ocr page 1

v quot; -wits

V' *

/ Ji'

^ i


/ • ^-f i ■vl 1 VC-va^T /'

f amp;;_X' ^^

MÏS.

quot;1 XA-gt; y N

^4

ocr page 2

f

ocr page 3

/fê.

DE

HEILIGE MARTELAREN VAN GORCÜM.

Geschiedkundige Beschrijving

EOOE

Sibüotheek , atjDER , cOERS

v«i T

\^gt;W ,. j t/f

, \ :V Ï£S£1S^

S-HERTOGENBOSCH, *'■ mOSlHAlVS 8KMJOH.

1892.

ocr page 4
ocr page 5

VOORWOORD.

Be dwaalleer van Calvyjn, die den hoogmoed van 's menschen geest en de bedorvenheid van zijn hart streelde, had als een vernielend vuur, dat overvloedig voedsel vindt voor zijne verwoestende kracht, zich met betreurenswaardige snelheid over Europa verspreid en duizenden en nogmaals duizenden aanhangers verworven, die in hun overmoed en bandeloosheid eene groote rol speelden in de geschiedenis gedurende de hoeede helft der zestiende eeuw. Ook tot in de Nederlanden was de droevige dwaling doorgedrongen, en met haar kwam het geweld, door hare volgelingen gepleegd, die, onder den naam van Geuzen, de oproersvaan opstaken, de trouwe Katholieken in het algemeen met onmenscheli/jke woede vervolgden, doch bovenal de priesters en kloosterlingen tot doelwit kozen van hun toreeden moedwil en duivelachtigen haat.

ocr page 6

VOORWOORD

Na eerst in stroop-en plundertochten het platte land te hebben afgeloopen, en het spoor van hun doortocht door geteeld en vernieling te hebben geteekend, tastten zij allengs ook de steden aan, waar de heilige plaatsen en geestelijken het vooral moesten misgelden. Zij wilden den katholieken godsdienst met wortel en tak uitroeien bij onze vrome voorouders, en om dit doel te zekerder te kunnen bereiken, begonnen zij met Gods huis en zijne dienaars aan te randen. God echter leefde en maakte hunne helsche plannen te schande. Hij sterkte de zijnen, en waar de vervolgers der Kerk in Nederland haar in bloed en tranen meenden te smoren, daar werden dat bloed en die tranen de vruchtbare sappen, die kracht en leven schonken aan den boom dier Kerk, en hem staande hielden, ondanks de stormen, die zijn stam schokten en zijn kruin deden schudden.

Be eene plaats na de andere viel den muitenden en roofzieken geioeldenaars spoedig in handen, en onder anderen was ook het stadje Gorcum weldra in hunne macht. Hier vond hun godsdiensthaat rijke stof om zich te koelen.

IV

ocr page 7

VOORWOORD

ivant talrijk waren hier de personen, die zich aan God hadden toegeioyjd. Evenwel, om zich niet noodeloos ao,n de toomelooze woede dier bende bloot te stellen, waren de heide pastoors der stad en eenige kloosterlingen uit het Franciskaner-klooster, dat Gorcum binnen zijne muren bezat, naar de citadel gevlucht; doch die voorzorg baatte hun niet. Want toen de stad zich overgegeven had, drongen de vijanden ook de schuilplaats der eerbiedwaardige dienaren Gods binnen, begonnen de volgelingen van hun verguisden Meester op allerlei wijzen te beleedigen en te smaden, en sloegen zelfs aan hen hunne heiligschennende handen door hen te kioellen en te mishandelen.

Talloos waren nu de pogingen en middelen, die in het zoerk gesteld iverden om de geloofshelden aan het wankelen te brengen; bitter en wreed was de gevangenisstraf, waaronder zij zuchtten; gruwzaam en verfijnd war éi de folteringen en martelingen, die zij doorstonden; afgrijselijk eindelijk waren de pijnigingen van hun laatsten strijd en langzamen dood. Ja! zóó wreed, zóó gruwzaam, zóó afgrijselijk was dat alles, dat de pen, die

V

ocr page 8

VOORWOOED

hun lijden moet beschrijven, ons in de vingeren heeft. Maar zij beefden niet, want Christus was met hen. Met beide handen grepen zij den lijdenskelk, hun door den goddelijken Meester overgereikt; zij stonden als rotsen onwrikbaar pal in den strijd en stierven als helden om als overwinnaars gekroond te worden.

Die onbezweken strijders van Christus waren de bovengemelde twee pastoors en kloosterlingen, en eenige later aangehoudene priesters, te zamen negentien in getal, die den roem-vollen naam dragen van martelaren van Gorcum.

Martelaren van Gorcum! een naam die ons het hart van geestdrift moet doen kloppen en met heiligen naijver vervidlen, want, zijn wij kinderen van alle hei. lige n, wij zijn het op gansch bijzondere wijze van deze negentien bloedgetuigen van Christus, die bijna allen zonen waren van hetzelfde Vaderland , en allen op Nederlandschen grond den rnartelpalm geplukt hebben.

Om die geestdrift te doen stijgen en dien heiligen ijver ter navolging te scherpen,

VI

ocr page 9

VOORWOORD

vn

schreven vrij de navolgende bladzijden, die het verhaal van hun lijden en sterven bevatten en waarvan wij de stof uit verschillende schrijvers bijeenverzameld hebben. Neemt die edele zucht, om de voetstappen van hunne broeders in 't geloof te drukken en ook dezer eeredienst luisterrijker te doen zijn, bij onze lezers toe, dan zal door de vermeerdering hunner godsvrucht jegens die Martelaren hun heil bevorderd ivorden, terwijl tevens onze moeite ruimschoots vergolden en het verlangen van ons hart voldaan zal zijn.

ocr page 10
ocr page 11

De Heilige Martelaren van Gorcum.

iescEiedlundige JResckijoing.

a het plegen van eenige zeerooverijen, die hij echter onder den dekmantel, den Spaanschgezinden afbreuk te doen, had willen verbergen, was Willem v a n L u m e y, graaf van der Mark, (1) verplicht geweest met zijne schepen een goed heenkomen in Engeland te zoeken. Deze veilige schuilplaats was voor zijne zeeschuimers, over welke hij als Admiraal van den Prins van Oranje het bevel voerde, van korten duur, daar hem plotseling door Koningin Elisabeth (2) gelast werd, haar rijk te verlaten. Lumey, niet wetende werwaarts koers te zetten,

ocr page 12

— 10 —

werd door Willem Blois van Treslong, die zich onlangs met twee schepen hij hem had gevoegd, en Jacob Simons zoon de Rijk, benevens andere hoofden der vloot, aangezocht om op meer waardige wijze iets tot welzijn hunner zaak te ondernemen. Men sloeg toen het oog op Enkhuigen of op eene of andere stad in het Noorderkwartier van Holland.

Lumey werd, hoewel ongaarne, genoodzaakt aan dit aanzoek gehoor te geven en zette (Maart 1572) koers naar Texel, met het oogmerk om er de Spaansche schepen aan te tasten. Tegenwind verijdelde echter zijn voornemen, en hij was verplicht, den mond der Maas in te loopen, met bedoeling een aanslag op de stad Brielle te ondernemen. Om alle hinderlagen te voorkomen, zond hij twee schepen vooruit, onder bevel der hoplieden Marinus Brandt en Daam van Haren, en volgde weldra met zijne geheele vloot, die uit vier en twintig schepen bestond. (3)

Zoodra hij daarmede tot voor de stad was genaderd, liet hij haar opeischen in

naam van den Prins van Oranje, als stadhouder des Konings van Spanje. De Magis-

ocr page 13

traten, zich niet kunnende te weer stellen, daar de stad zonder bezetting was, bleven het antwoord hierop schuldig. Dit lange verwijl moede, overweldigde Treslong de Zuidpoort, terwijl Lu me y door den Hopman Roobol de Noordpoort liet openloopen, waarop beiden nog denzelfden dag (1 April 1572) des avonds tusschen 8 en 9 ure met 250 man de stad binnentrokken.

Dit feit, wat men als het eerste kan beschouwen tot grondlegging onzer onafhankelijkheid, werd door Lumey op een hem waardige wijze ten uitvoer gebracht, daar hij met het aanbreken van den volgenden dag bevel gaf, alle kloosters en kerken binnen de stad te schenden en te berooven. Met veel móeite bewerkten de hoofden Tres* long, Entes, de Rijk en Dirk Duive^ dat Lumey's opzet: de geheele stad leèg te plunderen en ze dan te verlaten, niet werd volvoerd.

Zoo hadden dan eenige aitgewekenen, die zich zeiven met den verachtelijken naam van Watergeuzen bestempelden, zich het eerst en met goed gevolg tegen de Spaansche dwingelandij verzet, ofschoon zij misschien

ocr page 14

— 12 —

zelf niet bewust waren van de groote gevolgen, die hun vermetel opzet zou hebben.

Daarna stroopten Lumey's woeste soldaten den omtrek rond en maakten zich weldra meester van Delfshaven, Maassluis en Schiedam. Later vielen Vlissingen, Enkhuizen en Alkmaar in handen der opstandelingen en eindelijk lag Gorinchem of Gor-cum in het land van Arkel (4) aan de beurt.

Den 25 Juni, daags na de overgave van Dordrecht, kwam de reeds genoemde Mari-nus Brandt des ochtends ten 8 ure voor Gorcum en eischte de stad op. Daar de burgerij, die gedeeltelijk kettersgezind was, onderling zeer verdeeld was, ging de stad den 26 derzelfde maand over. Doch de Drossaard Caspar Turk, zich niet tegen de opgeruide menigte kunnende staande houden, week naar het kasteel en bood iedereen, die hem volgen wilde, eene veilige schuilplaats aan, tot dat zijn zoon Willem Turk met de noodige versterking zou zijn aangekomen. Ook boezemde hij den Katholieken, welke zich onder zijne bescherming binnen het kasteel begeven hadden

ocr page 15

— 13 —

moed in door een brief van den graaf Bos-su, den Spaanschen opperbevelhebber; die hem hulp toegezegd had.

Onder degenen, welke hem gevolgd waren, bevond zich de eerwaarde Pater Ni col a as Pi eek, Gardiaan van het Minderbroedersklooster te Gorcum, met zestien broeders, die hunne priesterkleederen en andere kerksieraden met zich namen. Drie andere broeders wilden hem niet volgen en bleven dus in het klooster. Inmiddels hadden Leo-nardus van Vechel en Nicolaas Poppel, Pastoors te Gorcum, het kasteel verlaten, beproevende het volk te vermanen, en de Katholieke burgers waarschuwende, om zich binnen het kasteel te begeven.

Nadat Brandt aan het hoofd zijner Geuzen de stad was binnengetrokken, liet hij al de inwoners op de markt bijeenkomen, deed hun den eed van getrouwheid aan Willem van Nassau, Prins van Oranje, (5) afleggen en luidkeels roepen: „Leven de Geuzen!quot; Terstond loste Turk van het kasteel twee kanonschoten op de Geuzen. Brandt, ziende dat het den bevelhebber volle ernst was, vaardigde een der in de stad gebleven

ocr page 16

— 14 —

Franciscaner monniken naar hem af met een brief, dien Turk echter weigerde aan te nemen. De afgevaardigde van Brandt las evenwel den brief voor, waarin den bevelhebber vrijen aftocht beloofd werd voor hem en voor allen die zich in het kasteel mochten bevinden, doch het aanbod werd van de hand gewezen. Onmiddellijk maakte • Brandt zich tot de bestorming gereed, waarmede hij nog denzelfden avond begon. Turk verdedigde echter manmoedig den hem toevertrouwden post, hoewel hij slechts 20 bezoldigde knechten ter zijner beschik king had. De Geuzen waren echter spoedig van het voorplein meester, waarop hij met de zijnen naar het sterkste gedeelte van het kasteel, de Blauwe Toren genaamd, terugweek. Doch het aanvankelijke verlies had zijn !:leine bezetting zoo ontmoedigd, dat zij de wapens wegwierpen en weigerden, langer aan hem te gehoorzamen.

Brandt deed nu nogmaals het kasteel opeischen, terwijl hij onder eed beloofde, dat allen, die er op waren, zoowel wereldlijken als geestelijken, vrijen aftocht zouden genieten, evenwel met achterlating van de

goederen, welke er verborgen waren. Turk

*

ocr page 17

— 15 —

wachtte nu nog tot middernacht, en geen hulp ziende opdagen, gaf hij het kasteel den 27 Juni aan de Geuzen over. Als de geestelijken, die zich op het kasteel bevonden, de overgave vernamen, voorzagen zij, dat hunne geestelijke kleeding hen wellicht zou doen herkennen, zij trokken derhalve hunne kloosterkleederen weder aan, en gingen bij elkander te biechten, terwijl de eerwaarde Pastoor Nicolaas hun vervolgens de H. Communie uitreikte.

Bij het binnentrekken der sterkte reikte

Brandt de hand aan Hess elius Estius, « '

die aan den ingang stond, zeggende; „Vrees niet! wat ik beloofd heb, beloof ik nog, en ik bevestig mijn trouw onder eede.quot; Nauwelijks was de woeste schaar binnen, of de gevangenen en de geestelijken vooral ondervonden dat het op hen gemunt was, daar de Geuzen op hen aanvielen en hunne zakken en kleederen doorzochten om geld bij hen te vinden. De Onder-gardiaan Hieronymus, een eerbiedwaardig grijsaard, dien zij voor den Gardiaan aanzagen, had reeds veel van hen te lijden. Zij grepen hem bij de borst en mishandelden hem ten einde hem geld af te persen, dat

ocr page 18

— 16 —

de goede man, volgens de regels zijner orde, niet bezat.

Nadat de namen der gevangenen waren opgeschreven, verweet Brandt aan Caspar Turk den dood van twee inwoners, die deze had laten onthoofden, omdat zij de kettersche predikers in hun huis opgenomen en begunstigd hadden. Turk verdedigde zijn recht, verklarende niets anders gedaan te hebben dan hetgeen waartoe zijn ambt als Drossaard hem recht gaf; van dit oogenblik af begon het beschimpen en bespotten der gevangen priesters, hetgeen zij echter met bewonderingswaardig geduld verdroegen. Zeker burger van Gorcum bood den Gardiaan, die nog eenigszins aan hem verwant was, aan om hem vrij te koopen; maar de edele Nicolaas Pi eek weigerde volstrekt, zijne broeders te verlaten en sprak hun zelfs moed en vertrouwen in.

Brandt, wien men het verbreken van zijn woord verweten had, verdedigde zich met te zeggen, dat hij niets verder mocht uitrichten zonder de bevelen van Lumey. Evenwel werden eenige dagen later door bemiddeling van sommige burgers de gevan-

ocr page 19

- 17 —

genen vrijgekocht, met uitzondering dei-geestelijken en kloosterbroeders en nog een Katholiek burger, G-ordianus de Vosse of van Vosse geheeten. Deze werd toch later op aanhoudend aanzoek zijner vrouw in vrijheid gesteld en met hem een zeker priester, Godefridus van Duynen ofVan Duin, die een weinig krankzinnig was. Doch toen deze de gevangenis verliet, zeide een der Geu-zensoldaten: „Zoo die verstand heeft om God te dienen, dan heeft hij ook verstand om opgehangen te worden.quot; Op dit gezegde voerde men hem weder naar de gevangenis terug en later onderging hij met de anderen den marteldood.

Nadat de burgers vertrokken waren, werd de Gardiaan met al de zijnen in een on-deraardschen kerker geworpen, werwaarts de beide Pastoors reeds met een anderen Priester gebracht waren. Zij waren uitgeput van vermoeidheid en van den smaad, dien men hun had aangedaan en hadden grooten honger. Hoewel het Vrijdag en dus een dag van onthouding was, bracht men hun vleesch, doch geen hunner wilde daarvan nuttigen, hoe ook door honger geprangd. Slechts één

Mart. Goec. .

ocr page 20

priester vergat zich en gebruikte van de voorgezette spijs.

Eenigen tijd daarna kwamen de Geuzen-soldaten langs een ladder de gevangenis der verschrikte geestelijken binnenstormen, uitroepende: „Laten wij hun neus en ooren afsnijden en dan de afgodisten kruisigen!quot; Zij wilden hen daarop op de ladder binden om hen te geeselen, doch juist toen men daarmede wilde beginnen, kwam een der soldaten berichten, dat Willem Turk meteen bende Spaansch krijgsvolk in aantocht was. Nu spoedden zij zich naar de muren om den aankomenden soldaten weerstand te bieden, doch hen niet ziende opdagen, verlieten zij de veste en begaven zich op nieuw onder de gevangenen, die nu niets anders dachten dan een voor een ter dood gebracht te zullen worden.

Leonardus trad dan ook manmoedig op hen toe en knielde neder, zeggende: „Ik ben bereid.quot; Hij ontblootte daarbij zelf hoofd en hals, maar men antwoordde, dat hij hun de kloosterschatten moest aanwijzen. Hij bewaarde echter het stilzwijgen, waarop de soldaten op Godefridus

ocr page 21

aanvielen. Ziende dat zij met dezen krankzinnige niets konden uitrichten, keerden zij zich naar Ni colaas Poppel, den jongsten Pastoor, hielden hem een geladen pistool voor den mond en wilden hem op die wijze dwingen, hun te zeggen waar de schatten verborgen waren. Zulke vreesaan-jagingen vermochten echter niets op zijn gemoed, waarop zij een der Minderbroeders het gordelkoord afrukten ; zij wierpen het om P o p p e 1 s hals, haalden het over de deur van den kerker, en begonnen hem op en neder te trekken, zoodat hij bijna ver-worgd werd. Toen hij op het punt was den geest te geven, hielden zij nogmaals bij hem aan. Daar zij echter niets van hem konden vernemen, (immers de arme man kon niets ontdekken of geven, aangezien hij niets te ontdekken of te geven had) stieten zij hem voor dood van zich. Voor hij den dood onderging, waren de lidteekenen der koorden aan zijn hals nog zichtbaar.

Toen wierpen zij zich weder op de Minderbroeders en vooral op de jongsten, wien zii door kaakslagen de tanden uit den

ocr page 22

— 20 —

mond sloegen. Een der broeders, die insgelijks mishandeld werd, zeide. „Ik weet niets van verborgen schatten, dat gaat den Gardiaan aan.quot; Men vroeg toen; „Wie van n is de overste der verraders?quot; en greep Hieronymus den Vicaris, mee-nende dat hij de Gardiaan was. Zij zetten hem een dolk op de borst en herhaalden hun bedreigingen. De Vicaris had met een enkel woord het gevaar van zich af kunnen wenden, doch hij zweeg en wachtte geduldig den dood af. Pater N i c o 1 a a s echter maakte zich nu bekend als zijnde de Gardiaan, de beulen vielen toen verwoed op hem aan, doch hij antwoordde : „Gij weet, dat de gewijde kelken en versierselen in het kasteel zijn gebracht en zeker wel door u gevonden zullen zijn.quot; Zij sloegen geen acht op zijne woorden, wierpen hem insgelijks het gordelkoord om den hals en sleurden hem naar de deur der gevangenis, waar zij hem even als Poppel begonnen te pijnigen. Doch door het gedurig op en neêr wrijven over den scherpen kant der deur, brak het koord en de heilige Martelaar zonk bijna levenloos op den steenen vloer der gevangenis.

ocr page 23

— 21 —

Thans naderden de beulen om te onderzoeken of hij dood was, en zetten hem in eene zittende houding tegen den muur. Daar hij geen teekenen van leven meelgat, hielden zij hem een brandende flambouw onder het voorhoofd, verbrandden zijne haren en blakerden hem hoofd, mond, wangen, kin en neus. Ook hielden zij hem de vlam onder de neusgaten, om die tot de hersenen te doen doordringen. Dit nog niet genoeg zijnde, wrongen zij hem den mond open en staken er de brandende toorts in, waardoor de tong en het gehemelte verschroeiden en hem tot aan zijn marteldood toe de smaak benomen was.

Toen zij ten gevolge dezer barbaarsche folteringen geen leven meer in hem bespeurden, waanden de soldaten hem dood. Zij schopten hem met den voet, zeggende : „Het is maar een monnik!quot; en lieten hem liggen. Toen hij weder tot zich zeiven was gekomen, uitte hij niet de minste klacht over zijne onbeschrijfelijke smarten, maar vermaande zijne broeders tot volharding in hun lijden.

ocr page 24

— 22 —

Daarop kwamen de beulen met een bijl terug, voornemens om hem in stukken te houwen, doch ziende dat hij nog leefde, trapten zij hem op de borst en in de zijde en riepen: „Leeft de monnik nog ?quot; Zij beschimpten hem op nieuw, schopten en trapten hem en verlieten de gevangenis onder de ijselijkste verwenschingen.

Den volgenden nacht kwamen de Geuzen-soldaten weder in de gevangenis der geestelijken en een van hen, een Fries, gaf hun allen den een na den ander zulke geweldige kaakslagen, dat het bloed zich met geweld door neus en mond een uitweg baande. Dergelijke tooneelen herhaalden zich telkens en meestal des nachts. De beulen brachten somtijds gasten mede, onder anderen een Waalsch krijgsman. Een der Minderbroeders, in hem een landgenoot herkennende, dacht zich op hem te kunnen beroepen, doch in plaats van hem te antwoorden, nam hij zijn mes en sneed hem over het aangezicht, zoodat het bloed met stroomen uit de wond gudste, zeggende: „Omdat gij mijn landgenoot zijt, zal ik u ophangen.quot;

ocr page 25

— 23 —

De soldaten knielden ook voor die gees telijken neder, welke priesters waren, alsof zij wilden biechten, en fluisterden hun allerlei onreine taal in de ooren, waarna zij hen sloegen en schopten. Wil lehadus, een stokoud kloosterling, antwoordde op eiken slag die hem werd toegebracht, met een „God zij gedankt!quot; en toen een der G-euzen hem vroeg: „Wat antwoordt gij op hetgeen ik gebiecht heb?'' sprak de vrome man: „Ik zal God voor u bidden.quot; De Geus bracht hem op dit gezegde zulke hevige slagen toe, dat de grijsaard in zwijm viel.

Den 30 Juni, den derden dag na hunne gevangenschap, werden er twee burgers van Gorcum opgehangen, TheodorusBommer en Arnoldus de Koning, de eerste, omdat hij de Geuzen in het voorbijvaren voor kerkroovers had uitgemaakt, en de andere, omdat hij in naam des konings in de omliggende plaatsen krijgsvolk had aangeworven. Brandt had den Pastoor Leonardus verlof gegeven, hen in hunne laatste oogen-bikken bij te staan. Op voorspraak dei-burgers en onder belofte om „vrijzinnig te

ocr page 26

— 24 —

ƒ

zullen predikenquot; bleef Leonardus sedert in de stad. Met behulp van den neef des Gardiaans wist hij te bewerken, dat men dezen een heelmeester toevoegde, die zijne wonden kwam verbinden. Op het gezicht V der barbaarsche mishandeling kon de heelmeester zijne tranen niet weerhouden ; hij bleef de geestelijken dan ook dagelijks bezoeken.

Den 1 Juli, daags voor den feestdag dei-bezoeking van de H. Maagd Maria, ver- i.

scheen hun in de gevangenis een zekere Johannes Omalius, (6) een afvallig c

kanunnik der Luiksche Kerk, doch thans in dienst van L u m e y , en berichtte hun onder de vreeselijkste scheldwoorden, dat hij door den graaf van der Mark was gezonden om hen allen op te hangen. De Yicaris antwoordde hem terstond : „Handel met ons naar uw welgevallen, bij ons is (

geen uitstel,quot; waarop Omalius hen allen opnieuw met scheldwoorden overlaadde.

Denzelfden dag ontvingen zij nog het bezoek van een beul, die hun de koorden toonde, zeggende: „Ziet gij, wat ik hier

ocr page 27

— 25 —

heb ?quot; en de Gardiaan antwoordde met blijdschap : „God zij gedankt, dat wij zoover gekomen zijn!quot; De beul rukte hun toen de kappen van het habijt af, en nam die mede, doch de terechtstelling bleet vooralsnog achterwege.

's Nachts drongen er weder eenige beschonken soldaten den kerker der Martelaren binnen, bonden hen twee aan twee en plaatsten hen achter elkander, uitroepende : „Zingt nu, monniken, gij gaat in processie ter dood Zij volgden hen gewillig onder het aanheffen van het Te Deum Laudamus, naar het bolwerk, waar verscheidene Geuzen-soldaten om een welvoorziene tafel zaten. Zij gaven hun een bak met dobbelsteenen, hun toevoegende: „Werpt nu, wie het eerst zal opgehangen worden!'' waarop Nicolaas Pieck ten antwoord gaf: „Het is niet noodig, dat wij die teerlingen werpen, ik bied mij zei ven het eerst ter straf aan.quot; Na eenige bespotting bracht men hen echter zonder verder nieuwe kwellingen naar hun onderaardschen kerker terug.

ocr page 28

— 26 —

Den volgenden dag, den feestdag der bezoeking van de H. Maagd, begaf Pastoor Leonardus zich naar de parochiekerk en beklom den predikstoel. Doch die daar gekomen waren om hem volgens zijne belofte „vrijzinnigquot; te hooren spreken, vonden zich deerlijk te leur gesteld, daar hij de zuivere, onvervalschte leer tegen de ketters predikte. Sedert dien tijd trachtte men hem weder naar de gevangenis terug te voeren en stond hem op onderscheidene wijzen naar het leven, maar eenige Katholieke inwoners beschermden hem Zijne pogingen om zijn ambtgenoot N i c o 1 a a s Peppel vrij te koopen, leden echter schipbreuk. Ook werd hij ten gevolge zijner vrije prediking uit de stad gebannen. Toen hij de stad wilde verlaten, hielden de Geuzen-soldaten hem aan. En toen eenige burgers hem ontzetten wilden, schreeuwden de soldaten luidkeels „dat hij een verrader was, die zonder paspoort de stad had willen verlaten !quot; Dit was een leugen, hij had integendeel een vrijgeleide verkregen, doch de brief was hem door een der soldaten

ocr page 29

— 27

heimelijk afhandig gemaakt. Daar hij dus geen bewijs kon toonen, kreet men hem voor een verrader uit en voerde hem naaide gevangenis terug. Marinus Brandt gaf terstond bevel hem van zijn kleederen te ontdoen en op de pijnbank te leggen, doch voor het tot de uitvoering kwam, herriep hij zijn bevel, zonder dat men weet waarom. Evenwel werd Leo nardus, onder den schijn, dat hij verradelijke bedoelingen tegen zijne partij koesterde, weder in den kerker bij zijne verlatene broeders geworpen. Bij het binnenkomen smeekte hij hun om vergiffenis, zoo hij door zijne gedragingen misschien hun lot verzwaard had.

De eenigste, die de gevangenen in hunne ellende getrouw bleef bezoeken, was de heelmeester Theodorus. Hij verbond zorgvuldig hunne wonden en ried den Gardlaan dikwerf aan, om de vrijkooping aan te nemen die hem aangeboden was, doch deze ant-woorddesteeds, dat hij als herder zijne schapen niet verlaten mocht.

Intusschen werkten eenige voorname raadslieden aan de vrijlating der gevangenen en

CV

V

v

ocr page 30

— 28 —

zonden daartoe een bode aan den Prins van Oranje af. In dien tusschentijd deden de Geuzen aanzoek bij den wreeden Lumey, die zich te Brielle bevond, om de gevangenen ter dood te brengen, vóór het antwoord van den Prins daar kon zijn. Reeds vroeger had Lumey den luitenant Omalius afgezonden om de gevangenen in oogenschouw te nemen en dan naar Bommel te trekken, voor welke stad Omalius echter een groote nederlaag leed. Dit bericht verbitterde Lumey nog meer tegen de gevangenen en daarbij bij afwezigheid van den Prins een onbepaalde macht uitoefende, gaf hij bevel tot hunne terechtstelling.

Den 3 Juli keerde Omalius van zijne nederlaag voor Bommel terug. Eenige ijverige Katholieken wilden bij dien woestaard beproeven om de geestelijken door geld van hem vrij te koopen, maar men ried hun valschelijk dit voornemen af, voorgevende, dat hij door geld toch niet te verbidden was. Hij vond het echter niet geraden om hen te Gorcuvi in het openbaar ter dood te brengen, daarom liet hij hen in den nacht

ocr page 31

— 29 —

van den 6 Juli naar de rivier de Merwede brengen, na hen eerst van hunne boven-kleederen beroofd te hebben. Zij, die de woestelingen smeekten, hun den mantel te laten, werden met kaakslagen beantwoord.

Ten een ure na middernacht werd hun bevolen, in een schuit te stappen, die hen naar Brielle zou overvoeren. De schipper, die met deze taak belast was, was een G-orcummer, Leonardus herkende hem

» en vroeg; „Wel, R och us, zijt gij het die

^ ons naar de galg moet voeren ?quot; en hij

antwoordde: „Ja, helaas, ik moet dit nu alzoo doen.'' In de schuit bevonden zich negentien gevangenen, zestien Priesters en drie leeke-broeders van het Minderbroedersklooster. Van dit getal waren er eerst drie afgevallen, maar door Gods beschikking was het weder tot negentien aangegroeid, zooals bij

* den aanvang hunner gevangenschap, doordat drie andere lijdensgenooten hun werden toegevoegd.

Nadat de Martelaren eenigen tijd de rivier afgevaren waren, moesten zij in een mosselsloep overgaan, en de walgelijke uitwa-

I

*

j

j_

ocr page 32

— 30 —

semingen en de bekrompen ruimte deden hen bijna stikken. Pater Nicasius van Heeze had gelukkig eenig geestrijk vocht bij zich,

dat hij van den heelmeester in den kerker te Gorcum ontvangen had. Hiervan deelde hij zijn broeders mede, hetgeen hen weder eenigszins tot zich zeiven deed komen. Hun verblijf in dit verpestende vaartuig was echter van korten duur, daar zij weldra in een vrachtschip overgeplaatst werden, dat hen naar Dordrecht bracht, waar zij des Zondags 1

morgens ten negen ure aankwamen. Hier beroofde men de ongelukkigen nog van /

eenige overige kleedingstukken, Willehadus van zijn mantel, den kanunnik Hen'ricus van zijn versleten kaproen en Leonardus van zijne soutane. Terwijl zij voor den wal lagen, kwam een menigte menschen uit de stad hen bezichtigen, alsof het wilde dieren waren. Daarbij liet men hen den geheelen • v

dag zonder eten of drinken, en daar de toeloop van menschen, die • hen kwamen bespotten, steeds aangroeide, lieten de wacht-doende soldaten niemand op het schip, dan tegen betaling van een stuk gelds.

b

ocr page 33

— 31 —

Toen het water tegen den middag begon te wassen, gaf O ma li us bevel, naar Brielle te varen. Onder weg gaf de schipper hun een weinig te eten, er bij voegende: „Ik ken geen mensch die mij voor deze weldaad een stuk broods zou geven.'' Op omtrent een uur afstands van de plaats hunner bestemming bleef het schip liggen. Den ge-heelen nacht waren zij ten prooi aan bongelen koude, en werden eindelijk met het aanbreken van den dag, 7 Juli, naar Brielle vervoerd. Hier moesten zij bijna een uur voor de poort vertoeven, tot dat Lumey zelf te paard, door eenige gewapenden vergezeld, aankwam en de poort voor hen liet openen.

Langen tijd beschouwde Lumey hen met een grijnzenden lach en riep eindelijk sarrend uit: „Wat komt gij hier uitrichten? Zijt gij hier gekomen om verraad jegens ons te plegen, of om ons van onze zetels te werpen ? Waarom niet te huis gebleven om uwe missen te lezen!quot; Nu beval hij zijnen soldaten, hen uit het schip te halen en hen te dwingen, voor hem neder te knie-

ocr page 34

jen, terwijl hij hun in het Latijn toevoegde: „Surgite Domini,quot; „Staat op Heeren!quot; Toen werden zij twee aan twee gebonden. Den Franciscaner leekebroeder Henricus gaf men een gewijden standaard in de hand, dien men schendig uit eene der kerken geroofd had, en liet hem voor zijne medegezellen uitgaan. Zoo liet men hen driemaal onder de galg doorloopen, om, volgens het zeggen der soldaten, „de beloften hunner bedevaart te volbrengen,quot; terwijl het volk hen met smaad- en schimpwoorden op de galg wees, zeggende; „Ziedaar uw kerk en kerkhof!quot; Daarna beval men hun, onder de galg te knielen en eenige lofzangen ter eere der H. Maagd te zingen, waarop de beul zich gereed maakte om hen op te hangen. Doch deze toebereidselen geschiedden alleen om hen vrees aan te jagen. De beul nam Henricus den standaard uit de hand en plaatste zich vooraan, terwijl de soldaten hen met stokslagen voortdreven en Lumey zelf hen met een boomtak in het aangezicht sloeg.

Aldus voerde men hen naar de markt,

ocr page 35

waar zij even als buiten de stad onder de galg werden geplaatst. Hier gebood men hun, de Litanie van alle Heiligen en van de H. Maagd Maria overluid te bidden, hetgeen door de omstanders op spottende wijze beantwoord werd. Na al deze versmadingen bracht men hen eindelijk in een kerker, waar zij nog twee priesters opgesloten vonden, Andreas Wouters, Pastoor van Heinoort en Adrian us, Pastoor van Maasdam. Omtrent een half uur later werden er nog twee monniken binnengebracht, namelijk Adrian us van Beek (of Hilvaren-beek) en Jacobus Lacops.

Na aldus tot drie ure in den namiddag in dien vochtigen onderaardschen kerker vertoefd te hebben, werden zij naar het Stadhuis gebracht, waar eenige bevoegde personen met Lumey aan het hoofd eenige vragen tot hen richtten, betreffende het geloof, en die alle door Leo nar dus in gezonde taal beantwoord werden. Toen dit verhoor was afgeloopen, werden zij naar hunne gevangenis teruggevoerd. De Pastoor van Maasdam, de kanunnik van Gorcum

Mart. Gorc. s

ocr page 36

— 34 —

en deleeken-Minderbroeder Henricus werden, wellicht omdat zij uit vrees voor den dood hun antwoorden naar den zin hunner ondervragers gegeven hadden, van hunne broeders gescheiden en in een betere gevangenis overgeplaatst, waar men hen van brood en water voorzag.

Den volgenden dag (8 Juli) ondergingen zeven van hen een nieuw verhoor, waarbij hun tevens afgevraagd werd, of zij hun geloof wilden afzweren. De voornaamste dezer zoogenaamde rechters, was een schipper van Gorcum, Cornelius genaamd, die, ziende dat niets hen kon doen wankelen, gedurig uitriep : „Hang hen maar op.quot; Daarna werden zij weder naar hun kerker terudgebracht.

Intusschen was, door bewerking der Katholieken te Gorcum, de gevraagde schutsbrief van den Prins van Oranje aangekomen. De brief was gericht aan Martinus Brandt, die er een afschrift van ter hand stelde aan een ijverig voornaam burger, welke tot de bevrijding der geestelijken had medegewerkt. (Om welke reden Brandt het oorspronkelijk stuk niet heeft gegeven, is mij niet

ocr page 37

gebleken uit de echte bronnen, waaruit deze beschrijving geput is; wellicht omdat het een bevel gold, aan alle oversten en stadhouders gericht, om de Katholieke medeburgers volgens dezelfde rechten en vrijheden te behandelen als de andersdenkenden. Wellicht heeft L u m e y zich ook later trachten te verantwoorden met voor te geven, dat het bevel niet uitsluitend aan hem gericht was, alhoewel hij in dezen tijd den Prins van Oranje niet als opperhoofd erkende, maar zich veeleer met hem gelijkstelde.)

Den daaraan volgenden dag zonden de Kaden der stad Gorcum iemand naar L u-m e y, met de copie van het bedoelde bevelschrift tot vrijlating der gevangenen. Deze bode moest tevens voor Leonardus een losgeld van 10.000 ducaten bieden, hetgeen hem gelast was door diens zuster, welke haar broeder tot eiken prijs wilde vrijkoo-pen. Ook was de bode van een vrijgeleide van Brandt voorzien, luidende; „Mijnheer Marinus Brandt beveelt aan alle dienaars der republiek, dat zij dezen N. N. gerust kunnen laten reizen,'' enz. L u m e y

ocr page 38

— 36 —

ontving den bode zeer trotsch en lachte hartelijk bij het inzien van het vrijgeleide, omdat Brandt, die vroeger een zeer gering personaadje was, zich zelve daarin „Mijnheerquot; noemde. Daarop overhandigde de afgevaardigde den brief van den Raad van Gorcum, waarin de geestelijken als onberispelijke heden werden afgeschetst, die nooit iets ten nadeele van de Republiek hadden uitgericht, maar zich integendeel verdienstelijk hadden gemaakt zoo wel door bijzondere als door openbare diensten aan de burgerij.

Deze brief mocht, evenmin, als de verdere redeneeringen van den afgevaardigde, iets uitwerken op het trotsche, wreedaardige gemoed van den verwaten L u m e y. Kortaf gaf hij ten antwoord: „dat hij het bevel van den Prins van Oranje tot vrijlating der gevangenen niet erkende, als staande zoo goed als deze aan het hoofd der Republiek en dat hij van niemand, wie het ook zf], bevelen afwachtte. Wat de gevangenen betrof, op hen wilde hij den dood der Graven van Egmond en Hoorne en zoo vele ande-

d

ocr page 39

— 37 —

ren wreken; dit had hij zich eenmaal voorgenomen en hieraan viel niets te verande-ree.'' Hoe ook Treslong en andere bevelhebbers ten voordeele der ongelukkigen spraken en op hunne vrijlating aandrongen, L u m e y' s partij behield de overhand, vooral daar zijn gekrenkte trotschheid over het bevelschrift van den Prins van Oranje hem telkens in vernieuwde woede tegen dezen en de geestelijken deed uitbarsten. Hij had de Briellenaars op hunne terechtstelling willen vergasten en hij mocht hun dit vermaak niet ontrooven: in het kort, noch geld, noch beden mochten iets baten en de afgevaardigde keerde onverrichter zake naar G or cum terug, tot niet geringe verslagenheid van allen, die belang in de gevangenen stelden.

Evenwel werd de G-ardiaan N i c o 1 a a s P i e c k den volgenden dag nogmaals voor een Raad geroepen, door welken hem de vrijlating van al zijn lotgenooten werd voorgeslagen, indien zij slechts den Paus van iüowe, wilden afzweren. Men sloeg hem dit in het bijzonder voor, omdat, zoo Mij slechts daarin

ocr page 40

— 38 —

toestemde, zijn invloed al zijn broeders daartoe zou overhalen; doch hij weigerde beslist. Ook bood men hun een avondmaal aan, om hun geest daardoor wellicht zwakker te maken, doch allen stemden met hun Gardiaan overeen, die den rechters te kennen gaf, „dat hij zijn broeders en medegezellen in leven of dood nimmer verlaten zou, noch in eenig punt aan het wankelen zou brengen, want dat zij allen eenparig besloten hadden niet het geringste punt van hun geloof te verzaken, maar liever gewillig den dood te gemoet gingen.''

Zoodra aan Lumey het antwoord was bekend gemaakt, gaf hij onmiddelijk bevel ' tot hunne terechtstelling, waarop de martelaren ten elf ure des nachts uit hun slaap gewekt werden en hun de voltrekking dér doodstraf werd aangekondigd. De eerwaarde Pater Ni co la as antwoordde daarop gelaten : „Hetgeen de Heer heeft gegeven, kan ik niet weigeren.'' Nu werden de gevangenen twee aan twee gebonden en onder den toeloop van een menigte volks onder de vreeselijkste bespottingen en versmadingen

ocr page 41

— 39 —

buiten de poort geleid. Hier vervoegde zich weder bij hen de Leekebroeder Henricus, die vroeger van hen was afgescheiden, ter oorzake wellicht van eenige verloochening in den Katholieken godsdienst. Hij toonde daarover dan diep berouw en uitte den wensch om met hen de martelaarskroon te verwerven, wanneer hij door zijne medebroeders weder in genade werd aangenomen, zoodat het getal van hen, die ten dood geleid werden, weder tot een en twintig was gestegen.

Buiten de stad gekomen, voerde men de martelaren naar een klooster. Ten Rogge of Rugge genaamd, dat aan de H. Elisabeth was toegewijd. Weleer was het door de kanunniken van de orde van den heiligen Augustinus bewoond, doch zij hadden het reeds verlaten, voor dat de Geuzen het verwoest hadden. Hier bevond zich een ruime plaats en eene schuur, die vroeger tot berging van turf gebruikt was. De schuur was onderstut door twee dwarsbalken, tusschen den muur en de kap ingebracht, en dit achtte men eene geschikte gelegen-

ocr page 42

— 40 —

heid om de gevangen geestelijken aan op te hangen.

Zoodra zij in de loots gebracht waren, biechtten zij elkander hunne zonden en bevalen hunne zielen aan God aan. De eerwaarde Pater Gardiaan werd het eerst ter straf geleid. Hij omhelsde beurtelings zijne broeders en vermaande en smeekte hen „den strijd voor het Katholieke geloof tot den laatsten snik kloekmoedig te volstrijden.quot; Met deze woorden klom hij blijmoedig en zonder aarzelen de ladder op en ging steeds voort, met hen tot standvastigheid te vermanen, tot dat hem de keel was dichtgestropt.

Toen de Gardiaan hing, namen de edele Hieronymus en N i c o 1 a a s P o p p e 1 het woord en vermaanden hunne medgezellen, hun zalig uiteinde te verzekeren, want een Calvinistisch predikant wendde nog gedurig bij hen en vooral bij de jongsten pogingen aan, om hen tot verzaking van hun geloof over te halen, hun alsdan lijfsbehoud en aanzien in hunne nieuwe betrekking belovende. Zijn woorden hadden echter op

ocr page 43

— 41 —

niemand uitwerking dan op den jongsten, den Novice H e n r i c u s, die alles deed wat hem bevolen werd, ten einde het leven te behouden, hetgeen echter in zijne jeugd eenige verschooning vindt, daar hij nauwelijks achttien jaren oud was en de vrees voor den dood alle ander gevoel verdoofde.

Moediger gedroeg zich de Vicaris H i e -r o n y m u s. Onder het bestijgen van de ladder, zeide hij tot den predikant, die hem troostende woorden wilde toevoegen: „Het smart mij niet, te sterven, maar wel, dat een onervaren jongeling uit vrees voor de dood gehoor aan uwe woorden gegeven heeft.'' Door deze tegenspraak werden de soldaten woedend en vielen op den weer-loozen geestelijke aan, hem met hunne messen het aangezicht kervende, zoo dat het ijselijk misvormd. Zelfs toen hij reeds gehangen was, ging hunne barbaarschheid nog zoo verre, dat zij het kruisteeken, hetwelk hij op borst en rechterarm geprikt had, uit het vleesch sneden.

Hem volgden de Minderbroeder N i c a -s i u s en de Pastoor N i c o 1 a a s in den

ocr page 44

— 42 —

dood. Vóór zij stierven, voegden zij hun medebroeders eenige woorden in het Latijn toe, die evenwel door den Novice H e n -r i c u s (aan wien wij voornamelijk de geschiedenis van hunne laatste oogenblikken te danken hebben) niet begrepen werden, omdat hij te weinig van die taal verstond. Een Franciscaner, Gr u 1 i e 1 m u s of W i 1 -1 e m geheeten, sprak voor zijne terechtstelling eenige woorden met de Waalsche soldaten, die hem omringden en die zijne land-genooten waren; waarop men de touwen, waarmede hij gebonden was, lossneed en hem wegvoerde. Hij had zijn geloof verzaakt en viel alzoo van de rij der Martelaren af.

Godefridus van Me r vel, die ambtshalve bewaarder der heilige Vaten was, bewaarde tot den laatsten snik het geheim waar die schatten verborgen waren, en bediende zich, toen hij de ladder beklommen had, van de woorden des Zaligmakers, uitroepende; „Heere, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen!quot;

Leonardus, ten dood geleid worden-

ocr page 45

— 43 —

de, vermaande zijne broeders nogmaals, en sprak; „Ik ben niet bedroefd, omdat ik den dood te gemoet ga, een dood die zeer verkieselijk is, doch ik laat eene moeder en een zuster achter, en om harentwil ben ik menschelijk bewogen, want ik weet dat zij, mijn dood vernemende, innig bedroefd zullen zijn.quot;

Godefridus van Duynenofvan Duin, die zoo als wij weten, niet helder van geest was, lag nu aan de beurt. Onder het bestijgen van die noodlottige ladder, zeide hij tot zijne beulen: „Haast u, bid ik u, opdat ik mij met mijne broeders ver-eenige. Indien ik u eenig leed heb gedaan, zoo bid ik ter liefde Gods, mij dit te vergeven.quot; Toen hij hing, schenen zijne beulen eenig medelijden met hem te gevoelen, want een hunner zeide: „Zoo wij dien krankzinnige gespaard hadden, zou hij de Paap-sche bijgeloovigheid wel verzaakt hebben.quot;

Zoo waren al de H.H. Martelaren den dood ingegaan, doch allen hadden nog niet den geest gegeven, want hunne onhandige beulen deden den een het stropkoord bijna onder

ocr page 46

— 44 —

de kin, terwijl zij bij de anderen den strop niet dicht haalden, waardoor het leven nog zeer lang in hen bleef. Zoo werd Nic asi u s, die het touw van den strop in den mond had, des morgens toen de krijgslieden en het volk terugkwamen om de lijken te schenden, nog ademende gevonden; En tot het uitvoeren van deze onhandige strafoefening waren de beulen omtrent twee uren bezig geweest en wel in den nacht van den 8 op den 9 Juli 1572 van 2 tot 4 ure.

Volgens de getuigenis van den afvalligen Leekebroeder Henricus, die daarbij tegenwoordig was, waren er sommigen nog in leven, toen men met kannibaalsche wreedaardigheid de lijken begon te mishandelen. Ieder trachtte als om strijd een der ledematen, een neus of oor der zalige ontslapenen machtig te worden, om het als een zege-teeken op borst of schouders weg te dragen. De verwoedheid ging zelf zooverre, dat men het vet der Martelaren als geneesmiddel verkocht. Het lijk van Hierony mus werd op een ladder gebonden, en na het geopend te hebben, werden het hart en de ingewan-

ocr page 47

den er van als van eenquot; zwijn aan de nieuwsgierigen verkocht.

Aldus was het roemrijk uiteinde van de negentien geestelijken van Gorcum, bekend onder den naam van „de heilige Martelaren van Gorcum,quot; een naam dien Roomsch en Onroomsch hun voorzeker niet zal betwisten.

De lichamen der heilige Martelaren, die onbegraven waren blijven liggen, werden den volgenden dag, op aanvraag van een voornaam inwoner van Gorcum, wiens naam niet bewaard is gebleven, eene begrafenis toegezegd. Men wierp hunne verminkte overblijfselen in twee putten, waar zij verbleven tot September 1615, wanneer zij, door toedoen van den aartshertog A1 b e r-t u s van Oostenrijk en zijne vrome gemalin Isabella, heimelijk naar Brussel werden overgevoerd. Daar werd het heilig gebeente den 18 October 1618 in kasten ten toon gesteld, nadat het eerst door Matthias H o v i u s, Aartsbisschap van Mechelen, in processie door de stad was gevoerd. Hieraan schreef men toe, dat de pestziekte, die toen te Brussel woedde, aanmerkelijk vermia-

ocr page 48

— 46 —

derde. Ook zond men gedeelten dezer reli-quiën aan de Minderbroeders van Leioven, Mechelen, Antwerpen, Thienen, St. Truvjen, Ath, Binche, Doornik, Rvjssel, Bonai, Valenciennes, Bergen, Nijvel, Namen en Keulen, alwaar jaarlijks de 9 Juli, de dag van hun marteldood, luisterrijk gevierd wordt.

Paus Clemens X verklaarde hen later, bij decreet van den 14 November 1675, allen als Zalige Martelaars. In 1772 werd hier te lande het tweede jubilé of eeuwfeest in alle R. K. kerken gevierd, zoo als ook nog ten huidigen dage op iederen 9 Juli het feit der marteling van de 19 Zalige Martelaren kerkelijk wordt herdacht, vooral in de R. K. kerken van Brielle en Gor-cum.

Den 14 November 1864 werd aan de H. Congregatie der Kerkgebruiken door Z.Em. Kardinaal Altieri, als verslaggever der zaak, de vraag voorgelegd: „ Kan men veilig tot de plechtige heiligverklaring dezer gelukzaligen overgaan ?quot; — Het bevestigend antwoord der heilige Vergadering werd den 6 Januari 1865 door Z. H. Pius IX be-

ocr page 49

— 47 —

krachtigd. Den 25 Juni 1866 verklaarde Z. IT. in een openbaar Consistorie zijn inzicht om weldra de heiligverklaring uit te spreken. Den 8 December van hetzelfde jaar deed Z. H. door Z. Em. kardinaal Caterini deBisschoppen der Katholieke wereld uitnoodigen tot het bijwonen van twee half-openbare Consistoriën, in Juni 1867 te houden, alsmede van het eeuwfeest der HH. Petrus en Paulus en van de verschillende Heiligverklaringen, die den 29 dier-zelfde maand zouden worden gevierd.

Ruim 500 bisschoppen snelden op deze uitnoodiging naar de eeuwige stad, en zoo had den 29 Juni 1867 de heiligverklaring onzer gelukzalige Martelaren plaats, met nog grooter godsdienstige praal dan vijf jaren te voren die der Martelaren van Japan. Dien eigen dag verleende de Paus een aflaat van 7 jaren en 7 quadragenen voor degenen, die op de feestdag der roemrijke bloedgetuigen te Brielle hunne voorspraak zouden komen inroepen. Resds de eerstvolgende 9 Juli werd in die stad gevierd als nooit te voren. Men was juist sedert eenigen tijd in het bezit

ocr page 50

— 48 —

gekomen van de ware plaats, waar de Heiligen hun strijd hadden volstreden, en het bezoek van vrome geloovigen, die reeds eenige jaren in stille godsvrucht dien feestdag te Brielle kwamen vieren, nam toen voor het eerst de verhouding eener ware bedevaart aan. Meer dan 600 pelgrims, sommigen van vrij afgelegen plaatsen gekomen, zag men dien dag met de Brielsche katholieken bijeen in en rondom de parochiekerk (1). die veel te klein bleek om allen te bevatten. Van jaar tot jaar nam die openbare uiting der godsvrucht toe, en weldra werd de toevloed van pelgrims zoo groot, dat het volkomen onmogelijk werd, dat ook slechts de helft dergenen, die wensch-ten te komen, op den feestdag zei ven geregeld te Brielle hunne devotie konden houden. Reeds had Z. H. de Paus den 3 Mei 1868 een vollen aflaat onder de gewone voorwaarden aan die godvruchtige oefening verbonden; doch in den immer aanwassen-den stroom van pelgrims vond Z. H. aan-

1

In 1831 gebouwd en Gode toegewijd onder aanroeping der H. Catharina en der Gelukzalige Martelaren van Gorcum.

ocr page 51

— 49 —

leiding om die gunst, aanvankelijk voor den 9 Juli toegestaan, eerst tot de ge-heele maand Juli (9 Januari 1870) en latei-tot de drie maanden Juni, Juli en Augustus uit te breiden (5 Juli 1874) : terwijl buitendien den 12 Mei 1878 door Z. H. Leo XIII een aflaat van 7 jaren en 7 maal veertig dagen werd toegestaan voor allen, die, op welken dag des jaars ook, eenige oogenblikken bij het graf der H. H. Martelaren zouden komen bidden. Is het wonder, dat voortdurend meerderen zich opgewekt gevoelden om dien bede weg te doen, en op onderscheidene plaatsen geregelde jaarlijk-sche processiën werden georganiseerd ? In 1878 zag men in de maanden Juni — Augustus niet minder dan 28 verschillende processiën, met 133 priesters en 9410 pelgrims te Brielle aankomen, en in het jaar 1880 bedroeg het aantal dezer laatsten over de 11000, waarbij men een 160tal prieters opmerkte.

Wij zeiden boven, dat men tijdens de heiligverklaring sedert eenigen tijd met ze' kerheid in het bezit was gekomen van de

Mart. Gokc.

ocr page 52

— 50 —

kampplaats der verheerlijkte bloedgetuigen. Dit zal den lezer wellicht verwonderen. Tot opheldering diene het volgende. De overlevering omtrent de ware plaats van den marteldood was in den beginne, ook toen de plaatsen reeds nagenoeg onkennelijk waren geworden, nauwgezet onder de katholieken van Brielle bewaard; in het verloop echter der 17e of 18e eeuw moet zij zijn verloren gegaan, zoodat het mogelijk werd, — wat inderdaad geschiedde, — dat men, door een gelijkluidenden naam misleid, later de schuur een er boerderij, het huis ten Rugge genaamd, voor de martelplaats aanzag. Deze grond werd indertijd dooi Z. D. H. Mgr. C. L. Baron van Wijkerslooth, Heer van Schalkwijk, Bisschop van Curium i. p. i., aangekocht, en er werd een lokaal tot kapel ingericht, alwaar nog voor weinige jaren de godvruchtige pelgrims op hun terugweg van het ware martelveld naar de stad eenige oogenblikken plachten te komen bidden. Gods Voorzienigheid, die deze dwaling had toegelaten, had echter tevens gezorgd, dat de middelen om die te herstellen.

ocr page 53

— 51 —

bewaard bleven, en ten geschikten tijde de aandacht trokken van een vereerder der H. H. Martelaren, den Warmondschen hoogleeraar J. W. L. Smit, die reeds te voren in menig degelijk opstel in het verdienstelijk maandschrift „De Katholiekquot; verschillende punten, de geschiedenis onzer Martelaren betreffende, tot klaarheid had gebracht of met nieuwe bewijzen gestaafd. Door zijne onvermoeide en scherpzinnige nasporingen, door vergelijking der oude plaatsbeschrijvingen en oorkonden, (1) werd het boven allen twijfel verheven, dat het klooster St. Elisabeth ten Rugge, in welks turfschuur de 19 Martelaren waren ter dood gebracht, een ander was dan dat, waarvan het Huis ten Rugge een overblijfsel kon wezen, en aan de overzijde

1

Zoo b. v. wordt in de actestukken van liet onderzoek, naar de eclitlieid der Reliqniën in 1619 gedaan, niet alleen de afstand der voormalige (toen reeds geslechte) turfschuur van het parochiale kerkhof en van de kloosterkerk, en hare ligging naast den vischvijver (thans nog eenc sterk begroeide waterkom) nauwkeurig opgegeven, maar is er zelfs een dubbele platte grond bijgevoegd, waarvan èèn de plaats afbeeldt, zooals die in 1572 was, en een zooals die in 1619 zich bevond. (zie de aanteekeninüjen van P. Sollier in de Acta SS., 9 Julij).

ocr page 54

— 52 —

van den weg moest zijn gelegen ; en men kon zelfs nauwkeurig uit onbetwistbare gegevens den omtrek der turfschuur afpalen. Hulde zij hier gebracht aan den ijverigen geschiedvorscher, den Zeereerw. Heer Smit, en tevens aan de Bisschoppelijke ad hoe ingestelde commissie, door wier toedoen deze zaak tot middagklaarheid is gekomen, en het bezit der heilige plaats aan de katholieken is verzekerd. (1) Heden is, door de zorgen dier zelfde commissie, het martelveld versierd met eene schoone, ruime en doelmatige bedevaartskerk, waaruit men, ook bij ongunstig weder, door een breeden overdekten omgang in processie achter de martelplaats om kan trekken om weder in de kerk terug te keeren. Wellicht is de tijd niet ver meer, dat op die gezegende plaats, niet alleen tijdens de bedevaarten, maar het gansche jaar, de H. Offerande zal worden opgedragen, bijzonder ook voor den terugkeer

1

Bij het omwoelen van den grond der voormalige turfschuur werden nog eenige vrij aanzienlijke gebeenten opgedolven, die, naar ons bericht werd, in handen zijn ge-•teld van Z. D. H. den Bisschop van Haarlem, totdat daarover nader zal worden beschikt.

ocr page 55

onzer afgedwaalde broeders tot de alleen zaligmakende kerk, voor welke hier weleer de Martelaren van Gorcum het leven lieten.

Een woord over elk der Martelaren in het bijzonder.

I. NIKOLAAS PIECK werd den 29s,en Augustus 1534 te Gorcum uit zeer vrome ouders, Johannes Pieck en Hendrica Calve geheeten, geboren. Vurig katholiek en hoogst godvruchtig als zij waren, voedden zij Ni-colaas van zijne teederste jeugd af met de grootste zorgvuldigheid in de vreeze des Heereu op, en het kind beantwoordde reeds vroegtijdig aan de heilige verwachting van zulke ouders. Nauwelijks begon zijn verstand zich te ontwikkelen, of hij werd afkeerig van de ijdele praal der wereld, en gevoelde een hevig verlangen naar de christelijke volmaaktheid; en zoodra zijn leeftijd het toeliet, omhelsde hij te 's Hertogenbosch, alwaar hij zich met een gelukkigen uitslag op de lagere studiën had toegelegd, het

ocr page 56

religieuze leven in de beroemde orde van den H. Franciscus. Nu gaf hij aan zijne edele ziel en zijn van liefde blakend hart de volle vlucht, en legde de hechte grondslagen der verheven deugden, die later zoo schitterend in hem uitblonken. Niet alleen echter zijne groote deugden, maar ook de uitstekende gaven van zijn geest deden te recht de schoonste verwachting van hem koesteren. Zijne oversten zonden hem dan ook naar Leuven waar de Orde een klooster bezat, dat uitmuntte door godsvrucht en stipte onderhouding der regeltucht, en tevens beroemd was door den bloei der gewijde letteren. Daar leeraarde toen de zoo geleerde pater Adam Sasbouth, die uitmunt onder de hoogstbedrevene leeraren in de 11. Godgeleerdheid, welke dat huis tot sieraad verstrekt hebben en waaronder er, zooals pater Sasbouth zelf, in geur van heiligheid gestorven zijn. Onder dien bekwamen meester dan, en te midden zijner vurige kloosterbroeders, legde de toekomstige martelaar zich met allen ijver op de goddelijke wetenschappen toe, tot het heilig priesterschap

ocr page 57

— 55 —

de kroon zette op zijne grondige studiën. Nu werd hij een ijverig en gewillig werktuig in de harden zijner oversten, die hem naar verschillende streken der Nederlanden zonden om met kwistige hand het zaad van 's Heeren woord te strooien. Onvermoeid was hij ; dikwijls predikte hij driemaal daags, en overal waar hij optrad, verwierf hij zich een grooten naam door zijn vurig en zalvend woord, dat voorzeker, door Gods genade vruchtbaar gemaakt, rijke zegeningen in de zielen zal hebben uitgewerkt. O! waren wij tot ons leedwezen niet aan enge plaatsruimte gebonden, wat heerlijk tafereel zouden wij dan schetsen van die heldhaftige deugde^ die als om den voorrang dongen, en hem tot een volmaakt en heilig kloosterling vormden. Wijzen wij echter nu slechts terloops op zijne onveranderlijke en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid en onderwerping aan zijne oversten; op zijne omzichtigheid om de lelie der maagdelijke zuiverheid onbesmet te Bewaren; op zijn diepen ootmoed, waardoor hij zich èn als ondergeschikte èn als overste kenmerkte; eindelijk op

ocr page 58

zijne liefde tot de versterving en armoede die hij, als een waar volgeling van den armen Franciscus, tot eene zeer hooge volmaaktheid opvoerde. Brandend van ijver als hij was voor zijn eigen voortgang in de deugd, was hij als overste natuurlijk nauwlettend in het handhaven der kloosterlijke regeltucht en krachtdadig in het uitroeien van misbruiken. In die bediening was hij den zijnen een levend voorbeeld van hun heiligen regel. Doch niet slechts trachtte hij voor zijne Broeders alles voor allen te zijn, ook voor de geloovigen van G-orcum, wier zielen hij zorgvuldig bewaakte en verzorgde, was hij een verstandige en veilige gids en een van zielenijver gloeiend Apostel. Met raad en daad wakkerde hij hen aan om onwrikbaar pal te staan in hun geloof, en zijn ijver klom naarmate het gevaar in de laatste tijden Gorcum meer van nabij bedreigde. Kort voor de vervolging voor de ongelukkige stad aanbrak, hield hij zijne twee laatste predikatiën voor het volk, waarin én zijn vurige ijver én zijn diepe godsvrucht doorstraalden. In de eerste be-

ocr page 59

57

wees hij vol gloed en overtuiging de waarachtige tegenwoordigheid van Jesus Christus in het allerheiligste Sacrament, in de laatste wekte hij met al het vuur zijns harten de geloovigen op tot eene groote getrouwheid en eene manmoedige en standvastige belijdenis van het ware en alleenzaligmakende geloof, dat zij nimmer mochten verloochenen. Dat dubbel sermoon was de laatste vrucht van zijn onvermoeiden ijver voor het zielenheil des volks, en de laatste waarschuwende kreet zijner Apostolische ziel; en wat hij toen met den mond leeraarde, zoude hij weldra door zijne heldhaftige daden bevestigen en bekronen. Spoedig toch daarop geraakte hij in de macht zijner vijanden, steunde door woord en voorbeeld zijne dierbare broeders, en bezegelde eindelijk, na onuitsprekelijk lijden en eene dubbele marteling, de leer die hij verkondigd had, door zijn heldhaftigen dood, dien hij in den ouderdom van nog geen volle achten dertig jaren onderging.

11. HIEEONIJMUS VAN WEERT, wiens iamilienaam onbekend is en die naar zijne

ocr page 60

geboorteplaats Weert, circa 4 uren van Roermond gelegen, genoemd wordt, was Vicaris in het Klooster en volgde in rang onmiddelijk op den gardiaan. In het jaar 1522 geboren, gevoelde hij reeds zeer vroeg een hevig verlangen naar het religieuze leven, dat ook hij omhelsde onder de zonen van den H. Franciscus. Begaafd met alle hoedanigheden in een waar kloosterling vereischt, was hij een stichtend voorbeeld voor zijne medebroeders. Een tijd lang had hij als missionnaris in het H. Land doorgebracht en eene wijle tijds behoord tot het klooster zijner orde te Jeruzalem, waarom hij niet zelden de Jeruzalemsche pelgrim werd bijgenaamd. In het vaderland teruggekeerd gaf hij zijn ijver voor het heil der zielen den vrijen teugel en was aan de hand zijner oversten, een vurig en volijverig en vurig arbeider in den wijngaard des Heeren. Onvermoeid en onbevreesd verkondigde hij het woord des Heeren ; en groot zullen de vruchten geweest zijn, die hij door Gods genade in de zielen voortbracht, wijl hij eene groote gave van welsprekendheid bezat.

ocr page 61

— 59 —

Hij had den leeftijd van ongeveer vijftig jaren bereikt, toen hij den palm der overwinning plukte.

III. Het jaartal der geboorte van den derden martelaar, THEODORICUS of THE-DORUS VAN DER EEM of VAN DEN EMBDEN, van Amersfoort, is onzeker. Hij was gesproten uit eene voorname, katholieke familie, waarvan eenige leden er op uit waren om voor hem eene of andere voorname priesterlijke betrekking te verwerven. Maar omtrent hunne plannen ingelicht zijnde, verijdelde hij alles wat zij met dat inzicht reeds gedaan hadden. Hierna drongen zijne vrienden er bij hem op aan, om eene groote waardigheid in zekere abdij te aanvaarden, waar veie stoffelijke voordeelen aan verbonden waren; maar andermaal sloeg hij ook dit voorstel met eene heilige verontwaardiging af, en koos de heilige armoede, in den kloosterregel van de Minderbroeders-Observantijnen, om den armen Christus meer van nabij te volgen. Om zijne uitstekende bekwaamheid werd hij aangesteld tot geestelijk bestierder der zus-

ocr page 62

ters in het klooster van de H. Agnes te Gorcum, die den derden regel van den H. Franciscns volgden, en hij vervulde die bediening vol ijver tot een ver gevorderden leeftijd. Toen sloeg het uur der vervolging, ook hij werd met zijne lotgenooten in de citadel gevangen genomen, en God beloonde de deugden van zijn edelmoedigen dienaar met de martelkroon.

IV. NICASIUS VAN HEEZE, wiens familie JANSSENS heette, maar die gewoonlijk onder onder den eersten naam wordt aangeduid, kwam in het jaar 1522, te Heeze, een dorp bil Eindhoven, ter wereld. Voor hij het ordeskleed aanvaardde, had hij verscheidene jaren aan de Universiteit van Leuven doorgebracht, alwaar hij zijne voorbereidende studiën deed, verder in het college van Adriaan VI de theologie beoefende en eindelijk den graad van Baccalaureus won. Daarna trad hij, door eene vurige liefde tot de volmaaktheid gedreven, in den religieuzen staat. Hij was ongemeen bedreven in de mystieke theologie, en had zich met zulk een ijver op de studie der H.

ocr page 63

— 61 —

Schrift toegelegd, dat hij ze voor een groot gedeelte van buiten kende; hij kon de Psalmen van David geheel, en de boeken van het Nieuwe Testament, vooral de brieven der Apostelen, bijna zonder een oogenblik te aarzelen, opzeggen. Om voor het heil van velen werkzaam te zijn, vertaalde hij uit het Latijn verschillende werkjes, die hij bijzonder geschikt oordeelde om de godsvrucht te voeden, en deelde ze aan dezen en genen uit, die zich aan zijne leiding toevertrouwden.

Nadat de eerste onlusten der Geuzen in 1566 onderdrukt waren, en de Kerk in Nederland tot zulk eene rust was teruggekeerd, dat de katholieken de vrees voor verdere storing in het uitoefenen van hun heiligen godsdienst hadden afgelegd, rees Nicasius, als met een profetischen geest' bezield, op, en kondigde hun den naderenden storm van den Calvinistischen opstand, en de bange geloofsvervolging van 1572 met volle zekerheid aan. Hij wilde ben daardoor waarschuwen om zich met allen ijver voor te bereiden voor den strijd, doch men sloeg geen

ocr page 64

— 6/ —

geloof aan zijn woord en er waren er zelfs, die den spot met hem dreven. De uitkomst echter bewees hoe juist hij gezien had; en toen nu de ketterij al meer en meer voortgang maakte, zoodat de goede katholieken er over treurden, bedroeide Nicasius zich insgelijks 'daarover, doch gaf nimmer eenig blijk van verwondering of buitengewone verslagenheid ; immers, hij had lang te voren door den Geest Gods voorzien, dat dit alles zoude geschieden. Hij troostte dan ook eenvoudig zijne vrienden met hun te zeggen, dat het de wil des Allerhoogsten was waaraan zij zich moesten onderwerpen. Zelf volkomen overgegeven aan Gods Wil, bewaarde hij te midden van de gevangenschap eene wonderbare kalmte en gerustheid des gemoeds, en was hij in een aanhoudend gebed verslonden. Moedig en vol ijver voor het heil zijner broeders, onderging hij in den ouderdom van vijftig jaren den marteldood.

V. WILLEHADUS DE DEEN overtrof alle zijne medemartelaren verre in ouderdom ; hij bereikte den leeftijd van ongeveer negentig jaren. De eerbiedwaardige, edele

ocr page 65

— 63 —

en beminnelijke grijsaard was zeer hoog van gestalte, wat zijne verschijning nog indrukwekkender maakte. Hij was in Denemarken geboren en had aldaar het kloosterleven naar den regel der Minderbroeders omhelsd. Doch de woedende vervolging der nienwgezinden, die in zijn vaderland was uitgebroken, had hem genoodzaakt zijn geboortegrond te verlaten en naar het naburige Nederland uit te wijken, alwaar de Gorcum-sche Franciscanen hun medebroeder met veel liefde in hun klooster opnamen. Spoedig had hij de Nederlandsche taal aangeleerd en besteedde nu veel tijd en arbeid aan het biechthooren, dat hij met bijzondere vrucht verrichtte, daar de faam van zijn heilig leven steeds eene goote menigte tot hem voerde. Toen de woede der ketters hem in boeien geslagen had, konden noch de wreedste mishandelingen, noch het tieren en schelden der vijanden zijn inwendigen omgang met G-od onderbreken. Hij bad voortdurend totdat hij, onverschrokken en onwankelbaar in zijn levendig geloof, den Heer blijmoedig het offer van zijne laatste levensdagen bracht.

ocr page 66

VI. GOVERT of GODEFREDUS VAN MER-VEL, of juister nog, VAN MELVEREN, wordt gemeenlijk zoo geheeten naar het dorpje, dat laatst-gemelden naam draagt, en bij Sint-Truiden, in België, gelegen is. Hier werd onze martelaar, wiens familienaam Coart of Coaert is, omstreeks het jaar 1512 geboren en leven thans nog verschillende afstammelingen zijner bloedverwanten (1). Daar de uitstekende man groote kennis bezat en een uitmuntend zielbestierder was, zochten en vonden velen in hem een verlichten raadsman en gids. Lieten zijne veelvuldige werkzaamheden in de kerk hem eenige vrije oogenbliken, dan hield de werkzame priester zich onledig met het teekenen van plaatjes, die Christus of sommige heiligen voorstelden. In groote menigte liet hij ze verder drukken en verspreidde ze dan

1

Niet slechts van Godefridus, maar ook van anderen onder onze H. H. Martelaren, leven er in België nog verschillende familieleden. Zoo bestaan er nog bloedverwanten van Francis-cus de Roye of van Rode en van Petrus van der der Slagmolen; en voor eenige jaren overleed een zeker pater Jozef Pieck in het klooster der Minderbroeders-Capucijnen te Velp, in Noord-Brabant.

ocr page 67

— 65 —

kwistig onder de geloovigen tot voeding hunner godsvrucht. Onwankelbaar vast stond ook hij in zijn geloof, tot hij in den ouderdom van zestig jaren zijn leven gaf voor zijn goeden Meester.

VIL ANTONIUS VAN WEERT, evenals de vicaris Hieronymus, aldus naar zijne geboorteplaats geheeten, was een uitstekend lid der orde van den H. Franciscus en een onvermoeid arbeider in des Heeren wijngaard. Hem was voornamelijk het verkondigen van Gods woord opgedragen, en dikwijls ging hij van dorp tot dorp om in naam van zijn Meester het geestelijk zaad in de harten te strooien. Voor het voedsel der zielen, dat hij hun rijkelijk uitdeelde, schonken de godvruchtige landbewoners hem, op hunne beurt, milde aalmoezen om in het onderhoud zijner arme kloosterbroeders te voorzien. Om zijne hooge deugden stond hij in groote achting bij de geloovigen en vrome Katholieken; en zijne vrij gestrenge levenswijze en versterving, die hij echter zorgvuldig door eene gepaste vroolijkheid bedekte, had hem zelfs de achting van vele Calvinisten verworven.

Mart. Gorc. s

ocr page 68

Deze laatsten spaarde bij echter niet, maar hij waarschuwde dringend en met onverschrokken kracht en moed tegen de opkomende ketterij, die hij met de onverwinnelijke wapenen van het Evangelie bestreed. In zijne laatste onderrichting voor het volk wekte hij de geloovigen met ernst en nadruk op om zich in een vurig gebed tot God te wenden, wijl de dagen bang en boos waren en een dringend smeekgebed meer dan ooit noodzakelijk maakten. Zelf voor zijn heilig geloof gevangen genomen, beleed hij het manmoedig en standvastig tot in den marteldood, waarmede God zijn onbezweken ijver voor het heil der zielen vergold en bekroonde.

VIII. ANTONIUS VAN HOORNAAR, wiens eigenlijke naam ons mede onbekend is gebleven, wordt aldus genoemd naar een gering dorpje, op ruim een uur afstands van Grorcum gelegen. Zijne ouders waren eenvoudige lieden en arm aan aardsche goederen, doch zeer godvreezend en rijk aan schatten des hemels. Zij voedden den jongen Antonius dan ook met groote zorg in hun

ocr page 69

— 67 —

heilig geloof op. Ged zegende hunne pogingen, want de godvruchtige jongeling gevoelde allengs een vurig verlangen tot het priesterschap.Overtuigd, dat de beperkte middelen zijner ouders ontoereikend waren om de kosten zijner studiën te bestrijden, wendde hij zich tot de Minderbroeders, en werd door dezen bereidvaardig in hun orde opgenomen. Priester gewijd, spande hij zich onvermoeid in voor het heil van zijn evenmeusch. Zelfs de diepste vraagstukken der Christelijke leer wist hij op eene hoogst eenvoudige en duidelijke wijze uit te leggen, zoodat ook het weinig ontwikkelde volk hem gemakkelijk kon volgen; en dit, gevoegd bij zijn voorbeeld, bracht overvloedige vruchten in de zielen voort. Den eenvoudigen vriend der armen en eenvoudigen werd door den Vriend der armen bij uitnemendheid het heerlijkst loon geschonken in de genade van een roemrijken marteldood.

IX. FRANCISCUS VAN RODE of DE ROYE was in het jaar 1549 geboren. Slechts korten tijd had hij het ordeskleed der Minderbroeders aangenomen, toen zijne oversten

ocr page 70

— 68 —

hem naar het klooster van Gorcum zonden. Even als Nicasius legde hij zich met buitengewonen ijver toe op de studie der H. Schrift, waarin hij spoedig zoo ervaren werd, dat hij met uitstekend gevolg het woord Gods verkondigde en men de schoonste verwachting van hem koesterde. De Heer echter riep den jeugdigen priester, zeer kort na diens H. wijding, tot den marteldood, en bestemde hem om, niet met de gave des woords, maar met het offer des levens zijn glorie op aarde te verkondigen.

X. PETRUS VAN ASSCHE, aldus gehee-ten naar een aanzienlijk dorp, tusschen Brussel en Aalst gelegen, maar wiens geslachtsnaam VAN DER SLAGMOLEN was, werd geboren uit ouders, die veel meer met hemelsche dan met aardsche goederen gezegend waren. Van zijne eerste jaren af aan prentten zij hem de vreeze des Heeren in, en hun godvruchtig kind trad nog zeer jong, als leekebroeder, in de Orde van den H. Franciscus. Vol ijver in het streven naar hooge deugd was hij uiterst stipt in het onderhouden der regeltucht, en volbracht

ocr page 71

— 69 —

hij zelfs de geringste verordeningen zijner oversten met de grootste vaardigheid en nauwgezetheid. Hij had, toen het uur van zijn dood sloeg, nog slechts een korten tijd in het klooster te Gorcum geleefd, doch werd daar reeds, behalve om zijne deugd, op hoogen prijs gesteld, wijl hij zijne bediening, het besturen der tijdelijke zaken van het klooster, steeds met veel beleid en groote getrouwheid vervulde.

XL CORNELIUS VAN WIJCK ontleent dezen naam aan het stadje Wijk-bij-Duur-stede, op circa 4 uren afstand van Utrecht gelegen. Ook hij behoorde als Leekebroeder tot de orde der Minderbroeders. Hij was een goed en eenvoudig man, wien in het klooster te Gorcum de huiselijke werkzaamheden waren opgedragen, die hij met stichtenden ootmoed volbracht. Evenals bij zijn medebroeder. Petrus van Assche, was eene nauwkeurige, volmaakte en blinde gehoorzaamheid steeds een karakteristiek teeken zijner deugd. Op zekeren dag, toen hij nog tot het klooster te 's Hertogenbosch behoorde, riep zijn Gardiaan hem en zeide : „Broe-

ocr page 72

der Cornelius, gij moet naar Utrecht gaanquot;; en zich onmiddellijk aan het bevel onderwerpende, begaf hij zich aanstonds op weg, zonder zijn overste verder om inlichting te vragen. Toen hij nu te Utrecht was aangekomen, vroeg hem de gardiaan aldaar wat de reden was zijner komst, en gaf hij, in zijn eenvoud, ten antwoord, dat men hem te 's Bosch bevolen had naar Utrecht te vertrekken, zonder er verder iets bij te voegen. Dien kinderlijk eenvoudigen en nederi-gen man wilde de goede God ook reeds op aarde verheerlijken door de onschatbare gunst van den marteldood.

Deze elf Martelaren, wier leven wij hier in korte trekken schetsten, behooren allen tot de orde der Minderbroeders, wier glorie zij door een roemvollen dood geworden zijn. Toen zij uit Gorcum afvoeren, waren zij twaalf in getal, want Henricus, de dertiende die het habijt droeg, kon er nog niet toe gerekend worden, wijl hij nog in zijn proeftijd was. De twaalfde echter, de ongelukkige

ocr page 73

~ 71 —

Gulielmus de Franschman, werd helaas afvallig even als Judas onder de twaalf Apostelen. In zekeren zin nochtans werd hun getal een groot jaar later, den 4den September 1573, weder aangevuld door den Minderbroeder Gulielmus van Gouda, die te Geertrui-denberg zijn geloof kloekmoedig door den dood bezegelde.

XII. LEONARDUS VAN VECHEL, de oudste pastoor van Gorcum, werd ten jare 1527 te 's Hertogenbosch geboren. Zijne ouders, hoogst achtingswaardige lieden en vurig katholiek, gaven den jeugdigen Leonar-dus eene opvoeding, die geheel in overeenstemming was met hunne beginselen, en de zegenrijkste vruchten droeg. Na zijne voorbereidende studiën aan de gunstig bekende Latijnsche school zijner geboortestad volbracht te hebben, vertrok hij naar Leuven, alwaar hij in het College „de Valk'' met schitterenden uitslag meer ernstige wetenschappen bestudeerde, tot hij in het College van Adriaan VI werd aangenomen en zich

ocr page 74

bijna negen jaren onafgebroken op de H. Schriftuur en Theologie toelegde. Zijn schrandere geest, volhardende vlijt en gelukkig geheugen deden hem onder zijne bekwame leeraren zulke vorderingen maken, dat hij onder de beste theologanten gerekend werd; en hij overtrof menigeen, die tot het Doctoraat verheven werd, in bekwaamheid. Later heeft hij zelf op het punt gestaan, zich voor het verwerven van een der hoogere graden van G-orcum naar Leuven te begeven, maar God wilde het niet; en juist de 8« Juli, die voor hem bepaald was om tot licentiaat te te promoveeren, was de laatste dag van zijn striid op aarde, en den volgenden nacht werd hij niet met aardsche eer maar met de eeuwige glorie der Martelaren gekroond. — Doch laat ons de geschiedenis niet vooruit, loopen.

Tegen het einde zijner studiën begon hij met grooten ijver het woord G-ods te Leuven te verkondigen, en toen reeds bleek het, wat groot man hij eens in die bediening worden zoude. Omstreeks dien tijd geraakte de aanzienlijke parochie Gorcum

ocr page 75

— 73 —

zonder herder, en wendde men zich tot Leuven om een waardig en bekwaam man te zoeken voor die gewichtige betrekking. Niemand werd daarvoor geschikter geoordeeld dan onze Leonardus, doch in zijn ootmoed weigerde hij dien last op zich te laden, dien hij voor zijne schouders te zwaar achtte. Eindelijk echter zwichtte hij voor den aandrang zijner vrienden, en met name den beroemden Ruardus Tapper, zijn leermeester, die in zijne openbare lessen meer dan eens tot zijne leerlingen gezegd moet hebben: „Daar zijn er onder n, die om „Christus en des geloofs wille ter dood gebracht zullen worden.quot; Jammer, dat plaatsgebrek ons dwingt, menige wetenswaardige bijzonderheid, die ons aangaande den roemrijken Martelaar bekend is geworden, slechts ter loops te vermelden of stilzwijgend voorbij te gaan. Kort na zijne aankomst te Gorcum had de waardige priester zich, zonder dat te zoeken, een groot gezag bij zijne parochianen verworven. Weldra wist men zijn stichtenden levenswandel en godgeleerde kennis hoog te schatten ; zijne ongemeene

ocr page 76

welsprekendheid werd ai terstond overal geprezen, en de roem van zijn naam was spoedig tot in de omliggende steden en dorpen doorgedrongen. Zijne diepe kennis werkte onder den zegen des Hemels, verschillende bekeeringen van dwalende schapen uit, en bevestigde vele wankelenden weder in het katholiek geloof; hij bediende zich zóó van zijne geleerdheid, dat zijne vermaningen en leeringen altijd de harten der zijnen troffen, en tevens was hij zoo gevat, waar 't gold de waarheden des geloofs tegen de nieuwe leeringen te verdedigen, dat weldra niet één ketter zich langer met hem durfde meten. — Groot was dan zijne wetenschap, maar veel grooter en verhevener nog was zijne deugd. Hij maakte zich bemind door zijn ootmoed, voorzichtigheid en eene groote zedigheid en vriendelijkheid jegens een ieder, zoodat allen vrijmoedig tot hem durfden komen ; doch zijne minzaamheid wist hij steeds zoo te regelen, dat zij geenszins schaadde aan zijn herderlijk gezag. — Verder was het in de gemeente bekend geworden hoe onbekrompen Leonardus de gastvrijheid

ocr page 77

beoefende, en hoe zijne rechterhand niet wist wat zijne linker deed ; daarom dan ook kende de stedelijke raad hem eene jaarlijksche toelage toe van honderd kronen, wijl het inkomen der pastorie te gering was voor zoo groote milddadigheid, waartoe niemand vergeefs zijn toevlucht nam. Des zomers sloeg hij geregeld een voorraad in van levensbehoeften en deelde die des winters onder de armen uit; vooral trachtte hij diegenen uit te vorschen, die de nood het dringendst knelde, en men was getuige, hoe hij al wat hij had, aan de armen ten beste gaf. — Maar zoo goed en liefdevol hij jegens anderen was, zoo hard was hij jegens zich zeiven, en zijne liefde voor de versterving bleek o. a. bij de veertigdaagsche vasten, die hij zoo streng doorbracht, dat in de laatste dagen de vermagering zijns lichaams een ieder, die hem zag, tot een diep medelijden bewoog. — Met de grootste waakzaamheid en bezorgdheid nam hij altijd en onder alle opzichten, de herderlijke bediening waar en wel zoo, dat de pastoors der omliggende plaatsen zijn gedrag tot voorbeeld namen. Hij beschouwde

ocr page 78

— 76 —

het biechthooren als verreweg de moeielijkste van alle zijne bedieningen, nochtans wijdde hij zich altijd daaraan met de bereidwilligste vaardigheid en ijver. — Moest hij ondeugden te keer gaan, of misbruiken uitroeien, dan trad hij onverschrokken en vrijmoedig op, zonder eenig aanzien van personen. — Zijne vredelievendheid was algemeen bekend, en dikwerf vermaande hij zijne parochianen dringend, toch geen processen te voeren dan in de hoogste noodzakelijkheid, daalde gerustheid des gemoeds en de naastenliefde er altijd veel bij leden. Wat hem zeiven aanging, zoo verzekerde hij herhaalde malen, dat hij een geschil liever voor de helft zoude afmaken, dan het voor eene rechtbank brengen. En die vreedzame en geduldige liefde betoonde hij niet slechts aan de goede en vrome Katholieken; maar ook de dwalende schapen waren er het voorwerp van, alsmede de ketters, zoolang er nog maar de minste hoop overbleef om hen te verbeteren en tot den schaapstal van Christus terug te brengen. Dan vermaande en onderrichtte hij, volgens de les van den

ocr page 79

— 77 —

Apostel, zachtmoedig en met verduldigheid; werd hij met woord of daad beleedigd, wat hem o. a. meermalen van de ketters overkwam, dan leed hij het gelaten met liefde, en door die inschikkelijkheid won hij het hart van verscheidene ketters, die naar de stem van hun goeden herder luisterden en in de armen hunner Moeder, de Hé Kerk, terugkeerden. Maar ijverde hij onophoudelijk en onvermoeid om de dwalenden tot Christus terug te voeren, hij verdubbelde zijne herderlijke zorgen, als de ziekte hen aan den rand des grafs bracht en zij op het punt stonden van voor eeuwig in satans klauwen te vallen. Dan snelde hij tot hen en bad en smeekte, ja bezwoer hen menigmaal op de knieën, van toch niet onboetvaardig uit de wereld te scheiden. Zijn leven, dat hij later voor zijn geloof zoo edelmoedig ten offer bracht, waagde hij te voren reeds om zijn herderlijken plicht te vervullen. Immers, in het begin van den aanval der nieuwe ketterij op de Kerk van Nederland, kwamen er ook te Grorcum Calvinistische predikanten aan, die echter buiten de stad in eene

ocr page 80

— 78 —

schuur hunne vergaderingen moesten houden. Leonardus liet hen vragen wie hen gezonden had, en toen zij voor antwoord gegeven hadden, dat zij van den Allerhoogste gezonden waren, eischte hij de bewijzen hunner zending. Natuurlijk hadden zij die niet, maar ondanks die beschaming gingen zij voort met hunne heillooze leeringen te verspreiden. Op zekeren Zondag nu, was er eene talrijke menigte ketters en muiters met wapenen onder hunne kleederen in de kerk samengestroomd. Leonardus had het bemerkt, hij begreep, dat zij hem schrik wilden aanjagen en versterkte derhalve zijn hart door een vurig gebed tot God. Daarna beklom hij den predikstoel, nauwelijks zonder eenige hoop van dien weder levend te zullen verlaten, en begon onverschrokken zijn sermoon. G-od hield echter de hand der goddeloozen tegen en de pastoor ontkwam het gevaar ongedeerd. — Hij zag maar al te duidelijk, dat de naderende vervolging het hevigst zoude woeden tegen de priesters, en daarom wakkerde hij den moed van zijn mede-pastoor Nikolaas Poppel nog vei . , aan. Onbevreesd

ocr page 81

— 79 —

en vol vertrouwen op God zag hij dat gevaar onder de oogen en wilde voor niets ter wereld van zijn post wijken, toen zijne zuster uit 's Hertogenbosch tot hem kwam om hem te smeeken, zich aan de naderende vervolging te onttrekken. Hij weigerde beslist, en volhardde in zijne opofferende zorg voor de zijnen, hoewel hij misschien eene aannemelijke reden had kunnen vinden voor zijne vlucht, daar hij zich toen juist naar Leuven moest begeven om den graad van Licenciaat te verwerven. (1) Hij bleef dan, bleef getrouw tot in de gevangenschap en den dood, gelijk wij zagen, en slechts die dood vermocht dien vurigen en weisprekenden mond te sluiten, waarvan nog tijdens het dispuut te Brielle sommige ketters zeiven zeiden : „Hoe is het te betreuren, dat „zulk eene tong weldra sprakeloos moet „wordenquot;. De voorbeeldige herder onderging den marteldood op den leeftijd van ongeveer vijf en veertig jaren.

1

Die schijnreden verwierp hij, maar dat hij Gorcum ter verliet om zijne stervende moeder te troosten, zal door niemand als eene laffe vlucht beschouwd worden.

ocr page 82

— 80 —

XIII. NIKOLAAS POPPEL of VAN POP-PEL of wel VAN POPPELEN, de tweede pastoor van Gorcum, werd in 1532 geboren te Weelde, op twee uren afstand van Turnhout gelegen. Zijne deugdzame ouders gaven hem eene godsdienstige opvoeding, en toen de jongeling zijne lagere studiën had volbracht, werd hij te Leuven in hetStan-doncksche College opgenomen, waar hij kos-telooze huisvesting ontving, en met gunstigen uitslag de hoogere wetenschappen beoefende. Toen hij de heilige wijding ontvangen had, riep pastoor Leonardus den jeugdigen priester naar Gorcum om hem in de zielzorg ter zijde te staan. Later werd de parochie in twee deelen gesplitst, en Nikolaas als tweede pastoor met de herderlijke bediening belast. Onvermoeid spande hij zich in voor het heil van zijn evenmensch en de glorie des Heeren; wel was hij bleek van gelaat en scheen hij voortdurend in diepe gedachten verzonken, maar toch had hij een lichaamsgestel, dat hem tegen elke vermoeienis bestand maakte. Hij spaarde zich dan ook zoo weinig, dat men hem om zijne ne-

ocr page 83

— 81 —

derige en rustelooze werkzaamheid „het slaefkenquot; placht te noemen, welken toenaam hij zich gaarne liet welgevallen; hij had zelfs meermaals de spreuk in den mond •' Hij slaeft teel, die in Goclt slaeft. En met recht: welke eervoller dienstbaarheid toch is er, dan zich edelmoedig op te offeren voor Gods eer ? — Nikolaas bezat niet die schitterende gaven, waardoor Leonardus uitmuntte ; maar zijn zuivere en blakende ijver vulde dit gemis aan. Hij had eene bijzondere voorliefde voor de nederigste bedieningen, zooals het onderwijs der kinderen in de christelijke leering, waarvoor hij noch tijd noch kosten spaarde. Hij kon niet zoo ruim als Leonardus zijn milddadigheid aan de armen betoonen ; zijne moederlijk erfdeel had hij ter beschikking zijns vaders gelaten, en hij zag zich nog verplicht, dezen iets van zijn overschot toe te leggen, om in diens behoeften te voorzien; nochtans van het weinige, dat hem ten dienste stond, hielp hij onbekrompen al wie onderstand behoefde.

Zeven jaren had hij met veel zegen te Gorcum gearbeid, toen hij het voornemen

Mart. Goeg. 6

ocr page 84

opvatte om in het Gezelschap van Jesus te treden; doch zijn medepastoor en een god-vreezende kanunnik, wiens raad hij inwon, wezen hem met nadruk op de gevolgen, welke deze stap voor Gorcum hebben - kon, daar er in de gegeven omstandigheden ernstig gevaar bestond, dat zijne plaats wellicht kon ingenomen worden door iemand, die voor de herderlijke bediening in zulk een tijd niet berekend was. Yoorloopig dus legde hij zich daarbij neder.

Om zijne groote godsvrucht tot het H. Altaargeheim beeldt men den H. Nikolaas van Poppel gewoonlijk af met het Allerheiligste in de hand.

Zijne moeder, die hij reeds vroeg verloor, bleef altijd in zijn godvruchtig aandenken voortleven, en menigmaal verzocht hij van den predikstoel voor zijne moeder de gebeden der geloovigen. Reeds boven stipten wij aan, dat hij zijn behoeftigen vader naar vermogen bijstond. Deze genegenheid ontaardde nochtans nooit in zwakke toegevendheid. Toen kort voor de gevangenneming de vader van Heilige, van het dreigend gevaar verwittigd.

ocr page 85

— 83 —

naar Gorcum kwam, en zijn zoon smeekte, voor een tijd de stad te verlaten, stond deze tegen alle smeekingen pal, hij behoorde aan zijne kudde, zeide hij, en herinnerde zich het woord des Heeren: Wie vader of moeder meer bemint dan Mij, is Mijner niet waardig.

Op den dag, dat hij naar het kasteel van Gorcum de wijk nam, had hij 's morgens vroeg de EL Offerande opgedragen, en zich zeiven daarbij den Heer aangeboden, om alles te lijden wat zijn H. Wil over hem mocht beschikken. Een burger, die hein in zijn beste kleederen naar het kasteel zag gaan, riep hem toe: „Wel, heer Pastoor, men zou zeggen, dat gij naar een bruiloftsmaal gaat!quot; — „Zeker,*' hernam de heilige, „zoo komt het mij ook voor. O, hoe gelukkig ware ik, zoo ik voor het katholiek geloof mijn bloed mocht vergieten !quot; — Weinige dagen later was die wensch vervuld, en zijn schoone ziel ging aan het eeuwig bruiloftsmaal des Hemels deelnemen. Nikolaas was omstreeks 40 jaren oud, toen hij den mar-telpalm behaalde. —

ocr page 86

XIV. GODEPRIDUS VAN DUIN werd in 1502 te Gorcum geboren. Zijn vader, Dirk genaamd, was zeer in aanzien om zijn oprechte godsvrucht; hij had, voor een goed deel uit eigen middelen, en verder uit daartoe ingezamelde penningen, onder Gorcum eene kapel ter eer der H. Maagd gesticht. De jonge Godefridus werd voor zijne hoogere studiën naar Parijs gezonden, waar hij met eenige medestudenten eene vereeniging vormde, die meer op eene kloosterlijke gemeente dan op een letterkundig genootschap geleek. Na eenige jaren ontving hij op aandringen van een zijner ooms, die zelf Priester was en te Parijs woonde, de H. Wijdingen. Kort daarna werd hij in eene stad aan de Belgische grenzen tot pastoor benoemd ; zijn oom bediende eene pastorij in eene andere Pransche stad. Weldra echter wisten eenige benijders den laatste verdacht te maken van verstandhouding met de krijgsmacht van Karei V in de Nederlanden, zoodat hij in hechtenis werd genomen. Zijn neef Godefridus ook was weldra in zijn eigen huis niet meer veilig. Wel is waar kwam de

ocr page 87

— 85 —

ongegrondheid dier vermoedens na eenigen tijd aan het licht, en werd zijn oom weder op vrije voeten gesteld, maar Godefridus, overigens een weinig zwak van hoofd, werd door deze gebeurtenis zoozeer gekrenkt, dat hij zijne herderlijke bediening moest neder-leggen en naar zijne geboortestad terug keerde. Hij vastte iederen Woensdag en Vrijdag ; hij schuwde met schier overdreven zorg al wat slechts de schaduw eener vlek op de reinheid zijns harten had kunnen werpen. De ketterij verafschuwde hij als de pest, en schroomde niet, dit bij elke gelegenheid te doen blijken. Hij was omtrent 70 jaren oud, toen hij als Martelaar zijn leven eindigde.

XV. JOANNES VAN OISTERWIJK, aldus genaamd naar zijne geboorteplaats in de Meierij van 's Bosch, behoorde tot het Premonstratenzer klooster ten quot;Rugge bij den Briel, en was van daar door zijne overheid naar Gorcum gezonden, waar hij met veel zegen een Nonnenklooster van dezelfde orde bestierde.

In de lente van 1572 vernam hij, hoe bij

Mart. Gorg.

ocr page 88

— 86 —

de plundering en vernieling van het klooster ten Kugge een zijner medebroeders na gruwelijke mishandelingen door de Geuzen was vermoord. „O, riep hij daarop uit, mocht God ook mij zulk een dood laten sterven!quot; Eene der zusters, Ursula genaamd, hoorde dit, en sprak; „God beware u. Pater! Ik hoop ten minste, dat gij niet zult opgehangen worden; dat ware al te smadelijk.quot; Doch Joannes herhaalde: „Och, dat God mij die gunst bewees!quot; Zijn wensch werd verhoord; hij onderging den gewenschten marteldood, en wel op de plaats zelve, waar hij zijn kloosterlijk leven had begonnen.

XVI. JOANNES, PASTOOR VAN HORNAAR, behoorde tot de Keulsche provincie van de orde der Predikheeren. Hij bediende met veel ijver zijn herderlijk ambt, toen Gorcum in handen der Geuzen viel. Vernomen hebbende, dat de geestelijkheid dier stad in het kasteel werd gevangen gehouden, kwam hij van tijd tot tijd in Gorcum, om er de H.E. Sacramenten toe te dienen. Eens dat hij voor laatstgemelde bediening derwaarts op weg was, werd hij door eenige

ocr page 89

Geuzen aangehouden, die bem nu bij de andere belijders opsloten.

XVII. ADRIANUS, TE HILVARENBEEK omstreeks 1532 geboren, had omstreeks 1547 in de abdij van Middelburg, van de Orde van Premonstreit, het kloosterleven omhelsd. Vijf en twintig jaren leefde hij daar als een voorbeeld van deugd, door al zijne medebroeders bemind. Toen, door het afsterven van een anderen Adrianus, uit dezelfde Abdij, de pastorij te Monster open-kwam, werd hij, omstreeks Paschen 1572, als pastoor derwaarts gezonden. Slechts korten tijd mochten de trouw gebleven katholieken van Monster zich in het bezit van den waakzamen herder verheugen : in den nacht van den 6 op den 7 Juli werd hij met zijn kapelaan in de pastorij opgelicht en naar den Briel vervoerd, waar hij al zijne lotgenooten door zijn voorbeeld stichtte.

XVIIL De kapelaan van Monster, die met pastoor Adrianus gevangen werd genomen, was JACOBUS LACOPS, van Oudenaarde in Vlaanderen, waar hij omstreeks 1542 het eerste levenslicht aanschouwde. Nog jong

ocr page 90

zijnde, was hij te Middelburg in de abdij getreden, waar zijn goed verstand, zijne innemende manieren en zijn zacht karakter de beste verwachtingen deden opvatten ; doch hoogmoed en lichtzinnigheid brachten hem weldra tot diepen val. In 1566 liet hij zich door de ketters verleiden, verliet spoedig daarop het klooster, werd predikant bij de sekte en gaf een kwaadaardig schimpschrift tegen het katholiek geloof in het licht. Niet lang echter duurde zijne verblinding; Gods genade verlichtte zijn geest, en na weinige maanden zag men Jacobus als een ootmoedig boeteling aan de poort van zijn klooster aankloppen, waar hij de ketterij afzwoer. Hij schreef, om de gegeven ergernis eenigs-zins goed te maken, eenige werkjes tegen de dwalingen der ketters. Later werd hij als kapelaan geplaatst bij zijn broeder Adrianus, die de parochie van Monster bediende. Na diens dood bleef hij in dezelfde betiekking bij den nieuwen Pastoor Adrianus van Hil-varenbeek, wet wien hij weinig tijds daarna den roem van den martelaarschap zou deelen.

XIX. ANDREAS WOUTERS, pastoor te

ocr page 91

— 89 —

Heinoord bij Dordrecht, werd door eenige Geuzen, die den omtrek afstroopten, gevat en naar den Briel vervoerd. Ook bij bad afdwalingen van vroegere jaren te betreuren ; zelfs in zijne parochie was hij een steen des aanstoots geweest door een alles behalve priesterlijk levensgedrag. Hij wischte, door het edelmoedig offer van zijn leven voor de belijdenis van Jesus, de zware fouten uit, waarmede hij zich voorheen had bezoedeld.

Het is voorzeker geen gewoon verschijnsel, dat mannen als Jacobus Lacops en Andreas Wouters de martelkroon verwerven ; echter levert ook de geschiedenis der eerste eeuwen van het christendom meer dan een soortgelijk voorbeeld op. God stelt ons soms zulke voorbeelden voor oogen, opdat niemand, hoe rampzalig ook, ooit wanhope, nog een erfgenaam des hemels, ja wellicht een heilige te worden ; terwijl daarentegen de treurige afval van enkelen, die aanvankelijk bij onze Martelaren behoorden, ons herinnert, dat niemand vermetel op eigen kracht of deugd moet bouwen, maar dat hij, die staat, wel toezie, dat hij niet valle.

ocr page 92

— 90 —

Geschiedkundige Aanteekeningen.

(1) Willem van Lumey, (ook Lummen bijgenaamd) graaf van der Mark, een Lniksch edelman, was in 1572 vrijheer van Servain, Borselen en Minderleit, erfvoogd van Fran-chemont en stalhouder van Holland. In 1568 had hij zich bij het leger van Willem van Nassau gevoegd met eenige ruiters, die onderling gezworen hadden, hun hoofden niet te zullen scheren, voor dat zij den dood der graven van Egrnond en Hoorne gewroken hadden. Hij maakte zich dan ook weldra door zijne wreedheden zoo berucht, dat hij na den moord van den geleerden Cornelius Muys te Leyden, door de Staten gevangen genomen en op het slot te Gouda gezet werd. Kort nadat hij zijn kerker had weten te ontvluchten, werd hij op nieuw gevat en op het kasteel Honingen bij Botterdam opgesloten. Hij wist echter op'nieuw te ontsnappen, doch nu werd hij in 1574 door de Staten van zijn ambten vervallen verklaard en het land uitgebannen. Hij begaf zich toen naar Duitschland en stierf in 1577 of 1578

ocr page 93

-Ol-

door vergif, of wel volgens anderen aan den beet van een dollen hond. Te Luik vindt men zijn grafschrift, door een onbekend dichter vervaardigd:

De grave van der Mark leit in dit graf begraven;

Hij zwelgde menschenbloed, o gruwel, als de raven ;

Hij is gestorven van een dollehondenbeet;

't Gaat wel, als d' eene hond die dol is, d' ander eet.

Men noemde hem en Diderik Sonoy, een van 's prinsen legerhoofden en die even wreed was als hij, „de beulen der Inquisitie van het Noorderkwartier van Holland.'quot;

(2) Elisabeth, koningin van Engeland, beducht, dat de aangeknoopte vredesonderhandelingen met Spanje zouden afgebroken worden, en vreezende, dat de koning van dat rijk op zijn beurt de oproerige Schotten zoude ondersteunen, ontzegde den Watergeuzen het verblijf in de Engelsche havens, waar Willem Blois van Treslong en Jacob Simonszoon de Rijk even van te voren waren aangekomen en dus genoodzaakt waren, zich naar elders te begeven.

(3) De voornaamste hoofden dier vloot waren Willem, heer van Lumey en graaf van der Mark, Barthold Enter van Mentheda

ocr page 94

— 92 —

J A

J I '1

als onder-admiraal, Willem Blois van Treslong, Cornelis Gerolfszoon Roobol, Jacob Simonszoon de Rijk, Marinus Brandt, Daara van Haren, Jonkheer Lancelot van Brederode, Jhr. Adr. van Zwieten, Nicolaas Ruichaver, Jan Klaaszoon Spieghel,Dirk Duivel, Jonkheer Jacob Kabeljaauw, Willem graaf van Gent, Wouter Franszoon Fokke, Jan Abelszoon, de hoplieden Eloi, Gillain en lelmer, Maarten Merous, Gilles Steltman, Jacques Hennebert, Hendrik Thomaszoon, Ellert Vlierhop, Bruin van Utrecht, Cornelius Louwszoon van Ever-dingen, Jacob Anthoniszoon en Simon van der Heere.

(4) Aldus destijds genaamd.

(5) Die eed hield in : „Getrouwheid aan den koning en den koninklijken bevelhebber der Nederlandsche provinciën Willem van Nassau, prins van Oranje, dat zij weêrstand zouden bieden aan den hertog van Alva en de nieuwe Evangelische leer zouden voorstaan.quot;

(6) Johannes Omalius, luitenant van Lu-mey, was vroeger kanunnik te Luik en had slechts één hand. De andere had hij in een gevecht tegen de Spaansche schepen verloren.

Uitgave van G. MOSMANS Senior, 's Bosch.

ocr page 95
ocr page 96

i ■wï'C^-' . lt;v,

,(^-i r-'.'vc!

i',4quot; 1 . jWquot; vs gt; - -', ^ f

yquot; wV^Ov ^T'- -v*- (*?»■■' v

i '^Jhc $ gt;

i/Xv^ TvV. gt; A

f'

*

vw^.r.-

•? ^ \'

^ r ^

t t quot;a * gt;- ^.

-! V^N:^

I- . T-

«-7 ^

m . . ■ 'k

V i

' V '

K ,

b ^T V

i