ENQUÃTE
BETKEFFENDE
WERKING EN UITBREIDING DER WET VAN 19 SEPTEMBER 1874
(STAATSBLAD No. 130)
EN NAAR DEN
i TOESTAND VAN FABRIEKEN EN WERKPLAATSEN
VERSLAG DER COMMISSIE.
BUNDEK V
'é? T T ij
0 Vgt;v-
|DOt b£KN{£ttNn ÃDt
-- â3NE EK P YTT E K S E N T z, 1887 i
-I
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
0561 9436
é S3
9J
ENQUÃTE
BETREFFENDE
WERKING EN UITBREIDING DER WET VAN 19 SEPTEMBER 1874
(STAATSBLAD No. 130)
EN MAAR DEN
TOESTAND VAN FABRIEKEN EN WERKPLAATSEN
VERSLAG DER COMMISSIE.
B U N D E I. V
V r w oquot;y - x
j?' \
/ foei (siiscHimjto ra 'â â â iâi/s.t-uMmiwmâ-X
V f r t /
quot; s.1 Cm p 6 0 ^ gt;quot;
-v. s-
S N E E K PYTTERSEN
1887
II.
VERSLAG DER COMMISSIE.
|
De Commissie, door de Tweede Kamer der Staten-Generaal benoemd tot het houden eener enquête omtrent de volgende vragen : a. Welke is de werking van de wet van 19 September quot;1874 {Staatsblad no. 130), ook in verband met art. 8'2 van de wet van 17 Augustus '1878 {Staatsblad n0. 127)? In hoever geven de bestaande toestanden aanleiding eene aanvulling en uitbreiding der eerstgenoemde wet in overweging te nemen? b. Welke is de toestand van fabrieken en werkplaatsen hier te lande, met het oog op de veiligheid, de gezondheid en het welzijn der werklieden ? In hoeverre worden tot verbetering van dien toestand maatregelen van overheidswege vereischt ? heeft de eer, nu zij verplicht wordt haren nog slechts gedeeltelijk volbrachten arbeid af te breken, hierbij aan de Kamer over te leggen de verbalen der gehouden verhoeren van deskundigen en getuigen en de bescheiden, haar door onderscheidene hoofden van departementen van algemeen bestuur, openbare ambtenaren, gemeentebesturen, kamers van koophandel en fabrieken, ver-eenigingen en bijzondere personen medegedeeld. Tevens wenscht zjj in het kort rekenschap te geven van de wijze, waarop zij tot uitvoering van don haar opgedragen last werkzaam was, en van de uitkomsten, die haar onderzoek aanvankelijk opleverde. § 1. Samenstelling en iverkzaamhe dan der Commissie. â In de zitting der Kamer van 13 October 1886 werden tot leden der Commissie voor de enquête, waartoe dienzelfden dag besloten was, benoemd de heeren Beelaerts van Blokland, Bahlmann, Ruys van Beeren-broek, Goeman Borgesius; Heldt, Smit, Van Alphen, Verniers van der Loeff en Van der Sleyden. De Commissie koos den heer Verniers van der Loeff tot haren voorzitter, den heer Goeman Bor-gesius tot haren onder-voorzitter en den heer griffier mr. J. D. Veegens tot haren rapporteur. In het begin van November 1880 verwierf de heer Van der Sleyden bevordering in den staatsdienst en hield hij dientengevolge op lid der Kamer te zijn ; na opnieuw tot lid dei-Kamer te zjjn gekozen, werd hij den 29sten November wederom tot lid der Commissie benoemd. |
De Commissie ving haren arbeid aan met het opmaken eener schets van hoofdpunten van het onderzoek, die den 298ten October 1886 vastgesteld en terstond daarna gedrukt werd. Zij begreep daarbij het stellen van vragen te moeten vermijden, ten einde te voorkomen, dat sommige deskundigen en getuigen bij de af te nemen verhooren met vooraf gereed gemaakte en op schrift gebrachte antwoorden verschenen, Ofschoon zij geen termen vond, om de schets door middel der Staatscourant te doen openbaar maken, achtte zij het niet noodig geheimhouding van den inhoud daarvan te verzoeken. Het stuk werd dan ook. spoedig na de nader te vermelden verzending aan vereenigingen enz., in de moeste dagbladen opgenomen. Reeds dadelijk bleek het der Commissie gewenscht, onder aanbieding van een zeker aantal afdrukken der schets, de medewerking dor hoofden van sommige departementen van algemeen bestuur in te roepen tot het verkrijgen van gegevens, die bij het in te stellen onderzoek van nut konden zijn. Van den aanvang af was het onzeker in hoever de overige werkzaamheden der Kamer, met name die betreffende de herziening der Grondwet, der Commissie den noodigen tijd zouden laten om hare omvangrijke taak vóór 1 Juni 1887, den door de Kamer bepaalden termijn, te volvoeren. In verband daar- |
|
mede was het van belang, het bij do verdeeling van don te verrichten arbeid zooveel doenlijk daarheen te leiden, dat elk onderdeel daarvan op zichzelf oen geheel vormde en als zoodanig zijne beteekenis had. Hiertoe kon op tweeërlei wijze worden te werk gegaan. Alen kon zich aanvankelijk tot zekere groepen van gemeenten, of wel tot zekere takken van nijverheid bepalen. Beide methoden van werken boden eigenaardige voordeelen aan. Geen van beide werd dan ook geheel ter zijde gesteld. Toch meende de Commissie, alles wel overwogen, den voorrang te moeten schenken aan het onderzoek dor toestanden in enkele groepen van gemeenten, die wegens den aard der aldaar gedreven nijverheid tot zekere hoogte als typen zouden kunnen dienen. Was men met die gemeenten gereed, dan zouden eenigo takken van njjverheid, over het geheele land verspreid, op zich zelf een voorwerp van onderzoek moeten uitmaken. Voor de te onderzoeken groepen van gemeenten viol de keuze der Commissie aanvankelijk op Amsterdam met de jO ^aangrenzende gemeenten Nieuwer-Am-/ ⢠stel en. Watergraafsmeer in het midden, j Maastricht (met Meerssen), alsmede Til-J Cjl j burg, in het zuiden, de Groninger veen-koloniën â Oude Pekela, ünstwedde, Zuidbroek, Sappemeer, Hoogozand, Muntendam, Veendam, Wildervank, Borger, (Nieuw Buinen) â in het noorden des lands. Later werden daaraan toegevoegd: voor Overijsel de Twenthscho gemeenten Almelo, Wierden, Hellendoorn, (Nij-verdal), Vriezenveen, Borne, Enschede, Lonneker, Oldenzaal, Hengelo, Haaksbergen, Goor, Delden, Diepenheim, Rijssen, benevens de Geldersche gemeente Neede, en voor Zuid-Holland de gemeente Leiden. Voorts werd de aandacht der Commissie reeds spoedig gevestigd op een kleinen, doch voor het onderwerp der enquête belangrijken tak van nijverheid, namelijk de vlasindustrie. Tot voorbereiding van hot onderzoek en tot opsporing van geschikte deskundigen en getuigen, ook uit werklieden, was de Commissie genoodzaakt verschillende middelen aan te wenden, waarover men in §§ 2 en 3 van dit Verslag eenige nadere bijzonderheden zal vinden. Het |
geen daaromtrent te dezer plaatse gezegd wordt, is meer van algemeenen aard. Vooreerst liet de Commissie een formulier drukken, geschikt om voor elke fabriek of werkplaats afzonderlijk met een aantal gegevens, de namen en woonplaatsen van geschikte getuigen daaronder begrepen, te worden ingevuld. Van dit formulier werd (met uitzondering van de provincie Limburg, waarover zie § 3) aan den burgemeester van elke gemeente, waarover het onderzoek zich heeft uitgestrekt, een aantal exemplaren gezonden, overeenkomstig het vermoedelijk getal ondernemingen van nijverheid, in die gemeente aanwezig, met verzoek aan de onder hem geplaatste ambtenaren te willen opdragen, om zich naar do fabrieken en werkplaatsen te begeven en de formulieren aldaar in te vullen. Aan dit verzoek werd door al de betrokken burgemeesters met bereidwilligheid voldaan. Ofschoon de van hen terugontvangen formulieren vrij wat schifting en beoordeeling vereischten, maakten zij toch een belangrijken grondslag van het onderzoek uit. In de tweede plaats werd in elke te onderzoeken gemeente op de plaatsen, voor het doen van aanplakkingen bestemd, eene aankondiging aangeplakt, waarbij patroons, werklieden. en alle anderen, die over in do gemeente bestaande toestanden betreffende het onderwerp der enquête uit eigen ervaring inlichtingen meenden te kunnen geven, werden uitgenoodigd binnen een gestelden termijn hunne namen en woonplaatsen op te geven, met beknopte opgave van de onderwerpen, waaromtrent zij de Commissie meenden te kunnen inlichten. Tegelijkertijd werd dezelfde aankondiging door middel der Staatscourant openbaar gemaakt. Een derde middel ter verkenning van het terrein was het bezoek van fabrieken en werkplaatsen door leden der Commissie in persoon, al dan niet vergezeld door den ingenieur bij het stoomwezen of den geneeskundigen ambtenaar, tot wiens ressort de gemeente behoorde. Na door deze en andere middelen het onderzoek zoo goed mogelijk te hebben voorbereid, kon de Commissieden 4 den |
5
|
Januari 1887 met de verhooren van deskundigen en getuigen een aanvang maken. De oproepingen geschiedden door middel van brieven^ die vergezeld gingen van een exemplaar van de schets en van een bewijs van ontvangst en bereidverklaring om te verschijnen, dat onderteekend terug verwacht werd Aan lt;le op deze wijze gedane oproepingen werd steeds gevolg gegeven. Alleen verzochten enkele opgeroepenen om redenen van gezondheid als anderszins verschoond of wel op een anderen dan den door do Commissie bepaalden tijd verhoord te worden, welke verzoeken alle werden ingewilligd. Dagvaarding volgens de wet is in geen geval noodig geweest. Bjj de keuze van deskundigen en getuigen werd getracht naar do grootst mogelijke verscheidenheid. Zooveel doenlijk wenschte de Commissie personen te hooren, die in verschillenden werkkring persoonlijke bekendheid met de onderscheidene takken van nijverheid verkregen hadden en verschillende levensbeschouwing waren toegedaan, ambtenaren en ambtelooze burgers, patroons, opzichters, werkbazen, meesterknechts en werklieden. Elke ziens-wjjze moest voor haar ontwikkeld, elk beweerd feit aan tegenspraak onderworpen kunnen worden. De verhooren werden voortgezet tot en met den 3den Februari 1887, toen zij wegens de bijeenkomst der Kamer moesten worden afgebroken 140 deskundigen en getuigen werden gehoord, waarvan 65 omtrent Amsterdam, 50 omtrent Maastricht, 8 omtrent de vlasindustrie en '23 omtrent Tilburg. Met betrekking tot Amsterdam kon het onderzoek hiermede geenszins als voltooid beschouwd worden ; de Commissie moest zich voorbehouden dit gedeelte van het onderzoek nader te hervatten. Zij zou zulks, ware de gelegenheid haar gegund, insgelijks gedaan hebben ten aanzien der vlasindustrie, met name ook wat die in de provincie Friesland betreft. |
In afwijking van de gedragslijn, bij vroegere enquêtes gevolgd, besloot de Commissie de processen - verbaal der verhooren nog vóór den afloop van het onderzoek openbaar te maken Het reglement van orde der Kamer liet haar daartoe vrijheid, en hare bevoegdheid ton deze werd door de geschiedenis der wet van 5 Augustus 1850 {Staatsblad no. 45) boven redelijken twijfel verheven. Het kwam haar voor, dat de aard van het onderwerp tot de meest mogelijke, en ook tot do snelst mogelijke openbaarheid drong. Gelegenheid tot tegenspraak van afgelegde verklaringen moest ook aan personen, die niet verhoord waren, in de ruimste mate gegeven worden. Do afgelegde verklaringen leidden op enkele punten tot protesten en tegenspraak. Deze laatste nam echter geen groote verhoudingen aan en betrof mee-rendeels niet zoozeer hetgeen door verhoorde deskundigen en getuigen was gezien en oudervonden als hetgeen zij op hooren zeggen verklaard liadden, waaraan reeds uit dien hoofde minder waarde viel toe te kennen. Aan een verzoek, om alsnog een aantal nieuwe etuigen te hooren over onderwerpen, ie bereids veelzijdig waren toegelicht, terwijl de requestrant bij zijn verhoor met den inhoud der dienaangaande afgelegde verklaringen bekend gemaakt en tot tegenspraak daarvan in de gelegenheid gesteld was, meende de Commissie geen gehoor te mogen geven. Voorzoover het bijeenzijn der Kamer zulks toeliet, hield de Commissie zich in de maanden Februari en Maart 1887 met de voorbereiding van verdere verhooren onledig. Zoodra een reces haar daartoe gelegenheid zou geven, wenschte zjj de enquête betrelfende Amsterdam te voltooien en voorts de Groninger veenkoloniën, Twenthe en Leiden binnen den kring van haar onderzoek te trekken. De noodige stappen werden daartoe gedaan ; openbare ambtenaren werden tot medewerking uitgenoodigd en van opdrachten voorzien, bouwstoffen verzameld, inlichtingen van verschillenden aard ingewonnen. Tegen hot einde van Maart waren met namo voor Twen-the de voorbereidende werkzaamheden zeer ver gevorderd. Dank zij de hulp der burgemeesters van de Twenthsohe gemeenten, waren de bovengemelde formulieren voor de aldaar aanwezige fabrieken en werkplaatsen ingevuld en was de algemeene oproeping van hen, |
8
|
te vernemen was: dat buiten die vereo-nigingen op medewerking van de zijde der werklieden niet te rekenen viel, wegens de algemeen heerschende vrees, dat zij wellicht later door hunne patroons zouden worden «gezocht,quot; Ijenoeg om te doen beseffen, dat de Commissie bij de voorbereiding te Amsterdan met groote moeilijkheden te kampen had. Aan het verzoek om zakelijke inlichtingen naar aanleiding der schets van hoofdpunten, welke aan de kamer van koophandel en fabrieken, aan tal van vereenigingen en aan eenige particulieren werd toegezonden, werd ver van algemeen voldaan. De meeste vereenigingen van industrieelen gaven of geene of slechts onvoldoende inlichtingen en deelden bijna in het geheel geen feiten mede, die tot grondslag van nader onderzoek konden strekken. Van eenige vereenigingen van werklieden kwamen belangrij ke rapporten in, maar een overzicht van den toestand der verschillende takken van nijverheid verkreeg men niet, en slechts uit enkele vakken, tot de ambachtsnijverheid behoorende, werden getuigen opgegeven. De openbare oproeping van allen, die zich in staat gevoelden zakelijke inlichtingen te verstrekken, om zich daartoe bij de Commissie aan te melden, had weinig resultaat. Slechts zeer enkele personen gaven aan die uitnoodiging gehoor, terwijl bi) onderzoek bleek dat zij, die naar eigen meening iets wetenswaardigs hadden mede te deelen, daarom nog niet geacht konden worden zóó op de hoogte te zijn, dat hunne oproeping gerechtvaardigd was. Door tusschenkomst van den Minister van Binnenlandsche Zaken werd eene opgave verkregen van alle bedrijven en industrieele inrichtingen, die op de patentregisters voorkomen, met opgave van het aantal personen, die er werken, en de beweegkracht die er wordt aangewend. De inspecteur voor het geneeskundig Staatstoezicht in Noordholland werd uit-genoodigd der Commissie behulpzaam te willen zijn tot het verkrijgen der volgende opgaven: |
a een nominatieve staat van de fabrieken en werkplaatsen in de gemeenten Amsterdam, Nieuwer-Amstel en Watergraafsmeer (met de namen der aan het hoofd daarvan staande personen), waarin sedert tquot;. Januari 1884 kwetsing, verwonding of verminking van arbeidende personen is voorgekomen,waarvoor genees- of heelkundige bijstand is ingeroepen, en zulks met opgave van de namen der getroffenen en met beknopte aanduiding van de aanleiding, denaard en de beteekenis van het bekomen letsel; h een nominatieve staat van de fabrieken en werkplaatsen in de genoemde gemeenten (met de namen der aan hot hoofd daarvan staande personen), onder welker arbeiders (mannen, vrouwen, jongens of meisjes) gedurende het aangeduide tijdperk ziektegevallen zijn waargenomen, die naar deskundig oordeel waren toe te schrijven aan den aard van het bedrijf, aan do gesteldheid dei-lokalen of aan den aldaar verrichten arbeid, en zulks met vermelding, zooveel mogelijk, van het getal cn den aard dei-voorgekomen gevallen; c eene aanwijzing van de genees- en heelkundigen in de genoemde gemeenten, die door den aard hunner praktijk meer bijzonder met den gezondheidstoestand der arbeiders in fabrieken en werkplaatsen en van hunne gezinnen van nabij bekend mogen geacht worden. De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid stelde op verzoek der Commissie den ingenieur voor het Rijks-toezicht op het stoomwezen in het derde distriet ter harer beschikking, om haar zooveel mogelijk voor te lichten omtrent den toestand van fabrieken en werkplaatsen, meer speciaal in verband met de vraag aan welke gevaren de werklieden blootstaan. Met den meesten ijyer heeft deze ambtenaar, do heer H. VV. E. Struve, zich van die taak gekweten, en door tal van inlichtingen ook bij het voorbereidend werk de Commissie aan zich verplicht. Intusschen was dat alles nog op verre na niet voldoende om een zoo lang overzicht te verkrijgen als noodig was om met de getuigenverhooren betreffende Amsterdam een aanvang te maken. Enkele leden der Commissie trachtten door het verzamelen van gegevens op de plaats zelve het nog ontbrekende aan te vullen, maar stuitten ook daarbij op groote bezwaren. |
9
|
In dit stadium besloot de Commissie zich to wenden tot het hoofd der gemeente Amsterdam met het verzoek eenige geschikte politie-ambtenaren to willen aanwijzen, ten einde ten behoeve van het voorgenomen werk in de indu-strieele inrichtingen zelvo al die gegevens te verzamelen, welke de Commissie behoefde om met vrucht het onderzoek te kunnen voortzetten, üe burgemeester der hoofdstad betoonde zich niet alleen bereid aan dat verzoek te voldoen en zijne ambtenaren overeenkomstig de wensehen der Commissie te doen werken, maar deed ook persoonlijk al hot mogelijke ora der Commissie hare taak te vergemakkelijken, zoodat zij het zeker niet het minst aan zijne medewerking te danken had, dat zij in betrekkelijk korten tijd in staat was de verhoeren te beginnen. Zeven inspecteurs werden aangewezen om in de hun aangewezen wijken zich op do hoogte te stellen van do bestaande toestanden en voor elke fabriek of werkplaats afzonderlijk een formulier in te vullen. Aan eiken inspecteur werden circa 00 formulieren ter hand gesteld, en alle kwamen, zoo volledig mogelijk ingevuld, bij de Commissie terug. Er weiden in het geheel ruim 400 fabrieken en werkplaatsen bezocht, waaronder: 48 dia-mantkloverijen en slijpergen, 1 slijperij van edelgesteenten. 1 gasfabriek, 11 brood- en meelfabrieken, 6 azijnmake-rijen, 5 bierbrouwerijen, 1 biscuitfabriek, 1 boterfabriek, 5 koffiebranderijen, 15 koffieverlezerijen, 9 fabrieken van verduurzaamde levensmiddelen, 5 likeurstokerijen, 15 mineraalwaterfabrieken, 1 eau-de-cologne-fabriek, 21 sigarenfabrieken, 1 bitterfabriek, 3 cacaomolens, 6 grutterijen, 5 korenmolens, 4 meelmo-lens, 1 oliemolen, 1 rijstmolen, 2 spece-rij- en krijtmolens, 1 stroopfabriek, 1 patentoliefabriek, 1 pepton-fabriek, 1 salmoniakfabriek, 1 snuiffabriek, 1 stea-rinefabriek, 1 ijsfabriek, 1 zwavelzuur-fabriek, 1 bedveerenfabriek, 3 borstel fabrieken, 2 brikettenfabrieken, 1 de-kenwasscherij. 1 lijm- en vernisfabriek, 3 goud- en zilversmederijen, 6 hoedenen pettenfabrieken, 1 kaarsenfabriek, 1 kapokbereiderij, 2 katoenspinnerijen, 5 kleerenconfecties, 1 koolteerfabriek, 1 kurkenfabriek, 2 leerlooierijen, 6 meubelfabrieken, 1 krijt- on verfmolen, 1 volmolen, 3 passementfabrieken, 1 trijp-perserij, 6 ververijen, 1 zeepziederij, I huidenzouterij, 1 alt;phaltfabriek. 2 pompen blokmakerijen, 2 brandspuitfabrieken, 4 droogdokken, 7 stoomwerktuigfabrie-ken, 1 voor houtbereiding, 1 voor houtbewerking, 1 ketelmakerij, 6 kistenma-kerjjen, 1 loodaschbranderij, 2 metaal-warenfabrieken, 1 gipsmolen, 2 rijtuigmakerijen, 9 scheepstimmerwerven, 4 spiegel- en Ijjstenfabrioken, 5 steenhouwerijen, 1 timmerfabriek, 1 ventilatie-fabriek, 1 vijlenkapperij, 6 ijzer- en ko-i pergieterijen, 3 fabrieken van chemicaliën, I chininefabriek, 1 drukrollenfa-briek, 3 kartonfabrieken, 1 kunstlakkerij. 1 lakstokerij, 1 lettergieterij, 1 lijsten-fabriek, 1 patentoliefabriek, 1 sigarenkistmakerij, 7 steendrukkerijen, (i chocoladefabrieken, 7 suikerraffinaderijen, 4 suikenverkfabrieken, 15 grofsmederijen, 22 boek- en courantdrukkerijen en 31 houtzaagmolens. |
Uit deze opgave blijkt, welk eene groote verscheidenheid van bedrijven de hoofdstad des Rijks aanbiedt, ook al bepaalt men zich uitsluitend tot fabrieken en grootere werkplaatsen. Behalve' die 400 inrichtingen zijn er natuurlijk nog honderde kleinere, als meubelmakers-, schoonmakers-, timmermanswerk plaatsen, enz., maar de taak van de bovengenoemde polifie-inspecteurs was reeds van te grooten omvang, om hun ook nog op te dragen hun onderzoek tot de eigenlijke ambachtsnijverheid uit te strekken. Van welken omvang de kleine nijverheid te Amsterdam is, bewijst o, a. het rapport van de meu-belmakersvereeniging vAmstels Eendrachtquot;. Het bestuur van die vereeni-ging heeft enkele leden aangewezen, ora ten behoeve der enquête zooveel mogelijk de kleinere meubelmakers- en beeldhouwerswerkplaatsen na te gaan en daarover rapport uit te brengen. Ruim honderd werkplaatsen werden door hen bezocht, waarbij over 't algemeen een ongunstige toestand geconstateerd werd, vooral in de kelderlokalen en op do bovenverdiepingen. Over 't algemeen blijkt te Amsterdam de toestand van de kleine nijverheid, wat de localiteiten betreft, veel meer te wensehen over te |
10
|
laten dan die der groote industrie. Dm op het onderzoek der inspecteurs van politie terug te komen, zij namen persoonlijk de loealitoiten in oogen-schouw, en wonnen bij den patroon of directeur de noodige inlichtingen in, maar daarbij bepaalden zij zich niet. Waar het mogelijk was. vulden zij het formulier niet in, vóórdat zjj ook met werklieden van de fabriek haiiden gesproken, en namen van geschikte getuigen konden opgeven. Voor sommige fabrieken werden de opgaven nog nader gecontroleerd en aangevuld, waarbij meestal bleek, dat do eerst verstrekte inlichtingen juist geweest waren. Ook de burgemeesters van Nieuwer-Amstel en Watergaafsmeer droegen aan onder hen geplaatste beambten op, de in hunne genieenten aanwezige fabrieken en werkplaatsen na te gaan en daaromtrent formulieren in te vullen. Allengs was nu het terrein geëffend en een overzicht verkregen, voldoende om tot de verhoeren van deskundigen en getuigen over te gaan. üe formulieren van de inspecteurs waren daarbij een geschikte leiddraad, ofschoon de invulling toch nog niet volledig genoeg was om er systematische tabellen uit samen te stellen, gelijk die voor de provincie Limburg kunnen worden overgelegd. Voor de samenstelling eener volledige nijverheids-statistiek betreffende Amsterdam kunnen de door de Commissie verzamelde bescheiden ongetwijfeld vau nut zijn. maar daartoe zal toch op menig punt het onderzoek aangevuld behooren te worden en tot alle inrichtingen van nijverheid moeten worden uitgestrekt. In het gemeenteverslag van de hoofdstad worden om de vijfjaren reeds opgaven verstrekt van het aantal werlieden, in de verschillende fabrieken en werkplaatsen arbeidende, maar die hebben betrekkelijk weinig waarde, vooreerst omdat een zeer groot aantal ondernemers geen inlichtingen verstrekken, zoodat de voor hen bestemde kolom wit moet blijven, maar in de tweede plaats ook omdat er te weinig wordt gespecificeerd om, met het oog op eene arbeidswetgeving, die statistiek met vrucht te kunnen raadpleggen. |
Gelijk werd opgemerkt, zijn ook de rapporten, thans door de politie-inspec-teurs samengesteld, nog onvolledig. In verscheidene van die rapporten is zelfs het cijfer der werkkrachten niet ingevuld, omdat men de beambten afscheepte met de uitvlucht, dat het moeilijk was op te geven of zeer afwisselend was. Bij andere, waar het totaalcijfer wel is ingevuld, is men niet te weten kunnen komen, hoe dat aantal is verdeeld over geslacht en leeftijd, üm het onderzoek niet gecompliceerd te maken, was aan de inspecteurs niet verzocht na te gaan hoeveel kindoren van 1 quot;2, 13, 14 jaren respectievelijk in elke fabriek werkten, maar alleen hoeveel jongens en meisjes beneden 18 jaren er werden aangetroffen. De Commissie kon met het oog op den korten tijd, die voor het voorbereidend onderzoek beschikbaar was, moeilijk verder gaan, en kon er ook mede volstaan, omdat de rapporten slechts behoefden te dienen als basis voor de eigenlijke enquête. Dit neemt echter niet weg, dat voor eene goede nijverheidsstatistiek meer specificatie van leeftijd wenschelijk ja noodig moet geacht worden, al ware het alleen omdat het groot verschil maakt, of er in den eenen of anderen tak van nijverheid vele twaalfjarigen dan wel vele zeventienjarigen worden aangetroffen Nog veel moeilijker zal het zijn, voor eene zoo groote stad als Amsterdam eene nauwkeurige statistiek op te maken van de werktijden, in verband tot rusttjjden, overwerk, nachtwerk, Zondagswerk. Men moet ten deze meestal afgaan op de opgaven der patroons, en bij de enquête kwam meermalen aan het licht dat die opgaven, ofschoon te goeder trouw gedaan, niet altijd met de werkelijkheid overeenstemmen. Dikwijls noemt de een overwerk, wat een ander als gewonen arbeid beschouwt, en ook de appreciatie van 't geen veel of weinig overwerk is schijnt zeer te kunnen uiteenloopen. Daarbij komt, dat uit den aard der zaak zij, die veel van hun personeel vergen, geene geregelde rusttijden gunnen en veel overwerk vorderen, er niet bijzonder op gesteld zijn daarvan mededeeling te doen, en, zoo zij er aan kunnen ontkomen liever eene exceptie opwerpen dan op bepaalde vragen pertinent te antwoorden. Meermalen bleek dan ook tijdens de verhooren, dat in fabrieken, waar blijkens |
11
|
de politie-rapporten de werkdag niet buitensporig lang en het overwerk luttel was, toch in werkelijkheid ook van jeugdige werkkrachten een zoo overmatige arbeid geëischt werd, dat de patroons zelf het lot van die kleinen minder gunstig noemden. Aan de inspecteurs van politie was ook bepaaldoljjk opgedragen voor elke fabriek in het bijzonder na te gaan of er gevaar voor brand is, of de werklieden bij brand gemakkelijk kunnen ontkomen, of de werktuigen groot gevaar voor ongelukken opleveren en of er dikwijls ongelukken voorkomen, of do lokalen schadelijk zijn voor de gezondheid of overmatig bezet met werkvolk. Natuurlijk hing bij de beantwoording dier vragen veel af van de per soonhjke opvatting van den ambtenaar. Waar de een reeds gevaar ziet, zal de ander bjj het in acht nemen van de noodige omzichtigheid de veiligheid volkomen verzekerd achten Dit bleek ook hier. Allen vulden de kolommen bljjk-baar zoo consciëntieus mogelijk in, maaide één was meer optimistisch dan de ander. Van deze ambtenaren kon trouwens ook niet verwacht worden, datzjj in deze materie allen deskundigen zouden zijn en dus met voldoende kennis van zaken zouden kunnen beoordeelen, in hoever bjjv. werktuigen voldoen aan eischen van veiligheid. Daarom werd dan ook, met het oog op brandgevaar, nog een afzonderlijk onderzoek ingesteld door ambtenaren van de brandweer, en het resultaat van dat onderzoek werd eveneens aan de Commissie overgelegd. Bovendien werd, ten deele met het oog op brandgevaar, maar vooral met het oog op den aard en de plaatsing der werktuigen, aan den heer H. W. E, Struve, den ingenieur van het stoomwezen, eene lange lijst van fabrieken en werkplaatsen ter hand gesteld, om die nog eens aan eene opzettelijke inspectie te onderwerpen. Toen de heer Struvo als deskundige voor do Commissie verscheen, was het door hem in te stellen onderzoek nog niet geheel afgeloopon, en werd hom te kennen gegeven dat er wellicht termen zouden z|jn hem later opnieuw te hooren. Nu het afnemen van verdere verhoeren onmogelijk bleek, verzocht de Commissie den heer Struve aangaande den toestand van eenigo nog door hem geïnspecteerde fabrieken een schriftelijk rapport in te dienen. |
Onder do verdere schriftelijke bescheiden, dio aangaande Amsterdam bij de Commissie zijn ingekomen, zijn er verscheidene die geene bijzondere vermelding behoeven. Opmerkelijk is het dat door de vereenigingen, niet of niet uitsluitend den werkmansstand omvattende, in het geheel geen zakelijke inlichtingen werden verstrekt. De kamer van koophandel en fabrieken verklaarde «zich niet in staat te gevoelen omtrent de door de Commissie gestelde hoofdpunten eenige zakelijke inlichtingen te verstrekken, omdat â zoo drukt zij zich uit â 'de bedoeling van deze Uwe vraag ons niet geheel duidelijk is.quot; Intusschen had bedoelde kamer over de meerdere of mindere wenschelijkheid van uitbreiding van de wet op den kinderarbeid reeds in 1877 eene zeer besliste meening In antwoord op eene circulaire van den Minister van Justitie schreef zij destijds : »De Staat zal op onoverkomelijke bezwaren stuiten, zoo hij het, wij erkennen dit gaarne, aanlokkelijke denkbeeld wil ten uitvoer leggen om tusschen telde te treden wanneer kinderen boven l'i jaren, hetzij vrijwillig, hetzij gedwongen, arbeid verrichten, welke niet geëvenre-digd is aan hunne lichamelijke ontwikkeling..... «Afgescheiden van dit alles achten wjj uit het oogpunt der persoonlijke vrijheid eene uitbreiding der wot van It) September 1874, zooals door Uwe Excellentie wordt bedoeld, niet wenschelijk. Ook zijn wij huiverig aa.i de tusschen komst van den Staat grootere uitbreiding te geven dan bij genoemde wet reeds is geschied. Wij meenen dat er vrijheid van overeenkomst moet bestaan tusschen werkgever en werknemer, en niet uit het oog mogen verloren worden de bijzondere omstandigheden, waarin dikwerf de werkgever, zoowel als do persoon die werk vraagt, geplaatst is. Ons komt het voor, dat uitsluitend op de beide partijen de taak rust, zorg te dragen dat er geen arbeid of werk wordt gevorderd of gevraagd, ongeë ven-redigd aan de lichamelijke ontwikkeling, onverschillig of een dergelijke overmatige |
12
|
arbeid opgedragen wordt aan mannen, vrouwen of kinderen. oAlleen de kracht, de invloed der beschaving, het particulier initiatief en de wetten der vrije arbeidsmarkt moeten on zullen ook uitsluitend de werkgevers en werknemers dwingen die taak nauwgezet te vervullen; â geene wettelijke bepalingen. «Uitgaande van dat beginsel, hebben wij gemeend do door Uwe Excellentie tot ons gerichte vragen niet afzonderlijk te mogen bespreken, maar ons te bepalen tot de eerste vraag, en als antwoord daarop (Jwe Excellentie te verzoeken de wet van lO September 1874 nip.l verder uit te breiden en vooralsnog de Staatsvoogdij en bescherming te bepalen tot kinderen beneden den l'2jarigen leeftijd.quot; Op dit standpunt is kennis van feiten volkomen overbodig, omdat a priori wordt aangenomen, dat bescherming van Staatswege van kinderen boven 12 jaren eene inbreuk zou zijn op do persoonlijke vrijheid en de vrijheid van overeenkomst. Toch is de onderstelling niet gewaagd, dat de kamer van koophandel en fabrieken wellicht in 1877 eenigszins anders zou hebben geadviseerd indien zij destijds reeds kennis gedragen had van hetgeen door de enquête thans aan het licht gekomen is, dat namelijk vele jongens en meisjes ook in de hoofdstad des Rjjks, onder de werking van de «wetten der vrije arbeidsmarktquot;, verplicht worden 24 tot 36 uren achtereen in fabriek of werkplaats door te brengen. Over de vraag, tot hoever de bescherming zich moet uitstrekken en hoe zij moet worden verleend, kan zeker nog verschil van gevoelen bestaan, maar dat ook aan kinderen, die reeds den twaalfjarigen leeftijd bereikt hebben. niet alle bescherming mag worden onthouden, dat zal zeker voortaan slechts door weinig voorstanders van het laissez faire, laissez passer meer ontkend worden. Juist in dit opzicht zijn de ver hooren omtrent Amsterdam bijzonder leerzaam geweest, vooral ook omdat er uit blijkt, dat overmatige arbeid van kinderen voorkomt niet in enkele, maar in tal van bedrijven en industrieën, en niet het minst daar, waar men dien met het oog op de beweging in de pers het minst zou verwachten, zooals bij courantdrukkerijen. |
Behalve van de kamer van koophandel en fabrieken, zijn nog schriftelijke antwoorden ingekomen van de Amsterdam-sche afdeelingen van de maatschappijen tot Nut van 't Algemeen en tot bevordering der Bouwkunst en van de maatschappij voor den Werkenden Stand. Het Amsterdamsch Nutsdepartement schrijft dat hot geen gevolg kan geven aan de uitnoodiging der Commissie, omdat de tijd te kort was; de Amstor-damsche afdeeling van «Bouwkunstquot; bepaalt zich tot de verklaring, dat het nuttig is «dat een jongen op zijn 14de jaar een vak beginne aan te leerenquot;; de Maatschappij v001' den Werkenden Stand geeft te kennen, dat het terrein der enquête buiten hare bemoeiingen ligt. De andere schriftelijke bescheiden, op Amsterdam betrokkolijk, zijn afkomstig van particulieren en van werklieden-vereenigingen. Laatstgenoemde zyn het grootst in aantal en bevatten ook nog de meeste zakelijke mededeelingen. Zie-hier een kort overzicht van eenige rapporten : quot;* -a. Hè dianiantaljipersvereeniging. Zij verklaart dat door üe diamantslijpers geen kinderen beneden 13 jaren worden toegelaten ; het eerste jaar worden de leerlingen «uitsluitend gebruikt voor het verrichten van boodschappen en kleine dienstenquot;. Alle fabrieken, op eene enkele uitzondering na werken 5'/,2 dagen per week (de dag berekend op 12 uur wer-kens); en aangezien het diamantslijpen grootendeels door Israëlieten wordt uitgeoefend, beginnen de werkdagen op Zondag en eindigen zij Vrijdag namiddag- . . b. De scheepstimmorl'p'lfinverppnig1quot;!? «Eendrachtquot;. Zij meent alleen te moeten wijzen op het groote gevaar voor ongelukken. «Indienquot; â zoo drukt haar secretaris zich uit â «ons een ongeluk overkomt op onze werkplaatsen, dan worden wij onmiddellijk op de minuut afgeschreven, dus dan krijgen wij geene ondersteuning. Daarom zou de veroeniging wenschen dat bij de wet bepaald werd, dat den werkman, die een ongeluk krijgt, eene toelage werd verstrekt, of dat in geval van dood aan de weduwe eenige |
13
lt;
|
ondersteuning werd gegeven, evenals aan 's Rijks werven.'' c. De meubelmakersvereeniging »Am-â itels J^endrachCquot; lïï dit rapport wordt zeer geklaagd over den treurigen toestand van het meubelmakersvak, wat h. i. voornamelijk hieraan te wijten is dat ieder, bekwaam of niet, een patent kan nemen om baas te worden. Verder wordt, behoudens eene enkele uitzondering, eene ver van rooskleurige beschrijving gegeven van den toestand dermeubplmakers-werkplaatsen, in hoofdzaak overeenkomende met hetgeen bij de verhooren door de getuigen 1). Selling en J. C. Sieben-list is medegedeeld. d. De_ stukadoorsvereeniging oEendracht maakt ons sterk.quot; Deze vereeni-ging beklaagt zich over »slechte steigers zoowel binnen-als buitenshuisquot;, waardoor de werklieden dagelijks zijn blootgesteld aan allerlei gevaren, en over het vele overwerk, dat ook des nachts en des Zondags van hen wordt gevorderd. Zij zou wel wenschen dat overwerk alleen , geoorloofd werd tegen dubbel loon. e. De braodbakkersvereeniging »Loon naar werkquot;. Deze vereeniging beklaagt zich dat aan hare leden geen loon naar werk wordt gegeven. Zij schrijft het gebrek aan werk vooral toe aan den te langdurigen arbeid, die van de werklieden, ook van de jongens, gevorderd wordt. Bij de â particuliere bakkers wordt, schrijft zij, over 't algemeen 100 uur per week gewerkt, en door de jongens in , den regel nog langer; van Vrijdag-tot Zaterdagavond 24, ja soms '26 a 5:7 uur «achtereen. Bij deachtereen. Bij de broodfabrieken is de arbeidstijd veel korter. Nadere bijzonderheden zijn bij de verhooren medegedeeld door den getuige G. Loohuvs Hieraan sluit zich aan eene niet onbe-langrijke bijdrage, uit eigen beweging geleverd door een geëmployeerde bij eene broodfabriek, die van zijne fabriek de volgende tabel inzond ; »De werkzaamheden beginnen in den nacht van Zaterdag op Zondag te 1 uur en eindigen Zaterdag 6 a 7 uur. Werkzaam zijn: »1°. bakkers, verdienende f 12 tot f 15 's weeks: eerste ploeg bij dag gedurende 12, 12, 12, 12, 12, 12 â 72 uur, verwisselt per week; |
eerste ploeg bij nacht gedurende 24, 12, 12, 12, 12 en 24 = 96 uur, verwisselt per week. »2°. jongens van 13 tot 16 jaar, verdienende f 2,50 tot f 5 per week : eerste ploeg per dag gedurende 15, 13, 13, 13, 13, 13 en 12 â 92 uur, verwisselt per week; tweede ploeg bij nacht gedurende 14, 14, 14, 14, 14 en 16 = 86 uur, verwisselt per week; eerste ploeg bij dag gedurende 12, 12, 12, 12, 12, 12 en 13 = 85 uur, verwisselt per week; tweede ploeg bij nacht gedurende 12, 12, 12, 12, 12 en 25 = 85 uur, verwisselt per week. »3U. Karrijders, die met kar en paard bezorgen, verdienende f6 tot f8,75 per week : Zondag namiddags van 1 tot 6 uur en alle overige dagen van 's morgens 2 tot 'savonds 6 uur; zijn beurtelings 2 of 3 dagen 's weeks van 's morgens 9 tot 1 uur vrij. »4°. Karrijders, die met de handkar bezorgen, verdienende f 4 tot f 6 's weeks: Zondags van 1 tot 6 uur, en de overige dagen van 's morgens 4 tot 's avonds 6 uur. Van 's morgens 9 tot 1 geen brood bezorgende werken zjj in de fabriek. «Bepaalde tijd voor schaften wordt niet gegeven; ieder eet een stuk brood als er gelegenheid voor is. »De machinist werkt van iedere 12 uur, bij nacht of bij dag, gedurende 6 uren en verdient f 12,50 's weeks »De magazijnmeester werkt alleen 's nachts van 's avonds 9 tot 's morgens 10 uur en blijft Zaterdags doorwerken tot 6 a 7 uur. Van Zaterdag op Zondag werkt hij niet. Hij verdient f 13,50 's weeks. »De man, die daags als magazijnmeester fungeert, is tevens kantoorbediende. Hij werkt zoowel Zondags als andere dagen van 's morgens 9 tot 's avonds 9 uur. Om de 14 dagen heeft hij echter een Zondag vrjj. Hij verdient f 25 in de maand.quot; Æ. De schildersvereeni^in^: » Vooruit-r gang zy~0n$ dóeT In dit vak komt kinderarbeid weinig voor; wel nacht- en Zondagsarbeid. Over de meeste schilderswerkplaatsen valt niet te klagen; alleen over de kelderlokalen met klin- |
11
14
|
kerbevloering. »Aan ongelukken op het werk zijn de beoefenaars van liet schil-dersvak zeer veel blootgesteld. Vooral is dit het geval met buitenwerk (gevels) Men gelieve vooral op de nieuwe wijze van bouworde en de toepassing daarvan te letten, waardoor do schilder menigmaal de moeilijkste en allergevaarlijkste middelen te baat moot nemen om het werk te kunnen bereiken; bet is dan ook geen wonder dat er aanhoudend ongelukken voorkomen, waarbij vele met verlies van het leven. Op een gemiddeld ledental in onze veroeniging van 150 leden zijn in enkele van de laatste jaren 18 ongelukkon door vallen voorgekomen, waaronder die onmiddellijk den dooit ten gevolge hebben gehad, en vele waardoor de personen een geruimen tijd hunne gewone werkzaamheden niet konden uitoefenen.quot; Toezicht op de trappen, ladders, steigers, touwen wordt zeer noodig geacht. Kr zijn firma's, die om het jaar of althans om de twee jaren alle gereedschappen laten nazien, maar of alle dat doen, weet men niet te zeggen. Streng toezicht wordt te meer gewenscht geacht, omdat de patroons niet gewoon zijn ten behoeve dor gezellen eene verzekering tegen ongelukken te sluiten. De schilders zeggen : gt; zoolang men valt, wordt men betaald, maar wanneer men eenmaal ligt houd de betaling op.quot; Bij de verhooron zijn aangaande het schildersvak nadere bijzonderheden medegedeeld door den president der ver-eeniging, getuige A. Post. |
lt;/. De afdeeling Amsterdam van den algemeenen Nederlandse hen typogra-phenbond. Deze vereemgihg heeft een zeer uitvoerig en belangrijk rapport ingeleverd, voornamelijk over den kinderarbeid in het typographenvak. «De duur van den arbeid ' â zoo leest men daarin â »is voor alle kinderen van eiken leeftijd 10 a li uur per dag, en de kinderen moeten evenzeer als de volwassenen aan liet overwerk deel nemen, ja soms nog langer werkon dan de volwassenen, üe rusttijden worden bij sommige patroons zeer ongeregeld toegestaan ; van de twaalf halfuren schafttijd in de week bijv. wordt minstens de helft niet op den bepaalden tijd toegestaan. Ieder, die met den aard van het typographenvak op de hoogte is, zal moeten erkennen dat voor kinderen een werktijd van 10 all uren por dag meer dan voldoende is; maar als dan in aanmerking neemt het overmatig en zeer onregelmatig werken, dan twijfelen wij niet of U zult met ons oordeelen, dat aan zulke misbrui king van kinderen moet paal en perk gesteld worden. Wat een bedroe-venden aanblik levert het niet op die kleinen, na een dag en nacht doorgewerkt te hebben, te zien voortsukkelen met verbleekte wangen en als het ware slapend waar ze staan; hun voorkomen teekent dan meer den afgeleefden grijsaard dan den levenslustigen knaap.quot; üp deze en andere gronden wordt aangedrongen op uitbreiding van de wet op den kinderarbeid tot het 14de jaar. »Het is wel eenigszins waarquot; â zoo schrijven de typographen â «dat in de meeste arbeidersgezinnen de geringe verdiensten der kinderen eene welkome ondersteuning zijn, maar daartegenover staat nog hooger eene genoegzame al-geheele volksontwikkeling, benevens hot wegnemen van een kanker, aan zoovele takken van nijverheid knagende, quot;flSar toch thans vele volwassen arbeiders de plaats moeten ruimen voor die ongelukkige kleinen.quot; Uitvoerig wordt verder gerapporteerd over den toestand dei drukkerijen en zetterijen met het oog op gevaar voor gezondheid en veiligheid. Zeer wordt geklaagd over onreinheid en gemis van ventilatie, waardoor de inademing van looddeelen nog bedenkelijker wordt. Yan ééne drukkerij wordt verhaald dat aan de werklieden, toen zij klaagden dat het privaat eene ondraaglijke lucht verspreidde, gezegd werd: we zullen er carbolzuur plaatsen, maar daarvan moet gij dan zelf de kosten betalen. Van-eene lettergieterij wordt gezegd, dat er in eene zeer beperkte ruimte bij eene verdiepingshoogte van 2Vl meter 8 smeltvuren worden gevonden, en dat in Augustus 1886 de thermometer aldaar, op een afstand van '2 meter van een der vuren, nog 101° Fahrenheit aanwees. Evenzeer wordt geklaagd over het gevaar voor ongelukken ten gevolge van het dicht op elkander plaatsen van machines in eene beperkte ruimte, zoodat men bijna niet passeeren kan zon- |
15
|
der mot een wiel in aanraking te komen Deze en andere klachten gaven de Commissie aanleiding, eerst tot eene correspondentie met het bestuur van bedoelde vereeniging, en daarna tot het hooien van verscheidene getuigen uit het typografenvak. Als zoodanig werden gehoord de werklieden H. Rommerts, II. J. J. Zegers, A. Rot, à R. Gotze, E. Jacobsen en B. llolsderver Van de werkgevers in dat vak verschenen voor de Commissie de heeren H. Regenboog, chef der firma Ellerman, Harms en Cü., en B. Preijer, chef der expeditie van het AUjemeen Handelsblad, die in hoofdzaak bevestigden wat aangaande den kinderarbeid en andere punten door werklieden was medegedeeld. De firma Holdert en C0. kwam echter in een schrijven aan de Commissie op tegen een deel van hetgeen door den getuige E. R. Gotze was getuigd. In de eerste plaats merkte zij op, dat blijkens de werklijsten de knaap, bedoeld in de vragen 3514â3534, in dat jaar gemiddeld gewerkt heeft per week 7-2 uren, en zulks met een maximum van 93 en een minimum van 50 werkuren. Verder kwam zij op tegen hetgeen Gotze gezegd had onder de vragen 3556â3559. Zij beriep zich op het feit, dat twee met namen genoemde werklieden, wien in hare werkplaatsen een ongeluk was overkomen door eigen onvoorzichtigheid, desniettemin van hunne patroons ondersteuning hadden bekomen, met welke feiten getuige Gotze daarop verklaarde niet bekend te zijn geweest. h. De vereeniging van koper- en blik-slagers en aan het vak verbonden ge-zellen ; «Door Eendracht Vooruilyawjquot; verklaart »cene verbeterde wet op den arbeid' wenscliehjk te achten, maar zelf geene bouwstoffen te kunnen bijbrengen. |
i. De scheepsoptuigersvereeniging: »Nog tijdig ontwaakt . Heze vereeni-ging beklaagt zich «over het nacht en dag doorwerken op stoombooten, zonder het volk, daarop werkzaam, af te lossen, met een werktijd van somtijds 50 a 60 uren achter elkander.quot; Haars inziens zijn daarvan de gevolgen: «ongelukken bij massaquot; en slechte verdeeling van den arbeid, en zij beweert dat het ook in het belang dor ondernemers zou zijn dag- en nachtploegen in te , stellen, omdat men dan altijd nfrisch volkquot; zou houden. Hare tweede grief is dat «de aannemers van stoombooten en zeilschepen jongens in hun werk gebruiken beneden Iti jaren, die maar al te vaak op gevaarlijke punten geplaatst worden geen doorzicht hebben van den stoom, waarmede altijd gewerkt wordtquot;. Vorder wordt in het rapport aangedrongen: 1°. op verbod van arbeid op Zondag, vooral omdat Zondags-arbeid ten gevolge heeft dat er Maandags geen werk is; 2°. op het in het leven roepen van een fonds tot het geven van ondersteuning in geval van ongelukken bij het werk. k. De vereeniging nHandwerkers Vriendenkring.quot; Deze vereeniging meent dat er weinig of geen toezicht is op de handhaving van de wet op den kinderarbeid. «Ontduikingenquot;, schrijft zij, «zijn zeer gemakkelijk, en hebben onder anderen plaats in de diamantsnijdeiageik-plaatsen, waar niet zelden kinderen beneden 12 jaren werken, evenals de ouderen, van des morgens dat zij opstaan totdat zij des avonds naar bed gaan, zonder bepaalden schaft- of rusttijd.quot; Gok de kleermakers, die voor confectiemagazijnen werken, worden geholpen door kinderen beneden 12 jaren «schromelijk lang zonder rusttijdquot;. Bij het kleerenmaken (zie daarover het verhoor van den heer P. H. A. Schroder) is in drukke tijden, als tusschen Paschen en Pinksteren, een werktijd van 24 uren niet vreerad, ja zelfs wordt het wel eens tweemaal 24 uren. dRandwerkers Vriendenkringquot; zou wenschen dat de wet niet alleen beter werd gehandhaafd, maar dat ook het verbod van kinderarbeid tot 14 jaren werd uitgebreid. Ook acht zij wenschelijk, «eene verzekering van Staatswege tegen ongelukken in en door den dienst bij den patroonquot;. Verschillende fabrieken (diamantslijperijen) worden door haar opgenoemd, waar of gevaar is voor brand of ongelukken, öf de ventilatie veel te wenschen overlaat. Het tabakrooken zou zij op diamantslii-perijen öf geheel verbieden. 6f slechts quot;OnderTjeperkende voorwaarden toegelaten willen zien, omdat het zeer nadee-lig is voor de gezichtsorganen; aan de eigenaren zou zij de verplichting willen opleggen de machines minstens één uur |
10
|
per dag te laten stilstaan, en in dat uur de werkplaatsen te laten luchten of reinigen ; de invoering van remtoestellen, waardoor op elke kamer do verbinding kan afgekoppeld worden, zou zij verplichtend willen zien; en verder zou zij nog wensohen dat geen leerling in eene diamantslijperij werd toegelaten zonder een attest van den doctor, dat zijn gezichtsorganen het werken aldaar toelaten. I. «De Amsterdamsche bestuurders-bond der sociaal-democratische vereeni-gingen.quot; Deze bond weigert zijne medewerking, omdat hij verbetering in den toestand der werklieden niet mogelijk acht zonder algemeen stemrecht en omdat hij twijfelt aan de onpartijdigheid van de Enquête-commissie, waarin geen arbeiders zitting hebben. m. De klfiedermakersvereoniging» Voor Allen doar-ATlen ', '«ziet in dieenquête-wet, zooals die ingevuld moet worden, geen heilquot;. n. «De Amsterdamsche afdeeling der ijzer en metaalbewerkingsvereenigingquot;. Deze vereeniging verwacht niets van eene commissie, niet gekozen door de geheele Nederlandsche bevolking, en heeft geen tijd om een volledig overzicht te geven, maar wil toch niet achterwege blijven met te antwoorden, opdat nons niet naar het hoofd geslingerd worde: toen wij iets wilden doen, toon wildet gij niet'. In eene huishoudelijke vergadering benoemde zij daarom eene commissie, bestaande uit twintig leden, beoefenende verschillende bij den bond vertegenwoordigde vakken. Die vakmannen waren vuurwerkers, bankwerkers, plaatwerkers, metaaldraaiers, ijzergieters, kopergieters, ketelmakers, koperslagers, blikslagers, loodgieters, zink-werkers en machinisten, en werden speciaal belast met het inzamelen van gegevens. Naar aanleiding van de rapporten van al die leden werd een centraal rapport opgemaakt en aan de Commissie opgezonden. Zeer wordt in dat rapport geklaagd over misbruik van kinderarbeid, vooral bij smids- en ke-telmakerswerk, daar de jongens dikwijls nog langer moeten werken dan de volwassenen. Sterk wordt aangedrongen op verhooging van leeftijd in de wet op den kinderarbeid en op het oprichten van vakscholen. Ook voor de veiligheid in werkplaatsen en fabrieken behoort volgens het rapport veel meer gedaan te worden. Bij de verhooren is het rapport in bijzonderheden nader toegelicht door de getuigen W. Ansing en J. Heu-perman, voorzitter en secretaris der vereeniging, |
o. De. jgerkliadsnvereGnigipg â¢gt; Patri -moniumquot;. Deze vereeniging verklaart zich tegen uitbreiding van Staatsbemoeiing en is tegen uitbreiding van de wet op den kinderarbeid, die haars inziens evenzeer ten nadeele als ten goede heeft gewerkt. Van do werkzaamheid der Commissie verwacht zij ook daarom weinig goeds, omdat kPatrimonium's leden eene geheel andere levens- en wereldbeschouwing zijn toegedaan dan de meerderheid der Volksvertegenwoordigers. ja ook dan de meerderheid van de leden der Commissiequot;. Bij de verhoeren is de voorzitter van Patrimonium, de heer K. Kater, voor de Commissie verschenen om verschillende punten van het rapport nader toe te lichten en nadere inlichtingen te geven. p. De vereeniging tot bevordering van het onderwjjs aan ambachtsscholen. Deze vereeniging dringt aan op verhooging van den leeftijd, waarbeneden het verboden is kinderen te doen arbeiden, tot 13 jaren, en wel op den volgenden grond: «Volgens herhaalde mededeelingen van onderwijzers bij het lager onderwijs wordt de leeftijd van 13 jaren gesteld, opdat de kinderen na een getrouw schoolbezoek deze met vrucht zouden kunnen verlaten om op de ambachtsschool over te gaan. «De vereeniging sluit zich bij het gevoelen dier onderwijzers aan: «omdat, al wordt ook aan eene ambachtsschool het primaire onderwijs voortgezet, de leerlingen nog niet genoog physisch ontwikkeld zijn om de gereedschappen in de practische werkplaatsen dor school te kunnen hanteeren; «omdat eene ondervinding van meer dan io jaren heeft geleerd, dat het vak-teekenonderwijs aan leerlingen beneden den dertienjarigen leeftijd wegens gebrek aan genoegzame ontwikkeling niet kan gegeven worden.quot; q. De schuitenvoerdersknechtsvereeni- |
17
|
ging D Eendracht maakt Machtquot;. Deze vereeniging beklaagt zich dat er ook '8 nachts moet worden gewerkt, en ook op Zondag, »een dag waarop wij aanspraak hebben, maar die lang zoo meer verwaarloosd wordt alsof er geen Zon-of rustdag bestaatquot;. Zij zou verder wen-schen dat er een fonds werd opgericht om aan do werklieden, wien een ongeluk overkomt, eene tegemoetkoming te verstrekken. r. üe_rijtuig-_en wagenmakersgez_ejlfiii-vereeniging nLoon tiaar Werkenquot;. Kinderarbeid komt in dit vak niet voor, evenmin als vrouwenarbeid. Do opleiding laat echter »op bijna alle werkplaatsen te wenschen overquot;. De vereeniging beweert al het mogelijke te doen om daarin verbetering te brengen, maar »van medewerking van de patroons is daarbij â #=-- bijna geen sprakequot;. Ãe werktijd is 11 amp; fnM 1 '2 uur per dag, maar soms wordt hij -7 »â¢quot; opgevoerd tot 15 a 16 uren. Van wen-ken tot verbetering onthoudt zij zich, ftj.'. om de patroons niet in het harnas te C, 7;ï|agenquot;. _ ' s. üe timmergezellenvereeniging uCon-cordia intp.r-kins''. /.i] hpfrenrt het, dat zoovele jongens, bij het timmervak gaan, zonder voldoend lager onderwijs genoten te hebben. Als zij bij_het vak zijn, is de tijd dien zij in de werkplaats ofjn het te bouwen perceel moeten doorbrengen â ia den zomer van 's mor-^ gens 5 tot 's avonds 8 uur met twee nren quot;sëTiaittiid â te lang dm nog her-halingHonilerwya bij te wonen. Sommige patroons zorgen dat hunne leerlingen teekenonderwijs krijgen, maar niet alle. Verplicht herhalingsonderwijs tot het 16do jaar zou de vereeniging wensche lijk achten. In de tweede plaats verlangt zij strenger toezicht bij het bouwen van huizen en pakhuizen. «Onderscheidene raaien is het voorgekomen dat door het gebruiken van slechte materialen, het onvoldoende voorzien van de noodige koppel-, schoor- en stutwerken de schroraelijkste ongelukken ontstaan (het laatste op den Korten Nieuwendijk) waardoor menschenlevens verloren gaan, â voornamelijk ook op de bouwsteigers, die in de meeste gevallen zeer slecht zijn voorzien, en waarop dikwijls zware vrachten van metselmaterialen worden nnorcrozet, terwijl de knecht er niets |
aan kan doen, omdat hij, zoo hij er over klaagt, veeltijds wordt bedreigd met ontslag.quot; Ook dringt de vereeniging zeer aan op een nader onderzoek naar de werkplaatsen; »zoo zijn er tal van kelders of onderstukken, die te weinig daglicht ontvangen, zoodat de werklieden het grootste deel van den dag, althans des winters, bij kunstlicht moeten werken ; die werkplaatsen zijn ook veel le laag van verdieping en hebben weinig ventilatie, terwijl het er nog des te benauwder is door de uitwaseming van den grond, en soms ook door den slechten afvoer van faecaliën.quot; Het gevaar voor ongelukken acht zij het grootst in de stoomtimmerfabrieken. t. De vereeniging «Neèrlands Werkmanquot;. Deze vereeniging meent het geven van zakelijke inlichtingen aan vak-vereenigingen te moeten overlaten, maar dringt o.a. aan op «verscherpt toezicht op kinderarbeid of liever in het geheel geen kinderarbeidquot; en op het in het leven roepen van eene wet, die de patroons verplicht bij het voorkomen van ongelukken hulp en steun te verstrekken. u. üe vrouwenvereeniging »Onderlinge Samenwerkingquot; De vereeniging wijst op de ellende, veroorzaakt door arbeid van kinderen, maar vooral van vrouwen en meisjes op de fabrieken. Zij acht het een hoogst treurig feit, dat meer en meer de mannen worden afgewezen, omdat de fabrikanten het wel met kinderen en vrouwen kunnen doen, en ziet daarin de hoofdreden waarom zulke mannen aan den drank verslaafd geraken of «plaatsen bezoeken waar gepredikt wordt om land en volk ongelukkig te makenquot;. H. i. gaat menig huishouden stoffelijk en zedelijk verloren door het werken van vrouwen en meisjes op de fabrieken, als bijv. op de waskaarsenfabriek. v. De steenhouwersyereeniging «Ecn-dracht rnaakt macht . üe vereeniging klaagt zeer over den slechten toestand van de meeste steenhouwerswerkplaat-sen : »open loodsen met pannen gedekt, waarvan de meeste niet eens zijn bestreken, dus van boven open, en des winters met rietmatten dichtgezet, waardoor de werklieden door het ontbreken van licht te veel van hunne oogen moeten vergen. Van verwarming |
18
te lang is, «daar er vele sigarenmakers dag en nacht moeten werkenquot;, terwijl in vele gevallen de vrouw nog mede moet werken om in de noodzakelijkste levensbehoeften te voorzien. Nadat daarop onder anderen de sigarenfabrikant Van Maurik gehoord was, wendde bedoelde vereeniging zich nogmaals tot do Commissie om tegen de beweringen van bedoelden getuige protest aan te teekenen. De president der vereeniging verklaarde zelf drie maanden bij dien patroon in dienst te zijn geweest en te kunnen getuigen dat hij, aan blokwerk arbeidende, van Maandag tot en met Zaterdag hard moest werken om f 6 a f7 in de week te verdienen, en dat anderen met f 5 naar huis gingen, ofschoon het ook geen Maandaghouders waren. Als verdere grief worut nog aangevoerd dat de «tabak zoo kort aan wordt gegeven dat men in de meeste gevallen te kort komtquot;.
Tijdens en ook na de verhooren kwamen er nog eenige missives in, waarvan zeer enkele de strekking hadden om op te komen tegen deze of gene verklaring van een deskundige of getuige. Zoo kwam de firma .Gebr. Peters op tegen hetgeen de heer lleynes Rad getuigd aangaande den werktijd op zijne fabriek. »De werkuren' â zoo schrijft zij â «beperken zich op de fabriek van des morgens zes (in korte winterdagen zeven) tot des avonds zes uren, met tusschen-ruimte voor behoorlijken schafttijd; alleen in een paar drukke maanden. Maart en April, werken do arbeidsters een paar uur langer, d. w. z. tot 8 uur, enkele dagen, en wel de oudste der meisjes, tot 10 uur, en waarvoor natuurlijk overwerkgeld wordt betaald. Daar de werkzaamheden zich hoofdzakelijk bepalen tot het uitzoeken van veeren, kan van vermoeienis minder sprake zijn quot; Zoo trachtte een werkman, genaamd H. M. Kamphuijzen, in eene uitvoerige memorie te betoogen, dat aangaande den toestand der werkplaatsen en ook over andere punten door verschillende getuigen nog te gunstige verklaringen waren afgelegd, terwijl hij met tal van voorbeelden van zijn minder gunstig oordeel rekenschap zocht te geven. Met schrille kleuren schetste hij o. a. het ellendig lot van meisjes en
is ook in den winter geen sprake. Bovendien zijn de werkplaatsen te klein voor het personeel dat er werkt.quot; Verder keurt zij het af dat jongens gebruikt worden om karren met steenen te trekken, wat zwaar werk is en maakt dat zij »halt' versletenquot; zijn als zij het vak gaan loeren. «Voor de Jongens is 'g zo-iners de werktijd van 5'/» uur 's morgens tpt_8 a 9 aur 'in den avond, in den winter van licht tot jjonker.quot; Bij het ver-hooren verscheen als getuige de secretaris der vereeniging G. Th. Brusselaars, maar den loden Maart schreef C. Van Kasteel, voorzitter van het hoofdbestuur van den steenhouwersbond in Nederland. namens de Amsterdamsche afdee-ling van dien bond een brief aan de Commissie, waarin hij verzocht nog nieuwe getuigen uit dat vak, o.a. hem zelf te hooren, omdat Brusselaars gezwegen had waar hij had moeten spreken en op andere punten (vraag H34 en 1147) overdreven had.
tv De Amsterdamsehe mandenmakers-vereeniging. De vereeniging verklaart aangaande kinderarbeid niet veel opheldering te kunnen geven, «omdat er weinig leerlingen bij het vak bijkomen en zij die er bijkomen er toch in den regel maar heel kort bij blijven, omdat er in de werkplaats niemand is die zich het lot van een jongen aantrekt. De baas is er gewoonlijk niet bij, en de gezellen hebben genoeg met zich zelf te doen om in hun onderhoud te voorzien.quot; Over den toestand der werkplaatsen wordt zeer geklaagd. »Op eene enkele uitzondering naquot; â zoo wordt gemeld â «zijn de werkplaatsen ellendig, in vochtige kelders, met te weinig licht en te weinig lucht, zonder verwarming, maar met een bedorven atmosfeer, en daar zit dan de arbeider op een plank, een paar duim van den vochtigen grond af te werken; voornamelijk in den winter is het ellendig quot;
a:. De tabakswerkersverceniging » Door EeiidracTiT^yemittgsbrac/if ^ De vereeniging spreekt de vrees uit dat de getuigen, die opgeroepen worden, niet naar waarheid zullen durven spreken, »om reden zij dan gevaar loopen van broodeloos te gerakenquot;. Haars inziens zal blijken, dat er gronte grieven in het vak bestaan; dat bijv. de werktijd veel
19
|
vrouwen in fabrieken en hoe daardoor tal van huishoudingen te gronde gaan. Ook aan rajssives met betuiging van instemming met voor de (Jommissie afgelegde verklaringen ontbrak het niet. Zoo had bijv. de verklaring van getuige W. Ansing. president van de ijzer- en metaalbewerkersvereeniging, bijzonderen indruk gemaakt op een persoon, die in zijne jeugd dezelfde behandeling had ondervonden als het knaapje, waarvan Ansing gewaagde. «Ook ikquot; â zoo schreef hij aan de Commissie â «heb ala Kijarig kind in functie als smids-jnng-enâden geheelen dag de blaasbalg moeten trekken en voorslaan, des zomers van 's morgens vjjf uur tot 's avonds tien uur moeten werken, terwijl ik te huis komende menigmaal geen voldoend voedsel vond om de hongerige maag te stillen. Des winters was onze dag jvan 's morgens G1^ tot 's avonds 9, ook wel 10 uur, en enkele keeren 's nachts en Zondag overwerken, en dat vooreen | ioon van 15 a 18 stuivers in de week; in den beginne was het zelfs slechts 6 stuivers in de week. Ook is het mij gebeurd, dat ik in den winter in den donker naar het werk ging en slaapdronken tegen een voorwerp aanviel, dat mij bijna oen oog kostte; en toch moest ik onmiddellijk weder mijn werk hervatten, hetwelk bij de slagen van den voorhamer mijn hoofd deed dreunen quot; Zoo gaf het lezen van de verhoeren over den kinderarbeid op de drukkerijen een wérkman aanleiding om er op te wijzen, dat de toestand op de boekbinderijen, waar ook. vele jongens en meisjes werkzaam zijn. niet beter is. Enkele feiten werden daarbjj genoemd om te doen zien, dat ook daar de werktijd van kinderen boven 12 jaar buitensporig lang is. Zoo vond een derdo in de yerklarin-gen aangaande de nadeelige yvnlcr^ van het vroeg in den morgen open zijn der kroegen- eeae 'rgdBTr onr dieuaair^ j\ gaande nog iets- naders mecTe te deelen. | Vjquot; ) «Volgens de hier bestaande politiever-â I- ' ordeningquot; â zoo schreef hij â «mogen de tapperijen geen sterken drank ver- koopen dquot;n nantyq yflT1 ^0-r, en des winters van 12 tot 5 nnr. De meeste hebben echter nog nachtpermis-sie, dat wil zeggen, zij mogen tot 2 uur |
's nachts open blijven, zoodat dergelijke \ lokalen hoogstens drie uur in een etmaal I gesloten zijn. Of er nu in dat vroege uur jenever gebruikt wordt ? Wel zeker, en niet enkel door lieden, die tot het bouwvak behooren, zooals de heer v. M. beweert, maar door tal van anderen, die zich in eene stad als Amsterdam zoo vroeg op straat bevinden, zoo bijv. allen die zich naar groenten- of visch-markt begeven, bakkers die de nachtwerkers op de fabriek moeten aflossen,) depóthouders, die brood aan de fabrieken j moeten afhalen, enz. enz. Ik was iiT' 1884 tot 1885 eigenaar van eene tapperij in de nabijheid van eene broodfabriek; daar werd het werkvolk 's morgens omi 6 uur afgelost, en allen die van de fabriek kwamen, gingen, op eene enkele uitzondering na, een borrel nemen. En het waren volstrekt niet alleen bakkers, die zoo vroeg de kroeg bezochten, dikwijls ook koetsiers, geëmployeerden, enz.'' Het bovenstaande bevat een beknopt overzicht van eenige schriftelijke rapporten betreffende de toestanden te Amsterdam, die eenigermate als aanvulling' zijn te beschouwen van de vprhooren van deskundigen en getuigen. Uit den aard der zaak zou de arbeid der Commissie vruchtbaarder geweest zijn, indien haar de gelegenheid was geschonken deze verhooren verder voort te zetten, want er zijn tal van bedrijven, waartoe het onderzoek in de hoofdstad zich nog niet heeft uitgestrekt. Toch is datgene, wat omtrent Amsterdam aan het licht kwam, niet zonder invloed gebleven op de beschouwingen, die hieronder zullen worden aangetroffen. De aanvankelijke uitkomsten van dit onvoltooid gebleven onderzoek wijzen immers onmiskenbaar op de noodzakelijkheid om eensdeels verdere gegevens te verzamelen, anderdeels de bescherming, van overheidswege verleend, reeds dadelijk. in sommige opzichten uit te breiden. § :i. Limburg. â Ten einde de ver-eischte gegevens ten behoeve der enquête zoo volledig mogelijk omtrent de 124 gemeenten der provincie Limburg te verzamelen, is in elke dier gemeenten uit het ten raadhuize berustend register der patentplichtigen over het laatste dienstjaar (1885 â 1886) een staat opge- |
20
|
maakt van al die patentpliohtigen, zoowel fabrikanten als ambachtalieden, welke met hulp werken. Bij al de op die staten voorkomende patentpliohtigen, ten getale van 1940, is vervolgens, onder leiding van een van de leden der Commissie, een onderzoek ingesteld, waarvan het resultaat in daarvoor vooraf vastgestelde tabellen is opgeteekend. Dat onderzoek heeft in alle gemeenten geloopen over den aard van het werk, over de kracht der gebezigde stoomwerktuigen, het getal der werklieden, hun leeftijd en kunne, den dagelijksohen werktijd, den aanvang en het einde daarvan, den etenstijd en de andere rusttijden, het overwerk, nachtwerk en Zondagswerk en de loonen, terwijl bovendien in de gemeenten Maastricht. Roermond en Venlo aanteekenin-gen zijn gemaakt omtrent den toestand en de inrichting der werklokalen, de wijze van verlichting, het meer of minder brandgevaar, de middelen van ventilatie, de werktuigen alleen door jongens en meisjes bediend, en omtrent de vraag of overmatige arbeid van jongens of meisjes wordt gevorderd. Op deze wijze is een overzicht verkregen over den toestand van 11 156 arbeiders, volgens leeftijd en kunne verdeeld als volgt: 7011 mannen; 986 jongens van 16 tot 18 jaren ; 1207 » » 12 » 16 » '240 gehuwde vrouwen; 733 ongehuwde vrouwen ; 365 meisjes van 16 tot 18 jaren : 614 » » 12 » 16 i) Dank zij de bereidwillige medewerking in de gemeenten Maastricht, Roermond, Vaals en Venlo van de plaatselijke besturen en politie, en wat betreft alle overige gemeenten van de officieren en brigade-commandanten der Koninklijke marechaussee, liep dat geheele onderzoek zoo spoedig af, dat van de resultaten daarvan kon worden gebruik gemaakt bij de getuigenverhooren voor de gemeente Maastricht, die den 17den Januari 1S87 een aanvang namen. |
Die verhooren werden verder voorbereid door een persoonlijk onderzoek in fabrieken en werkplaatsen, waarbij het bedoelde lid der Commissie werd ter zijde gestaan door de heeren A. A. Bekaar, ingenieur van den Waterstaat, als daartoe op verzoek der Commissie door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid aangewezen, en dr. E. Wintgens, adjunct-inspecteur voor het geneeskundig Staatstoezicht voor de provinciën Noordbrabant en Limburg. Die tabellen, nader omgewerkt en alphabetisch volgens de gemeenten gerangschikt, vindt men in bijlage T. Daarin komen in iedere gemeente de fabrieken en ambachten, eveneens alphabetisch volgens hunne soort gerangschikt, voor. Het blijkt daaruit dat in de navolgende fabrieken, werkplaatsen en ambachten wordt gearbeid; a uitsluitend door mannen ; azijnste-ker, barbier, bloemist, brander-distillateur, cementwerk. chocoladefabriek, drogist, gasfabriek, houtdraaier, houtzager, huidenzouter, kau rsenfabriek. ketelsteenfabriek, klompenmaker, koekbakker, kopergieter, kruidenier, landbouwwerk-tuigenfabriek, loodwerker, marmerwerker, messenmaker, mineraal waterfabriek, mouter, plafonneur, plakker, pruikenmaker, steenhouwer, stoelendraaier, straatmaker, stijfselfabriek, vergulder, verver, vernissenfabriek, vijlenkappen, zinkwerker en zijdespinner: b. door mannen en jongens: aannemer, bakker, beeldhouwer, beeldsnijder, behanger, behangselpapierfabriek, be-kleeder van stoelen, bierbrouwer, blikslager, boekbinder, borstelfabriek, ge-weerfabriek, glasschilder, glazenmaker, goudsmid, graveur, hoedenmaker, hoefsmid, houthandelaar, horlogemaker, huisschilder, kabinetwerker, kachelmaker, kalkbrander, kleermaker, koperslager, kunstboterfabriek, kuiper, leerlooier, leidekker, linnenfabriek, lintwerker, mandenmaker, metselaar, meubelmaker, molenaar, molenmaker, olieslager, orgelmaker, pompenmaker, pottenfabriek, radmaker,rijtuigfabriek,schilder,scheep8-timmerman, schrijnwerker, siroopfabriek, slachter, slotenmaker, smid, steendrukker, steenkolenmijnen, stoomhoutzaag-molen, stoommeelmolen, stoomspinnerij, stukadoor, tabakskerver, timmerman, tingieter, verfstoffenfabriek, wagenmaker, wever, ijzergieterij, zadelmaker, zeepziederij, zinkwitfabriek en zoutziederij ; c. alleen door vrouwen: boordenfa- |
21
briek, atikstcrs. strijksters en wasch-vrouwon ;
d. door vrouwen en meisjes ; kleermaakster, modiste, naaister en papieren voorwerpenfabriek;
e. alleen door meisjes: kunstbloemen-fabriek, passementwerker;
f. door mannen en vrouwen ; bleeker, carboniseerderij. handschoenfabriek, lakenwever, meubel- en beddengoedfa-briek ;
y. door mannen, vrouwen, jongens en meisjes: aardewerkfabriek, boekdrukkerij, dekenfabriek, glasfabriek, katoenspinnerij, lakenfabriek, pannenfabriek, papierfabriek, pettenmaker, pijpenfa-briek, schoenmaker, sigaren- en tabak-fabriek, spijkerfabriek, steenbakkerij en wollenstofïenfabriek;
h. door mannen, jongens en vrouwen : turfspinnerij;
i. door mannen, jongens en meisjes: kunstwolfabriek en schoensmeerfabriek ;
k. door mannen, vrouwen en meisjes ; blauwverver, goudborduurder en vermi-cellifabriek.
Tot de voornaamste fabrieken en werkplaatsen, alphabetisch gerangschikt, behooren, buiten Maastricht, de navolgende met het daarbij vermeld aantal arbeiders :
de beeldhouwerswerkplaatsen van: a. den heer F. Stolzenberg te Roermond, met 54 mannen en één jongen van 12â16 jaren, en b. den heer J. Thissen te Roermond, met 10 mannen, 4 jongens van 10â18 jaren en 2 jongens van 12â16 jaren;
het beeldsnijdersatelier van den heer J. A. Oor te Roermond, met 22 mannen, 1 jongen van 16â18 jaren en 2 jongens van 12 â 16 jaren;
de behangselpapierfabriek van den heer B. üeuss te Roermond, met 24 mannen en 5 jongens van 16â18 jaren ;
de bierbrouwerij van den heer E. Smeets te üulpen, met 20 mannen ;
de boekdrukkerjjen van; a. den heer C. Weyerhorst te Heerlen, met 26 man- : nen, 5 jongens van 16â18 jaren en 2 van 12â16 jaren: h. van den heer M. Alberts te Gulpen, met 14 mannen, 2 ' jongens van 16â18 jaren, 1 jongen van i 12â16 jaren en 3 gehuwde vrouwen; c. van den heer A. Uoossens te Venlo, met 6 mannen, 5 jongens van 16â18 1
jaren, 6 jongens van 12â16 jaren en 7 meisjes van 12â16 jaren :
het cementwerk van den heer Kalff e a. te Vaals, met 18 mannen;
de glazen makerij van den heer F. Nicolas te Roermond, met 24 mannen, 6 jongens van 16â 18 jaren en 4 jongens van 12â16 jaren ;
de katoenspinnerij van de firma Ph. Claus te Roermond, met 40 mannen, 4 jongens van 16â18 jaren, 2 ongehuwde vrouwen, 9 meisjes van 16â18 jaren en 3 meisjes van 12â16 jaren;
de kunstwolfabriek van den heer P. Pastor te Vaals, met 11 mannen; 7jongens van 16â18 jaren en 11 meisjes van 13â16 jaren ;
de lakenfabrieken van: a. den heer Th. Binterim te Vaals, met 40 mannen, 2 jongens van 16â18 jaren, 14 jongens van 13â16 jaren, 1 gehuwde vrouw, 7 ongehuwde vrouwen, 8 meisjes van 16â18 jaren en 1 meisje van 13â16 jaren ; b. den heer R. Perrink te Vaals met 28 mannen ;
de pannenfabrieken : a. van de Naam-looze Vennootschap te Echt, met 37 mannen, 10 jongens van 16 â 18 jaren en. 7 jongens van 12â16 jaren ; b. van de Gebrs. Theunissen te Tegelen, met 16 mannen, 2 jongens van 16â18 jaren en 2 jongens van 12â16; c. van den heer C. Canoy te Tegelen, met 12 mannen, 2 jongens van 16â18 jaren en 4 jon-
fens van 12â16 jaren ; ri. van den heer . Kissen te Tegelen, met 12 mannen en 6 jongens van 12â16 jaren;ens van 12â16 jaren ; ri. van den heer . Kissen te Tegelen, met 12 mannen en 6 jongens van 12â16 jaren;
de papierfabrieken: a. van de firma Schrammen en Cia. te Meerssen, met 45 mannen, 12 jongens van 12â18 jaren, 18 vrouwen en 5 meisjes van 12â18 jaren; h. van den heer B. Deuss te Maasniel, met 20 mannen en 10 meisjes van 16â18 jaren ;
de pijpenfabriek van den heer J. Trumm te Weert, met 8 mannen, 1 jongen van 16â18 jaren, 2 jongens van 12-â16 jaren, 1 gehuwde vrouw, 1 ongehuwde vrouw en 1 meisje van 16â18 jaren;
de porseleinfabriek van den heer L. Regout te Meerssen, met 62 mannen, 37 jongens van 12â18 jaren, 21 vrouwen en 41 meisjes van 12â18 jaren;
de schoenmakerswerkplaats van den heer M. Levenbach te Sittard, met 5
22
|
mannen, 4 jongens van 12â16 jaren, l gehuwde vrouw, 4 ongehuwde vrouwen, 5 meisjes van 16â18 jaren en 9 meisjes van 12â16 jaren; de sigaren- en tabaksfabrieken van: o. van de weduwe Hennekens te Beek, met 53 mannen, 25 jongens van 16â18 jaren en 18 jongens van 12â16 jaren; b. van den heer H. Esser te Venray met II manneu, 3 jongens van 16â18 jaren en 8 jongens van 12â16 jaren; c. van den heer A. Esser te Venray, met 14 mannen en 5 jongens van 12â16 jaren; d. van den heer F. Arnoldts te Sittard, met 7 mannen, 4 jongens van 16-^18 jaren, 6 jongens van 12â16 jaren, 1 gehuwde en 1 ongehuwde vrouw ; e. van den heer A. Kreokamp te Tege-len, met 14 mannen, 1 jongen van 16â18 jaren en 2 jongens van 12â16 jaren; en f. van den heer A. Smeets te Sittard, met 5 mannen, 3 jongens van 16â18 jaren, 5 jongens van 12â16 jaren en 3 gehuwde vrouwen ; de steenbakkerijen van: a. den heer H. Canoy te Tegelen, met 30 mannen, 15 jongens van 16â18 jaren en 20jon- gens van 12â16 jaren;ens van 12â16 jaren; b. van den heer r. De Rijk te Tegelen, met 18 mannen, 4 jongens van 16â18 jaren, 3 jongens van 12â16 jaren en 1 meisje van 12â16 jaren : c. van de heeren Canoy-Russel te Tegelen, met 12 mannen, 2 jongens van 16â18 jaren en 1 jongen van 12â16 jaren; d. van don heer F. ütten te Bergen, met 18 mannen en 2 jongens van 12â16 jaren; en e. van den heer P. Frusch te Beek, met 8 mannen, 3 jongens van 16â18 jaren, 2 jongens van 12â16 jaren, 2 meisjes van 16â18 jaren en 3 meisjes van 12â16 jaren ; de domaniale steenkolenmijn te Kerk-rade met 273 mannen, 32 jongens van 16â18 jaren en 2 jongens van 13â16 jaren; de stoommeelmolens van : a. den heer J. Thewissen te Venlo mot 24 mannen, 4 jongens van 16â18jaren en 6jongens van 12â16 jaren ; b. den heer C. Trup te Roermond, met 27 mannen en 1 jongen van 12â16 jaren en c. den heer R. Smeets te Roermond met 19 mannen en 1 jongen van 12â16 jaren; de turfspinnerij van den heer W. Schellings te Horst met 30 mannen; de ijzergieterij van den heer H. Billen te Tegelen met 26 mannen en 9 jongens van 16â18 jaren; |
de naamloozeijzerfabriek teTogelen met 28 mannen en 4 jongens van 16â18 jaren: de naamlooze zinkwitfabriek te Eys-den met 27 mannen. L)e duur van den dagelijksohen werktijd ligt in de meeste fabrieken en werkplaatsen tusschen O'/j en 12 uren, na aftrek van de rusttijden, die overal tusschen de werkuren gegeven worden; uitzonderingen maken vooral sommige steenbakkerijen, waar slechts gedurende de zomermaanden gewerkt wordt, maar dan dikwijls van des morgens vier tot des avonds negen of tien ure, evenwel met verschillende rusttijden. Overwerk heeft nagenoeg nergens E laats, nachtwerk slechts in enkele fa-rieken en uitsluitend door mannen (boven 18 jaren) met uitzondering van de glasblazerij, waar ook jongens van 12 tot 18 jaren des nachts arbeiden. laats, nachtwerk slechts in enkele fa-rieken en uitsluitend door mannen (boven 18 jaren) met uitzondering van de glasblazerij, waar ook jongens van 12 tot 18 jaren des nachts arbeiden. Vrouwen of meisjes verrichten in geene enkele fabriek of werkplaats nachtarbeid. Des Zondags wordt in geene fabriek of werkplaats gearbeid, met uitzondering van : 1°. de glasblazerij de firma P. Re-gout en C0, waar tot des Zondagsmorgens 6 uur door de glasblazersploegen wordt gewerkt; 2quot;. de papierfabriek, waar de papiermolens tot 6 uür des Zondagsmorgens loopen. om dan stil te staan tot don volgenden morgen 6 uur: 3°. het onderhouden van vuren onder verschillende ovens, bjjv. in de aardewerkfabrieken en de glasfabriek, in de zinkwitfabrieken, welke voortdurend brandende moeten gehouden worden, en waarbij derhalve ook des Zondags de stokers, en bovendien in de glasfabriek de smelters werkzaam moeten blijven ; 4o. bierbrouwerijen en branderijen, waar des Zondags somtijds een paar uren tot het omzetten van het mout moeten worden besteed. Nog zij hier geconstateerd dat door alle fabrikanten en werkgevers, aan wie inlichtingen zijn gevraagd, deze met de meeste voorkomendheid zijn gegeven, en dat bij het bezoeken van fabrieken en werkplaatsen steeds groote welwillendheid in het verleenen van toegang en het verstrekken van gegevens en ophelderingen is betoond. |
23
|
Maastricht. â Do uitkomsten van het onderzoek en van de verhooren van deskundigen en getuigen ten opzichte van de gemeente Maastricht zijn de navolgende geweest (1). 1. De wet op den kinderarbeid van -19 September 1874 (Staatsblad n0.130) wordt behoorlijk nageleefd, en met nagenoeg volkomen zekerheid kan worden aangenomen, dat thans het arbeiden van kinderen beneden twaalfjarigen leeftijd in fabrieken en werkplaatsen niet voorkomt. Was dit in de eerste jaren na de invoering der wet eene enkele maal wel het geval, dan geschiedde dat meestal ten gevolge van verkeerde opgaven der ouders, die, ten einde zoo spoedig mogelijk van don arbeid van hun kind eenige winst te behalen, een hoogeren leeftijd dan den werkelijken aan den fabrikant opgaven en dien staafden door overlegging van schriftelijke bescheiden, welke niet hot aangeboden kind golden, maar diens anderen broeder of zuster (2), en waarin soms zelfs vervalschingen werden gepleegd. Van de groote fabrieken, die ook de meeste kinderen als werkkracht gebruiken, hebben de Koninklijke Nederlatid-sche Papierfabriek en de Société Céra-mique als regel aangenomen, do kinderen eerst op dertienjangon leeftijd in de fabriek toe te laten, zoodat daardoor in die fabrieken vanzelf de hand aan de uitvoering dèr wet gehouden wordt. De firma P. Kegout amp; C'e volgt voor hare aardewerk-afdeeling zooveel mogelijk denzelfden regel; er zijn echter, bij uitzondering, tijden waarop zij de kinderen reeds op twaalfjarigen leeftijd aanneemt (3). |
De invloed, dien do wet op den kin derarboid heeft gehad, is een zeer gunstige, en allen, die daaromtrent hebben verklaard, zijn eenstemmig omtrent hare nuttige werking. Voor hare invoering werden tal van kinderen op zeer jeugdigen leeftijd, soms van 7 en 8 jaren, naar de fabriek gezonden, en daar gedurende een groot aantal uren, niet alleen over dag, maar in de glasblazerij ook des nachts, aan het werk gehouden (1). Zij verrichtten daar bezigheden, die zeer zeker hunne zwakke krachten verre to boven gingen. Dit had een hoogst nadee-ligen invloed op hunne lichamelijke, verstandelijke en zedelijke ontwikkeling. Het reeds op zoo jeugdigen leeftiid voortdurend werken in lokalen, welke dikwijls uit een hygiënisch oogpunt te wenschen overlieten, aan een arbeid, waarvoor, al was hij ook soms op zich zelf niet te zwaar, door zijn langen duur het kind niet berekend was, kon niet anders dan nadeelig werken op de lichamelijke ontwikkeling. Voor do vorming van het verstand bleef onder die omstandigheden geen tijd over, en de kinderen groeiden in onwetendheid op. Hun verblijf te midden van personen van meer gevorderden leeftijd, wier ongebonden taal zij maar al te vaak te hooren kregen, bedierf hen ook op zedelijk gebied. Zelfs kinderen, die vroeger eerst op elfjarigen leeftijd de school verlieten om in fabrieken te gaan werken, waren na een paar jaren wegens de doorgestane ellende niet meer te herkennen (2). Aan geregeld schoolgaan viel voor die kinderen natuurlijk niet te denken. De gevolgen daarvan bleven dan ook niet uit. In 1874 konden 12 pet. der kinderen, die ongeveer den â¢12jarigen leeftijd hadden bereikt, lezen noch schrijven, terwijl thans die verhouding is verminderd tot ruim 3 pet. (3). Ten gevolge van de invoering der wet is het schoolbezoek toegenomen (4), ofschoon ook thans nog niet alle kinderen tot hun twaalfde jaar geregeld schoolgaan Dit is ten deele toe te schrijven aan den behoeftigen toestand der ouders zoodat de kinderen op de eene of andere wijze behulpzaam moeten zijn in het huishouden, vooral daar, waar de verdiensten van den vader niet toereikend zijn om in het onderhoud van zijn gezin te voorzien, en ook de moeder verplicht is, hetzij op de fabriek, hetzij elders, buitenshuis eenig geld te verdienen. Door het missen van de verdiensten der jeugdige kinderen zijn zeer zeker in |
(1) Bij dit resumé zijn lt;le intleuling en de volgorde der schets van hoofdpunten (liijlage I) in acht genomen.
(3) 6582, S302, 8652.
(3) 6591, 7619, 8299.
(1) 5961, 6079.
(2) G080.
(3) 5963.
(4) 5963, 6078.
24
|
den beginne, na de invoering der wet, in meerdere huisgezinnen moeilijkheden van stofl'eljjken aard ontstaan, maar die schijnen veelal spoedig door het nalaten van niet geheel onvermijdelijke uitgaven uit den weg te zijn geruimd, zoodat de gezinnen niet in materieele welvaart zijn achteruitgegaan (1 \ Dat de ouders, om de verdiensten van hunne kinderen beneden 12 jaar niet geheel te missen, middelen zouden hebben gevonden om die kinderen toch te laten werken, zonder de wet te overtreden, is niet gebleken; wel worden kinderen beneden 12 jaren gebezigd om in het huishouden, vooral bjj afwezigheid der beide ouders, behulpzaam te zijn. Ook komt het nog voor dat kinderen vóór den twaalfjarigen leeftijd de school verlaten, die er op uit moeten gaan om, zooals het heet, den kost te verdienen, die öf moeten gaan bedelea óf naar buiten op het land gaan en zien wat zjj krijgen kunnen (2). Ter vervanging van den verboden kinderarbeid zijn in sommige takken van nijverheid, b. v. do behangselpapierfa-bricage (3), aanvankeljjk de jongens beneden 12 jaren door meisjes boven dien leeftijd vervangen, maar voor dezen zijn na eenigen tijd weder jongens boven 12 jaren in de plaats gekomen. In de aardewerk-afdeeling van de fabriek der firma P. Regout en C'e. werden vóór 1874 slechts weinig kinderen beneden 12 jaren gebezigd, en die wet heeft daar volstrekt niet gehinderd (4). Bij de glasblazerij, waar daarentegen vele kinderen beneden dien leeftijd werden gebezigd, zijn ten gevolge van de invoering der wet de loonen der'jonge werklieden verhoogd (5) Over het algemeen heeft de toepassing der wet op de nijverheid geen na-deeligen invloed uitgeoefend; zij verkeerde destijds in bloeienden toestand, veel meer dan thans, en heeft door de invoering der wet niet geleden (6). |
II. In de gemeente Maastricht bestaat geene plaatselijke verordening krachtens - art.. 82 der wet van 17 Augustus 1878 (Staatshlad nü. 127). Daartoe schijnt de noodzakelijkheid ook niet aanwezig te zijn. Het is bij de enquête niet gebleken, dat buiten de fabrieks- en ambachtsnijverheid kinderen beneden 12 jaren tot arbeid gebezigd worden, van veldarbeid kan te Maastricht geen sprake zijn, en naar naburige gemeenten worden de kinderen ook niet uitgezonden tot het verrichten van zoodanigen arbeid. Aanmoediging tot regelmatig schoolbezoek van de zijde van het gemeentebestuur zoude geen verbetering aanbrengen, omdat daarvoor reeds op andere wijze zoo goed wordt gezorgd, dat elke verdere bemoeiing gerust achterwege kan blijven Alle genootschappen van weldadigheid namelijk, zooals de veree-niging der Dames de Charité, van den H. Vincentius a Paulo, Dorcas, beijveren zich om het schoolgaan te bevorderen. Zij hebben alle als algemeenen regel aangenomen dat geen huisgezin bedeeld wordt, wanneer de kinderen niet schoolgaan. Ook de geestelijkheid is zeer streng op dat punt, en geen kind wordt in de Christelijke leer onderwezen, ten einde zich voor te bereiden voor de eerste Heilige Communie, dat niet schoolgaat (1). Bovendien wordt door de onderwijzers der scholen, die door de meeste kinderen uit de behoeftige klasse worden bezocht, het schoolbezoek aangemoedigd door het uitdeelen van kleederen en levensmiddelen aan hen, die trouw ter school komen. Het onderwijzend personeel wordt daarin door de ingezetenen en eene bijzondere vereeniging gesteund (2). IJL De voornaamste fabrieken, waarin jongelieden van 12â16 en van 16â18 jaren van een of van beider kunne, ongehuwde of gehuwde vrouwen, gebezigd worden, zijn: de firma P. Regout amp; Cie, aardewerken glasafdeeling; de Société Céramique ; de Koninklijke Nederland fiche Pa-papierfabriek ; de sigaren- en tabaksfabriek van don heer E. G. Philips ; de behangselpapierfabrieken der firma J, H. Rutten en cler Gebrs. Regout; de dekenfabriek van den heer J. Regout; |
(1) 5963. (2) 6076. (3) 8649. (4) 6583. (5) 8366. (6) 5963, 6584.
(1) 5962. (3) 6101.
25
|
de spijkerfabriek van de firma Th. 1 Regout; de verraioellifabrieken van: a. den heer A. Blauduin , h. den heer Ch Blau-duin en c. den heer J. Pagnier. Voorts worden nog in de navolgende fabrieken, werkplaatsen en ambachten jongelieden tussohen den leeftijd van 12 tot 18 jaren als werkkracht gebruikt ; behangers; blikslagers;boekdrukkers; borstelfabrieken; glazenmakers ; goudsmeden ; kabinetwerkers; kachelmakers ; kleermakers; kuipers; kunstbloemenfa-brieken; leidekkers; meubelmakers; modisten en naaisters; werkplaatsen waar papieren voorwerpen worden ver-. vaardigd; pompenmakers; rijtuigma kers ; schoenmakers; schrijnwerkers; sigarenmakers ; slotenmakers en smeden; steendrukkers; wevers; ijzergieterijen; zadelmakers; zeepzieders. ^ Vooraf zjj bemerkt, dat in geene en kele fabriek, mot uitzondering van de glasblazerij voor zooveel betreft jongens van l'i tot 18 jaren, des nachts of des Zondags door jongens en meisjes beneden 18 jaren, gehuwde of ongehuwde vrouwen arbeid verricht wordt. In de fabriek der firma P. Regout amp; Cie., afdeeling aardewerk, arbeiden; ( 341 jongens van 12â16 jaren; 128 jongens van 16â18 jaren; 318 meisjes van 12â16 jaren ; 144 meisjes van 16â 18 jaren; 262 ongehuwde vrouwen; 127 gehuwde vrouwen; 784 mannen boven do 18 jaren. De jongens, die door een geneesheer gekeurd worden vóór dat zij worden toegelaten (1), worden gebezigd tot het dragen van vormen, het aangeven van gereedschappen, het wegbrengen dei-gevormde voorwerpen naar de droog-kasten; na eenige jaren worden de ge-schikten als leerlingen opgeleid in het aardvormersvak (2). Sommigen worden t gebezigd tot het beschilderen van reeds gebakken en verglaasde aarden voorwerpen, eenigen leeren graveeren. |
De meisjes van 12-tot 18jarigen leeftijd wordon gedeeltelijk gebruikt tot het bovengenoemd beschilderen van voorwerpen ; vooral de jongsten worden tot dat werk gebezigd; voorts tot het bedrukken van gebakken voorwerpen mot figuren, het sorteeren, wegvoeren en uitpakken van het aardewerk; sommigen, tusschen den leeftijd van 15 tot 18 jaren, helpen bij het verglazen door het afvegen en wegvoeren der verglaasde voorwerpen. Ook worden jongens en meisjes gebruikt tot het maken van stiften en triangels, welke tusschen het verglaasd aardewerk bij het bakken worden geplaatst. Ook de gehuwde en ongehuwde vrouwen vinden werk bij het schilderen, het drukken, het sorteeren, wegvoeren en inpakken van het aardewerk, en bovendien, vooral de ongehuwden, bij het verglazen, het laden van het aardewerk in de cassetten, waarin het in de ovens wordt gebracht, het wegvoeren van het gebakken aardewerk onmiddelljjk nadat het uit de ovens is gehaald. De duur van den arbeid is voor allen dezelfde, en wel des morgens van 7 tot â 12 uur, en des namiddags van l1/, tot Qi'/z uur, telkens mot een rusttijd van 10 minuten voor het koffiedrinken. Van 12 tot 1 '/2 uur verlaten allen de fabriek tot het gebruiken van het middagmaal.. Overwerk komt niet voor, evenmin nacht-of Zondagswerk. Het loon der jongens, die bij het aard-vormen worden gebezigd, bedraagt in den aanvang 40 cents daags en klimt langzamerhand op (1). Voor alle anderen wordt het, behoudens eene enkele uitzondering, per stuk berekend. De verhouding van het loon van vrouwen tot dat van volwassenen is ongeveer als van 2 tot 3 (2); een meisje verdient 50 tot 60 conts daags, een man f 1,10 tot f l,20; doch als vrouwen goed geoefend zijn, gaat haar loon soms tot een gulden per dag (3) Speciale werklieden, zooals de aard vormers en anderen, verdienen intusschen een veel hooger dagloon. Met uitzondering van de jongens die teeken- of gravecronderwijs ontvangen, wordt door de fabriek voor geen onderwijs gezorgd, (iedurende den arbeid staan allen in de werkzalen onder toe- * zicht van opzichters. In de glasafdeeling van de fabriek der firma P. Regout amp; Cie. arbeiden: |
1
7087. (2) «734. (3) 6725.
26
|
111 jongens van 12â16 jaren; 55 jongens van 16 â 18 jaren; 21 meisjes van 12â16 jaren; 22 meisjes van 16â 18 jaren; 65 ongehuwde vrouwen; 418 mannen. De jongens van 12â18 jaren worden gebezigd bij het blazen en vormen der glazen voorwerpen, tot het vasthouden der vormen, het aanbrengen van het gesmolten glas, het brengen der vervaardigde voorwerpen naar do koelovens ; na eenige jaren klimmen zij in de glasblazersploeg waartoe zij behoo-ren op, en worden langzamerhand met werkzaamheden belast, die meer bedrevenheid vorderen; in dezelfde mate klimt hun loon, dat aanvankelijk 40 cents daags bedraagt. Het glasblazen is de eenige fabrieksarbeid te Maastricht, die ook voor jongens beneden achttien jaren aanhoudend dag- en nachtwerk vereischt, van des Maandags morgens 6 tot den volgenden Zondag des morgens te 6 uren. Bij de glasovens wordt dus met twee soorten van ploegen gewerkt, dag- en nachtploegen, die iedere week afwisselen, zoodat ook de jongens, 4 in getal, van elke ploeg om de veertien dagen eene week zes achtereenvolgende nachten geheel van nachtrust verstoken zijn. Het aantal arbeidsuren en rusttijden is nagenoeg hetzelfde als in de aardewerk-afdeeling dier fabriek, met dien verstande, dat de arbeiders der nachtploeg al de rusttijden 'in het werklokaal doorbrengen, terwijl die der dagploegen het middagmaal buiten de fabriek gaan gebruiken. Het loon, dat voor de eerstbeginnen-den 40 cents daags bedraagt, vermeerdert naar mate van hunne bedrevenheid, en zij ontvangen vooraf vastgestelde percenten van hetgeen door de ploeg van zeven personen, waartoe zij behoo-ren en waarvan de glasblazer de meester is, wordt verdiend; al het werk wordt per stuk berekend (1). |
Behalve bij het glasblazen, zjjn jongens beneden 18 jaren ook werkzaam bij het glasslijpen; hieraan werken ook meisjes beneden 18 jaren, terwijl deze laatsten bovendien tot het sorteeren, het inpakken en het vervoeren van het vervaardigd glaswerk worden gebezigd. Ook gehuwde en ongehuwde vrouwen vinden bij die werkzaamheden arbeid; het loon wordt voor allen per stuk berekend ; de duur van den arbeid is geheel dezelfde als in de aardwerkafdeeling. Gedurende den etenstijd van 12 totl% uur verlaten ook al de arbeiders de fabriek. Bij den algemeenen dienst in de fabriek der firma P. Regout worden gebezigd : 6 jongens van 12â16 jaren ; 7 jongens van 16â18 jaren; 6 ongehuwde vrouwen ; 9 gehuwde vrouwen en 327-mannen. Welke bepaalde werkzaamheden in den algemeenen dienst meer speciaal door jongens en vrouwen worden verricht, is' niet op te geven; zij doen allerlei arbeid, de rusttijden en de etenstijd, die ook zij buiten de fabriek doorbrengen. zjjn dezelfde als die van al het overige personeel, dat slechts overdag werkt; overwerk, nacht- en Zondags-werk komen ook bij hen niet voor, en hun loon wordt meestal per stuk, van sommigen per uur berekend. Dat er in de laatste jaren eenige wijziging in de verhouding tusschen het getal der volwassen mannelijke arbeiders en dat der jongelieden en vrouwen in de fabriek der firma P. Regout en Cie. zou zijn gekomen, is niet gebleken; nieuwe werktuigen, waardoor het glas-slijpen gedurende eenigen tijd geheel machinaal werd verricht, zijn thans niet meer in gebruik (1) De fabriek van aardewerk van de Société Céramique verschaft werk aan de navolgende personen: 51 jongens van 13â16 jaren; 97 jongens van 16â18 jaren; 27 meisjes van 13â16 jaren; 28 meisjes van 16â18 jaren: 116 ongehuwde vrouwen; 18 gehuwde vrouwen en 427 mannen. In deze fabriek verrichten de jongens hetzelfde werk als in de aardewerkfabriek der firma P. Regout en Cie.; hun loon wordt betaald uit do verdiensten van den meester, dien zij ter zijde staan, en zij ontvangen daarvan 20 Pct- (2gt;- â . De meisjes van 12 tot 18 jaren zijn |
(1) 8250. (2) 7654.
(1) 8196.
27
|
werkzaam bij het beschilderen van verglaasd aardewerk en bij het bedrukken van gebakken voorwerpen, de andere bovendien bij het sorteeren, wegvoeren en inpakken van het aardewerk, eenige weinige tevens bij het verglazen, tot het af vegen en wegvoeren der verglaasde voorwerpen. Voorts maken zij de reeds genoemde stiften en triangels. Ook ongehuwde en gehuwde vrouwen vinden bij nagenoeg al de voormelde bezigheden arbeid. Een tweetal dezer laatsten wascht de linnen zakken uit. die bij het aardpersen gebruikt worden. De duur van don dagelij kschen arbeid is voor alle jongens, meisjes en vrouwen, zonder eene enkele uitzondering, des voormiddags van 7 tot 12 aur, des namiddags van i Vg tot ti'/s uiir, telkens met 1li rusttijd voor het koffiedrinken. Van 12 tot i '/2 uur verlaten zij allen de fabriek tot het gebruiken van het middagmaal. Overwerk-, nacht- en Zondagswerk worden door geen van hen verricht. Het loon der meisjes en vrouwen wordt per stuk berekend. Ook in deze fabriek heeft in de laatste jaren geene wijziging plaats gehad in de verhouding tusschen het getal der volwassen mannelijke arbeiders en dat der overige aldaar werkende personen. In de Koninklijke Nederlandsohe Papierfabriek is de verhouding tusschen de arbeiders van verschillenden leeftijd en kunne de volgende: 7 jongens van 13â16 jaren; 16 jongens van 16â18 jaren ; 36 meisjes van 13â16 jaren; 41 meisjes van 16â18 jaren; 108 ongehuwde vrouwen; 69gehuwde vrouwen; en 241 mannen. Jn deze fabriek worden geene jongens of meisjes beneden 13 jaren aangenomen (1), en slechts zij worden toegelaten, die voldoen aan een examen in lezen, schrijven en rekenen, door de directie afgenomen. Tot hot overgaan tot beter betaalde werkzaamheden wordt het voldoen aan een tweede examen vereischt. In tegenstelling met de aardewerken glasfabrieken is het aantal der bij de Papierfabriek gebezigde jongens beneden den leeftijd van 18 jaren, zeer gering, te zamen 23; zij zijn de mannen |
bij verschillenden arbeid behulpzaam en worden allen tot hoogere werkzaamheden opgeleid (1). Voor vrouwenarbeid daarentegen is de papier-industrie meer geëigend, omdat een groot gedeelte der werkzaamheden meer vlugheid, handigheid en overleg, dan lichaamskracht vereischt, en het werk der vrouwen'en meisjes meestal zittend wordt verricht. De meisjes worden gebezigd tot het sorteeren, vouwen, fatsoeneeren, het verplaatsen bij het satineeren, het linieeren, filigra-neeren, het vervaardigen van enveloppes en doozen, en het verpakken van het papier, alle bezigheden die meer eigenaardig aan vrouwen kunnen worden toevertrouwd. Ook gehuwde en ongehuwde vrouwen worden daarmede belast. In tegenstelling met do reeds besproken fabrieken, waar mannelijke opzichters ook over het vrouwelijke werkvolk toezicht houden, wordt het toezicht gedeeltelijk door vrouwen uitgeoefend. Eveneens geschiedt het sorteeren en . snijden der lompen uitsluitend door vrouwelijk personeel, doch hierbjj worden geene meisjes beneden 15- of 16-jarigen leeftijd toegelaten (2). Al het vrouwelijk personeel en ook het mannelijk, voor zoover dit niet aan de papiermolens en stoommachines werkzaam is, heeft een dagelijkschen werktijd van 91 2 uur. en wel des voormiddags van 7 tot 11 '/â uur, des namiddags van 1 tot 6,/2 uur, telkens met een kwartier rusttijd, voor de vrouwen en meisjes, en des voormiddags van 7 tot 12 uur, des namiddags van 1tot (i'/j uur voor het mannelijk personeel, mede telkens met een kwartier rusttijd. Gedurende den voor het middagmaal bestemden tijd verlaten allen de fabriek. Overwerk komt bijna nooit voor en dan alleen gedurende hoogstens één uur daags, wanneer na eene slappe periode, gedurende welke wegens het gering aantal bestellingen het aantal werkuren is verminderd moeten worden, eene periode van grootere drukte volgt, gedurende welke de werklieden de schade wederom inhalen, die zij ten gevolge dier slappe periode in hun loon hadden geleden. |
1
8335. (2) 8310,
28
|
Nachtwerk en Zondagswerk worden nooit door vrouwelijk personeel verricht. Het loon wordt voor allen per stuk berekend; de jongens verdienen van 55 tot f)0 cents daags; de mannen van 90 cents tot 3 gulden ; de meisjes 35 cents, zoodra zij op de fabriek komen: de vrouwen kunnen het brengen tot f 1 ,quot;10 (1). In 1872 telde de fabriek 750 werklieden, welk cijfer in 1882 was gedaald tot 471. Die vermindering was het gevolg van het vervangen van vele arbeiders door machines en van de hevige concurrentie van het buitenland, waardoor de fabriek eene andere richting heeft verkregen, daar thans meer op do quantiteit dan op de qualiteit moet worden gelet. De verhouding tusschen het aantal mannen, vrouwen en meisjes is evenwel dezelfde gebleven (2). Ook de tabaksfabriek van den heer E, G. Philips houdt een aantal jeugdige arbeiders en vrouwen bezig; aldaar werken: 14 jongens van 12 tot 10 jaar; 2jongens van 16 tot 18 jaar; 9 meisjes van 12 tot 16 jaar; 2 meisjes van 16 tot 19 jaar; 26 ongehuwde vrouwen; 26 gehuwde vrouwen, en 55 mannen. De jongens worden gebezigd bij het vervaardigen van de pruimtabak en de snuif, en daarin helpen zij de mannen door het strippen, het wegen van de tabak en het opmaken der pakjes, de jongste meisjes strippen tabak en de ouderen maken de wikkels ; de vrouwen, gehuwden en ongehuwden, maken sigaren en sigaretten. De duur van den arbeid is voor het geheele personeel tien uren daags, van des morgens 7 tot 12 en des namiddags 1 tot 6 uur; de gehuwde vrouwen kunnen te 11 uren de fabriek verlaten om het middagmaal gereed te maken. Overwerk komt hoogst zelden voor en slechts bij drukke bestellingen, nachtwerk en Zondagswerk nooit. In de sigarenfabriek worden de werklieden per stuk betaald ; in de tabaksfabriek niet (3). Jongens van 12 jaar verdienen f 1,50 per week, volwassen mannen van f7 tot f9.' De wikkelmaaksters kunnen ongeveer 80 cents daags verdienen, de sigaren-maaksters ongeveer f 1,30 per dag. , |
Ook bij dezen tak van nijverheid, waar het vooral voor sigarenmaken meer op vlugheid en handigheid dan op lichaam t kracht aankomt, vinden eigenaardig meisjes en vrouwen geschikten arbeid, dien bovendien zittend wordt verricht. De behangselpapierfabrieken van de firma J. H Rutten en de Gebrs. Regout bezigen slechts mannelijke arbeiders, de eerste : 16 jongens van 12 tot 16jaar; 9 jongens van 16 tot 18 jaar; 30 mannen: de laatste : 3 jongens van 12 tot 16 jaar ; 2 jongens van 16 tot 18 jaar ; 14 mannen. De jongens zijn de mannen behulpzaam bij al de werkzaamheden en worden zoo doende in het vak opgeleid: zij leeren op die wijze langzamerhand het machinaal en handdrukken, het mengen dor kleuren, het satineeren en al wat tot het vak behoort. De duur van den dagelijkschen arbeid is in de fabriek der firma J. H. Rutten van 7 tot 12 en van 1V2 tot 6'/2 uur, met dezelfde rusttijden. Ook daar verlaten de werklieden gedurende het middaguur de fabriek. Overwerk komt hoogst zelden voor, en dan slechts een enkel uur daags ; nachtwerk en Zondagswerk komen nooit voor. Het loon wordt berekend per stuk voor de handdrukkers, en per dag voor de arbeiders die aan de machines arbeiden en de overigen; een pas beginnende jongen verdient t'O cents daags; langzamerhand stijgt dat loon, op ISjarigen leeftijd ongeveer tot f I. Vroeger werd er meer fijn papier, dat uit de hand gedrukt werd, gevraagd, en toen waren de loonen hooger; thans heeft de nijverheid eene andere richting genomen, zoodat een minder soort van werk wordt gemaakt, dat machinaal wordt vervaardigd (1). In do wollen-deken- en vilten-fabriek van den heer J Regout werken: 9 jongens van 12 â16 jaar: 7 jongens van 16â'18 jaar; 3 meisjes van 16â18 jaar; 6 ongehuwde vrouwen; 1 gehuwde vrouw; en 34 mannen. De jongens werken aan den ruwmolen en aan de mechanieke weefgetouwen, de meisjes en vrouwen houden het toezicht in de kaarderij, waar zij de wol op tafel leggen, eene enkele werkt |
(1) 8294, 8299. (2) 8284. (3) 8833.
(1) 8691.
29
|
eveneens aan de mechanieke weefgetouwen en een tweetal is werkzaam in het magazijn, tot het aan elkander naaien der ronde vilten en het inpakken. De duur van den arbeid is voor allen des morgens van 7â12 en des namiddags van 1 '/2 tot G'/j, telkens met een kwartier rusttijd Gedurende het etensuur verlaten alle arbeiders de fabriek. Thans wordt slechts 8 uur daags gewerkt. daar er weinig orders en de tijden slap zijn (l). Overwerk komt thans niet, nachtwerk en Zondagswerk komen nooit voor. Het werk wordt, wat de weverjj betreft, betaald per stuk, en zelfs het jonge mannelijk en vrouwelijk personeel kan ongeveer f 6 per week verdienen, daar nagenoeg alles machinaal wordt gedaan en het vooral op handigheid en niet op krachtsontwikkeling aankomt. In de laatste jaren zijn de handgetouwen, die alle door volwassen mannen werden bediend, grootendeels vervangen door mechanieke weefgetouwen. Deze laatste kunnen door jongens en zelfs door meisjes worden bediend, zoodat daardoor wel eenige wijziging in het personeel ten nadeel e der volwassen mannen heeft plaats gehad. In de spijkerfabriek van de firma Th. Regout en Cie. werken : 11 jongens van 12 tot 1(3 jaar; 9 jongens van 16 tot '18 jaar: 1 meisje van 16 tot 18 jaar; 8 ongehuwde vrouwen; en 66 mannen. De jongens worden gebezigd bij het vervaardigen en polijsten der spijkers; deze arbeid geschiedt uitsluitend machi naai; het meisje en de vrouwen zjjn bijna allen werkzaam bij het afwegen en inpakken der spijkers, eene enkele bij het polijsten, dat machinaal in gesloten trommen plaats heeft. De duur van den arbeid is des voormiddags van 7 tot 12, des namiddags van 1 tot 7 uren. telkens met een rust tijd van 10 minuten; gedurende het etensuur, 12 tot 1, verlaten alle arbeiders de fabriek. Overwerk heeft thans wegens den ge-drukten toestand der industrie niet plaats; nacht- en Zondagswerk nooit. Het loon der jongens verschilt volgens (I) 8958. |
hunne bekwaamheid van 40 cents tot 1 gulden daags ; dat der meisjes en vrouwen van 75 cents tot een gulden. In deze industrie is in de laatste jaren eene wijziging gekomen in de verhou-ing van mannen, vrouwen, meisjes en jongens, die op de fabriek arbeiden. In de drie vermicellifabrieken der heeren A. Bauduin, Ch. Bauduin en J. Pagnier vinden respectievelijk werk; in de eerste: 1 meisje van 12 tot 16; 2 meisjes van 16 tot 18 jaar; 6 ongehuwde vrouwen; en 12 mannen; in de tweede: 2 ongehuwde vrouwen; 2 gehuwde vrouwen ; en 4 mannen ; in de derde; 1 meisje van 12â16 jaar; 2 meisjes van 16 â 18 jaar; 2 ongehuwde vrouwen ; 1 gehuwde vrouw ; en 6 mannen IJe meisjes en vrouwen worden allen gebruikt tot het plooien en drogen van de vermicelli. In de eerstgenoemde fabriek begint, de arbeid 's ochtends te 8 uren en eindigt des avonds te 8 uren, met een uur rusttijd voor het middagmaal, dat buiten de fabriek wordt genomen, en twee rusttijden voor het koffiedrinken, elk van een kwartier: in de tweede fabriek begint de dagelijksche arbeid 's ochtends te 7 uren en eindigt 's avonds te 7 uren ; in de derde fabriek begint de arbeid 's ochtends te 6 uren en eindiut ⢠'s avonds te 7 uren ; in alle drie fabrieken komt overwerk hoogst zelden, nachten Zondagswerk nooit voor. De loonen der meisjes en vrouwen zijn dezelfde en hangen geheel af van de mindere of meerdere handigheid, die ook bjj het door dete arbeidsters verrichte werk de hoofdzaak is; hare loonen bedragen per week van 3 tot 5 gulden. De Nederlandsche zinkwitfabriek-maatschappij bezigt, behalve 16 volwassen mannen, slechts 2 jongens, respectievelijk 15 en 13 jaar oud. Beidenver-richten lichte werkzaamheden in de open lucht en in de loods waar het zinkwit wordt gezift: hunne dagtaak begint des morgens te 7 uren, eindigt des namid dags te 5 uren. met 1 uur rusttijd voor het middagmaal en tweemaal 20 tot 25 |
30
|
minuten voor het koffiedrinken. Overwerk, nachtwerk of Zondags werk worden nooit door hen verricht. Bij de kleine industrie, voor zoover daarbij vrouwen en jongelieden van beider kunne beneden ISjarigen leeftijd worden gebezigd, is blijkens de reeds gemelde tabel (Bijlage T) de gemiddelde dagelijksche werktijd hoogstens tien uren. Overwerk komt er zelden en vooral in don tegenwoordigen tijd niet voor, nachtwerk en Zondagswerk nooit. Overal verrichten de kinderen licht werk (1), en do toestand ia bevredigend (2). IV. Wordt er in do boven behandelde fabrieken van vrouwen en meisjes geen overmatige arbeid gevorderd, verrichten zjj gedurende haar verblijf in de fabriek met eenc enkele hier na te noemen uitzondering geen werk dat, en bevinden zij zich niet in eene atmosfeer die schadelijk voor de gezondheid kan genoemd worden, zoodat haar lichamelijke toestand daardoor zoude lijden, geheel anders is het gebeld met het werk, dat in de aardewerkfabrieken en de glasfabriek door jongens beneden ISjarigen leeftijd wordt verricht. Ofschoon ook in de aardewerkfabrieken van hen geen werk wordt gevorderd, dat hunne krachten te boven gaat, zijn zij daar blootgesteld aan het inademen van de stofdeelen, waarmede de lucht in de werkzalen onvermijdelijk gedurende het werk is bezwangerd, zelfs zoo, dat bij het einde van het werk gelaat en kleederen der werklieden als' met eene fijne witte laag van dat im-palpabel stof zjjn bedekt, en zulk» niettegenstaande de grootste reinheid en het steeds vernieuwen van de lucht door middel van exhausters, die do met dat stof bezwangerde lucht voortdurend wegzuigen. |
Werkt het aanhoudend inademen van dergelijke stofdeplen reeds zeer nadee-lig op de ademhalingswerktuigen van volwassenen, in veel hoogere mate is dat nog het geval bij kinderen, wier weefsels teederder zijn, wier organen zich nog in de periode van ontwikkeling bevinden en daardoor veel toegankelijker voor die slechte invloeden zijn. Bij velen bljjven die nadeelige gevolgen dan ook niet uit. Zooals boven is gezegd, worden zij in den regel in geene der beide fabrieken vóór hun volbracht 13de levensjaar toegelaten, en zelfs in de fabriek dor firma P. Regout en Ci«. vooraf aan eene keuring onderworpen Komen de arbeiders eerst op lateren leeftijd bij dat werk, dan schijnen zij minder aan dien nadeeligen invloed bloot te staan (1) Maar een groot aantal ziet er na een verblijf van eenige jaren in de fabriek ziekeljjk uit, zij beginnen te hoesten, er volgt chronische ontsteking der slijmvliezen, die ook de longen aantast, en eindelijk komt de tering, eigenaardig door hen zelf pottemannekes-ziekte genoemd (2). Worden zij op de eene of andere wijze tot een anderen werkkring geroepen, dan verdwijnt niet zelden die ziekelijke toestand, bijv. wanneer zij ten gevolge van loting in militairen dienst gaan ; hervatten zij daarna hun vorig beroep, dan doen zich langzamerhand opnieuw dezelfde ziekteverschijnselen voor; het hoesten neemt langzaam toe, gaat over in longtering en eindigt voor velen tus-schen het 30ste en 40ste levensjaar met den dood. In den regel worden de aardewerkers, d. i. de aardvormers, niet oud : gedeeltelijk kan thans de oorzaak liggen in de praedispositie, welke bij het tegenwoordig zwakkere geslacht dier werklieden heerscht, wier ouders meestal hetzelfde beroep uitoefenden en die derhalve reeds de kiem der ziekte bij zich droegen; dat laatste was te eerder het geval, daar dein de aardewerkfabrieken aangebrachte groote verbeteringen in de werklocalen, wat betreft de ruimte, de reinheid en de voortdurende zuivering en vernieuwing der lucht, eerst van betrekkelijk recente dagteekening zijn. In beide fabrieken wordt thans het benoodigd personeel gedeeltelijk getrokken uit de omliggende dorpen, waarvan de bewoners, als behoorende tot een krachtiger geslacht, beter tegen de voormelde nadeelige invloeden bestand zijn. Ofschoon er geene officieele staten omtrent de sterfte der voormelde arbeiders bestaan, zijn alle deskundigen, steunende op hunne ondervinding, het |
(1) 7080. (2) 5544, 5831.
(1) 6381. (2) G284,
31
|
hieromtrent eens, dat de atmosfeer, waarin die arbeiders hun werk moeten verrichten, voor een groot gedeelte hunner leidt (en leiden moet) tot oen vroeg-tijdigen dood cl). Dezelfde nadeelige gevolgen ondervinden de glasslijpers in de glasfabriek. Daaromtrent zullen hier beneden onder VI, nadere bijzonderheden vermeld worden. Voor de grootere vatbaarheid en prae-dispositie van het jeugdig mannelijk en vrouwelijk daar werkend personeel geldt hetzelfde, als hierboven voor de jeugdige aard werkers is gezegd Het werk der jongens in de glasblazerij oefent om twee redenen een on-gunstigen invloed op hun lichaamsgestel en hunne gezondheid uit. In de eerste plaats zjjn zij gedurende hun werktijd bijna aanhoudend blootgesteld aan de zeer hoogc temperatuur dor gloeiende glasovens, en in de tweede plaats brengt de glasindustrie mede, dat zij om de veenien dagen gedurende de zes nachten eener geheele week, als wanneer zij tot eene der nachtploegen behooren, geheel van nachtrust verstoken zijn. vooral de nadeelige gevolgen van dit laatste blijven niet uit (2). De kinderen vermageren, zien ér chetiof en miserabel uit en ondervinden zelfs de nadeelige gevolgen van dat nachtwerk in hun lichaamsbouw, zij krijgen kromme bee-nen; door het hangen en staan 's nachts worden zij zoo vermoeid, dat de ledematen zich daardoor krommen. Bovendien genieten zij dikwijls na dat afmattend nachtwerk over dag ook geen voldoende rust (3). Bij het verglazen van aardewerk in de aardewerkfabrieken komen bij de kinderen, die de pas verglaasde en nog niet geheel droge voorwerpen moeten afvegen en wegdragen, nu en dan acute loodvergiftingen voor. Overigens wordt ook over dit onderwerp hieronder gehandeld. Behalve de genoemde ziekten, komen er bij de jeugdige en vrouwelijke fabriekarbeiders te Maastricht geen bepaalde kwalen voor, waarvan kan gezegd worden dat zij het noodwendig gevolg zijn van den door die personen verrichten arbeid. |
Zooals reeds is gezegd, moeten op eene enkele fabriek, en wel de Koninklijke Nederlandsche Papierfabriek, de kinderen bij hunne aanneming en hun overgang tot beter betaalde werkzaamheden voldoen aan een examen. Op geeno enkele andere fabriek heeft datzelfde plaats, en behalve eenig speciaal vakonderwijs in teekenon en graveeren, wordt op geene fabriek, hetzij rechtstreeks, hetzij zijdelings, de voortzetting van het lagor onderwijs of het herha-lingsonderwijs in de hand gewerkt. Veel van hetgeen op de lagere school werd geleerd, wordt vergeten, en ook de pogingen, die van elders gedaan worden om het eenmaal geleerde door herha-lingsonderwijs, o. a. door het houden van Zondagsscholen, te doen bijblijven, worden niet altijd mot goed gevolg bekroond \). Aan de werklieden wordt uit verschillende bibliotheken van bijzondere vereenigingen kosteloos lectuur verschaft, en daarvan wordt gretig gebruik gemaakt. Zoo bijv. werden in 1886 28000 boeken aan 1200 lozers in de bibliotheek der Katholieke Heerenvereeniging kosteloos uitgereikt (2). De werkman leest in zijn vrijen tijd, vooral des Zondags gaarne, en in veler handen worden dan boeken aangetroffen 1,3). De invloed van het verblijf in de fabriek op de zedelijke ontwikkeling dei-kinderen hangt geheel af van de omstandigheden en de omgeving waarin, en het toezicht waaronder zjj daar arbeiden. In sommige fabrieken is een en ander goed geregeld, zooals bijv. in de Koninklijke Nederlandsche papierfabriek. Daar is de maatregel ingevoerd, dat de vrouwen en meisjes vóór en na het middagmaal een half uur voor de mannen heengaan en terugkomen; ook houden daar zooveel vrouwelijke opzichters toezicht over het vrouwelijk werkvolk In andere fabrieken is de toestand minder gunstig; er heerscht minder streng toezicht en er wordt op de zedelijkheid weinig gelet; over het algemeen |
(1) 5243, 5305. (2) 6200. (3) 5522.
(1) 5996. (2) 5296. (3) 5791-
32
|
staat het peil der moraliteit bij de fabriekarbeiders verre beneden dat van de burgerklasse. Het dagelijks samenwerken van jongelieden van beider kunne geeft zeer dikwijls aanleiding tot eeno meer intieme kennismaking op 17-of ISjarigen leeftijd, zoodat zij verplicht zijn te trouwen, en dat ook gewoonlijk doen, tenzij de militiewet hun dat belet (1). Het kwaad schuilt evenwel niet alleen in de fabrieken, maar ook in de herbergen, de danshuizen en koffiehuizen, die veel te lang open blijven. Laat do militiewet in gevallen als de bovenbedoelde tijdelijk het huwen van militie-plichtige arbeiders niet toe, dan wachten zij en huwen toch altijd, zoodra het beletsel niet meer bestaat (2). Nagenoeg de helft van de fabriekarbeiders die trouwen, verkeeren daartoe in de noodzakelijkheid ; vooral door den invloed der geestelijkheid en der ver-eenigingen van weldadigheid is in de laatste jaren veel verbetering in dien toestand gekomen (3). In '1886 toch kwamen op eene bevolking van 30000 zielen slechts 35 onechte geboorten voor; van die 33 onechte kinderen zijn 5 gewettigd, van de 30 anderen behoorden 20 tot de fabrieksarbeidersklasse (4) Drankmisbruik wordt op alle fabrie ken ten zeerste tegengegaan; hij die in beschonken toestand verschijnt, wordt beboet en naar huis gezonden ; dejene-verflesch wordt op de fabrieken niet toegelaten, en ook het medebrengen daarvan wordt ten strengste gestraft. In vele. zoo niet de eeste gevallen, oefent het werken van gehuwde vrouwen in fabrieken een zeer nadeeligen invloed op hare huishouding en haar familieleven uit. Het leidt tot veronachtzaming van hare kinderen en haar gezin; de man vindt tehuis niets van hetgeen hij na zijn arbeid wenscht, noch behoorlijk klaargemaakte spijzen, noch orde in het huishouden, noch gezelligheid ; hij wordt uithuizig en gaat naar de herberg; de kinderen worden slecht verzorgd, en aan zich zelf of aan vreemde handen overgelaten; van kindsbeen af ontwennen zij aan de zorgen en ook aan de liefde der moeder; de band tusschen ouders en kinderen verzwakt. |
De moeder, die soms korten tijd na hare bevalling wederom in de fabriek gaat werken, vertrouwt hare zuigeling aan vreemde handen toe ; dat jeugdig wicht mist de moedermelk en ontvangt daarvoor met eone min u f meer gebrekkige verpleging een voedsel, dat het meestal niet verdragen kan en dat leidt tot darmontsteking met opvolgenden dood (1). In dubbele mate doen zich de opgesomde nadeelen gevoelen, wanneer man en vrouw beiden op de fabriek werkzaam zijn. Dan zjjn de kinderen somtijds geheel aan hun lot overgelaten; de grootere, die nog niet den leeftijd hebben bereikt, op welken zij eveneens in de fabriek werk kunnen vinden, moe-ton op de kleine passen, en verzuimen zoodoende de school (2). Gehuwde vrouwen worden in den regel in de fabrieken niet aangenomen; zij komen er als moiaje, huwen daarna, en daarin wordt geen reden gevonden om haar te bedanken; zij blijven dan als vrouwen het werk verrichten, dat zij als meisjes deden (3). Intusschen zijn op de fabrieken, waar veel gehuwde vrouwen werken, sommige maatregelen genomen om de voormelde nadeelen zooveel mogelijk te verminderen. Zoo werd in eene fabriek de schaf-tijd, die in het middaguur van 12 tot 1 was, met een half uur verlengd, om aan de op de fabriek werkende gehuwde vrouwen een langoren tijd te laten om het middagmaal te gaan bereiden (4); zoo keeren do vrouwen op eene andere fabriek eveneens te half twaalf uur. de mannen te twaalf uren des middags huiswaarts, ook ten einde aan eerstge-noemden de gelegenheid te geven den pot te koken (5); zoo wordt op eene derde fabriek aan de gehuwde vrouwen toegestaan reeds des voormiddags te elf uren naar huis to gaan ten einde het eten gereed te maken (6). Bepaalde voorschriften omtrent het wegblijven uit de fabriek van vrouwen voor en na hare bevalling bestaan nergens, maar daarin wordt haar overal volkomen vrijheid gelaten; vóór de bevalling wordt van die bevoegdheid wei- |
(1) 6884. (2) 6083. (3) 6617. (4) 6620, (5) 8284. (6) 8828.
(1) 5996. (2) 5711. (3) 669i, 6318. (4) 5906.
33
|
nig of geen gebruik gemaakt, en omtrent het tijdstip van het terugkeeren na de bevalling bestaat nergens eene bepaalde regeling (1). Zij blijven ingeschreven als tot de fabriek behoorende, en bij hare terugkomst hernemen zij hare vroegere plaats (2). Zij komen terug zoodra zij denken daartoe weder in staat te zijn (3). Aan geene enkele fabriek bestaat eene zoogenaamde crèche of bewaarplaats van zeer jonge kinderen, waar de moeders hare zuigelingen kunnen deponee-ren, wanneer zij in do fabriek komen arbeiden (4). Met gebeurt somtijds, dat moeders komen arbeiden en andere kinderen haar het jongste brengen om de borst te geven; dit wordt natuurlijk toegelaten {ó}. In eene fabriek wordt er door den directeur ernstig aan gedacht eene zaal zoo in te richten, dat de moeders hare zuigelingen kunnen medebrengen en gedurende haar werk onder haar toezicht houden; in een dergelijk goed luchtig lokaal, waar die kinderen dan tevens het hun geëigend voedsel en behoorlijke verzorging zouden ontvangen, zouden zij in ieder opzicht beter verpleegd worden dan ver van do moedor in kleine kamertjes, waar meestal eene verpeste lucht heerscht (6). Zijn alle deskundigen het er over eens dat het werken in fabrieken op twaalfjarigen leeftijd in de meeste gevallen een nadeeligen invloed op de lichamelijke, verstandelijke en zedelijke ontwikkeling der kinderen moet uitoefenen, zelfs indien zij zich niet in werklokalen bevinden, waar eene voor de gezondheid absoluut schadelijke atmosfeer heerscht, bijna even groote eenstemmigheid bestaat er tusschen de gehoorde fabrikanten hieromtrent, dat zonder nadeel voor het aanleeren van het beroep en voor de uitoefening van den onder-werpelijken tak van nijverheid, de leeftijd, waarop thans industrieele kinderarbeid verboden is, met een jaar kan verhoogd worden. Opmerkelijk is het dat, zooals reeds is vermeld, in sommige fabrieken in den regel geene kinderen beneden dertienjarigen leeftijd worden (1) 6fi91. (2) 8317. (3) 7701, 8894. (4) 6693, 7794, 8229, 8386, 889S. (ö) 8395. (6) 8309, 8394. |
ebezigd. Voor die fabrieken bestaat an ook in het bij de wet verhoogen van den leeftijd met een jaar goon bezwaar (â¢!). Ook voor de werkzaamheden bij de glasblazerij (2), in de sigarenfabriek (3), in de wollen-dekenfabriek (4) bestaat tegen die verhooging van leeftijd geene bedenking, en zelfs zoude in sommige do veertienjarige leeftijd met eene overgangsperiode als minimum kunnen worden aangenomen (5). Andere fabrikanten zijn van oordeel, dat do verbodsbepaling zich niet boven den dertienjarigen leeftijd kan uitstrekken (6). Eén is van gevoelen, dat het beginnen te werken van kinderen op twaalfjarigen leeftijd in zijne fabriek hoegenaamd geen kwaad kan en voor de behoorlijke vorming van den arbeider aanbeveling verdient (7). Een ander fabrikant merkt op, dat de kinderen juist tusschen 12 en 13 jaren nog al groote vorderingen in het leeren maken (8) dVan 12 tot 13 is de beste, krachtigste leeftijd om te leeren. Vóór dien tijd zijn het nog maar kinderen. Van 12 tot 13 jaren wordt op alle scholen goed geleerd; dan loo-pen zij niet meer voor evenveel op straat, dan zijn het jongens en meisjes geworden,quot; (9). V. Hoe wenschelijk het zijn mogo voor de lichamelijke, zedelijke en verstandelijke ontwikkeling van het kind, dat het niet te vroeg tot dagelijkschen en voort-durendon arbeid wordt gebezigd, en dat ook gehuwde en ongehuwde vrouwen zooveel mogelijk buiten de fabrieken worden gehouden, het aanwenden van kinder- en vrouwenarbeid vindt zijne verklaring in verschillende redenen. Vele gezinnen toch kunnen de opbrengst van den arbeid der daartoe behoorende vrouwen en kinderen niet missen. Gehuwde vrouwen zelve, die van fevoelen zijn dat haar het werken in e fabrieken moest verboden worden, begrijpen dat die arbeid noodzakelijk is, omdat de man niet genoeg verdient, dat het gezin er van zou kunnen bestaan (10). Het gezin kan in vele gevallen niet bestaan zonder do opbrengstevoelen zijn dat haar het werken in e fabrieken moest verboden worden, begrijpen dat die arbeid noodzakelijk is, omdat de man niet genoeg verdient, dat het gezin er van zou kunnen bestaan (10). Het gezin kan in vele gevallen niet bestaan zonder do opbrengst (1) 6387, 7780, 8302. (2) 8273, 8626. (3) 8899, (4) 9013. (5) 8273, 7780, 8626, 9013. (6)8.303, 8899. (7) 8654. (8) 8302. (9) 8305. (10) 6868. 6094. |
3
34
|
ran den vrouwelijken arbeid ; een eerste vereischte om gezond to blijven is natuurlijk, dat men genoeg te eten heeft, en wanneer men nu het werken aan de vrouw verbiedt, dan zal het huisgezin in den regel niet het noodige voedsel hebben; de man verdient veelal niet genoeg, om daardoor alleen in het onderhoud van zijn gezin te voorzien (1) Bovendien, verkeert do man in de onmogelijkheid om te werken, dan moet de vrouw wel inspringen, en bij algeheele ontstentenis van den man is het zeer dikwijls eene noodzakelijkheid dat de vrouw in de fabriek werkt, daar zij niet altijd daarbuiten voor haar passend en behoorlijk betaald werk vindt. De vrouwen- en kinderarbeid is onder bepaalde omstandigheden goedkooper dan die van volwassen mannen. Moest eerstgenoemde door die van mannen worden vervangen, voor zoover andere nader te vermelden redenen dat niet beletten, dan zou daarvan, naar de meening van verschillende getuigen, eene verhooging van productie-kosten het gevolg zjjn, die de nijverheid in den tegen-woordigen gedrukten toestand, en tegenover de scherpe concurrentie, die haar aan alle zijden door het buitenland wordt aangedaan, allicht zou doen te gronde gaan; eene concurrentie die, zooals zij er bijvoegen, nog verscherpt wordt door de omstandigheid, dat in de meeste vreemde landen het fabrikaat door vaak zoo hooge inkomende rechten beschermd wordt, dat zij met prohibitieve rechten gelijkstaan, terwijl dat vreemd fabrikaat hier hetzij geheel vrijen toegang heeft, het-zjj slechts door een zeer laag recht getroffen wordt, dat niet belet dat de vreemde overproductie Nederland overstroomt (i). Voor zoover het niet alleen op lichamelijke kracht, maar tevens op handigheid en bedrevenheid aankomt, moet het bedrijf op jeugdigen leeftijd worden aangeleerd, wil men geschikte en vaardige arbeiders vormen. Zoo wordt voor het beroep van vormer in de aardewerkfabrieken een leertijd van ongeveer zes jaren vereischt (3). Voor de papierindustrie moet het vak ook op jeugdigen leeftijd worden aangeleerd, en zou het (1) 8308. (2) 7360, 8133, 8310, 8381, 872quot;. (3) 6988. |
begin van den leertijd in geen geval boven den veertienjarigen leeftijd mogen gesteld worden (1). In de glasblazerij kan onmogelijk een glasblazer gevormd worden van iemand, die niet op zeer jeugdigen leeftijd aan het werk is gegaan ; dat is noodzakelijk om het beroep te leeren, en het lichaam moet reeds vroeg aan de hooge temperatuur gewend worden (2). liet sigarenmakersvak moet eveneens op ieujrditren leeftijd worden aangeleerd (3). Voor sommige soorten van arbeid zijn vrouwen en meisjes ook beter geschikt : in de papierindustrie voor het sorteeren van lompen en al de bewerkingen, die het reeds door de machine gemaakte papier nog moet ondergaan; in de aardewerkfabrieken voor het beschilderen der reeds geglaceerde voorwerpen en het bedrukken van gebakken aardewerk; in do sigarenfabrieken voor het vervaardigen der sigaren. In de laatste jaren was, en ook nog op dit oogenblik is, van het te kort komen van handen onder sommige omstandigheden in geen enkelen tak van nijverheid sprake; integendeel, overal zijn arbeiders in overvloed, en het aanbod van werkkrachten van iedere categorie overtreft verre de vraag en do behoefte. Handen komen nergens te kort, en wegens gebrek aan volwassen arbeiders is derhalve do vrouwen- en kinderarbeid in geenen deele onvermijdelijk. VI. Het onderzoek naar den toestand van fabrieken en werkplaatsen met het oog op do veiligheid, heeft in het algemeen tot bevredigende resultaten geleid. De deskundige, die zich met ilat onderzoek heeft beziggehouden, heeft bevonden, dat de groote fabrieken het best zijn ingericht wat betreft de maatregelen van veiligheid, dat de kleine fabrieken onder dat opzicht hier en daar wel wat te wenschen overlaten, maar dat in kleine fabrieken niet veel ongelukken gebeuren, omdat er veel ruimte is en de werklieden dus niet te dicht bij de machines behoeven te komen Ue stoomketels staan in de meeste fabrieken in afzonderlijke lokalen; in de groote fabrieken worden bijna overal signalen gevonden, hetzij in den vorm (1) 8306. (2) 8308. (3) 8899. |
85
|
Tan eene alarmbel, hetzij van ecne fluit, waardoor de machinist in tijd van gevaar een teeken kan ontvangen om in «ens alles te doen stilstaan; in de kleine fabrieken is dat niet het geval ; bjj sommige levert dit geen groot bezwaar op, omdat de machinekamer onmiddellijk aan het werklokaal grenst, bij andere, waar die afstand grooter is, wel. Het omgeven der peilglazen met omhulsels van gaas of dubbel glas tot veiligheid van den machinist bestaat in geene fabriek (1). In de groote fabrieken worden de vliegwielen met eene getande staaf of op andere wijze in beweging gebracht en dus zonder gevaar voor den werkman ; in kleine fabrieken geschiedt dat zeer dikwjjls met de hand, hetgeen de oorzaak van ongelukkon zijn kan (2) Voorts bestaan in de meeste groote fabrieken automatische smeerwerktuigen aan de machines (3). Ook ter voorkoming van brandgevaar is in de groote fabrieken goed gezorgd; bij sommige kleine laat dat te wenschen over (4), Terwijl in de groote fabrieken met het oog op dat gevaar vele deuren naar beide zijden openslaan, is in de kleine fabrieken daar niet op gelet. Hetzelfde geldt voor het omkokeren der riemen, die zich met snelheid bewegen (5). Meer in het bijzonder gaven de navolgende groote fabrieken tot de onderstaande opmerkingen aanleiding, In de fabriek van do firma P. Regout en Cie zijn de genomen veiligheidsmaatregelen over het algemeen zeer goed, en die fabriek staat, wat veiligheid betreft, zeer hoog. Do machines, waarmede de stiften en triangels gemaakt worden, leveren eenig gevaar op, vooral omdat zij door kinderen worden gedreven. Vroeger waren er inrichtingen die werkten met een wiel, waaraan door bet kind gedraaid werd, en dan gebeurde het dat het wiel te ver werd doorgedraaid, waardoor menig kind aan de toppen der vingers gekwetst werd. Dat is veranderd en nu is het veel beter, maar er blijft toch nog altijd gevaar bestaan. Het brengen van de riemen van de vaste op de losse schijven gebeurt bij (1) 5597. (3) 5598. (3) 5601. (4) 5607. (5) 5609. |
snelloopende riemen niet met de hand; aan die inrichting ontbreekt echter dat, wanneer de riem op de losse schijf is gebracht, hij moet kunnen worden vastgezet. In de glasslijperij zou het wensohelijk zijn kapjes over do slijp^teenen aan te brengen. Zeer doelmatig is het aanbrengen van eene kap boven de cirkelzaag, zooals dat in de houtzagerij der genoemde fabriek plaats heeft (i). Verwondingen en ongelukken, door machines veroorzaakt, komen zeer weinig voor in verhouding tot het groot getal werklieden; geschiedt het, dan is dat meestal het gevolg van onbedachtzaamheid der werklieden zelve (2). Eene verbandkist met linnen en dergelijke, om bij ongelukken dadelijk de noodige hulp te verschaffen, is in de fabriek aanwezig (3). Tegen brandgevaar is de fabriek goed beveiligd ; do zolders van de meeste gebouwen zjjn van ijzer en steen en de brandweer is goed geoefend ( 4). De ge-heele fabriek is van eene eigen waterleiding voorzien, die met alle stoommachines in verbinding staat. Bjj dag en bij nacht, ook des Zondags, is het personeel der brandweer aanwezig, en iederon Zondag wordt het op een onbepaald uur plotseling gealarmeerd en worden de brandkranen en bluschmiddelen beproefd (5). Do veiligheidsmaatregelen in de aardewerkfabriek der Société Céramique zijn bijna evengoed als in de zoo even besproken fabriek ; do riemen zijn niet van onderen ondervangen, maar overigens staat alles er tamelijk gelijk (6), In de Koninklijke Nederlandsche Papierfabriek zijn bij allo groote machines automatische couipteurs der omwentelingen van het vliegwiel aangebracht, en de stoomdruk wordt er geregeld geregistreerd ; de groote werktuigen worden automatisch gesmeerd, de kleine niet; de riemen kunnen door een afzonderlijk toestel vastgezet worden wanneer zij zich op de losse schijf bevinden. Tamelijk veel machinedeelen zijn afgesloten, maar toch nog niet alle, en men zoude verder daarmede kunnen gaan. Het brengen van (1) 6519. (2)7341. (3) 5603. (4) 5619. (5)'73S8 en volgende. (6) 5640. |
36
|
het papier tusschen do walsen geeft wel aanleiding tot verwonding van werklieden; bij sommige machines zijn voor do walsen latjes of rolletjes aangebracht, zoodat de werkman zijn vingers niet verder kan brengen dan tot op zekeren afstand. Bij andere was die voorzorgsmaatregel niet genomen, omdat beweerd â werd dat het niet kan geschieden. Het lokaal, waar het hout wordt bewerkt, is electrisoh verlicht, wat ten op-ziehte van brandgevaar eene uitmuntende zaak is. Tegen brandgevaar zijn in deze fabriek goede maatregelen genomen. Door al de zalen en gebouwen loopt eene waterleiding, er is eene eigen goed geoefende brandweer; sommige lokalen unnen met ijzeren deuren worden afgesloten, en do trappen zijn van steen, flink breed en allo van leuningen voorzien. Het hijschwerktuig om de lompen op te halen is goed ingericht, in zooverre dat de lier van de opening afgescheiden staat (1).eoefende brandweer; sommige lokalen unnen met ijzeren deuren worden afgesloten, en do trappen zijn van steen, flink breed en allo van leuningen voorzien. Het hijschwerktuig om de lompen op te halen is goed ingericht, in zooverre dat de lier van de opening afgescheiden staat (1). In de laatste tien jaren zijn in deze fabriek drie groote ongelukken voorgekomen ; twee werklieden verloren den arm, een het leven. Een hunner is bij het overbrengen van papier uitgegleden en met zijn arm tusschen de pers gevallen, dientengevolge is hij zijn arm kwijt geraakt; de beide andere ongelukken waren het gevolg van de onvoorzichtigheid der werklieden, die ter plaatse, â waar hun dat overkwam, niets te verrichten hadden (2). De overige fabrieken hebben weinig aanleiding tot aanmerkingen van meer bijzonderen aard gegeven. In sommige zouden eenige machinedeelen eenigszins meer afgesloten kunnen worden en eenige riemen omkokerd, maar in het algemeen komen te Maastricht weinig ongelukken in fabrieken voor. Onder alle gevallen van ongelukken, in de laatste vijfjaren in het burgerlijk hospitaal behandeld, komt slechts een voor van een persoon, die gestorven is aan verwonding in eene fabriek, en die verwonding was nog niet toe te schrijven aan de inrichting der machine; in de meeste fabrieken te Maastricht kunnen zeer goed ongelukken vermeden worden, en wanneer men zich niet roekeloos in gevaar begeeft, zijn zij niet te vreezen. Het gemiddeld aantal fabrieksarbeiders, die wegens zware verwonding in het hospitaal verpleegd worden, is acht op do honderd per jaar ; dat cijfer is inderdaad zeer gering bij eene zoo groote fabrieksbevolking (1). |
Kan de toestand van fabrieken en werkplaatsen met het oog op de veiligheid der werklieden over het algemeen bevredigend genoemd worden, hetzelfde is het geval ten aanzien van de maatregelen, die wat betreft de inrichting der werklokalen genomen worden om de aan sommige industrieën eigen na-deelige invloeden voor hen zooveel mogelijk te verminderen. Aan de opmerkingen en adviezen, door den bevoegden ambtenaar van het geneeskundig Staatstoezicht daaromtrent gemaakt en gegeven, werd in vele opzichten voldaan, niettegenstaande dit soms met groote kosten voor den fabrikant gepaard ging (2). Ook wanneer aan de werklieden iets wordt voorgeschreven of aan de hand gedaan, dat dienstig kan wezen om hen te beveiligen voor ziekte, besmetting of schade, wordt gezindheid gevonden om zich daarnaar te voegen; niet altijd is dit evenwel het geval, vooral waar het middel lastig werkt, zooals het dragen van contra-respirateurs; in fabrieken, waar zij den werklieden werden gegeven om hen bij het bewerken en mengen van grondstoffen tegen het inademen van stof te beveiligen, werden zij door hen op zijde gelegd; het loopen met een dergelijken contra-respirateur is zeer onaangenaam, zoodat velen er de voorkeur aan geven de met stof bezwangerde lucht in te ademen. De voor-deelen. die de hygiène aanbiedt, worden niet altijd door de arbeiders op den waren prijs gesteld. Bovendien is ook bij hen de zucht tot navolging groot, zoodat, wanneer de een het werktuig wegwerpt, de ander hem spoedig navolgt (3). Tot de fabrieken te Maastricht, waar het bewerken van de grondstoffen en van het fabrikaat een nadeeligen invloed op de gezondheid der werklieden kan uitoefenen door stofontwikkeling als anderszins, behooren in de eerste en |
(1) 5537, 6lë7. (3) 7362. (3) 5143, 7264â7266.
(1) 5660, 5661. (2) 8341, 8315.
37
|
voornaamste plaats de aardwerkfabrie-ken, de glasfabrieken en in eene zekere mate ook de papierfabriek. Tal van verbeteringen zijn daar sedert jaren aangebracht, de lokalen zijn nagenoeg alle groot, ruim en goed geventileerd, en alles wordt in het werk gesteld om don bedoelden nadeeligen invloed tot een minimum terug te brengen. Do meeste oorspronkelijke gebouwen der aardewerkfabrieken van de firma P. Regout en Cie, hebben langzamer hand voor nieuwe plaats gemaakt; in het algemeen heeft zich de overtuiging gevestigd, dat moeite noch kosten gespaard zijn om daar den toestand to verbeteren en dat deze gunstiger is dan voorheen (1). Tot het bewerken der grondstoffen behoort het malen van den gipssteen, in blokken aangevoerd, dat in drogen toestand geschiedt; hierbij heeft nogal stofontwikkeling plaats, maar het lokaal waar dit malen geschiedt is groot en hoog van verdieping; door het laten draaien der steenen in kassen, zou die stofontwikkeling misschien voorkomen kunnen worden. In de gipsbranderij is het zeer stoffig, en de ventilatie schijnt daar onvoldoende (2). Al de grondstoffen worden vervolgens nat gemalen, gemengd en door persing tot eene dikke brij verwerkt; daarbij ontwikkelt zich geen stof, zoodat de werklieden niet meer dan gewoonlijk aan het inademen van stofdeelen zijn blootgesteld; de lokalen waar die bewerking geschiedt bevinden zich in een oud gebouw, maar geven geen aanleiding tot het vermoeden, dat het verblijf der werklieden daarin voor hen scha-delijk zoude zijn. De geperste brij wordt vervolgens vervoerd naar kelders, waar zij wordt bewaard om, na nogmaals geperst te zijn, steeds in vochtigen toestand, door middel eener hijschmaohine in die werklokalen te worden gebracht, waar zij tot het vormen der verschillende voorwerpen wordt gebruikt. Ook die kelders, evenals het gebouw, waaronder zij zich bevinden, zijn van recenten bouw, ruim en behoorlijk geventileerd. De zalen waar uit de aarde de verschillende voorwerpen worden gevormd, zijn alle zeer ruim en groot; zij hebben 10Ã0 kubiek meter inhoud en op iedere zaal werken 50 personen ; zij hebben alle, met uitzondering van eenige weinige, in een oud gebouw gelegen, steenen vloeren en zolderingen; midden door die zalen loopen de droog-kasten, waarin de gevormde voorwerpen worden gedroogd. |
De werktafel van ieder vormer wordt door een venster verlicht, en de arbeid geschiedt daar machinaal. Bij dat vormen en bewerken der aarde scheiden zich voortdurend stofdeeltjes af, die in de lucht zweven en met deze door do werklieden worden ingeademd. Ter vernieuwing van de lucht en verwijdering van dat stof zijn tuimelramen en exhausters aangebracht, welke laatste onophoudelijk de lucht wegzuigen en zoodoende 50000 kubiekmeter lucht per uur in iedere zaal brengen. Voorts worden de vloeren der zalen dagelijks meermalen besproeid en driemalen per week door middel van met gaten voorziene ijzeren bulzen geïnundeerd en daarna geschrobd. Dat alles neemt echter niet weg dat het verblijf in die atmosfeer voor den werkman op den duur hoogst schadelijk is, en velen die nadeelige gevolgen daarvan ondervinden, welke reeds hierboven (onder IV) bij het bespreken van den jongensarbeid in die afdeeling zijn beschreven. De aldus gevormde en gedroogde voorwerpen worden vervolgens in cassetten geladen en in deze in de zoogenaamde biscuitovens gebakken. De loodsen, waarin die ovens zich bevinden, zijn groot en ruim, en op zich zelve is het vullen en ledigen dier ovens geen zware arbeid, althans voor volwassen mannen, zooals daartoe gebruikt worden; maar de spoed die, zoo niet altijd, dan toch dikwijls gemaakt wordt in het ledigen van die ovens, voordat zij behoorlijk zijn afgekoeld, en de overmatige warmte, waaraan in dat geval de arbeiders, met dat werk belast, blootgesteld zijn, maakt het tot een voor de gezondheid nadeelig werk, dat o. a. door schielijke afwisseling van temperatuur tot longontsteking aanleiding geeft (1). In den winter koelen, door het groot verschil van temperatuur, |
1) 7380. (3) 5619.
(1) 5831.
38
|
de ovens vrij spoedig af, maar in den zomer is dat niet het geval, en het hangt derhalve geheel en al van het aantal ovons af, of er genoeg tijd voor eene behoorlijke afkoeling kan worden gelaten. Zy, die door hunne betrekking dagelijks in aanraking met de fibrieksbevol-king komen en haar vertrouwen genieten, hebben meermalen hunne klachten over de verschrikkelijke hitte, waaraan de arbeiders gedurende het ledigen der ovens blootstaan, vernomen (1). De geneesheer, bij een arbeider geroepen, stelt als eerste vraag; welk is uw beroep ? Hij heeft dan den leiddraad dor ziekte. Hoest zulk een werkman en vertoont hij verschijnselen van longontsteking, en verneemt de dokter dat hjj in de ovens werkt, dan laat hij zich daar meer van vertellen. Niet eens, maar hon-derde malen luidde dan het antwoord op de vraag naar de temperatuur in die ovens, dat daar eene zeer hooge, eene bijna verstikkende temperatuur heerscht (2). Maar ook zij, die in do gelegenheid geweest zijn zelf dat werk gade te slaan, hebben zich er van overtuigd, dat de voorstelling niet overdreven is, dat dikwijls bij dat ledigen der ovens eene schier ondraaglijke hitte heerscht, en de werklieden zich daartegen moeten beschutten door het omwinden van het hoofd met doeken, het voorzien dei-handen van handschoenen en het dragen van stevige klompen aan do voeten (3). Zelfs door den fabrikant en den opzichter over de ovens wordt erkend, dat in den zomer de werklieden wel eens bij uitzondering in een oven moeten gaan die warm is, op een warmen dag als er geen tijd is om hem te laten afkoelen, voornamelijk omdat de vervaardigers van aardewerk buitengewoon hard werken, zoodat de ovens hen niet kunnen bijhouden. De oven kan maar een zekeren kubus inhouden, en dan moet het werk overhaast worden, ten einde die men-schen niet te laten wachten (4). Door de aanwezigheid van een grooter aantal ovens is dat bezwaar op te lossen, en er wordt geleidelijk in voorzien; het gunstige seizoen wordt afgewacht om twee ovens bij te bouwen (5). |
De gebakken voorwerpen worden vervolgens verglaasd. Dit werk geschiedt door mannen, die de voorwerpen hetzij met de handen, hetzij met eene ijzeren tang in het glazuur dompelen. Dat glazuur houdt eene zekere hoeveelheid loodwit in. Thans in den regel minder dan vroeger, maar die bewerking levert toch voor den arbeider gevaar voor loodver-giftiging op, en deze komt dan ook nog al eens voor, vooral ten gevolge van inademing van hot stof dat zich ontwikkelt uit het glazuur; dit komt in vloeibaren toestand op banden en kleederen, droogt daar en wordt hetzij ingeademd, hetiij bij hot eten, met niet behoorlijk gereinigde handen, door de gebruikte spijzen in het lichaam opgenomen. Het eenige voorbehoedmiddel is groote zindelijkheid en het stipt opvolgen van het gegeven voorschrift, geen drank of spijs in het lokaal waar verglaasd wordt, to gebruiken, en niet dan na behoorlijke reiniging der handen. Komt de arbeider met de handen voortdurend in het glazuur, waartoe hij tot het verglazen van een aantal voorwerpen, die niet met die tang kunnen worden gevat, verplicht is, dan worden de loodwitbestanddeelen opgenomen door de huid, hetgeen eveneens aanleiding tot vergiftiging geven kan. Sommige arbeiders verrichten langer dan 20 jaren dat werk zonder iets te gevoelen, terwijl andere reeds na twee jaren l'odkoliek krijgen j onlangs is bepaald dat de arbeiders maar vijf jaren aan dat werk mogen blijven en dan aan ander werk moeten worden gezet (i). Voordat het aardewerk wordt verglaasd, wordt het soms met figuren bedrukt ; dit werk, dat grootendeels door vrouwen en meisjes wordt verricht, geschiedt in ruime lokalen en geeft tot geen ontwikkeling van stof of ongezonde gassen aanleiding. Het ledigen der ovens, waarin de verglaasde voorwerpen ten tweeden male gebakken worden, sohjjnt niet bij dezelfde hooge temperatuur te geschieden als dat bij de biscuit-ovens wel het geval is; althans daarover worden geene klachten geuit. Bij het beschilderen van het verglaasde |
(1) 5841â5977, en volgende. (2) 5841. (3) 6518, 6543, 9187, 9215. (4) 6657, 6905, 6909. (5) 6058.
(1) 6610.
39
|
I aardewerk ontwikkelen zich terpentijn- gassen, die bij avond, wanneer het gas brandt, wel eens hinderlijk kunnen zijn; tot verwijdering daarvan is in het lokaal, dat overigens ruim en luchtig is, een exhauster aangebracht. Schadelijk voor de ademhalingswerktuigen schijnt dat werk niet te zijn (I). , Ook over de hitte bij het ledigen dor ovens, mouffles genaamd, waarin het ^ aardewerk na het schilderen gebracht wordt, wordt niet geklaagd. 13ij de arbeiders, die loodwit vervaardigen, komt loodwitvergif'tiging eveneons eene enkele maal voor, namelijk op het oogenhlik dat zij het aoetas plumbi van het lood afkloppen; hun wordt dan , melk te drinken gegeven ; de verdere bewerking van dat loodwit geschiedt langs natten weg en dus zonder gevaar voor den werkman. Die loodwit bereiding heeft evenwel jaarlijks slechts gedurende j ongeveer eene maand plaats, zooals ook bet vervaardigen van menie, dat soms bij de grondstoffen gemengd wordt, waaruit het glas wordt vervaardigd. Ten opzichte van het bewerken en mengen dier grondstoffen geldt hetzelfde, wat reeds hierboven omtrent het bewerken van alle grondstoffen ten opzichte der stofontwikkeling is gezegd. ^ Ofschoon de glasblazers gedurende hun arbeid voortdurend aan de zeer hooge temperatuur dor gloeiovens zijn blootgesteld, komt bij hen toch geene speciale ziekte voor, zooals bij de aard-vormers en glasslijpers ; het lokaal waar zij werken is zeer hoog en ruim en wordt aan weerszijden voortdurend ge-( ventilcerd door jaloezieën en aan de bo venzijde door een dakruiter. Zooals de arbeiders die de aarden voorwerpen vormen, zijn ook de glas-slijpers werkzaam in eene atmosfeer, die, niettegenstaande het glas nat ge-; slepen wordt, voortdurend bezwangerd wordt met fijne stofdeeltjes van glas, dat zij inademen en dat hen vrij veelvuldig aan eene zelfde ziekte der ademhalingswerktuigen blootstelt als de eerstgenoemde arbeiders, bij de laatsten glasslijpersziekte genoemd ('2). Dergelijke arbeiders, die herculisch gebouwd waren, zijn toch gestorven aan tering (3). |
Tot voortdurende vernieuwing der bedorven lucht zijn ook in de lokalen waar het glas geslepen wordt â de slijpsteenen worden door eene stoommachine in beweging gebracht â exhausters aangebracht, en elk glasslijper zit bij een vensterraam, waarvan het bovenste gedeelte tuimelend is. De vrouwen, die in deze afdeelingde randen van sommige drinkglaien, nadat zij geslepen zijn, in kleine ovens brengen, ten einde de scherpe kanten dier randen te doen wegsmelten, dragen groene brillen, om hare oogen tegen de warmte en het licht dier oventjes te beschutten (l). De verlichting bij avond en bij nacht geschiedt met gas, dat in de fabriek zelve wordt geproduceerd. üok in de aardewerkfabriek der So-ciétc Céramique zijn de noodige maatregelen genomen in het belang van de gezondheid van den werkman, rnaar ook daar doen zich, vooral bij de aardvor-mers, de aan dat werk eigen nadoelige invloeden gevoelen. De zalen waar zij werken zijn ruim en goed geventileerd door tuimelramen en exhausters, de droogkasten zijn afgesloten (2). De stee-nen vloeren dier zalen worden iederen avond na afloop van den arbeid besproeid en geschrobd. De ligging dier fabriek is zeer gunstig; alle gebouwen zijn groot, ver uit elkander gelegen en nieuw (3). Het ruwmalen van den steen geschiedt droog, gedeeltelijk in de open lucht, en daarna nat in een groot lokaal. Het is gebleken, dat in deze fabriek de biseuitovens in genoegzamen getale aanwezig zijn, om met het ledigen te kunnen wachten totdat zij behoorlijk zijn afgekoeld, en dat zulks ook geschiedt. Klachten over het ledigen dier ovens bij te hooge temperatuur worden uit die fabriek dan ook niet vernomen. Het voor het glazuur benoodigde loodwit wordt niet in de fabriek vervaardigd, maar van elders aangevoerd. Aan de eischen, die met het oog op de hygiëne kunnen gesteld worden, is in de Koninklijke JSederlandsche papierfabriek over het algemeen goed voldaan (4). De lompen worden niet ontsmet voordat zij gesorteerd worden; |
(1) 5357. (2) 5392. (3) 5375. (4) 5416.
(1) 5232. (2) 5831. (3) 57S0.
40
|
hot is te betwijfelen of dat zou kunnen geschieden, zonder overdreven, niet in te willigen eischen aan de industrie te stellen (1). Epidemieën komen in deze fabriek niet voor, meer bepaaldelijk niet onder de lompensorteersters; ook geen pokken-epidemieën, al blijft de mogelijkheid bestaan dat lompen de kiemen van ziekten kunnen overbrengen (2). De zalen, waar het sorteeren en snijden dor lompen plaats heeft, zijn zeer groot, ruim en licht; zij worden niet door exhausters geventileerd, maar hebben tuimelramen, om het gedurende dat werk zich ontwikkelend stof weg te voeren. Volgens den fabrikant zou het aanbrengen van meohanieoho werktuigen eerder nadeelig zijn, omdat de ventilatie bij deze soort van werk stof opwekt en de verhitte werklieden koude doet vatten (3). Aan de lompensorteersters waren respi-rateurs verstrekt om zich tegen het inademen van stof te vrijwaren, maar zij hebben die weldra weggeworpen (4). Vóór den aanvang van haar arbeid trekken zij een werkpak aan, hetgeen zij vóór het verlaten van de fabriek, en na zich behoorlijk gewassohen en gereinigd te hebben, weder tegen hare fewone kleeding verwisselen (5). Het uilen, koken en malen der lompen heeft machinaal plaats, en daaraan zijn geene nadeelige invloeden voor den werkman verbonden, evenmin als aan hot maken der papierpap uit hout, hetgeen in zeer groote en ruime lokalen geschiedt: vroeger was de ontwikkeling van het chloorgas, dat met chloorkalk dient om de papierpap te bleeken, wel eens hinderlijk voor den werkman en konden daardoor keelziekten, chronisch hoesten en slechte spijsvertering ontstaan, maar tegenwoordig wordt, ten gevolge van verbeterde inrichtingen, niets moer van dien aard ondervonden. Ook de lokalen, waar de papiermolens staan, en waar voorts het papier wordt gesatineerd, gesorteerd en door vrouwen en meisjes verder bewerkt, zijn zeer root en ruim; de geheele fabriek is oor middel van stoombuizen verwarmd en bij avond met gas verlicht, met uitzondering van de electrische verlichting in de afdeeling, waar het hout wordt bewerkt. Er heerscht overal eene zeer groote zindelijkheid.ewone kleeding verwisselen (5). Het uilen, koken en malen der lompen heeft machinaal plaats, en daaraan zijn geene nadeelige invloeden voor den werkman verbonden, evenmin als aan hot maken der papierpap uit hout, hetgeen in zeer groote en ruime lokalen geschiedt: vroeger was de ontwikkeling van het chloorgas, dat met chloorkalk dient om de papierpap te bleeken, wel eens hinderlijk voor den werkman en konden daardoor keelziekten, chronisch hoesten en slechte spijsvertering ontstaan, maar tegenwoordig wordt, ten gevolge van verbeterde inrichtingen, niets moer van dien aard ondervonden. Ook de lokalen, waar de papiermolens staan, en waar voorts het papier wordt gesatineerd, gesorteerd en door vrouwen en meisjes verder bewerkt, zijn zeer root en ruim; de geheele fabriek is oor middel van stoombuizen verwarmd en bij avond met gas verlicht, met uitzondering van de electrische verlichting in de afdeeling, waar het hout wordt bewerkt. Er heerscht overal eene zeer groote zindelijkheid. |
Tot de categorie der fabrieken, waarin vergiftige verfstoffen worden gebezigd, behooren te Maastricht de behangselpapierfabrieken : in het bijzonder werd daar vroeger, vooral tot het vervaardigen van groene gordijnen, gebruik gemaakt van arsenikhoudende verfstof, en de werklieden, met het bereiden der kleuren belast, ondervonden daarvan soms schadelijke gevolgen, zonder dat dit evenwel tot ernstige ziekten, veel minder tot sterfgevallen aanleiding gaf; het beste voorbehoedmiddel bestond in groote reinheid en het dagelijks nemen van een bad. Thans wordt zeer weinig arsenicum gebruikt, omdat de gezegde groene gordijnen nagenoeg niet meer worden vervaardigd ; de werklieden zijn dientengevolge veel minder aan de schadelijke invloeden van dat vergif onderworpen 1). Ook in de Nederlandsche zinkwitfa-briek levert het werk geen gevaar op voor de arbeiders. Het inademen van schadelijke dampen van zinkoxyde komt niet voor en kan ook niet plaats hebben, daar de geheele bewerking in volkomen afgesloten toestellen geschiedt; gevallen van vergiftiging zijn niet voorgekomen (2). Voor het overige geven de fabrieken en werkplaatsen te Maastricht geen aanleiding tot vermelding van bijzondere punten met het oog op de hygiène; voor lucht, licht, verwarming en reiniging is overal voldoende zorg gedragen, en nergens zijn de werklokalen overbevolkt met arbeiders. Voor zoover, behalve mannelijke werklieden, vrouwen en meisjes tot fabrieksarbeid worden gebezigd, worden afzonderlijke lokalen voor de beide seksen aangetroffen: 1°. in de papierfabriek, waar het sorteeren en snijden der lompen en het sorteeren, fatsoeneeren enz. van het vervaardigd papier uitsluitend door vrouwelijk personeel geschiedt; bij het satineeren zijn, behalve het vrouwelijk personeel, tot het bedienen der machines mannen aanwezig; 2o. in de tabaks- en sigarenfabriek van den heer |
( ) 5443. (2) 8326. (3) 8317. (4) 8383. (5) 8321.
(1) 8666â8676, 8737â8753. (3) 5488, 9325.
41
|
E. Philips, waar het vrouwelijk personeel de sigaren en sigaretten maakt; 3o. in de vermicellifabrieken van de heeren J. Pagnier en A. Bauduin, waar het vrouwelijk personeel de vermicelli plooit en droogt; 4°. in do wollen-de-kenfabriek van den hoer J. Regout, wat betreft de kaarderij, waar alleen vrou-i welijk personeel werkt. Ten opzichte van den duur van het verblijf in de gebouwen, rusttijden, nachten Zondagsarbeid van mannen is de toestand als volgt; In de fabriek der firma P. Regout en Cie. is de werktijd dagelijks gedurende de zes werkdagen van iedere week â des Zondags wordt niet gewerkt â in 1 alle afdeelingen, behoudens de navol gende uitzonderingen, van 7 tot 12 uur voormiddags en van 1 quot;/a tot C'/j namiddags, met telkens 10 minuten rusttijd, terwijl alle werklieden gedurende den etenstijd de fabriek verlaten. Nachtarbeid wordt verricht; in de afdeeling aardewerk bij de aardmolens, die van Maandagmorgen zes uur tot Zaterdagavond twaalf uur voortdurend, door stoom gedreven, de natte grondstoffen malen; in do afdeeling glasblazerij, waar van Maandagmorgen zes uur tot den volgenden Zondagmorgen zes uur voort-\ durend glazen voorwerpen worden ver- vervaardigd ; en in de beide afdeelin- Sen door de machinisten en stokers, leze laatsten zijn ook des Zondags werkzaam tot het onderhouden der vuren onder de ovens, waarin het glas wordt gesmolten, en die waarin het aardewerk wordt gebakken. Al die ar-i beiders zijn verdeeld in dag- en nachten door de machinisten en stokers, leze laatsten zijn ook des Zondags werkzaam tot het onderhouden der vuren onder de ovens, waarin het glas wordt gesmolten, en die waarin het aardewerk wordt gebakken. Al die ar-i beiders zijn verdeeld in dag- en nacht ploegen, welke elkander des morgens en des avonds te zes uur aflossen. Bovendien wisselen wekelijks de ploegen, zoodat de werklieden van iedere ploeg om de veertien dagen een week nachtwerk en eene week dagwerk verrichten. Des Zondags staan allo stoommachines stil. |
Behalve de stokers bij do glasovens zijn daar ook werkzaam de smelters, die de grondstoffen in de kroezen werpen. De ploegen van die beide categorieën wisselen des Zondags op het midden van den dag, zoodat zij dan ongeveer 18 uren aan het werk blijven. Wanneer twee feestdagen op elkander volgen, hebben de smelters 24 uren vrij, omdat het glas 24 uren noodig heeft om te smelten, maar de stokers hebben nooit vrij. De glasblazers, stokers, smelters en machinisten verlaten gedurende hun werktjjd de fabriek niet en gebruiken gedurende de rusttijden, te zamen ongeveer l1/» tot 2 uur in de 12 uren werktijd, hetzij middag- hetzij ander eten in de werklokalen. In de fabriek der Société Céramique draaien eveneens de aardmolens, door stoom bewogen, van Maandagmorgen zes uren tot Zaterdagavond, en moeten de vuren der ovens, waarin het aardewerk gebakken wordt, dag en nacht worden onderhouden ; het tot die werkzaamheden benoodigd personeel werkt en wisselt af op dezelfde wijze als in do eerstgemelde fabriek. Al het overige werkvolk in de fabriek der Société Céramique werkt dagelijks, eveneens met uitzondering van den Zondag, van 7 tot 12 uur en van il/2 tot 6l/2 uur, telkens met een kwartier rusttijd, die in de lokalen wordt doorgebracht; tot het-gebruiken van het middagmaal verlaten al die arbeiders de fabriek. In de Koninklijke Nederlandsche Papierfabriek wordt de werkdag insgelijks door een rusttijd van 1V, uur afgebroken, tot het buiten de fabriek nuttigen van het middageten; des voormiddags wordt gearbeid van 7 tot 12, des namiddags van l'/j tot 6'/® uur, telkens met een kwartier rusttijd. Uitzondering maken de machinisten en stokers en het verdere personeel, benoodigd voor de papiermolens, die, door stoom gedreven, des Maandagmorgens te zes uur in beweging worden gezet en onophoudelijk tot den volgenden Zondagmorgen zes uur doormalen. Ook hier wordt des Zondags niet gewerkt, behalve het even- fenoemde werk tot zes uur 's morgensenoemde werk tot zes uur 's morgens er molens. In de Nederlandsche Zinkwitfabriek worden de ovens dag en nacht, ook des Zondags, gestookt, en ook daar wisselt het personeel der stokers, in dag- en nachtploegen verdeeld en die ieder twaalf uur daags aan de ovens werkzaam zijn, geregeld af, zooals reeds is vermeld, met dit verschil, dat de des Zaterdagmorgens opkomende werklieden vier en twintig uren aan een stuk bij de ovens |
42
|
dienst doen, ter verwisseling der dagen nachtploegen. In de meelmolens van den heer Dolk en de firma JBebr en C0. wordt van Maandagmorgen tot Zaterdagavond voortdurend gemalen, en het benoodigd personeel, verdeeld in dag- en nachtploegen, â¢wisselt eveneens op de bovenvermelde wijze af. Des Zondags wordt ook daar niet gewerkt. Geheel op dezelfde wijze zijn de werkzaamheden der bakkers geregeld in de machinale broodbakkerij van den heer Harger, waar oveneens, met uitzondering van den Zondag, bij dag en bij nacht voortdurend wordt gebakken. In geene enkele andere bakkerij wordt des nachts gewerkt. Volledigheidshalve zij nog gemeld, dat in de stedelijke gasfabriek de ovens tot het maken van gas voortdurend brandend worden gehouden, en dus ook daarin het personeel op de gewone wijze in dag- en nachtploegen is verdeeld. In geene der andere groote en kleinere fabrieken of werkplaatsen wordt des nachts of des Zondags gewerkt, behalve in sommige gevallen bij de bierbrouwers des Zondags gedurende een paar uren tot het omzetten van het mout; de werkdag vangt meestal des morgens ton 6, 7 of 8 uren aan, om des avonds op ongeveer hetzelfde uur te eindigen, met een rusttijd van '1 of l'/ï uur voor het middagmaal en twee korte rusttijden, van ongeveer een kwartier, voor het koffiedrinken; na aftrek der rusttijden is de gemiddelde werkdag tien uren. In de meeste fabrieken wordt bij het stuk gewerkt, zoodat ingeval van overwerk, dat thans hoogst zelden, en dan meestal slechts gedurende een enkel uur, plaats heeft, dat overwerk volgens het gewoon tarief betaald wordt. Onder de aangelegenheden, die betrekking hebben op den toestand der fabrieken en werkplaatsen met het oog op het welzijn der arbeiders, en die, hetzij rechtstreeks, hetzij zijdelings verband houden met hunne veiligheid en gezondheid, bekleedt eene voorname plaats de zorg voor den werkman wanneer hjj door ziekte, in of buiten de fabriek, opgedaan, door ongeval in de fabriek, door ouderdom als anderszins tijdelijk of voortdurend buiten staat geraakt om te werken. De ziekenfondsen en voorzorgskassen, in vele fabrieken opgericht, hetzij door, hetzij met medewerking van den fabrikant, bewijzen dat èn werkgever èn arbeider overtuigd zijn van de noodzakelijkheid, daaromtrent voorzieningen te maken. |
Zoo bestaan er in de fabriek der firma P. Regout en O- zes verschillende ziekenfondsen, waaraan voor de mannelijke arbeiders boven 18 jaren de deelneming verplichtend is, en waarin dooide firma voor '/s wordt bijgedragen ; een algemeen ziekenfonds voor alle werk -lieden der fabriek bestaat niet, omda* de aard van het verschillend werk â men denke slechts aan dat der aard-vormers en glasslijpers â eene hoogcre bijdrage voor de eene categorie van arbeiders dan voor de andere zou medebrengen. In de aardewerk-afdeeling worden dan ook twee ziekenfondsen gevonden, het aardewerkers-ziekenfonds en het aardewerk-quinzaine-ziekenfbnds. In het laatste wordt door de arbeiders gemiddeld iy2 percent van hun loon bijgedragen ; ingeval van ziekte ontvangen zij geldelijke ondersteuning, maar geen geneeskundige hulp; deze moeten zij bij het burgerlijk armbestuur vinden. De aardewerkers betalen ongeveer 3 pet. van hun loon in het ziekenfonds. Zij ontvangen ingeval van ziekte geldelijke ondersteuning en geneeskundige hulp; zij vormen een meer blijvend personeel, dat minder afwisselt, een bepaald beroep uitoefent en beter betaald wordt. Ook de glasblazers en glasslijpers storten een gedeelte van hun loon in ziekenfondsen, waaruit zij eveneens ingeval van ziekte geldeljjke ondersteuning en geneeskundige hulp ontvangen (1). Nog ia er eene quinzaine-ziekenkas bij de glaswerk-afdeeling, en eene dergelijke bij de afdeeling : diversen. Andere fondsen bestaan aan die fabriek niet (2). Vroeger was er een fonds voor de weduwen der beambten, aan welke het verboden was eenige winkelnering te houden, maar na 3 jaren is op hun verlangen dat fondsquot; wederom ontbonden. Van de geringe rente der door de fa- (1) 7470, 8170. (2) 6636. |
|
brick daarin gestorte gelden, f2000, worden de weduwen van een paar beambten bedeeld. De ziekenkassen werken niet als pensioenfonds, maar als ondersteuningsfonds voor diegenen, welke door langdurigen arbeid een tijdelijken onderstand verdienen (1). Van de zijde dei-fabriek genieten twaalf mannen, die voor goed hun ontslag hebben gekregen, pensioen of uitkeering; het zijn zoogenaamde quinzaine-arbeiders (2). Behalve die 12 personen ontvangen geene gewezen werklieden eene uitkeering vanwege de fabriek(3). Voor het overige is van pen-sionneeren in do fabriek geen sprake (4). Voor vrouwen bstaat er geene gelegenheid aan het ziekenfonds deel te nemen. Verlaat een arbeider om welke reden ook de fabriek, hetzij vrijwillig, hetzij wegens wangedrag, of wordt hij om eenige andere reden weggezonden, dan verliest hij allo aanspraak op de door hem in het ziekenfonds gestorte gelden. In de aardewerkfabriek der Société Céramxque hebben de arbeiders eene onderlinge voorzorgskas, waaraan de deelneming wel niet verplicht is, maar waarin door den invloed van den directeur toch nagenoeg alle arbeiders bijdragen ; zij wordt door hen beheerd volgens een reglement, dat zij zelve gemaakt hebben. Gedurende de eerste jaren stort ieder werkman daarin drie percent van zijn loon, vervolgens twee, later een percent en eindelijk niets meer. Ingeval van ziekte en ook bij voortdurende ongeschiktheid om te werken door vergevorderden leeftijd als anderszins, ontvangen zij uit die voorzorgskas de helft van hun loon, vrjje geneeskundige behandeling en geneesmiddelen, beide laatste evenwel niet voor hun gezin (5), terwijl dan de wederhelft van het loon door de fabriek wordt bijbetaald. Het fonds wordt door den fabrikant beheerd (6). Verlaat een arbeider vrijwillig de fabriek of wordt hij weg gezonden, dan verliest hij zijne rechten op het fonds (7). In de Koninklijke Nederlandsche Papierfabriek is met behulp van den direc- (1) 6652. (2) 6647, 6651. (3) 6654. (4) 8173â 8176. (5) 7885. (6) 7711 en volgBnde. (7) 7795 en volgende. |
teur eene kas door de werklieden opge-richt, waaraan nagenoeg alle arbeiders, ook de meisjes, met uitzondering der lompensorteerstcrs, deelnemen. Die kas wordt gevoed door het inhouden van een gedeelte van het loon ; ingeval van ziekte ontvangt het gezin van den werkman de uitkeering, niet het burgerlijk armbestuur, indien hij in het burgerlijk hospitaal wordt verpleegd. Bovendien heeft de fabriek: 1quot;. eene ondersteuningskas, waaruit meermalen in de voormelde kas is gestort, wanneer zij zwak begon te staan, en 2''. eene hulpkas, waaruit de directeur de bevoegdheid heeft pensioenen toe te staan. Ue opzichters storten niet in de kas der werklieden, maar worden zij oud en ongeschikt voor het werk, dan worden zij, evenals de werklieden, door do fabriek gepensionneerd; recht op pensioen hebben de werklieden en opzichters evenwel niet. Bij vertrek van deu werkman uit de fabriek, om welke reden ook, gaat alle recht op de in het fonds gestorte gelden verloren (1). Van de bevolking der fabriek is een vierde gedurende ruim 20 jaren en meer in de fabriek werkzaam; 6 percent van het werkvolk is boven de 60 jaren, '15 percent boven de 50. De werklieden van de behangselpa-pierfabriek der firma J. 11. Kutten staan één percent van hun loon af voor een onderling ziekenfonds, waaruit hun gezin ingeval van ziekte de helft van hun daggeld als ondersteuning geniet; bovendien ontvangen zij dan geneeskundige behandeling en geneesmiddelen. De werklieden blijven tot vergevorderden leeftijd in de fabriek, die sedert 1847 bestaat, en wegens ouderdom of onbruikbaarheid is nooit iemand weggezon den (2). Het ziekenfonds is meer dan toereikend, want meer dan eens hebben daaruit al de werklieden eene buitengewone uitkeering ontvangen (3). Ook in de spijkerfabriek der firma Th. Regout amp; Do. bestaat eene ondersteuningskas bij ziekte, waarin door de werklieden één percent van hun loon wordt gestort; bij ziekte van ten hoogste zes maanden wordt daaruit de helft van (1) 8341.' (2) 8702 en volgende, 8790. (3) 8808,. 8804. |
44
|
het loon uitbetaald; bij ziekte van lan- feren duur een kwart. Ook in deze fa-eren duur een kwart. Ook in deze fa- riek blijven de arbeiders zeer lang; de oudste is er sedert 49 jaren. In de wollen-dekenfabriek van den heer J. Regout bestond vroeger een ziekenfonds, waarin door den fabrikant werd bijgedragen voor een derde, maar daar die werklieden, welke ingeval van ziekte in het burgerlijk hospitaal werden verpleegd, hiervoor grootendeels, zoo niet geheel, de golden, die zij uit dat fonds ontvingen, moesten uitkeeren, hebben de arbeiders goedgevonden in 1879 dat ziekenfonds op te heffen en de in-leggelden te verdoelen (1). Vaste regelen omtrent voorziening ingeval van ziekte bestaan in de tabaksen sigarenfabriek van den heer E. G. Philips niet; er is noch ziekenfonds noch eenig ander, maar ingeval van ziekte gedurende eenige dagen wordt door den fabrikant het geheele loon uitbetaald, bij ziekte van langeren duur de helft, üok in deze fabriek blijven de meeste werklieden gedurende lange jaren (2). De eenige fabriek, waarvan het bekend is dat voor hare rekening aan de werklieden en hunne gezinnen geneeskundige hulp en geneesmiddelen worden verstrekt, is de Nederlandsche zinkwitfa-briek; tevens ontvangt de werkman gedurende zijne ziekte de helft van zijn loon als onderstand. Eene ondersteuningskas ingeval van ongeluk bestaat nog niet; dit is wel het geval voor de zink-witfabriek te Eysden, van dezelfde maatschappij, welke fabriek sedert langere jaren bestaat. Te Maastricht heeft de fabriek nog geene ondersteuningskas uit het reservefonds, omdat zij eerst 6 jaren geleden is opgericht (3;. De directeur der St. Paulusdrukkerij te Maastricht heeft, op kosten der firma, de werklieden verzekerd tegen ongelukken bij eene Zwitsersche maatschap-Pij^)- Eeno geheel bijzondere vermelding verdient het fonds ter ondersteuning van de arbeiders, in dienst bij de domani-ale steenkolenmijnen te Kerkrade. Het wordt bestuurd door den directeur, wien (1) 8970 en volgende, 9131. (2) 8879 en volgende. IS) 9304. (4) 6050. |
vier leden, waaronder twee uit de arbeiders, door hen te kiezen, ter zijde staan, doch slechts met raadgevende stem. Daaruit worden de leden ondersteund, welke door ziekte, ouderdom of door buiten hun toedoen gelegen oorzaken, tijdelijk of wel voor immer ongeschikt tot den arbeid worden, alsmede hunne weduwen en kinderen. Al de personen, in dienst bij die mijnen, zijn verplicht deel te nemen aan het fonds. Als bijdrage wordt den leden op iederen betaaldag 3 ten honderd van hun verdiend loon ingehouden, terwijl uit de kas dier mijnen insgelijks iederen betaaldag als bijdrage in dat fonds wordt gestort eene som, geljjktstaande met het totaal der bijdragen van de leden. Deze hebben aanspraak op: I9. een pensioen voor zich en bij overlijden voor hunne nagelaten weduwen en kinderen; 2°. eene tegemoetkoming bij ziekte ; 3'. genees-, heel- en apothekerskosten voor zich en hun gezin; iquot;. eene tegemoetkoming bij begrafeniskosten ; en 5°. vrij schoolonderricht voor hunne kinderen, dat tot het lide jaar verplichtend is. De arbeiders zijn in klassen ingedeeld en ontvangen pensioen, zooals ook hunne weduwen en kinderen, in evenredigheid van hunne dienstjaren en hun loon. Het fonds in 1856 door do goede zorgen van den directeur, opgericht, bezat reeds op het einde van 1885 een kapitaal van f 122 000. In 1885 werden f 7617,60 voor de onderscheidene zoo even omschreven doeleinden uitgegeven. Vrijwillig of gedwongen ontslag uit den dienst der mijnen doet alle aanspraak op het fonds verliezen en alle recht op ondersteuning ophouden. Is het ontslag veroorzaakt door gebrek aan arbeid of door verplichten militairen dienst, dan wordt bij terugkeer de vroeger in den dienst der mijnen doorgebrachten tijd in rekening gebracht. Tot stijving van het ziekenfonds of de voorzorgskas worden in alle fabrieken, behalve in die van den heer J. Regout, waar geen ziekenfonds bestaat (1), de aan het werkvolk opgelegde boeten gebezigd. Het heffen van die boeten geschiedt meestal niet uit kracht van een geschreven reglement, maar de werk- (1) 9009. |
45
|
lieden weten wat bijv. op het te laat komen, het twist zoeken, het in beschonken toestand verschijnen in do fabriek, enz. staat; over het opleggen der boeten beslist meestal rechtstreeks, en in ieder geval in hoogste ressort de fabrikant (1). In de fabrieken der Société Céramique en van de firma J. H. Rutten (behangselpapier) bestaat een fabrieksreglement, waarin het opleggen der boeten is geregeld (2). De meeste der voormelde ziekenfondsen zijn zoo ingericht, dat ingeval van ziekte de uitkeering plaats heeft niet aan den arbeider, maar aan zijn gezin, omdat anders, bij zijne opneming in het burgerlijk hospitaal, die uitkeering geheel of ten deele door het hospitaal wordt geëischt tot dekking der verplegingskos-ten (3). Ingeval oen arbeider onder deze laatste voorwaarde in het hospitaal is opgenomen, ontvangt zijn gezin, indien het hulpbehoevend is, eenige ondersteuning van het burgerlijk armbestuur. Maaier wordt zeer voel op dat bestuur geschoven, waarvoor anderen te zorgen hadden (4): dit betreft vooral de arbeiders der fabriek van de firma P. Regout en Cio, die, wanneer zij versleten zijn, grootendeels aan hun lot worden overgelaten (5). Het burgerlijk armbestuur is sedert jaren werkzaam tot het oprichten van eene algemeene zieken-beurs voor fabrieksarbeiders, waarin ook ondersteuning zou gegeven worden in-eval van ziekte, maar tot nog toe is ie beurs niet tot stand gekomen (6). Het getal huisgezinnen van fabrieksarbeiders, die door het armbestuur met geneeskundige hulp en geneesmiddelen bedeeld worden, bedraagt 1189. Voorts worden 86 weduwen van fabrieksarbeiders ondersteund, onder welke er zijn van 31 jarigen leeftijd (7). Maar ook de arbeider is veel te veel gewoon op de armenkas te steunen (8): hij meent dat geneeskundige hulp en geneesmiddelen door het armbestuur ntoeten gegeven worden, en eischt die alszijnrec/iWÃ). |
De uitbetaling der loonen geschiedt in sommige fabrieken den 1 sten en loden van iedere maand, in andere om de 14 dagen des Zaterdags; de arbeider ontvangt dan het loon der afgeloopen quin-zaine, dus veertien dagen later; verlaat hij de fabriek, dan ontvangt hij bij de afrekening het loon van twee quinzainea tegelijk (1). Daardoor heeft den fabrikant den werkman onder zijne macht; vertrekt deze onverwacht, dan verbeurt hij zijn reeds verdiend loon. Vroeger feschiedde die betaling in de fabriek der rma P. Regout en Cie. om de maand (2).eschiedde die betaling in de fabriek der rma P. Regout en Cie. om de maand (2). Elders wordt twee dagen na afloop der quinzaine het daarin verdiende loon uitbetaald (3). In weder andere fabrieken wordt wekelijks het gedurende do week verdiende loon uitbetaald (4). Somtijds wordt op hot loon een voorschot gegeven (5). Het betalen van het loon door middel van bons bestaat te Maastricht niet (6). Do wensch naar het uitbetalen van het loon om de week werd meermalen geuit, met aandrang op een / anderen betaaldag dan den meest gebruikelijken, namelijk den Zaterdag, ten einde vele voor het huishouden benoodigde inkoo-pen des Vrijdags en Zaterdags a corap-tant op de markt te kunnen doen. vVordt het geld des Zaterdagavonds ontvangen, dan gaat veel daarvan des Zondags en Maandags in de herberg verloren (7). Onder de maatregelen, die in de fabrieken aangewend worden ter bevordering van het welzijn der werklieden, dient nog vermeld te worden de soepkokerij in de fabriek der firma P. Regout en Cie., waar de werklieden dier fabriek voor een zeer geringen prijs warm middagvoedsel kunnen bekomen ; vooral voor de arbeiders, die uit de omliggende dorpen in de fabriek komen werken is dit eene goede inrichting. Aan een zestigtal jongens wordt die soep kosteloos uitgereikt (8). Afgescheiden van de conclusiën, die uit de tot dusver gehouden enquête voor het geheele land kunnen worden getrokken, kan aan het einde van het overzicht over den industriëelon arbeid te Maastricht, en tevens op grond van den reeds vermelden staat (bijlage T) ten |
|
(1) 6445 en volgende, (5683, 7344 en volgende» 7596 en volgende, 8238, 8349. (2) 7858, 8716-(3) 6198. (4) 5772. (5) 5873, 6034. (6) 6198-(7) 6156, 6157. (8) 5711. (9) 6236. |
(1) 7741. (2) 6343, 6074. (3) 8375. (4) 8844. (5) 9310. (6) 6244. (7) 5993, 6240, 7220. (8) 6716 en volgende. |
46
|
opzichte van geheel Limburg, worden gezegd dat de toestand der nijverheid in die provincie het nemen van do navolgende wettelijke maatregelen toelaat: 1». verhooging met één jaar van den leeftijd, waarop volgens de wet van 19 September\87i(Staatsblad n». 130) dein-dustriëele arbeid kan worden begonnen ; 2°. verbod aan jongelieden beneden 18 jaren en aan vrouwen van eiken leeftijd om tusscben een bepaald avonduur en een bepaald morgenuur te arbeiden, met toekenning van een vasten wekelijkschen rustdag, en wel den Zondag, behoudens enkele noodzakelijke uitzonderingen (zooals voor de glasindustrie.) Deze bepalingen zouden zoowel op de ambachtsnijverheid als op de fabrieksnijverheid van toepassing moeten zijn, maar niet op den landbouw. Is de wettelijke regeling van de drie gemelde onderwerpen vrij eenvoudig, anders is het gesteld met het in het leven roepen van verplichte zieken- en pensioenkassen, waaraan patroons en werklieden bijdragen, en door een bestuur, uit beiden samengesteld, volgens regelen door de wet te stellen, te be-heeren. Het door do domaniale steenkolenmijnen te Kerkraden gegeven voorbeeld, om niet te gewagen van hetgeen in Duitschland op wetgevend gebied in die richting ia tot stand gebracht, toont aan, dat eene dergelijke regeling mogelijk is. Zelfs kan. met bet oog op hetgeen ook te Maastricht reeds in dat opzicht bestaat, gezegd worden dat tot die regeling op een niet te ver verwijderd tijdstip zal kunnen worden overgegaan. § 4. Tilburg. â Van de tot dusver besproken toestanden wijken die te Tilburg in menig opzicht aanmerkelijk af. Reeds dadelijk valt omtrent deze plaats te constateeren, dat de wet van 19 September 1874 (Staatsblad n0. 130), met het oog op de daar bestaande eigenaardige toestanden, niet noodig was. Dank zij het initiatief, genomen door monseigneur Swijzen, vroeger als pastoor te Tilburg werkzaam (1), bestond er reeds vóór 1874 in de Tilburgsche fabrieken geen arbeid van kinderen beneden twaalf (1) 11154. |
jaren. De Katholieke geestelijkheid verlangt en houdt streng vast aan de bepaling, dat geene kinderen tot de eerste Heilige Communie worden toegelaten, die niet behoorlgk kunnen lezen en schrijven. Het onderwijs, parochiaal ingericht en gegeven door broeders en zusters, is kosteloos. De fabrikanten werken met de geestelijkheid en de hoofden van het onderwijs samen, en nemen geene kinderen beneden twaalf jaren in hunne fabrieken aan. Mocht in vroeger jaren arbeid van kinderen beneden twaalf jaren gebezigd worden bij de huisindustrie, thans, nu het spoelen van garens machinaal plaats grijpt, valt ook hiervan niets meer te bespeuren. In het algemeen genomen, kan dus gezegd worden, dat voor Tilburg de wet op den kinderarbeid slechts was de wettelijke bekrachtiging van feitelijk bestaande toestanden (1). Het is dus niet te verwonderen, dat een speciaal toezicht op do naleving van bovengenoemde wet niet plaats grijpt. Dit moet echter niet zoo worden opgevat, alsof er in het geheel niet naar werd omgezien. Sedert 1874 zijn er een tiental processen-verbaal opgemaakt, waarbij overtreding van het verbod van kinderarbeid beneden twaalf jaren werd geconstateerd. Zulks had schier uitsluitend in steenbakkerijen plaats. Ook gebeurt het eene enkele maal, dat fabrikanten misleid worden door de ouders ten opzichte van den waren leeftijd der kinderen. Hierbij kan natuurlijk alleen sprake zijn van een verschil van eenige maanden. Daarom werd het door gehoorde deskundigen wenschelijk geacht, ten einde het toezicht te verscherpen, de wet van 1874 uit te breiden in dien geest, dat de fabrikanten verplicht werden geene kinderen aan te nemen dan op overlegging hunner geboorte-akte, die dan van gemeentewege kosteloos zou moeten worden verstrekt (2). Ook over onduidelijkheid van de retiac-tie der wet werd geklaagd, omdat deze zou toelaten dat kinderen beneden de 12 jaren wel mogen arbeiden voor hunne (1) 10038â10040, 10055-10058. 10106â10110, 10240â10245,10260,10371 -10373,10335,10426â 10437, 10779â10786,10944â10947,11155-11161, 11469, 11088, 11669. (3) 10048â10052, 10091â 10196, 10335, 10431â10434. |
47
|
ouders of voogden; eene redactie derhalve die, met het oog op de huis-industrie, hare bedenkelijke zijde heeft (1). Daar men mag aannemen dat in Tilburg nagenoeg al'e kinderen tot den twaalfjarigen leeftijd de school bezoeken en geen arbeid verrichten, bestond er geene behoefte om krachtens art. 82 der wet op het lager onderwijs plaatselijke verordeningen vast te stellen, en deze zijn dan ook niet uitgevaardigd (2). De arbeid van jongens boven twaalf jaren is licht en, indien de werktijd niet te lang is, weinig vermoeiend. Hij bestaat voornamelijk in het draadmaken, het weder verbinden der draden, gedurende bet spinnen gebroken, of in het kaarden kloppen. Deze laatste bezigheid is van den navolgenden aard. Het ruwen van het laken geschiedt door kaardbol-len. De kaardbol is een distel, die de wol uit de stof haalt. Die distel geraakt vol wolvezels, en de kaardenklopper haalt die vezels met een ijzeren werktuigje er uit. Meisjes worden in den regel niet beneden de 16 jaren in de fabrieken toegelaten. Het werk, dat zij gewoonlijk verrichten, bestaat in noppen, pluizen en opmaken en is eveneens van lichten aard (3). Het werken van gehuwde vrouwen in de fabrieken komt bijna niet voor. De geestelijkheid gaat dit tegen. Zoodra een meisjejtrouwt. blijft zij tehuis. Eene enkele maal kan het gebeuren, dat men zulk een meisje niet kan missen, en dan blijft zij nog enkele maanden op de fabriek om andere meisjes te leeren, maar die gevallen zijn zeldzaam. Men beschouwt in het algemeen het niet werken van gehuwde vrouwen in fabrieken als een froot element van geluk voor de arbei-ende bevolking van Tilburg (4)root element van geluk voor de arbei-ende bevolking van Tilburg (4) De duur van den arbeid is in den regel dezelfde voor mannen, vrouwen en kinderen. In den zomer begint men somtijds om 5 uur 's morgens en ein- (1) 10179â10181, (2) 10067â10070, 10366-10271, 10273â10275. (3) 10073, 10197, 10246â 10254, 10 79-10181,16828 â 10830,10804-10866, 10938â10941,11167, 11168,11209,11356,11466â 11469, 11655, 11748â11753. (4) 10098â10100, 10299â10303, 10447â10450, 105Ã9â10511, 10636â10640, 10866â10870, 11187â11189, 11420-11427, 11485-11487,11648,11685-11693, 11782â11785. |
digt tegen 8 uur 's avonds; in den winter begint men om 7 of 8 uur 's morgens en eindigt 's avonds om 7, 8 of 9 uur. Hierbij dient men in mindering te brengen een kwartieruur schafttijd in den zomer voormiddags, een uur schafttijd van twaalf tot één uur om naar huis te gaan eten, en bovendien 's namiddags een kwartier om koffie te drinken. Dit is de gewone Tilburgsche campagne. Er zijn echter enkele fabrieken, waarin soms langer gewerkt is, en wel tot 's avonds 10 uur. Deze handelwijze vindt bijna algemeen afkeuring. Ter voorkoming van herhaling van dergelijke misbruiken wordt door verschillende fabrikanten aangedrongen op oen arbeidsdag van 13 uren als maximum, behoudens dispensatie, door burgemeester en wethouders te verleenen bij spoedbestellingen of onvoorziene gevallen. Ook wordt als schafttijd om naar huis te gaan en te eten een uur te weinig geacht, aangezien Tilburg ver uit elkander gebouwd is en het fabrieksvolk dus geen tijd genoeg heeft om hoen en terug te gaan en rustig zijn middagmaal te nuttigen. Op voorstel van den burgemeester hebben derhalve de meeste fabrikanten besloten om den schafttijd van een uur uit te breiden tot anderhalf uur en den werktijd des avonds met een half uur te verlengen. In de werkplaatsen van do Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen heerscht eene andere dagorde. Daar duurt do arbeidsdag niet langer dan 12 uren 's zomers en 's winters met 2 uren rusttijd; dus 10 uren effectief werken (1). Het loon der jongens van 12 tot 16 jaren en dat der ongehuwde vrouwen bedraagt ongeveer de helft van dat der volwassen mannen. In don regel 4, 41/a, 5 cents per uur. Als de jongelieden van 16 tot 18 jaren van het draadmaken en kaardenkloppen tot de vollerij en weverij overgaan, verdienen zij ongeveer 2/3 van het loon der volwassen |
1
10073â10083, 10354-10260, 10278â10386, 10388â10403. ] 0-193â10495. 10498â10525,
2
10564-10568,10570, 10611â10623, 10862-10864, 10878â10880, 10904â10907, 10917, 10932, 10971â10977, 11032â11044, 11207â1121)9, 11210-11214, 11244,11343â11345,11353âU3G3, 11368â11372, 11427,11610-116i4,11649â11654, 11758-11764.
48
|
mannen. De verhouding tusschon mannen, vrouwen en kinderen is ongeveer als volgt te stellen : '/s volwassen mannelijke arbeiders, 1/s meisjes boven de 15 jaren en '/s jongens van 12 tot 18 jaren. Voor verdere bijzonderheden kan worden verwezen naar de statistiek, op verzoek der Cemmissie door de goede zorgen van het dagelijks bestuur der gemeente opgemaakt en als bijlage U aan dit quot;Verslag toegevoegd. Zondagsarbeid komt niet voor; alleen het noodzakelijke herstellen van ontredderde machines moet somtijds 's Zondags plaats grijpen. Nachtarbeid heeft evenmin plaats, behalve in de stoommeel-fabriek, waar met dubbele ploegen, een dag- en nachtploeg, gewerkt wordt (1). De lichamelijke toestand van de fabrieksarbeiders in het algemeen laat in verhouding tot andere fabrieksplaatsen weinig te wenschen over. Alleen het inademen van fijne wolvezeltjes bij het schrobbelen van de wol en het ruwen van het laken kan een nadeeligen invloed uitoefenen op de gezondheid, doch in veel minderen graad dan bij de katoenindustrie het geval is. Bij huiswevers komen breuken nog al veelvuldig voor; een verschijnsel, dat wellicht zijne verklaring vindt in de omstandigheid, dat bij het handweven de voeten ten deele de rol moeten vervullen van de stoommachine bij de machinale weefgetouwen (2). Tot den gezonden toestand van de fabrieksarbeiders draagt veel bij, dat de meesten in het bezit zijn van een eigen huis en tuintje. Velen bezitten bovendien nog een stuk land, waarop zij hun eigen voorraad aardappelen telen, en houden een varken of eene geit. Verreweg de meeste fabrieksarbeiders in Tilburg kunnen lezen, schrijven en een weinig rekenen. In de plaats van herhalingsscholen wordt ijverig gebruik Semaakt van de Zondagsscholen, zoowelemaakt van de Zondagsscholen, zoowel oor het mannelijk als door het vrouwelijk geslachj. ---- » (1) 10471-10480, 10515â10522, 10539-10542 10605â10607, 10623â10628,10806, 10853â10862, 10880â10882,10937, 10995â10997,11227 - 11229, 11345â11247,11264-11273,11329,11340â11343, 11363â113C8, 11428â11434, 11445-11454, 11497â11499, 11534â11527, 11535â11544, 11617â11620, 11644-11648, 11745-11749, 11756â11758, 11764. (2gt; 10997. |
Ook de zedelijke toestand der arbeidende klassen kan, in vergelijking met andere fabrieksplaatsen, bepaald gunstig genoemd worden. Het Maandaghouden is wel onder de ambachtslieden, maar niet onder het fabrieksvolk bekend. Het getal onechte geboorten bedraagt gemiddeld 1 pet. op eene bevolking van 32000 zielen. Ook het getal van zoogenaamde gedwongen huwelijken moot, naar uit de registers van den burgerlijken stand valt af te leiden, gering zijn. Van socialistische woelingen bespeurt men weinig of niets. In het algemeen kan men zeggen, dat de verstandhouding tusschen pataoon en wervolk zeer gunstig is (1). Ten einde de concurrentie met hot buitenland, voornamelijk Saksen en Ver-viers, te kunnen volhouden, meenen onderscheidene Tilburgsche wolfabrikanten het gebruik van goedkoopen kinder- en vrouwenarbeid in het algemeen niet te kunnen ontberen. Eene verhooging van den leeftijd, waarop het verboden zou zijn jongens aan het werk te zetten, bijv. van 12 op 14 jaren, zou intusschen voor hen geene bezwaren opleveren, aangezien menig fabrikant de jeugdige werklieden liever op 14 jaren dan op 12-jarigen leeftijd aanneemt. Men meende evenwel om andere redenen het nemen van een dergelijken maatregel te moeten ontraden. Ten eerste in het belang van de ouders. In het algemeen zijn de arbeiders te Tilburg met groote gezinnen gezegend. Familicn, bestaande uit man, vrouw en zes, acht, soms tien kinderen, zijn geene zeldzaamheid. Daar de gehuwde vrouw uit de fabrieken geweerd wordt, is do man de eenige kostwinner voor het gezin. Kan een jongen van 12 jaren als draadmaker of kaarden klopper f 2Va a. f 3 's weeks verdienen, dan is eene dergelijke niet onbelangrijke bijdrage tot het gemeenschappelijk huishouden |
1
10085â10090, 10092â10097,10105,10151 â 10153,10171,10184â1018», 10222â10227,10286â 10290,10436,10528-10533,10543â10547, 10501â 10564,10671â10676,10680â10TÃ9,108U6, 10823â 10826,10839â10842,10903,10307â10917,10952-10956,11U13â11027,11083â11087,11140â11142,
11167,11186,11102-11195,11229-11244,11378â
11381, 11387, 11470-11472, 11487-11491.11587, 11620â11633,11699â11712, 11765,11780â11782.
49
|
in staat do familie door de moeilijkste periode van haar bestaan heen te hel- Sen. Wilde de wetgever het verbod van en kinderarbeid uitbreiden van 12 op 13 of 14 jaren, in menig arbeidersgezin zou gebrek ontstaan wegens het gemis van tot nu toe genoten inkomsten.en. Wilde de wetgever het verbod van en kinderarbeid uitbreiden van 12 op 13 of 14 jaren, in menig arbeidersgezin zou gebrek ontstaan wegens het gemis van tot nu toe genoten inkomsten. Ook in het belang van do kinderen werd bovengenoemde maatregel van verschillende zijden ontraden. Thans bestaat feitelijk in Tilburg leerplicht tot het -IMe jaar. Weerde men kinderen boven dien leeftijd uit de fabrieken, zoo zouden do ouders hen, naar gevreesd werd, naar de bossohen zenden om spelden te rapen, hout te sprokkelen, zout te smokkelen en andere bozigheden, waarbij licht de kiem gelegd wordt voor onzedelijkheid en verwildering. Van dezelfde zijden werd op nog meer schaduwkanten gewezen. Komen de jongens, na een paar jaar aldus rondge-loopen te hebben, met hun I ide jaar op de fabriek, zoo zullen zij minder gedwee en gezeglijk zijn dan thans op twaalfjarigen leeftjjd het geval is. Op â¢14jarigen leeftijd is bovendien, om te beginnen, het werk van draadmaken en kaardenkloppon misschien te min en te nietig voor hen, die vroeger een meer ongebonden leven geleid hebben. Verbiedt men het werken van jongens beneden 14 jaren zonder daarnaast leer- Elicht in to voeren, het geneesmiddel zou hjkon erger te zijn dan de kwaal, gesteld dat het lichte werk, hetwelk twee jongens tusschen 12 en 14 jaren in de filburgsche fabrieken verrichten, als eene kwaal kan beschouwd worden.licht in to voeren, het geneesmiddel zou hjkon erger te zijn dan de kwaal, gesteld dat het lichte werk, hetwelk twee jongens tusschen 12 en 14 jaren in de filburgsche fabrieken verrichten, als eene kwaal kan beschouwd worden. Jongelieden van 12 tot 14 jaren minder uren per dag te laten werken dan volwassenen, zou zeer bezwaarlijk zijn voor vele industriëolen bij de inrichting der bestaande fabrieken; en in menig opzicht gelijkstaan met' desorganisatie van de gewone Tilburgsche campagne. Mocht de wetgever tot beperkende maatregelen willen overgaan, zoo zouden de kamer van koophandel en fabrieken, en in overeenstemming met haar onderscheidene deskundigen en fetuigen, voor de Tilburgsche wolin-ustrie de voorkeur geven aan een maximum van 13 arbeidsuren daags, met een vasten rusttijd van anderhalf uur op het midden van den dag, zoo-etuigen, voor de Tilburgsche wolin-ustrie de voorkeur geven aan een maximum van 13 arbeidsuren daags, met een vasten rusttijd van anderhalf uur op het midden van den dag, zoo- V. |
wel voor volwassenen als voor kinderen, boven het vaststellen van verschillende werkuren voor verschillende leeftijden. In oeno vorhooging van den leeftijd, waarop het voor meisjes verboden zou zijn in fabrieken te arbeiden, tot 14, desnoods 16 jaren, had men in het algemeen minder bezwaar (1;. Voor veiligheid, licht, lucht en verwarming wordt op de meeste fabrieken voldoende zorg gedragen. Alleen de voorzorgsmaatregoien togen eventueel brandgevaar laten bij vele fabrieken nog te wenschon over. Meestal bestaan de gebouwen uit drie verdiepingen, waar-tusschen de gemeenschap zeer dikwijls alleen onderhouden wordt door één stel trappen, die dan nog bovendien van hout zijn, terwijl noodtrappen aan den buitenkant, van elke verdieping toegankelijk, ontbreken. Bij brand, die in de wolfabrieken vrjj gemakkelijk kan ontstaan, zijn de werklieden somtijds genoodzaakt geweest door do ramen te springen, daar de eenigo gelegenheid, om naar boneden te komen, in brand stond. Een dubbel stel trappen of het aanwezig zjjn van brandladders op iedere bovenverdieping zou in deze leemte op gemakkelijke wijze kunnen voorzien. In verschillende fabrieken bestaan ziekenfondsen, in andere niet. Het is echter, ook in het laatste geval, bij de meeste werkgevers regel, don zieken werkman niot aan zijn lot over te laten; zij betalen uit eigen beurs, wat noodig is om hom geen gebrek te doen lijden. Is een werkman wegens ouderdom niet meer in staat te werken, dan wordt hij meestal door zijn patroon onderhouden tot zijn dood toe. Als oen sterk sprekend voorbeeld kan worden aangehaald een man van 90 jaren die, door den zoon van een fabrikant als gepensioneerde overgenomen, iedere week zijn weekgeld gaat halen aan de fa- (1) 10f)40â10048,10013â10015. 102-i5 10252â 1025 t, 10394 -10406,1041fi, 10450-11(45«, 10481â 10483,10509â10537,10569,10607â10611,10786â 10788, 10806-10812, 10827â10832, 10370â 10878, 10947â10952, 10975â10990, 11045â 11060, 11176-11186, 11343â11363, U461â 11466, 11479-11485, 11654â11688, 111)70â 11673, 11752-11756, 11794-11796. 4 |
50
|
briek. Er zijn op dozen regel ook uitzonderingen, doch van de grootste meerderheid der Tilburgsohe fabriekanten kan niet gezegd worden, dat zij oude en afgeleefde werklieden aan de deur zetten en niet meer naar hen omzien (1 en 2). § 5. Vlasindustrie. â 1. Omschrijving Eenige schriftelijke antwoorden, door | de Commissie ontvangen op de uitnoo-1digingen tot het verstrekken van inlich- ! tingen en gegevens nopens het onder- | werp der enquête, gaven haar ruimschoots aanleiding een onderzoek naar de vlasserij in te stellen (3). De verhoeren van den 'iösten Januari 1887 zijn aan dit onderwerp gewijd. In overeenstemming met de wijze, waarop do taak der Commissie is afgebakend, heeft het onderzoek zich hoofdzakelijk bepaald tot do behandeling van het vlas nadat het geoogst is ; slechts enkele malen kwam de verbouw van het vlas, het landbouwbedrijf, ter sprake, namelijk voorzoover dit noodig was om den toestand der gezinnen, die zich met de vlasserij bezighouden, meer volledig te leeren kennen. In Nederland wordt gemiddeld op â 15 000 hectaren vlas geteeld. In do verslagen over den landbouw, meer bepaaldelijk in dat over 1884, bladz. 278, vindt men aangeteekend dat in de jaren quot;1851 â1860 reeds hetzelfde gemiddelde cijfer bereikt werkt. Van 1861â1870 nam de verbouw sterk toe, tot ruim 21000 hectaren; daarna verminderde hij tot ruim 14 000 hectaren in de jaren 1881â1883, terwijl het jaar 1884 zich door den zeer geringen verbouw van ongeveer 10 500 hectaren kenmerkte. In de latere jaren schijnt de verbouw weder eenigszins te zijn toegenomen. In hetzelfde verslag leest men, dat de verbouw hot belangrijkst is in de provinciën Eriesland, Zeeland, Zuidholland en Noordbrabant, dan volgen Noordholland en Groningen; de provinciën Limburg, Overijssel en Gelderland nemen in nog geringer mate aan den verbouw deel; Drenthe verbouwt bijna geen vlas en Utrecht volstrekt niet, behalve eene proefneming gedurende enkele jaren. |
De bewerking van het vlas geschiedt ten deele in de nabijheid van de plaatsen van verbouw; voor een ander deel wordt het geoogste vlas vervoerd en wel hoofdzakelijk naar de Zuidholland-sche eilanden (1), om daar te worden bewerkt tot het in don toestand gebracht is waarin het gesponnen kan worden. Vlasboeren, op genoemde eilanden woonachtig, pachten gronden in do Haarlemmermeer. Zeeland, Noordbrabant, de Upolders, Groningen en Friesland (2), en vervoeren het geoogste vlas naar hunne woonplaats. De vlasindustria wordt geacht gedu-rends de wintermaanden aan 15000 tot 18000 arbeiders werk verschaffen (3). De verhoeren hebben nagenoeg allo betrekking op het bedrijf, zooals het op Usselmonde en in de Hoeksche Waard wordt uitgeoefend. Ook omtrent de vlasserij in Friesland zijn intusschen twee schriftelijke bescheiden ontvangen, terwijl een enkel verhoor (4) daaraan gewijd is. II. Aard van den arbeid. De vlasserij wordt met hoogst eenvoudige hulpmiddelen uitgeoefend. Kenmerkend is daarbij, dat voorzoover de bewerkingen aanbn-ding geven tot ongunstige gezondheidstoestanden â en dit is, zooals nader blijken zal, niet in geringe mate het geval â weinig wordt gedaan om daarin verbetering te brengen. Wel kunnen eenige bewerkingen thans werktuigelijk geschieden, doch de toepassing blijft nog beperkt. Eene omschrijving der verschillende werkzaamheden is noodig om oen en ander in bijzondorhedon aan te toonen. De eerste bewerking, waaraan het geoogste vlas onderworpen wordt, is (1) 9396. 9540. (3) 9401, 9069, 980». (3) 9540. (4) 9945â10009. |
1
10115â10151, 10153â10171, 10172â10179, 10203â10305,10210â10220, 10227â10-235,10294, 10304â10327, 10459-10466, 1063Sâ10587, 10574â105S5, 10589-10595, 10640â10664, 10676â10680, 10709-10722, 10833â10839, 10847â10849, 10883â10903, 10918â10920, 10956â10967 10990â10995, 11146â11148, 11196â11190, 11282â11312, 11316,11321â11329, 11388â11406, 11499â11614, 11580â11683, 11589â11592, 11623âU630, 11712â11725, 11787â11793.
51
|
het reepen (1), dat is het ontdoen van den stengel van zijne zaadkorrels. Daartoe worden de vlasbundels tussohen ijzeren pennen doorgehaald, waardoor de zaadkorrels afvallen. Dit werk is niet ongezond. De van zaad ontdane vlasbundels worden vervolgens korten tijd over hot land gespreid om te drogen, en daarna in eene sloot geworpen en met sloot-modder bedekt om te roten (2). De bedoeling hiervan is eene ontbinding van de lijmachtige zelfstandigheid in den stengel te voorschijn te roepen, ten gevolge waarvan de vlasdraden zoowel van de houtachtige bestanddeelen en van de schors, waartusschen zij besloten en, als ook onderling los geraken, e slooten, waarin het roten plaats heeft, worden afgedamd, maar bij veelvuldige regens loopt het water over de dammen heen, en dan verspreidt zich het water, dat met rottende plantaardige organismen bezwangerd is, door den geheelen polder en vermengt zich zoodoende met het water, dat door menschen en vee gedronken wordt. Men meent dat dit schadelijk moet zijn voor de gezondheid, doch nog nimmer is aangetoond kunnen worden dat epidemiën hieruit voortkwamen. Wanneer het roten lang genoeg is voortgezet, 4 a 5 weken, wordt het vlas uit de slooten gehaald en over het land uitgespreid om te drogen, waarbij zeer onaangenaam riekende gassen tot op verren afstand door de lucht verspreid worden, welke almede voor de gezondheid schadelijk kunnen zijn. Bij het drogen blijft veel modder aan de vlasstengels hechten, welke voor een foed deel oorzaak is van het stof, dat ij de volgende bewerkingen ontstaat.oed deel oorzaak is van het stof, dat ij de volgende bewerkingen ontstaat. De gedroogde stengels kunnen zoolang noodig worden opgeborgen. De bewerking, die nu aan de beurt is, wordt gerekend tot de winterwerkzaam-heden, welke verder alle onder dak geschieden. Do eerste van deze is het braken (3), bestaande in het breken van de schors en van het hout van den stengel. Zoowel door de afvallende gedroogde mod-derdeeltjes, als door het breken van de droge hout- en schorsbestanddeelen van den stengel, ontstaat hierbij veel stof. |
Bij kleine vlasboeren heeft het braken nog met de handbraak plaats, waarbij de arbeider veel van het stof inademt. Grootere vlasboeren hebben zich echter in den laatsten tijd in het bezit gesteld van inrichtingen om het braken machinaal te verrichten, welke door stoom, paarden of andere beweegkracht worden gedreven. Bij deze inrichtingen ondervindt de arbeider geen noemenswaardig nadeel meer van het stof; het opstuiven wordt namelijk door een ijzeren plaat gekeerd, en vooral wanneer een stofzuiger is aangebracht, blijft de lucht voldoende zuiver. Zij, die nog met de handbraak laten werken, schjjnen het niet der moeite waard te achten eene proef te nemen of eene beschutting, als de ijzeren plaat bij de machinale bewerking aanbiedt, ook niet bij de handbewerking met voordeel ware toe te passen (1). De volgende bewerking is het zwingelen (2), bestaande in het verwijderen van gebroken hout- en schors- en van de gedroogde modderdeeltjes uit de vlasdraden. Deze bewerking kan machinaal geschieden, waarbij aan billijke hygiënische eischen wordt tegemoetgekomen. Het zwingelen uit de hand is echter nog verreweg de meest nadeelige voor den arbeider (3). Bij het verrichten van zijn werk is de arbeider juist met den mond boven den vlasbundel geplaats, waardoor hij voortdurend eene groote hoeveelheid zeer fijne stof inademt. De invloed van de inademing van deze met stof bezwangerde lucht is zoo nadeelig voor den arbeider, dat de adjunct-inspecteur voor het geneeskundig Staatstoezicht, dr. B. Carsten, bij zijne bezoeken op iJaselraonde en in de Hoek-sche Waard, getroffen werd door het ongezond uiterlijk van een deel der bevolking (4). Uit een opzettelijk te dezer zake ingesteld onderzoek, waarbij sterf-tetabellen geraadpleegd, inlichtingen gevraagd en vele zwingelketen bezocht werden, bleek: |
(1) 9413. (2) 9413-9417, 9657â9660, 9839- (1) 9429â9431. (2) 9438-9439. (3) 9118. 9840. (3) 9416-9437. (4) 9396.
52
|
1°. dat de sterfte op IJaselmondo on in do Hoeksche Waard het grootst is van de verscliillende groepen van bevolking, die zich in Nederland door een groot sterftecijfer kenmerken ; 2°. dat de sterfte aan acute en chronische ziekten der ademhalingswerktuigen en aan longtering in alle gemeenten van genoemde eilanden, waar vlas wordt bewerkt, grooter is dan in de drie eenige gemeenten, waar de vlasserij niet wordt uitgeoefend, met name Pernis, Zwijn-drecht en Zuid-Beijerland. De bemoeiingen van dr. Carsten hebben eenigen invloed ten goede uitgeoefend. Wenken, door hem in het belang der gezondheid gegeven, zijn, zij het ook in zeer beperkte mate, opgevolgd, en voorts is het machinale zwingelen voor enkele groote inrichtingen ingevoerd. Toch blijft de toestand meerendeels hoogst bedroevend. Eene zwingelkeet voor 20 arbeiders is veelal slechts 16 M. lang, 41/2 M. breed en 41/2 M. hoog (1), dat is ie M2. lucht per arbeider, terwijl men zich een begrip van de samenstelling kan vormen, wanneer men weet dat de bouwkosten ongeveer f 400 bedragen, en dat voor. lucht, licht, ver warming en reiniging weinig of geen zorg gedragen wordt. Vele andere keten schijnen nog geringer afmetingen aan te quot;bieden; niet meer dan quot;14 M3. per arbeider (2). Hierbij komt nog dat bij voorkeur voor dc keten dompige plaatsen, bijv. aan den voet van dijken en dergelijke (3), worden gekozen, waarschijnlijk om het vlas niet al te droog te doen worden. Eenvoudige hulpmiddelen om verbetering aan te brengen, met name het bouwen van ruimer keten, het weglaten van den zolder en het aanbrengen van openingen in het dak, blijven achterwege uit onverschilligheid, althans omdat men zich te dezer zake geene uitgaven wil getroosten (4). Gemeente-verordeningen, welke voor de inrichting der keten bepaalde eischen zouden stellen, komen niet tot stand, omdat belanghebbenden vreezen dat de gemeente daardoor in eene ongunstige stelling tegenover andere gemeenten zouden kunnen komen (5). (1) 9540. (2) 9140. (3) 96336isâ9635. (4) 9613â 9616, 9633â9636, 9720â9729, 9828-9830, 9901. (5) 9637â9642. |
Alleen algemeen geldende bepalingen voor het geheele land zouden minder bezwaar ontmoeten. Voorzoover het zwingelen bij de arbeidersgezinnen in huis geschiedt, is de inrichting van do ruimte, waar het werk verricht wordt, niet beter. In Friesland laten de werkplaatsen bij de arbeiders aan huis ook veel te wenschen over (l'.. Te Kimswerd, gemeente Wonseradeel, word eene centrale werkplaats opgericht om een gezond lokaa! te verkrijgen (2). Hoezeer deze werkplaats onder den naam van braakhok (3) bekend staat, schijnt men hier onder braken ook het zwingelen te moeten begrijpen (4). Door het bouwen van ruimer en beter ingerichte keten moge men er overigens in slagen eenigen verbeteringen aan te brengen, de middelen zijn niet aangewezen om bij het zwingelen mot de hand de nadeelen voor den arbeider weg te nemen. Eene afdoende verbetering is alleen te verkrijgen door machinaal zwingelen, waarbij als beweegkracht eene stoommachine dienst doet, die tevens een stofzuiger in beweging brengt (5). De voordeden van het machinaal zwingelen voor den arbeider worden algemeen erkend (0); terwijl het machinaal gezwingeld vlas niet behoeft onder te doen voor het met de hand bewerkte ; alleen schijnt van de sterkte van het vlas wat meer gevorderd te worden (7). Jammer dat de toepassing bezwaar ondervindt. De werktuigen zijn tamelijk kostbaar (8). Alleen groote vlasboeren kunnen zich deze aanschaffen en hebben er genoeg werk voor. Voor het meeren-deel wordt het vlas echter in kleinere keten en als een tak van huisindustrie bewerkt. De daartoe noodige werkkrachten zijn ruimschoots voorhanden en de loonen zijn laag. De gedrukte toestand van de vlasserij (9) en van den landbouw in het algemeen, maakt belanghebbenden huiverig geld aan proefnemingen te wagen. Zij verheugen zich zelfs daartoe niet to zijn overgegaan (10). De laatste bewerking, die het vlas |
1
9979â99-3. (5) 9447â9455. (6) 9826-9827,
2
9878â9882. (7) 9453, 9779, 9841, 9883. (8) 9778, 9884. (9) 9340, 9780, 9821, 9830, 9885, 9888. (10) 9887.
3
(1) 9431â9434. (2) 9955 , 99S8-09S9. (3) 9978.
53
|
moet ondergaan, is het opmaken (1), bestaande in het verwijderen met de hand of een stokje van de fijne houtdeeltjes, die nog in den vlasbundel vasthaken. Dit geschiedt in de schuur van den vlasboer en veroorzaakt minder stof. Het aldus bereide vlas wordt tot zoogenaamde steenen gemaakt en vervolgens in den handel gebracht (2). 111. Kunne, leeftijd, loonen en werktijden. Bij de vlasserij zijn mannen en vrouwen, jongens en meisjes werkzaam (3), Er is geen streven om kinderen beneden den leeftijd van 12 jaar aan het werk te zotten, omdat zij dan nog geen voordeel zouden kunnen aanbrengen. De zomerarbeid wordt bij hot uur, de wintorarbeid bij het stuk betaald. De loonen zijn niet hoog, waarschijnlijk omdat het geheele g-ezin aan den arbeid kan deelnemen, en elk dus het zijne voor het onderhoud kan bijbrengen. De verdienste van eene vrouw bedraagt ruim twee derden van die van een man, en de verdiensten van jongelieden van 14 tot 18 jaar ongeveer de helft. Niet zonder invloed op de loonen zijn zekere mondelinge overeenkomsten, die tusschen werkgevers en arbeiders worden aangegaan en een zeer bijzonder karakter hebben. De arbeider huurt met ingang van i Mei eene woning voor matigen prijs, voor den tijd van één jaar ; de huur wekelijks te voldoen. Tevens verbindt hij zich echter voor zich en zijn gezin, voor don eigenaar in het vlas te zullen werken zoo dikwijls dit verlangd wordt, terwijl omgekeerd de werkgever bij voorkeur zijnen huurder in het werk stelt. Het gevolg van deze verbintenis schijnt wel eens te zijn, dat de huurder verplicht is het minst gewilde werk te verrichten, terwijl aan vrije,'arbeiders de keuze wordt gelaten. Overigens is niet gebleken, dat nakoming der overeenkomst in rechten geëischt is (4). Do werktijd is voor mannen, vrouwen en jongelieden dezelfde. De arbeid vangt des morgens vroeg aan, doch eindigt ook tijdig, en onderscheidt zich door lange of veelvoudige rusttijden, 3 uur per dag (5). In Friesland treft menhet- (1) 9471â9473, 9717^9716, (3) 9474. (3) 9540. lt;4) 9540-9564,9677-9713, 9795â98U7. (5) 9540, 9904â9907. |
zelfde verschijnsel aan, waarschijnlijk in verband met de behoefte aan het inademen van vërsche lucht. Overwerk, nacht- en Zondagsarbeid komen niet voor (1). IV. Toestand der gezinnen. Evenals zulks in andere takken van bedrijf wordt waargenomen, waar de huisvrouwen mede arbeiden en mannen, vrouwen, jongens en meisjes alle gezamenlijk denzelfden arbeid verrichten, is ook hier de toestand van het arbeidersgezin niet gunstig. In de zwingelketen staan de arbeiders bijeen in eene dompige, stoffige, halfdonkere ruimte, zonder eenig toezicht en zonder dat aan afscheiding naar kunne of leeftijd gedacht is. De vrouw is dikwijls mede aan het werk en laat de zorg voor de jonge kinderen over aan het oudste meisje, dat nog te jong is om mede naar de keet te gaan; dit kind wordt daardoor verhinderd ter school te komen. Vol stof en vuil komt de vrouw tehuis, zonder dat zij tijd heeft de woning ordelijk en rein te houden, het eten naar behooren gereed te maken en de kleederen te verstellen. De kinderen groeien verwaarloosd op. Het lijdt geen twijfel of de verdienste dor. moeder, waardoor in andere opzichten zooveel aan het gezin wotdt onthouden, strekt meer tot nadeel dan tot voordeel (2). Indien de verdienste van de vrouw volstrekt niet kan worden gemist voor het onderhoud van het gezin, dan verdient het zwingelen bij wijze van huisarbeid nog verreweg de voorkeur. Dan komen de eischen van het huishouden althans eenigermate tot hun recht, en ook uit het oogpunt van zedelijkheid is die wijze van werken beter. In een bericht uit Tornaard, in Friesland, wordt op het betrekkelijk gunstige van dien toestand gewezen. Ongelukkigerwijze laten de zwingelhokken bij de arbeiders, zooals reeds vermeld is, uit het oogpunt van voldoende ruimte, veel te wenschen over. Bij de zomerarbeid doen zich geheel andere toestanden voor, die almede hunne nadeelige zijde hebben. De vlasboeren, die in andere deelen van Nederland gronden voor den vlasbouw pachten, (1) 9540. (3) 9647-9652. |
54
|
zenden in het voorjaar geheole gezinnen, te zamen 30 a 40 personen, derwaarts om het land te wieden. Zjj blijven daar ongeveer zes weken vertoeven, allen gezamenlijk in één schuur gehuisvest (1). In den zomer herhaalt zich hetzelfde voor den oogst, doch voor korteren tijd (2), waaraan vrouwen en kinderen dan ook in kleiner getal deelnemen. Of het gezin in zijn geheel of slechts gedeeltelijk medetrekt, hangt van de samenstelling af. Een enkel jong kind wordt niet zelden uitbesteed. Zijn er meer jonge kinderen, dan blijft de vroüw tehuis (3). Zulke gezinnen doen overigens hun best in de nabijheid werk te bekomen, het trekken aan anderen overlatende (4). Den overigen tijd van den zomer wordt op de steenfabrieken van Uselmonde en de floeksche Waard gewerkt (5). Is het te verwonderen dat de toestanden, zooals zij hier voor den winter en den zomer geschetst zijn, aanleiding geven tot een zeer vrij verkeer tusschen jongelieden van beiderlei kunne, tot vele geboorten en ook tot veel sterfgevallen van kinderen; dat toon en manieren zich kenmerken door onbeschaafdheid en ruwheid; dat de levenswijze zorgeloos is en het gebruik van sterken drank gelijken tred houdt met de verdienste (6) ? V. Behoefte aan vrouwen- en kinderarbeid. Alle getuigen zijn eenstemmig van oordeel, dat het werk wel eene zekere oefening vereischt, welke het gemakkelijkst op jeugdigen leeftijd wordt verkregen, maar toch de 13-of Hjarige leeftjjd voor het aanleeren de voorkeur verdient boven den l^jarigen (7). Ook zijn er geene bijzondere werkzaamheden, die beter door vrouwen of kinderen zouden kunnen verricht worden dan door mannen, aangezien het werk voor allen hetzelfde is en de hoeveelheid, die per dag kan worden afgewerkt, alleen afhankelijk is van de kracht en de waardigheid van den arbeider (8). Toch meent men dat de arbeidskrachten van vrouwen en kinderen niet, al. |
(1) E 6, 9399â9407, 9572, 9573 «673-9670. (2) 9410â9412. (3) 9758, 9759, 9813-9815. (4) 9872, 9872. (5) 9515. (6) 9540, 9575, 9590-9522. 9760- 9762, (7) 9745-9747, 9830â9838, 9862â9863. (8) 9540. 99U8, thans niet geheel, gemist kunnen worden, omdat de vlasserij in den laatsten tijd weinig winstgevend is en behoefte heeft aan lage arbeidsloonen, zal zjj niet geheel ten gronde gaan (1). Deze lage arbeidsloonen maken op hunne beurt weder noodig, dat de verdiensten van verschillende leden van het gezin tot het onderhoud daarvan bijdragen. VI Toestand der werkplaatsen. Gevaar. De toestand der werkplaatsen it reeds besproken. Vooral de zwingelke-ten laten in verschillende opzichten veel te wenschen over. Verwarming door kachels â en dit is de eenige wijze van verwarming, die uit een financieel oogpunt in aanmerking kan komen â kan wegens brandgevaar niet plaats hebben. Zelfs met do verlichting moet zeer omzichtig worden omgegaan (2). De eenige plaatseljjke verordening, van welker bestaan gebleken is. is eene op do lantaarns te Hendrik-Ido-Ambacht (3). Het werk zelf geeft geen aanleiding tot gevaar. Evenmin is vernomen, dat bij de machinale bewerking gevaar voor verwondingen zou bestaan. VII. Besluit. Do conclusion, die uit het bovenstaande mogen worden getrokken, met inachtneming van do omstandigheid, dat de vlasindustrie niet in haar geheel onderzocht is, kunnen aldus worden samengevat. De nadoelen, aan de vlasserij verbonden, zullen meerendeels worden opgeheven, wanneer de bewerking uit de hand verlaten en de machinale bewerking meer algemeen toegepast wordt. Immers bij machinale bewerking vertoeven de arbeiders niet in de stoffige atmosfeer, die het bedrijf thans zoo ongezond maakt. Bovendien vereischt de machinale bewerking minder arbeidskrachten, zoodat de hulp van vrouwen femist zou kunnen worden, waardoor eze haar arbeidsvermogen in en ten bate van hare gezinnen zullen kunnen aanwenden. Voorts maakt het gering aantal arbeiders, dat bij machinale bewerking noodig is, eenige verhooging van loon eerder mogelijk.emist zou kunnen worden, waardoor eze haar arbeidsvermogen in en ten bate van hare gezinnen zullen kunnen aanwenden. Voorts maakt het gering aantal arbeiders, dat bij machinale bewerking noodig is, eenige verhooging van loon eerder mogelijk. Deze toenemende en allengs algemeen wordende machinale bewerking ligt ech- (1) 9585. (2) 9617â9618. (3) 9613, |
55
|
ter nog in het verschiet, en vooralsnog is ook mot de bewerking uit de hand nog rekening te houden. Hieromtrent valt op te merken : dat de werkzaamheden op zich zelf voor jongelieden niet te zwaar zijn, doch dat zij moeten worden verricht in lokalen. waarvan do lucht met stof bezwangerd is. tengevolge waarvan het arbeiden in die lokalen in hooge mate na-deelig is voor de gezondheid, bepaaldelijk van jongelieden; dat de arbeid buitenshuis van gehuwde vrouwen, tevens moeders van jeugdige kinderen, voor de gezinnen hoogst na-deelig werkt; en dat de inrichting van de werkplaatsen, meer bepaaldelijk van de zwin-gelketen. uit het oogpunt van gezondheid zoo slecht is, ook voor volwassen arbeiders, dat het voorschrijven van maatregelen ter verbetering ernstige overweging verdient. § 6. Voortzetting van het onderzoek. â Op grond van de uitkomsten der enquête meent de Commissie nu reeds enkele maatregelen tot aanvankelijke verbetering en aanvulling der bestaande wetgeving te kunnen aanbevelen, en acht zij het voorts nuttig en noodig omtrent het onderwerp der enquête verdere gegevens te verzamelen. Eerstgenoemd punt zal nader worden behandeld. Doch vooraf zullen aan de voortzetting van het onderzoek enkele beschouwingen gewijd worden. |
Van de drie middelpunten van nijverheid. die meer bepaaldelijk een voorwerp van haar onderzoek hebben uitgemaakt â Amsterdam, Maastricht, Tilburg â zijn alleen de beide laatste met die volledigheid onderzocht, die voor het beoogde doel vereischt werd. Ten aanzien der hoofdstad is het onderzoek onder de gegeven omstandigheden onvoltooid moeten blijven. Desniettemin schatte men de voor Amsterdam verkregen uitkomsten niet te gering. In verband toch met hetgeen ten opzichte van andere deelen des lands uit verhoeren van deskundigen en getuigen en schriftelijke raededeelingen is gebleken, bevatten de uit de hoofdstad aan het licht gebrachte feiten eene ernstige waarschuwing tegen een overdreven optimisme. Voorzeker bewijzen zij, dat het niet ontbreekt aan welmeenende patroons, wien het zedelijk en lichamelijk welzijn van de door hen gebezigde jeugdige en volwassen, vrouwelijke en mannelijke arbeiders ernstig ter harte gaat, die geene maatregelen verzuimen om de veiligheid en gezondheid hunner ondergeschikten bij den arbeid zooveel doenlijk te verzekeren, die niet in gebreke blijven het lot hunner oppassende werklieden, wier geschiktheid tot den arbeid door ziekte of ongevallen of door den last der jaren tjjdelijk of voorgoed ia weggenomen, naar vermogen te verzachten. Maar toch is ook voldoende gebleken, dat dergelijke verblijdende toestanden geenszins algemeen zijn. dat onverschilligheid en hardvochtigheid in de verhouding tusschen werkgevers en arbeiders niet zelden eene groote rol spelen, dat misbruik van de diensten van kinderen en jongelieden, onvoldoende behartiging van de veiligheid en gezondheid der werklieden en ontstentenis van voorzieningen in het belang van hen, die bij den arbeid hunne werkkrachten hebben ingeboet, niet genoeg tot de uitzonderingen behooren om de gevolgtrekking te wettigen, dat uitbreiding van Staatszorg ten behoeve dei-zwakken a priori als onnoodig en verwerpelijk zou zijn te beschouwen Zal de wetgever intusschen met goed gevolg voortschrijden op een terrein, waarop zijne tusschenkomst tot dusver achterwege bleef, zoo behoort hij groote behoedzaamheid te betrachten. Voor eene deugdelijke sociale wetgeving wordt in de eerste plaats vereischt, dat zij beruste op grondige kennis van maatschappelijke toestanden. Het is niet genoeg te weten, wat elders omtrent dit onderwerp van overheidswege is verordend. Hetgeen bovenal gevorderd wordt, is bekendheid met de onderscheidene takken van nijverheid, die hier te lande worden uitgeoefend, met de wijze waarop die nijverheid gedreven wordt en met de behoeften der daarin arbeidende bevolking. Naarmate die kennis verkregen wordt en de wenschelijkheid van wettelijke voorziening bewijst, kunnen nieuwe maatregelen worden voorgeschreven. Bij eene dergelijke partieele aanvulling kan, ook blijkens de elders opgedane erva- |
56
|
ring, de sociale wetgeving gelijken trèd houden met den gang der nijverheid. Het is de vraag, of' dit een en ander door de Regeering wel altijd voldoende in het oog gehouden is. Aan de min gunstige ontvangst, die aan hare veel omvattende en goed bedoelde voorstellen tot verbetering en uitbreiding dei-wet van 19 September ISTi (Staatsblad nquot;. 130) (1) van de zijde der Kamer ten deel viel, was het gemis van voldoende statistische gegevens en kennis der bestaande toestanden zeker niet vreemd. De Commissie aarzelt dan ook niet om tot voortzetting, op welke wijze ook, van het aangevangen onderzoek te ad-visoeren. Zij acht het alleszins raadzaam, dat omtrent de onderscheidene takken van nijverheid in die deelcn des lands, welke zij, nu zij verplicht wordt haren arbeid af te breken, niet in het bijzonder heeft kunnen onderzoeken, feiten verzameld worden door anderen, die, naar zij zich vleit, in sommige opzichten op de gelegde grondslagen zullen kunnen voort werken. Mocht het aan hen. die met dat onderzoek zullen belast worden, gegeven zijn hunne taak te voltooien, zoo zullen daardoor ongetwijfeld hoogst belangrijke en bruikbare gegevens ter beschikking van den wetgever gesteld worden. Daartoe zal het â het zij hier in het voorbijgaan opgemerkt â dienstig kunnen zijn den kring van het onderzoek eenigszins ruimer te trekken, wellicht ook het in onderdeden te splitsen. Ook naar aanleiding der schriftelijke en mondelinge gedachtenwisseling, die aan het besluit der Kamer tot het instellen der enquête is voorafgegaan, heeft de Commissie de vraag overwogen, of de alzoo door haar gewenschte voortzetting van het onderzoek wederom aan eene parlementaire commissie, dan wel aan eene Staatscommissie op te dragen zij, en in hoever daartoe eenige regeling ad hoc, in afwijking van de wet van 5 Augustus 1850 (Staatsblad n0 45), geraden mag geacht worden. Tot de voordeden eener Staatscom- (1) De ontwerpen van don Minister Modderman (Gedrukte stukken 1881/82, no. 153, en 1882/83, no. 58), en van den Minister Du Tour van Bellinchave (Gedrukte stukken tweede zitting 1881185, no, 121, en 1885/86, no. 37). |
missie wordt gerekend, dat men bij de samenstelling daarvan niet beperkt is tot de leden der Kamer, maar ruimer ' gelegenheid heeft personen te kiezen, die met de nijverheid vertrouwd zijn en wier arbeid door voorvallen op politiek gebied niet gestoord wordt. Toch ver-gete men niet, dat de taak eener commissie van onderzoek niet vordert dat hare leden zelf als deskundigen handelen, en dat het zelfs eene fout zoude zijn, indien zij bij veelvuldig officieel bezoek van fabrieken en werkplaatsen hunne persoonlijke vakkennis te zeer deden gelden. Het voorschrift van art. 3 der enquête-wet stelt eene parlementaire commissie in staat, zich door deskundige openbare ambtenaren te doen bijstaan ; en de Commissie heeft van die bevoegdheid bij herhaling met vrucht gebruik gemaakt. Als een ander voordeel eener Staatscommissie wordt opgegeven, dat zij niet, geljjk eene parlementaire commissie, verplicht is hare verhoeren in het gebouw der Tweede Kamer af te nemen. Ook dit is echter slechts betrekkelijk. Vooreerst geeft de voor het houden der verhoeren aangewezen plaats een waarborg voor onbevangenheid, waarvan men de waarde niet moet onderschatten. Voor de beteekenis der verklaringen is het van groot belang, dat de getuigen tijdelijk aan hunne gewone omgeving worden onttrokken; en ook de loden der commissie loopen bij een onderzoek in de nabijheid van fabrieken en werkplaatsen veel meer gevaar, te zeer onder indrukken van localen aard te geraken, Daarbij komt de practische overweging, dat eene parlementaire commissie in het gebouw der Kamer over geschikte localiteiten en over den bijstand van de ambtenaren ter griffie en stenografen beschikt, doch dat eene Staatscommissie bij verdeeling in sub-commissien en onderzoek op verschillende plaatsen des lands te dien aanzien vele bezwaren zou ontmoeten. Er is intusschen één bezwaar, dat zich bij het gehouden parlementair onderzoek in hooge mate heeft doen gevoelen ; maar de oplossing daarvan ware voor eene Staatscommissie even bezwaarlijk, als zij het voor deze Commissie geweest is. Hare taak bepaalde zich |
|
namelijk niet tót het hooren van getui- fen : zij moest die ooken : zij moest die ook opsporen. En ierbij had zij te kampen met een nagenoeg algeheel gemis van medewerking van de zijde der werklieden. Niet alleen in den aanvang harer werkzaamheden, toen haar van meer dan ééne zijde werd te kennen gegeven, dat men geen vertrouwen in haar stelde. Maar ook later, nadat de voor haar verschenen getuigen hadden ondervonden, dat zij vrij konden zeggen wat hun op het hart lag, en nadat de processen-verbaal der gehouden verhooren waren openbaar gemaakt, gaven slechts zeer enkele werklieden gevolg aan hare door middel van aanplakbiljetten en van de Staatscourant bekend gemaakte â en door de andere dagbladen overgenomen â uitnoodiging om zich tot het geven van inlichtingen aan te melden. Uit geheel Twenthe bijvoorbeeld, waar de bedoelde oproepingen reeds in Maart in alle gemeenten op ruime schaal plaats hadden, meldden zich niet meer dan een zestal werklieden aan. De reden dezer onthouding is niet ver te zoeken. Men duchtte verlies zijner broodwinning, wanneer de patroon of chef vernam dat men de Commissie had ingelicht omtrent de verkeerdheden, die men in de fabriek of werkplaats meende te hebben opgemerkt. »De vrees om op de fabriek bedankt te worden zit overal ingepeperdquot;; zoo werd het in een der aan de Commissie toegezonden brieven plastisch uitgedrukt. Men wilde nog wel door tusschenkomst van de bestuurders van vakvereenigingen mededeelingen doen, ofschoon ook in de van dezen ontvangen brieven meermalen over de terughoudendheid der werklieden geklaagd wordt. Maar men deinsde terug om voor de Commissie te verschijnen en mitsdien de waarheid der te verstrekken inlichtingen met zijn naam te bezegelen. Tijdelijk gebrek aan werk gedurende het winterseizoen kan op die vreesachtigheid eenigen invloed hebben uitgeoefend ; doch het verschijnsel is te algemeen waargenomen, om niet te wijzen op een voordurenden toestand van afhankelijkheid der arbeiders van â de werkgevers (1). (1) B 7, à 21, C 34, C 48 C 71, C 77, C |
In het bijzonder openbaarde zich deze vrees in een onoverwinnelijken tegenzin, om zich uit eigen beweging als getuige aan te melden (1). Kennelijk begreep men, dat de patroon het minder euvel duiden zou, wanneer men buiten eigen toedoen tot het afleggen van verklaringen genoopt werd en aan deze wettelijke verplichting voldeed, dan wanneer men aan de oproeping om voor do Commissie te verschijnen zelf eenig aandeel had. Daarom werd aan de Commissie in overweging gegeven, in het bijzijn van den werkgever uit de algemeene lijst der gezellen blindelings eenige namen op te teekenen (2); eene wijze van handelen, waartegen de bezwaren echter voor de hand liggen. Ook aan andere voorstellen tot wegneming van den bij de werklieden be-staanden schroom ontbrak het niet. Nu eens werd de onmogelijke eisch gesteld, dat de Commissie de getuigen voor alle nadeelige gevolgen hunner verklaringen zou vrijwaren (3). Dan weder werd op geheimhouding van de namen der te verhooren werklieden aangedrongen. Dit laatste denkbeeld kon, als in strijd met de bepalingen van onze enquête-wet, door de Commissie niet worden toegepast, doch schijnt ook buitendien geen aanbeveling te verdienen. Vooreerst toch is het de vraag, of het bedoelde middel tot het verkrijgen van geschikte getuigen uit de werklieden wel veel baten zou. Immers ook bij geheimhouding van de namen der getuigen zal het den werkgevers in den regel niet veel moeite kosten uit te vinden, wio van hunne ondergeschikten als zoodanig zijn opgetreden. Bovendien wordt de verhouding van de niet onder geheimhouding ge-hoorden tot hunne patroons door de anonymiteit van andere getuigen des te moeilijker. Voorts zal aan de verklaringen der onder geheimhouding gchoorden wel niet veel waarde te hechten zijn. Eindelijk bezitten de werklieden de meeste voordeelen der geheimhouding nu reeds in de hun geschonken gelegenheid tot het doen van schriftelijke me- 86, C 101, H 18, 619â631, 623, 853â870, 1078-1081, 1399â1404, 2128â2131, 3137,2138, 8183â4185, 4212, 4651, 5854, 5855, l(i21, 9022, 9023. (1) 859,1039. (2) 856-858. (3) 1618, 4182, |
58
|
dedeelingen, waarbij de bestuurders van vakvereenigingen tot zekere hoogte als tusaohenperaonen kunnen optreden. De gronden, waarop voor een onderzoek als het ouderwerpelijke eene Staatscommissie bij voorkeur boven eene parlementaire commissie wordt aanbevolen, komen der Commissie alzoo in het algemeen niet overwegend voor. Ook is haars inziens eene doelmatige inrichting van het onderzoek volgens de bepalingen der wet van 5 Augustus 1850 {Staatsblad n0, 45) zeer wel mogelijk, en zouden de aan het onderzoek dezer materie eigen bezwaren door de instelling eener Staatscommissie tot dat einde niet worden weggenomen. Aan eene regeling ad hoe schijnt dan ook voor het geval tot een verder onderzoek door eene parlementaire commissie mocht worden besloten, geene behoefte te bestaan. Mochten evenwel de staatkundige omstandigheden doen voorzien, dat hervatting en voltooiing van het onderzoek door eene parlementaire commissie te froote vertraging dreigden te ondervin-en, zoo zou de vraag kunnen rijzen, of er om die bijzondere reden met het oog op de belangen, bij deze aangele-roote vertraging dreigden te ondervin-en, zoo zou de vraag kunnen rijzen, of er om die bijzondere reden met het oog op de belangen, bij deze aangele- fenheden betrokken, geen termen zou-en zijn om dien arbeid met bekwamen spoed aan eene Staatscommissie op te dragen. Meende de Regeering deze vraag in bevestigenden zin te moeten beantwoorden, alsdan zou die commissie bij eene wettelijke regelingenheden betrokken, geen termen zou-en zijn om dien arbeid met bekwamen spoed aan eene Staatscommissie op te dragen. Meende de Regeering deze vraag in bevestigenden zin te moeten beantwoorden, alsdan zou die commissie bij eene wettelijke regeling ad hoe zijn toe te rusten met de bevoegdheden, bij de enquête-wet aan eene parlementaire commissie verleend, terwijl te overwegen ware, of en in hoever er aanleiding mocht bestaan om daarbij dan van enkele bepalingen dier wet af te wijken. |
§ 7. Voorbereidende opneming van fabrieken en werkplaatsen â Bij het volbrengen harer taak heeft de Commissie in hooge mate het gemis ondervonden van voldoende statistische gege vens als bouwstoffen voor haaronderzoek. Zij acht het eene groote leemte, dat hier te lande geene behoorlijke nijverheids-statistiek bestaat. Het Departement van Waterstaat, Handel en Nijverheid schijnt niet veel meer te bezitten dan eene opgave betreffende de gebezigde stoomwerktuigen, en de jaarlijksche verslagen van sommige gemeenten bevatten slechts enkele bijzonderheden aangaande de aldaar gedreven ondernemingen. De verregaande onvolledigheid dezer verspreide cijfers brengt teweeg, dat de bruikbaarheid daarvan niet hoog kan worden aangeslagen. Uit een rapport van eene der kamers van koophandel en fabrieken blijkt, dat men dit zelf gevoelt. «Wel heeft het harerzijds,quot; zoo verklaart het bedoelde college, «niet ontbroken aan pogingen, om betreffende de industrie dezer gemeente meerdere gegevens te verzamelen, dan de officieele en niet in alle opzichten volledige cijfers van het gemeente verslag aanbieden, maar de groote moeilijkheid om van de betrokken personen zoowel afdoende als betrouwbare gegevens te verkrijgen, bleek telkens een onoverkomelijke hinderpaal. Gelijk uit de voorafgaande bladzijden van dit Verslag is gebleken, heeft do Commissie zich moeten getroosten, voor zooveel de meer bepaaldelijk door haar onderzochte gemeenten betreft, zelve harerzijds zoo goed mogelijk in de aangewezen leemte te voorzien. Mot name voor de provincie Limburg zijn onder hare leiding van een harer leden en met medewerking van de plaatselijke autoriteiten statistische tabellen vervaardigd, die bij haar onderzoek betreffende de Maastrichtsche nijverheid tot grondslag hebben kunnen dienen. Intusschen acht zij het in hooge mate wenscheljjk. dat soortgelijke statistische gegevens zoo spoedig doenlijk voor het geheele land worden bijeengebracht. Het valt toch niet te ontkennen, dat er maar al te veel grond bestaat voor het verwijt, in een namens het werkliedenverbond »Patrimoniumquot; uitgebracht rapport in de volgende woorden tot het Staatsbestuur gericht; »Is het, wat wij gelooven, de plicht van den Staat, om de zwakkeren tegenover de sterkeren te beschermen, â dan moet het verwondering baren, dat thans van Staatswege de vraag tot ons komt hoe het in fabrieken en werkplaatsen gelegen is met hetgeen met het leven en de gezondheid, met het welzijn en de veiligheid in verband staat. Dat, meenden we, moest de Staat sinds lange wetenquot;. |
59
|
Inderdaad, naar het der Commissie voorkomt, schijnt het de taak der Re-eering, tot voorbereiding van het ver-er onderzoek â op welke wijze dit dan ook zal worden ondernomen â met spoed en op oordeelkundige wijze statistische gegevens te doen verzamelen De Commissie zoude wenschen dat die arbeid niet uitsluitend werd opgedragen aan de gewestelijke en plaatselijke besturen, maar, onder hunne medewerking, aan enkele speciaal daartoe aantewjjzen personen van technische kennis en ervaring. Dezen zouden zijn te belasten met eene achtereenvolgens te verrichten opneming der hier te lande aanwezige fabrieken en werkplaatsen, met het oog op de veiligheid, de gezondheid en het welzijn der werklieden, op het aantal arbeiders (mannen, vrouwen en kinderen), op werktijden, rusttijden, nacht- en Zondagsarboid, op zieken- en pensioenkassen en verdere instellingen in het belang der arbeiders, enz. Omtrent een en ander zouden zij, bij eene doelmatige verdeeling der taak naar eenvormige regelen arbeidende, binnen eenige maanden over het geheele land voldoende gegevens kunnen verzamelen, ten deele ontleend aan eigen waarneming en opmerkingen, ten deele aan de opgaven van werkgevers cn andere bij de nijverheid betrokken personen, die zij trouwens zooveel doenlijk aan eigen bevinding zouden hebben te toetsen. Terwijl de wenschelijkheid, om niet te zeggen noodzakelijkheid, der bedoelde opneminge van de bestaande inrichtingen van nijverheid, der Commissie bij den door haar verrichten arbeid overtuigend gebleken is, vindt zij daarvoor steun in de adviezen, van meer dan ééne bevoegde zijde door haar ontvangen. De ingenieurs van het Rijkstoezicht op het stoomwezen, die door hunne technische vorming wellicht in de eerste plaats voor deze taak zouden zijn aangewezen, hebben krachtens art. 14 der wet van 28 Mei (Staatsblad nquot;. 97) vrijen toegang tot de plaatsen, waar de stoomketels en toebehooren zich bevinden. De overige deelen der fabrieken worden door deze ambtenaren niet dan bjj uitzondering bezocht, niet omdat zij daarbij van de zijde der ondernemers bezwaren ondervinden, maar omdat hunne overige werkzaamheden hun daartoe in den regel den noodigen tijd niet laten. |
»Wel is waarquot; â zoo schrijft een dezer ambtenaren â »zijn de ingenieurs voor het stoomwezen, misschien meer dan iemand anders, eenigormate vertrouwd met de inrichting van die fabrieken en werkplaatsen, waar stoom tot beweegkracht wordt gebezigd, doch is ook daar hunne ondervinding beperkt in dien zin, dat de vrije toegang zich slechts uitstrekt tot de plaats waar zich de stoomketel bevindt (veelal een afzonderlijk gebouw), zoodat de eigenlijke inrichting der fabriek öf niet, óf bij uitzondering, en dikwijls slechts terloops wordt bezichtigd. Zelden wordt wel is waar de inrichting tegenover de ingenieurs geheim gehouden, en somtijds de bezichtiging daarvan aangeboden, doch ontbreekt ook wel eens de tijd om van het aanbod gebruik te maken. Bovendien werden, speciaal in hot drukste district van het stoomwezen, waarvan de ondergeteekende de eer heeft aan het hoofd te staan, vele fabrieken niet of hoogst zelden door den ingenieur persoonlijk bezocht, doch de periodieke ketelherzieningen aan het personeel overgelatenquot;. »Dat hier slechts weinige waarnemingen gedaan zijnquot; â- geeft een ander ingenieur voor het stoomwezen te kennen â «verklaart zich hieruit, dat het toezicht door ons uitgeoefend zich wel tot de stoomketels, doch niet tot de verdere inrichtingen der fabrieken uitstrekt ; een speciaal punt van onderzoek hebben zij voor mij althans nooit uitgemaakt, alleen valt het oog bijhetdoor-loopen der fabrieken wel eens bij toeval op het een en ander.quot; De ambtenaren voor het geneeskundig Staatstoezicht zijn volgens art. 5 der wet van 1 Juni 1865 (Staatsblad no. 58) bevoegd, o. a. alle fabrieken of andere werkplaatsen binnen te treden, ten einde zich zooveel mogelijk bekend te maken met den toestand en de inrichting dier gebouwen in het belang dei-gezondheid. Van deze bevoegdheid wordt echter veelal slechts gebruik gemaakt, voor zoover de adviezen der bedoelde ambtenaren worden ingewonnen omtrent aanvragen om vergunning tot het op- |
60
|
richten van inrichtingen, welke gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken, of voor zoover klachten der buren over bederf van lucht en drinkwater door afvoer van vuil of ontwikkeling van dampen en gassen tot het bezoek van fabrieken eene bijzondere aanleiding geven. In elk geval is do door de Commissie gewenschte opneming, naar het oordeel der geneeskundige ambtenaren zelve, bij de bestaande organisatie met hunne overige werkzaamheden ten eenen-male onvereenigbaar. «Tot mijne verontschuldiging omtrent de onvolledige inlichtingenquot; â schrijft een hunner â «meen ik bovendien te mogen aanvoeren, dat de ambtenaren voor het geneeskundig Staatstoezicht hoofdzakelijk de fabrieken bezoeken met het oog op het nadeel, dat zij kunnen veroorzaken voor de nabijwonenden.quot; Een ander geneeskundig ambtenaar bericht: «Met het oog op het welzijn, de veiligheid, enz. der werklieden zijn door mij sedert mijne benoeming in Augustus 1886 geene onderzoekingen verricht en ook in mijn archief is hierover niets te vinden. Nu en dan komt het voor dat mijn advies in fabriekszaken gevraagd wordt, doch dan geschiedt dit met het oog op de wet van 2 Juni 1875 (Staatsblad no. 95), waarbij het gevaar en de hinder der buren tot maatstaf voor het al of niet verleenen der concessie wordt aangewend,'' In denzelfden geest laat een derde zich, optimistisch genoeg, uit: «Eene goede toepassing van het bepaalde bij art. 1 der wet van 2 Juni 1875 (Staatsblad no. 95) stelt reeds paal en perk aan menig gevaar voor arbeiders op fabrieken en werkplaatsen. De adviezen, door besturen van gemeenten gevraagd en door de geneeskundige ambtenaren in deze gegeven, bij eventuëele aanvra- fen tot oprichting van eenige inrichting edoeld bij bovenbedoeld wetsartikel, geven in den regel reeds een zekeren waarborg voor de behartiging der sanitaire belangen van de arbeiders aldaar.quot;en tot oprichting van eenige inrichting edoeld bij bovenbedoeld wetsartikel, geven in den regel reeds een zekeren waarborg voor de behartiging der sanitaire belangen van de arbeiders aldaar.quot; Een vierde, nog slechts kort in zijne tegenwoordige betrekking werkzaam, verklaart uit eigen ervaring niets omtrent de in zijn ressort aanwezige fabrieken en werkplaatsen te kunnen berichten, en acht het onnoodig een overzicht te geven van de verslagen van zjjn ambtsvoorganger, «omdat zijne bemoeiingen in zake fabrieken en werkplaatsen zich |
frootendeels bepaald hebben, hetzij totrootendeels bepaald hebben, hetzij tot et doen opheffen van naar buitenwerkende schadelijke invloeden, zooals door afvalwater of stinkende gassen, hetzij tot het geven van adviezen over ver-gunnings-aanvragen, om binnen den bepaalden afstand van begraafplaatsen of in bebouwde kommen van gemeenten fabrieken of werkplaatsen te mogen oprichten.quot; Door een vijfden ambtenaar wordt medegedeeld dat, «als spraak was of is van fabrieksaangelegenheden, uit een sanitair oogpunt beschouwd, dit bij de fabrieken in de provincie Groningen nagenoeg uitsluitend plaats had of beeft met het oog op de belangen van de hygiëne publique, niet van do hygiëne privée, en alzoo de quaesties niet vooral handelden over den toestand van de arbeiders, over duur van hun werktijd, over den leeftijd der arbeiders en dergelijke.quot; Eene algemeene opneming van fabrieken en werkplaatsen komt aan onderscheidene geneeskundige ambtenaren hoogst gewenscht voor, mits zij aan bepaaldelijk daartoe aangewezen personen worde opgedragen. »Wel is waarquot; â schrijft een hunner â «heb ik volgens art. 5 der wet van 1 Juni 1865 {Staatsblad no. 58), het recht fabrieken en werkplaatsen binnen te treden en zou het mogelijk zijn langs dezen weg eenige kennis van den invloed der fabrieken op de gezondheid der arbeiders op te doen. Dit zou echter alleen met vrucht kunnen gedaan worden door personen, die uitsluitend met een onderzoek van dien aard belast zouden zjjn; voor mij zou een eeniger-mate voldoend onderzoek met mijne andere werkzaamheden niet te vereenigen wezen.quot; In dienzelfden brief wordt nog opgemerkt, dat het ontbreken van de noodige statistische gegevens het bedoelde onderzoek zeer bemoeilijkt. «Wil eenig gunstig effect van dergelijke inspectiën verkregen wordenquot; â zoo luidt het in een ander sohrijven â «dan moet, volgens mijne bescheiden meening, het toezicht op fabrieken en werkplaatsen worden opgedragen aan |
G1
|
specialiteiten op dat gebied, die zoo noodig in overleg zouden kunnen treden met de geneeskundige ambtenaren.quot; «Het zou tochquot; â wordt wederom door een ander geneeskundig ambtenaar betoogd â «eenvoudig physisch en psychisch onmogelijk zijn alle de genoemde gebouwen to onderzoeken. Reeds de rubriek ^fabrieken en werkplaatsenquot; is daartoe veel te groot, afgezien van de onmogelijkheid, om dan de vele andere werkzaamheden, aan den inspecteur opgedragen en hem bepaald voorgeschreven, behoorlijk te verrichten.quot; Geheel in overeenstemming met deze opvatting was de ontvangst, die van de zijde der geneeskundige inspecteurs ten deel viel aan een voorstel, door den geneeskundigen raad voor Noordholland in December 1885 bij de Regeering aanhangig gemaakt. Up voorstel van zijn rechtsgeleerd lid den hoogleeraar mr. G. A. Van Hamel, wendde dat college zich tot den Minister van Staat en van Binnenlandsche Zaken niet het verzoek, dat aan den geneeskundige inspecteurs zou worden opgedragen een systematisch en volledig onderzoek naar den toestand en de inrichting van fabrieken en werkplaatsen hier te lande, met het oog op den gezondheidstoestand en de veiligheid dei-arbeidende bevolking, en, indien de feiten daartoe aanleiding gaven, naaide grondslagen van eene wettelijke regeling ter verzekering van bedoelde belangen. Aangezien de eerstvolgende vergadering der geneeskundige inspecteurs niet voor het volgend najaar zou plaats hebben, voegde de raad er den wensch bij, dat ter voorbereiding van bedoeld onderzoek eene buitengewone vergadering van geneeskundige inspecteurs zou worden bijeengeroepen. Door den Minister werd daarop aan eene Commissie, bestaande uit twee dei-geneeskundige inspecteurs en uit het hoofd der afdeeling Medische Politie, opgedragen na te gaan, op welke wijze aan het gemeld verzoek zou kunnen worden gevolg gegeven en de behandeling van dat voorstel in de vergadering der geneeskundige inspecteurs voor te bereiden. |
Die Commissie bracht den 'iTsten Juli 1886 een advies uit, waarin er in de eerste plaats op gewezen werd, »dat hot onderzoek van fabrieken door de ambtenaren van het geneeskundig Staatstoezicht geenszins is nagelaten, wanneer daartoe aanleiding bestond. De jaarverslagen dragen daarvan blijken.quot; De eerste indruk, dien het voorstel van den geneeskundigen raad van Noordholland op de Commissie gemaakt had, was «verwondering over het gemis van een betoog aangaande de noodzakelijkheid van een zóóveel omvattend en zóó kostbaar onderzoek.quot; «Ons zijn geen feiten bekend,quot; verklaarde de Commissie, «die tot dergelij-ken maatregel van zoo grooten omvang â waarvan wij overigens noch de belangrijkheid noch de nuttige zijde zullen ontkennen â zouden moeten dringen. Zeker zullen er fabrieken zijn, die on-gunstigen invloed hebben of kunnen hebben. Maar .... van schadelijken invloed der fabrieken in het groot, zochten wij vergeefs de sporen.quot; «Men moet trouwens twijfelen,quot; zoo luidde het advies verder, «of die raad zich wel eenige voorstelling heeft gemaakt van den omvang en van de moeiljjkheid van het onderzoek dat hij verlangt Men moet het betwijfelen, wanneer men bedenkt, dat de raad ter bespoediging eene buitengewone vergadering van de geneeskundige inspecteurs wenschte te zien bijeenroepen, alsof wat hij bedoelt niet eene zaak ware. die onvermijdelijk een arbeid van eenige jaren zou vorderen, en waarbij dusvoor het haastig bijeenroepen van eene buitengewone vergadering zeker geen voldoende grond was .... Het aantal fabrieken en werkplaatsen, die volgens het verzoek van den raad van Noordholland zouden moeten worden onderzocht, bedraagt eenige duizenden. Hieruit is duidelijk, dat reeds de omvang van het onderzoek of hetgeen men zou kunnen noemen het mechanisch gedeelte, de mechanische arbeid van het onderzoek van zoodanige afmetingen zijn moet, dat het met de beschikbare krachten niet zou zijn te volbrengen.quot; Daarbij kwam nog de volgende overweging ; «Om den invloed van verschillenden fabrieksarbeid op den lichame-lijken toestand der arbeiders te kunnen nagaan en beoordeelen, js kennis van |
|
dien arbeid, van de daarbij gebruikte stoffen en werktuigen, van de eigenschappen dier stoffen, van de bij het werk vereisehte lichaamshoudingen, lichaamsbeweging en technische handgrepen noodig,-die niemand in haar geheel kan bezitten, en die men zich door studie en aanschouwing slechts allengs en omtrent onderdeelen kan verschaffen.quot; Beperking van het onderzoek werd dan ook in elk geval volstrekt noodig geacht; en wel eene beperking niet van territorialen aard, maar naar de categorieën van fabrieken, in dien zin, dat achtereenvolgens bepaalde soorten van fabrieken zouden worden aangewezen, die door het geheele liijk zouden worden onderzocht. Baarbij werd het rationeel geacht, een aanvang te maken met die fabrieken en werkplaatsen, waar stoffen verwerkt worden, die uit haren aard voor de arbeiders gevaarlijk zijn, zooals bijv. loodwitfabrieken, spiegelfabrieken. Eindelijk werd nogmaals verklaard: «Dat hetgeen de geneeskundige raadvanNoord-holland vraagt, een opdracht aan de geneeskundige inspecteurs van een onder zoek van alle fabrieken en werkplaatsen, nauwelijks uitvoerbaar is. zal Uwer Excellentie uit het vorenstaande wel zijn gebleken.quot; De vergadering der inspecteurs voor het geneeskundig Staatstoezicht, van 27 tot en met 29 September 1886 gehouden, vereenigde zich met de in het gemeld advies vervatte beschouwingen. «In elk geval achtte men, ten einde geen dubbel werk te verrichten, wenschelijk te wachten tot het gevolg van het bij de Tweede Kamer ingediend voorstel tot eene enquête omtrent fabrieksarbeid bekend zoude zijn. Echter werd tevens goedgevonden om, onafhankelijk van die enquête, een onderzoek in te stellen van de fabrieken en werkplaatsen, waarin stoffen worden bewerkt, welke uit haren aard gevaarlijk zijn, en wel in de eerste plaats die in welke lood, kwik en zink verwerkt worden.quot; |
Uit enkele mededeelingen, der Commissie gedurende de bewerking van dit haar Verslag geworden, bleek haar dat aan het besluit van de geneeskundige inspecteurs bereids een begin van uitvoering is gegeven, en dat de inspecteur voor het geneeskundig Staatstoezicht in Noordholland zich daarbij, overeenkomstig den wensch van den geneeskundigen raad voor die provincie, «niet bepaald (heeft) tot de fabrieken waar kwik, lood en zink verwerkt worden, doch tevens verschillende andere fabrieken en werkplaatsen onderzocht (hoeft), met het doel om (zich) een legger te verschaffen voor een later meer uitgebreid onderzoek.quot; Intusschen komt het der Commissie voor, dat de geneeskundige inspecteurs met het partieel onderzoek, tot het instellen waarvan door hen is besloten, iets anders bedoelen dan zij met de door haar gewenschte opneming van fabrieken en werkplaatsen beoogt. Kennelijk stellen de inspecteurs zien voor, dat het te doen is om den hygiènischen toestand der werklieden, in verband met den door hen verrichten arbeid in fabrieken en werkplaatsen, naar de eischon der wetenschap te onderzoeken. Daartoe rekenen zij «onvermijdelijk eenige jarenquot; te behoeven, terwijl zij een onderzoek van alle fabrieken en werkplaatsen voor zich «nauwelijks uitvoerbaarquot; achten. Daarentegen wenscht de Commissie eene opneming van fabrieken en werkplaatsen ter verkrijging van statistische gegevens van verschillenden aard, die, om het beoogde doel te bereiken, in geen geval meer dan eenige maanden mag vorderen. Dat een weinig talrijk, maar voor zijne taak in allen deele berekend personeel, van Regeeringswege door doelmatige voorschriften gerugsteund, geen langeren tijd behoeft om dat werk voor het geheele land te volbrengen, durft de Commissie op grond der ervaring, bij den onder leiding van enkele harer leden verrichten arbeid opgedaan, wel verzekeren. (Vergelijk de bijlagen T, wat de geheele provincie Limburg, en U, wat de gemeente Tilburg betreft). De bedoelde opneming zal kunnen geschieden met behulp van tabellen, waarop sommige gegevens door middel van cijfers, andere met enkele woorden of beknopte mededeelingen zijn in te vullen. Die tabellen zullen aan den eenen kant veel meer, aan den anderen kant veel minder inhouden dan uit het onderzoek der geneeskundige inspecteurs zal te leeren zijn. Dit laatste zou een |
03
|
hygièniech, hot door de Commissie go-wenschte veeleer een statistisch karakter dragen. De Commissie veroorlooft zich de hoop uit te drukken dat de Regeering, indien zij gezind is eene opneming in den geest der Commissie te gelasten, de daartoe gevorderde maatregelen wel met den gewenschten spoed zal willen nemen. Daartoe zou het voldoende zijn enkele ambtenaren, wellicht uit die van het Rijkstoezicht op het stoomwezen en van het geneeskundig Staatstoezicht te kiezen, tijdeljjk van hunne gewone ambtsbezigheden te ontheffen en bepaaldelijk met deze taak te belasten. Voorafgaande tusschenkomst van den wetgever wordt daartoe niet gevorderd. De Regeering is volkomen bij machte, ten deze handelend op te treden. Het zou der Commissie tot bijzondere voldoening strekken indien van Regee-ringswege onverwijld het noodige werd verordend om, door eene goed geleide en doelmatig ingerichte opneming van fabrieken en werkplaatsen, de grondslagen tot eene deugdelijke nijverheidsstatistiek te doen leggen en daarmede de noodige bouwstoffen voor de voortzetting van het onderzoek te doen bijeenbrengen. § 8. Toestand van fabrieken en werkplaatsen. Fahrieksinspecleurs. ~ In navolging van hot door de meeste beschaafde Staten gegeven voorbeeld, zal men naar de meening der Commissie ook hier te lande dienen te komen tot een geregeld toezicht, door middel van fabrieksinspecteurs, op den toestand van fabrieken en werkplaatsen met het oog op de veiligheid, de gezondheid en het welzijn der werklieden. Door allen, die zich met het onderwerp ;ernstig beziggehouden hebben, wordt aan dit Staatstoezicht hooge waarde gehecht. Bij de gehouden enquête werd daarop van verschillende zijden aangedrongen (1); en een der gehoorde getuigen, bekend door zijne studiën op dit gebied, verklaarde zelfs onder herinnering aan hetgeen reeds vroeger door hem geschreven was: «liever geene verbetering van wetgeving, maar inspecteurs, dan eene verbetering zonder inspecteurs.quot; (2) (1) 4655, 3970. (3) 4738. |
De Commisie ziet niet voorbij dat. blijkens het Voorloopig Verslag over het ontwerp-Modderman, de daarbij voorgestelde instelling van inspecteurs en adjunct-inspecteurs door de meerderheid der leden in de afdeelingen onvoorwaardelijk werd afgekeurd. Die afkeuring vond echter hoofdzakelijk haren grond in de vrees, dat die ambtenaren overdreven talrijk zouden zijn en dat de adjunct-inspecteurs door den wensch naar spoedige bevordering te zeer zouden worden geprikkeld tot het doen van een groot aantal bekeuringen. üok naar het oordeel der Commissie zou «een leger van ambtenarenquot;, uitsluitend belast met het toezicht op den kinderarbeid, daarbij tot hulp der politie dienende en met het oog op deze taak gekozen, geen voldoende waarborgen opleveren voor een zoodanig welberaden maar tevens bescheiden gebruik van wettelijke bevoegdheden, waardoor zonder gedurige botsingen met de ingezetenen do naleving der wet verzekerd werd. Do weinig talrijke fabrieksinspecteurs die do Commissie zich voorstelt, zouden echter een geheel ander karakter dragen. Zij zouden in de eerste plaats met het toezicht op do werklokalen en werktuigen uit het oogpunt van veiligheid en gezondheid moeten belast worden. Technische vorming en practische ervaring zouden bij hunne benoeming op den voorgrond moeten staan. Terecht wordt er door een der gehoorde getuigen op gewezen, dat de fabrieksinspecteurs «vooral practische menschenquot; behooren te zijn. «Zijn het zuiver theoretische menschen, dan kunnen zij beter achterwege blijven. Het is eene gewichtige betrekking. Men mag toch aan een fabrikant geen te hooge eischen stellen, maar de eischen die men stelt moeten doorgedreven worden. Dat kan alleen een practicus en niet een technoloog, die de polytechnische school pas verlaten heeft. Hij moet in het vak geweest zijnquot; (l) Het zou de vraag kunnen zijn, of het Staatstoezicht op fabrieken en werkplaatsen wellicht op doelmatige wijze ware te organiseeren door uitbreiding van don werkkring en vermeerdering van het getal der ingenieurs voor het stoomwezen. Eene dergelijke regeling (1) 5610. |
04
|
zou dit voordeel aanbieden, dat de in-dustriëelen niet met oen grooter aantal categorieën van ambtenaren in voortdurende aanraking behoefden te komen. Doch ook al mocht het verkieslijk geacht worden, voor dat Staatstoezicht afzonderlijke ambtenaren aan to stellen, dan nog zou de Commissie meenen dat de fabrieksinspecteurs, om aan de eischen hunner betrekking in allen deele te voldoen, noch politie-beambten, noch geneeskundigen, maar bij voorkeur ervaren ingenieurs behooren te zijn. Als zoodanig zouden zij door hunne technische kennis en door hunne bekendheid met de eischen der nijverheid aan de industriëelen dat ontzag en vooral ook dat vertrouwen inboezemen, waaraan bij de vervulling van hunne gewichtige taak zoo hooge waarde moet gehecht worden. Voor zoover hunne werkzaamheden het gebied der hygiène mochten raken, zouden zij de medewerking dor ambtenaren van het geneeskundig Staatstoezicht kunnen inroepen ; eene dergelijke regeling wordt door sommigen van dezen zelf gewonscht. De taak der fabrieksinspecteurs zou eene drieledige zijn. Vooreerst zouden zij zich op de hoogte hebben te houden van den toestand der werklokalen en de verbeteringen hebben aan te wijzen, die daarin met het oog op de veiligheid, de gezondheid en het welzijn der werklieden waren aan te brengen. Ten tweede zouden zij de Regeering hebben voor te lichten omtrent bestaande toestanden op het gebied der nijverheid, en haar van advies hebben te dienen bij de toepassing van geldende voorschriften en omtrent de verbeteringen in de wetgeving, die zij wenschelijk en practisch uitvoerbaar mochten bevinden. In de derde plaats zouden zij hebben toe te zien op de behoorlijke naleving der wettelijke bepalingen omtrent den industriëelen arbeid. |
1. Moet de onvolledigheid van het go-houden onderzoek de Commissie bij de aanbeveling van te nemen wettelijke maatregelen tot groote omzichtigheid nopen, met betrekking tot den toestand der werklokalen ondervindt zij dit bezwaar niet in die mate, als ten aanzien van andere onderdeelen van haar onderzoek. Immers de verbeteringen, welke in dit opzicht kunnen worden aangebracht, grijpen in den regel in de levensvoorwaarden der nijverheid niet zoo gevoelig in en zijn in vele gevallen met betroKkelijk geringe kosten tot stand te brengen. De wettelijke regeling van dit onderwerp kan zich in hoofdzaak bepalenquot; tot enkele algemeene voorschriften, tot aanwijzing van de ambtenaren, die de localen hebben te onderzoeken, en tot omschrijving hunner bevoegdheden. Deze aangelegenheid kan mitsdien voor wettelijke voorziening rijp geacht worden, zoodra gebleken is dat de toestand van een groot aantal lokalen met het oog op de veiligheid, de gezondheid en het welzijn der werklieden genoeg te wenschen overlaat, om tussohen-komst van het Staatsgezag geraden te doen achten. Dat dit inderdaad het geval is, wordt naar de meening der Commissie door de overgelegde bescheiden en afgelegde verklaringen voldoende bewezen. Wel is waar wordt voor sommige provinciën over de inrichting der lokalen in het belang der werklieden in het algemeen een gunstig oordeel uitgesproken. Maar dit belet niet, dat op onderscheidene dier lokalen van bevoegde zijde gegronde aanmerkingen gemaakt worden; terwijl de Commissie ten aanzien van de door haar meer bepaaldelijk onderzochte middelpunten van nijverheid bevonden heeft, dat er voorzeker tal van lokalen zijn, waar niets verzuimd wordt wat strekken kan om de redelijkerwijs bereikbare voorzieningen in het belang der werklieden te verkrijgen, maar dat toch ook menige fabriek en werkplaats in dit opzicht zeer veel te wenschen overlaat. Ten aanzien van vele lokaliteiten wordt feklaagd over onvoldoende zorg voor e veiligheid der werklieden in geval van brand. Met name te Amsterdan en te Tilburg blijkt de toestand ten deze voor verbetering alleszins vatbaar. Hier is het de uitgebreidheid, ginds de hoogte der fabrieksgebouwen, waarmede het verlangen naar talrijker of verbeterde uitgangen voor het geval van brand wordt aangedrongen (1).eklaagd over onvoldoende zorg voor e veiligheid der werklieden in geval van brand. Met name te Amsterdan en te Tilburg blijkt de toestand ten deze voor verbetering alleszins vatbaar. Hier is het de uitgebreidheid, ginds de hoogte der fabrieksgebouwen, waarmede het verlangen naar talrijker of verbeterde uitgangen voor het geval van brand wordt aangedrongen (1). (1) 105, 187, 237, 239, 289, 359 , 393, 2046, 2046, 3049, 10155, 10166, 11324, 10459, 10534. |
65
|
Veelvuldig zijn de gevaren, waarmede de werklieden door de gebezigde werktuigen bedreigd worden. Bij een tocht door fabrieken en werkplaatsen ontmoet men eene lange reeks van bewegende deelen van werktuigen, raderen, vliegwielen, drijfriemen, cirkel-,- lint- en andere zagen, dio onbedekt zijn en den werkman blootstellen aan het gevaar van te worden medegesleept en verminkt of gedood. Elders zijn het luiken en openingen, voor hijschgaten dienende, of gebrekkige hijschtoestellen, die zeer licht ongelukken kunnen veroorzaken. Groote zorgeloosheid ten aanzien van deze toch zeker niet denkbeeldige gevaren is eene eigenschap, die vele werkgevers en werklieden met elkander gemeen hebben (1). De veiligheid der werklieden kan veelal zonder groot bezwaar door enkele eenvoudige, weinig kostbare voorzorgsmaatregelen verzekerd worden. Zoodanige maatregelen zijn, om enkele voorbeelden te noemen, »het plaatsen van een gemakkelijk trapje met leuning in plaats van enkel een steil laddertje, daar waar men rakelings langs snel loopende riemen moet klimmen,vooral wanneer stoom somtijds nog bovendien het gezicht belemmert; het door een stevig hekwerk afsluiten van het vliegwiel, daar waaide machinist slechts een nauwen doortocht heeft tusschen dat wiel en den muur, tot het smeren der as, daar waar slechts een smalle doorgang tusschen twee vliegwielen open blijft, men rakelings langs snel bewegende machine-deelen heen moet of waar onvoldoende verlichting het mogelijk gevaar niet kenbaar maakt, enz.; het waken tegen de dikwerf te groote gemakkelijkheid waarmede de riemafzetter kan bewogen worden, en waardoor de riem, onverwachts van de losse op de vaste schijf loopende, de arbeidsmachine in gang zet; en wellicht nog meerdere.quot; Soms wordt beweerd dat het de voorkeur zou verdienen de bewegende deelen der werktuigen onbedekt te laten (1) 98, 12C, 301, 1003, 1000, 1018, 1021, 1530, 1833, 1863, 1809, 1873, 3333, 3577, 3710. 4073, 4079, 4087, 4088, 4093, 4090, 4424, 5471, 3397, 5398, 5001, 3002, 3609, 5010, 5019. 3600, 3003, 5609â5079, 5709, 627S, 0024, 7759, 8310, 10133, 10991. V. |
en de werklieden alzoo te leeren tegen het gevaar op hunne hoede te zijn, door het hun te doen zien (1). Dit gevoelen wordt echter wederlegd door het feit, dat de werklieden veelal ten gevolge van te groot zelfvertrouwen hoogst onvoorzichtig zijn en zich daardoor vele ongelukken op den hals halen (2). Het moet dan ook verkieslijk geacht worden vliegwielen enz. zooveel doenlijk te bedekken (3). Ook wordt ten opzichte van hooge fabrieksgebouwen het bezwaar aangevoerd, dat de kokers, waarmede niachi-nedeelen bedekt worden, het brandgevaar vermeerderen (,4). De oplossing van dergelijke bedenkingen kan echter veilig aan het inzicht van een technisch ge-vormden fabricksinspecteur worden overgelaten. Behalve een voorschrift tot bedekking van bewegende deelen van werktuigen, zal ook een verbod van het smeren of aanvetten van nog in beweging zijnde werktuigen â mede eene overvloedige bron van ongelukken â in aanmerking moeten komen (5). Het behoeft overigens geen betoog dat. wanneer het Staatstoezicht op fabrieken en werkplaatsen eenmaal georganiseerd zal zijn, de inspecteurs omtrent dergelijke bepalingen van technischen aard eene groote ruimte van beweging zullen moeten bezitten. Wat de gezondheid der werklieden betreft, deze wordt veelvuldig benadeeld door gebrek aan versche lucht in de werkplaats. De aard van het bedrijf brengt in menig lokaal bovenmatige hitte of wel schadelijke uitdampingen teweeg (C). Het meest algemeen doet zich het bezwaar voor van bedorven of met stofdeelen bezwangerde lucht. De inademing dier stofdeelen is meer of minder nadeelig, naarmate zij fijner of grover zijn, tot het delfstoffen- of tot het plantenrijk behooren, doch doet in verschillende bedrijven ziekten der ademhalingswerktuigen ontstaan, die de werklieden op betrekkelijk jeugdigen leeftijd ten grave sleepen ; men denke bijv. aan de beroepsziekten der vlasarbeiders, (1) 153, 175. (2) 15T1. CS) 1S30, 8347, 8348. (4) 152, 173, 199â201. (5) 5601. (6) 143, 144, 140, 236, 227, 272, 442, 948, 950, 1059, 2066, 2390, 3791, 3797, 3995, 3997 , 4173, 4176, 4206. 5 |
66
|
glasslijpers en aardewerkers (de zoogenaamde pottemannokenskrankte) (1). Het is aan geen twijfel onderhevig, dat door gepaste maatregelen, in het bijzonder door eene doelmatige lucht-vervcrsching, zeor veel tot wegneming van de bedoelde gevaren voor do gezondheid der arbeiders kan gedaan worden. Toch ontbreekt het daarbij niet aan bezwaren. Onder anderen heeft men rekening te houden met de onnadenkend heid der werklieden, die bijvoorbeeld het gebruik van zoogenaamde respirators als waarborg tegen de inademing van gevaarlijke stofdeelen weigeren, omdat die toestellen de ademhaling belemmeren (2), en die uit vrees voor tocht, zooveel zij kunnen, de inrichtingen voor ventilatie gesloten houden (3). Hetgeen ten behoeve der luchtverversching geschiedt, dient dan ook aan hun invloed onttrokken te blijven. Er zijn localiteiten, ruim genoeg om zonder bijzondere voorzienigheid frisch te worden gehouden (4); elders worden met goed gevolg mechanische ventilatie-toestellen, zoogenaamde exhausters, gebezigd (5). Ook kan het voorkomen, dat maatregelen in het belang der gezondheid van den arbeider voor een kwijnenden tak van nijverheid te kostbaar zijn. Zoo wordt verklaard, dat de invoering van machinale braak- en zwingelmachines althans voor kleine vlasboeren te bezwarend is (6). Wel wordt daartegen ook nog ingebracht, dat de hoedanigheid van het vlas er onder lijden zou (7); doch dit beweren bljjft geenszins on-â weêrsproken (8). Bedorven lucht is overigens niet het eenige kwaad, dat de gezondheid dei-werklieden bedreigt. Evenzeer moet worden gewaakt tegen het doen uithalen der ovens in sommige glas- en aardewerkfabrieken bij een ondraaglijke hitte, en zal het ongetwijfeld tot de zorg der (1) 6, 30, 281, M3, »98, 1002, 1083,1832,5010. 504-1, 5204-, 5333, 5361, 5544, 5551, 5553, 5556» 5619â5633, 5831, 5877, 7380, 7383, 7557, 9396, 9418, 9434, 9438â9441, 9443, 9447, 9538, 9530, 9540, 9613, 9633, 9738, 9974â9776, 9836, 9878, 9901, 9931, 9939, 9950, 9963, 9967, 9978. (2) 5143, 5143, 5394, 7364, 7365, 8333, 9458, 9518. (3) 5630, 11331. (4) 8317. (5) 5193, 5336, 5566. 7306, 7307, 9448â9450. (6) 9427. 9627â 9639, 9780, 9931, (7) 9655, (8) 9453, 9783, 9842. |
I inspecteurs behooren, de noodige voor-; schriften te ontwerpen om de ovens vooraf behoorlijk te doen afkoelen Bij de gehouden getuigenverhooren is ten aanzien van fabrieken te Leerdam en te Maastricht van het hier bedoelde euvel gebleken (1); doch ook van eene glasblazerij te Culemborg vernam de Commissie, dat sommige werkzaamheden daar bij eene buitensporige temperatuur verricht worden, In sommige bedrijven staan de arbeiders bloot aan vergiftiging door het aanraken van giftige stoffen. Van dien aard is bijvoorbeeld het dompelen van gebakken aardewerk in eene glazuurbrei. In de aardewerkfabrieken te Maastricht, waar dit procédé voorkomt, wordt aan de werklieden eene tang verstrekt om de voorwerpen daarmede aan te vatten en zijn voorschriften ter verzekering van de noodige reinheid gegeven. Doch niet zelden wordt dit een en ander door de werklieden, ten koste hunner gezondheid, in den wind geslagen (2). Een maatregel in het belang der arbeiders, waarmede geene kosten verbonden zijn, is het ophangen in elke werkplaats van een reglement, bevattende de noodige - voorschriften omtrent hetgeen ter wille der veiligheid en gezondheid bij den arbeid moet worden in acht genomen. Hier en daar, zooals bijvoorbeeld in eene loodwitfabriek te Utrecht en in eene behangselpapierfabriek te Maastricht, blijkt die maatregel te worden toegepast (3). Onder den invloed van fa-brieksinspecteurs zal hij ongetwijfeld algemeen worden. Ook in het belang van de zedelijkheid en van het welzijn der arbeidersgezinnen zullen die inspecteurs met vrucht werkzaam kunnen zijn. Zoo is het bijvoorbeeld hoogst gewenscht dat daar, waar zoowel vrouwen als mannen arbeiden, afzonder- (1) 5621, 3839â5816, 3898, 5977, 3986, 6050, 6518, 6536â6539, 6543, 6558, 6567, 6657, 6658, 6663, 6664, 6890, 6893, 6894, 6895, 6907â6909, 6936, 6937, 6930, 6936, 6940, 6941, 6946, 6976, 7338, 7339, 7364â7366, 7375. 7384, 7386, 7668. 7678, 7679, 7690, 7790, 7707, 7710, 7896, 7899, 7930, 7933, 7938, 7940, 7946, 7959, 7966, 9033, 9034, 9036, 9038, 9043, 9049, 9050, 9053, 9056, 9057, 9075, 9181-9184, 9315, 9316, 9361â9364, 9393, 9393, 9517, 9518 (3) 5217-5319, 5333, 5391, 5395, 5544, 5630, 5831, 5631, 5833, 5898, 6603, 6610, 6611, 6614, 7386, 7805, 8667. (3) 5603, 5683, 8730. (4) 1983,1984, 6036â6038, 8661. |
67
|
lijke lokalen tooi- beido seksen zijn ingericht. Hiervoor wordt dan ook veelal gezorgd. In sommige fabrieken echter werken mannen en vrouwen in één en hetzelfde lokaal, nu eens omdat volledige scheiding onuitvoerbaar geacht wordt (1). dan weder zonder dat van dergelijke beweegreden blijkt (2). Binnen de grenzen der mogelijkheid zullen de inspecteurs voor de bedoelde scheiding hebben te waken. Ook omtrent plaatsing en inrichting van privaten zijn voorschriften onmisbaar te achten Eveneens zullen de inspecteurs hun invloed kunnen aanwenden om het in sommige fabrieken bestaand gebruik, dat de arbeid der vrouwen eenigen tjjd vroeger afloopt dan die der mannen â deels ter wille der zedelijkheid, deels opdat zij in de gelegenheid zijn tehuis voor hare echtge-nooten of vaders den pot te koken â meer algemeen te maken (3). De inspecteurs zouden zijn toe te rusten met de bevoegdheid om voor de fabrieken en werkplaatsen binnen hun ressort â waartoe zij ten allen tijde vrijen toegang zouden moeten hebben â voorschriften te geven in het belang van de veiligheid en gezondheid der werklieden. Die voorschriften zouden voor de werkgevers verbindend zijn, behoudens beroep op een hooger gezag, ten einde de belanghebbenden tegen willekeur te waarborgen. Aan goede voorbeelden uit den vreemde zou het bij de regeling van dit onderwerp niet ontbreken. Immers in onderscheidene buiten-landsche wetgevingen, onder anderen die van Engeland, Zwitserland en Oostenrijk, is het Staatstoezicht op fabrieken en werkplaatsen op doeltreffende wijze geregeld (4). II. Als speciaal orgaan tot onderzoek van fabrieken en werkplaatsen zullen de inspecteurs zich bij voortduring op de hoogte moeten houden van den toestand, waarin deze verkeeren. Hunne rapporten zullen voldoende bouwstoffen en adviezen moeten bevatten omtrent de verbeteringen in de wetgeving, die geraden mochten blijken. Met betrekking tot de uitvoering en handhaving der wettelijke bepalingen (1) G02Gâ6028, 8388, 8389. (2) 96, 361, 516, 7435. (3) 5996, 8284, 8838.(4)4660,5610. |
zullen de inspecteurs de natuurlijke adviseurs der Regeering zijn. Op hunne adviezen zullen bijvoorbeeld de takken van bedrijf zijn aan te wijzen, die als bijzonder gevaarlijk of schadelijk voor de werklieden aan speciale beperkende voorschriften zullen zijn te onderwerpen, of omgekeerd die, ten behoeve waarvan uitzonderingen op gemaakte verbodsbepalingen kunnen worden toegelaten. Bij voorkomende gevallen zullen zij, om het veld hunner werkzaamheid nog door een ander voorbeeld aan te duiden, de Regeering kunnen wijzen op het belang dat er in gelegen ware om ten aanzien van eenig vraagpunt van stellig recht eene rechterlijke beslissing in het hoogste ressort uit te lokken, ten einde tot eene vaste jurisprudentie te geraken of de noodzakelijkheid eener wijziging der wet in het licht te stellen (1). Ook buiten het eigenlijk gebied hunner ambtsplichten zullen de inspecteurs wellicht nu en dan aanleiding vinden om de aandacht der Regeering te vestigen op onderwerpen, met het welzijn der arbeiders in nauw verband staande. Zoo wordt bijvoorbeeld in een der door de Commissie ontvangen bescheiden geklaagd over het nadeel, door het bestaan van verkoopplaatsen van sterken drank in de nabijheid van fabrieken teweeggebracht. en in verband hiermede op omzichtigheid bij het verleenen van vergunningen aangedrongen. Bij de getui-genverhoorcn bevond de Commissie dat voor deze klacht, wat Amsterdam betreft, maar al te veel grond bestaat, en dat het misbruik van sterken drank aldaar ten zeerste in de hand gewerkt wordt door tapperijen, die reeds op een nachtelijk uur voor de werklieden der nabij gelegen fabrieken geopend worden (2). Het ware geenszins ondenkbaar, dat door de inspecteurs bij eene geschikte felegenheid tot het te keer gaan van it euvel de medewerking der Regeering werd ingeroepen.elegenheid tot het te keer gaan van it euvel de medewerking der Regeering werd ingeroepen. Dat de werkzaamheid van fabrieks-inspecteurs tot uitvoering en geleidelijke verbetering der arbeidswetgeving rijke vruchten kan dragen, wordt door de in verschillende andere landen (1) 4732. (2) 336, 384, 356, 1969, 1970, 1976, 2070-2073. |
|
opgedane ervaring voldingend bewezen. III. Over de vraag, in hoever de wet van 19 September 1874 (Slaalsblad no. 130) behoorlijk wordt nageleefd, luiden de berichten verschillend. Uit de rapporten, die de Commissie van de procureurs-generaal bij vier der gerechtshoven mocht ontvangen, blijkt dat aan het doen naleven der wet van hoogerhand zooveel mogelijk de hand gehouden is. Bij haar in werking treden riep de toenmalige Minister van Justitie tot eene nauwkeurige uitvoering de medewerking der procureursgeneraal als waarnemende directeuren van politie in. Do aanschrijvingen, naar aanleiding daarvan door die ambtenaren gedaan, hadden blijkens mededeelingen van den procureur-generaal bij het gerechtshof te Leeuwarden en van den officier van justitie bij de rechtbank te Arnhem ten gevolge, dat weldra kon worden geconstateerd dat de feitelijke toestand over het geheel in overeenstemming met de wettelijke bepalingen gebracht was. In 1877 noodigde de Minister van Justitie de procureurs-generaal nader uit zorgvuldig te willen doen nagaan, of do wet op den kinderarbeid behoorlijk werd nageleefd De uitkomsten van het dientengevolge ingesteld onderzoek mochten over het algemeen zeer bevredigend genoemd worden. Het vermoeden, als zouden in sommige gemeenten straffeloos vele overtredingen begaan worden, vond daarin geen bevestiging. Wat den tegenwoordigen toestand betreft, komen bij de procureurs generaal zelden of nooit klachten in over niet behoorlijke naleving der wet of onvoldoend toezicht; is het aantal geconstateerde overtredingen, ook blijkens overgelegde statistische opgaven, betrekkelijk gering ; en zijn de meeste procu-reurs-generaal en officieren van justitie overtuigd, dat de wet wordt gehandhaafd en dat het toezicht der politie op hare naleving althans in de belangrijkste gemeenten voldoende mag geacht worden. |
Met deze mededeelingen strookten onderscheidene verklaringen, van andere zijden afgelegd, luidens welke de wet op den kinderarbeid, behoudens enkele uitzonderingen, waaronder de steenbakkerijen een groote rol spelen, gehandhaafd wordt (1). Plaatselijke omstandigheden en de meerdere of mindere ijver van het personeel der politie zullen daarbij wel niet zonder invloed blijven. Zoo ontving de Commissie bijv. dezo schriftelijke mededeeling: «De wet op den kinderarbeid heeft in de gemeente Workum gunstig gewerkt, In den laat-sten tijd is daarop nauwlettend toegezien door den nieuwbenoemden rijksveldwachter.'' Tegenover deze gunstige berichten staan echter tal van klachten over gestadige straffeloos gepleegde overtredingen der wet, over bedriegelijke opgaven der ouders omtrent den leeftjjd der kinderen, over hot ontbreken van elk bijzonder toezicht op de handhaving der wettelijke bepalingen (2). Dit is zeker, dat het toezicht der politie op de naleving der wet niet overal op dezelfde wijze plaats heeft. Van de gemeente Groningen wordt bijv. bericht, dat het toezicht daar zeer gestreng is, dat do fabrieken en werkplaatsen gedurig op ongeregelde tijdstippen bezocht worden, dat de politie van de ouderwijzers kennis ontvangt van het verlaten der school door kinderen beneden twaalf jaren â hetgeen meermalen tot het voorkomen of con-stateeren van overtredingen leidt â en dat de werkgevers zich bij twijfel omtrent don leeftijd van kinderen, wier diensten hun worden aangeboden, geboorte-extracten doen overleggen. Daarentegen wordt uit Amsterdam, ook door ambtenaren der politie zelve, getuigd dat op de naleving der wet op den kinderarbeid door de politie geen speciaal toezicht gehouden wordt, terwijl er ook geen geregelde samenwerking tusschen de politie en de onderwijzers plaats vindt. Eveneens ontbreekt te Maastricht oen bijzonder politie toezicht ten deze. Opmerking verdient, dat uit die gemeente en andere binnen het ressort van het gerechtshof te 's Hertogenbosch gelegen plaatsen op het bezwaar gewezen wordt, dat de ambtenaren der politie wettelijk geen vrijen toegang hebben tot fabrie- (1) 1916, 3739, 3742, 5103, 571«, .-969, 6079, 0U1, 6143. 6366, 6348, 6331, 8266, 10018, 10195,10240, 10426. (2) 376, 832, 3096,2883â2387,3118,3133, 4594, 4625, 4630, 4731, 6245. |
69
|
ken en werkplaatsen (1). Te Tilburg worden, naar verklaard wordt, in de fabrieken geenekiuderen beneden twaalfjarigen leeftijd aangenomen, zoodat de politie zich kan bepalen tot het doen van opnemingen in steenbakkerijen, met-selaarswerkplaatsen enz., die soms tot het doen van bekeuringen aanleiding geven (2). Het is de vraag of bij de klachten, dat de vret op den kinderarbeid in vele gevallen eene doode letter blijft, wel altijd voldoende onderscheiden wordt 1tusschen strafbare overtreding en niet-strafbare ontduiking. Tegenover de laatste is ook het strengste toezicht machteloos: alleen betere omschrijving van het verboden feit of van de uitzonderingen op het verbod kan hier baten. Doch met dat al is, ondanks den ern-stigen wil van de hoofden der politie om de wet streng te handhaven, de mogelijkheid niet uitgesloten dat hier en daar, bij een voor de plaatselijke omstandigheden te beperkt politie-per-soneol, dat met andere werkzaamheden te zeer overladen is om dit deel zijner taak geheel naar eisch te vervullen, inderdaad straffeloos overtredingen begaan worden. Daarom verdient het aanbeveling, de fakrieksinspecteurs ook te belasten met het houden van toezicht op de naleving der wettelijke bepalingen betreffende den arbeid. Natuurlijk zal dit toezicht alleen tot aanvulling, in geeneu deele tot vervanging van datgene, hetwelk thans door de politie wordt uitgeoefend, kunnen dienen. Eenige weinige inspecteurs zullen toch in de verste verte niet bij machte zijn na te gaan, in hoever bij eenige der talrijke ondernemingen in het geheele land verboden misbruik van kinderarbeid voorkomt. De ambtenaren der politie zullen de naleving der bestaande voorschriften moeten blijven verzekeren. Maar zij zullen deze hunne taak zien vergemakkelijken door de hun van de zijde der fabrieksinspecteurs toekomende wenken Bij geregeld bezoek van fabrieken en werkplaatsen zal het aan de inspecteurs toch niet verborgen blijven, waar verkeerdheden schuilen of althans tot buitengewoon nauwlettend toezien aanleiding bestaat. |
Voorzeker zullen de inspecteurs bij de vervulling van dit gedeelte hunner taak, waarvan het belang zal toenemen naarmate de wetgeving op dit gebied verder uitgebreid en meer gedetailleerd wordt, bijzonderen tact behoeven. Maar deze hoog te waardeeren eigenschap is in het algemeen eene volstrekt onmisbare voorwaarde voor de behoorlijke waarneming van hun gewichtig ambt. § 9. Toepassing der wet op degt;i kinderarbeid. Hare redactie. Werking van art. 82 der ivet op het lager onderwijs. â Tot richtige beoordeeling van de werking der wet van 19 September 1874 {Staatsblad no. 130) is het niet alleen noodig te weten, in hoever het aan de ambtenaren van justitie en politie gelukt is de overtredingen van het daarbij vastgesteld verbod tot enkele exceptio-neele gevallen terug te brengen, maar is daarnevens onmisbaar de kennis der rechtspraak, waartoe de geconstateerde overtredingen leidden. Zooals reeds vermeld werd, heeft de Commissie gemeend, ten deze de voorlichting te moeten inroepen van de pro-cureurs-generaal bij den Hoogen Raad en bij de gerechtshoven. Na kennisneming en bestudeering van de rapporten, die de meesten dezer hooggeplaatste ambtenaren haar wel hebben willen doen toekomen, kan zij het volgende als hare bevinding mededeelen Gelijk veelal, openbaarde zich ook hier aanvankelijk bij de toepassing dei-strafbepalingen verschil van inzicht tusschen onderscheidene rechters en rechtscolleges. Dit kan te minder bevreemding wekken, daar eensdeels de rechter zich op een hem geheel nieuw gebied te bewegen had, en anderdeels de wet zich bediende en moest bedienen van alge-meene uitdrukkingen, welke de rechter op zeer uiteenloopende maatschappelijke toestanden had toe te passen. Allengs heeft zich echter over de verschillende artikelen der wet eene jurisprudentie gevormd, waarbij op de meeste punten zoo niet eenstemmigheid, dan toch genoegzame overeenstemming verkregen werd. Art. 1. Enkele malen is door den |
1
249, 371. «25, 4633 â4643, 5970, 6370â 6372. (2) 10190â10192.
70
|
rechter aangenomen, dat voor de strafbaarheid ingevolge dit artikel een bur-gerrechtelijk contract van huur van diensten zoude worden gevorderd, waaruit de dienstbetrekking tusschen den meester en den bediende zou ontstaan. Doch de juistere opvatting behield de overhand, - dat de woorden »in dienst te nemen of in dienst te hebbenquot; geene juridische qualificatie bevatten, maar een bloot feitelijken toestand aanduiden, die ontstaat zoodra een kind te werk is gesteld en diensten praesteert in eenig bedrijf. «Die woordenquot;, zeide de advocaat-ge-neraal Van Maanen in zijne conclusie, voorafgegaan aan 's Hoogen Raads arrest van 6 October 1879 (1), «duiden zoo krachtig mogelijk aan, dat het ongeoorloofd is, behoudens de uitzondering in art. 2 vermeld, een kind feitelijk werkzaamheden te doen verrichten ten behoeve van den werkgever; waar het feit vaststaat dat het kind te werk is gesteld ten behoeve van eens anders bedrijf, is het geheel onverschillig of daarvoor loon wordt betaald en of er een contract van huur van diensten bestaat. Deze gewone en natuurlijke opvatting van de woorden van het artikel stemt overeen met de bedoeling van den wetgeverquot;. De meening van sommige kantonrechters, als zou het betalen van loon een noodzakelijk ver-eischte voor de strafbaarheid wezen, vond dan ook verder geen ingang. Bij vonnis van 1 Juli -1875 (-2) oordeelde do kantonrechter te 's Graven-hage, dat art. 1 niet overtreden wordt door den directeur, wanneer een acteur zjjn negenjarig dochtertje, geen deel uitmakende van den troep en daarvoor geene belooning genietende, Iaat medespelen in een stuk, met het doel om de opvoering van dat stuk mogeljjk te maken en tevens om het dramatisch talent van het kind te ontwikkelen, zonder dat haar dit vermoeit, noch in het schoolgaan hinderlijk is. Dit vonnis staat echter op zich zelf. De rechtbank te Amsterdam besliste (zaak Oscar Carré) dat het, blijkens de gehouden beraadslagingen, de bedoeling van den wetgever mede is geweebt, om door het (1) Ned. Rechtspraak, CXXII, 29. (2) Weekblad van het Recht no. 3861. |
maken van strafbepalingen kunstver-tooningen met kinderen tegen te gaan, en herhaaldelijk is ook elders de wet in dien zin toegepast. Nog b|j vonnis van 17 September 1886 werd door den kantonrechter te Druten als overtreding van art. 1 aangemerkt de daad van den vader, die, in de uitoefening van zijn bedrijf als rondreizend goochelaar en kunstenmaker, met zijn driejarig dochtertje gymnastische toeren verrichtte. Art. '2. De uitzondering op het algemeen verbod van kinderarbeid, vervat in de woorden ^huiselijke en persoonlijke dienstenquot;, gaf tot uiteenloopende beslissingen aanleiding. De procureur-generaal bij het gerechtshof te Leeuwarden zegt daaromtrent o. a. hot volgende : «Aanvankelijk openbaarde zich de neiging om aan huiselijke en persoonlijke diensten een vrij uitgebreide beteekenis te geven ; onder de eerstgenoemde wilde men ook rangschikken de diensten â buiten veldarbeid â dooide ouders aan hunne kinderen opgedragen ten behoeve van hun bedrijf, ja zelfs ten behoeve van het bedrijf van anderen, voor wie zij zelve werk verrichtten, wanneer die diensten slechts in de woning hunner ouders of verzorgers werden gepraesteerd; en evenzoo werd het medenemen door den vader van zijn kind naar de plaats â elders dan naar het veld â waar hjj zijn bedrijf, hetzij voor zich zeiven, hetzij voor een ander verrichtte, en het in het werk stellen van het kind aldaar, aangemerkt als een persoonlijke dienst door dat kind bewezen. Enkele rechterlijke uitspraken werden in dezen geest gewezen, doch deze werden veelal in hooger beroep vernietigd, zoodat mag worden aangenomen dat de woorden «huiselijke en persoonlijke dienstenquot; in het algemeen in engeren zin worden geïnterpreteerd ; dat onder eerstbedoelde meer bepaald diensten ten behoeve der huishouding en van het gezin, en onder laatstbedoelde alleen de zuiver persoonlijke werkzaamheden, het doen van boodschappen, het tijdelijk verleenen van hulp voor eenig werk en dergelijke verrichtingen van meer voorbijgaanden aard begrepen worden. Niettemin heeft ontduiking der wet in deze opzichten door de ouders menigwerf plaats. |
71
|
met name bjj de bereiding van het vlas, door dezen arbeid, bun door landbouwers of kooplieden opgedragen, niet in de werkplaatsen maar in hunne eigene woningen door hunne kinderen te doen verrichtenquot;. Is het doen van boodschappen, ook tegen vast weekloon, naar de algemeene opvattting in de jurisprudentie geen verboden kinderarbeid, de kantonrechter te Zuidbroek bleek van eene andere mee-ning, door bij vonnis van 7 Januari -1880 zoodanig werk niet onder de persoonljjke diensten te rangschikken, maar hem, die de boodschappen door een kind beneden de 1'2 jaren had laten doen, strafbaar te achten volgens art. 1 der wet. Aangaande het begrip van «veldarbeidquot; heeft de Hooge Raad uitspraak gedaan en bij arrest van 20 October quot;1879 (I) overwogen: »dat onder veldarbeid in ruimeren zin worden verstaan alle verrichtingen op het veld, welke tot landbouw of veeteelt in betrekking staan, en dat, blijkens de gewisselde stukken en gevoerde beraadslagingen, de wetgever dit woord in dien ruimeren zin heeft gebezigd en daaronder met name ook het hoeden van vee heeft willen begrijpenquot;. Sedert is de jurisprudentie in dien zin algemeen gevestigd. Art. 3. Deze bepaling, die de regeling bevat der aansprakelijkheid voor de overtreding van het verbod van kinderarbeid, gaf tot vele, zeer afwijkende rechterlijke uitspraken aanleiding. Aansprakeljjk worden gesteld de hoofden en bestuurders der ondernemingen, en hieruit is, in vei band met art. 1, door onderscheidene lechtbanken en kantongerechten afgeleid, dat de strafbepaling in geen geval toepasselijk is op ouders, die door hunne jeugdige kinderen arbeid doen verrichten. Oe arbeid door het kind verricht â zoo overwoog men â is geschied ingevolge het bevel van den vader, krachtens de vaderlijke macht, en daardoor is geene dienstbetrekking tusschen het kind en wien ook ontstaan. Bjj andere rechterlijke uitspraken werd daarentegen aangenomen, dat de betrekking van vader tot kind de strafbaarheid van het in dienst stellen van en diensten laten (1) Ned, Rvclitspraak, C-XXII1, 92. |
praesteeren door het kind geenszins opheft, en werd eene veroordeeling tegen den vader uitgesproken. Door den kantonrechter te Groningen werd bij vonnis van '2 April 1885 beslist dat ouders, die hun negenjarig zoontje doosjes lucifers, waarmede zij hem ten verkoop hadden uitgezonden, hadden laten venten langs de huizen, geen strafbaar feit hebben gepleegd. De rechter toch oordeelde, dat art.1 in verband met art. 3 strafbaar stelt het in dienst nemen of bobben van een kind, beneden 12 jaren bij eene of andere onderneminrj, m. a. w. in do uitoefening van een of ander bedrijf; dat nu hier geen bedrijf of onderneming, ten behoeve waarvan de dienst van het kind gebruikt wordt, aanwezig is, en derhalve ook geen strafbaar hoofd of bestuurder eener onderneming, maar â zij het dan ook op last van een ander â het kind een eigen, op zich zelf staand bedrijf, het venten van goederen bij de huizen, uitoefent. De meeste moeilijkheid voor de handhaving van het verbod van kinderarbeid levert de tweede zinsnede van het artikel, houdende, dat indien de indienstneming buiten weten van de hoofden of bestuurders der ondernemingen heeft plaats gehad en indien zij bewijzen, dat zij de overtreding onmiddellijk na daarvan kennis te hebben bekomen,hebben doen ophouden, dan aansprakelijk gesteld wordt degene die het kind in dienst heeft genomen. Hoofden en bestuurders vooral van eenigszins uitgebreide ondernemingen slaagden er vaak in, den rechter aannemeljjk te maken dat de indienstneming van eenig kind ten behoeve van een of ander onderdeel van hun bedrijf buiten hun weten had plaats gehad, terwijl bij arrest van den lloogen Raad van 1 November 1875 is beslist, dat de aansprakelijkheid van hen, die zonder hoofden of bestuurders van ondernemingen te zijn het kind in dienst hebben genomen, eerst dan plaats vindt en deze alzoo eerst dan strafbaar zijn, 1° wanneer de indienstneming is geschied buiten weten van de bij het eerste lid aansprakelijk gestelden, 2U zoo deze laatsten bewijzen dat zjj de overtreding, onmiddelljjk na verkregen kennis daarvan, hebben doen ophouden. De onzekerheid, wie in elk bijzonder geval voor |
72
|
het in dienst nemen of in dienst hebben aansprakelijk was, heeft volgens de bij de Commissie ingekomen verslagen der procureurs generaal ten gevolge gehad, dat eenerzijds in onderscheiden gevallen geen strafvervolging ia ingesteld op grond van gemis van het noo-dige bewijsmateriaal, en anderzijds in sommige vonnissen als hoofden of bestuurders der onderneming werden beschouwd personen, die bezwaarlijk als. zoodanig konden worden aangemerkt en in elk geval nog een ander hoofd boven zich hadden. Art. 4. Bij onderscheidene vonnissen is degene, die schuldig was bevonden aan hot in dienst hebben van meer dan één kind beneden den 12jarigen leeftijd, toch slechts tot ééne enkele geldboete veroordeeld, zoo op grond van het meervoud «kinderenquot; in art. 1 der wet, als omdat â gelijk de kantonrechter te Sittard zich uitdrukte â nhet op hetzelfde tijdstip in dienst hebben van meerdere kinderen eene onsplitsbare handeling oplevert en slechts als ééne enkele overtreding is aan te merken.quot; Bij andere werden zoovele boeten opgelegd als de veroordeelde kinderen beneden 12 jaren in dienst had. Deze leer vond o. a. steun bij de arrondissementsrechtbanken te Amsterdam en te Tiel, welk laatste rechtscollege overwoog, dat de wet de bescherming van elk kind beneden den bepaalden leeftijd ten doel heeft, en dat hieruit voortvloeit dat de overtreding wordt begaan ten aanzien van elk kind, hetwelk men in dienst neemt of heeft. De Commissie heeft zich de vraag gesteld, of op het standpunt, door den wetgever van 1874 ingenomen, herziening der wet blijkens de ervaring noo-dig is, m. a. w. of de bezwaren, ondervonden bij hare toepassing, de rechtsvragen waartoe hare redactie leidde en de rechterlijke beslissingen op haar gebouwd, ook zelfs hem tot wetsverandering moeten nopen, die zich in den grond der zaak bij hare beginselen en hare beperkende bepalingen wenscht te blijven bepalen. Naar het eenparig oordeel der Commissie moet het antwoord toestemmend zijn, en zij hecht er te meer waarde aan, dit oordeel te motiveeren en de |
reeds van dat standpunt haars inziens gewenachte verbeteringen aan te geven, daar een en ander behoort overwogen te worden ook wanneer men aan de wet eeno ruime uitbreiding zal willen geven. Men lette achtereenvolgens op het , strafbare feit, de daders, de straf en de opsporing. Het strafbare feil Hierboven is aangegeven, welk verschil van inzicht de woorden »in dienst te nemen of in dienst te hebbenquot; van art. 1 in verband met het begrip van «ondernemingquot; volgens art. 3 hebben veroorzaakt. Het aanwezig z|jn althans van eene zekere dienstbetrekking, van een band die den jeugdigen arbeider voor bepaalde verrichtingen aan den werkgever bindt, werd vaak noodzakelijk geacht, en juist het bestaan van dien band is niet zelden onbewijsbaar. «Gewoonlijk tochquot; â â zoo schrijft een ambtenaar van het openbaar ministerie â «wordt een op zich zelf staand feit geconstateerd, en weet de verbalisant niets anders dan dat hij het kind op zekeren dag in eene werkplaats eenigen arbeid heeft zien verrichten; wordt nu een nader onderzoek ingesteld, dan wordt meestal ontkend, dat het kind in dienst was, en de verklaringen voor het feit, dat het toch aan den arbeid bevonden is, zijn legio, terwijl de mede aldaar gewerkt hebbende personen, die als getuigen worden gehoord, doorgaans niets weten, althans opgeven niets te weten van de verhouding tus-schen den patroon en het kind. Alleen als de patroon volledig gelieft te bekennen. kan eene veroordeeling worden verkregen, en dit is veelal in de on schuldigste gevallen, waarbij de wet uit onbekendheid met dezelve overtreden is.quot; Tot wegneming van dit euvel stelle de wet strafbaar, niet het in dienst nemen of in dienst hebben, maar datgene waarop het eigenlijk aankomt, nl. het laten arbeiden van het kind. Die weg is reeds ingeslagen in de ontwerpen-Modderman en Du Tour. De wet heeft dan nader to omschrijven wat zjj onder verboden arbeid verstaat, en te beproeven eene uitdrukking te vinden, die minder verschil van opvatting geeft dan het «huiselijke en persoonlijke dienstenquot; van art. 2 der tegenwoordisre wet. De term «huishoudelijke diensten ' is daartoe |
73
|
in beide wetsontwerpen gebezigd, maar verschillend omschreven, waaruit reeds blijkt dat die term op zich zelf, zonder nadere bepaling, ongenoegzaam is. In elk geval waohte men zich voor eene redactie geljjk in laatstbedoeld wetsontwerp voorkomt, waarbij «huishoudelijke dienstenquot; worden genoemd «die werkzaamheden welko in een huishouden, buiten eenig bedrijf kunnen voorkomenquot;, terwijl onmiddellijk daarop volgt: »huishoudelijke diensten, door kinderen verricht in of voor eenig bedrijf ten behoeve van hunne ouders of van hen bij wie zij inwonen, worden niet als arbeid in den zin dezer wet aangemerkt.quot; De daders. Behoud van art. 3 dei-wet is noodig noch wenschelijk. De aanbevolen juister en ruimer omschrij ving van het strafbare feit gedoogt niet langer, dat de strafbaarheid afhange van de bekendheid met de daad der «indienstnemingquot;, waarvan het bewijs niet meer wordt gevorderd. Ook kan de strafbaarheid niet beperkt zijn tot ^hoofden of bestuurders eener ondernemingquot;, waar het bestaan van eene ondernemingquot; geen element der overtreding uitmaakt Vervalt art. 3, dan vervallen ook vele practische moeilijkheden bij de toepassing der wet en wordt eene vruchtbare bron van wetsontduiking gesloten. Is het noodig daarvoor iets anders in de plaats te stellen? Is het noodig de mogelijke daders der overtreding in de wet aan te wijzen, en daardoor de toepassing der wet te beperken tot de personen, die eene bepaalde in de wet genoemde hoedanigheid bezitten ? Het valt te betwijfelen. Het ontwerp-Modderman noemde werkgevers en hoofden van gezinnen of gestichten (art. 21). Het ontwerp-üu Tourjioemt terecht de werkgevers niet meer, en stelt in 't algemeen strafbaar ieder die do bepalingen der wet overtreedt (art. 7); doch daarnaast noemt dat ontwerp nog afzonderlijk en stelt het strafbaar met dezelfde straffen het hoofd van het gezin waarbij, of van het gesticht waarin een kind inwoont, die dat kind aaneen ander afstaat of overlaat, wetende dat het tot het verrichten van arbeid in strijd met de wet zal worden gebruikt (art. 8). Ten onrechte. De hoedanigheid van ouders, van hoofden van gezinnen, behoort in deze evenmin een oorzaak te wezen van speciale strafbaarheid, als een vrijbrief van straffeloosheid. |
Inzonderheid houde men in het oog, dat thans . in tegenstelling van 1874, het onderwerp beheerscht wordt door de regelen omtrent deelneming aan strafbare feiten, nedergelegd in den vijfden titel van het eerste strafwetboek, welko bepalingen, krachtens art. 91 van dat wetboek, ook toepasselijk zijn op feiten, waarop bij andere wetten straf is gesteld, tenzij de wet anders bepaalt. Nu noemt art. 47 als daders van een strafbaar feit zoowel hen die het feit plegen, doen plegen of medeplegen, als hen die, onder anderen door misbruik van gezag, het feit op-zetteljjk uitlokken. Zoowel dus de auc-tores pli'/sici als de auclores intullectu-ales Alles komt derhalve aan op de omschrijving van het strafbare feit. Kiest men daarvoor de boven aanbevolen, ruime uitdrukking: het laten arbeiden van een kind, dan zullen zoowel werkgevers als hoofden van gezinnen of gestichten, voogden en verzorgers naai omstandigheden als daders kunnen worden aangemerkt en gestraft, zonder dat daarvoor eene speciale, van het gemeene recht afwijkende straf bepaling wordt vereischt. Met de speciale bepaling omtrent daders kan tevens de speciale uitzondering van straffeloosheid vervallen. Opmerking verdient dan ook, dat in het door do Staatscommissie ingediende wetsontwerp van een wetboek van strafrecht, dat een veel vollediger condificatle der overtredingen inhield dan het thans vigeerend strafwetboek, en dat in art. 375 de wet van 1874 teruggaf, art. 3 dier wet niet is overgenomen, omdat â gelijk de Memorie van Toelichting zeide â »er geene reden bestaat ten aanzien van deze overtreding af te wijken van de algemeene regelen betreffende verantwoordelijkheid wegens en deelneming aan strafbare feitenquot;. De straf'. He wet van 1874 kent geldboete en gevangenisstraf, het ontwerp-Du Tour de laatste alleen recidive binnen twee jaren (art. 7). Het komt raadzaam voor, in aansluiting aan de bestaande wet en aan het ontwerp-Mod- |
74
|
dennan (art. 23;, den rechter in de mogelijkheid te stellen om ook buiten het geval van herhaling binnen twee jaren eene korte hechtenis te kunnen opleggen. Dat de straf is op te leggen voor elk kind afzonderlijk, dat de schuldige heeft doen arbeiden, zal bij eeno richtige woordenkeus, in verband met art. 62 van het strafwetboek, wel niet twijfelachtig zijn. Tevens schijnt een voorschrift in den geest van art. 22 van het ontwerp-Modderman. waardoor de uitvluchten zouden worden afgesneden, die thans somtijds tegenover de politie beproefd worden en waarover sommige ambtenaren der politie en der marechaussee zich beklagen, wel overweging te verdienen. De opsporing. In de rapporten van onderscheidene ambtenaren van het openbaar ministerie aan do Commissie wordt gewezen op de moeilijkheid van het constateeren van overtredingen der wet in fabrieken en werkplaatsen, zoolang geene uitdrukkelijke wetsbepaling de politie bevoegd verklaart die lokalen ook tegen den wil der eigenaars binnen te treden. Eene bepaling als van art. 25 der drankwet (verg. artt 9â11 ontwerp-Du Tour), wordt ter navolging aanbevolen. De Commissie vereenigt zich met dit gevoelen en is van oordeel, dat daardoor eene wezenlijke leemte zal worden aangevuld. Wat betreft de werking van art. 82 der wet van 17 Augustus 1878 (Slaals-blad n0. 127;, kan de Commissie kort zijn. |
Door de zorg van den Minister van Staat en van Binnenlandscbe Zaken ontving zij een exemplaar van elke der plaatselijke verordeningen, krachtens dat artikel vastgesteld, benevens een uittreksel uit de verslagen der inspecteurs van het lager onderwijs over 1885 betreffende dat onderwerp. In hoeveel gemeenten van elke provinciö dergelijke verordeningen gelden, ia uit de jaarljjk-sche verslagen van den staat der hooge-, middelbare en lagere scholen bekend. Omtrent de werking dier verordeningen bevatten de mededeelingen der ambtenaren voor het schooltoezicht .en de rapporten der procureurs-generaal bij de gerechtshoven verschillende bijzonderheden. De Commissie kon echter nog slechts zeer enkele getuigen hooren, met ervaring in dit opzicht toegerust. Ofschoon hier niet onvermeld mag blijven, dat somtijds over slordige redactie der bestaande plaatselijke verordeningen geklaagd wordt, geeft haar inhoud der Commissie weinig of geen stof tot opmerkingen. Vele daarvan bepalen zich tot het verbieden van zekere soorten van arbeid aan kinderen beneden twaalf jaren gedurende de in de gemeente gestelde schooluren. In een deel der bedoelde verordeningen wordt alleen het verrichten van tuin- of veldarbeid verboden, met inbegrip van het hoeden of drijven van vee, zooals er in den regel wordt bijgevoegd. Een ander deel breidt het verbod ook uit tot huisarbeid of persoonlijke diensten. Hetgeen de Commissie aangaande de naleving der bedoelde verordeningen vernam, bevestigt in allen deele wat daaromtrent in de onderwijsverslagen bij herhaling werd medegedeeld, in het jongste nog weder in deze woorden: «Zeldzaam waren de gevallen, waarin aan die verordeningen naar behooren do hand werd gehouden. Van haren invloed op het schoolbezoek was dan ook weinig te bespeuren. Vele gemeentebesturen deinzen terug voor de moeilijkheden, aan een flink optreden ten deze verbonden.quot; Wel wordt uit zeer enkele gemeenten bericht, dat aan de verordeningen, krachtens art. 82 der wet op het lager onderwijs vastgesteld, de hand gehouden wordt. Doch van de overgroote meerderheid dier verordeningen wordt getuigd, dat zij niet behoorlijk worden nageleefd, en wel om dezelfde redenen, die de meeste gemeenteraden weerhouden hebben van hunne bevoegdheid ten deze gebruik te maken. Die redenen zijn volgens een der gehoorde getuigen, oudburgemeester van Hendrik Ido-Ambacht, voor zijne streek tweeledig: gt;4°. omdat de vlasboeren in de betrokken gemeente daardoor van ongunstiger conditie zouden worden dan hunne collega's in omliggende gemeenten ; «Squot;. omdat ze geen doel zouden treffen, daar de kinderen in omliggende |
75
|
gemeenten zouden gaan werken, waar dergelijke verordening niet bestaat.quot; Hiermede strookt geheel hetgeen onder anderen de burgemeester van Neede rapporteert, «dat daar waar verbodsbepalingen bestaan, als bedoeld bij art. 82 der gewijzigde wet van 17 Augustus 1878 {Staatsblad n0. 127), deze niet kunnen beletten dat ouders hunne kinderen, die den twaalfjarigen leeftijd nog niet bereikt hebben, tegen het genot van kost en inwoning verhuren bij ingezetenen van gemeenten, waar bepalingen als boven bedoeld niet zijn vastgesteld.quot; De procureur-generaal bij het gerechtshof te Leeuwarden verklaart de gebrekkige handhaving der bestaande plaatselijke verordeningen uit »de volksovertuiging, die ook wel eens tot de beambten, met het toezicht belast, schijnt te zijn doorgedrongen, dat in het overtreden van die verbodsbepalingen, wanneer de nood daartoe drong, geen zoo groot kwaad gelegen was.quot; En de schoolopziener in het district Tilburg noemt de verordeningen, ingevolge eene circulaire van Gedeputeerde Staten van Noordbrabant en van eene aanschrijving van het schooltoezicht in 15 gemeenten van dat district tot stand gekomen, rondweg «eene mystificatie; ze werden eenvoudig op het papier gebracht om Gedeputeerde Staten en ons te believen ; ik geloof niet dat de uitvoering ooit in de bedoeling heeft geleden.quot; Het is dan ook alleszins verklaarbaar dat die deskundigen en getuigen, die een verbod van veldarbeid voor kinderen beneden zekeren leeftijd geraden achten, met art. 82 der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad n0. 127) niet tevreden zijn, maar op rechtstreeksche tusschonkomst van den Rijkswetgever ten deze aandringen (1). § 10. Uitbreiding van het verbod om kinderen te laten arbeiden in het algemeen. â Nu het onderzoek, door de Commissie ingesteld, tot haar groot leedwezen onvoltooid is moeten blijven, kan zij vooralsnog niet adviseeren tot eene zoodanige uitbreiding der bescherming, bij de wet van 19 September 1874 Staats- (1) i735, 9540, 9602, 10337â10353, 10442â 10446. |
blad nquot;. 130) aan kinderen verleend, als bij de ontwerpen-Modderman en Du Tour werd voorgesteld. Wat den veldarbeid betreft, is de Commissie eenstemmig van oordeel, dat daaromtrent op dit oogenblik harerzijds geenerlei voorziening in overweging kan worden gegeven, omdat dit onderwerp bij de gehouden enquête nagenoeg geheel is moeten blijven rusten. Ernstig heeft zjj de vraag overwogen, in hoever de verzamelde feiten aanleiding konden geven om, behoudens de bestaande uitzonderingen, het verbod om kinderen te laten arbeiden in het algemeen tot den leeftijd van dertien .jaren uit te breiden. In dit opzicht is zjj niet tot eenstemmigheid kunnen geraken. Hare meerderheid meent aangaande deze verhooging van den leeftijd, waarop met den industrieelen arbeid kan worden begonnen, bij gebreken van voldoende gegevens thans nog een 7ion lu/uet te moeten uitspreken. Daarentegen is hare minderheid van gevoelen, dat er reeds nu alleszins termen zouden zijn om tot deze uitbreiding der geldende verboda-bepaling over te gaan. De meening der meerderheid berust op de volgende gronden : Tot dusver heeft de Commissie nog slechts een betrekkelijk gering deel der nationale nijverheid meer bepaaldelijk onderzocht. Omtrent onderscbeidene takken van nijverheid zijn nog geene feiten verzameld. Het is zeer wel mogelijk, dat daaronder juist zoodanige bedrijven voor- * komen, waarbij arbeid van twaalfjarige kinderen van veel beteekenis is; men denke o. a. aan steenbakkerijen, lijnbanen, enz. Ook eene bescheiden verhooging van den leeftijd, waarbeneden do arbeid verboden is, zou derhalve nader kunnen blijken, een onberaden stap geweest te zijn. En hieraan kan niet wel tegemoetgekomen worden door het ver-leenen van veelvuldige dispensation; immers eene regeling, waarbij de uitzonderingen den regel in aantal overtreffen, kan bezwaarljjk als een model van goede wetgeving beschouwd worden. Alet betrekking tot Amsterdam is het onderzoek onvoltooid gebleven. Onderzocht zijn, voor zooveel dit voor het beoogde doel noodig scheen, de Maas-trichtsche en verdere Limburgsche en |
76
|
de Tilburgsche nijverheid, benevens in hoofdzaak de vlasindustrie. Omtrent Twen the, de Groninger veenkoloniën en Leiden is het onderzoek in meerdere of mindere mate voorbereid. Voorhetoverige gedeelte des lands bezit de Commissie slechts verspreide mededeelingen. Wat Maastricht en Limburg betreft, kon het verbod om kinderen te doen arbeiden inderdaad gerustelijk tot den dertien jarigen leeftijd worden uitgebreid. Doch ten aanzien van Amsterdam ontbreekt het aan gegevens, volledig genoeg om nu reeds tot datzelfde besluit te komen. Omtrent de vlasindustrie wordt wel is waar de meening geuit, dat men met het verbod tot het dertiende jaar zou kunnen gaan; maar toch is hier voorzichtigheid geraden, omdat de vlasbereiding nauw samenhangt met de vlasteelt, een onderdeel van den landbouw, en omdat zij »eene zwakke plant is, die bij verzwarende conditiën geheel te gronde moet gaanquot; (1). Voor Tilburg en Twenthe eindelijk bestaan tegen de bedoelde verhooging van leeftijd ernstige bezwaren. In het doorwrocht rapport van de kamer van koophandel en fabrieken to Hengelo wordt de meening ontwikkeld, dat verbod van arbeid vóór het 14de levensjaar, mits met niet te snel werkende overgangsbepalingen, voor de ijzerindu-strio en de ambachtsnijverheid gewenscht en ook in het belang der kinderen, doch .voor de textiel-industrie bedenkelijk zou zijn. Werkelijk zou uitbreiding van het verbod bij spinnerijen en weverijen schadelijk werken, echter niet zoozeer voor de industrieelen als voor de kindoren zelf en voor de gezinnen waartoe zij behooren. |
Door de gehouden getuigenverhooren is afdoende bewezen dat het zoogenaamde draadmaken en kaardenkloppen, waartoe kinderen in de Tilburgsche wolindustrie gebezigd worden, een zeer licht â werk is, dat op hun gezondheidstoestand geenerlei nadeeligen invloed uitoefent ('2). Doch juist omdat dio arbeid zoo onbeduidend is, kan er niet eerst op meer gevorderden leeftijd mede begonnen worden (1), terwijl kinderarbeid in het algemeen bij dezen tak van nijverheid moeilijk kan gemist worden (2). Door uitbreiding van het verbod zal men de kinderen eenvouding naar de huisindustrie drijven; ook bij het strengste toezicht zal dit moeilijk kunnen worden tegengegaan. Tehuis zullen zij in minder goede vertrekken arbeiden dan in de tabrieken en zonder geregelde vergoeding. De vraag schijnt gewettigd, waarom eene geenszins nadeelige industrie, gelijk de hier bedoelde, zooveel meer beperkt moet worden dan de veldarbeid, waaromtrent vooralsnog tot geen verbodsbepalingen kan worden geadviseerd. Hetgeen voor Tilburg geldt, dat uitbreiding van het verbod den kinderarbeid niet opheffen, maar slechts verplaatsen zou, is ook meer in het algemeen waar. Zoo is er reden om te vermoeden dat de wet van 19 September 1874 {Staatsblad n0. 130) in de tabaks- en sigarenindustrie te Kampen en elders â waartoe het onderzoek zich intussclien nog niet heeft uitgestrekt â don huisarbeid heeft doen toenemen (3). Ook in Twenthe zou uitbreiding van het verbod tot den dertienjarigen leeftijd slechts tot verwarring in de nijverheid en tot bittere ellende voor de arbeidersgezinnen leiden. In die gezinnen moet door de ouders op de werkkracht dei-kinderen worden gerekend, en begint eerst zekere welvaart te heorschen, wanneer do kinderen loon gaan verdienen. Die verhoogde welvaart komt ook ten bate der kinderen, aan wier ontwikkeling het volstrekt niet schaadt, dat zij op hun twaalfde jaar in welinggerichte fa-briekslokalen beginnen te arbeiden, terwijl die arbeid door voortgezet onderwijs wordt afgewisseld. Dat verhooging van den leeftijd, waarop met den industrieelen arbeid een begin wordt gemaakt, de loonen van oudere kinderen zal doen stijgen, is voor Twenthe stellig onjuist. üe schriftelijke mededeelingen, uit die industrieele streek ontvangen, luiden dan ook meerendeels ongunstig voor een dergeljjken maatregel. De inspecteur voor het geneeskundig Staatstoezicht aarzelt. De meeste burgemeesters en ka- |
(1) 9584.(2) 10073, 10253, 10479, 10809, 10828, 11167, 11750.
(1) 10S76. (2) 10450. (3) 3118-3129.
77
|
mers van koophandel en fabrieken zijn tegen uitbreiding van het verbod gestemd. En ook de afdeelingen der maatschappij tot Nut van 't Algemeen en der ver-ceniging Volksonderwijs achten over het geheel eene wijziging der wet in dien geest niet gewenscht. Wanneer de werklieden op uitbreiding van het verbod aandringen, zoo is dit voor een deel toe te schrijven aan hunne verwachting, dat daaruit verhooging der loonen van volwassenen zal voortvloeien (1); derhalve aan eene soortgelijke, geenszins onzelfzuchtige beweegreden, als aan de oppositie dor Engelsche trade-unions tegen het gebruik van leerjongens ten grond lag. Voor een ander deel heeft men hierbij te doen met hun streven, om hunne kinderen boven den arbeidersstand te verheffen ; een streven dat, hoe gunstig men er over moge oordeelen, toch niet rechtstreeks door wettelijke maatregelen behoeft te worden bevorderd. Intusschen blijkt uit menige verklaring, dat ook elders dan in Twenthe de gezinnen de opbrengst van den kinderarbeid niet kunnen ontberen (2). En de werklieden zelf zien dit zoo goed in, dat hun wensch naar uitbreiding van het verbod somtijds gepaard gaat met den socialistischen eiscli, dat de ouders van overheidswege eene geldelijke vergoeding zullen ontvangen ten bedrage van het loon, dat de kinderen thans in fabrieken en werkplaatsen verdienen (3). Wat het belang der kinderen zelf betreft, mag als regel worden aangenomen dat een twaalfjarig kind, hetwelk de verschillende klassen der lagere school behoorlijk doorloopen heeft, geschikt is om met industrieelen arbeid te beginnen. Uit de gehouden enquête is althans zeker niet gebleken, dat de lichamelijke ontwikkeling op dien leeftijd voor den arbeid, dien men kinderen pleegt te doen verrichten, onvoldoende zou zijn; eene uitzondering vormt gevaarljjke of schadelijke arbeid, waarover nader. Wel blijkt dat er soorten van arbeid zijn, waarmede het om verschillende redenen raadzaam is, dat een kind vroegtijdig een aanvang make (i). (1) 1100. (2) 4576, 4585â4587, 10481, 11461, 11670, 11794. (3) 1406, 1409, 1410, 1618, 4394. (4; 4607, 8208, 8653. |
Voorzeker zal het meermalen voorkomen, dat twaalfjarige kinderen van gewonen aanleg en ijver geen voldoende vruchten van het genoten onderwijs geplukt hebben, hetzjj ten gevolge van te zeer gevulde klassen of van andere oorzaken. Daaraan zal echter beter door het verstrekken van herhalingsonderwijs, dan door een later begin van den industrieelen arbeid worden tegemoetgekomen. Er is toch geenerlei waarborg dat de tijd, aan den arbeid onttrokken, door de kinderen op de schoolbanken zal worden doorgebracht. Nu reeds kost het den onderwijzers zeer veel moeite, de ouders te bewegen de kinderen tot het twaalfde jaar te laten school gaan. | Hen tot het dertiende jaar op school te houden, zal veelal volstrekt onmogelijk blijken. Zelfs te Tilburg, waar do Katholieke geestelijkheid het schoolverzuim nagenoeg geheel heeft weten te doen ophouden, wanhoopt de pastoor er aan, de kinderen langer dan tot hun ! twaalfde jaar te doen schoolgaan (1). Zelfs al bleven twaalfjarige kinderen uit arbeidersgezinnen de school geregeld bezoeken, dan nog zou er reden bestaan om te vreezen, dat zjj buiten de schooluren bij gebreke van voldoend toezicht niet veel goeds zouden leeren. Maar '.ftnneer zij de school voor goed verlaten. is het zeker dat zij voor een groot deel in hooge mate zullen verwilderen. Velen hunner zullen zich aan straatsljj-perij, de in grensstreken zoo veelvuldige smokkelarij en verder kwaad gaan overgeven (2). Om het belang der bedoelde kinderen werkelijk te bevorderen, zou uitbreiding van het verbod van arbeid moeien samengaan met invoering van leerplicht, waartoe evenwel vooraf het onderwijsvraagstuk op bevredigende wijze zou moeten zijn opgelost. Doch al wil men van dien eisch afzien, in elk geval bezit men vooralsnog geen voldoende gegevens om eene alge-meene verhooging van den leeftijd, voor den aanvang van den industrieelen arbeid bestemd, op deugdelijke gronden te kunnen aanraden. Voor het afwijkend gevoelen der min- (1) 11176, 11179-11181, 11185. (2) 3747, 3756, 10042, 10245, 10483, 10810, 10827, 11795. |
78
|
â¢derheid wordt het volgende aangevoerd: Het is volkomen waar, dat het onvoltooid blijven der enquête de Commissie tot omzichtigheid in het maken van gevolgtrekkingen uit de verzamelde ge- fevens moet nopen. Maar het ware te etreuren, indien zij zich daarom van het uitspreken van eiken wensch tot uitbreiding der thans reeds aan kinderen verleende bescherming onthield en alles aan latere zorg overliet. Reeds in het Voorloopig Verslag over het ontwerp-Du Tour werd door leden, die tegen den inhoud dier voordracht principiëele bedenkingen hadden, de wensch geuit naar bescherming der kinderen tegen winstbejag van ondernemers, o. a. door «beperking van den fabrieksarbeid tot een bepaald aantal uren met vasten rusttijdquot;. Wanneer men toen reeds een maatregel van zoo verre strekking durfde aanraden, zou men dan thans, nu zeer bedenkelijke toestanden aan het licht zijn gekomen, niet kunnen quot;adviseeren om althans aan do ergste misbruiken een einde te maken, waar dit zonder eenig wezenlijk bezwaar voor do industrie kan geschieden ? Van een algemeen verbod om kinderen beneden dertien jaren te laten arbeiden, met bevoegdheid van het uitvoerend gezag omevens moet nopen. Maar het ware te etreuren, indien zij zich daarom van het uitspreken van eiken wensch tot uitbreiding der thans reeds aan kinderen verleende bescherming onthield en alles aan latere zorg overliet. Reeds in het Voorloopig Verslag over het ontwerp-Du Tour werd door leden, die tegen den inhoud dier voordracht principiëele bedenkingen hadden, de wensch geuit naar bescherming der kinderen tegen winstbejag van ondernemers, o. a. door «beperking van den fabrieksarbeid tot een bepaald aantal uren met vasten rusttijdquot;. Wanneer men toen reeds een maatregel van zoo verre strekking durfde aanraden, zou men dan thans, nu zeer bedenkelijke toestanden aan het licht zijn gekomen, niet kunnen quot;adviseeren om althans aan do ergste misbruiken een einde te maken, waar dit zonder eenig wezenlijk bezwaar voor do industrie kan geschieden ? Van een algemeen verbod om kinderen beneden dertien jaren te laten arbeiden, met bevoegdheid van het uitvoerend gezag om daarvan dispensatiën te verleenen, kan toch na het gehouden onderzoek, hoe onvolledig dit geweest zij, moeilijk beweerd â¢worden dat het voor de nijverheid ondraaglijk zou wezen. Die bewering wordt trouwens ten aanzien van Maastricht en Limburg niet gevoerd. Het is wel opmerkelijk dat voor dat gedeelte des lands, dat het grondigst onderzocht is, in uitbreiding van het verbod van arbeid tot den dertienjarigen leeftijd geen bezwaar gezien -wordt. In andere streken treft men ongetwijfeld andere toestanden aan, waarmede rekening moet worden gehouden. Doch ook deze schijnen tot aanbeveling â van den gewenschten maatregel te moeten leiden. Bjj de vlasinduatrie geldt het voornamelijk den arbeid in braakhokken en zwingelketen; maar juist deze is febleken, in het bijzonder voor jonge inderen allernadeeligst te zijn, zoodat er veel voor te zeggen ware om het verbod ten deze nog verder uit te breiden, terwijl de gehoorde vlasboeren tegen de bedoelde vorhooging van leeftijd geenerlei bezwaren hebben ingebracht (1).ebleken, in het bijzonder voor jonge inderen allernadeeligst te zijn, zoodat er veel voor te zeggen ware om het verbod ten deze nog verder uit te breiden, terwijl de gehoorde vlasboeren tegen de bedoelde vorhooging van leeftijd geenerlei bezwaren hebben ingebracht (1). |
Het onderzoek betreffende Amsterdam is niet ten einde gebracht kunnen worden. Maar schier alles, wat uit de hoofdstad aan het licht gekomen is, wijst op de wenschelijkheid van uitbreiding van het verbod van kinderarbeid. De zeer langdurige en vermoeiende werkzaamheden, waartoe kinderen aldaar gebezigd worden, zijn voor hunne lichamelijke ontwikkeling hoogst schadelijk. En juist uit Amsterdam wordt medegedeeld, dat de wet van 19 September i 874 (Staats-blad n0. 130) voet heeft gegeven aau do meening, als zoude nu ook de twaalfjarige leeftijd zijn aangewezen om de school te verlaten en arbeid te gaan verrichten. Verreweg de meeste uit de hoofdstad gehoorde getuigen achten dan ook verhooging van den leeftijd, waar beneden kinderen niet mogen arbeiden, hoogst gewenscht. Die maatregel wordt door onderscheidene Tilburgsche fabrikanten niet raadzaam geacht. Maar diezelfde fabrikanten verklaarden, dat zij slechts weinig twaalfjarige kinderen in dienst hadden en hen eigenlijk liever niet zoo jong aannamen; geschiedde dit toch, zoo was het vooral ter wille der ouders. Voor de nijverheid werd eenige uitbreiding van het verbod geenszins schadelijk geacht. Slechts enkelen voegden er bij, dat het van belang was met het draadmaken vroegtijdig te beginnen (2). In Twenthe schijnen de werkgevers evenmin gunstig voor de bedoelde wijziging der wet op den kinderarbeid gestemd te zijn. Ook tegen het ontwerp-Du Tour kwamen in 1885 uit die streek tal van adressen in. Maar destijds werd door dezelfde kamers van koophandel en fabrieken, die zich thans tegen al-gemeene uitbreiding der aan kinderen verleende bescherming verklaren, erkend dat wel eenige uitbreiding noodig was en den leeftijd gevoeglijk op dertien jaren kon gesteld worden. Dat inderdaad de nijverheid den arbeid van twaalfjarige kinderen zeer wel kan ontberen, blijkt uit tal van onbetwistbare (1) 9747, 9836, 9837. (2) 10039, 10041, 10395, 10401, 10609, 10870, 10939, 11667, 11749. |
79
|
feiten (-1). Met zijn dan ook andere 1gronden dan de oisohen der industrie, ; waarop de gewenschte maatregel voor-â alsnog ontraden wordt. In de eerste plaats wordt gwezen op het belang arbeidersgezinnen, die iet loon der twaalfjarige kinderen bezwaarlijk kunnen missen. Wie echter overtuigd is, dat een later begin van den arbeid tot verbetering van den lichamelijken en geestelijken toestand der kinderen moet strekken, zal aan het nadoel, dat daaruit aanvankelijk en voorbijgaand voor de gezinnen moet voortvloeien, niet te veel gewicht hechten. In elk geval was dit bezwaar met veel moer grond tegen de wet van 19 September 1874 (Staatsblad n0. 130) aan te voeren. Wanneer de veel grootere stap, daarbij gedaan, met goed gevolg is kunnen worden volbracht, dan mag men met reden verwachten, dat ook bij de bescheiden uitbreiding van bescherming, die thans wordt aanbevolen, wel in de behoeften der arbeidersgezinnen zal kunnen worden voorzien. Tevens zie men niet over het hoofd, wat door den evangelist Heynes verklaard wordt; »Er zijn vaders, die werk kunnen krijgen, maar niettemin hunne kinderen naar de fabriek sturen en laten werken, en van de opbrengst daarvan leven' ' (2). In I gezinnen als de hier bedoelde kan het loon der jonge kinderen toch zeker wel ontbeerd worden. Uitbreiding van het bestaande verbod wordt dan ook niet alleen gewenscht door die werklieden, die de hersenschimmige hoop koesteren dat de ouders voor het gemis van het loon hunner kinderen van overheidswege geldelijke vergoeding zullen ontvangen, maar ook door hen, wier verlangens een meer practisch karakter dragen. Mag men er dezen echter wel eene grief van maken, dat zjj in het algemeen van beperking van kinderarbeid eenige stijging van de loonen van volwassenen verwachten? En zou de wetgever zoo verkeerd handelen door hun streven, om hunne kindoren eene betere opleiding te doen deelachtig worden dan zij zelf mochten genieten, zooveel doenlijk in de hand te werken ? |
Ook in die vakken, waarin tot het verkrijgen der vereischte vaardigheid een vroegtjjdig begin van den arbeid gewenscht is, kan het volbrachte dertiende levensjaar veilig worden afgewacht. Althans dit wordt door tal van getuigenissen gestaafd of niet betwist (1). Aan den anderen kant zijn er vele takken van fabrieks- en vooral ook ambachtsnijverheid, waarvoor de lichameljjke ontwikkeling van twaalfjarige kinderen, die bovendien niet altijd evengoed gevoed zijn, over het geheel onvoldoende moet geacht worden (2). Het ware dan ook in ieder opzicht een. zegen voor het volk, indien de mcehing algemeen ingang vond dat het kind althans niet vroeger dan op dertienjarigen leeftijd de school behoort te verlaten, om met den industrieelen arbeid te beginnen. L)e opvoedkundigen zijn het daarover eens, dat bij het gros der twaalfjarige kinderen uit arbeidersgezinnen het onderwjjs nog geen voldoende vruchten gedragen heeft. Dit blijkt onder anderen uit de omstandigheid, dat vele kinderen van dien leeftijd aan de toch waarlijk niet hooge eischen, voor de toelating tot de Twenthsohe fabriekscholen gesteld, niet kunnen beantwoorden, ofschoon de ouders weten dat hunne kinderen bij gebreke daarvan bij de fabrieken niet worden aangenomen. »EeTst op den leeftijd van twaalf jaren of daaromtrentquot; â zoo schrijft de geneeskundige inspecteur voor Over-ijsel en Drenthe â⢠«wordt het kind in staat om hetgeen het tot dusver geleerd heeft in merg en bloed te doen verkee-ren, tot zijn eigendom te maken, â zulk een eigendom, dat het later nooit geheel zal verloren gaan. En nu verlaat het de school juist op het tjjdstip, waarop het beginnen zal van het onderwijs eenig nut te trekken! Daarin ligt naar mijne overtuiging de reden dat, gelijk zoo vaak geklaagd is, het onderwijs van den hier bedoelden stand zoo uiterst geringe vruchten afwerptquot;. Inderdaad, hetgeen een kind op zijn |
1
A 15, 944, 9«, 1100, 1101, 1116, 1119, 3052, 3333â2335, 3003, 4774, 7780, 8372â8274, 8353, 8834, 8899, 9011, 9013, 9581, 90U1, 9643, 9745, 9836, 9863, 10453, 10453, 10008, 10609,
80
|
twaalfde jaar geleerd heeft, is voor het geheele leven niet genoeg; en in het ontbrekende kan door het geven van herhalingsonderwjjs, hoe aanbevelenswaardig dit ook zijn moge, niet voldoende worden voorzien. Men late zich niet van het spoor brengen door de vrees, dat de kinderen na het twaalfde jaar niet op de school te houden zullen zijn, en, uit de fabriek of werkplaats geweerd, zullen verwilderen. Ware dit gevaar werkelijk in hooge mate te duchten, dan zouden de werkgevers reeds daarom alleen liever twaalfjarige dan dertienjarige kinderen in dienst nemen, torwjjl bij de enquête juist het tegendeel gebleken is. Kon men besluiten om den leeftijd, waarbeneden het verboden is kinderen te doen arbeiden, in het algemeen tot dertien jaren te verhoogen, zonder te wachten totdat de staatkundige partijen omtrent de invoering van leerplicht tot eenstemmigheid zullen geraakt zijn, zoo zoude men aan zeer vele kinderen eene weldaad bewijzen, waarvan in later jaren met dezelfde ingenomenheid zou getuigd worden, die thans door alle gehoorde personen ten opzichte der wet van 1874 betoond is. Ook na overweging van het aangevoerde blijft de meerderheid van meening, dat algemeene verhooging van den leeftijd, waar beneden kinderen niet mogen arbeiden, vooralsnog als een onberaden stap zou zijn te beschouwen, die met name in het waarachtig belang der jeugdige arbeiders zelve niet mag worden aanbevolen. § 11. Verbod aan jongelieden om bepaalde soorten van arbeid te verrichten. â Doch hoe men denke over de â wenschelijkheid, om den industrieelen arbeid in het algemeen aan kinderen boven twaalf jaren te verbieden, ongetwijfeld zijn er hepaalde soorten van arbeid die, als bijzonder gevaarlijk of nadeelig voor het leven of voor de gezondheid der werklieden, naar het eenstemmig oordeel der Commissie niet alleen voor dertienjarigen, maar ook voor jongelieden van hoogeren leeftijd ten eenenmale ongeschikt zijn. |
Sommige industrieele werkzaamheden gaan met groot gevaar gepaard voor ontploffing, verbranding of vergiftiging. Men denke aan de vervaardiging of bewerking van licht ontvlambare goederen, aan fabrieken en werkplaatsen, waarin vergiftige stoffen bereid en verwerkt worden, of wel waarin de arbeiders schadelijke dampen inademen, enz. In eene nog ruim zoo talrijke categorie van fabrieken en werkplaatsen ontwikkelt de arbeid stofdeelen, welker gestadige inademing voor de werklieden slepende, maar daarom niet minder moorddadige ziekten teweegbrengt (1). Ten aanzien van de hier bedoelde takken van nijverheid zal het toezicht van de fabrieksinspecteura veel kunnen bijdragen tot de toepassing van die voorzorgsmaatregelen, waardoor de veiligheid en gezondheid der daarbij gebezigde werklieden zooveel doenlijk worden gewaarborgd Doch ter bescherming van jongelieden kan en behoort de wetgever, naar de meening der Commissie, verder te gaan. Aan de overheid behoort de gelegenheid te worden geopend, om het verrichten van bepaalde soorten van gevaarlijken of schadelijken arbeid door jongelieden te verbieden of niet dan met inachtneming van te stellen voorwaarden te veroorloven. Het is waar dat het gehouden onderzoek zich nog slechts tot enkele dezer bedrijven heeft uitgestrekt. Doch hetgeen omtrent den nadeeligen invloed van dezen industrieelen arbeid op den licha-melijken toestand der werklieden gebleken is, was meer dan voldoende om de Commissie in het algemeen van de wenschelijkheid van uitbreiding der Staatszorg in deze richting te overtuigen. En het onderzoek der ambtenaren, voor het Staatstoezicht op fabrieken en werkplaatsen aan te wijzen, zal aan de Regeering de noodige gegevens verschaffen om met kennis van zaken te bepalen, voor welke speciale takken van nijverheid hetzij een volstrekt verbod, hetzij eene voorwaardelijke toelating van den arbeid van jongelieden raadzaam moet geacht worden. Dat jeugdige arbeiders, beneden de zestien of zeventien jaren, niet geschikt zijn tot het verrichten van gevaarlijke werkzaamheden of tot het omgaan met (1) 7297. |
81
|
ontplofbare of vergiftige zelfstandigheden, behoeft geen betoog. Tot dergelij-ken aibeid gebezigd, moeten zij zich noodwendig door onvoorzichtigheid en zorgeloosheid gedurig de ernstigste ongelukken op den hals halen. Doch niet minder nadeelig is hunne werkzaamheid in bedrjjven, waarvan de gevaarlijkheid minder in het oog springt, namelijk die door ontwikkeling van schadelijke stof-deelen de gezondheid der werklieden bedreigen. Voor de daarbij ontstaande ziekten der ademhalingswerktuigen is de vatbaarheid op jeugdigen leeftijd het grootst. Zij die, om enkele voorbeelden te noemen, van jongs af als lettergieters, aardewerkers, glasslijpers of vlasarbeiders werkzaam geweest zijn, sterven \oor een goed deel vroegtijdig (1). Het is een geluk voor deze jongelieden, wanneer zij door den dienst bij de militie een tijdlang aan den nadeeligen invloed van hun bedrijf onttrokken worden ; zij gaan er dan beter uitzien (2). Wie in deze vakken een redelijk hoogen leeftijd bereikt, blijkt gewoonlijk in zjjne prilste jeugd niet daarbij gebezigd of met verschooning behandeld te zijn (3). Uit een en ander volgt, dat de schadelijke gevolgen der bedoelde bedrjjven voor de werklieden aanmerkelijk kunnen worden verminderd, door het bezigen van jongelieden daarbij zooveel mogelijk te beperken. Daarop wordt dan ook van verschillende zijden aangedrongen (4). Eene bepaling in den geest van art. 6 van het ontwerp Modderman, waarbij het aan een algemeenen maatregel van bestuur werd overgelaten, bepaalde soorten van arbeid aan kinderen beneden zestien jaren te verbieden of slechts voorwaardelijk te veroorloven, komt der Commissie alleszins gewenscht voor. Eene wettelijke regeling van dit onderwerp in détails, waaraan bij hot Voor-oopig Verslag over dat wetsontwerp de voorkeur gegeven werd, schijnt haar minder doelmatig. De bedenkingen dei-Kamer tegen het bedoelde voorschrift hingen kennelijk nauw samen met hare afkeuring van de destijds voorgestelde (1) 4170â4172, 4176, 4305, 6483 - 6484, 6490, 6596, 7517-7521, 7 580â7583, 9396, 9540. (3) 6881, 6491. (3) 7013, 7080, 7081, 9864. (4) 5495, 7393. V. |
regeling van het toezicht op den kinderarbeid. De Commissie hoopt echter dat de in overweging gegeven organisatie van het Staatstoezicht op fabrieken en werkplaatsen een gunstiger onthaal zal vinden, en dat in verband daarmede bij de Kamer ook tegen een algemeenen maatregel van bestuur betreffende de gevaarlijke of schadelijke soorten van arbeid, ingevolge de adviezen der toekomstige fabrieksinspecteurs vast te stellen, thans geen principieel bezwaar zal bestaan. Intusschen zou do wet de gronden behooren aan te wijzen, waarop sommige soorten van arbeid aan jongelieden zouden zijn te verbieden of slechts voorwaardelijk te vergunnen. Ten aanzien van ondernemingen, waarhij zoowol onschadelijke als schadelijke arbeid voorkomt, zou het verbod zich tot den laatstbedoelden arbeid hebben te bepalen, behoudens de noodige waarborgen tegen misbruik. Als zoodanig zou het ophangen van lijsten, bevattende namen en leeftijd der in elke afdeeling eener fabriek gebezigde jongelieden, of wel de invoering van werkkaarten met soortgelijke bijzonderheden (art. 9 van het ontwerp-Modderman van 1882), in aanmerking kunnen komen. Dergelijke middelen van controle schijnen echter veilig aan het inzicht der fabrieksinspecteurs te kunnen worden overgelaten. Door verscheidene deskundigen en getuigen wordt de wensch geuit, dat kinderen beneden zestien jaren niet tot eenigen arbeid in fabrieken of werkplaatsen zullen worden toegelaten dan ingevolge eene geneeskundige verklaring, dat zij voor dien arbeid lichamelijk geschikt zijn, en dat zij ook na die toelating nog aan eenig geneeskundig toezicht zullen worden onderworpen. In enkele groote fabrieken blijkt eene dorgeljjke keuring nu reeds plaats te vinden (i). Art. 10 van het ontwerp-Modderman hield eene soortgelijke bepaling in, die echter meer van repressieven aard was; de inspecteur werd namelijk gemachtigd om, zoo hij mocht bevinden dat aan een kind arbeid was opgedragen klaarblijkelijk (I) 4316, 5585â5589, 6595, 7280, 7297, 7414, 10179. 6 |
82
|
boven zijno krachten, de voortzetting daarvan te verbieden, totdat door een geneeskundige zou verklaard zjjn, dat het gestel van het kind dien arbeid gedoogde. Voor een het zij praeventief'. hetzij repressief toezicht van dezen aard pleit, dat het aan zwakke kinderen althans eenigen waarborg tegen ergerlijke exploitatie van hunne geringe arbeidskracht zou verleenen. De meerderheid der Commissie heeft echter tegen eene dergelijke bepaling in beuinsel bezwaar, omdat daardoor te zeer zou worden ingegrepen op de vaderlijke macht. Bovendien zullen eener-zijds de werkgevers zich wel uit eigen beweging zooveel doenlijk van het in dienst nemen van zwakke kinderen onthouden, en zal aan den anderen kant de geneeskundige afkeuring in de meeste gevallen, onder den drang der behoeften van het gezin, het kind weinig baten ; tien kansen tegen ééne dat het, van de fabriek of werkplaats geweerd, op clandestiene wijze elders aan wellicht nog zwaarderen arbeid gezet wordt. § 1 '2. Herhalings- en teekenonderwijs. â Hetgeen wellicht meer dah iets anders aan het welzijn der in fabrieken en werkplaatsen arbeidende bevolking in den weg staat, is het gemis eener behoorlijke opleiding dor jongelieden na het veriaten der school. Er ligt ontegenzeglijk waarheid in deze misschien iets te scherp geformuleerde opmerkingen van een der gehoorde getuigen: «Wat de werkliedenquaestie betreft, moet men de arbeiders verdoelen in twee deelen : degenen die een vak kennen en degenen die er geen kennen. De eersten, de menschen dus die hun vak verstaan, hebben geen grond tot klagen, en u zult er ook geen vinden die het doet. Wie echter wel klagen, zijn zij die geen vak kennen. I3ij mijne werkmeesters, bij mijne ingenieurs komen dagelijks menschen om werk Wanneer men die menschen vraagt wat zij kennen, dan zeggen zij: alles. En wanneer iemand zegt, rtat hij alles kent, dan zeg ik: hij kent niets! Over deze lieden zou, mijns inziens, de enquête moeten loopen; want de flinke werklieden in ons land klagen nietquot; (I). |
intusschen is het een feit, dat vele aankomende ambachtslieden met hun twaalfde jaar van alle onderwijs afscheid nemen (2). Toch vereischt die arbeid dringend eene meer bepaalde opleiding, dan de lagere school geven kan of dan aan leerjongens in de werkplaats, waar zij veelal bjj voorkeur tot het doen van boodschappen enz. gebezigd worden, pleegt ten deel te vallen (3). Het zoogenaamde leerlingstelsel, dat elders hierin voorziet en eertijds ook hier te lande bestond, is thans niet meer in-heemsch en wordt slechts sporadisch toegepast (4). De aanstaande ambachtsman heeft, om vooruit te komen, vooral behoefte aan onderwijs in het teekenen. Wie goed heeft leeren teekenen, zoo wordt door sommige gehoorde deskundigen verklaard, zal met vlijt on oppassendheid bijna altijd genoeg kunnen verdienen, om zich zelf en zijn gezin behoorlijk te onderhouden (5). Dat dit door de belanghebbenden wordt ingezien, blijkt o. a. uit de oprichting eener teekenschool te Amsterdam op initiatief van ambachtslieden (ti). Zelfs in de fabrieksnijverheid doet de vraag naar werklieden, die het teekenen verstaan, zich gelden; getuige bijvoorbeeld eene soort van teekenschool, door de hoofden eener groote fabriek te Maastricht ten dienste dier onderneming opgericht (7). Omtrent de meest gewenschte inrichting van het onderwijs, aan toekomstige ambachtslieden te verstrekken, is voorzeker het laatste woord nog niet gesproken. Het kan echter niet op den weg der Commissie liggen, daarover in beschouwingen te treden, na te gaan in hoever de burgeravondscholen aan hare bestemming beantwoorden en wat er aan mag ontbreken (8), of te onderzoeken welke voor- én nadeelen aan de door particulier initiatief opgerichte ambachtscholen eigen mogen zijn (9). Slechts zij opgemerkt dat het bovenal raadzaam moet geacht worden, het vak- (1) 11315. (3) 17'21. (3) 1105, 1419, 150'J 3887, 3888, 4122, 4139. (4) 4118â4153. (5) 2520, 4911, 3711, 5798 , 3808, 7810, 9337. (6) 1726, 3366., l7) 6687. (8) Van die te Tilburg wordt gunstig getuigd. 10065, 10375, 10414, 10736. (9) 3361, 4392, 4846, 4853. |
83
|
onderwijs voor aanstaande ambachtslieden tot het strikt noodige te beperken, ook opdat het zonder overwegend bezwaar door een zoo groot mogelijk aantal leerlingen, die reeds industrieelen arbeid verrichten, kunne worden ge noten (1). Veelvuldig zijn toch de klachten, dat aan jeugdige werklieden door hunne patroons verlof geweigerd wordt tot het bezoeken der avond- of teekenschool, die op een vroeger uur aanvangt dan dat waarop de arbeid pleegt te eindigen, of wel dat zij, van het werk komende. te zeer vermoeid zijn om het onderwijs met vrucht bij te wonen (2). Daaraan sluit zich het bezwaar aan dat naai- en breischolen voor fabrieksarbeidsters, met menschlievende bedoelin- fen opgericht, door vele meisjes niet unnen bezocht worden omdat haar arbeid te lang duurt (3).en opgericht, door vele meisjes niet unnen bezocht worden omdat haar arbeid te lang duurt (3). Hiertegenover kan gelukkig worden gewezen op vele gevallen, waarin de werkgevers zich ter wille van de ontwikkeling hunner jeugdige werklieden gaarne eenige moeite geven of eenige opofferingen getroosten. Herhaaldelijk wordt gewag gemaakt van vrijgevigheid der patroons in het verleenen van verlof tot vervroegd vertrek, ten einde de avond- of teekenschool te kunnen bezoeken (4). Er zijn werkgevers, die in de opleiding hunner aankomende werklieden op verdienstelijke wijze voorzien, door jongens in het teekenen, meisjes in het naaien en breien te doen onderwijzen (5). Doch niet alleen voor de ambachtslieden, ook voor de fabrieksarbeiders wordt in dit opzicht gezorgd. Hier, door geen kinderen aan te nemen, dan die het bewijs leveren dat zij met vrucht lager onderwijs hebben genoten ; een maatregel, die o. a. bij de Koninklijke Nederlandsche papierfabriek te Maastricht wordt toegepast (6). Ginds, door dien maatregel te verbinden met het doen geven van herhalingsonderwijs, dat zich aan dat der lagere school aansluit en tusschen de werkuren of des avonds door de jeugdige arbeiders moet worden bijgewoond. Dergelijke fabriek- (1) 6800. (2) 1260, 1721, 1746, 3266, 4682, 6753. 10620, 10750, 10763, 11786. (3) 631, 2323,2711 2713. (4) 297, 4853. 11247. (6) 4290, 4843, 4846, 4856. (6) 5962, 8320. |
scholen vindt men o. a. bij de scheepswerven aan den Kinderdijk en bij de onderscheidene fabrieken te Enschede, Hengelo en andere in Twenthe gelegen plaatsen. Omtrent de bij uitstek nuttige werking met name der Twenthsche fabriek-scholcn verneemt men slechts ééne stem. Allen, die met hare inrichting bekend zijn, verklaren dat daarin een uitermate doeltreffend middel gelegen is om de zoo dikwijls onderling tegenstrijdige belangen der jongelieden, der gezinnen en der nijverheid te vereenigen. De jongelieden worden behoorlijk onderwezen en vinden in de afwisseling van arbeid en onderwijs een natuurljjken waarborg tegen overspanning ; de ouders behoeven de bijdragen hunner kinderen en de uitgaven van het gezin niet te ontberen; en de werkgevers hebben hun bedrijf ingericht in verband met deze instelling, die hun op den duur het verkrijgen van wel ontwikkelde arbeiders verzekert. De meerderheid der Commissie zoude het dan ook, in overeenstemming met de van verschillende zijden tot haar gekomen wenschen, raadzaam achten de invoering van fabriekscholen, daar waar zij nog niet bestaan, zooveel doenlijk in de hand te werken. Van overheidswege zjjn algemeen bindende voorschriften op dat stuk echter niet uit te vaardigen, zoolang niet voor de verschillende vakken en in de onderscheidene streken dea lands een voldoend onderzoek zal zijn ingesteld naar hetgeen de belangen der nijverheid ten deze zouden toelaten. De minderheid der Commissie is van oordeel, dat het herhalings- en teeken-onderwijs niet genoeg een onderwerp van onderzoek door de Commissie hebben uitgemaakt, om tot eenig advies of eenigen wenk van hare zijde te kunnen leiden. Ter zijde latende hetgeen overigens in deze paragraaf voorkomt, bepaald zij zich tot eene enkele opmerking. Uit de enquête is gebleken, dat de werkuren van jongelieden vrij algemeen dezelfde zijn als die van volwassen werklieden, en dat de eerstgenoemden na het einde van den arbeid tevermoeid plegen te zijn, om nog de noodige vatbaarheid tot het genieten van onderwijs te bezitten. Aan de meeste uit Tilburg ge- |
84
|
hoorde getuigen is gevraagd, of het mogelijk zou zijn aande jeugdige werklieden eenigen vrijen tijd voor herha-lings- of teekenonderwijs te verschaffen. Met eene enkole uitzondering luidde het antwoord dat lit onuitvoerbaar ware. daar de arbeid der volwassenen, die dei-jongens en de werking der machines als een organisch geheel in elkander sluiten, zoodat het vertrek der jongens telkens eene geheele stoornis in de fabriek zou veroorzaken. Alleen door het aannemen van een dubbel stel jongelieden of door aanschaffing van een grooter aantal machines, waarvoor echter in eene bestaande inrichting zeer moeilijk plaats te vinden ware, zou men zich de gelegenheid kunnen openen om de jongens vroeger weg te zenden (1). § 13. Zondagsarbeid. Nachtarbeid. Rusttijden. â De gehouden enquête heeft geleerd dat de jongelieden, waarvan niet gezegd kan worden dat hun leeftijd hen ongeschikt maakt om aan den industrieelen arbeid deel te nemen, echter in zeer vele gevallen te lang achtereen en zonder voldoende tusschenpoozen worden beziggehouden. Het ligt naar de meening der Commissie ongetwijfeld op den weg van den wetgever, dergelijk misbruik te keer te gaan. Al kan zij te dien einde vooralsnog niet tot al die maatregelen adviseeren, die bij meervolledige gegevens in overweging zouden zijn te nemen, toch zijn er enkele bepalingen, die zij vermeent dat zonder bezwaar nu reeds zouden kunnen worden vastgesteld. Aan jongelieden beneden achttien jaren konden namelijk een wekelijkscbe rustdag, gelegenheid tot het genieten van behoorlijke nachtrust en de noo-dige verpoozing tusschen den dagelijk-schen arbeid verzekerd worden I. Dat Zondagsarbeid voor de werklieden in het algemeen verderfelijk is, lijdt geen twijfel. De mensch behoeft een wekelijkschen rustdag, om zijne gedachten op iets hoogers dan op zijne dagelijksche bezigheden te richten, zich aan zijn gezin te wijden en zich van den arbeid to ontspannen. Diep te beklagen zijn die werklieden â en zij (1) 10278, 10457, 10485, 10490, 10879, 10975, 11359, 11653. |
zijn er â die ook des Zondags geregeld moeten doorwerken, ja soms geen enkelen dag in het jaar vrj) hebben (1). De Zondagsrust doet het werk, wanneer het des Maandags hervat wordt, beter vlotten. «Men is altijd beter gezind om te gaan werken, als men Zondags niet gewerkt heeftquot; (2). Bij gebreke van een vrijen Zondaar laat die gezindheid bij de werklieden niet zelden te wenschen over : «zij moeten toch een dag hebben en dan houden zjj Maandagquot; (3). Intusschen valt de vraag, wat er te doen zij om aan de arbeiders in het algemeen zooveel mogelijk een wekelijkschen rustdag te waarborgen, buiten de grenzen dezer enquête. Er zijn in elk geval werkzaamheden, die zonder nadeel voor de vervulling der maatschappelijke behoeften of zonder groote schade voor de nijverheid ook des Zondags of niet, of althans niet geheel achterwege kunnen blijven. Men denke aan de diensten der spoor- en tramwegen, der stoom-booten, der dag- en nachtpolitie, der posterijen en der telegraphie, aan vuren die niet uitgedoofd mogen worden, aan mouterijen, brouwerijen die dos Zondags niet geheel kunnen stilstaan, wil niet het geheele product verloren gaan, enz. (4) Toch blijft de vraag gewettigd, of niet in menige fabriek en werkplaats zonder volstrekte noodzakelijkheid des Zondags wordt voortgewerkt, en of de winstderving, uit het nalaten van dien arbeid voor de onderneming voortvloeiende, door beter onderhoud van gebouwen en werktuigen en grooteren ijver van de arbeiders niet voor een goed deel zou worden opgewogen (5). Doch hoe dit zij, in een verbod om jongelieden beneden achttien jaren des Zondags te doen arbeiden, behoudens eene uitzondering ten behoeve der Israëlieten, kan de Commissie slechts een voor de betrokkenen hoogst weldadigen maatregel zien, die aan de nijverheid geenerlei schade zou kunnen toebrengen. Nog meer dan volwassenen, behoeven jongelieden eenmaal 's weeks een dag van ontspanning. Die behoefte wordt tusschen het zestiende en achttiende (1) 8122 8124 (2) 8509. (3i 1963. 4284. (4) 992, 9304. (5) 333, 2390. 8355-8357. |
85
|
jaar zeker niet geringer, terwijl deze leeftijd bij onderscheidene kerkgenootschappen tot het aannemen van lidmaten en in verband daarmede tot het verstrekken van godsdienstonderwijs is aangewezen. Daarom schijnt het wen-achelijk, het bedoelde verbod eenigszins verder uit te breiden dan bij het on-derwerp-Modderman en Du Tour werd voorgesteld. Die industrieele werkzaamheden, die des Zondags geen uitstel kunnen Ijjden, zullen dan door volwassenen moeten verricht worden. Dit kan echter ook zeer goed geschieden ; en zelfs zou er geenerlei kwaad in steken, indien bij ondernemingen, waar het regel mocht zijn buiten noodzaak ook des Zondags door te werken, in het verbod om alsdan jongelieden te bezigen aanleiding gevonden werd om van die slechte gewoonte geheel terug te komen. II. In onderscheidene takken van bedrijf pleegt niet alleen de dag, maar ook de nacht of een gedeelte daarvan tot den arbeid benut te worden. Hier, omdat een zoogenaamd feu continu er toe noopt, gelijk onder anderen bij kaarsenfabrieken, glasblazerijen, zinkwitfa-brieken (1); ginds, omdat de aard der onderneming nachtelijken arbeid medebrengt, zooals bij bakkerijen, handels-en courantdrukkerijen, middelen van vervoer (2). Tot dien nachtarbeid worden niet uitsluitend volwassenen gebezigd, maar wordt ook van jongelieden maar al te ruim gebruik gemaakt. Gevallen van volstrekte noodzakelijkheid uitgezonderd, moet dit gebruik van jeugdige arbeiders ongetwijfeld als een misbruik worden aangemerkt. Voldoende nachtrust is voor hen, wier lichaam nog niet tot vollen wasdom gekomen is, eene dringende behoefte. Deerniswaardig wordt dan ook do phy-sieke toestand van die jongelieden, die des nachts geregeld tot den arbeid worden voortgedreven. De gehouden getui-genverlioofen hebben daaromtrent treffende bijzonderheden aan het licht gebracht. Zij gewagen van aamborstig en hoestende jongens op letterzetterijen, die voor hun kastje in slaap vallen, (1) 2107, 8098, 8099, 9301. (2) 3310, 3341, 3342, 3886, 3941, 4554. V. |
totdat de meesterknecht het ziet en hen met een klap om de ooren wakker maakt; van een bakkersjongen, die met eene mand brood in het water loopt, nadat hij ruim dertig uren heeft moeten staan ; van jongens die ten gevolge van het nachtwerk in de glasblazerij »'s morgens zoo af zijn, dat zij zich niet meer op de been kunnen houden over dag, .... even vermoeid weer naar de fabriek gaan als zij er vandaan kwamen, on er dan ook zoo chetief, zoo mager en miserabel uitzien, dat het akelig is om aan te. zienquot; (1) De Commissie kan zich ten volle vereenigen met den van verschillende zijden geuiten wensoh, dat door verbod van nachtarbeid aan jongelieden de gelegenheid verzekerd worde, om van den dagelijkschen arbeid behoorlijk uit te rusten, en voor dien van den volgenden dag nieuwe krachten op te doen (2). Bij het ontwerp-Du Tour werd voorgesteld dit onderwerp aldus te regelen, dat door kinderen beneden zestien jaren van 1 April tot 30 September niet vóór 6 uren des morgen noch na 8 uren des avonds, in den overigen tjjd van het jaar niet vóór 7 uren des morgens noch na 7 uren des avonds zou mogen worden gearbeid. Terecht werd hierbij verschil gemaakt tusschen zomeren wintermaanden Daar het echter minder schaadt, den arbeid op een niet al te vroeg morgenuur te doen aanvangen dan hem te lang te rekken (3), zou de Commissie er de voorkeur aan geven, voor de maanden April tot en met September de tijdstippen van aanvang en einde van den arbeid elk met een uur te vervroegen. De leeftijd, waartoe dit beschermend voorschrift zich moet uitstrekken, schijnt ook hier in het algemeen zonder groot bezwaar op achttien jaren gesteld te kunnen worden ; voor do physieke gesteldheid van zestientot achttienjarigen blijft toch eene behoorlijke nachtrust dringend noodig. In het belang der nijverheid zullen echter ten deze uitzonderingen op den regel moeten kunnen worden toegelaten. (1) 876, 877, 933â935, 1031â1034, 1803â 3337, 3515, 3948, 3982 , 3989â3991, 4554, 4506, 4082, 5330. 5522, 5528, 5329, 5851, 6200, 7572, 7573. (2) 2335, 3361, 5686, 9095. 11734. (3) 4694. (i* |
86
|
Er zijn toch takken van bedrijf, ala bijvoorbeeld glasblazerijen, waarbij de hulp van jeugdige arbeiders ook bij den nachtelijken arbeid bezwaarlijk kan worden ontbeerd, terwijl de verrichtingen van oudere en jongere werklieden te zamen een organisch geheel vormen, waaruit geen schakel kan worden gemist (I). Voor dergelijke gevallen zullen dispensation van het verbod te verlee-nen zijn. Het zal tot de taak dor ia-brieksinspecteurs behooren te onderzoeken, of voor een gegeven tak van nijverheid do nachtarbeid van jongelieden inderdaad onmisbaar is te achten, dan wol door eene gewijzigde organisatie van werkzaamheden kan worden ondervangen. Waar uitzonderingen noodig blijken, zullen daaraan beperkende voorwaarden te verbinden zijn (2). III. Onder de gebreken, die in de bestaande regeling van den industrieelen arbeid zijn op te merken, neemt ook het lang achtereen werken zonder voldoende verpoozing eene belangrijke plaats in. In onderscheiden takken van bedrijf wordt geklaagd over te korte of onregelmatige schafttijden, zoodat het noodige voedsel omstreekt het middaguur in de fabriek of werkplaats moet genuttigd worden en de huisvrouw er zelfs niet op rekenen kan, dat man en kinderen het avondeten tehuis kunnen komen gebruiken (3). Dit gemis van behoorlijke rusttijden tusschen den arbeid leidt niet alleen tot afmatting der werklieden, maar ook in niet geringe mate tot verzwakking der banden tusschen de leden der arbeidersgezinnen. Reeds hebben de Tilburgsche fabrikanten blijk gegeven, dat zij dit gebrek inzien en op middelen tot verbetering bedacht zijn. De vraag, in hoever het mogelijk zou zijn door middel van wettelijke voorschriften aan volwassen arbeiders in de onderscheidene takken van nijverheid de noodige verpoozing tusschen de werkuren te verzekeren, kan in het vervolg een punt van onderzoek uitmaken, doch is zeker vooralsnog niet rijp voor beslissing. Doch wel zou nu reeds aan jongelieden eene behoorlijke rust tusschen don arbeid kunnen worden ge- (1) 8157. (2) 4698, 8154. (3) 878, 879, 1084-1087, 3464â3469, 3688â3691, 10073, 10537, 10639, 10904, 112U3, 11555, 11765. |
waarborgd, hetgeen denkelijk tévens hier ' en daar ook op de rusttijden van volwassenen gunstig zou werken. Men zou bijvoorbeeld kunnen bepalen, dat de arbeid van jongelieden dagelijks door minstens twee uren rust moet worden afgewisseld. Die tijd ware dan naar omstandigheden te verdoelen, hetzij in een schafttijd van anderhalf uur en twee , pauzen van een kwartier, hetzij in een schafttijd van een uur en twee pauzen van een half uur (1). Verscheidene deskundigen en getuigen wenschen voorts beperking van den arbeid van jongelieden in fabrieken en werkplaatsen tot acht of tien uren daags. Door enkele werkgevers wordt verklaard, dat de hijverheid zich in eene C dergelijke regeling wel zou kunnen schikken. Ook wordt door een der geneeskundige inspecteurs in overweging gegeven, ten deze onderscheid te maken tusschen den twaalfjarigen en den zestienjarigen leeftijd, waarop men toch met een zeer verschillenden graad van ontwikkeling te doen heeft (2). j Ofschoon de Commisie beperking van te langdurigen werktijd in het belang der jongelieden hoogst gowenscht zou achten, durft zij bij gebreke van voldoende gegevens vooralsnog niet tot eenige wettelijke regeling in dit opzicht * adviseeren. Het ingesteld onderzoek heeft aanvankelijk geleerd, dat het dagelijkscli aantal arbeidsuren in onderscheidene takken van nijverheid sterk uiteenloopt. Van de bedrijven, waarover dat onderzoek zich meer bepaaldelijk heeft uitgestrekt, wordt bij de Tilburgsche wolindustrie wel het langst gewerkt, en wel van twaalf tot zestien uren daags (3); daarentegen geldt het hier een lichten arbeid, die voor de arbeiders en de met hen werkende jongelieden minder bezwarend schijnt te zijn dan de veel kortstondige)-werktijd, die elders word aangetroffen. ⢠Het is dan ook geenszins onwaarschijnlijk dat men, den werkdag van jongelieden willende beperken, tot verschillende bepalingen voor de onderscheidene bedrijven zal moeten komen. , Maar aan de vaststelling daarvan zal (1) 7297. (3) 1096, 3337, 3543, 5736, 6599, 7397, 9096, 9097, 10337. (3) 10283, 10494. 10498,10537. ⦠10613, 10616, 10878, 10974, 11033, 11034, 11043, 11649, 11762. |
|
een meer volledig onderzoek moeten voorafgaan. Door zich cr nu reeds aan te wagen, zou men gevaar loopen een bedenkelijken greep te doen in de levensvoorwaarden van sommige takken van nijverheid. § ii. Vrouwenarbeid. â In hoever het elders waargenomen verschijnsel, dat de ontwikkeling der nijverheid tot vervanging van volwassen mannelijke arbeiders door vrouwen en kinderen leidt, zich ook hier te lande voordoet, kan bij gebreke van voldoende statistische gegevens bezwaarlijk worden nagegaan. Van verschillende zijden wordt beweerd, dat inderdaad eene dergelijke richting valt op te merken, en sommige feiten wijzen meer bepaaldelijk op een toenemend gebruik van vrouwen en meisjes bjj den arbeid in fabrieken. Dit laatste wordt door een der gehoorde getuigen, overigens voorstander van uitbreiding der wet van 19 September 1874 (Staatsblad n0. 130), ten deele aan de werking dier wet toegeschreven (1). Het klinkt inderdaad niet vreemd, dat beperking van kinderarbeid menig werkgever naar andere goedkoope werkkrachten kan hebben doen omzien; hiermede zal althans bij uitbreiding der wetgeving op dit gebied wel degelijk rekening moeten worden gehouden. Het is een feit, dat vele meisjes uit de arbeidende klassen liever als fabrieksarbeidsters, dan als dienstboden den kost willen verdienen. Zij worden naar de fabrieken getrokken door het genot van hooger loon en grootere onafhankelijkheid van hare ouders. Als arbeidsters staan zij veelal tot de gezinnen waartoe zij behooren in de verhouding van commensalen, die tegen betaling den kost genieten; een hoogst onge-wenschte toestand, die trouwens ook bij den arbeid van jongens voorkomt (2). Buitendien zijn aan den vrouwenarbeid in fabrieken veelal bezwaren van mo-reelen en physieken aard verbonden (3) Fabrieksarbeidsters vinden weinig of geen gelegenheid, om zich op huishoudelijke werkzaamheden toe te leggen en missen in den regel allen lust tot (1)62!). (2)516, 2559, 3888, 6217,9577.(3) 1283, 2888, 2889, 5996, 9407,'9195, 9510. |
anderen dan machinalen arbeid. Dientengevolge worden zij, wanneer zij huwen, slechts zelden goede huishoudsters (1). Bij hetgeen onder de leiding der Katholieke geestelijkheid in het belang der arbeidende klassen verricht wordt, tracht men dan ook zooveel mogelijk de meisjes van de fabrieken terug te houden en haar aan te moedigen om zich als dienstboden beschikbaar te stellen (2). Kan alzoo van den fabrieksarbeid van vrouwen en meisjes in het algemeen niet veel goeds gezegd worden, in het bijzonder is die arbeid, waar liij door gehuwde vrouwen verricht wordt, dikwijls noodlottig voor de gezinnen. Hoogst ongunstig wordt getuigd omtrent den toestand van die gezinnen, waarbij de huisvrouw zich buitenshuis met indu-strieelen arbeid bezighoudt. De huishouding wordt daar veelal verwaarloosd, de jonge kinderen, aan hun lot overgelaten, verzuimen de school, terwijl de volwassen kinderen en de man hun heil elders dan te huis leeren zoeken, met al de nadeelige gevolgen, die het geregeld bezoek van kroegen als anderszins pleegt mede te brengen. »Het huisgezin waar de vrouw thuis blijft, is financieel beter af dan dat waar de vrouw medewerktquot; ; zoo durven getuigen, die het volk kennen, uitdrukkelijk verklaren. De bevolking van Tilburg heeft het geluk, dat gehuwde vrouwen daar niet in de fabrieken werken ; maar te Amsterdam, te Maastricht en elders is men in dit opzicht minder voorspoedig (3). Mag de wetgever in de aangevoerde bezwaren aanleiding vinden om hetzij aan gehuwde vrouwen in het algemeen, hetzij aan gehuwde vrouwen met jonge kinderen, den arbeid in fabrieken te verbieden, gelijk door sommigen ge-wenscht wordt (4)? De Commissie zou vooralsnog niet tot een dergelijken ingrijpenden maatregel durven adviseeren. Daartoe zijn de noo-dige gegevens zeker niet voorhanden, zoolang men zelfs niet weet, in welken omvang alom in den lande in de onderscheidene takken van nijverheid door (1)107US. 10825, 11089, 11100, 11238.(2)1914, 3706. (3)636, 3763, 3807, 5998, 61111. 6(114, 6090, 6174, 7277, 9405, 9648, 9650,10300,10510,11188, 11240. (1) 380, 5087. |
|
gehuwde vrouwen buitenshuis gearbeid wordt, liovondien is de arbeid dor gehuwde vrouw in do fabriek somtijds het eenig middel van bestaan van het gezin ; men denke bijv. aan het geval, dat de man door eene slepende ziekte tot den arbeid onbekwaam geworden is. Het is waar dat voor gevallen van dezen aard de bevoegdheid zou kunnen en behooren te worden voorbehouden, om dispensatie van het verbod te verleenen. i Maar dan nog blijft het bezwaar bestaan. (Jeze inbreuk op «ie.indivj-duegle. vrghma de strekking zou hebben, * om hét* aangaan van huwelijken door fabriekarbeidsters tegen te werken en onwettige sexueele verhoudingen te bevorderen (1). Deze bedenkingen treffen echter in geenen deele de gelijkstelling van volwassen vrouwen met jeugdige arbeiders, die door een der gehoorde getuigen wordt aanbevolen (2) en ook der Commissie gewenscht voorkomt. Aan vrouwen van eiken leeftijd worde het verrichten van arbeid in fabrieken des Zondags en des nachts verboden èn de noodige verpoozing tusschen den arbeid verzekerd. Vonr de nijverheid kan deze bescherming dor vrouw geen wezenlijk, Bezwaar opleveren, wanneer slecTitiTiare vriiheidVom binnen hai Q .wuiuug .te~ar-beulen wanneer en zoolang zij goedvindt, bnaangotast b]ijf^ Diatnet in elk geval een misbruik is, vrouwen en meisjes ook des Zondags tot fabrieksarbeid te bezigen, zal wel niet betwijfeld worden. Toch wordt getuigd, dat dit te Amsterdam in enkele fabrieken soms geruimen tijd achtereen geschiedt. Uit dezelfde plaats wordt medegedeeld, dat sommige vrouwen in koffieverlezerijen bij voorkeur des Zondagmorgens werken, ten einde een vrijen Maandag namiddag te kunnen genieten. De Zondagsrust zal echter aan de bedoelde vrouwen zeker geen schade doen, ! zelfs al werden zij dientengevolge genoodzaakt dit Maandag houden te laten varen ^3). bveneens zijn er fabrieken, waar vrouwen en meisjes niet zelden ook des nachts, onder toezicht van ondergeschikte (1)59118, 5909, 6000, 6010, 6177, 8308. (3)4707, 4708. (8 ) 233â 226, 594. |
beambten, aan het werk gehouden worden (1). liet gebeurt, dat zij daar met korte tusschenpoozen 30 a 36 uren achtereen werken. Die nachtelijke arbeid, door de opzichters wel eens in de hand gewerkt, doch volgens verklaringen van bevoegde zijde bij goed overleg zeer wel te vermijden, is zoowel moreel als physiek voor de arbeidsters hoogst na-deelig. Den volgenden dag, zoo wordt i verklaard, zijn de meesten ziek. ftêï' wensch, dat fabrieksarbeid bij nacht aan T vrouwen worde verboden, wordt dan ook door verscheidene getuigen uitgesproken (2i. Nog tegen eene andere verkeerdheid, waartoe de fabrieksarbeid van vrouwen aanleiding geeft, meent de Commissie een wettelijk voorschrift te mogen aanbevelen. Het gebeurt nameljjk, dat kraamvrouwen zeer kort na hare bevalling hot werk in de fabriek hervatten, ondanks het daaraan verbonden gevaar voor hare gezondheid en voor het leven harer zuigelingen. Bij langere afwezigheid, heet het, blijft wel hare plaats open, maar ontvangen zij geen geld. In sommige vreemde wetgevingen komt de bepaling voor, dat zij ook gedurende zekeren tijd vóór hare bevalling niet mogen werken. Al wil men wegens de moeilijkheid der controle van navolging hiervan afzien, wenschelijk schijnt het toch, haar de bevoegdheid tot arbeiden gedurende vier weken na de bevalling te ontzeggen. In haar onderhoud gedurende dien tijd kan door middel van ziekenfondsen voorzien worden (3). § 15. Voorzieningen bij ongevallen, ziekten, ouderdom of overlijden. â Eindelijk zij het der Commissie vergund, hier nog iets in het midden te brengen over een' onderdeel van het vraagstuk, dat wel is waar eenigszins buiten de grenzen valt, door het besluit der Kamer voor haar onderzoek afgebakend, maar zich desniettemin bij en naar aanleiding van de gehouden getuigenverhooren (1) 2109, 2201, 2340, 2390. (3) 011â815, 658, 059, 3307. 3390â9394, 3406â3458, 2637â2630, 3675, 3719, 3817â2843, 4714. 5686, 5739, 8297, 8298, 9095. (3) 3309â3317, 2474â2477, 2601, 2002, 4989â4991, 0015â6018, 6050, 6186, 7791, 8317. |
89
|
telkens als onwillekeurig aan hare overwegingen heeft opgedrongen. Hiermede worden bedoeld de voorzieningen in het belang van den werkman en van zijn gezin bij ongevallen, ziekten, ouderdom of overlijden. Uit tal van mededeelingen is der commissie gebleken, dat vele werkgevers zich niet ontslagen achten van den zedelijken plicht om de helpende hand uit te strekken, wanneer hunne werklieden door een ongeval bij den arbeid verminkt of gedood, door eene ziekte, in de fabriek of werkplaats opgedaan, tot het werk buiten staat, of door den last der jaren van hunne werkkracht beroofd zijn (quot;t). Dit bleek ook uit de tegenspraak, die enkele afgelegde verklaringen betreffende onthouding van werkgevers in dergelijke gevallen â verklaringen de auditu â van de zijde der laatstgenoemden uitlokten. Maar aan den anderen kant is toch ook geconstateerd, dat de verhouding tusschen patroon en werkman in menig geval van beide zijden wordt opgevat als niet veel anders dan eene handels-aangelegenheid. waarbij de wet van vraag en aanbod alleenheerscheres is en geenerlei hoogere drijfveeren de daden der handelende partijen behoeven te besturen (2) ; waarbij althans de zorg van den werkgever voor zijne tot den arbeid onbekwaam geworden werklieden zich hoofdzakelijk of uitsluitend oplost in het beheeren of in het leven roepen van ziekenfondsen, die gevoed worden door kortingen op de loonen en door boeten, soms op vrij willekeurige wijze aan do arbeiders opgelegd (3gt; ; waarbij langdurige trouwe diensten slechts aan leiding geven tot een vereerend geschenk, met gelijktijdige loonsverlaging wegens verminderde werkkracht, of in elk geval verzuimd wordt intijds de noodige maatregelen te treffen, om den werkgever in staat te stellen afgeleefde (1) 550, 684, 1013, 1324, 4317, 5096, 6033, 7711â7718, 7872â7874 , 7981, 8841, 8488â8490, 8706, 8883, 8883; 8943. 93U4, 10577,1U640,10833, 10965, 11713-11719, 11787â11791 (2) 685, 1446, 1447, 3393. 3307. 4055â4057, 6033â1;035, 61in. (3) 1061â1064, 1469â1473, 3229â3305, 2426â3439, 3479-2487, 2619â2632, 2680 â2708, 2776â2786, 3843â3866, 3907 â 3924, 5090, 5091, 0160, 6445â6463. |
werklieden behoorlijk te verzorgen (O. En zelfs hetgeen verricht wordt, hetzij door de werkgevers, hetzij door do arbeiders zelf, om de treurige gevolgen van ziekten, ouderdom of dood zooveel mogelijk te lenigen, brengt niet zelden de vraag op de lippen, of tusschenkomst van het Staatsgezag dienaangaande niet alleszins gepast en noodig ware. liet blijkt toch dat onderscheidene ziekenen pensioenkassen, door werkgevers beheerd, doch waartoe ook de werklieden bijdragen, zoowel van de eene als van de andere zijde tot veelvuldige klachten leiden waarvan de gegrondheid niet altjjd te ontkennen valt (2); dat sommige begrafenisfondsen in meer dan één opzicht hoogst nadeelig werken (3); en dat, waar de werkman zichzelf tracht te helpen, eensdeels de gestichte fondsen dikwijls op geheel ondeugdelijke grondslagen berusten, anderdeels de verzoeking, om eene gevulde kas te verdeden, den belanghebbenden allicht te machtig wordt (4). Inderdaad, wanneer men hetgeen hier te lande op dit gebied wordt gedaan en nagelaten, toetst aan de uitgewerkte wetgeving, die elders ingevoerd of in wording is, dan moet men wel erkennen dat er alleszins reden bestaat, om ook ten onzent tot krachtig handelen aan te sporen. § 16. Besluit. â Het kan nuttig zijn den gedachtengang van dit Verslag, voorzoover daarbij aanvankelijke verbetering en aanvulling der bestaande wetgeving omtrent het onderwerp der enquête of wel voorbereidende maatregelen daartoe worden aangeraden, ten slotte in het kort samen te vatten. . De Commissie meent in de eerste plaats te mogen adviseeren ; a. tot herziening der wet van '19 September 1874 (Staatsblad n0. 130) met het oog op hare redactie (§ 9) ; h. tot aanwijzing der gronden, waarop het verrichten van sommige soorten van arbeid door jongelieden beneden zestien (1) 550, 1453, 1776â1779, 4029, 4213, 6(i43, 6644, 7473, 7634. 7615â7633, 8172 -8175, 9383, 9383, 10312-10314 (2) 3081, 3089-3091, 3098, 3636, 6050, 6054, 7037â7044, 7152 , 7205 - 7218, 9362-9269. (3) 6061,6063, 6206â6308.(4)1273â 1376, 3083â3114, 4335, 8970 - 8976, 9136,9133â 9137. |
90
|
jaren bij algemeenen maatregel van bestuur zal kunnen worden verboden of slechts voorwaardelijk toegelaten (§ H) ; c. tot een verbod om jongelieden beneden achttien jaren de» nachts of' des Zondags te laten arbeiden, met dien verstande dat het verrichten van sommige soorten van arbeid des nachts door jongens onder te stellen voorwaarden door een aan te wijzen gezag zal kunnen worden toegelaten (§ 13, I en II); d. tot een verbod om vrouwen des nachts of dos Zondags in fabrieken of werkplaatsen te laten arbeiden (§ 14) ; e. tot een voorschrift, dat de arbeid van jongelieden beneden achttien jaren en vrouwen in fabrieken of werkplaatsen dagelijks in het geheel door minstens twee uren rust moet worden afgewisseld (§ 13, III, en § 14); /. tot een verbod om vrouwen gedurende vier weken na hare bevalling in fabrieken of werkplaatsen te laten arbeiden (§ 14). Tevens wenscht de Commissie zoo spoedig doenlijk, ter verkrijging van statistische gegevens en ter voorbereiding van verder onderzoek, eene opneming van fabrieken en werkplaatsen in het geheele land door daartoe bepaaldelijk aan te wijzen deskundige ambtenaren gelast te zien, met bepaling van een niet te langen termijn, waarbinnen die opneming moet zijn afgeloopen (§ 7). Verder raadt zij voortzetting van het onderzoek aan, met inachtneming van de wenken, dienaangaande in § 6 van dit Verslag gegeven. Tot deze verschillende maatregelen zoude de Commissie onverwijld wen-schen te zien overgaan. Voor eene verdere geleidelijke verbetering, aanvulling en uitbreiding der wetgeving zullen de uitkomsten van het voort te zetten onderzoek moeten worden afgewacht. Doch onafhankelijk van dat onderzoek kunnen wettelijke bepalingen in het belang van de veiligheid en gezondheid der werklieden bij den arbeid en tot instelling van fabrieksinspecteurs nu reeds worden aanbevolen (§ 8). |
Eene zoodanige w ettelijke regeling zou kunnen inhouden: vooreerst eenige al-gemeene voorschriften; ten tweede eene aanwijzing der ambtenaren die. behalve met het voorlichten der Regeering omtrent bestaande toestanden en omtrent de toepassing en eventueele verbetering der wetgeving op dit gebied, zullen zijn te belasten met het houden van toezicht op werklokalen en werktuigen ter verzekering van de veiligheid en gezondheid der werklieden, alsmede op de naleving der wetten betreffende den in-dustrieelen arbeid in het algemeen; in de derde plaats bepalingen omtrent hunne bevoegdheid en omtrent het beroep van hunne beslissingen, aan belanghebbenden toe te kennen. Zonder buitengewoon ingewikkeld te zijn, schijnt de bedoelde regeling toch minder eenvoudig dan de vaststelling 1 der sub a tot f vermelde bepalingen, zoodat afzonderlijke behandeling van beide onderwerpen ter wille eener spoedige afdoening raadzaam moet geacht worden. Eindelijk meent de Commissie het onderwerp der voorzieningen in het belang van den werkman en zijn gezin bjj on-evallen, ziekten, ouderdom of overigen ernstig ter overweging te moeten aanbevelen (§ 15). Ten slotte heeft de Commissie de eer aan de Kamer voor te stellen dat dit haar Verslag en de verbalen der gehouden verhoeren, benevens de bijlagen, volgens de hierbij overgelegde lijst, zullen worden gedrukt en rondgedeeld, voorzoover dit niet bereids geschied is, en dat de overige bijlagen ter griffie dor Kamer zullen worden nedergelegd ter inzage voor de leden; voorts, dat de inhoud van dit Verslag zal worden medegedeeld aan de Ministers van Justitie, van Waterstaat, Handel en Nijverheid en van Binnenlandsche Zaken. Vastgesteld den 27stcn Juli 1887. Beelaekts van Blokland. Bahlmann. Rüys van Beep.enbroek. Goeman Borgesius. Heldt. Smit. Van Alphen. Verniers van der Loeef. Van der Sleyden. |
i
i
BLADWIJZER OP HET VERSLAG.
|
Blz. 1. Samenstelling en werkzaamheden der Commissie . . 3 2. Amsterdam......7 3. Limburg.......19 4. Tilburg.......46 5. Vlasindustrie......50 b. Voortzetting van het onderzoek .........55 7. Voorbereidende opneming van fabrieken en werkplaatsen .........58 8. Toestand van fabrieken en werkplaatsen. Fabrieksin-speoteurs..... .63 9. Toepassing der wet op den kinderarbeid. Hare redactie. Werking van art. 8*2 der |
Blz. wet op het lager onderwijs. 69 10. Uitbreiding van het verbod om kinderen te laten arbeiden in het algemeen ... 75 § â li. Verbod aan jongelieden om bepaalde soorten van arbeid te verrichten......80 §12. Herhalings-en teekenonder- wijs.........82 §13. Zondagsarbeid. Nachtarbeid. Rusttijden.....84 § 14. Vrouwenarbeid.....87 § 15. Voorzieningen bij ongevallen, ziekten, ouderdom of overlijden.......88 § 16. Besluit........89 |
WÃm lÃÃmÃmsÃm . ⢠S^ÃB | .-. r m , i m i
MmH--'ï quot;u mm m*ii 'Sy.S't. SB1
|l| |^ rvi1-' i sffiffiwMal 's â S -quot;ij ?quot;i quot;t,^rtSytT W-'quot; s' WHMIâ¢I â¢io}:-.'-lt;'t;?â '£.â¢amp;squot;.'Z I j â¢/-.â â ^^gt;^,-1 iwfl.i
|
»1. '. | mmmm B n S-gASESSM® â â f'f. 5: ',ï |
m t,: i I WMmH I Bi ⢠1 n |
:â 'â â
'v.v||p»;s:
â ; â ,
ïf® ⢠re
^SH^sp -.'Wi?.
.:-N â¢Tfc'l v-: IBBMi
EViï.S-;' a»?
M 1
â : ^
SsbS
.
jÃÃÃÃÃmÃÃÃÃÃÃmlÃaÃÃÃm i^^Ã^jjBÃÃÃÃÃ fH ,.- -...... - st;.......
|
'-v v.:'
i ⢠â â 'â ;::?