ocr page 1

149

STIIJD TEGEN DE GEBMEN,

i

EEN BOEKSKEN

voor

Ctiristelijke Jongelieden,

door

A. A. B., Hector.

........iaifll............t||}üfquot;

mi

ocr page 2
ocr page 3

■ ■ '7--?; - -

; ^

A.

ocr page 4
ocr page 5

VAK Ijo, !W

DE STI1JD TEGEN DE GEBEEKEN,

*gt;■

EEN BOEKSKEN

voor

Cfiristelijke Jongelieden,

door

A. A. B., Hector.

lil: mh uunuu gsebkeiirins l|gs»

wa /'-• -ZC'-A

waalwijk,

witlox' Boekhandel.

ssmczri WEEiHT, i!; i

! fm

ocr page 6

IMPRIMATUR.

Bdscoduci, die 17 Aug. 1893.

J. J. VEBSTERBEJf, Rector.

ad hoc delegatus.

ocr page 7

INLEIDING.

Kinderen, wanneer ik tot u spreek, dan heb ik de zekerheid, niet slechts een nuttig, maar ook een verdienstelijk werk te verrichten. Een braaf kind leert gaarne iets goeds en brengt ook gemakkelijk de ontvangen les ten uitvoer. En zou er wel iets meer verdienstelijk voor mij kunnen gevonden war-den, dan kinderen onderrichten ? Houdt Onze Lieve Heer niet buitengewoon veel van de kinderen ? Is Hijzelf met kind geworden P Was Jesus met een ware kindervriend en heeft Hij de kinderen niet tot zich geroepen, hun de handen opgelegd en hen liefderijk gezegend? „Laat de kleinen lot Mij komen _ sprak Hij — want hun behoort het rijk der hemelen.quot;

Doch waarover tot u gesproken ?

Over iets, dat gij misschien niet gaarne hoort. Waarover dan? OVER UWE GEBREKEN.

IVeest echter gerust; ik zal er over spreken, niet om lt;?/■ u een verwijt van te maken, niet om u te berispen of te bekijven, neen, volstrekt niet! Ik ga u spreken over uwe gebreken, om ze u te leeren kennen en ik ga u de middelen aanwijzen, om ze ie verbeteren.

ocr page 8

Is dit geen nuttige stof ?

In dit begin zal deze stof misschien voor u met veel aantrekkelijks hebben, maar ik zal mijn best doen, om u van tijd tot tijd een voorbeeld te verhalen, dat de verhandeling eenigermate levendig zal maken.

Dit is zeker, kinderen, mijn hoofddoel zal zijn, u van nut te wezen voor heden en voor de toekomst. Als gij mijnen raad volgt, zult gij met de hulp van O. L. Heer brave kinderen zijn en, een maal groo-ter geworden, brave christenen blijven en — heilig worden l

Als gij mij aandachtig volgt, dan zult gij bemerken, dat ook ouderen de lessen, aan u gegeven, gerust nog eens mogen nazien. Er bestaan ook groote kinderen onder de menschen en „men is nooit ie oud om te leer enquot;, zegt het spreekwoord.

ocr page 9

1

quot;Wij handelen dan over de gebreken, kinderen, en wij moeten dus beginnen met te zeggen: wat een gebrek is.

Het woord gebrek, jeugdige lezers, komt in onze taal veelvuldig voor. Gij hoort het onophoudelijk en het wordt op alles toegepast, zoowel op stoffelijke als op onstoffelijke voorwerpen. Men zegt bijvoorbeeld van eene schilderij, welke men niet mooi vindt, dat zij gebreken heeft, van een spiegel, die wat van haren glaos heeft verloren: dat glas heeft gebreken.

Vooral echter vindt men dit woord op per so-nen toegepast. Maar in hoeveel verschillende be-teekenissen komt het dan nog voor ? Soms duidt men daardoor een misvorming van het lichaam aan, welke geheel uitwendig is, een misvorming ten gevolge van een ongeluk behouden, of bij de geboorte medegebracht. Zoo zegt men van iemand, die mank gaat, dat hij een gebrek heeft aan zijn been, van iemand die een stijven arm heeft, dat hij een gebrekkigen arm heeft.

Men geeft dezen naam ook wel eens aan verkeerde gewoonte, die alleen uitwendig is. Een kind bijvoorbeeld is eepigen tijd op school of bij familie geweest, het komt weer thuis en nu zal

ocr page 10

8

moeder zeggen: wat heeft die jongen eenleelijke houding aangenomen, dat gebrek heeft hij op school of bij de familie gekregen.

Moeten wij nu het woord gebrek in eene der boven aangeduide beteekenissen opnemen ? Het antwoordt hierop luidt: ja of neen, naar believen» zeg eerst: ja, want de gebreken, waarvan wij gaan handelen en waartegen wij in deze verhan-deling gaan tenstrijde trekken, zijn eene misvorming een verkeerde houding.

Ik zeg echter ook: neen, want de gebreken, waarover wij handelen, zetelen in de ziel en niet in het lichaam.

Wij spreken derhalve over inwendige gebreken,, welke haren zetel in de ziel hebben.

Deze zijn veel erger dan de lichaamsgebreken, want de gebreken der ziel voeren ons tot de zonden en brengen ons in gevaar, God te vergrammen.

God beleedigen door de zonden is immers het grootste kwaad, dat er kan géschieden.

Dit is ook de reden, waarom wij ons ten doel gesteld hebben, u te helpen, om deze zielsgebreken uit te roeien of te verbeteren.

II.

Waar komen de gebreken vandaan?

Van ons-zelf, kinderen. Maar is er dan niets, waaruit deze verkeerde eigenschappen zich in ons ontwikkelen ?

ocr page 11

9

Jawel: zij ontstaan uit velerlei oorzaken, dochf op de eerste plaats en het krachtigst uit onze be-dorvene neigingen, uit de verkeerde driften van ons bedorven hart. Deze voeren ons geleidelijk tot de zonde of het vergrammen van God.

Maar waar komen dze bedorven neigingen, die* verkeerde driften vandaan :

Dit weten wij, Katholieken, zeer goed. Dit is ons door God geopenbaard en wordt ons door de H. Kerk voorgehouden. Doch de Heidenen, zelfs de geleerdsten onder hen, hebben dit nooit kunnen achterhalen.

En nog heden zijn er mannen, die door God met buitengewone talenten zijn toegerust, maar de Goddelijke openbaring verwerpen; ook zilkunnen den oorsprong der driften niet vinden.

Een goddeloos, zeer goddeloos mensch, die allé mogelijke gebreken op zijn rekening had staan, dorst zelfs beweren, dat alle bedorvene neigingen en verkeerde driften welke in ons zijn, van God komen: God zou ons die gegeven hebben !

HDit is eenfeverfoeilijke godslastering 1

IVelhoeBigp^^ zeggen dat God iets doet of ge^|^|gPppê!^ys' Welk een booswicht! Wist hij oneindig heilig en volmaakt

is niets kan doen, wat slecht

is ? ®^^^^.^iet, dat God oneindig goed is en dat IW|föPbiets, wat slecht is, van Hem kan komen?. Wist hij niet, dat God onze vader is en dat

Hij diensvolgens den mensch geen zaken kan

ocr page 12

10

geven, waardoor hij een voorwerp van afschuw in zijne Goddelijke oogen zou worden ?

En wa7ineer zou God den mensch die verkeerde neigingen die bedorvene natuur hebben geschonken ?

Bij de schepping misschien? O neen! De mensch kwam rein en zuiver, schoon en volmaakt uit Gods handen ; niets verkeerds werd er in hem gevonden. En dit is zoo waar, dat God na de schepping van den mensch als het ware over zijn werk verwonderd stond en het schoon en uitstekend noemde.

De menseh, de mensch alleen heeft zich-zell heel deze mismaaktheid gegeven; hij alleen heelt zichzelf bedorven.

Op welke wijze dan ?

Door zijne eerste ongehoorzaamheid, kinderen, door zijne eerste zonde, door het misbruik, dat hij van de schoonste gave des Heeren, van de vrijheid, gemaakt heeft.

Deze waarheden, jeugdige lezers, zijn door God geopenbaard, doch in vele opzichten moeilijk te verstaan en onmogelijk te begrijpen. Niettemin zal ik trachten, ze u zoo duidelijk te verklaren, .als ik kan. Schenkt mij uwe oplettendheid!

Ik zal u den oorsprong der verkeerde neigingen, — waaruit de gebleken ontstaan, gelijk wij zagen, .— door eene gelijkenis trachten duidelijk te maken.

Vooraf moet ik u echter de opmerking maken, dat deze gelijkenis niet in alle punten van toepassing is, gelijk ik u straks zal zeggen.

ocr page 13

11

Veronderstel, gij bezit eene kostbare vaas met een welriekend vocht gevuld. Zoolang dit vocht in uwe vaas is, zal deze een aangenamen geur verspreiden.

Giet dit kostbaar vocht eens uit en vervangt dit eens door een vuil en stinkend voclu. Dan is het gedaan met den welriekenden geur. Giet gij nu verder dat vuil vocht er ook weer uit en reinigt gij de vaas, dan zal er toch gewoonlijk iets van dat stinkend vocht, in de wanden der vaas getrokken, blijven zitten.

Op eenigszins gelijke wijze ging het met Adam. Op den dag der schepping was hij een kostbare vaas met aangenaam reukwerk gevuld. Hij ontving van God de heiligmakende gratie. Hadde hij nu niet gezondigd, hadde hij van de verbodene vrucht niet gegeten, dan zou hij voor zich en zijn nageslacht het welriekend vocht de heiligmakende gratie, door God in diens ziel gestort, hebben behouden. Hij zou rein en volmaakt zijn gebleven, gelijk hij uit Gods scheppende hand was voortgekomen en al zijn begeerten en neigingen zonden op het goede alleen zijn gericht gebleven, hij zou geen kwaad verlangd hebben.

Door de zonde heeft Adam een verpestend vergif in zijne ziel gedronken.

Om niet verkeerd te worden verstaal, kinderen, zal ik u deze gelijkenis nader verklaren. Het welriekende vocht is de heiligmakende gratie,waarmede de eerste mensch ter wereld kwam. Door de zonde

ocr page 14

12

van ongehoorzaamheid verdreef hij de heiligmakende gratie uit zijn hart en viel in staat van doodzonde,, welk als een vergiftig, vuil vocht voor de ziel is.

Deze zonde hebben wij allen van Adam overgeërfd, wij noemen haar erfzonde.

Nu is het wel waar, dat door het H. Doopsel de erfzonde wordt vergeven en uitgewischt, maar toch blijven in onze ziel etnige gevolgen der erfzonde, ook nadat deze zonde-zelve is uitgewischt.

Door de erfzonde werd de onwetendheid des geestes grooter, de ongeregelde begeerlijkheid des vleesches deed zich gevoelen en de wil werd tot het kwaad geneigd.

Deze ongeregelde begeerlijkheid is het gevolg der erfzonde en kan ook ons tot persoonlijke zonde voeren. Dit is het nu, wat in de vaas is blijven zitten.

Deze begeerlijkheid zet den mensch voortdurend aan, om naar het ongeoorloofde te verlangen.

Zietdaar nu de voornaamste oorzaak der gebreken : de begeerlijkheid — en deze begeerlijkheid is een gevolg der erfzonde.

Misschien werpt gij mij op, kinderen: „Hoe kon Adams zonde (met de begeerlijkheid als voornaamste slecht gevolg) op ons overgaan ?quot;

Ja, jeugdige lezers, dit geheim, dat door God is geopenbaard en door de H. Kerk ons wordt voorgehouden, is voor 's menschen verstand onbegrijpelijk. Ik zal echter beproeven, dit door eene gelijkenis op te helderen.

ocr page 15

13

Een arm man krijgt ran zijn koning zonder «enige aanspraak op verdiensten een landgoed ten geschenke. Dat landgoed mag hij bezitten en na zijnen dood ook aan zijne kinderen nalaten. De koning heeft echter een zeer billijke voorwaarde gesteld : hij mag nooit aan zijnen vijand toegang verleenen tot dat landgoed Doet hij dat vrijwilig, dan wordt hem het landgoed ontnomen.

Wat doet deze arme man? Toch ontvangt hij den vijand des konings op zijn landgoed. De voorwaarde is niet nagekomen, hij wordt verdreven van het landgoed, de schoone bezitting is voor hem en ook Voor zijn nageslacht verloren; ook op zijne kinderen gaat des konings gramschap over.

Aldus zondigde Adam, ons aller stamvader, en verloor de heiligmakende gratie en de andere bovennatuurlijke gaven, hiermede verbonden. Alle nakomelingen worden nu geboren beroofd van de heiligmakende gratie, welke zij volgens de regeling der Goddelijke Voorzienigheid moesten bezitten. Door die berooving zijn wij allen in een staat van tegenstrijdigheid met Gods wil gekomen, kinderen van gramschap geworden en ongeschikt, om den hemel te erven.

Ook in ons blijft na de vergeving der erfzonde door het Doopsel de begeerlijkheid bestaan en deze is de voornaamste bron van onze gebreken.

Over het onstaan der begeerlijkheid, welke de bron van onze gebleken is, wenschte ik u nog een enkel woord te zeggen.

ocr page 16

14

God had aan den mensch met de heiligmakende gratie ook de heerschappij over zijn booze neigin-gen en kwade begeerten geschonken. Nooit stond de begeerlijkheid op tegen de rede, hare meesteres; en Adams wil werd nooit door slechte begeerten bekoord.

Tegenwoordig, niet waar, kinderen, is het geheel anders. Zonder dat wij het willen en voordat wij het bemerken, ontstaan er in ons opwellingen van gramschap, haat en wraakzucht. Dit vond bij Adam en Eva voor den zondeval geen plaats^ hiertegen waren zij door Gods bijzondere genade beschut.

Zoodr echter de eerste zonde bedreven was, trok God die genade terug en de 2innelijke driften voelden zich ontketend , zij stonden ®p tegen de rede en de rede tegen God.

En zóó ontstond in Adam de harde wet der begeerlijkheid.

Hoe is deze wet op ons, hunne nakomelingen, overgegaan? of liever, hoe hebben wij deze begeerlijkheid van Adam hunnen overerven, wijl wij geen persoonlijke schuld aan Adams zonde hebben gehad ?

Dit is, kinderen, voor ons allen een duister geheim, gelijk ik bereids vroeger heb gezegd. Wanneer gij grooter wordt en uw begrip zich meer ontwikkeld, zult gij bij de uitlegging der Ghriste-lijke Leer wel eens vernemen, hoe de H. Vaders dit geheim trachten te verklaren.

ocr page 17

15

Deze leeren, dat de/^rrtw*/;'»/^ schuld van Adara rde schuld werd der natuurquot;. (H. Thomas). Door Adams zonde werd de menschelijlce natuur besmet en ging die besmetting op alk menschen over, omdat alle menschen de menschelijke«a/««r bezitten.

Hoe heeft Adam de natuur kunnen besmetten ? Door haar te berooven van de bovennatuurlijke voorrechten, welke met haar op alle menschen moesten overgaan.

Hoe men dit geheim ook moge verklaren, dit staat vast, kinderen, dat ook na het H. Doopsel de begeerlijkheid in den Christen blijft bestaan. Dit ondervond zelf de groote apostel Paulus : „Wie zal mij — zegt hij smeekend — van het lichaam des doods verlossen?'' Dit wil zeggen; wie zal mij van de begeerlijkheid, die in mijn lichaam woont en mij tot de zonde en den dood wil brengen, toch verlossen ? Werpt slechts een blik op uwe omgeving en gij zult die neiging, om kwaad te doen in kinderen van drie en vier jaar aantreffen. Niet zelden vinden zij hun vermaak in breken en vernielen van alleilei voorwerpen, in het slaan en schoppen, verminken en dooden van dieren, ja zelfs in het hinderen en plagen van andere kinderen, die bedaarder of kleiner zijn dan zij. Soms vindt gij in die jeugdige harten zucht tot stelen van zaken, welke zij thuis in overvloed bezitten; zucht tot liegen en bedriegen, tot toorn en hoogmoed, tot ontevredenheid en andere leelijke dingen.

Ziedaar den oorsprong der begeerlijkheid nader

ocr page 18

16

-verklaard. Zietdaar tevens den oorsprong der gebreken.

KL

Zijn de gebreken hetzelfde als de slechte neigingen ?

Na het verhandelde van het voorgaande hoofd-stuk is het antwoord op deze vraag zeer gemakkelijk te geven.

Neen, de gebreken zijn niet hetzelfde als de verkeerde neigingen: tusschen deze twee bestaat hetzelfde verschil als er bestaat tusschen een zaadkorrel en de plant, welke uit een zaadkorrel opschiet. Hebt gij een graankorrel: gij kunt dien vermorzelen of in de aarde zaaien. Vermorzelt gij hem, dan kan er geen plant uit opschieten ; zaait ge den korrel in de aarde, dan kan zich daaruit .een plant ontwikkelen, die later misschien wel een boom wordt.

Deze plant nu komt uit den zaadkorrel voort, maar zij is toch geheel iets anders dan de zaadkorrel zelf.

Aldus is ook de verhouding tusschen onze gebreken en onze verkeerde neigingen. De gebreken komen uit de neigingen voort, maar zij zijn iets meer, zij zijn ontkiemde en ontwikkelde slechte neigingen, gelijk de plant een vruchtbaar en levend geworden zaadkorrel is.

ocr page 19

17

IV.

Zijn dan zonden hetzelfde als gebreken ?

Neen 5 evenmin als de verkeerde neigingen hetzelfde zijn als de gebreken.

Een gebrek en eene zonde verschillen van elkander niet gelijk een zaadkorrel van een plant, maar gelijk eene plant van hare vrucht.

Eene vrucht is immers niet hetzelfde als de boom, waaraan de vrucht gegroeid is?

Een tuinman kan een fruitboom bezitten, waarvan hij geen vruchten t rekt, wijl hij hem door het afhouwen d^r takken onvruchtbaar gemaakt heeft. Maar indien ik een tuinier vruchten in de hand zie hebben, dan kom ik tot gevoltrekking: er moet ergens in den tu 'i een boom staan, waarvan dere vruchten afko istig zijn.

onze gebreken en onze

■n veronderstellen het be-jn als 't ware de vruch-

ie opmerking bijvoegen, at iemand gebreken be-iit zonden, d. i. slechte aten. 't Is waar, 't is een lar zij kan toch voorleveren er ons talrijke gt;vame tuinlieden waren 2

Zoo staat het ook rn zonden geschapen. Zon «taan van gebreken, zij ten daarvan.

Ik moet hier echte ■dat het wel mogelijk i' zit, zonder dat hij da handelingen laat voort-zeldzame uitzondering, komen.

De levens der Heilig voorbeelden van. Als

ocr page 20

18

de Heiligen inderdaad voortdurend bezig, de tak» ken hunner gebreken af te houwen om te beletten, dat zij slechte vruchten, d. w. z zondeo voortbrengen zouden.

Ik kan immers in mijnen tuin een boom hebben, welke vergiftige vruchten voortbrengt. Maar ik kan door het snoeien en afkappen zijner takken ook voorkomen, dat hij vruchten draagt.

V.

Wat is het meest schuldig of plichtig: de ver-keerde neigingen of de zonden ?

Ongetwijfeld, de zonden, kinderen. Om in de zoo even gestelde vergelijking te blijven: het slecht-ste van een slechten boom is de vrucnt.

Gelijk wij vroeger zagen, zijn de verkeerde neigingen op zich-zelf niet schuldig voor God, zij zijn het gevolg onzer bedorvene natuur. Alleen Adam, van wien wij ze hebben geërfd, was schuldig. Wij hebben daaraan evenmin schuld als de landman, die zonder het te weten tegelijk met zijn goed graan ook onkruid in zijn schuur zou vergaderd hebben.

Wat nu de gebreken aangaat, deze zijn altijd eenigzins schuldig, ook in zich-zelf en afgescheiden van de zonden, waartoe zij ons voeren. Waarom ? Omdat wij ze niet zouden hebben, indien onze wil ze niet had laten opschieten, indien onze wil nietquot;

ocr page 21

19

een weinig nalatig was geweest in het tegenhouden hunner ontwikkeling.

Wij zijn hier even plichtig als een tuinier, die onkruid nemen en dit in de aarde zaaien, begieten en verzorgen zou. Dit zou een slechte tuinier zijn en wel des te slechter, naarmate hij aan het onkruid grootere zorg besteedde. Zoo zijn ook wij des te schuldiger, naarmate wij onze gebreken weliger laten opschieten.

Ik ga mij nader verklaren. Had de tuinman het onkruid in de aarde gezaaid, zonder zich verder daarmede te bemoeien; dan zou hij ongetwijfeld aan het uitkomen van het onkruid schuld hebben. Maar indien hij na het zaaien ook voortdurend het onkruid had begoten, tegen wind en regen had beschut en gedekt, dan zou hij wel degelijk meer schuldig zijn.

Desgelijks is het ook met een kind gelegen, dat gebreken bezit. Het kan gebeuren, dat het eenvoudig niet waakzaam genoeg is geweest, om de slechte neigingen der bedorven natuur te onderdrukken ; maar 't kan ook zijn, dat het kind de verkeerde neigingen heeft opgewekt, aangekweekt en ontwikkeld.

Ik moet hier echter eene opmerking bijvoegen. Ofschoon ik gezegd heb, dat een gebrek altoos eenigzins schuldig is, blijft het toch waar, dat de neigingen onzer bedorvene natuur ons zeer sterk tot het kwaad trekken. Om deze reden kan het

ocr page 22

20

zeer licht gebeuren, dat wij de neigingen hebben laten ontkiemen en gebreken hebben laten worden, zonder dat wij daaraan grootelijks schuldig zijn.

Om het innig verband dat er tusschen een gebrek en een verkeerde neiging, waaruit zij voortvloeit, bestaat, worden zij in de gewone spreekwijze dikwijls met elkander verward. Dit gaat zelfs zoover, dat men wel eens hoort zeggen: „Wij kunnen er niets aan doen, dat wij gebreken hebben.quot;

Nu, indien wij ons streng aan de juiste beteeke-nis der woorden houden, dan is deze uitdrukking niet heel nauwkeurig.

Ind en wij door het woord : gebreken slechte neigingen verstaan, dan is het gezegde waar.

Verstaan wij het woord gebrek in de eigenlijke beteekenis, dan is de uitdrukking in zooverre waar, dat er lichtelijk iets onvrijwilligs in onze gebreken wordt gevonden en wij er dus niet altijd heel de schuld van dragen. Of nog duidelijker, dat er om de groote kracht der slechte neigingen licht iets verschoonbaars in onze gebreken te vinden is.

In den loop van onze verhandeling zullen wij zorgvuldig trachten dezer woorden-verwarring te vermijden : wij nemen gebrek en neiging in hunne ware beteekenis

ocr page 23

VI.

Bestaan er vele soorten van gebreken en welke zijn daarvan de voornaamste ?

Bestaan er vele soorten van gebreken ?

Ja, kinderen, zeer vele: en vraagt gij mij: hoe-vele ? dan antwoord ik u : „even zoovele gebreken als verkeerde neigingen quot; Dit volgt van zelf uit lietgeen wij vroeger in III hebben gezegd : „elk gebrek veronderstelt het bestaan van een verkeerde neiging gelijk elk onkruid het bestaan van een verkeerden graankorrel, waaruit die opschoot, veronderstelt.quot;

Hoevele verkeerde neigingen zouden er wel besta an ?

Wie zal haar getal bepalen ? Dit is niet te berekenen. Zij verschillen zoo zeer van elkander als de verschillende gezichten en karakters der men-schen onderscheiden zijn.

Hierom zeide een godvruchtig schrijver : „Het is een vruchtbare stam en hij bezit geen enkele tak of deze kan honderd ziekten voortbrengen.quot;

Misschien werpt gij me tegen ; „De verkeerde neigingen komen alle uit een beginsel, te weten uit de begeerlijkheid, voort; dus kunnen er zooveel niet bestaan quot;

Hierop zal ik u met eene wedervraag antwoorden. „Kan niet een boomstam vele takken hebben ?quot;

Ik zou ook aldus kunnen redeneeren : „De boosheid onzer bedorvene natuur, de begeerlijkheid, uit

ocr page 24

22

de eerste zonde ontstaan, doet ons voortdurend verlangen naar verbodene zaken; dus moeten er ook zoovele verkeerde neigingen bestaan als er-verbodene of slechte dingen zijn, waarnaar wij verlangen.quot;

De begeerlijkheid strekt zich tot ontelbare zaken uit.

Hoe groot nu het getal der verschillende verkeerde neigingen, welke uit onze bedorvene natuur voortspruiten, ook moge wezen, kinderen, toch zijn er zeven, die den boventoon voeren en tot deze kunnen alle andere teruggebracht worden.

Het zijn de zeven neigingen, welke in den Ka-techismus den naam dragen van de zeven hoofdtonden: hoovaardigheid, gierigheid, nijdigheid, on-kuischheid, gulzigheid, gramschap en traagheid.

De meeste zonden, tot welke onze bedorvene natuur den mensch voeren kan, kunnen tot deze zeven neigingen als tot hare bron worden teruggebracht. De hoovaardigheid zet ons aan, ons zelf meer te beminnen dan God, en dit is wel het toppunt van buitensporigheid en kwaad, — de gulzigheid zet ons aan, om ons in het gebruik van spijs en drank te buiten te gaan, — de gierigheid, om geld boven alles te achten.

Desgelijk is het met de overige gesteld.

Waarom worden deze zeven neigingen door den Katechismus tonden genoemd?

Niet omdat het werkelijk zonden zijn, maar omdat zij ons gemakkelijk tot de zonden brengen.

ocr page 25

23

Overigens laat zich deze uitdrukking, ofschoon zij niet heel juist is, gelijk ik op eene vorige bladzijde aanstipte, zeer gemakkelijk verklaren. De begeerlijkheid en de verkeerde neigingen zijn uit de zonde ontstaan en voeren ons tot de zonde, indien wij ze niet bestrijden.

De Katechismus noemt ze hoo/dzonden (in het Latijn peccatum capitale, naar het woord caput, dat hoofd, overste, begin of bron beteekent.)

Waarom ?

Omdat deze neigingen de overige beheerschen; omdat zij zijn als het hoofd, dat de overige beweegt ; ■ het begin en de bron, waaruit de andere ontstaan.

Inderdaad, elke dezer verkeerde neigingen leidt weder tot andere en daarom worden deze gewoonlijk hare dochters geheeten. Voorbeelden zijn er in overvloed.

Hoovaardigheid brengt ijdelheid, eigenliefde, pronkzucht, huichelarij, enz. voort; — gramschap is de moeder van wraak, haat en twist; — de dochters van de gierigheid zijn onbarmhartigheid, onrechtvaardigheid, bedrog, meineed; — de dochters van den nijd zijn kwaadspreken, laster, enz.

Op dezelfde wijze brengen de overige hoofdneigingen andere voort.

Om de zeven verkeerde neigingen aanschouwelijk te maken, vindt men soms figuurlijke voorstellingen in beeld of schilderij.

Zoo worden zij wel eens voorgesteld als een

ocr page 26

24

ruwe boomstam met zeven takken, waaraan vergiftige vruchten hangen.

Deze voorstelling is gemakkelijk te begrijpen; de ruwe stam is de erfzonde, de zeven takken zijn de zeven verkeerde neigingen, de vergiftige vruchten zijn de zonden.

Ook vindt men ze afgebeeld als een draak met zeven koppen, als een afschuwelijk monster met zeven vuurspuwende koppen. Deze afbeelding vindt men op vele plaatsen, onder andere op eene beroemde schilderij in het klooster der Benedictijnen te Solesmes.

Gij zoudt er bang van worden.

Uit het verhandelde in dit hoofdstuk trekken wij de volgende besluiten:

Het getal der gebreken is zeer groot.

Er zijn even veel gebreken als er verkeerde neigingen in 's menschen hart zitten.

Er zijn zeven hoofdgebreken. Deze vloeien voort uit de zeven voornaamste verkeerde neigingen, welke door de boosheid der eerste zonde vao Adam over de wereld zijn verspreid.

VII.

Zijn alle gebreken even verkeerd en even schuldig? Neen, kinderen, hunne boosheid heeft trappen.

De schrijvers over het geestelijk leven verdeelen de gebreken in lichte en zware. Zij zijn licht of zwaar ófwel om de verkeerde handelingen, waartoe

ocr page 27

25

zij leiden; ófwel om de wijze, waarop zij tot die handelingen voeren.

Dit ga ik u verklaren.

Zijn de handelingen, waartoe zij ons voeren, zeer slecht, dan noemen zij de gebreken zwaar, ■— zijn de handelingen zoo heel slecht niet, dan heeten zij lichte gebreken.

Woede bijvoorbeeld is veel erger dan een ge wone kleine oploopendheid en daarom zegt men van iemand, die zich tot woede laat vervoeren, dat hij een zwaar gebrek heeft; — van iemand, die een weinig ongeduldig en opvliegend is, daaren-tegen, dat hij maar een licht of klein gebrek heelt.

Verder nemen, gelijk wij zoo even zagen, de schrijvers in aanmerking de manier, waarop de gebreken den mensch tot de zonde brengen, om te bepalen of zij licht of zwaar zijn. Trekken zij ons sterk, geweldig tot de zonde, dan noemen zij ze hevige gebreken — niet sterk, dan worden zij door hen zwakke gebreken genoemd.

Een zwak gebrek heet dan een eenvoudige neiging — een hevig, dikwijls een passie of drift. Zoo zegt men van een dronkaard, dat hij eene passie tot den drank heeft.

Na deze korte verklaring ziet gij duidelijk, kinderen, dat het eene gebrek veel gevaarlijker is dan het andere en dat die gebreken het noodlottigste zijn, welke den mensch tot de zwaarste zonden of met de meeste kracht tot het kwaad voeren.

Al mogen overigens sommige gebreken mindef

ocr page 28

26

verkeerd zijn, al mogen zij den naam van licht of ^wak dragen ; altoos blijft op hen van toepassing, wat Francisus van Sales zegt vai de paddestoelen .— waar hij geen liefhebber van was:

„De beste deugen niet.quot;

VIII.

Wie zijn er zonder gebreken ?

Het is een algemeen gebruikt spreekwoord, dat er niemand in de wereld zonder gebreken is en dat de grootste Heiligen er niet vrij van waren.

Dit spreekwoord is onder tweevoudig opzicht waar.

1®. Het bevat waarheid en volle waarheid, indien gij door het woord gebreken verstaat: verkeerde neigingen. Wij hebben vroeger immers gezegd, dat die neigingen onafhankelijk van onzen wil uit onze bedorvene natuur voortkomen.

2«. Het spreekwoord is ook waar, indien gij het woord gebreken in de zuivere, eigenlijke betee-kenis neemt, te weten : voor slechte eigenschappen, welke uit de neigingen voortvloeien.

Doch dan onder voorbehoud. Ik zeg onder voorbehoud, d. w. z. alle menschen hebben gebreken, maar er volgt daarom niet uit, dat zij daaraan grootelijks schuldig zijn.

Want gij zult u gewis herinneren, dat ik vroeger hebt gezegd (III), dat de neigingen zonder onze medewerking geen verkeerde eigenschappen of ge-

ocr page 29

27

breken kunnen worden 5 maar ik heb er ook bij-voegd (V, aan het slot), dat deze neigingen zoo sterk zijn, en zich zoo gemakkelijk ontwikkelen, dat het eene zeldzaamheid is, indien zij vroeg of laat geen verkeerde eigenschappen of gebreken worden.

Zonder aan de waarheid te kort te doen, kan men dus gerust zeggen, dat de grootste Heiligen niet vrij van gebreken waren.

Door deze uitspraak, kinderen, doe ik geen afbreuk aan de heiligheid dezer eerbiedwaardige dienaren van God. Hij liet deze kleine onvolmaaktheden in zijne vrienden tot hun eigen welzijn toe. God liet ze ook toe tot onzen troost, opdat wij ons niet zouden laten afschrikken om hunne voorbeelden na te volgen. Gij moet niet zeggen : „Ik kan niet heilig worden, want ik heb gebreken.quot; Dan antwoordt God immers: „Ook de Heiligen hadden hunne gebreken en toch zijn zij heilig geworden ; gij hebt uwe gebreken en ook gij kunt toch heilig worden.quot;

Toen gij zoo even laast, dat alk Heiligen hunne gebieken hadden, zult gij bij u-zelf eene uitzondering gemaakt hebben voor de Koningin van alle Heiligen, de allerheiligste Maagd en Moeder Gods Maria. Zij bezat geen gebreken.

Zij is, niet waar ? van de erfzonde bevrijd gebleven. Maria voelde nooit den prikkel der begeerlijkheid, haar geest was niet verduisterd, haar ■wil niet bedorven, haar hart niet ten kwade geneigd

ocr page 30

28

en in haar lichaam leefde de wet der zonde niet.

IX.

Kan men meer dan ée'n gebrek te gelijker tijd hebben ?

Helaas 1 kinderen, nog eens moet ik ja zeggen. Ja te zelfder tijd kan men meer dan een gebrek bezitten en ongelukkig genoeg zijn er tal van menschen, die vele gebreken hebben.

Hoe menigmaal hoort men eene moeder van haren zoon zeggen : „O. was hij nog maar alleen lui, maar hij is ook ongehoorzaam, grammoedig en koppig.quot; Men zegt zelfs van enkele ongelukkige menschen, dat zij bijna alle gebreken hebben.

Gij kent de geschiedenis van Absalon. Hoeveel gebreken bezat deze ontaarde zoon ? Wraakzucht, hij vermoorde zijn broeder — huichelarij, onder den schijn van rechtvaardigheid hitste hij het volk tegen hun koning op — trotscheid, hij trachtte zijn vader David van den troon te storten. Dit rijn nog niet al zijn bekende gebreken.

Gij ziet hieruit, dat niet alleen de negentiende eeuw menschen, met velerlei gebreken te gelijk beladen, heeft voortgebracht. Altijd is dit zoo geweest.

Hoevele nog wel vermaarde personen hebt gij in de Geschiedenis aangetroffen, die eerzuchtig, trotsch en wreed tevens waren.

Maar om op mijn denkbeeld terug te komen, of

ocr page 31

29

liever, om het te voltooien : gij moet er u niet over verwonderen, dat de gebreken zoo gemakkelijk 's menschen treurig deel worden.

Wijl Adams zonde in 's menschen hart het gif der boosheid heeft neergelegd en daaruit als uit hare bron aile verkeerde neigingen voortvloeien, is het ook duidelijk, dat alle gebreken uit 's menschen neigingen kunnen voortspruiten

X

Wat is een hoofdgebrek — waarom heeft teder een hoofdgebrek ?

Wanneer een huis ver boven de omliggende gebouwen uitsteekt, zegt men; dit huis beheerschi heel de wijk.

Wanneer een boom zijn kruin ver boven de andere verheft, dan zegt men: amp;\t\gt;oovs\ beheerscht heel het bosch.

Welnu een hoofdgebrek is een gebrek, dat boven alle andere uitsteekt, dat veel heviger en sterker is dan de andere en dat ons tot meer zonden voert.

Heeft iedereen zulk een hoofdgebrek ?

Ja, kinderen, bijna altoos is dit met iedereen het geval.

Ik zou wel durven zeggen : iedereen, zonder uitzondering.

Ik zal het u verklaren. De mensch bezit altijd een gebrek, dat meer gevoeld en gekoesterd wordt,

ocr page 32

30

zonder dat hij zelfs daarvan soms bewust is. Bij den eenen is het zinnelijkheid, bij den anderen eigenliefde, bij een derden traagheid, enz. enz.

Wellicht beschuldigt gij mij van overdrijving en toch is het volle waarheid ; de ondervinding leert het. Is het niet de geschiedenis van alle tijden Judas bedreef een afschuwelijke misdaad, een gods-moord. Wat heeft hem tot deze misdaad vervoert ? De gierigheid.

Wat voerde Absalon tot zoovele misdaden ? Zijne hoovaardigheid.

Wat voert zoovele kinderen tot ongehoorzaamheid, leugentaal en bedrog ? De traagheid.

Misschien werpt gij mij tegen : „Neem eens iemand, die drie of vier gebreken bezit, die gierig, lui, trotsch en leugenachtig is ; die heeft toch zeker geen hoofdgebrek.quot; Voorzeker wel; een nauwkeurig onderzoek zou u leeren, dat de hoovaardigheid of de luiheid hem tot meer kwaad voeren of sterker tot de zonden trekken dan zijn overige gebreken.

Al bezat zoo iemand alle gebreken, dan zou ik nog zeggen, dat er een gebrek bij was, dat de andere beheerschte.

XI.

Het hoofdgebrek tracht zich voortdurend te ontwikkelen.

Bij wien wordt het dikwijls vergeleken ?

ocr page 33

31

Vooruitgaan, zich ontwikkelen zit in de natuu^ van alle gebreken.

In dit punt gelijken zij zeer veel op onkruid.

Onkruid groeit altijd, bij droogte en bij natheid» bij koud en bij heet weder en, volgens een oud spreekwoord, vergaat het nooit.

Deze eigenschap van alle gebreken, komt toch vooral aan het hoofdgebrek toe.

Den voorgaanden zomer wandelde ik in den tuin en zag daar een jongen rozenstruik staan, die een tak had, welke veel dikker was dan de overige takjes. Eenige dagen daarna viel er mijn oog weer op en ik bemerkte, dat die tak in korten tijd weer veel dikker was geworden. Een oogenblik bleef ik staan en beschouwde de verbazende groeikracht van dien nutteloozen tak. Toen kwam mij van zelf de gedachte te binnen: hoe gemakkelijk schieten ook onze gebreken en vooral ons hoofdgebrek uit!

Inderdaad eene duidelijke gelijkenis!

Weet gij bij wien het hoofdgebrek wordt vergeleken ?

Bij Goliath.

Weihoe 1 bij Goliath, bij den beruchten Phili-stijnschen reus, die door David werd verslagen en gedood ?

Juist, kinderen, deze is bedoeld.

Maar, hoe verklaart gij deze vergelijking ?

Dat zal ik u zeggen.

Wie was deze Goliath ? De bitterste vijand van

ocr page 34

32

het Joodsche volk, die den meesten afkeer inboezemde, maar ook den grootsten schrik verspreidde ; zoo is het ook met 't hoofdgebrek gelegen.

Goliath viel de Joden spottend, sarrend en uitdagend aan ; dit doet ook het hoofdgebrek.

Een dik harnas bedekte den reus; ook het hoofdgebrek harnast zich met duizend schoone redenen, om in de ziel te mogen blijven.

Het is waar, Goliath werd verslagen: maar het hoofdgebrek behaalt dikwerf de overwinning.

Gave God, dat elke mensch een David was, om den Goliath, zijn hoofdgebrek, te verslaan!

XII.

Hebben alle kinderen gebreken ?

Kunnen ook zij al meer dan een gebrek hebben ?

Hebben zij allemaal een hoofdgebrek ?

Welke zijn de voornaamste gebreken der kinderen ?

Vele vragen voor één hoofdstuk, jeugdige lezers. Wij zullen op elke vraag een kort antwoord geven.

Vooreerst dan : hebben alle kinderen gebreken ?

Waarom zouden zij die niet hebben ! waarom zouden zij niet behept zijn met dit treurig uitvloeisel der zonde, waarmede elk mensch is behept ? Zetelen niet in hunne harten dezelfde neigingen als in die der ouderen, of zouden de ver-

ocr page 35

33

keerde neigingen, die in 's menschen hart geworteld zitten, hen niet tot kwaad aanzetten ?

Het staalt er nog niet op. Kinderen zijn kleine menschen en even als de grijsaard en om dezelfde reden, zijn zij kinderen van Adam.

Men zou zelfs dit kunnen volhouden: «Indien de algemeene wet der gebreken op een eenigzins meer gevorderden leeftijd uitzonderingen duit, in de jeugd zal dit bijna nooit gebeurenquot;, d. w. z. kinderen zonder fouten zijn witte raven. En ziet hier de reden, jeugdige vrienden. Uwe onbedrevenheid in de verschillende zaken, welke in 's menschen leven voorkomen, is oorzaak, dat gij er geen werk genoeg van maakt, om uwe neigingen te bedwingen : want gij hebt er al het kwaad en al de treurige gevolgen nog niet van ondervonden. Moet ik u hiervan een verwijt maken ? Dat niet: ik zeg slechts wat plaats vindt. Liet zelfs de H, Aloysius van Gonzaga, het toonbeeld der christelijke jeugd, zich niet voor een oogenblik door .zulk eene neiging medeslepen ? Het arme kind had oude krijgslieden zijns vaders eenige ruwe woorden hooren spreken en langzamerhand ging hij die nazeggen.

Kan een kind één gebrek hebben, dan kan het er ook meer bezitten : daarvoor bestaat dezelfde reden. Dat behoeven wij niet te bewijzen: de da-gelijksche ondervinding zegt dit duidelijk genoeg.

Hetzelfde geldt ook van de hoofdgebreken. In

3

ocr page 36

34

alle zelfs in de kleinste kinderen vindt gij een gebrek, dat sterker is dan de andere, een gebrekr waaruit iemand van ondervinding gemakkelijk al zijne overige gebreken zal afleiden.

Ik herinner mij zeer goed, dat wij in het huis,,, waar ik mijn studiën heb gedaan, een overste hadden, die het als een der voornaamste verplichtingen zijner vaderlijke zorg beschouwde, ieder van ons zijn hoofdgebrek aan te wijzen en ons het te helpen verbeteren. Op eenen avond zeide hij mij in een hoek der speelzaal, met de grootste teederheidr welke het mijne was. Na mij was de beurt aan een mijner makkers en ik kan u de verzekering geven,, dat wij ons best deden, om dit gebrek te verbeteren. Hebben wij ons doel bereikt? Het is God alleen bekend.

Wat nu de voornaamste uwer gebreken betreft, daarover wil ik alleen dit zeggen, dat gij alle mogelijke gebreken kunt bezitten, doch dat er drie zijn, welke u dikwijls aanvallen, en gemakkelijk beheerschen: te weten ongehoorzaamheid, leugenachtigheid en afgunst. Andere daarentegen zijn er, welke zeer zeldzaam in de jeugd voortkomen.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Wat wil het zeggen oorlog verklaren aan zijn-gebreken ? En waarom noemt men het verbeteren der gebreken oorlog voeren ?

ocr page 37

35

I.

Wat wil het zeggen : oorlog voeren tegen zijn gebreken r

Oorlog voeren tegen zijn gebreken is niets anders dan deze verbeteren, uitroeien en 200 mogelijk vernietigen.

Gij moet niet denken, dat het woord oorlog in onze dagen eerst op de gebreken is toegepast. Ik ken geen uitdrukking, welke ouder en meer algemeen is. Is er een kind, dat zich door gramschap laat vervoeren en heeft die neiging zooveel kracht, dat het kind daaraan nooit of zelden weerstaat, dan zegt men van hetzelve, dat het zijn verkeerde hoedanigheid nooit heeft leeren bestrijden, haar nooit den oorlog heeft aangedaan.

Hebt ge daarentegen een ander kind, dat van naiture tot traagheid geneigd is, maar dat steeds op zich-zelf waakt en zich geweld aandoet om het gebrek uit te roeien, — dan zal men van zulk kind met lof verklaren, dat het zijn gebrek bestrijdt, den oorlog aandoet en ten slotte zijn verkeerde eigenschap zal overwinnen.

Deze uitdrukking wordt niet slechts door de gewone schrijvers gebruikt, maar op de eerste plaat, door de H Kerk-zelve. Men vindt dit woord op vele plaatsen der H. Schrift. In het gulden boek van Thomas van Kempen: „De navolging van Christus,' het schoonste werk door 's menschen hand geschreven treft men de woorden: strijd en

ocr page 38

36

oorlog op elke bladzijde aan en een godvruchtig schrijver, die zich ten doel stelde, ons te leeren, hoe wij onze gebreken moeten uitroeien, gaf aan zijn werk den titel van de : „De geestelijke strijd.quot;

II.

Waarom noemt men het verbeteren der gebreken : hun den oorlog aandoen ?

Omdat er zoovele punten van overeenkomst bestaan tusschen het verbeteren der gebreken en een oorlog voeren.

Wat is oorlog voeren ?

Wie is er onder u, die dit niet weet ?

Oorlog voeren is optrekken aan de spits van een talrijk leger. Men heeft onder zich soldaten, paarden, allerlei wapenen en krijgstoerustingen; men betreedt het oorlogsterrein en eindelijk ontmoet men den vijand; men valt hem aan, men strijdt tegen hem, man tegen man, wapen tegen wapen en nadat men hem uit al zijn verschansingen heeft verdreven, noodzaakt men hem, zich over te geven, de wapenen af te leggen?

De oorlog is een vreeselijke strijd, waardoor een groot getal menschen zich gedwongen ziet, de rechten van vorst en vaderland tegen den vijand te verdedigen. Wilt gij oorlog voeren, dan hebt gij soldaten, wapenen, sterkte en dapperheid noodig. De vrucht des oorlogs is de victorie-kreet der overwinnaars, hun zegepraal en de overheer-

ocr page 39

37

sching der verslagenen. Verlies hierbij niet uit het oog, dat die victorie-kreet, die zegepraal, en over-heersching worden gekocht voor veel arbeid, veel vermoeienis en dikwijls voor zeer veel bloed.

Nog eens, kinderen, dat is oorlog voeren. Welnu, wat er tot een oorlog noodig is, wordt ook voor de verbetering van uwe gebreken vereischt.

Veronderstelt, er heeft zich een noodlottig gebrek in het hart van een kind geworteld. Wat het voor een gebrek is, doet niets ter zake. Herinnert u, wat ik vroeger heb gezegd. Altijd zit er een gebrek in het jeugdig hart; het hart is een oorlogsterrein door hem bezet; daar heerscht, regeert het en weldra zal het daar den baas spelen.

Maar zie, op eens daar ontwaakt de jeugdige christen van tien of twaalf jaar ; hij kan die heerschappij niet meer dulden en neemt het krachtig besluit, zich te beteren. Zijn goede wil roept al op, wat hij onder zijn bevel heeft: z:jn kracht, zijn moed en met deze wapenen, dringt hij in zijn binnenste door, en betreedt het terrein, waar het gebrek zetelt: hij valt het aan, hij vecht en blijft vechten, en weldra zal hij de overwinning behalen.

Is dat geen echte oorlog ? Inderdaad; ik zie daar alles, wat tot een strijd, tot een oorlgo wordt-vereischt. Gij hebt daar een vijand nog -wel een vreeselijken vijand : het gebrek, dat gij moet ±ie-• strijden. Gij hebt een oorlogsterfew ;■ uw éigen hart. Gij hebt daar soldaten en wapening tiat iijnr

ocr page 40

38

de wilskracht, de vurigheid, de dapperheid en alle moedige voornemens van onzen jeugdigen christen. Gij hebt eindelijk een bevelhebber, een generaal, die alles regelt en bestuurt, dat is de sterke wil van den jongen held; of zoo gij verkiest, zijn dat eene moeder, een leidsman of biechtvader, die door hem in de geheimen van zijnen strijd zijn ingewijd en door wier raad hij wordt geleid. Dit is nog niet alles. Die strijd heeft zijn verschillende wendingen, zijn vermoeienis en zijn zweet en, al behoeft gij geen zweet, gij zult toch misschen dikwerf bittere tranen moeten storten.

Voorzeker het verbeteren der gebreken is een strijd en een verschrikkelijke strijd.

Nu heb ik u nog niet alles gezegd: ik heb u nog niet verteld, op welke manieren oorlog kan worden gevoerd. Gij weet nog niet alles, wat er in den strijd, waarover ik spreek, op het oorlogsterrein kan plaats grijpen.

Alle oorlogen worden niet immer op dezelfde manier gevoerd. Soms gaat het in het open veld : beide legers staan tegenover elkander: generaals, officieren en soldaten ; ieder staat op zijn post, men stormt op den vijand los, nauwelijks is het teeken tot den aanval gegeven of het bloed stroomt van alle kanten.

Somtijds echter moet er eene vesting ingenomen worden : de vijand is daarbinnen, daar verdedigt hij zich uit alle kracht. Op een gegeven oogenblik begeven zich de soldaten naar een aangewezen

ocr page 41

39

•punt, stormrammen worden tegen de muren opgesteld ; en eindelijk bezwijken die muren.

Soms moet er een stad belegerd worden; wegen en toegangen worden afgezet, de poorten worden bewaakt en men tracht de stad door hongersnood tot overgave te dwingen.

Soms wordt de oorlog gevoerd op den vollen dag, men kan zien al wat er gebeurt; ge kunt het getal der vijanden en hunne macht berekenen, gij kunt hun gangen volgen en het oogenblik van den aanval bepalen. Maar het gebeurt ook, dat men dit alles niet kan waarnemen : de vijand kan ook verraderlijk yijn en u onverhoeds te midden -van den nacht overrompelen.

Op zulke verschillende manieren kan de oorlog gevoerd worden en zoo verschillend zijn ook de omstandigheden, welke zich bij het verbeteren der gebreken kunnen voordoen. Soms is een gebrek geheim en verborgen en de kleine drift, waarvan het voedsel en leven ontvangt, weet het listig te verbergen; dan weder verschanst het zich in een hoek des harten als achter een bolwerk ; op een ander tijd moet gij het als op een open terrein hevig bestrijden; dan weder moet ge het insluiten en door hongersnood tot de overgave dwingen, alsof gij een stad belegerdet, — en daarbij: op elk tijdstip, overal, moet gij het aantasten, totdat het genoodzaakt is, zich over te geven, d. w. z. totdat het vernietigd is.

ocr page 42

40

Misschien is mijne taal voor u niet duidelijk genoeg. Maar wat ik hier in korte woorden zeg, zal ik u in het breede uitleggen op de volgende bladzijden van dit werkje. Hoe duister mijne woorden voor u ook mogen zijn, zij zijn toch meen ik duidelijk genoeg, om het antwoord op de vraag te kunnen vatten, welke ik u moest beantwoorden, te weten : wat het beteekent, oorlog te voeren tegen zijn gebreken. Ik kan het in twee woorden samen vatten.

De oorlog aan zijn gebreken verklaren is: arbeiden, om zijne gebreken te verbeteren en uit te roeien Aan dezen arbeid geeft men Hen naam van strijd of oorlog voeren, omdat er veel overeenkomst bestaat tusschen het verbeteren der gebreken en het voeren van een oorlog.

DERDE HOOFDSTUK.

Is het voor een kind van groot belang, zijn gebreken te bestrijden ?

I.

Ernstige beweegreden om dezen strijd te ondernemen.

Ik herinner mij nog uit mijne kinderjaren, dat ik7 bij welke gelegenheid is mij ontgaan, eene schoone bloem had gekregen; 't was een witte-rozen-struikje. Den slanken stam, die prachtig groene

ocr page 43

41

bladeren, zich als een waaier uitstrekkend, dief schoone sneeuwwitte bloemen, — gij hadt ze een? moeten zien ! Ik verzorgde mijne bloem als mijn grootsten schat. Ik had haar voor het raam van mijn kamertje geplaatst. Bij het opstaan was de eerste blik naar de bloem gericht; 's middags kreeg zij een plaats, waar zij altoos zon had, en eiken avond werd zij door mij begoten. Elkeö dag werd het bloempje mij dierbaarder, want eiken dag werd het schooner. Ik zag de knoppen, eerst nauwelijks zichtbaar, langzaam grooter worden en zich ontwikkelen ; alle rozen waren open : iedereen stond verbaasd over mijn rozestruikje. Helaas, mijn vreugde duurde niet lang! Mijne bloem stond in hare volle bladeren met de prachtigste witte rozen getooid; 'twas in het begin van den zomer.

En zie, daar op eens begint zij in weerwil vaö mij en mijne zorgen, in weerwil van de verfris-quot; sching haar eiken avond gegeven, in weerwil vaö mijn tranen, te sterven. Binnen eenige dagen wa-' ren alle rozen verflenst, geen knopje ging meef open, de bladeren verdorden, de stam verloor zelfs zijn kleur. Het was een dorre doornstruik geworden.

Toen ik zag, dat er voor mijn dierbaar bloempje geen redding meer was, wilde ik ten minste de oorzaak van zijnen dood weten. Ik trok den stam uit de aarde, en wat denkt gij, kinderen, dat ik zag?

Een vreeselijke worm zat op den wortel van het

ocr page 44

42

boempje en had het hart doorgeknaagd. Van toen af kon het sap, dat den stam voeden, de bladeren groenen, en de bloem openen moet, geen kracht meer uitoefenen.

Misschien voelt gij, jeugdige lezers, wel eenig medelijden met mij over het verlies van mijn ro-zestruikje. Ik dank u van harte voor uwe kinderlijke deelneming en ik ben erkentelijk voor uwe gevoeligheid, het kenmerk van uwen leeftijd. Maar let op: er zit voor u eene schoone les in opgesloten.

Deze rozestruik is uw hart; die vernielende worm verbeeldt zeer schoon een ongelukkig gebrek van een kinderhart; wat deze worm deed, doet ook het gebrek.

Ik ga u dit verklaren. Hoevele kinderen van acht en tien jaren zijn de vreugde en het geluk hunner ouders! Zij zien hunne kinderen vol leerzaamheid en beminnelijk opgroeien; oprechtheid, minzaamheid, gehoorzaamheid, alles schijnen zij te bezitten, duizend schoone hoedanigheden der ziel weerkaatsten op het gelaat. Het menschelijk oog bewonderde de gaven der natuur in het lichaam en de Engelen des Hemels beschouwden met vreugde de onschuld dezer kinderzielen. Zij konden gemakkelijk doorgaan voor Engelen zeiven, verscholen in de gedaante van een Adamskind. Maar eenmaal — ja wanneer? o wat een verandering had in het jeugdig hart plaats gegrepen? De verkeerde neiging tot het kwaad, sedert de geboorte

ocr page 45

43

aldaar verborgen, kwam op eens voor den dag. Die kinderen werden driftig, verwaand, afgunstig; en onder den invloed van deze gebreken, zag men heel het gebouw der ontloken en zoo kort bewonderde deugden, in een jaar, in enkele maan» den, ineenstorten.

Christene kinderen, die deze regels leest, gij zijt wellicht nog in de eerste jaren uwer jeugd ; de gebreken hebben nog geen wortel geschoten in uw hart. Welnu wees dan op uwe hoede en stort u toch niet in het boven verklaarde ongeluk. Dit wil zeggen : waakt toch, opdat geen enkel gebrek zich wortele in uw hart; want onfeilbaar zeker zal daardoor al het sap der deugd, alle voedsel voor het goede opdrogen in uw hart.

Kinderen, hebt gij reeds den rampzaligen invloed van het kwaad gevoeld, hebt gij reeds toegegeven aan uwe gebreken, leert dan, wat u te doen staat.

Hadde ik den eersten dag, wsiarop ik mijn ro-zestruikje zag kwijnen en zijn frischheid verliezen, den verborgen vijand, die hem langzaam zijn wor-tels doorknaagde, aangevallen ; hadde ik den vernielenden worm gedood, dan had alles opgehouden : mijn rozen met haar geur, mijn struikje met zijn bladeren waren gered geweest. Wat ik voor mijn struikje niet heb kunnen doen, omdat ik den vijand toen nog niet kende, doet gij dit voor u zeiven, pakt uw gebrek aan, strijdt er tegen, vernietigt het, zoo gij kunt.

Een gebrek is een vernielende worm in den tuin

ocr page 46

44

van uw hart; nu weet gij genoeg. Meer behoef ik u niet te zeggen, gij weet wat u te doen staat,

II.

Waarom een kind zijn gebreken moet verbeteren. Verklaring van vele gelijkenissen der oude schrijvers over de gebreken.

Om u de noodzakelijkheid te bewijzen, waarin gij verkeert, om uwe gebreken uit te roeien ; heb ik u gezegd, kinderen, dat een gebrek in het jeugdig hart verwoesting en dood brengt, gelijk een vernielende worm, welke zich op den wortel eener teedere plant neerzet en alle voedende sappen tegenhoudt.

Wellicht hebt gij bijna gedacht, dat deze vergelijking overdreven is. Dat verwondert mij niet, — en toch het is de dtfidelijkste, welke ik bij de oudere schrijvers heb aangetroffen. Inderdaad, gelooft mij, hoe verschrikkelijk zij moge schijnen, zij is niettemin zeer naar waarheid gesteld. Een gebrek is een vernielende worm.

Ziehier echter eenige nieuwe vergelijkingen, welke zonder u af te schrikken tot dezelfde gevolgtrekking voeren : u namelijk te bewegen om den strijd tegen uwe driften aan te binden. Sommige zijn u reeds bekend; ik heb ze in het voorbijgaan reeds aangeraakt; toch zullen wij er hier op terugkomen. Samen vereenigd hebben zij meer kracht en zullen zij beter doel treffen. Indien gij al deze gelijkenissen te zamen vereenigd in eens onder de oogen

ocr page 47

45

krijgt, zult gij beter de beweegredenen leeren schatten, welke een kind moeten aansporen, om de gebreken te verbeteren. Kinderen, houdt uwe aandacht gespannen; want zoowel als de voorgaande zijn deze genomen uit schrijvers van naam, die in de vorige eeuwen over het verbeteren der gebreken hebben geschreven.

Nadat zij de gebreken bij vernielende wormen hebben vergeleken, noemen zij ze ook: onkruid in het hart der kinderen opgeschoten, vlekken te midden der schoonheid, ziekten in hunne zielen, vijanden gedurende heel het leven.

Van nu af aan moet gij eene groote waarde hechten aan de juistheid dezer vergelijkingen. Daarenboven zijn zij om hare oudheid zoo eerbiedwaardig. Wij zullen uit die vergelijkingen heilzame gevolgtrekkingen maken, welke daaruit zoo natuurlijk en gemakkelijk voortvloeien als een beekje uit zijn bron.

Stelt u voor een kind zoo lief, als gij kunt: een leliewit voorhoofd, blozende wangen, blauwe oogjes en gouden lokken: een engeltje op aarde. Het lacht u behagelijk tegen op den arm zijner moeder.

Maar zie, daar vertoont zich op zekeren dag een blauwe piek op het voorhoofd: alle schoonheid is verdwenen. Gij keert uwe oogen af en zegt; „Vroeger was dit een schoon kind, maar helaas 1 het is nu geheel misvormd.quot; Zoo is iiet ook, zeggen de oude schrijvers, gelegen met een gebrek in het hart van een kind. Het ontsiert alle be-

ocr page 48

46

minnelijke hoedanigheden, waarmede het door de voortdurende zorg der opvoeding, en de teedere waakzaamheid eener moeder langzamerhand was getooid. Te vergeefs zal de arme moeder, onder den indruk van een gerechtvaardigd gevoel vaa moederlijke eigenliefde dit gebrek van haar kind trachten te ontveinzen ; weldra zal toch dat gebrek voor den dag komen. Een huisvriend, die dit gebrek het eerst heeft opgemerkt, zal op zekeren dag de deur uitgaan en bij zich zeiven zeggen : „Dat was vroeger een bevallig kind 1 schoone hoedanigheden scheen het te bezitten ; maar die eigenwaan, die kleine gemaaktheid, die manieren vol trotschheid, die neiging tot gramschap, tot nu toe nog niet opgemerkt, ontsieren al zijn goede hoedanigheden.quot;

Jeugdige lezets, nu volgt eene andere vergelijking. Hebt gij nooit op uwe wandelingen of onder de vacantie een veld gezien, dat, hetzij door nalatigheid van den landbouwer, hetzij door de slechte gesteldheid van den akker, hetzij door den invloed van slecht weder, vol onkruid stond. In een oogwenk schiet het wortels en stengels, en na korten tijd kan de landman er geen baas meer over blijven. Is de landbouwer nalatig genoeg, om het onkruid niet spoedig uit te roeien, dan kan hij de schade, welke hij zal lijden, te voren al berekenen. Als de herfstwinden komen, zullen zij het zaad van het rijpe onkruid over heel den akker verspreiden en in de volgende lente zal het overal uitschieten

ocr page 49

47

en het goed koren verstikken. Aldus, zeggen' de oude schrijvers, is het met een gebrek — zwak en krachteloos in het begin, verspreidt het zich langzamerhand in de ziel; met den tijd ontwikkeld het zich en, wordt het niet bestreden, dan breidt het zich naar alle zijden uit. Arme kinderen, die niet geleerd hebt, uwe gebreken te verbeteren, ondervindt gij dit niet alle dagen ?

Was uwe traagheid, uwe ijdelheid, uwe gramschap het vorig jaar niet veel zwakker dan thans ? voelt gij niet, dat thans de arbeid u veel zwaarder drukt, dat de zachtmoedigheid u moeielijker valt en de eigenliefde u eiken dag meer beheerscht ?

De oude schrijvers gaan verder en zeggen, dat de gebreken ziels-ziekten zijn.

Wat is een ziekte? Wat noemt men ziek zijn? Dat weet gij even goed als ik, dierbare kinderen 5 een ziekte is eene stoornis in de gezondheid, een kwaal, waardoor het leven zelfs wordt aangetast.

Behoef ik u dan nog te zeggen, hoe eene ziekte u in eens overvalt, langzaam verslimmert en voort-sluipt ; welke verschillende veranderingen, nu eens van beterschap dan van erger worden, zij doorloopt ; welke smarten zij na zich sleept, welke zorgen zij in het gezin baart. Dit alles is u even goed als mij bekend. Voor een paar dagen waS het nog maar een lichte hoofdpijn: het arme kind dacht er nog niet aan, er over te klagen. Dezen morgen werd er nog geen acht op geslagen, maar zie, gedurende den dag wordt het erger. 'sAvonds

ocr page 50

48

moest de arme jongen zich te bed begeven Zijne moeder zit nu bij zijn bed te weenen. Wat zal er gebeuren ? De geneesheer heeft verklaard, dat de koorts nog al hevig is; de krachten van het dierbaar kind nemen af, spijs of drank gebruikt hij niet. Hij is onverschillig voor alles — en eerst was hij zoo vlug, zoo levendig en zoo vol gezondheid en leven. Ziet gij niet, dat hij zoo veel lijdt ? De zuchten, welke hij van tijd tot tijd slaakt, laten geen twijfel overig.

En wat te zeggen van de droevige gevolgen der ziekte : de verplichte afzondering, de gedwongen stilte, het gemis van elke afleiding, de teekenen van vermagering, zwakte en lijden öp het voorhoofd van het slachtoffer der ziekte 1

Voor een paar weken schreef men mij van een meisje dat langzamerhand van eene langdurige ziekte herstellende is: „Met onze dierbare zieke gaat het een weinig beter......zij begint te herstellen. Maar gij zult verbaasd staan te kijken, als gij haar ziet: vroeger zulk een levendig vroo-lijk meisje en nu vreeselijk mager en uiterst bleek; zij kan bijna niet loopen; zij komt naar beneden, leunend op de armen harer zuster.

Nog niet lang geleden las ik een brief van een teedere moeder:

„Onze zoon is thuisgekomen, zóè veranderd en zóó vermagerd door zijne smartelijke ziekte. Hij is gekomen in zijn schoon Amerikaansch wagentje ; zoo lang hij herstellende is, zal hij voor den

ocr page 51

49

koristen afstand daarvan gebruik moeten maken. Wij hopen, dat hij spoedig zijn krachten terug zal krijgen; maar op den oogenblik geen sprake van jagen, uitgaan en lange wandelingen; geen sprake van alles, wat hij zoo gaarne deed.quot;

Doch waarom zoo lang stil gestaan bij het uitleggen van eene ziekte en van de treurige stoornis, welke zij na zich sleept ?

Waar wij hier vooral op moeten letten, is op deze opmerking van onze oude schrijvers : „Dezelfde invloed, welke door eene ziekte op onze ledematen en op heel ons lichaam wordt uitgeoefend, dezelfde invloed wordt door de gebreken op onze ziel uitgeoefend.quot;

Deze schrijvers hebben gelijk. Even als een ziekte sluipen de gebreken zachtjes binnen, groeien langzaam op; zij schijnen een oogenblik verzwakt, bijna verdwenen te zijn: maar 's anderen daags komen zij heviger en verschrikkelijker dan ooit te voren aan den dag. Gelijk eene ziekte de gezondheid ondermijnt, de lichaamskrachten verlamt, zoo vernietigen ook de gebreken de zielskrachten, vernietigen haar leven en benemen haar allen smaak voor het goede.

Dit moest ik onlangs nog hooren uit den mond eener moeder, die van haar zoontje zeide : „Sedert hij zich aan luiheid heeft overgegeven, is hij niet meer herkenbaar, alles gaat verkeerd ; het is hetzelfde kind van vroeger niet meer.quot; Maar genoeg hiervan. Wij krijgen nu de laatste vergelijking.

4

ocr page 52

50

Deze nu heeft niet veel uitleg noodig. Wij hebben hierover reeds gesproken, toen wij de vraag behandelden, waarom men de verbetering der gebreken den naam gaf van oorlog.

De schrijvers dan zeggen op de vierde plaats : „Een gebrek is een onverzoenlijke doodvijand.quot; Een vijand ! Niets treuriger dan een vijand te bezitten ! Een vijand i Moet dat woord uitgelegd worden ? 't Is iemand, die het op een ander gemunt heeft, die hem haat, die hem tracht te be-nadeelen, hem alle kwaad wenscht, die misschien in staat is, hem het leven te benemen. Die een vijand heeft, verkeert in voortdurende vrees en ongerustheid, en hoe listiger en trouweloozer de vijand is, ook des te grooter is de vrees, de ongerustheid, welke men voor hem koestert.

Meent gij misschien, dierbare kinderen, dat onze oude schrijvers, de zaken overdrijven, wanneer zij de gebreken met dergelijke vijanden vergelijken ?

Ik voor mij houd van neen. Den haat, de snoodheid en boosheid van den vijand jegens den naaste vindt gij evengoed in de gebreken jegens uwe ziel.

Wat zeg ik? Alle vijanden der wereld tezamen kunnen u niet zoo veel nadeel berokkenen als een gebrek aan uwe ziel voor uw geheel leven.

Geen vijand is zoo listig, zoo snood, zoo doortrapt, zoo hardnekkig, zoo onvermoeid, zoo verschrikkelijk als een gebrek. Het is doortrapt en listig als een slang ; trouweloos en onvermoeid

ocr page 53

51

als de wreede Aman, uit de gewijde geschiedenis, agens Mardocheus; verschrikkelijk en sterk als Samson.

Herinnert u, wat gij van hen hebt gehoord en past het toe op uw gebreken.

III.

Vervolg der redenen, waarom een kind zijn gebreken moet verbeteren.

Gevolgtrekkingen uit de vergelijkingen van het voorgaande hoofdstuk.

Vroeger heb ik u gezegd, dat er uit de vorige vergelijkingen en hare overeenkomst met onze gebreken, als uit eene bron vele gevolgtrekkingen voor u allen voortvloeien ; dat woord behoef ik volstrekt niet te herroepen, dierbare lezers,— gij zalt mij wel begrepen hebben. En merkt nu reeds aan, dat al deze gevotgtreKkingen een en hetzelfde doel hebben, namelijk u te toonen, hoe noodzakelijk het voor u is, uwe gebreken te bestrijden, hun den oorlog te verklaren.

Hebt gij nooit uwe kleeren gescheurd ? Dit is geen schande, mijn kind, het kan bij ongeluk zijn gebeurd. Welnu, welk een hartzeer heeft u dit veroorzaakt ? Zoudt gij u met dat gescheurde kleed ter kerke begeven of publiek op straat hebben durven vertoonen ? Neen, zegt gij mij, dat zou schande zijn, ik zou mij schamen.

Hebt gij nooit — ook zonder uwe schuld — uw kleed bevlekt of besmeurd ?

ocr page 54

52

Welk middel hebt gij toen onbeproefd gelaten, om die vlek te verwijderen ?

Welnu ik prijs uwe netheid, doch wees meer bezorgd, voor een gebrek in uwe ziel, dan voor een vlek of een scheur in uw kleed.

Veronderstel, dat gij buiten woont of gedurende de zomermaanden aldaar verblijft.

Nu krijgt gij van uwe ouders tot uitspanning een bloemperkje, dat gij zelf moogt aanleggen. Gij beplant het met bloemen, begiet en verzorgt het. De bloemen, welke gij van den tuinman krijgt, zijn nooit schoon genoeg, de zon schijnt nooit voldoende, om uw bloemen te doen bloeien. Zoudt gij nu dulden, dat in dit bloemperkje een enkele stengel onkruid opschoot? Volstrekt niet! Als het onkruid zich vertoonde, zoudt gij er spoedig met het mes bij zijn, om het uit te roeien. Welnu, kinderen, gij zoudt niet gaarne zien, dat de harmonie der bloemen in uwen tuin werd verstoord door het boosaardig opschieten van onkruid te midden van uwe schoone bloemen — en gij zoudt dulden, dat de harmonie in uwe schoone hoedanigheden door uwe moeder van uwe eerste jeugd af met zooveel zorg in uwe ziel aangekweekt, door een gebrek werd verstoord? Oh, neen, ik kan er nog niet aan denken !

Gaan wij eens voort met onze bemerkingen. Onlangs was ik getuige van eene ongesteldheid bij een kind, in hetwelk ik veel belang stelde.

Teresia was altijd zoo bang voor ziek worden. Gij

ocr page 55

53

hadt eens moeten zien, hoe zij weende en zich aftobde: op haar eersten wenk stonden allen rondom haar en zij meende, dat zij van allen verlaten was; men kon niet spoedig en snel genoeg loopen, om den geneesheer te ontbieden.

„O wanneer zal die ziekte genezen zijn ? wanneer zal ik toch weer beter zijn ?quot; Dat gij, arm kind — dacht ik — zoo verdrietig, lastig en ongeduldig zijt over eene lichte ongesteldheid, dat kan ik u wel eenigzins vergeven; maar wees op uwe hoede, want een gebrek is eene ziekte en wel vreeselijker voor uwe ziel dan alle ziekten te zamen voor uw lichaam.

De gevolgtrekking uit zulk eene les zult gij gemakkelijk kunnen maken. Prent ze diep in uw geheugen.

Eindelijk hebben wij nog gezegd, dat onze gebreken vijanden zijn en wel vijanden even vreeselijk voor de ziel als de vijanden uit den oorlog. Maar wat te doen tegen zulke vijanden ? Jeugdige lezers, dat weet gij uit de geschiedverhalen van Griekenland, Rome en de oude volken.

Wat deden de Romeinen en de Grieken, wanneer vijanden hun vaderland aanvielen ? O een ieder gordde de wapenen aan, om het te verdedigen, allen, uitgezonderd grijsaards en kinderen, snelden ten oorlog.

Door denzelfden moed gedreven snelden zij naar de grenzen des vaderlands en legden de wapenen niet af, voor de stoutste vijand verslagen en over-

ocr page 56

54

wonnen was. En heeft ditzelfde niet plaats gehad in 1855 bij dien grooten oorlog in het Oosten, die altijd beroemd zal blijven onder alle oorlogen der wereld ? Een machtig vorst had heel Europa uitgetart en heel Europa beantwoordde als e'én man aan die uitdaging.

In één oogwenk stonden tallooze legers in slagorde ; onafzienbare vloten doorkruisten de zeëen, van het noorden tot het zuiden stonden alle grenzen bezet, overal wapenen, overal soldatenrokken, overal kanonvuur, bloed en dood.

Welnu ! dierbare kinderen, ik zeg het u in ernst, handelt ook aldus met uwe gebreken : valt ze aan, vervolgt ze, bestrijdt ze. En opdat gij niet zoudt vergeten, waarom gij ze moet aanvallen, vervolgen en bestrijden, wil ik u met een enkel woord de beweegredenen, welke gij in de twee laatste hoofdstukken hebt gelezen met deze eenvoudige opmerking herhalen.

Verbetert uwe gebreken, want uwe gebreken ontsieren de schoonheid uwer ziel, verlammen hare werking, verminderen hare krachten, vernielen hare schoone hoedanigheden en verstikken ten slotte in haar de kiem van alle goed.

En denkt er wel aan, in al deze vergelijkingen is alleen sprake van de gebreken in het algemeen. Wat zou ik hier nog hebben kunnen bijvoegen, als ik van het gebrek, dat in uw hart heerscht, had willen spreken ? Is elk gebrek een smet op uwe ziel, dan is het heerschende of het hoofdge-

ocr page 57

55

brek de zwartste en de verschrikkelijkste van alle vlekken uwer ziel. Indien elk gebrek een vergiftig onkruid in uw hart is, dan is het hoofdgebrek het vergiftigste van alle onkruid. Indien elk gebrek een ziekte is, dan is het hoofdgebrek de besmet-telijkste van alle ziekten; is elk gebrek een knagende worm, dan is het hoofdgebrek de verslindenste van alle wormen. Indien elk gebrek een vreeselijke vijand is, dan is het hoofdgebrek de verschrikkelijkste van alle vijanden.

VIERDE HOOFDSTUK.

Voornaamste opwerpingen, welke door een kind kunnen gemaakt worden, om zich van de verbetering zijner gebreken onslagen te rekenen.

Antwoord op deze opwerpingen

Wij hebben het nut en de noodzakelijkheid van de verbetering der gebreken aangetoond. Nu leidt onze redeneering er ons van-zelf toe, gelijk ik elders reeds heb gezegd, de voornaamste tegenwerpingen te onderzoeken, welke in het hoofd van een kind kunnen opkomen, om zich ontslagen te rekenen van de verbetering zijner gebreken. Te voren moet ik opmerken, dat alle opwerpingen, welke tegen deze even als tegen alle dergelijke zaken van de wereld gemaakt kunnen worden, uit twee bronnen voortvloeien: uit de onwetendheid en uit de lafhartigheid. Met de onwetendheid heb ik medelijden, maar ik heb een afkeer van de

ocr page 58

56

lafhartigheid; daarom zult gij zien, dat ik tegenover haar altijd streng ben. Wat er ook van wezen moge, ik wil hier gaarne de woorden gebruiken uit de inleiding van het schoone werkje van Mgr. De Ségur. „Antwoorden op de meest gebruikte opwerpingen enz.quot; „Ik hoop, mijn dierbaar kind, dat gij de meeste opwerpingen, welke ik ga wederleggen, niet kent en dat zij door u nooit in ernst gemaakt zijn, dat gij er zelfs nimmer aan gedicht hebt, u die te maken.quot; En waarom zou ik ze dan toch stellen ? Ook hierop geeft Mgr. De Ségur het antwoord. Ik heb ze opgeteekend, opdat gij daarin een voorbehoedmiddel zoudt vinden voor de toekomst.

Zij zullen u tot tegengif strekken, reeds vóór dat het vergif uwe lippen heeft aangeraakt.

1°. ilk heb geen gebreken.

2°, Heb ik gebreken, tk ken ze toch niet.

j0. In elk geval: heb ik er, dan zijn zij zoo klein, dat hei de moeite niet waard is, mij daarmede bezig ie houden.

Dit zijn, dierbare lezers, de drie eerste tegenwerpingen, welke door zekere kinderen worden gemaakt, om zich ontslagen te rekenen van de verbetering hunner gebreken. Omdat deze drie tegenwerpingen uit de onwetendheid voorkomen zullen wij ze eerst beantwoorden en daarna zullen wij onder handen nemen die, welke uit de lafhartigheid ontstaan.

ocr page 59

57 I.

Antwoord op de eerste tegenwerping: „Ik heb geen gebreken.quot;

Misschien beweert gij in alle oprechtheid, dat gij geen gebreken bezit. Het zou mij zelfs niet verwonderen, dat gij bewijzen voor die stoute bewering aanhaalt.

Wil ik u eerst zeggen, waarom gij meent, zondei1 gebreken te zijn ?

Omdat gij meer dan eens, bijvoorbeeld door uwe moeder, tot andere personen hebt hooren zeggen: „Mijn zoon, mijne dochter zijn zulke lieve kinderen, zij hebben geen enkel gebrek.quot;

Gij hebt uw vader wellicht meermalen uwé deugden hooren verkondigen tegenover zijn vrienden, terwijl hij geen enkele verkeerde hoedanigheid van u aanraakte.

Meent gij inderdaad, geen gebreken te hebben ?

Hebt gij dan de eerste hoofdstukken van dit boek niet gelezen ? Geloof mij, gij hebt gebreken even goed als iedereen en misschien meer dan anderen.

Wellicht antwoordt ge mij. „Vader en Moeder kennen mij toch beter dan gij.quot;

Ik ken u ook, dierbare kinderen, wel niet persoonlijk en bij naam; ik ken niet al uwe hoedanigheden en gebreken. Maar ik ken toch uwe afkomst, uwe voorouders.

Kent gij mijne voorouders? Is mijne af komst ü bekend ?

ocr page 60

58

Ongetwijfeld. Stamt gij niet af van Adam ? Zijn Adam en Eva niet uwe voorouders geweest ? Hebt gij van hen de begeerlijkheid, de bron der gebreken niet geërfd ? Zoudt gij niet bezitten, wat alle menschen bezitten ?

Ik moet ook het eerste deel uwer opmerking bespreken.

't Is waar, vader en moeder kunnen u kennen; maar weet gij wel, dat het soms gebeurt, dat de liefde tot de kinderen de ouders blind maakt voor hunne gebreken ? Zij houden te veel van u, om te kunnen gelooven, dat gij gebreken hebt of liever: zij kunnen niet gelooven, dat uwe gebreken inderdaad gebreken zijn. Zij zijn altijd genegen, uwe verkeerde daden goed uit te leggen. Wie kan van ouders vorderen, dat zij in tegenwoordigheid van anderen kwaad spreken van hunne kinderen?

Gij herneemt: „Mijne ouders hebben het meer dan eens gezegd, ook toen zij meenden, dat ik het niet hoorde.quot;

Dat is zeer verstandig van uwe ouders, dat zij u geprezen hebben in de meening, dat gij het niet kondet hooren.

Maar bewijst gij hier niet juist, dat gij wel een gebrek hebt ? Zijt gij hier niet een weinige nieuwsgierig geweest en hebt gij uwe ouders niet beluisterd, toen zij meenden, dat gij het nkt hoordet?

Toont gij hier ook niet een weinig eigenliefde over de goede getuigenis van uw vader en uwe jnoeder ?

ocr page 61

5Q

„Ja maar, andere menschen zeggen het toch ook. Onlangs was een vriend van vader bij ons en deze heer zeide van mij, dat hij vader wel ge-lukwenschte met zoo'n een engel van een kind.''

Helaas, de menschen spreken zoo dikwijls tegen hunne overtuiging.

Als gij ouder wordt, zult gij ondervinden, dat de menschen zooveel zeggen, wat zij niet meenen. 't Is ongelukkig, maar het is toch zoo.

Het is daarenboven zeer aangenaam, een vader een compliment te kunnen maken over zijn kinderen.

Maar, het zij zoo, — laat ik u eens toegeven, dat ook de vriend uws vaders het inderdaad oprecht heeft gemeend, toen hij zeide: „Gij hebt een volmaakt kind zonder gebreken.quot; Waart gij-zelf niet de oorzaak, dat die persoon aldus over u dacht? Gij waart in zijne tegenwoordigheid misschien zeer lief; wellicht had die vriend voor u eenig geschenk medegebracht, uwe ijdelheid gestreeld ; gij hadt dien dag dus geen reden, om een weinig ongehooizaam of lastig te zijn. Niemand legde u iets op, wat u niet aanstond, alles ging u voor den wind. „Laat nu andere personen mijne ouders vleien.quot; en de waarheid verbergen, maar Vader en Moeder zullen toch wel oprecht meenen, wat zij zeggen.quot;

O zeker, kinderen, ik zal volstrekt niet beweren, dat zij iets zeggen, wat zij niet meenen. Maar hebt gij nooit gehoord, dat uwe ouders na het opnoemen van uwe goede hoedanigheden er een

ocr page 62

60

„maarquot; hebben bijgevoegd ? En als vader en moeder samen alleen over u spreken, zouden zij dan ook zeggen : „Ons kind heeft geen gebreken 1quot; Of zouden zij misschien aldus spreken : „Er vertoonen zich bij ons kind leelijke gebreken, doch zij zijn nog klein. Laten wij zorgen, die gebreken uit te roeien, maar wij moeten met voorzichtigheid te werk gaan. Ongemerkt moeten wij die trachten te verbeteren op eene zachte manier. Wanneer wij het kind op eene harde manier behandelen en het de gebreken ronduit onder de oogen brengen, zal het worden ter neer geslagen en dan zullen wij het vereischte vertrouwen verliezen. Daarenboven, zoo lang de liefde tot de ouders in het kinderhart zoo sterk is, hebben wij alle vermogen op dat teeder hart.quot;

Om deze redenen prijzen zij uwe goede hoedanigheden en zwijgen over uwe gebreken of bestempelen ze niet met dien leelijken waren naam.

Dierbare kinderen, welk besluit zult gij uit deze woorden trekken ?

„Dat ik niet zulke goede gedachten over u koester als de vriend van uw vader of als uwe ouders zeiven.

Dat geef ik u toe, trekt gerust dit besluit.

Maar neen, gij moet ei liever d// besluit uit afleiden; dat gij nooit iemand moet vertrouwen, die u te veel prijst en u zou willen wijs maken, dat gij „een kleine volmaaktheid zijt.quot; Geloof mij, die u het minste prijzen, beminnen u het meest, en uwe moeder geeft nooit grooter bewijs van liefde tot

ocr page 63

61

u, dan wanneer zij u op een verstandige manier op een gebrek wijst.

Zegt ten slotte, als gij verkiest, dat ik geen vleier ben, ik verzeker u en al uwe makkers, die meenen zonder gebreken te zijn : „Wie gij ook moget wezen, gij vergist u.quot;

II.

Antwoord op de tweede tegenwerping : „Heb ik fouten, ik ken ze niet.quot;

Goed mijn kindl Ik heb liever, dat gij openhartig zegt, dat gij uw gebreken niet kent, dan dat gij zegt, dat gij er geene hebt.

Maar hoe komt het dat gij uw gebreken niet kent? Ongetwijfeld omdat gij nooit op u zelven hebt gelet, u nooit hebt onderzocht, u nooit hebt afgevraagd, waarom gij deze of gene fout hebt begaan, waarom gij zoo vaak in deze of gene verkeerde gewoonte hervalt. Zeg mij, is er veel tijd noodig, om uw beeld te zien, wanneer gij in een spiegel kijkt ? een oogslag is voldoende. Zoo behoeft gij oo'c maar een oogenblik op u zelven en op uw gedrag te letten, om uw gebreken te kennen.

En komt mij nu niet vertellen, dat er u weinig aan gelegen is, een of ander gebrek te bezitten, want dat zou evenveel gezegd zijn, als dat gij u er zelven niet van beteren wilt. Gij weet zeer goed, hoe men over zulke kinderen moet oordee-len : zij zijn niet waardig, dat men er zich mede bemoeit, en ik zal u later vertellen, welke droevige

ocr page 64

02

teleurstelling die kinderen zich voor de toekomst bereiden.

Daarenboven, al wilt gij-zelf uwe gebreken niet kennen, gij kunt toch niet beletten, dat anderen die kennen. Evenmin als een luie schooljongen, die zijn aangezicht vol inkt heeft en met zijn armen op zijn schrijfboeken, op zijn pennen en op zijn inktkoker ligt, zou meenen, dat hij de sporen zijner luiheid zou kunnen uitwisschen, als hij maar niet in den spiegel keek. Neen, neen, doch gij kunt doen, wat gij wilt, uwe gebreken komen altijd duidelijk voor den dag. Dikwijls zullen zij te lezen zijn op uw gelaat, in uw ongen, in uw trekken, in uw gaan en staan, in uwe manier van handelen of spreken.

Overigens behoort het tot de bijzonderheden van uwen leeftijd, dat men op een voorhoofd kan lezen en uw gebreken daar bespeuren En al zou een kind het in de veinzerij zoo ver hebben gebracht, dat het de gebreken zou kunnen verbergen, wat zou het dan zijn ? Die huichelarij, welke zich gemakkelijk laat achterhalen, zou een slechter noot op zijn rekening zijn dan de gebreken zelve.

Al zouden zij overigens ook ontsnappen aan den blik van den vreemdeling, die u slechts voor een oogenblik ziet en u niet nauwkeurig gadeslaat, meent gij, dat ze ook ontsnappen zullen aan het oog van hen. die u van nabij gadeslaan; van hen die op uw gedrag moeten waken en voor uw welzijn zorgen.

Denkt gij, dat uw gebreken bijv. voor vader e»

ocr page 65

63

moeder geheim zullen blijven ? Zij kunnen, 't is waar, door hunne liefde verblind, soms niets op uw rekening vinden, maar zij zien u van zoo dicht bij, dat zij u van zelfs in den grond kennen moeten.

Wat ik u hier zeg van vader en moeder, kan ik ook gerust verklaren van hen, die met u in nadere aanraking komen, te weten : van den pas^ toor, de onderwijzers en uw huisgenooten.

Weihoe m. k. zoovele personen trachten uw gebreken te ontdekken en gij zoudt het als een nietswaardige zaak beschouwen, deze te kennen ! Wat een dwaasheid ! Zoudt gij dan gaarne hebben, dat iedereen met u den spot dreef, gelijk het eens gebeurde met iemand, toen de mode in de groote wereld nog vorderde, dat alleman een pruik droeg ? Op zekeren dag stond een onbeschaamde babelaar het hooge woord te voeren in een gezelschap — en hij wist niet, dat hij zijn pruik het achterst voren op had. Gij begrijpt, hoe hij werd uitgelachen en bespot.

Ik herhaal het nogmaals, m. k., niets moet u zoo zeer ter harte gaan als de kennis uwer gebreken.

Luister eindelijk naar het laatste woord, dat ik te zeggen heb over de ontwetendheid in een punt van zooveel belarg. Is uw lichtzinnigheid er de schuld van, dan staat het slecht met u geschapen : gij verdient bekeven te worden. Heeft iemand er u ooit op gewezen, dan is het ook erg, en ik heb medelijden met u, want ge moet weten : „als ze

ocr page 66

64

u op de gebreken wijzen, geven ze een groot blijk van vriendschap.quot; Maar wie weet? misschien vreest men uit zwakheid u op de gebreken te wijzen.

Wilt gij dit ongeluk herstellen ? Onderzoek in uw hart twee dagen naar de oorzaak uwer fouten, de beweegredenen uwer handelingen en gij zult ze spoediger kennen dan gij denkt. Vraag inlichting aan uwe moeder, aan uwen onderwijzer, aan uwen zielbestierder, vraag hun in allen eenvoud, dat ze u inlichting geven over u zeiven. Zij kennen en zij beminnen u ; dat is genoeg 1

Ziehier ten overvloede een klein register, dat ik u verzoek in te zien en te overwegen : daar zult gij misschien veel gemak van hebben. Dit stomme register kan u wellicht beter de gebreken opnoemen en aanwijzen dan iemand anders. M. k. hebt gij een trotsch karakter, slaat gij licht een hoogen toon aan, zijt gij verwaand in uwe antwoorden, kunt gij geen aanmerking verdragen, zelfs niet van uw eigene moeder, maakt een verwijt u ontevreden, neerslachtig, moederloos, meent gij, dat men u met alle eerbewijzen moet overladen, terwijl gij tevens in uw hart voor alle andere menschen minachting koestert; laat mij u dan gerust zeggen : gij zijt hoovaardig.

Denkt gij altijd aan u zeiven, zijt gij voortdurend bezig met u eigen persoontje, zijt gij hardvochtig gestreng, zonder medelijden jegens uw kameraden of uw medeleerlingen, jegens dienstboden of armen dan vrees ik, dat gij een gebrek bezit, dat men

ocr page 67

65

zeUzucht noemt, eene der boosaardigste dochters van de hoovaardigheid.

Indien gij gauw meent, dat men aan u denkt, zich met u bemoeit; indien gij niets liever hebt dan loftuiging, en te koop loopt met alles, wat gij hebt; indien gij zoekt te behagen en door allerlei kleine middelen de oogen der menschen op u te trekken, dan bestaat uw zwak in ijdelheid en eigenliefde, twee andere dochters der hoovaardigheid.

Hebt gij daarenboven eene al te groote zorg voor uw kleederen, gebruikt gij te veel tijd voor uw toilet, staat gij te dikwijls voor den spiegel, staat gij er op, beter gekleed en netter te zijn dan anderen, maakt gij te veel werk van uwe uitwendige houding en manieren, wilt gij te vroeg de groote wereld ingaan en hare dwaasheden nabootsen, schrijf dan de behaagzucht nog bij de ijdelheid op uwe rekening; het zijn volle nichtjes.

Zijt gij van natuur licht geraakt, opvliegend, driftig, drijft de kleinste scherts u het vuur in de oogen, valt gij om de geringte reden in kwetsende woorden uit; dan bezit gij zonder twijfel At. gramschap en haar moet gij onder handen nemen.

Hebt gij hierbij nog een ander gebrek, dat zich vertoont door afkeer, inwendigen wrok, niet onder drukten haat; zorg dan maar dat gij gttw wraakzuchtig karakter krijgt.

Indien gij door gevoel van een soort van onafhankelijkheid of lichtzinnigheid uw oor sluit voor

5

ocr page 68

66

hetgeen u wordt bevolen, indien gij maar half of ongaarne de bevelen uwer ouders of oversten volbrengt, indien gij altijd tegenspreekt; geloof mij, dan hebt gij te bestrijden een gebrek, dat ongehoorzaamheid genoemd wordt.

Is de arbeid u een ondragelijke last, verlangt gij, te veel naar rust, kent gij het geheim, heele uren mei nietsdoen te dooden, dan zijt gij lui en traag.

Indien de gedachte aan lekker eten u in verrukking brengt, indien de belofte van eenig suikergoed u tot alles bereid kan maken, indien uw maag zich op het gezicht van een rijk voorziene tafel schijnt te vergrooten; als uwe oogen. reeds verslinden, wat uw handen nog niet kunnen bereiken, indien het weinige geld, waarover gij, hebt te beschikken in de lade van een snoepwinkel verdwijnt, indien uwe begeerige hand zich niet ontziet, aan tuin of winkel te ontnemen, wat hun toebehoort of is toevertrouwd, dan is er een gulzige meer op aarde.

Benijdt gij een ander alles, wat hij heeft, zijt gij bedroeft, dat zij iets bezitten wat gij niet bebt, is het welslagen van een medeleerling, van een kameraad u hinderlijk, kunt gij niet uitstaan, dat andere kinderen geprezen of beloond worden, dan is de jaloerschheid u meester.

Zijt gij zeer bekwaam in het vinden van omwegen om de waarheid te ontduiken, hebt gij plezier

ocr page 69

67

in bedriegen, zijn list en bedrog in uw woorden, geslepenheid in uw gedrag, u natuurlijk, zegt gij ja wanneer het neen en neen wanneer het ja moet zijn, en dat zoo maar moedwillig, dan behoeft gij nergens te gaan vragen of gij een leugenaar zijt. Enz. enz.

III.

Antwoord op de derde tegenwerping :

„Mijn gebreken zijn zoo klein en zoo onbeduidend, dat het der moeite niet waard is, zich er mede bezig te houden.quot;

Uw gebreken zij klein en onbeduidend. Des te beter voor u, m. k., want, zijn uwe gebreken onkruid in den tuin uws harten : zijn het wormen, die alle goed in u vernielen en ziekten in uwe ziel — dan is dat onkruid minder hoog opgeschoten, die vernielende worm minder schadelijk; de giftstof dezer ziekten minder gevaarlijk en het kwaad is gevolgelijk minder groot.

Ik wensch er u geluk mede, dat die gebreken zoo klein en onbeduidend zijn ; maar ik moet u zeggen: ik wensch u maar half geluk.

Gij moet mij goed verstaan : al wensch ik u geluk, toch ben ik bedroefd over uw geluk; want hoe klein en onbeduidend uwe gebreken ook

ocr page 70

68

mogen zijn, het is toch verkeerd dat gij gebreken bezit. En ik moet het bekennen, de minste uwer onvolmaaktheden hindert en bedroeft mij.

Daarenboven moet ik bekennen, dat ik wel een weinig wantrouwend ben, als ik u hoor beweren, dat uw gebreken klein en onbeduidend zijn. Ik zal 't u maar zeggen, ik vrees, dat gij in dit punt blind voor u zeiven zijt.

Onze eigenliefde is zoo vindingrijk, als zij onze gebreken verkleinen wil.

Doch toegegeven I Aangenomen, dat uw gebreken zoo klein en onbeduidend zijn, als gij zegt: wat moet gij daaruit besluiten? Dat het der moeite niet waard is, daarvan te spreken en u er mede te bemoeien ? O mijn kind, wat een dwaling 1 Als gij eens ziek waart, laat uwe ongesteldheid nog zoo klein wezen, zoudt gij dan tegen moeder zeggen: ,,Och, 't is maar een kleinigheid, gij hoeft u daarmee niet te bemoeien ?quot; Al was het wormpje dat onlangs aan uw lievelingsboompje zat te knagen, ook nog zoo klein, gij hebt immers toch niet gezegd: „Laat maar zitten, het zal geen groot nadeel aanbrengenquot; ? Neen, m. k. zoo hebt gij niet gehandeld : gij zijt bezorgd om het kleinste kwaad van u zeiven en van hetgeen u dierbaar is, te verwijderen, omdat gij vreest, dat klein kwaad eenmaal ernstig en groot zal worden, en gij hebt gelijk.

Maar geloof mij, wees ook even bezorgd over een gebrek, dat gij misschien wilt laten voortwoekeren in uw hart zonder het te verbeteren.

ocr page 71

69

Het is nu nog klein, gelijk een jeugdig plantje, maar dat plantje, zal indien gij het laat opschieten, weldra groot worden, na eenige jaren zal het een boom zijn, die de takken ver uitstrekt en niet dan door de kracht der bijl zal worden uifgeroeid. Zoo zal het ook gaan met het gebrek, dat gij verwaarloost.

Verstaat gij, mijn kind? Gij moet misschien bekennen dat gij een weinig ij del en behaagziek zijt, Dat is maar een kleinigheid, zegt gij, en dat moet ik u toegeven : die ijdelheid toont zich maar door kinderachtigheden, die den lachlust wekken en uw behaagzucht strekt zich niet verder uit dan tot eenige oogslagen op uw kleederen in den spiegel of tot een weinig trotsche houding, die volgens uw oordeel beter voeg bij uwen hoed en uw kleederen. Maar pas op ; want dat kan eenmaal een eigenwaan en een liefde voor den opschik worden, waardoor gij onverdragelijk wordt.

Indien gij nu reeds van tijd tot tijd u aan kleine traagheid over geeft, durft gij dan beweren, dat uw gebrek gering is ? Gij zijt nog maar slordig in uw werk en gij komt aan uw plichten nog zoo nu en dan maar even te kort; 't is waar, gij kunt dit voor gering houden, maar wees op uwe hoede. Van dat verre gaande niets doen, waardoor soms een mensch op 40 jarigen leeftijd te niet gaat en nutteloos wordt voor de maatschappij, voor zijne ouders, zijne familie en zich zeiven, zijn reeds de sporen te vinden op een leeftijd van 8 of 10 jaar

ocr page 72

70

in de zorgeloosheid, welke wij bij u aantreffen en welke wij zoo gaarne zouden verontschuldigen, indien onze blik zich niet verder in de toekomst uitstrekte.

Dierbare vriendjes, laat u nooit meer ontvallen : BMijne gebreken zijn klein en onbeduidend, derhalve behoef ik mij daarover niet te bekommeren.quot;

Zegt liever: „Mijne gebreken zijn klein, eene reden te meer, om dadelijk te beginnen, daartegen te strijden; de overwinning zal des te lichter te behalen zijn.quot;

Wanneer een landman bemerkt, dat eene wolvin hare jongen in het dichtste struikgewas van het bos^h heeft verborgen, zal hij dan volgens u geduldig wachten met hen te verdelgen, totdat die wilde dieren groot geworden zijn? O neen, dan zou het te laat wezen; de jonge wolven, zouden dan zoo verschrikkelijk en sterk zijn geworden, dat zijn kracht en zijn moed daartegen niet bestand zouden blijken. Nog meer, indien hij het wolven-nest niet uitroeide, zou hij zichzelf, zijne vrouw en zijne kinderen aan het grootste gevaar blootstellen.

Hij mag geen tijd verliezen en gewapend met geweer en schop legt hij zich in hinderlaag. Kort daarop gaat zich de wolvin van haar hol verwijderen ; zij zal hare jongen, die nog geen weerstand kunnen bieden, verlaten en ze aan den dood prijsgeven. B. K., volgt het voorbeeld van den landman bij het bestrijden der gebreken; verdelgt ze, wanneer zij nog klein zijn.

ocr page 73

71

IV.

Antwoord op de vierde tegenwerping;

„Ik heb te veel gebreken — mijne gebreken zijn te groot — zij zijn te oud en het is derhalve nutteloos aan hunne verbetering te arbeiden.quot;

Wij maken hier een begin, gelijk gij ziet, met de tweede soort van tegenwerpingen, welke wij vroeger hebben aangewezen, te weten : met die, welke uit lafheid voortkomen. In deze vierde tegenwerping zitten er eigenlijk drie opgesloten: ik heb ze bijeengevoegd, omdat zij met elkander in zeer nauw verband staan en inderdaad maar één moeielijkheid zijn. Luistert goed naar het antwoord.

„Gij hebt vele gebreken.quot;

't Is erg, mijn kind, 't is ongelukkig !

Deze gebreken zijn groot; nog erger en nog ongelukkiger.

Deze gebreken zijn oud en ingeworteld — nog eens : 't is zeer erg, 't is allerongelukkigst 1

Maar moet ge nu daaruit besluiten, niets te doen tot hun verbetering? Evenmin als gij dit mocht besluiten, omdat uw gebreken klein en onbeduidend waren; ja nog veel minder.

Heel de reden hiervan uiteenzetten, zou mij veel te ver voeren ik zal ze maar eventjes aanraken.

Vooreerst: weet gij wel zeker, dat de toestand

ocr page 74

72

uwer gebreken zoo slecht is, als gij daar zegt ? Ik geloof het niet.

„Maar, — hoor ik u zeggen, — straks kondet gij een kind niet gelooven, dat zeide, slechts kleine en onbeduidende gebreken te bezitten — en nu kunt gij ons niet gelooven, wanneer wij zeggen, dat onze gebreken talrijk, groot en ingeworteld zijn.quot;

Dat geef ik u toe. Straks was ik bang, dat u de eigenliefde zou verblinden en nu vrees ik, dat de kleinmoedigheid u zal bedriegen. De eigenliefde verkleint de gebreken en de kleinmoedigheid vergroot ze. Beide hebben hetzelfde doel: u terug te houden van den strijd.

Om u de waarheid te zeggen, ik geloof wel niet,dat uw uitdrukkingen, in den letterlijken zin genomen, overdreven zijn. Neen een gebrek is altijd groot, hoe klein het ook is : het heeft altoos te lang in 't hart gezeteld, al was het er eerst gisteren ingekomen : en al hebt gij maar een gebrek, dat is nog teveel. Nog eens dus, ik heb het niet tegen uwe woorden maar tegen de beteekenis der woorden. De bedoelde uitdrukkingen beteekenen duidelijk : „Ik zit vol gebreken, hun getal is oneindig. Zij zijn groot en ze zitten in mijn quot;hart geworteld als oude boomen in den grond.quot; Wilt gij dit niet te kennen geven B. K. ? Welnu, daar moet ik u juist hebben.

Wie zegt u, dat gij zoo vol gebreken zit ? dat gij door een legioen bezeten zijt ? Ongetwijfeld het kan zijn, maar zonder dat ik u ken, durf ik u

ocr page 75

73

toch de verzekering geven, dat al uw gebreketf in twee of drie hoofdgebreken samen te vatten zijn. En wie zegt u, dat zij zoo monsterachtig groot zijn ? Laat ze zijn wat ze willen, zij kunnen toch niet meer zijn dan kindergebreken. En wie heeft u de verzekering gegeven, dat zij zoo oud z'jn ? Zij kunnen toch waarachtig niet ouder zijn dan tien of twaalf jaar. Wat zult gij dan over 20 jaar van deze gebreken zeggen, als zij niet worden uitgeroeid ?

Gij ziet dus wel, dat gij uwe gebreken niet-overschatten moet. Hieruit kom ik tot de gevolgtrekking, dat uwe gebreken niet zoo veelvuldig, zwaar en ingeworteld zijn, als gij denkt en dat gij dus groot ongelijk hebt, wanneer gij meent, dat het nutteloos is, aan hunne verbetering te arbeiden.

Overigens, al was het ook waar, wat gij er van zegt, dan zou uw gevolgtrekking toch niet juist zijn.

Ik zou er de redeneerkunde voorspannen, als gij de kracht ervan kondet vatten. Wat zoudt gij van een mensch zeggen, die opeens door vele vijanden werd omsingeld en op het zien daarvan de armen over elkander sloeg en zich liet dooden, om de schoone beweegreden, dat zijn vijanden t^ talrijk zijn ? Maar wat zoudt gij van hem zeggen^ indien deze man de verzekering had, dat hij zekei^ zou overwinnen, als hij een weinig moed bezat •

Maar dit is nog niet alles; wat zoudt gij vaneenen zieke zeggen, die geen medicijnen zou willert

ocr page 76

74

gebruiken, omdat zijn ziekte volgens hem te zwaar is.

Gij zoudt zeggen, dat gij zijn handelwijze niet kunt verklaren. Eindelijk, wat zoudt gij zeggen van een kind, dat in den spiegel keek en bemerkte dat zijn aangezicht vol inkt zat en niets wilde doen, om zich te wasschen, omdat het gelaat al Jang zoo zwart was geweest ? Dwaasheid! zoudt ^jij zeggen, kinderachtige dwaasheid 1 Gekheid!

D. K. Past op 1 dit alles is ook op u van toepassing.

V.

Antwoord op de vijfde tegenwerping, welke door ,£en kind kan gemaakt worden, om zijn gebreken :niet te verbeteren:

„Ik kan mijn gebreken niet verbeteren. —

Ik heb er een veel te groote gewoonte van ; de strijd is veel te lastig en te moeielijk — 't is al te vervelend.

Ziedaar de voorwendsels door de traagheid geworpen 1

Weet gij dan niet, dat: „Ik kan nietquot; geen Hollandsch is.

Iemand, die moed in zijn hart heeft, kent geen moeielijkheden, deinst voor geen hinderpaal terug, wanneer hij een plicht te vervullen, en goed werk ■fe verrichten of een moedige daad te stellen heeft.

ocr page 77

75

,lk kan niet,quot; is niet alleen geen Hollandsch' maar 't is ook niet Christelijk.

Een jeugdig Christen kan alles, wat noodig is, •om braaf, godvruchtig en deugdzaam te worden. Dat alles kunnen komt — 't spreekt van zelf — niet uit hem zeiven, maar God heeft beloofd, zijn gebeden en wenschen te verhooren, als zij de •deugd ten doel hebben. Gij kunt alles in en met God, die u versterkt.

Kunt gij u niet beteren ? Maar hebt gij de proef ooit genomen ?

Als gij openhartig zijt, dan zult gij moeten antwoorden : „neen, nimmer 1quot; Zegt gij van ja, dan ^eg ik u op mijne beurt, dat uwe proef nooit ern ■ stig is geweest. D. w. z. dat gij wel verlangd hebt, maar zonder het daadwerkelijk te willen; dat gij het gewild hebt, maar zonder de hand aan het werk te durven slaan.

Arm kind! gij herinnert mij aan mijn klein neefje, dien ik op zekeren dag eens op zijn kamertje aantrof met schreiende oogen, hijgende borst -en betraande wangen.

„Wat scheelt er aan vriendje rquot;

„Ach 1 nooit krijg ik de les geleerd, door den •.meester mij opgelegd.quot;

„Hebt gij het al beproefd, mijn kind rquot;

„Neen, want ik kan ze toch niet leeren.quot;

„Waar zijt gij met uw boek gebleven ?quot;

„Dat heb ik daar ginds op de tafel weggeworpen.quot;

Jeugdige lezers, wat zoudt gij hebben gedaan,

ocr page 78

76

indien gij in mijn plaats waart geweest ? Gij zoudt begonnen zijn, met dezen kleinen koppigen knaap door teedere woorden tot bedaardheid te brengen en dan zoudt gij het boek hebben opgeraapt, dat hij had weggesmeten.

„Laten wij samen eens kijken, — zoudt gij hebben gezegd : — eerst deze twee regels, dan die twee en nog twee. Kijk, de les is geleerd.quot;

Ziet gij mijn kind, indien het onmogelijk was, deze les te leeren, dan hadt gij toch groot ongC' lijk, toen gij zeidet: „dat kan ik toch niet

Gij gaat spelen, gij laat mij praten en blijft beweren, dat uwe gebreken al te veel macht over u hebben en dat gij al te zeer gewoon zijt, daaraan toe te geven.

Welnu, laat uwe gebreken te veel macht over u hebben, geef er al te gemakkelijk aan toe, het zij zoo, ik zal er niet ian twijfelen, mijn kind.

Als het anders was, dan waren uwe gebreken geen gebreken. Maar denkt gij dan, dat men geen slechte eigenschap kan afleggen, als men er een gewoonte van heeft gekregen ? Dat zou al zeer ongelukkig zijn. Luister eens. Onlangs wees men mij in een tuin een boom, waarover de tuinman alles behalve tevreden was ; in het begin van de lente had bij er palen bij geplaatst, opdat hij naar eene bepaalde zijde zou uitschieten en opgroeien en ik weet niet door welke speling der natuur schoot bij juist aan de tegenovergestelde zijde uit. Op een goeden morgen kwam de tuinman met al

ocr page 79

77

zijn instrnmenten: hij snoeide, kapte en gaf toen een heel andere richting aan de takken en zie nu groeide hij juist volgens de richting, welke hem was aangewezen. Luister eens verder. Het vorig jaar was de kleine Leontine gevallen en had zich den voet ontwricht; het kind liep erg mank. Eenige maanden daarna werd zij in eene inrichting geplaatst, waar men de misvormigheid des lichaams geneest en welke „Orthopedisch inrichtingenquot; genoemd worden. En nu reeds begint het gebrek te verdwijnen, en zij koestert de gegronde hoop, dat zij spoedig weer even goed zal kunnen loopen als vroeger.

Luister nog eens.

Een zeker romeinsch keizer bezat een luipaard, dien hij zoo tam had gemaakt, dat het wilde dier hem overal volgde gelijk een jong schoothondje of een lammetje.

Waartoe moeten die voorbeelden hier dienen ? Hiertoe, lieve lezer :

De nieuwe richting aan den groei des booms, de vlugheid aan de kleine Leontine teruggegeven, de wildheid van den luipaard in zachtheid veranderd, wat zijn dit alles anders dan genezen en veranderde gebreken?

Maar hoe 1 kan de mensch door kunst en kracht om zoo te zeggen wetten voorschrijven aan den groei, bevelen geven aan de natuur — zou dan diezelfde mensch geen wetten kunnen voorschrij-

ocr page 80

78

ven aan zijn gebreken, ze veranderen en genezen kunnen 1 Wat een dwaling ; dat moet hij kunne» en dat kan hij ook inderdaad !

„Maar dat valt zwaar en moeielijk.quot; Dat geef ik gaarne toe. Ja de strijd tegen zijn gebreken heeft zijn moeielijkheden en zijn bezwaren. Ik wil zelf bekennen, dat deze strijd de moeilijkste en de gevaarlijkste van alle strijden is. Maar toch die is niet zoo moeilijk als gij meent, mijn vriendje, beproef het maar, later zult gij moeten bekennen, dat ik waarheid heb gesproken.

Daarenboven, als was het duizendmaal pijnlijker en moeilijker zich van fouten te beteren, dan het inderdaad is, dan zoudt gij er toch nog de proef van moeten nemen. Stel u een jager voor, die op een smal pad eensklaps een woedenden leeuw voor zich ziet staan ; de strijd is niet te ontwijken:, doodt hij hem niet, dan wordt hij zelf gedood. Wat zou deze jager naar zijn wapen grijpen ! Hoe gevaarlijk de strijd ook moge wezen, hij strijdt vurig. Dat is nu ook de geschiedenis van een gebrek. Zegt gij mij, dat het zoo vervelend is, tegen zijn driften te strijden. Ik moet bekennen, dat zulks volkomen waar is. Ja zeker, 't zou veel aangenamer zijn, tegen zich zeiven niet behoeven te strijden. Maar waarom hebt gij die gebreken in uw hart groot laten worden ? Gij had liever moeten zeggen : ik zal daarin geen gebreken laten, opschieten, omdat het later te veel moeite en. verveling kost, er zich van te ontdoen. Nu zij»

ocr page 81

79

zij er eenmaal, er is niets aan te doen, gaarne of niet, gij moet ze verwijderen.

Verlaat men dan op staande voet een stelling, omdat de vijand een gedeelte daarvan heeft veroverd ?

Neen, neen. Alle krachten worden ingespannen^ om de veroverde stelling terug te nemen en de wapenen worden niet neergelegd, vóór dat men geslaagd is. Vervelend of niet, moeilijk of nietr de generaal commandeert het. Waarom zoudt gij ook zoo niet met uwe gebreken handelen ?

Nog een enkel woord. Gij meent misschien, dat het goud, dat edel metaal, zich in den zelfden vorm bevindt in den schoot der aarde, als waarin gij het nu ziet en bewondert. Nu gij moest het eens in zijn oorspronkelijken toestand zien, wat zoudt gij ontgoocheld worden. Gij zoudt een zwartachtigen klomp met duizend vreemde bestand-deelen vermengd te zien krijgen: niets van de schoonheid van het goud kunt gij bemerken. Wat moet er dan nog geschieden, eer dat dit mineraal waardig wordt bevonden te prijken op het hoofd des konings ? Na velerlei reinigingen voorbereiding wordt het in een gloeienden oven geworpen, doot het vuur wordt het gezuiverd en krijgt de gele tint, welke wij kennen. Maar dan heeft het nog volstrekt geen glans : door 's menschen hand komt' de schitterende glans eerst daarop. Doch om het zoo ver te brengen, hoevele zweetdroppels, hoe-veel arbeid, hoeveel tijd, hoeveel zwoegen is daar-' toe niet noodig gweest ?

ocr page 82

80

Onthoud deze les goed mijn kind ! uw hart is gelijk aan dat kostbaar goud; uwe gebreken ontnemen het zijne glans en zijne schoonheid. Zoodra gij ze zult hebben uit geroeid, zult gij dien glans en die schoonheid weder zien terugkeeren. Hoe pijnlijk en vervelend die proef ook zijn moge, vrees niet haar te ondernemen.

VIJFDE HOOFDSTUK..

Hoe men tegen zijne gebreken moet strijden.

Inleiding.

Nu komen wij, beminde lezers, aan het voor-naamstc punt van onze verhandeling over de gebreken.

In de voorgaande hoofdstukken is aangetoond, dat het voor een kind allernoodzakelijkst is, zijn gebleken te bestrijden en alle redenen, ora den gtrijd daartegen te ontgaan, zijn weerlegd.

Maar hoe moet die strijd, zoo noodzakelijk en tevens zoo moeilijk gestreden worden? Dat moeten wij nu onderzoeken.

Ik herhaal het, hier begint het voornaamste gedeelte van deze verhandeling. Inderdaad er is weinig aangelegen te weten, dat men een vijand heeft, te weten, dat men hem bestrijden moet, het voornaamste is, dat men, genoodzaakt om te strij-

ocr page 83

81

den, weet welke middelen moeten worden aangewend, welke wapenen gebruikt.

Jeugdige soldaten! gij zult misschien wel de militaire loopbaan betreden. O, dat zal u veel studie kosten, vele zaken zult gij moeten aanleeren ; deze wetenschap, draagt den naam van „Krijgskunde.quot; Zij heeft hare algemeene en hare bijzondere regels. Door de eerste wordt gij ingewijd in den wapenhandel en gij wordt onderricht in alles, wat voor eiken krijgsman in het algemeen noodig is. Door de tweede zal men u bekend maken met de verschillende toestanden, waarin gij u naar omstandigheden kunt bevinden. Geheel anders zijn de bewegingen, welke gij hebt te maken, als gij te strijden hebt in het open veld, geheel anders die, welke gij te maken hebt bij het beleg van eene stad of het bestormen van eene vesting.

Bij den krijg, dien gij tegen uwe gebreken hebt te voeren, moet gij ook eene krijgskunde volgen en ook deze heeft hare algemeene en bijzondere regels.

V'ij handelen over de algemeene regels.

Wat de bijzondere aangaat, deze zouden hare plaats vinden in een verhandeling over elk gebrek • in het bijzonder : in eene verhandeling over de traagheid, over de hoovaardigheid, over de lichtzinnigheid enz. Dit zou echter ons te ver voeren en daarom bepalen wij ons tot het geven van algemeene regels. 6

ocr page 84

82

I.

Men moet zijn gebreken bestrijden zonder vertragen en zonder uitstel tot den volgenden dag.

In het algemeen hangt de goede uitslag van den strijd af van de snelheid der bewegingen en de vaardigheid van den aanval. Uitstellen, dralen is bijna altijd het voorspel eener nederlaag.

Hier praat men vergeefs van voorzichtigheid, vergeefs van moeilijkheid. Gij kunt het voorzichtigheid zwakheid of lafheid noemen, — de uitslag is steeds noodlottig. En dit is gemakkelijk te begrijpen: indien eene manoeuvre niet uitgevoerd wordt op het oogenblik, waarop het in het plan van den generaal ligt, dan komen de bewegingen van alle ondergeschikte troepen in de war; indien de marsch van ééne afdeeling slechts eenige oogen» blikken wordt vertraagd, dan maakt de vijand van die vertraging gebruik, dekt zich en verschanst zich in de stelling, welke men zelf moest nemen. Indien een bevelhebber in plaats van aan te vallen,, met het vuur zijner artillerie, het vuur van zijn vijand afwacht, dan stelt hij duizende van zijne soldaten aan het vuur bloot en de overwinning op 't spel.

Leert ons de geschiedenis niet, dat het uitstellen van ontvangen bevelen oorzaak is geweest van groote nederlagen en rampen? Welke bittere teleurstellingen^

ocr page 85

83

welke grievende verwijten hebben dappere generaals die anders altijd overwonnen, moeten ondervinden. Verloor Dionysius, de vermaarde alleen-heerscher van Syracase, door zijn dralen niet kroon en leven ? Een samenzwering was tegen hem gesmeed, zij stond op het punt van uitbreken. Een trouwe vriend waarschuwt hem en voegt er bij: „'t Is nog tijd, haast u, dan kunt ge alles nog voorkomen 1quot; Met het overbrengen dezer waarschuwing belastte hij een zijner dienaren.

Dionysius zat midden aan een feestdisch, toen de bode werd aangediend. „De bode heeft een gewichtige mededeeling te doen,quot; zeide men hem.

„Morgen! — schreeuwde Dionysius — morgen de gewichtige zaken ; nu feestvieren!quot; Maar die morgen verscheen voor hem niet meer.

Eenige uren later stonden de samenzweerders voor de poort van het paleis en Dionysius viel ongewapend en zonder zich te kunnen verdedigen in hunne handen en werd oogenblikkelijk ter dood gebracht. Hadde hij maar niet gedraald!

Nog eens : uitstellen in het gezicht van den vijand, staat gelijk met verslagen worden, met sneuvelen. En de grootste bevelhebbers van alle eeuwen plachten te zeggen: In den strijd hangt alles af van minuten

Uit het voorgaande is de gevolgtrekking zeer gemakkelijk te maken, kinderen. Daarenboven, dikwijls heb ik er u in den loop onzer verhandeling op gewezen en een groot getal voorbeelden

ocr page 86

84

hebben het u duidelijk gemaakt: Gij moet uwe gebreken zonder mistel aanpakken.

Zijn inderdaad uwe gebreken voor u echte vijanden, is het geringste uitstel, de minste aarzeling in het gezicht van den vijand noodlottig, dan moet ge ze ook zonder tijdverliezen aanpakken, aanvallen. Niet dralen I

Ik heb in mijn jeugd ooit hooren vertellen, dat een barbier, om klanten in zijnen winkel te lokken, op een uithangbord deze woorden had laten plaatsen : „Hier scheert men morgen voor niets.quot; Gij begrijpt, dat het nooit morgen werd.

Wanneer ik ook een kind hoor zeggen. ,,Ik zal morgen, later, beginnen mijn fouten onder handen te nemen en uit te roeien,quot; dan vrees ik terecht, dat het met zulk een kind juist zal gaan, als met den barbier. Ook voor het kind zal morgen, later, nooit komen.

Zorg dus, dat men zoo iets van u niet kan zeggen, dat zou u onteeren. De vergelijking kan u kinderachtig voorkomen, ze is niet te min zeer juist en gewichtig; het is een eenvoudige voorstelling van het spreekwoord van vele wijze mannen en vooral van een beroemd schrijver uit den laat-sten tijd, die de kunst verstond, om in weinige woorden veel te zeggen. Hij zegt: „Wat gij heden kunt, stel dat niet tot morgen uit.quot;

Een der grootste dichters der ondheid heeft het in een vers uitgedrukt, dat sedert algemeen is geworden en met deze woorden aanvangt: „Principiis

ocr page 87

85

obsta: Weersta het kwaad in den beginne.quot;

Wees op uwe hoede, voegde de groote dichter daarbij, dat door uw uitstellen het kwaad geen al te diepe wortels schiete.

Dus, kinderen, niet morgen aan den arbeid gaan, maar vandaag, op staanden voet: niet uitstellen, niet dralen !

II.

Gij moet aan het verbeteren van uw fouten arbeiden, met een vasten, krachtigen en sterken wil.

Wat beteekenen die woorden, beminde kinderen? Aan het verbeteren zijner fouten arbeiden met een vasten, krachtigen en sterken wil.

Luister naar de volgende geschiedenis.

Ik zou u de bovengenoemde woorden wel door schoone redeneeringen kunnen uitleggen, maar na rijp nadenken, dacht ik, dat het beter was, u eene geschiedenis te verhalen, welke u de 7aak duidelijker zal maken dan de schoonste redeneeringen.

In 1795 stond een jong soldaat van het garnizoen te Nantes, met name Cambronne, op het punt, gefusilleerd te worden.

Wie was hij ? WTat had hij misdreven ? Welke was zijne misdaad r Cambronne was als vrijwilliger in het leger der Republiek getreden. Hij was twintig jaar, dapper, goed onderwezen; na weinige maanden ontving hij de korporaalsstrepen. Alles voorspelde hem bevordering en eer. Helaas 1 een onvergeeflijke kwaal, waaraan hij zich schul-

ocr page 88

86

dig maakte en die het gevolg was van een nog onvergeeflijker gebrek, had al zijn vooruitzichten, heel zijn toekomst vernietigd.

Cambronne had, reeds nu in zijne jeugd de ongelukkige gewoonte, welke zoovele soldaten ten gronde richt, van zich aan dronkenschap over te geven. Gij zult gemakkelijk begrijpen, dat het gevaarlijk was, hem iets in den weg te leggen, wanne.er het heldenbloed, dat hem in de aderen stroomde, door de hitte van den drank aan het koken was gebracht. Gij weet reeds genoeg, dierbaar kind, gij raadt al wat er was gebeurd.

Eens, toen hij weder in zijn gebrek was hervallen, ontmoet hij een zijner oversten. Deze wil hem een vermaning geven. Cambronne onsteekt in drift en vergeet zich zoozeer, dat hij zijn overste durft slaan. Nu moet gij weten, dat zulk een daad bij de militaire disipline altijd zonder genade wordt gestraft; de doodstraf staat op zulk een misdrijf.

Dat wist Cambronne zeer goed, de ongelukkige! Was hij dus niet dubbel plichtig ?

Toen hij uit zijn roes ontwaakte, zag hij dat hij in de gevangenis zat.

Eenige dagen daarna stond hij voor den krijgsraad, de doodstraf werd over hem uitgesproken. Hij werd naar de gevangenis teruggebracht en de jeugdige soldaat wachtte slechts op het uur der voltrekking van deze verschrikkelijke straf.

ocr page 89

87

Intusschen wilde de kolonel van het regiment, waartoe Cambronne behoorde, beproeven gratie voor hem te krijgen.

Deze kolonel was een goedhartig, oprecht en menschlievend man • hij had den moed, de dapperheid en de kunde van den jongen veroordeelde leeren hoogschatten.

„Het is een llinke soldaat — had hij tot zichzelf gezegd — het is ongelukkig, voor een misdrijf van één oogenblik het vaderland te berooven van een dappere, die het tot nut eri eer kan strekken. Ik heb eenigen invloed, ik zal hem redden; daarbij. 't is een van mijn soldaten, ik moet voor hem tusschenbeide komen-quot;

Er bevond zich juist te Nantes een volksafgevaardigde, een commissaris van het Rijk. Deze kon in naam van het Rijk, waarvan hij commissaris was, het vonnis van den krijgsraad vernietigen. De kolonel gaat naar hem toe en vraagt gratie voor Cambronne.

„Onmogelijk — zei de Commissaris — een voorbeeld moet er gesteld worden, zonder dat is het met de discipline in 't leger uit. De korporaal Cambronne moet sterven 1quot;

De Kolonel kende den Commissaris en hield aan. Hij telt hem al de goede hoedanigheden van den jeugdigen soldaat voor, somt de diensten op, welke hij reeds heeft bewezen en vooral de vooruitzichten, welke in de toekomst van zijn dapperheid te verwachten waren.

ocr page 90

88

Om kort te gaan, de Commissaris liet zich overhalen en schonk gratie.

„Ik schenk hem gratie — veegt hij den kolonel toe, — maar onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat Cambronne %ich heel zijn leven nimmer meer bedrinke.quot; De waardige kolonel begeeft zich recht naar de gevangenis. Hij ontbiedt Cambronne.

Nadat hij hem eenige vaderlijke maar ernstige vermaningen had gegeven, vertelt hij ftem, wat hij voor zijn leven heeft gedaan; dat hij gratie voor hem heeft verkregen en onder welke voorwaarden.

Op BI. 92 zal ik u zeggen, kinderen, hoe Cambronne de zwakheid had, die voorwaarde niet aanstonds te willen aannemen. Hij maakte bezwaar, zich daartoe te verbinden, overtuigd als hij was, dat een man van eer zijn woord niet mag breken, Hij dacht, dat hij niet sterk genoeg was zijn woord te kunnen houden. Ten slotte gaf hij zijn woord en zwoer, dat „nooit meer een enkel druppel sterken drank zijn lippen zou raken.quot; 's Anderen daags vervoegde hij zich weer bij zijn korps en hervatte den dienst.

Vijf en twintig jaren na dit voorval was korporaal Cambronne geworden, generaal Cambronne Hij had de oude garde des keizers bij Waterloo gecommandeerd en had wonderen van dapperheid gewrocht in den heldenstrijd, welke iedereen bekend is. Wie heeft niet gehoord van den slag van Waterloo ?

ocr page 91

89

Na den val van Napoleon keerde hij in heï-burgerlijk leven terug en woonde, door iedereen geacht en geëerd, rustig te Parijs. Ook zijn vroe' gere kolonel, door den ouderdom en meer nog door de vermoeienissen van den krijgsdienst gebogen, leefde als burger te midden zijner familie. Hij^ wist, dat generaal Cambronne te Parijs verbleef en op zekeren dag verzocht hij hem ten maaltijdlt; Vele oude krijsmakkers zaten met hen aan tafel: zij werden luisterrijk onthaald. Ik behoef U niet te zeggen, dat de eereplaats aan de rechterhand van den gastheer door generaal Cambronne werd ingenomen,

Bij het begin van den maaltijd schonk de gast-' heer een glas zeer duren wijn, welken hij zorgvuUquot; dig voor plechtige gelegenheden bewaarde.

Hij vulde ook het glas van Cambronne.

Cambronne keek den kolonel met verwondering en verbazing aan.

„Wat presenteert gij me daar ?quot; zegt hij.

„Rijnwijn, generaal, en wel iets buitengewoons! hij is meer dan honderd jaar oud: in heel Parij»-is geen betere te krijgen.quot;

En toen Cambronne bij die woorden vurig begon1 te worden, en de kolonel aandrong en zeide.

„Maar generaal, ik verzeker u, dat hij heerlijk is, proef hem toch eenslquot; liet Cambronne hem nief uitspreken, sloeg op de tafel en riep uit: „Maar kolonel, mijn eerewoord, mijn eerewoord! te Nanter in de gevangenis en de gratie, en mijn eed ! Zijt gi^

ocr page 92

90

dat alles dan vergeten, mijn dierbare vriend ? Wat denkt gij dan van Cambronne ? Neen, sedert dien dag heeft nimmer een druppel wijn mijn lippen jgeraakt. Ik had het gezworen en ik heb woord gehouden 1quot;—

De kolonel zat vol verbazing te kijken, hij drong fiiet meer aan en wenschte zich nogmaals geluk, luik een man voor Frankrijk te hebben gered.

Hebt gij die geschiedenis begrepen, gij die gebreken hebt, maar geen moed en kracht genoeg bezit, om ze te verbeteren? Vergeet nooit die geschiedenis en den naam van Cambronne.

VER VOL G.

Indien uw wil in het verbeteren uwer driften ïiog wankelend is, kunt gij hem vast, krachtig en sterk maken, indien gij zelf verkiest.

Het verhaal, dat ik u in het laatste hoofdstuk heb medegedeeld, heeft u het geheim geleerd, u van de gebreken te bevrijden met een vasten, krachtigen en sterken wil. Gij hebt ongetwijfeld het besluit gemaakt, den kloeken Cambronne na te volgen. Is dit zoo, dan wensch ik u geluk. Maar toch, ik ;nioet het bekennen, ik ben wel een beetje achterdochtig.

Hoevele kinderen maken zich wijs, dat zij dien krachtigen wil niet kunnen hebben. Tot nu toe Jiebben zij zich nog maar half willen verbeteren, zij jiebben het nog zonder vastberadenheid gedaan, zij

ocr page 93

91

hebben nog zooveel opwerpingen te maken en daarom, zeggen ze, zal ik nooit dien sterken wil hebben.

Ja, kinderen, die onstandvastigheid, dat half willen, die zwakheid is ongetwijfeld in strijd met een sterken wil, waarvan wij gesproken hebben. Maar al heeft die vaste wil zich tot heden bij u nog niet vertoond, volgt daar uit, dat hij zich bij u in 't vervolg niet vertoonen kant

Neen, neen 1 Gij moet weten, gij vooral, die meent, dat gij niet sterk genoeg zijt, dat ook Cam-bronne, dien ik U heb voorgesteld als een toonbeeld van sterken en vastberaden wil, zelf vroeger ook geen kracht bezat, om zich te verbeteren; ook hij was onstandvastig en bang voor duizend moeilijkheden.

Wat zeg ik? Weinig scheelde het, of hij had vrijheid en leven opgeofferd, liever dan te weerstaan aan een rampzaligen drift, onder wiens heerschappij hij zuchtte.

Gij denkt misschien, dat dit maar eene eigene meening van mij is; volstrekt niet! Luister slechts naar het onderhoud, dat hij met zijn kolonel in de gevangenis gehad heeft.

Ik zal het u in zijn geheel mededeelen. Met opzet heb ik dit u straks niet verhaald. Aan het slot vindt gij het vastberaden en edelmoedig besluit, dat gij kent; maar eerst zult gij zien, welken strijd hij te voeren had, eer dat hij daartoe kwam. Zooveel strijd zult gij niet te doorstaan .hebben.

ocr page 94

92

Het onderhoud verliep op deze wijze :

Korporaal, gij hebt een zwaren misslag begaan.

Ja, kolonel, gij ziet ook, waar ik mij hier bevind^ ik ga mijn drift met mijn leven boeten.

Misschien I

Waarom: misschien?..... gij kent de gestrengheid der militaire wetten; het vonnis is geveld. — Op gratie is niet te hopen; niets rest mij dan de dood.

Neen, mijn vriend, gij zult niet sterven. Ik breng u de gratie, waaraan gij wanhoopt; met groote moeite heb ik die van den Commissaris des rijks voor u verkregen.

Hij scheldt u de -straf kwijt; gij behoudt zelfs-uwen graad; doch onder ééne voorwaarde!

Eene voorwaarde ! welke kolonel ? spreek toch t Alles zal ik doen, om mijn leven en bovenal, om mijne eer te redden.

Gij ziet dus, dierbare lezers, dat Cambronne brandde van verlangen, om gratie te krijgen. Helaas ! hij dacht er niet aan, dat hij een ingeworteld gebrek zou moeten uitroeien. Hij is tot alles-bereid, maar daartoe niet!

De kolonel ging voort:

Mijn vriend deze voorwaarde is, dat ... gij in 't vervolg u nooit meer zult dronken drinken.

Inderdaad, deze voorwaarde was niet meer dan. billijk en hadde ik u laten raden, niemand uwer zou hebben misgeraden.

ocr page 95

93

De kolonel dacht juist als wij, en hij meende, dat Cambronne dadelijk die voorwaarde zou hebben onderteekend.

Welnu 1 dat was niet zoo , en nu zult gij zien, dat ik gelijk had in hetgeen ik u straks zeide. De verkeerde gewoonte was in den ongelukkigen ■soldaat zoo sterk, dat hij onder de oogen van den dood er nog geen afstand van wilde doen, In plaats van aanstonds te zeggen: „Nooit zal ik mij meer bedrinken,quot; sprak hij heel andere taal. Wat zeide hij dan ?

O, kolonel, wat gij daar van mij eischt,..... dat

is mij onmogelijk'.

Daartoe kan ik mij niet verbinden !

Op zulk een antwoord zou iedereen behalve onze goede kolonel de partij verlaten hebben en dan was het gedaan geweest met Cambronne! „Is die man zoo dwaas, zouden wij hebben gezegd — laat hem dan aan zijn lot over — laat hij dan sterven, als hij 'twil.quot; De kolonel was echter zoozeer aan zijn jeugdigen korporaal gehecht, dat hij nog een ander middel beproefde, om zijn jongen vriend over te halen zijne voorwaarde aan te nemen.

Wat onmogelijk! Gij wilt u dan niet verbinden tot eene voorwaarde, zoo billijk en zoo gemakkelijk, om den dood te ontgaan ? Weet gij dan niet, arme jongen, dat gij morgen gefusilleerd wordt ? Denk er toch aan bid ik u 1

ocr page 96

94

En Cambronne durfde niet antwoorden, gedrukt als hij lag onder het juk van het gebrek, dat hen» beheerschte.

Hij meende, dat nooit te kunnen overwinnen.

Eindelijk zeide hij:

Ik heb geen ongelijk, dat ik mij niet wil verbinden, kolonel. Gij begrijpt, om mij niet meer te-bedrinken, zou ik nooit meer een druppel sterken drank mogen gebruiken. Want ik moet u rechtuit bekennen, als het gebeurt, dat Cambronne één glas uit de flesch neemt, dan moet heel de flescb tot den bodem toe ledig. Het is mij onmogelijk, eerder op te houden. Hoe wilt gij dan van mij vorderen, dat ik mij nimmer meer dronken drink ?

Maar rampzalige, riep toen de kolonel, terwijl hij den soldaat op den schouder sloeg, — kunt gij dan niet beloven, nooit meer sterken drank te drinken, geen druppel meer ?

— Nooit meer ?

— Neen nooit meer 1

— Dat is voor u gemakkelijk te zeggen, kolonel^ maar voor mij is dat, dunkt mij, zoo gemakkelijk niet uit te voeren. Nooit meer sterken drank te drinken! — nooit meer, nooit meer, geen druppel!

En Cambronne liet zijn hoofd zinken. Dan hief hij zijn oogen op.

— Maar kolonel, indien ik u beloofde nimmer meer sterken drank te gebruiken, wie geeft mij de verzekering, dat ik die belofte zal houden?

ocr page 97

Q5

— Uw eerewoord! anders heb ik niets noodi^ Ik ken u en ik weet, dat, als gij uw woord geeft,-gij het ook houden zult I

Toen liet de veroordeelde zijn hoofd weer zhk ken zonder iets te zeggen.

— Welnu Cambronne, sprak de kolonel, ' beslis, wat wilt gij ?

Het oogenblik der overwinning was voor Cambronne gekomen. Eerst was hij zwak geweest» Nadat hij bij de eerste gedachte heel het ge* wicht der verbindtenis die hem werd voorgesteld^ had gewogen, had hij nog gesidderd en zijtf rampzalig gebrek had in zijn plaats gesproken.

Eene nadere overweging had hem doen wankelen, hij had post gevat tegen zijne slechte ge-r woonte. Eindelijk hadden de laatste woorden vaa den kolonel hem doen zegevieren.

— „Mijn kolonel heeft gelijk — zoo sprak eene inwendige stem, ja ik kan mijn woord gestand doen} het hangt van mij zelf af mij te beteren,quot;

Dan wierp hij een beteekenisvollen blik op zijn overste en sprak ; Gij zijt al te goed voor mi| kolonel I Het vertrouwen, dat gij in Cambronne stelt, geeft hem moed en kracht.

Ik geef mij gewonnen. God hoort ons.

En zijn stem verheffend voegde hij er bij:

— „Ik Cambronne, zweer, dat nooit een drup' pel sterken drank mijn lippen meer zal raken.quot;

Dan ziet hij met een overwinnenden blik zija kolonel aan en zegt:

ocr page 98

96

„Zijt gij tevreden, kolonel ?quot;

— Ja, vriend ! antwoordde deze, geheel bewogen ,en verheugd over hetgeen hij hoorde. Gij hebt eene groote overwinning behaald; want hij die zich verbindt zijn gebreken te bestrijden, heeft ze reeds overwonnen-

Van nu af zijt gij vrij. Wees een goed soldaat en gebruik het leven, dat ik u heden schenk, ten dienste van uw vaderland 1quot;

Gij weet al, kinderen, dat Cambronne den volgenden dag zijn dienst hervatte en gij weet ook ,jdat hij zijn gegeven woord heeft gestand gedaan Welk besluit uit dit verhaal te maken ? Ik heb het u in 't begin gezegd, vergeet het niet.

Neen, neen, wie gij ook moogt wezen, uw gebrek is niet zoo ingeworteld als dat van Cambronne Uw wil heeft niet zoo dikwijls als de zijne schipbreuk geleden op het verlangen, om zich te beteren. Toch heeft hij zich zelf overwonnen; zoudt gij dan ook u zeiven niet kunnen overwinnen ? Slechts de eerste stap kost moeite, het voorbeeld van Cambronne heeft het u bewezen 1 Is eenmaal uw besluit ernstig genomen, dan is de zaak klaar, dan schrikt men voor geen enkel offer meer terug.

ocr page 99

97

III.

Gij moet aan het verbeteren uwer gebreken arbeiden met volharding.

Moed en kracht zijn in den oorlog noodig, maar zij zijn niet voldoende.

Ik zeg niet genoeg: moed en kracht zijn bijna nutteloos, als er geen volharding bij komt. Ongetwijfeld hebt gij in de geschiedenis van Griekenland het verhaal gelezen van den beroemden oorlog van Troje, welke gevoerd is 1200 jaar vóór de komst van Christus, 't Is een der merkwaardigste episoden uit de geschiedenis der oude wereld, een der schoonste heldendaden uit de militaire jaarboeken.

Menelaus, koning van Sparta, was beleedigd door den zoon van Priam, koning van Troje. Alle vorsten van Griekenland hadden zich onder eed verbonden, dit ongelijk te wreken; zij staken met een ontzaglijke vloot de zee over en sloegen het beleg voor de stad Troje.

Het is hier de plaats niet, u de verschillende krijgsverrichtingen uit dezen beroemden oorlog in het breede te verhalen. Het zou mij te ver voeren u de stormen te beschrijven, waarmede de vereenigde vloot heeft te kampen gehad, het verschil, dat er rees tusschen Agamemnon en den zoon van Peleus,

7

ocr page 100

98

de heldenfeiten van Hector, den dood van Perocles, de listen van Paris, de wraak van Achilles, zijn dood, den strijd tusschen Ulysses en Ajax over de wapenen van dezen held, de wanhoop van Telamons zoon, den intocht van het houten paard binnen de muren van Troje, het verraad van Sinon, en eindelijk de rampen, welke over de stad van Priam in dezen oorlog kwamen.

Nog eens, het zou mij te ver voeren, al deze heldenfeiten, door de geschiedenis vermeld en door de fabel vergroot u te verhalen. Gij kent ze even goed als ik, en daarbij, ze hebben met onze stof weinig te maken.

Het zij voldoende, u in het geheugen terug te roepen, dat van beide zijden gedurende 10 jaren wonderen van moed werden gewrocht. De bevelhebbers wedijverden met elkaar in stoutmoedigheid en dapperheid.

Nu eens behielden de Grieken, dan weder de Trojanen de overwinning. Eindelijk na veel strijd werd de stad Troje overmeesterd en in brand gestoken, en de Grieken konden als overwinnaars hun onsterfelijken triomf in de jaarboeken der historie opteekenen.

De Grieken overwonnen 1 Maar weet gij waardoor? Gij meent misschien, dat zij hunne overwinning te danken hadden aan hunne dapperheid, aan de heldendaden van Achilles, aan de onversaagdheid van Agamemnon, aan de list van Ulysses. Zeker,, dit alles heeft er veel toe bijgedragen; maar dat

ocr page 101

QQ

■was niet de voornaamste oorzaak der overwinning; de groote oorzaak was de volharding. Vergeefs zouden deze dappere strijders hun vaderland hebben verlaten, vergeefs winden en stormen hebben getrotseerd, vergeefs de oversaagdste dapperheid hebben aan den dag gelegd, vergeefs hadden de aanvoerders duizendmaal den dood tegemoet gesneld en hun leven ten offer gebracht; al die offers, die dapperheid, die heldhaftige onverschrokkenheid, al dat vergoten bloed, alles was vergeefs geweest, indien zij na negen jaren van strijd zonder goed gevolg den oorlog hadden gestaakt en den eed hadden vergeten door hen gezworen vóórdat zij Griekenland verlieten; „de wapenen niet te zullen neerleggen, voor dat de Trojanen overwonnen waren.quot;

De volharding bezorgde hun de overwinning.

Omdat ik een voorbeeld in de krijgsboeken uit de vorige eeuwen heb gaan zoeken, moet gij niet denken, dierbare kinderen, dat in onzen tijd de volharding niet meer heeft meegeteld bij den uitslag der oorlogen Wat voor 3000 jaar waar was, is heden nog waar. De ondervinding heeft he: geleerd. Gij weet, hoe voor eenige jaren een vreeselijke oorlog er het welsprekendste bewijs van gaf. Ik wilde u herinneren aan den Krimoorlog in het Oosten, waarvan ik u vroeger heb gesproken. Deze herinnering komt hier des te beter te pas, omdat die oorlog is gevoerd op dezelfde plaats ongeveer, waar de heldendaden van Troje, waarvan ik u juist heb gesproken, zijn verricht.

ocr page 102

100

AI zijt gij nog klein, gij hebt ongetwijfeld verschillende daden uit dien oorlog hooren vertellen.

Indien ik niet vreesde wat wijdloopig te worden, zou ik er u meer van verhalen. Uit alle streken ran Frankrijk en van geheel Europa rezen als bij tooverslag ontelbare legers op, met de snelheid van den storm vlogen zij naar de stranden van den Bosphorus en taMjker werden de soldaten, naarmate de oorlog meer slachtoffers eischte. De Fransche soldaten en die hunner bondgenooten gaven achttien maanden lang bewijs van eene dapperheid en een moed, even zoo groot als die der vereenigde Grieken onder de muren van Troje : alle dagen maakten de dagbladen melding van nieuwe aanvallen, van nieuwe gevechten en van nieuwe heldendaden.

Nu gaven zij het verhaal van een treffen in het open veld, waar officieren en soldaten in koenheid wedijverden en waar allen als helden hadden gevochten ; dan weer een van het innemen eener sterkte met de bajonnet in de hand. Bovenal echter hadden de soldaten te strijden met tegenspoed, rampen en ongelukken van eiken aard: een onvruchtbaar land. een der hardste winters, regen, stormen, sneeuw en boven alles gebrek aan levensbehoeften j de pest, welke de gelederen dunde, een vijand, die hen altijd bestookte en eiken dag stoutmoediger werd; den dood welke hem eiken dag dreigde; — en niettemin behielden de Fransche wapenen de overwinning.

Maar denkt niet, dat het zoo zou zijn uitgeval-

ocr page 103

101

len zonder volharding. O zeker, indien reeds het gezicht van den Krim die kloeke soldaten met schrik had geslagen, indien na zooveel wonderen van dapperheid de koude en de besmetting hun den moed hadden ontnomen ; indien zij na al die geesels getrotseerd en het vuur des vijands ontkomen te zijn, vóór den laatsten aanval de wapenen hadden neergelegd, — dan was alles verloren geweest.

Nooit zou Frankrijk en zijn dappere bondgenooten de eer dezer onsterfelijke overwinning hebben in-geoogst.

En niet slechts zou de eer verloren zijn geweest, maar ook zoovele heldenfeiten, zooveel moed en dapperheid, zooveel vergoten bloed; — alles ware nutteloos geweest.

Nog eens dus de volharding en de volharding alléén, heeft het begonnen werk voltooid!

Doch het is genoeg, dierbare kinderen ; — het is tijd, om de gevolgtrekking te maken welke noodzakelijk uit de herinnering dezer oorlogen voor ons volgt. Ziehier:

Het verbeteren der gebreken is eene ware krijg-Wij hebben het zoo dikwijls herhaald en wij hebben het mijns inziens zoo duidelijk bewezen, dat het voor ons als een grondbeginsel moet vaststaan : Het verbeteren der gebreken is etn oorlog, een strijd. Is dit zoo, dan heeft men ook in dezen strijd volharding noodig, zonder welke de vaardigheid bij den aanval, de moed in het gevecht, de dapperheid en de heldhaftigheid bijna nutteloos zijn 1

ocr page 104

102

Maar laat u niet bedriegen, deze volharding is geen ijdel woord, zij legt strenge verplichtingen op.

1°. Zij verlangt, dat de jeugdige Christen, die besloten heeft, zijn fouten te verbeteren, alle dagen van het jaar werke aan die lange en gewichtige taak. Onder het vuur van den vijand mag niet uitgesteld noch gedraald worden; bange en lalfe soldaat I pas op, dat gij geen oogenblik rust neemt. Dan vindt gij den dood, ten minste de schande van een nederlaag de vernedering der gevangenschap! Bij het verbeteren der gebreken mag ook geen spraak zijn van vrede noch wapenstilstand. De studie heeft hare zondagen en uitspanningen, naar fle uitroeing der gebreken kent die niet.

2°. De volharding in den arbeid van het uitroeien der gebreken verplicht den jeugdigen Christen, altijd op zijne hoede te wezen. Een gebrek slaapt soms, maar een oogslag, een woord, een slechte ademtocht is soms voldoende, om het wakker te maken. Het is een vuur, dat onder bedriegelijke asch smeult; een zwakke tocht kan het aanblazen en de vlammen slaan weer uit de kolen, welke uitgedoofd schenen.

Vóór twee eeuwen werd de stad Breslau in Polen door de pest geteisterd, zesduizend menschen werden door de besmetting weggemaaid. Wat was het begin der pest geweest ? Een stuk linnen, dat toebehoord had aan een pestlijder, was bij ongeluk terecht gekomen op een schip, dat uit den Levant kwam. Dat linnen bleef veertien jaar ongebruikt

ocr page 105

103

liggen en het doodend vergif bleef opgesloten in de plooien van het stuk. Toevallig wordt het linnen uitgerold veertien jaren na de aankomst van dat schip. En zie, de pest brak uit en begon offers te eischen.

Hoe dikwijls is het gebeurd, dat een gebrek, hetwelk geheel vernietigd scheen in het hart van een kind, zich op eens begon te vertoonen, om in dat jeugdig hart even als de pest te Breslau verwoesting en dood te verspreiden.

3°. Eindelijk eischt de volharding, dat de jeugdige Christen nooit den moed verlieze en de wapenen nederlegge. Eens zag generaal Cambronne, wiens naam gij nu kent, zich door den vijand omsingeld bij een terugtocht, welken hij met den grootsten moed en met het meeste beleid uitvoerde.

Hij stond aan het hoofd der oude garde.

Geef u over ! riep men hem toe.

En het beroemd geworden antwoord was :

„De garde kan wel vallen, maar zich overgeven nooit 1quot;

Dit moet ook de spreuk zijn van een jeugdig Christen op het gezicht van zijn gebreken. Hij moet zich zelfs niet laten afschrikken door den val, dien hij van tijd tot tijd doet.

En deze volharding in weerwil van het vallen voert ons tot een nieuw hoofdstuk onzer verhandeling : het geduld bij het uitroeien der gebreken.

ocr page 106

104

IV.

Men moet aan het uitroeien zijner gebreken arbeiden met kalmte, zachtmoedigheid en geduld.

Weihoe ; dierbare lezers, is dat geen tegenspraak? Eerst zooveel bladzijden vol schrijven om te be-betoogen, dat men zijn gebreken moet bestrijden en verbeteren zonder uitstel, met kracht, moed en volharding — en dan komen vertellen dat die strijd moet gevoerd worden met kalmte, zachtmoedigheid en geduld. Is dat niet omverstooten, wat wij met zooveel moeite hebben opgebouwd ?

Neen, kinderen, volstrekt geen tegenspraak: die woorden zijn zeer goed met elkaar te vereenigen. Gij zoudt recht hebben, mij van tegenspraak te beschuldigen, indien moed en kracht alleen ont stonden uit eene oogenblikkelijke en ongeregelde opgewondenheid, indien de vaardigheid, welke geen oogenblik draalt of uitstelt, niets anders was dan een ondoordachte opwelling van het gevoel. Maar dat is niet zoo, de ware dapperheid, hoe koelbloedig zij ook wezen moge moet kalm zijn; tus-schen vaardigheid en plotselinge opwelling is een groote afstand, en zonder het geduld is de volharding een ijdel woord.

Ik herhaal het dus ; gij hebt bij het uitroeien uwer gebreken geduld, zachtmoedigheid en kalmte noodig.

ocr page 107

105

Kalmte om altijd meester te blijven van u-zelf, om vooruit te kunnen zien en na te denken, om met overleg te kunnen handelen ; zachtmoedigheid tegenover zich zelf, om niet in spijt en verontwaardiging te vervallen, wanneer de gebreken tf verrassen. Geduld, eindelijk, om gaarne of niet, den strijd vol te houden, zonder de wapenen neer te leggen.

Mochten deze woorden : zachtmoedigheid, kalmte en geduld u minder goed gekozen schijnen, dan zal ik ten overvloede mijne gedachte op een andere wijze uitdrukken. Ik zal u de woorden te lezen geven van een man, die in deze zaak alle gezag verdient: „Gij moet uwe gebreken bestrijden met eene verstandige toegevendheid.quot;

Let wel op : ik zeg niet alleen met toegevendheid \ want toegevendheid alléén zou den moed,-en de vaardigheid in het handelen, waarover wij hebben gesproken, verlammen ; maar ik zeg, met eene verstandige toegevendheid.

Immers de voorzichtigheid moet twee zaken met elkander verbinden, kracht en zachtheid moed en kalmte, volharding en geduld.

Hoevele kinderen, hoevele groote menschen hebben geen geduld genoeg bij het bestrijden hunner' gebreken en zijn bij gevolg niet verstandig toegs-vend jegens zich zelf? Zij zouden gaarne hebbenr-dat een eenvoudige begeerte van hunnen goeden wil of eene krachtige beweging huns harten machtig genoeg waren, om voor altoos de gebreken, welke'-'

ocr page 108

106

jzij in zich gevoelen, te vernietigen. Zij zouden willen, dat zij de macht hadden van den Engel xies doods, die volgens bevel van God — gelijk de H. Schrift verhaalt — zich in het ontzaggelijk leger van Holofemes vertoonde en in één enkelen pacht het grootste gedeelte der vijanden van Is-

•raël versloeg. Zij zouden willen.....maar die

wenschen dienen tot niets, die verlangens zijn piets meer dan hersenschimmen. Kinderen of men-«chen, gij, die zulke plannen vormt, gij kent de geheimen uws harten niet.

Ik las onlangs in de geschiedenis van Lodewijk .den Veertienden, dat een zijner hovelingen, de beleende d'Antin op zekeren dag een half wonder ,deed : de verbeelding weigert haast het te gelooven. Hij had op zijn trotsch kasteel Petit-Bourg, aan de oevers der Seine gelegen, een bezoek ontvangen van zijn vorst en koning. De koning wandelde des middags op het groote terras, waar men het schoonste gezicht had op de prachtige omstreken. Een breede weg voert den wandelaar naar beneden tot de oeveis der Seine, welke in de nabijheid zich voorikronkelt; oude populieren zoomen de boorden der rivier. Daar achter ziet men verschillende dorpen met hun torens en molens, gescheiden door heuvels, met eeuwenoude dennenbos-«chen begroeid. Met eenige woorden van bewondering gewaardigde Lodewijk XIV zich den gelukkigen bezitter, dien hij met zijn tegenwoordigheid vereerde, geluk te wenschen.

ocr page 109

107

Niettemin was zijn lofspraak niet zonder een Idein voorbehoud, „'t Is jammer — zeide hij — dat die laan van populieren het gezicht beneemt: ge kunt het water der rivier niet goed zien en dat zou een buitengewoon efFect maken bij de andere schoonheden, die men aanschouwt.quot;

Den volgenden morgen werd de koning uitge-noodigd, nog eens op het terras te komen. Gaarne -voldeed hij aan de uitnoodiging, zonder te denken aan de woorden die hij daags te voren had gebezigd.

En zie, zijn oog kon nu rusten op de stillle wateren der rivier, de laan van populieren was verdwenen. Wat was er dan gebeurd ?

Terwijl de koninklijke gast zacht te rusten ne-derlag in een der rijkste zalen van het paleis, had d'Antin den koning eene verassing bereid. Gedurende den nacht en den vroegen morgen had hij de oude boomen, welke het uitzicht benamen, laten uitroeien en op hunne plaats zag men smorgens de keurigste bloemperken van rozen en viooltjes.

Jeugdige lezers, past dit verhaal niet wonderschoon op de kinderen, welke in één oogwenk al hunne gebreken willen uitroeien. Arme kinderen hoe bedriegt gij u ! Wat d'Antin deed, komt hun • onmogelijk voor, en wat zij willen is nog duizendmaal meer onmogelijk.

Geloof mij, jeugdige vrienden, door de volharding en door de volharding alleen, door de geduldige volharding zult gij deze uitkomst verkrijgen.

ocr page 110

108

Uw geduld moet gelijk zijn aan een hefboom : hoe klein dit werktuig ook schijnen moge, hij wordt toch gebruikt, om de zwaarste massa's te verplaatsen: maar zie ook eens, hoe langzaam hij werkt en hoeaanhoudend.

Uw geduld moet gelijk zijn aan den waterdrup, die op den steen valt en na lang vallen er een. deuk in maakt.

Het moet zijn als de dauw, welke door hare langzame maar herhaalde bevochtiging de aarde vruchtbaar maakt, terwijl de stortregens alles verwoesten en vernielen.

Maar, zult gij zeggen, mijn gebreken doen mi) duizend fouten begaan; zonder ophouden val ik. Dat geloof ik wel; maar wel verre van daarin een reden te zien, het geduld op te geven, is dit een reden te meer, om geduldig te zijn. Gij moet handelen, gelijk de zoon van de Aarde, waarvan de Mythologie gewaagt. Deze moest strijden tegen een verschrikkelijken vijand, doch dat was voor hem niets ; want zoo dikwijls hij tegen de aarde werd geworpen, kreeg hij daaruit nieuwe krachten.

Uw vallen moet u den moed niet benemen, ia tegendeel dien vergrooten, het vallen moet in u het verlangen opwekken, ontslagen te worden van een tiran, onder wiens macht gij zucht. Indien gij in boeien geklonken zat, zoudt gij dan niet verlangen van die boeien ontslagen te worden?

Zijn uw gebreken geen boeien ?

Strijd, strijd altoos, mijn kind, zelfs al zoudt gij

ocr page 111

109

vele jaien vruchteloos uwe krachten moeten inspannen. Gij zegt misschien, dat er niets is, hetgeen u tegen uwe gebreken vrijwaart, geen voornemens, geen besluiten, geen berouw. Is de dag goed begonnen, toch zijt gij niet zeker, dat gij hem goed zult eindigen ; slaapt gij 's avonds met de beste voornemens in, de nacht zal ze misschien verdrijven.

Arm kind, gij geeft u aan droefheid over. Ik heb medelijden met u, maar ik bid u, verlies den moed niet, zet den strijd voort, geduld! op het einde zult gij de overwinning behalen. Gij moet aanhouden.

Ja zelfs, als gij aanhoudt, is het onmogelijk niet te zegepralen over uwe gebreken, gij mott overwinnen.

Hoevele kinderen hebben hiervan de gelukkige ondervinding opgedaan? Duizend voorbeelden zou ik u daarvan kunnen aanhalen •, laat mij er u eens een enkel van vertellen. Het gaat over een meisje van twaalf jaar, voor eenigen tijd overleden. Ik heb het zeer goed gekend.

Dit meisje kwam op een pensionaat en zag al ■spoedig in, dat zij zeer oploopend was en daardoor hare medeleerlingen hinderde. Zij ontving meermalen over dat gebrek eene berisping en besloot eindelijk, dat gebrek uit te roeien en een voorbeeld van zachtmoedigheid te worden. Helaas! toch gebeurde ook haar, wat zoo dikwijls met kinderen geschiedt. De omgang met de meisjes van harne

ocr page 112

110

leeftijd maakte haar niet zachtmoediger, maar nogquot; trotscher en driftiger, en zij viel nog meerdere-malen, dan toen zij thuis was. Het kind begreep echter het gevaar en liet zich den moed niet benemen. Ziehier, welken regel zij zich voorschreef.

Zoodra zij eenige fout had begaan, trachtte zij die oogenblikkelijk weder te herstellen, en daartoe had zij niet veel tijd noodig: heur goed hart verweet haar aanstonds de afwijkingen van haar karakter. Het is wel waar, dikwijls vergat zij zeer spoedig hare besluiten en beloften en herviel zij in hare oude driftigheid nu eens tegenover hare oversten, dan weder tegenover hare makkers; maar een nieuwe herstelling, nieuwe verwijten volgden ook dadelijk op hare bedrevene fouten. Op deze wijze bleef zij, zonder den moed op te geven, voortdurend bezig met het verbeteren van haar gebreken.

Eindelijk behaalde zij de overwinning en wel ia die mate, dat zij bij hare eerste H. Communie aan al hare medeleerlingen als een voorbeeld van zachtmoedigheid werd voorgesteld.

En ik voeg er bij: dat was zij ook inderdaad.

Moet ik hier nog bijvoegen, dat het noodzakelijk is, kamte en zachtmoedigheid te verbinden met de volharding in den strijd tegen de gebreken ^ Mag men dan geen spijt hebben over de fouten, welke ons zijn ontsnapt ? Moogt ge daar geen berouw over gevoelen ? Ja wel, dit alles is goed, nuttig en noodzakelijk. Dit is duidelijk voorge-

ocr page 113

Ill

schreven niet alleen door het Geloof, maar ook door het natuurlijk verstand. Doch gij moet niet overdrijven, de rede en het geloof willen, dat wij ons over onze fouten vernederen, dat wij er spijt over gevoelen, dat die spijt ons tot een oprecht berouw voere; maar de rede en het Geloof willen niets weten van verdrietigheid, opgewondenheid. En toch deze zijn de klip, waarop zij alle dagen verzeilen, die zich bovenmatig bedroeven en boos worden tegen zich zeiven, indien zij hervallen in een gebrek, dat zij vast besloten hadden uit te roeien^ In één woord: zij, die zich zeiven niet met kalmte en zachtmoedigheid behandelen, die niet de ver* standige toegevendheid bezitten, waarover wij hebben gesproken, loopen groot gevaar, dat zij hun doel niet bereiken.

Arme kinderen, indien gij behept zijt met deze opwellingen van verdrietigheid en verbittering na uwen val, dan richt ik tot u nog een vermanend woord neem dezen raad ter harte.

In plaats, dat deze opwellingen u zullen helpen in het bestrijden uwer gebreken, geven zij ze integendeel nieuw voedsel. Op die dagen, waarop gij deze opwellingen te ver hebt laten gaan, hebben ook juist uwe gebreken het meeste den baas gespeeld. Zoudt gij kokende melk, welke opbruist en dreigt over te koken, tot bedaren brengen kunnen met lawaai maken en hulp roepen of door het vuur nog aan te wakkeren ?

Daar komt nog bij, dat deze ontevredenheid en

ocr page 114

112

bitterheid geen andere bron hebben dan onze eigenliefde, die onrustig en bedroefd is over het zien van hare onvolmaaktheden en zwakheden. Zeg mij, heeft zulk een bron recht van bestaan ?

Bestraf u, indien gij aan uwe gebreken hebt toegegeven, best! dat vind ik zeer goed! ik zal u later daarover heel mijn gevoelen zeggen. Maar geen bitterheid, die niets anders is dan grilligheid van ons karakter, geen driftige beweging, alleen door onze neigingen afgemeten.

Een vader kan zijn kind gemakkelijker verbeteren door eene kalme en bedaarde vermaning, dan door eene harde en hevige bestraffing. Laten ook wij met ons eigen hart handelen als met een teer geliefd kind.

Heeft het hart misdaan, laten wij het met zachtmoedigheid vermanen, laat ons meer medelijden hebben met zijn zwakheid, dan vertoornd zijn over zijn val en laten wij het met zachtheid opwekken, om zich te verbeteren.

Dezen raad gaf een priester, een man van ondervinding, aan een zijner jeugdige vrienden.

Het was ook het gevoelen van Franciscus van Sales; „Ik voor mij,quot; — zoo schrijft hij ergens — „indien ik het besluit had gemaakt, nooit eenige zonde van ijdelheid te bedrijven en in weerwil daarvan toch nog al erg was hervallen, dan zou ik mijn hart met deze medelijdende woorden berispen : Welaan, mijn hart, daar zijn wij dan gestrand op eene klip, welke wij zoo vast besloten

ocr page 115

113

hadden, te vermijden. O, laten wij opstaan en nooit meer vallen; laat ons Gods Barmhartigheid aanroepen; laat ons hopen, dat Hij ons in de toekomst zal ondersteunen en laat ons terugkeeren tot het pad der nederigheid; houdt moed, God zal ons helpen, wij zullen een goede daad verrichten.quot;

Dat wil nu niet zeggen, dierbare kinderen, dat het verstandig zou zijn, het hart nooit eenig verwijt te doen en het nimmer met klem en strengheid aan te spreken, indien het voor deze zachte vermaning ongevoelig bleef. Maar ook dan, als gij het ernstig zoudt hebben berispt, ook dan zoudt gij het toch nog tot vertrouwen moeten opwekken en troosten. Nooit zoudt gij het onder den druk mogen laten van eene aandoening, waardoor het den moed zou verliezen.

Ziedaar mijn laatste woord over deze zaak.

V.

Wilt gij uwe gebreken overwinnen, dan moet gij ze een voor een aanvallen.

„Gij moet niet op twee hazen te gelijk jagen,quot; zegt een oud en zinrijk spreekwoord.

Weet gij, wat er zou gebeuren met een jager, die op loer lag bij de scheiding van twee wegen en daar twee hazen opwachtte ? Hij zou zich deerlijk bedrogen vinden. Let maar eens op. Terwijl

8

ocr page 116

114

hij met gespannen aandacht luistert en scherp voor zich uitkijkt, verschijnt er een haas rechts, een links ? Welken nemen ? Op welken schieten ? Hoe moet ik ze beide krijgen? Arme jager, terwijl gij aldus redeneert en uw hooft plaagt, zijn beide slachtoffers al verdwenen. Hij wil schieten, maar 't is te laat.

Al zijn moeite is verloren, tevergeefs heeft hij aangelegd; hij heeft alles verloren, omdat hij te veel heeft willen hebben.

Helaas, op hoevele andere personen dan jagers, op hoevele andere zaken dan hazen is dit oude spreekwoord van toepassing ? Mannen in de wereld, die alles te gelijk wilt hebben, fortuin, eer en geluk, antwoordt mij.

En gij, jeugdige scholieren, die meent kennis te kunnen opdoen en tevens u aan alle beuzelarijen over te geven, wat hebt gij nu op het einde des jaars? Antwoordt mij. Hebben de oogenblikken, welke gij aan de studie hebt onttrokken, om u te vermaken, hebben u die ware vreugde gebracht, hebben zij niet uw welslagen vernietigd ?

De deugd en bijgevolg de verbetering onzer gebreken, zonder welke zij niet mogelijk is, de deugd, zeg ik, krijgen wij niet gemakkelijker dan fortuin en wetenschap. Een jager, die al het wild van een bosch zou willen schieten, zou geen oogen en geen arm^n genoeg hebben, om zijn plan uit te voeren, en een kind, dat als bij tooverslag alle

ocr page 117

115

gebreken wilde uitroeien, zou zich deerlijk bedrogen zien.

Gij staat verbaasd over uwe zwakheid en uwe onmacht en gij zult den moed verliezen, indien gij alles in eens wilt aanpakken. Maar integendeel, wat een kracht, werkzaamheid en vermogen ontwikkelt hij, die de zaken één voor één onder handen neemt.

„Mijn zoon, sprak op zekeren dag een tachtigjarige werkman tot een zijner kinderen, aan wien hij de zorg zijner velden opdroeg, mijn zoon, bebouw dien akker.quot; Hat veld was buitengewoon uitgestrekt, de bodem was hard als steen, het onkruid tierde welig.

„Maar vader wat hebt gij u toch in het hoofd gezet ? Die arbeid is boven mijn krachten, zie toch eens wat een uitgestrektheid, dat krijg ik nooit gedaan 1quot;

De grijsaard wist, dat zijn zoon alles duister inzag en maakte van deze gdegenheid gebruik, om hem de les te lezen. Zonder op dat bezwaar te antwoorden, verdeelde hij zijnen akker in vele kleine perceelen, zoo klein, dat ze ieder in eene dag konden bewerkt worden. Den volgenden morgen ontbood hij zijn zoon en wees hem een dezer kleine perceelen aan.

„Mijn zoon, zeide hij, „ik ben van plan veranderd, ik wil u heel den akker niet laten bearbeiden. Neem slechts dat kleine plekje.quot;

vreugde nam de jongeling deze taak op

ocr page 118

116

zich; hij begon ijverig te werken en des avonds had hij zijn werk klaar.

Eenige dagen daarna ontbood de vader andermaal zijn zoon, verzocht hem een ander perceel op dezelfde wijze te bearbeiden — en de jongeling ging weer met denzelfden ijver aan het werk. Nog twee of driemaal werd die proef hervat. Zonder het bemerkt te hebben, had de jongeling heel den akker gereed. Nu was ook het oogenblik voor den vader gekomen, om zijn zoon de bepaalde les te geven. Dat deed hij ook.

Hij wandelde met hem naar den bebouwden akker en sprak: „Zie daar dien akker, hij is gezuiverd en bebouwd, dat is immers uw werk ? En toch voor enkele weken zeidet gij, dat het onmogelijk was dien klaar te krijgen. Wilt gij nu weten, waarom gij er zoo tegen opzaagt ? Gij wildet heel dat werk in één slag voltooien ; dat kon niet. Leer nu hieruit en onthoud het heel uw leven ; „'t Is een goede zaak, nooit iets te ondernemen, wat boven uw krachten is, maar ook de moeilijkheden van een plan niet af te meten volgens de eerste opvatting.quot;

Duizend zaken schijnen onmogelijk, onuitvoerbaar, indien gij ze in haar geheel beschouwt, doch zij worden gemakkelijk, als gij ze bij deelen neemt.

Dezelfde les werd voor vele eeuwen op misschien nog duidelijker wijs gegeven door een kluizenaar in Egypte. Een jongman ging hem bezoeken, om

ocr page 119

117

van hem te leeren, op welke wijze hij zijn gebreken moest verbeteren.

Hij gaf hem eenige wijze raadgevingen en toen hij bemerkte, dat de jongeling al zijn gebreken in eens wilde aanpakken, om ze te verbeteren, begon hij te lachen.

„Het verwondert mij niet,quot; zeide hij, „dat gij nog geen enkel gebrek hebt kunnen uitroeien.quot;

Dan gaf hij een wending aan het gesprek, alsof hij iets anders wilde vertellen, maar inderdaad, om de les duidelijker te maken,

„Mijn zoon, zegt de kluizenaar, ziet gij daar dien takkebos ? beproef eens, of gij dien kunt doorbreken.quot;

De jongeling beproefde het, maar het ging niet.

„Vader, zeide hij tot den grijsaard, dat gaat niet, dat is onmogelijk.quot;

„Dat geloof ik wel, mijn zoon, maar doe den band eens van den bos, neem de takken en houten één voor één en dan zal het gemakkelijk gaan. Zoo is het ook met uwe gebreken, voegde hij er met een ernstig gelaat en zachte woorden bij, alle te zamen kunt gij ze niet uitroeien, maar één voor één zeer gemakkelijk.quot; Is dat geen schoone uitlegging van een nuttige les?

Nog vele voorbeelden zou ik u kunnen aanhalen, jeugdige lezers, om mijne stelling te verdedigen. Eéne nog zij voldoende — een uit de Romeinsche geschiedenis, u allen misschien bekend: de strijd tusschen de Horatiërs en de Curiatiërs.

ocr page 120

118

Rome en Alba waren twee steden, welke beide naar het oppergebied dongen. Na vele gevechten tegen elkander, waarin de uitslag voor beide partijen zonder beslissing was gebleven, besloten zij den strijd door een tweegevecht te laten beslissen. Het ging over de heerschappij of de slavernij, over de glorie of de schande. Van weerszijde werden drie broeders uitgekozen : van den kant der Romeinen zouden de drie Horatiërs optreden, voor de Albanen de drie Curiatiërs.

Ik hoef u niet te zeggen, met welken moed de jeugdige strijders naar het strijdperk gingen en met welke spanning de .beide legers het oog op de jeugdige helden gericht hielden. Het eerste treffen was verschrikkelijk, en moorddadig. Twee Romeinen vielen dood neer, de drie Albanen waren gewond, hun bloed stroomde.

Dit behoort nu tot de geschiedenis, maar niet tot onze stof. Wat nu volgt, gaat ons aan.

Een Horatiër is ongedeerd ; hij heeft het lot van zijn vaderland in handen, wat zal hij doen ? Hij is niet gewond, elk zijner vijanden afzonderlijk is niet tegen hem opgewassen, maar hij heeft er nog drie voor zich. Valt hij hen tegelijk aan, dan zal hij door twee worden neergehouwen, als hij er eenen aanvalt. Het leger der Romeinen heeft dat vreeselijk gevaar begrepen en zij houden zich verzekerd, dat het met hun vrijheid gedaan is.

Op eens, daar schiet den Horatiër als een lichtstraal een gedachte te binnen. Hij neemt de vlucht.

ocr page 121

119

Wacht eens even, jeugdige lezers, beschuldigt hem nu niet van lafheid; zijn vluchten is maar geveinsd, dat is een krijgslist.

Vol moed, als de Curiatiërs nog zijn, vergeten zij een oogenblik hunne wonden en zetten den Horatiër achterna, maar de eene is zwaarder gewond dan de andere en ze kunnen elkander niet bijhouden.Weldra is de eene ver voor den andere en de derde komt nog een end achterna. Dat heeft de Horatiër wel gemerkt, zijn list is gelukt. Zijn vijanden zijn verdeeld, dat moest hij juist hebben. Nu is hij zeker van de overwinning. Op eens keert hij zich om, staakt de vlucht en valt zijn vijanden met kracht aan. Voor dat de eerste zich in tegenweer heeft kunnen stellen, ligt hij al dood ter aarde. Vergeefs roepen de Sabijnen de twee overige Curiatiërs toe, dat zij elkander moeten helpen en verdedigen : de tweede ondergaat hetzelfde lot als de eerste en reeds heeft de Horatiër zijn zwaard opgeheven boven het derde slachtoffer, dat uitgeput door bloedverlies, nauwelijks de wapenen kan dragen.

Een overwinningskreet weerklinkt in het leger der Romeinen. Zij wenschten den jeugdigen strijder geluk, omdat hij de kunst heeft verstaan: „Om sterkere vijanden te overwinnen, moet gij hun krachten verdeelen.quot;

Dat is alles goed en wel, zult gij zeggen, maar als ik mijn gebreken één voor één moet aanvallen.

ocr page 122

120

dan zal de oorlog, de strijd lang duren, daar zal geen einde aankomen.

Ik geef 't u toe; op deze wijze zult gij niet zoo-spoedig vooruitgaan, maar wel met meer zekerheid, want zonder groote moeite gaat het zoo veel beter.

Nog meer, ge moet niet gelooven, dat het verbeteren van een gebrek het werk is van een oogenblik van goeden wil.

Thomas k Kempis zegt ergens. „O wat zoudt gij gelukkig zijn, indien gij na een strijd en na inspanning van een heel jaar, een enkel uwer gebreken zoudt uitgeroeid hebben.quot; En gij ziet wel, dat de godvruchtige schrijver alsdan zeer tevreden zou zijn.

Ik ken u, j.I. en ook ik zou geheel en al aan den goeden uitslag wanhopen, als ik geen 365 dagen voor u zag, om dat goede einde te bereiken.

Ik zal zelfs het getal verdubbelen en verdriedubbelen als het zijn moet: alle drie jaren een gebrek.

Ja, als uwe moeder elke twee, elke drie jaren kon zeggen: „Mijn zoon, mijne dochter heeft een gebrek minder,quot; al zoudt gij dan ook vele gebreken hebben, gij zoudt spoedig een volmaaktheid in het klein wezen.

VI

Bij het bestrijden uwer gebreken moet gij met uw hoofdgebrek beginnen.

Hebt gij niet in de bijbelsche geschiedenis ge-

ocr page 123

121

lezen, dat onder de regeering van den goddeloozen Achab, de veldoversten der Syriers, die met hem in oorlog waren, aan de soldaten in last hadden gegeven, alle pijlen op Achab alleen te richten?

Hebt gïj niet in de Romeinsche geschiedenis gelezen, dat weleer de zwaardvechters in het strij-perk altoos het wilste dier het eerste aantastten ?

En op de eerste bladzijde der geschiedenis van Frankrijk, hebt gij daar nooit gelezen, dat Pepijn de Korte eens een Numidischen leeuw en een wilden stier ontmoette? Eerst velde hij den woudkoning neder en toen stiet hij den stier zijn degen in het lichaam.

Waar dwaalt gij heen ? Hoor ik u zeggen, Ik dwaal niet af, lezer, hier moet ik juist zijn. Al deze verhalen zijn niets dan gelijkenissen, om u te bewijzen, dat het voor een ieder noodzakelijk is, eerst, vóór alle andere het hoofdgebrek te bestrijden.

Meer zeg ik er niet van, wat een hoofdgebrek is, dat weet gij.

ocr page 124

BIJVOEGSEL

Neemt mij niet kwalijk, jeugdige lezers, dat ik nog eenige oogenblikken uwe aandacht verzoek bij eene stof, waarover ik u reeds zoo breedvoerig heb onderhouden.

Ik meende te eindigen, maar ik zie, dat ik vele zaken en wel van het grootste belang heb overgeslagen.

Moet ik deze nu laten rusten, moet ik daar geheel over zwijgen ?

Dat kan ik van mijn hart niet verkrijgen. Het js mij onmogelijk, in dit onderhoud halverwege te blijven zitten; ik wil het heelemaal afhandelen.

Welnu, is alles, wat gij in dit bijvoegsel vindt, -van het grootste belang, dan hoop ik ook, dat gij .er heel uwe aandacht aan wijden zult.

Ziehier, waarover ik u in dit bijvoegsel wil on-.derhouden;

Twee onfeilbare middelen, om in den strijd tegen jde gebreken te slagen, dat wil zeggen; om zijn gebreken te verbeteren.

ocr page 125

123

Eerste onfeilbaar middel.

Zich rekenschap geven van zijn nederlagen en zijn overwinningen.

1.

Wat beteekenen die woorden ? Let op, kinderen, ik zeg niet: zich rekenschap geven van zijne gebreken. Ik veronderstel, dat iedereen uwer de zijne kent* Ik heb ook vroeger duidelijk genoeg gezegd, dat een enkele nauwkeurige oogslag op uw gedrag voldoende is, om uw gebreken te kennen.

Het gaat hier over iets meer. Wanneer ik een of ander gebrek, bijvoorbeeld, mijn traagheid, mijn ongehoorzaamheid, mijn jaloerschheid zeer goed ken, wat weet ik dan eigenlijk ? Niet genoeg 1 — Wat moet ik dan eigenlijk weten ? Of dit gebrek in mijn hart nog steeds toeneemt of wel afneemt. Dit is nu de beteekenis der woorden : Zich rekenschap geven van zijn nederlagen en zijn overwinningen.

o.

— Mijn hemel 1 — zoo hoor ik u zeggen — moet ik dan altijd op al mijn daden letten en onafgebroken naar mijn gebreken kijken ?

Ja, mijn kind. —

ocr page 126

124

— Maar dat is moeielijk.

— Och, neen, een weinigje goede wil is al genoeg,

— Maar 't is zoo vervelend.

— Integendeel, 't is juist de manier, om gelukkig te worden.

Weet gij, waarom er zoovele ongelukkige men-schen in de wereld zijn ? Waarom zij zoo vele vijanden hebben ?

Omdat zij, in plaats van te kijken naar eigen gebreken, hunne oogen daarvoor sluiten en integendeel altoos hun oogen gericht hebben op de gebreken van anderen. — Blind voor eigen gebreken, bespeuren zij er geen in hun eigen hart — maar met argusoogen bekijken zij een ander en kunnen bij hem niets door de vingers zien.

Maar daar volgt ook natuurlijk uit, dat iedereen op hen let en hen met minachting behandeltr Arme dwazen ! zij willen niet inzien, dat Onze lieve Heer hen zeer nauwkeurig heeft afgeschilderd, toen Hij sprak: „Ongelukkige, die een splinter ziet in het oog van zijn broeder en verzuimt, den balk uit zijn eigen oog te verwijdereu 1 Moest hij niet beginnen, met den balk uit zijn eigen oog weg te nemen ?

3.

Maar op welke wijze moet dat geschieden ; Zicb zelf rekenschap geven van zijn gebreken ?

Ik heb een jongetje gekend van dertien jarenr

ocr page 127

125

lt;lie op een kostschool als voorbeeld van alle medeleerlingen werd voorgesteld. Hij was drie jaar op school. Toen hij aankwam, was hij volstrekt geen toonbeeld van deugd, daar scheelde veel aan. Hij was zoo driftig, dat hij bij de minste tegenspraak opstoof, en daarbij was hij een trotsch ■en eigenzinnig kereltje. Geen wonder, dat hij menigmaal door zijn overste werd onder handen genomen.

Daar nadert de tijd van voorbereiding tot de «erste H. Communie. Nu ziet hij levendig in, dat hij veel verandering in zijn gedrag moet maken, om zulk een verheven Sacrament op waardige wijze te mogen ontvangen. Geen offer was meer te zwaar, om zijne gebreken uit te roeien. En inderdaad hij bereikte zijn doel: hij overwon zijn gebreken. Maar welk middel nam hij te baat ? Eiken dag schreef hij het getal op der fouten, welke hij beging en telde die bij elkaar, en dat hield hij standvastig vol. Wanneer hij dan eiken avond en op het einde der week het groote getal van zijn fouten onder de oogen kreeg, dan vernederde hij zich diep voor God, doch verloor den moed niet. Langzamerhand verminderden zijn fouten en eindelijk beging hij er geen meer.

Deze knaap had reeds in zijne jeugd het groot geheim begrepen, dat de kennis van zich-zelf de eerste schrede op het pad der volmaaktheid is. De kennis van dit geheim heeft zoovele jeugdige Hteiligen, die U als toonbeelden worden voorge-

ocr page 128

126

steld, gevormd. Door deze kennis bereikten Alo-ysius van Gonzagua, Joannes Bergmans en vele anderen de verhevenste heiligheid.

Ook zij hadden in de jeugd hun gebreken, maar zij deden hun best, om ze uit te roeien : en om dat doel te bereiken hebben allen hun toevlucht genomen tot een onafgebroken onderzoek van zich-zelf.

4.

Wilt gij nu eenige uitwendige middelen leeren kennen, om dit onderzoek nauwkeurig te verrichten en uw rekening zorgvuldig op te maken ?

Let dan maar op.

Het aHnteekenboekje

Gij kunt nemen een klein boekje en daarin aanteekenen, hoe dikwijls gij u door uw gebreken laat overwinnen.

Neem bijvoorbeeld de leugentaal. Verondersteld, gij hebt een leelijke gewoonte van tegen de waarheid te spreken. Zoodra gij gedurende den dag u aan leugentaal schuldig maakt, teekent gij het, zoo mogelijk, dadelijk in uw boekje, dat gij bij u draagt, zorgvuldig aan. Des avonds, voordat gij u te rusten begeeft, telt gij bij elkaar, hoe dikwijls gij gevallen zijt en vergelijkt dat getal met de getallen der vorige dagen.

ocr page 129

127

Ziet gij nu, dat het getal kleiner wordt, bedankf dan God, de H. Maagd, uwen H. Engelbewaarder' en uwe H. Patronen voor den verleenden bijstand in het bestrijden uwer gebreken, Is het getal echtef grooter geworden, vraag dan God ootmoedig vergeving. — Later zal ik u zeggen, wat gij nog meer moet doen.

De knikkers.

De uitvinder van het middel, dat ik thans aaff de hand geef, is een Parijzenaar, die in 1852 ter katechismus ging bij den Weleerw. Heer Carron in de parochiekerk van den H. Andreas.

Even als de Hollandsche jongens was hij een liefhebber van het knikkerspel.

Zijn trek tot het spel was echter niet zoo groot als zijn trek tot ongehoorzaamheid. Op zekeren dag had zijn geestelijke leeraar een onderricht gegeven over het bestrijden der gebreken en de middelen,welke daartoe moeten worden aangewend/

Nu dacht de knaap, niets beter te kunnen doen, dan zijn ne ging voor knikkers dienstbaar te maken aan het uitroeien van zijn ongehoorzaamheid.

Te dien einde plaatste hij in een donkeren hoefc van zijn kamertje een doos. Hij had altijd een* heele partij knikkers in zijn zak, en zoo dikwijls hij nu onverhoeds in ongehoorzaamheid was hervallen, bracht hij een knikker in de doos. Op het einde van de maand ging hij tellen en schreef

ocr page 130

128

.dat getal op. Nu kon hij elke maand zien, of hij voor of achteruit ging. Ik ken zijn rekening: gij zult er van verschrikken, maar tevens ook door bemoedigd worden. Op het einde der eerste maand waren er in zijn doos — 188 knikkers. Veel, niet waar ? Maar toch, deelt het getal eens door 30, dan krijgt gij toch nog geen zeven ongehoorzaamheden per dag. Dat is natuurlijk nog veel: maar kent gij geen kinderen, die zich op eenen dag meer dan zevenmaal schuldig maken ?

Welnu, die redeneeringen doen hier weinig ter zake. Zeker is het, dat het middel van dezen knaap doeltreffend is.

Ik weet niet, wat er verder van dezen ijverigen jongen geworden is. Dit is echter niet te betwijfelen, dat hij zijn gebrek heeft uitgeroeid, indien hij heeft volgehouden, dit middel aan te wenden.

Het zakje.

De Weleerw. Heer Garron, van wien ik u boven sprak, hield veel van kinderen en was niet tevre-„den, zijn leerlingen de lessen van den katechismus uit te leggen, re-aar beijverde zich ook op de harten der kinderen tot deugd te vormen. Hij had onder zijn leerlingen een anderen jongen, die een nog schooner middel uitvond. Bij een nauwkeurig onderzoek bemerkte deze jeugdige held, dat hij ..too wat zeven gebreken had, het eene wat sterker, 4iet andere wat zwakker. Dat getal, zoo dacht hij

ocr page 131

129

kwam schoon overeen met de zeven dagen van de week en dit bracht hem op de volgende gedachte. Hij liet zijne moeder een zakje maken van zwart linnen. Toen nam hij zeven papieitjes en schreef op elk papiertje den naam van één zijner gebreken : gramschap, gulzigheid, ongehoorzaamheid, enz. — Dit zakje moest natuurlijk dienen, om de zeven papiertjes te bevatten en de zwarte kleur van het zakje moest hem herrinneren, hoe afschuwelijk zijn gebreken waren, die in het zakje zaten, Maar dat is nog maar de helft der uitvinding. Eiken morgen trok hij, als bij het lot, een briefje uit het zakje en het gebrek, dat op het getrokken papiertje stond, moest dien dag worden bestreden. Zoo kreeg e'k gebrek een afzonderlijken dag der week zijn beurt. Nadat hij vier of vijf weken die proef had herhaald, was de knaap een heel andere jongen geworden.

Ik twijfel er niet aan, of deze brave jongen zal zijn gebreken spoedig meester zijn geweest.

Besluit.

Welk is nu het beste van deze drie middelen ? Ik kan er weinig van zeggen; alle drie zijn zij goed. Maar toch wenschte ik er eenige opmerkingen bij te voegen. Het aanteekenboekje is misschien het natuurlijkste^ het eenvoudigste en het gemakkelijkste; nog meer, het is het oudste. In vele pensionaten en opvoedingsgestichten is bet gebruik

9

ocr page 132

130

van het kleine aanteekenboekje goed bekend en wordt het veelvuldig aangewend vooral door de kinderen, welke zich tot de eerste H. Communie voorbereiden. Vele kinderen hebben hieraan de deugd te danken, welke op lateren leeftijd hun hart versierde.

Ik kan er nog bijvoegen, dat dit middel niet slechts voor kinderen wordt aangeprezen, maar dat de grootste meesters van het geestelijk leven dit middel hebben aangeraden aan piiesters en religieuzen, ja aan allen, die zich op het bestrijden hnnner gebreken en driften toeleggen.

De doos met knikkers kan hare moeielijkheden opleveren. De vrees, dat het getal der knikkers te groot zal worden, kan sommige kinderen terughouden, om goed te letten op de hervallen in hunne gebreken. Zij zijn bang, dat zij er nieuwe bij moeten voegen. Dat zou ongetwijfeld een zeer grootè fout zijn ; maar tot hoeveel andere verkeerde dingen zijn wij, zwakke menschen, niet in staat!

Om dat te voorkomen zou ik niet een heele maand wachten met het tellen van de knikkers ; ik zdu ze elke drie dagen of elke week tellenV Mij dunkt det het ook beter zou zijn, twee dooien te nemen. De eene doos zou ik zwart laten maken en daarin zou ik een knikker werpen, als ik een f©ut had begaan, en ia de tweede, die ik wit zou laten verven, zou ik een knikker werpen, als ik ee» overwinning had bèhaald. -Eiken avond of QttH, den anderen dag zou ik de knikkers van

ocr page 133

131

beide doozen tellen. Dan ware het zeer gemakkelijk uit te rekenen, hoeveel fouten ik had begaan en hoeveel overwinningen ik had behaald. Natuurlijk zouden er in het begin meer knikkers in de zwarte dan in de witte doos komen. Ten laatste zou de zwarte doos ledig blijven. Dat zou de volledige triomf over een gebrek zijn.

Wat de briejjes uit het zwarte zakje betreft; hier moet gij vooral goed kijken, of er geen gat in is; want als de briefjes er uit vielen, en weg raakten, dan zoudt gij uw doel niet bereiken. Vooral moet gij zorgen, dat er geen scheur in uw hart is, kinderen, dat wil zeggen, dat uw goede wil edelmoedig eu tot alles bereid moet zijn.

Maar met hoeveel nauwkeurigheid dit middel ook gebezigd moge worden, ik vrees dat er zich bij het gebruik daarvan groote moeilijkheden zullen voordoen. Eiken dag een ander gebrek onderhanden nemen, zonder dat het voorgaande overwonnen is, moet in strijd zijn met den regel der krijgskunst, in het vorig Hoofdstuk gesteld ; „Men moet zijn gebreken één voor één bestrijdenquot;. Waarom deze laatste uitvinding niet ^ Waaromniet

één briefje getrokken en dan dat briefje gebruikt als wapen in den strijd, totdat de vijand, of wat hetzelfde is, totdat het gebrek t?frslagen of ten minste dikwijls ^slagen is. Op deze wijze zou dan het zakje 14 dsgen, een maand, misschien 2 maanden buiten gebruik wowien gesteld. Gedu» rende dezen tijd zoudt gij uwe aanteekening ktia-

ocr page 134

132

nen maken op het getrokken briefje en op deze wijze zoudt gij 't eerste en het derde middel, samen verbinden, Het zou dan den naam kunnen dragen van aanieekening — briefjes — zakje.

Ik laat het aan u zelf over, jeugdige lezers, gij zijt in dit punt vindingrijker dan ik. Denkt zeiven maar eens na op eene verbetering dezer uitvindingen en tracht er wonderen mee te doen. Overigens beseft wel, dat in deze korte en vluchtige verhandeling een diepe les ten grondslag ligt te weten: „Gij moet trachten u-zelf rekenschap te geven van uwe verliezen en uwe overwinning in den strijd tegen uwe gebreken.quot;

Doet er uw nut mede.

Tweede onfeilbaar middel, om in den strijd,

tegen uwe gebreken de overwinning te behalen:

Zich eene boete opleggen als men bezweken is.

1

Zich zelf straf opleggen I Dierbare kinderen, gij zult eene verkeerde gedachte van mij krijgen, gij zult zeggen, dat ik veel te streng ben en veel te ver ga. Het is verregaande, zult g;j denken, zult een voorstel te doen en dat nog wel als opschrift boven het hoofdstuk te zetten.

Niettemin houd ik voet bij stuk, en ik herhaal

ocr page 135

133

het : zich eene boete opleggen, zoo dikwijls men is bezweken, is een onfeilbaar middel, om zich van zijn gebreken te beteren.

2

Waarom dan ? vraagt gij. Welnu, ziehier. Wij zijn zóó geschapen, dat al, wat ons moeite kost, ons ook treft en indruk op ons maakt. Wij zijn allemaal zoo geschapen, dat wij een zaak gemakkelijk achterwege laten, als wij er straf voor beloo-pen hebben.

„Een ezel stoot zich geen tweemaal aan denzelfden steen,quot; zegt een oud Hollandsch spreekwoord ; verstaat gij dat wel ?

Indien een ezel, die eigenlijk voor geen heel slim dier doorgaat, eenmaal zijn poot tegen een steen heeft gestooten, dan is hij in het vervolg zoo voorzichtig, dat hij zijn pooten hoog oplicht en zelfs een zeer klein keisteentje ontwijkt.

Menschen en kinderen, dat is ook de geschiedenis van ons allen. Alle vermaningen, alle lessen, alle woorden blijven zonder kracht, om ons van het kwaad af te houden ; maar moeten wij het met eene of andere straf boeten, dan zullen wij het niet licht bedrijven.

Deze toelichting is voldoende.

ocr page 136

134

3

Hoe kan men zich bestraffen, als men aan een gebrek heeft toegegeven.

Ik las onlangs de volgende korte geschiedenis, welke ons hier schoon te pas komt.

Een heer maakte op zekeren dag een kleine wandeling op het strand der zee. Daar stond eene hut. Hij trad die binnen.

Maar hoe verbaasd stond hij te kijken 1 die hut kreeg geen licht dan door de deur. Waren er dan geen ramen aan ?

Jawel, zelfs twee, welke uitzicht gaven op de zee; maar de vensterluiken waren van binnen zoo gesloten, dat zij niet meer kondèn geopend worden.

In den hoek bij den schoorsteen zat een grijsaard, die, aan zijn kleeding te zien, visscher was.

„Goede vriend, sprak de wandelaar, waarom zit gij toch zoo in het donker, waarom hebt gij die vensters gesloten en laat gij de stralen der zon niet doordringen in uwe woning? Waaiom ontneemt gij u het heerlijk uitzicht op de zee ?quot;

,,0 Mijnheerquot; antwoordde de grijsaard, uwe vraag herinnert mij aan zwaar leed en diepe smart. Om u een volledig antwoord op uwe vraag te geven, zou ik u heel mijn levensgeschiedenis moeten verhalen. — Ik zal mij echter bepalen tot een paar woorden. Gij ziet hiervoor u een man, die van

ocr page 137

135

zijn jeugd af vele jaren zijns levens op zee heeft doorgebracht. Ik heb de zee naar alle windstreken doorkruist, op zee varen was mijn leven ! Twintig jaren geleden, helaas! beleefde ik een vreeselijken storm. In een oogwenk zag ik zestig visschersbooten vergaan. Het scheelde zeer weinig, of ik was ook verdronken en ik zou als zoovele mijner buren en vrienden eene weduwe met weezen hebben achter gelaten, De herinnering aan dat ongeluk heeft mij zoo zeer aangegrepen, dat ik in weerwil van mijn passie voor de zee het besluit nam, nooit meer op de zee te gaan, opdat ik behouden zou blijven voor mijne vrouw en kinderen.

Ik ben altijd bij mijn besluit gebleven. Doch ik moest een sterk middel gebruiken, om standvastig te blijven. Zoo menigmaal ik door de ramen mijner hut de zee beschouwde, voelde ik het verlangen, om weer naar de zee te gaan en de golven in hare woede te trotseeren in mijn hart ontvlammen en ik besloot de ramen te sluiten.quot;

Hier zweeg de grijsaard.—

Bewondert gij in dezen man niet een vasten wil. Hij wilde niet bezwijken voor de aanlokselen van een oude gewoonte.

En daarom had hij het besluit genomen om alles onder zijne oogen te verwijderen, wat hem daaraan herrinneren kon. Hij had zich als straf opgelegd, nooit meer zijn oogen te werpen op het verradelijk element, dat hem kon verzwelgen en zijn vrouw en kinderen in ellende dompelen 1

ocr page 138

136

4

Waarom zou een kind zich een zelfde straf niet kannen opleggen en zich onttrekken aan de bekoring van een gebrek, waaronder het zoo menigmaal is bezweken ?

Een voorbeeld. Veronderstel, een knaapje gaat dikwijls naar den tuin spelen en wanneer dc kersen rijp zijn, kan hij de bekoring niet weerstaan, zijn handen naar de vrucht uit te steken en zich schuldig te maken aan diefstal en zinnelijkheid. — Is hij geheel alleen in de eetkamer, dan bezwaart hij zijn geweten met het wegnemen van suikergoed of aan andere snoeperijen. Wat moet hij nu doen, om dat gebrek af te leeren ? Hij moet nooit, zeker niet alléén, in den tuin gaan spelen onder dc kerseboomen en zeker niet alléén in de eetkamer komen.

Nog een voorbeeld, veronderstel, gij zijt in uwe studiejaren : de tijd van 't leeren en het afmaken uwer taak is daar. Gij wilt beginnen, maar zie, daar neemt gij eerst een leesboek, dat gij als uit-spanningslectuur van uwe ouders hebt gekregen en gij blijft geruimen tijd daarin zitten lezen. Uw •werk komt niet klaar, uwe lessen zijn niet geleerd. Dat gebeurt nu alle dagen.

Wat te doen ? Wel, uw leesboeken weg sluiten of ze aan uwe moeder geven met het verzoek ze niet terug te geven, vóór dat gij uwe opgelegde taak hebt volbracht.

ocr page 139

137

5

Zich onttrekken aan eene bekoring, welke aangenaam is en ons beva-k ; dat is het eerste middel, om zich te straffen, als men gevallen is en zich te wapenen tegen het hervallen.

Zijn er nog meer middelen ? In overvloed.

Ik heb eens hooren vertellen van een voerman, die een afschuwelijke gewoonte van vloeken had, dat zijn pastoor hem het volgende middel had voorgeschi even. Zoo dikwijls hem onderweg tegen zijne paarden of twistend met zijne makkers een vloek ontviel, moest hij een kiezelsteentje oprapen en in den zak steken. „Die steentjes, had de pastoor gezegd, moest hij tot 's avonds in den zak houden : die zak zal u wel zwaar worden ; doch wanneer gij dat voelt, dan zult gij toch ook wel eens beginnen te denken, dat ge toch op die wijze niet kunt blijven voortleven. Gij zult van zelftot het edelmoedig besluit komen, die kwade gewoonte, waarop alle vermaningen en woorden af stuiten, uit te roeien.quot;

De raad van den priester miste zijn doel niet; de voerman, die goedwillig maar zwak was, deed nauwkeurig, wat hem was voorgeschreven. De eerste dagen had hij zijne zakken vol steentjes.

Daar kwam nog bij, dat hij altijd geen kleine vinden kon en dat er dus van tijd tot tijd een groo-te in den zak moest. Ik kan u verzekeren, dat hij des anderen daags vurig verlangde, dat het'

ocr page 140

138

maar avond werd; want de last viel hem zwaar. Hij hield vol.

Langzamerhand en onwillekeurig hield hij de zondige woorden in, telkens wanneer een godslastering op de lippen kwam; en na eenigemaanden was hij genezen.

Toen hij den pastoor kwam bedanken voor zijnen goeden raad, en zijne genezing met vreugde bekend maken, zeide deze : „Gij moet mij niet bedanken maar u-zelf. Gij hebt zooveel moeite gehad, dat gij de straf hebt gedragen ; uwe volharding heeft u de overwinning bezorgd.quot;

Eens hoorde een priester aan boord van een schip, dat een jonge matroos onophoudelijk Gods heiligen Naam lasterde. Hij was geen slecht mensch, die O. L. Heer uit afkeer of haat lasterde, maar een zwakke jongen, die van zijn kameraden de zonde had geleerd. Op zekeren dag maakte de priester een praatje met hem en daar ontviel den matroos weer een godslastering. „Jongen, zeida hij, dat vloeken moest gij toch afleeren. Gij zijt katholiek, ik behoef u volstrekt niet te zeggen, hoe groot de zonde is, welke gij bedrijft en hoe zwaar de straf is waaraan gij u voor God schuldig maakt.quot; „Ach, mijnheer, was het antwoord, daar heb ik een gewoonte van en hoe gaarne ik het zou afleeren, ik kan het onmogelijk.quot;

„Welnu, dan zal ik u een gemakkelijk middel geven, om het af te leeren.quot;

„O, mijnheer, als 't u belieft. —quot;

ocr page 141

139

„Ja, maar volhouden.quot; —

„Ongetwijfeld.quot; —

„Zoo dikwijls u weer een godslastering ontsnapt, maakt gij met krijt een streep op de zwarte plank ■van uwe hut; 's-avonds telt gij de strepen en wist ze uit. Maar volhouden.quot;

„Akkoord, mijnheer.quot;

De matroos begon. Den eersten avond stonden vele witte strepen op de zwarte plank — den tweeden — derden avond weder. — „Jongen—zeide hij tot zich zelf, — dat kan toch zoo niet, dat getal is te groot!quot;

Hij hield aan — en na eenige weken was de matroos van zijne gewoonte genezen.

In het hospitaal werd een oude generaal verpleegd. Hij werd verzorgd door eene Liefdezuster. De man leed zwaar en bij eiken aanval van pijn liet hij zich een godslastering ontvallen. De zuster hoort het den eersten keer en springt verschrikt terug.

— Maar, mijnheer zegt zij, wat doet gij toch ?

— Dat is niets, zuster, zegt hij, ik heb verschrikkelijke pijn en die uitdrukking beteekent eenvoudig, dat ik vreeselijk lijd.

Een oogenblik daarna vloekt hij weer.

Ach, mijnheer ! zegt zij. Zulke woorden moest u niet spreken ; nooit heb ik zoo iets gehoord. Als u jdat niet laat, zal ik genoodzaakt zijn weg te gaan.

— Neen, zuster, blijf toch hier 1

ocr page 142

140

— Onder voorwaarde , dat gij niet meer die leelijke woorden zegt.

— Jawel, dat gaat zoo maar niet, het is een oude gewoonte uit mijn soldatenleven — dat kan ik niet laten.

— Met een klein weinigje goeden wil, generaal, kunt ge dat afleeren. Mag ik u daarin helpen?

— Zeer graag.

— Welnu, mijnheer, gij hebt vele rijksdaalders in uwe beurs die daar ligt, mag ik er één uitnemen voor de armen, zoo dikwijls u weer vloekt ?

— Dat doe maar gerust. (De generaal hechtte niet veel ernst aan die conditie.)

Eenige uren ging alles goed. Maar daar valt hem de jicht weer aan en de generaal begint te vloeken.

Nu bleef de zuster heel bedaard ; maar nam eenvoudig een rijksdaalder uit zijn beurs.

— Ho, zuster, wat doet gij daar ? zeide de generaal, alsof hij zijn woord vergeten was.

— Dat is volgens afspraak, hernam de zuster, elke godslastering kost u een rijksdaalder voor de armen. Een generaal moet zijn woord houden.

De generaal liet zijn hoofd zakken ; hij had de straf aangenomen en moest ook de gevolgen dragen.

Onder den indruk van deze eerste bestraffing verliepen er twee uren, zonder dat de generaal had gevloekt. Op eens daar ontvalt hem er weer een

De zuster ging weder bedaard naar de beursen nam weder een rijksdaalder.

ocr page 143

141

Om kort te gaan : de oude krijger lette nauwkeurig op zich-zelf; maar toch was hem de eerste dag op 20 gulden komen te staan. Des avonds vroeg de generaal om zijn beurs, telde zijn geld en kwam tot de bevinding, dat zijn vloeken veel te veel geld kostte en hij beloofde, den volgenden dag beter op te passen. Inderdaad er ontvielen er hem maar twee dien dag, daags daarna nog één en later gebeurde het nog eens een enkelen keer, doch bij zeldzame uitzondering.

Zou hij volhard hebben, zoodat hij na zijn genezing niet meer in zijn vroegere gewoonte herviel ?

Ik zou het u niet kunnen zeggen; dit is zeker, zoolang hij in het hospitaal verbleef, liet hij zich nooit meer een godslastering ontvallen. Dat is ook zeker, dat deze bestraffing der zuster eenen goeden invloed op zijn volgend leven zal hebben uitgeoefend en dat hij er nog dikwijls aan gedacht zal hebben.

Gewichtige bemerking.

Over de bestraffing, welke men zich bij het bestrijden zijner gebreken kan opleggen.

1

Zich eene boete opleggen is bij het bestrijdea zijner gebreken, gelijk wij gezien hebben, een uitmun-

ocr page 144

142

tend middel. Maar veronderstel nu eens, dat de boete niet baat of dat zij hare kracht verliest. Wat dan ?

Moet men dan daarmede ophouden ?

Volstrekt niet.

Indien de straf geen uitwerking heeft of hare kracht verliest, dan moet gij uwe toevlucht tot een ander middel nemen en wel zonder uitstel.

2

Dicht bij Freiburg in Zwitserland ligt een klooster der Carthuizers. Het draagt den naam van La part-Dieu (in 't Hollandsch: Gods deel.) Een enkel woord over zijne stichting. Dit klooster werd gesticht in 1307 door de Weduwe van Petrus III, graaf van Gruyères, of Greyerz. gt;Ik heb genoeg van mijn bezittingen aan de dwaasheden der wereld verspild, het is tijd God ook zijn aandeel te geven —quot; zeide zij en zij schonk een groot gedeelte harer bezittingen aan de zonen van den H. Bruno, de Carthuizers.

In dit klooster 1)41 leefde een monnik, die een harden strijd te voefen had tegen zijn slaperigheid. Volgens hunne regelen zingen de paters 's nachts om elf uur de getijden, en met den besten wil van dé wereld kon deze monnik niet op tijd uit zijn bed komen.

Al 'was hij dan wat slaperig, hij was goed werktuigkundige. Hij had er wel geen studie van

ocr page 145

143

gemaakt, maar door nadenken en lang arbeiden* had hij toch een nauwkeurig uurwerk gemaakt Aan het slagwerk had hij bij wijze van wekker een oude carillon met muziek verbonden en er dus een speelklok van gemaakt; om elf uur begon die wekker te spelen, doch dat hielp nog niet. Nu maakte hij op kunstige wijze boven op de klok een meerl en aan den eenen hoek plaatste hij een haan en aan den anderen een tamboer. Om ell uur begon alles geluid te geven, 't was een leven als een oordeel. Eenige nachten ging het goed. Maar jawel, korten tijd daarna, al maakte het carillon muziek, al zong de meerl, al kraaide de haan al tromde de tamboer.... de monnik sliep om elf uur gerust door, zonder iets te hooren.

Een ander zou den moed verliezen, de monnik niet. Hij maakte nu een slang en plaatste die onder zijn hoofd. Die slang had hij op een machientje geplaatst, dat om elf uur afliep en dan siste hem de slang in de ooien: „'t Is tijd; er uit!quot;

De slang werkte beter dan de meerl, de haan en de tamboer; doch zij bleven op hun post en wanneer de slang had gesproken, voerden ook zij toch steeds eiken nacht hun toeren uit. Wonder 1 de Garthuizer was eiken morgen op tijd in het koor.

Helaas, te midden zijner vreugde, komt hij tót een droevige ontdekking. Hij meende dat hij n^ar alleen slaperig was, maar nu kwatn hij tot d-e be^Üding, diit hij ook lui werd. Hij ontwaakte wèfemaarhij stond niet dadelijk op van zijn hard leger, hij bleef nog een

ocr page 146

144

nainuut liggen, sloot zijn oogen en sliep weer in.

Dat mocht zoo niet blijven. Hij zag, dat hij schuldig was en hij vernederde zich diep voor God en zijne medebroeders. Zijae kunst moest er iets anders op vinden.

Een zware plank werd zoo boven zijn bed geplaatst en gesteld, dat zij hem op zijne beenen moest vallen, tien seconden nadat de slang haren dienst had gedaan. En wat was het gevolg? Verschillende keeren kwam de pater met gekwetste beenen, kreupel in het koor aanhinken.

En nu, zoudt gij het kunnen gelooven ? hoe het kwam, weet ik niet: of de slang haar stem was verloren, of de plank niet meer viel. of zijn beenen verhard waren, of hij ze voor het vallen terug trok, dat is zeker, al de middelen hielpen niets meer. Hij zag zich gedwongen, een ander middel te baat te nemen. W at deed hij nu ? Eiken avond vóór dat hij zich te ruste legde, bond hij aan eiken arm «en touw en bevestigde deze aan een machien, en als de klok elf sloeg, werd hij zonder waarschuwen uit zijn bed getrokken en daar-lag hij dan midden in zijne cel.

Zoover was hij. God alleen weet, hoeveel andere plannen hij nog in zijn hoofd had, om zich uit het bed te krijgen, toen hij insliep voor eeuwig....

Insliep ! o neen, hij ontwaakte in eene betere wereld, waar hij niet meer behoefde te strijden tegen zijne ongelukkige gebreken. Daar had hij eene plaats verdiend voor den moed, waarmede

ocr page 147

145

hij altijd tegen zijne natuur had gevochten. Daar kreeg hij zijn loon voor den strijd tegen het gebrek, dat God in een zoo heilig man had toegelaten, om ons allen een stichtend voorbeeld ■en een nuttige les te geven.

3

Eene lange afwijking! hoor ik u zeggen, jeugdige lezers.

Gij werpt mij op; „Goed, wij hebben de les verstaan en begrijpen goed, wat gij wilt zeggen. Maar onder alle voorbeelden, welke gij hebt verhaald, is er geen enkel, dat op onze jaren betrekking heeft. Gij spreekt van groote menschen, maar wij kunnnen niet doen, wat zij deden. Wij kunnen evenals de generaal geen rijksdaalder geven, zoo dikwijls wij aan ons gebrek toegeven. Moeder zou vreemd opkijken, als ik altijd met den .zak vol keisteenen liep, gelijk uw voerman ! Wie onzer is zoo thuis in de werktuigkunde als de Carthuizer was ?

Gij hebt groot gelijk, kinderen; uwe bemerking is waar. Welnu, ik heb u eerst eens willen toonen, wat bejaarde menschen deden, om een gebrek te Terbeteren, dat zij oud hadden laten worden. Nu za.1 ik u eenige middelen voorhouden, welke gebruikt zijn door kinderen van uwen leeftijd. Ik zal u, om uw geheugen niet te overladen, maar drie voorbeelden geven. Daarbij, het komt allemaal op hetzelfde neêr.

10

ocr page 148

146

Alle drie de kinderen, over welke ik spreek^ hadden begrepen, dat het niet voldoende is, zijn gebreken te kennen en zich daar rekenschap van te geven. Zij zagen in, dat zij een middel moesten zoeken, om het hervallen in de gebreken te voorkomen en dat zij zich straf moesten opleggen, indien zij waren bezweken.

Ik heb een kind gekend, dat telkens als het zich aan leugentaal had schuldig gemaakt, dit aan hare moeder ging mededeelen en haar uitleg deed van de omstandigheden, waarmede hare fout was vergezeld gegaan.

Een brave jongen gebruikte 's middags niets dan droog brood, als hij zich in den voormiddag aan ongehoorzaamheid had schuldig gemaakt. En was hij gedurende heel den dag meer dan driemaal ongehoorzaam geweest, dan ging hij met droog brood naar bed.

Een derde was zeer oploopend en driftig. Had hij zich te huis of bij het spel tegenover zijne kameraden driftig gemaakt, dan nam hij onder den volgenden speeltijd zijn studieboek en ging piet spelen, ofwel hij zette zich op de knieën en bad een Rozenhoedje.

4.

Zijt gij nu voldaan, kleine lezers ? Bevallen u deze maatregelen beter ? Deze zijn toch niet boven uwe krachten.

ocr page 149

147

Wat anderen vermochten, dat kunt gij toch ook.

Werpt gij mij op, dat die straffen wel wat rwaar zijn ? Welnu dat zal ik u toegeven ; maar ik kan u tevens verzekeren, dat het onfeilbare middelen zijn, om u te beteren. Neemt er de proef van en gij zult mij gelijk geven.

Verlangt gij nog meer middelen; om des te gemakkelijker een keuze te doen ?

Welnu, ik zal nog even uitpakken.

Zijt gij zinnelijk in eten en drinken, geeft dan een gedeelte van uw boterhammen aan een arm kind, zoo dikwijls gij in uw gebrek hervalt. Zijt gij snoepachtig, geeft dan de centen, welke gij van tijd tot tijd krijgt, aan den arme, zoo dikwijls gij u aan snoeplust schuldig maakt.

Zijt gij driftig en oploopend, houdt dan op met spelen en verwijdert u, zoodra gij bemerkt, dat gij u weder aan oploopendheid hebt schuldig gemaakt.

Zijt gij jaloersch, bewijst dan een liefdedienst aan het kind. dat gij hebt benijd, of bidt eens hartelijk een schietgebed voor hem.

Bij het verbeteren uwer gebreken, onverschillig welke, kan ook vooral dit middel te pas komen, te weten : u eenige gebeden als penitentie op te leggen.

Zijt gij bijvoorbeeld hoovaardig geweest, stelt daarop als boete; voor eiken misstap 5 maal het Onze Vader op uwe kn eën te bidden vóór dat gij gaat slapen.

ocr page 150

148

Dan zal dit gebed u niet alleen tot sraf dienen, maar ook de hulp verkrijgen van O. L. Heer, zonder wiens bijstand wij nooit over onze gebreken zullen zegepralen.

Over het gebed later nog een enkel woord.

Ben gewichtige vraag.

Moet een kind zijne ouders en oversten raadplegen bij het bestrijden der gebreken en het opleggen der boete ?

Zeker, kinderen, gij moet uw hart blootleggen aan uwe ouders en oversten. Dat heb ik vroeger al eens te kennen gegeven en hier herhaal ik het roeer uitvoerig.

Waarom moet gij dat doen ? Uwe ouders en oversten kennen u en houden veel van u. Dit zijn twee voorwaarden welke noodzakelijk zijn, om u te helpen in het bestrijden uwer gebreken. Die u niet kennen, kunnen u niet helpen. Ouders en Oversten kennen en beminnen u. Zij zijn dus de aangewezene personen, om u te hulp te komen.

De H. Aloysius van Gonzaga bevond zich met zijn vader, den markies in het legerkamp. Hij had daar van de soldaten eenige ruwe woorden geleerd, welke met zijn zacht onschuldig karakter volstrekt niet overeenkwamen. Daarbij had hij in het kamp een veldstuk afgeschoten, terwijl de soldaten

ocr page 151

149

sliepen cn bijna het leven er bij in geschoten.

Wie weet wat er van hem gekomen was, als zijn vader hem niet op het rechte spoor had gebracht en hem over zijn kleine gebreken niet had gestraft 1

Dergelijke voorbeelden lezen wij in de levens van andere Heiligen. De H. Monica verhaalt zelve, hoe zij in hare jeugd gevaar liep door een gebrek ongelukkig te worden, doch intijds door hare oversten werd gewaarschuwd en bewaakt.

De godvruchtige Blanca, moeder van den H. Lodewijk, hielp haren zoon, zijne gebreken verbeteren.

De H. Theresia beschrijft ons het gevaar, waarin zij door een verkeerd gezelschap was geraakt en hoe zij nog bijtijds door hare oversten van den ondergang werd teruggehouden.

Aan wien vooral moet gij uw hart met zijn gebreken openbaren ? Aan uwen biechtvader. Hij is als uw zielbestierder door God zelf aangesteld. Weest openhartig jegens hem, hij weet door studie en ondervinding, welke middelen voor u het ge-schikste zijn. Hij kent den oorsprongen de gevolgen uwer gebreken. Even als Christus, wiens plaatsbe-kleeder hij is, houdt hij veel van de kinderen en hij weet ook, dat hij aan O. L. Heer rekenschap over uwe ziel moet afleggen- Vertrouwt hem en volgt stipt zijnen raad.

Daarenboven : de biecht is een eeuwig geheim, kinderen. Gij moet openhartig uwen biechtvader

ocr page 152

150

fouten en zonden openbaren, welke gij soms aan uwe ouders niet durft verklaren.

Wanneer hij u een middel geeft, om uwe fouten en gebreken te verbeteren, zorgt dan, dat gij het ook nauwgezet aanwendt.

Een andere vraag.

Welke redenen moeten een braaf kind bewegen om moedig tegen de gebreken te strijden ?

Ziet hier, jeugdige lezers, mijne laatste vraag over het bestrijden der driften. Deze laatste bladzijden zijn de gewichtigste, schenkt mij nogmaals uwe aandacht.

Deze redenen zijn veel in getal : maar er zijn goede en slechte. Weihoe 1 slechte beweegredenen, cm mij aan te moedigen in den strijd tegen de gebreken ! Kan dat zijn ? Hoe is het mogelijk ?

En toch is het zoo; die slechte bfweegredenen bestaan waarlijk. Ik bedoel daardoor de bloot natuurlijke beweegredenen, die wel niet altijd zondig zijn in zich, maar die toch voor een Christen nimmer de hoofdbeweegredenen mogen zijn.

Veronderstelt eens, een kind geeft zich over aan zinnelijkheid in eten en drinken, laten wij het leelijke woord maar gebruiken: aan gulzigheid. Dit kind gaat nu zijn gebrek verbeteren, omdat dit gebrek de gezondheid ondermijnt, de maag van streek brengt en ziek maakt.

Is dat een goede beweegreden ?

ocr page 153

151

Iemand bestrijdt zijn driftigheid en oploopend' heid, omdat geen enkel kind meer iets met hem wil te doen hebben.

Een ander legt zijn slordigheid af, opdat de menschen hem zouden prijzen.

Een ander weer durft nooit meer te liegen, omdat hij niet meer vertrouwd wordt of omdat hij uitgescholden wordt als leugenaar.

Zijn dat edele christelijke beweegredenen ? Neen.

Als het kind van een heiden er zoo over dacht, goed ; maar een katholiek kind, neen, dat zou verregaand zijn.

De beweegreden moet bovennatuurlijk, christelijk zijn.

Ik zal er u drie aangeven, welke de voornaamste zijn voor een kind. Gij moet uwe gebreken bestrijden : 1° Om uwe ziel te zuiveren en te volmaken. Dit is het verlangen en het gebod van O. L. Heer, die gezegd heeft: „Zalig zijn de zuiveren van hartequot;, — „Weest volmaakt, gelijk mijn He* melsche Vader volmaakt is.quot;

2° Om uwe ouders te verheugen, ter volbrenging van het gebod van Christus. „Eert uwen vader en uwe moeder.quot; Gij kunt ze door niets beter eeren dan door uwe ziel te versieren en de deugd te beoefenen.

3o Om aan God te behagen. Hier behoef ik niets bij te voegen.

Deze drie redenen moeten een katholiek kind bewegen, kloekmoedig tegen de gebreken te strijden

ocr page 154

152

Geen krachtiger, geen edeler reden dan deze: God! Vader, moeder! Mijne ziel!

God, onder wiens oog wij arbeiden, strijden en vechten, gelijk een soldaat arbeidt, strijdt en vecht onder de oogen van zijn generaal.

Vader, moeder, die niets vuriger verlangen, dan ons volmaakt te zien.

Mijne ziel, welke door de gebreken wordt ontsierd en besmeurd, gelijk zij door de deugden wordt veredeld en verrijkt.

Mij is een jongeling bekend, die op het feest der bekeering van den H. Paulus in den Epistel hoorde voorlezen, hoe deze groote Apostel, weleer een kerkvervolger, op weg naar Damascus van zijn paard geworpen, met blindheid geslagen en door Ananias onderwezen en bekeerd werd. Bij het hooren van deze bekeering zeide hij vastberaden aan zijnen overste: „Paulus is ook mijn naam en ook ik wil mij vandaag bekeeren ; van stonde af zult gij mij nooit meer van traagheid kunnen beschuldigen !quot;

Er zijn zelfs voorbeelden, dat een kind in de Christelijke leer den rampzaligen toestand van een hoovaardigen en trotschen mensch hoorde beschrijven, daarna thuis kwam en zich voor een kruisbeeld op de knieën wierp en bad ;

„O mijn God, nooit heb ik geweten, welk onheil de trotschheid in de ziel stort. Van heden af neem ik het besluit, met de grootste inspanning aan mijne verbetering te zullen arbeiden.quot;

Leerzaam is in dit punt de opvoeding van den

ocr page 155

153

jeugdigen hertog van Bourgogne, kleinzoon va1* Lodewijk XIV. Hij had het geluk den beroem-' den Fenelon tot leermeester te hebben. De jonge prins was geboren met gebreken, die het ergste voor de toekomst deden vreezen. Hardvochtig, ongeduldig en driftig, kon hij niet de minste tegenspraak dulden. Soms werd hij zoo oploopend, dat men meende, dat heel zijn lichaam uit elkander zou springen; hij spotte met alles; was buitengewoon koppig en had een passie voor alles, wat uitspanning en genot schonk. Zoo wordt hij beschreven door personen, die hem van nabij zeer goed kenden.

Bij zulke groote en zoo veelvuldige gebreken zou men den moed bijna opgeven.

Kwam de hertog zijne gebreken te boven? Voorzeker.

De godsdienstige leiding, de christelijke opvoe* ding, welke den prins werden gegeven, oefenden zulk een invloed op zijn hart uit, dat zij, tot verwondering van heel het hof, geheel zijn karakter veranderden.

In weinige jaren was de jonge hertog van Bourgogne een voorbeeld geworden van zachtmoedigheid, lijdzaamheid en deugd. Hij gaf aan heet zijn omgeving de heerlijkste voorbeelden van innige godsvrucht.

Kinderen, gij moet mij goed verstaan. Gij zult misschien vragen: „Mag dan het verlangen naar' eene belooning, naar een aanmoediging nooit aly

ocr page 156

154

'beweegreden gelden, in den strijd tegen de gebreken ?quot;

O, jawel, kinderen, en voor zeker soort van kinderen zijn zij zeer nuttig. Op zich-zelf zijn zij onvolmaakt, maar zij kunnen u brengen tot hoo-gere beweegredenen. Neem een kind,dat zeertrotsch en hoovaardig is; nu wordt dat kind menigmaal door zijne makkers bespot en gewoonlijk ontvlucht. Dat hindert hem en omdat hem zulks onverdragelijk is, begint hij zijn trotschheid in te zien en neemt zijn toevlucht tot het Kindje Jesus, dat gedurende de Kerstdagen in zijn kribje ligt uitgesteld. Bij het zien en overwegen van Jesus' groote nederigheid maakt hij het vaste besluit, het Goddelijk Kindje na te volgen en zijn gebrek te bestrijden. Ziet gij: op deze wijze kunnen mindere edele beweegreden de weg zijn, om u tot de hoogere, de ware beweegredenen te voeren.

Mij dunkt, dat het voorbeeld van anderen altijd het sterkste op ons hart moet werken. Welnu, zoovele kinderen van uwe jaren hebben hun gebreken bestreden, omdat zij zagen, dat andiren dit ook met het beste gevolg gedaan hebben.

„Zou ik niet kunnen, sprak Augustinus, wat zoovele jeugdige Heiligen gekuild hebben ?quot; Die woorden sprak hij, toen hij op het punt stond zich te bekeeren, doch de zwaarte gevoelde van de ingewortelde gebreken zijns harten.

Deze gedachte gaf hem moed om alles te dur-■ven ondernemen.

ocr page 157

155

Bemerking.

Eéne zaak, kinderen, zal u misschien zijn opgevallen bij deze verhandeling over het bestrijden uwer gebreken- Te weten : dat ik zoo weinig heb gesproken over den bijstand van O. L. Heer, welken wij toch zoo zeer noodig hebben bij het kennen en bestrijden onzer gebreken.

Hoe komt dat ? — vraagt gij.

Kinderen, ik veronderstelde, dat bij u, als katholieke; brave kinderen, vooraf vaststond: „Zonder de hulp van O. L, Heer, zonder den bijstand der Allerheiligste Maagd Maria is al mijn strijden tegen mijn gebreken zoo goed als nutteloosquot;.

Gij zult zonder den bijzonderen bijstand van O. L. Heer niet volkomen slagen in het bestrijden uwer gebreken.

Maar ook, al zoudt gij op heidensche wijze door natuurlijke beweegredenen gedreven, uwe gebreken bestrijden, die strijd zou u geen verdiensten voor den hemel verwerven.

Strijdt gij daarentegen met Gods hulp, om Hem te behagen en Hem te verheerlijken, dan hecht elke poging om u zelf te bevechten een nieuwe parel aan uwe hemelkroon.

Wij hebben vroeger gezegd, dat de Allerheiligste Maagd Maria, zonder zonde ontvangen, bevrijd was gebleven van de begeerlijkheid, de bron der gebreken en dat zij dus ook geen gebreken had le bestrijden. Welnu, kinderen, dan is Maria ook

ocr page 158

156

de aangewezene voorspreekster en helpster ia uwen strijd tegen de gebreken.

Hoevele jeugdige Heiligen, als Aloysius en de zalige Berchmans, zijn er in den Hemel bereid, cm u bij te staan in uwe pogingen. Ja ; alle Heiligen hebben denzelfden strijd gevoerd als gij en zouden zij dan u niet de behulpzame hand bieden in uwen strijd ?

Moet ik u hier nog wijzen op de hulp, welke-gij voortdurend door uwen heiligen Engelbewaarder ontvangt, die altijd aan uwe zijde staat en op den eersten wenk u ter hulpe snelt ?

Misschien hebt gij reeds uwe Eerste Heilige Communie gedaan en kunt gij meermalen tot dit H. Geheim naderen. Welnu, daar ontvangt gij God-zelf, daar krijgt gij kracht en sterkte tegen uwe gebreken door 't nuttigen van het Hemelsch. Brood.

Laatste Woord.

Jeugdige lezers, hier zijn wij aan het slot van onze verhandeling. Zij moge een heilzamen indruk-op uwen geest en op uw hart gemaakt hebben.

Ik zou mijne moeite voor rijkelijk beloond houden, indien gij het kloek besluit naamt, voortaan ernstig en standvastig om de aangegevene beweegredenen uwe gebreken te bestrijden.

Ik zou vooral dan ruimschoots beloond zijn, indien eenmaal al uwe gebreken waren uitgeroeid. Wat een triomf zou dat zijn ? Grooter zou deze-

ocr page 159

157

•overwinning zijn dan een regepraal over den sterksten vijand. Als gij uit dit strijdperk terug kwaamt met stof en zweet bedekt; indien deze strijd u vele tranen zou kosten; gij zoudt er meer eer van hebben dan een soldaat, die met zijn zweet en bloed de overwinning over den vijand had gekocht.

En waarom verondersteld, dat de strijd tegen onze gebreken zoo spoedig zal eindigen ?

De oorlogen tusschen de vorsten dezer wereld kunnen een einde nemen: alles eindigt, oneenigheid, twist, zelfs aan haat komt een einde.

Doch met de gebreken is het anders gesteld.

Al schijnen zij ook vernietigd, hun kiem blijft in het hart zitten en bij alle inspanning uwer krachten zult gij ze toch nooit alle verbeterd krijgen.

Houdt dus moed. Is het n niet gegeven, dezen oorlog met een volkomen zegepraal ten einde te brengen, weest ten minste overtuigd, dat gij toch door altijd moedigen en altijd volhardenden arbeid groote overwinningen zult behalen.

Dit geve U God door de voorspraak van de H. Maagd Maria, van uwen H. Engelbewaarder en van uwe Heilige Patronen en Patronessenl

ocr page 160

158

KOUT ONDHRHOÜD over de deugden in het algemeen en ever de middelen om ze te verkrijgen.

Inleiding.

Onze verhandeling over de gebreken in het algemeen is ten einde. Wij hebben, gelijk gij weetr alles onderzocht, wat bij het bestrijden der verkeerde neigingen onzes harten kan te pas komen.

Mijn plan was, u op dezeltde manier als ik u over de gebreken heb onderhouden, een volledige verhandeling aan te bieden over de deugden van uwen leeftijd en over de middelen, om ze te verwerven. Ik wilde dit nieuw onderhoud op dezelfde wjjze verdeelen als het vorige en op dezelfde wijze deze stof behandelen.

Ik was van plan, verschillende hoofdstukken te maken en vervolgens uit te leggen, te onderwijzen, raad te geven, voorbeelden aan te halen, geschiedenissen tusschen te voegen, enz.

Ik vreesde echter voor kinderen te wijdloopig te worden.

Hierom heb ik mijn plan laten varen en heb ik besloten, maar in hei kort over de deugden in het algemeen te handelen.

Deze verhandeling geheel weglaten mag ik niet; zij sluit zich natuurlijk bij de vorige aan.

Kinderen, wat ik nu ga zeggen, is niet voor u allen ; 't is voor de oudsten onder u, voor hen die reeds eenig begrip hebben van ernstige zaken.

ocr page 161

159

Wat is eene deugd?

Wat Wij vroeger van het woord gebrek hebben' gezegd, kunnen wij ook van het woord deugd zeggen. In het gewoon gesprek past men dit woord op zichtbare en onzichtbare dingen toe. Zoo zegt men: dat is een deugdelijk huis, een deugdelijk geneesmiddel. Men spreekt van de deugden der planten, de deugden van het licht, enz.

Gelijk wij het woord gebruiken is de deugd volgens de bepaling van. den Katechismus: eene genegenheid der ziel, door welke de rnensch wel doet.

De deugd is eene voortdurende geneigdheid en bereidvaardigheid van den wil, om bij voorkomende gelegenfieid het goede te doen. De deugd bestaat dus niet in eene vluchtige neiging tot het goede, ook niet in eenige voorbijgaande handeling, waardoor men het goede doet of wil doen, maar in eene blijvende stemming der ziel, welke ons geneigd en bereid maakt, om het goede te doen, zoodra zich de gelegenheid daartoe aan-biedt en zoo menigmaal zij terugkomt. Gelijk een gebrek een neiging tot het kwaad is, zoo is de deugd eene neiging tot het goed, en diensvolgens staan zij lijnrecht tegenover elkander.

De gebreken voeren ons spoedig en gemakkelijk tot zondige daden, welke door God worden verafschuwd; de deugden daarentegen leiden ons lot prijzenswaardige handelingen, aangenaam aan God en troostend voor ons geweten.

ocr page 162

160

Bemerking.

Het is ons doel niet, te dezer plaats eene nauwkeurige theologische bepaling van het woord deugd te geven.

Dan zouden wij moeten beginnen met een onderscheid te maken tusschen natuurlijke en bovennatuurlijke deugden, naarmate zij uit natuurlijk of bovenatuurlijk beginsel voortkomen.

Wij zouden verschil moeten maken tusschen ingestorte en verkregene deugden, naarmate zij ons van God gegeven worden zonder onze verdiensten en wij ze uit ons zelf niet kunnen hebben, of wel door eigen medewerking worden verkregen.

Op nog vele andere wijzen wordt de deugd verdeeld.

Wij nemen hier het woord deugd in zeer uit-gestrekten zin, te weten; voor alle neigingen tot het goed, die zich in ons kunnen ontwikkelen, zonder twijfel op de eerste plaats door de hulp van God, en op de tweede plaats door onzen persoonlijken wil.

Overigens zullen wij trachten in den loop van deze korte verhandeling te doen zien, hoevele geneigdheden, in zich-zelf overigens zeer goed, maar alleen door menschelijke oogmerken geleid, in het hart van een christelijk kind niet passen.

ocr page 163

161

Waarom geeft men don naam van deugd aan de geneigdheid tot het goede ?

In het latijn noemt men de deugd virius en dit beteekent kracht, sterkte. Het H. Evangelie noemt de handelingen der Goddelijke Almacht, de mirakelen, soms virtutes, krachten. De H. Paulus noemt het H Evangelie zelf de kracht Gods en met alle recht: nooit immers heeft God zijn Almacht duidelijker ten toon gespreid, dan door de vestiging der H, Kerk, door de verspreiding van het Evangelie.

De deugd is dus eene kracht; maar niet elke kracht is eene deugd. De deugd is eene kracht der ziel en eene kracht, waardoor de ziel tot het goede wordt getrokken.

Vraagt gij mij nog, waarom men dezen naam gegeven heeft aan de geneigdheid der ziel tot het goede, dan antwoord ik u : omdat wij tot het verrichten van het goede, kracht noodig hebben tegen de driften, die ons overheerschen en ons voortdurend tot het kwaad trekken.

Daarom noemt men elke edelmoedige poging om het goede te doen, een akte van deugd.

Zijn er vele deugden ?

Hoe worden zij verdeeld?

Er zijn zeer vele deugden, even als er vele gebreken bestaan. Elke verkeerde neiging van onze bedorvene natuur kan door een tegenovergestelde

11

ocr page 164

162

deugd bestreden worden. Elke deugd maakt ons geneigd en bereid handelingen te verrichten, welke recht staan tegenover die, welke uit deze of gene slechte neiging voortkomen.

Gelijk de gebreken verdeeld worden naar de handelingen, waartoe zij leiden, zoo worden ook de deugden onderscheiden volgens de daden, waartoe zij ons willen voeren.

Weet een kind de leugentaal standvastig te bestrijden, dan bezit het kind de deugd van oprechtheid-, weet het zijn driftigheid en oploopend-heid onder bedwang te houden, dan heeft het kind de dengd van zachtmoedigheid; gaat het kind zich nooit in het gebruik van spijs of drank te buiten of heeft het geleerd dit gebrek te overwinnen, dan bezit het de deugd van matigheid; enz,

Hoevele deugden zijn er?

Dit is moeielijk te bepalen.

Een zeker leeraar had openbaar verkondigd, dat het getal der deugden de dertig niet te boven ging. Men vroeg aan Gregorius van Valentia wat hem daarvan dacht.

En welk antwoord gaf deze groote godgeleerde ?

— „Deze leeraar heeft ongetwijfeld er niet aangedacht, dat men zeer veel tegen zijn bewering kan inbrengen en hij zou er veel moeite mede hebben, zijn stelling te verdedisren tegen hen, die zeggen, dat het getal veel grooter is.quot;

En inderdaad, is het moeielijk het getal der

ocr page 165

163

gebreken te bepalen, 't is nog veel moeilijker liet getal der deugden vast te stellen. Immers de deugden dienen niet alleen om alle verkeerde neigingen te bestrijden, maar ook om ons te voeren tot alle goede handelingen, waartoe wij in staat zijn, ons te steunen in alle edelmoedige gevoelens, welke in ons oprijzen, in alle onze gedachten en al onze verlangens, welke tot het goede zijn gericht. Dit is de leer van den H. Thomas van Aquine.

Welnu, hoevele gevoelens, hoevele verschillende verlangens kunnen er in ons hart oprijzen, om ons tot het goede te brengen, hoevele goede gedachten kunnen er in onzen geest ontkiemen, hoeveel verschilende goede daden kunnen wij niet verrichten ?

De jeugdige Christen moet dus niet zoeken te bepalen en te tellen, wat met geen cijfers berekend kan worden. Hij hoeft slechts te weten, dat het veld der deugden uitgestrekt is, hij moet eenvou dig God bedanken, dat Hij in zijn vaderlijke Voorzienigheid hem zooveel middelen heeft geschonken, om alles in zijn hart te regelen. Hij moet zijn best doen, een goed gebruik van die middelen te maken, d. w. z eenige der ontelbare deugden te verkrijgen.

Waar zetelen de deugden?

Bezitten wij eenige deugden, dan is er de ziel ook het heiligdom van. Uit. dat verborgen heiligdom regelen de deugden, elke volgens de soort van het

ocr page 166

164

goed, dat haar eigen is, alles in ons : onzen geest, ons hart en onze handelingen.

Waar komen de deugden vandaan?

Is ons hart in het bezit eener deugd, dan moeten wij daarvoor in de eerste plaats onzen dank betuigen aan God, zonder wiens Goedheid wij geen waar goed verrichten kunnen. Hij heeft door eene geheel onverschuldigde gunst ons daartoe geholpen. Vervolgens hebben wij die deugd te danken aan onzen eigen goeden wil, waardoor wij ons verbeterd hebben en onze pogingen gevoegd hebben bij de hulp, welke God ons schonk, om die deugd te verwerven (Sommige deugden noemen wij ingestorte, sommige verkregene, gelijk wij vroeger hebben gezien).

Gij moet hier opmerken, dat er eenige deugden rijn, welke onmiddelijk van God voortkomen en onmogelijk door den mensch verdiend of door eigen kracht verworven kunnen worden. De drie goddelijke deugden : het geloof, de hoop en de liefde zijn ingestorte deugden en kunnen door ons niet verdiend noch door oefening verkregen worden. De beoefening, die alleen met de hulp der goddelijke gratie kaa plaats vinden, versterkt deze deugden.

Welke zijn de voornaamste deugden van een Christen kind?

lo Onder alle deugden zijn de voornaamste; het geloof, de hoop en de liefde. Zij yfordamp;n goddelijke

ocr page 167

Iö5

deugden genoemd, omdat zij God onmiddelijk tot voorwerp en beweegreden hebben. Immers wij gelooven aan God, wij hopen op God, wij beminnen God. Wij gelooven, omdat God de eeuwige onfeilbare waarheid is; wij hopen, omdat God is oneindig goed, almachtig en getrouw in zijne beloften ; wij beminnen, omdat God het oneindig beminnenswaardig goed is.

2U Onder het groot aantal zedelijke deugden zijn er eenige, die den grondslag van het zedelijk leven vormen, die als het ware de fondamenten zijn, waarop het geheele gebouw van het zedelijk levea rust en steunt.

Zij worden genoemd hoofddeugden, om de voorgaande reden. Zij dragen ook den naam van kardinale deugden naar het latijnsche woord cardo, dat zooveel beteekent als : „hengsel van een deur.quot; Gelijk de heele deur aan hare scharnieren hangt, zoo hangen alle zedelijke deugden met eene der kardinale deugden samen.

Orn al zijne handelingen naar behooren in te richten, heeft de mensch deze vier kardinale of hoofddeugden noodig. Zij zijn deze : de voorzich-tigheid, de rechtvaardigheid, de sterkte, de matigheid.

Deze vier deugden, welke ons gedrag moeten regelen, bieden ons een geneesmiddel tegen de vier voornaamste wonden, welke ons door de zonde van Adam zijn toegebracht.

Sedert die zonde is bedreven, zijn wij ontwetend, onrechtvaardig, zwak en zinnelijk geworden.

ocr page 168

166

Welnu, tegenover de onwetendheid staat de voorzichtigheid.

Tegenover de onrechtvaardigheid staat de rechtvaardigheid.

Tegenover de zwakheid staat de sterkte.

Tegenover de zinnelijkheid staat de matigheid.

3o Op de derde plaats komen eene groote menigte bijzondere deugden, welker bestemming is, deze of geene verkeerde neiging te verbeteren, of ons tot een goed werk te brengen.

Zij dragen den naam van zedelijke deugden, omdat zij onze zeden, ons gedrag regelen.

Alle deze vloeien uit de vier kardinale of hoofddeugden en kunnen tot eene dezer vier worden teruggebracht.

Onder deze laatste, de zedelijke deugden, zijn er eenige, welke door de Christen kinderen, vooral moeten beoefend worden. Zij zijn de gehoorzaamheid, de zachtmoedigheid, de nederigheid, de oprechtheid, de arbeidzaamheid, de naastenliefde, de matigheid.

Deze verschillende deugden staan recht tegenover de voornaamste gebreken, welke in een jeugdig hart kunnen zetelen. Wij hebben het vroeger reeds aangestipt: de gehoorzaamheid en de onderdanigheid staan tegenover de onbuigzaamheid en de ongehoorzaamheid ■— de zachtmoedigheid tegenover de driftigheid — de ootmoedigheid tegenover de hoovaardigheid en de ijdelheid — de openhartigheid tegenover de leugenachtigheid — de broederlijke liefde tegenover de jaloerschheid.

ocr page 169

167

den nijd en de zelfzucht — de arbeidzaamheid tegenover de luiheid — de matigheid tegenover de gulzigheid.

Waarbij worden de deugden door de oude schrijvers vergeleken?

Om ons de deugden voor te stellen en af te schilderen, hebben de oude schrijvers de rijkste en verscheidenste vergelijkingen gebruikt. Een godvruchtig Pater uit de orde van den H. Francis-cus, die vóór vijf of zes eeuwen leefde, levert er ons twaalf, waarvan de eene al schooner is dan de andere.

Hier hebt gij er eenige van :

Voor zooverre de deugden gaven van God zijn, vergeleek hij ze bij een prachtig kleed, dat de vader zijn kind ten geschenke gaf — bij een paarlsnoer, dat hij zijn kind om den hals hing — bij eene kroon met diamanten versierd, welke hij zijn zoon op het hoofd zette.

In zooverre de deugden eenigermate de vrucht zijn van onze medewerking en onzen wil, worden zij vergebleken bij den schat, waarvan in het H. Evangelie sprake is en die door veel arbeid en zorg wordt verkregen — bij een uitgelezen maaltijd, waardoor iemand wenscht verzadigd te worden — bij eene bron van stroomend water, die in een bloemtuin ontspringt en daar vruchtbaarheid en leven onderhoudt.

In zooverre de deugden da menschelijke ziel

ocr page 170

168

versieren, vergelijkt men ze: bij kostbaar edelgesteente, oro hare onschatbare waarde en om den glans, welken zij verspreiden — bij heerlijke vruchten, of beter nog bij het binnenste van de edelste vruchten, om hare verborgene zoetheid en het inwendig geluk, dat zij ons schenken. — Eindelijk om de schoonheid, die haar omgeeft en den geur, welke zij verspreiden, worden zij vergeleken bij de schoonste en welriekenste bloemen onzer tuinen.

Benige beschouwingen, waardoor een Christen kind kan worden opgewekt, om de deugden te verwerven.

Onder alle redenen, welke een kind bewegen kunnen, om zich op het verkrijgen der deugden toe te leggen, zijn vooral drie de voornaamste. De andere kunnen gemakkelijk tot deze drie worden teruggebracht.

Zij zijn 1°: de schoonheid en verhevenheid der deugd. 20 Het nut, dat hierin gelegen is. 3° De verplichiing, welke op ons rust, om de deugden te beoefenen. Ik wenschte U, dierbare lezers, te toonen, dat alle deugden deze drie kenmerken dragen ; verhevenheid, nut en noodzakelijkheid. Laten wij bij elk van deze drie een oogenblik stilstaan.

Over de schoonheid en de verhevenheid der deugden.

Als ik tot heidensche kinderen sprak, d. w. z. tot kinderen, die het geluk niet hebben tot de Katholieke Kerk te behooren, tot kinderen, die

ocr page 171

169

de verhevene deugden missen, door Gods oneindige Goedheid op den dag van uw H. Doopsel in de ziel gestort, — dan zou ik hun deze woorden toevoegen. „Inderdaad schoon en waarlijk verheven zijn de deugden. Moet gij niet erkennen, dat zij geheel en al strooken met het natuurlijk licht, dat God in onze ziel ontstoken heeft, om ons de waarheid te toonen en tot de waarheid te brengen, ra. a. w. moet gij niet erkennen, dat de deugden geheel overeenstemmen met de natuurlijke rede ?quot; En verder: „Brengen zij ons niet tot volmaaktheid, worden zij niet door alle menschen bewonderd, onder welken vorm zij zich aan hunne blikken vertoonen ?quot;

En ik zou er bijvoegen ;

„De deugden strooken zoodanig met onze natuurlijke rede, dat ons verstand, hoe verlicht liet ook moge wezen, hoe helder het ook moge ontwikkeld zijn, daarin niets zal kunnen vinden, wat berispelijk is of kwetsend voor zijn denkbeelden of strijdig met zijn oordeelen. Want hierdoor alleen, dat elke deugd een neiging is tot het goede, kan er in haar en met haar geen zweem van kwaad gevonden worden. De minste vermenging met het kwaad zou haar vernietigen en daar, waar men haar zou meenen te vinden, zou men niets aantreffen dan haar naam, indien zij met het kwaad was vermengd.quot;

Ik zou er nog bijvoegen : „Sedert wij uit het paradijs door de erfzonde verdreven zijn, laten wij ons gemakkelijk door onze verkeerde neigingeir

ocr page 172

170

«n driften beheerschen ; maar de deugden leeren ons te heerschen over onze verkeerde neigingen .en driften, over onze verkeerde genegenheden en passies; zij leeren ons, geest en hart boven onze zinnen te verheffen — is dat niet van-zelf ons veredelen en volmaken ?quot;

Daarna zou ik vervolgen : „De menschen schatten de deugd zoo hoog, en beschouwen ze als iets zoo verhevens, dat zij iemand om de deugd alleen „achten. Laat hen zeggen, wat ze willen, het is zoo, en 't is altijd zoo geweest. Bij de oudste barbaar-sche volken was bij de vergaderingen de eereplaats voor hen, die zich door eene of andere akte van deugd hadden onderscheiden. De schoonheid der deugd is zoo duidelijk voor iedereen, dat hij, die eene deugd niet bezit, al zijn best doet, om anderen wijs te maken, dat hij ze wel bezit. Elkeen wil alle deugden bezitten en wordt iemand geprezen, .dan is het natuurijjc om eene deugd.quot;

Ik spreek echter tot geen jeugdige heidenen, ik spreek tot katholieke kinderen.

Welnu, luistert dan, jeugdige lezers. Niet slechts de wijzen dezer wereld hebben de deugden hooggeacht en geprezen ; maar ook zij die de wijsheid ,Gods bezaten, de Heiligen.

Een hunner zeide van de deugd:

,,'t Is de schoonste hulde, welke de mensch aan (God kan brengen.quot;

En dan vervolgt hij: „O deugd, gij zijt de «choonste roem der menschelijke ziel, voor den piemel en voor God geschapen ! Gij maakt haar

ocr page 173

171

schooner dan de ion de natuur ; wanneer de ziel u bezit, verdient zij meer bewondering dan de hemel met zijn duizende sterren.quot; (H. Isidorus.)

De Heiligen wisten de prachtigste vergelijkingen uit te denken, om de schoonheid en aantrekkelijkheid der deugd voor te stellen.

Zij noemen de deugden: het fijnste goud — de kostbaarste edelsteenen — den rijksten schat — de heerlijkste planten — de welriekenste bloemen — de uitgezochtste reukwerken.

Na al deze vergelijkingen behoeft gij niet te vragen, hoe de Heiligen over de deugd dachten.

Hoor nog wat een heilige Kluizenaar zegt.

„Elke deugd is eene koningin des hemels en hij. die haar in zijn hart ontvangt, maakt van zijn hart een kleinen hemel.quot;

Wat een voortreffelijke taal, hoe prijzen en verheffen zij de deugd !

Doch Iaat ons verder gaan. De deugd moeten wij niet alleen hoogachten omdat ook de Heiligen haar hebben hooggeacht, wij moeten ze vooral hoogschatten, omdat zij, die de deugd bezitten, de Heiligen navolgen en aan hen gelijk worden. In de harten der Heiligen, daar hadden de deugden haren zetel opgeslagen.

Wanneer de deugden uit de harten van andere menschen worden verdreven, dan is het, alsof zij naar de harten der Heiligen vluchten.

Het zou mij te ver voeren u al de Heiligen van het Oude Verbond voor de oogen te brengen, ik wil slechts in uw geheugen terugroepen den

ocr page 174

172

onschuldigen Abel, den gehoorzamen Abraham, den zuiveren Jozef, den zachtmoedigen Mozes, den eenvoudigen David,

In het Nieuwe Verbond. Was het hart van Fran-ciscus van Sales geen bevoorrecht heiligdom van. zachtmoedigheid ? Muntte de H. Aloysius van. Gonzagua niet uit door de volmaakste ootmoedigheid en de wonderbaarste gehoorzaamheid ? Waren de harten van eene H. Catharina, van eene jeugdige Agnes, van eenen heiligen Stanislaus Kostka geen. heiligdommen der reinste onschuld, der vlammend-ste liefde tot God ?

Dit is nog niet alles. Boven de Heiligen staan de Engelen des hemels. Deze verhevene Geesten hebben zich nooit aan eenige zonde schuldig gemaakt. Nooit hebben zij in hun binnenste de verkeerde neigingen gevoeld, welke ons beheerschen. Welnu, aan die verhevene Geesten worden wij door de deugd gelijkvormig. Een groot godgeleerde heeft gezegd : „In een sterfelijk lichaam de deugd beoefenen, is zich boven de menschheid verheffen en aan Engelen gelijk worden.quot;

Ook dit is nog niet alles. Boven de Heiligen en de Engelen staat de Koningin van alle Engelen en van alle Heiligen, de H. Maagd en Moeder van onzen Goddelijken Verlosser. Haar Hart was het heiligdom van alle deugden ; hij dus die een deugd bezit, volgt de H. Maagd na.

En ook dit is nog niet alles. De mensch die in zijn hart een deugd ontwikkelt, wordt de navolger van den eeuwigen Zoon Gods, den Verlosser der'

ocr page 175

173

■wereld. Het Goddelijk Hart van Jesus was op eene nog verhevenere wijze dan het Hart van Mxria, het heiligdom van alle deugden.

Stijgt nog hooger op in het Rijk der hemelen. Wat zegt onze Verlosser van zijn He.melschen Vader, den Almachtigen Oneindigen G^d ? „Hij werkt onophoudelijk het goede uit.quot; Welnu maakt de deugd, waardoor ook wij tot het goed getrokken worden, ons niet eenigszins aan Hem gelijk ? O zeker, en door de deugd alleen kan de christen be. antwoorden aan de teedere uitnoodiging van Jesus :

„Wee» volmaakt, gelijk uw Hemelsche Vader volmaakt is quot;

O wat zijn de deugden toch verheven, onuitsprekelijk schoon!

Zij maken ons gelijkvormig aan al, wat er zuivers in den hemel is, ja aan God-zelf I

Zijn do deugden nuttig ?

Zij die de zaken alleen, aan hare stoffelijke zijde beschouwen, zij wier gedachten zich niet boven deze aarde verheflen, noemen slechts datgene nuttig, wat hun tijdelijk genot aanbrengt. Voor hen is op de eerste plaats de gezondheid van het grootste nut, want zonderdezeisgeen genot mogelijk.

Vervolgens noemen zij nuttig; goud, geld, rijkdommen; want voor geld kan men zich datgene verschaffen, wat de zinnen streelt, voor geld koopt men vermaak.

Verder noemen zij nuttig: waardigheden, hooge

ocr page 176

174

posten, want waardigheden en posten schenken achting en eer der wereld.

Het is mijn doel niet, j.1. hier den oorlog te verklaren aan de gezondheid, aan het goud, aan de waardigheden dezer wereld. Gezondheid ia een goede zaak, een gave Gods. Ook de rijkdommen en waardigheden komen uit Gods milddadige hand voort, en zijn dus niet altijd verkeerd.

Is echter de ziel niet meer waard dan het lichaam ?

Het leven, dat nooit eindigt, is dat niet meer waard dan het leven, dat hier beneden uit eenige dagen, met ellende vervuld, bestaat ? Welnu, als dit zoo is, dan zult gij moeten toegeven, dat iets dan eerst -waarlijk nuttig is, wanneer het de ziel aangaat en ten doel heeft, niet ons genot te verschaffen in dit leven, maar vreugde in het andere.

Dat is, j.1. het werk der deugd op deze aarde en in onze harten.

't Is veel gemakkelijker, door de deugd aan het heil der ziel te arbeiden, dan door rijkdommen en aardsche goederen aan de voldoening des lichaams. — Niets bevordert meer het eeuwig geluk, dan de deugd: 't is de weg naar den hemel. Inderdaad, door de deugd leiden wij een heel geestelijk leven, door de deugd ontdoen wij ons van alles, wat aan Gods welbehagen in den weg staat en van alles, wat ons van Hem kan scheiden.

Een heidensch wijsgeer en een groot godgeleerdehebben beiden ons dit tweevoudig nut der deugden geleerd.

ocr page 177

175

De eerste heeft gezegd: „De ziel, welke de deugd bezit, geniet een volmaakt leven en brengt werken voort, welke haar doel waardig zijn !quot; (Aristotes).

De tweede heeft geschreven in een werk. waarin hij uit bescheidenheid zijn naam heeft verzwegen :

„De deugd is voor de ziel het beginsel van gezondheid, van voedsel en van leven ; een schat, welke haar rijk maakt en zuiver voor den hemel.quot;

Gij vraagt mij wellicht, of de deugd geen ander nut heeft.

Ik antwoord u, dat zij eene bron is van troost.

In de eerste plaats voor onze naaste omgeving. Wat is het een vreugde en eene voldoening voor een vader, voor eene moeder, voor oversten en biechtvader, een kind te zien opgroeien in de beoefening der deugd !

Niets is er, wat aan het menschelijk hart reiner vreugd en inniger voldoening schenkt.

Vooral echter voor degenen, die de deugd bezitten, is zij eene bron van troost.

„De zonden en gebreken blijven nooit zonder straf en de deugd blijft nooit zonder loonquot; — zegt een beroemd schrijver.

Lang vóór hem had David in een zijner Psalmen gezongen : „Een overvloedige troost is het loon der deugd quot;

Ik heb eigenlijk aan deze woorden niets meer toe te voegen. Niettemin kan ik toch deze bemerking

ocr page 178

176

niet onder mij houden: „Zoek nooit voldoening buiten de deugd.quot;

Moest ik a nog eene heilvolle vermaning geven, dan zou ik u zeggen : „Zonder deugd, maar vooral buiten de deugd zijn alle vermaken der wereld valsch, bedricgelijk en met bitterheid vermengd ; daaienboven zij zijn kort en hersenschimmig, zij bezitten noch waarheid, noch heiligheid, noch duurzaamheid. Geheel anders is het gesteld met de voldoening, welke aan de deugd, aan elke akte van deugd verbonden is ; die voldoening is zoet, een kostbare gedachtenis, en schenkt aanspraak op de belooning des hemels.quot;

Is de deugd noodzakelijk ?

Wat heet gij noodzakelijk ? Dingen welke gij meent niet te kunnen missen. Maar in dit punt zijn vele dwalingen en vooroordeelen I Hoevele dingen worden voor noodzakelijk en onmisbaar gehouden, zonder dat zij het waarlijk zijnt

Onthoudt, als gij kunt, deze bemerking heel uw leven, jeugdige lezers. In de wereld wordt voortdurend noodzakelijk genoemd, wat goed kan gemist worden en wat men moet missen. Hieruit volgt, dat vele menschen meenen ongelukkig te zijn, zonder dat zij het inderdaad zijn.

In werkelijkheid zijn er zeer weinig diagen noodzakelijk.

Wat er ook van zijn moge, als er e'en ding

ocr page 179

177

voor ons noodzakelij k is, dan is het zonder twij. fel de deugd.

Ik zou mij, om dat te bewijzen, kunnen bepalen, bij het doen van een beroep op uwe hoedanigheid van redelijke schepselen. Dit is te zeggen ; ik zou u kunnen terugwijzen naar hetgeen op de twee voorgaande bladzijden is gezegd: dat de deugden geheel overeenkomstig zijn met de natuurlijke rede en dat zij onze ziel volmaken.

Hieruit zou ik diin tot het volgende besluit komen : „Moet een ledelijk schepsel niet nood. zakelijk datgene verrichten, wat geheel strookt met zijn natuurlijke rede en wat dient tot volmaking zijner ziel ?quot;

Ja, tegen dit besluit is niets in te brengen. Tot dit besluit kwam drie eeuwen geleden een Christen wijsgeer, wiens woorden ik u zal aanhalen. Hij schreef in ouden stijl en gij zult misschen niet heel het gewicht en heel den zin van zijn woor. den vatten. Deze wijsgeer drukt zich in een artikel : Over de deugd, op deze wijze uit:

„Niets is billijker en noodzakelijker voor den mensch, dan werken te verrichten, welke met zijn redelijke natuur overeenstemmen.quot;

Na deze algemeene opmerking ontwikkelt hij volgender wijze zijne gedachte :

„Zonder deze handelingen, welke met zijn redelijke natuur overeenstemmen, is de ziel ruw en verdient aan alle ellenden en rampen onderworpen te zijn, omdat zij vrijwillig is vervallen van

12

ocr page 180

178

haren rang, welken zij onder de schepselen bekleedde en omdat zij zich op deze wijze slecht maakt en boos wordt. — Integendeel door deze handelingen, welke met de rede overeenstemmen, handhaaft zij zich in hare waardigheid en in hare verhevenheid boven alle stoffelijke schepselen.quot;

De H. Agustinus redeneert op dezelfde wijze,

Deze groote kerkleeraar gaat zelfs verder, hij beschouwt hem, die de deugd niet wil beoefenen, als iemand, die onredelijk handelt. Na te hebben vooropgezet, dat de deugd het eenige middel is, om de ziel tot volmaaktheid en geluk te brengen, gaat hij voort: „Gij houdt veel van uwen mantel, en gij wilt, dat hij tot uw gebruik diene en gij weet de middelen te gebruiken om dat doel te bereiken ; gij houdt veel van uwe hoeve en uw huis en gij wilt, dat zij zoo volmaakt mogelijk zijn; gij bemint uw zoon, uw vriend en gij wilt in hen hoedanigheden zien, welke uwer waardig zijn ; en gij zoudt niet veel houden van uwe ziel, die u nader is dan alle zaken van de wereld of liever, gij zoudt uwe ziel liefhebben en haar niet volmaken willen ? Ongelukkigen, dat zou onredelijk zijn.quot;

(Aug. De discipl. Christ, ch. 12.)

Gij zijt Christen, mijn kind, en gij weet, wat dit alles beteekent.

Verheffen wij ons nog hooger met onze gedachten.

Indien een heidensch kind met de verklaarde redenen tevreden kan zijn, dan zal het christen kind

ocr page 181

179

nog meer overtuigd worden, door hetgeen wij hier laten volgen.

Gij zijt Christen, mijn kind, en gij weet, wat het wil zeggen, Christen te zijn. Christen zijn is leerling te wezen van Jesus Christus. Zeer goed ; maar mag de leerling van zijn meester verschillen ? Neen, onmogelijk 1 Welnu, Jesus Christus is het verheven-ste toonbeeld van alle deugden, gelijk wij bereids hebben gezegd. Hij heeft ze ons geleerd. Hij heeft ze alle in zich vereenigd. Moet gij Hem dan niet zoo goed mogelijk navolgen ?

Daarenboven, welke belofte doet het christen kind, wanneer het door de wateren van het H. Doopsel de H. Kerk binnentreedt ? Welke doet het, wanneer het kind in tegenwoordigheid van het Allerheiligste Sacrament op den dag der Eerste Heilige Communie de doopbeloften plechtig hernieuwt in het bijzijn van alle geloovigen en van de bedienaren van den godsdienst ?

Niets anders dan de zonde te vluchten en in navolging van Jesus Christus de deugd te beoefenen en zich aan Jesus te verbinden.

Besluit der drie voorgaande Hoofdstukken.

Het besluit uit de drie voorgaande hoofdstukken ligt voor de hand.

Schoon en verheven is de deugd — bemint en acht haar.

Nuttig en voordeelig is de deugd — verlangt haar.

ocr page 182

180

Noodzakelijk en onmisbaar is de deugd — doet alles om ze te verkrijgen.

Een laatste woord aan onze lezers.

Een beroemd wijsgeer der oudheid, die door zijne welsprekendheid zoozeer aan zijne medeburgers behaagde, dat ze hem den naam gaven van Theophrasles dat wil zeggen, goddelijke spreker — die wijsgeer begon op een leeftijd van negen en negentig jaren een kompleet werk te schrijven over de misdaden en de deugden van het menschelijk geslacht.

J. L. De schrijver van dit werk, dat gij gelezen hebt, is volstrekt geen Theophrasies; ook heeft hij niet op een leeftijd van 99 jaren de gebreken en de deugden van uwen leeftijd beschreven.

Hij vraagt dus niet, dat gij om zijn witte haren, om zijn ondervinding of zijne verdiensten aan zijn woord geloof zoudt hechten.

Neen, maar de waarheid der zaken, welke hij u heeft voorgehouden, de liefde voor uwe ziel en het ernstig verlangen om u van nut te zijn, geven hem recht, u deze gewichtige lessen voor te houden.

Theophrastes — de goddelijke spreker — heeft zijn begonnen werk niet kunnen voltooien; de dood heeft het belet.

Ofschoon hij meer dan honderd jaar op deze aarde leefde, mocht hij toch zijn arbeid niet ten einde brengen.

De leerlingen zochten de verspreide geschriften

ocr page 183

181

bijeen van den grijsaard, die zwijgend in het stille graf nog tot hen sprak. Zij gaven zijn geschriften uit onder den titel van : Gulden Boek. De overlevering zegt, dat nooit iemand dit werk heeft gelezen, zonder daardoor beier te zijn geworden.

Al kan deze verhandeling, welke ik voor u neder-schreef, geen gulden boek worden geheeten, toch twijfel ik er niet aan, of gij zult door de lezing daarvan beter worden.

Dan, ja, dan heb ik mijn doel bereikt I

Maar wat baten de schoonste boeken, wat baat de welsprekendste taal, indien Gods machtige hand die boeken en die woorden niet zegent ?

Beminde lezers, God zegene de bladzijden, welke gij gelezen hebt, opdat zij vruchten dragen tot heil uwer onsterfelijke zielen 1

ocr page 184

INHOUD.

—3-^e:—

BtaJz

Inleiding.......4

EERSTE HOOFDSTUK.

Wat is een gebrek? Moeten wij onze

gebreken leeren kennen ? . . 7

I. Wat is een gebrek? .... 7 II. Waar komen de gebreken vandaan ? 8

III. Zijn zij hetzelfde als slechte neigingen? 16

IV. Zijn zij hetzelfde als zonden ? . .17

V. Zijn de verkeerde neigingen meer schul

dig dan de zonden r • • .18

VI. Bestaan er vele gebreken ? Welke zijn

de voornaamste? . • • .21

VII. Zijn zij alle even verkeerd en even

schuldig? . . • • -24

VIII. Wie zijn er zonder gebreken? . . 26 IX. Kan men meer dan één gebrek hebben ? 28

X. Wat is tzKhoofdgcbrek? Waarom heeft

ieder een hoofdgebrek ? . . .29

XI. ' Het hoofdgebrek ontwikkelt zich voort-

' durend Bij wien wordt het vergeleken? 30

XII. Hebben ook de kinderen gebreken?

Meer dan één ? Alle kinderen ? Welke zijn hunne voornaamste gebreken ? 32

TWEEDE HOOFDSTUK.

I. Wat wil het zeggen : oorlogvoeren tegen

zijne gebreken? . • • .35

II. Waarom wordt de strijd tegen de ge

breken aldus genoemd? . • 3ö

ocr page 185

it

Bladz,

DERDE HOOFDSTUK.

Is het van groot belang voor een kind,

zijne gebreken te bestrijden ? . 40 I. Ernstige beweegredenen, om dezen

strijd te ondernemen ... 40 II. Waarom moet zijne gebreken

verbeteren ? Gelijkenissen . .44 III. Vervolg. Gevolgtrekkingen. . . 51

VIERDE HOOFDSTUK.

Voornaamst opwerpingen van een kind, om zich ontblagen te rekenen van dezen strijd . . . . .55 Eerste : „Ik heb geen gebrekenquot; . 57 Tweede: „Ik ken ze nietquot; . .61 Derde: „Zij zijn te kleinquot;. . . 67 Vierde : „Zij zijn te groot en te oud

gewordenquot; . . . . ,71 Vijfde : „Ik kan niet — 't Is te lastig en te vervelendquot; .... 74

VIJFDE HOOFDSTUK.

Hoe men de gebreken moet bestrijden 80

Inleiding......80

Zonder uitstel ..... 82

Met vasten, krachtigen en sterken wil 85

Met volharding ..... 97

Met kalmte, zachtheid en geduld . 104 Één voor één aanvallen . . .113

Met het hoofdgebrek beginnen. . 120

BIJVOEGSEL.

Twee onfeilbare middelen, om zijn gebreken

te verbeteren .........

Eerste middel; zich rekenschap geven van nederlagen en overwinningen . . .123

I. II.

III.

IV.

V,

I.

II.

III.

IV. V.

VI.

ocr page 186

HI

Het boekje .....

De knikkers ....

Het zakje.....

Tweede middel: zich boete opleggen Bemerking over de boete .

Eene gewichtige vraag : moet een kind iemand

raadplegen bij de oplegging der boete ? 148 Eene andere vraag : waarom moet een braaf

kind moedig strijden? , l .150

Bemerking . . . . . .155

Laatste woord . . . . . .156

Kort onderhoud over do deugden en de middelen, om ze te verkrijgen.

Inleiding . . . . . . .158 Wai is eene deugd ? . . . . .159 Bemerking . . . . . . .160 't Is eene geneigdheid tot het goede . . 161 Verdeeling der deugden .... 161

hoevele deugden zijn er ? . . . 162

Waar zetelen zij ? . . . . . 163 Waar komen zij vandaan? . . . .161 Welke zijn de voornaamste deugden van een

christen kind? ...... 164

Vergelijkingen .* . . . .167

Beweegredenen voor een kind, om de deugd

te beoefenen......168

Over de schoonheid der deugd . . .168 Over het nut der deugd . . . /73

Bladz. 126

127

128 132 141

Over het noodzakelijke der deugd. . ,176 Besluit der drie voorgaande Hoofdstukken , 179 Een laatste woord aan onze lezers . .180

Geloofd zij Jesus Christus. In eeuwigheid. Amen.

ocr page 187

mOI' BDEKMIEL,

WAALWIJK,

kSpecialiteit in

J}

ife

De Catalogus hiervan omsluit meer dan 500 met zorg en bevoegdheid gekozen werken.

Goedkoopste adres voor alle Sciioolöehoeften.

Religieuze Pr-tikelen.

ocr page 188

CATALOGUS ï'RANCO.

Bij dezelfde uitgevers verschenen o. a.;

De Parel der Deugden, door A. von Dosz, S. J.,

geb.

De Keuze van een Levensstaat » „ v De Kinderlijke Omgang met den Heer, „ R Bütate, S. J. Leven v. d. H. Aloysius, , Catechismus van het Bittere Lijden en de glorievolle Verrijzenis van O. H. J. Chr, Het H, Vormsel. Een catechetisch onderricht in 21 lessen........

De H. Joseph, Patroon der Kerk.... De Engelenspijze, Nieuwe Communieoefeningen in vertrouwelijke Samenspraken met Jezus. Overwegingen der H. Theresia, vertaald door

B. van Meürs S. J........

De H. Machutus, patroon tegen zenuw- en

' kinderziekten..........

De Getijden der Onhevl. Ontvangenis, opnieuw in Kederl. verzen overgebracht. (Compleet en zeer practisch handboekje voor den Zaterdag)...........

Benevens tal van grootere en kleinere volumes,

geschikt voor de ,