eigen ondervinding ; ik heb 16 jaar het godsdienstonderwijs gegeven aan de Zondagsschool der Vincentiusvereeniging. Daar hadden wij een lOOtal jongens, nu eens meer, dan eens minder. Maar hoeveel moeite het ons kostte die jongens daar te krijgen en te houden, kan ik niet zeggen. De heeren der Vincentiusvereeniging |
|
moesten als liet ware de ouders dwingen hunne kinderen te zenden, üveri- fens is het zeer natuurlijk dat jongens ie eene gansche week werken en des Zondags hunne godsdientsplichten vervullen, geen lust hebben er heen te gaan : ik geloof dat ik zelf hot ook niet zou doen. Wij hebben het ook beproefd met twee Zondagsscholen voor meisjes, maarens is het zeer natuurlijk dat jongens ie eene gansche week werken en des Zondags hunne godsdientsplichten vervullen, geen lust hebben er heen te gaan : ik geloof dat ik zelf hot ook niet zou doen. Wij hebben het ook beproefd met twee Zondagsscholen voor meisjes, maar le combat a cessé faxitn de com-battants. Wij doen echter nog alles wat mogeljjk is ter bevordering van de verstandelijke ontwikkeling. De zedelijke toestand, een zeer teeder, moeilijk punt, is op sommige fabrieken goed, op andere slecht. In de Koninklijke fabriek van den heer Lhoest is een zeer streng reglement, dat goed gehandhaafd wordt. quot;Niet alleen is het verboden sterken drank in te brengen, maar een arbeider die in eenigszins beschonken toestand verkeert wordt voor minstens 2 dagen weggezonden,geschiedt het ten tweeden male, voor drie dagen, en herhaalt het zich dan nog, dan wordt hij voor altijd weggezonden. Tevens is het verboden gemeene praat te voeren en te vloeken. Die fabriek is uit het oogpunt van zedelijkheid een model van eene openbare werkplaats. Voorts heeft men den algemeen wenschelijken maatregel ingevoerd dat de vrouwen en de meisjes een half uur vóór de mannen komen en gaan; daardoor loopen zij niet samen op en af, en kunnen de vrouwen en meisjes te huis het middagmaal voor de mannen bereiden. üp andere fabrieken is die toestand minder gunstig, ja zeer ongunstig. Daar wordt op de zedelijkheid weinig gelet, er word gemeen gepraat en gevloekt zonder dat fabrikant of chefs daaromtrent tusschenbeide treden. Op sommige fabrieken vergeten zich de opzichters zelf» zoo ver, dat zij de verleiders worden van de personen die onder hun directie werken. Het komt niet zelden voor. |
Het peil van de moraliteit bij de arbeidende bevolking staat zeer ver bene den dat van de burgerklasse. Het is ook geen wonder. Mijne Heeren, wanneer men bedenkt hoe daar die kinderen van even 12 jaar reeds in de fabrieken komen, vooral in die waar geen strikt toezicht is, daar den geheelen dag samenwerken, mannen en vrouwen, meisjes en jongens bij elkander, gelijk dat vooral is, indien ik mij goed herinner, in de drukkerij van de firma Regout, en ook in de slijperij onder anderen. Zij hooron dag in dag uit gemeene praatjes, gaan gezamenlijk do fabriek in en uit, en het gevolg er van is dat zij jong en vroeg kennis maken, op den leeftijd van \1 a 18 jaar, on dan, zooals Lafon-taine zegt: l'occasion, quelque diable poussant 1 komen zij in hun ongeluk, dan zijn zij verplicht te trouwen, als de tui-litiewet niet tusschenbeide treedt om het nog voor een paar jaar te verbieden. u at de militiewet aangaat hebben wij dikwijls groote moeilijkheden, vooral als zij op den leeftijd van 19 a 20 jaren in do noodzakelijkheid zijn om te trouwen. Als nu de wetgever het mocht goedvinden, zou het zeer nuttig zijn voor de moraliteit dat bepaald werd dat zij konden trouwen zoo spoedig de werkelijke diensttijd is afgeloopen Wil een meisje het er aan wagen om te trouwen met iemand, die nog kan opgeroepen worden, dan moet zij het natuurlijk weten. Nu leven zij jaren lang in onzedelijken omgang, en dan gebeurt het dat de jongen hot meisje verlaat, en dan komt zij in nog veel slechter toestand. De statistiek van de onechte kinderen van het vorig jaar is aldus; 35onechte geboorten. Dat is niet heel veel op eene bevolking van 30 000 zielen, maar de verhouding komt zeer sterk tennadeele van de arbeidende klasse. Van die 35 kindoren zijn vijf gewettigd, maar men heeft op het stadhuis vergeten mij aan te geven of zij tot den arbeidenden stand behooren of niet. Van de 30 andere behooren 20 tot de fabrieksklasse. En dat die meisjes daar op jeugdigen leeftijd bedorven worden, bljjkt hieruit, dat 14 van de 20 moeders van haar 19de tot haar 25ste jaar in dat ongeval waren gekomen. 5997. Do heer Ruys van Beeren-broek : Kunt gij die cijfers nog nador spocificeeren ? A. De overige tien behoorden tot den kleinen burgerstand, het waren naaisters enz. In het algemeen moet ik zeggen dat drie vierden van de personen, die tot de arbeidende klasse behooren on in het |
|
Ãiuwelijk treden, dit gedwongen doen, zij zijn in de noodzakelijkheid ora te trouwen. Men heeft bij ons het volgende spreekwoord : bij die mensehen is het zand op het trouwboek van het stadhuis nauwelijks droog, of zij komen weder terug om aangifte te doen van hun kind. Toen ik van de zedelijkheid sprak, noemde ik daar zoo oven den drank. Bij de arbeidende klasse is het misbruik van sterken drank grooter dan bij de burgerklasse, nochtans kan ik niet zeggen, dat het algemeen is Misbruik van sterken drank bestaat nog al, maar er bestaat wel eenige grond voor, waarom zij zich daartoe laten verleiden. Do werklieden in de aardewerkfabrieken zitten den ganschen dag in het stof en in de vreeselijke hitte en dus zijn zij zeer genegen tot drinken. Daarenboven hebben die menschen dikwijls eene zeer slechte en onvoldoende voeding. Zij voelen dus eene zekere behoefte om eene opwekking te nemen en die zoeken zij dan in den sterken drank, ongelukkig, helaas, want de gevolgen zijn voor hen zeiven het meest te betreuren, want uit mijne ondervinding is mij gebleken, dat de arbeiders, die zich aan misbruik van sterken drank schuldig maken, veel vroeger sterven dan anderen, voor het overige alles gelijk genomen. Wat dit punt betreft, wensch ik u iets mede te deelen, waaraan de wetgever wel niets doen kan, maar dat, als het later bekend wordt, tot navolging kan strekken. Ik heb een reglement medegebracht, dat ik aan den Voorzitter zal geven, van de Knappenschaft-Verein van de Wormrivier. Ik zou dat vertalen door: Algemeene sociëteit van de Wormrivier. Deze vereeniging bestaat gedeeltelijk op Nederlandsch en gedeeltelijk op Duitsch grondgebied. Het reglement is volgens de Duitsche wet ingericht en werkt uitstekend goed, vooral wat betreft de pensioenfondsen, waarover ik later een woord zal zeggen. |
In betrekking tot het drankmisbruik is het volgende reglement ingevoerd: een arbeider die een maand lang zich van sterken dfank onthoudt, krijgt eene . gratificatie van een mark van de sociëteit zelve, dus zonder lasten van den werk-â man. Wanneer hij gedurende 1'2 maanden zich onthoudt, krijgt hij nog 3 mark extra. De controle hierop is als volgt. De werkman moet verschijnen voor drie heeren van het bestuur en op zijn eerewoord verklaren en zijne handteekening stellen op eene lijst, dat hij in de afge-loopen maand geen sterken drank genoten heeft. Van deze regeling maken 50% van de werklieden gebruik. De sociëteit heeft COOO menschen aan het werk, das 3000 maken gebruik van dit voorrecht en gebruiken geen sterken drank. In de 4 jaren dat het reglement werkt, is slechts een enkele maul het geval voorgekomen dat een werkman heeft getracht om de heeren te bedriegen, dit is uitgekomen, de man beeft dadelijk zijn ontslag gekregen. Nu geloof ik dat wij komen aan de quaestie van de gehuwde vrouwen, en hier zou ik willen zeggen ; lüc opus, hie labor; het is een zeer moeilijk vraagstuk. 5998. De Voorzitter: Maar daarom hebben wij juist u verzocht om te komen, omdat er in deze heele materie zoo heel veel moeilijks is. A. Dit vraagstuk is niet zoo op eens oj) te lossen, maar ik zal zoo vrij zijn mijne denkbeelden zoo eenvoudig mogelijk mede te deelen. Vooraf wensch ik in het algemeen te constateeren, dat het wenschelijk is om geen gehuwde vrouwen op de fabrieken te laten arbeiden, eerstens uit het oogpunt van moraliteit. Deze vrouwen zijn dikwijls veel meer uitgelaten dan mannen of dan ongetrouwde meisjes. In de tweede plaats is arbeid van gehuwde vrouwen zeer ongelukkig voor het huisgezin. De gehuwde vrouw die moet arbeiden veronachtzaamt haar kinderen en gezin, vertrouwt de kleinen van jongs af aan de eene of andere bewaarster, die soms 8 of 10 van die kindertjes op te passen heeft. Als de kinderen grooter worden komen zij uit de school en vinden thuis noch vader, noch moeder. De vader vindt geen warm eten. geen vrouw thuis, hij wordt uithuizig, komt aan den drank en zoo gaat het geheele gezin ten gronde. In het algemeen ware het alzoo zeer wenschelijk om geen gehuwde vrouwen te laten werken in de fabrieken, üe geestelijken en weldadigheidsvereeni- |
|
gingen doen al het mogelijke om iu dit i opzicht aan de wenschelijkheid te gemoet te komen. Maar nu komt de keerzijde, de prin-cipieele bezwaren. Wanneer men de vraag aldus stelt: heeft de Staat het recht en ook de verplichting om in dit geval tusschenbeide te komen; dan antwoord ik daarop het volgende: De Staat heeft slechts dan het recht om een zoodanig op de persoonlijke vrijheid ingrijpenden maatregel, als daar is het verbieden van don arbeid aan meerderjarige personen, te nemon, wanneer de toestanden zoodanig en de misbruiken zoo groot zijn. dat het algemeen belang van Staat en maatschappij dergelpke tusachenkomt wettigt. Ziedaar naar mijne overtuiging het beginsel. De conclusie nu is deze: ik zou in casu niet durven beslissen dat de Staat hier kan en moet tusschenbeide treden. Mijne redenen daarvoor zijn de volgende: Vooreerst is het getal arbeidende vrouwen niet zoo enorm groot als men wel zou denken In de tweede plaats zou ik tegen dergelijke wettelijke bepaling het volgende bezwaar hebben, namelijk een bezwaar van zedelijken aard. Wanneer toch dergelijke arbeid aan gehuwde vrouwen verboden wordt, dan zullen de meisjes die in de fabrieken arbeiden, juist met het doel om niet weggezonden te worden, niet in het huwelijk treden en aldus soms jarenlang in onzedelijkheid blijven voortleven. In de derde plaats zijn er zooveel gevallen, waarin de wet uitzonderingen zou moeten maken en den arbeid van gehuwde vrouwen toelaten, dat de wet haar doel niet zou bereiken. Ik wil dit met een voorbeeld aantoonen. De aard-werkers worden in den regel omstreeks hun dertigste jaar ziek; die ziekte duurt soms 2, soms 3, soms 5 j aren : ik ken er zelfs een die sedert 8 jaren niet meer arbeidt en ieder oogenblik kan sterven. 5999. V. Wat bedoelt gij daarmede, dat zij ziek zijn gedurende twee jaren? A. Dat zij dan meestal sterven. Soms worden zij wat beter en gaan na een half jaar weder aan den arbeid. Maar daarop komt de ziekte voor den tweeden keer en dan zijn zij voor altijd verloren. |
Zulk een man, die jaren ziek is, blijft toch door het huis gaan, houdt het oog op de kinderen en kan ook eens zien naar hetgeen gekookt wordt. Waarvan moet nu zulk een huisgezin leven wanneer de man geen ziekengeld trekt ? Dan is de vrouw wel gedwongen te werken. Of als zij wat krijgen is het 60 of 70 cent per dag, waarvan een huisgezin met kinderen ook niet kan bestaan, zoodat wederom de vrouw tot werken gedwongen is. Dan de weduwen met kinderen ; die zou men wel moeten rangschikken onder dezelfde klasse als de getrouwde vrouwen, want zij hebben evenzeer voor huis en kinderen te zorgen Waarvan moeten die leven, als er geen weduwenfondsen bestaan, hetgeen echter bij de firma Regout bestaat en ook zeer goed werkt. Of wel, de man wordt â gelijk dikwijls gebeurt â van de fabriek weggezonden, zonder iets verder, als hij öü of 55 jaar oud is geworden. Als zulk een man dus moet te huis blijven, wat moet de vrouw dan aanvangen ? Zij moot, om niet van honger te sterven, arbeiden. Mijne conclusie is dus, dat het moet overgelaten worden aan het particulier initiatief, aan ver-eenigingen van weldadigheid, aan de geestelijken enz , om getrouwde vrouwen van de fabrieken terug te houden of, waar het noodig is, het te tolereeren. 6000. De heer Bahlmaim : Gjj hebt u verklaard tegen een algemeen en absoluut verbod van het werken van gehuwde vrouwen in de fabrieken ; maar meent ge, dat er ook niet tusschenbeide moet gekomen worden ten aanzien van fedeeltelijken arbeid, bijv. van het weren van gehuwde vrouwen des nachts in fabrieken ?edeeltelijken arbeid, bijv. van het weren van gehuwde vrouwen des nachts in fabrieken ? A. Dan is weder de vraag; is dat misbruik zóó algemeen, dat de wetgever moet tusschenbeide treden? In Limburg bestaat het voorzeker niet, dat vrouwen des nachts arbeiden. 6001 V. Zijn er niet bepaalde takken van industrie waarbij het werk van gehuwde vrouwen door den Staat kan worden verboden? In Engeland is het werken dier vrouwen in de cutlery-fa-brieken verboden, want dat is slecht voor de gezondheid. Gi) zegt dus dat zoo iets in Limburg niet bekend is ? A. Neen. Ik geloof niet, dat er in Limburg zulke industrieën als de zoo- |
80
|
even dour u bedoelde bestaan, waarbij getrouwde vrouwen gebruikt worden. 600-2. De heer Beelaerts van Blok-laml: Bestaan te Maastricht onder de arbeidende bevolking vereenigingen van socialistischen aard ? A. Ik geloof het niet; wel zijn lieden uit Amsterdam en Rotterdam te Maastricht gekomen om ze op te richten, maar de godsdienstzin onzer bevolking heeft dat netjes in het water doen vallen. Die bezoekers werden uitgefloten en aan de deur gezet. Sedert heeft men er niet meer van gehoord. 6003. V. Het verheugt mij; te Luik is het anders gesteld ? A. Daar is veel minder godsdienstzin 0004. V. Worden uit Duitschland geen pogingen aangewend in den bedoelden zin ? A. Dat is mij niet bekend. De gunstige toestand bij ons is te danken aan den Christelijken zin der werklieden. Hoe meer bij een volk de godsdienstzin afneemt hoe meer de socialistische zin toeneemt. Het eenige middel om daarin verbetering te brengen is te vinden in het Christendom. 6005. De Voorzitter : Gij keurt het dus in het algemeen af, dat gehuwde vrouwen in fabrieken werken ? A. Zeker. 6006. V. Maar gij zijt eenigszins huiverig daaromtrent den Staat te doen optreden ? A. De toestanden zijn niet zoo erg en de uitzonderingen zouden te veelvuldig zijn om die tusschenkomst wen-schelijk en noodig te achten. Vooral aan de liefdadige instellingen moet worden overgelaten daarin te voorzien. 6007. V. Gij acht toch, naar ik vermoed, bet aanwezig zijn in de fabriek van den heer Regout van 194 gehuwde vrouwen eene ramp ? A. Dat valt mij tegen, ik meende dat het getal niet zoo groot was. Dat is zeer veel. 6008. V. Dus uwe eenigszins huiverachtige beschouwing van straks zou misschien door het cijfer, dat ik u daar noem, eene wijziging ondergaan? A. Eenigszins, want ik meende niet dat het getal zóó groot was. |
6009. V. Ik wil de cijfers even detail-leeren, opdat zij later niet blootstaan aan kritiek. Er zijn aanwezig in de aardewerk-afdeeling 127 werkende gehuwde vrouwen, in de glas-afdeeling 58 en in den algemeenen dienst 0. dat is te zamen 194. In de fabriek van Lhoest, die zoo schijnt uit te munten, zijn dan toch aanwezig 69 gehuwde vrouwen. Waren die cijfers u niet bekend? A. Neen, zij waren mij niet bekend, maar ik zou het toch zeer bezwarend vinden een algemeen verbod te maken. Mocht de wetgever er echter toe willen overgaan, dan zou ik in overweging willen geven om in die gevallen waarin de arbeid der vrouw noodzakelijk geacht werd, bijv. den burgemeester der gemeente de vrijheid te laten dispensatie te geven. 6010. V. Wat bedoelt gij met «als de arbeid van de vrouw noodzakelijk geacht, wordtquot;? Voor het gezin, of dooiden aard van het werk? A. Voor het gezin. 6011. V. Het afwezig zijn van do gehuwde vrouw is toch zeker van schadelijken invloed op haar huisgezin ? A Bijna onvermijdelijk. 6012 V. Met dat kwaad moet men dus rekening houden ? A. Er zijn echter ook uitzonderingen, dat personen niettegenstaande haren arbeid op de fabriek, haar huisgezin in goede orde hebben, en zelfs een zeer gelukkig familieleven hebben. 6013. V. Maar dat zijn uitzonderingen? A. Ja, dat moet ik bekennen. 6014. V. Weet gij ook hoe de getrouwde vrouwen, die op fabrieken werken, met haar kinderen omspringen? A. Zij worden bij de moeder van de vrouw of van den man gebracht, ofi bij een buurvrouw uitbesteed tegen beta ing van 10 cents per dag plus het voedsel dat het kind noodig heeft. Er zijn soms wel vijf tot acht kinderen in een kamertje bijeen, wat natuurlijk zeer ongezond en nadeelig is. 6015. V. Dat zijn dan toch alle gevolgen van hot werken van getrouwde vrouwen in fabrieken. En nu de tijd der bevallingen? A. Omtrent dat punt heb ik in het beroemde werk van Levasseur: Histoire des classes ouvrièresquot; het volgende gelezen : In sommige streken van Frankrijk is een maatregel ingevoerd, die uitste- |
81 »
|
kend werkt; er ia namelijk floor do fabrikanten bepaald, dat de vrouw een maand vóór de bevalling en zes weken daarna, de fabrieken niet mag bezoeken. 6016. V. En dat is in Duitschland wet, niet waar? A. Ja, maar die vrouwen in Frankrijk krijgen het halve daggeld uitbetaald. Sommige fabrieken geven wel het ge-heele daggeld en laten de vrouw te huis blijven. Levasseur schrijft, dat een van de goede gevolgen van dien maatregel is, dat de kindersterfte in het eerste levensjaar bij den arbeidenden â stand gedaald is van 40 pet tot '25 pet, Dus is dit reeds eene winst van 15 pet, hetgeen een gevolg is van de betere zorgen, die de moeders aan hare kinderen kunnen wijden. 6017. V. Hoe is de toestand op dat punt te Maastricht? A. Bij ons bestaan dergelijke bepalingen niet; het gebeurt soms, dat vrouwen na 14 dagen en bijna altijd na drie weken weder naar de fabriek gaan. 601S V. Wij hebben reeds gehoord van een geval van twee dagen, maar dat was niet te Maastricht, maar te Amsterdam. A. Maar al gebeurt het in Maastricht pas na 14 dagen of drie weken, toch behoef ik niet te zeggen, dat het na-deelig is. 6019. De heer Ruys van Beeren-broek ; Is het u ook bekend, dat te Maastricht bij de eene of andere fabriek eene soort van crèche of dergelijke inrichting zou bestaan, waar de vrouwen gedurende den eersten tijd na hare bevalling hare zuigelingen kunnen depo-neeren ? A.. Zoo iets bestaat te Maastricht niet. Het idee is nog niet gansch verlaten om eene dergelijke crèche op te richten onder toezicht van een paar gehuwde vrouwen, bijgestaan door een paar liefdezusters of zoo iets, ten einde die kinderen goede lucht en goed voedsel te bezorgen. , 6020. De Voorzitter: In onmiddellijk verband daarmede deze vraag. Ik neem aan, dat er te Maastricht geen geregeld, goed georganiseerde crèche bestaat; maar bestaat er geen gelegenheid voor de gehuwde vrouwen om hare kinderen tant bien que mal ergens in of bij de fabriek te deponeeren ? II |
A. Daar is geen mogelijkheid voor. 6021. V. Ik zal u zeggen waarom ik dit punt aanroer, omdat het namelijk in stukken, die bij ons zijn ingekomen, beweerd is. A. Ik ben zeker dat het niet bestaat, anders had ik het zeker gehoord. 6022. Do heer Balilinaim: Een van mijne bezwaren, heeft de heer Wijnen gezegd, om een algemeen verbod uit te vaardigen van den arbeid van gehuwde vrouwen zou zijn, dat wij nog meer onzedelijkheid zouden krijgen. De vrouwen die in een zekeren toestand ver-keeren, zouden niet huwen, wanneer zij wisten dat zij dan uit de fabriek zouden verwijderd worden. A. Ja, dat zou soms voorkomen. 6023. V. Daarbij hebt u, naar ik meen verstaan te hebben, gezegd dat gij te dien opzichte weinig medewerking onder-vondt van de politie? A. Neen, ik heb gezegd dat de mili-tiewet belemmerend was. 6024. V. Ziet dat op de bepaling dat men beneden de 24 jaren niet mag trouwen, wanneer men onder de wapens is? A. Ja. 6025. V. Zon eene wijziging der wet op dit punt niet een van de bezwaren oplossen? A. Ja, dat zou zeer wenschelijk zijn. 6026. De Voorzitter: Nu, mijnheer Wijnen, wilt u zoo goed zijn voort te gaan met uwe mededeelingen? A. Ja, Mijnheer de Voorzitter, wij komen thans aan de bezwaren, aan de objecties. Er wordt gezegd dat zonder vrouwen- en kinderarbeid de gezinnen niet znuden kunnen leven. Dat mag in sommige gevallen waar zijn, in zeer vele is het dit niet. Wanneer het huishouden geregeld, laat ik zeggen, christelijk en fatsoenlijk leeft, dan kunnen de meesten, zoolang zij gezond blijven, stilletjes in hun stand leven, zonder dat de arbeid van vrouwen, en kinderen beneden de 13 jaar daartoe noodig is. Enkele gevallen die ik niet constateeren wil, natuurlijk uitgezonderd. Dan wordt er gezegd, dat de concurrentie met het buitenland, bij verbod van vrouwen- en kinderarbeid, niet mogelijk zou zijn. Voor België is dit eenigszins waar. Daar bestaan op dit punt geen wette- 6 |
82
|
lijke bepalingen en ligt onze industrie dus eenigszins achter, maar in üuitsch-land en Engeland daarentegen bestaat het verbod wel. Dat door onze industrie de concurrentie niet kan worden volgehouden met het buitenland ligt naar mijn oordeel in het slechte tarievenstelsel. Wanneer werd aangenomen het reoiprociteitsstelsel, als men slechts wilde nemen van elk land wat het van ons neemt, dan zouden wij op dit punt een grooten stap voorwaarts gaan. Wat betreft het op den jeugdigen leeftijd aanleeren van het ambacht, dat bezwaar weegt zeer weinig. 01'een jongen op zijn twaalfde, dertiende of veertiende jaar een ambacht gaat leeren, dat zal wel gelijk staan Dat de vrouwen geschikter zouden zijn, om sommigen arbeid te verrichten, is waar; maar de groote knoop voor den fabrikant zit daarin, dat vrouwen veel minder loon trekken Dat er handen zullen te kort komen, geloof ik niet; in den laatsten tijd toch zijn er handen te veel in plaats van te weinig beschikbaar. In punt VI hebben wij de afzonderlijke lokalen voor de beide seksen. Die afzonderlijke lokalen zouden, waar dit mogeljjk is. zeer wenschelijk zijn. Ik heb verschillende fabrikanten over de quaestie gesproken: de een zegt dat het best mogeljjk is, terwijl een ander meent dat het voor sommige industrieën niet mogelijk is om die scheiding geheel en al te doen plaats hebben. Die samenwerking van mannen en vrouwen geschiedt voornamelijk in de slijperij en in de drukkerij van de aardewerkfabriek. '6028. V. Altijd op de fabriek van de firma Regout? A. Ook op de «Céramique '. Dan heeft men nog samenwerking van mannen en vrouwen in de satineerkamer op do papierfabriek. Hoewel voor dat werk uitsluitend vrouwen gebruikt worden, zijn er toch mannen, namelijk de machinisten ; maar voor het overige zijn op de papierfabriek de vrouwen en mannen gescheiden. Ook heeft men, waar men geen vrouwen-chefs heeft kunnen krijgen, in de vrouwenafdeelin-gen mannen-chefs moeten nemen. |
Dus in het algemeen zou die afscheiding. waar zij kon tot stand gebracht worden, uiterst wenschelijk zijn. Het is natuurlijk aan de Wetgevende Macht te onderzoeken, of die absolute scheiding wel mogelijk is. C029. V. Ik wil u doen opmerken, om dat punt nog eenigszins nader toegelicht te krijgen, dat de zienswijze, die ge daar aangeeft, naar het schijnt door tot oordeelen bevoegde personen niet algemeen gedeeld wordt. A. Op welk punt? 0030. V. Ik bedoel dit Zijn er niet deskundigen die meenen, dat het minder wenschelijk is die uiteenhouding van de beide seksen zoo streng door te voeren, en dat het wijzer en raensch-kundiger is zo wel degelijk bij elkander te houden en hen gezamenlijk te laten werken, in de verwachting dat dit misschien een meerverzedelijkenden invloed zou hebben dan die strenge afscheiding ? A. Wanneer alle fabrikanten in hunne fabriek een streng toezicht op het gebied der zedelijkheid hielden, zou ik er weinig bezwaar in vinden; maar dewijl in de meeste fabrieken de toestand zoodanig is dat aan de moraliteit niet gedacht wordt, vind ik het samenwerken van mannen en vrouwen allerellendigst, en de gevolgen bewijzen dat het zeer betreurenswaardig is. 6031. V. Het betreurenswaardige steekt dus volgens u in het samenzijn zonder toezicht en zonder strenge controle? A. Ja. Bovendien zijn die menschon niet zoo fijngevoelig op dat punt als de burgerlieden; zij zijn wat meer uitgelaten en gaan veel verder dan waar ook controle uitgeoefend kan worden. 6032. V. Wenscht ook een der hee-ren op dit punt vragen te doen? Zoo niet, dan verzoek ik den getuige voort te gaan. A, Ik kom nu tot de conclusie, namelijk de maatregelen die zouden dienen genomen te worden tot verbetering. 6033. V. Ik wensch u een paar vragen te doen, voor dat wij tot de middelen van verbetering overgaan. Gij hebt straks gezegd (ofschoon in een geheel ander verband, en daarom heb ik het toen voorbij laten gaan): Als de werklieden 50 jaar zijn, worden zjj weg- |
S3
|
gezonden, zonder meer. Wat is nu volgens uwe kennis en ervaring het lot van den werkman als hij 50 jaar en daarmede voor den fabrikant onbruikbaar is geworden ? A. In de fabriek van den heer Lhoest, in de Cêramique en andere wordt of pensioen of lichter werk gegeven mot behoud van het vorig loon. Ik heb daarentegen in boekjes van de fabriek van de firma Regout gezien, omtrent zeer vele lieden die 20, -ih jaren onafgebroken daar hadden gewerkt, dat eenvoudig de formule stond aangeteekend: XX verlaat onze fabriek zonder verdere verplichtingen, Het gezin van zulk een man vervalt natuurlijk tot armoede, waardoor in het algemeen veel te Maastricht geleden wordt, üok worden de men-schen wegens den aard van het werk vroeg ziek en sterven jong. 6034. V. In laatstbedoelde fabriek wordt dus do oude werkman aan zijn lot en aan de slad overgelaten? A. Ja. 6035. V. Zonder dat de fabrikant meer naar hem omziet ? A. Totaal. 6036. V. Welke boekjes bedoeldet gij zooeven ? A. Werkmansboekjes, die allen hebben. 6037. Y. In andere landen zijn die li-vretten verplichtend gesteld bij de wet, niet hier te lande; is die maatregel te Maastricht ingevoerd op verlangen dei-fabrikanten ? A. Ja. 6038. V. In hun belang houden zij dus daaraan de hand? A. Waartoe zij het doen, weet ik niet. 6033. V. Waren de door u bedoelde lieden meestal afkomstig van de fabriek van de firma P. Regout? A Van andere fabrieken heb ik daaromtrent nooit iets vernomen 6040 V. Gij hebt gezegd dat bij de lirma Regout de meeste werklieden zijn, maar ik moet u doen opmerken dat aan de Céramique toch werkzaam zijn zeven a achthonderd menschen. Kn hoe lang bestaat de Céramique? A. Een 25 jaar. 6041. V. £n de fabriek van Lhoest 7 A Nog langer, ik meen 28 jaar. 6042. V'. En daar zijn toch over de vijflionderd werklieden. |
A. Ja, allen te zamen genomen geloof ik, dat er meet werklieden elders arbeiden dan bij de firma P. Regout, ten minste ongeveer evenveel. 6043. V. Er schijnt in Maastricht in 't algemeen weinig lust bij de werklieden te bestaan voor het oprichten en in standhouden onder elkander van zie-kenvereenigingen, enz. ? A. Ja, maar daarom hebben wij van onzen kant een spaarbank opgericht voor leden van do congregratiën. Ik ben een van de oprichters geweest met een confrater, den heer Claessen. Die spaarbank is speciaal voor werklieden, leden van de congregratie genaamd «Heilige Familiequot; en bestaat elf jaar, en telt ongeveer 450 deelhebbers üat getal is oogenschijnlijk klein; maar men moet er aan denken dat het van maand tot maand varieert. Die menschen sparen soms vier a vijf maanden en vragen dan hun geld op, vooral tegen den winter, liet verschuldigde kapitaal is 55 000 gld,, en moet volgens het reglement besteed worden ten voordeele van de arbeidende klasse, speciaal van de deelhebbers. In de elf jaar dat de spaarbank bestaat zijn er tien werklieden die, door hun geld bij ons te beleggen, een eigen huisje hebben kunnen koopen. Van onzen kant wordt al het mogelijke gedaan om den werkman spaarzaamheid niet alleen te loeren, maar ook de gelegenheid te geven zjjne spaarpenningen goed te plaatsen. De zaak wordt zoo voorzichtig mogelijk gedreven. 6044. V. Hoeveel rente wordt er gegeven ? A. Drie percent. Wij hebben alles in provinciale en gemeentelijke obligation of op hypotheek. In andere zaken mogen wij het verder niet beleggen dan in Nederlandsche staatsfondsen volgens het reglement. 6045 V. Maar bestaat er nu, behalve die spaarbank, die door den bijzonderen invloed van de geestelijkheid eeniger-mate bloeiend is, geen bewijs, dat de zin bij de bevolking te Maastricht aanwezig is om zorg te dragen ingeval van ziekte ? A, Voor zoover mij bekend is niet. Voor eenige jaren is door het armbestuur nog een poging in dien zin aangewend, maar afgestuit op ik weet niet |
84
|
welke bezwaren. Dus het zou goed zijn Jat do arbeider gedwongen werd tot spaarzaamheid, door het oprichten van fondsen, waarover ik later zal spreken. (5046. V. Dus de ziekenverpleging komt ten laste van de gemeente ? A. Van het armbestuur. 6047. V. Maar dat is dan toch de gemeente, niet waar ? A. Ja. 6048. V. Do fabrikanten bemoeien zich niet daarmede, of bestaan er ex-ceptiën ? A. Er bestaan exception. 6049. De heer Huys van Beereu-broek : Ik wensch, om geen misverstand te doen ontstaan, nog eens terug te komen op de zaak van de spaarbank. Het is u zeker bekend dat te Maastricht eene stedelijke spaarbank bestaat, die met een kapitaal van een half millioen werkt ? A. Ja, maar die wordt weinig gebruikt door de mindere klasse. 6050. V. De Voorzitter: Wilt gij thans voortgaan met het bespreken der maatregelen, die gij wenschelijk zoudt achten ? A. Naar mijne heseheidene meening zou het zeer nuttig en goed zijn, dat door den Staat bepaald werd dat voor de fabriekarbeiders, gelijk ik straks zeide, de leeftijd van 13 jaar bepaald werd. Ik geloof dat het mogelijk is om de kinderen tot dien leeftijd naar school te zenden en in de Christelijke leer te onderwijzen. Na dien leeftijd zijn zij genoeg ontwikkeld om lichten arbeid te verrichten. Wat aangaat de invoering van het halve dag-systeem, waarvan wel eens quaestie is geweest, moet ik opmerken, dat dat onmogelijk en onpractisch is Ik zeide dat straks reeds in het voorbijgaan. Mijne tweede conclusie zou deze zjjn, als het ten minste uitvoerbaar was, dat de wet bepaalde, of anders dat de fabrikanten verplicht werden, zooals thans reeds door de firma Lhoest practisch gedaan wordt, om de vrouwen een half uur vroeger te laten beginnen en een half uur vroeger naar huis te zenden. |
Ten derde zou ik het wenschelijk vinden dat de wet ten aanzien van de gehuwde vrouwen bepaalde, dat zwangere vrouwen niet op de fabrieken werden toegelaten en haar den arbeid geheel verboden werd een maand voor en zes weken na de bevalling, met het behoud van het volle werkloon. Men zou dit kunnen brengen ten laste van het ziekenfonds der fabriek. Wat aangaat het 3e en 4e punt, maatregelen voor de gezondheid, zou ik alleen dit wenschen voor te stellen, dat men dat vreeselijk moordende werk van het uithalen van aardegoed uit dien gloeienden oven, regelde op de volgende wijze Ik zou wenschen dat op een bepaald aantal werklieden oen oven wettelijk werd voorgeschreven. Naar mijne meening zou dat uitkomen op 1 oven per 35 man, dan zou er ook 's zomers voldoende tijd voor afkoeling zijn. In de tweede plaats zou ik wenschen dat bij de wet voorgeschreven werd dat aan eiken oven een thermometer voorhanden zal zijn en het den werklieden verboden werd, en den fabrikanten en opzichters onder zware straffen ontzegd was, om aardewerk uit te laten uithalen bij eene hooger temperatuur dan 24 Réaumur of 30 centi-grades. Dit is tamelijk warm, maar het is uit te houden. Een vijfde punt is, dat naar mijne meening niet genoeg en voldoende gezorgd wordt voor de toekomst van den werkman. Daarin ligt een van de cul-minante punten van de ganache quaestie, derhalve, zou ik ook hier wettelijke maatregelen wenschen. Vooreerst zou men den fabrikant behooren te verplichten om de werklieden die onder of door den arbeid bij hem een ongeluk krijgen of wel uit zijn eigen kas te verzekeren of bij eene maatschappij. Toevallig heb ik in de laatste dagen een polis gezien, die zeer interessant is, van eene Zwit-sersclie maatschappij. In de drukkerij der St. Paulusvereeniging te Maastricht heeft do patroon zijn werklieden op zjjn eigen kosten verzekerd. Hij betaalt daarvoor eene jaarlijksche premie van 106 fr. voor zijne 35 werklieden. Dat is dus per werkman f 1,40; dat moet, dunkt mij, de patroon voor zijn werklieden over hebben. De uitkomsten zijn uitstekend. Een werkman die zoodanig gewond wordt dat hij levenslang niet kan werken krijgt jaarlijks fG00. Wio |
85
|
«en tijdlang door ongeluk onbekwaam wordt krijgt ongevoor het dubbele van zijn gewone daggeld gedurende den tijd dat hij niet kan werken. in de tweede plaats zou ik in geval van ziekte wenschen verplichte instelling, door do wet, van een ziekenfonds Hier zou ik gaarne uwe aandacht wenschen te vestigen op het reglement van de Warmer Knappschafls Verein te Kerk-rade, dat ik straks zal overleggen. In dat ziekenfonds betalen de Maatschappij en de werkman ieder de helft en de inlage is bepaald op 1 percent van het werkloon. Dat fonds werkt uitstekend In de derde plaats zoude het wensche-lijk zijn dat de instelling van een we-duwenfonds verplichtend word gesteld. Vooral in sommige fabrieken sterven de werklieden op zeer jeugdigen leeftijd en honderden weduwen en weezén blijven dan onverzorgd achter. Zoo herinner ik mij bij voorbeeld dat ongeveer zes jaren geleden in drie maanden tijd, alleen in de parochie van St. Matthias, 7 werklieden stierven, ons nalatende 7 weduwen en 38 kinderen zonder middel van bestaan. Hieruit kan blijken dat zulk een we-duwenfonds zeer wenscheljjk zou wezen. Daarbij zou echter, geljjk in het reglement van do Verein te Kerkrade, ter bevordering van de zedelijkheid de volgende bepaling moeten worden opgenomen. Wanneer zulk eene weduwe hertrouwt vervalt natuurlijk het weduwenpensioen, maar dan krijgt zij uit het weduwen-fonds eene som van 150 mark uitgekeerd ; want indien bij dergelijke men-schen do vrees bestaat, dat zij het weduwenpensioen gaan verliezen, zullen zij dikwijls het trouwen uitstellen dat in vele gevallen noodig zou zijn. Derhalve tot bevordering der zedelijkheid ware dat ook zeer wenscheljjk. Eindelijk ten vierde, het pensioenfonds. Mij dunkt dat wanneer een werkman 10 of '20, soms 30 jaren zijn heer trouw gediend heeft en hem de duizenden en tienduizenden heeft helpen verdienen, hij recht had dat voor zijn ouden dag door den fabrikant werd gezorgd. Ook hier zou kunnen bepaald worden, dat de helft door de fabrikanten en do andere helft door de werklieden zou worden bijgedragen. Men zou er Lij kunnen aannemen dat de geringste tijd van arbeid bepaald werd, op 10 jaar en dat een attest van een geneesheer wordt overgelegd dat de man niet meer kan werken. Dergelijke zaken zal de wetgever later veel beter kunnen onderzoeken en bepalen. |
Maar hier wenschte ik nog eenige opmerkingen te maken omtrent de inrichting van die fondsen. Er zouden maatregelen moeten gezocht en gevonden worden om den werkman te beschermen: lo. tegen zijn patroon, 2°. tegen het armbestuur, en 311. tegen zich zei ven. Ik wensch dat nog even te verklaren. L)e arbeider moet beschermd worden tegen zijn patroon, en wel ten eerste, dat, wanneer de patroon failliet gaat, dan de pensioenkas niet met hem doorgaat. Dan, als het gebeurt, dat zulk een patroon zich «verwijdertquot;, zooals men wel eens zegt, is hij in staat niet alleen zijne eigene kas, maar ook die der werklieden mede te nemen. Daartegen dient bij de wet gezorgd te worden. Ten derde dient men hem te beschermen tegen ontslag, opdat de patroons niet kunnen zeggen ; gij zjjt op het punt recht te hebben op pensioen, ga nu maar van de fabriek. Daar zou wat op moeten gevonden worden. 6051. V. Hoe zoudt ge dat willen formuleeren? A. Dat is zeer moeilijk, doch ik heb er eenig idee over, dat ik zal mede-deelen. In het algemeen zouden die fondsen moeten gedeponeerd worden 605-2. V. Dat bedoel ik niet. Ik bedoel het vinden van iets tegen willekeurig ontslag. A. Ik geloof dat de man, als hij willekeurig ontslagen wordt, zijn recht op het pensioen, weduwe- en ziekenfonds niet verliezen moet 6053. V. Maar wie maakt uit of het oen willekeurig ontslag is? A. Ieder ontslag zou ik er voor willen nemen. 6054. Dus ook een ontslag dat verdiend is b.v. wegens verregaande schuld van den werkman ? A. Ik meen van ja. Hij heeft toch zijne bijdragen aan die verschillende fondsen gegeven; het geld behoort hem |
80
|
dus rechtens foe. Xa 5 a (i jaren de fabriek om welke reden dan ook verlatende, beeft hij recht zijn geld terug te vorderen, üf men stelle die fondsen onder de bescherming van den Staat, of men make de wettelijke bepaling dat het bestuur dier f'ondfen, deels door de fabrikanten, deels, door werklieden wordt gevoerd, in navolging van het Duitschc reglement. De kas moet geheel afgezonderd zijn van die der fabriek, zoodat alle gevaar ten aanzien van faillieten wordt vermeden. In de tweede plaats moet do werkman worden beschermd tegen het armbestuur. Wanneer te Maastricht een werkman ziek wordt en werkzaam is aan eene fabriek waar een ziekenfonds is, wordt hij niet in het hospitaal opgenomen dan onder voorwaarde dat het ziekengeld in de kas van het armbestuur vloeit. Dit stelt den man voor eene vieeselijke keuze : of in zijn eigen huis ellendig verzorgd te worden en spoediger te sterven mét het zieken- feld, of het ziekengeld af te staan aan et hospitaal en daar goed verzorgd te worden; maar dan vrouw en kinderen aan armoede ten prooi. Dan hebben de werklieden vaak beter hart dan hunne patroons, ik ken er die liever hun eigen leven met eenige maanden zouden verkorten, dan vrouw en kroost hulpbehoevend achter te laten.eld, of het ziekengeld af te staan aan et hospitaal en daar goed verzorgd te worden; maar dan vrouw en kinderen aan armoede ten prooi. Dan hebben de werklieden vaak beter hart dan hunne patroons, ik ken er die liever hun eigen leven met eenige maanden zouden verkorten, dan vrouw en kroost hulpbehoevend achter te laten. Als nu de werkman in zeer ellendigen staat zijn gezin verlaat om in hot hospitaal verpleegd te worden, moeten zijne vrouw en zijne kinderen door de bijzondere liefdadigheid onderhouden worden. Wanneer gij. Mijnheer de Voorzitter, straks aan den secretaris van het armbestuur de vraag stelt, hoe het festeld is met het opnemen der zieken, an zal het antwoord luiden: dat de overgave van het ziekengeld geëischt wordt, maar dat het armbestuur dan zorgt voor de vrouw en de kinderen. Die zorg is echter eenvoudig deze, dat die vrouw en kinderen gewoonlijk een golden in de week ontvangen; als zij 1,50 gld. krijgen, mogen zij op hun bloote knieën vallen om de heeren te bedanken, terwijl het armbestuur f 3 ii 3,50 in den zak steekt. Pat vind ik ongepermitteerd, dat het armbestuur verhaal zoekt op die arme drommels.esteld is met het opnemen der zieken, an zal het antwoord luiden: dat de overgave van het ziekengeld geëischt wordt, maar dat het armbestuur dan zorgt voor de vrouw en de kinderen. Die zorg is echter eenvoudig deze, dat die vrouw en kinderen gewoonlijk een golden in de week ontvangen; als zij 1,50 gld. krijgen, mogen zij op hun bloote knieën vallen om de heeren te bedanken, terwijl het armbestuur f 3 ii 3,50 in den zak steekt. Pat vind ik ongepermitteerd, dat het armbestuur verhaal zoekt op die arme drommels. |
Nu zal het armbestuur wel zeggen: wij hebten al den last van de fabrieken, wij krijgen al de zieken en armen. Dat is zoo; maar dat moeten die heeren niet verhalen op die armen, bij wie het niet te vinden is. maar elders, desnoods bij de fabrikanten, doch het ziekengeld, dat met zweet en bloed verdiend is. mag niet aan die arme vrouwen en kinderen onthouden worden. Wij staan hier echter voor eene moeilijkheid. Wanneer het ziekengeld niet betaald wordt, dan zegt het armbestuur: Wij nemen u niet op. Hier is dus eene leemte in de armenwet, omdat niemand in hooger ressort het armbestuur kan dwingen iemand op te nemen of onderstand te geven. Hoe dit zal moeten veranderd worden laat ik aan uwe wijsheid over. mijne heeren. Eindelijk, zeide ik, dat de werkman moet beschermd worden tegen zichzel-ven en tegen zijn eigen dwaasheden. Bij het inleggen bij die verschillende fondsen behoudt de werkman wel wezenlijk het recht op de door hem gestorte gelden. Maar door zijn eigen dwaasheid of door verleiding zou hij als hij eenige jaren daarin Is, en zoo hij het recht had dadelijk het geld op te vragen, na een paar jaren als hij eene zekere som, bjjv. 50 gulden, had gestort, wellicht zeggen : dat is een mooie som om kermis of vastenavond te houden, ik ga het terughalen en verlaat de fabriek. Dat is eene consequentie, die zou moeten voorkomen worden. Daarom was het mijn idee, of het niet mogelijk zou wezen te bepalen dat do werkman het geld niet dan na een zekeren tijd kan terug krijgen, maar wel het recht behield op hetgeen hij gestort heeft. Ik ga mij duidelijker verklaren. Onderstel, dat zulk een werkman na C jaren door zijn patroon ontslagen wordt of vrijwillig het werk ter neêr gooit, dat ook gebeurt, dan zou men op de volgende wijze moeten handelen met de fondsen : van ieder fonds moet hij een boekje medt nemen, dat hem recht geeft om in een dergelijk fonds in de nieuwe fabriek te blijven doorgaan, of wel, wanneer de fondsen bij den Staat gedeponeerd zijn, zou zijn aandeel in de verschillende fondsen bij den Staat moe- |
87
|
ten blijven berusten, zoodat hij zijn recht behoudt, zonder het geld in handen te kunnen krijgen, dat hjj heeft ingelegd. 6055. V. Ik behoef u niet to zeggen, dat wij met aandacht geluisterd hebben naar de belangrijke mededeelingen die gij ons gedaan hebt. Wat gij ons daarbij gezegd hebt omtrent maatregelen ter zake van het uithalen van de ovens moeten wij, geloof ik. meer beschouwen als een voorbeeld. Gij hebt daarbij het oog op een meer algemeen, een meer omvattend doel, om namelijk wettelijke maatregelen tot stand te brengen waardoor het lichaam en de gezondheid van de werklieden beschermd wordt. Zóó is daarmede zeker uwe eigenlijke bedoeling ? A. Juist, Mijnheer de Voorzitter. (305(5. V. Welnu dan heeft één ding mij gefrappeerd, en dat is dat er, bij al hetgeen gij hebt opgenoemd, iets geweest is, waarvan gij niet gesproken hebt. Dat gjj niet gesproken hebt over het nachtwerk van vrouwen is natuurlijk, omdat dit te Maastricht niet voorkomt, maar wat mij verwonderd heeft, is, dat gij met geen woord gerept hebt van den arbeid van aankomende meis jes. Hebt gij daarover niets te zeggen? A Ik heb u reeds gezegd, dat er geen nachtelijke arbeid voor vrouwen bestaat. 6057. V. Daar spreken wij niet meer over. Ik zeide immers reeds, dat ik begrijp, dat gij over het nachtwerk niet meer spreekt, omdat hot te Maastricht niet voorkomt, maar dit heeft mij verwonderd dat gij niet gerept hebt van de noodzakelijkheid om wettelijke bepalingen te maken op het arbeiden van aankomende meisjes, ik bedoel van 14, 15 en 16 jaar. Meent gij dat de toestand in de fabrieken zoo is, dat het gerust aan de fabrikanten zonder eenigerlei wettelijke beperking kan overgelaten worden om met die meisjes om te springen zooals zij dat in hun belang noodig vinden 1 Oordeelt gij het goed, dat die meisjes geheel en al onbeschermd worden gelaten, zoodat zij geheel onderworpen zijn aan het geldelijke belang dat hun ouders bij haar arbeid kunnen hebben ? A. Dat is een heel moeilijke quaestie |
6058. V. Maar die samenhangt met het onderwerp onzer enquête en die ik daarom aan u juist doe. A. Ik heb daarover zoo ernstig niet nagedacht, omdat ik jongens en meisjes rangschik in dezelfde categorie Ik geloof dat de toestanden ongeveer wel dezelfde zijn, te meer daar de arbeid van de jonge meisjes in den regel heel licht is 6059. V. In Maastricht? A. Ja, ik spreek altijd van de toestanden bjj ons ; zij zitten op de papierfabrieken papier te plooien en te tellen ; in de aardewerkfabriek moeten zij de gedrukte figuren op het aardewerk plakken, over het algemeen is dat geen overmatig werk 0060. V. Dus uw zwijgen over dit punt vindt zijne oorzaak hierin dat uwe observaties uit den aard der zaak meer gegolden hebben de toestanden in Maastricht, en dat, naar uw beste weten, daar van aankomende meisjes geen zwaar werk wordt gevorderd Indien uwe ondervinding u geleerd had dat dit wel het geval is, zoudt u anders oordeelen. Maar nu acht gij u zeiven niet competent om een oordeel uit te spreken ? A. Zoo is het Mijnheer de Voorzitter. 6061. De heer Rnys van Beeren-broek: Gij hebt gesproken van de spaarbank, waarvan gij een der medeoprichters zijt geweest. Is het motief tot de oprichting niet eenigszins geweest het tegengaan van de deelneming aan begrafenisfondsen ? A. Dat is waar, dat heb ik vergeten er bij te voegen. Die begrafenisfondsenâ hoe zij hier zijn weet ik niet â zijn bij ons eene werkelijke exploitatie van den werkman. De agenten worden ruimschoots betaald, en de arme menschen moeten wekelijks eene voor hun stand en verdiensten werkelijk relatief groote som bijdragen. Wij hebben onder anderen het geval van een gezin gehad dat een totaal van f 400 in een geruimen tijd in zulks een fonds had bijgedragen en wanneer de man of de vrouw te sterven kwam, zou eene uitkeering van f quot;100 worden gegeven. Wanneer die menschen hun wekelijksche bijdrage gedurende een maand niet betalen, zijn zij hun geheele recht kwijt, en in geval van ziekte komt het dikwijls voor dat |
88
|
zij het niet kunnen. Wanneer de men-sohen hun geld op onze spaarbank brengen, dan krijgen zij eene fatsoenlijke rente, en het kapitaal blijft staan. Dit is werkelijk beter dan de begrafenisfondsen. 6062. V. Weet gij ook iets van die begrafenisfondsen met het oog op het kwaad dat zij zouden stichten ten opzichte van de ingeschreven ,jonge kinderen? A. Ik heb daarover wel hooren spreken. Als de kinderen sterven, krijgen de ouders eenige guldens uitkeering, dat weet ik. maar ik ben niet genoegzaam op de hoogte om hierop een voldoend antwoord te kunnen geven. 6063. V. Gij hebt u uit den aard van uw vroegere betrekking gedurende 'üO jaren op de hoogte kunnen stellen van den toestand van de arbeidersgezinnen. Weet gij ook iets mede te doelen omtrent het getal kinderen dat niet ter school gaat. A. Ik heb eene desbetreffende statistiek aan het stadhuis gevraagd, maar ik heb die niet tijdig genoeg kunnen krijgen. Do grootte van het schoolverzuim kan ik alleen afleiden uit dit feit. Van de 600 kinderen die dit jaar hun eerste communie doen zijn er slechts IS die niet lezen kunnen ; zoodat men kan rekenen dat 3 pet. van de kinderen niet ter school gaat. 6064. V. Is het u opgevallen dat te Maastricht een groot getal kinderen, die den leeftijd hebben van op school te gaan op straat zwerven ? A. Een groot getal kan ik niet zeggen, maar er zijn er toch enkele. 6065. V. Ik vraag u dit, omdat men de Commissie een stuk gezonden heeft waarin gezegd wordt, dat ongeveer 500 kinderen in Maastricht van onderwijs verstoken zijn. A. Dat kan ik niet aannemen. 6066. V. Gij hebt gedurende die 20 jaren onder uwe leiding kinderen gehad zoowel van de openbare als van de bijzondere scholen. Hebt gij een verschil van ontwikkeling kunnen bemerken tus-schen die kinderen van de openbare en van de bijzondere school, en zoo ja, op welke wijze? A. Bedoelt gij de betalende of niet betalende scholen? |
6067. V. Ik spreek van de niet betalende openbare en bijzondere scholen. A. Onze niet betalende openbare scholen zijn uitstekend ingericht en er wordt buitengewoon goed onderwijs gegeven, dat zelfs in sommige opzichten ruimschoots zoo goed is als dat van de bijzondere scholen. Maar dat laat zich verklaren, door dat het gehalte der kinderen op de openbare armenschool beter is: het zijn meestal kinderen van kleine burgerlieden. De kinderen van de arbeiders komen bijna allen op bijzondere scholen, terwijl dit tevens het geval is met alle verlaten kinderen, die soms drie, vier jaren op straat hebben ge-loopen en dan in handen komen van de geestelijkheid of van vereenigingen van liefdadigheid. Uierdoor ontstaat het verschil in gehalte. Daardoor komt het. dat in sommige gevallen het gehalte van ontwikkeling iets minder kan zijn: maar in het algemeen kunnen wij zeggen, dat onze bijzondere scholen â dat zal de commissie van onderwjjs bij ons wel constateeren â zeer goed werken. 0068. De Voorzitter: Dan geloof ik, dat wij aan het eind van ons lang verhoor zijn en zeggen wij er u onzen vriendelijken dank voor dat ge hier gekomen zijt en dat gij ons zooveel hebt medegedeeld. Wij hebben ook geapprecieerd, dat, terwijl ge in ziekelijken toestand waart en moeilijk kondt schrijven, ge ons toch van uit het buitenland zoo spoedig geantwoord hebt op onzen brief van October 11. A. Ik dank ook de heeren voor de welwillendheid waarmede zij mij hebben aangehoord. Ik hoop dat het weinige, dat ik heb medegedeeld, zal bijdragen tot verheffing van den arbeidersstand op zedelijk, maatschappelijk en godsdienstig gebied, zonder nadoel te doen aan de belangen van heeren fabrikanten. J. H. Wijnen. Verhoor van den heer A. J. Arnolds. (Verkort). 6069. De Voorzitter: Wilt gij uw naam, voornamen, betrekking en ouderdom opgeven? A. Antonius Joannes Arnolds, overste |
89
|
van de bijzondere school te Maastricht, oud OU jaar. (5070. V. Staat gij reeds lang aan het hoofd dier school of zijt ge er althans lang aan verbonden? A. Ja, sedert het jaar 1846; ruim 40 jaar ben ik dus aan die school verbonden. 6071. V. Wordt die school door veel kinderen bezocht? A. In Maastricht hebben wij op onze scholen 1000 leerlingen, waaronder 1300 armenkinderen. 607-2. V. Wat noemt gij »onze scholenquot; ? A. Do scholen, die door mij en de leden van onze vereeniging bestuurd worden. 6073. V. Welke vereeniging? A. Die der broeders, bekend onder don naam van de Congregatie der Broeders. 6074. V. Hoeveel scholen heeft die Congregatie ? A. in Maastricht 4 bijzondere scholen, met het getal kinderen dat ik opgaf. 6075. V, Er zijn zeker vele kinderen uit gezinnen van fabrieksarbeiders bij? A. Ongeveer de helft van de ouders van de behoeftige kinderen werken op de fabrieken; de vaders ongeveer do helft; en het 9de gedeelte van die helft zijn vader en moeder die beiden op de fabrieken arbeiden. 6076. V. Bezoeken de kinderen ook uit die gezinnen uwe school getrouw? en blijven zij wel tot hun 12de jaar, of gaan zij er vroeger af? A. Dat laat nog al veel te wenschen over. Er zijn zeer vele kinderen die vóór dien tijd de school verlaten, die tehuis de behulpzame hand moeten bieden, die er op uit moeten gaan, om, zooals dat heet, den kost te verdienen, die óf moeten gaan bedelen óf naar buiten op het land taan en zien of zij wat krijgen kunnen.aan en zien of zij wat krijgen kunnen. r zijn zelfs kinderen bij, die daar speciaal voor uitgestuurd worden en die met straf zijn bedreigd als zij des avonds niets voor het gezin aanbrengen. 6077. V. Het meerendeel houdt echter de school tot het 12de jaar? A. Ja. 6078. V. Hoe was de toestand vóór 1874? A. Veel ongunstiger; toen gingen de kinderen reeds op hun 9de jaar naar de fabriek van de hoeren Regout. |
6079. V. Maakte de wet van 1874 daaraan een einde? A. Ja. 0080. V. Als man van ondervinding acht gij dus hare werking gunstig, ook ten aanzien van het onderwijs? A. Ja, wanneer vroeger kinderen van 11 jaren onze school hadden verlaten om in fabrieken te gaan werken, waren zij na een paar jaren wegens de doorgestane ellende niet meer te herkennen. Na 1874 was dit niet meer aldus. Te bejammeren is het dat te Maastricht nog steeds kinderen vóór hun 'l'2de jaar de school verlaten om do zooeven genoemde reden 6081. V'. Bezoeken de kinderen, die de school getrouw volgen, haar tot aan het einde der hoogste klasse? A. Velen niet. ik heb daaromtrent eene opgaaf gemaakt ton aanzien van eene bijzondere school, die als type voor de andere kan dienen In 1873 verlieten op een getal van 355 er 76 de school, waarvan 42 beneden dien leeftijd, dus 55 pet. en ouder dan 12 jaar waren er zeven, dat is 9 pet. In het jaar 1886 is dat veel verbeterd. Toen hebben 32 kinderen boven de 12 jaar de school verlaten. Maar er blijft nog altijd een groot getal onder de 12 jaar de school verlaten, dat is hoofdzakelijk toe te schrijven aan den behoeftigen toestand der gezinnen, zoodat de kinderen op de eene of andere wijze behulpzaam moeten zijn om het gezin te onderhouden. 6082. V. Zou' daar niet aan kunnen worden te gemoet gekomen als de vader misschien sommige verteringen wilde nalaten ? A. Ja, als de vader wat matiger was en de moeder wat huishoudelijke!-, dan zou dat wel veel helpen, maar toch verkeert in zeer veel gevallen het huisgezin inderdaad in behoeftige omstandigheden. 6083. V. Zoodat de kleine kinderen geëxploiteerd moeten worden? A, Ja, daarom zijn er ook zooveel gezinnen, waar de moeder verplicht is ook op de fabriek te werken. 6084. V. Zijn de loonen dan zoo slecht dat de man niet alléén het noodige voor het onderhoud van het gezin kan verdienen ? A. Dat durf ik niet zeggen. Maar ook |
9( )
|
gezinnen, waai- de ouders niet op fabrieken werken, verkeeren dikwjjla in behoeftige omstandigheden, en dikwijls in behoeftiger dan die. waar do ouders fabrieksarbeiders zijn. Men heeft arme kleermakers en schoenmakers en dergelijke, die soms geen 2 gld. of '2,.quot;0 in de week verdienen, terwijl een werkman op eene tabriek in don regel veel meer verdient. Gelijk ik u gezegd heb ben ik ongeveer 40 jaar bij het onderwijs. Daarvan ben ik -20 jaar bij arme kinderen, en ik heb nooit onderscheid behoeven te maken tusschen kindei en van fabrieksarbeiders en kinderen van ouders die niet op eene fabriek werkten. Ik heb er nooit eenig onderscheid in bespeurd, zoolang zij op dc school waren Dezer dagen heb ik er nog een mijner colle-sja's naar gevraagd en die zeide mjj, dat ook niemand van de andere onderwijzers eenig verschil had waargenomen. Ook heb ik een van de scholen aan eene kleine proef onderworpen Van die kinderen namelijk, waarvan de ouders op fabrieken werken, die ongeveer de helft bedragen, heb ik de vorderingen nagegaan en die verdeeld in goede, middelmatige en onvoldoende, en de uitslag heeft mij bewezen, dat bet ongeveer gelijk was. Ik heb eene kleine opgave gemaakt, waaruit blijkt dat eene klasse van 52 jongens, gemiddeld 11 jaren oud. bevat 23 knapen, wier vaders geen fabrieksarbeiders zijn. Hunne vorderingen in het leeren zijn van 5 zeer goed. van 8 middelmatig en van 10 onvoldoende. De 29 overigen zijn kinderen van fabrieksarbeiders. Hunne vorderingen zijn van 6 zeer goed, van 10 middelmatig en van 13 onvoldoende. Een andere klasse van 49 jongens gemiddeld 11 jaren oud, heeft 25 knapen, zonen van niet-fabrieksarbeiders. Hunne vorderingen in het leeren zijn: van 7 zeer goed, van quot;12 middelmatig, van 6 ' onvoldoende. De 34 overigen zijn kinderen van fabrieksarbeiders, hunne vorderingen zijn van 3 zeer goed, van 9 middelmatig en van 12 onvoldoende. Zoolang de kinderen op school gaan is het verschil weinig merkbaar, maar zoodra zij de school verlaten hebben en zoodra zij op de fabriek werkzaam zjjn. |
dan moet ik ronduit zeggen, dat er alles uitgaat. wat zij geleerd hebben, zij zijn weldra de goede manieren vergeten en het zedelijk gehalte laat dan ook veel te wenschen over, zoodat er dan van de jongelieden dikwijls al heel weinig terechtkomt in vergelijking met hetgeen zij vroeger op school waren. 6085. quot;V. Ik wil u toch vragen of gij niet bespeuren kondet welk een onge-lukkigen invloed het niet te huis zijn van de moeder kan hebben op het huisgezin ? Heeft u ook gemerkt, dat het schadeljjk op de kinderen werkt, wanneer de moeder den geheelen dag op de fabriek werkt ? A. Ja, die invloed is zeer schadelijk, wij worden dien het eerst gewaar doordat de kinderen meer de school verzuimen. Het is eenige dagen geleden gebeurd, dat een zeer liefdadig man uit Maastricht naar een jongen was gaan zien, die niet op tijd op school gekomen was Hij had zich naar het huisgezin begeven, klopte aan de deur, die gesloten was; ten leste kwam een meisje van oen jaar of tien, elf om de deur te openen. De heer vroeg, waarom haar broertje niet naar school ging ? Het antwoord was: mijn broertje ligt nog te slapen, dat was des morgens om 10 uur. Ãr lagen er daar nog drie te slapen in het stroo. De heer zorgde toen, dat zij opstonden, in zijne presentie moesten zij zich aankleeden en daarop direct naar school. De verontschuldiging die de kinderen gaven was, dat zij niet wisten hoe laat het was Gij zult dus gemakkelijk begrijpen hoe het in gezinnen gaat, waar vader en moeder afwezig zijn. Dan gebeurt het ook dikwijls, dat de oudere kinderen een gedeelte van de leiding van het huisgezin op zich moeten nemen, de jongens moeten zorgen voor de jongeren, en wanneer dit nu is afgeloopen moeten de jongens uit eigen beweging naar school gaan. Dat is natuurlijk heel moeilijk voor hen 6086. V. Ik weet niet best met elkander te rijmen hetgeen u zoo straks hebt fezegd, en hetgeen wij het laatst heb-en besproken. Versta mij wel, het komt volstrekt niet in mij op om u, zooals men zegt, te willen vangen, maar ik zou niet gaarne willen, dat, hetgeen uezegd, en hetgeen wij het laatst heb-en besproken. Versta mij wel, het komt volstrekt niet in mij op om u, zooals men zegt, te willen vangen, maar ik zou niet gaarne willen, dat, hetgeen u |
91
|
straks hebt gezegd, verkeerd werd begrepen en een verkeerden indruk maakte; dat zou jammer zijn. Straks hebt u gezegd â als ik u goed verstaan heb â dat u geen onderscheid kon maken wat intelligentie en ontwikkeling aangaat, tussehen kinderen uit fabrieksgezinnen en andere kinderen, en nu zegt u â wat ik heel goed begrijp â nu geeft u toe dat uit het uit huis zijn van vader en moeder beiden, door het werken op de fabrieken, soms een allernadeeligsten invloed op de kinderen heeft. Hoe rijmt gij dat gt; Zou uit het laatste feit niet het omgekeerde van het eerste feit moeten voortvloeien, en zou het laatste feit zich niet moeten afspiegelen in do mindere ontwikkeling van de kinderen uit fabrieksarbeidersgezinnen ? A. Ik begrijp u zeer goed, maar het getal van die huisgezinnen, waarvan vader en moeder beiden buitenshuis werken, is naar verhouding van de overige zeer gering. Gelijk ik zoo even gezegd heb, werkt ongeveer de helft van de ouders op de fabriek en voor '/9 deel daarvan werken vader en moeder beiden. C087. V. Dan eene andere vraag. Moet ik dan begrijpen dat de mededeelirg, die u straks gedaan hebt omtrent de tamelijk voldoende ontwikkeling ook van kinderen uit fabrieksgezinnen, sloeg op zoodanige gezinnen, als waarvan aüeen de vader op de fabriek gaat werken t A. Ja, Mijnheer de Voorzitter. 6088. V. Dat is. zult u mij toestemmen, een niet onbelangrijk punt; het is immers goed dat wij het even helder hebben gemaakt? A. Ja. Mijnheer de Voorzitter. 6089. V. Wat u straks gezegd hebt omtrent fabrieksgezinnen, waarvan de kinderen gelijk opgaan met kinderen van andere gezinnen, bedoelt gij gezinnen, waarvan èn vader èn moeder beiden buiten werken ? A. Neen alleen de vader. 6090. V. Dus daar blijft de goede invloed der moeder nog altijd werken, maar waar ook deze ontbreekt, geeft u toe dat de toestand allertreurigst is. A. Gaarne geef ik dat toe. 6091. Het doet mij genoegen dat wij dat au cl air hebben gebracht. A. Ik heb omtrent dit punt eene kleine mededeeling nog. |
Ik had eene klasse van 150 kinderen van gemiddeld 8 jaar uit het schoollokaal laten komen op de plaats en dtgt; kinderen uit de fabrieksgezinnen er uit gezet, dat bedroeg ongeveer '/andus 50. Daaruit heb ik er toen 20 uitgezocht, die er niet voordeelig uitzagen, en 20 uit die 100 zonder ze uit te zoeken. Toen heb ik ze â het was voor hen eene soort van belooning â om hunne lichamelijke krachten te beproeven, aan eene springbalans doen werken en ben ik tot de ontdekking gekomen, dat van die 20 kinderen uit de arbeidende klasse er slechts 2 waren, die de veer niet konden neertrekken en van andere 20 kinderen 7. Ik wil hieruit volstrekt geen gevolgtrekking maken, maar vertel slechts wat ik gezien en met alle juistheid op-geteekend heb. C092. V. Gij hebt behalve uwe gewone school ook nog eene bewaarschool onder uw bestuur? A. Ja, Mijnheer de Voorzitter! 6093. V. Daar blijven de kinderen tot hun 6de jaar Op welken leeftijd komen zij op die school? quot; A. Zij komen daarop met hun 3de of 4de jaar, blijven er tot hun 6de en komen dan op de leerschool. 6094. V. Zoudt gij het, bij de goedkeuring die gij geeft aan de werking van de wet van 1874, waarbij do leeftijd, waarop het kind mag gaan werken, op 12 jaren bepaald is, goedvinden of niet I dat die leeftijd hoog er werd gesteld? A. ik zou die uitbreiding goedvinden, voor zoover het betreft kinderen, die ten gevolge van hunne zwakke lichamelijke ontwikkeling op twaalfjarigen leeftijd geen zwaren arbeid kunnen verrichten. Men heeft knapen van 12 jaar, die er nog zeer schraal en vervallen uitzien. Ten tweede zou het goed zijn voor het aanleeren van het noodige en nuttige. Maar ik zou er niet voor zijn met het oog op de huisgezinnen, omdat ik overtuigd ben dat velen het Icon, dat die 12jarige knapen verdienen, zeer slecht kunnen- missen 6095. V. Maar telt gij het niet zwaar, dat die kinderen van 12 of 13 jaar I gebruikt worden voor velen en inspan-nenden arbeid? : A. Dat weegt zwaar; ik tel het zeer i zwaar, daar ik het zelf gezien heb. |
92
|
(5096. V. Waar hebt gij het gezien? A, Aan kinderen die zich bij de school weder presenteerden of die eens kwamen zien hoe het hun onderwijzer ging. 0097. V. Als die kinderen u dan uit oude hartelijkheid nog eens kwamen bezoeken, hebt gij dan waargenomen, dat zij er na een of' twee jaren arbeids op de fabrieken, vervallen uitzagen ? A. Zoo vervallen, dat ik hen niet meer herkende. CÃU8. V. En keurt gij dat jong gaan werken op die fabrieken niet af? A. Zeker keur ik het af, maar de vraag is: hoe zullen de ouders het maken? Die moeten toch ook loven. (1099. V. Als de wet zoodanig veranderd werd, dat de kinderen niet vóór hun 13Je jaar op arbeid mochten gaan, gelooft gij dan dat zij de school zouden Clijven bezoeken? A. Velen niet, wijl velen nu reeds vóór hun l*2de jaar weggaan. ClOO. V. Dat zal dan toch van de ouders en van den invloed der geestelijkheid afhangen? A. Het hangt voornamelijk van de ouders af. Bij ouders die goed voor hunne kinderen zorgen, gaat alles wel; maar er zijn er ook, die zoo totaal onverschillig zijn. dat zij zelfs niet weten waar hunne kinderen zijn of blijven 6101. üe heer Kuj's van Beeren-))roek: Wordt het schoolbezoek op de eene of andere wijze aangemoedigd of direct uwerzijds of door tusschenkomst van eene of andere vereeniging, door het uitdeelen van kleedercn enz. A. Het schoolbezoek wordt aangemoe digd door ons zeiven. Alle jaren wordt door een dor onzen eene collecte gehouden bij de weldenkende ingezetenen van Maastricht Door hunne offervaardigheid hebben wij verleden jaar over f 1180 kunnen beschikken. Voor dat geld werd gedurende het winterseizoen aan de kinderen uitgedeeld brood, aardappelen en kleedercn en een van de voorwaarden is, dat zij zoo trouw mogelijk de school moeten bezoeken. Het wordt ook nog aangemoedigd door eene gift van kleedeien en andere zaken, die door de sociëteit »Momusquot; te Maastricht gegeven worden aan de kinderen, die trouw op school komen. |
Lüe sociëteit stelt eenige zaken beschikbaar voor kinderen en lieden zonder onderscheid van persoon; eene sociëteit van eenige heeren verstrekt aan arme kinderen warm voedsel. Dit laatste geschiedt echter niet als belooning van getrouw schoolbezoek. De uitdeeling heeft plaats na den ochtendschooltijd, en natuurlijk zijn de hongerhebbenden tegenwoordig. Viermaal in de week ontvangen 90 kinderen op die wijze voedsel, waarvoor wij onze eetzaal hebben afgestaan. Er worden spijsboekjes uitgegeven, om zooveel mogelijk het schoolverzuim te verminderen. Het moedwillig verzuim stel ik op 1 pet.; neemt men ook in aanmerking de gevallen van ziekte bij kinderen en ouders en dergelijke redenen van afwezigheid, dan wordt de verhouding 4 a 5 pet. In den winter en bij heerschende kinderziekten stijgt dit tot 6 pot. en wellicJit nog hooger. Vóór 1874 bedroeg de afwezigheid geregeld 5 ii 6 pet., en die verhouding bestaat nu alleen bij alle de genoemde oorzaken. 6102. V. Dus wat nu I pet. is was vroeger 5 a 6 pet.? A. Neen, wat nu 4 pet. is 0108. De heer Kuysvan lieereubroek: Er is van zekere zijde beweerd, dat tc Maastricht in de maand December jl. 500 kinderen geheel van onderwijs verstoken waren; maar volgons de feiten die gij mededeelt, zou dat op zijn zachtst genomen eene vergissing moeten zjjn. A Ik geloof ook dat het eene vergissing is Wel zijn er kinderen, en betrekkelijk veel, die op geen school hoegenaamd komen, maar dat het 500 zou zijn, kan ik niet aannemen. 6110. De Voorzitter Ik dank u voor de gegeven inlichtingen. Uw verhoor is afgeloopen. A. J. Arnolds. Verhoor van den heerH. J. Delfgaauw. ( Verkort). 6111. De Voorzitter: Mag ik uverzoeken uw naam. voornaam, beroep, woonplaats en ouderdom op te geven? A. Hendrikus Johannes Delfgaauw, hoofd van de stadsarmenschool voor kosteloos lager onderwijs te Maastricht, oud 31 jaar. |
93
|
011-2. V. Aan de zoogenaamde Augus-tiinenschool? A. Ja â¢3113. V. Dat is de eenige school voor lager onderwijs, die van stadswege bestaat voor on- en minvermogenden ? 6114. V. Voor hoeveel kinderen is de school ingericht? A. Elf klassen, elk lokaal berekend op 48 kinderen, waarbij nog eenige plaatsen verloren worden door de plaats van kachels enz,, zoodat er feitelijk 502 plaatsen in de school beschikbaar zijn. 6115. V. Hoeveel zijn er thans? A. Op 1 Januari 11. 454. 0116. V. Zijn er dus 48 plaatsen open? A Ja. 0117. V. Zitten de onderste klassen vol ? A. Ja alleen in de hoogste klassen zijn plaatsen open. 0118. V. Dus is er feitelijk geen beschikbare ruimte voor aankomende kinderen ? A. Juist. 6119. V. Das het bestaan van 48 ledige plaatsen kan samengaan met de noodzakelijkheid tot het weigeren van toelating' van kinderen op de school ? A. Ja. In een paar lokalen is er ook maar voor -48 kinderen plaats. 61'20. V. Wordt er voor een groot aantal kinderen plaatsing gevraagd op uwe school ? A. Dat aantal was groot, maar in October is een nieuwe klas geformeerd, en een nieuw onderwijzer toegestaan. Toen heb ik 68 kinderen geplaatst, en een nieuwe klas van 50 kinderen gemaakt, en de andere heb ik getracht aan te vullen in de plaatsen die open -waren. Toen waren er niet meer die plaatsing verlangden, maar nu zijn er weder bijgekomen. 0121. V. Maar zou het mogelijk zijn, dat er verleden jaar, in December 1886, ongeveer 500 kinderen in Maastricht van onderwijs verstoken zijn geweest ? A. Ik zou waarlijk niet kunnen begrijpen hoe dat mogelijk kan geweest zijn. In November vernam ik, dat er 52 kinderen waren, die plaatsing verlangden, er is toen eene nieuwe lijst opgemaakt op last van het bestuur, ten einde te onderzoeken hoeveel kinderen plaatsing verlangden. 0122. V. En hebt gij die kunnen plaatsen ? |
A. Na do vorming van de nieuwe klasse heb ik er drie kunnen plaatsen. 0123. V. Het komt in meer gemeenten voor, dat niet al de kinderen kunnen geplaatst worden, het was dus mogelijk dat er 50 geene plaats konden krijgen ? A. Ja 0124. V. Hebt gij roden om te geloo-ven, dat liet getal nu grooter is? A. Ik geloof dat het grooter is. 6125 V. Maar gij gelooft niet dat het zooveel honderden bedraagt, als ik daareven noemde ? A. Neen. 6129. V. Komen de kinderen tot hun 12de jaar op de school of blijven zij langer? A. Ik heb 76 leerlingen van 12, 13, 14 en 15 jaar. 6130. V. Kunt gij ze zoo lang houden ? A. Ja, ik heb er twee van 15 jaar, maar dat behoort tot de uitzonderingen, maar het komt wel voor. 6131. V. Dan geeft gij zeker meer uitgebreid lager onderwijs? A. Behalve de gewone vakken, wordt op mijne school onderwijs gegeven in Fransch, handteekenen, gymnastiek, en voor de meisjes in de fraaie handwerken. 6132. V. Zijn er op uwe school ook kinderen uit fabrieksgezinnen? A. Ik heb in de laatste dagen een onderzoek ingesteld. Ik heb kinderen uit 150 gezinnen. In eene fabriek werken 64 hoofden van gezinnen ; Ook heb ik gegevens verzameld omtrent de moeders die in fabrieken werken. 6133. V. Waren er dat veel? A. Neen ; 3 op de 150 huisgezinnen en daarvan waren er twee weduwen. 6141. V. Hebt gij ons nog eenigerlei mededeeling te doen? A. Ja, Mgnheer de Voorzitter! Ik heb nog eenige gegevens verzameld omtrent de werking van de wet van 1874 betreffende den kinderarbeid. In 1808 bedroeg het cijfer der kinderen, die vóór 12 jaren de school verlieten voor arbeid of onbekende redenen, 14 pet-., in 1871 en 1874 12 pet.; nal874i3dat verzuim om diezelfde redenen gemiddeld 67/i(i pet. geweest en in de laatsto 4 jaren bedroeg het slechts l1/-.' pot. 0142. V. Dat pleit dus voor de goede werking van de wet van 1874. |
|
A. In de middelklassen was het vroeger een gewoon feit. dat kinderen van 8 n 0 jaren de school verlieten om op de fabriek te gaan werken, doch thans blijven zij, met eene enkele uitzondering, tot hun IMe jaar op soliook 0143. V. Hebt gij nog iets anders mede te deelen ? A. Neen, Mijnheer de Voorzitter. 6144. V. Dan dank ik u voor de gegeven inlichtingen. 11. J. JlELFGAAL'W. Verhoor van den heer r. Marckx. 6145. De Voorzitter; Wilt ge zoo goed zijn uw naam. ouderdom, betrekking en woonplaats op te geven ? A. Francois Marckx, oud 61 jaar, secretaris van het burgerlijk armbestuur, wonende te Maastricht. 6146. V. Zijt gij sedert lang secretaris van dat armbestuur ? A. Meer dan 29 jaren. 6'147. V. Ãp het burgerlijk armbestuur te Maastricht schijnt zeer veel neder te komen. Is die indruk juist? A. Ja, er komt zeer veel op neder. 6148. V. Wordt de verzorging en de verpleging bij ziekte of ouderdom van werklieden en hunne gezinnen inderdaad voor een groot deel overgelaten aan de gemeente in den persoon van het burgerlijk armbestuur? A. Ja bepaald. Ik heb ten overvloede eene lijst gemaakt van fabrieksarbeiders, die voor hun leven in het godshuis moeten opgenomen worden. Ik zal die lijst overleggen. 6149. V. Voordat gij die lijst overlegt, vvensch ik u eene vraag te doen. Gij bedeelt in geld niet waar? A. Ja. 6150. V. En in levensmiddelen? A. Weinig, bijna niets. 6151. V. Geeft gij dekking en ligging? A. Neen. Alleen in buitengewone omstandigheden. 6152. V. Verstrekt gij woningen? A Ja. 6153. V. Betaalt gij daarvoor de huur, of hebt gjj eigen panden? A. Wij hebben eigen panden en panden van de stad, die gratis worden verstrekt. |
6154. V. Geeft gij genees-, heel- en verloskundige hulp? A. Ja. 6155. V. Hebt gij zieken, die in gestichten worden verpleegd ? A. Ja 6156. A. Is het grootste gedeelte der door u verpleegden fabrieksarbeiders? A. Neen, de meeste hulp, die wij verstrekken, is geneeskundige hulp. Ik heb eene lijst overgelegd van de fabrieksarbeiders-gezinnen, die door het armbestuur met geneeskundige hulp en geneesmiddelen bedeeld worden. liuisgeziimen. Kegout amp; Co , lioschstraat . . . 707 Papierfabriek........158 Céramique.........151 Nagelfabriek, Regout, Markt. . . 25 Behangsel fabriek. Rutten, Kleine gracht 20 Ijzergieterij, Joseph amp; Co , Langs het Kanaal quot; 15 Constructiewinkel, üoppler ... 14 Dekenfabriek, Regout, Kl Looijerstr. 14 Tabaks- en sigarenfabriek,' Geb. Philips 13 Uzergieterjj, van Oppen amp; De Beaumont 10 Fabriek, J. G. I.ambriex, Muntstr. 8 Geweerfabriek, Kd. De Beaumont. 5 Zinkwitfabriek........3 Papierfabriek, Tielens en Schrammen 2 Nagelfabriek, Bauduin amp; Co., Kl. Looijerstr. 2 Zoutziederij.........2 Behangselfabriek, Claereboets. thans Regout 1 Verraicollifabriek.......1 Marbriers..........1 Steenfabriek.........1 Tabaksfabriek, Thomassen. ... 1 üp verschillende andere fabrieken. 35 Samen 1189 Getal huisgezinnen van fabrieksarbeiders, die tot 27 December 1886 bij het burgerlijk armbestuur aanvraag hebben gedaan ter verkrijging van kos-telooze geneeskundige hulp en geneesmiddelen. Er blijven nog een groot aantal huisgezinnen te onderzoeken, die reeds vroeger die hulp kosteloos hebben genoten. |
95
|
Volgens oeiiö vroegere statistiek worden de huisgezinnen gemiddeld op 4 personen gesteld. Wij wensehen een uieuwe ziekenbeurs in te voeren, opdat de arbeider zelf iets betale. Het aantal arbeidersgezinnen nagaande, vond ik or in Uecomber ber 'i ösü 1189, elk gemiddeld van 4 personen. 6157. V. Hoe is het ten aanzien van de weduwen-bedeeling ? A. 8(5 weduwen van fabrieksarbeiders worden ondersteund, waarvan l!» een te Maastricht vreemden man hadden, 7 vrouwen die daar vreemd zijn, en 18 waarvan man en vrouw vreemd zijn, dus 44 vreemden en maar 42 van Maastricht afkomstig. 6158. V. Uit eene door u overgelegde Hjst zie ik dat gij jonge weduwen van 34, 35, zelfs van 31 jaar bedeelt? A. Als zij veel kinderen hebben en de omstandigheden den onderstand on vermijdelijk maken. 0061. V. Doen de fabrikanten geen krachtige pogingen om de arbeiders er toe te brengen om door onderlinge ver-eenigingen, fondsen en wat dies meer zij, zooals in andere provinciën van ons land veel plaats heeft, voor den ouden dag of ziekte te zorgen? A. Weinig of niet. Er zijn ziekenbeur-zen, waaruit de werkman de helft van zijn dagloon in geval van ziekte ontvangt, bij vele fabrieken althans, zooals bij de firma Regout. Maar er wordt niet uitgekeerd voor den ouden dag. Als zij een jaai ziek zijn, krijgen zij de helft, en als zij meer dan twee jaar ziek zijn niets meer. Zijn zij heel oud, b. v. 50 of 60 jaar, dan worden zij te oud geacht om uit de ziekenbus te trekken. 6161. V. Worden zij dan eenvoudig geschoven op de gemeentelijke en particuliere liefdadigheid. of aan gebrek overgelaten ? A. Ja. Er zijn zelfs hemeltergende gevallen voorgekomen van menschen, die in de 40 jaren op zulk een fabriek geweest waren zonder ooit ziek te zijn geweest en ooit een cent uit de bus fenoten te hebben, en eensklaps aan de eur gezet werden.enoten te hebben, en eensklaps aan de eur gezet werden. 6162. V. Van welke fabriek spreekt gij ? A. Van de fabrieken van de firma |
Kegout. omdat daar de meeste werklieden zijn. Wij hebben nu tien fabrieksarbeiders, die minder dan tien jaren op de fabriek gearbeid hebben, acht van 10 tot 20, zeven van 20â30, een van 30â40 en dne boven de 40, en die nu voor hun geheele leven in het godshuis zijn opgenomen. 6163. V. Geheel en al buiten alle kosten van de fabrikanten ? A. Ja, geheel en al ten laste van het armbestuur. 6164. V. Dus zijn die menschen geheel en al overgelaten aan de publieke of particuliere liefdadigheid? A Hoofdzakelijk aan de publieke, omdat de bijzondere geen middelen genoeg heeft. Wij hebben op dit oogen-blik 29 fabrieksarbeiders, die voor hun leven verzorgd worden, somtijds zijn er echter meer. 6165. V. Wat is het maximun van bedeeling ? A. Dat hangt af van het huisgezin ; er zijn er die f 1,75 hebben â dat is zoo wat het hoogste â en geneeskundige hulp. 6166. V. Die menschen krijgen dan, zooals gij zegt, van het armbestuur hoogstens f 1,75 a f 2 per week? A. Met eene enkele uitzondering is dit het maximum. 6167 V. En daar moeten die menschen mede rondkomen ? A. In den regel krijgen zij nog wel wat van de kerkelijke of bijzondere instellingen van liefdadigheid en dan gaan zij hier en daar wat opvragen. 5168. V. Met andere woorden, dat leven is dus een leven vol ellende ? A. Van groote ellende. 6169. V. Hebt gij daar wel feiten van bijgewoond ? A. Ja zeker, wanneer zulke menschen om verzorging komen, dan adviseer ik in den regel om hen in het Gebrekki-gen-Huis te plaatsen. 6170. De heer Kuys van Beeren-broek : Zeker naarmate daar plaats is ? A. Ja. 6171. De Voorzitter; V. Kn hoe oud zijn die menschen dan, 50 jaar ? A. Neen 70 jaar, tenzjj zij werkelijk gebrekkig zijn. 6172 V. Er zijn in de fabrieken wel afdeelingen waar die leeftijd niet bereikt wordt |
90
|
A. Ja op de pottenfabriek. De men-selien krijgen daar, wat de doctoren u zeker wel gezegd zullen hebben, longontsteking en hunne generatie is niet beter. Als men de kinderen van de fabrieksarbeiders vergelijkt met de kinderen van andere werklieden, dan ziet men het onderscheid. De glasblazers en de pottemannetjes zijn het ongelukkigst. 6173. V Wat is uwe ervaring van de huisgezinnen, waar de ouders den ge-heelcn dag uit werken zijn ; hoe groeien de kinderen op? A. De toestand van die huishoudens is allerellendigst. (3174. V. Kunt gij ons het een en ander daaromtrent mededeelen ? A. Zeker, waar de man en de vrouw op de fabriek werken, komt de man spoedig aan den drank, want, komt hij te huis, dan vindt hij geen vuur, geen eten, niets hoegenaamd. De vrouw kan niets herstellen aan do kleederen zij weet van de huishouding niets af, de kinderen worden bij anderen gegeven, de liefde voor de moeder verdwijnt, in het kort de familieband wordt geheel verbroken. 0175. V. Wie zorgt er voor de kleine kinderen ? A. Die worden uitbesteed, men noemt dat in Maastricht: «hou-kinderkensquot;. 617G. V. Dus dat is voor die kinderen een zeer ellendige toestand. Zij verliezen de liefde voor de moeder en worden in den regel verwaarloosd en de gevolgen blijven niet uit? A. Zij groeien op, maar hoe! 6177. V. Zoudt gij het wenschelijk vinden dat de getrouwde vrouwen niet raeer als arbeidsters in de fabrieken werden toegelaten? A Bepaald zeker, maar met eene uitzondering, n. 1. wanneer de man ziek is en de vrouw moet voor het huishouden opkomen, dan zou de vrouw met een attest van de eene of andere autoriteit, het armbestuur, de politie, den dokter, burgemeester of patroon, moeten worden toegelaten, maar in geen geval in hoogst zwangeren toestand. 6178. V. Dit punt zullen wij later bespreken, maar als algemeenen regel wilt u gesteld zien. dat de vrouw van den validen werkman niet toegelaten mag worden ? |
A, Ja 6179. V. En dit zegt gij op grond van de treurige ervaring die gij omtrent de bestaande toestanden hebt opgedaan? A. Ja, gedurende lange jaren. 6180. V. Laat ons nu de zaak eens van de andere zijde bezien. Wij spreken nu niet over het geval dat de man ziek is, dan wilt gij zelf eene uitzondering toelaten, maar hebben de menschen zelfs nu al niet veel moeite om de twee einden aan elkander te binden ? A. Ja, maar ik geloof dat de voor-deelen van een verbod voor de gezondheid, de samenleving, den familieband veel grooter zijn dan de nadeelen. Als de werklieden meer inkomsten hebben, verteren zjj ook meer. Men moet Zondags en 's Maandagsavonds die brasserjjon maar eens zien ; het halve weekloon wordt dan verteerd. De menschen zijn uithuizig, de man is het gewend ; er is geen peil op te trekken. 6181. V. Dus u cijfert volstrekt de bezwaren niet weg; men zou op sommige verteringen oen beetje spaarzamer moeten zijn, maar daartegenover staat zooveel goeds, dat u zonder eenigen twijfel adviseert om vrouwen, die valide mannen hebben, te weren uit de fabriek ? A. Ja. 6182. V. Nachtwerk van vrouwen komt in de fabrieken waar u over spreekt niet voor? A. Neen. 6183. V. Omtrent het werken van aankomende meisjes op de fabrieken hebt u geen gelegenheid gehad om observaties te maken ? A. Ja, dat die meisjes in de fabrieken te veel in aanraking met de jongens komen die er werken. Daardoor komen 7,ij veel te vroeg tot onberaden en meestal gedwongen huwelijken. Met den besten wil kan de fabrikant ze niet van elkander afgezonderd houden. Tot die huwe lijken draagt dan het besef bjj dat elk zooveel verdient en dat tellen zij dan bijeen, er niet aan denkende dat er kinderen komen enz. De heer Regout zegt: waarom zou ik de vrouw, die als meisje bij mij werkte wegzenden, omdatzij huwt? De quaestie heeft echter ookeenmoreelezijde. |
97
|
VVjj kennen den moreelen toestand van de werklieden maar al te goed en over hetgeen onder hen gezegd en gesproken wordt zal ik liefst maar niet uitweiden; de heeren zullen mij wel begrijpen. 6184. V. Gij zeidet daar zooeven dat gij het werken van zwangere vrouwen op de fabriek wenschtet verboden te zien. Welke handelwijze zoudt gij te dien aanzien willen zien aangenomen ? A. Ik zou hare tegenwoordigheid op de fabriek, onder geen voorwendsel, willen geoorloofd zien. 6185. V. Maar dan toch voor een eenigszins beperkten termijn ? A. Natuurlijk. 6186. V. Gebeurt het wel eens dat zwangere vrouwen tot het laatste oogen-blik blijven en dan weder spoedig terugkomen ? A. Zeer zeker. Ik ken gevallen van vrouwen, die den derden of vierden dag na hunne bevalling opstonden en eenige dagen daarna weder naar de fabriek gingen, 6187. V. Komt het in Maastricht menigmaal voor dat uw armbestuur hulp moet verleenen bij gelegenheid van ongelukken, die de menschen bij het werken in de fabriek krijgen ? A. O ja. Ik heb, voor zoover ik het heb kunnen nagaan eene kleine statistiek opgemaakt, waaruit blijkt dat het getal zwaro verwondingen, waarvoor patiënten in het gasthuis verpleegd worden, gemiddeld acht per jaar bedraagt, voor welke verwondingen wij hulp verleenen. Het getal lichte verwondingen, zooals een vinger afzetten enz., kan ik niet opgeven, omdat de patiënt meestal direct naar den dokter gaat. 6188. V. Komen die kleine verwondingen nog al eens voor? A. Zeer dikwijls. De verwonden komen dan gewoonlijk bij ons aan het hospitaal om een dokter vragen. 6189. V. Dus ook die zorg komt ten laste van het armbestuur ? A. Ja; die menschen zeggen : het geld behoort aan de armen en het is dus van ons. Dat is proverbiaal geworden. 6190. V. Dus het armbestuur doet eigenlijk hetgeen tot zekere hoogte althans de plicht zou wezen van de fabrikanten ? II. |
A. Ja. Wij zijn sedert jaren werkzaam om een ziekenbus op te richten voor fabrieksarbeiders, waarin ook ondersteuning zou gegeven worden in geval van ziekte. Maar wij hebben het niet kunnen doen, door tegenwerking van den fabrikant Regout. Gisteren nog reizende met den heer Louis Regout, lid der Eerste Kamer, heb ik hem aangezocht voor zijne werklieden deel te nemen aan die ziekenbus en zijn antwoord was : «Neen, wij moeten meester over onze werklieden blijven.quot; Zij moeten hunne werklieden kunnen commandeeren en drillen, zooals zij willen. Ik heb daar dezer dagen nog een voorbeeld van gehad Een zeer knap werkman, die van de stad last gekregen had niet meer in die woningen van den heer Regout, maar in de stad te wonen om bij brand dadelijk hulp te kunnen verleenen, deed dat, en het gevolg was dat de heer Regout hem door een opzichter liet zeggen, dat, als hij uit zijn huis ging, zijne vier kinderen uit de fabriek zouden weggezonden worden. Zoo menschlievend is men 1 0191. V. Welk belang had de heer Regout daarbij ? A. Wel, de huur moet vooruit betaald worden, en die houdt men van het werkloon af, dat is zeer gemakkelijk. 6192. V. Gij schrijft dat dus toe aan de ongeneigdheid van den heer Regout, om zijn huis misschien ledig te laten staan A, Ja, waarschijnlijk, want men bezit zekerheid en heeft den huurder altijd in handen. Deze werkt op de fabriek, en niet alleen dat de arme werkman vooruit moet betalen, maar zelfs eene maand vooruit, 0193, V. Hij heeft dus, wilt gij zeggen, op die wijze aan den werkman een goeden huurder? A. Ja. 0194. V. Zou het een groot offer zijn dat van de fabrikanten geëischt zou worden om de ziekenbus tot stand te brengen ? A. Volstrekt niet. Wij wenschen maar dat de werkman eenige centen 's weeks zal betalen, en dat de fabrikant dit van den werkman zou inhouden en aan het armbestuur overdragen. Daar stond tegenover, dat de werkman daarvoor |
08
|
dan niet alleen geneeskundige hulp en geneesmiddelen kreeg, maai' ook ten tweede een onderstand dagelijks, al was die klein, en ten derde van de begrafeniskosten verzekerd was; want ik mag niet verzwijgen dat de begrafenisfondsen eene pest zijn voor die lieden 6195. V. En hebben de heeren Regout geen geneigdheid om dat te steunen ? A. Neen, want zij zeggen: wij willen meester blijven. 6196. V. Meester blijven? In welken zin wordt dat bedoeld? A. In dien zin, dat het beteekent: wij willen niet bij het armbestuur komen en vragen : kan die man wat krijgen ? 6197. V. Zij geven dus zelf niets? A. Althans niet veel. liet is altijd de werkman die het betaalt. 6198. V. Is het waar, dat de uitkee-ring uit het ziekenfonds betaald moet worden aan het burgerlijk armbestuur als dat bestuur zulk een man in het hospitaal opneemt ? A. Dat is in zekeren zin waar. Bij ongelukken, die in de fabriek hebben plaats gehad, hebben de fabrikanten zich verbonden 50 cent daags voor den werkman te betalen. Tot voor korten tijd was het gebruik dat, als hij een klein inkomen uit de ziekenbus had, hij dit moest afstaan aan het armbestuur ; maar daartegenover stond dat wanneer de werkman een gezin had, de onderstand van het armbestuur soms meer bedroeg dan het bedrag van het ziekenfonds. Het armbestuur wenscht nu de lieden het sparen te leeren : het geld wordt gegeven voor de zieken, niet voor de gezonden. 6199. V. Het gevolg daarvan is dan toch dat, als de zieke vader naar het hospitaal gaat, geen ziekengeld in handen komt van de achterblijvenden, die reeds zijne verdiensten missen ? A. Hulpbehoevende gezinnen krijgen, dan ondersteuning van het armbestuur, soms meer dan zij van het ziekenfonds zouden ontvangen. Dat bestuur beoordeelt den toestand. Er zijn gezinnen waarvan de vrouwen en de kinderen zooveel verdienen, dat de verdiensten van den man kunnen gemist worden. In dit geval ware het onbillijk de verpleging ten laste van het armbestuur te brengen. |
6200. V. Hebt gij in onze Schets aanleiding gevonden tot nog niet gemaakte opmerkingen en mededeelingen ? A. Vooral ten aanzien van het nachtwerk. In 1874 heb ik geadviseerd het werk van kinderen beneden de 14 jaren te verbieden. Zeer zeker zoude daaraan ongerief verbonden zijn, de scholen zouden overbevolkt worden, en vele ouders zouden de kinderen toch niet ter school zenden. Doch ik wenschte dat het werk wierd begrensd tot eenige uren daags; terwijl dan de overige tijd voor herha-lingsonderwijs kon besteed worden. Dat ware eene wezenlijke weldaad. Wanneer men jongens van 14 a 15 jaar die des nachts werkten, overdag te bed ziet. herkent men geen redelijk wezen, zij zijn met geen macht wakker te schudden. Het is hartverscheurend als men hen des morgens van de fabriek ziet komen. 6201. V. Hebt gij dat zelf gezien ? A. Ja, meer dan eens heb ik zulk oen knaap met mijn eigen hand trachten wakker te schudden. 6202. V. Heeft dit zulk een indruk op u gemaakt, dat gij niet aarzelt te wenschen, ondanks de daaraan verbonden bezwaren, den leeftijd tot werken te bepalen op 14 jaren? A. Ja. 6203 V. Woont gij in de buurt van fabrieksarbeiders ? A. Ja, des Zondags- en des Maandagsnachts is er aan slapen niet te denkon. Ik woon in een huis waarlangs aan beide kanten loepen straten waar werklieden wonen en waar kleine kroegen zijn. 620i. V. Dus in de wijk, waarin gij woont hebt gij gelegenheid om ook buiten uwe ambts-betrekking uwe observation bevestigd te vinden? A. Ja, en ik heb mij sinds jaren met liefdadigheids-wei ken opgehouden, dus buiten mijne betrekking heb ik nog persoonlijke ondervinding. 6205. V. Zijn de beperkende bepalingen, die gij voor de jongens wenscht niet in sterkere mate noodig voor de meisjes ? A. Ja, hoewel de meisjes in den regel lichter werk doen. Ik weet ook heel goed dat er werken zjjn op de fabrieken, die beter door kleine dan door groote |
99
|
handen gedaan kunnen worden Maar niets belet beperkende bepalingen daarop te stellen. 6200. V. Wat is uw oordeel over de begrafenisfondsen, zijn die al of niet van nuttigen invloed op de positie van den werkman ? A. Zoo allerfataalst mogelijk. 0207. V. In verschillende opzichten? A. Ja, die mcnschen zien er tegen op om 25 cents per week voor de spaarbank te geven, maar niet om 30, 35 a 40 cents te betalen voor een begrafenisfonds, om bij het sterven van man of vrouw 60 gulden begrafenisgeld te ontvangen Zij doen hunne kinderen in verschillende bussen; het gevolg daarvan is. dat zij de kinderen onverzorgd laten zoodat zij voor den tijd sterven, om de 25 gld. begrafenisgeld te krijgen. Het is zoo immoreel mogelijk. 6208. V. Hebt gij wel eens feiten waargenomen, waar gij begrepen hebt, moraliter gesproken, dat het begrafenisfonds de oorzaak van den dood was ? A. Ja. zeker. Met het oog daarop wil het armbestuur juist pogingen aanwenden om dit te keer te gaan. 6209. V. Hebt gij nog eenige nadere mededeelingen te doen ? A. Ja, er is nog een punt waarover niet gesproken is. Voorzoover zulks nog kan worden nagegaan (de aanteekenin-gen daarvan gehouden zjjn volstrekt niet volledig) zjjn in de laatste 10 jaren in het ziekenhuis verpleegd; 354 fabrieksarbeiders of gemiddeld per jaar 35. Voor deze 354 waren: van Maastricht 247 waarvan tegen gedeeltelijke betaling 39 en 107 van elders wonende personen waarvan tegen gedeeltelijke betaling door de zieken-beurs slechts 33 ]k laat dit uitkomen, omdat do fabrieken het volk naar de stad trekken, en daardoor wordt de armoede vermeerderd. Het gaat zoo ver tegenwoordig, dat aan de kerken in de omliggende dorpen wordt aangeplakt: »op de fabriek van de firma Regout kunnen zooveel personen geplaatst wordenquot;. Men neemt die menschen gaarne, omdat zij sterker zijn en de loonen er door verminderd worden. Het spreekt vanzelf, als de firma |
Regout 10 man noodig heeft en er komen er 20, dan ontstaat, volgens het Manchester stelsel vraag en aanbod, en als men meer krachten heeft dan werk, dan kan men zeggen: ik geef maar zooveel loon. 6210. l)e heer Beelaerts van Blokland: Kunt gij ons uit uwe ervaring het een en ander mededeelen omtrent het misbruik van sterken drank ? A. Mijne ervaring is, dat er te veel gedanst wordt, de menschen worden dan warm en dorstig en drinken er maar op toe. 6211. V. Krijgen zij dien drank inde danshuizen ? A. Ja, tegenwoordig heeft men in die danshuizen orgels, die spelen den gan-schen dag zeer tot ongerief van de buren en ten nadeele van den werkman. De drank werkt allernoodlottigst. 6212 V. En wat zijn de gevolgen daarvan voor de gezinnen ? A Die kunt ge u best voorstellen. Er zjjn ouders, die geheel leven van hetgeen do kinderen verdienen, ja voor het loon, dat de kinderen verdienen, gaan de ouders den geheelen dag naar de herberg. Dit demoraliseert op don duur. 6213 V. Is het drankmisbruik bij de fabrieksarbeiders sterker dan bij personen uit dezelfde klasse maar die niet op fabrieken werken ? A. Ik ken een soort van personen, die meer drinken, dat zjjn de sjouwers, de zakkendragers en do lieden die op 1 do kaden loopen 0215. V. Indien gij don toestand van de fabrieksbevolking vergeljjkt met dien in vroeger jaren, is er dan vooruitgang of achteruitgang op te merken, op stoffelijk en moreel gebied ? A. Zeker achteruitgang. Wanneer de werkman veel verdient, wordt er ook veel verteerd. Ik heb in eene kleine nota aan den heer Ruys van Beorenbroek dat opgegeven De vrouw gaat naar den winkel en haalt kleedingstukken en eetwaren »op het boekjequot; zooals dat in de volkstaal heet, en moet dat duurder betalen dan anderen, die confrant betalen. 0210. V. Was dit vroeger minder sterk ? i A. Ja. |
100
|
tj-217. V. Is de zedelijke toestand dei-arbeiders slechter dan vroeger? A. Ja, zeker; huwelijkstrouw kennen zij bijna niet meer; de plichten dei-kinderen jegens de oudlèrs vergeten zij ouk. Het wordt eene zeldzaamheid als de jongen of het meisje genoegen neemt met zakgeld zooals vroeger. Zij betalen den kost. en als het niet voldoende is, gaan zij weg. Zij zijn in den regel niet tevreden ; veel gevallen doen zich voor dat zij de moeder, die weduwe is, in den steek laten. Zij verkeeren met een meisje en verteren het geld liever zoo. Dat is wel wat beter in den laatsten tijd bij de meisjes, die gedragen zich wat fatsoenlijker, maar dat schrijf ik toe aan den invloed der daarvoor bestaande vereenigingen. 6218. V. Wat zijn dat voor vereenigingen? A. De congregaties voor de labrieks-meisjes, waar deze gemoraliseerd worden. De verbetering daardoor in den laatsten tijd is aanmerkelijk. 6219. V. Dus u acht het nuttig dat dergelijke vereenigingen bestaan en de arbeiders niet aan zich zelf worden overgelaten ? A. Ja, ook voor de andere arbeiders vind ik ze in het algemeen nuttig. Wij hebben in Maastricht het voorbeeld voor oogen. Er is daar een spaarbank opgericht, die van de Heilige Familie, voor de werklieden, en er zijn nu verschillende arbeiders die vroeger geen cent hadden en nu al een eigen woning bezitten. Dat werkt zeer moreel. 6220. V. Is dat de spaarbank die door rector Wijnen is opgericht? A. Ja, dat zal wel zijn. Het geval doet zich voor dat de vrouw komt sparen achter den rug van den man, en de man achter den rug zijner vrouw, en verzoekt om er niets van te laten uitlekken. Dat werkt zeer moreel. Het eenige waar zij bang voor zijn, is dat het armbestuur achter hun sparen komt, omdat zij denken dan geen geneeskundige hulp en geneesmiddelen gratis meer te krijgen, terwijl wij integendeel juist het sparen in de hand werken als in ons eigen belang en in dat der moraliteit. 6221. V. Is het u bekend dat's zomers meer in de bank van leening wordt gebracht dan 's winters ? |
A. Ja, dat zijn de zoogenaamde week-panden. 6222. V. Zijt gij in dat bestuur ? A. Neen, als secretaris van hot armbestuur heb ik het moeten organiseeren, omdat er geen directeur was. Er zijn van die zoogenaamde week-panden, die des Maandags inkomen en des Zaterdags gelost worden. Het getal ervan bedraagt 000 a 700 in de week, misschien nog meer. 6223. De heer Ruys van Beeren-broek: In de zomermaanden wordt veel meer ingebracht dan in de wintermaanden ? A. Ja. Ik heb eens aan zulk een gezin gezegd: wat gij in de week op dat kleedingstuk krijgt, f 1,50 of f 1,75, zal ik u geven, maar dan moogt gij het niet meer naar de bank brengen, want tij krijgt daar ook maar eens het be-rag en betaalt daar zooveel interest. Maar na eenige weken kwam dat kleedingstuk weder in de bank, en als ik de reden vroeg waarom zij het gedaan hadden, dan kreeg ik ten antwoord dat kleedingstuk hangt toch in de kast, waarom zou ik er mij niet mede helpen ?ij krijgt daar ook maar eens het be-rag en betaalt daar zooveel interest. Maar na eenige weken kwam dat kleedingstuk weder in de bank, en als ik de reden vroeg waarom zij het gedaan hadden, dan kreeg ik ten antwoord dat kleedingstuk hangt toch in de kast, waarom zou ik er mij niet mede helpen ? 6224. De heer Beelaerts van Blokland : Aangenomen eens dat de loonen verhoogd werden, voor hoeveel gezinnen per honderd meent gij dat zulk eene loonsverhooging een zegen zou wezen? A. Zeer zeker voor de groote meerderheid. 6225. V Meent gij dat zij van die hoogere loonen een goed gebruik zouden maken ? A. Dat is moeilijk met zekerheid te zeggen, maar allen zouden het voorzeker niet doen. Voor hunne moreele verbetering zou zulk eene loonsverhooging zeer zeker goed zijn. Nu antwoorden zij: »wat moet ik met mijn huisgezin met 70 of 80 centen per dag doen? Wanneer wij niet te eten hebben, moeten wij ons goed naar de bank van leening brengen.quot; Maar wanneer zij meer verdienen, dan vervalt hun argument, en als zoodanig reken ik loonsverhooging reeds als een weldaad. 6226. V. Meent gjj dus, dat de loonsverhooging, die sedert 1870 heeft plaats gehad, ten gunste van de arbeidersbevolking heeft gewerkt ? A. Dat kan ik niet zeggen, want de |
lui
|
geldswaarde is gedaald ; zij krijgen voor een gulden niet meer wat zij er vroeger voor kregen. De loonsverhooging houdt geen gelijken tred met de verlaging van de geldswaarde. 6-227. V. Rekent gij, dat de werkman met het loon dat hij thans verdient, minder goed kan rondkomen dan in '1870 het geval was met het loon dat hij toen verdiende ? A. Alles ia verhoogd door de verlaging der geldswaarde. De man, die vroeger 5ü cents huur voor eene kamer betaalde, moet nu f 1 betalen. 6228. V. Dus de huishuur en de prijs der levensmiddelen is verhoogd ? A. Ja, want dit jaar, nu de prijs van aardappelen en brood, de levensmiddelen van den werkman, verminderd is, is een exceptioneel jaar. 6228. De heer Van der Sleyden : Zooeven is over het misbruik van drank gesproken : speelt het bier daarbij ook eene rol, ten kwade omdat van dien drank evengoed een overmatig gebruik gemaakt wordt, of ten goede omdat menigeen die bier drinkt zich onthoudt van sterken drank? Of wel, is het gebruik van bier niet zoo doorgedrongen, dat gij niet kunt zeggen dat het eene groote rol speelt ? A. Het bier speelt eene groote rol. Waar bier wordt gebruikt, wordt jenever niet gebruikt. 6222. V. Gij bedoelt dus eene rol ten goede ? A. Ja. 6230. V. Weet gij daaromtrent geene bijzonderheden mede te deelen ? A Neen, maar ik weet dat het gebruik van bier veel minder nadeelig werkt dan dat van jenever; en ook dat dc biergebruikers minder verteren. Maar geheel de dronkenschap tegengaan, dat doet het bier toch niet. 6231. V, Als ik u wel begrijp, heeft het gebruik van bier minder treurige gevolgen dan het gebruik van sterken drank: maar zijn er toch geen gezinnen bekend waar misbruik van bier wordt gemaakt ? A. Zeker. Men kan zich evengoed bedrinken aan bier als aan jenever, maar op lange na niet in die verhouding. |
6232. De heer Baliliuaun; De getuige heeft zooeven medegedeeld, dat er arbeiders zijn in de fabriek van de firma Regout, die wonen in woningen, welke behooren aan een der heeren Regout. A. Ja. 6233. V. Behooren die aan een der heeren Regout in privé ? A. Ja, aan den heer Pierre Regout, en aan den heer Louis Regout, lid der Eerste Kamer. Zij bouwen in hun privé en maken gebruik als lid der firma Regout, om die menschen te dwingen daarin te wonen. 6234. De Voorzitter : Is er nog het een of ander bij u opgekomen, dat ge zoudt willen uiteenzetten ? A. Ik weet waarlijk niet wat. 6235. V. Gij hebt ook al veel medegedeeld, dat belangrijk was. A. Uier is de lijst, die ik nog niet heb kunnen overleggen, namelijk van de fabrieksarbeiders die in het Gebrek-kigen-Huis verpleegd worden. 6236. De heer Ruys van Beeren-broek : Wanneer begint het verstrekken van geneeskundige hulp waarvan gij straks gesproken hebt 'aan de gezinnen ? A. Terstond na het aangaan van het huwelijk. Het is voorgekomen dat eene jonggetrouwde vrouw geneeskundige hulp en geneesmiddelen kwam vragen ; op mijn aanmerking dat zij pas gehuwd was, antwoordde zij: «Neen, mijnheer, reeds Woensdag,quot; en dat was Woensdag van de vorige week Zulke lieden zijn gewoonlijk het meest eischend, zij meenen dat hulp gegeven moet worden. Gij begrijpt echter. Mijne Heeren, dat weigeren van geneeskundige hulp en geneesmiddelen moeilijk is, men denkt steeds aan de gevolgen en vreest voor zelfverwijt. De volksmeening is dat men recht op de hulp hooft. Het gaat zelfs zoo ver: het armbestuur heeft een kleinen akker waarop steeds gestolen wordt, want, zegt men, die akker ia van ons, van de armen. 6237. V. Hoe gaat het verder met zulke gezinnen? A. Aanvankelijk ontvangen zij slechts geneeskundige hulp en geneesmiddelen; hot verleenen van onderstand geschiedt pas bij ziekte, wanneer niet genoeg uit de beurs wordt verstrekt. Dan is het volstrekt onvermijdelijk, en alleen in dit geval geven wij. |
11)2
|
0238. V. Wut is u bekend van het Maandaghouden ? A. Uaarraede begint men Zondagnamiddag en gaat er mede voort tot Maandagavond, gedurende dien tijd hoort men niets dan razen en tieren. 0239. V. Gij hebt gesproken van het in de winkels op krediet koopcn, waardoor de waren duurder worden; welke is uwe meening omtrent den dag waarop het loon het verkieslijkst zou kunnen worden uitbetaald? A. Eene uitbetaling per week ware beter, dan behoeft het krediet niet zoo lang te duren. 6240. V Welke dag ware te verkiezen ? A. Ik geloof dat het beter zou zijn midden in de week dan in het laatst van de week, met het oog op den volgenden Zondag en Maandag. 0241. De heer Van Alpheii: Het schijnt gebruikelijk te zijn om de 14 dagen het loon uit te betalen. Wordt dan werkelijk het volle loon uitgekeerd, of wordt er nog wat afgehouden? A. Er blijft altijd 14 dagen werkloon staan. 0242. De Voorzitter: Bij welke fabriek ? A. Van de firma Regout is het mij bepaald bekend. 0243. De loonen worden dus berekend per veertien dagen, maav de laatste veertien dagen worden niet uitbetaald ? A. Ja. Men laat altijd veertien dagen loon staan, dat heet «pengeld''. Dat is ook bij meer werken het geval, om de werklieden in de hand te hebben. Wanneer zij onverwacht vertrekken, verbeuren zij hun geld. |
0244. De heer Van Alphen : Bestaat te Maastricht ook het misbruik om gedeeltelijk met bons te betalen, of geschiedt de uitbetaling geheel in geldquot;? A. Neen, niet met bons, maar in geld. Maar hoewel het op fabrieken verboden is, dat een beambte een winkel houdt, heeft toch wel plaats, dat een broeder of een zuster van beambten winkel houden, waar de werklieden mo-raliter gedwongen zjjn te koopen. Dus indirect wordt er door de beambten winkel gehouden. 0245. De Voorzitter: Hebt gij nog iets mede te deelen? A. Ja, omtrent de toepassing van de wet op den kinderarbeid. Ik woon dicht bij het kanaal van Maastricht naar Luik. De schepen moeten daardoor heen getrokken worden. En dan is het hartverscheurend te zien welke kleine kinderen de schippers gebruiken om de schepen voort te trekken. Ik moet het hoofd afwenden als ik het zie. Dat is wel een bewijs dat er niet altijd floor de politie op de uitvoering van de wet gelet wordt. 0240. V. Dat is dan toch anders wel een arbeid die te zien valt? A. Ja zeker. Die schepen worden gesleept met een riem over de borst. Het is al hard meisjes en vrouwen te zien trekken, maar het is vreeselijk die kleine kinderen zoo te zien werken. 0247. De Voorzitter: Ik dank u voor de gegeven inlichtingen. Uw verhoor is ten einde. F Marckx. |
ZITTING VAN DONDERDAG 20 JANUARI 1887.
Tegenwoordig de hoeren :
|
Verniers van der Lueff, Voorzitter. Goeman Boroesius, Onder- Voorzitter. Beelaerts van Blokland. Ruvs van Beerenbboek. Verhoor van den heer H. A. .Ilciscn-liofcn. (Verkort.) (ï'248. V. De Voorzitter : Mag ik uw voornaam, naam, beroep, ouderdom en woonplaats weten ? A. Heinrich August Meisenhofen, oud 38 jaar, inspecteur van politie te Maastri (j,ht. 6240. V. Zijt gij al lang in die betrekking? A. Circa IS jaar; eerst 11 jaar in Amsterdam en na dien tijd in Maastricht. 6256. V. Ik begrijp dus, dat .gij ons, wat Amsterdam betreft, geen mededeo-lingen doen kunt. A. Neen. 6259. V. Laat ons dan overgaan tot Maastricht. Gij zult zeker beter op de hoogte van de toestanden daar zijn. De Heer Ruys van Beerenbroek heeft u een staat van al de fabrieken en werkplaatsen gegeven, ook van die van kleineren omvang die niet bepaald onder de groote industrieën behooren. De lijst is getrokken uit de registers van het patent. Gij hebt het verzoek gekregen om al die werkplaatsen en fabrieken te inspec-teeren, niet waar? A. Ja. 6260. V. Die staat had eenigen omvang ; hoeveel werkplaatsen stonden er op die lijst? A. Circa 360. 6261. V. De heer Ruys van 1'eeren-broek heeft dus een staat gemaakt van ongeveer 360 fabrieken en werkplaatsen te Maastricht, heeft u die lijst ter hand gesteld en gij hebt al die fabrieken en werkplaatsen geïnspecteerd ? |
Van Alphen. Van der Sleyden. hel nr. J. D. Veegens, Griffier. A. Ja. 6202. V. Met wie ? A. Met den hoofdagent Quakx en den agent Eibers. 6263. V. En hebt gij bij die gelegenheid aanteekeningen gemaakt omtrent den toestand, de inrichting van de lokalen. van de verdiepingen, van de wijze van verlichting, van het meerdere of mindere gevaar voor brand, van de voorzorgsmaatregelen te dien opzichte, van de middelen van ventilatie, van den toestand, van de kracht en den aard 'van de stoomwerktuigen, het getal van de werklieden, hun leeftijd en geslacht, de jongere werkkrachten, jongens en meisjes? Ook hebt u opgenomen in iedere inrichting den werktijd en den aanvang, den rusttijd, den etenstijd en het einde ? U hebt ook opgenomen de loonen, en de vraag onderzocht of er werd over-' gewerkt en op Zondag gewerkt, alsmede of er ook werktuigen waren die alleen door jongens of meisjes bediend werden, terwijl u te gelijk uw oog heb laten gaan over de vraag of ook overmatige arbeid van jongens of meisjes in een van die inrichtingen wordt gevorderd. Is dat niet de taak geweest, die de heer Ruys u heeft opgedragen en die gij in al die 360 inrichtingen in gemoede en naar uw beste weten hebt volbracht ? A. Ja..... 6274. De heer Ruys van Rperen-broek. Werd er somtijds geklaagd dat er jonge kinderen beneden de 12 jaren in de fabrieken werkten, zoodat er aanleiding zou bestaan hebben om op strenger toezicht op de naleving van de wet van 1874 aan te dringen? A. Neen. Slechts eens is het mij voorgekomen dat gedurende een kermis |
104
|
een kuustenmakor kunsten met kinderen beneden dien leeftijd wilde vertoonen. Ik heb hem laten waarschuwen dat dit niet gebeuren mocht en de man heeft gehoorzaamd. 6275 üe Voorzitter; Wordt er van den arbeid van aankomende jongens en meisjes van 12â16 jaren veel gebruik gemaakt in die rubriek van kleine fabrieken en werkplaatsen, die gij in de laatste weken onderzocht hebf. A. Er werkten veel van die aankomende jongens en meisjes, maar de arbeid was nergens te zwaar.... 6284. V. Hoe is de toestand van de kleine fabrieken over het algemeen? A. Bevredigend. Er zijn wel lokalen, die gevaarlijk zjjn, maar de menschen kunnen althans bij dag gemakkelijk wegkomen. Op de drukkerij van den Courier zijn werkplaatsen boven elkander, maar de werklieden kunnen gemakkelijk wegkomen. 6285. V. Dus de meeste werkplaatsen zjjn goed ? A. Ja, maar meerdere zijn voor verbetering vatbaar. Gegronde redenen tot klachten zijn er niet; er zijn ook nieC te veel menschen op een zaal. 6286. V. Gij zijt vroeger te Amsterdam geweest, en eerst sedert een jaar of zeven a acht te Maastricht. Daardoor zijt gij in contact geweest in beide gemeenten met de werkende klassen. Hebt gij ook eenig onderscheid opgemerkt bij de bevolking van die beide plaatsen bij het optreden van de politie ? A. Dan zijn de Maastrichtenaars beter dan de Amsterdammers. Als men te Maastricht op eene aangename wijze optreedt, zijn zij niet ruw of onbehouwen, natuurlijk op eene enkele uitzondering na. In Amsterdam daarentegen zijn de lieden veelal brutaal en lastig en willen niet naar goeden raad luisteren. 6287. V. In Maastricht is dit dus in het algemeen het geval niet? A. Neen. In Maastricht heeft een klein oproertje plaats gehad door 3- a 400 man, die de glazen ingooiden. Wij zijn toen uitgerukt en alles was in een kwartier afgeloopen; wij verzochten de nieuwsgierigen om naar huis te gaan, ten einde ongelukken te voorkomen. Het hangt er veel van af hoe men de menschen aanspreekt. |
6288. V. Gij spreekt van een klein oproer, bedoelt gij daarmede het oproertje van verleden jaar? A. Ja. 6289. V. Wie waren daarbij betrokken? A. De glasblazers. 6290. V. Van de firma Regout ? A. Ja. 6291. V. Hebt gij opgemerkt dat er nog iets anders achter zat bij dat oproer ? A. Neen, de een had den ander mede-gesleurd : het betrof de quaestie van de loonen; men heeft daar een relletje van gemaakt, maar toen men de ruiten begon in te gooien, zijn wij pas opgetreden. 6292. V. Is het u bekend dat van socialistische zijde getracht is om te Maastricht vereenigingen op te richten ? A. Men heeft het getracht, maar dat is nu geheel afgeloopen. 6293. Op welke wijze? A. Men zag dat de menschen er geen ambitie in hadden; in de zoogenaamde vergaderzaal werden de socialisten uitgejouwd. 6294. V. Waar kwamen die socialisten van daan? A. Aan het hoofd stond zekere Viegen, lid van den Haagschen bond. In het begin had hij nog al aanhang, maar latei-kwamen de menschen meer uit aardigheid. 6295. V. En toen? A. Verder hadden zij geen steun. 6296 V. Hebben die personen nog aanhang ? A. Neen. Viegen is naar den Haag vertrokken, zooals men zeide om werkzaam gesteld te worden op de drukkerij van den heer Domela Nieuwenhuis. 6297. V. Wat weet gij van het drankmisbruik onder de Maastrichtsche bevolking en speciaal onder fabrieksarbeiders ? A. Dat is tegenwoordig niet erg ten gevolge van de slappe tijden; er wordt niet veel verdiend. Des Maandags komt het nog al voor. maar dan hebben wij meer last van de buitenmenschen, die maken meer misbruik van sterken drank. 6298. V. Hebt gij daar veel last van? A. Ja, maar dan gaan zjj zonder genade de poort uit. 6299. V. Op welke uren worden de herbergen gesloten ? |
105
|
A. De mindere herbergen om 11 uur. De andere herbergen, waar de menschen, die laat van hun werk komen en die bedaard zitten te kaarten of te domi-neeren en die het ons niet lastig maken, maken wij het ook niet lastig en die kunnen wat langer open blijven. 6300. V. Hebt gij met die mindere herbergen veel last? A. Vooral met feestelijkheden, met het carnaval, dan blijven de herbergen langer open. 6301. V. Wat wordt er meestal gedronken, jenever of bier? A. Meestal Maastrichtsch bier. 630'2. V. Wanneer wordt er jenever gedronken ? A. Des morgens. 6303. V. Als de werklieden van het werk komen? A. Ja, of daarna, 6304. V. Wanneer zijn de herbergen des morgens open? A. Des winters, om 6 uur. 6305. V. En in den zomer? A. Vroeger, 5 uur, half zes. 6306 V. Dat is dus vóór het openen van de fabrieken? A. Ja, en vóór het aangaan van de verschillende ambachten. 6307. V. En gaan velen jenever drinken voor zij naar de fabriek gaan? A. Velen, velen ook niet; wel de glasblazers en slijpers, maar de anderen in het algemeen niet. 6308. V. Het fabrieksvolk gaat dus in den regel niet naar de herbergen? A. Wel als zij van de fabriek komen, dan nemen zij een hapje, maar gaan zij spoedig weer weg. Het zijn geen plakkers, want zij hebben weinig tijd om te eten. 6309. V. U zal ook wel iets bekend zijn van de danshuizen en welken invloed zij op de moraliteit hebben. A. Die keuren wij allen af. 6310. V. Hoe staat het daarmede ? Wie komen daar. A. Aankomende jongens en meisjes; die meisjes drinken daar dan wat, worden opgewonden, loopen naar buiten en dat is lang niet goed voor de zedelijkheid. 6311. V. Daar komen dus kinderen? A. lt;Tji 6312. V. Van welken leeftijd? A. Wel van 15, 16 jaar. |
6313. V. Blijven die danshuizen lang open of ook tot elf uur? A. Zondags tot elf uur. 6314. V. Hebt gij wel eens last met de sluiting daarvan? A. Ja, met kermis en vastenavond, maar anders niet. 6315. V. Gij hebt behalve dien staat waarover wij zooeven reeds gesproken hebben, nog op mijn verzoek onderzocht en daarvan opgemaakt een staat van de arbeiderswoningen en verblijven met het oog op den welstand en de gezondheid van de arbeidende klasse. Die staat omvat ongeveer 200 woningen, die gij met denzelfden hoofdagent Quakx, en den agent Eibers hebt bezocht. Kunt gij ons in weinige woorden den indruk weergeven dien deze woningen op u hebben gemaakt? A. De huizen in het Quartier Amilie en achter de papierfabriek zijn regelmatig ingericht. 6316. V. De eerstgenoemde zijn voor rekening van den heer Pierre Regout opgericht ? A. Ja. Zij zijn zeer doelmatig. Die op den Boulevard hebben twee kamers en een bovenkamer, zolder en afzonderlijk privaat. De hoekhuizen zijn grooter en dus iets duurder. 6317. V. En de woningen waar overigens de werklieden wonen, hoe zijn die? A. Die in de Pompenstraat zijn zeer slecht. 6318. V. Neen, in het algemeen bedoel ik. A. In het algemeen gaat het nog al, op enkele uitzonderingen na. 6319. V. U zult wol kunnen beschrijven hoe zulk een arbeiders-gezin is gehuisvest. Hoe woont zulk een gezin? A, Men heeft er die met vrouw en 6 kinderen op een kamer wonen. 6320. V. Zijn dat dan ruim verlichte vertrekken ? A. Neen, vele zijn klein en bedompt, vooral in de Pompenstraat. 6321 V. Hoeveel wordt voor één zoo'n kamer betaald? A. Gemiddeld 60 cent per week. Dan eens wat meer, dan wat minder . . . . 6338. De Voorzitter: Hebt gij nog iets mede te deelen, dat ons van nut ] kan zijn ? I A. Neen. |
100
|
CbS'J. V. Dan bedankt de Commissie u voor al den arbeid dien gij in de laatste weken voor haar hebt verricht, en voor uwe mondoJinge mededeelingen. Meisenhofen. Verhoor van den heer W. Qnakx. (Verkort.) 6340. V. Mag ik uw naam, voornaam, betrekking, ouderdom en woonplaats weten ? A. Wilhelmus Quakx, hoofdagent van politie te Maastricht, oud 42 jaren. 0341. V. Hoelang zijt gij te Maastricht bij do politie? A. Tk ben aangesteld '24 September 1866 als agent van politie. C340. V. Gij hebt met den inspecteur van politie Meisenhofen ruim een 300tal kleinere fabrieken en werkplaatsen bezocht, niet waar? A. Ja, 6347. V. Gij hebt dat werk altijd te zamen verricht en kunt ons dus niets mededeelen wat de heer Meisenhofen niet heeft kunnen zeggen ? A. Neen, dat zal wel hetzelfde blijven. 6372. V. Dus gij hebt in hot algemeen in de fabrieken en werkplaatsen, die gij met den heer Meisenhofen in grooten getale bezocht hebt, nergens misstanden gevonden ? A. Neen ? 6373. V. Kunt gij ook iets mededeelen omtrent het misbruik maken van sterken drank ? A. Dat gebeurt wel eens, als het traktement is geweest. 6376. V. Dus ééns in de veertien dagen ? Nu dat maakt dan de controle gemakkelijk ? A. Jawel. 6377. V. Daar geen van de heeren iets meer te vragen heeft, is uw verhoor afgeloopen. VV. Quakx. Verhoor van den Heer H. J. Eibers. (Verkort.) 6378. V. Wilt gij zoo goed zijn uw naam, voornaam, beroep en woonplaats op te geven? A. Hermanus Johannes Eibers, agent |
van politie te Maastricht, oud 35 jaar... 6384. V. Gij hebt intusschen in de laatste weken misschien wel eenigerlei kennis opgedaan van fabrieken en werkplaatsen ? A. Ja, Mijnheer de Voorzitter. 6385. V. Welke bijzondere aanleiding hebt gij daarvoor gehad? A. Ãp verzoek van den heer Ruys van Beerenbroek en van den inspecteur van politie hebben wij een onderzoek ingesteld door de geheole stad. Die kennis omtrent den toestand van den werkman bezat ik vroeger ook, maar toch niet in het bijzonder als thans. 6386. V. Gij kendet dus niet zoo in het bijzonder die ongeveer 300 fabrieken en werkplaatsen te Maastricht, die gij met Meisenhofen en Quakx bezocht hebt. Dit waren alle fabrieken van eenigs-zins kleiner kaliber; de groote industrie lag buiten uw kader? A. Ja. 6387. V. Hebt gij bij dat onderzoek dingen opgemerkt die gij ons wenscht mede te deelen, of begrijpt gij dat alles daaromtrent reeds medegedeeld is door Meisenhofen en Quakx ? A. Ja, ik meen dat die voldoende inlichtingen daaromtrent gegeven zullen hebben. 6395. V. Maar ge zeidet zooeven, vroeger eene betrekking op de fabriek te hebben gehad. Is dat niet zoo? A. Ik ben 7 jaar lang geëmployeerd geweest op de fabriek van de firma Regout. eerst als opzichter in de faïen-cerie en daarna als bureaulist, belast met administratie. 6396. V. Van wanneer dagteekent die arbeidstijd ? A. Ik ben van Februari 1877 af tot Januari 1884 werkzaam geweest, eerst als opzichter in de faïencerie, ik meen vier jaren, en daarna op de bureaux. 6397. V. Waarom zijt gij vertrokken ? A. De reden heeft men mij niet opgegeven, maar ik meen dat het wegens suppressie van geëmployeerden en om bezuiniging was. 6398 V. Wat waart gij vroeger? A. Onderofficier bij het 8ste regiment infanterie. 6399. V. Hadt gij geen opleiding voor het fabriekswezen gehad ? A. Neen. |
10'
|
6400. V. Zijt gij dus vun onderofficier geplaatst als opzichter in de afdeeling faïencerie ? A. Ja, en bleef dat tot 1881, toen ik bureaulist werd bij dezelfde afdeeling en het bleef tot 1884. Toen ben ik bjj de politie geplaatst. 6401. V. Wat verdiendet gij als b u-reaulist ? A. f 55 per maand. 6402. V. En bij de politie? A. f 500 per jaar met vrije woning en kleeding. 6403. Hadt gij als bureaulist vrije woning ? A. Neen. f 55 per maand, zonder meer. 6404. V. Verliet gij de fabriek omdat u den dienst werd opgezegd ? A. Ja, ik kreeg drie maanden tijds om mij van eenc andere betrekking te voorzien, met vermelding dat eene sup-pvessie van employés zoude plaats hebben. 6405. V. Had die suppressie inderdaad plaats ? A. Ja, mijne betrokking werd opgeheven. 6406. V. De aangegeven reden achttet gij dus juist? A. Ja. 6407. V. Met andere woorden, er stak niets achter ? A. Neen. 6408. V. Gij zijt dus als vrienden gescheiden ? A. Zeer zeker. 6409. V. Hadt gij als bureaulist niet meer met het werkvolk te maken ? A. Betrekkelijk. 6410. V. Hoe dan ? A. Ik was ook belast met het opschrijven van het gemaakte werk en met het surveilleeren van het werkvolk of het behoorlijk 5 minuten na 12 uur de fabriek verliet. 6411. V. Dus de berekening van het loon dat ieder verdiende, had door u plaats ? A. Ja. 6412. V. Was dat alles loon op stuk ? A. Ja, de faïenciers werken per stuk, maar er waren ook in dagloon, men-schen, die het werk dat op de ateliers gevormd en gemaakt was naar de droog-kamer brachten, waar het uitgezocht moest worden, om het dan naar de |
ovens te brengen om gebakken te worden, 6413. V. Als bureaulist hadt gij met het toezicht op de werkzaamheden zeiven niets te maken ? A. Neen. 6414. V. Dus in de laatste periode van uw zijn op de fabriek hadt gij persoonlijk daar niets mede te doen ? A. Neen. 6415. V. Werden de loonen door u berekend, altijd uitbetaald conform uwe berekening? ondergingen de cijfers geen verandering, ontvingen de menschen inderdaad zooveel guldens en centen als zij volgens uwe berekening moesten ont vangen ? A. Ja, als er geen aftrek werd gemaakt. Als bij voorbeeld de rekening werd gesloten op vandaag, zoodat de quin-zaine ten einde was, dan maakte ik de rekening op en daar werd geen verandering in gemaakt. 6418. V. Dus dat geld werd uitbetaald ? A. Ja, ten volle. 6419. V. Gij zeidot aanstonds, er had wel eens aftrek plaats, wat bedoeldet gij daarmede ? A. Ik zal het u zeggen. De quinzaine loopt van 1 tot en met den 15den van do maand, het werk dat in dien tijd gemaakt was, werd den 16den door mij opgeschreven en uitgerekend Als alles nu bij elkander was geteld, werd wel eens gezegd, dat is te hoog en dan werd er afgetrokken. 6422 V. Dus de zaak komt hierop neer, als ik het goed begrijp â als ik het verkeerd zeg, moogt gij mij in de rede vallen â dat in uw tijd prompt en tot den laatsten cent toe aan de menschen het loon werd uitbetaald, dat zjj in de afgeloopen quinzaine naar den vooraf vastgestelden standaard verdiend hadden en wel juist zooals hot door u was uitgecijferd, maar vonden de fabrikanten in de uitkomsten van uwe becijferingen, in het loon dat men zag dat die menschen verdienden, wel eens aanleiding om te komen tot eene vermindering van het tarief. Heb ik dat goed begrepen ? A. Ja, er werd toen ter tijd, omdat mijnheer Louis er sterk tegen was, aan de menschen weinig amende gegeven. |
108
|
6423. V. Op die boete-quaestie komen -wij straks. Maar wat gaf dan aanleiding om dien standaard, dat tarief te gaan verminderen ? Gij zult zeggen dat dit een onnoozele vraag is, want dat de aanleiding niet anders was, dan dat de fabrikanten begrepen, dat zij het werk voor minder gedaan konden krijgen? A. Dat de prijzen te hoog stonden 6424. V. Dat zij het dus met minder afkonden, niet waar? A. Ja. 6425. V. Dus de zaak komt eigenlijk hierop neer, dat als gaandeweg de werkman door harder te werken met zijn stukwerk, wat naar boven kwam met zijn loon, dan begrepen de fabrikanten dat dit eene aanleiding was om het tarief wat te veranderen, zoodat die hoogere totaal-som van het loon weer naar beneden ging ? A. Ja, dat zij weer harder moesten werken om te komen tot dezelfde totaal-verdienste. 6426. V. üij hebt straks gezegd â en ik heb u toon niet in de rede willen vallen, want dan zouden wij in de war hebben kunnen geraken â het loon werd in mijn tijd gerekend per quin-zaine. vroeger bij de maand ? A. .Ia. 6427. V. Hebt gij dus die manier van uitbetaling per maand niet bijgewoond ? A. Jawel, ik heb gemaakt dat de verandering plaats greep. Toen ik op het bureau was, is dat gewijzigd. De hoeren vroegen of ik kans zag om do zaak in orde te brengen. Het was veel werk, maar ik heb gezegd mijn best te zullen doen. Toen heb ik alles per quinzaine berekend en betaald, en zoo is het gebleven. 6428. V. Stondt gij alleen voor dat werk ? A. Ja. 6429. V. Dus gij hadt uw handen vol ? A. Ja, er was veel werk. 6431). V. Als er nu eens iemand naast u was geplaatst, zou het dan niet mo- felijk zijn geweest om het loon per acht ajjen uit te betalen?elijk zijn geweest om het loon per acht ajjen uit te betalen? A. Dat heb ik voorgeslagen. 6481. V. Waarom? A. Omdat het gemakkelijker is, 6432. V. In welk opzicht ? |
A. Vroeger kreeg ik mijn geld ook bij de maand en nu bij de week; maar het is voor den werkman veel meer profijt als hij per week wordt betaald. 6433. V. Dus gij weet uit ervaring dat het voor den gang van het huishouden, voor de dagelijksche behoeften van het werkmansgezin, heel wat gemakkelijker en beter is ? en dat het belang daarvan zeer bepaald medebracht dat dio men-schen met de week betaald werden? A. Ja. 6434. V. .Met het oog daarop en uit overtuiging dat daarmede inderdaad het belang van den werkman zou bevorderd worden, hebt gij toen voorgesteld om het loon bij de week uit te rekenen. Dan hadt gij misschien een weinig hulp moeten hebben? A. Ja, of men had mij van eenig ander werk kunnen ontslaan 6435. V. Ei' was dus voor den gang van het fabriekswerk geen enkele reden, die het onmogelijk maakte om die menschon bij do week hun loon uit te betalen ? A. Neen. 6436. V. En wat zeiden de heeren ? A. Zij hebben mij niet geantwoord. Men had de zaak ook kunnen vinden door de werklieden bij voorbeeld een voorschot per week te geven. 6437. V. Men wist natuurlijk ongeveer wat die menschen verdienden en men had op eene voorzichtige manier, om niet in voorschot te komen, want dat zou een onredelijke eisch zijn tegenover den fabrikant, de werklieden bij wijze van a compte aan het einde van de eerste week oen gedeelte van het vermoedelijke quinzaine-loon kunnen uitbetalen ? A. Dat zou zeer goed gegaan zijn. De patroons hadden er nooit geen kwaad bij gekund, want het werk dat zij vandaag verrichtten bleef staan tot den volgenden dag. 6438. V. Men had dus die menschen iets minder dan de volle helft van hun loon kunnen betaald hebben en zoodoende gemakkelijk aan hun verlangen kunnen te gemoet komen. Gij ondervindt het in uwe tegenwoordige betrekking zelf, dat het voor het huishouden zooveel beter is het geld per week te ontvangen ? A. Ja. |
109
|
6439. V. Maar gij hebt uw denkbeeld door de patroons niet uitgevoerd kunnen krijgen ? A. Neen. 6440. V. Wanneer gij nu op den 16den van de maand uitgerekend hadt hoeveel elk uwer faïenciers van den Isten tot den 15den verdiendt hadt, werd hun dat loon dan op den 17den uitbetaald ? A. Neon. 6441. V. Waarom niet? A. ümdat de rekening niet op den 16den klaar kon wezen. 6442. V. Wanneer werden zij dan uitbetaald ? A. Op het laatst van de tweede quin-zaine. Als de eerste quinzaine liep van 1 tot 45 en de tweede van 16 tot 30 of 31, dan kregen zij den SOsten of SI sten het geld, dat zij in de eerste quinzaine van 1 tot 15 verdiend hadden. 6443. V. Dus vooreerst werden de raenschen benadeeld in het beleid van hun huishoudentje, doordien zij niet bij de week betaald werden; maar ook nog in de tweede plaats, gesteld dat de hee-ren wilden vasthouden aan dat stelsel om per quinzaine te rekenen, werden zij beschadigd doordien eerst na nog eens 14 andere dagen de betaling plaats had van hetgeen reeds in de eerste 14 dagen vervallen en verschenen was? A. Ja. 6444. V. Had het volk soms eene eigenaardige benaming voor die betaling per quinzaine ? Hoe noemden zij de dagen dat de heeren het geld in handen hadden? A. Pen-dagen, omdat er zooveel tijd was gegeven om de rekening op te maken, 6445. V. Gij hebt straks iets gezegd van de boeten. Vertel daar nu eens wat van? A, Toen ter tijd werd een man, die aan het fabrieksreglement niet voldeed of zich te buiten ging, gestraft met een halven of een heelen franc boete. Het is in mijn tijd ook gekomen, dat, als er in een faïencier wat veel zat, zoodat hi) een dag mankeerde en dit twee of drie dagen in de maand gebeurde, hij 5 percent boete kreeg, en dat geld verviel aan de ziekenkas. |
6446. V. Was er een reglement op-die boeten ? A. Neen. 6447. V. Werd dat dan zoo uit de hand beslagen ? A. Zij werden dan op het bureau geroepen en hun werd gezegd: gij hebt deze week of quinzaine weder gemankeerd ; ge hebt 5 percent korting. 6448. V. Wie zeide dat ? A. Een der heeren. 6449. V. Was die 5 pet. dan eene soort van verrassing voor den patiënt, of wist hij het vooruit? Was die 5 pot. prix fixe ? A Ja. 6450. V. Daarom vraag ik u nogmaals of er een reglement was? A. Neen, wel een ongeschreven regel. 6451. V. Was die aan het volk inde praktijk bekend ? A Ja. 6452. V. Werd weieens van dien regel afgeweken? A. Als de menschen drie maanden eene boete hadden van 5 pet. hield het op. 6453. V. Kregen zij die boete voor drie maanden*? A. Ja. of voor een of twee maanden. 6454. V. Wat hadden zij dan gedaan ? A. Bijv. een halven of een heelen dag weggebleven. 6455. V. De zaak was dus deze : omdat de man bijv. Maandag hield (wat voorzeker niet ordelijk en goed is) of geluierd had, werd zijn loon in de quinzaine met een halvon dag verminderd, want hij had minder gewerkt? A. Juist. 6456. V. De fabrikant had dus geen geldelijke schade? A. Neen, wat de man niet gemaakt had werd hem niet betaald. 6457. V. En nochtans beliep hij dan nog bovendien gedurende 1, 2 of 3 maanden eene boete van 5 pet.? A Ja. en dat geld werd gestort in de ziekenkas. 6458. V. Was die periode van 3 maanden eene zaak van louter willekeur ? A. Ja. 6459. V. Er was dus wel een regelmaat ten aanzien van de 5 pet., maar de periode was geheel willekeur ? |
110
|
A. Ja. 0460. V. Had dat wegblijven van een of een halven dag invloed op het werken van jongens? A. Dan bleven deze voor rekening van den weggeblevene. 6461. V. Deze werd dus in zijn geld gekort? A. .Ia. 646*2. V. Dus ook te dien opzichte leed de fabriek geen schade? A. Neen, niet het minst. 6463. V. üp welken dag van de week werd uitbetaald ? Was er een vaste dag voor'! A. Het was zoodanig geregeld, dat het nooit op Maandag viel. Als b.v. de quinzaine verloopen was op Maandag, dan werd den vorigen Zaterdag uitbetaald. 6464. V. Waarom had men iets tegen hot op Maandag uitbetalen ? A. Ja, omdat het een algemecne luier-dag is. 6465. V. Dus de gewone uitbetaling was aan hot slot van de tweede quinzaine, met vermijding van den Maandag? A. Ja. 6466. V. Werd er nog meer van de rekening van die menschen afgetrokken? A. Bij de draaiers ook 6 pet. machi-negeld. 6407. V. Vertel ons eens de geschiedenis van het machinegeld. A. Dat was voor het gebruiken van dc machine, die den toer in beweging bracht, leder bordenmaker en ieder die het holle werk afdraait, moet dat op een toer doen, die met eene machine in beweging gebracht wordt. Daarvoor betalen zij (5 pet. 0468 V. Staat het aftrekken van die 0 pet. ook in verband met het invoeren van eene betere ventilatie? A. Dat weet ik niet. 0409. V. Toen gij op de fabriek kwaamt, bestond toen dat heffen van die 0 pet. reeds? A. ,Ta. 6470. V. Ik wil nog deze vraag doen uit uw bureautijd Bij al die aftrekkingen en kortingen bleef het loon dan toch van dien aard, dat de menschen er ordentelijk mede konden rondkomen, of was het zoo. dat al deden de menschen nog zoo (mn best, al werkten zij nog zoo hard, zij den kost voor hun gezin niet konden verdienen ? |
A. De faïeneiers kunnen den kost wel verdienen. 0471. V. Dus die behoeven hunne vrouwen niet te laten werken? Zij kunnen genoeg verdienen ? A. Ja, maar of ze zooveel kunnen verdienen, als zij voor hun onderhoud eigenlijk noodig hebben, dat weet ik niet, want hun werk is ongezond. 047-2. V. Gij zegt, het onderhoud, dat zij eigenlijk noodig hebben en rept daarbij van het ongezonde werk, verklaar dit nader, wat bedoelt gij daarmede? A. Dat de faïeneiers, naar mijne meening, wel een beetje beter onderhoud mogen hebben dan een gewoon werkman. 0473. V. Gij meent dus, dat de faïeneiers bij hun ongezond werk een steviger en gezonder kost moeten bekomen dan een gewoon werkman moet hebben, bedoelt gij dat? A. Ja. 6474. V. En nu twijfelt gij of hun loon wel hoog genoeg is om hun dat te verschaffen, zonder dat de vrouw medewerkt, is dat uwe verklaring? A. Ja, dat is mijne verklaring. In mijn tijd werd het werk, dat gemaakt was tusschen den eersten en den laatsten der maand, opgeschreven, en den vierden uitbetaald, daarvóór was het den Ssten of den Oden. 0475. V. Was het loon dat de faïeneiers verdienden in goede tijden belangrijk hooger ? A. Ja, ik heb er gekend, hol vormers o. a. makers van bloempotten, koffiekannen en dergelijke die tot HO, 115 gulden per maand verdienden, maar wier vrouwen hoogstens 30 gulden per maand kregen om het huishouden te soigneeren. 0470. V. En wat gebeurde er met de 70 gulden die dan overbleven 1 A. Die werden verdronken en zoo, want men vindt er snaken onder. 6i77. V. Natuurlijk, en die snaken werken misschien niet eens alle dertig dagen van de maand? A. Neen, als zij hoogstens 17 tot 20 dagen werkten was het veel, 6478. V. Zondags niet ? A. Neen, nooit. |
Ill
|
G47t). V. Maar zijn die goede cijfers later niet veel afgedaald? A. Ja, er ia verschillende malen afgetrokken. 6480. V. Door de fabrikanten ? A. Ja. 6481. V. Hoe lang houden die men-schen dat werk uit, die deze aardige verdiensten hadden? A. Ik heb ze van verschillenden leeftijd gekend. Nu werkt er nog een man van 60 jaar; men heeft altijd excepties. 6482. V. Is dat eene exceptie? A. Ja. 50, 60 jaar is eene uitzondering, in den regel zijn ze op tusschen de 30 en 40 jaar. 6483. V. Worden zij niet ouder ? A. Neon, niet die van kindsbeen af faïencier zijn geweest. 6484. V. Worden die niet dan bij uitzondering ouder dan 30 of 40 jaar? A. Neen. 6485. V. Dus wanneer beginnen zij te sukkelen? Een eindje in de dertig? A. Men heeft er die als zij goed in de twintig zjjn al kortademig worden. 6486. Gij spreekt nu van monschen die van jongs af in het vak zijn. Van hoe jong bij voorbeeld ? A. Vroeger was dat jonger dan nu. Ik heb er wel gesproken die met hun tiende jaar waren aangekomen. 6487. V. Die zijn dan in de twintig versleten 1 A. Tusschen de 30 en 40 jaar. 6488. V. Nu mogen zij niet onder de twaalf jaar aankomen ? A. Niet onder de dertien. 6489. V. Maar de lieden waarop gij nu het oog hebt en die tusschen de 30 en 40 jaar weggaan, bedoelt gij daarmede lieden die met hun !3de jaar begonnen zjjn ? A. Ja. 6490. V. Dus, gij zijt wel geen doctor van uw ambacht, maar dat komen aan de fabriek op het 13de jaar keurt gij dat goed of niet? A. Neen, ten minste voor dit vak niet, het was beter als het wat later begon. 6491. V. Gaan zij er spoedig slecht uitzien ? A. Ja, zeker. |
Wanneer zulk een jongen in den militairen dienst gaat en hij komt later terug, dan herkent men hem niet meer zoo goed als hij er uitziet; maar wanneer hij weder eenigen tijd aan het werk is, dan krijgt hjj dezelfde kleur van vroeger terug. 6492. V. En wanneer de ziekte doorwerkt, en wanneer zij versleten zijn en ze niet meer kunnen arbeiden, wat gebeurt dan met hen? A. Dan blijven zij te huis en trekken ziekengeld. 6493. V. Hoe lang duurt dat 1 A. Tot aan hun dood. 6494. V. Onverschillig hoe lang zij ziek blijven ? Weet gij zeker dat daarvoor geen termijn bestaat? A. Neen; de meesten trekken tot aan hun dood een gulden per dag, de jongens minder. 6495. V. Hebt gij het niet bijgewoond dat, wanneer zij versleten raakten, men ze eenvoudig wegstuurde? A. Dat herinner ik mij niet. C496. V. Gij hadt eigenlijk meer te doen met de cijfers en rekeningen van hen die werkten, dan dat gij een oog kondt laten gaan over hen die niet werkten ? A. Ja Ik moet er hier nog op wijzen dat een jongen, die op den toer komt, een gedeelte van zijn loon als leergeld moet afstaan. Oat bedraagt voor een leerling-holvormer en leerling-garneer-der 20 pet., en voor een leerling-afdraaier 10 pet. 6497. V. Maar is er op het stuk van dat leergeld niet eene zeer gunstige en verstandige bepaling genomen, namelijk dat het afgetrokken leergeld na een of twee jaren wordt terugbetaald als zij blijven, en dat zij het kwijtraken als zij weggaan ? A. Het leergeld blijft eene benefice van den fabrikant. 6498. V. Dus is hetgeen ik zeg niet juist ? â A. Neen. 6499. V. Weet gij dat zeker A. Ja. 6500. V. Werden de loonen in uw tijd en met uw weten uitbetaald in Hol-landsch geld ? A. Ja, altijd. 6501. V. Nooit in Belgisch? V. In mijn tijd niet. Wel werden de berekeningen in Belgisch geld gemaakt, en dan gereduceerd. De prijzen stonden in Belgisch geld. |
112
|
0502. V. Hoeveel Hollandsch geld gaaft gij Toor den franc? A. Dat ging volgens de reductie, f 47,50 voor 100 francs. Daar had men een tarief van. 6503. V. Bij het loon dat die menschen kregen werd geenerlei dwang of drang op hun uitgeoefend om hunne inkoopen daarmede te doen in bepaalde winkels 7 A. Ik heb er nooit van gehoord. 6504. V. Waren er geen bazen die misbruik maakten van iets van dien aard 7 A. Ook daarvan heb ik nooit gehoord. 6505. V. Mochten de bazen winkels houden ? A. Naar mij bekend is, niet. 6506. V. 't Is bovendien een verbod, dat gemakkelijk te overtreden is 7 A, Ja. 6507. V. Vóór 1884 zijt gij vier jaren in de fabriek zelve geweest. Dat was dus een geheel ander werk? A. Ja, maar het was gemakkelijk; ik was opzichter. 6508. V. Wat deedt gij dan ? A. Opzicht houden over de werklieden en over het werk dat zij maakten, nagaan of dat aan de vereischten voldeed; en dat was nog al lastig. 6509. V. Waarom ? A. Omdat het moeilijk voor hen was een stuk juist nauwkeurig te maken volgens het model dat zij voor zich hadden. 6510. V. En als het daar niet mede overeenstemde, wat gebeurde er dan ? A. Dan werd er aanmerking op gemaakt, en het werk soms afgekeurd en vernietigd. 6511. V. Voor rekening van den werkman? A. Ja. 6512; V. Moest hij dan eene bonificatie geven voor de grondstof? A. Neen, want het stuk was nog ongebakken en de grondstof kan voor iets anders gebruikt worden. 6513. V. Hadt gij den heelen arbeid der faïenciers onder uw opzicht ? A. Slechts een gedeelte : de afdraaiers-partij. 6514. V, Ge hadt dus alleen te doen met de stukken die gemaakt waren om te bakken, maar niet met het bakken zelf? A. Neen. |
6515. V. Maar ge wist toch hoe het bakken ging? A. Ja, 6516. V. Vertel ons dat eens. A. Als een afdraaier een stuk werk krijgt van een persman, moet hij het zoodanig laten worden dat hij het kan afdraaien. Nadat het afgedraaid en goedgekeurd is wordt het op rayons gesteld, opgeschreven en naar de droogkamer gebracht. Daarna wordt het onderzocht of hef gebreken heeft; is dit het geval en zijn ze te verhelpen, dan wordt het den werkman teruggegeven, zoo niet. dan wordt het vernietigd. Wanneer nu het werk goed bevonden is gaat het inden biscuit-oven, vandaar gaat het naar een vertrek om geglazuurd te worden; dan wordt het weder gedroogd en in den vernis-oven gebracht. Moet het stuk worden gedecoreerd, dan geschiedt dit en eindelijk gaat het in mouffies om ten derde male gebakken te worden. 6517. V. Het wordt dus driemaal gebakken 7 A. Althans wat gedecoreerd is. 6518. De beide laatste malen is echter de arbeid minder zwaar, niet waar? A. Ja, maar de eerste maal is raak, dat werk is infaam. Het in- en uitzetten van de cassettes hij de ovens is vree-selijk. Deze zijn wit-gloeiend gestookt, op smelten af; ontdaan van het vuur blijven ze nog lang heet, dan moeten de menschen er in met stevige klompen aan de voeten en zeer dik het hoofd omwonden, anders kunnen zij het er niet uithouden. Naarmate de oven lediger wordt, wordt het er dragelijker in, maar toch zijn de menschen steeds nat bezweet als zij er uitkomen. 6518 bis. V. Die ovens zijn dus groote lichamen 7 A. Ja. 6519. Hoe groot wel buitenwerks 7 A. Zij zijn rond en hebben eene doorsnede van vijf a zes meter en ook nog wel meer. Iedere oven staat op zich zelf en heeft dikke muren, die omlegd zijn met zware ijzeren banden. 6520. V. Hoe hoog zijn zij wel ? A. Heel hoog, want zij komen een heel eind boven het dak der gebouwen uit, de werkbare ruimte zal vier ü vijf meter zijn. |
113
|
65'21. V. De werklieden gaan den oven in door het mangat, niet waar ? A. Ik meen dat zij dit zoo noemen. 0522. V. Is dat groot ? A. Een paar meter hoog. het is ongeveer peervormig. 6523. V. Is dat mangat alleen bestemd om de mannen in en uit te laten 7 A. Ja. want het stoken geschiedt door andere gaten bezijden. 6524. V. Hoe lang wordt zulk een oven van koud af gestookt dat hij gloeien d is, een 00 uren ? A. Ik gelooi' ,ja. 6525. V. En de tweede maal als de oven reeds in gebruik is geweest, dan heeft men minder tijd noodig om hem weder gloeiend te stoten. Hoelang duurt het dan ? A. Dat weet ik niet. 6526. V. Maar men heeft er toch belang bij om de ovens zoo enel mogelijk te ledigen en weder vol te dragen, om den spoed, en omdat er dan minder warmteverlies is. Is dat niet zoo ? A. Ja. 6526bis. V. Die mannen, die door dat mangat gaan met, dikke klompen aan en doeken om het hoofd om boven in den oven te komen om de voorwerpen eruit te halen, doen die doeken om het hoofd om het hoofd te beschutten tegen de helsche hitte, en niet omdat zij iets op het hoofd moeten dragen? Of wel? A. Neen, het is om het hoofd te beschutten tegen de helsche hitte. 6526lt;er. V. Ik doe u de vraag, omdat hier een getuige geweest is, die het niet zooals gij gezien had, die meende dat die doeken rond het hoofd werden gewikkeld ook om de cassettes te dragen ; is dit eene dwaling ? A. In den beginne is het zeer noodig om het hoofd te omwikkelen voor de hitte. 6527. V. Gij spreekt dus wel degelijk van lappen en doeken waarmede het hoofd wordt omwikkeld wegens de helsche hitte? A. Ja. 6528. Gij hebt mij goed verstaan? A. Ja. 6529. V. Hoe lang blijven die men-schen in den oven ? A. Hoogstens 5 minuten. 6530. Hebt gij ze er uit zien komen? II. |
A. Ja, dan vallen zij neder als een man die niet meer kan. 6531. V. En dan gaan zij er weder in ? A. Ja, met 2 of 3. 6532. V. Dus dat is zeker een werk waar de menschen verschrikkelijk tegen opzien ? A. .la. 6533 V. Worden zij daar extra voor betaald ? A. Neen, zij worden betaald volgens een vast tarief'. 6534. V. En als die mensehen uit de ovens komen, wordt er dan iets gedaan om ze bij te brengen'? A. Neen, niets; zij kunnen zich laven aan een glas water. 6535. V. Als de oven wat minder warm is, gaan zjj er half naakt in, niet waar 1 A. Ja, maar in den beginne niet; daar passen zij wel op, want dan is het te heet. 6536. V. En als zij brandwonden krijgen ? A. Daar wordt geen notitie van genomen. 6537. V. Werken er ook vrouwen mede ? A. Ja, die moeten het werk in de cassettes plaatsen ; die worden dan gereed- fezet om in de ovens geplaatst te wor-ezet om in de ovens geplaatst te wor- en en bij het uithalen moeten zij tegenwoordig zijn. 6538. V. Dus dat loopt maar door elkander? A. Ja. 6539. V. Hebt gij wel bijgewoond, dat de menschen, die uit de ovens kwamen, er niet al te best afkwamen, dat zij zich brandden of zoo ? A. Jawel, als het te erg is gaan zij naar huis toe. 6540. V. Hebt gij wel opgemerkt, dat die menschen, die het zware werk doen, zich te buiten gingen aan sterken drank? A. Neen, in het algemeen niet; maaier zijn er wel bij. 6541. V. En ais daar dan die vrouwen en meisjes aan het werk zijn, is daar dan eenig toezicht bij ? A. Ja, de meesters. 6542. V. Met dat toezicht zijt gjj nooit belast geweest? A. Neen. 6543. V. Houdt het volk dat met dit 8 |
114
|
werk belast is, het lang uit ? Kunnen zij het, als zij niet afgewisseld worden, geregeld eenige jaren uithouden ? A. Ik heb lieden gekend die er 4 en 5 jaren bij werkzaam geweest zijn en nu haast niet meer in staat zijn om het een of ander te verrichten, die het nog in het lichaam zit. 6544. V. Nu nog iets over uw eigen werk. Gij hebt straks gezegd, dat uw werk in uw eerste periode lichter was, gemakkelijker dan dat gij naderhand als bureaulist te doen hebt gehad; nu moet gij ons nog wat mededoelen over de werklieden, die onder uw bepaald opzicht stonden. Waren dat de eigenlijke faïen-ciers ? A. Ja. 0545. V. De vormers ? A. Neen, de afdraaiers. 6546. V. Over die menschen hebt gij ons straks gesproken ; gij hebt ons gezegd dat zij zooveel van de stof te lijden hebben, die vroegtijdig op de borst gaat vastzitten, en hoe het dan verder met hen gaat, maar hebt gij ons nu, behalve hetgeen wij daarvan reeds weten, nog niet een of ander te vertellen ? A. Do partij faïenciers bestaat uit bolvormers, bordenmakers, persers, af draaiers en garneerders. Ik heb hot toezicht gehad over de partij afdraaiers. 0547. V. Moeten de jongens van uw personeel afgescheiden van het voor de gezondheid gevaarlijke werk waarvan wij gesproken hebben, soms zwaar werk verrichten, zooals bijv. het vervoeren of dragen van zware vrachten aarde ? A. Bjj de afdraaiers niet, maar bij de persers en bordenmakers wel. De jongens die bij de persen werken moeten voor den meester klompen aarde aanbrengen. Zulk een moester lieeft twee jongens. De oen is belast met het ingooien van ballen aarde in de moule, en om de beurt loopen zij de trap op en af om het work, dat de meester geperst heeft, in de droogkamer te brengen. 6548. V. Zij zijn daar om te werken en moeten dus hunne handen uitsteken, trappen loopen en klompen aarde dragen. Maar werd het werk ook overdreven ? A. Het is in elk geval zwaar werk «'at zij verrichten. |
6549. V. Zjjn het dan zulke grooto, zware klompen aarde die zjj dragen moeten ? A. Ja. 6550. V. Kregen zjj het door dat werk te kwaad ? A. De jongens verkrotten en gaan er miserabel uitzien. 6551. V. Dus het werk bij de persen is van dien aard, dat de jongens er bepaald slecht en ellendig van gaan uitzien ? A. Ja. 655'2. V. Had daaraan kunnen tegemoetgekomen worden door meer jongens aan dat werk te zetten ? A. Ieder meester kan maar twee jongens gebruiken in'die partij. 6553. V. Waarom? A. Hij staat voor zijn toer en voor meer jongens zou hij geen werk hebben. De eene jongen is belast met het aanbrengen der moulen en en passant de stukken aarde aan te brengen 6554. V. Er is dus geen mogelijkheid om die jongens dat werk uit de handen te nemen ? A. Neen, dat laat de aard van het werk niet toe. 6555. V. Maar kon dat werk misschien niet verlicht worden door oudere jongens te nemen en niet de jongere. Is dat het kwaad ? A. Ja. 6556. V. Het kwaad is dus, dat te jonge kinderen voor dat werk gebruikt werden ? A. Ja. 6557. V. Is er bij dat uithalen dei-ovens een verschil tusschen den zomer en den winter? A. Ja. 6558. V. Deel ons dat eens mede. A. Dat is, dat de ovens in den winter spoediger afgekoeld zijn dan in den zomer. Wanneer van onderen in de ovens het mangat geopend is heeft er een communicatie met de buitenluchtplaats en daardoor is de oven spoediger afgekoeld, en in den winter zal dat veel spoediger geschieden dan in den zomer. 6559. V. Is ook in de omgeving dei-ovens, waar de vrouwen en meisjes de cassetten openen en vullen, de temperatuur buitensporig hoog ? A.-Dat lokaal is luchtig genoeg. |
115
|
65(50. V. Dua niet van dien aard, dat zjj zich zelfs daar half ontkleeden? A. Neen. 6561. V. Hebt gij uit andere afdee-lingen der fabriek soms iets mede te deelen, dat ge meent dat van belang kan zijn? A. De faïeneerie hebben wij geheel afgehandeld. Een gedeelte der faïeneerie had men nog in een ouden bouw die geheel uit hout bestaat, drie verdiepingen hoog, waar zij toen zaten te werken. Daar is geweldig veel stof en het rijst van de eene verdieping naai- de andere op. 6561fcis. De heer Van (Ier Sleyden: De getuige heeft bij de berekening der Iconen gezegd dat er aftrok plaats heeft voor de boeten en de machinegelden. Maar heeft er ook nog aftrek plaats voor het goed, dat door de arbeiders gebroken is ? Zoo ja, is dan die aftrek ongelijk, waardoor de menschen niet weten op hoeveel geld zij kunnen rekenen ? A. Zij hebben vooraf hunne berekening gemaakt, zoodat zij weten wat zij hebben verdiend. Over het algemeen weten zij hoeveel voor een stuk wordt betaald, en als ze het niet weten komen zjj het aan het bureau vragen. 6562. V. Ik begrijp dat zij hunne rekening kunnen maken, maar het gebroken goed wordt dan toch afgetrokken van het loon ? A. .la, als het reeds opgeschreven is. Gesteld dat een werkman 1000 theepotten heeft gemaakt dan werden die opgeschreven; werden er later 100 van gebroken dan werd dit opgegeven en aan den voet van de rekening afgetrokken. 6563. V, Is die aftrek soms aanzienlijk? A. Naarmate gebroken of bedorven wordt. Ik heb het bijgewoond dat een aftrek geschiedde van 30 francs wegens eene partij afgekeurd werk. 6564. V. Dan bleef in die quinzaine weinig van het loon over ? A. Ja. 6565. V'. Kan het later uitbetalen van het loon verband houden met dien aftrek ? AVenscht de fabrikant een tegoed te hebben van den werkman, ten einde daaruit te betalen wat door ongeluk of moedwil verloren ging? A, Dat weet ik niet. |
0566. V. Beliep de aftrek wel eens meer dan het loon der quinzaine? A. Neen. 65666is. De heer Beelacrts van Klok-land : Zijn u verbeteringen bekend, die in de fabriek werden ingevoerd om het lot van den werkman dragelijker te maken ? A. In mijn tijd is men begonnen de waterleidingen door de ateliers te leggen, en daardoor is het mogelijk des avonds twee a drie malen in dè week de ateliers ieder op hun beurt te schrobben. Dat is uit het oogpunt van zindelijkheid en gezondheid. Door den grond te bevochtigen kan de stof niet meer opvliegen zooals in de oude gebouwen, waarvan ik zooeven sprak 6567. V. Zou hetgeen gij omtrent de werkzaamheden aan de ovens hebt medegedeeld, op dit oogenblilc nog voorvallen zooals gij dat gezien hebt? A. Ja, er is geene wijziging in gebracht. 656S. De Voorzitter; Ik dank u voor hetgeen gij ons hebt medegedeeld. Uw verhoor is geëindigd. quot;H. J. Emiers. Verhoor van den heer Louis Regont. 6560. De Voorzitter : Mag ik u verzoeken uw naam, voornaam, betrekking, ouderdom en woonplaats op te geven ? A. Louis Hubert Gérard Regout, lid van de firma Petrus Regout en Cie., oud 54 jaren, te Maastricht. 6570. V. Gij hebt verscheidene asso-cié's, maar gij zijt een van de werkende firmanten ? A. Ja. 6571. V. Hoevele werkende firmanten zijn er ? A. Drie, met mij, mijn oudste broeder Pierre en mijn tweede broeder Eugène. 6572. V. U hebt, waarschijnlijk met het oog op de exceptioneele uitgebreidheid en beteekenis van uwe zaak, den arbeid verdeeld met uwe beide associó's. U hebt. meen ik. meer bepaald de af-deelincr faïeneerie, niet waar? A. Ja, mijn broeder Pierre heeft de glasfabricage en mijn broeder Eugène enkele machinerieën, die meer van al-gemeenen aard zijn. |
110
|
C57o. V. Staat u alleen of heeft u een van de finnanten naast u? A. Ik heb een neef en een zoon, die ieder eene afdeeling hebben. 6574. V. Hoe ia de naam van dien neef? A. Frederik. 6575. Welke zijn die afdeelingen ? A. Mijn neef heeft be bewerking van de grondstoffen; mijn zoon heeft het inzetten, bakken en verdere bewerking, zooals de decoratie, en mijn neef deelt met mijn zoon, die de tweede afdeeling heeft, do handelsafdeeling. 6576. V. Dus uw neef heeft het meer onmiddellijke opzicht over het artikel totdat het geschikt is om in den oven gestoken te worden, uw zoon heeft het onmiddellijk opzicht over hetgeen uil den oven komt, totdat het artikel gereed is, terwijl zij te zamen in den algemee-nen dienst van de afdeeling voorzien. U hebt de superintendentie over de geheele afdeeling, niet waar ? A. Ja. 6577. V. U draagt dus kennis van al hetgeen in de afdeeling van de faïen-cerie omgaat, of is misschien voor u langzamerhand het punt gekomen, waarop men niet meer daadwerkelijk aan de zaken doet ? A. Wanneer ik geen Kamerzitting heb dan ben ik steeds op de fabriek, 5 of 6 uur per dag. Ik besteed ongeveer een half uur aan de fabriek van mijn tweeden zoon, die buiten de stad ligt, de nieuwe porseleinfabriek. Ik meen dus vrijwel op de hoogte te zijn van alles wat er in de fabriek omgaat. 6578. V. En is u van jongs af aan in de fabriek ? A. Ja, van mijn 11de jaar 6579. V. Ik deed mijne vraag, omdat het wel gebeurt, dat als men zonen en volwassen neven heeft, die gereed zijn om onze plaatsen in te nemen, men zich meer gaat bepalen tot de administratieve werkzaamheden; dit is dus bij u het geval niet? A. Ik neem nog altijd een werkzaam aandeel, ik laat de jongelui in mijne voetsporen treden om later in mijne plaats te kunnen komen. Er zijn werkplaatsen waar ik wel eens niet kom, soms wel in een maand niet. De détails ga ik niet zoo na, maar als er verbeteringen of veranderingen noodig zijn, dan ben ik altijd ter plaatse. |
6580. V. Gij zijt dus met allen bekend. Welke zijn die werkplaatsen waar gij soms in een maand niet komt? A. Als ik er niet kom, dan komt het omdat ik hen vertrouw en zij hunne ondergeschikten, want eigenlijk moet niets onnagezien blijven; er moet geen plaats zijn, waar niet het toezicht van een lager of hoogor beambte wordt uitgeoefend. 6581. V. Gij hebt een talrijk personeel, niet alleen in het algemeen op uw fabriek, maar met name in uwe afdeeling. De cijfers liggen voor mij, en en gros zullen u die wel voor den geest staan. In uwe afdeeling alleen zijn meer dan 2100 personen werkzaam; een kleine 800 mannen, 340 jongens van 12â16 jaar, 120 a 130 jongens van 16â18 jaar, 318 meisjes van 12â16 jaar, 140 meisjes van 16â18 jaar, 129 gehuwde vrouwen en 260 ongehuwde vrouwen, niet waar ; het spreekt vanzelf dat nu niet gelet zal worden op eene eenheid, maar in het algemeen, zijn die cijfers juist niet, waar ? A. Ja, wij maken alle jaren een overzicht van onze bevolking ; dat is vooral gedaan om te zien of het bevolkingsregister juist is bijgehouden. De beta-lingsregisters worden vergeleken met de bevolkingsregisters en daardoor zien wij of ieder ondergeschikte zijn plicht heeft gedaan en voldaan heeft aan het voorschrift om geen werkman aan te nemen alvorens hij bij den boekhouder van het bevolkingsregister is geweest om te vragen of er geen bezwaar bestaat tegen de aanneming. Wanneer een persoon den dienst aan de fabriek verlaat, krijgt h|j geen af-teekening van het boekje zonder dat het ook weder gezien is door den boekhouder van hot bevolkingsregister. In November wordt de controle gehouden, en ieder opzichter, die in gebreke is gebleven, krijgt dan eene terechtwijzing, en er wordt nota daarvan gehouden om te kunnen zien wie het meest zich schuldig maakt aan dergelijk verzuim. De gegevens, de u zooeven voorlaast, zijn uit het register van November getrokken en dus zeer recent. 6582. V. Het onderwerp dezer enquête |
|
is u natuurlijk ook als lid van de Sta-ten-Genemal. in alle opzichten nauwkeurig bekend. à weet dat wij ons hebben bezig te houden met een onderzoek naar de werking en eventueele uitbreiding van de wet op den kinderarbeid van 1874; en 2o. niet een onderzoek naar den toestand van fabrieken en â werkplaatsen en in verband daarmede naar de gezondheid, veiligheid en het welzijn der daar werkende arbeiders. Om nu te beginnen met het eerste punt: hoe is uw ervaring omtrent de werking der wet van 1874? Ik meen mij te herinneren dat uw firma in der tijd niet zeer ingenomen was met het glan om die wet tot stand te brengen.lan om die wet tot stand te brengen. eeft de uitkomst soms wat beteren loop gehad ? Heeft men zich kunnen schikken in de belemmeringen, die de wet van 1874 ten opzichte van het aannemen van jeugdige werkkrachten teweeg bracht? A. Ik voor mij heb, wat de afdeeling «aardewerkquot; betreft, die wet nooit afgekeurd. Ik heb haar zelfs zeer goed gevonden en gewenscht dat het terstond een blijvende wet ware geworden, want ik geloof niet dat men haar als zoodanig beschouwen kan. In de toepassing heeft die wet wel eenige bezwaren, doch zij zijn van geringen aard. Zoo is het bijv. gebeurd dat een moeder voor haar kind aan de fabriek werk kwam vragen en een zakboekje medebracht waarin stond dat bijv Jan 13 jaar oud was. Maar nu was het niet Jan, dien zij in de fabriek wilde plaatsen, doch Piet, die slechts 11 jaren oud was. De beambte had het kind wel jong gevonden, informaties genomen en toen bleek dat het niet Jan van 13 doch Piet van 11 jaren was. Daar het nu bijna niet mogelijk is om een onderzoek in te stellen naar elk kind dat voor werk aangeboden wordt, zoo kan het gebeuren dat do werkgever gestraft wordt voor iets, waaraan hij geheel onschuldig is. Wij zijn echter nooit bekeurd, maar was het gebeurd, dan zouden wij er onschuldig ingeloopen zijn. 6583. V. Mijne vraag doelde echter hierop : gij hebt uwe industrie uitnemend goed gaande kunnen houden ook met ontbering van die meer jeugdige werkkrachten, die gij voor 1874 nog al in belangrijken getale in uw fabriek bezigdet ? |
A, Wij hadden slechts zeer weinig kinderen beneden de 12 jaren en de wet van 1874 heeft ons volstrekt niet gehinderd. C584. V. Degenen die gij hadt hebt gij natuurlijk met de invoering van de wet van 1874 hun ontslag moeten geven en gij hebt er geen van dien leeftijd meer kunnen aannemen Het is dus uwe ondervinding dat dit u in uw industrieel bedrijf niet gehinderd heeft? A. Volstrekt niet. 0585. V. üij gebruiktet zoo even eene uitdrukking, die ik wensch te relevee-ren. Gij zeidet dat gij die wet beschouw-det als eene niet-blijvende wet. Wees zoo goed en licht eens toe, wat ge daar eigenlijk mede bedoelt? A. Er zijn door de Regeeiing, onder anderen door de Ministers Modderman en Du ïour, verscheidene pogingen aangewend, om eene meer uitgebreide wet op den kinderarbeid tot stand te brengen : maar daarbij zijn groote bezwaren ondervonden. Het wenscheljjke der uitbreiding is door iedereen erkend; maar dat men er niet toe gekomen is, moet, naar ik geloof, daaraan toegeschreven worden, dat men de zaak te veel theoretisch beschouwd heeft. Mij dunkt dat men meer den weg moet inslaan, die in Engeland gevolgd is. Daar wordt eene geheele serie van fabriekszaken bijeen genomen en voor elke eene speciale wet gemaakt; ik meen dat daar 16 van die categorieën zijn. Men heeft het hier te algemeen willen maken. Ik zou gaarne zien, dat de wet op den kinderarbeid meer werd uitgebreid, maar met inachtneming van elk speciaal geval. Wij hebben in de fabriek werkplaatsen, waar het mij voorkomt dat een kind van 12 jaar gerust 10 uren kan werken zonder nadeel Sommige jongens zitten te schilderen en anderen verrichten lichte werkzaamheden. Maaier zijn andere jongens waarvan ik zelf moet erkennen dat die met 8 uren per dag genoeg hadden. 6586. V. En zij krijgen meer? A. Ja, omdat het in de andere fabrieken ook zoo gedreven wordt. Als er eene wet kwam, die slechts 8 uren voor speciaal werk toeliet, zou ik dat |
IIS
|
goedvinden, maar niet vooi' alles. In sommige gevallen kunnen 10 uren gerust verdragen worden, zonder dat de gezondheid er door wordt benadeeld. 6587 V. Als ik u goed yersta zijner in uwe eigene fabriek zekere afdeelin-gen, waarin nog zeer jeugdige werklieden gebruikt worden voor een werk, waarvan gij zelf gevoelt, dat het wel wat zwaar voor hen is? A. Ja, tot zekeren leeftijd, tot 14 jaar. 0588. V. Dat feit betreurt gij zelf, maar het bestaat. Gij zoudt wenschen dat het niet bestond? A. Ik zou dat wenschen, maar ik kan het niet invoeren, want het is niet al- femeen. Ik kan mij niet achterstellen ij de concurrenten, die dat niet uit eigen beweging zouden doen, en het zou te betreuren zijn als de naburen, zooals de Belgen, dan bleven werken gelijk zij nu doen. Daarmede moet rekening worden gehouden.emeen. Ik kan mij niet achterstellen ij de concurrenten, die dat niet uit eigen beweging zouden doen, en het zou te betreuren zijn als de naburen, zooals de Belgen, dan bleven werken gelijk zij nu doen. Daarmede moet rekening worden gehouden. 6581). V. Kn dus de jonge schepseltjes, die er voor gebruikt worden, ondervinden er de schadelijke gevolgen van? A. Ja. 6590. V. Uadt gij het oog op het werk in de faïencerie van lojarige jongens ? A. Jongens beneden de 14 jaar zou ik niet langer dan 8 uur daags willen doen werken. 6591. V. Hebt gij thans als regel gesteld dat geen jongens beneden de 13 jaren worden aangenomen ? A. Zooveel mogelijk, maar er zijn tijden dat wij hen op 12jarigen leeftijd moeten aannemen, maar dat is uitzondering. 659-2. V. Echter eene uitzondering, die tot uw leedwezen wel voorkomt ? A. Ja. 6593. V. Worden die jongens van 14, 13 ja 12 jaar ook gebruikt voor overwerk des avonds? A. Neen. 6594. V. Of voor nachtwerk? A. Ook niet, althans bij de afdeeling aardewerk. 6595. V. Neemt gij behalve ten aanzien van den leeftijd, nog andere maatregelen bij het aannemen van het jeugdig personeel ? |
A. De jongens worden gekeurd door een dokter. In de afdeeling aardewerk hebben wij eene ziekenbeurs. Bij meerderheid van stemmen wordt een dokter gekozen. De dokter kent het werk in de fabriek, wij hebben het hem getoond. Meermalen worden jongens van 14 a 16 jaren als ongeschikt voor dat werk afgekeurd, vooral in den laatsten tijd. 6596. V. Welk werk hebben zjj ? A. Het dragen van vormen, het aangeven van gereedschappen, het wegbrengen naar de droogkasten van de vervaardigde voorwerpen. Het meeat lijden de jongens in de afdeeling aardewerk van het onvermijdelijke stof. Stof is in geen enkele fabriek te vermijden, maar in eene aardewerkfabriek wordt stof in ruime mate geproduceerd. Daartegen wordt zooveel mogelijk gewaakt door het aanbrengen van exhausters, 6597. V. Van wanneer dagteekent het aanbrengen daarvan in uwe fabriek? A. Een jaar of acht geleden is do eerste geplaatst. Langzamerhand zijn er meer bijgekomen, en verleden jaar nog twee. 6598. V. Hebben die exhausters eene afdoende ti it werking, maken zij de atmosfeer dragelijk ? A. Neen. Het is trouwens bekend, helaas, dat ook in Duitschland op geen fabriek dat bereikt is. Onder de aardewerkers is de sterfte vrij groot, maar ik geloof dat er geen fabrieken in het buitenland zijn, waar zooveel werk gedaan is als bij ons, om het stof te verwijderen, en ik heb nog al veel fabrieken in den vreemde bezocht. 6599. V. Desniettegenstaande zijt gjj van oordeel, dat het toch rationeel en goed zou wezen wettelijke bepalingen te maken om het werken van die aankomende jongens te verbieden? A. Neen, wel om don werktijd van de jongens van 12-14 jaar tot acht uren daags te beperken. 6600. V. Hoe lang werken zij nu bij u? A. Tien uur. 6601. V. Welk werk doen de meisjes van dien leeftijd op uwe fabriek ? A. Het grootste gedeelte schilderen, dan volgt het drukken, dan het sortee-ren, dan het wegvoeren en eindelijk het verglazen. 6602. V. Worden die meisjes ook gebruikt bij het werken met glazuur? |
119
|
A. Ja, doch alleen om de goederen aan te geven, zij zelve verglazen niet; dat doen mannen. 6603. V. Maar zij krijgen de voorwerpen toch in de hand op een oogenblik waarop vergiftiging met het émail nog mogelijk is? A. .ta, zij nemen de voorwerpen aan, terwijl ze nog nat zijn, zoodat aan de vingers iets van het glazuur kleven blijft. 6004. V. Zijn dat jonge meisjes ? A. Niet zoo heel jong. van 15 tot 17. De heele jonge zitten meestal te schilderen en prentjes te knippen voor het drukken 6005. V. Maar de meisjes van 15 tot 17 jaar en daaromtrent, die mueten toch die voorwerpen in de hand nemen met \ niet behoorlijk gedroogde glazuur. En dat werk is schadelijk voor de gezondheid ? A. Ja, maar het is in de laatste tijden vanzelf verbeterd, door dat de voorwerpen, die verglaasd werden met veel lood-withoudend glazuur, niet meer zoo sterk ; gevraagd worden; het is wel niet met1 opzet geschied, maar toch is hot eene verbetering. Er wordt wel % minder van dat goed gevraagd. 6006. V. Bespeurt gij bij de meisjes wel eens nadeelige gevolgen van dat werk ? A. Neen, bij de meisjes niet, die worden zooveel mogelijk verwisseld. Zij werken 14 dagen, 1 maand, soms twee maanden en dan worden zij verwisseld; ik heb getracht eon reglement daaromtrent vast te stellen, maar ik heb er van moeten terugkomen. 6607. V. Is dat verwisselen aan het mindere personeel overgelaten ? A. Wijn zoon heeft de directie er over en die geeft zijne bevelen aan de opzichters, maar er ontsnapt natuurlijk veel in zulk een groote zaak. 6008. V. Gij acht dus afwisseling noodzakelijk, maar gij weet niet zeker dat het geschiedt ? A. Neen, dat weet ik niet. 0609. V. Hebt gij kwade gevolgen van het werk bij de meisjes op ouder leeftijd waargenomen ? A. Ik heb er niet van gehoord. 6010. V. Er komen toch gevallen van loodvergiftiging voor in uwe fabriek ? A. Bij de mannen die dit werk doen. |
dit is een bepaald ambacht. Ue meisjes blijven niet zoo lang. gewoonlijk tot haar 20ste of jaar. dan trouwen zij en gaan meestal van het werk af, terwijl de mannen blijven. Wij hebben mannen gehad die langer dan 20 jaar bij ons waren en niets voelden, terwijl anderen reeds na 2 jaar loodkoliek kregen ; dan moeten zij weg; maar nu onlangs heb ik in overleg met mijn zoon bepaald dat zij maar 5 jaren aan dat werk mogeu bljjven en dan krijgen ze ander werk bij ons. 6611. V. Is er behalve de afwisseling om de vijf jaar geen ander preservatief te nemen om de vergiftiging tegen te gaan ? A. Wij hebben er een dat zeer goed is. De algetneene wijze om de borden in het glazuur te dompelen is ze met de vingers aan te vatten, maar wij hebben nu een metalen tang ingevoerd. De werkman pakt daar de borden en dergelijke vlakke voorwerpen mede aan en dompelt ze in. Zoo doende komen de menschen niet meer met do handen in het vocht. Er zijn echter artikelen waarmede dat niet te doen is. Met andere middelen hebben wij proeven genomen, maar dat gaat niet; handsclioenen wierpen zij onmiddellijk weg. Wij hebben caoutchouc-vingers verstrekt, maar het glazuur trok er onmiddellijk door en dan is het nog erger. In andere fabrieken zijn ook proeven genomen, maar er zijn er zelfs weinige waar de tang wordt gebruikt, die bij ons zeer voldoet. Ik heb er uit menschlievendheid eenige naar Engeland gezonden, maar men kon er daar niet mee overweg. 6612. Zijt gij zeker dat die tang in uw eigen fabriek door het werkvolk gebruikt wordt? A. Jawel. 6613. V. Al lang? A. Ongeveer 15 jaar. 6614. V. Maar hoe is daarmede te rijmen dat u toch de menschen na 5 jaar met dat werk laat uitscheiden ? A. Zij wisselen af. Zij hebben toch altijd een zeker werk met de hand. Vlakke voorwerpen als borden kunnen met de tang ingedompeld worden, maar als de drie punten nu eens niet goed loslaten, nemen zij het voorwerp als het half droog is wel met de hand er uit |
120
|
om het neer te zetten. Verder staan zij met de kleederen aan voor de knip en deze worden daardoor wel bezoedeld. Bovendien zijn zij den gebeelen dag in die atmosfeer en dat is nadeelig. Uwe aanmerking zou dan juiat zijn als bij uitsluiting met de tang word gewerkt; dan konden de menschen het wel tien jaren volhouden, In het algemeen kan men slechts zeggen: deze man werkt met de tang en die niet. daarom is bepaald dat dit werk niet langer dan 5 jaar achtereen door denzelt'den werkman zal verricht worden. 6(515. V. Gij hebt dus de ervaring opgedaan dat bij die menschen de zeer ernstige gevolgen niet uitbleven ? A. Ja. 1)016. V. Houden de menschen zich aan de heilzame voorschriften, die gij ze bij diergelijk werk in hun eigen belang geeft ? Gij hebt zooeven gezegd, dat men die handschoenen bij voorbeeld vóór hen kon leggen en ze ter hunner beschikking stellen, maar dat men hen niet kon dwingen ze te gebruiken. Zijn er in diezelfde richting nog andere dingen, die hun aangeraden en voorgeschreven worden en die zij niet nakomen? A, De reinheid wordt hun steeds voorgehouden ; men heeft hun gezegd vóór het eten van hun boterham zich de handen te wasschen, alsmede zich te wasschen vóór het verlaten van de fabriek; maar de een doet het en de andere doet het niet; men kan er niet steeds bij zijn. Aan de reiniging van de werkplaatsen wordt veel zorg besteed; maar zij morsen zooveel, dat het als het ware een strijd wordt tusschen vuilmaken en schoonhouden Het is zelfs verdrietig dat menschen, wier eigen belang het is den boel schoon te houden, zoo vuil kunnen zijn. Zjj hebben bij voorbeeld een schort voor ; in plaats dat nu, zooals hun aangeraden wordt, af te doen en in de open lucht uit te kloppen, zitten zij het in de werkplaats, terwijl zij het aan hebben, gedurig af te kloppen, zoodat de stof hen in neus en keel komt. Aan vermaningen echter ontbreekt het hun zeer zeker niet. 6617. V. Wat doen de getrouwde vrouwen, waarvan gij er een goede honderd hebt, in uwe afdeeling voor werk? i |
A. Getrouwde vrouwen worden bij ons in den regel niet aangesteld. Doch wanneer zij als meisje bij ons werkzaam zijn en zij trouwen, dan vinden wij geen reden om ze te bedanken: vandaar dat wij betrekkeljjk zooveel getrouwde vrouwen op de fabriek hebben. Die vrouwen blijven hetzelfde werk verrichten dat zij als meisjes deden ; de meeste zjjn in de drukkerij ; verder zijn er in de schilderkamer en in de vernis-kamer; ook zijn er voor het vullen der cassettes, terwijl de meer jonge meisjes in de magazijnen de goederen sorteeren. 6618 V. Maar daar zijn ongetrouwde ook bij ? A Ja, do grootste meisjes zijn daar. 6619. V. De invloed van den fabrieksarbeid van getrouwde vrouwen op de gezinnen heeft u waarschijnlijk wel eens aanleiding tot waarnemingen gegeven. Ik kan begrijpen, dat wanneer gij als fabrikant een jong meisje in dienst hebt en zij trouwt, dit voor u geene reden is om haar den verderen toegang tot de fabriek te weigeren. Daar spreek ik ook geen oordeel over uit. Maar wat denkt gij van het werken van getrouwds vrouwen, niet speciaal op uwe fabriek, maar op fabrieken in het algemeen ? A. Mij dunkt dat de werkgever zelf de speciale gevallen beoordeelen moet. Wanneer een meisje op eene fatsoenlijke wijze trouwt en zij blijft in de eerste zes maanden buiten zwangerschap, dan zie ik niet in waarom zij zou moeten te huis blijven. 6620. V. Zou het in orde houden der huishouding, het gereed maken van het eten voor den man, het zorgen dat de man geen kroeglooper wordt, het niet wenschelijk maken dat de vrouw te huis was ? A. Volstrekt niet. Dat te huis blijven der vrouw heeft een gewonen gang, die vrij regelmatig is. Als zij twee kinderen hebben, beginnen zij zachtjes aan verlof te vragen om te huis te blijven; dan hebben zij een kind ziek, dan is er iets anders; en als zich dat wat herhaalt, zegt de opzichter vanzelf: Nu wordt het tijd, dat gij te huis blijft. Maar het ge -beurt meestal, dat die menschen eene zuster of moeder te huis hebben die op de kinderen past, en dan verdient zij als vrouw ruim zooveel dan zjj als meisje |
121
|
verdiend heeft, want zij is bedaarder geworden en heeft den goeden slag gekregen; dit is de tijd, dat zij het best werkt. Terwijl zij als meisje 60 cents verdiende, wordt het nu 80 cents en f -1 per dag, wat de vrouw missen zou als zij te huis bleef. Er is een schafttijd van ure tot half 2. Als zij wat overleg hebben en het ruwe gedeelte van de huishouding vooraf klaar maken, kunnen zij, als zij te huis komen, nog tijdig genoeg den pot koken, dat de man kan eten. en dan zijn zjj om half '2 weder aan het werk. Wij hebben daarom vooral den schafttijd gezet op 1 i tot half 2. in plaats van 12 tot 1. Dat is reeds lang geleden, maar ik herinner mij zeer goed dat dat een der redenen was, dat men een ruimer tijd wilde laten om het eten klaar te maken en de men-achen behoeven zich nu niet zoo te overhaasten, 6(521. V. Er zijn gevallen dat vrouwen met een talrijker gezin toch op fabrieken blijven werken. Hebt gij niet den indruk gekregen dat dit voor het gezin nadee-lig is? A, Ik heb die ervaring niet. Ik geloof niet dat wij veel vrouwen met meer dan twee kinderen hebben. Wenschelijk zou ik het achten dat eene bepaling wierd gemaakt, volgens welke eene vrouw met meer dan twee kinderen niet meer in de fabriek mocht werken, behoudens uitzonderingen. Een weduwe bijv. met drie kinderen moet wel den kost voor allen verdienen, maar zulke vrouwen nemen wij slechts uit medelijden aan. 6622. V. Hadt gij in uwe inrichting geene gelegenheid op te merken dat aan den arbeid der gehuwde vrouwen bij toeneming van haar gezin een einde moest worden gemaakt'? A. Dan blijven zij vanzelve weg. 6623 V. üjj hebt gezegd dat de jongeren schilderen, sorteeren, de cassettes voor de ovens laden en lossen; werken ook niet meisjes bij het maken van stiftjes voor triangles? A. Ja. 6624. V. Is dat niet een gevaarlijk werk ? A. Thans niet meer; vóór eenige jaren is daarvoor een toestel ingevoerd, dat in Engeland werd gebruikt. Men was echter niet zeker van de bewegingen van het vliegwiel, zoodat de vingers werden afgesneden. |
Wij hebben het onmiddellijk afgekeurd. 6625. V. Heeft het geneeskundig Staatstoezicht zich daarmede bemoeid. A. Wij ontvingen eene waarschuwing van dokter Van Kleef. 6626 V. Dr. Van Kleef is niet van het Staatstoezicht. Bespeurt gij nooit iets van dat toezicht ? A. Nooit. 6627. V. Is het bestaan daarvan u onbekend ? A Ja. Mijn zoon had de waarschuwing ontvangen. Hij was het volkomen met mij eens tot het onmiddellijk afschaffen, alhoewel het wonder was, daar ze in Engeland goed werken. 6628, V. Het volwassen mannelijk personeel in uwe afdeeling verricht een arbeid, die wel aanleiding geeft tot kwalen en ziekten,- en die zeer bedenkelijk is, ten gevolge van de ontwikkeling van stof? A, Ja. 6620. V. Die menschen worden in don regel niet oud, niet veel ouder dan 40 jaar ? A. Doorgaande beginnen zij op het 45ste jaar ongeveer te laboreeren. 6630. V. Is het niet reeds een weinig jonger ? A. Er zijn er, die veel vroeger beginnen, maar dat hangt ook veel af van het gestel. Wanneer men eerder begonnen was met het keuren der jongens, dan was de geheele generatie waarschijnlijk beter geweest. 6631. V. Werklieden boven de 50 jaar zijn in uwe afdeeling uitzonderingen, niet waar? A. Ja, maar ik geloof wel dat er oudere zijn Ik heb echter nooit een statistiek daarvan laten maken, maar wij kunnen het bemerken aan het ziekenfonds. wij hebben in het ziekenfonds der aardewerkers altijd zooveel meer percenten van de leden dan in de andere fondsen onzer fabriek. 6^32. V. Hebt gij ook sterftestaten bij laten houden in de fabriek ? A. Jawel. 6633. V. Dat ziekenfonds wordt gevoed door contributiën van de werklieden, niet waar? |
122
|
A. Ja, en een derde door de firma ; als de werklieden oen gulden storten, dan storten wij 38 cents. (5634. V. Dat fonds wordt aangewend tot het geven van geldelijke uitkeerin- fen in geval van ziekte en ook tot het ekostigen van de hulp van den medicus over wien wij in het begin van ons verhoor gesproken hebben?en in geval van ziekte en ook tot het ekostigen van de hulp van den medicus over wien wij in het begin van ons verhoor gesproken hebben? A. In de afdeeling aardewerk hebben wij twee afdeelingen voor het ziekenfonds : het faïenciers-ziekenfonds en het zoogenaamde «ardewerk-quinzaine-zie-kenibnds. De faïenciers staan onder directie van mijn neef, dat zijn degenen, die de voorwerpen onmiddellijk vervaardigen, en het personeel dat onder mijn zoon staat bewerkt de voorwerpen van af den tijd, dat zij uit den oven komen. Dat laatste personeel wordt meer beschouwd als zijnde werklieden die geen bepaald vak geleerd hebben, het is een meer afwisselend personeel, dat een kleiner loon verdient, en aan hen wordt alleen geldelijke ondersteuning en geen geneeskundige hulp gegeven, omdat zij meestal geholpen worden door de stadsdokters. 66341»is. V. Het eene gedeelte krijgt dus geldelijke ondersteuning en moet bjj het armbestuur geneeskundige hulp vinden. De deelneming aan die ziekenfondsen is verplichtend niet waar? A. Ja, van af het 18de jaar voor de mannen. 6635. V. En hoeveel beloopt de contributie in de week ? Hoeveel percent van het loon ? A. Naar den staat van de kas, van 1 tot 2'4 percent, gemiddeld is het IVj. percent. Voor degenen die geneeskundige hulp verkrijgen, de faïenciers namelijk, betalen omtrent 3 percent. 6636. V. Hebt gij nog andere fondsen aan uw fabriek ? A. Andere hebben wij niet. Wij hebben jaren geleden getracht een wedu-wenfonds te stichten voor de employés, ongeveer 70 in getal. Wij vonden het wenschelijk, dat die heeren geen bedrijf uitoefenden buiten de fabriek. Er waren er, die een détail-handel uitoefenden enz. Daaruit ontstonden misbruiken. Het personeel dat onder hun toezicht stond meende gunsten te verkrijgen, wanneer zij zich daar voorzagen van goederen; |
toen hebben wij het verbod opgelegd aan do heeren employés om eigen zaken te doen ; de salarissen zijn toen eenigs-zins vermeerderd Toen kwam de klacht hunnerzijds: wat zal er nu niet onze vrouwen gebeuren als wij sterven ? De aanmerking was gegrond en wij antwoordden: wij zullen een weduwenfonds stichten; de firma geeft f 2U00, gij betaalt per maand zooveel, de firma weer 1/3 Dit heeft zoo drie jaren geduurd. Toen deed zich het geval voor dat een pas aangestelde geëmployeerde op stenen lag De andere hoeren kwamen toen bij elkander-en zeiden: Hoe jammer! Nu zal waarschijnlijk de weduwe van dien pas aangekomene 240 gulden pensioen krijgen van den inbreng, dien wij hebben gegeven, die zoo lang hier zijn. Dat was het eerste bezwaar dat zich voordeed, maar het was zóó overwegend dat de heeren het reglement zouden gaan wijzigen, maar toen vonden zij het wel zoo eenvoudig om het fonds te ontbinden en ieder het ingelegde geld terug te nemen. Sedert hebben wij aan die zaak niets meer kunnen doen. De f 2000 die wij gestort hadden, hebben wij niet teruggenomen, maar van de kleine rente worden de weduwen van een paar geëmployeerden bedeeld. De man die toen op sterven lag, is beter geworden, en het geld zou dus gered zijn geweest, maar de heeren hadden nu eenmaal daardoor een ander inzicht in de zaak gekregen. 0637. V. Aan de dekenfabriek van den heer Jules Regout heeft men eene soortgelijke ondervinding gemaakt; ook daar heeft men het fonds weder verdeeld ? A. Dit is mij niet bekend. 0638. V. Dan zal ik u met deze zaak niet lastig vallen. Dus andere fondsen andere caisses de prévoyance van welken aard dan ook, bestaan in uwe fabriek niet ? A. Mag ik u observeeren, dat de ziekenbus eigenlijk werkt als pensioenfonds. Het personeel blijft lid tot aan den dood toe. üe ouden van jaren blijven leden en trekken de helft van hun loon gedurende twee jaren, en daarna quot;3 levenslang uit die kas. 6639. V. Hebben dan alle werklieden |
123
|
die op leeftijd gekomen zijn en ongeschikt worden om langer to werken in uwe fabriek, eene uitkeering uit die bus, uit dat fonds ? A. Neen, niet allen, slechts wanneer zij lid zijn cn aan de eiselien voldoen, die het reglement van het fonds stelt. (36 4 0. V. Maar ik meen dat gij daar straks gezegd hebt, dat allen verplicht waren lid te worden ? A Behalve degenen, die op te laten leeftijd zijn ingetreden. Onze fabriek bestaat sedert jaren en vroeger was dit reglement niet zoo volledig als thans, liet is een keer of acht gewijzigd Zoo is er ook later de bepaling in opgenomen dat diegene, die bij het intreden der fabriek den ouderdom van 50 tot beneden de CO jaren bereikt heeft, slechts tot en met zijn (lOste jaar van deze ziekenkas deel kan uitmaken ; na dien tijd heeft hij niet de minste aanspraak meer op eenige bijdrage of uitkeering. Nu zijn er gevallen voorgekomen van menschen, die boven de 50 jaren zijn ingetreden en tot boven de 60 zijn blijven werken. In dit geval hadden wij geen bevoegdheid hen uit dat ziekenfonds iets te geven. 6641. V. Maar komt het niet voor, dat er menschen zijn, die bij u gedaan krijgen met werken, omdat zij voor u onbruikbaar zijn geworden, die niet de minste uitkeering krijgen ? A. Dat komt niet anders voor dan wanneer er gegronde redenen bestaan om ze niet t© bededen. 66'i'2. V. Welke gegronde redenen zijn dat ? A. Wanneer zij bij voorbeeld weggezonden worden wegens wangedrag, maar niet wegens onbruikbaarheid, door ouderdom ontstaan Ik herinner mij daarvan slechts een geval, namelijk van een voerman, die thans op den Calvariënberg is. Die is boven de 50 jaren ingetreden en wordt niet bedeeld. 6643. V. Bedriegen mijne herinneringen mij niet, dan zijn hier verklaringen afgelegd door andere getuigen in anderen zin. Komt het dus niet voor dat menschen, die niet meer werken kunnen, gedaan krijgen, en daarmede uit ? A. Mannen ? Vrouwen trekken van ons niets. Die hebben nooit gestort. |
6644. V. Dus de vrouwen, is uw antwoord, krijgen gedaan, en daarmee uit, zonder dat gij u over haar lot hebt te bekommeren'? A. Ja. 6645. V. Maar nu de mannen ? A Die trekken volgens dit reglement hun geheele leven, ook wanneer zij als versleten menschen kunnen beschouwd worden. 6646. V. Ik kan zeer goed begrijpen, dat ge, bij eene zaak van zulk een omvang wanneer men voor détail-quaes-tiën en scherp geformuleerde vragen gesteld wordt, misschien het antwoord moet schuldig blijven. Maar laat ik u zeggen, er is hier, meen ik, stellig verklaard, dat het zeer dikwijls voorkomt, dat mannen, die versleten raakten, eenvoudig gedaan kregen, zonder dat zij verder in het genot waren van eenigerlei uitkeering of ondersteuning vanwege de fabriek of van eenig fonds aan de fabriek annex. Is dat juist of niet? A Dan zou het geheel buiten mijn weten zijn, en die het verklaard heeft, heeft het reglement niet in het oog gehouden. 6647. V. Hoeveel mannen, die, omdat zij versleten waren, op waren, niet meer konden werken, en als zoodanig congé hebben gekregen, genieten van den kant van uwe fabriek pensioen of uitkeering ? A. Volgens den staat, dien ik heb overlegd, zijn het er 12. 6648 V. Mag ik u eens eene kleine opmerking maken ? Gij hebt straks gezegd. en dat laat zich in verband met de zaak gemakkelijk aannemen, dat do menschen door het fatale werk dat zij moeten doen, en niettegenstaande alles wat ge meent als preservatief te kunnen invoeren, zeer spoedig versleten raken. Gij hebt een mannelijk personeel van ongeveer 800 personen. Wanneer er nu maar 1quot;2 menschen zjjn, die eene uitkeering genieten, gelooft gij dan nog te kunnen blijven bij uw gezegde van straks, dat allen, die niet meer kunnen werken, eene uitkeering van den kant der fabriek krijgen ? of is dat meer wat gij wenscht dan wat in werkelijkheid bestaat ? A. Ik kan alleen als mijne meening zeggen dat de ouden van jaren, voldaan |
124
|
iiebbendo aau hut reglement van de ziekenbeurs, tot hun overlijden geldelijke ondersteuning genieten, Er kunnen gevallen zijn, mij niet bekend, dat het niet geschiedt. Ik heb aan de heeren, die m jj te Maastricht over de zaak spraken, verzocht mij de namen op te geven, en ik ken alleen dien van den voerman, welk geval mij onbekend was. 6649. V. Wanneer ik op dit punt doorga, wil dan niet meenen dat mijne vragen eene minder aangename strekking hebben. Gij zult mij toegeven dat het beter is u vragen te stellen en dat ze door u worden beantwoord, dan dat de dubia eerst bij het openbaar maken van het verbaal ter uwer kennisse kwamen, zonder dat u de gelegenhied door mij was aangeboden ora ze op te lossen ? A. Gelief dan die vragen te stellen ; voor zoover mij bekend is, zal ik daarop antwoorden. 6650. V. Ik begrijp niet dat in uwe afdeeling, waar bijna 800 mannen arbeiden aan een werk, dat ondanks alles wat ten goede geschiedde, van fatalen aard is, mannen die. behoudens enkele uitzonderingen op betrekkelijk jongen leeftijd ongeschikt worden voor verderen arbeid, thans slechts 12 mannen zouden leven die bij u werden ontslagen. Als gij meent dat er slechts twaalf menschen eene uitkeering trekken, dan zou ik haast denken dat gij in dwaling verkeert met te meenen, dat alle ontslagenen uitkeering trekken ? A. Het zjjn menschen die het permanent ontvangen, maar er zijn ook nog zieken. 6651. V. Die laatsten bedoel ik niet, maar de menschen die voorgoed hun congé hebben ontvangen. En dit moet, dunkt mij, veelvuldig voorkomen bij menschen die vroegtijdig ongeschikt worden om te werken. Ik wijs er opzettelijk op om u de gelegenheid te geven dit op te lossen en duidelijk te maken A. Die twaalf zjjn zoogenaamde quin-zaine-arbeiders, die geen medische hulp krijgen. 665*2. V. Maar weet ge niet te zeggen of meer dan twaalf eene geldelijke ondersteuning, een pensioen krijgen ? A. Het is eigenlijk geen pensioen: wanneer die menschen weder kunnen -werken, komen zij weder werken. |
6053. V. Maar gij hobt Uct toch straks uitgelegd alsof het een pensioenkas was. Als equivaleerende uitdrukking kunnen wij toch het woord pensioen gebruiken voor de geldeljjke uitkeering, welke die menschen, die voorgoed ongeschikt zijn geworden ora te werken, op hun ouden dag ontvangen Nu zegt gij dat er slechts 12 zijn. Ik wijs u op de geringheid van dat cijfer tegenover het hooge cijfer van het arbeidend personeel, p. m. 800 man, en in verband met het zeer gevaarlijke, schadelijke en ongezonde werk dat zij te verrichten hebben. A. Ik wil mijn gezegde in zoover wijzigen dat het niet werkt als pensioenfonds, maar als ondersteuningsfonds voor diegenen, die door langdurigen arbeid een onderstand tijdelijk verdienen. 6654. V, Ontvangen buiten die twaalf personen nog meer gewezen werklieden eene uitkeering vanwege uwe fabriek? A. Neen. 6655. V. Wij hebben nu gesproken over het werk van de aankomende jongens en meisjes, van jonge en getrouwde vrouwen en eenigermate over de positie van de volwassen werklieden. Ik wensch nog even terug te komen op het lot van de jongens Ik wil u niet onbekend laten met de feiten, gij zult het later zelf kunnen lezen, die ons daaromtrent zijn medegedeeld. Ik zal u in de gelegenheid stellen om daartegen in te brengen wat u goed zult vinden. Er is verklaard, dat het wel voorgekomen is, dat jongens niet alleen hard werk moesten doen en hard wwden bejegend, maar dat het ook voorgekomen is, dat zij met een gloeiend ijzer tegen het lijf werden geslagen, indien zij zich niet naar den zin van den baas gedroegen. Het mag wezen, dat dit in eene andere afdeeling geschiedde, maar daarom kon toch het feit u bekend zijn ? A. Het feit is mij niet bekend. 6656. V. Mag ik dan, in verband met de positie van de volwassen mannen, u bekend maken met een bezwaar dat er ingebracht is in stukken, die bij de Commissie zijn ingekomen. Het eene stuk naar aanleiding van eene circulaire, die van ons uitgegaan is, kort na ons optreden en die op ruime schaal verspreid is, en een ander stuk dat ongevraagd is ingezonden door een tot nog- |
125
|
toe aan ona niet bekend persoon. In beide stukken wordt op een bitteren toon gesproken over het harde lot van de menschen, die in de fabriek belast zjjn met het werk aan de ovens, met name aan de zoogenaamde biscuit-ovens. Ik kon u eenige woorden uit die stukken voorlezen, maar gij zult wel begrijpen wat ik bedoel. Ik wil u in de gelegenheid stellen om tegen die bewering het een en ander in te brengen. Men zegt, dat het werk in de ovens een hard en gruwelijk werk is. Wilt gij het feit tegenspreken, dan zullen wij u de gelegenheid daartoe geven; ik voor mij mag, naar ik meen, hier tegenover u dit onderwerp niet onbesproken laten, omdat gij later niet zoudt zeggen; waarom heeft men er mij en temps utile niet over gesproken. A. Heeft u de stukken soms bij de hand ? 6657. V. Gaarne. Zooals ik u zeide, is het een stuk afkomstig van een man dien wij nog niet hebben gehoord, maar wjj hebben begrepen dat het niet verantwoord zou zijn, wanneer wij hem niet opriepen. Wij zullen trachten hom te nopen om ons de waarheid te zeggen en geen gekleurde waarheid, geen dingen die u benadeelen. Wij zullen ons best doen om den man op betamelijke wijze op het gemoed te drukken, dat hij geen leugens moet vertellen, maar in afwachting dat hij komt, kan ik niet anders doen dan u de passage mede te deelen die des betreffende er in voorkomt. Het is geen zeer mooi Hollandsch, maar letterlijk staat er: «Dan de slaven uit de ovens met hun uitgedroog ligchaam van matheid moete naar de gloeijende ovens in, om de waar er uit te halen, dat hun de haren op het hoof verbrande meester het is te warm wat te warm gij gaad voor twee dagen naar huis en nog eene keer de poort af dan moet die arme slaaf maar doodstil naar de hel van warmte enz.quot; |
Dat is het eene stuk: het andere is van eene erkende vereeniging te Maastricht afkomstig: daarin staat ten opzichte van de ovens het volgende; het spijt mij dat ik hot moet releveeren, maar het is beter het u nu te zeggen, dan dat u het later tot uwe onaangename verrassing in de verbalen leest: »Bi) druk werk is het getal ovens voor aardewerk soms te gering. Er is dan geen tijd en gelegenheid ze te laten bekoelen, zoodat de arbeider gedwongen wordt zich half naakt in den heeten oven te begeven om het werk dat gereed is, daaruit te halen, dat dan plaats moet maken voor ander. Gebeurd is het, dat de lappen, waarmede hij zijne handen had omwonden, door de hitte in brand vlogen. »Het behoeft geen betoog dat deze wijze van ovens ontledigen, die door het stichten van meer ovens geheel onnoo-dig zoude worden gemaakt, niet alleen gevaarlijk, maar ook hoogst ongezond voor den arbeider is.quot; Ziedaar, de beide plaatsen, laat ik u er bjj zeggen, om u niets te verhelen, dat door meer dan één getuige dit wel bevestigd. maar niet tegengesproken is. Wilt gij er soms wat tegen zeggen? A, Daar kan ik dit tegen zeggen ; wanneer het gebeurt, dat men in een oven moet gaan die warm is, dan gebeurt dit bij uitzondering, in den zomer op een warmen dag als er geen tijd is om hem te laten afkoelen, voornamelijk omdat de vervaardigers van aardewerk buitengewoon hard werken, zoodat de ovens hen niet bij kunnen houden. De menschen maken vóór kermis of vastenavond â¢/» Pei' dag meer dan anders. Dan is hot onbegrijpelijk wat zij voortbrengen. De oven kan maar een zekeren kubus inhouden, en dan moet het werk overhaast worden, ten einde die menschen niet te laten verzuimen Zooals het echter in dat stuk staat, i» het wel wat scherp gekleurd. Ik wil er nog bijvoegen dat hetzelfde zich voordoet in allo aardewerkfabrieken 6658. V. üij zegt dat het feit wel wat scherp gekleurd is, maar gij vindt toch geen vrijheid om pertinent de feiten tegen te spreken of te loochenen. Nu doe ik u liever, zonder verder op onaangename wjjze dit punt te urgeeren â hoewel ik u volkomen vrijheid laat er zoo lang over te spreken als u uwerzijds verkiest â deze vraag: zou aan die feiten, voor zoover zij bestaan en die toch een zeer ernstig karakter hebben, niet ëen einde kunnen gemaakt zijn, in- |
126
|
â¢dien er wat meer ovens bijgebouwd â waren ? Ik doe die vraag naar aanleiding van hetgeen in het zooevon aangehaalde stuk in dit opzicht gemoveerd is en op grond van de verklaringen der hier gehoorde getuigen. Misschien zoudt gij persoonlijk zelf' het goedgevonden hebben als er meer ovens bijgebouwd wa ren? Is het waar dat er eene oplossing en voorkoming van het kwaad te vinden zou zijn door eenige ovens meer bij te bouwen ? A. Het bezwaar zou op die wijze op te lossen zijn, en er wordt geleidelijk in voorzien. Dat is ingezien, en wjj wachten het gunstige seizoen af om twee ovens te doen bjjbouwen. 6659. V. Hoeveel ovens hebt gij ? A. Ik geloof '22. 6660. V. En g|j werkt met 800 man daar? A. Ja. 6661. V. Hoeveel ovens hoeft de zóóveel minder bevolkte «Céramiquequot; ? Is het getal niet 17 ? A. Dat weet ik niet. 6662. V. Door hot bijbouwen van «vens zou de zaak dus te vinden geweest zijn .' A. Het produceeren van ons artikel is zeer uiteenloopend. 6663. V. Met deze opmerking dan toch, het is nog eene herinnering uil vroegere dagen, dat gij in deze positie vekeert. dat er meer vraag is naar uw artikel clan gij bij machte zijt te leveren. Gij hebt dus geen reden, om de capaciteit van uwe fabriek niet op te voeren tot het maximum? A. Neen, maar wij wenschen alles in evenredigheid te houden. Dat belet niet. dat de vraag naar groot goed of klein goed zulk een groot verschil maakt voor de capaciteit der ovens, dat er geen rekening mede te houden is. Als er veel klein goed gevraagd wordt, moeten wij verscheidene ovens ongebruikt laten. Daarin is echter nu in zooverre voorzien, dat, voor het geval er gebrek is aan ovens, order gegeven is om de produceerende werklieden een halven dag te laten ledig loopen. Daardoor zal het forceeren der ovens verholpen worden. Verleden week hebben zij reeds een halven dag ledig geloopen, enkel ter wille der ovens. |
6664. V. Het forceeren der ovens â om die uitdrukking te gebruiken â is een feit dat bestaat, dat gij betreurt en dat gij genegen zijt te bestrijden en te verminderen. Ik zal verder over dat punt zwijgen. Er is een ander feit, dat ook hier gemoveerd is en waar wij over moeten spreken in verband met ons onderwerp, namelijk de positie die de werkman heeft opzichtens het loon dat hem toekomt. Wat is de regel omtrent de uitbetaling par r/uinzaine ? Wat is daarvan het motief? Waarom worden de mannen in doze fabriek betaald per 14 dagen en niet. zooals in ons landje naar ik geloof overal elders het geval is, bij de week? A. Het volk werkt bij ons, ik kan zeggen allen, per stuk. Het opmaken van die rekeningen is zóó omslachtig, dat, waar het heel moeiljjk is. wij verplicht zijn het met de maand te doen. Als ik mij niet vergis, zijn wij tegenwoordig overgegaan ze met de halve maand te betalen. Een jaar of vier geleden werden de zoogenaamde faïenciers allen per maand betaald. Ik ben niet zeker of zjj tegenwoordig allen met de halve maand betaald worden, maar het betalen bij de week zou ons te voel bezwaar opleveren door het opmaken van de rekeningen. 6665. V. Laat ons de beide ietwat tegenstrijdige belangen eens tegen elkander wikken en wegen. Aan den eenen kant staat een gemak voor de administratie van uwe groote inrichting. Het ware wel zoo gemakkelijk de loonen te doen berekenen en uitbetalen bij nog langer termijnen, maar met een bureauman meer ware het bezwaar misschien wel te overwinnen. Daartegenover staat het tastbaar belang van den goeden gang der huisgezinnen van alle uwe werklieden. Deze zijn geen kapitalisten om 14 dagen te kunnen uitzien naar loon; wanneer om de 8 dagen wordt betaald, snakken zij reeds daarnaar. Nu worden zij genoodzaakt om te borgen. te verpanden, enz. Als wij nu beide belangen tegenover elkander wegen, zoudt gjj dan niet meenen dat het overweging verdient verbetering in bedoeld opzicht aan te brengen ? A. Ik zou dit ongaarne verklaren. |
127
|
De betaling gcschiedde vroeger groo-tendeels per raaand. doch dit is reeds zooveel mogelijk veranderd en gesteld op eene halve maand. Verder meen ik niet te kunnen gaan. 6006. V. Geschiedt niet te Maastricht in fabrieken, industrieele of mercantieele ondernemingen de betaling aan de werklieden op andere wijze ? A. Ik meen dat zij in andere vakken op zijn vroegst per halve maand worden betaald, ook in de Céraniique 6607. V. De moeite waarmede u te doen hebt heeft niets gemeen met den ' aard van het artikel; de groote omvang uwer inrichting veroorzaakt die moeite en doet u betalen bjj groote periodes; maar gij zult toch niet ontkennen dat het voor de gezinnen van de werklieden een kwaad ding is ? A. Dat kan ik nog niet inzien. Het komt mij voor dat zij meer overleg krijgen als zij met de halve maand betaald worden. 6068 V Dit is zeker dat zij dan langer tijd in penurie verkeeren. Maar' als dat de bedoeling is, is het dan I misschien niet eene ietwat gevoelige school ? A Maar wanneer men ze alle dagen betaalde, dan zouden ze leven «aujour le jourquot; ; nu leeren zij toch een zeker overleg. 6069. V. Mag ik daartegenover opmerken dat zij nu op den betaaldag eene som in handen krijgen, die wel wat heel groot is? üok zelfs die goede zijde wordt dus weder door de kwade overwogen. Dit schijnt wel zeker dat die menschen op de nu gevolgde wijze van betaling eene penibele periode moeten doorworstelen, die hun bespaard kan worden indien zij bij de week werden betaald. Heeft wel niet eens een van uwe employés u er attent op gemaakt dat het in het belang van die menschen wenschelijk zou zijn om in de wijze van betaling eene verandering te maken ? A. Ik kan mij dat niet herinneren. 6670. V. Herinnert gij u niet de verbetering van het veranderen van de afrekening van een maand op 14 dagen? A. Jawel. |
6671. V. Dat gebeurde uit de consideratie dat het wenschelijk was in het belang van den werkman ? A. Ja. 6672. V. Is toen niet bij dezelfde gelegenheid gewezen op het wenschchjke om een stap verder te gaan en bij de week uit te betalen ? V. Ik kan mij dat niet herinneren. 6673. V. Is het waar dat de loonen die per quinzaine berekend worden, om een voorbeeld te noemen, die verdiend zijn van den Iston tot den loden van de maand niet betaald worden op den 16den, 17den of quot;ISden. maar eerst op den SOsten of Sisten; met dat gevolg dat men eerst betaald wordt nadat amp; peu pres een andere quinzaine verstreken is? A. Ja, dat is zoo. 0674. V. Vindt gij dat dan nu toch niet bedenkelijk voor den werkman? A. Wij hebben het anders gehad, maar zijn om onderscheidene redenen verplicht geweest het zoo in te stellen. Men had geen aantal employés genoeg om de rekeningen te verifieeren. In eene zaak zoo omslachtig waar zooveel détails bijkomen, daar is de rekening voor ieder werkman uit den aard dei-zaak eveneens zeer omslachtig, het is niet alsof men met één artikel te doen heeft. Men heeft boekjes van werklieden die één of twee folio's beslaan. Het uitrekenen van de prijzen neemt zooveel tijd weg, dat er 4 a 5 dagen noodig zijn om de boekjes in orde en do betaalsrol-len gereed te krijgen. Dit is één reden. De ondervinding heeft geleerd, dat, wanneer men hiermede met overhaasting te werk ging, er dan dikwijls betalingen ten onrechte geschiedden, of dat anderen te kort kwamen. Wij geven nu ruim tijd aan de opzichters, en kunnen dan ook vergen dat alles in orde is. De werklieden aan de fabriek zijn gebonden om '14 dagen te voren kennis te geven dat zij weg zullen gaan. evenzoo zijn wij verbonden hen 14 dagen vooruit kennis te geven dat zij ontslagen zullen worden. Nu hebben wij het onmisbaar gevonden om de werklieden daartoe te verplichten, om 14 dagen hun loon in de hand te houden. Dit zijn de twee hoofdredenen. 6075. V. Als ik het goed begrijp, komt de zaak hierop neder, dat de maatre- |
128
|
gel, waarvan het schadelijke voor den werkman duidelijk in het oog springt, in stand moet gehouden worden om twee redenen. De eene reden is van admini-stratieven aard. Ik wil al dadelijk vragen of niet door versterking van het administratief personeel daaraan te ge-moet kan worden gekomen. De andere reden is een wensch van de eigenaren van de fabriek om een middel van con-trainte te hebben op de arbeiders. Heb ik dit goed begrepen ? A. .la, 667(3. V. Nu is er nog eene quaestie. Het verheugt mij dat ik dan aan het einde ben gekomen van de onaangename dingen, die ik tot mijn leedwezen te zeggen had, üeze quaestie nu betreft do tariefsvermindering; wij wenschen u in de gelegenheid te stellen mede te deelen wat u wenscht. Wij behoeven u niet mede te deelen wat wij met die tariefsvermindering btdoelen, het woord zelf zal u voldoende zijn. A. Wat u tariefsvermindering noemt is eigenlijk prijswijziging, en kan zoowel vermeerdering als vermindering betreffen. Prijswijzigingen gaan het geheele jaar door, niet alleen verminderingen, maar ook vermeerderingen. Het is de taak der opzichters om daarvoor te zorgen ; wij doen dat liefst niet met schokken. Wij willen de werklieden een fatsoenlijk loon laten verdienen, niet te veel mag dit zijn, maar ook niet te weinig. De wijziging wordt bekend gemaakt en treedt dan in de volgende halve maand in werking. Degenen die ten gevolge der wijziging de fabriek willen verlaten, kunnen het dan zeggen. Maar in de aardewerk-afdeeling is een verzoek ingekomen van de oudste meesters om liever de wijziging onmiddellijk na de vaststelling in te voeren. Een bewijs dat ook dikwijls vermeerderingen voorkomen. De prijswijzigingen zijn van toepassing op de faïencewerkers die per stuk werken, cn wanneer zij het anders wenschen, dan hebben zij het maar le zeggen, want onze regel is dat de toepassing een halve maand na de bekendmaking plaats heeft. |
Het is niet van te voren te zeggen hoeveel loon iemand verdienen zal, dat hangt af van de handigheid van de personen. Men heeft er die aan hetzelfde werk dubbel zooveel verdienen als een ander. Wanneer wij nieuwe inrichtingen maken, nieuwe gereedschappen aanschaften, dan is dit ter besparing van personeel. Nu verbeelden de men-schen zich wel dat wanneer zij meer fabriceeren dit te hunnen voordeele moet komen, maar dit ben ik niet met hen eens, £r zijn mensohen, die eischcn stellen welke geen grond hebben ; wanneer de fabrikant nieuwe kosten heeft, voor nieuwe vindingen, dan moeten de voor-deelen daarvan hem- ten goede komen. Het volk is de uitvoerder van het werk, dat aangewezen wordt met de aangegeven gereedschappen. Wien dit niet convenieert, die moet elders maar gaan zoeken. 6677. V. Dus u voert aan. en dit is natuurlijk een feit van veel beteekenis, dat die tariefswijzigingen evengoed plaats grijpen in plus als in minus ? En dat zij altijd vooruit geannonceerd zijn, zoodat niemand ooit de dupe van de geschiedenis kan zijn? A. Juist, Om niet den schijn te hebben van arbitrair te zijn, hebben wij voor do faïenciers nog deze bepaling gemaakt, dat, niettegenstaande wij aan hun verzoek voldoen om die wijziging hetzij verhooging of verlaging onmiddellijk toe te passen, diegenen, welke ten gevolge van die wijziging de fabriek wenschen te verlaten, gedurende 14 dagen nog kunnen blijven werken tegen den ouden, dat is hoogeren prijs, ingeval er vermindering is. 6678, V. Wordt er in sommige afdee-lingen van uwe fabriek niet eene betaling in den vorm van korting van 6 pet. voor de machinekracht geëiacht? A. Daarvan is mij niets bekend. In vroegere jaren heeft het wel bestaan ; het stond toen gelijk met een loonsvermindering van 6 pet. 6679, V, Dat is de practische uitkomst; maar van de regeling zelve is u niets bekend ? A Neen. 6680. V. Is het ook mogelijk dat hot in den nieuwen bouw bestaat ? A. Neen, De «nieuwe bouwquot; is eigenlijk eene verkeerde benaming en het moest luiden »de oude bouwquot;. Het heeft den naam van «nieuwen bouwquot; behou- |
129
|
den van voor den tijd dat de laatste nieuwe gebouwen, dat zijn die mot de gemetselde vloeren, opgericht werden. De zoogenaamde «nieuwe bouwquot; is eigenlijk een bergplaats, want het was ongeschikt voor werkplaats, omdat het een houten vloer had en te veel stof gaf. Toen hebben wij twee nieuw gemetselde gebouwen laten maken, waarin werken: op de eerste verdieping 14 personen , in eeno ruimte van 1400 vierkante meter inhoud; op de tweede â 19 in 1230 meter j op de derde 5 in 1065 meter, dus respectievelijk voor elk man 100, 65 en 213 meter. Do vierde verdieping is geheel tot bergplaats ingericht, üp elke verdieping zijn twee droogkamertjes verwarmd door kachels en is eene kraan om in geval van brand terstond water te kunnen teven. Aan den buitenkant van het ge-ouw is een brandtrap aangebracht. Alle aardbewerkers werken uit de hand, zonder machines of machinerieën, welke door atoom in beweging gebracht wordeneven. Aan den buitenkant van het ge-ouw is een brandtrap aangebracht. Alle aardbewerkers werken uit de hand, zonder machines of machinerieën, welke door atoom in beweging gebracht worden 6681. V. Wat gij ons daar gegeven hebt is eene beschrijving van het gebouw ; maar de vraag gold deze, of van de werklieden in een zeker gedeelte der fabriek niet 6 percent machine- of standgeld, of hoe men het noemen wil, gevorderd wordt. Maar het schijnt dat fij het uij het u bona fide niet herinnert, dat e zaak u niet helder voor den geest staat ? A. Neen, maar ik kan bijna met zekerheid zeggen dat het onjuist is. 6682. V. Hoe is het met de boeten in uwe fabriek, of bestaat er geen boe-tenstelael 7 A. Voor slecht werk, meestal van leerlingen, wordt eene korting van zooveel procent als boete opgelegd. Dat boe-tengeld wordt gestort in de ziekenkas. 6683. V. Dat is de bestemming dei-boeten, maar hoe is de wijze van heffing ? Is daar een geschreven en aangeplakt reglement op ? A. Neen. 0684. V. Dus is dat iets, dat, ik zeg niet van den kant der heeren, maur van de zijde van meesterknechts, of derge-lijken eene zaak van willekeur zou kunnen zijn? A. Het kan zijn, maar ik heb het nooit bevonden. |
0685. V. Maar vaste regels zijn dan van het hoofdbestuur der fabriek niet uitgegaan? A. Noen 6086. V. Hebt gij hinder van slechte opleiding van het arbeidend personeel, of vindt gij dat het behoorlijk ontwikkeld en bekwaam is? met andere woorden : gevoelt gij voor uw vak al dan niet behoefte aan eene betere opleiding bij hen? Begrijpt gij dat met het lager onderwijs tot 12 jaar volstaan kan worden, of zoudt gij wenschen dat aan vakonderwijs en teekenonderwijs meer tijd kon worden gegeven en er meer gelegenheden voor konden worden geopend ? A. Ik geloof van niet. Ik ben van gevoelen dat volstaan kan worden met het tegenwoordig onderwijs. Bij het tegenwoordig onderwijs blijkt genoegzaam of er iets zit in een jongen van zekeren leeftijd. Vele onzer hoofdbeambten die vroeger werklieden waren, ontvingen geen ander onderwijs. 6687. V. Ware het niet nuttig ten aanzien van teekenen, boetseeren als anderszins eene theoretische opleiding te doen geven? A. In het algemeen acht ik die niet noodig. Voor onze speciale behoefte hebben wij eene soort van teekenschool opgericht. Zes of zeven jongens van 14 a 16 jaar bezoeken haar twee uren in de week gedurende den werktijd. Zij leeren daar graveeren en decoratieschilderen. Wij hadden reeds jongens van andere teekenscholen, maar achten het beter in dit opzicht zelf ons personeel te vormen; waarmede wij goed kunnen volstaan. 0688. V. Gij maakt dus op die wijze eene pépinière voor den staf van uwe fabriek ? A. Ja. 6689. V. Wordt aan uwe fabriek misbruik gemaakt van sterken drank of bier ? A. Dat mag niet worden ingevoerd. 6690. V. Hebt gij na alle mijne vragen wellicht nog iets mede te deelenquot;? A. Ten aanzien van gehuwde vrouwen die twee kinderen hebben spraken wij reeds. Ik acht het geen bezwaar haar aan den arbeid te houden; natuurlijk moet haar niet worden opgedragen zware stapels borden te tillen en dergelijk |
9
130
|
werk; maar rustig schilderen aan eon tafel kunnen zij well 0 uren uithouden ; ook zwangere vrouwen. 6691. V. Hebben deze zekeren tijd om in die omstandigheid rust te nemen in hare gezinnen ? Of is het overgelaten aan hare eigen inzichten? A. Er is daaromtrent geen regel gesteld. 6693. V. Is het een feit of een fabeltje dat er wel gehuwde vrouwen aan de fabriek komen en hare kinderen in het een of ander deel van de fabriek depo-neeren, terwijl zij aan het werk zijn, zoodat zij zich feitelijk een primitief genre van crèches maken? A. Noen, de toegang van kinderen beneden de t'2 jaar is trouwens totaal verboden. 6694. V. Is er op 1 Januari jl. op het stuk van de gehuwde vrouwen oene verandering op uwe fabriek gekomen ? A. Neen. Ik heb dezelfde vraag aan den heer Jaunez, chef van de »Céra-miquequot; gedaan en hij antwoordde mij; S'allais vous faire la même question.quot;'allais vous faire la même question.quot; ij vond het even als ik onnoodig verandering aan te brengen. Wat nu betreft de moraliteit, daarin is in de laatste jaren veel verbetering fekomen, vooral onder de vrouwen. Wijekomen, vooral onder de vrouwen. Wij ebben heel veel daaromtrent te dan ken aan de geestelijkheid, aan de ver-eenigingen van weldadigheid, aan de Societé de Charité van dames en aan de heerenvereeniging van Sint Vincent. Die brengen die menschcn bezoeken. Men weet hoe het gaat met de jonge meisjes onder het fabrieksvolk. W anneer zij verkeeren, gebeurt wel eens iets dat haar noodzaakt om te gaan trouwen. Ik geloof dat bijkans de helft van die menschen bij ons de trappen van het stadhuis opgaan, omdat zij in die noodzakelijkheid verkeeren. Wanneer die meisjes niet trouwen wanneer zij moeder zijn geworden, dan trachten die vereenigingen ze zooveel mogeljjk op den rechten weg te brengen. Er is een tijd geweest dat bij ons gezegd werd; Gij moet die schandalen niet in uwe fabriek houden, de vrouwen die bevallen en niet getrouwd zijn, dat zijn slechte vrouwen. En wat was het gevolg? Zij werden publieke vrouwen. Wij hebben eenigen tijd dien weg gevolgd, maar zijn er van teruggekomen; wij zorgen nu dat de vereenigingen van weldadigheid die vrouwen aansporen om te huwen, dat is de eenige weg om de moraliteit te herstellen waar zij een oogenblik verloren is gegaan. Wanneer de moraliteit verloren is gegaan en wij repudieren die vrouwen, dan maken wij een groot getal publieke vrouwen. Zoo is het met veel dergeljjke zaken, in theorie is alles zeer mooi, maar vele van die sociale quaestiën moeten afzonderlijk behandeld worden. |
Ik heb eene nota overgelegd betreffende een zeker onderdeel van een gebouw. dat de heer Ruys van Beerenbroek niet bezocht heeft, toen hij de fabriek gezien heeft ; ik doe dit nu, omdat niet zou beweerd worden, dat de heer Ruys niet alles zou gezien hebben. Ik meen dat het het beste zou zijn, wanneer een pensioenfonds voor werklieden van Rijkswege werd ingesteld. Een fonds, zooals wij getracht hebben op te richten. is uit den aard der zaak altijd gebrekkig. De Rijksambtenaren blijven altijd bij denzelfden patroon, den Staat, maar do werkman verwisselt dikwijls van patroon, en dan moest het geld dat hij gestort heeft, uitgekeerd worden. Het gevolg zou dan zjjn, dat een werkman den dienst ging verlaten om dat geld in handen te krijgen, en dan zou het fonds toch niets geven. Indien er een Rijkspensioenfonds werd opgericht, dan zou ik het wenschelijk vinden dat ook de fabrikanten verplicht werden daartoe mede te werken door het geven eener bijdrage. Dan heeft pas de werkman de waarborgen die hij noo-dig heeft, indien de bijdrage niet geheven wordt door en onder toezicht blijft van den patroon. 6695. De heer Ruys vau Beereu-broek : Ik wensch nog een paar vragen aan den heer Regout te stellen, ten einde m. i. zooveel mogeljjk de afdeeling aardewerk af te werken. Heeft overwerk plaats? In den over-gelegden staat wordt vermeld gedurende 3 weken per jaar, een a twee dagen A. Uat wordt zooveel mogelijk voorkomen door het minder werken van de afdeelingen, dié te sterk zijn. Waar dus overgewerkt zou moeten worden, wordt aan den produceerenden kant verminderd. |
131
|
6696. V. In de afdeeling faïencerie heeft in sommige afdeelingen nachtwerk plaats, niet waai' ? A. Ja, waar de klei geslempt en geperst wordt. 6697. V. Op welke wijze zijn de ploegen ingericht? A. Van 's avonds tot 's morgens 12 uur komen zij op. 6698. V. Te beginnen met Maandagmorgen of loopt de molen ook 's Zondags? A. Tegenwoordig wel, maar bij uitzondering. Zij komen Zondagsavonds op tot Maandagmorgen. 6699. V. Dat opkomen is afwisselend ? A. Ja. 6700. V. Behalve het loepen van dien molen heeft dus Zondags geen werk plaats ? A. Het stoken van de ovens, het toezicht op de molens en een enkelen keer is er een man of 10, 1'2 voor het bedienen van de molens noodig. 6701. V. Juist; maar behalve dat komt geen Zondagswerk voor in uwe afdeeling? A. Neen. 6702. A. Straks hebben wij meer speciaal gesproken over de vormers, maar er zijn nog de grondwerkers en daarbij de aardewerkers. Zijn daar geen speciale ziekten te bespeuren? A. Neen. 6703. V. Is cr bij de menscben die de grondstoffen malen en het gips iets wat volgens u nadeelig is? A. Neen, dat is niet zoo nadeelig als de stof van de klei. 6704. V. Dat geschiedt in een groot, ruim lokaal? A. Ja. 6705. V. Het gipsbracden zou wat betere ventilatie vorderen, volgens den heer Bekaar. Geeft dat gipsbranden volgens u aanleiding tot iets wat minder gunstig zou zijn ? A. Neen, eer. man werkt daar onafgebroken gedurende 5 uur per dag, maar ik zal nota van uwe opmerking nemen. 6706. V. Bij de gipsvormers hebben wij geconstateerd dat er twee ventilators zijn; die werken goed en verwijderen alle mogelijke gips die bij het vermengen met water opstijgt. A. Ja. |
6707. V. Hoe geschiedt in de lokalen waar nu het faïencewerk gemaakt wordt de reiniging van de lokalen, en hoeveel malen per week heeft die plaats? A ,De lokalen worden dagelijks uit- febezenul en tweemalen per week wor-en de vloeren door de waterleiding overstroomd. Wanneer het water vanzelf weggestroomd is â de vloer is een hellend vlak âdan wordt het overblijvende water met de geweekte klei die niet is weggevloeid, verwijderd. De afvoer van het vuile water geschiedt langs goten en en pijpen naar het rioolebezenul en tweemalen per week wor-en de vloeren door de waterleiding overstroomd. Wanneer het water vanzelf weggestroomd is â de vloer is een hellend vlak âdan wordt het overblijvende water met de geweekte klei die niet is weggevloeid, verwijderd. De afvoer van het vuile water geschiedt langs goten en en pijpen naar het riool Hetzelfde heeft plaats in het borden-makersgebouw, waar men het meeste last van stof heeft. 6708. V. Voldoen de exhausters, die daar aangebracht zijn, goed? A. Zeer goed. 6709. V. Sedert hoeveel jaren bestaan zij ? A. De eerste zijn 8 a 10 jaren geleden geplaatst; en telkens naar gelang dat de ondervinding leerde dat die exhausters goed waren zijn er nieuwe bijgebouwd. Thans zijn er 17. 6710. V. Hoe is de gewone werkdag verdeeld ? A. Van 's morg. 7â12 en van 1 '/jâö'/j uur. 6711. V. In die werkuren hebben de werklieden nog een korten rusttijd? A. Ja, des morgens en des namiddags tien minuten. 6712. V. Dien tijd moeten zij in de lokalen doorbrengen ? A. Ja. 6713. V. Doch gedurende den etenstijd moeten alle werklieden de fabriek verlaten ? A. Ja, behalve degenen die belast zijn met het toezicht over de machines, want de molens blijven onder den schafttijd draaien. 6714. V. Tijdens ons bezoek aan uwe fabriek, hebben wij een oven gezien, die brandde. Toen zeide uw zoon ons dat men naar eene betere wijze zocht tot lediging van de brandstoffen onder den oven, wanneer het aardewerk gebakken was. Op welke wijze zou dat kunnen geschieden? Het is immers nog niet in werking? A. Hij nam er eene proef raede door er roosters onder te brengen. |
132
|
0715. V. En meent gij dat het goed zal werken ? A. Ik geloof dat hot leiden zal tot spoediger afkoeling en tot voorkomins; van het bezwaar, dat de mensehen in een te heeten oven moeten werken. 0716. V. Bij ons bezoek hebben wij de soepkokerij gezien. Zoudt gij ons daarvan iets kunnen mededoelen dat van belang is voor deze enquête? Hoe lang bestaat zij ? A, Sedert anderhalf jaar. 0717. V. Wordt er gebruik van gemaakt ? A. In den laatsten tijd minder. 0718. V. Op welke wijze is zij ingericht ? A. De mensehen kunnen voor 5 cents eene kom soep krijgen, die ons zelf O1/., cent kost. 0719. V. Om welke reden denkt gij dat er nu minder gebruik van wordt gemaakt ? A. Dat kan ik niet verklaren; maar het kan weder toenemen. 6720. V. Krijgen sommige werklieden of kinderen daar gratis soep? A. Ja : de jongens, die van de dorpen naar de fabriek komen, krijgen gratis soep, tot vergoeding van don tijd dien zij geven om den weg te maken, ten einde bij ons te komen. 0721. V. Gaan zij 's avonds weder naar huis of blijven zij in de stad? A. Zij gaan naar huis. 6722. V. Hebt gij vele van lien ? A. Een 60tal jongens die gratis soep krijgen, on een 60 vrouwen, en dat neemt zeer toe. Die kunnen wij ruim krijgen. 6723. V. Omdat zij in de fabriek meer verdienen ? A. Ja, en omdat zij dan geregeld werk hebben. 6724-. V. Heb ik het wèl dan is volgens uwe inlichtingen de verhouding van het loon van vrouwen en mannen zoo wat als 1 tot 2 ? A. Ik zou zeggen dat het voor eene vrouw was als 2 tot 3. 6725. V. Dus eene vrouw verdient % van het loon van een man. Is dat de verhouding ? A. Dat is als eene vrouw goed geoefend is, maar een meisje verdient 50 of 60 cent en een man f1,10 of 1,20 ; doch als do vrouwen geoefend zijn, gaat bet voor haar soms tot f 1 per dag. |
6726. V. De fabriek heeft als zoodanig geene arbeiderswoningen ? A. De firma zelve heeft een groot gebouw in de St Anthoniestraat; dat is haar eigendom gebleven. 6727. V. Hoeveel gezinnen wonen daar 7 A. Er zijn 76 kamers : maar dat hooge gebouw vindt men niet zoo goed als de woningen die laag bij den grond zijn, zooals er nu een aantal door mij en mijn broeder zijn gebouwd. 07-28. V. Denkt gij er nog meer te bouwen ? A. Ja; er worden nu weder 12 gebouwd. 0729. V. De loodwit- en meniebereiding, die wij bij u ook hebben gezien, geeft die aanleiding tot acute vergiftiging ? A. Neen, wij fabriceeren alleen loodwit voor eigen gebruik; om de 0 weken werken daaraan 0 a 8 mannen gedurende 4 of 5 dagen. Afgewisseld met anderen arbeid veroorzaakt dit geen last. De werklieden ontvangen dan melk. Wij hebben liet voordeel boven andere fabrieken dat wij nat malen ; juist in het droog malen ligt het groot gevaar van vergiftiging. 0730. V. Bestaat in het ziften van de menie gevaar voor den werkman ? A. De menie wordt ongeveer op dezelfde wijze bereid door vuur. Het doet mij leed dat de heer Goeman Borgesius, die onlangs eene schoone rede te Maastricht hield, onze fabriek niet heeft bezocht ; naast zijne theoretische beschouwingen zou ik hem practischo zaken hebben kunnen toonen. 0731. De Voorzitter : Ik dank u voor uwe komst en voor uwe mededeelingen. L. RegoI'T. Verhoor van den heer M. Everaerts. ( Verkort). 6732. V. De Voorzitter: Wil mij opgeven uw naam. voornaam, beroep, ouderdom en woonplaats A Mattheus Everaerts, oud 34jaren ik heb op het oogenblik een herberg, en een handel in steenkolen, maar vroeger was ik werkman te Maastricht. 6733. V. Hoelang zijt gij in den handel en in uw herberg ? |
133
|
A. Zoo wat vier jaar. 6734. V. Wat hebt gij tot uw 30ste jaar gedaan? A. Werkman geweest. 6735. V. Van jongs af aan ? A. Om u te dienen. 6736. V. Waar hebt gjj gewerkt? A. Op de glasblazerij van de firma Regout. 6737. V. Hoe oud zijt gij begonnen ? A. met mijn tiende jaar, op een half jaar weet ik dat zoo niet te zeggen. Daar heb ik gewerkt, dat was een mar-telwerk, en toen ben ik te huis gekomen op verscheidene plaatsen verbrand. Toen zeide mijn vader: neen, om zoo u te laten slachtofferen, al moest ik broodsgebrek lijden, gij gaat er niet meer heen. ik had mij gebrand aan de armen en aan den hiel. 6738. V. Op uw tiende jaar zijt gij dus in de fabriek van den heer Regout gekomen, en wel in de glasblazerij.ekomen, en wel in de glasblazerij. Ice lang zijt gij daar geweest totdat uw vader u daar vandaan nam ? A. Zoo wat 6 of 7 maanden zal ik daar geweest zijn. 6739. V. Das nog geen vol jaar? A. Dat geloof ik niet. Ik ben daarna een tijd thuis geweest, en daarna ben ik op de pottebakkerij van den heer Regout gekomen. 6740. V. Waart gij toen al 12 jaar? A. .la, ik had mijn communie gedaan, 6741. V. Hoe lang zijt gij in de pot-tenfabriek gebleven ? A. Dat zal ongeveer 1 ' j jaar geduurd hebben. 6742. V. Gij waart toen tusschen de 13 en 14 jaar. Wat is er toen met u begonnen ? A. Toen ben ik op de weverij van den heer Posthumus gekomen, waar ik ongeveer 4 jaren gebleven ben; zoowat tot mijn 17de jaar. 6743. V. £n wat toen ? A. Toen ben ik gekomen bij mijnheer Stassen in de Havenstraat om met de kar te rijden. Van daar ben ik naar Luik gegaan, en toen ik daar een tijd geweest was, zei ik : vooruit, nu in dienst en ben toen nummerverwisselaar geworden. Ik paste goed op, en toen mijn tijd om was, deed mijnheer Stassen zijn best om mij terug te krijgen, omdat ik nataur-Jijk fatsoenlijk was. |
Toen ik sMaandagsmorgens om l2uur uit dienst kwam, had men mij dadeljjk willen hebben, maar ik ben eerst den volgenden morgen weer aan 't werk gegaan. 6744 V Hoelang zijt gij daar geweest ? A Totdat ik een herberg ben gaan doen, waarvoor de heer Stassen mrj het geld heeft voorgeschoten, omdat ik altijd goed opgepast had, natuurlijk. £n nu gaat het mij redelijk goed. 6745. V. Nu doet gij uw eigen zaak in steenkolen en een herberg, en mijnheer Stassen heeft je aan kapitaal geholpen ? A. Ja. 6746. V. En het gaat u daarin goed ? A. Ja Goddank, met de Heilige Moeder Gods! 6747 V. Zijt gij getrouwd ? A. Om u te dienen, met 6 kinderen. En ik mag er nog twaalf krijgen, als het zoons zijn, zijn ze allen voor den Koning; ze worden allen dragonder of huzaar. Liever dan op de fabriek. Als zij teekenen willen, mogen zij het doen voor hun geheele leven. Ik ben zelf soldaat geweest, en als ik een soldaat zie groeit mij het hart in het lijf, als hij maar proper is. 6749. V. Nu, laat ons nu eens komen tot het punt waarvoor gij nu hier zijt. Zeg precies zooals het is. De zaken niet leelijker maken dan ze zijn, maar eerlijk en te goeder trouw vertellen zooals het is. Wat ligt u nu nog bij uit den tijd dat gij in de glasblazerij waart ? Gij zijt er het eerst naar toe gegaan op uw tiende jaar. Hoe laat moest gij er naar toe ? A. 's Nachts om half twaalf, dat was ook tot verveling van mijn ouders, die 's nachts moesten waken om mij te roepen. En dan kwam ik 'a morgens om half twaalf naar huis, zoo zwart als een moor, terwijl ik bijna niet kon staan van vermoeidheid, dat kunt gij begrijpen. 6750. V. Waren er veel kinderen met u toen ter tijd of weinig van die kinderen van 10 jaar? A Dat was equilibre. 6751. V. Waren er veel? A. Heel veel. 6752. V. Waren er naar uw rekening 10 of 12 of meer ? A. Wel een 30, misschien meer. 6753 V. Waren dat allen van die kleine jongens ? |
134
|
A. Ja. 6754. V. Waren er ook van die kleine jongens, die over dag moesten werken ? A. Ja als wii afkwamen, kwamen zij op. 6755. V. Dus die jongens waren even klein als gij, en gij waart dus toen reeds verdeeld in dagploegjes en nachtploeg-jes? A. Ja. 6756. V. Kreegt gij den dagploeg ook ? A. Ja, van de eene week op de andere. 6757. V. En dat waren kinderen van 10 en li jaar? A. Ja mijne kameraadjes schonen allen van dien leeftijd. 6758. V. Maar daar is nu, Goddank! een einde aangekomen door de nieuwe wet. Sedert 1874 komen die dingen niet meer voor, niet waar ? A. Dat zou ik niet kunnen zeggen. 6759. V. Toen uw vader van oordeel was dat dit werk voor een kind te zwaar was zijt gij een poos thuis geweest en heeft uw vader u op de aar-dewerk-afdeeling gedaan. Hadt gij het daar minder slecht ? A. Daar ging het nog al. 6760. V. Daar behoefdet gij niet des nachts te werken ? A. Neen, 6761. V. Doch uit dien tijd herinnert gij u niet zoo veel meer? A. Neen. 6762. V. Gebeurde het wel eens, toen gij als jongen op de fabriek werktet, dat die kinderen slaag kregen ? A. Ik heb wel eens gezien dat een jongen, die nog een beetje kleiner dan ik was, met een moule een slag op zijn bakkes kreeg. 6763 V. Ge schijnt ook wel het een en ander te weten hoe het op dit oo-genblik op de fabriek toegaat; althans ge hebt dit geschreven. A. Jawel. 6764. V. En naar aanleiding daarvan hebben we u geroepen om hier te komen spreken. We hebben u nu wel niet laten zweren, maar bedenk wel dat gij evenmin van de waarheid moogt afwijken. Hoe komt ge aan de wetenschap van hetgeen gij zoo al geschreven hebt 7 |
A. Omdat ik het gezien heb. 6765. V. Maar dat is immers onmogelijk? A. Wel toen ik 12 jaren oud was, op de pottenfabriek, was ik bijna even verstandig als nu. Toen ik mijn eerste communie deed, verloor ik mjjn moeder ; mijn vader was schipper. Wij hebben toen het huishouden staande gehouden, en ik was toen al even fatsoenlijk als u mij nu voor u ziet. En daarom, omdat ik do handelwijze in de fabriek gezien had en thans een herberg houd waardoor ik aanhoudend de klachten aanhoor, en u in het belang van den werkman die klachten wenscht te kennen, heb ik de vrijheid genomen. Edele Heeren, om u te schrijven, en ik nam mij voor, als het zoover kwam, het u te zeggen. 6766. V. Maar zijn nu die dingen, die gjj in uw brief schrijft, dingen die-ge nog in den laatsten tijd van de menschen, die af en toe bjj u komen, uit hun eigen mond gehoord hebt ? A. Ja. 6767. V. Dat uithalen van die ovens, hebt gij dat wel ala jongen gezien en ook na dien tijd ? A. Ja. 6768. V. Hoe kwaamt gij er dan? A. Ik i-eed steenkolen naar de fabriek der firma Regout, eene kar met twee paarden bespannen, en als ik die kar dan opgeslagen had ging ik wel eens kijken 6769. V. Gij zegt dus dat gij met die kar in de fabriek kwaamt, waar gij anders wel uit waart gebleven want waar anders geen vreemde inkomt T A. Toen kwam ik er in, want Stassen had het aangenomen en dan ging ik eens kijken in de fabriek. Toen was ik van den dienst af en ik was toen 21 jaren. In 1871 ben ik opgekomen en in 1873 ben ik afgekomen. Ik ben toen dadelijk bij Stassen gekomen en heb met de kar moeten rijden. 6770. V. En bij die gelegenheden kwaamt ge er en hebt ge er wel eens gesnuffeld. Wat zaagt go dan? A. Dan zag ik hoe de menschen, als-zij uit die gloeiende ovens kwamen, ellendig gingen zitten. Ik dacht: hoe kan God dat toelaten. Ik zou zoo niet willen werken en ging liever voor tien |
135
|
jaar naar de Oost. Men kon de men-schen niet kennen van het zweet. Het was niet aan te zien. De cassettes waren zoo heet en gloeiend dat ze niet in de hand waren te houden. Waarom konden die niet oen dag blijven staan tot zo bekoeld zijn ? 6771. V. Hebt gij dus het uithalen van de ovens wel gezien ? A. Ja, vroeger en later. En het was niet aan te zien zooals de menschen het zweet afliep, 0772. V. Dat een niensch zweet en zich moede maakt, dat gebeurt meer. Maar was dit zoo erg dat toen gij als jongen van 12 jaren dit zaagt, gij be-greept dat dit zoo erg was? A. Ja, en wanneer ik het had moeten doen dan had ik liever geteekend voor mijn geheele leven. 0773. VVaron daarbij ook vrouwen? A. Niet bij het uitpakken. Maar vrouwen maakten wel den oven ledig. 6774. V. Nemen zij de cassetten over van de mannen ? A. Zij ledigen ze. 6775. V. Werken ook vrouwen in hetzelfde lokaal ? A Ja, zij ledigen wat de mannen uitgeven. 0770. V. Bezoeken de menschen, die dat werk doen, uwe herberg thans nog'? A. Ja. 0777. V. Weet gij hunne namen? A. Neen, nu komen zij gedurende eenigen tijd, en dan ziet men ze weeleen poos niet. 0778. V. Maar weet gij hunne namen niet ? A. Ik zou ze u wel kunnen doen weten. 0779. V. Is het waar wat gij schrijft in uw brief, dat het loon der aardewerkers nu op de helft verminderd is ? A. Vroeger verdienden zjj bijna de helft meer dan nu, en nu moeten zij de helft meer werk maken. Het werk dat die meesters maken moeten die kleine troepen nu ook zooveel sneller vervoeren. Vroeger maakten zij 12 stuks op een dag en nu wel 14 maal 12, en die kleinen moeten die maar aanhoudend vervoeren, en dan komen zij nog niet aan het daggeld van vroeger. |
6780. V. Wat schrijft gij dat zij met de zweep gedreven worden kelders in en uit met zware vrachten op de armen gij verzint toch die zweep er bij ? A. Ja het is bijna met de zweep, zij moeten den geheelen dag door van die groote rollen aarde vervoeren van 40 k 45 kilo's 6781. V. Wie moeten die vervoeren, de jongens ? A. Neen de mannen. Meermalen heb ik hooren zeggen dat 80 tot 90 duizend kilo per dag per wagen vervoerd en de kelders ingebracht is. 6782. V. Klaagt het volk dikwijls over het afkeuren van het werk ? A. Ja. 6783. V. Maar als er slecht werk verricht wordt, is het toch billijk dat het wordt afgekeurd en daarvoor geene betaling geschiedt, want dan gaat toch de grondstof van den fabrikant ook verloren ? A. Dat is zoo, maar als de menschen met niemendal thuis komen, wanneer zij aan kleine winkeliers voor f 15 of f 16 aan eetwaren te goed hebben, dan zijn die kleine winkeliers hun geld kwijt. Men moet daarbij niet vergeten dat de menschen driemaal meer dan vroeger moeten afleveren, zoowel blazers, slijper als faïenciers. 6785. De Heer Ruys van Beereu-broek : Gij hebt verteld dat gij 34 jaar oud zijt, dat gjj op lljarigen leeftijd in de glasfabriek zijt gegaan, omdat uw ouders het zoo vervelend vonden u om 12 uur te wekken en naar de fabriek te zenden. Maar wie had u daar geplaatst ? A. Mijn vader. 6786. V. Dus uw vader heeft dat gedaan en op eigen initiatief? A. Natuurlijk, een kind kan niet anders. Mijn vader deed dat omdat een uit de nabuurschap zoo gezegd had, geef mij de kinderen maar mede en zoo zijn wij er gekomen. 6787. V. Hebt gij meer broeders en zusters, die op de fabriek werken ? A. Ja, die werken er nog. 6788. V. Bij wie? A. Bij de firma Regout. 6789. V. Noem de namen van die broeders en zusters eens. Zoo even hebt gij er niet van gesproken, het zou zeer goed geweest zijn, als gij dat gedaan hadt. |
136
|
A. Ik heb een broeder, die werkt in de vliegende ploeg. 6790. V. Wat doet die? A. Aarde dragen. 6791. V. Is dat die geprepareerde aarde, waarvan gij gesproken hebt? A. Ja. 679'2. V. Dan hebt gij ons onvolledig ingelicht. Hoeveel verdient hij daar ? A. f 13 a f 14. 6793. V. In de week? A. Neen, in de quinzaine. 6811. V. Weet gij van die familie van uw broer nog bijzonderheden? A. Neen, wij spreken elkaar zelden; ik bemoei mij niet met hem en hij niet met mij, hij zorgt voor zijn huishouden en ik voor het mijne. 6812 V. Hebt gij nog niet een broer? A. Ja, die werkt bij mijnheer Philips in de tabaksfabriek. 6817. V. Is dat nu de geheele familie ? A. Dan is nog een broer bij mijnheer Dolhain, in den steenkolenhandel. 6818. V. Wat zijn daar zijn bezigheden ? A. Dan eens kolenrjjden en dan eens kolen wegbrengen. 6819. V. Wat verdient hij ? A. Een gulden per dag en het drinkgeld. 6824. V. Is dat al uwe familie? A. Ja. 8625. V. Volgens uwe levensgeschiedenis zijt gij dus tot uw lido jaar op de glasslijpevij geweest, daarna to Luik, toen zijt gij in dienst gegaan en daarna weder bij Stassen. A. Juist. 6826. V. Hoe lang zijt gij getrouwd? A. Sedert 12 Mei 1873, 1874 ofl875 6827. V. Hebt gij reeds lang uw café 'l A. Ongeveer 4 jaren. 6828. V. Vóór dien tijd zijt gij bij Stassen geweest en reedt gij met de kar ? A. Ja. C829. A. Tot op het laatst toe ? A Neen. 6830. V. waarom niet ? A. Omdat toen niet meer gereden werd met karren. 6831. V. Hoe lang is dat geleden ? A. Dat kan ik u niet zeggen; maar het is al verscheidene jaren. |
6832. V. Het is toch al lang dat er een embranchement van den spoorweg naar de fabriek bestaat, zoodat er niet meer met karren gereden wordt. Dit is toch zeker al wel 8 of 9 jaren, zoo niet langer. A. Ik geloof dat het pas 6 of 7 jaren geloden is. 6833. V. Na 1877 zijt gij er waarschijnlijk niet meer geweest' A. Ik heb verscheiden wagenvrachten naar de fabriek vervoerd. 6834. V. Dat is de quaestie niet. Ik betwijfel het volstrekt niet, dat gij een en ander gezien hebt, maar ik wenschte den tijd te preciseeren. A. Ik kan dit onmogelijk juist zeggen. Wanneer ik toen geweten had dat er eenmaal een onderzoek naar het lot van den werkman zou gedaan worden, dan had ik op dat alles zeker meer gelet. 6835. V. Dat moge zoo wezen, maar gij hebt toch een brief geschreven en leiten gemeld. Gij hebt u in ieder geval kunnen voorbereiden voor het verhoor, dat gij hier zoudt ondergaan. Men vraagt dan toch naar feiten en denkt over een en ander. Ik moet dan ook zeer bepaald mijn vraag herhalen. Nu hebt gij gezegd, gij hebt aan die ovens gezien dat het erg toeging, hetgeen ook reeds genoegzaam door andere getuigen gebleken is, zonder dat juist gij dat hier behocfdet te komen verklaren. Dat is echter in zooverre goed, maar gij zegt daarbij te hebben gezien dat de cassetten bij het ledigen van de ovens daaruit gedragen werden door mannen en dan naderhand geledigd door vrouwen. Nu heeft de voorzitter u zoo even gevraagd waar dat ledigen geschiedde, en daarop hebt gij geen, mijns inziens, duideljjk antwoord gegeven. Nu vraag ik u: waar geschiedde dat ledigen i A. De cassetten worden uitgegeven, en dan pakken de vrouwen die aan en doen den inhoud in manden. 6836. V. Dat is dus in de nabijheid der ovens? A. Ja. 6837. V. Nu kan ik er mij mede vereenigen, maar zoo even heb ik u niet begrepen, omdat gij er niet in traadt. A De mannen geven het uit en de vrouwen leggen het in manden. |
137
|
6gt;i38. V. Nu een ander punt. Gij zegt, die rollen aarde worden gedragen in de kelders, en dat is een zeer zwaar werk; zij moeten die kelders in en dan er weer uit. Hebt gij dat gezien? A. Dat heb ik gezien. 6839. V. Wanneer 7 A. Toen ik bij den meester werkte op de pottenfabriek. 6840. V. Maar dan verwondert het mij toch, dat uw broeder daar nog werkt? A. Hij zeide ook dat het hard werken was. 6841. V.. Is het zulk een gevaarlijk werk om zoo in het volle zweet die aarde in en uit de kelders te brengen? A. De eene keer is men meer bezweet dan de andere. 6842. V. Hebt gij in den laatsten tijd nog met uw broer over dat werk gesproken ? A. Vier maanden geleden zeide hij mij, dat hot was hard werken en minder verdienen. 6843. V. Ik moet opmerken dat de toestand, zooala gjj dien geschilderd hebt uit uwe ondervinding, toen gij als jongen van 12 jaren in de fabriek kwaamt en later toen gij met desteen-kolenkar er kwaamt, thans aanmerkelijk veranderd is. Die aarden rollen worden niet in den kelder gedragen, is u die verandering niet bekend ? Die rollen worden thans op wagens aangevoerd langs een plank naar beneden geworpen ; alles gaat machinaal in en uit. Als uw broeder u over dat werk sprak, hadt gij wel eens kunnen vragen hoe het thans gaat. Volgens uw brief is oen der gevaarlijkste zijden van het brengen der aarde in den kelder, het bezweet zijn en het komen in een kouden kelder; daardoor kan men ziekten oploopen; maar die voorstelling is sedert geruimen tijd niet meer juist. Wij zullen nu van dit punt afstappen. Waar woont gij ? A. In de Oeverstraat te Wijck. 6844. V. Hebt gij daar uw herberg? A..Ia, links als men naar het spoor gaat. 6845 V. Dan moet gij daar toch meer arbeiders krijgen van de Céramique dan van de fabriek der firma Regout, want die laatste fabriek ligt wel zesmaal zoo ver van uw café als de Céramique ? |
A. In de week zie ik ze zoo niet, maar des Zondags. 6846. V. Wat wordt zoo al gezegd omtrent de fabriek Céramique? A. Er wordt wel gesproken over hard werken, maar daar wordt niet zoo gejaagd, er zijn niet zooveel meesters, ieder werkt meer op zijn eigen houtje. 6847. V. Maar wat wordt er alzoo van de Céramique verteld ? A. Daarover hoor ik zooveel niet spreken. Ik hoor alleen wel eens zeggen dat in de Céramique niet zoo hard gewerkt wordt als bij Uegout. 6848. De Voorzitter: gp hebt gezegd dat in de Céramique niet zooveel meesters waren. Daarmede bedoelt gij niet de heeren, maar de bazen, die over het volk staan ? A. Juist, dat was mijne bedoeling. 6850. V. Gij hebt gezegd dat over de Céramique niet zooveel gesproken werd. Daarmede hebt gij willen zeggen, dat daarover niet zooveel geklaagd werd, niet waar? A. Ja. 6851. V. In het begin van uw verhoor hebt gij gezegd, dat gij, voordat gij iu dienst gingt, werkzaam waart bij den heer Stassen. Gij waart daar ongeveer op uw 16de jaar gekomen. Gij hebt daar dus een jaar of drie gewerkt voordat gij in dienst kwaamt ? Mijnheer Stassen wilde u gaarne terughebben toen gij uit den dienst terug-kwaamt en stond er als het ware op te wachten dat gij dadelijk weêr in zijn dienst zoudt komen, wat eerst den volgenden dag gebeurd is. Gij zijt daar jaren achtereen gebleven, en toen gij voor eigen rekening zijt begonnen, was het de heer Stassen die u door zijn cre-dietgeving daartoe met een kapitaaltje in staat heeft gesteld. Dit hebt gij alles verteld, niet waar? A. Ja. 6852. V. Hebt gij nog iets uit eigen beweging mede te deelen ? A. Ja Mijnheer : wij gaan met de werklieden om en weten wat er alzoo gebeurt. De vrouwen welke op de fabrieken werken komen om 12 uur, na een harden dag, amjakkeren om hare kinderen die aldoor om de moeder geschreeuwd hebben, de borst te geven ; dan worden die kinderen weder van haar afgenomen |
138
|
die natuurlijk hart en ziel uitschreeuwen, omdat z|j, hoe klein zij ook zijn, hun moeder wel kennen Ik heb dan wel eens bij mij zelf gezegd : als ik eens ergens kom, zal ik het eens zeggen. 0853. V. Wat zoudt gij dan zeggen? A. Dat die vrouwen zoo woi'ken moeten en de mannen geen werk kunnen krijgen. Do vrouwen komen gejaagd van het werk, geven even de borst aan het kind, zorgen even voor het eten en gaan dan weer naar het werk. 6854. V. Hebt gij nog iets ? A. Neen. 0855. De Heer Rnys van Beeren-broek ; Hebt gij vergunning of alleen een bier-café? A. Ik héb vergunning. (1800. V. Wat wordt er meer gebruikt als bier? A. Ook wel een borrel Schiedammer. 1)857. V. Wat wordt er meer gedronken, bier of een borrel ? A. Dat is onverschillig. (â gt;858. V. Wordt er 's avonds meer bier of meer jenever gedronken? A. 's Avonds meer bier. 6859. V. Gij zegt, dat de werkman weinig verdient, dus hij verteert ook weinig, niet waar ? A. Zooals ik u zeide, de werklieden verdienen weinig, dus ik ook. 6860. V. Wordt met de weinige verdiensten nog misbruik gemaakt van sterken drank? A. Heel weinig. Toen ik in 1880 begon, waren de verdiensten redelijk, toen verkocht ik een paar tonnen bier in de maand meer. Zooals een fatsoenlijk man doet, betaal ik per maand den brouwer: als men dat doet, ziet men wat men verdiend heeft. 6861. V. Van betalen gesproken, die fabrieksarbeiders die bij u komen, hoe krijgen die hun loon betaald ? A. Op de Céramique alle 14 dagen en bij mijnheer Regout alle halve maand. |
6862. V. Die lieden dan die gewoonlijk bij u komen, betalen die geregeld, of moet gij wel eens crediet geven op de quinzaine ? A. Die nemen een glas bier op de quinzaine; geen werkman bijna heeft in de week centen. 6863. V. Dus het wordt opgeschreven t A. Ja, men zegt dan: onthoud het maar. 6864. V. Weet ge of dat ook in andere winkels gebeurt? A. Jawel, dat is de gewoonte; bijna alle werklieden poffen. 6865. V. En wanneer zij goffen, krijgen zij dan in de winkels hunne waren tot denzelfden prijs als a contant, of moeten zij die duurder betalen? A. Neen, zij krijgen de waren tot den gewonen prijs 6866. V. Ln als de quinzaine afgeloo-pen is, betalen zjj dan hun schuld ? A. Van tijd tot tijd krijgen die winkeltjes wel eens een klad aan, want wanneer zij niets verdienen, kunnen ze ook niet betalen. 6867. V. Gebeurt het u zelf wel eens dat zij in uw herberg op crediet nemen en na 14 dagen niet betalen ? A. Ja, dit gebeurt wel, maar dan zeg ik: wanneer gij niet betaalt, houd ik mijn drank. Ik laat mij niet afpoffen, want ik werk voor mijn huisgezin. 6868. V. Met vastenavond en kermis dan ? A. Dat verschilt meer dan de helft. 6869. V. En betalen zij dan ? Hebben zij dan geld ? A. Dan pot iedereen, hoe weinig het ook is. Maar dit is ook al heel wat minder dan vroeger. Wanneer zij nu een dag pleizier gehad hebben, dan kan men hen den anderen dag tehuis zien zitten. Zoo is het met de kermis, die men best op één dag in plaats van op twee dagen kan stellen; zoo is het ook met den vastenavond. 6870. De Voorzitter: Getuige, uw verhoor is thans afgeloopen. M. Everaektz. |
ZITTING VAN VRIJDAG 21 JANUARI 1887,
Tegenwoordig de heeren :
Vernikrs van der Loeff, Voorzitter. 1 Van Alphen.
Goeman Borgesius, Onder-Voorzitter. \ Van der Sleyden.
Ruys van Beerenbroek. : J. D. Veegens, Griffier. Heldt.
|
Verhoor van den heer L. H. Wijsen. 6871. De Voorzitter: Wilt gij uw naam, voornamen, beroep, ouderdom en woonplaats opgeven: A. Lambertus Hubertus Wijsen, opzichter bij den heer Regout, oud 45 jaar en wonende te Maastricht. 0872. V. Gij zijt, als ik mij niet bedrieg, reeds een dertig jaar in de fabriek ? A. Ja, 32 jaar. 6873. V. Zijt gij altijd in dezelfde af-deeling werkzaam geweest ? A. Ja, ik ben op 14jarigen leeftijd op de fabriek gekomen als leerling, om te schilderen. Naderhand ben ik in dezelfde afdeeling meesterknecht geworden, en toen er eene plaats open kwam als opzichter, want de opzichter kwam als hoofdopzichter in eene grootere afdeeling der fabriek, heeft de heer Regout mij tot opzichter benoemd. 6874. V. Wat was die grootere afdeeling i A. De ovens, de drukkerij, de schilders en de cassettenmakers. 6875. V. Met andere woorden, gij hebt het opzicht over dat gedeelte van de fabriek, waar men begint met het gevormde object ? A. Ja. '6876. V. Met de eigenlijke aardwer-kers hebt gij dus niets te maken? A. Juist. 6877. V. Hoe lang zijt gij nu in de betrekking van hoofdopzichter? A. Sedert November 1872, dus14 jaren. 6878. V. Zijn in die 14 jaren in de wijze van doen in die afdeeling belangrijke veranderingen gekomen ? üf is thans alles ongeveer op denzelfden voet als vroeger? |
A. Er zijn vele veranderingen gekomen. Eenige gebouwen zijn afgebroken en door grootere, ruimere vervangen. 6879. V. Is de wijze van fabriceeringr de wijze van behandeling van het object veranderd ? A. Eene kleine verandering is aangebracht; waar vroeger 10 werklieden arbeidden, werken nu '12 of 15, vooreerst om het werk vlugger te doen gaan en het werk den werkman gemakkelijker te maken. 0880. V. Zoudt gij meenen dat de aanstelling van meerdere werklieden strekte om het werk voor de andere werklieden gemakkelijker te maken ? A. Niet alleen daarvoor, maar ook om het werk vooruit te zetten. Dus tweeërlei doel werd beoogd. Bij het ledigen der ovens waren vroeger 10 man, thans 15. 6881. V. Hoeveel ovens hebben die 15 man te ledigen ? A. Dagelijks 2,12 werken en 3 rusten. 0882. V. Hoe lang duurt die rust ? A. 15 a 20 minuten. 6883. V. Zoodra de ovens gevuld zijn, worden zij gestookt, niet waar ? 6884. V. Hoe lang duurt dat stoken? A. Het eerste stoken voor het ruw bakken van het aardewerk duurt 60 uren. W anneer het vernis is aangebracht, volgt een tweede stoken, dat 25 a 30 uren duurt. 6885. V. Wordt gedurende het eerste stoken gedurende 60 uren met alle kracht gestookt? A. In den beginne moet natuurlijk niet zoo krachtig gestookt worden met het oog op het fabrikaat; er wordt gedurende 20 uren langzaam opgestookt en daarna met alle kracht gewerkt, zoodat hij gloeiend, ja meer dan gloeiend wordt. |
140
|
(5880. V. En als gij begrijpt dat het stoken voldoende geweest is, hebt gij dan eonigerlei middel om de vuren snel weg te nemen onder den oven, of moeten de vuren eenvoudig door uitbranding verdoofd raken ? A. De vuren blijven nog een 20 uren liggen om langzamerhand uit te dooven. C887. \r. Gij hebt dus geen middel om die vuren snel van onder de ovens te verwijderen ? A. Snel niet, alleen is boven aan den oven iets aangebracht om den trek door de ovens heen van boven naar beneden sneller te maken. Dan worden bijv. de deuren dichtgemaakt aan het conische gedeelte van den oven, den schoorsteen. Daardoor ontstaat meerdere trekking, waardoor de hitte zooveel te sneller verdwijnt. Eene machinale inrichting om het vuur sneller uit te dooven bestaat er niet. Dat wordt aan den loop van den tijd overgelaten. 6888. V. Zou eene dergelijke machinale inrichting niet te maken zijn ? Hebt gij die op andere fabrieken in het buitenland ook nooit aangetroffen ? A. Neen; en ik denk wel dat het nergens bestaat, omdat het ten nadeele van het fabrikaat zou strekken. Het snelle afkoelen zou bepaald verkeerd zijn. 0890. V. Wat gebeurt er met den oven, nadat de vuren na 20 uren langzamerhand gedoofd zijn? A. Die blijft gedurende minstens 48 uren zoodanig liggen, tot hij genoegzaam is afgekoeld dat de werklieden er gemakkelijk kunnen ingaan. 6891. V. Gemakkelijk9 A. Ja. 6892. V. En gaat gij zelf wel eens in den oven ? A. Ja wel, zelfs vóór de werklui er ingaan, om te controleeren of hij behoorlijk tot de kroon is volgestapeld. 6893. V. Mij dunkt, die surveillance kunt gij veel eenvoudiger uitoefenen. Het komt mij erg zonderling voor dat fij die controle zoudt uitoefenen, nadat et baksel klaar is. Dat zal wel juist wezenij die controle zoudt uitoefenen, nadat et baksel klaar is. Dat zal wel juist wezen vóór er met stoken begonnen wordt. Dan was er nog bij te stapelen! Wat gij daar dus zegt kan dunkt mij niet waar zijn? |
A. Ik zeg ook dat het niet altijd gebeurt, maar het kan wel eons noodig zijn, want ik ben niet altijd op de fabriek als de oven geladen wordt. 6894. V. Maar gij wilt toch niet vertellen dat het geschikte oogenblik van controle van de volstapeling dat is waarop het baksel klaar is? A. Neen dat niet. 6895. V Maar zoo hebt gij het toch letterlijk daar zoo even voorgedragen. Dat gij bovendien in den oven zoudt gaan als die nog heet is, komt mij ook nog al verdacht voor. A. Maar ik zeide reeds dat dit niet altijd gebeurt, slechts van tijd tot tijd, want ik ben daartoe niet verplicht. 6896. V. Maar dan worden de men-schen er in gezonden, niet waar, om dat goed er uit te halen ? A. Ja, dat geschiedt door 15 man. 6897. V. Met hoeveel man gaan zij tegelijk in den oven? A. Met vier man. 0898. V. Dan gaan zij door het zoogenaamde mangat niet waar? A. Ja, door den ingang van den oven. 6899. V. Dit is een zware arbeid, niet waar? A. Zeer licht is hij zeker niet, het is een redelijk zware arbeid. 6900. V. Zoudt gij niet een beetje sterker woorden gebruiken om dichter bij de waarheid te komen? Is hetgeen erge zware arbeid? A. Neen, dat niet, als het zulk een erge zware arbeid was, dan zouden er geen werklieden zijn die 10, 12 jaar bij den oven werkzaam zijn; zij zouden het niet kunnen uithouden. 6901. V. Gebeurt het niet zeer dikwijls dat de oven nog heel erg heet is? A. Dat kan ik niet constateeren, de heer Regout zou mij eene observatie maken, hij zou dit niet toelaten. 6902. V. Hoe zou hij dat kunnen weten ? A. Door het eerste te zien wat er uit den oven gezet wordt, daarna kan geconstateerd worden dat de oven te heet is 6903. V. Dan wordt het dus geconstateerd, nadat de menschen er in zijn geweest ? A. Dat duurt niet lang, hoogstens 5 minuten. 6904. V. Maar die vijf minuten heb- |
141
|
ben zij toch in dien heeten oven doov-gobraoht ? A. Pardon, dan zijn zij er nog niet in; zij 8taan in de deur en reiken zoo het eerste uit 6905. V. Klagen die menschen nooit over de groote nitte in die ovens? A. Ja, in den zomer, dan zijn de ovens warmer dan in den winter, maar daarvoor worden dan ook meer arbeiders fegeven om ze te ledigen, dan kunnen ie het eerst er in zijn geweest wat gaan rusten.egeven om ze te ledigen, dan kunnen ie het eerst er in zijn geweest wat gaan rusten. 6900. Zou er geen beter middel zijn om het werk wat lichter te maken, dooide ovens langer te laten afkoelen? A. Zeker zou dat beter zijn. 6907. quot;V. Waarom doet men dat dan niet ? A. Er is geen gereedschap genoeg om dat te doen. 6908. V. Geen ovens genoeg? A. Neen, in den zomer althans. 6903. V. En daarvan is het gevolg dat, naar u zegt, des zomers de menschen zich in de ovens moeten wagen op een oogenblik waarop dit eigenlijk nog niet geraden is? A. Natuurlijk, als zij een halven dag of een uur of vijf langer konden staan was dat veel beter. 6910. V. Hebt gij op het oogenblik het personeel goed voor den geest, dat aan de ovens werkt? A. J awel 6911. V. Goed helder? A. Jawel, zeker. 6912. V. Dat is 15 man? A. Ja, 15. 6913. Wilt u zeggen dat daar bejaarde menschen onder zijn? A. Bejaarde menschen ? Dc oudste die er onder zijn zullen ongeveer 50 jaar zijn. 6914. V. Zijn er ook jonge menschen ? A. Ja, jonge menschen van 18, 20 jaren. Zeer dikwijls vragen de menschen zelf om in die ovens te werken, omdat het 't hoogste betaald wordt. 6915. V. Hoeveel krijgen zij per dag voor dat werk ? A. f 1,80, f 1,90, tot zelfs f2. 6916. V. Is het niet fl,20? A. Dat krijgen de inzetters van den oven, maar de uitzetters verdienen tot f2 per dag. |
6917. V. Hebt gij bepaalde lieden voor het inzetten en het uithalen van den oven ? A Jft 6918. V. Waarom ? A. Wanneer de lieden eenmaal aan het inzetten gewoon zijn, dan verrichten zij spoediger dit werk en zijn dan minder geschikt voor ander werk, zooals uithalen. Zij die gewoon zijn om in te zetten blijven dit doen, evenals met het uitzetten. 6919. V. Het inzetten volgt dus onmiddellijk op het uithalen ? A. Niet altijd. 6920. V. Ik moet het toch zoo begrijpen, dat gij geen tijd laat verloopen tusschen het uithalen en het weder vullen. Van waar anders de drift om een heeten oven uit te halen f A. Er is geen vaste regel. Het gebeurt wel dat de oven niet leeg is, maar ook wel dat hij 2 of 3 uren leeg is, voordat hij uitgehaald wordt. 6921. V. Wat doen de menschen die uithalen als er een oven leeg is ? A. Zij gaan dan weder naar een anderen. 6922. V. Zij worden dus slechts voor het uithalen gebezigd; zij doen niet anders dan dit zware werk? A. Niets anders. 6923. V. Wordt dit per dag of per stuk betaald ? A. Per oven. Als het werk afgeloo-pen is en er geen oven meer uit te halen is, gaan zij naar huis tot den volgenden dag. Het gebeurt ook wel eens dat een oven te heet is, en dan moeten zij ook tot den volgenden dag met het uithalen wachten. 6924. V. Constateert gij wel eens de hitte der oven op de eene of andere wijze, voordat de menschen er ingaan? A. Die wordt geconstateerd, zoodra de eerste cassette er uit komt. Daarmede is een opzichter speciaal belast, die dit onmiddellijk naziet. 6925. V. Dus gij doet dat niet? A. Slechts van tijd tot tijd; maar oordeelt de opzichter dat de oven te heet is, dan laat hij mij roepen om te vragen of er al dan niet doorgegaan moet worden. 6926. V. Bedenk wel wat gij zegt: |
142
|
dat het hier om waarheid te doen is. Zoudt gij dus willen vertellen, dat de opzichter, wanneer hij ziet dat de oven gloeiend is, eerst nog eene discussie met u moet houden ? A. Dat is meer om te weten of de menschen naar huis moeten gezonden worden, of dat er nog ander werk voor hen is. 69-27. V. In het eerste geval hebben zij dus geen eten? A. Dat wil zeggen, wanneer zij naar huis gaan, verdienen zij geen geld, dat is zeker. 6928 V. Zij staan dus voor het alternatief, om óf in de nog heete ovens gejaagd te worden, of zonder verdiensten te zijn ? A. Niet altijd behoeven zij naar huis te gaan ; ik zou wel bijna durven zeggen, dat zij in de maand nauwelijks één dag weggezonden worden. 6929. V. Hebben eenigerlei voorzieningen plaats om die menschen te beschutten tegen de overmatige hitte in die ovens 1 Krijgen zij iets aan of om ? A. Als de hitte te overmatig was, konden zij er niet in. Zij staan aan de deur van de ovens. Als de waar, die zij het eerst aanvatten, te heet is, zouden zjj die laten vallen. 6930. V. Maar het geval is toch wel â Iaat ons precies de waarheid zeggen â â dat de menschen in do ovens gejaagd worden en het er toch eigenlijk voor een mensch kwalijk uit te houden is. Bedenk goed wat gij zegt. Ik moet u â opmerkzaam maken dat de Commissie u kan vergen op een eed en bereid is dit aanstonds te doen, en dan staat gij voor de gevolgen. Ik zal er u bij zeggen, â dat wij hier reeds getuigen gehad hebben en gij dus op moet passen Nu stel ik u nog eens de vraag: gaan die menschen wel niet eens in een oven, zoo dat het toch, menschelijkerwijze gesproken, niet te doen was, op branden af? A. Op branden af kan ik niet verklaren Ik zal niet tegenspreken dat het wel eens kan gebeuren dat het wat heet is geweest; maar het is toch geen regel dat zij er altjjd ingaan als het te heet is. |
6931. V. Wij spreken nu over de gevallen die wel eens gebeuren. Wij zjjn al iets verder dan straks. Straks steldet gij het voor als werk. dat niet zwaar of bedenkelijk was. Thans komt gij tot de erkentenis van gevallen dat het wel degelijk te heet was. Nu stel ik u nog eens de vraag: bedekken die menschen niet opzettelijk de voeten met klompen en het hoofd met lappen en doeken, om het te kunnen uithouden ? A. Dat kan ik niet constateeren. 6932. V. Laten wij elkander goed verstaan. Gij zijt voor dat werk en bij dat werk. Zoudt gij nu willen zeggen niet te weten, of die menschen met klompen aan de voeten en doeken om het hoofd in den oven gaan? A. Met klompen wèl. . 6933. V. Gij kunt het dus wèl constateeren, niet waar ? A. Ik constateer dat zij niet met bloote voeten in den oven gaan. 6934. V. Dus wat gij zoo even betwij-feldet schijnt nu toch een feit te wezen, omdat zij zich anders zouden branden ? A. Neen, omdat het zou kunnen gebeuren dat zjj op scherven trapten, en daarom gaat niemand er met bloote voeten in. 6935. V. Gij wilt dus zeggen (bedenk wel wat gjj zegt, ik waarschuw u), dat die klompen niet noodig zijn uit, het oogpunt van de hitte ? A. Neen, daar zijn zij niet noodig voor, maar wel voor de scherven die er liggen. 6936. V. En de doeken om het hoofd ? A. Dat gebeurt als zij aan den oven staan, om waren of proeven die men zeer geforceerd is te zien. Dan staan zij niet in den oven, maar daarvoor, en de hitte is daar natuurlijk zeer sterk. Daarom doen zij iets om het hoofd, niet om den arbeid geregeld voort te zetten 6937. V. Zijn de lieden gewoon gekleed als zij in de ovens gaan ? A Zij hebben broek en hemd aan. 6938. V. Niet half naakt? A. Neen. 6939. V. Weet gij dat zeker? A Ja. 6940. V. Ik waarschuw u nogmaals; wij hebben van verscheidene menschen vernomen dat zij half naakt in de ovens gejaagd worden. Raadpleeg nu eens goed uw geheugen, en spreek de waarheid. A. Gemakshalve gaan zij alleen met een broek in den oven. |
143
|
6941. V. Gij komt er dus eindeljjk toe te verklaren dat zij er half naakt ingaan ? A. Niet allen, sommigen doen het om beter beweging te hebben 6942. V. Begrijpt gij niet dat uwe verklaring een zeer pijnlijken indruk moet maken 7 Gevoelt gij niet dat wij beseffen dat gij niet de waarheid zegt? Doet gij wèl daaraan? A. Ik meen de juiste waarheid gezegd te hebben. 6943. Na scherp ondervragen en door er u telkens op te wijzen, dat gij niet van de waarheid moogt afwijken, is er met stukken en brokken wat bij u uitgekomen ; deedt gij niet beter de zaak ronduit bloot te leggen? Bezwaar uw geweten niet. Wat is er van de zaak ? Is het voor de menschen geen buitengewoon hard werk? A. Dat heb ik van den beginne af gezegd, maar als de hitte ondragelijk is, mogen zij niet in den oven ; het wordt hun niet bevolen ei in te gaan. 6944. V. Gij wilt ons dus doen ge-looven, dat de menschen wachten om in den oven te gaan als die te heet is? A. Ja, tot den anderen dag. 6945. V. Wanneer is dat in den laat-sten tijd voorgekomen? A. Verleden Vrijdag nog. 6946. V. Hebt gij een maatstaf tot het constateeren van do temperatuur, waaraan gij de menschen waagt? A. Die bestaat niet. 6947. V. Is de temperatuur in de ovens zoo fel. dat zij met geen thermometer te constateeren is? A. Dat zou ik u niet kunnen zeggen, ik heb het nooit gedaan of zien doen. 6948. V. Gij houdt er die niet op na, het gaat naar willekeur. A Ja 6949. A. En nadat er haast bij het werk is, wordt er ook meer haast gemaakt met de menschen er in te zenden? A Ja. 6950. V. Wat gebeurt er met de menschen bij dat werk als zij uit die ovens, uit die ondragelijke hitte komen, en, zooals men dat noemt, bek-af zijn ? A. Dan gaan zij een tijdlang rusten, een kwartier of '20 minuten, soms langer, en dan zitten ze daar en doen niets. |
6951. V En daar om en bij die ovens is nog een ander personeel werkzaam, niet waar ? A. Ja, meisjes en vrouwen, die do waren uit de cassetten nemen, in manden zetten en dan wegrijden. 6952. V. En dat gaat dus door elkander onder die omstandigheden met het personeel, dat de waren uit de ovens haalt ? A. Ja. 6953 V. Zijn dat aankomende meisjes van 16 tot 18 jaar? A. Ja, van 16, 18 jaar en ouder; ook zijn er die in de 20 zijn. Jonger dan 16 kunnen aan dat werk niet gebruikt worden. 6954. V. Als de werklieden versleten zijn on niet meer kunnen, wat gebeurt er dan met hen ? A. Er zijn soms eenigen, die te huis moeten blijven, en dan worden zjj uit het ziekenfonds en gedeeltelijk uit de fabriekskas betaald met een half daggeld. 6955. V. Dat duurt een zekeren tijd niet waar? A. Er zijn er die een vast daggeld hebben, zooals hun beloofd is geworden, voor zoolang zij leven. Er zijn ook weder werklieden, die uit de ziekenkas betaald worden en dat minder wordt. 6956. V. Maar er zijn er ook, die eenvoudig hun ontslag krijgen en maar zien moeten bij het armbestuur of op andere wijze te recht te komen? A. Niet doordat zij te oud zijn om te werken. 6957. V. Maar wel omdat zij ongeschikt zijn, niet waar? A. Pardon, indien z|j door verzuim of slecht gedrag buiten dienst gesteld worden. 6958. V. Menschen die versleten zijn geraakt, zegt gij, dat allen van fabrieks-wege gepensionneerd worden ? A. Er zijn er zeer veel, ik zal niet zeggen allen, ver van daar, maar een speciaal pensioenfonds is er niet. 6959. De heer Gocnmi Borgesius: Dat ziekenfonds, als ik het wel heb, wordt eenigermate gebruikt als pensioenfonds. Betalen de werklieden het grootste gedeelte daarin ? A. Ja, de arbeiders betalen twee derden. 6960. V. Wanneer de werklieden om |
144
|
de eene of andere reden den dienst verlaten hebben, krijgen zij dan van het geld, dat toch eenigermate voor hen bestemd is, nog iets terug ? A. Neen, zij krijgen niets terug. 6961. V. Dit wenschte ik alleen te constateeren. 69(32. Ue Voorzitter: Heeft er niet kort geleden eene wijziging in het reglement plaats gehad omtrent de uitkee-ring 7 A. Dat kan zoowat 3 of 4 maanden geleden zijn. 6963. V. Waar kwam die wijziging op neder ? A. De verschillende ziekenfondsen zijn gescheiden, er waren er vroeger twee, één voor de afdeeling aardewerk en één voor de kristal- en glasafdeeling; tegenwoordig zijn er vier afdeclingen. 6964. V. Is er geen wijziging gekomen in de omschrijving van de omstandigheden, waaronder recht wordt verkregen op eene uitkeering ? A. Dat zou ik niet kunnen zeggen. 6965. V. Zijt gjj daarvan niet op de hoogte ? A Ik weet wel dat de inleg hooger is geworden ; vroeger bedroeg die 1 '/2 percent; daarentegen is het nu 2 percent dat de werklieden moeten storten, dat kan ik alleen zeggen; overigens ben ik er niet van op de hoogte. 6966. V. Hoe lang houden de men-schen het uit die belast zijn met het ledigen van de ovens? A. Er zijn er die er tien jaar zijn. 6967. Maar dat zjjn toch uitzonderingen ? A. Ja, in den regel blijven zij 5 of 6 jaar in die afdeeling, dan worden zjj, zonder dat het hun eigenlijk gevraagd wordt, verwisseld en krijgen dan lichter werk. 6968. V. Gij begrijpt dus dat zij dan niet meer kunnen ? A, Ja zeker, dan moeten er jonger krachten komen. 6969. V. Verdienen zij dan minder? A. Ja, want dan doen zij lichter werk. 6970. V. Hebt gjj zelf nog iets te zeggen ? A. Ja, Mijnheer, de uitkeering, die de oude behoeftige werklieden uit de ziekenfondsen krijgen, is wel wat min om redelijkerwijze te bestaan. |
6971. V. Hoeveel bedraagt die bedeeling in doorslag? A. Gemiddeld zou ik kunnen zeggen 50 a 60 cents per dag. Er zijn er die meer, er zijn er ook die minder hebben ; ik ken er van 1 guld. daags en ook van 30 a 35 cents daags. 097quot;2. V. Hebt gij nog iets mede te deelen 1 A. Ja, naar mijne ondervinding zou het wenschelijk zijn om den leeftijd, waarop de aankomende meisjes op de fabriek worden toegelaten, iets te ver-hoogen. Die leeftijd is thans 12 jaar, en dat is te jong. 6973. V. Hoeveel ovens zijn er op de fabriek van den heer Regout? A. 22. 6974. V. En op de Céramique ? A. Dat weet ik niet. 6975. V. Zijn er daar geen 17? A. Ik kan het niet zeggen. 6976. V. U hebt straks verklaard dat, naar uwe kennis, het zeer noodzakelijk zou zijn tot verlichting van dat zware werk van het uitpakken dat het getal ovens bij den heer Regout werd uitgebreid, niet waar? A. Ja, dat zou eene groote verlichting zijn. 6977. Uw verhoor is afgeloopen. L. H. 'Wusen. Verhoor van den heer (i. Altmann. 6978. V. Wilt gij zoo goed zijn nw naam, voornaam, en woonplaats op te geven ? A. Gustave Altmann, meester-vormer op de porseleinfabriek van den heer Regout te Maastricht, oud 55 jaren. 6979. V. Gij zijt meester-vormer; onder wjjst gij dat vak dus? A. Ja, het vormen op en in de moule, garneeren en wat er bij hoort. 6980 V. Schilderen ook ? A. Neen. 6981. V. Dus u is in de afdeeling van wat men noemt: de pottemannekes ? A. Juist. 6982. V. En gij hebt daar vooral te doen met het jonge volkje ? A. Ja. 6983. V. Hoeveel hebt gij er wel bij u ? |
145
|
A. Dat varieert, nu 23, 24; die ik leer, blijven G jaar onder mijn toezicht. 6984. V. Hoe oud zijn zij als gij ze krijgt ? A. 16, 17 jaar. 6986 V. Niet jonger? A. Neen, maar het is geen vaste regel. Jongens beneden de 12 jaren zijn aan de fabriek niet werkzaam. Zulk een jongen nu wordt eerst handlanger bij een meester, die op stuk werkt. 6987. V. Hoe lang duurt dat? A. Een paar jaren. 6988. V. En dan komt hij bij u? A. Ja. Zoolang zij bij den meester werken worden zij door dezen betaald, dat wil zeggen de uitbetaling geschiedt door de fabriek, want vroeger toen de meesters zelf hunne gamins uitbetaalden is daarvan nog al misbruik gemaakt. Daarna komen zij bij mij op den tomen werken dan gedurende ongeveer 6 jaren op stuk, waarvan de eerste 3 maanden op daggeld. 6989. V. Dus dan zijn zij 20, 22 jaren oud geworden 1 A. Ja, ik heb leerlingen van 15, 16, 17, 18 en zelfs van meer dan 20 jaren. Er zijn er die in dienst moeten vóór zij uitgeleerd zijn en dan na hun diensttijd weder bij mij terugkomen. 69'J0. V. Wat leert gij ze vormen? Allerlei soort van aardewerk ? A. Ik leer ze bolvormen, borden, kopjes, schotels, allerlei en ook garneeren. 6991. V. Daar bedoelt gij mede tuiten en ooren aanzetten ? A. Ja. Zij krijgen werk dat machinaal geperst wordt cn moeten dat dan klaarmaken en garneeren. 6992. V. Als ik het goed begrijp is het werk, dat de jongens doen, geen werk dat schadelijk is voor de gezondheid of gevaarlijk. Of is het dat wèl? A. Zwaar is het niet, maar gezond ook niet. 6993 V. Vertel eens. A. Het ongezonde van het werk weg te nemen is onmogelijk. 6994. V. Waar steekt dat ongezonde in? |
A. Meerendeels in het stof en ook in de uitwasemingen van het werk, want het werk is nat in de ateliers en wordt er gedroogd. Togen die uitwasemingen kan niets gedaan worden. Wat mogelijk was is gedaan ; maar al wilden de heeren er duizenden guldens aan besteden, zij kunnen' het niet veranderen. In Duitsch-land is er veel over geschreven. In ons blad der Sprechsaal hebben de doctors er veel over gehandeld. Er kan wel verbetering aangebracht worden door ventilatie en meerdere ruimte, maar het geheele bezwaar weg te nemen kan niet, gelijk er meer andere vakken bestaan die ongezond zijn en het zullen blijven. Vermindering van werkuren, zou het eenige zijn, en dat is reeds tot zekere hoogte gedaan. Toen ik te Maastricht kwam was het 12 uren en nu is het nog maar 10 uren. 6995. V. Waanneer zijt gij naar Maastricht gekomen? A. In 1853 en sedert ben ik onafgebroken bij de heeren Regout geweest. 6996. V. Gij vertelt ons duideljjk en goed van het schadelijke voor de gezondheid dat in dat werk zit; maar gij moet dat nog wat toelichten. Is het, omdat bij het werk zooveel stof gemaakt wordt ? A. Ja, daar zit het in. Het is het stof van de aarde waarvan het fabrikaat femaakt wordt. Stof vindt men in elk uis, maar dit is mineraal stof.emaakt wordt. Stof vindt men in elk uis, maar dit is mineraal stof. 6997. V. Met andere woorden, in dat werk komen geen vergiftige grondstoffen, maar hot kwaad zit in het stof. Of werkt gij met vergiften, met lood ? A. Neen, het is van de aarde. 6998. Het zit dan in de groote massa stof? A. Het slof is te zwaar om te stijgen en te licht om neer te slaan. Daarvoor zijn ventilateurs, die goed helpen, ook tegen het uitwasemen. Wanneer het goed in de droogkamertjes is heeft de werkman van dit laatste minder last. 6999. V. Is dat uitwasemen ook zoo kwaad ? A. Ja, de statistiek bewijst dat zelfs zij die meer met nat werken longtering kregen. 7000. V. Bij uw onderwijs aan de jongens laat gij hen ook werken ? A. Alleen de leerlingen; ik ben leermeester en opzichter van de jongens, deze moeten gedurende 6 jaren 20 pet. voor het onderwijs missen. Zij werken op stuk en hoe meer zij dus werken hoe meer zij verdienen. 7001. V. Dat betalen op stuk geschiedt 10 |
146
|
voor het goed afgeleverd werk.niet waar ? A, Ja. o 700:2. V. En voor het afgekeurde krijgen zij niets ? A. Neen; het werk wordt tweemaal gecontroleerd, eens in de ateliers en eens daarna. 7003. V. Waartoe dient die korting van 20 pet. dan ? Ik begrijp dat niet, want het loon wordt immers berekend per stuk voor het goed afgeleverd goed? A. De heer moet mij toch betalen. 7004. V. Maar is dat eene reden om een jongen 20 pet. te korten op zijn joon voor stukwerk dat goed werd afgeleverd ? Leg ons dat eens uit. A. Vroeger waren do prijzen different. Er was een afzonderlijke prijs voor meesters en een afzonderlijke voor leerlingen. 7005. V. Als ik u goed begrijp, komt de zaak hierop neder, dat de 20 pet. gekort worden door den fabrikant, om daaruit te vinden wat aan u voor uw onderwijs betaald moet worden; het is een soort van leergeld ? A. Ja. 7000. V. En dat onderwijs duurt zes jaar lang ? A. Ja. 7007. V. Zijn er zes jaren noodigom dat werk te kunnen leeren ? A. Ik zou durven zeggen, ik heb een grijzen kop, maar moet nog leeren; er komt dagelijks wat nieuws voor; er zijn te veel artikelen bjj ons. 7010. V. Hoe lang hebt gij de jongens in dat vak onderwezen ? A. Juist 20 jaren. Voor dien tijd heb ik op stuk gewerkt. 7011. V. Zijn er reeds velen van uw oud-leerlingen dood? A. Jawel, er zijn er wel dood, maar uit mijn hoofd weet ik niet hoevelen. 7012. V. Het is een kwaad werk niet waar; de lieden die het doen worden niet oud ? A. Er zijn er die 30, 35 jaar oud worden. Ik ben 55. 7013. V. Gij zijt er als 't ware doorgegroeid? A. De man die na mij als getuige komt, is nog ouder dan ik, maar hij is eerst na zijn '18de jaar op de fabriek fekomen, en ik ben in Duitschland ge-ekomen, en ik ben in Duitschland ge- |
oren, waar schoolplicht is tot liet 14de jaar, zoodat ik na mijn veertiende jaar op de fabriek ben gekomen. Juist in de jonge jaren zijn de longen het vatbaarst voor die vergiftige stoffen. Ik ben 40 jaar in het vak en ben Goddank goed gezond gebleven, al ben ik wel eens een enkele maal ziek geweest. Maar vroeger werden de jongens op hun 6de, 7de. en 8ste jaar naar de fabriek gezonden, en dat was erg. Veertig jaren is een mooie ouderdom bij ons. j 7014. V. Uwe ondervinding is dus dat de jongens te jong aan hot werk worden gesteld ? A. Ik geloof voor het grootste gedeelte weT, maar dat bestaat nu niet meer; nu is het 12 jaar, het ware wen-; schelijk dat het 14 jaar was. 7015. V. Dat zegt gij met een zucht? i A. Ja, dat zeg ik nog eens met een zucht! De vader komt zelf den jongen aan de fabriek presenteeren. Zoodra do jongens de communie gedaan hebben, moeten zij naar het werk. 7016. V. Om geld te verdienen? A. Ja, en hoe jonger zij zijn, hoe meer het kwaad vat. 7017. V. Met de ovens heb gij niet te maken, wel ? A. Neen. 7018. V. Zijt gij er wel eens naar gaan kijken? A. Dat mag eigenlijk niet, een ieder moet bij zijn vak blijven ; men moet gegronde redenen hebben om in een ander atelier te komen. 7019. V. Maar gij zijt dan toch wel eens bij die ovens geweest ? A. Ja, ik ben er wel langs gekomen, maar als de employe's hot zien, dat men : zich op een ander atelier bevindt, dan wordt men gestraft. 7020. V. Dus gij weet niet, hoe het 1 er toegaat ? A. Neen, maar de getuige, dien gij zoo. even gehoord hebt, weet het, die is opzichter. 7021. V. Maar gij weet er niets van? A. Neen. 7022. V. Gij hebt toch zeker wel gehoord, dat het gaan in die ovens een kwaad werk is ? A. Ja door de hitte, dat zou het eenige zijn. 7023. V. Gij zijt uit Duitschland op de fabriek gekomen, niet waar ? |
147
|
A. Ja. 7024. V. Zijt gij daar op soortgelijke fabrieken geweest ? A Ja. van quot;1847 af. 7025. V. Bp wien? A. Jn Silesië 7020 V. Was dat ook een aardewerkfabriek ? A. Ja evenals hier. 7027. V. Was de toestand daar dezelfde als bij de firma Regout ? A. Slechtei1 dan hier; maar ik moet zeggen, toen ik hier kwam, waren de ateliers ook niet zoo goed als thans. De heeren Regout hebben alles voor de ateliers gedaan wat zij konden doen. Er is nog wel oen enkel oud gebouw in gebruik, maar do gebouwen, waar ik werk, zijn uitsluitend voor ons gemaakt en van alles voorzien. 7028. V. Toen gij bij den heer Regout kwaamt, hebt gij toen dadelijk hetzelfde werk gekregen als nu ? A. van 1853 tot 1867 heb ik op het stuk gewerkt, zooals ieder ander, maar in '1877 hebben zij mij leermeester gemaakt. 7029. V. En dat zijt gij tot nu toe gebleven ? A. Ja. 7030. V. Wordt machinengeld betaald, korting 7 A. Niet meer. 7031. V. Maar dat was zoo? A. Er is eene regeling op de prijzen gemaakt, zoodat nu geen machinengeld meer wordt betaald: ook het gas hebben wij vrjj. 7032. V. Dus hot tarief is wat verminderd ? A. Juist, toen het machinengeld er afkwam, zijn de prijzen verminderd. 7033. V. Zijt ge nog al mooi vooruitgegaan in uw loon, gedurende al die jaren die gij er zijt? Wat verdient gij ? A. f2,80 per dag. 7034. V. En toen gij leermeester werd ? A. Toen kreeg ik f2,50. 7035. V. Dus gij zjjt in die 20 jaar 30 cents per dag vooruitgegaan 1 A. Neen. ik ben geweest tot f3,07. 703G. V. Dus gij zijt achteruitgegaan ? A. Toen hebben zij mij verminderd. 7037. V. Waarom? |
A. Dat weet ik niet. Door mijn gedrag zeker niet, want dan zouden ze mij direct bedankt hebben. Dit is juist het ongeluk, dat de arbeiders in het geheel geen rechten hebben, maar niets dan plichten, en de heer heeft niets dan rechten en in het geheel geen plichten tegenover de arbeiders. Ik ben nu 34 jaar aan deze fabriek en heb gedurende al dien tijd in het ziekenfonds gestort. Goddank heb ik er al dien tijd nog geen geld uit getrokken, maar alleen wat medicamenten. Nu heeft de heer hot recht om, als hij wil, mij morgen af te danken. Convenieer ik hem niet meer, dan kan hij mij bedanken; op dat gestorte geld heb ik geen aanspraak. Werd de werkman gepensionneerd, dan zou de patroon na 40 jaar pensioen kunnen verleenen, maar nu is hot ontslag een straf. Het geld dat ik uit het ziekenfonds nu zou krijgen is bedroefd bitter weinig en dan heb ik nog niet 10 maar 100 spionnen om iederen voetstap na te gaan, dien ik doe. In Pruis-sen is dat alles beter. 7038. V. Dus als Mijnheer wil, ka* hij u morgen wegzenden ? A. Ja, dat kan hij doen. 7039. V. En dnn hebt gij niets te vertellen ? A. Neen. 7040. V. En gij krijgt niets? A. Niets ; er moest een reglement op de fabrieken bestaan, dat door een Staatsbeambte gecontroleerd werd. üe arbeiders zjjn afhankelijk van de humaniteit van den heer. Is de heer een humaan en een braaf man, dan zal hij zich schamen om den werkman slecht te behan delen ; maar in elk geval kan hij met den werkman doen wat hij wil, hij kan de ouderen wegzenden en door jongeren vervangen. Daartegen moest door een wet gewaakt worden Er zijn helaas vele arbeiders die u niet zullen dui ven zeggen hoe zij het eigenlijk meenen, omdat zij bang zjjn weggejaagd te worden, afhankelijk zijn van de heeren die hun zeggen zullen dat zij to veel gesproken hebben, maar ik moet voor mijne gedachten uitkomen, ik kan niet zwijgen. 7041. V- Wij begrijpen zeer goed uw positie op de fabriek, üij hebt gedurende 30 jaren op de fabriek trouw en eerlijk gewerkt, nooit geen reden tot klagen gegeven, nooit geen straf gehad. Gedu rende dio 30 jaren hebt gij aan het |
148
|
ziekenfonds gecontribueerd. Uw loon, na eerst van f 2,50 tot even boven de f3 gestegen te zijn, is later-weder teruggebracht tot f2,80. En wanneer gij moren aan don dag gedaan krijgt dan ebt gij geen vooruitzicht om een pensioentje te krijgen? A. Juist, Mijnheer de Voorzitter! 7042. V. Dus bij u in de fabriek krijgen er menschen, wanneer zij versleten en opgeraakt zijn eenvoudig gedaanten daarmeê is het dan uit. Zijn er uitzonderingen ? A. De werklieden werken zoo lang tot zij ziek worden en dan krijgen zij eene uitkeering uit het ziekenfonds. 7043. V. Maar het kan gebeuren dat zij niet meer kunnen werken zonder daarom ziek te zijn. wat gebeurt er dan met hen? Of komt dat niet voor? Blijven zij net zoo lang werken totdat zij ziek worden? A. Ja. De heeren sturen hen niet weg; ik kom er alleen op, dat do heeren er het recht toe hebben. 7044. V. Ik heb u begrepen. Gij brengt geen klachten in. A. Dat zou ook onredelijk zijn. 7045. V. Gij hebt geen enkel woord gezegd ten nadeele of tot grief van de heeren Regout. maar u alleen beklaagd over het feit dat ge zijt overgelaten aan den goeden wil dier heeren. Gij hebt wel vertrouwen in hen, maar betreurt het dal ge aan dien goeden wil zijt overgelaten en ge hadt gaarne dat er recht voor den werkman bestond Maar kwaads hebt ge niets van de heeren gezegd. A. Voor mijn persoon zou het ook onbillijk zijn als ik in iets klaagde over de heeren. 7046. V. Heeft geen der heeren nog iets te vragen ? Dan kunt gij vertrekken. Uw verhoor is afgeloopen. G. Altmann. Verhoor van den heer L. Dresen. 7047. V. Mag ik uw naam, voornaam, ouderdom, beroep en woonplaats weten ? A. Lambertus Dresen, oud 00 jaar, aardbewerker bij de heeren Regout te Maastricht. 7048 V. Hoe lang zijt gij in het vak? A. Van 1846 af. |
7049. V. Zijt gij altijd aan hetzelfde werk geweest ? A. Onafgebroken. 7050. V. Wat deedt ge voordat ge bij de heeren Regout aan het werk kwaamt ? A. Ik was toen bij vader en moeder vleeschslachter. 7051. V. Gij zijt dus 20 jaar oud geworden zonder aan soortgelijk werk te doen en hadt van te voren uw leven doorgebracht meer in de open lucht. Thans zijt gij 40 jaren aan dat werk. Dan hebt ge zeker vele werklieden rondom u zien sterven ? A. Ja zeker. 7052. V. Want dat werk is toch niet wat men noemt een gezond werk, niet waar ? A. De plaats, waar ik werk, is nu zeer gezond gemaakt. Het vertrek is breed, wij hebben een groot raam dat aan twee kanten openslaat, en boven hebben wij er nog een dat wij kunnen opendoen. Men kan het dus zoo luchtig maken als men verkiest. Als wij ons werk 's avonds volbracht hebben, komen andere menschen en wordt er gesprenkeld, en 's morgens, eer wij om 7 uren beginnen, is er reeds weder gesprenkeld in onze werkplaats. Wat warmte betreft zijn er drie kachels, waar een man op past die meer of minder stookt, naarmate wij het verkiezen. 7053 V. Zijt gij niet opzichter? A. Neen. ik ben gewoon aardbewerker. 7054. V. Beschrijf ons dan eens wat gij doet. Wat is de grondstof waar gij mede begint, en wat voert gij er mede uit? A. Mijn laatste werk is het maken van soepterrines geweest. Ik was er juist mede bezig toen de heer Ruys de fabriek bezocht. i 7055. V. Dus gij krijgt de aarde als die reeds geprepareerd is ? A. Ja, evenals het deeg waar men brood van maakt. 7056. V. Is dat door andere werklieden gereed gemaakt ? A. Ja. | 7057. V. Gaat het dan in den vorm ' om later te worden afgewerkt? A. Ja 7058. V. Wordt de aarde in een ander i lokaal geprepareerd, verre van u af? A. Ja. 7059. V. Hoe wordt zij u gebracht, |
149
|
door een lift of door een jongen ? A. Een man brengt ze op een wagentje aan, met een doek er over gelegd, en de jongen brengt ze ons in de werkplaats, dat is zeer kortbij. Daarna werk ik de aarde af. 70ü0. V. Met den jongen? A. Ja. 7061. V. Hoe oud is die? A. 15 jaar. 706-2. V. Is hij uw zoon ? A. Neen, van eene weduwe. 7003. V. Werkt hij reeds lang biju? A. Ik meen twee jaar. 7004. V. Hoe lang werkt hij daags met u? A. Wij beginnen 's morgens te 7 uren en werken tot 1'2 uren; dan hebben wij tot half twee rust, om tot half zeven te werken. 7065. V. Heeft geen overwerken plaats ? A. Neen, althans weinig. Vroeger ontbeten wij te 8 uren, thans heet het 9 uren, en daarvoor hebben wij 10 minuten. Te 4 uren kunnen wij weder onze koffie met brood gebruiken. 7066. V. Gaat gij tusschen 12 uren en half twee naar huis om te eten ? A. Ja. 7067. V. Heeft do jongen ook te half zeven gedaan met werken? A. Zeer zeker. 7068. V. Zijt gij gehuwd? A. Ja, 35 jaar. 7069. V. Werkt uwe vrouw in de fabriek'? A. Neen, wel vóór ons huwelijk, daarna niet meer, omdat het niet noodig was. 7070. V. Vondt gij beter dat uwe vrouw niet op de fabriek werkte? A. O zeker. 7071. V. Hoeveel verdient gij nu ? A. ik heb in den loop van de laatste drie a vier maanden doorgaande twee gulden per dag verdiend, soms iets meer. soms iets minder. 7072. V. Hebt gij kinderen? A. Acht in leven. 7073. V. Zijn er van die kinderen op de fabriek? A. Een. 7074. V. Hebt gij de anderen op een ambacht bezorgd? A. Ik heb zes meisjes en twee jongens, een is domestiek |
7075. V. Zijn er van uw meisjes op de fabriek ? A. Neen, een wordt koopvrouw, ik heb er een van 34 jaar. 7070. V. Gij hebt dus al uwe kinderen van de fabriek afgehouden ? A. Op een na, 7077. V. Wat doet die? A. Wat ik doe. 7078. V. Hoe oud is die op de fabriek gekomen ? A. Op zijn ISde jaar. 7079. Heeft dio jongen dat kunnen uithouden met zijne gezondheid? A Ja, hij is nu 29 jaar en ziet er frisscher uit als ik. 7080. V. Maar er zijn er toch die op hun 13de jaar beginnen en het niet halen ? A. Ja, dat schijnt zoo, want als ik op eene fatsoenlijke plaats kom, dan zegt men: daar komt de oude Dresen aan, er zijn zoovele van die potteman-nekes weder dood gegaan, maar de oude Dresen blijft toch altijd gezond. Dan vraagt men mij soms: zijt gij jong op de fabriek gekomen ? en dan zeg ik de waarheid, ik was over de 19 jaar. Daar zal het wel uit voortkomen, zegt men dan. Maar dat ik er velen heb zien afsterven is zeker. 7081. V. Als ik het dus goed begin te begrijpen, haalt men u in Maastricht aan als een soort van curiositeit, dat gij het zoo lang hebt uitgehouden? A. Ja, ik zou het waarachtig ook mee-nen. Mijne Heeren, want als wij aan het werk zijn, dan zegt men: kijk dien ouden Dresen eens aan ; precies alsof ik toevallig de eenige was die niet ziek wordt. 7082. V. Als gij nu eens niet meer kunt werken, hebt gij dan recht op een pensioen 1 A. Pensioen niet, maar wij hebben een ziekenkas. 7083. V. Dat is voor het geval dat gij ziek wordt9 A. Wij hebben er bij ons ook die er in zijn, bjjv. een zekere Eugène L'homme, die al lang uit de fabriek is. Die man kon niet meer werken, en hij is in de ziekenkas gekomen. Die man had het wat in het hoofd, misschien dus dat de man ziek heet. Overigens bemoei ik mij zelden met andere menschen. |
150
|
Als ik 's middags of 's morgens op de fabriek kom dan heb ik maar het liefst, dat men mij alleen laat. Als het werk afgeloopen is, ga ik ook altijd rechtstreeks naar huis. 7084. V. Die jongen, die bij u werkt, krijgt die het gewone loon, of werkt die per stuk ? A. Hij krijgt wat ik hem wil betalen. 7085 V. Dus dat reselt gij met den jongen ? A. Den eersten van do maand komt de opzichter rond met een lijst, waarop de namen van al de jongens staan op-geteekend en dan zegt hij : «Dresen, uw jongen heeft 48 centsquot;, dun zeg ik : »jaquot; en dan gaat hjj voorbij, maai' als ik zeg : »- cent meerquot;, dan veegt hij de 48 cent uit en zet 2 cent meer. 708C. V. Dat moet gij mij eens duidelijker maken, wie betaalt dc 48 cent? A. Dat gaat van mijn werk af. 7087. V. Gij wordt dus per stuk betaald en van dat provenu wordt zooveel afgetrokken, als de jongen verdiend heeft; het staat dus aan u om den jongen te betalen en ge kunt hem wegzenden als hij u niet bevalt, en gij moet dan maar zorgen, dat gij een anderen jongen krijgt ? A. Ja zeker. Vroeger toen een jongen van IS'/j of 13 jaar op het werk kwam, kreeg hij 35 cents, al wist hij niets, maar thans krijgt hjj 40 cent. De opzichter komt nu en dan bij mij, en dan zegt hij: «hier is een jongen, bevalt hij uquot; ? Zeg ik dan «jaquot;, dan verdient die jongen van den eersten dag af 40 cent. 7088. V. Dus als die jongen u niet bevalt, kunt gij zeggen : ik wil hem niet hebben ? A. Ja, en dan wacht ik tot een volgende keer. 7089. V. Nu moet gij nog één ding zeggen wat de rekening betreft, is uw loon eenigen tijd geleden niet verminderd ? A. Ja. 7090. V. Dat zegt gij niet met een vroolijk gezicht? A. Neen. 7001. V. Hoe kwam dat ? |
A. Men zegt, dat het door de concurrentie komt. Als ik zoo 's middags voor mijne gezondheid in de straat ga wandelen, dan zie ik in de winkels serviezen genoteerd voor f 3,00, die vroeger f 5,00 kostten. Ik ben niet hooggeleerd, maar dan denk ik, dat komt door de concurrentie, als de fabrikant het goed goedkooper moet geven, kan hij zoo veel loon niet geven, het is nu eenmaal niet anders. 7092. De heer Goeman Borgesius : Hoeveel percent van uw loon staat gij af aan de ziekenbus ? A. f 2,25 in de maand, maar omdat wij per quinzaine betaald worden, is het f 1,12'4 in de halve maand, 7093. V- Indien men zonder redende fabriek verlaat, aangenomen bjjv. dat men zijn positie verbeteren kan, krijgt men dan een deel van zijn inleg terug? A Niets. 7094. V. En als gij nu eens ontslagen werdt, hoelang krijgt gij dan dit ziekengeld of pensioen ? A. Als ik weggezonden werd ? 7095. V. Ja, op grond dat gij te oud werdt of minder geschikt? A. Ja, dan val ik op de ziekenbus 7096. V. Hoe lang duurt die uitbetaling ? A. Onophoudelijk; ik weet onder anderen een zekeren August Henrotte, die al heel langziek moet zijn. Wij hebben dan daags een gulden en vrij geneesheer en apotheker. 7097. V. En personen die wegens ongeschiktheid voor het werk aan de ziekenbus zijn vervallen, komen die terug als zij weer geschikt zijn 1 A. Ja zeker. Wij hebben onder anderen gehad een zekeren Wijns, die had jicht, en toen hij weer beter was, is hij teruggekomen. Hij is ook niet lang ziek geweest. 7098. V. De ziekenbus staat geheel onder administratie van de patroons ? A. .la, wel te verstaan, wij leggen zooveel in en zij 1/,. Het reglement, zoo'n groot ding, hangt in het atelier, dat kan ieder lezen, en op den Isten van de maand is er nog een kastje met een glas er voor, daarin staat aangeplakt dat er zooveel voor den dokter en zooveel voor den apotheker is uitgegeven, en dan is dat juist berekend, zoodat men de kas kent, wat er uitgegeven is en ingekomen en hoeveel er te kort is of over. 7099. V. Er wordt dus verslag gegeven van den stand der kas? |
151
|
A. Ja 7100 V. De heer Helrtt; Heb ik u goed begrepen, dat, wanneer iemand van de fabriek afgaat, omdat hij zijn werkzaamheden niet meer kan verrichten, hoewel hij toch niet bepaald ziek is. hij dan ook uitkeering uit de ziekenbus krijgt ? A. Wanneer hij niet meer werken kan, dan krijgt hij eene uitkeering uit de ziekenkas. 7101. V. Dus dan heeft die kas ook de beteekenis van een pensioenkas? A. Het heet ziekenkas. 7102. De heer Ruys van Iteeren-broek ; Hoelang werkt gij in dien nieuwen bouw, waar ik u gezien heb ? A Dat kan ik niet met juistheid zeggen. 7103. V. Vroeger hebt gij in den zoo-genaamden «nieuwenquot; bouw gewerkt? A. Ja, dat is nu de oude bouw geworden ; daar heb ik 23 jaren gewerkt. 7104. V. Is het lokaal, waar gij nu werkt, wat ventilatie en zuiverheid aangaat, veel beter, dan het vorige? A. Wat zuiverheid aangaat kan men het niet beter verlangen. 7105. De Voorzitter: ('ij wordt betaald per quinzaine, niet waar? A. Ja, van den Isten tot den loden en van den 16den tot het eind van de maand. 7106. V. Wat gij van den Isten tot den 1 oden verdiend hebt, krijgt gij eerst den SOsten van de maand uitbetaald? A. Ja. 7107. V. Js dat voor uw vrouw in het huishouden eene gemakkelijke regeling? A Men is er aan gewoon geraakt. 7108. V. Dus gij moet wat hebben om de zaken drijvende te kunnen houden? A. Ja, wij hebben er een zaakje bij en de kinderen zijn groot. 7109. De Voorzitter: Ik heb u niets meer te vragen en de heeren ook niet; het verhoor is afgeloopen. L. Dresen. Verhoor van den heer J.H.L. Godding. 7110. V. Wilt gij uw naam, voornamen, ouderdom, beroep en woonplaats opgeven |
A. Johannes Hubertus Ludovicus Godding, oud 55 jaar, porseleindrukker bij I de firma Regout te Maastricht. 1 7111. V. Hoe lang zijt gij in dat vak werkzaam ? A. Van 1857 af. 7112. V. Wat waart gij tot uw 25ste jaar ? A. Bremser bij het spoor. 7113. V. En zijt gij toen als drukker bij de firma Regout gekomen ? A. Ja. 7114 V. Zijt gij altijd bij dat vak gebleven ? A. Ja, met uitzondering van tweeja-i ren, toen ik bij Brussel op eene campagne ben geweest. i 7115. V. Wat deedt gij daar? A. Ik was er zooveel als dienstknecht. 7116. V. En toen zijt gij weder als drukker naar de fabriek teruggetrokken? A. Ja. 7117. V. Waarin bestaat dat drukken ? A. Dat is met koperen platen de i prenten maken die op de waar gedrukt worden. 7118. V. Gij krijgt dus de kopergravure ? A. Ja. Die wordt gebracht op eene heete pers, en met verfstof ingesmeerd; dan wordt er een blad papier op gelegd, men gaat er met eene wals over en dan staat de gravure op het papier. Een eerste meisje knipt ze uit, een tweede legt ze op de waar, een derde wrijft ze en een vierde wascht het papier er van af. 7119. V. Met dat effect dan, dat alleen de verfstof aan het porseleinen voorwerp blijft hechten ? A. Ja. 7120. V. Gij hebt dus de werkzaamheid van het drukken van de kopergravures op papier ? A. Ja. 7121. V. Alzoo hebt gij met het eigenlijke aardewerk niets te maken ? A. Neen, niet anders dan dat ik er toezicht op moet houden. 7122. V. Uwe hand komt er dus niet mede in aanraking? A. Ik neem wel eens een stuk op om te zien of de meisjes het goed gedaan hebben, maar anders niet. 7123. Met hoovelen zijt gij, die dat 1 drukwerk doet ? . |
152
|
A. Met 30 of 40. 71'24 Dat is waarschijnlijk verdeeld in ploegen'? A. Ja, elke ploeg is van vijf personen, de meeste met 4 meisjes. 71 '25 V. Bij uw werk is dus geen schadelijke invloed voor de gezondheid te vreezen? A. Ik kan niet zeggen dat er kwaad aan verbonden is. 7126. V. Gij doet zeker soortgelijk werk als in een lithographie ? A. Hetzelfde. 7127. V. Nemen meisjes het door u gedrukte van u over? A. Ja. 7128. V. Hoeveel ? A. In iedere ploeg 4. 7129. V. Hoe oud zjjn zjj ? A. Twee gehuwden, mijn dochtertje is 26 en eene Snijderse 13 a 14 jaar. 7i:i0. V. Werken zij met u even lang? A Ja, van 's morgens 7 tot 's avonds 6'/a uur, met 1 uur schafttijd 's Morgens te 9 uren hebben wij iö minuten om ons brood te eten, alsook 's middags te 4 uren 7131. V. De meisjes ook ? A. Ja. 7132. V. Die hebben dus geen overdreven lang en zwaar werk, noch schadelijk werk voor de gezondheid? Neen. 7133. V. Welk loon verdienen zij ? A. Zij werken op stuk en verdienen f9 a flO, soms f8 in de 14 dagen; de kleine Snijderse werkt in daggeld. 7134. V. Wordt gij op stuk betaald? A. Ja, en zoo verdien ik f2 daags. 7135. V. Het is mij niet duidelijk hoe gij met het plaatjesdrukken op stuk wordt betaald; de eene teekening is groot, de andere klein, de eene moeilijk, de andere gemakkelijk ? A. Theeserviesen worden per dozijn berekend, tafelserviezen per stuk, borden en dergeljjke zaken per dozijn. 7136. V. Maar aan het eene servies en het eene bord is, wat de teekeningen betreft, toch meer werk dan het andere, niet waar? A. Dat is ook zoo, maar het eene tarief is ook hooger dan het andere. 7137. V. Hebben dus de verschillende modellen ook verschillende tarieven? |
A. Alle niet, er zijn er waarvoor dezelfde tarieven zijn, maar ook waaraan meer werk is en die dus hooger betaald worden. 7138. V. Veranderen die tarieven dikwijls, gaan ze wel eens naar boven of naar beneden? A. Niet naar boven, wel naar beneden. 7139. V. Hebt gij altijd uw twee gulden daggeld gemaakt? A. Vroeger hebben wjj wel meer verdiend, 2V2 a 3 gulden; toen zeiden wij dat wij een slechten dag maakten als wij twee gulden hadden, nu is twee gulden een goede dag. 7140. V. Hoe komt dat ? A. Door den aftrok; ik kan mij niet anders voorstellen als dat mijn patroon niet meer kan geven wegens de concurrentie. 7141. V. Van wanneer dateert die vermindering? A. Van 1878/79. 7142 V. Werkt uw vrouw ook aan de fabriek? A. Noen, 7143. V. Heeft zij er ooit gewerkt? A. Nooit. 7144. V, Hebt gij altijd den kost voor uw gezin kunnen verdienen zonder dat het noodig was haar te laten werken ? A. Ja, 7145. V. Gij vondt het dus beter haar in het huisgezin te laten blijven ? A. Jawel. 7146. V. Of had uwe vrouw er een zaakje bij? A. Neen, op het oogenblik niet. Van tijd tot tijd heeft zij wel getracht door breien of wasschcn er eenige centen bij te verdienen. 7147. V. Maar anders kondet gij rondkomen? A. Anders heb ik mij goed kunnen redden, 7148. V. Contribueert gij aan een ziekenkas ? A. Ja, 7149. V. Hoeveel? A. 2'/2 cent van den gulden. 7150. V. Zijt gij er van den beginne af in geweest, dat moet immers ? A. Ja. 7151. V. Zijt gij wel eens ziek geweest ? A. Nog nooit. |
153
|
7152. V. Maar als gij om de eene of andere reden uw ontslag krijgt op de fabriek, hoe gaat het dan ? A. Wat ik gestort heb ben ik dan kwijt: dat geld blijft in de ziekenkas. 7153. V. Hoe weet gij dat, staat er iets van in het reglement? A. Ik zou het niet kunnen zeggen, het reglement hangt in het atelier, maar ik heb het nooit nagelezen. 7154. V. In uwe afdeeling komen zeker geen ongelukken voor? A. Neen, dat kan bij ons niet gebeuren. 7155. V. Wordt er ook gewerkt met stoom ? A Jawel. 7156. V Is de machine waarmede gij werkt in geen enkel opzicht gevaarlijk? A. Neen, die kan geen gevaar opleveren 7157. V. Ook voor de meisjes niet, die met u werken? A. Ook niet. 7158. V. Hebt gij ook gehoord, dat in andere afdeelingen van de fabriek ongelukken voorkwamen ? A. Ja, bij voorbeeld, dat men met de handen of de vingers tusschen de machinerieën kwam, maar dat komt bij ons niet voor. 7159. V. Ik heb u dus niet te vragen hoe er geleefd wordt met hen die ongelukken krijgen, want dat komt bij u niet voor? A. Neen. 7160. V. Weet gij iets te vertellen van hetgeen er gebeurt met de mouffles en met de ovens ? A. üch neen, ik weet wel dat het zwaar werk is, maar meer weet ik er niet van. 7161. V. Hebt gij uit u eigen iets te vertellen, dat gij begrijpt dat voor onze Commissie van nut kan zijn ? A. Anders weet ik niets. 7162. V. Als gij niets weet, zullen wij u maar niets meer vragen. Dus dan is uw verhoor afgeloopen. J. Godding. Verhoor van den heer J Konkeiis- ( Verkort.) 7163. De Yoorzittter: Wilt gij uw naam en voornamen opgeven? |
A. Johan Lorenz Roukens, 37 jaar. Porselein-decoratieschilder bij de firma Petrus Regout en Co. 7168. V. Hoe lang zijt gij daar al? A. Sedert ik van Luik terug ben, 13 jaar, dat was de tweede keer. 7169. V. üus gij zijt er vroeger ook geweest ? A. Ja, toen heb ik er 12 jaar gewerkt. 7170. V. Dus zijt gij vroeg begonnen te werken ? A. Ja, op mijn twaalfde jaar. 7171. V. Dan kunt gij niet lang te Luik geweest zijn ? A. Neen, omtrent een jaar. 7172. V. Toen gjj dan op uwe twaalfde jaar kwaamt, hadt gij de capaciteiten van decoratie schilder nog niet. Wat deedt gij dan toen ? A. Toen heb ik mij geoefend in het teekenen; later ben ik op de teeken-school geweest en er zijn verschillende meesters; ik was nog al nieuwsgierig om iets op te vangen en ik amuseerde mij thuis met teekenen. Zoo heb ik het doorgezet. 7173. V. En daarmede zijt gij er gekomen ? A Ja, in 1876 ben ik nog op de tee-kenschool te Maastricht geweest, om naar de natuur te leeren teekenen. 7174 V. Best, dat is alles heel goed, maar geen antwoord op mijn vraag. Mijne vraag was deze: wat kreegt gij te doen, toen gij op uw twaalfde jaar aan de fabriek kwaamt? A. Leeren schilderen; met kleinigheden beginnen om de behandeling van de verf en het penseel to leeren. 7182. V. Had uw vader dat zoo gearrangeerd ? A. Ja. 7183. V. Dus gij kwaamt niet in de gewone lijn van gewone kleine jongens en werdt niet aan dat gewone ruwe werk gezet? A. Neen. 7184. V. Gij zijt dus dadelijk in een soort van opleidingsklasse gekomen om te leeren wat gij later door eigen inspanning en op andere scholen verder hebt aangeleerd ? A Ja. 7185. V. Dus van gewoon ruw werk kunt gij bjj ondervinding niets vertellen ? |
154
|
A. Neen. 718G. V'. Hebt gij jongens die gij opleidt en leort, of is dat het werk van den chef van de teekenschool? A. De chef die thans in het atelier is weet eigenlijk niets van schilderen af. De meester heeft man vervangen door 3 meisjes, omdat dit minder duur was. Deze meisjes moeten die kleine kindederen het schilderen aanleeren. W at wij 1 mannen maken wordt echter niet meer nagezien. 7187. V. Is dat al het onderwijs wat tegenwoordig die aankomende jongens in het schilderen krijgen ? A. Ja. De kleine jongens die het gra-veeren leeren, krijgen 1 uur per week onderwijs in het teekenen. Maar daar hebben wij niets te maken. 7188. V. Uw werk is dus uitsluitend het schilderen op porselein ? A Ja. 7189. V. Wij hebben daar zooeven gehoord van teekeningen die van het papier overgedrukt werden op het porselein. Doch in uwe afdeeling is het een geheel ander werk, gij doet fijner werk. Krijgt gij de artikelen wanneer zij in den eersten oven geweest zijn? A. Neen ; de drukker krijgt de artikelen wanneer zij uit den biscuit-oven komen en hij bedrukt ze. En dan latei-wanneer ze uit den vernis-oven komen, krjjgen wij ze in onze afdeeling om het gedrukte te kleuren. W'jj mannen maken echter artikelen uit de hand, bijv. cache-pots. 7194. V. Zijn er, niettegenstaande de stof waar ge mede omgaat zoo weinig schadeljjk is, misschien toch nog voorzorgsmaatregelen in deze afdeeling genomen ? A. Zeker. Als wij enkel by dag met terpentynlucht te doen hebben, maakt dat niet veel uit; maar 's avonds bij het gas verwekt die terpentijnlucht, als zjj verbrandt, een onaangenamen reuk, die niet uit te houden is. Daarvoor heeft men exhausters en die werken zóó, dat men geen letsel ondervindt. 7105. V. Do jongens en meisjes die rondom u zijn kunnen dus dat werk verrichten zonder er schade van te ondervinden? â A. Ja. 7196. V. Op welken leeftijd komen de meisjes in uwe afdeeling. |
A. üp haar l'2de jaar. 7197. V. Hoevele zijn er wol? A. Misschien 200. 7198. V. Tot hoe oud loopen die leeftijden ? A. Totdat zij huwen, en ook dan blijven zij nog, want zij hebben een gemakkelijk werk. 7199. V. In die afdeeling zijn dus ook getrouwde vrouwen ? A. Ja. 7200. V. De loonen loopen natuurlijk zeer uit elkander. Wordt er bij het stuk betaald of bij den dag I A. Ãn per stuk èn bij den dag, naar gelang van het werk. 7-201 V. Is er dus werk, dat zich niet bij het stuk laat betalen ? A. Ja. Als er iets aparts besteld wordi of men zaken heeft die geen courant goed zjjn. dan wordt voor eene enkele maal geen prijs opgemaakt. Anders gaat alles per stuk. 720-2. V. Wat verdient gij ? A. f 2,10 a f 2 15 per dag Vroeger was het meer: f 2,30 tot t 2,35. 7203. V. Zjjn dan in de fabriek alle loonen naar beneden gegaan ? A. Ja. 7204. V. Waar zit dit in? A. Het wordt toegeschreven aan de concurrentie. 7205. V. Contribueert gij ook aan eene ziekenbus? A. üp het oogenblik niet meer; men heeft er mij uitgedaan. 7206. V. Waarom ? A. Omdat ik koffiehuishouder ben, hebben zij er mij sedert drie maanden uitgedaan. 7207 V. Hoe zit dat in elkaar? A Dat weet ik niet. Ik ben altijd op mijn werk geweest en heb niet verzuimd. Ik heb er de heeren over gesproken. Mijn café was drie maanden aan den gang, dus had ik aanspraak op mijn geld toen die bepaling gemaakt werd, maar de jongeheer Emile antwoordde mij dat het reglement werd gemaakt omdat men tegen café-houders was. 7208. V. Gij hebt dus 24 a 25 jaar bijgedragen aan de ziekenbus? 7209. V. Hoeveel per quinzaine ? A. 2quot;2, 1 of 2 pet., naar gelang van den toestand der kas. |
155
|
7210 V. Hadt gij steeds prompt gecontribueerd ? A. Ja. 72H. V. En n\i gij vóór eenigemaanden een café hebt opgezet, wordt het reglement veranderd, en u eenvoudig gezegd dat uwe rechten vervallen zijn ? A. Ja. Vroeger heb ik mijn arm gebroken en kreeg toen ziekengeld, maar sedert 13 jaren was ik niet ziek. 7212. V. Thans laat men u niet meer bijdragen, en als gij ziek mocht zijn, ontvangt gij geen uitkeering, terwijl gij uwe bijdragen van 13 jaren kwijt zijt ? A. Juist. 7213. V. Wordt het reglement meermalen veranderd? A. Ik heb er nooit van gehoord. 7214. V. Is die bepaling bij die gelegenheid zoo op eens komen opzetten ? A. Ja Vroeger was het aan employés en werklieden verboden cafés te houden ; later werd het echter toegestaan en thans hebben verscheidene personen een café. 7215. V. In de buurt van de fabriek ? A. Ja. 7216 V. Hebt gij vergunning? A Neen, ik schenk alleen bier. 7217. V. Maar die maatregel zal toch wel niet genomen zijn om u te plagen of te benadeelen. Welk kwaad ziet men in het houden van uw café ? Wat is de redelijke grond van het verbod, want dien zult gij toch wel kennen ? Ziet men er iets verkeerds in voor de fabriek en het werkvolk dat er in de nabijheid van de fabriek een café wordt opgericht ? A. Dat kan ik u niet zeggen. Vroeger jaren is het verboden, üf dat was dat de werklieden er kwamen drinken en de vrouwen gereclameerd hebben, kan ik niet zeggen. Ik heb nu dereden gevraagd en mij is gezegd, dat men er tegen is. Geheel verbieden kunnen zij het niet, maar men moet uit de ziekenkas. Het bestaat trouwens al sedert lang in Wijk in de Céramique. 7318. V. Dat alle employés uit het ziekenfonds gaan ? A. Ja, maar bij ons heb ik hot nooit gehoord. 7219 V. Wordt u ook betaald per 14 dagen ? A. Ja. |
7220. V. Ziet gij daarin kwaad voor den toestand van het huisgezin van den werkman ? A. Ja. Eerstens zou de vrouw, indien zij des Donderdags of Woensdags het loon kon ontvangen, ter markt gaan en cenige centen uitwinnen en daardoor hart krijgen voor het huishouden, terwijl er nu genoeg huishoudens zijn, die met de verdiensten nauwelijks kunnen-rondkomen. Tweedens geeft de uitbetaling per 14 dagen aanleiding tot poffen en op crediet koopcn. Anders zouden de werklieden de winkeliers maar voor acht dagen kunnen bedriegen, terwijl zij het nu 14 dagen kunnen. Het was beter dat elke week werd uitbetaald. 7221. V. Is het ook zoo op de Céramique ? A. Ook per 14 dagen. 7222. V. üebeurt het m Luik ook? A. Ik ben daar op een atelier geweest, waar wij voor de groote magazijnen werkten en per week betaald werden. Ik weet dus niet hoe het op de fabrieken is, 7223. V. Ziet gij er voor de winkeliers en gezinnen een kwaden kant aan ? A Natuurlijk. 72236!s, V. Zoudt gij niet denken, dat de winkeliers dien kwaden kant in rekening brengen bij de vaststelling van de prijzen ? Zouden de prijzen niet een beetje hooger moeten gezet worden om foed te maken wat zij lijden door kleineoed te maken wat zij lijden door kleine ankroetjes ? A. Ja, want dan moeten de goeden het met de kwaden misgelden, dat begrijpt zich gemakkelijk. 7224. V. Bemerkt gij in de fabriek wel eens iets van het heffen van boeten ? A. Er worden geen andere boeten geheven dan voor het te laat komen of van de kleine kinderen, die moeten gestraft worden. 7225. V. Hoe doen de getrouwde vrouwen met de kleine kinderen, brengen zij die mede op do fabriek, of moeten die op de eene of andere wijze worden uitbesteed ? A. Die worden uitbesteed, de eene vrouw brengt ze bij haar moeder, de andere bij de buren, en dan geven zij daar eenige guldens voor. Soms hebben die menschen wel drie of vier kinderen, en daar gaat dikwijls de helft van de |
15C
|
-verdiensten mede weg, soms gaat het geheele voordeel er mede heen. TÃG. V. Daar is een groote sterfte onder die kleine kinderen, of merkt gij â daar niets van ? A. Dat kan ik u zoo niet zeggen. 7228. De heer Vau Alplieu ; Ik wensch terug tc komen op uwe verwijdering uit de ziekenkas, toen gij met uw café begonnen zijt. Had men u niet op eene andere wijze kunnen straffen, door, bij voorbeeld, uw salaris te verminderen ? A. Dat zouden zjj niet durven. Ik neem er eene nering bij om beter door de wereld te komen, men moest mij dat tot eene eer rekenen en het mooi vinden dat ik vooruit wil. 7232. üe heer Ruys van Beeren-broek : Vlak bij de zaal waar gij werkt, .zijn de mouffles, waar het goed datge-â sohilderd is, gebakken wordt ? A. Ja. 7233. V. Gij hebt dus wel eens gezien op welke wijze dat toegaat? A. Ja. 7234. A. Wilt gij dat dan eens me-dedeelen ? A. Het goed wordt door jongens en meisjes ingepakt. Die worden betaald per 1000 stuks, en verdienen misschien 5 a 6 gulden per 14 dagen. 7235. V. En dan wordt het goed door jongens in de ovens gebracht? A. Ja. 7236. V. En ook uitgehaald en door meisjes uitgepakt ? A. Ja. 7237. V. Hoelang moeten die ovens â branden? Hoelang zit het goed er in? A Ja, dat hangt er van af, 14, 15,16 uren; ook wel 17 uren als het tegen-elaat. 7238. V. Maar als het goed uit de ovens gehaald wordt, zijn deze dan zeer warm, of gaat dat nog al ? A. Soms zijn zij zeer warm, zoodat do jongens do waren met een dweil om de handen moeten aanpakken. 7239. V. Toch niet zoo warm als de biscuit-ovens, waar het goed eerst inkomt? Dat is veel warmer, niet waar? A. Ja, of het warmer is! Maar dat uithalen gebeurt door jongens van 14, 15 jaar, en die kunnen minder tegen de hitte dan volwassen menschen. |
7240. V. Gij hebt een café in de buurt van de fabriek. Daar komen natuurlijk werklieden, maar gij schenkt alleen bier, geen jenever, niet waar? A. Juist. 7241. V. Maar gij komt nog al met de werklieden in aanraking, wat drinkt het volk? Drinkt het nog al jenever? A. Och, dat zal wel zijn als overal; er zijn er die liever jenever, anderen die liever bier drinken. 7242. V. Maar als de menschen naar het werk gaan om 7 uren, zijn dan de koffiehuizen en herbergen open ? A. Enkel die slijterijen, waar men voor 6 cents een bakske kan krijgen. 7243. V. En gaat men daar dan wel heen? A. Ja, enkelen. 7244. V. Gij werkt in de fabriek, en komt dus noodzakelijkerwijs in contact met alle mogeljjke werklieden, maar wordt er veel gedronken ? A. Och, het kan niet lijden, er zijn menschen die 9ü cents, f l,f 1,10 daags hebben, met een huishouden, dus daar schiet niet veel over. Maar er zijn uitzonderingen, menschen die niets om hun huishouden geven, maar die maken een exceptie, die mag men niet rekenen. 7245 V. Gij woont in een buurt waar danshuizen zijn. Op welken leeftijd gaat het fabrieksvolk daar naar toe? A. Er zijn er die er reeds op hun 14de, 15de jaar naar toe loopen. 7246. V. En dan komt er waarschijnlijk niet veel goeds van hen terecht? A. Neen, dat is zeker. 7247. V. Hoort gij wel eens iets van do begrafenisfondsen ? A. Wanneer de menschen het geld krijgen, wordt het besteed voor do begrafenis, en er blijft niets van over. 7248. V. In uwe afdeeling zijn ook getrouwde vrouwen en meisjes van 12 jaren en ouder. Zijn zij gaarne in die afdeeling ? A. Er zijn er die tot werken gedwongen zijn ; maar er zijn ook enkele getrouwde vrouwen die, om bevrijd van den last der kinderen te zijn en niet aan de waschkuip te behoeven te staan, liever in onze afdeeling komen werken, want dan kunnen zij den ganschen dag zitten. 7249. V. Dus er zijn getrouwde vrou- |
157
|
wen, die liever in de fabriek komen werken dan hun huishouden te doen. Wat doen zij dan met de kinderen? A. Die besteden zij uit. Maar, zooals ik zeide, het zijn uitzonderingen ; want het grootste getal gaat niet voor liefhebberij naar de fabriek. |
7250. JJe Voorzitter ; Hebt gij ons-nog iets mede te deelen ? A. Neen, Mijnheer de Voorzitter! 7251. V. Dan is uw verhoor afgeloo-pen. .1. Roukens. |
ZITTING VAN ZATERDAG 22 JANUARI 1887.
Tegenwoordig de heeren;
|
Verniers van der Loeff, Voorzitter. Goeman Borgesius, Onder-Voorzitter. Beei.aerts van Blokland. Bahlmann. Rcys van Bfereniiroek. Verhoor van den heer dr. W. P. Ruyscli. 7252. De Voorzitter: Wilt gij ons uw naam, voornamen, betrekking, ouderdom en woonplaats opgeven ? A. Wilhelmus Pieter Ruysch, referendaris bij het Departement van Bin-nenlandsehe Zaken, oud 39 jaren, wonende te 's Gravenhage. 7253. V. Voordat gij uwe tegenwoordige betrekking aanvaarddet, waart gij adjunct-inspecteur van het geneeskundig Staatstoezicht te Maastricht, niet waar ? Gij zijt dat geweest tot October 1884. Wanneer hadt gij dio betrekking aanvaard ? A. In October 1879. 7254. V. Dus gij zijt vijf jaren in Limburg adjunct-inspecteur geweest? A. Ja. 7255. V. Gij hebt, gelijk ik met zekerheid meen te weten, in die vijf jaren verscheidene der industrieele inrichtingen, die te Maastricht bestaan, uit een hygiënisch oogpunt met zorg bezocht. Daarvan is menigmaal uit geschriften, door u uitgegeven, gebleken, en zijn ook de sporen te vinden in de officieele verslagen, van Regeeringswege in dien tnd te dezer zake openbaar gemaakt. Wij hebben ondersteld, dat, juist met het oog op de door u gemaakte ervaringen, er misschien aanleiding voor u zou zijn om het een of ander aan de Commissie mede te deelen, in verband |
Heldt. Smit. Van Alphen. Van der Sleyden. J. D. Veegens, Griffier. natuurlijk met den engen kring van-vragen, die op den weg van haar onderzoek liggen. Wilt gij soms, alvorens wij enkele van de speciale fabrieken gaan bespreken, die gij meer bijzonder bezocht hebt, in het algemeen ons het een of ander over de industrieele toestanden, natuurlijk met het oog op deze enquête me-dedeelen ? Wilt gij ook iets mededeelen over den hygiènischen toestand van de arbeidende bevolking te Maastricht en in Limburg? Is die gunstig of ongunstig? A. De totale indruk, dien ik van den gezondheidstoestand ontvangen heb, is, met uitzondering van enkele groote fabrieken, eerder gunstig dan ongunstig. 725(3. V. Gij maakt terstond eene be-| langrijke reserve, door te zeggen «met uitzondering van enkele fabriekenquot;. Ik onderstel dat gij bedoelt eenige groote fabrieken te Maastricht? A. Ja, en ook twee groote fabrieken te Bloyberg en te Altenburg, die op do grens tusschen het Nederlandsch en bet Belgisch grondgebied liggen, waar vele Nederlandsche arbeiders werken. Ook kunnen daaronder gerekend worden enkele kleinere fabrieken, waar evenwel slechts weinig personen werken. 7257. V. Welke zijn de groote fabrieken te Maastricht, waarop gij, bij het maken uwer reserve, het oog hadt?' |
158
|
A. Inzonderheid de fabrieken van aardewerk en glas. 7258. V. En misschien ook in een bepaald opzicht do papierfabrieken'' A. Ja, in zoover dat, wanneer niet alle noodige maatregelen van voorzorg tegen besmettelijke ziekten genomen worden, die fabrieken een bron kunnen worden van nadeel voor de bevolking en zij daarom in do eerste plaats in aanmerking verdienen te komen bij do beoordeeling door de geneeskundige ambtenaren, of hetgeen daarbinnen geschiedt nadeelig kan zijn voor de omgeving en dus ook voor de openbare gezondheid. Overigens verkeerden de lieden, die in de papierfabrieken arbeidden over hot algemeen in gunstigen gezondheidstoestand. 7259. V. Uwe laatste mededeeling geldt, om de zaak bij haar naam te noemen, do gevallen van pokziekten ? A. Ja, en in het algemeen alle besmettelijke ziekten die door bacteriën worden overgebracht. 7'2G0. V. Over het algemeen hobt gij slechts aangename herinneringen omtrent de wijze, waarop gij in de fabrieken in Limburg in uwe betrekking -werdt toegelaten? A. Voortdurend genoot ik de meest aangename ontvangst. 7261. V Vorderde men ooit van u dat gij een der preservatieve maatregelen zoudt nemen, waartoe art. 5 dei-wet op het geneeskundig Staatstoezicht den eigenaren van fabrieken het recht geeft ? A. Neen. 7262. \ . En hebt gij in het algemeen reden tot voldoening en tevredenheid aangaande de wijze waarop uwe opmerkingen en adviezen, na gezet onderzoek met kennis van zaken gegeven, werden ontvangen ? A. Ja; wat betreft de ventilatie, den afvoer van vuilnis, de inrichting der latrines, de zorg voor drinkwater, werden natuurlijk uit een technisch oogpunt verschillende opmerkingen gemaakt, en in vele opzichten is daaraan gevolg gegeven. Soms, als het niet anders mogelijk was, met groote kosten; in andere gevallen was er reeds gevolg gegeven aan het advies van mijne voorgangers, of wel elders een advies ingewonnen. |
7263. V. Het spreekt vanzelf, dat bij het opvolgen van die adviezen billijkerwijze rekening moet gehouden worden met de eischen, die uit den aard der zaak de nijverheid van haren kant mag stellen, opdat haar het leven niet ondragelijk worde gemaakt, en zij niet gedwongen worde tot uitgaven, welke het rendement niet dragen kan. Dit daargelaten, zijt gij in het algemeen niet onvoldaan over den goeden wil der fabrikanten om zooveel doenljjk uwe raadgevingen op te volgen ? A. Te minder, omdat ik er geweest ben in eenen voor de nijverheid zeer nadeeligen tijd, zoodat zelfs eene papierfabriek te Houtum gesloten werd omdat niet in alle opzichten voldaan werd aan de eischen, die gesteld werd bij de op richting. 7264. V. Hebt gij ook bespeurd dat, wanneer aan de werklieden iets werd voorgeschreven of aan de hand gedaan, dat dienstig kan wezen om ze te beveiligen tegen ziekte, besmetting of schade, of zij dan gezind waren zich daarnaar te voegen, dan wel of zij eene zekere mate van onverschilligheid of roekeloosheid toonden ? A. In het algemeen was de indruk gunstig, maar dit neemt niet weg dat in sommige omstandigheden, waar het lastig werkte, en vooral a la lonyue, zooals het dragen van contra-respira-teurs, herhaaldelijk van de zijde dei-fabrikanten en ook van de doctoren geklaagd werd, dat wat voorgeschreven was toch niet werd nageleefd. Onder andere heeft do heer Regout mij verteld bij het bezoeken van zijne fabriek, dat onder de mengers door verscheidene die contra-respirateurs op zijde werden gelegd. 7265 V. Gelooft gij dat de contra-respirateur, dien gij zelf waarschijnlijk wel eens beproefd zult hebben om te zien hoe hij ia in het gevoel, dien tegenzin bij den werkman ondervindt uit een soort van aangeboren traagheid of sleur ? Men zou zeggen bij de wetenschap, die bij de arbeiders toch wel levendig zal wezen, dat zij met gevaarlijke din- fen omgaan, dat, wanneer er hetzij vanen omgaan, dat, wanneer er hetzij van e zijde der patroons, hetzij van andere welwillende zijden, dingen aan de hand |
159
|
worden gedaan om het lot van den werkman te verzachten, de menschen die zaken greti met beide handen zouden aannemen ?g A. Het is onbetwistbaar waar, dat het loopen met zulk een contra-respi-rateur zeer onaangenaam is, zoodat velen er de voorkeur aan geven om de gewone lucht in te ademen. 72C6. V. De gewone lucht ? De lucht van een aardewerkfabriek, en dit is toch geene frissche berglucht ? A. Dat ben ik volkomen mot u eens, maar de voordeelen, die de hygiëne aanbiedt, worden niet altijd door de arbeiders op den waren prijs gesteld. Bovendien is ook bij hen de zucht tot navolging groot, zoodat wanneer de een het werktuig wegwerpt, de andere hem spoedig volgt. 7267. V. Ik zal eene andere zaak noemen, die niet iets is dat a la longue lastig is. Zooals gij licht begrijpen zult, is het kleed dat de arbeider aan heeft, met name op de borst, zwaar bezet met stof. Nu werd ons medegedeeld dat meermalen aan de menschen op het hart wordt gedrukt om, bii het einde van don arbeid, niet het stof af te kloppen, terwijl zij de kleêren nog aan het lijf hebben, maar dat liever te doen in de open lucht, doch dat zij van hun verkeerde gewoonte niet zijn af te brengen en maar op hun kleeren kloppen en slaan, met het effect, dat de stof juist opstijgt tegen den mond en dus opzettelijk in meerdere mate dan volstrekt noodzakelijk is doordringt tot de ademhalingsorganen. Hebt gij in die richting wel iets opgemerkt? A. Neen, dat niet; maar daar waar hun gelegenheid gegeven wordt om gevaren te ontgaan, wordt er in het algemeen wel gebruik gemaakt. Onder anderen heeft de heer Regout de verzekering afgelegd dat, sedert den raad die afgegeven is om niet meer te schaften in het gebouw van de glazuurderij, waar loodpraeparaten worden gebruikt, de zindelijkheid is toegenomen en in ieder opzicht verbetering is waar te nemen, ook wat betreft den algemeenen gezondheidstoestand. |
Een tweede voorbeeld daarvan is de papierfabriek, waar zoowel op mijn advies en dat mijner voorgangers, als waarschijnlijk door den directeur propria motti, maatregelen zijn genomen om besmetting van pokziekte te voorkomen zooals daar zijn het verwisselen van de kleederen, het wasschen van de handen, in het algemeen reinigingsmiddelen. 7-208. V Wat ge daar zegt is bemoedigend, maar ik wil tot verklaring van de vraag, die ik stelde, mededeelen, dat het feit, waarop ik wees, als mijne memorie mij niet bedriegt, ons juist is medegedeeld door den heer Louis Regout, die uit eigen ervaring klaagde over de moeite, waarmede men te kampen heeft wanneer men de menschen ten goede wil zijn en beschermen. A. Ik wil alleen doen opmerken, dat dit veel afhangt van den aard der voorzorgen ; zijn zij van dien aard. dat ?.ij gemakkelijk kunnen worden nageleefd, zoodat de directeur zooveel mogelijk zelf er voor zorgen kan, dan zal hot wel gaan, maar niet, als er eenige moeilijkheden aan de voorzorgen verbonden zijn. 7269. V. Hebt gij gedurende de jaren, dat gjj in Maastricht waart en de fabrieken bezocht, ook afmattenden of be-denkelijken arbeid waargenomen van aankomende jongens en meisjes ? Ga daaromtrent eens even uwe herinnering na. A. In de fabrieken van Limburg heb ik dit niet bespeurd, maar daar is een ander punt waarop ik uwe aandacht wel wenschte te vestigen, dat is het werken van de Limburgsche kinderen in de steenbakkerijen op de Duitsche grens. 7270. V. Maar op Uollandsch gebied ? A. Hollandsche kinderen 7271. V. Ja maar, op Hollandsch gebied ? A. Neen. 7272. V. Dus daar hebben wij niets te zeggen. Wij willen echter gaarne hooren wat u daarover te zeggen hebt. A. Ik meen mij te herinneren dat mjj, toen ik de gemeente Bom bezocht, omdat daar een geval van pokken voorkwam, door verschillende ingezetenen sub rosa werd medegedeeld, dat er zwermen van kinderen op jeugdiger leeftijd dan de wet toelaat, werden ver- |
160
|
voerd naar de Duitscho grenzen, om daar in de steenbakkerijen werkzaam te zijn. Ik herhaal, dat ik de zaak niet heb kunnen onderzoeken, maar de me-dedeeling is mij van verschillende zijden toegekomen, en ik heb daarom gemeend er uwe aandacht op te moeten vestigen. Verder werd mij nog medegedeeld, dat de behandeling, die deze kinderen op de Duitsche grens ondergingen, niet te best was. 7273. V. Maar op ons eigen Neder-landsch gebied heeft u in Limburg dus geen kwaad van dien aard, wat betreft aankomende jongens en meisjes, althans niet in belangrijke mate, waargenomen. A. Neen. 7l274. V. En u heeft waarschijnlijk de overtuiging dat redelijkerwijze gezegd mag worden, dat de wet van 1874 op den kinderarbeid in Limburg behoorlijk wordt nageleefd ? A. Voor zoover ik kan oordeelen, is er geen reden om het tegendeel te onderstellen. 7275. V. Hebt gij in Limburg ook opgemerkt dat er van meisjes van 18, 20 jaren en van getrouwde vrouwen arbeid fevergd werd, waarvan gij begreept dat et uit een hygiënisch oogpunt beter ware dat zulke arbeid niet door haar werd verricht ?evergd werd, waarvan gij begreept dat et uit een hygiënisch oogpunt beter ware dat zulke arbeid niet door haar werd verricht ? A. Het is mij niet opgevallen, dat in het bijzonder de vrouwen en meisjes in de fabrieken werkende, van dien arbeid nadeelige gevolgen voor hare gezondheid ondervonden. 7276. V. Ook niet uit een moreel oog- Eunt ? Ik weet wel dat gij niet in Lim-urg zijt geweest om te moraliseeren, maar lettende en met goeden wil lettende, zooals gij gedaan hebt, op de hygiënische zijde van het probleem, kon het ook zijn dat u iets van den anderen kant opgevallen was?unt ? Ik weet wel dat gij niet in Lim-urg zijt geweest om te moraliseeren, maar lettende en met goeden wil lettende, zooals gij gedaan hebt, op de hygiënische zijde van het probleem, kon het ook zijn dat u iets van den anderen kant opgevallen was? A. Er zijn mij klachten van dien aard ter ooren gekomen, maar zelf heb ik geen geval waargenomen. 7277. V. Gij hebt dus geen toestanden gezien, die'u uit dat oogpunt troffen ?. A. Als hygiënist trof het mij, dat gehuwde vrouwen met groote huisgezinnen in die fabrieken werkzaam zijn Ter wille van hare gezondheid en van die harer kinderen zou het wenschelijk geweest zijn, dat zij niet in de fabriek hadden gewerkt, maar thuis op de zaken hadden gelet. |
7278 V. Gij hebt nooit het ledigen der ovens in de fabriek van de firma Regout gezien ? A. Bij het ledigen ben ik niet geweest. Ik heb alle inrichtingen gezien, maar de ovens waren op dat oogenblik gesloten. 7279. V. Dus daaromtrent hadt gij geene gelegenheid om iets te zien ? A. Ik heb de fabriek eens nauwkeurig onderzocht en toen waren de ovens gesloten. Bij informatie werd mij gezegd, dat zij werden afgekoeld. 7280. V. Gij hadt dus geene gelegenheid om met eigen oogen waar te nemen. De vraag hield strikt verband met mijne voorafgaande omtrent de moraliteit. Maar hoe is nu in het algemeen uw indruk over den toestand en de locale gesteldheid van de fabrieksgebouwen in Maastricht ? Wellicht zal het u aangenamer zijn afzonderlijk de fabrieken op te geven, waaromtrent gij in staat zijt ons eenige mededeelingen te doen. Anders heeft de vraag een wel wat te algemeen karakter. A. Wat betreft de groote fabriek van de firma Regout, waar omstreeks 3000 menschen werkzaam zijn, zelfs daaromtrent is het moeilijk een generaal oordeel uit te spreken, üe best geventileerde en grootste lokalen toch kunnen in dit geval schadelijker zijn voor de personen die er in werken, dan in dat opzicht minder goede vertrekken. Onder anderen de groote zaal, waar de randen worden gevormd en het vaatwerk gedroogd, heeft elke arbeider, als ik miji niet bedrieg, 20 kubiek meter lucht. Dat is meer dan men, niet alleen bier in de-verblijfplaateen onzer landskinderen, maar zelfs in de hygiënisch ingerichte kazernes in het buitenland aantreft. Dit neemt echter niet weg, dat ten gevolge van den aard van het werk, de lucht zoodanig wordt bezwangerd met scherpe stoffen, dat het verblijf er gevaarlijker wordt dan in minder ruime, zooals oijv. de glassnijderij. Dus wanneer men die localiteiten beschouwt, zijn er verschillende factoren, onder anderen de vierkante oppervlakte, de kubieke inhoud, de ventilatie, de; |
161
|
verwarming, de besproeiing ; eerst nis men die factoren behandeld heeft, zou het mogelijk zijn over eene zaal to oordeelen. Men begrijpt dus, dat het zeer moeilijk is een oordeel uit te spreken over alle in het algemeen. Doch in het algemeen heeft zich de overtuiging gevestigd, dat moeite noch kosten zijn gespaard om den toestand te verbeteren ; en wanneer ik de vroegere verslagen naga en mijne eigene ondervinding raadpleeg, kom ik tot do overtuiging dat de toestand gunstiger is dan die voorheen was. De glasblazerij, glassnijderij en glas-slijperjj werden achtereenvolgens bezocht, en daarna de localiteiten, waar de grondstoffen worden vermengd en bewerkt. In de glasblazerij loopt een dakruiter over de gehoele lengte van het gebouw, en aan ééne zijde vindt men daar jaloeziën, die een groot gedeelte van den muur uitmaken, zoodat voortdurend eene krachtige ventilatie wordt opgewekt, die bovendien ondersteund wordt door gaten nabij den vloer. De arbeiders, die daar werken, zijn licht gekleed. en naar mij verzekerd werd, gewennen zij zich langzamerhand aan de warmte die uitstraalt van den oven, midden in de zaal staande. Wat betreft den gezondheidstoestand van het personeel, dat daar werkt, mij werd door den heer Regout verzekerd, dat die over het algemeen gunstig was. Ik heb onder anderen geïnformeerd of gevallen van emphyseem, bronchitis en pneumonie voorkwamen, maar het antwoord was dat die zeer weinig waren. De totaal-indruk, dien ik van het personeel, dat daar werkte, verkreeg, was gunstiger dan in de andere afdeelingen, waarop ik zoo aanstonds terugkom. Mij werd medegedeeld dat het personeel wel last had van rheumatische aandoeningen, dat mij zeer begrijpelijk voorkwam, omdat de ventilatie, al is die zeer gunstig in het belang van voort-durenden aanvoer van versche lucht, zoo krachtig kan zijn dat zij tocht veroorzaakt. üok werd niet ontkend, dat enkele gevallen van acute longontsteking voorkwamen, niet te verwarren met tuberculose en chronische aandoening der luchtwegen, en dan ook niet toe te schrijven aan de behandeling van het glas, maar het gevolg van het vatten van koude door dien luchtstroom van verschillende zijden. |
De glasslijperij is eene serie van lange zalen, van boven mot tuimelramen. Volgens imjne ook door geneeskundigen bevestigde inlichtingen, was de toestand der arbeiders ook in die afdeeling gunstig. In de afdeeling glasslijperij geschiedt, naar ik meen, de ventilatie mede door tuimelramen, terwijl do glasschijven voortdurend vochtig gehouden worden. In het algemeen is althans daaromtrent aan die beide factoren der hygiène voldaan. Dit neemt evenwel niet weg, dat ziekten en overlijden daar talrijk voorkomen. Hier beroep ik mij op het oordeel van verschillende geneeskundigen en op de inlichtingen, door mij vóór mijn bezoek aan de fabriek ingewonnen. Over de oorzaken van die ziekten liepen de meeningen zeer uiteen. De heer Regout schrijft dien invloed grootendeels toe aan de minder solide levenswijze van den werkman, aangezien deze veel geld verdient. De geneeskundigen meenen den hoofdfactor in twee andere omstandigheden te moeten zoeken: lo. in het inademen der parlicules, die door het slijpen in de lucht zweven ; 2o. in het voortdurend voorover gebogen zitten en het werken met de riemen. Te dien opzichte zegt ook Hirt, in zijn Hygièno van den arbeid, dat, wanneer die factoren te za-men komen, dit de ongelukkigste verhouding is. Ik zou hierbij nog een vierden factor willen voegen, die te veel uit het oog verloren wordt, namelijk de quaestie van besmetting. Het is nu een vrij algemeen aangenomen regel dat tuberculose zich kan overdragen door middel van bacillen, zooals dr. Koch ontdekt heeft. En nu heeft zich aan mij de vraag voorgedaan, of in een lokaal, dat al niet te groot is, maar langs den gewonen weg wordt geventileerd door tuimelramen, waar vele arbeiders te za-men zijn en oone enorme massa scherpe stofdeeltjes in de lucht zweven, niet eene groote praedispositie bestaat voor besmetting. Voor besmetting is noodig eene wondeplaats (en die prae-disponee- |
1G2
|
rende omstandigheid vinden wij veel in de fabrieken) en voorts een de ziektekiem dragend organisme. Daarom zou het van belang zijn, dat tot dien arbeid alleen kinderen, wier ouders niet aan tuberculose gestorven zijn en die tevens uitstekend gezonde longen hebben, werden toegelaten. Daartoe zou eeno keuring noodig zijn van alle kinderen vóór hunne toelating op de fabriek. 7281. V. Van die keuring, die misschien aan uw advies to danken is, schijnt inderdaad iets gekomen. Maar is het u ook bekend of, wanneer er een arbeider afgekeurd werd voor de aardewerk-afdeeling, die dan in een andere afdeeling van de fabriek gebruikt werd ? A. Dat feit is mij niet bekend. 7282. V. Gij hebt dus die keuring aangeraden: maar in de jaren die gij in Maastricht hebt doorgebracht, was zij feitelijk nog niet ingevoerd? A. Zoo ver mij bekend is niet. Wat verder betreft de stokers, deze zijn aan een hooge temperatuur blootgesteld; maar te dien opzichte is mij verzekerd dat de ovens, voordat het goed er uitgehaald wordt, afgekoeld werden. 7283. V. Dat is zeker een punt, dat gij uit de tweede of derde hand hebt? Wij kunnen dus dat punt laten rusten. Want daaromtrent hebben de heeren Regout en anderen ons voldoende mede-deelingen gedaan. Ga dus liever voort met uwe andere mededeelingen. A. Bij de mengers heeft men, zooals ik reeds mededeelde, het gebruik van contra-respirateurs ingevoerd. Het aardewerk. De lokalen waar dit wordt bewerkt, zijn zeer ruim en groot; als mijne opgaven juist zijn, hebben die 1000 kubieke meter inhoud en werken op iedere zaal 50 menschen. De werktafels der vormers worden door oen venster verlicht, en de arbeid geschiedt daar machinaal. Van boven in het lokaal zijn openslaande vensters om te venti-leeren, en de vloeren worden vochtig gehouden, om het opstuiven van stofdeeltjes die nedervallen te voorkomen. In elke zaal zijn twee exhausters die 50 000 K.Q. lucht per uur in elke zaal brengen. |
Ook viel mij op, dat in die zaal de drijfriemen omkast waren, evenals de andere werktuigen, die door hunne beweging de verstuiving bevorderen. De indruk, die men niettegenstaande die verschillende voorzorgen, krachtige ventilatie, besproeiing en omkasting van de werktuigen, kreeg, was toch ongunstig, want reeds met het oog was het zichtbaar, dat do lucht bezwangerd was met verschillende stofdeelen. Bij ons kortstondig bezoek hebben wij niet waargenomen, dat de lucht prikkelend of hinderend op onze ademhalingsorganen werkte, maar het voorkomen van verschillende personen, die ik daar aan den arbeid zag, en de mededeelingen van de doctoren die mij vergezelden, en van den heer Regout zelf, hebben mij geleid tot de overtuiging, dat de sterfte of althans de ziekte aan tering veel slachtoffers onder die arbeiders telde. Ik heb naar aanleiding van dien op de Vereeni-ging ter bevordering van de volksgezondheid de vraug ter sprake gebracht: in hoever of het wenschelijk was om bij het opmaken van de geneeskundige sta ⢠tistiek, den invloed na te gaan van de beroepen, en bij de sterfte de beroepen en de onderafdeelingen aan te geven van het werk, dat door den overledene aan de fabriek werd uitgeoefend. De Ver-eeniging tot bevordering der volksgezondheid heeft zich met dat denkbeeld vereenigd. Ik heb eergisteren aan een van de personen, die de zaak het warmst had ondersteund, gevraagd, hoevermen er nu mede was, maar tot mijn spijt heb ik het bericht ontvangen, dat de zaak gedurende de laatste jaren minder aan de orde was geweest, zoodat zij, hoewel men zich wel voorstelde om er mettertijd toe te komen, nog niet verder gevorderd was. Ik zou aan die gegevens echter groote beteekenis hechten, en ik meen dat het niet onmogelijk is om ze te verkrijgen door middel van het gemeentebestuur, dat, meen ik, aanteeke-ning laat houden van do beroepen, die de aangegeven overledenen uitoefenden. 7284. V. Heeft de heer Regout u zijn sterftestaten niet laten zien ? A. Ik heb hem er wel over gesproken, en gevraagd of hij ook staten had van de sterfte en de zieken, benevens de dagen die verzuimd werden wegens ziekte. Wat hij precies antwoordde, zou ik niet meer kunnen zeggen, maar ik |
|
heb er den indruk van gtkregen, dat dit naar zijne meening geen zaak was, die de openbare gezondheid regardeerde. 7285. V. Met andere woorden, het bestaan van sterftestaten bij de firma liegout, dat wij mogen aannemen als een feit, is voor u niet twijfelachtig, maar op beleefde wijze is u de inzage onthouden ? A. ik heb er geen inzage van gehad. 7286. V. Wilt u thans doorgaan met uw mededeelingen ? A Verder viel mijn aandacht op de glazuurders, omdat dienaangaande door mijn vervanger, Verspijck, was opgemerkt, dat er verschijnselen van lood-vergiftiging waren waargenomen. Het kwam mij echter voor dat maatregelen genomen werden, die voldoende konden geacht worden. Het schaften in de fabriek zelf was verboden. Er heerscht een groote reinheid, en de verplichting om zich te wasschen, alvorens de lokalen te verlaten, werd, naar mij verzekerd werd, stipt nagekomen. 7287. V. Door wien werd u dit verzekerd ? A. Door den heer Regout Gij begrijpt dat men zich in dergelijke soort van zaken moeilijk precies herinneren kan wat 4 jaren geleden voorgevallen is, maar dat was de indruk, dien ik gekregen heb. Verder heb ik geïnformeerd naar de behoefte van het drinkwater. Daarin werd voorzien door kraanpompen, die ter beschikking van de werklieden werden gelaten ; terwijl in de heete dagen het water met Van der Veen's bitter-extract werd vermengd. Ook heb ik geïnformeerd naar de ziekenfondsen. Mij werd medegedeeld dat daarin voorzien werd door uier ziekenfondsen, die gedeeltelijk in stand gehouden werden door de werklieden en gedeeltelijk door de patroons, met 3 geneesheeren en 3 apothekers. Bij ziekte wordt, volgens dezelfde mededeeling, den werklieden 60 pet. van hun loon uitgekeerd, en bij overlijden krijgen de erfgenamen eene voldoende som voor de begrafenis. |
7288. V. Dit zijn echter mededeelingen van do heeren Regout zelve, niet waar ? Maar feiten omtrent die regel matige en voorloopige uitkeerlngen van onderstand, zooals uit het door u zoo even opgegevene begrepen zou worden, hebt gij uit een onderzoek bij de werklieden niet kunnen constateeren ? Wellicht lag het niet op uwen weg ? A. In dat opzicht zouden de heeren Marcx en Pyls u beter inlichtingen kunnen geven. 7289. V. Daaraan twijfel ik niet. Maar. u, dien wij het genoegen hebben thans voor ons te zien, weet daaromtrent geene verklaring te geven ? A. Neen. 7290. V. Mag ik u dan in verband met hetgeen gjj hebt medegedeeld en ook in verband met het onderwerp dezer enquête vragen, of u als deskundige den indruk niet hebt gekregen, dat vooral het komen van jonge kinderen âaltijd boven de 12 jaar â hetzij in de afdee-ling aaidewerk, hetzij in de glassljjperij. een zeer bedenkelijken staat heeft voor de gezondheid? A. Jonge kinderen zijn ontvankelijker, de weefsels zijn teerder en dientengevolge is het gevaar grooter. Wat do sterfte betreft, is in bewerking genomen een overzicht van de geheele kindersterfte, dat waarschijnlijk, als de Minister zich daarmede kan vereenigen, in den loop van dit jaar u bereiken zal, en waaruit u dan den invloed van den fabrieksarbeid der moeders op de kindersterfte beneden het jaar zal blijken, ook wat Maastricht betreft. Gjj weet dat Maastricht, hoewel het om zjjn gunstige ligging een laag sterftecijfer zou moeten hebben, zoowat het midden houdt tusschen de 12 groote steden, en dat vooral de kindersterfte er zeer groot is De laatste was te Maastricht gedurende het tjjdvak 1875 â 1880 21,83 percent van de geborenen en gedurende het tijdvak 1880â1885 21 percent. Nu vond ik het niet onbelangrijk denzelfden staat mede te deelen voor geheel Nederland. Hij wijst aan : in hot tijdperk van 1875 â 80 19,81, in dat van 1880 â 85 18,88 ; en voor Limburg 15,86 in het eerste en 18,74 in het tweede tijdperk. Daaruit blijkt dus, dat de kindersterfte te Maastricht belangrijk hooger is dan de totale sterfte in Limburg op dien leeftijd en in geheel Nederland. Daarentegen is die sterfte nog belang- |
164
|
rijk hooger te Eindhoven, Waalwijk, Gouda en Vlaardingen. Terwijl zij te Maastricht, in het tijdvak 1875â1880 was '21,83 percent van de geborenen, was zij te Eindhoven 30, te Waalwijk 31, te Gouda 33 en te Vlaardingen 3^ percent. 7291. V. Ik wil nog even terugkomen op het punt, waarover ik u eene vraag stelde, toen gij deze cijfers gingt medc-deelen. Mijne vraag gold niet de sterfte van kinderen beneden het jaar â dat uit een ander aspect interessant kan zijn âmaaiden schadelijken invloed, dien het werken op de fabriek, en met name op deze fabriek, door jongens en meisjes van 12 â 14 jaren heeft op den gezondheids toestand en den levensduur. Met andere, woorden, meent gij niet, op grond van uwe ervaring en waarneming, dat het gevaarlijke werk, waarvan hier sprake is, oneindig beter te doorstaan is door arbeiders, die bijv. eerst op 15 of 1G jaren, ja misschien op nog hooger leeftijd, voor het eerst het werk beginnen, dan door kinderen die slechts even boven de grens van de wet van 1874 zijn? A. .la, 7292. V. Hebt gij opzichtens dit punt nog eenige cijfers mede te deelen? A. Van belang kan het zijn de sterfte na te gaan in het tijdperk, onmiddelijk voorafgaande aan de invoering van de wet van 1874, en in het tijdperk, onmiddelijk daarop volgende. Maar die opgaven loopen over vijf jaren, en een tijdvak van vijf jaren vind ik wel wat kort om daarop een oordeel te bazecren. 7293. V. Ik wil u uitlegging geven van de eigenljjke strekking van mijne vraag. Ik begin met te zeggen, dat ik het hoegenaamd niet bevreemdend zou vinden indien uw antwoord was ontkennend of als gij daarop het antwoord moest schuldig blijven. Mijne vraag komt hierop neder â is het al dan niet een feconstateerd feit, dat kinderen die op 2-, 13-, l ijarigen leeftijd aan dat gevaarlijk werk gezet worden,dit aanmerkelijk korter uithouden dan jongens met wie dat eerst op 1b-, 18 , 20jarigen leeftijd gebeurt 1econstateerd feit, dat kinderen die op 2-, 13-, l ijarigen leeftijd aan dat gevaarlijk werk gezet worden,dit aanmerkelijk korter uithouden dan jongens met wie dat eerst op 1b-, 18 , 20jarigen leeftijd gebeurt 1 |
A. Ja, daarop grondt zich mijn advies aan Gedeputeerde Staten van Limburg, waarbij wordt voorgesteld kinderen van 12 a 16 jaren niet toe te laten in met I name genoemde fabrieken ; tevens grondt zich daarop het voorstel om, wanneer zij in andere fabrieken worden toegelaten. dit nooit te doen wanneer niet behoorlijk aan de eischen der hygiéno is voldaan. 7294.V. Nu zijn wij op het punt, waarop ik komen wilde. Kn gij hebt dus juist te dier zake een advies aan Gedeputeerde Staten van Limburg uitgebracht in den tijd toen gij daar in betrekking waart ? Heeft uwe ondervinding u geener-lei aanleiding gegeven om op de toen door ii uitgedrukte zienswijze terug te komen, en zijt gij nog zeer stellig van meening dat, met het oog op de gevaren en schadelijke invloeden waarvan wij thans spreken, het zeer wonschelijk zou wezen dat de wet van 1874 eene verandering onderging in de richting, door u eenige jaren geleden in uw uitgebracht advies aangegeven ? A. Dat is mijne innige overtuiging. 7295, V. En moet voor de kinderen op den leeftijd van 12â1à jaar ook niet in het algemeen paal en perk gesteld worden aan den duur van den arbeid, of moet het aantal arbeidsuren per dag even ongelimiteerd gelaten worden, zooals het op het oogenblik is ? A. Daarin is wijziging wenschelijk. 7290 V. Hebt gij ook eenige gevestigde zienswijze op dit punt, die â ik zeg niet terstond in de redactie van een wetsontwerp behoeft geformuleerd te worden â maar in het algemeen hier bij deze enquête kan aangegeven worden ? Zijt gij in staat ons die mede te deelen ? A. Ik meen te dien opzichte te kunnen verwijzen naar het rapport dat ik genoemd heb, 7297, V, Daar wij dat rapport niet bezitten, zouden wij gaarne nu althans den zakelijken inhoud daarvan van u vernemen Kan daaraan door u worden voldaan ? A, Dat rapport komt in hoofdzaak op het volgende neder : «Onraadzaam is de toelating van kinderen van 12â16 jaren tot het verrichten van arbeid in fabrieken, waar, hetzij door behandeling van stoffen, waarvan de bewerking tot vergiftiging aanleiding kan geven, hetzjj door ontwikkeling van schadelijke dampen of verstuiving van |
165
|
prikkelende stofdeeltjes, hetzjj door groot gevaar voor verwonding, ontploffing of brandgevaar, do gezondheid of liet loven van de in de fabrieken vertoevende personen kan worden bedreigd, en wel in zoo gevaarlijke mate kan worden bedreigd, dat de tussohenkomat van den Staat, tot bewaking van het leven en de gezondheid der minderjarige arbei-' ders en arbeidsters, tegenover het ouderlijk gezag alleszins gerechtvaardigd is Als zoodanig komen in aanmerking : lo Die fabrieken waarin stotfen bereid of verwerkt worden, waarvan de bereiding of verwerking tot vergiftiging der arbeiders aanleiding kan geven, als : «Zink- en loodsmelterjjen, benevens het arbeiden in zink en loodmijnen, loodwitfabrieken. looiipletterijen, letter-zetterijen, chemicaliën-fabrieken. fabrieken van verfstollen, vooral van lood- en arsenikhoudende verfstoffen. «Fabrieken en ateliers, waarin vergiftigde verfstoff en, worden gebezigd, als in: «Sommige tapijtfabrieken; sommige behangselpapier- en gekleurd papierfabrieken ; sommige katoendrukkerijen; sommige wol-, laken-, garen- enz. verwe-rijen ; sommige fabrieken, waar kunstbloemen en wit glacé handschoenen worden bereid; sommige fabrieken, waaruit groen en bruin gekleurd papier, lampenkappen, gordijnen enz. vervaardigd worden; sommige ateliers, waar porselein wordt beschilderd en die beschildering met vergif houdende verf-atoft'en geschiedt. «2o. Die fabrieken, welke voor de gezondheid schadelijke dampen ontwikkelen. zooals: «Lood-, koper en zinksmelterijen en gieterijen, zinkwitfabrieken; fabrieken en ateliers waar kwikzilver verwerkt wordt, als : spiegelfabriek, thermometer-fabrieken enz.; vertinnerjjen en verzin-kerijen; phosphor- en lucifersfabrieken ; goudsmelterijen en muntsmelterijen ; fabrieken, waar voorwerpen in het vuur worden verguld of verzilverd. |
»3quot;. Die welke voor de gezondheid schadelijke stoffen ontwikkelen, welke stof, hetzjj als draagster der kiemen van besmettelijke ziekten, hetzij door mecha-nischen prikkel ziekte kan wekken, zooals lompenmagazijnen en lompensorteer-derijen en papierfabrieken, ophaling en verwerking van meststoffen enz.; inrichtingen. waarin vuile wol. paardenhaar, bedveeren enz. behandeld worden; inrichtingen tot ontsmetting van besmette kleedingstukken, beddegoed enz.; aardewerk- en porseleinfabrieken; glas-, : kristal-, diamant- en motaalslijporijen; steenhouwerijen; marmerslijperijen en -zagerijen ; kalk- en beenderovens ; cementfabrieken : vilten hoedenfabrieken; bombazijnfabrieken , wolspinnerijen en weverijen ; tabakskerverijen. »4quot;. Die, waarin de arbeid groot gevaar oplevert voor verwonding, verbranding, ontploffing, verstikking als anderszins ; het schoonhouden, smeeren enz. van in beweging zijnde werktuigen in fabrieken ; kruit-, vuurwerk-, dynamiet-en panclastiet-fabrieken; petroleum-ma-gazijnen ; slachterijen en vilderijen ; glasblazerijen ; het stoken van gloeiovens; arbeid in de mjjnen ; arbeid in do latrine-putten of andere kleine ruimten, die lang gesloten zijn geweest en tot onderzoeking waarvan somtijds kleine jongens worden gebruikt. «Nog valt hierbij op te merken: » 1quot;. Dat in eenige lokalen der genoemde fabrieken arbeid verricht wordt, die, als niet schadelijk voor de gezondheid, aan kinderen kan overgelaten worden. «Dit ia echter uitzondering en kan niet anders dan voor elk geval in het bijzonder worden toegestaan. «'iquot;. Dat vooral ook met het oog op den kinderarbeid het noodzakelijk geacht moet worden dat alle fabriekslo-kalen zooveel mogelijk hygiënisch worden ingericht, daar onder anderen door eene goede ventilatie veel kwaad voorkomen kon worden. «Vaststelling van eenige zeer alge-meene en hoogst noodzakelijke regelen aangaande de inrichting der werkzalen wordt daarom hoogst wenschelijk geacht. 3o. Dat voldoende zorg besteed moet worden aan de geneeskundige verzorging der arbeiders. Zoo zoude : na. geen kind tot den arbeid in eenige fabriek toegelaten mogen worden, tenzij uit een geneeskundig onderzoek is ge-bloken dat dit kind gezond is: h. zoude de fabriekant verplicht moeten worden behoorlijk geneeskundig toezicht op de kinderen, in zijne fabriek |
106
|
werkzaam, te doen uitoefenen, door een «arts'', die van zijne bevindingen jaarlijks aan Gedeputeerde Staten en aan het Geneeskundig Staatstoezicht bericht toezendt ; »c. zou aan Gedeputeerde Staten het recht moeten toegekend worden, om, wanneer aan dit college in bijzondere gevallen blijkt dat schade toegebracht wordt aan de gezondheid der kinderen, in fabrieken werkzaam, de toelating van kinderen tot die fabrieken te verbieden. «Verder behooren in geen geval kinderen langer dan 8 uur per dag in de fabriek te arbeiden, en moet die arbeid driemaal daags, eens door eene rust van minstens 1 uur en tweemaal door een rust van '4 uur worden afgebroken, 's Winters moet de arbeid niet vóór 7 uren en 's zomers niet vóór 6 uren aanvangen.quot; 7298. V. En drukt dat rapport thans nog uwe meening uit: A. In het algemeen ja. Moest ik het echter nu overleggen, dan zou ik hoogstwaarschijnlijk daarin nog enkele wijzigingen en aanvullingen aanbrengen. 7299. V. Zekerheidshalve moet ik u nog eene vraag doen. Gij heb straks gesproken van inrichtingen, ten doel hebbende geldelijke ondersteuning van de werklieden in geval van ziekte, bij ongelukken en op den ouden dag, en ik meen van u verstaan te hebben, dat gij daaromtrent â waarvan u zeker geen grief te maken is â uit eigen waarneming geen mededeelingen kondet doen, omdat het eenige, wat gij er van wist, u door den heer Regout was gezegd ? A. Ik meet u doen opmerken, dat ik met opzet vermeden heb om daarop bij de heeren Hegout te diep in te gaan, omdat ik begreep dat het schade zou kunnen doen aan hetgeen ik bovenal wel wensohte te weten. 7300. V. En wat gij recht had te vragen ? A. Ja. 7301. V. Hebt gij tijdens uw verblijf in Maastricht ook opgemerkt, dat de zorg voor de ouden van dagen voor het frootste gedeelte overgelaten wordt aan e zorgen van het armbestuur.rootste gedeelte overgelaten wordt aan e zorgen van het armbestuur. A. Het is mij meermalen verzekerd. 7302. De heer Rnys van Beeren-broek: Gij hebt de fabriek der firma |
P. Regout eens geheel en al bezocht, en dat is geweest in ? A. 1883. 7303 V. Gij hebt zoo even gezegd, dat gij in de glassljjpersafdeeling geconstateerd hebt hoe moeilijk en gevaarlijk dat werk is voor de gezondheid, omdat hij in de eerste plaats zat in dat met bedorven lucht bezwangerd lokaal, maar ook omdat hij eene zeer vermoeiende beweging had te maken met een riem ? A. Ja. 7804. V. Dat was waarschijnlijk om het drijf wiel in beweging te brengen en te houden. Dat hebt u destijds daar nog gezien ? A. Ik meen van ja. 7300. V. Ik zal u zeggen, waarom ik u deze vraag doe : op het oogenblik bestaat dat bezwaar niet meer, en ontvangt de glasslijper van de stoommachine de machinale kracht, zoodat het bezwaar van die afmattende bewegingen niet meer geldt. Maar in 1883 hebt gij dus den vroe-geren toestand nog gezien? A. Heel zeker weet ik het niet; het kan zijn dat het niet meer zoo was, of dat ik het elders heb gezien. 7306 V. In de glassljjpers afdeeling hebt gij de ventilatie vermeld door tuimelramen, maar hebt gij ook een exhauster opgemerkt? üf bestond die toen nog niet ? Men heeft ze wel in de aardewerk* afdeeling. A. Ik denk het wel, maar herinner het mij niet. 7307. V. Dat zou een voorzorgsmaatregel zijn in het belang van het werkvolk? A. Ja, ik ben een van de eersten geweest om te zeggen, dat de heer Regout deed wat hij kon, maar dat de groote-fout in het procédé zelf ligt. 7308. V. Daarom is het denkbaar dat wat er toen niet was, er nu wel is. A. Ik wil alleen dit nog opmerken, dat toen er sprake was van die beweging met den riem, ik niet zoozeer eene voorstelling heb willen geven van den toestand op het oogenblik, maar eene algemeene beschouwing van dien arbeid. De heer Regout heeft trouwens zelf gezegd, dat dit vooroverzitten schadelijk was. 7309. V. Gij hebt zoo even gezegd. |
167
|
dat in de aardewcrk-afdeeling. waarde potten gevormd worden, machinale kracht ter beschikking van den werkman is gesteld. Die machines zijn omkast. Gij hebt daar niet gezien dat de werkman zelf de schijf in beweging moet brengen ? A. Neen, dat heb ik niet gezien. Ook herinner ik mij dat in do glasslijperij ook stoombeweegkracht was. 7310. V. Hebt gij de fabriek bij dag of bij avond bezocht ? Uit maakt natuurlijk een groot verschil, vooral voor zalen waarin met gas gewerkt wordt. Zoo wordt bijvoorbeeld in do afdeeling, waar het decor-schilderen gebeurt, nog al terpentijngas ontwikkeld. Door middel van een exhauster wordt de lucht daar zooveel mogelijk gezuiverd, maar dat neemt niet weg dat bij avond het verbranden van die terpentijngassen een onaangename lucht geeft. A. Ik heb de fabriek op een voor-en namiddag bezocht. 7311. V. In den winter of in den zomer 1 Dat maakt ook verschil. A. In den overgang van zomer op herfst. Na herinner ik mij ook, dat voorheen over de terpetijndampen werd geklaagd, üp mijne vraag, welke de nadeelige gevolgen waren, werd mij geantwoord : slechte spijsvertering. Maar juiste opgaven kon ik niet krijgen. Het lokaal maakte op mij den indruk van ruim en luchtig te zijn. 7312. V. Worden door de aardvormers en glasslijpcrs ook respiratoren gebruiktquot;? A. Waarschijnlijk wel. 7313. V. Gjj herinnert het u echter niet? A. Noen, de opmerking is in het algemeen gemaakt. 7314. V. Dezelfde fabriek heeft ook eene kleine afdeeling, waar het loodwit voor de glazuur en de menie voor het mengen bij het glasblazen worden bereid. Hebt gij die afdeeling gezien 7 A. Ik ben er zeker wel geweest, doch ik herinner mij geene bijzonderheden. 7315. V. Gij hebt zooeven zeer belangrijke mededeelingen gedaan omtrent het sterftecijfer van kinderen, en verklaard dat dit sterftecijfer, vooral wat kinderen beneden het jaar betreft, een grooter factor vormt van het geheele sterftecijfer van Maastricht. Wanneer ik nu den leeftijd uitbreid van 1 â 5 jaren, is dan het sterftecijfer nog bijzonder groot? |
A. Dit zou nagegaan moeten worden; overigens kwam de leeftijd van 1â14 jaren mij belangrijker voor. Van 100 personen, overleden in 1870â1874, Beneden 14 jaar. Boven lijaar. Maastricht 52,28 47,42 liet Rijk 49,64 v 50,36 7316. quot;V. Om dan nog eens stil te staan bij het sterftecijfer beneden het jaar. Hebt gij misschien wel eens van dokters, die armenpraktijk uitoefenen, en dus meer bepaald met de arbeiders in aanraking komen, vernomen, waaraan zij dit verschijnsel toeschrijven ? Schrijven zij het misschien grootendeels toe aan de behandeling? A. Ook aan de voeding en de huisvesting, aan de mindere zorg die de moeders, op fabrieken werkzaam, aan de kinderen kunnen wijden, maar hoofdzakelijk aan de voeding. 7317. V. Omdat zij, wanneer zij naaide fabriek gaan, hare kinderen moeten toevertrouwen aan de zorg van anderen, en die zorg, in verband met de voeding, soms te wenschcn overlaat ? A. Het leven van een jong kind is een teere plant, die geen vreemde behoorlijk verzorgen kan. 7318. V. Hebt gij zelf ooit waargenomen hoe die kinderen verzorgd worden? A. Ja, ik ben meermalen in de huizen van fabrieksarbeiders geweest, wanneer er besmettelijke ziekten heerschten, on ik kan niet zeggen dat, als do moeders zelf do kinderen verzorgden, die verzorging niet goed was; maar bij hare afwezigheid laat dat te wenschen over. Daarin wordt echter voorzien door de talrijke kinderbewaarplaatsen. 7319. V. Bestaan die te Maastricht? A. Ja, althans bewaarscholen. 7320. V. Het is een bekend feit, dat die talrijk zijn, maar die kinderen komen daar eerst op 3 of 4 jaren. Ik had hei oog op kinderen beneden het jaar. A. Daaromtrent zouden de doctoren der armenpraktijk meer bepaalde inlich-ting'kunnen geven. 7321. V. Het zou kunnen aanleiding geven tot misverstand als niet gereleveerd werd het woord, dat gij gebruiktet, van talrijke bewaarplaatsen voor jonge kinderen. Ik zou er meer onder verstaan crèches, maar van dien aard bestaat niets te Maastricht, niet waar? |
108
|
A. Noen, zij bestaan er niet. Ik vind dat zeer jammer. 7321 V. ]k geloof ook dat het beter zou zijn als de kinderen daar werden bewaard, omdat indien de moeders naaide fabriek gaan werken en hare zeer jeugdige kinderen aan vreemde handen toevertrouwen, uit den aard der zaak zoo goed niet voor die jeugdige schepsels kan gezorgd worden als in crèches liet geval is. Maar van het bestaan van crèches in de fabrieken is u niets bekend? A. Ik heb meermalen de bevoogde autoriteiten op de wenschelijkheid van crèches gewezen. 73-23. De Voorzitter; Hebt gij in eenige fabriek te Maastricht eene crèche aangetroffen ? A. Neon. 7324. V. Hebt gij, zonder dat wij al te wijdloopig worden, soms nog bepaalde mededeelingen te doen over de Céramiyue? Was uit een hygiènisch oogpunt naar uw beste weten de toestand van den werkman in de Céramique identiek dezelfde als in de fabrieken van de heeren Regout? A. De Céramique heb ik niet bezocht, omdat ze een jaar voor mijne komst door mijn voorganger en ook vóór dien tijd door den vorigen voorganger was bezocht, en beide zoowel in officieele rapporten als in mondelinge mededeelingen aan mij zeer gunstig omtrent die fabriek hebben gerapporteerd. 73-25. V. Door de mededeelingen, die gij bij het ambtelijk overleg met uwe ambtsvoorgangers te dier zake hebt gehouden, hebt gij voor u zeiven de zekerheid verkregen, dat de toestand in die fabriek van dien aard was, dat hij eene vernieuwde inspectie overbodig maakte ? A. .la. 7326. V. Maar gij zijt dientengevolge nu niet in staat vergelijkende beschouwingen aan te voeren? A. Neen. 7327. V. Do papierfabriek van den heer Lhoest ten aanzien van besmetting, voornamelijk wat pokziekte betreft door de behandeling der lompen, hebben wij reeds besproken. Gaven de verder nog wel door u bezochte fabrieken aanleiding tot eenige mededeelingen ter zake van deze enquête ? Hebt gij daar iets bespeurd van bovenmatigen arbeid door aankomende jongens en meisjes en jeugdige vrouwen ? |
A. Ue indruk, dien ik daaromtrent bij mjjn bezoek ontving, was gunstig, terwijl ook mijne beide ambtsvoorgangers en twee pi-aktiseorende geneeshee-ren dienzelfden indruk hebben ontvangen. Ik heb grond tot de veronderstelling, dat de sterfte onder de arbeiders daar niet zeer groot is. 7328. V. Zijn er nog andere fabrieken te Maastricht, die eene bijzondere bespreking verdienen, bijv. de dekenfa-briek van den heer Jules Regout, de geweerfabriek van den heer Beaumont, de sigarenfabriek van den heer Philips ? A. De andere fabrieken die ik bezocht en u genoemd heb, alsmede de kunst-boterfabriek, de stijfselfabriek, de drukkerijen en slachterijen, hebben tot geene opmerkingen aanleiding gegeven. De cement fabriek te Vaals heeft tot dezelfde opmerking geleid als die van de firma Regout, wat de quaestie der con-tra-respiratoren betreft. 7329. V. Van nachtwerk in die fabrieken in Limburg of van Zondags-werk, anders dan in dringende omstandigheden of om voortdurend vuren aan te houden, is wel geene sprake ? A. Voor zoover ik weet niet. 7330. V. Hebt gij ook in gi-oote mate nadeelige gevolgen opgemerkt van hot misbruik van sterken drank of andere alcohol houdende dranken in Maastricht of Limburg? A. Er werd nog al eens geklaagd over ectasiën van de maag tengevolge van het gebruik van veel bier en slecht verteerbaar brood, maar misbruik van jenever wordt er niet gemaakt. 7331. V. Hebt gjj nog het een en ander naar aanleidipg van de u toegezonden Schets aan ons mede te deelen? A. Ik heb nog eenige details aange-teekend, maar zij bepalen zich meer tot de verschillende papierfabrieken te Meerssen, Mechelen, Houtem, Roermond en Maasniel. In sommige daarvan laten over 't algemeen de plaatsen, waar de lompen gesorteerd worden, nog al veel te wenschen over, en eveneens de verzorging van de zieken. Er zijn verscheidene fabrieken, waarbij |
1C9
|
daarin nog volstrekt niet voorzien is. 733-2. De heer Buys van Beereh-broek ; Gij liebt genoemd do papierfabrieken te IJouten, Mochelen on Meers-sen. Om alle misverstand te voorkomen, wensoh ik te constateeren dat de fabrieken te Houten en te Mechelen thans niet meor bestaan. A. Juist. Omtrent de zinkfabriek, die ik bezocht, en waar de ventilatie te wenschen overliet, kan ik medodeelen dat de ventilatie verbeterd is. Dokter Heynen uit Visé verzekerde mij, dat de klachten over de zinkwitfabrieken waarschijnlijk wel wat overdreven zjjn. Uit de zieken, die hij behandelde, bleek althans dat van nadeeligen invloed van do zinkwit-atoffen weinig to bespeuren was. 7333. De Voorzitter: Aan het einde van dit verhoor blijft mij over u te danken voor de inlichtingen, die gij, ook buiten dit verhoor, op zeer welwillende wijze aan de Commissie verstrekt hebt. Dr. Royscii. Verhoor van den heer E. Reg'Ollt. 7334. De Voorzitter: Mag ik uwe voornamen, naam, beroep, woonplaats en ouderdom weten? A. Eugène Regout, 56 jaar, industrieel, wonende te villa VVijckerveld bij Maastricht. 7335. V. Met de hecren Pierre en Louis Regout, zijt gjj medechef van de firma Pierre Regout amp; Co. te Maastricht ? A. Ja, wij zijn ieder directeur. 7336. V. Maai' de arbeid in uw grooto fabriek wordt onder a verdeeld ? A. Ja. 7337. V. Behalve de aanrakingspunten die in zulk eene zaak noodwendig zijn, hebt gij zeker uw eigen departement? A. Ja. Tot mijne afdeeling behoort de constructie, de mechaniek, de bouwkunde in het algemeen en de behoeften die daaruit voortvloeien. Ik heb ook onder mij de employés en do werklieden. 7338. V. Maar onmiddellijk toezicht op het werkvolk zelf en de fabricage oefent gij niet uit ? |
A. Neen, ik heb aan mijne afdeeling 5 a 600 man. De geheele fabriek tel 3200 man. 7339. V. De personen, die gij daarop het oog hebt bjj het noemen van dat cijfer, zijn bijna allen volwassen mannen, niet waar? A. Ja, bijna allen. 7340. V. Met aankomende jongens en meisjes hebt gij niet te maken? A Ik heb nog enkele courveegsters, oen ploeg van 10 ïi 12 vrouwen; andere vrouwen heb ik niet in dienst, 7341. V. Wij moeten ons dus bepalen tot het tweede punt van de enquête, de gesteldheid van de lokalen in verband met gezondheid en veiligheid. Komen er onder uw werklieden weinig of veel accidenten voor? A. Zeer weinig in verhouding tot het groote getal werklieden; er zijn jaren geweest, dat slechts een of twee van do werklieden de vingers, de handen of iets anders door eigen onvoorzichtigheid bezeerden; bijna altijd door onbedachtzaamheid; zij zijn er nooit toe verplicht en er is zelfs een streng verbod om iets aan te raken wat in beweging is, en waar zelfs maar het minste gevaar is. Het vorige jaar is iemand den molen gaan smeeren, terwijl hij in beweging was; zijn hand is daardoor geheel verpletterd en afgezet moeten worden. Hij heeft nu een stomp van een arm en veegt de cour. 7342. V. Zijn or bijzondere maatregelen in uwe fabriek genomen om do bewegende doelen van do machines te beschermen, te bedekken, zoodat buiten en behalve den zodelijken invloed van uw verbod, feitelijk do gelegenheid aan de werklieden ontnomen is om met bewegende deelen in aanraking te komon ? A. Ja, waar de menschen voorbij moeten gaan, maar in de hoogte, waar niemand iets te maken heeft, zou het overbodig zijn en zelfs lastig en slecht. Doch, waar slechts de geringste circulatie bestaat, is or voor gezorgd. 7343. V. En aan die goede maatregelen schrijft gij het toe, dat gij zulke gelukkige resultaten hebt verkregen, en uit een oogpunt van accidenten uwe fabriek een goed cijfer aanwijst? A. Ja, daarbij komt dat weinig meer |
170
gebruik wordt gemaakt van den drank A. In mijn afdeeling niet.
tegen vroeger in mijne afdeeling, door- 7350. V. hebt gij dan niet te doen dat ik daar zeer streng op ben. Indien gehad met zekere machines voor het ik merk dat iemand niet geregeld is in maken van stiften ?
zijne zaken, bedank ik hem voor een of; A. (J bedoeld de eolifichets ; dat is twee dagen, dan heeft hij den tijd om de afdeeling van mijn broeder Louis, na te denken. Laten leegloopen is de 7351. V. Dan mag ik u op dit terrein beste straf: als er boeten vallen,komen geen vragen stellen. Maar indien uwe die altijd ten bate van het ziekenfonds, werklieden door ziekte verhinderd zijn
7344. V. Uie boete steunt intusschen om te werken, wordt dan door de eene niet op een vastgesteld en afgekondigd of andere instelling in hun lot intneer-reglement ? dere of mindere mate voorzien ?
A. Neen, men legt ze eene boete op x\. Er bestaan ziekenfondsen waardoor van 25 of 10 centen, waarvan stipt aan- bij ziekten half geld betaald wordt, teekening wordt gehouden. Mocht dit fonds niet toereikend zijn,
7345. V. Er ligt in mijn vraag niet dan wordt van de loonen één of zelfs de tendenz om te doen meenen dat er twee percent ingehouden. Lij dat fonds, in uwe fabriek misbruik zou bestaan door den werkman gestort, betalen wij op het stuk van boete, maar ik wil nog '/3 bij.
slechts releveeren dat er voor die boe- 1 7352, V. Dat is dus voor het geval ten, met hoeveel omzichtigheid en in van ziekte. Maar nu wanneer de werk-hoe geringe mate zij in uwe fabriek ook man zijn congé krijgt, wat dan ?
worden opgelegd, niet een vastgesteld j A. Wanneer hij bepaald bedankt reglement bestaat? wordt, niets.
A. De boete wordt slechts na goed- 7353. V. Hij krjjgt dus niets, wanneer keuring van een onzer geheven. 1 hij, hetgeen natuurlijk vroeger of later
7346. V. Dus de boeten zijn niet over- i geschieden moet, wegens ouderdom en gelaten aan de willekeur van onderge-: ongeschiktheid zijn congé krijgt ? schikte chefs? A. Wel zeker, dan wordt hem een
A. Neen. 1 lichte post aangeboden of hjj blijft wan-
7347. V. Gij zijt dus zeker dat er in | delen. In het begin krijgt hij dan het dit opzicht door de chefs geen misbruik halve geld, maar na verloop van een kan gemaakt worden, dat zij niet toe- j paar jaar wordt dit wel eens verminderd geven aan den een of anderen nuk, luim tot een derde. Van wegsturen nabewe-of kwaad humeur, waardoor op onbil- zen diensten is echter nooit sprake. Het lijkke wijze aan personen straf wordt op- is bovendien de taak van het pensioen-gelegd ? fonds om te zorgen, dat ook de wedu-
A. In het minst niet. Wij zijn altijd wen en kinderen voor een bepaald aan-te spreken ; de werkman kan zich al- tal jaren nog wat krijgen.
tijd tot ons wenden. 7354. V. Dus gij geeft niet toe, dat
7348. Te spreken ? Maar dit strijdt een goed deel van de zorg voor oude toch wel eenigszins met hetgeen gij zoo- en afgeleefde werklieden op uw fabriek even zeidet, dat gij vooraf van de op te \ ten laste van het armbestuur komt ? leggen boete wordt in kennis gesteld? j A. Neen. Als wij kunnen; zetten wij
A. Dat geldt alleen voor het geval die menschen er in, omdat de heeren dat een werkman met een halven dag 1400 hectaren land hebben en het beter verletten wordt gestraft: dat wordt ons kunnen missen dan anderen. Ten min-niet vooruit gezegd. Maar betreft het : ste als ik van tijd tot tijd er een kan geldboeten, dan geeft men ons eerst inzetten, doe ik het.
kennis. 7355. V. Inzetten, daarmee bedoelt gij:
7349. V. Gij zegt dat er weinig acci- ze brengen tén laste van het armbestuur ? denten in uwe fabriek voorkomen. Ik A. Ja, omdat het de ingezetenen van neem dit gaarne aan. Maar er zijn toch Maastricht zijn waarvoor het fonds en wel enkele onderdeelen van werktuigen de legaten zijn gegeven.
geweest die aanleiding gaven tot nog 7356. V. Daarmede bedoelt gij het al herhaalde accidenten ? ) fonds van het armbestuur.
171
|
A. Ja. 7357. V. Gij gaat dus uit van de stelling, dat er voor de werklieden te Maastricht eenigermate een recht bestaat, om ten laste van het armbestuur te komen ? A. Ja : als men wist dat zij van ons kwamen, moesten zij een brief toonen dat wij het zouden betalen, en toen hebben wij moeten maken dat zij niet wisten dat zij van ons kwamen. 7358. V. Het practische effect is dan het uwerzijds gewenschte effect te hebben, dat zij komen ten laste van het armbestuur ? A. Ja. maar wij geven die menschen wat hun toekomt en dit maakt dat vrouw en kinderen tenminste nog half traktement krijgen. 7359. V. Het is eene opvatting van recht waarover wij niet hebben te oor-deelen De Commissie vraagt alleen. Hebt gij naar aanleiding van de Vraagpunten en de Schets eenige opmerkingen te maken die gij ons wenscht mede te deelen ? A. Ja. 7360. V. Dan willen wij die gaarne hooren. A. Ik geloof dat de heeren die onze fabrieken hebben bezocht, de overtuiging zullen hebben verkregen dat niets is gespaard voor goede, gezonde en luchtige ateliers. Het is voor ons pijnlijk te moeten zeggen dat voor ons kleine Rijk onze productie te groot is. Wij moeten ook voor andere landen werken, maaide omstandigheden van andere landen bederven veel voor onze werklieden. Vraagt men hoe dat kan zijn. dan is het antwoord zeer eenvoudig, Alle die fabrieken vervaardigen wel eens meer dan aan de gewone klanten wordt verkocht. Dit geschiedt omdat de werklieden niet voor eenigen tijd kunnen worden weggezonden. Men fabriceert dus en mayasin, en die overproductie moet coiïte qui conle worden afgezet, zij het soms 20 pet. beneden den prijs. Daardoor heeft men nog meer voordeel dan wanneer het gansche personeel gedetrac-teerd en de gansche fabriek geboule-verseerd wordt. |
Nu komen de vreemdelingen uit Oostenrijk, Pruissen, Belgie en Frankrijk op een gegeven oogenblik met hunne overproductie hier te lande aan de markt, en verkoopen op dezelfde grondslagen als wij. Dan verschijnen de sluwe kooplieden uit Amsterdam en Rotterdam en vragen ons of wij tegen denzelfden prijs als die vreemdelingen kunnen leveren. Dit bederft voor ons zeer de markt in vele zaken; wij hebben geen reelproci-teitsrechten, en onze werklieden worden door dien toestand op vreeselijke wijze gedrukt. Limburg ligt aan Nederland als een oorbel aan een oor; wij zitten in een traliewerk als een dier in de kooi; wij kunnen voor- noch achteruit en vinden overal douanen. Wij staan daar tegenover de strenge Pruissen en de Belgen. Wat heeft de patroon daarmede te maken ? zult gij vragen. Zeer veel. De werkman buiten onze grenzen verkeert in eenen geheel anderen toestand dan wij. Die buitenlandsche patroons zijn vrijer en niet gedrukt als wij door overproductie; zij komen op onze vrije markt en benadeelen ons. Nog iets anders. Limburg is nog al veraf gelegen. Bevonden wij ons in het hart van het land, in Utrecht bijv., dan zouden wij beter bedeeld worden. Het fortuin eener provincie maakt de welgesteldheid, het verteringsvermogen, de beweging, het verkeer van handel en njjverheid uit. In mijne jeugd had het Gouvernement ons noodig, lagen er 4-a 50110 man bij ons in garnizoen, werd 40 000 a 50 000 gulden aan fortificatiën aanbesteed, en werden met al de troepen manoeuvres gehouden, groote sommen verteerd, en bedeelde men ons ook behoorlijk uit de Staatskas. Doch later had Holland ons niet meer noodig; de militairen gingen heen, 18 jaar geleden werden de vestingen geslecht, en sedert zijn er hoogstens '20 huizen bijgebouwd. Waarom dit alles ? ümdat men zoolang gewacht heeft tot halve gemeenten bijna in de omliggende streken bijgebouwd-zijn. Hezoek de gemeenten om ons. Tongeren, Hasselt, Luik, Verviers, Aken, die als een halve maan om ons liggen. Wat hebben die gemeenten geprofiteerd tegenover ons. Het is treurig te zien wat wij zijn achtergebleven in de laatste-halve eeuw. En wat is er nu nog bijgekomen T Alle vermogende personen hebben Maastricht verlaten. De toestand is lang niet hetgeen die geweest is. De werkman is. |
172
|
nog de cenige die wat gold in beweging brengt, want wat hjj verdient wordt door hem uitgegeven. Nu worden wij niet eens gesteund en boven water gehouden, zooals de buitenlanders, die ons zulk eene verschrikkelijke concurrentie aandoen voornamelijk Duitschland. En die heeren vullen zich de zakken uit de Staatskas en geven aan philantrophische en andere zaken, maar bij ons wordt niets gedaan. Wat zal nu deze Commissie uitwerken ? In onze ongelukkige provincie wat, severiteit voor den werkman, zoodat man, vrouw en kinderen niet genoeg kunnen verdienen zooals heden, nu hij zekere vrijheid heeft. Ik recommandeer de heeren goed attent te zijn op hetgeen gezegd wordt omtrent den ongelukkigen toestand van Limburg. Daarenboven zijn hier in deze streken fortuinen, couponknippers, menschen, die geld verteren, waar een elk van geniet: de wereld is een ketting, de een leeft van den ander. Bij ons is dit niet zoo. Die heeren betalen geen belasting aan den Staat, maar wij zijn nooit vergeten bij het opleggen van lasten, want ik betaal 12 tot 18 pot. grondbelasting van de opbrengst van het land. En waar zijn de couponknippers, die daarvan iets betalen ? En dan vraag ik : wat komt van al de Staatsuitgaven aan onze provincie ten foede? ik laat dit aan het oordeel van e heeren over, die dit nog beter weten dan ik.oede? ik laat dit aan het oordeel van e heeren over, die dit nog beter weten dan ik. Als niet door de energie van mijn vader fabrieken in Maastricht waren opgericht, dan zou men eens zien wat een armzalig plaatsje Maastricht zou wezen. 7361. V. Het zijn belangrijke punten, die gij hebt aangeraakt. Niets zou mij persoonlijk aangenamer zijn, dm met u van gedachten to wisselen over hetgeen gij gezegd hebt, en waarover â ik wil het eerlijk bekennen â ik het in meer dan een opzicht niet met u eens ben. Maar ik behoor in acht te nemen, nadat ik natuurlijk de beleefdheid gehad heb u niet in de rede te vallen â wat on-heusch zou zijn tegenover u, die hierheen zijt gekomen -â de grenzen, die uit den aard der zaak getrokken zijn .aan ons recht om de zaken te behandelen. Wij mogen niet gaan buitenden kring van de twee onderwerpen van de enquête; en hetgeen gij hebt uiteengezet, ligt â ik zou bijna zeggen geheel en al â buiten datgene wat wij moeten behandelen. Tot mijn spijt kan ik dus niet ingaan op het door u gesprokene, en moet ik op een punt terugkomen dat binnen de grenzen van onze enquête ligt. |
Gjj hebt u dan, naar ik meen u te hebben hooien verzekeren, vooral laten leiden door den wensch om alles te keeren wat tot severiteit kon aanleiding geven in hel lot van den werkman. Dat werd immers goed verstaan ? Dan wensch ik u, in verband met uwen meer specialen werkkring, het toezicht op constructie en bouw, de vraag te doen of gij ook belast zijt met het houwen der ovens'? A. Voor een deel valt dit onder mijn beheer, maar aangezien het eene speciale zaak is, wordt dit meer overgelaten aan de mannen van het vak. 7362. V. Dus de bouw van de ovens behoort niet tot uw departement 1 A. Die staat wel onder mijne surveillance, het wordt op mijn kantoor behandeld. maar speciale vakmannen doen die zaak uitvoeren. 7363. V. Dus de ovens staan dan toch wèl onder uw superintendence ? A. Ja. 736i. V. Dan zou ik u willen vragen, met het oog op die »severiteitquot; van het lot van den werkman, waarvan gij zoo even spraakt, of de ervaring u niet heeft geleerd dat het voor het lot van den werkman wenschelijk zou zijn het aantal uwer ovens eenigszins uit te breiden ? A. Dat zou natuurlijk geen nadeel doen, maar ik geloof niet, dat er fabrieken zijn, die in verhouding zulk een groot getal ovens hebben. Voor die ovens is veel ruimte en kapitaal noodig. 7365. V. Gij erkent, dat het niet tot nadeel van den werkman strekken zou ? A. Neen. 7366. V. Erkent gij niet, dat de toestand, zooals die op het oogenblik is voor den werkman in de fabriek, in dat opzicht misschien wel wat te wenschen overlaat? A. Dat ontken ik niet. 7367. V. Brengt het beperkt getal |
173
|
van die ovens, ik meen dat gij ei' '22 hebt..... A. Dat is de afdeeling van mijn broeder, daarvan ben ik weinig op de hoogte. 7368. V. Ik vraag ; brengt het beperkt getal van die ovens, in verband met de zeer groote en zeer uitgebreide vraag naar uw fabrikaat, waarin uw fabriek zich gelukkig dan toch in eene zeer ruime mate mag verheugen, brengt dat beperkt getal van die ovens niet mede, dat nu van de menschen gevergd moet worden, dat zij soms onder zeer harde omstandigheden gedwongen worden tot werkzaamheden, die misschien op de grens zijn van bijkans niet uitvoerbaar te zijn? A. Jk zou daaraan twijfelen, maar ik moet ronduit bekennen dat ik in die afdeeling weinig kom. Als het avond is, ben ik blij als ik in mijn afdeeling gedaan heb. 7369. V. U weel dus niet wat daar omgaat ? A. Meestal niet. 737Ã. V. Meestal ? Dus u komt er toch wel een enkele maal ? A. Ja, als ik er doorkom om naar mijn afdeeling te gaan, maar ik heb u straks gezegd, dat ik mij met mijn eigen afdeeling bemoei en weinig met die van anderen. 7371. V. Dus u weet niet, wat daar omgaat ? A. Wel natuurlijk, als ik mijn oogen open heb, moet ik wel zien, maar ik bemoei mjj er niet mee. 7872. V. U kunt dus omtrent hetgeen daar gebeurt geen verklaringen afleg-gen? A. Ik weet niet of het daar koud of warm is..... 7373. V. U raakt het punt aan! Het is er warm ; men zou kunnen zeggen, dat het er overdreven heet is. Is dat niet de waarheid? A. Tegenover andere fabrieken is de onze een van de best gemonteerde, er zijn er waarschijnlijk geen die een zoo groote afwisseling van ovens hebben. 7374. V. Gij zegt dat deze zaak niet onder uw departement behoort; ik meende daar straks bespeurd te hebben dat dit wel het geval was, maar na uwe stellige verklaring, ia dat dus, naar ik wil aannemen eene dwaling van mij geweest. U kunt hierover dus geen mede-deeling doen, wij berusten daarin natuur-Ijjk. Veroorloof mij echter eene vraag; wat kost de constructie van zoo'n oven ? Is dat eene belangrijke aom ? |
A. ik geloof dat het niet alle dezelfde zijn; ik heb er mij ook niet om bekommerd. 7375. V. Mijn vraag aan u juist is toch niet onredeljjk. üij zijt de ingenieur, de man van machines, van bouw, van daarstelling, en mijn vraag aan u, die lange jaren als zoodanig het bewind voert: kunt gij en gros opgeven wat het bouwen van zulk een oven kost? mag toch wel worden gedaan en een antwoord daarop mag wel van u worden verwacht ? A. Ik geef u mijn woord van eerdat ik er nooit eene berekening van gemaakt heb; want wanneer ei een oven moet gemaakt worden, dan vragen wij niet wat hij kost. Ik raam zulk een oven op IWie, drie duizend gulden., 7370. V. Dat is het cijfer, waar het mij om te doen is, en wanneer gij dat straks reeds gegeven hadt, dan hadden wij eenige vragen kunnen vermijden. De constructie van zulk een oven kan dus althans niet buitensporig hooger gesteld worden dan het door u genoemde cjjfer ? A. De juistheid van mijn cijfer kan ik u niet waarborgen. 7377. V. Wij spreken over de kosten, en zonder u te bepalen op eenige hon-derde guldens of wellicht het dubbele der door u genoemde som, hebt gij als kosten opgegeven f 2000 a f 3000. Nu hadt gij nog een ander* bezwaar voor den aanbouw van ovens, namelijk gebrek aan plaats. Zoudt gij dit bezwaar eenigszins willen toelichten ? A. De stad kan geen terrein voor aanbouw missen. 7378. V. Hebt gij aanvrage gedaan om nieuwen grond te verkrijgen tot uitbreiding uwer ovens ? A. Dat zou onnoodig zijn. Hij de fabriek heeft men de Boulevard van do Boschpoort af, zeker een 1000 meter lang, en daarachter de terreinen van het goederenvervoer van den spoorweg. Aan grond is dus niet te denken. 7379. V. Mijne vraag is deze: verklaart gij dat er geen terreinen voor u |
174
|
beschikbaar zijn waarop gij het getal uwer ovens kunt uitbreiden ? A. Ik zou die niet kunnen verkrijgen, al wilde ik ze met goud betalen. 7380. V. Mijne vraag is niet of er juist uitsluitend door de slad gronden zouden kunnen verstrekt worden. Ik heb de vraag in het algemeen gedaan. maar fij zijt mjj het antwoord schuldig geleven. Acht gij uitbreidingij zijt mjj het antwoord schuldig geleven. Acht gij uitbreiding onmogelijk ? Ik ben met de localiteiten van uwe fabrieken niet bekend, niet mogelijk, noch op het terrein van uw fabriek, noch op de adjacentia ? Is het niet mogelijk om niet goeden wil plaatsruimte te vinden ten einde het getal der ovens uit te breiden 7 Ik herhaal nog eens mijn vraag: «Ontkent gij de physieke, materieele mogelijkheid daartoe, ja of neen ?quot; A. Op onze localiteit zeker. Bovendien zijn er reeds twee vergroot en de fondamenten daarvan uitgebroken, hetgeen groote kosten veroorzaakt heeft en niet noodig was. Ook heb ik toevallig in het rapport gezien, hetgeen ik anders niet zou geweten hebben, dat er twee ovens zijn bijgebouwd. 7381. V. Ik zal mijn vraag nog eens doen. Ontkent gij, dat er bruikbare grond, ^an wien en waar dan ook, te verkrijgen zou zijn ? Bedenk u wel; is het u phy-siek onmogelijk, ja of neen? A. Gij ste.t eene vraag, die overdenking en onderzoek vergt. Ik geloof dat alles ter wereld kan, getuige Rotterdam, dat een spoor gebouwd heeft boven de huizen. 738-2. V. Ik zal een andere vraag doen. Heeft verhooging van het getal ovens nooit bij u of in den boezem van het bestuur een punt van overweging uitgemaakt? . A. Zeker. 7S83. V. Maar er is nooit toe overgegaan ? A. Ik sprak nog zoo even van de twee ovens; die bjjgebouwd zijn en van de vernieuwing en vergrooting van twee andere. 7384. V. Gij hebt op het oogenplik 22 ovens ; weet gij hoeveel de Céramique er heeft. Is het u onbekend dat die fabriek er 17 bezit? A. Ja, het is mij onbekend. |
7385. V. Dus gij die u met het technische gedeelte der zaak, de constructie en het outillage van de fabriek bezig houdt, gij verklaart het getal ovens van do Céramique niet te kennen ? A. Op mijn woord van eer niet. 7386. V. Als gjj dat zegt is het uit: maar gij weet toch wel het getal ovens dat gij zelf hebt ? A. Het getal weet ik werkelijk niet, ook op mijn woord van eer ; want de ovens zijn zoodanig eene specialiteit van mijn broeder, dat ik er mjj weinig mede bemoei en mij met de andere branches bezig houd. 7387. V. Dan zal ik u met geen vragen meer er over lastig vallen. 7388. De heer Beelaerts van Blokland : Zou de getuige Uegout ook aan de Commissie willen mededeelen welke waarborgen er in de fabriek tegen brandgevaar zijn genomen ? A. Wij hebben eene waterleiding-inrichting die nog al studie en kosten heeft geëischt. Wij hebben aan alle stoommachines pompen, waardoor zjj uit de waterleiding gealimenteerd worden. Wij hebben een reservoir van 100 kubieke meter die afgesloten kan worden door een soupape, waarop groote drukking kan worden uitgeoefend. Als de machines stilstaan kunnen de brandspuiten met de geheele waterleiding werken. De buizen daarvan hebben 20, IS en 10 centimeter wijdte. 7381). V. Is daar een afzonderlijk personeel aan verbonden ? A. Wij hebben onze waterleiders, brandgasten en machinisten, die er blijven slapen en die geregeld worden afgelost ook op Zon- en andere feestdagen. De chef van dienst trekt aan een grove fluit en na eenige weinige minuten moet alles gereed zijn om water te geven. Dit wordt geregeld alle Zondagen gerepeteerd. 7390. V. Wordt alle Zondagen alarm gemaakt ? A. Ja. 7391. V. Op bepaalde uren ? A. Neen, op onbepaalde tijdstippen. Dit is geheel overgelaten aan de caprice van de employe's. Dit is opzettelijk zoo gedaan omdat ik gezien heb dat zonder geregelde proefnemingen die inrichtingen geen waarde hebben. Ik weet dat de Société Saint Leonard te Luik eene |
175
|
inrichting heeft gemaakt die fr. 30000 heeft gekost, maar volgens de verklaring van de employé s wist niemand waar de sleutels waren en vertelde men dat een kraan niet in drie dagen was open te draaien. Daarom heb ik de overtuiging dat die inrichtingen alleen waarde hebben wanneer ze herhaaldelijk beproefd worden. 7392. V. Heeft de brandwacht eene bepaalde instructie? A. Eene geschrevene instructie. 7393. V. Heeft ieder werkman daarvan een exemplaar ? A. De chefs, 7394. V. Wordt die in een lokaal opgehangen ? A. Bij den nachtportier aan de poort. 7395. V. Niet in het wachtlokaal ? A. Dat is het wachtlokaal. Op 5 plaatsen in de fabriek staan wagens met alle benoodigdheden gereed om fe vertrekken ; één man kan daarmede wegloo-pen en zich zelf helpen. Die exercitie geschiedt des Zondags door een of twee man. 7396. V. Welke zorg draagt men voor de rioleering ? A. Voortdurend heeft doorspoeling door krachtige condensatie-stoommachi-nes plaats, terwijl bovendien een a twee maal 'sjaars een uitzuivering geschiedt. 7397. V. Hoe worden de privaten gereinigd ? A. Door luchtledige pompen, die ik in 1872, zes jaren vóór de stad Maastricht, in toepassing bracht. 7398. V. Kunt gij iets aangaande de ventilatie mededeelen ? A. Die quaestie heb ik nauwkeurig bestudeerd, en gaarne zag ik de ventilatie anders dan thans ingericht ten einde niet van de stoomkracht af te hangen. Ik heb gezocht, de warme lucht die altijd aan de zolderingen heerscht, als hoogere temperatuur te gebruiken, door buizen van dun metaal omwikkeld met houten kokers naar het dak te brengen, en daardoor aan de ateliers die van de slechtste conditie zijn, betere lucht te bezorgen. 7399. V, Zouden er verbeteringen aan te brengen zijn in de zuiverheid van de atmosfeer der lokalen ten dienste van den werkman,, ter verwijdering van de stoffen die daar zweven ? |
A. Dat zou nog te volmaken zijn, maar het zou te voel kosten. De moei-Ijjkheid is het invoeren van versche lucht zonder tocht. Elk gebouw is daartoe niet geschikt. Dit is mij bijv. zeer gelukt in den paardenstal, waar 200 kubiek meter per uur en per paard, zonder tocht, verkregen wordt. 7400. De heer Ruys van Beeren-broek : Zou dat stelsel in den paardenstal toegepast, ook in te voeren zijn in de werklokalen waar gij uw exhausters hebt ? Bijv. in de glasslijperijen, in de lokalen waar de aarde gevormd wordt tot potten enz. 7 A. Dat zou eene afzonderlijke studie vorderen om dat te beantwoorden; er zijn veel kosten mede gemoeid, en het hangt van de localiteit af, elk feit zou op zich zelf beoordeeld moeten worden. 7401. V. De groote nieuwe gebouwen zijn immers van nog geen ouden datum ? A. Neen, de geheele fabriek is bijna vernieuwd sedert 20 a 25 jaar. 7402. V. Toen de exhausters werden aangeschaft, hadt gij toen al die ventilatie in den paardenstal ? A. Die zijn zoo wat te gelijk aangebracht. 7403. V. Gjj hadt toen dus nog geen ondervinding omtrent uw stelsel opgedaan ? A. Nog niet, bovendien was het zeer kostbaar. 7404. V. Als tcchnious van de fabriek houdt gij u met al deze dingen bezig, en hebt gij waarschijnlijk gezien wat in het buitenland op dit terrein gedaan is. Hebt gij nog het een en ander gezien dat in uw fabriek in practijk zou kunnen gebracht worden ? A. Ik heb alle wereldtentoonstellingen, te beginnen met die van 1851 te Londen, bezocht, drie, vier weken lang. Toen ik in Amerika was, heb ik er verscheidene dagen aan gegeven om speciaal die zaken aangaande brand, gas, ventilatie en verwarming na te gaan. Men was daar ver gevorderd in de verwarming door vapeur surchauff'ée en eau sursauffee; ik heb dat alles onderzocht om het op mjjne nieuwe gebouwen in toepassing te brengen. Bij het oprichten van een nieuw gebouw kost zoo iets niets meer, terwijl het in toepassing brengen daarvan op een oud gebouw |
7(3
1
|
aDea zou ten onderste boven werpen. 7405. V. In de glasslijperij hebt gij eene exhauster, zooals wij gezien hebben. Acht gij die in andere lokalen ook niet noodig? A. Neen, de ruimte is daar voldoende voor het aantal werklieden. Bovendien wordt daar bijna alles mot vocht bewerkt. 7406. V. De werklieden ontvangen voor allo werktuigen machinale kracht. Wat vroeger met het pedaal moest geschieden, doet nu de stoommachine. Hoe lang is die nieuwe inrichting in de slijperij aangebracht? A. Sedert 1834. Toen is het eerste stoommachine uit Sóraing gekomen. In de aardewerkafdeeling is het echter veel later geweest. Dat is eerst toegepast in 1873 ongeveer. 7407. V. En wanneer is de fabriek in directe verbinding gebracht met den spoorweg, voor direct vervoer van kolen en materieel? A. Ook ongeveer in 1873, toen de boulevards zijn geslecht. 7408. V. Alle kolen worden dus langs dien verbindingsweg aangevoerd ? A. Neen, dat gebeurt ook per schip, omdat zulks goedkooper is. 7409. V. Is dat nog zoo? A. Ja. 7410. De heer Beelaerts vau Blokland : Gij hebt straks, in verband tot het lot van den werkman, gesproken over de nadeelige voorwaarden waaronder de nijverheid tegenwoordig verkeert. Heeft die minder gunstige toestand reeds tastbare gevolgen gehad voor den werkman ? A. Er wordt gedaan wat gedaan worden kan. Meer machineriën, meer verdeeling van arbeid, alles wordt aan- fewend om aan de concurrentie het oofd te bieden.ewend om aan de concurrentie het oofd te bieden. Als wij gedurende de laatste .jaren feen reizen, studiën en veranderingen addon gemaakt, dan konden wij den boel wel sluiten. Wij moeten beterkoop werken dan het buitenland.een reizen, studiën en veranderingen addon gemaakt, dan konden wij den boel wel sluiten. Wij moeten beterkoop werken dan het buitenland. 7411. De Voorzitter: Ik geloof niet, dat dit het volledige antwoord is op de vraag, die de heer Beelaerts van Blokland deed. De vraag is: hebben er loonsverminderingen plaats gehad in den laatsten tijd? Wat gij daar zooeven mededeeldet zou het feit moeten hoeten te verklaren, maar de vraag is, of het geschied is? |
A. üat zijn weer zaken die minder in mijne afdeelingen voorkomen; mijn broeder Pierre, die Maandag zal komen, kan meer détails geven. 7412. V. Dus gij zp niet op de hoogte van de loonsverminderingen, die op de fabriek plaats hebben ? A. Ik weet wel, dat het aanschatfen van nieuwe machines daarop van invloed is geweest, 7413. V. Assureert gij u zelfquot;? A. Wij zijn bij 25 of 30 maatschappijen te Amsterdam geassureerd. 7414. V. De beer Rnys van Beeren-brock: Een enkel punt wil ik nog aanstippen. Gij hebt in de lange toelichting, die gij gegeven hebt, gezegd, dat de werklieden van uwe fabriek, die in Maastricht wonen, recht hebben op de hulp van het armbestuur, omdat het Maastrichtsche ingezetenen zijn. Maar het is een feit dat op uwe fabriek, misschien ook op andere te Maastricht, lieden van de buitengemeenten komen, die zich te Maastricht vestigen. Later wanneer zij na eenigen tijd armlastig worden, dan komen zij ten laste van het armbestuur. Ik discussieer deze zaak niet, maar constateer alleen het feit en wijs op do gevolgen. A. .la, enkele malen komt dat voor, maar de boeren blijven liever buiten wonen. In 8 van de 10 gevallen vestigen zij zich niet te Maastricht. Maar, Mijne Heeren, ik wensch de aandacht nog op een bijzonder punt te vestigen. Ik zou ton sterkste aanraden dat bepaald werd, dat de kinderen, die in de industrie zullen geplaatst worden, gedurende de eerste twee jaren medisch werden onderzocht, om na te gaan of zij wel voor hun vak geschikt zijn. Nu neemt men de kinderen maar aan als zij de zoon van een werkman zijn, zonder na te gaan of zij misschien niet eene ziekte hebben die hen ongeschikt maakt voor het vak. Men zou de kinderen verder na een jaar werkens nog eens kunnen onderzoeken om te zien of zij geschikt blijven. 7415. V. Geschiedt dit dan nu in uwe fabriek ? A. Ik heb er lang voor gepreekt, en |
177
|
het eindelijk pas klaar gekregen. De werklieden en de opzichters werkten het sterk tegen, zij zeiden ; wat, moeten de kinderen gekeurd worden, dan wil ik ze niet op de fabriek hebben. 741G. V. Dus gij hebt hot niet klaar gekregen ? A. Het is nu begonnen. 7417. V. Ik geloof dat er eene kleine verwarring heerscht. Van vorige getuigen, ook van uw broeders, hebben wij vernomen dat er bij de aanneming aan de fabriek van kinderen een medisch onderzoek plaats heeft; maar gij spraakt van eene herhaling van dat medisch onderzoek van de kinderen die op de fabriek werkten, en daarvan hebben wij niets vernomen. A. Dat laatste bestaat nog niet. 7418. V. Dus dat herhaalde medische onderzoek op de fariek, dat gij zoudt wenschen, is op dit oogenblik nog niet ingevoerd ? A. Neen 7419. De Voorzitter: Ik bedank u voor de gegeven inlichtingen. Eug. Regouï. Verhoor van den heer Vi, II. Beckers. 7420. De Voorzitter: Welke zijn uw voornaam, naam, beroep, ouderdom en woonplaats ? A. Wilhelmus Hubertus Beckers, fa-briekopzichtcr bij de heeren Petrus Re-gout amp; O., 49 jaren oud, wonende te Maastricht. 7421. V. Gij zijt opzichter in de af-deeling van de glasslijperij ? A. Ja. 7422. V. Zijt gij daar reeds lang opzichter ? A. 22 jaren. 7423. V. Zijt gij altijd opzichter geweest ? A. Ja. 7424. V. Zijt gij werkman in dit vak geweest ? A. Neen, ik ben altijd opzichter geweest. 7425 V. Ge zijt dus niet den geheelen dag achtereen op dezelfde plaats, in hetzelfde lokaal of in dezelfde atmosfeer. Uwe betrekking brengt mede heen en weder te loopen ? A. Ik heb op vier étages mijne plich- II. |
ten te vervullen. Het werk dat van de blazerij komt, moet ik aan de slijperij overgeven. 7426. V. Ge zijt dus niet altijd in dezelfde atmosfeer als de gewone werklieden ? A. Neen. 7427. V. De werklieden bij doze af-deeling worden nog al eens spoedig aangetast door tering ? A. Dat ligt aan de levenswijze dei-personen. De hoofd-oorzaak dezer ziekte is riiisbruik van sterken drank. 7428. V. Schrijft gij de tering toe aan misbruik \ari sterken drank ? A. Ja, vooral als dit op jeugdigen leeftijd geschiedt. Zijn zij dan 16^ 17, 18 jaar, dan willen zij den verzuimden tijd inhalen, gaan wat harder werken en worden daardoor soms door die ziekte aangetast. 7429. V. Dat laat zich zeer goed hoo-ren. Maar hebt gij niet opgemerkt, dat ! lieden die op wat ouderen leeftijd voor het eerst in die afdeeling kwamen, jongens van 16â20 jaar, dat die het langer uithouden dan wanneer zij als kinderen van 13 of 14 jaren op de fabriek komen? A. Ik heb bij ondervinding dat een man die op zijn 17do jaar aan de fabriek kwam, toch op 45jarigen leeftijd is overleden. 7430. V. Is 45 jaar zoo wat de tijd? A. Neen 50 a 55 ongeveer, er zijn nog wel 3 zieken waarvan er één bijna 60 is. 7431. Langer dan tot 40 a 50 maken zij het gewoonlijk niet ? A. Dat hangt ook al af van de leefwijze. Er zijn oudere slijpers, maar dezen maken zich aan geen buitensporigheden schuldig. Zij zijn goed voor hun huishouding en doen hun werk goed. 7432. V. Wordt er lang op uwe afdeeling gewerkt? A. Van 's morgens 7â12, en des namiddags van 1 Vaâ6 '4 uren. Behalve den schafttijd van anderhalf uur hebben de werklieden, zoowel des morgens als des middags, nog 10 minuten om hun boterham te eten. 7433. V. Komen er veel jongens op uwe afdeeling? A. Jawel, zoowat 15. 7434. V. En die werken niet langer? A. Noen, Mijnheer. 12 |
178
|
7435. V. Hebt gij ook vrouwenperso-neel op de glasslijperij '? A. .lawel, de vrouwen werken tusschen de mannen in 743(5. V. Aankomende meisjes ookquot;? A. Ja, meisjes van 12 jaren worden gebruikt. 7437. V. Maar haar tijd van werken is niet langer ? A Neen. 7438. V. Dus nachtwerk en overwerk heeft in uwe afdeeling van glasslijperij niet plaats? A. Neen. 7439. V. En Zondagswerk ook niet' A. Neen. 7440. V. Dan is uw verhoor afgeloopen. W. H. Beckers. Verhoor van den heer J. Kobeers. 7441. De Voorzitter: Wilt gij uw naam, voornaam, ouderdom, beroep en woonplaats opgeven ? A. Jacobus Robeers, oud 48 jaar, van beroep glasblazer in de fabriek der beeren P. Regout en Cc. te Maastricht en woonachtig aldaar. 7442. V. Hoe lang zijt gij al bij het vak|? A. 37 jaar. 7443. V. Dus zijt gij reeds heel jong begonnen ? A. H jaar gepasseerd. 7444. V. Zijt gij altijd in hetzelfde vak werkzaam geweest? A. Altijd. 7445. V. Hebt gjj veel tijdgenooten die het ook zoo lang hebben uitgehouden, of zijn allen dood? A. Neen, er zijn er die er langer bij zijn en ouder zijn dan ik 7440. V. Maar velen zijn toch dood? A. Onder de glasblazers niet veel. 7447. V. Bij de aardwerkers is het zeker erger? A. Ja. 7448. De heer Ruys van Beereu-broek: Gij zijt op lljarigen leeftijd in de fabriek gekomen. Kwam men in den regel op dien leeftijd of nog jonger? A. Ja, ook nog jonger. Velen die uit België komen zijn reeds op 9 of 10 jaren begonnen. 7449. V. Waarmede beginnen die jongens ? |
A. Mot iets aan te dragen, zooals nu nog gebeurt. 7450. V. Dus met het vasthouden van de vormen, het afkoelen van de vormen, het aanbrengen van het glas naar de koelovens ? A. Ja, men begint met iets aan te brengen, later wordt men meer tot men de 16 jaren bereikt heeft. 7451. V. Dan wordt men groote gamin? A. Ja. dan is men eerste gamin. Men begint als vierde gamin, wordt dan derde, vervolgens tweede en eindelijk eerste of groot gamin. 7452. V. Uit hoeveel personen bestaat eene ploeg? A. Uit zeven personen, vier gamins en drie werklieden. 7453. V. Wat doen die gamins ? A. De een brengt het pijpje aan, de ander draagt hot geblazen glas naar den koeloven, een derde warmt de massa, en de vierde brengt het glas bij den grooten gamin. 7454 V. Zijt gij glasblazer ? A. Ik ben mester, ik moet de jongens onderwijzen en zorgen dat alles volgons de modellen wordt afgemaakt. 7455. V. Hebt gij al die verschillende rangen doorloopen ? A. Ja. 7456. V. Werkt zulk eene ploear per stuk? A. Ja. 7457. V. Wordt dat volgens vastge-stelden regel over de werklieden verdeeld ? A. Onder ons zeven. 7458. V. Wat kunt gij in 14 dagen verdienen ? A 33, 34, 35 gulden. 7459. V. En een aankomende jongen? A. Bij de intrede 40 cents per dag: later ontvangt hij meer loon als hij derde gamin is geworden. 7460. V. Zijn in de glasblazerij gaandeweg verbeteringen aangebracht ten aanzien van ventilatie als anderszins ? A. Zeer veel : wij hebben thans lucht en ruimte : als het te warm wordt, kunnen wij de ramen openzetten en de lucht laten binnenkomen. Wordt het koud, dan doen wij ze dicht, waartoe wij soms verplicht zijn om het springen van het glas te voorkomen. 7461. V. Gij werkt, als alle andere |
179
|
arbeiders, 10 uren per dag, met tus-schenpoozen. Hoe is dat ingericht met dag- en nachtploegen, want in de glasblazerijen wordt dag en nacht gewerkt ? A. Wij beginnen bijv. des Maandags van 7 uren tot 9 uren daarna 10 minu ten rust; vervolgens wordt gearbeid tot 12 uren. Dan is er een uur rust om te huis het middagmaal te gaan gebruiken. Des zomers, als de hitte wat zeer sterk is, hebben wij daarvoor 1 Vj uur rust. Het werk begint dan om een uur tot vier uur, wanneer er tien minuten rust is om wat te gebruiken. Dan gaan wij voort 6V4 of fi1;^ uur, al naar wij verkiezen. Willen wij een kwartier vroeger uitscheiden, wij kunnen doen gelijk wij willen, en wij doen het dan ook om de jongens te leeren wat gezwinder te werken. 7462. V. Hoe is de nachtdienst? A. Dezelfde, wij beginnen quot;s avonds om negen uur en werken tot den anderen morgen bijna half' zeven. 7463. V. Het personeel is ook hetzelfde niet waar, ook de vier jongens werken mede ? A. Ja 7464. V. Is zulk een nachtwerk niet bezwarend voor de jongens? A. Ja, voor ons zeiven ook. 7465. V. Maar het is onvermijdelijk, omdat de ovens vol glas zitten en het glas moet worden afgewerkt? A. Ja. Het hangt ook veel van de ouders af. Wanneer zij zulk een kind tijdig laten rusten, zijn zij uitgerust, maar als zij de jongens laten loopeu en niet laten uitslapen, dan overvalt hen de slaap 's nachts. 7466. V. Langer dan 12 uur aan één stuk werkt gij niet ? A. Langer niet. 7467. Wordt er overgewerkt? A. Neen nooit. 7468. V. Behalve het Zondagswerken door u genoemd, wordt er op de glasblazerij 's Zondags niet gewerkt ? A. Neen, of het moest zijn voor eenige aparte bestelling met spoed. In zulk een geval wordt het echter fatsoenlijk door de heeren gevraagd, en wordt het personeel daarvoor extra betaald. 7469. V. Wanneer gij als chef van de even werklieden uitvalt, bjjv. wegens ziekte, wat gebeurt dan met de rest ? |
A. Die krijgen dan gemakkelijker werk, dat zij zonder mijne aanwezigheid kunnen afmaken. 7470. De Voorzitter: Als de werklieden van uw afdeeling ziek worden, krijgen zjj dan ondersteuning uit het ziekenfonds ? A. Ja. maar de jongens niet. Zoodra een glasblazer intreedt, wordt hij als lid van het ziekenfonds ingeschreven. 7471. V. üp welken leeftijd genieten de werklieden, ziek wordende, ondersteuning 1 üp hun 21ste jaar ? A. Ja. 7472. V. Ook wanneer zij versleten zijn en niet meer kunnen werken? A. Neen, dan niet. 7473. V. Dan is het dus met hen gedaan ? A. Ja. 7474. V. Zijn de tarieven verminderd? A Ja, sterk. 7475. V. Daar zijn onaangenaamheden over voorgekomen? A. Ja, verleden jaar April. 7476. V. Is die vermindering ingevoerd, nadat het werk af was, of was zij vooruit aangekondigd ? A. Zij was aangekondigd. 7477. V. Maar net volk was toch ontevreden ? A. Ja, ofschoon men vrij was, om het al of niet te doen. 7478. V. Hoeveel verdiendet gij vóór dien tijd? A. f40 per 14 dagen. 7479. V. En nu? A. f 34. 7480. V. Gij zijt dus zelf ook verminderd ? A. Ja. 7481. V. üeen van de heeren u verder iets te vragen hebbende, is uw verhoor ten einde. J. Robeers. Verhoor van den heer J. H. Hofmau. 7482. De Voorzitter: Wilt gij uw voornamen, naam, betrekking, ouderdom en woonplaats opgeven ? A. Johannes Hubertus Hofman, glasslijper in de fabriek van de heeren P. Regout en O., wonende te Maastricht, oud 47 jaar. 7483. V. Hoe lang zijt gij glasslijper 1 |
180
|
I A. Van af het jaar â¢185'2. 7 i84. V. Hebt gij altijd hetzelfde werk gedaan ? A. Ja. 7485. V. Wat verdient gij tegenwoordig ? A. 6 a 7 francs per dag. 7486. V. Hebt gij in vroeger jaren moer of minder verdiend? A. Toen ik jong was minder, maar gt;, nu meer, want ik ben meester. 7487. V. Hebt gjj vroeger nooit meer ' verdiend ? A. Jawel. 7488. Hoeveel? A. Tot 8 francs per dag. 7480. V. Is het loon verleden jaar verminderd? A. Ja. 7490. V. Toen zijn alle loonen verminderd ? A. Ja. 7401. V. Hebt gij nog aankomende jongens bij u werkzaam ? A Ja. 7404. V. Hoe oud zijn die? A. Drie kinderen van mij zeiven. 7405. V. Ook oen meisje? A. Ja, mijn dochter. 7408. V. Hoe oud is zij ? A 23 jaar. 7400. V. Hoe jong is zij bij het vak gekomen ? A. Van haar dertiende jaar af. 7501. V. Hoe oud is de jongen? A. quot;18 jaar. 7502. V. Is die ook op het 13de jaar op de fabriek gekomen? A. Ja. 7503. V. Wat verdient die jongen ? A. Twee francs daags. 7504. En het meisje? A. 1,03 fr., dus ook zoowat 2 francs. 7505. V. Dus gij hebt samen een ordentelijk bestaan ? A. Ja. 7506. V. Maar er zijn er die het minder hebben? A. Ja, dat is naar gelang van de werkzaam heden. 7507. V. Welke arbeid wordt in het algemeen van de aankomende meisjes en jongens gevergd ? Duurt dat lang in uwe afdeeling? |
A. Wij komen 's morgens om 7 uur, krijgen dan om half negen 10 minuten rust om onze boterham te eten, hebben dan schafttijd van '12 tot half twee, hebben dan om 4 uur weer 10 minuten rust en werken dan weder tot half zeven. 7508. V. Overwerk komt niet te pas'/ A. Neen. 7500. V. Nachtwerk ook niet ? A. Neen. 7510. V. En Zondagswerk? A. Evenmin. 7511. V. Is het werk dat gij daar doet â voor u zeiven blijkt het niet gevaarlijk â voor anderen niet gevaarlijk ? A. W anneer men jong op het vak komt dan doet het geen kwaad. 7512. V. Gij zegt toch geen van buiten geleerde les op ? Heeft iemand aan de fabriek- u gezegd, dat u deze of gene vraag zou gedaan worden en u gezegd, wat gij antwoorden moet ? dat gij bij voorbeeld moest zeggen dat uw ambacht niet zoo kwaad is ? A. Neen, Mijnheer. 7513. V. De heeren wisten dat gij naar den Haag gingt; heeft niemand van hen u daarover gesproken ? A. Niemand 7514. V. Hoe komt gij er dan toe te zeggen, dat hoe jonger een kind op die flasslijpenj komt, hoe beter hij tegenlasslijpenj komt, hoe beter hij tegen et werk zou kunnen ? A. Ik had meenen te verstaan dat gij vroegt of het een kwaad ambacht was. 7515. V. Daareven echter hebt gij gezegd : neen! Ik heb toen gevraagd of fij ook merken kondet, dat het kwaadij ook merken kondet, dat het kwaad eed aan kinderen, als zij zeer jong op het werk kwamen. Gjj hebt daarop geantwoord : hoe jonger zij komen des te beter. A. Ik had uwe vraag niet goed verstaan. 7516. V. Dan zal ik mijne vraag nog eens herhalen. Luister nu goed, hoor ! i Hoe oud zijn de kinderen als zjj op het | werk komen ? A. 12 jaar. 7517. V. Hebt gjj wel eens opgemerkt I dat de kinderen ziek worden door dat werk. Gaan zij wel eens hoesten? A Ja zeker. 7518. V. Komt dit nog al eens voor? A. Ja. i 7519. V. Vooral niet bij zeer jonge 1 kinderen ? |
181
|
A. Neen, bij ouderen van 10, 17 jaar. 7520. V. Als zjj dan zeer jong aan het werk zijn gezet? A. Zij komen niet jonger dan 12 jaar. 7521. V. Zij beginnen dus op 17, ISjarigen leeftijd te hoesten. Dat is het verloop ? A. Ja. 7522. V. Krijgen de werklieden in uwe afdeeling uitkeering bij ziekten ? A. .la. 7523. V. Wat gebeurt er als zij te oud w orden om Ce werken; krijgen zij dan van de stad onderstand ? A. Ja, maar dan krijgen zij bij ons ook half geld, wanneer zij ziek zijn. Van tijd tot tijd vragen de vrouwen dan aan de heeren om onder ons een collecte te houden. Dezen zetten dan hun naam bovenaan, met wat zij geven willen, en dan geven wij ook wat. 7524. V. Juist, dan helpt gij elkander. Maar wanneer de menschen oud en afgeleefd zijn, gaan zij dan naar het armbestuur ? A. Ja, Mijnheer. 7525. De heer Ruys van Iteeren-Tiroek: Gij werkt op de glasslijperij, waar onder anderen ook uw dochter werkt. Met hoeveel man zijt gij daar? A. Met 7 man; ik sta aan het hoofd van die ploeg. 7526. V. En zoo is het met alle werk op de fabriek. De werklieden zijn meestal in ploegen afgedeeld, die op stuk werken, en ieder persoon der ploeg weet hoeveel percent hij van het loon ontvangt. Op dit oogenblik wordt alles nat geslepen, niet waar? A. Ja zeker, Mijnheer. 7527. V. Is dat dan vroeger niet ge beurd ? A. Wel neen. Mijnheer, er is altijd nat geslepen, nooit droog. 7528. Vroeger had men niet de machinale kracht, maar er moest gedraaid worden. A. Neen, het werd met den voet in beweging gebracht. 7529. V. Was dat ook zoo in uwe afdeeling ? . A. Vroeger wel. 7530. V. Sinds hoe lang bestaat het niet meer? A. Het machinale is begonnen in 4835. |
j 7531. V'. Dat weet gij toch niet bij ondervinding? A. Ik weet het van mijn vader. Die was ook glasslijper. 7532. V. Hoeveel tijd was die aan de fabriek geweest? A. 40 jaar; hij stierf op zijn 63ste jaar, vrij plotseling. 7533. V. Is hij dus niet jaren ziek geweest ? A. Hij was nooit ziek geweest. In een paar uren was het met hem afge-loopen. 7534. De Voorzitter : Werd uw vader dan niet als een curiositeit beschouwd ? Keken zij er hem in Maastricht niet op aan ? A O ja. 7535. De heer Ruys van Beeren-broek; Wat wordt quot;in, uwe afdeeling gedaan om te ventileeren? Hebt gij tuimelramen 1 A. Ja. en die altijd opengezet kunnen worden. Er worden zelfs orders gegeven om dat te doen. En behalve die tuimelramen heeft er ook nog ventilatie door de warmte plaats. 7536. V. Is er een exhauster? A. Ja. 7537. V. En werkt die goed ? A. Ja. 7540. De Voorzitter; üw verhoor is afgeloopen. J. H. Hofman. Verhoor van den heer F. Rondagh. 7541. De Voorzitter: Ik verzoek u op te geven uw naam, uwe voornamen, uw ouderdom, uw beroep en uwe woonplaats. A. Ferdinand Rondagh, ouderdom 55 jaren, wonende te Maastricht, van beroep kleermaker. 7542. V. Hoelang zijt gij kleermaker ? A. Van Mei 1886, toen ik de fabriek van de heeren Regout heb verlaten. 7543. V. Hoelang hebt gij bij de heeren Regout gewerkt? A. Van 1870â1873 als werkman en van 1873â1886 als opzichter. 7544. V. Gij zijt dus op uw 40ste jaar aan de fabriek gekomen ? A. Ja. 7545. V. Wat was uw vroeger ambacht? |
182
|
A. Kleermaker. 7516. V. In welke afdeeling werdt gij in 1870 werkman? A. Bij het inpakken van glas. Ik bleef «laar 11 ? jaar en werd toen magazijnmeester in die afdeeling. In Maart 1873 werd ik opzichter in de glasslijperij. 7547. V. Gij kendet dus het vak van glasslijpen niet? A. Toen niet. 7548. V. Xochtans werd gij opzichter, terwijl gij het werk niet verstondt ? A Juist, maar ik had kennis van de behandeling van glaswerk. 7549. V. Gij hadt dus af en toe die vier verdiepingen der glasblazerij te bezoeken ? A. Gedeeltelijk, leder opzichter heeft een personeel van (i0 a 70 man onder zich. 7557. V. Gij hebt dus voldoende gelegenheid gehad, om alles op te merken wat in de fabriek omgaat ? Nu dan, hoe zijn de kelders waar de compositie voor het glas gemaakt wordt ? A. Zeer nadeelig voor den werkman, omdat er niet veel lucht is, grootendeels vol zwavelachtige dampen : het is er duister, en hier en daar slechts een gas-pitje. 7550. V. Komt er geen daglicht in ? A. O neen. Mijne lleeren, alleen door een keldergat. 7560. V. Dus er wordt bij gaslicht gewerkt? A. Ja, den geheelen dag door. 7561. V. Zijn daar voortdurend dezelfde werklieden werkzaam, of werken zij ook van tijd tot tijd in de open lucht ? A. Met zijn altijd dezelfde. 756'2. V. Hoe lang duurt die arbeid daar ? A. Even als dio van de anderen, van 's morgens 7 tot 's avonds half zeven. löGó. V. Met twee keer rust er tusschen om te schaften en 1 '/2 uur om te eten ? A. Ja, van '12 tot half twee en om half negen en vier uur vijf minuten. Maar die vijf minuten mogen niet eens zes minuten worden, soms was het wel minder dan vijf minuten. Er werd mij zelfs dikwijls gezegd, dat ik ze niet lang moest laten koffiedrinken, vijf minuten was te lang. 7567. V. In de glasblazerij worden zware vuren gestookt? |
A. Ja, het is daar dikwijls zeer moeilijk voor de menschen om te werken. Ik heb ze er uit zien komen, als zij de sintels uit de ovens hadden, met een hemd aan dat droop van het zweet 7568. V. Werken in de afdeeling van de glasblazerij veel vrouwen A. Ja, daar werken veel vrouwen. 7569. V. En doen zij werk dat voor vrouwen geschikt is? A. Zjj doen licht en zwaar werk. liet afvegen van de glazen met poleersel is een licht werk Daarentegen is hot brengen van manden niet glas van 50 of 60 kilo door twee vrouwen, tusschen haar beiden in, van de glasblazerij naar het magazijn, trap op trap af, een zeer zwaar werk. 7570. V. Wat doen de aankomende jongens in de blazerij ? A. Die jongens zijn er het ergst aan toe: die staan geen 5 minuten op een dag stil, maar loopen af en toe met glazen of roemers naar den oven, wat vooral in den zomer, als hot toch al warm is, dubbel zwaar is, omdat zjj om de 10 minnten voor den gloeienden oven komen. 7571. V. Hoe oud zijn de jongens? A. Van 12 tot 14 jaar; dat zijn de gamins. 7572. V. Dat zal nu wel een lastig werk zijn, maar al zijt gij nu geen dokter van uw ambacht, moet gij mij toch eens zeggen of gij meent dat dit werk zoo is. dat do jongens er niet tegen kunnen ? A. Ik denk dat toch wel, want zjj zien er allen uitgemergeld en vermagerd uit; zij zijn doodsbleek en zwak van lichaam. 7573. V. Gij weet nu goed wat gij zegt? A. Ik ben geen geneeskundige, maar ik verbeeld liet mij zoo. 7574. V. Gij meent naar waarheid te kunnen zeggen, dat de jongens er zoo slecht uitzien ten gevolge van het werk ? A. Ja, dat is ten gevolge van het zware werk en het gebrek aan nachtrust, 7575. V. Dus de jongens werken des nachts mede ? A. Zij komen om 6 uur des avonds op en werken tot 's morgens 6 uur. Zij kunnen overdag slapen; maar zij willen natuurlijk overdag wel eens op straat, zoodat zij maar een uur of drie per dag |
183
|
slapen, daarbij hebben zij slecht voedsel in het lijf. Als zij 's nachts aan het werk zijn is er geen quaestie van stilstaan ; de meester zit hen goed na, ton einde te zorgen, dat hij wat verdient, al is het niet veel. 7570. V. J)us de meester zit de jongens dan bij dat nachtwerk achterna ? A. ja. 7577. V. Het blijkt uit hetgeen gij zegt. dat die aankomende jongens van 13 en 14 jaar al ingedeeld zijn en medewerken met de nachtploegen; heb ik ilit goed verstaan? A. Ja. 7578. V. Kan er niet gewerkt worden, als er geen jongens bij zijn ? A. Neen, de ploeg bestaat uit den meester, den soultieur. den carreur en den gamin. 7579. V. Worden er ook jongens gebruikt voor ander werk? A. Ja, in de slijperij, zij halen water, poleeren het glas en doen dergelijke kleine zaken. 7580. Y. En daar loopen zjj gevaar om na eenige jaren aan het hoesten te geraken en een slechte borst te krijgen ? A la. 7581. V. Maar behalve dat, is daar do toestand naar uw beschrijving niet zoo erg dadelijk voor de jongens, als wanneer zij in de blazerij komen? A. Voor do jongens, neen. 7582. V. In de blazerij is het kwader ? A. Ja, maar daarvoor is het gevaarlijker in de slijperij als zij meer op leeftijd komen. 7583. V. Dat wreekt zich dus op la-teren leeftijd ? A. Ja. 7584. V. Maar het kwaad in de blazerij zit in het nachtwerk vooral? A. Mij dunkt van ja. 7585. V. Is er ook wel een tijd dat die blazerij niet bij nacht gaat ? A. Altijd precies hetzelfde. 7586. V. Wordt dat Zondags omgewisseld ? A. Ja, om de 14 dagen. 7587. V. Dus niet eiken Zondag? A. Neen, ten minste toen ik er was. 7588. V. Gij moet alleen spreken over den tijd toen gij er waart. Dus die jongens gaan 14 dagen achtereen niet naar bed quot;s nachts ? En gij weet goed dat dat jongens van 13 en 14 jaar zijn T |
A. Ja. 7589. V. Wat verdienen die? A. Over de verdiensten op de blazerij kan ik niet oordeelen. 7590. V. Dan moet gij het niet zeggen. Wat krijgen de jongens op de slijperij ? A. 40, 30, 35 francs. 7591. V. In de maand of om de 14 dagen ? A. In de maand. 759-2. V. Juist, dat komt uit; zoo gemiddeld 1 franc daags ongeveer ? A. Ja. 7593. V. Kn dat wordt uitbetaald dooiden slijper? A. Door den meesterslijper, juist. 7594. V. Die heeft den jongen voor zjjn rekening ? A. Ja. 7595. V. Dat wordt hem op zijn opbrengst gekort? A. Het loon wordt van zijn maandgeld afgehouden. 7591). V. Wierd er in uw tijd in uwe afdeeling boete geheven ? A. Zeer vele boeten. 7597. V. Men had ons gezegd dat er zoo weinig boete geheven werd ? A. Er werden zeer vele boeten geheven voor de gei ingste fouten De orde moet natuurlijk gehandhaafd worden, maar men kan alles overdrijven. Iemand die 2 of 5 minuten te laat aan de poort komt te straften met 3 of 5 dagen naar huis zenden, dat is wel wat streng. Er zijn toch tal van gevallen waarin men zich onschuldig '2 minuten verlaten kan. 7598. V. Dus, voor een paar minuten te laat komen kregen zij voor 3 dagen gedaan. Maar voor welke andere fouten kregen zij nog boete? A. Voor dronkenschap. 7599. V. Dat zult gij toch niet afkeuren ? A. Volstrekt niet. Ook werd er boete geheven voor vrijwillig verzuim, voor vechten in de slijperij en dergelijke. 7600. V. Nu moet ik u nog wat vragen; als gij het niet weet moet gij echter niets verzinnen. Werden die boeten op- felegd door den baas of chef eener af-elegd door den baas of chef eener af- eeling ? A. De patroons leggen de boeten op. 7601. V. Het is dus niet willekeur van den een of anderen chef of opzichter ? |
184
|
A. Neen. 7602. V. Hebt gij het wel eens bijgewoond dat de loonen der werklieden werden veranderd ? A. Dat was aan de orde van den dag, 7603. V. Werden zij wel eens verhoogd ? A. Dat zeer zelden. 7604. V. Tooh wel eens een enkele maal? A. Zoolang als ik er geweest ben is het niet voorgekomen. 7605. V. Wel verminderd ? A. Zeker Van het eene voorwerp werd 10 cents afgetrokken, het andere met ö cents verhoogd, maar altijd in het nadeel van den werkman. 7606. V. Kunt gij u nog herinneren, dat er ten gevolge van die loonsverminderingen nogal eens erge onaangenaamheden zjjn geweest ? A. ü zeer vele' In de slijperij waren er gedurig onaangenaamheden over de percentsgelden. 7607. V. Wat zijn percentsgelden 7 A. Dat is 10 percent als machine-geld. 7608. V. Is het geen 6 percent ? A. Pardon, 10 percent. De machine staat er reeds sedert 1868. Ondersteld nu dat er 32 meesters zijn, zooals in de slijperij werkelijk het geval is. gemiddeld 300 franc per maand verdienende, dan maakt dit 32 maal 30 francs per maand, of wel van 1868 tot 1887 een totaal-bedrag van, naar ik meen, 219,000 francs. Op die wijze zou de machine wel van zilver kunnen zijn. De werkman vraagt dan ook natuurlijk waarom dit niet 5 percent in plaats van 10 percent zou kunnen zijn, hetgeen, naar het mij voorkomt, zeer wel mogelijk is, 7609. V. Wat is dat voor eene machine? A. Dat is de machine waardoor alles in beweging gebracht wordt; de stoomkracht. 7610. V. Daarvoor wordt dus op de verdiende loonen gekort, en, zooals gij blijkbaar onder elkander uitgemaakt hebt, is, hetgeen betaald wordt, in plaats van eene eenvoudige vergoeding, veel meer dan dat. Is dat een der grieven geweest bij het oploopje ? A. Neen, dat ging meer de blazerij aan. 7611. V. Wat was daar dan 1 A. Die vermindering van het tarief, anders niet. |
7612. V. Vertel er eens wat van. B. Toen hebben die menschen allemaal niet meer willen werken. 7613. V. Dat is het gevolg ; dat was omdat het tarief veranderd werd. Maalais vooruit gezegd was, dat het verminderd zou worden, dan stond het aan hen om te blijven werken of niet. Heeft het geval zich niet voorgedaan, dat het tarief veranderd werd na het werk ? A. Dat weet ik niet; maar ik heb wel gehoord, dat toen het tarief zooveel verminderd werd, de meesterknechts zeiden : werp het werk neder. En toen is de beweging op straat gekomen. 7614. V. Ia toen het tarief behouden of veranderd ? A. Xaar ik hoor heeft men getelegrafeerd naar andere fabrikanten, waar de menschen werk zouden gaan vragen om te melden dat het oproermakers waren, aan wie men geen werk moest geven, zoodat zij genoodzaakt zijn geweest om terug te komen. 7615. V. Dat hebt gij van hooren zeggen en weet het dus niet precies. Om welke reden zijt gij van de fabriek go-gaan ? A. Met Pinksteren 1885 kreeg ik eene ! ziekte aan de oogen. Ik ben twee of drie weken onder behandeling van doctoren geweest, maar het is niet erg verbeterd. Nochtans is het niet zoo erg of ik kan tooh zeer goed gedrukt schrift lezen. Daarvan nu hebben de heeren gebruik gemaakt om mij te remplaoeeren. Ik geloof wel om hetzelfde werk van ! een ander tegen minder loon gedaan te krijgen. Men zeide mij: gij zijt boven de 50 jaren,uw gezicht is niet meer te best, en toen hebben de heeren mij eene verklaring gegeven die ik hierbij aan de Commissie overhandig, maar welke verklaring echter niet volledig is, want er wordt alleen gesproken van den tijd dat ik als opzichter werkzaam ben geweest. 7616 V. In het stuk dat gij mij geeft 'lees ik: «Maastricht 30 April 1886. Wij : verklaren bij deze dat de heer Rondagh van Maart 1873 tot heden in onze glasfabriek als opzichter is werkzaam geweest en zich steeds tot onze tevredenheid van zijne plichten heeft gekweten. P. Uegout en Co.quot; Hieruit blijkt dat men niets op uw werk had aan te merken. Maar uit |
185
|
hetgeen gij zelf verklaard blijkt dat uw ontslag te wijten was aan het bereiken van den öOjarigen leeftijd en aan de oogziekte. Hebt gij toen pensioen gekregen ? A. Het tegendeel. Ik woonde in een huis van den heer Regout en ik kreeg tegelijk met mijn ontslag de boodschap dat ik moest zorgen dat met de volgende maand het huis door mij ontruimd was. 7617. V. Bus gij werd ontslagen omdat gij boven de 50 jaren waart en dat gij die oogziekte hebt gehad; daarmede word gij weggezonden? A. .Ia. 7618. V. Hebt gij niet gevraagd om pensioen of onderstand ? A. Neen. men kon mij niet meer gebruiken. 7619. V. Maar zoolang men do men-achen kan gebruiken geeft men hun geen pensioen? A. De menschen worden zoo spoedig weggezonden, omdat zij dan misschien nog op andere wijze aan den kost kunnen komen, wat niet het geval zou zijn als zij wat langer aan de fabriek bleven. 7620. V. Hebt gij toen uwe woning ontruimd ? A. Neen, wij moeten eene maand huur vooruit betalen; als men dan geen traktement meer heeft, is de huur verzekerd ; zoo slim wordt gehandeld. 7621. V. Woont gij nu nog in dat huis ? A. Ja, maar door voor deze Commissie te komen, loop ik wellicht gevaar heden of morgen er uit te moeten, althans wanneer men er achter komt dat ik ten nadeele van de fabriek heb gesproken 7622. V, Hebt gij gedurende don tijd dien gij aan de fabriek doorbracht, aan een ziekenfonds bijgedragen ? A. .fa, het laatste jaar. 7623. V. Niet vroeger? A. Toen waren de geëmployeerden niet in een ziekenfonds. Vroeger bestond er een dergelijk fonds, dat geduurd heeft totdat de oude heer Regout oen jaar dood was. Deze had 4000 gulden gestort om dat ziekenfonds tot stand te brengen. Toen de oude heer dood was, hebben de jongeheeren naar het schjjnt die 4000 gulden teruggehaald. 7624 V. Vertel nu geene dingen die gij niet zeker weet. Is dat fonds toen opgeruimd ? A. Aan ieder onzer is het gestorte geld |
toen teruggekeerd met den interest er bij. 7625. V. Was er geen ziekenfonds toen gij er waart ? A. Het laatste jaar. Toen was ik over de 50 jaar, en werd mij gezegd dat ik in het ziekenfonds moest gaan tot mijn zestigste. Dan moet men er uit. 7626. V. Dat begrijp ik niet; maak mij dat duidelijk. Gij moest van uw 50ste jaar af gaan contribueeren, maar als gij 00 waart moest gij er uit? Hoe heb ik dat te verstaan? A. Ja, dan had ik geen recht meer om ziekengeld te trekken uit dat ziekenfonds. De ziekenkas betaalt maar tot het 60ste jaar. 7627. V. En als gij dan ziek werd? A. Daar trekken zij zich niets van aan. 7628. V. Wanneer gij boven de 60 jaar waart, moest gij dus uit het fonds ? A. Ja, dan trekt men geen ziekengeld meer, en bijgevolg mocht men ook niet moer op de fabriek werken, want degenen, die boven de 50 jaar zijn worden met den dag bedankt. 7629. V. Nu spreekt gij over het gewone werkvolk, want gij waart boven de 50 jaar toen gij in het ziekenfonds kwaamt, en men scheen niet van plan u te bedanken ? A. Neen, dat niet. 7630. V. Gij hebt gezegd, dat gij juist met uw 50ste jaar gedwongen, genoodzaakt zjjt geworden om in het ziekenfonds te treden, dus toen is te uwen opzichte een maatregel genomen, die aantoont, dat men wel degelijk van plan was u te behouden, en nu zegt gij dat men, als men 50 jaar is, in den regel wordt weggezonden. Hoe zijn die twee mededeelingen met elkaar te rijmen ? A Ik heb gezegd dat het qroolste rjedeelte. dat boven de 50 jaren is, op de fabriek bedankt wordt 7631. V. Gij behoordet dus tot het kleinere gedeelte. Maar het grootste gedeelte wordt met de 50 jaar bedankt en ontvangt dan uit het ziekenfonds geene ondersteuning meer ? A. Juist. 7632. V. Kunt gjj ook voorbeelden noemen ? Loopen er ook kennissen van u, boven de 50 jaar, rond, die niet meer op de fabriek werken en geene ondersteuning genieten '? A. Ik zou ze niet bij naam kunnen |
18G
noemen: maar ik zou ze in de stad mij- groot. In de stad zou ik voor hetzelf-
ner inwoning bij menigte met den vin- de geid maar een klein kwartiertje kun-
ger kunnen aanwijzen. nen hebben.
7G33. A. Die menschen komen dan 7635. De heer Rnys van Beeren-
allen ten laste van het stedelijk armbe- broek : Gij meendetquot; te weten dat in
stuur? de af'deeling glas om de 14 dagen de
A. .Ia allen. dag- en nachtploegen wisselden. Is dat
7634. De heer Van Al|(lieii: Gij hebt niet eene vergissing en was dat verle-
gezegd. dat gjj niet gaarne uwe woning den jaar ook al zóó ?
zoudt verlaten. Is dat omdat er in Maas- A. Xaar ik meen wèl.
tricht zoo moeilijk woningen te krijgen 7636. V. Wij hebben hier van andezijn. of omdat die woning zoo bijzon- ren mededeelingen vernomen, waaruit der best of goedkoop is? schijnt te blijken dat dit niet zoo is.
A. Ik verwoon f 12 in de maand en A. Ik meen toch zeker te weten, dat
betaal f -24 belasting: dat is dus zoo die ploegen om de 14 dagen wisselen,
weinig niet. Maar het huis ligt buiten 7637. De Voorzitter: Uw verhoor
de stad op den Boulevard; er is een is afgeloopen.
tuintje bij en de kamers zijn redelijk' Roxdagh.
Z1ÃÃIXG VAN MAANDAG 24 JANUARI 1887.
Tegenwoordig de heeren:
Verniers van der Loef f, Voorzitter. Bahlmaxn.
Goeman Borgesius, Onder-Voorzitter. Smit.
Beelaerts van Blokland. Van Alphen.
Reys van Beerenbroek. J. D. Veegens, Grif/Ier.
|
Verhoor van den heer V. Jannez. 7638. De Voorzitter: Mag ik uw naam, voornamen, beroep, ouderdom en woonplaats weten ? A. Victor Jaunez, directeur van de Société Céramique te Maastricht, oud 50 jaar, wonende to Maastricht. 7639. V. Sedert wanneer zijt gij directeur van de fabriek Céramique ? A. Twee en twintig jaar. 7640. V. Het is eene naamlooze vennootschap ? A. Ja. 7641. V. Gij voort het beheer? A. Ja 7642. V. Hoeveel werklieden hebt gij in uw dienst ? A. 764. 7643. V. 427 mannen ; 97 jongens van 16â18 jaar; 51 jongens van 12â16 jaar ; 18 gehuwde vrouwen ; |
116 ongehuwde vrouwen; 28 meisjes van 16 â18 jaar; 27 meisjes 12â16 jaar, nietwaar? A. Ja. 7644. V. Wat wordt er in uwe fabriek gemaakt? A. Aardewerk. 7645. V. Zooals bij do firma Petrus lïegout'? A. Ja. 7646. V. Is de wijze van bewerking in uwe fabriek geheel dezelfde als bij die firma ? A. Er is slechts weinig verschil in. 7647. V. Wees zoo goed ons een gedetailleerd overzicht te geven van net werk, dat in uwe fabriek verricht wordt door mannen, getrouwde vrouwen, meisjes en jongens. A. Wij hebben verschillende categorieën van werklieden. De mannen werken voornamelijk in de molens en in de grondstoffen; vrouwen en kinderen werken daarin niet. |
187
|
Dan heeft men pottebakkers die in de stoven arbeiden, arbeiders van de ovens, voornamelijk mannen, vervolgens de sorteerders, dat in hoofdzaak vrouwen zijn ; aardewerkers, mannen, vrouwen en aankomende jongens, en eindelijk de algemeene dienst. 7Gi8. V. Er zijn eenige hoofdpunten waaromtrent wij eenige vragen tot u hebben te richten Op welken leeftijd worden uwe aardewerkers toegelaten ? A. Xa hun eerste communie, op 13-a lijarigon leeftijd. 7649. v. Zijn er ook jongens beneden de 13 jaren bij ? A. Zeer weinige. Misschien twee of drie, wanneer tusschentjjds een enkele jongen ontbreekt, maar in den regel nemen wij jongens van 13 jaar en daarboven. 7650. V. Welk werk hebben zij te verrichten ? A. Zij helpen de werklieden en lee-ren intusschen van dezen. Hot zijn meest kinderen van werklieden, die met hun tweeën of drieën, naast hun vader op het atelier werken. 7631 V. In het algemeen kiezen dus de werklieden hun eigen jongens? A. Juist, dat is hun zaak, maar wij betalen het loon van den jongen, dat dan van het salaris van den werkman afgetrokken wordt 76o2. V. Die jongens hebben immers 1 franc per dag? A. Zij werken op het stuk en maken zelfs meer; wel 2 franc. Die jongens zijn onmisbaar voor den werkman. 7653. V. Gelooft gij dan dat de jongens bij u een hooger salaris hebbeu dan in de fabriek van Regout ? A. Het gemiddeld loon van allen is 1,35 franc. 7654. V. Dat is niet het gemiddelde der jongens ? lie jongens, die naast de werklieden staan, worden immers betaald met 1 franc per dag ? A. Zij worden betaald bij het stuk, en daarvoor wordt 20 percent van het loon van hun meester afgetrokken. 7655. V. Dan hebt gij een ander systeem dan de heeren Regout? A. Wij werken, buiten de algemeene onkosten, niets per dag, maar alles per stuk. |
7656. V. Zijn er vele zieken bij u aan de fabriek ? A. Weinig, op het oogenblik zeer weinig. 7657. V. Maar het vak is toch zeer gevaarlijk voor de gezondheid van de personen ? A. Het stof is niet wenschelijk voor de gezondheid, maar men tracht daaraan door schoonmaken der fabriek te gemoet te komen. 7658. V. Gebeurt dat schoonmaken op uwe bevelen ? A Alle avonden om zeven uren wordt de fabriek schoongemaakt. 7659. V. Zijn daarvoor dan soms afzonderlijke personen aangewezen ? A. Weduwen van werklieden, die daarvoor een afzonderlijk loon ontvangen. 7660. V. Bereiken uwe werklieden oen hoogen leeftijd ? A. Het geslacht is niet sterk, de vader is veelal teringachtig en dit slaat op de kinderen over. Het is dikwijls moeilijk om geschikte en krachtige werklieden te verkrijgen. De helft van onze werklieden trekken wij uit de omliggende dorpen, die na het werk des avonds weer naar het dorp terugkeeren. 7661. V. Het stof is overigens zeer hinderlijk ? A. Ja. 7662. V. Hebt gij nog andere voorzorgsmaatregelen genomen ? A. De ventilatie, die door machines geschiedt. 7663 V. Uitsluitend om de lokalen te luchten ? A. Ja. 76(34. V. Wat doen de aankomende meisjes ? A. Sorteeren en schilderen. 7667. V. En wat het werken in de ovens betreft? A. Enkele oudere meisjes brengen de voorwerpen in de cassetten, maar zij gaan niet in de ovens. 7666. V. Hebt gij ook getrouwde vrouwen ? A. Zeer weinig ; zij worden alléén genomen wanneer hare mannen niet bij machte zijn om het brood te verdienen. Wij hebben er slechts IS. 7668. V. Is het werken in de ovens niet een zeer lastige arbeid? |
188
| 1
|
A. Voor sterke lieden is dat zoo moeie-lijk niet. Het komt op de hoeveelheid der ovens aan. Wanneer zij uitgehaald worden, zjjn zij niet warm, althans niet zóó, dat het de menschen eenig kwaad doet. 7669. V. Hoeveel tijd hebt gij noodig om uwe ovens warm te stoken ? A. 43 tot 46 uren. 7670. V. Ik dacht dat men er 60 uur voor noodig had? A. Neen, wij werken sneller, en een dag om te ledigen on om te vullen. 7671. V. Dat is drie dagen ? A. Neen, van Maandag b.v. tot Dinsdag avond. 767'2. V. Hebt gij zoo weinig tijd noodig om de ovens heet te krijgen ? A. Dat is dan in dien tjjd gedaan, al naarmate van de grootte der ovens. 7673. V. Hoe is het dan mogelijk dat men op de fabriek van de heeren Re-gout 60 uren noodig heeft om de ovens te verwarmen? A. Dat kan ik niet zeggen. In do eene fabriek gebruikt men daarvoor meer tijd dan in de andere. 7674. V. Is dat verschil zoo bijzonder groot ? A. Dat zou ik niet precies weten op te geven. 7675. V. Hoe dit zij, in uwé fabriek zijn daarvoor hoogstens 48 uren noodig? A. Ja. 7676. V. Hoelang moet bij u de oven afkoelen, voordat de menschen er in gaan ? A. Drie dagen van de week worden daarvoor gebruikt, alsmede do Zondag. 7677. V. Aan uwe fabriek zijn dus fenoeg ovens, dat er alle tijd is om ze ehoorlijk te doen afkoelen ?enoeg ovens, dat er alle tijd is om ze ehoorlijk te doen afkoelen ? A. Juist. Men kan het werk versnellen door de ovens open te zetten, maar dat .heeft het nadeel dat door den sterkeren luchtstroom dan de cassettes kunnen breken, en ook wel de vervaardigde goederen. 7678. V. Indien het dus door u vermeden kan worden doet gij het niet en wacht gij bedaard tot dat de oven afgekoeld is ? A. Ja, wij hebben daartoe al den tijd. 7679. V. Hoeveel ovens hebt gij? A. 17. 7680. V. Waren er tijdens uwe directie altijd 17 ovens? |
A. Neen, vroeger waren er 5. 7682. V. Gij hebt natuurlijk het getal ovens vermeerderd, omdat uwe zaken goed gingen, doch ook uit menschelijk-heid tegenover uwe werklieden ? A. Ja, maar vooral om de opbrengst grooter te maken. 7683. V. üm uwe werklieden niet te verplichten in de heete ovens te gaan, heeft men dus het getal ovens moeten vërgrooten ? A. Voornamelijk omdat de fabriek vergroot werd. 7684. V. Hebt gij een middel om de warmte te bepalen bij het openen van de ovens ? A. Wanneer de ovens geopend worden, zijn zij koud. 7685. V. Gij laat ze dus vooraf bekoelen ? A. Ja, ze zijn niet warmer, dan het hier op het oogenblik is. '7686. V. Des zomers ook? A. Ja. 7687. V. Uwe fabriek en die van de heeren Regout zijn concurrenten, niet waar ? â A. Ja. 7688. Dan zou hot niet kiesoh zjjn om u vragen te stellen ten einde hot verschil tusschen uwe fabriek en die van de heeron Regout te doen uitkomen; ik zal er mij dus van onthouden. Een ander punt echter; ik heb u goed begrepen niet waar, dat gij nooit moeilijkheden met uwe werklieden hebt omtrent het werk aan de ovens? A. Neen, eerst wordt beproefd hoe warm de oven is. Als hij te warm is, gaat men er niet in. 7689. V. Hoelang kunnen de werklieden, die zich in de ovens begeven, daarin aan het werk blijven ? A. In de ovens? Het is er niet warmer dan hier in de kamer; de menschen blijven er zoolang in, als zij er in noodig hebben. Het is een ploeg die de ovens ledigt, dus de werklieden gaan af en toe naar binnen. 7690. V. De werklieden, die het eerst in de ovens gaan, hoelang kunnen die het er in uithouden, J/4 uur, '4 uur, 20 minuten? A. Zij kunnen er even lang in blijven als in deze kamer, de temperatuur is er niet hooger. |
189
|
7091. V. Gij zijt dug zeker dat de temperatuur in uwe ovens, wanneer zij geopend zijn en uw lieden er de goederen uit moeten halen, niet hooger is dan hier in de kamer ? A. Ja; misschien dat eene enkele maal de warmte iets hooger is. 7692. V. Er kan dus geen quaestie zjjn van verstikkende warmte? A. De warmte is in geen geval van dien aard, dat de menschen er ziek van kunnen worden. 7693 V. Uit hoeveel personen bestaan de ploegen op uwe fabriek ? A. Uit 40 personen. 7694. V. Voor het ledigen en vullen der ovens? A. Ja. 7695. V. Zijn er onder zulk een ploeg van 40 personen ook vrouwen'! A. Bij die voor de biscuitovens zijn geene vrouwen. 7690. V. Worden die menschen per dag betaald ? A. Neen, per oven. 7697. V. Maar er is toch een gemiddeld bedrag per dag ? A. Per dag zal het zijn fr. .3,50; soms wat meer. 7698. V. Heeft er dikwijls verwisseling van personeel bij de ploegen plaats? A. Neen, zij blijven er wel een vijf jaar in. 7699. V. Zonder hooge noodzakelijkheid gaan de werklieden bij dien arbeid dus niet weg ? A. Neen, zij worden er zelfs oud bij. 7700. V. Die vijf jaren is dus geene zeldzaamheid: zeer velen blijven er dien tijd bij ? A. Zij doen somtijds 20 jaron lang niet anders dan het inzetten en uithalen van cassetten. Wij verwisselen niet graag, want de werkman breekt, als hij het nog moet leeren, nog al eens wat. 7701. V. Dat is te begrijpen, maar het is toch een zware arbeid ? A. Niet zoo bijzonder, maar hij moet toch altijd door sterke menschen verricht worden. 7702. V. Bedoelt gij sterk in den zin van bestand tegen de verstikkende atmosfeer ? A. Pardon, eenvoudig om de zwaarte der cassetten. 7703. V. Overigens wordt het werk |
geheel door volwassenen verricht ? A. Wanneer er jongens bij zijn, dan zijn zij nooit jonger dan 16 a 17 jaren. 7704. V. Vrouwen ook niet ? A. Noen; het werk van het biscuit ia moeilijker dan het andere, en daarom zijn er geen jongens bij. 7705. V. Maar de vrouwen vullen en ledigen de cassetten toch ? A. Niet die van het biscuit. Ook dat werk wordt bij mij door mannen gedaan. Het is dezelfde ploeg. Doch het kan gebeuren dat vrouwen eens eene enkele maal helpen om de cassettes te ledigen. 7706. V. Zjjn de werklieden naakt, als zij in de ovens werken? A. Alleen de inzetters; zij hebben dan geen hemd aan. Er zijn er zoo twee in den oven; de anderen dragen hunne gewone kleeding. 7707. A. Trekt men het hemd uit, omdat de warmte daartoe dringt? A. Om de warmte, maar ook omdat het voor het werken gemakkelijker is. Men is dan vrijer in zijne bewegingen. Maar niet allen doen het. De een trekt het uit en de andere houdt het aan, wanneer hij in den oven gaat. 7708. V. Gebeurt dat uittrekken van het hemd ook in andere afdeelingen ? A. Neen, maar dat uittrekken van het hemd gebeurt ook bij andere ambachten. De smeden bijv., wanneer zjj in een ketel een bout moeten klinken, trekken zeer dikwijls het hemd uit. Als een bewijs dat het hemd niet wordt uitgetrokken uithoofde van de warmte, kan ik bijbrengen dat de menschen het ook afleggen als zij de voorwerpen inzetten, en dan is er. zooals toch vanzelf spreekt, geen sprake meer van hitte. 7709. V. Gij hebt 5 ovens afgebroken en door 17 nieuwe doen vervangen, niet waar'! A. Ja 7710 V. Zijn de kosten van een nie-wen oven aanzienlijk ? A. Ja. met alles er in begrepen, ook het gebouw dat er voor dient, is dat ongeveer 20 000 francs. 7711. V. Hebt gij in uwe inrichting ook eene voorzorgskas'? A. Ja, de werklieden hebben die onderling, maar onder mijn toezicht en waarborg. |
190
|
771quot;2. V. Is die verplichtend ? A. Niet verplichtend, maar zij zijn er allen in. 7713. V. Doch gij dwingt er hen niet toe ? A. Neen, maar in den regel treden zij er in toe. 7714. V. Hoeveel dragen zij bij ? A. Gedurende de eerste jaren 3 percent en vervolgens na vijf of zeven jaar, meen ik, twee percent en later I percent. Na 20 of 25 jaar betaalt men niet meer. 7715. V. En welke rechten staan daar daar tegenover ? A. Zij ontvangen als zij ziek zijn de helft van hun salaris. 7716. V. En als gij werklieden hebt die niet meer in staat zijn om to werken ? A. üok dan ontvangen zij de helft van hun salaris uit de kas en de andere helft geven wij. 7717. V. De lieden, die '20 a 25 jaren lang aan uwe fabriek zijn geweest, laat gij dus niet aan de openbare liefdadigheid over? A. Neen, in het geheel niet 7718. V. Is het fonds van de voorzorgskas nog al groot? A. Neen; maar dat zal vanzei fgrooter worden, naarmate de fabriek ouder wordt. 7719. V. Gij hebt gezegd dat gij twoe â en twintig jaar aan de fabriek geweest zijt. Gij hebt echter de fabriek in vollen gang gevonden, niet waar? A. Ja 7720. V. Sedert wanneer bestaat zij ? Sedert 1849; maar ik heb alles veranderd en vernieuwd. 7721. V. Hebt gij ook in de positie van de werklieden verandering gebracht ? A. Zeker. 7722. V. Ik bedoel ook wat het lot van de werklieden betreft. Hebben zij, behalve die van de fabriek, ook nog een voorzorgskas onderling ? A. Ja, maar er is niets in. 7723 V. De aardewerkers van uwe fabriek komen meestal uit de stad ; maar gij hebt ze liever van het platteland ? A. Ja, die zijn veel sterker. 7723 bis. V. Hebt gij ook sterftetafels, of bemoeit gij u daar niet mede? A. Neen. |
7724. V. Gij hebt ook aan de fabriek een voorzorgskas ? A. Jawel, maar zooals ik straks zeide, als de werklieden te oud worden om te werken, wordt het pensioen voor de helft betaald uit de voorzorgskas en voor de andere helft door de fabriek. 7725. V. Hebt gij daarvan de kas ? A. Ja, maar de fondsen behooren aan de werklieden. Wij administreeren die alleen en hebben die in handen? 7726. V. Loopen die gelden over de kas der fabriek? A. Ja. 7727. V. Is het een afzonderlijk fonds ? A. Ja. maar het bedrag is niet groot, ongeveer 10 000 francs; indien er minder in kas is wordt de percentage van de bijdrage verhoogd. 7728. V. Nu moet ik een vraag van eenigszins teederen aard doen. die u echter toch zeker gaarne zult willen beantwoorden; indien er eens een ongeluk gebeurde en de fabriek, waar de hemel u voor beware, failliet ging. wat zou er dan met de kas der werklieden gebeuren ? A Uns eerste werk zou zijn, dat geld terug te geven. 7730. V. Gij beschouwt de waarden van dat fonds eenvoudig als een depot ? A. Ja. 7731. V. Gij hebt medegedeeld, dat bij u allen per stuk en niet per dag betaald wordt, niet waar ? A Ja, maar in een enkel geval geschiedt dit laatste toch wel. 7732. V. Worden uwe tarieven te dezen opzichte dikwijls veranderd? A. Neen. 7733. V. Zij blijven steeds zooals zij zijn? A. Ja, tenzij voor enkele stukken, een ⢠enkele maal verandering komt. 7734. V. Maar de tijden zijn slecht.... A. Zeer slecht. 7735 V. En de concurrentie is sterk, zoodat gjj misschien verplicht zijt om de verkoopprjjzen van uwe artikelen te verminderen; heeft dit geen invloed op uwe tarieven tegenover de werklieden '! A. Wij hebben bijna nooit de tarieven verminderd. 7736, V. Dus gedurende jaren en jaren zijn die tarieven niet verminderd ? A. Nu en dan voor een enkel stuk. |
191
|
maar overigens zjjn zij steeds hetzelfde gebleven. 7737. V. Hebt gij dikwijls moeilijkheden? A. Nooit. 7738. V. Geen onaangenaamheden,1 kleine quaestien ? A. Neen, een enkele maal verschil, maar dat is alles. 7739. V. Over het algemeen zijt gij over uwe werklieden tevreden? A. Ja. 7740. V. En zij met u ? A- Ja. 7741. V. Gij betaalt per quinzaine? A. Alle 14 dagen, van Zaterdag op Zaterdag. 7742. V. Dus van den 1 stenâloden en van den ISden tot aan het einde der maand ? A. Neen, wij hebben 26 quinzaines per jaar. 7743. V Wanneer wordt den werkman het bedrag van de afgeloopen quinzaine betaald ? A. Hij ontvangt de afgeloopen quinzaine aan het einde van de nog loo-pende quinzaine. dus â¢14 dagen later. 7744. V. Is deze wijze van betaling niet wat bezwarend voor de huishoudens der werklieden? A. Het is een algemeene regel; in de andere fabrieken worden zij op dezelfde wijze betaald, en gaan zjj van de eenc fabriek naar de andere, dan ontvangen zij twee quinzaines. 7745. V. Gij zegt. het is een algemeene regel; maar toch alleen voor aardewerkfabrieken ? Of geldt die ook voor papierfabrieken ? A. Dat weet ik niet zeker. 7746. V. Voor de werklieden zou het toch gemakkelijker zijn, als per acht dagen werd betaald? A. Wellicht, maar het is onmogelijk, omdat het werk, waarvoor zij betaald worden, na acht dagen soms nog niet geëindigd is. 7747. V. Past men in uwe fabriek boeten toe ? A. Ja, sommigen komen des Maandags niet, zij hebben dan wat veel gedronken. 7748. V. Drinken zij? A. Over het algemeen zijn zij zeer ordelijk. De boeten gaan in de ziekenkas. 7749. V. Wordt er veel beboet? |
A. Het totaal der boeten is 5 a 6 francs per maand. Bij het carneval wel iets meer wellicht. 7750. V. Hoeveel verdienen de volwassen aardwerkers bij u? A. Gemiddeld 5 a 6 francs per dag. Er zijn er ook die meer verdienen. Dit is het netto bedrag; vóór den gewonen aftrek is het gemiddeld dagloon 7 ü 8 francs. 7751. Y. Hebben uwe werklieden ook nog te betalen voor het recht op een plaats voor stoomkracht, licht of dergelijke zaken? A. Niets van dit alles. Wat het licht betreft, brengen zij dit liever mede. Trouwens hebben zij het niet lang noodig. 7752. V. Tot hoe laat wordt er gewerkt? A. Tot G'/j uur 's avonds. 7753. V. Zomer en winter? A. Ja. 7754. V. Ge hebt straks gezegd, dat ge aan de aardwerkers licht hebt willen verschaffen. A. Ja. maar zij willen daar liever zelf in voorzien. 7755. V. Dat is dus zoo hun eigen wil. Kortom, er wordt bij u niets afgetrokken ? A. Neen. Overigens verlichten wij alles in den omtrek der ovens. 7756. V. Hebben er ook ongelukken in uwe fabriek plaats? A. Zij komen soms door onvoorzichtigheid voor, maar zeer zeldzaam. 7757. V. Hebt gij veel voorzorgen genomen ? A. Ja. De toegang tot de machines is verboden. 7758. V. Maar hebt ge geene machines die zeer moeilijk te behandelen zjjn ? A. Geene. 7759. V. En het vervaardigen der triangels 1 A. Daarbij kwetsen zij zich wel eens aan de vingers, maar er komen geen ernstige ongelukken bij voor. Deze bewerking gaat niet met stoom. 7760. V. Werken daar vrouwen en 1 kinderen ? A. Vrouwen en meisjes; het werk is ook niet zwaar, zoodat het zeer goed door kinderen verricht kan worden. 7761. V. Gebeuren daarbij wel ongelukken ? I A. Zelden. |
192
|
7762. V. Verliezen zij wel eens een i vinger? A. Zoo erg is het niet. Ik herinner ; mij niet dat ooit een van de werklieden een vinger heeft verloren. 7763. V. Dragen de werklieden een contra-respirateur ? A. Neen. 7764. V. Bevelen de geneosheeren het dragen van een contra-respirateurniet aan? A. Neen. 7765. V. .Wanneer de geneesheeren maatregelen van voorzorg aanbevelen, volgen de werklieden dan overigens den raad, dien men hun geeft ? A. Ja, zij volgen dien raad gaarne. 7766. Gij zijt dus tevreden over de werklieden ? A. Ja, het is een goed soort van men-schen. 7767. De heer Buys van Beereu-hroek : Gij hebt gezegd dat het werken in de fabriek ophoudt des avonds ten half zeven ? A. De dag begint ten 7 ure; dan werkt men tot 9 ure en gebruikt daarna een boterham. Vervolgens wordt gewerkt tot 12 ure, om naar huis te gaan eten, uitgezonderd zij die bij de motors en machines werken, en weder ten half twee te beginnen tot 4 ure. Dan is er weder een kwartier rust, en daarna wordt gewerkt tot half zeven. 7768 V. De meesten werken dus alleen des daags ? A. Ja, behalve de ovenstokers en machinisten. 7769. V. Zijn zij, die des nachts werken, allen volwassen mannen? A. Ja. 7770. V. Geen jongens? A. Neen. 7771. V. Zelfs niet om de machines te smeeren? A. Neen. 7772. V. Wordt al dat werk door mannen gedaan ? A. Ja. 7773. V. Gebeurt het wel, als er veel bestellingen zijn, dat een gedeelte uwer lieden overwerkt? A. Soms, zeer zelden. 7774. V. Maar de stokers der ovens? A. Die werken dan eenige uren over. 7775. V. Dan is hun dagloon ook hoo-ger, omdat zij per stuk betaald worden ? |
A. Ja. 7776. V. En des Zondags ? A. Dan staat het werk stil, en worden alleen de machines schoongemaakt en zoo noodig, hersteld. 7777. V. Houden do werklieden, die de grondstoften smelten, des Zaterdagsavonds ook op om 's Maandags morgens weer te beginnen? A. Ja. 7778. V. Gij hebt ons gezegd, dat gij geen jongens of meisjes beneden de 13 jaren in uwe fabriek hebt ? A. Er zijn eenige uitzonderingen. 7779. V. Dus is het niet noodig met het oog op de concurrentie, of om andere redenen, om kinderen beneden de 13 jaar te gebruiken? A. Neen. 7780. V. Zou het mogelijk zijn de toelating op uwe fabriek eerst op het 14de jaar te bepalen ? A. Zeker. 7781. V. Zou het geen nadeel doen aan de ontwikkeling van de jongens tot goede werklieden? A. Als men den ouderdom maar niet al te hoog stelt. Om een goed aard-werker te worden dient men reeds vroeg te beginnen. 7782. V. Bij de afdeeling waar geschilderd wordt, zijn vooral meisjes, die er reeds op denzelfden leeftijd als de jongens komen ? A. Ja. 7783. V. Neemt gij bij voorkeur meisjes in die afdeeling? A. O, neen. 7784. V. Toch zijn er meer meisjes? A. Voor enkele zaken verdienen meisjes ook de voorkeur. De jongens blijven niet lang voor niet werken, en de meisjes leeren sneller en zijn ordelijker. 7785. V. Toen er over de ovens gesproken is, hebt gij gezegd dat de ovens in uwe fabriek in hoogstens 48 uren af-gestookt zijn. Duurt dat afstoken langer naarmate de oven grooter is? A Neen, daar bestaat geen verband tusachen. De biscuit-oven heeft inwendig een middelljjn van 6 meter en de vernis-oven van 5 meter, maar beiden eisohen denzelfden tijd om afgestookt te worden. 7786. V Wanneer het goed gebakken is, laat men dan de vuren, die zich on- |
193
|
der de ovens bevinden, vanzelf uitgaan, of heeft men middelen om het vuur sneller uit te dooven ? A. Wij laten de vuren uit zichzelve uitdooven. Als het mocht presseeren, dooven wij de vuren uit. 7787. V. Gij hebt getrouwde vrouwen op de fabriek ? A. Ja, 18. 7788. V. Er is gezegd geworden, dat die met 1 Januari zouden weggezonden worden. Is dat zoo ? A. Neen. bij ons niet. 7789. V. Dat is dus, wat uw fabriek betreft, maar een praatje ? A. Ja. 7790. V. Hebt gij ook getrouwde vrouwen, die kinderen hebben ? A. Jawel. 7791. V. Hoelang na de bevalling beginnen de vrouwen weder op do fabriek te arbeiden ? A. Zoodra zij denken daartoe weder in staat te zijn. 7792. V. Weet gij niet ongeveer hoeveel tijd dat bedraagt ? A. Dat zou ik niet kunnen zeggen. 7793. V. Brengen zulke vrouwen hare kinderen wel eens mede naar de fabriek ? A. Neen, dat zou niet kunnen. 7794. V. Zijn er dan geen crèches voor zulke kinderen? A. Neen, maar wij hebben ook weinig getrouwde vrouwen bij ons. Wij nemen alleen vrouwen, die reeds lang bij ons zjjn, of de vrouwen van mannen, die niet meer werken kunnen. 7795. V. Wat de ziekenkas aangaat, wensch ik u te vragen, wat er met een werkman gebeurt, die de fabriek vrijwillig verlaat? A. Die verliest zijn rechten op de kas en op de som, die hij gestort heeft. De kas is het eigendom van de werklieden en wordt beheerd volgens een reglement dat zij zelf gemaakt hebben. 7796. V. Wat geschiedt er met oen werkman, die weggezonden wordt ? A. Die verliest ook zijn rechten. 7797. V. Gij zendt echter uwe werklieden niet weg zonder zeer gegronde redenen ? A. Neen, er moeten ernstige redenen voor bestaan. 7798. V. Maar de werkman verliest dan toch eveneens zijn rechten op de kas? II. |
A. Ja. 7799. V. Onder de grondstoffen, die in uwe fabriek gebruikt worden, behoort ook loodwit, niet waar? A. Ja. 7800. V. Maakt gij dat zelf? A. Neen. 7801. V. Dat loodwit wordt gebezigd voor het verglazen, niet waar'? A. Ja, maar wij gebruiken er slechts kleine hoeveelheden van. 7802. V. Maar wanneer de werkman de oplossing gebruikt, waarin het voorwerp dat verglaasd moet worden, gedom ⢠peld wordt, komt hij toch in contact met het loodwit? A. Ja. 7803. V. Welke is uwe ondervinding omtrent don invloed dien dit op de gezondheid heeft? A. Wanneer de werklieden er ziek van worden, vervangt men zo, maar dat is zeer zeldzaam. 7«04. V. Is dat een vaste regel ? A. Ja, dat gebeurt al wel 20 jaar. 7805. V. Bedienen de werklieden voor de indompeling van de voorwerpen in de loodwithoudende vloeistof zich van hunne handen ? A. Zij hebben ook tangon, maar voor kleine en holle voorwerpen moeten zij zich van hunne handen bedienen. 7806. V. Wanneer die werklieden do fabrieken verlaten, moeten zij dan van kleederen verwisselen ? A. Zij mogen niet eten in de fabriek gedurende het werk, maar zij verwisselen niet van kleederen, behalve dat zij hun kiel en voorschoot afleggen. 7807. V. Behalve do werklieden die » glazuren, zijn er ook anderen die de glazuurders helpen om de stukken aan en weder weg te brengen. Zijn er onder dat personeel, dat ook bij u gedeeltelijk uit jonge meisjes bestaat, die do nadeelige gevolgen van het glazuur ondervinden ? A. Tot nu toe heeft zich onder dat personeel nog geen ziektegeval voorgedaan? 7808. V. Dus gij weet zeker, dat er zich geen ernstige ziektegevallen hebben voorgedaan ? A. Ja. 7809. De Voorzitter: Hebt ge ons nog eenige mededeelingen te doen ? |
194
|
A. Neen, Mijnheer de Voorzitter. Ik wil er nog slechts op wijzen dat onze voorzorgskas geheel afgescheiden is van het hospitaal. Wanneer een man ziek wordt en hij gaat naar het hospitaal, dan komt men vandaar de uitkeering vragen, maar die geven wij daaraan niet, want anders kregen de vrouw en kinderen niets. 7810. V. Wij danken u voor uwe komst en voor de gegeven inlichtingen. V. Jaunez. Verhoor van den heer J. Muller. 7811. De Voorzitter: Welke zijn uw naara, voornaam, beroep, ouderdom en woonplaats ? A. Jean Muller, opzichter in de fabriek de Céramique, oud 30 jaar, wonende in de gemeente Meerssen. 7812. V. Hoelang zijt gij in de fabriek ? A. Van mijn 18de jaar af. 7r'13. V. Welke werkzaamheden hadt gij als jongen van 13 jaar te verrichten? A. In dien tijd was mijn vader opzichter in de fabriek. Ik leerde toen voor modelleur in het gips. Wanneer op de fabriek het een of ander voorwerp vervaardigd moet worden, moot de modelleur eerst het model maken waarnaar de werklieden kunnen arbeiden. 7814. V. üij zijt dus als jongen van 13 jaar op de fabriek gekomen om het vak goed te leeren? A. Ja, wil 'men het vak grondig leeren, dan moet men er jong bij komen, ^lk moet u er bij zeggen, dat ik eerst 's morgens om 8'/2 uur begon om 's avonds 4 uur uit te scheiden. 7810. V. Als een jongen vanl3jaardus zijt gij op de fabriek gekomen, maar gij bezocht na 's middags vier uren, wanneer uw werk afgeloopen was. de teekenschool. Uit uwe verklaring begrijp ik dus, dat gij niet als een gewone jongen met uw werk begonnen zijt, maar een bijzondere opleiding hebt genoten? A. Juist Mijnheer, en wel voor modelleur, zooals er maar een op de fabriek is. 7817. V. Dat hadt gij dus te danken aan de omstandigheid, dat uw vader, als opzichter, in de gelegenheid was u een opleiding te doen geven? Gij bezocht dus trouw de teekenschool ? |
A. Tot mijn 18de jaar. 7818. V. Welke teekenschool? A. De stads-teekenschool, daarenboven de boetseerschool met 2-jarigen cursus, alsmede de burgeravondschool. 7810. V. En toen gij 18 jaar oud werd, kreeg uw werk eene andere richting? A. Volstrekt niet. Maar van toen af kreeg ik tehuis onderricht van een beeldhouwer in hetgeen ik voor de practische kennis van mijn vak noodig had. Toen ik 20 jaren oud was, is mijn vader plotseling gestorven en werd ik door den directeur in zijn plaats benoemd. 7820. V. Tot opzichter ? A. Mjjn vader had mij opgeleid dat ik in staat was zijne betrekking waar te nomen. 7821. V. Toen zijt gij uw vader opgevolgd? A. Ja, en sinds dien tijd ben ik ook nog altijd do modellen blijven maken. 7822. V. Sinds uw 20ste jaar zijt gij opzichter geworden, maar dat heeft niet belet dat gij altijd zijt blijven werken aan het fijne werk ? A. Ja. daar.breng ik het meeste van mijn tijd mede door. 7823. ^, Gij zijt dus daadwerkelijk ook voortdurend bezig met het behandelen van de elders in de fabriek ruw gevormd wordende grondstof? A. Juist. 7824. V. Zijt gij een groot deel van den dag in de zaal der faïenciers ? A. Ik heb een afzonderlijk lokaal voor mij en mijn jongeren broeder, die datzelfde vak van modelleeren van mij leert. 7825. V. Hebt gij daar ook stoomkracht ? A. Noen, dat werk, het uitsteken van het gips, gaat uit de hand. 7826. \ . En omdat gij alleen zit met uw broeder en omdat er geen quaestie is van stoomkracht, hebt ge waarschijnlijk in dat lokaaltje geen last van die massa stof? A. Neen, hoegenaamd geen. 7827. V. Hebt gij het opzicht over de faïenciers ? A. Ik moet hun werk nagaan ; ik moet hun werk keuren en zien of zij de modellen, die ik hun geef, gevolgd hebben. |
195
7828. V. Hoeveel menschen hebt gij onder andere in de fabriek een man in onder u? datzelfde vak, die 36 jaar daar is en
A. Ongeveer 225. ; nooit ziek geweest is.
7829. V. In hoevele zalen zitten die ? 7839. V. Dat is dan een gelukkige A. In quot;10 zalen. man. Maar zijn er velen die boven de
7830. Stuift het daar erg ? 50 jaar worden ?
A. Neen, iederen avond, wanneer de A. Daaraan doet het drankmisbruik
werklieden vertrokken zjjn, komen af- veel kwaad. Er zijn verscheidene die
zonderlijke personen om de vertrekken boven de 50 jaar zijn.
te schrobben. De vloeren zijn in steen 7840. V. Hebt gij dikwijls bijgewoond
en er is hoegenaamd geen stof. dat zij op 40- a 45jarigen leeftijd dood
7831. V. Maakt gij het niet te mooi ? gingen ?
Het werk dat in de fabriek verricht A. Dat is ook geschied.
wordt, veroorzaakt toch stof? 7841. V. In grooten getale?
A. De menschen behoeven geen stof A. Neen, dat getal is zeer klein,
te maken. De chef is er sterk tegen 7842. V. Gelooft gij in gemoede te
dat stof gemaakt wordt en daarom kunnen zeggen, dat het werk op die
wordt er scherp op toegezien. zalen niet van dien aard is, dat de men-
7832 V. Wanneer wij u hooren, krij- schen er onderdoorgaan ?
gen wij eeno voorstelling van den toe- A. Neen, want zooals de zalen inge-
stand op do werkzalen der faïenciers. richt zijn behoeven naar mijn oordeel
die wel wat afwijkt van de voorstelling die menschen hoegenaamd geen stof te
van den toestand in de werkzalen door maken. Stof ontstaat meestal wanneer
andere fabrikanten van aardewerk ge- er geloopen wordt in zalen, die niet
geven ? Het is toch een feit dat het zuiver gehouden worden, en daarvoor
werk dor faïenciers, de zoogenaamde wordt door de heeren bij ons gezorgd,
pottemannekens, zeer veel stof veroor- üok wordt de aarde nat bewerkt, en
zaakt, of is dit in de Céramique niet! dat kan geen stof goven.
het geval ? 7843. V. Is dat iets bijzonders dat de
A. Onze lokalen zijn zoo ingericht aarde bij u nat bewerkt wordt, of is
dat geen stof voorkomt. Het meeste dat op andere fabrieken ook het geval ?
stof wordt veroorzaakt door het loopen A. Op andere fabrieken ook.
in niet gereinigde lokalen, en dat wordt 7844. Op andere fabrieken schijnt de
in do Céramique tegengegaan lucht toch erg met stofdeeltjes bezwan-
7834. V. Zijn aan de Céramique meer gerd te zijnquot;?
zieken dan gij omtrent andere fabrieken A. Dat kan ik niet zeggen, op andere
verneemt? fabrieken ben ik niet bekend.
A. Wij hebben zeer weinig zieken ; 7845. V. Gij hebt eene kas aan do
op de 225 menschen zijn thans slechts fabriek, niet waar?
2 ziek. A. Ja, een ziekenfonds. Het wordt
7835. V. Lijden deze aan de borst? door de werklieden zeiven bestuurd, en A. De eene is een jongen die er laat iedereen is verplicht tot die kas bij te
bij is gekomen na als huzaar in dienst dragen.
te zijn geweest. Welke ziekte hij heeft 784G. V. Vergist gij u niet? Ik meende
kan ik niet zeggen. De andere zal eeni-! dat het wel regel was dat alle werk-
gen tijd thuis moeten bljjven. lieden aan het fonds deelnamen, maar
783(). \ . Zijn er geen borst- of tering- dat er geen order was van de directie zieken onder uw personeel ? ; dat de werklieden daaraan moesten A. Dat kan ik niet zeggen. I deelnemen ?
7837. \ Komen de werklieden dus A. Het reglement zegt dat allen in geregeld op de fabriek 1 het fonds moeten gaan : alleen zij die
A Ja een koffiehuis houden, mogen geen lid
7838. V. Gaan de werklieden, die in worden.
de Céramique aardewerk maken, niet 7847. V. Do heer Jaunez, die wij zoo-
vroegtijdig dood? even gehoord hebben âhet is volstrekt
A. Daar zijn er onder. Maar ik heb geen punt van bezwaar; gij kunt er u
19b
|
gerust over uitspreken â heeft ons gezegd, als wij goed verstaan hebben, dat op zeer luttele uitzonderingen na, alle werklieden in het fonds waren; maar geheel uit vrije beweging. De heer Jaunez heeft medegedeeld, dat het eeno gewoonte was, waaraan men zich meestal hield, maar geen bevel, geene conditie, geene verplichting, uitgaande van de directie. Uit uwe woorden moet ik echter afleiden dat hier wel een bevel van de directie bestaat om in het fonds te gaan. Blijft gij bij die verklaring? A. De directeur heeft ons gezegd dat iedereen er in moet gaan, tenzij iemand een kwaal mocht hebben, dan wordt hij er niet in toegelaten. 7848. De Voorzitter verzoekt den griffier den heer Jaunez nog eens binnen te laten komen. V. Mijnheer Jaunez, wij hebben u verzocht nog even binnen te komen, omdat er een klein verschil van opvatting schijnt te bestaan tusschen u en den getuige Muller. Ik heb daar straks aan u gevraagd of het verplichtend voor de werklieden was om deel te nemen in de voorzorgskas. Gij hebt dat toen ontkend. Ik herhaal derhalve de vraag: is de deelneming verplichtend ? A. Neen, Mijnheer de Voorzitter. 7849. V. Er bestaat dus van uw kant geen bepaalde verplichting voor do werklieden om lid te worden van de voorzorgskas ? De heer Muller verklaart echter dat die verplichting wèl bestaat. A. De werklieden bepalen dit onder elkander. 7850. V. De heer Muller meende dat er een stellig bevel van de directie bestond. A. Zedelijk dwingen wij de menschen, wij vinden het niet goed wanneer zij geen lid van de voorzorgskas worden. 785,1. V. Maar gij zult er geen werkman om wegzenden ? A. Neen, hoewel wij er eerder toe zouden overgaan. Wij doen ons best om de menschen er toe te nopen om in de voorzorgskas te gaan, maar wij kunnen ze niet dwingen. 7852, V. Gjj blijft er dus bij, dat er geen verplichting bestaat ? A. Ja. 7853. V. Nog eene vraag: de koffiehuishouders worden niet aangenomen als lid 7 |
A. Neen. 7854. V. Waarom niet ? A. Omdat zij verplicht zijn tot laat in den nacht, tot 2 uur, voor hunne herberg te zorgen, terwijl zij weder 's morgens vroeg in de fabriek moeten zijn, en dat is niet gezond. Een werkman die er een kroeg op nahoudt, wordt uit het fonds verwijderd, maar niet uit de fabriek. 7855. V. Om die redenen, die gij aangegeven hebt, mogen ze niet in het fonds blijven, maar zij mogen wel op het stuk blijven werken ? j A. Ja. 7856. V. Wij danken u voor deze nadere inlichtingen. Mijnheer Jaunez. I Do heer Jannez verwijdert zich. V. Jaunez. 7857. V. Dus, Mijnheer Muller, als wij nu den heer Jaunez goed begrepen hebben, komt de zaak hierop neder, dat zedelijk door de directie al het mogelijke gedaan wordt om de werklieden, als wijzen voorzorgsmaatregel, in het fonds deel te doen nemen, maar dat do weigering geene reden is om iemand weg te zenden. i A. Neen, wie niet deel wil nemen behoeft dit niet; het is trouwens geheel en al voor het welzijn van den werkman. 7858. V. De boeten komen in de kas? A. Ja. 7850. V. Zijn die nog al van belang ? A. Er komen boeten voor van '4 fr., 1 fr., 1,25 fr, 2 fr. tot 5 fr. toe. De hoegrootheid wordt bepaald door hetgeen de man misdaan heeft. 7860. V. Er wordt dus tot 5 fr. boete toe opgelegd? A. Ja, voor zekere vergrijpen. 7861. V. Bijvoorbeeld ? A. Wanneer een werkman dronken op de fabriek komt en hij maakt ruzie en gaat vechten, dan krijgt hij 5 fr. boete. 7862. V. Komt dat veel voor ? A. Neen, zeer zeldzaam, want er is een portier, die den last heeft om dronken werklieden niet toe te laten. 7263. V. Gij zeidet daar: men heft eene boete van 25 centimes, van V2 fr., van 2, 3 fr. enz. Wordt die boete naar een vast reglement geheven ? |
197
7875. V. Hebt gij onder uw opzicht ook vrouwen en meisjes?
A. Niet dan volwassen mannen en jongens.
7876. V. Die worden elk door hun eigen «ouvrierquot; in dienst genomen?
A, De «ouvrierquot; geeft mij kennis, dat hij een jongen noodig heeft: hij zoekt dien dan zelf op en brengt hem mede. Ook gebeurt het wel, dat men hem plaatsing voor een jongen vraagt.
7877. V. In ieder geval krijgt de «ouvrierquot; den jongen voor zijne rekening?
A. Ja, Mijnheer, wat de «gaminquot; trekt, wordt van het loon van den «ouvrierquot; afgehouden.
7878. V. Wat heeft zulk een jongen op de Céramique?
danquot; hem vooruit medegedeeld en be kend is?
A. Neen. Daarbij komt nog dat het eene zeldzaamheid _i8 wanneer de straf door het reglement bepaald wordt toegepast. Zij worden altijd min of meer verzacht.
7871. V. Er bestaan dus bij uwe fabriek geene klachten over te harde toepassing van het stelsel van boeten?
A. Neen.
7872. V. Wat gebeurt er met de werk- times. Daar ligt dus vanzelf in opgeslo-lieden die te oud worden om te werken ? ton dat hij geen leergeld betaalt; maar
A. Dat komt zelden voor; bij mij in ik wil het ten overvloede nog vragen, de afdeeling is er slechts een geweest. Of doet hij dat wel ?
Zoover ik weet krijgen de werklieden A. Wanneer hij eenigen tijd als jon-die hun geheele leven aan de fabriek gen gewerkt heeft wordt hij werkman, zijn geweest, de helft van hun loon. Dit en, wanneer hij als werkman aangeno-wordt geheel vrijwillig, zonder eenige men is, moet hij 5 jaren lang een leerverplichting, door de fabriek gedaan. geld betalen.
quot; ~ ........ 788-2. V. Wi
/873. V. De voorbeelden kent gij dus, dat zij op hun ouden dag ondersteund werden; het zijn dus feiten die gij weet?
ie leert hem dan ? A. Ik en ook andere meesters. 7883. V. De jongens krijgen dan dus
en
A Zeker, ik kan de voorbeelden zelfs een soort van geregeld onderwijs opnoemen. ! daarvoor betalen zij ?
daarenboven door iederen werkman onderteekend worden.
7866. V. Het wordt hun dus vooruit bekend gemaakt ?
A. Ja, vóór zij beginnen te werken.
7867. V. Wordt er wel eens eene boete opgelegd in den vorm van eene doorloopende korting op het loon ?
A. Dat kan hoogstens voor één of twee quinzaines geschieden.
7868. V. En voor welk soort van vergrijpen wordt die boete geheven 7
A. Voor groote verzuimen, voor slecht afgeleverd werk dat niet beantwoordt aan het model enz. Maar het zijn groote uitzonderingen. En van die gelden blijft geen cent in de fabriek, alles komt in het ziekenfonds.
7869. V. Maar zooals gij zegt: alles quot;A. De jongens beginnen met 13jaar, is vooruit vastgesteld en door iederen want de directeur is er formeel tegen arbeider onderteekend, zij dragen er dus | dat jongere jongens aangenomen wor-allen kennis van ? den. Alleen wanneer het de zoon van
A. Ja eene weduwe of van een oud werkman is,
7870. V. Niemand kan zich dus be- wordt er wel eens eene uitzondering ge-klagen dat hij anders wordt behandeld, maakt en kan hij een maand of drie,
vier jonger zijn. Hij verdient dan 70 centimes.
787'J. V. Hoe gaat het verder ? A. üp zijn 18de jaar kan hij 2Vi francs hebben en dan wordt hij vol ouvrier.
7880. V. Hoeveel loon maakt gij ? A. '200 francs in de maand.
7881. V. Van het oogenblik af dat de jongen op zijn 13de jaar komt werken, krijgt hij dus een klein loontje, 70ceD-
A. Ja 7874. V. Dus wanneer de menschen
7864. V. Is dat reglement in de fa- oud en versleten zijn worden zij nooit briek opgehangen ? â A. Ja. aan hun lot overgelaten ? Zij komen
7865. V. Dus het is geene zaak van dan van uwe fabriek niet ten laste van zuivere willekeur ? het armbestuur ?
A. Volstrekt niet. Het reglement moet A. Tot nu toe is dat niet gebeurd.
198
|
A. Ja. 7884. V. Hoeveel is dat leergeld ? A. -20 pet. van het loon. 7885. V. Verleden week hebben wij ehoord den heer Markx, secretaris van et armbestuur. Die heeft ons medegedeeld dat 151 huisgezinnen van de Cé-ramique met geneeskundige hulp en geneesmiddelen bedeeld worden. Hoe rijmt gij dat met uwe verklaring dat uwe werklieden uit het ziekenfonds van de fabriek worden geholpen. A. De werklieden van onze fabriek hebben voor hun persoon recht op vrije geneeskundige behandeling en geneesmiddelen, maar niet voor hunne gezinnen. 7880. V. Dus beide verklaringen gaan zeer goed samen. Het fonds van de fabriek zorgt alleen voor den werkman, maar het is zeer goed mogelijk dat gezinnen van den werkman geholpen worden van den kant van het armbestuur? A. Ja. 7887. Hebt gij een eigen dokter aan de Céramiqne ? A. Twee, de heeren Schols en Vrijens. 7888. V. Komen ongelukken aan de fabriek voor ? A. In de laatste 7 a 8 jaren niet. 7889. V. Was toen wellicht een groot ongeluk gebeurd dat gij u dit zoo goed herinnert ? A, Een jongen had den arm gekwetst. 7890. V. Waardoor werd dat veroorzaakt ? A. De jongen had den riem onvoorzichtig afgenomen en opgelegd. 7891. V. Deed hij het dan terwijl de machine draaide ? A. Ja, en dat mocht hij niet doen. 7892. V. Komt gij bij de ovens in de Céramique, of weet gij niets daarvan ? A. Een enkelen keer heb ik ze gezien, maar ik heb er nieta mede te maken. 7893. V. Hebt gij wel eens een oven zien vullen of uithalen? A. Ja, de vorige week nog. 7894. V. Hebt gij dien oven zien uitbreken ? A. Neen, zij waren er mede bezig toen ik kwam. 7896. V. Dat is een heet werk ? A. De ovens worden in onze fabriek niet heet uitgehaald. 7897. V. Is dat bij andere fabrieken ook ? |
A Dat weet ik precies niet. 7898. V. Hebt gij onder 't volk van uwe fabriek wel eens hooren klagen dat het uithalen der ovens zulk een kwaad werk is ? A. Dat heb ik nog nooit gehoord. 7899. V. Kunnen zij op die wijze jaren aan het werk blijven, of het niet vele jaren uithouden ? A. Een ken ik, die er zelfs verscheidene jaren geweest is; zoolang als ik weet is die man daar. Meer kan ik niet zeggen. 7900. V. Een bepaald klagen over het harde of afbeulende werk aan het uithalen van die ovens bestaat dus niet onder het werkvolk aan uwe fabriek? A. Hoegenaamd niet. 7901. V. Was het verleden week, toen gij bij dien oven waart, daar bar heet ? A. Neen, ik nam zelfs een stuk, dat pas uit den oven kwam, in handen en dat kon ik zeer goed verdragen. Het was in het geheel niet warm. 7902. V. Waarom naamt gij het in handen 1 A. üm het eens to bekijken of het mooi gebakken was. 7903. V. En toen hebt gij bemerkt dat het koud was? A. Ja. 7904. V. Was dat verleden week? A. Ja. 7905. V. Waart gij er bijgeroepen, of hadt gij er te maken ? A. Neen, ik kwam er toevallig, omdat ik een vriend ging opzoeken, dien ik had te spreken en die daar opzichter is. 7906. V. Waren de lieden die aan het werk waren met het uitdragen van dien oven, half naakt? 7907. De heer Vau Alpheu : Dat is bij de biscuit-ovens ? A. Ja. 7908. Do heer Rnys van Beeren-broek : Uw werkdag quot;begint 's morgens om 7 uur en duurt tot 12 uur, en wordt vervolgd van half twee tot half zeven, zooals met alle arbeiders in de fabriek het geval is? A. Jawel. 7909. V. Moet gij wel nawerken, meer werken, dan die 10 uren? |
199
|
A. Dat is eene zeldzaamheid. T910. V. Is dit ook met de faïenciers onder uw opzicht het geval ? A. Dat is ook eene zeldzaamheid. In het drukke seizoen kan het hoogstens in eene maand eens voorkomen, dat tot 8 uren 'g avonds wordt doorgewerkt. Vóór 8 uren is alles weg. 7911. V. Gebeurt het in de Cérami-que dat er zooveel door de faïenciers gewerkt wordt, dat ze het goed niet kunnen afbakken en daarom de faïenciers soms een of een halven dag moeten stilliggen ? A. Ik weet niet dat dit voorvalt. 7912. V. Wordt er wel :s nachts of Zondags gewerkt ? A. Neen, bijna nooit. 7913. V. Brengen de getrouwde vrouwen wel eens hare kinderen mede op de fabriek ? A. Neen, nooit. 7914. De Voorzitter: L'w verhoor is afgeloopen. Jean Muller. Verhoor van den heer E. Ulricli. 7915. De Voorzitter: wees zoogoed mij uw naam, voornamen, beroep en woonplaats op te geven. A. Eduard Ulnch, opzichter in de sCéramique-fabriek'' te Maastricht. 7916. V. Hoe oud zijt gij? A. 29 jaar. 7917. V. Welk werk hebt gij aan de fabriek ? A. Ik ben opzichter van de stokers en over alles wat de ovens aangaat. 7918- V. Hoe lang zijt gij daar? A. Gedurende 14 jaar en ik ben sedert 12 jaar opzichter. 7919. V. Wat deedt gjj gedurende die twee eerste jaren ? A. Ik ben met mijn ouders medege-komen, ik heb twee jaar onder mijn vader gewerkt, die chef van de stokers was. toen werd ongelukkig mijn vader ziekelijk en ben ik dadelijk in zijne plaats benoemd. 7920. V. Is uw vader lang op die fabriek werkzaam geweest ? A. Neen. 7921. V. Heeft uw vader al die jaren dat hij ziek is geweest, ondersteuning getrokken van de fabriek ? |
A. Neen, hij heeft zelf zijn ontslag genomen, toen hij gevoelde dat hij niet goed zijn werk meer kon doen. 7922. V. Dus hij heeft geen ondersteuning gehad ? A. Neen, maar hij was nog niet lang op deze fabriek; hij was vroeger op eene andere. 7923. V. Kon hij dan op eene andere wijze zijn bestaan vinden ? A. Ja. 7924. V. Hoeveel verdiendet gij toen gij in zijne plaats kwaamt'! A. In den eersten tijd, toen ik als meester begon, had ik 2,/2 fr. daags, en nu heb ik 100 gulden in de maand ; ik heb elk jaar meer gekregen. 7925. V7. Is uw loon nooit afgeslagen ? A. Neen, wel gestegen. 7920. V. Worden de andere arbeiders wel eens afgeslagen ? Als gij het niet weet, moet gij het niet zeggen. A. Als er nieuwe inrichtingen komen, waardoor het werk gemakkelijker wordt, dan wordt do prijs eenigszins verminderd, maar juist door die nieuwe inrichtingen kunnen zij dan ook gemakkelijk meer produceeren en blijft de totaal-verdienste dezelfde. 7927. V. Vertel ons hoe bij de ovens gewerkt wordt, van het oogenblik dat de oven gevuld is, totdat hij afgestookt en geledigd is. A. Des morgens om 7 uur beginnen zij uit te halen en om 9 uur is de oven leeg; dan krijgen de werklieden 10 minuten om koffie te drinken. Van 9â12 uur wordt de oven weder gevuld, dan is er rust tot half twee, wanneer men weder aan het werk gaat tot half zeven. Het werk geschiedt niet altijd in dien tijd ; dat hangt van de omstandigheden af. Wanneer er bij voorbeeld een of meer werklieden van do ploeg ontbreken, dan duurt het werk natuurlijk langer. Dit is het geval met de vernisovens. Het ledigen en laden der biscuitovens vereischt meer tijd; wanneer 's Maandagmorgens met het ledigen begonnen wordt, is de oven gewoonlijk Dinsdagavond volgeladen, en daar zijn dus ongeveer twee dagen voor noodig. Om 7 uur 's avonds komen de stokers, die overdag kolen hebben gereden en den oven gereed hebben gemaakt. Zij blijven dus van 's morgens tot den vol- |
200
genden morgen, maar krijgen drie dagen A. De temperatuur is dan als in eene
kamer die op de gewone wijze verwarmd wordt.
793G. V. Dus is er niets bijzonders
en branden dan immers tot Donderdag ? aan ?
A. Ja, zij blijven ongeveer 36 uren aan. A. Dat hangt er van af, wanneer men
79'20. V. Bjj voorbeeld, wanneer de bij het openen iets vergoten heeft, het-oven Dinsdag gevuld is en dan om 7 uur geen kan voorkomen. De stoker moet 's avonds aangemaakt wordt, dan is de dan dien oven openen, anders is die wat hitte tot Donderdag voldoende voor het warmer. Maar in de laatste jaren is dat bakken? ⢠i zelden gebeurd.
A. Dooreen genomen branden zij 36 : 7937. V. Hoe is het in den zomer ? uren, soms wat langer of korter, maar Zou de oven dan ook aanstaanden meestal zelfs iets korter. i Maandag zijn afgekoeld ?
7930. V. Nemen wjj nu aan, dat do A. In den oven kan het wat warmer oven Donderdag om 7 uur 's morgens zijn, wanneer het daarbuiten heet is en gereed is, wanneer wordt lijj dan gele-' de zon op don schoorsteen staat. Dan digd ? kan het niet zoo goed aftrekken.
A. Wij hebben zoovele ovens, dat er 7938. V. Maar als men in den zomer slechts één per week behoeft geledigd ! was, zou het dan Maandag zóó zijn, dat te worden. het in don oven bezwaarlijk was uit te
7931. V. Wij hebben nu aangenomen, houden?
dat men een oven des Dinsdags laat A. In de laatste jaren komt dat niet
vullen, en dat dan dien avond om 7 uren meer voor.
het vuur wordt aangelegd en dat Don- 7939. V. Waarom niet ?
derdag het procédé afgeloopen is, tot A. Omdat men er ovens bijgebouwd
hoelang blijft dan de oven gesloten ? j heeft.
A. Dit hangt af van het weer; in den : 7940. V. Als ik goed verstaan heb, zomer wordt de oven vroeger openge- verklaart gjj dat, omdat er ovens zijn broken dan in den winter. bijgebouwd en het werk niet geforceerd
7932. V. Ik moet hieruit dus opma- wordt, de menschen in de Céramique ken, dat in den zomer meer versche niet meer in de ovens worden gezonden, lucht moet ingelaten worden om deaf- terwijl daarin nog eene onhoudbare koeling te bespoedigen? temperatuur heersrht. Is dat de waarheid?
A. Juist. Mijnheer. A. Ja.
7933. V. Dus dan is hij wel openge- 7941. V. Was vroeger de toestand broken, maar wordt er daarom toch nog ongunstiger?
niet uitgehaald? A Ja, 8 a 10 jaren geleden was de
A. Hij blijft dan van Donderdag tot toestand niet zoo gunstig als nu. de volgende week. Maandag, liggen. 7942. V. Hoeveel ovens waren er vroe-
7934 V. En is hij dan op dien Maan- ger en hoeveel zijn er nu?
dag nog heet. nog warm of reeds ge- A. Vroeger waren er 7 ovens, nu zijn heel afgekoeld? er 17, waarvan 7 biscuitovens en 10 ver-
A Dan is hij in den zomer lauw In nisovens den winter zou hij gedurende dien tijd 7943. V. Hoeveel biscuitovens waren te koud zijn, zoodat wij hem dan eenigen er vroeger?
tijd moeten toelaten. A. Drie.
7935. V. En dus in de onderstelling 7944. V. Onder de zeven ovens die gij waarin wij nu gesproken hebben, dat in den aanvang uwer komst aan de fa-die oven des Dinsdags gevuld was en briek vondt, waren alle ovens begrepen, dienzelfden avond het vuur er onder ook de biscuit- en de glazuurovens of' ging en hij dan den volgenden Maandag vernisovens, zooals gij die noemt.
teledigd werd, stel ik deze vraag: is | A. Alle.eledigd werd, stel ik deze vraag: is | A. Alle.
an do temperatuur in dien oven van 7946. V. Gij weet nauwkeurig dat toen dien aard, dat het de gewone tempera- j gij aan de fabriek kwaamt, er 3 bis-tuur is, of is zij hooger ? I cuitovens waren ?
betaald.
7928. V. De vuren der biscuitovens gaan dus Dinsdag 's avonds 7 uur aan
201
|
A. Dat weet ik zeker. 7947. V. En thans ? A. Zeven. 7948. V. En het gevolg van die vermeerdering is dat van de menschen niet gevorderd wordt in de ovens te gaan onder eene ondragelijke hitte ? A Tegenwoordig niet meer. 7949. V. Is dit ook het geval des zomers? A. Ja, als de ovens vroegtijdig geopend worden, komt geen bezwarende warmte voor. 7950. V. Hebt gij een middel om den warmtegraad te onderzoeken wanneer de menschen in de ovens moeten gaan? A. Dien kan men aan de bovenope-ning met de hand voelen. 7951. V. Gij houdt dus uitsluitend dat toezicht ? A. Ik niet alleen; er zjjn ook andere opzichters. 7952. V. Blijven de werklieden, die gij gebruikt om de ovens ledig te maken, jarenlang datzelfde werk doen, of zijn zij gauw versloten ? A. Tot heden zijn er nog zeer weini- fen die ontbreken; de meesten zijn nog ezelfde van jaren geleden.en die ontbreken; de meesten zijn nog ezelfde van jaren geleden. 7953. V. Dus daaromtrent zijn er geene moeilijkheden? A. Neen. 7954. V. Hebben zij datzelfde werk steeds kunnen volhouden ? A. Ieder man heeft slechts eenmaal in de week een oven te ledigen. 7955. V. Uw personeel is dus zoo groot, dat gij daarvoor beurtelings een ander man hebt. En éénmaal in de week wordt een oven uitgehaald ? A. Ja. 7956. V. VVordt er ook het een of ander middel gebruikt om, als zij uitscheiden met stoken, het vuur snel van onder den oven te verwijderen ? A Neen, tegenwoordig niet. 7957. V. Vroeger wel ? A. Vroeger haalde men het vuur uit. 7958. V. Maar dat is niet meer noodig? A. Neen, omdat er nu tijd genoeg gelaten wordt voor afkoeling. 7959. V. Als de menschen de ovens ledig maken zijn zij dan half naakt ? A In de laatste jaren niet meer. Zij leggen enkele kleedingatukken af om het niet al te warm te krijgen. |
7960. V. Maar is het werk zelf niet zeer afmattend? A. Ja, veel afmattender dan ander werk. 7961. V. Dan welk werk? A. Dan het cassetten-vullen. 7962. Het uitnemen is zwaarder ? A. Ja. 7963 V. Zijn zij daarbij half gekleed? A. Neen, ook niet meer in de laatste jaren. 7964. V. Zijn er ook vrouwen bij A. Bij de biscuitovens niet. 7965. V. Komt de heer Jaunez dikwijls bij het biscuitbakken kijken, of laat hij dit aan u over? A. Gaat alles goed, dan is zijne tegenwoordigheid niet noodig. Maar hij komt alle dagen wel eens kijken. 7966. V. De heer Jaunez heeft ons, meen ik, gezegd, dat de twee menschen die het goed in de biscuitovens zetten, gewoon waren hun hemd uit te trekken. Is dat zoo ? A. Ja, 's zomers als het zeer warm is. In den winter zou dat te koud zijn. 7967. V. Zijn dat volwassen mannen ?, A. Ja, zij tellen ten minste twintig jaren. 7968. V. Wordt er 's nachts ook in de fabriek gewerkt ? A. Neen, uitgezonderd door de stokers en door de machinisten en Zondags, indien er kleine reparatiën moeten plaats hebben. 7969. V. Gij hebt ons straks verteld dat bij het aanleggen van de vuren onder de biscuitovens, de stokers wel eens 24 uren achter elkander werken ; eerst om den boel klaar te maken, de kolen aan te rijden en dan het vuur aan te maken; tevens hebt gij gezegd dat zij dan voor 3 dagen worden betaald. Worden bij dat werk, dat 24 uren achtereen duurt, ook jongens gebruikt? A. Neen, dat doen alleen volwassenen. 7970. V. Het verhoor is afgeloopen; wij bedanken u. E. Ui.uicii. Verboor van den heer Fr. t'laessens. ( Verkort.) 7971. V. Wilt gij uw naam, voornaam, ouderdom.beroep en woonplaats opgeven? |
202
|
A. Franciscus Claessens, oud 03jaar, aardewerkdrukker op de fabriek de Céramique te Maastricht. 7972. V. Zijt gij als kleine jongen reeds op de fabriek gekomen? A. Op mjjn lyde jaar ben ik bij de heeren Regout gekomen. 7973. V. Zijt gij daar lang geweest? A. I I jaar. 7974. V. Waar zjjt gij toen heengegaan? A. N'aar de Céramique. 79Jö. V. Hoelang zjjt gij daar geweest ? A. Van 21 November 1851 af, dus 35 jaar. 7976. V. Dat klopt niet. A. Ik heb niet precies onthouden wanneer ik bij den heer Regout ben weggegaan ; het kan wel wezen dat ik daar eenige jaren langer ben geweest dan ik zooeven opgaf. 7977. V. Welk werk deedt gij in uw jonge jaren bij de heeren Regout ? A. Daar ben ik ma ju- 2 of 3 jaar op de drukkamer geweest, maar anders op het magazijn om vernis te maken. 7978 V. Het is al heel lang geleden dus dat gij die fabriek hebt verlaten, en voor de rest kunt gij dus daaromtrent geen verklaringen afleggen. A. Neen. 7979. V. Maar gij zijt dan nu op de Céramique ? A. Ja. 7980. V. Zijt gij daar nu in dezelfde betrekking ? Voor hetzelfde werk ? A. Nu niet meer; ik ben nu ziek. 7981. V. Maar gij zijt toch drukker? A. Nu niet meer; ik ben nu ziek. Ik ben thuis en krijg de helft van mijn loon als ziekengeld; maar omdat ik er zoolang geweest ben, geeft mjjnhcer mij de andere helft er bij. 7982. V. Hoelang zijt gij reeds van de fabriek ? A. Ik ben nog op de fabriek, maar ik ben ziek. 7983. V. Welk werk doet gij tegenwoordig op de fabriek? A. Ik doe niets. 7984. V. En gij zegt dat gij nog op de fabriek zijt? A. Ik kom nog wel op de fabriek, maar ik werk niet. 7985. V. Sinds wanneer werkt gij niet meer ? |
A. Met Maart aanstaande wordt het een jaar. 7986. V. Dus tot verleden jaar Maart heb gij op de fabriek gewerkt? A. Ja. 7992. V. Hoeveel loon hadt gij ? A. Fr. 3,50 a fr. 4. 7993. V. Per stuk 7 A. Per stuk had ik iets meer; het daggeld was ongeveer fr. 3,50. 7994. De heer Ruys van Beeren-broek : Gij zegt dat 'gij in eene ploeg waart; hoe groot was die ? A. Vier personen, drie meisjes en ik. Twee groote meisjes en een kleine. 8017. De Voorzitter: Uw verhoor is afgeloopen. x (F. Claessens, die verklaart niet te kunnen schrijven.) Verhoor van den heer Petrus Hubertns Berghol tz, te Maastricht. ( Verkort). 8018. V. Wilt gij mjj uw naam, voornamen, ouderdom, beroep en woonplaats opgeven. A. Petrus Hubertus Bergholtz, oud 51 jaren, aardewerker in de fabriek de Céramique. 8019. V. Werkt gij al lang in die fabriek ? A. 36 jaren. 8020. V. Altijd aan hetzelfde soort van werk ? A. Jawel, Mijnheer. 8021. V. Welk is uw werk? A. Het maken van de zaken die er zijn. 8022. V. Maar er zijn toch waarschijnlijk vele voorwerpen, die gij niet maakt. Gij vormt denk ik de voorwerpen uit klei? A. Ja, Mijnheer, ik ben vormer. 8023. V. Zijn er velen die hetzelfde werk verrichten? A. Omstreeks 200 man. 8024. V. Zjjn dat allen vormers? A. De jongens, die enkel helpen, zijn er bij gerekend. 8025. V. Zijn er niet 220 werklieden, die, in 10 zalen verdeeld, werken ? A. Dat komt wel zoo uit. 8026. V. Dus gij zijt met 20 of 25 man op eene zaal ? |
203
|
A. Ja. 8027. V. Zijn die zalen naar uw beste weten nog al goed ingericht? A. In den tegemvoordigen tijd ia het onverbeterlijk, want als wij 's morgens in de fabriek komen, komen wij in versch geschrobde zalen. Dat schoonmaken is 's avonds na werktijd verricht door vrouwen, die weduwen zijn en anders geen verdiensten hebben. 8028. V. Komt er onder uw werk veel stof in de lucht ? A. Alles wordt nat bewerkt. 8029. V. Zijn er vele personen in uwe afdeeling, die, als zij een jaar of wat gewerkt hebben, beginnen te hoesten en net op de borst krijgen, of doet zich dat betrekkelijk minder voor? A. Ik kan niet anders zeggen dan : ik heb in die 36 jaren nooit iets gemankeerd en geen doctor gehad. 8030. V. Dat wil ik gaarne gelooven; maar zijn anderen even gelukkig, of hebt ge er rondom u veel zien vallen? A. Hoe bedoelt gij dat? 8031. V. Wel, zie eens. Men zegt, dat het werk der faïenciers voor de gezondheid zeer schadelijk is; dat zij het stof inademen, het op de borst krijgen, last hebben van hoesten en veel voorbeschikt-heid hebben om de tering te krijgen, dat dit dan ook met velen het geval is en dat zij er aan sterven. Vertel ons eens, wat is daarvan ? A. Ik kan niet anders antwoorden dan dat men geen nadeel van het werk ondervindt, als men overigens een geregeld leven leidt. Ik voer een geregeld leven en doe de zaken die mij opgelegd worden. 8032. V. Zijt gij getrouwd? A. Ja. Ik ben 24 November 1850 op de fabriek gekomen en ik heb nooit moeilijkheden gehad met mijne patroons. 8033. V. Gij allen zijt nogal tevreden met uwe chefs ? A. Wij hebben goede heeren, en die over hen klaagt, doet leed aan Onzen Lieven Heer. 8034. V. Is dat de algemeene opinie? A. Ja, wij hopen dat de fabriek jaren lang zal blijven bestaan. 8035. V. Gij zijt dus tevreden ? A. Ja. |
8036. V. Maar nu dwalen wjj af. Gij hebt ons van u zeiven verteld ; gij zelve zijt nooit ziek geweest; maar hoe is het met uwe kameraden ? Zijn er nog aan de fabriek dio gij er vondt en die er gelijk met u zijn gekomen ? A. Van die allen bestaat niemand meer; die even oud waren als ik zijn allen uitgestorven. 8037. V. En die kort na u aan do fabriek kwamen ? A. £r zijn er nog die 25 a 28 jaar aan de fabriek hebben gewerkt, en die als kind daar gekomen waren. 8038. V. Zijn die niet ziekelijk? A. Neen. 8039. V. Het is toch opvallend dat allen, die omtrent denzelfden tijd met u opkwamen, zijn uitgestorven ? A. Dat waren menschen, die nu bij ons, dan bij Regout werkten, of lïelgiö of Pruisen ingingen. 8040. V. Indien ik het wel begrijp, waren de lieden tijdens uwe konist in de fabriek minder gestadig dan de later gekomenen ? A. Zij waren ruwer en wilder. 8041. V. Zijn zij later meer blijvend op de Céramique geworden? A. Ja. 8042. V. Is wellicht de behandeling daar verbeterd ? A. Ja. 8043. V. En dit had ten gevolge dat de menschen langer bleven en niet meer zoo in- en uitliepen ? A. Dat is de bedoeling. 8045. V. Vroeger schijnt het personeel op de Céramique niet best geweest te zijn? A. Toen was het nog de firma Clermont en Chenaye. 8040. V. Dus later is door een ander régime en onder andere chefs alles geheel anders geworden ? A. Ja, er zijn vele verbeteringen aangebracht, en nu blijft hetzelfde personeel werkzaam. 8047. V. Zijn onder het tegenwoordig personeel menschen van 45 jaren? A. Ja, ik kan er opnoemen. 8048. V. Zijn er in de laatste jaren op uwe afdeeling sterfgevallen van jongere menschen voorgekomen ? A. Neen, wel van menschen die mijne jaren ongeveer nabij kwamen. 8049. V. Dat is dan toch niet heel veel over de 45 ? |
204
|
A. Zij waren zoo ongeveer 46, 48 a 49. 8050. V. En jongere menschen zijn op uwe afdeeling in de laatste jaren niet gestorven? A. Neen, jongere niet. 8051. V. Zijn er vele zieken ? menschen die tehuis moeten blijven, omdat zij hoesten en gaan sukkelen? A. In mijne afdeeling niet. 8052. V. Komt dan de zoogenaamde pottemannekesziekte op de Céramique niet zoo sterk voor? A. In mijne afdeeling niet. üp de Céramique zijn weinig zieken, ik geloof zelts dat er maar twee zijn, waarvan één een overkomer is, die niet als kind b|j ons is gekomen. Het is nog een jongmensch, hij kan zoo wat aan de 30 wezen. 8053. V. Maar er zijn wel fabrieken waar die ziekte heel dikwijls voorkomt ? A. Ja, zooals men dat hoort, maar weten doe ik het niet. 8054. V. Gij wordt betaald bij het stuk? A. Ja. 8055. V. Wat kunt gij tegenwoordig maken ? A. Ongeveer 5 francs. 8056. V. Hebt gij al meer verdiend ? A. Ja, en nooit daar beneden. 8057. V. Moet van die 5 francs, behalve de percenten voor het ziekenfonds, nog iets af, bijv. voor machinegeld ? A. Neen. Bij de Céramique bestaat geen machinegeld of iets van dien aard. 8058. V. Hebt gij vroeger wel gewerkt voor hooger tarief? A. Neen; vroeger werd niet verdiend wat nu gemaakt wordt. Ik ben altijd vooruit- en nooit achteruitgegaan. 8050. V. Bij de Céramique worden dus niet, zooals op andere fabrieken wel gebeurt, de tarieven verlaagd? A. Neen, de tarieven bij de Céramique bestaan van oudsher. Door betere inrichting kan men echter meer afleveren en daardoor meer verdienen. 8000. V. Gij hebt met de ovens en het bakken niet te maken ; maar hebt gij het nooit bijgewoond? A. Neen. 8061. V. Gij kiest de jongens die u bij het vormen helpen, zelf, niet waar ? A. Soms worden ze mij gegeven, een anderen tijd breng ik ze mede. |
8062. V. Maar zij moeten naar uw zin zijn, want gij betaalt ze uit uw loon ? A. Ja, zij moeten geschikt en gehoorzaam zijn, anders wil ik ze niet houden. 8063. V. En wat verdient zoo'n jongen? A 35 cents per dag. 8064. V. Dat zijn dus kleine jongens, die gij opfokt ? A. Ja, de laatstkomenden uit de school, zoo jongens van een jaar of 13. Ik fok ze op; zwaar werk doen zij bij mij niet, maar onder dat helpen en aanbrengen leeren zij zachtjes aan het vak. 8005. De heer Ru.vs van Beereu-broek: Gij zijt op 15jarigen leeftijd op de fabriek gekomen; zijt gij toen dadelijk aan hetzelfde werk begonnen ? A. Ja, bij een meester. 8077. V. Uwe vrouw heeft nooit op de fabriek gewerkt, niet waar? A. Neen. 8078. V. Worden er ook boeten opgelegd ? A. Ja, er worden boeten opgelegd; de orde moet worden gehandhaafd. 8079. V. Gij wilt met andere woorden zeggen: er worden alleen aan hen boeten opgelegd, die het verdienen. A Ja. 8080. V. Bestaat daarvoor een bepaald reglement? A. Ja, dat hangt voor iedereen in de fabriek te lezen. 8088. V. Zijn de aardwerkers nog al drinkers ? A. Och. men heeft er allerlei kostgangers onder; de een is zus, en de ander zoo. Een ieder voldoet zijn hart; de een heeft lust zich eens te bedrinken, de ander weer om zich altijd fatsoenlijk te houden. 8090. V. Wonen de meeste aardwerkers in Wijk en Maastricht of in omliggende dorpen ? A. De aardwerkers wonen allen in Wijk of Maastricht, slechts eenige hulpjongens wonen op de dorpen. 8091. V. En waar wonen de andere arbeiders van de fabriek gewoonlijk 7 A. Van de andere werklieden wonen cr velen in de dorpen. 8092. De Voorzitter: Uw verhoor is afgeioopen. P. H. Bergholt?.. |
205
|
Verhoor van den heer P. A. H. Regout. 8093. De Voorzitter: Mag ik uw naam, voornaam, betrekking, ouderdom en woonplaats weten ? A. Petrua Alexander Hubertus Re-gout, lid der firma Petrus Regout en Cn., oud 59 jaren, te Maastricht. 809-4. V. Voert gij met de heeren Louis en Eugène Regout het beheer over de zaken der firma? A. Ja. 8095. V. Uit vorige verklaringen hebben wij reeds vernomen dat de heeren, gelijk te doen gebruikelijk is, den arbeid eenigermate hebben verdeeld. Welke is uwe afdeeling? A. Het glaswerk. 8096. V. Over welk personeel hebt gij bepaald het opzicht. Ik vind op onzen staat dat in uwe afdeeling werkzaam zijn : 418 mannen, 1 11 jongens van 12â16, 55 van 16â18 jaar; 58 gehuwde en 65 ongehuwde vrouwen, 21 meisjes van 12â16 en 22 van 16â18 jaar: is dat juist? A. Dat zal wel zoo wezen. 8097. V. Heeft dat geheele personeel denzelfden werktijd? A. Ja, behalve de glasblazers, die 's nachts werken. De anderen werken van 7â12 en van half twee tot half zeven uren. Do glasblazers beginnen des morgens van 6 uren tot des avonds 6 uren; dan werkt eene nieuwe brigade den geheelen nacht door tot 6 uren des morgens, met kleine tusschenpoozen om te eten enz. S098. V. Dus bij het glasblazen wordt dag en nacht doorgewerkt? A. Ja, daar begint men des Maandags om 6 uren tot des Zondagsmorgens om 6 uren. 8099. V. En dat doet gij omdat gij een zoogenaamd feu continu hebt? A. Ja. 8100. V. Geschiedt de omwisseling om de week ? A. Ja, iedere acht dagen. 8101. V. Is er des Zondags rust? A. Ja, behalve voor dc stokers en fondeurs (smelters). 8102. V. Is dat het geheele jaar door hetzelfde personeel ? |
A. Ja, behalve als er twee feestdagen achtereen zijn, dan hebben zij een dag vrij. 8103. V. Hebben dus de fondeurs maar drie a vier dagen in het geheele jaar rust ? A. Ja, wanneer er twee feestdagen achter elkander zijn, omdat men ze dan een dag kan missen. 8101. V. Hoe laat komen die menschen iederen nacht op? A. Evenals de glasblazers afwisselend. 8105. V. Is er een afzonderlijk korps ? A. Ja, de fondeurs, die de grondstoffen in de kroezen worpen, en de stokers, die de vuren moeten aanhouden. 8106. V. Hoe talrijk is het personeel fondeurs en stokers 't A. Vier bij dag on vier bij nacht; aan iederen oven is een fondeur en een stoker. 8107. V. Gij hebt 4 ovens in de glasblazerij ? A. Ja, do vier stokers hebben nooit een dag vrij. 8108. V. Ook niet op de drie feestdagen ? A. Neen, do vuren moeten aangehouden worden. Met de smelters is het anders gesteld. Daar het glas 24 uren noodig heeft om to smelten, zijn zij vanzelf' van dio 48 uren 24 uren vrij. Zij hebben met Paschen, Pinksteren. Kerstmis, Vastenavond enz., vrij. 8109. V. Komen die menschen, afgescheiden van die vier feestdagen, naar gelang zij tot de dag- of nachtploeg behooren, ook iederen Zondag op voor het werk? A. Ja. 8110. V. Hoe wisselen die ploegen om ? Wanneer komt de nachtploeg in de plaats van de dagploeg en omgekeerd? A. Zij wisselen op het midden van den dag. De eene ploeg werkt dan iets over en de andere iets minder. 8111. V. Dezen werken alzoo ongeveer 18 uren achter elkander? A. Ja. 8112. V. Wat verdienen de smelters? A. Drie en vier francs per dag. 8113. V. En de stokers? A. f 1,70 per dag, plus zeer veel accessoires voor het zetten en verwarmen van potten enz. Zij kunnen altijd f 2,25 per dag maken. 8114. V. Die arbeid voor fondeurs en |
206
|
stokers is dan toch nogal inspannend ? A. Jawel, maar zij beklagen er zich nooit over, in 't minst niet. Indertijd heb ik hun aangeboden met behoud van hun geld één dag in de week vrij te geven, maar zij hebben het niet gewild. 8115. V. Waarom niet? A. Och, zij zijn dat werken zoo gewoon. 81 !G. V. Laten wij elkander eens goed verstaan. Gij hebt, zegt gij, die men-echen een dag vrjj willen geven, met behoud van hun joon, en zij hebben daarvoor bedankt ? A. Ja zeker. 8117. V. Dus naar uwe verklaring was de liefhebberij in het werken zóó groot, dat zij zeiden : neen Mijnheer, wij bedanken u voor den vrijen dag. laat ons maar liever werken, wij zijn dat zoo gewoon ? A. Ja. 8118. V. En wanneer hebt gij dat voorgesteld ? A. Een jaar of 10 geleden. 8119. \'. Na dien tijd zijt gij zeker niet op die zaak teruggekomen ? A. Neen. 8120. V. Gij zult mij toestemmen dat het wel wat fabuleus klinkt? En dat het al heel zonderling schijnen moet dat, wanneer men niet alleen wat uw fabriek betreft, maar in het algemeen aan een arbeider of wie ook zegt: ik zal u een dag in de week vrijaf geven en toch uw volle loon betalen, dat dan de arbeider antwoordt; ik dank u vriendelijk, laat mij maar wevken. Dat grenst aan het exorbitante! Is het inderdaad wel zoo? A. liet is toch zoo. 8121. V. En hebt gij nooit meer geprobeerd om die menschen die weldaad te bewijzen ? A. Neen. 8122. V. Dus gij laat werken van 1 Januari tot 31 December, met vier dagen in het heele jaar vrij ? A. De stokers hebben geen enkelen dag vrij. 8123. V. (ioed, die dus hebben van 1 Januari tot 31 December niet éen enkelen dag vrij. En de anderen hebben vier dagen vrij in het heele jaar? A. Ja. |
8124. V. Zoodat de menschen geen Zondag vrij hebben ? Nooit ? A. Neen. 8125. V. Zjjn dat allen dezelfde menschen, of wisselt dat personeel sterk af? A. Ik heb altijd dezelfde menschen. 8126. V. Dan zijn er zeker zeer bejaarde menschen onder, niet waar ? A. Ik heb er een gehad, die is verleden jaar gestorven en die was 80 jaar oud. 8127. V. Dat is allerremarquabelst 1 Die man heeft dus op zijn 70ste jaar. toen gij hem voorsteldet om hem een dag vrij te geven met behoud van het volle loon, gezegd: neen, laat mij maar wevken, ik ben dat zoo gewend ? A. Ik weet nu niet of die man toen precies 70 jaar was. 8128. V. Maar, gij zegt, dat de man nu is 80 jaar en zooals u straks gezegd hebt, is het 10 jaar geleden dat u die menschen geproponeerd hebt om een dag in de week niet te werken en toch hetzelfde loon te trekken, dus toen was de man 70 jaar De rekening sluit, meen ik. A. Ik kan dat zoo juist niet zeggen of het 10 jaar geleden is ; ik heb het natuurlijk niet genoteerd, maar het is cenigen tijd geleden. 8129. V. Hoe vindt gij het lot van die menschen ? A. Wat zal ik u daarop antwoorden? Alle menschen zijn in de wereld niet even gelukkig ; de een heeft het harder dan de ander. 8130. V. Maar gij hebt daarover waar-schijnljjk uw gedachten wel eens laten gaan. Vindt gij het lot van die mensehen van dien aard dat er termen zijn om er eenige verbetering in aan te brengen, of niet? A. Zeer zeker was het wenschehjk dat men den toestand van die menschen ! wat kon verbetoren, als het mogelijk was. 8l30!)is. V. En zou soms daaraan van de zijde der fabrikanten niets kunnen gedaan worden ? A. Met opofferingen zeker. Als men niet behoeft te vragen wat het kost, kan alles gebeuren. 8131. V. Maar zooals uw zaken gaan, vindt u daartoe geen termen A. Zooals de zaken tegenwoordig gaan, |
207
|
zal or heel veel op de werklieden moeten bezuinigd worden om de zaken staande te houden. 8132. V. Maar van deze menschen die gij het geheele jaar door, van 1 Januari tot 31 Decsraber, en even hard ook zelfs eiken Zondag laat werken, zal toch moeilijk nóg meer arbeid te vergen zijn ? A. ik zal het niet zeggen, maar men moet bezuinigen waar men kan; wij zullen er wel toe verplicht zijn, dooide vreeseljjke concurrentie die men ons in dit land aandoet, waar geen rechten tegenover staan. Als wij naar België leveren, betalen wij 10 pet, naar Frankrijk 25 pet., naar Duitschland nog meer. En wij arme hollandsche fabrikantjes moeten hier concurreeren tegen do geheele wereld met 5 ongelukkige percenten inkomend recht. 8133. V. Dus als ik hetgeen voorafgegaan is goed begrjjp, dan vindt gij integendeel aanleiding om er nog op te zinnen â op het stuk van den tijd en van de massa arbeid is geen uitbreiding mogelijk, want zij werken het geheele jaar â maar om ook voor deze menschen nog tot eene loonsverlaging over te gaan ? A. Wij zullen verplicht zijn om op alle mogelijke wijzen te bezuinigen, ten einde het hoofd te kunnen bieden aan de concurrentie. Ik ben van mijn ICde jaar in de zaken, maar ik heb nog nooit een tijd gekend dat wij zoo hard hebben moeten concurrceren als tegenwoordig. Het is een feit dat wanneer er geen verbetering in de zaken komt, wij verplicht zullen zijn om een massa volk te bedanken. 8134. De heer Ruys yan Beercn-broek: Gij spraakt daar van de inkomende rechten in verschillende landen. Leverdet gij vroeger ook naar andere landen, naar Duitschland? A. Naar Duitschland verzonden wij zeer veel. 8135. V. En thans? A. Nu is het niet meer mogelijk, want de rechten zijn te hoog. Zij zijn zoo verhoogd, dat het eigenlijk geheel prohibitieve rechten zijn geworden. 8136. V. Sedert wanneer is dit het geval ? |
A. De rechten zijn, meen ik, een 3, 4 jaar geleden tot stand gekomen. Vóór dien tijd leverden wij door geheel Duitschland; ik zelf heb Duitschland geheel bereisd. Maar nu is het ons totaal onmogelijk geworden. 8137. iJe Voorzitter: Maar toen u dit nog niet finaal onmogelijk was. was toen het lot der stokers beter? Verdienden zij meer loon bij u? A. Ja, zeker. 8138. V. Gij hebt dus het loon nu verminderd ? A. Zeer veel zelfs. 8139. V. Vóór dien tijd werkten de stokers dus ook van 1 Januari tot 31 December? A. Niet voor ons genoegen, maar omdat de omstandigheden het medebrachten. In alle glasblazerijen ter wereld is hot zoo. 8140. V. In den goeden tijd, toen u naar Duitschland uitvoerde, vergdetgij dus evenveel van hen ? A. Ja, zeker. 8141. V. Hoeveel verdienden zij toen ? A. 5 a (3 francs per dag. 8142. V. Dat is dus een 3, 4 jaar geleden ? A. Ik kan dit zoo precies niet uit mijn geheugen zeggen ; ik zou het u wel uit Maastricht kunnen mededeelen. 8143. V. Dit zjjn de stokers en de smelters ; maar gij hebt nog ander personeel ? A. Zeker; de glasblazers, die werken, gedurende zes dagen, elf uren per dag. 8144 V. Werken zij niet des nachts? A. Jawel; de glasblazers, die voortdurend aan de brandende ovens moeten werken, werken dag en nacht door met afwisselende brigades. 8145. Hoe laat beginnen zij ? A. Des Maandags-morgens om (1 uren. Te 8 uren krijgen zij cenige minuten om koffie te drinken üm 12 uren gaan zij in den zomer voor anderhalf uur. in den winter voor een uur naar huis om te eten. Dan werken zij door totdat de nieuwe ploeg komt. 8146. V. Zijn er ook jongens bij? A. Jawel, maar boven de 12 jaren. 8147. V. Natuurlijk, want anders zoudt gij ook gestraft worden. Dus er zijn jongens bij van tusschen de '12 en 13 jaren. Ook bij de nachtploeg? A. Zeker. |
208
|
8148. V. Dus gij laat toe, dat kinderen van dien leeftijd ook nachtwerk doen ? A. Jawel. 8149. V. Vindt gij daar niets in? Gij zegt het als het ware met zekere voldoening en tevredenheid. A. Ge moet me niet kwalijk nemen, maar ge vraagt mij naar de waarheid. 8150. V. Ik wensch u te vragen over het nachtwerk van de jongens. Wat is uwe ondervinding en ervaring wat hun lot, hun gestel, hunne ontwikkeling betreft? A. Gjj hebt hier Zaterdag een glasblazer, Robeers gehad. Hebt ge hem niet eens gevraagd hoe oud hij is begonnen te werken ? Hij is op zijn 8ste jaar begonnen, en hebt ge niet gezien welk een robust man hij is geworden ? 8151. V. De quaestie is niet wat iv/j aan getuigen vragen die reeds gekomen zijn of nog zullen komen, maar wat uwe opmerkingen zijn. Nudusnogeens over die jongens. Kijkt ge niet naar hen ? of vindt gij dat het nachtwerk schadelijk of niet schadelijk op hen werkt ? A. Ik heb van mijn 10de jaar af onder die menschen geleefd en ben nog alle dagen 0 of 8 uren tusschen hen, en ik kan de verzekering geven dat de jongens niet lijden. 815-2. V. Al komen zij ook 3 nachten in de week niet op hun bed ? A. Over dag kunnen zij slapen. 8153. V. Maar 3 nachten in de week komen zij niet op hun bed ? A. Maar die des nachts werken, hebben den dag om te rusten. 8154. V. Het is dus zooals ik vraag: 3 nachten van de week komen zij niet op hun bed ? A. Neen, 0 nachten van de week. 8155. V. 6 nachten ! l)an is het nog erger dan ik dacht. Ik stelde het nog wat zachter voor dan het is. Er zijn alzoo onder uwe directie op uwe fabriek jongens van 12 tot 13 jaar, die 0 nachten van de week niet op hun bed komen ? A. En over dag kunnen zij slapen. 8156. V. Acht gij dat niet schadelijk voor de ontwikkeling van die aankomende jongens ? A. Neen. |
8157. V. Gij zegt dat zoo koudweg, maar houdt gij het dan inderdaad niet voor bezwarend voor die jongens? A. Hoe zou het werk kunnen gaan zonder die jongens ? Eene brigade is niet compleet als er een aan ontbreekt. 8158. V. Dat is mijn vraag niet. Is hetgeen de jongens doen bepaald een werk dat door een kinderhand verricht moet worden ? Of is het gebruik van jongens eene quaestie van geld ? A. Ook het laatste. 8 I5Ã. V. Misschien het laatste hoofdzakelijk ? A. Ik vraag u excuus. Een jongen loopt, als het glas gereed is, er mee naar den oven. Dat is geen zwaar werk, een jongen doet dat spelende. Als een jongen dit 12 uren gedaan heeft, is hij onvermoeid en loopt nog als een haas. Zware personen en personen op zekeren leeftijd kunnen voor dat werk niet gebruikt worden. 8160. V. Dus gij noemt dit nachtwerk van kinderen in uw fabriek res nat/ifc/i achtereen, een werk dat spelendenvijs verricht wordt? A. Ja. 8101. V. Vrouwen en aankomende meisjes zijn niet onder uw regime? A. Ja, ook bij do slijpers, niet voor het werk in mijne fabriek, ofschoon men het in Duitsehland wel vindt. 8102. V. Wij spreken niet over den toestand in Duitsehland, maar in uwe fabriek. In de glasslijperij vindt men dus mannelijk en vrouwelijk personeel ? A. Ja. 8163 V. Komt daarbij ook nachtwerk te pas? A. Neen. 8164. V. Hoe laat komen zij aan het werk? A. Zij werken van 's morgens 7 tot 12 uren, en 's middags van half twee tot half zeven. 8165. V. Geldt dit de vrouwen en de meisjes ? A. Ja. 8160. V. Heeft die arbeid niets ongezonds of gevaarlijks? A. Ik zie dat niet in. 8167. V. Wordt niet wel eens, ook door deskundigen, beweerd dat het slijpen van het glas nadeelig voor de gezondheid is? |
209
|
A. Men zegt wel dat de menschen daarvan de tering krijgen, maar ik begrijp niet hoe dat mogelijk is. Do hoeren dio de fabrieken bezochten hebben zich er van kunnen overtuigen, dat de menschen geen stof van glas kunnen inademen, daar het alleen in natten toestand wordt geslepen 8168 V. Gij loochent dus geheel, dat het slijpen van het glas schadelijk is voor de borst ? üjj loochent dat de menschen die dat werk doen grooto predispositie hebben voor tering ? A. Ik zal niet zeggen dat de zittende, voorovergebogen houding gezond is voor do borst: maar wij hebben steeds gezegd dat zij staande moeten slijpen, en als zij dit niet willen doen kan men hen er niet toe verplichten. Wat in den regel de werklieden, maar vooral de glasblazers en glasslijpers benadeelt, is de drank; zij verwoesten hunne gezondheid door drinken en zedeloos leven. Daaraan kunnen wij niets doen. 8109. V. Dus gij ziet meer kwaad in den drank dan in de toestanden die op uwe fabriek blijken te bestaan ? A. Ik zeg niet, dat het in de fabriek werken zoo gezond is als des zomers te Scheveningen of des winters te Nizza, maar â het is een noodzakelijk kwaad ; het is niet anders mogelijk. 8170. V. Inderdaad, wat de arbeiders in uwe fabriek doen, zal wel een gevolg zijn van bittere noodzakelijkheid! Maar wat doet gij voor uwe werklieden als zij oud en versleten geraken ? A. Vooreerst hebben wjj een ziekenfonds. bestaande uit de bijdragen der werklieden, uit boeten voor slecht werk en uit eene vrijwillige bijdrage van de firma van Vj van het totaal, dat aan die ziekenkas wordt betaald, omtrent 10 000 gulden 's jaars. Uit dat fonds worden zij gesteund, en als zij oud zijn helpen wij ze zooveel als het kan. In den regel hebben die menschen kinderen, die ook op de fabriek werken en door hen worden zo dan onderhouden. 8171. V. Zijn dat die kinderen, die zes nachten achtereen niet op hun bed kwamen ? A. Ja, maar u moest mij het genoegen doen. Mijnheer do Voorzitter, om II. |
u zelf eens te komen overtuigen hoe die menschen zijn. 8172. V. Het is zeer beleefd, maar dan zouden mijn oogen misschien dingen te zien krijgen, die ik onverplicht liever 7iiet zie. Dit in antwoord op uw opmerking. Mijne vraag was echter niet wat met de zieken geschiedt, maar wat er voor de menschen gedaan wordt, die afgewerkt zijn ? Daarop wacht ik nog uw antwoord. A. Men laat ze dat werk doen waartoe ze nog in staat zijn. 8178. V. Maar gij zult ze toch niet laten werken tot ze ei dood bij neervallen ? A. Pensionneeren doen wij ze niet. 8174. V. Dus, er is in uwe fabriek gansch geen sprake van pensionneeren'.' Goed verstaan? A. Neen. 8175. V. Ik moet u doen opmerken dat, als mijne herinnering mij niet bedriegt, door een van uwe medechefs hier in een anderen zin eene verklaring is afgelegd. Na uwe laatste zeer stellige verklaringen zal dat dus zijnerzijds meer een wensch dan het teruggeven van het bestaande geweest zijn ? A. Er bestaat één klein fonds je, waarover wij kunnen beschikken om in buitengewone gevallen de menschen bij te staan. Dat bedraagt slechts een paar duizend gulden. Dat kan dus geen pensioenfonds genoemd worden. 8170. V. Pensionneeren komt dus in uw fabriek nooit voor; en wanneer ze uit dat kleine fondsje eene bijdrage krijgen, behoort dat tot de groote zeldzaamheden ? Goed begrepen ? A. Juist 8179. V. Wanneer gij ze niet meer gebruiken kunt, gaan zij heen en doet gij niets meer aan hen. Een groot deel komt dan eenvoudig ten laste van de stedelijke armenkas? A. Ook al. 8178. V. Ik meende het te moeten vragen als iets dat toch wel éénige verklaring noodig heeft en niet zoo geheel vanzelf spreekt. Als iemand jarenlang bij u gewerkt heeft dan wordt hij, wanneer hij niet meer bruikbaar is â wij hebben trouwens hetzelfde reeds vernomen van den secretaris van het 14 |
210
|
armbestuur â door u aan do poort gezet, en komt liij eenvoudig ten laste van de stad. Hebben de Iconen nogal eens vermindering ondergaan? A. Jawel. 8179. V. Zijn ze ook wel vermeerderd ? A. Neen, in den laatsten tijd zijn de loonen altijd verminderd. 8180. V. Die verminderingen zijn ook het gevolg van de door u gemaakte inrichtingen, waardoor de menschen in staat gesteld zijn om meor te produ-ceeren ? A. Ja. zij moeten misschien wat harder werken en wat meer beweging maken : maar zij kunnen meer produceeren. 8181. V. Maar voor hetzelfde loon? A. Ja. 8182. V. Dus uw productie vermeerdert, zij werken harder en zij werken meer, maar het loon blijft hetzelfde ? A. Jawel, en wij verkoopen voor de helft van vroeger, zoodat wij er ten slotte nog nadeel van hebben. 8183. V. Maar voor zoover hot mogelijk is verhaalt gij dat nadeel op het dagelijksch bestaan van den ouvrier? a A. Ja, doch dat wischt het verschil niet uit. 8184. V. Neen, maar zoover het maar gaan kan wordt het door u beproefd. Zijt gij op de hoogte van de biscuitovens ? A. Dat behoort tot het departement van mijn broeder Louis. 8185. V. Maar gij hebt toch ook ovens onder uw beheerquot;; A. Alleen gewone glasovens. 8186. V. Welke arbeid wordt daarbij gevorderd ? A. Meent gij de zwaarte van het werk, bij het inzetten van de glaspotten en op de hitte waaraan de menschen zich moeten blootstellen? 8187. V. Die werkzaamheden zijn niet dezelfde als bij de biscuitovens ? A. Neen. 8188. V. De heer Rnys van Bee-renbroek: Toen ik met de heeren Beelaerts van Blokland en Bekaar de fabriek heb bezocht er. speciaal een morgen doorbracht in de glasafdeeling van de fabriek, hebben wij vele dingen gezien, waaromtrent ik gaarne nog eenige inlichtingen zou wenschen te bekomen. Wij zijn in de eerste plaats, begonnen met de glasovens, waarmede de grondstoffen bewerkt worden. In de kelders wordt nogal stof ontwikkeld : is de toestand daar verbeterd sedert vroeger? |
A. Zeer veel, in die kelders was geen lucht, wij hebben groote ramen laten maken zoodat er thans een goede ventilatie is. 8189. V. Wordt de stof, die daar verwerkt wordt, hinderlijk, zoodat het noodig zou zijn aan de arbeiders con-trerespirators te geven, zooals dat in de afdeeling aardewerk beproefd is ? A. Ik geloof dat het goed zou zijn, als de werklieden ze in gebruik wilden nemen. 8190. V. Hebt gij eene proef genomen, of is dat niet gebeurd, nadat gij ondervinding hadt opgedaan in de andere afdeeling ? A. Neen, dat is niet gebeurd, men kon echter wel vragen of zij respirators willen hebben. 8191. V. Nadat de grondstof bereid is komt die in de ovens. Die ovens worden gestookt in de kelders. Men noemt die lokalen kelders, maar eigenlijk zijn het lokalen, die gelijkvloers liggen, terwijl de glasblazerij een meter of 3 hoo-ger is gelegen. A. Jawel. 819-2. V. Het glasblazen zelf geschiedt in ploegen. Gij hebt 4 ovens, niet waar? A. Ja. 8193. V. Werkt aan lederen oven meer dan een ploeg? A. Ja, aan iederen oven werken 12 ploegen. Een ploeg bestaat uit 7 man, 3 grooten en 4 jongens. 8194. V. Er wordt op het stuk gewerkt ? A. Ja. 8195. V. Behalve misschien bij buitengewone bestellingen ? A. Ja. bij buitengewone zaken, die men niet per 100 of bij groote quanti-teiten kan doen aanmaken, of waarvoor men geen prijs kan bepalen, laat men in daggeld werken. 8196. V. Hoe is de verdeeling van het loon tusschen zoo'n ploeg ? A. Men heeft bij die ploegen een car-reur, een souffleur en een meester. De |
211
|
carreur krijgt -2 fr.: de souffleur 3 fr.; de meester 4 fr. 8197. V. Dat zijn de groeten, daar â werken nu vier gamina bij ? A. Ja, die jongens hebben tusschen de 20 en 45 francs in de maand, 8198. V. Maar wanneer nu een deel van het werk. omdat het niet voldoet aan de gestelde eischen, wordt afgekeurd, wat gebeurt er dan? A. Dan wordt de meester beboet. 8199. V. Op welke wijze ? A. Met niet-betaling. 8200. V. Door inhouding van het loon dus? A. Het voorwerp wordt stuk geslagen en dan hebben wij dubbel verlies en hij verliest zijn daggeld. 8201. V. Alleen de meester? A. Of de souffleur of de carreur. 8202. V. Men kan aan het afgewerkte stuk zien, aan wiens schuld het gebrek te wijten is ? A. Er zijn menschen. die met de taak belast zijn om het werk op te nemen. Deugt het niet, dan wordt het afgekeurd en deze afkeuring wordt nog altijd onderworpen aan het oordeel van mijn zoon of van den chef, zoodat de meesterknecht niet willekeurig kan handelen. 8203. V. In iedere ploeg werken dus 4 jongens van 12 tot 18 jaar? A. Ja. 8204. V. Het werk geschiedt op de door u aangegeven wijze op uwe glasblazerij. Weet gij ook of op andere glasblazerijen èn in het binnenland en in het buitenland met diezelfde jeugdige werkkrachten gewerkt wordt ? A. Ons wordt verboden om met kinderen benedon de 12 jaron te werken, maar in België werken er kinderen van 8 jaren in de glasblazerijen. 8205. V. Ook thans nog ? A. Ja. 820G. V. En in Engeland? A. Daar kan het niet. 8207. V. Maar daar worden de kinderen toch aan het werk gezet, zoodra de leeftijd gekomen is, waarop de wet veroorlooft hen in dienst te nemen. A. Zeer zeker. 8208. V. la dat op jeugdigen leeftijd aan het werk gaan noodig om het beroep te leeren ? |
A. Men kan onmogelijk een glasblazer maken van iemand die niet op zeer jeugdigen leeftijd aan het werk is gegaan. Het lichaam moet reeds vroeg aan die hooge temperatuur gewend worden. 8209. De Voorzitter,; Vóór de wet van 1874 badt gij, als ik het goed begrijp, dus dag- en nachtploegen, ploegen van kindertjes van 9 jaar in uwe glasblazerij werkzaam ? A. Ja. 8210. V. Dat vondt gij dus heel gewoon? A. Ja, het gebeurt nog in België. 8211. V. Omdat de wet het daar nog niet belet en men er de fabrikanten hun gang laat gaan. Vóór '1874 kwam ook dat in uwe fabriek dus inderdaad óók voor ? A. Jawel. 8212. De heer Buys van ISeercn-broek : Ik heb u dus goed verstaan, dat men in alle glasblazerijen van oordeel is dat de werklieden zoo jong mogelijk het vak moeten leeren ? A. Ja. 8213. V. Wanneer is de ventilatie van ter zijde en boven het dak aangebracht? A. Dat durf ik u niet precies zeggen. Wat jaren betreft is mijn geheugen niet sterk: ik geloof dat het een tien jaar geleden is. 8214. V. En is door die ventilatie, voornamelijk des zomers, de temperatuur nog al dragelijk geworden? A. Ik heb vele blazerijen gezien, maar nog geen enkele zoo goed ingericht als de onze. 8215. V. In de glassljjperij hebt gij gezegd werken volwassen mannen, vrouwen, jongens en meisjes onder elkander. Van welken leeftijd zijn die jongens en meisjes, van 14, 15 jaar of nogjonger? A. Zoodia zij kunnen komen werken; dus op hun twaalfde jaar. 8210 V. Ook op de glasslijperij? A. Wel zeker. 8217. V Wij hebben zooeven gehoord dat, volgens de door u opgedane ondervinding. hij het sljjpen van glas de stofontwikkeling niet zoo heel erg is? A. Stofontwikkeling is physiek on-mogeljjk. Gij hebt het zelf gezien, dat het glas bij het slijpen altijd nat wordt gehouden. Dit zou trouwens bij het gebruik van steenen of ijzeren rollen niet zonder bijvoeging van water kunnen |
212
|
geschieden, omdat deze anders gloeiend zouden worden. 8'218. V. Maar gij hebt toch ook in uwe slijperij exhausters ? A. Jawel, maar dit is eenvoudig om de lucht te zuiveren, wat in een lokaal, waar zooveel menschcn bijeen zijn, wel noodig is. 8219. V. Komt de longtering minder voor bij de glasslijpers dan bjj de faïenciers 7 A. Bij de eersten ook wel, maar toch minder. 8220. V. Ondergaat het glas nadat het geslopen is, nog een andere bewerking? A. Jawel, het wordt gegraveerd of beschilderd. 8221. V. En daarbij komt het dan nog in de vuurkamer ? A. Dan wordt het behandeld met fluor-zuur. Dit is de gevaarlijkste operatie in mijne geheele fabriek. 8222. v. Welko is uwe ondervinding omtrent de werklieden die daar werken ? A. De menschen zijn er 15 en 16 jaar aan en zijn nog altijd gezond. 8223. V. Zijn daar ook maatregelen genomen, om het zoo weinig mogelijk gevaarlijk te maken? A. üe heeren hebben het gezien. Eene van de vier zijden der localiteit wordt geheel ingenomen door één raam; dat kan men openzetten en dan heeft men genoeg lucht; maar gewoonlijk zijn de werklieden kouêlijk en houden alles potdicht. 8224. V. Maar de man dien wij gezien hebben, hoe lang heeft die gewerkt? A. 15 of 10 jaar. 8225. V. En daar werken maai- '2 menschen. A. .la. 8226. V. Is dat de eerste die er begonnen is ? A. Ja, 8227. V. Gij hebt derhalve in dat gedeelte geen sterfgevallen gehad ? A. Neen. 8228 V. Wij spraken zooeven van vrouwen en getrouwde vrouwen die in uwe afdeeling werken. Het zal wel voorkomen, dat enkele van die getrouwde vrouwen bevallen. Hoeveel tijd blijven zij na de bevalling te huis? Is daar een regel op, of wordt het aan haar goedvinden overgelaten? |
A. Aan het goedvinden van de vrouwen zelf; maar in den regel, als zij te ver in haar dracht zjjn, worden zjj verzocht te huis te blijven, omdat zij niet in staat zijn haar werk behoorlijk te doen. 8229. V. Er wordt beweerd, dat er aan uwe fabriek eene soort van crèche of bewaarplaats zou bestaan, waar de vrouwen hare zeer jeugdige kinderen, die zij nog zogen, zouden kunnen de-poneoren, om ze weer mede te nemen als het werk afgeloopen is? A. Dat bestaat bij ons niet. 8230. V. Verleden jaar is er onder de glasblazers een soort van oproer geweest. Wat was daarvan de oorzaak? A. Het werkloon van de jongens wordt gedeeltelijk door de fabriek, gedeeltelijk door de drie voornaamste werklieden van de fabriek betaald, Door de verschrikkelijke concurrentie, ook van de Ceramique, is do fabriek genoodzaakt geweest het bedrag dat door de fabriek werd bijgepast, te verminderen. Het loon van den werkman regelt zich ook naar vraag en aanbod. Rerst ontvingen die jongens een loon van 8 tot '16 fres. Toen er meer behoefte kwam aan jongens. heeft men hun loon moeten ver-hoogen en werd het gebracht van 10 op 25 francs; de firma betaalde het supplement; maar toen er weder jongens in overvloed te bekomen waren hebben wij het loon tot den primitieven prijs teruggebracht. Hierin zagen zij eene I vermindering van loon en werden ontevreden. Ik heb hun gezegd: wilt gij niet werken, gaat dan maar wandelen. Ik heb twee ovens laten uitdooven, en na 14 dagen kwamen zij met hangende-' pootjes vragen om terug te mogen komen. Toen hebben wij hen voor ons pleizier eene maand laten wandelen, en hen daarna weder aangenomen. 8231. De Voorzitter: Een maand ! voor uw pleizier broodeloos? A. Ja, dat was eene goede les. 8232. De heer Ruys van Beeren-broek : Er is wel eens beweerd dat het zoogenaamde oproertje het gevolg was daarvan, dat de quinzaine van het glasblazen aan hen zoude zijn uitbetaald geworden, niet volgens het bestaande tarief, maar volgens een tarief waaromtrent niet te voren was overeenge- ' komen. Zij zouden dus niet vooraf ge- |
213
|
waarschuwt! zijn voor lt;le verminderde bezoldiging, en 14 dagen hebben gewerkt volgens een lager tarief, dan waarvoor zij tot op dat oogenblik hadden gearbeid ? üp deze vraag verzoek ik een pertinent antwoord. A. Ik voor mij geloof het niet, maar daar ik mij niet die détails niet bemoei, kan ik het u niet zeggen. Zoo gij het verlangt, zal ik u dit van huis pertinent kunnen opgeven. Uoch altijd worden vooraf alle mogelijke veranderingen van prijs, reglement enz. aangekondigd, en deze treden eerst dan de volgende quinzaine in werking. 8233. V. Dus zou ook in dat geval het werkvolk gewaarschuwd zijn op den dag van het in werking treden van het nieuwe reglement en de glasblazers toen het werk gestaakt hebben ? A. Ja. ^ 8*23i. üe heer Gociniiu Borgesius : Komt het wel eens voor dat boeten worden gegeven in den vorm van korting op het loon gedurende eenigen tijd ? A, Wij beboeten de menschen alleen Yoor slecht werk en bjj verzuim of zoo worden zjj naar huis gezonden voor een of twee dagen, en bij herhaald verzuim voor een, zelfs twee weken. Het geld wordt in de ziekenbeurs gestort. 8'235. V. Mijne vraag is, of er wel boeten opgelegd worden tot een bedrag bijv. van 5 pet. van het loon, gedurende â¢eenigen tijd? A. Neen, altijd maar voor eens. Als hetgeen gemaakt is slecht is, wordt eene boete van 5 tot 10 pCt. opgelegd en het geld in de ziekenbeurs gestort. 8236. V. Maar niet over langoren tijd ? A. Neen, dat nooit. 8237. V. Maar dat is toch beweerd geworden ? A. Maar ik ontken het. 8238. V. Is er een reglement op de boeten, zoodat do werklieden vooraf weten aan welke b leten zij onderworpen zijn, of hangt dit van den chef af? A. Het hangt af van hetgeen zij misdaan hebben, van het werk dat bedorven is. Hebben zij slecht glas gemaakt lt;3an wordt het stuk geslagen en de onkosten moeten zij vergoeden. 8230. V. Maar indien zjj te laat komen, anoeten zjj dan ook boete betalen ? A. Dan worden zij naar huis gestuurd. |
8240. V. Gij hebt gezegd dat het werken â zelfs het nachtwerken â geen nadeeligen invloed uitoefent op de lichamelijke ontwikkeling van de jongens, maar gij hebt er bijgevoegd, dat men aan die groote hitte en afkoeling op de glasblazerij gewennen moet. Wennen die kleine jongens schielijk daaraan, of zijn zij in het begin soms ziekelijk? A. Neon, zij wennen er goed aan. 8241. V. Worden die jongens vooraf door u gekeurd, om te zien of zij bestand zjjn tegen die groote hitte en afkoeling? A. Neen, dat gebeurt voor het glas niet. 8242. V. Gij hebt gezegd, dat de arbeid ook koopwaar is en zich rogelt naar vraag en aanbod. Meent gij dat het strikt doorvoeren van dien regel voor de fabrikanten â ik spreek nu niet eens over de werklieden â op den duur voordeelig zal zijn. Zoudt gij niet denken dat het bjj slot van rekening ook in het belang van den patroon is te toonen dat hij hart heeft voor zijn volk en hen niet onmiddellijk vervangt als hij goedkooper werkkrachten kan krijgen ? Zal hij zoodoende geen krachtiger en flinker volk krijgen ? A. Gij begrijpt dat men moet nemen, wat men krijgen kan, en dat menschen, die aan do deur komen vragen om werk, niet zoo duur zijn. 8243. V. Dat spreekt vanzelf, maar het geval waarop ik doelde is wat anders. Ik bedoelde of bij strikte toepassing van de wet van vraag en aanbod de gehechtheid aan den patroon en aan de zaak wel groot kan zijn ? A Och, gehechtheid van het werkvolk ! ? ! 8244. V. De Voorzitter: Is anders dan die van de patroons ? A. Ja. 824(3. Do heer (roeiuan Borgesius: Maar gij weet toch wel dat bij eene goede behandeling het volk zich wel degoljjk hecht aan den patroon ? A. Zeker, maar ik meen dat wij onze menschen allemaal goed behandelen en indien gij er naar informeert zal dat bevestigd worden. Ja er zijn er altijd onder die niet willen deugen, onmogelijke menschen, maar anders is het volk zeer aan ons gehecht. Ik heb de overtuiging de vriend te zijn van al het |
214
|
werkvolk, ook van de jongens die vroeger 's nachts op de glasblazerij werkten. 8-247. De heer Beelaerts van Blokland : Heeft zich het geval wel eens voorgedaan bij het glasblazen, dat de jongens door de glasblazers geslagen of op andere wijze ruw worden bejegend. A. Dat is, helaas, wel eens voorgekomen, maar ik geloof, dat er geen patroon in de wereld is, die dat zoo streng straffen zal als wij. Hoe dikwjjls gebeurt het niet op scholen, waar de meester ook niet slaan mag, maar waaide jongens het hem zoo warm maken, dat hij wel eens met de hand over hun hoofd zal gaan; maar als het tot onze kennis komt, dat de jongens geslagen worden, dan straffen wij 8248 V. Op welke wijze straft gij dan ? A. Door het opleggen van boete, de menschen worden naar huis gezonden of voor goed afgedankt. 8249. V. Geschiedt de glasslijperij uit de hand of ook wel machinaal? A. Toen de fabriek door u bezocht werd stonden zij stil, maai- wij hebben 12 automatische machines. 8250. V. En voldoen die? A. Kenigszins, slechts voor enkele artikelen. wij hebben een '25 000 guldens aan die machines besteed, maar zij staan al eenige maanden stil, omdat er niet veel werk is. Ik geloof dat wij ze zullen laten vervallen. Dat is alweer eene proef geweest 8251. V. Gij gewaagdet straks van misbruik van sterken drank, komt dat nogal eens voor? A. Jawel. 8252. Op de fabriek ? A. Daar is het verboden. 8253. V. Wordt het verbod wel eens overtreden ? A. £r wordt zooveel verboden dat toch gebeurt; men kan die menschen de zakken niet gaan navoelen om te zien of ze ook flacons met jenever bij zich hebben. 8254. V. En indien het misbruik plaats heeft ? A Dan wordt de dader gestraft. 8255. V. Waarmee? A. Weer met hem naar huis te zenden. 8256. V. Dat zal toch onmiddellijk niet bij den eersten keer gebeuren? |
A, Neen, maai- als zij schandaal maken, of totaal onbekwaam zijn om te werken : wij zijn wat dat betreft nogal toegevend. 8257. V. Maandaghouden, komt dat ook bij u voor ? A. Jawel. 8258. V. Straft u dat ook ? A. Ja, met naar huis te zenden voor een of twee dagen, en als het zich herhaalt met ze voor een week naar huis te zenden. 8259. V, Kunt gij altijd genoeg arbeiders krijgen of is er wel eens achaarschte ? Hebt gij wel eens moeite om werkvolk te krijgen ? A. Op het oogenblik kunnen wij volk genoeg krijgen, maar ei- is dikwijls groote schaarschte. 8260 V. Wanneer hebt gij de laatste keer dit ondervonden ? A. Als de zaken goed gaan en alle fabrieken werken gaan de menschen van de eene fabriek naar de andere. 8261 Wanneer deed zich dat voor? A. Dat is nu al twee of drie jaar niet meer het geval. 8262. V. Er is dus nu meer aanbod van arbeiders dan u kunt plaatsen? A. O ja, enorm. 8263. De Voorzitter: Hoe is uw oordeel over de werking van de wet van 1874 op den kinderarbeid? A. Goed, zeker. 8264. V. Heeft u de invoering daarvan een goed ding voor de kinderen gevonden ? A. ü ja. 8265. V. Vond u het dan verkeerd dat die kinderen voor nachtwerk en voor werk in het algemeen werden gebruikt ?' A. Neem mij niet kwalijk. Mijnheer de Voorzitter, maar wij moeten ze 's nachts wel laten werken, anders kunnen wij niet werken; dat is dan totaal onmogelijk. 8266. V. Na 1874 zijn toch de kinderen beneden de 12 jaren geheel en-al buiten de fabriek gebleven ? A. Ja, dat heeft voor ons ook de prijzen van do jongens zooveel duurder gemaakt. 8267. V. Maar die wet is toch een groot geluk voor die jonge kinderen geweest. Of keurt gij haar af? A. Neen, ik acht haai-een geluk vooi-de kinderen. |
215
|
8268. V. Dus zou het misschien een geluk voor hen zijn als de leeftijd nog een weinig uitgebreid werd? A. Dat zou ons weder meer geld kosten. 8269. V. Mijne vraag is niet of dat meer geld aan u zou kosten, maar of u door uwe ervaring meent dat dit gunstig zou w erken voor de kinderen ? A. Wanneer zij hun tijd besteden met leeren, dan zou het goed zijn, maar wanneer zjj op straat bljjven loopen, dan acht ik het beter dat zij werken. 8270. V. En wanneer die kinderen, want dat zijn het nog, hunne nachtrust terugkregen zou dat geen weldaad voor hen zijn ? Gij hebt veel met die kinderen te doen gehad en kunt daar dus wel over oordeelen ? A. Zeer zeker, ik heb zelf kinderen.. 8271 V. Maar die laat gij toch niet des nachts werken ? A. Och, ik weet wel dat de studenten ook wol eens niet naar bed gaan zonder daarom ziek te worden. |
8272. De heer Buys van Beereu-broek : De Voorzitter sprak u over den leeftijd der kinderen, en of volgens u eene uitbreiding der wet van 1874 gunstig zou werken. Zeer zeker, was-uw antwoord, voor zooverre de kinderen dan niet leegloopen. Maar zullen die kinderen, als zij op lateren leeftijd op de glasblazerij komen, volgens uwe meening behoorlijk het vak kunnen aan-leeren. Welken leeftijd meent gij als minimum te moeten aannemen ? A. Ik meen dat een leeftijd van 14 jaar geen bezwaar zou opleveren. 8273. V. De wet zou dus zonder bezwaar den leeftijd van 12 tot 14 jaar kunnen uitbreiden ? A. Ja, als er een overgangstermijn werd gestold. Als ons eensklaps de jongens beneden 14 jaar werden afgenomen, zou het eene groote stoornis te weeg brengen. 89.74. V. Met geleidelijken overgang van 12 op 13 en vervolgens op 14, zou men er toe kunnen komen om het minimum op 14 jaar te stellen? A. Ik geloof het wel. 8275. De Voorzitter : Uw verhoor is afgeloopeu. Petrus- Regodt. |
ZITTING VAN DINSDAG 25 JANUARI 1887.
Tegenwoordig de heeren:
|
Vehmhrs van der Loeff, Voorzitter. Goeman Borgesius, Onder-Voorzitter. Beelaerts van Blokland. Bahlmann. Ruys van Beerenbroek. Verhoor van den heer L. Llioest. 8275. De Voorzitter: Wilt gij zoo goed zijn uw naam, voornaam, beroep, ouderdom en woonplaats op te geven ? A. Léon Llioest, ingenieur, directeur der Koninklijke Xederlandsclie Papierfabriek, oud 51 jaar, wonende te Maastricht. 8276. V. Hebt gij de fabriek opgericht ? A. Pardon. De fabriek is opgericht in 1851 en ik ben er eerst in 1800 bijgekomen. 8577. V. Toen gij bij de zaak kwaamt, |
Smit. Van Alphen. Van der Sleyden. J. D. Veegexs, Griffier had zij toon al eene groote uitbreiding verkregen ? Verkeerde zij reeds in een bloeienden toestand ? A. Men zou kunnen zeggen dat tegenwoordig de beteekenis van het artikel cn de uitbreiding der lokalen het dubbel is van wat dit toen was 8278. V. Do fabriek is eene naam-looze vennootschap, niet waai- ? A. Juist, doch toen ik er aankwam, was het eene commanditaire vennootschap. 827'J. V. Gij zijt de eenige directeur? A. Ja, Mijnheer de Voorzitter 1 |
216
|
8-280. V. Er is een belangrijk personeel aan uwe fabriek verbonden. Er werken 241 mannen, 7 jongens van 12â16 jaren, Ui van 1(5â18 jaren. Bo ! vendien 09 gehuwde en 108 ongehuwde vrouwen, 30 meisjes van 12âlO, benevens 41 van 10 â 18 jaren. Is dit niet zoo? A. Zeer juist. 8-281. V. Misschien is het best als gij ons eens een klein epxosé zoudt willen geven van den gang der werkzaamjie-den in uw fabriek, zonder in al de technische details te komen ; slechts een overzicht. Daarin vinden wij dan van zelf aanknoopingspunten om u vragen te doen. die meer streng verband houden met het beperkte onderwerp onzer enquête. A. Wil ik dan de opmerkingen voordragen, die ik hier naar aanleiding van de bchets heb opgeschreven ? 8282. V. Uitstekend; maar zoudt gjj ons dat geschrift ook kunnen laten? A. Ik zal het u overhandigen, maar wensch het gaarne terug te hebben, want ik bezit er geen duplicaat van. 8283. V. Kunt gij het dan toch niet vandaag en morgen laten ? A. Er staan aanmerkingen in waaromtrent ik bezwaar vind. De cijfers wil ik wel geven. 8284. V. Als gij het dan maar wilt mededoelen. A. Omtrent de bevolking van de fabriek heb ik op te merken, dat een vierde gedeelte gedurende 20 jaren en meer voortdurend in do fabriek werkzaam is, hetgeen een bewijs is van welvaart en getrouwheid. 0 percent van het werkvolk is boven de 60, 15 pet. boven de 50 jaren. Er is gevraagd of in de laatste jaren in den staat van de bevolking verandering is gekomen. Daaromtrent kan ik het volgende opmerken. In 1872 hadden wij 750 werklieden, welk cijfer in 1882 gedaald is tot 471. Op zich zelf is dit geen teeken van welvaart en bloei. Maar de oorzaak ligt elders. Vooreerst zijn vele arbeiders vervangen door machines. Ten tweede heeft door de hevige concurrentie van het buitenland de fabriek eene andere richting verkregen, daar meer op de quantiteit dan op de qualiteit moest worden gelet. Het fijn afwerken vordert natuurljjk meer den arbeid van werklieden dan van machines, doch daarvan was in den laatsten tijd minder sprake. |
Omtrent drie jaren geleden werd het noodig geoordeeld nieuwe kracht aan de fabriek te geven ; wij maakten eene inrichting die ongeveer f 200 000 kostte, eene cellulose fabriek. De verhouding tusschen mannen en meisjes is dezelfde gebleven. De arbeid in do fabriek vereischt moer vlugheid en overleg dan lichaamskracht, eene eigenaardigheid van de papierfabricage. Natuurlijk hebben de stokers voor de stoomketels zwaarder werk. gelijk overal het geval is; maar overigens bepaalt zicli het werk tot. surveilleeren, dus een lichte arbeid. Ik zal daaromtrent een en ander zeggen bij den kinderarbeid. Duur van den arbeid. Wij hebben in de fabriek tweederloi soort van werkzaamheden : die welke gepaard gaan met machines, en daarvoor is de duur van den arbeid van 6â6 uren en van 6 -0 uren 's nachts. Dan hebben wij tweederlei soort van werkzaamheden, die overdag gepaard gaan mot kleine machines, zoogenaamde macbines-outils. en hiervoor is de duur van den arbeid voel minder en niet des nachts. In den regel is de duur van den arbeid 10 uren : voor de vrouwen en meisjes van 7â11','2 on van 1â6V2 voor de mannen en jongens van 7â12 en van half twee tot half zeven. Voor allen tien uren, doch op afwisselende tijden; maar zij zijn niet tien uur. maar eigenlijk negen en een half uur werkzaam, omdat zij minstens tweemaal een kwartier rust hebben. De mannen en vrouwen komen en vertrekken niet op dezelfde uren, om twee redenen : vooreerst uit een moreel oogpunt, en ten tweede om de vrouwen de gelegenheid to verschaffen den pot gereed gemaakt te hebben vóór de man te huis komt. De duur van het weik der kinderen is eveneens 91 /2 uur, terwijl zij evenals de vrouwen allen per stuk werken. Ik heb wel aangeteekend hoeveel kinderen op mijne fabriek werken, maar verzuimd den leeftijd op te nemen, waarop zij op de fabriek zjjn gekomen. 8285. V. Gij hebt ons in het begin van uwe mededeelingen al dadelijk iets |
217
|
ezegd. dat zeer aangenaam is om te ooren, en dat wij niet zoo heel dikwijls te hooren krijgen, namelijk dat niei mindei' dan een vierde van uw zeer talrijk personeel al meer dan twintig achtereenvolgende .jaren bij u in dienst is, een feit, waarin gij terecht de be-teekenis ziet van welvaart en getrouwheid. Daaruit spreekt, naar het schijnt, zekere tevredenheid bij u uit over de menschen, die bij u in dienst zijn. Is dat zoo? A. Ja. ik ben trotsch op die tevredenheid. Ik geloof, dat als men de publieke notorieteit in de stad raadpleegt, men zal vernemen dat tusschen hot werkvolk en de directeuren, ingenieurs en opzichters zeker wederzijdseh vertrouwen bestaat en dat er bij ons volstrekt geen ontevredenheid heerscht. Voor grè-ves of zulke zaken bestaat bij ons geen vrees hoegenaamd. Dat vertrouwen van den werkman in ons spruit voort uit het feit dat wij ons voortdurend met zijn lot en toestand bezighouden. Ons personeel is niet zoo groot, of wij kunnen daar de hand wel aan houden. In het kort resumeerende, is alles wat ik er van zeggen kan: er bestaat vertrouwen tusschen werkman en patroon, en omgekeerd. 8286. V. Dat resumeert alles, daar heeft u gelijk in, maar wij stellen ei-groot belang in om, als wij in de gelegenheid zijn zulk een gunstig verschijnsel waar te nemen, dan toch over dat punt eens een oogenblik door te spreken. Welke goede middelen hebt gij in den loop der tijden aangewend ? Waaraan schrijft gij dat gunstige resultaat toe? Met andere woorden: wat hebt gij al zoo gaandeweg in het belang van uw werkvolk weten tot stand te brengen ? Wat hebt gij bij voorbeeld opgericht of ingericht voor het geval van invaliditeit, van ongelukken, of dergelijke? A. Zoo iets hebben wij nu juist niet gedaan. VVjj spreken met den werkman, wij kennen de behoeften, wij zijn rechtvaardig, zoodat diegenen, die het verdienen, beloond worden, en omgekeerd. Uie het verdient is zeker, dat hij nooit zijn werk bij ons kwjjt raakt. Sedert de 15 laatste jaren hebben wij slechte tijden gehad. En toch. sedert 15 |
jaren is, zoover ik mij herinner, geen enkele werkman bedankt om gebrek aan werk, hoewel wij tijden gehad hebben dat er geen werk was, maar wij hebben de werklieden altijd weten te gebruiken op de eene of andere wijze, en hebben hun het loon uitgekeerd, hoewel er geen gewoon werk was. Gij kunt hieromtrent eenige werklie den ondervragen, maar wij kunnen zeggen dat wij soms 14 dagen van de maand met '/3 van de fabriek geen werk hebben en dan betalen wjj toch het volle loon. Komt dan het werk weder bij, dan geven wij hun de gelegenheid om het oen en ander weder bjj te werken. De werkdag is 10 uren, en wij werken dan 12 uren, en wij houden dan in 1, 2, 3, 6 maanden het voorschot in, dat zij kunnen missen. Dit is dus een van de voornaamste redenen, waarom er geen werkstaking is voorgekomen. 8287. V. Dus de laatste 15 jaren hebt gij door don algemeenen gang der zaken in uw tak van de industrie moeilijke oogenblikken gehad, tijden, hetzij dan wat korter of wat langer, dat door de mindere vraag naar het artikel voor een chef, die weinig hart mocht gehad hebben voor zijn volk, misschien aanleiding zou hebben bestaan om eenige werklieden gedaan te geven. Gij hebt dat niet gedaan, maar de menschen weten bezig te houden op de eene of andere wijze, en hun het loon uit te keeren, en par contre hebt gij bjj hen eene bereidwilligheid gevonden en eene goede gezindheid om in drukke tijden meer aan te pakken en den tijd met groote inspanning en energie in te halen, zoodat die zaak niet tot financieele schade van de Maatschappij aanleiding gaf? A. Zeer juist, Mijnheer de Voorzitter ! 8288. V. Uwe zaak is eene naamlooze vennootschap A Ja, Mijnheer de Voorzitter I 8289. V. Dan mag ik u eene vraag doen, die ik anders uit bescheidenheid niet zou gedaan hebben; maar bij eene naamlooze vennootschap is wat ik te vragen heb van publieke bekendheid: zijt gij altijd in staat geweest eenigerlei winst uit te deelen ? A. Wij hebben altijd eenige winst kunnen uitdeelen. Vroeger konden wij een dividend uitkeeren van 12 pet.. |
|
maar in de laatste jaren is het steeds dalende geweest, zoodat het dividend van het vorige jaar slechts tussehen de en 7 pet. bedraagt. 8290 V. Maar toch altijd van dien aard, dat de zaak volkomen levensvatbaar gebleven is? A Ja, zoolang als dit duurt. 3291. V. Hebben er in uwe fabriek dikwijls loonsveranderingen plaats? A. Tussehen den tijd van mijne komst aan de fabriek en nu, zijn de loonen ongeveer 30 pot. gerezen. Ik kan dit echter alleen uit mijne herinnering opgeven ; opgeteekend heb ik de verschillende dagloonen niet. Eene eigenlijke statistiek daarvan ben ik eerst na 1872 gaan houden. En van -1872 tot nu bedraagt de rijzing der loonen 17 pet. Natuurlijk is het altijd moeilijk juiste op- faven te doen, want de menschen weren per stuk, en het valt daardoor niet gemakkelijk om altijd juist te weten wat iemand verdient; wij hebben een groot aantal categorieën van werkzaamheden, en het bedrag der loonen, daarvoor uitbetaald, heb ik opgeteld en het middelcijfer genomen. En uit dat cijfer bleek, dat de loonen 17 pet. waren gestegen. Dat stijgen kan echter niet doorgaan, ik heb er zelfs aan gedacht de loonen te verminderen, eigenlijk had ik dit verleden jaar al moeten doen, doch ik heb het toen gelaten, omdat het steeds eene harde zaak isaven te doen, want de menschen weren per stuk, en het valt daardoor niet gemakkelijk om altijd juist te weten wat iemand verdient; wij hebben een groot aantal categorieën van werkzaamheden, en het bedrag der loonen, daarvoor uitbetaald, heb ik opgeteld en het middelcijfer genomen. En uit dat cijfer bleek, dat de loonen 17 pet. waren gestegen. Dat stijgen kan echter niet doorgaan, ik heb er zelfs aan gedacht de loonen te verminderen, eigenlijk had ik dit verleden jaar al moeten doen, doch ik heb het toen gelaten, omdat het steeds eene harde zaak is Ik moet dat zien te vinden op de hoogere salarissen, ten einde zoodoende de minste onveranderd te kunnen laten. De concurrentie van het buitenland dwingt ons tot loonsverlaging. Voor de mannen en jongens bedraagt thans het loon gemiddeld f 1,25 per dag, voor vrouwen en meisjes gemiddeld f 0.59. In het salaris voor vrouwen en meisjes is nogal verschil. Wanneer zij pas aangenomen worden, verdienen zij in den regel niet meer dan f 0,35, doch het duurt niet lang of dit wordt f 0,40 enz. Zoo gaat het ook mot de jongens. Als dezen op de fabriek komen. krijgen zij ook gewoonlijk slechts f 0,55, om langzamerhand tot f 1,25 op te klimmen. |
Wat de veranderingen in het salaris aangaat, deze hebben niet plotseling plaats gehad, maar bijna altijd om de drie jaren. Schielijke loonsvoranderingen zouden ook trouwens slecht zijn voor het budget van den werkman, omdat dit naar een zeker salaris geregeld is. 8292. V. Gij hebt gesproken van de gemiddelde cijfers van salarissen; maar wat verdient nu een bekwaam, volwassen werkman bij u ? A. Dat zou ik eigenlijk niet kunnen zeggen, omdat hij bij het stuk werkt. 8293, V. Maar gij kunt dit toch wel berekenen ? A. Ik heb in Juni 1880 eene bereke-ging gemaakt, en toen heb ik de uren genomen die zij gewerkt hadden om zekere som te verdienen. Langs dien weg ben ik toen gekomen tot f 1,25 voor 10 uren. 8294, V. Werd dat niet door u genoemd een gemiddelde van mannen en jongens ? A. Ja, de jongens verdienen 55 tot 90 cents en de mannen van 90 cents tot 2 en 3 gulden. 8295. V. Juist. Dus nu krijgen wij het hoogere cijfer. Gij hebt straks f 1,25 als het gemiddelde genoemd, en daarom moest ik vragen wat het salaris was, dat door volwassen mannen als maximum verdiend wordt. Dat is dan f 2 ii f 3. Wat verdienen de vrouwen en meisjes ? A. Gemiddeld 59 cents. Als de meisjes in de fabriek komen, verdienen zij 35 cents, ook per stuk, maar nooit minder. Laten wij nemen 35 tot 45 cents. Ik spreek hier van meisjes beneden de 10 jaren. Zoodra de 16 jaren bereikt zijn, kunnen ze naar andere zalen gaan en verdienen dan meer. Dan varieert de daghuur van 55 cents tot f 1,10. 8290. V. Dus voor de vrouwen is f 1,10 het maximum ? A. Ja, voor 9Vj uur werk, daar er rust is om 8 en 4 uur. 8297. V. Nachtwerk van vrouwen en meisjes komt bij u niet voor? A. Nooit, dit mag niet. 8298. V. Gij keurt dat werk af? A. Zeker. De jeugdige meisjes komen nooit te vroeg en gaan nooit te laat weg; er wordt voor gewaakt dat zij zich niet overspannen. 8299. V. Neemt gij kinderen aan beneden de 13 jaren ? â A. Neen. S300. V. Gelooft gij dat de kinderen tot 1 j-jarigen leeftijd op school blijven. |
219
|
of dat zij in de periode vóór zij bij u komen ledigloopen on rondslenteren 7 A. Ledigloopen niet. Ik weet, dat kinderen van 12 tot 13 jaren op andere fabrieken werk kunnen vinden Sommige kinderen gaan dus naar school, anderen naar de fabriek; dit hangt geheel af van den toestand van het gezin, of dit de verdiensten van het kind al of niet noodig heeft. 8301. V. üij weet dus dat andere fabrieken kinderen aannemen op 12 jaren, maar gij hebt als regel aangenomen om ze eerst te nemen op 13-jarigen leeftijd ? A. ^ roeger behooren de kinderen niet te werken. 8302. V. Wat wenscht gij daaromtrent ons misschien mede te deelen ? A. Deze zaak staat in verband met het loon van den werkman. Ik behoor niet tot hen, die de quaestie theoretisch beschouwen en utopieën maken; ik houd het oog op het belang en de welvaart der gezinnen. Liever zou ik de kinderen op nog later leeftijd aannemen, maar dit gaat niet. Ik heb den leeftijd op 13 jaren gesteld om twee redenen. Vooreerst was het bij het in werking komen der wet van 1874, die goede wet, moeilijk den juisten ouderdom der kinderen te weten, en dikwijls werd ik daaromtrent bedrogen ; dus bepaalde ik om zeker te zijn den leeftijd op 13 jaren. Er kwamen bijv. twee meisjes hij mij, de een zeide Katharina, de andere Maria te heeten; echter verwisselden zij hare namen, en de boekjes waren veranderd, er was in uitgekrabd, üm zekerheid te bekomen zond ik die boekjes naar het stadhuis terug. De tweede reden is, dat de jongens en meisjes van het 12de tot het 13de jaar nogal groote vorderingen maken in het leeren. Te dier gelegenheid is bij ons aangenomen dat ieder kind een examentje moet afleggen, af te nemen door mij of een der fabriek-ingenieurs, in lezen, schrijven en de vier hoofdregels. Dien maatregel heb ik sedert on- feveer acht jaar genomen, en zoodoende eb ik tegenwoordig geen kind meer, dat lezen, schrijven noch rekenen kan.eveer acht jaar genomen, en zoodoende eb ik tegenwoordig geen kind meer, dat lezen, schrijven noch rekenen kan. |
Een zeker getal hapert met het «deelenquot;; dan worden zij in den regel toch aangenomen, doch moeten eene maand daarna opnieuw op het kantoor ondervraagd worden, of zij dan kunnen deelen. üaat het dan nog niet, dan worden zij naar huis gezonden. Zoodoende ben ik zeker, dat al mijne fabriekskinderen, lezen, schrijven en rekenen machtig zijn. Zij vergeten het wel een weinig, het lezen minder omdat zij hun kerkboek hebben, maar het rekenen wel. Nadat zij een zekeren tijd aan kleinere werkzaamheden bezig zjjn geweest, worden zij overgeplaatst naar eene andere zaal en bij andere bezigheden, want het mani-puleeren van papier moet van jongs af aan geleerd worden. Dan wordt een tweede examen gedaan, de bekwamen worden gepromoveerd en de verdiensten komen van 45 op 55 a 60 cents, ook altijd per stuk. Voor de 10 jaar gebeurt dit zelden. Laten wij aannemen, dat zij gemiddeld drie jaar in de eerste periode bljjven. Maar de oen wordt wat spoediger gepromoveerd dan de ander. Ãm op-zichteres te worden, moet een derde examen met goed gevolg /.ijn afgelegd. Ik heb nu een drietal als opzichteres. 8303. V. Wat verdienen die? A. Een gulden, een gulden twintig. De salarissen, die ik als gemiddeld heb opgegeven, gelden niet de chefs de brigade en do opzichteressen, en die ver-keeren zeker niet in een toestand, dat zij gebrek lijden ; zjj hebben dan goed te eten en te drinken. 8304. V. Gjj hecht er zeer aan, zooals blijkt uit de goede maatregelen, die in dit opzicht door u genomen zijn, dat de kinderen niet op de fabriek komen, tenzij zij, zooals men het noemt, behoorlijk onderlegd zijn A. Ja, ik wensch over dit punt nog het volgende te zeggen. Aan elk kind, dat zich aanbiedt â sedert kort heb ik daaromtrent aantee-kening gehouden, maar sedert lang heb ik in mijn geheugen dat punt nagegaan â vraag ik waar het heeft schoolgegaan, en hoe lang zjj de school bezocht hebben, alsmede of zij soms reeds bij een ander gewerkt hebben. Ik moet zeggen, dat het onderwijs in do stad bij de particulieren en bij de openbare scholen pari staat. Omtrent het middelbaar onderwijs, waarvan ik ook curator ben, is mijne ondervinding anders. Daarbij zijn de particuliere scho- |
220
|
len vooruit. Het spreekt echter vanzelf, dat dit onderwijs niet voor den geringen stand is. Wij hebben vele scholen. Wij hebben bij ons betalende en niet-betalende scholen. Het betaalde particuliere onderwijs heb ik nogal goed bevonden want de hoogste punten op de hoogere burgerschool werden behaald door hen, die uit die particuliere scholen kwanen. Maar wat het lager onderwijs betreft, kan ik niets zoggen. Jk geloof dat daarbij het particuliere en het openbare onderwijs pari staat. In de particuliere scholen heeft hier en daar wel wat gehaperd, maar ik heb hen die het aanging dat doen weten. Overigens zal ik, begrijpt gij. over dit punt niet veel spreken 8305. V. Gij hebt met de feiten bewezen, dat gij overtuigd zjjt dat kinderen niet voor hun lüde jaar behooren aangenomen te worden. A. Mag ik daar iets bijvoegen? Bij ons. wij zijn meest Katholiek, doen de kinderen de eerste communie tusschen 11 en 1'2 jaar. Van 1'2 tot 13 is de beste, krachtigste leeftijd om te leeren. Vóór dien tijd zijn het nog maar kinderen. Van 12-13 wordt op alle scholen goed geleerd; dan loopen zij niet meer voor evenveel op straat, dan zijn het jongens en meisjes geworden. 8300. V. En nu de conclusie? Moet ik uit alles wat gjj hebt medegedeeld, niet deze gevolgtrekking maken, dat u het wenscheljjk zoudt vinden voor het opkomend geslacht, als datgene, wat fjj uit vrijen wil in uwe eigene zaak oet, bij wet werd gemaakt tot een algemeenen regel, met andere woorden, dat de term van 12 jaar van de wet van 1874 eene verhooging onderging ?jj uit vrijen wil in uwe eigene zaak oet, bij wet werd gemaakt tot een algemeenen regel, met andere woorden, dat de term van 12 jaar van de wet van 1874 eene verhooging onderging ? A. Voor onze industrie zeer zeker, maar, zooals ik daar zooeven opmerkte, ik ben geen utopist, geen philantroop, geen moralist. Er zijn misschien industrieën, die kinderen van jeugdiger leeftijd noodig hebben, om het vak te kunnen leeren. Voor onze industrie zou de leertijd wel tot boven 13 jaar kunnen duren, maar zeker niet boven de 14. Ik heb geaarzeld welk cijfer ik zou moeten opgeven. In den beginne wenschte ik 14 jaar te stellen, maar toen ik het budget van den werkman had opgemaakt, ben ik tot den I3jarigen leeftijd gekomen. Ik zal u zoo aanstonds mede-deolen, wat de werkman noodig heeft om te leven. |
8307 V. Dit hangt zoozeer samen met het punt, waarmede wij juist bezig zijn, dat ik u nu wel zou willen vragen om thans reeds mede te deelen wat gij over dat budget van den werkman genoteerd hebt, en hetgeen in verband met ons onderwerp in deze Enquête toch wel eene plaats mag vinden. A. En te geljjk den vrouwenarbeid dan? 8308. V. Natuurlijk. Vrouwenarbeid is een inkomst op dat budget. A. Ik had mij voorgesteld eerst den vrouwen- en dan den kinderarbeid te bespreken. Volgens mij kunnen noch mogen wettelijke bepalingen tegen den vrouwenarbeid worden gemaakt, omdat inderdaad het huisgezin van den werkman de opbrengst niet kan missen en volgens mij de vrijheid, die het recht van beschikking over den eigen arbeid moet verzekeren, de basis is van de geheele vrijheid en de begrippen omtrent den eigendom. Als iets mij toebehoort, dan is het wel mijn werk, en als iets kan rechtvaardigen dat eene zaak mij toebehoort, dan is het wel dat ik haar verdiend heb door mijn werken. De vrouw moet gerangschikt worden onder de personen, die over zich zelf mogen beschikken, wanneer zij meerderjarig zijn. Zooals ik zeide, kan in de eerste plaats het gezin niet bestaan, zonder do opbrengst van den vrouwelijken arbeid, en in de tweede plaats kan de industrie niet bestaan, ' Ik zou tal van voorbeelden kunnen aanhalen, waardoor de vrouw, en de vrouw alleen, door haar werk het bestaan van het geheele huisgezin verzekert. Ik geloof niet dat iemand den moed zou hebben om aan eene vrouw, wier man een dronkaard of werkelooze is, en die het brood voor het geheele gezin verdient, te zeggen : gij zult minder of in hot geheel niet meer werken. Een eerste vereischte om gezond te blijven is natuurlijk dat men genoegzaam eten heeft, en wanneer men nu het werken van de vrouw verbiedt, dan zal het huisgezin in den regel niet het noodige voedsel hebben. |
221
|
Ik heb het vertrouwen gekregen van eenige werklieden, en hen verzocht om over geruinien tijd eene begrooting op te maken van hetgeen zij noodig hebben om te leven. Ik heb dat uit verschillende oogpunten gedaan. Er waren eenige werklieden, die verhooging kwamen vragen, omdat zij niet konden rondkomen ; ik kon dit natuurlijk niet doen. Ik heb toen het budget genomen van een man. die tot den middelHtand' behoort, dit wil zeggen, van een man, die drie kinderen en eene vrouw heeft, welke laatste niet werkt, een man die een gemiddeld salaris bij ons verdient. Ik heb hem gevraagd, of hij rond kon komen of niet. Die man had het ongeluk, twee boekjes te bezitten, waardoor hij niet met geld naar de winkels behoefde te gaan Die boekjes zijn het groote ongeluk van de werklieden. vooral in Maastricht. 8300. V. Wat bedoelt gij met het ongeluk van twee boekjes? A. Een voor etenswaren, en het ander voor kleedoren. Die man nu was vroeger militair, en huwde dadeljjk nadat hij uit dienst trad. Hij heeft nu drie kinderen, een van l'/a jaar- de twee anderen beneden de 10 jaar. In de eerste acht jaren van het huwelijk is dit het moeilijkste, zwaarste punt voor de werklieden. |
Die werkman was, toen hij huwde, begonnen met een schuld te maken van f85. Hoewel hij die schuld langzamerhand afbetaalde, moest hij toch in handen van zijn leveranciers vallen. Bovendien is die schuld slechts zoo langzaam verminderd, dat zij tegenwoordig nog f39 bedraagt. Uit die opsomming, waarbij ik niet tot grondslag nam wat hij werkelijk pntvangen had, maar wat hij voor goed voedsel en behoorlijke klceding had moeten hebben, vergeleken met andere opgaven, zooals de begrooting van het weeshuis, verkreeg ik eindelijk eene berekening wat bedoelde werkman behoorlijk gevoed en gekleed, per maand uitgeeft. Dit is, naar mij bleek, f 3 voor logies en evenveel voor kleeding. Dat dit zoo juist met guldens uitkomt, is natuurlijk een gevolg hiervan, dat ik het middelcijfer genomen heb. Voor vuur en licht f 1,80, voor etenswaren f 24.50; voor diversen heb ik een vraagteeken gesteld; totaal f32,30. Dat was wat hij dan verteerde. Ik heb do verdiensten van dien werkman, die sedert jaren bij ons is, ü maanden lang opgeteekend en wist dat hij maar f31.60 verdiend had. Hij moest dus 70 cents achteruit zijn gegaan. Dit kwam mij vreemd voor, en ik zeide hem: gij hebt mjj bedrogen, want dat kan niet, des te meer daar de diversen niet aangeteekend zijn. Toen kwam het uit, dat zijne vrouw, hoewel zij niet werkte, f5 per maand verdiende door het houden van kinderen van arbeiders-familiën. Als eene vrouw bij ons komt werken, geeft zij het kind bij een ander te bewaren en komt het later terughalen. Op den leeftijd van 4 jaren bestaat te Maastricht gelegenheid om de kinderen te bezorgen in eene bewaarschool, en dat gaat vrij goed ; maar beneden de 4 jaren kan dat niet. Dat is een desideratum, en ik denk er aan â ik geloof ook wel dat het gaan zal â op de fabriek zelve eene crèche te hebben, zoodat de kinderen bij de moeders kunnen blijven ; want dat is geen bezwaar bij ons, zij werken allen op stuk, en kunnen dus op haar kind passenen te gelijk werken. Maar daarin ligt de groote knoop voor kinderen, dat er voor die van I tot 4 jaar geen bewaarscholen of crèches bestaan. In crèches mist men de moederlijke liefde, zoodat de moeders hunne kinderen liever in een ander gezin afgeven. Dit is dus beter, ofschoon ik er ook niet mede tevreden ben. Het budget van dien werkman was gemiddeld f 32,30 en hij verdiende slechts f 31,60. Oie man had hot nog zoo kwaad niet, want hij staat op het punt van promotie te krijgen. Ik heb hem laten beloven, dat hij geen schuld-boekjes meer zou hebben en alles zou worden vereffend, want wat hij bij de leveranciers gaat halen, betaalt hij ongetwijfeld 20 en 30 pet. duurder dan wij. Ik neem dezen werkman tot type, omdat hij een goed werkman is en het huisgezin slechts 23,8 cent per dag verteert. Ik heb gesteld, dat 5 personen van het gezin gelijkstaan met 4i/2, omdat een kind van l'/j jaar geen volwassen persoon is en dus niet zooveel aan voe-i ding en kleeding kost. Een door mij |
222
opgemaakte statistiek omtrent de be- ren zullen er meer van weten dan ik. volking der fabriek en de gezinnen met Omtrent de kosten van logies kan ik do kinderen wijst dat cijfer van i'/i aan. het volgende mededeelen Dus i3,8 cent per hoofd en per dag. In ISTö kwam het denkbeeld op. om De man, als type genomen, moest huizen voor den werkman te bouwen, eigenlijk f 44,56 verdienen, bij goed De vestingen werden toen geslecht, en honorarium, goede huisvesting en klee- men meende dat men daardoor op voor-ding. Dit heb ik afgeleid uit eene ver-, deelige wijze grond zou kunnen beko-gelijking met de kosten van verpleging : men. Ik werd mot den heer Kegout en in hot weeshuis. Mijn man bewoont, andere heeren door den heer De Veer gelijk velen, slechts ééne kamer met uitgenoodijd om eene maatschappij op zjjn gansche gezin, voor f 3 per maand, 1 te richten tot het stichten van arbei-een spotprijs. Eigenljjk behoorde hij te : derswoningen. De Staat was echter niet betalen den middelprijs van een huisje ; genereus tegenover ons. Hij kwam ons met meer dan twee kamers, dat is i niet te hulp, en van het heele plan f ; voor kleeding behoorde hij te i kwam niets
hebben f8,10, terwijl hij daarvoor slechts Later werd ik door twee priesters f 3 heeft. uitgenoodigd om eene andere maatschap-
De voeding. Als ik bereken wat alles pij op te richten. De Staat werd geheel kost, hetgeen hij noodig heeft, moet hjj er buiten gelaten, en het geheele plan leven van f 29,40 per maand voor zich berustte op particuliere krachten. Dat en zijne kinderen. Ingeval zijne vrouw ging beter; de huizen werden gebouwd, bij ons meewerkte, had de man meer. Er werd eene statistiek opgemaakt, Nu beroken ik nog niet, wat hjj zoude waaruit bleek, dat van de 134 hnis-verliezen indien hjj in eene fabriek was, houdens ö-22/l0 pet. slechts in ééne kamer die nu en dan stilstond of ingeval hij logeerden.
ziek werd. Daarvoor moeten andere Sedert zijn bij ons 133 arheiderswonin-middelen bestaan. Die man had dus gen gebouwd, en ik heb eens nagegaan niet te verdienen en verkeerde in een wat do gevolgen daarvan waren, zoo gebrekkigen toestand. Het schijnt dus wat huurprijs als meer of minder ruime wel dat de vrouw moet medewerken bewoning betreft, want uit een moreel om de kinderen behoorlijk te kunnen en hygiënisch oogpunt beschouwd, kan verzorgen. het bewonen van eene kamer door een
8310 V, Of wel het schijnt, dat geen geheel gezin niet bevorderlijk zijn aan huishouden bij zoo gebrekkige bestaans- de zedelijkheid.
middelen behoort te worden opgezet ? Uit het onderzoek is mij gebleken, A. Dat is zoo. dat de 30i huishoudens bestaan uit 1534
Men zou ook kunnen beweren dat personen; dat daarvan 4.)3/10 pot. woont die man moer moest verdienen, maar in ééne kamer, 36s/,â pet. in twee ka-wij staan hier voor een moeilijk punt: mers en 14 7,0 pet. in een geheel huisje, wij zijn industrieelen en geene philan- De huurwaarde van eene kamer is tropen. gemiddeld f 3,63; van twee kamers
Wij zullen nu de loonen moeten ver- f 5,^6 en van een huisje, oj' meer dan minderen, omdat wij anders niet kunnen twee kamers f 7,09, alles per maand, blijven bestaan. Wij hebben het heel Daaruit heb ik de conclusie getrokken, moeilijk ; wij staan tegenover eene ge- die ik zooeven mededeelde duchte concurrentie van den vreemde, 8311. V. Dat gebroken cijfer van f 5.'26. die voor ons de grenzen heeft afgeslo- hetwelk ik straks niet begreep vindt nu ten. De concurrentie van Duitschland zijne verklaring.
is onverdragelijk. Daar staat wel tegen- A In eene kamer betaalt ieder per-over, dat alles beterkoop gekocht kan i soon slechts f 0,028 per dag. De con worden, maar wat geeft dat, zoo men I clusie, die ik daaruit trek, is. dat. niet-zelfs het goedkoope niet betalen kan. tegenstaande de woningen in onze stad En als wij het werk zouden moeten sta -: vermeerderd zijn, wjj hadden 52 V|0 pet. ken, dan zou het nog erger zijn. Ik zal die in ééne kamer wonen en nu 493/10 -er niet meer van zeggen, want de hoe pet. Do toestand van hen, die in een
223
huisje wonen, is wat beter geworden, de waartoe wij altijd maar niet gekomen
huisjes zijn wat goedkooper geworden, zijn. Uwe grondstoffen zijn lompen, die
Vroeger was de huur gemiddeld f 7,75 gij inslaat ?
er maand, tegenwoordig f 7,09 dus is A, Wij hebben als grondstoffen : lom-
et meer onder het bereik van den pen. stroo en hout, welke elk eene af-
werkman gekomen. Ik geef u echter te zonderlijko bewerking ondergaan in
denken, hoe de moraliteit en de gezond- verschillende lokalen.
heid in gezinnen moet zijn, die maar 8314, V, AVjj zullen beginnen met de
de beschikking hebben over ééne kamer, lompen. Van waar betrekt gij uw lom-
Volgens eene opgave, die in mijn bezit pen ?
is, zijn er huishoudens die met 8 of 10 A. Voor 9/10 uit Nederland, sedert
personen in één kamer logeeren, waar een tiental jaren ook een weinig uit
dus gekookt wordt en alles gedaan. Ik Luik,
zeg dan ook, dat wanneer de kinderen 81)15. V. Gij vindt dus in ons eigen
den leeftijd hebben bereikt om te ko- land grondstof genoeg, niettegenstaande
men werken, het voor hen veel gezon- den vrijen uitvoer ?
der is, wanneer zij, ik zeg niet in onze A. Zeker. Maar lompen zijn tegen-
paleizen, maar in onze lokalen komen, woordig niet meer zoo belangrijk voor
in plaats van te bljjven in eene kamer ons als vroeger. Zij zijn niet meer de
waar eigenlijk geen huishouden bestaat; uitsluitende grondstof, wij hebben nu
immers men kan niet zeggen dat er ook hout en stroo. Om echter op de
een huishouden bestaat, wanneer men lompen terug te komen. Die worden bij
met 5, 6 kinderen in één kamer leeft, aankomst aan de fabriek in magazijnen
waar gekookt wordt, enz. opgestapeld en dan uitgegeven om te
Ik had dit een en ander opgemaakt, worden gesorteerd.
omdat ik meende dat het nu juist de Dat sorteeren geschiedt in twee zalen, gelegenheid was om de heeren eens te uitsluitend door vrouwen. De juiste afwijzen op deze toestanden in Maastricht, metingen der zalen kan ik nu niet uit 831'2. V. U hebt ons daar genoegen mijn hoofd opgeven, doch zij zijn zeer mede gedaan, en wij hebben u met veel ruim. Er werken daarin een 75, 80, 00 belangstelling aangehoord ; hoewel het vrouwen.
nu niet precies binnen den kring der Zij werken allen op stuk en hebben
enquête te huis behoort, hebben wij u een boekje. De prijs wordt geregeld
laten doorspreken, omdat uwe mede- naar de qualiteit der lompen en dus
deelingen zoo belangwekkend waren. naar de moeilijkheid van het sorteeren.
Hebt u soms nog een of ander dat Wanneer zjj een zeker getal kilo s in verband daarmede staat ? gesorteerd hebben, gaan zjj met haar A. Ja, ik heb eenige aanteekeningen korf naar de bascule, waar het gewicht over do intellectueele ontwikkeling, maar in haar boekje, vervolgens in een du-dat komt minder hier te pas. Welech- plicaatboekje en eindelijk in het grootter het volgende. Toen ik in Maastricht boek opgeteekend wordt,
kwam, waren er zeer vele vreemden Den loden dag komen zij om het geld,
aan de fabriek verbonden, maar tegen- Zij werken altijd 'i aan '2 voor geza-
woordig wordt de geheele fabriek door menlijke rekening, waartoe zij echter
Maastrichtenaars gedreven en hebben niet gedwongen zjjn, terwijl zjj zelf haar
wij maar twee vreemden, waaronder een compagnon kunnen kiezen. Dit geschiedt
invalieden chef-werktuigkundige, In den enkel ter vereenvoudiging in de admi-
tijd echter heeft de papierfabriek ge- nistratie.
pericliteerd en wij hebben natuurlijk Ik heb mij de moeite gegeven om allo
hulp moeten zoeken by vreemden, ün- werklieden te ondervragen en uit de
der de omstandigheden, die toen heersch- daardoor verkregen statistiek is mij ge-
ten, hebben wij hot werk te Maastricht bleken, dat meestal meer dan één per-
kunnen uitvoeren, hetgeen thans niet soon uit hetzelfde gezin bij mij werk-
meer zou kunnen. zaam is.
8313. V, Thans zullen wjj eens de Het sorteeren gebeurt in twee groote
werkzaamheden in uw fabriek nagaan, zalen. Wat de gezondheid der lompen-
224
|
soi'teersters betreft, zal ik het een en ander niededeolen, want ik onderstelde dat ik er over zou worden ondervraagd. Ãe gezondheidstoestand volgens mij â maar ik ben eenigszins partij in de zaak - ⢠is goed. Om dat te bewijzen, heb ik eene statistiek van de sterfgevallen en de ziekten opgemaakt. De statistiek der stergevallen loopt over de periodes van 1875 tot 1882 envan188'2 tot 4887. In de eerste periode bedroegen de sterfgevallen 12 '/i 0P in het jaar, in de tweede 10 op de 1000 in het jaar. De ziekten heb ik slechts laten aanteekenen over de tweede periode. Daarop komen voor (ik heb geene getuigenissen van doctoren, maar het is van algemeene bekendheid) : borstziekte, overgedragen koude, rugtering, typhus, verzwering, ouderdom. 8316. V. Geen pokken? A. Neen. Ik ben met deze statistiek eerst begonnen toen ik in polemiek ben gekomen met de heeren van het geneeskundig Staatstoezicht. Ik heb toen daarover eene brochure geschreven. Wat do ziekten betreft, die zijn niet altijd juist te bepalen. De vrouwen mogen niet achterbljjven, of ze moeten reden geven voor hun wegblijven. Zij geven dan op ziekte, maar dit is niet altijd na te gaan. Toch trachten wij dit te doen, en daardoor hebben wij kunnen con-stateeren dat iedere lompensorteerster 5quot;/10â dag per jaar ziek is. üf dit cijfer gunstig is, durf ik niet bepaald verzekeren. Ik heb het oordeel van den heer Wintgens er over gevraagd, die zich nog niet geheel heeft uitgedrukt, maar die toch in het algemeen het cijfer niet ongunstig noemde. 8317. V. Het bezoek van den heer Wintgens in uwe fabriek dagteekent van den laatsten tijd? A. Ja. De tijd der zwangerschap is daaronder niet begrepen. In dien staat kunnen de vrouwen naar welgevallen wegblijven, maar zij blijven ingeschreven als tot de fabriek behoorende. Bij hare terugkomst bekleeden zij weder haren vroegeren post. |
Do heer Wintgens heeft gevraagd, hoelang die vrouwen in den regel afwezig blijven, waarop ik heb geantwoord: gemiddeld 33,7 dag. Ook vroeg die heer mij of vaak miskraam voorkomt en ik heb gezegd: in de laatste 4jaren5van 57 gehuwde vrouwen. Daaronder zijn niet begrepen de miskramen van meisjes; zoodra aan deze iets wordt bespeurd van dien aard, worden zij van de fabriek verwijderd en mogen niet moer terugkomen. Dit werkt goed als voorbeeld; ook daaromtrent heb ik eene statistiek opgemaakt. Die statistiek is zoo gunstig niet, hoewel de zedelijkheid vrij goed is. Hij ons zijn vrouwen en meisjes geheel en al in afzonderljjke lokalen, zoodat daar niet kan voorkomen wat anders zoude kunnen gebeuren, ik heb in de 4 laatste jaren 19 meisjes van de fabriek moeten verwijderen. Van die 10 zijn er in het voorjaar 0 teruggekomen, gehuwd. Ongehuwd komen zjj niet terug dan na een zekeren tijd. Die invloed is altijd goed, waar zooveel meisjes zijn; het heeft zijn voor en tegen. Het kwaad zit niet in de fabriek, maar in de herbergen, in danshuizen en koffiehuizen, die veel te lang openblijven. Daartegen is niets te doen. Nu verder, wat hot sorteeren dei-lompen betreft, üe lompen die gesorteerd zijn worden op hoopen gelegd, tot zij in verbruik worden gegeven. In de zaal waar dit geschiedt, zjjn geene mechanische werktuigen om te ventileeren. Ik ben daartegen. Ik weet niet of ik juist oordeel, maar ik beweer dat ruimte, zuivere lucht en zindelijkheid beter zijn dan een ventilatie, die stof opwekt en de verhitte werklieden door tocht koude doet vatten. Onze zalen zijn ongeveer 30 meter lang en 12 meter breed en voorzien van ijzeren kolommen. Daarin werken 40 vrouwen, zoodat iedere vrouw meer dan 10 M2 oppervlakte voor zich heeft. Zoodoende kan er niet veel stof ontstaan. Ik zal niet zeggen dat het altijd zoo op mijne fabriek geweest is, want vroeger heb ik weinig op deze punten gelet, maar sedert 1878 heb ik dat alles beter ingericht. Uit de door mij opgemaakte statistiek blijkt, dat de localiteit niet nadeelig voor de gezondheid is. Het is ruim en licht, zonder eenige stof. Men kan er zeer goed eten en drinken. 8318. V. Eten die vrouwen in de werkzalen ? A. Zij eten thuis, maar twee keeren |
225
per dag hebben zj] een kwartier of een half uur tijd, om een boterham met koffie te gebruiken. Eigenlijk drinken zij den geheelen dag door koffie.
8319. V. Worden op die zalen, buiten de vrouwen, ook aankomende meisjes aan het werk gehouden ?
A. Ja, maar die aankomende meisjes zijn zoo heel jong niet. De meisjes, die op deze zalen werken, zijn ten minste 15 of 10 jaar oud. Dg meisjes van 13 jaren, die bij ons aankomen, laat ik bladen papier inleggen.
Als wij dan behoefte krijgen aan kinderen, omdat het werkvolk vermindert, dan vragen wij aan de moeders of zij ook een kind in de familie hebben dat loeren wil, en zoo ja, den brengt zij dat mede en leert het, in den regel onder haar toezicht.
Den leeftijd dier kinderen kan ik niet bepalen. Zij moeten echter een jaar of 13âii zijn, maar ook weder niet te oud, want dan zouden zij het werk niet zoo goed kunnen leeren.
8320. V. Dat alles betreft nu het sor-teeren van lompen ?
A. Ja, en liet snijden.
8321. V. Die lompensorteersters trekken altjjd een eigen werkpak aan, niet waar ?
A. Ja. Iedere vrouw is verplicht zich te begeven naar een aparte kamer, waar een kastje voor haar is met een nom-mer, waarin zich de kleederen bevinden die zij moet aantrekken, nadat zij zich eerst heeft ontkleed. Bij het naar huis gaan, begeven zij zich groepsgewijze weder naar dezelfde kamer, want zij is niet groot genoeg om in eens 80 vrouwen te bevatten, en daar verkleedon zij zich dan onder toezicht van eene opzichtster.
Dit heeft een dubbel doel: bevordering van zuiverheid en opwekking tot netheid. Vroeger hielden zij die vuile kleederen aan het lijf, er was geen amour propre. zooals in andere afaee-lingen wel het geval is, waar het meer ii dam esquot; zijn. Dat zoek ik er in te krijgen. Ik zorg dat de menschen niet met stof in huis komen, want er wordt toch altijd wel een beetje stof ontwikkeld, en quot;dit zou niet goed zijn.
8322 V. Vindt gij bij die niaatrege- : len goeden wil en medewerking ?
II.
A. Ik heb geen slechten wil ondervonden in de geheele fabriek, wat ik ook gedaan heb.
8323. V. Ik doe deze vraag, omdat or andere industrieelen zijn, die zeggen dat het werkvolk van dien aard is, dat al begint men iets in hun belang, zjj toch ongenegen zijn er gebruik van te maken en er niets van willen weten. Dat is dus uwe ondervinding niet?
A. liehalve één zaak, die echter van minder belang was. Tegen het stof had ik haar, ik zal niet zeggen een muilband, maar een respirator willen geven, maar dien hebben zjj weldra weggeworpen ; zij vinden dien hinderlijk en ongezond, zij ademden liever de vrije lucht in. Bovendien beletten de respirators het zingen en praten I Ik heb ook ondervonden, dat de -werking niet goed was, omdat de menschen geen versche luoht inademden. Uverigens heb ik in mijne fabriek altijd medewerking gevonden.
8324. V. Dat betreft dus alles de lompen ?
A. Er is eene machine om de stof uit de' lompen te halen. Dr. W intgens zal daarover wel gesproken hebben, dat noemt men een duivel. Dat is voorzien van een ventilator. Wanneer u wordt gezegd, dat er geen bestaat, dan doelt dit op de kamer waar gesorteerd wordt en waar ik hem niet gaarne zou hebben. In de tweede kamer, waar het stuift, is er wel een. De machine is geheel dicht en de ventilator trekt de stof naar een aparte kamer die gesloten is. Dit bestaat niet in alle fabrieken, daarom druk ik er op dat die inrichting zeer goed werkt, en de gevolgen er van zeer goed zijn.
8325. V. Wat zeide u daar van de tweede zaal, waar het wel stuift? Leg ons dat eens uit.
A. Wij hebben een sorteerkamer, daar is geen ventilator, maar in de tweede kamer, waar het goed geduiveld moet worden en veel stof zou worden opgejaagd, komt de stof niet in de zaal De bewerking zelve van het duivelen geschiedt in een gesloten kast en de ventilator zuigt do stof op naar eene aparte kamer.
| 8320. V. Wilt gij soms nog iets zeg-! gen d propos van de pokken-polemiek ? Gij greept daar zoo naar eene brochure.
15
226
|
A. Ik zou veel kunnen zeggen over epidemieën in het algemeen. Volgens mijne innige overtuiging en die van alle fabrikanten, bestaat er geen epidemie in de papier-fabrieken Wel komen er gevallen voor als overal, maar geen epidemieën Gij zoudt daarover misschien een onpartijdig oordeel kunnen hooren van een opzichter, die jarenlang het toezicht over de lompen heeft gehad, en dien ik bedankt heb. De reden, waarom ik hem bedankt heb, is, dat hjj een begrafenisfonds had opgericht, waarin do werkvrouwen, hoewel zij volkomen vrij waren, toch door hem moreel gedwongen werden zich te doen inbchrijven. Ik heb hem de keuze gelaten tusschen de fabriek en zijn fonds, en daar hij met het laatste meer verdiende, is hij weggegaan. Gedurende den tijd, dat ik aan de fabriek verbonden ben, heeft er geene epidemie geheerscht. Toen de cholera in ons land heerschte, is er geen enkel sterfgeval voorgekomen onder de lompenvrouwen, en wel onder de mannen, die zich met chlooren bezig hielden Een bewijs, dat de chloor niet afdoende is als voorbehoedmiddel. Tijdens de pokken-epidemie zijn er 3 gevallen op de fabriek voorgekomen, waarvan één met doodelijken afloop; dit is zoolang ik op de fabriek ben, het eenige geval. Tijdens de pokken-epidemie heb ik met den heer Ruysch over de zaak gesproken en toen een statistiek opgemaakt van de pokkengevallen in Nederland, in Limburg en in Maastricht. Van het geheele land werden in Limburg de meeste lompen behandeld en in die provincie weder het meest in Maastricht. £n nu was het aantal sterfgevallen in het geheele land '20° , in Limburg 6quot; en in Maastricht '2 per â lono inwoners. Ik maakte daaruit de gevolgtrekking â wellicht niet geheel juist â dat het getal pokkengevallen in omgekeerde evenredigheid staat tot de behandeling van lompen. Onze ondervinding als industrieel is in dat opzicht even goed als die van doctoren, die veranderen ook wel eens ; nu eens behandelen zij de ziekte met koude en dan weder met warmte. Onze ondervinding heeft ons geleerd â en dit is niet weg te cijferen â dat in onze fabrieken geen pokken-epidemie voorkomt, al wil ik de mogelijkheid niet geheel ontken nen, dat lompen kunnen aansteken. Dit is ook de ondervinding van buitenland-sche papierfabrikanten, hoewel in een congres wol eens het tegendeel is beweerd. Maar hier geldt: «C'esi oeuvre d'un savant, non pas d'un praticienquot;. |
8327. V. Dit dus wat de lompen betreft ; wilt gij nu het stroo en hout behandelen ? A. Wat deze enquête betreft, zijn de grondstoffen hout en stroo eigenlijk van minder belang. Ik geloof dat de tijd dei-Commissie daarvoor werkelijk te kostbaar is. 8328. V. Goed, dan zullen wij het stroo en het hout laten rusten. Wanneer dus de lompen gesorteerd zijn, worden zij gekookt t A. Juist. Zij worden door middel van een trechter in den ketel gedaan en dan met waterdamp, soda en kalk verscheidene uren gekookt, waarna zij geheel klaar zijn om gewasschen te worden. Over dit laatste, dat geheel machinaal geschiedt, valt verder niets bijzonders te zoggen. 8329. V. En als zij dan gewasschen zijn? A. Dan worden zij gemalen en ge-b 1 eekt. 8330. V. Ook machinaal ? A. Die lompen worden in kasten en bakken van de eene verdieping naar de andore afgelaten en dan onderworpen aan de werking van chloorgas en chloorkalk. 8331. V. Komen in die afdeeling misschien ziektegevallen voor, die opmerkelijk zijn ? A. Ik hob er wel ondervinding van, 1 maar ik kan geen cijfers noemen, want dat is in de geheele opsomming begrepen. Ik moet erkennen, dat in vroeger tijd dat gas den werkman wel eens hinderde ; maar wij hebben getracht hem meerdere ruimte te geven en de heeren, die de fabriek bezoeken, kunnen wel merken of er reuk is of niet. Er is tegenwoordig niets meer van dien aard 8332. V. Al het mogelijke is dus gedaan en met goed succes 'I A. Er is veel verbetering in gebracht. 8333. V. Op het oogenblik is er dus |
227
|
een bedeokelijke kant meer aan ver-onden ? A. Neen. 8334. V. En dan ? A. Dan wordt de stof opnieuw gemalen om het papier te vervaardigen. In al die handelwijzen is geen gevaar. Er komt enkel eene papiermachine bij, waar de stof in papier verandert. 8335. V. Alles dus machinaal ? A. Ja. en onder bewaking van mannen. Jongens worden opgeleid tot hoogere werkzaamheden. Wij hebben weinig jongens; slechts 7 en IC, dus te zamen 23 jongens. 8330. V. En dan ? A. Dan wordt het papier machinaal naar boven getrokken, gesorteerd, gevouwen, gefatsoeneerd en gewalst. Uit geschiedt onder toezicht van vrouwen en meisjes. Toch is het in de laatste jaren gebeurd, dat het papier machinaal wordt gekalanderd, onder toezicht van mannen. Dit gebeurt in hetzelfde lokaal, waar de machine-outil staat. Daarna wordt het papier gesorteerd door vrouwen en meisjes. 8337. V Wordt het papier ook gesatineerd met hulp van vrouwen en meisjes ? A. Die verplaatsen de bladen. Het satineeren geschiedt machinaal. Een meisje schuift het papier tusschen twee zinken bladen en legt dit alles in eene machine. Daarin wordt het gesatineerd. De meisjes hebben alleen de bladen te verplaatsen en na te zien, maar dit is een zittend, licht werk. 8338. V. Geschiedt het pakken door mannen ? A. Ja. 8239. V. En het enveloppeeren ? A. Dat gebeurt door meisjes, zoo ook het linieeren, het filigraneeren en het fatsoeneeren van doosjes. 8340. V. En is daarmede dan de fabricage afgeloopen ? A. Ja. 8341. V. Wilt gij ons nu omtrent andere zaken uwe mededeelingen doen'.' A. Omtrent brandgevaar zijn de noo dige maatregelen genomen, maar die kunnen alleen op de plaats zelve beoordeeld worden. De ziekenkas voor werklieden. Vroeger was er eene kas, waarin wij voor |
de eene helft en de werklieden voor de andere helft bijdroegen. Die kas was achteruit geraakt, en wij hebben eenige duizenden guldens moeten storten om daaraan te gemoet te komen. Die is nu opgehouden. Daarop heb ik de werklieden eene andere kas helpen oprichten, onder den titel ; oHelp u zeivenquot;. Dien geest heb ik onder de werklieden willen brengen, opdat zij niet op den patroon maar op zich zeiven zouden steunen. Van de kas maken 99/100 van de mannen en meisjes deel uit, met uitzondering van de lompenvrouwen. Die kas wordt gevoed door het inhouden van een deel van het weekgeld onder het toezicht der werklieden, die de boekjes houden. Ik ben eere-voorzitter. Elk jaar wordt er eene algemeene vergadering gehouden, en worden 5 leden benoemd, die als commissaris fungeeren en onderzoeken of hot werkelijk een ziektegeval is of niet. Zij hebben ook de bevoegheid zich van de fabriek te verwijderen om dit te gaan onderzoeken. Bovendien is er een ondersteuningskas. Dat gebeurt geheel vrij en buiten hun weten. Enkele malen heb ik in hun kas bjjgestort, toen zij een weinig zwak begon te staan. Tegenwoordig staat zij weder zwak, omdat vele werklieden zich als ziek hadden opgegeven, waardoor te veel is uitbetaald. Sedert de nieuwe commissie benoemd is, gaat het beter en neemt de kas maandelijks toe. Buiten die kas hebben wij in onze boeken een caisse di; secoura. Ik heb de bevoegdheid pensioenen toe te staan. Als er een ongeluk gebeurt, dan wordt de gekwetste verpleegd op onze kosten, en dan ontvangt de familie 3/4 van het dagloon van den man die gewond is. Verwonding komt nogal eens voor. In de laatste tien jaren zijn drie gevallen van ernstige verwonding voorgekomen. Meestal bepalen de verwondingen zich tot de vingers. In de laatste tien jaren zijn er drie groote ongelukken voorgekomen, als twee die een arm verloren hebben en een die overleden is. Zij die een arm verloren hebben, zjjn nog in de fabriek werkzaam tegen hetzelfde salaris als vroeger Komen zij op zekeren leeftijd, dan heeft de raad van beheer mjj toegestaan ze, zoo zij het verdienen, te |
228
|
pensionneeren, of lievei- eene toelage te geven, want recht op pensioen hebben zij niet. Zoo zijn er op het oogenblik een tiental, die toelagen genieten voor een 20-jarigen en 25-jarigen diensttijd. Vroeger waren ook de opzichters in do kas van do werklieden. Ik heb ze er in gebracht omdat zjj beter geleerd hadden en das de kas beter konden administreeren. Later bon ik daarvan echter teruggekomen. Worden do opzichters nu oud en ongeschikt voor het werk, dan krijgen zij het volle traktement als ondersteuning. Dat is reeds meermalen gebeurd. Zjj worden door ons ge-pensionneerd. net als de werkman. Dit is hot ecnige wat ik omtrent de kas der werklieden en het pensioenfonds kan niededeelen. Ik heb de kas der werklieden ook nog veranderd uit een ander oogpunt. Bij ons heeft men een gesticht, den Calvarieberg, en in het reglement daarvan staat, dat alle inkomsten van den werkman, die er verpleegd wordt, aan het gesticht vervallen. De kas moet dus ; in zulk een geval het geld aan het gesticht uitkeeren. Ik vroeg mij echter af, waarvan het gezin dan moest leven, en heb ons laten dagvaarden en niet betaald. Wij zeggen : een ziekenkas bestaat er niet. Wat er is, krijgt het huisgezin, niet hij die in het gesticht wordt verpleegd. Volgens mijne meening moest alios veranderd worden en behoorde er te zijn een soort van algemeene kas, ook voor verpleging en behandeling door een dokter. Eigenlijk zou er meer gecentraliseerd en gehandeld moeten worden in den geest der trade-unions in Engeland, want een werkman, die nu bedankt wordt, verliest alle stortingen. Tegenwoordig echter is het moeielijk wat te doen, en ieder industrieel dient maar voor zijn eigen huisgezin te zorgen. 8342. V. Bij u worden zij nogal niet veel bedankt ? A, Zij worden bedankt als zij slecht oppassen. 8343. V. Maar dat komt bij u gelukkig nogal niet veel voor? A. Neen. |
8344. V. De moraal van de zaak is, als ik u wel begrepen heb, deze: dat, als u gevraagd werd; laat gjj uw oude ouvriers aan de armen vervallen, gij zoudt zeggen : neen ? A Als zjj ton minste 20 jaar bij mij gewerkt hebben, dan worden zij niet armlastig 8345. V. Ik doe deze vraag, omdat de toestand bij anderen anders is. Die drie ongelukken waarover gjj gesproken hebt, speelde onvoorzichtigheid daar eene rol bij ? A Mijn belang is om ja te zeggen, maar ik zal u de zaak vertellen, zooals zij gebeurd is (Jij zult er ook een werkman over hooren. Een werkman, dat is het eerste geval, is mot het overbrengen van papier uitgegleden en met zijn arm tusschen de pers gevallen. Dientengevolge is hij zijn arm kwijt geraakt. Het tweede geval trof oen meisje ; de man, die bij hot satineeren is, was even weg en had zijn horloge boven op de machine gelegd; het meisje is op de machine geklauterd, om te zien hoe laat het was; zij werd bij de kleederen gegrepen en hoeft den arm verloren. Dat meisje is weder bij ons werkzaam; ik heb haar bij die gelegenheid een werk moeten geven, dat zjj met ééne hand kon doen. Van het derde geval weet ik niet vee! te vertellen. Een man die een groot aantal jaren al bij een machine geplaatst was, werd gevonden bij een overbren-gingsas, waar geen doorgang was. Hij was gegrepen en rondgedraaid en werd dood gevonden. De man had daar echter niets te doen gehad, en ik heb later de as omkleed Dat kon nu hier, maar dat gaat overal niet Behalve eenige kleine ongelukken, die den werkman niet onbekwaam maakten om te werken, zijn slechts deze drie ongelukken voorgekomen 8340 V. Hebben die voorvallen u geen aanleiding gegeven om meer machine-deelen te omkleeden ? A Natuurlijk, dat is het werk van iederen dag; elk jaar zijn wij daarin vooruitgegaan De ondervinding leert wat men daarin kan doen â- men weet vooruit niet hoever men daarmede kan gaan, maar het is plicht om zooveel mogelijk daaraan uitbreiding te geven. |
229
|
8347. V. Wat leert u de ondervinding i wat houdt gij voor verstandiger, de macliines zoover het zich laat doen, te bedekken, of de mensohen den vijand te laten zien. om hen te wennen er voorzichtig mede te zijn ? A. De vraag is te algemeen. Het hangt er van af, of de menschen er moeien komen of niet. Men moet met de machine bekend raken; zij moet onderhouden worden, en dat mag men niet belemmeren, maar waar dit nietnoodig is moet men zooveel mogelijk afsluiten. 8348. V. üe generale vraag schijnt dan tocli vatbaar voor dit uw gepreciseerde antwoord, dat waar het mogelijk is zonder schade voor een behoorljjk en goed onderhoud van de machine, het wenscheljjk is de af sluiting te doen plaats hebben ? A. En dit gebeurt ook niet alleen zooveel mogelijk bij ons, maar ook in andere fabrieken. 8349. V. Hoe is het gesteld met de boeten in uwe fabriek? A. Die worden willekeurig geheven. Dat is misschien niet juist, en het zou wellicht beter zijn dat in de fabriek oen reglement daarvoor was opgeplakt, maar dit heeft ook zijne bezwaren, want alle gevallen zijn niet te voorzien. Gij zoudt omtrent de toepassing en de werking van die boeten den werkman zelf moeten hooren, maar de goede verstandhouding, die er heerscht, waarborgt tegen alle misbruik. De werklieden weten dat op het rookon in de fabriek eene boete gesteld is van dertig centen. Zjj weten allen dat bij telaat komen de deur is gesloten en een halven dag wordt afgetrokken. Van sommige zaken is hun het tarief bekend. In de boeten voor bet verknoeien, slecht fabriceeren van papier, moedwillig of niet, is eene zekere speling gelaten. Als vaste stelregel heb ik echter aangenomen dat geen werkman de boete behoeft te betalen. Valt hem dit te zwaar of acht hij de boete onrechtvaardig, dan wordt hem 15 dagen tijd gelaten om elders werk te zoeken; de boete wordt hem dan niet afgetrokken. Hij is vrij om de boeten aan te nemen of niet. 8350. V. Laat gij het recht van boeten opleggen aan uwe ondergeschikten over. of houdt gij dit aan u? |
A. De boete wordt voorgesteld üf door den opzichter of direct opgelegd door ons; Do boeten worden opgeschreven in het boekje on op bet einde der quin-zaine aan den ingenieur of aan mij overhandigd, die naar goedvinden daarover oordeelen. De eene opzichter is natuurlijk beter dan de andere, en daarom laat ik nooit het recht in handen om boeten op te leggen; zij kunnen ze alleen voorstellen. 8351. V. De heer Knys vau I5ee-renbroek : In het begin Van uwe verklaringen hebt gij gesproken over het verlaten van de fabriek, waarbij gij den maatregel getroffen hebt om zooveel mogelijk mannen en vrouwen gescheiden te houden. Bij het aangaan van de fabriek komen dus allen tegelijk? A. Behalve degenen, die om 6 uren komen. Doch dit zijn allen mannen, nameljjk machinisten en stokers. 8352. V. De vrouwen gaan van half twaalf tot één uur, de mannen van twaalf uren tot half twee naar huis om te eten. behalve de mannen die aan de satineei machines werken en een half uur vroeger weggaan. Maar hoe gaat het des avonds? Verlaten dan de vrouwen niet een vijf minuten eerder de fabriek, want het zijn juist de avonduren, vooral in den winter, die in dat opzicht bedenkelijk zijn? A. Zij verlaten gezamenlijk de fabriek, doch uwe opmerking is volkomen juist. Ik zal dan ook nazien hoe het met de werkuren te regelen is, dat de mannen des avonds wat langer blijven. 8353. V. Wij hebben gehoord, dat de arbeiders, die alleen over dag werken, 10 uren werkzaam zijn ; maar nu hebben wij nog het arbeidend personeel, dat meer speciaal aan de machines verbonden is en dag en nacht doorwerkt, met dien verstande dat de machines loopen van Maandag-morgen tot Zondag-morgen 6 uren. Is dat altijd zoo geweest ? A. Neen. 8354. V. Hoe lang is het, dat gij Zondags niet meer laat werken ? A. Wij zijn begonnen met maar gedeeltelijk te werken, en daarna zijn wij overgegaan niet meer te werken. Dit kan 10 of 15 jaar geleden zijn, maar |
230
|
ik zou het moeten opzoeken, want ik weet het niet uit het hoofd. 8355. V. Vindt ge daar eenig bezwaar in voor het fabrikaat ? En is het u bekend op welke wijze het in het binnen-en in het buitenland geschiedt? A. Van !00 fabrieken op het Continent kan men aannemen, dat in 90 des Zondags gewerkt wordt. Wij, die met eenige anderen niet op Zondag werken, zijn uitzonderingen. Ik heb dat gedaan uit een moreel en uit een physiek oogpunt, ter wille van de gezondheid van den werkman, en ik heb er mij, wat de werkzaamheden aangaat, niet slecht bij bevonden. Wij hebben daarvan natuurljjk nadeel, want het kapitaal brengt nu '/j minder op. Maar de fabriek wordt beter onderhouden. Ue werkman heeft meer lust om te werken door do gelegenheid tot ontspanning, die hem geschonken is. Maar in het buitenland â met uitzondering van Engeland â wordt in de papierfabrieken des Zondags gewerkt. Hot ia lastig de machines te doen ophouden, en het geeft geldelijk nadeel om de stoomketels weer aan den gang te moeten brengen. 8350. V. Maar gij getroost u die onkosten ? A. Ja, ik acht de rust noodig en zou iedereen aanraden die te geven. 8357. V. Dus wanneer Zondagswerk verboden werd, zoudt gij daarvan voorde papierindustrie geen nadeel verwachten ? A. Juist. 8358. V. Gij werkt met twee ploegen. Hoe wordt het werk verdeeld? A. Ue man die deze week 6 dagen overdag gewerkt heeft, werkt in de volgende week zes nachten en omgekeerd. 8350. V. Dus die Zaterdag-avond 6 uur eindigt, begint weer het werk Maandag-avond 6 uur, en heeft dus 2 volle dagen rust ? A. Ja. 8360. V. Komt in uwe fabriek ook overwerk voor ? A. Ja, voor de mannen, niet voor de kinderen. Bij de lompensorteersters gebeurt hot nooit, en bij de kinderen ook niet. Bij de mannen moet het wel geschieden ; als er een ziek is, moeten 2 a 3 daarvoor inspringen en 18, soms'24 uren werken, wanneer althans de ziekte van langen duur is. Voor een enkelen dag doet men het echter gaarne. |
Ten aanzien van de vrouwen, die het papier behandelen, zouden twee maatregelen te nemen zjjn om het overwerk te beletten, maar dan zou ik er meer moeten aannemen en dan ook bedanken. Ik heb thans omtrent hen, die kunnen overwerken, zekeren regulateur, dezen Iaat ik 8 a 14 uren bezig om hen aan het werk te houden, waardoor ik niemand behoef weg te zenden. 8361 V. Zeidet gij niet, dat soms '24 uren achtereen wordt gewerkt ? A. Dit geschiedt meermalen; maar dat is eigenlijk geen werken, het is meer het houden van opzicht; het is geen slaafsche arbeid, geen dragen, enz., maar de machines moeten bediend worden. 836'2. V. Dus hebben de werklieden in dat geval alleen toezicht te houden, maar geen zwaar werk te doen. Hoe dikwijls komt dat voor? A. Alleen in geval van ziekte of plotselinge afwezigheid van werklieden. 8303. V. Komt het bij u wel voor, dat van den werkman '28 tot 30 uren onafgebroken arbeid wordt gevergd ? A. Neen. Bovendien is het overwerken vrijwillig. Geen werkman is verplicht 24 uren of meer achtereen te werken ; maar hjj doet het gaarne, omdat het geen slavenwerk is en hij dan meer verdient. 8364. Do Voorzitter: Om alle misverstand te voorkomen, herhaal ik, dat het werken gedurende dien geducht langen tijd bij u alleen voorkomt in geval van het plotseling ontbreken van dezen of genen werkman in een afgepaste ploeg, maar nooit in gewone omstandigheden. Is dat niet zoo ? A. Juist. 8365. De heer Rnys van Ueeren-liroek : Wij hebben van u gehoord dat kinderen, die niet beneden de 13 jaar door u worden aangenomen een examen moeten afleggen. Dat zijn zoowel de meisjes als de jongens, maar waarschijnlijk meer de meisjes? A. Er wordt geen onderscheid gemaakt. ^300. V. Maar daar het meisjesperso-neel grooter is dan dat van dejongens. |
231
|
slaat het toch meer op de meisjes. Daarbij hfïht gij gezegd, en ik hecht zeer voel aan die verklaring van uwe zijde, want zij heeft veel waarde, omdat zij op do ondervinding gebaseerd is, â daarbij hebt gij gezegd, dat gij geen verschil hebt kunnen opmerken in de ontwikkeling van de kinderen, die van de openbare scholen kwamen, en van die, welke bijzondere scholen bezocht hadden ? A .luist. 8307. V. Gij hebt kinderen van verschillende scholen op uwe fabriek ? A. Ja, ik wil er wel later een statistiek van overleggen. Maar men vergete niet. dat wij niet aannemen de kinderen van onvoldoende kennis: ik kan alleen oordeelen over die wat geleerd hebben. 8369. V. Onder het opzichteraperso-neel zjjn ook vrouwen.AV at geldt daarbij bij u als regel ? A. Als ik op de meisjeszalen vrouwelijke opzichters krijgen kan, neem ik geen mannelijke. 8370. V. Hebt gij nooit nadeelige gevolgen ondervonden van mannelijke opzichters over vrouwen ? A. Neen, maar ik vindt het natuurlijk dat vrouwen toezicht op vrouwen houden. 8371. V. üp uwe fabriek worden de arbeiders per 15 dagen betaald. Zou dit niet om do acht dagen kunnen geschieden ? A. Dat zou moeilijk gaan ; het zou te veel werk geven. 8372. V. Maar zou hot te doen zijn ? A. Ja. Wij hebben het zoo ingericht, omdat onze administratie de kosten berekent per 30 dagen. Onmogelijk ia is het echter niet. 8373. V. Zijt gij van oordeel dat het beter voor den werkman zou zijn, als hij per 5 dagen zijn loon ontving? A. De werkman beweert het, maar ik begrijp niet op welke gronden. 8374. V. En voegt hij bij dat verlangen niet den wensch om op een anderen dag betaald te worden ? Zou de Vrijdag niet beter zijn dan de Zaterdag ? A. Neen, Zaterdags gaan zij naar de winkels. 8375. V. liestaat de gewoonte dat het loon wel eens een week wordt ingehouden '! A. Neen, dat gebeurt nooit. -2 dagen na de quinzaine wordt er uitbetaald. |
8370. V. Hoe werken de begrafenisfondsen, gunstig of niet? A. Alles wat de arbeiders sparen is gewonnen. Wat gespaard is gaat niet weg aan sterken drank. Ik heb uitgerekend, dat zij wel wat veel betalen, maar het is toch altijd gewonnen. gt;-377. Gij zoudt misschien de voorkeur geven aan het beleggen van geld in de spaarbank ? A. Juist, dat zou veel beter zijn. 8378 V. Wij hebben bjj u ook arbeiderswoningen gezien; dicht bij de fabriek; zijn die nog al gewild ? A Nooit is er één vacant. Ik moet er bijvoegen, dit in geval van ziekte de helft betaald wordt van de huurwaarde, en ingeval van sterfgeval wordt er gedurende eene maand geen huur betaald. De huur bedraagt van 5 tot 7 gulden per maand. Zij hebben vrij water en een tuin. 8379. V. Hoeveel vertrekken zijn er in die huisjes? A. Wij hebben 23 huisjes, en de vertrekken zijn in evenredigheid van de, huur. Er zijn er met twee kamers beneden en drie kamers boven. De oudste werklieden hebben do voorkeur. Wij hebben er eigenlijk te weinig. 8380. V. Gij hebt met een enkel woord de concurrentie aangeraakt; ik zal daar nu niet verder op ingaan; maar ik wensch u toch te vragen of de concurrentie er oorzaak van is. dat de loonen van den werkman gedrukt zijn ? A. Natuurlijk, dat is mijn innige overtuiging. 8381. V. En belet die concurrentie u niet om meer .verbeteringen, die u in het belang van den werkman zoudt wcnschen, in te voeren ? A. Ja, mijne nieening is te dien opzichte genoegzaam bekend. Ik heb eenige woorden dienaangaande aangehaald Wij woiden gedrukt door de concurrentie; ik zou echter geen bescherming willen, maar slechts reciprociteit. 8382. De heer (ioi'iMiin lïorgeshis: Is aan het geld, dat door boeten bjjeen komt, eene bijzondere bestemming gegeven ? A. Dat komt in het ziekenfonds 8383. V. Met belangstelling heb ik straks gehoord wat gjj hebt medegedeeld omtrent de arbeidersbudgetten. Gij |
232
|
hebt liet budget gegeven van een werkman, wiens vrouw niet medewerkte en daaruit de conclusie getrokken dat, indien de vrouw medewerkt, het voor het gezin voel gemakkelijker zou zijn om rond te komen. Maar u hebt ook nog meer arbeidersbudgetten bij u, ook van gezinnen waar de vrouw wel medewerkt ; is het u niet opgevallen, wat ons in den loop van dit onderzoek meermalen is gebeurd, dat dikwijls, terwijl aan den eenen kant meer verdiend is, doordat man en vrouw beiden inbrengen, aan den anderen kant zooveel te meer wordt verwaarloosd? Netheid is altijd het goedkoopste, en is hot u nu niet gebleken dat, terwijl de totaal-verdiensten grooter zijn, dit toch niet aan hot gezin ten goedo komt, doordat de man geen thuis meer vindt, enz. ? A. Neen, dat hangt van het getal kinderen at', dat er in de huisgezinnen is. Zjjn er veel kinderen boven den leeftijd van 12, 13 jaren, dan kan de vrouw thuis blijven, maar de moeilijkste tijd is voor hen do eerste zes a zeven jaren van hun huwelijk; dan verdient geen van de kinderen iets, en moet do vrouw inspringen. 8384. V. Maar indien zjj jonge kinderen hebben en op de fabriek werken, dan moeten z[j die aan anderen te bewaren geven, waardoor toch een deel van het loon verloren gaat ? A. .la, maar niet zooveel als zij verdienen. 8385. V. Maar door dat werken van de vrouw op de fabriek wordt het in het huighouden ongezellig; de man vindt zijn eten niet op tjjd gereed en hij loopt naar de kroeg? A. Ik geloof niet dat dat werken van de vrouw op de fabriek zulk een invloed heeft, â Wanneer men toch in aanmerking neemt dat geheele huisgezinnen in één kamertje wonen, dan zal dit geloof ik aan de gezelligheid niet zooveel afbreuk doen. 8386. V. Wij weten dat gij den toestand tracht te veranderen en uw best doet om ze twee kamertjes te doen krijgen. Indien dat gebeurt, zou de toestand dan beter en het verblijf van de vrouw in eigen huis meer noodig worden? A. Natuurlijk. 8387. V. Dat gaat ook niet op eens; |
maar gij hebt dus niet die bezwaren van het werken van vrouwen op de fabriek ondervonden, die anderen zeggen dat werkelijk bestaan ? A. Volstrekt niet. 8388. De heer Beelaerts van Blok-liiud: Gij hebt zooveel mogelijk de sexcn gescheiden gehouden; heb ik u goed begrepen, dat een absolute scheiding onmogelijk is? A. Dat is onmogeljjk. 8389. V. Waarom? A. Omdat ik niet alle werk, bij voorbeeld het satineeren van het papier, aan meisjes zou durven toevertrouwen. Dan heeft men bij voorbeeld het inpakken; het opnemen en dragen van pakken is, mijns inziens, geen vrouwenwerk. Bij het paklojjaal werken ook wel meisjes, doch in een lokaal dat met eene deur van eerstgenoemd lokaal is afgescheiden. 8390. V. Een wettelijk verbod van scheiding zou dus niet mogelijk zijn ? A. Xeen. 8391. V. üjj hebt medegedeeld dat het uw voornemen was om crèches in uwe fabriek op te richten. A. Uet project bestaat reeds lang, maar de zaak is nogal moeilijk. 839'2. V. Uit een financieel oogpunt? A. Dat niet. De moeilijkheid bestaat hierin om een goed, afzonderlijk lokaal te vinden, alsmede afzonderlijke personen, met het toezicht belast, dat voor zoo jeugdige kinderen nogal zorg ver-eischt. liet reglementeeren van ecne dergelijke zaak is zeer lastig. 8303. V.. Maar gij zoudt het anders wel wenschelijk achten? A. Zeer zeker. 8394. V. Waarom? A. Omdat de kinderen dan niet langer in kamertjes, waar een verpeste lucht heerscht, opgesloten behoefden te blijven, en bovendien natuurlijk in een gezonden dampkring goed voedsel zouden krijgen. 8395. V. Is het u tot dusver wel voorgekomen, dat moeders met hare zeer jeugdige kinderen op de fabriek komen ? A. Jawel, het gebeurt somtijds, dat moeders komen werken, en andere kinderen haar het jongste brengen om de borst te geven. Dit wordt natuurlijk toegelaten, 8396. V, Maar het bewaren in de fabriek niet? |
233
|
A. Dat kunnen wij onmogelijk toestaan. 8397. V. Gij hebt medegedeeld, dat in den aanvang vreemde werklieden op uwe fabriek werkten, maar dat gij u thans bepaalt tot Maastriohtsch werkvolk. Wat is uw gevoelen omtrent het vreemde werkvolk ? A. Het vreemde werkvolk is ontrouw, heeft in den regel een verkeerden zin, wekt een slechten geest op en ia veranderlijk. 8398. V. Was dat Belgisch of Duitsch werkvolk ? A. Wij hebben Belgisch, Duitsch en Fransoh werkvolk gehad, maar dat is alles weg. Wij hebben nog één Fransch-man, ongeveer 70 jaren oud, die gepen-sionneerd wordt, en een eersten macliiniat, die uit Luik is. Ik heb ook bevonden dat de werkman in staat was dat te leeren wat hjj vroeger niet kende, maar daar moet een zekere tijd voor zijn. Vroeger werd de werkman bij ons beschouwd als niet in staat tot die werkzaamheden, die noodig zijn in eene papierfabriek; maar dat hangt alles van zijne educatie af. 8399. V. Dus acht gij het werkvolk uit Maastricht beter? A. Ik zou niet genoeg lof kunnen uitspreken over den geest van de arbeidende klasse te Maastricht. 8400. V. Vertel daar eens wat van. A. Ik ben dagelijks in aanraking met den werkman en hoor wat hij wenscht en zegt. Ik vind bij hem medewerking in al wat gedaan wordt; hjj is niet kwaad; men kan veel van hem verkrijgen met een goed woord. Men behoeft niet streng tegen hem te zijn. Ik ben wat driftig, maar zij weten dat dat na 10 minuten voorbij is, en dan komen zij mij weder lachend te gemoet. Ik kan niet anders zeggen, dan dat de Maastrichtsche werkman uitmuntend goed is, en ik kan als vreemdeling, als Luikenaar, daarover beter oordeelen dan iemand anders. Do geest is in het algemeen goed. 8401. V. Werkt daartoe ook mede de invloed van de geestelijkheid op het werkvolk ? |
A. Dit is eene tcedere zaak. Of het aan den invloed van de geestelijkheid of aan iets anders te wijten is, laat ik daar, maar de geest is goed. Het is niet te ontkennun, dat de geestelijkheid de moreele op oeding bevordert en dat dit voordeelig en beschavend werkt op den werkman. Er bestaan bij ons ver-eonigingen die congregaties hueten. Daaraan zijn spaarbanken verbonden, hetgeen ik afkeur, omdat ik niet gaarne zie dat de geestelijkheid zich bemoeit met geldelijke zaken. Maar de geestelijkheid heeft invloed op den werkman, en dit werkt ontegenzeggelijk ten goede. 8402. V. Merkt gij ook iets van socialistische vereenigingen ? A. Daarvan heb ik nooit iets bespeurd. De werkman staat nu individueel tegenover den patroon, en zoolang dit zoo blijft, zie ik van den kant der socialisten geen gevaar. Maar mocht dit komen, dan zou men in trade unions een tegenwicht vinden, gelyk in Engeland. Dit acht ik het best om de werklieden van ons onafhankelijk te maken. By het betrachten van zijn plicht is het natuurlijk niet noodig, maar het kan voorkomen dat men dien niet goed begrijpt, dat men meer zijn eigen belang voorstaal. 8403. De heer Goeman Borgesius: Is het werkvolk te Maastricht genoeg ontwikkeld om zulke trade unions op te richten en in stand te houden? A. Met onze medewerking wei, zonder die niet; de menschen hebben niet geleerd. Wij hebben moeten bijspringen om de zaak goed te regelen. 8404. V. In Holland heeft men ook trade union* beproefd, maar ze hebben zich meest opgelost in vereenigingen om te vergaderen, om te sparen en te deelen, zoodat ze over 't algemeen niet, geljjk in Engeland, veel doen om den bloei en de eer van het vak te bevorderen. A. Daarvoor zjjn onze lieden niet genoeg ontwikkeld. 8405. De heer Ruys van Beeren-broek: Kegelt gij u bij de vaststelling van het loon naar vraag en aanbod? A. Dat kan en mag niet; ik weet zeker dat ik tegenwoordig werkvolk in het algemeen '20 pet. beterkoop kan bekomen; maar het geval is, dat men gebrekkige werklieden krijgt en slechter werk, dat per slot van rekening niet deugt. Wjj hebben de inachl om het salaris te verminderen, want er is door de bestaande crisis te veel werkvolk. Ik |
234
|
heb het al vóór jaren kunnen doen en zal er misschien toe moeten overgaan wanneer de winst ophoudt. 8406. V. Uwe ondervinding heeft u dus geleerd, dat do theorie van vraag en aanbod door de practijk wordt weersproken ? A. Juist. In hot belang van den werkman zou de macht van den Staat de nijverheid te hulp moeten komen. 8407. De Voorzitter; Wij hebben u met zeer groot genoegen aangehoord en danken u wel. Uw verhoor is afge-loopen. Léon Liioest. Verhoor van den heer J, Frederix. 8408. Do Voorzitter : Wilt gij uw voornaam, naam, beroep, ouderdom en woonplaats opgeven ? A. Johan Frederix, opzichter in de Koninklijke Nederlandsche papierfabriek, oud 66 jaar, te Maastricht. 8409. V Hoelang zijt gij aan die fabriek werzaam ? A. Zestien jaar. 8410. V. Was de heer Lhoest reeds aan de fabriek toen gij er kwaamt ? A. Ja. 8411. V. Zijt gij dadelijk als opzichter aangesteld ? A. Ik had werk gevraagd en toen hèeft men mjj opzichter gemaakt. 8412. V, Hebt gij nog steeds hetzelfde salaris als toen gij werd aangesteld ? A. Neen, het is altijd opgeslagen. 8413. V. Zijt gij steeds verhoogd, omdat gij zoo goed oppast, of is die verhooging algemeen ? A. Dat durf ik niet zeggen. Iedereen heeft zijn vak. Zoo heb ik !gt;0 getrouwde en ongetrouwde vrouwen onder mijn opzicht. Ik kom nergens anders dan in deze afdeeling, waar de lompen gesorteerd worden. 8414. V. Hoe is de lucht, de atmosfeer in dat lokaal waar de lompen uitgezocht worden ? A. Zeer goed. Er zijn 14 trekramen op de zijde van de zaal. 8415. V. Eeno machine om de stof naar buiten te jagen, is er dus niet? A. Xeen. Ik heb alleen eene machine om de lompen te snijden. |
84.16. V. Komen er ook ziekten onder de vrouwen voor ? A. Neen. Enkele ziekten, die aan alle vrouwen eigen zijn en haar een, tweo of drie dagen thuis houden, uitgezonderd. Bij bevallingen blijven zij soms ook eene maand thuis. 8417. V. Werken er jonge meisjes? A. De jongste zijn omtrent 14 jaar. 8418. V. De vrouwen werken twee aan twee ? A. Ja, ik heb 47 plaatsen. Er zijn er echter die ook alleen werken. Ue vrouwen zoeken ieder haar soort; de sterke zoekt de sterke, de zwakke eene zwakke, want zij moeten samen deelen en als de een meer zou kunnen verdienen dan de andere, dan gaat het niet goed. 8419. V. Gaat dat sorteeren per stuk of bij 't gewicht ? A. Ja, per 100 kilo. De bonte soorten worden betaald met f 1,55, de witte en grijze met f 1,25. De zwakste snijdsters verdienen 35 cents. Een goede snijdster behoeft zich niet te plagen om cent te verdienen, en als de stof wat medcvalt, want dat maakt verschil, kan zij het wel tot over den gulden brengen. Die lompen worden naar de kleur in balen aangevoerd, en do bonte lompen komen ook apart, maar men vindt er soms 16, 20 qualiteiten onder en die moeten zij sorteeren. 8420. V. En dan moeten zij ze snijden ? A. Het sorteeren en snijden gaat tegelijk. De lompen worden op do tafel gelegd, die worden gesorteerd en gesneden en in acht vakken geworpen. 8421. V. Hoe lang werken die vrouwen daar? A. Om 7 uur des morgen beginnen zij, maar gedurende de drie wintermaanden komen zij om kwartier over zeven. De vrouwen gaan dan eerst naar de kleedkamer, zij kleeden zich uit en trekken hun werkpak aan. 8422. V. Dat werkpak hangt daar, niet waar ? A. Ja, zij hebben ieder een kastje, dat genommerd is en daar hangt het werkpak. 8423. V. Tot hoe laat werken zij dan ? A. Tot tien minuten voor half twaalf, dan wordt er geroepen; aankleeden! |
235
|
Dan gaan zij naar de kamer waar de kleederen hangen, waar zij zich goed moeten reinigen en dan vertrekken zij, proper en net. Als zij zich niet goed gereinigd hebben, moeten zij in de kamer terug. 8424. V. Zorgt gij daarvoor? A. Ja, de deur gaat dicht; er komt geen man bij. 8425. V. Behalve gij ! A. Ik blijf buiten, en als zij zich goed gereinigd hebben, doe ik de deur open en laat ik ze een voor een passeeren ; wie zich niet goed gereinigd heeft, zend ik terug. Er zjjn in heit vertrek 20 waschkraantjes, die beginnen te loopen als ik de hoofdkraan open. Wie den eersten keer tracht ongereinigd weg te komen, krijgt geen boete, maar eene herhaling straf ik met 20 ets. boete, anders houden zij niet op. 8426. V. Hoe laat komen zij dan terug? A. Om 1 uur, dan gaan zij weder in de kleedkamer en verder aan hun werk, blijven tot drie uur aan het werk, drin ken dan koffie, werken weer door tot half zeven en dan verlaten zij weer op de beschreven wijze de fabriek en is de dag afgeloopen. 842/. V. Komt overwerk ook voor? A. Neen. 8428 V. Dus uw werk is om op die dames te passen? A. Ja, ik heb niets anders te doen. 8429. V. Gij kunt het leven dus wel houden ? A. Ja ik ben wel eens ziek, maar dat beteekent niet veel. 8430. V. Zijt gij in het fonds? A. Xeen, dat wil Mijnheer niet hebben, omdat ik te oud ben. 8431. En als gij ziek zijt? A. Vier jaren geleden ben ik twee maanden ziek geweest geweest aan ty-pheuse koortsen en al dien tijd heb ik mijn volle gold gehouden. 8432. V. Dus Mijnheel' zorgt voor je? A. Ja. 8433. V7. Nu, uw verhoor is afgeloopen. J. Fredeuix. Verhoor van den heer H. J. Hollands. 8484. V. Welke zijn uw voornaam, naam, ouderdom, beroep en woonplaats? |
A. Hendrik Joseplius Hollands, oud 30 jaren, molenaar in de Koninklijke Nederlandsche papierfabriek, wonende te Maastricht. 8435. V. Zijt gij jong op de fabriek gekomen ? A. Ik ben er op mijn 21ste jaar gekomen. 8436. V. Hebt gij vroeger op eene andere fabriek gewerkt? A. Ja, op de glasblazerij van de firma Regout. 8437. V. Hoe oud waart gij toen gij op die glasblazerij kwaamt ? A. Omtrent 13 of quot;14 jaren. 8438. V. Hadt gjj niet eerder op de fabriek kunnen komen ? Wellicht was dit niet noodig, uw vader kon u wellicht groot brengen zonder dat? A. Mijn vader was slechts een eenvoudig werkman bij den heer Lhoest, die mij echter tot op mijn 13de jaar heeft laten schoolgaan om wat te leercn. 8440. V. Weet gij nog wat ge op de fabriek van den heer Regout moest doen, toen gij daar als jongen van 13 jaar kwaamt ? A. ik was glazendrager; hetgeen gemaakt werd moest ik naar den oven brengen. Toen ben ik geworden groote gamin, dat was het werk te warmen in den oven. 8441 V. Werktet gij in dag- en nachtploegen ? A. Ja. 8442. V. Dus ge hebt wel tijden gehad, dat ge een geheele week lang niet op uw bed kwaamt? A. Wij werkten om de 14 dagen als dag- en nachtploeg, zoodat wij 14 dagen achtereen 's nachts werkten. 8443. V. Dat was dus geen gemakkelijk leven? A. Och, Mijnheer, wij zjjn voor werken in de wieg gelegd, en er dus aan gewoon. 8444. V. Hoelang zijt gij bij de hee-ren liegout gebleven ? A. Tot ik geloot heb. Daar ik, uit dienst komende, toen niet meer verdienen kon. ben ik naar de fabriek van den heer Lhoest gegaan. 8445. V. In welke betrekking zijt gij daar ? A. Als molenaar. 8446. V. Wat is dan uw werk ? |
236
|
A. Het gereedmaken van de pap voor de fabricage van het papier. Ik heb alleen het opzicht over den molen. 8447. V. Hoelang duurt uw werkdag? A. Ik begin 's morgens te 6 uren en eindig 's avonds te C uren. 8448. En hebt ge geen nachtwerk ? A. 6 dagen werk ik en dan (5 nachten. 8449. V. Dus gij werkt met twee ploegen ? A. Ja. 8450. V. Worden daar aankomende jongens ook bij gebruikt'? A. Ik heb er twee bij mij. 8451. V. Hoe oud zijn die ? A. 2-2 en 27 jaar. 8452. V. Noemt gij dat jongens'? A. Ja. 8453. V. Uus, omdat zij in uw dienst zijn? Maar dat zijn toch geen kindoren? A. Xeen, die kunnen in ons vak niet gebruikt worden. 8i5i. V. Dus hebben wij elkander straks niet begrepen, toen ik vroeg of er aankomende jongens waren en door u ja geantwoord werd, ofschoon gij neen bedoeldet. Maar er zijn in ieder geval geen kleine jongens, die komen daar niet te pas? A. Neen, die kunnen üij ons niet werken. 8455. V. Hoe gaat het bij de verwisseling der ploegen ? A. Deze week heb ik dagdienst. Zaterdag-avond kom ik af en moet na 48 uren rust Maandag-avond om 6 uren beginnen; heb ik de nachtweek, dan kom ik Zondag 's morgens om 6 uur af en heb 24 uren rust en moet dan Maandag 's morgens om (5 uur weer beginnen. 8456. V. Hoeveel loon hebt gij ? A. Wij werken per stuk, dat wil zeggen per kilo. ik verdien daarmede ongeveer f 1.40 a f 1,50 per dag. 8457. V. Kunt gij daarmede rondkomen, of verdient de vrouw er ook wat bjj ? A. De vrouw werkt op de schilderkamer van de fabriek Regout. 8459. V. Wat verdient zij daar? A. f 7, f 8, f 0 in de 14 dagen. 8461. V. Hebt gij kinderen? A. Een kind en een is overleden. 8402. V. Waar laat gij het kind indien de vrouw op de fabriek is ? |
A. Bij mijne schoonmoeder, die daarin nog eene tegemoetkoming vindt, terwijl ik weet dat mijn kind goed bezorgd is. 8463. V. Uw verhoor is afgeloopen. H. J. Hollands. Verhoor van den heer J. Bovrie. ( Verkort.) 8404. De Voorzitter: Mag ik uw naam, voornaam, betrekking, ouderdom en woonplaats weten? A. Johannes Bovrie, machinen-conduc-teur in de Koninklijke Nederlandsche Papierfabriek, oud 47 jaren, wonende te Maastricht. 8465. V. Zijt gij reeds lang in die fabriek werkzaam ? A. 30 jaren achtereen. 8466. V. Hebt gij vroeger in andere fabrieken gewerkt ? A. Noen, aan den spoorweg. 8467. V. Blijft het werkvolk lang aan die fabriek 1 A. Dieer komen, blijven er gewoonlijk. 8468. V. Hoe is de verhouding tusschen den patroon en de werklieden ? A. Naar mijne bevinding goed, en ik meen dat allen die met mij werken evenzoo denken. 8469. V. Gij zijt dus met den patroon, den heer Lhoest, en de patroon is met u tevreden ? A. Ja. 8470. V. Hoeveel verdient gij tegenwoordig ? A. f 58 in do maand. 8471. V. Gij zijt in die jaren zeker aardig vooruitgekomen ? A. Ja zeker. 8472. Hoeveel verdiendet gij eerst? A. Toen ik op mijn 17de jaar daar kwam, 60 cents per dag, on dat 4, 5 maanden lang. Gaandeweg ben ik opgt;-geklommen. 8473. V. Is uwe bezoldiging wel eens verlaagd geworden ? A. Dat is nooit voorgekomen; het tarief is nooit verminderd. 8474. V. Gij hebt tolt;;li wel gehoord dat het op andere fabrieken voorkomt ? A. Ja. 8475. V. Welk werk doet gij ? A. Ik zorg voor de papiermachine, |
237
|
waarbij altijd drie man werkzaam zijn. 8476. V. Gij zijt dus bij de machine, waar de pap tot papier wordt gemaakt? A. Ja. 8477. V. Js dat eene machine voor allerlei soort en vorm van papier ? A. Ja, zij maakt allerlei papier: schrijf-en postpapier, dik en dun, fijn en grof, al naar verkiezing. 8478. V. Gij hebt de machine maar te verzetten, niet waar ? A. Ja. 8479. V. Is die machine gevaarlijk om te bedienen ? A. Ja, alle machines zijn gevaarlijk, men kan er tusschen vallen. Maar als dat niet gebeurt, is zij niet gevaarlijk en overal verzekerd. 8480. Hebt gij in al die jaren nooit een ongeluk gehad ^ A. Neen. 8481. V. Staat alles open en bloot aan die machines, of is er hier en daar eene beschutting aangebracht ? A. Daar waar het papier overloopt staat zij bloot, daar kan zij niet beschut worden, maar overigens is zij beschut. 8482. V. Hebt gij jongens bij u om u te helpen 7 A. Een jongen van 14 jaar. 8483. V. Helpt die aan de machine ? A. Neen, die is om den boel wat aan te vegen enz. 848-4. Herinnert gjj u wel dat er ongelukken gebeurd zijn in de laatste It) of 20 jaar? A. Ja, twee in de 25 jaar dat ik meester ben, mijn eigen zoon en een bejaard mensch 8485. V. Heeft uw zoon zjjn arm verloren ? A. Neen, drie vingers van de rechterhand 8480. V. Hoe kwam dat ? A. Hij gleed uit op de drogerij en wilde zich vastgrijpen, de heete koperen rollen hebben de hand gepakt en toen heeft hjj zich verbrand. 8487. V. Hij is echter op de fabriek aan het werk gebleven ? A. Ja, nadat hij genezen is, is hij teruggekomen, en aan hetzelfde werk gezet 8488. V. ïoen hij door dokter en meester geholpen moest worden, is hij toen vanwege do fabriek in de kosten bijgestaan ? |
A. Ja, hij heeft zijn volle geld steeds behouden. 8489. V. Wat is er van dat andere ongeluk, dat gjj u herinnert? A. Dat gold een bejaard mensch, van 55 of 00 jaar. Deze glipte ook uit en viel met den arm tusschen de rollen. Zijne behandeling in het hospitaal schijnt wat verwaarloosd te zijn. Hij kree» wat al te spoedig verlof zjjne familie te gaan bezoeken. De arm, die aanvankelijk goed was, is daarna ziek geworden; en het gevolg is geweest dat de arm geheel moest worden afgezet 8490. Y. is toen het gezin in den tijd dat dit alles gebeurde vanwege de fabriek ondersteund ? A. Steeds is het volle geld uitbetaald. 8492. V. Hoe laat begint uw werk ? A. Dat duurt van 's morgens 6 tot 's avonds 6 uur. 8493. V. Hebt gij daarna afgedaan ? A. Ja. . 8494. V. Werkt de machine 's nachts door ? A. Ja, om de week werken wij 's nachts. 8495. V. Dus het papiermaken gaat 24 volle uren achtereen door, van Maandag-morgen tot Zondag-ochtend? A Ja. 8490. V. Zondags wordt er overigens niet gewerkt. A. Neen. 8497. V. Komen die jongens van 14 jaar ook bij de nachtploeg? A. Neen, de jongste is IS jaar. Ver der zijn 't volwassen mannen. 8498. V. Is dat altijd zoo geweest ? A. Sedert 18, 19 jaar. 8499. V. Werkt gij Zondags wel eens? A. Soms een paar uren, misschien niet eenmaal in de 3 maanden. 8500.V.Zetgij Zaterdags de machine stil? A, Neen : Zondags-morgens van 6 tot Maandags-morgens 0 uur. 8502 V. Heeft het veel voeten in de aarde om de papiermachine te laten stilstaan, of beteekent het niet veel ? Werkt de machine des Maandags even goed als des Dinsdags of Woensdag ? A. Neen. 8503. V. In welk opzicht ? A. Wanneer de machine eenmaal gloeiend is, blijft zij gloeiend. |
238
|
8504. V. Eu gij begint des Maandags met een koude machine ? A. Ja. 8505. V. En werkt dat slecht ? A. Ja. 8500. V. Als het te doen was om er geld uit te halen, zou het dan niet beter zjjn om Zondags door te werken ? A. Laat dien Zondag maar vervallen blijven. 8507. V. Gij zoudt dus des Zondags niet gaarne werken ? A. Niemand ia daarop gesteld in de fabriek. 8508. V. Dut wil ik gaarne gelooven. maar zou het voor den patroon niet voordeeliger zijn als de machine altjjd doorwerkte ? A. Altijd werken zou toch niet gaan. 8509. V. üij zijt er dus op gesteld om des Zondags niet te werken, dat vindt gij aangenaam. â Gelooft gij dat gij dan 's Maandags wat meer kunt doen ? A. Dat is zeker; men is altijd beter gezind om te gaan werken als men Zondags niet gewerkt heeft. 8510. V. Wordt er geen Maandag gehouden bij u? A. Neen, nooit. 8511. V. In de geheele fabriek niet? A. Neen, al die dertig jaar heb ik het nog geen dag gedaan. 8512. V. Ja, voor u zelf vraag ik het niet, maar ik bedoel het overige werkvolk ? A. Neen, dat ook niet. 8513. V. Dus de geest van het volk op de fabriek van den heer Lhoest is van dien aard dat dit niet voorkomt? A. Neen. 8514. V. Nu moet ik u nog eene vraag doen op ditzelfde punt. Begrijpt gij niet dat het stilstaan van de papiermachine op Zondag inderdaad voor de heeren van de fabriek eenige schade is? Volgt dat niet uit hetgeen gij ons straks gezegd hebt, dat het nadeelig is om 's Maandags met de koude machine te beginnen? A. Ja, dat is zeker nadeelig voor de heeren; dat is eenmaal zeker. 8515. V. Maar gij begrijpt dat men er dat voor over moet hebben, om zoo doende aan het werkvolk een dag rust in de week te geven ? A. Ja, |
8516. V. Gij zijt getrouwd, natuurlijk? A. Ja. 8517. V. Hebt gij ook kinderen op de fabriek ? A. Ja, een zoon van 25 jaar. 8518 V. Is dat uw eenige kind? A. Neen; ik heb er vier. Een is er op de fabriek van mijnheer Regout, onder Meerasen. 8519. V. En uwe andere kinderen ? A. Mijne vrouw is gestorven, en nu is mijn oudste meisje huishoudster, terwijl de andere op oen naaiwinkel gaat. 8525. V. Zijt gij in oen ziekenfonds ? A Ja, wij hebben op de fabriek een onderling ziekenfonds. 8526. V. Het fonds wordt door de werklieden zeiven geadministreerd, doch de heer Lhoest helpt u bij moeilijkheden terecht, niet waar ? A. Wij administreeren het fonds, doch de heer Lhoest geeft ons wel eens voorschotten als er geen geld in kas is. Bovendien hebben wij commissarissen. 8527. V. liebt gij geen last dat de menschen zeggen dat zij ziek zjjn, al is het niet waar, alleen om het ziekengeld te krijgen ? A. Ik ben wel geen commissaris, doch ik kan wel zeggen dat dit niet zou gebeuren. 8528. V. Waarom niet ? A. Om half geld te krijgen moet men vier dagen ziek zijn en een bewijs van den dokter hebben; zonder dat bewijs krijgt men geen geld. 8529. V. Maar wordt er wel niet eens onderzocht of iemand ziek is? A. Iemand die zich als ziek aangeeft, mag bij voorbeeld geen herberg bezoeken. Borrels deugen niet voor een zieke. Komen commissarissen er achter, dat hij de herberg bezoekt, dan krijgt hij niets. 8530. V. Daarop bestaat dus controle ? Zijn er onder ulieden die op die zaken toezien ? A. Ja, Mijnheer. 8531. V. Hebt gij veel last van boeten bij den heer Lhoest ? A. Volstrekt geen last, en niemand van ons. 8532. V. Het leven wordt je dus niet zuur gemaakt op de fabriek? Gij zijt dus tevreden ? A. Over boeten heb ik nooit klachten |
239
|
gehoord. Men zou het op onze fabriek al zeer erg moeten maken om met 15 cents boete gestraft te worden. 8533. üc heer Van Alphou : Moeten de kleine jongens ook de machine smeren ? A. Ja, Mijnheer. 8534. V En verstaat hij dat goed ter-â wijl de machine in werking is ? A. De jongen kan er volstrekt geen kwaad bij. want hij bewerkt dit met een kwast met langen steel. 8535. V. En is de machine overigens goed gedekt? A. De inrichting is van dien aard, dat hij er onmogelijk met de hand kan bijkomen. 8530. De Voorzitter; Getuige, uw verhoor is afgeloopen. J. Bovrie. Verhoor van den heer N. Defèsclie. 8537. De Voorzitter; Wilt gij uw naam, voornaam, beroep, ouderdom en woonplaats opgeven? A. Nicolaas Defèsche, 42 jaar. opzichter in de Koninklijke Xederlandsche Papierfabriek te Maastricht, en wonende aldaar. 8538. V. Welke afdeeling van de fabriek hebt gij onder uw opzicht? A. De papierafdeeling, waar het papier, als het uit de machine gekomen is wordt gefaronneerd. geglansd, gesatineerd ; verder het maken der enveloppen, doozen enz. 8539. V. Gij hebt dus voor een goed deel vrouwelijk personeel onder u ? A. Het zijn meestal vrouwen. 8540 V. En aankomende meisjes? A. Ja, maar van niet minder dan 13 jaren. 8541. V. Zijn de meisjes ook met het satineeren bezig? A. Zij moeten het papier in de platen steken, eer de mannen het satineeren. 854-2. V. Haar arbeid komt dus hierop neder, dat zij hot leggen tusschen iwee platen, die door mannenhanden worden opgenomen en gebracht onder de walsen, waar het machinaal gesatineerd wordt ? A Ja 8543. V. Is de arbeid dier meisjes dus zwaar of licht ? |
A. Xiet zwaar. 8544. \. Wat doen de meisjes nog meer aan het papier? Vertel ons dat eens. A Papier sorteeren, enveloppen en doozen maken. 8545. V. Worden de enveloppen ook machinaal gemaakt ? A. Met eene kleine machine, in den trant van eene naaimachine; dit is geen zware arbeid. 8540. V. VV ordt die machine met den voet of met stoom bewogen ? A Met den voet. 8547. V. Wordt daar ook gelinieerd? A. Ja. 8548. V. Uaat dit ook met den voet? A. Met stoom. 8551. V. Hoe laat komen die meisjes te werk ? A. Nooit vroeger dan 7 uren 's morgens tot 0V2 uur 'b avonds, met rusttijden om te eten en koffie te drinken In het geheel werken zij O1^ uur per dag. 8552. V. Wat verdienen die meisjes? A. Het is stukwerk; wij bemoeien ons minder met het loon, omdat dit op het kantoor volgens tarief wordt uitgerekend. Het loon beloopt 65, 70, 80 a 90 cent per dag: die handig zijn kunnen f 1 verdienen. 8553. V. Wat doen de gehuwde vrouwen ? A. Sorteeren Zij moeten dat van jongsaf geleerd hebben, en dan blijven zij gaarne bij ons. Men heeft aan do fabriek gaarne bejaarde arbeiders. 8554. V. Wat noemt gij sorteeren? A. Dat is het nazien van de vellen, of daarin fouten of vlekken zijn. 8550. V. Dus eigenlijk het papier keuren, want de machine werpt slechts ééne soort van papier uit? A. Juist. 8557. V. Hebt gjj het opzicht over alle de meisjes? A. Behalve ik zijn daarvoor nog andere mannelijke en vrouwelijke personen. 8557. Maar gij zijt dan toch met een goed deel van het opzicht belast? A. Ja. 8558 V. Zijn de meisjes wel eens lastig? A. Neen, met een goed woord kan men veel met hen doen. 8559. V. Gedragen zij zich fatsoenlijk? |
240
|
A. O ja. 8560. V. Blijven zij aan de fabriek ; | is er niet zulk een afwisseling als in andere fabrieken ? A. Die bij ons werken en zich ordentelijk gedragen, verlaten de fabriek niet meer. 8501. V. Dus daar zijn werklieden, die er lang geweest zijn ? A. Zeker, dat bewijzen de werklieden die er 20, 2.') tot 30 'jaren zijn. 8562. V. Zijn do ' werktal ieven wel eens verminderd, zoodat gij achteruit gezet werdt ? A. Soms met eene of andere proef met op stuk werken. 8563. V. Dat is dan zeker met nieuwigheden, die beproefd moesten worden voor het op stuk werken ? Dan bleek het soms dat het tarief wat lager moest worden ? A. Ja. 8564. V. Hoeveel verdient gij op het oogenblik 1 A. Vijf en vijftig gulden in de maand. 8565. V. Hebt gij tijden gehad dat gij meer verdiendet? A. Er bestaan bonificatiën. Overigens heb ik altijd opslag eekregen, totdat ik op 55 gulden ben gekomen. 8566. V. Zijt gij nooit achteruitgegaan ? A. Neen. 8567. V. Wordt er bij u overgewerkt ? A. Somtijds, maar niet veel. 8568. V. Gij spraakt zooeven van bonificatiën. Wat verstaat gij daardoor ? A. Hoe meer de machine werkt, hoe meer ik en nog een paar andere opzichters als premie ontvangen. Wjj hebben geen recht er op. maar wij ontvangen die als wij boven het tarief maken. 8569. V. Komt het overwerken dikwijls voor? , . A. Onder de vrouwen heel weinig. Er wordt wel eens overgewerkt, anderhalf uur op een dag, tot acht uur 's avonds. En dat doen zij gaarne. 8570. V. Komt dat b. v. eens in de week voor ? A. Voor allen niet. Het is alleen voor eene afdeeling van eenigen, die het wat druk hebben. 8571. V. Wordt er des Zondags gewerkt ? A Xeen, bij de vrouwen ook niet. 8572. V. Zijt gij in de ziekenbus? |
A. Wij hebben geen ziekenbus op de fabriek. 8573. V. Voor de opzichters ook niet ? A. Neen. Er is alleen een ondersteuningsfonds voor het werkvolk onderling, om elkander in geval van ziekte bij te staan. Daarin zijn ook opzichters, want iedereen, die verlangt, kan deel aan het fonds nemen. 8574. V. De meeste werklieden zijn in dat. fonds ? A. Ja. 8575. V. Komen in uwe afdeelling wel ongelukken voor? A. In de 10 jaren, die ik op de fabriek heb doorgebracht, heb ik één ongeluk bijgewoond. Een meisje kwam op eene plaats bij de machine, waar zij niet noodig had, om op een horloge te kijken. Waarschijnlijk is haar schortje door de machine gegrepen. Zoo is haar arm afgerukt. 8576. V. Dat meisje werkt nu nog op de fabriek ? A. Zij werkt daar nog altijd onder mijne directie. '8577. V. Hoe oud is zij nu ? A 19 of 20 jaar. 8578. V. Zjj verdient dus haar kost? A. Ja, zij 'verdient evenveel als de meisjes met twee armen. 8579. V. Daar niemand van de hee-ren iets wenscht te vragen, is uw verhoor afeeloopen. N. Drfesche. Verhoor van den heer L. E. Jelinger. ( Verkort.) 8580. De Voorzitter: Mag ik uw naam, voornaam, betrekking, ouderdom en woonplaats weten ? A. Leopold Eduard Jelinger, 35 jaar, handelsagent, wonende te Maastricht. 8581. V. In welk artikel zijt gij handelsagent ? A. In steenkolen, voor huizen uit de Ruhr en de mijnen van de «Hasardquot;. 8582. V. Bereist gjj als zoodanig Holland? A. Pardon, ik ben agent in loco; alleen reis ik wel in de provincie. 8583. V. Hoelang zijt gij reed» agent? A. Een jaar. 8584. V. Wat deedt gij vóór dien tijd ? |
241
|
A. Toen was ik directeur op de glasfabriek van do firma Regout. 8582. V. Hoeveel jaren zijt gij daar geweest ? A. 15 jaren. Ik begon op het kantoor om het artikel te leeren en de ma-gazjjnen. Later ben ik gekomen bij het technisch gedeelte, do blazerij, en sedert een jaar of 4, 5 had ik daarover de ge-heele directie. 8586. V. Hebt gij de fabriek geheel uit vrije beweging verlaten ? A. .fa. 8587. V. En hadt gij toen al de bedoeling om als handelsagent op te treden? A. Ja, dat was mijn idee. 8588. Maar gij zijt dan toch 15 jaar achtereen in de fabriek werkzaam geweest ? A. Ik voorzag dat ik geen carrière zou maken. Toen ik op de fabriek kwram was ik zeer bevriend met de familie Regout. hetgeen ik nog ben. Maar de vriendschap mot den zoon van den ouden heer Regout, die later op de fabriek fekomen is en denkelijk chef zal wor-en, is wel wat verminderd, zoodat het later misschien minder goed met mij zou hebben kunnen gaan. Daar ik nu nog betrekkelijk jong ben, heb ik van de gelegenheid gebruik gemaakt om iets anders te beginnen. Later zou ik misschien te oud zijn geweest.ekomen is en denkelijk chef zal wor-en, is wel wat verminderd, zoodat het later misschien minder goed met mij zou hebben kunnen gaan. Daar ik nu nog betrekkelijk jong ben, heb ik van de gelegenheid gebruik gemaakt om iets anders te beginnen. Later zou ik misschien te oud zijn geweest. 8589. V. Gij zult mij ten goede houden dat ik met eene zekere delicatesse de vraag stelde, want het spreekt vanzelf dat het antwoord van invloed kan zijn op de volgende vragen die wij wenschen te doen. Gij zijt dus niet met onaangenaamheden weggegaan en staat nog op vriendschappelijken voet met de familie Regout ? A. Ja. 8590. V. Gij hebt jaren achtereen de gelegenheid gehad om alleszins op de hoogte te komen van de glasblazerij, niet waar? A. Ja. 8591. A. En dat niet alleen, gij waart verplicht er naar te zien, wij zullen daar wellicht aanstonds op terugkomen. Hebt gij af en toe ook wel eens kennis genomen van den gang van zaken in andere afdeelingen ? A. Minder. Doordat ik op de glasblazerij was, moest ik ook wel eens in de lï. |
slijperij wezen en waar do potten gemaakt worden. In de afdeelingen dus kwam ik. die samenhangen met de glasblazerij. Ik was speciaal belast met de directie van die blazerij, maar ik heb wel eens een toer gemaakt in de afdeelingen, die met de mijne in verbinding stonden. 8595 V. Wees dan zoo goed ons datgene te zeggen wat gij begrijpt dat van nut is. A. De bepalingen van de wet op den kinderarbeid worden trouw nageleefd; op de glasblazerij worden geen kinderen onder den leeftijd van 12 jaren aangenomen. «Haar invloed op de kinderen.quot; Vplgens mijne meening heeft de wet van 1874 een zeer goeden invloed op kinderen gehad. Vroeger toch gebeurde het, dat er kinderen van 8 tot 11 jaren op de fabriek werkten; die kinderen waren zeker minder in staat om het van hen gevorderde werk te verrichtten dan jongens van 12 jaren. Ook heb ik bemerkt dat sedert de invoering van die wet de kinderen beter ontwikkeld zijn; vroeger was het eene zeldzaamheid dat de kinderen lezen en schrijven konden, doch in de laatste jaren is dat getal betrekkelijk kleiner geworden. gt;.De invloed op de gezinnen.quot; Welken invloed bedoelt gij daarmede ? 8596. V. De kinderen waarvan hier sprake is, worden in de meeste gevallen niet naar de fabriek gezonden voor hun eigen genoegen of dat hunner ouders, maar omdat zij dikwijls de noodige bestaansmiddelen voor het gezin moeten verdienen. Nu spreekt het vanzelf dat wanneer dit door de wet verboden wordt, dit verbod een zekeren invloed uitoefent op de gezinnen, die dan van een hunner bestaansmiddelen beroofd worden. De vraag komt o. a hierop neder, of gij hebt opgemerkt dat gezinnen na 1874 zijn achteruitgegaan, omdat hun die bron van inkomsten is ontnomen ? A. Dat geloof ik niet. Er zijn vele gezinnen, waar de kinderen werken en de man thuis blijft. Ik weet ook niet of de verdiensten van kinderen veel tot de huishouding bijdragen. Het veel verdienen is ook niet altjjd gunstig voor het huishouden, want dan wordt er weder 16 |
242
A. »Aard van den arbeid, duur van den arbeid .. .quot;
8601. V. Ja, dat is de Schets; maar de vraag is : wat zijn uive opmerkingen of mcdedeelingen ? Daar komt het op aan.
A. De aard van den arbeid. Dat is: de jongens van 12 jaar moeten de glas-pijpen warmen.
8602, V. Nu zijn wij weer thuis bij de specialiteit, waar gjj het opzicht over gehad hebt in de fabriek van Regout,
Ik geloof dat wij met u maar beter doen daarbij te blijven dan algemeene zaken te bespreken. Welk werk deden die jongens onder uw opzicht ?
A, De kleine gamins van 12 jaren beginnen met de glaspijp te warmen, het glas af te kloppen en de vormen open en dicht te doen,
8003, V. Is dat een zwaar werk? A. Wat zwaar voor jongens van 12 jaren.
8604. V Dus voor jongens van lioo-geren leeftijd dan 12 jaren vindt gij dat werk niet te zwaar ?
A. Juist.
8605. V. Welke opmerkingen hebt g verder a propos van het werken van jongens in de glasblazerij ? Acht gij het nachtwerk voor jongens bedenkelijk ?
A. Ik meen dat voor nachtwerk jongens jonger dan 14 jaren niet gebruikt moeten worden.
8606. V. Hebt gij wel ongelukkige invloeden gezien van het nachtwerk op de constitutie en het uiterlijk der jongens?
A. Ik weet daaromtrent geene bijzonderheden.
8607. V. Welke bijzonderheden en speciale feiten kunt gij dan toch wèl aan ons mededeelen ?
A. Geene.
8608. V. Wij zijn op zeer stellige wijze gebracht in de meening â en daarom hebben wij de vrijheid genomen u op te roepen â dat gij eenige bijzondere, belangrijke feiten in verband met ons onderzoek hadt mede te deelen, en wij stelden er prijs op die dan te vernemen. Weet gy nu echter, zooals nu bijjkt, hoegenaamd geene zulke feiten, dan doet het ons leed dat gij de reis hebt gemaakt. Die had dan achterwege kunnen blijven.
L.ij weet dus geenerlei speciale feiten hoegenaamd te noemen ?
meer verteerd. Het meerdere geld wordt niet altijd bsteed aan eten, maar veeleer aan luxe. Bijv. toen de geweermakerij | nog te Maastricht was, verdienden de menachen, die daar werkten, veel geld. Dit bracht echter nog niet altijd geluk i in die gezinnen. Er werden geen nuttige zaken voor gekocht, maar gouden voorwerpen. mooie kleeren, enz.
8597 V. ü zoudt dus meenen, dat het geluk der huisgezinnen klimt in om-
fekeerde reden tot de beschikbare in-omsten 7ekeerde reden tot de beschikbare in-omsten 7
A. Ik houd het er voor dat, wanneer er veel verdiend wordt, niet altijd even nuttige zaken gekocht worden.
8598. V. Maar de gezinnen, waarover wij nu spreken, waar men de toevlucht nam en nog neemt tot het naar de fabriek zenden van kleine kinderen, zijn daar de inkomsten zoo ruim, dat hetgeen die kinderen daar inbrengen, een schadelijken invloed heeft ?
A. Er zijn ook gezinnen, die dat geld kunnen gebruiken. Alaar daar heeft men bijv. glasblazers, die 130 a 140 francs per maand verdienen. Deze kunnen zeer goed buiten de verdiensten van hunne kinderen beneden de 12 jaren.
süo vraag naar andere werkkrachten ter vervanging van den verboden kinderarbeid.quot; Hoe bedoelt gij dat?
8599. A. De vraag komt hierop neder, of door u waargenomen is, dat, in plaats van die niet meer toegelaten wordende jeugdige kinderen, grootere kinderen genomen zijn of misschien volwassen men-schen, met hot gevolg dat do vraag daarnaar vermeerderd en wellicht het loon voor dezen gestegen is 1
A. Zij zijn veel vervangen door boerenjongens die anders minder in de stad kwamen. Altijd heeft het wat invloed gehad. Er moeten ook soms grootere lieden gebruikt worden om die kinderen te vervangen.
Verder : »de invloed op de betrokken takken van nijverheidquot;. Daar heb ik door verstaan, dat zij hoogere loonen moesten geven.
8600. V. Als ge maar wilt meedeelen welke aanteekeningen gij gemaakt hebt en die voor de Commissie van belang kunnen zijn. üf zal ik u maar vragen doen ? Dat kan tijd voor de Commissie besparen.
243
|
A. Wat bedoelt gij met speciale feiten ? 8009. V. Ik gat' u gaarne een commentaar van onze Schets, maar ik zal u toch wel geen commentaar behoeven te geven van de uitdrukking «speciale feiten ?quot; Welke feiten hebt gij waargenomen in de jaren gedurende welke gij in do fabriek werkzaam waart? Welke opmerkelijke feiten zijn u voor den geest, waaromtrent bij u de gedachten moest opkomen, ze wel eens aan deze Commissie te willen modedeelen, feilen die een ander niet weel of' niel durfl, zer/yen ? A. Ik weet zulke feiten niet. 8610. V. Dus wij kunnen van u niets vernemen wat wij niet reeds van anderen hoorden 1 üf liever, juist van anderen kregen wij meer to hooren dan ons van u was voorgespiegeld! Dan spijt het mij ontzaglijk dat wij de moeite van u gevergd hebben om herwaarts te komen, en zijn wjj op een dwaalspoor gebracht door dengene die u aan ons heeft opgegeven als een precieus getuige, want u weet niets! A. Dat is te zeggen .... 8611. V. Gij kunt vrijuit spreken. A. Ik kan zaken mededeelen, die volgens mij beter konden zjjn. |
861'2. V. Wat kon beter zijn? Wat bedoelt u daarmede ? A. Bp voorbeeld dat vóór de wet van 1874. kinderen van 10 jtiren dikwerf een duw gegeven werd. Dat zal men jongens van 13, 14 jaar niet doen. 8613. V. Vóór 187i? Dat wordt langzamerhand wat oud. Hebt gij eenigerlei mishandelingen waargenomen in de laatste jaren ? A. Dat gebeurt nog. 8614. V. Hebt gij hot gezien ? A. .Ia, 8615. V. Wat voor ergs dan hobt gij gezien ? A. Dat een jongen geslagen werd omdat hjj niet gauw genoeg werkte. Maar ik moet er bjjvoegen dat het verboden is door de patroons en employés. Het is een misbruik dat ik zelf meermalen gestraft heb. 8615ftis. V. Als dat nu alles is ! 8643. V. Hebt gij nog eenigerlei mo-dedeelingen te doen? Er is alle gelegenheid toe. A. Neen, Mijnheer de Voorzitter ! 8644. V. Dan is uw verhoor afgeloopen. L. E. .Telixger. |
ZITTING VAX WOENSDAG 26 JANUARI 1887.
Tegenwoordig do heeren;
Vernikrs van der Loeff, Voorzilter. : Smit.
Goeman' Borgesius, Onder- Voorziller. 1 Van Alphen.
Beelaerts van Blokland. j Van der Slevden.
Bahlmann. J. D. Veegexs, Gï if fier.
Ruys van Beerenbroek.
|
Verhoor van den heer P. J. F. Rutteu. 8645. De Voorzitter; Welke zijn uw naam, voornamen, beroep, ouderdom en woonplaats ? A. Pierre Johannes Franciscus Rutten, fabrikant van behangselpapier en voorzitter van de kamer van koophandel en fabrieken to Maastricht. 8646. V. Zijt gjj al lang president van do kamer van koophandel en fabrieken ? A. Ik ben eerst eenige jaren lid geweest en van 1871 of 1872 af voorzitter. 8647. V. Gij waart dus al voorzitter, toen in 1874 de wet op den kinderarbeid werd ingevoerd? |
A. Jawel. 8648. V. Vóór do invoering dier wet hadt gij waarschijnlijk al meermalen aanleiding gevonden om uw oog te laten gaan over hetgeen van kinderen beneden de 12 jaar in Maastricht in fabrieken werd gevergd ? A. Natuurlijk. Toen er nog geen verbod bestond, hadden wij zelf jongens van 10 en 11 jaar bij ons. 8049. V. Gij hadt dus in uw eigen behangselpapierfabriek kinderen tus-schen 10 en 12 jaren en hobt dus uit eigen ondervinding en van zeer nabij de werking der wet op den kinderarbeid kunnen gadeslaan. Hebt gij er veel |
244
|
hinder van gehad in den gang van uwo nijverheid, of is het tamelijk spoedig terecht gekomen'? A. Eenigen tfjd lang was het nogal hinderlijk, omdat wij toen meisjes moesten aanstellen om de jongens nan te vullen, wier getal in het begin niet voldoende was. Wij hebben de meisjes, die wij liever niet op de fabriek hadden, zoo spoedig mogelijk door jongens van den vereischten leeftijd trachten te remplaeeeren, doch daarmede is altijd nog een half jaar of een jaar heengegaan. 8050. V. In het algemeen heeft men het te Maastricht tamelijk wel met de wet kunnen vinden ? A. Men klaagt er in het geheel niet over. Wel geloof ik, dat het goed zou zijn, wanneer men zorgde, dat de kinderen vóór den leeftijd van 12 jaren ook werkelijk de school bezochten. 8651. V. Dus gjj zoudt een kleinen dwang in die richting niet ongewenscht achten ? A. Ik zou het niet kwaad achten, wanneer het hier evenzoo ging als in Duitschland. 8652. V. Uwe meening is waarschijnlijk, dat de wet van â¢1874, waarbij het werken van kinderen beneden 12 jaren verboden is, in Maastricht tamelijk trouw en stipt wordt nageleefd? A. Ja, ten minste weet ik niet dat zij overtreden is. £r zijn gevallen â en dat heeft zich ook bij ons voorgedaan â dat een jongen met een boekje komt en den naam van zijn ouderen broeder opgeeft, om in het werk te komen. Maar als hij op den burgerlijken stand gaat met zijn boekje en zegt Klaas te heeten in plaats van Piet, dan kan zelfs de burgerlijke stand daar niets tegen doen. 8653. V. Maar zoudt ge het, in het algemeen gesproken, en volstrekt niet met het oog op uwe fabriek, niet wen-schelijk vinden dat de kinderen nog wat langer op school gehouden werden ? A. Ik moot hierop antwoorden, dat het voor zekere fabriekszaken goed is, dat een kind vroegtijdig begint. Als wij jongelieden van IG tot 18 jaar op de fabriek nemen, worden dat xloopersquot;, zooals wij degenen noemen die van de eene fabriek naar de andere gaan. Maar als zij op jongen leeftijd op de fabriek komen en het bewijs geven dat zij willen blijven, dan is het zeker verkieslijk dat een kind dat wezenlijk 12 jaar is, aan het werk gaat. |
8654. V. Maar tusschen 12 en IGjaar ligt een ruime marge? A. Ik zeg: de leeftijd van 12 jaar voor zeker werk. Wil men daarvoor zekere classificatie in de fabrieken maken, dit is iets waarover ik mij niet kan uitlaten Ik weet wat bij ons het geval is, maar bij ons kan men gerust kinderen van 12 jaren nemen, 8655. V. Met oonsquot; bedoelt gij uwe fabriek, en niet in het algemeen de stad Maastricht ? A. Juist. 8650. V. Ik heb voor mij een staat, door de goede zorgen van den heer Ruys van Beerenbroek opgemaakt, waaruit blijkt dat gij in dienst hebt 30 volwassen mannen, 10 jongens van 12 tot 16, en 9 jongens van 16 tot 18 jaren, terwijl geen vrouwelijk personeel bjj u aanwezig is; is dat alles juist? A. Ja. 8660. V. Gij hebt zoo straks gezegd dat gij in 1874. door den nood gedrongen, meisjes hebt aangenomen, maar zo zoo spoedig mogelijk weder hebt laten vertrekken; waarom ? A. Ik weet niet hoe het in andere fabrieken gesteld is, maar naar mijne meening moeten mannen en vrouwen zooveel mogelijk van elkander afgezonderd zijn. Dit nu was bij ons het geval niet. De meisjes moesten de plaats vervangen van de jongens, die overal rond-loopen ; dit was zeer hinderlijk en gaf aanleiding tot lachen en tijdverlies. 8601. V. Gij hebt dus ervaren dat het in hetzelfde lokaal arbeiden van aankomende meisjes of jeugdige vrouwen met mannelijk personeel schadelijk is voor den gang van het werk? A. Verkieslijk is het dat het niet plaats heeft en schadelijk is het voor het werk. 8662. V. Gij zijt waarschijnlijk dan wel zoo gelukkig van in de laatste jaren geene vrouwen aan het werk te hebben, zoodat gij de moeilijkheden en euvels die daaruit voortvloeien, niet meer ondervindt ? A. Neen. 8063. V. Dan zal ik daarop niet verder terugkomen. Hoe is nu in het alge- |
245
|
racen de gang uwer fabriek? Geef ons dus eene beschrijving van de behandeling der grondstoffen, dan hooren wij tevens een en ander omtrent de inrichting en de werkzaamheden uwer arbeiders, oudere en jongere. A. De grondstoffen zjjn kleuren, die op papier worden aangebracht en daarna of gesatineerd üf onmiddellijk gedrukt, hetzij door de machine, hetzij door het handwerk. Met papier komt in naturel aan. Is bijv. bruin de grondstof, dan worden daarin, al naar de patroon het vereischt, twee, drie, zes of meer kleuren gebracht. Dat is de gang van zaken. Het papier wordt gesatineerd of blijft mat. Het satineeren geschiedt door de satineermachine. Het drukken geschiedt met een drukmachine of met de hand. De landen worden meestal met de hand gedrukt. 8Gü4. V. Als ik u goed begrijp, dan krijgt gij het papier dus afgewerkt voor uw fabrikaat klaar in huis? A. Jawel. 8065. V. En gij mengt uwe eigen verven? A. Ja. 8606. V. Komen, of kwamen vroeg:er daarbij stoften te pas, die van schadelijken invloed kunnen of konden zijn voor den werkman? A. Ik heb dat heel oprecht aan den heer inspecteur van het geneeskundig Staatstoezicht verteld. Hij zal dat hier wel medegedeeld hebben. Er worden in een jaar hoogstens honderd kilo van «en soort arsenikhoudend groen gebruikt, om in andere stoften te mengen, ten einde eene zekere levendigheid aan de kleuren te geven, wat volstrekt niet schadeljjk kan zijn voor de gezondheid; men moet er natuurlijk niet van eten. Gij krijgt een paar exemplaren van -werklieden uit mijne fabriek hier, den meesterknecht en een man, die 45 jaren in die kleuren gewerkt heeft, en gij zult zelf zien dat zij niet veel hinder van het omgaan met die kleurstoffen gehad hebben. 8667. V. En hebt gjj soms óók exemplaren, die daarvan wèl hinder hebben, en die niet hier komen? |
A. Neen. Vroeger â- misschien 20 jaar geleden â werd het arsenicum in veel grooter quantiteit gebruikt. Toch hadden de menschen er geen letsel van, als zij zich maar goed reinigden. Gebeurde dat niet, dan kregen zij wel eens kleine wonden onder de armen. Wanneer zij zich dan maar goed reinigden, ging het weer weg. 8068. V. Hoe ontstonden die wonden onder de armen ? A. Waarschijnlijk door wrijving. Nooit heeft iemand er echter over geklaagd ; integendeel werken de menschen gaarne in die kleuren. 8009. V. Wij kunnen te kalmer over dit punt spreken, na uwe verklaring dat ten gevolge van minder vraag naar dat artikel die stof' bijna niet meer wordt gebruikt. Het is mij echter niet duide-Ijjk hoe die wonden juist onder de armen komen. Expliceer dat eens. A. Ik kan niet zeggen waarom dat juist onder de armen komt, en als ik het zeggen mag tusschen de beenen; maar ik denk dat het een gevolg is van warmte en wrijving. 8070. V. Dus als ik het goed begrijp, bedoelt gij met «wrijvingquot; geenerlei aanraking met een machine of eenig voorwerp, maar natuurlijke wrijving, en met blessuren geen wonden die van buitenaf worden aangebracht, doch een vanzelf opengaan van de huid? A. Ja. Het is irritatie van de huid op plaatsen die zjjn aangedaan. 8071. V. Nam die irritatie soms een ernstig karakter aan ? A. Niemand heeft er vroeger ooit een uur om behoeven te verzuimen. Het kwaad herstelde heel spoedig, en kwam ten eenenmale niet voor, indien de menschen op gepaste tijden, een paar malen per dag, een soort van bad namen en zich behoorlijk reinigden. 8072. V. En werd daar van uw kant in de fabriek gelegenheid toe gegeven of op aangedrongen ? A. Natuurlijk, de hand werd er aan gehouden, zoodat het dagelijks gebeurde. 8673. V. Hebt gij er wel eens menschen aan verloren? A. Dat nooit: degenen, die er mede gewerkt hebben, kunt gjj vandaag nog spreken en van hen hooren, dat zij er niet door geleden hebben. 8074. V. Er is dus niemand gestorven, en niemand is er voor zijn leven ongelukkig door geworden ? |
240
|
A. In het geheel niet 8075. V. Wat er van wezen mag. het artikel wordt thans minder gevraagd in vergelijking van vroeger, en het gebruik van arsenicum is gereduceerd tot een veel minder bedrag? A. Honderd kilo ongeveer; het arsenicum wordt zelden of niet in onver-mengden toestand gebruikt, maar bijna altijd vermengd 8076. V. Dus in dit opzicht meent gij gerust te kunnen verklaren, dat tegenwoordig in de behangsclpapier-fabricage geen ernstig kwaad meer steekt? A. Neen, in het geheel niet. 8077. V. Laat ons nu maar eens spreken over den bestaanden toestand; werken de jongens gelijkop met de volwassen mannen? A. Jawel. 8078. V. Doen de jongens dan hetzelfde werk als de volwassen mannen ? A. Die zijn tot hulp van den volwassen man. 8079. V. En doen dus mede, gelijkop, aan hetzelfde werk? A. Zij worden langzamerhand opgeleid tot hetzelfde werk. 8080. V. Waar zij c/ocn het ook ? A. Natuurlijk, de drukker heeft de plaat in de hand en de jongen brengt de kleur in den bak. SOSi. V. Precies, dus mijne vraag was volkomen correct en had bevestigend moeten beantwoord worden. Ik zal haar nog eens herhalen ; de jongens slaan dus de handen aan hetzelfde werk als de volwassen mannen 1 üie vraag beantwoordt gij dus bevestigend ? A. Ja. 8082. V. Welke zijn uwe werkuren ? A. De werklieden beginnen om 7 uur, werken dan tot \1, hebben rust tot 1 uur, en werken dan weer tot 7 uur bij lange dagen, dat wil zeggen als er veel werk is, maar een groot gedeelte van het jaar is dit niet het geval; dan werken zij tot 0,5 of 4 uur, naar er werk is. 8083. V. Dus twaalf uur behoudens de rusttijd die er in valt, is het langst dat op uwe fabriek gewerkt wordt? A. Ja. 8084. V. Dus nog eens, behoudens een zeer enkelen keer, komt overwerk in uwe fabriek niet voor? A. Neen. |
8085. V. Nachtwerk evenmin waarschijnlijk ? A. In het geheel niet. 8C80. V. En Zondagswerk 1 A. Nooit, of het moest bij toeval zijn dat zij eens een enkel uur moeten komen. 8687. V. Maar anders komt het niet voor ? A. Neen. 8088. V. Wat verdienen de aankomende jongens ? A. Die beginnen met f 0,30 per dag te verdienen. Langzamerhand stijgt dat loon, zoodat de zeer ontwikkelden spoedig meer verdienen, terwijl andere minder ontwikkelden lang loopen eer zij f 0.40 verdienen. 8090. V. Hoeveel verdienen die jon-j. gens ongeveer wanneer zij IS jaren oud zijn ? A. f 0,70, f 0,80 en f l per dag. 809'1. V. Wat verdient gemiddeld uw volwassen werkvolk ? A. Gemiddeld van f l tot f2 per dag. Vroeger waren de verdiensten voor die werklieden grooter; dat hangt niet af van eeno tariefvermindering, want de tarieven zijn nog steeds dezelfde, maar van de zeer geringe vraag naar fijne qualiteit van goederen. Thans wordt er een minder soort van werk gemaakt, waarvan de jongelieden meer slfig hebben, terwijl de oudere werklieden, die beter fijn werk maken, niet zoo vlug kunnen werken als do jongeren. Ander werk is er niet, en er blijft ons dus niets anders over dan om die oudere werklieden dat gewone soort van werk te laten verrichten. 8692. V. Worden uwe werklieden bij het stuk betaald? A. Ja, ten minste al wat handwerk is. 8693. V. De jongens, waarvan gij spraakt, worden per dag betaald ? A. Jawel. 8694. V. Betaalt gij uwe loonen per weck uit? A. Bij de 14 dagen. 8695. V. Krijgen uwe werklieden hun loon op den loden of lOden dag of gaat er nog eenige tijd voorbij eer zij hun geld ontvangen? A. Vrijdags wordt de rekening van do werklieden opgemaakt en Zaterdags uitbetaald. Wanneer nu iemand des Maandags niet heeft gewerkt, dan wordt |
247
verband met de verklaringen van andere getuigen die ons zeer nauwkeurig hebben ingelicht, hebt gij bij hetgeen gij zegt het oog op de bestaande gewoonte van het gesticht Calvariënberg, om. als het zieken opneemt ten behoeve van het gesticht (om redenen die wij noch waardeeren noch af- noch goedkeuren) de inkomsten van den zieke te reclameeren. Daarom hebt gij het ziekenfonds aan uwe fabriek zoo ingericht, dat het strekt niet ten faveure van den zieke, maar van zijn gezin, en het goede briek eigenlijk niet Wel is er eens een , gevolg daarvan is, dat als de werkman jongen, die zat te slapen, uit het raam in den Calvariënberg is opgenomen, zijn o-cvallen. gezin niet broodeloos zit. Zit de zaak
D 8699. V. Gij werkt met stoom. Zijn zóó in elkaar ?
er nu ten gevolge van de stoommachine I A. Juist.
nooit ongelukken bij u voorgekomen ? ' 8704. V. Wanneer do werklieden oud A. Dat bepaalt zich tot gevallen van en ongeschikt worden, wanneer ze niet zoo onbeduidenden aard, dat het wer- meer kunnen werken, wat dan?
kelijk niet noemenswaardig is. Er is ; A. Dat geval is tot dusver nog niet eens een jongen met den vinger even- voorgekomen.
tjes tusschen do wals geraakt, die zich i 8705. V. Hoe lang bestaat uwe fa-volstrekt niet met de machine behoefde te bemoeien, maar dit wilde leeren om een kameraad, als hij ziek was, te kunnen vervangen.
8700. V. Ik moet dus begrijpen, dat dergelijke accidenten zeer zeldzaam voorkomen ?
A. Zoo goed als niet.
8701. V. Gij hebt 40 a 50 man, groot en klein, aan uwe fabriek. Zijn er nog al eens zieken onder?
A. Dat gebeurt ook. Maar iedereen kan ziek worden.
8702. V. Het is eene volmaakte waarheid die gij daar zegt; maar als die waarheid zich dan bij u verwezenlijkt,
en er eens een ziek wordt, is er dan : versletenheid broodeloos op straat zet ? eenigerlei maatregel in uwe fabriek om A Tot dusver niet.
die menschen te ondersteunen? ! 8708. V. Gedraagt uw volk zich ge-
A. De werkman betaalt i percent in schikt? Of hebt gij klachten over mis-eon ziekenfonds, dat eigenlijk ingesteld j bruik van sterken drank ?
is niet voor degenen die ziek zijn, maar ' A trimt wol vnnv.
voor het huisgezin van den zieken werkman ; want anders, als de gestichten den zieke opnemen, zijn de arme lieden, die hot huisgezin uitmaken en noch de verdiensten van den man, noch eigen verdiensten hebben, van alle inkomsten verstoken. Nu wordt minstens de helft van het loon, dat de man verdiende, aan zijn huisgezin uitgereikt.
8703. V. Als ik u goed begrijp, in
A. Dit komt wel voor, gelijk overal. Op de Maandagen na de quinzaine, bij kermissen en dergelijke, heeft men daarvan wel last, maar niet in die mate dat men er bijzonder over moet klagen.
8709. V. Het gebruiken van jenever op de fabriek is natuurlijk verboden ?
A. Ja.
8710. V. Komt het Maandaghouden veel voor onder uw werkvolk?
A. Het komt wel voor, gelijk bij an-
hem de Zaterdag afgehouden. Van daar
dat die dag fe jour de â¢peine wordt genoemd
8690 V. Verleden week Vrijdag-avond was das bij u de 14-daagsche termijn om, Zaterdags-ochtends werden de loo-nen van uwe ouvriers uitgerekend en des avonds over de verstreken quinzaine uitbetaald ? Was dat zoo ?
A. Ja.
8(j98. V. Komen er wel eens ongelukken voor in uw fabriek ? A. Bepaalde ongelukken aan de fa
briek ?
A. Van 18-10, dus 47 jaren.
8706. V. Dus ofschoon uwe fabriek reeds 47 jaren bestaat, hebt gij nooit iemand voor ouderdom, versletenheid, onbruikbaarheid behoeven weg te zenden?
A. Zoover ik weet niet. Wij hebben eene massa oude werklieden, die wij eigenlijk zouden moeten bedanken, maar men houdt ze aan omdat ze zooveel mogelijk hun plicht doen.
8707. V. Dus gij tracht de werklieden zoo lang mogelijk in dienst te houden. En het komt bij u in waarheid niet voor dat men ze uit ouderdom en
248
|
deren, maar wij hebben niet te klagen. 8711. V. In het algemeen behoort gij dus niet tot de ontevreden patroons ? A. Neen. 8712. V. Is uw volk blijvend aan de fabriek; hebt gij geen last van »loo-persquot;, zooals gij ze noemdet ? A. Ue meeste menachen ziju reeds 15 a 25 jaar aan Je fabriek; er zijn or die daar do jaar zijn. 8713. V. Dat bewijst dat gij goed voor de lieden zijt, en de lieden voor u. A. Ja, wij houden hun altijd voor te zorgen dat wij tevreden zijn. 8714. V. Gjj hebt dus weinig boeten op te leggen? A. Ja, en als zo worden opgelegd, zijn ze ten voordeele van het ziekenfonds. 8715. V. En de boeten zijn niet zwaar? A. Eenige centen. 8710. V. Bestaat nochtans een reglement daaromtrent ? A. Zeker. 8717. V. Zijn daarin de groote en kleine delicten aangegeven, alsmede de daarop gestelde boeten ? A. Zooveel mogelijk. 8718. V. Willekeur wordt dus te dien aanzien zooveel mogelijk vermeden? A. Er mag geen willekeur plaats hebben. 8719. V. Het opleggen van boeten is dus niet overgelaten aan de willekeur van een of anderen meesterknecht? A. Men dient volgens het reglement te handelen. 8720. De heer Uahliiiaiin: De heer Bekaar heeft gezegd, dat hij nergens heeft aangetroffen een reglement voor de arbeiders, wat de Duitschera noemen: *Fabriksordnungquot;. Ik heb beweerd dat ik eenige jaren geleden bij een bezoek aan uwe fabriek dat heb zien hangen. Is dit niet inderdaad zoo ? A. Volkomen juist. 8721. V. (Jij heb gezegd dat de loo-nen wel niet verlaagd zijn, maar dat ten gevolge van gewijzigde omstandigheden gij weinig in de gelegenheid zijt om fijn behangselpapier te leveren. Is hier het ongelukkige tariefstelsel niet de oorzaak van ? want do bepaling van het recht ad valorem werkt juist verkeerd ; hoe duurder het goed is. hoe minder het gedeclareerd wordt. Wanneer dus het rechtenstelsel herzien werd en wij een stelsel hadden als in België, Duitschland en Frankrijk, in één woord zooals in alle landen waar een redelijk tariefstelsel is. zoudt gij dan niet denken dat hier beter werk kon worden afgeleverd en aan onze arbeiders gelegenheid gegeven om beter behangselpapier te bewerken? |
A. Ik geloof dat het beste wat de staat kan doen om don werkman te helpen, zou zijn een terrein te openen tot exploitatie, dat wil zeggen : thans zijn wij overal afgegrensd, en nergens kunnen wij komen, maar het buitenland kan hier wèl komen en den werkman ontnemen wat hij anders hier kon fabri-ceeren. Kan deze verandering plaats hebben, dan zou de toestand van den werkman, zoowel als van do fabrieken, beter worden. 8722. De lieer Ruys van Becreu-broek; (Jij hebt gezegd dat gij in uwe fabriek jongens aanneemt van 12 jaren af. Worden die jongens, hoewel wij gehoord hebben dat het werk dat zij bij u verrichten niet te zwaar voor hen is, voordat zij aangenomen worden, soms door een doctor gekeurd? A. Neen. 8723. V. Gij acht dat niet noodig ? A. Neen. 8724. V. Neemt gij ze ook een examen in lezen en schrijven af? A. Neen, niets van dien aard; daaraan wordt niet gedacht. 8725. V. Gij hebt ons medegedeeld, dat vroeger meer met de hand en tegenwoordig meer met de machine gedrukt wordt üok de reden daarvoor hebt gij opgegeven. Zijn daardoor de loonen naar beneden gegaan? A. De loonen zijn veel verminderd, daar dezelfde drukkers, die vroeger uit de hand fijne soorten papier drukten, nu mindere soorten moeten drukken. Die inferieure soorten worden minder betaald; en daar er geen vraag is naaide fijnere soorten, wordt er zoodoende ook minder verdiend. 8726. V. Met een enkel woord hebt gij gesproken over de tarieven van inkomende rechten. Als president van de kamer van koophandel moet gij daar het een en ander van weten. Acht gij het, wanneer die tarieven blijven bestaan. |
24Ã
|
ook met het oog op het belang van den werkman, mogelijk dat de industrie in stand blijft? A. Het spreekt vanzelf, dat het ook in het belang van den werkman is als het werk hier in het land blijft; en als hetgeen in het land komt, belast wordt, blijft het werk hier. Als het werk in ons land blijft, is dat goed èn voor den werkman èn voor den patroon. 87'27. V. En zal dus de industrie het zooals het nu gaat, op den duur kunnen volhouden? A. Zooals het thans gaat, niet; er moet nu geld bij, en dat wordt van jaar tot jaar erger. 8728. De Voorzitter: Hebt gij, wel te verstaan, binnen den kring, waartoe deze enquête zich krachtens de opdracht van de Commissie noodwendig moet beperken, nog eenige mededeelingen te doen ? A. Neen, Mijnheer de Voorzitter. 8729. V. Dan is dit verhoor afgeloo-pen en bedanken wij u voor uwe komst. Pierre Rltten. Verhoor van de heeren H. Mathijseu en Th. Egger. 8730. De Voorzitter : Mathijsen, geef ons op uw naam, voornamen, ouderdom, beroep en woonplaats. A. Johan Andreas Hubertus Mathijsen, 55 jaar, meesterknecht in de behangselpapierfabriek van den heer Rutten te Maastricht. 8731. V. En gij Egger? A. Theodorus Egger, 61 jaar, handdrukker op dezelfde fabriek, eveneens wonende te Maastricht. 8732. Mathijsen! Zijt gij al lang werkzaam op de fabriek van Rutten? A. Getuige Mathijsen: van af Augustus 853. 8733. V Zijt gij van jongs af in dezelfde soort fabriek werkzaam geweest ? A. Ja, ik heb vroeger ook in de fabriek van den heer Claareboets gewerkt. 8734. V. Gij zijt dus van jongs af in hetzelfde vak werkzaam geweest en nu al heel lang in dezelfde fabriek. Wat is uw werk daar? |
A. Ik moot de kleuren bereiden om de behangselpapieren te verven; ik heb wel een knecht bij mij, maar ik moet de monsters kleuren. 8735. V. Gij krijgt dus de dessins, die klaargemaakt moeten worden en mengt de kleuren? A. Om u te dienen. 8736. V. Is dat altemaal droge verf waarmede gij te doen hebt? A. Neen, ik heb gedeeltelijk droge en gedeeltelijk natte kleuren, en pate, maar om de droge te verwerken gebruikt men toch wat water. 8737. Heeft in de lange jaren dat gij op die fabriek werkzaam zijt, ook eeni-gerlei verandering plaats gehad in de vraag naar bepaalde kleuren, die gij begrijpt dat van belang kan zijn om hier ter sprake te brengen ? Met andere woorden, is er misschien minder vraag naar groene kleuren dan vroeger? A. Vroeger werd veel meer gewerkt in groen, omdat toen die stores gebruikt werden in de groene kleur, die nu bijna niet meer worden gevraagd, evenmin als groen behangsel. 8738. V. Gij hebt er zeker niet veel verdriet over dat dat gebeurd is? A. Neen, want die groene kleur was eigenlijk een beetje hatelijk om te bewerken. 8739. Waarom hatelijk ? A. Er zit zoo iets of wat gif in. 8740 V. Wat voor gif? A. Dat groen is het gif, dat is van de arsenik 8741. V. En daar moest gij druk meê werken? Die jongens die bij uzijn, ook ? A. Ja. 8742 V. Gij hebt gezegd dat er nu weinig vraag naar die kleur is, maar toen gij er nog druk in werktet, hebt gij daar toen wel eens kwade gevolgen van gezien ? A. Jawel, op de plaatsen waar men een beetje zweette, ging het vel soms een beetje open. 8743. V. Onder de armen en aan de beenen ? A Zeer zeker. 8744. V. Hebt gij het zelf gehad ? A. O ja. 8745. V. Kregen de jongens dat ook? A. De jongens hadden dat niet zoo erg. |
250
|
8740 V. Waarom? Omdat zij er niet zoo lang in werkten ? A Wij moesten er meer met het gezicht over liggen. 8747. V. Wat deedt gij tot bestrijding van het kwaad 7 A. Wij waschten ons mot koud water. 8748. V. tiet beste was dus zich rein te houden? A. Ja. 8749. V. Is het wel eens voorgekomen dat werklieden ten gevolge van «lat werk â ik vraag niet naar uw eigen persoon, want gjj zjjt er goed afgekomen â er slecht afkwamen. A. Gedurende de lange jaren dat ik in het vak werk, is er bij ons niemand slecht afgekomen, zelfs is er nooit een dokter bij te pas gekomen. 8750. V. Dus gij herinnert u niet dat de een of ander van hen, die onder of met u gewerkt hebben, met dezen arbeid hebben moeten uitscheiden? A. Zoo erg is het nooit geweest. 8751. V. Ãn tegenwoordig is het natuurlijk veel minder geworden ? A. ü zeker, nu komt het bijna niet meer voor. 8752. V. Het kwaad is dus ook bijna verdwenen? A. Ja. 8753. V. Maar de jongens werken toch in alles mede? A. Natuurlijk. Maar de verf wordt niet meer enkel gebezigd, slechts om met andere verven te vermengen. 8754. V. Gelooft gij dat dit nu eenvoudig een nuk van de mode is geweest, of zijn de menschen zelve bevreesd geworden ? A. Dat kan ik zoo niet zeggen. De gedrukte stores waren wel wat duur, wellicht is dat de reden. 8755. V. Maar hebt gij, afgescheiden van do stores, ook kunnen bemerken dat in het algemeen de vraag naar groene behangselpapieren is afgenomen. A. Dat geloof ik wel. 8756. V. Getuige EofiEB: Gij mengt de verven niet? A. Xeen, ik krijg den door den meester gereedgemaakte verven. 8757. V. Wat doet gij daarmede? A. Ik ben een ouderwetsch handdrukker. Het patroon houd ik in de hand en doop dat op een wollen lap, waarop de verf gesmeerd is. Vervolgens druk ik het patroon met de hand op het papier. |
8758. V. Wordt gij ook door jongens geholpen ? A. Door één jongen. 8759 V. Hoe oud zijn die jongens ? A. Gewoonlijk 12 a 13 jaar. Vroeger hadden wij ze wel van 9 of 10 jaar. 87C0. V. Wat voor werk doet die jongen ? A. Hij smeert met een borstel de verf op den wollen lap. 8761. V. Dat is dus een licht werkje, dat gemakkelijk valt uit te houden. En werkt de jongen even lang als gij ? A. Ja Mijnneer de Voorzitter. Om zeven uur in den zomer en om half acht in den winter en ga dan van twaalf tot eenen naar huis om te eten. Dan werk ik door tot 's avonds 7 uren. Ook is er nog eenigo schafttjjd des morgens en des avonds. 8702. V. Dus gijlieden hebt niet te klagen, dat ge te lang aan het werk wordt gehouden. Hebt gij overwerk ? A. Als er werk is dat presseert, dan werken wij 's avonds een uur over, en dat wordt extra betaald. 8763. V. Maar dat komt immers niet dikwijls meer voor? A. Neen, slechts zelden. 8704. V. Van nachtwerk is zeker in het geheel geen sprake ? A. Neen. 8705. V. En van Zondagswerk ? A. Ook niet. 8760. V. Mathijsen, wordt gij betaald bij den dag? A. Getuige Mathijsen : Ik word eigenlijk betaald bij de maand. 8707. V. Gij wordt niet betaald per stuk, want dat zou in uw bedrijf niet gaan. Wat verdient gij in de maand? A. Getuige Mathijsen: 100 francs; en elk jaar een surplus van 300 francs extra als ik mijn best doe. 8708. V. Dus uwe positie is niet die van een gewoon werkman. Hoe wordt de man betaald die onder u werkt, per dag of per stuk ? A. Getuige Mathijsen: Per dag. 8709. V. Wat doen de jongens ? A. Die ziften en mengen de kleuren. Het zijn jongens van 18 en 19 jaren. 8770. V. Wat verdienen zij ? |
251
|
A. 85 centen per dag. De jongen dien ik bij mij heb. is er al 3 jaren, dus van zijn ïöde jaar. Die jongen gaat langzaam op en krijgt later wat meer. 8771. V, Hoe wordt bij u, Egger;het loon berekend. A. Ik heb vroeger op stuk gewerkt en had toen goed mijn brood, maar omdat het vak niet vooruitgaat en ook met het oog op mijn leeftijd, heeft de patroon mij op dagloon gezet. 8772. V. Werd vroeger liet drukken per stuk betaald? A Ja. 8773. V. Waren daarvoor dan verschillende tarieven en berekeningen, naar felang van de patronen moeilijker en ewerkelijker waren ?elang van de patronen moeilijker en ewerkelijker waren ? A. Ja, de tarieven verschillen. 8774. V. Gij bewerkt toch dikwijls papier waar meer dan eenc kleur, soms 4 of 0 kleuren opzitten. Werd dat ook por stuk betaald. A. Iedere kleur werd telkens betaald. ' 8775. V. Zijn er thans nog menschen aan de fabriek die voor zulk werk per stuk worden betaald ? A. Er zijn er meer die per stuk betaald worden. 8775. V. Worden de randen niet altijd uit de hand gemaakt? A. Ja. 8777. Y. De patroon bracht u dus op daggeld, omdat gij niet zooveel stuks meer kondet leveren als vroeger; het berekenen per stuk zou in uw nadeel zijn geweest ? A. Het geschiedde op mijn verlangen, met het oog op mijn leeftijd, waarin men niet zoo vlug meer is. 8778. V. De tegenwoordige berekening van uw loon was alzoo niet schadelijk voor u? A. Neen. 8779. V. Die veranderde manier is dus nu juist geene zaak geweest waarover gij u te beklagen hebt gehad? A. Neen. 8780. V. Zijt gij al geruimen tjjd op de fabriek? A. Sedert I October jl. 45 jaar. 8781. V. En altijd tevreden geweest ? A. Ja. 8782. V. Zijn er velen die langen tijd daar gewerkt hebben ? |
A. Het grootste gedeelte der werklieden is er 20, 25, 30, 35 jaar. 8783. V. Maar er komt eindelijk een tijd dat men met werken moet uitscheiden. Wat gebeurt er dan met u? A. De heer Rutten heeft ons altijd beloofd dat, als wij goed ons bost gedaan hebben en altijd ijverig zijn geweest, hij ons ondersteuning zal geven. 8784. V. En weet gij soms ook gevallen, die zich hebben voorgedaan, dat een van de luidjos er uit is moeten scheiden en ondersteuning ontvangen heeft ? A. Neen, ik weet niet dat er oen onbekwaam ia geworden en ondersteuning heeft moeten genieten. Ik herinner mij niet dat het ooit aan deze fabriek is voorgekomen. 8785. V. Als ik u goed begrijp, dan tracht de heer Rutten, al leveren zij dan ook niet heel veel meer op, de lieden, al worden zij oud, zoo goed en zoo kwaad als het gaat aan het werk en in het loon te houden. Heb ik dat zoo goed begrepen ? A. Ja, ja. 8786. V. En Mathjjsen bevestigt gij hetgeen gij Egger hebt hooren verklaren, of weet gij er iets bij te voegen? A. Getuige Mathijsen ; Het is nog nooit gebeurd dat iemand ondersteund is moeten worden, zoolang ik op de fabriek werk Egger is de oudste en werkt nog. Het is niet voorgekomen dat er een wegens ouderdom hoeft moeten uitscheiden. 8787. V. Weet gjj, als geboren Maastrichtenaar, ook of dit op alle fabrieken evengoed geregeld is? A. Neen. Ik weet alleen dat bij de Cér amique te Wijck gepensionneerden zijn. 8788. V. Kent gij ook fabrieken, waar in het geheel geen onderstand of pensioen gegeven wordt, waar de menschen eenvoudig aan den dijk gezet worden? A. Neen, dat is mij niet bekend. 8789. V. Weet gij daarvan ook iets, getuige Egger ? A. Neen. 8790. V. Getuige Mathjjsen ! Als de menschen op de fabriek ziek worden, is dan voor hen gezorgd 1 A. Zoolang de fabriek bestaat, is er |
252
|
een ziekenfonds. Wij betalen daarin 1 pet. van ons loon, en krijgen daarvoor in geval van ziekte dokter en geneesmiddelen, terwijl wjj ons halve daggeld behouden. 8791. V. Ik geloof dat ge u hior niet heel juist uitdrukt. Krijgt de werkman, die ziek wordt, zijn halve daggeld ? A. Het wordt eigenlijk gegeven tot ondersteuning van het gezin. 8792. V. Dus het huisgezin krijgt dat ? A. Ja. 8793. V. Nu, gij weet wel waar het onderscheid in zit! Zijt gij er ook in ? A. Ja, ik ben voorzitter. 8794. V. Dan weet gij er alles van. En die zaak staat geheel onder beheer der deelnemers ? A. Ja. 8795. V. En als iemand nu maar een boodschap stuurt dat hij ziek is en niet komen kan, is daar de zaak dan mede afgedaan ? A. Neen, er moet een bewijs van den dokter zijn, want er zijn wel ziekten waarmede men toch een beetje kan werken. 8790. V. En als iemand zóó ziek is dat hij niet werken kan, maar toch een café bezoekt, wordt hij dan ook geholpen? A. Dat mag niet voorkomen. 8797. V. Maar als het tóch gebeurt ? ' A. Dan wordt er boete opgelegd. 8798. V. Houdt het lidmaatschap dan op? A. Na herhaalde overtreding wel. 8799. V. Hebt gij niet een reglement, waarin het volgende voorkomt: «Diegenen, welke uitbetalingen der kas genieten, onthouden zich van het bezoeken van café's of andere bier- of jeneverhuizen, onder boete van twee gulden vijftig centen voor de eerste maal, vijf gulden voor de tweede maal, en indien dit meer voorvalt op straf van hun lidmaatschap te verliezen. »Elk lid is verplicht eene overtreding dezer verordening aan de commissie bekend te makenquot; ? A. Ja. 8800. V. Er wordt dus controle uitgeoefend op verkeerde handelingen? A. Ja 8801. V. Dat is uw eigen belang, want het is uw eigen fonds. A. Natuurlijk |
8802. V. Tracht de heer Rutten het fonds ook op de been te houden'? A. Hij int de gelden, zonder vergoeding. 8803. V. Steunt hij het fonds nu en dan, of kunt gij u zelf bedrnipen? A. De kas is altijd zoo gevuld, dat wij ons zelf kunnen bedruipen. Wij krijgen wel eens een dag extra uitbe taald bij feestelijkheden; dit is verscheidene keeren gebeurd. 8804. V. Dus wordt het ziekenfonds mot algemeen goedvinden, omdat het dit lijden kon, ook tot meer aangename doeleinden aangewend ? A. Ja 8805. V. Als er nu van de fabriek weggaan, wat gebeurt er dan. krijgen zij dan eenigerlei uitkeering uit het fonds, of komt daar niet van in ? A. De gestorte gelden zijn zij kwijt. 8806. V. Nu moet gij ons nog iets zeggen ; worden er veel boeten geheven op de fabriek van den heer Rutten? A. Zeer zelden : men moet wol eens een kwajongen, die een beetje veel ondeugend is, eene boete van een cent of tien geven; en dan moet ik u zeggen, dat er een reglement gemaakt is op het binnenkomen ; de werklieden moeten des morgens om 71/2 present zijn en dan heeft de werkman tot tien minuten over half acht den tijd, maar wio 20 minuten na het binnenkomen door den portier wordt opgeschreven, moet een uur missen, en dat gaat in de ziekenbus. 8807. Als ik alles en alles goed begrijp, dm is het regime aan de fabriek van mijnheer Rutten nog al dragelijk en zacht, en wordt het leven aan de werklieden niet onaangenaam gemaakt, ook niet door boeten. Niet waar ? A. Juist, Mijnheer. 8808. V. En vandaar dat gij er lang blijft en dat de geest onder het volk goed is ? A. Ja, Mijnheer. 8809. V. Egger, hebt gij bij het gesprokene door Mathijsen nog iets te voegen ? A. Niets anders. Mijnheer, dan dat alles wat hij gezegd heeft, zuiver en recht is. 8810. Daar geen van de hoeren u verder iets te vragen heeft, kunt gij beiden vertrekken. H. Mathijsen. Th Eoger. |
253
|
Verhoor van den heer E. (x. Philips. 8811. De Voorzitter; Welke zijn uw voornaam, naam, ouderdom, beroep en woonplaats ? A. Eduard George Philips, 38 jaren oud, sigaren- en tabaksfabrikant te Maastricht. 8812. V. Z[jt gij te Maastricht geboren ? A. Neen, ik ben in Luik geboren. 881B. V. Zijt gij reeds lang in Maastricht gevestigd ? A. Sinds 18 jaren. 8814. V. Hebt gij daar uwo tegenwoordige zaak zelf opgericht? A. üe zaak bestaat sinds 1817: ik heb haai' van mijn oom overgenomen 8815. Gij hebt de fabriek waarschijnlijk vernieuwd en uitgebreid ? A. Zooveel mogelijk natuurlijk. 8810 V. Wat fabriceert gij? A. Sigarettes, sigaren, pruim- en rooktabak en snuif. 8817. V. Gij hebt een talrijk personeel. Zooals ik uit onze opgaven zie, werken bij u: 55 mannen, 14 jongens van 12â10 jaar, 2 van 16â18; 26 gehuwde vrouwen, 26 ongehuwden, 9 meisjes van 12â16 jaar, 2 van 16â18; een totaal dus van een goede honderd. Komt dit uit ? A. Ja. 8818. V. Gij houdt er ook eene kleine stoommachine op na? A. Ja, van zes paardekracht. 8819. V. Waarvoor gebruikt gij die? A. Voor de kerfbank en de snuif- bank. 8820. V. Laat gij sigaren uit de hand maken of uit den vorm? A. Uitsluitend uit den vorm Wij maken slechts ordinaire sigaren tot den middelprijs toe. üe sigaren, die uit de hand gemaakt worden, zijn fijner, doch dit komt bij ons niet voor. 8821 Worden de jongens, die gij in dienst hebt. op dezelfde wijze gebruikt en aan het werk gezet als de jongens op de sigarenfabrieken te Amsterdam en te Rotterdam ? A. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik nooit andere sigarenfabrieken gezien heb, dan ééne te Eindhoven, en die van de verschillende régies. |
8822. V. Laten wij dan de vraag anders stellen. Wat doen de jongens bij u ? A. Er zijn twee zaken, geheel onderscheiden in de tabaksfabriek. De pruimtabak en de snuif worden vervaardigd door mannen en jongens, en de sigaren geheel door meisjes. 8823. V. Dus voor de sigaren hebt ge geen manneljjk personeel ? A Alleen een opzichter. 8824. V. VN'orden de sigaren dan bewerkt door volwassen vrouwen, ieder met een jong meisje bij zich ? Dat zon niet gaan, want zoovele hebt gij er niet in dienst? A. Vroeger gebeurde hot, toen de wikkels aan den sigarenmaker werden overgereikt, die er het buitenblad omdeed ; maar nu zij in vormen gemaakt worden, werkt ieder afzonderlijk. 8825. V. Maar die meisjes, die jongste van 12 tot 10 jaar, wat doen die? A. Wat wij noemen strippen, den steel uit het blad halen, doen de meisjes van 12 jaar. Degenen, die wat ouder zijn, maken de wikkels. 8820. V. Doen de oudere meisjes, die gij hebt, hetzelfde werk? A. Ik kan niet zeggen wat zij bepaaldelijk doen. 8827. V. Dat loopt dus dooreen? Hoe laat komt uw personeel op de fabriek ? A. Te 7 uren. Het werkt dan tot 12 en van 1 tot 0 uren. 8828. V. Gaan de werklieden om 12 uur naar huls, om te eten ? A. Ja. Ik heb toegestaan aan de getrouwde vrouwen om elf uren de fabriek te verlaten, ten einde het eten gereed te maken. 8830. V. Dus de werktijd op uwe fabriek is, na aftrek van de gewono rusttijden, tien uren daags? A. Ja. 8831. V. Wordt bij u ook overgewerkt ? A. Ja, maar zelden ; nachtwerk komt in het geheel niet voor. 8832. V. En Zondagswerk? A. Ook niet, alleen voor het poetsen van de stoomketels. 8833. V. Worden uwe werklieden per stuk betaald? A. In de tabaksfabriek niet, wel in de sigarenfabriek. De kleine jongens die sigarettes inpakken, worden per |
stuk betaald, evenzoo degenen die kistjes maken.
8834. V. Ook het maken van sigaren en sigaretten door de meisjes?
A. Ja.
8835. V. (jij maakt steeds sigaren van â denzelfden prijs ongeveer?
A. Ja
8836. V. Is er dus een constant loon voor het maken van de sigaren?
A. üe meisjes hebben f'i fi f2,50 per mille.
8837. V. Is dat het hoogste loon? A. Ja.
8838. V. Uat cijfer is belangrijk lager dan wat in de Hollandsche fabrieken wordt betaald?
A. Ik geef dit toe wat Amsterdam en Rotterdam betreft, maar die fabrieken maken ook betere prijzen dan wij. Men moet ons vergelijken met Eindhoven, waar ongeveer hetzelfde fabricaat wordt â¢aangetroffen, en dan betalen wij nog iets beter.
8840. V. Wat kunnen die meisjes en ongehuwde vrouwsn gemiddeld's weeks verdienen ?
A. Bedoelt gij de wikkelmaaksters of de sigarenmaaksters ?
8811. V. Beiden.
A. De wikkelmaaksters kunnen van 700 tot 800 wikkels per da» maken en krijgen f 1 per duizend. De sigaren-maaksters, die f '2,50 per 1000 ontvangen, maken ongeveer 500 tot 000 sigaren per dag,
8842. V. Naar hot mannelijk personeel heb ik niet te vragen, want dat houdt zich daarmede niet bezig. Wij zijn nu nog altijd aan de sigaren- en sigaretten-maaksters. Dat vrouwelijk personeel komt natuurlijk iederen dag even trouw op, zoowel des Maandags als des Zaterdags?
A. Ja.
8843. V. Ook des Zaterdags, of blijven zij dan te huis?
A. Ook des Zaterdags, maar dan scheiden zij om vijf uur uit.
8844 V. En betaalt gij ze dan over lt;le verstreken week?
A. Ja, ik betaal ze wekelijks. 8848. V. Dus zij ontvangen het volle geld, berekend naar de basis, die gij ons hebt medegedeeld ?
A. Ja.
8840 V. En nu het mannelijk personeel
dat werkt in de tabak en in de snuif. Werken de jongens, die daarbij bezig zijn, gelijk op met de volwassen mannen, of doen zij een ander soort van werk?
A. Een ander soort van werk.
8850. V. Wat doen die jongens ?
A. Laat ik eerst de kerverij nemen. Daarbij wegen de jongens van boven de 13 jaar de tabak af en maken de pakjes op. liij de pruimtabak strippen de jongens het binnengoed, en leggen de tabak op de tafel.
8851. V. Die jongens worden betaald per dag ?
A. Ja
8852 V. Neemt gij ook jongens beneden de 13 jaar ?
A. Ik neem de jongens niet jonger dan boven de 12 jaar.
8853. V. Kan een jongen, die eerst op zijn 14de jaar bij het vak komt, het even goed leeren als een die vroeger begint?
A Wel zeker.
8854. V. In dat opzicht zou het dus geen bezwaar opleveren als de jongens een jaartje langer op school bleven ?
A. Zeker niet; het tegendeel is waar.
8855. V. Wat doen do volwassen mannen voor werk ?
A. Die sorteeren de tabak; zij zoeken de bladen van verschillende kleur uit voor het samenstellen van de gekorven tabak; anderen spinnen de draden van de pruimtabak.
8856. V. Heeft bjj dat laatste werk ieder werkman een jongen naast zich?
A. Ja, bij het spinnen van de tabak heeft ieder werkman een jongen naast zich.
8857. V. Kiezen de werklieden zeiven die jongens uit, of doet gij dat voor hen?
A. Neen, ik kies zo altijd zelf.
8858. V. Gaat de betaling per pond of per dag ?
A. Per dag.
8859. V. Dus de werkman heeft er geen belang bij, althans geldelijk, of de jongen knap is of niet, on laat zich daarom welgevallen dat gij hem den jongen geeft ?
A. Ja.
8862. V. Hoe gaat het met den Maandag?
A. Zeer goed, ik ma» met lof sproken over den Maastrichtschen werkman, want
255
|
uiterst zelden ontbreekt er op Maandag een werkman. 8863. V. En zijn zij geschikt voor het werk ? A. Zij zijn niet vlug, maar wel werkzaam. Wij hebben ook eene fabriek in Luik en nu is mijne ervaring dat een Waalsch werkman bijna '/3 meer op een dag kan afmaken. 880i. V. Waar is dat aan toe te schrijven? A. Ik weet het niet. Wij hebben uit de aardigheid eens een werkman uit Luik laten komen om aan de onzen te laten zien hoe die werkt. Zij vonden het heel aardig, maar verklaarden dat zij het onmogeljjk zoo vlug konden nadoen. Ik moet zeggen, de menschen werken voortdurend, maar zij hebben de vlugheid niet van den Waalachen werkman. 88C5. V. is dat mindere handigheid of mindere intelligentie 7 A. Mindere handigheid, intelligentie komt bjj dit werk niet te pas. Tusschen de verschillende werklieden bestaat ook nog verschil. 8866. V. Gij hebt eene fabriek te Luik en ook eene te Aken, niet waar? A. De fabriek te Aken behoort aan mijne neven, daarmede zijn wij niet geassocieerd. 8807. V. Ten gevolge van deze toevallige omstandigheid zoudt gij ons misschien wel eene vergelijking kunnen geven, altijd binnen de grenzen van onze enquête, tusschen de toestanden in Maastricht en te Luik? A. Als gij het mij toelaat, wilde ik daarover spreken bij eenige mededee-lingen, die ik voor de Commissie heb gereed gemaakt. 8868. V. Ik vind dat zeer goed, laten wij dan eerst even doorgaan met de loonen. Wat verdienen de jongens in do week 7 A. Een jongen van jaar verdient nooit minder dan f 1,50. 8869. V. En als hij een beetje opgeklommen is ? A. Dan kan hij f 1,75 verdienen. 8870. V. Met die jongens bedoelt gij hen, die pas aangenomen worden, van 12 en 13 jaar? A. Ja, die bedoel ik. |
8872. V. En de volwassen mannen in deze lijn, wat krijgen die gemiddeld voor loon ? Ik begrijp dat de een beter zal werken dan de ander, en dit dus uit het loon zal blijken 7 A. Ja, het gemiddelde loon is f 7. 8873. V. En het maximum? A. f 9. 8874. V. Het personeel dat u hebt en waarvan gij u op tamelijk gunstigen en tevreden toon heb uitgelaten, gaat dat veel uit en in, zoodat gij den eenen tijd een geheel ander gezelschap hebt dan den anderen ? Of blijft dat lang bij u 7 A. Het werkvolk blijft zeer lang bij mij, buitengewoon lang. Alleen de kleine jongens van 12â14 jaar blijven soms, zonder dat men weet waarom, weg, maar op lateien leeftijd komt dat niet voor. 8875. V. Dus evenzeer als u tevreden is over die menschen, hebt gij reden om te onderstellen dat zij het over u zijn wat bewezen wordt door het feit dat zij niet van u weggaan ? A. Juist. 8870. V. Hebt gij ook oude werklieden, die niet meer kunnen werken, en die u dus op de eene of andere wijze moet ondersteunen 7 A. Neen, mijn oudste knecht is 78 jaar, hij is 50 jaar in onze zaak werkzaam. 8877. V. En maakt dio ook nog 700 sigaren daags? A. Hij werkt in de tabak. ïot voor ongeveer 15 jaar is hij aan de eest geweest, de tabaksdrogerij ; dat was nog al een zwaar werk en daarom verzocht hij destyds om ander werk. Nu is hij aan het sorteeren van de tabak. Daar zit hij nu rustig op een stoel, de andere werklieden brengen hem de manden met tabak on die sorteert hij dan heel goed. 8878. V. Is hij toen in zijn loon niet achteruitgegaan 7 A. Volstrekt niet; hij heeft zijn loon gehouden, 8879. V. Hebt gij meer zulke getrouwen in uw dienst? A. Ja, ik heb er verscheidenen. Ziehier, Mijnheer de Voorzitter, een staatje, dat ik heb doen opmaken, van de namen, den aard van den arbeid, de dienstjaren en den ouderdom van 12 mijner oudste werklieden. Daaruit zal blijken dat de meesten reeds lange jaren in onzen dienst zijn. |
|
NAMEN. Aardvan den arbeid. Tab vuiler, Tab. droger, Tab. sorteerder, Tab spinner. Pakker, Dito, Sig. sorteerder. Tab. kerver en sort.. Tab. spinner, Pakker, Tab. spinner, Opzichter sig. fabr Die werkman, welke reeds 59 jaren bij ons werkzaam is, heb ik nooit eene opmerking behoeven te maken, en ik geloof dat hij nog nooit te laat op de fabriek gekomen is. 8880. V. Is dat niet de man van wien gij daar straks spraakt? A. Ik geloof dat die de tweede op de lijst staat, 8881. V. Over misbruik van sterken drank hoeven wij dus niet te spreken ? A. Daarover hebben wij volstrekt niet te klagen. 8882. V. Hebt gij in uwe fabriek voorzieningen getroffen als de menschen ziek worden ? A. Vaate regelen daaromtrent bestaan er niet. Ik druk daarbij de voetstappen van mijn oom. Indien een werkman een paar dagen ongesteld is, wordt hem zijn geheele loon uitbetaald. Is hij echter langer ziek, dan krijgt hij half geld. 8883 V. Dat neemt gij dus voor eigen rekening, zonder dat er een fonds is waaraan de werklieden contribueeren ? A. Van een fonds is geen sprake, ik betaal alles uit eigen kas. 8884. V. Een ziekenfonds onder de werklieden zeiven bestaat er dus in uwe fabriek niet? A. Neen. 8885. V. Uw kas is dus dat fonds ? A. Juist. 8886. V. Nu hebt gij ons straks het vooruitzicht geopend een en ander mede te deelen, dat bij u ter zake van deze enquête opgekomen was. Mag ik u dus verzoeken ? Pieters Kessler Kraft Godding J. Godding W. A:erheyden Meijers Verhoog Ziegelaar Candel Steyns Schreurs â 59 50 45 47 41 36 36 131 26 24 23 22 |
A. Ik wenschte in de eerste plaats dat hier in Nederland eene inrichting tot stand kwam. die in België zoo uitstekend werkt; ik bedoel het croix ci-vique. Met mijn broeder te Luik en andere vrienden die aan het hoofd van indu-strieele ondernemingen staan, heb ik daarover gesproken, en allen zijn het eens, dat de invoering hier te lande een gunstigen invloed op den werkman zou uitoefenen. 8888 V. Ik moet hier toch incidenteel eene kleine observatie maken, en wel deze. dat de Wetgevende Macht juist in België zich al exceptionneel weinig het lot van den werkman heeft aangetrokken. Overigens is het door u aangeprezen middel zeer goedkoop! A. Zijt gij het niet met mij eens. Mijnheer de Voorzitter, dat die fout niet uitsluitend aan België, maar aan alle landen eigen is? Maar om op het «croix civiquequot; terug te komen. Ik heb bijv. een werkman â zijn naam is u bekend â die 50 jaar in mijn dienst is geweest, bij welke gelegenheid hem natuurlijk het noodige, als een horloge enz., uitgedeeld is. Toen heb ik voor hem bij het Nut van 't Algemeen eene gouden medaille aangevraagd, waarop hjj recht had. Het Nut van 't Algemeen heeft geantwoord: hoewel uw werkman recht heeft op de gouden medaille, zoo spijt het ons dat de toestand der kas het niet mogelijk maakt die uit te reiken; er kan hoogstens eene zilveren medaille gegeven worden. Ik vind het Nut van 't Algemeen eene mooie inrichting, maar ik geloof dat de werkman er meer prijs op zou stellen als het van het Gouvernement uitging. 8889. V. En is de zilveren medaille gekomen ? A. Zij is gekomen, dat moet ik tot lof zeggen. Nu las ik gisteren in de courant, dat een soldaat, die 25 jaren dienst heeft, eene medaille krijgt. Maar dan vind ik dat de werkman die aan de industrie diensten heeft bewezen, ook wel eene onderscheiding verdient, niet waar ? Ik zal verder gaan. Ik weet niet of |
257
|
er in België in voorzien is, maar ik zou het wensohelijk achten, indien de â¢icroix civiquequot; voor de beide sexen werd verkrijgbaar gesteld, want, ofschoon het bij mij niet het geval is, geloof ik dat er wel fabrieken bestaan waar meisjes zijn die werkplaatsen dirigeeren, en dan zou ik het niet anders dan billijk vinden, dat vrouwen ook eene onderscheiding konden verkrijgen. Alaar dat feit van 't Algemeen heeft mij op het idee gebracht: ik moet aan de heeren de zaak voorleggen, want ik vond dat iemand, die 50 jaren gewerkt heeft, tooh wel recht heeft op de gouden medaille. Toen een brief te krijgen om mede te deelen, de toestand van de kas ge doogt het niet, vond ik minder aardig. 8890. V. Hebt gij, die naar het schijnt het nog al goed met uwe werklieden kunt vinden, die in België een etablissement bezit en dus alleszins gelegenheid hebt gehad om te zien wat er in de wereld omgaat, ecne gevestigde opinie over andere punten met deze enquête in verband staande, die gij ons zoudt willen doen kennen ? Kunt gij ons bijv. eenig denkbeeld aangeven tot verbetering van het lot van den kleinen jongen en het kleine meisje ? Zou daaraan iets te doen zijn, zonder de inkomsten van de gezinnen to veel te storen ? A. Neen, daaromtrent kan ik geene inlichtingen geven. Ik weet niet wat op andere fabrieken omgaat, ook niet hoeveel daar het loon bedraagt. Maar eene zaak weet ik wel, en dat zou ik iederen patroon aanraden, namelijk dat zij niet te veel overlieten aan hunne chefs d'atelier en onderbazen, zoodat er eene meer onmiddellijke belangstellende verhouding zij tusschen patroon en werkman. Mijnheer de Voorzitter, ik zal u eene utopie zeggen om u beter mijne denkwijze te doen uitkomen. Ik feloof dat indien men in de groote fa-eloof dat indien men in de groote fa- rieken het personeel zoodanig kon splitsen, zoodat bijv. hoogstens 500 man onder één patroon stonden, daardoor de sociale quaestie een groote stap naar eene bevredigende oplossing zoude doen. Immers men moei eindelijk wel belang stellen in menschon waarmede men dagelijks omgaat? 8891. V. Er zijn menschen, die dat gevoel niet schijnen te kennen. |
\ Dat is treurig. 8893. V. Gij spreekt van gehuwde vrouwen. Hebt gij eenig stelsel aangenomen voor het geval dat zij wegens bevallingen niet in do fabriek komen ? A. Nog niet. Dit is niet gemakkelijk omdat met de bevalling eener vrouw toch gewoonlijk li dagen tot 3 weken gepaard gaan. Dat zoude eene dure liefhebberij worden, 8894. V, Gij bedenkt dus middelen om ze in dien tijd te steunen, Bat is reeds een stap verder. Zij blijven dus eenige weken weg? A. Ja, ruim 14 dagen gewoonlijk. 8895. V. lir zijn voorbeelden dat ook dat niet door fabrikanten wordt in acht genomen. 8890. üe heer Cioeinaii Borgesius: Bedoelt gij met die 14 dagen : vóór en na de bevalling 1 A. Neen, die vrouwen doen haar zit-tenden arbeid tot den laatsten dag, 8897. De heer Rnys van Beeren-broek; Hebt gij wel eens nagegaan wat met die jonge kinderen geschiedt? A. Ik heb het weinig nagegaan, maar er zijn mij gevallen voorgekomen dat de moeders wegbleven, omdat zij hare kinderen moesten uitbesteden, en dat dit hare verdiensten, zooals zij zeiden, niet toelieten. Ik heb toevallig een paar dagen geleden gehoord wat men vraagt voor het bewaren van die kinderen. Het scheen mij zoo kolossaal veel, dat ik het haast niet gelooven kon, dus wil ik er niet voor instaan. Men zeide mij dat daarvoor gerekend word een gulden per kind en per week. Nu hebben werklieden soms vijf a zes kinderen, en dan gaat het loon daaraan op, 8898. V, Bat is voor het geval dat zij vijf a zes kinderen hebben, maar wanneer er slechts een of twee zijn, zou het zulk een groot bezwaar niet wezen. Brengen die vrouwen die zeer jonge kinderen op de fabriek mede. en zijn daartoe crèches op de fabriek 7 A. Bat gebeurt nooit en die bestaan niet, en ik geloof niet dat zij op eenige fabriek in onze provincie bestaan.^., 8899. V, Wij hebben zooeven gehoord dat gij het niet noodzakelijk acht dat de jongens reeds op 12jarigen leeftijd op de fabriek komen, en dat die leeftijd wel zou kunnen verhoogd worden, maar 17 |
258
|
omtrent de meisjes hebt gij uwe denkbeelden nog niet medegedeeld. Zou voor haar de leeftjjd ook op 13 of 14 jaar kunnen uitgebreid worden? A. Ik zou er geen bezwaar in zien om den leeftijd voor de meisjes tot 13 jaar uit te breiden, maar wel om die op 14 jaar te stellen, omdat het sigaren-vak niet gemakkelijk is. Er gaan altijd IVj a '2 jaar mede heen om het vak te leeren. 8900. V. Gij meent dat het vak op jeugdiger leeftijd moet aangeleerd worden ? A. Mij dunkt van ja; want beginnen zij te laat, dan zijn hare verdiensten in de eerste jaren te klein in verhouding van haar leeftijd. 8901. V. Uit de statistiek blijkt, dat gij nog al veel jeugdige kinderen op uwe fabriek hebt. Moeten zij bij hunne komst een examen in lezen en schrijven afleggen ? A. Neen, ik weet dat dit bij den heer l.hoest geschiedt; maar ik heb het niet ingevoerd. Wel vraag ik of zij lezen en schrijven kunnen. 8902. V. In België bestaat geene leeftijdsgrens als hier te lande, niet waar? A. Ik geloof van ja. 8903. V. Op welken leeftijd komen de kinderen in Luik op uwe fabriek? A. Ik schat dat op een jaar of 12. 8904. De Voorzitter: Uw verhoor is afgeloopen Ik dank u zeer voor uwe komst. E. G. Philips. Verhoor van den heer Th. Verhoog. ( Verkort.) 8905. De Voorzitter: Mag ik uw naam, voornamen, ouderdom, beroep en woonplaats weten? A. Theodoor Verhoog, 62 jaar, sorteerder in de tabaksfabriek van den heer Philips te Maastricht. 8906. V. Zijt gij reeds lang bij diefirma? A. 31 jaar. 8907. V. Gij schijnt daar allen nog al lang te blijven? A. Sedert 1856 zijn wij er nog allemaal. 8908. V. Behalve de dooden ? |
A. In dien tijd zijn er maar twee gestorven. De eene was een oude uitgeleefde man, die er al 50 jaar had gewerkt, de tweede is gestorven aan eene kwaal, die hij reeds had vóór hij bij ons kwam. 8909. V. Die man, dien gij hebt zien sterven, en die 50 jaar bij de fabriek was, is die tot aan zijn dood daar gebleven ? A. Ja, tot eenige dagen vóór zijn dood. 8910. V. I)us hij is niet aan den dijk gezet? A. Neen. 8911. V. Is hij altijd aan het werk gehouden door den heer Philips ? A. Ja. 8912. V. Dus het komt niet voor dat er werklieden weggezonden worden? A. Neen. 8913. V. Dat gebeurt op alle fabrieken niet ? A. Dat is het geval zeker niet; wij kunnen er roem op dragen, dat er in het geheelo Rijk niet zulk eene fabriek bestaat als die van onzen heer Philips, wat de behandeling van den werkman betreft. 8914. V. En de fabriek van den heer Lhoest dan? A. Daar heb ik geen ondervinding van, maar ik heb er wel veel over hoeren spreken. 8915. V. Dus gij vertelt alleen wat gij zelf gezien en bijgewoond hebt ? A. Jawel. 8923. V. Hoe lang is uw werktijd ? A. Van 's morgens 7 tot 's avonds 6 uur. 8924. V. Gjj gaat in den tusschentijd toch naar huis? A. Ja, van 12â1 uur. 8925. V. En hebt gij dan zeker in den voor- en in den namiddag een kwartiertje rust ? A. Neen, dat is geen gebruik bij ons. Wel hebben wij het privilege dat we onder het werk een stuk brood en een slok koffie kunnen gebruiken. 8936. V. Maar 's avonds om 6 uur is het werk gedaan ? Dat is vaste regel 1 A. Ja, altoos, winter en zomer. 8933. V. Gij wordt met de week betaald ? A. Ja, Mijnheer de Voorzitter. 8934. V. Wat verdient gij ? A. f 9 per week. |
259
|
8937. V. Zijn de tarieven nooit verlaagd ? A. Neen. Ik heb steeds meer verdiend. Toen ik in 1856 op de fabriek kwam, verdiende ik f 0,70 per dag, en thans heb ik f 1,50. 8942. V. Wordt er op de fabriek naar de menschen omgezien als zij ziek zijn ? A. Ja zeker, als zij Zaterdags zelf het loon niet komen halen, wordt het hun thuis gezonden. 8945. De Voorzitter ; Nu, uw verhoor is afgeloopen. Tii. Veriioou. Verhoor van den hoer J. Redout, te Maastricht. 8946. De Voorzitter: Wilt gij uw naam, ouderdom, woonplaats en beroep opgeven ? A. Jules Regout, oud 31 jaren, fabrikant van wollen dekens en rondgewe-ven vilten voor het vervaardigen van papier. 8947. V. Hebt gij de fabriek zelf opgericht ? A. Pardon. In '1875 is zij overgenomen van de firma Posthumus. Daarna is zij gedreven door de firma Uegout amp; Weustenraad Eindelijk is de firma door mij voor eigen rekening genomen, onder de firma Jules Regout amp; Cquot;. 8948. V. Ous gij zijt van 1875 af persoonlijk met de fabriek in betrekking geweest ? A. Ik ben er wel werkzaam geweest, maar zij was niet de mijne. In 1875 ben ik er door mijn vader in geplaatst. In 1880 heb ik haar voor eigen rekening overgenomen. 8949. V. Ik heb hier een staat van het personeel in uwe fabriek Als ik u dien voor het gemak maar eens voorlees, kunt gij zeggen of die juist is of niet. In uwe fabriek zijn 34 mannen, 9 jongens van 12 tot 10 jaar, 7 van 16 tot 18 jaar, 1 getrouwde vrouw, G ongetrouwde vrouwen en 3 meisjes tus-schen 16 en 18 jaar. Is dat juist ? A. Ik meen, dat dat juist is. 8950. V. (rij hebt dus een personeel van 50 a 60 menschen. Voor welke soort van arbeid worden de vrouwen gebezigd, die bij u in dienst zijn? |
A. Er zijn er 2 die weven ; de andere zijn in de kaardorij; 2 zijn attacheuses, dat zijn vrouwen die de vilten aan elkander maken om de circulaire vilten te vervaardigen. 8951. V. Krijgt gij de wol reeds in bewerkten toestand ? A. Ik krijg die onbewerkt, ruw, doch wel gewasschen, gezuiverd. 8952. V. Met het zuiveren en wasschen van het praeparaat heeft men in uwe fabriek niet te maken 1 A. Wat gewasschen moet worden, gebeurt in speciale fabrieken. 8953. Welk is de loop van werkzaamheden in uwe fabriek ? A. De ruwe wol wordt gemengd, dat wil zeggen die soorten van wol bijeengebracht, die men verwerken wil. Dan wordt ze gevet. Van daar gaat ze naar de kaarderij, waar ze door de machine loopt voor het vormen van den ruwen draad ; dan naar de spinnerij om zekere sterkte aan den draad te geven. Dan wordt het garen geweven. Het geweven goed wordt Jgevold. De dekens worden gezwaveld, de vilten niet. Daarna wordt hef praeparaat gebleekt en gedroogd. 8954. V. Is de arbeid, dien de weinige meisjes en vrouwen in uw dienst te verrichten hebben, een inspannende arbeid, of is dit een arbeid waaronder de gezondheid niet lijdt? A. Mijns inziens is het een zeer licht werk. Het is de wol op tafel loggen, met eene hand een pluk wol opnemen en platleggen. 8195. V. Geschiedt de verdere bewerking machinaal? A. Ja, maar bij het weven worden eenige stoelen met de hand gedreven. 8956. V. Wat doen de jongens? A. Zij staan aan de mechanieke weefgetouwen. 8957. V. Kunt gij hen daarvoor zoo jong gebruiken? A. Twee van 12 jaar zijn aan den ruwmolen, om de dekens af' te houden, opdat zij niet stuk gaan ; zij doen niets als toezien, dus geen zwaar werk. 8958. V. Welke zijn de werkuren? A. Van 7 tot 12, en van half twee tot zeven, maar in dezen tjjd van weinig orders van 8 tot 12, van halt' twee tot half zes. Wij werken thans slechts 8 uren, om geen overproductie te heb- |
260
|
ben, althans zooveel dat wij verkoopen moeien. 8959. V. Is de arbeid voor het geheele personeel, voor jongens en meisjes, dezelfde ? A. Alles hetzelfde, zonder eenig onderscheid. 8900. V. Komt overwerken dus weinig bij u voor ? A. Zeer weinig. In 1884 heb ik eens 8 maanden lang tot 10 uren 's avonds laten werken. 8963. V. Wordt alles in uwe fabriek per stuk betaald ? A. .Ia. Het hangt dus van de werklieden af om veel of weinig to ontvangen. 8964. V. Leent uw bedrijf zich er dus toe om alles op stuk te laten werken? A. Ja, wat de weverij betreft. 8965. V. Wat kunnen aankomende jongens en meisjes per week maken 7 A. Met een arbeid van 10 uren daags ongeveer f 6 in de week. Dit geldt voor groot en klein, jong en oud. 8966. V. Is er geen verschil in de verdiensten van jongens en meisjes van 13 tot 17, 18 jaar? A. Neen, ik heb zelfs een jongen van 13 jaar die meer dekens maakt dan een van '20, die er sedert lang bij is. De jongen is handiger. De een is handiger dan de andere. 8967. V. Het grootste deel van het, werk komt dan zeker natuurljjk neder op de machine ; dus bestaat die handigheid zeker in het snel weten om te gaan met de machine ? A. Ja, en het herstellen met de draden. Het hangt ook af van de ketting; als de ketting goed is, verdienen zij meer dan wanneer die slecht is. Dat is zeer afwisselend. 8968. V. Komen er bij de machines wel eens ongelukken voor? A. Er is er nog geen voorgekomen. 8969. V. Hebt gij met zieken te doen of niet ? A. Hoegenaamd geene. dat ik weet; er zijn een paar werklieden ziek, maar die zijn teringachtig, en daar kan men niets aan doen. 8970. V. Naar het lot van oude werklieden behoef ik niet te vragen, want uwe fabriek bestaat nog zoo kort, dat gij zeker nog geen werklieden hebt behoeven af te danken omdat zij te oud waren geworden in den dienst ? |
A. Vroeger is er een ziekenkas geweest. ü. a, de vader van Courtens, die ook als getuige opgeroepen is, is ziek geworden en moest naar «de Calvariën-bergquot;. üf hij daar heeft moeten betalen weet ik niet, maar hij hoeft toen 70 centen por dag uit die ziekenkas ontvangen ; die kwamen hem van rechtswege toe, omdat hij lid was van die ziekenkas. De werklieden hebben verlangd dat die kas zou worden opgeheven, zeggende; wij verdienen niet genoeg: en als wij ziek worden moet ode Calvariënbergquot; ons toch opnemen. Ik werd al die praatjes moede en zeide: dan moeten jelui maar stemmen; het is niet in mijn maar in uw belang ; wat de meerderheid beslist moet gebeuren. De meerderheid hoeft toen gestemd voor verdeoling, en de kas is verdeeld. Ik heb toen uitdrukkelijk gezegd, dat ik nooit meer eene ziekenkas wilde hebben. De fabriek betaalde daarin nog Va van 'iet gezamenlijk bedrag. 8971. V. Dit feit was ons uit de ver-hooren van andere getuigen reeds eeni-germate bekend. Maar het is ons toch aangenaam daaromtrent van u wat naders te vernemen. Was die ziekenkas opgericht door u of op uwe instigatie, of was zjj reeds opgericht, toen gij de fabriek hebt overgenomen ? A. Toen ik de fabriek overnam, bestond de kas reeds niet meer. 8972. V. Het feit, door u vermeld, dateert dus uit den tjjd van de heeren Regout en Weustenraad? A. Ja. De ziekenkas is opgericht in 1875, en den I9den Maart 1879 is de laatste uitdeeling geschied. Aan de gezamenlijke werklieden is, volgons het reglement, eene som van ongeveer f 1277 uitgekeerd. 8973. V. Het geheel kapitaal is dus opgemaakt ? A. Ja. Zjj hebben vooruit uit die kas nog eerst eens ongeveer f200 gehad. 8974. V. En was onder f1200, die met vernieling van de kas onder de lui werd verdeeld, ook begrepen de bijdrage van de patroons ? A. Ja, die gift was voor de ziekenkas ; deze behoorde aan het volk, en met haar ook dat geld. |
2G1
|
8975. V. Maar wellicht had men kun-neu meenen, dat het geld, gegeven met eene bepaalde bestemming, weder aan de gevers toekwam, nadat die bestemming vervallen was. Ik laat dat echter in het midden en constateer dus het feit, dat de werklui, plus hun eigen stortingen, ook verdeeld hebben het '/3 deel der patroons. Zoo is het immers? A. Ja. 8976. V. Na die ondervinding hebt gij van dergelijke fondsen niet meer willen weten ? A. Er is nooit sprake meer van geweest. 8977. V. Ik begrijp, dat zulke ervaringen niet bemoedigend zijn. A. Nu een maand geleden heb ik er weder eens over nagedacht. 8978. V. Maar, zou de gissing ook gewaagd zijn, dat de werklieden tot zulk eene roekelooze daad kunnen besluiten, omdat de usance medebrengt dat het gesticht »de Calvariënbergquot; aanspraak maakt op de inkomsten, welke zij, die er verpleegd worden, genieten? Zou het ook kunnen wezen, dat zij aldus geredeneerd hebben: wij hebben eigenlijk geen profijt van de ziekenkas, want, wanneer wij niets hebben, worden wij toch opgenomen door den «Calvariënbergquot;, en wanneer wij wat uit de bus krijgen, dan komt het ten profijte van het gesticht en niet ten onzen voor-deele, waarom zouden wij dan iedere week contribueeren ? Zou dat soms de reden kunnen zijn ? A. De zaak is reeds acht jaar geleden, dus ben ik niet zoo erg meer op de hoogte. Vóór mijn vertrek naar 's Gravenhage heb ik nog gevraagd: weet gij nog wat de reden is geweest van de deeling? Daarop werd mij geantwoord : er werd zoo weinig verdiend, de kettingen waren zoo slecht, wij moesten wat in de hand hebben, dat is altijd wat. 8980. V. Er was toch door dien per-centsgewijzen inbreng een f1200 a f1300 bijeengebracht, waarvan V9 door de firma gefourneerd was; dat was een aardig begin voor een kapitaaltje. Niet waar A. Zeker. |
8981. V. Het feit is zoo opmei-kelijk, dat ik er nog een oogenblik over wil spreken. Was er onder de werklieden zoo weinig besef van de noodzakelijkheid, om voor de toekomst te zorgen, dat een dergelijk plan van verdeeling door kon gaan? A. De meerderheid had het bepaald. 8982. V. Gij waart toen geen chef, niet waar? A. Neon. 8983. V. Zou een verstandig woord van u of van den toenmaligen chef geen ingang gevonden hebben ? A. Ronduit gezegd, ik heb het niet geprobeerd. 8984. V. Waarom niet? A. Omdat zij het zoo formeel gevraagd hadden 8985. Maar het was toch een dom en verkeerd doen van die menschen? A. üch, zij begrijpen dat niet. 888G. V. Ik durf daar gerust verder met u over spreken, omdat de handelwijze van de firma au premier abord althans zoo onberispelijk schijnt. De firma begint met eene goede zaak tot stand te brengen, contribueert V3 van de kosten uit eigen middelen, en laat ten slotte toe, dat dit 'l3 eenvoudig onder de werklui wordt verdeeld. Er schijnt dus in deze zaak. naar men zou zeggen, hoegenaamd geen blaam op de firma te werpen. Er is daarom geen reden om er niet nog even met u over te praten, want wie het hoort, vindt licht de handelwijze van het volk zoo verregaande roekeloos. Niet waar? A. Ja, ik weet niet wat hun reden was. De werklieden hadden het recht van ontbinding. In het reglement staat het volgende artikel : «Aan de heeren Regout en Weustenraad of hunne opvolgers wordt het recht toegekend om te allen tijde dit fonds te ontbinden of het reglement te wijzigen. In geval van ontbinding zal het incasso geheel bestemd worden aan uitkeeringen op den voet van het reglement.quot; 8987. V. Voor zoover ik het voorgelezen artikel goed begrepen heb, lag liet beslissend votum over eene even-tueele ontbinding in handen van de firma, en indien zij dat votum uitbrengt, dan wordt het incasso verdeeld onder de werklieden. Maar laten wij nog eens even een beetje verder over de zaak doorspreken. Gesteld eens, dat het fonds niet |
262
|
ontbonden was, had dan het reglement ten gevolge gehad dat gaandeweg een zeker klimmend bedrag ten lasto van de firma kwam ? Moest deze altijd 33 pet. bijdragen? A. Ken derde moest de firma bijdragen. Er was een artikel hetwelk voorschrijft dat, indien de kas voldoende gefourneerd was, in plaats van 2 pot. ï pet. zou moeten gestort worden. Maar indien de kas door vele ziektegevallen te gering werd kon de bijdrage tot 3 pet. worden verhoogd. 8988. V. Maar van al hetgeen gecontribueerd werd, moest de fiirma '/3 bijbetalen ? A. Ja. 8989. V. Dus, ik zeg dit nu niet ten nadeele van uwe firma, maar, ik wil het al verder pratende, toch even vragen: dus heeft die ontbinding ook voor uwe firma eene zekere verlichting van lasten ten gevolge gehad ? A. In zekeren zin ja. Wij behoeven niet meer bij te storten, geene boeken te houden, verantwoord!ug te doen, enz. 8990. V. En de zieken? Wat gebeurde er verder met de zieken'! Werden die toen soms eenvoudig gelaten voor rekening van «den Calvariënbergquot; ? A. Natuurlijk, zij hebben het immers zelf zoo gewild. 8991. V. De zaak is nu, geloof ik, tot hare natuurlijke klaarheid gebracht. En in uwe fabriek bestaat dus geenerlei kas tot ondersteuning van het gezin bij ziekte van den man'? A. Een kas bestaat er niet, maar wanneer er een werkman ziek werd, heb ik steeds geholpen, zonder mij echtor tot iets te verbinden. 8992. V. Gij verklaart dus dat gij, zonder daartoe eenigermate gebonden te zijn, uw werklieden op loyale wijze hebt ondersteund en hen dus niet hebt laten zitten ? A. Ik heb dit gedaan, zonder mij ook voor de toekomst tot iets te verplichten. Alles wat ik gedaan heb, geschiedde uit eigen vrijen wil. 8993. V. Maar gij hebt het tot nog toe steeds gedaan, zegt gij, niet waar? A. Ja, natuurlijk nu eens veel dan eens weinig, zonder mij aan een vasten regel to binden. |
8994. V. Dat begrijpt zich, volgens uwe verklaring. Blijft het werkvolk, oud en jong, mannen en vrouwen, nog al lang bij u, of verandert het personeel dikwijls ? A. Daar mag ik niet over klagen. Zij blijven nog al, behalve de meisjes in de kaarderjj, die wel eens veranderen, omdat zij klagen dat zij niet genoeg verdienen. 8995. V. Gij hebt dus waarschijnlijk nog al het personeel, waarmede gij begonnen zijt? A. Neen, dat is veranderd, doordien de handgetouwen afgeschaft zijn en de mechanieke door jongens bediend kunnen worden. 899(5. V. Dus ge hebt u ontdaan van de anderen ? A. Ja, ofschoon sommigen weder teruggekomen zijn, die vrede hadden met het loon. 8997. V. Gij hebt ons de loonen opgegeven. Hoeveel verdienen de volwassenen in de week, en hoe betaalt gij ? per 14 dagen? A. Iedere keer, dat zij een rol van 10 dekens geweven hebben, kunnen zij op het kantoor komen om hun geld te halen. 8998. V. Hoeveel dagen werken zij over zulk eene rol? A. Dat is ongelijk; de een is vlug, de ander niet. Het hangt er ook van af of de dekens groot, smal, zwaar, licht zijn. 8999. V. Maar het gemiddelde? A. Van de handwevers? 9000. V. Van degenen die om hun loon kunnen komen. A. Aan het mechanieke getouw verdienen zij 31/, franc. 9001. V. Ik vraag hoe lang zij werken over eene rol dekens ? A. Gewoonlijk 2 dagen. 9002. V. Nu begrijpen wij elkaar. Die menschen kunnen dus korter dan bij de week hun geld krijgen ? A. Zij kunnen het ?s avonds om half 7 ontvangen. 9003. V. Worden er in uwe fabriek boeten geheven? A. Als een rol, die opgegeven wordt 25 kilo te moeten wegen, te licht of te zwaar wordt bevonden, wordt eene boete opgelegd van '/2 ft'anc. Nadat ik dit 14 dagen gedaan had, was de rol |
263
|
geregeld op het gewicht en dus het: opleggen van de boete onnoodig. 0005. V. Dus het stelsel van boeten bestaat nog, maar gij zijt zoo gelukkig die niet te behoeven toe te passen. Na eene toepassing gedurende 14 dagen, wordt nu geregeld alles op het bepaalde gewicht geleverd. A. Ja, en ik ik hoop dat dit zoo blijven zal. 9000. V. Zijn er buiten het te zwaar of te licht weven nog andere kleine overtredingen, waartegen boeten bedreigd worden ? Bijv. het te laat of het dronken op hot werk komen enz. ? A. Vroeger kwam dit veel voor, maar nu niet meer. Ik heb bepaald, dat wie dronken op de fabriek komt, onmiddellijk wordt verwijderd. 9007. V. Heeft ook dat snel geholpen ? A. Ja. 9008. Het opleggen van boeten geschiedt dus thans zeer weinig ? A. Juist. 9009. V. Gij hebt geen ziekenbus, hebben dan de boeten eene andere bestemming '? A. Zij blijven aan de fabriek, maar het bedrag is zeer onbeduidend. 9010. lie heer Ruys van Beeren-broek : üij hebt 10 jóngens en 3 meisjes onder de 18 jaar ; welken leeftijd stelt gij voor do aanneming van het jeugdig personeel ? A. Ik let een weinig op de grootte: wanneer de kinderen bij de weefgetouwen den draad kunnen bereiken, is hot voldoende. 9011. V. Zou het verbod om te werken beneden de 13, 14 jaren, een ongun-stigen invloed op uwe fabriek hebben ? A. Neen. 9012. V. Zouden zulke kinderen het werk op dien leeftijd nog knnnen aan-leeren ? A. Ja. 8018. V. De leeftijd van 14 jaren is dus voor u geen bezwaar? A. Neen. 9014. V. Worden bij u de jongens en meisjes die gij aanneemt door u onderzocht of zij lezen en schrijven kunnen ? A. Daarmede bemoei ik mij niet. |
9015. Do heer Goeman Borgcsins : Gij hebt geklaagd, dat het loon van do volwassenen weinig hooger is dan dat van de jongeren. Wat is de verhouding van het loon tusschen beide categoriën? Jongens verdienen bij u gemiddeld f 6 per week, derhalve nu iets minder, omdat zij slechts 8 uren werken, maar wat verdienen volwassen werklieden ? A. Volwassenen verdienen iets meer, omdat zij meer ervaring hebben. Aan de oude werklieden geef ik het beste werk, omdat zij het bejaardst zijn, maar dat zeg ik hun natuurlijk niet, omdat ik er anders last van zou hebben, en dat wil ik vermijden. Het maken van sêcheurs (droogvilten) geef ik aan de andere lieden, omdat zij daar wat meer aan verdienen ; daarmede verdienen zij dan acht a negen gulden per week. 901C. V. Hebt gij soms uit hetzelfde gezin meer arbeiders, vader en zoon bijv.? A. Ja. 9017. V. De vader kan toch in uwe fabriek niet genoeg verdienen om zijn gezin te onderhouden ? A. ü neen, wanneer hij althans volwassen kinderen heeft 9018. V. Maar wanneer hij kleine kinderen heeft toch ook niet? A. Dat hangt af van de behoeften. 9091. V. Maar 6 a 7 gulden in de week is toch al heel weinig, zelfs voor iemand die geen overdreven behoeften heeft. Dat zult gij wel toestemmen, geloof ik? A. Ja. 9020. De Voorzitter: Wij dankenu voor de gegeven inlichtingen. Uw verhoor is afgeloopen. Jules Regout. Verhoor van den heer mr. P. H. J. baron De Bieberstein Ko-galla Zawadsky. ( Verkort.) 9021. De Voorzitter: Wilt gij zoo goed zijn uw naam, voornamen, betrekking, ouderdom en woonplaats op te geven ? A. Frederik Henri Jozef baron De Bieberstein Rogalla Zawadsky, oud 49 jaren, vice-president der arrondissementsrechtbank te Maastricht, bestuurslid van het Departement der Maatschappij totNut van 't Algemeen, wonende te Maastricht. 9022. V. Wij hebben do vrijheid ge- |
264
|
nomen u te verzoeken hier te komen, iets waarop wij aan vankei jjk geen plan hadden, üe aanleiding tot dat verzoek is deze: de Commissie heeft al zeer spoedig na haar optreden, half October van het vorige jaar, eene circulaire rondgezonden en op ruime schaal verspreid, waarbij eene Schets was gevoegd van voorloopig ontworpen punten, die bij deze enquête in aanmerking kunnen komen. Die Schets is ook toegezonden aan het hoofdbestuur van hot »Nutquot;, met verzoek de afdeelingen daarover te hoo-ren. Met gevolg daarvan is geweest, dat wij in dato December 11. van het Departement Maastricht oen rapport ontvangen hebben over deze zaak. Wij hadden gehoopt dat de heer Bekaar ons omtrent den inhoud van dat stuk, hetwelk hij als lid van het bestuur had modo-onderteekend (nu hij in andere betrekking toch de moeite moest doen voor do Commissie te verschijnen), nader zou kunnen inlichten. In die verwachting zijn wjj teleurgesteld. Ofschoon als bestuurslid medegewerkt hebbende tot dat stuk, wenschte de heer Bekaar niet gehouden to zijn alles in bijzonderheden toe te lichten en waar te maken. Vandaar ons verzoek aan het bestuur om iemand uit zijn raidden te zenden, die, het best met de zaken vertrouwd, dat stuk in quaestie kan adstrueeren. Als gevolg daarvan hebt gij u de moeite moeten geven hierheen te komen en hebben wij het genoegen u voor ons te zien. üe inhoud van dat stuk, dat gjj in de laatste dagen wel eens herlezen zult hebben, is u zeker uit den aard der zaak volkomen bekend. Daarin komen ernstige grieven en feiten voor. Indien gij soms verlangt uit eigen be-weging naar aanleiding van dat stuk eenige mededeelingen te doen, dan geef ik u daartoe gaarne het woord. A. Zeer gaarne. |
Als bestuurslid van het »Nutquot; heb ik bij ontvangst der circulaire dadelijk begrepen, dat, wilde ik iets vernemen, men zich tot de werklieden moest wenden, ten einde omtrent den toestand inlichtingen te verkrijgen. Toevallig kende ik een werkman van de firma Rogout, door bijzondere omstandigheden. Ik ging den man opzoeken en, ondanks dat hij veel vertrouwen in mij stelde, was die man zoo bang ora iets te verklaren, omdat hij bevreesd was weggejaagd te worden, dat ik hem beloofde dat ik nooit zijn naam zou noemen wanneer ik iets omtrent hem mededeelde. Die belofte meen ik te kunnen houden. De man deelde mij mede, dat hij werkzaam was aan de ovens. Men heeft biscuit- en vernisovens, waar de verschillende zaken gebakken worden. Wanneer er veel werk is, en dat is gewoonlijk het geval, dan worden de ovens, wanneer hetgeen daarin klaar is, geledigd. De temperatuur van die ovens is zoo hoog, dat zij lompen om de hand doen en zelfs iets voor den mond moeten nemen. Bij die gelegenheid geraken die lompen ten gevolge van de hitte soms in brand. Ongelukkig is het, dat die personen, die deze ovens ledigen, bij het stuk betaald worden, en dus moeten zij, om wat te verdienen, zoo lang mogeljjk werkzaam blijven. Zij gaan in die ovens â op welke wijze die nu geledigd worden, weet ik niet, maar halfnaakt wordt dit werk verricht â na 10 minuten of een kwartier komen zij er uit, zoodat zij als het ware niet weten of zij half levend of dood zijn. Zij werpen zich dan op het water dat hun wordt toegereikt en moeten dan weder opnieuw aan den arbeid gaan. Naar aanleiding van uw verzoek om hier te verschijnen, heb ik ook een arbeider van de Céramique gesproken. In die fabriek is dezelfde toestand, dien wij meenden dat alleen bij de firma Regout bestond. In de Céramique. worden ook de ovens bij hooge temperatuur geledigd; ik heb dit uit den mond van een werkman dier fabriek. Mocht u aan deze opgaaf twijfelen, dan wil ik u gaarne in de gelegenheid stellen om, zonder dat de menschen eenige vrees behoeven te koesteren om bekend te worden, deze feiten uit hun eigen mond te vernemen. De arbeiders, die aan de ovens werken, zijn altijd dezelfde. Bij Regout heeft men twee ploegen, de ploeg die vult en die welke ledigt, terwijl bij de Céramique de ploeg die vult, ook ledigt. Wanneer u dus twijfelt aan de juistheid mijner mededeeling, dan zou ik u |
265
|
in overweging willen geven om aan de firma Regout en aan de »Ce rami quequot; de namen van do arbeiders te vragen, die de ovens ledigen. Wanneer zij u die namen medegedeeld hebben, dan kunt gij daaronder eene keuze doen. Maar gij moet niet vergeten dat gij enorm veel moeite zult hebben om de waarheid van hen te vernemen, want zij zjjn bang om ten opzichte van de fabrikanten iets mede te deelen, waardoor zij later de kans zouden hebben om weggejaagd te worden. Daarom zwijgen zij liever. Een ander bezwaar, dat en die arbeider van de firma Regout èn dio van de ))Céramique'' hadden, is, dat wanneer zij de fabriek willen verlaten, zij daarvan veertien dagen te voren moeten kennis geven, terwijl de heeren fabrikanten hen onmiddellijk, zonder eeuige aanleiding, kunnen wegzenden. Nog een ander bezwaar is het, dat zij deel moeten nemen in ziekenbussen en daaruit â zooals een arbeider uit do Céraniique mededeelde â om de eene of andere reden kunnen worden ontslagen, en dat zij geen recht hebben op geheele of gedeelteljjke uitkeering van wat zij gedurende jaren gestort hebben. Die ziekenbussen worden wel is waar beheerd door eenige arbeiders, of liever chefs van afdeelingen, maar er wordt nooit rekening en verantwoording gedaan. Het kan zijn dat zij goed beheerd worden, maar met zekerheid weet men het niet; om eene uitkeering te vragen is dikwijls zeer lastig. Overigens bezitten zij geene rechtspersoonlijkheid. Over het overwerken waren zij het allen unaniem eens Het gebeurt wel, vooral bij de firma Regout, dat ten gevolge van vele bestellingen werkkrachten te kort schieten. Dan worden de werklieden genoodzaakt om over te werken. De werkman moet dan, of hij wil of niet, bljjven .In plaats van om T'/s gaat hij dan dikwerf om S'/a of 9 uur naar huis, terwijl hij den volgenden morgen op den gewonen tijd op de fabriek moet zijn. Daarbij komt dan nog, dat hij dikwijls een half uur of drie kwartier van zijn woning verwijderd is. |
Dat overwerken is ook een bezwaar. De werkman heeft op de fabriek niets te zeggen; zijn werk wordt dikwijls buiten zijn toedoen afgekeurd, zonder dat hij kan reclameeren. Bijv. een vormer maakt verschillende voorwerpen, levert ze af, en ze worden gebakken. Nu kan het wel door eene of andere omstandigheid gebeuren, dat het baksel fossiel is. of dat ei' iets anders aan hapert. Dit wordt dan van den man, die het gebakken heeft, afgetrokken, en, wanneer hij nu reclameert en zegt, dat het buiten zjjn toedoen geschiedt, dan wordt daarop niet gelet. Die zaak zou nu niet van zooveel gewicht zjjn. wanneer het mogelijk was in iedere fabriek een register van alle werklieden in te voeren, en daarbij dan aanteokening te houden van de straiten, of wel van de inhouding van verdiend loon. Indien dan later, ten gevolge van verbetering in den werke-Ijjken toestand, inspecteurs werden aangesteld, ' zou reeds ééne grief van den werkman gemakkelijk zijn opgelost. Nog wilde ik u mededeelen. dat wat in het verslag werd medegedeeld omtrent de lokalen tot bewaring der kinderen van gehuwde moeders, op slechte inlichtingen berust. De persoon, van wien ik die inlichtingen ontving, had mij namelijk medegedeeld, dat er bewaarplaatsen waren voor kinderen, waar gehuwde vrouwen hare zuigelingen en kleine kinderen konden plaatsen en waar die kinderen dan eene zekere verblijfplaats vonden. Ik geloof niet, dat hij daaromtrent eene grove fout heeft begaan, want dat zou ten minste nog bewijzen, dat de fabrikant daarvoor zou willen zorgen; maar de toestand is anders. Het gebeurt meestal, dat in do nabijheid van de fabrieken â en als ik daarvan spreek, heb ik meest het oog op de fabriek van Regout en de Céraniique â de kinderen, zuigelingen en kleine kinderen, geplaatst worden bij grootouders of leden van de familie der personen die werken. Daar wordt dan voor zulk een kind alle weken voor dat toezicht, dat toch niet zeer streng is, een gulden betaald. In den laatsten tijd is dat eigenlijk verminderd, omdat de verdiensten werden verminderd, en do gehuwde vrouwen, die daar met haar kind kwamen, hadden uitgerekend, dat de uitgave bijna met het loon gelijkstond. De juiste uitdrukking, die men in Duitschland bezigt. |
266
|
is: Das lohnl sich nicht. Zij betaalden f 1, en verdienden misschien f1,50. Die omstandigheid heb ik vernomen uit den mond van een der heeren fabrikanten, die heden door de Commissie gehoord is. De heer Philips vertelde nog eergisteren, dat het in den laatsten tijd meermalen gebeurd is, dat gehuwde vrouwen met kinderen bedankt hebben op de fabriek te komen werken, omdat de kosten van het toezicht evenredig zijn aan het verdiende loon. Dus daaromtrent is de toestand veranderd. Wij hebben in het verslag medegedeeld, dat er 587 kinderen zijn dio op dit oogenblik geen onderwijs genieten. Te Maastricht zijn 3799 kinderen tus-schen de 0 en jaren. Daarvan gaan ter school 321'2, zoodat 587 kinderen buiten genot van onderwijs zijn. Ten aanzien van dat getal 587 werd mij op het stadhuis medegedeeld, dat men omtrent dat cijfer voorzichtig moet zijn, omdat daaronder begrepen zijn kinderen, welker ouders niet verlangen hen naaischool te zenden; kinderen op bewaarscholen en kinderen die buiten de stad onderwijs ontvangen. De juistheid van deze laatste categorie moet ik betwijfelen; wel is het te Maastricht gewoonte, kinderen boven de 12 jaren van gegoede ouders, om hen niet de hoogere burgerschool of het gymnasium te doen bezoeken, naar Rolduc of Sit-tard te zenden; maar ik geloof niet dat kinderen tusschen G en 12 jaren naar kostscholen gaan. Aangaande 70 kinderen die geen onderwijs genieten kan ik eenige mede-deeling doen. Er zijn 70 postulanten, tusschen de 6 en 12 jaren, die verlangen onderwijs te ontvangen op de stadsarmenschool, maar die er niet kunnen worden toegelaten, wegens gebrek aan ruimte. Van die 70 moeten echter 16 kinderen afgetrokken worden, die op het oogenblik onderwijs krijgen bij de zusters en broeders; maar dit zestiental heeft, bij monde der ouders, verzocht om op de openbare stadsarmensihool onderwijs te krijgen. Deze cijfers heb ik met de registers op het raadhuis gecontroleerd. 9023. V. Ik begin met u te bedanken, en in u het bestuur van het Departement van het Nut van 't Algemeen .. . |
Het blijkt uit uwe mededeelingen dat het Nut op die wijze omtrent één foit op een dwaalspoor geleid is, namelijk wat betreft het deponeoren van kinderen op fabrieken. Maar ik zou over de andere feiten gaarne een enkel woord met u willen wisselen. Naar de namen der werklieden vraag ik niet, maar wel wenschte ik te weten met hoeveel werklieden gij van mond tot mond gesproken hebt ? A. Ik heb met vijf werklieden gesproken. Van dezen hebben er twee volledige inlichtingen gegeven. Nadat ik lang en breed met de drie overigen gesproken had, heb ik bijna niets uit hen kunnen krijgen, door de vrees die zij koesteren dat zij, wanneer den fabrikant ter oore kwam dat zij bij mij geweest waren, weggejaagd zouden worden. 9024. V. in die mededeeling ligt niets dat ons bevreemdt. Wij nemen die heel gaarne zonder verdere bespreking aan. De mededeelingen die gij kunt doen, hebt gij dus en definitive uit twee werklieden verkregen ? A. Ja, uit eén werkman bjj de Céra-mique en uit één van de firma Regout. Ik voeg er bij, dat in den toestand van de ovens wel verbetering zou kunnen gebracht worden, als men ze behoorlijk liet afkoelen; maar uf zij te weinig ovens hebben, of om steenkolen te besparen, en de warmte in de ovens te houden, worden de menschen aan die groote hitte 'blootgesteld, waarvan ik gesproken heb. 9025. V. Laat mij beginnen met te zeggen, dat de toestand, die gij ons op 't crediet van een door u ter zake gehoord getuige uit de fabriek van de firma Regout hebt afgeschilderd omtrent de ovens, ten naastenbij voor ons geen nieuws meer is en door anderer verklaringen reeds tamelijk wel schijnt bevestigd. Intusschen in het exposé door u daarvan gegeven, komt de zaak nog ernstiger en bedenkelijker voor. Het feit dat bij het gaan in de ovens de lappen, die om hoofd en handen worden geslagen, nu en dan vuur vatten, is ons nog niet gebleken. Het spreekt echter vanzelf dat gij het evenmin als wij persoonlijk hebt gezien. |
267
|
Indien ik dus eenigen twijfel of onzekerheid te kennen geef omtrent de juistheid van dien graad van hitte, dan hebt gij daar niets in te zien dat op eenigerlei â¢wijze u persoonlijk zou kunnen treffen. Gij kunt, evenals wij, dupe zijn van getuigen. Getuigen, dat weten wij beiden ; bij ondervinding, zijn gevaarlijke dingen. Nu wil ik u echter de vraag doen ; zijt; gij zeker dat de man, die u de inlichtingen gegeven heeft, uit eigen oogen en sedert een niet te lang verwijderd tijdstip, de dingen die gij hebt verteld, gezien heeft, of heeft hij die zelf vernomen van nienschen, van wien hij beweerde dat zij ooggetuigen waren ? A. De man wist dit uit eigen ondervinding, ik geef het middel aan de hand om de feiten te constateeren : de Commissie heeft slechts aan de fabrikanten het verzoek te richten om de namen op te geven van de werklieden en er dan een paar uit te kiezen om hier te komen. 9020. V. Het schijnt twijfelachtig of dat de gewenschte getuigen zou geven. Maar wat daarvan zij, gij zegt dus met volkomen zekerheid, dat de man, die u omtrent den toestand in die ovens van de firma Regout die inlichtingen heeft gegeven die u straks teruggaf, dat dit iemand is die het in den laat-sten tijd persoonlijk heeft ondervonden ? A. Ja Die omstandigheid van de ovens heb ik medegedeeld in eene voorloopige vergadering van hot bestuur van het Nut. Wij hebben dat in het verslag medegedeeld. Toen ik in de vergadering deze zaak besprak, zeide de heer Bekaar, die ook lid van het bestuur is: uw zegsman heeft de waarheid gezegd, want ik heb van een ander hetzelfde vernomen. Bjj het onderzoek door do hoeren Ruys en Bekaar in de fabriek ingesteld, is toen ook het oog gevestigd op die ovens en zijn do mededeelingen bevestigd. Ik heb nog vergeten dat bij het onderzoek door den heer Bekaar en den afgevaardigde van Maastricht in de Céramiquc ingesteld, men hun niet de geheele fabriek heoft getoond. Het oude deel heeft men hun verzwegen. Dit is mij ook medegedeeld door een werkman van do CéraniiijUC, en het feit is waar, want ik heb den heer Bekaar er over onderhouden, en deze heeft van den heer Vogelaar vernomen dat men hem onder andere de smidse niet getoond had. De heer Bekaar heeft daarop gezegd dat, wanneer hij dit geweten had, hij deze Commissie daarmede bekend gemaakt zou hebben. |
0027. V. Ik wensch thans nog een oogenblik te blijven bij de fabriek van de firma Regout. Hebt gij in de laatste dagen soms nog met uwen zegsman over die zaak gesproken ? A. Neen ; ik heb hem in het begin van December gesproken. 9028. V. Was dat de eerste maal dat gij met dien man over die aangelegenheid gesproken hebt ? A. Over die aangelegenheid was het de eerste keer, maar meermalen heeft die man mij zijn nood geklaagd over de fabriek en de manier van handelen van de meesters. 9029. V. Is die man u van langen datum bekend? A Ja, sinds 6 of 7 jaren. 9030. V. Hebt gij ooit met dien man aanrakingen gehad van dien aard, dat gij â ik zeg niet hem vertrouwt â maar daardoor proefondervindelijk kennis hebt kunnen erlangen omtrent zijne vertrouwbaarheid, en óók dat hij accuraat was in zijne uitdrukkingen? Dat zijn nog twee verschillende dingen. A. Mijne aanrakingen met den man waren slechts van liefdadigen aard. 9031. V. Een man dus dien gij weldoet. En hebt gij redenen om in do volkomen geloofwaardigheid van den man vertrouwen te stellen ? A. Ik spreek den man zeer weinig. Toen ik de circulaire ontving, wilde ik wel wat inlichtingen krijgen, en heb hem daarom opgezocht en gevraagd om mij het een en ander mede te deelon omtrent den toestand in de fabriek. Dit heeft hij slechts schoorvoetend gedaan, nadat ik gezegd had zijn naam niet te zullen noemen en alle verantwoordelijkheid op mij te nemen, üe man heeft mjj echter niet opgezocht. 9032. V. De mededeelingen van dien man zijn dan die welke gij thans ons doet ? A. Ja. 9033. V. Het zal toch geen man zijn van eenigerlei ontwikkeling ? A Neen, een eenvoudig werkman. 9034. V. Het is dus mogelijk, dat |
268
|
terwijl het fond der zaak waar is, hij misschien eenige kleur en eenige nuances aan de u verstrekte mededeelingen heeft gegeven, die do zaak misschien nog iets donkerder doen inzien, dan zij inderdaad reeds is? A. Dat is mogelijk. 9035. V. In alle geval, hebt gij omtrent het feit, dat het. ook om de hitte, waaraan de monschen blootgesteld worden, een zeer bar en zwaar werk is, uit uw gesprek met den man een zeer stel-ligen en zeer klaren indruk verkregen? A. Zoo is het. 9030. V. Wat nu betreft de «Cérami-quequot;, hebt gij ook één getuige; wanneer hebt gij dien gesproken ? A. Verleden Zaterdagavond is hij bij mij gekomen; dien heeft mij iemand gezonden. Van hem ontving ik mijne inlichtingen. 9037. V. Dus die persoon in quaestie is niet uit zich zeiven bij u geweest, maar hij werd u door iemand gestuurd. Werd hij u gestuurd door iemand van positie ? A. Een kennis, mot wien ik er over sprak, toen ik zoekende was of ik nog een of ander kon vernemen, zeide: O, dan kan ik u nog wel iemand van de Céramique aan de hand doen. Zoo is hij mij aangebracht. 9038. V. Goed. Hij is daarop verleden Zaterdag bij u gekomen. En toen ? A. Hij deed aan de biscuit-ovens bij de Céramique wat zijn collega bij Re-gout deed, en hij deelde mij mede, dat ook daar de ovens bij eeno hooge temperatuur geledigd werden en dat men, wanneer de daarmede belaste personen rustten, nog niet eens zorgde om hun water te geven, maar dit dan in emmers door een of ander vriend in de nabijheid gebracht word, of zjj gingen het aan de pomp zelf drinken. Hij voegde er nog bij: Wanneer zij nog maar een scheutje jenever in het water deden, dat men ten minste eene verkwikking had ! maar daarvoor zorgde men niet. 9039. V. Die u dit mededeelde, vertelde hij dat uit eigene persoonlijke ervaring in de Céramique? A. Ja. 9040. V. Ik vraag geen namen, zelfs geen aanwijzing waardoor de persoon in quaestie in moeilijkheid zou kunnen komen. Maar verklaarde die man zich over feiten die hij zelf in de laatste dagen zou gezien hebben ? |
A. Ja. 9041. V. Hebt gij, wetende dat gij hier zoudt komen om verklaringen af te leggen, den man goed scherp ondervraagd ? Hebt gij hom, zooals mon zegt, met den vinger tusschen de deur genomen ? Hebt gij hem goed do schroeven aangezet? Hebt gij den man gevraagd wanneer in de laatste veertien dagen hij dat gezien had? A, Noen, dat heb ik niet gevraagd. 9042 V. Had de man het zelf ondervonden ? A. Ja. 9043. V. In de laatste 14 dagen? A. Dit durf ik niet zeggen. Waar wel vertelde de man mij dat de temperatuur in den oven in de Céramique zoo hoog was dat de doeken aan de handen vlam vatten. 9044. V. Is dat werk tot op den huldigen dag de broodwinning van dien man ? A. Ja. 9045. V. Zeide hij dat het de gewoonte was, zonder daarbij feiten aan te geven? A. Iljj zeide dat het de gewoonte is op die wijze de ovens te ledigen. 9046. V. Was hij u onbekend ? A. Ja. 9047. V. Gij weet dus niets omtrent zjjne geloofwaardigheid te zeggen? A. Niets. 9048. V. Ik vraag u dat alles zoo : ziehier waarom. Omtrent den ergerlijken toestand, waarvan gij gesproken hebt, zijn ons verklaringen afgelegd aangaande de fabriek der hoeren Hegout. zoodat er geene enkele reden zou bestaan om ons daarover te verbazen; integendeel, het een bevestigt het-andere. Maar het verwondert mij en mijne medeloden zeker evenzeer in hooge mate dit van de Céramique te vernomen, omdat de getuigen die wij daarover gehoord hebben en die op ons den indruk hebben gemaakt van volkomen naar waarheid getuigenis af te leggen, eenstemmig hebben verklaard, dat misschien jaren geleden, vóór men de oude ovens afgebroken en in veel grootor getal bijgebouwd had, soortgelijke ellende |
269
|
bestond, maar dat daarvan nu geenerlei sprake is. En zij hebben ons met eene zeer minitieuse beschrijving duidelijk aan het verstand gebracht, dat er alleszins ruimte van tijd was voor die ovens om behoorlijk af te koelen. De mededeeling alzoo van uwen zegsman komt mij. ik zou schier zeggen onaanneemlijk voor na hetgeen wij gehoord hebben. En nu vraag ik nog eens: gelooft gij. wat de Céramique betreft, aan het serieuse van den man, die u den goeden dienst hoeft willen bewijzen van u een getuige te bezorgen ? Wij weten hoe de menschcn zijn. Gij wenschtet feiten te weten en men is geneigd u getuigen te verschaffen ; gij ontmoet een goed vriend, die u wel iemand zal bezorgen. Die man komt u een mooi verhaal doen hoe het in de Céramique is. Admitteert gij nu, met het oog op uw vriend en met het oog op dien man, de mogelijkheid, dat daaromtrent niet precies de waarheid aan u is voorgesteld? A. van de Céramique verwonderde het mij ook. 9049. V. Waarom ? A. Omdat de directeurs, de heeren Jaunez en Vogelaar, mijne vrienden zijn, en omdat ik weet dat zij den werkman een goed hart toedragen. Ik was dus zeer verwonderd toen door iemand mij medegedeeld werd dat hij een persoon kende, die geklaagd had over den toestand van de ovens op de Céramique. Ik dacht ook dat de toestand, dien ik beschreven heb van de ovens in de fabriek van den heer Regout, niet bestond bij de Céramique. Daarom heb ik den arbeider op zijne verklaring opmerkzaam gemaakt. Hij voegde er toen nog bij dat de hitte bij het openen van den oven dikwijls zoo groot was, dat de doek dien men daarbij voor den mond hield, soms vuur vatte. 9050. V. Bij het openen ? Dit woord doet voor mij misschien een licht opgaan over do zaak! Zie eens hier: het oogenblik waarop de oven geopend wordt is niet het tijdstip waarop de menschen in den oven gaan. Het openen geschiedt juist met het doel om den zeer heeten oven wat tot verkoeling te brengen. Nadat de oven is opengebroken, zooals het heet, gaat er een min of meer belangrijk aantal uren voorbij, vóórdat de menschen er in gaan. Ik accepteer nu volgaarne do mogelijkheid dat bij het openen van den oven, dat waarlijk ook al geen kinderwerk is, iets dergelijks als gij verteld hebt, gebeuren kan, want het spreekt vanzelf dat men, wil men een oven openen, dien moet aanraken. Daaronder moet echter niet verstaan worden het werken in de ovens. Gij weet immers hoe het met dat uithalen van de ovens toegaat ? |
A. Ja. 9051. V. Mag ik u nu eens vragen of gij, die zegt het verloop der zaak te kennen, dien man niet dezelfde opmerking hebt gemaakt, die ik u doe ? A. Ik heb hem gevraagd hoe zij in de ovens gaan. 9052. V. Permitteer mij. Uw laatste mededeeling betrof niet het gaan in den oven, maar het openmaken daarvan. Dat daarbij een lap in den brand zou kunnen vliegen, ontken ik niet, maar dat hoeft niets te maken met het werken in den oven. Dat zijn twee geheel verschillende tijdstippen. Ik herhaal dus mijne vraag; Is het niet bij u opgekomen om uw man de observatie te maken, die ik nu aan u maak ? A. Neen. 9053. V. Dat spijt mij wel, want dat zou veel hebben kunnen ophelderen. Nog eens, ik kan mij zeer goed verklaren dat het openbreken van een oven geen kinderwerk is, maar een bedenkelijk werk, waarbij ligt zulk een lap in brand kan geraken, doch daarover hebben wij het nu niet. Indien gij nu moet zeggen, dat gij omtrent de Céra-niMjtte-fabriek niet op de hoogte zijt, dan steekt daar niets in, dat kan een ieder overkomen, maar kunt gij na de kleine gedachtenwisseling, die wij nu gehad hebben, de vrijheid behouden om aan te nemen, dat inderdaad de op waarheid gegronde bedoeling van dien man geweest is, om door u ons te doen denken, dat in de Céramique in de ovens gewerkt wordt onder omstandigheden van dien aard, dat ook daar nog de lappen, die zij om hoofd en handen hebben, in brand vliegen? A. Het is mjjne overtuiging, dat ook de lediging van die ovens in de Céramique bij te hooge temperatuur geschiedt, vol-1 gens de mededeelingen van dien man. |
270
|
9054. V. Gij moet het mij ten goede houden wat ik zeggen ga: is de vestiging van die overtuiging niet een klein beetje gewaagd ? Zij steunt uitsluitend en alleen op het gezegde van een man, dien gij verleden Zaterdag nog niet kendet, een man die bij u kwam, gejaagd door een ander, met het idéé; ik moet dien heer het een en ander mededeelen, hij gaat naar de enquête en hij moet daar eens een boekje opendoen. Nu moet ik u nog eene vraag doen, ik heb u straks daarover niet in de rede willen vallen; gij zegt dat de heeren Jaunez on Vogelaar vrienden van u zijn. Hebt gij, vóór dat gij Maastricht verliet, geen roeping gevoeld om nog eens met die heeren over dat punt te spreken ? A. De tijd heeft mij ontbroken, en ik heb er trouwens niet aan gedacht. Ik heb verleden maand nog over den toestand van den werkman op de Céra-mique met den heer Vogelaar op de sociëteit gesproken en bij die gelegenheid hem medegedeeld dat, naar wat ik alzoo vernam, do werkman op zijn fabriek niet te klagen had. 9054. V. Het doet mij inderdaad leed dat ik u, die een uitstekend welwillend getuige zijt, eene vraag moest doen, die misschien niet aangenaam was. Maar na hetgeen u daareven zeidot, komt naar mijn gevoel de vraag nog meer op, juist als u dergelijk gesprek met den heer Vogelaar hebt gehad, en u dergelijke mededeeling Zaterdag kreegt, wetende dat gij die aan de Commissie van Enquête zoudt overbrengen, wier Verslag publiek gemaakt wordt, eene mededeeling die dan toch geheel iets anders is dan het discours met den heer Vogelaar, dat de werkman het nog al dragelijk en goed bij hem had; waarom de zaak niet nog eens nader onderzocht ? Het doet mij waarlijk leed, dat gij dit niet hebt gedaan, omdat gij ons nu in eene onzekerheid brengt, die ik zeer betreur. Wat den toestand van de fabriek van de heeren Regout betreft, dien kan men wat zwarter kleuren door te generaliseeren. maar dit is waar, dat de mede-deelingen van uw zegsman omtrent de fabriek van de heeren Regout en hetgeen wij van elders weten, niet serieus van elkaar afwijken. |
Maar uwe verklaring omtrent de Céra-mique verbaast mij in hoogo mate, want wij hebben den indruk gekregen dat de menschen aan do Cérarnique zijn onder een humanen directeur en de verhouding tusschen het volk en de directie zeer gunstig is, denzelfden indruk dus waarvan door u blijk is gegeven in dat gesprek met den heer Vogelaar, vooral op het punt van dat fatale uithalen van de ovens. Dat dit nu op de Cérarnique evenzoo zou geschieden als in de minder gunstig bekende fabriek van de heeren Regout, ik zeg nog eens, dat komt mij vreemd voor. Iets meer tot bevestiging van het feit als de verklaring van dien éénen man van verleden Zaterdag hebt gij op dit punt niet ? A. Neen. 9056. V. De man heeft u gezegd dat het zoo warm was bij het openbreken van den oven. Heeft hij u ook gezegd hoe het was, wanneer de werklieden er in waren ? A. Hij heeft mij gezegd dat zij na een half uur in de oven geweest te zijn, er geheel en al bezweet uitkwamen en dan als het ware half bewusteloos trachtten met water weder bij te komen. 9057. V. Herinnert gij u goed dat die man u gezegd heeft: na een half uur in den oven geweest te zijn ? Met andere woorden : houdt hij het een half uur in den oven uit? A. Ja. 9058 V. Maar dan is de toestand in de «Cérarniquequot; heel wat minder erg dan in de fabriek der firma Regout, want daar schijnen zij het geen half uur uit te houden ! A. Ik maakte ook die opmerking dat het nog al lang was. Maar de man antwoordde dat zij het wel zoolang moeten uithouden, omdat zij per stuk betaald worden. 9059. V. Gij zegt dat zjj per stuk worden betaald en er daarom zoo lang inblijven. Hoe verklaart gij dit? A. Als zij er kort in zijn, gaat de tijd voorbij en verdienen zij weinig. Zij schijnen voor elk stuk te worden betaald. 9000. V. Zij worden betaald per oven dien zij uithalen. Maar hebt gij niet van den man vernomen dat het uithalen dei-ovens op de Cérarnique niet zóó veelvuldig voorkomt, dat er ruimschoots tijd |
271
|
over is om ledig te loopen? Heeft hij u niet verteld dat elke oven slechts eenmaal in de week wordt geledigd ? A. Neen. 0061. V. Om op een gansch ander feit te komen. In het rapport van het «Nuf' staat ook te lezen dat de fabri kanten somtijds op zeer barre wijze gebruik maken van hun recht om de werklieden op slag hun congé te geven. Maar dat de werklieden niet uit hun dienst mogen vertrekken zonder 14 dagen vooraf gewaarschuwd te hebben? A. Juist, bij reglement is vastgesteld, dat de werklieden 14 dagen te voren moeten waarschuwen. OOGS. V. Ãus, dat is bepaald bij aangeplakt en afgekondigd reglement, waarmede zij genoegen hebben genomen. A. Dat hun bekend is. 0003. V. Waarmede zij dus ook genoegen hebben genomen? A. Ja. 9064. V. Was het klagen over het overwerk bij die menschen zoo erg ? Zij worden immers betaald bij het uur of het stuk, zoodat, als zjj overwerken, ook de verdiensten hooger zijn? A. Diezelfde aanmerking maakte ik ook, maar zij zeiden dat dat overwerken nadeelig voor hunne gezondheid was, en het dikwijls gebeurde. 0005 V. Maar is dat overwerk .... Doch dan zou ik misschien vragen gaan doen die op den man zouden wijzen, die uw informant is geweest. Zijn dit andere menschen geweest dan die u omtrent de ovens hebben ingelicht? A. Dezelfde, voornamelijk die van Regout. 9066. V'. Dat is dus een man die geërn-ployeerd wordt voor hot vullen en ledigen der ovens? A. Ja, en er wordt niet naar gezien of het 7 uur is; als er spoed is, moet het werk doorgaan. 9067. V. Maar in het vak van dien man komt, dunkt mij, overwerk in den gewonen zin van het woord niet te pas ? A. Maar de regel is, dat zij om 7 uur of half 8 de fabriek verlaten. 9068. V. Met overwerk wordt dus hier bedoeld dat het werk gevergd wordt op buitengewone uren? A. Ja. |
9069. A. Hebt gij â de quaestie der ovens daarlatende â nog eenige inlichtingen te geven over de positie van de werklieden in de fabriek de «Céramique ', vergeleken met die in de fabriek der heeren Regout ? A. Neen, 9070. V. Uw indruk is in hot algemeen dat de positie van het werkvolk in de «Céramiquequot; gunstig heeten mag? A. Gunstiger dan in de fabriek van de heeren Regout. De directeuren van dc «Céramique'' hebben meermalen getoond hart te hebben voor de arbeiders. 0071. V. Is de verhouding tusschen het werkvolk en de directeuren van de «Céramiquequot; niet ongunstig? A. Niet ongunstig. 9072. V. Zijn u ooit feiten ter oore gekomen van nachtwerk in de glasblazerij der heeren Regout, van jongens van 12â16 jaren? A. Neen, ik weet wel dat het gebeurt, maar feiten zijn mij niet bekend. 9073. Do heer Kuys van Beeren-broek: Ik wensch een enkel woord te zeggen over verschillende punten die besproken zijn en ook over eenige feiten in het rapport van de afdeeling Maastricht van het Nut van het Algemeen. Vooreerst over het gezegde omtrent de ovens. Gelijk de Voorzitter zeide, is tot op dit oogenblik de indruk bij de Commissie geweest, dat het ledigen der ovens in de «Céramiquequot; op zeer voldoende wijze geschiedt, terwijl getuigen hebben verklaard dat daar 7 biscuitovens zijn: is u het aantal bekend ? A. Mjj werd gezegd dat er 6 biscuitovens zijn. 9074. V. Ãén meer of minder doet niets af. Die getuigen deelden ons den geheelen gang van het bakken mede, waaruit als het ware werd bewezen dat de ovens bij het ledigen moeten zijn afgekoeld, omdat elke oven slechts eenmaal per week gebrand, en dus ook gevuld en geledigd wordt. Men heeft er echter bijgevoegd dat het in den zomer wel eens gebeurde, dat bij hooge temperatuur en wanneer de zon op den schoorsteen staat, de afkoeling minder snel plaats heeft; maar dat integendeel des winters niet alleen de afkoeling zeer snel geschiedt, maar de oven nadat het bakken is gedaan, niet altijd onmid- |
272
|
dellijk kan worden opengebroken, en die oven aoms dicht moet blijven, omdat het anders te koud wordt ten nadeele van het fabrikaat. Volgens de mededeeling van den werkman dien gij gehoord hebt, zou dat heete uithalen altijd ook in den winter plaats hebben en dus ookindonlaatsten tijd nog? A. Ja. 9075. V. Ik wijs alleen op het verschil in winter en zomer en op het feit, dat de oven des winters behoorlijk tijd heeft om af te koelen Ik heb mij bij mijn bezoek aan do fabriek daarvan kunnen overtuigen. Ik ben er gekomen zonder dat mijn bezoek was aangekondigd, tegen 9 uren 's morgens, kort nadat men met het ledigen van een oven begonnen was. Daar was de temperatuur normaal zooals in dit vertrek. Volgens u wordt beweerd dat ik de geheele fabriek niet zou hebben gezien. Wellicht heb ik enkele onder-deelen niet gezien, zooals dat in andere fabrieken het geval kan zijn geweest. Dit doet echter niets af tot het punt waarover wij nu spreken. Dat het moeilijk is van werklieden information in te winnen en bij eene enquête mededeelin-gen van die lieden te verkrijgen, daar zijn wij allen van overtuigd. En dat is volgens mij ook niet de beste weg om inlichtingen te verkrijgen. Ik geloof dat het voldoende zal blijken dat inlichtingen op eene andere wijze verkregen, oneindig beter op de hoogte van den toestand brengen. Ook ik heb met u de ondervinding opgedaan, dat van de werklieden soms zeer weinig te vernemen is en dat men ook op hunne mededeelingen niet volkomen kan staat maken, omdat door hen zeer dikwijls overdreven wordt. Volgens het rapport van het Nut zou den gehuwde vrouwen hare zuigelingen mede naar de fabriek nemen en die daar deponeeren. Gij hebt ons nu gezegd dat dit berust op eene minder juiste mededeeling, en daarop hebt gij laten volgen, dat het misschien wensohelijk zou zijn dat meer en beter voor de jeugdige kinderen gezorgd werd dan nu het geval is. Ik geef dit gaarne toe, en meen dat het inrichten van crèches misschien veel beter zou zijn dan het doen verzorgen van de kinderen op de wijze zooals dat nu geschiedt. Maar in het rapport volgt deze zinsnede: «welken nadeoligen invloed dat uitoefent op het huishoudelijk leven, is licht te begrijpen.quot; |
De strekking hiervan strookt dus niet met het zoo even door u gezegde. Verder wensch ik te releveeren dat bij de heeren Regout 194 getrouwde vrouwen zijn en in do Cüraniique maar â¢18, zoodat in dat opzicht beide fabrieken moeilijk met elkander kunnen vergeleken worden. Nu nog een paar opmerkingen naar aanleiding van het rapport zelf. Ik maak die met de meer vrijmoedigheid, omdat gij, zooals de Voorzitter reeds gezegd heeft, hierheen gekomen zijt als gecommitteerde van het Bestuur van de afdee-ling Maastricht van het Nut van't Algemeen, en derhalve alle inlichtingen zult kunnen verstrekken, die naar aanleiding van dat rapport kunnen gevraagd worden. Nadat in dat rapport eenige algemeene beschouwingen ten beste worden gegeven, ook omtrent het moeilijke om inlichtingen te bekomen, lezen wij in de daaropvolgende zinsnede: süp sommige fabrieken alhier bestaat de goede gewoonte dat geen kinderen worden toegelaten zonder een examentje te hebben afgelegd. Hoe gering ook de oischenzijn, door werkgevers is verklaard dat zeer velen daaraan niet kunnen voldoen. Daar het hierbij gebleken is dat over het algemeen do kinderen die de openbare school bezochten, beter ontwikkeld zijn dan die van de bijzondere school afkomstg, is het zooveel te meer te betreuren dat in de gemeente Maastricht slechts ééne openbare school voor on- en minvermogenden bestaat en vele kinderen (men spreekt van 500) geheel van onderwijs verstoken zijnquot;. Zou ik nu van u mogen vernemen op welke fabriek dat het geval is? Dei-Commissie en mij is als zoodanig alleen bekend de Koninklijke Nederlandsche Papierfabriek, onder directie van den heer Lhoest? A. Wij hebben ons ongelukkigerwijze op dit punt vergist en ten ongunste. Wij meenden, dat er meer fabrieken de goede gewoonte volgden om een examentje af te nemen. De inlichtingen, die wij daaromtrent verkregen hebben, ik erken het gaarne, zijn foutief; ons is later gebleken, dat het examen alleen |
273
|
bij den heer Lhoest afgenomen werd. Wanneer wij ons vergist hebben, dan hebben wij ons vergist ten voordeele van de fabrikanten en niet ten nadeele. Het ware te wenschen, dat wij ons niet vergist hadden en dat de goede gewoonte van den heer Lhoest door andere fabrikanten werd gevolgd. 9076. V. Weet gij ook of zoo iets elders in Limburg of in het overige gedeelte van het Rijk geschiedt? A. Wij hebben alleen over Maastricht gesproken. Ik weet het persoonlijk van den heer Lhoest, die mij vertelde, dat hij een examentje afnam van de kinderen, vóórdat zij op de fabriek werkzaam gesteld worden. 9077. V. Dus bepaalt zich uwe mede-deeling tot de fabriek van den heer Lhoest. Uwe inlichtingen komen overeen met die, welke ook aan ons bekend zijn. Wij kunnen ons dus bepalen tot die eene fabriek en dan is, volgens u, door den heer Lhoest het navolgende verklaard ; dat hem gebleken is, dat over het algemeen de kinderen, die de openbare school bezoeken, beter ontwikkeld zijn, dan die welke van de bijzondere school komen Ik moet u doen opmerken, dat eergisteren den heer Lhoest zeer bepaald de vraag is gesteld; hebt fij bij het onderzoek, bij dat examentje, at gij hebt afgenomen, eenig verschil, en zoo ja, welk kunnen bespeuren tus-schen de kinderen afkomstig van de bijzondere en de openbare school, en dat do heer Lhoest zeer pertinent geantwoord heeft, nadat hij het te voren reeds uit eigen bewoging had medegedeeld: Ik heb nooit eenig onderscheid kunnen vinden tusschen de kinderen van de eene en die van de andere scholen, wat aangaat de ontwikkeling en het onderwijs, dat zij hebben genoten.ij bij het onderzoek, bij dat examentje, at gij hebt afgenomen, eenig verschil, en zoo ja, welk kunnen bespeuren tus-schen de kinderen afkomstig van de bijzondere en de openbare school, en dat do heer Lhoest zeer pertinent geantwoord heeft, nadat hij het te voren reeds uit eigen bewoging had medegedeeld: Ik heb nooit eenig onderscheid kunnen vinden tusschen de kinderen van de eene en die van de andere scholen, wat aangaat de ontwikkeling en het onderwijs, dat zij hebben genoten. Waarvan, moet ik dus vragen, komt deze mededeeling ? Waarop is zij gebaseerd? Ik dacht dat er misschien nog fabrieken waren, die ik niet kende, en dat daarvan die mededeeling gekomen was 1 A. Die mededeeling hebben anderen ook ontvangen, maar ik heb ze persoonlijk gekregen op reis zijnde en sprekende met den heer Lhoest; hij zeide mij dat de kinderen van de openbare school beter ontwikkeld waren. De mededeeling is dus van hem zelf. |
9078. V. Ik wijs er slechts op dat de heer Lhoest, gisteren hier door de Commissie gehoord, verklaard hoeft dat hij hoegenaamd geen verschil had opgemerkt. Nu wordt aan hetgeen ik zoo even voorlas, vastgeknoopt een soort van klacht, dat het toch zoo te betreuren is. dat te Maastricht maar één openbare school bestaat voor on- en minvermogenden en dat een groot aantal kinderen geheel van onderwijs versloken zijn â ik druk op dit woord? A. Wanneer men de cijfers nagaat van het getal kinderen die onderwijs genieten en van hen die dat niet kunnen, dan vindt men voor de laataten een cijfer van p.m. 000, en dat vind ik nog al sterk. Dat er slechts één openbare lagere armenschool bestaat, ia ook een feit en dat de behoefte groot is blijkt daaruit dat er nog 70 kinderen zijn, die vragen om op de openbare armenschool te worden toegelaten. Dit cijfer is gelukkig sedert 4 maanden verminderd. Sinds October of November heeft de gemeente Maastricht aan de openbare lagere school nog eene klasse toegevoegd, ten gevolge waarvan nu 70 kinderen meer onderwijs ontvangen dan ten vo-rigen jare. Thans worden er jaarlijks ongeveer 190 a 200 kinderen toegelaten,jaarlijks gaan er p.m. 120 van de school af, zoodat het getal schoolbezoekenden op dit oogenblik met 70 vermeerderd is. Desniettegenstaande zijn er nog altijd 70 kinderen, die vragen om op de armenschool van de gemeente Maastricht toegelaten te worden en voor wie geen plaats op die school is. Dit is de toestand, zooals die mij èn uit de registers, èn sprekende met het hoofd van de openbare lagere school bekend is geworden. Ik heb er bijgevoegd dat er onder die 600 kinderen zijn, voor wie de ouders geen onderwijs verlangen, of die wellicht op bewaarscholen zijn. 9079. V. De cijfers zijn ook mij volkomen bekend. Ik moet mij met het onderwijs ook nog al eens bezighouden èn als lid van den gemeenteraad te Maastricht, èn als lid van de speciale commissie voor het onderwijs uit dien raad, èn als secretaris van de school- |
18
274
|
commissie voor het lager onderwijs. Ik wensch die cijfers dus wel eens nader te bespreken. In de eerste plaats wordt door u als een feit vermeld, dat er op dit ©ogenblik 70 kinderen zijn die toelating vragen op de stads-armenschool, waarvan 16 elders onderwijs genieten, zoodat er 54 geheel van onderwijs verstoken zijn. Maar nu komt het er op aan op welk oogenblik de toelating wordt gevraagd. En dan moet ik er op wijzen, dat het hoofd der school, de hoer Delfgauw, hier als getuige verklaard heeft, dat al de kinderen die toelating hebben verzocht, bij den aanvang van het nieuwe schooljaar ook geplaatst zijn geworden. Dat daarna gaandeweg weder kinderen zijn bijgekomen, die plaatsing verzochten, en dit getal met den dag natuurlijk grooter wordt, kan niet anders. in iedere gemeente is dit het geval. Dagelijks zijn er in de gemeente kinde⢠ren, die den leeftijd van zes jaren bereiken, en dus in de termen vallen om school te gaan. Dit cijfer zal aan het einde van het jaar nog veel grooter zijn. Maar iets anders is of dit gebrek aan onderwijs op het oogenblik bestaat dan wel aan den aanvang van den cursus. En, zooals ik reeds zelde, bij den aanvang van den cursus was er geen enkel kind, waarvan de opneming verzocht was, dat geweigerd werd. Nu wordt in het door u medegedeelde rapport beweerd, dat er op dit oogenblik ongeveer 500 kinderen te Maastricht Scheel van het onderwijs verstoken zijn. lat woordcheel van het onderwijs verstoken zijn. lat woord verstoken heeft eene andere, eene meer ongunstige beteekenis, dan wanneer men zegt niet genieten. Het woord verstoken beteekent volgens mij in goed-Hollandsch, dat er voor die kinderen geen mogelijkheid bestaat om onderwijs te genieten, hetzij omdat er geen plaats op de kostelooze school is, hetzij de ouders de kosten van het onderwijs niet kunnen betalen ; en nu hebt gij het feit gememoreerd, dat er ook te Maastricht een aantal ouders zijn, die er tegen hebben, do kinderen op üjarigen leeftijd naar school te zenden, die dus niet verkiezen de kinderen zoo jeugdig te doen onderwijzen. |
Door u is ook nog gememoreerd, dat, volgens hetgeen medegedeeld was, van de kinderen van 6 tot 12 jaren die op het oogenblik te Maastricht zijn (het totaal is 3799) een aantal zich zouden bevinden in pensionaten te Maastricht of in den vreemde. Dat getal kan niet zeer hoog zijn. maar het is toch een factor, al is het een kleine. Doch een andere factor is, dat, niet op de lagere scholen, maar op de bewaarscholen (ofschoon ik erken dat zij daar niet be-hooren) zich 283 kinderen bevinden, die reeds den leeftijd van 6 jaren hebben bereikt. Die moeten dus afgetrokken worden van de 587, door u genoemd, die hoegenaamd niet op school gaan, waardoor dat getal tot even boven de 300 wordt gereduceerd. Er zijn ook nog kinderen die huisonderwijs genieten, waarvan het minder bekend is, maar dat wil ik nu eens jdaarlaten, zoodat het getal van 587 tot een vrij belangrijk lager cijfer wordt teruggebracht. Maar de vraag waarop het voornamelijk aankomt, is, of bij den aanvang van den nieuwen schoolcursus in het afge-loopen najaar aan kinderen, waarvoor onderwijs gevraagd is, toegang tot de school is geweigerd'? En die vraag is door den heer Delfgauw ontkennend beantwoord. Nu wij over het onderwijs, door u ter sprake gebracht, van gedachten wisselen, wensch ik nog even te memoree-ren dat er te Maastricht een aantal bewaarscholen bestaan, die zorgen voor de opvoeding der jeugd, met name ook voor de opvoeding van de kinderen van den werkman. Er zijn aldaar 13 bewaarscholen met een onderwijzend personeel van 30 personen en een totaal van 13i9 kinderen. Hiervan moeten afgetrokken worden 283 kinderen, die boven de zes jaren zijn en die op de bewaarscholen niet meer behoorden. Er blijven dus over 1066 kinderen. Wel een bewijs dat te Maastricht veel voor het onderwijs wordt gedaan. Wij hebben van verschillende getuigen vernomen dat van onderscheiden zijden belangstelling wordt getoond in eene goede opvoeding der jeugdige arbeiders, en dat het mogelijke geschiedt om het schoolbezoek van die klasse te bevorderen. Vele vereenigingen houden zich bezig met armenzorg, en stellen als voorwaarde van bedeeling een trouw |
275
|
schoolbezoek. Zoo geeft de Sl. Vin-centius-vcreeniging jaarlijks gemiddeld f 6609,99, de Dames decliarilétquot;SdTgt;3,8%*, de sociëteit Momus f â¢2519,33, de Dorcas f506,87, terwijl ook do Heeren-vereeni-ging en andoren nog bijdragen geven. Er is nog eone instelling waarmede gij speciaal bekend zijt, de soepkokerjj. Zou het op uwen weg kunnen liggen om daaromtrent iets aan de Commissie mede te deelen? A. liet kan wel op mijn weg liggen, maar ik bleef er liever buiten Maar nu men mij er zoo over interpelleert wil ik gaarne het een en ander er over mededeelen. Cijfers kan ik echter niet geven. De geschiedenis van de soepkokerij herinnert mij zeer aangename, maar ook zeer onaangename oogenblik-ken. Voor die soepkokerij tot stand is gekomen heb ik zeker tien a twaalf vergaderingen van verschillende personen gehouden, en waarop het goede doel van soepkoken bijna geheel in den bodem geslagen werd, omdat hot initiatief afkomstig was van eene richting die in Maastricht niet bemind was. Ik heb persoonlijk het initiatief tot het soepkoken genomen, en ben daarin gesteund geworden door het Nut van 't Algemeen en door Volksonderwijs Nu wil ik wel bekennen dat op dit oogen-blik na twee jaar de soepkokerij populair is en zeer populair. Maar wanneer zij dat is geworden, dan is het te danken aan Volksonderwijs en aan het Nut van 't Algemeen De geschiedenis van de soepkokerij is voor mij op dit oogenblik zeer aangenaam. Maar daar is verleden jaar door onze vrienden het grootste bedrag in de soepkokerij gestort geworden. Van het eerste oogenblik af hebben wij gezegd : wij willen geen onderscheid maken tasschen de kinderen van de openbare en van de bijzondere scholen. Hadden wij dat be- finsel niet aangenomen, dan waren de :inderen van de openbare scholen natuurlijk veel beter af geweest Wij hebben niet gelet op richtingen, maar alleen op het algemeen welzijn. Nu krjjgen 70 kinderen van de openbare school 4 koeren in do week een bord soep; het overige gaat naar de bijzondere scholen. Het verstrekken van warm voedsel is tot stand gekomen door de medewerking van het »Nutquot; en van «Volksonderwijsquot;.insel niet aangenomen, dan waren de :inderen van de openbare scholen natuurlijk veel beter af geweest Wij hebben niet gelet op richtingen, maar alleen op het algemeen welzijn. Nu krjjgen 70 kinderen van de openbare school 4 koeren in do week een bord soep; het overige gaat naar de bijzondere scholen. Het verstrekken van warm voedsel is tot stand gekomen door de medewerking van het »Nutquot; en van «Volksonderwijsquot;. |
9080. V. Het doet mij genoegen die inlichtingen van u te vernemen. Ik wist zeer goed hoe het met die zaak gegaan is; maar ik stelde er prijs op dat ant woord van u uit te lokken, omdat ik, van welken kant iets goeds ook komt, daaraan altijd gaarne dien lof geef, dien de zaak verdient. Gij zegt, dat het »Nutquot; die zaak in de hand heeft gewerkt, maar uit de kas van het »Nutquot; is zij toch niet bekostigd geworden ? A. Ik meen dat het »Nutquot; eene bijdrage heeft gegeven van f 25. 9081. V. Juist, eene bijdrage, maar de zaak staat niet onder zijn beheer. A. Neen, het schenkt alleen zjjn zedelijken steun. 9082. V. Misschien is de vraag onbescheiden, maar nu wij eens op dit terrein zjjn, wil ik toch vragen, wat het «Nutquot;, dat zich opgewekt heeft gevoeld aan de Commissie het besproken rapport te zenden, waarvoor deze zeer dankbaar is, te Maastricht zooal gedaan heeft tot bevordering van het welzijn van den arbeider. Ik zou dat gaarne weten. A Het ligt niet op don weg van het »Nutquot; om zich meer speciaal het lot van den werkman aan te trekken, maar waar het mogelijk is iets te doen om het lot van den werkman te verbeteren en op te beuren, heeft het daartoe altjjd medegewerkt. Zoo geeft het door uitdoeling van penningen en getuigschriften een bewijs van waardeering aan hen die een zeker aantal jaren op eene fabriek werkzaam zijn, en beijvert zich daaraan den noodigen luister bij te zetten. Verleden jaar, of twee jaar geleden, zijn in de categorie een paar werklieden gevallen van den heer Rutten. Er is een soort van feest voorbereid, met de muziek van het regiment, met een toespraak van den voorzitter, ten einde daar eenig relief aan te geven. Voor hjt overige heeft het »Nutquot; zich de zaak van de arbeidende klasse niet aangetrokken, omdat het minder op zijn weg ligt en wij zeker ook in dit opzicht tegenwerking zouden ondervonden hebben. 9083. V. Als ik het wel begrepen heb, houdt het «Nuf zich dus hoofdzakelijk |
27G
|
met de theorie, maar minder met de practijk bezig; ik zal daar niet vorder op ingaan. In het rapport vind ik, dat in de glasblazerij de ploegen om de 14 dagen afwisselen. Nu hebben andere getuigen aan de Commissie verklaard, dat dit vroeger wel het geval geweest is, maar dat thans bij de firma Regout de toestand niet meer zoo is, er dat de ploegen thans om de 7 dagen afwisselen. Is u daarvan soms iets bekend ? A. Het is mogelijk, dat wij verkeerd zijn ingelicht, maar het doet mij genoegen te hooren, dat het nu om de 7 dagen geschiedt, dan is het minder hard. 9084. V. Het is dan zeker minder hard, maar het feit dat men de ploegen verwisselt om de 7 dagen, is niet van vandaag of gisteren, ook niet van December jongstleden, toen het rapport werd samengesteld, maar van veel vroeger. Ten slotte is er nog een punt, dat ik wel der bespreking waardig acht. dat is namelijk het volgende. Er wordt vermeld dat tot besparing van werkvolk meestal overwerk gevorderd wordt, dat soms de arbeiders '28 tot 30 uren aan houdend werken. Zoover wij in ons onderzoek zijn, hebben wij nog van geen enkele fabriek vernomen waar dergelijke toestanden zouden bestaan. Het zou kunnen zijn dat hetgeen daar vermeld wordt niet alleen gold van Maastricht, maar misschien ook van de omstreken. Voor het geval dit vermoeden juist was, zou ik de statistiek kunnen raadplegen die hier voor mij ligt, van de 124 gemeenten van Limburg met 1951 fabrieken en werkplaatsen, en zoodoende kunnen nagaan, of buiten Maastricht, hier of daar, het in het rapport vermelde feit zich heeft voorgedaan. Weet u soms welke fabrieken worden bedoeld ? A. De stokers van de ovens bij de heeren Regout werken, wanneer hel zeer druk is, 24 tot 30 uren achtereen. 9085 V. Van 24 uren is ons bekend, maar van 28 tot 30 uren wisten wij tot op het oogenblik uog niet. De beide zoo even door u besproken fabrieken, zijn die van de heeren Hegout en de Céraniique. Is in het rapport van het »Nutquot; nog pp andere fabrieken gedoeld of alleen op de twee genoemde? |
A. Slechts op die twee fabrieken. 9086. V. Ik geloof dat het goed is dat hier geconstateerd wordt dat het rapport van het »Nutquot; niet betrekking heeft op andere fabrieken. 9087. De heer tiroeintiii Borgesins ; Zooals onze Voorzitter u reeds gezegd heeft kan de Commissie niet anders dan erkentelijk zijn voor de door u gegeven moeite om te trachten van geloofwaardige personen, die men natuurlijk onder alle standen vindt, inlichtingen te verkrijgen. Omtrent de geloofwaardigheid van dien eenen persoon, dien gij voor het eerst Zaterdag hebt gezien, hebt gij geene bepaalde zekerheid. Kan daarin nu voor u geen aanleiding bestaan om te trachten een of meer zeer geloofwaardige personen te vinden, die u uit eigen ervaring en persoonlijke ondervinding gedurende den laatsten tijd, zouden kunnen bevestigen, wat die man u verteld heeft ? Zoudt gij bereid zijn in dien geest nog eenige moeite te doen ? A. Met zeer veel genoegen. Ik zal trachten zooveel mogelijk inlichtingen te verkrijgen. Men heeft slechts de namen te vragen van de werklieden die in de ovens werken. En die moeite wit ik mij gaarne getroosten, want het is om de waarheid fe doen. 9088. V. Ik dank u voor die toezegging- De vraag welke soort van scholen in Maastricht de beste is, ligt natuurlijk niet geheel op den weg van deze Enquête. Ik wil echter wel zeggen, dat uwe verklaring, dat het onderwijs op de openbare lagere school voor niet-betalenden hetere resultaten heeft opgeleverd, dan het onderwijs op de bijzondere school mij niet zoozeer heeft verbaasd als mijn geacht medelid dezer Commis.'ie, die u zoo even heeft gevraagd. Deze wees op het vreemde van uwe verklaring op grond dat de heer Lhoest hier heeft gezegd dat het onderwijs van beide soort scholen even goed is. Ik was echter over uwe verklaring niet zoo verwonderd, omdat andere getuigen ook hier in uwen geest verklaringen hebben afgelegd, dat namelijk het onderwijs op de openbare school voor niet-betalenden betere resultaten gaf dan dat op particuliere scholen. Ik heb daarbij het oog op de mededeelin- |
277
|
gen van de heeren dr Fouquet en Wijnen De laatste verklaarde dat «onze niet-be-talende openbare scholen uitstekend zijn ingericht en dat er buitengewoon goed onderwijs wordt gegeven, in sommige opzichten zelfs ruim zoo goed als op de bjjzondere scholen.quot; Daardoor wordt echter niet de minste vlek geworpen op het bijzonder onderwijs, want hij voegde er bij, dat de reden gelogen was in het betere gehalte der kinderen op de stads-armenschool. Het is dus volstrekt geen beschuldiging tegen een zekere soort scholen, en uwe verklaring kan zeer goed juist zija, zonder dat daarbij aan den eerbied voor het bijzonder onderwijs wordt te kort gedaan. Ik zal hierop niet verder ingaan ; de vraag licht trouwens minder op den weg dezer enquête. Maar waarop het in deze wel aankomt is de vraag, in hoe verre er werkelijk plaatsruimte voor de kindoren is, hetzij op de openbare, hetzij op de bijzondere scholen Dit ligt wel in onze richting, want indien er geen plaats op de scholen is, zal daardoor het vroeg gaan naar werkplaatsen en fabrieken in de hand gewerkt worden. Naar ik hoor â- en het is door do andere getuigen bevestigd â zijner op het oogonblik 70 plaatsen te weinig op de openbare, niet-betalende school. Mag ik vragen aan u, die de zaak hebt nagegaan, of die kinderen allen pas G jaar oud of .ook ouder zijn ? A. Dat kan ik u niet zeggen. 9080 V. Kunt gij mij dan ook zeggen of er ook gebrek aan plaats is op de bijzondere scholen? A. Evenmin. Alleen kan ik dit vorklaren, dat van die 70 kinderen er 16 reeds op de bijzondere school gaan en waarvan de ouders niet tevreden zijn met het daar gegeven onderwijs en bij vacature plaatsing voor hun kinderen verzocht hebben op de openbare school. Dit is het geval, wanneer ik mij niet vergis, met de bijzondere broeders- en meisjesscholen |
9090. De heer Ruys van Beereu-broek : Naar aanleiding van hetgeen door den heer Goeman Borgesius is aangevoerd en om misverstand te voorkomen, wensch ik op te merken, dat zoo mijn geacht medelid gezegd heeft dat andere getuigen hebben verklaard dat het onderwijs betere resultaten geeft op de openbare dan op de bijzondere scholen, dit zich bepaalt tot de getuigenis van den heer Fouquet, maar dat de heer Wijnon daar niet zoo over gesproken heeft. Ik voeg daar nog dit bij, dat de eenige getuige, die met reden van wetenschap eene verklaring heeft kunnen afleggen, de heer Lhoest is en ons diens verklaring volkomen bekend is. ik bemerk nog ten slotte, dat op de openbare lagere school voor kosteloos onderwijs niet gewoon lager onderwijs wordt gegeven, maar meer uitgebreid lager onderwijs ; dat zich daar bevinden niet alleen kinderen tusschen 6 en 12 jaar, maar zelfs, volgens de verklaring van den hoer Delfgaauw, kinderen tot 13, 14 en 15 jaar, en men in dat opzicht hoegenaamd geen haast maakt om kinderen op zekeren leeftijd te doen vertrekken wegens gebrek aan ruimte om voor anderen plaats te maken. 9092. V. De Voorzitter: Dan nu mijnerzijds céao vraag over het onderwerp dezer enquête. De Schets heeft een punt van bespreking uitgemaakt in den boezem van het bestuur van het Nut. Heb ik goed begrepen dat het bestuur van het Nut overtuigd is van de wenschelijkheid om den ouderdom, waarop do kinderen op do fabriek worden toegelaten, te verhoogen ? A. Ja, die verhooging is hoogst noodzakelijk. 9093. V. Was men eenstemmig in die meening ? A. Ja, unaniem. 9094. V. Was men het ook eens omtrent den leeftijd die dan moet aangenomen worden ? A. Minstens 14 jaren. 9095. V. In Maastricht heeft men ruimschoots gelegenheid om den invloed van het fabrieksleven op de individuen waar te nemen. Bestaat er ook bij het bestuur van het Nut eenstemmigheid omtrent den invloed van hot nachtwerk van aankomende jongens en meisjes en van vrouwen ? A. Men was eenstemmig van gevoelen dat die zeer nadeelig is on dat men daarvan den volgenden dag den nadee-ligen invloed ziet in de gezinnen. 9090. V. Heeft de ervaring, die gij en |
278
|
uwe ambtgenooten in het bestuur van het Nut hebben opgedaan, van de wijze van handelen in de fabrieken, er toe geleid dat zich al dan niet eene meening heeft gevormd aangaande de wensche-lijkheid van eone wettelijke beperking van de uren arbeid daags, die dan zoude zijn toegelaten voor kinderen die boven den geoorloofden leeftijd aan het werk worden gezet ? A. Wettelijke beperkingiswenschelijk. 9097. V. Hoeveel tjjd wenscht men voor kinderen van 16 tot 18 jaren? A. C tot 8 uren. 9008. V. Was onder uwe leden eenparigheid omtrent de wenschelijkheid om kinderen beneden de 14 jaren niet toe te laten, omtrent het verbod van nachtwerk door vrouwen en aankomende jongens en meisjes, en omtrent het niet onbeschermd laten van kinderen boven den geoorloofden leeftijd tegenover de patroons ? A. Omtrent alle die punten bestond eenparigheid van meening. 9009 De heer Beelaerts van Blokland : Betreft de als wenschelijk voorgestelde uitsluiting van kinderen beneden de 14 jaien alle of slechts sommige fabrieken ? A. Het Nut had het oog op de twee groote fabrieken, waar veel kinderen zijn. 9100. V. Dus de conclusie houdt verband met de feiten die men heeft mee-nen waar te nemen ? A. Ãn op de Ccramique èn bij de firma Regout, waar de meeste kinderen gebezigd worden, en welke fabrieken als 't ware de nijverheid van Limburg, althans van Maastricht vertegenwoordigen. 9-101. V. Alzoo kan die conclusie niet zóó worden opgevat dat men allen fabrieksarbeid, van welken aard ook, aan kinderen beneden de 14 jaar wil verbieden ? A. In zoover, dat er misschien fabrieken zijn waar geen kinderen gebezigd worden. In allen gevalle ia de ondervinding, die wij van de twee fabrieken hebben opgedaan, deze, dat het werken van kinderen beneden de 14 jaar nadee-lig is, en dat men dit ook kan aannemen voor alle fabrieken. |
9102. V. Dat is iets anders dan hetgeen ik straks uit uw zeggen begrepen heb, want nu zou men meenen dat, uit hetgeen omtrent die twee fabrieken onderzocht was, naar uw oordeel eene conclusie kon getrokken worden voor alle, A. Wij hebben het oog gehad op de fabrieken de Ccramique en op die van de heeren Kegout, maar ik geloof, in algemeene termen sprekende, dat het veel beter zou zijn dat kinderen beneden de 14 jaar niet op fabrieken werkten. 9103. V. Maar met die algemeene termen moeten wij eenigszins voorzichtig zijn. Het is mij te doen om duidelijk te maken de beteekenis van de wen-schen, die in het rapport zijn medegedeeld en door u mondeling nader zijn toegelicht. Laten wij dadelijk spreken van eene derde fabriek, de papierfabriek te Maastricht, waar de aard van het werk geheel anders is dan in de aardewerk- en glasfabrieken en waar veel meisjes werkzaam zijn. Is nu de wensch, in dat rapport uitgedrukt en door u toegelicht, dat ook daar een wetteljjk verbod zal zijn van kinderarbeid beneden de 14 jaren ? A. Neen, wij hebben alleen het oog gehad op de fabriek van den heer Regout en op de Céramique. 9105. V. Dus ook uwe wenschen naar eene wetteljjke beperking van het werken van jongelieden gedurende ten hoogste 6 of 8 uren, slaan enkel op die twee fabrieken? A, Ja. 9106. De Voorzitter: Intusschen heeft zich, naar ik onderstel, ook een andere factor doen gelden bij de overwegingen van het «Nutquot;, en wel dezer dat men overtuigd is dat het voor de richtige ontwikkeling van het kind zeer wenscheljjk is om het onderwijs eenigszins verder dan tot den 12-jarigen leeftijd uit te breiden? A. Natuurlijk. 9107. V. Daar geen van de heeren verder nog vragen wenschen te doen. dank ik u zeer voor uwe komst, alsmede het bestuur van het »Nutquot; voor de moeite die het zich getroost heeft. Uw verhoor is afgeloopen. F. De Bieberstein. |
279
|
Verboor van de heeren P, 31. Cour-tens en P. De Smits. (Verkort.) 9108 V. De Voorzitter: Wilt gij uw naam, voornamen, beroep en woonplaats opgeven ? A. Petrus Matbeus Courtens, oud 46 jaar, wever in de fabriek van den beer Jules Regout, te Maastricbt. 9109. V. En gij? A. Petrus de Smits, 46 jaar, en spin-meester in dezelfde fabriek. 9110. V. Gij zijt daar al lang? A. Van den aanvang der fabriek af. 9123. V. Getuige Courïens : Zieken komen bjj u op de fabriek niet voor, wel ? A. In bet geheel niet. 91 quot;24. V. Daarom hebt gij zeker uw fonds opgeruimd? A. Bedoelt gij de ziekenkas? 9125. V. Ja. A. Voor eenige jaren is dit geschied. 9120. V. Waarom? A. Er was gebrek aan werk en toen hebben de wevers onder elkander gezegd : wij zullen het fonds maar deelen, en zoo is dat gebeurd met toestemming van mijnheer. 9127. V. Heeft mijnheer daar toen geen bezwaar tegen gemaakt? A. Ja, bij had het fonds liever gehouden en dat was voor alle menschen 9128. V. Natuurlijk, maar was hij er tegen ? A. Ja zeker. 9129. V. Heeft hij zijn best gedaan om u van de verdeeling terug te houden ? A Ja. 9130. V. Dat was toen immers mijnheer Jules Regout? A. Ja. 9131. V. Heeft buiten hem nog een van de heeren met u gesproken over die zaak? A. Neen. 9132. V. Was, toen die quaestie op is gekomen van de deeling van de kas, mijnheer Jules Regout al op de fabriek, De Smits ? A. Ja, maar de firma was toen Regout en Westenraad. 9133. V. Hoe is toen met mijnheer Jules Regout onderhandeld over de vraag om het te doen of niet te doen? |
A. De wevers wilden een kleinigheid uit de kas hebben, hetgeen moest gaan met toestemming van de meesters. Toen zijn er ongeveer f 200 uit de kas onder de werklieden verdeeld en de rest van de kas is bljjven staan. 9134. V. Wat is er met die rest van de kas gedaan? A. Eenige werklieden hebben een brief opgemaakt met verzoek tot verdeeling en heeft er eene stemming van de meesters plaats gehad of men al dan niet de kas zou verdeelen. De zaak was deze : wanneer een werkman ziek werd dan ging hij naar het hospitaal, maar dan ging het geld ook uit de kas naar het hospitaal en de vrouw kreeg niets. | Hiertegen kwamen zij op. 9135. V. Gij hebt toen begrepen dat het maar beter was zulk een fonds er niet op na te houden? A. Jawel. 9136. V. Getuige Courtens, herinnert gij u dit alles? A. Getuige Courtens: Ja zeker. 9137. V. Maar dat hadt gij toch anders kunnen inrichten, gij hadt bij voorbeeld kunnen bepalen dat wanneer iemand naar Calvariënberg moest, het geld uitgekeerd zou worden aan zijn gezin ? A. Ik met een paar anderen was ook tegen de opheffing. Maar er waren meer stemmen die de opheffing wenschten. i 91S8. V. Hoeveel loon hebt gij tegenwoordig ? i A. Ik ben stukwerker, ik werk per kilo en verdien zoowat 12,13,14 francs in de week. 9139. V. De loonen worden altijd prompt uitbetaald, men laat u nooit tot een volgende week wachten? A. Nooit. 9140 V. Getuige Smits, hoeveel verdient gij ? A. Als spinmeester 5 francs per dag ? 9141. V. Zijn er aankomende jongens of meisjes op de fabriek, die ook nog al aardig wat verdienen ? A. Geen onder do 14 jaar. 9142 V. Maar toch een van pas 14jaar? ] A. Ja. 9143. V. Maar is er op hetoogenblik een, die er zoo vlug mede weet om te gaan, dat zij reeds tegen een volwassene op verdient? Heb ik dat niet van den heer Rogout vernomen ? |
280
|
⢠zijn er een paar van lo a -lü jaren, die, wanneer zij goed doorwerken, al evenveel kunnen verdienen als ik zelf. 9144. V. Overwerk, nachtwerk of Zondagswerk komt niet voor, dus wordt ook van de kinderen niet gevergd ? üm half zeven 's avonds hebben zij afgedaan ? |
A. Zoo is het. 9145. De Voorzitter: üw verhoor is afgeloopen. P. M. Colrtexs-P. De Smits. |
ZITTING VAN DONDERDAG 27 JANUARI 1S87.
Tegenwoordig de heeren:
Verniers van der Loeff, Voorzitter. \ Heldt.
Goeman Borgesius, Onder- Voorzitter. Van Alphen.
Ruys van Beerenbuoek. J. D. Veegens, Griffier.
|
Verhoor van den hoer J. Lambrix. 9146. De Voorzitter: Wilt gij uw naam, voornaam, ouderdom, beroep en woonplaats opgeven ? A. Jacobus Lambrix, oud 44 jaar, van beroep graveur, wonende te Maastricht 9147. V. Waar zijt gij graveur ? A. Op de Céramique. 9149. V. Waar zijt gij vroeger geweest ? A. Bij do firma Regout. 9150. V. Hoe lang zijt gij bij de Céramique ? A. 4'/, jaar. 9151. V. Hoe lang zjjt gij bij do heeren Regout geweest? A. Van 15 December 1853 tot 6 Juni 188'2. 9152. V. Dus 29 jaar ? A. Ja. 9153. V. Zijt gij altijd graveur geweest ? A. Ja. 9154 V. Graveur in het glas? A. Neen, in het rood koper. 9155. V. Dat is dus zeker om de plaques te maken van de teekeningen, die later op het faience gedrukt worden ? A. Ja. 9156. V. Gij hebt dus nu op de Céramique, evenals vroeger bij de heeren Regout, een arbeid waaraan geen bijzondere gevaren verbonden zijn ? A. Neen, geen gevaren, het is den geheelen dag zitten. 9159. V. Zijt gij met vele andoren in hetzelfde lokaal op de Céramique ? |
i A. Met één jongen, die mijn neef is. 9160. V. En hoe was het bij de firma Regout ? A. Daar waren nog wel vijf personen i in één lokaal. 9161. V. Om nu bij de Céramique te blijven, hebt gij den jongen, dien gij bij u hebt, uitgekozen, of is u die aangewezen door den heer Jaunez? A. Dien heb ik medegebracht van de firma Regout. 9162 V. Dus gij hebt dien uitgezocht? A Ja, hij is, zooals ik zeide, mijn neef. 9163. V. Betaalt gij dien jongen, of wordt hij door de fabriek bezoldigd? A. Bij de firma Regout betaalde do fabriek den jongen, bij de Céramique betaal ik hem zelf. 9164. V. Hoe lang werkt gij ? A. Bij de firma Kegout negen uren, van 8â12 en van l'/a tot 6 Va unr. Op de Céramique is mijn komen en gaan aan mijn vrijen wil overgelaten. Maar dit geldt alleon voor mij; het overige personeel heeft vaste werkuren. 9165. V. Dit is zeker omdat de heer Jaunez vertrouwen in u stelt en omdat hij u per stuk betaalt? A, Ik word betaald per stuk en per uur. 9166. V. Dus op tweeërlei basis? A. Als het werk niet op stuk betaald kan worden, dan word ik betaald per uur. 9167. V. Maar in den regel zult gij per stuk betaald worden? A. Ja. 9168. Wat verdient gij gemiddeld? A. Per uur een franc, per stuk iets meer. |
281
|
9169. V. Is de tijd van werken per dag aan u overgelaten? A. Ja. Ik werk van half'negen tot 12, van half' twee tot 6, en als het druk is tot half zeven. 9172. V. Hoe oud is uw neef? A. 22 jaren. 9173. V. En gij spraakt van een jongen ! Dus een volwassen man; werkt hij even lang als gij? A. Ja. 9174. V. Staat gij hem een deel van uw loon af? A. Wat hij maakt wordt mij volgens mijn prijs betaald. Ik betaal hem zeker bedrag per uur, het meerdere is mijne winst. 9175. V. Dat is dus eene schikking tusschen u beiden, waarbjj uw neef' zeker belang heeft, doordien gij hem het vak leert? A. Ja. 9716. V. Anders ware die regeling niet in zijn voordeel ? A. Hij is bjj mij groot gebracht. 9177. V. Dat samen verklaart eenigs-zins de afwijkende regeling. Werktet gij bij de heeren Regout uitsluitend op stuk ? A. Altijd op daguur. 9178. V. Verdiendet gij daar minder? A. 40 cents per uur, dus f 3.60 van 8â12 en van 1%â0'/2 uren. 9179. V. Komt gij op de Céramique wel eens in andere gedeelten der fabriek dan waar gij voor uw werk zijn moet? A. üat gebeurt wel eens. 9180. V. Dus gij ziet wat er omgaat? A. Zeker. 9181. V. Kent gij de mensohen die de ovens uithalen, en hoort gjj hen wel eens klagen dat dit zulk een zwaar werk is? |
A. Ik zie dat uithalen dikwijls, maar dat werk is niet zwaar, üe ovens zijn afgekoeld vóór de mensohen er in gaan, daar men nu ovens genoeg heeft. Die menschen zien er dan ook goed uit. Zij vormen eene ploeg, die de ovens uitpakken, en dan zijn er vrouwen, die de cassetten^ welke die menschen uit-akken, naar het magazijn brengen. Bij e firma Rogout zijn die cassetten soms zoo heet, dat die vrouwen iets om de handen moeten hebben, om die waren â¼ast te kunnen houden. In vroegere jaren kregen die menschen handschoenen van de fabriek, die van oude ballen gemaakt waren; tegenwoordig moeten zij lompen meebrengen om die om de handen te wikkelen. Dat is eene ploeg, wat vroeger nooit geweest is, die anders niets doet dan in- en uitpakken. Dat heeft men in de Céramique niet Iedere ploeg is daar voor twee of drie ovens. Wanneer de eene oven vol is, wordt de andere leeggepakt. en in dien tijd de eene heet gestookt, li ij de firma Kegout daarentegen heeft men een ploeg, die niet anders doet dan ovens uitpakken ; die gaat van den eenen oven naar den anderen ; er zijn andere menschen om de ovens vol te maken. Dat is eene ploeg, die men vroeger wel eens de waterploeg, ook wel martelaarsploeg noemde. Ik behoef u niet te zeggen, hoe die mensohen moesten werken als zij zulk een naam kregen. 9182. V. Waarom noemde men die ploeg de waterploeg ? A. Omdat voor de menschen, die uit de ovens kwamen, kruiken water gereed stonden om te drinken en zich te verkoelen. 9183. V. Is dat op de Céramique niet het geval ? A. Neen 9184 V. Krijgen zjj daar dan misschien niemendal, zelfs geen water? A. Do menschen behoeven daar zooveel water niet te drinken, omdat de ovens er meer afgekoeld worden en zij niet zoo bezweet zijn. 9185. V. Zijt gij in den laatsten tijd wel bij de ovens geweest? A. Ue vorige week. 9186. V. Wat deden zij toen ? A. Den oven uitpakken. 9187. V. Hebt gij er toen naar gekeken, of zijt gij er maar langs geloopen ? A. Ik ben er slechts langs gegaan. 9188. V. En dus hebt gij niets bijzonders opgemerkt? A. Neen. 9189. V. ik zal op den man af eens wat vragen Men heeft ons gezegd dat het in de Céramiijue voor de menschen zulk machtig kwaad werken is; gelooft gij dat? A. Neen, dat geloof ik niet. 9190. V. Ik geloof het ook niet; maar zeg ons uwe meening eens wat nader. |
282
|
want gij weet het en wij weten het niet. A. Do menschen in de Cérandque werken veel pleizieriger; zij zijn opgeruimder, en er zit meer leven in hen, omdat zij niet zoo onder tucht staan. Het heeft mij erg verwonderd, toen ik daar kwam, dat de mensehen er zoo opgewekt en monter waren; zij praten, rooken er een pijp, althans die boven de 18 jaar zijn, de meiden zingen, drinken warme koffie of braden een stuk spek, en dat alles onder de oogen van den directeur, die daar niets van zegt. Ik vond dat zeer prettig, en eene groote tegenstelling met hetgeen bij de firma Regout gebeurt, waar al die dingen niet mogen plaats hebben. Daar is het wel zoo erg, dat men geen eens warme koffie mag drinken, die moet maar koud gebruikt worden. 9191. V. Waarom? A. Omdat er anders te veel tijd verloren gaat. 9192. V. (Jij hebt zoo meteen gesproken over de waterploeg, schiet u nu geen naam te binnen omtrent die koude-koffie-historie ? Denk eens goed; ik meen er wel eens van een gehoord te hebben ; zeg hem eens? A. De koude-koffie-vriend. Die heer kon niet lijden, dat wij gaarne de koffie warmden. 9193. V. En waarop slaat die naam ? A. Op een zoon van een van de hoeren. 9194. V. Dus die dwong u om de koffie koud te drinken ? A. Ja 9195. V. Omdat het warmen te veel tijd wegnam ? A. Ja. 9190. V. Op de Céranüque is het andera ? A. Als de werklieden des morgens komen, mogen zij de koffie op de verwarmingsbuizen zetten, dan is ze des middags goed warm ; dit mag des middags tusschen half één en 4 uur ook gebeuren. 9197. V. üij zijt ondertusschen toch nog al lang gebleven bij de firma Regout? A. Ja, heel lang, ik heb het vroeger ook heel goed gehad, maar toen de zoon kwam, kon ik het niet meer uithouden. 9198. V. Waarom niet? |
A. Het geld, dat ik verdiende, scheen hem in de oogen te steken, en toen ik dat in de gaten kreeg, heb ik uitgezien naar eene andere positie. 9199. V. Was 40 centen per uur te veel ? A. Ja. 9200. V. En thans verdient gij een franc ? A. Ja. 9201. V. En hebt een beter patroon ? A. Ja, 9 maanden later heeft de firma Regout wel getracht mij terug te krijgen, maar ik heb bedankt. 0203. V. Nu moeten wij nog eens over de ovens praten, üij hebt gezegd, dat gij er verleden week langs zijt gekomen, waart gjj er toen in lang niet geweest? A. Neen, ik kan er de week te voren nog wel geweest zijn; ik kom er wel eens meer. 9204. V. Houdt gjj daar dan nooit eens een praatje ? A. Neen, met geen van die menschen. 9205. V. Maar gjj hoort dan wel wat die menschen zoo zeggen? A. Ja, dat hoor ik wel. 9306. V. Nu juist gezegd zooals het is â ik zie wel aan uw gezicht dat gij niet jokt, maar ik moet het u toch op het hart drukken â gij hoort van die menschen, die in de Céramique aan die ovens werken, geen klachten over dat werk ? Of wel ? A. In het geheel niet. 9207. V. Maar bij de heeren Regout wel? A. Zeker wel. 9208. V. Kunt gij u nu wel begrijpen dat een van de lieden, die tot die ploeg zou behooren van de ovens aan de Céramique, te goeder trouw zou kunnen gezegd hebben dat dit werk daar zulk een slavenwerk zou zijn, dat de menschen daar in de ovens gejaagd worden als zij nog zoo heet zijn, dat zij de handen branden, er half in stikken, enz. enz.? A. Dat kan wel zijn, bij het werkvolk vindt men alle soort van menschen, die nooit tevreden zijn, maar over het algemeen zal dat niet gezegd worden. 9209. V. Maar tusschen ontevreden zijn en jokken is onderscheid. Men kan de waarheid zeggen en ontevreden zijn, dat moet ieder voor zich zelf weten. Doch deze man moet, naar hetgeen gij |
2S3
|
weet, en gij zijt daar nu al een heelen tijd, eenvoudig gelogen hebben ? A. Natuurlijk. 9*210. V. Dus ge hebt er nooit van gehoord op do Cértmiique'i A. Nooit. 0211. V. De monachen zelf van de ploeg, die aan de ovens van de Céra-miquc werken, spreekt gij niet? A. Neen, Mijnheer de Voorzitter. 9212. V. Maar dat belet niet. dat gij toch het andere volk van de fabriek spreekt ? A. Zeer zeker. 9213. V. En wanneer er bij de ovens op de Cérannque inderdaad dingen van dien aard gebeurden, wat heel erg zou wezen, gelooft gij dan niet dat u dit ter oore zou gekomen zijn ? A. Ongetwijfeld; wanneer zoo iets gebeurde, dan zou deze of gene hot mij wel verteld hebben. 9214. V. Wanneer gij op de Cérami-que zijt, dan hebt gij waarschijnlijk toch wel eens naar de ovens gekeken. Hebt gij zelf gezien en gevoeld dat de artikelen koud uit den oven gehaald werden ? A. Ja, Mijnheer de Voorzitter. 9215. V. Is dat de waarachtige waarheid ? A. Dat is de waarachtige waarheid. Ik heb nog nooit gezien, dat de arbeiders zich bij het uitpakken brandden. 9916. V. En hebt gij dat wel gezien op de fabriek van de firma Regout ? A. Zeker, Mijnheer de Voorzitter ! 9221. V. Weet gij over de ovens nog het een en ander te vertellen' A. Neen. Mijnheer Ik kwam slechts enkele malen in de ateliers. Wanneer ik des morgens om 8 uren kwam, moest ik in den regel tot 12 uren blijven zitten. 9222. V. Gij zeidet straks, dat het u somtijds was opgevallen, nadat ge aan de Céramique waart gekomen, dat de stemming aldaar zooveel beter, zooveel opgewekter en tevredener was, omdat do werklieden daar niet zoozeer onder de tucht zitten als bij de heeren Regout. Daarmede wilt ge toch niet zeggen dat op de Céramique ieder zijn eigen gang gaat en doet wat hem invalt? |
A. In het geheel niet. De bedoeling is, dat, wanneer in de Céramique de werklieden maar geregeld voortwerken, zij niets te hooren hebben, terwijl zij bij Regout, al werken zij nog zoo goed, altijd last hebben van observaties. 9223. V. En blijft het bij observaties ? A. Soms wordt ook hun loon verminderd. Dit gebeurt zelfs in den regel. 9224. V. Wat gebeurt er in den regel ? A. Aftrekken. 9225. V. Komt dat dan zoo dikwijls voor ? A. à jé! 9227. V. Maar een man als gij hadt daar toch geen last van ? A. Voorloopig niet, maar ik zag het aankomen en heb mij in achtgenomen. 9228. V. Gij hebt een ander onderkomen gezocht? A. Ja, en toen eene plaats aan de Céramique openviel, 't geen niet eiken dag gebeurt, heb ik daarvan geprofiteerd. Ik had gedacht mijn leven bij de firma Regout te verslijten, daar ik er reeds 29 jaar in dienst was? 9220. V. Maar waaraan merktet gij dat uwe vooruitzichten niet zuiver waren ? A. Mijnheer Emile kwam en zeide: Voor het geld dat gjj hier trekt kan ik wel een vreemde nemen. Ik antwoordde : Ik zal opataan, laat maar een vreemde komen. Daarop zeide hij weer: Dat meen ik niet. Hij wilde het loon van deleer-jongens verminderen, maar ik zeide: die verdienen ten volle hun geld. En als hij met de leerjongens begon, zou het natuurlijk met mij vervolgd zijn. Er is nog niemand in mijne plaats. Zij hebben een jaar geadverteerd, maar er is nog niemand gekomen, want een goed werkman, die hoort dat het is voor de fabriek van de firma Regout, komt niet. 9230. V. De heeren hebben toch men-schen genoeg? A. Zij hebben zelfs menschen te veel. 9231. V. Hoe menschen te veel 1 A. Ja, daar zij er gedurig nog al bedanken. 9232. V. Hoe is het met de boeten op de Céramique ? A. Ik hoor wel dat deze of gene gestraft wordt met een dag naar huis te gaan, maar daarvan weet ik niet veel te zeggen. 9233. De werkman kan het er naar maken. Maar hoort gij in de Céramique er wel over klagen ? |
284
|
A. Neen, ik hoor geen klachten. 9234. V. Wordt er in de Céramique â dos nachts gewerkt. A. Alleen voor het stoken der ovens. Maar anders niet. f)235. V. Het blazen gebeurt toch 's nachts? A. In de Céramique wordt geen glas vervaardigd, alleen aardewerk. 9236. V. Bij de firma Regout is het nachtwerken nog al druk ? A. Ue ovens en de blazerij moeten dag cn nacht gaan. 9237. V. (jij zijt lang bij de firma Regout geweest, vóór 1874 waart gij er al. Hoelang werktet gij daar'? A. In het begin werkte ik van 6 tot 8, van S'/j tot 12 en van 1 tot 4 uur. Na 4 uur ging ik naar de teekenschool. Daar bleef ik tot mijn 18de jaar. Daarna heb ik gewerkt van 's morgens 8 tot 's avonds 6 uur. 9238. V. Bespeurdet gij iets van hetgeen na 6 uur des avonds aan de fabriek omging ? A. ©GD 9239. V. Hoor de t gij nooit iets? A. Neen. 9240. V. Ik spreek nu van vóór 1874. Hoordet gij niet dat kleine jongens naar de blazerij gingen ? A. Ik heb wel kleine jongens naar de blazerij zien gaan des nachts te half 12 tot den volgenden middag half 12. Thans is dit veranderd; nu is het werk bepaald van 6 tot 6 uren. 9241. V. Maar er is nog meer veranderd; nu mogen de kleine jongens niet meer werken: hoe was het toen ? A. Er waren kinderen van 9 a 10 jaar, heele kleine kinderen, wier leeftijd ik niet op een jaar schatten kan. 9242. V. Kwamen die kleine kinderen des nachts te half 12 op, om dat werk â te beginnen? A. Ja. 9243. V. Dat is nu uit, maar nu zijn «r jongens van 14 tot 16 jaar, die hetzelfde doen en 0 nachten achter elkaar daar zitten? A. Ja, ik meen dat zjj om de 14 dagen ruilen. 9244. V. Hebt gij die jongens er wel eens heen zien gaan ? A. Neen. |
9245. V. Hoeveel man is die ploeg sterk, die in de Céramique aan de ovens werkt ? A. Dat kan ik niet juist bepalen. Er zijn twee ploegen. 9246. De heer (jroenuui Borgesius: Hoe geschiedt dat aftrekken bij de firma Regout ? A. Dat gaat bij voorbeeld zoo. Een drukker krijgt voor honderd dozjjn borden f 2. Daar zijn er echter, die minder verdienen dan de anderen, bij voorbeeld f 1,80 a f 1,90, omdat zij minder vlug zijn. Voor deze wordt de rekening gemaakt volgens den man die het meeste verdient. 9247. V. Dan maken zij het zoo dat de menschen, die minder vlug werken..... A . . . bijna niets verdienen. 9248. V. Werd het altijd vooruit bepaald wanneer de aftrek zou plaats hebben, of geschiedde het ook over de '14 dagen waarin reeds gewerkt was? A. Toen ik er was word 14 dagen, een maand, anderhalve maand, vooruit gezegd, dat een lager tarief in werking zou komen ; altijd werden de menschen vooruit gewaarschuwd, voor zoover ik weet. Of het na mijn tjjd veranderd is, kan ik natuurlijk niet zeggen, 9249. V. Geschiedt die aftrek zoo dikwijls en in zoo groote mate dat daardoor de loonen gedrukt werden, of was er in den regel nog eeno kleine verhooging van loon, als men over enkele jaren de rekening maakte'? A. Ik versta u niet. 9250. V. Men kan door machines in te voeren het werk voor het volk gemakkelijker maken, zoodat de tarieven wel verlaagd worden, maar dat per slot van rekening de werklieden toch meer dan vroeger verdienen, maar men kan het ook zóó inrichten dat de werklieden ten slotte minder verdienen, niet waar 1 A. üp de drukkerij zijn geen nieuwe machines gekomen, do inrichting bestaat daar sedert jaren. De loonen gingen altijd achteruit. 9251. V. Zijn in de Céramique de loonen ook achteruitgegaan? A. Ja, maar niet zoo erg als daar. Ik weet alleen af van de drukkerij, omdat dit mijn vak is. liij ons verdient een drukker 38 of 40. soms ook 42 francs, terwijl er tegenwoordig ook zijn die 18 en 13 gulden verdienen. |
285
|
0252. V. Moet ik daaruit opmaken dat, wat de afdeeling «drukkerijquot; betreft, de ioonen in den regel hooger zijn bij de Céramique, dan bij Regout? A. Juist. 9253. V. Zijt gij ook bekend in de aardewerkafdeeling van beide fabrieken ? A. Neen, in de andere fabriek kom ik niet. Maar zoo gij wilt, kunt gij zeer gemakkelijk iemand krijgen, die u de beste inlichtingen omtrent de fabriek van den heer Regout, wat de pottenbakkerij betreft, zal geven Het is een jongmensch van 20 ü 27 jaar, vroeger faïeneier, genaamd Wilhelm Heltzer, die het werk niet kon volhouden en dienst genomen heeft. Hjj is op het oogenblik bij de grenadiers. 9254. V. Gij weet dat in deze afdeeling bij alle fabrieken klachten over tering en andere borstziekten gehoord worden Hebt gij ook bemerkt, dat in dit opzicht de eene fabriek schadelijker is dan de andere, of kunt gij ook feiten aangeven waaruit blijkt, dat in de eene fabriek meer stof gemaakt wordt dan in de andere ? A. Daarover valt noch bij den heer Regout, noch bij de Céramique te klagen. De menschen moeten bij den heer Regout overhard werken; daaruit ontstaat de ziekte. 9255. V. De werktijd bij de firma Regout is niet zoo lang; moet ik hieruit opmaken dat zij daar meer moeten overwerken ? A. Neen, dat niet, maar als zij eenmaal een tour hebben, moeten zij onaf-gebi oken voortwerken; zij mogen er nauwelijks den tijd afnemen om een kop koffie te drinken en hebben altijd iemand achter zich die hen opzet en surveilleert en er rapport van maakt als iemand heet te luieren. Gebeurt het een paar maal dat er aanmerkingen te maken zijn, dan wordt de man beboet met 10 percent. 9250. V. Is die verplichting om altijd door te werken bij de Céramique minder streng ? A. Ja. 9257. V. Ik hoorde u spreken van 10 pet. Hce heb ik dat op te vatten? A. Dat is eene korting die voor 1 of 2 maanden wordt opgelegd, zooals ik hoor. |
9258. V. Weet gij het niet positief? Er zijn er geweest die hetzelfde hebben verklaard, maar anderen hebben het weder tegengesproken. A. Ik heb het van hooren zeggen. Als een werkman quot;s morgens 5 minuten na 7 uur te werk komt, moet hij dien dag verzuimen en wordt hij gestraft met 10 percent. 9259. V. Dat wil dus zeggen 10 pet-korting over het stukloon ? A. Ja. 9260. De Voorzitter : Gij zegt, dat, gij het niet positief weet ? A. Ja, ik heb het van hooren zeggen. 9261. V. Lambrix, is er nog het een of ander, dat gij begrijpt dat gij nog over de zaak aan ons zeggen kunt? A. Er is nog wel wat, de ziekenkas, bij voorbeeld. 9202. V. Vertel dat eens aan ons. A. Bij de firma Regout hebben de werklieden, die bij de drukkerij en de ovens werken, één kas; die was vroeger zoo ingericht, dat men half geld kreeg, en wij betaalden toen een half percent en er was geld in kas. Later is het reglement veranderd en toen moest er een weduwenfonds bijgemaakt worden uit dezelfde kas. Nu moet u mij goed verstaan: een weduwenkas is goed voor jonge werklieden, maar niet voor oude. Ik heb gereclameerd, maar er was niets aan te doen. Ik was getrouwd en betaalde in den regel het meeste van alle werklieden. Ik had geen kinderen en als ik kwam te overlijden kreeg mijne vrouw niets, waarvoor moest ik dat geld dan missen ? Een oud werkman, die jaren gestort heeft, heeft natuurljjk geen kinderen beneden de 12 jaar, en als die komt te overljjden, krijgt de vrouw ook niets. De heeren maken de reglementen op hun eigen houtje. Onlangs is er de bepaling gemaakt, dat zij die eene herberg houden, moeten uitscheiden met aan de kas te betalen. Ik wilde, dat aan die menschen hun geld terug werd betaald, en als dat in het reglement stond, voordat zij een herberg begonnen te houden, dan deden zij het niet; zoo is het bij de Céramique. Stel nu dat de man ziek wordt; in |
286
|
elk huishouden kan zoo'n man niet krijgen wat hij noodig heeft, en dus de dokter zegt dat de man naar Calvariën-berg moet. De man gaat daarheen, en dan krijgt het gesticht 50 ets. en met de rest moet de vrouw maar met de kinderen omspringen. 9'263. V. Ik heb u niet in de rede willen vallen, maar één ding heb ik niet begrepen. Oij zijt begonnen met te vertellen dat er een ziekenfonds was en dat men er een weduwenfonds bijgemaakt heeft, maar toen hebt gij ons doen opmerken, dat dit weduwenfonds wel gued zou zijn voor jonge werklieden maar niet voor oude . . . A. Juist, want deze hebben er geen nut van, maar moeten toch hot meest betalen. 92C4. De heer (roeiiian Borgesins: Ik meen dat, zooals het weduwenfonds hier is ingericht, de weduwe niets krijgt wanneer zij geen kindoren beneden de twaalf jaren heeft. 9265. De Voorzitter: Is dat de bepaling ? A. Ja, een vrouw die geen kinderen beneden de twaalf jaren hoeft, krjjgt niets. 92C6. V. Dus gij moest contribueeren aan dat fonds, en kondt er nooit iets uit trekken, evenmin als de oude werklieden, die natuurljjk slechts kinderen boven de 12 jaar hebben. Is het zoo ? A. Juist. 9267. V. Dat was geen plan, dat van ulieden uitging? A. Neen, in het geheel niet! 9268. V. Het is dan een plan geweest van de fabrikanten ? A. Juist. 9269. V. Welk denkbaar belang konden de heeren gehad hebben om de werklieden te dwingen in dat weduwenfonds op die voorwaarden deel te nemen ? A. Volgens mijne meening hebben die heeren het gedaan om aan hunne deur niet meer lastig gevallen te worden door weduwen van overleden arbeiders der fabriek. Wanneer nu eene weduwe zich bij een van de heeren aanmeldt, dan krijgt zij ten antwoord; gij zjjt in een fonds, üp die wijze hebben zjj niets te betalen. |
9271. V. Wat gij gezegd hebt van den Calvariënberg, hebben wij ook van andere kanten gehoord Krijgt de Calvariënberg, als de man daar opgenomen is. slechts 0.50 per dag? Weet gij dat zeker? A Ja zeker, Mijnheer de Voorzitter. 9272. V. Dus het gesticht krijgt niet de goheele uitkeering? A. Neen, Mijnheer de Voorzitter. 9273. V. Bedraagt de uitkeering van het ziekenfonds meer dan f 0,50? A. Dat is naar gelang der verdiensten. 9274. V. Dus wanneer de uitkeering hoogcr was. dan bleef dit restant voor vrouw en kinderen ? A. Dat blijft voor vrouw en kinderen. 9275. V. En naar uw weten is dit nog zoo ? A. Ja. 9276. V. Hebt gjj nog wat te zeggen ? A. Dit nog. Als de menschen 20, 30 jaar zijn, in de kracht van hun leven dus, en veel verdienen, dan wordt er veel aan het ziekenfonds betaald, maar worden zij ouder, dan verdienen zij minder en krijgen niet uit het fonds wat zij vroeger hebben gestort. 9277. V. Als ik u goed begrijp wilt gij dit zeggen. De berekening van hetgeen de menschen op hun ouden dag uit het fonds krijgen, geschiedt naar de verdiensten die zij gemaakt hebben in den allerlaatsten tijd, toen de loonen niet zoo hoog waren als in hun krach-tigen leeftijd; op die wijze zijn zij dus slechter af'? A. Juist, Mijnheer de Voorzitter. 9278. V. Ocderfusschen komen toch vele menschen, die bij de heeren Regout gewerkt hebben, voor rekening van het stedelijk armbestuur ? A. Ja, maar de dokter kan die menschen niet alles in het huisgezin geven wat zij noodig hebben. En dat kan wel in een gesticht. 9279. V. Dit betreft echter zieken. Maar wat gebeurt nu met de afgeleefde, versleten werklieden? A. Die worden naar huis gezonden met 32 cents per dag uit de ziekenbus. 9280. V. En behouden zij dit tot hun dood toe ? A. Dat weet ik niet. 9281. V. Dus krijgen zjj toch iets? A. Ja, al de dagen dat de fabriek |
287
|
werkt; met kermissen en op Zon- en feestdagen niets. 9282. V. Dus er zijn u geen gevallen bekend, dat iemand van het werkvolk die, na lange jaren, bij voorbeeld tot zijn 50ste of 60ste jaar, op de fabriek geweest te zijn, zonder bepaalde ziekte, alleen omdat hij niet meer werken kon, gedaan kreeg, niets ontving? Zoo iemand trok dan altijd nog uit het fonds? A. Uat weet ik niet. Wel is het mij bekend, dat menschen, die 40 jaren gewerkt hadden, quaestie kregen, en zonder iets de deur uitgezet werden. 9283. V. Dan krijgen zij ontslag, omdat hun werk niet deugt, en verliezen zij alle aanspraak op onderstand? A. Zij krjjgen alleen iets, wanneer de heer Regout erkent dat zij er aanspraak op hebben. Maar er is gauw een reden gevonden om een man, die oud is en dus niet zoo goed meer werken kan, te ontslaan. Dan hebben zij niets meer te vertellen. 9284. V. Hebt gjj nog iets te zeggen? A. Er is nog eene zaak. De heer Eugène Regout heeft onder zijn directie metselaars, smeden, witters en dergelijke. Die mijnheer geeft bijv. een werk uit voor f 10, maar de man mag niet meer verdienen dan f 1,50 daags. Heeft hij nu zoo vlug gewerkt, dat het werk spoedig af is en hij meer dan f 1,50 daags verdiend zou hebbben, dan wordt dat meerdere ingehouden. 9285. V. Hij besteedt het werk dus uit voor eene vaste som, waar de man het voor moet leveren. Als de man er langer over moet werken, is mijnheer er dus af met die vaste som te betalen; maar als hij spoedig klaar is, wordt gezegd; gij hebt f 1,50 por dag verdiend; en dan is het daarmede afgedaan. Zou dat uwe bedoeling zijn ? A. Ja. 9286. V. Maar dan is het belang voor den man, om hard te werken, weg ? A. Natuurlijk, hij zal luieren ; maar er zijn menschen die voor zoo iets niet berekend zijn, en dan, als zij het werk opleveren, minder ontvangen. 92^7. V. Maar dan wordt er geen woord gehouden? |
A. Natuurlijk niet; maar het reglement bestaat zoo. Als er bijv. werk uitgegeven wordt aan een witter, en de man wit heden 100 meter, maar hij weet niet dat hij honderd meter gewit heeft; zijn werk wordt opgemeten en dan blijkt het, dat hij 20 of 30 centen meer verdiend heeft dan bij reglement bepaald is. 9289. V. Wat bedoelt gij met dat reglement? A. Er is bepaald, dat men niet meer mag verdienen dan een kwart boven het loon. 9290. V. Staat dit in het reglement? A ik het nooit gezien, maar die regel bestaat. 9291. V. Met reglement bedoelt gij dus een regel, dien de heeren gesteld hebben ? A. Wat boven zeker bedrag gaat, ontvangen do werklieden niet. Zij moeten dus zelf maar zorgen buiten de loonsvermindering te bljjven. Maar dat is niet altjjd gemakkelijk. De menschen worden gesurveilleerd, dus zij moeten geregeld doorwerken ; van luieren is geen quaestie. 9292. V. Hebt gij nog wat te vertellen? A. Ik wenschte aan de heeren mijne recommandatie te laten zien, die ik bij mijn vertrek van de fabriek der heeren Regout ontvangen heb. De recommandatie luidt: «Lambrix, Jacobus. «Aangenomen 15 December 1853 als graveur op koper, verlaat heden de fabriek, vrij van verplichtingen. «Maastricht 6 Juni 1882. »pr. Petrus Regout amp; O. (Get.) V. Dishoeck.quot; 9293. V. Hebt gij een ander certificaat gevraagd ? A. Ik heb een certificaat gevraagd, en toen is mij dat stuk gegeven, dat niet door een der heeren Regout maar door een administrateur is geteekend. 9294. V. Gij meent, als ik u goed begrijp, dat het certificaat na '29 jaren trouwen, eerlijken dienst er wel anders had kunnen uitzien ? A. Dat bedoel ik. 9295. V. Hebt gij al dien tijd bijgedragen aan de ziekenkas ? A. Tot den laatsten dag. 9296. V. Hoeveel ? A. 1, 1V2 a 2 pet. 9297. V. Gedurende die 29 jaren ? |
288
|
A. Neen, men begint te contribueeren op het 18do ,iaar. 9298. V. Wanneer zjjt gij geboren ? A. In 1843. 9-299. V. Gij zijt dus een stijve 20 jaar in de kas geweest; wat verdien-det gij in het .jaar ? A. In 1807 ongeveer f 700. 9300. V. Dus gij betaaldet jaarlijks ongeveer f 77 ? A. Dat weet ik niet meer. 9301. V. Maar gij hebt al die jaren tot de ziekenkas bijgedragen, en dat geld zijt gij nu kwijt? A. Ja, maar dat wist ik van te voren. 9302. Uw verhoor is nu afgeloopen. Wij danken u voor uwe komst. A. Ik dank u hartelijk voor de moeite die gij u geeft voor de werklieden, hee-ren, en ik hoop dat het u allen goed moge gaan. J. Lamdrix. Verhoor van den heer Waleffe. (Verkort.) 9303. De Voorzitter: Mag ik u verzoeken voornaam, naam, ouderdom, beroep en woonplaats op te geven ? A. Edouard Waleffe, ingenieur-honoraire van de hoogeschool te Luik, directeur der maatschappij J. Rooourt en O' en van de Société anonynie »Ne-derlandsche Zinkwitfabriek-maatschap-pijquot; te Maastricht, wonende te Meers-sen. 9304. V. Gij hebt dus twee fabrieken en twee maatschappijen? A. Ja, maar de gemeenschap tusschen beide is zeer gemakkelijk, omdat Eysden aan de spoorlijn Luik-Maastricht ligt en het tweede station van Eysden Ver-viers is. Men kan gemakkelijk den morgen te Eysden doorbrengen en den avond te Maastricht. Te Eysden zijn 27 werklieden, waarvan een opzichter, twee machinisten, â 16 die aan de ovens werken, vier em-balleurs, en vier sjouwerlieden. 23 zijn ouder dan 28 jaar, de helpers zijn van 20â24 jaar. |
Te Maastricht hebben wij 40 werklieden en drie jongens. De werklieden zijn allen boven de 28 jaar, een der jongens is 19, de tweede, zoon van een werkman, is ITi1^, -en de derde jongen, die in den loop van dit jaar is gekomen, is 43 jaar oud. Hij is de zoon van een opzichter. Alle werklieden zijn daar ter plaatse geboren of in naburige gemeenten. De werklieden te Maastricht zijn allen van Heer of van Limel, dorpen dicht bij Maastricht. In beginsel geven wij de voorkeur aan de werklieden van het platteland, omdat zij over het algemeen werkzamer, matiger en leerzamer zijn, terwijl zij tevredener leven, omdat zij minder behoeften hebben. Zij werken met lust en werken goed onder alle omstandigheden. Do verhouding tusschen ons en het werkvolk is gemakkelijk en aangenaam. Ik heb ook dikwijls opgemerkt, dat de werklieden die van het platteland komen, het meest tevreden en gelukkig zijn, hetgeen voornamelijk voortspruit uit de zeden die daar heerschen ; zij zijn eenvoudiger en hebben minder behoeften. Gedurende 9 maanden van het jaar vinden zij middel en gelegenheid om hun vrijen tijd voor zich zelf te besteden, hetzij met tuin- of veldarbeid, waardoor zij tevens teruggehouden w orden van het doen van noodelooze uitgaven. Meerdere onzer werklieden zijn eigenaar van hun huisje en tuintje en zelfs van een stukje grond. De fabriek te Eysden bestaat sinds quot;16 jaar; de arbeiders zijn gemiddeld H'/a ,iaar bij ons. Te Maastricht bestaat de fabriek 7 jaar en de werklieden zijn er gemiddeld 55/6 jaar in dienst. Duur van het werk. De machinisten en de werklieden die in de ovens werken, zijn verdeeld in ploegen van 12 uur. Gedurende de eene week werkt de eene ploeg over dag en de volgende week des nachts. De dagploeg werkt des Zondags gedurende 24 uur, en ontvangt dan het dubbele loon. Wij moeten dag en nacht en ook des Zondags doorwerken, omdat de fabriek anders niet kan gedreven worden, want onze ovens mogen niet koud worden. Slechts de twee genoemde categorieën van werklieden behoeven Zondags te werken. De inpakkers en de sjouwer ieden werken in den zomer van 's morgens amp; |
2S9
|
tot 's avonds 6, en in den winter van 'a morgens 7 tot 's avonds 5. De jongens aan de ovens te Maastricht werken zomer en winter van 7 uur 's morgens tot 's avonds 5 uur. Rustlijden : om 8 uur, 20â2ö minuten om iets te gebruiken, van 12âI uur om te eten, om 4 uur weer 20â25 minuten om iets te gebruiken. De werklieden eten aan de fabriek en zij brengen hun voedsel mede of het wordt gebracht door de vrouw of de kinderen. Tk ben van meening, dat een tijd van 12 uren in de fabriek doorgebracht, waarvan 40 uren arbeid, aanbevelenswaardig is, wanneer de arbeid naar evenredigheid betaald wordt, niet te vermoeiend is en gemakkelijk te verrichten is, zooals in onze fabriek het geval is. De werkman verdient dan meer en heeft geen gelegenheid buitensporigheden te begaan. Een te lange schafttijd is maar al te dikwijls de ondergang van den werkman, want dan heeft hij gelegenheid om op onnuttige wijze zijn geld uit te geven. En wanneer dit bij de meer ontwikkelden gebeurt, komt het natuurlijk nog meer voor bij de minder ontwikkelden. De iverklieden. De machinisten werken niet voortdurend, zij moeten voor hnnne machine zorgen, herstellingen verrichten enz. ; alles arbeid die eenige ontwikkeling vereischt. De stokers werken ook niet voortdurend ; wanneer do oven eenmaal werkt, dat om 12 uur gedaan is, dan is deze slechts te bewaken. Den overigen tjjd hebben zij dus weinig te doen, en werken overigens steeds onder een dak dat hen beschut. De inpakkers, in de werkplaats te Eysden, werken op stuk, per 100 kilo's. Zij hebben ook gelegenheid om in de open lucht te werken. De sjouwers werken in do open lucht of onder een afdak, de jongens in de open lucht, voor de helft van den tijd ten minste. De laatsten houden zich bezig met lichten arbeid, die niet boven hun krachten is. Wat do loonen betreft, is het minimum te Eysden voor de ovenwerkers 2.50 francs, het gemiddelde 2,75 francs; de opzichters 3,25 francs ; de eerste machinist 3,75 francs, de tweede machinist |
2,75 francs. De inpakkers verdienen dikwijls meer, omdat zij op taak werken. De sjouwers hebben gemiddeld 2 francs. In de fabriek te Maastricht is het minimum der werklieden, tot welke categorie zjj ook bohooren, 1.20, het go-middelde f 1,32. De eersto machinist heeft 4 francs, de tweede 2,75 francs, de opzichter 3,25 francs; tevens woont de opzichter in de fabriek en heeft vrij vuur en licht. De inpakkers verdienen soms ook meer, wegens hun werken op taak. Voor de jongens is het loon naar mate van den leeftijd ; voor die van 18 jaren 72 centen; voor die van Iti'/, jaren 40 centen; voor die van 13 jaren 35 centen. Van het salaris wordt niets afgehouden. Voor overwerk wordt betaald boven het dagelijksche loon. Het loon wordt betaald 2 malen quot;s maands, op den löden en op den laatsten dag der maand. Maar de werkman kan, wanneer hij het vraagt, op zijn loon ook een voorschot ontvangen. Behalve het loon worden er ook pre-miën gegeven. Wij hebben ingesteld voor eiken ovenwerker twee jaarlijksche premiën van 25 francs. De twee chefs van de arbeiders en de opzichters te Maastricht ontvangen ieder eene premie van 14 gulden De eerste machinist heeft boven zijn loon vrije woning in de nabijheid der fabriek. De premiën hebben ten doel, den werkman voor zijn arbeid zorg te doen dragen; bjj slordig werken hebben wij het recht de premiën to verminderen. Geneeskundige hulp. In de beide fabrieken betalen wij uit onze eigen fondsen, zonder aftrek van het loon, den dokter en den apotheker voor de werklieden, hunne vrouwen en kinderen. Als een werkman ziek wordt krijgt hij gedurende zijne ziekte de helft van het loon, waarop bjj recht heeft. In de fabriek te Eysden hebben de werklieden drie geneesheeren, die in het nabjjliggend dorp wonen, en uit welk drietal do werkman zijne keuze kan doen. Voor de fabriek te Maastricht is een geneesheer aldaar, dr. Vrijens, aangewezen. Ook is er eene hulpkas te Eysden, naar het voorbeeld der Belgische fabrieken; van het loon |
II.
10
290
|
der werklieden wordt niet afgetrokken om deze kas te vormen ; de vennoot- j sehap stort elk jaar 3 pet. van het bedrag van de «main d'oeuvroquot;. Het reservefonds bedraagt f 'iSOO, en wordt gebruikt om de werklieden ingeval zjj een ongeluk krijgen, te ondersteunen. De fabriek te Maastricht heeft nog geen ondersteuningskas, omdat die nog geen zeven jaar in werking is. Daar ik in onmiddellijke en voortdurende aanraking met mijne werklieden ben, maak ik daarvan gebruik om hun nuttig te zijn en raad te geven. Ik zoek hen over te halen om hunne begrooting op te maken naar hun toestand, en zooveel mogelijk te sparen. Op het punt van dronkenschap ben ik zeer streng. Als zjj hun quinzaine bekomen, doe ik hun zooveel mogelijk verstaan dat zjj moeten zorgen gedurende l i dagen met hun geld toe te komen, zoodat zij alles wat zij noodig hebben met contant geld kunnen betalen, zonder hunne toevlucht tot het credict te nemen. Hiermede geloof ik alles te hebben gezegd wat nuttig en noodig kan zijn. Thans zou ik kunnen overgaan tot het bespreken van enkele andere punten. 9305, V. Gij zult het wel goedvinden, dat wij u nu enkele vragen doen. Uit alles wat gij ons hebt medegedeeld, blijkt duidelijk dat gij zeer tevreden zijt over uwe werklieden en deze zullen dan omgekeerd ook met u ingenomen zijn en zeker niet dikwijls veranderen ? A. Ja, ik ben zeer tevreden, en zij verlaten mij slechts zelden. 9317. V. Voor de ondersteuningskas van uwe fabriek wordt den werkman niets van zijn loon als bijdrage afgehouden; de fabriek draagt alle onkosten quot;Komen er dikwijls ongelukken voor, of is dit eene zeldzaamheid ? A. Ongelukken komen slechts zelden voor. In de fabriek te Maastricht zijn er geen voorgekomen en in die te Ejs-den slechts twee. 9318. V. Waren dat ernstige gevallen? A. Neen, beiden zijn hersteld. Het eene geval betrof een werkman die zijn arm verloor bij het verrichten van een werk, dat hij niet behoefde te doen. |
9319. V. Hetgeen niet belet heeft dat hij eene ondersteuning uit de kas heeft gekregen ? A. Ja. 93'2Ã. V. En do tweede werkman ? A. Die heeft ook eene ondersteuning ontvangen. 9321. V Gij verschaft uwe werklieden ook geneeskundige hulp. Geschiedt dit ook zonder bijdragen van do werklieden zeiven ? A. Zeker. 9323 V. In elk geval is het bij u zoo. En wordt die geneeskundige hulp geheel en al kosteloos verstrekt? A Geheel en al kosteloos voor de geheele familie. 9324. V. Heeft uwo fabriek niets bedenkelijks of gevaarlijks voor de gezondheid ? A, Volstrekt niet. 9325. V. Ook niet door schadelijke dampen van zinkoxyde ? A. Alles wordt bereid in gesloten toestellen. 9326. V. Komen er dan niet vele zieken in uwe fabriek voor ? A. Neen. ik kan u de cijfers wel opgeven 'lo Eysden werd per jaar betaald aan den geneesheer 200 frs., aan den apotheker 250 frs., beiden voor het geheele gezin. 9327. V. Is dit bij abonnement? A. Neen. dat is hetgeen gemiddeld betaald wordt per jaar. Verder wordt aan de fabriek te Maastricht gemiddeld per jaar voor den dokter f 40, voor den apotheker f00 betaald. 9328. V. In die cijfers ligt dus het bewijs, dat gij aan uwe fabriek geen zware en veelvuldige ziekten hebt. Nog iets. Gij zeidet, dat de werklieden in de fabriek eten. Is dat in een atmosfeer van zink-oxyde ?, A. Wel neen, zij eten niet in de werkplaats zelf, maar des zomers in de vrije lucht eri dos winters in een loods. 9329. Gij staat zonder twijfel sterk op de zindelijkheid? 9330. V. Dat is eene conditio sine qua non voor de gezondheid van uwe werklieden ? A. Ja, en ook voor ons succes. 9331. V. Van jongens hebt ge er niet meer dan 3 of 4 ? A. Slechts 3. Velen die vroeger |
291
|
jongens te Eysden waren, zijn nu werklieden. 933C. V. De heer Ruys van Beeren-liroek: In den eersten tijd dat uwe fabriek te Eysden bostond, werd waargenomen dat in den omtrek niets meer wilde groeien. De boomen verkwijnden, het groen ging weg, en men zeide dat dit het gevolg was van de dampen der fabriek. Is dit nog zoo ? A. Neen, maar wij hebben een stuk weiland aangekocht bij de fabriek, omdat men ons een proces had aangedaan. 9330. V. Zjjn er in den laatsten tijd ook verbeteringen gebracht in de fabricage ? A. Tegenwoordig behoeven de deuren van de ovens slechts ongeveer twee uren open te bljjven en er ontsnapt dan alleen de rook, die nog van het verbranden der steenkolen afkomt. 9338. De Voorzitter: Hebt gij nog «enige raededeelingen ? A. Ik heb eenige mededeelingen die ik in schrift hpb gesteld. Ik ben bereid de nota aan u over te leggen 9339. Wij bedanken u voor de gegeven inlichtingen. E. Waleffe. __:_| Verhoor van den heerPieter Jciikcns. j ( Verkort.) \ 9340. De Voorzitter: Mag ik uw voornaam, beroep, ouderdom, en woonplaats weten ? A. Pieter Jeukens, 4-2 jaren oud, werk- j man in de zinkwitfabriek te Maastricht, wonende in de fabriek. 9342. V. Hoe lang werkt gij daar? A. Sedert 8 jaren, van dat de fabriek begonnen is. 9341. V. Zijn er veel zieken op de fabriek ? A. Niet dat ik weet, alleen weet ik dal er één acht dagen ziek is geweest. 9343 V. Gij hoort niet van kolieken en dergelijke dingen ? A. Daar heb ik nog weinig van gehoord. 9346, V Als er iemand ziek is, hebt gij dokter en apotheker geheel vrij ? A. Ja, wij betalen er niets voor. 9347. V. Contribueert gij er niet voor 7 |
A. Wanneer iemand ziek is, krijgt hjj de helft van zijn dagloon uitbetaald, maar hjj behoeft daarvoor niets te storten. 9348. V. Hebt gij dus dokter en apotheker vrij, en bovendien nog het halve loon ? A. Ja. 9349. V. En gij contribueert ook daarvoor niets ? A. Neen. 9358. V. Zjjn er onder uwe kameraden ook menschen die in de Cérainiquc bij de ovens werken, die bij voorbeeld de ovens uitpakken? A- 'a, daaronder heb ik twee kameraden, met wien ik wel eens een glas bier drink en over allerhande praat. 9359 V. Hebt gij in den laatsten tijd ook met die kameraden gesproken ? A. Dat zal wel een paar maanden geleden zijn. 9360 V. Hoe heeten die uitpakkers? A. Ik ken ze alleen bij de voornamen. Van één weet ik de igt;van'', die heet Bronkers, en is uitpakker, dat was hij althans niet lang geleden, toen ik hem het laatse sprak. 9361. V. En klaagde die wol over het werk ? A. Dat niet. Hij zeide wel eens dat het warm was, maar zelf weet ik het niet, want ik ben er nooit geweest. 936'2. V, Dat weet ik, maar ik vraag daarom ook of hij klaagde ? A. Anders niet dan dat het warm was, 9363, V. Die Bronkers dan klaagde wel, maar deed niet zjjn beklag. Wat deed hij dan? Vertelde hij niet wat hij doen moest? A, Neen, hjj zei alleen dat bij het aanraken de dingen warm waren. 9364. V. Op welke wjjze zeide hij dat, en vertelde hij niet dat de lappen in brand vlogen ? A, Als wjj zoo onder elkander zijn, dan praten wij wel over het werk, dat het zus of zoo gaat, en dan vertelde hij wel dat het warm was, maar meer niet, 9369, V, Dus hij was er niet mede bezwaard ? A, Neen, ik weet, dat hij er sedert vele jaren is en ik weet, dat hij goed loon verdient, 9373, V, Hebt gij ook wel eens warm werk ? A, Ik moet van alles doen. |
292
|
0374. V. Houdt gij dan soms ook de correspondentie en de boeken? A. Xeen. 9375. V. Er is dus onder dat alles, ten minste één ding in de fabriek, dat gij niet moet doen I A. Ik moet werken van den morgen tot den avond en er op letten of' de â¢werklieden op hun tijd beginnen en uitscheiden. 9370. V. Hebt gjj ook nog nachtwerk bij mijnheer \Valerte ? A. Fa, 4 mensohen werken bij dag en 4 bij nacht. 9380. V. Het geheele jaar door? A. la, en Zondags en de andere dagen. 9381. V. Doen de jongens ook mee? A. Neen, die hebben klein werk. 9380. Dus die menschen worden er niet ziek bij ? A. Neen. ik zou niet weten, waardoor zij ziek zouden worden. 9387. V. Men wil wel eens zoggen Bijlage. OPEN BRIEF AAN DE do LOUIS R Industrieel, lid van de Eerste üp mijne vraag om nogmaals voor Uwe Commisste gehoord te worden ontving ik een afwijzend antwoord, omdat mij volgens Uw oordeel op 20 Januari 11. alle vragen gesteld zijn, die noodzakelijk waren om mij, tijdig en bij de Commissie zelve, de gelegenheid te geven tot verdediging op ingebrachte grieven. Dat de gelegenheid om te antwoorden, tot op zekere hoogte, mij toen niet gegeven is, zal ik niet beweren; maar een ieder moet toestemmen, dat het mij, die den omvang der beschuldigingen toen niet kende, en do ware strekking der vragen dus ook niet kon begrijpen, onmogelijk was op voldoende wijze alle valsche aantijgingen, die reeds gedaan waren en later nog zouden worden gedaan, te weerleggen. Uwe Commissie is evenwel in deze alvermogend, van Uwe uitspraak is geen hooger beroep en ik zal mij dus in dat het een kwaad artikel is, waarin gij werkt? / |
A. Ik heb het nooit ondervonden. 9388. V. Er was toch in dei- tijd boom noch blad dat groeien wilde rondom de fabriek ? A. Dat weet ik niet. 0389. V. Dat hebt gij toch wel eens gezien ? A Ik ben nu al 8 jaar uit Eysden weg. 9300. V. Hebt gij een tuintjequot;? A. Ja. 0301. V. Groeit daar alles goed ? A. Ja, daar groeien alle soorten van groenten. Ook heb ik achter de fabriek 7 roeden land gepacht: maar ook daar komt alles op, evenals midden in het open veld 9304. De Voorzitter - Dan is uw verhoor afgeloopen. f (P. Jeukens, die verklaart niet te kunnen schrijven). ENQUÃTE-COMMISSIE E G O U T, Kamer der Staten-Generaal. ' het onvermijdelijke moeten schikken. Niet minder betreur ik, dat het verhoeren der dertig werklieden en hunne beide meesters, de eenige personen die met het uitpakken der ovens belast zijn, niet zal plaats hebben. Met derhalve mijn verzoek niet toe te staan heeft men mij den koninklijken weg van het «Audi et alteram partemquot; afgesneden, en ben ik genoodzaakt op deze gebrekkige wijze mij van den blaam te zuiveren, die men ter officieele plaatse ten aanzien van het geheele land op mij trachtte te werpen. Het ligt geenszins in mjjne bedoeling hier iedere aanklacht, die in het getuigenverhoor voorkomt, in het bijzonder te weerleggen. Ik zal mijne uiteenzetting beperken tot de behandeling der twee hoofdpunten van beschuldiging, nl. de ovens en Ae onderstnuninrisfondsen en daaraan eenige bijzonderheden vastknoopen. |
293
|
Vooreerst dus de ovens. Ten einde mij op dit punt tot in enkele bijzonderheid juist op de hoogte van het gebeurde te stellen, heeft mijn zoon de werklieden, die met het uitpakken belast zijn, vijftien voor de biscuitovens en vijfden voor do vernisovens ondervraagd. Vooraf echter deelde hij hun het gewicht mede der verklaringen, die zij -zouden gaan afleggen, en overtuigde hun met den meesten ernst, dat zij niets anders moesten zeggen, dat hetgeen zij ook ouder eed kunnen mededeelen. Vorder, dat zij om hunne verklaringen, hoe zwart of ongunstig die ook zouden zijn. geen leed zouden ondervinden en volstrekt niets behoefden te vreezen voorliet verliezen van hun werk of het verminderen Tan hun loon. Dientengevolge ben ik gerechtigd de onder 1quot; tot 5quot; hiervolgende feiten als de volle waarheid bevattende, aan U mede te deelen. Alvorens dezen briefte verzenden heb ik zelf de punten van 1o tot en met 5.i aan ieder der werklieden afzonderlijk voorgelezen en deze zijn als hunne verklaringen weergevende door hen erkend. 1°. Het is onwaar, dut er bij het uitpakken der ovens een onzedelijke toestand heerscht, doordien de mannen in eenen onfatsoenlijken staat, bijna 'jeheel naakt in de ovens gaan. Van de dertig ovenuitpakkers verklaarden er zes en twintig, dat zij nooit, zelfs geen enkelen keer met ontbloot bovenlijf hebben uitgepakt, en vier hunner zeiden, dat zij het een hoogst enkelen maal gedaan hebben. Hot is evenwel zoo zelden geschied, dat de ééne der beide meesters verklaarde (hetgeen hjj bereid is onder eede te bevestigen), dat hij het nimmer gezien heeft, de andere meester dat hij iiet enkele malen heeft bijgewoond. Bij het inpakken der ovens geschiedt het, doch volstrekt niet als regel, dat de zoogenaamde eerste, tweede, en derde man, die binnen de ovens werken, het bovenlijf ontbloot hebben, doch alleen om vrijer te zijn in hunne bewegingen, (zooals de heer Jaunez eveneens verklaarde). en niet wegens de warmte, zooals verschillende getuigen het doen voorkomen, daar bij het inpakken natuurlijk van eene hinderlijke warmte igeen sprake kan zijn. |
2quot;. Het is omvaar, dat de doeken, die de uityakkers om het hoofd hebben, ten gevolge van overmaat van hitte verschroeid of verbrand zijn. Even onwaar is het, dat de uitpakkers ooit bij het verrichten hunner werkzaamheden brandivonden bekwamen of dat hun haar verschi oeide. De doeken die zij om het hoofd hebben, dienen vooral om zich te beveiligen tegen het vallen der zoogenaamde co-lombons (dat zijn : de stukjes aard, die tusschen de cassetten liggen). Allen, zonder uitzondering, ontkenden, dat ooit bij het uithalen der ovens, of het haar of de doeken op het hoofd zijn verschroeid, of één hunner eene brandwonde heeft bekomen. Bij het uitnemen der proeven, het werk van een oogen-blik, kan het geschieden, dat de doeken, waarmede de cassette wordt aangevat, geschroeid is. Welke tegenspraak in de beschuldigingen. De uitpakkers zouden het boven-Ijjf onlblooten omdat het te warm is in de ovens, en om diezelfde reden, het hoofd met een doek bedekken! Heeft daarenboven geen der getuigen er aan gedacht, dat het de grootst mogelijke onzin is, dat iemand lü ïi 15 minuten zoude kunnen doorbrengen in eene temperatuur. waarin een doek op het hoofd schroeit, zonder er het leven bij in te schieten. Tot dergelijke ongerijmdheden komt men, indien men den eersten den besten zegsman onvoorwaardelijk gelooft. Volgons de verklaringen der werklieden zjjn den vorigen zomer 5 a (gt; der 134 biscuitovens, die in 1886 geledigd zijn, uitgehaald, terwijl zjj niet tot op den normalen warmtegraad waren afgekoeld. In strijd met de voorstelling der meeste getuigen geschiedde dit niet op aandringen der meesters, maar vooral op verlangen der werklieden zelf, opdat het uitpakken van oenen bepaalden oven, dat eigenlijk pas een dag later had moeten beginnen, voor de loopende quinzaine in rekening zoude gebracht worden. Ook wordt des avonds vóór het verlaten der fabrielc, wel eens een zoogenaamde uitzet gedaan, opdat door de gemaakte opening de oven des te beter afkoelt. 3°. Het is onwaar, dat ooit een werkman, na het verrichten zijner werk-I zaamheden in den oven, ten gevolge |
294
|
van dien, op den grond of op een blok is nedergevallen. Kénparig hebben de werklieden dit bevestigd. 4°. Hel is onwaar, dat de uilpakkers, biJ wijze van bijnaam, de martelaars-ploeg genoemd worden Bij do uitpakkers zelve en bij al degene, die in hunne omgeving werken, i ten getale van ongeveer 30(3 was die bijnaam, zooals allen verklaarden, onbekend, totdat hij door de brochure van den heer Wijnen verspreid is. Wel heeft deze ploeg den bijnaam water-ploeg. evenals er een vliegersploeg en een melkploeg bestaat. De werklieden geven elkander steeds bijnamen. öu. Hel ledigen der ovens, hoewel een zwaar werk, bevat niets onmenschflijks. Alle uitpakkers hebben verklaard, dat zij over hun werk en hunne verdiensten (gemiddeld fl \ 81 per dag) tevreden zijn. Alleen één hunner zeide, dat hij gaarne meer zoude verdienen. Tot hiertoe de verklaring der werklieden . Gegronden twijfel meen ik te mogen aanvoeren omtrent de geloofwaardigheid van verschillende getuigen, die op het punt der ovens, ongunstige verklaringen hebben afgelegd. Zekere Thuis â deze wordt in tegenstelling met andere zegsmannen bij name genoemd en als geheel vertrouwbaar aangewezen (verslag n0. 598'2) â schijnt de gedienstige geest te zijn geweest, die den heer Wijnen do noodige gegevens verschafte om het werk aan de ovens onmenschelijk te noemen. Wie is nu deze onwraakbare getuige Thuis? Van dezen man vinden wij in ons bevolkingsregister, dat hij van 1869 tot 9 April 1875 â dus 12 jaren geleden â bij ons werkte en in de rubriek aanmerkingen lezen we, dat hij bedankt is wegens het houden van eene herberg. Deze man jis dus tengevolge eener bepaling, die op 14 Januari ISTO aan het werkvolk is bekend gemaakt door aanplakking aan de beide poorten der fabriek â sedert eenige jaren is zij ingetrokken â uit onzen dienst ontslagen en doet nu den heer Wijnen in het antwoord op vraag nquot; 5989 verklaren dat hij het werk gestaakt heeft, omdat hij zag tdal hij zich doodwerkte.quot; Dezelfde Thuis doet het bij den heer Wijnen voorkómen, alsof hij slechts 5 of 6 jaren uit de fabriek verwijderd is, en om te staven, dat nu de toestand nog wel dezelfde zal zjjn, als toen hij er was, beroept hij zich op de getuigenis van confraters, die gezegd hebben, dat het nog zoo is, ten minste in den zomer. Had het nu niet op den weg Uwer Commissie gelegen eenige der werklieden op te roepen, die sedert vele jaren en nog op dit oogenblik met dit donmenschelijkquot; werk belast zijn? |
De Commissie schijnt er bezwaar in te zien werklieden ,te hooren. die nog in niijn dienst zjjn, dewijl deze niet vrijelijk kunnen spreken. Maar, vraag ik op mijne beurt, zjjn werklieden die uit den dienst ontslagen zijn, dan zoo geheel vertrouwbare getuigen ? Het geval van Thuis geeft aanstonds tot gegronden twijfel aanleiding. Even goed, misschien wel door dezelfde persoon, is de heer Wijnen ingelicht, wanneer hij der Commissie het loon mededeelt, dat de ovenuitpakkers verdienen. Sprekende van het «onmenscheljjkequot; werk, dat bij het uitpakken der ovens verricht wordt, zegt hij ten slotte »en wat verdient hij (de arbeider) daarmede?' H. I.'25 per dag.quot; Wij kunnen den heer Wijnen de juiste opgave overleggen van hetgeen aaii ieder dezer werklieden betaald is. Wij hebben van de opgave der verdienste, gedurende de laatste 0 maanden van-1880, eene berekening laten maken en komen dan tot de slotsom, dat de uit- Eakkers der ovens een gemiddeld loon ebben van fl. 1.80 per dag van 10 uren, terwijl in de laatste tien jaren in dit loon geen noemenswaardige verandering gebracht is. En hiermede wil ik tevens, en als in het voorbijgaan, ee» antwoord geven op de dikwijls terug-keerende beschuldiging, dat de loonen bij onze fabriek steeds dalende waren.akkers der ovens een gemiddeld loon ebben van fl. 1.80 per dag van 10 uren, terwijl in de laatste tien jaren in dit loon geen noemenswaardige verandering gebracht is. En hiermede wil ik tevens, en als in het voorbijgaan, ee» antwoord geven op de dikwijls terug-keerende beschuldiging, dat de loonen bij onze fabriek steeds dalende waren. Steeds ben ik er op uitgeweest den werklieden zooveel voor hunnen arbeid te betalen als met het oog op de concurrentie, die vooral ten gevolge onzer verderfelijke handelswetgeving zeer groot is, eenigszins mogelijk was. Op dit punt deel ik volkomen het gevoelen van den heer L'Hoest, dat het loon niet |
205
|
kan cn mag naar vraag en aanbod geregeld worden. Tot vermindering van loon van den arbeider, mag niet worden overgegaan, dan in de uiterste noodza-kehjklieid en nadat alle hulpmiddelen zijn uitgeput. Niemand zoude er echter meer nadeel van ondervinden, dan de werkman zelve, indien de industrieel voortging met Joonen te betalen, hooger dan de-onderneming dragen kan , op die wijze zoude hij den ondergang zijner industrie' veroorzaken, zijne werklieden alle werk ontnemen en buiten staat stellen om iels te verdienen. Dit mag de industrieel niet doen. Als' oorzaak waarom do ovens bij zulke ondragelijke hitte worden geledigd, wordt aangevoerd dat hun getal te klein was en ik deelde voor de Commissie mede, dat bij mij reeds lang het voornemen bestond een tweetal te laten bijbouwen. (Zie vraag nquot; G658) Aanstonds bij mjjne terugkomst heb ik tengevolge der Enquête een vernieuwd onderzoek naar de toereikendheid van het aantal onzer ovens ingesteld. En wat was mijne bevinding? Dat voorliet aanleggen van nieuwe ovens geene de minste noodzakelijkheid bestaat, dewijl het vorige jaar de reserve-oven van begin Juni tot September, dus in de warmste zomermaanden, ongebruikt is gebleven Van de waarheid van dit feit kan ieder belangstellende zich komen overtuigen door inzage van ons Oven-register. Wat nu de Société Céramique, die mot een geringer aantal menschen werkt, met haar grooter aantal ovens doet, is mij niet mat zekerheid bekend. Misschien dat deze Maatsehapij een nieuw tijdperk van uitbreiding te ge-moet ziet en nu reeds op het punt van ovens deze uitbreiding verwezenlijkt heeft; misschien ook, dat hot is tengevolge van een feit van technischen aard, dat namelijk die fabriek, doordien de specialiteit in haar voortbrengsel van eenigozins anderen aard is dan de onze, minder in één oven plaatst, en er derhalve meer noodig heeft Dat het niet aangaat de ovens der ééne fabriek met die der andere te vergelijken kan ieder deskundige U verzekeren, en blijkt, ook voor leeken in het vak, reeds door het enkele feit, dat het aantal uren van branden van een oven bij de verschillende fabrieken, zeer uiteenloopend is |
Wat hiervan overigens moge wezen, ik meen na een nauwkeurig ingesteld onderzoek te moeten betwisten, dat het getal mijner ovens te klein is, en ik ontzeg alle kracht aan het daaraan ont-i leende bewjjs, dat bij onze firma de ovens geledigd moeten worden, alvorens behoorlijk afgekoeld te zijn. Op de verdachtmaking, die hier en daar doorstraalt dut het zou wezen, om bij hot weder aansteken een weinig brandstof uit te sparen, acht ik het beneden mij te antwoorden, ieder deskundige weet, dat daar een aardewerkfabrikant geen voordeel zal zoeken, laat staan, dat men voor het bereiken daarvan nonmensche-Hjkquot; werk zoude laten verrichten. Na dit alles zal de strekking van mijn verzoek, dat mijne werklieden, die met het uithalen der ovens belast zijn, voor de Commissie mochten verschijnen, wel voor een ieselijk duidelijk zijn geworden, Ik wenschte een volledig en onpartijdig onderzoek omtrent den toestand van den arbeid die bij de ovens wordt verricht. Want â het doet mij leed het te moeten zeggen -â het thans ingesteld onderzoek is noch volledig noch onpartijdig. Wie toch het verslag leest, moet, dunkt mij, gevoelen, dat het bij de Commissie reeds vóór het verhoor vast stond, dat de toestand in onze fabriek slecht moest zijn. Van daar dat aan iederen getuige, die het waagde iets ten onzen gunste te zeggen, aanstonds de schroeven werden aangezet, dat het vermoeden werd geuit, dat hij door ons geïnspireerd zou zijn geweest dat hij door bedreiging van eed en de gevolgen daarvan werd geintimideord. Een man als Dr. Schols, die cene academische opleiding heeft genoten en in de leden der Commissie zjjne gelijken mag zien, laat zich door zulk machtsvertoon niet onthutsen, en durft openlijk zeggen ; «de heer van der Loeff maakt er mij eene grief van, als ik mijne opinio zeg onnrenl hetgeen ik heh opyemerklquot; (Verslag no 5'J23) Doch een man als de heer Wjjsen. die ge heel zijn leven in eene fabriek heeft doorgebracht, verliest alle vrijmoedigheid bij zulk inquisitoir verhoor, en zegt |
296
|
ten slotte niet wat hij heeft opgemerkt en zeggen wil, maar ivut men wil, dal hij zeggen zal. VVaailijk het uitoefenen van dergelijke pressie «maakt een pijnlijken indrukquot;, Unze fabriek heeft voor de Oommissie het harde lot moeten ondergaan van den beschuldigde wiens misdaad door den rechter als zeker werd aangenomen, voordat hij verhoord werd. Thans kom ik tot de ondersteuningsfondsen. leder man boven den leoftjjd van quot;18 jaren moet in onze fabriek lid zijn eenor ziekenbeurs. Voor mjjne afdeeling. diquot; uit '21 quot;25 personen bestaat, zjjn opgericht, 1quot; de aardewerk quinzaine ziekenbeurs, L2quot; de fayenciersbeurs Uit de fayenciersbeurs ontvangt in geval van ziekte do werkman één gulden, do leorjongen 00 cents per dag en zulks tot zijne herstellling toe, hoe lang die ook moge uitblijven, üe zieke, die lid is dér quinzaine ziekenbeurs, out- } vangt gedurende de eerste twee jaren de helft van zjjn loon, gedurende zijn geheel overig leven een derde. Deze ziekenbeurzen werken dus, zooals ik voor Uwe Commissie verklaarde, eenigs-zins als pensioenfonds. Niet geheel evenwel, daar bij een pensioenfonds ook liij recht op uitkeering heeft, die na een zeker aantal jaren gewerkt te hebben, met gezonden lijve do fabriek verlaat. Onze beurzen nu keeron alleen aan zieken uit of aan ouden van dagen. Het wekte zoozeer de bevreemding Uwer Commissie, dat voor mijne afdeeling van de 800 mannen niet meer dan â¢12 personen voor hun levenlang onderstand genieten. Men vergete evenwel niet, dat dit cijfer van 800 op het '2/3 moet teruggebracht worden daar deze 12 lieden 20 ii 40 jaren geleden bij ons in dienst traden, toen onze fabriek veel kleiner was en dat daarenboven aan vele bejaarden in de plaats van onderstand, een lichte arbeid wordt verschaft Is het denkbeeld bij de Commissie niet opgekomen, het aantal van deze personen, die voor hun levenlang onderhouden worden, te vergelijken bij dat van dergelijke personen der bjj haar meer gunstig bekende fabrieken ? Uit onderzoek zoude niet in onze nadeel zijn. |
Maar hoe dan, zal men zeggen, is dit beweren te rijmen met hetgeen de heer Jlarckx voor de Enquête-Commissie verklaard heeft, dat namelijk in het gesticht (,'alvaricnberg, 29 personen verpleegd worden, die na geruimen tijd op onze fabriek te hebben gearbeid, ontslagen zijn, zonder dat zjj eenig ziekengeld ontvangen ? Reeds onmiddellijk kwam ons het opgegeven cijfer verdacht voor, zoodat wij de namen dier personen aan den heer Marckx vroegen. Hij moest zelf bekennen dat hij zich vergist had, en niet 29, maar 17 der genoemde menschen vroeger de fabriek onzer lirma bezocht hadden. De overige kwamen van andere fabrikanten; van de '17, waarvan wij de namen ontvingen, was het ons onmogelijk de namen van meer dan 12 personen op te sporen in do arbeidersregisters, die sedert het jaar '1874 trouw zijn bjjgehouden. zoodat ik iemand naar het gesticht zond om aan die 5 onbekenden zeiven inlichtingen te vragen. Wat bleek nu? dat 4 der 5 personen reeds vóór 30 jaren geleden onze werkplaatsen verlaten hadden, nadat één hunner 14 jaren, de anderen 3 a 5 jaren bij ons werkten en daarna bij andere industriëelen in dienst waren geweest; terwijl degene, die 14 jaren bij ons had doorgebracht, daarna 19 jaren op de papierfabriek was werkzaam geweest. De vijfde onbekende had, na vier jaren arbeid, in 1806 onze fabriek verlaten en was als waschvrouw in den dienst van Calvariénberg zelf gelreden! En toch stonden deze vijf personen op den naam der firma llegout ingeschreven. Er bljjven dus over 12 verpleegden afkomstig van onze fabriek; van deze zijn er twee, die onder mjjne afdeelingy vallen en waarvan ik dus met kennis van zaken kan sproken; do ééne was ééne vrouw, die op 58jarigen leeftijd in onzen dienst trad, en waarvoor bij ons, even als bij andere industriëelen te Maastricht geene beurs bestaat. De andere, een man, die vroeger bij ons geweest zijnde, na zijn 50ste jaar wederom in de fabriek kwam, en dus volgens het reglement niet langer dan tot zijn 60ste jaar lid der ziekenbeurs kon zijn De meeste fabrikanten te Maastricht |
297
|
verklaarden, dat zij voor hunne oude â werklieden zorgen, maar waar hebben dan toch, die 17 geen onderstand genietende fabrieksarbeiders gewerkt, die in Calvariënberg verpleegd worden 7 Misschien zoude de heer Marckx ook hieromtrent belangrijke inlichtingen kunnen geven. Nu komt de vraag, of wij ons onwillig betoond hebben, om in deze zieken-beurzen eenige noodig geblekene verbetering en uitbreiding in te voeren, zooals de heer Marckx in zijn verhoor niet alleen insinueerde, maar zelfs, in den breede heeft willen betoogen. Doch ik durf ZEd. de vraag stellen: is het voor den industrieel te Maastricht aanmoedigend, ja zelfs mogelijk op het punt van ondersteuningsfondsen iets goeds voor den werkman tot stand te brengen ? Wij antwoorden volmondig neen, en dit wel hoofdzakeljjk, om het dooiden heer Marckx gevolgde systeem, volgens hetwelk ziekengelden en spaarpenningen, die den arme toebehooren, aan het gesticht Calvariënberg komen, zoodra iemand er wordt opgenomen, terwijl de hier tegenoverstaande uitkee ringen aan het huisgezin van den verpleegde nimmer do som van fl 1.75 per week te boven gaan, zoodat naar zijne eigene bekentenis (Verslag nquot; 6167), de vrouw en kinderen van de in zijn gesticht verpleegden, genoodzaakt zijn «hielen daar wat op te vragenquot;: dat is te gaan bedelen. Wat de heer Wijnen hiervan zegt, is volkomen waar. De toepassing vsn het systeem van den lieer Marckx viel samen met don tijd, dat het den industrieel mogelijk was, den arbeider een hoog loon uit te keeren, en de arbeider dus op zjjne beurt veel konde sparen. De gelegenheid hiertoe bood de Stedelijke Spaarbank aan, maar de proefneming was voor den arbeider geene aangename. Nauwelijks was iemand in Calvariënberg opgnomen, of de heer Marckx wist spaarpenningen, die voor het huisgezin van den enge lukkigen bestemd waren, machtig te worden, en menigmaal benijdde de spaarzame arbeider zijnen makker, die alles verkwist had, naar mate hij het verdiende. Dit moge do heer Marckx wel betrachten en hem tot ernstig onderzoek aansporen of zijn stelsel â zooals hij het voor de Commissie deed voorkomen â den arbeider het sparen leert. |
De Zeer Eerw. Heer Claessens kwam er toe voor zjjne Congregatie, genaamd «de Heilige Familie», eene spaarbank op te richten. Van den heer Wijnen vernemen wij bij het getuigenverhoor, dat hjj aan deze oprichting niet vreemd was, doch ZEerw. verzuimde de voornaamste reden op te geven, welke hem en den heer Claessens genoopt hadden, om naast de Stedelijke Spaarbank, welke met een aanzienlijk kapitaal werkt, en alle waarborgen van soliditeit aanbiedt, eene andere op te richten. Het was niet alleen om de leden tot spaarzaamheid aan te zetten, maar het zeer loffelijk doel was vooral de spaarpenningen aan de nasporingen van den heer Marckx te onttrekken, en aan de loden der spaarbank de geruststelling te geven, dat hot belegde geld een geheim voor den heer Marckx bleof: dit vooral deed de niet genoeg te prijzen onderneming slagen. Daarvan is de heer Marckx zich volkomen bewust; immers op vraag nquot; 62-20 zegt hjj zelf «het eenige, waar zij (de armen) bang voor zijn is, dat het armbestuur achter hun sparen komtquot;. Bij een eventueel op te richten pensioenfonds zoude men dezelfde bezwaren ontmoeten, die bij de uitkeerin-gen der ziekengelden gevonden worden. Bij deze gelegenheid herhaal ik, hetgeen ik voor de Commissie als mijne overtuiging mededeelde, dat een pensioenfonds van staatswege met verplichte bijdrage van de fabrikanten wonschelijk is. Wij deelden het voorgaande mede, opdat het een ieder duidelijk zou worden, dat wij â evenals ieder Maastrichtsoh industreel â niet genegen zijn met den heer Marckx samen te gaan tot het oprichten van een algemeen ziekenfonds. Mijne woorden door dien Heer voor de Commissie aangehaald; «Wij moeten meester blijven van onze werkliedenquot; behooron niet in dien zin verstaan te worden, dat wij er op gestold zijn over de, door het ongeluk getroffene werklieden alleenheerschappij to voeren, maar wij willen den heer Marckx, om gezegde reden, niet in hot bestuur der ziekengelden onzer werklieden gemengd zien ; de werklieden zelf zouden zich hot meest er tegen verzetten . Ik meende, dat de heer Marckx, die |
598
|
de kieschheid had een particulier gesprek te gebruiken, of liever te misbruiken, dit zoude begrepen hebben, zonder dat hij mij in de noodzakelijkheid bracht hem dit in het openbaar te moeten duidelijk maken. De Commissie veroorloove mij nog eene kleine verklaring te geven omtrent een persoonlijk feit, dat mij door den heer Marckx op het Binnenhof werd vet weten. Het geldt de arbeiderswoningen. Sedert jaren bekend met den slechten toestand der huisvesting der werklieden te Maastricht. werd ik in 1878 medeoprichter en bestuurder der Maastrichtsche Jiouw-vereeniging, die zich het bouwen van goedkoope en gezonde arbeiderswoningen ten doel stelde. Eén jaar geleden heb ik nog voor eigen rekening negen arbeiderswoningen laten maken, en thans wederom zijn 12 anderen in aanbouw. Nimmer is voor het betalen van huur iets, hoe weinig ook, van het loon der werklieden afgehouden, en nooit heb ik eenigen last gegeven aan den persoon, die met de administratie dier huisjes belast is, dat alleen onze fabriekarbei ders zouden worden toegelaten: het tegendeel doet zich dan ook reeds voor. Nimmer is door mij of door mijnen gelastigde eenige dwang of pressie bij net verhuren uitgeoefend. U begrijpt dus, mijne Heeren, hoe verbaasd ik stond bij het lezen van het volgende antwoord door den heer Marckx op vraag 6190 gegeven; «Een zeer knap «werkman, die van de stad last gekregen »had niet meer in die woningen van den sheer Regout, maar in de stad te wonen, «om bij brand dadelijk hulp te kunnen »verleenen, deed dat en het gevolg was »dat de heer Regout hem door een opzich-»ter liet zeggen, dat, als hij uit zijn huis «ging, zijne vier kinderen uit de fabriek «zouden weggezonden worden. Zoo «menschlievend is men!quot; Voorwaar, zeer menschlievend, indien de toestand naar waarheid geschetst was! De heer Marckx ziet er evenwel niet het minste bezwaar in, op de meest losse grondslagen verhalen op te bouwen, indien zij maar in ons nadeel zijn. |
De ware toedracht is de volgende; een werkman, in dienst der stedelijke brandweer bewoont een huis van mijnen broeder â dus niet van mij, zooals de-heer Marckx nogmaals onjuist doet voorkomen â wenscht dat huis te verlaten en zegt de huur op, maar te laat, zoodat de opzichter hem mededeelt dat hij nog 14 dagen zal moeten blijven, (Dit is alles wat de opzichter gezegd heeft.) L)e vrouw van den werkman huurt eene woning in de stad, doch op verlangen der kinderen, die liever buiten de stad blijven wonen, waar zij een tuintje hebben, zal men trachten van het nieuw gehuurde huis af te komen, en gebruikt nu de noodleugen, dat men vreest, dat de vier kinderen anders uit de fabriek zouden moeten vertrekken. Reeds vroeger had dezelfde man eene woning van mijnen broeder verlaten zonder dat zijne kinderen weggezonden waren; hij wist dus zeer goed, zooals hij overigens zelf verklaarde, dat een dergelijk hard en wreed lot hem niet wachtte. De eigenaar van het nieuw gehuurde huis was . . . de heer Marckx. Verschillende getuigen doen het voorkomen â en Uwe Commissie schijnt onder dien indruk geraakt te zijn â dat bij ons de werkman, zoodra hij voor het werk wat minder geschikt is geworden, onmeedoogend aan den dijk wordt gezet, verder dat hjj na weinige jaren gewerkt te hebben in den regel versleten is. Ik heb mij eene lijst laten voorleggen van den tijd, dien onze arbeiders bij mijne firma in dienst zijn; zie hier het resultaat waartoe ik kwam; van de minder dan 2000 arbeiders, die 20 jaren geleden in onze fabrieken waren, zijn er thans nog 245 bij ons werkzaam ; van deze zijn er 78 die meer dan BOjaren bij ons zijn, dus van vóór hot jaar 1856, toen onze fabriek zooveel kleiner was. De namen dezer menschen kunnen aan belangstellende opgegeven worden. Zou men daaruit niet mogen afleiden, dat het werk bij mijne firma niet in die mate moordend is, als het vaak in het verslag wordt voorgesteld ? Dat de werklieden, aan wie bij de drukte in vroegere jaren het niet aan gelegenheid ontbrak om elders werk te bekomen, niet zoogeheel ongaarne bij ons blijven? Hoeveel belang men ook in het lot van den werkman moge stellen, een ieder zal begrijpen, dat het bij eene onderneming van den omvang der onze niet |
290
|
mogelijk is die maatregelen te treffen, die in kleinere inrichtingen zulke goede vruchten kunnen afwerpen. Het denkbeeld is meermalen bij mjj opgekomen om mijn personeel van'2! 25 werklieden in onderaideelingen van 200 a 300 personen te rangschikken, als ware het, op die wijze in een zeven a achttal kleine fabrieken te verdeden, en alzoo meer eene behandeling van toegevendheid en mildheid toe te passen De kleine proeven, die ik af en toe met het oog hierop maakte, mislukten telkens tot mijn groot leedwezen. Herhaaldelijk trachtte ik ook aan oude getrouwe dienaren eene meerdere vrijheid toe te staan; deze maatregel moest ten I gevolge van afgunst wederom w jrden ingetrokken. . Van af mijne intrede in de fabriek op IDjarigen leeftijd, doordrongen als ik was. dat in het aardewerk vak zeer veel tot lotsverbetering van den werkman te doen viel. heb ik tot verandering en vernieuwing der werkplaatsen met het oog op de saniteit?kwestie zooveel gedaan, dat zoowel werklieden uit den vreemde, als fabrikanten wier bezoek ik ontving mij verklaard hebben, dat zij feene fabriek kenden, waar zooveel als ij ons voor de gezondheid van den werkman verricht was. Tegen groote uitgaven voor aanleg en onderhoud is nimmer opgezien en voor een betrekkelijk oude fabriek, mag de onze zich zeer zeker beroemen op eene moderne inrichting.eene fabriek kenden, waar zooveel als ij ons voor de gezondheid van den werkman verricht was. Tegen groote uitgaven voor aanleg en onderhoud is nimmer opgezien en voor een betrekkelijk oude fabriek, mag de onze zich zeer zeker beroemen op eene moderne inrichting. In het getuigenverhoor van den heer Wijnen en in het vlugschrift, dat hij hieromtrent, ik weet niet met welk doel, uitgaf, komen behartenswaardige wenken voor, die ieder fabrikant zich gaarne ten nutte zal maken ; maar onbegrijpelijk blijft het, dat een man als hij, met zijn verheven waardigheid als godsdienstleeraar, oordeelen velt zonder zich eerst behoorlijk op de hoogte van zaken te hebben gesteld. Hij beticht en veroordeelt alleen en uitsluitend op het hooren zeggen van anderen; het «audi et alteram partem» schijnt ook voor ZEW. niet geschreven te zijn. |
Hij die een studie schijnt te maken van de arbeiderskwestie â hij die met de werklieden is omgegaan en voor hun geestelijk en tijdelijk welzijn optreedt â hij die hunne goede en kwade zijde moet kennen, hij schijnt er niet eens aan gedacht te hebben, zich te vergewissen, of hetgeen hem door anderen was medegedeeld, waarheid bevatte en dit is des te meer te verwonderen, dewijl verschillende mijner familieleden voor hem volstrekt geene onbekenden waren Hij heeft zich echter bij niemand vervoegd om inlichtingen te vragen. Wij hadden hem door inzage in onze boeken en registers bewjjzen kunnen leveren, die hem zouden weerhouden hebben een kwaad te stichten, dat hoogst moeielijk hersteld kan worden Hadde hij zijne inlichtingen aldus genomen, dan zoude de hoop spoediger knnnen verwezenlijkt worden, welk zijn slotwoord bevat: «Ik hoop. dat het wei-»nige dat ik heb medegedeeld, zal bij-«dragen tot verheffing van den arbeider-«stand op zedelijk, maatschappelijk en «godsdienstig gebied, zonder nadeel te «doen aan de belangen van heeren fabri-«kanten.quot; üe heer Wijnen houde het mij ten goede, maar hot is even ongerijmd, als-dat men eerst iemand een slag in het aangezicht geeft en dan de hoop uitspreekt van hem niet gekrenkt te hebben. Maar wat verstaat ZEw. dan wel onder de belangen der fabrikanten? Alleen de stoffelijke, die zich in cijfers uitdrukken 7 Neen, daar zijn belangen die oneindig hooger staan, het zijn de eer en de goede naam. Wanneer men iemand lichtvaardig zijnen goeden naam ontrooft, dan doet men grooter kwaad, dan dat men hem zijn goed ontsteelt. Hoe vaak hoorden wij dit van den kansel. En wanneer ik mij nu ten slotte de vraag stel. hoe is het mogelijk, dat een man als de heer Wijnen tot zulke verklaringen heeft kunnen komen, dan is daarop maar één antwoord mogelijk, en wel dit, dat ZEw. ter goeder trouw, ik neem het volgaarne aan, geloof heeft gehecht, aan mededeelingen van personen, die geen onvoorwaardelijk vertrouwen verdienen. Wanneer ZEw. onverhoopt noch niet voldoende overtuigd is, dat hij lichtvaardig heeft geoordeeld, dan hoop en verwacht ik, dat hij gebruik zal maken van de bevoegdheid, die ik hem aanbied om inzage te nemen van alles, wat |
300
|
hem noodig kan zijn, om zijn oordeel te vestigen. maar dan vertrouw ik ook â én de naam dien hij draagt én het ambt dat hij bekleedt staan er mjj borg voor â dat hij niet zal schromen openlijk te erkennen, dat hij in de meeste en ergste beschuldigingen gedwaald heeft. Buiten en oehalve de reeds genoemde personen beschouwen wij den lioogwel-geb. Heer F. Baron de Bieberstein bestuurder en gedelegeerde der vereeni-ging tot Nut van het algemeen, at'dee-ling Maastricht, als één der meest bezwarende getuigen, die voor Uwe Commissie gehoord zjjn. Met het oog evenwel op het feit, dat hij zich omtrent zijn verhoor van andere personen reeds herhaalde logenstraffingen op den hals haalde, tneenen wij, dat niemand meer eenig gewicht zal hechten aan hetgeen hij mededeelde en zien wij dus van eene bespreking zijner verklaringen af. |
Terwijl ik dezen open brief aan U schreef, kwam aanhoudend mij de gedachte voor den geest: hoo moeilijk is het voor eene Enquête-Commissie, die in den Haag zetelt, zich te vergewissen omtrent de plaatselijke aangelegenheden, die niettemin in aanmerking moeten genomen worden, wil men den feitelijken toestand met juistheid beoordeelen. Ware het niet beter geweest de Belgische wijze van rJnquête-houden na te volgen, en zich ter plaatse te begeven? Ook voor den Industrieel ware dit wen-schelijker geweest. Zoo b. v. kan ik voor de juistheid van elke bjjzonderheid, die ik in mijn verhoor aan U mededeelde, niet instaan, daar het mij als hoofd eener groote onderneming niet mogelijk was op elke vraag te antwoorden zonder mijne ondergeschikten en mijne ad-ministratiijve geschriften te raadplegen. Deu inhoud van dpzen brief beu ik bereid ouder eede te bevestigen. Met alle hoogachting heb ik de eer te zijn. Uw dienst willige dienaar, LÃÃIS REGÃÃT. MAASTRicnr, den 18 Februari 1887. |
OPGAVE VAN DE GEHOORDE GETUIGEN van 17 tot en met 27 Januari 1887.
|
Bladz. ] Wintgens, (Dr. Ã.) adjunct-inspecteur van het Geneeskundig Staatstoezicht voor Noordbrabant on Limburg, te Maastricht. ... 3 Kleef, (Dr. L. T. \\y) arts te Maastricht, eerste geneesheer van het gesticht: Calvariënberg ... 23 Bekaar, (A. A.) ingenieur van den waterstaat, te Maastricht .... 30 Fouquet, (Dr. F. E.) praktizeerend geneesheer, te Maastricht .... 41 Must, (Dr. J. A.) praktiseerend geneesheer te Maastricht .... 53 Schols, (Dr. L. H. P.)med. doctor en arts, te Maastricht.....59 Wijnen, (J. H.) rector van het gesticht: »de Nieuwenhofquot; te Maastricht ...........08 Arnolds, (A. J.) overste van eene bijzondere school (van de congregatie der Broeders) te Maastricht. 88 Delfgaauw, (H. J.) hoofd van de stads-armenschool (Augustijnen- school) te Maastricht......92 Marckx. (F.) secretaris van het burgerlijk armbestuur, te Maastricht. 94 Meisenhüfen, (H. A.) inspecteur van politie, te Maastricht . . . .103 Quakx, (W.) hoofdagent van politie. te Maastricht.......100 Elbers, (H. J.) agent van politie, te Maastricht........106 Regout, (L. H. G. ) lid van de Eerste Kamer der Staten-Gencraal, lid der firma Petrus Regout en Co., fabrikanten van glas- en aardewerk, te Maastricht........115 Evkraerts, (M.) herbergier en handelaar in steenkolen, vroeger werkzaam op dezelfde fabriek . .132 Wijsen, (L. H.) opzichter in dezelfde fabriek........139 |
Uladz. Altmann, (G.) meester-vormer in dezelfde fabriek.......144 Dresen, (L) aardbewerker in dezelfde fabriek ....... 148 Godding, (J. H. L.) porselein-drukker in dezelfde fabriek . . .151 Roukens, (J. L.) porselein-decoratieschilder in dezelfde fabriek. . 153 Ruysch, (Dr. W. P.) referendaris bij het Departement van Binnen-landsche Zaken, hoofd der afdeeling: Medische Politie.......157 Regout, (E.) lid der firma: «Pktrus Regout en C», fabrikanten van glas- en aardewerkquot;, te Maastricht ...........169 Beckers, (W. H.) fabriek-opzich-ter in de fabriek der firma: «Petrus Regout en O.quot;, te Maastricht . . 177 Rodeers, (J.) glasblazer in dezelfde fabriek, te Maastricht .... 178 Hofman, (.1. H.) glasslijper in dezelfde fabriek, te Maastricht. . . 179 Rondagh, (F.) kleermaker, vroeger opzichter in de fabriek der firma ; sPetrus Regout en Co.quot;, te Maastricht ...........181 Jaunez, (V.) directeur van de aardewerkfabriek : «Ceramiquequot;, te Maastricht.........186 Muller, (J.) opzichter in dezelfde fabriek, te Meerssen......194 Ulrich, (E.) opzichter in dezelfde fabriek te Maastricht.....199 Claessens, (Fr.) aardewerk-druk-ker in dezelfde fabriek te Maastricht 201 Bebgiioltz, (P. H.) aardewerker in dezelfde fabriek, te Maastricht . 202 Regout, (P. A. H.) lid der firma: Petrus Regout en Co., fabrikanten van glas- en aardewerkquot;, te Maastricht ...........205 |
302
|
Bladz. I Lhoest, (L.) ingenieur, directeur der Koninklijke Nederlandsche papierfabriek, te Maastricht .... 215 Frederix, (J.) opzichter in dezelfde fabriek, te Maastricht. . . 234 Hollands, (II J.) molenaar in dezelfde fabriek, te Maastricht . . 235 Hovrie, (J) machinen-conducteur in dezelfde fabriek, te Maastricht . 236 Defèsche, (N.) opzichter in dezelfde fabriek........239 Jelinger, (L. E.) agent in steenkolen, vroeger werkzaam in de fabriek der Krma Petrus Regout amp; Co., te Maastricht.......240 Rütten, (P. J. F.) behangselpa-pierfabrikant en voorzitter der kamer van koophandel en fabrieken te Maastricht........243 Matiiijsen, (J. A. H.) meesterknecht in de behangselpapierfabriek van den heer P. .1. F. Rutten, te Maastricht.........249 Egoer, (Th.) handdrukker in do- zelfde fabriek........249 Philips, (E. G.) sigaren- en tabaksfabrikant, te Maastricht.....263 Verhoog, (Th.) sorteerder in de sigaren- en tabaksfabriek van den |
Bladz. heer E. G. Philips, te Maastricht . 258 Regout, (J.) fabrikanten van wollen dekens en rondgeweven vilten voor het vervaardigen van papier, te Maastricht........259 Bieberstei.v Rosalla Zvwadzky, (Mr. F. H. J. Baron De) vice president der arrondissements-rechtbank te Maastricht, bestuurslid van het Departement Maastricht der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen . 263 Courtens, (P. M) wever in de fabriek van wollen dekens enz. van den heer J. Regout, te Maastricht. Smits, (Petrus de) spinmeester in dezelfde fabriek, te Maastricht . 279 Lambrix, (J.) graveur in de aardewerkfabriek Céramique, te Maastricht ...... ..... 280 Waleffe, (E.) ingenieur, directeur der maatschappij J. Rocourt en der Nederlandsche zinkwitfa- briek, te Meerssen......288 Jeukens, (P.) werkman in de Nederlandsche zinkwitfabriek, te Maastricht.........29'1 Bijlage: Open brief van den Heer Louis Regout, Maastricht .... 292 |