ippiiWiwwifipi
â :rv^- I
' ^ -- ^ quot; lt;â â,' v' . :. , ^
quot; ':quot;;- â â¢;.' ⢠â¢quot;. â *? .^.,quot;vV. i
â¢1^,:
SÃK'
-i'l
r :
- .-
sÃÃ,^i$gt; ^ f :â y y.: :::
'M-r â O'.
⢠â¢!
|
:iX- '- - ^ â 'â ;, ; ⢠. â '- .. .,,.â¢'â¢./â 4.-^. 'v r. .i' i5 ; :â¢â¢ â¢.â ⢠; r â ⢠. - .,-â * ^gt;lt; vW â â |
⢠' 1 gt; ⢠K ⢠-.quot;⢠quot; H ' : . - -,1 â -⢠⢠- - . ⢠â¢'. - ⢠-⢠: - ; 'mm i â / '»â . â 'K ïr |
|
Vak 81 |
flBHIlil.l,.......' â } j. -ï ï' r ' ' '_â 'i'; â ..â f â *, 1 |
1
___â â¢
i CU
s-
aogt;
O O
I â¢
ha
m â
em
m
fS5#»-
i b CTT *^l
5quot;
quot; -
â¢*sr
m
K3
C^V )-i
â¢M
-V
I amp;
ÃC
crr
â -- â
V.'iK M Ks,
CEEIMKDOTIEIL
der
IELI6IEUSEN PENITENTEN RECOLLEGTINEN
van de
VERGADERING VAN LIMBURG
overgezien en ten gebrnike gesteld
voor de
ZUSTERS PENITENTEN RECOLLEGTINEN
van de onbevlekte Ontvangenis
VAN DE
CONGREGATIE
ST. MICIIIELS-CESTEL,
ter snelpersdrnkkerij van 't Bisdom van 's Bosuh, in 't Instituut voor Doofstommen.
1897.
i^oosctibaal.
Gezien en goedgekeurd door Ons, Bisschop van Breda, den 6 Juli 1883.
(get.) t H. van BEEK.
1. HOOFDSTUK.
Over den Goddelijken Dienst.
§ 1-
Hoe men naar de Bidplaats moet gaan.
1. Op het luiden der klok zullen de Zusters alle andere bezigheden verlaten , en met het habijt, vooral de mouwen en de voile behoorlijk geschikt, in tijds naar den Goddelijken Dienst gaan.
2. In de kapel komende, die zij zullen aanzien als het paleis van den Goddelijken Koning, zullen zij wijwater nemen , knielen , het hoofd buigen tot den grond en het Hoogwaardig Sacrament aanbidden, zeggende het gebed van den H. Vader Franciscus of een dergelijk; âWij aanbidden IJ, Allerheiligste Heer Jezus Christus, hier en in al uwe kerken , die in de geheele wereld zijn , en wij danken U, omdat Gij door uw H. Kruis de wereld verlost hebt.quot; Dit zal ook bij het uitgaan onderhouden worden.
3. Is het H. Sacrament in de bidplaats niet tegenwoordig , dan buigt men slechts het hoofd voor het Kruis- of Mariabeeld, alvorens men ter zijde op zijne plaats gaat nederknielen.
4. De Zusters, die de Parochiekerken bezoeken,
( 4 )
voegen zich naar de bestaande gebruiken.
5. Als het Allerheiligste is uitgesteld , of zoo niet in en bij het Presbyterium , zullen zij , voorbij het Tabernakel gaande, knielen voor het Hoogwaardig Sacrament; in het koor of anderszins zullen zij eene diepe buiging maken. Voorbij de Oversten gaande , zullen zij eerbiedig het hoofd buigen.
6. De Zusters zullen plaats nemen volgens rang; zij zullen knielen een weinig naar den muur gekeerd, zonder ergens op te leunen tot dat de Goddelijke Dienst begint, en zich voorbereiden, om haar gebed te doen in tegenwoordigheid van God en zijne Engelen; gedurende het Officie zullen zij eene eerbiedige houding in acht nemen.
7. De koorboeken moeten zonder gerucht op den lessenaar gelegd, open- en toegedaan, en na gebruik ook weer weggeborgen worden,
§ 2-
Hoe men zich zal gedragen in het koor onder den Goddeljjken Dienst.
8. Zoodra de Overste of de Zuster , die haar vervangt, het teeken gegeven heeft, zullen de Zusters te zamen met de Hebdomadaria luidop het voorbereidingsgebed â Aperi Dominequot; zeggen. Bij de eerste woorden maakt men met den duim een kruisteeken op de lippen.
9. Daarna geeft de Hebdomadaria een teeken, waarop de Zusters opstaan , volgens rang de ledige plaatsen bezetten , en diep neergebogen naar het midden van het koor gekeerd , in stilte bidden Pater noster , enz.
( 5 )
10. Op het tweede teeken der Hebdomadaria richten allen zich op en keeren zich naar het Altaar. Bij de woorden : â Domine labia mea aperiesquot; maken allen het kruis met den duim op den mond, en bij â Deus in adjutoriumquot; het gewone kruis-teeken; daarna keeren de Zusters zich naar het midden van het koor.
11. Wanneer âDeus in adjutoriumquot; niet gezegd wordt, zooals op Driekoningen, wordt bij de eerste antiphoon ,, Afierte Dominoquot; het gewone kruis-teeken gemaakt, en keert men zich daarna weer naar het midden van het koor. Ditzelfde wordt onderhouden op de drie laatste dagen der Goede Week bij de eerste antiphoon der Metten en Vespers, en bij het begin van den eersten psalm der Kleine Uren en Completen.
12. Onder het Gloria Patri blijft men diep neergebogen , tot na Spiritui Sancto.
13. Men zal het Officie lezen met een statigen en duidelijken toon , niet te hoog, noch te laag. Op groote feestdagen zal men een weinig langzamer lezen. Men zal zich wachten de laatste lettergreep , zoowel in het midden als op het einde der verzen, te veel te rekken , nochtans op de voorlaatste lettergreep, zoowel in het midden als op het einde der verzen, moet wat meer gedrukt worden. In het midden van elk vers bij het sterretje , zal men even poozen , en nadat het vers van eene zijde van het koor geheel geëindigd is, zal het volgende aan de andere zijde terstond begonnen worden, en zal men zorgen, dat allen te zamen beginnen , poozen en eindigen.
14. De Officianten van het koor zijn : de Cantersen,
( 8 )
de Hebdomadaria, de Antiphonairen en de Ver-siculairen.
De Hebdomadaria heeft hare plaats na de Dis-creten of de Cantersen; de Versiculairen en Antiphonairen eenigszins dicht bij den lessenaar.
De Novicen zullen eerst zes maanden na hare kleeding als Antiphonaire, en na een jaar als Ver-siculaire mogen dienen. Zes maanden na hare Professie, mogen de jonge Religieusen als Hebdomadaria dienst doen.
In kleine gemeenten mogen de ^ ersiculairen tegelijkertijd Antiphonairen zijn.
15. De Cantersen , gewoonlijk de Oversten en de Discreten of de Raadzusters , zullen om beurten de psalmen ophalen.
De eerste Canters begint den eersten psalm der verschillende Getijden, alsook het Magnificat en het Benedictus , en al de lofzangen of hymnen , uitgenomen het Benedicite in de Lauden. Zij begint ook het Te Deum en herneemt alleen deze woorden : â Aeterna facquot;. Zij zegt ook de benedictiën aan de lessen van den 3den Nocturn.
16. De Hebdomadaria begint en eindigt al de Getijden ; zij leest ook de lessen en verzen van den 3den Nocturn , en begint alle antiphonen , die gezamenlijk gelezen worden. Het behoort ook tot de bediening der Hebdomadaria de gebeden voor en na den maaltijd en de andere suffragiën te bidden, en als zij hierin belet is, moet zij een ander verzoeken dit in hare plaats te doen.
17. De Antiphonairen zeggen beurtelings de antiphonen , staande op hare plaats, gekeerd naar het Altaar. De eerste Antiphonaire begint met ,de antiphoon van den eersten psalm; zij zegt in
( 7 )
de Completen de woorden â Misererequot; en â Salva nosquot; , de halve en de geheele antiphoon in de Kleine Uren , de Magnificat- en de Benedictus-antiphoon, benevens de antiphonen der verschillende commemoratiën, die op het einde der Vespers en Lauden gehouden worden.
De antiphonen van O. L. Vrouw volgens den tijd en die der suffragiën worden door het geheele koor gelijk gezegd.
18. De Versiculairen zeggen te zamen in het midden van het koor de verzen der drie Nocturnen, der Lauden en Vespers; en de responsoriën der Kleine Uren en Completen, als ook het âBe--nedicamus Dominoquot; op het einde der Vespers en Lauden en het â Requiescant in pacequot; in de Vigiliën van negen lessen.
De eerste Versiculaire leest behalve het Invi-tatorie en den psalm âVenite exultemusquot; de lessen en verzen van den eersten Nocturn en de responsoriën van den tweeden en derden. Ook leest zij gewoonlijk het Martyrologie en âJube Domnequot; en het kapittel op het einde der Pri-men en in het begin der Completen.
De tweede Versiculaire leest de lessen en verzen van den tweeden Nocturn en de responsoriën van den eersten.
19. De lessen met hare responsoriën en verzen worden altijd gelezen in het midden van het koor, uitgenomen als het Officie feriaal of kleine Vigilie is. In deze beide gevallen worden de lessen en de verzen gelezen door de eerste Versiculaire, staande op hare plaats en gekeerd naar het Altaar; en op gelijke wijze leest dan de tweede Versiculaire de responsoriën.
( 8 )
20. Op het einde van het Officie na de antiphoon van O. L. Vrouw volgens den tijd, lezen de Zusters , geknield naar het midden van het koor , het gebed van den H. Bonaventura â Sacrosanc-taequot;. De Hebdomadaria zegt het vers , het koor antwoordt. Daarna bidden allen in stilte Pater noster en Ave Maria.
Ook buiten het koor moet dit gebed geknield gebeden worden, wil men deelachtig worden aan den aflaat daaraan verbonden.
21. Als eene Zuster het Officie alleen leest, moet zij het Confiteor maar eens zeggen , de woorden , â tibi Pater , vobis fratresquot; en â te Pater, vos fratresquot; achterlaten en zeggen : Misereatur nostri omnipotens Deus et dimissis peccatis nostris per-ducat nos ad vitam aeternam. Amen.
Als twee Zusters buiten het koor het Officie lezen , zegt elk het Confiteor in het bijzonder.
22. Onder de absolutie â Indulgentiainquot;, enz. maakt men het gewone kruisteeken, en bij de woorden â Converte nos Deus salutaris nosterquot; maakt men een kruis met den duim op de borst. Alhoewel men gewoonlijk een kruisteeken maakt bij de woorden â Deus in adjutoriumquot; en â Adjutorium nostrum in nomine Dominiquot;, doet men dit echter niet op het einde der Primen.
23. Wanneer eene Zuster door hare schuld te laat komt in de Kleine Uren, zal zij vóór den lessenaar gaan staan met de armen uitgestrekt tot na den eersten psalm; dan buigt zij tot den grond voor het H. Sacrament, en terwijl zij zich keert naar de Overste, knielt zij neder, buigt het hoofd en gaat naar hare plaats.
24. Als men in het koor in het lezen gecorrigeerd
( 9 )
wordt, zal men aanstonds het woord hernemende, een hoofdbuiging maken.
25. Wanneer men in het koor verlof vraagt om uit te gaan, zal men niet knielen met den rug naar het H. Sacrament, maar zich een weinig ter zijde keeren.
26. Als de Getijden geëindigd zijn , wachten de Zusters het teeken af der Overste of van die haar vervangt, om het koor te verlaten, en als men eene merkelijke fout in het Officie heeft begaan, zegt men daarvan schuld aan de Overste bij het uitgaan.
27. De leekezusters zullen gemeenschappelijk koors-wijze en op gestelde uren de Getijden bidden, zooals deze in het 4de Kapittel des Regels zijn voorgeschreven. Elk der Getijden begint met: Heer, geef acht, enz. j bovendien bidt men in het begin der Metten: O Heer! open mijne lippen , en in het begin der Completen de gewone schuldbelijdenis, en: Bekeer ons, o God! Vóór de Primen en na de Completen , zal men het Geloof en den psalm Miserere bidden.
Men begint deze Getijden met het gebed: Open, o Heer, enz. en men sluit ze met het gebed: Dat de Allerheiligste, enz. en één Onze Vader en Wees gegroet.
§ 3-
Wanneer men moet zitten en staan.
28. Onder de verschillende Getijden zal men beurtelings zitten gedurende de psalmen, beginnende van het tweede koor. Die zitten zullen aan het sterretje van het laatste vers opstaan, om te bui-
( 10 )
gen met de anderen onder het Gloria Patri.
29. Al de Zusters zullen zitten onder de benedictiën der lessen, uitgenomen de eerste benedictie van iederen Nocturn, en die der 85te les, beginnende met de woorden âCujusquot; of âQuorum festum colimusquot;, onder welke benedictie men gaat staan en het hoofd buigt. Verder zit men onder de lessen en de daarop volgende responsoriën en verzen, onder het Martyrologie , onder de psalmen en lessen der Donkere Metten , onder de psalmen en lessen van het Officie der Overledenen.
30. Zij zullen staan bij het begin van al de Getijden tot het rustteeken van het eerste vers van den eersten psalm, onder de drie laatste psalmen der Lauden, onder alle hymnen en lofzangen , uitgenomen de Benedicite in de Lauden , waaronder het eerste koor zit, onder de preces der Primen en Completen, tenzij het knielen wordt voorgeschreven , onder de woorden van het Evangelie, die de Homilie van den derden Nocturn voorafgaan, onder de responsoriën der O116 les, en verder onder al de overige gedeelten der Getijden , tenzij men zou moeten knielen.
â¢31. Het koor staat nog onder de antiphoon â Regina Coeliquot; met vers en gebed , van af Paaschavond tot de eerste Vespers van het feest der H. Drievuldigheid exclusief, zoo ook gedurende het ge-heele jaar onder de antiphonen â Alma Redemp-toris, Ave Eegina, Salve Reginaquot; met de verzen en gebeden, alle Zaterdagen van de eerste Vespers tot de Vespers van Zondag ingesloten.
32. Onder de Gradueele psalmen zit men tot de preces, die men knielende leest. Aan â Domine exau-diquot; gaat de Hebdomadaria staan en zegt de oratie.
( 11 )
33. De psalmen van het klein Officie van O. L. Vrouw leest men staande; onder de lessen zal men zitten.
34. De Officiante leest altijd staande de verschillende oratiën ook die der suffragiën , uitgenomen het â Eespice quaesumusquot; in de Goede Week , dat
zij geknield leest gelijk de anderen.
§ 4.
Wanneer men moet knielen.
85. De Zusters moeten knielen, gelijk reeds gezegd is , in het begin en op het einde der Getijden , en ook nog bij deze woorden van het Invitatorie der Metten â Venite adoremus et procidamus ante Deumquot;; onder het vers van het Te üeum: ,, Te ergo quaesumusquot;, in welk vers de woorden â quo.s pretioso Sanguine redemistiquot; door beide kooren gelezen worden; onder het Pater, Ave en Credo bij het einde der Completen ; onder de preces feriales van Kyrie eleison tot aan het einde van bet Officie, of tot aan het â Benedicamus Dominoquot;, wanneer de Getijden nog niet geëindigd zijn.
36. Ook moeten zij knielen onder de antiphoon van O. L. Vrouw volgens den tijd op het einde dei-Getijden ; behalve wanneer, zoo als boven gezegd is , deze antiphonen staande moeten gelezen worden.
37. De suffragiën worden knielende gelezen.
38. Als het H. Sacrament ter aanbidding is uitgesteld , zullen de Officianten in het midden van het koor voor en na nederknielen , en diep het hoofd buigen.
( 12 )
§ 5.
Hoe en wanneer men moet buigen.
39. Volgens oud gebruik onderhouden de Zusters de gewone en diepe hoofdbuiging ; bij deze laatste worden met het hoofd ook de schouders merkelijk gebogen ; en de diepe lichaamsbuiging, waarvan de maatstaf is, dat men met de hand gemakkelijk de knieën kan bereiken.
40. Men buigt eerbiedig het hoofd aan de namen Trinitas, Jesus, Maria, Franciscus, en van deu Heilige wiens feest of commemoratie op dien dag gehouden wordt, en als men zegt âSanguis Christiquot;, nochtans met dit onderscheid, dat men dieper buigt bij de woorden Trinitas , Jesus , Sanguis Christi dan bij den naam van Maria, en bij dezen dieper dan bij den naam van eenen Heilige. Men buigt nog het hoofd gedurende de oratie â Respicequot; in de Donkere Metten , behalve de Hebdomadaria.
41. Voor de Zusters aan de psalmen en lessen gaan zitten, betoonen zij elkander eerbied in dezer voege: zij blijven recht staan tot het rustpunt van het eerste vers, en buigen dan het hoofd eerst naar de oudere en vervolgens naar de jongere Zusters, die aan hare rechter- en linkerzijde staan. Zou echter het H. Sacrament tegenwoordig zijn, deu maken zij eerst eene buiging naar het H. Sacrament.
42. De diepe hoofdbuiging heeft plaats aan de woorden : Sanctus, Sanctus, Sanctus - Sit nomen Domini benedictum - Verbum caro factum est -Tantum ergo Sacramentum - O salutaris Hostia -O Crux ave spes unica - bij het begin der hymnen
( 13 )
en antiphonen der H. Maagd - ook als men zegt: Monstra te esse Matrem - ora pro nobis Deum. Verder in den lofzang â Benedicitequot; aan de woorden â Benedicamus Patrem et Filium cum Sancto Spirituquot;, bij het einde der Primen aan de woorden â Dominus nos benedicatquot;, waarna zich allen oprichten en het kruisteeken maken, op het einde der Completen bij de woorden â Benedicat et custodiat nosquot;, waarna zij zich oprichten , en bij de woorden â Pater et Pilius et Spiritus Sanctusquot; maken zij het kruisteeken.
43. De Zusters zullen volgens oud gebruik ook eene diepe hoofdbuiging maken, zoo dikwijls als men zich naar het Altaar keert of zich van hetzelve afwendt, zooals bij âDeus in adjutoriumquot; in het begin der Getijden, onder de oratie, de comrae-moratiën en andere gevallen.
44. Zoo dikwijls de Hebdomadaria een oratie of kapittel, of de Antiphonairen of Versiculairen iets moeten lezen op hare plaats of in het midden van het koor, dan moeten zij voor en na eene diepe hoofdbuiging maken naar het Altaar. Zij die de lessen, of het kapittel in de Primen en Completen moeten lezen, maken eene diepe hoofdbuiging naar het Altaar onder de benedictiën, tot dat die geheel uitgesproken zijn. Zoo ook de Can-tersen , wanneer zij een psalm of hymne ophalen, maken eene diepe hoofdbuiging na het eerste vers.
45. Men maakt eene diepe Hchaamsbuiging onder het vers Gloria Patri, onder het laatste vers der hymnen , en ook als men, niet geknield zijnde, het Confiteor zegt of Pater noster, Ave en Credo in stilte bidt. De hymne â Proles de coelo pro-diit en eenige andere, waarvan het slotvers niet
( 14 )
tot de H. Drievuldigheid gericht is, maken hierop uitzondering.
46. Onder de eerste oratie der Getijden staan de Zusters diep gebogen gekeerd naar het midden van het koor, maar aan âPer Dominumquot; of âQui vivisquot; richt men zich op, en keert men zich naar het Altaar. Na â Amenquot; geantwoord te hebben, indien er commemoratiën zijn , keeren zij zich weder naar het midden van het koor tot aan de oratie, waaronder zij naar het Altaar gekeerd staan. Het koor staat nog gekeerd naar het Altaar onder het lezen der kapittels, uitgenomen op het einde der Primen en in het begin der Completen, wanneer de eerste Versiculaire alleen, die deze kapittels leest, zich naar het Altaar keert.
47. Als de Zusters tegenover elkander staan, moeten zij allen buigen naar het koor; staan zij met het aangezicht naar het Altaar, dan buigen zij naar het Altaar; maar aan de namen van Maria, Franciscus, of van den Peestheilige maken zij de hoofdbuiging naar het midden van het koor.
48. De Zusters zullen zorgen , dat zij allen eenvormig en gelijktijdig zitten, knielen en buigen.
§ 6.
Over de ceremoniën onder de H. Mis en onder liet Lof.
49. De Zusters zullen zich ter aarde buigen onder het Confiteor van den misdienaar tot aan het einde der woorden van de absolutie des Priesters j onder de woorden van het Credo âethomofac-tus estquot;, onder de Elevatie, zoo lang het tee-ken met de bel wordt gegeven, onder den zege»
( 15 )
des Priesters op het einde der Mis en onder den zegen met het Allerheiligste Sacrament.
50. Gedurende het Evangelie zullen allen staan, met den duim een kruis maken op voorhoofd, mond en borst, en aan het Evangelie van den H. Joannes op het einde der Mis, knielt men neder bij de woorden âEt Verbum caro factum est.quot;
51. Het Allerheiligste mag uitgesteld worden volgens vergunning van den Bisschop van het Diocees.
52. Wanneer het Allerheiligste ter aanbidding is uitgesteld , zal de Overste zorgen, dat er ten minste twee Zusters gedurig aanbidden, die alle uren vervangen worden; in groote gemeenten zal men het getal Zusters vermeerderen zooveel mogelijk is.
53. Gedurende de H. Mis en alle andere algemeene Godsdienstoefeningen, zullen de Zusters gebruik maken van de plaats haar door de Overste aangewezen. Gedurende het gebed zullen zij zich aan eene eerbiedige houding gewennen , het lichaam recht en het hoofd eenigszins gebogen.
§ 7.
Ceremoniën by eenige bijzondere gelegenheden. Feesten van eerste en tweede klas.
54. Als het Officie eerste en groote tweede klas is, en in de Vigilie, na het overlijden van eene Zuster der Congregatie, in het Huis waar zij overleden is, zal de Overste de bediening van Heb-domadaria waarnemen; de oudere Zusters zullen dan als Antiphonairen en Versiculairen optreden volgens een op te maken tabel, die daags vóór den feestdag, 's middags aan tafel zal worden
( 16 )
voorgelezen. Op die dagen zullen de Antiphonai-ren de lessen lezen van den eersten eu tweeden Nocturn; de eerste Antiphonaire leest ook het Martyrologie in de Primen; de Versiculairen lezen te zamen het Invitatorie en de responsoriën achter de lessen der drie Nocturnen. Als het eerste klas is, zullen de oratiën in de Vespers en Lauden gelezen worden in het raidden van het koor; eene der Versiculairen sluit het boek.
55. De feestdagen, die den rang hebben van groote tweede klas zijn: de Besnijdenis, de Zoete Naam, O. L. Vrouw Lichtmis, O. L. Vrouw Boodschap, H. Drievuldigheid, H. Hart van Jezus, H. Mi-chaël en die feesten tweede klas, die met octaaf gevierd worden.
56. Op genoemde feestdagen van eerste en groote tweede klas zullen er op bet koor onder de Vespers twee kaarsen branden.
57. Op de feestdagen tweede klas zal de Vicaris in het Moederhuis, en de eerste Raadzuster in de Succursaalhuizen het officie van Hebdomadaria waarnemen; op die dagen, alsmede als het H. Sacrament is uitgesteld, zal men vermijden dat de Novicen eene bediening in het koor waarnemen.
; 4 Advent,
58. In de laatste dagen van den Advent worden van de antiphonen der groote O 's de eerste en de laatste gezongen; de andere worden door de CatP tersen beurtelings aangeheven en door het koor vervolgd; onder het zingen en lezen dier antiphonen , zullen twee kaarsen branden.
( 17 )
1
Kerstavond.
59. Op de Vigilie van Kerstmis wordt het Martyro-logie gelezen tussclien twee brandende kaarsen,
die de jongste Koöriiovi'ceir zullen dragen. Alle Zusters blijven staan^Aan de woorden, welke ge- lt;
zongen of langzaam met verheffing van stem ge- Æ'
lezen worden: âIn Bethleem Judae nascitur ex
Maria Virgine factus homoquot; zullen allen knielen,
en aan de volgende: â Nativitas Domini nostri Jesu Christi secundum carnemquot;, die met nog meer verheffing van stem gezongen of gelezen worden, zullen allen het hoofd buigen tot den grond, behalve die leest. Daarna staan de Zusters op. De leekezristers, die /laarbij tegenwoordig behooren te zijn , blijven ,/naar het Altaar gekeerd , staan, knielen en buigen gelijk de anderen, en verwijderen zich'zonder gerucht, nadat het geheoïe Martyrologie gelezen is.
Kerstnacht.
60. Op Kerstnacht zullen de kaarsen bij het Kribbetje ontstoken worden , zoodra in de Metten na de eerste les van den eersten Nocturn het Gloria in excelsis wordt aangeheven. In de gemeeenten waar zulks plaats kan hebben, wordt he.t Tg: Deutn gezongen; hierna leest de HeMetmromai de oratie in het midden van het, koor en de Versieu-lairen zeggen het â Benedicamus Dominoquot;, waarmede de Metten eindigen, die gevolgd worden door de H. Mis; hierna volgen onmiddellijk de Lauden , die met â Deus in adjutoriumquot; beginnen.
f,
( 18 )
Driekoningen.
61. Op het feest van Driekoningen zeggen en herhalen de Versiculairen in heo midden van het koor de antiphoon vlt;5or den eersten psalm van den derden jVocturn, terwijl de psalm als naar gewoonte door de eerste Canters wordt aangeheven, en beurtelings door het koor wordt voortgezet. In de responsoriën der 8ste en Q116 les, ook onder het octaaf, gaan de Zusters staan bij de woorden â intrantesquot; en buigen diep bij â proci-dentes adoraverunt eum.quot; In de H. Mis onder het Evangelie knielt men bij deze laatste woorden en richt zich daarna met den Priester weder op.
O. L. Vrouw Lichtmis. â Processie.
62. Op O. L. Vrouw Lichtmis vóór de H. Mis gaat eerst de Overste en daarna de andere Zusters volgens rang de gewijde kaars ontvangen. Op dezelfde wijze halen zij op Asschewoensdag de gewijde asch, en op Palmzondag den gewijden palm. Zij kussen eerbiedig de kaars en den palm, wanneer zij die ontvangen. Onder het wijden en uit-deelen der kaarsen en palmen, zullen zij de anti-phonen uit het â Eitueelquot; zingen, als zulks gevoegelijk kan geschieden.
63. De kaarsen, die op O. L. Vrouw Lichtmis na de processie worden uitgedoofd, worden onder de H. Mis tweemaal ontstoken; namelijk vóór het Evangelie en de Consecratie. Onder het Evangelie, en van de Consecratie tot na de Nutting van het H. Bloed , houdt iedere Zuster hare brandende kaars in de hand.
64. In de processie zal men goed toezien, om al-
( 19 )
tijd met denzelfden tred voort te gaan, en aan de hoeken niet uit te wijken. Als het H. Sacrament in de processie niet medegedragen wordt, maakt men eene diepe buiging voor het Tabernakel, behalve zij, die het Kruis draagt; men doet dit echter niet, wanneer het H. Sacrament medegedragen wordt.
Veertigdaagsche Vasten en Goede Week.
65. Van Dinsdag avond na het sluiten van het veer-tiguurgebed tor Zaterdag vóór Paschen, zal men bloemen noch relikwieën op het Altaar plaatsen, tenzij op invallende groote feestdagen; alleen op Dominica Laetare mag het Altaar met bloemen versierd zijn, zoo ook op Witten Donderdag , wanneer men zoo mogelijk witte bloemen gebruikt.
66. Dinsdag vóór den eersten Zondag van de Vasten , leest men, zooals in den Brevier en in de kartabel staat aangegeven, na het â Sacrosanctaequot; der Completen, de Graduëele psalmen; 's avonds leest men eerst de Metten van O. L. Vrouw, (de laatste Nocturn); na de responsorie der laatste les, de Metten en Lauden van den dag; na het â Bene-dicanms Dominoquot; de Lauden van O. L. Vrouw. Na de Lauden van den dag, leest men de com-memoratie van het H. Kruis, en na die van O. L. Vrouw, de commemoratie van alle Heiligen, beginnende met de woorden : â Sancti Dei omnesquot;. Geene andere commemoratiën worden gebeden , tenzij de kartabel die zou aangeven, 's Morgens de Primen van den dag; daarna vóór het Martyro-logie de Primen van O. L. Vrouw, en verder na
( 20 )
ieder Klein Uur een Klein Uur van O. L. Vrouw.
Men mag het Officie van den dag op de volgende wijze verdeelen : om 12 uur Vespers en Completen; in den loop van den middag na het â Aperi Dominequot; de Graduëele psalmen en de Metten van O. L. Vrouw, die men sluit met de oratie; 's avonds Metten en Lauden van den dag, gevolgd door de Lauden van O. L. Vrouw; hierna het Ave Regina coelorum en Sacrosanctae.
67. Des Zaterdags vóór Passiezondag worden vóór de Vespers in de kapel, op het koor en in den refter de kruisen bedekt met eenen purperen sluier,, en blijven bedekt tot Goeden Vrijdag na de Ontdekking van het Kruis in den Goddelijken Dienst. Op Witten Donderdag moet het Hoogaltaar met een witten doek , doch na den dienst weder met een purperen bedekt worden.
68. Onder het lezen van de Passie onder de H. Mis van de Goede Week houden de Zusters onder de eerste H. Mis de armen kruiswijze, op Palmzondag het palmtakje in de rechterhand houdende. Aan de woorden â expiravitquot; en â tradidit spiritumquot; zullen zij nederknielende, zoo diep mogelijk buigen; zij staan weder op met den Priester, en houden de armen niet meer kruiswijze, als de Priester ten tweeden male de lezing van het H. Evangelie onderbreekt.
69. Op Zondag, Dinsdag, Woensdag en Vrijdag zal ook onder het middagmaal het Lijden des Hee-ren in het Hollandsch worden voorgelezen. Bij de woorden : â Hij gaf den geestquot; , zullen de Zusters gebogen staande gedurende den tijd van een Wees gegroet, godvruchtig den dood van Christus gedenken , waarna men de voorlezing hervat,
( 31 )
en bij het tweede rustteeken , geeft de Zuster het boek aan de Overste, die het overige leest.
70. 's Woensdags in de Goede Week zal onmiddellijk na het ontbijt het teeken voor de silentie gegeven worden, en zullen de Zusters alsdan elkander in alle ootmoed en liefde de voeten was-schen ; zij zullen hierin met ingetogenheid en stichting te werk gaan.
71. Na het Gloria in excelsis van de Mis van Witten Donderdag, tot het Gloria in excelsis van de Mis van Paaschzaterdag, mag de kloosterklok niet geluid worden, zoodat het teeken tot de verschillende oefeningen met een ratel of op eene andere wijze zal gegeven worden.
72. Vóór de Donkere Metten van Donderdag, Vrijdag en Zaterdag der Goede Week, worden er 15 kaarsen ontstoken op een triangel, die in het midden van het koor geplaatst is. Na iederen psalm wordt er eene kaars op den triangel uitgedoofd, te beginnen met de onderste van de rechter- en dan van de linkerzijde , zoodat bij het eindigen der psalmen de bovenste alleen nog brandend is. Aan de antiphoon na het Benedictus wordt die brandende kaars weggebracht, en nadat het gerucht op het einde van het Officie geëindigd is, wordt zij weer brandend teruggehaald en op den triangel uitgedoofd. Het uitdooven der kaarsen geschiedt beurtelings door twee der jongste Zusters of door twee Novicen.
73. Hoe het Officie op de laatste dagen der Goede Week geschieden moet, is beschreven in elk boek der Goede Week, dat men daaromtrent kan raadplegen , als men de Rubrieken van den Brevier niet mocht verstaan. Men neme daarbij het volgende in acht ;
( 22 )
A. De Donkere Metten worden gelezen eerste klas, met heldere stem. De Vespers met iets lagere stem, zonder toon, zooals gewoonlijk de groote Vigilie gelezen wordt. De Kleine Uren en de Completen met halve of zachte, doch verstaanbare stem, langzaam en met bijzondere inachtneming van het sterretje. De Miserere na iedere Getijde met droevige en nog zachtere stem dan de Kleine Uren.
B. Alhoewel de psalmen van de Metten en Lauden zittende gelezen worden, staan allen op bij de antiphonen.
C. De oratie âRespicequot; wordt geknield met halve stem gelezen tot aan : â Qui tecumquot; wat ieder in stilte vervolgt.
D. Men zal na de Lauden van Donderdag, Vrijdag en Zaterdag eenig gerucht maken door met den brevier op de koorbanken te slaan, ter gedachtenis van de groote gebeurtenissen bij den dood van Christus, hetgeen met eerbied en stichting geschieden moet.
E. Het â Aperi Dominequot; en het â Sacrosanc-taequot; worden op die dagen in stilte gebeden zonder bijvoeging van andere gebeden of sufFragiën.
F. Men knielt bij de woorden â Christus fac-tusquot; en men blijft knielen tot na de oratie â Res-pice.quot;
74. Op Witten Donderdag zullen de tafels in den refter 's middags met bloemen en loover bestrooid zijn. Onder het avondmaal zal het toegelaten zijn zachtjes te spreken.
75. Op Witten Donderdag zullen de Zusters na den middag op het koor of op eene andere plaats voor de plechtige voetwassching samenkomen. De twaalf
( 23 )
daartoe bestemde Zusters zullen in het midden van het koor gezeten zijn. Zoodra al de Zusters op hare plaats zijn geknield met het aangezicht naar het Altaar, zal de Overste het teeken geven , waarop door eene der oudste Zusters zeer duidelijk en langzaam zal worden voorgelezen het Evangelie van den dag en het sermoon, dat Jezus tot zijne Apostelen in het laatste Avondmaal gehouden heeft. Aan de woorden van het Evangelie âstond Hij op van het Avondmaalquot; staat de Overste op , terwijl de overige Zusters gaan zitten, en omgordt zich met een linnen doek. De twee An-tiphonairen gewoonlijk zullen haar behulpzaam zijn; de eene zal halen een kuipje met lauw water en welriekende kruiden, en het stellen onder den rechtervoet der oudste van de twaalf Zusters; de Overste alleen zal knielende den voet wasschen en afdrogen met den doek, die haar door de andere Antiphonaire wordt aangeboden ; het kuipje wordt weggenomen aan den rechterkant der Overste, de doek aan den linkerkant aangegeven. Nadat de Overste het kruisteeken over den voet gemaakt heeft, kust zij dien eerbiedig eu gaat zij over tot de tweede Zuster, en zoo vervolgens. Na het wasschen der voeten zal de Overste zich de handen wasschen, waarin de Antiphonairen haar weder zullen dienen; de eene met een bekken met water, de andere met een doek, hetgeen zij haar geknield zullen aanbieden. Daarna staande in het midden van het koor voor den lessenaar, zal de Overste zeggen,, terwijl de Zusters opstaan en knielen â Pater nosterquot; met de verzen en gebeden , beschreven in den Missaal, die daarvoor gebruikt wordt. Vervolgens bidt men in stilte op
( 24 )
het teeken der Overste een kruisgebed van vijf Onze Vaders , en op het tweede teeken verlaat men het koor. De jonge Religieusen zullen bezorgd zijn alles in orde te helpen breugen.
76. Op die plaatsen, waar het H. Sacrament 's nachts in het H. Graf blijft rusten , zullen de Zusters elkander voor de aanbidding afwisselen , welke uren vooraf door de Overste zullen bepaald worden.
77. Op Goeden Vrijdag, nadat de Priester het Kruis aanbeden heeft , mag het ook door de Zusters aanbeden worden , die zich even als de Priester van hare schoenen zullen ontdoen. Eerst gaat de Overste, daarna de anderen volgens haar rang. Men knielt volgens Kerkelijk gebruik driemaal neder ter aanbidding, zich bedienende van: â Wij aanbidden en loven U, Christus, omdat Gij door uw H. Kruis de wereld hebt verlostquot;; de eerste maal op eenigen afstand van het Kruis; men nadert eenige schreden en knielt ten tweeden male; men knielt ten derden male bij het Kruis, waarvan men de voeten met veel eerbied kust.
78. Bij het in- en uitgaan der kapel zal men op Goeden Vrijdag en ook den volgenden morgen tot na het wijden der Paaschkaars aan het Kruisbeeld knielende eer bewijzen , en den zegen vragen , die op dien dag door de Overste niet gegeven wordt.
79. Op Goeden Vrijdag zal men niets gebruiken , wat leven ontvangen heeft.
80. In de drie laatste dagen der Goede ^\eek worden de Vespers gebeden op het einde van den Goddelijken Dienst, en het middagmaal om ia uur gehouden.
( 25 )
Pinksteren.
81. Op Pinksteren en gedurende het octaaf wordt het Veni Creator in de Vespers en in de Ter-tiën knielende gebeden , en in de eerste dagen , dat het Officie eerste klas gelezen wordt, mag deze hymne in de Vespers koorswijze gezongen worden.
Allerheiligen en Allerzielen.
82. Op het feest van Allerheiligen leest men na het â Benedicamus Dominoquot; de Vespers der Overledenen , waarna de Completen. Insgelijks na het â Benedicamus Dominoquot; der Lauden van den dag beginnen de Metten der Overledenen van negen lessen met de Lauden, welke even als de Vespers eerste klas gelezen worden, waarna men de Getijden sluit met het â Sacrosanctaequot; zonder verdere suffragiën.
Evenzoo doet men op den dag van Allerzielen van de Orde, wanneer het Officie der Overledenen duplex gelezen wordt.
83. Leest de Overste de derde lessen van de groote Vigilie, dan zullen al de Zusters opstaan , als de responsorie â Liberaquot; herhaald wordt; evenzoo de Zusters, die tot het Noviciaat behooren , als die lessen door de Novicenmeesteres gelezen worden.
84. De vier Hoogtijden en de andere voorname feesten van Onzen Heer en van O. L. Vrouw zullen de Zusters zoo plechtig mogelijk vieren; zij zullen het Altaar en de kapel luisterrijk versieren, ter opwekking van de godsvrucht zoowel van de
( 26 )
Zusters als van de kinderen. Zij zullen dit ook naar behooren toepassen op het feest van den H. Vader Franciscus en andere Heiligen , ook die der Orde, welke in 't bijzonder in de Congregatie vereerd worden.
85. De feestdagen van het H. Hart van Jezus, van den H. Joseph en van den H. Vader Franciscus worden als dagen van devotie gevierd.
II. HOOFDSTUK.
§ 1.
Ceremoniën bjj de Inkleediug.
86. Behalve de andere vereischten, zal de Postulante bijtijds hare verandering van woonplaats aan de Overste afgeven.
87. Als zij door de meerderheid der stemmen tot de kleeding is aangenomen, zal zij plechtig de gemeente worden binnengeleid, en de gunst verzoeken om in de gemeente ontvangen te worden in dezer voege: Voor de Overste en daarna voor iedere Zuster neerknielende, zal zij zeggen :
Eerwaarde Moeder of Eerwaarde Zuster, ik verzoek u ootmoedig om in uwe heilige gemeente te worden aangenomen. Op dit verzoek drukt men haar de hand, zeggende: Dat gij welkom zijt.
88. Onder de geestelijke oefeningen voor de kleeding zal zij tweemaal het Habijt verzoeken, zooals de Constitutiën voorschrijven.
89. Op den dag der kleeding zal zij met een kruisbeeld in de hand neerknielen aan de deur der sacristie, gekleed met het religieuse bovenkleed,
( 27 )
de Koorzusters met een langen witten sluier, de werkzusters met een wit mutsje, allen een bloe-raenkransje op het hoofd. -Ãe Kerkoverste, die haar kleeden zal, of zijn gedelegeerde zal haar afhalen, met wijwater besproeien en naar de bestemde plaats geleiden onder het lezen van de antiphoon : Veni Spousa Christi, welke door het koor gezongen wordt.
Daarna zal de Priester , na eene korte vermaning volgens het Ritueel der Orde, de kleederen wijden, welke op eene tafel liggen aan den Epistelkant en vervolgens tot de plechtigheid der inkleeding overgaan volgens de gebruiken der Orde.
90. Terstond na de kleeding bidden de geprofeste Koorzusters koorsgewijze den US'1011 Psalm : In exitu. Hierna knielen de Zusters , en gaat de Bruid voor de Overste en vervolgens voor iedere Zuster neerknielen om hare gebeden te verzoeken. De Zusters drukken haar de hand en wen-schen haar geluk , en vervolgens verlaten allen de kapel.
91. Op een der volgende dagen zal de Novice in het midden van den refter knielen. Op het tee-ken der Overste, buigt zij met het hoofd ter aarde en zich oprichtende bedankt zij met deze woorden : Eerwaarde Moeder en Zusters in den Heer, ik bedank u zeer ootmoediglijk , dat gij u ge-waardigd hebt mij te ontvangen tot het proefkleed van uwe H. Religie, ik beveel mij in uwe goede gebeden, opdat het mag strekken tot glorie Gods, eer der H. Religie en mijner ziele zaligheid. Dan zal zij wederom met het hoofd diep buigen en zich oprichtende aanhooren, wat de Overste zal
( 28 )
zeggen, waarna zij tot de aarde buigende zal opstaan en weggaan.
§ 2-
Ceremoniën bij de Professie.
92. De Novicen, die tot de Professie zijn aangenomen met inachtnemiiig van hetgeen daarvan in de Constitutiën is voorgeschreven , zullen op twee verschillende dagen vóór de Professie haar verzoek doen voor de gemeente, met deze woorden :
Eerwaarde Moeder en Zusters in den Heer, ik bid u om de liefde van onzen Verlosser Jezus Christus, van zijne glorieuse Moeder, de H. Maagd Maria , van onzen H. Vader Pranciscus en van alle Heiligen des hemels, dat het u believe mij om de liefde van God te ontvangen tot de Professie van uwe H. Keligie, om mijne ziel zalig te maken in uw heilig gezelschap.
De Overste zal haar eene korte vermaning geven , waarna zij tot den grond buigende, heengaan.
93. Daags voor de Professie zullen zij de Overste verzoeken haar het hoofdhaar te willen afknippen. De geprofeste Koorzusters, die door geen andere plichten belet zijn , zullen zich te dien einde op het bepaalde uur vereenigen op het koor; de koristen zingen de Hymne van den H. Vader Franciscus : Decus morum. Zoodra eene Novice gereed is, wordt haar een bloemenkransje opgezet; zijn allen gereed, zal de Overste de oratie lezen van den H. Vader Pranciscus, waarna men de kapel zal verlaten.
94. De Professie zal geschieden volgens de gebrui-
( 29 )
ken der Orde ; de formule der Professie is uitgedrukt in de Constitutiën.
95. Na de plechtigheid der Professie als het Te Deum geëindigd is, zal de nieuw geprofeste voor iedere Zuster neerknielen om hare gebeden te verzoeken, zooals bij de kleeding. Op eene der volgende dagen zal de geprofeste Zuster de gemeente bedanken zooals bij de kleeding, maar in plaats van het woord â proefkleedquot; zal zij zeggen â Professie.quot;
§ 3.
Ceremoniën, bij de Vernieuwing van Professie.
96. Op den dag der vernieuwing van Professie 16 April zullen de Zusters 's morgens hare meditatie houden over het geluk van hare roeping tot den religieusen Staat; de H. Mis en de H. Communie zullen zij bijzonder in den geest van dankbaarheid aan God opdragen.
97. Als de plechtigheid door een Priester geleid wordt, zullen na het Veni Creator en zijne toespraak de gebeden gezegd worden, die in het gebedenboekje staan aangewezen. Dan knielt de Overste op de communiebank en spreekt in aller naam, langzaam en met luider stem de vernieuwing van de H. Beloften uit. De Priester heft daarna het Te Deum aan, wat door de Zusters wordt vervolgd , waarna de zegen met het Allerheiligste wordt gegeven. De plechtigheid sluit met het bidden van 5 maal Onze Vader, Wees gegroet en Glorie zij den Vader, om den aflaat te verdienen.
In die Huizen, waar geen Priester tegenwoordig kan zijn, zal de Overste de plechtigheid leiden.
( 30 )
98. Behalve deze algemeene vernieuwing zal elke Zuster op den verjaardag harer Professie hare Beloften in het bijzonder vernieuwen , volgende hierin een oud zeer loffelijk gebruik. Daags te voren zal zij bij de Overste hare schuld gaan spreken, beginnende aldus:
Mere N. .. . of Soeur Supérieure, het is mijne schuld, dat ik zoo weinig vorderingen heb gemaakt in de oefeningen van het religieuse leven, dat ik zoo weinig voordeel heb gedaan met de vermaningen van mijne Oversten en de goede voorbeelden mijner Medezusters. Dat ik de H. Armoede zoo kwalijk heb bewaard enz. . . Zij eindigt aldus : Mere N. of Soeur Supérieure, het is mijne schuld, ik wil mij gaarne beteren met de gratie Gods; ik bid u om gratie alles te willen vergeven en vergeten , ter liefde Gods patientie met mij te willen hebben en voor mij te willen bidden. Zij zal ook aan elke Zuster der gemeente knielende vergiffenis vragen en gebed verzoeken in dezer voege : Beminde Zuster, ik bid u om gratie alles te willen vergeven en vergeten , ter liefde Gods patientie met mij te hebben en voor mij te willen bidden. Men antwoordt op gelijke wijze.
99. Op den verjaardag harer Professie zal zij te Communie mogen gaan, en een half uur in de kapel mogen doorbrengen in oefeningen van dankbaarheid en vernieuwing, om bezield te worden met de gevoelens van den H. Vader Franciscus, die dikwijls zeide: Lieve Broeders, tot nog toe hebben wij weinig goeds gedaan, laat ons nu beginnen.
( 31 )
§ 4.
Ceremoniën bjj de verkiezing en aanstelling der Oversten.
100. De Zusters zullen de gebeden, die volgens N0 117 der Constitutiën voor den goeden uitslag der verkiezingen zijn voorgeschreven , met vurige godsvrucht volbrengen.
101. Op den dag der verkiezing zal zoo mogelijk eene H. Mis ter eere van den H. Geest gelezen worden om het licht en den bijstand des Hemels af te smeeken.
103. Als het teeken gegeven wordt, zullen de leden van het Kapittel zich in de aangewezene plaats vergaderen, en ter rechter- en linkerzijde van den Voorzitter plaats nemen volgens rang.
103. Men zal den Voorzitter eene lijst overhandigen van de aanwezige leden, waarvan hij er twee zal kiezen om hem in het opnemen der stemmen te helpen.
104. Iedere Zuster, beginnende van de eerste in rang, legt haar gesloten stembriefje in eene daartoe bestemde bus. Als al de briefjes daarin zullen neergelegd zijn, zal de Voorzitter dezelve door een mengen, een voor een er uitnemen en aan-teekenen.
Na afloop der eerste keuze wordt door den Voorzitter de uitslag bekend gemaakt, en wanneer eene Zuster de volstrekte meerderheid bekomen heeft, wordt de gedane keuze bekrachtigd. Mocht het gebeuren, dat niemand de volstrekte meerderheid bekomen heeft, zal men tot eene herkiezing overgaan.
105. Als de Algemeene Overste op die wijze geko-
( 32 )
zen is, zal men op gelijke wijze overgaan tot de keuze der Vicaris en daarna tot die der drie Dis-creten. Telkens nadat eene keuze gedaan is, zal de gekozene voor den Voorzitter komen neerknielen , zeggende; Deo gratias, ter liefde Gods, pa-tientie, zijnen zegen ontvangen en vervolgens weder naar hare plaats terugkeeren.
106. Als de verkiezingen aldus ordelijk zijn geschied, zal de Voorzitter de plechtige aanstelling doen op de volgende wijze.
Op het teeken der bel zullen de leden van het Kapittel en al de geprofeste Zusters der gemeente zich naar de kapel begeven. De Alge-meene Overste plaatst zich op een knielbank bezijden het Altaar; de Vicaris en de Discreten op de voorste banken, en men zingt het Veni Creator om de verlichting van den H. Geest over het nieuw gekozene Bestuur af te smeeken.
107. Na het eindigen van den lofzang knielt de Al-gemeene Overste voor den Bisschop of zijn gedelegeerde neder, en ontvangt van hem de sleutels tot teeken van haar gezag, waarna, zij zich weder op haren bidstoel plaatst. Vervolgens stelt de Bisschop ieder der andere gekozenen in hare bediening aan.
108. Na de toespraak van den Bisschop zal het Te Deum gezongen worden tot dankzegging aan God voor de gedane keuze. Na afloop der plechtigheid komen de Vicaris, de Discreten, de leden van het Kapittel en al de Zusters der gemeente, een voor een bij de Algemeene Overste neder-knielen om haar eerbied en onderdanigheid te betuigen en haren zegen te ontvangen, waarna allen de kapel verlaten.
( 33 )
109. Als de plaatselijke Oversten hare aanstelling ontvangen, zullen zij deze eerbiedig aannemen, en volgens kloosterlijke gewoonte neerknielen , zeggende: Deo gratias, ter liefde Gods, patien-tie. Op deze wijze zal iedere Zuster de bediening of het officie, dat haar door de gehoorzaamheid wordt opgedragen, aannemen.
110. Als de plaatselijke Overste na hare aanstelling in hare gemeente terugkeert, zullen de Zusters haar eerbiedig ontvangen , naar de kapel of bidplaats geleiden en daar gezamenlijk het Veni Creator bidden of zingen om den zegen over haar bestuur af te smeeken. Daarna komen de Zusters een voor een bij de Overste neerknielen om haar eerbied en onderdanigheid te betuigen en haren zegen te ontvangen.
§ 5.
Ceremoniën bij de Biecht.
111. De Zusters zullen zich met alle zorg, doch zonder onrust tot dit groot Sacrament voorbereiden, door het onderzoek van geweten en voornamelijk door het verwekken van een oprecht berouw over al hare zonden, welke zij sedert de laatste biecht of wel in haar voorgaande leven bedreven hebben.
112. Wanneer zij den biechtstoel binnengaan, zullen zij neerknielen en den zegen des Priesters ontvangen. IS'a den zegen zullen zij aanstonds beginnen met eene korte voorbieoht en vervolgens hare zonden met ootmoedigheid en eenvoudigheid belijden , er eene zonde van haar voorgaande leven bijvoegende , waarover zij reeds in de voorberei-
3C
( 34 )
ding berouw verwekt hebben. Hierna zeggen zij eene korte nabiecht.
113. Zoolang zij in den biechtstoel zijn neergeknield, zullen zij de handen samengevouwen en de oo-gen neergeslagen houden.
114. De Zusters zullen de gewoonte aannemen om de penitentie te bidden, alvorens zij de kapel verlaten , tenzij de Biechtvader het anders beschikke.
§ 6.
Ceremoniën bjj de H. Communie.
115. De Zusters zullen volgens rang en zeer eerbiedig met de handen te zamen en de oogen neergeslagen tot de communiebank naderen. Wanneer allen op den grond zijn neergeknield, zal de Overste het Confiteor beginnen, dat ter aarde neergebogen door de Zusters wordt vervolgd met halve stem en inachtneming van de rustpunten. Na de absolutie van den Priester zullen de eerste Zusters opstaan en aan de H. Tafel neerknielen; de anderen richten het hoofd op. Aan de woorden â Domine non sum dignusquot; zullen zij weder diep neerbuigen en driemaal op de borst kloppen, zeggende: Heer, ik ben niet waardig enz. Als zij aan de H. Tafel neerknielen, buigen zij diep, en daarvan opstaande minder diep, uit eerbied voor het H. Sacrament, dat zij bij zich dragen.
116. De dankzegging na de H. Communie zal gewoonlijk een groot kwartier duren en eindigen met de Hymne Te Deum laudamus, welke door de Zusters staande in koor zal gebeden worden.
117. Op Allerzielendag en bij eene plechtige uit-
( 35 )
vaart of jaargetijde worden de Psalm Miserere en De profundis met het daarbij behoorende gebed, knielende gebeden , in plaats van het Te Deum.
118. Op iederen tweeden Zondag van de maand zal de H. Communie opgedragen worden voor het welzijn van al de Huizen der Congregatie, opdat God aan de Oversten het noodige licht zou willen schenken om ze wel te besturen en aan de Zusters eene volmaakte onderlinge liefde.
119. In elk Huis communiceeren de Zusters voor elkander op haar Patroonfeest, ingeval dit feest op een der gestelde dagen invalt; zoo niet, dan draagt men eene der volgende Communiën tot die intentie op.
Als er meer Patroonfeesten in dezelfde week voorkomen, zal men de H. Communie voor die Zusters gezamenlijk mogen opofferen.
120. De Zusters , die eenig geschil met elkander gehad hebben , zoo ook zij, die zich aan gesprekken strijdig met de onderlinge liefde of met den eerbied jegens de Overste hebben plichtig gemaakt , zullen hiervan voor de Communie hare schuld aan de Overste belijden.
§ 7.
Ceremoniën bij de Generale Absolutie.
121. Krachtens eene vergunning van Z. H. Paus LeoX, op nieuw bevestigd door Z. H. PiusIX, den 12 Maart 1855, kunnen de Zusters van den Biechtvader des Kloosters of van een anderen Priester daartoe gemachtigd, op de hieronder aangehaalde dagen de Generale Absolutie ontvangen, en daarenboven tweemaal in het jaar den Pause-
( 36 )
lijken Zegen op de dagen , die zij daartoe verkiezen.
122. De Generale Absolutie, waaraan volle aflaat verbonden is, toepasselijk aan de zielen van het vagevuur, kunnen zij ontvangen op alle bijzondere feestdagen onzes Heeren, van O. L. Vrouw en van eenige andere Heiligen , als ook in de ure des doods.
De feestdagen onzes Heeren zijn :
Kerstdag, Nieuwjaar, Driekoningen , Paschen , Hemelvaart, Pinksteren, H. Drievuldigheid, H. Sacramentsdag, en ook op Witten Donderdag voor de H. Mis.
De feestdagen van O. L. Vrouw:
Lichtmis , Boodschap , Hemelvaart, Geboorte en Onbevlekte Ontvangenis.
Andere feestdagen :
HH. Apostelen Petrus en Paulas, H. Clara, H. Vader Franciscus en Allerheiligen (1 Nov.).
123. Door deze Absolutie wordt de zonde niet vergeven , maar zij heeft de kracht om de tijdelijke straffen te vergeven, welke men nog aan de goddelijke rechtvaardigheid schuldig is, nadat de zonden reeds vergeven zijn door de biecht. Door die Absolutie worden ook weggenomen zekere kerkelijke straffen, welke men buiten weten mocht ingeloopen hebben.
124. De Generale Absolutie wordt gegeven op de wijze voorgeschreven door Z. H. Paus Leo XIII.
125. De Zusters moeten zich overtuigd houden, dat eene rouwmoedige gesteltenis des harten een noodzakelijk vereischte is om met vrucht de Generale Absolutie te ontvangen en aan derzelver voordeden deelachtig te worden, zooals zijn, be-
{ 37 )
halve kwijtschelding van tijdelijke straf, ook nog vergeving van overtredingen der Constitutiën , Regelen enz.
126. Op twee dagen in het jaar naar verkiezing der Zusters als de Pauselijke Zegen gegeven wordt, bedient men zich van de formule, in het Eituale Eomanum voorgeschreven.
§ 8.
Ceremoniën by de bediening der laatste H. Sacramenten.
127. Wanneer eene zieke Zuster de laatste Heilige Sacramenten ontvangt, zal men het bed bedekken met een schoon wit laken. In de ziekenkamer zal men, zooveel mogelijk in het gezicht der zieke, eene tafel plaatsen met een wit servet of tafelkleed bedekt, waarop zal geplaatst worden een kruisbeeld tusschen twee brandende waskaarsen , alsmede een corporaal, gewijd water met een palmtakje, het Ritueel, een glas water met vingerdoekje, en indien het H. Oliesel wordt toegediend, een paarse stool, een schoteltje met watten en een ander schoteltje met zout of eeuige stukjes witte brood en een handdoek.
128. Als het teeken voor de bediening gegeven wordt, zullen de Zusters zich in de kapel vergaderen, en den Priester, die het H. Sacrament draagt, twee aan twee processiesgewijze naar de ziekenkamer vergezellen onder het bidden van den Psalm Miserere, en voorafgegaan door eene Zuster, die de bel zachtjes klinkt. Onmiddellijk \66v den Priester gaan twee Zusters (gewoonlijk de Oversten) met eene flambouw in de hand.
( 38 )
139. Als de Priester de ziekenkamer binnentreedt, zegt hij: Pax huic domui; de gemeente antwoordt: Et omnibus habitantibus in ea. Dan zal de zieke of de Priester in haren naam aan de gemeente voor hare fouten vergiffenis vragen, welke de Priester haar geeft in naam der Overste en der gemeente, insgelijks namens deze vergiffenis vragende voor alles wat iemand tegen haar mocht misdaan hebben.
130. Daarna besproeit hij de zieke en de kamer met wijwater zeggende: Asperges me enz., op de andere verzen, welke volgen , zal de gemeente of eene Zuster antwoorden. Na het gebed gaat de Priester met korte woorden de zieke opwekken om de H. Reisspijs godvruchtig te ontvangen.
131. Vervolgens zeggen de Zusters het Confiteor, waarmede de zieke zich vereenigt, als zij kan. Als de Priester zegt : â Domine non sum dignusquot; , zal de zieke trachten stil na te zeggen: Heer, ik ben niet waardig enz.
182. Als de toediening van het H. Oliesel volgt, zal de Priester als hij het goedvindt, een kort woord tot de zieke spreken om haar vertrouwen op de kracht en de uitwerkselen van dit H. Sacrament op te wekken en te versterken met de hoop op het eeuwige leven. Als het H. Oliesel alleen wordt toegediend , kan men hier de weder-zijdsche vergiffenis vragen, waarna de Priester de gebeden uit het Ritueel leest en het Confiteor door de Zusters gezegd wordt. Alsdan beginnen de zalvingen, gedurende dewelke de Zusters in stilte voor hare zieke Medezuster bidden. Nadat de Priester zijne vingers gezuiverd heeft, leest hij de gebeden uit het Ritueel, en kan hij vol-
( 39 )
gens zijn goeddunken aanstonds of later de Generale Absolutie met den Pauselijken Zegen aan de zieke geven.
133. Eindelijk keert de Priester, voorafgegaan van de gemeente, in dezelfde orde terug naar de kapel onder het bidden van den Psalm: Laudate Do-minum de coelis.
134. Als het H. Oliesel alleen wordt toegediend , zullen de Zusters den Priester vergezellen zonder licht en zonder bel, en wordt in het gaan en terugkeeren de Psalm Miserere gebeden.
135. Wanneer eene zieke Zuster, die bediend is of niet, uit godsvrucht de H. Communie ontvangt, zal de tafel bereid worden, zooals bij de bediening. Twee Zusters met flambouwen zullen den Priester met het H. Sacrament vergezellen, terwijl eene derde Zuster, de bel zacht klinkende, vooruitgaat.
136. De Ziekenmeesteres zal zorgen steeds in gereedheid te hebben alles, wat van hare zijde verzocht wordt tot het toedienen der HH. Sacramenten.
§ 9-
Ceremoiiiëii en gebeden bjj liet overljjdeu eu de begrafenis der Zusters.
137. Zoodra eene Zuster stervende is, zullen de Zusters der gemeente zooveel mogelijk in de ziekenkamer bijeenkomen. Men zal zorgen een Priester te hebben, om de stervende bij te staan. Indien er geen Priester tegenwoordig is, zal de Overste of eene andere Zuster geknield met de gemeente de gebeden der stervenden lezen, die in het gebedenboekje staan. Onder deze gebeden wordt de
( 40 )
gewijde kaars aangestoken. Mon kan ook de zieke van tijd tot tijd door korte schietgebeden opwekken tot geloof, vertrouwen , liefde , berouw en overgeving aan den heiligen wil van God, en gebruik maken van de aanroeping, die de H. Kerk aan de stervenden in den mond legt: Jezus, Jezus, Jezus. Heer, in uwe handen beveel ik mijnen geest. Heere Jezus Christus , ontvang mijnen geest. Heilige Maria , bid voor mij. Maria, moeder van genade, moeder van barmhartigheid, bescherm mij tegen mijne vijanden, en ontvang mij in het uur van mijnen dood. Men kan er nog bijvoegen: H. Michaël, H. Vader Franciscus, bid voor mij enz.
138. Aanstonds na het overlijden bidt de Priester het responsorium Subvenite en de daaropvolgende gebeden , als ook het De profundis.
139. Eenigen tijd na het overlijden zal het lichaam in het gewoon religieus habijt met een krans van bloemen op het hoofd en een kruisbeeld in de handen in eene doodkist van gewoon hout gelegd worden. Bij het lijk zullen twee kaarsen branden.
140. Op den dag der begrafenis zal het lijk, indien daarvoor geen beletselen bestaan, naar de kapel gedragen worden. Op de doodkist of baar zal een zwart kleed met wit kruis gelegd worden , en daarop een kruis of kroon van witte bloemen. Als de uitvaart in de Parochiekerk plaats heeft, zal men zich naar de bestaande gebruiken mogen voegen, en zal deze, evenals de begrafenis, als die niet binnen het Slot kan geschieden, eene deftig burgerlijke uitvaart en begrafenis moeten zijn. Als de begrafenis binnen het Slot is , zal na den H. Dienst het lijk door acht der jongste
( *1 )
Zusters daarvoor aangewezen naar het graf worden gedragen. Het kruis gaat voorop , dan de Priester en daarna de kist; achter het lijk volgen de Oversten en de andere Zusters twee aan twee processiesgewijze onder het bidden van het Miserere. Op het kerkhof zal het Kitueel gevolgd worden. Bij het terugkeeren gaat het kruis vooruit , dan de Priester, de Oversten en de Zusters onder het bidden van De profundis.
HL HOOFDSTUK.
Over de Itloosteiirjke oefeningen en gebruiken.
§ 1-
Over het Kapittel.
141. Wanneer het teeken voor het Kapittel gegeven is, zullen al de Zusters zich naar de daarvoor bestemde plaats begeven en volgens orde op hare plaats geknield in alle ootmoedigheid hare fouten overdenken tot dat de Overste begint.
142. Als al de Zusters aanwezig zijn, zal de Overste geknield op hare plaats de gewone aanbeveling van levenden en overledenen doen op de volgende gebruikelijke wijze : Beminde Zusters, laat ons oefenen de werken van liefde. Ik beveel in uwe gebeden de H. Kerk, onzen Allerheiligsten Vader den Paus van Rome, de Kardinalen en Bisschoppen, bijzonder den Bisschop van dit Bisdom met onze Biechtvaders, de geestelijkheid en religieuse Orden , bijzonder de Seraphiensche Orde met hare Oversten, voornamelijk de Oversten en
( 42 )
Zusters onzer Congregatie, opdat wij onze H. Beloften volmaaktelijk zouden onderhouden. Ik beveel u ook aan de wereldlijke overheden , onzen Koning, al onze vrienden en weldoeners; de zielen van onze overledene Ouders, Broeders, Zusters en Weldoeners , voornamelijk , die voor bijzondere weldaden geschreven zijn in het boek der Overledenen.
143. Hierna zal de eerste Versiculaire opstaan en de namen lezen van de overledene Zusters , die in de eerstvolgende veertien dagen voorkomen. Zij sluit deze lezing met te zeggen : Deze , alsmede onze bloedverwanten en weldoeners, wier sterfdag in de eerstvolgende dagen invalt, worden in de gebeden der gemeente aanbevolen. Eequiescant in pace. Amen.
144. De Overste begint nu den Psalm Ad te le-vavi enz. De profundis enz. De Hebdomadaria zegt: Pater noster met de gewone verzen en gebeden , waarop al de Zusters antwoorden. Daarna zegt de Overste : Deus det nobis suam pacem ; men antwoordt : Et vitam aeternam. Amen , en gaan de Zusters zitten.
145. De Novicen, die volgens ouderdom in het midden geknield zijn, beginnen hare schuld te zeggen ; de jongste het eerst en op de wijze zooals haar dit in het Noviciaat geleerd wordt. Als zij hare schuld gezegd hebben , buigen zij zich tot den grond en richten zich weder op om de vermaning van de Overste aan te hooren. Deze legt haar eene algemeene penitentie op en laat haar vertrekken, zeggende: Gaat in vrede. Vóór zij opstaan buigen de Novicen tot den grond , en gaan zij in stilte naar de kapel, om de penitentie te bidden.
( 43 )
146. Als de Novicen zijn uitgegaan, knielen de geprofeste Zusters neder en zeggen allen te zarnen: Mere N. of Soeur Supérieure, ik bid u om gratie dat gij mij gelieft te toonen de fouten en onvolmaaktheden, die u in mij hebt opgemerkt, en ik bid u om gratie, ter liefde Gods, patien-tie met mij te hebben. Dan zegt iedere Zuster op hare beurt, in het bijzonder hare schuld van twee of drie der voornaamste uitwendige fouten , die zij tegen de H. armoede, gehoorzaamheid of onderlinge liefde mocht hebben bedreven , er bijvoegende die fouten waarover zij eene berisping heeft ontvangen. Als allen hare schuld gezegd hebben, eindigen zij, te zamen zeggende: Dat ik veronachtzaamd heb vele goede manieren van onze H. Religie, Mere N. het is mijne schuld, ik wil mij gaarne beteren met de gratie Gods en ik bid u om gratie, ter liefde Gods, patien-tie met mij te willen hebben. Hierna gaan de Zusters zitten en met de handen samengevouwen en de oogen neergeslagen, luisteren zij eerbiedig naar de aanbevelingen en de vermaning van de Overste, welke hare opwekking eindigt zeggende: Laat ons verbeteren wat te verbeteren is, onze hulp zij in den naam des Heeren. Hierop knielen allen neder om gezamenlijk de penitentie te volbrengen , welke bestaat in het bidden van het De profundis met het gebed Fidelium en drie maal het Onze Vader, Wees gegroet en Ee-quiem aeternam tot lafenis der geloovige zielen, waarna de Overste den zegen geeft.
147. De Overste is bevoegd om ook buiten het Kapittel de Zusters zich van hare uitwendige fouten en gebreken in het openbaar te laten beschul-
( 44 )
digen , zooals in de Constitutiën is voorgeschreven.
148. Als eene Zuster in of buiten het Kapittel berispt wordt, zal zij nederknielen en zonder zich te verontschuldigen zeggen : Het is mijne schuld , ter liefde Gods patientie.
149. De Oversten zullen in het opleggen van penitentie voor fouten tegen de H. armoede of voor andere overtredingen de gewoonte van het Moederhuis volgen.
150. De Zusters zullen in den geest van waren ootmoed , de wijze van schuld zeggen, die in de Congregatie in gebruik is, nauwkeurig onderhouden , en al wat zij hieromtrent in het Noviciaat geleerd hebben , met devotie blijven oefenen.
§ 2-
Over de suffïagiën en gemeenschappelijke oefeningen en gebeden.
151. De Zusters bidden 's morgens na de Getijden de Antiphoon : Haec est praeclarum met vers en gebed , om voortdurend bevrijd te blijven van besmettelijke ziekten en andere tijdelijke rampen. Vóór de Vespers, de Antiphoon van den H. Antonius âSi quaeris miracula,quot; voor dezelfde intentie, en na de Completen de Antiphoon van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria, van den H. Vader Franciscus en van alle Heiligen der Orde met verzen en gebeden , om den geest der Se-raphiensche Orde voortdurend in de Congregatie te mogen bewaren. Na de Metten en Lauden een De profundis met het gebed : Deus veniae largitor enz. voor de overledene Zusters, Bloedverwanten en Weldoeners der Congregatie, bijzonder voor die
( 45 )
zielen, welke in het Kapittel zijn aanbevolen.
152. 's Morgens voor de meditatie wordt het Veni Creator koorsgewijze gebeden met vers en gebed.
153. Na de H. Mis wordt het Salve Regina en het gebed: âO God, uitdeeler der hemelsche gavenquot;, ter eere van den H. Aloysius gebeden, om deelachtig te blijven aan de aflaten en voorrechten der Congregatie van O. L. Vrouw, waarvan al de Zusters leden zijn. Men voegt er gewoonlijk nog een of ander kort gebed bij hetzij om eene novene te houden of voor eene bijzondere intentie.
154. Drie maal daags zal het Angelus Domini geluid en gebeden worden om het mysterie der H. Menschwording dankbaar te gedenken. Van Zaterdag avond tot en met Zondag avond wordt zulks staande gebeden ; staande ook, in den Paaschtijd, het Regina coeli.
155. Als men niet voor overledene Zusters moet bidden , worden het Miserere en het kruisgebed na de dankzegging van het middagmaal voor de levende en overledene weldoeners opgedragen.
156. Het dagelijksch Rozenhoedje zullen de Zusters voornamelijk opofferen : Zondags voor Z. H. den Paus , Maandags voor den Kerkoverste van het Diocees en voor hare Biechtvaders; Dinsdags voor de Algeraeene Overste der Congregatie en Woensdags in het Moederhuis voor de Vicaris en in de ondergeschikte Huizen voor de Overste. Men eindigt het Rozenhoedje met de Litanie van O. L. \ rouw en de Antiphoon : âOnder uwe beschermingquot; en het gebed : â Wij bidden U, o Heer enz.quot;
157. Bij het bezoek van het H. Sacrament, dat de Zusters gedurende tien minuten voor of na den middag mogen doen, voegt men gewoonlijk een
( 46 )
kruisgebed van 6 maal het Onze Vader, Wees gegroet en Glorie zij den Vader, om de aflaten daaraan verbonden te verdierien.
158. De morgen- en avondgebeden en het gebed voor en na het ontbijt worden gevonden in het gebedenboekje der Congregatie.
Voor en na het gebruiken der verversching na den middag, maakt men met godsvrucht het tee-ken des H. kruis.
159. De Zusters bidden 's avonds gezamenlijk de Hymne Ave maris Stella en 7 maal het Wees gegroet ter eere van de Smarten van Maria om een zaligen dood te bekomen; een Onze Vader en Wees gegroet voor de bekeering der zondaars; een Onze Vader en Wees gegroet ter eere van de H. Dymphna en driemaal het Onze Vader en Wees gegroet ter eere van den H. Aartsengel Mi-chaël om voortdurend van alle tijdelijke ongelukken bewaard te blijven.
1G0. Op de Vrijdagen wordt 's morgens of 's avonds de H. Kruisweg gedaan in plaats van meditatie, en wordt het Rozenhoedje van de 7 Smarten van Maria gebeden in plaats van het gewone; daar waar zulks gevoegelijk kan geschieden, zal als voorschrift van het Aartsbroederschap, de toewijding van het H. Hart gedaan worden.
161. Evenals men dit in het Moederhuis gewoon is, wordt aangeraden in al de Huizen der Congregatie jaarlijks eene novene te houden voor het feest van Kerstmis, Pinksteren, Onbevlekte Ontvangenis, van den H. Vader l'ranciscus en van den H. Antonius a Padua, om Gods bescherming af te smeeken over de Congregatie, om bevrijd te blijven van ongelukken , om altijd den goeden
( 47 )
geest te bewaren, goede Novicen te ontvangen en de noodige hulp voor het onderwijs te bekomen. Daarenboven zal voor dezelfde intentie, de Litanie van den H. Vader Franciscus gedurende zijn octaaf gebeden worden.
Op den feestdag van het H. Hart zal zooveel mogelijk eene plechtige toewijding aau bet H. Hart door de Eeligieusen gedaan worden.
§ 3.
Over de Retraite.
163. Op den dag der maandelijksche recollectie, welke voornamelijk gehouden wordt om den geest te vernieuwen , zullen er drie bijzondere algemeene oefeningen gedaan worden, te weten: eene conferentie of meditatie, een overzicht hoe men zich sedert de laatste retraite gedragen heeft en de H. Kruisweg.
In die gemeenten waar geen Priester is om de conferentie te doen, zal men in den voormiddag een half uur bepalen voor eene meditatie of geestelijke lezing over eene stof geschikt om den geest te vernieuwen. In den voor- of namiddag wordt ongeveer een half uur besteed om het overzicht te doen in hoe verre men aan zijne voornemens getrouw is geweest, om zich tot nieuwen ijver op te wekken en goede voornemens voor de toekomst (e maken. Na den middag zal de H. Kruisweg gedaan worden als eereboete aan God, tot herstelling van de fouten waaraan men zich plich-tig heeft gemaakt.
163. 's Middags na het kruisgebed van het middagmaal zal de Litanie van de Goddelijke Voorzie-
( 48 )
nigheid gebeden worden, hetgeen ook in de jaar-lijksche retraite onderhouden wordt.
164. Verder worden er geen gemeenschappelijke oefeningen voor den dag van recollectie voorgeschreven, maar wordt het aan de Zusters vrijgelaten dezen volgens haar best vermogen godvruchtig door te brengen, zonder zich te veel inspanning op te leggen.
Op die dagen zal het stilzwijgen stipt onderhouden worden, behalve na het middagmaal tot 2 uur. Is het een Zondag, dan zal men evenals op de gewone Zondagen aan het avondmaal mogen spreken, en daarna de gewone recreatie houden.
165. Voor de jaarlijksche retraite is de volgende dagorde voorgeschreven.
De retraite zal 's avonds beginnen met het zingen of bidden van het Veni Creator en eene korte toespraak, waarna de avondgebeden gedaan worden als naar gewoonte.
DAGOEDE.
6y2 Meditatie â H. Mis.
8 '/j Geestelijke lezing.
9 '/^ Conferentie.
10% H. Kruisweg.
11'/2 Onderzoek.
11% Vrije tijd.
12 Vespers en Completen.
2'/j Eozenhoedje.
23/4 Bezoek bij het H. Sacrament.
3 Drinken.
3 '/3 Conferentie.
5 Metten en Lauden.
( 49 )
6 y4 Meditatie.
7 Lof.
7 '/j Avondmaal.
S'/j Avondgebed.
Het bidden der boetpsalmen wordt aanbevolen.
Bovenstaande dagorde zal door de Overste naar omstandigheden kunnen gewijzigd worden.
's Morgens na den laatsten vollen dag zal de retraite op de gebruikelijke wijze gesloten worden.
§ 4.
Over lt;le Spreekkamer.
166. In al de Gestichten der Congregatie zal, zoo zulks eenigszins kan gevonden worden, eene afscheiding bestaan tusschen het voorportaal en het overige gedeelte des Huizes, en zal de ingang tot de spreekkamer zich zooveel mogelijk vóór de slotdeur bevinden.
16 7. De Zusters, die met toelating der Overste naar de spreekkamer gaan , om met hare bloedverwanten of andere menschen te spreken, zullen voordat zij de spreekkamer binnentreden, de Heilige namen van Jezus en Maria uitspreken en zich aan hunne bescherming aanbevelen.
168. In de spreekkamer zullen zij met eene heilige oplettendheid op zich zelveu waken , en zich met beleefdheid en religieuse welgemanierdheid gedragen , zooals in de Constitutiën is voorgeschreven.
169. Wanneer bloedverwanten der Zusters, woonachtig buiten de plaats, waar het Gesticht gevestigd is, dezen komen bezoeken , zal de Overste
4C
( 50 )
haar eenige verversching doen aanbieden en hen vriendelijk ontvangen.
170. Buiten eenige voorvallen zal de spreekkamer 's avonds te half negen gesloten worden.
171. Geene Zuster zal met iemand hoegenaamd van het andere geslacht in de spreekkamer of elders alleen verblijven, hetzij met meesters om les te nemen in eenige taal of wetenschap of om andere redenen ; eene tweede of derde Zuster zal haar in dat geval als gezelschap worden toegevoegd.
172. Het is de Zusters niet toegelaten te gaan in de kamer van den Eector van het Gesticht zonder vergunning der Overste.
§ 5.
Over den Dormter.
173. Zooals in de Constitutiën is voorgeschreven , zullen de dormters en de cellen zindelijk onderhouden worden. Iedere Zuster zal hare cel eenmaal in de week vegen ; zij mag dan het gebruikte zand naast de celdeur laten liggen , hetwelk de Zusters, die met het vegen van de gangen belast zijn , op de bestemde plaats zullen brengen. Buitendien mag niemand iets op de gangen van den dormter, en nooit iets naar buiten uit het venster werpen. De gerieven van ee-nen dormter of van een bijzonder vertrek zullen niet voor een ander mogen gebruikt worden.
174. Men zal zorgen , dat de dormters en cellen behoorlijk gelucht worden , vooral op de tijden dat de Zusters daar niet zijn , en met inachtneming van het weder en de verschillende jaargetijden.
( 51 )
175. Behalve het stilzwijgen, dat altijd en zonder uitzondering van spreekdagen - of uren op de dorm-ters en cellen onderhouden moet worden, zullen de Zusters ook de kloosterlijke gewoonte eerbiedigen om alle gerucht op de cellen te vermijden, het schuiven van stoelen enz. te voorkomen, en al wat zij te doen hebben zoo stil mogelijk te verrichten, zoo zacht mogelijk te gaan over den dormter en de gangen en de deuren stil open eu toe te doen. Nimmer mogen zij de deur achter zich open laten, tenzij deze opzettelijk ware vastgezet, om de plaatsen te luchten.
176. Als er 's morgens voor het opstaan gebeld wordt zal de Zuster, die de beurt heeft om te wekken, zachtjes kloppen, zeggende: Staat op, die hier slaapt, Jezus Christus zal u verlichten; de Zusters antwoorden : Deo gratias.
's Avonds, voordat zij het licht uitdoet, zal eene Zuster hoorbaar zeggen: Geloofd zij Jezus Christus; de anderen antwoorden: Amen.
177. De Zusters zullen het religieuse gebruik gaarne onderhouden om bij het aan- en uitkleeden het schapulier, de voile, het koord en het kruis van den rozenkrans eerbiedig te kussen en zich met toepasselijke schietgebeden en goede gedachten bezig te houden, zooals zij dit in het Noviciaat geleerd hebben.
§ O-
Over den Refter.
178. Als de Overste het teeken geeft om het gebed voor het middagmaal te beginnen, zullen al de Zusters zich keeren naar het midden van den
( 52 )
refter en met neergeslagen mouwen en saamge-vouwen handen de gebeden doen volgens den Eo-meinschen Brevier. Men zorge deze houding aan te nemen onder alle gemeenschappelijke gebeden.
179. De Hebdomadaria zegt: Benedicite en begint de Antiphoon , welke door de Zusters vervolgd wordt. Op het einde der gebeden zegt de eerste Versiculaire, komende in het midden van den refter en zich diep buigende voor het crucifix : Jube Domne benedicere. Zij blijft gebogen staan, terwijl de Hebdomadaria den zegen gevende een kruis maakt over zich zelve en over de spijzen ; de Zusters maken insgelijks een kruisteeken en antwoorden : Amen.
Na de benedictie zullen allen op hare plaats aan tafel gaan zitten ; de Overste in het midden , de anderen ter rechter- en ter linkerzijde volgens rang.
180. Die door hare schuld te laat komen, zullen de penitentie volbrengen, zooals in de Constitu-tiën N0 260 is voorgeschreven. Als zij deze volbracht hebben, buigen zij tot den grond. Zij gaan op hare plaats staan en, gekeerd naar het midden, bidden zij een Onze Vader en Wees gegroet. Zoo ook bidden zij, die zonder hare schuld later komen.
181. Als iemand moet uitgaan voor het einde van den maaltijd, zal zij insgelijks staande op hare plaats en gekeerd naar het midden een Onze Vader en Wees gegroet bidden en daarna neerknielen en buigen tot den grond. Moet eene Zuster, om eene aan de Overste onbekende reden, onverwacht uitgaan , zal zij het teeken tot verlof van de Overste afwachten.
182. Als allen gezeten zijn, geeft de Overste het
( 53 )
teeken om te beginnen. De Zusters kussen haar servet tot dankbaarheid aan God , en de dienaressen brengen de spijzen op, en zetten die op de tafel voor de Eeligieusen, beginnende bij de oudste.
183. De dienaressen zullen oplettend zijn om de Zusters met gelijke liefde te dienen en zurg dragen , dat er door hare onachtzaamheid niets ontbreekt. Zij zullen acht geven op de wenken van de Overste en zeer stil te werk gaan om de voorlezing niet te storen.
184. Als het gerucht eenigszins gestild is, zal de Overste het teeken geven om de lezing te beginnen , welke duidelijk en langzaam zal gedaan worden , en die de Zusters, terwijl zij eten , zooveel mogelijk met aandacht aanhooren en onder dewelke zij van tijd tot tijd haar hart tot God verheffen zullen.
185. De Zusters zullen aan tafel, zoowel als elders, de religieuse welgemanierdheid onderhouden , gelijk de H. Bonaventura aanbeveelt in het 21 Hoofdstuk van den â Spiegel der Disciplinequot; : zoo zullen zij bijv. uit de kroezen of pintjes met twee handen drinken, het brood aan de rechterhand leggen, en er niet meer van nemen dan zij gebruiken, geen gerucht maken met den mond onder het eten of drinken enz.
186. Als de Overste onder tafel in- of uitgaat, zullen de Zusters recht staan totdat zij gezeten of buiten den refter is. Hetzelfde zal ook gedaan worden voor de Vicaris en in de ondergeschikte huizen voor de oudste Raadzuster bij afwezigheid der Overste, en voor de JNoviceumeesteres door de Zusters , die onder hare leiding staan.
187. Op het einde van den maaltijd geeft de Overste
( 54 )
het teeken, om de lezing te, eindigen en leest zij in de moedertaal het Martyrologie van den volgenden dag , bij het einde waarvan de Zusters zeggen: Deo gratias. Als er een eigen Evangelie is, wordt dit ook gelezen. Daarna geeft de Overste een teeken op haar bord, waarop de Zusters haar servet kussen en de leekezusters en jonge Religieu-sen zachtjes opstaan, om de tafels af te nemen. Hierbij zal men ordelijk en stil te werk gaan. Eerst het brood en de spijsschotels, dan de messen , de bordjes , de servetten , de pintjes , de 'zoutvaten en de plankjes , waarna men de kruimels van de tafels zal opvegen. De leekezusters, die gedaan hebben met eten , zullen de bordjes en schotels naar de keuken dragen. Men mag niet meer dan tien bordjes in elkander zetten.
188. Uit liefde voor de fl. armoede, zullen de Zusters liet grove aardewerk en al het arme huisraad, dat zij gebruiken, met voorzichtigheid en devotie behandelen.
Die in den refter iets storten, breken of laten vallen, zullen terstond neerknielen en hare schuld zeggen.
189. Als alles afgenomen is, gaan de Zusters op hare plaats staan, gekeerd naar het midden. De eerste Yersiculaire komt op het teeken van de Overste in het midden , en na eene diepe buiging zegt zij het Officie voor den volgenden dag op deze wijze: Beminde Zusters, men zal het Officie doen van den Heiligen N. . . . van avond aldus . . . . morgen de Vespers aldus . . . zooals het Directorium het aangeeft. Vrijdag voegt zij daarbij de lijst van de Officianten van het Koor voor de volgende week , zooals in N0 185 van de Consti-
( 55 )
tutiën is aangewezen. Als zij den naam der Overste leest, of, is zij eene Zuster van het Noviciaat, ook dien der Novicenmeesteres, zal zij eene hoofdbuiging maken. Dit gedaan zijnde, zal zij zeggen: Tu autem Domine, miserere nobis, eene diepe buiging maken en naar hare plaats terugkeeren. Al de Zusters antwoorden: Deo gratias; die nog gezeten zijn, kussen de tafel en gaan op hare plaats staan evenals voor den maaltijd. De Heb-domadaria begint de dankzegging; de Overste heft den Psalm aan. Na de woorden : Deus det nobis suam pacem. Amen, keeren allen zich naar het kruisbeeld, maken eene diepe hoofdbuiging en begeven zij zich, onder het bidden van het Miserere, twee aan twee naar de kapel. De jongsten gaan voorop; onder het bidden, zullen zij luisteren naar die volgen en zich wachten om den toon te beheerschsn of te gauw te loopen, hetgeen verwarring veroorzaakt. In de kapel zullen de Zusters zich plaatsen ter rechter- en ter linkerzijde, zooals zij in den refter gezeten zijn.
190. Bij het avondmaal zal men de gebruiken onderhouden, zooals bij het middagmaal. Zijn de servetten niet gedekt, dan kust men de tafel. Na de dankzegging geeft de Overste den zegen.
191. Op de Vastendagen vóór het gebruik der collatie gaan de Zusters dadelijk op hare plaats zitten. Eene Zuster leest een of twee paragrafen uit de Navolging van Christus; de eerste Versiculaire opstaande zegt: Benedicite. Al de Zusters staan insgelijks op; de Overste zegt: Cibum et potum ancillarum suarum benedicat Kex Angelorum. In nomine t Patris et Pilii et Spiritus Sancti. Amen. Onder het uitspreken van de benedictie
( 56 )
doen allen eene diepe hoofdbuiging, maken een kruis en gaan zitten. Op het einde der collatie wordt enkel het Miserere gebeden.
192. Als er Zusters voor de tafel of ter aarde moeten eten , zullen de jonge Eeligieusen haar geknield dienen; zij mogen haar echter geen vruchten, kaas of specerijen geven.
193. Indien eene Zuster afzonderlijk in de retraite is en buiten den refter hare maaltijden gebruikt, zal zij ook knielende worden gediend, en worden de spijzen eveneens knielende aangenomen, behalve als het de Overste zelve is.
194. Als er aan tafel schuld moet gezegd worden, zal dit in het begin of op het einde zijn, maar niet onder den maaltijd. De Zusters, die staan of binnenkomen, zullen zoolang er schuld gezegd wordt, neerknielen met het gezicht naar het Kruisbeeld en de handen samen.
195. Alle Vrijdagen, als de tafels afgenomen zijn, zullen de Zusters, die in den refter gediend hebben , in het midden van den refter neerknielen en gezamenlijk hare schuld zeggen van de fouten, die zij in het dienen hebben begaan. De Overste zegt: Gaat in vrede, en zij antwoorden: Deo gratias.
196. De Hebdomadaria zal Zaterdags hare schuld zeggen van de fouten, die zij in het Goddelijk Officie gemaakt heeft. Na de gebeden voor het middagmaal zal zij in het midden van den refter neerknielen en op het teeken der Overste het Miserere met Gloria Patri luidop bidden, en daarna hare schuld zeggen als volgt: Mere N. of Soeur Superieure, het is mijne schuld, dat ik het Goddelijk Officie niet nauwkeuriger heb gedaan,
( 57 ;
dat ik.....(hier noemt zij hare fouten); dat ik
veronachtzaamd heb vele goede manieren van onze H. Religie. Mere N. het is mijne schuld, ik wil mij gaarne, beteren met de gratie Gods , ik bid u om gratie, ter liefde Gods, patientie met mij te hebben en het nog meer te mogen doen. De Overste zegt: Ga in vrede, de Zuster antwoordt: Deo gratias , buigt ter aarde en gaat naar hare plaats.
197. Als de Overste 's morgens het gebed voor het ontbijt: Jezus, laaf onzen dorst enz. gebeden heeft, zegt zij: Geloofd zij Jezus Christus, en de Zusters antwoorden : Amen. 'Na het ontbijt wordt het gebed van vereeniging gebeden, en doet de Overste eene korte voorlezing uit de Navolging van Christus of uit een ander geestelijk boek. Daarna geeft zij den zegen , dien de Zusters altijd knielende en diep gebogen zullen ontvangen.
§ 7.
Over de Werkkamer.
198. De Zusters zullen op den gestelden tijd aanwezig zijn, om alvorens haar werk te beginnen, gezamenlijk de voorgeschreven gebeden te doen.
Behalve den Eozenkrans , zullen zij voormiddags onder het werk nog 5 maal het Onze Vader met Wees gegroet, ter eere van de H. Vijf Wonden bidden voor liet welzijn der gemeente; een Onze Vader en Wees gegroet voor de H. Kerk , een voor de zondaars, een voor de geloovige zielen, en een gebed tot den H. Engelbewaarder. De geestelijke lezing mag niet langer duren dan 10 of 15 minuten. â
( 58 )
199. In den namiddag wordt om kwartier voor 3 ure wederom eene geestelijke lezing gedaan. Om 3 ure bidt men gezamenlijk drie maal het Onze quot;Vader en Wees gegroet, ter eere van den doodstrijd van onzen Heer Jezus Christus. Daarna kan het Rozenhoedje van de 7 Smarten of de Franciscaansche kroon van de 7 Blijdschappen van Maria gebeden worden.
§ 8-
Over de Scholen.
200. Ingevolge eene bepaling van de H. Congregatie de Propaganda Fide, dato 13 Sept. 1869, is het de Zusters verboden jongens boven de 7 jaren te onderwijzen in de christelijke leering of voor de eerste H. Communie, en moeten in de bewaarscholen de jongetjes van de meisjes gescheiden zijn.
201. Zooals in N0 20'! der Constitutiën is voorgeschreven , zullen de Zusters de kinderen zorgvuldig onderwijzen in den godsdienst, in hare christelijke plichten, en in de nuttige wetenschappen. Hierbij mogen gevoegd worden de muziek, de zang en het teekenen, maar geen dansen of geheel ijdele gebruiken. Zoo een meester in een of ander vak aan de leerlingen zou les geven, zal eene of meer Zusters daarbij altijd tegenwoordig zijn.
202. De Oversten zullen zorgen , dat bij het onderwijs nimmer boeken gebruikt worden , in strijd met den godsdienst of de christelijke zedeleer , maar zooveel mogelijk dezulke, waarin de beginselen van den godsdienst doorstralen , opdat de kinderen in de scholen steeds eene godsdienstige
( 09 )
lucht inademen. Ook, dat zooveel mogelijk overal dezelfde leerboeken gebruikt worden.
203. Het is de Zusters verboden, zonder uitdrukkelijke vergunning der Overste , tijdschriften of nieuwsbladen te lezen over opvoeding, onderwijs, wetenschap of handwerken , onder welken titel of in welken vorm zij mochten uitgegeven zijn. De Oversten zullen toezien , dat de Zusters in het algemeen slechts datgene lezen wat haar nuttig en voordeelig kan zijn, en niet in strijd is met den geest en den werkkring der Congregatie.
§ 9-
Over ceuige byzondere oefeiimgen eu gebruiken.
204. Ãit kracht van hare H. Belofte van armoede is het de Zusters streng verboden geld of iets wat als geldswaarde kan beschouwd worden , zooals postzegels en dergelijke, afzonderlijk te bewaren, om welke reden of onder welk voorwendsel het mochte wezen. De Zusters zullen voor haar bijzonder gebruik niets mogen hebben, dat gesloten is.
205. Wanneer eene Zuster verplaatst wordt, zal zij niets mogen medenemen , behoorende aan het Huis, hetwelk zij verlaat, tenzij met vergunning der plaatselijke Overste. Daarentegen mag geene Overste iets terughouden van de kleederen enz. der Zusters, die uit hare gemeente vertrekken.
206. Als de Overste eene Zuster tot hoofd aanstelt hetzij in de scholen , keuken, werkkamer of elders , of over de eene of andere werkzaamheid , zullen de mededienende Zusters uit liefde aan haar ondergeschikt zijn. Geene Zuster zal echter eene andere gebiedender wijze aanspreken, noch ver-
( 60 )
maningen geven; alleen uit kracht van hare be^ diening of betrekking zal zij met liefde en zachtmoedigheid hare aanmerkingen mogen maken.
207. De Zusters zullen altijd vriendelijk en eensgezind met elkander werken, gaarne een ieder dienst bewijzen , elkander voorkomen met eerbied , liefde en beleefdheid, vermijden om elkander enkel bij den naam te noemen, in het voorbijgaan elkander beleefd groeten en bovenal zorgen niemand door woorden , werken of gebaren eenige pijnlijkheid te veroorzaken. Zij zullen elkanders werk niet afkeuren of beknibbelen en de Onderwijzeressen zullen zich wel wachten om zich hierin niet te vergeten in het bijzijn der kinderen; integendeel zij zullen steeds aan elkander de sprekendste bewijzen van overeenstemming, achting en liefde geven ; als zij hierin zijn te kort gekomen , zullen zij denzelfden dag daarvan hare schuld spreken bij de Overste.
208. Het gewone gebruik om in het begin van het werk of als men te zamen gaat bidden, patiëntie te verzoeken, zal godvruchtig onderhouden worden. Zoo ook als men elkander een dienst verzoekt, zal men dit vragen, ter liefde Gods, en voor den ontvangen dienst bedanken met te zeggen : â Deo gratias.quot;
209. Als men 's avonds met elkander eenig werk verricht heeft, zegt men , voor men van elkander scheidt, den kloosterlijken avondgroet als volgt: â Ik groet u in de heilige Harten van Jezus en Maria; ik groet u van gelijke. De Heer vervulle u met zijn hemelschen zegen en seraphijnsche liefde; u en alle menschen. Geloofd zij Jezus Christus. Amen.quot;
( 61 )
210. De Zusters zullen in den waren geest gaarne het kloosterlijk gebruik onderhouden om aan de Oversten geknield verlof tot iets te vragen, eerbiedig het hoofd te buigen als zij haar voorbijgaan ; opstaan als zij door de Overste worden aangesproken en als deze een vertrek binnenkomt of uitgaat; als zij de benedictie ontvangen te zeggen : ter liefde Gods, patientie, ea als zij iets vragen : Ik bid u om gratie enz.; met de hoogfeesten geknield te zamen een zalig Hoogtijd wen-schen en de gewone gebeden beloven, en met haar Patroondag een zalig feest. Als de Overste aanbevelingen doet, zullen zij met gevouwen handen aandachtig luisteren, en opstaande, die met eene ootmoedige buiging beantwoorden. Als men de Overste wil spreken, zal men zachtjes op de celdeur kloppen, en niet binnengaan voor zij antwoordt met het gebruikelijke Deo gratias.
211. De Zusters zullen vermijden aan de Overste knielende iets te vragen in tegenwoordigheid van leerlingen of vreemdelingen, die zooveel mogelijk met de kloosterlijke gebruiken onbekend moeten blijven. Om die reden zal men ook zorgen, de vertrekken der Zusters goed gesloten te houden, om den vreemdelingen de inzage van die plaatsen te beletten. Als men met vreemdelingen in de spreekkamer verblijft, zal men de vensters,, die op de straat uitzien , niet openzetten, als strijdig met het H. Slot.
§ io.
Over de Dagorde.
212. Te half vijf 's morgens zal er gewekt worden,
( 62 )
op welk teeken de Zusters vlijtig zullen opstaan. Gekleed zijnde, zal men het bed afhalen, hetwelk voor 8'/2 uur 's morgens moet opgemaakt zijn.
Te vijf ure wordt er gebeld voor het Officie. Men begint met het morgengebed, waarna de Pri-men, Tertiën, Sexten en Nonen worden gebeden, gevolgd door het Angelus Domini. Daarna gaat iedere Zuster naar hare bezigheden.
Om half zeven de meditatie.
Om zeven ure de H. Mis; daarna het ontbijt, onder hetwelk het toegelaten is zachtjes te spreken. Na het ontbijt begeven de Zusters zich naaide scholen en de bijzondere werkzaamheden barer betrekking.
Te half negen wordt voor de silentie gebeld.
Tusschen elf en twaalf ure doet men het bijzonder onderzoek van geweten; men kan dit onder het werk doen.
Te twaalf ure wordt het Angelus Domini geluid en worden de Vespers en Completen gebeden. Daarna belt men voor het middagmaal.
Na het middagmaal recreatie tot 2 ure.
Te twee ure wordt er gebeld voor de silentie, en hervat men zijne gewone bezigheden.
Te vier ure wordt de verversching genomen , en is het toegelaten te spreken tot kwartier vóór vijf ure, als wanneer wederom voor de silentie gebeld wordt.
Te zes ure wordt er gebeld voor de Metten en Lauden; vijf minuten daarna wordt het tweede teeken gegeven om te beginnen. Na de Metten en Lauden wordt het Angelus Domini gebeden.
Te zeven ure een half uur meditatie, welke men eindigt met het avondgebed en het onderzoek van geweten.
( 63 )
Na de meditatie belt men voor het avondmaal, na afloop waarvan er recreatie, wordt verleend tot kwartier vdor negen ure ; alsdan bidt men een Rozenkrans van vijf tientjes met de Litanie van O. L. Vrouw en de gebruikelijke gebeden.
213. Daar, waar het kan, zal de conventuëele Mis te zeven ure geschieden; doch wijl in de verschillende Gestichten deze niet altijd op het bepaalde uur zal kunnen plaats hebben , zullen de Oversten het uur van het ontbijt vaststellen , zooals zulks het geschiktste voorkomt.
214. Als op de Zondagen in den voormiddag geene onderrichting door den dienstdoenden Priester wordt gegeven, zullen de Zusters eene geestelijke lezing doen in het algemeen of afzonderlijk zooals de Overste zal goedvinden.
215. 's Zondags vóór het Lof zal de Rozenkrans van 5 tientjes met de Litanie van O. L. Vrouw gebeden worden en ^s avonds na de Getijden de gewone avondgebeden.
216. Op de Zon- en Feestdagen is het geoorloofd te spreken in den namiddag en gedurende het avondmaal, de tijden des gebeds altijd uitgenometi.
217. De Oversten kunnen in bijzondere gevallen om wettige redenen de bovenstaande dagorde geheel of gedeeltelijk veranderen , zoo nochtans dat de tijden verleend voor het inwendige gebed en voor de nachtrust niet verminderd worden. Wanneer men uithoofde van de betrekkingen of bezigheden van het Huis, tot eene aanhoudende verandering der dagorde zoude genoodzaakt wezen , zal men daarvan aan de Algemeene Overste kennis geven, en zich ten deze naar hare beslissing gedragen.
218. De Oversten zullen zorg dragen , dat de ge-
( 64 )
beden en oefeningen op den vastgestelden tijd beginnen. Om de verdiensten der gehoorzaamheid te verwerven, zullen de Zusters te allen tijde, ook wanneer de bedorvene natuur er zich tegen stelt, stipt en blijmoedig de dagorde ter liefde Gods nakomen.
219. Behalve de dagen, waarvan in de Constitutiën N0 301 is gesproken, zijn nog de volgende door het Discretorie als spreekdagen aangewezen :
Vernieuwing van Geloften , 16 April.
Gedachtenis van de goedkeuring der Constitutiën , 20 April.
H. Martha.
H. Nicolaas.
H. Onnoozele Kinderen.
Maandag en Dinsdag van Vastenavond.
Eerste en tweede dag van de Kerkwijding der plaats.
Patroonfeest van den Bisschop van het Diocees. â der Algemeeue Overste.
â der Vicaris, voor het Moederhuis.
â der plaatselijke Overste, voor de
leden van het Huis.
De jaarlijksche gedachtenis der intrede van elk Huis, voor de Zusters dier gemeente.
De dag eener eerste H. Communie.
De dag, waarop de jaarlijksche algemeene retraite eindigt, voor de Zusters der gemeente.
220. Ingeval er twee of meer dagen van lste klas op elkander volgen, zooals bijv. in de Paasch- en Pinksterweek , kan de Overste den tweeden en derden spreekdag uitstellen tot eene andere gelegenheid.
221. De bovengenoemde spreekdagen kan de Over-
( 65 )
ste van het Huis in twee halve dagen verdeelen. Hiervan zijn uitgezonderd; het feest van den H. Vader Franciscus , - het Patroonfeest der Alge-meene Overste, - het Patroonfeest der plaatselijke Oversten, - HH. Onnoozele Kinderen, - de dag der Vernieuwing van Geloften , ⢠en de dag , waarop de jaarlijksche algemeene retraite eindigt , welke dagen niet verdeeld worden.
§ li-
Over de Archieven van het Klooster.
222. Iedere Overste zal een goed gesloten kast of secretaire hebben, waarin zij de registers, papieren en andere zaken van waarde zal bewaren.
223. Zij zal bezorgd zijn om de tijdelijke aangelegenheden van haar Huis , en de boeken daarop betrekking hebbende in goede orde te houden. Daarenboven zal in ieder Gesticht voorhanden zijn : een boek, bevattende een Inventaris van het linnen der gemeente en van de goederen , die tot de kapel behooren, alsmede de Catalogus van al de boeken der Bibliotheek , zoo van de Zusters als van de kinderen. Ook zal in ieder Huis aan-teekening gehouden worden van de bijzondere bepalingen of wijzingen, die bij de visitatie mochten gemaakt zijn , om deze telken jare in overzicht te kunnen nemen.
224. Zonder verlof en inzage der Algemeene Overste mogen de plaatselijke Oversten niets laten drukken , hetzij voor het gebruik der gemeente of der scholen, of onder welken titel, hoe ook genaamd.
I gt;1101 Igt;.
I HOOFDSTUK.
Over den Goddelijken Dienst.
§ 1. Hoe men naar de Bidplaats moet gaan . Blz.
§ 2. Hoe men zich, zal gedragen in het hoor onder
den Goddelijken Dienst........
§ 3. Wanneer men moet zitten en staan . . . ,
§ 4. Wanneer men moet knielen.......
§ 5. Hoe en icanneer men moet buigen . . . .
§ 6. Over de Ceremoniën onder de H. Mis en het Lof.
§ 7. Ceremoniën bij eenige bijzondere gelegenheden .
II HOOFDSTUK.
Ceremoniën bij zekere plechtigheden.
§ 1. Ceremoniën bij de Inkleeding......
§ 2. Ceremoniën bij de Professie......
§ 3. Ceremoniën bij de Vernieuwing van Professie . § 4. Ceremoniën bij de verkiezing en aanstelling der
Oversten.............
§ 5. Ceremoniën bij de Biecht.......
( II )
§ 6. Ceremoniën bij de H, Communie.....34,
§ 7. Ceremoniën bij de Generale Absolutie . . .35 f 8. Ceremoniën bij de bediening der laatste BH. Sacramenten ............3j
§ 9. Ceremoniën en geleden bij het overlijden en de
begrafenis der Zusters........39
in HOOFDSTUK.
Over de kloosterlijke oefeningen en gebruiken.
§ 1. Over het Kapittel.........4,1
§ 3. Over de suffragiën en gemeenschappelijke oefe
ningen en gebeden.........44,
§ 8. Over de Retraite..........47
§ 4. Over de Spreekkamer........49
§ 5. Over den Dormter........ . 50
§ 6. Over den Refter..........51
§ 7. Over de Werkkamer.........57
§ 8. Over de Scholen............
§ 9. Over eenige bijzondere oefeningen en gebruiken. 59
§ 10. Over de Dagorde............
f 11. Over de Archieven van het Klooster . . . .65
IMPRIMATUR.
Haaren, 19 Augusti 1896.
L. B«
Lib. Cent