ocr page 1
ocr page 2

VAK /oq Noa /s/

SCHETSEN quot;Ti ;:; v

j OLderwijzcr

L. J. TIELEMANS,

Hoofd der R. K. Parochiale School te Veendam.

Serie B

voor Openbare Scholen.

4e (gewijzigde) Druk.

/^?7;

_ ' ~'ï'ï! DRUK EN UITGAVE VAN

VAN MASTRIGT EN VERHOEVEN. — ARNHEM.

ocr page 3

?v

___

ocr page 4

VOORBERICHT.

Jarenlange ondervinding heeft mij bewezen, dat het onderwijs in Vaderlandsche Geschiedenis op onze scholen niet die vruchten afwerpt, welke wij redelijkerwijze ervan mochten verwachten. Dit schrijf ik grootendeels hieraan toe, dat vele der bestaande schoolboekjes, door ons bij dat onderwijs gebruikt, te uitgebreid zijn. Onze leerlingen verdrinken in namen; onderscheiden door de veelheid der meegedeelde feiten geen hoofd- van bijzaken ; verwarren de personen met elkander en — behouden aldus de aangeboden leerstof niet.

Voeg daarbij de pragmatische behandeling in vele dier werkjes, waarbij de leerlingen behalve de feiten zelve ook nog het verband daartusschen moeten onthouden, — iets, wat verre ligt boven de krachten van het gros der leerlingen onzer lagere school — en het moet ons niet verwonderen, dat de vruchten van het onderwijs in Vaderlandsche Geschiedenis zoo schraal, de resultaten zoo gering zijn.

Ik héb daarom een anderen weg ingeslagen. In circa vijftig lessen heb ik getracht even zoovele schetsen te geven, welke personen of tijdperken kenmerken, en in die levensschetsen heb ik er naar gestreefd spaarzaam te zijn met de feiten. Evenwel heb ik gebeurtenissen, die aan de personen of het tijdsgewricht, waarin deze leefden, een bijzonder cachet verleenen, uitvoeriger medegedeeld, en ben ik daarbij meer schilderend dan verhalend opgetreden, opdat

ocr page 5

^ voobbekicht.

lt;

de persoon of de zaak recht duidelijk tot het kind zou spréken.

Of ik daarin geslaagd hen, moge het gebruik van dit hoekje heslissen.

Ten slotte:

Deze Schetsen maken den onderwijzer niet overbodig; integendeel, ik veronderstel, dat vele zaken, slechts even aangeroerd, door hem worden verklaard en uitgelegd, en ik ivensch, dat het kvende woord des onderwijzers de draad zij, die de Schetsen aaneen rijgt.

Dat het boekske nut stichte is de wensch van

den Schrijver.

iv

ocr page 6

1. Claudius Civilis.

We schrijven het jaar 69. Ruim een eeuw waren de Batavieren Vrienden en Bondgenooten geweest der geduchte Romeinen, en hadden deze hun machtigen invloed op de eertijds zoo ruwe bevolking uitgeoefend. Het land zelf was herbergzamer geworden: rivieren waren door dijken en waterkeeringen beteugeld, en daardoor was menig moeras in een malsche weide herschapen; vaste wegen doorsneden de landouwen. De jongelingen, die Cesar en diens opvolger op hunne veroveringstochten vergezeld, of die in de stad der steden, in Home, de liifwacht des keizers gevormd hadden, keerden als beschaafde mannen weder, en konden zich met een leemen hut als woning en een berenpels of schapevacht als mantel niet meer tevreden stellen. Zij bouwden gerieflijke woningen, verfraaiden die met het huisraadquot; hunner beschaafde vrienden en droegen soms een kostbaar gewaad. Hunne huizen stichtten ze bet liefst in de nabijheid der Bomeinsche legerplaatsen of burchten, waardoor van lieverlede steden ontstonden, waar Galliër en Brit ruilhandel kwamen drijven met Bataaf en Bomein.

Zoolang eerlijke landvoogden dit land hadden bestuurd, was de onderlinge vrede niet verstoord geworden, maar had het gezag der Bomeinen langzamerhand dieper wortel geschoten. Doch toen er andere stedehouders kwamen, wier voornaamste werk scheen zich zeiven te

ocr page 7

« X

6

verrijken door de bondgenooten te verarmen, was het met vrede en vriendschap gedaan. De aanzienlijke Batavieren hielden nu met de Romeinen niet meer omgang, dan strikt noodzakelijk was, en het wantrouwen nam de plaats in van de vroeger goede verstandhouding. Dit wantrouwen groeide aan tot afkeer en haat, toen de Eom.einen zich ten laatste als heeren en meesters gedroegen en hunne bondgenooten als een overwonnen volk behandelden.

Een aanleiding was er nu slechts noodig om openlijk verzet uit te lokken, en deze aanleiding bood zich eerder aan, dan men wel verwachtte.

De Bomeinsche landvoogd had een aanzienlijk Bataaf, Julius Paulus, van oproer beschuldigd en hem het hoofd voor de voeten gelegd. Diens broeder, Civilis, had hij, van samenspanning verdacht, in ketenen geklonken naar Bome gezonden.

Het gelukte dezen zich aldaar van de beschuldiging van landverraad te zuiveren. Met een hart vol wrok echter keerde hü naar zijn vaderland terug en werd toen de ziel van het verzet.

In een heilig woud zijn vele dappere en aanzienlijke Batavieren vereenigd, op de uitnoodi-ging van Civilis saamgekomen om een feestmaal te houden en plannen te beramen tot afschudding van het juk der gehate Bomeinen. Nadat aan het maal alle eer is bewezen, gaat de beker lustig rond. De nacht is reeds gevallen en nog viert men feest. Daar verheft de gastheer zich om de genoodigden toe te spreken. Alles zwijgt en schaart zich aandachtig om den redenaar.

ocr page 8

7

wiens forsche stem de stilte van den nacht verbreekt;

„Vrije mannen, Wapenbroeders!quot; zoo spreekt hij, „ik heb u hier vereenigd om een ernstig woord tot u te richten. Het geldt u aller belang, ons aller welzijn.

Toen de Romeinen tot de vaders onzer vaderen kwamen, hebben ze hen tot bondgenooten aangenomen en wij... zijn tot slaven vernederd; — zij behoefden geen cijns op te brengen, en wij... moeten onze sieraden verkoopen om de schatting te kunnen betalen; dappere jongelingen heeft Cesar verzocht om hem op zijne roemrijke tochten te vergezellen, en door zijne opvolgers worden grijsaards en kinderen onder de wapenen geprest.

Dat kan, dat mag zoo niet langer duren!

Ziet! weldra zal er een nieuwe werving van manschappen geschieden. Dan kan men het weder aanschouwen, dat baardelooze knapen en afgeleefde grijsaards worden ingelijfd, alleen maar om u te dwingen hen voor een zwaren prijs uit de handen onzer Verdrukkers los te koopen.

Zult gij zoodanige behandeling blijven dulden?

Hebt ge dan geen kracht meer in de armen om ze op te heffen tegen uwe overheerschers ? Kan uw oog de pijl niet meer richten, of uwe hand de speer drillen? Zult gij...quot;

Doch het gekletter der wapenen tegen de schilden smoort zijne woorden, en het is slechts na geruimen tijd, dat men hoort;

„Neen, neen! we willenweder vrije mannen worden, vrij als onze vaderen. Te wapen, te wapen!quot;

En onder een plechtigen eed zweren de vergaderden den hoofdman trouw.

ocr page 9

8

CiviLis van zijn kant belooft;

„Baard, noch nagels, noch hoofdhaar zal ik scheren, vóór ik de mishandelingen heb gewroken, vóór de laatste Romein het land heeft geruimd.quot;

Hierop gaat ieder zich tot den strijd gereedmaken. Civilis ontrolt de vaan des opstands en overwint den vijand in menigen slag. Nu te land, dan te water overvalt hij hem, meestal met gunstig gevolg, zoodat zijn naam weldra door het geheele land weerklinkt en allen, die zuchten onder het* juk der Romeinen, in hem hun bevrijder zien.

Alle Germaansche stammen aan den Rijn, in België en Noord-Gallië kwamen in verzet, en verjoegen de gehate verdrukkers. Daarom zond de keizer van Rome een machtig leger onder den bekwamen veldheer Cerealis herwaarts, ten einde zijn gezag te herstellen. Deze sloot op behendige wijze nu met dezen dan met genen volksstam vrede, zoodat Civilis eindelijk met zijne stamgenooten alléén stond, en de oorlog naar het eiland der Batavieren werd overgebracht. Opzettelijk spaarde Cerealis hier de eigendommen van den aanvoerder, terwijl hij de bezittingen van diens volgelingen te vuur en te zwaard verwoestte, waardoor het wantrouwen der Batavieren tegen hun bevelhebber werd opgewekt, zoodat deze zich eindelijk genoodzaakt zag den strijd op te geven. Op een half afgebroken brug over den IJsel werd de vrede tusschen beide aanvoerders ge-

ocr page 10

9

sloten, en het verbond tusschen Batavieren en nomeinen hernieuwd.

2. Heidendom.

(Tot de 8e eeuw).

In den loop der jaren waren de meeste stam-men, welke m het begin onzer jaartelling ons vaderland bewoonden, versmolten tot drie volken. Bij den aanvang der 4e eeuw bewoonden de Frie-Irw? 7 kuststreek van den Maasmond tot den Dollard; fa Franken namen al het land bezui-

• j j aas m bezit; de Saksen bevolkten het midden en oosten van Nederland.

Het heidendom heerschte in het Noorden nog alom. In de afzondering, in dichte bosschen aan-baden en vereerden, raadpleegden en verzoenden de Mnezen hunne goden; daar offerden zii paarden, ossen, geiten, en — bij bijzondere gelegenheden — ook menschen: misdadigers of gevangenen; daar steeg de walm van het offer met den rook des vuurs door de twijgen ten

Twee jaren was er misgewas geweest. In het land heerschten allerwegen nood en ellende. -Eir was honger en geen brood; er waren honderden menschen, en geen voedsel was te be-, omen. Bij tientallen stierven de bewoners* bunne lijken bleven onbegraven, omdat den levenden de kracht ontbrak de dooden ter aardo

ocr page 11

10

te bestellen. Voor de wolven en de roofvogels was het een goede tijd.

Het droevig overschot van der Friezen stam verzamelde zich in een volksvergadering om te beraadslagen, wat te doen stond. Met holle oogen en den honger op het uitgevaste gelaat verscheen men ter vergadering, en na veel wikken en wegen nam men het besluit, wat voormaals de vaderen in zulke tijden van nood en jammer hadden genomen: de ouden van dagen, de gebrekkigen en de zieken aan hun lot over te laten tot ze van honger zouden zijn omgekomen. Wel had deze nog een ouden vader of een hulpelooze moeder; gene bezat wel een krank kind of een sukkelende echtgenoote, die hij graag gespaard zou zien, maar deze opwelling van ouder- of kinderliefde moest worden onderdrukt, want aan het besluit diende uitvoering te worden gegeven, omdat het in de vergadering genomen was.

Doch uit een aandrang van' natuurlijk medeleden wilde men het lot der ongelukkigen verzachten. Men besloot hen niet te laten lijden, maar door een korten doodsstrijd het einde der veroordeelden te verhaasten.

Dit vonnis werd zoo spoedig mogelijk uitgevoerd. Zij, die aldus uit wanhoop ter dood verwezen waren, werden op brandstapels gebonden, en hun werd het leven benomen door iemand, die niet aan hen vermaagschapt was. Terstond werden de mutsaards ontstoken, daarna uit den gedoofden gloed de assche en de beenderen verzameld en aan den schoot der aarde toevertrouwd.

Tot zulk een gruwel voerde het blinde heidendom!

ocr page 12

11

13.

Er kwam onrust over het gewest. Vijanden waren opgedaagd uit het Zuiden, en hadden een inval gedaan. IJlings waren boden gekomen met een dringende bede om hulp. Er moest worden beraadslaagd. De priesters, de vorst en de oudsten van den stam hebben zich verzameld op den heuvel der beraadslaging, de overige mannen daaromheen in het rulle zand of het droge mos van het plein in het bosch.

De Priester heeft stilte geboden. Een tak van een vruchtboom gehouwen heeft hij tot teenen gekapt en elk derdeelen met bijzondere merken geteekend. Hij werpt ze vervolgens los weg op een uitgespreid wit laken. De priester nadert het doek, slaat zijne oogen omhoog en zendt een stil gebed tot de goden, die de daden der menschen regelen en besturen. Daarna buigt hij zich over de offerwade, neemt elke twyge driemaal in de hand, en verklaart aan de gespannen aandacht der vergadering de beteekenis en het verband der merken.

Zoo heeft hij gewicheld naar de oude wijze, en de voorteekenen hebben uitgewezen: Wo-dan wil een hem waardig offer, op een plaats, welke hem bijzonder is toegeheiligd.

Aan de priesters op déze plaats wordt geboodschapt, dat men een offerande wil brengen. Vervolgens bespreekt men dag en uur, en wanneer de bepaalde stonde gekomen is, vereenigt men zich tot een gemeenschappelijken tocht naar de gewijde plek om de plechtigheid te voltrekken.

ocr page 13

12

Men is ter bestemder plaatse aangekomen.

Het altaar bestaat uit een langwerpig ronden steen met platte bovenzijde, ook wel uit een werkelijke altaartafel, rustende op 5 steenen pooten. In het bovenvlak van het blad is een uitholling zichtbaar. Daarnaast liggen de offergereedschappen : hamers, messen en wiggen van steen, benevens koperen of bronzen offer- en bloed-ketels. Even buiten de offerplaats zijn open loodsen opgeslagen met takken of ander groen gedekt, als ruime, groote looverhutten. In de nabijheid van het altaar staan de in het wit gekleede priesters, de lokken omkranst met eikenloof. Zij zijn onderscheiden van de dienaren, die hun de behulpzame handen moeten bieden, door sierlijke haarbanden en door de staven en steenen hamers, welke ze voeren.

Hoewel men zich heeft vergewist, dat dit uur en déze plaats de aangewezene zijn, wil men zich op de plek zelve nog overtuigen, dat het offer Wodan welgevallig is. Gelukkig bevindt zich onder de priesterschaar iemand, die het onderzoek kan bewerkstelligen.

De wichelaar stelt zich op zijne plaats met den rug naar de zon en het gelaat naar het noorden. Onbeweeglijk staat hij daar met de wichelroede in de hand, den blik onophoudelijk rechts en links, op- en nederwaarts werpende, alsof hgm niets mag ontsnappen, wat maar teeken van leven kan geven in de natuur.

Daar kraait een haan aan den westkant, en het oog van den wichelaar glanst van genoegen ; doch terstond rimpelt zich zijn voorhoofd, want oogenblikkelijk verneemt men het scherp gekras van de raaf uit het woud. Was het eerste een goed teeken, het tweede is zoo on-

ocr page 14

13

heilspellend mogelyk. Doch stil! daar kraait de haan ten tweede male, gevolgd door twee, drie andere, en, o vreugde! een duif schiet uit het loover, vliegt over de offerplaats en rept zich naar de westzijde van het woud.

De wichelaar is voldaan. Hij verklaart aan de vergadering, dat het uur wèl gekozen, gunstig ten offer, en dit aan Wodan welgevallig is.

Het offerdier wordt voorgebracht; het is een paard, het edelste en hoogste offer na den mensch. Schoon van vormen en jong van jaren, met melkwit haar en fier van gang is het ros een lust der oogen. Het is met bloemen gekroond en omkranst, trappelend en snuivend gaat het voorwaarts, als betoonde het zich willig om den goden te worden opgedragen.

Onder het murmelen van gebeden wordt het driemaal met plechtigen ernst rondom het heiligdom geleid, en daarna op de offerplaats gevoerd. Daar wordt het gebonden, en met een behen-digen zwaai heeft men het de hielpezen doorkerfd. Kreunend stort het dier ter neer. Spoedig is nu de bloedketel bijgeschoven, de kop wordt opwaarts gebogen en vlijmend doorsnijdt het offermes den hals. In purperen bogen spuit het bloed met volle stralen, tot het leven geweken is. En de priester besprenkelt het afgodsbeeld en daarop de offeraars met het nog lauwe bloed.

De kop wordt van den romp gescheiden en aan den heiligen eik genageld, de buik geopend en het lillend ingewand doorvorscht. Daarna worden de ingewanden op het altaar van takken gelegd. En terwijl de rook hierboven opwolkt, en de vlammen het allengs verteren, roepen priesters en offeraars hunne goden aan.

ocr page 15

14

Het offerdier wordt nu aan stukken gesneden, de brokken vleesch in de offerketels geworpen en het vuur daaronder stevig opgestookt.

Weldra is de spüs bereid, en schaart men zich onder de loofhutten aan den disch. De opperpriester leidt de plechtigheid. Eerst stelt hij een dronk in op Wodan, den oppergod; staande wordt door allen de drinkhoorn geledigd. Het gezoden vleesch wordt nu opgediend en het offermaal genuttigd. De beker blijft in-tusschen onafgebroken rondgaan; liederen worden gezongen ter eere van Wodan, den sterken god met den blinkenden helm, het glanzende schild en de doodelijke speer, daarheen rijdend op het snelle ros, dat hem door lucht en wolken voert.

Eindelijk is het maal afgeloopen. De krijgslieden begeven zich naar hun stam, elk maakt zich ten strijde gereed. Vol moed en hoop op goeden uitslag trekt men den vijand tegen.

Igt;-

Het krijgsgeluk was den Friezen gunstig. Hoewel het getal der teruggekeerden dat der uitgetrokkenen niet evenaart, — Wodan heeft er velen in zijn Walhalla geroepen, waar hij de helden der aarde ontvangt aan zijn disch, hun den schuimenden drinkhoorn doet reiken, en met hen uittrekt om de vijanden der goden te bestrijden — tóch is er vreugde in de gansche

streek. Want.....men heeft buit meêgebracht

uit der Franken gebied. Het beste en edelste daarvan zal den goden geofferd worden.

Ziet gij daar die menschen met de handen op den rug gekneveld, het hoofd nederwaarts

ocr page 16

15

gebogen, den blik ter aarde gericht? Het zijn krijgsgevangenen. Zij zullen den goden ter eere geslachtofferd worden op de plaats, waar den oppergod het paard werd aangeboden.

Wenden wij ons af, en bedanken we God, Die ons uit het heidendom getrokken en tot Zijne kinderen aangenomen heeft.

3. De H. Willibrordus, Apostel van Nederland.

(t 739).

In het jaar 657 werd in de nabijheid van York in Engeland een knaapje geboren, dat bij den H. Doop den naam ontving van Willibrordus. Zijne godvruchtige ouders vertrouwden hem ter opvoeding toe aan de monniken van een klooster, en hier ontwikkelde zich in een zwak en tenger lichaam een groote, kloeke geest. Toen de knaap de jongelingsjaren was ingetreden, omgordde hij zich met het zwarte gewaad der Benedictynen, ontving de tonsuur en deed zyne geloften als kloosterling. Met grooten ijver legde hij zich toe op de beoefening der wetenschappen onder de uitmuntende leiding van den H. Wilfridus. Toen deze naar Rome vertrok, begaf hij zich naar Ierland om zich aan de hand van den H. Egbkrtus verder te oefenen op den weg der volmaaktheid. Op dertigjarigen leeftijd ontving hij de H. Priesterwijding, en drie jaren later maakte hij zich reisvaardig voor de bekeering onzer voorvaderen.

Gewapend met den vaderlijken zegen van den

ocr page 17

16

H. Egbert en den H. Wilfried en geheel vervuld met een vlammenden ijver voor de eer van God en het heil der zielen, spoedde hij zich met elf medehelpers naar de plaats, waar de Ilumber zich stort in den Oceaan. Een vaartuig in den vorm van een vogel lag daar gereed. De voorplecht had het model van een vogelborst met nek en kop, de achterplecht dat van een vogelstaart, terwijl het groote roer een reusachtige zeis geleek. Een enkele mast van een zeil voorzien, een paar roeispanen om het kleine, ranke vaartuig voort te werken, wanneer de wind tegen was, ziedaar, waaraan de Twaalf Apostelen van Nederland zich onder de hoede van God toevertrouwden.

Het scheepjen gleed snel over de schuimende zee, met den boeg gewend naar Neêrlands kust. Op Katwijks woeste duinen, nabij den mond van den Rijn, knielden zij neder om God te danken voor hunne gelukkige reis en kracht te smeeken voor hun moeilijken arbeid. Daarna spoedden zij zich naar Wütaburg of Utrecht, een stad van houten huizen aan beide oevers van den Rijn gebouwd en wellicht van wallen omgeven. Hier vond Willibrordus den geweldigen koning der Friezen: Radboüd. Hij hield er zich slechts korten tijd op en begaf zich naar den Frankischen hofmeier, Pepijn van Herstal, om diens hulp en steun te vragen voor het groot-sche werk, dat hij ondernemen ging. Het gebied ten Zuiden van de Maas was voor zijn vlammenden ijver te klein. Daar, ten Noorden van den Rijn, waren nog duizenden en duizenden zielen voor het geloof in Christus te winnen.

Als gehoorzaam zoon van zijne Moeder, de H. Kerk, ging hij voor deze taak de volmacht

ocr page 18

17

vragen van haar opperhoofd, den Paus. Onvermoeid spoedde hij zich voort, te midden van wilde en onbeschaafde stammen, langs ongebaande wegen en over besneeuwde bergtoppen, terwijl hij zich dikwijls voedde met hetgeen hij langs den weg aantrof en zijne legerstede spreidde op den harden grond.

Nog in hetzelfde jaar, dat hij uit Engeland vertrokken en op Neêrlands bodem aangekomen was (690), lag hij aan de voeten van Paus Ser-gius te Rome, om diens volmacht tot het apostelambt te verzoeken en de kracht daartoe op de graven der Apostelen af te bidden. Verrijkt met den pauselijken zegen en met de boeken, waarin hij Gods Woord _had neergeschreven, nam hij ijlings den terugtocht aan en kwam reeds in de lente van 691 in Nederland terug.

Zonder zich rust te gunnen, begon de ijverige Apostel zijne werkzaamheden in de Betuwe. Tiel, «en bloeiende koopstad aan de Waal, had hg zich tot hoofdzetel gekozen. Te Utrecht bouwde hij met medewerking der krijgsknechten van Pepijn een bedehuis op de grondslagen van den verwoesten tempel, vroeger door den Frankischen koning Dagobert gesticht.

Moeilijkheden rezen voor hem bij eiken stap. In 695 barstte wederom de oorlog uit tusschen Friezen en Franken; maar het wapengekletter en de tallooze gevaren, welke hij trotseeren moest, weerhielden hem niet het verlossingswerk voort te zetten. De Friezen, aangevoerd door Radboud, dolven het onderspit. Nu drong Pepijn bij den heiligen zendeling erop aan, dat, hij nogmaals naar Rome zou gaan om uit de hand van Paus Sergius den bisschopsstaf aan te nemen.

Wederom trok de groote Apostel naar de

2*

ocr page 19

18

Eeuwige Stad. Daar ontving hij op den feestdag van de H. Cecilia, den 223ten November 695, uit de hand van den Paus de hoogste priesterlijke wijding; hij werd bekleed met het bisschoppelijk gewaad, omhangen met het pallium. Met den mijter op het hoofd en den staf in de hand stond hij daar in de hoofdkerk der christenheid als de eerste Aartsbisschop van Nederland, en ontving van Z. H. den naam van Clemens d. i. de Zachtmoedige.

Onmiddellijk na zijne terugkomst binnen Utrechts wallen nam bij bezit van zijn aarts-bisschoppelijken zetel. Maar die troon stond nog in geen kathedraal. Dit was echter voor den volhardenden ijver van den Missionaris geen bezwaar. Een schoone tempel van steen verrees er weldra, toegeheiligd aan den H. Martinus, bisschop van Tours. Dezen tempel hebben de Noormannen neergehaald, doch de tegenwoordige Dom van Utrecht wijst de plaats aan, waar zijn muren zich verhieven.

Met grooten moed en bovenmenschelijke inspanning waakte de H. Willibrordus nog 44 jaren aan de bekeering onzer heidensche voorouders. Niet alleen stichtte hij een menigte kerken en kloosters, maar ook werden door hem vele tempels aan den heidenschen afgodendienst ontrukt en aan den dienst van den waren God toegewijd.

In hoogen ouderdom riep de Heer Zijn dienaar tot zich om hem het loon voor zijne zorgen en zijn arbeid te schenken. Met vreugde mocht de heilige man op zijn vijftigjarigen arbeid onder de Friezen terugzien: overal zag hij de sporen van zijn rusteloozen ijver voor Jezus Christus, wiens naam en kruis alom vereerd werden.

ocr page 20

19

Grijs geworden en in de volheid zijner dagen ontsliep hij op den 6den November 739 in den Heer in zijn geliefd klooster te Echternach.

4. Twee Heidenen.

(8e eeuw).

Radboud, koning der Friezen, was een verstokt heiden, die in de mannen met mijters en monnikskappen niet anders zag dan menschen, welke met het christendom tevens de onderwerping aan het gezag der Franken brachten. Daarom was hij niet te bewegen de Evangeliepredikers in zijne landen toe te laten, en verbood hij de verkondiging van de Blijde Boodschap. Herhaaldelijk pleegde hij rooverijen op Frankisch gebied. Om hem daarvoor te straffen trok der Franken vorst verscheiden malen tegen hem op, versloeg hem keer op keer, en bracht hem einde-lijk volkomen tot onderwerping. Badboud verloor zijne onafhankelijkheid, werd schatplichtig en moest de prediking van het H. Evangelie dulden in zyne landen.

Die prediking droeg heerlijke vruchten. Vele Friezen omhelsden den christelijken godsdienst, werden gedoopt en opgenomen in de Kerk van Jezus Christus. Zelfs 's Konings eigen zoon behoorde tot de nieuwbekeerden; doch pas heeft het water des heils over zijn hoofd gevloeid, of eenige dagen later gaat deze tot een beter leven in.

Radboud is door dezen haastigen en onvoor-zienen dood levendig getroffen, komt tot nadenken over het heidendom, en — verlangt onder-

ocr page 21

20

wezen te worden in het Katholieke geloof om daarna het H. Doopsel te ontvangen.

De H. Wulfrannus, de ijverige medewerker van den H. Willibrordus, verheugt zich zeer, doet den Koning onderrichten en bepaalt den dag, waarop hij hem in de gemeenschap der christenen zal opnemen. Tal van geloovigen en van heidenen zijn saamgestroomd om deze plechtigheid bij te wonen; de H. Bisschop is omgeven door zijne geestelijkheid.

De koning is de kerk binnen getreden, en heeft reeds den éénen voet in het doopbekken geplaatst. Daar wendt hij zich tot den H. Wulfrannus en vraagt dezen:

„Eerwaarde Vader! waar bevindt zich het groote getal Friesche koningen, hertogen en edelen, die in het geloof aan hunne goden gestorven zijn?quot;

De H. Bisschop antwoordt:

„God alleen kent het getal Zijner uitverkorenen. Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, die zal zalig worden; doch wie zonder doopsel sterft, zal het Hemelrijk niet beërven!quot;

„Welnu!quot; roept Radboud uit, terwijl hij zijnen voet uit de doopvont terug trekt, „dan wil ik liever zijn in de hel bij miine doorluchte voorouders, dan met uw armoedig hoopje christenen in den hemel, welken gij mij belooft.quot;

Hoeveel moeite de H. Bisschop ook aanwendde om den koning tot andere gedachten te brengen, het mocht niet baten. — Radboud vertrok met zijn gevolg.

Eenigen tijd later werd hij ziek, en, door gewetenswroeging gefolterd, liet hij nu den H. Willibrordus bij zich ontbieden. Deze begaf zich aanstonds op weg; doch vóór hij het ko-

ocr page 22

' - ;■ 1 ■r 21 J

• Oi ^

ninklijk paleis betrad, werd hem reeds geboodschapt, dat Radboud, volhardend in de dwaling, den laatsten adem had uitgeblazen als een verstokt en onboetvaardig heiden.

In het begin der regeering van Karel den Groote waren de Saksen het eenige Duitsche volk, dat nog naar zijne oude zeden en wetten, en zelts nog in het blinde heidendom leefde. Steeds offerden zij als te voren in hunne heilige wouden aan Wodan en Thor, en bezongen zij in hunne gezangen de heldendaden der voorouders, waardoor deze hunne vrijheid en hunne goden van de overheersching der Romeinen hadden gered. In 't Oosten van ons Vaderland en in het Westen van Duitschland wonend, deden zij gedurig strooptochten in der Franken gebied.

Zulks was natuurlijk aan Karel den Groote hoogst ongevallig; om zich van deze lastige naburen te ontdoen, besloot hij tot een oorlog tegen de Saksen. Hij hoopte hen te onderwerpen en dan tot den christelijken godsdienst te brengen. Deze oorlog duurde ruim 30 jaren en eindigde met de volkomen onderwerping der heidenen.

In de eerste jaren van den krijg was Witte-kind de aanvoerder der Saksen. Woest van inborst had hij een eeuwigen haat gezworen aan de Franken en aan al, wat van dezen kwam, inzonderheid aan het christendom. Kerken werden op zijne plundertochten in asch gelegd, kloosters met den grond gelijk gemaakt, monniken en nonnen verstrooid, priesters ter dood gebracht. Hoewel menigmaal geslagen en ten lande uitgedreven, keerde hij telkens met versche

ocr page 23

22

hulpbenden uit het Noorden, uit Denemarken en Noorwegen, terug om den strijd opnieuw aan te binden.

Eindelijk kon hij met zijne Saksen aan de Franken niet langer wederstaan. Doch zich aan hen te onderwerpen en het geloof zijner voorvaderen te verzaken, zonder de vaste overtuiging te bezitten, dat het christendom beter was, dit streed tegen het karakter van Wittekind; veel liever wilde hij het vaderland voor altijd vaarwel zeggen.

Ten einde nu tot een beslissing hieromtrent te komen, wilde hij eerst den godsdienst der Franken onderzoeken. Om dit te vrijer te kunnen doen verkleedde hij zich als bedelaar, en begaf zich naar het Frankenleger. Hier bereidde men zich juist op het waardig vieren van het Paaschfeest voor. Hoe geheel anders vertoonden zich hier Karels krijgers dan op het slagveld, waar hun krachtige arm geheele rijen Saksen wegmaaide, en de bodem dreunde onder den hoefslag hunner strijdrossen. Deze in staal gekleede mannen schenen in kinderen veranderd, be-geerig luisterend naar de onderrichting en vermaning hunner priesters. Wèl grooten invloed moest het christendom op zijne belijders uitoefenen, dat de leeuwen van liet strijdgewoel veranderden in lammeren in het Huis des Heeren.

Tot in zijne ziel getroffen wierp de heidensche held vol berouw zijne arme kleeding van zich, trad voor Karel den Groote en bood hem de hand van vrede en vriendschap. Nu was hij overtuigd van de voortreffelijkheid der leer van Christus en bad, in dit geloof opgenomen te worden. Hij smeekte, dat men hem priesters zou geven, die zulke wonderen konden bewer-

ocr page 24

23

ken en zijn volk deelachtig maken aan het geluk, waarvan hij een voorgevoel smaakte.

Kakel ontving Wittekind met open armen, dankte God voor diens wondervolle bekeering, beloofde hem priesters, benevens een bisschop, en was zelf peter over hem en zijne echtgenoote Geva, toen beiden gedoopt werden. Wittekind ontving van Karel het hertogdom Westphalen in leen terug, bleef voortaan een getrouw onderdaan en bondgenoot van zijn voormaligen tegenstander en volhardde tot het einde zijns levens in het christelijk geloof.

5. Karei de Gcroote.

(f 814.)

Op het einde der 8e en in het begin der 9e eeuw regeerde er over het grootste gedeelte van West-Europa een vorst, die terecht den naam van De Groote draagt. Groot toch was hij door zijne fiere en koninklijke gestalte, grooter nog door al het goede, hetwelk hij in Europa heeft uitgewerkt. Een aanzienlijk deel zijns levens sleet hij op het oorlogsveld. Saksen en Friezen, Longobarden en Mooren maakten bij herhaling kennis met de scherpte van zijn zwaard. Doch zijn'eerenaam verdient hij vooral daardoor, dat hij een uitstekend bestuurder was, die het zich tot een eere rekende, zijne onderdanen gelukkig te maken.

Hij legde een menigte steden aan, en beveiligde ze tegen vijandelijke overvallen door het opwerpen van wallen en het graven van grachten. Hij zorgde, dat allen, groot of klein, de door

ocr page 25

24

hem gegeven wetten gehoorzaamden, en bevorderde, waar hij kon, handel, nijverheid en scheepvaart.

Voor de beschaving zijner onderdanen deed hij al het mogelijke. Kerken en scholen verrezen door zijne ijverige bemoeiingen allerwegen: de wetenschappen moedigde hij aan; bekwame en geleerde mannen konden altijd op zijne ondersteuning en bescherming rekenen; hij zelf gaf aan zijne ondergeschikte vorsten het voorbeeld van geestesbeschaving, door op gevorderden leeftijd nog lezen en schrijven te leeren. Voor de ontwikkeling der volkstaal en het bevorderen van den kerkzang spaarde hij kosten noch moeite.

Doch hij gaf niet alleen wijze voorschriften omtrent hetgeen de stoffelijke of geestelijke welvaart zijner onderdanen kon vergrooten of vermeerderen, maar hield daaraan ook krachtig de hand. Gestadig bezocht hij alle deelen van zijn uitgestrekt rijk, of zond er vertrouwde personen heen, om toe te zien, dat hetgeen hi} had verordend, ook werkelijk werd nagekomen.

Het zichtbaar Opperhoofd der Kerk beschermde hij, zooveel hij kon. Toen Paus Leo III door oproerige onderdanen uit Bome verdreven was en niet ongestoord zijn pauselijk gezag kon uitoefenen, toog Karel naar Italië, bracht de muiters tot onderwerping en herstelde den H. Vader op zijn zetel. Terwijl hij in 800 op 't Kerstfeest te Bome de H. Mis bijwoonde, trad Z. H. op hem toe, drukte hem een prachtige kroon op den schedel, en verhief hem aldus tot Keizer van het Westen. En al het verzamelde volk riep: „Heil en roem aan Karel, den grooten Vredestichter, den Keizer der Romeinen, gekroond door den wil Gods!quot; Door deze daad

ocr page 26

25

was Karel het wereldlijk hoofd geworden der christenheid.

Toen hü zijn einde voelde naderen, wees hij zijn zoon Lodewijk tot zijn opvolger aan. Hij riep te dien einde in 813 al zijne rijksvorsten in Aken te zamen. 't Was een plechtig oogen-blik, toen de Keizer in statiegewaad de Domkerk binnentrad. Ten aanhoore van al het volk vermaande hij zijn zoon God te vreezen, Hem lief te hebben en te gehoorzamen; zorg te dragen voor de Kerk, en haar tegen eiken aanval te beschermen; zijne onderdanen als zijne kinderen te beschouwen; de armen te troosten; te zorgen voor het aanstellen van getrouwe en godvruchtige ambtenaren.

„En gij, mijn zoon,quot; zoo eindigde de zeventigjarige grijsaard, „belooft gij dit alles te zullen vervullen?quot;

Met tranen in de oogen beloofde het de jonge vorst.

„Welnu!quot; hernam toen Karel, „dan zet ik u de kroon op het hoofd. Draag haar nooit, zonder u de afgelegde belofte te herinneren.quot;

Het volgende jaar stierf hij.

Toen hij op het punt stond den laatsten adem uit te blazen, maakte hij het H. kruisteeken, vouwde de handen op de borst, sloot de oogen, en, onder het uitspreken van de woorden: „Heer! in Uwe handen beveel ik mijnen geestquot;, gaf hij zijne ziel in de handen van zijnen Schepper over. Zijn lijk werd gebalsemd, in het haren boetekleed, dat by de laatste jaren zijns levens had gedragen, gewikkeld, en met den keizerlij-

ocr page 27

26

ken mantel omhangen. Zóó plaatste men het zielloos overschot op een gouden troon, de keizerskroon op het hoofd, het zwaard aan de heup, het Evangelieboek op de knieën, en den schepter en het gouden schild aan zijne voeten.

Met groote statie werd het daarop in den grafkelder der O. L. V. Kerk te Aken bijgezet.

Karel werd door al zijne onderdanen betreurd en door velen als een heilige vereerd en aangeroepen.

6. Invallen der Noormannen.

(800—1000).

Nog tijdens het leven van Karel den Groote werd ons Vaderland geteisterd door de bewoners van Noorwegen, Zweden en Denemarken. En niet alleen óns Vaderland, byna geheel het beschaafde Europa was met schrik en angst voor deze zeeschuimers vervuld. Op zich zeiven reeds ruw en wild, werden ze de dieren des wouds gelijk, wanneer ze hunne stroop- en rooftochten hielden. Waar hunne zwarte vanen verschenen, brachten ze dood en verderf, daar sidderde de bevolking. Zij voeren op hunne open, langsneb-bige vaartuigen stroomopwaarts, landden plotseling hier of daar en drongen van een punt, dat zij versterkten ten einde in den rug gedekt te zijn, het land binnen. Hier verwoestten zij heinde en verre dorpen en steden, roofden en plunderden, brandden en blakerden, om dan naar hunne schepen terug te keeren en rijken buit naar hun vaderland te sleepen, waardoor andere gelukzoekers tot nieuwe rooftochten werden geprikkeld.

ocr page 28

27

Talrijk als het zand der zee vallen de Noormannen op de westerkusten aan en zetten te Walcheren voet aan wal. Als een doodsklok klinkt het noodsein des verschrikten wachters van de tinne. Zal thans het heerlijke eiland hegraven worden onder de gruweldaden van het Noorden? De pektonnen vlammen reeds en storten als jammerbakens haar droevig licht door de duisternis van den nacht. Men ziet den rossen gloed van verre, en van mond tot mond vliegt de vreeselijke mare: „De Noorman, de Noorman.Hier en daar snelt men gewapend naar het strand, den gehaten vijand tegen. Met leeuwenmoed strijdt de Fries; menig zwaard houwt hij stomp op de hoofden der barbaren. Maar helaas, wat kan het helpen? Velen zijn te huis gebleven, omdat zij met den Noorman heulen: ook wordt de trouw der kustwachters hier en daar betwijfeld. De drom der schepelingen groeit zienderoogen aan tot een tallooze schare, die zich weldra ontwikkelt tot een welgeordend heir. Het is, alsof de draken-vormige kielen het gansche mannelijke geslacht der „grimmige landstreekquot; uitbraken. Er valt aan geen weerstand meer te denken. Wel hem, die in het rulle strand is ingesluimerd voor altijd! de gelukkige — hij stierf een roemvollen dood voor het vaderland en behoeft den gruwel der verwoesting niet te aanschouwen. Maar hoe velen liggen ten doode gewond en machteloos daarneer, terwijl hunne vrouw en kinderen, hun have en goed ten prooi zijn aan de woeste benden! Hoe velen vluchten te vergeefs om zich voor de schande te vrijwaren. Wat deert die angst en vertwijfeling den ruwen „zeekoningquot;,'; en zijne nog ruwer makkers? Zij stormen land-~

ocr page 29

28

waarts in. Schrik en ontzetting gaan voor hen uit, en waar hun voet getreden heeft, zijn de schoone gouwen in een woestijn veranderd. Zij moorden en plunderen als naar gewoonte en sleepen geld en kostbaarheden, vrouwen en kinderen met zich mede. Akelig rollen de woeste krijgszangen over de verlaten beemden, terwijl het vuur knettert boven het geboomte, kerken en kloosters, kasteelen en hutten in vlammen opgaan.

Nadat de vijanden aldus eenigen tijd op Walcheren gehuisd en tal van christenen vermoord hadden, togen zij naar Duurstede om ook daar hunne hartstochten bot te vieren. Na hunne „drakenquot; aan den oever der rivier bevestigd te hebben, verwoestten en vernielden ze er alles, wat tegen de vlammen bestand was. Een grooten buit en drommen van krijgsgevangenen met zich medevoerende, lieten ze er niets dan puin-hoopen en ellende achter.

Niet vele jaren daarna, in 857, kwamen de Noor-mannen, na de Betuwe te hebben afgeloopen, op Utrecht af. De gunstige ligging en de sterke muren der stad hadden langen tijd met hunne herhaalde aanvallen den spot gedreven. Hierdoor nog woedender geworden, waagden zij een strijd op leven of dood tegen de stad en haar sterken burcht. Deze bleek, ondanks een moedige en hardnekkige verdediging, niet bestand te zijn tegen de stormtuigen, welke de muren onophoudelijk beukten en de burgers met stee-nen en schichten bestookten. Stad en sterkte werden stormenderhand genomen, en verschrikkelijk was het lot der ongelukkige bevolking. Velen sneuvelden door het zwaard; anderen

ocr page 30

29

dwaalden her- en derwaarts rond, zonder huisvesting, zonder voedsel en voldoende kleeding.

„Helaas,quot; zoo klagen de Vaders op het Ment-zer concilie, „helaas, wie zou niet met vochtige oogen de rampen van ons volk optellen? Bisschoppen, priesters, monniken en nonnen zijn met het zwaard geslacht of onder verschillende martelingen bezweken; menschen zonder onderscheid van stand, geslacht of leeftijd door vuur, door staal ter dood gebracht. De geloovigen, het gevaar der verdelging vreezende, dwalen angstig rond, en van allen troost verstoken weten zij niet, wat te doen of waarheen hunne toevlucht te nemen, daar zij omzwerven zonder leidsman en zonder herder.quot;

Toen er te Utrecht niets meer te moorden en te martelen was, werden de gedenkteekenen van godsdienst en beschaving vernield, de kerken van St. Salvator en St. Maarten, die voortreffelijke en heerlijke woonsteden Gods, in brand gestoken en verwoest, de altaren in puin begraven, de kostbaarheden geroofd. Muren, poorten en torens werden met den grond gelijk gemaakt. Aldus lag de burcht en de stad Utrecht verwoest en verlaten, terwijl bisschop Hungerus met sommigen der zijnen het bloedbad kon ontvluchten en een schuilplaats vinden bij den keizer.

Zóó verging het Walcheren, Duurstede en Utrecht, zóó verging het de geheele landstreek langs de Noordzeekusten bij tusschenpoozen twee eeuwen lang. Geen tong is bij machte te verhalen, onder welke verdrukking het Friesche volk zuchtte. Een groot gedeelte des lands werd in een woestenij veranderd. Niemand waagde het meer het land te bebouwen, en de wilde dieren vermenigvuldigen zich schrikbarend. De

ocr page 31

30

bevolking slonk weg: op sommige plaatsen was het land geheel ontvolkt, en hoorde men zelfs geen hond meer blaffen. De onwetendheid nam toe, daar de kloosters, de scholen en de bibliotheken verbrand waren en niemand ze wilde opbouwen, uit vrees ze binnenkort weder in asch gelegd te zien. Velerwegen waren alle priesters en kloosterlingen vermoord, — gansche streken zonken weder in het heidendom terug.

quot;7 Godfried van Bouillon. Kruistochten.

(1096).

Van oudsher beschouwden de Christenen het als een zeer verdienstelijk werk de H. Plaatsen te bezoeken, waar Jezus geleefd heeft en voor onze zonden gestorven is. Toen Palestina echter in handen der woeste Turken gevallen was, moesten de pelgrims van hen de grootste afpersingen en mishandelingen verduren. Velen hunner werden van alles beroofd, soms als slaven verkocht, ja enkelen vermoord.

Geen wonder dan ook, dat de Christenen vurig begeerden zelve deze plaatsen te bezitten.

Onder de teruggekeerde pelgrims bevond zich een zekere Peter, van Amiens bijgenaamd, en geboren in het land van Luik. Hij had vroeger als kluizenaar een afgezonderd leven geleid, en heet daarom ook wel Peter de Heremiet of de Kluizenaar. Gezeten op een ezel doorkruiste hij West-Europa, verhaalde van de gruwelen der Turken, en wekte de Christenen op het Heilig Graf te heroveren. Maakte deze prediking reeds grooten indruk, aan de uitvoering van het plan

ocr page 32

81

gaf Paus Urbanus II den stoot. In 1095 riep deze in de Fransche stad Clermont een Kerkvergadering bijeen. Op dit Concilie verschenen vierhonderd bisschoppen en abten, honderden hertogen, graven en baronnen en duizenden edellieden. De H. Vader sprak de Vergadering-toe, en wekte de aanwezigen op tot den heiligen oorlog tegen de Turken. Hij beloofde aanzienlijke gunsten en voorrechten aan hen, die de wapenen zouden opnemen. Zijne woorden zette'n de harten in vlam. Een onuitsprekelijke geestdrift maakte zich van allen meester, en onder den uitroep: „God wil het! God wil het!quot; verbonden zich duizenden om Palestina voor de Christenen te veroveren. Allen, die zelve mede naar het H. Land wilden trekken, lieten zich een kruis van rood laken op den schouder hechten, en daarnaar heeten deze mannen Kruisvaarders. Predikers trokken nu het land door om de edelen, de poorters en de lijfeigenen aan te sporen zelve den tocht mede te maken, of hem door een milde aalmoes te steunen. Aan allen werd een Volle Aflaat verleend, en de lyfeigenen werden, door het kruis aan te nemen, uit den staat van dienstbaarheid tot vrije mannen verheven.

Niet het minst ontstaken de bewoners der Nederlanden in geestdrift. Twee der voornaamste vorsten, Godfried van Bouillon en Robert van Vlaanderen, gingen voor, en honderdduizenden uit West-Europa volgden hun voorbeeld. Het door hen op de been gebrachte leger, dat Godfried tot opperbevelhebber had gekozen, rukte niet in zijn geheel op; de aanvoerders kwamen overeen, dat de verschillende afdeelingen elk 'voor zich haar weg zouden gaan, en dat zij

ocr page 33

32

elkander in Konstantimpel zouden ontmoeten. Zeven dagen duurde het, voordat het ontzaglijke leger op de kust van Azië was overgebracht.

Daar aangekomen, had het heir met talrijke moeilijkheden te kampen; want het moest groote landstreken doortrekken, ze van vijanden zuiveren, en zich vele maanden ophouden om versterkte steden te belegeren en te overmeesteren. In de veroverde plaatsen werd een bezetting achtergelaten, zoodat het leger, dat bovendien door ziekte zeer geteisterd was, slechts 50.000 strijders telde, toen men Jeruzalem in het gezicht kreeg. Niet zoodra hadden de Kruisvaarders de H. Stad in het oog, of de onversaagde krijgers vielen ter aarde, kusten den grond door Jezus' kostbaar bloed bevochtigd, en stortten tranen van vreugde en aandoening.

De stad werd door een groot leger ongeloo-vigen hardnekkig verdedigd. Hoewel de moed en de geestdrift der Kruisridders wonderen verrichtten, konden deze de stad niet innemen. Een algemeene stormloop werd afgeslagen, en velen begonnen aan een goeden uitslag te wanhopen. De bevelhebber hernieuwde den volgenden dag den aanval, doch eveneens met ongunstig gevolg: de middag was reeds verstreken, en nóg was er geen enkel kruisvaarder binnen de muren. Daar vertoonde zich ten aanschouwe van het geheele leger boven den Olijfberg een ridder in schitterende wapenrusting, die zijn uitgetogen zwaard naar de stad uitstrekte, als wilde hij de belegeraars aanvuren. „Ziet!quot; riep Godfried uit, „ziet, mannen! God zendt u een bode, om u Zijnen wil te doen kennen!quot; en — eenige oogenblikken later sprong hij, zijn machtig tweehands-slagzwaard zwaaiend, op den ringmuur

ocr page 34

33

der vesting. De anderen volgden hem onder den kreet: „God wil het! God wil het!quot; en na een moorddadig gevecht geraakte de zoo vurig begeerde stad in het bezit der christenen. Dit geschiedde op Vrijdag den 15den Juli 1099, 's namiddags te drie uur. Barrevoets ging het zegevierend leger in processie het H. Graf bezoeken, en men hief er het Te Deum aan tot dankzegging voor de behaalde overwinning.

Jeruzalem moest echter voor de christenheid bewaard blijven. De legeraanvoerders besloten daarom een Koning over het veroverde land te kiezen. De keuze viel op Godfried, als den edelste en waardigste. Maar de nederige held wilde geen koning zijn en een gouden kroon bezitten, waar de Verlosser der Wereld eens een doornenkroon had gedragen; hij vergenoegde zich met den titel Beschermer van het H. Graf.

De godvreezende vorst stierf reeds in het volgende jaar; zijne assche rustin de nabijheid van het Graf des Zaligmakers.

8. Fulco van Bern.

(f 1149.)

In het land van Heusden leefde op het laatst der elfde en in het begin der twaalfde eeuw een edelman, bekend en bemind wegens zijne zucht tot rechtvaardigheid en niet minder door zijne dapperheid en zijn ridderlijken moed. Die man was Fulco van Bern.

Omstreeks 1100 begon hij in de buurt van de huidige stad Heusden een machtigen burcht te

3*

ocr page 35

34

bouwen, welke hare torens fier en dreigend ten hemel strekte, en daarom een doorn in het oog van Fulco's naburen was. De Heer van Heusdenr met wiens zuster Fulco gehuwd was geweest, zag met afgunst en vrees dezen burcht nabij zijn gebied verrijzen. Toen de Heer van Bern hertrouwde met een zeer rijke jonkvrouw, die hem aanzienlijke goederen ten huwelijk bracht,, werd hij nog veel geduchter voor de edelen uit den omtrek, en allen staken, voornamelijk op aanstoken van Herman van Heusden, de hoofden bijeen, om het heer Fulco binnen zijne sterkte benauwd te maken.

De vijandelijkheden werden geopend door Wichard, heer van Wijk, bij Heusden. Het visschen van Wichards dienaren onder de muren van het Bernsche kasteel gaf aanleiding tot een hevigen twist, welke zóó hoog liep, dat Fulco zijn wederpartij in woede met een lans doorstak. Deze moord joeg natuurlek de zonen van den Heer van Wijk in het harnas, die besloten, bloedige wraak te zullen nemen. Zij gingen tot koning Lodewijk, die menigwerf op het Valkhof te Nijmegen de Paaschdagen sleet, of in den omtrek het jachtvermaak genoot. Fulco, hiervan onderricht, werd niet weinig bevreesd. Het waarachtige, ernstige berouw over zijne blinde drift en de alom bekende rechtvaardigheidszin des konings drongen hem ten zeerste deze aanklacht te voorkomen. Van vrienden en magen vergezeld begaf hij zich naar Winsen, waar de schuldige in deemoedige houding de zonen des-vermoorden ridders opwachtte. Blootsvoets en met uitgetrokken zwaard boven het hoofd, bad Fulco neêrgeknield nederig om vergiffenis. De tusschenkomst en bemiddeling van goede man

ocr page 36

35

nen bewerkten de verzoening, en de strafwaardige zaak kwam niet voor het koninklijke gericht.

Een tweede twist volgde alras den eersten. Herman van Heusden maakte aanspraak op het bezit van den burcht Bern zelf, en zocht een voorwendsel om Fülco den oorlog aan te doen. Dit was weldra gevonden. Dienaren van Heusden waren in Berns tuin gebroken, en hadden daar gestroopt; doch zij waren hierbij betrapt geworden, en met dorschvlegels en stokken zoo geducht toegetakeld, dat zij met bebloeden kop zich bij hun meester gingen beklagen.

Nu brak de woede van den Heer van Heusden los; verscheidene malen beproefde hij het kasteel van Bern te overrompelen, doch te vergeefs. Fulco sloeg dapper van zich af, en het gelukte hem zijn eigendom te behouden. Vrede en verzoening kwam er echter tusschen de broeders niet tot stand.

Op zekeren dag draaft Fulco zwaar gewapend door de Bommelerwaard; zijne wegen zijn echter verraden en Heusden heeft hem een hinderlaag gelegd. Zoodra de koene ruiter nadert, komt zijn vijand voor den dag en stort zich onder krijgsgeschreeuw op hem en zijn gevolg. Daar dacht Fulco, dat zijn laatste uur gekomen was! Zijne kloekste gezellen ziet hij rondom zich uit den zadel lichten en afmaken, hij zelf strijdt, zoolang zijn arm het zwaard kan voeren; doch de overmacht is te groot. Van alle kanten wordt hij besprongen, nog ééne wanhopige poging waagt hij, met geweid breekt hij door zijne vijanden heen en vlucht met lossen teugel. Doch

ocr page 37

36

in de hitte van den strijd en de verwarring der vlucht is hij den weg bijster geworden en bemerkt hij niet, dat zijn paard hem regelrecht naar de hïaas voert. Heusden vervolgt met de grootste snelheid Fulgo, voor wien nu geen ontkomen meer mogelijk is. Daar ziet deze eindelijk de gele wateren der Ai aas voor zich in de zon wemelen, en hij acht zich verloren; achter hem nadert de vijand, voor zich ziet hij de rivier! In dat uiterste heft hij de handen ten hemel en roept met luider stemme Gods bijstand in; hij belooft een klooster te zullen stichten ter eere der Moeder des Heeren, als hij dit gevaar ontkomen mag, en werpt zich dan op Gods genade en machtige hulp vertrouwend in den diepen stroom. De vijandelijke pijlen weert hij met het schild af, het paard vuurt hij met de kracht der wanhoop aan, en tot verbazing der toeschouwers brengt het bijna uitgeputte dier zijn berijder behouden en wel aan de overzijde. Krachten van_ ruiter en ros, hoe moedig ook, moesten hier wel te kort schieten; een wonder, het uitwerksel der almacht Gods, diende tusschenbeide te treden, zou hij het gevaar ontkomen. Sommigen willen gezien hebben, dat de H. Maagd, in schitterend wit gewaad achter Fulco over den stroom zweefde en haar beschermeling redde. Zijne woedende vervolgers stonden met verbazing en schrik dien buitengewonen tocht gade te slaan.

De keizer had al zijne leenmannen opgeroepen om hunne hulde te ontvangen. Fulco reed ten hove, en ook Herman van Heusden trok derwaarts, doch kwam zóó laat aan, dat nergens onder-

ocr page 38

37

komen voor hem te vinden was. De heer van Bern, in wiens gemoed sedert zijne wondervolle redding een groote omkeering had plaats gegrepen, had nauwelijks vernomen, dat zijn gezworen vijand genoodzaakt was met geheel zijn gevolg onder den blooten hemel te vernachten, of hij liet hem zijn eigen verblijf aanbieden. Diep getroffen nam Heusden het aanbod aan, en nu onder één dak gelegerd, aan één tafel gezeten, kwamen bij beide schoonbroeders de herinneringen aan vroegere, gelukkiger dagen weer boven, en Fulgo sprak: „Broeder! ik heb onlangs beloofd een klooster te stichten. Gij betwist mij Bern; welnu! ik sta het af, maar geven wij beiden het over aan God, zoo zal het wèl bewaard wezen.quot; Heusden berustte met blijdschap in den voorslag. En toen beide heeren als vrienden van den Rijksdag terugkeerden, juichten hunne onderdanen van vreugde, wijl de oorlog met zijn vreeselijk gevolg van moord en brand het land verliet.

De krijgsbanier verdween van Berns torenspits, en het kruis werd er voor in de plaats gesteld. De klok riep het volk niet meer ter heirvaart, kondigde geen oorlog en brandstichting meer aan; zij was een bedeklok geworden, welke den landman uitnoodigde om in de kloosterkerk de heilige diensten te komen bijwonen. Op de trappen van het kasteel klonken de ijzeren strijdlaarzen en zwaarden der ridders niet meer; voorhof en gangen wemelden niet langer van lansknechten, boogschutters, valkeniers en jagers; maar vreedzame kloosterlingen wandelden daar nu in gebed en overweging.

En Fulco zelf? — Het heilige en schuldelooze leven der monniken, de heerlijke geur hunner

ocr page 39

38

verheven deugden trok hem aan. Hij legde den krijgsriem af, dien hij zoo lang en zoo eervol had gedragen, en in zijn voormalig kasteel omgordde hij zich voortaan met de koorde van den monnik. Fulgo betrok de stille cel in zijn geliefd Bern-, als nederig leekebroeder sleet hij de overige dagen van zijn leven op de plek, waar zijne jeugd en mannelijke jaren in woeling en strijd en feestgedruisch waren voorbij gevlogen.

9. Tocht naar Damiate Graaf Willem I.

(1219.)

Korten tijd na den dood van Godfried van Bouillon was Jeruzalem weder in handen der Turken gevallen, en alle pogingen om de stad te heroveren waren mislukt. In het begin der 13e eeuw werd er opnieuw vanwege Z. H. den Paus een kruistocht gepredikt in deze landen. Bij gelegenheid, dat duizenden pelgrims te Dok-kum waren samengestroomd om er de voorbede van den H. Bonifacius in te roepen, en de wensch des Heiligen Vaders aldaar werd medegedeeld, hechtten velen zich het kruis op den schouder en maakten zich gereed voor een tocht naar het H. Land. Ook in Duitschland had de roepstem van het Hoofd der Kerk weerklank gevonden in de harten der geloovigen; een groot leger was er gereed om tegen de Muzelmannen op te trekken.

De Nederlanders stonden onder aanvoering van Graaf Willem I.

ocr page 40

39

In 1217 zeilden de Hollanders, Friezen en Duit-schers uit; zij deden onderweg Spanje aan, waar ze in Santiago het graf van den H. Apostel Jacobus bezochten, om over hunne onderneming 's Hemels zegen af te smeeken. Daarop begaven ze zich naar Lissabon.

Spanje en Portugal waren destijds voor een groot deel in de macht der Mohammedanen en de christenen aldaar hadden van hen zeer veel te verduren, 't Was derhalve geen wonder, dat de Portugeezen de kruisvaarders smeekten, hen tegen de ongeloovigen te willen helpen. De volgelingen van den „Profeetquot; hadden te Lissabon «en sterk kasteel bezet, waardoor zij de stad in bedwang hielden, en zij vorderden elk jaar honderd christenslaven als schatting voor den sultan van Marokko. Willem I en de zijnen voldeden aan het verlangen hunner geloofsgenoo-ten; zij trokken tegen de ongeloovigen op, namen de sterkte in en behaalden een luisterrijke overwinning.

Nu werd de tocht voortgezet. Men ging te Rome de graven der H.H. Apostelen bezoeken, smeekte om den zegen des H. Vaders en kwam in 1218 voor Damiate in Egypte. Deze stad was een van de sterkste vestingen der Mohammedanen. Had men haar veroverd, dan lag de weg naar het H. Land open. Men sloeg daarom het beleg om de sterkte, doch hoe moedig en krachtig ook aangetast, zij scheen onneembaar. Daarenboven had het leger veel te lijden van besmettelijke ziekten, welke duizenden strijders uit het leven wegrukten. Damiate zelve was niet te naderen; vóór de stad op een eilandje in de rivier lag een sterk kasteel dat ruimschoots van krijgers, wapenen en levensmiddelen voorzien was; bovendien

ocr page 41

40

bleek de Nvjl door zware ijzeren kettingen afgesloten. Sommigen spraken er reeds van het beleg op te breken en naar het vaderland terug te keeren; doch Olivier van Keulen, dezelfde, die te Dokkum den kruistocht gepredikt had, wist den gezonken moed weder op te beuren. Toen alle pogingen om de stad in te nemen mislukt waren, vervaardigde hij een kunstig werktuig. Op den romp van twee schepen, welke door balken en ijzeren banden stevig waren verbonden, liet hij een vlot slaan, en daarop een sterken toren bouwen! Deze was met huiden bekleed, van zeilen, een valbrug en stormladders voorzien, en kon verscheidene soldaten bergen. Nu ging het op het kasteel los! Terwijl het gevaarte langzaam de rivier opvoer, trok de geestelijkheid in processie, met het kruisbeeld voorop en gevolgd door bijna geheel het leger, langs den oever met het vaartuig voort, lof- en boetezangen zingend en 's Hemels zegen af-smeekend op de onderneming. Men bereikte gelukkig de sterkte, liet de valbrug neder, zette de ladders op, en na een allerhardnekkigst gevecht van zesendertig uren waaide de kruisvaan van het kasteel. Terwijl de overwinnaars het Te Deum aanhieven in het veroverde bolwerk, antwoordde het gansche leger op den oever met het Gloria in excelsis Deo, aldus Gode de eer gevend van de zege. En God had ook zichtbaar met de christenen gestreden; want bij de inneming van het kasteel was geen enkel Kruisvaarder gesneuveld. Men nam vervolgens de ketenen, welke de rivier versperden, weg, en nu lag de toegang tot de stad open; doch het duurde nog wel een groot jaar, voor de onneembaar geachte vesting aan de Turken ont-

ocr page 42

41

weldigd was, en het kruis er op de gevels der kerken prijkte.

Het leger der Kruisvaarders had echter te veel geleden om nu nog met goed gevolg tegen Jeruzalem te kunnen oprukken. Met buit en roem beladen keerden de dapperen naar het vaderland terug.

Ter gedachtenis aan den roemrijken tocht versierden de Friezen den toren van de kerk te Dokkum met een schip als weerhaan, en schonken de Hollanders aan de Sint-Bavokerk te Haarlem eenige klokjes, die 's avonds de vespers luidden en de Damiaatjes genoemd werden.

10. Graaf Willem II, Roomsch-Koning. (f 1256)

De lijfeigenen, die. door het deelnemen aan een Kruistocht als vrije mannen in het vaderland waren wedergekeerd, zochten gedeeltelijk hun bestaan in koophandel en scheepvaart. Hier en daar aan de uitmonding van een stroom, of bij de splitsing van een rivier, waren opeen-hoopingen van huizen ontstaan, zoodat de men-schen gemakkelijk met hunne vaartuigen naar onderscheidene streken konden trekken. De bewoners van zulk een buurt hadden zich met wallen en grachten omringd, om zich tegen dieven en roovers, soms ook wel tegen een heerschzuchtig edelman uit den omtrek te kunnen verdedigen. Zoo ontstonden de steden, — natuurlijk zeer verschillend van de tegenwoordige koopsteden, — en de bewoners ervan heet-

ocr page 43

42

ten poorters. Zij verkregen inzonderheid van den Hollandschen graaf Willem II vele voorrechten, welke hun nering en bedrijf, hun handel en scheepvaart op alle wijzen ten goede kwamen. Daardoor werd deze de afgod van het volk. De roem van 's graven naam was verre buiten de grenzen van Holland verbreid: in gansch West- en Midden-Europa werd hij als een goed en rechtvaardig vorst geprezen.

In Duitschland woedde de burgeroorlog. De keizer had zich aan den Paus vergrepen, en nu wilden velen zijner onderdanen hem niet meer erkennen. Zij kozen daarom Willem tot Koomsch-Koning: zóó werd de vorst van dat rijk genoemd; den keizerstitel verwierf deze eerst, wanneer hii te Rome door den Paus werd gekroond. Dezen titel heeft onze graaf echter nooit mogen dragen, want aanhoudende oorlogen beletten hem naar de Eeuwige Stad te trekken. De waardigheid van Roomsch-Koning was op zich zelve reeds een groote eer.

Voordat Willem gekroond werd, ontving hij te Aken den ridderslag.

Terwijl de Graaf voor het hoogaltaar eerbiedig lag neergeknield, hield 's Pausen afgezant den jeugdigen vorst diens plichten voor oogen. Hij moest zijn milddadig, bescheiden, oprecht, dapper, standvastig in voor- en tegenspoed, en onwankelbaar in de deugd. Eiken dag diende hij te beginnen met het hooren der H. Mis; hij moest aan de Kerk en hare dienaren hulp ver-leenen; weduwen en weezen in den nood bijstaan ; onrechtvaardige oorlogen vermijden; in 't kort, onberispelijk voor God en de wereld leven. „Indien,quot; zoo vervolgde de afgezant, „indien gij deze voorschriften naar uw beste vermogen na-

ocr page 44

48

komt, dan zult gij in deze wereld tijdelijke eer, en na uwen dood de eeuwige rust in den hemel verwerven.quot;

Hierop legt hij Willem de banden op het Evangelie.

„In den Heiligen Naam onzes Heeren,quot; vervolgt hii, „vraag ik u in de tegenwoordigheid van al deze getuigen, of gij u in den ridderstand wilt begeven, en de plichten daaraan verbonden, trouw zult vervullen?quot;

„Jaquot;, antwoordt de vorst, „dit zweer ik bij het H. Evangelie, waarop mijne handen rusten.quot;

Thans nadert de koning van Bohemen, trekt zijn zwaard, en geeft daarmede den nog steeds geknielden Willem een slag op den schouder, zeggende:

„Ter eere van den Almachtigen God sla ik u tot ridder en neem u volgaarne in ons genootschap opquot;.

Dagen lang werd er feest gehouden, en daarna deed Willem zijn intocht inveleZtóscAe steden-

Op een ongelukkige wijze kwam de veelbelovende vorst om het leven. Hij moest aanhoudend oorlogen tegen de West-Friezen; hoewel menigmaal onderworpen, stond dit ontembare volk telkens weder op. In 1256 trok hij opnieuw tegen hen te velde en was reeds spoedig met zijn leger tot Roogivoud doorgedrongen, 't Was najaar, en een ijskorst bedekte de wateren. Bij zijne nadering vluchtten de Friezen over de bevroren poelen en plassen. In zijn ijver was Willem het leger weldra vooruit gesneld; doch het nog broze ijs kon den zwaar geharnasten ridder en het strijdros niet dragen. Het paard

ocr page 45

44

zakte er door, de Graaf werd door de in allerijl toegesnelde Friezen overvallen en — bezweek onder het mes zijner vijanden. Het lijk voerden de moordenaars met zich mede, en begroeven het in een boerenwoning onder de haardstede.

11. Floris Y.

(f 1296.)

De dood van graaf Willem II werd gewroken door diens zoon en opvolger Floris V, die de Friezen volkomen onderwierp. Op een zijner tochten had deze het geluk het gebeente zijns vaders te ontdekken. Een oud man, wellicht een van Willems moordenaars, wees hem de plaats, waar het lijk van den Graaf verborgen lag. Eerbiedig liet Floris het stoffelijk overschot opgraven, en met groote pracht te Middelburg ter aarde bestellen.

Als Graaf van Holland had Floris voortdurend quot;te worstelen tegen zijne vazallen, de edelen en ridders, die hem dikwijls niet als hun leenheer wilden erkennen. Hij begunstigde handel en scheepvaart, schonk aan de opkomende steden menig voorrecht, kortwiekte de macht van den adel, en beschermde poorter en dorper tegen de willekeur en den overmoed der edelen. Daardoor werd hij de lieveling des volks, dat hem met eerbied noemde der Keerlen God.

De edelen vatt'en daarom een feilen haat tegen hem op, en besloten hem uit den weg te ruimen. Gerhard van Velzen, Gijsrrecht van Amstel, Jan van Kuik en Herman van Woerden waren de voornaamste saamgezworenen.

ocr page 46

45

Op een gastmaal, dat te Utrecht gehouden werd om een twist tusschen een paar edelen bij te leggen, was ook Floris genoodigd. Na den maaltijd zou men op de valkenjacht-gaan. De Graaf werd gewaarschuwd wèl op zijne hoede te willen wezen; doch de argelooze Fumis sloeg deze raadgeving in den wind. Nauwelijks had men echter de stad achter den rug, of Van Woerden greep 's Graven paard in den teugel, hield zijn heer staande, en riep hem toe: „Uwe hooge sprongen zijn uit, Heer Graaf! gij zijt onze gevangene!quot; Floris geloofde aanvankelijk dat men schertste, doch de dreigende gebaren en de harde woorden der hem omringende edelen overtuigden hem al spoedig, dat het hooge ernst was. Hij trachtte daarom te vluch-ten; doch werd gegrepen, ontwapend en in allerijl naar Muiden gevoerd. Vandaar wilde men hem naar Engeland zenden, welks Koning hevig op Floris gebeten was, en die hem zeer zeker niet spoedig uit de gevangenschap zou ontslaan. Als een loopend vuur verspreidde zich de mare, dat de Graaf in handen zijner vijanden gevallen was en te Muiden gevangen zat. Van alle zijden snelde het volk uit Amstelland en Gooiland toe om den geliefden Heer te verlossen; vele West-Friezen kwamen met hunne scheepjes opdagen en kruisten vóór de stad ten einde aan de edelen den weg over zee af te snijden.

De saamgezworenen besloten nu den armen Graaf heimelijk uit het Maiderslot weg te voeren. Zij bonden hem op een paard, stopten hem een prop in den mond en namen hem in hun midden. Doch nauwelijks waren zij op weg, of de toegestroomde menigte kwam zijn beminden

ocr page 47

46

graaf opeischen, zeggende: „Blijft af van onzen Heer, geeft ons den vorst terug:'. Van Velzen, die vooruit reed om den omtrek te verkennen, antwoórdde: „Dat nooit!quot; Spoorslag rende hij naar zijne medeplichtigen terug, keerde zich tot den Graaf, hief het zwaard op en trachtte hem het hoofd te klooven. Floris' paard sprong echter ter zijde in een sloot, en Van Velzen's zwaard kapte den Graaf de handen van het lichaam. Daarop vielen ook de anderen op Floris aan, en brachten hem meer dan twintig wonden toe, waarna zij ijlings de vlucht namen. Het landvolk vond zijn armen Heer zieltogende, en toen deze uit het water getrokken was, blies hij den laatsten adem uit.

Het diepbedroefde volk begroef den beminden vorst te Alkmaar. Hier toonden redelooze dieren, dat zij dankbaarder waren dan de edelen, die door Floris met weldaden waren overladen. Twee hazenwinden, welke hun meester gevolgd waren, wilden het lijk niet verlaten; zij weigerden alle voedsel en stierven op het graf van hunnen heer.

De moordenaars ontkwamen hunne gerechte straf niet. Van Velzen werd met eenigen züner medeplichtigen geradbraakt, terwijl Van Woerden, Van Amstel en Van Kuik levenslang in ballingschap moesten rondzwerven.

12. Een goed Yorst.

(omstreeks 1325.)

Een voortreffelijk vorst over Holland en Zeeland was ongetwijfeld graaf Willem III. Vermaagschapt aan den keizer van Duitschland en

ocr page 48

47

de koningen van Engeland en Frankrijk, stond hij bij de naburige volken hoog in aanzien; zijne onderdanen beminden hem zóó zeer, dat ze hem den bijnaam van den Goede gaven. Mild of streng, naarmate de omstandigheden dat vereischten^ bevestigde hij zijn gezag in eigen land, en wist hij het naar buiten bestendig uit te breiden. De ontembare Friezen onderwierp hij, en hij slaagde erin hen door een zachte behandeling geheel voor zich te winnen. Volgens landsgebruik werd hij door de vier voornaamsten van dit volk op een schild geheven en daardoor voor altoos als Heer erkend. Zijne uitgestrekte landen bestierde hij met wijsheid en gematigdheid, waardoor hij den vrede binnen- en buitenlands bewaarde, rust en welvaart in zijne staten bevorderde en de goede betrekkingen met zijne naburen onderhield. Rechtvaardig was hij voor al zijne onderdanen, en hij handhaafde de wet zonder aanzien des persoons. Het volgende moge hiervan ten bewijze strekken:

Een edelman had een armen boer diens eenige koe ontnomen. Dit kwam den graaf ter oore, die den roover voor zich deed verschijnen. Toen Willem hem daarover zijn groot misnoegen te kennen gegeven en hem het misdadige van zijne daad onder het oog had gebracht, beloofde de edelman het ontroofde dubbel te zullen vergoeden. Doch de Graaf nam hiermede geen genoegen en antwoordde; „De man is hiermede wel voldaan, doch niet het recht.quot; En tevens ter waarschuwing, van wie de slechte daad des edelmans zou willen navolgen, veroordeelde hij hem ter dood.

Het volgende voorval zal ons doen zien, dat Willem de liefde des volks in hooge mate bezat.

ocr page 49

48

Eens verzocht hij zijne onderdanen hem duizend gulden te willen schenken, welke hij voor zeker doel beweerde noodig te hebben. „Dat is te weinig,quot; antwoordde men hem, „we willen u tienduizend geven.quot; De goede gezindheid van zijn volk bemerkende, hernam de graaf: „Neen, neen! houdt en bewaart ze maar. Nu zie ik, dat ge mij in tijd van nood uwe penningen niet. zult onthouden,quot; maar bijstaan, wanneer ik uwe hulp inroep.quot;

Diep betreurd door zijne onderdanen overleed de beminde vorst.

Onder zijne regeering ontstond er een groote hongersnood. In den zomer van 1313 vielen er onophoudelijk slagregens, waardoor het graan en de andere veldvruchten verrotten, zoodat er bijna niet geoogst kon worden. Nijpende hongersnood volgde. Men sloeg elkander dood om een bete broods, een handvol koren; zelfs de naaste bloedverwanten misgunden elkander, wat het leven zou kunnen rekken. De kruiden des velds en de bladeren der boomen werden een zeer gezochte spijs voor den gewonen man, en wie daarbij het een of ander dier, al was het ook een hónd of kat, kon machtig worden, was in staat zich een feestmaal te bereiden. Het kon dan ook niet anders of de hongerkoorts moest uitbreken, na eenigen tijd gevolgd door een vreeselijke pestziekte. Wie aangetast werd, moest het met den dood bekoopen. Weldra waren er geen handen genoeg om de zieken op te passen en te verplegen, misten de levenden den moed en de kracht om de dooden te begraven. Duizenden bij duizenden werden uit het leven weggemaaid. Zeer weinigen zouden de

ocr page 50

49

handen van den wreeden dood ontkomen zijn, hadden de vele kloosters hunne poorten niet ontsloten voor de uitgevaste scharen, hadden de monniken niet met milde hand van hun opgezamelden voorraad meegedeeld. Deze huizen des gebeds waren nu ook in waarheid geworden huizen van barmhartigheid. Alle dagen werd er voor de bewoners van den omtrek de tafel aangerecht, kon elk er zich verzadigen aan voedzame en smakelijke spijs. Dit duurde zoo tot het volgende voorjaar. ïoen kwam er rijke toevoer van graan uit de Oostzee-landen, waar geen misgewas had geheerscht, maar integendeel een overvloedige oogst gewonnen was. Een hoeveelheid koren, welke eenige maanden te voren nauwelijks voor 75 cent was te bekomen, kostte nu niet meer dan een stuiver.

Uit dit voorval zien we7 dat reeds in dien tijd de bewoners van de kusten der Oostzee in levendige handelsbetrekking stonden met de Hollanders, en hier de waren ter markt brachten, welke ze zelf niet behoefden.

13. Moeder en Zoon.

(omstreeks 1350.)

In het midden der 14e eeuw regeerde over Holland, Zeeland en Friesland gravin Margaretha. Zij stond echter het bestier over haar gebied af aan haar zoon Willem onder voorwaarde, dat deze haar jaarlijks 10.000 oude schilden {7500 gulden) daarvoor zoude uitkeeren. De ondankbare zoon bleef ras nalatig in het betalen der bedongen som. Daarom besloot de moeder

4*

ocr page 51

50

de regeering zelf weder te aanvaarden. Het was echter gemakkelijk te voorzien, dat Willem de teugels van het bewind niet zou laten glippen. Hij wilde graaf zijn en het blijven zonder aan zijne moeder den verschuldigden cijns te betalen. Deze noodlottige twist tusschen moeder en zoon veroorzaakte een binnenlandsche tweespalt, waaruit partijschappen ontstonden, welke bijna twee eeuwen lang voor ons vaderland een bron van ellende waren. De edelen omhelsden groo-tendeels de partij der beleedigde moeder en genoegzaam alle steden hielden het met den zoon. De aanhangers van Margaretha noemden zich Hoekse hen, de volgelingen van Willem Ka-beljauwschen. Elke partij nam, behalve een naam, ook nog een onderscheidingsteeken aan: de Hoekschen droegen roode, de Kabeljauwschen grijze mutsen, zoodat de partijgenooten elkander dadelijk konden herkennen.

Willem weigerde het jaargeld aan zijne moeder uit te keeren, die daardoor in geldelijke ongelegenheid kwam. En weinig tijds daarna verklaarde hij de overeenkomst mei haar aangegaan verbroken, verbande de edelen, die het met Margaretha hielden, en riep zijne eigen partijgenooten onder de wapenen. Margaretha van haar kant zocht hulp en steun bij hare aanhangers, en weldra stonden de legers van moeder en zoon gewapend tegenover elkaar in het veld.

Ergerlijk was deze familietwist in hooge mate. Daarom beijverden zich welgezinde en hooggeplaatste personen een vergelijk tusschen Willem en zijne moeder te treffen. Dit gelukte. Margaretha verzoende zich met haar zoon; zij schonk hem vergiffenis en werd door hem weder als

ocr page 52

51

gravin erkend. Doch de goede verstandhouding duurde niet lang. Zijne Kabeljauwsche raadslieden hitsten Willem weer tegen zijne moeder op, en Margaretha, geen kans ziende om haar gezag te handhaven, wendde zich tot koning Eduard van Engeland met de bede om hulp en bijstand. De koning zond te barer ondersteuning een vloot naar Zeeland, waar Margaretha zich meestal ophield en de edelen baar zeer genegen waren. Willem had óók een scheepsmacht verzameld en tastte daarmede die van Eduard aan, doch werd geslagen en genoodzaakt naar Holland te wijken. Spoedig echter had bij een nieuwe vloot uitgerust en viel daarmede bij Brielle de schepen zijner moeder aan. Na een moorddadig gevecht (men verbaalt, dat de Maas drie dagen lang rood zag van het vergoten bloed) werd de Engelsche vloot vernietigd; de bevelhebber verloor het leven, een groot getal edelen werd gevangen genomen en Margaretha vluchtte voor haar zoon naar Henegomven.

Alom werden nu de Hoekschen vervolgd en ten lande uitgedreven: van zeventien hunner kasteelen bleef de eene steen niet op den ander. Vruchteloos beproefde de Engelsche koning den twist tusschen moeder en zoon bij te leggen; het geheele land was in twee partijen verdeeld, die met de wapenen elkander zochten te verdelgen. Wel gelukte het aan scbeidslieden moeder en zoon met elkander te verzoenen, doch de burgers stonden meer verbitterd dan ooit tegenover elkaar,

Margaretha overleefde deze verzoening niet lang, zij stierf door hartzeer verteerd reeds bet volgende jaar (1355). Willem bleef nu wel in het bezit der grafelijke waardigheid, doch de

ocr page 53

52

zoon, die zijne moeder zoo schandelijk bejegend had, kon niet gelukkig zyn. God, voor Wien een ondankbaar kind een gruwel is, scheen niet te gedoogen, dat het ontaard gedrag ongestraft jjleef. Na eenigen tijd werd Willem krankzinnig, ja, hij verviel tot volslagen razernij. De graaf, die nu niet meer zich zeiven, veel minder nog het land regeeren kon, werd als een wild dier opgesloten, en leefde in dien ongelukkigen toestand nog dertig lange jaren. Onophoudelijk door wroeging gefolterd over het leed zijner moeder aangedaan, sleet hij het ongelukkigste leven, dat zich denken laat; een waarschuwend voorbeeld voor alle kinderen, die het Vierde Gebod niet onderhouden.

14 Ontwikkeling en Beschaving.

Toen het krachtige en machtige rijk van Karel den Groote uiteengespat was, en kleine vorstjes onderling elkander in deze streken onophoudelijk beoorloogden, konden goede zeden, godsvrucht en beschaving niet vooruigaan; integendeel, zij namen af. Het volk werd ruw, arm en onwetend; de zeden bedierven, aan wetenschap en kunst werd bijna niet meer gedacht. Het gros der menschen kon noch lezen, noch schrijven; behalve geestelijken en kloosterlingen legden zich slechts kooplieden op beide thans voor ieder mensch onontbeerlijke kunsten toe. De edelen en grooten droegen zelfs roem op hunne onkunde, zoodat men in openbare akten meermalen moest inlasschen: „Gezegde heer heeft verklaard, in zijne hoedanigheid van edel-

ocr page 54

53

man, niet te kunnen schrijven.quot; De hertogen en graven zeiven hielden er voor hun schrijfwerk steeds klerken uit den geestelijken stand op na, of wel ze hadden aan hun hof een of meer kapelaans, die tevens hunne geheimschrijvers waren. Ook handel en nijverheid waren zeer achteruitgegaan, terwijl land- en tuinbouw slecht beoefend werden. Al deze onheilen waren te^ wijten deels aan de herhaalde invallen der Noormannen, deels aan de aanhoudende binnenlandsche oorlogen, deels aan de onderdrukking des volks door de edelen.

Evenwel ontbrak het ook in die donkere tijden, waarin stelen, moorden en rooven aan de orde van den dag waren, niet aan voorbeelden van christelijke deugd en godsvrucht. Menig geestelijk gesticht, menig klooster werd door de giften van adellijke, zelfs vorstelijke familiën tot stand gebracht, hetwelk dan tot een steun der armen en der arbeiders verstrekte. Den werkenden stand te helpen was ook wel noodzakelijk, daar een werkman destijds slechts een stuiver daags verdienen kon, waarvan hij wekelijks nog een stuiver huishuur betalen moest. Vele kerken werden door de voorname geslachten geslicht, dewijl zij uitgingen van de stelling: „Wie voor God een huis bouwt, bereidt zich zeiven een woning in den hemel.quot; Ook zorgden de geestelyken, dat de godsdienst zuiver bewaard bleef, en dat de Wet des Heeren aan hoog en laag werd voorgehouden.

De kruistochten werkten mede tot bevrijdingen beschaving der bevolking. Door deze werd de woestheid der zeden getemperd en de godsdienstijver weder opgewekt, terwyl de ridder-

ocr page 55

54

lijke geest der edelen werd onderhouden en aangevuurd door de stoute krijgsbedrijven, in die heilige oorlogen uitgevoerd. Elk, die het kruis aannam, werd vrij man, waardoor het getal lijfeigenen sterk verminderde, ja, de slavernij allengs ophield. Vele edelen, die de kruistochten op eigen kosten en met veel luister wilden meemaken, verkochten of verpandden hunne erfgoederen. Deze kwamen daardoor in handen van nijvere burgers of boeren, door wie akkerbouw en veeteelt meer en beter behartigd werden. Zoo ontstond er een vrije landbouwersstand.

Door de tochten naar het Oosten werd men bekend met vreemde landen en volken. Onze schepen bezochten weldra de Middellandsche zee, om te' halen, wat ons ontbrak of heen te voeren, wat hier werd voortgebracht. En het duurde niet lang of Nederlandsche schepen bezochten de Oostzee-landen om koren en hout te halen, wollen stoffen, boter en kaas te brengen. Amsterdam was toen nog slechts een dorp, niet verre van de koopstad Weesp gelegen, doch zou weldra tot een stad verheven worden, en alle handelsplaatsen van ons land overvleugelen.

In de Oostersche landen had men fraaie bouwwerken aanschouwd, en het verlangen, om in het Vaderland ook zulke steenen verblijven te hebben, mee naar huis gebracht. De houten huizen, welke tot dusverre nog geen schoor-steenen bezaten en met stroo of riet gedekt waren, werden — het eerst in de steden — door doelmatige steenen gebouwen vervangen. Men begon ook veel schoone kasteelen, kloosters, abdijen en vooral kerken te bouwen met sierlijke torons, zoodat stad en land weldra een geheel ander voorkomen verkregen.

ocr page 56

55

In de 13« eeuw, welke de eeuw van vooruitgang, van vrijheid, beschaving en welvaart mag genoemd worden, kwamen de burgerlijke gemeenten tot stand. De poorters of stedelingen, de dorpers of dorpbewoners vereenigden zich met de vrij geworden lijfeigenen om hunne eigendommen en rechten tegen den overmoed des adels en desnoods zelfs tegen den vorst te verdedigen. Zij verkozen uit hun midden bekwame mannen tot rechters en overheden, die schepenen genoemd werden, boven wie de vorsten dan schouten, baljuws en drosten als opperrechters aanstelden om ook hunne rechten en belangen te behartigen. Hieruit werd het burgerlijke bestuur der gemeenten geboren. Die opkomst der steden, burgerijen en gemeenten hebben we vooral te danken aan graaf Willem II, Floris V en de bisschoppen van ; deze mannen

waren de weldoeners hunner onderdanen.

Overal werden hoogere en lagere scholen gebouwd, inrichtingen, waar de toekomstige geestelijkheid voor haar verheven ambt werd opgeleid, of waar de kinderen des volks de noodige kennis konden verwerven. Het volk vond bij de geestelijken en in de kloosterscholen weder genoegzame gelegenheid om in den godsdienst en de noodzakelijke wetenschappen onderwezen te worden. Tegen het einde der 13e eeuw had de volkstaal zich ontwikkeld tot schrijftaal, en nog zijn ons werken uit dien tijd bewaard gebleven. Graaf Floris V beval, dat voortaan alle stukken, door zijne regeering uitgevaardigd, in de taal des volks moesten opgesteld worden in plaats van in het Latijn, hetwelk toenmaals de hoftaal was en niet alleen door de geestelijken maar ook door de grooten des lands gesproken en geschreven werd.

ocr page 57

56

De landbouw breidde zich meer en meer uit tengevolge van den gezegenden invloed der kloosters en abdijen, welke overal door het land verspreid waren. Door de zorg der kloosterlingen werden moerassen, heiden eu wildernissen in vruchtbare landouwen en beemden herschapen,, meren drooggemalen, kanalen gegraven, wegen aangelegd. Daarbij werd de zuivelbereiding vlijtig beoefend en hare producten zelfs naar afgelegen landen vervoerd.

In de steden, welke gestadig in aantal en grootte toenamen, legden de burgers zich met onverdroten ijver op neringen, kunsten en ambachten toe. Zij, die hetzelfde bedrijf uitoefenden richtten een broederschap of gilde onder elkander op met een deken of gildemeester aan het hoofd. Daar de godsdienst het middelpunt was, waarvan zij uitgingen, stelden de gilde-broeders hunne vereeniging onder de schuts van den een af anderen heilige, dien zij hun patroon of beschermheilige noemden. Deze schutspatroon was op hun vaandel afgebeeld en zij vereerden hem in hunne parochiekerk gewoonlijk aan een afzonderlijk altaar. Niemand mocht zich als baas of meester in eenig ambacht vestigen, voordat hij proeven van bekwaamheid had afgelegd en door een commissie uit het gilde als genoegzaam bedreven in zijn vak tot „meesterquot; was verklaard. Dat op zulk een wijze zeer bekwame werklieden werden gevormd, spreekt wel van zelf. Nog heden ten dage kunnen we in vele kerken en kloosters kunstgewrochten bewonderen, welke een treffend getuigenis afleggen van de groote bekwaamheid onzer voorvaderen.

Naast de nijverheid in fabrieken en ambachten

ocr page 58

57

bloeide de handel door de uitbreiding der scheepvaart. Nadat het kompas was uitgevonden, behoefde de zeeman niet langer slechts alleen langs de kust te varen, maar kon hij de zee oversteken om den naasten weg naar de handelsplaatsen te vinden. De uitvinding van het haringkaken gaf weldra een nog grootere uitbreiding aan handel en scheepvaart, zoodat de Nederlanders de vrachtvaarders werden van gansch Europa.

15, Een paar Uitvindingen.

(14a en 15e eeuw.)

De Engelsche koning had omstreeks het begin der 14e eeuw aan de Hollanders, Zeeuwen en Friezen vrijheid geschonken om op de Britsche kusten ter haringvangst te varen. Met ijver legden de inwoners van Hoorn en Enkhuizen zich op deze visscherij toe, welke nochtans geen groote voordeelen kon opleveren, daar de haring versch of gerookt moest gebruikt worden. Doch toen een halve eeuw later zekere Willem Beukelszoon van Biervliet het kaken en zouten van den haring uitvond, en men begon de kleine netten door de groote haringnetten te vervangen, nam deze visscherij een hooge vlucht. Onze voorvaderen noemden haar met recht de Groote Visschery. In sommige zomers ving men driemaal honderdduizend tonnen van dezen visch, — voor duizenden monden een heerlijk voedsel, voor duizenden gezinnen 'het middel een ruim stuk brood te verdienen.

Ja; men kan naar waarheid deze visscherij

ocr page 59

58

noemen den grondslag van Neer lands handel; de groote scheepvaart van latere dagen is voortgekomen uit de haringvisscherij. Door het haringkaken werd de visch voor bederf beveiligd en nu tot een handelsartikel, dat met boter en kaas zijn weg vond naar bijna alle landen van Europa. Zout werd overvloedig gehaald uit Frankrijk en Portugal; wat men voor het zouten van visch niet behoefde, brachten de schippers naar de Oosterlingen (de bewoners der landen aan de Oostzee), die met koren betaalden. Hetgeen men hiervan in het Vaderland niet behoefde, werd weer naar elders verkocht en zoo ontstond uit de visscherij de graanhandel. Door een doelmatige inrichting der vaartuigen, welke veel scheepsruimte bezaten en een betrekkelijk kleine bemanning vereischten, door de soberheid der leefwijze van het scheepsvolk, door de onverschrokkenheid, waarmee men 's voorjaars vroeg in zee stak en eerst in den naherfst weer binnenviel, verdrongen onze voorouders de vreemden en kregen zij eindelijk de vrachtvaart van Europa in handen.

Zoo is de haringvisscherij, ook in hare gevolgen, een goudmijn geworden voor Nederland.

Voor vier, vijt ecuwen kende men de kunst nog niet boeken te drukken; ze moesten alle geschreven worden. Dit was een zeer kostbare en tijdroovende arbeid, waarmee zich veelal monniken bezig hielden. Geen wonder dan ook, dat de boeken duur waren, en slechts zeer weinig rijke menschen in het bezit ervan konden komen. Een klein boek kostte meer dan een krachtig paard en een vette os te zamen.

ocr page 60

59

Aan een landgenoot, een burger der stad Haarlem, danken we de uitvinding van de kunst om boeken te drukken. Laurens Janszoon, zoo was zijn naam, bekleedde het ambt van koster in de Groote Sint-Bavokerk te Haarlem, een ambt, dat destijds hoog in eer en aanzien stond, en waarmee alleen aanzienlijke personen bekleed werden. Een geletterd man en een groot kindervriend, die hij was, sneed hij eens voor de kinderen zijner dochter in de Haarlemmer Hout eenige letters uit boomschors om hen op een gemakkelijke manier en spelender wijze het eerste leesonderwijs te geven. Na de les wikkelde hij de letters in papier en zag later tot zijne groote verrassing, dat haar vorm op het papier was afgedrukt. Anderen verhalen, dat de letter A hem ontviel en hij na haar opgeraapt te hebben den afdruk ervan in het zand bespeurde. Hoe het zij, weldra beproefde de goede grootvader de letters zwart te maken en zoo op het papier te vermenigvuldigen. Eerst drukte hij woorden, daarna zinnen en eindelijk geheele bladzijden. Geholpen door zijn schoonzoon beproefde hij de letters uit een andere stof dan hout te vervaardigen. Het gelukte hem daarvoor een mengsel van lood en tin te vinden, waardoor de lettervorm netter, scherper en sierlijker kon worden afgedrukt. Weldra drukte hij geheele boekjes, waarvan er nog eenige in de stad Haarlem bewaard worden, en besloot hij menschen in dienst te nemen, die hem bij zijn arbeid behulpzaam konden zijn. Na korten tijd had hij een heele drukkerij, en de aftrek van zijn product was zoo groot, dat hij niet zooveel werken kon leveren als wel gevraagd werden.

ocr page 61

60

Sommigen evenwel ontkennen dat de boekdrukkunst door Laurens Janszoon van Haarlem is uitgevonden, en beweren, dat we haar te danken hebben aan Johan Guttenberg, een Duit-scher. Wat daarvan aan zij, dit is zeker, dat er te Haarlem eenige afdrukken van Kosters eerste boekjes bestaan, welke alle kenmerken van de kindsheid der kunst dragen en van vroeger dagteekening zijn dan de oudste voorhanden werkjes van Guttenberg. Uit Holland verbreidde zich de kunst spoedig naar het naburige Vlaanderen, en een bewoner van dit gewest bracht de eerste drukpers naar Parijs. Toen de Engelsche koning Hendrik VI vernomen had, dat men in Holland de kunst verstond de boeken door drukken te vermenigvuldigen, zond hij in 1460 eenige personen herwaarts om een bekend drukker, Frederik Cornelis, naar zijn land te lokken. Deze voldeed aan de uitnoodi-ging en bracht de eerste drukkerij in Engeland te Oxford in werking.

16, Karei de Stoute.

(f 1477.)

Karel, hertog van Bourgondië en heer over bijna alle Nederlandsche Gewesten, wordt de Stoute bijgenaamd wegens zijn ongeëvenaarden moed en buitengemeene dapperheid. Hij bezat een fiere, koninklijke gestalte; ravenzwarte lokken vielen in dichte krullen op zijne schouders af, en uit zijn doordringenden blik las men, dat hij gewoon was gehoorzaamd te worden.

In de prille jeugd reeds openbaarde zich zijn

ocr page 62

61

aard. Toen de stad Gent eens tegen zijn vader was opgestaan, wilde deze zijn zoon, uithoofde van diens jonge jaren, niet aan den tocht tegen de oproerige veste laten deelnemen. Onder voorwendsel, dat hij nog geen wapenrusting voor hem in gereedheid had, trachtte hij Karel te Brussel op te houden; doch de van strijdlust brandende knaap voegde zijn vader toe: „Al moest ik ook in mijn borstrok ten strijde trekken, ik zou niet aarzelen u te helpen in het onderwerpen der muitelingen.quot; En toen zijne moeder hem smeekte, zich toch in acht te nemen en zich niet bloot te geven aan 'svijands staal, antwoordde de ridderlijke jongeling: „Het is voor mijne toekomstige onderdanen beter, mij jong te verliezen, dan een lafaard tot gebieder te hebben.quot;

Toen Karel zijn vader opvolgde, erfde hij een welvarend land en een gevulde schatkist. Daar hij een rechtvaardig, edelmoedig en dapper vorst was; matig in het gebruik van spijs en drank, streng van zeden en buitengewoon werkzaam, zou hij een zegen voor zijne onderdanen geweest zijn, als tegenover deze deugden geen groote gebreken hadden gestaan. Hij was uitermate eerzuchtig, opvliegend en stijfhoofdig, en zijn vurige en onversaagde aard beminde den oorlog.

Zijne gansche regeering kenmerkte zich door woelingen en onlusten. Dit kwam vooral daardoor, dat zijn persoonlijke vijand, de koning van Frankrijk, hem overal lagen legde en den voet dwars zette. De Nederlanden hadden van den aanhoudenden krijg weinig te lijden. Wel moesten deze landen hem groote sommen gelds en vele manschappen opbrengen om hem in

ocr page 63

62

staat te stellen den oorlog te voeren, doch de bewoners genoten onder zijne regeering binnen-landsche rust; de nijvere burger werd beschermd, en nering en handel verhoogden de welvaart der poorters.

Karel was voor al zijne onderdanen streng rechtvaardig: hoog of laag, elk genoot in gelijke mate de bescherming der wetten. Zeer dikwijls zat hij zelf bij de rechtbanken voor, hoorde arm of rijk zonder onderscheid aan, en streek het vonnis zonder aanzien des persoons.

Hij was een beminnaar van pracht en praal. In den regel zelf eenvoudig gekleed, hield hij er van door een talrijken stoet van schitterend ge-kleede hovelingen omringd te zijn. Doch wanneer Karel verplicht was op te treden in zijne waardigheid van regeerend vorst, dan spreidde hij een rijkdom ten toon, waarbij geen hof van Europa halen kon.

Hij had het plan opgevat al zijne landen tot één Bourgondisch rijk te vereenigen, en dit af te ronden door de tusschen gelegen staatjes te veroveren. Over dit rijk wilde hij dan als Koning regeeren. Dezen titei kon Hertog Karel verkrijgen, als de Duitsche Keizer hem kroonde. Deze wilde dit ook wel doen, doch stelde als voorwaarde, dat Karels eenige dochter, Maria, de erfgename dezer rijke landen, zou huwen met 's keizers zoon Maximiliaan. De Hertog gaf daartoe zijne toestemming, en alles werd nu voor de kroning te Trier in gereedheid gebracht. Toen de Keizer evenwel de pracht en praal bemerkte, die Karel hier met zijn schitterend gevolg ten toon spreidde, zóó zelfs, dat de geringste edelman in Karels stoet een rijker gewaad droeg dan de voornaamste edellieden des keizers,

ocr page 64

63

werd hij afgunstig, en misschien wel beducht, dat de Bourgondiër zich met den koningstitel op den duur niet tevreden zou stellen, doch de hand uitstrekken naar de keizerskroon. Hoe het zij, de Keizer vertrok in stilte met de zijnen uit de stad, den nacht vóór den dag, waarop de kroningsplechtigheid zou plaats hebben.

Karels woede over zijne teleurstelling te beschrijven is onmogelijk. Hij rukte zich de haren uit het hoofd en zwoer, dezen hoon niet ongewroken te zullen laten.

Korten tijd hierna keerde de Hertog zijne wapenen tegen de Zwitsers, die zich aan een zijner stadhouders vergrepen hadden. Zij smeekten den geduchten krijgsman hen met rust te laten, daar geheel hun land toch niet zooveel waard was als de teugels zijner paarden of als het zilver van de sporen zijner ridders. Doch hij had geen oor voor hunne bede, rukte de grenzen over en bemachtigde Granson. De bevolking gaf zich bij verdrag over, doch nauwelijks was Karel in de stad, of hij verbrak zijn woord en liet velen koelbloedig vermoorden: driehonderd Zwitsers werden aan de boomen opgeknoopt of in het nabij gelegen meer verdronken. Van nu af keerde de krijgskans zich tegen hem. Hetgansche land liep te wapen: met alle geheime wegen en bergpaden bekend, vielen de verbitterde bergbewoners uit holle wegen en hinderlagen als wilde dieren van alle zijden op het Bourgondische leger aan, bestookten het dag en nacht en versloegen het ten laatste geheel en al. De Hertog moest vluchten, en al zijne kostbaarheden in handen der overwinnaars laten. In allerijl verzamelt

ocr page 65

64

hij echter de benden van zijn uiteengeslagen leger weder, en rukt daarmede op Nancy aan. De Hertog van Lotharingen tracht dit te keeren. Hoewel Karel slechts 10.000 soldaten onder zijne vanen telt, trekt hij moedig tegen den overmachtigen vijand op en levert slag. Doch in het heetste van den strijd loopt een der onderbevelhebbers met zijne troepen tot den vijand over. De Bourgondiërs geraken in verwarring en slaan op de vlucht; Karel zelf geraakt in het gewoel van het gevecht verloren.

Zijn lijk werd eerst drie dagen later gevonden: uitgeschud en met wonden overdekt was het reeds door de wolven geschonden; het hoofd tot de tanden gekloofd, lag met het gelaat vastgevroren in een modderpoel.

De ongelukkige vorst liet zijne landen in berooiden staat aan zijne dochter Maria na. De schatkist was uitgeput, het leger verslagen, de bloem des adels op 't slagveld gebleven, het volk in vele steden oproerig, alle standen waren ontevreden.

17. Adolf van Gelder.

Ten tijde van Karel den Stoute regeerde over Gelder hertog Arnoud. Zijne regeering was al zeer ongelukkig. Door aanhoudende oorlogen geraakte het land diep in schulden; opstanden en burgeroorlog waren daarvan het gevolg. Zijne onderdanen beschouwden den hertog als de oorzaak van al de rampen die Gelder troffen. Vooral Nijmegen was zeer ontevreden op den

ocr page 66

65

vorst, en zelfs zijn eigen broeder stond tegen hem op. Hoeveel verdriet Arnoud daar ook over gevoelde, nog grievender leed werd hem berokkend door het wangedrag van zijne vrouw en van zijn zoon Adolf, die met de misnoegden heulden.

Adolf was reeds menigmaal, door booze raadgevers opgestookt, tegen zijn vader opgestaan, doch telkens, nadat hij berouw getoond en beterschap beloofd had, weder door den Hertog in liefde aangenomen. Dit berouw was echter gehuicheld, en in stilte beraamde hij met zijne moeder het plan den vader af te zetten, in de gevangenis te werpen en in diens plaats over Gelder te regeeren. Dit schelmstuk werd uitgevoerd.

Adolf had zich naar Grave begeven, waar de Hertog zijn verblijf hield. Hier wilde hij, zoo heette het, zich aan zijn vader onderwerpen en zich met hem verzoenen.

Toen de oude Arnoud bericht ontving, dat zijn zoon hem met dit doel begeerde te bezoeken, werd hij innig verheugd. Hij ontvangt zijn kind met groote blijdschap, en richt een feest aan om deze heuglijke gebeurtenis te vieren. Wegens zijne hooge jaren begeeft hij zich echter vroegtijdig ter ruste, terwijl het feestmaal voortduurt. Midden in den nacht wordt hij gewekt: Adolf staat met uitgetogen zwaard aan zijne legerstede. Op het gelaat van den Hertog zijn'schrik en angst te lezen, en dadelijk begrijpt hij, wat er gaande is. Daar voegt het ontaarde kind hem toe: „Vader! noodzaak ons niet tot geweld ; geef u over; het kan niet anders!quot;

.,0, mijn zoon! wat heb ik u misdaan?quot; roept de grijsaard uit, „hoe kunt ge zóó handelen? Wat wilt ge met mij!quot;

S*

ocr page 67

66

Tot eenig antwoord wordt de vader van zijne legerstede gesleept.

„Lever mij niet aan de Nijmegen aars over, zoo smeekt de grijze hertog. „O, wanneer uw hart niet geheel en al versteend is, bewijs nugt; cIrii dez6 gunst.quot;

„Dat zij u toegestaan,quot; antwoordt Adolf, „en nu spoedig, spoedig, opdat men ons niet verrasse!'

Half gekleed wordt Arnoud door zijn kind in het hartje van den winter, vier uren ver over het ys naar 't kasteel te Lobith gevoerd, en vandaar den volgenden nacht naar het slot te Buren, waar hij in de gevangenis werd geworpen en gedwongen, van de regeering afstand te doen ten behoeve van zijn zoon.

Het spreekt wel van zelf, dat zulk een schandelijk gedrag de verontwaardiging moest opwekken van alle weidenkenden. De Paus deed den ontaarden zoon in den ban, en ook Karel de Stoute trok zich het lot van den armen vader aan. Hii ontbood vader en zoon voor zijn rechterstoel om den twist te beslechten. Doch alle pogingen daartoe aangewend mislukten volkomen. De verbitterde Adolf antwoordde zells: „Eer werp ik mijn vader voorover in een put, en spring hem na, dan dat ik mij met hem verzoen; hij is veertig jaren hertog geweest, het is hoog tijd, dat ik aan de beurt kom.quot; Toen Karei, dit schandelijk antwoord ontvangen had, hief hjj de rechtszitting op. Adolf, die duchtte, dat hij gevangen genomen zou worden, ontsnapte in monniksgewaad het Bourgondische hof, doch werd onderweg ontdekt, gevat en te Kortvnflt;* gekerkerd.

ocr page 68

67

De oude Arnoud trok nu in vrijheid naar Gelder terug, en nam weder bezit van den herto-gelijken zetel; doch weldra werd hij opnieuw in moeilijkheden met zijne onderdanen gewikkeld. Ten einde raad, en geen kans meer ziende zijn verloren gezag te herwinnen, droeg hij den hertog van Bourgondië het bestuur over zyne landen op, en verpandde zijn hertogdom aan Karel den Stoute.

Adolf bleef in de gevangenis tot Karels dood. Toen werd hij door de oproerige Gentenaars verlost, en tot hun aanvoerder tegen de Fran-schen gekozen.

Doch in een schermutseling voor de muren van Doornik werd hij gekwetst en ondanks zijne pogingen om zich in den zadel te houden, door zijn rijdier afgeworpen. De linker voet bleef echter in den stijgbeugel haken, en het hoofd van den ruiter sloeg op de scherpe keien. Het verschrikte strijdros holde naar de stad terug, het lichaam van den ongelukkige medesleurend en bij eiken sprong met een geweldigen hoefslag treffend. Doch eer het dier daar aangekomen was, had Adolf den laatsten adem uitgeblazen.

Een treurig uiteinde voor zulk een rampzaligen zoon, die het groote gebod: „Eer Vader en Moeder, opdat gij lang moogt leven op aarde,quot; zoo schandelijk met voeten getreden had!

Zijne kinderen bleven in de macht van den vijand, en Gelder werd door vreemden over-heerd en verwoest.

ocr page 69

68

IS. Dood van Maximiliaan van Egmond, graaf van Buren.

(t 1548.)

Maximiliaan, een der voornaamste Neder-landsche edelen, was door de gunst en het vertrouwen des keizers bekleed met het stadhou-derschap over Friesland, Overijsel en Groningen, en verheven tot kapitein-generaal der Nederlanden. Hij bevond zich in 1548 in zijn prachtig paleis te Brussel, om daar het aanstaande Kerstfeest te vieren. Een paar dagen voor dit hooge feest gevoelde hij zich onwel, en deed 's keizers lijfarts Vesalius ontbieden. Zoodra deze den toestand van den zieke had onderzocht, schudde hij bedenkelijk het hoofd.

' Maximiliaan vroeg hem, of zijne ongesteldheid bezorgdheid inboezemde.

.„Ja, Uwe Edelheid,quot; antwoordde Vesalius, „als alle kenteekenen me niet bedriegen, hebt ge nog slechts 5 of 6 uren te leven. En daarom zou het raadzaam zijn, wanneer ge nog het een of ander op deze aarde te beschikken hebt, dat ge dit terstond verricht.quot;

„Ik dank u voor deze openhartige mededee-ling,quot; hernam de graaf, „ik wil niet verzuimen om den tijd, die mij nog te leven overblijft, goed te besteden.quot;

Hij zond een dienaar naar zijne boezemvrienden Granvelle en Aremberg. Toen deze aangekomen waren, benoemde hij hen tot uitvoerders van zijn uitersten wil en maakte hij zijn testament. Daarop liet hij zijn biechtvader ontbieden, deed nederig de belijdenis zijner zonden, ontving met groote godsvrucht het H. Sacrament

ocr page 70

69

als Teerspijze op de reis naar de eeuwigheid, en werd door het H. Oliesel gezalfd voor den laatsten strijd. Onderwijl had zich de mare van den gevaarlijken toestand, waarin zich de Graaf bevond, door de gansche stad verspreid, en kwamen zijne vrienden in gronten getale toesnellen om den beminden Maximiliaan het laatst vaarwel toe te wenschen.

De voorzalen van het paleis vulden zich met belangstellenden.

De Graaf deed zich kleeden in plechtgewaad, alsof hij bij den Keizer ten hove ging.

„Geef mij mijne wapens, en gord mij den degen aan. Hecht de gouden sporen aan mijn schoeisel, en haal mij den riddermantel benevens de Orde van het Gulden Vlies,quot; beval de stervende.

Zóó uitgedost deed Maximiliaan zich in de statiezaal van zijn paleis brengen, en plaatste zich voor de groote tafel in zijn zetel. Vóór hem lagen zijn helm en zijne ijzeren handschoenen. Hij sprak met allen en nam afscheid van elk in het bijzonder, van zijne krijgsmakkers zoowel als van de huisbedienden.

„Ik ben als een waskaars,quot; zeide hij, „die allengs op een prachtigen kandelaar verbrandt. Weent niet, mijne vrienden! maar bidt voor mijne ziel.quot;

Daarop beval hij zijn page hem den rijk bewerkten beker, waarvan hij zich bij plechtige gelegenheden bediende, met wijn te vullen. Met bevende hand greep Maximiliaan de bokaal, richtte zich met moeite in zijn leuningstoel op, en riep met reeds gebroken stem:

„Heil den Keizer! den Keizer heil! God rekke zijn leven tot welzijn van allen!quot; Nu ledigde hij den beker, ontdeed zich van zijn ridderorde, en

ocr page 71

70

zei tot Aremberg: „Overhandig dit aan den Keizer, en zeg hem, dat Maximiliaan van Eg mond, graaf van Buren, tot in zijn laatste oogenblik getrouw gebleven ia aan den eed, door hem als ridder gezworen.quot;

Door vermoeidheid overmand zakte hij in zijn zetel te zamen, en terwijl men hem van zijne wapenen en feestkleederen ontdeed, gaf hij den geest.

Zóó stierf de onverschrokken held, die zelfs in het aangezicht des doods niet sidderde, maar als een vroom Christen vol vertrouwen de uitspraak van den Eeuwigen Rechter afwachtte.

19 Karei Y.

(1500—1558.)

Karel V, vorst der Nederlandsche Gewesten, keizer van Duitschland, koning van Spanje, gebieder over een groot deel van Italië en al de onlangs ontdekte landen in Amerika, verlangde naar rust.

De aanhoudende reizen, de vele zorgen en beslommeringen hadden de krachten zijns lichaams gesloopt. Hij wilde zich de laatste dagen zijns levens uitsluitend bezig houden met de belangen zijner ziel. Daarom deed hij in 1555 afstand van al zijne bezittingen en waardigheden, teu behoeve van zijn zoon Filips. Duitschland Avas hiervan uitgezonderd; daar werd 's Keizers broeder bestuurder.

Het is een treffend schouwspel, dat het stadhuis te Brussel ons den 25 OcLober 1555 aan-

ocr page 72

71

biedt. In de groote statiezaal zit Karel V op zijn troon, lijdend en oud vóór zijn tijd. Rechts en links van hem op lagere zetels hebben Filips en 's Keizers zuster plaats genomen. De vorst is omstuwd door een schitterenden stoet van rijksgrooten, de machtigste edellieden dezer gewesten, bij wier prachtige kleedij het eenvoudige rouwgewaad, dat de Keizer over den dood zijner moeder draagt, zeer afsteekt. Een der edelen leest de reden voor, waarom men hier te zamen gekomen is: Karel avü de regeering overdragen aan zijn zoon. Hij ontslaat zijne onderdanen van den eed van trouw en vermaant hen zijn opvolger dezelfde gehechtheid te be-toonen, als ze hem bewezen hebben. Hij bedankt de Nederlanders voor de groote diensten van hen genoten, en drukt hun vooral op het hart de handhaving van het Katholieke Geloof en de gehoorzaamheid aan de landswetten. Ten slotte sraeekthij God, dat Deze hen voortdurend mag beschermen.

Daar verheft ^de keizer zich.

Met den linkerarm leunend op den schouder van Willem van Oranje en de rechterhand op een stok, geeft hij een overzicht van zijn leven en een onopgesmukt verhaal zijner lotgevallen. „Zoovele vermoeienissenquot; aldus besluit hij, „hebben mijne gezondheid geschokt; daarom heb ik behoefte aan rust. Een jeugdig en krachtvol vorst kan thans beter uwe belangen behartigen, dan ik, een afgeleefd grijsaard, zulks vermag. Mocht ik jegens u misdaan hebben, dan vraag ik daarvoor vergiffenis; wil mijn vergrijp niet aan boozen wil, maar aan menschelijke zwakheid toeschrijven. Uwe trouw en gehoorzaamheid zal ik mij steeds dankbaar herinneren, en mijne laatste wenschen zullen zijn een bede

ocr page 73

voor het heil der volkeren, die eens mijne ge-trouwste onderdanen waren.quot;

Tranen verstikten hier zijne stem, en de aandoening belette hem voort te gaan,, Uitgeput zonk hij in zijn. zetel terug.

Vervolgens sprak hij zijn zoon toe, bezwoer hem als een goed vorst te regeeren en het geloof zijner vaderen ongeschonden te bewaren.

Snikkend wierp Filips zich aan Karels voeten, betuigde een zoo groote gunst onwaardig te zijn, nam de overdracht aan, en vroeg om den vaderlijken zegen.

Karel begaf zich nu naar Spanje, waar bij zich in een klooster met den meesten ijver tot de groote reis naar de eeuwigheid voorbereidde. Menigmaal getuigde hij, daar in één enkelen dag meer rein genoegen te smaken dan vroeger in al de dagen zijner heerschappij. Met de gevoelens van een waar christen, onthecht aan de aarde en al hare ijdelheden, overleed hy aldaar in 1558.

Karel droeg zijne landen in een toestand van bloei en welvaart aan zijn zoon over.

De Nederlanden waren het rijkste en welvarendste deel van Karels gebied. Vooral in het zuiden hadden rijkdom en weelde een ongekende hoogte bereikt. De koophandel was meer nog dan eertijds een milde bron van inkomsten geworden. Terwijl vroeger de rijkdom hoofdzakelijk in grondbezit bestond, en zich alzoo in handen van den adel bevond, waren het thans de steden met hare vermogende burgers, die de meeste gelden konden opbrengen. Karel had ze daarom altijd te vriend trachten te houden.

ocr page 74

73

Als handelsvolk waren de Nederlanders de eerste natie van Europa. Kunsten en wetenschappen werden algemeen beoefend. De omstandigheid, dat de vorst dezer gewesten tevens koning van Kastilië was, waartoe ook Amerika behoorde, was oorzaak, dat de handel op Spanje en Portugal vooral in handen der Nederlanders kwam. En vele tfkken van nyverheid stonden met den handel in verband. De Nederlanden telden in dien tijd 200 ommuurde steden, 150 vlekken en 6300 zeer welvarende dorpen. Antwerpen was de voornaamste handelsstad van ons werelddeel. Tweemaal daags werd de beurs door ongeveer 5000 kooplieden bezocht, dikwijls lagen er 2500 schepen tegelijk op de Schelde voor anker, wekelijks vertrokken er 2000 vrachtwagens yamp;n Antwerpen naar Duitschland, dagelijks liepen 500 schepen de haven uit en in.

Toen Karel afstand van deze bloeiende gewesten deed, heerschte er nog vrede in de Nederlanden. Vijfentwintig jaren later stond het geheele land in vuur en vlam, waren op vele plaatsen de kerken verwoest, de priesters en kloosterlingen gedqod, de handel vernietigd, de burgers in volslagen opstand tegen hunnen heer.

20. De BeGldenstorm.

(1566).

De wederzijdsche verknochtheid, die er tus-schen vorst en volk onder Karels bestier ge-heerscht had, verslapte onder diens opvolger, en dit bracht allengs verkoeling te weeg, deze wrevel, de wrevel ongenoegen, het ongenoegen afkeer en haat.

ocr page 75

74

Pas was dan ook Filips naar Spanje vertrokken, of het land geraakte in gisting. Toen de regeering niet wilde gedoogen, dat de Hervorming overal vrij gepredikt werd, verzette de adel zich tegen het gezag en haalde Duitsche en Fransche predikanten in het land, opdat deze het volk van het voorvaderlijk geloof aftrekken en tegen den koning opzetten zouden. Aan de verwarring in het land kwam nu geen einde. Het volk werd openlijk tot den opstand aangehitst en door den adel beschermd. Spoedig volgde er een uitbarsting.

Een hoedenmaker predikte voor 400 Calvinisten in een stadje van West-Vlaanderen. Door zijne opruiende taal opgezweept, viel het toegestroomde volk op de kerken aan, vernielde de beelden, schond de graven, brak den Tabernakel open en woedde tegen alles, wat den katholiek heilig en dierbaar was. Van hier sloeg deze razernij spoedig naar andere steden over. Den 20ei1 Augustus kwam een bende bandeloos volk, gewapend met bijlen en stokken, binnen de stad Antwerpen, en zwierf den ganschen voormiddag rondom de kathedraal van Onze Lieve Vrouw, toen na de St. Piet er van Rome de schoonste en rijkste kerk der christenheid.

Omstreeks den middag drong de verloopcn monnik Herman Modet, thans Calvinistisch predikant geworden, aan het hoofd van dit gespuis, dat versterkt was door het schuim der stad, het godshuis binnen, beklom den preekstoel, en zette het gemeen aan „den tempel van paapsche beelden te zuiveren.quot;

„Leven de GeuzenP\ klonk het door de gewelven van den prachtigen dom, en .... gedaan was het met de heerlijkheid van Gods huis.

ocr page 76

75

Met ladders en koorden kwam men aanloopen, en onder psalmengezang werd het dulvelenwerk begonnen. Men stelde de ladders op, maakte lussen in de touwen, en rukte zoo de beelden van de voetstukken; wat heel beneden kwam, werd onder de slagen van hamers en mokers verbrijzeld. De misgewaden werden aan flarden gescheurd, en met het altaarlinnen reinigde men zich van stof en vuil. Toen de aanvallen op de beelden en de kleinere altaren moesten gestaakt worden, omdat er niets meer te vernielen viel, keerde de razernij zich tegen het groote priesterkoor. De Godslamp werd ter aarde geworpen, zoodat de olie naar alle kanten spatte, en men begon den Tabernakel te beuken. — Het hoogaltaar, een wonder van bouw- en beeldhouwkunst, is weldra tot gruis geslagen. Nog is men niet voldaan: de altaarsteenen worden losgebroken, — de reliquieën onder het puin en gruis verstrooid. En terwijl onder het zingen der schandelijkste liederen het verwoestingswerk wordt voltrokken, komen deftig gekleede lieden de gruwelen toejuichen, en laten geestrijke dranken schenken om de gemoederen nog meer te verhitten.

Met het vallen van den avond groeide het tumult aan. Velen, die zich over dag verborgen gehouden hadden, kwamen te voorschijn, en namen deel aan de verwoesting. Toen het donker geworden was, zag men de beeldstormers met brandende fakkels door de straten zwieren, sommigen nog gekleed in de gestolen kerkgewaden; hoorde men allerwegen het getier, dat den ganschen namiddag het vernielingswerk had vergezeld.

Want het was niet de kathedraal alleen.

ocr page 77

76

waarop men het had gemunt. Neen, geen kerk, geen klooster, geen kapel, geen gasthuis of geestelijk gesticht was er in de gansche stad te vinden, waar men niet gebeeldstormd had, of waar de arbeid niet' nóg in vollen gang was. Monniken joeg men met stokslagen uit hunne conventen; weerlooze nonnen dreef men als wilde dieren uit hare vreedzame verblijven.

Het was, alsof de hel was losgebroken, en de duivelen zich verheugden de heiligdommen te kunnen onteeren, waar Christus troonde en aan Zijne heiligen eere werd bewezen.

Alles werd geschonden, vernield of ontwijd; de gouden en zilveren beelden en H.H. Vaten werden gestolen; alleen de orgels, predikstoelen en doopvonten bleven gespaard.

En deze verwoesting beperkte zich niet tot een paar steden. Neen, van de Fransche grenzen tot den Bollard werd de gruwel voltrokken: in Vlaanderen alleen getuigden de naakte rompen van 400 kerken van de woede der Beeldstor-mers. De Katholieken, die als ijverig voor hun godsdienst bekend stonden, vreesden het ergste. Geruchten van een algemeenen moord der priesters dwaalden rond en verspreidden grooten schrik door heel het land.

21. Al va. De Watergeuzen, (omstreeks 1568.)

Filips II, de ijverige katholiek, was woedend, toen hij de gruwelen van den Beeldenstorm vernam. Wel trachtte men hem te overtuigen, dat barmhartigheid het misleide volk voor den koning winnen en de rust voor goed in de i\'e-

ocr page 78

77

derlanden herstellen zou, en raadde men hem dus -nan lot zachtheid en vergiffenis. Doch hi) sloeg dezen wijzen raad in den wind. De Koning en zijn Spaansche Raad waren van gevoelen, dat or voor de blijvende rust der Nederlandpn niets gewonnen was, zoolang de hoofden van den op-l oerigen hoogen adel niet onder het zwaard ge-vnllen waren. Daarom besloot hij tot een voor-lieeldige straf.

De Koning sloeg daarmee den verkeerden weg in. De schuldige Nederlanders wisten wel, wat hun van Filips te wachten stond, en zij vluchtten met Willem van Oranje, den man, die feitelijk hun hoofd geweest was, naar veilige oorden. De hertog van Alva, „de ijzeren hertogquot; bijgenaamd, kwam met een Spaansch leger in de Nederlanden om orde en rust te herstellen. Zijn naam alleen was voldoende om schrik en angst onder het volk te verspreiden. De onverbiddelijke man kende slechts recht, geen barmhartigheid, en verschoonde evenmin het meegesleepte en misleide volk als de schuldige hoofden van het verzet.

Het schavot werd in bijna alle steden opgericht, overal en dagelijks stroomde het bloed der schuldigen. Allen, ook de Katholieken, kregen diepen afkeer van al dat bloedvergieten. Men verafschuwde des konings landvoogd, te meer daar hij, zonder zich om de meening der rechters te bekreunen, op eigen hand al de vonnissen velde. Doch toen hij het volk, dat toch reeds zonder werk liep en honger leed om een handelsgeschil met Engeland, het mes op de keel zette door zware belastingen te eischen, werd het woedend en tot alle verzet in staat. De Calvinisten maakten van die algemeene ontevredenheid handig

ocr page 79

78

gebruik. Zij maakten het volk diets, dat Alva allen dooden zou, die slechts verdacht werden van tegen den Koning te zijn, dat hij hunne goederen zou verbeurd verklaren, dat hij het land op geheel Spaansche wijze zou regeeren. Het volk kreeg een afschuw van alles wat Spaansck was en had meer dan genoeg van de Spaansche soldaten geleden. Daarom luisterde het met begeerig oor naar degenen, die hen tegen den landsheer opruiden.

Willem van Oranje, die in Duitschland in veiligheid zat, bewerkte met zijne broeders het volk door zijne agenten, zamelde gelden in bij de ontevredenen en vooral bij de Calvinisten, en wierf daarvoor legers in Duitschland, Engeland en Frankrijk, waarmede zij in de Nederlanden vielen. Ziedaar den oorlog uitgebroken, welke in de geschiedenis de Tachtigjarige heet.

Machtige bondgenooten tot bestrijding der Spanjaarden waren voor Oranje en de zijnen de Watergeuzen.

Toen Alva in de Nederlanden verscheen, hadden velen, wier geweten niet zuiver was, liet Vaderland verlaten; zij waren onder den naam van Watergeuzen op zee gaan zwerven, waar zij als echte zeeroovers kaapten wat maar te krijgen was, er zich niet over bekommerend of het vriend of vijand toebehoorde. Bij deze uitgeweken Calvinisten, beeldstormers en verarmde edelen voegden zich allen, die reden hadden te vreezen met het gerecht in aanraking' te komen, alsmede het schuim der bevolking uit de naburige landen. Het waren schelmen, en de afschuwelijkste zeeschuimers, die ooit

ocr page 80

79

gekend zijn; zij begingen gruwelen, waarvoor zelfs een Turk zich zou schamen. Willem van Oranje had hun een opperhoofd gegeven in Lumey, een edelman uit het Luikerwaalsche, bijgenaamd het Zwijn der Ardennen; Oranje genoot van den roof het derde gedeelte, hetgeen hem in staat stelde om troepen te werven en die tegen zijn vorst in het veld te brengen. Hielen daar gingen de Watergeuzen aan land, lichtten gegoede personen op en voerden ze naar hunne schepen, om later aan de betrekkingen der gevangenen een hoogen losprijs te kunnen afpersen. Aan de schepelingen, die zoo ongelukkig waren in hunne handen te vallen, werden „de voeten gespoeldquot;, d. w. z, zij werden overboord geworpen en verdronken; schip en lading-werd voor goeden prijs verklaard. Het hevigst was dit gespuis gebeten op de Spanjaarden, en daaronder verstonden zij de geestelijken en allen, die aan het voorvaderlijk geloof getrouw gebleven waren.

Op den len April 1572 geraakte de stad Brielle in hunne handen. Vele steden in Holland, die met Oranje en zijne vrienden heulden en van Spaansche bezetting ontbloot waren, vielen nu den koning af, en verklaarden zich voor Oranje. Nadat de Watergeuzen en hunne aanhangers onderscheidene steden in bezit gekregen hadden, en ze zich naar welgevallen konden verrijken met het geld van kerken, kloosters en geestelijke gestichten, hielden hunne strooptochten ter zee langzamerhand op, doch hunne euveldaden te land namen hand over hand toe.

ocr page 81

80

22. Een beroemd Nederlander.

(1521—1597.)

Canisius werd in 1521 te Nijmegen geboren. Begaafd met een vluggen geest leerde hij uiterst gemakkelijk, en zijne buitengewone zachtaardigheid maakte hem behaaglijk bij God en bij de menschen. Op 22jarigen leeftijd trad hij in de Orde van den H. Ignatius de Loyola, en werd twee jaar later priester gewijd. quot;Vijftig jaren leefde hij daarna nog, gedurende welken tijd hij volkomen het leven van een missionaris leidde.

Duizenden in Duitschland waren van het Katholiek Geloof afgevallen en hadden de leer van Luther en Calvijn omhelsd. Als een Apostel trok hij, daartoe door zijn overheden aangewezen, door de Duitsche landen, overal de nieuwsge-zinden weerleggend, de afgevallenen vermanend en de geloovigen versterkend. Oostenrijk, Bo-hernen, Tyrol, Beieren, Hongarije, de Rijnprovinciën, Zwitserland en Polen waren het tooneel van zijne groote werkzaamheid. Honger noch dorst, koude noch hitte konden hem afschrikken; hij trok langs ongebaande wegen, over bergpaden en afgronden, en werd niet moede voor de Katholieke Kerk tal van belijders te winnen.

Op een zijner missiereizen kwam hij ook te Nijmegen. Zijne vaderstad wilde hem zoo eervol mogelijk ontvangen, en bloedverwanten en vrienden snelden toe om hem te verwelkomen; doch de nederige man, die op zijne tochten zoo dikwijls overnacht had in de eenzame hut van een herder of houthakker, wees hunne uitnoodigin-gen van de hand, en verzocht onderdak in het algemeene gasthuis. Acht dagen duurde zijn verblijf aldaar. Dagelijks predikte hij, hoorde

ocr page 82

81

biecht, en versterkte en vertroostte allen, die tot hem kwamen. Zijne familie wilde, al kon zij den heiligen man niet zeiven bij zich ontvangen, hem een feestmaal bereiden. Canisius nam dit aan op voorwaarde, dat zij de toebereide spijzen naar het gasthuis zoude brengen. Toen het uur van den maaltijd gekomen was, liet hij de plaatsen aan tafel bezetten door armen en be-hoeftigen, en bediende hen met eigen hand, terwijl hij zelf zich met een schralen maaltijd tevreden stelde.

Tallooze malen liep zijn leven groot gevaar. Nu eens hitste men het grauw eener stad tegen hem op, dan legde men hem hinderlagen om hem te vermoorden. Op een anderen keer werd bij mishandeld, geslagen en verwond. Doch niets kon den ijverigen missionaris in zijn be-keeringswerk weerhouden. „Ach!quot; riep hij dikwijls uit, „hoe verheugd zou ik zijn, als ik mijn leven voor Jezus Christus zou mogen geven, wanneer ik maar het geluk mocht smaken dit arme, misleide volk te behouden!quot;

Doch God had de martelkroon voor Zijn dienaar niet weggelegd. Uitgeput van vermoeienis en ouderdom stierf de groote man, die terecht de tweede Apostel van Dnitschland genoemd wordt, in een klooster te Freiburg. Den Élsten December 1597 legde de zes en zeventig-jarige grijsaard het moede hoofd ter ruste om het loon te ontvangen bij God, wiens glorie alleen hij in zijn leven had gezocht.

De Heer verheerlijkte het graf Zijns dienaars door vele wonderen, en Z. H. Pros ÏX nam hem onder het getal der zaligen op.

ifvx, ) (\ zjquot; W-A-v ay /ililax^ v-c.a_ kj 0-0-^!jy ^ ^ j

*6

ocr page 83

82

23. Lodewijk van Nassau, (f 1574.)

Nadat Prins Willem voor Alva, was gevlucht, verzamelde hij in Duitschland een leger om 's. Konings landvoogd te bestrijden. Dit leger bestond uit huurtroepen, was bereid om te vechten voor wie het best betaalde, en werd aangevoerd d oor fortuinzoekers.Een dezer was Lodewijk, broeder van Oranje. Hij bezat in Nederland geen voetbreed gronds en had er geene belangen te verdedigen, doch aasde op de rijkdommen van kerken en kloosters. Om deze te verwerven aarzelde hij niet het land in een zee van bloed en tranen te dompelen en de schoone Nederlanden te vuur en te zwaard te verwoesten.

In 1568 viel hij met zijne ordelooze benden in Groningerland en vermeesterde er enkele plaatsen; doch hij scheen er vooral zijn werk van te maken de kerken en kloosters te plunderen, de boeren te brandschatten. De graaf van Aremberg, stadhouder des konings in dit gewest, trok hem tegemoet en leverde hem slag bij het klooster te Heiligerlee. Na verloop van een uur echter was van diens leger weinig meer over; zijne soldaten waren in de naburige moerassen verzonken of door Lodewijks troepen in de pan gehakt. Terwijl alles rondom Aremberg Avegvluchtte, dwaalde hij nog over het slagveld. De witte pluim op zijn blinkenden helm trok de aandacht. Daar begreep hij, dat hij zich in groot gevaar bevond, en wilde vluchten. Doch paard en ruiter waren afgemat: terwijl zijn ros over een hek poogde te springen, nam het den sprong te kort en stortte met zijn berijder ter aarde.

ocr page 84

83

Vóór de graaf weer in den zadel zat, waren zijne vervolgers hem reeds nabij, en aan ontkomen viel niet meer te denken. Van alle zijden omringd riep hij uit: „Ik ben de graaf van Arem-berg, neemt mij gevangen.quot; „Dan zijt gij het juist, dien ik zoek,quot; was het antwoord van een woesten Geus, en meteen sloeg hij hem den helm van het hoofd. Nu daalden de slagen neder op zijn lichaam als de vlegels op het koren, en binnen weinige minuten had hij den laatsten adem uitgeblazen.

Lodewijk, die volstrekt geen bekwaam legeraanvoerder was, wist geen partij van zijne overwinning te trekken: hij bleef aarzelen, talmen en dralen en liet door zijne troepen het land afstroopen.

Daar kwam Alva zelf opdagen om den geleden smaad uit te wisschen en den dood van 's Konings stadhouder te wreken. Lodewijk week achteruit tot aan de Eems en werd gedwongen hier slag te leveren. Deze viel echter ongelukkig voor hem uit, want Alva versloeg zijn tegenstander geheel en al, en slechts met moeite redde Lodewijk al zwemmende zijn leven.

Doch al was 's Prinsen broeder beslissend geslagen, zich rustig houden deed hij niet. Herhaalde malen viel hij met zijne woeste benden, in den vreemde geworven voor Fransch of Duitsch of Engelsch geld en betaald met de geroofde kostbaarheden uit katholieke heiligdommen, in de Nederlanden. Hij was de booze geest, die deze gewesten jarenlang verontrustte, en te vergelijken met de hand, die de plannen uitvoerde, welke door het hoofd, Oranje, waren beraamd.

ocr page 85

84

In 1573 viel hij weder in Zuid-Limburg, brandschatte de boeren, brandde en blakerde, waar hij slechts kon. In dit bedrijf werd hij getrouw bijgestaan door zijn broeder Hendrik en nog een Duitsch prinsje zonder land. Zij voerden bagagewagens mede, waaronder vele waren geheel beladen met kelken en misgewaden, die ze in kerken en kloosters hadden geroofd. Op Goeden Vrijdag hielden de aanvoerders een groo-te braspartij. Men dronk uit de gewijde vaten, mengde de H.H. Hostiën in den wijn, en pleegde vele heiligschennissen. De koninidijke troepen, die in Maastricht lagen, beletten aan het leger van Lodewijk het overtrekken van de Maas. Hij rukte daarom langs den rechteroever dezer rivier naar het Noorden; doch d'Avila, de Spaansche bevelhebber, trok den linkeroever langs, en wel met zulk een spoed, dat hij Lodewijk vooruit kwam, bij Grave de rivier overstak, en zich met zijn leger bij Mook nedersloeg. De weg, door den Nassauer gevolgd, was gemakkelijk te herkennen aan de verwoeste kerken, de rookende kloosters en de verbrande boerenhoeven. Lodewijk, die zich, het kostte wat het wilde, met het leger van Oranje in de Bommelerwaard wilde vereenigen, leverde slag. Zijn leger werd echter zoo goed als vernietigd; hij zelf en zijn broeder Hendrik schoten er het leven bij in. In het gewoel van den strijd verdwenen zij, en men heeft hunne lijken nooit kunnen vinden.

Het volk behield de schending der kerken, het vermoorden der priesters, het bespotten der H.H. Geheimen in het geheugen, en zag in het verdwijnen der aanvoerders een gerechte straf des hemels.

ocr page 86

85

24. Prins Willem I.

(f 1584.)

Twintig jaren lang had Willem van Oranje het vuur des opstands van een deel der Nederlanders tegen hun wettigen koning en heer gestookt, en langzamerhand wras onder zijne leiding het verzet tegen den vorst verkeerd in een godsdienstoorlog der Calvinisten tegen de Katholieken.

Oranje zag wel, dat hij op den duur met de zijnen het onderspit zou moeten delven; daarom deed hij aan den Franschen koning den voorslag, hem alle Nederlanden in handen te zullen spelen, wanneer hij zelf in het onafhan-kelyk bezit van Holland, Zeeland en Utrecht zou komen. Toen Filips dit ter oore kwam, verklaarde hij Oranje voor een landverrader en vogelvrij, en loofde een groote som gelds en brieven van adeldom uit aan dengene, wien het gelukken mocht den Prins te dooden of in 's Konings handen te leveren.

Vele aanslagen werden er nu op het leven van Oranje beproefd.

Zeker Bourgondiër, Balthazar Gerards ge- ^

naamd, wist onder een aangenomen naam zich ^'quot;'/7 in de gunst van den Prins te dringen. Later echter gelastte deze hem het land te verlaten.

Gerards toonde zich hiertoe aanstonds bereid,

doch verzocht Oranje hem eenig reisgeld te willen verstrekken. Tien daalders werden hem daarop toegeteld. Van de soldaten der lijfwacht des Prinsen, die zijn verblijf in het St. Aagtenklooster te Delft genomen had, kocht hij twee pistolen benevens kruit en lood. 's Anderen daags begaf hij zich wederom naar Oranje ten

ocr page 87

86

einde zijn paspoort in ontvangst te nemen. Toen Oranje de trap afkwam om hem dit ter hand te stellen, deed Gehards, alsof hij uit eerbied een buiging voor den Prins wilde maken, doch trok plotseling een pistool voor den dag en brandde los. De kogels gingen Oranje door het hart, en hij stortte, bijna oogenblikkelijk gedood, bij de trap neer.

Van de ontsteltenis en verwarring maakte de moordenaar gebruik om de binnenplaats over — en de stallingen dóór te loopen; reeds was hij de stadsgracht nabij, aan de overzijde waarvan een gezadeld paard hem wachtte, toen hij struikelde. Door de hem achtervolgende soldaten gegrepen, werd hij in de gevangenis geworpen en streng bewaakt. Zijn vonnis was weldra opgemaakt, en verschrikkelijk de straf, welke aan hem werd voltrokken. Met een toesluitend gloeiend ijzer werd hem de rechterhand afgeschroeid, daarna het vleesch op zes plaatsen met gloeiende tangen uit het lichaam genepen, en eindelijk werd hij gevierendeeld. Deze on-menschelijke terechtstelling onderging hij met de grootste koelbloedigheid: geen kreet van smart ontsnapte zijn mond, doch ook geen woord van berouw kwam over zijne lippen.

Voor Oranje werd in de Nieuwe Kerk te Delft een prachtig praalgraf opgericht, en de Calvinisten betreurden hem als den Vader des Vaderlands.

De Katholieken, hoewel den moord verfoeiende, konden met deze droefheid niet instemmen; want meer dan aan iemand anders hadden zij aan Prins Willem den treurigen toestand te wijten, waarin zij waren gebracht.

ocr page 88

87

„Liever Turksch dan Paapschquot; was de leus der Watergeuzen, en zij bewezen dat metterdaad, Overal waar hunne geestverwanten, de Calvinisten, in de Republiek meester geworden waren, zag het er voor onze Katholieke voorouders treurig uit. Hoewel verreweg het grootst in aantal, werden ze als overwonnelingen behandeld. Priesters en kloosterlingen waren buiten het land gebannen ; de uitoefening van den Katholieken godsdienst was verboden. Wie het H. Misoffer opdroeg, stelde zich bloot aan de zwaarste straffen, wie het bijwoonde liep groot gevaar tot boete of gevangenisstraf veroordeeld te worden. De kerken werden hun ontnomen, en als de Calvinisten ze zelf niet voor hunne godsdienstoefeningen konden gebruiken, werden ze ingericht tot magazijnen voor hooi en stroo of krijgsbehoeften. Met geweld werden de Katholieken soms gedwongen Calvinist te worden. Men verweet hun, dat ze Spaanschgezind waren, en dwong hen door allerlei kwellingen afvallig te worden. Dat. ze van het bekleeden van alle ambten en bedieningen waren buitengesloten, spreekt van zelf; toch moesten ze zware belastingen opbrengen. Wilden ze hunnen kinderen een wetenschappelijke opvoeding doen geven, dan diende dit buitenlands te geschieden, en ook dit werd door een strafplakkaat nog zeer bemoeilijkt.

In weerwil der verdrukking lieten ze zich echter niet tot oproer verleiden, noch werden ze afvallig van het aloude geloof. Het meerendeel, hoewel verstoken van de genademiddelen der H. Kerk, bleef hun geloof getrouw. Vrome priesters, die gevangenis en dood trotseerden, kwamen heimelijk in huizen en schuren het Misoffer op-

ocr page 89

88

dragen en de H.H. Sacramenten toedienen. Als boeren of handwerkslieden vermomd moesten de moedige dienaren der Kerk jaren lang het land doorreizen, orn de troostmiddelen van hunnen Godsdienst te kunnen verstrekken. Is het wonder, dat de Katholieken wenschten „Liever Spaansch dan GeusV'

Gelukkig, dat na verloop van tijd de vervolging afnam, en zij met voorkennis of oogluiking der stedelijke overheden in stilte hun godsdienst konden uitoefenen, dat zij God naar de inspraak van hun geweten mochten dienen, en hunne kinderen opvoeden in het geloof, dat zij van hunne ouders hadden geërfd. Anders zou wellicht geen enkel Katholiek meer wonen binnen de landpalen van Nederland.

25. Maurits.

(1567—1625.)

Na den dood van Oranje geraakten de Calvinisten in groote verlegenheid. Zij boden het oppergezag over de Vereenigde Nederlanden nu den éénen dan den anderen vorst aan, doch zonder goed gevolg; niemand wilde gaarne in openlijken oorlog met Filips komen, hoewel velen zich verblijdden als men hem den voet dwars zette. Men benoemde nu Maurits, Oranje's zoon, tot opperbevelhebber van het leger; eenige gewesten stelden hem aan tot hun Stadhouder, en men gaf hem den titel van Prins. Johan van Oldenbarneveld, een hoogst bekwaam staatsman, was Raadpensionaris van Holland en de rechterhand van den jeugdigen vorst.

Reeds aanstonds toonde Maurits, welke groote

ocr page 90

89

veldheerstalenten hij bezat. In den tijd van tien jaren gelukte het hem alle zeven Vereenigde Gewesten nagenoeg geheel van Spanjaarden te zuiveren. Zijn roem verbreidde zich dan ook door gansch Èuropa, zoodat zijn leger de kweekschool werd voor buitenlandsche officieren, en de aanzienlijkste geslachten er een eer in stelden, dat hunne zonen onder Maurits tot krijgsman werden opgeleid.

Een der eerste wapenfeiten van den jeugdigen Maurits was de verrassing van Breda.

In het ruim van een schip waren 70 soldaten verborgen onder bevel van Heraugière. Bovenop werd turf geladen, welke de schipper Adriaan van Bergen moest bezorgen aan de Spaansche bezetting te Breda. De schipper bracht zijne lading binnen de stad, waar men geen onraad vermoedde. 's Nachts kropen de soldaten uit hun schuilhoek, overvielen de wacht en maakten zich meester van het kasteel. Maurits was in stille met een aanzienlijk leger de stad genaderd, en kreeg nu zonder groote moeite de vesting in handen.

Den grootsten roem en de meeste eere verwierf hij echter door de overwinning bij Nieuwpoort.

De kapers uit Duinkerken veroorzaakten veel schade aan den Nederlandschen handel. De Staten van Holland deden wel de scheepskapiteins onder eede beloven, dat dezen eiken gevangen Duinkerker „de voeten zouden spoelenquot;; maar dit had wel de verbittering der kapers opgewekt, doch geenszins aan hunne rooverijen een einde gemaakt. De regeering wilde een stouten slag slaan: zij droeg aan Maurits op met zijne troepen een inval in Vlaanderen te doen, en zoo mogelijk het roofnest Duinkerken te nemen.

ocr page 91

90

Deze opdracht was Maurits niet naar den zin: hij beschouwde de onderneming als uiterst roekeloos. Doch hij was ondergeschikt en moest het ontwerp uitvoeren, hetgeen de regeering, vooral op aanraden van Oldenbarneveld, had gevormd.

Aan het hoofd van 12.000 man landde de ervaren veldheer in Vlaanderen en rukte langs het vlakke, zandige strand op naar Nieuwpoort. De 80Ü vaartuigen, waarop de troepen waren overgebracht, volgden langs de kust.

Onderwijl was Aartshertog Albertüs, vorst der Zuidelijke Nederlanden, van den inval onderricht. Hij verzamelde zijne getrouwe troepen en sprak hun moed in, terwijl Isabella, zijne gemalin, de soldaten aanvuurde door de juweelen uit hare ooren te haken en de ringen van de vingers te schuiven, zeggende: „dat zij hare klei-noodiën liever verpandde, dan den dapperen krijgsman zonder soldij te laten.quot;'

Toen Maurits bericht ontving, dat de Aartshertog tegen hem in het veld rukte, zond hij een aanzienlijke afdeeling krijgsvolk naar een brug, waar het leger van Albertus over moest trekken. Doch zij kwam te laat om den overtocht te beletten, stootte op de Spaansche troepen, en werd na een kort doch hevig gevecht in de pan gehakt. De enkele vluchtelingen, die aan Maurits de mare der aanvankelijke nederlaag brachten, liet deze dadelijk naar een schip geleiden, opdat het leger niet ontmoedigd zou worden; vervolgens gaf hij aan de vloot bevel volle zee te kiezen.

Het was nu zaak voor het Staafsche leger pal te staan tot het uiterste, — overwinnen of sterven! Maurits was hiervan zóó wel overtuigd,

\

ocr page 92

91

dat hij zijnen soldaten toevoegde: „Er is maar één weg van hier, en die loopt over de lyken onzer vijanden!quot;

De bekwame veldheer schaarde zijne troepen in slagorde. Dewijl door den opgekomen vloed het strand zeer smal geworden was, stelde hij zijne benden gedeeltelijk tusschen de duinen op. De kanonnen plaatste hij op planken, waardoor zij steun hadden en juist gericht konden worden. Met het gelaat naar den vijand en den rug naar de zee gekeerd, hadden de troepen van Maurits een dubbel voordeel: de westenwind blies zijn leger van den kruitdamp schoon en joeg hem den Spanjaard in het gezicht, terwijl de brandende Julizon en het stuivende duinzand den vijand de oogen verblindde.

Om twee uur na den middag begon de strijd. Hevig was de aanval van Albertus, doch niet minder heldhaftig de verdediging van Maurits. In gesloten gelederen trokken de Spanjaarden onverschrokken voorwaarts; doch zij stuitten op de Staatsche troepen als op een stalen muur. Drie uren lang was er van sveerszijden met de grootste dapperheid gestreden, en nog had geen der beide partijen eenig voordeel van belang behaald. Het voetvolk was uitgeput; van vermoeienis en dorst kon het niet meer. Werd er een regiment uit elkander geslagen, Maurits liet het sein voor „verzamelen!quot; blazen, en voerde zijne krijgers zelf weder in het vuur. Blootshoofds, opdat de zijnen hem herkennen zouden, reed Albertus, overal waar de strijd het hevigst was, door de gelederen, zijne getrouwen door woord en voorbeeld opwekkend en aanvurend.

De zon neigde reeds ter kimme en nóg was de worsteling onbeslist.

ocr page 93

92

Daar bracht Maurits eenige ruiterregimenten, door hem met opzet buiten gevecht gehouden, in het vuur. Met de sabel tusschen de tanden, in elke hand een geladen pistool, het paard met knie en spoor ten aanval prikkelend, vielen deze versche troepen op den afgestreden vijand, daarbij gevolgd door het gansche leger, onder den kreet; Victor ia, victor ia! De Spanjaarden begonnen te weifelen, te wankelen, daarna te wijken en sloegen eindelijk op de vlucht. Te vergeefs poogden Albertus en zijne bevelhebbers hunne troepen weder te verzamelen; de soldaten luisterden naar geen commando meer, als kaf voor den wind stoven ze van het slagveld en zochten het veege lijf te bergen.

De zege was voor Maürits volkomen. Al het geschut van Albertus, meer dan 100 vaandels, 500 gevangenen, waaronder vele officieren, en een aanzienlijke buit vielen in handen van den overwinnaar.

Maurits Avas niet voldaan; wel had hij een luisterrijke overwinning behaald, doch daar zijn leger te veel verzwakt was, moest hij er van afzien Duinkerken in te nemen. Met bitteren wrok tegen Oldenbarneveld in het hart keerde hij naar Holland terug.

26. Johan van Oldenbarneveld. (f 1619.)

Als jongeling had Johan van Oldenbarneveld gestreden voor Haarlem, om de Spanjaarden- het beleg van die stad te doen opbreken. Later was hij in de regeering gekomen, en had hii zich door bekwaamheid en beleid zóó onder-

ocr page 94

93

scheiden, dat hem na den dood van Willem van Oranje de leiding van 's lands zaken in handen gegeven werd, en hij onder den titel van Lands-Advocaat de ziel van het Bestuur in Holland geworden was. In die hoedanigheid vestigde hij de jeugdige Republiek op vaste grondslagen, zoodat men hem met recht kan beschouwen als den stichter van den nieuwen staat.

De wapenstilstand met Spanje, welke onder den naam van Twaalfjarig Bestand bekend staat, schonk geen rust en vrede aan de Vereenigde Nederlanden. De oude partijschappen herleefden.

Twee protestantsche hoogleeraren kregen geschil over zeker punt van hun godsdienst; de predikanten hielden het óf met den één; of met den ander, en brachten het geheele land in beroering. Daarbij kwam nog een staatstwist tusschen de hoogstgeplaatste personen in den lande. Johan van Oldenbarneveld, Hugo de Groot en andere voorname mannen stonden schrap tegenover Maurits en diens neef Willem Lodewijk. De predikanten mengden zich ook in dézen twist, en hitsten de gemoederen op; het liep ten laatste zóó ver, dat de burgers op het punt stonden de wapenen tegen elkaar op te vatten.

Maurits, die het leger te zijner beschikking had, liet zijne tegenstanders gevangen nemen. Toen Oldenbarneveld naar het Hof reed ten einde zijne dagelijksche bezigheden te verrichten, en tot het welvaren des Lands te arbeiden, kwam een kamerdienaar van den Prins den grijzen staatsman zeggen, dat Z.Exc. hemwenschte te spreken. Oldenbarneveld was nauwelijks binnen, of een officier trad op hem toe, en nam hem uit naam der Algemeene Staten gevangen.

ocr page 95

94

Er werd nu een bijzondere rechtbank benoemd om de gevangenen te oordeelen. De leden dezer rechtbank waren meerendeels op de hand van Maurits. Het vonnis, dat geveld zou worden, was dus niet twijfelachtig.

Oldenbarneveld werd ter dood verwezen.

Met deze veroordeeling ging de verbeurdverklaring zijner goederen vergezeld. „Ik dachtquot;, zoo nam de grijsaard na de voorlezing van het. vonnis het woord, „dat de Heeren zich zouden vergenoegd hebben met mijn bloed, maar dat zij de goederen aan mijne vrouw en kinderen niet zouden ontnomen hebben. Is dat nu het loon voor drie en veertig jarigen dienst, dien ik den lande heb bewezen?quot; Maar de president voegde hem bits toe: „Uw vonnis is gelezen; voorl, voort!quot;

Toen richtte de staatsman zijne schreden naar het schavot, ondersteund door zijn knecht en leunende op een stok. Met waardigheid besteeg hij de treden. Boven gekomen zag bij rond naar een stoel of kussen om er op te knielen. De scherprechter wilde om een stoel zenden, doch de grijsaard weerhield hem en knielde op de planken, terwijl een dominé met hem bad. Daarna stond hij op, ontdeed zich van zijn mantel, ontblootte den hals, keerde zich tot het verzamelde volk, en sprak: „Mannen ! gelooft niet, dat ik een landverrader ben. Ik heb oprecht gehandeld als een goed patriot, en zoo zal ik sterven. Jezus Christus zal mijn leidsman zijn.quot; Toen sloeg hij de oogen ten hemel en bad: „Heere God! hemelsche Vader, ontferm U mijner.quot; Vervolgens knielde Oldenbarneveld in het zand, dat de planken van het schavot bedekte, trok zich een zijden muts over

ocr page 96

95

de oogen, en, zijne handen samenvouwende hoog boven de borst, verwachtte hij den slag.

De beul verrichtte zijn werk, en — het hoofd van een van Hollands trouwste en edelste zonen rolde als dat van een gemeenen misdadiger over de ruwe planken; de zwaai van het zwaard scheidde niet slechts het hoofd van den romp, maar nam ook nog de vingertoppen mede.

Vele omstanders schoten toe en doopten doeken in het neerstroomende bloed, om het te bewaren als een gedachtenis aan den Besten Beste-vaêr, een der grootste van Neêrlands zonen, den grondlegger van de Nederlandsche Bepuhliek.

Maurits had hem van den dood kunnen redden, doch heeft het niet gewild.

Na den gerechtelijken moord op den grijzen staatsman gepleegd, beleefde Maurits droevige dagen. De liefde en eerbied van een groot deel des volks was voor hem verloren gegaan. Den roem nalatende de grootste veldheer van zijn tijd te zijn geweest, stierf hij, beladen met den vloek van velen zijner tijdgenooten.

27. Hugo de Groot.

(t 1645).

Hugo de Groot, een burgemeesterszoon uit Delft, onderscheidde zich reeds in zijne prille jeugd door een buitengewonen aanleg en een helder verstand. Op achtjarigen leeftijd schreef hij Latijnsche verzen; toen hij elf jaren telde, was hij student te Leiden. In zyne kinderjaren reeds trok zijne geleerdheid de aandacht van allen, die met hem in aanraking kwamen. Toen

ocr page 97

96

hij als knaap van 15 jaren aan den Franschen koning werd voorgesteld, noemde deze hem „het Wonder van Rollandquot; en hing hem zijne beeltenis, aan een gouden keten om den hals. Het volgende jaar werd htj tot Doctor in de Rechten bevorderd en tot advocaat aangesteld. Zijne veelomvattende kennis en minzaam karakter waren oorzaak, dat hij de eervolste betrekkingen bekleedde.

Daar kwam het Twaalfjarig Bestand met zijne twisten; de verdeeldheden vroegen ook De Groot als offer. Hij werd, als tegenstander van Mad-rits. in hechtenis genomen en tot levenslange gevangenschap veroordeeld. Toen men zijne gemalin, Maria van Reigersbergen, aanspoorde om vergiffenis voor haar man te vragen, antwoordde de fiere vrouw: „Ik zal het niet doen: heeft hij den dood verdiend, men sla hem het hoofd af!quot; Zij wilde hiermede te kennen geven, dat zij van de onschuld van haar echtgenoot ten volle overtuigd was.

Hugo de Groot werd nu naar 't slot Loevestein gevoerd, en zijne gemalin kreeg verlof om met hare kinderen zijne gevangenschap te deelen. Hier was hij veroordeeld om van 24 stuivers daags — want zijne goederen waren verbeurd verklaard — met vrouw en vijf kinderen te leven. Zijn tijd verdeelend tusschen de studie en de opvoeding van zün kroost, sleet hij hier droevige dagen.

Hij peinsde echter op middelen om den kerker te ontvluchten.

De Groot ontving geregeld van een Leidschen professor boeken, welke hem in een kist werden toegezonden. In den beginne was deze kist door den slotvoogd by het komen en gaan nauw-

ocr page 98

97

keurig onderzocht, doch later was hij daaromtrent minder nauwlettend geworden, daar men er toch niets anders dan boeken in Op

een dag nu, dat de bevelhebber afwezig was, verzocht Mevrouw de Groot de kist met boeken over Gorkum naar Leiden -te mogen zenden, hetgeePi haar bereidwillig werd toegestaan. In plaats van boeken in den koffer te pakken, ging de Groot daar zelf in liggen. Zijne dienstmaagd Elsje zou de kist te Gorkum bestellen ten huize van zekeren Daatselaar. Toen de soldaten de gewaande boeken opnamen om ze naar het veerschip te dragen, maakten zij de opmerking: „'t Is, alsof er leven in de kist is.quot; „AVelzeker!'' zei de gevatte dienstmaagd, „boeken bevatten geest en leven!quot; „Zit de Arminiaan er ook in?quot; en de soldaten meenden hiermede de Groot. „Ja gewis! 't zijn alle Arminianenquot;, hervatte Elsje, en zinspeelde daarmee op de geschriften. Op het schip droeg zij de nauw-lettendste zorg, dat er niemand op den koffer ging zitten. Toen er iemand tegen trommelde, waarschuwde zij: „Pas op, pas op! dat de kostbare waar geen ongeluk bekomt.quot; — Mevrouw de Groot stond voor het venster om te zien, hoe de zaak zou afloopen, en Elsje wuifde onophoudelijk met haar zakdoek. „Wat wil je toch, malle meid?quot; vroeg haar de schipper. „Och, Jan!quot; hernam ze, „Mevrouw meende, dat ik bij hevigen wind niet over het water durfde, en zie, — daar gaan we lustig voort; ik ben in 't geheel niet bevreesd!quot; En zij wuifde en zwaaide, dat een aard had.

Gelukkig bereikte zij met haar kostbaren schat het huis van Daatselaar, haar meesters vriend. Hier kroop de Groot uit zijn nauwen

7*

ocr page 99

98

kerker, viel op de knieën en dankte God voor de aanvankelijke redding. Daatselaar verschafte hem ffen metselaarspakje, en aldus vermomd ontsnapte hij gelukkig naar Noord-Brabant, waar geen Maurits hem achterhalen kon, want deze provincie behoorde „toen niet aan de Republiek. De vluchteling begaf zich naar Frankrijk, welks koning hem met open armen ontving, en hem wegens zijne talenten een rijk jaargeld toelegde. Tien jaren bleef hij in Frankrijk, gedurende welken tijd hij zijne studiën voortzette en door zijne geleerdheid de bewondering van Europa opwekte.

Daarna waagde hij het in Nederland terug te keeren; doch hij was er niet veilig, want er werd een prijs uitgeloofd van ƒ 2000 aan den-gene, die hem in handen van het gerecht overleverde. Ten tweeden male ontvluchtte hp nu het ondankbare vaderland, en trad in dienst van de Zweedsche regeering, die hem als haar gezant aanstelde bij het Fransche Hof.

Op een reis derwaarts overleed hij in 1645 te Rostock, toen hij op het punt stond tot het Katholiek Geloof over te gaan. Zijn lijk werd gebalsemd en te Delft in het familiegraf bijgezet. Daar rust het naast de assche van Maurits, en wijst een schoone gedenksteen de plaats aan, waar „het Wonder van Ewopaquot; den dag der opstanding verwacht.

23. Jan Pietersz. Coen.

(omstreeks 1620.)

Ook ter zee breidde de jeugdige Republiek hare macht uit. Toen de Spaansche koning den Nederlanders verboden had uit zijne staten de

ocr page 100

99

Indische waren te halen, ten einde die vervolgens naar alle landen van Europa te vervoeren,peinsden zij op middelen om zeiven naar Indi'é te stevenen, en daar handelsbetrekkingen met de inlandsche vorsten aan te knoopen. Zij beproefden het Oosten te bereiken door de Noordelijke IJszee en om Kaap de Goede Hoop. De tochten door de IJszee mislukten, die langs Afrika werd met den gewenschten uitslag bekroond. In 1595landde Cornelis Houtman met vier schepen op de kust van Java, waar hij het geluk had zijne vaartuigen met de kostbare voortbrengselen des lands te bevrachten. Nadat hij in het vaderland teruggekeerd was, rustten vele handelskantoren in onze groote steden schepen uit voor de vaart op de Oost, en weldra ontwikkelde zich een levendig verkeer tusschen Nederland en Irdië. De bekwame Johan'van Oldenbarneveld wist reeds spoedig al deze kleine handelsmaatschappijen tot één groot genootschap te vereenigen, dat den naam van Oost-Indische Compagnie ontving. Deze compagnie zond niet alleen schepen naar Indi'é om de producten aldaar te koopen, maar rustte ook oorlogsbodems uit en wierf soldaten en matrozen aan; kortom, zij gedroeg zich als een oorlogvoerende Mogendheid en veroverde in het verre Oosten groote landstreken, waarover ze landvoogden aanstelde met den titel van Gouverneur-Generaal.

Een der bekwaamste gouverneurs is Jan Pieterszoon Coen geweest. Aan zijn beleid en moed, aan zijne geestkracht en volharding hebben wij het vooral te danken, dat onze macht in Indië werd gegrondvest, en het gebied veroverd werd, dat wij nog heden kennen onder den naam van Insulinde.

ocr page 101

10ö

Toen Coen den post van gouverneur aanvaardde, bestonden de Nederlandsche bezittingen nog slechts uit de Molukken. De Compagnie zou echter gaarne vasten voet hebben op Java, de parel der Indische eilanden, om vandaar uit veroverend op te treden. De taak van den Gouverneur was evenwel niet gemakkelijk; want behalve tegen de Spanjaarden en Portugeezen, moest hij ook strijden tegen de Engelschen en de Inlanders. Coen weerstond hen allen, en bouwde onder de muren van Jacatra op West-Java een sterk fort, waarbinnen hij zich met de zijnen volkomen veilig waande. De inlanders echter, ondersteund door de Engelschen, kwamen hem na eenigen tijd aldaar belegeren. Coen tastte nu met zijne vloot de Engelschen op de reede van Jacatra nan, doch werd geslagen; hij nam de wijk naaide Molukken om vandaar versterking te halen. Onderwijl was de kommandant van het fort verplicht met de Javanen te onderhandelen over de overgave der sterkte. Toen hij zich hiertoe naar het Hof van Jacatra begaf, werd hij echter verraderlijk gevangen genomen, en de bezetting was reeds op het punt zich aan de Britten over te geven, toen Coen met een aanzienlijke vloot terugkeerde, de Engelschen versloeg, Jacatra vermeesterde en de stad slechtte. Op hare puinhoopen bouwde hy een nieuwe, welke hij naar zijne geboorteplaats Nieuw-Hoorn wilde noemen; doch uit het vaderland kwam bericht, dat ze Batavia gedoopt moest worden. Deze stad is sedert de hoofdplaats onzer Oost-Indische bezittingen gebleven.

Coen vroeg en verkreeg ontslag uit zijne betrekking en keerde naar het vaderland terug. Daar werd hij door de Compagnie rijkelijk be-

ocr page 102

L 01

loond voor al de diensten, welke hij haar in de Qverzeesche gewesten bewezen had.

Doch toen de zaken in Indië voor de Nederlanders een ongunstige wending dreigden te nemen, aanvaardde Coen andermaal de betrekking van Gouverneur-Generaal. De Inlanders en de Engelschen zagen hem echter met leede oogen wederkeeren. De vorst van Mataram, sultan van bijna geheel Java, belegerde hem tot twee malen met wel 100.000 strijders binnen Batavia, doch telkens te vergeefs: Coen weerstond aan zijne talrijke vijanden. Hij slaagde erin het gezag der Compagnie op hechte grondslagen te vestigen, uitgestrekte landstreken te veroveren en vele volken te onderwerpen.

Onze voorvaderen hebben door de Oost-Indische Compagnie groote schatten uit Indië getrokken. Jammer slechts, dat aan vele daarvan zooveel bloed en tranen kleefden. Heel eerlijk werd tegenover den Javaan niet altijd te werk gegaan. Zoo waren er landvoogden in Indië, die met millioenen bij millioenen guldens in het vaderland terugkeerden, hoewel ze slechts gedurende eenige jaren een salaris van 20 a 30.000 gulden genoten. Ook hebben de kooplieden uit de 17e en 180 eeuw niets, letterlijk niets gedaan om de heidensche bevolking aan de zegeningen van het christendom deelachtig te maken. Daarin staken ze zeer ongunstig af by de Spanjaarden en de Fortugeezen, die overal, waar ze kwamen, alle pogingen aanwendden om de bewoners uit de dwalingen van het heidendom te trekken en hun met de gezegende leer des Verlossers, tevens de christelijke be-

ocr page 103

102

schaving mede te deelen. Als hunne schatten maar aangroeiden en het Katholiek geloof geen bekeerlingen maakte, was het aan de mannen der Oost-Indische Compagnie vrij onverschillig, wat er met de inlanders gebeurde.

29. Piet Hein (f 1629).

Piet Hein was de zoon van een gewezen watergeus, die na de inneming van Den Briel zich in Delftshaven had neergelaten, en daar als visscher op de haringvloot een karig stuk brood voor zich en de zijnen verdiende.

De jonge Piet haakte naar de zee, en al vroeg ging hij als matroos het zeegat uit.

De meeste koopvaarders waren destijds bewapend uithoofde van den oorlog met Spanje; daarom moest een goed matroos, behalve zijn zeemanswerk ook het vechten verstaan. Onbedrevenheid in de behandeling der wapenen stelde den zeeman bloot aan het gevaar van elk oogenblik het leven te verliezen. Onze Piet Hein had dan ook op zijne vele reizen ruimschoots gelegenheid zijne bedrevenheid in het schieten en steken te toon en. Door moed, beleid en geestkracht klom hij langzamerhad op, en had hij het geluk gezagvoerder op een koopvaardijschip te worden. Op onderscheiden reizen behartigde hij zóó goed de belangen zijner reeders, dat zijn naam weldra met eere genoemd werd als die van een ervaren en zeer bekwaam kapitein.

De groote winsten, door de Oost-Indische Compagnie behaald, hadden bij velen de begeerte

ocr page 104

103

opgewekt ook een vereeniging op te richten, welke zich ten doel zou stellen op Amerika handel te drijven. Deze maatschappij kreeg den naam van West-Indische Compagnie, en rustte schepen uit, wèl voorzien van kanonnen en soldaten. Zij beoogde: in de Nieuwe Wereld de kostbare voortbrengselen van den bodem te koo-pen, liefst tegen ongemeen lagen prijs, — aldaar landstreken te veroveren, — doch vooral de Spaansche en Portugeesche schepen te kapen, die met goud, zilver en andere kostbaarheden rijk beladen naar Spanje wederkeerden. De laatste handelwijze zouden we in onze dagen zeeroof noemen; toen ter tijde evenwel heette het: „den Spanjaard afbreuk doen.quot;

Op deze vloot werd Piet Hein aangemonsterd als kapitein van een oorlogsschip; door zijne dapperheid klom hij op tot vice-admiraal, en als zoodanig nam hi] deel aan de verovering van San Salvador in Brazilië.

De West-Indische Compagnie loerde met begee-rige oogen op deze stad, wijl ze een sterk punt van uitgang aanbood voor verdere veroveringen op het vaste land. Daarom besloot de Admiraal der Compagnie haar te land en ter zee aan te vallen. De bezetting trachtte wel door een hevig kanonvuur de landing der Hollanders te beletten, doch te vergeefs: onze troepen werden ontscheept. Toen dit geschied was, zette de vloot zich in beweging naar de stad, waaruit zij vooral van het fort hevig bestookt werd. Tot zonsondergang hield het gevecht aan. Daar bestormde Piet Hein met de zijnen onder de opwekkende tonen van het Wilhelmus het fort, en terwijl de kogels dicht als hagel rondom hem nedervielen, vermeesterde hij de sterkte. Doch wijl men

ocr page 105

104

gedurende den nacht elk oogenblik aan een overrompeling blootgesteld was, vernagelde hij het geschut en keerde aan boord terug. Den volgenden ochtend was San Salvador verlaten, en werd men het zonder slag of stoot meester. Aan Piet Hein voornamelijk kwam de eere der verovering toe.

In 1626 werd hij Admiraal.

Geld verdienen en goede zaken maken, de beurs tot overloopens spekken, dat was het groote doel der Compagnie. En Piet Hein stelde het vertrouwen, dat men in hem had, niet te leur. Hij werd de schrik van den Spanjool, de geld winner der West-Indische Compagnie.

Reeds lang was men er op uit geweest de zoogenaamde Zilvervloten te veroveren: zóó werden de smaldeelen geheeten, die met goud en zilver en andere kostbaarheden beladen, uit Amerika naar Spanje wederkeerden. Het mes zou aan twee kanten snijden, als men die schatten kaapte : vooreerst zou men den Spanjaard verzwakken en ten andere zijne eigen zakken vullen.

Het geluk begunstigde den Admiraal. Een rijke vloot viel hem bijna zonder slag of stoot in handen. Terwijl een Zilvervloot naar Spanje koers zette, werd deze door een storm beloopen, en geraakten hare bodems verstrooid. Toen de vaartuigen weer bijeen waren, liepen ze onzen Piet Hein in den mond. Te laat het gevaar bespeurende, wilden de Spanjaarden de schatten in veiligheid brengen, door de schepen op strand te zetten en ze daarna te lossen, doch de jongens van Piet Hein waren den vijand te gauw af. Als katten zoo vlug klauterden ze aan de ééne zijde bij de kolossale galjoenen op, terwijl de Spanjaarden aan den anderen kant over

ocr page 106

105

boord sprongen. Zóó viel de rijke buit den Admiraal in handen; elf millioen gulden waren de zijne geworden bijna zonder dat hij daarvoor een schot gelost had.

Toen de vlootvoogd met zoo groote schatten in het vaderland aankwam, scheen er aan het gejubel des volks geen einde te zullen komen. Piet Hein was daar echter niet zeer meê ingenomen. „Zie!quot; zeide hij, „hoe het volk nu juicht, dewijl ik groote schatten te huis breng, waar ik weinig voor gedaan heb. Te voren echter, wanneer ik mijn leven in de waagschaal stelde en veel dapperder daden had verricht, zag men nauwelijks naar mij om.quot;

Opperbevelhebber en scheepsvolk werden ruim beloond.

Piet Hein had echter genoeg van déze wijze van oorlog voeren. Hij vroeg en verkreeg zijn ontslag als admiraal der West-Indische Compagnie. Korten tijd daarna ging hij in 's lands dienst over, maar sneuvelde reeds het volgende jaar tegen de Duinkerker kapers.

30. Frederik Hendrik.

(f 1647.)

Maurits werd als stadhouder en kapitein-generaal opgevolgd door zijn broeder Frederik Hendrik. Deze was in vele oprichten het tegendeel van zijn voorganger. Zachtmoedig en minzaam, toegevend en voorkomend, won hij de achting en liefde van het volk, zelfs verwierf hij het vertrouwen van diegenen, welke na de terechtstelling van Oldenbarneveld in iederen Nassauer een tegenstander zagen. Hij zette den

ocr page 107

106

oorlog met kracht voort en maakte den vijand zoovele steden afhandig, dat men hem den naam van Stedendwinger gaf. Ook zijn staf was een leerschool, waar vreemde officieren de krijgskunst kwamen leeren en beoefenen. Inzonderheid door de verovering van 's-Hertogenbosch verwierf hij grooten roem.

Limburg en Noord-Brabant grootendeels, en Iklgië geheel stonden tijdens het Twaalfjarig Bestand onder het gezag van den Aartshertog Albertus en zijne gemalin Isabella. Deze beide vorsten regeerden hunne landen met wijsheid en rechtvaardigheid, en verwierven zich in hooge mate de liefde en toegenegenheid hunner onderdanen, welke aan hun vader Filips zoozeer ontbroken hadden. Zij deden al het mogelijke om de rampen van den oorlog te lenigen, het land weder tot bloei te brengen en hun volk gelukkig te maken. Geen wonder dan ook, dat 's-Hertogenbosch, Maastricht, Roermond en andere steden, welke niet tot de Zeven Provinciën behoorden, weinig lust gevoelden om onder ander gezag te komen, en dat zij ongenegen bleken zich te onderwerpen aan Frederik Hendrik. Daarom moest hij ze door geweld van wapenen dwingen.

Maurits had reeds tweemalen het sterke 's-Her-togenbosch te vergeefs belegerd, toen Frederik Hendrik in 1629 met een leger van 40.000 soldaten onverwachts het beleg om de stad sloeg en allen toevoer van levensmiddelen afsneed. De hertogelijke veste werd door een dappere bezetting verdedigd, onder bevel van Antonie Schets, heer van Grobbendonck. De opperbevelhebber van het Spaansche leger, de Graaf Van den Berg, poogde wel de stad te ontzetten, doch

ocr page 108

1Ö7

(Ut gelukte hem niet. Daarop deed hij een inval in Gelderland en Utrecht en verspreidde groo-ten schrik in Holland; want zijne ruiters vertoonden zich reeds te Amersfoort, stroopten tot onder de muren van Kaarden en verontrustten Utrecht en Amsterdam. Toen de Spanjaard in het hart der Noordelijke Nederlanden stond, sloeg velen de schrik om het hart, en dachten sommigen, dat het laatste uur der Republiek geslagen was. Men sprak er reeds van Frederik Hendrik uit Brabant terug te roepen. Doch deze was tot het opbreken van het beleg niet te bewegen; hij meende, dat zijne eer en die des lands van het nemen der vesting afhing. Hij gaf aan de landlieden bevel, dat zij hunne goederen en hun vee binnen de versterkte plaatsen moesten brengen en al het andere vernietigen, opdat de Spaansche troepen geen levensmiddelen zouden vinden,' en aldus door gebrek tot den aftocht zouden gedwongen worden. Door een gelukkig toeval werd de stad Wezel, waaruit de vijand leeftocht en krijgsvoorraad bekwam, door een der Nederlandsche officieren veroverd, zoodat Van den Berg genoodzaakt was terug te trekken. De Prins zette ondertusschen de belegering met zóóveel kracht voort, dat Grobben-dongk, die ten laatste den hongerdood voor oogen zag en geen schot kruit meer bezat, de stad moest overgeven. De bezetting had zich echter dapper gehouden en zoolang gestreden, als ze kon; daarom werd haar vergund met alle krijgseer af te trekken: met vliegende vaandels en slaande trom, het zwaard aan de heup en de brandende lont in de hand. Frederik Hendrik hield daarop met zijne gemalin en vele voornamen uit den lande zijn intocht binnen de

ocr page 109

108

veroverde muren, en in het gansche land werd de inneming door vreugdefeesten gevierd.

Voor de bewoners van Den Bosch en omstreken was het geen geluk, dat ze van meesters waren veranderd. Want pas waren ze onder het gezag der Staten gekomen, of de kerken werden hun ontnomen; de Calvinisten bestemden de prachtige St.-Janskerk en de andere bedehuizen voor hunnen dienst; de overige heiligdommen werden tot bergplaatsen ingericht; de priesters en kloosterlingen uit de stad gezet, de kerk- en kloostergoederen benaderd en de uitoefening van den Katholieken godsdienst verboden.

In 1632 veroverde Frederik Hendrik Venlo, Sii-iard, Roermond en het ongemeen sterke Maastricht. Het innemen der laatste stad verschafte hem evenveel roem als het vermeesteren van 's-Hertogenbosch. Voor de uitsluitend katholieke bevolking dezer steden was echter de tijd van verdrukking en miskenning aangebroken; het lot van Den Bosch werd ook het hare.

Nog vijftien jaren werd de oorlog door Frederik Hendrik sleepende voortgezet. Tegenspoeden van allerlei aard verlamden zijne krijgsverrichtingen; niet het minst werden hem de handen gebonden door de bemoeizucht van sommige Regenten, die hem verhinderden door te tasten op het meest gunstige oogenblik.

Van beide zijden haakte men intusschen naaiden vrede. Toen deze op het punt stond gesloten te worden, stierf de beminde Prins (1647). Ofschoon als veldheer geenszins de evenknie van Maurits, bezat hij evenwel denzelfden onverschrokken moed en dezelfde verachting van 't gevaar; hij overtrof hem echter verre in adel van karakter.

ocr page 110

109

31. Maarten Harpertszoon Tromp, (f 1653.)

Maarten was de zoon van een scheepskapitein, en voer als kajuitsjongen bij zijn vader ter koop-vaardy, toen het schip door een Algervjnschen kaper werd aangevallen. De bemanning verweerde zich dapper; den vader werd de schedel gespleten, doch de knaap vuurde de manschap aan; hij hield niet op te roepen: „Zult gij mijn vaders dood niet wreken?quot; Edoch, alle weerstand mocht niet baten. De opvarenden werden over de kling gejaagd of geraakten in gevangenschap, en de kleine Maarten moest den roover-kapilein als oppasser dienen. Na verloop van drie jaren keerde hij in het vaderland terug en liet zich als matroos aanmonsteren, eerst op de koopvaardijvloot, daarna op die der West-Indische Compagnie; onder Piet Hein nam hij aan onderscheidene tochten deel en trad eindelijk in 's lands dienst, waar hij, alle rangen door-loopende, tot Admiraal opklom.

Als zoodanig treffen we hem in 1639 aan in Het Kanaal.

De Spaansche koning had een sterke vloot uitgerust, om de Nederlanden ook van de zeezijde te bestoken. Zevenenzestig groote zeekasteelen, wel bemand en van oorlogsmateriaal ruim voorzien, stonden onder bevel van den bekwamen Admiraal d'Oquendo. Tromp kruiste met 13 schepen op de hoogte van Wight, toen de ontzaglijke vloot met volle zeilen op hem kwam aanstevenen. Onze bevelhebber zond om versterking naar zijne beide vice-admiralen, die zich op eenigen afstand bevonden, en, met hunne smaldeelen

Jii

4

ocr page 111

110

versterkt thans 29 schepen onder zijne bevelen tellende, deed hij den aanval blazen op den „metalen bergquot;, zooals hij de ontzaglijke vloot der Spanjaarden noemde. Toen d'Oqüendo bemerkte, dat de Hollanders hem te lijf wilden, gaf Mj spottende bevel, het hoopje schuiten, (waarmeê hij Tromp's vloot bedoelde) op zijne galjoenen te hijschen. Doch deze scherts bekwam hem slecht. Onze Admiraal klampte hem zóó verwoed aan boord, dat de Spanjaard week en een toevlucht zocht in de haven en onder de bescherming van het geschut der Engelsche stad Duim.

Tromp sloot met zijne schepen dadelijk den toegang tot de haven af en hield den Spanjaard hier opgesloten.

In allerijl werd er een schip naar het vaderland gezonden om aan de Regeering verslag van het voorgevallene te geven en versterking aan te vragen. Daar kwamen aller handen in beweging! De Oost- en de West-Indische Compagnie stelden dadelijk hare bodems ter beschikking des lands; op de koopvaardijschepen werden kanonnen geplaatst; soldaten kon men te over krijgen, en zoo groeide onze vloot binnen weinige weken tot honderd schepen aan. alle ruim voorzien van goedgeoefende matrozen en oorlogsbehoeften.

De Engelsche Koning zag met leede oogen den aanwas der Nederlandsche vloot, en dreigde met een oorlogsverklaring, bijaldien onze Admiraal den Spanjaard op de Engelsche kust slag durfde leveren. Daarom daagde Tromp den Spaanschen Admiraal uit zee te kiezen, om zich daar met hem te meten. d'Oqüendo zocht voorwendsels teneinde zich aan den strijd te onttrekken. Eerst zeide hij:

ocr page 112

Ill

„Mijne masten en stengen liggen te Dover, en zonder deze kan ik niet vechten!quot; — „Ik zal ze voor u gaan halen/' antwoordde Tromp, en werkelijk bracht hij ü'Oquendo, wat deze noodig had. „Ik heb gebrek aan kruitquot;, was nu zijne uitvlucht. Tromp seinde al zijne kapiteins bij zich aan boord, belegde scheepsraad, en tot verbazing van vriend en vijand zond hij hem eenige duizenden ponden buskruit uit zijn eigen voorraad.

Nog zeilde d'Oqüendo niet uit.

Daar kreeg Tromp uit Den Haag de lastgeving den vijand aan te vallen, waar hij dien mocht vinden. Dit bevel behoefde hem niet herhaald te worden. Een gedeelte der vloot wees hij aan om de Engelsche schepen, welke in de buurt lagen, in het oog te houden, en — hij begon den strijd. Niet lang duurde het, of van de ontzaglijke Spaansche vloot was weinig meer over. Hier liep er een schip op strand, daar botsten er twee tegen elkander en geraakten in eikaars touwwerk verward, elders brandde er een op, of vloog in de lucht, en bij dat vernielen hielpen de branders, welke Tromp afzond, niet weinig. Slechts aan dertien vijandelijke schepen gelukte het, begunstigd door een dikken mist en den daarop volgenden storm, te ontkomen, en een toevlucht te vinden in de haven van Duinkerken.

De Spanjaarden waren geheel terneergeslagen en de Britten verwoed, dat de Nederlanders op de Engelsche ree den vijand durfden aanvallen; doch de overwinnaars juichten over de behaalde zege, en het gansche land weergalmde van hunnen lof.

ocr page 113

112

Tromp had nog dikwijls gelegenheid om de vijanden zijns lands te bestrijden. Want pas was in 1648 de worsteling met Spanje geëindigd, of wij werden in een oorlog gewikkeld met Engeland, dat naijverig was op de macht en den voorspoed der Nederlandsche Republiek. Tromp kweet zich als altijd dapper van zijn plicht, al moest hij soms ook tegen een overmacht den strijd aanvaarden. Van wankelen wist hij niet, van wijken nog veel minder. Doch al zijn moed kon hem tegen een vijandelijken kogel niet beveiligen. Hij sneuvelde in 1653 op de Hollandsche kust ter hoogte van Ter Heide, den roem nalatende de grondvester geweest te zijn van Neêr-lands macht ter zee.

Een kostbaar praalgraf werd voor hem opgericht; doch zijne matrozen zongen van hem:

Men steil' voor Hollands admiraal Geen graf van marmer of metaal.

Maar ergens op een hooge klip Het hol van een veroverd schip:

De doode Tromp daarin gelegd,

Zal onder 't eerste zeegevecht Aan Holland moed en strijdlust geven En menig Engelschman doen beven.

32. Joost van den YondeL (1587—1679.)

De vader van Joost van den Vondel, hoedenmaker van beroep en Doopsgezind van religie, was ten einde de verdrukking om des geloofs wille te ontgaan uit Antwerpen naar Keulen ge-

ocr page 114

113

weken. Hier werd hem in 1587 zijn zoon Joost geboren. Met hart en ziel aan zijn geboortegrond gehecht, verkocht de vader weidra alles, wat hij bezat, en keerde met vrouw en kroost naar 't vaderland terug, waar hij zich eerst te Utrecht, later te Amsterdam vestigde en een kousenwinkel opzette.

Daar werd de jonge Joost als gewoon burgermanskind opgevoed en ter schole gezonden, en later door zijn vader voor het kousenvak opgeleid. Reeds vroeg echter toonde hij groote neiging tol het maken van versjes en gedichtjes, welke lang niet zonder verdienste waren, zóó zelfs, dat er van den dertienjarigen knaap door bevoegde kenners reeds met lof gewaagd werd, en men in hem een groot dichter voorspelde.

Toen zijn vader stierf, nam Joost op 21jari-gen leeftijd de kousennering over, en hij had zooveel voorspoed in zijne zaken, dat hij weldra onder de welgestelde burgers kon geteld worden. Door zijn huwelijk kreeg hij niet alleen steun en hulp in den handel, maar kon hij zich ook meer en meer met zijn lievelingswerk, het dichten, bezig houden; ja, hij gaf zich hieraan weldra zóózeer over, dat hij nauwelijks meer naar zijne zaken omzag, en die geheel en al aan zijne vrouw overliet.

Twee van zijne kinderen bereikten den rijperen leeftijd, een zoon en een dochter. Aan het meisje beleefde hij groote vreugde. Deze vrome en begaafde dochter vertoefde een ge-ruimen tijd te Keulen, werd daar in het Katholieke geloof onderwezen, en keerde na den dood barer moeder naar Amsterdam terug om het huishouden baars vaders te bestieren. De zoon, evenals zijn vader Joost geheeten, was door

8*

ocr page 115

114

zijne losbandigheid een bron van aanhoudend verdriet voor den dichter, en de oorzaak, dat de geldmiddelen des vaders langzamerhand zóózeer versmolten, dat deze op zeventigjarigen leeftijd tot den bedelstaf gebracht was.

Hoe verder Vondel in de dichtkunst vorderde, hoe meer het hem duidelijk werd, wat hem ontbrak. Kennis moest by bezitten. Daarom begon hij zich met de borst op de studie toe te leggen; bij leerde Fransch en Duitsch, Latijn en Grieksch, om bekend te worden met de meesterstukken van vreemde dichters. Knappe en geleerde mannen, als Hooft en Huigens, zochten zijn omgang, en met de beroemdste dichters van zijn tijd stond hij in levendig verkeer. Zijne verzen geraakten al meer en meer bekend, en weldra werd bij onder de beroemdste poëten geteld.

Oldenbarneveld was onthoofd. Deze moord schokte Vondel geweldig. Hij greep naar de pen en schreef een treurspel: vPalamedes of de vermoorde Onschuld.quot; De held van dit gedicht was een Griek, dien men betichtte, dat hij van den vijand geld had aangenomen om zijn vaderland hêimejijk te verraden, en die op deze valsche beschuldiging ter dood veroordeeld was.

Vondel wist in dit treurspel de verschillende personen zóó op te voeren en te doen spreken, dat ieder dadelijk kon merken, dat Palamedes niemand anders was dan Oldenbarneveld, en men onder verbloemde namen zeer duidelijk Maurits en diens vrienden of vijanden kon herkennen.

Pas was het boek gedrukt, of een storm stak tegen den dichter op. Vondel werd aangeklaagd en door het gerecht gezocht. Hij ontvluchtte

ocr page 116

115

zijne woning en hem werd door zijne vrienden een schuilplaats verleend, welke hij weder verliet, toen alle vrees voor gevangenneming geweken was.

Wel werd hem een boete van driehonderd gulden opgelegd, doch hij betaalde die som gaarne, nu hem door invioedrijke mannen de hand boven het hoofd gehouden werd. Het tegen hem gevelde vonnis bracht zijn naam op aller tong, en zijne verzen kregen een groote vermaardheid.

Vondel maakte nog zeer vele gedichten tegen Maürits' partij en tegen de Calvinistische predikanten, die in het gansche land hevig tegen de aanhangers van Oldenbarneveld waren uitgevaren. Doch ook andere zaken of gebeurtenissen zett'en zijne dichterziel' in vuur. Als er te land glorierijk was gevochten, als onze zeehelden de eer der Hollundsche vlag hadden opgehouden, of wanneer er gebouwen werden gesticht, waarin hulpelooze weezen of ouden van dagen onderdak vonden, telkens greep Vondel naar de veder en stortte zijn gevoel in hartverheffende zangen uit.

Op gevorderden leeftijd werd hij Katholiek. Zijn protestantsche levensbeschrijver getuigt van hem, dat hij dit niet geveinsd gedaan heeft, maalais trouwe zoon der Moederkerk naar hare voorschriften heeft geleefd. Hij berokkende zich door den overgang tot het Katholicisme tallooze vijanden. Velen, die tot dusverre zijne warme vrienden waren geweest, keerden hem nu den rug toe en vermeden zijn omgang. Doch dit ontmoedigde hem geenszins; de nieuwbekeerde bleef getrouw volharden in het geloof, dat hij had omhelsd, en leefde naar de voorschriften der Kerk.

Na zijne bekeering bezong hij meestal godsdienstige onderwerpen: David, Jozef, Samson,

ocr page 117

116

Adam, Noë, St. Ursula, enz. waren onder meer de onderwerpen zijner voortreffelijke verzen. In „Lucifer of de Vai der Engelen,quot; (waarin velen een bedekte toespeling meenen te zien op den opstand van Willem van Oranje) beschreef hij d^ verdrijving der afvallige Engelen uit den Hemel; hij deed dit op een wijze, dat elk, die het leest, verwonderd staat over de meesterlijke behandeling, en men niet gelooven kan, dat Vondel toen reeds de 77 jaren had overschreden. In tal van „Zegezangenquot; verheerlijkte hij de glorie zijner medeburgers en gevoelt men hoezeer 's dichters hart gloeit van liefde tot zijn vaderland.

Toen de groote dichter een grijsaard van ruim 70 jaren geworden en tot den bedelstaf gebracht was door de losbandigheid van zijn zoon, werd hij klerk bij de Bank van Leening; doch daar hij, weinig met de eentonige werkzaamheden op het kantoor ingenomen, zijne zaken niet naar behooren waarnam, ontsloeg de stedelijke Regeering hem, — met behoud dei-jaarwedde evenwel. Zoo bleef Neêrlands oudste en grootste dichter voor broodsgebrek bewaard.

Het dankbare nageslacht richtte eenige jaren geleden voor hem te Amsterdam een standbeeld op, op welks voetstuk men leest;

„Om den adel van zijn karakter; om den rijkdom van zijn genie; om den gloed en lieflijkheid zijner dichtgave, bij scherp vernuft en degelijke wetenschap; om zijn tooveren met de Nederlandsche taal, dienstlDaar gemaakt aan zijne liefde voor land en stad; wordt hier aan Joost van den Vondel ter kwijting eener diepgevoelde schuld, dit gedenkteeken gewijd.

MDCCCLXVII.quot;

ocr page 118

117

33. Michiel Adriaanszoon de Ruyter.

(1607—1676.)

Michiel begon, evenals zoovele arme Hol-landsche jongens, ter koopvaardije te varen, en klom door goed gedrag en ijver op tot kapitein. Toentertijde ging het nog even als in de dagen van Piet Hein: wie met goed geluk wilde varen, moest schipper, koopman en soldaat tegelijk zijn. Dit was Üe Ruyter dan ook; vandaar, dat hij gemakkelijk in 's lands dienst als kapitein op een oorlogschip kon overgaan. In deze nieuwe betrekking gedroeg hij zich zóó wel, en onderscheidde hij zich door zóó groote dapperheid en beleid, dat hem eindelijk als Admiraal het bevel over de gansche vloot werd toevertrouwd.

Als zoodanig streed hij met ongemeen geluk, vooral tegen de Engelschen.

Men schreef het jaar 1666. Nederland was in oorlog met Engeland, en had een geduchte vloot onder bevel van De Ruyter in zee gezonden om de Britten te bevechten, die met een groote scheepsmacht, waarover Monk het kommando voerde, onze kusten en zeegaten bedreigden. Op de hoogte van het Nauw van Calais kregen de vloten elkander den llde11 Juni in het gezicht, en het duurde niet lang of ze geraakten slaags. Over en weer streed men met hardnekkigheid, doch daar er een stevige bries woei, helden de Engelsche schepen, die rank gebouwd waren, overzij, waardoor hun geschut g^,en doel trof, en de kogels óf zonder schade aan te richten over de Hollandsche schepen heen vlogen, óf den vijand niet bereikten. De Nederlandsche schepen daarentegen lagen, doordat ze plomper

ocr page 119

118

van vorm waren, vast op het water, zoodat het geschut met juistheid gericht kon worden, en den vijand dan ook belangrijke schade werd toegebracht. De vallende avond scheidde de vechtenden.

Van weerszijden benutte men den nacht om de beloopen schade zooveel mogelijk te herstellen, doch nauwelijks lichtte de zon weder over de wateren, of de strijd nam opnieuw een aanvang. Met afwisselend geluk werd er den ganschen dag gestreden; van beide vloten werd menig schip reddeloos of in brand geschoten. Bij het vallen van den nacht zond De Ruyter zijne onbruikbaar geworden vaartuigen naar Tessel, en hernieuwde den derden dag den aanval met zóó goed gevolg, dat na een heet gevecht de Fngelsche vloot zich tegen den avond naar den Teems terugtrok, waar zij door onzen vlootvoogd werd ingesloten.

Nu kregen de Engelschen versterking. Prins Robbert kwam opdagen met 25 schepen, welke nog niet aan den strijd hadden deelgenomen.

Terwijl ons moe gestreden volk de nachtrust opofferde om de geleden schade te herstellen, en er bijna geen schip ongehavend was, terwijl de Engelschen zoogoed als een versche vloot bezaten, deed alles op den vierden dag voor de onzen het ergste vreezen. Niettemin was ieder vol goeden moed en vol betrouwen op den Admiraal. Den ganschen dag streed men aan beide zijden met de uiterste verbittering; de zon neigde reeds ten ondergang, — en nog was het gevecht niet beslist. Daar deed De Ruyter de bloedvlag bijschen, ten teeken aan de zijnen om van alle'kanten op de vijandelijke slaglinie in te breken. Deze laatste wanhopige aanval

ocr page 120

119

had een beslissende uitwerking. De Engelschen begonnen te deinzen, daarna te wijken, en sloegen eindelijk met volle zeilen op de vlucht. Vele schepen werden genomen of verbrand, en er zou weinig van de verstrooide vijandelijke vloot zijn overgebleven, had een dikke mist bij den ingevallen nacht haar niet aan het oog dei-vervolgers onttrokken.

Glansrijk en glorievol was de overwinning van De Ruyter. Zelfs de zee verkondigde zijnen lof: van Schotlands noordkust tot de Azoren dreef het wrakhout of de takelage der vernielde Britsche vaartuigen, en zong het zegelied van Neêrlands dappere zonen.

Nog menigmaal trad de wakkere vlootvoogd tegen den vijand op, zoodat zijne landgenooten hem den eerenaam gaven van Redder van H vervallen Vaderland. De dichter Brandt bezong hem als den man,

„Die in één jaar twee groote koninkrijken Tot driemaal toe de trotsche vlag deed strijken

en de nakomelingschap kende hem den eere-titel toe van Schrik des Oceaans.

?t Was in 1676.

Nederland was in oorlog met Frankrijk. De Regeering wilde De Ruyter met een vloot van 18 schepen naar de Middellandsche zee zenden om in vereeniging met het Spaansche eskader de Fransehen te bestrijden. De grijze admiraal gaf te kennen, dat met zoo weinig schepen voor onzen Staat eer, noch roem, noch voordeel te

ocr page 121

120

behalen was. Een der regenten vroeg hem daarop schamper, „of hij op den ouden dag den moed liet zinken?quot; Voi vuur hernam de held: „Neen! ik heb mijn leven altijd veil gehad voor den Staat, en nog waag ik het overal, waar de Staten mij de eer van hunne vlag vertrouwen; en al bevelen zij ook ' 's lands standaard op één schip te voeren, toch zal ik gehoorzamen.quot;

De Ruyïer zeilde dan uit en kruiste weldra iu de Straat van Messina. Van de Spaansche-hulpvloot was echter geen zeil te bespeuren. Eindelijk, daar naderde één schip, maar tevens kwam van de andere zijde de dappere Fransche admiraal Du Quesne opzetten. Desniettemin aanvaardde De Rüyter vol moed den ongelijken strijd. De nacht maakte een einde aan het gevecht, zonder dat een der vlootvoogden zich de eer der overwinning kon toeschrijven. Toen den volgenden dag negen Spaansche schepen ter versterking van onzen Admiraal kwamen opdagen, zeilden de Fransdien weg, zich ongeneigd quot;betoonend den strijd te hervatten.

Eenige maanden later geraakte onze vlootvoogd weder met Du Quesne slaags; op de Ski-liaanxche kust, in het gezicht van den rookenden Etna, hari de ontmoeting plaats. Hevig was de strijd van weerszijden, en de Fransche voorhoede werd reeds teruggedrongen, toen De Ruyter door een kanonskogel rechterbeen en linkervoet verbrijzeld werden. Het gevecht werd echter dapper voortgezet, en onze vloot behaalde de zege. Dc overwinning was echter duur, te duur gekocht: de groote Admiraal overleed zeven dagen later aan de bekomen Avonden in de haven van Syracuse.

Groot was de verslagenheid, welke zijn dood in

ocr page 122

121

het vaderland verwekte. Het was, alsot de mannen een broeder, de vrouwen een echtgenoot, de kinderen een vader in hem hadden verloren; zijne dappere soldaten betreurden in hem hun Best eva er.

Vreemdelingen, zelfs zijne vijanden, brachten hem hunne welverdiende hulde. Een Enqelsch geschiedschrijver getuigt van den grooten Vlootvoogd; „De Ruyter was zulk een gemoedelijk man, zulk een nauwgezet en godvruchtig christen, zulk een stout soldaat, zulk een wijs, ervaren en gelukkig bevelhebber, dat hij terecht door de nakomelingschap verdient geprezen te worden als een sieraad zijner eeuw, als de voedsterling der zee, als het vermaak en de eer züns lands.quot;

Een prachtig praalgraf in de Nieuwe Kerk te Amsterdam wijst zijne laatste rustplaats aan.

34. Paul Rembrandt van Eijn. (f 1669.)

Deze groote schilder werd in 1608 te Leiden geboren en was de jongste der vier zonen van een bemiddeld molenaar. De broeders volgden het bedrijf des vaders, doch Paul toonde van jongs af te grooten aanleg voor kunst en wetenschap te bezitten, om als mulder zijn dagen te slijten. Zijne ouders zonden hem daarom naaide Latynsche school. Hier maakte hij echter geen groote vorderingen; want in plaats van aandachtig de lessen en onderrichtingen der leeraren te volgen, hield hij zich in den leertijd dikwyls bezig met het maken van teekeningen.

ocr page 123

122

welke hij in zijn vrije uren met kleuren opsierde. Toen zijne ouders opmerkzaam werden gemaakt op het talent, dat in hun .iongen sluimerde, namen zij hem van de school, en zonden hem naar de werkplaats van een beroemd schilder, die pas uit Italië was teruggekeerd. Hier maakte hij in korten tijd de grootste vorderingen; want hét genie dat in hem school, vereischte slechts geringe hulp om zich te ontwikkelen en tot volle ontplooiing te komen. Op twee en twintigjarigen leeftijd vestigde Paul zich te Amsterdam als meester.

Het leven van Rembrandt, zooals hij meestal genoemd wordt, laat zich door een scherpe grenslijn in twee deelen scheiden; vóór het jaar 1656 was hij de gelukkige, die het lijden niet anders dan bij name kende, na dit jaar ging hij tot het einde zijner dagen er onder gebukt.

In 1634 trad Rembrandt in het huwelijk met Saskia, een meisje uit een gegoede en deftige familie. Het vermogen zijner echtgenoote stelde hem in staat zich onbezorgd aan de kunst te wijden, die hij nu niet meer om den broode behoefde te dienen. De groote naam, welken zijne stukken hem weldra verwierven, bracht hem in aanraking met mannen, beroemd op het gebied der fraaie letteren, met dichters, staatslieden en geleerden. Een groot getal leergierige en kunstminnende jongelingen bevolkte steeds zijn atelier, en terwijl deze leerlingen hem bewondering en hoogachting toedroegen, maakte hun vlijt en ijver den-lust van 's meesters leven uit. Rembrandt was nu in de gelegenheid aan den smaak te voldoen, dien hij had in het verzamelen van kunstwerken; een quot;zaal in zijne woning was een waar museum; daar waren, behalve beroemde

ocr page 124

123

schilderijen, gravures en prenten, een schat van porceleinen vazen, kannen en andere zeldzame oudheden bijeengebracht, en onophoudelijk wendde Rembrandt onvermoeide pogingen aan om zijne verzameling te vergrooten en te verfraaien. Schatten gelds offerde hij daaraan op; de groote sommen; waarmede zijne meesterstukken betaald werden en een aanzienlijk deel van de inkomsten zijner vrouw, al wat hij kon besparen op zijne uitgaven, besteedde hij tot opluistering van zijn kunstkabinet. Deze hartstocht heeft hem in druk en lijden gebracht en was de oorzaak van zijn ondergang.

Zijne echtgenoote ontviel hem al spoedig. Piembrandt beheerde nu het vermogen, dat zijn eenige zoon en kind van de moeder erfde, doch moest, zoo luidde het testament, van dit beheer afzien, zoodra hij tot een tweede huwelijk mocht overgaan. Dit deed hij in 1656 en nu bleek, dat het vermogen van het kind verdwenen was. Het is en blijft een raadsel, hoe dit mogelijk geweest is; want niet alleen genoot Rembrandt de rente van het vermogen zijner vrouw, en werden zijne v^le stukken duur betaald, maar ook trok hij voor het onderwijs verstrekt aan zijne leerlingen nog jaarlijks ongeveer f 2500.

Hoe het zij, het geld was weg en bleef weg, en nu werd er beslag gelegd op zijn inboedel. De goederen werden in het openbaar verkocht, doch brachten slechts een luttele som op, op verre na niet toereikend om de schulden te dekken.

Sinds die noodlottige gebeurtenis heeft Rembrandt zijne dagen in armoede en gebrek doorgebracht. Hij onttrok zich geheel aan de wereld doch leefde alleen voor de kunst. Van den morgen tot den avond werkte hij in een ellendige schuur

ocr page 125

124

en schiep doeken, die niet minder dan de vorige zijn naam zouden vereeuwigen. Zijne schilderijen worden gevonden in alle musea der groole steden van Europa; Parijs, Londen, München, Dresden, St.-Petersburg betwisten elkander de voortbrengselen van zijn penseel. Het schoonste werk van den grooten Kunstenaar is ongetwijfeld de Nachtwacht, en dit wordt — gelukkig — in het vaderland bewaard. Thans berust het in het Rijksmuseum te Amsterdam, waar een afzonderlijke zaal, de zoogenoemde Rembrandts-zaal, voor de meesterstukken van den Prins der Nederlandsche Schilders is ingericht.

Behalve de vele schilderijen in olieverf, welke alle onderwerpen voorstellen uit de Vader-landsche of Bijbelsche Geschiedenis, vervaardigde Rembrandt nog een ontzaglijk groot aantal teekeningen en etsen, die hij soms aan verzamelaars verkocht, of aan zijne vrienden en bekenden ten geschenke gaf. Ook in die teekeningen herkent men den grooten meester; op elke daarvan heeft hij den stempel van zijn genie gedrukt.

De groote schilder stierf in diepe armoede, geheel en al vergeten door hen, die in de dagen van voorspoed en weelde zijne vrienden geweest waren. De kosten zijner begrafenis bedroegen niet meer dan 15 gulden. Een plein in de hoofdstad des rijks is naar hem genoemd, en korte jaren geleden is aldaar voor hem een standbeeld opgericht om onder het nageslacht levend te houden de gedachtenis aan dengene, die onder de wereldberoemde Hollandsche schilders de grootste is geweest.

ocr page 126

125

35. De gebroeders de Witt, (t 1672.)

Johan ue Witt had twintig jaren lang den post van Piaadpensionaris bekleed. Gedurende dezen tijd had hij het land eerlijk en trouw gediend; den bloei van het vaderland, niet zijn eigen voordeel, had hij behartigd; door zijne wijsheid en zijn beleid was de welvaart dei-burgers tot een ongekende hoogte gestegen. Zijn broeder Cornelis, burgemeester van Dordrecht, had menigmaal op 's lands vloot het leven veil gehad voor het behoud van het vaderland.

Beiden waren het hoofd eener partij in den lande, die in het aanstellen van den Prins van Oranje, een kleinzoon van Frederik Hendrik, tot stadhouder een gevaar zag voor de Piepubliek. De Koning van Engeland verlangde, dat de jeugdige Willem zou worden verheven tot de waardigheid van diens vaderen. Zoolang nu Frankrijk op de zijde van De Witt was, bestond er voor Willem weinig kans om tot stadhouder te worden aangesteld. Doch daar rezen moeilijkheden tusschen F rank rijks Koning en de Regeering der Republiek, de moeilijkheden werden verwikkelingen en deze voerden tot een oorlog. De Koning van Engeland deed gaarne mee, als i.el op onze Republiek los zou gaan, en in de vorsten van Munster en Keulen vond Frankrijk bovendien nog bondgenooten.

't Was in 1672, dat ons land door deze vier mogendheden werd aangevallen, en zijn ondergang nabij scheen. Geen wonder dan ook, dat de Regeering niet wist, wat aan te vangen;' men kon naar waarheid zeggen, dat „het Land

ocr page 127

126

reddeloos, liet Volk redeloos, de Regeering radeloos was.quot;

In vele plaatsen liep het volk te wapen, luid roepend om een stadhouder, terwijl de gebroeders De Witt beschuldigd werden het ongeluk der Ptepubliek bewerkt te hebben. De Prins van Oranje werd tot de waardigheid zijner vaderen verheven, en Johan de Witt legde zijn ambt neder. Toch bleef hij bij een deel van 't volk gehaat, en dit maakte van de eerste gelegenheid de beste gebruik, om zijne woede aan hem te koelen.

Zekere Tichelaar, een losbol, een slecht ter naam en faam bekend staand man, had Coa-nelis de Witt beschuldigd een moordaanslag op den Prins beraamd te hebben. Deze was daarop gevangen genomen en op de pijnbank geworpen; doch de hevigste tormenten hadden hem geen bekentenis kunnen afpersen. Zijn woord bleef: „Ik ben onschuldig aan wat men mij ten laste legt; waarom foltert ge mij?quot;

quot;Hoewel er geen schuld in hem gevonden was, werd hij toch ten eeuwigen dage uit Holland gebannen. Johan de Witt werd naar de Gevangenpoort ontboden, alwaar zijn broeder verbleef, die nog ziek was ten gevolge van de martelingen der pijnbank. De bewaking der gevangenis was aan een wacht opgedragen, die door een loos gerucht werd weggelokt. Pas was nu echter het broederpaar bijeen, of daar kwam het geboefte opzetten, aangevoerd door Tichelaar. „Mannen !quot; zoo roept hij, „de rechters hebben de schelmen vrij gelaten; doch wij zullen niet aldus handelen.quot; De beide schurken zijn in 't net, laten wij met, hen afrekenen; daarna zullen de overige schavuiten hunne beurt bekomen.quot;

ocr page 128

127

„Oranje boven! De Witten onder!quot; klinkt het voor de Gevangenpoort uit de wacht der schutters, en het Haagsche grauw vult aan: „Wie het anders meent, dien sla de donder !quot; De poort der gevangenis wordt opengebroken en het gespuis stormt naar boven. Daar wordt Cornelis aangegrepen, in zijn bed geworgd en de trap afgesleurd. Johan staat roerloos en van schrik verlamd dit schandelijk bedrijf aan te staren, als hem een kolfslag op den schedel treft.quot; Wilt gij mijn leven.quot; zegt de waardige man, „maakt het dan kort.quot; Doch daar was het niet om te doen ; het gemeen wilde zijn genot van den moord hebben en voert hem naar beneden. Buiten gekomen wordt hij van alle kanten gestooten, gestompt, geslagen, gebeukt; déze rijt hem met een piek het gelaat op, een ander schiet hem in den nek, een derde splijt hem den schedel, zoodat hij levenloos ter neder stort. Nu bonzen de kolven der geweren op het ontzielde lichaam, en men trappelt met de voeten daarop, totdat er geen menschelijke gedaante meer te herkennen valt. Daarmee niet tevreden sleept men de beide lijken naar de gerechtsplaats binnen de stad, en hangt ze aan de wipgalg. Nóg is de volkshaat niet verzadigd; men koelt zijne woede door de lichamen op alle mogelijke wijzen te verminken, ja gaat zelfs zóó ver, dat men vinger en teen, oor en oog bij opbod verkoopt.

En te midden van dat onmenschelijk bedrijf staat de bloem der Haagsche aristocratie, staan predikanten en overheidspersonen, en zien het lijkenschennen aan!

De aanvoerders van dit gruwelstuk bleven ongestraft ; de Prins gaf aan de Regeering te kennen, dat het onvoorzichtig zou zijn, onderzoek

ocr page 129

128

te doen naar een misdrijf, waaraan ten naastenbij de gansche stad zich medeplichtig had betoond. Wat meer is — aan de uitvoerders van het boevenstuk verstrekte hij geld, en de aan-leggers werden in hunne ambten bevorderd.

Tichelaar had echter weinig genot van het ambt, dat hem was opgedragen. Op ziin ouden dag moest hij op krukken springend langs de huizen zijn brood bedelen, terwijl hij onophoudelijk herhaalde, dat hij De Witt schandelijk belasterd en valschelijk beschuldigd had.

De gebroeders De Witt zullen echter in onze historie blijven leven als personen, vrij van smet en blaam, die hunne uitstekende gaven van geest dienstbaar hebben gemaakt aan de grootheid en het welzijn van het vaderland.

36. Prins Willem III.

(f 1702.)

Nadat Prins Willem III in het ongeluksjaar 1672 tot de waardigheid zijner voorvaderen was verheven, spande hij alle krachten in om den vijand weder buiten de landpalen te drijven. De Fransche gezant spoorde hem aan deze pogingen te staken, wijl alle moeite tevergeefs zou zijn, daar het land toch verloren was. Doch de moedige Prins voegde hem toe: „Ik weet één middel om den ondergang van mijn vaderland niet te aanschouwen, en dat is met de sabel in de vuist op het laatste bolwerk of in de laatste verschansing te sneuvelen.quot;

En, wat men nooit had kunnen denken, gc beurde: door moed en geestkracht van binnen en gesterkt door de hulp der bondgenooten van

ocr page 130

129

buiten, slaagde men erin na twee jaren met Engeland, Munster en Keulen een eervolien vrede te sluiten en Frankrijk met goed gevolg het hoofd te bieden.

Prins Willem was gehuwd met Maria, dochter van Jacobus, koning van Engeland. Deze was katholiek geworden en poogde nu zijnen geloofs-gonooten, die nog zuchtten onder de barbaarsche dwangwetten van koningin Elizabeth, vrijheid tot uitoefening van hunnen godsdienst te verschaffen. Hij deed dit op oen onhandige wijze en joeg daardoor de Engelsche Grooten tegen zich in het harnas. Dezen toch vreesden, dat zij hunne bezittingen, welke vroeger grootendeels aan kerken en kloosters hadden toebehoord, moesten teruggeven, en dat zij uit hunne ambten en bedieningen zouden worden ontzet, bijaldien aan de Katholieken van Engeland gelijke rechten als aan de Anglikanen Averden toegekend.

De misnoegden stelden nu al hunne hoop op Willem, die vroeg of laat zijn schoonvader op den Engelschen troon zou moeten opvolgen, omdat Jacobus geen zonen bezat. Doch daar verspreidt zich de mare: den koning is een zoon geboren! Het geheim verzet wordt openlijk, en slaat op sommige plaatsen tot oproer over. Vele Grooten des lands richten hunne smeekbeden tot Willem om hen van den koning le verlossen. Willem had hier wel ooren naar: het vierde Gebod woog bij hem minder zwaar dan een koningskroon.

In alle stilte werd er nu een vloot met landingstroepen uitgerust, en achter allerlei voorwendsels het doel, waarvoor vloot en leger bestemd was, voor de Fr arische en Engelsche gezanten verborgen gehouden. Eindelijk, toen

9*

ocr page 131

130

de schepen op liet punt stonden zee te kiezen, wierp de Prins het masker af, en vaardigde een manifest uit, waarin hij verklaarde naar Engeland te willen oversteken, om de vrijheid van 'i volk in bescherming te nemen en de Anglikaansche kerk te handhaven.

Ongeveer 400 vaartuigen moeten de 15000 soldaten overbrengen, 't Is begin November; aanhoudende storm doet een landing in Schotland mislukken en verstrooit de vloot. Velen geven den moed reeds op en wanhopen aan den goeden uitslag; doch niet aldus de Prins, want door zijne voortvarendheid is de vloot tien dagen later weer in zee gestoken. Zij zet nu koers door het Nauiv van Calais. De saamgestroomde menschenmassa op de Fransche en Engelsche kust ziet de groote scheepsmacht met volle zeilen dooide zeestraat stevenen, ■— hoort bijwijlen het donderen van het geschut en de lustige tonen van het Wilhelmus. De wind steekt heviger op, en aan een landing is vooreerst niet te denken. Men heeft Wiqht reeds achter den rug; daar schiet de wind om, het weer bedaart, en de ontscheping kan ongehinderd plaats hebben in de haven van Torlay. Nauwelijks echter zijn de troepen aan land en liggen de schepen veilig voor anker, of de storm steekt andermaal op, en belet de vloot van koning Jacobus iets van belang tegen den Stadhouder en diens volgelingen te ondernemen.

De Engelsche Koning zendt een leger op Willem af, doch dit loopt lot hem over; vele Grooten des lands, ja zelfs Anna, zijne andere dochter, kiezen openlijk de zijde van den Hollander. Nu rukt deze óp Londen aan en trekt zegevierend de stad binnen zonder een enkelen droppel bloeds ver-

ocr page 132

131

goten te hebben. De koning verlaat zijn rijk; de vader vlucht voor den zoon; de wettige vórst maakt plaats voor den overweldiger.

Weinige maanden daarna werden Willem en Maria tot koning en koningin van Engeland gekroond.

De Ieren evenwel bleven Jacobüs trouw.

Het mocht hun echter niet baten. Willem stak naar het Groene Erin over. Zijne paarden vertrapten er de velden, zijne soldaten roofden naar welgevallen, en met een enkele pennestreek wees de nieuwe koning gansche landstreken aan zijne handlangers toe. Over het koningsgezinde Ierland brak het wraakgericht los: in bloed werd het verzet der Ieren gesmoord; de edelste en kloekste zonen van het „Eiland der Heiligenquot; sneuvelden op het veld van eer of stierven een smadelijken dood door beulshanden. Wel stond het in de macht van hem en zijne opvolgers Ierland te vertrappen, de bewoners aan den hongerdood prijs te geven en hen te verstrooien over de gansche aarde, — maar het Katholiek geloof aan de Ieren te ontrukken, daartoe was noch hj noch een der volgende koningen in staat.

Willem had weinig genot van zijne hooge waardigheid. Hij ondervond veel wantrouwen van zijne nieuwe onderdanen, en is er nooit in kunnen slagen hunne liefde te winnen. Zijne gemalin stierf kinderloos in den bloei haars levens, en bij volgde haar in het graf zonder den overweldigden troon in zijn geslacht bevestigd te hebben.

ocr page 133

132

37. Toestand der Katholieken in de 18e eeuw. Sofia Albrechts.

Allengs was er in den toestand der Katholieken in de Nederlanden een gunstige verandering gekomen: de verdrukking en vervolging waren langzamerhand iets minder geworden. De uitoefening van den Katholieken godsdienst werd eerst in het geheim, later bij oogluiking, nog later zoo goed als openlijk toegelaten. Toch behield de Calvinistische regeering de macht in handen, doordien zy de plakkaten tegen de Katholieken niet introk, doch ze alleen tijdelijk buiten werking stelde. Wanneer zij het wilde, kon zij met een beroep op deze plakkaten de katholieke geestelijken verjagen, hunne bedehuizen sluiten, personen, die hunne woningen of schuren geleend hadden tot het samenko-men der Katholieken, met boete of gevangenis straffen. Omstreeks het begin van 1700 echter scheen het door de stadsregeeringen 'm Holland, Utrecht, Overyjsel en Gelderland stilzwijgend te zijn aangenomen, de Katholieken niet te hinderen, wanneer deze in alle stilte in achterbuurten, op zolders of in schuren bijeenkwamen om hunne godsdienstoefeningen te houden. Het werd den priesters toegelaten zich met de zielzorg hunner kudde te belasten, mits zij aanvrage gedaan hadden bij de regeering, en de toestemming daartoe was verkregen. Elk oogenblik evenwel konden de priesters weder buiten stad of provincie worden gebannen. Deze vergunning tot het uitoefenen van de zielzoi'g moest echter door zware geldsommen worden gekocht; daar dit geld ten voordeele van schouten en baljuws kwam, wa-

ocr page 134

133

ren deze, gelukkig, niet al te karig met het ver-leenen der aangevraagde vergunningen.

Openbare kerken mochten de Katholieken niet bezitten. De bedehuizen, zooals ze van regee-ringswege zeer teekenend genoemd werden, mochten nimmer het voorkomen eener kerk ver-toonen. Wilden de Katholieken zoodanig bedehuis bouwen, dan moesten zij de vergunning daartoe w7ederom door een belangrijke geldsom koopen. De stedelijke overheid of die der provincie bepaalde daarop de lengte, breedte en hoogte van het gebouw, — de grootte, den vorm en het getal van deuren en ramen. Was men onvoorzichtig genoeg een venster te hoog of te laag te plaatsen, of het dak de voorgeschreven helling niet te geven, dan werd het, bedehuis door de gerechtsdienaars gesloten, en mochten ergeene godsdienstoefeningen in gehouden worden. Moest het gebouw worden hersteld, vernieuwd of vergroot, dan behoorde er telkens weder te worden aangevraagd, en was de reeds zeer veiarmde gemeente tot het betalen van een hoog vergunningsrecht veroordeeld.

Ofschoon de Katholieken van het bekleeden van ambten en bedieningen waren buitengesloten, genoten ze in handel en bedrijf volkomen vrijheid. De groothandel op Indië was in handen der Calvinisten, doch den handel op Frankrijk, Spanje en Duitschland beheerschten de Katholieken. Over het algemeen kan men zeggen, dat de welgestelde winkeliers in de steden, en een groot deel der nijvere landbouwers in Holland, Utrecht en Gelderland Katholiek waren, een be-trekkelijken welstand genoten, en met oogluiking der overheid hunne godsdienstplichten konden vervullen.

ocr page 135

134

De eene of andere, soms zeer gezochte aanleiding was er echter maar noodig, om de Katholieken weder aan bittere vervolging bloot te stellen: de strenge plakkaten waren geenszins opgeheven, doch werden slechts tijdeiyk niet toegepast.

Zoodanige aanleiding werd er bijvoorbeeld gevonden in den terugkeer van een Protestant tot de Moederkerk.

Een sprekend voorbeeld moge hiervan ten bewijze strekken.

In 1699 was Sofia Albrechts, de dochter van een Protestantsche notaris uit Helmond, in den schoot der Katholieke Kerk wedergekeerd. Om door hare verwanten niet bemoeilijkt te worden in de uitoefening barer godsdienstplichten, was zij naar de Zuidelijke Nederlanden uitgeweken; doch niemand wist, in welke plaats zij haar verblijf gekozen had. Het feit barer bekeering was aan cle Algemeene Staten ter oore gekomen, en dezen gelastten, dat Sofia oogenblikkelijk in hare geboorteplaats moest wederkeeren. De Katholieken, die zeer wel beseften, aan welke vervolging zij zouden blootstaan, bijaldien de vermiste niet terugkeerde. deden alle moeite hare verblijfplaats uit te vorschen, en werden daarbij ijverig ondersteund door de regeering van Zuid-Nederland, doch alle pogingen bleken vruchteloos: van Sofia Albrechts werd geen spoor gevonden.

De Algemeene Staten hadden den tijd bepaald, waarbinnen de gevluchte in Helmond terug moest wezen. Toen de gestelde termijn verstreken was, zonder dat er van Sofia taal of teeken vernomen was, kreeg de Stadhouder van 's-Hertogenbosch bevel eenige priesters uit den omtrek op te lichten en gevangen te zetten. Hij mocht

ocr page 136

135

hen niet weder op vrije voeten stellen, voor en aleer de verdwenen dochter teruggekeerd zou zijn. Aan dit bevel werd voldaan. Onderscheidene geestelijken uit de Meierij van Den Bosch werden gekerkerd en vele bedehuizen gesloten: bovendien werd aan de Jezuïeten de uitoefening van alle priesterlijke bedieningen verboden. Sommige geestelijken werden na verloop van eenigen tijd uit de gevangenis ontslagen, doch anderen moesten jarenlang in den kerker zuchten.

Eindelijk kwam er in 170S bericht omtrent Sofia: zij was in een klooster van Zaid-Frank-rijk overleden. Toen haar dood aan de Staten gebleken was uit de overlegging van onwraakbare bewijsstukken, werden de boeien der nog gekerkerde priesters geslaakt, en mochten zij naar hunne kudde terugkeeren, onder de verplichting echter om aan de moeder de somma van 7600 gulden uit te betalen als schadeloosstelling voor het gemis harer verdwenen dochter.

De Katholieken moesten wel een vast en onwankelbaar geloof bezitten, dat zij zoodanige behandeling een paar eeuwen lang konden verduren zonder afvallig te worden van hunne Kerk.

33. Willem tot Stadhouder Yerheven.

(f 1647.)

In het begin der 18e eeuw had men in ons vaderland geen stadhouder meer, daar Willem III kinderloos was overleden, en de Friesche stadhouder, die in 1711 in de golven van het Rollandsch diep den dood gevonden had, slechts een jeugdig zoontje had nagelaten.

ocr page 137

J 36

Tengevolge van de buitengewone krachtsinspanning der Republiek onder het bestuur van De Witt en van Willem III was de Staat in zware schulden gedompeld ; het streven dor Regeering was er nu op gericht, de schulden te delgen en de burgerij van de zware lasten te ontheffen. Om dit doel te bereiken wilde men eiken oorlog vermijden en geld besparen, zelfs werden daarvoor leger en vloot verwaarloosd.

Allengs was het bestuur over stad en gewest in handen gekomen van eenige aanzienlijke geslachten, die hunne ambten en waardigheden als erfstukken in de familie beschouwden, welke van vader op zoon overgingen. Door ontstentenis van een stadhouder wortelde dit kwaad hoe langer hoe dieper, en lokte langzamerhand verzet uit, vooral bij diegenen, welke meenden, dat het bestuur van een Stadhouder aan alle misbruiken paal en perk kon stellen, ja ze zelfs kon uitroeien. Dit verzet kreeg een vasten vorm toen in 1747 de Franschen onze grenzen overschreden. Het gansche land kwam in beroering : men beschuldigde de regenten van slapheid en onbekwaamheid en schold hen voor verraders, die het vaderland aan den vreemdeling gingen overleveren; de gemoederen kwamen in gisting en de tooneelen van 1672 herhaalden zich. Men schreeuwde om een stadhouder en — de Stadhouder van Friesland werd tot deze waardigheid over alle Vereenigde Provinciën verheven, onder den naam van Willem IV.

De stoot hiertoe ging van Vere uit. Toen de Franschen Aardenhurg hadden ingenomen en hunne vlag reeds wapperde van den toren van Sluis, dacht men niet anders, of de vijand zou naar Walcheren oversteken. De schutteryen te

ocr page 138

Vól

Vere kwamen in beweging. Midden in den nacht ontstond er een oploop, luide gaf men zijne ontevredenheid over den gang der zaken te kennen, en besloot, zich naar den Burgemeester te begeven met het verzoek, of men den Prins van Oranje tot Stadhouder mocht verkiezen.

Zoo gezegd, zoo gedaan.

De volksmenigte begeeft zich op het ongelegen uur naar het huis van den Burgemeester-en draagt het verzoek voor, er bijvoegende, dat het haar niet te doen is om opstand of beroering in de stad te verwekken, maar enkel en alleen om den Prins tot stadhouder te hebben.

De Burgemeester hoort hen bedaard aan, en, denkende de menigte met een kluitje in het riet te kunnen sturen, antwoordt hij: „Ja vrienden! dat hangt van mij niet af, doch ik zal uw verzoek ter kennis brengen, waar zulks behoort;quot; hiermede bedoelde hij, dat hij het in Den Haag aan de Staten-Vergaderingzou voorleggen. Doch, dan beliepen de verzoekers groote kans om als oproèrmakers en landverraders tot galg en rad verwezen te worden. Daarom antwoordde een hunner:

„Dat weten we wel, heer Burgemeester, en we weten ook, dat gij op die vergadering er veel toe bij kunt dragen, om de Heeren voor ons verzoek gunstig te stemmen — doch onderwijl kunt ge toch wel de Vroedschap der stad bijeenroepen, opdat de Magistraat den Prins tot stadhouder veikieze.quot;

De Burgemeester maakt van den nood een deugd, en zegt:

„Dan zullen we dadelijk een raadsvergadering beleggen!quot;

De Stadsbode ontvangt bevel de leden der

ocr page 139

138

Vroedschap te ontbieden ten huize des Burge-meesters.

De bellen in alle huizen der stad komen in beweging: de Heeren Regenten verlaten de warme veeren en spoeden zich naar het huis van den Burgervader, 't Is drie uur in den nacht. De schutterijen staan vóór het gebouw geschaard, en de volksmenigte groeit ziender oogen aan.

Na veel gehaspel en gepraat, terwijl onder-tusschen de dag is aangebroken, valt in den morgen van den 25sten April 1747 het besluit der Magistraat, dat aanstonds aan de saamge-stroomde menigte wordt bekend gemaakt: De Prins van Oranje is tot Stadhouder, Admiraal en Kapitein-Generaal uitgeroepen.

ïe zes uur in den morgen was de gansche stad in feestdos: de prinsevlag wapperde van het stadhuis, de bevolking sierde zich met het geliefd oranje; allen gaven aan hunne vreugde lucht.

Als een electrische vonk vloog de tijding over Walcheren en gansch Zeeland. Nog dienzelfden dag werd de Prins tot stadhouder uitgeroepen te Middelburg, Vlissingen, Goes en Zierikzee, en 's anderdaags werd Willem van Oranje tot de waardigheid zijner vaderen verheven door de Staten van geheel de provincie Zeeland.

Met snelheid sloeg de beweging naar Holland over, en plantte zich voort over al de provinciën. Pteeds vier dagen later werd het Oranjevaandel gestoken uit de hoogste verdieping van het Binnenhof te 's-Gravenhage; want de Staten van Holland hadden zich bij de algemeene beweging aangesloten, en een hartstochtelijk „Vivat de Prins van Oranje !quot; uit duizenden monden verkondigde, hoezeer deze keuze instemming vond.

ocr page 140

189

Jammer slechts, dat de verandering in de regeering gepaard moest gaan met onlusten en beroeringen, doordien de zoolang miskende aanhangers van den Prins zich niet van gewelddadigheden jegens hunne vroegere tegenstanders konden onthouden. In alle groote en ettelijke kleine steden, zelfs in vele plaatsen ten platten lande waren oproer en verzet tegen deRegen-ten; waren moord en plundering aan de orde van den dag. Eerst langzamerhand namen, deels door geweld van wapenen, de onlusten een einde. En toen de rust zoo goed als hersteld was, verwisselde de stadhouder het tijdelijke met het eeuwige. 1751.

39. Patriotten en Prinsgezinden.

(Einde der 18de eeuw.)

De onverwachte en vroegtijdige dood van Willem IV wierp veel van het goede door hem voorgesteld of tot stand gebracht weder in dni-gen. Niet lang duurde het, of de afgezette en de verdreven regenten zaten weer op het kussen, speelden hun oude spel, en de wrijvingen tus-schen de Oranjegezinden en hunne tegenstanders begonnen opnieuw. De verheffing van Willem V tot stadhouder, in 1766, bracht geene verbetering aan: de partijen stonden scherper dan ooit tegenover elkaar.

Daar barstte in 1780 een oorlog met Engeland uit. Het werd nu klaar als de dag, in hoe deerniswaardigen toestand zich onze zeemacht bevond, hoe onbekwaam vele regeeringsperso-nen waren, hoe onverdedigbaar het land was. De tegenstanders van den Prins, niet ten onrech-

ocr page 141

140

le bewerende, dat deze niet in slaat was met vaste hand bet bewind te voeren, zeiden nu, dat zij zich zeiven moesten leeren beschermen. Zij richtten schietvereenigingen op om zich iu den wapenhandel te oefenen, voorgevend zich tegen den buitenlandscben vijand weerbaar te willen maken; doch hun eigenlijk doel was: zich, als de nood aan den man kwam, tegen 's Prinsen aanhangers, de zoogenaamde Prins-gezinden, met geweld van wapenen te verzetten. Zij gaven zich den naam van Patriotten, d. w. z. vrienden des Vaderlands, doch werden door hunne tegenstanders, de Oranjeklanten, Keezen genoemd.

Elke stad bijna was verdeeld. Hier hadden de Keezen, elders de Oranjeklanten de overhand en zett'en er alles naar hunne hand; ja het gebeurde niet zelden, dat de eene partij de andere van het kussen joeg. Dat dit niet zonder hoog-loopenden twist, zeer zelden zonder bloedvergieten afliep, is licht te denken. En de zwakke stadhouder, die niet met kracht zijn gezag wist te handhaven en iedereen te vriend trachtte Ie houden, verloor al meer en meer zijn invloed en daardoor tevens de toegenegenheid en deu steun zijner vrienden.

Hoe het er soms toeging, daarvan levert ons Amsterdam in 1787 een beklagenswaardig voorbeeld.

De Patriotten hadden hier reeds lang krach-tigen invloed uitgeoefend op de besluiten der stadsregeering; de Prinsgezinden trachtten zooveel mogelijk het verlorene te herwinnen en lieten daarom bij de ingezetenen een adres teekenen ten gunste van Oranje. Tusschen de onderteekenaars en de Keezen kwam het tot

ocr page 142

141

een botsing: de messen werden getrokken, de straatsteenen opgebroken, de huizen van eenige der vurigste Oranjeklanten geplunderd. Dit was olie in het vuur. De Prinsgezinden gingen zich wapenen en betaalden met gelijke munt; bij de voornaamste Patriotten werden de ruiten ingesmeten, de deuren opengeloopen, de bewoners mishandeld. De bewoners van Kattenburg, een wijk in Amsterdam, trokken de brug, die tot hun eiland toegang verleende, op, en wachtten op de dingen, die komen zouden. Onderlusschen ging aldaar de plundering haar gang, en vierde het grauw aan zijne woede den vrijen teugel.

De regeering der stad liet de trom roeren en de schutterijen kwamen onder de wapenen. Doch hoe zou men Kattenburg bereiken ?

Men vond drie schuiten in de nabijheid, bemande ze, en onder begunstiging van de duisternis stak men van wal om het eiland te overrompelen; doch de Kattenburgers bemerkten onraad, lieten alarm slaan en vuurden op de manschappen, die, begrijpende dat elke poging om te landen hun zou worden belet, terugdeinsden, en het ongeraden vonden dien nacht de onderneming door te zetten.

Den anderen morgen haalden de Kattenburgers reeds vroegtijdig eenige stukken geschut uit 's lands magazijn en stelden ze op tegen de aanrukkende compagnieën schutters. Deze voerden nu ook een paar kanonnen aan, laadden ze met scherp, richtten ze op Kattenburg en sommeerden de burgers de brug neer te laten. Deze op-eisching vond geen gehoor. De schutterij begon nu met klein geweer, daarna met grof geschut te vuren, hetgeen door de Kattenburgers getrouw beantwoord werd. Een geducht bloedbad stond

ocr page 143

142

aangericht te worden, ioen het eiland door list werd overrompeld. De schutterij liaalde een groote zolderschuit, plaatste daarop zes stukjes geschut achter een borstwering van balen tabak, en liet haar welbemand naar de overzijde der gracht duwen. Zij had de voorzichtigheid aan het achtereinde der schuit een touw vast te maken, dat buiten het bereik van het geschut der Kattenburgers werd vastgehouden, en waardoor het vaartuig bij het mislukken der onderneming kon worden teruggetrokken. Toen men dicht genoeg bij de kade gekomen was, begonnen het geschut der zolderschuit, de kanonnen op den wal en de geweren te gelijk los te branden. Dit had het gewenschte gevolg: de Kattenburgers weken achteruit, het schip landde, de brug werd neergelaten, en in een oogwenk was de schutterij meester van het eiland. En nu begon de woeste hoop, die haar gevolgd was, te plunderen, tot het schuim met blank geweer m en blauwe boonen lot zijn plicht werd gebracht.

Het lijk van een Kattenburger, die bij het beleg haantje-de-voorste geweest was, werd dooide regeering veroordeeld bij de beenen aan de galg opgehangen te worden tot een waarschuwend voorbeeld; vier andere Kattenburgers werden gegeeseld en tot eenige jaren tuchthuisstraf veroordeeld.

Doch eenige maanden later waaide de wind te Amsterdam uit een anderen hoek. De Pruisische Koning had zijne soldaten gezonden om den Prins, die met 's Konings zuster was gehuwd, in zyn gezag te herstellen en te handhaven. Vele Patriotten hadden uit vreeze voor den Pruis het land verlaten en waren naar Frankrijk gevlucht, waardoor het den Prinsge-

ocr page 144

143

zinden gemakkelijk viel overal meester te worden. Ook te Amsterdam was de omwenteling-voltrokken; andere bestuurders waren op het kussen geraakt. Nu werd het lijk van den Kattenburger op verzoek van zijne bloedverwanten gezuiverd van de schande, die men den gesneuvelde had aangedaan.

De scherprechter, een stadsbode met de roede der justitie in de hand en gevolgd door een groote menigte volks, begaven zich naar het galgenveld. Het lijk van den gesneuvelde werd van het schandhout genomen en gekist. Tot drie malen toe streek de bode met de roede over de baar en verklaarde het lijk voor eerlijk. Een jacht met vlaggen versierd voerde het daarop naar Kattenburg. Hier werd de kist met den doode openlijk ter vereering geplaatst in de zaal der herberg, waar de Pnnsgezinden gewoon waren bijeen te komen. Na eenige uren werd het lijk ten grave gedragen, gevolgd door duizenden personen en voorafgegaan door vaandels en muziek. Op de plaats aangekomen, waar de Kattenlurqer gevallen was, hield de trein stil, en zwaaide men met het vaandel over de baar; daarna begaf de stoet zich naar het kerkhof, en op het oogenblik, dat het lijk in de groeve werd neergelaten, blies de muziek „Wilhelmus van Nassauwen.quot;

Tot zulke tooneelen voerden haat en partijschap.

Als burgers van dezelfde stad zóó met elkander handelden, moet het ons niet verwonderen, dat het land met rassche schreden zijn ondergang te gemoet ijlde.

ocr page 145

144

40. Vertrek van Willem V naar Engeland.

De Franschen komen in ons land.

(1795).

De burgertwist tusschen de Prinsgezinden en Patriotten had de schromelijkste gevolgen. Eerst waren de Patriotten door de Pruisen uit het land gedreven en hadden de Prinsgezinden gezegevierd. Daarna echter keerden de Patriotten onder de bescherming der Fransche bajonetten terug, en stond er voor de Prinsgezinden het ergste te vreezen. Stadhouder Willem V besloot daarom met de zijnen naar Engeland te vluchten.

Op den 18den Januari 1795 wemelde het strand bij Scheveningen van menschen. Vrienden, belangstellenden en nieuwsgierigen verdrongen elkander om den vertrekkenden Prins een laatst vaarwel toe te roepen.

De zee stond hol, en een ijsmuur was door de golven aan het strand opgeworpen. Doch wat nood! De Scheveningsche vlsschevs hadden een pad door den ijsmuur gehouwen, daarop planken gelegd eii een tapijt; hierover bereikte Willem V een visscherspink, het vaartuig, dat hem naar Engeland moest overbrengen. Hij had een brief geschreven aan de Fransche regeering; alvorens te vertrekken wilde hij het antwoord daarop afwachten. In schipperskleeren, de schouders gedekt met een ruwen schanslooper, wandelde hij onrustig het dek van het vaartuig op en neder, ongeduldig uitziende naar het vurig begeerde antwoord, en medelijdende blikken slaande op de duizenden en duizenden, die in de duinen en langs het strand samengestroomd

ocr page 146

145

■waren, om zijn vertrek te aanschouwen. — Daar komt een koerier spoorslags aanrennen. Met bevende hand verbreekt de Prins de zegels van het geschrift. Toen hij het doorloopen had, was alle hoop voor hem vervlogen. De Fransche regeering berichtte hem, dat de Stadhouder on-middellijk het land moest ruimen, en dat zij daarna met de Nederlandsche natie onderhandelen zou als met een bevrienden Staat. Nu legde de Prins de waardigheden zijner voorvaderen neder, deed afstand van de regeering, liet de zeilen hijschen en stak over naar Engeland.

Groot was het gejubel der Patriotten, nu de Prins het land verlaten had. Pveeds den volgenden dag begon men in Amsterdam feest te vieren. De stad was in feestdos en vol gejuich; de klokken luidden, de driekleurige vlag wapperde van het Stadhuis. Daar komt het bericht, dat er een afdeeling Fransche huzaren in aantocht is. Duizenden stroomen de poort uit, en zelfs deftig gekleede vrouwen trekken de schare te gemoet: alles jubelt en juicht, alsof de heilzon voor Nederland is opgegaan, en er nu een tijd van ongekenden voorspoed en ongestoord geliik gaat aanbreken. Men onthaalt de havelooze vreemdelingen, lacht en schertst met hen, haalt het kostelijkste uit kelder en keuken, en stelt er een eer in den „Fransche Broedersquot; het beste vertrek des huizes in te ruimen.

Doch ook op straat wil men een sprekend voorbeeld van verbroedering geven. Op Den Dam wordt een denneboom opgericht, en de top ervan met een hoed als zinnebeeld dei-Vrijheid versierd. Het volk uit de achterbuurten

10*

ocr page 147

14«

zoowel als de bewoners der Keizers- en Heerengracht begeeft zich naar het plein. Daar begint de rondedans, terwijl de beker lustig rondgaat en de gemoederen al meer en meer verhit geraken. Om den boom is alles vol gewoel, vol zang en dans. Wie zich in de naby-heid bevonden, werden in den kring getrokken en moesten meezingen en dansen. „Vrijheid, Gelijkheid en Broederschapquot; was de leus, die men allerwegen hoorde. Het jubelen om den vrijheidsboom hield dagen lang aan. Men zag er den kloeken generaal der Frunschen en de achtenswaardige leden van Amstels gemeenteraad hand in hand een „rondjequot; maken met burgers van allerlei stand. De stokoude man nam deel aan de algemeene vroolijkheid en huppelde, als verjongd, mede in de dansende rijen. Weesmeisjes en Amsterdamsche dochters uil de deftigste klasse, hand aan hand met de Fransche huzaren of Burger-Schutters, draaiden zingende om den vrijheidsboom. In één woord, alles ademde een ongestoorde vreugde, nog verhoogd door het gejuich der honderden toeschouwers, waarmede de vensterramen en daken der huizen bezet waren.

Vriiheidsboomen verrezen nu weldra door het gansche land; overal, in groote en kleme steden De Patriotten verzekerden, dat aan allen nood en ellende een einde gekomen was, nu men geen onderscheid meer kende tusschen heer en knecht, dienstmaagd en mevrouw, maar allen met den titel van Burger of Burgeres werden aangesproken.

Doch hoe bitter werd men teleurgesteld!

Voor de gebrachte Vrijheid moest Nederland afstaan Staats-Vlaanderen, Maastricht en Venlo;

ocr page 148

147

als betamelijke vergoeding voor de gemaakte oorlogskosten honderd millioen guldens; voor de verdediging des lands gingen vijf en twintig duizend man Fransche troepen in dienst der Nederlandsche Republiek over, doch op voorwaarde, dat deze hen moest onderhouden^ welk onderhoud omtrent dertien millioen guldens 's jaars beliep.

Voorwaar, men kan niet zeggen, dat onze voorvaderen geen goeden prijs voor de ontvangen „ Vrijheid, Gelijkheid en Broederschapquot; hebben betaald!

Eén goed gevolg had de komst der Franschen in ons land. De Calvinistische staatskerk werd afgeschaft en alle Nederlanders verkregen volle vrijheid in de uitoefening van hunnen godsdienst. Aan de verdrukking en miskenning om wille des geloofs was een einde gekomen, en voortaan waren allen burgers van den Staat, die, terwijl zij alle plichten vervulden, ook alle rechten genoten. In het bewustzijn hunner rechten beklommen nu ook de Katholieken de treden van het raadhuis, namen zij bezit van de hun rechtmatig toekomende zetels en zaten aan de bestuurstafels aan, om met hunne Protestant-sche landgenooten te beraadslagen tot heil van stad en gewest. Daar spanden zij, na twee eeuwen lang geweerd te zijn, al hunne krachten in om mede te werken tot den bloei van het gemeenschappelijk Vaderland.

ocr page 149

H3

41. Keizer Napoleon I en Nederland.

(1806—1813.)

De F ranselt e koning Lodewijk XVI was door zijne oproerige onderdanen gevangen genomen, gevonnisd en onthoold geworden, en duizenden van de edelste zonen des lands waren insgelijks ter dood gebracht. Het geheele land was in gisting, en de eerzame burger was zijn leven geen oogenblik zeker. Een Schrikbewind beheerscb-te Frcmkrylc, verbood de uitoefening \an den godsdienst, en bracht allen om het leven, die maar eenigszins „verdacht' waren.

Aan deze verwarring maakte generaal ^Napoleon een einde. Geboren te Ajaccio op Corsica en de zoon van een advocaat, was hij dooi /iijn moed, en begunstigd door de tijdsomstandigheden, binnen enkele jaren van luitenant tot generaal opgeklommen. En toen hij nu, door het nemen van doortastende maatregelen, aan het Schrikbewind een einde had gemaakt, koos het dankbare Fransche volk hem tot bestuurder met den titel van Consul, ja, riep hem in 180i tot Keizer uit.

Had Napoleon zich met de regeering over Frankrijk tevreden gesteld, hij zou een zegen voor zijn volk geweest zijn; doch eer- en heersch-zucht dreven hem tot voortdurenden oorlog. Aan den genialen veldheer kon niemand wederstaal!waar zijn standaard zich ontplooide, daai was de overwinning aan de Fransche wapenen. Koningen bedelden om de gunst van den (.or-sicaan : hij stichtte koninkrijken of vernietigde ze naar welbehagen. Eén man in Europa echter zwichtte niet voor Frank rijks Keizer: het was de Paus van Rome, Z. H. Pms Vil. Pieeds m

ocr page 150

149

1809 was de stedehouder van Jezus Christus op aarde door Napoleon als gevangene naar Frankrijk gesleept; daarom had de H. Vader over den Keizer het banvonnis uitgeproken. Doch Napoleon deed, alsof hij zich daarover niet bekreunde, en had spottend geantwoord: „'s Pausen banbliksem zal mijnen soldaten het geweer niet uit de handen slaanquot;, daarmee te kennen gevende, dat hij alleen op de macht van zijn sterk en welgeoefend leger vertrouwde.

Ook op Nederland drukte de looden band van den Geweldige. Mochten de Franschen in 1795 al met vreugde zijn ingehaald, spoedig was het blaadje gekeerd, en had men meer dan genoeg van de Fransche „Vrijheid, Gelijkheid en Broederschapquot;. In 1806 stelde de keizer zijn broeder tot Koning over de Nederlanden aan, en gaf hem het bevel: „Bij alles, wat gij doet of laat, let in de eerste plaats op de belangen van mij en Frankrijkquot;? Wat er op deze wijze van ons Vaderland moest worden, is licht te denken. En toen Napoleon vier jaren latei-verklaarde, dat hij Nederland tot een Fransche provincie maakte, waardoor ons vaderland bij Frankrijk ingelijfd en dus geschrapt werd uit de rij der natiën, toen brak er een tijd 'van jammer en ongekende ellende aan. De bronnen van Neerlands welvaart waren uitgedroogd, de handel lag aan den grond, de koloniën waren verloren, landbouw en nijverheid kwijnende, de schulden van den staat schrikbarend gewassen; de rente kon slechts voor een derde aan de belanghebbenden worden uitbetaald, de vrijheid was aan banden gelegd, de rechten werden met voeten getreden, de kinderen des volks op de slagvelden van Europa ter dood gevoerd.

ocr page 151

150

Doch daar kwam verandering: Het aloude spreekwoord; „Hoogmoed komt vóór den val' werd ook aan Napoleon bewaarheid. De Czaar van Busland schikte zich niet goedwillig naar de wenschen van Frankrvjks beheerscher; daarvoor moest de „Barbaarquot; getuchtigd worden. In 1812 trok de Keizer met een leger van 600.000 soldaten, waaronder 25.000 Nederlanders, de Russische grenzen over om Alexander I de wet voor te schrijven. Het Bmsische leger week al vechtende dieper landwaarts in, terwijl het op zijn weg alles medevoerde, wat den Franschen van nut zou kunnen ziin.

Onder de muren van Moskou hield het stand om een beslissenden slag te leveren; doch de overwinning bleef wederom aan de Fraitsche wapenen. Napoleon trok daarop de verlaten hoofdstad binnen, waar hij hoopte met zijn leger den winter te kunnen doorbrengen, om dan het volgende voorjaar naar St.-Petersburg op te rukken.

Doch God had het anders beschikt. Nauwelijks gevoelde Napoleon zich in het keizerlijk paleis eenigszins te huis, en hadden zijne manschappen de winterkwartieren betrokken, of daar stond eensklaps de gansche stad in brand. De houten huizen waren door de Russen zelve aan de vlammen prijsgegeven, en het vuur had zich aan de steenen gebouwen medegedeeld. Aan blusschen viel niet te denken, en Napoleon moest met zijn leger den terugtocht aannemen.

't Was in October, de wegen waren modderig en onbegaanbaar, de soldaten met geroofden buit uit de Czarenstad beladen. Daar kwamen de Russische legerbenden opdagen. In kleine troepen omzwermden ze het „Groote Leger,quot; dat

ocr page 152

151

zich moeilijk voortbewoog; nu van voren, dan van achteren, of in de flank, overal vielen ze het aan, en gunden Napoleon en zijnen Maarschalken rust noch duur. Daarbij kwamen de hindernissen van den bodem; het eene stuk geschut na belandere bleef in den modder steken. Zoo trok men voort; wie achterbleef, viel in handen der Russen-, wie gekwetst werd, was verloren. De hoop Duitschland te bereiken hield den moed der ongelukkige krijgslieden nog eenigszins staande en schonk nog eenige veerkracht aan de uitgeputte soldaten.

Doch daar sloeg den 6dea November het weer om; de zon verborg zich achter de wolken; een dichte nevel overtoog de eindelooze vlakte en loste zich op in de verschrikkingen van een Eussischen sneeuwstorm. Elk spoor van een begaanbaren weg werd uitgewischt; men trok voort zonder te welen, waar men zich bevond. En hooger, steeds hooger hoopte de sneeuw zich op. Wee den armen soldaat, die door koude of vermoeidheid overmand er in weg zonk! Geen reddende hand werd hem toegesloken. Een korte doodstrijd maakte een einde aan zijne ellende, en een lage sneeuwheuvel wees de plaats aan, waar wederom een der duizenden slachtoffers van Napoleons heerschzucht den grooten dag der vergelding verwacht. De anderen, die hunne makkers volgden, bibberend van kou en verblind door de sneeuw, welke hun de storm in de oogen joeg, maakten bij zulk een heuvel een omweg en gingen voort, stééds voort, ofschoon de kleederen hun aan het lijf vastvroren, en de gescheurde schoenen aan de sneeuw toelieten hun de voeten te verstijven. Met moeite haalden de ongelukkigen

ocr page 153

152

adem, en wanneer ze dien uitbliezen, herschiep de winter hem in ijskegels, welke hun langs baard en knevels hingen.

Wat baatten nu nog de wapenen? Velen hadden ze sinds lang weggeworpen, om dien nut-teloozen last niet meer mee te sleepen; anderen,, gevoelende hoe ze hunne geweren nog ter verdediging konden noodig hebben, trachtten ze mee te dragen. Van weer anderen bevroren de vingers aan het wapen, dat ze nog vasthielden,, doch dat hun weldra ontzonk. Overal ontmoette men een menigte soldaten van alle corpsen, bont dooreengemengeld, nu eens in troepen, dan afgezonderd, maar allen met den honger op de ingevallen kaken en de wanhoop op het bleeke gelaat. En nog was de dag niets in vergelijking met den nacht, welke hem volgde. Waar moest men stilhouden om te rusten? Toch verbood de vermoeienis verder te gaan. Bij hoopen zonken de ongelukkigen neder; de sneeuwstorm, welke nog steeds woedde, overdekte hen weldra met een lijkwade. Van eenigen schijn zelfs van krijgstucht was geen sprake meer; niemand nam meer bevelen aan, een ieder was slechts op eigen lijfsbehoud bedacht en zorgde voor zichzelven alleen. De honger had alle gevoel verstompt; als wilde dieren beroofden de sterkeren de zwakkeren, wanneer deze eenig voedsel hadden kunnen bemachtigen. Kwam er een wagen aan, de paarden werden afgespannen en tot voedsel gebruikt, al was de rang van dengene, die in het rijtuig zat, ook nóg zoo hoog. 'tEenige, wat men hem veroorloofde, was van het vleesch zijner dieren mede te eten. En gelukkig was degene nog. die eenige spijs kon machtig worden! Men sloeg elkander dood om een mondvol broods.

ocr page 154

153

Zóó duurde de tocht dagen, weken lang, door streken, welke eenige maanden te voren in een woestijn waren herschapen, terwijl het leger onophoudelijk werd bestookt door de verwoede aanvallen van de aandringende Russische legerbenden.

Eindelijk bereikte de rest van het opgeloste leger tegen het einde van December de Pruisische grenzen weder. Doch in welk een toestand! Van de „Groote Armeef keerde nauwelijks het twintigste deel tot zijne haardsteden terug. Het treurige overschot van het roemrijke leger, hetwelk sedert 20 jaren al de hoofdsteden van Europa zegepralend binnengetrokken en nu voor de eerste maal verslagen was, kwam ontwapend en vluchtend in Koningsbergen aan. De macht van hem, die gemeend had alles ter wereld te kunnen dwingen, was door God In de ijsvelden van Rusland geknot. Napoleon, die gespot had met den banvloek van den H. Vader, werd hier getroffen door de hand des Heeren.

Tn allerijl vluchtte de Keizer naar Parijs, bracht wederom een leger op de been en rukte land binnen om de Pruisen en Oostenrijkers, die zich mei de Pussen tegen hem verbonden hadden, te bestrijden; doch hij werd bij Leipzig geslagen en genoodzaakt afstand van den troon te doen. De overwonnen volken waren achtereenvolgens opgestaan om hunne vrijheid te herwinnen, en ook ons land kreeg na een worsteling van eenige maanden zijne onafhankelijkheid terug.

OrV/v.-fe'—i gt; f ^ '• 1

ocr page 155

TT

154

42. Nederlands Herstelling. Koning Willem I.

Pas was de nederlaag van Napoleon bÜ

in ons Vaderland bekend geworden of het volk

geraakte in beweging. De kreet .

weergalmde alom, men sierde zich met kokardes en sjerpen van de geliefde oranjekleur, rukt de Fransche wapenborden af, stak de wach-huizen der douanen in brand, plunderde zei de woningen van sommige ambtenaren en nch1-to in vele steden burgerwachten op, om ae openbare rust te handhaven. Den Franschen sloeg de schrik om het hart; zij namen ijlings

de vlucht, of trokken zich m de vestingen onder

de bescherming hunner kanonnen ter^.Eemge ^^^

aanzienliike heeren in Den Haag vormden een Voorloopige Regeering, welke den zoon van den verdreven Stadhouder

over Nederland te aanvaarden AchtUenjaren was het geleden, dat men Willem V het land had uitgeiaagd en de Franschen met gejuich had ontvangen; nü waren de rollen omgekeerd. men dreef de Franschen over de grenzen en haalde den telg uit het verdreven Oranjehuis

mDe^Prinsribevondezich in en toonde

zich dadelijk bereid om het gezag zynei vaderen te aanvaarden, en de Regeering van Brittanje beloofde hem alle hulp en steun bU z«^ onderneming. Op den 30™ November 1813 zagen de duinen bij Scheveningen zwart van menschen.

Daar ging plotseling de kreet op • scmp .

een schio!quot; Een kanonschot deed zich hooren en een 'Engelsch oorlogsfregat vertoonde zich aan de duizenden, die het strand afliepen, het

ocr page 156

155

vaartuig te gemoet. De oorlogsbodem zette een sloep uit, en men zag eenige personen daarin plaats nemen, diep in hunne mantels gewikkeld, want het was vinnig koud. De sloep naderde het strand zoo dicht mogeliik; een Sckeveninger dreef een met twee paarden bespannen wagen zóó ver in zee, dat de bemanning der boot slechts behoefde over te stappen om op het voertuig te komen. Daar treedt een stoer matroos op de heeren toe, en vraagt met een stem, trillende van aandoening: „Wie is de Prins?quot; En als men hem een veertig-jarigen man aanwijst met een open gelaat, waarop de welwillendheid te lezen staat, roept hij in geestdrift uit: „Ziit gij onze Prins!quot; En in vervoering grijpt hij diens hand, kust ze, en drukt ze met innigheid.

En ja, het was de Prins van Oranje, zoon van stadhouder Willem V. Op dezelfde plaats, waar 18 jaar geleden, ook bij winterkoude deze prins met zijn vader en zün broeder de Nederlanden had verlaten om in den vreemde het brood der ballingschap te eten, daar betrad hij nu den vaderlandschen bodem weder, begroet als de redder en helper dergenen, die zijn geslacht eens zoo smadelijk hadden bejegend.

Omstuwd door een menigte, die zich verdrong om het gelaat van den Oranjevorst te mogen aanschouwen, werd hij in triomf naar Den Raag gevoerd. Staande in den wagen, groetende naar alle zijden, reed hij onder het eindeloos gejuich des volks zijne toekomstige residentie binnen. Men was echter schier dronken van vreugde: het verschijnen van den Oranjevorst scheen eerder droom dan werkelijkheid. Het was als de terugkomst van een vader, na jaren van

ocr page 157

15«

scheiding, in het midden van zijne hem liefhebbende kinderen. Den een biggelden heete tranen langs de wangen, de ander lachte van ontroering : hier zag men er, die noch tranen stortten, noch lachten, maar sprakeloos voor zich heen staarden. Allen hadden echter met elkander de gedachte gemeen, dat er nu aan angst en nood in het land een einde was gekomen, dat de zon van een nieuwen en beteren dag over het land was opgegaan.

Den 2en December was geheel Amsterdam op de been ter gelegenheid, dat aldaar den Prins het bestuur over deze gewesten werd aangeboden, en hij tot Souvereinen Vorst uitgeroepen werd. Onder het oorverdoovend gejuich der toegestroomde menigte verklaarde Willem deze hooge waardigheid te willen aanvaarden, en beloofde al zijne krachten in te zullen spannen om den bloei en de welvaart dezer gewesten te bevorderen. Het zoogenaamde Weener Congres, dat ten doel had de betrekkingen tusschen de vorsten en volken van Europa na den val van Napoleon te regelen, en de toestanden, zooals die door den gewezen Keizer der Franschen in het leven waren geroepen, te herzien, voegde België en Noord-Nederland tot één rijk bijeen, en verklaarde nu den Souvereinen Vorst tot koning der Nederlanden. Deze werd daarop den 21cn Sept. 1815 te Brussel gehuldigd onderden naam van Koning Willem I.

Als zoodanig heeft hij tot 1830 over beide landen geregeerd. Vele en velerlei waren echter deredenen, waarom de Belgen niet met'sKonings bestuur tevreden waren. Ze stonden tegen hem op; onder bescherming der Groote Mogendheden scheidden ze zich van Noord-Nederland af, en

ocr page 158

157

verkozen een eigen koning in Leopold van Saksen Cobio-g. Noord-Nederland bleef Willem I ook niet genegen; daarom deed de vorst in 1840 afstand van de regeering ten behoeve van zijn zoon Willem, die onder den naam van Willem II tot 1841) over ons land regeerde. Willem I, die bij zijne komst tot den troon door het gansche land als een reddende engel was begroet, verliet de Nederlanden door bijna niemand betreurd, en bracht de rest zijns levens te Berlijn door, waar hij in 1843 het tijdelijke met het eeuwige verwisselde.

43. De Prins van Oranje bij Waterloo.

(1815.) '

A'adat Napoleon van Elba in Frankrijk wedergekeerd, en door zijne vroegere soldaten met open armen ontvangen was, rukte hij met zijn leger België binnen om de vijanden zijns rijks te voorkomen. Hier stonden twee legers: het vereenigd Engelsch-Nederlandschc. onder Wellington, het Pruisische onder Blücher. Het krijgsbeleid van Napoleon was er op gericht beide legers afzonderlijk aan te vallen en te verslaan, want tegen de verbonden strijdkrachten gevoelde hij zich niet opgewassen. Het gelukte hem ook werkelijk de Pruisen achteruit te werpen, toen zij op het punt stonden zich met de En-gelsch-Nederlandsche armee te vereenigen. Daarop rukte Napoleon op Brussel aan. Zijne voorhoede, 20.000 man sterk, zond hij vooruit onder bevel van Maarschalk Ney, bijgenaamd de Dup-

ocr page 159

J 58

perste der Dapperen. Dit leger stootte echter op het Nederlandsche corps, dat bij Quatre-Bras een sterke stelling had ingenomen, en gekom-mandeerd werd door den Prins van Oranje, den zoon des Konings. Deze Prins had reeds met roem in Spanje tegen de Franschen gestreden, toen het Evgelsche leger onder Wellington Napoleons gezag aldaar vernietigde. De Prins, die wel inzag, dat hij met zijn hoopje soldaten tegen de Fransche overmacht niet was opgewassen, plaatste zijne soldaten zóó, dat zij een groot front maakten en de vijand het leger voor aanzienlijker aanzag, dan het werkeiyk was. En zóó wèl wist Willem zijne troepen aan te voeren, dat ze den ganschen dag tegen de aanvallen van Ney stand hielden, en hem tegen den avond zelfs deden afdeinzen.

Ondertusschen rukte Napoleon op tegen En-qelschen, bij wie de Nederlanders zich weder hadden aangesloten. Den 17en Juni was hij op het punt Wellington aan te grijpen, die zijn leger op de hoogten bij Waterloo in slagorde had geschaard. Doch mi werden de sluizen des hemels geopend, en de regen plaste in stroomen neer; aan den aanval viel dien dag niet te denken. In den ochtend van den 18en klaarde de hemel op, en de warme Junizon maakte de wegen weldra begaanbaar. Napoleon stelde zijn leger in beweging, en even voor den middag dreunde het eerste kanonschot over de vlakte. Niet lang duurde het, of men was op de beide vleugels handgemeen. Het centrum des legers, waar de Prins van Oranje gebood, bleef voor . eerst nog ongemoeid; doch weldra werd ook dit in den strijd gewikkeld. Gedurende meer dan drie uren kwamen telkens versche ruiterdrom-

ocr page 160

159

men van kurassiers, landers, karabiniers, dragonders, jagers en grenadiers te paard achtereenvolgens aanbruisen over de vlakte om de slagorde in het centrum des legers te verbreken, en zoo de armee der verbondenen in tweeën te snijden en te verpletteren, doch telkens te vergeefs. Met bewonderenswaardige onverschrokkenheid zag de Prins des vijands ruiterbenden naderen, en met de grootste koelbloedigheid reed hij van carré tot carré, zijne bevelen gevende en een krachtig woord sprekende tot hen, die bereid waren met hem te overwinnen of te sterven. Kwamen de Fransche ruiters aansnellen, dan hield alles zich vaardig, totdat de viiandelijke paarden den ren hadden aangenomen: alsdan joegen de kanonniers den aanvallers uit eiken vuurmond de kogels in het aangezicht en borgen zich ijlings onder de vooruitstekende bajonetten van het eerste gelid, om, wanneer de aanvallers voor de geweren moesten afhouden, weder naar de stukken le snellen, en hun bij den aftocht in een nieuwen kogelregen een gevoeligen afscheidsgroet na te zenden.

Zoo duurt de strijd tot 's avonds zeven uur over de geheele slaglinie; nóg heeft Napoleon de zege niet behaald. Daar beveelt hij zijne Garde in het vuur te voeren; zijn uitgelezen corps, dat aan de worsteling nog niet heeft deelgenomen. Maarschalk Ney bekomt de eere haar te kommandeeren. Onversaagd rukt ze voorwaarts, en wint veld. Steeds duidelijker klinkt de trom, naar welker maatslag de Garde opmarcheert, den Prins in de ooren; ieder oogenbllk komen de „onverwinbarenquot; naderbij. Ijlings begeeft Oranje zich naar de Nassausche bataljons om ze tot volharding aan te sporen; daar

ocr page 161

160

treft hem op niet meer dan veertig pas afstand een kogel in den schouder. Dadelyk afgestegen zinkt hij op den doorweekten bodem neer, richt zich straks weder op, en zoekt waggelend steun te^en het paard van een zijner ofhcieren. ue Franschen staan op het punt een beweging in zijne richting uit te voeren, als hy onder het gonzen en fluiten der kogels met inspanning van al zijne krachten zich in den zadel hijscht. Pijn en bloedverlies doen hem echter bezwijmen. Onder bedelc-king van een kleine lijfwacht wordt de Prins, aan weerszijden gesteund, te paard uit het vuur geleid vervolgens in een deken gewikkeld, op een deurpaneel gelegd en naar het kwartier van den Hertog van Wellington te Waterloo gedragen.

Vóór de Prins hier aankomt, is cle strijd beslist. De Pruisen zijn te rechter tijd op het slagveld verschenen, en hebben zich met leeuwenmoed op de afgestreden Franschen geworpen. De bondgenooten worden van verdedigers aanvallers en drijven de Franschen voor zich uit. Napoleon wil zich in het laatste carré der bar-de werpen en met zijne trouwe wapenbroeders sterven. Maar zijne Maarschalken weten het te voorkomen; schier met geweld nemen zij den Keizer in hun midden en rennen spoorslags heen. Napoleon verlaat als vluchteling_ het slagveld, om eenige jaren later als banneling zijn leven te eindigen op een afgelegen eiland in den Atlantische n Oceaan. ' ^ .

De wonde van den Prins was niet levensgevaarlijk ; binnen eenige maanden was hij genezen. Groot was de vreugde over de behaalde overwinning, en men schreef haar niette onrechte grootendeels toe aan het wijs beleid en den moed van den Prins van Oranje.

ocr page 162

161

44 Op de Citadel van Antwerpen.

(1832.)

De Belgen waren met de regeering van Koning Willem I verre van tevreden, zij stonden op en kozen zich een anderen vorst. De Koning zond nu zijn zoon, den held van Quatrébras en Waterloo, met een groot leger in de Zuidelijke Nederlanden. Deze versloeg binnen tien dagen tweemaal de troepen der opstandelingen en onderwierp een groot deel van België-, doch toen üq Fran-sche Maarschalk Gérard met 50.000 man ter hulpe der Belgen kwam opdagen, week Kroonprins Willem met zijn leger naar Noord-Brabant.

Onderwijl was de Nederlandsche bezetting, die vroeger te Antwerpen in garnizoen gelegen, doch zich bij het uitbreken der onlusten op het kasteel dezer stad teruggetrokken had, van het hoofdleger afgesneden, en werd zij door de Franschen bedreigd. De bevelhebber van het Kasteel, dat ook wel de Citadel genoemd werd, was Generaal Chasse, wegens zijne hooge jaren door de troepen Papa Chassé geheeten. Deze had Antwerpen twee jaren geleden zeven uren lang met gloeiende kogels beschoten, waardoor een schade van meer dan 20 millioen gulden aan de stad was berokkend, en vele huizen in asch waren gelegd. Toen nu de Franschen kwamen aanrukken om het beleg om de Citadel te slaan, liet Chassé den inwoners van Antwerpen aanzeggen, het bombardement op hunne stad te zullen herhalen, bijaldien zij aan Gérard eenigen bijstand boden, en de overeengekomen onzijdigheid niet in acht namen. Dit werkte; ofschoon met tegenzin schikten de Belgen zich toch in de

*11

ocr page 163

102

ten hebben, doch wel begrijpende, dat dan het laatste uur van Antwerpen geslagen was, en alles door de vlammen verteerd zou worden zag higt; van dit voornemen af, en daardoor bleef de

SCD0en e3Ck'°0Cd fSHÓeg Géba» het beleg nm het kasteel. Het najaar was regenachtig, de erond drassig, zoodat de Franschen slechts langzaam met de loopgraven morderden, en het^e-schut, ofschoon op planke ' . ^

moerassigen bodem wegzonk.

de viiandeliike batterijen gereed om vuur te ge ven Gérard zond nu een boodschapper naar de vesting om haar voor de Franschen op te eischen. Doch te verwachten was, wees Chasse

' VaZrhVonnen de'kanonnen der Frasen op de Citadel te spelen. Een regen van bommen, kogels en granaten viel in de sterkte, en na wein ge dagen stond geen enkel gebouw aldaar meer overeind. Doch de onzen bleven het antwoord niet schuldig: zij betaalden met gelH mnnt en binnen korten tyd waren onderschei dene 'Fransche batterijen vernield en vek be e-fferaars gedood. Oe bezetting deed een nachte-Uiken uitval, vernielde de vijandelijke werken doodde er velen, en keerde met roem beladen h,Wri de veste weder; doch tegen de zoo groote overmacht van Gérard was de handvol dapperen

SHbrmwSirS

bouwen der Citadel in puin, en was de bodem

ocr page 164

163

door de bommen en granaten omgewoeld, zoodat de soldaten binnen de vesting in hunne bewegingen werden belemmerd, en het vervoer der kanonnen op sommige plaatsen geheel onmogelijk was, doch van overgave werd niet gerept ; vol moed en vertrouwen deed elk zijn plicht.

Talrijk zijn de bewijzen van heldenmoed, dooide onzen bi) het beleg aan den dag gelegd.

Een bom is binnen een kruitmagazijn in een der bolwerken geslagen, en zal zeker het kruithuis en wellicht geheel de bezetting in de lucht doen vliegen. Zonder zich te bedenken, neemt een kanonnier de bom op, werpt haar met de woorden: „daar heb je ;m weerom,quot; in de gracht, en redt door deze koelbloedige daad zijne krijgsmakkers van een wissen dood.

Een officier ziet zich genoodzaakt met de zijnen uit een buitenwerk terug te trekken. Daar de poort van het kasteel gesloten is, moeten de manschappen over het paalwerk naar binnen klauteren. Hij zelf dekt den aftocht, doch wordt door een zestal Fransdien omsingeld, die hem met de bajonet aanvallen. Het gelukt hem evenwel zich door den vijand heen te slaan en insgelijks het kasteel te' bereiken.

Luitenant Bosch wordt, terugwijkende, door de verbitterde Franschen achtervolgd, en ziet zyne manschappen rondom zich neersabelen. Zonder zich verder te bedenken treedt hij vooruit, met forsche stem uitroepende: „Doet met mij, wat gij wilt, doch spaart de mijnen!quot; Dit woord maakt indruk; de vijand staakt den aanval. Bosch en de zijnen — 51 in getal — worden krijgsgevangen gemaakt, naar Frankrijk gevoerd en met die achting behandeld, waarop zij billijk aanspraak mochten maken.

ocr page 165

164

Doch eerst na 24 dagen, toen de Citadel één puinhoop geworden was, gebrek aan drinkwater en voedsel, aan kruit en lood zich deed gevoelen, eerst toen trad Ghassé met den Fran-schen Maarschalk in onderhandeling, en gaf op eervolle voorwaarden de platgeschoten vesting

Gérard, vol achting voor den dapperen bevelhebber, begaf zich met zijn Staf naar de Gitadel. klauterde over den puinhoop, en bezocht Ghassé in ziine kazemat. Hij betuigde den overwonnen generaal en diens officieren zijne hoogachting, en verklaarde er trotsch op te zijn, dat hij zulke dappere krijgslieden, die een weerlooze bevolking gespaard, maar zich tegen den gewapenden vijand als helden hadden gedragen. onder zijne wapenbroeders mocht tellen.

De heldhaftige verdedigers gingen in krijgsgevangenschap naar Frankrijk, waar zij ongeveer 5 maanden te St.-Omer doorbrachten, en door de Regeering des lands met alle onderscheiding werden behandeld. Bij de terugkomst in het vadei-land werden de dapperen door hunne landgenooten met gejuich en gejubel in-gehaald, en door den Koning tot het dragen van het Metalen Kruis, als herinnering aan hunne krijgsbedrijven, gerechtigd.

45. Koning Willem II.

(f 1849.)

Op den nieuwen Koning was aller hoop gebouwd. De Katholieken, die zich in de bijzondere gunst van Koning Willem I nooit hadden mogen verheugen, stelden zich van Willem 11

ocr page 166

165

alles goeds voor, en hun vertrouwen in hem werd niet beschaamd. De vorst toonde metterdaad te willen zijn een goed koning voor al zyne onderdanen.

Nauwelijks toch had hij den troon bestegen of hij besloot, zooveel als in zijn vermogen was, de bezwaren zijner onderdanen, vooral met betrekking tot de vrijheid van godsdienst, uit den weg te ruimen. Hij stond reeds in 1840 aan de kloosters toe nieuwe leden aan te nemen, en het volgende jaar schonk hij aan de Christelijk Afgescheiden van de Hervormde kerk de vryheid tot het oprichten van eigen gemeenten. Nog een jaar later onderhandelde hij met Z. H. den Paus over het benoemen van bisschoppen in Noord-Nederland. Doch zoodra dit bekend werd, geraakten de gemoederen van vele Protestanten in beweging. Dwepers hadden hun wijs gemaakt, dat het Vaderland daardoor groot onheil stond te wachten, zoodat 's Pausen afgezant den Vorst aanraadde de uitvoering ervan nog eenigen tijd te verschuiven. Niettemin vond Z. M. goed, dat Z. H. de Paus drie bisschoppen ï. p. i. benoemde, zoodat ons Vaderland toen vijf kerkvorsten telde. Het gevolg hiervan was, dat aan de Ne-derlandsche Katholieken het ontvangen van het H. Sacrament des Vormeis gemakkelijker werd gemaakt, en dat hunne nieuwe kerken spoediger ingewijd konden worden.

Toen Willem II aan de regeering kwam, verkeerden de geldmiddelen des lands ten gevolge van de Belgische Onlusten in een berooiden staat. Het volk was vol wantrouwen jegens de overheden, vol ontevredenheid over bestaande mis-'

ocr page 167

166

bruiken. Koning Willem spande al zijne krachten in om het geschokte vertrouwen te herstellen, en trachtte de ontevredenheid door het afkondigen van een nieuwe Grondwet, waarin aan vele grieven te gemoet werd gekomen, weg te nemen. Ziekte in de aardappelen, welke eemge jaren zich herhaalde, en waardoor hethoofdvoed-sel voor de mindere standen voor het grootste deel verloren ging, — mislukking van den graanoogst en tengevolge daarvan een ongekend hooge prijs van het brood, gevoegd bij hooge belastingen en weinig verdiensten veroorzaakten groote ontevredenheid. Doch de koning hielp, waar hij kon, en in zijne onvermoeide pogingen om het rijk tot bloei en welvaart te brengen zou hij misschien ook wel geslaagd zijn, had de dood hem na een negenjarige regeering met verrast.

Om zich van de drukkende regeermgszorgen eenigszins te ontspannen, begaf de vorst zich naar zijn geliefd Tilburg, de plaats, die door zijne begunstiging van een boerendorp tot een nijvere stad was opgeklommen. Doch pas was hij daar aangekomen, of een plotselinge ongesteldheid tastte hem aan, en de ziekte maakte zulke snelle vorderingen, dat zij binnen een paar dagen den koning grafwaarts sleepte (1849).

Groot was de rouw en droefenis in het gan-sche land over den dood van den beminden vorst, niet het minst echter bij de bevolking van Noord-Brabant, in welk gewest hij zoo lang en met zooveel voorliefde had vertoefd. Tilburg geleek één groot sterfhuis; de hutten der geringste daglooners zelfs bleven er gesloten, zoolang het lijk des konings op het palets rustte, en toen de geliefde doode naar Bolland werd vervoerd, schreiden de mannen als kinderen. Zóó zeer

ocr page 168

167

had de ontslapene de liefde en toegenegenheid zijner getrouwe onderdanen bezeten!

In de geschiedenis zal zijn naam altijd blijven leven als die van een beminnelijk en ridderlijk vorst, een wijs regent, en een bekwaam en onversaagd generaal.

46. Koning Willem III.

(f 1890.)

Ruim veertig jaren heeft deze vorst als koning over de Nederlanden geregeerd, en zich in dezen langen tijd in waarheid een vader en beschermer zijner onderdanen getoond. Goed en menschlievend was hij; want waar rampen waren te lenigen, ging de koning op waarlijk vorstelijke wijze vóór; — rechtvaardig was hij tevens, want hij toonde zich ten allen tijde een streng handhaver der wetten zonder aanzien des persoons: al zijne onderdanen genoten onder zijn wijs bestuur gelijke bescherming en konden aanspraak maken op zijne vaderlijke toegenegenheid.

't Is winter. De hooggezwollen rivieren kunnen haar water niet meer zeewaarts stuwen wegens de |jsdammen, welke zich allerwegen hebben gevormd; de doorweekte dijken bezwijken «n het water stuift door de dijkbres henen: het geheele land tusschen Maas en Waal en de gansche Bommelerwaard staan blank. Velemen-schen zijn in de golven omgekomen; honderden bij honderden zijn van have en goed beroofd •en aan de grootste ellende ter prooi.

Daar snelt de koning uit zijne residentie ter hulpe toe. Trots weer en wind begeeft hij zich naar de plaatsen des onheils. Nu ronddobberend in een open schuit, terwijl de sneeuwjacht hem

ocr page 169

168

verblindt, of de storm hem om de ooren giert, dan zijn leven op het spel zettend door zich bij feilen stroom tusschen het drijfijs te begeven,, bezoekt hij de plaatsen, welke het meest hebben geleden, om door zijne tegenwoordigheid den gezonken moed op te beuren en de hoop op betere dagen te verlevendigen, om hulp en bijstand te verleenen, waar deze zoo dringend worden vereischt.

Toen men den koning eens opmerkzaam maakte op de gevaren, welke hij liep, antwoordde hij: „Waar het gevaar het grootst is, daar is de plaats des konings.quot; Aan iemand, die er op wees, dat er voor den vorst geen geschikt onderkomen te verkrijgen was in de overstroomde gewesten, gaf hij tot bescheid: „Op den dyk,. waar zoo vele mijner ongelukkige onderdanen zich moeten behelpen, zal zeker nog wel een plaatsje voor mij over wezenquot;, en aan zijni schatmeester, die meende hem te moeten opmerken, dat 's konings milddadigheid grooter was, dan de beurs veroorloofde, gaf hij ten antwoord: „Welnu, dan zullen we ons een paar jaren behelpen: de ongelukkigen gaan vóór.quot;

In Februari 1861 bevindt de koning zich te Leeuwen, weinige dagen nadat de de dijk aldaar bezweken is. Hij begeeft zich tot het uiterste punt van den vaneengescheurden dijk, peilt met het oog den afgrond, laat zich de plaatsen aanwijzen, waar huizen verdwenen zijn, en overziet met een weemoedigen blik den eindeloozen waterplas. „Arme menscben!quot; roept hij uit: „worden er hier ook verpleegd?quot; — Op het bevestigend antwoord geeft hij last derwaarts te varen, en weinige minuten later ligt de schuit met den vorstelijken bezoeker aan de bovenrameiL

ocr page 170

169

van een hecht steen en gebouw, waar driehonderd menschen op de bovenvertrekken tijdelijk een onderkomen vinden.

„De Koning! de Koning!quot; fluistert het eensklaps van mond tot mond, en waarlijk — de Koning bevindt zich te midden der ongeïukkigeiu Hij gaat de rijen door, richt hier een vriendelijk woord tot een oud moedertje, daar een troostwoord tot een weenende, streelt ginds de wang van een lachend kindje op den arm zijner moeder, en vraagt belangstellend naar den toestand van allen, in het bijzonder van hen, die met levensgevaar aan den vloed ontkomen zijn. Men wijst den vorst onder anderen een reeds bejaard maar nog krachtig man, die twee dagen op een boomstam heeft doorgebracht te midden der om hem bruisende golven. De aangewezene bemerkt, dat over hem gesproken wordt, en neemt een militaire houding aan, als de Koning hem nadert. — „Wel vriendje, hoe is het nu?quot; vraagt Willem hem. „Ik hoor, dat je het hard te verantwoorden gehad hebt.quot; En het Metalen Kruis op de versleten jas van den ouden man bespeurende, vervolgt hij: „Zoo, heb je den Tiendaag-schen Veldtocht ook mede gemaakt?quot; —„Pardon, Sire!quot; antwoordt de Veteraan, „ik diende toen bij de tiende afdeeling onder Chassé op de Citadel.quot; — „Ei, ei, daar was het geen haar beter dan bij Hasselt en Leuven. Je kunt dus meepraten van vuur en water, maar waar was het nu wel het minst prettig, op de Citadel of op je boomstam?quot; — „Sire! als het zijn moest, dan liever tienmaal in het vuur, dat de kogels mij om de ooren fluiten, dan ééns weer zoo in het water; doch God heeft mij beide keeren bewaard.quot;

ocr page 171

170

Met vochtige oogen grijpt de vorst zijne beurs, drukt de gevulde hand in die van den ouden krijgsman en voegt hem toe: „God bewaart brave soldaten altijd! Houd maar moed, wij zullen je ook niet vergeten.quot; En met krachtige maar geroerde stem tot allen het woord richtende, zegt de Koning: „Vaartwel, hebt maar geduld, en weest tevreden; het zal u aan niets ontbreken!quot;

Tranen glinsteren in aller oogen, tranen van innig gevoelde dankbaarheid jegens een Vorst, die zoo minzaam weet te troosten en te helpen, en wiens krachtig voorbeeld zoovelen heeft opgewekt tot onuitsprekelijke liefdadigheid. Een eerezuil blijft hem opgericht in de harten van het dankbare nageslacht.

Een zeer belangrijke zaak, n.1. de sinds jaren begeerde kerkregeling der Katholieken, kwam onder Koning Willems regeering tot stand : de Bisschoppelijke Hiërarchie werd in de Nederlanden hersteld. Volgens de beschikking van Paus Pius IX z.g. werden Utrecht, Haarlem, 's-Bosch, Breda en Roermond de vijf dioceesen der nieuwe kerkprovincie, waarover Z. D. H. Joannes Zwij-sen als Aartsbisschop van Utrecht werd aangesteld.

Deze regeling verwekte groote beroering in den lande. Tal van onverdraagzame Protestanten brachten het onwetende volk in beweging, en vele onnoozelen meenden in vollen ernst, dat de tijden van Alva weder in aantocht waren, geloofden het praatje, dat de Bisschoppen zich onder eede verbonden hadden de andersgezinden te vuur en te zwaard te verdelgen, en tot dit doel zoo spoedig mogelijk overal brandstapels en moordschavotten zouden oprichten. Men be-

ocr page 172

171

stormde den Koning met verzoekschriften om deze gevreesde mannen niet ongestoord bezit van hunnen zetel te laten nemen, doch hen veeleer te kerkeren of over de grenzen te doen zetten, en het arme, weerlooze, Protestantsche volk toch onder zijne machtige hoede te nemen en voor uitroeiing te bewaren. Doch de Koning, die toonde een Vorst te wezen voor al zijn onderdanen, gaf het recht zijn loop, bekreunde zich niet om het gemaakte misbaar, en liet de Hoogwaardige Bisschoppen ongestoord bezit van hun zetel nemen. Nu zag het misleide volk spoedig in, dat het bedrogen was; het keerde zich van de onruststokers af, en weldra woonden Roomsch en Onroomsch weder vredig naast elkander in het gemeenschappelijke Vaderland.

Voor ons Katholieken had de herstelling der Bisschoppelijke Hiërarchie de gewichtigste gevolgen. Sinds 1580 had geen Bisschop in de Nederlanden een zetel bezet. Zeer natuurlijk moest het kerkelijk leven der Katholieken daaronder lijden.

Zoo spoedig dan ook waren de verschillende zetels niet weder ingenomen, of het voorvaderlijk geloof ontwaakte tot een nieuw leven, en de bloei, waarin zich thans de Katholieke Kerk in Nederland verheugt, moet grootendeels worden toegeschreven aan de terugkomst der Bisschoppen. In tegenstelling met andere landen, waar het Katholicisme dikwijls in zijne werking wordt belemmerd, kon het hier ongehinderd zijne zegenrijke werkzaamheid ontwikkelen. Tal van kerken, huizen voor ouden van dagen, voor zieken en gebrekkigen, gestichten voor weezen of verwaarloosden, scholen voor kinderen zijn gebouwd. Een breede priesterschaar in het Va-

ocr page 173

172

derland en honderden missionarissen in over-zeesche gewesten, verkondigen het woord Gods, en trachten zielen voor den hemel te winnen. Tallooze Godgewijde maagden, die alles hebben verlaten om den evenmensch te dienen, besteden haar leven aan ziekenverpleging, het verzorgen van ouden, van gebrekkigen en van verlaten kinderen. Zoowel in het land barer geboorte als in andere werelddeelen verspreiden zij de zegeningen van het Katholiek Geloof, en zijn zij een levend getuigenis der opofferende-liefde, welke hen jegens alle menschen bezielt.

Dat de oude boom van het Katholicisme, zoo diep wortelend in het erf van St. Willibrordos, door het terugkeeren onzer Bisschoppen wederom opleefde, nieuwe loten schoot en door de aanhoudende zorgen van onze geliefde Kerkvoogden zich hooger verheft, zijne kruin breed uitspreidt en overvloedige vruchten voortbrengt,, danken we voor een groot deel aan het vaderlijk bestuur van onzen goeden Koning Willem iïi, wiens rechtvaardigheid dit alles mogelijk, maakte.

47. Tocht naar Lombok.

(1894.)

Genoot ons Vaderland in Europa voortdurend vrede, in de Overzeesche gewesten moest nu en dan het zwaard uit de scheede getrokken worden ten einde ons gezag te handhaven of te bevestigen. Zóó was het b.v. op Lombok. De wreede Radja (vorst) van Bali onderdrukte de Sasaks, de oorspronkelijke bevolking van Lom-

ocr page 174

173

hok, ja, hij ontzag zich niet dezen van nature goedaardigen volksstam te plagen en te mishandelen, te sarren en op allerlei wijzen te kwellen. Daar de Sasaks het Nederlandsch gezag erkenden, riepen ze onze hulp in om hen tegen de woede hunner wreede onderdrukkers te beveiligen.

Een aanzienlijke troepenmacht werd onder generaal Vetter afgezonden ten einde de Sasaks alle hulp te verleenen en de Balineezen tot rede te brengen. Door ons machtsvertoon verschrikt boden de Radja en zijn rijksgenooten hunne onderwerping aan; zij wilden het hoofd in den schoot leggen en aan de gestelde voorwaarden voldoen. Onze bevelhebbers wantrouwden de geslepen Balineezen niet; geheel ter goeder trouw en argeloos waagden zij het, met hunne soldaten binnen een omheinde ruimte te kampeeren en te overnachten. Doch de sluwe inlanders hadden slechts onderwerping gehuicheld ten einde de onzen in slaap te wiegen. Zij zonnen op verraad, en toen de Blanda's geen kwaad vermoedend zich in den muil van den leeuw bevonden, scheen voor den Radja het oogen-blik aangebroken om al de gehate blanken in één slag te doen omkomen.

Plotseling regende het kogels uit de doorboorde muren op de troepen, en niet lang duurde het, of de onzen bevonden zich op den aftocht door de razende Balineezen achtervolgd en telkens stuitende op nieuwe vijanden. Wonderen van dapperheid werden door onze moedige soldaten verricht: maar wat vermag heldenmoed tegen verraad, tegen een verpletterende overmacht in een land, waar van alle kanten gevaar dreigt? — Het Indische leger moest terugtrekken

ocr page 175

174

onder het brengen van de grootste offers, zoo van minderen als van officieren. Het overschot kon zich verzamelen in een kustplaats en daalde dingen afwachten, welke komen zouden.

De hoop der Balineezen, dat de Indische ti'oe-oen Lomhok zouden ontruimen, die hoop werd teleurgesteld. Zij kenden onze soldaten met die van verlangen brandden den geleden smaad uit te wisschen, noch de bevelhebbers, die thans voor het verraad op hunne hoede met vaste hand en scherpen blik den aanval zouden leiden en niet eerder rusten, voordat de vijand volkomen tot onderwerping was gebracht.

Een nieuwe Expeditie werd uitgerust: verscbe troepen, blakend van strijdlust, brandende van verlangen den aangedanen hoon te wreken, kwamen de zoo gedunde gelederen aanvullen. Aangemoedigd door het fiere woord der Koningin die van verre de wakkere knjgsbedniven barer dappere soldaten volgde, ging het nu op den overmoedigen vijand los. Slechts met ce QT00tste omzichtigheid en behoedzaamheid trok men vooruit, eensdeels omdat men nog a ti] een valstrik der Balineezen vreesde, anderdeels will men de kostbare levens der soldaten wilde sparen. Langzaam maar staag ging het voorwaarts,.altijd dieper het binnenland m; voet voor voet slechts won men veld, want de verraders verdedigden zich met den moed der vertwijfeling; zelfs vrouwen en kinderen grepen de wapenen en vochten in de gelederen. De Balineezen be er epen, dat ze ten slotte het onderspit moesten delven, en daarom wilden ze hun leven zoo

duur mogelijk verkoopen.

Maar al liun wilde moed mocht hun niet baten: de ééne versterking vóór de andere na

ocr page 176

175

moesten ze na een wanhopige worsteling ontruimen. Het dapper Indische leger overtrof zich zelf. Het achtte geen hinderpaal; niets kon den moed der soldaten aan het wankelen brengen, noch het vuur van den vijand, noch het moordend klimaat, noch de bijna onoverkomelijke moeielijkheden van den bodem. Zij wisten, dat geheel Nederland het oog op hen gevestigd had, en dat van hunne dapperheid en volharding het behoud van Indië afhing.

Eindelijk was het pleit beslecht. Mataram, de hoofdstad, en het bijna onneembare Tjakra— Negara werden stormenderhand vermeesterd en met den grond gelijk gemaakt; de ééne steen bleef er niet op den ander, en de plek was niet meer te herkennen, waar beide steden eenmaal gelegen hadden: de geslepen Radja met zijne rijksgrooten vielen in handen der onzen en werden later tot harde ballingschap veroordeeld. Met groot gejuich ontving men in het Vaderland de tijding van de schitterende zegepraal, en buitengemeen was de vreugde over de tuchtiging van de snoode verraders. De namen van generaal Vetter en zijne dappere tochtgenooten waren in aller mond; de oude geestdrift vlamde weer op; men voelde, dat Nederland zijn roemrijk verleden nog waardig was.

48. Inhuldiging van Wilhelmina, Koningin 'der Nederlanden. (5,dan September 1898.)

Toen in 1890 koning Willem III het tijdelijke met het eeuwige had verwisseld, volgde zijne dochter Wilhelmina hem op, onder voogdij harer

ocr page 177

176

moeder, de Koningin-Regentes Emma. Acht jaren lang bestuurde deze ons land met wijsheid en liefde, en zij mocht er in slagen de achting en toegenegenheid aller weidenkenden te verwerven. Daar brak de 31ste Augustus 1898 aan, de dag, waarop Wilhelmina zelf de teugels van het bewind zou aanvaarden, — was het oogenbhk nabi], waarop zij te Amsterdam in de Nieuwe kerk gehuldigd zou worden als Koningin der Neder-IdTldSTl

De geheele stad was in feestdos; groen en gebloemte waren geslingerd langs de huizen en de geliefde oranjekleur kwistig aangebracht aan deur en venster. Van bijna elke woning wapperde het dundoek, zoodat men door de nauwe straten der hoofdstad liep als onder een o-ewelf, geschilderd met de nationale kleuren. 0 De Nieuwe kerk was in een grootsche feestzaal herschapen, alwaar de leden van het Koninklijke Huis en die der beide Kamers der Staten-Generaal, alle hooge staatsambtenaren en machthebbers in den lande, alle aanzienlijken van geboorte en van geest de Koningin opwachtten. Van de hooge gewelven hingen tropeeën van Oranjevanen en de Nederlandsche dnekleui naar beneden, guirlandes slingerden zich m breede bogen van pilaar tot pilaar. Halverwege de zuilen waren de wapenschilden der verschillende provinciën en van de koloniën aangebrach , gekroond door breede Oranjebanieien.

Onder het losbranden van het geschut, net gelui der klokken en de tonen van het carillon verliet Hare Majesteit het paleis op den Dam om zich door een dubbele rij van adelborsten en cadetten te voet naar de deur der kerk te begeven. Zij werd voorafgegaan door de Herau-

ocr page 178

177

ton van Wapenen met hunne trompetters, de Koningen van Wapenen, twaalf kamerheeren, gaande drie aan drie, de groot-officieren der kroon en vele hooge ambtenaren. De Koningin werd gevolgd door vier adjudanten, dragers van den koninklijken mantel, door vlagofficieren, generaals en hoogwaardigheidsbekleeders.

Aan de deur werd H. M. ontvangen door een commissie uit de Staten-Generaal, die haar naar den troon geleidde, terwijl een uitgelezen koor inmiddels het Wilhelmus aanhief. De troon, opgericht ter plaatse waar in vroeger dagen het hoofdaltaar der kerk gestaan had, was overhuifd door een kostbaar baldekijn, de muren waren met purper, wit fluweel en azuurblauwe zijde bekleed. De symbolen van het koningschap: de Kroon, de Schepter, de Rijksappel, het Zwaard, de groote Rijksstandaard en de Grondwet des Rijks lagen op rood fluweelen kussens op een tafel ter zijde of werden door voorname personen gedragen. De Koningin-Regentes bevond zich reeds op haar zetel, omgeven door een weidschen stoet van officieren en hovelingen in vol ornaat, terwijl de Indische vorsten links en rechts aan den voet van den troon zich bevonden om de komst van Hare Majesteit af te wachten. — Daar trad de Koningin door een dubbele rij van soldaten den tempel binnen. De vergaderde schare, die Hare vorstin verbeidde, rees eerbiedig overeind. Elk nam bezit van zijne aangewezen plaats, terwijl de Koningin den troon beklom.

Op haar troon gezeten, hield zij nu met krachtige, duidelijke stem, nadruk leggend op elk woord, zoodat tot in de verste hoeken der kerk alles kon worden verstaan, de volgende toespraak:

*12

ocr page 179

178

Mi/ine Heeren, Leden der Staten-Genemal, Reeds op jeugdigen leeftijd heeft God door het overlijden van Mijn onyergeteh]ken Vader tot den Troon geroepen, dien ik onder het zoo wijze en zegenrijke Regentschap Mijner

innio- seliefde Moeder beklom.

Na de vervulling van mijn achtUcnde le-vPTmiaar heb Ik de regeering aanvaard, Mijne proclamatie heeft dit aan mijn dierbaar volk

gekomen. le

^USep^aK^iige quot;X zai verbinden aan het Nederlandsche volk tot instandhouding van zijne dierbaarste rechten en

^loo^evestig Ik heden den hechten band die tnsschen Mij en Mijn volk bestaat, en wordt het aloud verbond tusschen Nederland en Oranje

OPslhoonbta dftaak, die God op Mijne schouders ■ gelegd. Ik gevoel Mij gelukkig het volk van Nederland te regeeren,dat klein is m aantal, maar T^ HPiilden krachtig door aard en karakter.

™4ht7irt:Tlne'

zf eL% voor n;0Itü Ja

R i het vervullen van die taak heb Ik Uwe huiü noodig, Heeren der Staten-Generaal. Ik ben f ?;otI fiat Gii Mij die in ruime mate zult verleenen'. Laat ons samen arbeiden voor het eeïuk en den voorspoed van het Nederlandsche volk. Dat zij ons aller levenstaak.

ocr page 180

179

God zegeiic Uwen en Mijnen arbeid, dat hij strekke tot heil van Ons vaderland!quot;

Deze toespraak werd onder doodsche stilte aangehoord, en diep treffend was het volgende oogenblik, toen de Koningin van haar troon opstond om den eed van trouw af te leggen aan haar volk. Allen rezen eerbiedig van hunne zitplaatsen, en door den ruimen tempel klonken plechtig de woorden, met welluidende, vaste stem uitgesproken:

,,Ik zweer aan het Nederlandsche volk, dat ik de Grondwet steeds zal onderhouden en handhaven.

„Ik zweer, dat Ik de onafhankelijkheid en het grondgebied des Rijks naar al Mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat Ik de algemeene en bijzondere vrijheden van al mijne onderdanen zal beschermen, en — hier trilde de stem dei-Koningin van aandoening — dat Ik tot instandhouding en bevordering van de algemeene welvaart alle middelen zal aanwenden, welke de wetten tot mijne beschikking stellen, zooals een goed Koning schuldig is te doen.

Zoo waarlijk helpe mij God almachtig.quot;

Daarop zette de Koningin zich weer neder op den troon om de hulde te ontvangen van de Staten-Generaal. De voorzitter trad vóór den troon om de door de Grondwet voorgeschreven verklaring af te leggen, waarna de griffier achtereenvolgens al de namen aflas, om ieder lid gelegenheid te geven die verklaring voor zich te beëedigen of te bevestigen. Onmiddellijk daarop zwaaide nu de oudste der Wapenkoningen zijn schepter met luider stemme roepend: „Hare Majesteit koningin Wilhelmina is ingehuldigd.

ocr page 181

180

1 pVe de Koningin!quot; Tot driemaal herhaalde hij S kreet, door den anderen Wapenkoning op zün beurt driemaal uitgeroepen.

'De Herautei) van wapenen begaven zich met

hunne trompetters buiten de kerk ^ aan het volk het heugh]ke nieuws te verkon disen. De forsche orgelklanken rmschende door de ruime tempelgewelven, de metalen stem van het geschut daarbuiten, klokgelmen Wokkenspe vprkondigden ver in het rond, dat de piecnug hPid eeëmdigd was, en Nederland en Oranje opnieuw het wederzijdsch verbond met heiligen

eed hadden bevestigd. . . , , . n- .c

Onder het duizendstemmig gejubel der dichte schare die op den Dam de voltrekking der inhuldiging had afgewacht, begaf de Koningin zich n^r hS üaleis terug, wkar zij zich weldra op het balkon aan haar juichend volk vertoonde als de pas gehuldigde Vorstin des lands.

Wilhelma van Nassouwe,

Draag lang en blij de kroon!

Wij steunen op Uw trouwe,

Zoo steune God UW troon!

Zoo blijven U bewaken Zijn Godlijk oog en hand,

En aller blikken blaken Voor U en 't Vaderland.

IMPRIMATUR.

Gronin»ae, hac i0a Maii 1895.

Dr. I. A. VAN OS, Libr. Censor

ocr page 182

181

Tijdrekenkundig Overzicht.

100 j.v. Chr. De Baf a vie ren komen in ons land. 50 ti De Romeinen komen in ons land en sluiten een

verbond met de Batavieren.

70 j. n. Chr. Opstand der Batavieren onder Claadius Civilis. 300. De Pranken en Saksen komen in ons land.

695. De H. Willibrordns door Paus Sergius tot Aartsbisschop

der Friezen gewijd.

755. Marteldood van den H. Bonifacius bij Dokkmn. 800. Karei de Groote wordt tot Keizer gekroond.

800—1000. De Noormannen teisteren ons land.

1096. Eerste Kruistocht. Jerusalem wordt veroverd door Godfried van Bouillon.

1219. Graaf Willem I verovert Damiate.

1256. Willem II, Roomsch-Koning, wordt door de West-

Priezen gedood.

1296. Flotis V vermoord.

1345. Het H. Sacrament van Mirakel te Amsterdam. 1350. Begin der Hoeksche en Kabeljauwsche twisten. 1477. Karei de Stoute sneuvelt bij Nancy,

1492. Columbus ontdekt Amerika.

1515—1555. Karei V.

1517. Luther staat in Duitschland tegen de Kerk op. 1522. Adrianus Floriszoon Boyens uit Utrecht onder den naam

van Adrianus VI tot Paus verheven.

1555. Karei V doet afstand van de regeering, zijn zoon Pilips II volgt hem op.

1566. Opkomst der Geuzen. Beeldenstorm.

1567. De hertog van Alva komt. Baad van Beroerten. 1568—1648. Tachtigjarige Oorlog.

1573. De Watergeuzen veroveren Den Bxiel. De H.H. Martelaren van Gorkum.

^1574. Slag op de Mokerheide. Ontzet van Leiden.

1581. Pilips II afgezworen. Bepubliek der Vereenigde Meder-landen.

1584. Willem van Oranje doodgeschoten. Maurits. 1590. Verrassing van Breda.

1595. Eerste tocht der Nederlanders onder Gebr. Houtman

naar Oost-Indië.

1600. Msurits wint den slag bij Nieuwpoort.

1609—1621. Twaalfjarig Bestand, Godsdiensttwisten.

ocr page 183

182

1619. Johan van Oldenbarneveld onthoofd.

1620. Jan Pieterszoon Coen sticht Batavia.

1625—1647. Ftederik Hendrik. , .

1628 Piet Hein verovert de Spaansche Zilvtrnoot.

n j.nq' Vrederik Hendrik verovert 's-Hertogei b )Ecb.

1639'. Maarten Harpertszoon Tromp slaat de Spamp;anscHe Vloo

1648 Vredeman Mun.ter, einde van den Tachtigjarigen Oorlog.

1653* Jan de Witt wordt Raadpensionaris.

lm' ft»krSk. MU..U. Keulen.

Willem III stadhouder. De Gebroeders de Witt vermoord. 1676 Michiel de Ruyter sneuvelt bij Syracuse.

IS ra» nf verijl .8. II ™

17«. bSllgen Stuats-Vlwrnderen. Wille»

1Je6„179^UWiUera V Stadhouder. Patriotten ea Prinsge-

,795. S'rte.teb.n k.„ea iuon. la.d. Wi.lem V .luohln.»

Engeland. Bataafsche Republiek. „Kheid van

1796. üe Calvinistische Staatskerk afgeschaf . J

eodsdienst voor de Katholieken.

1806-1810. Lodewijk Napoleon, koning van Holland.

Iglo_1813. Nederland een Fransche provincie.

IS Kir .oquot;quot;,'ieli°5 ta Dquot;

181S ^^'IV-JdïSSdeTsUgbS Waterloo.

jg39 tl Sffe. B»te spoorweg iu Kederl.ui

fpleed van Amsierdam naar Haarlem.

1840. Willem I doet afstand van de tegeenng ten behoeve van

ïlin zoon. _ _

1810-1849. Koning Willem II.

1843. Koning Willem I sterft te Berlijn.

1848. Afkondiging der gewijzigde Grondwet.

1849. Koning Willem II sterft te Tilburg.

1849—1890. Koning Willem III-

8 53. De Bisschoppelijke Hieratchie hesteld.

ocr page 184

183

1853. Droogmaking van de Haarlemmermeer voltooid.

1855. Watersnood in Gelderland. De Koning bezoekt de overstroomde streken.

1860. Afschaffing der Slavernij in Oost-Indië.

1861. Overstrooming in G-dierlmd en N.-Brabant. De Koning komt de ongelukkigen ter hulp.

1873. Oorlog met Atjeh. Generaal Kohier sneuvelt.

Tweede expeditie onder generaal Van Swieten.

1876. Openifig xan het Noord-Zee kanaal.

1878. Nieuwe Wet op 't Lagerotderwijs.

1879. Voorspoedige veldtocht van Van der Heijden in Atjeh.

1887. Afkondiging der gewijzigde Grondwet.

1889. De Wet op 't Lageronderwijs gewijzigd.

1890. Willem 111 sterft op het Loo.

1890—heden. Koningin Wlllielmina.

1890. Wilhelmica volgt ba^r vader op. Hare moeder wordt Regentes gedurende hare minderjarigheid.

1894. Expeditie naar Lombok onder Generaal Vetter.

1896. Invoering eener nieuwe Kieswet.

1898. Koningin Wilhelmina aanvaardt de teugels van het bewind.

---

ocr page 185

INHOUD.

Bladz.

28. Jan Pieterszoon Coen 98.

29. Piet Hein. . • • l02-

30. ï reder ik Hendrik . 105,

31. Maarten Harpertszoon Tromp . . • • • 109.

32. Joost van den Vondel 112.

33. Michiel AdriaaLSzoon

de Buyter . • • liy-

34. Paul Bembrandt van B\jn....... 121.

35. De Gebroeders De Witt] 2 5.

36. Prins Willem III 128.

37. Toestand der Katholieken in de 18e eeuw.

Sofia Aibrechts . . 132.

38. Willem IV tot Stadhouder verheven. . • 135.

39. Patriotten en Priosge-zinden . . • • • lquot;^-

40. Vertrek van Willem V naar Engeland.De Fran-schen komen in ons land 144.

41. Keizer Napoleon I en Nederland. . • • 148-

42. Nederlands Herstelling. Koning Willem I . 1^*

43. De Prins van Oranje bij Waterloo . . • • 1^'*

44. Op de citadel van Antwerpen .... 161.

45. Koning Willem II. 164.

46. Konieg Willem III. 167.

47. Tocht naar Lombok. 17i.

48. Inhuldiging van Wilhel-mina. Koningin der Nederlanden. . • 1'

Bladz.

1. Clattditts Civilis. . . 5.

2. Heidendom .... 9-

3. De H. Willibrordns, Apostel van Nederland 15.

4 Twee Heidenen. . .19.

5. Karei deGroote. . . 23.

6. Invallen der Noormannen .......26-

7. Godfried van Bouillon. Kruistochten .... 30.

8 Eulco van Bern. . . 33.

9. ïocht naar Damiate.

Graaf Willem I. . . 38.

10. Graaf Willem II, . Roomsch Koning . . 41.

11. Ploris V.....44.

12. Een goed Vorst. . . 46.

13. Moeder en Zoon. . . 49.

14. Ontwikkeling en beschaving . . . • • 52-

15. Een paar uitvindingen. 57.

16. Karei de Stoute. . . 60.

17. Adolf van Gelder . . 64.

18. Dood van Maximiliaan van Egmond, graaf van Buren......

19. Karei V.....70.

20. De Beeldenstorm . .

21. Alva. De Watergeuzen. 76.

22. Een berosind Nederlander . . . j. . • 80.

23. Lodewijk van Nassau . 82.

24. Prins Willem I. . .85.

25. Maurits.....88.

26. Johan van Oldenbarne-veld.......

37. Hugo de Groot. . . 95.

ocr page 186
ocr page 187

óofiooluiïgaven

van

VAN MASTRIGT en VERHOEVEN,

A n N B E H.

j

A. van de Griendt, Leesboek voor Katholieke Scliolm. Ie1 deeltje 175 ct.; 2e deeltje 225 ct.; 3e deeltje 25 ct.; 4e deeltje 25 ct.; 5e deeltje 25 ct.; 6e deeltje 30 ct.; 7e deeltje 80 ct.

L. J. Tielemans. Schetsen uit de Geschiedenis van ons Vaderland. (Kerkelijk goedgekeurd.) Ie deeltje 40 cent.

id. id. Serie B (voor Openbare Scholen) 40 ct. L. J. Tolemanb en F. van der Werp. Taalboek voor Katholieke Scholen. (Kerkelijk goedgekeurd.) Ie deeltje 17s ct. ;1 2e deeltje 20 ct.; 8e deeltje 275 ct.; 4e deeltje A. 25 ct.; 4e deeltje B. 275 ct. y, ;

F. van der YfËRF.^KHet Fransch voor Katholieke Scholen: (Kerkelijk goedgekeurd.) ,1e deeltje 30 ct.; 2e deeltje 80 ct.; 3e deeltje 40 ct.; lo deeltje 325 ct.

ld. Handleiding bij het 1' stukje van „Het Fransch voor Kath. Scholenquot;. Prijs 80 ct.

Op aanvrage gratis bij bestelling van minstens een dozijn ex. Het Fransch.

L. J. Tielemans en Herm. H. Tonus. Nieuw Leesboek voor Katholieke Scholen. (Kerkelijk goedgekeurd.) (I—III met oorspronkelijke Plaatjes.) Ie deeltje 25 ct.; 2e deeltje 275 ct.; 3e deeltje 80 cents; 4e deeltje 80 ct.

L. J. Tielemans. Schetsen en er halen uit de Geschiedenis •* der Kerk. (Kef kei ij k goedgekeurd.) Ie deel 45 ct., in linnen pracift- • bandje, (doelmatig prijsboek) 65 ct., 2e deeltje id. 50 ct. * *■ Alles met premie 13/12 en 10% korting.

IST' Pres.-ex. worden op aanvrage direct of door bemidde'

ling van heeren Boekhandelaars gezonden.