VADERLANDSCHE GESCHIEDENIS VOOR DE JEUfiD
VOOR DE JEUGD,
INZONDERHEID TEN GEBRUIKE CU
HUISONDERWIJS
EN VOOR DE
BIJZONDERE R. K. SGÃÃOLEI
DOOR
Dr W. J. F. NU YENS,
SQ. O. S. G. M.
Kerlïeiyir goedgekexxrd.
Zeventiende Druk.
O. Zj. V.ViN' rjANG-ENHUYSKN.
TE AMSTERDAM.
GOEDKEURING.
De Vadcrlatidsche Geschiedenis voor de Jeugd, bewerkt door den verdienstvollen Ncyens, wordt niet alleen gaarne door ons goedgekeurd, maar tevens, om de vele voortreffelijke eigeusohappcu, vo r het gebruik op de E. K. Scholen bijzonder aanbevolen.
Haaeuem, 19 Sept. 1876. H. VAN BEEK,
lib, eens.
VOORREDE,
Een mijner vrienden, een man, die onder de katholieken een algemeen en welverdiend vertrouwen geniet; een man, die zich van de onderwijskwestie eene studie heeft gemaakt, en in eene der aanzienlijkste steden des lands, het katholiek onderwijs op alle mogelijke wijze behartigt en bevordert; die vriend zeide tot mij, ruim een jaar geleden: «Schrijf een dergelijk boekje (hij had de vaderlandsche geschiedenis van h :t Nut van 't Algemeen in dé hand) voor onze katholieke schooljeugd en ge doet er nog meer nut mede, dan met uwe Geschiedenis der Ned er lands c h e Beroerten.quot;
Ik dacht daarover na: ik overwoog rijpelijk, hoe de geschiedenis aan eene jeugd, die katholiek en Nederlandsch te gelijk is, diende onderwezen te worden: ik overwoog het rijp en geruimen tijd. Toen nam ik het besluit, in een boekje, van circa veertien vel klein 8quot;, eene schets van de vaderlandsche geschiedenis te schrijven voor mijne eigene kinderen, voor twee knapen van tien tot twaalf jaar. Ik beproefde wat zij begrepen, of wat hun zonder moeite begrijpelijk kon gemaakt worden.
Zoo is dit boekje ontstaan.
Ik heb het als vader voor mijne eigene kinderen geschreven , met het voornemen, om het onder bereik van geheel de katholieke jeugd in Nederland te brengen.
In dit kleine hoekje heb ik, voor kinderen, alles zoeken neder te leggen, wat een langdurige beoefening van de geschiedenis in het algemeen, en die mijns vaderlands in het bijzonder, mij geleerd had dat daarin op den voorgrond moest staan, en naar de methode, die mij als de beste is toegeschenen.
Ik zal hier mijne zienswijze beknopt uiteen zetten. De wereldgebeurtenissen (â geschiedenis), worden geleid
f
I â li
door Gods voorzienigheid: de menschkan, door zijnen vrijen â wil Gods raadsbesluiten voor een oogenblik zoeken tegen te werken; maar God leidt de gebeurtenissen, ondanks des men-schen verkeerdheden, gelijk Hij besluit.
Van daar dat de geschiedenis der maatschappijen, en de geschiedenis van den godsdienstigen toestand der maatschappijen niet van elkander kunnen gescheiden worden.
In de geschiedenis des Nederlandschen volks is, sinds de Roformatie, het katholiek element te veel over het hoofd gezien, de katholieke traditie vergeten of achterwege geschoven.
In eene geschiedenis der Nederlanden, moet evenzeer gelet worden, op de Zuidnederlandsche gewesten van Neder-landschen stam: b. v. op Brabant, Limburg, Vlaanderen, als op de Noordnederlandsche, Holland enz. Dit is in nagenoeg alle boekjes voor de jeugd veronachtzaamd.
De geschiedenis moet niet uitsluitend zijn, de geschiedenis van vorstenhuizen, of van oorlogen, maar van alles wat den maatschappelijken toestand eener natie belangt.
Dit alles kan evenzeer lot grondslag strekken voor een klein boekje voor de jeugd, als voor een uitgebreide geschiedenis des Nederlandschen volks.
'Ziedaar den draad mijner gedachten, bij het schrijven van dit boekje.
Een ieder weet, dat de wijze waarop de geschiedenis des Vaderlands op niet-katholieke scholen werd onderwezen, eene der groote grieven der katholieken sinds jaren geweest is, en nog is.
Wil men zich zeiven gelijk blijven, dan moet men, ook vooral bij het onderwijs der geschiedenis, den godsdiensti-gen grondslag in het oog houden. Daarom is een schoolboek, waarin alleen gezorgd wordt voor het niet kwetsen der Roomsch- Katholieken, onvoldoende.
I HST H O XT D.
Biz.
[oofdstük I. Wat de geschiedenis is................ 1
â II. Over, den staat van ons vaderland in de
vroegste tijden....................... 4
â III. Ce komst der Romeinen in ons land,
circa 50 jaar voor J. C............... 10
â IV. liet Evangelie wordt in de Nederlanden
verkondigd. Invallen van Franken en
Saksen. 6Câ9quot; Eeuiv.................. 15
â V. Karei de Groote...................... 19
â VI. Het Leenstelsel....................... 24
â Vil. Het graafschap Holland en Zeeland onder
het Hollandsche Huis................. 30
â VUL Het Henegomvsche en het Beyersche huis 36
â IX. Het bisdom van Utrecht en de landen,
die daaronder behoorden............... 42
â X. Gelderland........................... 47
â XI. Brabant en Limburg.................. 50
â XIL Vlaanderen.......................... 55
â XIII. Vorsten uit het Bourgondische huis..... 59
â XIV. Begin van het Oostenrijksche huis in de
Nederlanden.........;............... 65
â XV. Begeering van Keizer Karei V......... 69
â XVI. Karei V. â Vervolg................. 75
' â XVII. Filips II en de landvoogdij van Marga-
reta van Panna...................... 79
â XVIII. De hertog van Alva in de Nederlanden.
1567â1573.......................... S6
â XIX. Landvoogdij van Requesens. 1573â1576.
Komst van Don Juan................. 92
â XX. Alexander van Parma. â Afzwering van
Filips 11. â Dood van Willem 1. 1578â
1579â1584.......................... 97
â XXI. Prins Manrits. 1585â1625. â Onoverwinnelijke vloot. 1588................. I0(J
vin
Biz.
Hoofdstuk XXII. Twaalfjarig bestand. 1609â1621.â Moord
op Oldenbamevelt. 1619............... 109
quot; XXIII. Vrede van Munster. 1648.............. 115
â XIV. Handel, zeevaarten koloniën in de XVII'
eeuw................................ 121
,, XV. Zeden, wetenschappen en kunsten in de
XVII' eeuw......................... 126
., XXVI. Willem H, stadhouder. 1647â1650. â
Jan de Wit. 1653â1672 .............. 132
â XXVII. Eerste Engelsehe oorlog. 1653â1654. â
Noordschen oorlog. 1658â1660......... 137
â XXVIII. Tweede Engelsehe oorlog. 1665â1667.â
Drievoudig verbond tegen Lode wijk. 1668. 143 â XXIX. Het rampspoedig jaar 1672. ââ Ons land in oorlog met Frankrijk, Engeland, Munster en Keulen....................... 149
â XXX. De vrede van Nijmegen. 1678. â Vele Pransehe Hervormden vluchten naar ons
land. 1685........................... 155
â XXXI. Willem III wordt koning van Engeland.
1689 ................................ 1C1
â XXXII. Spaansche successie-oorlog. 1702â1713.â
Vrede van Utrecht. 1713.............. 16quot;
â XXXIII. Tweede stadhouderloeze tijdvak. 1702â
1747................................. 171
â XXXIV. Maatschappelijke toestand in de XVIII'
eeuw................................ 176
., XXXV. Willem IV en Willem V, stadhouders.
1747â1751â1795.................... 181
â XXXVI. Engelsehe oorlog. 1780â1784.â Oranje-
gezinden en Patriotten................ 188
,, XXXVII. De repubiidk der Zeven Vereenigde Provinciën veranderd in de Bataafsche Republiek. 1795. â De Stadhouderlijke Regee-
ring afgeschaft........................ 192
â XXXVIII. Lode wijk, koning van Holland. 1806â 1810. â Ons land bij Frankrijk ingelijfd.
181Uâ1813.......................... 196
â XXXIX. Regeering van Willem 1. 1813â1840... 201 â XL. Regeering van Willem II, 1840â1849
en Willem III 1849 tot nu............ 20S
.....
HOOFDSTUK. I.
WAT DE GESCHIEDENIS IS.
1. De geschiedenis uoemt men het verhaal van hetgeen vroeger met eeuen persoon, met eene stad of met een geheel
Ivolk is voorgevallen. De geschiedenis van eenén persoon noemt menvolk is voorgevallen. De geschiedenis van eenén persoon noemt men levensbeschrijving; de geschiedenis van eene stad stadsgeschiedenis; terwijl de geschiedenis van landen genoemd wordt, bijvoorbeeld, Engelsche, F ranse ke, Duitsche geschiedenis. Men heeft ook andere geschiedenissen, zooals de Algemeene geschiedenis, die de gebeurtenissen verhaalt van alle volken der wereld; de Bijbelsche geschiedenis, die het verhaal geeft van de gebeurtenissen , in het Oude en Nieuwe Testament vermeld; de Kerkelijke geschiedenis, die verhaalt wat er voorgevallen is met onze heilige Kerk, sinds de Zaligmaker in de wereld verscheen. Van al deze geschiedenissen willen wij u thans niet spreken. Wij willen u onderhouden over de geschiedenis van ons vaderland, van hut tegenwoordige koninkrijk der Nederlanden. Wij noemen die Vaderlandsche geschiedenis.
2. Het is van zeer groot belang voor u, mijne kinderen! daarvan althans iets te weten. Hoe zoudt gij zoo onverschillig kunnen zijn, dat gij u niet bekommerdet omtrent hetgeen in vroegere tijden is geschied met het land, waarin de goede God u heeft laten geboren worden V Het is een heilige /ilicht voor ieder mensch, zijn vaderland te beminnen. Uroote, vrome manhen, van wie de H. Schrift spreekt, beminden hun land met innige liefde. Hoe beminde koning Ãuvid zijn vaderland! Hoe treurden profeten, als Isaïas, om liet ongeluk van hun dierbaar land, van Judea! Hoe offerde de vrome
2
held Judas de Macbabeeer zijn leven op vooi-zijn vaderland! Dil alles zult gij wel in de faijbelsche gescliiedenis geleerd hebben, of gij zult liet nog leeren. Wij zullen u evenwel een nog oneindig heiliger voorbeeld van liefde voor hel vaderland geven, lloe beminde onze aanbiddelijke Heiland het land, waarin hij op de wereld was verschenen ; hoe weende hij over het lot vau Jeruzalem, dat hij in zijne goddelijke wijsheid vooruit kende!
liet is derhalve uw plicht, dat gij uw vaderland bemint. Eu hoe zou men iets beminaen, wat men niet kent? En hoe zou men niet willen weten, wat er vroeger is geschied met degenen, die men bemint ? Vraagt gij soms niet met belangstelling naar de vroegere lotgevallen uwer ouders? En zoudt gij niet met belangstelling vragen naar de vroegere lotgevallen van uw vaderland?
3, Gij moet dus, zeg ik, uw vaderland beminnen; (jij moeitt omdat gij bet bemint, de geschiedenis van dat land heyeeren te kennen. Maar omdat gij uw vaderland bemint, behoeft gij niet alle daden van onze voorouders, dat is van de men-scl:en, die vroeger in ons vaderland geleefd hebben, goed te keuren. Gij weet dat de mensch gemakkelijk kan dwalen; dat hij niet altijd God en Gods geboden voor oogen houdt; dat hij v^ak in groote zonden vervalt. Nu zijn onze voorouders meer dan eenmaal in groote verkeerdheden vervallen, evenals dit nu nog dagelijks met vele volken geschiedt. Zulke verkeerdheden moet men niet goedkeuren, al hebben onze voorouders die ook begaan. Kwaad blijft al-lijd kwaad, door vvien of bij welke gelegenheid hel worde bedreven. De daden van vele Nederlanders, die vroeger leefden , mag men daarom veilig afkeuren: men moet het doen wanneer zij kwaad zijn. De geboden Gods moeten voor ons de maatstaf wezen, waaraan wij toetsen of iets geoorloofd of ongeoorloofd is.
4. Wat meer is: mocht het geschied zijn, dat soms uit kwade daden heilzame gevolgen voortsproten, daarom mag men nog niet zeggen, dat die daden goed waren, wijl zij goede
uitkomsten opleverden. Goed blijft goed en kwaad blijft kwaad. Het is de oneindige goedheid Gods, die meermalen iets, wat de menschen verkeerd doen, ten goede doet uitkomen; maar bet is dan de -wijze bescliikking Gods, die bet goede veroorzaakt, niet de kwade daad der menscben.
Dit moet gij, bij bet leeren van de geschiedenis van uw vaderland, altijd in bet. oog houden.
Ten tweede moet gij niet vergeten, dnt gij uw vaderland moe', beminnen, al hebben onze voorouders ook soms verleerde daden bedreven.
5. Er is nog iets, mijne kinderen .' wat gij nooit uit het oog mof^l verliezen. Dat punt is zelfs van zulk groot gewiclit, dat ik enkel daarom voor ulieden deze geschiedenis schrijf. Het is het volgende: sommige menscben stellen maar al te dikwijls zaken en daden, die in vroegere eeuwen zijn voorgevallen geheel anders voor dan zij inderdaad geschied zijn. Dit is vooral het geval geweest met de voorstelling van de geschiedenis van ons vaderland.
De eerste oorzaak daarvan is de volgende: men heeft sinds vele jaren de geschiedenis van ons vaderland beschouwd, zooals die vroeger door voorname protestantscbe mannen werd beschreven. Maar die mannen beschouwden de zaken geheel anders dan wij. Zij erkenden de roeping van de heilige katholieke Kerk ni^t. Zij vermeldden niets van de ongerechtigheden , welke onze katholieke voorouders hebben ondergaan. Nog meer: velen van hen stelden de zaken in een geheel verkeerd licht. Door al te groote liefde voor de Protestanten van vroegere eeuwen gedreven , duidden zij alles, wat die gedaan hadden, ten goede. Door al te groote vooroordeelen tegen de Katholieken verblind . duidden zij alles, wat die gedaan hadden, ten kwade. Nu was daarvan het gevolg, dat vele kinderen reeds in hunne prille jeugd eene geheel verkeerde voorstelling van de gebeurtenissen , die in vroegere eeuwen in ons vaderland geschied zijn, verkregen.
6. Maar nu vraag ik u, mijne kinderen! zoo iemand uit on-
4
wetendlieid of uit boosheid zeer veel kwaad van uwe moeder, die gij zoo bemint en die gij verplicht zijt zoo te beminnen , verleide, zoudt gij het dan willen gelooven ? Neen. â Ik zal nog meer zeggen: gesteldeens, zeer vele menschen vertelden u \an haar zooveel kwaad, dat gij het inderdaad begont te gelooven, zoudt gij dan nog diezelfde achting aan uwe moeder blijven schenken? â Gij zoudt haar willen blijven beminnen , omdat zij uwe moeder is, doch gij zoudt haar minder achten, omdat gij meendet, dat zij dikwijls zeer kwalijk gehandeld had. Maar zoo er nu iemand kwam, die u zeide: »al het kwaad, wat men van uwe moeder gesproken heeft, is onwaar: ik zal u de zaak eens recht duidelijk, korl en bondig vertellen: zoudt gij dan niet opgetogen van vreugde zijn?quot;
Welnu, men heeft meermalen vroeger aan kinderen verteld, dat onze moeder, de heilige Kerk, in de Nederlanden verkeerd gehandeld had: dit was eene dwaling. Vrome en verstandige mannen wisten het wel beter. Zij hebben dan ook gezorgd dat men u, kinderen! een onderwijs zou geven, waardoor gij de waarheid zoudt hoeren en opgeleid worden tot deugd en plichtsbetrachting. Die mannen, die zooveel zorg voor uw welzijn dragen, die onderwijzers, die li zooveel nuttigs en zooveel waars leeren. moet gij hoogachten en hunne lessen moet gij in uw geheugen prenten. Gij zult er u wel bij bevinden.
Ma u dit als eene kleine inleiding gezegd te hebben , zal ik thans overgaan tot de eigenlijke geschiedenis van ons vaderland.
11.
OVER DEN STAAT VAN ONS VADERLAND IN DE VROEGSTE TIJDEN.
)
1. Ons vaderland, zooals gij op de kaart kunt zien, ligt aan den noordwestelijken uithoek van het vasteland van
Europa. Het -wordt ten noorden en ten westen begrensd door de Noordzee; ten oosten grenst h.t aan Duitschland, ten zuiden aan België. Het â wordt van alle kanten doorsneden met rivieren, die uit andere landen naar ons vaderland komen en zicb daar in de zee uitstorten. De Rijn, de Maas en de Schelde zijn de voornaamste dier rivieren: hare verschillende zijtakken zullen wij niet noemen; gij zult ze uit de aardrijkskunde leeren kennen. De rivieren nu, welke uit de lioogere bergstreken van het tegenwoordige Zwitserland en Frankrijk haren loop naar het noordwesten nemen, hebben daar voor een tal van eeuwen, nog voor de komst van onzen Heiland op deze aarde, telkens haar slib achtergelaten. Zoo beeft zich later een groot gedeelte van den bodem van Nederland gevormd: als daar ziju de vruchtbare kleistreken van Holland, de Zeeuwsche eilanden en andere gedeelten van ons land. Met recht kan men zeggen, dat de grond van de Nederlanden eerst door de watereu ontstaan, toen door de wateren overstroomd en later weder aan die wateren ontroofd is.
2. Immers toen zich eenmaal in den loop der eeuwen, door de aanslibbing der groote rivieren, de grond van hel tegenwoordige Nederland, althans voor een groot gedeelte, had gevormd, bleven diezelfde rivieren toen, evenals nog heden, langs onze landen haren weg naar de zee vüJgen. Nu geschiedde het dikwijls, dal die rivieren overstroomden; bij die gelegenheid vormden zij poelen, moerassen, ja, ge-hecle meren. Die overstroomingen moeten iu vroegere eeuwen zeer dikwijls hebben plaats gehad. Zooals u bekend is, bestaat ons vaderland voor een belangrijk gedeelte uit drooggemaakte meren, en die meren hebben zich voor vele eeuwen , vooral door overstroomingen van den Rijn, gevormd. Een ander gedeelte van ons vaderland, zooals een aanzienlijk deel der provincie Limburg, is echter niet door die aanslibbingen der rivieren ontstaan. Ook is dat geen land, dat men later droog gemaakt heeft; integendeel, het is van veel ouderen oorsprong. Het is land , dat reeds aan-
G
wezig was, loen missclnen Holland en Zeeland nog niet bestonden.
Daarentegen is ook veel van hetgeen vroeger land was later weder water geworden. Wat thans de Zuiderzee is, was voor èchttien eeuwen voor een groot gedeelte land. De Rijn stroomde niet verschillende takken door. dat land heen eu liep bij Texel en Vlieland in de Noordzee uit. Midden in dat land, wat tlians de Zuiderzee is, lag liet meer Flcvo (of VJieineer). Allengs heeft de zee het land verzwolgen; het meer Flevo heeft zich vereenigd met de wateren der zee, en zoo is de Zuiderzee ontstaan. Dit is niei op eens, maar misschien in den loop van verscheidene eeuwen geschied. In het jaar 1250 bestond de Zuiderzee geheel en al; tweehonderd jaren vroeger was er nog een zeer groot bosch, waar in 1250 reeds alles water was.
Zoo heeft zich ook de Dollart in de provincie Groningen gevormd, waar vroeger land was. Zoo is ook in het jaar 1412 de Biesbosch, tusschen Zuid-Holland en Noord-Brabant, door eene verschrikkelijke overstrooming ontstaan.
3. De bodem van ons vaderland heeft derhalve, in den loop van meer dan achttien eeuwen, eene zeer groote verandering ondergaan. Waar thans zeer schoon en vruchtbaar land is, was toen water. Zeer veel land van vroegere eeuwen is thans water. Maar ook in andere opzichten hebben zeer groote veranderingen plaats gehad. Voor negentien eeuwen waren er nog geene steden en dorpen. Geheel het land was overdekt met groote en dichte hosschen, waarvan het Haag-sche bosch en de Haarlemmerhout nog overblijfselen zijn. Ook waren er zeer uitgebreide moerassen. In dat boschrijke en moerassige land leefden misschien niet eens zooveel men-schen, ais thans in de stad Rotterdam alléén.
4. Nog laug voor de geboorte van Christus leefde in het tegenwoordige Drente een volk , dat de Kimhren wordt genoemd. Deze hebben die groote steenhoopen gemaakt, bekend onder den naam van Hunnehedden, waaronder waarschijnlijk hunne opperhoofden begraven werden. Later werden
de verschillende gedeelteu van ons vaderland weder door andere volksstammen bewoond , die alle ouder den getneen-schappelijken naam van Germanen bekend zijn. Die Germanen bewoonden alle landen, die thans Duitschland, de Nederlanden en België vor nen. De Germanen waren in verschillende kleinere volkeren of volksstammen verdeeld. De grond van het tegenwoordige koninkrijk der Nederlanden werd voornamelijk bewoond door drie van deze volksstammen: de'Friezen, de Batavieren en de Menapiërs.
5. De Friezen bewoonden het land, dat nu Noord-Holland, Friesland, Groningen, Overijsel en Drente wordt geheeten , en het land waar thans de quot;Zuiderzee is. .Ook bewoonden zij een gedeelte der tegenwoordige provinciën Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland. De Bataven woonden vroeger in Duitschland, in de streek, die thans Hessen wordt genoemd. Ongeveer eene eeuw voor de geboorte des Zaligmakers verlieten zij dal oord en vestigden zich in het land tusschen den Rijn, de Waal en de Maas. Dat land noemden zij Batouwe, wat in bunne taal goeden grond beteekende. Zij zeiven heetten Batouwen: en de Betuwe, tusschen de Maas en de Waal in Gelderland, heeft naar hen haren naam behouden. De Bataven (ook Batavieren geheeten) bewoonden derhalve een gedeelte van hetgeen nu de provincie Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland is. De Menapiërs woonden ten zuiden van den Rijn en de Maas, in het land, dat thans de provinciën Zeeland, Noord-Brabant en een deel van Limburg vormt. Deze Menapiërs behoorden tot een grooter volk, dat ook meerendeels van Germaanschen oorsprong was en Belgen werd genoemd. Het koninkrijk België, dat ten zuiden van ons vaderland ligt, heeft van die volken, welke vroeger dat land bewoonden, zijnen naam verkregen. Behalve de Friezen, de Batavieren en Menapiërs, woonden er op onzen vaderlandschen grond nog eenige andere kleine volls-stammen, waarover wij u evenwel niet behoeven te spieken, wijl zij gering in getal waren en in het lot der drie groo-tere volksstammen deelden.
8
G. De bewoners van den Nederlandsolien grond waren voor negentien eeuwen nog zeer ruw en onbeschaafd. Zij liadden het ongeluk den waren God niet te kennen en daardoor misten zij ook de ware beschaving.
Zij aanbaden de krachten der natuur en de helden van hun voorgeslacht. Die helden hielden zij voor ware goden, die over den hemel, de aarde, de zee en alle natuurkrachten regeerden. Donar (in het Noorden Thor geheeten) was de god des donders; fVoden (of Wodan) de god'des ocr-logs; Freya (want die ongelukkige heidenen meenden dat er godinnen waren evenzeer als goden) was de godin, die de vruchtbaarheid schonk. Behalve deze, hadden zij nog zeer vele andere goden en godinnen , wien zij eer bewezen. Zij geloofden, dat de dappere mannen , die op het slagveld stierven, naar eene plaats, het Walhalla, gingen, dat hun hemel was en waar de grootste gelukzaligheid bcslond in maaltijden en gevechten.
De hemel dier arme Heidenen was dus, naar hunne meening, niet de belooning van vroomheid, deugd en zelfver-iooohening, maar van dapperheid in den oorlog! De boozen gingen naar eene plaats van duisternis.
De Friezen, Batavieren en Menapiërs vereerden hunne goden te midden van groole bosschen, in zoogenaamde heilige-plaatsen. Dikwijls brachten zij hun offers van menschcn. Op zulk een dwaalspoor had de booze geest hen gebracht! Zij hadden priesters, wien zij groole eer bewezen en die zij als waarzeggers beschouwden. Ook bewezen zij groole eer aan dc mannen, die de daden der dappere helden bezongen. Zulke mannen noemden zij barden.
7. De Friezen, Batavieren en Menapiërs woonden niet in steden of dorpen, gelijk wij. Zij woonden hier en daar langs den zoom der rivieren of der bosschen. Op die plaatsen, waar zij voor overslroomingen te vreezen ba lden, bouwden zij hunne woningen op hoogten, die terpen genoemd werden. Zij kenden nog zeer weinig handel. Zij hadden geene fahriehen, geene winkels. Ieder moest in zijne eigene be-
9
hoeften en in die van zijn gezin voorzien. Zij hadden zelfs nog weinig akkerbouw. Zij leefden voornamelijk van de veeteelt, van de jacht en van de visscherij. Huune woningen waren niet anders dan tenten, vervaardigd van boomstaken en aan elkander genaaide beestenvellen. Hunne kleediug bestond insgelijks uit beestenvellen en zeer grof gewevene stoffen.
De jacht, de visscherij en veeteelt waren derhalve de voornaamste bezigheden dier volken. Maar geen minder voorname bezigheid voor hen was de oorlog. Zij leefden in voortdurenden strijd met hunne naburen. Zij waren zeer dapper en geschikt lot het uitstaan der grootste vermoeienissen en onverschrokken te midden der gevaren. Reeds van hunne jongste jaren , af werden zij in het paardrijden , zwemmen, schieten met pijl en boog en worstelen geoefend. Zoodoende werden zij geharde soldaten. Zij trokken te velde onder opperhoofden, die later nu eens loningen dan weder hertogen genoemd werden. Deze opperhoofden hadden, zoolang de krijgstocht duurde, het bevel over het geheele volk ; maar in vredestijd hadden zij weinig gezag. De straffen, op overtredingen gesteld, waren niet vele , en de meeste misdaden weiden met hoeten in vee of andere zaken van waarde gestraft. (ielijk alle volkeren, die het goddelijke licht des Evangelies niet kenden, werden vele menschen, hetzij als overtreders der wetten, hetzij als krijgsgevangenen, in slavernij gebracht. Deze arme slaven werden, gelijk bet redelooze vee. als het eigendom hunner meesters beschouwd, die hen konden mishandelen en als een koe of paard verkoopen.
8. De heidensche bewoners van onzen vaderlandschen grond maakten zich vooral ook schuldig aan het misbruik van sterke dranken, die zij uil koren en gerst brouwden. Zij gaven zich over aan eene schandelijke dronkenschap en aan een' . niet minder schandelijken hartstocht voor dobbelspelen. Zij ontzagen zich niet om have en goed, ja vrouw en kinderen te verdobbelen. Want bij die ongelukkige heidenen hadden de vaders het recht, hunne eigene vronwen en kinderen te verkoopen! Aan het Christendom
10
alléén heblien wij hel te danken, dat alle measchen, arm of rijk, mannen, vrouwen ol' kiuderea, beschouwd worden als gelijken, ais gt;kiuderen van onzen Vader, die in den hemel is, alien verlost door den Zaligmaker!quot;
De heidenen bezaten evenwel ook vele naluurlijke dcuy-den. Zij waren oprecht en getrouw aan hun woord. De kinderen eerden hunne ouders en allen eerden den ouderdom. De vrouwen waren zedig en ingetogen. Zij werden zeer hoog geschat en niet, zooals hij andore meer be chaafde heidenen, geminacht of dikwijls mishandeld en verstoeien. Zij waren dan ook zeer arbeidzaam en huiselijk. In een woord: hoe ruw en onbeschaafd onze heidensche voorvaders waren, zij muntten over het algemeen toch in vele opzichten uit boven andere heidensche volken, die vóór en omtrent de geboorte van Christus leefden.
111.
DE KOMST DER ROMEINEN IN ONS LAND.
CIRCA 50 JAAR VOOR J. C.
1. In die tijden, toen ons land nog met bosschen was bedekt , de grond voor een gedeelte nog niet anders was dan moeras, toen eenige weinige ruwe en woeste bewoners er slechts met moeite hun levensonderhoud vonden, heerschte een machtig volk reeds over een groot gedeelte van Europa, Azië en Afrika. Dat volk heette de Romeinen. Hunne hoofdstad was Rome in Italië. Even als alle andere volken, de Joden uitgezonderd , waren zij heidenen. Zij hadden allengs gedurende zeven eeuw en nagenoeg alle toen bekende volken aan zich onderworpen. Rome was de hoofdstad van het machtigste rijk, dat er ooit geweest is. De goede God had het Romeinsche volk, dat alle andere volken aan zich onderwierp, gebruikt als een werktuig, om de wereld meer geschikt te maken voor de verkondiging en verspreiding van het Evangelie. Want dat Romeinsche rijk was juist -het
11
machtigst en uitgebreidst in de tijden . toen de Zaligmaker der wereld te Bethlehem werd geboren, en in die eerste eeuwen, waarin het Christendom overal werd verspreid.
2. Acht en vijftig jaren voor de geboorte van Christus kwam een machtig Bomeinsch veldheer, Julius Caesar, en onderwierp het land, dat toen bekend was onder den naam van Gallië en nu Frankrijk heet. â¢Hij kwam daarna oorlog voeren in het land, dat door de Belgen werd bewoond. Door geweld van wapenen onderwierp hij alle Belgische volken aan de heerschappij der Romeinen. Hij wilde ook de Mena-piërs, die Belgen waren en, gelijk wij verhaald hebben, het land bewoonden, dat thans Zeeland, Noord-Brabant en het noorden van Limburg is, aan zich onderwerpen; maar de Menapiërs verscholen zich in hunne uitgestrekte bosschen en tusschen de moerassen van hun land, waardoor Caesar hen niet tot onderwerping kon brengen. Bij gelegenheid van zijne krijgstochten kwam Caesar ook in het land tusschen de Maas en de Waal, het eiland der Batavieren. Hij onderwierp de Batavieren niet, zooals andere volken, maar sloot met hen een verhond van vrede en vriendschap. De Batavieren beloofden hem te helpen met 'hulptroepen. Van nu af trokken velen van hen met de Romeinsche legers mede en voerden oorlog tegen de vijanden van Rome. Door hunne trouw en dapperheid waren zij zoo geacht, dat de Romeinsche keizers hunne lijfwacht voor een gedeelte uit de Batavieren kozen. De bewoners van onzen voorvaderlijken grond beschermden dus voor nagenoeg bijna achttien eeuwen de beidensche vorsten van Rome reeds tegen hunne vijanden, even als vele dappere Nederlanders in dezen tijd onzen Heiligen Vader, paus Pius IX beschermd hebben.
3. De F riezen w erden door Caesar niet bezocht; zij woonden noordelijker dan hij ooit gekomen is. De Romeinsche veld-heeren evenwel, die de grenzen des rijks tegen de invallen der Germaansche volken moesten beschermen, kwamen weldra in aanraking en spoedig in oorlog met de Friezen. Dru-sus, een Romeinsch veldheer, kwam, tien jaren na de ge-
12
boorte van Christus, in hel land, dat thans Gelderland, Overijsel en Friesland heet. Hij dwong de Friezen zich aan het Romeinsche rijk te onderwerpen en eene schatting in dierenhuiden te betalen.* Zoo arm waren onze voorouders , dat zij geene schatting van goud of zilver konden opbrengen. Drusus liet door zijne soldaten een kanaal tusschen den Rijn en den Usel graven, naar hem de Drususgracht genoemd.
4. Het duurde evenwel niel laog, of er ontstond een oorlog tusschen de Romeinen en de Friezen, die zich aanvankelijk onderworpen hadden. De geweldenarijen der eerstgenoemden waren daarvan de oorzaak. Onder voorwendsel van de verschuldigde schatting te vorderen, beroofden de Romeinsche landvoogden de arme Friezen. Zoo deze de gevorderde schatting niet konden opbrengen, verkocht men hun have en goed. tot zelfs hunne vrouwen en kinderen als slaven. Dit gedoogden de Friezen niet. Zij grepen naar de wapenen; doch moesten voor het meerdere krijgsbeleid der Romeinen onderdoen en werden opnieuw overwonnen.
5. D.e Batavieren leefden aanvankelijk in goede eensgezindheid met de Romeinen ; maar de knevelarijen van de laatstge-noemden brachten eindelijk het dappere Bataafsche volk ins-gelijks tot opstand. Immers werden zij door de Romeinsche landvoogden niet meer als vrije mannen en bondgenooten, maar als overwonnelingen en slaven behandeld. Onder voorwendsel van hulptroepen, die de Batavieren, volgens hun verbond met de Romeinen, leveren moesten, te lichten, voerde men kinderen en grijsaards weg. Deze moesten zich dan loskoopen oi werden als slaven behandeld. Eenigen van de voornaamsten onder de Batavieren werden ter dood gebracht; anderen, onder welke ClauJius Civilis, als gevangenen naar Rome gevoerd, waar zij zich voor den keizer moesten verantwoorden; want zij werden beschuldigd van oproer. De keizer, voor wien zij kwamen, was Nero! Deze vergenoegde zich evenwel met de verontschuldigingen van Claudius Civilis en zond hem en zijne gezellen naar hun land terug.
13
Toea Civilis in het land der Batavieren teruggekeerd was, zon hij op wraak tegen de Romeinen. Hij wist ettelijke anderes volken van Germaanschen slam, die langs den Rijn woonden, tot een verbond tegen de Romeinen over te haien. Spoedig weerklonk het oorlogsgedruisch bij alle volksstammen tusschen den Rijn en de Maas. Verscheidene kasteelen der Romeinen werden veroverd en de oorlog barstte uit. Dit geschiedde in het jaar G9 na de geboorte van Christus. Be Batavieren behaalden met hunne bondgenooten aanvankelijk meer dan eene overwinning; maar hoe konden zij den strijd volhouden tegen de Romeinen, die volleerd waren in de krijgskunde ? Eenige bondgenooten verlieten Civilis: hij en de Batavieren leden op hunne beurt verliezen. Nu bood de Romeinsche veldheer, Cerealis geheeten, l.un den vrede aan. De Batavieren waren geneigd dien aan te nemen, en het oude bondgenootschap tusschen de heide volken werd weder gesloten. De Batavieren bleven, als vroeger, hunne vrijheid behouden ; doch moesten aan liet Romeinsche leger eene bende hulptroepen leveren.
6. Nu leefden de Friezen, Batavieren en andere volken, die den Nederlandschen grond bewoonden, in vrede met de Romeinen. Zij volgden het leger der Romeinsche keizers tot in de verste landen; tot in Egypte; tot in Azië. De Ba-taafsche ruiterij werd voor eene der dapperste afdeelingen des Romeinschen legers gehouden. De keizers , die zoo vaak door hunne wreedheid en dwinglandij hunne onderdauen verbitterden, steunden altijd op de trouw der Bataafsche troepen, die hunnen persoon beschermden.
Gedurende de vier eerste eeuwen na de geboorte des Zttli'j-makers heerschten dan de Romeinen, hetzij als meesters, hetzij als machtige bondgenooten, over het land, dat thans Nederland geheeten wordt. Zij lieten den volken, welke dien grond bewoonden, hunne oude zeden, wetten en gewoonten behouden. De Friezen en Batavieren bleven voornamelijk hun onderhoud zoeken in de jacht, vischvangst en veeteelt; bij laatstgenoemden geraakte ook de landbouw meer in aansaen:
li
trouwens zij waren beschaafder' dan de Friezen. De naam Menapiërs verdween in dien tijd geheel en al uit de geschiedenis; andere Gerraaansche volksstammen, waaronder de Tongeren, namen hun land in. Eene stad in Belgisch-Lim-burg. Tongereu, heeft haren naam aan dien volksstam ontleend.
7. Overal, waar de Romeinen zich nederzetl'en, bouwden zij versterkte legerplaatsen of' kasteelen. Vele daarvan zijn in het vervolg steden geworden, andere zijn weder te niet gegaan. Zoo is het bekend dat de Romeinen eene versterkte legerplaats of kasteel gebouwd hebben ter plaatse, waar nu het dorp Voorburg bij 's Gravenhage is. Ook op de plaats waar Leiden ligt, of in die omstreken, hebben zij eene sfad gesticht. Nijmegen, Utrecht en Maastricht hebben insgelijks hun allereersten oorsprong aan de Romeinen te danken.
8. De Romeinen waren een heidensch volk; maar hel Christendom was reeds zeer vroeg, gelijk een vruchtbaar zaad, onder hen gezaaid. De HH. Apostelen Petrus en Paulas zeiven hadden in de stad Rome den gekruislen en opgestanen Heiland verkondigd. De goddelijke leer onzes Zaligmakers werd zeer spoedig door geheel het Ronieinsche rijk verspreid. Reeds in de eerste eeuw na Christus' geboorte werd het Evangelie verkondigd in Gallië: die groote provincie des Romeinschen rijks, die thans Frankrijk heet. Het zuiden van ons vaderland, dat wil zeggen de provinciën Noord- Brabant en Limburg, behoorde in die dagen tot G'ailië. Wel is waar was dat gedeelte juist het ruwste en minst bewoonde; maar toch waren er reeds steden gebouwd, zooals Tongeren en Maastricht. Nu kwam in de vierde eeuw na de geboorte des Zaligmakers een heilig man, Maternus geheeten, aan die ongelukkige volksstammen. die nog verstoken waren van hellicht des Evangelies, de leer des Zaligmakers verkondigen. De II. ü/atovnw werd bisschop van Tongeren en kwam later zijnen zetel in Maastricht vestigen. Hij is dus de eerste christen-bisschop geweest, die in ons vaderland de katholieke Kerk heeft gegrondvest, te midden van nog ruwe en onbeschaafde vol-
15
ken. Men moet evenwel niet denken , dat al onze heiden-sche voorvaderen, die het land, dat thans N'oord-Brabant en Limhurg heet, bewoonden, zich terstond bekeerden; o neen ! de meerderheid, die in bosschen eu afgelegen plaatsen â woonde, bleef hardnekkig aan de oude gewoonten des hei-dendoms vasthouden.
IV.
HET EVANGELIE WORDT IN DE NEDERLANDEN VERKONDIGD. INVALLEN VAN FRANKEN EN SAKSEN.
6eâ9e EEUW.
1. Het llóineinsche rijk was een poel van ongerechtigheid geworden. Het heidendom li ad de volken diep bedorven: alleen de Christenen boden tegenstand aan hef algemeene zedenbederf. De alwijre God liet toe, dnt rollen, die ook wel heidenen waren. maar niet zoo diep bedorven als de Romeinen, het Romeinsche rijk aantastten, vele landen veroverden en nieuwe rijken stichtten, die, het eene voor, het andere na, den christelijken godsdienst aannamen. Al die volken waren Germanen: bijgevolg staingenooten van de Friezen en Batavieren. Onder hen zullen wij slechts de Franken en de Saksen noemen, wijl deze alleen met de geschiedenis van ons vaderland in verband staan.
2. De Franken , die weder in twee stammen verdeeld waren , woonden langs den Rijn en den IJsel in het tegenwoordig Overijsel. Die, welke langs den IJsel woonden, heetten Saliërs. Zij waren een zeer dapper, ruw volk, dat bovenal zijne vrijheid beminde. Ruim drie en eene halve eeuw na de geboorte van Christus verspreidden zij zich over het land, dat door de Batavieren bewoond werd;' en de naam van Batavieren verdwijnt nu uil de geschiedenis. Waarschijnlijk hebben' zij 'zich met de Franken vereenigd. Ongeveer vier en eene halve eeuw na de geboorte van Christus hadden de Franken, nadat zij de Romeinen herhaaldelijk
16
geslagen en andere kleine Gerraaanscne volkstammen onderworpen hadden, een rijk gesticht, dat het Frankische rijk genoemd werd. liet zuidelijk gedeelte van ons vaderland, België, een gedeelte van Dnitschland en geheel de noordelijke helft van Frankrijk behoorden tot het Frankische rijk. Hun koning Klovis had den christelijken godsdienst aangenomen, en zijn volk met hem. De Franken bleven echter nog eeuwen lang een woest en barbaarsch volk,. dat allééu door de II. Kerk en hare bisschoppen tot beschaving en zachtere zeden kon gebracht worden.
3. De Saksen, een ander Germaausch volk, spreidden zich uit langs de kusten van de Noordzee. Zij namen ook eea gedeelte van ons vaderland, ten noorden van den Kijc, ia. De Friezen, die met de Franken in voortdurenden oorlog leel-den, stonden daarentegen niet de Saksen meestal in goede verstandhouding. De Saksen, die in hunnen tijd reeds on-verschrokkene zeevaarders waren, staken, ongeveer vier en eene halve eeuw na Christus' geboorte, over naar bet eiland liriltanmë, dat thans Engeland heet, eu veroverden dat land. De Friezen hadden een groot aandeel aan die verovering, ofschoon zij ouder den algemeenen naam van Saksen doorgingen. Waarschijnlijk vertrokken de veroveraars van Brit-tannië van de kusten van ons vaderland.
4. Die Saksen waren de ruwste en oubeschaafdsle volken van den Germaanschen stam. Zij waren verharde heidenen. De 11. paus Gregorius de Groote te Rome had medelijden met de blindheid des heideudoms, waarin de Saksen van Brittannië leefden. Daarom zond hij, ruim vijf eeuwen na Christus' geboorte, vrome zendelingen naar dat verre iand. Deze bekeerden de beidensche Saksen, en binnen ééne eeuw was geheel het volk van Engeland katholiek geworden. In groote kloosters wijdden zicli duizenden vrome mannen aan den dienst van God en aan het welzijn hunner evennaasten.
Deze vrome mannen waren er niet mede tevreden, dat zij zeiven het licht des waren geloofs hadden; zij wilden het ook incdedeeleii aan hunne staniyenooten, aan de bevvo-
17
ners van het land boven den Rijn, waar onze voorouders wioonAcn,
5. Een gedeelte van ons land, bij voorbeeld dat, waar thans de stad Utrecht ligt, gehoorzaamde aan de Frankischo koningen. Deze vorsten waren reeds katholiek. Ruim zes eeuwen na de geboorte van den Zaligmaker regeerde een koning over de Franken, niet name Dagobert. Deze liet zich zeer veel gelegen liggen aan de verspreiding van het Christendom onder de heidensche stammen. De //. Eligius en de H. Amandus, twee vrome mannen van Frankiscben stam, kwamen het Evangelie prediken aan de heidenen, die het zuidelijk gedeelte van ons vaderland bewoonden. Ruim zes eeuwen na Chriptus' geboorte werd de eerste Cliris-tenkerk boven den Rijn gesticht, ter plaatse waar thans de stad Utrecht gelegen is. Deze stad was in dien tijd reeds aanwezig; maar nog zeer onaanzienlijk en bestond slechts uit eenige schamele huizen.
6. De voornaamste verkondigers van het Evangelie aan de bewoners van ons vaderland kwamen echter, gelijk wij reeds gezegd hebben, uit Engeland. De H. Werenfried, de H. Adalbert, de H. Wolfram en vooral de H. Willebrord verkon digden de leer des Zaligmakers aan de woeste volken, die nog te midden van de bosschen of in nietige dorpen en in zeer weinige onaanzienlijke steden leefden en de afgoden aanbaden. De //. Adelbert predikte in de omstreken van Velzen en waar thans Haarlem en Alkmaar liggen. De H. Werenjried verkondigde bet Evangelie, waar men thans Medemblik en Ãnkhuizen vindt. De //. Willebrord trok door geheel Holland en Utrecht en door nog andere streken. Hij begaf zich naar Rome, waar paus Sergius hem iot eersten bisschop van Utrecht wijdde. Deze heilige mag met recht de Apostel der Nederlanden genoemd worden. In zijnen ijver voor het heil der zielen trok hij nog verder; hij stichtte in Luxemburg de abdij ïan Echternach, waar hij begraven ügt.
7. De U. Wolfram, een der getrouwe medehelpers van den H. Willebrord, verkondigde het Evangelie aan Radboud, den koning der Friezen. Deze wilde zich laten doopen, Deze
2
18
plechtigheid zou plaats hebben, waai- thans hel dorp Hoogwoud iu Noord-Holland ligt. De koning was reeds gestapt in de wijde kom, die tot doopvont zou dienen, gelijk in die dagen het gebruik was. Er in slaande, vroeg hij den H. Wolfram, waar zijue voorouders waren, in de hel o( in den hemel. Toen de II. bisschop antwoordde, dat hij vreesde, dat zij iu de hel -waren, antwoordde Radboud, dat hij liever met zijne voorvaderen in de hel, dan met de Christenen in den hemel begeerde te zijn, en wilde zich niet laten doopen.
8. Welke moeite eu inspanningen de vrome zendelingen zich ook getroostten, het Friesche volk bleef evenwel nog voor verreweg het grootste gedeelte aan de heidensche dwalingen verslaafd. Het ging nog voort in zijne barbaarsch-heden en menschenoffers. De Friezen droegen den Fran-leen een bitteren haat toe, en die booze hartstocht deed hen de onwaardeerbare gave der waarheid versmaden. De verkondigers van het Evangelie hadden dan ook te midden dier onbeschaafde stammen met de grootste gevaren te kam- _ pen. Dit bewijst het droevige uiteinde van den ff. Boni fa-eins, Deze, evenals zoo vele andere vrome priesters van zijnen tijd, uit Engeland gekomen, om aan de Friezen het Evangelie te verkondigen, was een man, blakende van godsdienstijver, vroom, geleerd en bereid zijn leven voor den Zalig-make1' op te oöeren. Hij werd bisschop van Utrecht; hij reisde naar Rome tol den 11. Vader, om door dezen bevestigd en gesterkt te worden in zijne zware taak; de bekeering der Friezen en van andere Duitsche volksstammen. Hij slichtte het aartsbisdom Mentz in Duitschland. Eindelijk stierf hij als martelaar. Eene bende woeste Friezen viel den 5 Mei 755 den 11. Donifacius en diens medgezellen, pries-lers eu Christenen, aan en vermoordde hen allen. Dit geschiedde in de omstiekcn van de stad Dokkum in Friesland. De plaats zelve wordt thans nog Monnerwoude, dat Moorde-
jiaUritcvnude beteekent, genoemd.
9. Het ziUtdelijk gedeelte van ons vaderland, en wel voornamelijk Limburg, -«las grootendeels bekeerd. De stad Maas-
w
NEDERLAND
ten. tijde van liarol V.
JJcrctutn
amp; £
flnttum
{
Ui UJ N
SfJuurvnjtlTkiiecO'
.-U.r/.aul' _____ .
â' Sgt; â¢-- ~)/4 ^
VhfümJ:jr' .' ^ r1
piL-w
/O-yw 'â¢
â /, DKKNTK
* I ^
19
U'icht was zelfs een bisschopszetel, totdat de H. Lambertus dieu zetel overbracht naar Luik. Trouwens Limburg en Noord-Brabant behoorden geheel eu al tot het rijk der Franken. Utrecht en de streken vau Zuid-Holland en Gelderland waren voor een gedeelte tot den christelijken godsdienst bekeerd; maar hadden altijd nog veel te lijden van de heidensche Friezen. Deze, die het tegenwoordige Noord-Holland, het land waar thans de Zuiderzee ligt. Friesland, Groningen en Drente bewoonden, bleven nog hardnekkig den dienst der afgoden aankleven. Ruim eene eeuw was er voorbijgegaan, sinds de eerste cbristen-prediking onderhen plaats greep en de H, Bonifacius vermoord werd, en nog bleven zij grootendeels verhard in hunne dwaling.
Maar er hadden middelerwijl gewichtige veranderingen plaats in het Frankische rijk. Het oude koningshuis, dat afstamde van den eersten christenkoning der Franken, Clovis, geraakte van den troon. Een ander aanzienlijk geslacht, de afstammelingen van Pepijn, werd op den koningstroon geplaatst. Dit geslacht van Pepijn was allerwaarschijnlijkst afkomstig uit Brabant. Tot de streken waar zij het meest hun verblijf hielden, behoorde dat gedeelte vau ons vaderland, dat thans een deel uitmaakt van de provincie Limburg eu niet ver van de sleden Luik, Maastricht en Aken ligt.
De beroemdste vorst uit het geslacht van Pepijn was keizer Karei de Groote.
V.
KAREL DE GKOOTE.
1. De afstammelingen van den Frankischen koning Olovis hadden, door luiheid en weelde verleid, het rijksgebied verwaarloosd. Gelijk wij zoo even verhaald hebben, -werd daarom door de Franken, het geslacht van Pepijn op den troon verheven. Dit werd het Karolingische huis genoemd: naar twee groote vorsten uit dat geslacht, beiden Karei
20
gelieeten. De beroemdste van allen v as Karei, die naderhand de Groote is genoemd. Hij werd omstreeks de helft der achtste eeuw in de omstreken van de stad Luik geboren. Zijne geliefkoosde verblijfplaats was te Aken, in de onmiddellijke nabijheid van het zuidelijk gedeelte van ons vaderland; ook hield hij zich veel op te Nijmegen. De taal, welke hij sprak, was dezelfde als die, welke in die dagen in het grootste gedeelte van ons vaderland werd gesproken. Karei de Groote was dus, in vele opzichten, een Nederlander.
2. Karei bezat het nitgestrektste rijk, dat er va den ondergang van hel Romeinsche rijk in Europa is geweest. Geheel Frankrijk. België, de Nederlanden, Duitschland, tot aan de rivier de Oder, Zwitserland en het noorden van Italië gehoorzaamden aan zijne bevelen. Dit alles behoorde, hetzij van oudsher, hetzij door overwinningen van Karei, tot het rijk der Franken. Karei had gedurende geheel zijn leven onophoudelijk te strijden. In het zuiden van Europa hadden de aanhangers van den valschen profeet Mohammed geheel Spanje voroverd en ook Frankrijk wilden zij aan zich onderwerpen ; maar Karei trok tegen hen te velde en versloeg hen. Aan de oostelijke grenzen zijns rijks moest hij strijden tegen een woest, heidensch volk, Slawen genoemd, dat het tegenwoordige Oostenrijk bewoonde. In het noorden eindelijk had hij voortdurende oorlogen tegen de Saksen en de Friezen Ie voeren. Eerstgenoemden bewoonden het deel van Duitschland, tusschen de Eems, de Wezer en nog vecder tusschen de Elbe.
3. Deze beide volken bleven , ondanks de ijverige pogingen der christen-zendelingen . nog hunne heidensche goden vereeren en een diepen afkeer koesteren van den godsdienst van onzen Zaligmaker. Zij overvielen de christelijke gemeenten aan de grenzen des Frankischen rijk, verbrandden de kerken en vermoordden de geestelijken, Telkens deden zij invallen in het gebied der Franken. Karei besloot hen door de wapenen tof, onderwerping te brengen; maar dit
21
ging niet gemakkelijk. Herhaaldelijk trokken de dappere Frankische heerscharen^ te velde tegen de Friezen en de Saksen. Dezen werden iederen keer overwonnen; maar zoudra was niet het leger der Franken teruggetrokken ol' de Sak-sers en Friezen stonden weder op en begonnen opnieuw Hen oorlog. Eindelijk werden zij echter zóó door Karei ten on der gebracht, dat zij zich voor goed onderwierpen en den christelijken godsdienst aannamen.
4. Het was Karei niet genoeg, die woeste krijgszuchtige volken ten langen laatste onderworpen te hebben; hij wilde hen ook beschaven. Want daarom vooral is Karei de Groote zooveel bewondering en eerb:ed waardig, wijl hij niet slechts een groot vorst en dapper veldheer, maar ook een weidoener zijns volks was en vdo'r alles de uitbreiding van het rijk Gods onder de menschen beoogde. Hij zond niet alleen zijne landvoogden en rechters, die hertogen en graven genoemd werden, om de onderworpene volken te bestieren, maar hij zond ook vrome bisschoppen en priesters, om hun den waren godsdienst te verkondigen: hij deed dit in overeenstemming en samenwerking met den Paus tan Rome. Utrecht was reeds een bisdom. Karei richtte ook andere bisdommen op in het land der Saksers en der Friezen. Wij behoeven alleen van die van Munster en Osuabrug te spreken; want een klein gedeelte vun ons vaderland, met name een deel van Groningen en een deel van Overijsel werden . gebracht onder die beide bisdommen. Het kerkelijk rechtsgebied van den bisschop van Utrecht, strekte zich uit ovtu' het tegenwoordige Holland, Utrecht, Friesland en Gelderland. Het. zuidelijkste gedeelte onzes vaderlands , de beide provinciën Noord-Brabant en Limburg, behoorden tot bet bisdom van Luik. KartJ ondersteunde in al die bisdommen de bisschoppen en priesters in alles, wat lot stichting en onderwijzing der volken kon dienen. Hij liet kerken en kloosters bouwen; hij richtte scholen op; hij zorgde, dat zendelingen de verspreide heidenen opzochten, om hen te be-keeren. Hij betoonde zich een waar christen-koning.
22
5. Ook in het zuiden vsn zijn uitgebreid rijk gedroeg Ka-rel zich als een beschermer der Kerk. Een Germaansch volk, de Longobarden geheeten, had, ongeveer vijf eeuwen na de geboorte van Christus, in Italië een rijk geslicht, dat het Lombardische rijk genoemd werd. Nu was de Paus te Rome allengs een schier onafhankelijk vorst geworden; maaide Lombardische koningen wilden Rome en den Paus aan zich onderwerpen. De Paus evenwel, die door dezen on-rechtvaardigen aanval der Lombardische koningen bedreigd werd, zocht hulp bij de koningen der Franken: en niet het minst bij Karei, toen deze koning geworden was. Karei he-oorloogde meer dan eens de Longobarden, onderwierp hen eindelijk en liet zich koning over hen kroonen, zoodat ook geheel het noorden van Italië aan hem onderdanig werd.
G. Nu was sinds hetzelfde tijdstip, waarop de Zaligmaker geboren werd, de hoogste wereldlijke macht op aarde die der Romeinsche keizers. Nadat de Romeinsche heerschappij door de Germaansche volken vernietigd was, bleef het Romeinsche rijk in naam voortbestaan in die landen, welke thans tot Turkije behooren; maar inderdaad was het Romeinsche rijk in geheel westelijk Europa vernietigd. De Paus besloot toen. om Karei, die de machtigste christen-vorst was , die ooit geleefd had; die de Mohammedanen in het zuiden van Europa en de heidensche Saksen en Friezen in het noorden had overwonnen; die den Heiligen Stoel beschermd had tegen onrechtvaardige aanvallen, totkeizer van het H. Room-sthe Rijk te verheffen.
Dit geschiedde in Kerstnacht van het jaar 800. Toen plaatste de Paus van Rome Karei den Grooten de Roomsche keizerskroon op het hootd. De nieuwe keizer bevestigde den Paus in zijn tijdelijk gezag over de stad ftome en bevestigde en vermeerderde diens gebied over eene uitgebreide streek van Italië, die later de Kerkelijke Staat is genoemd.
7. Keizer Karei bleef evenwel in zijne zeden en gewoonten geheel en al een man van Duitschen stempel. Hij was en bleef eenvoudig. Zijne geliefkoosde woonplaats bleef Aken in
23
de zuidelijkste streek van ons vaderland. Van uil die stad Aken regeerde hij zijn machtig rijk. Hij gaf wijze wetten ; hij bevorderde de verspreiding der christelijke leer; hij stichtte steden; hij beschermde kunsten en wetensciiiippeu en regeerde met verstand en vroom beleid de volken . die door God aan zijne zorgen waren toevertrouwd. Hij bouwde zich te Nijmegen een paleis met kapel, later het Valkhof genaamd. Hij stierf in het jaar 814 en werd te Aken begraven.
8. Zijne opvolgers geleken hem op verre na niet in dapperheid en wijsheid. Zijn eenige zoon bodewijk was een goedhartig en vroom vorst; maar hij was niet in staat zulk een groot rijk zdd te bestieren als keizer Karei dit gedaan bad. Lodewijk (wien de bijnaam van de Godvruchtige werd gegeven) verdeelde het al te uitgestrekte rijk tusschen zijne drie zonen. De oudste, Lotharius, kreeg dat gedeelte, waartoe het zuiden van ons vaderland behoorde; de jongste, Lodewijk de Duitscher, dat gedeelte , wat hoven den Rijn ligt en. waartoe hijgevolg het land der Friezen moet gerekend worden. Het grootste gedeelte van hot tegenwoordige Frankrijk werd het deel van den tweeden der zonen van keizer Lodewijk, Karei den Kale. De oudste, lot wiens deel de zuidelijke provinciën van ons vaderland. België en het oostelijke gedeelte van Frankrijk behoorden, welk deel Lolharingie genoemd werd, bekwam ook Italië en den titel van keizer.
9. Maar de opvolgers van deze drie kleinzonen van Karei den Grooten waren vorsten van weinig geestkracht. Bovendien hadden zij niet groote moeielijkheden te kampen. In het noorden namelijk van Europa, in het tegenwoordige Noorwegen en .Denemarken, w oonden volksstammen, die nog ruwe, woeste heidenen waren: zij werden Noormannen ge-heeten. Die Noormannen, een tier dapperste volken, die ooit bestaan hebben, waren zeer stoutmoedige zeelieden. Op kleine scheepjes, niet grooter dan onze visschersschuiten, waagden zij de gevaarlijkste tochten op den oceaan. Zij overvielen de kusten van andere landen, voeren de rivieren op en plunderden, roofden en moorden. Niets was voor hen
24
veilig. Hun grootste genot was de oorlog, hun middel van bestaan was roof, eti zij dachten, dat zij hunnen heidenschen heinel verdienden door dapperheid in het gevecht. Ons vaderland had zeer veel van hen te lijden. Wijkbij Duurstede, dat in die dagen'eene rijke koopstad was, werd door hen verbrand. Alom vernielden zij de kerken en vermoordden zij de priesters. Zoo doodden zij te Noordwijk den heiligen Jeroen, een vroom en deugdzaam priester. Inde omstreken van Alkmaar vestigde zich een hunner opperhoofden; anderen deden dit weder op andere plaatsen. Zij drongen, plunderende en roovende, langs de kusten van België en van Frankrijk, door tot in de Middellandsche zee. Het schijnt, dat ook vele Friezen tot die veroverende Noormannen behoord hebben: want een groot deel van de Friezen beminde nog boven alles avonturen, en de Gennaansche volkstammen, die aan de Noordzee woonden, waren met elkander zeer nauw verbónden.
VI.
HET LEENSTELSEL.
1. In onzen tijd stelt koning zijne gouverneurs aan over de'verschillende gewesten, om die te bestieren; zendt hij generaals aan het hoofd van zijn legers, om die tegen den vijand te verdedigen; stelt hij rechtbanken aan, die recht uitspreken. Dit was niet het geval in die tijden, waarover wij tiians spreken. De toestanden waren geheel anders, en onder de opvolgers van den grooten keizer Karei ontstond allengs een regeeringstelsel, dat bijna zeven eeuwen heeft geduurd en het leenstelsel wordt genoemd.
2. De keizers en koningen, die Karei den Grooten opvolgden in zijne heerschappij , konden natuurlijk niet alles zeiven bestleren, niet alle plaatsen huns rijks verdedigen of overal recht spreken. Zij stelden derhalve ambtenaren aan. Dit had keizer Karei de Groote ook wel gedaan; maar er was groo1-
25
onderscheid tusschen de ambtenaren en veldoversten, die hij aanstelde en die door zijne opvolgers werden aangesteld. Dit was hierin gelegen, dat de laatstgenoemden zich in vele opzichten bijna geheel en al onaf hankelijk gedroegen en de waardigheden erfelijk in hunne familiën wisten te maken.
De keizers en koningen, ópvolgers van Karei den Groote, benoemden dan over uitgestrekte landstreken, als bestierders, en vooral om bevel over de legers te voeren, hertoijen. Het land werd verdeeld in verschillende onderdeelen, die men gouwen noemde. Over deze gouwen werd een ambtenaar aangesteld, wiens voornaamste taak het was, recbt te spreken: die ambtenaren noemde men graven. Gewoonlijk werden tot hertogen en graven van een land mannen benoemd, welke in dat land zelve grooten invloed en uitgebreide bezittingen hadden. Karei de Groote hield die ambtenaren in groote afhankelijkheid van zijn gezag; maar dit vermochten zijne opvolgers niet. Die ambtenaren (hei tegen en graven) begonnen al zeer spoedig, naar gelang de keizers en koningen hunne macht zagen verminderen, hunne eigene macht te vergrooten. Zij wisten gedaan te krijgen, dat hunne zonen hen in hunne waardigheid zouden opvolgen; of die zonen zeiven stelden zich in het bezit hunner macht, zonder dat de keizers of koningen dit konden beletten. Zoodoende werden de waardigheden van hertogen en graven allengs erfelijk in een geslacht.
3. In die tijden, waarvan wij thans spreken, was het geld uiterst schaarsch. Het was ook geene gewoonte, ambtenaren des vorsten met geld te betalen; evenmin deden die ambtenaren het hunnen onderhoongen. Nu werd de grond voor verreweg het grootste gedeelte beschouwd als de eigendom Tan den vorst, hetzij keizer of koning. Geschiedde het nu, dat de keizer een ambtenaar, als graaf bij voorbeeld, naar eene ftreek zond, dan trok deze, voor zijn onderhoud en dat zijner onderhoorige ambtenaren of krijgsknechten, een opbrengst van den grond. Allengs werd het eene gewoonte, dat de vorst geheele landstreken afstond aan dezen of genen
26
hertog of graaf, tegen bepaalde voorwaarden. Die voorwaarden kwamen gewoonlijk hierop neder, dat de graaf bet land, waarover bij gesteld was, moest bestieren, verdedigen en het recht handhaven. Hiervoor werd bet gezag over en bet leen-hezit van die landstreek aan bem overgelaten. Hij mocht die overdoen aan-zijne opvolgers; maar hij moest aan den vorst eenen eed afleggen van trouw; hij moest, wanneer zijn vorst in oorlog geraakte, bem bijstaan in eigen persoon en gevolgd door zijne onderboorigen; bij moest eindelijk zekere schatting betalen of zeker bewijs van hulde opdragen aan den vorst. Daarvoor stelde deze bem in het erfelijk bezit van meer of minder uitgestrekte landstreken. Den vorst noemde men leenheer', den hertog of graaf, die op deze voorwaarden in het bezit van eene landstreek gesteld werd. noemde men leenman of vassaal.
4. Die leenmannen echter hadden op hunne beurt weder hunne onderboorigen, die, onder hen, het land bestierden of, met hen, aan het hoofd der gemeene lieden ten strijde togen. Aan dezen stonden nu die leenmannen, (hertogen of graven of boe zij heeten), op hunne beurt weder landerijen af. Ook deze landerijen werden op voorwaarde van eed van trouw, van zekere dienstbetooningen en van hulde, erfelijk afgestaan. Men noemde dit achterleenen. Wij zullen u dit door een voorbeeld ophelderen. De keizer van bet Duitsche rijk was leenheer van -al het land, dat thans ons vaderland uitmaakt; maar de keizer had dat gedeelte, hetwelk thans Holland heet, in leen gegeven aan den graaf van Holland. Dus was Holland een leen. De graaf van Holland had de omstreken van Haarlem weder in leen gegeven aan de bee-ren van Brederode; Veizen aan de heeren van Velzen. Dus waren Brederode en Velzen achterleenen. tsomraige heeren, als die van Arkel, bezaten ook wel hunne landen, als keizerlijk leen; maar werden later, na verloop van eeuwen door den graaf van Holland tot diens leenmannen gemaakt.
Al deze personen, die de regeerders des lands waren, noemde men te zamen genomen den adel.
5, In lateren tijd, ongeveer in de elfde en twaalfde eeuw kwam de gewoonte iu zwang, dat mannen van adellijke geboorte, die zich bijzonder verdienstelijk maakten in den oorlog, met zekere plechtigheden tot ridders geslagen werden. Ook werden er toen vereenigingen van mannen, allen ridders, gevormd met zeker doel, bij voorbeeld om het heilige graf van den Zaligmaker te verdedigen, of de Mohammedanen te besttijden. Deze vereenigingen noemde men ridderorden.
G. In de tijden der opvolgers van Karei den Grooten en later nog, berustten nagenoeg alle wetenschap en beschaving bij de geestelijkheid. Die geestelijkheid en vooral hare hoofden , de bisschoppen, verwierven allengs groote macht en aanzien. Zij hadden gewoonlijk hunnen zetel gevestigd in de voornaamste steden; de inwoners dier steden gevoelden zich onder hunne bescherming veiliger dan elders. Het gebeurde vaak, dat die bisschoppen mannen waren van aanzienlijken huize en bezitters van uitgestrekte goederen. Hunne bloedverwanten nu schonken dikwijls aan de bisschoppen uitgebreide bezittingen, bosschen, landhoeven enz. Die bisschoppen gaven hunne eigene goederen aan hunne kerken, zooals zij zich uitdrukten; dat is, dat die goederen voortdurend beheerd zouden worden door den persoon, die op den bisschopszetel gevestigd was. Keizers , graven, bijzondere personen vermeerderden die bezittingen door hunne mildheid. Zoo geraakten de bisschoppen allengs in het bezit van zeer groote goederen. Nu gold in die eeuwen het recht, dat de bezitters van den grond, te gelijk het gezag over de bewoners uitoefenden, en zoo werdén de bisschoppen tijdelijke vorsten, evenzeer als de hertogen en graven.
7. Maar de bisschoppen bezaten ook een groot gedeelte van de goederen hunner kerken als leenen van de keizers en koningen. Als dusdanig, namelijk als tijdelijke vorsten. bij voorbeeld van het bisdom Utrecht, moesten zij den eed van trouw en hulde doen aan hunnen leenheer, den keizer j zij mochten dit niet doen als geestelijken. Want geen koning
28
ot keizer ter wereld heeft het recht, zich heerschappij over de geestelijke macht der Kerk aan ts matigen; maar als bezitters van tijde goederen waren de bisschoppen vaak leenmannen des keizers. Ook zij schonken, evenals de graven,quot; op hunne beurt, goederen in achterleen aan anderen. Zoo was, bijvoorbeeld, de burgtvoogd vtn Koevorden. zoo was de heer van Zuylen een leenman van den bisschop van Utrecht.
8. Evenals de bisschoppen in het bezit van uitgestrekte heerschappijen kwamen , zoo kwamen kloosters en abdijen in het bezit van belangrijke goederen, niet minder dan aanzienlijke baronijen. De abdijen en kloosters kwamen in dat bezit door arbeid en noeste vlijt. Honderden bunders woeste gronden werden door hen ontgonnen en vruchtbaar gemaakt. Vrije eigenaars van hoeven, te zwak om zich zeiven te verdedigen tegen het geweld van machtigen, plaatsten zich onder bescherming dier kloosters en namen hunne bezittingen als leenen uit de handen der abten. Vrome lieden schonken land en goed; zoo werden de kloosters en abdijen aanzienlijke yrondbezittérs. Veel hadden zij in bezit als achlerlee-nen , en als dusdanig deden de kloostervoogden, voor die goederen weder hunnen eed en hulde aan eenen leenheer; bij voorbeeld aim den hertog van Brabant of aan den graaf van Holland.
9. De groote menigte des volks leelde, van de negende tot de twaalfde eeuw, in den staat van lijjeigenschap. dat is: zij was geen meester over haar eigen doen en laten; maar afhankelijk van den adel. Zij, die den grond bebouwden of de weinige nijverheid, die er bestond, dreven, moesten dit voor een gedeelte doen ten voordeele van hunnen heer. Een gedeelte slechts van de opbrengst van hunnen arbeid mochten zij als het hunne beschouwen: de grond behoorde hun niet toe. Een lijfeigene mocht niet eens den grond, dien hij bewoonde, verlaten en eene andere woonplaats kiezen, zonder goedkeuring zijns meesters. Deze toestand was het gevolg van de verovering van het Romeinsche rijk door de Gerraaansche volken. De overwinnaars, van welke de adel
29
afstamde, hadden de overwonnelingen onder het juk gebracht en tot lijfeigenen gemaakt, die voor heu den grond moesten bearbeiden en handwerken uitoefenen ; maar daartegenover ook -weer het voorrecht der bescherming tegen vreemde verdrukking genoten.
10. De lijfeigenschap drukte niettemin hard op de groote menigte des volks. Maar de Kerk, die altijd de beschave-resse der ruwe overwinnaars en de beschermster der bedrukten is, verzachtte dat lot. De kerken en abdijen waren de toevluchtsoorden voor de zwakken en onderdrukten. Ieder , die door de Kerk onder hare geestelijkheid werd aangenomen, werd een vrij man; teder, die leenman der Kerk werd of zelfs haar lijfeigene, werd zachtzinniger behandeld en met klem beschermd. De Kerk verbood, dat de heeren de huwelijken der lijfeigenen zouden scheiden, door echtgenoo-ten van elkander te verwijderen. Ja, zij was het, die - de sterkeren en machtigen der wereld aanhoudend op de straffen wees, die God hiernamaals bereid heeft voor hen, die geweld en onrecht plegen en dit niet naar hun vermogen herstellen.
11. Het leenstelsel was de maatschappelijke vorm van bijna geheel ons land gedurende de middeneeuwen. Het werd echter allengskens meer gewijzigd en zachter. Er ontstonden steden. De inwoners dier steden wisten van de graven en hertogen voorrechten te verkrijgen, privilegiën genaamd. De voornaamste dier voorrechten waren: dat de bewoners der steden hunne eigene overheden en rechters mochten kiezen; dal zij niet zonder hunne toestemming belastingen behoefden op te brengen; dal de persoonlijke veiligheid en eigendom beter gewaarborgd werden.
12. Allengs geraakten die steden tot zulk een macht en aanzien, dat zij zelfs begonnen deel te nemen aan het bestuur des lands Kleinere steden verkregen dezelfde rechten als de grootere. De lijfeigenen, die burgers der steden konden worden . werden' vrije mannen. De steden bloeiden door handel en nijverheid en boezemden ontzag in aan den mach-
30
tigen adel, door de geoefendlieid der burgerijeu ia den wapenhandel. Zij regeerden zich zeiven, zij verdedigden zich zeiven, en zoo ontstond in den loop der eeuwen de derde stand: de stand der hurgerijen. De eerste stand was de geestelijkheid'. de tweede de adel.
In enkele streken van ons vaderland, te weten in Friesland en in dat gedeelte van Noord-Holland, dat wel eens West-Frieslaud genoemd wordt, heeft het leenstelsel nooit geheerscht. De verschillende gouwen of streken werden bestierd door de ingezetenen zeiven, aan wier hoofd mannen stonden, die in Friesland Grietmannen (dat is: grootemannen) genoemd werden.
Vil.
HET GRAAFSCHAP HOLLAND EN ZEELAND ONDER HET HOLLANDSCHE HUIS.
1. De voornaamste landschappen, waarin ons land gedurende den tijd van het leenstelsel verdeeld was, waren: het graafschap Holland, waarmede Zeeland was verbonden; het bisdom Utrecht; het hertogdom Gelder; terwijl het hertogdom Brabant, waarmede dat van Limburg nauw verbonden was, voor het grootste gedeelte tot het tegenwoordige iielgié, maar toch ook voor een deel tot Noord-Nederland behoorde.
Algemeen wordt aangenomen dat de gift van eene streek gronds langs de Noordzee-kusten, door den Frankischen koning Karei den Eenvoudigen, als koning van Lotharingie in 922 aan zekeren Dirk of Diederik gedaan, den grond heeft gelegd tot het graafschap Holland. Zoowel door veroveringen op de Friezen als door aanhechting van andere heerlijkheden heeft dat graafschap allengs den omvang der tegenwoordige provinciën. Noord- en Zuid-Holland verkregen. Van de drie eerste graven, Dirk I, Dirk 11 en Anwud, weet men weinig. De abdij-goederen van Egmond maakten loen het belangrijkste en verreweg meest beschaafde deel van het graafschap uit.
31
De graven waren beschennheeren dier abdij, en dit was het eerste begin van huu aanzien eu van hunne macht. Zij hadden veel te oorlogen met de West-Friezen, die het noord-oostelijke gedeelte van het tegenwoordige Noord-Holland bewoonden. Graaf Arnoud kwam in een gevecht tegen hen, bij het dorp Winkel, om het leven. De oorzaak dier oorlogen was, dat de graven ineenden, dat de West-Friezen hun onderwerping schuldig waren; terwijl deze huune onafhankelijkheid handhaafden.
2. Den derden graaf, die den naam van Dirk voerde, kan nieu beschouwen als den eigenlijken stichter van het graafschap Holland. Deze bouwde in het jaar 1018 op een moe-rassigen grond. waar verschillende rivieren, de Lek en de Maas samenvloeien, eene stad , Dordrecht geheeten: de oudste stad van Holland. Hij deed dit om tol te beffen van alle schepen, die de rivieren zouden komen afvaren. De grond, waarop Dirk-die stad bouwde, behoorde aan het bisdom van Utrecht, Deze omstandigheid en ook, dat graaf Dirk op eigen gezag de kooplieden, die de rivier afvoeren, tol betalen liet, haalde hem het ongenoegen des keizers van Duitschland op den hals. Dirk moest dezen als zijnen leenheer gehoorzamen; doch de leenmannen waren weinig gewoon zich om recht te bekommeren: zij deden wat hun goeddacht, zoolang zij de sterksten waren. Dirk wist zich, ondanks zijne vijanden, in het bezit van Dordrecht te handhaven. Hertog Godevaart van Neder-Lotharingie, dat later Brabant genoemd is, werd door den keizer uitgenoodigd, den graaf van Holland tot zijnen plicht te brengen, doch de hertog werd in een gevecht door Dirk gevangen genomen. Hij stelde hem echter in vrijheid, waarop hertog Godevaart de verzoening tusschen den keizer en graaf Dirk wist te weeg te brengen.
3. De opvolgers van Dirk 111 waren zijne zonen Dirk IV en Floris I. * Ook deze voerden aanhoudend oorlog met de bisschoppen van Utrecht. Want, niet tot eer der graven van HollanjJ, zochten deze nu dit, dan weder dat, hetgeen die bisschoppen toebehoorden, te overmeesteren. Aangezien nu
32
die bisschoppen tegelijkertijd wereldlijke vorsten waren moesten zij hunne onderdanen beschermen.
De graven, die op Floris I volgden , voerden allen, op één na, de namen van Floris, Dirk of Willem. Wij zullen ze u straks naar volgorde opgeven. Gedurende de minderjarigheid van Dirk V voerde Godevaait (bekend als Govert met den bult) hertog van Neder-Lotharingie, de voogdij over hemen stichtte de stad Delft.
4. Op het einde der elfde eeuw, in het jaar 1090, begonnen de kruistochten. Gelijk u bekend zal wezen, was het land, waar onze Heer .lezus Christus op aarde geleefd had, in de handen van ongeloovigen, volgelingen van den valschen profeet Mohammed gevallen. Nu was het immer een vrome gewoonte van velen , het Heilige Graf des Zaligmakers als pelgrims te gaan bezoeken en daar te gaan bidden. Maar de Mohammedanen mishandelden de Christenen, die derwaarts gingen, vreeselijk. Dit wekte de verontwaardiging hunner ge-loofsgenooten in Europa op. Koningen, hertogen, graven en edellieden, duizenden en duizenden ontzagen moeite noch gevaren om het Heilige Graf te verlossen uit de macht der ongeloovigen. Zoo ontstonden die verbazende krijgstochten der westersche volken naar het Heilige Land, die wij kruis-tochten noemen: omdat zij, die daaraan deelnamen, tot tee-ken een kruis op hunne kleederen droegen.
De Christenen van het westelijk Europa werden het eerst tot het ondernemen der kruistochten ontvlamd door de predikatiën van eenen vromen man. Peter de Kluizenaar gehee-ten, afkomstig uit Amiens in Frankrijk. Deze reisde groote gedeelten van Europa door, om den Christenen den deerlijken toestand van het Heilige Land te schetsen. Duizenden en duizenden namen daarop liet teeken des Kruises aan uit zijne handen en uit die van andere geestelijken. Al die duizendtallen togen gewapend naar Azië, om de Mohammedanen te bestrijden en Jeruzalem en het Heilige Graf uit de handen der ongeloovigen le verlossen. liet voornaamste hoofd van den eersten kruistocht was Godfried van Bouillon, mark-
33
graal' van Antwerpen: een Zuid-Nederlander of Belg. Onder zijn beleid uainen de kruisvaarders Jeruzalem in (1009) en stichtten een christenrijk in Palestina.
5. De kruistochten duurden ongeveer tweo eeuwen. Tot zeven keeren toe heproefJen groote en machtige legers de Moliaininedanen uit Palestina te verdrijven. Bovendien togen bijna ieder jaar veie gewapende mannen naar het Heilige Land. Toch waren de Christenen, na een bijna tweehonderdjarigen strijd genoodzaakt Jeruzalem en alle volkpianlingen der Christenen in Azië in de macht der ongeloovigen te laten. De Christenen hadden evenwel te weeg gein acht, dal de volgelingen van den vaischen profeet Mohammed Europa voor langen tijd met rust lieten.
De graven en edelen van Holland, vrome en dappere mannen, namen een werkzaam doel aan de kruistochten. Floris Hl toog met keizer Frederik Roodbaard naar hét Heilige Land, maar stierf eer hij het nog bereikte (1190), Graaf Willem I was tegenwoordig bij dc verovering van Damiate, eene stad in Egypte, die in 1110 lt;!oor de kruisvaarders werd ingenomen, öe Hollanders cn Zeeuwen, toen reeds bekwame zeevaarders, behaalden bij die verovering grooten roem.
6. Willem I was een broeder van graal'Dirk VH. Deze had nog eene dochter, Ada, welke haren vader anders had moeten Opvolgen: maar algemeen was de HoHandsche adel van meening, dat het graafschap Holland een zwaardlcen was, waartoe alleen mannen gerechtigd waren . cn geen spilleleen, waarin ook vrouwen konden opvolgen. Willem I wist zich in het bezit van het graafschap te handhaven tegenover zijne nicht gravin Ada.
7. De graven van Holland waren allengs toegenomen in macht en aanzien, zoo zelfs, dat Willem TI, kleinzoon van graal Willem I, door den invloed van paus Innocentlus IV (1247) tot Roomseh koning werd verheven. Deze waardigheid was zooveel als bestierder en vorst van geheel het machtige Duitsche Rijk. Was die vorst door den puus gekroond,
3
34
dan was hij Duitsck keizer. Nu hadden, sinds meer dan eene eeuw, Terschillende Duitsche Keizers beproeld, den paus van Rome van zich afhankelijk te maken eu hem vervolgd en beoorloogd. De paus echter had alléén het recht den Duitschen keizer te kroonen; hij mocht dien ook. om gropte misdaden, vervallen verklaren van deu keizerstroon. Dit deed paus Innocentius IV den Duitschen keizer Frede-rik II, een groot vervolger der Kerk. Willem II werd hierop door hen, die het met de Kerk en den paus wel meenden, tol opvolger van Frederik 11 verkozen: zoo groot in aanzien was toen reeds het llollandsch gravenhuis! Ongelukkigerwijze leefde Willem II niet lang. Hij beoorloogde in den winter (1256) de Westfriezen. In dien krijgstocht ontnam men hem het leven op het ijs nabij Hoogwoude, een dorp in Noordbolland. De Westfriezen vonden en begroeven zijn lijk op eene onbekende plaats. Later kwam graaf Kloris V, zoon van Willem 11. de Westfriezen beoorloogen. Toen bij hen onderworpen had, vorderde hij het lijk zijns vaders. Een oude Westfries wist de plaals waar Willem II lag begraven , waarop Floris het overschot zijns vaders in de abdij te Middelburg liet ter aarde bestellen.
Deze graaf Willem 11 bouwde in een boschrijk oord van Zuidholland een slot. Om dat slot vestigden zich allengs bewoners. De graaf en zijne opvolgers hielden daar vaak hun verblijf, en zoo ontstond rondom het bof van graaf Willem II de stad, die thans bet schoone 's Gravenhage is!
8. Ook andere steden waren allengs in het graafschap Holland en Zeeland opyelomen en tot hloeigestegen. Dordrecht, Delft, Haarlem, Alkmaar, Middelburg, Zierikzee en meer andere plaatsen hadden reeds vroeger belangrijke voorrechten ontvangen of ontvingen die van graaf Willem II en diens zoon en opvolger Floris V. Zij ontvingen van hunne vorsten het recht om dooi' hunne eigene schepenen recht te laten spreken, alsmede belangt ijke voordeelen voor hunnen handel en hunne markten. De inwoners, die men poorters noemde, omringden hunne steden met muren.
35
oefenden zich in den -wapenhandel en leerden hunne eigene stad beschermen en verdedigen. l)e burgerijen dier steden hadden menigmaal geschillen met de edelen en -werden dan door graaf Willem 11 en graaf Floris V begunstigd. Deze laatste -was zoo in aanzien bij de burgerijen , dat men hem ⢠der keerlen godquot; noemde. Dit -wekte grooten wrok der edelen legen Floris op. Nu geraakte de graaf iu onmin' met den koning van Engeland. Eenige edelen spanden verraderlijk met dien vreemden vorst samen, om hun eigen -wettigen leenheer gevangen te nemen en naar Engeland te voeren. Gerard van Velsen, lierman van Woerden en Gijsbrecht van Amstel waren de voornaamsten dier edelen. Zij overvielen den graaf op een valkenjacht, na eenon maaltijd,-waaraan zij zeiven met hem rangezeten hadden. Zij voerden hem gevankelijk naar het slot te Muiden, waar men nog de gevangen-kamT van graaf Floris V kan zien. Zij wilden hem van hier naar Engeland voeren.
Zoodra evenwel de Westfriezen , de mannen van Waterland en van het Gooy vernomen hadden hoe trouwelooze edelen hunnen beminden graaf gevangen hielden, snelden die mannen gewapend toe, om hunnen heer te verlossen. De edelen begrepen, dat zij het slot niet lang tegen de verontwaardigde burgers zouden kunnen veidedigen Zij wilden nu den graaf naar Uraband voeren; doch op hunnen tocht door de buryert achtervolgd, vermoordden zij den edelen Floris, bunnen wettigen heer, wien zij trouw gezworen hadden (129G). De moordenaars werden later door de verbitterde burgers vervolgd en zwaar gestraft. Hunne kasteden werden onder den voet gehaald en hunne geslachten gingen te niet.
Onder de moordenaars vau Floris V was ook Gijsbrecht van Armtel. Ilij was heer van eene moerassige strook lands, waar de Amstel in het IJ uitloopt. Uier ontstond eerst een klein dorp onder bescherming der heeren van Amstel. Dit wevd langzamerhand eene stad, die in 1300 stadsrechten ontving en thans Amsterdam is.
36
9. Floris V, de edele en dappere graaf, de beschermer, der steden en burgers, kwam zoo noodlollig aan zijn einde (129G). Hij -werd opgevolgd door zijnen jongen zoon Jan I. Deze stierf drie jaren later (1299). Zijn naaste erfgenaam was de graal van Henegouwen. Jan van Avesnes, de zoon eener zuster van graaf Willem 11. Met Jan I stierf, in 1299, het gravengeslacht in het llollandsche huis uit.
10. Graven van Holland zijn geweest: Dirk I, Dirk 11, Ar-noud, Dirk 111, Dirk IV, Floris I, Dirk V, Floris II, Dirk VI, Floris III, Diik VH, (gravin Ada) Willem 1, Floris IV, Willem 11, Floris V en Jan 1 (922â1239).
VIII.
HET HENEGOTI-WSCHE^y HET BETEHSCHE HUIS.
1. In vroegere eeuwen liadden de volken eere zeer groote achting voor het recht van erfopvolging. Zij zouden gemeend hebben, dal zij eene groote zonde begingen, indien zij den â wettigen erfgenaam van hunnen overledenen vorst niet op zijne beurt als hunnen vorst erkenden. Nu heerschte er dikwijls zeer vèel verschil over de vraag, wie tot de erfopvolging gerechtigd was. In sommige -vorstendommen mochten vrouwen de regeering aanvaarden, bij voorbeeld in Vlaanderen, in Braband; m andere weder niet; in andere weder bleef de zaak onbeslist. Dit laatste was het geval met Holland en Zeeland. De een beweerde, dat alléén een man regeerend graaf kon wezen, dat Holland een zwuardleen was, gelijk men dit noemde; de andere beweerde, dat ook eene vrouw de regeering kon voeren, wijl Holland een spilleleen was. Dit gaf aanleiding tot groote twisten en hevige burgeroorlogen.
2. Jan II, ook wel naar zijne geboorteplaats Jan van Avesnes geheeten, was de naaste mannelijke bloedverwant van den overledenen graaf Jan I. Hij wist zich in het bezit van bet graafschap Holland en Zeeland te stellen; maar dit geschiedde niet zonder vele tnoeielijkheden. De graven van
37
Vlaanderen ineenden recht te hebbeu op een groot gedeelte van Zeeland en wilden dit met de -wapenen veroveren. Zij drongen zelfs door tot in Holland in de nabijheid van Haarlem; doch hier bij het Manpad werden zij door Witte van Uaanstede overwonnen (1303). Slechts weinige Vlamingen keerden naar hun land terug. Jan II kon zoodoende het graafschap Holland en Zeeland aan zijn zoon Willem lil nalaten.
3. Deze Willetn III werd de goede bijgenaamd. Hij was een. zeer goed en welmeenend vorst, die liet welzijn zijner onderdanen beoogde. Ilij oefende gerechtigheid uit en beminde den vrede. Hij werd dan ook algemeen door zijn volk ge-eerd en geacht. De, handel en nijverheid bloeiden in Holland en Zeeland: Dordrecht was eene belangrijke koopstad, die grooten handel op Duitschland dreef. (Ook steden van andere gewesten, als Tiel, Deventer. Harderwijk, bloeiden door den handel.) De gerechtigheid, die de goede graaf uitoefende, de vrijheden, die hij aan de burgerijen schonk, waren oorzaak van dien grooten bloei; want gerechtigheid loont alreeds zich zelve. De burgerij der steden, overtuigd dat hun vorst voor 's lands welzijn waakte, waren nijver en arbeidzaam en verwierven zich daardoor groole rijkdommen. De steden verkregen vele rechten van den goeden graaf; waaronder de voornaamste waren, dat de burgers hunne eigene overheden mochten kiezen, voor hunne eigene rechters te recht staan, zich zclven door schutterijen mochten verdedigen, zich te zamen mochten vereenigen tot gilden.
4. Gilden, zoo noemde men de vereeniging van lieden, die hetzelfde ambacht dreven, en hunne eigene belangen verzorgden. Zij werden bestuurd door dekens en ovennannen, die zij uit hun midden kozen. Die gilden oefenden een grooten invloed* uit op den bloei en de welvaart der sleden. Zij zonden namelijk in de meeste sleden hunne bestuurders iu de stadsregeering, om daar hunne belangen voor tc staan. Ieder gild had zijn eigen vaandel: meestal in de hoofdkerk zijne eigene kapel en stelde zich ouder bescherming van
38
eeiien Heilige als patroon. Zoo heette tiet schildersgild dikwijls bet St. Lucasgild, omdat de 11. Lucas de patroon der schilders was.
5. Na den dood van Willem 111 volgde hem zijn zoon Willem IV op. Deze was oorloyzuchtiyer en sneuvelde (1345) hij Stavoren in een g.vecht tegen de Friezen, die hij wilde onderwerpen. Hij het geene kinderen ua. Zijne naaste erfgename was zijne zusier Margareta. Deze was gehuwd met Lodewijk van Begeren, die Duitsch Keizer was. Eigenlijk kon, naar de meening van velen, geeue vrouw regeerend gravin van Holland zijn; doch haar man, die als keizer ook in Holland groole rechlen bezat, bevestigde haar in het bezit van de erfenis haars broeden'. Daar Margareta zelve het bestuur moeielijk kou waarnemen over Holland en Zeeland, liet zij dit over aan haren zoon Willem V, op voorwaarde^ dat hij haar jaarlijks de som vau 10,000 schilden (toen eene zeer groote som) zou uilkeeren. Het bleek alras, dat Willem die som niet kon of wilde betalen, of dat de Hollandsche onderzaten, die dat geld moesten opbrengen, er weinig geneigdheid toe beloonden. Willem kwam de voorwaarden niet na, en dit gaf aanleiding tot de ergerlijkste oneenigheden tusschen moeder eu zoon.
G. Margareta, die weduwe geworden was, wilde de heerschappij over Holiaud en Zeeland weder aanvaarden; haar zoon wilde deze niet afstaan. Ieder van hen werd geholpen door steden of door adellijke personen. Hierop ontvlamde een vreeselijke, onnatuurlijke oorlog, tusschen burgers van hetzelfde land, tusschen moeder en zoon. Volgens de gewoonte dier tijden, nam iedere partij eene eigene kleur en een bijzonderen naam aaa; de aanhangers van Margareta kozen de roode kleur en noemden zich Iloekschen. De aanhangers van Willem V kozen de grijze of grauwe kleur en noemden zich Kaheljanwschen. De oorzaak dier namen vindt men in de volgende omstandigheden; even als de kabeljauw de kleine visch-jes verslindt, zoo beweerden de aanhangers van Willem, zouden zij hunne vijanden vernietigen. De andere partij noemde
39
zich Hoekschen, omdat de kabeljauw met een hoek gevangen wordt. Na hevige gevechten tusschen heide partijen hleef Willem overwinnaar en in het bezit van Holland en Zeeland, terwijl zijne moeder tot aan haren dood Henegouwen hleef besturen. Dit erfde Willem ook na haren dood. Hij had er echter weinig genot van, want hij -werd krankzinnig, moest het beheer over alles, wat het zijne was, aau zijn broeder Albrecht overlaten, en stierf, nadat hij dertig jaren als krankzinnige was opgesloten geweest!
7. Willem V was de eerste graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen, uit het geslacht ol huis van Bei/eren geweest. Dat geslacht was in Holland niet inlieemsch. Het was in zeden eu gewoonten Fransch, want Henegouwen, waar hel bij voorkeur zich ophield, volgde Fransche taal en zeden. De graven van Holland en Henegouwen behoorden tot de machtigste vorsten van hunnen tijd. Daardoor werden zij gevreesd en zocht men hunue vrieudschap. Zij sloten nauwe verbintenissen met de Fransche koningen en groote Fransclie heeren. De groote heeren van het Fransche hof en ook de adel zagen gewoonlijk met minachling op de burgerijen der sleden neder. Zij benijdden de opkomende macht en rijkdom van deze, en poogden die te onderdrukken. Dit gaf mede aanleiding tot groole onlusten en burgeroorlogen, niet alleen in ons land, maar ook in vele andere landen. De graven van Holland en Henegouwen uit het Beyersche huis trokken de partij van den adel tegen de burgerijen, en van de Hoekschen tegen de Kabeijauwschen.
8. Wrant die nootlollige burgeroorlog hleef zelfs na den dood van Margareta en haren zoon Willem V voortduren. De Hoekschen waren meest machtige en aanzienlijke edellieden, die niet konden gedoogen, dat de burgerijen der steden in aan» zien en macht toenamen. Tol de Kabeijauwschen behoorden meest de deftige burgerschappen der steden, die door handel en nijverheid rijk geutorden waren en den adel ter zijde wilden streven. Enkele sleden, zooals Gouda, trokken echter het meest partij voor de Hoekschen. Enkele edellieden, zooals de mach*
40
tige lieeren van Arkel en van Egmond, trokken daarentegen partij voer de Kabeljauwsclien. Omstreeks denzelfden tijd werden ook andere gewesten van ons land door burgeroor-legen geteisterd, die uit dezelfde oorzaken voortkwamen.
9. Ouder Albreclit en diens zoon Willem VI bleven die burgertwisten voortduren. Het lievigst ontbrandden zij onder Jacoha van Beyeren. Ven; was de eenige dochter van Willem VI. Haar vader stierf, toen zij nog maar zestien jaren oud was. Zij was reeds vroeg gehuwd met een zoon van den koning van Franlrijk: deze stierf ook zeer jong. Jacoba kwam toen naar Holland, om bezit van baars vaders erfenis te nemen, de Hoekscheu erkenden baar als gravin, doch de Kabeljauwsclien niet. Dezen bew eerden , dat Jan van Beyeren, broeder van Jacob's vader, de wettige vorst was. Nu ontstond er een hevige burgeroorlog. Jacoba huwde met ./an, lierlog van Braband, duch deze was een onbekwaam vorst. Jacoba was eerzuchtig en lichtzinnig genoeg, oin zich al spoedig, tot groote ergernis van alle weidenkenden, van haren man te laten scheiden; ja zells gedurende diens leven met een En-gelsrhen prins een ander (ongeoorloofd) huwelijk, aan te gaan-
10, De levensloop van Jacoba van Beyeren was zeer onge' lukkig. De lichtzinnigheid, waarmede zij een huwelijk sloot, dat tegen de geboden van God en van de 11, Kerk streed, verdient ztker eene gestrenge afkeuring; maar het is toch een aandoenlijk schouwspel eene zoo jonge vorstin, die meende haai goed recht te verdedigen, te zien vervolgen door hen, die hare natuurlijke beschermers moesten zijn, namelijk door haren oom Jan van Beyeren en haren neef, Filips van Bour-gondië. Deze wilden, elk op hunne beurt, haar van haar erfdeel ontzetten, op den bedenkelijkrn grond, dat in Holland de vrouwenregeering door de staatsregeling werd uitgesloten (bl. 38, 36),
11. Henegouwen, Holland en Zeeland waren jaren lang diep ongelukkig door deze burgeroorlogen. Beide partijen voerden den oorlog zeer wreed. Zij schenen vergeten te hebben, dat zij Christenen waren. Men verhaalt, dat toen
41
de Hoekscl.en de stad eu het kasteel van Sclioonhoven , waar men het met de Rabeljauwschen hield, belegerden, zij den bevelhebber van het kasteel gevangen namen. Deze man, Albrecht Beyling geheeten, zou door de wrccde Hoekschen veroordeeld zijn om lenend begraven te worden! Hij had een uitstel van vier veken verzocht om zijn gezin te bezoeken en zijne zaken te regelen, en beloofde op zijn woord dan terug te keeren. Dit werd hem door den bevelhebber der Hoekschen toegestaan. Albrecht Deyliug vertrok â kwam, gelijk hij beloofd had, terug, en werd levend begraven. Aan de waarheid van dit bekend verhaal wordt echter weieens getwijfeld.
12. Jan van Beyeren stierf, terwijl hij nog tegen Jacoba oorlog voerde. Hij benoemde Filips, hertog van Bourgondië, een vollen neef van moeders zijde van Jacoba, tot zijnen erfgenaam. De Kabeljanwschen erkenden nu Filips als graaf.
Filips, een der machtigste vorsten van zijnen tijd, beoorloogde Jacoha, Deze was tegen hem (die nog wel den bijnaam van de Goede droeg) niet bestand. Zij moest vrede sluiten, op voorwaarde dat zij het beheer harer landen aan Filips zou afstaan en niet zonder zijne voorkennis huwen. Haar gemaal. Jan van Brahand, was reeds dood, en de En-gelsche prins, hertog van Gloucester getiteld, had haar reeds verlaten! Jacoba huwde echter in stilte met een Zeeuw-schen edelman. Frank van Borselen. die haar, in haar ongeluk, met geld en goed had bijgestaan. Filips, hierover vergramd, wilde Frank vnn Borselen ter dood laten brengen. Hij deed dit echter niet, op voorwaarde dat Jacoba hem (den hertog} als grunf van Henegouwen, Holland en Zeeland zon erkennen : wat zij deed. Zij ging nu meestal op het slot van Teylingen bij Leiden of te Goes, op het eiland Zuid-Beveland,, wonen, en stierf in het jaar 1436.
13. De regeering van de graven uit het Henegouwsche en het Beyersche huis bracht Holland en Zeeland onder vorsten, die, zooals wij reeds opmerkten, in taal en zeden veel van den Hoilandschen eenvoud verschilden. Gelukkig wisten onze
42
â vaderen, ondanks alle rampen, die hen troffen, toch hunne éigene voorvaderlijke taal te bewaren; wat onze zuidelijke naburen niet zoo goed deden. Onder die graven werd ons land wreed geteisterd, niet alleen door dien rampzaligen strijd tusschen inwoners van hetzellde land, maar ook door hevige watervloeden. De dijken waren toen op lange na niet zoo Tsel ingericht als thans. Op zekeren nacht, voor den feestdag van de 11. Elizabeth (18 INovember 1421), bra/cen de dijken bij Dordrecht en Geertruidenberg door een hevigen storm. Twee en zeventig dorpen werden door het water overstroomd en geheel en al vernietigd. Honderd duizend metischen verloren daarbij het leven. Al dat land werd door het water verzwolgen, en zoodoen ie de Biesbos gevormd. Men verhaalt, dat bij dien storm een kind in eene wieg kwam aanspoelen aan de» dijk, die nu nog Kinderdijk heet. Eene kat, die in dat wiegje was gaan liggen, had door heen en weder te springen het evenwicht weten te bewaren, waardoor het wiegje niet omsloeg â God had het kind behouden.
13. Terwijl Jacoba gravin van Holland was, werd door Laurens Janszoon, sclepeu te Haarlem, eu die aan het door hem of door zijn voorvaderen hekleede kostersambt (toenmaals een aanzienlijke post) den lainilienaam van Coster verschuldigd w as, de boeldrukkunst uilgevonden.
14. Graven en gravinnen uit het huis van Henegouwen , 1299â1350.
Jan II, Willem III, Willem IV, Margareta.
Graven en gravinnen uit het huis van Heyeren, 1350â1438.
Willem V, Albrecht, Willem VI, Jacoba.
IX.
HET BISDOM TAN UTHECIIT DB LANDEN, DIB DAAB ONDEE BEHOORDEN.
1. Gedurende de middeleeuwen hadden de geestelijken over
43
het algemeen eene zeer groole macht. Zeer vele bisschoppen en ablen van kloosters, vooral in de landen, die tot het Uuitsche Rijk behoorden, waren te gelijker tijd kerkvoogden cn tijdelijke vorsten. Het is niet ondienstig, dat wij u een beknopt, maar duidelijk inzicht van deze zaak geven. Vooral in de tijden, die op den dood van Karei den Grooten volgden, waren de geringen en zwakken zonder verdediging overgeleverd aan het geweld der niaclitigen en sterken. Nu oefende de geestelijkheid op het geloovigen volk een grooteü invloed uit, en gebruikten dien ter bescherming van de verdrukten. Dezen namen dan ook hunne toevlucht tot de bisschoppen en tot de ablen der kloosters. Zij maakten zich tot hunne leenmannen, gelijk men het noemde: dat is: zij eikenden hen voor hun hoofd, mits zij op hunne bescherming kondeu rekenen. Zoodoende ontvluchtten zij het geweld, want ieder, die de bezittingen der Kerk of hare dienaren aanrandde, werd in den Ban gedaan en door alle geloovigen geschuwd. Zeer velen maakten zich tot leenmannen van dezen of genen bisschop. Dit was eene eerste oorzaak hunner macht.
Eene tweede was, dat de bisschoppen en kloosters zich reeds vroeg op het ontginnen van woeste landen, op het leggen van dijken, als anderszins , toelegden. Ongelooflijk veel dorpen en verscheidene steden hebhen hieraan hun eerste ontstaan te danken. Dit land werd natuurlijk het eigendom van hen, die het vruchtbaar maakten.
Een derde en voorname oorzaak was de schenkingen der keizers. ïoen na den dood van Karei den Grooten zijn opvolgers hun gezag niet meer wisten te verdedigen en te handhaven, schonken zij groole gedeelten hunner landen aan graven, maar ook aan bisschoppen. Geheele landstreken werden op die wijze ouder het onmiddellijk gebied van geestelijken gebracht. Daar deze in de nabijheid waren en algemeen werden ontzien, waren zij beter in staat de armen en geringen te beschermen en hun recht te bedeelen dan de keizer, die ver af was. Dal toekennen van wereldlijk rechtsgebied aan bisschoppen en abten door verschillende keizers, zoowel van het
44
Frankische als naderhand van het Duitsche Rijk, duurde eeuwen Jang.
2. Nu bestond boven den Rijn, sinds het jaar C35, de bisschopszetel van Ulreclit. Al het land, dal tegenwoordig tot ons vaderland behoort, len noorden ven de Schelde en de Maas, erkende dien bisschop als geestelijk opperlioofd. Vele heilige en vrome mannen hebben dien bisschopszetel bekioinmen: zooals de 11. Bonifacius en later de 11. Grpgorius , en meer anderen. Terwijl geheel bet noordelijk gedeelte van ons vaderland , met uitzondering van liet graafschap Holland (dat toen veel kleiner was dan later), in regeeringloosheid was, gaven de Duilscbe keizers aan de bisschoppen van Ulrecbt het gezag over die landen. liet gedeelte, dat Ihans de provincie Utrecht vormt, toen het Benethnslichf geheeten, kwam het eerst ouder hel wereldlijk gezag der bisschoppen ; in de elfde eeuw ook het zoogenaamde Bovensticht ', thans de provincie Overijsel. Ook Groningerland, Drente, Friesland en een gedeelte van Gelderland, dat thans de Veluwe heet, kwamen, althans in naam, krachtens de schenkingen der Duitsche keizers, aan het bisdom van Utrecht. Die Duitsche keizers, vooral Otto II, Hendrik II en Hendrik IV, hielden de bisschoppen van Utrecht in boog aanzien en namen menigmaal htm verblijf in de stnd.
3. De bisschop werd gekozen door de geestelijken der vijf kapittelkeiken: dat zijn de kerken waaraan kollegiën van kanunniken verbonden zijn. De kapittels vormden den bisschopsraad, zoowel in tijdelijke als geestelijke zaken. Iedere bisschop echter, zou hij wettig bestierder der Kerk zijn, moest door - Z. II. den Paus bevestigd worden. Deze gaf hem dan den mijier en staf, len teeken dat hij de kudde van den Zaligmaker moest hoeden. De keizer bezat alleen het recht,om den bisschop het tijdelijk gezag te geven. Evenwel wilden vele keizers zeiven de bisschoppen benoemen. Dit was eene onrechtvaardige aanmatiging; want zij hadden daartoe geen gezag van God ontvangen. Die aanmatiging des keizers gaf aanleiding tot vele twisten.
45
4. De bisschoppen van Utrecht hadden ook dikwijls moeie-lijkhcdcn met hunne onderdanen. Overal liet algemeen waren zij zeer zachlzinuige vorsten. Zij gaven aan de meeste sie-den uitgebreide vrijheden, zoodat deze bijna onal hankelijk werden van hunnen vorst, den bisschop. Groningen, Zwol, Kampen en Deventer werden door hunne eigene stadsraden, bijna geheel en al onafhankelijk van den bisschop, geregeerd; ook de stad Utrecht zelve. Nu geschiedde het dikwijls, dat vooral de burgerij der laatstgenoemde stad zich wat veel aanmatigde en daardoor in omnia met den bisschop kwam.
5. liet meest evenwel hadden de bisschoppen te kampen met de wereldlijke vorsten, hunne naburen, de graven van Holland en Gelderland. Eerstgenoemden ontname:; hun Gooiland en bet land rondom Dordrecht; de laatslgeuoemden de Veluwe. Wat meer is, de graven van Holland maakten zich in Utrecht zelve eene partij en wilden dikwijls, bij de keuze van eenen bisschop, door verkeerde middelen deze naar hunnen zin doen uitvallen. Dit gelukte hun soms, maar mislukte ook meer dan eens. Bisschop Jm van Arkel, die omstreeks 1350 den zetel van Utrecht bekleedde, had zeer veel te kampen met die heerschzucht der llollandsche graven.
5. Toen in Holland en Zeeland de llotksche en Kabe-jauwsche twisten uitbraken, geraakte het Sticht van Utrecht insgelijks in burgeroorlog. Een gedeelte van den adel en de sleden hielp de lioekschen ; een ander gedeelte der Kabel-jauwschen'. Dit gaf aanleiding tot treurige verdeeldheden, zelfs zoo, dat iedere party eenen bisschop koos, ofschoon slechts één de wettig gekozene kon zijn. Men kon trouwens altijd weten, wie de wettige was: namelijk, hij die door den Paus van Rome als dusdanig werd erkend. Toen eindelijk Filips van Bourgondië graaf van Holland werd, kwam ook een persoon uit het huis van Bourgondië op den bisschopszetel van Utrecht, en hielden de oneenigheden tus-schen de graven van Holland en de bisschoppen op.
6. De provinciën Friesland en Groningen, die na den on-
46
dergang van het Friesche koninkrijk tot het rijk van Karei den Grooten kwamen, werden in de elfde eeuw en later door de Duitsclie kiezers wel aan drn bisschopszetel van Utrecht gevoegd; maar over 't algemeen oefenden de bisschoppen in die streken weinig gezag uit. Groningen werd eene nagenoeg o n af ha nlcelijl e stad. liet overige gedeelte werd. door edelen geregeerd, die weder een lioofdman, welken zij podestaat noemden, tot algemeen aanvoerder kozen. De Friesche steden werden geregeerd door hare eigene overheden. De Friezen waartoe ook de Groningerlanders gerekend werden, waren langen tijd het onbeschoaldste volk van deze landen Zij waren zeer vrijheidlievend en kwamen daardoor in botsing met de hecrzucht der llollandsciie graven.
7. Dezen toch beweerden, dat hun de macht over Friesland toekwam. Eeuwen lang voerden zij krijg, om de Friezen te doen buigen. Eerst beoorloogden zij de West-Friezen, die het tegenwoordig Noord-Holland bewoonden. Wij hebben u reeds verhaald, hoe Willem II, graaf van Holland, in een gevecht tegen hen, bij Iloogwcude, gedood werd. Eindelijk werden de West-Friezen onderworpen. Zij hadden dit voornamelijk te wijten aan de doorbraak der Zuiderzee, die hen van de Friezen, van de tegenwoordige provincie Friesland, scheidde. De graven uit het llenegouwsclie en het Beyersche huis, Willem IV en Albrecht, trokken over de Zuiderzee, om de Friezen tot onderwerping Ie brengen. Zij gingen met groote legers derwaaits. Willem IV werd bij Stavoren door de Friezen gedood. Albrecht bracht hea voor een oogenblik tot onderwerping; maar zoodia was de graaf van Holland niet weder naar zijn land teruggekeerd, of de Friezen verjoegen zijne ambtenaren en weigerden verdere gehoorzaamheid. Zoo bleven zij vrij van vreemde overheersching.
8. Maar hunne eigene booze driften veroorzaakten hun veel kwaad. Omstreeks denzelfden tijd, dat de Iloeksche en Kabel-jauwsche twisten in Holland uitbraken, geraakte Friesland in groote verdeeldheid door de partijen der Schieringers en yetkoopers. Die twisten werden veroorzaakt door den naijver
47
van ae kleine, behoeftige grondbezitters jegens de rijken en machtigen en door de trotscliheid der Isalsten. De schieraal, een zeer goedkoope visch, was het voedsel der behoeftigen; daarom noemde men de eene partij, die der mindere mannen, Schieringers \ de anderen werden, om hunne rijkdommen in land en vee, Vetkoopers genoemd. Deze beide partijen bevochten elkander met groote woede en wreedheid. Wanneer echter de llollandsche graven tegen Friesland optrokken, vergaten zij voor een oogenblik hunne binnen-landsche twisten; maar vervielen al spoedig weder daartoe, zoodra de Hollanders naar hun eigen land teruggekeerd waren. i)ie burgeroorlog tusschen de Schieringers en Vetkoo-pers duurde nagenoeg even lang als de lloeksche en Kabel-jauwsche twisten en eindigde ongeveer teuzeifden tijde.
X.
GELDERLAND.
1. Een ander gewest in ons vaderland, dat in vroegere eeuwen zijne eigene vorsten had, is Gelderland. Hetgeen wij thans oHder de provincie van dien naam rekenen, is slechts een gedeelte van het voormalige hertogdom Gelderland. Het grootste gedeelte van Nederlandsch-Limburg met de steden Roermond en Venlo behoorde er vroeger insgelijks toe; even zoo een gedeelte, dat thans under Pruisen behooit en waarin de stad Gelder ligt. Deze stad heeft den naam aan het geheele gewest gegeven.
2. De eerste graaf van Gelder of Gelderland was een Duit-sche vorst uit het huis van Nassau: dus uit hetzelfde geslacht, waarvan onze tegenwoordige koning afstamt. Hij heette Otto en vereenigde het yvmifschap Zul feu , naar de stad van dien naam geheeten, met Gelderland, waarmede het sinds dien tijd is vereenigd gebleven. Deze graaf Otto regeerde omstreeks het jaar 1076. Zijne opvolgers breidden hunne macht
n hun aanzien uit. Zij vereenigden de landstreek, die de
48
Veluwe wordt geuomid, met Gelder. Ottoll, diu omstreeks denzeKilen tijd als.graaf Willem 11 van Holland leefde, was een zeer dapper varst, die' zijn laud macht en aanzien wist te geven, llij ijverde voor de belangen der bnrgerijen en gaf aan de sleden Harderwijk, Wageiiingen en Arnhem vele voorrechten. Ook vereenigde hij Nijmegen, dat vroeger tot het DLiitsche rijk behoorde, met Gelderland.
3. Zijn opvolger heette Reiuoud 1. Deze voerde met de hertogen van liraband een oorlog om het bezit van Limburg. Die oorlog viel ongelukkig voor hem uit. llij werd met zijn leger, bij Woeringcn geslagen. Die slag is in de geschiedenis zeer beroemd geweest. Dezelfde lleinoud I gaf insgelijks aan de burgerijen der steden groote en uitgebreide voorrechlen. Dit wekte het ongenoegen en de afgunst van de adellijke geslachten op, die in Gelderland zeer talrijk en machtig waren. Deze beweerden, dat graaf Reinoud krankzinnig was en wilden dat ziju zoon , insgelijks Reinoud geheeten , de regeering zou aanvaarden. Die zoon was ontaard genoeg om tegen zijnen vader op te staan, en hein met behulp van die adellijke geslachten van de regeering te bcrooven; ja, hem i« eene gevangenis te laten bewaren, waarin de oude graaf in 1326 overleed.
4. Reinoud U, die op zulke misdadige wijze tot de regeering 'was gekomen, was de eerste hertog van Gelderland. Zijne voorgangers haddtn slechts den titel van graal gevoerd. Reinoud 11 begeerde den hoogeren titel van hertog. Dergelijken hoogeren titel mocht in die eeuwen alléén de paus ol de keizer geven. Reinoud ontving dien van den Duitschen keizer Lodewijk van Beyeren, den gemaal van de liollandsche gravin Margareta. Geldei land werd dus (in 1339) een hertogdom.
Reinoud II, die zijn vader zoo oneerbiedig behandeld had, stierf, en onder zijne kinderen braken dezellde onnatuurlijke verdeeldheden en twisten uit, welke hem aan de regeering hadden geholpen. Wat hij tegen zijn vader had gedaan, deden zijne zoons tegen elkander. Zijn zoon Reinoud UI was hem als hertog opgevolgd; doch diens
49
jongere broeder Ednard stond tegen hem op en wilde hem van Je regeering berooven. Oil gaf aanleiding tot een vreese-lijken burgerkrijg in Gelderland, welke die der Heeckerens en Bronkhorsten wordt genoemd. Die burgerkrijg woedde omstreeks denzelfden tijd als de Iloeksche en Kabeljauw sche twisten in Holland. De oorzaken waren ook dezelfde. Rei-noud III begunstigde sterk het adellijk geslacht der Bronkhorsten; Eduard daarentegen het geslacht der Heeckerens. Vandaar dat de namen der twee geslachten aan de beide partijen zijn gegeven. Maar Reinoud begunstigde ook voornamelijk de oude en machtige adellijke geslachten, die daarom ook bij den burgeroorlog zijne zijde kozen. Eduard daarentegen zocht hulp bij de minder aanzienlijke geslachten en vooral bij de sïerfe». De afgunst van den machtigen adel jegens de opkomende macht en het aanzien van 'de burgerijen der steden gaf dus ook hier in Gelderland aanleiding tot rampzalige twisten. Want juist doordat ieder van de beide broeders, die elkander beoorloogden, aanhangers vond, die elkander haat en afgunst toedroegen, konden zij elkander be-oorloogen. Eduard overwon zijnen broeder Reinoud III in 1361 bij Tiel en wierp hem in eene gevangenis op het slot Nyenbeek. Maar tien jaren later kwam diezelfde Eduard in een gevecht tegeu de Brabanders om het leven. Hierop werd Reinoud III weder hertog, maar stierf spoedig daarna in 1371, zonder kinderen na te laten. Toen ging het hertogdom Gelder in een ander geslacht over.
5. Eene dochter namelijk van Reinoud II was gehuwd geweest met eenen hertog van Gulik in Duitschland. Nu wilde de partij der Bronkhorsten, dat een zoon der hertogin van Gulik. Willem geheeten, als hertog van Gelderland zou erkend worden; maar de partij der Heeckerens wilde, dat men eene andere dochter van Reinoud II, Mathilda geheeten, die ouder was dan de hertogin van Gulik, als hertogin zou aannemen. Het was derhalve ook hier alweder de strijd of eene vrouw, als erfgename erkend, de regeering zou kunnen voeren , dan wel of men den naasten mannelijken erf-
4
50
ye naam lot opvolger vau den overledenen vorst moest kiezen. De burgeroorlog tusschea de Bronkliorsten en Heecke-rens kwam derhalve geheel en al overeen met dien, -welke in Holland woedde. De Bronkliorsten kwamen overeen met de Hoekschen, de Heeckerens met de Kabeljauwschen. Omstreeks dienzelfden tijd had men insgelijks dergelijke burger-ooriogen in Vlaanderen, waar ,ook de eene paitij het voornamelijk met den adel, de andere het voornamelijk met de huryerijen der steden hield.
6. In Gelderland behaalden eindelijk Willem van Gulik en de Bronkliorsten, na zeven'jaren verschrikkelijke oorlogen, de overwinning op de pai tij der Heeckerens. Willem werd algemeen als hertog erkend ook 'door den keizer van het Duitsche Rijk, die als leenheer het recht bezat, bij uitsterven van het regeerend vorstengeslacht, een ander geslacht met het hertogdom te beleenen. Deze Willem van Gulik liet geene kindereu na; derhalve volgde hem zijn broeder Reinoud TV als hertog op. Toen deze in 1433 zonder kinderen stierf, vergaderden de Staten van Gelderland (dat is, de voornaamste edellieden en afgevaardigden der steden) te Nijmegen eu verkozen Arnoud van Eymond, een verren1 bloedverwant van den gestorven hertog, tot hunnen vorst.
Onder dezen duurden de rampzalige burgertwisten, waardoor de Gelderschen onderling verdeeld werden, nog steeds voort. De haat, alguust en wraakzucht verdeelden de adellijke geslachten en de sleden onderling. Door hunne booze hartstochten verblind, hoorden zij noch naar de gebóden van den godsdienst, noch naar hun eigenbelang noch naar het heil van hun vaderland.
7. Het was alsof de vijandschap en baat, die burgers tegen burgers, edelen tegen edelen, geheel Gelderland door, op-zelt'en, ook altijd het vorstelijk geslacht, dat het landschap regeerde, moesten verdeelen. Een ontaarde zoon, Adolf, durfde zijn eigen vader, hertog Arnoud van Gelderland, beoorlogen: evenals vroeger dit Reinoud II zijnen vader Jgraaf-jRei-noud IV, had gedaan. Geholpen door zijns vaders tegenpartij»
51
beproefde hij zich van de regeering meester te maken. Hoerende naar den raad van laaghartige vleiers, sloeg de ontaarde Adolf de hand aan zijn vader, nam hem gevangen en sleepte hem in den harren winter over het ijs naar het kasteel van Buren en sloot hem daar op.
Maar de straf volgde spoedig op de misdaad. Rare], hertog van Bourgondië, over wien wij later zullen spreken, trok partij voor den ouden hertog, nam op zijne beurt den schuldigen Adolf gevangen en liet hein in een kasteel te Vilvoorden opsluiten. Dit geschiedde in 1470.
XI.
BRABANT EN LIMBURG.
1. Tot het koninkrijk België, dat ook wel de zuidelijke Ne-derlanden wordt genoemd, behoort het grootste gedeelte van bet landschap, dat vroeger Brabant heette. Een gedeelte daarvan echter behoort tot ons vaderland en heet thans nog Noord-Brabant. Ook. behoorde vroeger tot de zuidelijke Nederlanden een landschap, met na:ne Limburg. Hei voornaamste gedeelte daarvan is thans hel zuidelijk deel der Ne-derlandsche provincie Limburg. Daarom moet men, bij het behandelen van de geschiedenis van ons vaderland, ook over Brabant en Limburg spreken.
2. Na den dood van Lodewijk, den zoon van Karei den Groo-ten, werd het groote Frankische rijk onder de zonen van Lodewijk verdeeld (843). Het land, dat tusschen de Maas en den Rijn ligt, werd het deel van Lothaar, zoon van Lodewijk. Men noemde het Lother-rijk of Lotharingen. Later werd het weder verdeeld in Ãpper-Lotharingen, dat thans tot Frankrijk behoort, en SSeder-Lot haringen. Dit laatste strekte zich uit over het grootste gedeelte van het tegenwoordige België.
3. Neder-Lotharingen werd bestierd door hertogen. Onder die hertogen muntte vooral uit Godfried, die, om zeker
52
licliaanisgebrek, de Bultenaar werd genoemd. Deze was een zeer dapper en beroemd vorst, die in oorlog kwam niet dea Hollandscheii graaf Dirk V ^ omdat deze zich bezittingen van den bisschop van Utrecht had toegeëigend. Godfried deed reizen naar Italië en huwde daar met eene zeer beroemde vorstin, Mathilda van Teskane geheeten. Deze Mathilda is daarom zoo vermaard, wijl zij paus Gregorius VII te Canossa beschermde en ondersteunde, toen deze door zijn vijand, den Duitschen keizer Hendrik IV, vervolgd werd. Godfried werd dour een sluipmoordenaar te Delft gedood, zonder kinderen na te laten.
4. Ofschoon het grootste deel van het tegenwoordige België en ook Noord Brabant tot Neder-Lotharingen behoorden, waren er nog andere kleinere vorstendommen, zooals het mark-graafschap Antwerpen en het graafschap Leuven. Het eerste behoorde aan Godfried den Bultenaar. Na diens dood kwam het markgraafschap Antwerpen, waartoe misschien een deel van ons vaderland [de omstreken van Breda) behoorde, aan Godfried van Bouillon, neeï \an Godf ried den Bultenaar. Deze was de groote held, die aan het hoofd der kruisvaarders in 1099 het heilige graf uit de macht der Mohammedanen verloste.
5. liet hertogdom Neder-Lotharingen werd na verloop van tijd in vele kleine landschappen verdeeld; als: het graafschap Leuven, het hertogdom Limburg, het graafschap Namen en meer andere. De graven van Leuven strekten allengs hun gehied uit over dat gedeelte lands, hetwelk thans de Belgische provinciën Zuid-Brabant en Antwerpen en de Ne-derlandsche provincie Noord-Brabant vormt. Een van hen, Godfried geheeten, werd door den Duitschen keizer in 1106 de titel van hertoij gegeven. Hij noemde zich hertog van Brabant en woonde te Leuven. Later gingen zijne opvolgers in Brussel wonen, dat op die wijze de hoofdstad van Bra-bi ant en eindelijk van geheel België werd. Godfried III, hertog van Brabant, was een groot liefhebber van de jacht. Nu was er in hot noordelijkste gedeelte van zijn gebied een zeer boschrijk oord, Orteu geheeten. Hier bouwde hij een slot,
53
om er te vertoeven wanneer hij ging jagen. Allengs bouwden ook andere lieden huizen in de nabijheid van dat slot. Zoo werd in 1184 eene stad gesticht, die den naam verkreeg van 's-Hertogenbosch.
G. Limburg bleef geruimen tijd een afzonderlijk hertogdom. Het strekte zich uit over het stadje Limburg, hetwelk thans tot Pruisen behoort, en het zuidoostelijk gedeelte van onze Nederlandsche provincie Limburg, waar men thans de dorpen Waals, Kerkrade, Valkenburg enz. vindt. Toen in 1282 de laatste erfgenaam der hertogen van Limburg slierf, voerden de hertog van Gelder, Reinoud I, en de hertog van Brabant, Jan I, een verwoeden oorlog om het bezit van dat land. In 1288 kwam het bij Woeringeii in Duitschland tot een zeer beroemden slag, waarbij de hertog van Brabant overwinnaar bleef.
Hierdoor werd Limburg met Brabant vereenigd.
7. Brabant was langen tijd het aanzienlijkste gewest der Nequot; derlanden. Het bloeide door handel, maar vooral door nijverheid. Leuven was eene der voorntamste fabrieksteden van Europa. De Brabantsche burgers waren iu hel bezit van zeer uitgebreide vrijheden. Iedere hertog moest, wanneer hij door zijne onderdanen gehuldigd werd, zweren, dat hij die vrijheden zou ontzien en niets tegen de rechten der burgers ondernemen. Hij moest bovendien beloven , dat hij geene belastingen zou heffen, zonder toestemming zijner onderdanen. Men noemde de weêrzijdsche verplichtingen, waaronder de hertog en zijne onderdanen zich legden , de Blijde Inkomste, omdat zij bezworen werden bij gelegenheid van de plecMige komst van den nieuwen hertog in de steden van zijn land.
8. Evenals Holland, Gelderland en andere gewesten werd ook Brabant in de veertiende eeuw geweldig door burgeroorlogen geteisterd. In de steden waren de handwerkslieden zeer machtig, maar ook zeer woelziek. Doordat zij veel geld verdienden , waren zij zeer overmoedig geworden. Nu woonden in de meeste steden oude en aanzienlijke geslachten, en dev.e voer-
54
den de regeering der stad. Dit konden de vereenigir.gen der handwerkslieden of gilden, gelijk zij genoemd werden, met ge-doogeu. Zij stonden op, maakten herhaaldelijk oproer, omdat zij wilden, dat de regeering der sleden naar hunnen 7.in zou handelen. Wanneer zij overwinnaars waren, maakten zij zich aan veie buitensporigheden schuldig, terwijl zij, wanneer zij overwonnen werden, zware straffen ondergingen. Ook was de adel gewoonlijk in onmin met de steden. Zoodoende ontstond er veel twist en strijd, die aan velen het leven en aan nog meerderen hunne welvaart kostten. Ondanks die veelvuldige burgertwisten bleef Brabant toch bloeien. Dit kwam door de buitengewone nijverheid der bevolking, die, evenals de bevolking van Vl'andereu in fabriekwerken verre bij andere landen van Europa vooruit was. De Brabantsche lakenweverijen waren vooral beroemd.
9. Nadat Jan III zonder zonen gestorven was, kwam zijne dochter Johanna aan de regeering. In de zuidelijke Nederlanden, Vlaanderen en Brabant, maakte men minder zwarigheid eene vrouw te gehoorzamen dan in Holland. Deze Johanna benoemde den tweeden zoon van Filips I, hertog van Bour-gomlié, die in verre bloedverwantschap tot haar stond, tot haren erfgenaam. Deze zoon, Anthonie geheeten, volgde haar in 1406 als hertog van Brabant op. Aldus kwam het huis van Bourgondiè op den hertogszetel van Brabant.
10. De zoon van Athonie was Jan IV. Deze huwde met Jacoba van Beyeren, die reeds gravin van Henegouwen, Holland en Zeeland was. Brabant, Henegouwen, Holland en Zeeland waren dus door het huwelijk van hunne vorsten met elkander verbonden. Hadden Jan IV en Jacoba kinderen gehad, dan zouden deze hen opgevolgd zijn. Dan waren ai die landschappen onder één vorst met elkander vereenigd geworden.
Doch Jan IV en Jacoba van Beyeren kregen geene kinderen. Hun huwelijk was hoogst ongelukkig. Het was gesloten geheel en al om wereldsche inzichten van macht en aanzien. Hertog Jan was traag, onbekwaam en onwetend. Jacoba daar-
55
eutegen eerzuchtig, fier eu behaagziek. Dit groote verwijdering tusschen hen beiden. Nu trok een gedeelte des adels en des volks in Brabant partij voor den hertog, de anderen voor zijne vrouw. Zoodoende geraakte Brabant, evenzeer als Holland, Zeeland en Henegouwen, in twist en verdeeldheid. Eindelijk verliet .lacoba van Beyeren haren echtgenoot, den hertog, en huwde met eenen Engelschen vorst, deu hertog van Gloucester, gelijk wij reeds vroeger verhaald iiebben. Velen harer onderdanen keurden deze zondige handelwijze, die tegen de geboden vau God,en van de H. Kerk streed, af en wilden haar niet meer ondersteunen. Jan IV stierf kinderloos ,
Ienen zijn broeder Filips, die hem opvolgde, insgelijks. Nu was de naaste bloedverwant van de overledene hertogen van Brabant F dips, hertog van Bourgondië, die leeds graaf van Vlaanderen was. Deze volgde ben in 1430 op.
I XII.
,
VLAANDEREN.
I
1. Een gedeelte van ons vaderland, dat thans onder de provincie Zeeland wordt gerekend en vroeger Staats-Vlaanderen werd genoemd, behoorde tot Vlaanderen: een landschap, waarvan verre-weg het grootste deel thans tot het koninkrijk België behoort. In dat landschap werd vroeger en wordt thans nog de Nederlandsche taal gesproken. Men heeft dus redenen om de geschiedenis van Vlaanderen, bij het beoefenen van de geschiedenis van ons vaderland, niet te vergeten.
2. Vlaanderen was in de middeleeuwen een zeer groot en machtig landschap. Het werd geregeerd door graven, van welke de eerste omstreeks het jaar 8G2 door den koning der Franken, Karei, de Kale bijgenaamd, met een gedeelte van het tegenwoordige Vlaanderen werd beleend. Deze eerste graaf heette Boudewijn. Zijne opvolgers breidden hunne bezittingen uit over eene groote streek lands tusschen de
56
Noordzee, de rivier de Schelde en da Zeeuwsche stroomen. Zij maakten ook aanspraak op.de Zeeuwsche eilanden. Walcheren en Noord- en Zuid-Beveland. Waarschijnlijk hebben die eilanden inderdaad een tijd lang tot het graafschap Vlaanderen behoord.
3. Vlaanderen had iu de middeleeuwen zeer vele machtiye in dappere edellieden en vele grnote. en rijke steden. Er is een tijd geweest, tnsschen 1300 en 1500, dat de Vlaanische koop- en fabrieksteden de rijkste eu machtigste van geheel het westelijk Europa waren. Vandaar dat Vlaanderen wijd en zijd beroemd werd, zoo zelfs dat in verre landen alle Nederlanders gewoonlijk Vlamingen 'werden gcncemd. De eerste roem van Vlaanderen werd door geheel Europa, ja lot in Azië verspreid door de kruisvaarders. Boudewijn van Vlaanderen was een der voornaamste christen-veldheeren, die in het jaar 1099 de Mohammedanen uit Jeruzalem verjoeg eu het graf van den Zaligmaker veroverde. Een andere graaf Boudewijn IX, van Vlaanderen wei d zelfs Keizer van Konstantinopel (1202).
4. Bij de kruistochten betoonden dus dc Vlamingen een moed eu eene dapperheid, die door geen ander volk werden overtroffen, doch onder die Vlamingen waren gewoonlijk zeer vele bewoners van streken, die thans tot ons vaderland behoo-ren. Meer echter nog dan door de dapperheid zijner edellieden, werd Vlaanderen wijd en zijd vermaard door den handel en de nijverheid zijner burgers. Brugge was een tijd lang de rijkste koopstad van westelijk Europa, toen Amsterclam nog niet meer was dan een zeer onaanzienlijk plaatsje. Londen dreePtoen veel minder handel dan Brugge. De haven vandiewijdberoemde koopstad was Sluis; hetwelk thans ender de provincie Zeeland wordt gerekend. De rijkdom van de kooplieden van Brugge was zoo groot, dat eene koningin van Frankrijk, die de stad bezocht, verwonderd zeide; «Ik meende alleen koningin te zijn, maar de vrouwen der kooplieden van Brugge zijn even rijk getooid als de koninginnen.quot; Gent was nog machtiger dan Brugge. Het was bijna tweehonderd jaren
57
(1300â1500) de grootste Fabriekstad van Europa. Hel zond zijn laken en linnen naar verre landen.
5. Maar even als- elders verviel ook Vlaanderen in groote rampen door den naijver tusschen den adel en de buigerijen. De eerste graven van Vlaanderen betoonden zich voorstanders van de rechten en den bloei der steden. Zij gaven aan Gent, aan Brugge en aan vele andere sleden uitgebreide voorrechten. De burgers hielpen huiine vorsten dan ook getrouw in hunne oorlogen, zooals bij voorbeeld in dien tegen Holland, onder graaf Jan 11, waarvan wij reeds gesproken hebben; maar andere graven hielden het meer met den adel. Daarbij kwam dat de koning van Frankrijk, Filips, bijgenaamd de Schoone. in 1303 zich zeiven tot graaf van Vlaanderen wilde maken, Fen groot gedeelte van den r.del koos toen de partij der Franschen. Men noemde hen Leliaarts, naar de lelie, welke de Fransche koningen in hun wapen voerden. De machtige steden: Brugge, Geut, Yperen , wilden echter niets var. de Fransclic overheersching weten. Men noemde ze en die met haar partij trokken Rlauwaarts: naar den leeuw, die in liet wapen van Vlaanderen stond. De burgerijen der Vlaamsche steden, waartoe in die eeuwen ook Sluis, Sas van Gent en Hulst behoorden, waren zoo manmoedig en dapper, dat zij bij Kortrijk hel gehecle leger der Franschen versloegen. Elfhonderd Fransche edellieden verloren daarbij helleven. Daar de overwinnaars de gouden sporen, welke de edellieden droegen, buit maakten, werd die slag de slag der (jouden sporen genoemd.
6. In het begin der veertiende eeuw was er een hardnekkige en vreeselijke oorlog tusschen Frankrijk en Engeland uitgebarsten. Vlaanderen werd daarin betrokken. De Fransche koning was leenheer over Vlaanderen, evenals de Duitsche keizer het was over Holland, Brabant enz. De graven van Vlaanderen en de meeste edellieden trokken partij voor Frankrijk ; maar de burgerijen der rijke en machtige steden: Gent, Brugge en Yperen, hielden het veel meer met de Eugelschen. Dereden hiervan was, dat de Gentsche fabrieken vooral uit lakenweve-
58
rijen bestouden. Nu leverde Engeland, waar veel wol gewonnen werd, die wol aan de Vlaainsche fabrieken. Was er oorlog met Engeland, dan was de handel in wol gestremd, dan konden de Gentsche fabrieken niet meer aan den gang blijven, dan leden duizende werklieden armoede. Want Gent was zoo volkrijk, dat het vijftig duizend man onder de wapenen kon brengen. Die duizenden burgers waren allen in den wapenhandel geoefend, en zij verzamelden zich, zoodra er onraad was, onder geleide van de gilden-hoofden . onder hun eigen vaandel. Wanneer de Gentenaars dan zagen dat zij zoo groot in getal en zoo wel gewapend waren , ontzagen zij niets. Dikwijls streden iij dan met moed voor hun eigen recht; maar dikwijls ook uit trots en uit naijver op Brugge of op hunnen vorst. Dan kozen zij zich een eigen aanvoerder, die dikwijls meer macht bezat dan de graaf van Vlaanderen zelf De beroemdste dier mannen was Jacob van Artevelde.
7. Toen de Franschen en Engelschen in 1336 elkander beoorloogden en bodewijk, graaf van Vlaanderen, partij voor de Franschen trok, wilden de Gentenaars zijn gezag niet meer erkennen; maar sloten een verbond met Eduard III, koning van Engeland. Deze kwam zelf, landde te Sluis en ging van daar naar Gent. Hier sloot Jacob van Artevelde, die door de Gentenaars tot hun opperhoofd gekozen was, met hem een verbond. Ieder vreesde en ontzag de machtige stad Gent, omdat hare burgers zoo dapper en te gelijk zoo arbeidzaam waren en zoo voor hunne vrijheid streden. Maar de. Gentenaars waren ook twistziek, altijd naijverig op anderen, wilden slecht gehoorzamen en leenden bet oor aan valsche mannen, die hen van vrijheid spraken, maar wanorde stichtten. Dit berokkende \ laanderen veel oniieil. Dezelfde Gentenaars, die Jacob van Arteveldè tot hun opperhoofd verheven hadden, vermoordden hem later.
8. De laatste eigene graaf van Vlaanderen was Lodewijk, naar zeker kasteel, Lodewijk van Male geheeten. Hij had veel te kampen met zijne eigene onderdanen. De oorzaak
59
hiervan was, dat Lodewijk zeer onzedelijk leefde en groole verleringen maakte. Ook beminde hij de Franschen tneer dan zijne eigene onderdanen. Van dezen vorderde hij zware belastingen. Hij zag, hoe de koning van Frankrijk zijn volk zooveel liet betalen aan belastingen als hij begeerde, en wilde dit navolgen. De Vlamingen echter waren er niet toe geneigd, meer belastingen te betalen dan zij goedkeurden. Volgens hunne rechten mocht de vorst hun geene belasting afvorderen, waariu zij zeiven niet toegestemd hadden. Hadden de burgerijen zich hierbij gehouden, dan hadden zij hun eigen recht verdedigd; maar zij waren dikwijls oproerig en halsstarrig. Zoodoende werd bet land door groote partijschappen verdeeld en ondervond het vele rampen.
9. Dus was Vlaanderen tusschen Leliaarts en Klauwaarts verdeeld en hel looneel van burgeroorlogen, omstreeks dezelfde tijden toen de Hoekschen en Kabeljauwsehen in Holland en de Bronkhorsten en Heeckerens in Gelderland elkander beoorloogden. De oorzaken waren ook dezelfde: de naijver tusschen den adel en de burgerijen der steden, die allengs meer macht en aanzien kregen , terwijl die van den adel verminderden.
10. Lodewijk van Male liet slechts eene dochter na : Mar-(jareta. Deze was gehuwd met Filips , bijgenaamd de Stoute, hertog van Bourgondië. In Vlaanderen kon eene vrouw de regeering voeren. Zoodoende werd de hertogin van Bourgondië gravin van Vlaanderen.
X1IJ,
VORSTEN UIT HET BOUBGONDISCHE HUIS.
I. Bourgondië is een landschap in het oosten van Frankrijk: de hoofdstad heel Dijon. Filips de Stoute, die , gelijk wij verklaard hebben, met de eenige dochter van den graaf van Vlaanderen huwde, was door zijnen vader Jan, koning van Frankrijk , tot hertog van dat rijke land gemaakt. Deze Filips de
60
StoiUe werd door zijn huwelijk met Msrgareta insgelijks graaf van Vlaanderen en van Artois: een landschap, dat thans tot Frankrijk behoort en Atrecht (Arras) tol hoofdstad heeft. Filips bijgenaamd de Goede , was de kleinzoon van dezen Filips den Stouten. Hij kwam aan de regeering na den dood van zijn vader , Jan van Bourgondië, in het jaar 1419, Bij den aanvang zijner regeering was hij in hevigen oorlog met den koning van Frankrijk en in nauw verbond met den koning van Engeland , Hendrik IV , die bijna geheel Frankrijk veroverd had.
2. Filips de Goede was een der machtigste vorsten van zijnen lijd. Zijn roem was over geheel Europa verspreid. Zelfs bij de Turken was zijn naam vermaard. Deze noemden hem den «grooten hertog van het Westenquot;. Zeker is het, dat Filips de Goede machtiger was dan veie koningen van zijnen tijd. Want niet alleen was hij hertog van Bourgondië en hertog en graaf van vele andere streken van Frankrijk , maar bij werd langzamerhand meester van bijna alle Pieder-landsche gewesten.
Zooals wij gehoord hebben, was zijn grootvader reeds graaf van Vlaanderen. Na den dood van zijnen neef Filips _ den laatsten hertog van Brabant en Limburg, werd hij diens opvolger. Ook wist hij zich tot erfgenaam van hel graafschap Namen te maken. Luxemburg verviel insgelijks door erfenis aan hem. Holland, Zeeland en II negouweu waren de graafschappen van zijne nicht Jacoba van Beyeren, wier moeder eene zuster van zijn vader was; doch bijgestaan door de Kabeljauwschen, gelukte het Filips den Goeden zich meester te maken van hare bezittingeij. Zoo waren in 1436 de meeste Nederlandsche hertogdommen eu graafschappen in zijn bezit, uitgezonderd Gelderland en het bisdom Utrecht met de landschappen, die daartoe behoorden. Maar ook in dat bisdom wist hij groote macht te verkrijgen door een zijner zoons, David, tot bisschop te doen benoemen. Gelderland alleen stond dus niet onder het huis van Bour-gondié.
61
3. Van nagenoeg alle Nederlandsche gewesten had Fiiips zich dus meester gemaakt. Dit had hij grootendeels te danken aan zijn recht van erfgenaam. Want in vroegere eeuwen kon men land en volk erven, evenals huis en hof: en door huwelijksverbintenissen was het Bourgondische huis zoo rijk en machtig geworden. Om zich evenwel meester var. al die landen te makeu , bedreef Filips vele oneerlijke daden. Immers hij wist zijne nicht Jacoba van Beyeren nog meer door list dan door geweld van haar erfdeel te berooven. Ook beging hij veel onrecht en vele wreedheden , om zich in het bezit van al die lauden te handhaven. Daarom zal het misschien verwondering baren , dat hij de Goede is bijgenaamd. De reden hiervan was dat hij groote zorg droeg voor den bloei en het welvaren rijner ondtrdaueu. Hij legde dezen wel zware belastingen op , die dikwerf oproeren veroorzaakten, maar hij zorgde voor de handhaving der justitie. Hij wilde niet ge-doogen , dat machtige edelen de burgers en de plattelandsbevolking onderdrukten. Ook beschermde hij den handel zijner onderdanen. De Hollanders dreven toen reeds zeer grooten handel op de Oosti.ee , van waar zij veel graan haalden , dat zij op andere plaatsen, met rijk gewin, aan de markt brachten. Nu roofden de bewoners der Oostzeekusten in 1438 de Hollandsche schepen. Onmiddelijk rustte hertog Filips eene vloot uit, om den Hollandschen handel te beschermen. De veiligheid der Hollandsche schepen werd aldus hersteld : en lot teeken van hunne overwinning, voerden de schepen, die de roovers der Oostzeekusten gestraft hadden, een bezem in den mast, wijl zij de zee schoon geveeyd hadden, gelijk zij zeiden.
4. Filips zorgde dus voor het welzijn van zijne onderdanen, ofschoon de zware belastingen , welke hij vorderde, vele oproeren veroorzaakten. In Holland was de partij der Hoek-schen zeer verbitterd op hem. Zij bracht oproeren te weeg in Amsterdam en Leiden. Deze werden echter bedwongen en de aanleggers streng gestraft. Het machtige Gent geraakte in nog grooter oproer en voerde zelfs oorlog tegen den her-
62
tog. Die éene stad was toen zoo machtig , dat zij twee jaren lang den oorlog tegen Filips en al zijne andere onderdanen volhield! Eindelijk -werd zij overwonnen en streng gestraft.
5. Filips leefde somtijds in zijne Fransche staten, doch meestal in de stad Brussel of Brugge in Vlaanderen als een rijk vorst. Zijne hofhouding was de prachtigste van geheel Europa; maar om die pracht vol te houden, maakte hij zich dikwijls schuldig aan het alpersen van geld van zijne onderdanen. En dit gaf dan aanleiding tot die oproeren , waarover wij reeds gesproken hebben. Om nog meer luister aan zijn hof bij te zetten , stelde hij , naar de ge-woonte dier tijden, eene nieuwe ridderorde in. Die ridderorde werd het Gulden tliea geheeten, omdat de ridders tot kenteeken een gouden lammetje aan eenen ketting om hunnen hals droegen. Alleen zeer aanzienlijke mannen konden ridders van het Gulden vlies worden. Die het waren . moesten beloven , de macht en het aanzien van het Bourgondische huis te vermeerderen.
In zeden en gewoonten waren Filips en zijn zoon Karei Franschen, geen Nederlanders. Bijna de hellt hunner staten had eene bevolking die de Fransche taal sprak. Zij voerden te Brussel aan hun hof Fransche taal en zeden in , waardoor de Nederduitsche taal bij onze Zuidnederlandsche naburen veel is verbasterd: iets, wat later nog erger is geworden. Ook waren de Fransche zeden veel losser dan de Nederlansche. Op Holland en Zeeland oefende de Bourgondische heerschappij niet zooveel nadeel ten opzichte van taal en zeden uit als op Vlaanderen en Brabant. Dit is daaraan toe te schrijven, dat Holland en Zeeland verder afgelegen waren en niet zooveel met de hovelingen en het gevolg van Filips in aanraking kwamen. Ook bracht er toe bij. dat elk gewest zijne eigene wetten en gewoonten behield. Want erkenden alle die gewesten ook denzeltden man als hunnen vorst , toch beschouwde ieder gewest zich bijna als een afzonderlijken staat, die volgens eigene wetten en gebruiken geregeerd werd.
63
6. Filips de GoeJe stierf in 1467 , in den ouderdom van twee en zeventig jaren.
Hij had slechts één zoon, Karei, die hem opvolgde. Deze Karei was een zeer heerzuchtig vorst; hij beminde niets anders dan den oorlog. Daardoor heeft hij zijnen onderdanen en anderen de grootste onheilen berokkend. Eindelijk is hij zelf liet slachtoffer geworden van zijae krijgs- en heersch-zucht. Het doel van Karei, die om zijne stoutmoedigheid in liet gevecht, de stoute werd bijgenaamd, -was een machtig koninkrijk te stichten. Maar hij vergat de les van de H. Schrift, dat koninkrijken bloeien door gerechtigheid. Hij â wilde door geweld zich het gebied van anderen toeeigenen.'
Het eerst beproefde hij dit met Gelderland. Wij hebben reeds vernomen, hoe de ontaarde Adolf zijn ouden vader Arnoud, hertog van Gelderland, in eene gevangenis wierp. Adolf deed dit, om zijn vader van diens bezittingen te be-rooven. Toen Karei de Stoute dit vernam, wist hij Adolf tot zich te laten komen, waarop hij hem in eene gevangenis wierp. Dit was de billijke straf voor den ontaarden zoon; maar Karei maakte zich meestsr van het land van Arnoud en Adolf, dat hem niet toebehoorde. Zoo kwam Gelderland voor een tijd onder het bewind van het Bourgondische huis. Na den dood van hertog Karei geraakte Adolf weder vrij ; maar kort daarop stierf hij een geweldigen dood op het slagveld.
7. Ook Karei de Stoute kwam ellendig om. Hij wilde de vrije Zwitsers met geweld onder zijne heerschappij brengen; maar dat dappere volk liet zich geen geweld aandoen. Het versloeg Kareis leger bij Nancy, eeue stad in Frankrijk. Karei zelf viel door het ijs en werd door een soldaat doodgeslagen. De Zwitsers maakten een rijken buit en Karei verloor al zijne rijkdommen , zijne kroon en zijn leven. Dit geschiedde in 1477. Karei was, wanneer zijne heerschzucht hem niet vervoerde, een rechtvaardig vorst. Hij beschermde zijne onderdanen tegen geweld en oefende streng recht jegens misdadigers. Maar wat baatte dit, wanneer hij de recht-
64
vaardigheid vergat, zoodra zijne hartstochten en belangen in het spel waren! _
8. Karei de Stoute liet als eenige 'erfgename na eene dochter, Maria van Bourgondié'. Zij was bij haars vaders dood twintig jaren oud. Het onverwachte afsterven van den hertog, haren vader , bracht alle landen , die hem als vorst erkenden, in de grootste verwarring. Karei de Stoute had de rechten en vrijheden der burgerijen geminacht. Aan de steden had hij willekeurig belastingen opgelegd. Nu rekenden zijne onderdanen de gelegenheid gunstig om hunne verlorene rechten te herwinnen. De Hollanders wilden Maria niet als gravin erkennen , voor en aleer zij een eed gedaan had, dat zij de rechten harer onderdanen zou eerbiedigen. Maria gaf hieraan gehoor en gaf aan Holland eene verklaring, die het Groot Privilegie is genoemd.
Maar ook andere van hare onderdanen maakten misbruik van den ongelukkigen toestand van Maria. De Gentenaars vermoordden hare vrienden en dienaren en hielden haar zelve gevangen. Zoo meenden zij, door zeiven onrechtvaardigheden te plegen, het onrecht, dat Karei de Stoute hun had aangedaan , te herstellen. Want oproer tegen zijnen vorst is eene groote onrechtvaardigheid. De Gentenaars wilden Maria dwingen den ontaarden Adolf van Gelderland tot echtgenoot te nemen; maar Maria had een afschuw van den man, die zijn eigen vader had mishandeld en wilde hem niet huwen. Adolf kwam zeer spoedig daarna in een gevecht om het leven: gelijk wij reeds verhaald hebben.
9. Korten tijd daarna huwde Maria met Maximiliaan, aartshertog van Oostenrijk. Deze was een zoon van den Duitscben keizer. Maria, die eene deugdzame en vrome vorstin was, leefde niet lang. Zij hield veel van de jacht en van paardrijden. Op zekeren dag viel zij van het paard en stierf ten gevolge daarvan, pas zes en twintig jaren oud, in 1482. Zij liet een zoon na, Filips geheeten en was de laatste vorstin uil het Bourgondische huis.
10. Dit huis heeft aan Holland en Zeeland gegeven twee
65
graven en een gravin: Filips I oi' den Goeden, Karei I ot den Stouten en Maria.
XVI.
BEGIN VAN HET OOSTENRIJKSCHE HUIS IN DE NEDERLANDEN.
1. Na den dood van Maria van Bourgondië kwamen de landen, waarover zij vorstin was, aan haren zoon Filips, die nog maar een kind van vier jaren was. Zijn vader Maximi-liaan werd daarom als voogd over hem aangesteld. Deze Filips werd later, om zijn schoonen lichaamsbouw, Filips de Schcone geheeten. Hij was de eerste vorst uit het üosten-rijksche huis, die over de Nederlanden heeft geregeerd. Zijn vader was de oudste zoon van Frederik, keizer van Duitscb-land en aartshertog van Oostenrijk.
2. Maximiliaan had, bij het aanvaarden der voogdij over zijnen zoon, met zeer vele moeilijkheden te kampen. De machtige stad Brugge, in Vlaanderen, vooral gedroeg zich zeer oproerig. De burgers dier stad wilden hem dwingen, de voogdij naar hunnen zin te voeren. Zij waren vermetel genoeg om hem vier maanden lang gevangen te houden , ofschoon Maximiliaan reeds Roomsch koning was (zoo noemde men den vorst, die tot opvolger van den keizer van Duitschland was benoemd). Eindelijk kwam de vader van Maximiliaan, keizer Frederik, met een leger hem verlossen. Nu werd Brugge streng gestral't. De stad werd, door de inneming van Sluis, de havenstad van Brugge , geheel en al ingesloten en moest zich overgeven. Zulke oproeren en oorlogen brachten te weeg, dat Brugge's handel geheel en al verliep en de kooplieden uit die stad naar Antwerpen gingen verhuizen. Dit werd nu de voornaamste koopstad der Nederlanden, wat Brugge vroeger geweest was.
3. Terwijl Vlaanderen aldus door burgeroorlogen geteisterd werd, braken de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten ook
5
66
weder in Holland en Zeeland en in het bisdom Utrecht los; De Kabeljauwschen hadden de partij van Maximiliaan gekozen, terwijl de Hoekschen zich bij diens vijanden aansloten. Vooral in de provincie Utrecht werd de partijwoede hevig, liet was bij die gelegenheid, dat de heldendaad van Jan van Schaffelaar geschiedde.
Deze Jan van Schaffelaar was de hoofdman van eene bende Kabeljauwsche soldaten. Door de Hoekschen vervolgd, nam hij met negentien zijner soldaten de wijk op deu toren van het üeldersche dorp Barneveld. Ook hier werd hij door de Hoekschen vervolgd en aangevallen. Jan van Schaffelaar en zijne metgezellen verdedigden zich met den uitersten moed. Toeu zij echter zagen, dat zij niet tegen de overmacht der vijanden bestand waren, wilden zij zich overgeven: op voorwaarde, dat hun het leven zou geschonken worden. De Hoekschen echter wilden, dal de Kabeljauwse:.en hunnen dapperen aanvoerder zouden overleveren, of dat zij hem zouden dooden. Hierin wilden de belegerde soldaten niet toestemmen. Doch Jan van Schaffelaar, die niet begeerde, dat zijne lotgenooten om zijnentwil zouden sterven, neemt het grootmoedig* besluit zich zeiven voor hen op te offeren. Hij springt uit den toren naar beneden. De Hoekschen, wel verre van door die edelmoedigheid getroffen te worden, vermoordden den edelen man.
4, Dit was een der laatste gevechten, waarbij de Hoekschen en Kabeljauwschen elkander uit haat en partijzucht om het ]even brachten. De Kabeljauwsche partij, die het met de graven uit het huis van Bouryondié en nu weder met Maximiliaan hield, zegevierde. De Hoekschen hadden, sinds den dood van Jacoba van Beyeren, geen vorst meer, aan wien zij zich hielden: en zoo zij hier en daar nog eens naar de wapenen grepen, deden zij dit als oproermakers. Zoo deden zij dit ook tegen Maximiliaan, toen deze voogd over zijn zoon Fi-lips was. Frans vrai Brederode stond aan hun hoofd; doch zij werden verslagen. Sinds dien tijd hoorde men niet meer van Hoekschen en Kabeljauwschen spreken. Ook de burger-
67
twisten in Gelderland en Vlaanderen eindigden; insgelijks die in Friesland, waar Albrecht van Saksen, een veldheer des keizers, door geweld en groote wreedheden, de Friezen dwong hunne twisten van Schieringers en Vetkoopers te staken. Het einde dezer burgertwisten in de noordelijke Nederlanden valt tusschen de jaren 1490 en 1500.
5. In het jaar 1492 geraakte echter geheel Noord-Holland in rep en roer door den opstand van hef kaas- en broodvolk. De zware belastingen, da vernielende burgeroorlogen, misgewas en dure tijden hadden de mindere volksklassen wanhopend gemaakt. Zij bedachten niet, dat oproer altijd rampen veroorzaakt. In plaats van bescheiden en ordelijk aan de overheden herstel van hunne grieven te verzoeken, betere tijden af te wachten en geduldig te berusten in het lot, dat God hun had overgezonden, schoolden zij samen, gingen aan het muiten en plunderen, en bedreven de grootste baldadigheden. Zoo gingen zij van stad tot stad vereenigd onder vaandels, op welke kaas en brood afgebeeld waren. Zij zeiden, dat zij vochten voor hun brood en liever wilden sterven door een gevecht dan door honger.
Maar, gelijk altijd, baatten oproer en muiterij het volk niet. De ellende werd er des te erger door. Het kaag- en broodvolk kon den strijd niet volhouden tegen de gewapende macht, door de regeering afgezonden. !)e muiters werden overwonnen en velen van hen streng gestraft. Zoo eindigde het oproer van het kaas- en broodvolk. Het volk ondervond de noodlottige gevolgen van zijne muiterij; maar vorsten en regeeringen, die door onrechtvaardige oorlogen en onrechtvaardige belastingen dergelijke onlusten veroorzaken, zullen aan God verantwoording moeten geven.
6. In 1493 stierf Frederik, de vader van Maximiliaan, en deze werd hierop keizer van Uuitscbland. Hij liet daarom de regeering der Nederlanden over aan zijnen zoon Filips den Schoone. Deze was toen zestien jaren oud. Drie jaren later huwde hij met Johanna, de dochter van Ferdinand en Isabella, koning en koningin van Spanje.
68
7. Gelijk wij reeds meer dan eens gezien hebben, -werden in vroegere eeuwen geheele landen evenzeer als erfenis van één persoon beschouwd, als thans huis en hof. Vandaar dat toen zoo dikwijls oorlogen door huwelijken van kinderen van koningen en vorsten eindigden. Sommige vorstelijke buizen geraakten door zulke huwelijken tot groote macht en aanzien, gSlijk dit het geval was met het buis van Bourgondië. Nog machtiger werd het geslacht der aartshertogen van Oostenrijk door zulke huwelijken. Dat vorstenhuis bezat het landschap van Duitschland, dat thans nog Oostenrijk heet. Maximiliaan, de aartshertog van dat land, werd Duitsch keizer: dit -werd een vorst echter door verkiezing, niet door erfenis; maar de rijke landen van het huis van Bourgondië kwamen door zijn huwelijk met Maria aan hunneti zoon. Die Bourgondische erfenis strekte zich uit over nagenoeg geheel België, Holland en Zeeland en over bet noordelijkste gedeelte van Frankrijk, toen Artois geheeten. Na den dood zijns vaders had Filips de Schoone ook te verwachten , dat hij aartshertoy van Oostenrijk zou worden; maar zijn huwelijk met Johanna van Kastilië maakte hel Oostenrijksche buis niet minder machtig.
8. Spanje was in dien tijd verdeeld in twee koninkrijken, Kastilië en Arragon geheeten. De vader van Johanna was Ferdinand, koning van Arrajjon; bare moeder Isabella, koningin van Kastilië. Toen deze groote en deugdzame vorstin ,n 1504 stierf, werd Johanna hare opvolgster; want alle oudere kinderen van Ferdinand en Isabella waren gestorven. Zoo Ferdinand stierf, zou ook Arragon aan Johanna komen, dus geheel Spanje. En dat Spanje had toen door de ontdekking van. Amerika, in 1492, reeds buitengewone macht en aanzien verkregen.
9. Zoodoende kwamen door eene reeks van huwelijken de Nederlanden eerst aan een Fransch vorstenhuis, want de hertogen van Bourgondië waren Fransche prinsen; toen aan een Düitsch huis, dat van Oostenrijk; en dat Oostenrijksche huis nam later zijn verblijf in Spanj; cn werd daar geheel
69
en al Spaansch. Op die wijze kwamen ook zeer verschillende landen onder één vorst, en ons vaderland onder denzelfden vorst als Spanje en zelfs als Napels, gelijk wij straks zullen zien. Dit gaf aanleiding dat ons vaderland moest deelnemen aan bijna alle oorlogen van Europa.
Filips de Schoone echter zou weinig genot hebben van de rijke bezittingen, welke hij geërfd had. Hij vertrok in 1505 met zijne geinalin naar Spanje, om daar de kroon van Kastilië voor zijne vrouw te aanvaarden. Doch hij overleed reeds in het jaar 1506, in zes-en-twintigjarigen leeftijd. Zijne echtgenoot Johanna, die hem zeer beminde, werd krankzinnig ; doch overleefde in dien toestand hem nog meer dan veertig jaren.
10. De oudste zoon van Filips den Schoonen en Johanna van Kastilië was Karei F; hij werd den 24 Februari van het jaar 1500 geboren. Deze prins werd niet slechts een der machtigste vorsten, die ooit geregeerd, maar ook een der merkwaardigste mannen, die ooit geleefd hebben.
XV.
REGEEHING VAN KEIZER KAREL V.
1. Karei V was geheel en al Nederlander. Hij was geboren te Gent, welke stad hij altijd zeer bleef beminnen. Hij werd in de Nedeilanden opgevoed, en ofschoon hij zeer vele talen sprak, bleef hij altijd het liefst de Nederduitsche taal gebruiken. Ook waren zijne onderwijzers Nederlanders. Onder die onderwijzers is het beroemdst geworden Adriaan Florenszoon.
Deze was uit eene eenvoudige Utrechtsche familie geboren; bij werd priester en later hoogleeraar aan de akademie van Leuven. Zijne groote kundigheden en vroomheid deden keizer Maximiiiaan besluiten, Adriaan lot onderwijzer van Karei aan te stellen. Karei bleef, nadat hij koning en zelfs nadat hij keizer was geworden, zijnen leermeester achten en beminnen. Toen Karei in 1516 koning van Spanje werd,
70
benoemde hij Adriaan tot onderkoning, en wist door zijnen invloed tc bewerken dat zijn leermeester aartsbisschop Tan Toledo werd. Later werd Adriaan kardinaal, en na den dood van paus Leo X zelfs Paus. Hij werd als opvolger van den 11. Petrus gekozen in 1521 en stierfin 1526. Hij is de eecige Nederlander, die den pauselijken troon bestegen heeft.
2. Zoolang Karei minderjarig was, voerde zijn grootvader, keizer Maximitiaun, weder de voogdij. Deze liet de Nederlanden regeeren door zijne dochter Margareta, de tante van Karei. Naar gelang de vorsten der Nederlanden ook vorsten van andere machtige rijken werden, waren zij meer afwezig. Gedurende dien tijd lieten zij de Nederlanden regeeren door leden van huu geslacht: bij voorkeur door vrouwen. Die regeerders in naam van den afwezigen vorst werden alge-meene landvoogden of landvoogdessen genaamd. Twee hebben op die manier, gedurende Kareis regeering, het bewind over de Nederlanden gevoerd: eerst zijne tante Margareta ; later zijne zuster Maria, die weduwe was van den koning van Hongarije. Deze beiden waren vorstinnen van groote begaafdheden. Zij waren bij de Nederlanders zeer bemind , omdat zij met zachtheid regeerden en niet met hoogmoed en trotschheid, en omdat zij de vrijheden en oude wetten en gewoonten der Nederlanders eerbiedigden.
3. Karei toch was veelal afwezig, want hij was vorst over zeer vele rijken en voerde zware en langdurige oorlogen. Hij was nog een kind van zes jaren, toen hij door den dood zijns vaders heer der meeste Nederlandsche gewesten werd. Later werd hij, omdat zijne moeder Johanna krankzinnig was, ook ais honing van Spanje erkend. En de koning van Spanje was toen te gelijker tijd koning van Napels, Sicilië en Sardinië en heer en meester van alle die rijke landen in Amerika, welke toen pas door de Spanjaarden ontdekt en veroverd werden. Karei was dus op zijn negentiende jaar reeds de machtigste vorst van Europa. Toen zijn grootvader, die keizer ran Duitschland was, stierf, werd hij in 1529 in diens plaats ook tot keizer verkozen. Hij was de vijfde duitsche
71
keizer, die Karei heette, en daarom is hij meest bekend onder den naam van keizer Karei V. Vooi zijnen lijd was er niet één \orst in Europa geweest, die zoo machtig was als hij, behalve keizer Karei den Grooti', van vie-n wij reeds gehoord hebben, en die ook een Nederlander was.
4. Karei V had , [geheel zijn leven door, veel te strijden met de Franscben. De oorzaak daarvan was de naijver, die tusschen den Franschen koning en Karei was ontslaan. Want ook de koning van Frankrijk, Frans I geheeten, dong naar de Duitsche keizerskroon. Bevendien betwistten beide vorsten elkander het bezit van Lombardije in Italië. Om die schoone provincie van Italië werd lang en bloedig gestreden; doch eindelijk behield Karei V de overhand, nadat zijne veldheeren in den slag bij Pavia den koning van Frankrijk hadden gevangen genomen. Zoodoende werd ook het grootste gedeelte van Opper-Italië een deel van keizer Kareis rijken, die nu keizer, koning en vorst was van Duitsche, Spaansche, Italiaansche en Nederlandsche rijken! Maar ofschoon de koning van Frankrijk overwonnen was, bleei de naijver tusschen beide vorsten voortduren. Telkens verklaarden zij elkander opnieuw den oorlog, tot groot nadeel van hunne onderdanen. Hoeveel goeds Karei ook gedaan heeft voor zijne onderdanen door wijze wetten en handhaving der gerechtigheid, heeft hij hun door die voortdurende oorlogen ook veel leed berokkend. Ecliter ligt de grootste schuld daarvan aan den koning van Frankrijk, Frans 1,die het eerst den oorlog uitlokte.
Deze oorlogen tusschen keizer Karei en den Franschen koning Frans 1 en diens zoon Hendrik 11 duurden zoolang als Karei regeerde. De hertogen van Gelderland trokken sterk partij voor die Fransche koningen, totdat het eindelijk Karei gelukte, die hertogen in 1543 geheel en al te onderwerpen en Gelderland te veroveren.
5. Keizer Karei was het alzoo, die alle Nederlandsche yen:es-ten, zoowel de noordelijke alt de zuidelijke, onder de heerschappij van éénen vorst vereenigde. Dit was ecne groote
72
â weldaad voor die landen; want daardoor hielden de voortdurende oorlogen, welke zij met elkander voerden, op; daardoor eindigden de noodlottige burgertwisten en konden de Nederlanders tot grooteren bloei en welvaart komen.
Karei kon dit vooral doen , omdat bij zoo machtig , maar ook omdat hij Duitsch keizer was. Immers de Nederlanden, met uitzondering van Vlaanderen , werden gerekend tot het Duitsche rijk te behooren. Daarom kon Karei als keizer doen. wat hij anders rechtens niet had mogen doen. Zoo kon hij bewerken, dat Friesland, hetwelk reeds vroeger tot onderwerping was gebracht, geheel en al erfelijk onder de Nederlandsche vorsten geraakte. Zoo kon hij de wereld-lijkt regeering over de landen van het bisdom van Utrecht aan zich zeiven en aan zijne opvolgers brengen. Hij deed dit echter in overeenstemming met den Paus. den bisschop van Utrecht, en de vorsten van het Duitsche rijk. Dit laatste geschiedde in 1528.
6. Gelderland werd eerst in 1543 met de andere Nederlanden vereenigd. Na den dood van Adolf van Gelderland, van wien wij vroeger gehoord hebben, kwamen achtereenvolgens twee hertogen uit het geslacht van Adolf aan de regeering: Karei en Willem. Beide waren zeer dappere en krijgszuchtige vorsten, en de Gelderscben hadden den naam van de beste soldaten der Nederlanden te zijn. Zij voerden omstreeks twintig jaren oorlog tegen keizer Karei en tegen diens onderdanen, vooral tegen de Hollanders. Langen tijd maakten zij de Zuiderzee onveilig onder een aanvoerder, lange Pier geheeten. Deze plunderde met een lal van kleine schepen den handel der Hollanders en deed veel nadeel aan de Hollandsche kusten. Ook hadden de Geldersche hertogen een zeer stouten en dapperen aanvoerder van krijgsvolk te lande, Maarten van Rossurn geheeten. Deze, wiens naam zeer bekend is, dankt die bekendheid aan hoedanigheden , welke groote rampen over ons vaderland hebben gebracht. Hij was een dapper solJaat, maar roofzuchtig. Aan het hoofd zijner benden drong hij uit Gelderland door tot in 's Gra-
73
venhage, dat hij plunderde en in brand stak. Dergelijke mannen mogen bekend en beroemd geworden zijn; maar zulke roem is niet benijdenswaardig. Alleen die roem is te begee-ren . welke verkregen wordt door edele daden, rechtvaardigheid, nuttige uitvindingen of ware geleerdheid.
De Geldersche hertogen hadden het nooit alleen zoo lang tegen keizer Karei kunnen volhouden: maar deze was, gelijk wij gezien hebben , steeds in oorlog met Frankrijk. En wat nog erger was, hij had zeer veel te strijden met de Pro-testanlsche vorsten van Duitschland. Van deze omstandigheden maakte de Geldersche hertog Karei gebruik. Eindelijk kwam i;ij in 1538 te sterven. Hij maakte Willem , hertog van Gulik en Kleef, in Duitschland , tot zijnen erfgenaam. Ook deze voerde een tijd lang den oorlog tegen den keizer; doch de laatste trok eindelijk in persoon tegen hem te velde en overwon hem. In 1543 werd de vrede tusschen den keizer en hertog Willem te Venlo gesloten. Deze moest Gelderland en Zutfen aan keizer Karei afstaan.
7. Zoo kwamen eindelijk in 1543 alle Nederlandsche gewesten onder één vorst. Wij zullen zien , welke die gewesten waren. Zij werden in 1545 door den keizer, bij een plechtig verdrag, te Augsburg gesloten , â èéu en van elkander onafscheidbaarquot; verklaard en in sommige punten met het Duitsclie Rijk in verbintenis gebracht. Te zamen werden zij de Bourgondische kreits of landen genaamd : een zeer verkeerde naam, want Bourgondië was er reeds lang van gescheiden en behoorde tot Frankrijk. Die gewesten dan waren, groote en kleine, zeventien in getal.
Eigenlijk waren die zeventien niet uilen Nederlandsche gewesten. want in sommige, die men de Waalsche provinciën noemde, werd eene taal gesproken, die een Fransche tongval is. Deze vier Waalsche gewesten waren: 1. Henegouwen, 2. Doornik en 3. Namen, die vhans tot België behooren, en 4. Artois, dat tegenwoordig een deel van Frankrijk uitmaakt. Verder telde men tot de Nederlanden 5 het hertogdom Lu.remburg, waar de Duitsche taal gesproken werd.
74
8. Tot de eigenlijke Nederlandsche provinciën of' gewesten behoorden in de voornaamste plaats 6 Brabant. Hiermede waren liet kleine hertogdom 7 Limburg en de steden 8 Me-chelen en 9 Antwerpen, die beide als afzonderlijke gewesten beschouwd werden, ten nauwste vereenigd. Brabant strekte zich uit over de provinciën Zuid-Brabaut en Antwerpen van België, Noord-Brabant en een deel van Limburg van ons vaderland. Verder 10 Vlaanderen, dat met Brabant liet machtigste der provinciën was. Dat Vlaanderen strekte zich uit over de beide Belgische provinciën Oost-en West-Vlaanderen en een deel, dat thans tot Frankrijk behoort.
Ãe zeven andere provinciën waren: 11 Gelderland, 12 Holland, 13 Zeeland, 14 Utrecht, 15 Friesland, 16 Groningen en 17 Overijssel, waaronder Drenthe gerekend werd.
9. Eene eigenlijke hoofdstad hadden de Nt-derlanden nog niet. De landvoogdes Margareta hield meestal haar verblijf te Mechelen; hare opvolgster, de landvoogdes Maria, te Brussel. Antiocrpen was onder keizer Kareis regeering de machtigste en rijkste koopstad; dan volgde als koopstad Amsterdam, dat toen evenwei nog lang zoo groot niet wa* als nu. Gent was bijna even sterk bevolkt als Antwerpen, üe Nederlanden waren in de laatste jaren der regeering van Karei V zeker bet rijkste en welvarendste land van Europa. De be-Tolking was arbeidzaam en nijver en muntte vooral uit door fabriekarbeid. Geen volk dat in dien tijd de Nederlanders daarin gelijk kwam. De laken- en linnenfabricken van Vlaanderen, de lakenfabrieken van Leiden, de fluweelfabrieken van Utrecht waren algemeen beroemd. Antwerpen dreef zeer grooten handel op Spanje en Italië. De kooplieden dier stad haalden alle voortbrengselen der zuidelijke landen en ook de voortbrengselen van Amerika en Azië, welke te Lissabon en te Cadix aankwamen, en brachten die naar hunne stad. De Engelschen, de Duitschers, de bewoners van de kusten der Oostzee kwamen naar Antwerpen, om daar hunne waren te verkoopen en die van de zuidelijke landen te koopcn Zoodoende werd Antwerpen de rijkste stad van Europa.
75
Amsterdam dreef den grootsten graanhandel. Uet haalde koren uit Pruisen en andere Oostzee-landtii en voorzag er de Nederlanden van. Dordrecht dreef' zeer gruoten handel op de steden, die aan den Rijn lagen. Na deze twee steden â was Deventer de voornaamste handelsplaats der noordelijke provinciën. Behalve door handel en nijveiheid, bloeide ons vaderland ook door visscherij. De Nederlanders alleen verstonden toen de kunst van haringhaken, welke door Willern Bcukelszoon was uitgevonden. Uonderde buizen gingen jaarlijks op de vangst van haring uit en brachten deze naar ons land. Van hier werd de haring door geheel Europa verzonden.
10. Zoo -waren de Nederlanders onder keizer Karei door vlijt en arbeidzaamheid, door de vrijheid der burgers en door een goeden vorst een der -welvarendste volken van Europa.
XVI.
KAREL V, â VERVOLG.
1. Het meest is de regeering van Karei V vermaard geworden, omdat daaronder de groote gebeurtenis plaats greep, die de Hervorming wordt genoemd. Het is u bekend, hoe vroeger alle Christenen tot de Katholieke Kerk behoorden. Evenwel stonden er haast iedere eeuw mannen op, die eene dwaalleer verkondigden. Zoo begon in 1517 een Duitsche monnik, Maarten Luther geheeten, eene leer te verkondigen, -welke in zeer vele punten van die der katholieke Kerk verschilde. Ook andere mannen stonden op, die dwalingen aan het volk leerden. Ouder de voornaamste dier dwaalleeraars behoorden. Melanchton in Duitschland, Zwingli in Zwitserland en Kalvijn in Frankrijk.
Spoedig vonden deze dwaalleeraars ol ketters, gelijk zij genoemd werden, duizenden en honderd duizenden aanhangers. Geheele vorstendommen en koninkrijken, met hunne geheele bevolking, vielen van de Katholieke Kerk af. De
76
oorzaken van dien afval waren de hoogmoed der tnenschen, die deukt dat hij zelf de waarheid alleen door zijn eigen verstand kan vinden; dan het ongeloof en de zedeloosheid van velen; en de ergernis , die door velen gegeven werd , welke., ofschoon tot de Katholieke Kerk behoorende, toch een slecht leven leidden. Velen vergaten dat de leer der H. Kerk altijd waar blijft, al handelen ook Katholieke menschen verkeerd. Ook -was eene voorname reden , waarom de Hervorming zoo snel toenam, dat vele vorsten en machtige Hee-ren, door zondige begeerlijkheid, de wetten der Kerk niet meer -wilden volgen of zich meester van de bezittingen der priesters en kloosters -wilden maken. Deze vorsten en groote heeren dwongen dan hunne onderdanen met geweld, soms op straffe des doods, de nieuwe leer te omhelzen. Dan ook hadden de boeken van een geleerden Nederlander, Erasmus , veel bijgebracht om de Hervorming ingang te doen vinden. Deze Erasmus was een groot geleerde ; hij schreef echter niet in zijne moedertaal, maar in het Latijn. Hij bespotte de geestelijken. Hij vergat dat anderen daardoor den godsdienst zouden beginnen te verachten en naar dwaalleeraars zouden hooren.
2. Een der dwaalleeraars, die spoedig veel aanhang vond, was Munzer, een Duitscher. Omdat zijne aanhangers zich voor de tweede maal lieten doopen, gaf men hun den naam van IVederdoopers. Zij verkondigden zeer vele leerstellingen, die niet alleen strijdig waren met den godsdienst, maar ook met de veiligheid en orde der maatschappij. -Zij weigerden gehoorzaamheid aan de regeeriug. Den rijken wilden zij hunne bezittingen ontnemen en die verdeeleu. Zij wilden zelfs, evenals de Turken, het huwelijk ontheiligen, door te veroorloven dat een man verscheidene vrouwen huwde. Sommige dweepers onder hen beweerden zelfs, dat men naakt moest loopen. Die Wederdoopers verwekten groote oproeren, vooral te Amsterdam, waar zij het stadhuis bestormden en de regeering wilden afzetten. Anderen gingen naar de stad Munster in Duitschland , maakten zich meester van de stad
77
en pleegden daar vele gruwelen. Zij kozen daar eenen kleedermaker. Jan van Leiden genoemd, oradal hij uit Leiden afkomstig was, tot hunnen koning. Die Wederdoopers werden zoodoende zeer gevaarlijke inenschen en zeer gehaat hij het volk.
Karei V vaardigde voornamelijk tegen hen zeer gestrenge wetten uit': die wetten werden plakkaten genoemd. Allen, die overtuigd werden dat zij Wederdoopers waren , werden met den dood gestraft; doch ook andere personen , die de nieuwe leerstellingen aannamen, werden streng gestraft. Hel was toen eene algemeene wet onder alle volken, dat diegenen, die het geloof, dat in een land beleden werd, verlieten, zwaar gestraft werden. Dit deden niet alleen de Katholieke, maar ook de Protestantsche vorsten. Ook bestond er eene geestelijke rechtbank, die onderzoek deed naar de overtredingen van den godsdienst, zooals ketterij, drukken van verboden boeken, predikatiën door andere personen dan de geestelijken. Die rechtbank noemde men Inquisitie. Zij bestond in alle Katholieke landen. Ook was er eene andere Inquisitie, die de Spaansche Inquisitie genoemd werd. Deze was veel strenger; doch zij was eene geheel andere dan de Inquisitie, welke men de bisschoppelijke noemde. Vele lieden hebben uit onkunde of met voordacht de eene met de andere verward. Zij deden dit, om ook de bisschoppelijke Inquisitie gehaat te maken; maar noch Karei V, noch zijn zoon Filips, van wien wij straks meer zullen hooren, heeft ooit de Spaansche Inquisitie in ons vaderland ingevoerd.
3. Eene der redenen, waarom Karei V zoo verstoord was op de belijders van de nieuwe leerstellingen der Lutherschen was, dat zij in Duitschland hem veel moeite veroorzaakten. Zeer vele Duitsche vorsten omhelsden dadelijk de leer van Luther. Velen van hen deden dit om een voorwendsel te vinden om de rijke bezittingen der Katholieke geestelijkheid weg te ntmen. Karei moest als keizer dit veroordeelen en straffen. De Luthersche vorsten van Duitschland vereenigden zich toen tegen den keizer en deden hom den oorlog aan ;
78
doch hij overwon hen en strafte eenigen van hen. Evenwel bleef de dwaalleer van Luther vele aanhangers tellen en vielen de meeste inwoners van noordelijk Duitschlaud van de Katholieke Kerk af.
4. Ook had keizer Karei V nog met andere moeielijkheden te kampen. De machtige stad Gent, zijne eigene geboortestad, geraakte tegen hem in opstand. Het volk van die stad was altijd zeer onrustig en gezind tot oproer. In 1545 maakten zij het echter zoo erg, dat Karei genoodzaakt werd uit Spanje over te komen en het oproer streng te straffen.
5. De voortdurende oorlogen, die hij met de Franschen, met de Turken en de Protestanlsche vorsten van Duitschland bad te voeren, hadden karei reeds vroeg oud gemaakt; want hij was geheel zijn leven lang met groote zorgen beladen geweest en had zeer vele vermoeienissen moeten verduren. Bovendien had hij ondervonden hoe ijdel alle wereld-sche grootheid is. Ook wilde hij de laatste jaren zijns levens besteden om zich voor te bereiden tot den dood. Daarom besloot hij afstand te doen van de regeering. Hij droeg die van de Nederlandsche gewesten in het jaar 1555 te Brussel op aan zijnen eenigen zoon Filips.
6. Ka-el begaf zich daarop naar Spanje. Daar ging hij in stille afzondering in een klooster leven. Hier hield hij zich bezig met het vervaardigen en herstellen van uurwerken. Om steeds gedachtig te wezen dat de dood hem te wachten stond, liet hij zijne eigene doodkist steeds voor zijne oogen plaatsen. In die afzondering stierf Siij in 1558.
7. Karei V is een der grootste Nederlanders geweest. Het nageslacht kan hem niet dankbaar wezen voor de vele quot;oorlogen. die hij gevoerd heeft. Want hoeveel roem een oorlogsheld ook moge verwerven, het is een verkeerde roem, wanneer hij niet verkregen is door eenen rechtvaardigen en noodzakelijken oorlog. Maar Karei V heeft den Nederlanden groote weldaden bewezen door rechtvaardigheid, door het geven van goede wetten en door het bevorderen van het welvaren des volks. Ook heeft hij zich zeer verdienstelijk ge-
79
maakt door alle Nederlandsche gewesten met elkavder te vereenigen.
7. Gelijk wij reeds gezien hebben stelde hij eene algemeene landvoogdes daarover aan. Drie raden werden door den keizer ingesteld, om de land voogdes in de regeering behulpzaam te wezen. Deze raden noemde men den staatsraad, den geheimen raad. die overal over de rechtsbedeeling geraadpleegd werd, en den raad der geldmiddelen, iedere provincie had hare eigene Staten. Deze Slaton waren de afgevaardigden van de geestelijkheid, dea adel en de steden van het gewest. Die Staten werden geraadpleegd over de belangen van het gewest, en de vorst kon geene nieuwe belastingen in een gewest heften, zonder de toestemming dier Staten. Somtijds riep Karei de afgevaardigden van alle die Staten der verschillende provinciën te zamen: die noemde men de Algemeene Staten of Staten-Generaal.
XVI11.
FILIPS II EN DE LANDVOOGDIJ VAN MARGARETA VAN PARMA.
1. Hoeveel anders zou misschien het lot van ons vaderland geweest zijn, indien Karei V twee zonen had gehad in plaats van één. Zoo hangt het lot der volken, evenzeer als van iederen persoon, niet van het blinde toeval, maar van de beschikking Gods af. Van de talrijke landen, die Karei V geërfd had, kwamen de Oostenrijlcsche landen aan zijnen broeder Ferdinand. Deze werd door de Duitsche vorsten tot keizer gekozen. Zoodoende ontstonden een Duitsche of keizerlijke en een Spaansclie of koninklijke tak van het huis van Oostenrijk. Had keizer Karei twee zonen gehad, dan was waarschijnlijk één van hen vorst der Nederlanden en te gelijk Duitsch keizer geworden. Dan waren alle Nederlanden waarschijnlijk ten nauwste met Duitschland vereenigd geraakt. Karei V had echter slechts één eenigen zoon. Deze
80
was zeven en twintig jaren oud, toen hij in 1555 vorst der Nederlanden en koning van Spanje te gelijk werd. De moeder van Filips was eene Portugeesche prinses. Hij zelf was in Spanje opgevoed en in zeden en geióoonten geheel en al Spanjaard. Evenals zijn vader Karei V altijd het meest de Nederlanders bemind had, zoo beminde Filips het meest de Spanjaards. Hij was stug, trolsch en volstrekt niet innemend, ge-quot; lijk zijn vader. Hij dacht dat alles het best ging, wanneer het op zijn Spaansch ging. Dit konden de Nederlanders slecht verdragen en vooral de grooten des lands.
2. Zoolang Filips in de Nederlanden vertoefde, ging alles nog al wel. Hij woonde de eerste vier jaren zijner regeering te Brussel. Zijne tweede gemalin, Maria, die koningin van Engeland was, bleef in haar rijk, en gezamenlijk voerden zij zoo den oorlog tegen Frankrijk. In dien oorlog betoonden zich vooral de Nederlanders zeer dapper. Onder aanvoering van den graaf van Egmond sloegen zij de Franschen bij Sint Quentin, in het noorden van Frankrijk, en noodzaakten den Franschen koning, Hendrik 11, vrede te sluiten. Toen die vrede gesloten was, besloot Filips naar Spanje te vertrekken: waar hij liever was quot;dan in de Nederlanden.
3. In 1559 was eindelijk alles voor den koning in gereedheid om naar Spanje te gaan. Hij had zijne halve zuster Margareta, die met den hertog van Parma was gehuwd, tot landvoogdes der Nederlanden aangesteld. Ook gaf hij haar verscheidene van de groote heeren des lands als raadslieden ter zijde. Onder deze waren: de bisschop van Atrecht (of Arras), Granvelle geheeten; een zeer ervaren rechtsgeleerde, Viglius, die een Fries van geboorte was; verder een edelman uit Namen, Barlaymont\ de graaf van Egmond, een zeer aanzienlijk edelman van een Hollandsch geslacht; de graaf van Hoorne, die groote bezittingen had omstreeks Weert in Nederlandsch Limburg, en Willem van Oranje.
4. Deze Willem van Oranje was oorspronkelijk een Duit-scher; zijn vader was graaf van Nassau. Hij zelf -werd de Prins van Oranje genoemd naar het vorstendom Oranje, in
81
Frankrijk, dat hij van een neef geërfd had. Willem van Oranje was door Karei V met weldaden overladen geworden. Door diens tusschenkonist was hij aan de rijke erfenis gekomen: want Willem had, behalve vele bezittingen in Frankrijk, zeer vele eigendommen in Nederland, vooral in Breda en in de omstreken van Geertruideuberg. Hij was opgevoed in de Lulhersche leer, maar toen hij aan het hof van Karei V kwam, werd hij Roomsch-Katholiék. Later werd hij weder Gereformeerd. Reeds als jongman onderscheidde hij z,ic'i door de uitstekendste bekwaamheden. Hij was zeer ervaren in alles wat de regsering betrof; hij was onvermoeid in den arbeid, stilzwijgend, voorzichtig; hij was nooit opgeblazen in voorspoed en nooit ter neder geslagen in tegenspoed. Zijne goede hoedanigheden werden echter zeer veel benadeeld door zijne groote heerschzuchl. Ilij wilde in alles de eerste en de voornaamste wezen. Wat niet naar zijne wenschen geschiedde, werkte hij tegen. Ook was bij zeer onverschillig omtrent den godsdienst, en alle middelen waren hem welkom , als zij hem maar van dienst konden wezen.
5. Willem van Oranje koesterde eene groote ijverzucht jegens Granvelle, die, nadat hij kardinaal geworden was, kardinaal Granvelle werd genoemd. En deze was de eerste man in den raad der landvoogdes. De koning had haar bevolen voornamelijk naar hem te luisteren. \ViJlen van Oranje kon dit niet gedoogen, vooral daar des kouings beveleu zijne goedkeuring niet wegdroegen. Hij wilde, dat de Spaanse he soldalen, welke de koning in de Nederlanden gelalen had, zouden vertrekken. Hierin kreeg hij zijnen zin. Toen begeerde hij dat de invoering der nieuwe bisschoppen geen plaats zon hebben. In dit punt kon do koning niet. toegeven , want de Nederlanden hadden zeer groote behoefte aan bisschoppen. Er waren over geheel het land, dat thans Nederland en België en nog een gedeelte van Frankrijk is, niet meer dan vier bisschoppen; die van Utrecht alléén voor ons geheele vaderland , voor zoover bet boven de Maas ligt. Daarom stelde de Paus, in overeenstemming met den koning, ver-
6
82
sclieideue nieuwe bisschoppen aan, zoodat er in het geheel drie aartsbisschoppen en vijftien bisschoppen zouden wezen. Het gemis aan goede kerkelijke tucht was eene der redenen geweest, waardoor de leer van Luther zoo gemakkelijk in ons vaderland ingang gevonden had; want zeer vele raen-schen waren slecht onderwezen in hunnen godsdienst en gelool'den daarom gemakkelijk aan de valsche leer. Dit was de reden, waarom de Paus het noodig oordeelde, dat erin de Nederlanden meer bisschoppen werden aangesteld; maar Willem van Oranje en de graven van Egraond en Hoorne wilden dit op alle mogelijke wijze beletten, om de landvoogdes en den koning lastig te vallen.
6. Ook wilden zij, dat dc honing Granvelle, die bij de nieuwe instelling van bisschopj rn aartsbisschop van Mechelen was geworden, zou verwijderen. Dit werd hun toegestaan. Toen Filips hierin toegegeven had, vorderden zij nog meer. Zij begeerden, dat de koning de Inquisitie en de plakkaten zou afschaffen. Het geroep tegen de Inquisitie was maar een middel om het volk in beweging te brengen. Want die Inquisitie bestond in verreweg het grootste gedeelte der Nederlanden niet; zij was op verre na ook zoo streng niet als men het wilde doen voorkomen. Ook was die Inquisitie eene geheel andere dan de Spaansche Inquisitie. Deze heeft nooit in ons land bestaan en is hier ook nooit door Filips II ingevoerd geworden. Evenwel geloofden velen alles wat men hun vertelde. Ook begeerden de prins van Oranje en zijne vrienden, dat de koning de plakaten, dat is de straffen tegen de Lutherscheu, Wcderdoopers enz., zou opheffen. Dit wilde Filips II, die plechtig gezworen had den Katholieken godsdienst te zullen handhaven, niet toelaten. Hij vreesde, dat dan de Katholieke godsdienst in de Nederlanden zou verloren gaan; w ant, dacht hij, de ketters (zooals men de aanhangers der nieuwe leer noemde) zouden dan overal hunne dwalingen verspreiden.
7. Toen de koning niet wilde toegeven, besloot een groot getal edelen aan de landvoogdes Margareta met zeer veel
83
vertoon een verzoekschrift aan te bieden, dat de kening de Inquisitie en de plakkaten zou opheffen. Zij /.elven hadden zich verbonden om gezamenlijk alles daartoe in het werk te stellen. Dit verbond noemden zij Compromis: dat zooveel be-teekent als gezamenlijke belofte. Velen mogen hiertoe overgegaan zijn uit goede inzichten, maar niet weinigen deden het om onrust te stoken. Velen onder den verarmden adel ook, dewijl zij dachten, d;jt, wanneer eenmaal de Nederlanden in opstand geraakten, zij zich zouden kunnen verrijken met den buit der geestelijke goederen.
8. De voornaamste hoofden dier edeleu waren: Hendrik van Breder ode, bodewijk van Nassau en nog twee anderen, de graaf van Kuilenburg en de graaf van den Berg : beiden Geldersche edelen. Hendrik van Brederode was van een zeer aanzienlijk Hollandsch geslacht; maar een woelziek man, die niets liever deed dan onrust stokeii. bodewijk van Nassau was een broeder van Willem van Oranje. Lodewijk bezat hier in de Nederlanden geen' akker gronds. Hij was een geboren Duitscher, met wien men hier niets had uit te staan. Als hij brieven schreef, schreef hij die niet eens in de Nederduitsche taai; maar hij wilde hier in ons land zijn geluk beproeven.
9. Onder aanvoering van deze vier genoemde heeren kwamen meer dan driehonderd edelen, den 5 April 15b'6, te Brussel binnen, om het gemelde verzoekschrift aan de landvoogdes Margareta aan te bieden. Misschien zal men denken, dat het aanbieden van een verzoekschrift eene onschuldige zaak was. Dit was dit aanbieden niet. Het geschiedde met het doel om der landvoogdes vrees aan te jagen en haar, door vertoon van zoovele gewapende edellieden, te dwingen en om het volk in opschudding te brengen. Alle oproermakers en warhoofden, die vast geloofden, dat zij op de hulp der edelen kouden rekenen, werden nu stoutmoedig en durfden alles wagen.
10. Toen al die edelen aan het hof te Brussel kwamen, was de landvoogdes inderdaad een oogenblik ontzet; maar Barlay-mont, die naast haar stond, zeide tot haar in hel Fransch:
84
â¢schrik maar niet. Mevrouw, voor dien hoop bedelaars {gueux)!quot; Dit werd gehoord, 's Avonds hielden al die edelen een groot gastniBal, en hier noemden zij elkander toen gueux of geuzen. Ook droegen zij toen. om de zaak algemeen te maken , een zinnebeeld. bestaande in eene soorfTan napje, zooals de bedelaars in die tijden gewoon waren le dragen. Hit noemde men de geuzen napjes. i)e naam van geuzen werd toen algemeen voor hen, die tegen den koning opstonden, en later als een scheldnaam (het is leelijk dit te gebruiken) tegen de Gereformeerden. Dezen begonnen toen insgelijks de Roomsch Katholieken â papen le noemen (een naam, dien men in vroeger tijd , en zonder beleedigende bedoeling, aan priesters gat').
11. Het was den verbondenen edelen vooral le Aoea om de Nederlanden in opstand tegen den koning van Spanje te brengen. Daarom kwamen zij in de maand Juli van het jaar 15GG bijeen te Sint 1'rui/en, cene stad in Belgisch Limburg. Hier beraadslaagden zij te zamen wat zij doen zouden, indien de koning hen oia hunne oproerigheid straffen wilde. Ook bespraken zij, hoe zij de nieuwe leerstellingen der Gereformeerden, die door Kalvijn verkondigd werden, aan hunne wenschen zouden dienstbaar maken. Verrew eg de groote meerderheid van de Nederlanders was katholiek. Zeer weinigen hadden de nieuwe leer omhelsd; maar zeer velen waren onwetend öf onverschillig in hunnen godsdienst. Om nu het volk van het voorvaderlijk geloof af te trekken, ontboden de edelen Frun-srhe en Duitsche predikanten, die hij Kalvijn geleerd hadden. Deze voerden zij in het land. Ook riepen zij veel saamge-raapl tolk uit Frankrijk, om hier in de Nederlanden de onrust te vermeerderen.
12. Toen de predikanten ia het land gekomen waren, begonnen zij in het open veld te prediken', dit noemde men gras-preeken. Zij hitsten het volk, dat deels uit nieuwsgierigheid naar hen kwam luisteren , op tegen de Roomsche Kerk en geestelijken. De landvoogdes durfde niets daartegen doen, want de vreemde predikanten werden beschermd door gewapende henden. De verbondene edelen hadden beloofd, dat
85
zij hen in hunne bescherming zouden nemen. Oranje , Eg-mond en Hoorne, die de machtigste heeren in het land waren, wilden ook niet, dat de landvoogdes de overtreders van de koninklijke wetten zoude straffen. Zoodoende gingen de vreemde predikanten en het volk, dat hen volgde, hunnen gang. Zeer spoedig hadden zij de groote menigte opgehitst en den Katholieken godsdienst en de geestelijkheid gehaat en veracht -weten te maken.
13. In Augustus 15G6 sloeg die menigte tot de grootste baldadigheden over. Zij vernielde en plunderde binnen den tijd van eenige weinige dagen meer dan vierhonderd kerken. Dit noemt men den beeldenstorm. De heerlijkste en schoonste kerken der Katholieken , zooals de Onze Lieve Vrouwu kerk te Antwerpen, de Sint-Jans kerk te 's Herto-genbosch, de Dom te Utrecht, werden geplunderd. De beelden werden stuk geslagen, de heilige vaten ontwijd, de heilige olie op de schoenen gesmeerd, de heilige reliquieën over den grond geworpen. Eu overal lieten de regeeringsleden dit begaan. Zoo groot was de vrees voor de heeldstorrners!
14. Wel verre van dadelijk haar te willen helpen, wilden Oranje, Egmond en Hoorne de landvoogdes niet ondersteunen om de heeldstorrners te straffen , voor en aleer zij de plakaten had opgeheven. Nu herstelden deze heeren de orde en straften eenige plunderaars.
Zeer vele edelen, die wèl Katholiek waren, doch uit haat tegen de Spanjaarden lot liet verhond der edelen waren toegetreden, «ilden er van nu af aan,niet meer van weten. Andere daarentegen besloten nu tot nog grooter oproer over te gaan. Lodewijk van Nassau ging naar Duitschland , of hij ook soldaten kon vinden, om den koning in de Nederlanden te beoorlogen. Hendrik van lirederode beproefde Holland in opstand ie brengen. Anderen wilden zich meester maken van de machtige stad Antwerpen; doei', de landvoogdes had eenige soldaten hij de blind, en deze verjoegen die benden van geuzen, gelijk zij zich zeiven noemden. Ook werd een op.oer. dat in Antwerpen zelf door de Kalviaistcn was
86
begonnen , dooi het beleid yan Willem van Oranje gestild.
15. Toen Filips II in Spanje gehoord had, hoe de edelen in de Nederlanden onrust gestookt hadden en hoe daar de kerken en kloosters vernield en geplunderd waren geworden, was hij zeer vergramd. Hij besloot, een leger af te zenden, om strenge straf uit te oefenen. Toen Willem van Oranje hiervan kennis kreeg, besloot hij hel land te verlaten. Hij was wel niet rechtstreeks schuldig geweest aan het verbond der edelen of aan deu beeldstorm; maar door zijne héerschzucht waren de onlusten aangevangen: ook had hij de overtreders van 's l a-nings wetten in de hand gewerkt. Daarom was Filips op hem en op de graven van Egmond en Hoorne zeer verbitterd. Willem van Oranje begreep dit en verliet de Nederlanden; viaar de graaf van Egmond, die vreesde zijne bezittingen te verliezen en zich minder ongerust maakte, omdat hij zoo schuldig niet was, bleef in de Nederlanden.
xvm.
DE HERTOG VAN ALVA IN DE NEDERLANDEN.
1567â1573.
1. in de laatste dagen van 1567 kwam Aha met een leger van tien duizend soldaten naar de Nederlanden, om daar strenge straf uil te oefenen. Hij werd landvoogd in plaats v van Mar gar et ha van Parma. De hertog van Alva was een zeer bekwaam veldheer, maar trotsch, streng eu stug : hij koesterde eene groote minachting voor allen, die geene Spanjaards waren. Al dadelijk begon hij met onderzoek te doen naar de beeld-stonuers en naar allen, die fcich. op eenigerlei wijze aan onge-hoozaamheid aan den koning hadden schuldig gemaakt. Hij richtte eene rechtbank op, die de raad van beroerte werd genoemd, omdat zij de medeplichtigen aan de laatste beroerten moest straffen. Die raad ging zeer willekeurig en wreed te werk. Daarom werd hij de bloedraad genoemd. Het is er echter verre van af, dat allen, die door deze recht-
87
bank ter dood veroordeeld werden , onscliiildig waren. De meesten waren bceldstormers en oproerlingen , welke ook in onzen tijd nog zwaar zouden gestraft zijn; maar Alva's bloedraad kende geen genade en veroordeelde zeer velen ter dood voor overtredingen, die minder zwaar hadden moeten gestraft worden. Daarom is de raad van beroerte te recht in afschuw gebleven.
2. Onder de voornaamste personen, die door den raad van beroerte ter dood veroordeeld teerden, behoorden de graven van Eg mond en Huorne. Deze werden den 4U Juni 15G!i te Brussel op een schavot onthoofd. Dit wekte groote verontwaardiging op in de Nederlanden: want de graaf van Eg-mond toas zeer bemind, en had den koning groote diensten bewezen.
3. Prins Willem van Oranje en zijn broeder Lodewijk van Nassau waren naar Duitscbland gevlucht. Hier wisten zij een leger bijeen te verzamelen, waarmede zij een inval in de Nederlanden beproefden. Alva zond tegen Lodewijk van Nassau een zijner veldheeren, den graaf van Arcmhcry, ook een Nederlander; doch deze werd in een. veldslag door Lodewijk van Nassau geslagen. Dit geschiedde in de maand Mei bij Heiligerlee, niet verre van Winschoten. T)it is het begin van den tachtig jarig en oorlog. Toen Alva dit vernam, trok hij zelf tegen Lodewijk van Nassau op en ontmoette hem met zijn leger bij Jemmegun in Oost-Friesland. Hier raakten beide legers slaags: Lodewijk van Nassau moest het veld ruimen en vluchten. '
4. Niet beter ging het Willem van Oranje zeiven, die ook uit Duitschland een leger van vreemde soldaten gehaald had, â waarmede hij de Nederlanden wilde onderwerpen. Hij trok in de nabijheid van Maastricht over de Maas; maar Willem van Oranje was op verre na zulk een grootveldheer niet als Alva en moest spoedig, met verlies van zijn leger, de Nederlanden weder verlaten. De prins ging hierop naai; Duitschland en zijn broeder Lodewijk naar Frankrijk, waar hij moeite deed om den Franschen koning te bewegen dat deze de
88
Nederlanden zou veroveren en grootendeels Fransch maken.
5. Toen Alva den prins van Oranje en diens broeder overwonnen had, keerde hij naar Brussel terug. Hier gedroeg hij zich zeer trotsch en hoogmoedig. Hij wilde den Nederlanders nieuwe belastingen opleggen, die zij nooit hadden betaald. Eie belasting noemde men den tienden penning, omdat zij bestond in een tiende deel van de koopwaren, die verkocht werden. Deze soort van belasting was bij alle Nederlanders zeer gehaat. Vele uitstekende mannen raadden Alva dan ook aan, die belasting niet te hellen en ook om de Nederlanders zacht-mcediger te behandelen. Onder degenen, die dezen wijren raad gaven, behoorde de bisschop van Yperen, Maarten van Riethoven geheeten; naar het dorpje Riethoven bij Eindhoven, waar hij was geboren. Deze Maarten van Riethoven is een der vroomste en geleerdste mannen van ons land geweest ; een man . die den koning van Spanje de waarheid durfde zeggen en Alva durfde voorhouden, dat hij rechtvaardig moest zijn.
6. De hertog van Alva wilde evenwel niet luisteren naar de goede raadgevingen, welke hij ontving. Zijne hardvochtigheid veroorzaakte verbittering. Ook wist Willem van Oranje die ontevredenheid aan te stoken en te vermeerderen. Nu en dan ly.pioefde de een of de ander een oproer. Zoo maakte in 1570 zekere Herman de Buiter van 's Hertogenbosch, een ossenkooper van beroep, zich meester ran het slot Loeve-stein. Met zeventig soldaten, die zich bij hem gevoegd hadden, vilde liij dal slot verdedigen ; maar toen hij geen kans zag, het tegen de Spaansche soldaten vol tehouden, stak hij het kruit in brand, zondat hij met alle aanvallers om het leven kwam. Deze daad van Herman de Ruiter heeft men dikwijls geprezen. Maar ten onrechte. l!ij mocht geen oproer maken, noch het le\en van anderen voor zijne eigene eerzucht wagen. Nog minder mocht iiij op zulke wijze aan zijn leven een einde maken Het is waar, wanneer hij in de handen der Spanjaarden was gevallen , hadden dezen hem wreedaardig gedood; maar het is grooter bewijs van moed, zich aan een wretden en
89
smadelijketi dood te â wagen, dan door zelfmoord zich zeiven het leven te benemen.
7. De wijze, waarop de hertog van Alva met allen , die deel aan de oproerige bewegingen of aan de verboden predikingen genomen hadden, te werk ging, deed duizenden het vaderland verlaten en ergens een goed heenkomen zoeken-Zeer veien van deze gingen op zee het werk van zeerooverij drijven. Zij noemden zich watergeuzen ea roofden en plunderden de schepen niet slechts van Spanjaarden, maar ook van Nederlanders, of hieven van deze schepen een losgeld. Die watergeuzen hebben zeer vele gruwelen bedreven; niet minder dan de Spaansche soldaten dit gedaan hebben. Zij vonden meestal eene toevlucht in de Engelsche havens; maar toen in 1572 de Engelsche koningin hun dit verbood, trokken de watergeuzen, onder bevel van Willem Lumeij, een losbandig en w reed man, met hunne schepen naar de monden van de Maas en veroverden daar de stad llrielle op den 1 April 1572-De inneming van den Briel gaf het sein tot een algemeenen opstand in Holland, waar Prins Willem zeer vele vrienden had en in stilte alles had voorbereid. Vlissingen en Enkhuizen vei klaarden zich dadelijk voor den Prins, tegen den hertog van Alva, Bijna geheel Holland en Zeeland volgden dit voorbeeld. Amsterdam echter bleef den koning, den wettigen Landsheer, getrouw.
8. De opstand van Holland en Zeeland ging terstond gepaard met eene vervolging der katholieke geestelijkheid-, want het waren voornamelijk de Hervormden , tot welke velen in het geheim behoorden. die den opstand hegonnen. Zij beloofden aan de Katholieken volkomen vrijheid van godsdienst, mits zij zeiven eok die vrijheid hadden. De Katholieken van Holland, die de dwingelandij van Alva haatten, lieten zich hierdoor medesleepen; maar zoodra waren di; opstandelingen niet ergens meester, of zij verjoegen de Katholieke priesters en namen de Roomsche kerken in bezit. Onder de priesters, die door de watergeuzen vermoord werden , zijn vooral de heilige martelaren van Gorkum bekend. Dezen waren priester^
90
uit üorkum eu nadere jjlaatseti uit Zuid-Holland. Luraeyen zijne wreede watergeuzen hadden hen gevangen genomen-Zij beloofden hun het leven. indien zij de tegenwoordigheid van don Zaligmaker in het 11. Sacrament des Altaars wilden loochenen. Ãocli de vrome priesters wilden liever sterven dan dit te doen. Hierop liet Lumey hen allen, negentien in getal, in eene schuur na hij den Briel ophangen!
9. Willem van Oranje en zijn broeder Lodewijk hadden den moed niet opgegeven om zich van de Nederlanden meester te maken. In 1572 viel de prins weder met een leger van vreemde soldaten in Brabant. Zijn broeder Lodewijk wist, met behulp van Fransche soldaten. Bergen in Henegouwen hij verrassing in te nemen. Alva kwam hem hier spoedig belegeren, en Lodewijk moest de stad opgeven. Ook Willem van Oranje kon het niet tegen Alva volhouden. Hij is op het punt geweest in de macht der Spanjaarden te vallen.
Deze overrompelden 's nachts zijn leger en waren bijna tot zijne tent gekomen, toen hij door een hondje wakker gemaakt werd eu kon vluchlen. Daarom heeft men op de graftombe van Willem I te Delft en op zijn standbeeld in den Haag een hondje afgebeeld.
10. Toen de hertog van Alva deze aanvallen van Willem van Oranje en diens broeder verijdeld had, besloot hij de oproerlingen, gelijk hij de Hollanders noemde, streng te straffen.
Zijn zoon Frederik trok met een leger door Gelderland. Hier werd het eerst Zutfen door zijne soldaten veroverd: deze i bedreven er de grootste wreedheden. Nog grootere gt;ireedhe- 1 den begingen zij te Naarden, waar zij bijna de geheele bevel- | king vermoordden en de stad in brand staken. Van Naaiden ging Alva zelf naar Amsterdam, dat aan den koning getrouw gebleven was en van den prins van Oranje niets wilde hooren.
Alva het Haarlem in den winter van 1572â1573 belegeren.
In die slad waren zeer vele vreemde soldaten, welke onder Lodewijk van Nassau gediend en beloofd hadden niet weder tegen den koning te dienen, doch die belofte verbroken hadden. Daarom hadden zij op geene genade te hopen,
91
zoo zij in Alva's handen vielen. Ook waren ei' vele heeld-stormers in de stad: onder anderen de bevelliebber der bezetting, Ripperda. Alle dezen besloten tot het uiterste vol te houden. Ook de burgerij, die bevreesd geworden was voor de -wreedheden der Spaansche soldaten, wilde haar leven wagen voor de verdediging der stad.
11. Zeven maanden lang hielden de Haarlemmers en de soldaten, die binnen de stad waren, met den meesten moed het beleg uit. Afgrijselijk woedde de hongersnood binnen de stad, maar niet minder de menschen. Een oud-burgemeester en een geestelijke werden door het woeste volk op de muren opgehangen, en toen de dochter van den vermoorden burgemeester om haren vader jammerde, joeg men haar in de gracht en liet haar daar verdrinken. De Spanjaarden buiten de stad maakten het niet minder erg. Zoo sleepte de noodlottige burgeroorlog de grootste gruwelen na zich. De Haarlemmers weerden zich dapper; zelfs vrouwen, ouder aanvoering van Kenau Hasselaar, namen de wapenen op ter verdediging der muren. Niets echter kon balen. Haarlem , door hongersnood gedwongen, moest zich overgeven. De aanvoerders der burgerij en allen, die aan beeldstormerij schuldig geweest waren, werden onthoofd. Alle vreemde soldaten, die beloofd hadden dat zij niet meer tegen koning FilipslI zouden dieiiei,, maar dit toch gedaan hadden, liet Alva Ier dead brengen.
12. In hetzelfde jaar 1573 liet hij ook Alkmaar belegeren; doch de burgerij dier stad verjoeg de Spanjaarden. Van Alkmaar begon de victorie, dat is: bij Alkmaar werden de Spanjaarden het eerst geslagen. Hetzelfde jaar verloor Bossu, die veldheer was in dienst van Filips 11, den slag op de Zuiderzee, niet ver van Hoorn. De Amsterdamsche en Spaansche schepen werden door de Noord-Hollandsche schepen geslagen. Kort daarna , in hetzelfde jaar 1573, riep de koning Alva naar Spanje terug. Hij vertrok, gehaat om zijn hardvochtige inborst. Hij had, ondanks zijne macht, de rust in de Nederlanden niet kunnen herstellen. Men verhaalt dat
92
hij, gedurende de zes jaren van zijn bewind , 18000 men-schen door beulshanden had laten ter dood brengen. Dat is eene onwaarheid: het getal was ruim zesduizend. Hetquot;is wel te bejammeren. dat zoovelen meêdoogenloos werden ter dood gebracht. Het was veel beter geweest, dat Alva alléén de grootste schuldigen had gestraft, maar aan de andere genade had geschonken. Wreedheid brengt nimmer voordeel aan hem die ze begaat.
XIX.
LANDVOOGDIJ VAN REQUESENS. 1573-1576.
KOMST VAN DON JUAN.
1. In plaats van Alva kwam als landvooijd don Louis de Requesens: ook een Spanjaard. Deze was een ervaren en zachtmoedig krijgsman. Toen Fiilps zug dat strengheid niet baatte, hoopte hij de Nederlanders door zachtheid te winnen; maar ook dit gelukte niet. Evenwel bleven verreweg de meeste Nederlanders nog den koning getrouw , ofschoon zij de Spanjaarden haatten.
2. Een vau de eerste en beroemdste wapenfeiten, die onder het bestuur van Requesens plaats hadden, whs het beleg van Leiden. Dit was reeds in den aanvang van 1574 begonnen; doch werd opgeheven om den inval van Lodewijk van Nassau in de Nederlanden. Deze had wederom een leger van vreemde gehuurde soldaten hij sikander vergaderd; doch Requesens zond hem een zeer kundig veldheer, d'Avila geheeteu, met een leger te gemoet. Deze ontmoette Lodewijk met zijne soldaten op de heide niet verre van Mook iu Limburg. Daar kwam het tusschen beide legers tot ten gevecht, en Lodewijk werd geheel en al verslagen', hij zeil verloor het leven en zijn lijk is nooit teruggevonden. Dit geschiedde 14 April 1574.
3. Toen de slag op de Mokerheide gewonnen was, zond Requesens ten tweeden male een-Spaansch leger, ouder bevel
93
van Valdez, voor Leiden. De stad was zeer spaarzaam van ievensiniddeleu voorzien. Spoedig werd Leiden door het Spaan-sche leger zoo ingesloten, dat er niets meer in noch uit kon. Er ontstond dan ouk spoedig het nijpendsle gebrek. Eerst moesten de burgers zicli met een halt'pond brood daags behelpen; doch weldra was er geen brood meer. Vele inwoners moesten zich met den walgelijksten afval voeden. Niet weinigen stierven van honher eu door ziekten, die het gevolg van den honger waren. Evenwel wilden de Leidenaars nog hunne stad niet overgeven. Zij hoopten steeds, dat Willem van Oranje zou komen opdayen, om hen te ontzetten; maar deze lag ziek te Delft. Toen hij hersteld was, bemerkte hij wel, dat er geen kans was om met een leger de Spanjaarden te verjagen; hij besloot dit door het water te doen.
4. Met dat doel liet hij de dijken van de rivier de IJsel en de Maas doorsteken', want zoodoende kon het water tot voor Leiden komen, üok liet Willem van Oranje vele platboomde vaartuigen maken, om leveusbehoeften en soldaten over het overstroomde land naar Leiden te brengen. En het was zeer noodig, dat dit geschiedde; want de stad kon het niet lang meer uithouden. De nood was op zijn hoogst gestegen. Vele burgers wilden, dat de regeeiing de stad zou overgeven ; maar de burgemeester Pieter Adriaanszoon van der Werf maande hen aan om moed te houden. Op het geroep: -wij sterven van honger, geef ons eten!quot; antwoordde hij: gt;eet mij dan op; ik kan u niets anders geven.quot; De Spanjaarden daarentegen, die buiten de stad lagen, zeiden verwaten genoeg : -eerder zal men de sterren van den heinel halen, dan Leiden uit onze macht.quot; Zoo zeker meenden zij te zijn, Leiden lot de gehoorzaamheid des konings terug te brengen. Maar God, wiens wegen onnaspeurlijk zijn, had, iu dezen, anders beschikt. De wind , die altijd nadeelig voor de Leidenaars geweest was, veranderae op eens, en een sterke zuidwestewind joeg het water door de doorgestoken dijken over het land tot voor de muren van Leiden. Hierdoor konden de platte vaartuigen der Hollanders, onder bevel van
I
94
*»
den admiraal Boissot, voor de stad komen. Datzelfde water dwong de Spanjaarden hun leger te verlaten, -wilden zij niet verdrinken.
Zoo was Leiden ontzet op Zondag 3 October 1574. De uitgehongerde burgerij werd door de schuiten, die over het overstroomde land heen kwamen aanvaren, van levensmiddelen voorzien. Sommigen waren zoo uitgelaten van honger, dal zij uit gulzigheid te veel aten en daaraan stierven.
Het beleg van Leiden behoort, in zekere opzichten tot de schoone bladzijden uit de geschiedenis van ons vaderland. Lof verdient een moed en volharding, die honger noch gebrek noch deu dood ontziet voor hetgeen men zijn plicht rekent. Ook maakten de Leidenaars zich niet schuldig aan den tuoord van onschuldigen, gelijk binnen Haarlem gedurende het beleg geschiedde. Maar hier in Leiden waren het ook eigene burgers; in Haarlem waren het grootendeels vreemde soldaten, die het beleg volhielden en gruwelen tegen gruwelen overstelden.
6. Toen Leiden ontzet was, kwam Willem van Oranje in de stad. Hij liet bet der regeering in hare lens, wat zij wilde hebben roor hare volharding. Zij koos eene hoogeschool. Het kwam Willem van Oranje volstrekt niet toe, om zoo iets te doen; want alleen de koning had daartoe het recht. De Prins wist dit zeer wei: en de stichting der hoogeschool ge-schiedde werkelijk op 'slonings n am. Zoo beriep de Prins zich, zonder blozen, op 's ir uings gezag, om eene hoogeschool te stichten, die vooral ten doel had Hervormde predikanten op te leiden, ten einde het iN'ederlandsche volk van den Katholieken godsdienst af te trekken. Eenvoudigen werden zells aanvankelijk in den waan gebracht, dat de Prins niet 'skonings gezag wilde benadeelen, maar het alleeu op de tyrannie der vreemdelingen geladen haa.
7. Zoo kwam de Leidsche hoogeschool tot stand. En al moeten wij, Katholieken, het niet goedkeuren, hoe en waarom zij werd opgericht, toch erkennen wij gaarne, dat zij een groot getal geleerde mannen gevormd heeft, veel weten-
95
schap verspreid heelt en geheel Europa door beroemd geweest is.
8. In het jaar 1576 beproefde Uequescens zich van de stad Zierikzee en het eiland Schouwen meester te maken. Gelukte dil. dan honden Zeeuwen en Hollanders elkander slecht meer helpen. Ken Spaansch veldheer, Mondragon, trok met zes honderd soldaten, 's nachts door eene ondiepte van de Zeeuwsche sttoomen, kwam zoo op Schouwen en veroverde dat eiland en Zierikzee. Dit bracht in Holland en Zeeland de grootste ontsteltenis teweeg. Willem van Oranje waande reeds alles verloren te zijn; doch daar stierf op het alleronverwachtst de landvoogd Reyuesens, zonder dat hij een opvolger had.
9. Dit bracht alles in verwarring; want de Spaansche soldaten wilden niemand dan een Spaanschen landvoogd gehoor-zamen. En er wa? op dat oogenblik geen Spaansche landvoogd; maar de Staatsraad, die uit voorname Nederlanders bestond, had de regeering aanvaard, voor zoolang er geen nieuwe landvoogd door den koning benoemd was geworden. Nu waren die Spaansche soldaten zeer muitziek en ongehoorzaam, vooral omdat zij in langen tijd geene soldij hadden ontvangen. Die soldaten werden daardoor oproerig en wilden de regeering niet meer gehoorzamen. Zij plunderden de stad Aalst in Oost-Vlaanderen. Hiermede niet tevreden, plunderden zij ook de stad Antwerpen en bedreven daar de grootste gruwelen. Die plundering v£.n Antwerpen door de Spaansche soldaten in 1576 wordt de Spaansche Furie genoemd.
10. Toen de Nederlanders in alle gewesten, die nog niet in opstand tegen denquot; koning waren, dit \ernainen, verden zij zeer verbitterd op de Spanjaarden. Zij beschouwden hen als vijanden en besloten lijf en goed tegen hen te verdedigen. Dit was niet meer dan billijk: want men mag geen opstand maken tegen zijne wettige overheid, gelijk Willem van Oranje en de watergeuzen in 1572 deden; maar men mag wel zijn leven en goed verdedigen tegen roovers en plunderaars, gelijk de Nederlanders in 1576 deden. De Sta-
96
ten, dat is, de afgevaardigden van den adel, de geestelijk' heid en de steden van alle zuidelijke NederlandscLe gewesten en van Utrecht, kwamen te Brussel bij elkander. Die vergadering van de Staten aller provinciën werd de Staten-Generaal genoemd. Deze was met den staatsraad, zoolang er geen landvoogd des konings was, de wettige overheid, en die -wettige overheid verklaarde de Spaansche soldaten , die Aalst en Antwerpen geplunderd hadden, voor vijanden. Zij bereidde zich ten oorlog. Bijna alle steden der Nederland-sche gewesten joegen de Spaansche soldaten , die hier en daar nog in bezetting lagen, weg.
11. Maar de zuidelijke provinciën en ook de noordelijke, die nog niet in opstand tegen F Hips II waren, wilden bovendien een verbond sluiten met de Hollanders en Zeeuwen. i)at verbond kwam tot stand te Gent den S November 1576. Daarom wordt het de Gentsche bevrediging genoemd. Daarin werd bepaald, dat Willem van Oranje en de Hollanders en Zeeuwen de andere Nederlandsche provinciën zouden helpen om de Spaansche soldaten te verjagen; maar dat zij niets zouden mogen ondernemen tegen den Katholieken godsdienst. De Hervormde godsdienst zou evenwei in llollaud en Zeeland blijven op den voet, waarop die was.
12. Ter nauwernood was de Gentsche bevrediging gesloten of Don Jan van Oostenrijk kwam in de Nederlanden , als landvoogd in naam des konings. llij was een zoon van Ka-rel V en een halve broeder van Filips 11, maar niet van koninklijke geboorte: daarom kon hij niet mede erven met den koning. Deze Don Jan was een dapper vorst, die eene groote overwinning op de 'fuiken had behaald: hij was zeer minzaam en deed op last van Filips 11 al het mogelijke, om den vrede in de Nederlanden te herstellen. Maar Willem van Oranje wist de verdeeldheid aan te houden, en de Kalvinisten (zoo noemde men de Hervormden) wilden meester blijven, waar zij het waren , terwijl de koning hen niet in het land wilde gedoogen. Hierbij kwam, dat de Nederlanders alles, wat van den koning kwam, zeer wan 1 rouw-
»7
den. Van het een en ander wist Wiliem van Oranje partij te trekken, om te maken dat het geen vrede werd. ))e Sta-ten-generaal en ook het geheele volk, op weinige uilzonderingen na, hechtten meer geloof aan zijne woorden dan aan die van Don Jan. Zoodoende werd de verdeeldheid sleedt grooter. Zij werd dit nog meer, toen sommige voorname Nederlanders Matthias, aartshertog van Oostenrijk en neef van Filips, riepen, om algemeen landvoogd te wezen, in welke hoedanigheid hem de koning niet wilde erkennen.
13. Don Jan kon weinig uitrichten, want om den Nederlanders genoegen te geven, had Filips 11 alle Spaanschesoldaten teruggeroepen. Toen Don Jan zich in het kasteel van Namen in veiligheid wilde stellen (want men belaagde zijn leven), werd hij voor een vijand der Nederlanden verklaard. Nu begon de burgeroorlog op nieuw. Willem van Oranje werd door toedoen van zijne vrienden, die het volk bang voor Don Jan wisten te maken, naar Brussel geroepen. Het gelukte hem geheel het land in rep eu roer te brengen. Zoodoende faalden alle middelen, die door den koning in het werk gesteld werden, om de Nederlanden rust en vrede te schenken. Filips wilde alles toegeven, mits men hem als vorst bleef erkennen en de ketterij weerde; maar het was Willem van Oranje le doen om den koning alle gezag te ontnemen, en den Hervormden om het katholiek geloof uit te roeien. Zoo kon er geen vrede zijn. Don Jan werd mistroostig en stierf in den leeftijd van drie en dertig jaar aan eene besmettelijke ziekte. (1578)
XX.
ALEXANDER VAN PARMA. â AFZWERING VAN FILIPS II.-
DOOD VAN WILLEM I. 1578â1579-1584.
1. Na den dood van Don Jan van Oostenrijk werd Alexander van Panna landvoogd. Deze was de zoon van Margareta van. Parma, die van 1559 tot 1567 als landvoogdes het bevel voerde:
7
98
bijgevulg moest hij oom zeggen legen Filips II. Hij aanschouwde het levenslicht in Italië, waar zijn vader hertog van Panna was. Hij wordt gehouden voor een der uitmun-tendste veldheeren en der besté staatsmannen van zijn tijd. Nooit zou hij iets met geweld doen, wat hij door overreding of list kon verkrijgen.;. Toen hij in 1578 landvoogd werd, vond hij de Nederlanden in de grootste verwarring. Bovendien was het gezag des konings gansch en al verloren gegaan.
2. De Kalvinisteu hadden van de algemeene verwarring gebruik gemaakt. Willem van Oranje was er in geslaagd een verhond tot stand te brengen, dat de religievrede heette; waarbij aan Kulvinisten en Katholieken gelijke rechten werden toegekend. Maar overal waar de kalvinisten door den religievrede vasten voet wislen te krijgen, namen zij den K -tholieken hunne kerken af, verjoegen de geestelijken, verwijderden de Katholieken, uit het stadsbestuur en verboden hun de uitoefening van hunnen godsdienst. Zij deden dit of met behulp van baldadig volk of van gehuurde soldaten. In Haarlem vermoordden zij den priester in de kerk gedurende de godsdienstoefening. Overal beeldstormde zij in 1578, gelijk zij dit gedaan hadden in 1566.
3. Een van degenen, die het meest er toe bijbrachten om den katholieken godsdienst te onderdrukken, was Jan van Nassau, broeder van Willem van Oranje. Hij was door dezen en dooi' de Stateu-generaal tot stadhouder van Gelderland gemaakt. Hier liet hij door gehuurde soldaten de katholieke kerken plunderen en den Roomschen de uitoefening van bunnen godsdienst beletten. Wat Jan van Nassau in Gelderland deed, werd door anderen gedaan in Gent, Brussel, Antwerpen, Utrecht, Amsterdam enz. De Kalvinisten maakten zich schier overal meester van de regeering en vervolgden de Katholieken. Dit kon geschieden, want er heerschte eene algemeene verwarring en het gezag des konings werd niet meer erkend. Matthias, die in het land geroepen was, om landvoogd te wezen in plaats von Don Jan, had niet het minste gezag: Willem van Oranje gebruikte hem als een
99
speelbal en liet hem teekenen -wat hij verkoos. Anderen â wilden de Nederlanden onder den lierloy van Anjou, broeder van den koning van Frankrijk, brengen. De Kalvinisten riepen Jan Kasimir, een Gereformeerd Duitsch vorst in het land, en deze k-wam met eenige duizeude vreemde soldaten, die niets deden dan rooven en plunderen. Zoo was ons arm vaderland diep rampzalig! Dit kwam, omdat'velen liet oor geleend hadden aan de inblazingen van lieden, die vrijheid beloofden, maar slechts eigen voordeel beoogden.
4. Alle die geweldenarijen, welke den Katholieken werden aangedaan, veroorzaakten eene scheuring tusschen de verschillende Nederlandsche gewesten. De zuidelijke, zoogenaamde Waalsehc gewesten sloten te Atrecht (of Arras) te zamen een verbond, om den Katholieken godsdienst te handhaven en zich tegen de geweldenarijen der Kalvinisten te weer te stellen; de noordelijke provinciën daarentegen sloten den 23 Januari 1579 te Utrecht een verhond, om elkander bij te staan. Dit verbond is de beroemde Unie ran Utrecht die de grondslag van onze republiek geworden is. Jan van Nassau was er de voorname bewerker van.
5. Alexander van Panna maakte van die verbittering der zuidelijke Nederlanders gebruik, om het gezag des konings weder te herstellen. Vele steden gingen uit eigen beweging tot hem over, zooals 's Hertogenbosch: anderen bracht hij door belegering onder zijne macht. De graaf va.v Rennenberg , die in naam der Staten-generaal stadhouder van Groningen was, bracht in i580 deze stad weder onder de gehoorzaamheid van Filips IT. Men noemde dit een verraad: tiit was het niet; want Rennenberg keerde terug lot de gehoor-zaaniheid aan den koning, die zijn wettige vorst was. Bovendien hadden de Staten-generaal de voorwaarden, op welke hij tot hunne partij overgegaan was , verbroken ; want 7.ij vervolgden den katholieken godsdienst, dien zij gezworen hadden te handhaven.
6. Filips II, die vruchteloos beproefd had door rredesonderhand ehn gen , te Keulen in 1579 gevoerd, tot den vrede te
100
tomen, gaf Willem van Oranje de schuld van alles. Hij sprak (in 1580) over hem den ban uit, dat is: hij, als Loning, verklaarde Willem van Oranje, ter zake van ontrouw aanzijn heer, voor een verrader en beloofde eene rijke belooning aan dengenen, die hem zou dooden, of gevangen den koning in hand en lev eren. Van hunnen Ifant gingen de Staten-Generaal in 1581 tot een gewichtigen stap over. Zij verklaarden Fi-lips II als hertog en graaf dezer landen vervallen en zegden hem alle gehoorzaamheid op. Zoo nam de grafelijke regee ring in Holland en Zeeland en de regeering der hertogen in Gelderland een einde. De zuidelijke provinciën Vlaanderen. Brabant enz., keerden spoedig geheel en al onder de gehoorzaamheid des konings terug en bleven hem als hunnen gaaaf en hertog erkennen. Ook de Katholieken iu Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland enz, bleven dit doen, maar in stilte. Zij waren van gedachte, dat zij de gehoorzaamheid aan hunnen -wettigen vorst, -wien zij den eed gedaan hadden» niet mochten opzeggen. Eerst toen een andere vorst op den troon kwam, aan wien de eed niet afgelegd was, rekenden zij zich van den eed van trouw ontslagen. Zij moesten zich echter in 1581 stil houden, want zij werden vervolgd. Zij mochten in het openbaar hunnen godsdienst niet meer uitoefenen , hunne priesters werden uit het land gejaagd en het hooren der 11. Mis niet zware geldboete of gevangenis gestraft. . 7. De Staten-Generaal, die Filips van de legeering vervallen verklaard hadden, vertegenwoordigden slechts een gedeelte van de jSederlandsche gewesten. Bovendien hadden zij de Katholieken geheel en al buiten gesloten. Toen zij Filips II hadden afgezworen , besloten zij een anderen vorst te kiezen. Zij kozen den hertog van Anjou. broeder van den koning van Frankrijk, een zeer onbekwaam en trouweloos vorst. In plaats van den wettigen vorst, die een Spanjaard was. kozeu zij dus een onwettigen vorst, die een Franschrnan was. Willem van Oranje bedong voor zich zeiven, dat hij graaf van Holland en Zeeland moest worden, terwijl Matthias het land verliet.
;
101
8. Zeer vele steden en voorname mannen in de Nederlanden waren ontevreden met deze besluiten der al jeineene staten. Daardoor viel het den hertog van Parma ook des le gemakkelijker. hen weder onder de gehoorzaamheid van den koning van Spanje te brengen. Want evenals zij vroeger ontevreden waren geweest op den koning van Spanje eu den hertog van AIva, waren zij thans ontevreden op Willem van Oranje en de Kalvinisten. Hierbij kwam nog, dat de hertog van An jou zich zeer trouwloos gedroeg. Hij verbrak spoedig de beloften, die hij gedaan had. Hij wilde zich meester maken van de voornaamste steden, onder andereu van Antwerpen: doch toen zijne soldaten in die stad kwamen, werden zij door de burgers met geweld daaruit gejaagd. De Antwerpenaars, die vreesden, dat de Franschen de stad zouden plunderen, namen de wapenen op en sloegen zeer velen dood: dit noemt men de Fransche furie. Dit geschiedde deu 17 Januari 1583. Na dien aanslag op Antwerpen wilden do Nederlanders, niets meer van den hertog van Anjou weten.
9, De hertog van Panna veroverde nu vele van de grootste steden in Vlaanderen en Brabant: eerst Brugge en Yperen, later Gent, en na den dood van Willem van Oranje, cok Antwerpen (1584) en Brussel (1585). Zoodoende lieerden alle provinciën heneden de Maas weder onder de gehoorzaamheid van den koning van Spanje terug. In alle steden, waar de hertog van Parma meester werd, herstelde hij den Katholieken godsdienst, die door de Kalvinisten vervolgd en verboden was geworden. Hij gedoogde, op bevel des konings, niet, dat Hervormden in de steden bleven, welke hij ingenomen had. Al die Hervormden trokken naar de noordelijke Nedeilanden, zoodat in deze de Hervormingsgezinden sterk in getal toenamen De koning en zijn plaatsbekleeders mochten inderdaad de prediking der valsche leer niet toelaten: maar do Protestant-ten , die de Katholieken vervolgden, handelden in strijd met hun eigen zeggen, volgens hetwelk ieder menscli dien Godsdienst uit den Bijbel mag afleiden, welke hij voor den waren houdt. Wanneer men dus zegt, dat de tachtigjarige oorlog
102
gestreden is om vrijheid van godsdienst, dan moet gij dit zoo begrijpen, dat er toen gestreden is voor de vrijheid van yods-dienst der Hervormden alléén.
10. Wij hebben gehoord, hoe de koning van Spanje den ban uitgespr oken ad over den prins van Oranje. Vele personen hadden het geld -willen verdienen, dat de koning beloofd bad aan hem , die den prins doodde. Die som -was vijf en twintig duizend dukaten. Doch tot nu toe mislukten alle gt; aanslagen op het leven van den prins. Eindelijk gelukte het zekeren Balthasar Gernrds hem te vermoorden. Deze Baitha-
sar Gerards was uit bet graafschap liourgondlë. dat thans tot Frankrijk behoort, maar toen nog Filips II als vorst erkende. Den 10 Juli 1584 schoot deze op den prins te Delft met een dubbel geladen- pistool, zoodat hij terstond dood bleef. Men verhaalt dat Willem van Oranje stervend zou uitgeroepen hebben in de Fransche taal: 'mijn God, ontferm uover mij en dit arm volkquot;; maar dit is door zijn hofpredikant Vil-liers verteld, die deze woorden wat opgesmukt schijnt te , hebben. ;
11. Zoo stierf Willem van Oranje, een der schrandersie mannen, die ons vaderland ooit gehad beeft. Hij heeft de partij, die hij voorstond, groote diensten bewezen: maar is ook de oorzaak van vele rampen geweest. Wij, Katholieken, kunnen hem niet beminnen, want hij heeft onzen voorouders in het geloof veel leeds veroorzaakt; maar men moet hem niet alle vervolyingen wijten. Aan den moord, die aan priesters en monniken gepleegd werd, had hij geen schuld. Hij had de geestelijken gaarne gered; maar hij kon de woestaards , die hem bielpen, niet altijd in toom houden. Daarom is hij toch niet geheel en al te verontschuldigen: want door zijnen opstand geraakte hij in verbintenis met zulke woestaards
en wreede vervolgers der Katholieken als Willem Lumey en j. Dirk Sonoy, welke laatste in Noord-Holland vele onschuldige Roomschgezinden vermoorden liet.
12. Wat echter Willem van Oranje ook mocht gedaan hebben , de liefde, welke wij ons geëerbiedigd vorstenhuis , dat .
103
in de vrouwelijke lijn van prins Willem afstamt, moeien toedragen, mag'daarom niet verminderen. Het Huis van Oranje is ons wettig vorstenhuis. In 1815 is de grootvader van onzen koning tot wettigen koning der Nederlanden uitgeroepen. en niemand mag tegen zijne wettige overheden oproerig worden. Integendeel , hij moet altijd denken aan de woorden van den Zaligmaker; â¢GeefGod wat God, en den vorst wat den vorst toekomt.quot;
13. Willem van Oranje^ was vier en vijftig jaren oud, toen hij stierf. Hij was vier malen gehuwd geweest. Hij liet drie wettige zonen en zes dochters na. Die zonen waren: Filips , Manrits en Frederik Hendrik.
XXI.
PRINS MAURITS 1585â1625. â ONOVERWINNELIJKE VLOOT. 1588.
1. Toen prins Willem l gedood werd, was zijn zoon Man-rits niet ouder dan zeventien jaar. Hij was dus te jong om zijnen vader op te volgen: de opgestane provinciën waren dus zonder hoofd en in de grootste verlegenheid. Daarom besloten de mannen, die aan hel bestuur zaten en, hoe ook, niet onder de gehoorzaamheid van hunnen wettigen vorst, Filips II, wilden terugkeeren , een anderen vorst te kiezen. Zij zonden daarom een gezantschap tot den koning van Frankrijk, of hij de heerschappij over de opgestane Nederlanden wilde aanvaarden ; maar deze weigerde. Toen zonden zij naar Elisabeth, de koningin van Engeland , met hetzelfde aanbod; maar deze weigerde ook. Evenwel beloofde zij , haren gunsteling, den graaf van Leycester, met 6000 soldaten te zullen zenden, om de Nederlanders in hunnen opstand tegen den koning te helpen; wat zij dan ook deed. Om te zorgen, dat deze Engelsche landvoogd niet al te veel macht kreeg, benoemden de Staten van Holland den jongen Man rits tot hunnen stadhouder en gaven hem het bevel over hun leger. In vele plaatsen betoonden zich de burgerijen
104
zeer af keerig van de Kalvinisten en fan de vreemde soldaten. die in naam der Staten-Generaal haar -wilden over-heerschen. Zoo joegen de burgers van Nijmegen in 1585 de soldaten der Staten-Generaal uit hunne stad en herstelden den Katholieken godsdienst; zoo joegen de burgers van 's Hertogenhosch de soldaten van den prins van Hohenlohe. luitenant van prins Maurits, op de vlucht. Hieruit ziet men, dat een aanzienlijk deel onzer voorouders evenmin van de Kalvinisten en hunne vreemde huurtroepen wilde weten, als anderen van de Spaansche soldaten.
2. Wij hebben daar den naam van Staten-Generaal genoemd. Deze waren de afgevaardigden, welke de Staten ran iedere provincie, die deel uitmaakte van de Unie van Utrecht, naar 's Gravenhage zonden. De Staten-Generaal vertegenwoordigden dus alle provinciën gezamenlijk en hadden het opperbewind. Iedere provincie had hare eigene Staten die het beheer over de provincie voerden. Deze provinciale Staten bestonden uit. afgevaardigden ran de edelen en van de steden van het gewest. De sleden werden geregeerd door de voornaamsten der stad: deze noemde men de vroedschappen. Vroed beteeken t zooveel als verstandig. Iedere stad bad aan het hoofd der vroedschappen de burgemeesters en raden, benevens eene hank ran schepenen, om recht te spreken. Iedere stad had eenen pensionaris, die hare bevelen ten uitvoer bracht. Zoo had ook iedere provincie haren raadpensionaris; die van Holland werd in 't begin de advokaat van Holland genoemd. De stadhouder was de hoogste persoon in iedere provincie; hij was bevelhebber van het leger en bezat grooten invloed en macht.
3. De Advokaat van Holland, in 1585, heette Johan van Oldenbarnevelt, geboren te Amersfoort. Hij is een der uit-stekendste mannen van ons vaderland geweest. Hij heeft het behoed om niet onder Engelsche heerschappij te geraken, nadat Holland tegen de Spanjaarden was opgestaan. Hij is de eigenlijke grondvester tan de republiek der Zeven Vereenigde Provinciën geweest; veel meer dan Willem I. Hij heeft den
105
grondslag gelegd tot den grooten hloei en het welvaren van Holland.
4. Al zeer spoedig geraakte hij in onmin met den Engel-schen landvoogd Leycester. Deze wilde zich geheel en al meester maken van de regeering en Hollands handel en zeevaart vernietigen ten voordeele der Engelschen. Dit had groot wantrouwen opgewekt, te meer daar een Engelsch bevelhebber Deventer aan de Spanjaarden hnd overgeleverd. Leycester werd voornamelijk gesteund door de hevige Kalvi-nisten, hunne predikanten cn Vlaamsche en Brabantsche uitgewekenen, die naar Holland een goed heenkomen gezocht hadden. Dezen wilden de koningin van Engeland tot gebiedster maken, met veel hoogerc opperrnscht dan Filips 11 ooit bezeten had, en den onverdraagzaamsten Kalvinisten de regeering in handen geven. Men noemde hen de Leyeestersgezinden. Oldenbarnevelt en de regeeringen der Hollandsche steden kantien zich hiertegen aan ; zij beweerden, dat aan de Staten der gewesten de regeering toekwam. Deze noemde men staats gezin den. 'J'usschen beide parlijen ontstond veel twist en tweedracht: doch Oldenbarnevdt wist de rechten der Hollanders legen de Engclschea te handhaven. Toen Leycester zag dat hij geen onbepaald gebied over deze landen kön verkrijgen, vertrok hij voor goed in December 1587.
5. Voorzeker zou de koningin van Engeland het den Hollanders zeer euvel afgenomen hebben, ware het niet, dat zij zelve in groote vrees verkeerde. Filips II namelijk had. de vijandelijkheden van de Engelsche koningin moede, eene machtige vloot uitgerust, om haar in Engeland zelve te beoorlogen. Deze vloot , waaraan eenige jaren was gearbeid, telde ruim 140 groote schepen, met 20,000 manschappen, onder bevel van deu hertog van Medina Sidonia. Zij kostte aan onderhoud alleen 30,000 dukaten daags; en toen Mas bet geld veel meer waard dan thans. Velen van de voornaamste Spanjaarden Maren aanboord. Die vloot werd echter door stormen en door de dapperheid der Engelsche en Hollandsche en Zeeuwsche zeelieden geheel en al vernield.
106
Van die vloot, welke ouovenvinnclijkc vloot gerv emd ^erd. kwamen slechts 53 schepen in de Spaansche haven terug. Filips II vernam den ondergang van zijne vloot met groote gelijkmoedigheid: »ik bad haar uitgezonden om te strijden tegen menschen, niet tegen de elementen,quot; zeidc hij.
6. De ondergang van de onoverwinnelijke vloot had den koning van Spanje ontzachlijke schade toegebracht. Dit en de omstandigheid, dat hij ook met de Frnnschen in moeielijk-heden geraakte, waren oorzaak, dat de Hollanders vele voor-deelen op hem konden behalen. Daarbij wilde het geluk voor de opgestane Nederlanden, dat zij in Maurits een uitstekend veldheer en in Johan van Oldenharnevelt een uitmuntend staatsman hadden. Door handel en zeevaart verdienden de Hollanders en Zeeuwen schatten, zoodat zij den oorlog konden volhouden. Door een slecht beheer zijner geldmiddelen was de Spaansche koning, hoe ontzachlijk rijk ook, altijd in verlegenheid. Geen wonder dat de leger.quot;, der republiek dan ook voordeel op voordeel behaalden.
7. Een der voornaamste wapenfeiten was de inneming van Breda door middel van een turfschip, in Mfuwt 1590. Lenige dappere soldaten werden geborgen in het ruim van een schip, dat geheel en al van boven met turf beladen was. De schipper Adriaan van Bergen , die gewoon was het kasteel van Breda van turf te voorzien , bracht het schip binnen de veste. Er was groot gevaar dat door het hoesten \an sommige soldaten, die zeer verkouden waren . de aanslag zou ontdekt worden; maar de schipper liet met aanhoudend pompen zooveel gedruisch maken, dat het hoesten niet gehoord werd. 's Nachts kwamen de soldaten uit het schip en overrompelden het kasteel en de stad.
8. Prins Maurits behaalde nu jaar op jaar groote voordeden.
TOOffti na den dood van den hertog van Panna, die in 1592 Stierf. Maurits nam achtervolgens Zutfen, Nijmegen, Steen-wijk en eindelijk in 1594 Groningen t«. Na hel innemen \aii Groningen waren al de zeven â provinciën geheel en al tot de Unie gebracht en was de heerschappij van den koning van
107
Spauje in die gewesten vernietigd. Wij behoeven het eindigen van die Spaansche heerschappij niette betreuren: maar wij moeten het veroordeelen, dat de overwinnaars overal de uitoefbnlng van den Katholieken godsdienst verbeden. Zij joegen de priesters en geestelijken weg, gaven de kerken aan de Hervormden, beroofden de kinderen van onderricht in onzen heiligen godsdienst en legden hun , wien het nog gelukte hier en daar de Heilige Mis te hooren, zware geldboeten op of wierpen lien in de gevangenis. 7,oo werd een zeer (/root gedeelte van de bewoners van ons vaderland door geweld afvallig van den Katholieken godsdienst gemaakt. Men verweet den Roomschen, dat zij spaanschgezind, dat is koningsgezind waren; maar men dwong hen door mishandelingen om mei welgevallen naar den vroegeren tijd terug te zien. Evenwel bleven zij rustige burgers en onderwierpen zich aan hunne overheden zonder oproer te maken ; maar duizenden lieten zich nooit door list, geweld of voordeel van hunnen godsdienst afbrengen. Vrome en ijverige priesters kwamen in stilte hier en daar hun de heilige Sacramenten toedienen, en zoodoende bleef het géloof der Katholieke Kerk bij onze voorouders bewaard. Later nam de vervolging af en mochten de Roomschen in stilte hunnen godsdienst uitoefenen.
9. Hot gelukte Filips 11 dan niet om de zeven provinciën te onderwerpen. Hij stierf in 1598, in 71 jarigen ouderdom. / oor zijnen dood huwelijkte hij zijne oudste dochter Isabella uit aan Albert, aartshertog van Oostenrijk. Dezen gaf hij de heerschappij over zijne Nederlandsche staten. Zijn zoon , Pi-lips 111, volgde hem op in de Spaansche rijken. Albert en Isabella kwamen naar de Nederlanden en werdea in alle zuidelijke Nederlandsche gewesten als vorst en vorstin gehuldigd; maar de Zeven Vereenigde Provinciën huldigden hen niet. Deze beschouwden zich, sinds de afzwering van Filips in 1581, als onafhankelijk. Evenwel bleven zeer velen in den lande Filips II als hunnen wettigen vorst beschouwen, wijl zij hem als dusdanig den eed hadden afgelegd. Zij had-
108
den dit Füips III niet gedaan. Vandaar dat velen de wezenlijke scheiding der noordelijke en zuidelijke Nederlanden van het jaar 1598 dagteekenen.
10. Prins Maurits bleef, aan het hoofd van het leger der Staten-Generaal, dan ook tegen Albert en Isabella ⢠oorlog voeren. Deze werden getrouw bijgestaan door bunne onderdanen, waartoe in dien tijd ook het grootste deel van het tegenwoordige Noord-Brabant en Limburg behoorde. Nog voor den dood van Filips II had Maurits diens leger in 1597 bij Turnhout verslagen. Maar nog belangrijker overwinning behéialde bij in 1601 bij Nieuwpoort in West-Vlaanderen.
11. Duinkerken namelijk, dat thans in Frankrijk ligt, maar toen lot Vlaanderen behoorde, werd bewoond door een stoutmoedig zeevolk, dat groote afbreuk deed aan den handel der Hollanders. Oni nu die stad te veroveren, zonden de Staten van Holland, op raad van Oldenbarnevelt, tegen den zin van prins Manrits, een leger van 12000 man naar Vlaanderen. Het gelukte Maurits niet. Duinkerken te belegeren en in te nemen, -want de onderneming was te gevaarlijk. Hij vertrok dan weder met zijn leger naar Zeeland; echter na alvorens het leger van den aartshertog Albert, bij Nieuwpoort, op het zeestrand, geheel en al verslagen te hebben. Deze allerbelangrijkste overwinning was voornamelijk te danken aan het groote veldheerstalent van prins Maurits. Hij had zijn leger zoo weten te plaatsen, dat de beete zon (2 Juni 1601) de Spaansche soldaten in het gezicht scheen en het zand der duinen hen in de oogen waaide. Dit belemmerde hen bij het gevecht en bracht bun zeer veel nadeel toe.
12. De oorlog werd nu nog, jaar in jaar uit, gevoerd. Belangrijk vooral was het beleg van Ostende. Deze stad, die in bet bezit was der Staten Generaal, werd drie jaren lang door den aartshertog Albert belegerd en eindelijk ingenomen. De grootste voordeden werden door de Hollanders op zee behaald. Zij en de Zeeuwen waren de beste zeelieden dier tijden. In Oost. en West hadden zij belangrijke tochten ondernomen, waarover wij later zullen spreken; maar ook in
109
Europa betoonden zij zich vooral manmoedig ter zee. Die roem is de grootste krijysmansroem onzer voorvaderen ; Mant de legers, die in dienst van de republiek der zeven provinciën stonden, -waren voor verreweg het grootste deel uit vreemdelingen samengesteld. Deze kwamen uit Duitschland, Engeland en Schotland voor geld dienst nemen. Zells een groot getal der officieren waren Franschen of' Duitsciiers; maar het zeevolk bestond vooi het grootste deel uit Hollanders en Zeeuwen; ook waren al de aanvoerders Nederlanders. Onder deze was de dappere Jakob van Heemskerk, Hij trok in 1607 met eene vloot van 27 schepen naar de Spaansche kusten en viel in de haven van Gibraltar de Spaansche vloot aan, -welke geheel en al door de Hollanders vernield werd.
18. De groote verliezen, -welke de Spaansche koning en de aartshertogen Albert en Isabella gedurende den langen oorlog geleden hadden, deed hen naar den vrede verlangen-Ook de Staten van Holland en Oldenbarnevelt wenschtcn, dat er een einde aan den oorlog kwame, vooral om de ontzettende kosten, die deze na zicii sleepte; want Holland alleen betaalde thans aan belasting 24 maal zooveel als de belasting van den tienden penning eenmaal zou gekost hebben. Maar de koning van Spanje en de Staten-Generaal konden het over de vredes-voorwaarden niet eens worden. Eindelijk werd er een wapenstilstand of bestand voor den tijd van twaalf jaren gesloten. Dit bestand had men vooral te danken aan den invloed van Oldenbarnecelt en aan de Staten van Holland, welke in de Staten-Generaal de grootste macht bezaten..
XXII.
TWAALFJARIG BESTAND. 1609â1621, â MOORD OP OLDENBARNEVELT. 1619»
1. Er bestonden in de Zeven Provinciën vele kiemen van burgertwist en godsdiensthaat. Zeer veie van de aanzienlijkste
110
personen benijdden Oldenbamevelt zijnen grooten invloed en macht; de kleinere provinciën, die men landprovinciën noemde (in tegenstelling van llollaad en Zeeland , die de zeeprovinciën geheeten werden), konden slecht gedoogen, dat Holland het meeste te zeggen had in de regeering der republiek ; zeer velen, vooral de hervormde predikanten, wilden, dat de prins van Oranje noy (j root ere macht zou hebben ; terwijl anderen wilden, dat de stedelijke en provinciale regeeringen het eigenlijk bewind zouden voeren : de eersten noemde men stadhoudersgezindcn, de andere staatsgezinden. Daarbij kwam, dat prins Maurits cn Oldenbamevelt niet meer met elkander eensgezind waren: doch elkander tegenwerkten. Dit alles verwekte groote verdeeldheid in alle provinciën. De rijke kooplieden, de aanzienlijke familiën in de steden, waren meestal staatsgezind; de predikanten , het geringe volk, de militairen stadhouders- of oranjegezind. De Katholieken, die nog altijd de meerderheid der bevolking uitmaakten, werden zoo onderdrukt, dat zij niets te zeggen hadden. Zij bemoeiden zich cok niet met de burgertwisten dier dagen. ^
2. Maar nog erger dan die burgerlijke verdeeldheid was de verdeeldheid om den godsdienst onder de Hervormden. ïwee Leidsche professoren, Arminius en Gomarus, waren met elkander hevig am het twisten geraakt over het vraagstuk der voorbeschikking , dat is : of God de menschen vooruit tot eeuwig geluk of eeuwige straf beschikt had. Arminius ontkende dit. Gomarus verdedigde dre troostelooze leer. Nu trokken de predikanten partij, de eene voor, de andere tegen de voorbeschikking. D;iardoor ontstond groote verdeeldheid, niet alleen onder de predikanten , maar ook onder hunne toehoorders. Zij verketterden elkander; zij riepen tegen elkander de hulp van de burgerlijke macht in. Zoodoende bewezen zij door hunne daden, dat zij de gewetensvrijheid alléén voor zich zeiven, niet voor anderen begeerden. Naar zeker geschrift, dat de aanhangers van Arminius ingeleverd hadden , werden deze Remonstranten genoemd; daarom noem-
Ill
den z:ch de aanhangers van Goiuarus Contra-Jiemoustranten [contra beteekent teijen).
3. üldenharnevelt en de meerderheid in de Staten van Holland -waren vdór, de Remonstranten; vooral daar deze hunne toevlucht lot de burgerlijke regeering namen, om de godsdienstgeschillen te beslechten. Hierop trok prins Mau-rits de partij der Contra-Remonstranten, ofschoon de prins zich weinig met de godsdienstgeschillen bemoeide en zeide, dal hij niet eens wist of de voorbeschikking (ook predestinatie genoemd) er wit of zwart uitzag. Rij alle deze ver-deeldiiedeu riepen de Contra-Remonstranten om het bijeenroepen van eene synode, dat is: eene vergadering van godgeleerden eu afgevaardigden der hervormde gemeenten. Deze synode moest de geloolsleer vaststellen. De llemonstranten echter wilden van geene synode weten.
i. Zuo werd iedere provincie, iedere stad, ieder dorp verdeeld. Er was niet één onder de Hervormden, of hij trok partij. In Holland en in de stad Utrecht werden de Remonstranten door de stedelijke regeeringen beschermd. Dezen stelden hen in het bezit der kerken en verboden de samenkomsten der Conlra-Remonstranten. Maurits begon echter meer openlijk voor de laatsten partij te trekken. Alom geraakten nu de steden in opschudding, hier en daar kwam het tot volksoploopen ; de staatsgezinde stadsregeenngen begonnen omstreeks dezen tijd, nu het Hervormde kerkgenootschap zoozeer in zich zelve verdeeld was , eenige meerdere vrijheden aan de Katholieken te vergunnen , terwijl zij aau den anderen kant den Contra-Remonstranten alle moeie-lijkheden in den weg legden.
5. Oldenbarnevelt en de blaten van Holland begrepen, dat zij zich niet zouden kimu.ii handhaven zonder soldaten. Het leger nu stond geheel en al onder de gehoorzaamheid van prins Maurits. Uit dien hoofde besloten de Staten van Holland, en ook die van Utrecht, zelvcn krijgsvolk te werven, cm de rustte bewaren en hunne macht te handhaven. Dit krijgsvolk noemde men waardgeldtrs. Hul besiuit, waarbij het aannemen der
112
â¢waardgelders werd bepaald, werd genomen in 1617. Het â wekte bij de tegenpartij de grootste gramschap op. Prins Maurits besloot nu tot doortastende maatregelen. Door zijne oude soldaten vergezeld, trok hij eerst naar Ctrechl en dankte daar de waardgelders af; dat is, zond hen naar huis. i»e stadsregeering durfde, uit vrees, hiertegen niets te doen. Van Utrecht ging de prins de verschillende llollandsche steden bezoeken. Dit alschaiFen der waardgelders geschiedde overal. Ook veranderde hij overal de stedelijke regeerinyen. Die mannen, van welke hij verwachtte, dat zij zijne maatregelen zouden dwarsboomen, werden (in strijd met alle rechten en privilegiën) uit de regeering gezet en andere, soms zeer onaanzienlijke persorierij daarvoor in de plaats gesteld. Zoodoende geraakten de Remonstranten en staatsgezmden geheel uit da stedelijke regeeringen. Daar deze de Provinciale Staten verkozen, werden ook de Staten geheel en al vervuld met mannen , die naar Maurits' wil handelden.
6. De vijanden en tegenstanders van Oldenbarnevelt waren nu meester. Prins Maurits beval, inzonderheid op hunnen aandrang, Oldenbarnevelt te laten gevangen nemen en zijn proces te doen opmaken. Tegelijkertijd werden ook eenige andere voorname staatsgezinden gevangen genomen: Ledenberg, die secretaris van Utrecht was, Hoog er-heets en Hugo de Groot. De laatste was een der grootste rechtgeleerden, die ons vaderland, ja Europa gehad heelt. Om over deze mannen recht te spreken, werd eene buitengewone rechtbank aangesteld van vier en twintig leden. waarvan de eene heltt uit Holland, de andere uit de zes overige provinciën was genomen. De door ons genoemde mannen werden in beschuldiging gesteld, wegens daden, die zij op bevel der stedelijke regeeringen verricht hadden; Oldenbarnevelt om hetgeen hij als uitvoerder van de besluiten der Staten van Holland had gedaan. De eigenlijke reden, waarom zij vervolgd werden, was de haal eu vijandschap van hunne tegenstanders in het staatkundige en godsdienstige.
7. Oldenbarnevelt werd ter dood veroordeeld en dun iaquot;
113
Mei 1619 onthoofd. Zijn dood is eene zwarte vlek in de geschiedenis van ons vaderland. Hij is het oif'er geworden van partijzucht en godsdiensthaat. Prms Maurits, dfe zijne verheffing aan Oldenharnevelt had te danken, draagt de grootste schuld aan zijnen dood. Huyo de Groot en Hooyerbeets werden tot levenslange gevangenis veroordeeld. Ledenberg had zich zeiven van het leven berooid.
8. Middelerwijl kwamen de Hervormde godgeleerden te Dordrecht bijeen tol eene kerkvergadering, die de nationale st/-node wordt genoemd. Daar werden de gevoelens van de Remonstranten veroordeeld; er werd eene geloofsleer voor de Hervormden voorgeschreven. Ook we.rd er het besluit genomen om van wege de hooge regeering den Bijbel te laten vertalen. Deze vertaling is later de Staten hijhei genoemd geworden. Zoo moesten de Protestanten, die beweerden alléén te gc-looven aan hetgeen hun eigen onderzoek leerde, alweder gelooven aan hetgeen hun voorgehouden werd om te geloo-ven. Ook moesten zij den Bijbel gebruiken, zooals die voor hen werd vertaald.
9. In 1621 eindigde het twaalfjarig hestand en de oorlog begon opnieuw. Maurits bleet nog vier jaren stadhouder. Hij stierf in 1625.
Zijne laatste levensjaren waren niet gelukkig. Hij had door zijne vervolging der Remonstranten en dei familie van Oldenharnevelt grooten haat opgewekt. Hoe mededoogenloos hij ook gehandeld had, gat dit evenwel geen recht om hem te vermoorden. Dit wilde een der zonen van Oldenharnevelt beproeven; doch de zaak werd ontdekt. De zoon van Oldenharnevelt, die de eigenlijke schuldige was, ontvluchtte; de andere zoon, die weinig schuld had, werd op het schavot onthoofd.
10. Maurits broeder Frederik Hendrik, de jongste zoon van Willem van Oranje, werd zijn opvolger als stadhouder en opperbevelhehher des legers. Deze Frederik Hendrik was over het algemeen gunstiger gezind voor de Piemonstranten dan Maurits. Ofschoon de staatsgezinde partij door den dood van Oldenharnevelt ten onder was gebracht, verkreeg zij toch
8
114
langzamerhand weder macht en invloed. Want zoodra was niet iemand lid der stedelijke regeenng geworden , of al spoedig nam hij dezelfde begrippen aan als zijne ambtgenooten. Die stedelijke regeeringen, samengesteld uit de aanzienlijksten der stad, waren over het algemeen nog al bemind. De burgerij, die zich aan handel en nijverheid wijdde , bemoeide zich weinig met. het bestuur, maar liet dit over aan de regenten. Dit maakte dat de macht van die stedelijke regeeringen bleef voortbestaan. Frederik Hendrik , ofschoon hij meestal oorlog voerde, wist loch zijn gezag als stadhouder niet te vergrooten. Hij mocht zachtzinniger zijn dan Maurits, toch kon hij den Remonstranten slechts zeer langzaam hunne verlorene vrijheid teruggeven. Hugo de Groot bleef op het slot Loevestein in de gevangenis, totdat hij, op raad zijner vrouw (Maria van Reyrjersbcrgli), ontvluchtte. Van tijd tot lijd ontving Hugo de Groot, voor zijne studie groote kisten met boeken, welke hij dan terugzond. Op zekeren dag verborg de Groot zich zeiven in de kist en werd zoo Loevestein uitgedragen. Hij verliet zijn vaderland en werd later staatsdienaar van Zweden. Zoo moest een der grootste geleerden, die ons vaderland ooit gehad heeft, buiten zijn land vreemden dienen! En dat ten gevolge van rampzalige burgertwisten en den godsdiensthaat der Contra-Ramonshanten!
11. Dat gedeelte van ons vaderland, hetwelk thans iVoonZ-Brahant en Limburg is, was gedurende het twaalfjarig bestand nog een deel van het gebied van Albrecht en Isabella. Deze beiden voerden niet groot beleid en rechtvaardigheid de regeering over de zuidelijke Nederlanden. Zij deden alles, wat in hun verinogen was, om de rampen des oorlogs te lenigen en hun land weder tot bloei te brengen. Isabella werd ooit veel meer door de Nederlanders bemind dan haar vader Filips II. De bewoners van 's Ilertogenbosch, Maastricht, Roermond en andere steden, die toen nog niet tot de Zeven Provin-ciën behoorden, betoonden daarom volstrekt geen lust om eene andere regeering te gehoorzamen, die de uitoefening van hunnen godsdienst verbood en strafte.
115
XX 111.
VREDE VAN MUNSTER. 1648.
1. Na het twaalfjarig bestand begon de oorlog op nieuw. Maurits had door de wapenen de Terschiileude gewesten van de Zeven Vereeiiigde Provinciën tot elkander gebracht. Frederik Hendrik veroverde van 1625 tot 1G48, met de wapenen , die deelen van ons vaderland, welke thans een gedeelte van Zeeland, de provinciën Noord-Brabant en Limburg vormen. De regeerders der republiek wilden in het bezit dier landen zijn, enkel om ze te gebruiken als zoogenaamden voormuur; dat is. om de eigenlijke landen der republiek des te beter tegen vijandelijke aanvallen te beschermen.
2. In de eerste plaats yilden de Staten-generaal meester worden van 's Hertogenbosch. Daarom sloeg Frederik Hendrik in 1629 het beleg voor die stad. De burgerij van 's Hertogenbosch gevoelde volstrekt geene begeerte om deel uit te maken van het gebied der Zeven Vereenigde Provinciën. Zij hielp dan ook de bezetting getrouw de stad verdedigen. De Zuid-Nederlanders stelden alles in het werk om haar te verlossen; maar Frederik Hendrik bleef niet een leger van 28,000 man de stad belegeren. De Oostenrijkers, die toen gelijk met de Spanjaarden tegen de republiek oorlog voerden, terwijl deze met de Duitsche vijanden van Oostenrijk gemecne zaak maakten , beproefden een aanval in de Nederlanden. Zoodoende hoopten zij Frederik Hendrik te dwingen tot het opbreken van het beleg van 's Hertogenbosch. De Oostenrijkers trokken dan ook, 15000 soldaten in getal, den Usel over tn kwamen zelfs tot voor Amersfoort; maar de inname van Wezel door de Holland-sche soldaten deed hen terugtrekkou. Frederik Hendrik hield het beleg van 's Hertogenhosch vol , cn deze stad moest zich eindelijk overgeven.
3. Venlo, Roermond, Maastricht cn ilulst -werden achter-
116
eenvolgeus door Fiederik Hendrik belegerd en ingenomen. Vooral de inneming iu 1632 \au de sterke vesting Maastricht kostte hem groots moeite. Fiederik Hendrik geraakte door alle deze overwinningen tot groote macht en aanzien. Hij werd stadhouder-generaal der Unie; dat is, dat hij het aJgemeene opperbevel over alle land- en zeemacht der repu-hliek had, en hij -was stadhouder van vijf gewesten. Friesland en Groningen erkenden Ernst Casimir, kleinzoon van Jan van Nassau, broeder van prins Willem I, al stadhouder. Fiederik Hendrik had evenwel soms nog al met tegenkanting te worstelen, het meest van Amsterdam. Deze machtige stad hield vooral hare handelsbelangen in het oog, en hare handelaars verkochten vaak krijgsbehoeften aan de inwoners van de Zuidelijke Nederlanden. De stadhouder beklaagde zich hierover : doch de stadsregeering beschermde de kooplieden. Hierop zeide Frederik Hendrik verstoord: «als ik eenmaal Antwerpen maar heb, zal ik Amsterdam wel klein maken.quot; En inderdaad beproefde hij, of hij Antwerpen ook kon bemachtigen : doch dit mislukte hem,
Zoo was er altijd eene kiem van tweedracht tusschen de stadhouders en de machtige stedelijke regeeringen; tusschen de Oranjegezinden en de staatsgezinden. De prinsen van Oranje wilden hunne macht en aanzien in stand houden vooral door het leger te velde: de staatsgezinden wilden liever het vaderland verdedigen door de vloot ter zee.
4. En inderdaad ter zee waren onze voorvaderen vooral op hunne rechte plaats. Op het land streden onder hunne vaandels gehuurde soldalen, die dengenen, welke hun het meest betaalden, dienden; maar ter zee waren het de dappere ZeeuweJi en Hollanders zeiven, die streden! Daar behaalden onze voorvaderen den grootsten roem: daar verzamelden zij zich schatten , gelijk wij in een volgend hoofdstuk zullen zien.
5. Het zou te wijdloopig wezen, zoo wij alle heldendaden der Nederlanders ter zee wilden verhalen. Wij zullen u alleen een paar mededeelen. Itt 1628 maakte de admiraal
117
Piet Hein zich meester van eene Spaansche vloot, de zilvervloot genoemd. Deze kwam, met groote rijkdommen beladen, uit Amerika naar Spanje zeilen. De geheele vloot -werd veroverd en daardoor meer dan elf en een half millioen gulden buit gemaakt. Deze daad is algemeen verheerlijkt, en niemand uwer, die niet gehoord heeft het rijmpje: Piet Hein. Zijn naam is klein. Zijn daden zijn groot. Hij overwon de zilvervloot. Doch liet nemen dier vloot was op zich zelve zulk eene groole heldendaad niet, daar de Spanjaarden zich slecht verdedigden en de koopvaardijschepen zich ook slecht konden verdedigen. Maar omdat de buit voor de Hollanders en het nadeel voor de Spanjaarden zoo groot was, heelt men van deze overwinning zulken ophef gemaakt.
6. Veel meer moed en dapperheid werd er vereischt om de welgewapende en ten strijd uitgeruste Spaansche vloot te overwinnen, die in 1631 op de Zeeuwsche stroomen zeilde en eene landing wilde beproeven. Zij werd echter tusschen Tholen en Zuid-Beveland door de Hollanders en Zeeuwen aangevallen en geslagen. De geheele Spaansche vloot van 35 groote schepen viel in hunne macht.
7. Maar nog grooter verlies leed de Spaansche scheepsmacht door de overwinning, welke de Nederlanders in 1639 bij Duins op de Engelsche kust op haar behaalden. De Hol-landsche en Zeeuwsche zeelieden werden aangevoerd door Maarten Harpertzoon Tromp. Deze beroemde zeeheld had reeds menig voordeel behaald op de Duinkerksche kapers, waarmede de Hollanders in voortdurenden strijd waren. Tromp had steeds de grootste blijken van moed en beleid gegeven. Hij was thans luitenant-aimiraaX van Holland (de stadhouder zelf was altijd admiraal en als dusdanig in naam de eerste hevelheb-ber der zeemacht). Onder hem stonden de vice- [onder-) admiraal van Zeeland, Bankert en fVitte Cornells zoon de IVith, vice-admiraal van Holland.
Toen men in ons vaderland het zekere bericht had, dat eene sterke Spaansche vloot in aantocht was, zonden de Staten Tromp met 29 schepen in het Engelsche kanaal, om den
118
\ijatid aan te vallen. De Spaansohe vloot, ouder den admiraal d'Ocjuendo, telde 67 groote oorlogschepen met 24,000 manschappen en 1200 kanonnen. Het gelukte Tromp teweeg te brengen, dat de Spaansche vloot op de reede van Duins ging ankeren, tusschen de kust en de zandbanken. Hier sloot Tromp haar in, zoodat zij de haven niet uit kon. Nu ging Witte de With naar het vaderland, om nieuwe schepen te halen. Binnen vier dagen vust men met de grootste bedrijvigheid in Holland en Zeeland meer dan zestig schepen uit te rusten. Deze, waaronder groote en kleine waren, werden gewapend en naar Tromp gezonden. De Engelsche koning was in vrede met Spanje en zeer gezind voor de Spanjaarden. Daarom dreigde hij den Staten-Generaal met oorlog, zoo zij in eene Engelsche haven de Spaansche schepen durfden aantasten. Tromp kreeg evenwel uit zijn land bevel, de Spaansche. schepen aan te vallen.
Deze schepen bleven onder de bescherming van het geschut van Duins liggen. Tromp daagde hunnen admiraal uit. de open zee te kiezen en den slag aan te nemen. D'üquendo zeide, dat hij gebrek aan buskruit had; en het zelfvertrouwen van Tromp was zoo groot, dat hij den Spaanschen admiraal aanbood hem van buskruit te voorzien, mits deze den zeeslag aannam. D'Oquendo deed dit niet. Daarop tastten de Hollanders en Zeeuwen zijne vloot aan en vernielden die, na een zeer hardnekkig gevecht, bijna geheel en al. Slechts twaalf schepen ontkwamen. Dit was de laatste groote vloot , wel'ie de Spanjafirden te(]en de Nederlanders uitrustten.
8. Gedurende de laatste jaren van den tachtigjarigen oorlog ondergingen de Spanjaarden verlies op verlies en behaalden de Staten-Generaal voordeel op voerdeel. Men moet echter niet denken dat de Zeven Provinciën slechts alléén de geheele macht des Spaanschen konings weerstonden. Dit was het geval niet. Verreweg den meesten tijd, dat onze voorvaderen tegen de Spanjaarden streden, werden zij of In het geheim óf in het openbaar bijgestaan door andere volken. Nu was in het jaar 1618 in Duitschland een hevige oorlog tusschen
119
den Duitschen keizer en de protestantsche vorsten uitgebarsten, wijl laatstgenoemden den keizer liet koninkrijk Bohemen wilden ontrooven en zich zeiven verrijken met dc kerkelijke goederen. Deze oorlog werd de dertigjarige oorloy genoemd; want hij begon in 1618 en eindigde te gelijk met den tachtigjarigen oorlog door den vrede ran Munster in 1648.
9. Nu maakte de regeering van de republiek der Zeven Provinciën , na het eindigen van het twaalfjarig bestand , terstond gemeene zaak met de protestantsche , eu Spanje inet de katholieke vorsten en den keizer van Duitschland. Later kwam de koning van Zweden, Gustaaf Afiolf, do Protestanten helpen. In 1635 mengden zich ook de Kranschen in den dertigjarigen oorlog. De koning van Frankrijk deed dit niet oneerlijke bedoelingen. Het was om zich van sommige pro. vinciën, die aan den koning van Spanje behoorden, maar welke hij begeerde, meester te maken. Ook geschiedde het uit jaloezie op het keizershuis van Oostenrijk, hetwelk de Franschen wilde vernederen. Deze dertigjarige oorlog werd dus uit zeer onedele beweegredenen gevoerd. Tallooze verwoestingen en rampen troffen onschuldige menschen, om de hebzucht en heerschzucht der Duitsche vorsten en des Franschen konings. In de laatste dertien jaren van den tachtigjarigen oorlog werd flus die oorlog gevoerd; aan den eenen kant door den koning van Spanje. den keizer van Duitschland en de katholieke Duitsche vorsten; aan de andere zijde door de republiek der Vereenigde Provinciën. de protestantsche vorsten van Duitschland, den koning van Zwedeu en den koning van Frankrijk. Gij ziet dus dal onze voorvaderen gedurende dien tachtigjarigen oorlog dikwijls met gelijke kans konden strijder..
De langdurige strijd begon eindelijk , gelukkig, aan alle partijen te vervelen. Na verscheidene onderhandelingen werd er vastgesteld, dal men te Munster gevolmachtigden zou zenden, om vrede te sluiten. Dit werd nog bepaald gedurende het leven van Frederik Hendrik. Hij heelt evenwel het sluiten van den vrede niet beleefd.
120
10. Dit had plaats op den 30n Januari 1648 ten stadhuize van Munster, terwijl te gelijkertijd de dertigjarige oorlog een einde nam. De koning van Spanje erkende de Zeven Vereenigde Provinciën voor een vrij en onafhankelijk volk; hij kende den inwoners der Republiek het recht toe, op Oost- en IVest-Indiê te handelen; en liet toe, dat zij de Schelde sloten, dat zij door macht van oorlogschepen en forten beletten, dat vreemde schepen dien stroom konden bevaren. Het doel der Hollanders, met deze voorwaarde , was, den handel van de Zuidelijke Nederlanden te vernietigen.
11. De koning van Spanje liet de Staten-Generaal in het bezit van alle streken, die zij in Vlaanderen en Brabant veroverd hadden. Zoodoende kwam het zoogenaamde Staats-Vlaanderen, waarin Hulst, Sluis en Sas van Gent liggen, en ook geheel Noordbrabant en Limburg tot ons land.
Gij moet echter niet deuken, dat de bewoners dier landstreken gelijke rechten kregen als de Nederlanders der Zeven Provinciën (wel te verslaan de hervormde Nederlanders dier provinciën). Neen! Noord-Brabant, Nederlandsch Liraburg en Staats-Vlaanderen werden geheel en al als overwonnen land in naam der Staten-Generaal geregeerd. Deze beschouwden die landen, welke zij generaliteitslanden noemden, slechts als een middel ter verdediging tegen hunne naburen. Ofschoon nagenoeg al de inwoners dier landstreken katholiek en zeer afkeerig van de hervormde leer waren , werden toch alom hervormde predikanten gezonden en den Katholieken hunne kerken ontnomen. Zelfs mochten in de eerste tijden de Katholieken niet eens volgens de wet hunnen godsdienst uitoefenen. Daar echter de geheele bevolking katholiek was, kon men dit niet volhouden. Daarom vergenoegde de regeering er zich mede, de Katholieken achteruit testellen en op zeer vele wijzen te vernederen.
121
XXIV.
HANDEL, ZEEVAART EN KOLONIÃN IN DE XVIIquot; EEUW.
1. Wij hebben zoo lang van bijna niets anders moeten spreken dan van oorlogen, die toch eene ra?np voor een volk zijn; laten wij nu iets liooren over zaken, die, wel gebruikt, een zegen voor een volk zijn. Wellicht zult gijlieden u verwonderd hebben, dat het kleine Holland met Zeeland soms alléén, gedurende een' langen tijd, zulke oorlogen heeft kunnen voeren en zulke ontzaggelijke onkosten dragen. De roden is deze: in de zestiende en zeventiende eeuw werden soldaten niet door loting verkregen, gelijk thans, maar ieder vorst wierf troepen van lieden , die voor geld soldaat werden. Die dus het meeste geld had kon de grootste legers onderhouden , en Holland en Zeeland w aren. in den tijd van den tachtigjarigen oorlog, het rijksle land van Europa.
2. Wij hebben reeds vroeger verhaald, hoe de Nederlanden onder het Bourgondische en Oostenrijksche huis door handel en nijverheid bloeiden: de schrikkelijke Spaansche oorlog bracht wel vele veranderingen te weeg; maar de Nederlanders bleven toch een der eerste handeldrijvende volken der wereld. Ook de voornaamste handel van Antwerpen en Vlaanderen verplaatste zich naar Holland. Dit was daaraan toe te schrijven, dat sinds 1578 Holland en Zeeland veel veiliger waren dan Vlaanderen en Brabant, en dat de Zeeuwen met hunne vloot den geheelen handel van Antwerpen wisten te bemoeielijken, ja te vernietigen.
Zoodoende bloeiden de handel en nijverheid van Holland en Zeeland, naar gelang die der Zuidelijke Nederlanden verkwijnden. Trouwens de Hollanders en Zeeuwen waren toenmaals de stoutste zeevaarders en de bekendste handelslieden van Europa. Daarbij kwam, dat, ten gevolge van de vreeselijkste oorlogen in Vlaanderen, duizende handwerklieden van daar naar Holland waren verhuisd en er hunne nijverheid overbrachten.
122
3. De handel van de Hollanders en Zeeuwen nam dan met ieder jaar verbazend toe. Reeis vdór 1588 hadden Holland, Zeeland en Friesland te zamen 2700 schepen in de vaart; de haringhuizen en visschersvaartuigen niet inedegerekend. Acht honderd schepen voeren jaarlijks naar de Oostzee. Deze haalden uit de Oostzeelanden graan, hennep, teer, enz. Amsterdam -was de hoofdplaats van deze handel. Andere schepen haalden wijnen en andere voortbrengselen uit zuidelijk Europa en brachten die naar Duitschland en het noordien van ons werelddeel; terwijl zij haring, gezouten vlsch, enz. naar het zuiden brachten. Ook dreven onze voorouders grooten handel op Spanje. Van hier haalden zij specerijen, indigo en alle voortbrengselen van Oost- en West-lndië , welke zij weder op hunne markten aan de bewoners van noordelijk Europa verkochten.
4. Filips 11 liet dezen handel toe; vooral omdat hij de Nederlanders nog altijd als zijne onderdanen bleel beschouwen. Van lijd tot tijd echter verbood hij hun, handel op Lissabon en Gadix te drijven, of liet hij de Hollandsche schepen in beslag nemen. 0e Engelsche koningin deed ook telkens moeite om den handel der Hollanders op Spanje te belemmeren. Maar onze voorouders, die in dien handel de hoofdbron van hun bestaan vonden , zochten naar middelen om zeiven onmiddelijk op Indië te varen. Zij besloten hiertoe vooral, nadat Filips II Portugal in 1581 had veroverd en den Hollanders en Zeeuwen de vaart op dat land bad verboden. ISu zochten de Hollanders zeiven naar een weg, die tot Oost-Indiè leidde, en welke weg alleen nog maar aan de Portugeesche zeelieden bekend was. Eerst beproefden zij, of de weg ook zou te vinden wezen langs het noorden, dwars door de IJszee heen. Heemskerk met zijn stuurman Willem Uarends-zoon beproefden dien stouten tocht, welke zoo beroemd geworden is. Maar daar bevroor hun schip in het ijs, en zij moesten met hun scheepsvolk den geheelen winter op het eiland Nova Zcmbla overwinteren. Hier stonden zij de vreeselijkste koude en de grootste ontberingen uit. Vele hunner metge-
123
zelleu stierven, totdat Heemskerk met eenige ovorgcbleve-nen door Russische zeevaarders geholpen â werden en \Neder naar hun land konden terugkeeren.
5. Het gelukte eindelijk aau de broeders Cornells en Frederik Houtman, geboren te Gouda, den werj naar Oost-Indié te vinden. Zij varen le Lissabon in gevangenschap geraakt. Hier kwamen zij in kennis met I'orlugeesche matrozen. Dezen wisten zij uit te hooien. In hun vaderland teruggekeerd, vertelden zij, wat zij gehoord hadden, aan eenige ondernemende kooplieden. Dezen rustten vier schepen uit, waarvan zij het bevel aau Cornells Houtman opdroegen. In 1595 verliet deze kleine boot het vaderland en bereikte na vele wisselvalligheden Bantam, op het eiland Java. Hier waren de Portugeezen uitsluitend in het bezit van den handel. Zij zagen zeer ongaarne die vreemde kooplieden aankomen; zij wisten dan ook den Javaanschen vorsten wantrouwen in te boezemen legen de Hollanders, zoodat deze geen voordee-ligen handel konden drijven. Het groote doel, het vinden van den weg naar Oost-Indië, was evenwel bereikt. Toen dan ook deze ondernemende zeelieden in hun vaderland teruggekeerd waren, werd de ijver voor den handel op Oost-Indië in hooge mate opgewekt. Binnen den tijd van acht jaren vertrokken ruim tachtig schepen uit Nederlandsche havens naar de verre Oost, om daar handel te drijven.
6. Die ondernemingen op Oost-Indië waren echter met groote gevaren gepaard. liet was niet genoeg, dat onze scheepvaar-ders kochten en vei kochten, zij moesten ook zich zeiven verdedigen tegen de Spanjaarden en tegen zeer oarers; zij moesten in Oost-Indië dikwijls vechten niet de Portugeezen of met de inlanders. Ook benadeelden de verschillende kooplieden elkander door tegen elkander op te treden of te gelijk le veel op de Europeesche markten te brengen. Daarom werd een besluit genomen , om gemeenschappelijk den handel op de Oost te drijven en zich met elkander te verbinden tot eene groote maatschappij, die uilsluitend den handel op Oosl-ludië zou voeren. Zoodoende zou men met meer voor-
124
deel kunnen handelen en groole zaken verrichten. Olden-barnevelt was de man, die dit alles begreep; en door zijne bemoeiingen vooral kwam die maatschappij inlG02 tot stand. Zij werd de Oost-Indische Compagnie genoemd en begon hare ondernemingen met een kapitaal van zes en een half mil-lioen gulden, -waarvan Amsterdam alléén de helft bijbracht.
7. Deze Compagnie werd gesticht op oktrooi (dat is vergunning) van de Staten-Generaal. Niemand dan de Compagnie mocht uit de Zeven Provinciën op Oost-lndië handelen. Het bewind werd gevoerd door 17 bewindhebbers. Over be bezittingen der Compagnie in de Oost werd een gouverneur-generaal aangesteld. Al spoedig genoot de Compagnie aanzienlijke voordeden. In 1606 werd op ieder aandeel van 100 gulden 75 gulden, en in het volgende jaar op ieder aandeel van 100 gulden 40 gulden betaald. Zoodoende bracht deze handel zeer groote rijkdommen in ons land. Buiten Europa werd de Compagnie spoedig zeer machtig. Zij veroverde in eene reeks van jaren Java, Ceylon, de Moluksche eilanden en vele andere bezittingen in den Oost-indischen archipel. Uit alle deze landen verdreven de Holders de Portugeezen, die er vroeger alle macht in handen gehad hadden. De Oostindische Compagnie dankte haar groo-ten bloei aan de dapperheid en den moed van haar scheepsvolk en aan het beleid van hare gezagvoerders. Onder deze muntten uit, Matelief, die de Portugeesche vloten vernielde, en Jan Pieterszoon Koen, uit Hoorn, die in 1619 Batavia stichtte.
8. De zucht om verre, nog onbekende landen te ontdekken was nu algemeen bij de Hollanders en Zeeuwen ontwaakt. Een hunner. Abel Tasman, uit Hoorn, ontdekte het vijfde werelddeel en noemde het Nieuw-Holland: later is het Australië genoemd. Ook ontdekte hij een ander land, groo-ter dan Engeland en Schotland, en noemde dit ISieuw-Zee-land. Schouten en Lemaire deden eene reis rondom de wereld en zeilden bij den zuidelijken uithoek van Zuid-Amerika om: zij noemden dien uithoek Kaap Hoorn.
125
9. Ook in China en Japan knoopten de Hollanders lian-delsbelrekkingen aan. In Japan handeldeu tol nog toe alleen de Portugeezen. Dezen hadden er duizenden tot den katholieken godsdienst bekeerd; doch er stond in Japan een Keizer op, die een verbitterde vijand van het Christendom was. Deze richtte eene bloedige vervolging tegen de Christenen in zijn land aan: de Portugeezen werden verjaagd. Aan de Hollanders werd het vergund, op het eiland Decima een handelshuis op te richten ; doch zij moesten alle teekenen van den Christelijken godsdienst verbergen.
10. De groole bloei en rijkdom der Ãoslindische Compagnie deden het denkbeeld bij vele kooplieden ontstaan om ook eene West-Indische Compagnie op te richten. Deze zou op alle landen van Amerika handel drijven. De West-Indische Compagnie kwam in 1621 tot stand. Zij begon niet alleen met handel te drijven, maar ook de Spanjaarden en Portugeezen te beoorlogen. Piet Hein was haar admiraal en veroverde voor haar in 1628 de Spaansche zilvervloot. De West-Indische Compagnie stichtte verscheidene volkplantingen, waaronder die van Suriname nog eene Nederlandsche bezitting is. Zij veroverde ook vele eilanden, als; Curagao en Aruba. Wat meer is, zij veroverde op de Portugeezen geheel Brazilië. De Nederlanders maakten zich echter aldaar aan vele onrechlvi-ardigheden schuldig: vooral beleedigden zij de bewoners, die tot de katholieke Kerk behoorden in hunnen godsdienst. Eenigen tijd gingen de zaken der West-indische Compagnie voorspoedig. Zij rustte in de eerste vijftien jaren van haar bestaan 800 schepen uit en had 24000 matrozen in haren dienst. Haar bloei duurde evenwel niet lang; de Portugeezen verjoegen de Hollanders weder uit Brazilië.
11. Ook in Noord-Amerika stichtten onze voorvaderen koloniën. De machtige, groote stad Nieuui-York is door Hollanders gesticht en bad van hen den naam van Nieuw-Am-sterdam ontvangen. Vele voorname mannen van Nieuw-York dragen nog Hollaudsche namen. Bij latere oorlogen werd die schoone kolonie ons door de Engelschen ontnomen.
126
12. Ofschoon de handel op Oost- en West-lndië den grootsten bloei aan ons vaderland gaf, -waren er echter ook nog andere takken van handel en zeevaart. die veel welvaren verspreidden. Hiertoe behoorden in de eerste plaats de haring-visscherij. Honderde buizen gingen jaarlijks ter haringvangst, en de gekaakte haring -werd geheel Europa door verzonden. Ook hield de walvischvangst vele schepen in de vaart. In het midden der zeventiende eeuw telde men in ons vaderland 180 walvischvaarders. En die visscherij noemde men nog maar 'de kleine visscherijquot;, terwijl de haringvangst 'de groote visscherijquot; werd genoemd!
XXV.
ZEDEN , WETENSCHAPPEN EN KUNSTEN IN BE XVH® EEUW.
1. Men kan zich voorstellen , welke algemeene welvaart door dezen handel in geheel Nederland verspreid werd. Weliswaar plukten Holland en Zeeland de groolste voortleelen daarvan, doch ook de andere provinciën deelden daarin. Immers de nijverheid en het fabriekwezen bloeiden door den handel, even als deze op hunne beurt de zeevaart bloeien doen. Ieder, die werken kon en werken wilde, kon werk vinden, zoodat de armoede in ons land veel minder helend was dan in andere landen.
2. Hierbij kwam dat onze voorouders, over het algemeen genomen, zeer bedachtzaam en zeer spaarzaam waren. Zeer weinigen verteerden meer dan hunne inkomsten toelieten; maar zeer velen bespaarden ieder jaar wat op hunne inkomsten. Zoodoende was er weinig behoefte en gebrek in ons land. De voornaamste mannen, die machtige steden, als Amsterdam, ja. die een geheel gewest bestierden, leefden als eenvoudige burgers. De groote raadpensionaris Jan de Wit hield slechts één knecht. En koningen en vorsten zochten de vriendschap van Jan de Wit! Gedurende het twaalfjarig bestand ging prins Maurits op zekeren dag wandelen
127
met den gezant van den Franschen koning. Zij zagen daar eenige mannen uit eene schuit gekomen, die, in liet gras gezeten, hun brood met kaas aten. Prins Maurits groette hen, tot verwondering van den Franschen. quot;Die mannen hernam prins Maurits, 'zijn de afgevaardigden van West-Friesland ter vergadering van de Staten van Holland.quot;
3. Evenwel ontzegden zich de Hollanders der zeventiende eeuw niet allen luister en pracht. Zij bouwden sterke en prachtige huizen, van binnen rijk versierd als kleine paleizen. Men vindt er nog zoo velen (vooral van de 2° helft der XVlIe eeuw) op de Heeren- en Keizersgracht van Amsterdam. Meubelen, tapijten, linnengoed, kleederen, nagenoeg alles, werd van de beste stoffen gekozen. Onze voorvaders beminden vooral bet duurzame en stevige. De rijke familien
(spreidden ook een groote pracht ten loon van kostbare gouden sieraden, van paarlen en juweelen, die van ouders op I kinderen overgingen en in de familie bewaard werden.spreidden ook een groote pracht ten loon van kostbare gouden sieraden, van paarlen en juweelen, die van ouders op I kinderen overgingen en in de familie bewaard werden.
IOver het algemeen waren de Nederlanders der zeventiende eeuw in hun dag'elijksch levenOver het algemeen waren de Nederlanders der zeventiende eeuw in hun dag'elijksch leven zeer matig en eenvoudig. Zij beminden echter bij feestelijke gelegenheden groote en kostbare maaltijden. I)e schutterijen, de gilden in de steden richtten gewoonlijk eenmaal 'sjaars dergelijke feestmaaltijden aan, die veel geld kostten. Ook bij bruiloften, hij doop-plechtigheden, bij begrafenissen werden groote maaltijden aangericht; maar behalve bij die gelegenheden, heerschten er algemeene zuinigheid en spaarzaamheid.
4. In de achttiende eeuw begonnen de Fransche manieren meer ingang in'ons land te vinden en ging de aloude eenvoud en daarmede de welvaart te niet.
Even als het midden en de tweede helft der zeventiende eeuw de bloeitijd is van de macht der Nederlandsche republiek en de bloeitijd van haren handel, zoo is het ook die van hare wetenschap en kunst.
5. Hoezeer onze voorvaderen ook het werkdadig leven, handel, zeevaart en nijverheid beminden, achtten zij toch wetenschap en keunis zeer hoog. Wij hebben u reeds ver-
128
baald, hoe de stad Leiden, na het ontzet in 1573, tot loon voor hare dappere verdediging eene hoogesckool verlangde. Iedere provincie wilde nu spoedig hare eigene hoogeschool hebben. Groningen stichtte er eene in 1G14, Utrecht in 1636. Ook te Franeker in Friesland, te Deventer in Overijsel, te Harderwijk in Gelderland werden dergelijke hoogescholen gesticht. De regeeringen der verschillende provinciën deden haar best om aan die hoogescholen geleerde mannen te roepen. Onder deze niuutte uit Justus Lipsius, die professor te Leiden was, doch later katholiek en te Leuven een beroemd professor in de oude talen werd; verder Vossius, insgelijks hoogleeraar in de letteren, en anderen, te veel om te noemen. fte akademie van Leiden was beroemd door haar uitstekend onderwijs in de Grieksche en Latijnsche taai en letteren; want in de zeventiende eeuw waren die talen en de daarin geschrevene boeken zeer geacht. Ieder, die een geleerd vak beoefende, moest behoorlijk het Latijn kunnen spreken en schrijven. Onze voorouders waren dan ook zeer gvoote bewonderaars der oude letterkunde. Zij poogden de schoonste schrijvers in die talen na te volgen. Zoo wilde de Nederlandsche geschiedschrijver Hooft den Latijnschen Tacitus en de groote dichter Joost van den Vondel de treurspeldichters der Grieken navolgen. In schilderijen , in verzen, ja in aardigheden van het dageiijksche leven zinspeelden de Nederlanders der zeventiende eeuw telkens op de oude heidensche fabelleer. Zij deden niet anders dan hetgeen al hunne tijdgenooten deden; doch de goede begrippen en de goede smaak leden daardoor wel eens. Gelukkig was er bij de Nederlanders in die tijden een echt Nederlandsch gevoel, en dit bracht te weeg dat die navolging der oude Grieken en Romeinen minder kwaad deed dan men zou kunnen veronderstellen.
Wij kunnen niet alle groote geleerden, dichters en kunstenaars der zeventiende eeuw noemen; zij zijn te veel in geval.
Wij zullen slechts op eenigen van de voornaamsten uwe aandacht vestigen.
129
6. Hugo de Groot is u reeds bekend, doordat hij te gelijk met üldenbarnevelt werd gevangen genomen en opzulkeene zonderlinge wijze outvluchtte. Uij was een buitengewoon groot geleerde: in reclitsgeleerdlieid , geschiedenis, talen en godgeleerdheid muntte hij evenzeer uit. Hij heeft werken over de rechtsgeleerdheid geschreven. die zelfs nu nog gezag hebben. Ook schreef hij eene geschiedenis van de voornaamste gebeurtenissen, die gedurende zijn leven in de i\eder-landen hebben plaats gehad. Door geheel Europa was hij vermaard: de Fransche koning Lodewijk XII! eerde hem hoog en wilde hem naar Frankrijk lokken; de koningin van Zweden , Christina , wist hem te overreden naar haar land te komen. En uit zijn eigen vaderland was hij ten gevolge vau burgertwisten verbannen! llij werd de afgezant der Zweedsche koningin en vervulde zeer gewichtige staatsbetrekkingen. Eindelijk stierf hij te Uostok aan de Oostzee. Door zijne godgeleerde studiëa kwam hij in de laatste jaren zijns levens er toe, om meer geloof te hechten aan de waarheid der Katholieke Kerk.
7. Pieter Corncli.tzoon Hooft was de zoon van een machtig Amsterdainsch burgemeester. Hij schreef een boek: Neder-landsche Historiën, dat nog algemeen bewonderd wordt. Hooft was een man van uitgebreide kundigheden. Hij schepte er een groot vermaak in, geleerde mannen, dichters en letterkundigen om zich heen te zien. Hij was drossaard van Muiden: dat is, hij was met de rechtsbedeeliug eu politie te Mui-den en in de omstreken belast. Als dusdanig had hij het recht, het slot te Muiden te bewoneu. Uier verzamelde hij de uit-stekendste geesten om zich heen: Constantijn Ihcijghens, de dochters van Roemer Visschers, van welke de jongste, begaafd niet vele vrouwelijke deugden en talenten, den bijnaam van Tessehchade had (naar een verlies dat haar vader geleden had door het vergaan van schepen bij Tessel), Kasjmr ran Baerle en meer anderen.
8. Maar boven allen blonk uit Joost van den Vondel, de grootste dichter die ISeder'aud en ccn van de grootste dichters
130
die Europa ooit gehad heeft. Oij behoorde tol den deftigen burgerstand. 11 ij had een kousenwinkel in de Warmoesstraat te Amsterdam. Op zijn ouden dag in behoeften Tervallen, kreeg hij eeu postje aan de bank van leening. Meer konden burgemeeslercn hem niet geven, want Vondel had, na rijp beraad, den katholieken godsdienst omhelsd. Ofschoon dus niet de aanzienlijkste, was hij stellig de grootste der mannen, die op het slot van Muiden bijeenkwamen. Hij is de dicltlcr van den Gijshregh' ran AcmsLel, van den Lucifer, van de Allacrgeheimnissen en andere heerlijke dichtwerken. Hij stierf ruim negentig jarenoud. De tijd, waarin hij leefde, was de tijd waarin Frederik Hendrik zijne overwinningen behaalde, waarin de Nederlanders Oost en West veroverden, waarin zij de nijverste burgers en grootste handelaars van Europa waren. Daarom moge men er ook van zeggen: -dien gulden tijd inoog' Holland nooit vergeten !quot;
9. Tegelijk met Vondel leefde een ander dichter,'wiens aaam zeer bekend is, Jacoh Cats. Hij is als dichter op verre na niet bij Joost van den Vondel te vergelijken; doch onze voorvaderen hielden zeer veel van zijne werken. Gedurende geheel de achttiende eeuw vond men bij de Nederlanders , die aan de oude zeden en gewoonten hechtten, bijna altijd naast elkander: de Statenbijbel en de gedichten van Jacoh Cats. De katholieke Nederlanders echter hielden niet veel van het eene, noch van het andere boek. Cats was een tijdlang raadpensionaris van Holland; doch als staatsman was -zijne bekwaamheid niet groot.
10. Niet minder dan de dichters zijn de schilders der zeventiende eeuw beroemd. Wien is de naam onbekend van Rembrandt ran Rijn? Op liet museum te 's 11 age vindt men zijne schilderij de Ontleedkundige Les, op het Trippenhuis te Amsterdam de Nachtwacht, beide â wereldberoemd. Rembrandt beeft echter nog vele andere prachtige stukken geschilderd. Hij is Hollands grootste schilder. Van der Helst is beroemd door zijne schilderij de Schuttersmaaltijd. Paulus Potter door zijne landschappen met vee, waarvan een, de
|
Sti | |
|
mu | |
|
klu | |
|
lan | |
|
tw | |
|
mi | |
|
vai | |
|
De | |
|
sta | |
|
vo Ãi | |
|
ee | |
|
wc | |
|
to | |
|
1 ⢠|
ge |
|
- |
gr |
|
m | |
|
â |
SC |
|
1 | |
|
1 |
va |
|
la | |
|
la | |
|
V( | |
|
1 |
h |
|
gt; |
V |
|
I | |
|
⢠| |
|
â |
H |
|
b | |
|
\ | |
|
C | |
|
8 | |
|
d | |
|
t | |
|
( |
131
Stier van Potter geheeten, een sieraad is van het Haagsclie museum. Verder munlten uit Jan Steen, als schikler van kluchtige huiselijke tafereelen; Hubbcma en Rui/sdael als landschapschilders; Gerard Domo en meer anderen.
11. De bouw- en beeldhouwkunst werden in de eerste en de tweede hell't der zeventiende eeuw in ons vaderland niet minder beoefend. Hiervan strekken de prachlige praalgraven van Michiel de Ruyler, van (ialen en anderen tot getuige. De beroemdste bouwmeester was Jacob van Cam pen. die het stadhuis (nu Paleis) van Amsterdam heeft gebouwd.
12. Een man moeten wij vooral niet vergeten, een een-voudiff timmerman in het dorp de Rijp, in Noord-Holland. Die man heeft in ons land meer stollelijk nut geslicht dan een groot veldbeerof een groot kunstenaar; hij heette Z,clt;?^/4-water.' Hij heeft de watermolens, zoo niet uitgevonden, dan toch verbeterd. Doorzijn beleid heeft men er in kunnen slagen, een aantal meren in Noord-Holland droog temaken. Het grootste daarvan vas de Beemster, die in 1G14 is drooggemaakt; verder de Purmer, de Wormer, de Schenner. Verscheidene duizende bunders vruchtbaar land werden aldus van onder het water te voorschijn geroepen, om nijvere landbouwers te ontvangen.
Tegelijkertijd verrijkten andere Nederlanders ons vaderland en Europa met nuttige uitvindingen. Cornells Drebbel vond den thermometer en het microscooo uit; Christiann Huyghens de slingeruurwerken; Janssen te Middelburg de verrekijkers.
Terwijl de Zeven Provinciën aldus bloeiden , terwijl vooral Holland een verbazend welvaren genoot, bleven Noord-Bra-bant en het heciendaagsche Limburg van al die voordcelen verstoken. Zij werden als overwonnen gewesten behandeld. De inwoners werden buiten bedieningen en waardigheden gehouden en door llollandsche of andere baljuws geregeerd, die hun de dierbaarste vrijheid, die van hunnen godsdienst te mogen uitoefenen, voor geld verkochten. De meeste steden waren vestingen en dus garnizoeusleden. Zij stonden
132
als dusdanig ouder het beheer der gouverneurs, die dour de Slaten-Geueraal gezonden werden. Noord-Brabant en Lim-burg moesten zóó wel bij de andere provinciën achterblijven.
XXVI.
WILLEM II. STADHOUDER 1647â1650. â JAN DE WIT
1653â1672,
1. Na den dood van Frederik Hendrik werd diens zoon Willem 11 in 1G47 stadhouder van Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijsel. Groningen, Drente en Friesland hadden een anderen stadhouder, Willem Frederik, die een kleinzoon was van Jan, broeder van prins Willem van Oranje. Willem 11 was nog maar een en twintig jaren oud. Het sluiten van den vrede van Munster in 1GS3 geschiedde niet met zijne volkomene toestemming; maar de Staten van Holland en in deze de stad Amsterdam dreven het sluiten van dien vrede door. De prins was vooral teyen dien vrede, omdat daardoor zijn aanzien en macht verminderde: want hij was opper hevel hebber des legers. Er ontstonden spoedig nog andere oorzaken van spanning tusschen hem en de Staten van Holland.
2. De Staten en daarin vooral de stad Amsterdam wilden door afdanking van een groot gedeelte van het krijgsvolk de onkosten, welke dat volk veroorzaakte, verminderen. De prins was hiertegen. Hij werd ondersteund door de landprovinciën, zooals Utrecht enz. Deze waren gewoonlijk gewilliger om uitgaven voor het leger te doen. terwijl dezeeprovinciën die liever voor de vlooi besteedden. Ook waren die landprovinciën naijverig op het hooge woord, dat Holland in de Staten-Generaal voerde. Zij waren derhalve zeer verbitterd op Holland en vooral op Amsterdam. De prins was dit niet minder; hij kon den tegenstand, dien de stedelijke regeeringen hem boden, niet verdragen. Daarbij kwam dat ettelijke dier stadsregenten gezegd hadden, dat men het eer wel buiten een stadhouder kon redden. Het verschil
133
over het afdanken van het krijgsvolk, dat eigenlijk een geschil was over de vraag, wie meester waren, óe Staten-generaal of de Provinciale Staten, -werd heviger. Holland besloot van de troepen, welke het betaalde, zooveel te ontslaan als het verkoos. Hierop namen de Staten-generaal bet besluit eene bezending af te vaardigen, om de steden van Holland van dit plan af te brengen. Prins Willem II zou aan het hoofd daarvan staan. Men verwachtte, dat zijne tegenwoordigheid in vele steden de regenten wel tot andere gedachten zou brengen. Immers de menigte was gewoonlijk prinsgezind, terwijl de aanzienlijken in den reg: 1 staatsgezind waren, want geheel het land was in die twee partijen verdeeld. Ook vreesde men, dat de prins soldaten onder zijn gevolg zou opnemen, om de halsstarrige sladsiegeeringen, met krijgsvolk naar zijnen zin te zetten. Do bezetting van Willem 11 werd dan ook in de meeste llollandsche steden slecht ontvangen; sommigen verzochten van zijn bezoek ver-sehoond te blijven. Amsterdam wilde hem wel ontvangen als stadhouder, maar niet als afgevaardigde der Staten-Ge-neraal: hetwelk beteekende, dat die stad de macht der Staten-Generaal in de punten van geschil niet wilde erkennen.
3. Willem II was driftig en voortvarend; hij bezat niet de gematigdheid van zijnen vader, die gewoon was met de Hollandsche stadsregeeringen om te gaan Daarom besloot de jonge prins geweld te gebruiken. Hij liet zes der voornaamste mannen van de staatsgezinde partij, die hem het meest tegenwerkten, gevangen nemen en naar Loevestein brengen. De voornaamste van deze was Jacob de Wit, burgemeester van Dordrecht en vader van den beroemden raadpensionaris. Naar die gevangenis op Loevestein werden deze heeren en hunne aanhangers later de Loevesteinsche factie (partij) genoemd.
4. Maar Willem II besloot nog heviger maatregelen te nemen. Hij wilde Amsterdam met soldaten overrompelen en er dan alles naar zijnen wil zetten. Was Amsterdam eenmaal ten onder gebracht, dan zouden alle andere sleden
134
vel uit vrees den stadhouder te wille zijn. Om zich tiau meester van die stad te maken, zond hij Willem Frederik, stadhouder van Friesland, aan het hoofd van een troep soldaten af, die onverwachts dal krijgsvolk binnen de stad zou brengen; maar het verdwaalde op de Hilversumsche heide. Een nachtpost, die het voorbijreed, bracht de tijding naar Amsterdam, dat er soldaten in aantocht -waren. Terstond lieten de burgemeesters de poorten sluiten; eenige schepen op het Y wapenen, en alles in gereedheid brengen, om tegenweer te bieden. Zelfs maak lei» zij zich gereed, het land rondom de stad ouder water te laten loopen. Toen Willem Frederik zag, dat de aanslag ontdekt was, trok hij onverrichter zake terug. Dit alles geschiedde in 1650.
5. Uieiop kwam Willem II zelf voor Amsterdam, en nu werd eindelijk tic zaak tn der minne ycschikt. De stedelijke regeering beloofde den prins met alle eerbetuigingen te ontvangen: er zou niet meer krijgsvolk afgedankt worden, dan de Statrn-Generaal vaststelden; de Loevesteinsche gevangenen zouden in vrijheid gesteld worden en prins Willem II zou zijn krijgsvolk laten terugtrekken.
Zoo werd de eensgezindheid tusschen den stadhouder en de staatsgezinde partij, althans voor het oog, hersteld. De oorzaken van tweedracht bleven echter bestaan: hun weder-zijdsche naijver en het geschil hoever zich hun gezag uitstrekte. llad Willem II langer geleefd, dan zouden er waarschijnlijk weder nieuwe twisten zijn ontstaan. Hij stierf echter nog datzelfde jaar 1650 aan de pokken. Hij was nog geen vijf en twijilig jaren oud. Zijne echtgenoole, die eene dochter was van Karei I, koning-van Engeland, beviel acht dagen na zijnen dood van, eenen zoon,'later Willem IH.
6. De onverwachte dood van Willem II bracht eene groote verandering in den toestand der Zeven Provinciën te weeg. De staatsgezinde partij vatte nieuwen moed. Dordrecht benoemde weder terstond Jacob de Wit, die door den prins op Loeveslein gevangen gezet was, tot zijnen burgomeesler. Ook andere steden plaatsten weder groote tegenstanders van de stadhou-
135
derlijko regeering in het bestuur. In geheel Holland wareti de staatsgeziiichn wederom meester. Om de instelling der stadhouderlijke regeering in het vervolg te voorkomen , noodigaeu zij de andere provinciën uit tot eene yrooti ahjemeene vergadering der Staten ran ieder gewest. Op die verg doring zou men besluiten nemen, hoe men verder dc regeering zou instellen. Alle provinciën namen hierin genoegen, doch Groningen benoemde al vast den stadlioudcr van Friesland, Willem Frederik, lot zijneu stadhouder..De Staten van Holland namen insgelijks, nog voor de bijeenkomst der groote ver-gadeting, een belangrijk besluit: zij stelden namelijk vast. dat voortaan de vroedsehajipen der steden zeiven hare burgemeesters en wethouders zouden benoemen en niet niter, zooals vroeger, de stadhouders uit personen, door de steden voorgesteld. Door dit besluit maakten de voorname familiën in de Hollandsche steden zich geheel en al meester van de regeering en ontnamen zoowel aan de stadhouders als aan de har gerijen uilen invloed op die benoemingen, tot ontevredenheid van velen.
7. De Groote Vergadering kwam den ISquot; Januari 1G51 te ' s Gravenhage bijeen. De dichter Jacob Cats was raadpensionaris van Holland en leidde de vergadering. Daarin werden besluiten genomen, waarvan liet gevolg was, dat er geen. nieuwe stadhouder werd aangesteld, evenmin als een nieuwe kapitein generaal dtr Unie, dat is, een opperbevelhebber van hel leger der Sla ten-Generaal.
Het tijdvak van 1650 tot 1672, toen Willem III stadhouder werd, wordt gewoonlijk het eerste stadhouJerluoze tijdvak genoemd, wijl vijf provinciën, waaronder Holland, geene stadhouders hadden. In Friesland en Groningen was er wel een: Willem Frederik, en later diens zoon.
Op de groote vergadering van 1651 verschenen algevaardigden van Staats-Brabant (het tegenwoordige Noord-Brabant) en van Drente. Deze nioesten verzoeken, dat beide gewesten als leden der Unie zonden opgenomen worden, dat is, dat zij aandeel in de regeering der republiek zouden
136
liobbeu. Drente regeerde zich zeil', doch mocht geene afgevaardigden ter Staten-Generaal zenden: dus het had niets te zeggen in het algemeen hebeer der republiek; maar Noordbrabant werd geregeerd door mannen, welke daartoe uit de Zeven Provinciën werden benoemd. De groote reden van dit onderscheid was: dat men Noord-Brabant als overwonnen land behandelde, wijl men den katholieken geene gelijke rechten met de Hervormden wilde vergunnen. Dit was ook het geval met het tegenwoordige Limburg. Het verzoek dei- afgevaardigden van Staats-Brabant en Drente werd dan ook afgeslagen.
8. Gedurende het stadliouderlooze tijdvak namen de provinciale staten nog meer de macht in handen, dan zij die reeds bezaten. In iedere stad geraakte de regeering in het bezit van eenige weinige voorname familicn, die elkander wederkeerig ondersteunden en wel zorgden, dat de burgerij geen aandeel in het beheer van stad ofquot; gewest kreeg. Zoo-doends werd eerlang de bevolking der steden gesplitst in regenten-familiën en burgers. De eersten hadden alle posten en Ledieningen in handen, de anderen legden zich toe op handel en nijverheid. Zij voeren er daarom niet te slechter bij. liet was vooral de staatsgezinde partij, welke deze fami-lie-regeering bevorderde.
9. ilet hoofd der staatsgezinde partij in Holland, en men mag zeggen in alle provinciën, was Jan de Wit. Deze was de zoon van Jacob de Wit, den burgemeester van Dordrecht, van wien wij reeds gehoord hebben. Op zijn acht en twintigste jaar werd Jan de Wit raadpensionaris van Holland. Als dusdanig was hij de man, die het voornaamste beleid der rcgeering in Holland in handen had. En Holland oefende den groots'en invloed uit in de Slaten-generaal. Jan de Wit verdiende die groote eer. Hij was een man van buitengewone bel wanmheid; hij y/as ijverig, werkzaam, matig en eenvoudig in levenswijze. Hij was hoogst eerlijk voor zich zeiven en voor den staat zuinig. Hoe ook overkropt met bezigheden, wist hij evenwel nog tijd voor studiën te vinden.
137
De wiskunde was zijne lievelingwetenschop. Men verhaalt van liera, dat een zijner vrienden hem eens vroeg, lioe hij toch zoovele zaken kon doen. Zijn antwoord was: door twee zeer eenvoudige oorzaken: ik doe ieder ding op zijn tijd en ik doe nooit twee dingen te gelijk. Lene verstandige les!
10. Jan de Wit was zeer ingenomen tegen het huis van Oranje. Hij stelde alle pogingen in het werk, dat de jonge Willem III geen stadhouder zou worden. Men verhaalt, dat zijn vader dien afkeer bij hein opgewekt zou hebben: dat de oude Jacob de Wit herhaaldelijk tot zijne zoons zou gezegd hebben: quot;denk aan Loevestein!quot; dat is, aan de beleediging hunnen vader aangedaan. Het is veel waarschijnlijker, dal Jan de Wit zoo sterk tegen het huis van Oranje zal geweest zijn, wijl hij dacht, dat dit zijn pliclit was. Als raadpensionaris was hij de dienaar der Staten van Holland: deze erkende hij als zijnen heer. Geen wonder dat hij meende zijn plicht te doen, door voor de rechten van die Staten te strijden.
11. Jan de Wit it negentien jaren lang, van 1G53 tot 1672, raadpensionaris van Holland geweest. Die negentien jaren be-hcoren tot de schoonste bladzijden van de geschiedenis omes vaderlands; niet juist om den oorlogsroem dier dagen (want die roem wordt altijd zoo duur gekocht), maar omdat in die tijden onze voorvaders door moed, volharding, geestkracht ⢠nijverheid en arbeidzaamheid zich de achting van alle volken waardig betoonden.
XXVII.
EERSTE ENGELSCHE OORLOG 1053â1654.
NOORDSCUEN OORLOG 1658â16GÃ.
1. In Engeland hadden gewichtige gebeurtenissen plaats gegrepen, die op ons vaderland een grooten invloed uitoefenden. Er was een burgeroorlog ontstaau tusschen den koning, Rarel I, en een gedeelte zijner onderdanen. De partij des konings had de nederlaag gekregen. Karei 1 zelf
138
was gevangen genomen en werd den 31° Januari 1649 voor zijn eigen paleis ontiioofJ, alsof hij eea gemeene misdadiger was geweest. De overwinnaars verklaarden Engeland voor eene republiek, üüvier Cromwell, de aanvoerder van- het leger der vijanden des konings, geraakte aan het hoold der regeering en oefende, met groote Lekwaamheid, een gezag uit, grooter dan flat eens konings. Nu was Willem ii! de zoon eener dochter van den onthoofden koning Karei I. De repubiikeiusche partij in Engeland begreep, dal daarom de prins van Oranje, zoo hij lot mannelijke jaren kwamen eenmaal stadhouder werd, voor haar gevaarlijk koa worden. Daarom begeerde Cromwell de uitsluUing van den joiujen prins van alle waardigheden zijns vaders. Daarbij kwam dat de Engelschen zeer jaloersch waren op den IlcUandschcn handel. Zij konden niet verdragen, dat de lloUanders het eerste zeevarende volk der wereld -waren. Alle maatregelen, die derhalve door de Eogelsche regeering genomen werden om den handel van Holland te benadeeien, waren bij het volk welkom. Cromwell stelde nn voor, dat de Zeven Provinciën gezamenlijk met Engeland, Schotland en Ierland eene groqte republiek zouden vermen. Dit werd, gelijk te verwachten was, door de Nederlanders beleefdelijk van de hand gewezen. Zij begeerden een volk op zich zelve te blijven; zij begeerden niet door eene machtige natie overheerd te worden. Cromwell besloot nu de llollandsche scheepvaart, zooveel in zijn vermogen was, te benadeeien. Hij gaf eene wet, akte van ««-vigatie (scheepvaarlwet) gehesten. lïij deze wet werd bepaald, dat geene goederen in Brittaunië mochten ingevoerd worden dan op Britsche schepen, o! met schepen uit het land, waaruit die goederen alkomstig waren. Om aan die wet kracht te geven, onderzochten de Engelsche oorlogschepen alle koopvaardijschepen. Ook begeerden de Engelschen, dat de schepen \:.n alle natiën en voornam»lijk de llollandsche voor hunne schepen de vlag zouden strijken, ten bewijza van onderdanigheid.
2. Het laat zich begrijpen, dat de Nederlanders met deze
139
â wet niet tevreden honden zijn ; want liet vas er voornamelijk op gemunt, hunnen handel ten voordeele der Engelsclieu te vernietigen. Zij toch hadden verreweg de meeste koopvaardij-scliepen; men hegrootle die op duizend, en een zeer groot gedeelte daarvan veer met handelsartikelen uit andere landen naar Engeland. De Siaten zonden derhalve gezanten naar Engeland, om de gehate akte van navigniie vernietigd te krijgen ! Vruchteloos. De Engelachen gingen voort met de llol-landsche koopvaardijvloot te onderzoeken en aan te houden. Dit konden de Staten niet gedoogen. Zij garen den admiraal Maarten Ilarpertszoou Tromp hei el, om met eene vloot zee te kiezen, owi du .scheepvaart der Nederlanders te beschermen. Tromp ontving echter last, alle vijandelijkheden te vermijden. Zijne vloot ontmoette op zee die der Engelschen onder Blake. Ueze beweerde, dat Tromp voor hein de ving moest strijken, en dewijl hij dit niet spoedig genoeg deed, taslte hij hem aan. liet kwam tot een gevecht, -waarbij de overwinning niet heslist -werd. Uiermede begon de eerste Engel-sehe oorlog in 1053.
3. De tijd der Engelsche oorlogen is de tijd van den grootsten roem der Nederlanders op zee. Nooit heeft één land drie zulke groote zeehelden tegelijk kunnen aanwijzen als de oude Maarten Tromp, diens zoon Cornelis Tromp eu Michiel Adriaanszoon de Ruyter. Over eerstgenoemde hebben wij reeds gesproken. Cornelis Tromp deed-w eiuig voor zijn vader onder, maar Michiel de Unyter overliot hen beiden. Hij was te Vlis-singen geboren; zijne ouders waren behoeftige lieden. Als knaap moest hij in eene lijnbaan zijn brood verdienen. Later ging hij op een koopvaardij chip. In die tijden werden niet, als thans, jongelingen op eene kadettenschool tot den zeedienst opgeleid, maar zij moesten op zee van onder af aan beginnen. Zoo klom Michiel de Ruyter op van scheepsjongen, totdat hij eindelijk admirai.1 werd. Hij verdient de achting aller Nederlanders niet alleen om zijne heldendaden, maar ook om zijne eenvoudigheid cn nederigheid. 11 ij vloekte nooit en wiste toch hel scheepsvolk de grootste achting in te boezemen.
140
4. Behalve deze drie telde ons vaderland in de dagen der Engelsclie oorlogen nog verscheidene andere bevelhebbers, die zich ter zee grooten roem verworven hebben. Hieronder de Et ertsen, die admiralen van Zeeland waren. De vader en vijf zoons dienden hun vaderland op zee eu stierven allen den dood in hef. gerecht; verder Jan van Galen, die in 1653 de Engelsche vloot niet ver van Livorno aan de Italiaansche kust overwon en daarbij het leven verloor. Een prachtig praalgraf in de Nieuwe kerk te Amsterdam herinnert ons nog aan hem.
Het zou moeielijk vallen, alle gevechten mede te deelen, die gedurende den eersten Engelschen oorlog voorvielen. Overal handhaafden de Nederlanders den roem van hunnen naam; overal betoonden zij zich de uitneinendste zeelieden. Maar over het algemeen hadden de Engelschen grootere en talrijker schepen, en in den eersten Engelsche oorlog werden zij ook uitmuntend bestuurd, zoodat alles in orde was. Dit was het geval niet tijdens den tweeden Engelschen oorlog , waarover wij later zullen handelen.
5. Onder de zeegevechten van den eersten Engelschen oorlog is vooral de driedaagsche zeeslag vermaard. De admiraal Maarten Tromp was in het begin van 1653 met eene vloot van 63 oorlogschepen uit Hellcvoetsluis uitgezeild. Hij moest eene rijke vloot van 150 koopvaardijschepen, die door het Engelsche kanaal zou komen, beschermen, opdat zij niet in de handen der Engelschen zoude vallen. Den 28n Februari ontmoette hij den Engelschen admiraal Blake met 70 oorlogschepen. Nu begon er een allervreeslijkst gevecht tusschen de twee vloten. Van beide zijden werd met de grootste dapperheid gestreden. De nacht scheidde de strijders , die den volgenden dag bet gevecht weder begonnen. Insgelijks werd het den daaropvolgenden dag herhaald. Tromp had eindelijk gebrek aan kruit en lood, doch gelukkig hielden toen de Engelschen af. De Hollandsche admiraal slaagde er in de koopvaardijvloot behouden binnen te brengen; doch ter nauwer-nood waren nog vijf eu twintig oorlogschepen in staat om
141
te vuren. Zoo eindigde de driedaagsciie zeeslag, een der ver-maardste in onze geschiedenis. Den 8quot; Augustus geraakte Tromp -wederom in gevecht met de Engelsche vloot die de Hollandsche kus! onveilig maakte, en twee dagen later weder niet ver van den Hoek van Holland. Hier werd hij dooreen kogel doodelijk getroffen. De Ruyler en Evertsen, die onder Tromp dienden, namen het opperbevel op zich. De Engel-schen deinsden al' en lieten het gevecht onbeslist, doch de Hollandsche kust was van hunne aanvallen bevrijd.
6. Over het algemeen kan men niet zeggen, dat een van de beide ooilogvoerende volken eeae beslissende overwinning over het andere behaalde; maar onze koophandel had verbazend veel van den oorlog te lijden, iie nering en nijverheid stonden stil, zoodal in Amsterdam drie duizend huizen ledig stonden. Dit bewoog de Nederlandsche staatslieden met Engeland over den vrede te onderhandelen. Deze werd in het jaar 1G54 gesloten. Holland verbond zich daaibij in het geheim, den prins van Oranje nimmer als stadhouder noch als kapitein-generaal der Unie te erkennen. De^e overeenkomst noemde men de akte van seclusie (uitsluiting). Ook moesten de Staten-Ueneraal de navigatie-akte erkennen.
7. Deze akte van seclusie wekte onder de vrienden en aanhangers van den prins van ürauje groole ontevredenheid op; maar de staalsgezinde partij, die het huis van Oranje geen goed hart toedroeg, was er volstrekt niet ontevreden over. De wrok der stadhoudersgezinden liet zich ook eerst later gevoelen. Thans was ieder blijde, dat de vrede was gesloten en dat de handel, zeevaart en nering herleefden. De handel was het groote voorwerp van zorg van de regeering der Zeven Provinciën, maar vooral van Holland. Daarom werd zij in menigvuldige oorlogen gewikkeld. Zoo geraakte zij in 1658 in oorlog met Zweden. De koning van dat land deed Denemarken den oorlog aan. Nu vreesden de Staten-Generaal, dat in geval de koning van Zweden overwinnaar bleef, hij geheel en al meester zou worden van den Sont. Dit zou meer nadeelig voor den handel der republiek geweest zijn,
142
die, groote scheepvaart op de Oostzeelanden had. Immers de koning van Zweden kon dan, indien Iiij nieesler van de Sont â was, onzen schepen beletten, dien dooi te varen. Daarom besloten de S lalen * Gen ei aal de nenen te helpen. De admiraal Wassenaar van Oh darn werd hirrtoe vut erne vloot naar de Oostzee gezonden. Ook Michiel de Rnyter werd in 1659 derwaarts gezonden. Door deze hulp der Nederlanders konden de Denen zich tegen den koning van Zweden verdedigen en in 1GG0 een voor hen voordeeliger vrede sluiten.
8. In dalzellde jaar 1GG0 veranderde de staat, van ^.aken in Engeland. Olivier Cromwell was gestorven en de Engelschen riepen den zoon van hunnen koning Karei I terug, om koning te zijn. Hij aanvaarde de regeering onder den naam van Karei II. 11 j had van de Staten (ïeneraal gastvrijheid genoten, toen hij vervolgd werd, en had onder hunne bescherming stil in Breda geleefd. Hij nam het hun echter euvel af, dat zij hem niet krachtdadig hadden willen ondersteunen, om zijn rijk te herwinnen. Ook was hij ontevreden over de akte van seclusie, waarbij de prins van Oranje, de zoon zijner zuster, buiten de regeering der republiek gesloten werd. Ook was Karei II zeer ondankbaar van aard. Toen hij koning geworden was, werd door zijne bemoeiingen de akte van seclusie opgeheven; maar de prins van Oranje was nog te jong om eenige waardigheid Ie verkrijgen. Daardoor bleef de regeering en de republiek op den ouden voet. Jan de Wit was alvermogend.
9. Hoezeer, na het eindigen van den eersten Engelschen oorlog ons vaderland wederom tot grooten bloei geraakte, zoo nam dit niet weg, dat het ook nog in die dagen te lijden had van het oude gebrek: burger- en godsdiensttwisten. De burgertwisten waren wel niet zoo belangiijk als vroeger: maar toch berokkenden zij hier en daar nog al baat en verdeeldheid tusschen burgers van dezellde stad. De groote oor-zaak ran die twisten was, dat bijna in iedere stad eenige weinige voorname familién zich de geheele regeering aanmatigden en andere buitensloten , die dit niet wilden gedoo-
143
gen. In tien regel bleven de voornfnne famillën, voor het grootste deel staatfgezhiden, meester. In Groningen vielen er omstreeks den tijd, waarover wij tl;atis spreken, dergelijke lievige twisten voor, omdat de gilden aandeel in de stadsrcgeerhig verlangden, hetgeen hun geweigerd werd.
10. Het hervormde lierlyenoolsrluip was in die dagen verdeeld door de twisten tussclien twee profissoren in Je hervormde theologie, Voelius en Cocrejus. Eerslgenoerade verdedigde de oude gereformeerde leer in al hare gestrengheid, te!quot;«ijl de andere gematigder inzichten had. De staatsgezinde partij hield het in den regel met de Cocrejanen. Dit gaf aanleiding, dal vele predikanten trgen de stadsregeeringen op den predikstoel smaalden; want zeer vele predikanten mengden zich in hunne predikatiën in regeeringszaken. Wanneer dit aan de ovurheden hegon te vervelen, zetleden dezen hen af of joegen ben de stad uit. Zoo maakten zich beiden, predikanten en stedelijke fegeeringen, herhaaldelijk schuldig aan misbruik van den kansel of misbruik van gezag. Ook de katholieke Kerk, die nog verdrukt was, xuerd in die lijden bovendien bedroefd door de scheuring van het Jansenisme. Sommige priesters omlielsden ieerstellingen, die door den Paus veroordeeld werden en wilden zich niet onderwerpen. Zij stichtten afzonderlijke gemeenten en riepen de hulp der overheden in. Deze begunstigden hen en wilden meer dan eens de getrouwe priesters uil hunne kerken verjagen, om die can de Jansenisten te geven. Dit belette niet, dal de groote menigte Katholieken aan den Roomschen Paus gehoorzaam bloei en het gelal Jansenisten steeds kleiner en kleiner is geworden.
XXVIII.
TWEEDE ENGELSCIIE OOULOG. (1005â1667) DRIEVOUDIG VERBOND TEGEN LODEWIJK, (1668)
1. Wij hebben reeds verhaald, dat de nieuwe koning van
144
Engeland, Karei II, -weinig gevosl van dankbaarheid bezat: hij vergat volkomen dat de Neder]andscbe republiek hem herbergzaamheid verleend had, toen i ij geheel verlaten in de wereld was. Wij hebben ook verhaald, hoe de Engehchen zeer naijverig waren op den bloei van den handel en zeevaart der Hollanders. Alles, wat den Hollandschen handel kon be-nadeelen, was welkom in het oog van het Engelsche volk. Aan dezen naijver moet men het -wijten, dat ons vadürland in vroegere tijden zooveel keeren in oorlog met de Engel-schen is geraakt. Dit geschiedde ook al weder spoedig, nadat Karei II koning van Engeland was geworden.
2. De Engelschen begonnen met Uollandsche koopvaardijschepen weg te nemen, voor buit te verklaren en te ver-koopen: wat niets anders was dan roof in het groot.
Nog voor de oorlog verklaard was, maakten zich de Engelschen meester van Hieuw-Amsterdam, eene volkplanting der Nederlanden in Noord-Amerika. Zij behielden die m laleren tijd en noemden die stad New-York. Toen was het nog eene kleine, onbeduidende plaats; maar thans is het eene stad, viermaal zoo groot als Amsterdam. Onze voorouders, hoe werkzaam ook en hoe vol beleid, waren op den duur niet in staat al die volkplantingen te bewaren. Ons land was te klein en telde te weinig inwoners, om vele landverhuizers op te leveren. Waren de noordelijke en zuidelijke [Nederlanden maar niet van elkander gescheiden geweest! Dan waren Brabanders en Vlamingen met Hollanders en Zeeuwen medegegaan, cm nieuwe volksplantingen te stichten! Dan waren deze talrijk en machtig geweest! Dan ware misschien uu Nederlandsch in plaats van Engelsch de taal van een groot deel der Vereenigde Staten van Noord-Amerlka. Maar de haat der Kalvinisten tegen de Katholieken had den band der eenheid in 1578 verscheurd.
3. Toen de Staten-Generaal zagen, dat de oorlog door de geweldenarijen der Engelschen onvermijdelijk was, rustten zij zich dadelijk ten strijde uit. liet was toen de tijd van de grootste kracht van ons land. Het had zijnen Tromp en
146
lijnen de Ruyler. De republiek vreesde dan ook den oorlog ter zee met de Engelsctien uiet. Daarbij kwam, dat de raadpensionaris Jan de Wit de bestuurder der republiek was! De tweede Engelsche oorlog duurde, evenals de eerste, twee jaren-, bij werd gevoerd van de jaren 1GG5 tot 1667. Wij kunnen u niet van alle zeegevechten onzer voorouders in dien gedenkwaardigen oorlog verbalen; wij zullen ons alleen bepalen tot de merkwaardigste, den vierdaagschen zeeslag en den tocht naar Chatham,
4. In hel jaar 1685 had de republiek op zee groote verliezen geleden; eene der machtigste vloten, die zij ooit uitgerust heeft, was onder het bevel van Wassenaar van Ohdam uitgezeild eu met de Engelschen slaags geraakt. Het schip van Wassenaar vloog in de lucht door het vuur vatten van het kruit, en de Jiollandsche vloot iverd verstrooid. Nu benoemden de Staten-Generaal Michiel de Ruiter tot bevelhebber eener vloot, die zij opnieuw uitrustten. In de maand Juni van bet jaar 1666 ontmoette deze vloot die der Ãngelschen, onder den admiraal Mank. Weldra geraakten^ beide vloten met elkander in een woedend gevecht, dat twee dagen duurde. Toen kwamen vijl-en-twiutig versche Engelsche schepen, die de Teems uitgezeild waren, deelnemen aan het gevecht. Dit duurde nog twee volle dagen. Nadat er nu vier dagen met gruote hevigheid was gestreden, gelukte het de Rug ter door zijn meesterlijk beleid de Engelsche schepen te verstrooien en eene glansrijke overwinning te behalen. De overwinning werd echter door het verlies van veel men-schenbloed gekocht. De zee was bedekt met stukken van verbrande en verbrijzelde schepen en alleen meer dan 5000 Engelschen waren gesneuveld of verdronken. Ook de Nederlanders hadden allerbelangrijkste verliezen geleden.
5. Michiel Adriaanszoon de Ruyter mag aanspraak makeu op aller lof en bewondering; hij zocht den oorlog niet en lokte dien niet uit; hij gehoorzaamde steeds aan zijne wettige overheid, die hem gebood zich aan het hoold van de scheepsmacht der Staten te plaatsen. Hij voerde den schrikquot;
10
146
kelijken oor!og zoo menschlievend als in zijn vermogen -was; hij zou nooil hel leven zijner ondcrlioorigen roekeloos â wagen ; hij was dapper en onversaagd en betrachtte zijnen plicht tot het welzijn van zijn land. Hetzij hij overwon, hetzij hij overwonnen werd, steeds toonde hij beleid en moed. Die toonde hij bij gelegenheid van een tweedaagsch zeegevecht, dat in Augustus 1GGG voorviel. Toen voerde de Ruyter het opperbevel over het eene gedeelte van de vloot en Cornells Maartenszoon Tromp over het andere. Koordat de beide bevelhebbers elkander niet goed verstonden en Tromp de Ruyter niet hielp, werd de Uollandsche vloot door de Engel-schen geslagen; doch de Ruyter wist met zooveel beleid zijne schepen behouden uit het gevecht te brengen, dat -de Ruy-ters aftochtquot;, gelijk men het noemde, hem groeten roem aanbracht. De Engelsche vloot had echter gelegenheid op het eiland Terschelling te lauden, waar zij alles verbrandde en vernielde.
6. Het volgend jaar besloten de Staten-Generaal de Engei-schen op hun eigen gebied te bestoken. Het plan van den gedenkwaardigen tocht naar Chatham (zoo heet eene Engelsche stad aan de Teems, waar toen de Engelsche vloot lag) werd beraamd en ten uitvoer gebracht. Het beleid van dien tocht werd opgedragen aan Michiel de Ruyter als bevelhebber en aan Cornells de Witt, broeder van den raadpensionaris, als gevolmachtigde der Staten. De Nederlandsche schepen gingen er moedig op los, doch stuitten op groote moeie-lijkheden. De Engelschen hadden eenige oude schepen doen zinken en een ijzeren ketting door de rivier gespannen, om den Hollanders te beletten verder door te varen. De Hollanders wisten tusschen de gezonkene schepen heen te varen. De kapitein van Brakei tastte een groot Engelsch linieschip aan, dat er lag, om de gespannen keten te beschermen; hij veroverde dat schip en middelerwijl voer een ander Hol-landsch schip, onder den kapitein van Rijn, met zulk geweld tegen de keten aan, dat deze gebroken werd. Nagingen de Hollanders door en vernielden de Engelsche vloot ^
147
die daar lag; een groot oorlogsschip met 100 kanonnen, de Royal Charles geheelen, werd door hen yenomen en medeye-voerd.
7. De tocht naar Chatham en andere belangrijke verliezen deed de Engelschen naar den vrede verlangen. In liet vorige jaar had een verschrikkelijke brand een groot gede-ilte van de stad Londen in de asch gelegd; in hetzelfde j»ar had eene vreeselijke ziekte de inwoners dier stad geteisterd. Al deze rampen maakten de zoo trotsche Engelschen titans vredelievend. Ook de Nederlanders waren dal; -want ook zij hadden belangrijke verliezen op zee geleden; handel en nijver heid kwijnden door den oorlog en het land moest voorden krijg groote laslen opbrengen. Zoodoende verlangde een ieder naar den vrede, die dan ook in het jaar 166quot; te Breda gesloten -weid.
De tijd van den tweeden Engelschen oorlog was een tijd, waarin ons vaderland eene reeks van uitstekende mannen telde, die der republiek door hun versland en beleid eea grooten invloed op de gebeurtenissen van geheel Europa gaven. Behalve Jan de Wit, waren het van Bennuiyen en van Beverninyk: beiden groote staatslieden, die in de moeielijk-ste omstandigheden hun land bij vreemde vorsten gewichtige diensten bewezen. Zij voerden onderhandelingen met Frankrijk, met Engeland en andere rijken, die van het grootste belang voor ons land waren. Jan de Wit zelf was de voorname bewerker van een staatsstuk, dat ten doel had om in Holland voor altijd het stadhoudei schap af te schaffen. Dit werd het 'eeuwiy edilctquot; genoemd, omdat het van voortdurende kracht moest wezen. Doch dit was het niet, want in 1667 werd dat -eeuwig ediktquot; gemaakt en reeds vijl jaren later, in 1672, werd Willem lil algemeen als stadhouder erkend. Zoe ijdel is (in het tijdelijke) alles wat menscheu ⢠eeuwigquot; noemen!
8. Van zeer groot belang was ook de triple alliantie oi htt drievoudig verhond, dat in 1668 tusschen Engeland, Zweden en de republiek der Zeven Veteenigde Provinciën werd ge-
148
sloten en ten doel had om door de gezamenlijke macht dier drie staten pial en perk tè stellen aan de plannen van Lodewijk XIV. Deze Lodewijk XIV was koning van Frankrijk. In 16G8 was hij nog jong. üij was een zeer trotsch en heerschzuchtig vorst, die zijnen hoogmoed, welke hij de eer van zijn troon noemde, meer telde dan recht en plicht. Hij had zich gelieel en al laten verblinden door zucht naar roem en glorie. Deze wilde hij verwerven door een groot oorlogvoerder en overwinnaar te worden.
9. Lodewijk XIV was gehuwd met eene dochter van den koning van Spanje, Filips IV. Gelijk u bekend is, had Filips II de Zuidelijke Nederlanden aan Albert en Isabella afgestaan. Na den dood van deze, die geene kinderen hadden, werd België weder een deel van de Spaansche monarchie. De koning van Bel.'vë liet het bestieren door landvoogden. Maar men zou zich deerlijk vergissen, wanneer men dacht, dal die landen op zijn Spaansch geregeerd werden. Zij werden geheel en al geregeerd naar de oude wetten en gebruiken van die provinciën, even als de Noordelijke Provinciën dat gedaan w erden volgens hare wetten eu gebruiken. Het eenige onderscheid was dat de Noordelijke Nederlanden eigenlijk gezegd gelegeerd werden door den stadhouder en eenige regenten-familiéa; de Zuidelijke Provinciën door des konings landvoogd en dc afgevaardigden, die in de Provinciale Staten verschenen, welke ook bestonden uit personen van eenige weinige iamiüën. De Noordelijke Provinciën bloeiden vooral door handel en zeevaart; maar de Zuidelijke door fabriekwezen, land-houw en mijnwerken', want de Hollanders en Zeeuwen beletten wel, dat zij geen zeevaart konden uitoefenen.
10. Nu »!lde Lodewijk XIV, omdat zijne echtgenoote eene Spaansche prinses was, zich meester maken van de Zuidelijke Nederlanden. Dit was echter iets wat de Sialen-generaal zeer ongarrne zagen. Zij begrepen, dat de Spaansche koningen , wier macht steeds verminderd was , hun geen kwaad zoudun doen, maar dat, zoo Lodewijk XIV België veroverde, hij voor hen een zeer gevaarlijke buur zou wezen. Toen deze
149
koning nu de Zuidelijke Nederlanden veroveren wilde, wist Jan de Witt met Engeland en Zweden dat drievoudig verhond te weeg te brengen 9 om den Franschen koning te noodzaken van zijne veroveringsplannen af te zien. quot;ij moest dit dan ook doeu. Hij sloot vrede met den koning van Spanje door tusschenkomst van de mogendaeden van het drievoiulig verbond te Aken in 1668.
XXIX.
HET KAMPSPOEDIG JAAR 1672. â ONS LAND IN OORLOG
MET FRANKRIJK, ENGELAND, MUNSTER EN KEULEN.
1. Lodeipyk XIV kon het der republiek nooit vergeven, dat zij hem in zijne plannen gedwarsboomd lad. Dat drievoudig verbond toch was oorzaak geweest, dat hij de Zuidelijke Nederlanden niet kon veroveren. Hij besloot wraak te nemen. liij wist spoedig den zwakken Karei II, koning ran Engeland, over te halen om met hem gemeene zaak temaken. Ook wist bij den aartsbisschop van Keulen cn den bis-schop van Munster te overreden om te gelijk met hem den oorlog aan de republiek te verklaren. Deze beide bisschoppen waren tevens met hunne kerkelijke waardigheid ook wereld-sche vorsten. Hun gebied grensde aan dat der republiek. De bisschop van Munster had meer dan eene reden tot klachten tegen de regeering van ons land.
2. Toen Lode wijk XIF deze verbonden gesloten bad verklaarde bij in den aanvang ran het jaar 1672 dun Stalen-Genernal den oorlog. Dit jaar is zeker een dir gedenkwaardigste in de geheele geschiedenis van ons vaderland, nog nooit hadden wij in zulke gevaarlijke omstandigheden verkeerd. De Franschen trokken langs een omweg, doir het gebied van den aartsbisschop van Keulen, op naar de Nederlanden. Hun leger was meer dan 100,000 man steik. De Muuster-sche en Keulsr.he troepen, ten getale van 20,000 man, zouden in Gelderland en Ãverijsel vallen; de Engelsche sche-
150
pen zouden de Hollandfche kust besloken. Zoo werd het land van alle zijden'bedreigd !
3. Het leger en de vloot der republiek waren in ongim-stigen toestand. In het geheel hadden de Staten-Generaal 50.000 soldaten in hunnen dienst. Zoo dacht men: maar eigenlijk hadden zij niot meer dan de helft; want de administratie was in die tijden op verre na niet zoo nauwkeurig als thans, en de ollicieren pleegden veel bedrog door meer soldaten op le geven, dan zij onder hun bevel hadden, om zoodoende meer soldij te trekken. De regeering der republiek kon 171 het geheel maar 14,000 man in het veld brengen tegenover de 100,0(10 Fransehen. En die PVanschen werden aangevoerd door Cotidé, Turenne en Luxembourg, de drie grootst» veldheeren ran hunnen tijd.
4. De ISedcrlandsche vloot verkeerde in niet minder slechten staat. Zij was na den tweeden Engelschen oorlog, ter besparing van onkosten, tot op een derde verminderd. Want men had toen niet, gelijk thans, oorlogsschepen die ten allen tijde uitgerust waren. In tijd van oorlog huurde men groote koopvaardijschepen, of kocht die, en ontdeed zich er weder van. wanneer het vrede werd. Nu had de laatste Engelsche oorlog den staat verbazend veel gekost; daarom was men na den vrede aan het bezuinigen en afschaffen gegaan, wat thans echter duur te slaan kwam.
5. Terwijl de vijand dus den slecht voorbereiden staat bedreigde, hcerschte er binnen 's lands groote verdeeldheid. Gelijk gij u zult herinneren, was de staatsgezinde partij sinds de groote vergadering van 1631 aan de regeering. Zij had door liet eeuwig edikt het stadhouderschap vervallen verklaard; maar de prins van Oranje, Willem 111, was thans 21 jaren oud; zijne familie had zeer vele aanhangers en vrienden. Deze wilden, vooral nu het leger een opperbevelhebber noodig had, 3at men den prins de waardigheden zijner familie zou geven. De staatsgezinden wilden hiervan evenwel niets welen. Dit veroorzaakte geheel het land door veel verdeeldheid. Eindelijk werd er besloten, den prins voor
151
tiénen veldtocht kapitein-yeneraal der Unie (dat is opperhevel-hehber tan het leger) te maken. Wel raadden lievige Oranje-gezinden den prius aan, dit aanbod van de hand te wijzen, opdat, door nood gedrongen, men liem al zijne begeerten zou inwilligen ; doch hij sloeg dit af en aanvaarde het opperbevel over het leger, thans 22,000 man slerk, om den Franschen den inval in het laud te belelten.
6. Maar da Franschen trokken den Rijn over bij Lobilh; hier had een Geldcrsche boer hun eene doorwaadbare plaats in de rivier aangewezen. Nu kon het kleine leger des prinsen het groote leger van Lodewijk XIV niet meer tegenhouden. Dit 1 drong terstond door en was weldra meester van Utrecht. De schrik maakte zich van geheel het land meester, liet was alsof de vrees voor de Franschen alle geestkracht van de natie voor een oogenblik verlamd had; handel, bedrijf en nering Siondeu stil. liet volk scheen redeloos, de regeering radeloos, het land reddeloos. Lodewijk XIV liet door zijnen kapellaan de 11. Mis opdragen in den Dom. De Katholieken echter, ofschoon zij door de regeerende partij in de Zeven Provinciën onderdrukt werden, hielden zich stil en betoonden door niets, dat zij den vijand van hun vaderland met vreugde ontvingen. Zij zuclitten in stilte om de verdrukking hun aangedaan, maar zochten die niet door hulp van een vreemden vorst te doen eindigen.
7. De Staten-Generaal zonden nu afgevaardigden naar den Franschen koning, die zijn leger bij Zeist had opgeslagen. Zij vroegen om den vrede; maar de trotsche Lodewijk stelde voorwaarden, die niet konden aangenomen worden. Hij vorderde afstand vau geheel Noord-Brabant, behalve nog van eenige andere streken, en betaling van eene som van meer dan 7.000.000 gulden, terwijl bovendien de republiek dan nog alle jaren een gezantschap naar Frankrijk zou moeten zenden, om den koning voor zijne goedertierenheid te bedanken. De Engelschen wilden bovendien nog den afstand van Vlissingen, den Briel en Sluis eu betaling van twaalf mil-lioen gulden. Dan ook eischten beiden zaken, die zeer na-
152
deelig voor den Nedeilandschen handel -waren. De regeerders en het volk van Holland besloten liever het uiterste te vagen: de wanhoop gaf hun krachten, de oud-Holland-sche geestkracht ontwaakte weder; men besloot zich te ver-iedigen. Amsterdam zette al zijne omstreken onder water; alle steden versterkten hare muren en vesten: Holland besloot door het openlaten van zijne sluizen den Franschen het verder doordringen te beletten. De eene bood zijn eigen persoon aan, om in het leger te dienen, de andere zijn geld: ieder wilde doen wat hij kon en meer dan hij kon.
8. Gelijk wij wel meer hebben aangemerkt, was de kleine burgerij in de steden over het algemeen zeer oranjegezind. Nu het land in zulk een groot gevaar verkeerde, meende die burgerij, dat er alleen heil te verwaehten was, wanneer Willem Hl tot stadhouder werd uitgeroepen. Anderen gaven Jan de Witt de schuld van den grooten nood , waarin het VMoerhind verkeerde. Bijna alle steden begonnen eene beweging ter gunste van het stadhouderschap. Overal riep men ⢠Oranje hoven! '. De stedelijke regeeringen en ook de Staten van Holland begrepen, dat zij aan die begeerte der menigte moesten toegeven. Nu werd den 3° Juli 1G72 het eeuwig edikt herroepen en Willem ITT tot stadheuder verklaard. Dit geschiedde voornamelijk door den invloed van Amsterdam. Jan de Witt nam zijn ontslag als raadpensionaris van Holland.
9. Willem ITT is een der voornaamste mannen in de geschiedenis van ons land. Hij was ongeveer twee en twintig jaar oud, toen hem de hoogste waardigheid in de republiek werd opgedragen: en toch was hij reads voor die zware taak berekend. Hij was altijd zeer ijverig en naarstig geweest en had zich vooral op de wis- en krijgskunst toegelegd. Hij Mas van eene zeer zwakke gezondheid, aamborstig en in gedurige vrees voor gevaarlijk borstlijden; maar hij was zeer krachtig tan geest. In zijn dagelijksch leven was hij stug en onvriendelijk ; maar hij was zeor gchecht aan zijne vrienden. Hij was een groot staatsman; doch zijne beerschzucht verloor.
153
in gewichtige omstandigheden, eer en plicht uit het oog, gelijk wij later zullen hooren.
10. Maar het was velen niet genoeg, dat Willem III thans stadhouder was. Zeer velen droegen Jan de Witt en zijnen broeder Cornell's een hevigen haat toe. Zekeie Tichelaar, een man van een'zeer berispelijk karakter, ontzag zich niet eene valsche beschuldiging tegen Cornell's de Witt in te brengen, om dezen in het verderf te storten. Hij klaagde hem valschelijk aan van eeneu moordaanslag op den prins van Oranje beraamd te hebben. Dit kon wel is waar niet bewezen worden; maar partijdige rechters lieten Cornell's de Witt toch op de pijnbank brengen en toen in de gevangenis terugvoeren. Door eenige personen opgeruid . wist nu een woeste hoop de gevangenis in te breken. Middelerwijl hadden anderen door eene valsche boodschap den vroegeren raadpensionaris bij zijnen broeder ontboden. Dit was gedaan met de bedoeling om hem in de handen van zijne moordenaars te leveren. Doze noeste volkshevde vielen op de heide broeder* aan, mishandelde hen vreeselijk, sleepte hen naar het zoogenaamde ^groene zoodjequot;, de plaats waar het schavot stond, en verwoordde hen daar. De beide lijken werden op eene wijze mishandeld en verminkt, die aan een beschaafd volk tot schande strekte.
Zoo stierf Jan de Wilt. een der grootste mannen van zijne eeuw en van ons vaderland. Hij had het inderdaad niet verdiend, door zijne landgenooten zoo behandeld te worden; maar hij had den haat van velen op zich gebaald o. a. ook, door dat hij weigerde genade te verwerven voor personen» die het op zijn leven of gezag hadden toegelegd.
11. De moord van de gebroeders de Wilt is eene zwarte vle!: op onze gescliledenis; maar de edele Mirhiel de Jtnyter zorgde, dat de roem en eer van zijn vaderland niet verloren gingen. Hij had tot twee teeren toe een herig gerecht aan de Engelschen geleverd: den eersten keer bij Sulehaay aan de Eng elsrhe lust; den tweeden keer hij Kijldirin, viet ver van den Helder% Beide keeren was hij als overwinnaar uit het ge-
154
vecht teruggekeerd. Poor liet tweede gevecht belette hij de landing, welke de Eugelsche vloot voorneineas was op de Hollandsche kusten Ie doen. Deze beide overwinningen, ter zee behaald, deden den moed van de Nederlanders niet weinig klimmen. Door het onder-water-zetlen van een groot gedeelte des lands konden de Fransche troepen niet verder in Holland doordringen.
12. Niet minder heuglijk was het, dal de MunsterscVie soldaten , die Groningtn belegerden, voor die stad het hoofd stieten en terug moesten trekken. De bisschop van Munster, Bernard van Galen, had een leger van 20,000 inan algezonden, om de stad te belegeren; deze werd slechts verdedigd door 2,000 soldaten, onder een dapperen bevelhebber, Ra-benhaupt geheeten. Zoo het den Munsterschen gelukte Groningen in te nemen, konden zij rekenen spoedig meester te zijn van de beide provinciën Friesland en Groningen; maar de stad werd manmoedig verdedigd. De bezelting werd bijgestaan door de studenten, en de burgerij en wist zeer goed den vijand weerstand te bieden. Acht weken lany verdedigde zich de stad, totdat het Munstersche leger aftrok. Nog jaarlijks wordt de herinnering aan Groningens verlossing in de stad gevierd.
13. Dit alles geschiedde in het jaar 1672. Dit jaar was be. gonnen onder vooruitzichten, dat de republiek der Zeven Provinciën voor hare talrijke vijanden zou bezwijken. Lode-wijk XIV had gedacht, met zijne groote veldheeren en machtige legers ons land gemakkelijk te zullen veroveren, maar dit was hem niet gelukt. Wel waren onze voorvaderen een oogenblik door schrik verbijsterd; doch welhaast valleden zij weder moed; allen sloegen de handen aan het werk; ieder deed wat hij kon doen. Zoo geschiedde bet, dat, eer het jaar ten einde was, het grootste gevaar reeds was geweken, bodewijk XIV was naar Frankrijk teruggekeerd.
155
XXX.
DE VREDE VAN NIJMEGEN 1678. â VELE FRANSCHE HERVOiiMDEN VLUCHTEN NAAR ONS LAND 1685.
1. De zucht lol veroveringen van Lodewijk XIV was oorzaak, dal de meeste vorsten van Europa liein met wautrou-â wen gadesloegen. Zij vreesden, dat, zoo hij eeBinaal de Nederlanden had veroverd, hij nog heerschzuchtiger zou nor-den. Daarom waren zij zeer geneigd, hem in zijne overwinningen te stuiten. Het waren vooral de Duitsche keizer, de koning van Spanje en de keurvorst van Brandenburg, die later koning van Pruisen werd, welke voor Lodewijk XIV bevreesd waren. Deze vorsten besloten hein te voorkomen in zijne veroveringen eu de republiek te helpen. Zij sloten dan een verbond met ons vaderland, hetgeen eene andere wending aan den oorlog gaf.
2. Willem III beproefde nu, in den winter van 1672 op 1673, of hij zich ook van Charleroi in Henegouwen kon mees-ter maken. Deze stad was het voorname punt, waardoor de Fransche legers in gemeenschap met hun land stonden. Nu gelukte Willems plan wel niet; maar reeds de poging daartoe maakte de Franschen behoedzamer. Zij begrepen dat dergelijke onderneming, een andermaal ondernomen, kon gelukken. Middelerwijl was de Fransche veldheer, toen de rivieren bevroren waren. Holland binnengelrokken; maar de onverwacht opgekomen dooi maakte het hem uiterst gevaarlijk. Hij moest terugtrekken. Dit zou hem niet gelukt zijn, indien een paar officieren in dienst der Slaten-Geue-raal, goed op den hun toevertrouwden post gepast hadden. Zoo deze hunnen plicht gedaan hadden, zou de Fransche veldheer met geheel zijn leger gevangen genomen zijn ; maar nu wist hij te ontsnappen. De Franschen moesten evenwel in 1673 ons land ontruimen.
3. Een ander geluk voor de Nederlanders was, dat het Engelsche volk zeer ontevreden was over den oorlog, dien
156
hun koning, als bondgenoot Tan Frankrijk, voerde: want de Engelschen -waren nog jaloerscher op de Franschen dan op de Hollanders. Deze afkeer der Engelschen van den oorlog noodzaakte Karei III in 1674 met de republiek vrede te sluiten. Ook kwam dat jaar de vrede met Munster en heulen tot stand. Derhalve hadden de Stalen-Generaal thans Spanje en Duitschland tot bondgenoolen tegen de Franschen, die alleen nog met Zweden in bondgenootschap â wsiren.
4. De oorlog nam nu een geheel ander karakter aan, want zij werd niet meer geroerd op Nederlandsehen grond, maar voornamelijk in België. Dat land had het ongelukkige voorrecht, het gewone ooilogstooneel in de zeventiende eeuw te zijn. Dit is daaraan toe te schrijven, dat de Fransche koningen steeds eene onrechtmatige begeerte koesterden om dat land te veroveren: zoodat zij telkens met de vorsten van de Zuidelijke Nederlanden in oorlog waren. Dit en de omstandigheid dat de Hollanders, uit jaloezie op den handel van Antwerpen, alle zeevaart voor de Zuidelijke Nederlanden onmogelijk maakten, is de reden geweest waarom die gewesten niet zoo bloeiden als de Noordelijke Nederlanden of de Zeven Vereeni^de Provinciën.
5. Gij zult u misschien berinneren, dat Filips II, koning van Spanje, ook koning van Napels en Sicilië was. De kroon van deze landen was dan ook op zijne nazaten overgegaan. Nu geraakten in 1675 de inwoners der stad Messina op Sicilië in opstand tegen den koning van Spanje. De Franschen kwamen terstond met soldaten en schepen de opstandelingen helpen. Pe koning van Spanje, die op verre na niet zoo machtig meer was als zijne voorgangers, verzocht aan de Stalen-Generaal om hulp. Deze zonden hem die, omdat hij hun bondgenoot was. Michiel de Ruyter kreeg bevel om met eene riool vaar de Miihlellandsche zee te gaan tot hulp van de Spanjaarden. De vloot, waarmede de Huyter de zee instak, wa? niet zoo goed uitgerust als hij wel wenschte ; â¢want de ontzaggelijke onkosten van dien oorlog liepen zelfs te hoog voor het rijke Holland. Evenwel aarzelde de dappere
157
man niet om aan den last van zijne overheid te gehoorzamen. Deze zeeloclit zou echter de laatsten van den grooten zeeheld wezen. Hij geraaide in 1676, niet ver van Syracuse, op het eiland Sicilië, in een gevecht met de Fransche vloot. Hij behaalde de overwinning, maar werd doodelijk gewond; een kogel nam hem zijne heide beenen weg, waardoor hij acht dagen later bezweek, llij was negen-en-zes lig jareu oud. De Staten-Generaal richtten voor hem een schoon praalgraf op in de Nieuwe Kerk te Amsterdam. Hij wordt te recht gerekend onder de grootste mannen van ons land ; want ofschoon een man van deu oorlog, beminde hij de rechtvaardigheid; hij bleef zedig en nederig en voelde den oorlog, omdat zijn plicht het hem gebood, doch niet uit heerschzucht.
6. Wij zullen n niet over de verschillende gevechten, welke in die jaren gevoerd werden, onderhouden. Prins Willem III gedroeg zich als een dapper veldheer en een groot staatsman', maar hij behaalde weinige overwinningen, daar de Franscheu steeds groote legers en uitmuutende veldheeren hadden.
De oorlog tusschen Frankrijk en de republiek der Zeven Vereenigde Provinciën heeft geduurd van 1672 tot 1678. In het laatste jaar werd de vrede tusschen deze heide landen te Nijmegen gesloten. Dit wekte groot misnoegen op bij de bond-genooten van ons land. Immers de keizer van Duitschland en de koning van Spanje hadden zich gewaagd in een oorlog met den machtigen Franschen koning, om onzen staat te helpen. En nu sloot deze eenen afzonderlijken vrede, terwijl hij de beide bondgenODten in deu steek liet; maar onze voorouders waren te verontschuldigen. De oorlog had hun onnoemlijke schatten gekost,. In de vijfjaren, van 1673 tot 1678, had de provincie lloüand allééu vijf-en-dertig millioen gulden aan oorlogskosten betaald: behalve de gewone belastingen. Dit was op den duur niet te dragen. Daarbij kwam, dat de Hollanders een aanzienlijken handel op Frankrijk dreven, die door den oorlog geheel en al stilstond. Velen verlangden daarom naar den vrede en wisten eindelijk door
158
te drijven, dat die gesloten werd. Dit was vooral liet -werk van de staatsgezinde partij, welke in den regel met Frankrijk op een goeden voet wilde blijven.
7. Nu moeien wij uwe aandacht vestigen op iets, wat in Frankrijk geschiedde, doch een grooten invloed op ons vaderland uitoefende. Wij bedoelen de herroeping van het edikt van Nantes.
Zooals u bekend zal zijn, belijdt verreweg het grootste deel van het Franscbe volk den Roomscb-Katholieken godsdienst. In de tweede helft der zestiende eeuw hadden echter in Frankrijk hevige godsdienstoorlogen plaats gehad,-want de Hugenoten (zoo noemde men daar de Hervormden) wilden zich meester maken van de heerschappij. Eindelijk had koning Hendrik IV een einde aan die godsdienstoorlogen gemaakt. De Roomsch-Katholieke godsdienst werd als de heer-tchende godsdienst erkend; doch aan de Hervormden werden zeer ruime vrijheden toegestaan. Het koninklijk besluit, waarbij die vrijheden bevestigd werden, ontving den naam van het edikt van Nantes, naar de stad Nantes, waar het werd uitgevaardigd. Spoedig evenwel geraakten de Hervormden weder in opstand tegen de koningen, en deze wensciiten hunne rechten in te krimpen.
Nu moet men wel in aanmerking nemen, dat in de eeuw, waarin Lode wijk XIV leefde, in verscheidene landen velen om den godsdienst onderdrukt en vervolgd werden. In het protestantsche Engeland werden, eenige jaren voor de herroeping van het edikt van Nantes, de afgescheidene Protestanten door de beerschende protestantsche Kerk gruwzaam behandeld. De Katholieken werden nog erger vervolgd, want op het lezen van de II. Mis door eenen priester werd de doodstraf gesteld. In Duitschland mocht geen Katholiek leven in een Luthersch land , maar bij moest het verlaten; zoo ook gedoogden de katholieke vorsten geene Protestanten in hun land.
8. Lodewijk XIV wilde in Frankrijk builen den katholieken godsdienst geene andere gedoogen. Daarom gebood hij, dat
159
de Hervormden hunnen godsdienst moesten vaarwel zeggen. Duizenden gehoorzaamden, maar ook duizenden deden dit niet. Nu werden deze laalsten zeer onreglvaardig vervolgd. De Paus (op dat oogenblik Innocentius XI) ried den Fran-schen koning billijkheid en gematigdheid jegens zijne hervormde onderdanen aan; maar de trotsche koning volgde zijne eigene inzichten. Duizenden en duizenden Protestanten verlieten Frankrijk. Zeer velen kwamen zich vestigen in ons land. Hier werden zij door hunne geloofsgenooten â welwillend ontvangen. Tegelijker tijd begonnen de predikanten van den kansel uit te varen tegen de Katholieken, die in de Zeven Provinciën waren, en vorderden, dat de regeering, om de vervolging der Fransche Hervormden, thans ook de Nederlandsche Katholieken zou vervolgen. Bij zeer velen bestond wel de lust tot dergelijke vervolging: maar het ging toch niet aan, om twee vijlde gedeelten der bevolking met geweld te bekeeren , of al deze menschen te noodzaken het land te verliten. Ook waren zeer velen in ons land wars van dergelijke geloofsvervolgingen, die door heethoofden werden begeerd.
9. Die Fransche Hervormden vestigden zich alom in om land, voornamelijk echter in de groote steden. Daar stichtten zij kerken, in welke in de Fransche taal gepredikt -werd: men noemde deze de Waalsche gemeenten. Zij bestaan nog in eenige steden van ons land. Die Fransche vluchtelingen brachten hunne nijverheid met zich. Verscheidene takken van bestaan dankten aan hen hun begin in ons land; onder anderen de zijdeweverij, die later evenwel weder is te niet gegaan. Anderen hrachten hunne handelsbetrekkingen mede; sommige groole handelshuizen te Amsterdam, wier firma nog bestaat, zijn door Fransche vluchtelingen gevestigd geworden. Ook zult gij hier en daar familiën aantreffen, die thans geheel en al Nederlanders zijn, doch wier familienaam Fransch is. Verreweg de meesten dezer stammen af van Fransche vluchtelingen, die na 1685 zich in ons land zijn komen vestigen.
'
( 160
10. Deze vluchtelingen brachten ons vaderland vele dadelijke voordeelen aan door hunnen handel en nijverheid, maar zij berokkenden ook vele nadeelea. Zij waren en bleven Franschen; de llollandsche def'liglieid beviel bun niet. In hunne Fransche lichtvaardigheid vonden zij den ernst onzer voorvaderen stijf en plomp. Zij -wilden hen beschaven, gelijk zij dat noemden. Nu is het maar ai te zeer tene zucht van ons, Nederlanders, dal wij te veel andere volken willen navolgen ! Zijn er ook nu nog niet zeer velen dwaas genoeg, hunue eigene moedertaal niet schoon genoeg te vinden, ofschoon zij veel schooner taal is dan het Fransch ! Zijn er nu nog niet velen, die liever gebroken Fransche woorden gebruiken dan goede Nederlandsche! Ziju er nu nog niet velen, die alles, wat uil Frankrijk komt, mooi vinden, al is hel nog zoo leelljk! Welnu, in de zeventiende eeuw vervielen onze voorouders in dalzellde gebrek! Zij lieten zich door de Fransche vluchtelingen verleiden tot navolging van Fransche manieren en Fransche begrippen. Dit oefende een verkeerden invloed uit op het degelijke Nederlandsche volkskarakter, waarvan de gevolgen laler zichtbaar werden.
11. Het is niet reclit te bepalen, hoevele Fransche vluchtelingen zich wel in ons land hebben nedergezet; maar zij zijn duizenden in gelal geweest. Zij vermeerderden hel aantal Hervormden in ons land. Honderd jaar vroeger, in 1585, waren ook duizenden en duizenden Hervormden uit Vlaanderen en Brabant naar Holland gekomen. Zoodoende werd het getal Hervormden in die provincie sterk vermeerderd en bijgevolg dat der Katholieken betrekkelijk verminderd. Toch is het waar, dat de katholieke Nederlanders altijd een allerbelangrijkst deel van de bevolking des lands hebben blijven uitmaken en nog wel van de oorspronkelijke.
161
XXXI.
WILLEM IIÃ WORDÃ KONING VAN ENGELAND 1689.
1. Ons vadei land werd eerlang wederom in een langduri-gen en kostbaren oorlog gesleept. Dit geschiedde meer ter â wille van Willem III dan wel in liet belang des lands. Evenals wij zoo even over Frankrijk hebben moeten spreken, om ii de gebeurtenissen in ons land duidelijk te maken, zoo moeten wij dit thans uver Engeland doen.
In dat land regeerde thans Jacob 11, broeder van Karei 11. Nu moet gij weten, dat in Engeland een koning op verre na niet alles zoo maar op eigen gezag kon doen als in Frankrijk. De koning van Engeland moest in alle gewichtige zaken handelen in overleg met zijn parlement, dat is; met de aanzienlijken des lands en de vertegenwoordigers der natie. Gedurende den geheelen loop der zeventiende eeuw hadden er dikwijls geschillen plaats gehad tusschen den koning en dat parlement. Die geschillen liepen over het gezag en de rechten, welke ieder van hen toekwamen. En men zou u eene zeer verkeerde voorstelling van den gang der zaken geven, wanneer men zeide, óf dat altijd de koning, of dat altijd het parlement gelijk had. Jacob II was zeer stijf hoofdig en dikwijls zeer onverstandig; liet parlement was zeer eigenzinnig en bevreesd, dat de koning zich al te veel zou aanmatigen. Maar er kwam meer bij. Jacob II had den katholieken godsdienst omhelsd : nu was er eene dweepzieke part ij, die hem daarom vinnig haatte en hem van den troon wilde stouten. Jacob II wist dit en was daardoor zeer wantrouwend geworden; hij dacht, dat hij door toe te geven zich zeiven in gevaar bracht. Ook wilde de koning zijnen katholiekea geloofsgeuooten vrijheid van godsdienst geven, en dit wekte hevige verbittering bij velen op, die der katholieke Kerk een onverzoenlijken haat toedroegen. Zij wisten het te doen voorkomen, alsof Jacob II de protestantsche Kerk van kuil
162
geland wilde vernietigen. Dit wilde de koning nu wel niet, maar hij gedroeg zich zeer onvoorzichtig en onverstandig; ook handelde hij dikwijls zeer willekeurig. Hij liet zich be-driegen door den schijn van valsche personen, die zich noemden bekeerd te zijn, doch van den godsdienst een spel maakten. De Paus ried den koning dan ook aan, zich niet op zulk eene wijze te gedragen, doch Jacob 11 hoorde niet naar dien wijzen raad. -
2. Nu troostte zich de meerderheid van het Engelsche volk, die prolestaotsch was, dat, zoo Jacob II eenmaal stierf, zijne opvolgster weder eene protestantsche vorstin zou zijn. Ru die opvolgster was de oudste dochter van Jacob II, Maria, de echtgenoote van Willem III. Iloe groot was derhalve hare teleurstelling, toen de tweede vrouw van Jacob II in 1G87 van eenen zoon beviel. Nu besloten de vijanden des konings middelen le beramen om hem van den troon te berooven. Zij strooiden den laster uit, dat de jonggeboren zoon van Jacob II het kind van een ander was, maar dat men zeide, dat het van den koning was, om de gemalin van Willem III van de erfopvolging te berooven. Eenigeli van des konings bitterste vijanden, waaronder de protestantsche bisschop Burnet, beraamden nu met Willem 111, hoe zij koning Jacob II van den troon zouden stooten. De verkeerdheden en onvoorzichtigheden van Jacob II maakten hun dit gemakkelijk. Ook werd het hun gemakkelijk gemaakt door verraders, die den koning van Engeland om zich had en die met Willem III in verstandhouding stonden.
3. De prins-van Oranje wist in stilte alles gereed te maken en met aanzienlijke mannen des lands te overleggen. Hij maakte een leger van 14,000 man en eene vloot gereed, en stak, vergezeld van eenige aanzienlijke Engelschen, over naar Engeland in November 16G8. Toen Willem III op de Engelsche kust geland was, liepen velen naar hem over; zeer velen verraadden den koning en deze gedroeg zich zeer onbekwaam. Het gevolg hiervan was, dat Jacob II weldra naar Frankrijk moest vluchten en Willem III en zijne gemalin
163
Maria tot leaning en koningin van Engeland werden uitgeroepen in 1689.
4. Willem [II had evenwel met groote moeielijkheden te kampen. De leren bleven hunnen wettigen loning getrouw ; daarom ging Willem hen bevechten, en hij behaalde de overwinning in eenen veldslag op zijnen schoonvader, koning Jacob II. Daarop onderwierp hij geheel Ierland. Hij gaf dat land eene wetgeving, die eene der onrechtvaardigste is, welke ooit bestaan hebben. De geheele wetgeving was er op ingericht om het katholieke volk van Ierland arm, onwetend en rampzalig te maken. Eerst in onze dagen is men begonnen, dat onrecht te herstellen. Nog noemen zich de personen, die in Ierland de oude onderdrukking der Katholieken willen behouden. Orangisten! Gelukkig dat men dien naam niet behoeft toe te passen op de vijanden der katholieke Kerk in ons vaderland! Immers hier is ons koninklijk huis van Oranje steeds bereid om alle onderdanen, van welken godsdienst ook, even rechtvaardig te behandelen.
3. De daad van Willem lil en zijne gemalin Maria kan nooit verschoond worden. Men moet in de geschiedenis de zaken niet beoordeelen naar de belangen van partijen, maar naar de wetten Gods! En God zelf heeft gezegd: «Eert uwen vader en uwe moeder, opdat gij lang moogt leven op aarde!quot; En tegen die wet Gods hebben Willem UI en Maria zwaar gezondigd! Al zouden honderd duizenden zeggen, dat zij wèl gedaan hebben; zij hebben het niet gedaan! Al had ieder ook recht gehad tegen koning Jacob II op te staan (wat op verre na het geval niet was), zijne eigene kinderen hadden het niet mogen doen! â Er is dan ook voor hen geen zegen op geweest. Willem III en Maria hebben den onrechtvaardig veroverden troon niet aan hunne kinderen kunnen nalaten, want God heeft hen niet met nageslacht gezegend. Maria heeft er weinig genot van gehad, want zij is, nog jong, acht jaren later gestorven. Aan Willem lil heelt de kroon van Engeland slechts verdriet en zorg gegeven. En Anna, de zuster van Maria, die na haar koningin werd, die toege-
164
slenid had in de vervolging van haren vader, heeft al hare kinderen voor zich ten grave zien d-Jeti. En de kroon is niot overgegaan in hun geslacht!
6. De overweldiging van den Engelschen troon door Willem 111 veroorzaak le eenen oorlog in Europa, die negen jaren heeft geduurd. (1689â1697). Lodewijk XIV was een bondgenoot van Jacob 11. Doordat Engeland zich niet tegen hem te weer stelde, zoolang Jacob koning was, had Lodewijk op het vasteland ruim spel. Thans was eveuwel alles veranderd, waut Willem III was een hevige vijand van den koning van Frankrijk. Hij wist al zeer spoedig Brittannië en de republiek der Zeven Vereenigde Provinciën in den oorlog tegen Lodewijk te wikkelen. Deze had dien weder uitgelokt door zijne geweldenarijen tegen het Duitsche rijk. Willem 111 werd opperbevelhebber van het Engelsclie en Duitsche leger, dat in de Zuidelijke Nederlanden tegen de Franschen streed. Hij was aan het hoofd der legers van de hondgenooten, die in 1690 bij Fleurus, in 1692 bij Steenkerken en iu 1693 bij Neerwinden tegen de Franschen slag leverden. Over het algemeen was hij gelukkiger in zijne onderhandelingen dan in zijne veldslagen. Eene der belangrijkste gebeurtenissen van den geheelen oorlog was het beleg van Namen. Het welslagen biervan was vooial te danken aan den Nederlandschen vestingbouwkundige Coehoorn. In 1690 leed de vereenigde En-gelsche en Hollandsche vloot eene nederlaag, niet ver van Bevesier aan de Engehche kust. De Nederlanders weerden zich zeer dapper; doch de Engelsche admiraal Torrington liet hen in den steek. Willem 111 was hierover zeer vergramd; maar de Engelschen verdedigden hunnen landgenoot. Zoodoende werd de naijver, die tusschen het scheepsvolk der beide natiën bestond, eer vermeerderd dan verminderd. Dit belette niet, dat zij twee jaren later, bij kaap La Hogue aan de Fransche kitst, gezamenlijk zeer dapper streden en eene glansrijke overwinning op de Fransche zeemacht behaalden.
7. De oorlog, die in 1689 begonnen was, eindigde in 1697 met den vrede van Rijswijk. Lodewijk XIV erkende daarbij
165
Willem III als koning van Engeland. Maar al zeer spoedig deden zich weder nieuwe oorzaken tot eenen algemeenen oorlog op. De heerschzncht van verschillende vorsten maakte inderdaad Europa tot een oorlogsveld. Al die oorlogen berokkenden rustigen, vreedzamen burgers vele rampen , om denkbeeldige rampen te voorkomen. Want de groote zaak, waarom er zoovele millioenen schats en zoovele duizenden menschenlevens opgeofferd werden , was het Europees cite even. wicht! Dit beteekent, dat de eene vorst niet al te machtig werd, zoodat hij aan anderen te veel de wet zou kunnen voorschrijven. Dit Earopeesche evenwicht was dan ook de oorzaak van den oorlog over de opvoltjing van den Spaansehen troon of van den Spaansehen successieoorlog, gelijk men dien oorlog noemde, welke in 1702 begon en elf jaren duurde, gelijk wij spoedig zullen hooien.
8. Willem 111 zag slechts het begin van dien oorlog, want hij stierf in 1702. Hij was altijd van eene zeer zwakke gezondheid geweest, doch zijn sterke geest maakte, dat hij verbazend vele moeiten kon trotseeren. Zijne zwakke borst deed evenwel de vrees koesteren, dat hij niet oud zou worden. Zijn dood werd verhaast door eenen val van het paard. Dit dier struikelde over eenen molshoop. Vandaar dat de vijanden van Willem 111 in Engeland later (wat niel zeer edel was) soms eene gezondheid dronken op den kleinen heer in zwart fluweel. Dit beteekende den mol, die de oorzaak geweest was van den dood van Willem 111. Hij stierf juist, toen hij zich gereed maakte om den veldtocht tegen de Kranschen te beginnen.
9. Willem 111 is een der grootste mannen in de geschiedenis van ons land; dat wil zeggen, een van diegenen, welke den grootsteu naam gehad hebben en den grootsten invloed hebben uitgeoefend op de gebeurtenissen van hunnen tijd. Maar die mannen zijn niet altijd de edelste en deugdzaamste! lu ons land is het IVillem III gelukt eene macht te verkrij* gen, greater dan ooit een stadhouder vóór hem bezeten had. Hij gebruikte die macht om ons vaderland mede te sleepen
166
in den oorlog tegen Lodewijk XIV. Hij zette ook in de verschillende provinciën, waarvan hij stadhouder was, alles naar zijne hand. Eu hij bekommerde zich weinig om de voorrechten van de steden, wanneer die voorrechten voor hem een hinderpaal waren. Hij was dan over het algemeen ook veel meer in ons land gevreesd dan bemind. Men zeide dikwijls, dat hij zich gedroeg als koning van Holland en als stadhouder van Engeland. Dit wilde zeggen, dat hij zich in de Republiek eene koninklijke macht aanmatigde, maar in Engeland zijne macht liet beperken.
10. liet is waar ook, dat de Engelschen hem in zijne macht als koning zeer beperkten. Zij zagen met wantrouwen op hem neder. Zij wilden niet eens nebben, dat hij zijne vrienden te zeer begunstigde of hun invloed schonk. Want Willem III was een warm vriend, en hij poogde zijne Neder-landsche vrienden in Engeland tot machtige mannen te maken. Een zeer aanzienlijk Engelsch geslacht, de graven van Portland, stammen af van den baron lieutinck. den vriend van Willem III. De Engelsche grooten en het Engelsche parlement maaktea het den koning zeer moeielijk, vooral omdat hij een vreemdeling was. Daarentegen kon Willem III zijne eigene landgenooten bij de Engelschen weinig bevoordeelen. De gehate navigatie-akte, die zooveel nadeel aan den Hol-laudschen handel deed, kon hij niet eens afgeschaft krijgen. Zoo hadden de Nederlanders er geen voordeel en groote rnoeie-lijkheden van, dat hun stadhouder koning van Engeland, Schotland en Ierland was geworden.
11. Met Willem III stierf de laatste mannelijke afstammeling van Willem I, prins van Oranje. Jan Willem Friso, een neef van Willem III van vrouwelijken kant, afstammeling van Jan, broeder van Willem 1, was stadhouder van Friesland en Groningen en werd door Willem III tot zijnen erfgenaam gemaakt.
XXXII.
1G7
SPAANSCUE SUCCESSIE-OORLOG 1702â1713,
VREDE VAN UTRECHT 1713.
1. Ons vaderland werd nu al weder in etmeii oorlog getrokken, die elf jaren duurde en in 1713 door den vrede van Utrecht eindigde. Het was de oorlog over de Spaansche erfopvolging. Wij hebben u zoo even verhaald, dat die oorlog gevoerd -werd om te bewaren, wat raen het gt; Europeesche evenwichtquot; noemde. Karei II, koning van Spanje, was gestorven , zonder zonen of broeders ua te laten. iV« was de honing van Spanje tegelijkertijd koning van Napels, Sicilië en het eiland Sardinië, hertog van Milaan en vorst der Zindelijke Nederlanden. Daarenboven was de koning van Spanje heer van zulke uitgebreide bezittingen in Amerika en in Azië, dat meu gewoon was te zeggen: gt;de zon gaat nooit onder in het rijk van den koning van Spanje.quot;
2. De naaste erfgenamen tan den overleden koning Karei II waren de keizer van het Duitsche rijk en de koning van , Frankrijk, Lodewijk XIV, benevens de hertog van Beyeren. Nog bij het leven van Karei II waren tussohen Lodewijk XIV , Willem 111 en andere mogendheden Echikkingen getroffen om de staten van den Spaanschen koning te verdoelen. Ware deze beschikking behouden gebleven, zij zou misschen een vreeselijken oorlog bespaard hebben; doch Karei II maakte, eer hij kwam te overlijden, een testament. Hierbij benoemde hij den hertog van Anjou, kleinzoon van Lodewijk XIV, tot erfgenaam der Spaansche monarchie. Lodewijk XIV nam de erfenis voor zijnen kleinzoon aan. De Spanjaarden erkenden dezen als hunnen koning; want, hoewel alle die afgelegene staten in Italië en de Nederlanden dc macht van den Spaanschen koning eer verzwakten dan versterkten en hem in voortdurende oorlogen wikkelden, zoo konden de Spanjaarden toch geene verdeeling gedoogen. Zij meenden, dat zoo iets tegen de eer der natie streed.
168
3. Willem III beleefde nog de toebereidselen tot den oorlog, die gevoerd zou worden, om Lodewijk XIV te dwingen afstand voor zijnen kleinzoon te doen. Hij stierf echter in 1702 eer de veldtocht begon. In de Nedertandsche republiek volgde hem geen stadhouder op, gelijk wij straks zullen hoo-ren; in Groot-Brittaunië en Ierland werd bij opgevolgd door Anna. de zusier zijner overledene gemalin Maria. Ofschoon Willem 111 gestorven was, bleef ecbter alles als hij omtrent den oorlog tegen Frankrijk had vastgesteld. Want de drie mannen, welke voornamelijk dien oorlog leidden, handelden geheel en al in ziinen geest. Die drie mannen waren: de hertog van Marlborough, veldheer van bet Engelscbe leger; prins Eugenius. opperbevelhebber van het leger des Duit-scben keizers, en Heinsius, raadpensionaris van Holland. Deze drie mannen handelden steeds zeer eensgezind in alles wat ondernomen werd.
4. De hertog van Mfnlhorough was een van de grootste veldheeren zijner eeuw; hij bebeerschte gebeel en al de zwakke koningin van Engeland , Anna. Overigens was hij een man van een zeer berispelijk karakter, die zich vroeger vrij ondankbaar jegens zijnen meester, Jacob II, bad gedragen. Prins Eugenius was een vorst uit bet geslacht der hertogen van Savoye, die in dienst des üuitschen keizers was getreden: hij was een even groot veldheer als Marlborough, maar vnn een veel edeler karakter. De raadpensionaris Heinsius bad reeds het vertrouwen van Willem III genoten; hij was een man van uitstekende bekwaamheden; hij wist na den dood van den stadhouder de Sta ten-Generaal te bewegen om voort te gaan met deel te nemen aan den oorlog tegen de Franschen: een voornaam gedeelte van de leiding van den krijg werd aan hem overgelaten.
5. Ons vaderland toch had een groot gedeelte van de lasten daarvan te torscben. De republiek der Zeven Vereenigde Provinciën bracht een machtig leger in het veld, meest uit huurtroepen bestaande, dat naar België trok. om daar den krijg te voeren. Dat leger werd vergezeld van gedeputeerden te velde.
109
gelijk men bet noemde, dat is: van personen, door de Staten-Generaal daartoe aangewezen, die in alles de Republiek vertegenwoordigden en in haren naam handelden, liet geschiedde echter vaak, dat die gedeputeerden te velde de krijgsbewegingen eerder bemoeielijkten dan bevorderden, doordat zij zich te veel mengden in raken, waarvan zij geen versland hadden. Gedurende den Spaanscben erlopvolgingsoorlog was dit evenwel minder het geval; in de krijgstochten, waarbij Willem IH opperbevelhebber was, in het geheel niet. Want Willem MI beheerschte de Staten-Generaal. zoodat de gevol-macbligden van deze weinig le zeggen hadden.
Wij zullen u niet al de veldslagen noemen, die gedurende dezen elfjarigen oorlog geleverd werden. In Spanje, in Italië, in Ouitscbland, in België, in Amerika, op den Oceaan werd gestreden. Ontzaglijk groot is bet getal menschen, wier leven werd opgeofferd, om te beslissen, wie koning van Spanje zou worden: een kleinzoon van den koning van Frankrijk, of een zoon van den Duitschen keizer. Men mag echter niet vergeten, dat oorlogen vaak alleen de uiterlijke openbaring zijn van diep liggende en met geheel liet maatschappelijk leven verwikkelde oorzaken.
9. Onder de vreeselijkste veldslagen van den Spaanscben erf-opvolgingsoorlog behooren die bij Oudenaarde in 1708 en die bij Malplaquet in Henegouwen in 1709. Bij deze twee voerde de hertog van. Marlborough bet opperbevel en was de stadhouder van Friesland, Jan fFillem Friso, tegenwoordig: bij Malplaquet allééu verloor het Nederlandsche leger 10,000 man. De Franschen leden bij deze gelegenheden de nederlaag.
10. In 1704 hielp de Nederlancïsche vloot de Engelschen de sterke vesting Gibraltar veroveren, welke deze voor zich zeiven behielden. Reeds in 1702 hadden de Nederlanders, onder den admiraal Almonde, de Engelschen geholpen in het vernielen van eene Fransche vloot en een aantal Spaansche koopvaarders in de baai van Vigos. Ook dit baatte slechts den Engelschen; want alleen de mededinging van de Franschen betwistte hun nog de heerschappij ter zee. Hoe meer
170
de Fransche vloten vernield werden, des te meer werden de Engelscben machtig ter zee, des te meer vierden zij later voor de Nederlanders geducht.
11. Gedurende dezen oorlog leed ons vaderland een belangrijk verlies door den dood van Jan Willem Friso, stadhouder van Friesland en Groningen. Deze was nog niet ouder dan vier en twintig jaren en reeds had hij geloond een ervaren krijgsoverste te wezen. Hij was over het algemeen om zijn karakter bemind. Hij was in 1711 van het leger gereisd naar 's Gravenhage. Op den terugkeer slapte hij met stormachtig weder bij den Moerdijk op eene veerschuit. Door den sterken wind kantelde deze en de priusviel in het water en verdronk. Zijne weduwe werd kort daarna moeder van eenen zoon, die later als stadhouder Willem IV is genoemd-Door den dood van Jan Willem Friso waren nu ook Friesland en Groningen zonder stadhouder en heeft het tweede stad-houderlooze tijdvak zoo lang kunnen duren.
12. Lodewijk XIV was in den Spaanschen erfopvolgingsoorlog ongelukkig geweest. Zijne legers werden herhaaldelijk geslagen; geldgebrek, misgewassen, zelfs hongersnoid, al deze rampen verspreidden zich over Frankrijk. Geen wonder dat de trotsche koning, na de nederlaag, die zijn leger in 1709 bij Malplaquet geleden had, dringend naar vrede met de bondgenooten begon te verlangen. De Staten-Generaal waren daartoe wel geneigd; maar de bondgenooten vilden den oorlog voortzetten. Intusschen was in 1712 de staat van zaken veranderd. In Engeland namelijk had de koningin zich geheel en al laten beheerschen door de vijanden van den Hertog van Marlborough. De partij, die den vrede verlangde, verkreeg de overhand. Marlborough werd teruggeroepen; zijn opvolger kreeg van de Engelsche regeering bevel, geen veldslag tegen de Franschen meer te leveren. Daar de koningin van Engeland en de staatsdienaren, welke zij thans had, den vrede wenschten, kwam deze weldra tot stand. Evenals de Nederlandsche republiek, toen zij in 1709 den vrede begeerde, toch den oorlog moest
blijven voeren, wijl hare bondgenooten dit wilden, zoo moest zij thans wel den vrede sluiten of zij wilde of niet. Dit begrepen de andere mogendheden dan ook zoo wel, dat de Fransche gekant lot de Nederlandsche staatslieden durfde zeggen: »wij zullen onderhandelenâ quot;bij u, over u en zonder u!quot;quot; De vrede I wam in 1713 te Utrecht tot stand.
13. Bij dien vrede werd de kleinzoon van Lodewijk XIV als koning van Spanje en van de bezittingen buiten Europa erkend; de zuidelijke Nederlanden of Uelgië, in den regel de Spaansche Nederlanden geheete», kwamen aan het huis van Oostenrijk. Van nu af werden ze gewoonlijk de Oostenrijksche Nederlanden genoemd. Ofschoon door landvoogden geregeerd, die door den Oostenrijkschen keizer gezonden waren, werden die zuidelijke Nederlanden toch geheel en al geregeerd volgens hunne oude wetten en gewoonten, en men zou zich zeer vergissen, wanneer men dacht, dat zij onderdrukt werden-
14. De republiek der Zeven Vereenigde Provinciën was sinds het jaar 1G72 altijd zeer bevreesd geweest voor de macht van den koning van Frankrijk. Daarom had zij steeds waarborgen willen hebben, dat deze vorst haar niet al te gevaarlijk zou kunnen worden door de verovering der Zuidelijke Nederlanden. Nu meende zij dit te kunnen voorkomen door een sterk garnizoen te leggen in de vestingen van België, die aan de Fransche grenzen liggen. Het recht om bezettingen in de vestingen Namen, Doornik, Yperen enz. te leggen kreeg zij bij den vrede van Utrecht. Men noemde dit het barrière-traktaat. Dit kostte ons land zeer veel geld en baatte weinig.
XXXIII.
TWEEDE STADHOTJDERLOOZE TIJDVAK.
1702â1747.
1. Het tweede stadhouderlooze tijdvak begon met het jaar 1702. Met dien tijd begint ook het verval der Nederlandsche republiek, ofschoon dit eerst na den Utrechtschen vrede
174
eene schande, dergelijk -voorstel te doen. Ik heb u niet gevraagd te komen om vrede te maken: gaat weg zooals gij gekomen zijt!quot; En er was geen Hollandsche vloot meer om die roovers te tuchtigen! Want alles was in verval: de vloot werd niet behoorlijk meer uitgerust; ook het leger was in slechten staat. Doch dit was niet zoo nadeelig voor's lands welvaren als het verval van de vloot: een volk toch, dat, gelijk de Hollanders, voornamelijk van de zeevaart bestaan moest, diende voor alle zaken eene goede scheepsmacht te hebben.
4. Geldgebrek was eene der voorname oorzaken van dat verval; maar dat geldgehrek ontstond weder uit twee oorzaken. De eerste hebben wij u reeds medegedeeld, namelijk dat ons land zich in te groote en te kostbare oorlogen te land had gewikkeld. De andere oorzaak lag in de regeering van de republiek zelve.
Gedurende het tweede stadhouderlooze tijdvak geraakte ons land al meer en meer onder hetgeen men gewoon is familieregeering te noemen. Gelijk u bekend is, werden de Staten-Generaal samengesteld uil de afgevaardigden der Zeven Provinciën; de Staten der provinciën uit de afgevaardigden van den adel en van de steden. In de beide vergaderingen kou geen lid tot eenig gewichtig besluit medewerken, tenzij hij den wil zijner lastgevers eerst gehoord had, dat is, voor de Staten-Geneaaal de Provinciale Staten, en voor deze de stedelijke regeeringen. Zoo konden, eigenlijk gezegd, die stedelijke regeeringen alles bemoeielijken. De regeering nu van schier alle steden onzes lands was sinds 1588 al meer en meer in handen van eenige weinige familién geraakt. Deze familiën ondersteunden elkander over en weer. Zij schonken elkander en haren verwanten alle winstgevende betrekkingen. Ook wisten zij de overige burgers geheel en al buiten de regeering te houden. Zoodoende vormden zij langzamerhand eenen geheel en al bijzonderen stand, afgescheiden van de burgerij: regenten-familiën â geheet en. Iedere stad, of het Amsterdam, of een klein stadje als Medemblik
175
ware, had .zulke regenten-familiën, die alles beheerschlen.
Toen de oude eenvoudigheid van zeden en eene krachtige liefde voor het vaderland nog algemeen waren, gelijk in den tijd van den groeten raadpensionaris Jan de Witt, merkte men nog weinig, hoe verderfelijk die familieregeering was; ook was zij toen op verre na nog zoo sterk niet als later.
5. De gevolgen van dit stelsel vau regeering deden zich dan ook gevoelen, toen in 1740 ons vaderland gemengd werd in den Oostenrijlcschen erfopvolgingsoorlog. De koningen van Frankrijk en Pruisen namelijk wilden Maria Theresia-de dochter van den laalsten mannelijken afstammeling van het Oostenrijksche keizershuis, van hare erflanden berooven. Dit veroorzaakte een algemeenen oorlog door geheel Europa. Ons land wilde er zich wel buiten houden; doch werd er in gemengd door het Barrière-traktaat, waarover wij u in het vorige hoofdstuk gesproken hebben. In dezen oorlog kwam het aan het licht, dat ons leger en onze vloot geheel en al verwaarloosd en de officieren van het leger en van de vloot, door gunst bevorderd, onhekwaam en laf waren.
G. Toen de Fransche legers in 1747 zich meester maakten van de vestingen van Staats-Vlaanderen, geraakte het volk, geheel ons land door, in rep en roer. De kleine burgerstand in de steden ;was ten allen tijde zeer stadhoudersgezind. Gelijk ulieden bekend is, waren dit ook de hervormde predikanten , en dezen oefenden steeds een grooten invloed uit. Zoolang geene groote algemeene rampen het vaderland bedreigden , liet de burgerij, over het algemeen, de regenten hunnen gang gaan ; maar wanneer het vaderland bedreigd werd, gaf zich de ontevredenheid lucht. Zoo geschiedde het ook in 1747. Binven zeer horten tijd geraakte bijna in iedere stad het volk in beweging en vorderde een stadhouder. In Friesland en Groningen was dit Willem, de zoon van Jan Willem Friso; ook Gelderland had hem reeds vroeger tot zijnen stadhouder gekozen; maar Holland, Zeeland, Utrecht en Uverijsel w aren tot nog toe zonder stadhouder gebleven. De beweging des volks werd echter in 1747 op eens zoo
176
sterk, dat de Staten der verschillende geicesten besloten toe te geien en Willem Ifr, gelijk hij genoemd werd, tot stadhouder uit te roepen.
7. Zoo eindigde liet tweede stadhouderlooze tijdvak. Om te voorkomen, dat er geen derde zou plaats vinden, werd het stadhouderschap erfelijk verklaard in de familie van Willem If. Bij gemis aan mannelijke nakomelingschap, konden ook vrouwen tot het stadhouderschap geraken. Door deze bepaling werd de stadliouderlijke macht zeer uitgebreid.
Ook gaf zich het ongenoegen der hnrgerijen lucht tegen sommige zeer gehate maatregelen, vooral tegen de pachte-rijeti. In dien tijd werden de belastingen niet, gelijk thans, door rijksontvangers geïnd; maar de regeering verpachtte die voor vaste sommen aan de hoogslhiedenden Ot voor eene bepaalde som aan begunstigden, zooals men thans een tolhek verhuurt. Deze pachters maakten zich aan grove misbruiken schuldig. Uier en daar, vooral in Friesland, kwam het volk in opschudding over die pachterijen. Willem IV bewerkte dat ze grootendeels afgeschaft werden. Voor 't overige bleef alles op den ouden voet. De familieregeeringen hadden overal zulke diepe wortels gescholen, dat het scheen, dat zij niet uit te roeien waren. Ook was Willem IV een goedhartig persoon en er de man niet voor, om tegen zulke diep inge-wortelde misbruiken te velde te trekken.
XXXIV.
MAATSCHAPPELIJKE TOESTAND IN DE ACHTTIENDE EEUW.
1. In het begin der achttiende eeuw had ons vaderland, geheel Europa door, nog den naam van het land te zijn, waar alles, wat scheep:gt;bouw , scheepvaart en handel betrof op de grootste hoogte was. Een bewijs daarvoor is, dat de Czuar van Rusland, Pel:r, later de Groote bijgenaamd, naar Holland kwam, om daar zelf den scheepsbouw te leeren. Deze vorst,die de kunsten en kennis der westelijke volken
177
bij de ruwe Russen -wilde invoeren, hechtte vooral veel waarde aan de scheepsbouwkunst. Hij kwam in 1697 naar Holland en ging te Zaandam op cene scheepstimmerwerf als handwerksman zich oefenen. Zijne woning is ia die stad nog aanwezig en bekend onder den naam van -het huisje van Lzaar Peter den Grootequot;. Later, in 1717, bezocht deze vorst voor de tweede maal ons land. Verscheidene Nederlanders vestigden zich op zijn aanzoek in Rusland en leerden aan het volk van dat land kunsten, die daar nog onbekend
â waren.
2. Sinds het begin der achttiende eeuw begon de handel van Holland langzamerhand af te nemen. Men moet dit ech-ter met alléén wijten aan vermindering van ondernemings-geest onzer voorvaderen, maar voornamelijk aan de omstandigheid, dat andere volken voor Holland geduchte mededin. gers werden en steeds in macht en aanzien toenamen. Het meest van alle deed dit Engeland. Gedurende dc zeventiende eeuw was onze republiek nog de eerste handels- en zeevarende mogendheid in Europa; in de achttiende eeuw was Engeland dit geworden. Ook noordelijk Duilschland begon mede te dingen. Was vroeger Amsterdam de stad geweest, dle bijna alléén de groote handelstad van noordwestelijk Europa was , ook Hamburg en Bremen werden gedurende de achttiende eeuw belangrijke mededingers van Amsterdam.
3. De allervoornaamste tak van handel der republiek bleef echter nog geheel en al haar uitsluitend eigendom; namelijk,
ie op Oost-lndië. Allengs had de Oost-Indische Compagnie op de eilanden van Azië hare macht uitgebreid, zoodat zij er inderdaad een machtig rijk iiad gesticht. Dit was het werk geweest van verscheidene gouverneur-generaals van Neêrlands Indië, als; Maatsuiker, Ryklof van Goens, Speelman, enz. In het begin der achttiende eeuw was dan ook de toestand der Oost Indische Compagnie allergunstigt. Geheel de handel in specerijen voor geheel Europa was uitsluitend in hare handen. Ook ondernam de gouverneur-generaal Zwaardekroon het bevorderen van een anderen tak van handel, die later een
_U_
178
*
van de voornaamste van Java geworden is: de koffie. Deze plant werd uit Arable naar Java overgebracht: in 1712 werd de eerste bezending koffieboonen door de Oost-Indische Compagnie naar Holland gezonden. In het midden der achttiende eeuw begon de Oost-Indische Compagnie te kwijnen en het verval nam met ieder jaar toe: alle jaren kwam zij millioenen guldens te kort. De handel bracht niet zooveel meer op: de ondernemingszucht der kooplieden scheen verminderd. Bovendien leed de Compagnie zeer veel door de oneerlijkheid harer beambten. Deze werden gewoonlijk door voorspraak van aanzienlijke familiën, van leden van het bewind der Compagnie, benoemd, cn rekenden zich daardoor gerechtigd tot velerlei soort van oneerlijkheden, terwijl toch de bescherming hunner machtige vrienden hen voor vervolging bewaarde.
4. De oude West-Indische Compagnie was in 1674 ontbonden; maar eene andore spoedig weder opgericht. Zij bezat in Amerika: de eilanden Curucao en Sint Martin en nog eenige andere; op het vasteland: de volkplantingen Surinam f , Demerary, Essequebo en Berbice. Oe drie laatsten, benevens ettelijke eilanden, werden haar later door de En-gelschen ontnomen. De West-Indische Compagnie kwijnde gedurende het geheele verloop der achttiende eeuw en is in 1794 te niet gegaan.
5. De zeden en gewoonten onzer voorouders ondergingen insgelijks gedurende den loop der achttiende eeuw eene belangrijke verandering. Gij moet u niet voorstellen, dat dit op eenmaal geschiedde. Neen! hel ging langzamerhand en schier ongemerkt. Vooral omstreeks hel midden der achttiende eeuw begonnen de Fransche zeden en manieren een merke-lijken invloed in ons land uit te oefenen. In levenswijze, in kleeding, in itianieren trachtte men de Franschen na te bootsen: iets wat dikwerf zeer nadeelig was voor de goede zeden en den goeden smaak. De oude llollandsche kleederdracht moest plaats maken voor de modes van Parijs, en lange pruiken, gepoederd haar, wijde hoepelrokken namen de plaats in van de eenvoudiger kleeding uil de lijden van Jan de Wilt.
179
.i
6. Ãok in de kunsten begon men meer en meer de vreemdelingen na te volgen; terwijl de Hollandsche oorspronkelijkheid verdween, De achttiende eeuw telt op verre na niet zulke groote dichters en kunstenaars als de zeventiende. In die eeuw kon ons vaderland niet meer op een Vondel of Rembrandt wijzen. Echter had het toch nog ettelijke verdienstelijke mannen, zooals de dichter Antom'des van der Goes, die nog in het begin, Poot en Latujendijk, die een weinig later. Onna Zwier van Haren, die in het midden der achttiende eeuw leefde. Antom'des van der Goes was de vervaardiger \an een gedicht, de Ystroom, ['ooi bezong den landbouw; Langendijk maakte blijspelen; van Harens beroemdste stuk is de Geuzen getiteld. In het laatste gedeelte der achttiende eeuw waren Bellamy en van Alphen als dichters beroemd.
Onder de prozaschrijvers van de eerste hcllt der achttiende éeuw maakte zich vooral de zedeschrijvcr Justus van Effen met zijnen Nederlandschen Spectator een naam. In de tweede helft Elisabeth Bekker met hare romans, Jan fVage-naar met zijne vaderlandsche geschiedenis, Simon Stijl met zijn fraai boek over de opkomst en bloei der Vereenigde Nederlanden.
7. Onder de mannen, die in de wetenschappen zich in ons vaderland beroemd gemaakt hebben, verdient vooral Bocr-haave genoemd te worden. Hij was hoogleeraar in de geneeskunde aan de Leidsche akademie en stierf in 1738. Hij vas geheel Europa door om zijne geleerdheid vermaard, en de Leidsche akademie ontving door hem weder een nieuwen luister. In het begin der achttiende eeuw maakte zich Byn-kers hoek en op het einde dier eeuw Adriaan Kluit als rechtsgeleerden beroemd. Wij zouden u nog vele andere mannen kunnen noemen, die in deze eeuw door wetenschap en kennis hun vaderland tot sieraad strekten. Betoonden onze vaderlandsche dichters en kunstenaars der zeventiende eeuw meer kracht en oorspronkelijkheid; dit was niet slechts hier te lande het geval, maar ook in audere landen van Europa.
l â il'
I
180
Het ongeluk wilde, dal in het midden dier eeuw de Fran-Sche smaak den toon gaf aan alles wat aanspraak op bescha* â ving wilde maken, en... wat voor den éénen landaard past, deugt daarom nog niet voor den anderen. Voor geen volk zouden trouwens de leerstellingen dienstig zijn, door een Voltaire in Frankrijk gepredikt. Deze Voltaire is de man geweest, die den heiligen godsdienst van Jesus Christus veracht en bespottelijk wilde maken, en de menschelijke hartstochten verheerlijkte! Ongelukkigerwijze heeft hij dui-zende eu duizende navolgers gevonden, -waaro;ider ook in ons land.
8. In 07is vaderland maakte men zich op eene bijzondere â¢wijze, en wel uit zucht naar gewin medeplichtig aan de hevordering van de verderfelijke leerstellingen van Voltaire en andere Fransche ongeloovigen en spotters met God en godsdienst. In Frankrijk, moet gij weten., bestond de censuur, dat is: niets mocht rjedrukL worden, voordat van 'sko-nings wege was toegezien of het gedrukte tegen de goede zeden en het staatshelang streed. Alles, wat nu de staatsinstellingen, den godsdienst, de goede zeden aantastte, lieten de Franschen in Holland drukken. De meeste boeken der Fransche schrijvers van dien tijd, die zoo verderfelijk gewerkt hebben-, zijn van de llollandsche drukpersen gekomen. Van uit ons land werden diequot; boeken bij duizenden in Frankrijk in het gtheim ingevoerd en verkocht. Zoo bevorderden de Hollanders'het ongeloof.
9. In de Zeven Vereenigde Provinciën was en bleef het hervormde kerkgenootschap nog het alleenhrerschende. Men kou tot geen post of bediening geraken of men moest daartoe behooren. Echter genoten thans de dissidenten, dat is degenen , die niet tot het heerschende kerkgenootschap behoorden , meer vrijheid. Remonstranten , Lutherschen , Mennonieten , Joden, allen konden vrij hunnen godsdienst uitoefenen. Ook de Katholieken mochten dit thans doen, doch onder de meest beperkende voorwaarden. Van tijd tot lijd hadden zij te lijden van de onverdraagzaamheid der predikanten , die her
181
haaldelijk van de overheid norAerAen om Ae paapsche stoutigheden, gelijk zij het noemden, te keer te gaan. De Katholieken mochten in hijzondera huizen, in schuren, in achterbuurten kerk houden', de katholieke prieslers konden op eigen naam of op dien van een hunner gemeentenaren dergelijk gebouw huren of koopen en daar het H. Misoffer opdragen. Maar ïij moesten wel toezien, dat zij dit in stilte deden, anders werden zij beboet. In zeer vele plaatsen moesten zij aan de baljuws of schouten jaarlijks eene som gelds betalen voor het ongestoord uitoefenen van hunnen godsdienst; doch behalve deze vernederingen en geldelijke lasten, hadden zij weinig te lijden.
10. Zoo was de toestand van de republiek der Zeven Provinciën in den loop der achttiende eeuw. Hierbij moet gij wel in aanmerking nemen, dat er alweder een groot verschil tusschen het begin en het einde dier eeuw was. Want evenals het goede zich niet op eens ontwikkelt, zoo zal het verkeerde insgelijks niet op eens zich met alle kracht openbaren. Wanneer wij derhalve over het verval der Nederland-sche republiek in den loop der aciitticnde eeuw moeten spreken, zouden wij dat verval aldus verdeelen: het vervul begint zich duidelijk l openbaren na den Vtrechtschen vrede in 1713; na het eindigen van het tweede sLadhouderlooze tijdvak in 1747 is het reeds in alles doorgedrongen; en na den Engelschen oorlog van 1780 brengt het den ondergang der republiek te weeg.
XXXV.
WILLEM IV EN WILLEM V STADHOUDERS.
1747â1751â1795.
1. Willem IV was dan erfstadhouder van al de Zeven Provinciën geworden. Zijn mr.cht was grooter dan die van eenigen stadhouder vo'or hem. Evenwel bezat hij niet de macht en ook niet de geschiktheid om de ingeslopene mis-
182
bruiken te verbeteren. De faroilie-regeeringen in de Terschil-lende steden bleven bestaan, gelijk vroeger, ja, breidden zich nog meer uit. En zoolang dat gebrek niet hersteld was. kon men niet verwachten, dat hel beter met het land zou gaan.
Voor het overige â was Willem IV een goed vorst; hij was minzaam en inschikkelijk; hij beoogde het welzijn van den staat, doch hij miste de gaaf, om zich alleen bezig te houden met groote en gewichtige zaken en de kleinere aan zijne staatsdienaren over te laten. Bovendien was juist de toegeeflijkheid van zijn karakter de oorzaak dat overal de oude misbruiken bleven voortbestaan. Hij mocht niet lang in het bezit zijner waardigheid wezen, want hij stierf reeds in 1751. Hij liet een zoon van drie jaren na.
2. In de eerste jaren van zijn stadhouderschap was ons vaderland gewikkeld in den oorlog om den Oostenrijksche troonsopvolging, waarover wij reeds gesproken hebben. Van onzen kant werd die oorlog niet gelukkig gevoerd. De republiek hield de zijde der keizerin Maria Theresia tegen Fre-derik II, koning van Pruisen, en tegen Frankrijk. De legers van laatstgenoemde mogendheid trokken België weder in en veroverden de steden van Staats-Vlaanderen, Maastricht en Bergen op Zoom. De meeste verliezen, welke wij ondervonden, waren voornamelijk te wijten aan het slechte beheer onder den invloed der familie-regeering. Gelukkig dat de vrede in het jaar 1748 te Aken gesloten werd. Bij dien vrede kreeg de republiek alle plaatsen, welke de Franschen op haar veroverd hadden, terug.
3. Na den dood van Willem IV, werd zijne gemalin Anna, dochter van George II, koning van Engeland, tot regentes benoemd. De hertog van Brunswijk werd tot plaatsvervanger van den jongen prins, als opperhevelhebher van het leger der republiek, aangesteld. De hertog van Brunswijk stond de regentes bij in de regeering. Toen zij in 1759 stierf, werd hij met de voogdij over den jongen fVilleiu V belast. In 1;(i7 li'erd deze meerderjarig en aanvaardde zelf het stadhouderschap. Het
183
volgende jaar huwde hij met eene Pruisische prinses, VVil-helmina geheeten. De hertog van Brunswijk bleef den jongen stadhouder nog een tijd lang ter zijde staary; doch moest zich eindelijk verwijderen, omdat zijn invloed op het bewind groote ontevredenheid bij eene machtige partij opwekte.
4. Ofschoon Europa van 1756 tot 1773 geteisterd werd dooi-een wreeden oorlog, die zeven jaren duurde en bekend is onder den naam vazi den zevenjarigen oorlog, genoot ons land, na den vrede van Aken, een tijdvak van twee en dertig jaren van vrede! Het had, wel is waar, gedurende den zevenjarigen oorlog, waarbij Engeland en Frankrijk elkander op zee bevochten, in zijnen handel nu en dan te lijden; doch over het algemeen voer het land wel. Toen de vrede gesloten was tusschen de oorlogvoerende mogendheden, namen handel en nijverheid in liooge mate toe. Er was groote bedrijvigheid en overvloed van geld in het land. Ja, behalve Engeland, kon niet één land in Europa met het -rijke Hol-landquot;, zooals men het noemde, gelijk gesteld worden in al-gemeene welvaart en rijkdom.
5. Echter stonden ons vaderland groote rampen te wachten. Evenals soms moeielijkheden en wederwaardigheden een mensch tot heil zijn., doordat zij hem lot arbeid en gematigdheid aansporen, zoo wekken weelde en overdaad dikwijls bij hein verkeerde driften op. Zooals dit het geval is met enkele menschen in het bijzonder, is dit ook het geval mei geheele volken. Ons vaderland, dat zich gedurende den druk van de Spanjaarden en Franschen in 1672 zoo moedig had gedragen en groote rampen was te boven gekomen, zou thans de grootste wederwaardigheden en ellende ondervinden, ten gevolge van twist, haat en jaloezie van burgers van hetzelfde land.
6. Om u deze heillooze burgertwisten duidelijk te kunnen maken, moet gij u herinneren, wat wij u reeds meermalen verhaald hebben, dat de burgers onzer republiek bijna altijd m twee partijen verdeeld waren: stadhoudersgezinden en staatsgezinden. Eerstgenoemde partij wilde aan de stadhou-
184
ders meer macht geven en zoudoende meer eenheid in het bestuur brengen; de staatsgezinde partij -wilde die macht meer in handen geven aan de gewestelijke en stedelijke besturen. Nu -nas, na de instelling van het erfsladhouderschap in 1747, de stadhouderlijke macht zeer toegenomen; maar een tijd lang moest eene vrouw, bijgestaan door een vreemdeling, den hertog van Brnnswijk, de regeering voeren; die vrouw was Anna, de moeder van Willem V. Toen deze zelf het bewind aanvaardde, bleek het al spoedig, dat hij op verre na niet zoo bekwaam was als de groote stadhouders» die vroeger het bestuur gevoerd hadden. AI mocht dus ook de stadhouderlijke macht toegenomen zijn, die macht werd niet meer door zulke uitstekende mannen als vroeger uitgeoefend. Dit moest natuurlijk zeer nadeelig voor die macht wezen.
Van den anderen kant had de staatsgezinde partij ongemeen veel macht en invloed verkregen , doordat er van 1702 tot 1747 geen algemeene stadhouder van alle gewesten was. Zooals wij u reeds verhaald hebben, hadden de familie-regeeringen zich vooral gedurende het stadhouderlooze tijdvak sterker gegrondvest. Zij hadden zich in bijna alle steden des, lands zoo geheel en al meester gemaakt van het be-wind, dat, zelfs toen Willem IV erfstadhouder was geworden . hij die familiën in de regeeringen moest laten. De talrijke njisbruiken dier familieregeeringen hadden echter een gioot gedeelte der burgerijen van haar afkeerig gemaakt.
7. Nu geschiedde het, dat er in bet midden der achttiende eeuw een groote invloed op geheel Europa werd uitgeoefend door een zeker aantal Fransche schrijvers. Deze schrijvers, die zich philosofen (dat is tvysgeeren) noemden, tastten de qeheele maatschappelijlce orde, vooral in zijn gezagsbeginsel, aan. Zij stelden wel alle gebreken van de verschillende regeeringen in het licht; doch zij zagen niet, welke gebreken er kleefden aan hetgeen zij voorstelden. Die philosofen wilden alles afbreken; maar zij hadden niet beproefd,
185
of hetgeen zij er voor ia de plaats zouden stellen beter â was. Bovendien was hunne grootste, hunne allergrootste fout, dat zij eene nieuwe maatschappij wilden vormen, eene nieuwe staatsinstelling wilden in het wezen roepen: maar eene maatschappij zonder God!
Wii hebben u verhaald , hoe in Holland meest alle boeken gedrukt werden, die door die Fransche philosolen werden geschreven; het ligt in den aard der zaak dat zij dus ook in ons land gelezen werden. De denkbeelden, in die boeken bevat, vonden ingang bij velen. Hunne gedachten werden er door gewijzigd en die gedachten oefenden weldra invloed uit op hunne handelingen. Daarbij kwam dat vroeger de burgerijen zich weinig met de regeering bemoeiden; maar dit was vooral sinds het jaar 1748 anders geworden. Toen begonnen in vele steden, vooral in Amsterdam en Utrecht, zich de burgerijen wel degelijk met de regeering te moeien.
8. Allengskens begonnen die buigerijen meer en meer ontevreden te worden met de regeering. De oude staatsgezinden gaven aan den stadhouder de schuld van vele zaken, waaraan deze volstrekt geen schuld had. Zij wilden hel doen voorkomen , alsof de gebreken in de bestiering van land , gewest en sleden alléén aan hem te wijten waren. Bij deze oude staatsgezinden voegden zich personen, die niet slechts de stadhouderlijke macht, maar geheel den toestand van de regeering der republiek berispelijk vonden. Dezen echter gaven de meeste schuld aan den stadhouder. Er werden vele geschriften verspreid , waarin de macht en het aanzien van den stadhouder werden aangevallen ; maar ook de voormalige inrichtingen van gewestelijke' en stedelijke besturen werden evenmin gespaard. Te regt begreep men, dat al het verouderde niet kon blijven beslaan; maar men wilde verbetering bewerkstelligen door middelen, die afkeurenswaardig en verkeerd waren; door verachting van het wettig gezag!
9. Gij zult reeds opgemerkt hebben, dat ongelukkig gevoerde oorlogen in 1672 en 1747 aanleiding gaven tot veranderingen
186
in de regeeriug van de republiek der Vereenigde Provinciën. Zoo gaf ook de ongelukkige Engelsche oorlog van 1780 aanleiding tot groote onlusten in ons vaderland. Die onlusten liepen zoo ver, dat zij in een burgeroorlog ontaardden.
Ziehier wat aanleiding gaf tot den Engelschen oorlog.
Engeland bezat in Amerika aanzienlijke volkplantingen. Deze volkplantingen geraakten in geschil met het moederland. Zij verklaarden zich onafhankelijk en vormden een nieuwen staat: de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Zoodra deze zich onafhankelijk verklaard had, trok Frankrijk zijne partij. Dit veroorzaakte een oorlog tusschen Frankrijk en Engeland. Het was voor ons land allermoeielijkst om buiten dien oorlog te blijven; maar nog moeielijker om niet één van de oorlogvoerende partijen aanstoot te geven. Doch met wien zou men het houden? Met Engeland, of met Frankrijk ?
Nu was het bijna altijd een onveranderlijke regel geweest, dat de stadhoudersgezinde partij meer op de hand tan Engeland, de staatsgezinde op de hand van Frankrijk was. Zoo was het ook thans weder het geval. Daarbij kwam, dat de Amsterdamsche kooplieden grooten handel met de Fran-schen dreven. Zij voorzagen hen gedurende den oorlog van timmerhout voor oorlogsschepen; zij verkochten kruit en lood en oorlogsbehoeften aan de Amerikanen. De Engclschen beweerden , dat de Nederlanders daardoor de onzijdigheid schonden. Toen zij merkten, dat zeer vele voorname mannen in ons land in verstandhouding stonden met de Noord-Ameri-kanen, werden zij verbitterd. Zij begrepen, dat het beter was, te doen te hebben met een openbaren dan met een geheimen vijand en verklaarden in 1780 ons land den oorlog.
187
XXXVI.
ENGELSCHE OORLOG 1780â1784. â ORANJEGEZ1NDEN EN PATRIOTTEN.
1. Oubegrijpelijk. was de verblindheid io ons land voor het uitbreken van den oorlog. Men dacht, dat de Engelschen niet zouden durven. Deze begonnen van hunnen kant de vijandelijkheden op eene niet lofwaardige -wijze, Eer zij namelijk den oorlog verklaarden, overvielen zij een groot getal onzer schepen en roofden die weg. Toen eerst zeiden zij ons den oorlog aan.
Binnen den tijd van ééne maand namen zij ons twee honderd koopvaardijschepen ai, die, niet op den oorlog voorbereid, van Indië huiswaarts kwamen of van andere landen van Europa naar hun vaderland terugkeerden. Het verlies, dat daardoor werd geleden, wordt op vijftien millioen gulden begroot. Het gevolg van den uitgebroken oorlog was, dat op eens scheepvaart, handel en nijverheid stilstonden. Alom heerschtcn schrik en moedeloosheid. De Nederlandsche bezittingen in West-Indié vielen alle in handen der Engelschen. Op het eiland S4 Eustatius, dat zij op ons veroverden, behaalden zij eenen buit van drie millioen gulden. Gij kunt begrijpen, welke ontzaglijke verliezen onze handel door dezen oorlog leed.
2. Deze nadeelen werden niet opgewogen door de overwinning, welke de onzen bij Dogyersbank behaalden. Onze vloot, groot vijftien oorlogsschepen, onder bevel vaB Jan Arnold Zoutman, raakte in de Noordzee, bij de zoogenaamde Doggersbank, slaags met de Engelschen. De vloot van deze, onder den admiraal Parker, telde twaalf schepen, maar zwaarder en beter gewapend dan de Nederlandsche, zoodat de kansen gelijk stonden. Na een hevig gevecht moesten de Engelschen afdeinzen. Toen de tijding hiervan bekend werd in het vaderland, was de vreugde algemeen. Men riep: »de
188
Trompen en de Ruyters leven nog!quot; Maar de Trompen en de Ruyters M-aren dood!
Na vier jaren over bet algemeen zeer ongelukkig den oorlog gevoerd te hebben, sloten wij in 1784 de vrede met Engeland. Wij kregen onze volkplantingen terug; maar de nadeelen van den oorlog waren groot en het grootste nadeel daarvan waren de binnenlandsche verdeeldheden.
3. Ons vaderland geraakte, terwijl bet nog in oorlog was met Engeland, in gevaar insgelijks in oorlog te geraken met Jozef II, den Duitschen keizer. â Gelijk gij u herinneren zult, waren de Zuidelijke Nederlanden, of België bij den vrede van Utrecht aan het keizershuis van Oostenrijk gekomen. Zij werden daarom de Oostenrijksche Nederlanden genoemd, gelijk vroeger de Spaansche Nederlanden. Antwerpen behoorde daartoe. Nu is die stad eene der best gelegene voor den handel, en vroeger was het de voornaamste handelstad van Europa geweest. De Hollanders en vooral Amsterdam begrepen, dat, zoo de handel op Antwerpen vrij bleef, dit groole afbreuk aan beu zou doen. Daarom legden zij, gedurende den tachtigjarigen oorlog, het er op toe, zich meester te maken van Staats-Vlaauderen. Door de forten, die zij daar bouwden, en door het bezit van Vlissingen maakten zij, dat niet één schip naar Antwerpen kon zeilen, wanneer zij dit niet begeerden. Zoo gaven zij den handel van geheel de Zuidelijke Nederlanden den doodsteek.
Toen keizer Jozef II vorst dier landen geworden was, wilde hij, dat de vaart op de Schelde vrij zou wezen. De republiek wilde dit niet toeslaan. Het kwam bijua tot een oorlog. Door tusscbenkomst echter van den koning van Frankrijk zag de keizer af van zijne eischen, op voorwaarde, dat de republiek hem negen en een half millioen guldens zou uitkeeren. Zoo werd althans deze oorlog van ons afgewend, maar alléén door Fransche hulp.
4. De ongelukkige oorlog met Engeland was oorzaak, dat de vijanden van den stadhouder steeds meer gehoor kregen. Men weet het aan Willem V, dat ons land zulke groote ver-
189
liezen had ondergaan. Deze beschuldigingen mochlen onrechtvaardig zijn; toch vonden zij zeer veei geloof. De verbittering werd al groeier en grooler. In Holland, Utrecht en Gelderland hadden de vijaaden van den stadhouder de overhand. Zij trachtten op alle mogelijke wijzen zijn gezag te besnoeien en hem gehaat en verdacht te maken, wat hun maar al te zeer gelakte. Die vijanden van den stadhouder noemden hunne partij, patriotten (dat is: vaderlandsvrienden); men gaf hun den scheldnaam van Keezen. De vrienden van den stadhouder werden Oranjegezinden en ook wel Oranjeklanten genoemd. Er was uiet éene stad in ons vaderland, welke niet in die twee vijandige partijen was verdeeld. Echter mengde men zich in Noord-lirabant en het Limburg-sche, behalve te 's-llertogenboscii, niet zooveel in die burgertwisten als in de Zeven Provinciën. In Noord-Brabant en Limburg koesterde men, voor zoover men zich daar met die twisten moeide, de meeste genegenheid voor de patriotten. Dit was ook het geval met de Katholieken in de Zeven Provinciën. De reden daarvan is niet verre te zoeken. Die partij der patriotten bedoelde eene geheele omverwerping van den toestand der republiek. Daar nu die beide gewesten altijd als overwonnen land behandeld waren en de katholieke bevolking werd onderdrukt, scheen eene verandering in den toes'and, waarin zij verkeerden, hun zeer wenschelijk toe.
5. De beleedigingen en onbillijke behandelingen, welke de stadhouder Willem V te 's-Gravenhage ondervond, deden hem het besluit nemen, van daar te vertrekken. Dit geschiedde op het einde van 1785. Hij ging zijn verblijf te Nijmegen nemen. Hij bezocht echter nu en dan nog eens eenige steden van Holland, onder anderen Rotterdam. De geringere volksklasse was daar den stadhouder zeer genegen, gelijk in de meeste steden. In Rotterdam waren ook de visch-vrouwen zeer Oranjegezind. Zij werden aangevoerd door zekere Karei Mossel. Toen zij de luidruchtige blijken van hare genegenheid voor den prins van Oranje gaven, werd haar dit
190
verboden en Kaat Mossel voor de rechtbank gedaagd. Onze beroemde dichter Dilderdijk, die ook Oranjegezind -was, verdedigde als advokaat hare zaak. Gelijk in Rotterdam, zoo geschiedde het schier in alle steden.
- 6. Er vielen nu en dan betreurenswaardige bewegingen voor en de eene partij vervolgde de andere. Daarbij kwam, dat de patriotten bevreesd waren, dat de stadhouder soms door de wapenen zijn gezag zou pogen te herstellen. Daarom begonnen zij zich in de meeste steden in den wapenhandel te oefenen. Ook hielden zij alom volksvergaderingen en bijeenkomsten. Gij kunt begrijpen, dat dit alles de hoofden nog warmer maakte en de een tegen den ander opzette. De patriotten gingen zoover, dat zij een klein leger, het vliegend legertje geheeten, oprichtten, om den prins en zijne aanhangers te bestrijden.
7. Gelijk ongelukkigerwijze meest altijd met burgertwisten het geval is, zagen beide partijen naar htiitenlandsche hulp om. De stadhouder rekende op die der Pruisen: want de koning van Pruisen was de broeder van de prinses van Oranje. De patriotten rekenden op de hulp der Franschen; maar deze waren verre af, terwijl het gebied van den koning van Pruisen aan ons land grensde. Ook bleek het later, dat de ko. ning van Frankrijk zich niet öm de patriotten in een oorlog wilde begeven.
De koning van Pruisen wachtte op eene gelegenheid, die hem het voorwendsel gaf om den stadhouder te hulp te komen. Deze gelegenheid werd hem door het volgende gegeven. De echtgenoote van den stadhouder, prinses ffilhel-niina, begaf zich in Juni 1587 van Nijmegen op reis tiaar 's Gravenhage. Bij de Goejanverwellesluis, niet ver van Gouda, werd zij aangehouden door eenige gewapende patriotten, die haar belett'en hare reis te vervolgen, waarop zij terugkeerde. Deze beleediging, zijner zuster aangedaan, deed den koning van Pruisen om genoegdoening voor zijne zuster aan de Staten van Holland vragen. Deze gaven die niet. De patriotten , die in de Staten van Holland den meester speelden,
191
hoopteu op de hulp van Frankrijk; maar die hulp kwam niet. Daarentegen zond de honing van Pruisen onmiddellijk een leger naar Holland. De Staten van Holland en Utrecht poogden tegenstand te bieden. Zij zonden eene kleine krijgsmacht tegen de Pruisische soldaten af. De bevelhebher van dat leger, de prins van Salin, liet echter zijn eigen leger in den steek en verliet het. Hierdoor was het legertje der patriotten zonder aanvoerder. De Pruisen maakten zich achtereenvolgens meester van Utrecht en Amsterdam Nu durfde niet ééne stad meer tegenstand bieden.
Zoo hadden rampzalige burgertwisten ons land zoo ver gebracht, dat de Pruisen ons op onzen eigen grond wetten kwamen stellen.
8. Wel verre van met gematigdheid van hunne overwinning gebruik te maken, wilden nu de Oranjegezinden zich wreken. Zeer vele patriotten werden vervolgd en hunne goederen verbeurd verklaard. Een groot getal verliet het land; de meeste van deze gingen zich in de zuidelijke Nederlanden en in Frankrijk vestigen. liet blijkt uit het gedrag van velen bij latere gelegenheid, vooral gedurende de Fran-sche omwenteling, dat zij heethoofden waren en zich door hunne hartstochten lieten medeslepen. Het getal van degenen, die hun vaderland verlieten, omdat zij tot de patriotten behoorden, bedroeg ruim 40,000.
Vraagt gij, wie van beide partijen gelijk had, dan luidt het antwoord: geen van beide. Hel is van de patriotten zeer af te keuren, dat zij het wettig gezag miskenden; het is van de stadlioudprsgezinden zeer af te keuren, dat zij, eenmaal overwinnaar, hunne tegenstanders vol haat en wraakzucht vervolgden.
192
XXXVII.
DE REPUBLIEK DER ZEVEN VEREENIGDE PROVINCIÃN
VERANDERD IN DE BATAAFSCHE REPUBLIEK 1795.
DE STADHOUDELIJKE REGEERING AFGESCHAFT.
1. Op liet einde van de voorgaande eeuw hadden in Frankrijk gebeurtenissen plaats, die den gewich-tigsten invloed op geheel Europa en ook op ons vaderland uitoefenden. Er brak een vreeselijke opstand los, die bekend is onder den naam van de Franse he revolutie of omwenteling. Die revolutie begon in 1789. Niet slechts werd de koning van Frankrijk, Lodewijk XVI, onttroond en de republiek uitgeroepen ; maar de bloeddorstige partij , die voor een oogeublik meester van bet land werd, liet den koning en duizende anderen op bet schavot vennoorden. Ook wist zij Frankrijk in oorlog te brengen met de meeste Europeesche vorsten. Overal, zoo beweerden de mannen, die Frankrijk met schrik en geweld beheerschteu, zouden zij «vrijheid, gelijkheid eu broederschapquot; brengen. Overal wilden zij de koningen en vorsten verjagen en het volk tot opstand aanzetten. Ook aan onzen stadhouder Willem V verklaarden zij den oorlog.
2. llel eerst vielen do Franschen in de Oostenrijksche Nederlanden. Zij veroverden die in 1793 en vereenigden ze met de Fransche republiek. Onder hunnen veldheer Dumouriez trokken zij ook in Staats-Vlaanderen en belegerden Maastricht; maar moesten weldra van ons grondgebied terugtrekken, toen hun leger door de Oestenrijkers geslagen werd. Dit geschiedde bij Neerwinden in Belgisch Limburg. Maar slechts voor een korten tijd was ons vaderland vau hunne invallen bevrijd, fn het ] aar 1795 namelijk was het een buitengewoon strenge winter, en nu trokken de Fransche soldaten over de dichtgevroren rivieren ons land binnen, onder aanvoering van den generaal Pichegru. Met hen kwam een groot getal patriotten, die in 1787 waren uitgeweken. De verblindheid.
193
heid, ten gevolge van partijhaat, vas zoo sterk, dat vele patriotten de Fransche indringers met vreugde in het vaderland ontvingen. Er werden haast geene pogingen aangewend, om aan de vijandelijke legerscharen het hoofd te bieden. JVillem V verliet het land. Den 18n Januari stak hij met zijne vrouw en kinderen in eene visschersboot naar Engeland over. Later ging hij te Brunswijk, in Duitschland, wonen waar hij in 180G stierf.
Zoo eindigden in 1795 het stadhouderschap en de republiek der Zeven Vereenxyde Provinciën!
3. Ons vaderland geraakte nu geheel en al onder den invloed der Franschen. Nadat voor korten tijd een voorloopig bewind na het vertrek van den stadhouder hel land bestuurd had, werd er eene wetgevende vergadering samengeroepen. De hevigste patriotten waren meester. Zij wilden ons land geheel en al naar het voorbeeld van de Fransche republiek inrichten. De zelfstandigheid der provinciën ging te niet. Geheel ons land werd voor één en ondeelbaar verklaard; dat is, dat alom dezelfde wetten heerschen moesten en er geen onderscheid tussehen de verschillende onderdeelen des lands mocht gemaakt worden. Alle oude instellingen werden vernietigd. De nieuwe republiek kreeg den naam van Bataafsche republiek.
i. Al deze veranderingen geschiedden^ terwijl de Franschen , eigenlijk gezegd, hier meester waren. Zij erkenden de Bataafsche republiek, doch op zeer bezwarende voorwaarden. Ons land motst Slaats-Vlaanderen en hetgeen thans de provincie Limburg is, afstaan, honderd millioen gulden oorlogskosten betalen en bovendien nog eene zeer groole hoeveelheid krijgsbehoeften aan het Fransche leger verschaffen. Onze Fransche bevrijders, gelijk zij zich noemden, lieten zich dus wel duur betalen! Tot overmaat van ramp bleven 25,000 Fransche soldaten in onze vestingen, op onze kosten, in garnizoen liggen.
Op hunne beurt maakten de Engelschen zich meester van verschillende koloniën, als het eiland Ceylon en de iVoluk-sche eilanden in Azië, Kaap de Goede Hoop in Afrika. De
13
194
voornaamste van onze bezittingen, Java, bleef echternogaan ons. Later werd de yeneraal Daendels als gouverneur-gene-raal derwaarts gezonden. Deze voerde er vele gewichtige veranderingen in. Hij regeerde met groote gestrengheid. In 1809 maakten zich de Engelschen ook van deze prachtige kolonie meester. De Oost-Indische Compagnie was hij dit alles te niet gegaan en met haar onze handel op Oost-Indié.
5. Hoe groot de rampen ook waren, die ons vaderland door dit alles te lijden had, toch had de omwenteling van 1795 ook hare goede gevolgen. De oude misbruiken van ianiilie-regeering hielden op. Alle Nederlanders werden voor de wet iji lijk verklaard. Alle belijders van verschillende godsdiensten kregen gelijke rechten; dus ook de Katholieken. Dit noemt men de emancipatie (dat is: vrijmaking) der Katholieken. 11« wet, waarbij deze emancipatie vastgesteld werd, is in 1798 uitgevaardigd. Zells bepaalde die wet, dat de Katholieken «eder voor een gedeelte in het bezit der kerken zouden geraken. In plaatsen, waar slechts ééne kerk was , moest die gegeven worden aan de leden der meest talrijke gezindheid : doch door bijbepalingen en in de toepassing wisten de Hervormden deze wet te verijdelen. Evenwel kwamen de Katholieken, vooral in Noord-Brabant, daardoor in het bezit van kerken, die zij vroeger, voor de heerschappij der Gereformeerden, gehad hadden.
6. Nu ons vaderland in zoo nauwe bondgenootschap met Frankrijk was, kwam het daardoor in oorlog met Engeland. In 1797 geraakte onze vloot, groot zestien oorlogschepen, onder admiraal de ff inter, niet ver van den Helder bij Kamperduin slaags met de Ehgelsche vloot. Na een gevecht van drie uren moest de Winter zich met zijn schip overgeven. Insgelijks moesten dit de meeste andere Hollandsche schepen doen. Daarmede was insgelijks de laatste vloot der eenmaal zoo beroemde republiek vernietigd. In 1799 landden nu de Engelschen , vereenigd met eene legcrafdeeling van Russen , te Helder en geraakten bij het dorp Bergen, niet ver van Alkmaar, slaags. Ons leger, vereenigd met dat der
195
Franschen, stond onder den generaal Brune: deze overwon en de Engelschen trokken weder af.
7. Napoleon Bonaparte, de grootste veldheer der Franschen, -was aan het hoofd der Fransche republiek gekomen, onder den titel van eersten consul. Hij behaalde overwinning op overwinning. Eindelijk sloot hij vrede met de Engelschen, in Maart 1802, te Amiens. Ook ons vaderland werd in dien vrede begrepen. Engeland gal ons alle zijne koloniën terug, uitgezonderd het eiland Ceylon. Onmiddellijk begonnen nu handel en scheepvaart weder te bloeien. Een aanzienlijk getal schepen ging weder naar d'.- Oost-Indiën of naar de Oostzee, om van Jaar granen te halen; doch de vrede duurde, helaas! zeer kort. In 1803 verklaarde Napoleon opnieuw den oorlog aan Engeland. De schepen, die op het sluiten van den vrede uitgezeild waren, hadden voor het grootste gedeelte nog niet eens liet vaderland weder bereikt. Zij vielen nu voor een groot gedeelte in de macht der Engelschen. Want ons land was gedwongen met Frankrijk den oorlog tegen Engeland te voeren. Spoedig maakte zich de vijand weder meester van onze beste koloniën: van de kaap de Goede Hoop en Suriname. Aan Hollands handel werd de gevoeligste slag toegebracht, ja, hij werd bijna qe-heel en al vernietigd.
in 1804 maakte zich Napoleon tot keizer der Franschen. Nu wilde de keizer, dat ons land zou geregeerd worden op eene wijze, die met de regeering in Frankrij,k overeenkwam-Rutger Jan Schimmelpeumnck, een Zwollenaar, was gezant te Parijs geweest, tijdens bet sluiten van den vrede te Amiens. Op hem vestigde Napoleon het oog. llij vorderde van de regeering der Bataafsche republiek, dat zij aan Schimmelpenninck het hoogste gezag zou in handen geven. Napoleons wil was eene wel voor ons land. Schimmelpenninck werd aan het hoofd der regeering geplaatst: met veel meer macht dan ooit een stadhouder gehad had. Hij voerde den titel van raadpensionaris. Hij regeerde met veel beleid, doch niet langer dan ruim één jaar (1805â1806).
196
Toen begeerde Napoleon, dat ons vaderland zijn broeder Lodeunjk nis koning zou aannemen: wat dan ook geschiedde. Waut den wil van den Franschen keizer durfde niemand meer -wederstreven.
XXXVIII.
LODEWUK, KONING VAN HOLLAND 1806â1810.
ONS LAND BIJ FRANKRIJK INGELIJFD 1810â1813.
1. Lodewijk was op één na de jongste broeder van Napoleon. De keizer wilde geheel het vasteland van westelijk Europa aan zich onderworpen maken. Zijn plan was; Frankrijk lot den machtigsten slaat van Europa te verheffen. Reeds had hij gclieel België en een deel van Duilscliland, dat de Rijnprovincie genoemd werd, bij Frankrijk ingelijfd. Ook had hij van noordelijk en midden-Italië een koninkrijk gemaakt, waarvan hij koning was. Napels en Spanje zou hij ook spoedig tot koninkrijken maken, waarvan zijn zwager en zijn oudste broeder koningen waren. \ an een gedeelte van Duitsch-land maakte hij een koninkrijk Westfalen, waarvan insgelijks een zijner broeders koning werd. Zoo' moest ook Holland een koninkrijk voor een zijner broeders worden. Al deze nieuwe vorsten moesten zich geheel en al voegen naar den wil van Napoleon. Zij mochten niet handelen als onafhankelijke vorsten in het belang van hun volk , maar alleen in het belang van d-n Franschen keizer. Zoodoende w erden al die volken eigenlijk onderdanen van de Franschen. Dit althans was het plan van Napoleon.
2. Lodewijk werd m 1806 koning van Holland. Eerst nam hij zijne residentie te 's Gravenhage, daarna te Utrecht en toen te Amsterdam. Uier liet hij het prachtige stadhuis inrichten voor een koninklijk paleis, gehjk het dit dan thans ook nog is. De nieuwe koning van Holland moest de taal van het volk, waarover hij ging regeeren, zich nog eigen knaken. Doch hij was een man, die het wel met de Neder-
197
landers meende. Hij wilde inderdaad het belang van zijn tolk behartigen. Hij was zachtzinnig en beleefd jegens een ieder, omringde zich met Nederlanders, kous uil hen zijne staatsdienaren en beschermde kunsten en wetenschappen. Ook deed hij zijn best, dat de Nederlanders zoo weinirj mogelijk den druk der Fran.tche overheersching gevoelden. Immers de Fransche keizer wilde, dat zijn broeder geheel en al op zijn Fransch zou regeeren.
3. Onder de maatregelen, welke Napoleon allen vorsten, die van hem afhankelijk waren , oplegde, behoorde het continentaal stelsel. Zoo noemde men eene reeks ran wetten op den handel met Engeland. De Fransche keizer begreep , dat de Engelschen vooral machtig en rijk waren door hunnen handel. Nu wilde hij dien handel vernietigen. Daarom verbood hij in alle landen van Europa, die zich naar zijnen wil moesten voegen, den handel met Engeland, Langs de kusten van alle landen, en dus ook langs die van Holland, werden (o/-heamhten aangesteld, om ieder handelsveikeer met Engelschen onmogelijk te maken. Alle Engelsclie waren , die gevonden werden, werden verbeurd verklaard of'verbrand; zij, die ze kochten, streng gestraft. Gij kunt begrijpen, hoe aller-noodlottigst dergelijke maatregel voor een land, als het onze wezen moest. Scheepvaart en handel moesten daardoor ten eenenmale vernietigd worden. En die beide zaken waren twee der voornaamste takken van bestaan van ons land. Koning Lodewijk kon, wel is waar, zijn broeder Napoleon niet beletten , dit stelsel van dwang in te voeren; maar hij deed zijn best, om bet zoo weinig mogelijk drukkend te maken. De F ransche keizer overlaadde hem hierom met de scherpste verwijten. Niet minder kwalijk nam deze het hem af, dat hij zich in twee andere zaken niet naar zijnen zin voegen wilde.
5. Deze twee waren de conscriptie of loting en de tiércee-ring of vermindering van de interesten, die het land aan zijne schuldeischers betaalde. Vdo'r de Fransche overheersching werd geen Nederlander tot den krijgsdienst gedwongen; maar Napoleon had in zijn rijk het stelsel ingevoerd, dat jaarlijks
198
een aanzienlijk getal jongelingen als soldaat in dienst moest treden. Zij, dio dit moesten doen, werden door het lof aangewezen ; vandaar, in het Nederlandsch, de naam van loting. Gij kunt begrijpen, dat zulk een maatregel onzen landgenoo-ten verre van aangenaam was. Even hatelijk was de tiercee-ring of vermindering tot op 1/3 van de staatsschuld. In tijden van oorlog o! groote geldbehoeften hadden de achtereenvolgende regeeringen van ons land van de gezetene burgers geld geleend, tegen een bepaalden interest. Die schuld werd. gelijli de eerlijkheid het vorderde, beschouwd als onaantastbaar. Nu wilde Napoleon, dat zijn broeder de interesten van die staatsschulden tot op een derde zou verminderen. Gesteld dus; iemand trok vijftienhonderd gulden voor interesten van geld , dat het land hem schuldig was; zoo iemand zou voortaan maar vijfhonderd gulden ontvangen! Lodewijk begreep hoe drukkend de conscriptie, of loting, en de tiërceering voor zijne nieuwe onderdanen wezen zouden. Daarom v ilde hij die beide zaken niet invoeren, tot groote ontevredenheid van keizer Napoleon.
5. De oorlog van Frankrijk met Engeland, waarin ook Holland deel moest nemen, was allerverderfelijkst voor ons land, door de vernietiging van den handel. Daarbij kwam nog, dat in 1809 een Engelsch leger van 50.000 man op het eiland Walcheren landde. liet bombardeerde Vlissingen en nam die stad in. De Engelschen wilden nu Antwerpen belegeren; doch een llollandsch leger dwong hen Zuid-Beveland en Walcheren, welke eilanden zij reeds in bezit hadden, te ontruimen. Ook brachten de Zeeuwsche koortsen, die de Engelsche soldaten aantastten, er veel toe bij om deze tot vertrek te noodzaken.
G. Ofschoon bodewijk, naar zijn vermogen, alles gedaan had om de Engelschen uit Zeeland te verdrijven, gaf Napoleon hem toch de schuld van dien inval niet behoorlijk voorkomen te hebben. Ouk verweet hij hem, dat hij de maatregelen, door den keizer bevolen, als het continentaalstelsel, de conscriptie en de tiërceering, slecht of in'het geheel niet nakwam. De
199
keizer dwong daarom zijnen broeder te Parijs afstand te doen van Noord-Brabant en Zeeland en behandelde hora bovendien zeer onbillijk. Dit bewoog Lode wijk om den 1quot; Juni 1810 den troon van Holland en het land te verlaten. Zijne vrouw en kinderen bleven te Parijs, De jongste zijner zonen is later keizer der Fransclien geworden, onderden naam van Napoleon III.
7. Toen Lodcwijk afstand van den troon van Holland had gedaan, verklaarde Napoleon ons land met Frankrijk ver-eenigd. En zoo groot was de schrik voor dien veroveraar, dat niemand het waagde zich er tegen te verzetten. Nog in de maand Juni trokken de Fransclie troepen Amsterdam binnen en ons land werd in fransclie departementen (zooveel als pro vin dén) verdeeld. Ons vaderland was veroverd, ten onder gegaan, vernietigd! Fransche wetten werden voor ons land verplichtend verklaard; onze jongelingen werden m het Fransche leger gestoken; onze taal moest wijken voor de Fransche; onze inwoners werden door Fransche prefecten (zooveel als gouverneurs) bestierd. Daarbij kw am een tal van Fransche beambten, douanen genoemd, die in alle steden op den handel in Engelsche waren moesten letten en zich door knevelarijen gehaat maakten. Het conlincntaal stelsel werd met alle gestrengheid ten uitvoer gelegd. De conscriptie werd insgelijks, onder de zwaarste bepalingen, ingevoerd. Duizende jongelingen werden aan hunne ouders en hunne werkzaamheden ontrukt, om in Spanje, in Rusland en elders voor een vreemden veroveraar het leven te verliezen. De tiërceering werd insgelijks ingevoerd en maakte duizende lieden, die vroeger welvarend geweest waren, behoeftig of geheel en al arm. Daarbij kwam nog, dat scheepvaart, handel en nijverheid geheel en al vernietigd waren. Ook onze koloniën gingen verloren; want de Engelschen maakten zich in 1810 van Java meester. De Hollandsche vlag wapperde niet meer op de zee. Alleen op het eilandje Deriina, in Japan, bleef zij overeind; want daar kwamen Franschen noch Engelschen haar nederwerpen! De Fransche overheer-
200
selling, die tot de bangste tijden behoort, welke ons vaderland ooit heeft uitgestaan, duurde ruim drie jaren. 1810â1813.
8. Napoleon viel door zijnen hoogmoed en zijne heerschzucht. God, die de koningen verheft en laat vallen, behoefde slechts eene sterke koude te zenden, om den man, voor wien geheel Europa beefde, ten val te brengen. Reeds had de Fran-sche keizer in 1809 paus Pius Vil als eenen gevangenen laten wegvoeren. De paus had over hem het banvonnis uitgesproken, en de keizer had gezegd: ⢠die han zal mijnen soldaten het geweer niet van de schouders doen vallen.quot; Dit deed de hevige koude in Rusland, -waar duizenden en duizenden soldaten letterlijk het geweer van de schouders viel, terwijl de koude hen doodde.
9. In 1812 namelijk trok Napoleon met 600,000 soldaten naar Rusland, om den keizer van dat rijk te beoorlogen. Hier kwam het grootste gedeelte van zijn leger door koude, gebrek en den vijand om het leven. Hierop greep geheel Duilschland naar de wapenen. In 1813 verloor Napoleon een veldslag lij Leipzig tegen de vereenigde legers der Duitschers, Russen en Zweden. Nu hoopte men zich van het juk van den gehaten overwinnaar te kunnen bevrijden. In het laatst van 1813 kwamen de Russische troepen in ons land: in Groningen en Friesland. Het was en bleef evenwel nog eene hachlijke zaak om tegen de Franschen op te staan. Overal lagen nog Fransche soldaten in garnizoen, en Napoleon had zelfs tegen Schimmelpenninck gezegd, dat hij liever de dijken van ons land zou laten doorsteken, dan het ontruimen. Doch toen den 15quot; November de Fransche. generaal Molitor uit Amsterdam op Utrecht terugtrok, barstte het volk los. Het sierde zich met oranjelinten en verbrandde de wachthuizen der douanen, onder het geroep van 'Oranje hoven!quot; x
10. Reeds hadden eenige mannen in 's Gravenhage, die den val van Napoleon vooruitzagen, zich op eene omwenteling voorbereid. De vooraaamsten van deze waren: Gijshert Karei van Hogendorp, Van der Duyti van Maasdam en Van
201
Limburg Stirum, Deze besloten thans liet hoog lt;]czag te aanvaarden in naam des prinsen van Oranje. Zij vaardigden tot dezen, die zich in Engeland ophield, eene bezending af. Onmiddellijk verklaarde zich geheel het Nederlandsche volk voor de verwerping der Fransche heerschappij en den terugkeer van Oranje. Alléén in die sleden, -waarin nog Fransche bezetting lag, moest men zich, uit voorzichtigheid, stil houden. Den 30n November landde Willem Frederik, de zoon van den laatsten stadhouder fVillem V, te Scheveningen. Terstond werd hij ingehaald en spoedig als sourerein vorst met geestdrift aangenomen. Het was dus niet de oude republiek, onder beheer van een stadhouder die hersteld -werd , maar er verrees een nieuwe staat, met een souverein vorst aan het hoofd. Het onderscheid hiertusschen is, dat de stadhouder beschouwd -werd als eerste dienaar der Staten, die souverein waren, dat is met het hoogste gezag bekleed; terwijl thans het hoogste gezag aan den vorst zehen toekwam , die eerlang zou regeeren in overeenstemming met de Staten-Generaal, als vertegenwoordigers der natie.
XXXIX.
REGEERING VAN quot;WILLEM I. 1813â1840.
1. Gijshert Karei van Hogendorp had reeds eene grondwet, of constitutie, op papier samengesteld, eer de omwenteling uitbrak. Volgens deze zou de souvereine vorst regeeren met eene eerste en tweede kamer der Staten-Generaal. Deze drie zouden gezamenlijk de wetgevende macht hebben. De souvereine vorst zou de wetten ten uitvoer brengen door middel van zijne ministers. De rechterlijke macht zon onafzetbaar wezen. Verder zouden alle provinciën gezamenlijk een staat vormen, die volgens dezelfde wetten werd bestuurd. Deze staatsregeling werd aangenomen in eene vergadering van zeshonderd aanzienlijken des lands en den 30 Maart 1814 door Willem I bezworen.
202
2. Intusschen vras Napoleon geheel en al overwonnen en Lodewijk XVIII koning van Frankrijk geworden. Om den toestand van Europa te regelen, , kwamen de Europeesche vorsten op een congres te JFeenen hijeen. Daar werd het besluit genomen, dat België of de zuidelijke Nederlanden bij de noordelijke Nederlanden zouden gevoegd worden en samen een koninkrijk vormen, onder een koning uit het huis van Oranje-Nassau^ Zoo kwamen de zeventien provinciën, die in 1579, ten gevolge van de overheersching der Kalvinisten, vaneen gescheurd -waren, weder tot één. Aan dat koninkrijk der Nederlanden -werd tuegevoegd het groothertogdom Luxemburg, als afzonderlijke staat, onder denzelfden vorst. Ook kreeg ons land de meeste zijner koloniën, waaronder de belangrijkste van alle, Java, terug.
3. Terwijl het congres te Weenen nog bijeen was, kwam de tijding, dat Napoleon het eiland Elba, waar hij moest ver. blijven, had verlaten en in Maart 1815 in Frankrijk was geland. Onmiddellijk trokken zijne oude soldaten weder onder zijn vaandel, en koning Lodewijk XVIII moest naar Gent vluchten. Hierop verklaarden de vorsten te Weenen Napoleon terstond den oorlog. Deze trok een leger te zomen e» viel in de Zuidelijke Nederlanden. Met evenveel snelheid was een leger, uit Engelschcn, Nederlanders, Hanoveranen en Pruisen bestaande, te zamen, om hem het hoofd te bieden. De opperbevelhebber van dit leger was de Engelsche lord Wellington. De zoon des konings, prins Willem van Oranje, stond onder Wellington aan het hoofd der llollandsche troepen.
liet is u allen bekend, hoe den 18quot; Juni 1815 heide legers hij Waterloo, niet ver van Brussel, elkander slag leverden. De prins van Oranje en zijne Hollanders gedr. egen zich zeer dapper. De prins werd in een gevecht bij Qaatre-Bas gewond. Door de aankomst der Pruisen, onder den veldmaarschalk Blücher, werden de Franschen geheel verslagen. Napoleon zelf vluchtte. In Frankrijk gekomen, was hij genoodzaakt zich op een Engelsch oorlogsschip te begeven. De
203
Europeesche mogendheden besloten hem naar het eiland St. Helena in den Allantischen Oceaan te verbannen, waar hij in 1821 gestorven is.
4. Willem I kwam hierdoor in het rustig bezit van een koninkrijk, dal toen reeds meer dan zes millioen inwoners telde, in Azië zeer rijke bezittingen bad en na Engeland de eerste haudeidi ijvende mogendheid van Europa was. Willem was een vorst, die zich met hart en ziel er op toelegde, zijn volk te regeeren, naar betgeen hij dacht, dat tot heil des volks strekte. Hij was. werkzaam, vol overleg en diep doordrongen van bet gewichtige van zijne taak. Hij had de verlorene ivelvaart zijns volks te herstellen en de ver' wijder in lt;j, die er steeds tusschen de bewoners der zuidelijke en der noordelijle Nederlanden bestond, op te heffen.
5. Talrijk zijn de maatregelen, welke bijnam, om handel, scheepvaart, nijverheid en fabriekwezen te doen bloeien, om eenheid en orde in bet bestuur en in de wetgeving te brengen. In 1816 zond bij eene oorlogsvloot uit, onder den vice-admtraal van de Capelle, naar Algiers. Deze, verbonden met eene Engelsche vloot onder lord Exmouth, kastijdde de Algerijnsche zeeroovers voor hunne rnoverijen en homhar-deerde de stud Algiers zelve. Dit boezemde dien zeeroovers ontzag in, zoodat zij onze koopvaardijschepen in de Middellandsche zee voortaan ongemoeid lieten. Ook in onze Oost-Indische bezittingen wist hij bet Nederlandsch gezag met klem te bandhaven. In 1821 werd eene vloot en legerafdee-ling naar Palemhang op bet eiland Sumatra gezonden, om den sultan van dat rijk te tuchtigen. In 1825 hadden de Nederlanders een langdurigen strijd te voeren tegen een inlandsch opperhoofd, Diepo ISegoro. Ook deze werd door de wapenen gedwongen zich aan het Nederlandsch gezag te onderwerpen.
6. Terwijl Willem I op deze wijze onzen handel en koloniën met de wapenen wist te verdedigen, liet hij in Nederland zelf zeer nuttige werken ondernemen. De voornaamste daarvan zijn: het graven van het JSüord-Hollandscli kanaal, van
204
den Helder naar Amsterdam, en he» graven van de Zuid-Willemsvaart., van 's Hertogenbosch naar Maastricht. Onder de nuttige instellingen, door koning Willem I tot stand gebracht, behoort ook de Handel-Maatschappij. Deze trad in de plaats der voormalige Oost-Indische Compagnie. Haar doel was de produkten onzer Oost-Indische bezittingen in de Oost zelf te vervoeren op schepen, door haar uitgerust, ze aan de Nederlandsche markten te brengen en daar te verkoo-pen. Tot het kapitaal, hetwelk noodig was tot het stichten dier maatschappij, had de koning zelf een belangrijk aandeel bijgedragen.
7. Voor alles, wat de bevordering van wetenschap en kunst betrof, beloonde Willem I zich insgelijks zeer ijverig. De hoogeschool van Groningen en die van Utrecht, welke Napoleon had opgeheven, werden hersteld. Leidens hoogeschool was door den Franschen overwinnaar gespaard. Bij deze drie hooge-scholen in het noorden richtte Willem III ook nog andere op in de zuidelijke Nederlanden. Die van Leuven bestond reeds; die van Luik en Gent werden opgericht. Ons vaderland, dat in alle opzichten herleefde, nadat het door de Franschen zoo was onderdrukt, werd zeer welvarend door handel, nijverheid en landbouw. Enkele zeer verschrikkelijke rampen, zooals de overstroeming in Noord-Holland en Fries-land-Groningen in 1825, werden gelenigd door dealgemeene weldadigheid. Ons vaderland telde een aantal mannen, die zich verdienstelijk maakten in schier alle vakken van wetenschap en kunst. Sinds den tijd van de zeventiende eeuw, die Hollands bloeitijd mag geheeten worden, had het zulke groote dichters niet gehad. De eerste van deze was Willem Bilderdijk, na Vondel de grootste van alle Nederlandsche dichters. -Bilderdijk was reeds lang als dichter bekend, eer Willem I op den troon kwam; hij had reeds de achting van koning Lodewijk in hooge mate genoten. Een ander dichter, minder groot, vervaardigde insgelijks zijne schoonste gedichten gedurende de Fransche heerschappij; het was Helmers, die de Hollandsche natie heeft gedicht. Tollens, aan wienwij
205
het volkslied ⢠IVien Keêrtandsch bloedquot; te danken hebben, was jonger dan de beide eerstgenoemden en tijdens de regeering van Willem 1 de meest geliefde dichter, t Is te betreuren, dat hij de Kerk zijner vaderen verlaten heeft. Da Costa en Jacob van Lennep, die onder Willem 11 en 111 ons land tot luister strekten, waren insgelijks ouder de regeering van Willem I reeds bekend, de eerste als dichter, de tweede, vooral als prozaschrijver. Pieneman, Kruseman, Scho' tel en anderen handhaafden den roem van Hollands schil' derschool. Van der Pahn en Des Amorie vun den Hoeven v/avgii als groote redenaars beroemd. Wij zouden nog vele andere geleerde en uitstekende mannen uit dien tijd kunnen noemen.
8. Mocht Willem I de welvaart van zijn land ieder jaar zien toenemen, toch slaagde hij er niet in, de verwijdering tus-scheii Noord- en Zuid-Nederlanders te doen ophouden. Door zijne verkeerde maatregelen maakte hij die verwijdering groo-ter. Willem I was zeer eigenzinnig; hij wilde weinig naar goeden raad luisteren. Bovendien was hij geheel en al het gevoelen toegedaan van die mannen, welke de Kerk en den godsdienst aan de wereldlijke regeeriugen willen onderworpen maken. Hij zelf en de staatsdienaren, wien bij het meeste vertrouwen schonk, koesterden sterke vooroordeelen tegen de Katholieken. En gelijk gij weet, is de bevolking van België of de zuidelijke Nederlanden uitsluitend katholiek. Toen de bisschop van Gent, de Broglie, zich niet als onderworpen dienaar van de koninklijke almacht wilde betoonen, liet Willem 1 hem door partijdige rechters veroordeelen. Daalde bisschop buitenslands gegaan was, liet hij diens portret tusschen twee gemeene misdadigers op een schavot ten toon stellen. Dit gaf veel verbittering.
9. Ook wilde hij de katholieke geestelijkheid naar zijn zin laten onderwijzen en vormen, geheel en al legen den geest der katholieke Kerk. Hij richtte met dat doel te Leuven eene instelling van onderwijs op, Collegium Philosophic urn genaamd. Hierop moesten alle, die eenmaal priester wilden worden, studeeren. Doch de getrouwe Katho-
206
liekeu wilden dat niet, wijl bet door do kerkelijke overheid veroordeeld werd. Zij gingen liever buitenslands studeeren dan in eene zeer verdachte instelling. Later, in 1827, hief Willem I bet Collegium Philosophicum wel weder op, doch toen had de ontevredenheid reeds te diepe wortelen geschoten. Ook bracht hij het reeds gesloten concordaat [overeenkomst tussehen den Paus en eene regeering), zeer onvolledig en volstrekt niet eerlijk ten uitvoer. Daarenboven trachtte hij in alle steden en dorpen der zuidelijke Nederlanden, waar dit slechts kon, Noord-Nederlandscbe prolestantsche ambtenaren te plaatsen. Protestantse he professoren en onderwijzers werden gezonden naar plaatsen, waar bijna alle leerlingenden katholieken godsdienst beleden. De oprichting van nieuwe pro-testantsche gemeenten in katholieke streken werd zeer bevorderd.
10. De pogingen om het Protestantisme in de zuidelijke Nederlanden voort te planten verbitterden een groot gedeelte der bevolking. Een ander gedeelte werd niet minder verstoord door het verplichtend maken van de Nederlandsche taal. Eenige Belgische provinciën namelijk hebben eene bevolking, die uitsluitend Fransch spreekt. Nu wilde de regeering dat alles, wat van haar uitging, in het Nederlatidsch zou opgesteld worden: dat de rechters en advokaten de Ne-derlandsche taal zouden gebruiken. Dit baarde misnoegen. Een tijd lang hadden de zoogenaamde liberalen in België {de onverschilligen in den godsdienst, die een verkeerde staatkunde op den voorgrond stelden) geen gemeene zaak gemaakt met de Katholieken. De laatste waren het minst genegen tot verzet tegen den koning; doch eindelijk sloegen beide partijen de banden in elkander, om de maatregelen van Willem I te dwarsboomen.
11. De ontevredenheid der Zuid-Nederlanders was met ieder jaar toegenomen; waarschijnlijk zou zij echter nog niet zoo spoedig uitgebarsten zijn, ware het niet, dat op den 29quot; Juli te Parijs een opstand uitbrak en de koning. Karei X, van den troon gestooten werd. Dit gaf den Belgen moed, en den
207
16* Augustus 1830 brak er in Brussel een oproer uit. Willem I, die beurtelings te Brussel en te 's Gravenhage resideerde, was in Gelderland, op het Loo. De koning gaf wel bevel, dat troepen op Brussel zouden aanrukken, doch dat de prins van Oranje, die aan het hoofd daarvan stond, geene geweldige maatregelen zou bezigei;. De prins, die zeer bemind in Brussel was, beproefde vruchteloos overreding te gebruiken. De opstandelingen eischten, dat Zuid-Nederland geheel afgescheiden zou worden van Noord-Nederland. Ook prins Frederik, des konings tweede zoon. vermocht niets. De opstand bieidde zich spoedig et er alle zuidelijke provinciën uit. Den 24° November 1830 verklaarde Belgié het huis van Oranje-Nassau vervallen van den troon. Zoo hadden de pogingen om den zuidelijken Nederlanden het Protestantisme op te dringen, twee malen de scheiding der zeventien provinciën veroorzaakt!
12. Willem I riep nu de hulp in der mogendheden, die in 1814 op het congres te VVeenen Noord- en Zuid-Nederland met eikander vereenigd hadden. Doch Frankrijk en Engeland zagen met genoegen de afscheiding, en de andere mogendheden wilden er geen Europecschen oorlog om wagen. Nu besloot Willem I, niet de krachten van het hem getrouw gebleven gedeelte zijns rijks de opgestane gewesten tot onderwerping te brengen. Spoedig had hij een leger van 100,000 man op de been. lier dit leger België inrukte , geschiedde er iets, dat de geestdrift der natie opwekte. Den 5quot; Februari 1831 was een kanonneerboot op de Schelde voor Antwerpen op droog geraakt. De Belgen wilden zich daarvan meester maken, toen de bevelhebber der kanoi-neerboot. Jan Karei Josephus van Spei/k , het kruid in brand stak en zijn schip met vriend en vijand in de lucht liet springen. Deze daad is veel meer verheerlijkt, dan zij verdiende; doch in dagen van opgewondenheid geschiedt zoo iets wel meer.
13. Den 21' Augustus 1831 trok het Hollandsche leger Belgié in. Dit rijk had zich reeds een nieuwen koning gekozen: Leopold van Saxen-kohurg, die door Frankrijk en Engeland
208
terstond als koning van België werd erkend. Bij Hasselt, in Belgiescli Limburg, -werd eeoe afdeeling van bet Belgische leger door de Nederlanders verslagen. Ook bij Leuven werden de Belgen door ons leger, onder opperbevel van den prins van Oranje, overwonnen. Deze zou spoedig Brussel bezet hebben; maar 40,000 Franschen waren België binnengerukt, oin de overwinnende Nederlanders te stuiten. Daarop trok de prins van Oranje met zijn overwinnend leger naar Noord-Brabant terug. In dezen veldtocht, den iientlaagschen veldtocht gclieeten, toonde ons leger, dat de oude Holland-sche moed nog niet ontaard was.
De generaal Chassé was nog meester van de citadel van Antwerpen en weigerde deze te ontruimen. De Franschen belegerden daarop de citadel. Chassé verdedigde haar moedig: maar was door overmacht gedwongen haar, na een hevig bombardement, over te geven. De Nederlaudsche soldaten werden in Fransche krijgsgevangenschap gebracht; doch spoedig weder vrijgelaten.
; r 14. Het koninkrijk België was dus gegrondvest en de scheiding van Noord- en Zuid-Nederland voltrokken. Het duurde echter tot 1839 eer de vrede gesloten werd. Tot zoolang was het slechts een wapenstilstand geweest. Dat de vrede niet eerder werd gesloten, was te wijten aan de vasthoudendheid van Willem I. Geheel Europa erkende België als eenen on-afhankelijken staat; doch Willem 1 was niet te bewegen de vredesvoorwaarden aan te nemen. Het eenige, wat hij deed, was in 1833 de vijandelijkheden te staken. Hiertoe werd hij genoodzaakt, daar de Eugelschen onze havens met hunne oorlogschepen blokkeerden , waardoor handel en scneepvaart stil stonden. Toen de koning zich bereid vei klaarde de vijanquot; delijkbeden te slaken, hieven de Engelschen de blokkade op. Eindelijk nam Willem I de vredesvoorwaarden, gewoonlijk de 24 artikelen genoemd, aan. Daarbij ontving ons vaderland zijne tegenwoordige grenzen. België rnoest jaarlijks 5,000,000 hetalen voor zijn aandeel in de nationale schuld. 15. De oorlog, door de Belgische omwenteling veroorzaakt.
209
heeft ons land mei een last van groote schulden beladen: want die krijgstoerustingen, gedurende jaren, hadden vei-bazend veel gekost. De wijze, «aarop Willem I de zuidelijke Nederlanden wilde regeeren, had de scheuring tusschen Noord,-en Zuid-Nederland ten gevolge. Toen later de weuscli naar verandering in zijne wijze van regeeren ook iu ons laud algemeen werd, hyde Willem / in 18d0 de kroon neder. Hij vertrok naar Duitschland en stierf daar in 1813.
XL.
REGEERING VAN WILLEM II, 1840â1849, EN WILLEM III 1849 TOT NU.
1. Willem 11, d te, nog prins van Oranje, zich hij ii'alcr-loo en Leuven zoo uitstekend had gedragen, volgde zijuea vader op den troon. Hij was een zeer vriendelijk en inue-I mend vorst en algemeen bemind om zijne rondborstigheid. Hij was een groot voorstander van weienschap -en kunst. Terstond na zijne komst op den troon, beproefde hij de bezwaren zijner onderdanen, zooveel in zijn vermogen was, . weg te nemen. Onder deze bezwaren behoorden die, welke de Katholieken hadden legen de toen beslaande onderwijswet. Des konings goede bedoelingen hierin werden echter verijdeld door eene machtige partij in ons land. üeze partij begeert geene godsdienstige grondslagen van het onderwijs; maar zij wil der jeugd eene godsdienslbeschouwing volgens haren zin inprenten. De Katholieken konden in de bedoelingen dier partij niet stilzwijgend berusten, omdat zij overtuigd zijn, dat de godsdienst de grondslag van geheel des menschen leven, dus ook van het onderwijs der jeugd moet zijn. Ondanks des konings goeden wil, werden de oorzaken tot ontevredenheid der Katholieken niet weggenomen ; waut
!,die partij, van velke wij u gesproken hebben, waste sterk Han dat des konings wil haar tegenstand kon overwinnen.,die partij, van velke wij u gesproken hebben, waste sterk Han dat des konings wil haar tegenstand kon overwinnen.
^ u. li
iâ-â
210
2. Willem 11 had bij zijne komst tot den troon met eene groote moeielijkheid te kampen. Het volhardingsstelsel van Willem 1 (zoo noemde men des konings gedrag bij gelegenheid van de Belgische omwenteling) -was ons land duur te staan gekomen. De geldmiddelen -waren in een allerongunstig-sten staat. Hierin moest worden voorzien. Door den minister F. .4. van Hall werden maatregelen voorgeslagen en ten uitvoer gebracht, om Æ127,000,000 van de ISederlandsche natie te leenen. Voor deze som werden andere staatsschulden afgelost; en daar genoemde som tegen lageren intrest geleend was, sproot hieruit een belangrijk voordeel voor 's rijks schatkist voort. Door een zuinig en verstandig beheer werd in korte jaren de toestand der financiën weder gunstig. In 1846, 1848 en 1849 moesten de Nederlanders in Oost-Indié hun gezag handhaven tegen de inlandsche vorsten van het eiland Bali. Die vorsten beproefden een gewapenden opstand, welke echter door de Nederlandsche troepen onderdrukt werd.
3. Het jaar 1848 loas een allergewichtigst jaar. In Frankrijk brak eene omwenteling uit; koning Lodewijk Fiiips werd van den troon gejaagd en de republiek uitgeroepen. Niet eene republiek, gelijk in ons land gedureude de XVIle en XVIIle eeuw, maar eene republiek vol verwarring en miskenning van gezag. Ook in andere landen van Europa, in Italië, Pruissen en Oostenrijk, braken groote onlusten uit. Nu waren ia ons vaderland zeer velen ontevreden met de wijze, waarop het land geregeerd werd. Zij verlangden eene nieuwe grondwet. Willem li, welke dien zeer algemeenen wensch zijner onderdanen kende, wilde dien niet wederstreven. Uit eigen beweging verklaarde hij dat ook zijne begeerte was, dat de grondwet zou gewijzigd worden. Hij benoemde eene commissie van negen mannen, die het vertrouwen des lands genoten, om eene nieuwe grondwet te ontwerpen, (inder die mannen behoorden Thorhecke, Luzac en Storm uit Breda. Door op zulke wijze terstond aan de wenschen zijns volks te gemoet te komen, bewaarde de edele koning zijn land voor vele onlusten, gelijk die in andere landen van Europa
211
voorvielen. Het is die grondwet, volgens welke thans ons land geregeerd wordt.
4. Willem II mocht echter niet beleven. dat de nieuwe grondwet in werking was getreden. In Maart 1349 werd hij door eene kortstondige, maar hevige ongesteldheid overvallen. Hij stierf te Tilburg, in welke stad hij veel zijn verblijf hield en welke hij zeer beminde. De overleden vorst werd algemeen betreurd en bleef, om zijne edele hoedanigheden, bij velen nog lang in een gezegend aandenken.
5. Zijn opvolger teas onze tegenwoordige leaning Willem 111, geboren m 1817 en gehuwd met Sophia Mathilda, dochter van den koning van Wurtemherg. De regeering van Willem III moge, gelukkig, tot nog toe niet vermaard zijn door groote oorlogen, welke ons land gevoerd heeft, gelijk onder den stadhouder Willem 111, maar die regeering is toch allerbelangrijkst door groote en gewichtige werken des vredes.
Onder die werken des vredes, welke niet minder onze aandacht verdienen dan groote oorlogsbedrijven, moeten wij in de eerste plaats noemen de gewichtige veranderingen, die ingevoerd werden in de wetten, volgens welke bet land geregeerd wordt. Al die veranderingen waren het gevolg van de verandering der grondwet, in 1848 geschied. Er werd eene nieuwe wet gemaakt op de verkiezingen van leden voor de Staten-Generaal, de Provinciale Stalen en de gemeentebesturen. Eene andere wet regelde de macht en bevoegdheid der gemeentebesturen', eene andere weder de verzorging der armen ; eene andere het postwezen. Wij zouden zoo nog vele andere wetten kunnen opnoemen, die in meerdere of mindere mate het stoffelijk en zedelijk welzijn des volks betreffen. Als eene der voornaamste wetten noemen wij alleen de wet op het lager onderwijs, die in 1857 vervaardigd werd, doch al spoedig van den kant der Katholieken en van talrijke Protestanten groote afkeuring ondervond. De -reden daarvan was, dat de godsdienst niet, gelijk het behoort, als de voornaamste grondslag van het onderwijs werd beschouwd. En daar wij vdo'r alles den goeden God moeten kennen en die-
212
jicu, moet ook de godsdienst de eerste grondslag van des mensclien doen en laten, ook van liet onderwijs, wezen.
C. Belialve door deze verandering in de â wetten des lands zal de regeering van Willem 111 altijd belangrijk blijven in de geschiedenis van ons vaderland, door de yroote werken, v.elke gedurende zijne regeering zijn aangevangen of' ten uitvoer gebracht. In de eerste plaats verdient genoemd te worden de droogmaling van de Haarlemmermeer. Dit werk, dat reeds onder de regeering van Willem !1 werd aangevangen, is in 1855 voltooid. Meer dan 15,000 bunders vruchtbaar land werden daardoor verworven. Nagenoeg even belangrijk als die droogmaking is dc aanleg van spoorwegen door meest alle provinciën van ons vaderland. Eenigen daarvan zijn door partikuliere ondernemingen aangevangen en voltooid; anderen op kosten van den Staat. De spoorbruggen zooals bij Kuilenburg, vooral bij den Moerdijk, waren op zich zeiven alleen reusachtige ondernemingen, wier voltooiing ons land tot eere strekt. Insgelijks zijn, geheel het land door, telegraaflijnen geplaatst. Ook andere belangrijke werken w erden ondernomen. Daaronder is er een, dat inderdaad den naam van een reuzenwerk verdient, te weten, de doorgraving van Holland op zijn smalst: een werk, waardoor schepen onmiddelijk uil de Noordzee voor Amsterdam kunnen komen.
7. In handel, nijverheid, wetenschap en kunst bleef ons vaderland gedurende de regeering van Willem 111 niet bij andere landen van Europa achter. De landbouw vooral ging sterk vooruit. Mannen, uitmuntend in alle takken van we-- tenschap en kunst, toonden, dat Nederland nog de oude liefde voor het schoone en goede heeft bewaard. Onder onze voornaamsie dichters en kunstenaars uit den tijd van Willem 111 verdienen genoemd te worden, behalve da Costa en Jacob van i.ennep, die wij reeds genoemd hebben. Beets, ten Kate, Mevr. Boshoom-Toussaint, Schimmel, Hofdijk, en onder dc Katholieken, Alberdingk Thijm en Schaepman, allen dichters en prozaschrijvers; /foyer een beroemd heel*!-
213
houwer, die de standbeelden van Rembrandt en Vondel in Amsterdam heeft vervaardigd; de schilders Bosboom. Koekkoek (meer dan een van dien naam, Rochussen, Bles, AUebé; waterwerkluigkundigen als Conradâ , een bouwmeester als Cuypers, die de middeleeuwsnlie kunst doet herleven; uitstekende geneesheeren, die een Europeschen naam verworven hebben , als professor Donders. Geleerden, die vaak meer dan éeu vak van wetenschap tot eer verstrekten, als professor C. Broere, Lipman, Dr. Borret, enz. Zoo zou men nog vele andere namen kunnen noemen, ten bewijze, dat ons vaderland nog niet bij andere Europeescbe volken behoeft achter te staan.
8. Gedurende de regeering van koning Willem 111 geschiedde er iets, dat vooral voor de Katholieken van Nederland van het uiterste belang is: de herstelling der bisschoppelijke kerkregeling of hiërarchie in 1853.
Toen in 1581 en ia ter de Hervormden in ons vaderland het overwicht hadden verkregen, verboden zij de uitoefening van den katholieken godsdienst; de bisschoppen, die nog aanwezig waren, werden verjaagd of in de uitoefening van hun bisschoppelijk ambt belemmerd. Toen de laatste van hen de aartsbisschop van Utrecht, Frederik Schenk van Touten-burg, in 1581 stierf, zorgden de Staten dat geen nieuwe bisschop geestelijk rechtsgebied in ons vaderland meer kon uitoefenen. De katholieke Kerk in Nederland werd dan ook namens den Paus, door apostolische vikarissen bestierd. Paus Leo XII knoopte met Willem 1 onderhandelingen aan, om de bisschoppeliike hiërarchie in de Nederlanden te herstel, len. Er werd bij een concordaat [overeenkomst van din Paus met Vorsten) vastgesteld dat in de noordelijke Nederlanden twee bisschopszetels zouden opgericht worden: een te 's Hertogenbosch en een te Amsterdam. De onverdraagzaamheid van zeer velen in ons land belette dit echter. Hetzelfde was het geval toen er sprake van was, dat Willem II een concordaat niet den Paus zou sluiten.
9. Door de grondwet van 1848 was echter de toestand ver-
2U
anderd. De rijkswetten konden toen de oprichting van katholieke bisschopszetels niet meer verhinderen. Na rijp beraad, besloot dan ook onze H. Vader, paus Pius IX, de katholieke hiërarchie in Nederland te herstellen. Hij richtte een aartsbisdom met vier .s uffra y a an-bisdommen op. Het aartsbisdom is Utrecht-, de vier bisdommen: Haarlem ,'s Hertogenhosch, Breda en Roermond. Deze oprichting der nieuwe bisdommen wekte in hooge mate de verbolgenheid van vele Protestanten op. Verkeerd ingelicht omtrent de werkzaamheden en de bedoelingen der nieuwe bisschoppen, maakten zij eene groote beweging en opschudding in het land. Dewijl dit geschiedde in April 1853, is die beweging tegen de iiieuwhenoemde bisschoppen de Aprilbeweging genoemd. Zeer vele Protestanten gaven, met bijbedoelingen, de Schuld van alles aan den minister Thorhecke'. de koning benoemde andere ministers; allengskens bedaarden de beweging en opgewondenheid, daar de meeste Protestanten inzagen, dat de Katholieken in hun recht waren en dat de nieuwe bisschoppelijke kerkregeling niet het minst het welvaren des lands benadeelde.
De nieuwe kerkregeling is eene zeer gewichtige gebeurtenis. Gij ziet, hoe de bisschoppen met onvermoeiden ijver het geestelijk welzijn der geloovigon bevorderden. En Nederland, hetwelk gedurende meer dan twee eeuwen voor een uitsluitend protestantsch land gehouden werd, heeft zijne katholieke bisschoppen zien zitting nemen in het groot Vati-kaansch Concilie.
Met Gods zegen, mijne kinderen! heb ik de taak volbracht , die ik mij zeiven, u lieden ten wille, had opgelegd. De geschiedenis is eene schoone wetenschap, en ieder mensch dient er iets van te weten: vooral van de géschie-nis van zijn eigen vaderland. En wilt gij weten, wanneer vooral de beoefening der geschiedenis schoon is? â Wanneer men de wijze bestiering Gods erkent in de lotgeval-
215
len van ineuschen en volken! â De geschiedenis is niet het verhaal van gebeurlenissen, die bij toeval zijn geschied. Niels geschiedt hij toeval. God leidt de gebeurteuisseu ; maar laat den inensch zijn vrijheid. De menschen kunnen door verkeerdheden, door hartstochten afwijken van den quot;weg, die hun door God wordt aangewezen: zij kunnen Gods eeuwige raadsbesluiten wederstreven; doch nooit tegenhouden.
Ook ziet gij uit de geschiedenis, hoe iedere goede daad goede gevolgen, iedere kwade daad kwade gevolgen heeft.
Dit geldt evenzeer voor geheele volken ïJs voor bijzondere personen. Toen onze voorvaderen ijverig, volhardend, spaar-ïaam en eenvoudig waren, bloeiden zij en hun staat; toen zij de oude eenvoudigheid lieten varen, zich aan weelde overgaven en eigenbelang op den voorgrond stelden, ondervond ons land vele rampen: zoo zelfs' dat het eindelijk aan vreemde veroveraars werd onderworpen.
Maar uit dien ramp liet God weder het goede voortkomen. Juist door de vreemde overheersching werden de verdrukte Katholieken, met anderen die niet tot de Hervormden behoorden , -weder vrij. Wijl die Katholieken op God vertrouwden, zich bescheiden en arbeidzaam betoonden en getrouw aan hunnen godsdienst bleven, werd hunne Kerk-regeling -weder hersteld. Zij mogen zich nu verheugen, dat zij leven in een rustig en gelukkig land, onder de regeering van eenen vorst, die gelijk recht voor alle zijne onderdanen begeert en wien zij , volgens Gods gebod, eeren : â onder onzen koning Willem den Derde.
Ie TIJD YAK. (100 j. v. Chr. â 923 j. n. Chr.)
Geschiedenis der eerste lewoners van ons land. J. v. Chr.
100 De Batavieren komen in ons land.
50 Komst der Romeinen.
J. n. Chr.
69 Opstand der Batavieren onder Claudius Civilis. 300 De Franken en Saksers vallen in ons land. 650 Invoering van het Christendom. 754 Bonifacius bij Dokkuni vermoord.
800 Karei de Groote.
900 Invallen der Noormannen. De groote leenmannen maken zich onafhankelijk.
|
He TIJDVAK. | |
|
(923â1555.) | |
|
Grafelijke Regeering. | |
|
923â1299 |
Hollandsche huis. |
|
923 |
Dirk I, graaf van Holland. |
|
1015 |
Stichting van Dordrecht. Oorlog tusschen |
|
Dirk III en bisschop Adelbold. | |
|
1096 |
Begin der Kruistochten. Godfried van |
|
Bouillon. | |
|
1219 |
Willem I neemt Damiate in. |
|
1256 |
quot;Willem II bij Hoogwonde door de West- |
|
Friezen gedood. | |
|
1296 |
Floris V vermoord. |
|
1299â1350 |
Henegouwsclie huis. |
40
1299 Jan van Avennes, graaf van Henegouwen, Holland en Zeeland.
1304 Witte van Haamstede slaat de Vlamingen op liet Mannepad. Slag bij Zierikzee.
1345 Dood van Willem IV.
1350 Begin der Hoeksche en Kabeljauwsclie twisten. Willem V.
1350â1433 Beiersche huis.
1433 Jakoba van Beieren staat de regeering af aan Philips van Bourgondië.
1433â1482 Bourgondische huis.
1477 Karei de Stoute sneuvelt bij Nancy.
1482 Dood van Maria van Bourgondië. Zelfopoffering van Jan van Schaffelaar.
1482â1581 Oostenrijksche huis.
1492 Einde van de Hoeksche en Kabeljauw-sche twisten. Opstand van het Kaas-en Broodvolk. Begin van den Gel-derschen oorlog.
1515 Karei V begint te regeeren.
1517 Begin der Kerkhervorming.
1528 Karei V maakt zich meester van het bisdom Utrecht.
1543 Gelderland komt onder de heerschappij van Karei V.
1555 Karei V doet afstand van de regeering ten behoeve van zijn zoon Philips II.
Ille TIJDVAK.
(1555â1648.)
Ons land in strijd met Spanje.
1566 Beeldstormerij.
41
15G7 Komst van Alva in de Nederlanden. 1568 Slag bij Heiligerlee. Dood van de graven van Egmond en Hoorne.
1572 Inneming van den Briel. Moordtooneelen
te Zutfen en te Naarden.
1573 Beleg van Haarlem en Alkmaar. Slag
op de Zuiderzee. Vertrek van Alva.
1574 Slag op de Mookerheide. Leiden ontzet. 157G Dood van Eequesens. Pacificatie van Gent. 1579 Unie van Utrecht.
1581 Afzwering van Philips. Vestiging van
de Eepubliek der Vereenigde Nederlanden.
1582 Aanslag van Jean Jauregui op het leven
van den Prins.
1583 Mislukte aanslag van Anjou op Antwerpen.
1584 Dood van prins Willem 1.
1585â1587 Leycester in de Nederlanden.
1588 De onoverwinnelijke vloot vernield. 1590 Prins Manrits wordt stadhouder. Verrassing van Breda.
1600 Slag bij Nienwpoort.
1602 Oprichting der O.-Indische Compagnie.
1606 Heldendood van Reinier Klaassen.
1607 Slag bij Gibraltar.
1609â1621 Twaalfjarig bestand.
1619 Synode van Dordrecht. Oldenbarnevelt onthoofd. Hugo de Groot op Loeve-stein. Stichting van Batavia. 1625 Dood van prins Maurits.
1628 Piet Hein neemt de Spaansche Zilvervloot.
1G29 Frederik Hendrik neemt 's Hertogenboscli. 1639 M. H. Tromp slaat de Spaansche vloot bij Duins.
1647 Dood van Frederik Hendrik.
1648 Munstersehe vrede.
IVe TIJDVAK.
(1648â1795.)
Bloei en verval van de Republiek der Vereenig de Nederlanden.
1650 Dood van prins Willem II.
1650â1672 Eerste stadhouderlooze regeering. Jolian de Witt.
1652â1654 Eerste Engelsche oorlog. 1659 Noordsclio oorlog.
1665 Begin van den tweeden Engelsclien
oorlog.
1666 Vierdaagsclie zeeslag.
1667 Tocht naar Chattam. Vrede te Breda. 1672 Oorlog met Frankrijk, Engeland, Munster en Keulen. Willem III wordt stadhouder. De gebroeders de Witt vermoord.
1674 Vrede mot Engeland, Munster en Keulen. 1670 Dood van de Ruyter.
1675 Vrede met Frankrijk te Nijmegen ge
sloten.
1688 Willem III wordt koning van Engeland. 1697 Vrede te Rijswijk.
1702 Dood van Willem III. Begin van den Spaansohen successieoorlog.
|
1702â1747 Tweede stadhouderlooze regeering. | ||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Ye ï LID VAK. (1795â1815.)
Fransche o verhen 'sch ing.
1799 Landing der Engelschen en Russen in Noord-Holland.
1SÃ5 E. J. Scliimmelpenninck wordt raadpensionaris der Bataafsche Republiek.
1S0G Lode wijk Napoleon wordt koning van Holland.
1810 Holland bij liet Fransche keizerrijk ingelijfd.
1812 Napoleons veldtocht naar Rusland.
44
1813 Slag bij Leipzig. Omwenteling in Holland.
1815 Vereeniging van Noord- en Zuid-Nederland onder liet bestuur van koning Willem I.
V Ie TIJDVAK.
(1815â1882.)
Koninkrijk der Nederlanden.
1815 Slag bij quot;Waterloo.
1830 Opstand in België.
1831 Heldendood van van Speyk. Tiendaag-
sche veldtocht.
1832 Belegering van de Citadel van Ant
werpen.
1839 Vrede met België.
1840 Willem I doet afstand van den troon.
Willem II volgt hem op. 1844 Vrijwillige leening.
1848 Herziening der Grondwet. Thorbeeke.
1849 Dood van Willem II. Willem III wordt
koning.
1855 De droogmaking van liet Haarlemmermeer voltooid.
1857 Wet op het Lager onderwijs. 18G5 Aanleg der Staatsspoorwegen. Afdamming der Ooster Schelde. 1873 Begin van den oorlog met Atchin. 1877 Opening van den nieuwen Amsterdam-schen Waterweg.