I IV H O U Igt;.
Bladz.
Verdeeling.................. 1
EERSTE TIJDPERK.
Van den ondergang van het Westromein-
sebe rijk tot de regeering van Karol den Groote.
De Germanen in Italië............................1
Het Byzantijnsche rijk..............5
De West-Gothen in Spanje............8
Mohammed en de Islam.............11
De kaliefen..................14
Het rijk der Franken..............18
TWEEDE TIJDPERK.
Van Karei den Groote tot het begin der kruistochten.
Karei de Groote................22
Het leenstelsel................26
Lodewijk de Vrome en zijne zonen. De laatste Karolingen . 33
Duitschland onder de Saksische keizers........36
Het Frankische huis. Paus en keizer........42
Engeland onder de Angelsaksische en Normandische koningen 47
De tochten der Noormannen............51
De Islam in het morgen- en avondland........54
IV.
Bladz.
DERDE TIJDPERK.
Van het begin der kruistochten tot den val van Acco.
De eerste kruistocht..............
De eerste Hohenstaufen in Duitschland. De tweede en de
derde kruistocht...............
De vierde kruistocht en het Latijnsche keizerrijk .... Innocentius III en Frederik II. De vijfde kruistocht . . . De laatste kruistochten en de ondergang van het kalifaat .
Frankrijk onder het huis Capet...........
Engeland onder het huis Plantagenet........
Spanje en Italië gedurende de kruistochten......
VIERDE TIJDPERK.
Van het einde der kruistochten tot de
ontdekking van Amerika.
De gevolgen der kruistochten...........101
Duitschland een kiesrijk.............107
Het Luxemburgsche en het Habsburgsche huis.....111
Frankrijk en de honderdjarige oorlog........117
Engeland en de oorlog der beide rozen........123
Het noorden en het oosten van Europa........128
Spanje en Italië................132
De ondergang van het Oostromeinsche rijk......136
Humanisme en Renaissance............139
60
65 74 78 83 86 92 96
â â 1
DE MIDDELEEUWEN.
VERDEELING.
; 476â 800. Overgangstijdperk. Ontwikkeling der Ger-maansche Staten.
800â1096. Heerschappij van het leenstelsel. 4096â1291. De Kruistochten.
y 1291â1492. Verval van het leenstelsel. Opkomst van den derden stand.
(Zie Deel I, § 3),
f
L
EERSTE TIJDPERK.
VAN DEN ONDERGANG VAN HET WEST-ROMEINSCHE RIJK TOT DE REGEERING VAN KAREL DEN GROOTE.
DE GERMANEN IN ITALIÃ.
§ 1. 0 d o a c e r had op de puinhoopen van het West- ^
rcmieinsche rijk jjyUaminkrgk Italië (476âgpstip.hf..
Zijne schepping was evenwel slechts van korten duur. Reeds twaalf jaar na de stichting drongen de Oost-Gothen, die lt;/ !3 evenals vroeger de West-Gothen een tijdlang in het /
A. G. u. 1
DE GERMANEN IN ITALIÃ.
Byzantijnsche rijk hadden gewoond en daar waren opgestaan, door den listigen keizer overgehaald om liever naar het westen te trekken, Italië binnen. Zij versloegen en ^004den.,.Odoacer en stichtten het Ooslgolhische rijk
(493â555), dat zich niet alleen over het schiereiland, maar ook over een gedeelte der Alpenlanden en geheel Illyrië, uitstrekte.
De eerste koning van het door hem gestichte rijk was Theodorik de Groote (493â526), die, aan het Byzantijnsche hof als gijzelaar opgevoed, de geestelijke ontwikkeling en staatsmans-wijsheid van den Griek aan de kracht en den vrijheidszin van den Germaan paarde. In het geheele westen was zijn naam (Dietrich von Bern) geëerd, en zelfs bij de twisten der Frankische vorsten werd hij als scheidsrechter ingeroepen. Ook in zijn eigen land regeerde hij met kracht en wijsheid.
Ofschoon de onderworpen Romeinen een gedeelte van hun grondbezit aan de veroveraars moesten afstaan, werden zij met gematigdheid behandeld en trachtte Theodorik van hunne gaven partij te trekken ter bevordering van kunst en wetenschap. Onder zijn bestuur leefden de geschiedschrijver Cassiodorus en de wijsgeer B o ë t i u s. Toch gelukte het den koning niet, de genegenheid der Katholieke Romeinen te verwerven. Zij bleven onder bisschop Johannes van Rome' in geheime samenspanning met het Byzantijnsche hof, om de gehate Ariaansche Gothen te verdrijven. De ontdekking eener samenzwering had de terechtstelling
2
i
DE GERMANEN IN ITALIÃ.
van verscheidene hooggeplaatste Romeinen ten gevolge, onder welke ook de vroeger door Theodorik begunstigde Boëtius.
§ 2. Onder Theodoriks opvolgers' bleef de vijandschap tusschen Romeinen en Gothen voortduren, en de onmogelijkheid van beider samensmelting zou op den duur den ondergang van het Oostgothische rijk ten gevolge hebben. Theodoriks dochter, de begaafde Amala-swintha, die dweepte met de beschaving der oude Hellenen, trachtte eene toenadering tot den Byzantijnschen keizer Justinianus tot stand te brengen. De sluwe vorst wist haar evenwel te verwikkelen in twisten met hare onderdanen en toen zij door haar eigen neef vennoord was, trad hij op als haar wreker en zond zijn bevelhebber B e 1 i s a r i u s, om liet Oostgothische rijk te onderwerpen. Koning V i t i g e s werd door diens schoonklinkende beloften overgehaald, om de poorten van Ravenna voor hem te openen; doch Belisarius verklaarde de stad ingelijfd bij het Grieksche rijk en nam den bedrogen koning als gevangene mede naar Constantinopel. Na zijn vertrek heroverde de jonge koning Totilas zijn geheele rijk, en eindelijk zelfs het in het nauw gebrachte Rome. Nog eens bracht Belisarius, met eene kleine macht toegesneld, ontzet, maar hij werd opnieuw teruggeroepen en vervangen door den eunuch N a r s e s. Deze versloeg en doodde Totilas; diens opvolger, de heldhaftige T e j a s, zette den strijd moedig voort; maar in den tweedaag-schen slag bij den Vesuvius werd eindelijk, nadat de
3
DE GERMANEN IN ITALIÃ.
koning reeds driemaal van schild verwisseld had, diens borst door eene vijandelijke speer doorboord. Zijne Gothen verkregen van den vijand een eervollen aftocht, en verlieten gezamenlijk het land; het Oostgothische rijk was vernietigd (555) en Narses lijfde Italië met de hoofdstad Ravenna als het exarchaat (buitenbezitting) in bij het Grieksche keizerrijk.
§ 3. Toen Narses na den dood van zijn beschermer ^ c1 Justinianus door diens opvolger ondankbaar behandeld werd, riep hij, volgens het verhaal, uit wraakzucht de Germaansche Longobarden, die rondzwierven in Pannonië en daar reeds het rijk der Gepiden onderworpen hadden, naar Italië. Zij kwamen onder hun koning Alboïn, die geheel Boven-Italië veroverde en het Longobardische rijk stichtte (572â774) met de hoofdstad Pavia.
De Longobardische vorsten waren in den beginne krachtige heerschers, maar minder beschaafd dan hunne Oostgothische voorgangers. Koning Alboïn werd door zijne gemalin Rosamunde, welke hij in dronkenschap dwong uit den schedel van haar vader te drinken, omgebracht; zij zelve evenwel door haar tweeden gemaal, Helmichis, dien zij ter wille van den Rotneinschen stadhouder vergiftigd had, gedwongen met hem te sterven. Onder de troontwisten van hare opvolgers, onder wie slechts enkele krachtige vorsten uitsteken, verzwakte het rijk meer en meer en maakten de machtige hertogen van Benevento en Friaul zich bijna geheel onafhankelijk. Twisten met den Rotneinschen bisschop, die toen reeds
4
$
DE GERMANEN IN ITALIÃ.
den titel van paus (vader) droeg, deden dezen de hulp van den Frankischen koning Pepijn inroepen. Pepijn versloeg den Longobardischen koning Aistulf en schonk een aanzienlijk deel van diens grondgebied aan den paus, die door deze schenking van Pepijn het eerst wereldlijke macht verkreeg. De laatste der Longobardische koningen was Desiderius, wien Karei de Groote wegens de bescherming van zijne neven, de zonen van zijn broeder Karloman, den oorlog verklaarde. Niettegenstaande de dappere verdediging door 's konings zonen, werd de hoofdstad Pavia ingenomen (774), Desiderius onttroond en in een klooster gezet, terwijl zijn rijk in de macht viel van den Frankischen heerscher, om gedurende het geheele tijdvak der Middeleeuwen in de lotgevallen der noordelijke staten betrokken te blijven.
HET BYZANTIJNSCHE RIJK.
§ 4. Het Oostromeinsche of Byzantijnsche rijk heeft, hoe dikwijls ook door Germaansche en Slavische volken verwoest en uitgeplunderd, den val van Rome overleefd en zijn bestaan tot het einde der Middeleeuwen weten voort te sleepen.
Na eene reeks van zwakke keizers, die zich bij voorkeur bezighielden met bespiegelingen over den godsdienst of met de twisten in de renbaan tusschen de partijen der
5
HET BYZANTIJNSCHE RIJK.
gyoenen, en. der blauwen, beleefde het rijk onder keizer Justinianus (527â565) een nieuw tijdperk van uiterlijke kracht. Behalve zijne heerschzuchtige maar geslepen gemalin Theodora, die hij van paardrijdster in den circus tot keizerin had verheven, stonden hem een aantal uitstekende mannen in het bestuur ter zijde, vooral de rechtsgeleerde Tribonianus en de veldheeren Belisarins en Narses. Tribonianus bracht voor hem eene verzameling der uitspraken van Romeinsche prae-toren en rechtsgeleerden en verordeningen der keizers tot stand, bekend als het corpus Jwis- B e 1 i s a r i u s redde den keizer troon en leven bij de Nika, den opstand der groenen en blauwen, die zich wegens de bestraffing van eenige hunner hoofden bij gelegenheid van een straatgevecht, tegen den keizer hadden verbonden. Hij was het, die ook het grootsche plan hielp ten uitvoer brengen, om het vroegere gebied van het Westromeinsche rijk op de Germanen te heroveren. Naar Afrika overgestoken, vernietigde hij in 534 het rijk der Vandalen onder hun laatsten koning Gelimer, en maakte later met Narses een einde aan het Oostgothische rijk in Italië. Het wantrouwen en de ondankbaarheid van zijn vorst belemmerden evenwel voortdurend zijne handelingen, vooral tegen de oostelijke naburen van het rijk, en in het laatst van zijne regeering moest Justinianus zelfs van de Perzen den vrede voor eene aanzienlijke schatting afkoopen. ,
Evenals zijne voorgangers bemoeide de keizer zich ook
6
HET BVZANTIJNSCIIE KIJK.
met de kerkelijke twisten van zijn tijd en begunstigde vooral de sekte der monophysieten, die slechts éene natuur in Christus erkenden; niet minder dan vijf en twintig nieuwe kerken bouwde hij te Constantinopel, onder welke de tweemaal verbrande Sophiakerk, eene der schoonste oud-christelijke gebouwen in den Byzan-tijnschen stijl. Aan den anderen kant hief hij de philo-sofenschool te Athene op, het laatste overblijfsel van het Grieksche heidendom.
§ 5. Justinianus' opvolgers waren voor het grootste gedeelte verwijfde despoten of wreede tyrannen, die gewoonlijk door het vermoorden van hunne voorgangers op den troon kwamen. De meest beruchte was Phocas, die, toen hij door den veldheer Heraclius was onttroond, door het woedende volk letterlijk verscheurd werd. Onder Heraclius (610â641) -was het rijk door de aanvallen der Avaren aan de eene, en der Nieuw-Perzen, die onder hun koning Kosroës reeds tot in de nabijheid van Constantinopel waren doorgedrongen, aan de andere zijde zijn val nabij, toen de keizer, die met grooten ijver de noodige toebereidselen gemaakt had, de Perzen versloeg en tot in het hart van hun eigen land vervolgde. Het was evenwel ook onder zijn bestuur, dat een gevaarlijker vijand opstond in de Arabieren, die zich weldra van geheel Voor-Azië meester maakten en alleen door den schrik voor het Grieksche vuur, een soort van buskruit, dat onder water bleef doorbranden, en met een plotselingen knal ontplofte, van de bestorming van Constantinopel werden teruggehouden.
7
HET BYZANTIJNSCHE RIJK.
Toen met Leo den Isauriër (717â741) eindelijk weer eene krachtige dynastie aan de regeering kwam, ontbrandde in het rijk de burgertwist tusschen twee nieuwe godsdienstige partijen, de iconodulen en iconoclasten of beeldendienaars en beeldenstormers. Leo met zijne opvolgers Constantijn V en VI gingen met alle kracht de meer en meer in zwang komende vereering van beelden en reliquieën tegen, en lieten deze uit de kerken wegnemen. De moeder van den laatsten dezer vorsten evenwel, Irene (797â802), was eene ijverige aanhangster der beeldendienaars. Met behulp van hare partij maakte zij zich van de regeering meester, onttroonde haar zoon, liet hem zelfs de oogen uitsteken, en beval weer overal de beelden in de kerken te plaatsen. Zij was de tijdgenoote van Karei den Groote, met wien zij volgens het verhaal zelfs onderhandelingen over een huwelijk aanknoopte, maar werd op hare beurt afgezet door den veldheer Nicephorus.
DE WEST-GOTHEN IN SPANJE.
(415- 711).
§ 6. Na Alariks dood hadden zijne opvolgers Athaulf en Wallia het Tolosaansche rijk gesticht (415), zoo genoemd naar de hoofdstad Tolosa (Toulouse), dat het zuiden van Gallië en het noorden van Spanje omvatte.
8
DE WEST-GOTHKN IN SPANJE.
Zijn grootsten bloei bereikte het onder koning Eurik (â 466-484), die gelukkig oorlog voerde tegen de Romein-sche stadhouders in het noorden en de Sueven in het zuiden. Onder zijn opvolger Alarik II evenwel stichtte Clovis in Gallië het Frankische rijk, dat weldra, ook om godsdienstige redenen â de Franken waren Katholieke, de Gothen Ariaansche Christenen â, met het rijk van Toulouse in botsing kwam. In den slag bij Vouglé (507) nabij Poitiers werden de West-Gothen verslagen en ging het grootste gedeelte hunner Gallische bezittingen voorgoed voor hen verloren. Zij moesten voortaan hunne kracht ten zuiden van de Pyreneeën zoeken, en in plaats van Tolosa werd Toledo hunne hoofdstad. Door de onderwerping der Sueven en het vertrek der Vandalen naar Afrika kwam het geheele schiereiland allengs in hunne macht.
Bij de verovering waren de oorspronkelijke inwoners, de geheel tot Romeinen geworden Celtiberiërs, in het genot van hunne vrijheid en een gedeelte hunner bezittingen gelaten; zelfs hunne rechtspraak en wetgeving bleven verschillend van die der veroveraars (Lex Visigotho-rum). Weldra ondergingen evenwel ook dezen den invloed van de hoogere beschaving der onderworpenen en werden hunne instellingen allengs geheel geromaniseerd, terwijl zelfs de hoogste ambten aan Romeinen werden toevertrouwd. Toch bleef ook hier evenals in Italië eene breede kloof tusschen beiden bestaan, die eene volledige samensmelting belette, n.l. het verschil in godsdienst. De
9
â¢10 DE WEST-GOTHEN IN SPANJE.
Katholieke Spanjaarden verzetten zich onder hunne bisschoppen voortdurend tegen de Ariaansche overheerschers, en de krachtige koning Leovigild (572â586) had geheel zijne regeering tegen de opstanden der Katholieken onder zijn éigen zoon Hertnenigild te kampen. Eerst met diens onthoofding was het verzet onderdrukt. Doch toen in het volgend jaar de koning stierf, was ook de ondergang van het Ariaansche geloof beslist.
§ 7. Reccared (586â601), Leovigilds zoon en opvolger, ging met zijne edelen tot den Katholieken godsdienst over. Hiermede verdween ook langzamerhand het verschil tusschen de Gothen en de oorspronkelijke inwoners, en smolten beiden tot een volk samen. De bisschoppen met den adel wisten zich van alle macht meester te maken en het koninklijk gezag op allerlei wijze te besnoeien, terwijl ook de vrije boerenstand allengs te niet ging. Enkele krachtige vorsten, als Kindaswinth en Wamba, trachtten nog wel het verval tegen te houden, maar waren niet tegen den stroom opgewassen. Door een drank bewusteloos gemaakt, werd Wamba tot monnik geschoren en dus voor de regeering ongeschikt verklaard. Nu was de heerschappij van den weelderigen, tot alle ondeugden vervallen adel en de heerschzuchtige bisschoppen onbeperkt ; dweepziek bijgeloof beheerschte het geheele volk en openbaarde zich in de onverdraagzame besluiten der conciliën van Toledo en in gruwelijke Jodenvervolgingen. Zoo was het land rijp voor zijn ondergang, toen de Arabische bevelhebber Tarik in 711 de naar hem genoemde
DE WEST-GOT HEN' IN SPANJE. 41
straat van Gibraltar overstak en iu den slag van Xe res de la Frontera het Gothische leger versloeg. Het ontevreden volk en vooral de wreed vervolgde Joden kozen dadelijk zijne zijde en de onderwerping van het geheele schiereiland tot over de Pyreneeën voltooide den ondergang van het Westgothische rijk.
*
MOHAMMED EN DE ISLAM.
§ 7. Arabië bestaat in het binnenland voor het grootste â gedeelte uit woestijnen; aan de kusten daarentegen bevat het hoogst vruchtbare streken, het vaderland van dadelpalm, gom, mirre en wierook. Hier gingen de Semitische Arabieren daarom tot landbouw, nijverheid en handel over, terwijl zij in het binnenland bleven rondzwerven als Bedoeïnen, roovers of geleiders der karavanen, ridderlijk, hartstochtelijk, vol levendige verbeelding en in voortdurende veeten onder elkander en met de landbouwende Arabieren aan de kust. Hun godsdienst was een onontwikkelde natuurdienst, vereering van zon, maan en sterren (Sabaeïsme), gepaard met een ruw fetischisme, de aanbidding van steenen, stukken hout, enz. Te Mekka was het grootste nationale heiligdom, de Kaha, de kubusvormige tempel, die den beroemden zwarten steen, waarschijnlijk een meteoorsteen, de heilige bron Zemzem, â¢en de afgodsbeelden der verschillende stammen bevatte.
f
MOHAMMED EN DE ISLAM.
De bewaking was opgedragen aan het aanzienlijk geslacht der Koreïschieten. Toch hadden aan de noordelijke grens ook reeds Christendom en Jodendom hun invloed doen gevoelen en bekeerlingen onder de Arabieren gemaakt.
Te midden van dit in bijgeloof verzonken volk trad in de Middeleeuwen de groote hervormer Mohammed op (571â632), die aan een derden monotheïstischen godsdienst het aanzijn zou geven. Op jeugdigen leeftijd wees geworden, werd hij door zijne ooms als herder en kameeldrijver gebruikt, tot zijn huwelijk met de rijke weduwe Kadi dj a hem in een beteren toestand bracht. In haar dienst had hij verre karavaanreizen ondernomen en was daardoor in aanraking gekomen met den godsdienst van Christenen en Joden. Gaarne zich tot stille overpeinzingen in de eenzaamheid der woestijn terugtrekkende, terwijl hij aan een soort van toevallen leed, die hem wonderbaarlijke visioenen deden aanschouwen, waarin de aartsengel Gabriël hem den wil der godheid openbaarde, trad hij eindelijk op als profeet en godsdienststichter. Hij vond evenwel slechts enkelen, die aan zijne zending geloofden, zijne vrouw Kadidja, zijn oom Aboe-Bekr, den Koreïschiet Omar, en zijn neef, later zijn schoonzoon, Ali. Door de anderen, vooral de Koreïschieten, die zich in hunne geldelijke belangen bedreigd zagen, werd hij bespot en eindelijk zelfs vervolgd, zoodat hij in 622 Mekka ontvluchtte naar het naburige Medina, welks bewoners in voortdurende veete met de Mekkanen leefden.
12
MOHAMMED EN DE ISLAM.
Gretig ontvingen zij den vluchteling en omhelsden zijne leer. Het Mekkaansche leger werd verslagen, Mekka veroverd, en van daar de heerschappij en de godsdienst van den profeet met het zwaard over geheel Arabië uitgebreid. Daarom stellen de Mohammedanen dan ook in het jaar van Mohammeds vlucht, 622, het begin hunner jaartelling, de hedsjra.
§ 9. De leer van Mohammed, de Islam, â d. i. het zich overgeven aan de godheid â, die door de geloovigen, de Moslems of Muzelmannen, omhelsd wordt, is ons bekend uit den koran, het heilige boek der Mohammedanen, de verzameling der dichterlijke spreuken, die de profeet nu en dan, als hem van de godheid geopenbaard, aan zijne volgelingen mededeelde, en die, opgeteekend op perkament, leder of palmblaren, later onder de kaliefen Aboe-Bekr en Othman zonder bepaalde orde tot een geheel verzameld werden. De Islam is een zuiver rnonotheïstische godsdienst. Allah is de eenige god en Mohammed zijn profeet. Profeten van minderen rang zijn Mozes en Christus. Mekka bleef als vroeger de heilige plaats dei-Arabieren ; ook aan de Kaba en den zwarten steen werd door Mohammed eene voorname rol in zijn eeredienst toegekend. De vijf plichten, iederen geloovige voorgeschreven, zijn: vijf keer per dag bidden met het gezicht naar Mekka â de muezzin roept van de hooge minarets de uren van het gebed af, en in iedere moskee wijst de gebedsnis de richting van Mekka aan â; verder vasten in de maand Ramadan, waarin van zonsop- tot zonsonder-
13
MOHAMMED EN DE ISLAM.
gang geen spijs of drank mag gebruikt worden; de was-schingen als reinigingsplicht; aalmoezen geven en eens in zijn leven eene bedevaart â de hadsj â- naar Mekka, Maar de eerste aller plichten is de strijd voor het geloof, dat met het zwaard over de geheele aarde moet verbreid worden. Christenen en Joden, die een gedeelte der waarheid bezitten, mogen tegen betaling van een hoofdgeld hun godsdienst blijven belijden, maar de heiden moet kiezen tusschen de bekeering of den dood. Hem, die voor het geloof sneuvelt, wacht de weelde van het paradijs, den afvallige de pijnigingen der hel, beide met de levendigste kleuren in den koran afgeschilderd. Ook behoedt lafheid niet voor den dood, want ieders stervensuur is reeds bij zijne geboorte bepaald, hetzij hij zich in het slaggewoel stort, of zich achter de dikste muren verbergt. Dit fatalisme, de beloften van het paradijs en hunne dweepzucht, waren de prikkels, die de Arabieren voortdreven, tot zij binnen enkele eeuwen de halve wereld aan zich hadden onderworpen.
DE KALIEFEN.
§ 10. Aboe-Bekr (632â634), een van Moham-meds eerste aanhangers, werd zijn opvolger of kalief en beheerscher aller geloovigen. Reeds onder den krach-
14
DE KALIEFEN.
tigen Omar (634â644) wierpen de legers der geloovigen onder hunne veldheeren Kaled en Amr zich op de naburige landen, om overal het geloof door het zwaard uit te breiden. Het Nieuw-Perzische rijk der Sassaniden, dat even te voren door den veldtocht van Heraclius een zwaren schok ontvangen had, werd geheel onderworpen, Syrië en Palaestina werden veroverd en de Grieken door herhaalde overwinningen uit Azië teruggedrongen. Naar het westen drong Amr Egypte binnen, en maakte zich zonder veel moeite meester van Memphis en Alexandrië. Evenals in Azië kwamen hem ook hier de kerkelijke twisten dei-Grieken te hulp, daar de sekte der monophysieten liever het hoofdgeld aan de Arabieren betaalde dan de wreede geloofsvervolgingen der Giieksche keizers te dulden. Alexandrië verviel spoedig, maar tegenover Memphis verrees de stad Kaïro, die de hoofdstad van het Mohamme-daansche Egypte werd.
Na den derden kalief, Othman (644â656), kwam de waardigheid eindelijk aan A li (656â661), den schoonzoon van den profeet. Het Mohammed steeds vijandige geslacht der Omaiaden onder Moawia, den stadhouder van Syrië, stond evenwel tegen hem op; Ali werd vermoord en hetzelfde lot onderging later zijn zoon Hosein, die de plaats van zijn vader trachtte in te nemen. Zelfs Mekka werd door de troepen der Omaiaden bestormd en de Kaba voor een gedeelte verwoest. De aanhangers van Ali weigerden evenwel Moawia en zijne opvolgers als kaliefen te erkennen en zoo ontstond de eerste groote scheuring
DE KALIEFEN.
in de Mohamraedaansche kerk tusschen de Alieten of Schiïeten, die vooral in Perzië het talrijkst vertegenwoordigd zijn, en alleen de nakomelingen van Ali als de ware heerschers erkennen, en de Sunnieten, de aanhangers der Omaiaden, zoo genoemd, omdat zij naast den koran ook aan de sunnah of sonna, de oudste overlevering, een goddelijken oorsprong toekennen.
§ 11. Onder de Omaiaden (656â750), die hunne residentie van Mekka nsiar Damascus overbrachten, werden de veroveringen naar alle zijden voortgezet. In het oosten drongen de Arabieren door tot voorbij Samarkand, en in het westen maakten zij zich meester van de geheele noordkust van Afrika, niet echter dan na een hardnekkigen strijd met de .Berber-volken, die later de meest dweepzieke aanhangers van den Islam werden. Onder den Afrikaanschen stadhouder Musa stak T a r i k, gebruik makende van de onderlinge twisten der West-Gothen, de straat van Gibraltar over, en onderwierp na den slag bij Xeres de la Frontera geheel Spanje. De Joden kozen dadelijk zijne zijde en zelfs een gedeelte der Christenen ging over tot den Islam. Alleen enkele Gotische ridders hielden onder P e 1 a y o den strijd vol in de Asturische bergen. Zelfs de Pyreneeën werden overschreden, en geheel Frankrijk zou onderworpen zijn, zoo niet de Frankische hofmeier Karei Martel in den slag tusschen Tours en Poitiers (732) eene beslissende overwinning op de Mooren behaald en hen gedwongen had, zich naar Spanje terug te trekken.
16
DE KALIEFEN.
§ 12. Intusschen was ook aan de heerschappij der Omaiaden, vervolgd door den haat der echte Arabieren, een einde gekomen door den opstand van A b o e 1-A b b a s (750), den nakomeling van een oom van den profeet. Hij liet zonder genade het geheele geslacht der Omaiaden uitroeien. Slechts een, de jonge Abderrahman, ontkwam aan de slachting en vluchtte naar Spanje, waar hij aanhangers vond en een van de Abbassiden geheel onafhankelijk emiraat, later kalifaat, van Cordova stichtte (755), dat weldra een hoogen bloei bereikte. Dit was de eerste der staten, die zich allengs aan de heerschappij der kaliefen onttrokken.
De Abbassiden (750â1258) brachten de residentie van Damascus over naar Bagdad, dat door den tweeden vor^t uit dit geslacht, Al-Mansor, in de nabijheid van Babyion gesticht was, en met al de schatten van hunne veroveringen en de scheppingen van kunst en wetenschap werd verrijkt, vooral onder kalief Haroen-al-Raschid (786-809), den tijdgenoot van Karei den Groote. Bleven de eigenlijke Arabieren zeiven steeds een onbeschaafd herdersvolk, in de hun onderworpen landen gaven zij het aanzijn aan eene geheel eigenaardige beschaving, welke de toenmalige van Europa verre overtrof. De houwkunst schiep iu Bagdad, Cordova, Cairo en Delhi die heerlijke moskeeën en paleizen, wier rijke, veelkleurige ornamentiek herinnerde aan de tapijten der Arabische veldtenten en de plaats der beeldhouwkunst moest innemen, welke als eene nabootsing van het beeld des menschen en dus ook A. Gr. II. 2
17
DE KALIEFEN.
van dat der godheid, den Mohammedanen verboden was. Muziek en dichtkunst waren reeds vóór Mohammed geëerd bij de Arabieren en de Hamasa, eene der oudste verzamelingen, bevat lierdichten van zeldzame schoonheid. In de wetenschap hebben zij den vooruitgang bevorderd door hunne Arabische cijfers, de beoefening van sterrenkunde, alchimie en geneeskunde, de ontdekkingsreizen van mannen als Ibn-Batüta, eene uitstekende vertaling van Aristoteles en eene van Ptolemaeus, bekend als de Almagest. De namen van geleerden als Avicenna en Averroës werden wereldberoemd. Tot de uitvinding van buskruit, windmolens en wateruurwerken kwamen zij veel vroeger dan de Europeanen.
Maar ook hier zou de bloeitijd spoedig voor het verval plaats maken. Inwendige verdeeldheid, zedenverval aan het hof, heerschzuchtige lijfwachten richtten het kalifaat te gronde, en verdeelden het rijk in een aantal kleine staatjes, die alle in de macht van vreemde veroveraars zouden vallen. De vorderingen hunner beschaving kwamen evenwel ten goede aan de barbaarsche staten van het Germaansche Europa, en zouden daar met de kruistochten een tijdperk van hoogere geestesontwikkeling gaan voorbereiden.
HET RIJK DER FRANKEN.
§ 13. Een van de machtigste der Germaansche volkenverbonden was dat der Franken, dat reeds vroeger her-
18
HET RIJK DER FRANKEN.
haaldelijk met de Romeinsche keizers in botsing gekomen was. Men onderscheidde onder hen twee hoofdstammen, de Ripuarische Franken aan den Beneden-Rijn en de Salische aan Maas en Schelde, grenzende aan het eiland der Bataven. Over de laatsten heerschten koningen uit het geslacht van Merovaeus, de Merovingen. Kort na den val van het Westromeinsche rijk, kwam de kroon aan den jongen C1 o v i s (481 â 511) of Chlodowig (Lodewijk), een ruw, maar geslepen en krachtig vorst. Begeerig zijn rijk uit te breiden, tastte hij den vroegeren Romeinschen stadhouder Syagrius van Soissons aan (486) en veroverde diens gebied, het laatste overblijfsel van het Westromeinsche rijk. Door deze verovering vestigde zich in Gallië het eerst een Frankisch rijk.
Drie andere volksstammen hadden naast de Franken een gedeelte van het oude Gallië in bezit: in het oosten het Germaansch verbond der Alamannen, in het zuidoosten de Bourgondiërs en in het zuiden de West-Gothen. Deze allen moest Clovis verdrijven of onderwerpen, om zijn doel te bereiken en zijn rijk over geheel Gallië uit te strekken. Hij huwde de Bourgondische prinses Clotilde en voerde over het bezit van Bourgondië een hevigen oorlog met vorst Gundobald, die evenwel eerst na 'skonings dood met de onderwerping van het land eindigde. De Alamannen werden verslagen in den slag bij Zulpich en de West-Gothen na den slag bij Vouglé tot de Pyreneeën teruggedrongen. Na de overwinning op de Alamannen omhelsde Clovis volgens eene gelofte
19
HET BUK DER FRANKEN.
en oj) aandrang van zijne gemalin Clotilde den Chris-telijken godsdienst, en wel in tegenstelling van de andere, Ariaansclie, volken, den Katholieken, waarom hij van den paus den titel van allerchrislelijhst honing ontving. Toch bleef hij in zijne gewoonten een ruw en wreed barbaar, gelijk hij toonde in de behandeling zijner krijgsgevangenen, en in de arglistige wijze, waarop hij zijne bloedverwanten, de vorsten der Salische en Ripuarische Franken uit den weg ruimde, om zich van hun land en hunne schatten meester te maken.
§ 14. Na Clovis' dood werd het rijk, volgens de gewoonte der Germanen, onder zijne vier zonen verdeeld, eene gewoonte ook door de latere Merovingen herhaaldelijk nagevolgd, zoodat Frankrijk nu eens uit twee, dan drie, dan vier rijken bestond. Hunne latere namen waren Austrasië, Neustriê, Aquitanië en Bourgondië en de residentiën der vorsten gewoonlijk Parijs, Rheirns, Soissons of Orleans. Twee keer werden zij vereenigd, eerst onder Clovis' jongsten zoon Clotarius I (558) en de tweede maal (613) onder Clotarius II, den zoon der beruchte Fredegonde, die zijn moeders oude vijandin Brunehilde op eene gruwelijke wijze liet ter dood brengen. In het algemeen is de geschiedenis der latere Merovingen, gelijk wij die o. a. kennen uit het verhaal van bisschop Gregorius van Tours, eene aaneenschakeling van gruwelen en misdaden. De laatste vorsten, in overdaad verzonken en in hofintrigues verward, les rois fainéans, gelijk zij bijgenaamd werden, lieten het bestuur over aan hunne hof-
20
HET RIJK DER FRANKEN.
meiers of majordomus, die aan het hoofd van den heersch-zuchtigen adel zich erfelijkheid en bijna onbeperkte macht wisten te verzekeren.
§ 15. Reeds onder Dagobert, den zoon van Clotarius II (630) wordt als hofmeier genoemd Pepijn van Landen. De kleinzoon van dezen, Pepijn van Herstal (687â714), dwong den koning hem te erkennen als hertog en eerste der Franken (dux et piinceps Francorum) in de drie rijken Austrasië, Neustrië en Bourgondië. Zijn zoon. Karei Martel, d. i. strijdhamer (714â741) breidde zijne macht nog meer uit en behandelde koning Chilperik geheel als zijn krijgsgevangene. Door zijne overwinning op de Moeren bij Poitiers (732) redde hij Europa van de overheersching van den Islam. De derde hofmeier eindelijk, Kareis zoon Pep ij n de Korte, maakte in overeenstemming met den pans een einde aan het schijnkoning-schap der Merovingen, sloot Childerik III in een klooster en liet zich zelf tot koning kronen, als den eersten uit het huis der Karolingen. Eene der eerste daden zijner regeering (752 â 768) was den paus zijne dankbaarheid te bewijzen door een tocht nanr Italië, waar de Longo-bardische koning Aistulf het exarchaat had veroverd. Hij versloeg Aistulf en schonk het exarchaat als wereldlijke bezitting aan paus Stephanus II. Pepijns zoon was de beroemde Karei de Groote.
21
TWEEDE TIJDPERK.
VAN KAREL DEN GROOTE TOT HET BEGIN DER KRUISTOCHTEN.
KAREL DE GROOTE.
§ 16. Na Pepijns dood volgden zijne twee zonen, Karei en Karloman, hem in de regeering op. Toen Karloman evenwel reeds in 771 stierf, droegen de edelen de alleenheerschappij op aan Karei den Groote (768 â 814). Door zijne veroveringen breidde deze zijn rijk naar alle zijden uit, tot hij meester was van half Europa; terwijl hq door het aannemen van den keizerstitel ook voor het uiterlijke de Romeinsche wereldheerschappij scheen te willen herstellen. Hierom en ook wegens de nieuwe instellingen, die hij aan zijn rijk schonk, vooral wegens de uitbreiding, die het leenstelsel in zijn tijd verkreeg, wijdt zijne regeering een nieuw tijdperk der Middeleeuwen in,
KAREL DE GROOTE.
en maakt zij een einde aan het overgangstijdperk der volksverhuizingen en statenvormingen.
Na een opstand in Aquitanië bedwongen te hebben, dat nu voorgoed ingelijfd werd, trok Karei, evenals voorheen zijn vader Pepijn, paus Hadrianus te hulp, die bedreigd werd door den Longobardischen koning D e s i-d e r i u s, welke bovendien de zonen van Karloman aan zijn hof had opgenomen en hunne aanspraken scheen te willen ondersteunen. De Longobarden werden verslagen, hunne hoofdstad Pavia ingenomen en Desiderius in een klooster gezet, terwijl Karei Lombardije inlijfde en zich de ijzeren koningskroon der Longobarden op het hoofd plaatste (774). In het zuidwesten trok hij op tegen de Arabieren in Spanje (778), die toen door burgertwisten verdeeld waren. Ook hier was hij gelukkig; alleen werd door de Basken een leger onder zqn wakkeren paladijn Roland bij Roncevaux in de Pyreneeën verraderlijk overvallen en vernietigd. Het noorden van Spanje werd later tot den Ebro onder den naam van Spaansche mark bij het Frankische rijk ingelijfd.
Den langdurigsten strijd had Karei te voeren met de Saksen, die dertig jaar lang voor hunne vrijheid en hun godsdienst den oorlog tegen de Frankische overmacht volhielden. Wel had hij reeds op den eersten tocht hun heiligen boom, den Irminsul, doen vellen, herhaaldelijk hunne burchten verwoest, en tal van gijzelaars medegevoerd; maar telkens stonden zij onder hunne aanvoerders Wittekind en Albion opnieuw op en vernietigden
23
KARF.L DE GROOTE.
zelfs meer dan eens geheele Frankische legers. Zelfs de groote overwinning aan de Hase (783) na het vreeselijke bloedbad te Verden, waar 4500 voorname Saksen werden ter doodgebracht, was niet in staat het verzet te breken. Eerst in 803 onderwierpen zij zich voorgoed en namen gezamenlijk het Christendom aan. terwijl door het overbrengen van geheele Saksische stammen naar Frankrijk en van Frankische koloniën in het land der Saksen, eene duurzame onderwerping verzekerd werd. Tot uitbreiding van het Christendom werd in het veroverde land het nieuwe bisdom Paderborn gesticht.
Nog verdere tochten naar het oosten ondernam de keizer zelfs aan de andere zijde van de Elbe, tegen de Slavische volken, die zijne bondgenooten, de Obotrieten, hadden aangevallen. In Oostenrijk onderwierp hij de Avaren, terwijl hij in 't noorden tegen de Denen zijn rijk tot den Eider uitbreidde. Eene reeks van marken langs de geheele oostgrens, van den Eider tot den Donau, diende om de grenzen te verdedigen en verdere invallen te voorkomen. Toen hij eindelijk paus Leo III na een opstand van het Romeinsche volk zijne hulp had verleend, en hem voldoening tegenover zijne tegenstanders had verschaft, plaatste deze op Kerstdag van het jaar 800 hem de Roomsche keizerskroon op het hoofd, en erkende hem dus als den wettigen opvolger der Westromeinsche keizers in de heerschappij over Europa. De middeleeuwsche sage koos zich den grooten veroveraar later tot haren lievelingsheld en bezong de krijgsdaden van Karei en zijne twaalf paladijns in de
24
KAREL DE GROOTE.
Karelromans, die in de kruistochten de ridders tot navolging van zijne heldendaden moesten opwekken.
§ 17. Belangrijker nog dan zijne veroveringen zijn de groote binnenlandsche hervormingen, die Karei in zijn rijk tot stand bracht. Zelf bemoeide de keizer, gesteund door bekwame raadslieden, zich met alle takken van het bestuur, en regelde door zijne capitulariën de rechten en plichten der onderdanen. Hertogen en graven bestuurden voor hem als legeraanvoerders en rechters de onderworpen gouwen, terwijl hij zelf als opperheerscher in zijne resi-Identies, meestal Aken, Nijmegen of Ingelheim, of op de groote Maart- en Meivelden in de rechtsgedingen zijn oordeel uitsprak of de vergaderingen van zijne edelen leidde. Evenals hij bij zijne veroveringen steeds de uitbreiding van het Christendom ten doel had, bevorderde hij steeds de belangen der geestelijkheid, aan wie door zijne wetten het recht om overal tienden te heffen werd toegekend. Aan den anderen kant wist hij, zoolang hij leefde, hunne heersch-zucht met krachtige hand in toom te houden. Boven alles streefde hij er naar, om de beschaving in zijn rijk te bevorderen en zijne onderdanen te verheffen uit de barbaarschheid, waarin zij nog verzonken waren. Aan de meeste kloosters werden scholen verbonden voor het onderwijs der jeugd in de zeven vrije wetenschappen, het trivium: grammatica, rhetorica en dialectica, en het quadrivium: arithmetica, geometria, musica en astronomia. De uitstekendste geleerden, Alcuïn, Eginhard en Warne-fried, riep de keizer aan zijn hof, als leermeesters voor
25
KABEL DE GROOT E.
zijne omgeving. Zelf leerde hij op later leeftijd het Latijn, maar toonde ook. zijn ijver voor de volkstaal door het verzamelen der Oudduitsche volksliederen. Veel van hetgeen hij gezaaid had, zou in latere tijden van ruw geweld weer vertreden worden; maar van duurzamer aard en den stempel op de geheele Middeleeuwen drukkende, werd de uitbreiding, die het uit oude Germaansche gebruiken afkomstige leenstelsel in zijn tijd ontving.
HET LEENSTELSEL.
§ 18. Wanneer de oude Germanen een krijgstocht begonnen, verhieven zij een hunner, den krachtigste, die het meest het algemeene vertrouwen bezat, tot hun hertog of legeraanvoerder, ook wel koning genoemd, wanneer de waardigheid in zijn geslacht erfelijk was. Hadden zij onder zijne aanvoeling een land veroverd, dan behielden de oorspronkelijke bewoners een of twee derden van den grond. Het andere werd zooveel mogelijk gelijk verdeeld onder de veroveraars, die het hun toegewezene als eene volkomene eigen bezitting, allodium, ontvingen.
Onder deze veroveraars waren gewoonlijk eenige jongelingen van eigen of vreemden stam, die, om den krijg te leeren of krijgsroem te behalen, zich als volgelingen â leudes, antrustionen â bij den vorst hadden aangesloten en zijn gevolg uitmaakten. Om hen te beloonen en
26
HET LEENSTELSEL.
nauwer aan zich te verbinden, gaf de koning, â die gewoonlijk iets meer dan de anderen kreeg, en bovendien ook de bosschen en woeste gronden â van zijn allodium of domein een gedeelte aan die volgelingen voor hun leven in gebruik of leen â beneficium, later feudum â, waartegen zij dan de verplichting op zich namen, hem in den krijg en andere gevallen bij te staan : dus belooning van -diensten met tijdelijken afstand van grond in plaats van met geld, dat in die tijden nog zeer schaarsch was. Dit waren de eerste leenen, die dus in den beginne uitzondering waren, maar later algemeen werden en de allodia eindelijk geheel verdrongen, tengevolge van drie oorzaken: het bestuur van Karei den Groote, de kerk en het vuistrecht.
A. Karei de Qroote stelde, gelijk wij gezien hebben, om zijn uitgestrekt rijk beter te kunnen beheer-schen, in de onderworpen gouwen hertogen of graven aan, welke laatsten in het bijzonder met het beheer der koninklijke goederen en de rechtspraak in hun gewest belast waren, en met hunne schepenen de vierschaar spanden. Markgraven werden zij genoemd, wanneer zij eene mark of grensgewest bestuurden; zendgraven zond de keizer de verschillende gouwen rond om toezicht op de gewone graven te oefenen; de paltsgraaf â paleisgraaf â was de plaatsvervanger van den keizer, die in diens paleis woonde. Deze ambtenaren nu ontvingen geen traktement in geld, maar kregen gewoonlijk de inkomsten van hunne gouw gedurende hun ambt in gebruik of leen; zoo werden de graven dus ook leen-
27
HET LEENSTELSEL.
mannen, en toen zij dit leen later erfelijk maakten, werden zij van ambtenaars langzamerhand de heeren van hun gewest, en werd het graafschap in plaats van een ambt eene bezitting.
§ 19. B. De kerk was langzamerhand eene macht in den staat geworden. Nadat de metropolitaansteden Alexandrië, Antiochië en Jeruzalem in de macht der Arabieren waren gevallen, was de bisschop van Rome, later paus genoemd, het hoofd der westersche Christenheid geworden, vooral daar de meeste predikers van het Christendom onder de Germanen, gelijk Willebrord en Winfried of li o n i f a c i u s, de apostel der Duitschers, van Rome nitgingen en de bekeerde volken onder den Roomschen bisschopsstoel plaatsten. Een der eerste verdienstelijke pausen was Gregorius I de Groote (590â604), die zich zelf den knecht der knechten Gods noemde en bekend is door zijne verdiensten voor de invoering der kerkelijke Gregoriaansche muziek.
Een krachtigen steun voor de uitbreiding hunner macht vonden de pausen in de kloosterorden. Afkomstig uit Egypte, waar Pachomius de kluizenaars in kloosters â claustra = besloten plaatsen, â vereenigde, bracht Bene-dictus van Nursia hen naar Europa over door de stichting van het Benedictijner klooster op den Monte Cassino (529). Evenals de andere monnikenorden later, moesten zij de drie kloostergeloften afleggen: vrijwillige armoede, kuischheid en gehoorzaamheid. In die tijden van ruw geweld werkten de kloosters heilzaam als wijkplaatsen voor vervolgden.
2S
HET LEENSTELSEL.
en door de rustige beoefening der ietteren, die alleen hier mogelijk was. Sommige, gelijk de kloosters van Corvey en te Fulda, hebben zich in dit opzicht grooten naam verworven door de beoefening der wetenschappen. Vele werken der oude Latijnsche eu Grieksche schrijvers zijn hier bewaard gebleven en gekopieerd, terwijl aan den anderen kant vaak de monniken den inkt van het dure perkament afkrabden, om er hun monnikenlatijn op te schrijven.
Langzamerhand kwamen de kloosters ook in het bezit van groote goederen, daar vele vrome edelen, en ook anderen, om vergiffenis voor hunne zonden te verkrijgen, hunne goederen aan de kerk vermaakten. Wegens de rechtsonzekerheid bestond evenwel veel de gewoonte, dat de edelen, om zekerheid van de uitvoering van hun wil te hebben, reeds bij hun leven hunne goederen aan de kerk schonken, maar ze dan tot hun dood in vruchtgebruik of leen mochten behouden. Soms ook schonk het klooster een gedeelte van zijne goederen in leen aan een naburig edelman, die dan als beschermer (advocatus) van het klooster optrad.
§ 20. Wat evenwel het meeste bijdroeg tot de uitbreiding van het leenstelsel en het overgaan van alle allodia in leenen, was het vuistrecht, d. i. het recht van den sterkste of liever het gemis van alle recht, zooals wij dat aantreffen in de woelige tijden na Kareis dood. Drie oorzaken werkten weer de heerschappij van dat vuistrecht in de hand; le het slechte bestuur der opvol-
29
HET LEENSTELSEL.
gers van Karei den Groote, van wier onderlinge twisten de edelen gebruik maakten om hunne macht te ver-grooten, zonder dat zij voor bestraffing beducht behoefden te zijn; 2e de invallen der Kooimannen, die het geheele gebied der zeekusten in angst en verwarring brachten en daar eiken ordelijken toestand onmogelijk maakten, en eindelijk 3e de wijze, waarop de rechtspraak werd uitgeoefend.
In de oudste tijden gold onder de Germanen de bloedwraak of de wet van oog om oog, tand om tand, en was de familie van den vermoorde verplicht niet te rusten, voordat zij zelve den moordenaar had gestraft. Daar deze gewoonte evenwel aanleiding gaf tot eindelooze familie-veeten, werd later het weergeld ingevoerd, eene schadeloosstelling, die de misdadiger aan de familie van den vermoorde moest betalen, en die afhing van den stand van den vermoorde of den aard van het vergrijp. De rechtspraak werd uitgeoefend door den graaf met zijne schepenen, of volgens het oude volksrecht, gelijk men dat o. a. opgeteekend vindt in den Saksenspiegel, óf volgens het Romeinsch recht, dat later meer algemeen geldend werd, óf volgens het kanoniek of kerkelijk recht, waaraan vooral de geestelijkheid invloed trachtte te verschaften. In twijfelachtige gevallen, waarin de zaak niet beslist kon worden, paste men het godsoordeel toe, b.v, de waterproef, of de vuurproef, waaraan de beklaagde zich moest onderwerpen. Het meest gewone godsoordeel was evenwel het tweegevecht tusschen den aanklager en
30
HET LEENSTELSEL.
den aangeklaagde, daar men meende, dat God altijd den onschuldige zou bijstaan. Werd dit tweegevecht oorspronkelijk slechts in twijfelachtige gevallen toegepast, later had de aangeklaagde, wiens schuld bewezen was, zelfs het recht den rechter, die het vonnis velde, uit te dagen, en kon hij zich door eene overwinning nog dan vrijpleiten. Geen rechter durfde meer een krachtig man vervolgen, vooral toen hij geen steun meer ontving van de wettige overheid, die alle gezag verloren had. Straffeloos onderdrukte de sterke den zwakke en beroofde hem van zijn eigendom. Het eenige middel was, zich vrijwillig of gedwongen onder de bescherming van een krachtigen nabuur te plaatsen, aan hem zijne goederen toe te vertrouwen, en die in leen terug te ontvangen met de verplichte bescherming van den leenheer. Zoo veranderden bijna alle allodiën tengevolge van het vuistrecht in leenen.
Evenals met de bezitters van allodiën, ging het met de kleine vrije boeren, die door het ruw geweld van het hunne beroofd werden, of zich, om die berooving te voorkomen, met het hunne onder de bescherming van een machtig edelman moesten plaatsen. Zoo ging de vrije boerenstand te niet, en zag men vóór de ontwikkeling der stedelijke vrijheid naast den trotschen leenadel slechts onvrijen. Tot dezen behoorden de hofhoorigen, de landbouwers, die bij het goed behoorden, en te gelijk er mee verkocht werden, maar anders eigen bezittingen mochten hebben, en de lijfeigenen of halseigenen, die niet veel meer dan slaven waren.
31
HET LEENSTELSEL.
§ 21. Zoo werd de verhouding tusschen den vorst en den onderdaan veranderd in die tusschen den leenheer en den leenman of vazal. De laatste kon van het zijne weer een gedeelte aan een ander in leen geven, die dan van den eerste de achterleenman werd. Toen de leenen later erfelijk werden â gelijk de leenwet van keizer Koenraad II de erfelijkheid der Italiaansche achlerleenen vaststelde â onderscheidde men zwaardleenen, waarin alleen mannen mochten opvolgen, en spilleleenen, waarmee ook vrouwen beleend konden worden. De leenheer was verplicht tot bescherming van zijn leenman, de laatste moest den leenheer met zijne mannen bijstaan in den krijg, âgewoonlijk 40 dagen in het jaar â, bij plechtige gelegenheden zijn gevolg helpen uitmaken, bij het huwelijk van zijne dochter een gedeelte van den bruidsschat, bij krijgsgevangenschap van zijn zoon een gedeelte van den losprijs betalen. Ook werd in later tijd onder den naam van relief betaling van eene geldsom bij eiken overgang van een leen gevorderd.
Werden in sommige landen, gelijk in Engeland onder de Normandische koningen, de verplichtingen van den leenman zeer drukkend en kostbaar, in andere wist hij bij het verval van de vorstelijke macht zich meer en meer onafhankelijk te maken en groote voorrechten te verkrijgen. Een van de voornaamste, dat vooral aan kerkelijke goederen ten deel viel, was de zoogenaamde immuniteit, de vrijstelling van belastingen en van de gewone rechtspraak, terwijl de leenman zelf de jurisdictie of rechtsmacht over
32
HET LEENSTELSEL.
zijne ondergeschikten verkreeg. Zou na de kruistochten het leenstelsel zelf allengs plaats maken voor de absolute macht der vorsten, sommige feudale rechten, gelijk jacht-recht, tiendrecht, ambachtsheerlijkheid, hebben de herinnering er aan nog tot latere tijden bewaard.
r.ODEWIJK DE VROME EN ZIJNE ZONEN.
DE LAATSTE KAROLINGEN.
§ 22. Een jaar voor zijn dood had Karei zijn eenig overgebleven zoon, Lodewijk, tot koning laten kronen en door zijne onderdanen doen huldigen. Deze, Lodewijk de Vrome, gelijk hij genoemd wordt (814â840), was in weerwil van zijne vroomheid en goedhartigheid, niet de man om Kareis uitgestrekt gebied bijeen te houden en zijne instellingen te handhaven. De machtige vazallen, de heerschzuchtige geestelijkheid en zijne eigen zonen verzetten zich tegen hem, terwijl de grensgewesten te lijden hadden van de invallen der Noormannen, der Slavische volken en der Saracenen Tevergeefs schonk hij aan de Noorsche vorsten Heriold, Roruc en Hemmiriquot;
' O
bezittingen in Nederland ; de gunst, hun bewezen, lokte slechts nieuwe scharen naar de Frankische kusten. Het noodlottigst werkten evenwel de hoisten met zijne zonen,: Lotharius, Pepijn en Lodewijk. Gelijk zijn vader had hij den oudsten tot zijn opvolger laten kronen, terwijl Lodewijk a. o. n. 3
33
LODEWIJK DE VKOME EN ZUNE ZONEN.
en Pepijn als diens onderkoningen Beieren en Aquitanië zouden ontvangen. Toen hij evenwel later aan den zoon uit zijn tweede huwelijk met gravin Judith van Beieren gesproten, Karei den Kale, eveneens een koninkrijk wilde schenken, verzetten de anderen zich daartegen en begon de burgeroorlog, die met eenige tusschenpoozen tot na zijn dood voortduurde. Wel had de jongste, Lodewijk, partij voor zijn vader gekozen en hem op den rijksdag te Nijmegen in al zijne macht hersteld, maar toen de keizer de hem gedane beloften niet gestand deed, verbond Lodewijk zich weder met zijne broeders en brachten zij hun vader met medehulp van paus Gregorius IV op het Leugenveld tot de overgave en de gevangenschap, waarin Lotharius hem zelfs dwong de monnikspij aan te trekken en openlijk boete te doen, teneinde hem aldus voor den troon ongeschikt te maken. Lotharius' heerschzucht verwekte evenwel den tegenzin der anderen, die hem gezamenlijk den oorlog aandeden. Te midden dier twisten stieif de keizer, maar zijne zonen zetten den oorlog voort en versloegen Lotharius in den bloedigen slag bij Ponten ai (841). Eerst in 843 kwam het tot eene schikking door het verdeeling sverd rag van Verdun, waarbij Karei de Kale West-Frankrijk, Lodewijk de Duitscher Oost-Frankrijk (Duitschland) en Lotharius de keizerskroon met de tusschen beide liggende streken van de Noordzee tot de Middellandsche zee ontving.
§ 23. Het eerst stierven de Karolingen uit in Lotharingen met den dood van Keizer Lodewijk II (875), den
34
DE LAATSTE KAROLINGEN.
jongsten van Lotharius' drie zonen, onder wie deze zijn rijk verdeeld had. Het noordelijk gedeelte van Lotharius' rijk was reeds in 870, toen zijn oudste zoon Lotharius 11 stierf, bij het verdrag van Meersen tusschen Frankrijk en Duitschland verdeeld. Na den dood zijner oudere broeders vereenigde de jongste zoon van Lodewijk den Duitscher, Karei de Dikke, toen ook de Frankische grooten hem na den dood van Karloman, den kleinzoon van Karei den Kale, tot koning verhieven, (884) dé drie rijken weer met elkander, terwijl hij van den paus de keizerskroon ontving. Zijne lafhartigheid tegenover de Noormannen, van wie hij den vrede voor eene groote som gelds afkocht in plaats van met zijn uitstekend leger den slag te wagen, verwekte algemeene minachting en verzet. In Duitschland stelde A r n u 1 f van Karinthië (887â899) zich aan 't hoofd der beweging. Hij versloeg de Noormannen bij de Dijle niet ver van Leuven en deed een tocht naar Italië, waar hij tot keizer gekroond werd. Met zijn zoon L o d e w ij k het Kind stierven in 911 de Karolingen in Duitschland uit.
In Frankrijk, dat het meest van de invallen der Noren, die Bordeaux, Orleans, Tours en Blois meer dan eens in vlammen deden opgaan, en zelfs van die der Saracenen had te lijden gehad, werd in plaats van Karei den Dikke O d o, g r a a f v a n P a r ij s, tot koning verheven; terwijl zich in het zuidoosten het Cisjuraansche koninkrijk Bour-gondië onder hertog Boso van Provence en het Transju-raansche onder koning Rudolf onafhankelijk maakten. Na
35
LODEWIJK DE VROME EN ZIJNE ZONEN.
36
Odo's dood kwamen de Karolingen wel weer op den troon, maar Karei de Eenvoudige had voortdurend tegen de machtige graven van Parijs, Odo's broeder Robert en vooral diens zoon Hugo den Groote, te strijden. Aan den Noorschen viking Hrolf of Rollo was hij gedwongen eene geheele provincie aan den Seinemond, later Normandië genaamd, in leen te geven (912). De koning stierf zelf als gevangene van Rudolf van Bourgondië, en na de regeering van nog enkele Karolingische naamkoningen zette Hugo Capet, hertog van Francia, de zoon van Hugo den Groote, eindelijk den laatsten, Lodewijk V, le faineant (den doeniet), in een klooster, en verhief met zich zelf het huis der Capetingen op den troon (987).
DUITSCHLAND ONDER DE SAKSISCHE KEIZERS.
§ 24. Onder de leenmannen, die zich tijdens de laatste Karolingen eene grootere onafhankelijkheid hadden weten te verschaffen, namen eene eerste plaats in de vijf hertogen van Beieren, Zwaben, Franken, Saksen en Lotharingen. Daar het laatste hertogdom zich na den dood van Lodewijk het Kind bij Frankrijk had aangesloten, moest zich, na het uitsterven der Karolingen, de keuze ter vervulling van den openstaanden koningstroon tot een
DUITSCHLAND ONDER DE SAKSISCHE KEIZERS. 37
der eerste vier bepalen. Zij viel op den hertog van Franken, die als Koenraad I (911â918) door de overigen als Duilsch koning werd gehuldigd. Hij was een flink, rechtschapen vorst, maar bezat geen voldoende macht om zijne opperheerschappij over de onwillige leenmannen, vooral den rijken hertog van Saksen, met de noodige kracht te handhaven. Ook gelukte het hem' niet. Lotharingen op Frankrijk te heroveren, terwijl de ruwe, heidensche Magyaren of Hongaren, die zich na de verovering van Moravië tegen Duitschland hadden gekeerd, plunderend en moordend de Duitsche gouwen afstroopten, zonder door den koning te kunnen worden tegengehouden. Daarom ried hij op zijn sterfbed zijn broeder Eberhard, niet naar de kroon te dingen, maar haar aan zijn tegenstander Hendrik van Saksen aan te bieden, opdat deze met meer kracht de vorstelijke waardigheid tegen al die aanvallen zou kunnen handhaven.
§25. Hendrik I (919â9u6), de eerste vorst uit het Saksische keizershuis (919â10'i-4), hief met zijne opvolgers Duitschland uit de vernedering op en maakte het tot den rnachtigsten staat van Europa. Karei de Eenvoudige werd gedwongen Lotharingen weer aan Duitschland af te staan, zoodat Holland, â hoewel de stamvader van zijn gravenhuis. Dirk, het eerst van Karei eene streek in Kennemerland in bezit gekregen had, â na dien tijd een Duitsch leen is geworden en gebleven. Tegen de Slavische volken trok Hendrik over de Elbe en behaalde op de Wenden de groote overwinning bij
DUITSCHLAND ONDEK
Lenzen (929), die voor langen tijd van dien kant alle gevaar afweerde. Van de Magyaren evenwel, die hem in het begin zijner regeering verslagen hadden, moest hij voor eene zware schatting een negenjarigen wapenstilstand afkoopen. Dien tijd maakte hij zich ten nutte om de noodige maatregelen te treffen, die een volgenden aanval zouden kunnen te keer gaan. Daar de Magyaren op hunne vlugge rossen, waarmede zij even snel verdwenen als zij verschenen waren, in den veldslag eene onweerstaanbare kracht uitoefenden, maar niet geschikt waren voor het langdurig beleg van steden en burchten, stichtte hij eene reeks van versterkte plaatsen langs de bedreigde grenzen, die hij evenwel bij den weerzin der Duitschers tegen het wonen binnen stadsmuren, slechts door groote beloften of dwang bevolkt kon krijgen. Elke negende man was verplicht tot hunne verdediging mede te werken. En om de Magyaren met hunne eigen wapens te bestrijden en in het open veld te kunnen achtervolgen, schiep hij eene geoefende ruiterij uit de edelen en weerbare mannen. Toen, gereed tot de verdediging, trok hij op tegen de Magyaren, die weer plunderend tot in Thuringen waren doorgedrongen, en versloeg hen beslissend op het slagveld van Mcrseburg (933).
§ 26. Hendriks zoon. Otto I de Groote (936â973), zette met kracht zijns vaders werk voort. De Magyaren, die ook onder hem nog een inval waagden, werden door zijne uitgelezen legerbenden in den grooten slag op het Lechveld (955) zoo beslissend verslagen, dat zij na dien
38
DE SAKSISCHE KEIZERS.
tijd geen inval meer in de Duitsche landen gewaagd hebben. Hoewel de koning zelf, bij zijne troonsbeklimming van zijn eigen hertogdom afstand had gedaan, vermeerderde hij de macht van zijn huis door de opengevallen leenen aan zijne broeders en zonen te schenken, hetgeen evenwel niet belette, dat deze, gelijk zijn broeder Hendrik van Beieren en zijn zoon Ludolf van Zwaben, zich meer dan eens met de wapenen tegen hem verzetten. Aan de noordelijke grens werd het rijk uitgebreid tot den Eider, en de Deensche koning gedwongen het Christendom aan te nemen, terwijl Otto aan de oostelijke grens, evenals Karei de Groote, eene reeks van markgraafschappen en bisdommen stichtte, om het Christendom met het zwaard en het woord onder de heidensche Slaven te verbreiden.
Intusschen was de Roomsche keizerskroon, na den dood van Arnulf van Karinthië, een twistappel geworden tusschen de Italiaansche grooten, Berengarius van Friaul en zijn kleinzoon Berengarius vanlvrea aan de eene en de Bourgondische vorsten Hugo en zijn zoon Lotharius aan de andere zijde. Toen Berengarius van Ivrea na den dood van den laatste, volgens het gerucht door zijn mededinger vergiftigd, zich tot keizer had laten kronen, en z ijns voorgangers weduwe, Adelheid, wilde dwingen met zijn zoon te huwen, riep zij de hulp in van Otto, den Duitschen koning, die over de Alpen trokt Berengarius versloeg en met Adelheid huwde. Bij een nieuwen opstand van Berengarius trok hij zelfs naar Rome, waar hij van den paus de keizerskroon ontving (962), die
39
DUITSCHIAKD ONDER
na dien tijd met de heerschappij over het Duitsche rijk verbonden bleef, zoodat Otto de eerste der Duitsche keizers is geweest. Aan den anderen kant werden van toen af de Duitsche zaken te dikwijls wat veel verwaarloosd voor het bezit van het schoone Italië en vooral van de stad Rome, aan wier bezit nog altijd het begrip vau wereldheerschappij scheen verbonden te zijn. Zelfs de benoeming en afzetting der pausen berustte evenals die der Duitsche bisschoppen vaak in des keizers hand.
§ 27. Otto II (973â983), de zoon van den vorige, maakte wegens zijn huwelijk met de Byzantijnsche prinses Theophania, mede aanspraak op de Zuiditaliaansche hertogdommen Apulië en Calabrië. De bedreigde Grieken riepen evenwel de Saracenen te hulp, die zich in 827 van Sicilië hadden meester gemaakt en nu, met de Griekenâvereenigd, Otto in den slag bij Basantello (982) zoo beslissend versloegen, dat de keizer ternauwernood het leven en de vrijheid redde. Gelukkiger was hij in den oorlog om Lotharingen tegen den Franschen koning Lotharius, wiens leger hij tot Parijs vervolgde.
's Keizers driejarige zoon Otto 111 (983â1002) ontving van zijne Grieksche moeder en zijne Italiaansche grootmoeder eene classieke opvoeding, die hem geheel van zijne Duitsche onderdanen vervreemdde, hoewel toch ook reeds toen in de beroemde kloosters van Corvey en Fulda de Latijnsche schrijvers met ijver bestudeerd werden, en zelfs de non Hroswitha Latijnsche blijspelen schreef, om de heidensche van Terentius te verdringen. Otto bemoeide
40
DE SAKSISCHE KEIZERS.
zich evenwel niet met hunne belangen, maar bleef in Rome, â waar hij zijn tijd verkwistte met allerlei intriges tegen den voornamen Romein Crescentius, die eindelijk gevangengenomen en onthoofd werd. Een grooten schrik verspreidde in die verdorven Italiaansche samenleving de nadering van het jaar 1000, waarmee de ondergang der wereld en de dag van het laatste gericht was aangekondigd. Velen schonken hunne goederen aan de kerk en onderwierpen zich aan boetedoening en zelfkastijding, anderen verscholen zich in grotten of bouwden arken tegen den naderenden zondvloed, terwijl weer vele anderen bedevaarten naar het heilige graf te Jeruzalem ondernamen, die na dien tijd talrijker wei-den en tot het ontstaan der kruistochten hebben medegewerkt. Toen het gevreesde jaar evenwel voorbij was, begon het oude leven opnieuw en in 1002 stierf Otto op nog jeugdigen leeftijd, volgens het gerucht vergiftigd door de weduwe van Crescentius.
Otto's neef, Hendrik II (1002â1024) van Beieren zette de tochten naar Italië voort en voerde een onge-lukkigen oorlog over Bohemen tegen den Poolschen hertog Boleslaw. Met zijn dood eindigt de regeering van het Saksische huis.
41
42
HET FRANKISCHE HUIS. PAUS EN KEIZER.
§ 28. Na het uitsterven van het Saksische huis met Hendrik II, keerde de kroon terug tot het Frankische huis (1024â1125). Onder de beide eerste vorsten, Koen-raad II, den Saliër bijgenaamd (1024â1039), en Hendrik III (1039â1056) breidde de keizerlijke macht zich nog steeds uit. Zoo werd Bourgondië door den laatsten koning Rudolf aan keizer Koenraad vermaakt en deed deze vorst zijne macht in Boven-Italië gevoelen, waar hij (1038) de bekende leemvet afkondigde, die de Italiaan-sche achterleenen erfelijk verklaarde. De krachtige Hendrik III, die de opengevallen hertogdommen aan zijn huis trok, de binnenlandsche veeten te keer ging en in navolging van Bourgondië den Godsvrede (Treuga dei), waarin alle onderlinge geschillen een dag in de week moesten rusten, voor het geheele Duitsche rijk trachtte in te voeren, beschikte zelfs bijna onbeperkt over den pauselijken stoel. Evenwel ontstond er èn onder de Duitsche vorsten èn onder de geestelijkheid een geheim verzet tegen de keizerlijke almacht, dat zich in het eerst niet durfde uiten, maar weldra met volle kracht uitbarstte, toen Hendrik bij zijn dood ongelukkig een minderjarigen zoon naliet en de regeering in de handen van zwakke vrouwen of heerschzuchtige geestelijken kwam.
Hendrik IV (1056 â1106), die eerst onder de voogdij van zijne moeder Agnes van Poitiers stond, werd haar ontroofd door eene samenzwering onder de leiding van
HET FRANKISCHE HUIS. PAUS EN KEIZER. 43
den strengen aartsbisschop Hanno van Keulen; doch deze werd weldra in 's keizers gunst verdrongen door den aartsbisschop Adalbert van Bremen, die om eigen heersch-zucht te bevredigen, den jongen vorst in al zijne handelingen vrij spel liet en daardoor na de gestrenge opvoeding van Hanno, zijn karakter geheel ten verkeerde leidde. Hendrik, die buitengewone geestesgaven bezat, kreeg een hoogen dunk van zijne vorstelijke macht en werd daarin versterkt door zijne omgeving, grootendeels uit de minis-terialen bestaande, bekwame ambtenaars, die noch tot den adel noch tot de geestelijkheid behoorden en, vijandig tegen beiden gestemd, den jongen vorst het gevoel van zijn overwicht over beiden trachtten in te prenten. Werd de ontevredenheid der adellijken daardoor steeds grooter, zij kwam tot eene uitbarsting, toen er een opstand der Saksers uitbrak, die, altijd eenigszins naijverig op de Franken, toen nog bovenmatig gedrukt werden door het onderhoud van Hendriks hof, dat deze bij voorkeur in hun land, in Goslar en op den Harzburg, vestigde. De opstand vond een krachtig hoofd in den bekwamen graaf O 11 o v o n N o r d h e i m, die evenwel door den voortvarenden Hendrik bij Homburg (1075) verslagen werd en in het nauw gebracht, de tusschenkomst inriep van paus Gregorius VII.
§ 29. De pauselijke macht, die zich sedert Gregorius den Groote en den ijverigen Bonifacius zulk een invloed in het westen had verworven, scheen onder de Saksische en eerste Frankische keizers een tijdperk van verval te zijn
HET FRANKISCHE HUIS,
ingetreden. Waren de pausen van deze vorsten geheel afhankelijk, ook in het oosten werd hunne macht aangetast door de Grieksche keizers en de patriarchen van Constantinopel. Reeds Leo de Isauriër had, met hen in strijd gewikkeld over den beeldendienst, bijna het geheele westen van zijn rijk aan hun kerkgebied onttrokken. Een heviger strijd ontstond in de 9de eeuw, toen de geleerde patriarch Photius in zijne geschriften de macht en leerstellingen der Roomsche kerk aanviel, eu voerde eindelijk in 1054 tot eene geheele scheuring tusschen de Grieksch-en de Roomsch-Katholicke kerk. In hare gevolgen scheen deze evenwel voor de pausen voordeelig te zijn, daar z'j nu de eenige geestelijke heerschers werden van het geheele westen en, sedert Pepijns schenking steunende op eene eigen wereldlijke bezitting, eene veel grootere onafhaijke-lijkheid genoten dan de Grieksche patriarchen.
Nadat de geestelijke oppermacht verzekerd was, begon ook het streven naar de wereldlijke opperheerschappij over vorsten en volkeren, toen de monnik Hildebrand als Gregorius VII, de Heilige, (1073â1085) tot paus werd gekozen. Reeds als kardinaal had hij den invloed der keizers op de verkiezing der pausen bijna geheel gebroken door de bepaling, dat deze niet meer door adel, volk en geestelijkheid van Rome, maar door een conclave (besloten vergadering) van kardinalen zou geschieden. Gregorius was een der eersten van de op die wijze verkozenen. Met krachtige hand ruimde hij aan de eene zijde de misbruiken in de kerk weg, terwijl hij aan den anderen kant door
u
PAUS EN KEIZER.
zijn banvloek keizers en koningen tot onderwerping aan zijne heerschappij zocht te dwingen. Zoo werd ten strengste verboden de simonie of het verkoopen van geestelijke ambten, opdat alleen waardige personen de kerkelijke ambten zouden vervullen. Hevig verzet onder de lagere geestelijkheid wekte zijne invoering van het verplichte coelibaat of zijn verbod om te huwen, teneinde de priesters, bevrijd van alle wereldlijke banden, als altijd vaardige strijders te doen gereedstaan op de roepstem van hun hoofd. Maar het was vooral de strijd over de investituur of het beleenen met ring en staf, n.1. of de benoeming der bisschoppen door den landsvorst of door den paus zou geschieden, die de hevigste verbittering opwekte en een langdurigen twist tusschen keizer en paus ten gevolge had.
§ 30. _Was Gregorius, die toen juist het plan had opgevat om de vorsten van Europa tot een groeten kruistocht op te roepen, in den beginne genegen tot bemiddeling tusschen den keizer en de Saksers, de trotsche houding van Hendrik, die, zich nog in het bezit van zijns vaders macht â wanende, den paus op het concilie te Worms liet afzetten, deed Gregorius scherper partij kiezen en eindelijk den banvloek over den weerbarstigen vorst uitspreken. Deze straf, de kerkelijke ban, die. daar zij den getroffene van elke kerkelijke gemeenschap uitsloot, in die tijden reeds ernstig genoeg was, gaf bovendien aanleiding, dat de Duitsche vorsten zich gezamenlijk tegen Hendrik verbonden en zijne afzetting van den keizerstroon uitspraken. Om ten minste naar éene zijde de handen vrij te hebben.
45
HET FRANKISCHE HUIS.
besloot Hendrik te trachten, zich van den kerkelijken ban te ontdoen, om dan krachtig de opstandelingen te kunnen onderdrukken. In den barren winter reisde hij over de Alpen naar Canossa (1077), waar de paus bij de vrome Mathilda van Tuscia verblijf hield. Drie dagen moest Hendrik barrevoets wachten, eer de paus, die zich daardoor een sterk wapen uit de handen gaf, zich eindelijk met tegenzin liet overhalen, om den ban op te heften. Nauwelijks was dit geschied, of rnet kracht trok Hendrik op tegen de opgestane vorsten en, geholpen door de trouwe steden, die hij steeds bijzonder bevoordeeld had, gelukte het hem den opstand meester te worden. Toen eindelijk kon hij op Gregorius wraak nemen voor de ondervonden vernedering; Rome werd genomen en de paus moest eene toevlucht zoeken bij Robert Guiscard, hertog van Apulië en Calabrië, bij wien hij te Salerno in ballingschap is gestorven.
De investituurstrijd was hiermede evenwel niet beslist. Gregorius' opvolgers, Urbanus II en Paschalis, zetten den strijd voort en wisten opnieuw den burgeroorlog in Duitsch-land te doen ontbranden, 's Keizers eigen zonen, Koenraad en Hendrik, vatten de wapens tegen hem op en verbitterden zijne laatste levensjaren. Eerst onder zijn zoon, Hendrik V (1106â1125), kwam er een einde aan den investituurstrijd, toen bij het Concordaat van Worms (1122) bepaald werd, dat de benoeming der bisschoppen tot hun geestelijk ambt of de beleening met ring en staf zou geschieden door den paus, terwijl de keizer hen zou
46
PAUS EN KEIZER.
beleenen met den schepter of de wereldlijke macht over hun bisdom.
Drie jaren daarna stierf de keizer, die streng het verzet der rijksvorsten had onderdrukt, maar daardoor oorzaak werd, dat na zijn dood niet zijn naaste bloedverwant Frederik van Hohenstaufen, maar zijn tegenstander Lotharius van Saksen tot keizer werd verkozen.
ENGELAND ONDER DE ANGELSAKSISCHE EN NORMANDISCHE KONINGEN.
§ 31. De Angelen, Saksen, Friezen en andere Ger-maansche stammen, die zich tijdens de volksverhuizing in Groot-Brittannië hadden gevestigd (449), stichtten daar zeven rijken, de heptarchie genoemd, n.1. Kent, Essex, Sussex, Wessex (Sex van Saksen), East-Anglia (naar de Angelen, evenals Engeland), Mercia en Northumberland. Eindelijk gelukte het koning Egbert van Wessex deze heptarchie in 827 tot het koninkrijk Engeland te vereenigen. Langzamerhand baande ook het Christendom, reeds vroeger door Patrick in Ierland en door Columba in Schotland gepredikt, zich een weg tot de heidensche Saksen en namen dezen tevens de levenswijze aan van een beschaafd volk, onder een geregeld staatsbestuur en
47
ENGELAND ONDER DE ANGELSAKSISCHE
met eene eigene letterkunde, waarvan de monnik B e d a de Eerwaardige een der eerste vertegenwoordigers is. Zelfs â ofschoon het volk later met het Christendom bekend werd dan de Gothen en Franken â hebben Angelsaksische predikers als een Willebrord en een Bonifacius het meest tot de verbreiding van dien godsdienst in de Duitsche landen bijgedragen.
§ 32. Toen de Noormannen hunne rooftochten begonnen langs alle kusten van het vasteland, hadden de Angelsaksen, wier land zooveel dichterbij gelegen was, het hevigst van hunne invallen te lijden. In het midden der 9de eeuw hadden zij zelfs het geheele land aan zich onderworpen, toen de jonge koning Alfred de Groote (871â901), die een tijdlang als vluchteling had rondgezworven, zijne mannen tegen hen verzamelde en hen na een harden strijd tot de noordelijke kusten terugdrong. Hier liet hij hen, in Northumberland, woonplaatsen behouden, onder voorwaarde, dat zij er rustig zouden leven en het Christendom aan-nemen. Te gelijk bouwde hij eene sterke vloot en zorgde voor een goed landleger, teneinde verdere aanvallen af te weren. Ook in andere zaken trad hij op als een krachtig hervormer. Hij herstelde voor de rechtspleging de oude verdeeling in graafschappen en gemeenten, beraadslaagde over alle gewichtige zaken met den Wittenagemot, of den raad der wijze mannen, en bevorderde kunst en wetenschap door de bescherming van geleerden en het stichten van bibliotheken, waarvoor hij zelf Latijnsche werken vertaalde.
48
EN NORMANDISCHE KONINGEN.
De bevolking van Noorsche afkomst, die zich in Northumberland had gevestigd, nam weldra sterk in aantal toe, en daar zij steeds met hare stamgenooten gemeenschap onderhield, dreigde zij een groot gevaar voor het rijk te worden, vooral toen na Alfreds dood zwakke koningen aan het hoofd stonden, die zich geheel door hunne gunstelingen, als den heerschzuchtigen aartsbisschop Dun-stan, lieten leiden. Eindelijk gaf een van dezen, Ethelred II, bevel om in den beruchten St.-Bricciusnacht (1002) alle Noormannen te vermoorden. Een vreeselijke wraaktocht onder den Deenschen koning Sweno was het gevolg, terwijl diens zoon Kanoet de Groote (1016â1035), die tevens den christelijken godsdienst in het Noorden bevorderde, zich meester maakte van het geheele land en zich tot koning der drie rijken, Denemarken, Noorwegen en Engeland, liet kronen. Wel keerde kort daarop de vrome Angelsaksische koning Eduard de Bel ij der (1042 â1066) uit Normandië terug op den troon, doch toen na zijn dood de edele Harold werd verkozen, vielen aan de eene zijde de Noren met Harolds eigen broeder Tostig in het land, en landde in het zuiden eene groote legermacht onder Willem van Normandië, naar hij beweerde, door Eduard tot erfgenaam benoemd. Harold, die de Noren reeds had teruggeslagen, verloor tegen Willem indensZagr bij Hastings (1066) kroon en leven.
§ 33. De heerschappij der Normandische vorsten (1066â1154) scheen de Engelsche nationaliteit met den ondergang te bedreigen. De Fransche taal en gebruiken
A o. II. 4
49
ENGELAND ONDER DE ANGELSAKSISCHE ENZ.
werden aan het hof ingevoerd, en de Angelsaksische zelfs met geweld onderdrukt door koning Willem I, den Veroveraar bijgenaamd (1066â1087). Het grootste gedeelte van het land verdeelde hij onder zijne Norman-dische edelen, die hij door de strengste bepalingen van het toen in volle kracht zijnde leenstelsel aan de kroon onderwierp. Voor die verdeeling werd liet Domesdaybook aangelegd, het eerste Engelsche kadaster, dat 60,215 ridderleenen aanwees, die voor altijd of tot den doemsdag (doemen = oordeelen) aan den bezitter werden toegewezen en onvervreemdbaar waren. Van 'skonings hardvochtigheid, die hem door iedereen gehaat deed sterven, getuigt ook de wijze, waarop hij vruchtbare akkers en tal van bloeiende dorpen liet verwoesten om er voor zijn jacht-genoegen een groot woud, het »New forestquot; te doen aanleggen, terwijl wilddieverij met de gruwelijkste straffen werd bedreigd.
Na Willems dood barstten er weldra hevige twisten uit tusschen zijne zonen, van welke er twee, Willem II Rufus (de Roode) en Hendrik I Beauclerc (de schoone geleerde) achtereenvolgens regeerden, terwijl de oudste, Robert van Normandië, bij zijne terugkomst van den eersten kruistocht van zijn eigen hertogdom beroofd werd en in de gevangenis stierf. Hendriks dochter, Mathilda, moest zelfs den troon ontruimen voor den overweldiger Stephanus van Blois, doch bracht na diens dood de kroon aan het huis van haar gemaal, Gotfried Plantagenet, graaf van Anjou.
50
51
DE TOCHTEN DER NOORMANNEN.
§ 34. Ook de noordelijke gedeelten van Europa, ofschoon zij nooit lot het Romeinsche rijk hadden behoord, waren min of meer in de groote beweging der volksverhuizing betrokken geweest. Hier hadden de Noord-Germanen hunne woonplaatsen gekozen en de oorspronkelijke Finsche bevolking geheel naar het noorden en in de bergen teruggedrongen. Bij hen bleven de Germaansche taal, godsdienst en gebruiken het zuiverst en het langst bewaard, en de Oudere en Jongere Edda, die in de 12de en 13de eeuw op IJsland verzameld werden, zijn nog altijd de rijkste bron voor de kennis der Oudgermaansche godenwereld.
De voor een groot gedeelte onvruchtbare, koude streken der drie landen. Zweden, Noorwegen en Denemarken, waaraan men den gemeenschappelijken naam van Skan-dinavië geeft, kunnen slechts aan eene weinig talrijke bevolking de noodige bestaansmiddelen opleveren. Vooral in Noorwegen, waar in de rivierdalen tusschen de hooge fjelds zich verscheidene rijkjes vormden,was men gedwongen zich eene uitkomst in den vreemde te zoeken, en de diep insnijdende fjords met hunne prachtige havens wezen de bewoners op de scheepvaart, als eene hoofdbron van bestaan. Het werd eene gewoonte, dat de jongere zonen der koningen, die geen recht op de opvolging hadden, de zoogenaamde Vikinyer, met hunne mannen zich op hunne sterk gebouwde, kleine vaartuigen inscheepten, en
DE TOCHTEN DER NOORMANNEN.
trachtten op verre kusten nieuwe rijken te stichten of ten minste rijken buit te verwerven. Wij hebben reeds gezien, hoe de kusten van Engeland en van het vasteland van hunne invallen te lijden hadden; ook ter zee was geen enkel koopvaardijschip voor deze drieste zeeroovers veilig. Aan den anderen kant bezochten zij ook tot nog toe onbekende streken, die zij binnen den gezichtskring der oude wereld brachten, en waren hunne krijgslieden in vreemden dienst als de beste lijfwachten beroemd. Zoo bestond de kern der Byzantijnsche legers uit de zoogenaamde Warangers, die grootendeels van Noorsche afkomst waren.
§ 35. Reeds Lodewijk de Vrome had aan Noorsche koningszonen bezittingen in de Nederlanden aangewezen, die evenwel later met den dood van den laatsten graaf Gotfried in 885 voor hen verloren gingen. Andere dooide Noren buiten Skandinavië gestichte rijken zouden een langduriger bestaan hebben en op den gang der Euro-peesche gebeurtenissen een gewichtigen invloed oefenen. Zoo waren het, volgens de overlevering, de Varinger Rurik en zijne broeders, die door een Slavischen stam tot hoofden werden verkozen, en als vorsten van Nowgorod de stichters werden van het latere Russische rijk (862). Omstreeks denzelfden tijd vestigden de Noren zich, naar het westen, op IJsland, vanwaar de balling Erik Raudi (983) overstak naar Groenland en zoo toen reeds de nieuwe wereld bereikte. In de volgende eeuw zetten zij zich zelfs neer op de noordoostkust der tegenwoordige
52
DE TOCHTEN DER NOORMANNEK.
Vereenigde Staten en gaven die streek den naam van Winland of Wijnland.
In Frankrijk kreeg in 912 de Noorman Hrolf of Rollo van koning Karei den Eenvoudige eene landstreek aan den mond van de Seine in leen met Rouaan tot hoofdstad, en het was uit dit later in taal en gewoonten Fransch geworden Normandië, dat andere avonturiers uittrokken om zich weer nieuw grondgebied te veroveren. Had reeds vroeger de Noorsche koning Kanoet de Groote in Engeland geheerscht, in 1066 werd dit land voorgoed onderworpen door Willem van Normandië. De zonen van een ander edelman, Tancred de Hauteville, landden aan de kust van Beneden-Italië, waar reeds vroeger Noormannen zich hadden gevestigd, bestreden daar de Sara-cenen en veroverden zich een eigen grondgebied, toen de Grieksche stadhouder de bedongen belooning weigerde. De meest ondernemende van deze, Robert Guiscard (1056â1085), werd door paus Gregorius VII, van wien hij eerst de vijand, later de beschermer was, erkend als hertog van Calabrië en Apulië, en stak de straat van Otranto over, om een einde te maken aan het Byzan-tijnsche rijk, maar werd door den dood in de uitvoering zijner plannen verhinderd. Zijn neef Rogier II vereenigde Beneden-Italië met het aan de Saracenen ontrukte Sicilië en werd gekroond ^als koning van Napels en Stcilié. Zelfs in de kruistochten zouden de Noormannen en Normandiërs eene hoofdrol spelen en zich eigen vorstendommen veroveren in het Heilige Land.
53
DE TOCHTEN DER NOORMANNEN.
§ 36. Aan de eigenlijke rooftochten der Noormannen begon in het laatst van de 9de en in de 40de eeuw allengs een einde te komen, toen Arnulf hen bij de Dijle beslissend had teruggeslagen, terwijl de invoering van het Christendom, die tevens vooruitgang in andere opzichten met zich bracht, de Noormannen tot de levenswijze van een gezeten volk leidde. Groote verdiensten verwierf zich hierbij bisschop Ansgar van Hamburg (865), de apostel van het Noorden genoemd, die velen tot het afzweren van het heidendom overhaalde. De eene na de andere vorst liet zich doopen en werkte zoo mede tot de uitbreiding van het Christendom.
In Denemarken, waar Gorm de Oude, en in Noorwegen, waar Harald Schoonbaar (4r 930) de vroegere kleine vorstendommen tot groote rijken hadden vereenigd, werd het Christendom vooral uitgebreid door Kanoet den Groote, die beide rijken onder zijn schepter vereenigde, terwijl in Zweden Olaf Schootkoning en in de 12de eeuw Erik IX de Heilige, hun volk geheel voor den nieuwen godsdienst wonnen, die allengs allerwegen beleden werd, hoewel nog vele oude heidensche gebruiken bleven bestaan.
DE ISLAM IN HET MORGEN- EN AVONDLAND.
§ 37. De veroveringen der Arabieren, die zich over de geheele Oude Wereld dreigden uit te strekken, waren
54
DE ISLAM IN HET MORGEN- EN AVONDLAND. 55
gestuit door Karei Martel in den slag bij Poitiers (732) en door Leo den Isauriër voor Constantinopel (717â718). De toen bereikte grenzen heeft de Islam niet kunnen overschrijden. Daarentegen begint kort na den bloeitijd onder Haroen al Raschid het verval, weldra gevolgd door het terugdringen van den Islam door de Christenvolken in de kruistochten. Verscheidene onderdeelen scheurden zich als afzonderlijke rijken van het kalifaat der Abbassiden te Bagdad af, al mochten ook sommige nog in naam de opperheerschappij der kaliefen blijven erkennen.
Met de komst van Abderrahman had zich in Spanje het emiraat, later kalifaat van Cordova gevormd, dat onder het bestuur der Omaiaden een hoogen bloei bereikte. Vooral onder Abderrahman III (912â961), Hakim en den vizier Al-Mansor was Cordova met zijne moskeeën en paleizen het brandpunt der Moorsche beschaving in het westen. Toch begon ook hier juist in dien tijd het Christendom krachtiger op te treden, en van Asturië uit, waar Pelayo met zijne Gothische ridders eene schuilplaats had gevonden, drongen de Christenen steeds verder en verder naar het zuiden voort. Allengs ontstonden een aantal kleine rijkjes, als Navarre, Leon, het graafschap Barcelona, en eindelijk in 1035 Aragon en Castilië, het land der kasteelen, dat de kern werd van het latere Spanje. Ofschoon dikwijls, soms ook door eigen verdeeldheid, den ondergang nabij gebracht, herwonnen zij spoedig het verlorene door eene reeks van heldendaden, die de dichters bij voorkeur tot het onderwerp hunner zangen
56 DE ISLAM IN HET MORGEN- EN AVONDLAND.
kozen. De beroemde romances van de infanten van Lara en anderen gingen van mond tot mond, en ontvlamden bij het ridderlijke volk de geestdrift tot navolging hunner daden. Zijn schitterendsten vertegenwoordiger vond de Spaan-sche volksgeest ia den Cid (Heer) Ruy Diaz el Campeador (-J- 1099), een even weerbarstig onderdaan van zijn koning als gevaarlijk tegenstander der Mohammedanen. In dien tijd evenwel leidde inwendige verdeeldheid onder deze laatsten tot de verovering van het kalifaat van Cordova door de uit de Berberlanden afkomstige Almoraviden (1086), die ook de Christenstaten door hunne overwinningen in het nauw brachten en hulp van andere zijde noodzakelijk maakten.
§ 38. Ook in Afrika ontstonden in dezen tijd verscheidene onafhankelijke rijken. In het tegenwoordige Tunis of Kairoan, gelijk de toenmalige hoofdstad nabij het vroegere Carthago heette, vestigde zich het rijk der Aghlabieten, die van hier uit in 827 de verovering van Sicilië begonnen, dat hun evenwel later weer door de Nor-mandiërs werd ontrukt. In Egypte stichtten de Schiïtische Fatimiden, in de 10de eeuw, een eigen kalifaat, terwijl in Afghanistan de dynastie der Ghasnaviden zich had verheven.
Weldra verloor de kalief te Bagdad alle wereldlijke macht, toen de lijfwachten, groetende els uit Turksche huurlingen samengesteld, zich evenals oudtijds de praeto-rianen in Rome, van dienaren tot meesters opwierpen. Hun bevelhebber, de Emir al Omni, werd weldra de
DE ISLAM IN HET MORGEN- EN AVONDLAND.
eigenlijke wereldlijke heerscher, terwijl de kalief zich met de geestelijke opperheerschappij moest tevredenstellen. Dit voorbeeld verlokte ook anderen tot navolging, en in Voor-Azië veroverden de Turksche Seldsjukken, zoo genaamd naar hun eerste stamhoofd, onder hunne vorsten Alp Arslan en Malek Schah (1072â1092) zich een groot rijk, waarvan eerst Bochara en later Ispahan de hoofdstad was. Van de afzonderlijke staten, waarin het na Maleks dood verdeeld werd, bleek het sultanaat Iconium een der gevaarlijkste naburen van het Byzantijnsche rijk.
§ 39. Het Byzantijnsche of Grieksche keizerrijk geleek, evenals het Westromeinsche rijk in de laatste eeuwen van zijn bestaan, in alle opzichten op eene belegerde vesting. Bulgaren, Normandiërs, Saracenen en zelfs Russen drongen, de een na den ander, plunderend tot de muren van Con-stantinopel door. Het geheele westen en zuiden werd overstroomd door Slavische stammen, vooral door de Serviërs, die de oorspronkelijke bevolking bijna geheel verdrongen, zoodat de tegenwoordige bewoners van het Balkan-schiereiland grootendeels van Slavische afkomst zijn.
Toch waren er verschillende omstandigheden, die nog eeuwen lang het ineenstortende rijk voor den ondergang behoed hebben. De uitstekend ingerichte administratie, die ook onder de zwakste en meest verdorven keizers den geregelden gang van zaken in stand hield, het uitstekend geoefende leger, dat door huurlingen van alle mogelijke volksstammen, waaronder vooral de Noorsche Warangers, versterkt werd, de rijke geldelijke hulpbronnen,, die voort-
57
58 DE ISLAM IN HET MORGEN- EN AVONDLAND.
vloeiden uit een geregeld belastingstelsel, en vooral de ver strekkende wereldhandel van Constantinopel, dat de wegen van Europa naar Azië en van de Middellandsche naar de Zwarte zee beheerschte en de producten van alle landen in zijn Gouden Hoorn zag samenstroomen, â dat alles maakt het begrijpelijk, hoe het Grieksche rijk niet alleen zich tegen alle aanvallen wist te verdedigen, maar onder krachtige keizers zelfs naar alle zijden veroverend kon voortdringen.
Na den dood van keizerin Irene volgde eene reeks van slechte, gewoonlijk door hunne opvolgers afgezette, verminkte of vermoorde keizers, onder welke nu en dan een krachtiger figuur, als Basilius de Macedoniër (867 â 886), die orde en rust herstelde, uitsteekt. Een betere tijd scheen aan te breken, toen met den veldheer Isaac Comnenus het huis der Comnenen (1057 â1185) den troon beklom. Sluwe diplomaten, ondernemende veld-heeren en ijverige geleerden volgden een tijdlang op elkander. De weduwe van Isaacs opvolger schonk hare hand en daarmede de kroon aan den dapperen veldheer R o m a n u s Diogenes. Toen deze een veldtocht tegen het nieuw-gevestigde rijk der Seldsjukken ondernam, werd zijne geheele legermacht (1071) vernietigd en de keizer zelf gevangengenomen. Schoon deze ramp niet de gevreesde gevolgen had, zagen de volgende keizers van de zijde der Seldsjukken de veiligheid hunner hoofdstad zoozeer bedreigd, dat zij de hulp der pausen, toen op het toppunt hunner macht, inriepen, en dezen waarschijnlijk de onderwerping der Grieksche kerk, die zich in 1054 van de Roomsche
DE ISLAM IN HET MORGEN- EN AVONDLAND. 59
had afgescheiden, voorspiegelden. Gregorius VII had toen reeds met vuur dit aanbod aangegrepen, maar werd door zijne twisten met Hendrik IV in de volvoering van zijn voornemen verhinderd. Eerst Urban us II, dien waarschijnlijk keizer Alexius Comnenus (4081â4118) om bijstand had verzocht en die er te gelijk het middel in zag om Jeruzalem en de heilige plaatsen van de Moham-medaansche overheersching te bevrijden, wist zijne geestdrift aan de volken van Europa mede te deelen en riep zoo de groote beweging der kruistochten in het leven.
%) 4-0 « ', i lt;ph^y t/*quot;^ri^C^n «-gt;»- cLa^ £a^Cth*-' ^
4su. elt;sisTrrlt;-Ji*^T-lt;st* 6-* ^ «-' ⢠(^rx ir^t** S' d*-* ^C^r^C. l/jrt X/Yy ^' ^ t***'*' ei*- Jl* O_
* -tst*quot; $ fy? â¢T^o-est*^- â¢amp;*- svy-^L^J Osrtt -éLy tt-*-' X/vr^tyi-'*
ZsiSTj dj lt;s*ys io e-bj 4sny ', 1 ^ t^ylrr tSeLe,r C.£ a^vrxsn^ O-K, XAA^hyy^^ Is-Xc^rx S ^
J. . V*^ ts^v /amp; ^rw-c-// 1Szis~ ^3 /iswamp;L
^ ^ 2^,^ . //. .
isr^ cl^ ^ cL^^U tUr VTrr^.
r^7^ : DERDE TIJDPERK.
â -/â7 m. /
VAN HET BEGIN DER KRUISTOCHTEN TOT DEN VAL VAN ACCO.
DE EERSTE KRUISTOCHT.
§ 40. Het gevaar, dat Europa op het einde der 11de eeuw van den kant der Mohammedaansche volken bedreigde, van de Seldsjukken in het oosten en van de Almoraviden in het westen, had paus Urban us 11 (1088â1099) bewogen, om zich aan het hoofd eener beweging te stellen, teneinde met vereende krachten den Islam te bestrijden. Nadat hij eerst op de synode te Piazenza reeds zulk een gezamenlijken tocht had aanbevolen, hield hij op de groote I kerkvergadering te Clermont (1095), waar niet alleen
geestelijken van alle landen, maar ook een groot aantal edelen en andere leeken tegenwoordig waren, eene bezielde redevoering, waarin hij vooral den godsdienstijver opwekte
^ !
c..
DE EERSTE KRUISTOCHT. 61
.
â¬n aanspoorde tot bestrijding van den Islam en bevrijding van het Heilige Graf. Meegesleept door zijne geestdrift, verlangden honderden, onder den kreet: »God wil hetquot;, het roode kruis, dat hun op den rechter schouder werd gehecht als een teeken, dat de dragers een tocht naar het Heilige Land zouden ondernemen. Bezielde predikers, als de kluizenaar Peter van Amiens, dien de sage tot een der helden van den kruistocht heeft verheven, doortrokken alle streken van Frankrijk en de naburige landen, om de geloovigen op te roepen ten strijde tegen de ongeloovigen.
Verscheidene omstandigheden maakten het toenmalige Europa begeerig, die roepstem te volgen. In verhouding tot de middelen van bestaan schijnt in verschillende streken ' overbevolking geheerscht te hebben, die eene groote land
verhuizing wenschelijk maakte; de mindere standen konden op die wijze slechts hun toestand verbeteren, vooral de lijfeigenen, aan wie door den paus de vrijheid werd beloofd, wanneer zij den kruistocht ondernamen; aan de edelen, die onder de steeds knellender banden van het leenstelsel zuchtten, was deze gelegenheid welkom, om zich vrij te maken van hunne leenheeren en zich eigen vorstendommen in het oosten te veroveren of in allen gevalle zich in ridderlijke avonturen te onderscheiden, en de geestelijken, die zich aan het hoofd der beweging stelden, zagen er terecht in eene vermeerdering van hun invloed en hunne macht. Al deze wereldlijke doeleinden kregen evenwel eene hoogere wijding en werden veredeld door de gods-
DE EERSTE KRUISTOCHT.
dienstige geestdrift, om de Heilige plaatsen te bezoeken en te bevrijden van de overheersching van den Islam, hoewel de kruistochten juist door die dweepzieke richting, bij gemis van staatkundige berekening en krijgskundige geoefendheid, de kiem hunner mislukking in zich droegen.
§ 41. Voordat het groote kruisleger tot den tocht gereed was, waren er reeds geheele massa's lieden uit de mindere standen in hun ongeduld vooruitgetrokken, onder leiding van Peter van Amiens en de ridders Wouter van Pexejo en Wouter Senzavehor of zonder have. Zonder eenigeorde of tucht, bezoedelden de deelnemers aan dezen voorkruis-locht (1096) hun werk door eene gruwelijke jodenvervolging aan den Rijn, en de plundering van de Hongaarsche en Byzantijnsche landen, door welke zij hun weg namen. Keizer Alexius Comnenus was blijde, hen spoedig de zeestraat te kunnen overzetten, om van hunne aanwezigheid bevrijd te zijn. In Klein-Azië gingen zij, in afzonderlijke scharen verdeeld, te gronde door de aanvallen der Seld-sjukken, zoodat Peter van Amiens slechts met een klein aantal Constantinopel bereikte, waar hij het groote kruisleger bleef afwachten.
Intusschen waren ook de toerustingen der ridders voltooid. In drie groote afdeelingen begaven zij zich op weg; de Zuidfransche ridders onder den rijken, eerzuchtigen R a i m o n d van T o u 1 o u s e, de Noordfransche onder Hugo van Vermandois, den broeder van koning Filips, Robert van Normandië en Stephanus van Blois, bij wie zich ook aansloten de Brabanters en Vlamingen onder graaf
62
DE EERSTE KRUISTOCHT.
Robert van Vlaanderen, Gotfried van Bouillon, hertog van Neder-Lotharingen, en zijne broeders Boudewijn en Eustatius, terwijl eene derde atdeeling van Normandische ridders uit Italië zich bij hen voegde onder den bekwaamsten van alle kruisvaarders, Bohernund van Tarente, den zoon van Robert Guiscard, met zijn neef Tancred. Eindelijk vergezelde de moedige bisschop A d h e m a r van P u y het kruisleger als pauselijk legaat. Hetgeen bij dezen kruistocht veel kwaad deed, was de onderlinge naijver der ridders, â vooral van Raimond van Toulouse tegen Bohemund van Tarente â en de kleingeestige hebzucht van den Griekschen keizer Alexius, die aan al die trotsche ridders, sommigen zelfs met geweld, den leeneed afdwong voor alle door hen te veroveren rijken, en daardoor de kiem legde tot dien grenzenloozen haat, welken de Europeesche kruisvaarders in later tijd tegen het Griek-sche rijk voedden.
§ 42. Eindelijk in Klein-Azië aangekomen, zette het kruisleger (1097) zich in beweging, om langs den kortsten weg de Cilicische passen en den toegang tot Syrië te bereiken. Bij Bovxylaeum behaalde het eene groote overwinning op deu sultan van Iconium, en bereikte eindelijk de Armenische vorstendommen, die in een heldhaftigen strijd hunne onafhankelijkheid hadden weten te bewaren. In een dezer vorstendommen droeg de bevolking de regeering op aan den bekwamen B o u d e w ij n, Gotfrieds broeder, die er het graafschap Edessa stichtte, het eerste der Syrische ridderstaten. Groote inspanning kostte de belegering van
63
DE EERSTE KRUISTOCHT.
de sterke vesting Antiochië, den sleutel van Syrië, tot zij eindelijk door geheime verstandhouding der belegeraars met de daarbinnen wonende Christenen in de handen van Bohemund van Tarente viel, die zich door de andere kruisvaarders als vorst van Antiochiè wist te doen erkennen, maar zich daardoor den doodelijken haat van keizer Alexius en den naijverigen Raimond berokkende. In deze stad beleefden de kruisvaarders hunne moeilijkste dagen, toen zij zeiven er kort na de verovering belegerd werden door den emir Kerboga van Mosoel. De nijpende hongersnood benam velen alle hoop op welslagen, zoodat zij zich aan touwen van de muren lieten zakken (de zoogenaamde koordedansei s), om bij den vijand een goed heenkomen te zoeken, of als Hugo van Normandië en Stephanus van Blois naar het vaderland terugkeerden. Eindelijk versloegen de Christenen in een wanhopigen uitval het leger van Kerboga en baanden zich zoo een weg naar het zuiden.
Nog verscheidene gevechten en belegeringen hadden de kruisvaarders te ondernemen, eer eindelijk de torens van Jeruzalem, dat even te voren in de macht der Egyptische Fatimiden was gevallen, voor hunne blikken verrezen.
Vol geestdrift begonnen zij den aanval, maar zij werden telkens teruggeslagen, en de stad hield eene maand lang de belegering vol, tot eindelijk (15 Juli 1099) de bestorming gelukte, en de Christenen zich na een vreeselijk bloedbad in het bezit der stad bevonden. Toen trokken zij barrevoets naar de kerk van het Heilige Graf, otn hun
64
DE EERSTE KRUISTOCHT.
dank uit te brengen voor de redding uit alle gevaren, en troffen daarna met ijver alle maatregelen voor de verdediging tegen mogelijke aanvallen, en het instellen van een geregeld bestuur. G o t fr i e d van Bouillon, die, zonder in den kruistocht zelf eene hoofdrol vervuld te hebben, om zijne waarlijk vrome gezindheid en zijn ijver om alle oneenigheden bij te leggen, algemeen geëerd was, werd, daar hij den aangeboden koningstitel weigerde, beschermer van het Heilige Graf, terwijl de andere ridders met bezittingen beloond werden, die zij van Gotfried in leen ontvingen. Een Egyptisch leger, dat kort na de verovering tot ontzet aanrukte, werd bij Ascalon verslagen. De eerste kruistocht (1097â1099) was dus in weerwil van alle wederwaardigheden geslaagd en Jeruzalem veroverd; nu kwam hot er slechts op aan, het veroverde te verdedigen en voor het Christendom en de Westersche beschaving te behouden.
DE EERSTE HOHENSTAUFEN IN DUITSCHLA.ND.
DE TWEEDE EN DE DERDE KRUISTOCHT.
§ 43. Te midden der Mohammedaansche rijken waren na den eersten kruistocht vier Christenstaten verrezen: het vorstendom Antiochië onder Bohemund van Tarente, het graafschap Edessa onder Boudevvijn, het graafschap a. a n. 5
65
66 DE EERSTE HOHENSTAUFEN IN DUITSCHLAND.
Tripolis onder Raimond van Toulouse en eindelijk het koninkrijk Jeruzalem. Toen n.1. kort na de verovering Gotfried van Bouillon was gestorven (1100) werd Boude-w ij n van E d e s s a tot zijn opvolger gekozen, en deze had, minder angstvallig dan zijn broeder, den titel van koning aangenomen, terwijl hij Edessa overliet aan zijn neef Boudewijn den Jongere, die eveneens latei-koning van Jeruzalem werd. Onder de beide Boudewijns en Fulco vau Anjou (1100â1143) werd het rijk met kracht verdedigd tegen de Seldsjukken en de Fatimideu, de vestingen Acco en Tyrus veroverd en op verschillende punten sterke forten ter bewaking der passen gebouwd. Evenzoo bleken zij bekwame vorsten in het binnenlandsch bestuur te zijn: zij dwongen den heerschzuchtigen patriarch van Jeruzalem, Dagobert, die een nieuwen kerkelijken staat wilde vestigen, tot onderwerping, en schonken aan hun rijk eene reeks van instellingen, die, verzameld in een wetboek, les assises de Jerusalem, nog eene der voornaamste bronnen voor de kennis van het leenstelsel zijn. Voor de handhaving van hun grondgebied lag een groot voordeel in de oneenigheden tusschen de Mohammedaansche vorsten van Aleppo, Damaskus en Mosoel, en de in dien tijd opgerichte orde der Assassijnen. â eene uit Perzië afkomstige Schiïtische sekte, zoo genoemd naar de haschisch, een bedwelmend middel, â die, op het Libanongebergte wonende, strenge gehoorzaamheid beloonden aan hun hoofd, den sjeik al gebel (vorst van het gebergte), op wiens bevel zij door sluipmoord hunne tegenstanders uit den
DE TWEEDE EN DEKDE KRUISTOCHT.
weg ruimden. Aan den anderen kant begrepen ook de Christenvorsten niet genoeg, hoezeer het noodig was, dat zij zeiven eensgezind waren in de bestrijding van den vijand en voerden zij zelfs nu en dan onderling of met den Griekschen keizer oorlogen, die hen natuurlijk moesten verzwakken. Wel zoud de nog altijd levendige geestdrift in Europa telkens nieuwe massa's naar het Heilige Land, gelijk het groote kruisleger van 1101, stellig niet minder talrijk dan dat van 1097, maar door de slechte leiding en uitrusting bereikte slechts een klein aantal Jeruzalem. Eindelijk echter maakte het bericht, dat de emir van Mosoel de Christenen herhaaldelijk had verslagen en zelfs geheel Edessa had veroverd (1144), de Europeanen wakker voor het gevaar der Christenstaten. B e r n h a r d v a n C 1 a i r v a u x, de geleerde monnik en vurige redenaar, riep in Frankrijk en Duitschland de volken op tot een nieuwen kruistocht, en wist zelfs twee vorsten, koning Lodewijk VII van Frankrijk en keizer Koenraad III van Duitschland, te bewegen om het kruis te nemen en zich aan het hoofd der kruislegers te stellen.
§ 44. In Duitschland was, na het uitsterven van het Frankische huis, in plaats van Frederik van Zvvaben Lotharius van Saksen (1125â1137) tot keizer verkozen. Hij deed evenals zijne voorgangers een paar tochten naar Italië, waarin hij evenwel weinig kracht tegenover den paus betoonde, en begunstigde in Duitschland bovenal zijne eigene familie. Daarom kozen de vorsten bij zijn dood den tegenstander van zijn huis, Koenraad, den
67
68 DE EERSTE HOHENSTAUFEN IN DUITSCHLAND,
eersten keizer uit het huis der Hohenstaufen (1138â1254). Koenraad III (1138â1152) was over het algemeen een weinig beteekenend vorst. Onder hem ontbrandde de groote strijd tusschen Welf en en Waiblingen, die in Duitschland en Italië langer dan eene eeuw twist en tweedracht zou doen heerschen. De hertog van Saksen en Beieren, Hendrik de Trotsche, schoonzoon van Lotharius en behoorende tot de familie der Welf en, â waarom die naam (in't Italiaansch Guelfen) ook aau zijne aanhangers gegeven werd, â wilde Koenraad niet erkennen en begon tegen dezen en zijne medestanders â naar een van de burchten der Hohenstaufen, de Waiblingen, bij de Italianen Ghibellijnen genoemd, â den burgeroorlog. In 't algemeen was Koenraad gelukkig ; hij veroverde o.a. de stad Weins-berg, waar volgens de overlevering het eerst de partijleuzen »hie Welf, hie Waiblingquot; gehoord werden. Toen daarom Bernhard van Clairvaux hem tot het afleggen der
Do
kruisgelofte bewogen had, belette hem niets, zijn rijk te verlaten en met een groot leger, waarbij ook verscheidene vorsten en ridders, zooals zijn neef Frederik van Zwaben, zich aansloten, op te trekken ter ondersteuning van het Heilige Land.
In dezen tweeden kruistocht (1147â1149) ging ieder der beide vorsten zijn eigen weg. Koenraad, die in het begin de gewone richting der kruistochten dwars door Klein-Azië heen was gevolgd, werd bij Dorylaeum dooide Seldsjukken verslagen en gedwongen naar de kust te vluchten, waar het overschot zijner troepen zich bij het
DE TWEEDE EN DE DERDE KRUISTOCHT,
Fransche leger onder Lodewijk VII voegde. Ook deze richtte, toen hij over zee Jeruzalem bereikt had, weinig uit en deed een mislukten tocht tegen Damaskus. Het eenige gevolg was, dat de Christenrijken door een aantal ridders versterkt werden; maar de Duitschers keerden weldra, daar zij in die geheel Fransche staten voortdurend achteruitgezet en bespot werden, naar hun land terug; ook Koenraad, die in 1152 stierf, na de kroon verzekerd te hebben aan zijn neef Frederik van Zwaben.
§ -45. Frederik I Bar bar os sa (1152â1190), die van moederszijde aan de Welfen verwant was, is een der krachtigste vorsten van de Middeleeuwen geweest en de eigenlijke stichter der grootheid van zijn huis. Nadat hij zich in Duitschland met hertog Hendrik den L e e u w, den zoon van Hendrik den Trotsche, had verzoend en hem Beieren, door Koenraad aan zijn vader ontnomen, had teruggegeven, richtte hij zich naar Italië om daar de oude keizerlijke macht, in den laatsten tijd zeer in verval geraakt, te herstellen. Op den rijksdag op de Roncalische velden (1158) regelde hij het bestuurder Lombardische steden, die zich het toezicht van een keizerlijken ambtenaar, podesta, moesten laten welgevallen. De stedelijke vrijheid had zich daar evenwel reeds te krachtig ontwikkeld, dan dat men zulk eene inmenging wilde gedoogen. Onder de leiding van het bloeiende Milaan verzetten de steden zich tegen den keizer, die zes tochten over de Alpen heeft ondernomen. Ofschoon Milaan twee keer ingenomen en zwaar gestraft werd,
69
70 DE EERSTE HOHENSTAUFEN IN DUITSCHLAND.
stond het telkens in Frederiks afwezigheid weer op, bijgestaan door de Italiaansche Guelfenpartij en paus Alexander III, tot wiens eer eene aan de Tanaro gebouwde vesting den naam Alessandria ontving. Eindelijk sloten de Guelfische steden het Lombardische stedenverhond ('1'J67), om elkaar in nood en gevaren bij te staan en hare vrijheid te verdedigen. Toen Hendrik de Leeuw, die de genoten gunst vergat, om zich zelf machtig te maken ten nadeele van den keizer, dezen op zijn vierden tocht in den steek gelaten had, werd Frederiks leger bij Legnano (1176) geheel verslagen, en hij zelf eindelijk gedwongen bij den vrede van Constanz (1183) de feitelijke vrijheid der Lombardische steden te erkennen.
Vertoornd over diens schandelijke trouweloosheid, keerde de keizer zich nu tegen Hendrik den Lee uw, en zoo ontbrandde ook in Duitschland weer de strijd tusschen Welfen en Waiblingen. Hendrik werd verslagen, uit zijne bezittingen verdreven en ondanks zijn voetval voor den keizer van zijne leenen beroofd, waarvan Beieren aan Otto vanWittelsbachen het verkleinde Saksen aan Bernhard van Anhalt werd geschonken. En toen Frederik eindelijk reeds hoogbejaard de door hem afgelegde kruisgelofte wilde vervullen en de zekerheid verlangde, dat de rust in Duitschland niet gestoord zou worden, was Hendrik op zijn bevel verplicht, zijn vaderland te verlaten en naar Engeland de wijk te nemen.
§ 46. Na den tweeden kruistocht waren de Christenrijken in het Oosten snel achteruitgegaan. In onderlinge
DE TWEEDE EN DE DERDE KRUISTOCHT.
veeten en oorlogen met de Grieksche keizers, die de onderwerping aan hunne leenheerschappij zochten te verkrijgen, verspilden zij hunne krachten, en de trouweloosheid, waarmede zij hunne verbonden verbraken met de Mohamme-daansche vorsten, die hunne hulp inriepen tegen mededingers, veroorzaakte, dat zij den zoo nuttigen bijstand van dezen ook niet langer verkregen en allen zich tegen de gehate Christenen aaneensloten. Toch bleven zij nog een tijdlang hoogen bloei en weelde genieten, vooral door den handel met de Italiaansche steden, die hier hare eigene onafhankelijke wijken hadden en in een levendig verkeer met het Oosten stonden. Die weelde oefende evenwel een nadeeligen invloed op de zeden, en de Syrische Christensteden waren bij de Westersche pelgrims berucht wegens hare zedeloosheid en verdorvenheid. In het bijzonder stonden reeds toen in een slechten naam de geestelijke ridderorden, welke uit vereenigingen van pelgrims, die zich met de verpleging der zieken belastten, waren ontstaan, en behalve de drie monniksgeloften ook die van eeuwigen strijd tegen de ongeloovigen moesten afleggen. De ridders dezer orden, n.1. de Johanniter of Hospitaalridders en de Tempeliers, waarbij zich later nog de Duitsche orde voegde, onderscheidden zich door hunne persoonlijke dapperheid, maar ook door hunne weelderige levenswijze, het gevolg van de hun geschonken rijkdommen, en door den naijver, die onderling tusschen hen heerschte.
Toen in Egypte het huis der Fatimiden van den troon verdrongen was door de Koerdische Ejubiden. en de
71
72 DE EERSTE HOHENSTAUFEN IN DUITSCHLAND.
krachtige, ridderlijke sultan Sal a dijn zijn gebied ook over Voor-Azië had uitgestrekt en de daar bestaande Mohammedaansche vorstendommen aan zich had onderworpen, was het duidelijk, dat spoedig het laatste uur voor de Christenrijken zou zijn geslagen. Jeruzalem was gedwongen, een wapenstilstand van Saladijn te koopen, maar toen onder den laatsten koning Guy de Lusignan een zijner ridders dezen trouweloos verbrak, en uit het sterke fort Krak eene rijke karavaan, waarbij zich ook eene zuster van Saladijn bevond, uitgeplunderd had, trok deze Palaestina binnen, versloeg Lusignan en veroverde de stad Jeruzalem (1187), waar hij de Christenen evenwel met groote gematigdheid behandelde.
§ 47. Het bericht der verovering van Jeruzalem verwekte zulk eene doodelijke ontsteltenis door geheel Europa, dat de machtigste vorsten der Christenheid de gelofte allegden, een kruistocht te ondernemen. En toch, ook deze derde kruistocht (1189â1192) had tengevolge van het gemis aan samenwerking der bevelhebbers â Fr e der ik Barbarossa, koning Richard I Leeuwenhart van Engeland en F i 1 i p s II August van Frankrijk â even weinig gevolgen als de voorgaande; niettegenstaande de groote, goed uitgeruste legers, daar aan de ongeoefende, dweepzieke massa's, die de vorige ondernemingen hadden doen mislukken, de deelneming werd geweigerd; niettegenstaande het beleid van Frederik en de dapperheid van Richard, die zijn naam nog tot latere dagen bij de Arabieren gevreesd maakte.
DE TWEEDE EN DE DERDE KRUISTOCHT.
73
Frederik, die gedeeltelijk den gewonen weg der kruisvaarders door het Grieksche rijk en Klein-Azië volgde, had reeds veel te lijden gehad van den strijd met de Seldsjukken, op wie hij zelfs Tconiurn veroverd had, toen hij eindelijk, ten zuiden van het Taurusgebergte aangekomen, met jeugdig vuur zijn paard in de rivier de Salef dreef (1190) om het eerst de overzijde te bereiken, maar door den stroom werd meegevoerd en in weerwil van alle hulp den dood in de golven vond. Toen reeds trokken velen ontmoedigd terug, vele anderen, onder wie ook de Hollandsche graaf Floris III, bezweken in Syrië en slechts een gering gedeelte van het oorspronkelijke leger voegde zich bij de twee koningen om deel te nemen aan het beleg van het sterke Acco of St. Jean d' Acre. Richard en Filips waren namelijk over zee naar Syrië gegaan. Zij hadden den winter doorgebracht op Sicilië, daarna had Richard op den Griekschen prins Isaac Comnenus Cyprus veroverd, dat hij later aan Guy de Lusignan schonk, en eindelijk hadden de vorsten zich ver-eenigd voor Acco, dat met alle hulpmiddelen van de toenmalige krijgskunst werd aangevallen en verdedigd en eindelijk tot de overgave werd gedwongen. Spoedig maakten evenwel de twisten tusschen Richard en Filips een einde aan den tocht, daar de laatste naar zijn land terugkeerde. De heldendaden van Richard, die niet op een bepaald krijgsplan berustten, waren slechts nuttelooze ondernemingen; hij zelf werd, toen hij eindelijk Syrië verliet, op de terugreis door Oostenrijk door hertog Leopold, dien hij
74 DE EERSTE HOHENSTAUFEN IN DUITSCHLAND, ENZ.
diep beleedigd had, gevangengenomen en Jeruzalem bleef in de macht van Saladijn.
DE VIERDE KRUISTOCHT EN HET 1ATIJNSCHE KEIZERRIJK.
§ 48. Alexius Comnenus was in de gelegenheid geweest met behulp der kruisvaarders het gevaar, dat zijn rijk aan de oostzijde bedreigde, voorgoed af te wenden, zoo hij het slechts met hen eens had kunnen worden over de verdeeling van de veroveringen op den Islam. Door alles alleen te willen hebben, had hij verscheidene ridders tot zijne doodvijanden gemaakt en door de hinderpalen, die later hij en zijne opvolgers, Johannes en Manuel, aan de kruisvaarders in den weg gesteld hadden, was er een diepe wrok tusschen dezen en de Grieken ontstaan. In plaats van de Seldsjukken te bestrijden, had men elkaar beoorloogd of wel, gelijk onder Manuel het geval was, hadden de Grieken het Normandische rijk in Beneden-Italië aangetast, in den waan het Romeinsche rijk in zijn ouden omvang te kunnen herstellen. De laatste vorst had zelfs in zijn haat tegen alle westerlingen de Venetianen. die in Constantinopel den handel grootendeels in handen hadden, laten gevangennemen en daardoor een oorlog met Venetië doen ontstaan.
DE VIERDE KRUISTOCHT, ENZ.
Na Manuels dood was het rijk geschokt door troon-tvvisten, waarin eindelijk Isaac Angelus zich van de regeering had meester gemaakt, een arglistig tyran, die Frederik Barbarossa bij zijn kruistocht bemoeilijkt en diens gezanten zelfs gruwelijk mishandeld had. Bij een opstand werd hij van den troon gestooten door zijn broeder Alexius, die hem de oogen liet uitsteken en hem in de gevangenis wierp. Isaacs zoon Alexius ontvluchtte evenwel naar Italië en riep daar de hulp in van de kruisvaarders, die zich in Venetië voor een nieuwen kruistocht hadden verzameld.
§ 49. Ook na den derden kruistocht waren nog steeds nieuwe scharen naar het Heilige Land getrokken. In dezen tijd was eene groote vloot met Vlaamsche en Fransche kruisvaarders â onder wie ook de geschiedschrijver van den tocht, Villehardouin â onder de broeders Eustatius en Boude-wijn van Vlaanderen te Venetië aangekomen, waar zij zich vereenigden met eene andere afdeeling onder Bonifacius van Montferrat, die tot gemeenschappelijk opperbevelhebber werd benoemd. Men onderhandelde nog met de Venetianen over den prijs, dien zij verlangden voor den overtocht dei1 kruisvaarders, toen de komst van Alexius alle bezwaren overwon, maar ook aan den vierden kruistocht (1202â1204) eene geheel andere richting gaf. Niet alleen de kruisvaarders, maar ook de Venetianen, wier grijze doge Dandolo te Constantinopel van het gezicht beroofd was, waren vervuld van diepen haat tegen het Byzantijnsche rijk, en gaarne grepen zij de gelegenheid aan om óf aan de Grieken hun wrok te koelen óf, wanneer
75
DE VIERDE KRUISTOCHT EN
zij aan Isaac hulp verleenden, den herstelden keizer van zich afhankelijk te maken. Ook paus Innocentius III, die met Venetië in twist was en de stad zelfs in den ban had gedaan, gaf zijne toestemming, toen de jonge Alexius de herstelling van de Roomsch-katholieke kerk beloofde.
Zoo voer de geheele vloot, onder aanvoering van Dandolo en de Venetianen, naar Constantinopel, dat bestormd en veroverd werd. Isaac Angelus werd hersteld, maar zijn slecht bestuur en de haat der Grieken tegen de kruisvaarders, die hun nu zelfs hunne eigene kerk kwamen ontnemen, verwekten een vreeselijken opstand, waarin vele kruisridders den dood vonden, Isaac Angelus van schrik stierf en zijn zoon Alexius door het hoofd der opstandelingen werd vermoord. Nu had eene tweede bestorming door de kruisvaarders plaats, maar dezen keer besloten zij, na de verovering, geen anderen keizer meer te benoemen, doch het veroverde zelf te behouden, om er een katholiek Christenrijk te stichten.
Boudewijn van Vlaanderen werd gekozen tot keizer van het Latijnsche rijk, terwijl Bonifacius het koninkrijk Thessalonica met het zuidwesten kreeg, en aan Venetië niet alleen het recht tot de benoeming van den patriarch van Constantinopel en de alleenhandel in het rijk werden toegestaan, maar de stad bovendien Creta, half Morea en een gedeelte van de westkust in eigendom ontving. Ook de ridders, die aan de verovering hadden deelgenomen, ontvingen tot belooning bezittingen, waarvoor zij den Latijnschen keizer als leenheer moesten huldigen.
76
HET LATIJNSCHE KEIZERRIJK.
77
§ 50. Het aldus genoemde Latijnsche keizerrijk (1204 â1261) was niet van langen duur. Ofschoon de eerste keizers, Boudewijn I en zijn broeder Hendrik, genoeg blijken gaven van persoonlijken moed en beleid, waren zij niet in staat, in een land, waar de geheele bevolking met den vijand gemeene zaak maakte, en de invoering van het leenstelsel verdeeldheid in plaats van eendrachtige samenwerking met zich bracht, hun gezag op den duur te handhaven. De oude vijanden, de Bulgaren, drongen aan de eene zijde tot Constantinopel door en maakten zelfs keizer Boudewijn I tot hun gevangene. Aan de andere zijde breidden zich de door Grieksche veldheeren in Azië gestichte rijken van Nicaea en Trebizonde steeds verder naar het westen uit, vooral onder den tweeden keizer, Johannes Vatatzes. Een van diens opvolgers, Michaël Palaeologus, gelukte het met de hulp der Genueezen, de oude mededingers der Venetianen, eerst het geheele land en toen Constantinopel zelf te veroveren, en alzoo het Byzantijnsche keizerrijk te herstellen, waarin nu natuurlijk de Genueezen groote handelsvoordeelen verkregen, terwijl de Venetianen verdreven werden. Toch hadden de laatsten de grootste winst in dezen Latijnschen kruistocht behaald, daar zij hunne bezittingen in Morea en Illyrie tot na het einde der Middeleeuwen bleven behouden, terwijl die van de Christenridders de eene na de andere veroverd werden, en in het Byzantijnsche rijk opgingen.
78
1NN0CENTIUS 111 EN FREDER1K II.
DE VIJFDE KRUISTOCHT.
§ 51. De vierde kruistocht was voor het grootste gedeelte het werk geweest van paus I n n o c e n t i u s 111 (1198â1216), den grootsten kerkvorst na Gregorius YII. Evenals deze zag hij in de kruistochten een middel tot uitbreiding van de pauselijke macht in 't bijzonder en van de katholieke kerk in het algemeen. Vol geestdrift riep hij telkens geheel Europa op tot deelneming aan deze tochten; en niet alleen stond hij zelf te hunnen behoeve een tiende gedeelte van zijne inkomsten af, maar ook de geestelijkheid legde hij zware belastingen op en onder de leeken liet hij de zoogenaamde kruis tienden hefl'en om daaruit de kosten te bestrijden. Nog bleek de ijver van het avondland niet verflauwd te zijn. Was het aantal ridders bij den -iden kruistocht reeds zeer groot geweest, voortdurend bleven nieuwe scharen, aangelokt door de behaalde voordeelen, óf naar het Latijnsche rijk óf naar Syrië stroomen om den Islam te bestrijden. Een van de meest bekende dier tochten is die, welken g r a a f W i 11 e ui I van Holland met koning A n d r e a s v a n H o n-g a r ij e (1217â1221) ondernam tegen D a m i a t e, daar men meende in Egypte het best de bezitters van het Heilige Land te kunnen treffen. I Dumiate met zijn slot werd veroverd, maar de verdere tocht naar Cairo leidde, tengevolge van den onberaden ijver en de heerschzucht
INNOCENTIUS III EN FREDERIK II, ENZ.
â van den pauselijken legaat Pelagius, tot eene besliste nederlaag bij Mansoerah, die weldra de ontruiming van Damiate ten gevolge had, zoodat ook de vruchten van dezen kruistocht zeer gering waren.
Een bewijs, hoe hoog de dweepzucht tegen den Islam in Europa gestegen wils, levert de kinderkruistocht (it2i'2). in welken geheele scharen van kinderen, onder de leiding van eenige oudere knapen, zich opmaakten om het Heilige Land te bevrijden, maar grootendeels in de handen van arglistige kooplieden vielen, die hen te Marseille onder bedrieglijke beloften inscheepten om hen in Afrika als slaven aan de Arabieren te verkoopen. Van die dweepzucht maakte Innocentius gebruik, niet alleen tegen den Islam, maar ook tegen andere vijanden der kerk. Zoo predikte hij een kruistocht tegen de Albigenzen (naar de stad Alby) of Waldenzen (naar Petrus Waldus), eene sekte, die in sommige punten van de Roomsche kerkleer afweek, het pauselijk gezag verwierp en vooral eenvoud in de levenswijze der geestelijken eischte. Een groot aantal ridders en andere leeken nam onder bevel van graaf Simon van Montfort aan dezen kruistocht (1209â12'29) deel. Vreeselijk hadden de bloeiende landstreken van Toulouse en Provence, waar, onder de hoogere beschaving en den bloei van kunsten en wetenschappen, de denkwijze vrijer was dan in andere streken en graaf Raimond zelf tot de beschermers der vervolgde sekte behoorde, van de woeste benden te lijden. Eindelijk waren de laatste aanhangers in het gebergte teruggedrongen en werd graaf Raimond
79
INNOCENTIUS III EN FREDERIK II.
gedwongen, den koning van Frankrijk als zijn opvolger in al zijne bezittingen te erkennen. Om deze en dergelijke ketterijen tegen te gaan en te bestraffen, stelde Innocentius de pauselijke inquisitie in, die onderzoek moest doen naar de geloofsovertuiging en den afvallige aan den wereldlijken rechter ter bestraffing overleverde. Met de handhaving werden belast de Dominikanen, eene orde van bedelmonniken, evenals die der Franciskanen, welke onder denzelfden paus door Franciscus van Assisi werd opgericht.
Onder Innocentius had de pauselijke macht haar toppunt bereikt. Met ban en interdict werden de weerspannige vorsten ten onder gebracht: koning Jan zonder Land van Engeland moest den paus als zijn leenheer erkennen, en keizer Frederik II had aan Innocentius zijne kroon te danken.
§ 52. Frederik I Barbarossa was opgevolgd door zijn zoon Hendrik VI (1190â1197), die door zijn huwelijk met Constantia, de erfdochter der Normandische vorsten, geheel Beneden-Italië en Sicilië aan zijn huis bracht. Hij was de machtigste vorst van zijn tijd, en had ook reeds het voornemen opgevat een kruistocht te ondernemen, toen de dood hem in de volvoering verhinderde. Zijn minderjarige zoon Frederik, de erfgenaam van Napels en Sicilië, werd opgevoed door paus Innocentius, terwijl in Duitsch-land zijn broeder Filips van Zwaben (1198â1208) tot keizer werd verkozen, maar reeds dadelijk een tegenstander vond in Otto IV van Saksen (1198â1215), die door de Welfenpartij op den troon werd verheven.
80
DE VIJFDE KRUISTOCHT.
Toen Filips door den Beierschen hertog 011 o van W i 11 e 1 s b a c h, die zich door hem beleedigd gevoelde, vermoord was, scheen de kroon voorgoed tot het Saksische huis teruggekeerd; maar Innocentius, die met Otto in vijandschap geraakt was, zond den jongen Frederik naar Duitsch-land, die daar als koning werd erkend. Otto, die te gelijk in oorlog was geraakt met Filips August, werd in den slag bij Bouvines (1214) door den Franschen koning overwonnen, waarop Frederik, na Otto geheel ten ondergebracht te hebben, als F r e d e r i k II (1215â1250) werd gekroond.
§ 53. Frederik had Innocentius beloofd, een kruistocht te zullen ondernemen. Ook zijn huwelijk met de dochter van den laatsten naamkoning van Jeruzalem, Johan van B r i e n n e, die zijn titel aan Frederik moest afstaan, was voor hem eene beweegreden tot zulk eene onderneming. Werkelijk had Frederik. na zijn rijk tot rust te hebben gebracht, een kruisleger bij Brindisi verzameld, gereed om zich in te schepen, toen de pest uitbrak en hij, ook zelf door de ziekte aangetast, gedwongen was de onderneming uit te stellen. De tweede opvolger van Innocentius, Gregorius IX (1227â1241), een doodvijand der Hohenstaufen en begeerig hunne macht in Italië te breken, beweerde, dat Frederik zijn eed had geschonden en sprak den banvloek over hem uit. Frederik, een zeer verlicht vorst, die aan zijn weelderig hof op Sicilië een kring van Arabische geleerden om zich had verzameld, en zich niet door grooten ijver voor de kerk onderscheidde, stoorde zich niet aan den ban en ondernam toch den a. G. u. 6
81
INNOCENTIUS III EN FREDERIK II.
tocht, toen hij hersteld was en een nieuw leger had verzameld.
De vijfde kruistocht (1228â1229) bereikte werkelijk zijn doel. De sultan van Egypte, Al ka mil, die een vriend en bewonderaar van Frederik was, sloot een verdrag met hem, waarbij Jeruzalem aan de Christenen afgestaan en een wapenstilstand voor tien jaar gesloten werd. De Syrische staten en ook het eiland Cyprus moesten Frederik en zijne opvolgers als hunne leenheeren erkennen en zoo werd hier de Fransche invloed een tijdlang door dien der Hohenstaufen verdrongen. Had Frederik in de Tempeliers zijne doodvijanden gevonden, de hem toegenegen ridders der Duitsche orde onder hun grootmeester Hermann von Salza haalde hij over hem te volgen en zich in Pruisen te vestigen, om daar den strijd voor het geloof tegen de heidensche Slaven voort te zetten, en dezen voor het Christendom te winnen.
Al deze maatregelen hadden den paus niet met den keizer kunnen verzoenen. Wel werd Gregorius, die zelfs een kruistocht tegen Frederik gepredikt had, en hem door zijne sleutelsoldaten had laten bestrijden, gedwongen den banvloek op te heffen ; maar zijn opvolger Innoceutius IV hernieuwde dien en sprak op de kerkvergadering te Lyon (1245) de afzetting van den keizer uit. Eerst werd Hendrik Raspe van Thuringen, later graaf Willem II van Holland (1247â1256) tot tegenkeizer benoemd. In den strijd met hen en met de Welfenpartij in Italië bracht Frederik zijne laatste levensjaren door, evenals zijn opvolger,
82
DE VIJFDE KRUISTOCHT.
Koen raad IV (1250â1254), met wien het roemrijke huis der Hohenstaufen in Duitschland voorgoed ten onder
ging-
DE LAATSTE KRUISTOCHTEN EN DE ONDERGANG VAN HET KALIFAAT.
§ 54. Langer dan de tien jaren van den wapenstilstand bleef Jeruzalem in de macht der Christenen. De opvolgers van Alkamil hadden te veel te doen met elkander te bestrijden, om niet eene verlenging van den wapenstilstand toe te staan, hoe dikwijls die ook van de eene ot' andere zijde trouweloos werd verbroken. Ook zonder hunne aanvallen gingen de Christenstaten snel genoeg achteruit. De twisten tusschen de orde der Tempeliers, wier faam slechter en slechter begon te worden, en die terecht of ten onrechte van allerlei misdaden en zelfs van ketterij beschuldigd werden, en die der Johanniters bleven voortduren, evenzoo de strijd tusschen de koloniën der Venetianen en die der Genueezen. De leenheerschappij der Hohenstaufen vond ook weldra bestrijders in de Syrische ridders, die meest van Fransche afkomst waren, en achtereenvolgens werden hun Cyprus en het koninkrijk Jeruzalem ontrukt, van welk laatste de hoofdstad in 1244 voorgoed door de Charismische hulptroepen van Egypte werd veroverd. Een der laatste naamkoningen van dit rijk is Karei van Anjou geweest, de doodvijand der Hohenstaufen, die
83
DE LAATSTE KRUISTOCHTEN EN
evenwel door de Siciliaansche vesper verhinderd werd, krachtdadige hulp in het morgenland te verleenen.
De voornaamste bijstand, dien de Christenstaten in den laatsten tijd verkregen, kwam niet van hunne mede-Christenen, maar van de nomadische stammen der Mongolen, die onder hun heerscher, den d s j e n g i s h-k h a n (grootsten heerscher) Temoedsjin (-j- 1227) eene van hunne gewone volksverhuizingen naar het westen ondernamen. Nadat zij geheel China onderworpen hadden, werd Voor-Azië door hen uitgemoord en uitgeplunderd. Perzië, Mesopotamië en Klein-Azië vielen achtereenvolgens in hunne handen en eindelijk werd in 1258 Bagdad bestormd en veroverd, waarmede het Arabische kalifaat voorgoed ten onderging. Eene andere horde drong Europa binnen, veroverde na den slag bij de Kalka het geheele Russische rijk, waar zij het khanaat van de gouden horde stichtte, verwoestte Hongarije en naderde eindelijk de Duitsche grenzen. Hier was het, dat de dappere Hendrik van Neder-Silezië met zijne ridders hun tegemoet trok, maar in den slag bij Liegnitz (1241) de nederlaag leed en sneuvelde. Toch was zijn tegenstand krachtig genoeg geweest om een verder voort-dringen der Mongolen te verhinderen.
De Oostersche Christenen stonden in den beginne met de Mongoolsche khans op een goeden voet, en een tijdlang scheen het zelfs, alsof de Mongolen den Christelijken godsdienst zouden aannemen. Belangrijke ontdekkingsreizen in Azië als die van den Vlaamschen monnik Ruysbroek en van den Venetiaanschen koopman Marco Polo waren van die aan-
84
DE ONDERGANG VAN HET KALIFAAT.
raking met de Mongolen het gevolg. Maar toen na den val van het kalifaat de gemeenschappelijke vijand bezweken was en de Mongoolsche rijken weer even spoedig uiteen spatten, als zij gevormd waren, keerden de Egyptische Mamelukken onder hun sultan Bibars opnieuw hunne wapenen tegen de Christenen en veroverden eindelijk onder zijne opvolgers de laatste vesting Acco na wanhopigen tegenstand (1291).
§ 55. Nadat de kruistochten langzamerhand van hunne oorspronkelijke bedoeling vervreemd waren, en .Teruzalem door Frederik II heroverd was, ging de ijver voor die tochten in het avondland sterk aan het verflauwen. Slechts een vorst, die reeds op jeugdigen leeftijd het kruis had genomen, de Fransche koning Lode wijk IX de Heilige, bleef het als zijn plicht beschouwen niet te rusten in den strijd tegen de ongeloovigen.
De zesde kruistocht (1248â1254), dien hij evenals Willem van Holland tegen Damiate ondernam, liep nog ongelukkiger af dan die van zijn voorganger. Wel veroverde hij Damiate, maar hij leed eveneens eene vreeselijke nederlaag bij Mansoerah, waar hij zelf gevangengenomen werd. Weinige ridders toonden meer lust den koning te vergezellen, toen hij reeds hoogbejaard nogmaals een kruistocht wilde ondernemen. Ook de Fransche geschiedschrijver Joinville weigerde deel te nemen aan dezen zevenden kruistocht (1270), die een even ongelukkigen afloop had. De listige Karei van Anjou wist hem tegen Tunis te richten, welks vorsten zijne vijanden en de vrienden der Hohen-staufen waren. Het eenige, wat door de kruisvaarders
85
DE LAATSTE KRUISTOCHTEN, ENZ.
gedaan werd, was de verovering van het slot van Carthago. Koning Lodewijk vond, tengevolge van het klimaat, hier met zijn beste ridders den dood (1270).
Geen verdere tochten werden ondernomen. Met den val van Acco, de laatste Christen-bezitting, in 4291, sluit het tijdperk der kruistochten, welke, beter geleid, misschien eene Europeesche kolonie in het morgenland hadden kunnen scheppen, maar nu eene ijdele verspilling van krachten schenen. Zelfs zijn zij het grootendeels geweest, die tengevolge van de verzwakking van het Grieksche rijk voor de Turken den weg naar Europa hebben gebaand, doch in vele andere opzichten hebben zij allerheilzaamst gewerkt voor de westersche beschaving.
FRANKRIJK ONDER HET HUIS CAPET.
§ 56. De in Syrië gestichte Christenstaten waren grootendeels van Franschen oorsprong, de vorsten meestal Fransche vazallen, en Fransche ridders hebben in grooten getale hun leven geofferd in den heiligen strijd. Aan deze omstandigheid, die de koningen van een aantal weerbarstige leenmannen bevrijdde, is het gedeeltelijk toe te schrijven, dat in tegenstelling van Engeland en Duitschland, de koninklijke macht in Frankrijk zich in dit tijdperk bevestigde en langzamerhand het karakter van een absolute heerschappij aannam.
86
FRANKRIJK ONDER HET HUIS CAPET.
Onder de eerste koningen uit het huis Capet (987â 1328), Hugo en zijne opvolgers Robert, Hendrik I en Filips I, bestonden de rechtstreeksche bezittingen der vorsten uit niet veel meer dan den omtrek van Parijs, het zoogenaamde Isle de France. Het overige gedeelte behoorde aan machtige graven en hertogen, die bijna geheel onafhankelijk waren en zich soms in openlijken oorlog tegen den koning verzetten. Toen zij zich later aan den vorst, als hun opperleenheer, onderwierpen, bleven zij zich toch de gelijken des konings gevoelen en volgens de gewoonte, dat ieder man door twaalf van zijns gelijken werd geoordeeld, vormden zij de allerhoogste rechtbank in Frankrijk, het hof der pairs, dat uit zes bisschoppen en zes wereldlijke heeren, de hertogen van Bourgondië, Guienne en Normandië en de graven van Toulouse, Vlaanderen en Champagne bestond. Zelf niet genoeg bekend met het rechtswezen, lieten zij zich bijstaan door rechtsgeleerde leeken, die bij plechtige gelegenheden aan hunne voeten zaten. Later verschenen de pairs zeiven niet meer bij de fittingen, maar lieten de rechtspraak geheel over aan hunne bijzitters, die op deze wijze zeiven rechters werden en het latere parlement van Parijs vormden.
Dbor huwelijk, erfenis of op andere wijze gelukte het langzamerhand den koningen groote leenen aan zich te trekken, waardoor zij hunne eigene macht vermeerderden, en de nog overgebleven leenmannen meer afhankelijk van zich konden maken. Eene krachtige hulp vonden zij daarbij in de steden, die zich in dien tijd, vooral in het noorden.
87
FRANKRIJK ONDER HET HUIS CAPET.
door handel en nijverheid begonnen te ontwikkelen en van de koningen chartes, handvesten of privilegiën ontvingen, waarbij zij het recht van eigen bestuur en eigen rechtspraak kregen, maar daarentegen den koning moesten helpen met hare geldmiddelen, of met hare wapenen in den strijd tegen den adel. Lode wijk Vl (1108â1137) met zijn bekwamen raadsman, den abt Suger de St. Denys, is een der eersten geweest, die op deze wijze de stedelijke vrijheid beschermden.
§ 57. Lodewijks beide opvolgers, L o d e w ij k VII (1137â1180) en Filips II August (1180â1223), hebben wij zien deelnemen aan den 2den en 3den kruistocht. De eerste werd op zijn tocht vergezeld door zijne gemalin, Eleonora van Poitou en Guienne, die door haar huwelijk deze beide landen aan de vorstelijke kroon had gebracht. Wegens den aanstoot, dien zij toen en later door hare lichtzinnigheid gaf, liet Lode wijk zich van haar scheiden, waarop zij een tweede huwelijk sloot met Hendrik van Plantagenet, den eersten koning uit dit huis in Engeland. Zoo kwamen Poitou en Guienne aan de Engelsche koningen, die reeds Normandië, Bretagne, Anjou en Maine in Frankrijk bezaten, en daardoor over bijna geheel de westelijke helft beschikten. Oorlogen met de Fransche kroon, die deze leenen trachtte te heroveren, waren daarvan het gevolg en duurden het geheele tijdperk der kruistochten.
Filips August, bekend door de uitbreiding van de stad Parijs, die hij door een ringmuur versterkte, voerde
88
FRANKRIJK ONDER HET HUIS CAPET.
achtereenvolgens oorlogen met de Engelsche koningen Richard Leeuwenhart en Jan zonder Land. Den laatste had hij wegens den moord op zijn neef Arthur voor zijn leenstoel gedaagd, en toen Jan zonder Land niet verschenen was, hem den oorlog verklaard, met dit gevolg, dat bijna al de Engelsche leenen veroverd en met de recht-streeksche bezittingen van Filips vereenigd werden. Onder dezen koning vinden wij dus eene eerste groote uitbreiding van de vorstelijke macht. Eene dergelijke had plaats onder zijn opvolger Lode w ij k VIII (1223â1226), die na den dood van Simon van Montfort het bevel op zich nam in den oorlog tegen de Albigenzen, en Raimond van Toulouse zoozeer in het nauw bracht, dat deze een groot deel van Languedoc moest afstaan, en bij zijn dood al zijne overige bezittingen in het zuiden aan het Fransche koningshuis kwamen.
De volkomen onderwerping van Raimond had plaats gedurende de minderjarigheid van Lodewijks zoon L o d e-w ij k IX den Heilige (1226â1270), ons reeds bekend door zijn ijver voor de kruistochten. Tot nu toe was Frankrijk door de langdurige regeeringen der vorsten voor een minderjarigen koning en de schadelijke gevolgen van een regentschap bewaard gebleven. Dezen keer leverde die minderjarigheid evenwel geene nadeelen op, daar de regentes, Blanca van Castilië, krachtig het bestuur wist te voeren en haren zoon eene uitstekende opvoeding gaf, die hem later tot een van Frankrijks beste vorsten maakte. Met bijzonderen ijver zorgde Lodewijk voor het rechtswezen: zelf liet hij dikwijls de partijen voor zich
89
FRANKRIJK ONDER HET HUIS CAPET.
komen, om hare geschillen te beslechten en door de uitvaardiging van de établissements de St. Louis bracht hij de rechtspraak onder vaste regelen. Zijne dweepzieke vroomheid vervoerde hem evenwel tot een te grooten ijver voor de kruistochten, in welke hij voor Tunis op rampzalige wijze den ondergang vond.
§ 58. Na Lodewijks opvolger Filips III (1270â1285) kwam een krachtig en sluw, maar ook zeer hebzuchtig vorst aan de regeering, Filips IV de Schoone (1285 â1314), die om zijne schatkist te vullen, zich zelfs niet ontzag herhaalde keeren de munt te vervalschen. Ook legde hij belastingen op de goederen der geestelijkheid, doch kreeg daardoor een hevigen twist met den toenmaligen paus Bonifacius VIII (-}- 1303), die niet minder heerschzuchtig was dan zijne voorgangers, maar wiens lotgevallen bewijzen, dat de invloed der pausen in het avondland toen reeds sterk begon te dalen. Toen hij aan de Fransche geestelijken verbood, de belasting te betalen, verbood Filips den uitvoer van goud en zilver uit zijn land en riep voor het eerst de Etats Génémux, of de vergadering der drie standen: adel, geestelijkheid en steden, bijeen, die 'skonings maatregelen goedkeurde en het koningschap onafhankelijk van den paus verklaarde. Bonifacius zelf werd, toen hij zich te Anagni bevond, door den Franschen kanselier en den Romeinschen edelman Colonna, een persoonlijken vijand van den paus, gevangengenomen, eene handeling, die zoozeer diens woede en verontwaardiging opwekte, dat hij kort daarop aan de gevolgen stierf.
90
FRANKRIJK ONDER HET HUIS CAPET.
Bij de nieuwe verkiezing van een paus in 1305, werd door Filips' invloed de keuze uitgebracht op een Franschen bisschop, die als Clemens \ den pauselijken stoel overbracht van Rome naar het door hem gekochte Avignon. Ongeveer zeventig jaren bleven de pausen hier gevestigd, een tijdvak, ook wel de Babylonische ballingschap dei-pausen genoemd, waarin zij geheel afhankelijk waren van de Fransche koningen. Van die afhankelijkheid maakte Filips gebruik om Clemens te bewegen tot de opheffing der orde van de Tempeliers, misschien uit hebzucht, om zich van hunne rijke goederen meester te maken, misschien ook, omdat er eenige waarheid school in de beschuldigingen, die tegen hunne schandelijke levenswijze werden ingebracht, en in het geloof, dat onder het volk heerschte, alsof zij in geheime bijeenkomsten zich aan ketterij schuldig maakten en zelfs een afgod, Baffomet aanbaden. Het proces, dat tegen hen gevoerd werd, liep uit op hunne veroordeeling en de verbeurdverklaring van al hunne bezittingen, terwijl de grootmeester Jacques de Molay met veertig ridders op den brandstapel voor hunne werkelijke of vermeende schuld moesten boeten.
Minder gelukkig dan in zijn overige ondernemingen was Filips in den oorlog tegen de Vlaamsche burgers, die opgestaan waren, toen hij hun graaf had gevangengenomen, en Filips in den Sporenslag hij Kortrijk (1302) beslissend versloegen, waarop zij het land van Frankrijks bondgenoot, den Hollandschen graaf, tot Haarlem overstroomden, maar door Witte van Haamstede eindelijk werden teruggedrongen.
91
FRANKRIJK ONDER HET HUIS CAPET.
Met de drie zonen van Filips, Lode wijk X, Filips V en Karei IV, stierf in 1328 het huis Capet in Frankrijk uit.
ENGELAND ONDER HET HUIS PLANTAGENET.
§ 59. Met den zoon van Mathilda van Anjou, de erfdochter \an het Normandische huis, kwam in Engeland het huis Plantagenet (1154â1399) op den troon. Die zoon, H e n-drik 11 (1154â1189), bezat reeds als vaderlijk erfgoed Anjou en Maine, als moederlijk Normandië en Bretagne en door zijn huwelijk met Eleonora voegde hij daar Poitou en Guienne bij. Daar hij en zijne nakomelingen bij voorkeur in hunne Fransche bezittingen hun hof hielden en de Fransche taal spraken, scheen de Engelsche nationaliteit onder dit huis geheel onderdrukt te zullen worden. Een geluk voor het Engelsche volk was het, dat het ia het verzet tegen zijne vorsten toen een krachtigen steun vond in de Normandische baronnen, die door de hier bijzonder strenge bepalingen van het leenstelsel gekneld werden, en in de geestelijkheid, die eveneens met kracht hare rechten tegen den koning verdedigde.
Toen Hendrik in zijn rijk de constituties van Clarendon (1164) had uitgevaardigd, die de geestelijke rechtsmacht beperkten en de geestelijke en wereldlijke zaken aan de koninklijke rechtbanken onderwierpen, vond hij dadelijk
92
ENGELAND ONDER HET HUIS PLANTAGENET. 93
een hevigen tegenstander in Thomas B e c k e t. aartsbisschop van Canterbury, die zich met kracht tegen de constituties verzette. De twist liep zoo hoog, dat Thomas eindelijk door een paar edellieden, waarschijnlyk met medeweten des konings, in zijn eigen kathedraal vermoord werd. Het volk geloofde ten minste aan Hendriks schuld, en toen de paus zich krachtig de zaak aantrok, was Hendrik gedwongen zijne vergiffenis af te smeeken, de constituties in te trekken en eene bedevaart naar het graf van den aartsbisschop te ondernemen. Niet gelukkiger was de koning in zijne huiselijke omstandigheden door de levenswijze van zijne gemalin Eleonora en de twisten met zijne zonen. Van gewichtige gevolgen voor later tijd was de tocht, dien de koning naar Ierland ondernam, waarmee de verovering van dit eiland door de Engelschen een aanvang neemt.
§ 60. Hendrik werd achtereenvolgens opgevolgd door twee zonen, Richard I Leeuwenhart (1189â1199), den held van den 3den kruistocht, en Jan zonder Land (1199â1216), wiens slechte regeering voor zijn volk juist de heilrijkste gevolgen had. Was de vorstelijke macht reeds onder Richard verzwakt door zijne langdurige afwezigheid en zijn avontuurlijken aard, die hem liever roem in ridderdaden dan in zorg voor de regeering deed zoeken, onder zijn opvolger ging het koninklijk gezag bijna geheel verloren.
De moord op Arthur, den zoon van Jans ouderen broeder Gotfried, had den koning in een oorlog gewikkeld
ENGELAND ONDER HET HUIS PLANTAGENET.
met Filips August, -waarin hij bijna al de Engelsche bezittingen in Frankrijk verloor. De machtige paus Innocentius III had zelfs geheel Engeland aan Filips geschonken, toen de koning met hem in twist geraakt was over de benoeming van den aartsbisschop van Canterbury. Jan werd genoodzaakt zich te onderwerpen en den paus als zijn leenheer te erkennen, van wien hij Engeland als een pauselijk leen ontving. Groot was de verontwaardiging van's konings onderdanen over deze handelwijze. De vrije burgers en de machtige baronnen verbonden zich tegen den koning, die gedwongen was, hun een gewichtig privilege te verleenen, de Magna Charta (lÃlS), het bolwerk der Engelsche vrijheid genoemd, en de eerste in die reeks van belangrijke wetten, die te zamen de Engelsche constitutie vormen. Voor een gedeelte bestond deze vrijheidsbrief in verzachting der verplichtingen van het leenstelsel en erkenning vau eene grootere onafhankelijkheid der leenmannen, maar ook bevatte hij gewichtige rechten voor de steden en het geheele volk ter bescherming tegen vorstelijke willekeur.
§ 61. Hoe belangrijk de Magna Charta ook was, zij zou weinig beteekend hebben, zoo het volk en de adel niet steeds bereid waren geweest, elke letter met hun blued te verdedigen. Jan zonder Land zelf en later zijn opvolger Hendrik III (1246â'127'2) lieten zich herhaaldelijk door den paus van hun eed ontslaan, of schonden hare bepalingen. Een langdurige opstand tegen den laatsten vorst was daarvan het gevolg, in welken het hoofd der edelen, Simon van Montfort, graaf van Leicester,
94
ENGELAND ONDER HET HUIS PLANTAGENET. 95
een parlement bijeenriep, waarin voor het eerst ook de steden werden vertegenwoordigd. Een tijdlang was Simon gelukkig in den strijd, maar de kans keerde, toen's konings zoon E d u a r d de wapens voor zijn vader opvatte. Bij Evesham leden de opstandelingen de nederlaag en sneuvelde Simon (1265), met wiens dood de opstand zoogoed als onderdrukt was.
De Engelsche vrijheden durfden de koning evenwel niet aantasten en Eduardl (4272â1307) werd zelfs gedwongen, de nieuwe belangrijke wet âde tallagioquot; toe te staan, die bepaalde, dat geene belasting geheven mocht worden zonder toestemming van het parlement. Het laatste splitste zich onder zijne opvolgers in het Hoogerhuis of huis der Lords, waarin de hooge adel en de bisschoppen zitting hadden, en het Lagerhuis of huis der Commons, de vertegenwoordiging der stemhebbende steden.
Met Frankrijk werd nog altijd de strijd over de leenen voortgezet, in dien tijd vooral over liet bezit van Guienne, terwijl Engeland zich aan een anderen kant uitbreidde door de geheele onderwerping van Wales, welks vorsten-titel voorlaan door de Engelsche kroonprinsen werd gedragen.
Van een troontwist in Schotland, dat Hendrik II als leenheer had erkend, maar zich had vrijgekocht onder Richard Leeuwenhart, maakte Eduard gebruik om het land opnieuw aan zich te onderwerpen. De tot koning verkozen John Baliol moest Eduard huldigen; Baliols opvolger, William Wallace, werd ter dood gebracht, maar gelukkiger werd de strijd voortgezet door Robert Bruce, die
96 ENGELAND ONDER HET HUIS PLANTAGENET.
door allerlei avontuurlijke middelen de vervolging wist te ontkomen, en eindelijk den zwakken Eduard II (1307â 1327) beslissend versloeg in den slag bij Bannockhurn (1314) waardoor hij Schotland weder vrij vocht en de stichter werd van een nieuw koningshuis, dat later de kroon deed overgaan op het verwante geslacht der Stuarts.
SPANJE EN ITALIÃ GEDURENDE DE KRUISTOCHTEN.
§ 62. Het Spaanschc volk heeft aan de eigenlijke kruistochten slechts een gering aandeel genomen, daar het al zijne krachten noodig had om de Mooren op eigen bodem te bestrijden. Integendeel hebben verscheidene kruisvaarders, vooral die van Noord- en West-Europa, den Spanjaarden meer dan eens bijstand geboden tegen de ongeloovigen. Op die wijze werd Spanje gered van het gevaar, waarmee eerst de inval der Almoraviden, later
O '
die der Almohaden het land bedreigde. In den slag bij Tolosa (1212) werd voorgoed de Moorsche heerschappij gebroken en tot Andalusië beperkt, waar zij zich nog tot het einde der Middeleeuwen wist te handhaven.
De bestaande koninkrijken, vooral Aragon onder Jakob I en Castilië onder Ferdinand III, breidden zich langzamerhand uit, ofschoon nog dikwijls door binnenlandsche twisten
SPANJE EN ITALIÃ GEDURENDE DE KRUISTOCHTEN. 97
geschokt, en nieuwe rijken werden gesticht, die óf later weer in de oude opgingen, óf zich tot onafhankelijke staten ontwikkelden.
Tot de laatste behoorde Portugal (zoo genoemd naar Porto Cale, het tegenw. Oporto), de landstreek, waarmee de koning van Castilië graaf Hendrik van Bour-gondië (-|- 1112) beleend had. Diens zoon Alfons I liet zich tot koning kronen, en veroverde in den S'leu kruistocht met de hulp der Westeuropeesche kruisvaarders ook de hoofdstad Lissabon op de Mooren (1147). Latei-hielp Willem I van Holland op zijn kruistocht mede, om een sterk fort ten oosten van deze stad te veroveren, en zoo breidde het rijk zich langs de kust van den Atlan-tischen Oceaan steeds verder naar het zuiden uit, tot eindelijk de zuidelijke grens van het vasteland was bereikt, en het land zijn tegenwoordigen omvang had verkregen.
§ 63. De eenheid van Italië werd na den ondergang van het rijk der Oost-Gothen niet meer hersteld. Het bleef verdeeld in een aantal afzonderlijke staatjes, of moest zich aan vreemde vorsten, de Duitsche keizers, onderwerpen. Nog scherper dan in Duitschland stonden hier de partijen der Guelfen en Ghibellijncn tegenover elkander, die elkaar zelfs nog bleven bestrijden, toen in Duitschland hunne namen reeds zoogoed als vergeten waren. Wij hebben gezien, hoe zich in den strijd tegen de keizers in Lombardije de stedelijke vrijheid ontwikkelde, terwijl sedert de verandering in de verkiezing der pausen ook dezen van de keizers onafhankelijk waren geworden, en gewoonlijk tot hunne
A. G. II. 7
SPANJE EN ITALIÃ GEDURENDE
hevigste tegenstanders behoorden. Vooral sedert Frederik If ook Beneden-Italië aan zich had gebracht, was de ondergang der Hohenstaufen het hoofddoel der pausen, waarvoor dezen alle krachten inspanden.
Na Frederiks dood had zijn natuurlijke zoon, de krachtige Manfred, zich tot koning van Sicilië laten kronen (1258). Toen hij weigerde den paus als leenheer te erkennen en de Mohammedanen uit Sicilië te verdrijven, riep paus Urbanus IV, die zich alleen niet machtig genoeg tegen hem gevoelde, de hulp in van den Franschen ridder Karei van Anjou, den broeder van Lodewijk IX. Deze trok met een aantal aanhangers Italië binnen, stelde zich aan het hoofd der Guelfenpartij en overwon Manfred in den slag bij Benevento (1266), die te gelijk een einde aan 's konings leven maakte. Karei erkende den paus als leenheer en werd daarvoor bevestigd in het bezit van Napels en Sicilië. Doch de laatste der Hohenstaufen, de zoon van keizer Koenraad IV, C o n r a d ij n, toen nog een jongeling, besloot eene poging te doen om het voorvaderlijk erfgoed te herwinnen. Met zijn vriend Frederik van Baden en een aantal ridders trok hij naar Italië, rukte zelfs zegevierend Rome binnen, maar werd in Napels door Karei nabij Tagliacozzo (1268) verslagen en gevangengenomen. Niet als overwonnen tegenstander, maar als rebel werd hij behandeld, en toen Karei eindelijk de stem van een der rechters had weten te winnen, door dezen met zijn vriend Frederik ter dood veroordeeld. Met hem eindigde het beroemde huis der Hohenstaufen.
98
DE KRUISTOCHTEN.
Napels huldigde nu Karei van Anjou; maar de Sicilianen, bij wie de Hohenstaufische vorsten steeds zeer bemind waren geweest, begonnen, toen zij door de Fransche soldaten op allerlei wijze mishandeld en verdrukt werden, een vreeselijken opstand en vermoordden alle op het eiland wonende Franschen in de dusgenaamde Siciliaanxche vesper (1282). Zij boden op raad van hun aanvoerder Johan de Procida, de kroon aan Peter van Ar agon aan, Manfreds schoonzoon, die het eiland tegen Karei van Anjou wist te verdedigen, niettegenstaande deze door den koning van Frankrijk werd bijgestaan. Later zou ook in Napels het huis van Aragon de nakomelingen van Karei van Anjou verdringen.
§ 64. In het noorden van Italië ontwikkelden zich in dit tijdvak de twee rijke koopsteden Venetië en Genua, beide geheel in het noorden van het schiereiland aan de Middellandsche zee gelegen, waar Alpenpassen hun den weg tot noordelijk Europa openden. Venetië was, nadat Attila de handelsstad Aquileja verwoest had, door vluchtelingen op de eilandjes in de Lagune ten noorden van den Po-mond gebouwd, geheel een eilandenstad, veilig tegen aanvallen van de landzijde en uitstekend gelegen voor den handel met de Levant. Aan het hoofd van den staat stond een hertog of doge, wiens macht evenwel later zeer beperkt werd, zoodat Venetië evenals de meeste handelssteden allengs deu vorm van eene aristocratische republiek aannam, die zelfs later in eene oligarchie of familie-regeering ontaardde. Alle macht berustte bij den
99
100 SPANJE EN ITALIÃ GEDURENDE DE KRUISTOCHTEN.
grooten raad, die zich in het jaar 1297 geheel afsloot, zoodat alleen diegenen, wier familienamen in het Gouden hoek van den adel waren opgeteekend, recht van zitting hadden. Vooral de kruistochten, het vervoer der kruisvaarders en het verkeer met de Christenstaten en ook met de Mohammedaansche rijken in de Levant, brachten den handel tot een bijzonder hoogen bloei. Nadat de vroeger rijke koopsteden Amalfi en Pisa waren achteruitgegaan, vond de stad hare eenige gevaarlijke mededingster in Genua, dat na de verovering van het Latijnsche rijk door Michael Palaeologus (1261) de Venetianen geheel uitCon-stantinopel en de Zwarte zee verdrong, waarvan langdurige handelsoorlogen toen en later het gevolg waren. Aan Venetië bleven evenwel de rijke bezittingen, in den 4deu kruistocht veroverd: Morea, de Ionische eilanden en de kust van de Adriatische zee, zoodat deze twee steden misschien de eenige in Europa waren, die van de kruistochten onmiddellijke voordeelen trokken.
VIERDE TIJDPERK.
VAN HET EINDE DER KRUISTOCHTEN TOT DE ONTDEKKING VAN AMERIKA.
DE GEVOLGEN DER KRUISTOCHTEN.
§ 65. Met den val van Acco (1291) was de laatste bezitting der Christenen in het oosten verlorengegaan: het doel der kruistochten, de verovering van het Heilige Land, was dus gemist, evenzoo de verdediging van het Grieksche rijk tegen den Islam, welke aan deze beweging het aanzijn had gegeven. Integendeel was het laatste van alle kracht beroofd en verzwakt door de invoering van het leenstelsel gedurende het Latijnsche keizerrijk, en zou het nog vóór het einde der Middeleeuwen ten prooi vallen aan den Mohammedaanschen stam der Turken, die de plaats innamen van het ten onder gegane kalifaat van Bagdad. Alleen in Spanje was door de hulp der Christenridders het gevaar
DE GEVOLGEN DER KRUISTOCHTEN.
afgewend en de heerschappij van de halve maan naar het uiterste zuiden teruggedrongen, om met het einde der Middeleeuwen geheel van den Spaanschen bodem te verdwijnen.
In weerwil van hunne mislukking en het bloed, dat zij gekost hebben, â men schat het aantal omgekomenen op negen millioen â zijn toch de kruistochten voor de West-europeesche beschaving van de heilzaamste gevolgen geweest. Zij brachten de volken met elkander in nauwe aanraking, zoodat zij van elkaar konden overnemen, wat het eene voorhad boven het andere, maar nog meer van hunne vijanden, de Mohammedaansche staten, die toenmaals hooger in beschaving stonden dan die der Europeesche Christenen. Zoo werden zij bekend met uitvindingen, als buskruit, windmolens, wateruurwerken, reeds lang te voren bij de Arabieren in gebruik, maar vooral met de voortbrengselen van hunne kunstnijverheid: gedamasceerde wapenen, de oostersche tapijten en in 't algemeen die rijkere en meer weelderige levenswijze, die langzamerhand den ruwen eenvoud der oude Germanen verdrong. Bouwkunst, schilderkunst, dichtkunst en zelfs de taal (almanak, admiraal enz.) verraden overal de sporen van den Moorschen invloed. Bij voorkeur schilderen de dichters der latere Karei- en Artur-romans (Floris en Blanchefloer) de pracht der oostersche vorstenhoven, die de rijke westersche edelen tot navolging uitlokte. Niet minder deed de wetenschap haar voordeel met de ruimere opvatting en meerdere wereldkennis, het gevolg van het bezoek van zooveel vreemde, verre landen, en met de studiën der Mohammedaansche geleerden.
102
DE GEVOLGEN DER KRUISTOCHTEN.
§ 66. De kruistochten waren gedeeltelijk eene godsdienstige, gedeeltelijk eene militaire beweging geweest. Diezelfde verbinding van den godsdienstigen geest met de zucht naar avontuurlijke krijgsgevaren gaf het aanzijn aan het Middeleeuwsche ridderwezen, dat zich niet alleen in de stichting der geestelijke ridderorden (Johanniters, Tempeliers en Duitsche ridders), maar ook in het wereldlijk ridderschap met zijne eigenaardige gebruiken en instellingen openbaart. In de eerste plaats was de ridder Christen, die het ongeloof moest bestrijden, weduwen en weezen en alle onderdrukten moest beschermen en in al zijne daden indachtig moest zijn aan de verheerlijking van Christus en de heiligen, maar in 't bijzonder van Maria, de voorspraak der zondige menschheid bij haren Zoon, de Moedermaagd, die ook op de aardsche vrouw een gedeelte van haar licht deed afstralen, en de vrouivenvereering zulk eene voorname plaats in de ridderavonturen deed innemen. Den naam der jonkvrouw, die hij zich gekozen had, en wier kleuren hij droeg, moest de ridder verdedigen en gevierd maken, óf door zijn moed in den ernstigen strijd tegen de vijanden óf door zijne kracht en behendigheid in het steekspel of tournooi tegen zijns gelijken.
Niet iedereen viel de eer te beurt deel van de ridderschap uit te maken; eerst na langdurigen, trouwen dienst en bewijzen van moed en edele gezindheid, ontving de schildknaap den ridderslag, die hem tot den gelijke van zijn vroegeren meester maakte. Maar geen wonder, dat, toen de strijd tegen de ongeloovigen ten einde raakte,
103
DE GEVOLGEN DER KRUISTOCHTEN.
men in onderlinge, langdurige veeten bevrediging voor zijn strijdlust zocht, of in den vreemde op avonturen uittrok, en de dolende ridderschap ontstond, die zich zelf tot een spot en ergernis maakte voor het gezond verstand van den stedeling, en eindelijk vernietigd werd door de scherpe hekeling in Ariosto's Razende Roland en Cervantes' Don Quijote.
In de kunst vond die mystieke godsdienstige riddergeest zijne uitdrukking in de Artur-romans, die de avonturen schilderden van koning Artur en zijne tafelronde bij het opsporen van den heiligen Graal; in de Jeux floraux van Zuid-Frankrijk, waar de ridderlijke troubadour» wedijverden in den lof der uitverkorene, om uit vrouwenhand de dichters-kroon te ontvangen; maar vooral in den gothischen bouwstijl, die misschien aan het ridderlijk kasteel met zijne dikke muren, enge vensters en stekelig houtsnijwerk iets ongezelligs gaf, maar zijne schoonste triomfen vierde in het Godshuis, waar de ten hemel strevende spits- en kruisbogen, het matte licht, dat door de gekleurde kerkvensters en rozetten viel, de ziel stemde tot stille overpeinzing en mystieken drang naar het hoogere, onbereikbare.
§ 67. Het woord des pausen had aan duizenden lijfeigenen, die hun leven wilden wagen voor het Heilige Land, de vrijheid geschonken; andere duizenden werden door het aanbod van hunne meesters, die hen liever in dienst wilden houden dan van hun grond zien vertrekken, van slaven tot vrije arbeiders gemaakt. Door eigen verdiensten en handel rijk geworden, vonden zij bescherming
-104
DE GEVOLGEN DER KRUISTOCHTEN.
bij de vorsten, die hun geldelijken steun verlangden voor hunne kostbare hofhouding of den bijstand hunner wapenen tegen de weerbarstige vazallen. Hunne woonsteden kregen bij vorstelijke charters, handvesten of privilegiën, rechten van zelfbestuur en eigen rechtspraak en werden communes, steden. De kruistochten, die den adel verarmden, brachten de steden tot rijkdom en bloei; het eerst in Italië, waar Venetië en Genua de stapelplaatsen werden der oostersche waren uit de Levant, en de havens, waar de kruisvaarders zich inscheepten voor hunne ondernemingen; weldra ook in Vlaanderen, waar de burgers de tusschenhandelaars werden van het zuiden en het noorden en de stedelijke vrijheid zich bevestigde in den strijd tegen de heersch-zuchtige naburen. Duitschland deelde in de aan weerszijden ontloken beschaving: in 'tnoorden bloeiden de Duitsche handelssteden aan Noord- en Oostzee, in 't zuiden werden de stations van de groote landwegen, die van de Middel-landsche zee naar den Rijn voerden, (Augsburg, Straatsburg, Neurenberg, Regensburg) stapelplaatsen voor de Italiaansche goederen, die zij ruilden voor die van het noorden of voor de voortbrengselen van hare eigene nijverheid.
De kloeke poorters sloten zich aaneen tot verdediging van hunne belangen, en de gemeenschapsgeest van dien tijd, die zich ook in het gemeenschappelijk grondbezit, de markgronden, openbaarde, gepaard met de afzondering van en het wantrouwen tegen vreemdelingen, voerde tot het ontstaan der gilden, die de mannen van hetzelfde beroep
105
DE GEVOLGEN DER KRUISTOCHTEN.
verbonden tot gemeenschappelijke behartiging van hunne belangen, de kracht der burgerij versterkten en de kunstnijverheid, door de eischen bij de opneming in een der drie graden van leerling, gezel en meester gesteld, tot een hoogen trap van ontwikkeling voerden. Zelfs de dichtkunst deelde in deze beroepsvereeniging en moest zich onderwerpen aan de vaste voorschriften en reglementen van de Meistersdnger in 't zuiden en de rederijkerskamers in 't noorden. Mocht deze behandeling der dichtkunst ook niet dienstig zijn voor hare verheffing, merkwaardig zijn hare voortbrengselen om den stouten, onafhankelijken geest, die er uit spreekt, en de aanvallen op adel en geestelijkheid. Allengs ging de derde stand deze als zijns gelijken, soms zelfs als zijne minderen beschouwen, trotsch op de bescherming van zijne vorsten, die met zijne hulp de macht hunner vazallen konden breken en met zijn geld zich in plaats van de wisselvallige hulp hunner leenmannen, huurtroepen of staande legers gingen werven, terwijl door de toepassing van het buskruit op de vuurwapenen, de ridderlijke wapenrustingen en kasteelmuren hunne weerstandskracht verloren, zoodat de vorst in plaats van leenheer van zijne vazallen heerscher werd over zijne onderdanen.
De opkomst der steden, het verval van het leenstelsel en de overgang van het leenrijk in de absolute monarchie kenmerken het vierde tijdperk der Middeleeuwsche geschiedenis.
106
107
DUITSCHLAND EEN KIESR1JK.
§ 68. Na den ondergang van hot Hohenstaufische huis beleefde Duitschland een tijd van regeeringloosheid en verwarring, die onder den naam van het interregnum of de tusschenregeering (1254â1273) in de geschiedenis bekendstaat. Wel droegen de vorsten nog nu en dan aan vreemdelingen de keizerlijke waardigheid op; doch het waren slechts naamkeizers, niet in staat hunne waardigheid onder het Duitsche volk te handhaven: eerst graaf Willem II van Holland, die evenwel reeds in 1256 tegen de West-Friezen sneuvelde, later Richard van Corn wallis, de broeder van den Engelschen koning, die zich slechts nu en dan vertoonde, om geld onder zijne aanhangers te verdeelen, en tegenover hem koning Alfons X van C a s t i 1 i ë, die in zijn eigen land zooveel met zijne onderdanen te doen had, dat hij er niet aan kon denken, zich met de Duitsche zaken te bemoeien. In werkelijkheid was er in Duitschland geene regeering. Ieder deed, wal hij verkoos, en het recht van den sterkste gold onbeperkt. Adel en steden beoorloogden elkander eh overal verrezen langs wegen en rivieren de kasteelen der roofridders, waaruit de vreedzame koopman werd overvallen en uitgeplunderd.
Het volk, in dien tijd van geweld gedwongen zich zelf recht te verschaffen, koos twee middelen om de macht der roofridders te breken. Het eerste \\n.a het Hansa-verhond,
DUITSCHLAND EEN KIESRIJK.
eene vereeniging der groote koopsteden, om gezamenlijk hare belangen te behartigen en aan het rooverswezen, zoowel te land als ter zee, een einde te maken. Zij rustten gemeenschappelijke legers en vloten uit en hielden geregeld hare bondsvergaderingen (Hansa-dagen), meestal te Lubeck, toen de eerste der Hansasteden, ter bespreking der belangrijke bondszaken. Tot het verbond traden niet alleen de kuststeden toe. maar ook de binnensteden langs den Rijn en andere rivieren, terwijl het verbond bovendien zijne kantoren had in de meeste vreemde landen, vooral te Antwerpen, Londen, Bergen en Riga. Van Wisby op Gothland gingen de beroemde zeerechten uit, waarnaar de schepen der verschillende steden zich hadden te gedragen.
Het tweede middel tot bestrijding van het ruw geweld bestond in de instelling der veemgerichten, eene soort van geheime volksrechtbanken, die op geheimzinnige wijze de aangeklaagden voor hare nachtelijke zittingen daagden, waar de vrijgraaf met zijne vrijschepenen, meestal gemaskerd, rechtsprak zonder aanzien des persoons. Op even geheimzinnige wijze werd het vonnis voltrokken en doorgaans werd de veroordeelde, welke voorzichtigheidsmaatregelen hij ook aanwendde, korten tijd na de veroordeeling dood gevonden met den dolk van de heilige veem naast zich. In den beginne verspreidden de veemgerichten eene heilzame vrees onder de machtige boosdoeners, maar later, toen misbruiken en partijdigheid inslopen, verviel hun invloed en gingen zij eindelijk geheel te niet.
§ 69. Een betere tijd brak aan, toen de voi'sten eindelijk
108
DUITSCHLAND EEN KIESRUK.
hunne keuze uitbrachten op een wakker Duitsch edelman, Rudolf van Habsburg (1273â1291), die rijke goederen in Zwitserland en den Elzas bezat. Hij herstelde de rust en de eenheid in het bestuur, doch eerst na een zwaren strijd met den weerbarstigen koning O 11 o k a r van Bohemen, die eindelijk in den slag op het March-veld (1278) werd verslagen en gedood. Ottokars goederen werden voor een groot gedeelte door den keizer ingetrokken en aan zijne eigene zonen geschonken, zoodat in dien tijd het Habsbuigsche huis zijne bezittingen ook over de Oostenrijksche erflanden uitbreidde. Toch, niettegenstaande Rudolf Italië aan zich zeiven overliet en zich alleen met de Duitsche zaken bemoeide, gelukte het hem niet zooveel invloed te verkrijgen, dat hij de kroon erfelijk aan zijn huis kon verzekeren. Terwijl Duitschland vroeger meer in naam dan inderdaad een kiesrijk was, en de keizers achtereenvolgens uit hetzelfde geslacht werden verkozen, volgden nu telkens keizers uit verschillende huizen elkander op en scheen er van de erfelijkheid geen spoor over te blijven.
Na Rudolfs dood werd niet zijn zoon Albrecht, maar Adolf van Nassau (1292â1298) tot keizer gekozen, die evenwel zijne geheele regeering tegen Albrecht had te strijden, tot hij eindelijk in den slag bij Göllheim kroon en leven verloor.
Albrecht I van Habsburg of Oostenrijk (1298 â 1308) was een krachtig maar hebzuchtig vorst, die geene middelen ontzag om zijne eigene bezittingen uit te breiden.
109
DUITSCHLAND EEN KIESRIJK.
In zijn tijd begon de opstand der Zwitsersche woudkantons, die, eeuwenlang voortgezet, eindelijk de Zwitsersche onafhankelijkheid zou vestigen [de sage van Willem TellJ. Door zijn neef Johannes Parricida werd de keizer aan de oevers van de Reuss vermoord.
§ 70. Weer ging na Albrechts dood de keizerskroon aan een vreemd huis over, nu door de verkiezing van Hendrik VII van Luxemburg (1308â1313), een veelbelovend, ridderlijk vorst, wiens vroegtijdige dood evenwel aan de verwachtingen, ook in Italië door de keizers-gezinden, onder wie de groote dichter D a n t e, van hem gekoesterd, den bodem insloeg. Zijn opvolger was een keizer uit het huis van Witteisbach, I. o d e w ij k V v a n Beieren (1314â1347), gehuwd met Margaretha van Henegouwen, de dochter van den rijken Hollandschen graaf Willem III.
Evenals zijne voorgangers breidde Lodewijk de macht van zijn huis uit door schenkingen aan zijne zonen. Een van dezen werd graaf van Tyrol, een tweede markgraaf van Brandenburg, terwijl twee andere, Willem en Albrecht, achtereenvolgens als graven van Holland regeerden.
Onder Lodewijk trachtten de beide broeders F r e d e r i k en Leopold van O o s t e n r ij k, gesteund door den paus, de vermeende rechten van het Habsburgsche huis op de keizerskroon te handhaven. Lodewijk versloeg hun leger in den slag bij Mühldorf en nam Frederik gevangen. Kort daarop had evenwel eene verzoening plaats, en door Leopolds dood werd de keizer van zijn gevaarlijksten vijand ontslagen.
140
DUITSCHLAND EEN KIESRIJK.
Het verminderen van den invloed der pausen in wereldlijke zaken blijkt in dien tijd niet alleen uit den strijd tusschen Bonifacius VIII en Filips den Schoone, maar ook uit de houding, die de Duitsche vorsten in den twist tusschen Lodewijk en den paus innamen. Op den Keurvorstendag te Rense (1338) namen zij het gewichtig besluit, dat de keizerskeuze niet langer van 's pausen goedvinden afhankelijk zou blijven, maar de verkiezing ook zonder de kroning door den paus geldig zou zijn. Dit belette dezen evenwel niet, toen er later weer twist tusschen den keizer en de Duitsche vorsten ontstond, de laatsten bij te staan, den keizer voor afgezet te verklaren en Karei van Luxemburg tot tegenkeizer te benoemen, tot Lodewijk eindelijk, afgemat door tegenwerking en teleurstelling, ten grave daalde en zijn tegenstander uit het Luxemburgsche huis zijne plaats innam.
HET LUXEMBURGSCHE EN HEÃ HABSBURGSCUE HUIS.
§ 71. Karei IV van Luxemburg (1347â1378), de kleinzoon van Hendrik VII en de zoon van koning Johan van Bohemen, die in den slag bij Crecy tegen de Engel-schen was gesneuveld, had behalve de keizerskroon ook de koningskroon van Bohemen en een gedeelte der Oosten-rijksche erflanden verkregen. Hij bezat niet den ridderlijken aard van zijn grootvader, maar beperkte zijn streven tot
Hl
HET LUXEMBURGSCHE EN
de uitbreiding zijner eigene bezittingen. Het liefst leefde hij in Praag, dat hij verfraaide en tot eene bloeiende, rijke hoofdstad maakte. Onder andere stichtte hij er de beroemde hoogeschool (1348), die vooral om hare theologische studiën eene der vermaardste van Europa was. Van alle landen werden geleerden derwaarts beroepen, gelijk Karei in 't algemeen â ook zijne vereering van Petrarca bewijst het â een begunstiger was van kunst en wetenschap. Minder liet hij zich in met de belangen van Duitschland, waar het keizerlijk aanzien in dien tijd sterk daalde. Van gewichtige gevolgen voor latere tijden was evenwel zijne gouden bul (1356), waarin hij in alle bijzonderheden de keizerskeuze en keizerskroning regelde. Waren reeds sedert lang de meeste Duitsche vorsten en ridders bij de verkiezing der keizers wegens de kostbaarheid der reis ot om andere redenen afwezig gebleven, nu werd het getal der keurvorsten voorgoed bepaald tot zeven, namelijk de drie geestelijke van Keulen, Mainz en Trier en de vier wereldlijke van Saksen, de Palts, Brandenburg en Bohemen, die bij de kroning ieder bovendien een bepaalden dienst te verrichten hadden.
Nog meer daalde het keizerlijk aanzien in Duitschland onder Kareis woesten, hartstochtelijken zoon W e n z e 1 (137Sâ1400), onder wien, evenals gedurende het interregnum, openlijke oorlogen tusschen steden en ridders, zooals de Zwahische stedenkrijg, woedden en de verdrukte boeren herhaaldelijk tegen hunne onderdrukkers opstonden, tot Wenzel eindelijk werd afgezet en vervangen door
112
HET HABSBURGSCHE HUIS.
Rup recht van de Palts (1400â1410), na wiens dood de kroon evenwel weer tot het Luxemburgsche huis terugkeerde door de verkiezing van Sigismund, Wenzels jongeren broeder.
§ 72. Had in de plaats van den Luxemburger Sigismund (1410â1437) een Hohenstaufer geregeerd, hij zou eene uitstekende gelegenheid gehad hebben om de keizerlijke macht in Italië te herstellen en den paus aan zich te onderwerpen. Met Bonifacius was het verval van de wereldlijke macht der pausen begonnen. Te Avignon waren zij als 't ware vazallen geworden der Fransche koningen, totdat eindelijk de Italianen de overheersching uit den vreemde moede werden en de Italiaansche kardinalen een landgenoot kozen, die den zetel weer naar Rome overbracht. Te gelijk (1378) kozen evenwel de Fransche kardinalen een andei'en paus, Clemens VII, die zich te Avignon vestigde, zoodat de geheele Roomsche kerk tusschen twee pausen verdeeld was.
Om dit schisma (scheuring der kerk) bij te leggen, was reeds in 1409 eene kerkvergadering te Pisa bijeengekomen, die beide pausen afgezet en een derde benoemd had. Daar evenwel de beide eersten van hun titel geen afstand wilden doen en dus nu drie pausen te gelijk met elkander strijd voerden, werd onder Sigismund het groot oecumenisch Concilie van Constanz (1414â1418) bijeengeroepen, dat door de verkiezing van een nieuwen paus, terwijl de overigen gedwongen werden in hunne afzetting te berusten, aan die heillooze verwarring in de kerk een
A. G. II. 8
113
H4 HET LUXEMBURGSCHE EN
einde maakte. Meer bekend nog is het Concilie van Con-stanz door het gebeurde met Johannes Huss, den Praagschen hoogleeraar.
Reeds lang bestond aan de hoogeschool te Praag, waaide studenten van verschillende natiën vertegenwoordigd waren, een hevige rassenhaat tusschen de Slavische Czechen en de Duitschers, die eindelijk zoover ging, dat de laatsteu onder hunne professoren Bohemen verlieten, om te Leipzig eene Duitsche hoogeschool te stichten. Een van de hoofdleiders der Slavische beweging was de ijverige Huss, die zich tevens niet ontzag om, evenals zijn leermeester Wycliffe, de pauselijke macht en de gebruiken der Room-sche kerk aan te tasten. Hij werd voor het Concilie van Constanz gedaagd om zijne meening te verdedigen, maar niettegenstaande het keizerlijk vrijgeleide veroordeeld en evenals later zijn vriend, de edelman Hieronymus van Praag, op den brandstapel gebracht (1415). Vree-selijk was de woede der Bohemers tegen den Duitscher Sigismund, die zoo het keizerlijk woord, aan hun landsman gegeven, had geschonden. Onder Johan Ziska en de beide Procopiussen trokken de vertoornde boeren, met zeisen en dorschvlegels gewapend, moordend en roovend door de Duitsche landen en hernieuwden de herinnering aan den schrik voor de Magyaren. Het gelukte Sigismund eerst in 1433 aan deze Hussietenoorlogen een einde te maken door de Prager Compactaten, die aan de leeken het gebruik van den kelk bij het avondmaal toestonden. Eerst in 1436 werd hij algemeen als koning van.
HET HABSBURGSCHE HUIS.
Bohemen erkend, terwijl de Hongaren hem reeds vroeger tot hun koning hadden verkozen. Met het markgraafschap Brandenburg beleende hij den burggraaf F r e d e r i k van Hohenzollern (1417), den eerste van dat krachtige, in stilte werkzame geslacht, dat het keurvorstendom Brandenburg tot het koninkrijk Pruisen verhief, en zich in onzen tijd zelfs de Duitsche keizerskroon op het hoofd zon drukken.
§ 73. Sigismund liet geene zonen na; zijne eenige dochter was gehuwd met A 1 b r e c h t van Oosten-rijk (1437â1439), die niet alleen de keizerskroon erfelijk aan het Habsburgsche huis terugbracht, maar door dit huwelijk tevens de rijke Luxemburgsche erflanden met de zijne vereenigde. Gedurende zijne kortstondige regeering bevorderde hij de welvaart derquot;steden en herstelde liet geschokte keizerlijke aanzien in Duitschland.
Niet zoo handelde zijn neef Frederik III (1440â 1493). Sluw en geslepen en geene omwegen ontziende om zijn doel te bereiken, vernederde deze zich zelf tegenover onderdanen en vreemdelingen, om hebzuchtige bedoelingen te bevredigen of gevaren te ontkomen. De groote godsdienstige beweging van dien tijd, welke ook op de belangrijke kerkvergadering te Bazel (1431 â1449) hervorming der kerk en afschaffing der misbruiken verlangde, wist hij niet tot zijn voordeel te leiden, maar hij liet het werkeloos geschieden, dat paus Eugenius de vergadering overbracht naar Florence, waar deze geen verzet meer had te vreezen. Eindelijk sloot hij door bemiddeling van zijn vriend Aeneas
115
HET LUXEMBURGSCHE EN
Sylvius, den lateren paus Pius II, het beruchte Ascha/fen-burger concordaat (1448), waarbij hij den invloed der regeering op de Duitsche kerk geheel prijsgaf aan de Roomsche Curie.
Even lafhartig toonde de keizer zich tegenover hertog Karei den Stoute, voor wien hij, om zijne belofte hem tot Bourgondisch koning te kronen, niet te moeten nakomen, heimelijk uit Trier vluchtte. Gelukkig bevrijdde Kareis dood bij Nancy (1477) hem van dien geduchten tegenstander. Het huwelijk van zijn zoon Maximi liaan I (1493â1519) met Kareis dochter Maria bracht ook de rijke Bourgondische erflanden aan het Habsburgsche huis, dat door een derde huwelijk van Maximiliaans zoon Filips den Schoone met Johanna van Castilië naar de wereldheerschappij scheen te willen streven. Maximilaan, een ridderlijk, beminnelijk vorst, moedig oorlogsman, bevorderaar van kunsten en wetenschappen en zelf geen onverdienstelijk minnedichter, behoort reeds half tot de Nieuwe Geschiedenis. Hij besloot den langdurigen oorlog, waarin de Zwitsers zoo dapper hunne onafhankelijkheid hadden verdedigd (Morgarten 1315, Sempach 1386) door den vrede van Bazel (1499). In 1495 werden op den rijksdag te Worms drie belangrijke besluiten genomen om orde en recht in Duitschland te herstellen: le de afkondiging van een eeuwigen landsvrede ; 2e de instelling van een rijkskamer gericht om alle geschillen te beslechten en veeten te voorkomen; en 3e de verdeeling van Duitschland in tien kreitsen, om het bestuur en de handhaving
116
HET HABSBURGSCHE HUIS.
van het recht gemakkelijker te maken. In de laatste jaren van Maximiliaans regeering begint de groote kerkhervorming, die een nieuw tijdvak der Algemeene Geschiedenis opent.
FRANKRIJK EN DE HONDERDJARIGE OORLOG.
§ 74. Met de drie zonen van Filips IV, Lodewijk, Filips en Karei, was het huis Capet in de mannelijke lijn uitgestorven. De oudste zoon, Lodewijk X, had wel eene dochter nagelaten, Johanna van Champagne genaamd, maar zijn jongere broeder, Filips V, had zich beroepen op de dusgenaamde Salische wet, die vrouwen van de regeering uitsloot, en na zijns broeders dood zelf den troon beklommen. Toen nu ook hij en zijn jongere broeder Karei IV zonder zonen waren gestorven, was de naaste erfgenaam een prins uit het huis van Valois (1328â1589), die als Filips VI (1328â1350) aan de regeering kwam.
Zoo de Salische wet, gelijk door sommigen beweerd werd, in Frankrijk geene verbindende kracht had, ware de zoon van Johanna van Champagne, later koning van Navarre, de wettige erfgenaam geweest; er was evenwel nog een ander vorst, die met minder recht, maar met meer kracht van wapenen aanspraak kon maken, namelijk de Engelsche koning Eduard III, wiens moeder eene dochter van Filips den Schoone was. Met hulp der Vla-
117
118 KRANKRIJK Eï} DE HONDERDJARIGE OORLOG.
mingen tastte hij de Franschen aan in den zeeslag bij Sluis (1340) en opende daarmee den honderdjarigen suc-cessie-oorlog (1339â1453), die meer dan eene eeuw over het recht op de Fransche kroon en de vroegere Engelsche bezittingen in Frankrijk werd gevoerd, maar het verlies van al die bezittingen voor Engeland ten gevolge had. Vier tijdvakken kan men in den oorlog onderscheiden, waarin de zegepraal afwisselend aan eene der beide partijen te beurt viel.
§ 75. In het eerste tijdvak (1339â1360) volgde de overwinning de Engelsche wapenen, niettegenstaande de overmacht en de zware wapenrusting der Fransche ridders, die evenwel weinig beschutting gaf tegen het toen ingevoerde gebruik van het buskruit en het zelden missende schot der Engelsche boogschutters, die tot den vlijen middelstand behoorden. In den slag bij Crecy (1346) behaalde Eduard eene beslissende overwinning, die hij bekroonde door de verovering van Calais, dat metr dan twee eeuwen in de macht der Engelschen bleef. Tien jaar later vernietigde Eduards zoon, de zwarte prins, in den slag bij Maupertuis (1356) de bloem der Fransche ridderschap en nam zelfs koning Jan I den Goede (1350â1364), Filips' opvolger, gevangen. De koning werd naar Londen gevoerd en gedwongen tot den vrede van Bretigny (1360), waarin de Engelsche vorst afstand deed van zijne aanspraken op de Fransche kroon, maar daarentegen de meeste leenen, door zijne voorouders in Frankrijk bezeten, als eigen bezittingen terugkreeg, zoodat
FRANKRIJK EN DE HONDERDJARIGE OORLOG. 119
haast de helft van Frankrijk aan den Engelschen koning behoorde.
's Konings gevangenschap had voor Frankrijk de rampzaligste gevolgen. De ontslagen huurtroepen plunderden het land, hetwelk, gepaard met de onderdrukking door de edelen en de zware belastingen, een vreesdij ken opstand der boeren, de Jacquerie (naar Jacques Bonhomme, den spotnaam der boeren) ten gevolge had.
Ook de stad Parijs eischte meerdere rechten en privilegiën en bevrijding van de drukkende belastingen en begon onder den moedigen prévot (hoofd der gilden) Marcel den opstand tegen het koninklijk gezag. Op eene andere wijze verzwakte de koning zelf de kracht der regeering door zijn jongsten zoon, Filips den Stoute, met het hertogdom Bowgondië te beleenen (1363), waar eene dynastie van krachtige vorsten groote afbreuk zou doen aan de eenheid van liet rijk en de macht van den leenheer. Eerst met 's konings dood in Londen, waar hij na eene mislukte poging om een voldoend losgeld bijeen te krijgen, was teruggekeerd, verbeterde de toestand, toen zijn krachtige zoon Karei V de Wijze (1364â1380) aan de regeering kwam, die na de opstanden onderdrukt te hebben, aan de verwarring en regeeringloosheid een einde maakte. Daar toen ook in Engeland onder Richard II troontwisten begonnen, werd de oorlog, in dit tweede tijdvak (1360â1399) opnieuw uitgebarsten, met weinig kracht en ten nadeele van de Engelschen gevoerd, die hunne meeste bezittingen verloren. Alleen in Castilië, waar Hendrik van Trastamare
420 FRANKRIJK EN DE HONDERDJARIGE OORLOG.
een opstand tegen zijn broeder Pedro den Wreede was begonnen, en de eerste de hulp van Frankrijk, de tweede die van Engeland had verkregen, beoorloogden de zwarte prins en de beroemde Fransche ridder Bertrand du G u e s c 1 i n elkander, wedijverend in het verrichten van heldendaden.
§ 76. Met vernieuwde hevigheid woedde de oorlog in het derde tijdperk (1399â1429), sedert in het jaar 1399 het krachtige huis Lancaster in Engeland op den troon was gekomen. Vooral de tweede vorst uit dit huis, de begaafde Hendrik V, scheen na de schitterende overwinning bij Azincourt (1415) de kronen van beide rijken op zijn hoofd te zullen vereenigen. Ook ditmaal was de zegepraal der Engelschen niet het minst te dankeu aan de binnenlandsche verdeeldheid, die in Frankrijk heerschte.
Na den dood van Karei V was er een hevige twist over het regentschap uitgebarsten tusschen de ooms van den jongen koning Karei VI (1380â1422), onder wie Filips de Stoute van Bourgondië eene eerste plaats innam, terwijl ook de burgerij weer de wapens opvatte.
De neerlaag der Vlaamsche burgers onder Filips van Artevelde bij Roosbeke en 's konings meerderjarigheid herstelden de rust. Maar de strijd begon opnieuw, toen het weldra bleek, dat de koning ongeneeslijk krankzinnig was. Twee partijen, die van Filips van Bourgondië, de Bourguignons, en die van 's konings broeder Lode wijk van Orleans, de Armagnacs genaamd (naar den graaf van Armagnac,Orleans'schoonvader,)stonden tegenover elkander.
FRANKRIJK EN DE HONDERDJARIGE OORLOG. 121
Daarbij voegde zich de hevige vijandschap tusschen de koningin Isabeau en den kroonprins (sedert Dauphiné aan de Fransche kroon gekomen was, de dauphin genaamd). Jan zonder Vrees, de zoon van Filips den Stoute, liet den hertog van Orleans in de straten van Parijs vermoorden (1407), maar onderging later hetzelfde lot op de Yonnebrug, bij eene bijeenkomst met den dauphin
(1419). Dadelijk koos zijn zoon Filips de Goede (1419â1467) openlijk de zijde van Engeland, en sloot met de koningin en Hendrik V het verdrag van Troyes
(1420), waarin bepaald werd, dat Hendrik zou huwen met Katharina, de Fransche koningsdochter, en na den dood van den krankzinnigen koning, in plaats van den dauphin, aan de regeering zou komen. Werkelijk werd Hendriks minderjarige zoon alsquot; koning van Frankrijk gekroond (1422), geheel Noord-Frankrijk veroverd, eindelijk Orleans, het laatste toevluchtsoord van den dauphin, belegerd ; tot plotseling van een onverwachten kant hulp zou komen en de oorlog in het vierde tijdperk (1429â1453) een geheel anderen keer zou nemen.
Een landmeisje van Dom-Remy, Jeanne d'A r c, van overspannen verbeelding, maar vol geestdrift, meende in haar vizioenen door de Heilige Maagd te zijn opgeroepen om de redster van Frankrijk te zijn. Naar het leger gesneld, wist zij den koning en den troepen hare geestdrift mede te deelen en voerde hen, steeds met het heilig vaandel en in krijgsgewaad voorop, van overwinning tot overwinning. Orleans werd ontzet en de dauphin
FRANKRIJK EN DE HONDERDJARIGE OORLOG.
te Rheims tot koning gekroond. Maar de maagd van Orleans, in deti slag bij Compiègne gevangengenomen, en door de Bourgondiërs aan de Engelschen uitgeleverd, werd door dezen te Rouaan als heks verbrand. De overwinning bleef evenwel de Fransche wapenen vergezellen, vooral daar de Engelschen, eerst onder een minderjarigen koning, later door burgertwisten verdeeld, niet meer met de oude kracht streden en geen zwarte prins of Hendrik V meer aan hunne spits stond. Filips van Bourgondië sloot vrede met Frankrijk, en in 1453 viel Bordeaux, waarna de Engelsche bezittingen tot Calais beperkt bleven en de oorlog in werkelijkheid geëindigd was, hoewel er geen bepaalde vrede werd gesloten, en de Engelsche vorsten zich nog eeuwen daarna als koningen van Frankrijk en Engeland lieten kronen.
§ 77. Karei VII (1422â1461) gebruikte den vrede om zijn rijk van de verwoestingen te doen herstellen. Hij regelde rechtswezen en kerk en verving den leendienst door huurtroepen of staande legers, de zoogenaamde corps de yens d'arrnes el fruncs-archers. Zijn zoon, de listige Lode wijk XI (1461â1483), breidde de koninklijke macht nog meer uit, door zich met list of geweld, door huwelijken of erfenissen, van al de Fransche leenen meester te maken.
Zijn gevaarlijksten vijand vond Lodewijk in Karei den Stoute van Bourgondië (1467â 1477), die nog bij zijns vaders leven als Karei van Charollais aan het hoofd vaa een verbond der Fransche edelen, de ligue du bien
122
FRANKRIJK EN DE HONDERDJARIGE OORLOG. 123
public, den koning bij Montlhéry slag had geleverd (1465). Op het toppunt van zijne macht, bijna in het bezit van de koningskroon, wikkelden de knevelarijen van zijn landvoogd, Peter van Hagenbach, in den Elzas, hem in een oorlog met de vrije Zwitsers, die hem bij Granson en Murten versloegen, tot hij eindelijk in den slag bij Nancy tegen hertog Rene van Lotharingen sneuvelde, eene welkome gelegenheid voor Lodewijk om zich zoo spoedig mogelijk van Kareis bezittingen meester te maken, maar tevens de kiem van nieuwe oorlogen met het Oostenrijksche huis. Gewetenswroeging over zijne misdaden maakte Lodewijk in zijne latere jaren tot een menschenhater, die zich in zijn slot Plessis-les-Tours van de wereld afzonderde.
De gedenkschriften van C o m i n e s, eerst de vertrouwde, later de vijand van Karei den Stoute, werpen een schel licht over de trouwelooze politiek der toenmalige vorsten. Door het huwelijk van Lodewijks zoon Karei VIII met Anna van Bretagne kwam het laatste leen aan de Fransche kroon en werd in Frankrijk de leenstaat geheel door de absolute monarchie vervangen.
ENGELAND EN DE OORLOG DER BEIDE ROZEN.
§ 78. De honderdjarige oorlog, hoe roemrijk ook begonnen, had Engeland nagenoeg al zijne bezittingen gekost,
124 ENGELAND EN DE OORLOG DER BEIDE ROZEN.
doch juist het verlies van die bezittingen is waarschijnlijk voor Engeland van het grootste voordeel geweest. Voor dien tijd waren zijne koningen, uit het huis van Normandië of van Plantagenet. Franschen, die aan hun hof slechts de Fransche taal en zeden duldden en uit Rouaan ofeene andere Fransche stad hun eilandenrijk beheerschten. Nu werden zij gedwongen hunne residentie in Engeland te vestigen, zich met Engelschen te omgeven en de Engelsche nationaliteit werd niettegenstaande het aantal woorden van Franschen oorsprong, dat in de taal overbleef, van eene Fransche overheersching gered. Ook de Engelsche vrije burgerstand, die zulk een groot aandeel in de aanvankelijke overwinning gehad heeft, had zich versterkt en een onafhankelijken geest aangenomen, die zich niet alleen in den opstand van Wat Tyler (1382), eene soort van boerenopstand onder Richard II openbaarde, maar ook op godsdienstig gebied zijn vertegenwoordiger vond in den Oxfordschen professor Wycliffe, die verscheidene leerstellingen der Roomsche kerk bestreed, den bijbel in het Engelsch vertaalde en een der eerste voorloopers van de kerkhervorming is geweest.
De zwarte prins was voor zijn vader, Eduard III (1327â1377), onder wien Wycliffe het eerst zijne stellingen verkondigde, gestorven ; waarom deze opgevolgd werd door zijn kleinzoon Richard II (1377â1399), een onbeduidend, tyranniek vorst, tegen wien een opstand uitbarstte onder zijn neef, Hendrik van Lancaster, wiens vader de derde zoon van Eduard III was. De koning werd door
ENGELAND EN DE OORLOG DER BEIDE ROZEN. 125
het parlement afgezet en stierf later in de gevangenis den hongerdood.
§ 79. De eerste twee koningen van liet aldus op den troon gekomen huis van Lancaster (1399â1461), Hendrik IV (1399â1413) en Hendrik V (1413 â1422), waren krachtige vorsten, die gelukkig oorlog voerden tegen de Franschen, vooral onder den laatste, daar de eerste te veel in zijn eigen land te strijden had met hei'-haalde opstanden van de aanhangers van Richard II of andere pretendenten, die niet zonder eene zekere wreedheid ten onder werden gebracht. Dezelfde hardvochtigheid toonden beide koningen in de vervolging der Lollarden, de aanhangers van Wycliffe, om de geestelijkheid gunstig voor zich te stemmen. Hendrik V, eerst losbandig zoon, later uitstekend koning, bracht het huis Lancaster tot het toppunt van macht, vanwaar het des te sneller afgleed onder het zwakke bestuur van zijn zoon Hendrik VI, die de kronen van Engeland en Frankrijk op zijn hoofd had vereenigd.]
Was Hendrik VI (1422â1461) gedurende zijne minderjarigheid onder de leiding geweest van zijne ooms, de hertogen van Bedford en Gloucester, wier onderlinge twisten niet ten voordeele van Engeland strekten; zijn geheele leven lang scheen hij evenzeer het toezicht en de leiding van anderen noodig te hebben. Zijne gemalin, Margaretha van Anjou, en haar gunsteling, de hertog van Suffolk, misbruikten de zwakheid van den koning om hunne aanhangers met eerbewijzen te over-
126 ENGELAND EN DE OORLOG DER BEIDE ROZEN.
stelpen, maar de andere edelen door achteruitzetting en vernederingen te beleedigen. Geen wonder, dat groote ontevredenheid onder de burgerij en de achteruitgezette edelen ontstond, nog vermeerderd door den wrevel over het schandelijk verlies van al de bezittingen in Frankrijk (1453), tot eindelijk het hoofd van de tegenpartij, Rich ard van York, ondankbaar behandeld na een gelukkigen tocht tegen de Ieren, openlijk den opstand begon en zelfs aanspraak maakte op den Engelschen troon, daar hij van moederszijde afstamde van den tweeden zoon van Eduard III. Zoo begon de bloedige burgeroorlog tusschen de huizen Lancaster en York, die bekend staat als de oorlog van de roode roos en de witte roos, de herkenningsteek enen der beide partijen
§ 80. In den beginne werd de oorlog met afwisselende kans gevoerd, vooral door toedoen van den rijken graaf van Warwick, den koningmaker genaamd, die nu de eene, dan de andere partij koos en wiens zwaard den koning de kroon gaf of ontnam. In den slag bij Wakefield sneuvelde Richard van York, wiens hoofd de koningin op de tinnen van York deed plaatsen, maar zijne zonen, van welke de oudste zich in 1461 tot koning liet kronen, zetten den strijd voort en versloegen hunne tegenstanders beslissend bij Tewkshury (1471), waar de prins van Wales in hunne handen viel en wreedaardig werd vermoord. Toch was ook de regeering van het nieuwe huis van York (1461 â1485) slechts van korten duur. De oudste zoon, Eduard IV (1461â1483), anders een niet onbe-
ENGELAND EN DE OORLOG DER BEIDE ROZEN. 1'27
gaafd vorst, de bondgenoot van Karei den Stoute tegen Lodewijk XI, werd er door de intriges van zijn jongsten broeder Richard van Gloucester toe gebracht om zijn tweeden broeder, den hertog van Clarence, te laten ombrengen, en toen na zijn dood Richard tot protector over Eduards beide zonen, E d u a r d V en Richard, benoemd was, wist deze den laatsten hinderpaal door hunne vermoording in den Tower uit den weg te ruimen, waarop het pad tot den troon voor hem openstond.
Richard III (1483â1485), het wanstaltig monster, dat in zijn haat tegen het menschelijk geslacht den eenen gruwel op den anderen stapelde, bracht door zijne onderdrukking en wreedheid geheel Engeland tegen zich in opstand. De jonge Hendrik van Richmond, die van moederszijde van het huis Lancaster afstamde en later door zijn huwelijk met Elisabeth van York, de dochter van Eduard IV, de aanspraken der beide huizen op zich vereenigde, versloeg en doodde Richard in den slag hij Bosworth (1485), die het tijdvak der Middeleeuwen in Engeland besluit. Niet alleen besteeg een nieuw huis, dat van Tudor, den troon, welks lotgevallen tot een volgend tijdperk behooren, maar de burgeroorlog, waarin niet zoozeer het geheele volk als wel de adellijke geslachten waren betrokken geweest, had den adelstand zoozeer verzwakt, dat het nieuwe Engeland, waarin de koning tegenover de burgers staat, eene scherpe tegenstelling met het half Fransche leenrijk der Middeleeuwen vormt.
128
HET NOORDEN EN HET OOSTEN VAN EUROPA.
§ 81. Skandinavië. Dat bij de treklustige Noormannen, niettegenstaande de invoering van het Christendom, de zucht naar krijgsavonturen nog niet verdwenen was, bewees hunne ijverige deelneming aan de kruistochten. Onder de verdienstelijke kruisvaarders wordt ook koning Sigurd van Noorwegen genoemd, en wij weten, hoeveel de nakomelingen der Noormannen, in Engeland, Normandië en Beneden-Italië, tot het welslagen van den eersten kruistocht hebben bijgedragen.
Met hunne eigenlijke rooftochten was het evenwel gedaan, en de bezittingen der trotsche jarls losten zich allengs op in de groote, geregelde Christenrijken : Zweden, Noorwegen en Denemarken. De laatste staat bereikte een hoogen bloei onder koning Waldemar II (1202â1241), die zich koning van de Denen en Slaven en heer van Noord-Elbingië noemde. Eindelijk vereenigde zelfs koningin Margaretha door erfenis, huwelijk en verovering de kronen van alle drie de Noorsche rijken op haar hoofd, welke vereeniging zij duurzaam trachtte te maken door de Unie van Calmar (1397), die de drie rijken tot een enkel moest samensmelten. Terwijl Denemarken en Noorwegen, wier bevolking in taal en afkomst nauw verwant is, de Unie in stand hielden, onttrok Zweden er zich herhaaldelijk aan, en moest koning Johan II (1481â1521) door het Reces of de nadere Unie van Calmar de vereeniging
HET NOORDEN EN HET OOSTEN VAN EUROPA.
opnieuw bevestigen. Toch bleef Zweden onder zijne rijksbestuurders, Sten Sture den oudere en den jongere, steeds eene haast onafhankelijke stelling innemen, tot in het begin der Nieuwe Geschiedenis door de gewelddadige regeering van Christiaan II de band voorgoed verbroken werd.
§ 82. Rusland, De grootvorsten van Nowgorod hadden later hun zetel naar Kiew en eindelijk naar Moskou overgebracht. Hun rijk was een half Aziatische staat, die met het overige Europa slechts zelden in aanraking kwam. Het nauwst waren de betrekkingen tot het Byzantijnsche rijk, soms vijandig, als toen in 865 eene Russische vloot zelfs Constantinopel belegerde, maar later meer vriendschappelijk, vooral na het huwelijk van grootvorst W 1 a-dimir den Groote (it 1000) met de Byzantijnsche prinses Anna, door wier invloed deze toen het Christendom omhelsde en met zijne onderdanen tot de Grieksche kerk (in plaats van tot de Roomsche) overging. Ook het schrift, dat door de monniken Methodius en Cyrillus voor de Slavische volken was aangenomen en meer verwantschap met het Grieksche dan met het Latijnsche heeft, werd met eenige wijziging voor de Russische taal ingevoerd.
Zijne ligging aan de grens van Azië stelde het groot-vorstendom het eerst bloot aan de invallen der Mongolen onder Temoedsjin. Batoe, de zoon van den dsjengish-khan, veroverde het geheele rijk onder stroomen bloeds, liet de geheele grootvorstelijke familie uit-a. o. n. 9
129
130 HET NOORDEN EN HET OOSTEN VAN EUROPA.
moorden en stichtte het khanaat der Gouden Horde van Kaptsjak, waaraan de Russen twee eeuwen cijnsplichtig bleven, tot het eindelijk grootvorst Ivvan Wasilje-w i t s c h van Moskau (1462 â1505) gelukte hen van die onderdrukking te bevrijden.
§ 83. Een belangrijker rol dan Rusland speelt in de Middeleeuwen Polen, eveneens een Slavische staat, die zich een tijdlang van de Oostzee tot de Zwarte zee uitstrekte. Onder het stamhuis der Piasten (tot 1370) werd hier een onafhankelijk hertogdom gevestigd, dat nog voor Rusland onder hertog Miecislaw (96(3) tot het Christendom, maar nu tot de Roomsche kerk overging. De krachtige Wladislaw Loktiek (1320) liet zich tot koning kronen en onder zijn opvolger Casimir den Groote, te gelijk wetgever en veroveraar, breidde het land zicli ver naar 't westen en oosten uit. Diens neef L o d e w ij k de Groote (1370â1382) van Anjou vereenigde zelfs de kronen van Polen eu Hongarije.
Een belangrijken aanwas kreeg het land, toen Lode wij ks dochter H e d w i g huwde met hertog J a g e 11 o van L i 11 h a u e n, die tot het Christendom overging en Litthauen met Polen vereenigde. Onder de koningen uit dit huis, de Jagellonen (1386â1572), bereikte Polen zij ne grootste macht. Gelukkig bestreed Jagello zijne vijandelijke naburen, vooral de Duitsche ridderorde, die na de onderwerping der heidensche Pruisen de Oostzeekust be-heerschte. In den slag bij Tannenberg (1410) leden de riddei's eene geduchte nederlaag en in 1466 waren zij
HET NOORDEN EN HET OOSTEN VAN EUROPA. 131
gedwongen bij den vrede van Thorn West-Pruisen aan Polen af te staan en voor het overige gedeelte den koning van Polen als hun leenheer te erkennen.
§ 84. In Hongarije waren na de nederlaag op het Lechveld de strooptochten der Mongoolsche Magyaren geëindigd, die evenals in andere landen na de invoering van het Christendom onder hertog Geisa en Stepha-nus den Heilige (± 1000), Hongarije's eersten koning, een geregelden staatsvorm aannamen. In de kruistochten had het land eerst veel te lijden van de doortrekkende kruisvaarders. Later namen zijne koningen, als Andreas II (1205â1235), er een ijverig aandeel aan. Dezelfde vorst schonk aan zijn volk het gouden privilege, waarin de macht van den koning zeer beperkt en die van adel en geestelijkheid uitgebreid werd, zoodat Hongarije allengs geheel tot een kiesrijk overging. Zoo werd na het uitsterven van het huis der Arpaden (1301) de kroon onder anderen opgedragen aan L o d e w ij k van Anjou (1342â1382), en later aan de Duitsclie keizers Sigismund en Albrecht II. Na den dood van Sigismunds schoonzoon Wladislaw, in den slag bij Varna (1444), kozen de Hongaren niet Frederik III, maar hun landgenoot, Johannes H u n y a d, tot rijksbestuurder en later diens zoon Matthias Corvinus tot koning (1458), deu stichter der beroemde Corviniaansche bibliotheek. Beiden toonden zich dappere oorlogshelden in den strijd tegen de Turken, maar konden toch niet verhinderen, dat dezen steeds verder voorwaarts drongen en eindelijk, toen de
132 HET NOORDEN EN HET OOSTEN VAN EUROPA.
laatste koning Lodewijk den dood vond op het slagveld bij Mohacz (1526), het geheele land met hunne horden overstroomden.
SPANJE EN ITALIÃ.
§ 85. Op het schiereiland der Pyreneeën was na de kruistochten het gevaar voor eene Mohammedaansche overheersching voorgoed geweken. Alleen in het bekoorlijke Granada bleven de Moorsche koningen tot het einde der Middeleeuwen een kwijnend bestaan voortsleepen. In dien eeuwenlangen strijd had het Spaansche volk die eigenaardige karaktertrekken aangenomen, die het onder de Europeesche natiën onderscheiden; strijdlust en zucht naar avonturen, alleen den edelman waardig, â den hidalgo (letterlijk: zoon van iemand), die landbouw en handwerken ver beneden zich beschouwt, â en dien ij ver voor zijn geloof, met zijn bloed verdedigd, welke dikwijls tot godsdienstige dweepzucht en bijgeloof overslaat. Cas-tilië bleef steeds het voornaamste rijk, dat aan Spanje zijne taal schonk, eenigszins gewijzigd in Andalusië en Catalonië, door vermenging met woorden van Arabische en Provencaalsche afkomst. Zijn geleerde koning A1 fo n s X de Wijze (1252â1284) kan om zijne Castiliaansche Geschiedenis en zijn beroemd wetboek, als de grondlegger van het Spaansche proza beschouwd worden. Bovendien
SPANJE EN ITALIÃ.
ijverig beoefenaar der sterrenkunde, muziek en dichtkunst, eerzuchtig genoeg om zelfs den Duitschen keizerstitel aan te nemen, was de gekroonde wijze toch niet in staat tegenover zijne trotsche edelen het vorstelijk gezag te handhaven.
Meer en meer werd de koninklijke macht ingekrompen en die der Cortes uitgebreid. Onder den tyran Pedro den W r e e d e (1350â1369) was de kracht van het volk reeds groot genoeg om dezen van den troon te stooten en zijn halfbroeder Hendrik van Trasta-m a r e er op te verheffen.
Nog grooter was de vrijheid der steden en edelen in Aragon, dat bijna republikeinsche instellingen had, niettegenstaande de koningen een uitgestrekt gebied en zelfs een tijdlang Napels en Sicilië beheerschten. Door het huwelijk van Ferdinand den Katholieke van Aragon (1479â1516) met Isabella van Casti-1 i ë (1474â1504) werden beide landen voorgoed ver-eenigd en toen de dappere Gonsalvo de Cordova eindelijk de laatste wijkplaats der Mooren, Granada, in 1492 innam, was het nieuwe koninkrijk Spanje geboren. Volgens hare belofte vertrouwde Isabella na den val van Granada aan den Genuees Columbus eindelijk de drie schepen toe, waarmede hij de Nieuwe Wereld nog in hetzelfde jaar ontdekte. De weg der ontdekkingen was reeds te voren ingeslagen door Portugal, sedert prins Hendrik de Zeevaarder met zijne broeders de Mooren in Afrika had aangevallen en hun het sterke
133
SPANJE EN ITALIÃ.
Ceula had ontrukt, tot men, steeds verder de Afrikaansche kust volgende, eindelijk den zeeweg naar het rijke Oost-Indië vond.
§ 86. Italië bleef ook in dit tijdvak verdeeld en blootgesteld aan de veroveringszucht van buitenlandsche vijanden. De stedelijke vrijheid, zoo krachtig tegen Frederik Barbarossa verdedigd, ging verloren, toen in de onderlinge veeten der partijen overweldigers, evenals vroeger Griekenland de tyrannen, zich van de heerschappij meester maakten en niettegenstaande hunne bescherming van kunst en wetenschap, de vrijheid uitroeiden en door hun voorbeeld het verval der zeden schromelijk in de hand werkten. Voortdurend met elkander in oorlog, bedienden zij zich van benden huurtroepen, die onder hunne stoutmoedige aanvoerders, condottieri genaamd, zich nu aan den een, dan aan den ander verhuurden en, daar zij van den krijg hun bedrijf maakten, het eerst ook de krijgskunde weer tot eene wetenschap verhieven. Het was zulk een condottiere, Frans Sforza (1450), die in Milaan het geslacht der Visconti verdrong, en de hertogelijke waardigheid in zijn huis overbracht. In Florence verhief zich na de bloedige twisten tusschen Ghibellijnen en Guelfen het kunstlievend huis der Medici, dat onder zijne eerste hoofden Cosmo (1428â1464) en diens kleinzoon Lorenzo (1472 â 1492) Florence een hoogen bloei schonk. Ofschoon herhaaldelijk verdreven, gelijk in 1498, toen de monnik Savonarola, die kerk en staat wilde hervormen, eene revolutie had bewerkt, werd het
134
SPANJE EN ITALIÃ.
irn diens dood op den brandstapel in het gezag hersteld en verwierf in 1530 zelfs Alessandro de' Medici den titel van hertog van Toskane.
Rome was gedurende het verblijf der pausen te Avignon ten prooi geweest aan woedende burgertwisten, in welke meer dan in de volksverhuizing de gedenkteekenen van zijne oude grootheid hebben geleden. Elk huis was een kasteel, en de adellijke geslachten, vooral de Colonna's enOrsini'sleverden elkanderopenlijkgevechten in de straten.
Een man uit het volk. Cola Rienzi, de vriend van Petrarca, wist in die benarde tijden het vertrouwen van het volk te winnen, maakte een einde aan de twisten der edelen en nam den titel aan van volkstribuun der republiek Rome. Toch had overmoed en te groote heersch-zucht later zijn ondergang en dood ten gevolge (1354) en met het einde van het schisma werd de pauselijke heerschappij in Rome hersteld.
Napels eindelijk bleef nog na het verlies van Sicilië door de Siciliaansche vesper anderhalve eeuw aan het huis van Anjou, dat zich evenals de overige Italiaansche vorstenhuizen met verwantenmoord en hofschandalen bevlekte. Vooral maakten zich berucht de beide vorstinnen Johanna I en II, waarvan de eerste medeplichtig genoemd wordt aan den moord op haren gemaal Andreas van Hongarije en de andere de kroon eindelijk naliet aan haren aangenomen zoon Alfons van A r a g o n (1435), die het rijk dus weer met Sicilië vereenigde. Daar Johanna evenwel later Lodewijk van
135
SPANJE EN ITALIÃ.
Anjou tot zoon aangenomen had, ontstond er een successie-oorlog, die het land later tot een twistappel maakte voor half Europa. Van meer belang dan die staatkundige verwikkelingen en intriges is voor Italië die groote beweging in kunst en wetenschap, welke hare geboorte te danken had aan het verkeer met het naburige Byzantijn-sche rijk.
DE ONDERGANG VAN HET OOSTROMEINSCHE RIJK.
§ 87. Aan het Byzantijnsche rijk, dat nog zoolang in weerwil van alle wederwaardigheden op zijne goed geregelde administratie en natuurlijke hulpbronnen gedreven had, was door den Latijnschen kruistocht en de invoering van het leenstelsel een schok toegebracht, die het geheel had ontwricht. Niet van het zelf instortende kalifaat dreigde het gevaar, maar van een nieuwen Mohamme-daanschen stam, de Turken, die kort na de kruistochten, in 1299, op het tooneel verschenen. In dit jaar veroverden zij onder hun sultan Osman, naar wien zij ook Osmanen genoemd worden, de stad Brussa of Bursa, die hunne hoofdstad werd, waarop zij zich allengs over geheel Klein-Azië uitbreidden. In 1357 staken zij den Hellespont over en vestigden zich onder hun sultan Moerad I voorgoed aan de Europeesche zijde dezer straat. Constantinopel bleef nog onder zijne keizers uit het huis der Palaeologen
136
DE ONDERGANG VAN HET OOSTROMEINSCHE RIJK. 137
onneembaar, maar de geheele omtrek viel in hunne macht, en Adrianopel werd hun hoofdkwartier in Europa.
Eene korte verademing werd aan het Byzantijnsche rijk geschonken door eene tweede volksverhuizing der geduchte Mongolen. Nadat deze onder de zonen van den dsjengish-khan verdeeld waren geraakt, waren zij spoedig in hunne oude machteloosheid teruggezonken. Op het laatst der 14de eeuw stond evenwel een nieuwe heerscher en veroveraar onder hen op, Timur Lenk (dat is: de Lamme) of Tamerlan genaamd. Met zijne ontelbare horden drong hij opnieuw naar het Westen voort en doortrok roovend en plunderend Voor-Indië, waar later het rijk van den Grooten Mogol te Delhi werd gesticht, en geheel Voor-Azië. De sultan der Turken Bajazet trok tegen hem op, maar werd bij Angora (1402) volkomen verslagen en zelf gevangengenomen. Na den dood van Tamerlan spatte evenwel het Mongoolsche rijk, na een kort-stondigen bloei, weer uit elkander en de Turken kregen de gelegenheid hunne geschokte krachten te herstellen.
§ 88. Het begon er in Constantinopel in de 15de eeuw benard uit te zien. Het geheele Balkan-schiereiland viel allengs in de macht der Turken, hoe dapper zich enkele stammen in het gebergte mochten verdedigen. Eene eervolle plaats namen onder dezen de Albaneezen in, die onder hun aanvoerder George Castriota, door de Turken S k a n-d e r b e g (-j- [1466) genoemd, nog geruimen tijd den onafhankelijkheidsstrijd volhielden.
Eindelijk besloten de laatste keizers de hulp in te roe-
138 DE ONDERGANG VAN HET OOSTROMEINSCHE RIJK.
pen van den paus, hoewel men wist, dat de opoffering van de Grieksche kerk voor de Roomsche de eerste eisch zou zijn. De paus was tot die hulp niet ongenegen, maar de Westei'sche vorsten, te veel met eigen belangen bezig, dachten er niet aan of waren niet in de gelegenheid aan zijne roepstem gevolg te geven. Alleen de jonge koning W 1 a d i s 1 a w van H o n g a r ij e trok met een leger over de grenzen, doch werd door de Turken bij Varna (-144.4) beslissend verslagen en vond zelf den dood op het slagveld. Hoe dapper zijn opvolger Hunyad de Hon-gaarsche grenzen ook mocht verdedigen, aan Constantinopel kon hij geene redding brengen. Van alle kanten werd de stad bestormd, vergeefsch was de heldenmoed van den laat-sten keizer Constantijn, die op eene waardige wijze wist te sterven: in het jaar 1453 werd de stad door sultan Mohammed II ingenomen, een bloedbad en plundering volgden de bestorming, de Christenkerken werden Mohammedaansche moskeeën en het schoone Grieksche Constantinopel het Turksche Stamboel, vanwaar de halve maan opnieuw de schrik werd van Europa.
De inneming van Constantinopel vormt met de ontdekking van Amerika en de Hervorming het drietal gebeurtenissen, dat de Nieuwe Geschiedenis opent.
Niet alleen sluit de val van het Oostromeinsche rijk de Middeleeuwen, evenals die van het Westromeinsche rijk de Oude Geschiedenis; niet alleen dagteekent van dien tijd de Oostersche quaestie, maar de Grieksche beschaving, trots alles hier met zorg aangekweekt, moest zich eene toe-
UE ONDERGANG VAN HET OOSTROMEINSCHE RIJK. '139
vlucht zoeken in het nog half barbaarsche West-Europa, en overgeplant op Italiaanschen bodem, wijdt zij een nieuw tijdvak in van hooger geestesleven in kunst en wetenschap, namelijk het Humanisme en de Renaissance.
HUMANISME EN' RENAISSANCE.
§ 89. In de Middeleeuwen had zich eene eigenaardige Germaansch-Christelijlie kunst ontwikkeld, die in de 14de en i5de eeuw begon te ontaarden en in verval geraakte. De sierlijke Gothische boiavorde, die in kerk en ridderkasteel zulke edele scheppingen had voortgebracht, begon hare kracht te zoeken in bontheid en overlading; de dichtkunst bezong in plaats van de stoute daden van Karei en zijne helden, de dwaze wonderbaarlijke avonturen der dolende ridders, en de wetenschap, die voornamelijk den godsdienst tot onderwerp van studie koos, ontaardde in de meest bekrompen momiken-scholastiek, die geheele folianten vulde met haarkloverijen over dogmatische spitsvondigheden, in slecht Latijn geschreven.
Tegen die onnatuurlijke richting in kunst en wetenschap ontstond op het einde der Middeleeuwen eene krachtige reactie, die haar uitgangspunt vond in Italië, waar, niettegenstaande de staatkundige verdeeldheid, de beschaving hooger stond dan in het overige Europa, en kunst en wetenschap bloeiden, begunstigd door de met elkander
HUMANISME EN RENAISSANCE.
wedijverende vorstenhoven. Drie groote mannen zijn de â voorloopers dier beweging geweest en hebben haar door hun genie het overwicht in hun vaderland verschaft. De eerste is de Florentijnsche dichter Dante Alighieri (1263â1321), die te midden van zijne deelneming aan de staatkundige twisten, welke hij met de verbanning uil zijne vaderstad moest bekoopen, zich tevens met de diepzinnigste vraagstukken der wijsbegeerte bezighield. Terwijl hij aan de eene zijde nog geheel aan den leiband loopt der scholastiek, kiest hij zich te gelijk den dichter Virgilius tot leidsman op zijn beroemden tocht door de Hel, welks beschrijving het eerste gedeelte van zijn hoofdwerk (la divina Commedia) uitmaakt. In plaats van het Latijn koos hij tot schrijftaal het Toskaansche dialect, dat hij daardoor tot de Italiaansche volkstaal verhief. De tweede van het drietal is Petra r ca (1304â1374), de vriend van Rienzi, die aan het pauselijk hof te Avignon leefde, en behalve zijne beroemde Italiaansche sonnetten aan Laura, ook in het Latijn verscheidene werken schreef, die zijn ijver bewijzen voor de studie der Romeinsche oudheid; de derde eindelijk is Boccaccio (1313â1375), de schrijver van het beroemde prozawerk, de Decamerone, eene reeks vertellingen, die uitstekend de toenmalige toestanden doen kennen, de zorgvuldige commentator van Dante, en te gelijk een geestdriftvol bewonderaar der oudheid.
§ 90. De vernieuwde studie der Latijnsche en Griek-sche classieken ontving een krachtigen stoot door de
140
HUMANISME EN RENAISSANCE.
Byzantijnsche geleerden, die steeds talrijker naar Italië overkwamen. Gedeeltelijk werkte daartoe mee het steeds levendiger verkeer van de Italiaansche steden met het Byzantijnsche rijk in en na de kruistochten, maar vooral de vrees voor de Turken, die de eene stad na de andere veroverden, en alles, wat naar beschaving geleek, onder de hoeven hunner paarden vertrapten, tot de val van Constantinopel ook de laatste achtergeblevenen, met hunne schatten van oude handschriften, de wijk naar Italië deed nemen. Deze Grieksche geleerden, welke weldra aan de beroemde hoogescholen, zooals die te Bologna, geplaatst werden, of anders zelf leercursussen openden, verzamelden eene schaar van gretige hoorders om zich, die zich met ongewonen ijver op de Latijnsche en Grieksche clas-sieken toelegden en, overtuigd van de meerdere voortreffelijkheid van dezen boven hetgeen de scholastiek opleverde, niet rustten, vóór zij dien ijver en die geestdrift aan anderen hadden meegedeeld. Een krachtig hulpmiddel vonden zij in de kort te voren uitgevonden boekdrukkunst, die reeds in de 15de eeuw haar weg vond naar Italië. In het bijzonder komt aan den Venetiaan Aldus Manutius (1449 te Rome geboren) de eer toe, eene reeks van Latijnsche en Grieksche classieken door den druk onder het bereik van het algemeen gebracht te hebben.
Het is niet te verwonderen, dat de terugkeer tot de oudheid, welke zich soms op eene kleingeestige wijze in het verlatijnschen en vergriekschen der eigennamen open-
141
HUMANISME EN RENAISSANCE.
baarde, zich niet alleen tot den uitwendigen vorm bepaalde, waarin het monnikenlatijn vervangen werd door de classieke taal van Cicero of het Grieksch uit den tijd van Pericles; maar dat hij ook, sinds in de plaats van de kerkvaders Plato en Aristoteles waren getreden, op de godsdienstige en wijsgeerige denkbeelden van dien tijd een belangrijken invloed moest oefenen. In plaats van het zuiver Christelijke en kerkelijke treedt meer het algemeen menschelijke op den voorgrond, waarom deze beweging op wetenschappelijk en philosophisch gebied den naam van het Humanisme heeft verkregen. Al waren er ook onder deze Humanisten trouwe zonen der kerk en zelfs enkele pausen, aan den anderen kant tastten velen de leerstellingen der kerk aan en keerden sommigen zelfs tot heidensche begrippen terug. Zoo bewees Lorenzo Valla (1407 â 1457) de onechtheid der schenkingsakte van Constantijn den Groote, volgens welke deze Italië, ja het geheele avondland aan den paus zou geschonken hebben, en loochende de Mantuaan Pomponazzo (1462â 1525) de mogelijkheid der wonderen en de onsterfelijkheid der ziel.
§ 91. Evenals in de wetenschap openbaart zich dezelfde herleving of wedergeboorte der oudheid, daarom de Renaissance genoemd, in de Italiaansche kunst. Ook hier keert men van den toenmaals overladen en opgesmukten Gothi-schen of Byzantijnschen stijl terug tot de eenvoudige, edele lijnen van de classieke oudheid. In de beeldhouwkunst verlaat men de stijve heiligenbeelden der Middel-
142
HUMANISME EN RENAISSANCE.
eeuwsche kerk om de kunstwerken van een Phidias en Praxiteles na te streven. De meening, dat zelfs het vnen-schelijk lichaam in die oude tijden schooner gevormd was dan later, werd nog versterkt, toen in 1485 aan de via Appia het lijk van een Rorneinsch meisje werd opgegraven, dat geheel en al gaaf bewaard was gebleven, en volgens ooggetuigen, in lichaamsschoonheid al wat mea kende, overtrof. Ofschoon het lijk eenige dagen daarna op last van paus Innocentius VIII, die van al het hei-densche een afkeer had, weer begraven werd, verwekte deze vondst opnieuw eene algemeene geestdrift voor de oudheid onder de beoefenaars der kunst en zag men in de veredelde voorstelling van het menschelijk lichaam het meest verheven kunstdoel.
Te gelijk met de beeldhouwkunst kwam weer de schilderkunst tot bloei, vooral sedert de uitvinding van de olieverf door de gebroeders Van Eyck in Vlaanderen. De kunstliefde der pausen en der wereldlijke vorsten verschafte den kunstenaars de middelen om vorm te geven aan hunne idealen. In Rome begon onder Julius II (1503â1513) en Leo X (1513â1521) de bouw van de St.-Pieterskerk, waarvoor de hulp van kunstenaars als Bramante (de koepel van de St.-Pieterskerk), Rafael Sanzio van Urbino (de loggiën en stanzen in het Vaticaan, de Sixtijnsche Madonna, enz.) Michel Angelo Buonarotti (Mozes, de Sixtijnsche kapel), werd ingeroepen, van welke de laatste te gelijk bouwmeester, beeldhouwer, schilder en dichter was. In Florence was Lorenzo de' Medici
143
HUMANISME EN RENAISSANCE.
(1469â1492), zelf beroemd sonnetten-dichter, de maecenas der kunst, de stichter der beroemde academie, waaraan Michelangelo zijne opleiding genoot. Onder de andere Italiaansche kunstbeschermers nemen eene eervolle plaats in Federigo van Urbino, Alfons I van Ferrara en zijne gemalin, de veelbelasterde Lucrezia Borgia, de Gonzaga's in Mantua en zooveel anderen, niet te vergeten de Venetiaansche republiek met hare schoone gebouwen uit den Renaissance-tijd en de beroemde gedenkteekenen en grafmonumenten van hare doges.
Evenals de beeldende kunsten genoot ook de dichtkunst bescherming, hoewel zij zich te dikwijls tot kruipende vleierij jegens de niet zelden zeer weinig achtenswaardige vorsten verlaagde. De grootste der toenmalige dichters is Ariosto (1474â1533), die aan het hof der Este's te Ferrara zijn Razende Roland (Orlando furioso) dichtte.
§ 92. De kunstscheppingen der Renaissanse bleven niet tot Italië beperkt. Ook in andere Europeesche landen drong zij door, eenigszins gewijzigd naar de behoeften van volkskarakter en klimaat. Evenwel valt haar bloeitijd daar eerst na het einde der Middeleeuwen, in Frankrijk onder Frans I en Hendrik II, van wie de eerste Italiaansche kunstenaars, zooals den metaalbewerker Ben-venuto Cellini naar zijn hof riep; in Engeland onder Hendrik VIII en Elisabeth ; in Holland in de 16de eeuw en in Duitschland onder Maximiliaan en Karei V.
De Renaissance, die in West-Europa reeds tot de Nieuwe Geschiedenis behoort, werd daar voorafgegaan door het
144
HUMANISME EN RENAISSANCE.
Humanisme, dat de Middeleeuwen besluit, en daar dubbel belangrijk is als een der voorloopers van de groote kerkhervorming. Nog in de eerste helft der ISde eeuw noemde Aeneas Sylvius de Duitschers barbaren, op wie alle pogingen om hen te beschaven moesten afstuiten. Nog geen halve eeuw later, in 1482, verbaasde een jong Duitscher, Johannes Reuchlin, in de volle gehoorzaal te Rome den Griekschen geleerde Argyropulos door zijne kennis der oudheid, zoodat deze uitriep: «Helaas ! door onze verbanning is Griekenland over de Alpen gevlogen.quot; Ãn uit het noorden, over de vrije, welvarende steden van Vlaanderen en Holland, èn uit het zuiden, over de bloeiende rijkssteden Augsburg en andere, drong de nieuwe richting Duitschland binnen. Zij vond bescherming aan de vorstenhoven van keizer M a x i m i 1 i a a n I, F r e d e r i k den Wijze van Saksen, E b e r h a r d i m B a r t van quot;W u r t e m b e r g en keurvorst Alb recht van Mainz; maecenaten in de rijke kooplieden dei' vrije steden, een Wimpheling in Straatsburg, een Peutinger in Augsburg, een Pirkheimer in Neurenberg. Ook de Duitsche hoogescholen drong zij binnen, waarvan de meeste in dien tijd gesticht werden, zooals Leipzig, Greifswald, Bazel, Tubingen en Wittenberg, in weerwil van den tegenstand, dien zij bij vele professoren, de voorstanders der scholastiek, ondervond. Ook door de lagere scholen trachtte men de kennis, in het bijzonder die van het Latijn en Grieksch, te verspreiden. Groote verdienste heeft in dit opzicht de wereldlijke broederschap des genieenen levens gehad, door
A G. II. 9*
145
446 humanisme en renaissance.
Geert Groote van Deventer (1340â1384) gesticht, terwijl onder de scholen de beroemdste waren die van Schlettstadt en vooral die van Deventer, onder de leiding van Hegius (1433â1498). Zoo vormde zich eene reeks van groote humanisten, die zich voor hunne Itali-aansche voorgangers niet behoefden te schamen en hunne taak dikwijls met grooter ernst opvatten.
Boven allen steken uit R e u c h 1 i n (1455â1522), die ook het Hebreeuwsch bestudeerde en de voorspraak der vervolgde Joden werd, de ridderlijke dichter U1 r i c h von Hutten (1488â1523), de Nederlanders W es se 1 Gansfort en Rudolf Agricola (1423â1485) en vooral hun groote landgenoot Desiderius Erasmus (1467â1536), de gevaarlijkste tegenstander van scholastiek en monnikenwezen {De lof der Zotheid) met zijn vriend, den Engelschen kanselier Thomas Mor us {Utopia), Zelf geen hervormers, maar óf vrijdenkers, óf heidensch in hunne opvatting, ondermijnden zij toch door hunne scherpe aanvallen den eerbied voor de Katholieke kerk, en baanden de Hervorming den weg tot velen, die in plaats van het door hen afgebrokene een ander geloof verlangden.
Bij J. Odé te Voorburg wordt uitgegeven :
DE GESCHIEDENIS VAN NEDERLAND IN ONZEN TIJD
door
.1. A. DE B R U Y N H).
WIJZE VAN UITGAAF.
Het werk zal bestaan uit 5 deelen en verschijnen in afleveringen, ieder van 2 vellen druks, of 32 bladzijden, a f 0,40 per aflevering.
Elk deel zal uit 12 a 15 afleveringen bestaan, met uitzondering van het 3de deel, dat van grooter omvang zal zijn.
Zoo spoedig als zulks mogelijk is, zullen de afleveringen elkander opvolgen.
Buiten inteekening wordt de prijs verhoogd.
Eene naamlijst van inteekenaren zal gratis aan het werk worden toegevoegd.
Na het verschijnen van iedere vijf afleveringen wordt over het bedrag beschikt.
Bij den Uitgever dezes zijii verschenen de volgende werken van J. A. DE BRUT SE;
vAlgeineeiie Gesclliedenis, le dl., Oude Gescliiedenis, sedrnk / 1.25.
._____________2edl., Middeleeuwen, . Sedrnk -1.10.
_____3e dl., Nieuwe Geschied., 2c druk - 1.25.
_______4edl., NieuwsteGeschied. 2edriik - l.M).
OïerzicMder Algemeene descMetois, ie di., Oudheid en Mid-
dejeeuwen, . 3e dnik - 1 .^gt;5.
_____2edl.NieuweenNieuw-
ste Geschied., 3c drnk - 1.35.
MerlaMSClie GeSCMetoS. Ie dl., De wording van den Ne-
derlandschen Staat, 3o drnk - 0 90,
________2e dl. De Republiek der Ver-
eenigde Nederlanden, 2e druk - 0. /0. _______3e dl., Nederland als eenheidsstaat, ... 2c druk - 0.90.
Overziclit der VaderlaMsclie GescMedeiiis, iq di., . 2cdruk -0.70.
___________2e dl., . 2c druk - 0.80.
Verschillende schoolbladen en eenige tijdschriften en dagbladen gaven van deze werken, die reeds bij het meerendeel der inrichtingen van Hooger en Middelbaar Onderwijs zijn ingevoerd, zeer gunstige beoordeelingen.
J. VAN DER HOUT en J. V. DISSELKOEN : Leerboek der Rekenkunde........f