182
Vak 52
I
am
yfc*-' VAK No. /?5
p E
VRIENDENSTEM.
WOORDEN
TOT
RAADGEVING EN BEMOEDIGING
VOOK
CHRISTELIJKE DIENSTBODEN.
(Uri' Htt' JIOOODI ITSOH VEBTAALD.)
i§u Mt 15 j s
'r-
'â f' '%â¢. 'oli-Jftéèk
WSamp;Zamp;y ^.-rv.'DP
r.mamp;S WEifr
ROERMOND.
J. yJ- fvOMEN amp; 4ogK»|.|OTHFF!lt; ofrp |
Drukkers van Z H. (Icmi Paus ⢠i-, ⢠|
^RUKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT UI R E C H f (
2190 2725 -------------------- â â ' '
_
IMPRIMATUR.
P. J. H. RÃSSEL, Can. Tlieol. ct ProL, Libromm Ceusoj-.
licK.KMLXU.K, 14 Jan. 18(J0.
VOORBERICHT.
J-Sit boelcje is u gewijd, christelijke dienstboden. Liefde en deelneming doen mij u dit aanbieden , opdat het u uwe plichten leere hennen, u wijze op de deugden en gebreken van uwen stand, u behoede m de gevaren, u waarschuwe voor de verleiding, u redde voor het bederf. Onze eeuw is slecht en oefent haar verderfelijken invloed ook op uwen stand mi. Ongeloof en onzedelijkheid nemen de overhand, slechte voorbeelden omgeven ti van alle zijden, het gevaar der verleiding is groot; menig arm, onervaren hind gaat verloren voor tijd en eeuwigheid. Even. als God eens Tobias den Engel Rafaël zond om. hem op reis te vergezellen, zoo moge ook dit boekje u een wegwijzer zijn en u geleiden op het pad des levens. Staat gij radeloos aan een hmisweg, dan zal dit boekje u leer en, welken weg gij behoort te kiezen, en waar gij u ook moogt bevinden, hetzij in het vaderland of in den vreemde, zal het u bewaren voor het ongeluk van aj te dwalen, en u steeds op veilige paden geleiden.
â 4 â
Dit boekje zal u een raadgever zijn. Goede raad is duin'. Velen zijn in het verderf gestort, omdat zij goeden raad versmaadden. Van het opvolgen daarvan hangt vaal: het levensgeluk der menschen af. Menig braaf kind staat eenzaam en verlaten, zonder ouders, zusters, bloedvenvanten, alleen, ver van huis, te midden eener verleidende wereld, xvellicht te midden eener groote, bedorven stad. Dan is goede raad duur. Vele raadgevers naderen u, doch zij zijn slecht. Zij naderen als engelen des lichts. Zij beloven u goud, rozen, den hemel. Uw onervaren hart wordt verstrikt. Duizenden zijn aldus ten gronde gericht.
Zij dus dit hoekje u een trouwe vriend, een vaderlijke raadgever. Open het in vreugde en leed, in gezondheid, in ziekte; in twijfel, in gevaar, in â¢nood, in bedruktheid. Het zal u raden in alle voorvallen van uw leven.
Nog moet dit boekje u een spiegel zijn. Gij ziet zoo gaarne daarin uw gelaat en gestalte. Gij tooit u en verheugt u over uw tooisel. Zij dus dit boekje een spiegel voor uwe ziel. Zie daarin hoe men zijne ziel moet tooien en versieren: Hierin ziet gij het kleed, de bloem, het goud. de edelgesteenten, welke uwe ziel versieren moeten. Hier ziet gij de deugden van uwen staat. Hier ziet gij ook het klatergoud, valsche steenen, vergiftige
â 5 â
bloemen; hier ziet (jij fouten en gebreken, de ondeugden en zwakheden van wren stand. Zie, dikwijls in dezen spiegel en gij zult duidelijk leeren onderscheiden wat goed of slecht, waar of valsch. echt of onecht is.
Ik bied het u met een welwillend hart; neem het goedhartig aan. Zij het u een beschermende engel, een veilige g/ds, een trouwe raadgever, een heldere spiegel. Maria, die goede Moeder, die nederige dienstmaagd des Heer en, en Jozef, Jezus trouwe pleegvader, zij het toegewijd.
ïst/s fvV. f\t/4 ffc fst/? ïst/i fè; afe 5^
lüSSTS DE DIENSTBARE STAND.
I. Er zijn verscheidene standen.
1. Zon, maan, sterren, zijn allen verscheiden; geene ster is gelijk de andere. Elke ster heeft haren bepaalden stand aan den hemel en volgt de baan haar dooi* God aangewezen.
Zoo zijn ook alle menschen verscheiden; God heeft voor ieder den stand bestemd, waarin hij moet leven, hem de baan aangewezen, welke hij moet doorloopen. Hiernaar heeft Hij op wondervolle wijze de talenten, gaven, bekwaamheden verdeeld. In liet groote huishonden van God zijn vele diensten noodzakelijk. Aan ieder, zegt de Apostel, heeft God eene bijzondere gave verleend, naar de mate als Hij dit goed heeft gevonden.quot; De eene is koning, de andere onderdaan, deze een geleerde, gene een arbeider, de eene heer, de andere knecht.
Het lichaam bestaat uit verscheidene deelen;
het eono deel moet bet ander dienen en elk heeft deszelfs aangewezen taak. Wilde liet ganschc lichaam oog zijn, waar bleef dan het gehoor, en ware liet geheel oor, waar bleven dan handen en vneten ? Zoo kunnen ook niet alle menschen tot denzelfden stand, hetzelfde beroep behooren. Wilden allen bevelen en niemand gehoorzamen, welke wanorde gave dit de wereld i' Daarom zegt de Apostel zeer wel: «Ieder volmake zich op zijne wijze, dat is, hij vervulle de plichten van zijnen stand. Dan zullen rust, vrede, geluk en zegen op aarde heerschen.
2. Do staat, waarin (iod ons plaatste, is de wijngaard, waarin wij moeten werken. En als wij trouw gewerkt hebben, zal Grod ons des avonds liet loon geven.
Die staat is, volgens den H. Basilius, de leiband, waarin wij ten hemel moeten loopen, de wisselbank, waar wij met de ontvangen talenten interest verzamelen, liet strijdperk, waar wij den prijs moeten behalen, de ladder, langs welke wij tot grootere volmaaktheid in onzen staat moeten trachten te klimmen.
3. Iedere stand is voor (iod gelijk, elke staat is Hem welgevallig. De werklieden in den wijngaard hadden allen verschillenden
â 8 â
arbeid, doch ieder die trouw gewei-kt had, ontving zijn loon. In eiken stand kan de mensch gelukkig zijn, en zich de hemelsche belooning verwerven. Hiertoe echter zijn drie zaken noodzakelijk. Gij moet de plichten van uwen staat vervullen; dc bezwaren, die hij met zich brengt, geduldig en uit liefde tot God verdragen, de offers, welke hij van u vordert, bereidwillig en blijmoedig brengen. Schrijf deze drie woorden: â plicht, bezwaren, affers, in uw hart en denk er dikwijls aan.
IT. De dienstbare stand.
1. Wij allen zijn dienaars Gods, en de eene mensch moet den andere dienen. God heeft het aldus bepaald en geregeld. »Hij, die de grootste onder u is, zegt de Heer, hij zij de dienaar van allen.quot; Een goed koning is de dienaar van zijn volk.
De hoogste waardigheidbekleeders van liet land noemt men ministers, dat is dienaars. De priester is de dienaar zijner geueente; hij moet dag en nacht voor iedereen bereid zijn. De dokter dient de zieken vroeg en laat. De onderwijzer dient met last en moeite al
zijne leerlingen, moet zich geduldig bezig houden niet elk kind in het bijzonder en onvermoeid steeds op nieuw beginnen. De liefdezuster dient dag en nacht, in nood en dood do zieken. De soldaat moet dienen en zelts zijn bloed veil hebben. De zon, de koningin des hemels, dient de overige sterren en planeten, deelt haar licht en warmte mede.
Alles wat buiten den mensch op aarde leeft en beweegt, moet den mensch dienen. Zoo dient op aarde alles elkander, alles is afhankelijk van elkander, kan alleen niet bestaan. Daarom reeds zegt het spreekwoord: âEr is altijd meester boven meester.quot;
2. Onder dienstbare stand verstaat men gewoonlijk de dienstboden. Zoo lang de wereld bestaat, zijn er heeren en knechts geweest en zoo zal het blijven zoolang zij zal blijven bestaan. Do stand der dienstboden is een der nuttigste, noodzakelijkste, onontbeerlijkste standen. Zonder dezen kunnen de overigen hunne plichten niet vervullen; kan de wereld niet bestaan. De dienstboden behooren tot liet irczin: het welzijn en liet verdriet van het gezin staan in nauwe betrekking met de dienstboden. Of de dienstboden braaf, goed, zedig, eerlijk, trouw zijn, hiervan hangt grootendeels het
1
â 10 â
geluk, de welvaart van het gezin af. Het inenschelijk geslacht bestaat uit gezinnen, en men kan dus zeggen, dat de stand der dienstboden groeten invloed heeft op geheel het mensehelijk geslacht.
Daarom, geliefde dienstboden, moet gij uwen stand achten, eeren, liefhebben. Hij is van (Jod ingesteld, hij is nuttig, onontbeerlijk. Uwe diensten schijnen klein, onbeduidend, dikwijls gering en verachtelijk, en nochtans zijn zij dikwijls noodzakelijker dan de grootste werken van vorsten, geleerden en kunstenaars, (rij werkt in huis, keuken, hof, kelder, tuin of stal; gij wascht, reinigt; gij verzorgt de kinderen; gij zijt boden en bewaart de geheimen; gij rekent en spaart, gij behoedt en bewaakt liet huis; gij deelt in lief en leed; gij zijt do bewaarengelen in duizend gevallen des levens. En uw stand zou verachtelijk zijn? en gij zondt ontevreden zijn in uwen staat, u daarboven zoeken te verheffen: u ongelukkig gevoelen ! ...
III. Arbeiden is eervol.
1. De mensch is geboren om te werken; de arbeid is een gebod van God. Toen de mensch, tengevolge der eerste zonde, uit liet
i, r
I
â 11 â
paradijs verjaagd werd, zegde de Heer: «Gij zult uw brood verdienen in liet zweet uws aanscliijns.quot; Volgens uitdrukkelijk gebod van God zijn zes dagen voor het werk en slechts één tot rust en onïspanning bestemd. Overal prijst en bevordert de 11. Schrift het werken, laakt zij de ledigheid.
c '2. De H. Schrift prijst den arbeid: Zij
schildert ons de brave huisvrouw met de schoonste trekken:?» Waar vindt men eene brave huisvrouw? Groot is hare waarde: Zij verzamelt wol en vlas; z j staat vroeg op en zorgt voor hare dienstboden. Zij verheugt zich in haren arbeid en haar licht is des nachts niet uitgegaan. Zij opent hare hand voor den arme, en strekt ze uit tot den behoeftige. Zij vreest den winter niet. Zij slaat acht op den gang van haar huisgezin en zij heeft haar brood niet in ledigheid gegeten.quot;
3. De Heer prijst den getrouwen dienaar en zegt: «Treed binnen in de vreugde des Ileeren.quot; Den luien knecht laat Hij werpen in de uiterste duisternis. De werklieden, welke ledig op de marktplaats staan, roept Hij naar zijnen wijngaard, en nadat zij de hitte van den dag gedragen hebben, geeft Hij hun des avonds hun loon. De II. Paulus verkondigt
(,
r
â 12 â
het Evangelie iu Korinthe en maakt 's nachts tapijten om zicli het nooddruft te verschaffen en anderen niet tot last te strekken. Daarom vermaant hij in zijne brieven onophoudelijk tot werken. »Wie niet werkt, zegt hij, moet ook niet eten.quot; â »Wij bezweren u in Jezus-Christus, in vrede te werken en uw eisren
1 O
Ijrood te eten.quot; Hij laakt de vrouwen, die ⢠van het eene huis naar het andere gaan en haren tijd verkwisten in ijdele woorden.quot;
4. De heiligen hebben den arbeid bemind en niets zoo zeer gevreesd als de ledigheid. Een schoon voorbeeld heeft de II. Elisabeth van Thüringen ons daarvan gegeven. Zij, eene koningsdochter, verzorgde en reinigde de armen met eigen hand. Toen zij uit haar kasteel verstoeten werd, vertrok zij zich in eene armoedige hut en spon vlas en wol voor de armen. Zij kookte spijzen voor de zieken en maakte hunne bedden op; zij kon niet dulden dat iemand ledig stond en zorgde steeds iedereen bezigheid te geven. De 11. Alphonsus had zich voorgenomen geen kwartier uurs door te brengen zonder iets goeds en nuttigs te verrichten. De H. Antonius bad tot den Heer: »o God, geef mij de genade, nooit ledig te staan voor uw aangezicht.quot;
â 13 â
5. Het is eervol te werken. Wie arbeidt vervult (Tods gebod. Hem, die arbeidt, is liet loon des hemels beloofd. Wie vlijtig werkt, wordt van iedereen geacht en geëerd. Dienstboden, die werken volgens plicht en geweten, zijn liet sieraad van hunnen stand. Men waardeert en bemint, men beloont en vereert die; arbeid is geene schande; hij is de eerekroon der nieuschheid.
IV. Arbeid maakt gelukkig, bewaart voor menige zonde.
Een oud ronieiusch geneesheer zegt: do meeste treurige en ongelukkige menschen heb ik gevonden onder hen, die niet werken.quot; De arbeid is eene behoefte voor de mensche-lijke natuur. God heeft liet aldus ingericht. Heeft de mensch geen werk, dan wordt hij ontevreden, onaangenaam, luimig, verdrietig. Niets is treuriger dan een mensch te zien, die staat, gaat, zit, ligt en niet weet wat hij zal doen oiu zijnen tijd door te komen, (iod heeft de jaren, dagen eu uren van ons leven geteld, en geheel die tijd is tot werken bestemd. Ieder werke op zijne wijze, de eene met het
â 14 â
hoofd, de andere met de hand, doch ieder moet werken. Do arbeid maakt ons gelukkig. Wie rijk is en niets te doen heeft, is waarlijk ongelukkig, üe getrouwe arbeider ziet met voldoening op zijnen dag terug. Zijn maaltijd smaakt hem. Zijn slaap verkwikt hem en op den avond zijns levens gaat hij met vertrouwen do eeuwigheid binnen.
2. De arbeid behoedt mis vnnr vele zonden. De ledigheid is de moeder van alle kwaad. Een ledig mensch is's duivels oorkussen. Wie niet werkt, krijgt grillen, die hem dan eens treurig, dan weder boos maken. Toen David in ledigheid op hot dak van zijn paleis ging wandelen, overvielen hem slechte gedachten en door de slechte gedachten kwam hij tot de grootste misdaden.
(relukkig hij, die geen tijd heeft om kwaad te doen of te denken. .Tuist omdat de mensch tot liet kwade geneigd is, gaf God hem werk om hem hiervoor te vrijwaren.
Er bestaat geen beter middel dan «'c arbeid om zijne ziel te redden.
3. De H. Ignatius zag eens drie broeders, tijdens de uren voor het werk bestemd, ledig staan. Hij ging naar hen toe en bevaj. hun een hoop steenen, welke daar lagen, naar de
bovenste verdieping te dragen. Drie maanden daarna vond liij hen weder ledig staande en gebood hun diezelfde steenen naar beneden te brengen. Daarbij riep hij ter luumer waarschuwing uit: «Niets is zoo gevaarlijk als de ledigheid.quot;
V. God bemint de dienstboden.
1. (!od heeft altijd eene bijzondere voorliefde getoond voor den dienstbaren stand, doch Jezus beeft vooral door zijn voorbeeld dien stand geëerd; Hij toch wist dat het grootste deel Zijner kinderen tot dezen stand zou be-hooren; daarom maakt Hij zich tot huns gelijke en zegt: «Ik ben niet gekomen om gediend te worden, doch om te dienen. quot; H ij koos zijne Moeder, zijn Pleegvader, zijne Apostelen niet uit de grooten en rijken dezer wereld, doch uit den armen, dienstbaren, werkenden stand: zijne Moeder noemde zich-zelve dienstmaagd, Jozef was de arme timmerman, de Apostelen waren eenvoudige visschers.
2. Jezus wist dat het grootste deel der menschheid niet alleen zou moeteu dienen en werken, doch ook arm zou zijn, daarom wilde
â 16 â
Hij zeifarm wezen. Zie den stal van Bethleliem, geen kind werd in grootere armoede geboren. Oeen stoel, geen tafel, geen bed; een strenge winter, geen warmte, geen licht. Eene kribbe, een weinig hooi, os eu ezel tot gezelschap. Geene kleeding, arme doekjes.
(«ij zijt eene arme dienstmaagd; uwe ouders zijn vroeg gestorven; met een klein bundeltje tradt gij den vreemde in; gij dient bij eenvoudige lieden, U!v dakkamertje is klein en armoedig, docli gij zijt nog lang zoo arm niet als uw Zaligmaker dit was te Bethlehem, in Egypte, te Nazareth. De overlevering zegt, dat Hij in Egypte zeven jaar in een kelder heeft gewoond. Nazareth was een der armste steden van Oalilea; in die stad koos Jezus zich een der armste huizen, in dat huis het armste kamertje.
3. De Zaligmaker is arm en hij werkt in armoede en verborgenheid tot zijn dertigste jaar. Slechts drie jaren zijn bestemd voor zijn openbaar leven. Als kind verricht Hij al de diensten van dienstmaagd en knecht, Hij helpt zijne moeder, volgt nederig en bereidwillig hare wenken, reinigt liet huis, haalt water, steekt het vuur aan, enz. De nederigste, de moeielijkste diensten volbrengt Hij het liefste.
Hij liet tocuemen zijner jaren lielpt Hij zijnen vader in diens werkplaats; schaaft, zaagt, timmert, verdient zijn schamel stukje brood. Waarom? Om den dienstbaren stand een voorbeeld te geven; om te toonen hoezeer God dien eert en bemint, om allen, die hiertoe behooren hun lot te doen liefhebben. En om aan de geheele wereld een verheven voorbeeld na te laten, giet Hij, op den vooravond van zijnen dood, water in een bekken en wascht zijne arme, zondige apostelen, ja zelfs Judas, de voeten en zegt: «Ik heb dit gedaan opdat gij elkander zoudt doen wat ik u gedaan heb.quot;
4. Beschouw den stal van Bethlehem, ga naar Egypte, zie in liet huisje van Nazareth, in Jozefs werkplaats, als uw dienst u te nederig, liet werk te zwaar, het kamertje te klein, de meesters te arm, het eten te slecht, het loon te karig, het huis te stil is â of wanneer uwe meesters u te eenvoudig, hun toezicht te streng, hunne zorg voor uw zielenheil te lastig schijnt. â Wanneer gij een dienst in de groote steden, lichtzinnige meesters, veel plezier en weinig werk wenscht, â als quot;-ij vrijheid, losbandigheid, opschik, ongeoorloofd vermaak verlangt! â Arm kind, lioezeer steekt gij af tegen het voorbeeld van Jezus-Christus.
2
â 18 â
VI. Maria en Jozef.
Maria stararte uit koninklijk geslacht, en lt;
nochtans wilde zij tot rten werkenden stand ( behooren. Zij werd uitverkoren tot Moeder
(rods, door een engel begroet, en op ditzelfde i
oogenblik noemde zij zieli (Ueiistmactf/d des (
Ueeren. Zij is Koningin des hemels, verheven i
boven alle engelen, boven alle engelen, boven c
alle schepselen, en nochtans kiest zij voor zich t
geen anderen naam. De Harten van Jezus t
en Maria verstaan elkander volkomen. J
Wilde Jezus niet gediend worden, doch |
dienen, zoo wilde ook Maria dienstmaagd zijn 1
en heetèn, om met haren Zoon aan den dienst- j baren en werkenden stand een vei'heven voorbeeld te geven. Maria maakt den naam van dienstmaagd tot eeretitel. Noemt men u de
dienstmaagd, zoo verheug u, want gij draagt ( rten naam van Maria. Schaam er n niet over;
strekke hij u niet tot verdriet, doch tot eer, tot [ roem, tot vreugde en tot zaligheid. - |
2. Maria diende als kind .11 den tempel, s
en verrichtte de kleine diensten, die haar s opgelegd werden. Later diende zij hare ouders,
Jezus, den II. Jozef. Zij liet zich niet bedienen, (;
Zij diende. Nergens leest men dat de j;
i
11. P aniilie cliciistboden had. Zie in het huisje van Nazaretli Maria werken, wasschen, het eten bereiden! En welke zindelijkheid, welke orde heerscht daar. alles op tijd, alles op plaats.
Zie in .ai aria's Hart hoe zuiver hare meening was. Alles uit lietde, tot eer van (Jod, wijl (rod het wil! Hoe innig is liet gebed met het werk verbonden; het werk is steeds eeji gebed, een zuiver offer aan God gebracht! Hoe stil, ootmoedig, hoe beseheiden, hoe bereidwillig en gelaten is de dienstmaagd des Heeren. Hoe tevreden, hoe opgeruimd bij zwaren arbeid, bij vermoeidheid, zwikte, in lijden, iu beproeving! Ja, .Maria is de ware dienstmaagd des Heeren, het voorbeeld voor allen.
3. De Zaligmaker koos zich ook een pleegvader. Uit welken stand? âUissehien uit de rijken van Jeruzalem, uit de grooten en machtigen dezer aarde? Neen, volstrekt niet. De pleegvader des Heeren was een timmerman; hij behoorde tot den werkenden, dienstbaren stand. De H. Jozef wint voor zicli en de zijnen het schamel stuk brood, in het zweet zijns aan-schijns. Hij verrichtte zwaren, moeielijken arbeid. Hij had geen groote zaak. Hij was slechts eenvoudig handwerksman, die alleen in zijne werkplaats van den morgen tot den
â 20 â
avond zijnen medemensclien dio kleine diensten bewees, welke in huis en hof voorkomen. Hij verdiende niet veel, slechts een karig loon.
En die eenvoudige timmerman stond bij (rod in zulke hooge eer, dat Hij hem de Moeder en het goddelijk Kind toevertrouwde. Men ziet Jozef afgebeeld met de werktuigen van zijn ambacht, met bijl en zaag, doch terzelfder 0
tijd met de lelie. De deugden van den Tl. Jozef zijn de rechtvaardigheid, de getrouwheid, de waarheid, de eerlijkheid, doch vooral de heilige kuischheid, door de lelie afgebeeld.
Ga dan tot Maria en Jozef en leer bij hen de deugden zoo noodzakelijk aan uwen staat.
Ga tot hen, nis gij deze deugden verloren hebt en u bevindt aan den rand des verderfs.
Ga tot hen, en smeek hen u te redden en te 1
versterken tegen uwe kwade driften.
YIl. Het voorbeeld der Heiligen.
De Heer koos zich Apostelen, niet uit de ^ Hoogepriesters en Schriftgeleerden, doch uit serinfen, werkenden stand. De Apostelen
o n j
waren visschers, die, volgens het Evangelie,
niet slechts bij dag, doch ook des nachts arbeidden. Toen de Heer Petrus aan het meer
van Tiberias vond, was deze hezig zijne netten te herstellen, en toen Jezus hem zegde: «Steek in zee en werp uwe netten uitquot;, antwoordde l'etrus: »lieer wij hebben den ganschen nacht gearbeid en niets gevangen.quot; Waren zij niet op liet water, dan hielden zij zich met het herstellen hunner netten of met veldarbeid bezig. Deze goede, eenvoudige lieden koos de lieer tot zijne Apostelen, die de wereld moesten bekeeren en liet heelal hervormen.
De heiligen hebben getrouw het voetspoor van Jezus en zijne Apostelen gevolgd. De romeinsche generaal Eustachius werd christen en ging bij een tuinman als knecht werken. De H. Crispinus maakte schoenen voor de armen en verkondigde het Evangelie. Toen men den H. Bonaventura kwam aankondigen dat de Paus hem tot Kardinaal verkozen had, was hij in de keuken bezig met hetwasschen der schotels. De II. Aloysius, uit vorstelijk bloed ontsproten, zocht steeds de vernederendste werkzaamheden; doch waar zonden wij eindigen, wilden wij al de voorbeelden aanhalen, welke de heiligen ons in dit opzicht geven!
YI!I. De dienstbare slaiul is de bron veler deugden.
1. Wie in don rechten geest dient, voljrt Christus na, wordt gelijk aan de II. Maagd Maria, treedt in de voetstappen der Apostelen en Heiligen, behoort tot den stand, dien God bij uitstek heeft bemind en geëerd, en kan veie verdiensten vergaderen voor den Hemel. Het is de voortdurende vervulling van het gebod der naastenliefde, en elke dienst, dien wij onzen naasten bewijzen, wordt door God ons aangerekend. Een dronk koud water zelfs zal niet onbeloond blijven. Op den dag des oordeels wordt gevraagd naar de werken van naastenliefde. Indien gij nu uw eigen voordeel behartigt, kunt gij al uwe werken, ja zelfs de kleinste, door eene goede meening en oprechte zelfopoffering in goud veranderen, dat eenmaal zeer zwaar zal wegen in de schaal der eeuwige vergelding.
2. Uw stand is de bron veler detigden. Menige deugd wordt nergens zoo goed en zoo gemakkelijk beoefend dan in den dienstbaren stand. Wie dient moet ootmoedig zijn. De dienstbare stand is de stand der ootmoedigheid. Wie dient moet zich in zijn denken, oordeelen,
handelen onderwerpen aan een ander. Dat ligt in de natmir van zijn stand. Wie nu zijn â vvil aan den wil van een ander moet onderwerpen, houdt daardoor zijn eigen verkeerden wil in toom, en gij weet wel dat 's mensohen wil, vooral in de jaren zijner jeugd zeer weerbarstig, onstuimig, verkeerd zijn kan. (rijmoet bij uwe meesters de nederigste diensten verrichten. (tij gevoelt u wellicht gekrenkt, gij vindt noch erkentelijkheid, noch dank voor uwe trouwe zelfopoffering. Gij moet iets doen dat gij niet goed noch doelmatig vindt; gij moet verwijten verdragen, die ge meent niet te hebben verdiend, â nu, dit alles opofferen en verdragen uit liefde tot God en den evennaaste, dat is ootmoed, en ootmoed is de grondslag aller deugd.
3- W ie dient moet gehoor zijn. Gij moet gehoorzamen vroeg en laat, ten tijde en ten ontijde, dikwijls in zaken die tegen uwe overtuiging strijden. Hier moet gij vlug, daar langzaam zijn, hier een werk beginnen, daar een werk staken, hier uitgaan, daar thuis blijven, u verloochenen, u zeiven opofferen, al naar de gelegenheid het medebrengt. En doet gij dat alles uit hooger inzicht, dan oefent gij ware deugd, en verzamelt de ver-
diensten der gehoorzaamheid; dan wordt gij gelijk aan uwe verheven toonheelden Jezus en Maria: heilige religieusen hebben de wereld verlaten om zich door gelofte tot gehoorzaamheid te verplichten en gij vindt in uwen dienst van zelve de gelegenheid om die deugd te beoefenen. De dienst is een school van ootmoed en gehoorzaamheid.
IX. Wie dient moet geduldig zijn.
1. Het geduld is noodzakelijk, zegt de 11. Paiilus; ja, liet geduld is noodzakelijk in eiken stand. De heiligen noemen liet geduld een dikken mantel, waarin de pelgrim op zijne reis naar de eeuwigheid zich moet hullen. Wellicht zult gij later, als gij in een anderen stand treedt, nog meer geduld moeten oefenen, dan nu in uwen dienst. Uwe meesters mogen zoo goed zijn als zij maar wezen kunnen, toch zullen zij hunne eigenaardigheden hebben, welke gij met geduld moet verdragen. Op uwen lateren levensweg zult gij nog vele zaken aantreffen, welke u vreemd zullen schijnen, u zullen mishagen, â en toch moet gij het verdragen. Gij hebt thans gelegenheid u een schat van geduld te verzamelen, waaruit
gij zult kunnen putten, als uw geduld later eens zwaar beproefd wordt. Uw dienst is een school van geduld.
2. Wie bij cjoede meesters dient, ik zeg nadrukkelijk bij (joedt, bewaart gemakkelijker de heilige deugd van zuiverheid. quot;Wellicht zoudt gij in het ouderlijk huis, als vader onverschillig en moeder zwak is, u grootere vrijheid veroorloven, dan thans in een dienst bij brave meesters, welke op orde en strenge tucht onder hunne dienstboden gesteld zijn en slechts zedelijke personen in huis dulden.
AV at zou er gebeuren zoo gij op eigen voeten stondt? Lene goede huzsvrouw waakt over u, weet waar gij gaat, hoe lang gij uitblijft, duldt geen verboden omgang, raadt, waarschuwt, vermaant u en is u een en irelbewaarder in de gevaarlijkste jaren der jeugd.
3. Eene goede huisvrouw waakt ook over u in het vervullen uwer godsdienstplichten ea gij komt die beter na, dan zoo gij zelfstandig waart of in liet ouderlijk huis, wellicht vei- van de kerk afgelegen. Uwe meesters weten zeer wel, dat zij zich niet kunnen verlaten op dienstboden, welke nalatig zijn in hunne godsdienstplichten en zij geven u derhalve tijd voor de H. Mis, voor de preek of
â 2G â
christelijke leering, voor liet ontvangen der 11.11. Sacramenten enz. Zij geven u den tijd,
zorg gij dien goed te gebruiken.
X. Terlteerde mconingen.
Versclieidene jonge lieden willen niet dienen ;
waarom niet!' Waarin ligt daarvan de rede?
1. In de dwaasheid der ouders. Men lioort soms vreemde uitdrukkingen: «Mijn kind be-lioel't geeue vreemde lieden te bedienen, zich laten gebieden, op de kinderen van anderen
te passen; zij kan thuis blijven, ik zal ze %
zelve wel opleiden.quot; Intusschen moet men zich kommervol behelpen; vader werkt dag eu nacht om het brood voor zijn gezin te verdienen; moeder heeft de handen vol met al het zware werk in huis en hof; en de dochter slaapt, verkwist haren tijd, tooit zich O]), speelt do dame! Welke dwaasheid, en de ouders zien niet of willen niet zien!
2. In den hoogmoed der kinderen. Hoog op! ff ziedaar de dwaasheid, de leugen der eeuw.
Veel schijn, weinig waarheid, veel opschik,
weinig inkomen, vele vrijheid, weinig gehoor-zaamheid, losbandigheid in plaats van orde,
veel inbeelding, weinig nederigheid; opsiering
en geen eenvoud, veel praats, weinig verstand, tijdverlies en geene arbeidzaamheid! Ziedaar den tegenwoordigen toestand!
3. In de vrees voor het wérk, cn deze ligt in eene weekelijke opvoeding, in liet streven om boven zijn stand te leven, en iets grooters voor te stellen dan (Jod wil. Ziedaar de ware kanker van onzen tijd. De dienst vordert arbeid cn deze moet op gestelden tijd klaar zijn. De huisvrouw moet voorde orde van het huishouden zorgen, bestelt de keuken, eischt dat het huis schoon, de wasch gereed zij, en waar dit niet is geschied, volgt afkeuring en verwijt. Dit wil men niet; men wil ook niet werken, men zegt zijn dienst op, loopt van den oenen in den anderen en ten laatste
4. 11 /1 men zijn eit/m baas zijn. Zoo de ouders nog leven gaat men naar huis, of huurt zich eeue woning, wordt zelfstandig, werkt hier en daar, â dan is men, zooals men zegt, ten minste zijn eigen baas, en men is, en dit veelal, ten minste Zondags vrij. En dan â dan? Licht gezelschap, verboden omgang, slechte vermaken, en dan? .... â Niets dan ongeluk en ellende.
XL Tijdelijke voordeelen.
1. Een goede dienst maakt ons gewoon aan orde, en deze is noodzakelijk in allo omstandigheden des levens. «Bewaar de orde, en de orde zal n bewarenquot;, zegt een oud spreekwoord. De orde is noodzakelijk in de jeugd, omdat men zich dan juist liet gemakkelijkst aan de Wanorde overgeeft. In elk goed geregeld huis heerscht orde; hiernaar moet gij u voegen, zoo lang gij in dienst zijt en dat is u heilzaam ; wie zich in zijne jeugd niet aan orde en regel gewoon maakt, zal onordelijk blijven.
'2. In een goeden dienst vindt gij gelegenheid om veel goeds en nuttigs te leeren. Vreemde oo/jen dwingen, zegt het spreekwoord. Eene goede, knappe huisvrouw zal u nuttig zijn voor heel uw leven, (rij behoort wellicht tot den minderen stand en komt bij deftige burgers in dienst; daar leert gij zindelijkheid, nauwkeurigheid, behendigheid en vele goede dingen, waartoe gij te huis geene gelegenheid hebt.
3. Gij leert ook hoe gij met anderen moet omgaan, legt ruwe, onbeschaafde, onfatsoenlijke manieren af, leert u schikken en voegen. Gij
moet met uwe meesters, met vreemden, met uwe mededienstboden, met verschillende menscben en karakters omgaan; gij ziet fouten, gebreken en deugden; en als gij zoo verstandig zijt om bet gulden woord: hooren, zien en zivijgen ri oefening te brengen, dan volmaakt gij u-zelven en leert zeer veel wat u voor geheel uw volgend leven nuttig kan zijn.
4. (üj leert ook veel naar waarde schatten en beoordeelamp;n. Wellicht zijt gij opgegroeid in eeu armoedig huisje, bij arme ouders. Het geluk der rijken scheen u groot; gij hebt u het lot der rijken in hunne paleizen wel als een hemel voorgesteld. Nu zijt gij bij voorname lieden in dienst en zie â ijdelheid der ijdelheden! â Ook hier woont zorg, kommer en ontevredenheid; rijkdom cn aardsche vreugd geven het geluk niet. Dikwijls zegt gij welliclit in u zelve: Ik wil niet ruilen. Ik bon gelukkiger in mijn klein zolderkamertje dan mijne meesters in hunne prachtige zalen!
5. Eindelijk â en ook dit is van groot gewicht â zoolang gij dient, hebt gij geene zorg voor tnv dagelijhsch brood. Gij heerscht in keuken en kelder, ziet wat ontbreekt, docli behoeft niet te overleggen hoe het er zal
komen. IVnvijl gij onbezorgd voortwerkt, geld vraagt, inkoopen doet, zitten lieer of vroinv dag en naelit in de zorg, lioe zij de kosten voor het Imisliouden zullen bestrijden. Gij hebt slechts voor n zelve to zorgen, en behoeft slechts goed toe te zien, hoe gij met uw loon rond komt, en zijt gij deugdzaam en verstandig, dan spaart gij daarvan nog een noodpenning voor uwe ouders en voor uwen ouden dag. lloevele dienstboden denkeu later, als zij met bittere zorg te kampen hebben, met leedwezen terug aan di' gelukkige jaren, toen zij onbekommerd konden leven, terwijl zij nu jaar in jaar uit met de grootste spaarzaamheid niet weten, hoe van don eenen dag op den andere te komen!
XI i. Voorbeeldt1!! v:iu heüigi; ou trouwe (lieiistboiïeu.
Goede dienstboden zijn een schat voor het huisgezin, dat weten zij het best, welke ze bezitten. Hoeveel goeds hebben trouwe dienstboden reeds in do gezinnen bewerkt, daar zij voor het huishouden zorgden, do zaken deden bloeien, ten goede op de kinderen werkten.
31 â
zich opc fferclen b j ziekte, nood en dood, lief e)i leed trouw deelden met hot gezin. Hoe vaak zijn zij bescheiden helpers, troosters, raadgevers, ja reddende engelen geweest. Hoe menige brave dienstbode heeft door gebed do ziel zijns meesters gered! Zij zijn een schat voor de maatschappij, want is het zedebederf groot in sommige steden, zoo komt dit vaak, omdat de dienstboden slecht en onzedelijk zijn. Daarom worden de brave dienstboden alom geacht, geëerd, bemind; Imn aandenken blijft in zegening en hunne deugd leeft vaak in verschillende geslachten voort.
1. Eliëzer was Abraham's knecht, hij wordt sedert alle eeuwen tot voorbeeld van trouw gesteld. (Jelijk de li. Schrift verhaalt, had Abraham hem het bestuur zijner huishouding toevertrouwd. Hij deed nog meer. hij vertrouwde hem het levensgeluk van zijn eenig kind: Eliëzer maakte de groote reis naar Mesopo-tamiö om eeuo bruid te zoeken voor den zoon zijns meesters; hij volbracht die onder voortdurend gebed. Ziedaar liet ware beeld dei-trouw op godsvrucht gegrondvest.
Jacob diende Laban zoo getrouw, hoewel hij zijn eigen neef was, dat hij bij zijn vertrek in geraoede zeggen kon: .Ik heb de hitte van
den dag, de koude van dén nacht voor u doorstaan: Gij weet hoe ik u gediend heb, en hoe uw vermogen onder mijne hand vermeerderd is.quot;
Jozef in Kgypte diende Putiphar niet onver-breekbare trouw, en God schonk zijn zegen aan alles, wat hij ondernam.
De getrouwe dienstmaagd van Judith vergezelde hare meesteres in het vijandelijk leger.
De schildknaap van Jonathas volgde zijnen lieer in doodsgevaar, ging moedig met hem den vijand tegemoet en sprak: «Doe wat gij wilt, ga waarheen gij wilt, ik zal bij u blijven.quot;
Ook in onze dagen vindt men vaak zulke getrouwheid. Er zijn dienstboden, die dertig, ja vijftig jaren in denzelfden dienst blijven, in vreugde en leed, welvaart en armoede in liet lot hunner meesters gedeeld hebben en zich op de edelste, onbaatzuchtigste wijze voor het welzijn der familie hebben opgeofferd.
2. Groot is hot aantal heiligen, die uit den dienstbaren stand ontsproten zijn. In 1690 sprak Paus Alexander de heiligverklaring van Paschalis Baylon uit. Als veehoeder nam hij steeds een boek mede, leerde daarin de christelijke leering door eigen studie, en trad later
â 33 â
in dienst bij een rijken heer, die hem tot zoon wilde aannemen. Paschalis wilde echter dienaar blijven: hij trad ten dien einde als leekebroeder in een klooste:c van den H. Franciscus en leefde en stierf als een heilige.
De H. Verena, eene bloedverwante van den H. Mauritius, kwam met dezen tijdens de vervolging der Christenen naar Rome; zij bezocht de gevangene Christenen in hunne kerkers, verzorgde de armen en zieken. Toen Mauritius en geheel zijn leger den marteldood gestorven waren, sloot zij zirli op in eene spelonk, om slechts voor God te leven, doch daar de roep harer heiligheid en wonderwerken hare eenzaamheid stoorden, verhuurde zij zich als dienstmaagd, verrichtte de nederigste diensten en gebruikte al haren vrijen tijd ten dienste van armen en zieken. Eindelijk vertrok zij zich weder in de eenzaamheid, en stierf in liet jaar 300 in geur van heiligheid.
Wij bewonderen de H. lladegoudis, welke slechts dienstmaagd wilde zijn en blijven om den Zaligmaker beter na te volgen, die niet gediend wilde worden en zoo arm was, dat Hij geene plaats had om het hoofd te laten rusten. Wij bewonderen de 11.11. Zita Noth-burga, Dula en ontelbare andere, die als
3
â 34 â
dienstboden heilig geworden zijn. Wij tellen daaronder maagden, die te midden der grootste gevaren de heilige deugd van zuiverheid ongeschonden bewaard hebben, belijders, die kloekmoedig voor hun geloof uitkwamen, martelaars, die heldhaftig voor geloof en deugd het leven ton offer gebracht hebben. En wat de heiligen vermochten, dat kunnen ook wij, zooals de volgende afdeeling u gaat toonen.
iwmm
DE DIENSTBODE ALS DIENAAR GODS.
I. De eerste en verhevenste dienst.
De dienst van God. Hij
staat hooger dan de dienst van vorst en keizer. Gij zijt dienstbaar, doch gij zijt eerst en vooral dienaar Gods. Ziedaar de grondslag, waarop gij moet bouwen, indien gij een goede dienstbode zijn wilt. Zonder dezen grondslag bouwt gij op het zand, gij staat niet vast noch veilig. Ziehier maatstafquot; en richtsnoer; het licht, dat u verlicht, het vuur, dat 11 verwarmt, hot anker, waaraan gij vast ligt, de wortel, waaruit al de deugden van uwen staat groeien, de bron, waaruit u alle goed toestroomt, en zijt gij geen dienaar Gods, dan zijt gij geen goede dienstbode; gij hebt deugd noch verdiensten. Misschien verdient gij een hoog loon, misschien slaagt gij in uw werk, doch gij zijt blind en ongelukkig, uwe ziel is arm en misschien voor alle eeuwigheid verloren.
â 3C â
2. Daarom vermaant u de H. Paulus: «Gij dienaars, gehoorzaamt uwen lieeren in de eenvoudigheid des harten, als diendet gij Christus, niet als oogendienaar, om de menschen te behagen, doch als dienaar van Christus, die den wil Gods volbrengt, en met goeden wil God dient en niet de menschen.quot; De H. Petrus noemt het eene bijzondere genade als dienstboden uit plichtbesef niet slechts goede, doch ook kwade heeren dienen.
1!. Goede dienstboden gehoorzamen uit hooirer inzicht.
1. rrIk ben dienaar van den hemelschen Koning.quot; Zoo denken en spreken christelijke dienstboden. De H. Augustinns vermaant hen hiertoe, als hij zegt; »Al dient gij ook een mensch, zoo gehoorzaamt gij toch aan den goddelijken wil en moet uw loon van God verwachten. Denk daarom bij alle zaken aan Hem, zoek Zijn welbehagen en vergeet niet dat gij Hem rekenschap verschuldigd zijt.quot; Ecu dienstbode zonder godsdienst is traag en doet niets zonder morren en klagen; hij is gelijk het natte hout, dat niet brandt en slechts kwaden rook verspreidt.
â 37 -
2. «Hoe kuut gij u toch zoo kwellenquot;, zegde op een heeten zomerdag een arbeider tot Frederik, den boerenknecht. «De baas is er niet en zal er u geen dank voor geven.quot; â if Maar God is er wel,quot; antwoordde Frederik, «ik werk voor God en niet voor de mensohen.quot; En hij wischte zich het zweet van liet gelaat en werkte vlijtig voort. De H. Isidorus, die bij een edelman in dienst was, maakte zijn arbeid tot eene voortdurende oefening van godsvrucht. Was hij vermoeid, viel het werk hem zwaar, dan dacht hij aan Jezus met zijn kruis beladen. Op die wijze werd hij een heilige.
3. De binst om goud te maken. Er bestaat een zeer eenvoudig middel, om al onze werken, hoe gering en onbeduidend zij mogen wezen, in zuiver goud te veranderen. Dit middel is de goede meening, dit is het streven der menschen om al hunne gedachten, woorden en werken tot God te richten, alles te dom in, om, met God. De heidenen zegden reeds: »Onze verdiensten rusten niet in de werken, welke wij verrichten, maar in de meening, waarmede wij die verrichten.quot; Kaïn en Abel brachten beiden God een offer; het eene nam de lieer in welgevallen aan, het andere niet,
â 38 â
want de meening van Abel was zuiver, die van Kaïn niet.
Zonder de goede meening is geen werk goed, heeft geune waarde voor den tijd, geene verdiensten voor de eeuwigheid. liet gaat met de werken gelijk met het water. Er is, zooals iedereen weet, groot onderscheid tusschen het water; hier is het helder, daar troebel, hier hard, warm, zout, daur zacht, Irisch, zoet, hier vlietend en levend, daar stilstaand en dood. Waarin ligt dit onderscheid? In de bron. De werken der menschen zonder goede meening zijn gelijk aan stilstaand, dood water.
4. Wat moet onze meening zijn? Do wil (iods, de eer (rods, de liefde Oods. Door den wil (rods zijt gij dienstbode, dien derhalve, omdat God het wil. God, die eiken menseh zijn levensweg heeft aangetoond. Dien ter eere Gods, niet om de menschen. â Doe uw stand oer aan, door al de deugden eener goede dienstbode, dan dient gij tot eer van God, die het eerst, u ten voorbeeld, gediend heeft. De goede meening moet al onze werken beginnen, vergezellen en voltooien. Zetr derhalve uit
O O
goeder harte: Gnd alleen tot doel, â God alleen tot getuige, â God alleen tot loon. Is God alleen uw doel, dan is uw werk zuiver in den wortel.
â 39 â
Is God alleen uw getuige, dan blijft het werk zuiver, is God alleen uw loon, dan kan liet door begeerte naar aardscli gewin of' menschen-lof niet vergiftigd of vernietigd worden.
Ik voeg hier nog het spreukje bij: Denk niet wat God niet mag weten; zeg niet wat God niet mag hooren, doe niet wat God niet mag zien.
Geliefde dienstboden! gij moet vele kleine, nietige, nederige diensten bewijzen; veel onaangenaams verdragen, veel doen wat u zwaar valt, maakt tocli altijd eene goede meening en gij verzamelt u goud en edelsteenen voor uwe hemelsche kroon.
ill. Het geweteu.
De H.H. Apostelen zeggen herhaaldelijk, dat de dienaren volgens hun geweten de plichten van hunnen staat moeten vervullen. Nauwkeurigheid van geweten is eene eerste eigenschap eener goede dienstbode. Iemand, van wien men weet dat hij geen geweten heeft, of die zich hierop zou beroemen, zou niemand in zijn dienst willen nemen, want zoo iemand is tot alles in staat. Hij kan de grootste rampen over een huisgezin brengen.
â 40 â
1. Er brandt een licht in het hart van den mensoh, dat even als de godslamp opgehangen is, in liet heiligdom der ziel. Het brandt dag en nacht. God voorziet het van olie. Geen lucht, geen wind, geen storm, geen menschen-hand kan dit licht uitdoven. Gij kunt het met een sluier bedekken, doch niet uitblusscheu. Er spreekt eene stem in uw inwendig, dan zacht, dan luide, doch altijd verstaanbaar, zelfs midden in het gedruisch van feesten en vermaken, bij zang en dans, in uwe stille kamer, zoowel als op de markt. Die stem wordt niet oud, zij spreekt bij licht en duisternis en spreekt dikwijls het luidst bij ziekte en ouderdom. Er ligt zoo iets in uwe ziel, dat gelijk is aan eene klok; voor gij er aan denkt begint zij te luiden; zij luidt storm en brand en jrij kunt haar niet doen zwijgen.
Ziet dit is hetgeen wat wij geweten noemen. Het is dat duidelijk bewustzijn van goed en kwaad, â de verstandige uitspraak, dat dit verboden, dat slecht, of eene andere zaak goed en geoorloofd is. Het geweten is een genadig geschenk van God, dat Hij aan alle menschen zonder onderscheid geeft, want Hij heeft zijne geboden niet slechts op de steenen tafelen, doch ook in de harten der menschen geschreven.
â 41 â
Wat strijdt tegen uw geweten is zonde. â Volgens uw geweten zult gij geoordeeld worden. Het geweten is nog:
Een hond, die blaft ten allen tijd,
Een haan, die altijd kraait.
Een klok, die luidt zoo vroeg als laat.
Een stroom, die zich niet stuiten laat.
Een pols, die altijd slaat
Tot voor 't gerecht de zondaar staat
IV. Hit veilig anker.
1. Op de zee dezes levens moet uw scheepje een anker hebben, wilt gij geen schipbreuk lijden en ellendig omkomen. Dit anker is het geloof. Wie niet gelooft, heeft geen geweten. Wat zou u van het kwade terughouden indien gij aan geen God, aan geene eeuwigheid, aan geene belooning of straf na uwen dood gelooft? Beschouw die menschen, welke geen geloof hebben. Zij zijn gewetenloos, zij zijn slecht of worden slecht, vallen in openbare of geheime ondeugden. Men wil niet gelooven, omdat men slecht is, en het oordeel Oods vreest, men vlucht het geloof om het geweten in slaap te wiegen en zich ongestoord aan zijne booze driften over te kunnen geven. Houd u
â 42 â
daarom vast aan liet anker, bewaar uw geloot'.
2. Gij zijt door brave ouders, wellicht buiten de stad opgevoed. In de onschuld van uw hart, komt gij in cene grootere stad. Daar hoort en ziet gij zaken, waarvan gij tot dusverre geene gedachte hadt. Gij vindt menschen, die openlijk durven zeggen, dat zij geen geloot' hebben, die met het geloot' spotten; anderen die in den hoogsten graad onverschillig zijn en hunne godsdienstplichten verzuimen. Ja, gij treft â en dit is liet ergste â verleiders, die zoeken u het geloot' te ontnemen â ten einde u dan te lichter tot het kwaad te kunnen verleiden. En dit alles kunt gij wellicht vinden in het huis waar gij in dienst zijt. Hier ligt groot gevaar. Kind, bewaar uw geloot', houd u aan het anker vast.
3. Gij zijt door Katholieke ouders goed opgevoed, wel onderricht. Bij uw H. Doopsel, bij uwe eerste H. Communie hebt gij uwe geloofsbelijdenis afgelegd. Donk aan dit alles als gij u in gevaar bevindt. Er is een God, eene eeuwigheid, er is belooning of straf. Uw Katholiek geloof moet u boven alles dierbaar zijn, dierbaar boven alle schatten der aarde. Er is slechts ééne ware Kerk, de Katholieke
â 43 â
Kerk. Luister niet. naar de verleidende woorden: »Wij gelooven allen aan éénen God; het is hetzelfde in welk geloof' men leeft.quot; Dit is een leugen. Er is slechts dene waarheid, e'éne ware Kerk. Vlucht daarom don omgang met hen, die zoo spreken; hun woord is leugenachtig. Eer en bemin uwe heilige Kerk, haar Opperhoofd den Paus, al uwe geestelijke overheden. Zij zijn betere vrienden voor u, dan de wereld met al haar bedrog. Kies u zoo mogelijk een dienst bij Katholieken, waar geloof en godsdienst wonen, al verdient gij er ook wellicht eenige gulden minder loon of verval. «Zonder geloof' is het onmogelijk God te behagen en zalig te worden.quot; Zij het dus het anker van uw leveusscheepje, uw anker in gevaar en verleiding, uw anker in lijden en beproeving, uw anker in leven en dood!
Y. Het guldeu boekje.
liet geloof is eene genade Gods, u in liet H. Doopsel geschonken. Dat gij in het Katholiek geloof' geboren en opgevoed werd, is eene groote genade. Niemand kan zonder de genade het geloof verwerven noch behouden.
â 44 â
Doch geeft (rod zonneschijn, dauw en regen, zoo moet de menscli tocli medewerken en hier geldt als eerste regel, bid vurig om de genade van het geloot' en leef volgens het geloof. Vooral moet gij minstens alle dagen eene akte van geloof verwekken en dikwijls God bidden uw geloof te bevestigen en te vermeerderen.
Gij moet ook goed in uw geloof onderricht zijn. Tegenwoordig kunnen de kinderen op bijna alle plaatsen een degelijk onderwijs genieten, doch de ondervinding leert, dat zij reeds korten tijd na de eerste H. Communie den Katechismus vergeten hebben. Wilt gij uw geloof bewaren, zoo eer en bemin dit gulden boekje.
Het is bedroevend bij zekere gelegenheden te ondervinden, hoe velen zelfs de voornaamste punten niet meer weten: de tien geboden Gods, de vijf geboden der H. Kerk, de punten uit noodzakelij kiieid des middels en des gebods niet meer kunnen opnoemen, ja zelfs niet weten wat noodzakelijk gevorderd wordt tot het waardig ontvangen der H.H. Sacramenten van Biecht en Communie.
Hoe komt dit? Omdat dit galden boekje geheel en al ter zijde gelegd wordt. Daarom
â 45
bid ik u, pak bij het verlaten van het ouderlijk huis een Katechisnms in uw bundeltje. Zie er dikwijls in. Hij leert u alle vragen omtrent uw gelooi' beantwoorden, en zelfs antwoord geven aan menschen, die veel geleerder zijn dan gij.
2. In nauw verband met dit gulden boekje staat de christelijke leering. Het is zeer te betreuren, dat in de groote steden, waar het geloot' zoo groot gevaar loopt, de christelijke leering zoo slecht bezocht wordt. Zij is vaak nuttiger dan de preek. Laat nooit de gelegenheid voorbijgaan de christelijke leering bij te wonen, en prent het onderricht daar gegeven, diej) in uw hart.
VI. Voorbeelden van christelijk en heldenmoed.
De H. Azadus was een dienaar aan het hof van den Persischen koning Sapor, en te midden van den luister en de verleiding van liet hof, bewaarde hij getrouw zijn geloof. Sapor, een wreed dwingeland, beval dat het christengeloof in zijne staten moest uitgeroeid worden, en hij vervolgde de christenen veertig jaren lang. Azadus, die hoog in aanzien stond.
â 46 â
had zich kunaen redden en tot liooge eerambten geraken, zoo hij zijn geloof had willen verzaken, docli hij lileef standvastig en stierf den marteldood in het jaar 350 na Christus.
Onder de regcering van Marcus-Aurelins brak in liet Romeinsche rijk eene vervolging uit, die zich ook in Frankrijk uitstrekte. Te Lj^on alleen werden 19.000 christenen ter dood gebracht. De H. Blandina was de dienstmaagd eener godvruchtige huisvrouw, die zelve voor het geloof stierf. Blandina was jong, teeder, van zwakken lichaamsbouw, doch, door de genade gesterkt, overtrof zij do overige martelaren in heldenmoed. Zij werd vreeselijk gepijnigd; de beulen losten elkander af om haar te slaan en te folteren, en te midden harer smarten riep zij moedig: Ik ben christen. Den volgenden dag werd zij bij de openbare spelen aan een paal gebonden, om door de wilde dieren verscheurd te worden; geen dezer wilde haar naderen. Op don laatsten dag der spelen werd zij met een vijftienjarig jongeling ter schouwplaats gebracht; beiden moesten hun geloof afzweren. Doch bij hun kloekmoedig weigeren, riep het volk, dat men hen moest geeselen; beiden hielden moedig vol. De jeugdige Ponticus
â 47 â
bezweek onder de slagen. Blandina werd op allerlei wijzen gefolterd, ten laatste in ecu net gebonden eu een woedenden stier voorgeworpen. Deze wierp haar herhaaldelijk met zijne hoornen in de hoogte, doch nog was zij niet dood en herhaalde zaclit: Tk hen christen. Toen besloot men haar te onthoofden.
Ik ben christen, zoo moet ook gij denken als gij in aanraking komt met ongeloovige en onverschillige menschen. Ik ben christen, zoo denk als gij over geloof en godsdienst op verachtelijke en bespottende wijze hoort spreken. Ik hen christen, zoo spreek tot den valschen verleider, die u den schat des geloofs zoekt te ontrooven. Ik hen christen, dat beken moedig en standvastig als de misdaad u door beloften wil bedriegen en u liet kostbaarst kleinood nws harten, de heilige knischheid, zoekt te ontrooven, opdat gij, gelijk de H. Paulus zegt, een goeden strijd moogt strijden en met de H. Blandina de kroon moogt verwerven.
VII. Het sterke scliiid.
1. Dienstboden hebben een sterk schild noodig om pal te staan in de gevaren van
â 48 â
dit leven, en tegelijkertijd steeds moed te houden in alle omstandigheden. Dit schild zult gij vinden in een vast betrouwen op God. De heiligen hebben dit vertrouwen vergeleken
bij een sterken staf, die ons op onzen pelgrimstocht ondersteunt, bij een licht, dat ons verlicht in den duisteren nacht, bij een gouden lieten, die ons ten hemel trekt, bij bet schild, dat ons dekt en beschut, en gij, geliefde dienstboden hebt meer dan iemand dien stat, dat licht, dien keten, dat schild noodig.
2. Meer dan iemand hangt gij van God af'; misschien hebt gij vroeg uwe ouders verloren of' moeten verlaten en wellicht staat gij niet slechts alleen, doch daarbij nog in den vreemde. Vertrouw dan op God, en zeg: «Ãp Ã, Heer, heb ik gehoopt en in eeuwigheid zal ik niet beschaamd worden.quot; Gij zoekt een dienst, kunt er geen vinden, â gij hebt een dienst gevonden, welke u niet past, waarin gij uwe ziel zoudt verliezen; gij moet dien verlaten en gij weet hulp noch raad. Gij moet u een staat kiezen en kunt niet besluiten. Houd u vast aan de hand Gcds, vertrouw op Zijne hulp. Hij zal u niet verlaten. Heeft Hij zelfden naam niet aangenomen vau Vader der armen, veriatenen en weezen? Doe wat
â -4!) â
1
e gij kunt en God zal het overige doen.quot; God
li is en blijft altijd dezelfde. God sterft niet.
I. Hij voedt de musch en kleedt de lelie des
n velds. Vertrouw op God. Hij zal u niet
[. verlaten.
? YIII. De kroon en de boom des levens.
e 1. De heiligen hebben de liefde Gods steeds
f, de kroon aller deugden genoemd. De lieer Jezus zelf zegt: «Bemin God uit geheel uwe
id ziel, uit geheel uw hart, uit al uwe krachten,
i'S dit is het eerste en voornaamste gebod.quot;
it ^ aarin bestaat die liefde? De Zaligmaker
in antwoordt hierop kort en duidelijk: «Hij, die
5: mijne geboden nakomt, die bemint mij!quot; De
id H. Joannes, de Apostel der liefde, geeft het-
kt zelfde antwoord: «Hierin bestaat de liefde
bt Gods, dat wij Zijne geboden volbrengen. Mijne
in kinderen, laat ons niet beminnen in woorden,
311 docli met de daad en in waarheid!quot; De liefde
â ij bestaat derhalve niet in gevoelens van gods-
n. vrucht, doch in liet nauwkeurig vervullen van
:w den wil Gods en door eene steeds nauwere
;ft vereeniging met Hem.
er -⢠De 11. Theresia toont ons op zeer aan-
at schouwelijke wijze waarin de liefde Gods
4
â 50 â
bestaat. Zij zegt: rrDe liefde Gods is de boom des levens, die, gelijk alle boomen, zes verschillende bestanddeelen heeft te weten: wortel, stam, takken, bladeren, bloesem en vruchten. De wortel is hot vermijden der zonde; de stam beteekent liet standvastig streven naar deugd en volmaking; de takken zijn de verschillende goddelijke en zedelijke deugden; de bladeren zijn de bijzondere genaden, welke God den braven Christenen mededeelt; de bloesems zijn de heldhaftige werken van deugd; de vrucht is de vereeniging met God in leven, lijden en sterven.quot; In dit beeld der H. Theresia ziet gij alles wat de liefde vermag, het kort begrip der volmaaktheid.
3. Ik wil u nog eenvoudiger zeggen, wat de ware liefde tot God uitmaakt. 1. Houd ver van u het vergif, dat de ziel doodt, te weten de doodzonde. '2. Bewaar uwe ziel voor kleine ivonden, te weten voor dagelijksche zonde. 3. Trek de distels en liet. onkruid uit, dat is: strijd tegen de zwakheden uwer natuur, dan staat de wortel van uwen levensboom vrij en kan welig opgroeien en rijke bloesems en vruchten dragen.
â 51 â
1
IX. Het doodelijk vergif.
1. De zonde is hot vergif'der ziel, de dood-zoude is een doodelijk vergif. Hoe kan iemand die weet dat liij een doodelijk vergif in heeft genomen, gerust zijn? «Hoe iemand, die eene zware zonde op zijn geweten heeft, ooit opgeruimd en vroolijk kan zijn of ergens ge-
1 noegen in vinden kan, begrijp ik niet,quot; zegt
[ do II. Thomas. »Zoodra gij zondigt, zal de
straf u op den voet volgen,quot; leert ons de 3 H. Schrift reeds op r!e eerste bladzijden door
. het voorbeeld onzer eerste ouders en van Kaïn.
2. Zoodra gij gezondigd hebt, begint de r onrust; de zonde volgt u in uwen slaap, aan
tafel, op de markt, in huis, bij dag en nacht; t nooit hebt gij rust. Gij hebt vergif genomen,
^ gij verbrandt inwendig. Gij hebt geen ge-
e noegen in uw werk; gij zijt onaangenaam voor
.j^ u zelven en voor anderen, gij weet niet wat
iie u deert; gij hebt vergif genomen, gij zijt ziek;
t gij gevoelt eene zwaarte in uwe ledematen,
r het is u alsof een steen, of een looden plaat
m ' op uw hart ligt. Gij zijt opgewonden, koortsig, |1S rust en vrede zijn weg; gij kunt met anderen
n niet onschuldig vermaken, gij zit liever alleen, gelijk de eerste menschen, gelijk Kaïn, die vluchtte voor het aanschijn des Heeren.
En zoekt gij wellicht uwe onrust door verstrooiing, door ongeoorloofd vermaak te verdrijven, ach, liet vergif werkt in uwe ziel; bij zang en dans staat de zwarte schaduw uwer zonde op voor uwe ziel!
3. Waarom die onrust? Ach, wie wetens en willens eene zware zonde bedrijft, moet vele moeielijke stappen doen. Hij moet zijn geweten blind en doof maken en dit verzet zich daartegen; hij moet de steenen tafelen der tien geboden onder de voeten vertreden, hij moet de beloften breken, bij zijn Doopsel, bij zijne eerste H. Communie gedaan: hij moet alles vergeten en verachten wat hij ooit in huis of school goeds geleerd heeft. Dat zijn zware, moeielijke dingen. Hij stoot Ood van zich af, daagt zijn toorn uit, en vreest zelfs de hel niet. Dat zijn groote, gewichtige stappen. Ilij zegt Ood den dienst op en begeeft zich vrijwillig in den dienst van Satan. De zonde vergiftigt zijne ziel. Alle verdiensten door den mensch gedurende zijn geheele leven verworven, gaan verloren door eene enkele doodzonde, en zoo lang de zondaar zich in dien toestand bevindt, is hij niet in staat iets verdienstelijks voor den hemel te doen; voorwaar een verschrikkelijke toestand.
â 53 â
I
'i
T-
r_ 4. Alle ongeluk in deze wereld ontstaat
door dit vergit' uit de zonde. Vraag aan alle w ongelukkigen, â zij zijn ongelukkig geworden
door de zonde. Onder honderd menschen la hebben negentig hun ongeluk te wijten aan
Bt de zoude. Onkuischheid, onmatigheid, oneer-
jn lijkheid, luiheid voeren onvermijdelijk in het
Bt ongeluk. Pest, hongersnood, oorlog zijn de
,n gevolgen van dit vergif der zonde, zijn straffen
t| in Gods hand om de zondaars te kastijden.
I Eén verkeerde stap in de jeugd maakt vaak
;j het ongeluk van /iet geheele leven. O konden
;t wij de stem der verdoemden liooren, hoe
lt duidelijk zouden wij de gevolgen der zonde
,1 begrijpen.
X. De kleine wonden.
tt
ie 1. De ware getrouwheid aan (Jod bestaat
li hierin, dat men ook de kleine zonden ver-
n mijde. De kleine wonden zijn de zoogenaamde
e dagelijksehe zonden.
n De menseh valt dagelijks in kleine fouten
lt eti wat liet ergste is, hij let er niet op en
.; durft soms zeggen, dat men van dergelijke
zonden niet vrij blijven kan. Men snoept, praat, spreekt kwaad, oordeelt, lastert, let
niet te ernstig op do zonden tegen liet zesde gebod, men liegt, is weerspannig, driftig, brutaal, ongehoorzaam, hoogmoedig, traag, ijdel, pronkziek, zinnelijk in eten en drinken, enz. Men zondigt, hoewel slechts in kleine zaken, doch meer of minder vrijwillig; men zondigt en elke zonde, hoe klein ook is eene overtreding van (Jods wet.
â gt;. De doodzonde is het doodelijk vergif, dat de ziel doodt; door de doodzonde wordt de bijl aan den wortel van den boom gezet, door de dagelijksche zonde wordt de schors van den boom aangerand en hij begint te kwijnen. De dagelijksche zonde wordt mot eene ziekte vergeleken. De ziel, die met dagelijksche zonden bevlekt is, gelijkt een schoon gelaat, dat geheel met walgelijke zweren bedekt is. Door de dagelijksche zonde wordt langzamerhand het onderscheid tnsschen goed en kwaad moeielijk te erkennen, de neiging tot het kwaad wordt sterker, de liefde tot God koeler en zwakker, de geheele mensch onverschilliger voor deugd en godsdienst.
3. Het treurigste gevolg der dagelijksche zoude is, dat degene, die ze vrijwillig bedrijft, zonder den wil zich te beteren, langzamerhand, docli zeker in zware zonden vallen zal.
Een meisje, dat in een winkel dient en altijd snoept, zal weldra stelen, en wie proeft van sterke dranken of likeuren, zal aan den drank geraken, en wellielit reddeloos verloren gaan. Wie voortdurend om kleinigheden liegt, zal later ook een valschen eed durven zweren. Wie gaarne behaagt, zal gemakkelijk vallen. Wie lichtzinnig is ten opzichte der deugd vau zuiverheid, zal weldra de onschuld verliezen. Wie dubbelzinnige woorden spreekt, zal weldra schaamteloos zijn. Daarom waarschuwt de H. Geest .. Wie liet kleine niet acht, valt weldra in het groote.quot; De ondervinding bevestigt dit onophoudelijk! O, konden zij spreken, die zoo diep gevallen zijn! â Lot daarom op uwe kleine fouten, bestrijd ze dagelijks, behoud u een teeder geweten en heb steeds den ernstigen wil om nooit wetens en willens eene dagelijksche zonde te bedrijven.
Xï. Distels en onkruid.
1. Ieder mensch heeft eëne zwakke zijde. Zelden vindt men iemand, die volkomen gezond is: de ééne klaagt over zijn hoofd, een ander [over zijne oogen, een derde over zijn
â 56 â
voet, enz. En zoo men hierop niet let, kuunen daaruit zware ziekten ontstaan, die den dood tengevolge kunnen hebben. Ook de ziel heeft hare zwakke zijde, hare kwade neigingen. Deze zijn te vergelijken bij de distels en het onkruid: de eenè is geneigd tot lichtzinnigheid; deze tot verkwisting, de andere tot gierigheid. De eeno is te week, de andere te hard. Worden die fouten niet bestreden, dan veroorzaken zij ons veel kwaad. Het zijn zaadkorrels, waaruit giftplanten ontstaan , het zijn wilde stammen, waarop edele looten moeten geënt worden. Het zijn distels en onkruid, dat langzamerhand de geheele ziel overdekt, en het goede zaad verstikt. Wij weten hoe de heiligen tegen die natuurlijke neigingen gestreden hebben. De H. Ignatius was zeer driftig van natuur en werd zoo zachtmoedig, dat hij zich nooit meer door zijn drift liet overmeesteren. De II. Franciscus van Sales, die ook zeer driftig van karakter was, werd een toonbeeld van geduld en zachtmoedigheid.
2. Onderzoek de neigingen van iw hart en bestrijd de onvolmaaktheden uwer natuur. Verander lichtzinnigheid in ernst, zwaarmoedigheid in vroolijkheid, verkwisting in spaarzaamheid, gierigheid in milddadigheid, zinne-
â 57 â
lijkheid in versterving, praatzucht in stilzwijgen. Dan zult gij de bron van vele zonden en fouten uitdrogen, want de duivel valt den menscli steeds aan de zwakste zijde aan. Zijt gij lichtzinnig en uitgestort, dau zal hij u in kwade gezelschappen brengen en wellicht zijt gij reeds don eersten keer verloren. Strijdt gij echter tegen uwe kwade driften, dan zal God u bijstaan en u de valstrikken van Satan toonen. Ziet gij die, dan zijt gij gered.
XII. Blijf getrouw aan uwe oefeningen van godsvrucht.
1. De zonde vermijden, de onvolmaaktheden bestrijden, naar deugd en volmaaktheid streven, de ziel vormen naar liet voorbeeld van Jezus Christus, is de plicht van eiken christen; doch liet is eene groote, zware taak, die wij zonder Gods yenade niet kunnen volbrengen. Deze is ons beloofd, doch wij moeten ze vragen, wij moeten er om bidden. Zoo heeft God het beschikt. Wie niet bidt, leeft of valt in zoude. Waar het gebed begint, houdt de zonde op; het gebod behoedt ons in liet gevaar, geeft ons kracht in zwakheid, troost in beproeving, licht in duisternis, raad
â 58 â
in den nood, ja, het gebed is de ster in den nacht des levens; het is, gelijk de heiligen zeggen, de sleutel des hemels.
2. quot;Wees dus vooral getrouw aan uwe oeie-ningen van godsvrucht. Gij zijt den geheelen dag druk bezig, gij hebt misschien een zwaren dienst; zoek dus 's morgens vroeg uw hart tot God te richten en doe eerbiedig uw morgengebed. Doet gij dit niet eerst en vooral, stelt gij liet uit, dan zult gij het slecht doen of geheel vergeten. De eerste dienst van den dag behoort aan God, want Hij is onze eerste en opperste Heer.
Misschien kent gij een morgengebed van buiten, docii nog beter is het, dat gij geknield, eerbiedig, rustig en langzaam het uit een kerkboek leest. Let hierbij op twee zaken. Maak altijd een vast besluit tegen een ot'ander gebrek te strijden, vooral tegen uw hoofddrift -â en vergeet de goede meening niet. Dan hebt gij voor den geheelen dag een bepaald doel voor liet heil uwer ziel, en gij maakt door de goede meening alle, zelfs uwe kleinste werken verdienstelijk voor den hemel en verandert ze in goud en edelgesteenten voor uwe eeuwige kroon.
Zeg daarom: Alles wat ik heden zal doen.
â 59 â
laten ot' lijden, alles, ter eere Gods, uit liefde tot God, omdat, gelijk, wanneer God liet wil. Gods eer, Gods lieide, Gods wil zijn de beweegreden van uw doen en laten. Herhaal deze meening dikwijls door den dag, vooral wanneer gij iets te verrichten hebt, dat zwaar of moeielijk valt of als de moed u ontzinkt.
3. De laatste oogenblikken behooren, zoowel als de eerste, aan God. Wellicht zijt gij 's avonds moede, zeer moede, vooral als gij tot laat in den nacht hebt moeten werken. Nochtans moet gij den goeden God eenige oogenblikken toewijden en uw avondgebed eerbiedig verrichten. Het is natuurlijk raadzaam dit geknield en eerbiedig te doen alvorens gij te bed gaat, want anders zult gij u dooiden slaap laten overmeesteren; ook moogt gij nooit vergeten bij uw avondgebed mo geweten te onderzoeken, en een blik te werpen op al de uren van uwen dag en in hoever gij gezondigd hebt. Vraag u ook al ot gij het goede voornemen, dat gij 's morgens gemaakt hebt. getrouw hebt nagekomen.
4. De ondervinding heeft geleerd, dat dienstboden, die getrouw hunne oefeningen van godsvrucht vervullen, ook getrouw zijn in hunne beroepsplichten. Waar morgen- en
\
â 60 â
avondgebed verzuimd wordt, wordt de godsdienst reeds vergeten. Lichtzinnigheid en onverschilligheid doen het gebed minachten, een slecht geweten vreest en versmaadt het; want men kan zich niet meer met God onderhouden, Hem zijne zonden belijden en besluiten zich te. beteren.
XIII. Gij moet den Zondag heiligen.
Toen God een rustdag instelde, dacht hij aan de dienstboden. Heeft Hij aan u gedacht, dan moet gij ook aan Hem denken en den Zondag op eene Hem waardige wijze vieren. De Zondag is toegewijd aan God, aan rast en uitspanning. Hoe verstaat gij dit?
1. Zes dagen der week zijn voor den arbeid bestemd, do zevende moet God gewijd zijn. Zes dagen voor den dienst uwer heereu, een dag voor den dienst van den Opperheer. Waarin moet deze laatste bestaan!' De Kerk heeft hierin uitspraak gedaan. Zij beveelt, dat de Katholiek de H. Mis hoore, en. om dit gebod goed te vervullen, moet gij de H. Mis geheel en aandachtig bijwonen. Uw dienst zal waarschijnlijk medebrengen, dat gij naar de vroegmis moet gaan. Zorg dat gij er bij tijds
â 61 â
zijt, want gij moet de geheele II. Mis hooren. Men dwaalt, als raon meent geheel vrij te zijn van zonde als men bij liet Evangelie, ja voor de Offerande in de kerk komt. Tot de II. Mis belioort de geheele heilige voorstelling, van het oogenblik, dat de priester aan het altaar treedt, tot dat, waarop hij dit verlaat. Men is in dit punt vaak zeer onverschillig en nalatig.
2. Gij moet de H. Mis met aandacht hooren? dat is gij moet denken, wat de H. Mis is. Naar de H. Mis gaan is den Kalvarieberg beklimmen. Waar zijt yij gedurende de H. Mis? â oj) den Kalvarieberg. Wie is daar? De Zaligmaker zelt', werkelijk, waarachtig, wezenlijk, persoonlijk. Wat doet hij? Hij offert zich, gelijk eens op Kalvarie, voor onze zonden op. En gelijk Hij daar op het kruis werd opgeheven, zoo wordt bij de H. Consecratie zijn Lichaam in de II. Hostie en zijn Bloed in den kelk opgeheven. Daar wordt u toegeroepen: «Zie het Lam Gods dat zich opoffert voor uwe zonden en die der geheele wereld.quot; Eu als gij daaraan denkt, hoe kunt gij dan slapen, hoe kunt gij u bezig houden met zoovele aardsche, soms slechte gedachten; naar dwaze dingen rondzien, als naar mode, hoeden, kleederen, mantels, enz. Is het niet kinder-
â 62 â
ij
achtig, dwaas, God aldus voor nietige zaken C
te vergeten. Slechts dén half uur duurt de o
H. Mis, en dat half uur moet God geheel ti behooren, moet oprechte godsdienstoefening
zijn. Uwe meesters verlangen dat gij nauw- 1
keurig let op keuken, kelder, kamer, enz. Dit t
moet gij trouw volbrengen zes dagen in do i
week. De Kerk vraagt dén half uur, dus ]
moet gij dit half uur ten minste getrouw aan God toewijden!
3. Gij moet de Mis met aandacht hooren: dat is, gij moet bidden. Kniel om uwe verstrooidheid en zwakheid ter hulp te komen, kniel en volg aandachtig al de deelen der H. Mis met behulp van een goed gebedenboek.
Men kan ook zijn hart laten spreken, doch hoofd en hart gaan zoo licht samen op den loop; de Mis is zoo spoedig uit en dan is men overal geweest, behalve in de H. Mis. Met de misgebeden laten zich zoo licht dankgebeden vervoegen voor ontvangen weldaden, beden om zegen voor de volgende weck, gebed voor bijzondere gelegenheden, voor uwe ouders, uwe meesters, voor de belangen der H. Kerk. Op de dagen, dat gij het geluk hebt ter Communie te gaan, kunt gij de
Communie-gebeden verrichten. En als gij n op deze wijze bezig houdt, zal de tijd u niet te lang, dofh te kort vallen.
4. Het is een streng gebod Zondags de H. Mis bij te wonen. Wie uit strafbare nalatigheid of uit verachting Zondags de Mis verzuimt, begaat eene zware zonde. Of gij bij Katholieken of Joden dient, of er veel of weinig werk is, zoo zijn uwe meesters verplicht u Zondags naar de H. Mis te laten gaan. In de groote steden is liiertoe 's morgens vroeg genoegzaam gelegenheid; hierin moet gij u naar het goedvinden van uwe meesters voegen. Zijt gij gewoon ook op werkdagen naar de II. Mis te gaan, zijt gij stipt in huis om alles nauwkeurig in orde te hebben wat men van u verlangt, zoo is dit zeer prijsbaar, want aan het bijwonen der 11. Mis zijn vele genaden verbonden. In liet algemeen beschouwd kon een veel grooter getal dienstboden dagelijks ter kerk gaan. Zorg ook des Zondags de preek of christelijke leering bij te wonen, waartoe voor- of namiddag gelegenheid bestaat. Een dienst, waar men nooit gelegenheid heeft het woord Gods te hooren, is niet aanbevelenswaardig. Geschiedt dit echter door uwe onverschilligheid of traagheid, dan is uwe ziel in
â 64 â
guen goeden staat. Gij zijt in zonde of zult in zonde vallen. En om nut hieruit te trekken, moet gij gedurende de week de preek nog eens herdenken.
5. Vermijd des Zondags ounoodigen, slafe-lijken arbeid. Beperk u tot het noodige. Zorg van het begin der weekquot; alles zoo te regelen, dat gij Zondags vrij zijt. Gij moogt ook met billijkheid van uwe overheden verwachten, dat zij u Zondags niet met werk zullen overladen. Vaak vragen dienstboden ol' zij Zondags hare kleederen mogen naaien en herstellen, en zich met naaien en breien mogen bezig houden. Behalve uit nood, is dit af te keuren. Het gebod des Ileeren luidt, dat men Zondags moet rusten. Rust dan ook. Het is zeker goed uit spaarzaamheid zijne kleederen te onderhouden en die zelve te herstellen, doch zijt gij vlijtig en flink, dan vindt gij daartoe in de week wel tijd, en uwe meesters zullen u dit gaarne toestaan.
6. Vlied zondige vermaken. Zondags zondigen is den duivel dienen in plaats van God. Zondigt gij Zondags, dan ontheiligt gij den dag des Ileeren en uwe zonde wordt te zwaarder. En toch worden, helaas! Zondags zoo vele zonden van onzuiverheid, onmatigheid enz.
bedreven. Wees daarom voorzichtig indien gij verkeering, kennis hebt. Vlucht de openbare danspartijen, zij zijn het graf' der ziel. Daar verzamelen zich de meest bedorven menschen. titel uwe eer en fatsoen te hoog om ooit een voet in dergelijke vergaderingen te zetten. Zoo gij den Zondag heiligt volgens den geest der Kerk, dan zijt gij voor al dergelijke gevaren gevrijwaard. Ook raad ik u aan, des avonds een goed boek te lezen, en wel bijzonder De Navolging van Christus van Thomas a Kempis. Zie, aldus zal de Zondag met recht voor ii de dag des Heeren wezen.
XIV. Het H, Sacrament der Bieclit.
1. Do Biecht verzoent God, verheugt de engelen, beurt het hart op, verlicht het geweten. De H. Bonaventura noemt de Biecht de ladder des hemels; derzelver sporten zijn gewetensonderzoek, berouw, voornemen, biecht, voldoening. Zij begint op aarde en reikt tot den hemel. In dit II. Sacrament, door do liefde Gods ingesteld voor liet arme, zondige menschengeslacht, krijgt gij de verloren heilig-makende genade terng, zoo gij die verloren hebt, terwijl u terzelfder tijd werkelijke genade
â Ge
wordt geschonken om uwe bijzondere zonden en hartstochten af te leggen. In dit H. Sa-erament vindt gij een meester, die u liefdevol onderricht, een geneesheer, die u geneest en uwe ziel, zoo zij dood is, weder opwekt; een raadgever, waarop gij kunt vertrouwen, een vaderlijk vriend, wien gij al uwe geheimen moogt mededeelen. Doch gij kent dit H. Sacrament, en weet hoe dikwijls gij deszelfs zegeningen hebt ontvangen, en zegt wellicht zelve dat dit Sacrament u heeft behoed in üToote gevaren, u heeft gered, u voor /waarderen val bewaard heeft. Imi allen, die gedurende hunne jeugd de deugd der onschuld bewaard hebben, zijn dit meestal verschuldigd aan hot H. Sacrament der Bie-ht.
â¢2. Ontvang derhalve het H. Sacrament der TUecht fjereyeld, ueldicj, waardin. Ker/elmatici, dat is op vastgestelden tijd: t/eldi;/, dat is, doe alles wat tot het ontvangen van dit TT. Sacrament vereischt wordt, wees oprecht in de biecht en verwek een oprecht berouw; waardifj) dat is met ingetogenheid en aandacht, gelijk liet een 11. Sacrament past. Dienstboden, die dit H. Sacrament verachten, zijn in een zeer bedenkelijken toestand; of zij leven in zonde en willen zich daarvan niet beteren, of zij
â 07 â
zullen in zonden vellen. .Misschien spotten liclitzinnige vriendinnen er mede. wellicht iraclit een verleider u er van te verwijderen, ten einde u aldus in zijne strikken te vangen. Laat ii door dit alles niet verblinden. Wilt gij uwe ziel redden, zoo noem uwe toevlucht tot dit H. Sacrament.
XV. Eenige wenken en raadgevingen.
1. Vraagt gij hoe dikwijls gij te biechten moet gaan, zoo verstaat liet zicli van zelve, dat gij zoodra mogelijk moet gaan als gij in eene zware zonde zoudt gevallen zijn. Dat geval uitgezonderd, hangt het van uwe omstandigheden af; zeker is het zeer aan te raden alle maanden te biechten te gaan; doch gij moet hiertoe verlof vragen aan uwe meesters, want zij hebben het recht om te weten, waar gij zijt. Kunt gij op de feestdagen der H. Maagd, op de feestdagen van liet H. Hart enz. gaan, zoo is dit voor u een groot voorrecht, doch gij moet u ook tevreden stellen als gij hieraan het offer moet brengen, en een anderen dag kiezen. Langer dan twee maanden uitstellen is niet goed. De acht- of veertiendaagsche biecht hangt af van liet oordeel van uwen
â 08 â
biechtvader, waaraan gij u geheel moet onderwerpen.
2. Kies u een vaaten biechtvader; liet loopen van den een naar den ander is niet goed. Wees oprecht jegens uw zielbestierder; maak hem bekend met uwe fouten, uwe neigingen , uwe gewoonten, uwe driften, uwe bekoringen, uwe zwakheden, uwe gedachten eu wenschen. Deel hem uwe gevaren, uwe zwarigheden, uwe twijfelingen mede, alsook de bijzondere omstandigheden, die van belang zijn voor uw tijdelijk en eeuwig geluk. Weet gij vaak geen raad, zoo wend u tot hem. Gij Iiebt nog geene ondervinding; de wereld lacht u toe, gij droomt u rozen, waar slechts doornen zijn. Vraag hem bijzonder om raad in het kiezen van eenen staat. Doch ga dan niet met uwe huisgenooten of vrieudinnen over uwen biechtvader spreken. Laat wat hij u zegt, een geheim zijn tusschen u en hem of beter tusschen u en God, wiens plaatsbekleeder hij is.
XVT. De H. Communie.
1. liet gebed is de ademtocht, de Biecht liet geneesmiddel, de H. Communie de spijs der ziel. Zonder deze spijs kunt gij uwen
â G9 â
pelgrimstocht niet gelukkig volbrengen. De H. Commnnie, zegt de H. Bernardus, .bewaart ons voor de doodzonde en vermindert de nei-giug tot dagelijksehe zondenquot;. De Heiligen zeggen van de H. Communie: zij houdt het geweld van .Satan terug en weerhoudt zijne jiijlen ver van ons. Zij verandert de vreesachtige!! iu leeuwen; zij geelt ons moed tot strijden. Zij doet ons verkeeren met de eugelen, maakt ons deelachtig aan de gemeenschap der heiligen. Het is de wijn, die maagden kweekt, de tarwe der uitverkorenen: zij vereenigt ons met Jezus, gelijk de rank met den wijnstok. Zij legt in ons de kiem der onsterfelijkheid en toekomende glorie.quot;
2. Hoe dikwijls moet gij de H. Communie ontvangen? Hier geldt weder hetzeltde wat wij omtrent de Biecht zegden, doch om de H. Communie te ontvangen, moet gij vrij zijn van alle zonden en zooveel mogelijk ook van dagelijksehe zonde. Communiceert gij dikwijls, dan moet gij den ernstigen wil hebben om de vrijwillige dagelijksehe zonde te vluchten en de onvolmaaktheden uwer natuur te bestrijden. Het is ontstichtend, als men dikwijls de H.H. Sacramenten ontvangt en in zijn dienst eigenzinnig, luimig, lichtgeraakt, weerspannig,
â 70 -
praatziek, leugenachtig, nalatig, ongedienstig is. Dat is geene deugd: zulk een gedrag maakt de godsvrucht verachtelijk en af\eerig. Doch zoo gij om uwe godsdienst u verheft boven anderen, oordeelt cn veroordeelt, weet dan wel dat er geen vonkje godsvrucht in n bestaat en uw val nabij is. Indien gij met andere dienstboden samen dient en eenigen willen de H. Communie ontvangen, dan moet gij in liefde en vrede u met elkander verstaan en gij moet gaarne de minste zijn en bereid een anderen dag te gaan, zoo liet zicii anders niet laat schikken. Kleed u bij deze gelegenheid zindelijk en fatsoenlijk, doch wacht n wel meer aan den tooi mvs lichaams, dan aan de inwendige versiering uwer ziel te denken. Versier uwe ziel met geloof, hoop, liefde, berouw, ootmoed, verlangen, en maak zorgvuldig gebruik van de kostbare oogenblikkeu na de H. Communie, om al uwe aangelegenheden, verlangens, behoeften, den Heer door een vurig gebed aan te bevelen.
3. Grod beware u voor eene onwaardige Communie. Zij is heiligschennend als gij met eene doodzonde tot de Tafel des Heeren zoudt naderen, als gij die vrijwillig in de Biecht verzwegen, als gij geen berouw over uwe
â 71 â
zonden kebt gehad, als gij den wil niet hebt liet onrechtvaardig verkregen goed terug te geven, als gij wel met den mond beloofd hebt de naaste gelegenheid tot zondigen te vermijden, doch in uw hart het voornemen hebt dit niet te doen. Men zou nauwelijks durven denken, dat iemand met eenc doodzonde op het geweten tot de 11. Taiel zou durven naderen, â en nochtans geschiedt dit. De onwaardige Coin-munie is eene vreeselijke misdaad. \V ie onwaardig communiceert, is gelijk aan Judas, die zijn meester verraden heeft. Satan voer in zijn hart. De onwaardige Communie is een moord begaan aan zijne eigene ziel, want: »Wie onwaardig eet eu drinkt, eet en drinkt zijn eigen oordeel, niet onderscheidende het Lichaam des lleeren.quot;
XVII. Godsvrucht tot de II. Maagd eu de Heiligen.
1. Een waar kind der Katholieke Kerk eert en bemint .Maria. Jezus en Maria gaan in de Katholieke Kerk hand aan hand. Hoe zouden wij Haar niet eeren, die door de II. Drievuldigheid zoo hoog vereerd wordt, als Dochter van God den Vader, Moeder van
â 72 â
(rod den Zoon, Bruid van God den H. Geest, het begin onzer zaligheid, de vreugde der engelen, de Koningin des hemels en der aarde.
De Kerk begint den dag niet hot luiden van den Ktiyel des Hweti, tot vereering van Maria. Zij heeft liet .Wees gegroetquot; zoo nauw verbonden met het «Onze Vaderquot;, dat het als ëén gebed geworden is, en men zelden liet eene zonder het andere bidt. Zij heeft don Rozenkrans toegewijd aan de vereering van Maria, en dit gebed dringend aan de geloovigen aanbevolen. Een dag in de week, de Zaterdag, is Maria toegewijd. Als vriendelijke sterren glinsteren, de feesten van Maria aan den hemel der H. Kerk. Aldus wordt de voorzegging van Maria-zelve vervuld: Zie, roortaan zullen alle geslachten mij zalirj noemen.
2. «Aanzie de ster. aanroep Mariaquot;, zegt de H. Bernardus. Het is nooit geboord, dat iemand verloren is gegaan, die hare voorbede heeft ingeroepen. In nood, in gevaar, in verleiding, in bekoring, in twijfel, in kommer, in angst, in droefheid, in leven, in sterven, aanroep Maria. Doe ook datgene wat de H. Kerk ter eere van Maria goedgekeurd en aanbevolen heeft. Bid eerbiedig den Em/el des Heer en. Heb uw rozenkrans lief, bid dien gaarne.
â 73 â
Elke goede dienstbode moet een rozenkrans hebben; deze moet in mv kamertje uw troost, uwe vreugde zijn; eene bedevaart ter eere der H. Maagd, bijzonder bij gewichtige gelegenheden, is aanbevelenswaardig, zoo uwe meesters u dit kunnen toestaan. Woon zooveel mogelijk de Mei-oefeningen bij. Laat u inschrijven in broederschappen ter eere van Maria. Vier blijde hare feestdagen, en ontvang zoo mogelijk dan de H.M. Sacramenten. Doch gij moet vooral Maria kiezen tot spiegel van uw levensgedrag. Hoewel onbevlekt ontvangen, kon zij zondigen; zij heeft het niet gedaan: zij is de volkomen reine, zuivere, vlekkelooze dienstmaagd des Heeren; Zij heeft geene doodzonde, geene dagelijksche zonde, geene onvolmaaktheid begaan. Zij is de spiegel dei-rechtvaardigheid , de lelie der zuiverheid. Houd die lelie voor oogeu en gij zult gelukkig alle gevaren der jeugd trotseeren.
Eer ook den H. Jozef, den beschermer der jeugd; eer uw engelbewaarder, en verkeer reeds hier beneden gaarne in liet gezelschap der heiligen, waarmede gij eenmaal in den hemel hoopt te leven.
â 74 â XVI11. Eenige bemerkingen.
Er zijn vele oefeningen van godsvniclit. De Kerk heelt gezorgd voor al de behoeften harer kinderen. Door hare veelvuldige broederschappen en vercenigingen is veel goeds gesticht. In zooverre zij door de II. Kerk goedgekeurd zijn, zijn al deze oefeningen goed, doeli men kan aan alle geen deel nemen. Hierdoor zou het godsdienstig leven oppervlakkig en werktuigelijk en wellicht geheel uitwendig worden, en het ware godsdienstig leven verdringen. liet is goed tot eenige broederschappen te behooren, bijv. tot die van liet H. Hart van Jezus, van het H. Hart van Maria, van O. L. Vr. van het H. Hart, waarvan de verplichtingen zeer gemakkelijk te vervullen zijn; ook is het goed tot enkele genootschappen te behooren, bijv. tot de Congregatie der H. Maagd, doch de hoofdzaak is of dit alles zich met de plichten van uwen dienst laat voreenigen: of uwe overheden goedvinden u deze vergadering te laten bijwonen? Overlaad u derhalve niet met vrijwillige oefeningen van godsvrucht, en bedenk ook dat gij ii zonder toelaten van uw biechtvader geene uitwendige werken van versterving, vasten, moogt opleggen.
'2. Gelijk gij weet, zijn er vasten- en ont-houdingsdagen door de II. Kerk ingesteld. Tot liet derven van vleeschspijzen op de bepaalde dagen zijn ook kindereu, minstens boven de zeven jaar, verplicht; zoo ziekte, bijzondere omstandigheden ot' het voorschrilt der geneesheer het niet gebieden, moogt gij op die dagen geen vleeseh gebruiken. Dit moet gij ook doen al zoudt gij ook wonen bij lieden die ot' niet katholiek zijn ot' zich om hot gebod der Kerk niet bekommeren. Ook bij joodsche of' protestantsche meesters moet gij daarin standvastig zijn. De veertigdaagsche vasten, de vastendagen in den Advent, voor de Hoogtijden des jaars, op de Quatertemperdagen zijn voorschrift der Kerk en streng verplichtend voor elk Katholiek, die 21 jaar oud is. Deze vastendagen moet gij honden, zoo uwe lichamelijke kracht dit toelaat. Doch hebt gij een zwaren dienst, zoo vraag uw biechtvader om raad, doch nooit moogt gij onverschillig zijn voor den vasten, en moet gij door kleine verstervingen, datgene zoeken aan te vullen, waarin gij wellicht in gebreke moet blijven.
3. Beloften zijn goed en God zeer welgevallig, doch de II. Schrift zegt: Hater niet
heioven, (lan zijne beloften niet nakomen. Wees dus zeer voorzichtig, doe geene beloften zonder uwen biechtvader te raadplegen. De beloften van niet te trouwen, de heilige zuiverheid te bewaren, in het klooster to treden, sluiten eene zware verplichting in zich. Indien gij later van ineening verandert, kunnen deze beloften, welke u ter volmaaktheid moesten geleiden, eene bron van vele zonden worden; on om u te doen ontslaan, zoudt gij vele zwarigheden ontmoeten, want de H. Kerk moet gestreng eischen, dat eene belotto aau (iod-zelven gedaan, ook gehouden wordt. Raadpleeg dus altijd eerst uw biechtvader. Goede voornemens zijn geene beloften, die moogt gij altijd maken en God aanbieden.
DE DIENSTBODE ALS DIENAAR ZIJNER MEESTERS.
I. D3 dienaar zijns meesters.
Je ])lichten jegens ' iod zijn alsenieene plichten, welke alle menschen zonder onderscheid moeten vervullen om zalig te kunnen worden. Buitendien zijn er staats- en beroepsplichten overeenkomstig met den stand, waarin (ïod ons geplaatst heeft. De dienstbode heelt ook zijne bijzondere plichten, hem door Gods vinger aangewezen, en van de getrouwheid in het vervullen dier plichten, hangt zijne tevredenheid, zijn welzijn, zijne waarde, zijne deugd en wat liet voornaamste, zijn eeuwig geluk at'.
1. De eerste plicht der dienstboden is: Hunne meesters te achten. Gij behoort tot het gezin, gij zijt lid, ja kind des huisgezins. Als lid van het gezin, moet gij achting hebben voor den regel des huizes; uwe meesters be-
â 78 â
schouwen als uwe overheden; als kind van liet gezin, liebt gij dezelfde plichten te vervallen welke liet vierde gebod den kinderen oplegt. Daarom zegt de H. Schrift: Uat de zoon zijnen vader en de dienaar zijnen heer eere. Goede meesters bekleeden werkelijk bij u de plaats uwer ouders. Gij zijt jong, onervaren, misschien ouderloos; nu zijn hot uwe meesters, welke over u waken en voor uw tijdelijk en eeuwig welzijn zorgen. Uwe meesters staan boven u in jaren, stand, rang en waardigheid. Daarom is uw eerste plicht: uwe meesters te achten, en te eer en.
'i. Gij moot lien eereu in het hart, in woorden en in werken. Vereer ze in uw hart als plaatsvervangers van God, als uwe overlieden, als uwe tweede ouders; veracht, be-oordeel hen niet, verhef u niet boven hen. Wacht u wel hen op onbeleefde, ruwe, brutale wijze toe te spreken, bij de geringste aanleiding smadelijk te antwoorden, bijtende, schimpende bewoordingen te bezigen. Wees in uw gedrag steeds fatsoenlijk, bescheiden, ootmoedig, zedig. »De bescheidenheid,quot; zegt de II. Bernardus, ⢠verleent aan elke deugd regel, maat, sieraad en bestendigheid.quot; Vermijd in uwe gebaren, gelaat, houding alles, wat naar verachting.
onverschilligheid, afkeer zweemt. «Komt elkander liefderijk te gemootquot;, zegt de Apustel. AVacht u dus voor drift en toorn, want in zulke oogenblikken vergeet de mensch zicli-zclven, en weet niet wat liij zegt en doet.
3. In den omgang met andere dienstboden en vreemde lieden moet gij vooral dezen eerbied voor uwe meesters toonen. Het is zeer hatelijk, als dienstboden bij elke gelegenheid hunne meesters iu de achting van anderen zoeken te verkleinen, hunne kleinste fouten opmerken, die vergrooten, in een valsch daglicht plaatsen, altijd over hunne meesters praten en hunne eigene fouten verzwijgen.
Aangenomen dat de meesters niet goed zijn. zoo zijt gij daarom niet van den plicht ontheven. hen als uwe overheden te eerbiedigen. Zij zijn en blijven uwe overlieden, zoowel als slechte ouders toch altijd ouders blijven. â Daarom zegt de II. Petrus uitdrukkelijk: (iij dienstboden, eerbiedigt uwe meesters, wees onderdanig niet alleen aan de goeden en zacht-moedigen, doch ook aan de slechte.
Eerbied jegens de meesters is de eerste plicht en deugd der dienstboden, waarop allo andere als op vasten grondslag gevestigd zijn.
â 80 â
II. Schaduwbeelden.
Niet zeldzaam hoort men de klacht, dat de dienstboden in de noodzakelijke achting voor hunno meesters te kort schieten. Zij is, helaas! maar al te gegrond. De achting voor het gezag is op eene in het oog springende wijze gedaald. Geringschatting van overlieden, van welken rang, ambt, stand ook, is eene algemeene kwaal, eene ziekte der jeugd. Kinderen treden op als volwassenen, zijn tot verbazing toe vrij, onbescheiden, brutaal. â Dienstboden, die nauwelijks de kinderschoenen hebben uitgetrokken, zijn vrij en onbeleefd jegens hunne meesters, matigen zich veel aan, geloovea alles beter te weten, én veroorloven zich uitdrukkingen waarover men verbaasd staat. Goede raad wordt hoogmoedig versmaad. Waarin ligt de grond van dit kwaad? In den boozen geest van den tijd, die geen ootmoed kent. In do verkeerde, wereldsche opvoeding, in het gebrek aan waren godsdientzin.
2. De dienstboden klagen soms dat zij hunne meesters niet kunnen achten, en somtijds is deze klacht gegrond. Als de huisheer, de huisvrouw hunnen godsdienst niet naleven, zullen zij de achting hunner ondergeschikten
â 81 â
niet verwerven. Zal dan ware achting tussohen meesters en dienstboden bestaan, zoo moet men van weerszijden die zoeken te verdienen. Als lieer en dienaar denken volgens de lessen die het geloof' ons geelt, dan is de wederzijd-sche achting verzekerd. De ware deugd verwerft achting. Zij dwingt die af'.
III. Gij moet uwe meesters beminnen.
1. Gij zult uwe naasten liefhebben, gelijk ii zeiven! aldus luidt 's 1 loeren gebod. Als gij in dienst zijt, dan zijn onder alle mede-mensehen uwe meesters u het naaste. (!ij woont met hen onder één dak, gij gaat dagelijks niet hen om, gij zijt lid van het gezin; zoo gij waarlijk christelijke gevoelens hebt, dan ziet gij in uwe meesters uwe rechtmatige overheden, de plaatsvervangers van (Jod. Cij zijt hun liefde, ja dubbele liefde schuldig ais zij werkelijk goed voor uw eeuwig en tijdelijk welzijn bezorgd zijn, bijzonder als gij ouderloos zijt en zij do plaats uwer ouders bekleeden, u bewaken, u goeden raad geven. De liefde alleen legt den grondslag tot de goede verstandhouding tusschen meesters en dienstboden,
6
â 82 â
zonder liefde zult gij uwe plichten jegens hen nooit naar geweten vervullen.
2. De Apostel Panlus schildert de liefde in deze sclioone woorden: »De liefde is geduldig, zachtmoedig, goedhartig; zij benijdt niet, zij handelt niet onbescheiden, zij is niet opgeblazen, zij is niet eerzuchtig, zij is niet baatzuchtig, zij laat zich niet verbitteren, zij denkt geen kwaad; zij verheugt zich niet over het onrecht, verheugt zich over de waarheid, verdraagt alles, gelooft alles, hoopt alles, lijdt alles!quot; Ziedaar al de goede eigenschappen eener dienstbode, die hare meesters lief heeft.
Indien gij uwe meesters bemint, dan zult gij hun al het goede, dat gij u zeLven toewenscht en doet, ook hun wenschen en doen. Daarom zult gij bezorgd zijn voor liet tijdelijk welzijn uwer meesters; gij zult elke schade ran lien afwenden, hun alle voordeel zoeken te verschaffen, frij zult u verheugen als hunne zaak bloeit, gij zult in den winkel de klanten zoeken tc believen, te lokken, tc behouden. (rij zult in de keuken door spaarzaamheid, door goed overleg hun voordeel verschaffen. (Jij zult hun deelneming bewijzen, als wellicht liet werk ontbreekt, de zaak achteruit gaat, tegenspoed overvalt, de familie in gevaar is
â 83 â
ten gronde gericht te worden. Gij zult des ie spaarzamer zijn, als misschien de heer verkwist, de vrouw met een aantal kinderen blijft zitten en het gezin het verderf'tegemoet gaat.
4. frij moet voor de eer en den goeden naam uwer meesters bezorgd zijn, daarom zelve geen kwaad van hen spreken en niet dulden dat anderen hen aantasten. Goede kinderen verdedigen hunne ouders, goede dienstboden hunne meesters. Zij echter, die hunne meesters boosaardig belasteren, hunne eer en goeden naam aanranden, nadeclige geruchten verspreiden, achterdocht opwekken, argwaan verspreiden, bezondigen hunne ziel en stichten dikwijls groote onheilen. Hebben uwe meesters werkelijke gebreken, zoo moet gij die met liefde bedekken en er nooit over spreken.
5. Do liefde kenteekent zich door offers. Er kunnen gevallen voorkomen, dat gij een offer brengen moet. De familie wordt bijv. door langdurige, zware ziekten beproefd: eene veeleischende, zorgvuldige oppassing is noodzakelijk; gij moet waken, enz. Hier moet de liefde offers brengen, en hoe dikwijls is in zulke gevallen de getrouwe dienstbode de beschermende engel geworden. Welke treffende
â 84 â
voorbeolden van oprechte zelfverlooeliening vinden wij niet onder de dienstboden!
(!. De ware liefde denkt vooral aan het eeuwig geluk der overheden, en wel te meer wanneer dit in gevaar is, als de heer onge-loovig, geheel liet huisgezin lichtzinnig en onverschillig is. Doch o]) welke wijze kan de liefde der dienstboden hier goed doen. Door verwijtingen, minachtende, afkeurende aanmerkingen, door onbescheiden, onverstandig gepreek 'i ... . C) neen, zoo handelt de liefde niet. Het stille, goede voorbeeld der dienstboden, hunne trouwe nakoming van alle godsdienstplichten; in één woord: hunne ware deugd is de beste preek. En als de meesters die ware deugd zien en waardeeren, zal God ook de gelegenlieid geven om ter goeder tijd een goed woord te kunnen plaatsen. Meer dan eens is een goede dienstbode de aanleiding geworden tot volkomen bekeering zijns meesters, en heeft gezorgd dat hem nog ter laatster uur de HU. Sacramenten toegediend werden.
]Je liefde bidt voor de overheden. Het gebed is een plicht van liefde. Sluit daarom uwe meesters in uwe dagelijksche gebeden; doe voor hen eene novene bij bijzondere gevallen, vooral als hunne eeuwige zaligheid in gevaar
â 85 â
is, woon de H. Mis bij, offer de H. Communie, uwe dagelijksche werken en lijden voor hen op. Op den laatsten dag des oordeels zullen wij zien, dat liet gebed eener vrome dienstmaagd dikwijls meer heeft uitgewerkt dan .-tl de daden der beroemdste mannen.
IV. Wees uwen meesters gehoorzaam.
1. «Gij dienaarsquot;, zegt de Apostel, irdient hen, die naar het vleesch uwe heeren zijn, met vrees en beven, in de eenvoud uws harten, gelijk Jezus-Christus zelf', niet als oogendienaars, om den menschen te behagen, doch als dienaren van Christus, om den wil Gods te volbrengen, met goeder hart en wil, niet zoozeer de menschen dienende dan God.quot; Dit zijn de woorden des Apostels, en hierin ligt alles besloten wat de inwendige eigenschappen der gehoorzaamheid betreft.
Om wel te gehoorzamen moeten de dienstboden hunne heeren beschouwen als hunne rechtmatige overheden, als plaatsbekleeders van Ood. Zij mogen geene oogendienaars zijn, niet dienen om de menschen te behagen. Zij moeten dus alle huichelarij, geveinsdheid, eerzuchtige en baatzuchtige inzichten vermijden.
â 80 â
Zij moeten gehoorzamen met een zuiver inzicht om God te behagen eu zijnen wil te vervullen. Daarom moet gij uit neiging des harten en niet uit dwang gehoorzamen; dan dient gij met goeden wil. Dit is de gehoorzaamheid, welke de li. Paulus beveelt, dit is de waarlijk christelijke gehoorzaamheid; deze is alleen God welgevallig, en brengt zegen en verdiensten aan voor tijd eu eeuwigheid.
'2. Waar geene gehoorzaamheid bestaat, heerseht geene orde; een huis zonder orde is een ongelukkig huis, een huis vol ontevredenheid, twist, afkeer, schade en verlies. De wanorde kan den ondergang des huizes ten gevolge hebben. Wil er orde heerschen, dan moet de eene bevelen, de andere gehoorzamen. Willen allen gebieden, wil ieder zijn wil doordrijven, dan ontstaat er verwarring, verdriet en onrust. Het is een treurig huis, waarin ieder baas speelt. Een eeuwige strijd is hiervan het gevolg, en het gezin wordt verstrooid. De man is heer des huizes, de vrouw moet den man, de kinderen hunnen ouders, de dienstboden hunnen meesters gehoorzamen. Zóó heeft God het beschikt. En zoo ieder op zijne plaats zijn plicht vervult, en de eene zich op christelijke wijze aan
â 87 â
I
lit den andere onderwerpt, dan heerschen vrede,
n. gelnk eu zegen in huis.
O O
in 3. De gehoorzaamheid is de verhevenste
;ij deugd der dienstboden. quot;Waarom? De dienst
el, bode is gelijk aan den Zaligmaker, daar ook
ik Hij kwam om te dienen, doch nog meer door
m de gehoorzaamheid. Jezus was gehoorzaam
r- aan zijnen hemelschen Vader, aan zijne Moeder,
aan Jozef' den armen timmerman. Hij schikte t, en voegde zich naar al de gebreken en zwak-
Ls heden zijner Apostelen, wiesch hun en zelfs
!- Judas de voeten, liet zich binden, gevangen
e nemen, geeselen, kronen, strekte op bevel
u zijner beulen armen en voeten uit op den
ii kruisbalk en liet ze doornagelen. Hij is ge
hoorzaam geworden tot den dood, ja tot den i dood des kruises. Hij zelf sprak: «Ik ben
, niet gekomen om mijnen wil te volbrengen,
, doch om den wil te doen van Hem, die Mij
1 gezonden heelt. Mijne spijs is het volbrengen
t van den wil mijns Vaders.quot;
) Religieuzen doen gelofte van gehoorzaam-
i heid, zuiverheid en armoede. Welke is de
verhevenste? Van gehoorzaamheid, eu even zoo is in den dienstbaren stand de gehoorzaamheid de verhevenste deugd.
4. De gehoorzaamheid is de school van
â 80 â
Zij moeten gehoorzamen met een zuiver inzicht om God te behagen en zijnen wil te vervullen. Daarom moet gij uit neiging des harten en niet uit dwang gehoorzamen; dan dient gij met goeden wil. Dit is de gehoorzaamheid, welke de H. Paulus heveelt, dit is de waarlijk christelijke gehoorzaamheid; deze is alleen (rod welgevallig, en hrengt zegen en verdiensten aan voor tijd en eeuwigheid.
'2. Waar geene gehoorzaamheid bestaat, heerscht geene orde; een huis zonder orde is een ongelukkig huis, een huis vol ontevredenheid, twist, ai'keer, schade en verlies. De wanorde kan den ondergang des huizes ten gevolge hebben. Wil er orde heersohen, dan moet de eene bevelen, de andere gehoorzamen. Willen allen gebieden, wil ieder zijn wil doordrijven, dan ontstaat er verwarring, verdriet en onrust, liet is een treurig huis, waarin ieder baas speelt. Een eeuwige strijd is hiervan het gevolg, en liet gezin wordt verstrooid. De man is heer des huizes, de vrouw moet den man, de kinderen hunnen ouders, de dienstboden hunnen meesters gehoorzamen. Zóó heeft God het beschikt. En zoo ieder op zijne plaats zijn plicht vervult, en de eene zich op christelijke wijze aan
â 87 â
it den andere onuerwerpt, dan heersehen vrede,
i. geluk en zegen in huis.
n 3. De gehoorzaamheid is de verhevenste
ij deugd der dienstboden. Waarom? De dienst-
I, bode is gelijk aan den Zaligmaker, daar ook
k Hij kwam om te dienen, doch nog meer door
a de gehoorzaamheid. Jezus was gehoorzaam
aan zijnen hemelschen Vader, aan zijne Moeder, aan Jozef den armen timmerman. Hij schikte , en voegde zich naar al de gebreken en zwak-
? lieden zijner Apostelen, wiesch hun en zelfs
Judas de voeten, liet zich binden, gevangen nemen, geeselen, kronen, strekte op bevel zijner beulen armen en voeten uit op den kruisbalk en liet ze doornagelen. Hij is gehoorzaam geworden tot den dood, ja tot den dood des kruises. Hij zelf sprak: fik ben niet gekomen om mijnen wil te volbrengen, doch om den wil te doen van Hem, die Mij gezonden heelt. Mijne spijs is het volbrengen van den wil mijns Vaders.quot;
Eeligieuzen doen gelofte van gehoorzaamheid, zuiverheid en armoede. Welke is de verhevenste? Van gehoorzaamheid, en even zoo is in den dienstbaren stand de gehoorzaamheid de verhevenste deugd.
4. De gehoorzaamheid is de school van
â 88 â
vele andere deugden. Door de gehoorzaamheid leert gij ootmoed, zeltVerloochening en zelfoverwinning, bestrijdt gij den hoogmoed, de eigenliefde, den eigen wil, de eigenzinnigheid, wordt gij zacht, gelaten, beseheiden, verkrijgt gij kracht en genade om de bekoringen te overwinnen, en te zegevieren over uwe eigen kwade neigingen. Ja, de gehoorzaamheid is het middel om u tot eene volmaakte dienstbode te vormen.
Y. Hoe moet gij gehoorzamen? Vaardig, vroolijk, flink.
1. Wordt n iets bevolen, dan moet gij dit vaardnj, dat is: bereidwillig doen en vast besloten zijn alles te doen mat uwe meesters bevolen hebben, en dit zoo te doen als zij liet bevolen hebben. Heeft men bepaald wat lieden of deze week moet gedaan worden, dan moet dit geschieden. Zoudt gij bestellen: niet van daag, maar morgen; niet in deze, doch in de toekomende week; niet dit, maar dat moet gekookt, gebreid, genaaid, gewasschen, schoongemaakt worden, dan is het niet de overheid die beveelt, maar gij. Wat zij beveelt, moet ook geschieden op de wjze, gelijk
â 89 â
zij het beveelt. Ik veronderstel dat gij in een nieuwen dienst treedt, waarin een vaste regel bestaat, boe en wanneer dit en dat moet geschieden; er is vast werk op bepaalde dagen der week: de spijzen worden op aangegeven wijze bereid, de dagorde is nauwkeurig geregeld. Zondagen en werkdagen, opstaan en slapen gaan, eten en drinken, alles op vasten tijd en uur, â nu wilt gij den baas spelen en eigenzinnig de geheele orde omverwerpen, en alles naar uwen zin inrichten, â is dit nu vaardig, bereidwillig gehoorzamen? Doe wat u bevolen wordt, zooals het bevolen wordt. Wil niet alles beter weten, misschien zijt gij nog jong en kunt licht missen. Het zou kunnen gebeuren, dat men u onverstandiglijk werk oplegde dat uwe kracht te boven gaat. dan moogt gij dit bescheiden en beleefd uwen meesters te kennen geven. Ook zou liet kunnen gebeuren dat deze ot' gene u opgelegde zaak tot schade uwer meesters zou strekken; dan moogt gij bedaard uwe meening zeggen: en blijft men bij het eerste bevel, dan zijt gij niet verantwoordelijk voor de schade. Valt het u moeielijk den wil uwer meesters te volbrengen, dan hebt gij gelegenheid u vele verdiensten voor den hemel te verwerven.
2. Gehoorzaam vroolijk. ])ieut God in blijmoedigheid, lezeu wij vaak in de li. Schrift. â Ood bemint den blijden gever, God is gaarne van een vroolijk hart gediend,quot; zegt de Apostel. Er zijn menschen, die altijd klagen over hunnen staat. Weet gij niet, dat elke staat zijn last beeft? â Anderen valt elk werk lastig. Zij staan voor den minsten .arbeid als voor eenen berg. Zij stapelen zich die bergen op, en timmeren zich kruisen. Pak aan, Hink begonnen is half gedaan. Er zijn menschen die 's Maandags reeds zuchten bij de gedachte aun hetgeen zij Zaterdags doen moeten. Doe wat gij lieden te doen hebt, (iod zal voor den Zaterdag zorgen. Menigeen denkt en zucht niet slechts een week vooruit, doch soms een half jaar. Weet gij niet dat de Heer zegt: . Elke dag brengt zijne zorg medequot;, of kunt gij door al uwe zorgen u een stroobreed grooter maken ? Er zijn menschen die bij ieder bevel iets hebben in te brengen, iets te herinneren, te klagen, te morren, te zuchten, te jammeren, wie alles te veel, te zwaar, te onaangenaam, nooit van pas is; bij wie men altijd moet vragen hoe de muts staat, en welk weder liet is; dit zijn onuitstaanbare menschen. Doe wat gij te doen hebt, vlug en
â 91 â
vroolijk. Overwin u zelve. Beter zingen bij liet werk dan zuchten.
3. Doe flink wat gij te doen liebt. Flink is een selioon woord, en eene sehoone hoedanigheid. Sornmige menschen hebben altijd tijd genoeg. Zij zeggen: Nu nog niet, nader-hand, van middag, morgen. Dit is dat ongelukkig uitstellen, dat bij sommige menschen als eene ziekte is. Wordt u bevolen nu iets te doen, dan moet gij hot nu doen. Sommige menschen zijn zoo langzaam en besluiteloos als droegen zij lood in de schoenen. Weder anderen zijn driftig, onstuimig, werpen alles omver, breken alles. Oij moet zoowel de langzaamheid als de driftigheid bestrijden, doch flink en vlug zijn is een sehoone hoedanigheid. Hebt gij die van God ontvangen, maak er dan een goed gebruik van; en hebt gij ze niet, zoo tracht ze te verkrijgen.
TI. Eigenliefde, eigenwil, eigenzin.
1. De gehoorzaamheid is de schoonste deugd der dienstboden, doch vindt men, helaas! niet veelal, juist in tegendeel de ongehoorzaamheid, in eiken vorm en wijze? Men weerstreeft openlijk, gaat weerspannig zijn eigen weg.
ontduikt de bevolen der meesters, voert ze ten halve uit, bedient zich van onbetamelijke woorden en uitdrukkingen, spreekt bij elke gelegenheid tegen, enz. Waaruit ontstaat deze hatelijke fout? Uit eigenliefde, eigenwil, eigenzin.
2. De eigenliefde is eene gevaarlijke vijandin; «zij sluit den menseh de oogen,quot; zegt de H. Gregorius. Zij maakt hem blind omtrent zich-zelven, zoodat hij meent in alles liet eerste en hot beste te zijn, alles het best te weten, het best te doen, ja ware hij er niet, zoo ging de wereld ten gronde: hij is do zon, die allen moeten aanbidden. De eigenliefde beweegt zich altijd om zich-zelve, hij zegt: Tk, ik en niemand anders dan ik. Zulke menscheu staan ieder tegen, en worden ten laatste uitgelachen. Doch dat dergelijke menschen niet gaarne bevelen ontvangen, altijd tegenspreken, en zich verzotten, is niet te verwonderen.
3. Uit de eigenliefde ontstaat de eigenwil, »want,quot; zegt de H. Angustinus, «liet is eigenliefde, als men volgens eigen zin wil handelen. De eigenzinnige dienstbode zet daarom zijn wil door in plaats van die zijner meesters; doet niet wat zij hem gebieden, of doet wellicht juist het tegendeel: doet alles op z'jne manier,
â 93 â
zonder zich om zijne meesters te bekommeren; spreekt altijd tegen, speelt meer en meer den baas in huis, en wordt onverdragelijk voor zijne overheden en mededienstboden: uit dezen eigenwil ontstaat dagelijks twist, plagerijen, ontevredenheid, kwade luim in het geheele huis, en niet zelden de grootste onaangenaamheden. Zulke eigenzinnige hoofden komen in geen enkelen stand, in geene enkele betrekking terecht, zij veranderen telkens van dienst, worden later ongelukkig in hunnen staat; doen een ongelukkig huwelijk: uit het klooster komen zij zeer spoedig terug.
4. Uit de eigenliefde ontspruit ook de eigenzinnigheid. De eigenzinnige is niets beter dan een bedorven kind, dat in de minste kleinigheden zijn zin moet hebben, en als her, dien niet krijgt, mort, gromt, dagen achtereen loopt zonder te spreken, dat gevleid, aangesproken, ontzien moet worden en aldus aan de geheele omgeving tot last en verdriet strekt. En is bet eenige dagen mooi weder geweest, dan komen de buien weder opzetten, zonder dut men weet waarom. Een krachtig woord en de invloed van den godsdienst is het beste geneesmiddel; na dit gebruikt te hebben, moet men dergelijke wezens laten uitbuien
tot zij weder tot hun verstand komen, en er intusschen niet de minste acht op slaan. Hoe meer werk men er van maakt, hoe erger z'j zullen worden.
Y1I. Lichtgeraaktheid, driftigheid, toorn.
1. Dit zijn drie gezusters, die veel kwaad veroorzaken. Wie lichtgeraakt is, gevoelt zich bij de minste gelegenheid geraakt, beleedigd, gestooten. Een onschuldig woord, een lichte scherts heleedigt hem. Hij vraagt opmerkzaamheid, denkt altijd dat hij achter anderen gezet wordt, is achterdochtig, legt alles verkeerd uit, maakt zich allerlei dwaze inbeel-diiuren, vindt overal iets in dat hem kwelt, wordt dan misnoegd en draagt de inwendige ontevredenheid op zijn gelaat te kijk. De lichtgeraaktheid is een soort van jicht, die do geheele ziel aansteekt, en bij elke gelegenheid te voorschijn komt. De omgang met zulke menschen, bij wie men elk woord op de goudschaal wegen moet, is eene ware plaag voor de omgeving; en dergelijke dienstboden kunnen liet niet lang in een goeden dienst uithouden.
â _gt;. De lichtgeraaktheid kan stil en inwendig
â !tó â .......
e blijven of zij kan zic-h uitwendig vertoonen,
[oe zieh verheffen tot hevigheid en drift, zich
z;j lucht geven in woorrten, onbetamelijke uii-
drukkingen, gebaren, en aanleiding geven tot de onaangenaamste tooneelen tussclien meesters en dienstboden. Bij dergelijke gelegenheden Ij lijden eerbied en gehoorzaamheid schipbreuk,
men vergeet alle fatsoen, wordt vrij, trotsch, ad brutaal, en veroorzaakt zich-zelven en anderen
cll veel verdriet.
o. Deze drift kan eindelijk ontaarden in ite ruwen toorn. «Beschouw,quot; zegt de H. Basilius,
â ];. «wie in toorn geraakt. Hij is als dronken,
en
iiij is zich-zelven niet meester, kent zich-;r. zeiven niet, noch degenen die hem omgeven;
jl. hij stoot, werpt alles omver, weet niet wat
It, hij zegt, kan zich niet bedwingen, hij schimpt,
ge lastert, dreigt, schreeuwt, ja men zou vreezen,
)e dat hij barsten zal.quot; Menigeen heeft in zijn
lie drift en toorn dingen gedaan, die hij nooit
n- weder goed kan maken en zijn geheele leven
ke lang betreurd heeft.
d- 4. Zijt gij wellicht uit uwe natuur geneigd
or tot lichtgeraaktheid, drift en toorn, strijd dan
en toch moedig tegen deze ondeugden. Slechts
.]]. door den bijstand der goddelijke genade en
lig door een ernstig, voortdurend streven, kunt
â 96 â
gij deze vijanden overwinnen; zoo hebben een II. Ignatius, een H. Franciscus van Salus liet aangelegd en zij zijn de zachtmoedigste mensehen geworden. Maak liet vaste voornemen u nooit tot toorn te laten vervoeren, bestrijd ook zooveel mogelijk, alle driftigheid en tracht de lichtgeraaktheid te vermijden, en in alle omstandigheden de inwendige rust uws harten te bewaren. Ik zal n een uitstekend middel geven om de zes booze zusters: eigenliefde, eigenwil, eigenzinnigheid, lichtgeraaktheid, driftigheid en toorn te verdelgen en u de schoonste deugd der dienstboden, de gehoorzaamheid te verkrijgen.
VT1T. Wees ootmoedig.
1. Wie is ootmoedig? Wie zich-zelven voor niets beschouwt, en oprecht verlangt ook bij anderen voor niets beschouwd te worden. Naar het lichaam zijn wij stof en asch, naar de ziel zwakheid en zonden. Wat wij hebben, hebben wij van God, elke ademtocht is een geschenk van God, en zonder God kunnen wij -zelfs geene goede gedachte vormen, üe ootmoedige denkt niets groots van zich-zelven en zegt met den Psalmist: »Ik beu slechts
â 'J7 â
een worm. Hij beeldt zich niets in, noch omtrent het lichaam, noch omtrent de ziel: hij zegt niets groots van zich-zelven, bluft niet, praalt niet, beroemt zich niet. Hij doet ook niets om van de menschen geacht, geprezen, bewierookt te worden; hij streeft niet naar den voorrang, zoekt de laatste plaats, dringt zich niet in, moet niet altijd gelijk hebben, is niet onfeilbaar; zwijgt gaarne, laat het laatste woord aan anderen, en neemt gaarne onderrichting ei, goeden raad aan.
2. De ootmoedige beschouwt alle menschen voor beter, dan hij zeifis; hij veracht daarom niemand, stoot zijne medemenschen niet terug; oordeelt of veroordeelt niemand. Hij ziet in anderen niet altijd de kwade, maar vooral de goede zijde; hij zoekt liet goede aan liet liclit te brengen en bedekt de fouten en gebreken. Hij vergeeft gaarne eu voedt geen afkeer. Hij is niet driftig en weerspannig, doch zacht en geduldig. Hij laat zich gaarne verzoenen en sticht alom vrede. Hij zegt niet, gelijk do Pharizeër: «Heer, ik dank U, dat ik niet ben gelijk anderen; ik vast tweemaal per week.quot; Hij beoordeelt de deugd zijner medemenschen niet, doch zegt met den tollenaar: «Heerwees
Zijne goede 7
mij, arme zondaar, genadig.quot;
â 98 â
werken verbergt hij voor liet oog der menschen, en zegt: God alleen tot getuige. God alleen tot doel, God alleen mijn loon!
3. De ootmoedige wensclit ook oprecht door anderen voor niets geacht te worden. Dit is de toetssteen van de ootmoedigheid; velen zeirgeu zeer vroom: Ik ben mets, doch wee hem, die zegt: Glj zijt niets! De ootmoedige neemt zeer geduldig eene vermaning, eene terechtwijzing, eene berisping aan; verheugt zich zelfs als hij geminacht, terngge-stooten wordt; zij, die den lioogsten graad van ootmoed bereikt hebben, wenschen zelfs uit liefde tot God veracht te worden en zwijgen als men hun onrecht aandoet. De ootmoedige beschouwt zich immer als een onnutte dienaar, kiest den vernederendsten arbeid, doet liever den wil van anderen dan den zijne: wil liever gehoorzamen dan bevelen. Wees ootmoedig, en quot;'ij zult de hoogste deugd van uwen stand, de gehoorzaamheid bereiken. Kies u do ootmoed tot zuster en de zes kwade zusters, waarvan wij gesproken hebben, zullen verre van u wijken.
â 99 â
IX. Hoe moet jyij u gedragen bij terechtwyzingeu.
1. Eene zaak staat vast: zoolang wij leven, moeten wij ook leeren. Wie echter wil leeren, moet zich laten onderrichten. Ook is liet waar, dat men in zijne jeugd slechts weinig weet: de mensch weet gewoonlijk slechts datgene, wat hij weet door ondervinding, en wijl de jeugd nog geene ondervinding heeft, is alles nog groen en onrijp. Sommigen beweren, dat een mensch vóór de veertig jaren niet verstandig is; de oude wijsgeeren voegden er nog tien jaar bij cn beweerden, dat iemand onder de vijftig jaar geen goeden raad geven kon. Zij hiervan waar wat wil, eene zaak staat vast, dat wie zich niet wil laten leeren, het nooit ver zal brengen, noch om zich-zelven door de wereld te heliien, noch om anderen met goeden raad behulpzaam te zijn.
2. Indien gij naar dit eenvoudig woord luistert, zult gij niet behooren tot degenen, die rich geen woord van vermaning laten welgevallen, geene berisping dulden, die alles beter meencn te weten, zich trotseh tegen hunne overlieden verzetten enz. Zijl gij waarlijk braaf en godsdienstig, dan neemt gij
â 100 â
vermaning en berisping uit hooger inzicht aan en maakt ze n tot verdiensten voor tijd en eeuwigheid. De ootmoed is eene heerlijke deugd, die uw geheel gedrag ten goede zal regelen.
3. Wilt gij voordeel doen met de terechtwijzing en ze ontvangen op eene wijze, die (iod welgevallig is, zoo onthoud liet volgende: 1°. Luister eerst nistic/ toe en laat moe meesters uitspreken. .Spring niet op, loop niet weg, maak u niet driftig, zoodra gij bemerkt dat men u afkeurt. Gij weet nog niet wat uwe meesters te zeggen hebben. De wellevendheid eischt, dat men dengene die spreekt, laat uitspreken, en de dienstbode is hiertoe tegenover zijne meesters dubbel verplicht, i0. Is de berisping billijk, dan beken openhartig inve schuld en zeg dat gij voortaan deze fout zult trachten te vermijden. Verdedig u niet op onbetamelijken, beleedigenden, bijtenden toon: verschoon, bewimpel nwe fout niet. Neem vooral uw toevlucht niet tot den leugen om uwe fouten niet te moeten bekennen. Blijf bedaard, bescheiden, vriendelijk , gewillig, leerzaam. 3°. Wordt gij onbillijk berispt, dan staan u twee wegen open; gij kunt spreken of zwijgen . Oij moogt uwe meesters bedaard
â 101 â
de zaak uiteen zetten en u verdedigen, en dit is in vele gevallen noodzakelijk: of gij kunt zwijgen, onschuldig lijden: het bijv. beschouwen als boete voor andere zonden u'.vs levens; aldus deden de heiligen. De 11. Bernardus werd eens schandelijk gelasterd: een bedrieger had afschuwelijke brieven openbaar gemaakt op den naam van den heilige, wiens schrift op zeer kunstige wijze was nagebootst. Deze brieven veroorzaakten veel opziens, bijzonder in Rome. Wat deed de H. Bernardus? Hij zweeg een geheel jaar: toen schreef hij naar Rome en dc lasteraar werd ontmaskerd. â -1°. Hebben uwe meesters recht u eenige berisping te geven, doch doen zij dit op verkeerde wijze, op bitsen, wellicht onbetamelijken toon, met driftigheid en overdrijving, zie dan meer op uwe fout dan op die uwer meesters. Door bedaardheid en nederigheid zult gij hen ontwapenen en hen wellicht ook hunne fouten doen inzien. Dit gaat zeker: de ware christendeugd en bijzonder de ootmoedigheid wordt liet beste bewaard bij tegenspraak, verwijt en berispingen. Vergeet ook niet, dat uwe meesters plichten jegens u te vervullen hebben voor uw tijdelijk en eeuwig heil en hiervoor vaak terechtwijzing zeer noodzakelijk is.
â 102 â
4. Het kan ook gebeuren, dat gij verplicht zijt jongere niededienstboden hunne fouten en gebreken te doen opmerken. Let dan wel op, dat gij dit moet doen uit en met. liefde, eu alleen, opdat men zicli betere. Wie terechtwijzingen geeft om zijn gemoed te koelen, om zijne mededienstboden te krenken, te be-leedigen, te bedroeven, om den baas over anderen te spelen, heeft geene goede meening en zal zijnen evennaasten geen nut aanbrengen. Ook moet men hiertoe den geschikten tijd en gelegenheid afwachten; niemand berispen als men zelve niet bedaard is; ook zooveel mogelijk dit tusschen vier oogen doen en er geheel het dienstpersoneel of het huisgezin niet tusschen roepen, vooral niet in tegenwoordigheid der kinderen of jongeren.
5. Ingeval liet zielenheil uwer mededienstboden in gevaar is, moogt gij de broederlijke terechtwijzing niet achterlaten en niet denken ; h het gaat mij niet aan; ieder moet maar voor zijne eigene ziel zorgen.quot; Zwijgen en onverschillig toezien als eene ziel zich in het verderf stort, is onvergeeflijk. Moe menige dienstbode ware voor zwaren val bevrijd gebleven , hadde men bijtijds eene reddende tiand toegestoken.
- 103 â
X. De drie zusters der ootmoedigheid.
DE BESCHEIDENHEID.
De bescheidenheid laat zich het best vergelijken met het viooltje en andere kleine bloemen, die in het verborgen bloeien, een liefelijken geur verspreiden, en eene wonderbare schoonheid bezitten. Menigeen gaat voorbij zonder acht ü|) haar te slaan, doch wie haar van nabij beschouwt, bemint ze. Zoo is het ook gelegen met de deugd van bescheidenheid, die de harten wint en verovert. Voor dienstboden is de bescheidenheid het onfeilbaar middel om de harten hunner meesters te winnen en steefis in goede betrekkingen te blijven.
'2. Wat is de bescheidenheid? liet is de deugd, waardoor men zich uitwendiu zoo gedraagt, als de ootmoed liet imveniUy verlangt. Zij dringt zich niet vooruit, kiest de laatste plaats, en wacht tot allen plaats genomen hehben, en zoo er vele rangen zijn, staat zij zeker de achterste. Zij is niet vlug met haar mondje, laat gaarne anderen eerst spreken. Zij houdt zwijgen voor het veiligste, en slechts dan te spreken als plicht of welvoegelijkheid het vorderen. Over liet algemeen is zij spaar-
â 104 â
zaam in woorden. Het woordje Ik vindt zij gevaarlijk en vermijdt dit zorgvuldig. Bluffen en pralen staan haar tegen; daarom bazuint zij liare daden niet uit en verbergt zorgvuldig het goede, dat zij wellicht verricht. Wat haar tot eer verstrekt, vertelt zij nooit. De beschei-dene bejegent al zijne medemensehen met beleefdheid en achting. Zij geeft ieder volgens rang en stand de hem verschuldigde eer en houdt zich gaarne met kleinen, armen en behoeftigen bezig. De bescheidenheid is altijd beleefd, zij tobt of jaagt niet, zij vergeet zich-zelven niet; de bescheidenheid is ware deftigheid en gelijkt geenszins op de geveinsde vriendschap dezer wereld. De eenvoudigste burger- of boerendochter kan door bescheidenheid de harten winnen, terwijl de ij dele. opgetooide, geveinsde beleefdheid tegenstaat. i)e bescheidene is niet haastig, niet driftig, zet niet verachtelijk anderen ter zijde. Er ligt in heel haar wezen iets zachts, vriendelijks, vertrouwelijks. Zij maakt voor zich geene aanspraak en vreest altijd te veel te eischen. Wellicht heeft zij hierdoor schade, doch liever wil zij schade lijden, dan onbescheiden zijn. Zij vraagt voor zich geene opmerkzaamheid; heeft een afkeer van complimenten en is liet
â 105 â
beste tevreden als men haar onbemerkt, stil haren weg laat gaan. Er zijn groote, verheven deugden, doch dit is zeker: de bescheidenheid is eene der liefelijkste deugden. Daarom behoort de bescheideae steeds tot dat klein aantal personen, die geene vijanden hebben.
3. De If. Vineentins van Panic was een voorbeeld van bescheidenheid. Er lag over geheel zijn wezen eene zachtmoedigheid, die aller harten won. Hij beschouwde alle menschen als beter, verstandiger, degelijker dan hij. Het kostte hem geene overwinning zijn gevoelen aan dat van anderen te onderwerpen. (Jaarne sprak hij van zijne geringe afkomst, en stelde zijn neef, een arm landbouwer, voor aan groote heeren, die hem kwamen bezoeken. Vineentins had als slaaf in Tunis gevangen geweest en had zijn heer tot het christendom bekeerd, doch geen woord kwam ooit hierover uit zijne lippen. Moest hij noodzakelijk sproken over het goede, door hem tot stand gebracht, zoo wist hij dit behendig op den ijver, de deugd van anderen te schuiven.
!. Geliefde dienstboden, streeft naar bescheidenheid. Dc wereld is vol grootspraak en onbescheidenheid. Den groote uithangen, pralen, bluffen, groote meening van zich-
â IOC â
zeiven hebben, altijd gelijk willen hebben, groote aanspraak maken, ziedaar gebreken onzer tijden, gebreken der jeugd, eu helaas! zeer dikwijls gebreken der dienstboden. Zeer veel misverstand, krakeel, twist, onophoudelijk veranderen van dienst, zijn liet gevolg der onbescheidenheid der dienstboden. Prent derhalve in uw hart dit woord van den H. Paulus: »Ik zeg u allen, denkt niet grooter van u zeiven dan u past en denkt bescheiden van ii zeiven.
XI. De zachtmoedigheid.
1. »üe zachtmoedigheid,quot; zegt de H. Fran-ciscus van Sales, »is eene deugd, welke nog zeldzamer is dan de kuischheid.quot; De H. Thomas zegt: tt Wie zachtmoedig is, heelt eene edele ziel. Hij is verheven boven alles wat men hem kan zeggen of aandoen; al wordt hij boleedigd door woord of daad, zoo verliest hij daardoor noch de rust, noch den vrede zijner ziel. De zachtmoedige denkt welwillend en goedaardig omtrent zijn naasten en vermijdt inwendig alle drift en hevigheid. Als men hem onrechtvaardig behandelt, blijft hij rustig in gebaren, woorden en handelingen. Hij spreekt
â 107 â
niet op luiden toon, hij ziet niet zuur; als liij spreekt, gebruikt liij de zachtste bewoordingen : tegenover dengene, die hem beleedigt, blijft hij vriendelijk, goedwillig, toegevend. Hij is licht tot verzoening bereid, reikt het eerst de hand, ook als het ongelijk aan de zijde van anderen berust. Hij wil gaarne schade lijden om den vrede te herstellen. Hij houdt rekening met de zwakheden van anderen, vat hen in hunne zwakke zijde en zoekt allen te winnen. Hij vermijdt haast, overijling, en wacht zich zorgvuldig, door ondoordacht spreken of' handelen, anderen te stooten of onaan-genaamheden te veroorzaken.
De zachtmoedigheid doet en lijdt alles ter wille van den lieven vrede. .la. wel mag de II. Thomas zeggen: «Wie zachtmoedig is, heeft eene edele ziel.quot; De Zaligmaker zegent de zachtmoedigen en zegt: «Zalig de zachtmoe-digen, want zij zullen de aarde bezitten.quot;
2. Veertig jaren lang verdroeg Mozes met hemelsche zachtmoedigheid liet gemor, de gebreken en zonden van het Israëlitische volk. âHij werd van God bemind,quot; zegt de 11. Schrift, owant hij was de zachtmoedigste onder de menschen.quot; De Zaligmaker toonde eene onbeschrijfelijke goedheid, rust, zachtmoedigheid
â 108 â
in blik, in manieren, in woorden en gebaren. Hij verdraagt liefderijk zijne zwakke Apostelen, en vermaant hen met goedheid. Oe scharen des volks dringen hem de zee in, !Iij blijft gelaten en beklimt een scheepje. De moeders komen op ongelegen tijd met hare kinderen, de Apostelen stooten ze terug, docli Jezus zegt; .Laat dc kleinen tot mij komen en verhindert hen niet.quot; Zijn verrader Judas noemt Hij liefdevol zijn .vriendquot;. Hij laat zich bespuwen, slaan en... zwijgt. Hij bidt aan liet kruis voor zijne vijanden. Ja, met recht kan Jezus zeggen; .Leert van mij, dat ik zachtmoedig en ootmoedig van harte ben.quot; De heiligen hebben Hem nagevolgd, en hebben naar deze deugd gestreefd, omdat het hevige, harde, lichtgeraakte, vijandelijke, zoo zeer iu de natuur van den mensch ligt. De H. Franciscus van Regis is een toonbeeld dezer deugd; toen eens iemand hem eene oorvijg gaf, keerde hij hem gelaten de andere wang toe, en bekeerde daardoor dezen zondaar geheel en al.
XII. Het geduld.
De deugd van geduld is eene heerlijke gave Gods, eene liefelijke bloem der mensuhelijke
â 109 -
ziel, en te von s eejie cler noodzakelijkste deugden. De Apostel zegt eenvoudig: «Het geduld is u noodzakelijk, opdat gij den wil Uods vervullet.quot; In het Boek der Spreuken staat: if Wie geduldig is, is verstandig, en 's menschen inzicht erkent men aan zijn geduld.quot; De heiligen hebben liet geduld, zooals wij reeds zeiden, vergeleken bij een dichten, oudoor-dringbaren mantel, waarin de raensch zicli o]) zijn pelgrimstocht moet hullen om tegen regen, sneeuw, hagel, wind en storm der menschelijke ellenden beschut te zijn; zulk een regenmantel kan men niet te duur betalen.
2. Er is geen stand op aarde, waarin men geen geduid moet oefenen. Keizer en koning, rijke en arme, heer en knecht moeten geduld oefenen; en al heeft iemand ook al wat hij wenschen kan, zoo moet hij toch geduld oefenen. Doch vooral voor dienstboden is hot ecu onontbeerlijk kruid, daar de duizenden kleine diensten, welke gij dagelijks bewijzen moet, door het geduld u de eigenlijke percenten voor den hemel moeten opleveren. Het geduld is de smeltkroes, waarin het goud voor de eeuwigheid bereid wordt.
3. (Jij komt bijv. vreemd in eene stad; men beveelt u eenen dienst, gij neemt dien
â 110 â
aan, tloch liij is hard; zware arbeid, slechte behandeling, groote eischen, karig loou, zelfs niet de noodige voeding. Dit is de beproeving van uw geduld. Gij moet blijven, want gij zijt voor zekeren tijd verhuurd. Gij vindt een anderen dienst met hooger loon, doch er heerscht srcen godsdienst in huis; men telt
o ra '
u de minuten toe, die gij Zondags in de kerk moogt doorbrengen. In een derden dienst is alles goed, doch de huisvrouw is buitengewoon kleingeestig, onaangenaam en zonder doorzicht; zij keurt alles af, bromt altijd, schuldig of onschuldig; de dienstboden hebben liet altijd bij haar gedaan. In een anderen dienst hebt gij met ondeugende kinderen of slechte dienstboden te kaïnpen. Dit alles zet het geduld op de proef. Gij komt in een dienst en weet niet goed te heipén, wijl gij wat langzaam van aard zijt, en gij moet dagelijks verwijtin-sren en allerlei eeretitels aannemen. Er komt onverwachts een langdurig en lastig bezoek, er moeten partijen gegeven worden; dit vermeerdert uw tocli reeds zwaren arbeid, en uwe meesters hebben hiervoor geene oogen. (üj zijt teer, zwak van gezondheid, moet werken boven uwe kracht en toch moogt ge niet laten zien, dat gij ziek en dood moede
â Ill â
zijt. lt; Jij hebt moeielijkhcdeii in huis, die gij niet kvint, noch moogt laten merken en kunt niet onmiddellijk uwen dienst verlaten. (Jij wordt ziek en ziet hoezeer dit uwe meesters ongelegen komt, hoe gij tot last zijt, hoe gaarne men u kwijt zou willen zijn. Dit alles zet uw geduld op eenc harde, zware proef.
4. Behoud in alle omstandigheden den vrede en het geduld. Door opgewondenheid en onrust vermeerdert gij uw leed. »Wees geduldig,quot; zegt een heilige, «en na de gal zult gij den honig proeven.quot; De bijen trekken honig uit de bitterste bloemen. De II. Augustinus zegt zoo schoon: «Het bittere water werd door liet hout dat Mozes er in wierp, in zoet water veranderd. Zijt gij in lijden, werp dan liet kruis des Heeren in het water uwer beproeving. \ olg het geduld des Heeren na en het lijden zal zoet worden.quot; Onderzoek u zeiven in dergelijke omstandigheid, in hoever gij schuld hebt aan hetgeen u overkomt, en wat gij kunt veranderen. Zijt gij onschuldig, zoek dan spoedig goede zaken met uw lijden te doen. Offer het o]) voor de zonden van uw leven, zie op uw voorbeeld, Jezus-Christus, die geduld heeft geoefend van de kribbe tot het kruis: volg het toonbeeld der heiligen, die zelfs om lijden
â 112 â
gebeden hebben, ten einde zieli in bet geduld te kunnen oefenen, en verzamel u door uw geduld een schat van verdiensten voor den heinel.
XIII. Eenige bijzondere gevallen betreffende de gehoorzaamheid.
Na deze onderwijzing omtrent de gehoorzaamheid en de tegen baar strijdige gebreken, wil ik u eenige gevallen opgeven, waarin gij niet inoogt gehoorzamen.
1. Gij inoogt niet gehoorzamen wanneer u iets werkelijk slechts, wat tegen (iods geboden strijdt, bevolen wordt, want gij weet dat God uw eerste en opperste Meester is. Uwe meesters mogen u niet opleggen te liegen, n te vergrijpen aan een anders eigendom, valsche getuigenis af te leggen, tegen de heilige deugd van zuiverheid te zondigen, uwe ouders te verachten enz. Hier staan de geboden Gods lijnrecht tegenover die der inenschen. Zulke gevallen zijn uiterst zeldzaam, doch zij kunnen voorkomen. Hetzij men u vleie of bedreige, zoo denk aan de kuische Suzanna; wijs de bekoring met moed en kracht af en gij zult de vijanden uwer ziel beschamen.
2. Uwe meesters hebben het recht niet u te beletten de voorschriften der Kerk te volgen. Het gebod der Kerk staat boven het gebod der menschen. * \\ ie de Kerk niet hourt, moet men beschouwen als een heiden en openbaren zondaar.quot; Hetzij uwe meesters Katholiek zijn ot niet, toch zijn zij verplicht u tijd en gelegenheid te geven uwe plichten, als lid dei-Katholieke iverk te vervullen. Al houden nwc meesters geen vasten- noch onthoudingsdagen. zoo kunnen zij u niet verbieden dit te doen. Verrichten zij 's Zondags slatblijken arbeid, zoo kunnen zij 11 hiertoe niet verplichten. Even zoo staat het met 's Zondags .Mis te hooren, op tijd de H.H. Sacramenten te oiit-vangen enz. Zijt gij toegevend, wankelmoedig hierin, zoo schaadt gij u zeiven; zijt gij kloekmoedig en vastberaden, zoo zal men weldra zwijgen, en uwe volharding zal de achting uwer meesters afdwingen. W ordt u echter in een katholieken dienst, waar men de onthoudingsdagen niet nakomt, geboden Vrijdags vleesch te koken, zoo aioogt gij dit met een gerust geweten doen, mits gij u zelve van het gebruik dezer spijs onthoudt.
Als u bevelen gegeven worden, waarvan gij overtuigd zijt, dat de uitvoering tot schade
8
- 114 â
uwer meesters zal strekken, zoo moogt gij dit op bescheiden toon, openhartig te kennen ..even. Blijft men bij het gegeven bevel, dan moo-t gij het uitvoeren en u er verder met om bekommeren. Wordt u een bevel gegeven, dat aandruischt tegen een ander u gegeven bevel, zoo moogt gij zeggen, dat liet tegendeel n reeds bevolen was, doch houd u dan Icdaard aan de laatste uitspraak. Worden u door twee versckillcnde personen, b.jv- man en vrouw, twee tegenstrijdige zaken bevolen, d:m wordt do zaak netelig. Oit komt meeraden voor, vooral als er geen huisebjke vrede heerscht. Wees dan /.eer voorzichtig, bliif rustig, haast u niet met het uitvoeren vui het bevel. Misschien vergeet de man woldra wat hij in dolle drift geboden heeft, .raat uit en deukt er niet meer aan. blijft hij echter op ^ijn bevel aanhouden, dan moet o-;-, zijn gebod vervullen, want hi; is de heei
des huizes.
XIV. Wees oprecht. - De leugen.
1 De heidenen zeiven haatten de leugen, üe ' Eo-vPtenare.i hingen hunne koningen een gatier om den hals, dit is een kostbare, door-
â 115 â
schijnende edelsteen, die de kleur des hemels draagt en liet zinnebeeld der waarheid is, opdat zij zich zouden herinneren nooit van het pad der waarheid af te wijken. De Romeinen brandmerkten den leugenaar op het voorhoofd. Betrapten de Grieken iemand op een leugen, dan kon hij nooit eenige waardigheid bekleeden. Bij de Franken inoesi de leugenaar een hond op de markt ronddragen. Wat leert ons ons heilig geloof van de leugentaal ?
2. Door de leugen is de zonde in de wereld gekomen, want door de leugen heeft Satan de eerste menschen verleid. Do geboorteplaats van de leugen is de hel: en volgens liet woord des Zaligmakers, is de duivel' de vader van do leugen. !)e duivel is een leugenaar van het begin af. Door de leugen verleidt hij de menschen tot den huldigen dag. Reeds in het oude Testament lezen wij: »Leugenachtige lippen zijn eenquot; gruwel in 's Heeren oog. Do leugen is ecu schandvlek voor den mensch. De dief is uog beter als een halsstarrige leugenaar; doch beiden loopen in hun verderf.quot; De Zaligmaker is genadig, barm-hartig, liefdevol jegens alle zondaars, doch onverbiddelijk voor leugenaars en veinsaarde.
â ll(j â
Daarom geraakte hij tegenover de scliijnlieilige Pliarizeers in heiligen toorn. Hij noemt hen op de verachtelijkste wijze: addergebroed, gouden bekers vol bitterheid, witte graven met doodsbeenderen vervuld, enz. Daarom zegt een geacht schrijver: «Wij zien dat Jezus, tusschen alle soorten van zondaars, er eenige bekeerd heeft; onder de hebzuchtigen Mattheiis en Zacheus, uit de vervolgers der Kerk den H. Paulus. uit de ijdele en wulpsehe de TL Magdalena, uit de slechte vrouwen eene Saniaritaansche, uit de roovers een Dismas, uit de afgodendienaars den hoofdman, doch onder leugenaars en huichelaars geen enkele. Judas was een dergelijke en hij ging verloren.
3. Met de leugen gaan veinzerij, huichelarij en vleierij hand aan hand. Zij zijn geestverwanten. Daarom waarschuwen de Apostelen zoo nadrukkelijk toch .geen oogendienaarsquot; te zijn. Een dienstbode moge vele gebreken hebben, snoepachtig, traag, ijdel, driftig zijn, doch een oogendienaar, die den vrome, vlijtige, rechtvaardige, godvruchtige speelt, zijne meesters in liet gezicht vleit, hem, zooals men zegt, uaar de oogen ziet, en dit doet uit eigenbelang, om van zijne meesters voordeel te trekken, boven zijne mededienstboden uit te
â 117 -
blinken, is eene der terugstootendste verschijningen eu nochtans vindt men dikwijls dergelijke karakters in huizen, waar vele dienstboden samen wonen.
4. De leugen is des te gevaarlijker, wijl men gewoonlijk niet inziet hoe zondig zij is en deze zonde als zeer licht wordt beschouwd. Men biecht: .Ik heb wel eens gelogenquot;, doch zonder berouw noch goed voornemen van beternis: en bijgevolg zonder verbetering. En toch staat het woord van den H. Augustinus vast: Elke leugen is zonde; en kon ik dooreen leugen de wereld bekeeren, mijn leven, ja de geheele wereld redden, â dan nog mag ik niet liegen.
XV. De oprechtheid of waarheidsliefde.
De waarheidsliefde is eene der schoonste deugden der menschen, eene der noodzakelijkste eigenschappen dor dienstboden. Zonder haar kan er onmogelijk goede verstandhouding bestaan tnsschen meester en dienstbode. Heelt de laatste eens flink gelogen of wordt hij verscheiden keeren op kleine leugens betrapt, dan is het vertrouwen des meesters weg. Argwaan en mistrouwen blijven in liet hart
â HG â
Daarom geraakte hij tegenover de schijulieilige Pliariüeërs in heiligen toorn. Hij noemt hen op de verachtelijkste wijze: addergebroed, gouden bekers vol bitterheid, witte graven met doodsbeenderen vervuld, enz. Daarom zegt een geacht schrijver: »Wij zien dat Jezus, tusschen allo soorten van zondaars, er oenige bekeerd heeft; onder de hebzuchtigen Mattheus en Zacheus, uit de vervolgers der Kerk don H. Paulus, uit de ijdele eii wulpsche de II. Magdalena, uit de sleclite vrouwen eene Samaritaansche, uit de roovers een Dismas, uit de afgodendienaars den hoofdman, doch onder leugenaars en huichelaars geen enkele. Judas was een dergelijke en hij ging verloren.
3. .Mot de lenc/en gaan veinzerij, huichelarij en vleierij hand aan hand. Zij zijn geestver-wanton. Daarom waarschuwen de Apostelen zoo nadrukkelijk toch »geon oogendienaarsquot; te zijn. Een dienstbode moge vele gebreken hebben, snoepachtig, traag, ijdel, driftig zijn, doch een oogendienaar, die den vrome, vlijtige, rechtvaardige, godvruchtige speolt, zijne meesters in liet gezicht vleit, hom, zooals men zegt, naar de oogen ziet, en dit doet uit eigenbelang, om van zijne meesters voordeel te trekken, boven zijne mededienstboden uit te
â 117 -
blinken, is eene der terugstootendste verschijningen en nochtans vindt men dikwijls dergelijke karakters in huizen, waar vele dienstboden samen wonen.
4. De leugen is des te gevaarlijker, wijl men gewoonlijk niet inziet hoe zondig zij is en deze zonde als zeer licht wordt beschouwd. Men biecht: »ik heb wel eens gelogenquot;, doch zonder berouw noch goed voornemen van beternis; en bijgevolg zonder verbetering. En toch staat liet woord van den II. Augustinus vast: F.lke leugen is zonde, en kon ik dooreen leugen de wereld bekeeren, mijn leven, ja de geheele wereld redden. â dan nog mag ik niet liegen.
XV. I)e oprechtheid of waarheidsliefde.
De waarheidsliefde is eene der schoonste deugden der menschen, eene der noodzakelijkste eigenschappen der dienstboden. Zonder haalkan er onmogelijk goede verstandhouding bestaan tnsschen meester en dienstbode. Heeft de laatste eens tlink gelogen of wordt hij verscheiden keeren op kleine leugens betrapt, dan is het vertrouwen des meesters wear. Argwaan en mistrouwen blijven in het hart
I
â 118 â
achter. lietzeltVle zou immers het geval zijn als de dienstboden bemerkten dat hunne meesters hen misleidden. De achting, zegt de H. Augustinus, is noodzakelijk in de wereld. «Wij zijn onzen medemenschen de waarheid schuldig,quot; doch vooral is deze deugd hoogst noodzakelijk in den dienstbaren stand.
2. De deugd der waarheidsliefde bestaat in een onophoudelijk streven, nooit, zell's in kleine zaken te liegen. De H. Augustinus onderscheidt drie soorten van leugens: de scherts-, de nood-, de schade-leugen, en hij noemt ze alle drie ongeoorloofd. Wie waarlijk streeft deze deugd te verkrijgen, liegt ook niet uit scherts, want daardoor komt men tot grooterc leugens. De tweede is de noodleugen, en komt bij de dienstboden het veelvuldigst voor en wordt daarom ook wel dienstleugeu genoemd. Gij hebt iets verloren, vergeten, verlegd, gebroken; gij zijt langer uitgebleven, hebt u verrekend, ecue verkeerde boodscha]) verricht, eeu brief laten liggen, enz.. Gij vreest voor berisping en verwijt; nu begint gij te liegen eu denkt allerlei verontschuldigingen uit, waarvan geen woord waar is. Men staat soms verbaasd te ondervinden tot welke kunst dienstboden het in dit opzicht
kunnen brengen, met welk een rustig, tevreden gelaat jdj de leugen voordragen, met welke vroolijkheid zij later die leugens vertellen eu er over schertsen. De jeugd meent het vaak niet zoo kwaad, doch het is niet goed. Hebt gij gemist, dan spreek de reine waarheid en schaam u niet te bekennen. Dit bezorgt n achting en vertrouwen. Wilt gij de deugd van waarheidsliefde verkrijgen, vermijd dan elke leugen. Hot spreekt van zelfs, dat leugens waardoor schade aan uwe meesters wordt berokkend, in den lioogriteu graad strafbaar
' O O
zijn.
Wilt gij waarlijk oprecht zijn, zoo heb een afschuw van alle veinzerij, vleierij, huichelarij, schijnheiligheid.
Denk aan de reeds aangehaalde spreuk: «God alleen tot doel â tot getuige â tot loon.quot; Bederf uw karakter niet door deze ondeugd, onteer uwen stand niet, verlies uwe verdiensten voor den hemel niet. Zeg nooit uwen meesters iets vleiends in het gezicht, wat u niet uit liet hart komt. Zoek hunne gunst niet te stelen, doch te verdienen. Wees vooral geen oogendienaur tot nadeel uwer mede-dienstboden. De oogendienaar hoeft slechts een korten weg. Onverwacht valt hem
â 120 â
het masker af en ile huiohelaar staat daar in vollen smaad en schande.
XVI. Getrouwheid. â Getrouwheid des harten.
Het woord trouw, is een heerlijk, veelbe-teekeneud woord, liet beteekent de ware deugdelijkheid des mensehen. Noemt men een dienstbode tronie, zoo drukt men daardoor allo goede hoedanigheden uit. De getrouwheid is de volkomen opoffering des harten en dat door de liefde. Oc dienstbode kan zijn lieer aanhangen ter wille van het hooge loon, ter wille van een voordeeligen en aangenamen dienst. Dit is eigenbelang. Zoodra er eenige verandering komt, liet loon met een paar gulden verminderd wordt, een geschenk weg blijft, valt dc getrouwheid in het geheel tegenstrijdige. De dienstbode kan zijn heer toegedaan zijn uit geweten. Dit is goed en prijzenswaardig, doch het is nog niet de getrouwheid des harten, welke bestaat in de volkomen toewijding uit liefde. Daarom vermaant ons de Apostel en zegt: »Digt;et alles wat gij doet uit liefde.
â 121 -
2. Waarin deze getrouwheid lies taal, heb ik reeds in het hoofdstuk over do liefde getoond. Hier wil ik slechts de bemerking maken, dat de getrouwheid uit liefde steeds zeldzamer wordt en de naakte eigenbaat hare plaats inneemt. Hoeveel loon? hoeveel werk? hoeveel vrijheid? hoevele geschenken? hoeveel drinkgeld? Al liet overige is nevenzaak. En dit ligt wederom in eene andere kwaal onzer tijden besloten, namelijk in de zucht om te tr/nnen en te genieten, veel te verdienen, veel to verteren. Gaat een dienstbode Zondags-namiddags, in plaats van naar de kerk, de openbare vermaken bezoeken, zoo kost dit gold; hoe hooger het loon is, hoe beter men van dit alles gebruik kan maken, des te meer kan men zich bij die gelegenheid oppronken. Daarom verandert men ook zoo lichtvaardig van dienst. De gevallen, dat dienstboden jaren lang met onbezweken trouw bij dezelfde meesters blijven, behooren meer en meer tot do uitzonderingen. De getrouwheid des harten ontaardt meer en meer in oppervlakkigheid, eigenbaat, zucht tot genot, en dat is zeer te bejammeren, zoo in liet belang der meesters, als dor dienstboden zeiven.
XVII. Getrouwheid der tong.
1. De tong, zegt de Apostel Jacobus, is een klein lidmaat, doch dat vaak groote schade veroorzaakt. Een klein vuur kan een groot boscli in brand stoken. De tong is een vuur, eene wereld van onrechtvaardigheid. Wie kan berekenen hoeveel onheil van het begin der wereld tot den huidigen dag dooide tong aangericht is. Wie van pas weet te spreken eu te zwijgen is een volmaakt mensch. Zwijgen is goud, van pas spreken is zilveren appels op gouden schalen. De heiligen hebben ons vele vermaningen gegeven omtrent het spreken. De H. Augustinus leert: «Zeg nooit iets slechts.quot; De PI. Theresia vermaant: «Spreek weinig en als gij spreekt, zoo geschiede dit met ootmoed en bescheidenheid.quot; De H. Franciscus van Sales zegt: » De slechtste manier van spreken is, te veel te spreken.quot; Spreek eenvoudig, zonder overdrijven, spreek oprecht, en zeg nooit iets tot eigen lot'.quot; De 11. Theresia zegt nog: «Overleg wel alvorens te spreken en beveel het aan God, opdat gij niets moogt zeggen wat Hem mishaagt.quot; Zeker godvruchtig man maakt de opmerking, dat de tong twee adereu heeft, waarvan de eene
â 123 â
in het hoofd, de andere in het hart zetelt: leer hieruit dal gij altijd niet verstand moet spreken en niets zeggen -u-at niet in uw hart is.quot; De II. Ambro?ius beveelt ten slotte, immer wel te overwegen, xvuf, tof w/en. wanneer en u-aar gij spreekt.
â gt;. Een dienstbode, die te rechter tijd weet te spreken en te zwijgen, is goud waard. De dienstbode, die veel praat, kan groot onheil stichten; tweedracht in huis, vijandschap met dc buren, oneenigheid onder de dienstboden, kan argwaan, schade, processen veroorzaken, ja wie kan berekenen hoeveel onaangenaamheden, verdriet, oLgelegenheid, eene praatzieke tong kan aanrichten. Doch zien wij wanneer gij behoort te spreken, wanneer le zwijgen.
XVIII. Waarover inoogt gij niet spreken.
1. Spreek niet over de huiselijke aangelegenheden uwer meesters. Ai wat in huis is, geschiedt, voorvalt, mag den drempel niet overschrijden. Misschien gaat alles in huis zoo goed, dat iedereen het welen mag. en toch is het niet noodig dat iedereen het weet,
â 124 â
en zeker is liet niet aangenaam dat alles, zooals men zegt, op straat gebracht wordt. Het is geheel overbodig te vertellen, wat gegeten, gedronken, bespaard, verteerd wordt, welke gewoonten de man, welke do vrouw heeft; â hoe de zaak gaat, wat de zoons, wat do dochters doen. Gij bemerkt dat de zaak slecht gaat, â wat gaat dat anderen aan? Gij weet dat de rekeningen nog niet betaald kunnen worden, â waarom vertelt gij dit? Gij ziet dat de huisvrouw in alle opzichten uitspaart en gij vertelt: het zal er niet goed staan. Toevallig hoort gij, dat uw lieer groote schade heeft geleden, en men zich daardoor in verlegenheid bevindt. Is het niet trouweloos dit in de buurt te vertellen? De zoon is voor zijn examen gedropen; men wil het stil houden, gij brengt het uit. Eensklaps weet het de heele stad, tot verdriet der ouders, tot schade van den zoon. Kr is eene verloving gesloten, doch om goede reden moet dit nog geheim 1)1 i j /en. Waarom brengt irij liet op straat? De familie heeft groote onaangenaamheden met bloedverwanten, doch uitwendig merkt men dit niet op. Waarom moeten anderen dit weten? â Z 10 zou ik u duizend gevallen kunnen opnoemen, waarin
â 125 â
gij trouweloos zijt. als gij uiet nauwkeurig volgens geweten zwijgt eu getrouw zijt met de tong.
2. Spreek niet over de gebreken uwer meesters. Het is eene slechte neiging, welke diep in 's menschei; hart ligt, waardoor hij gaarne en zeer licht in zijne niedemenschen fouten ziet, ontdekt, bespiedt, er over spreekt, ze wijd en zijd uitbazuint, de fouten vergroot, in valsch daglicht stelt, leugen en waarheid onder elkander vermengt, ten laatste liegt. Allen die veel, vertrouwelijk, ja dagelijks met elkander in hetzelfde huis omgaan, bemerken wederzijds fouten en zwakheden. Echtgenooten. ouders en kinderen, bloedverwanten, huisge-nooten, vrienden leeren elkander nauwkeurig kennen, weten elk woord, elke beweging, elk gebaar, elkeu gelaatstrek te beoordeelen. Dienstboden zijn leden van hot gezin, meesters en dienaars leereu- door dagelijksch verkeer elkander kennen, eii zoo kan liet gebeuren, dat de dienstbode weldra groote fouten iu zijne meesters bemerkt. Gij zijt bijv. van fatsoenlijke familie, wel opgevoed, hebt slechts goede voorbeelden gezien, zijt onschuldig op uw dorp groot gebracht, komt in eene min of meer groote stad, het is uw eerste dienst
â 12(5 â
en prij valt in een gezin, waarin de verhouding dor familie niet best is. De man is in stilte aan den drank verslaafd; de vrouw zoekt opschik en genot: de dochters volgen hare moeder; de zoons zijn ongeloovig en losbandig; de echtgenooten zijn dikwijls oneenig, vaak in strijd en dikwijls hebben hevige tooneelen plaats. Gij kunt meesters vinden waar deze rampen slechts gedeeltelijk voorkomen. Hoe hebt gij u hierin te gedragen?
3. Het spreekt van zelf, dat gij u door het kwade voorbeeld niet moogt laten medeslepen. Menig onschuldig kind is in dergelijke gezinnen ten verderve gebracht. Doch even zeker i,= het, dat omtrent alles wat in huis gebeurt, niets over uwe lippen mag komen, niets den drempel mag overschrijden; hier geldt de trouw der tong. Gij zijt verplii-ht tot zwijgen en dit wel bijzonder door het achtste gebod: gij moogt geen kwaadspreken, gij moogt het kwaad niet verspreiden. Gij zijt verplicht te zwijgen, als lid van het huisgezin, â de familie heeft dit vertrouwen in u, ja rekent hierop, dat gij hunne inwendige huiselijke zaken niet uitbrengt. Niets is hatelijker dan kindereu te hooren spreken over de fouten en zwakheden hunner ouders, â en evenzeer
â 127 â
misacht men dienstboden, welke alle, zelfs de kleinste fouten hunner meesters op straat brengen, ja, men zou haast zeggen als uitroepers aan de hoeken der straten uitbellen. Het ergste hiervan is, dat men natuurlijk bijna altijd de dienstboden gelooft. .Men zegt: .Zij zijn daar in huis, zij moeten het weten.quot; Men neemt hun woord als evangelie aan, en door het gepraat der dienstboden heeft vaak menige familie goeden naam en vertrouwen verloren en onherstelbare schade geleden.
4. Dit kwaadspreken kan in volstrekte]i laster ontaarden. Komt er werkelijke boosheid bij, verbreidt men niet alleen het kwaad, doch verzint men dit kwaad, â lastert men, wellicht uit haat, uit wraak zijne meesters, dan is do maat der zonde volgemeten. Zegt gij, zonder dat het waar is. of zonder het zeker te weten; In onzen winkel gaat liet niet richtig, â het gewicht deugt niet, â de dranken worden gemengd, â de man heeft geen geweten, â de vrouw is gierig, â de dochter heelt slechten omgang, â de zoon is een nachtlooper enz., dan begaat gij de zware zonde van laster en gij kunt hierover geene absolutie ontvangen zoo gij den goeden naam niet herstelt en al uwe gezegden lier-
â 128 -
roept. Het ergste is, dat deze font van praal-zuclit en kwaadsprekendheid te licht wordt opgenomen, dat men in de biecht niet oprecht is, dat berouw en voornemen gebrekkig zijn, dat men bij lastering uit schaamte zijne woorden niet durft wederroepen, en de biecht daardoor zeer licht ongeldig kan worden.
XIX. Het kostbaar edelgesteente.
1. De trouw der tong, geliefde dienstboden, laat zich vergelijken bij een kostbaar edelgesteente. Van degenen, die deze deugd bezitten, kan men zeggen, dat zij een edel hart, een goed karakter hebben. De dienstbode. die dezen schat bezit, kan men bij een schat vergelijken. Uedek verheelde fouten uwer meesters als een welgeaard kiiid. Ik heb twee kinderen gekend, wier moeder aan den drank verslaafd was; ik wilde ze elders plaatsen, doch zij weenden slechts en konden het woord, dat hunne moeder aan den drank verslaafd was, niet over de lippen brengen. 'Lot de uiterste ellende zijn zij bij haar gebleven. Later trokken zij den vreemde in, kwamen tot geluk en welvaart, en toen hunne moeder ziek werd, kwamen zij beiden over
om li aar do laatste eer te bewijzen. Wilt gij li de trouw der tong verwerven, zoo wees trouw in het kleine; bespreek nooit uwe meesters â zij zullen u eeren, waardeeren en liefhebben en gij zult bij alle brave men-schen geacht worden.
2. \\ ees ook voorzichtig den goeden naam uwer mededienstboden en ondergeschikten niet te benadeelen, gij* zoudt daardoor oorzaak zijn dat zij later geen goeden dienst meer krijgen kunnen. (Je hebt zo eens in don kelder zien snoepen, on gij zegt: zij steelt. â zij heeft iets gebroken en gij zegt: zij gooit alles kapot;
zij hoeft eens uit nood gelogen en gij zegt: zij spreekt nooit de waarlieid; â zij heelt zich eens verslapen, nu is zij eon lui mensch: â zij heefl zich verrokend, nu zegt gij dat zij steelt en dat men haar niet naar de markt kan zonden, enz, enz.; aldus toegevendheid, liefde, trouw van alle zijden, volgens het woord van den H. Paulus: .Verdraagt elkander in liefde.quot;
â¢:gt;. Er zijn gevallen waarin men verplicht is te spreken, te weten: wanneer er eenig nadeel, oenige schade door ons spreken kan algewend worden. Gij weet bijv. dat de winkeljuffrouw voortdurend oneerlijkheden begaat, aan vreemden geschenken uit don winkel
0
â 130 â
geeft, kostbare dingen voor eigen gebruik neemt, uit de kas stoelt: gij weet ook dat als gij haar dit onder het oog brengt, zij alles ontkent, alles loofihcnt, groot alarm maakt en u dan zelfs nog als diefegge zou betichten; in zulk een geval zijt gij verplicht tG spreken en uwe meesters te verwittigen. Hot ware dan best, dat uw naam in de zaak verzwegen werd en uwe meesters haar op heetoi-daad betrappen, gelijk dit zoor gemakkelijk sreschioden kan. Verondersteld; een knecht verkoopt de haver voor do paarden bestemd, stoelt op alle wijzen, blijft 's nachts buitenshuis rondzwieren, enz. Mier is het plicht te spreken, doch weder met voorzichtigheid. Verondersteld: dat er eene onzedige verkee-ring plaats vindt tusschevi eon dienstbode en oon der huisgenooten, ja zelfs met den zoon, de dochter des huizes; gij weet zeker dat gij met smaad wordt bejegend, zoo gij een woord van waarschuwing of vermaning durft te zeg-_ ook hier is liet plicht uwe meesters dit mede te doelen. Eene dwaze moeder zal u wellicht barsch eu bits afzetten met een: âdit gaat u niet aan, zorg maar voor uwe keukenquot;. Weet gij vooruit dat uwe waarschuwing slecht opgenomen zal worden en
â 131 â
-i'lieej vruchteloos zal zijn, dan vervalt de plicht ze te geven, â Gij ziet uit de opgegeven gevallen, dat gij verplicht zijt te spreken waar uwe meesters schade kunnen lijden aan geld en goed, in hunne zaken, in hunne eer, in hunne kinderen, door hunne kinderen, door menschen die in huis gebruikt worden enz. enz.
XX. Bewaar trouw de geheimen uwer meesters.
Ij en trouw hart verbergt datgene wat men het heeft toevertrouwd, fieheimhouding der zaken der meesters is de plicht der dienstboden; geheimen te ontdekken is onedel, karakterloos, zondig. Onder geheim moet men alles verstaan wat uwe meesters u onder het zegel van geheimhouding hebben medegedeeld. Gij zijt wellicht lang bij dezelfde familie in dienst, men schenkt u 'vertrouwen, men is overtuigd, dat gij zwijgt. Op zekeren dag ziet gij de huisvrouw schreien en vraagt naar de oorzaak. Zij antwoordt: itde zaak gaat zoo achteruit, dat wij ons failliet zullen moeten verklaren, docli ik bid u zeg het toch niemand.quot; En gij brengt het uit, â is dit niet schandelijk!' â Wellicht hebt gij toevallig
_ 13-2 â
een geheim ontdekt, en zijt eveneens verplicht tot zwijgen. Onder geheim verstaat men ook alles wat andereu niet behooren te weteu, en wat meer nadeel dan voordeel kan veroorzaken, als het bekend wordt. Wees kloekmoedig en vastberaden tegenover hen. die u zulke geheimen zoeken te ontlokken, want zij handelen even trouweloos, als zij, die geheimen openbaren. Dalila. die Samson z,,u u-eheim ontlokte eu hem bedroog, was eeue verachtelijke vrouw. Als gij beloofd hebt iets te zwijgen, moet gij zwijgen tot het grat, daarom'moet gij het zelfs uwe beste vrienden âlet mededeelen, al zouden zij u onder eed beloven, het te zwijgen. Hier bedriegt men zich licht. Men belooft u te zwijgen, gij vertrouwt het dan onder het zegel der geheimhouding aan een derde, deze aan een vierde enz., tot dat iedereen het weet. Allen beloven te zwijgen allen praten - tot eindelijk wijd en breed .Ie zaak ruchtbaar is; hierbij nog een klem kapitteltje van groot belang.
XXI. De nieuwsgieriglieid.
1. De nieuwsgierigheid is een leehjk gebiek. Sommigen zijn nieuwsgierig van aard. Zij
â 133 â
branden van begeerte iets nieuws te hooren, uit te vorschen, te bespieden. Zij weten alles wat in stad en land, in straat en steeg, in buurt en huis omgaat. Zij blijven bij iedereen een praatje houden; weten behendig en sluw ieder uit te hooren: weten, zooals men zegt. langs Rome om. tot hun doel te komen, kunnen in een plasregen een uur lang onder de parapluie blijven praten, houden er bood-schappers, spionnen, overdragers op na, weten alle gebreken der buren, alle schandalen der stad haarklein te vertellen. De nieuw^neri^-
O O
heid is als eene koorts, fk heb menschen gekend, die geen adem genoeg hadden om uit te vragen. De nieuwsgierigen zijn gevaarlijk, want gewoonlijk zijn zij daarbij praatziek, kwaadsprekend en leugenachtig. Eene nieuwsgierige dienstbode is een gevaarlijke gast in huis.
2. Indien nieuwsgierige menschen niet tot hun doel kunnen komen, dan schrikken zij voor geene onedele middelen terug. Zij eerbiedigen liet geheim der brieven niet. en rekenen het zich niet tot kwaad brieven, aan anderen gericht, te lezen. Hen dienstbode, die zich niet schaamt de brieven zijns meesters te lezen, is een gevaarlijke dief in huis. Alen moet hem
â 134 â
zooveel vertrouwen schenken, dat hij alle kamers des huizes betreden mag. Het kan gebeuren dat een brief geopend op tafel is blijven liggen. Open of dicht een brief is een geheim. Hoer hem niet aan, sla er zelfs geen halven blik op. Gij zijt een dief als gij geld steelt, dooh grooter dief is hij, die vreemde brieven leest. Geestelijken, dokters en ambtenaars hebben geheimen, die zij verplicht zijn te bewaren, eu gij zoudt daarin willen diingen. Uit is schandelijk, afschuwelijk, eerloos: als de bekoring hiertoe u aanvalt, verlaat dan spoedig de kamer, en laat den duivel der bekoring alleen staan.
3. Even zoo schandelijk is liet luisteren. Er zijn nieuwsgierige menschen, welke alles weten willen wat in huis omgaat, w at in- en uitgaat, waarover de meesters spreken, enz. En als zij er niet goed achter kunnen komen, dan springen zij naar de deur, laten met opzet de deur open staan, leggen het oor aan het sleutelgat, gaan buiten voor liet venster staan, gaan in de zijkamer en zoeken daar iets te doen, spitsen de ooren, ais slechts één woord wat harder gezegd wordt, laten alles staan cn als een kleine strijd tusscb.en man en vrouw ontstaat, gaan zij luisteren. Be
â 135 â
luistervink is een verachtelijk wezeu; als hij betrapt wordt, hetgeen God dikwijls toelaat, wordt hij diep beschaamd en de meesters trachten met volle recht zulk een gevaarlijk wezen, zoodra mogelijk, uit liet huis te verwijderen.
XXII. De trouw der hand.
1. Ouder »trouw der handquot; verstaat men de eerlijkheid en rechtvaardigheid der dienstboden met betrekking tot het geld en goed hunner meesters. De dienstboden mogen zich van het eigendom hunner meesters niets toeeigenen, noch hun op eene of andere wijze nadeel toebrengen. liet spreekt van zeifs, dat dit eene der noodzakelijkste eigenschappen der dienstboden zijn moet. Uwe meesters vertrouwen u hun geld en goed. Gij moet op velerlei wijze daarover beschikken in keuken, kelder, In huis, In den winkel, in hof, in tuin en stal. U staat de toegang open tot alle kamers; men kan niet altijd alles sluiten; kast, secretaire, lessenaar enz. blijven soms uit haast of vergetelheid open; men laat toevallig geld liggen; men laat de dienstboden het opschrijven der kleine huishoudelijke
â 130 â
rekeningen over: men vertrouwt hun betalingen, inkoopen, inwisseling van geld, enz. En nu verbeelde men zich een oneerlijke, een dief in buis te hebben: welke schade, welke ellende, welk verdriet kan hij veroorzaken?
2. Er zijn menschen, welke uit hunne natuur tot stelen geneigd zijn. wien deze droevige hartstocht aangeboren is. De ondervinding leert dat dit gebrek van do ouders op de kinderen overgaat, dat zij dit als van hen erven. Zulke menschen kunnen niets laten liggen, altijd blijft hun iets aan do vingers hangen. Anderen zijn vroegtijdig door hunne ouders tof stelen opgeleid! Weder andoren zijn oneerlijk door begeerlijkheid en gierigheid.
3. Uit welke oorzaak de onrechtvaardigheid ook moge ontstaan, toch is zij oenc der treurigste gebreken. !)e dief is in de men-schelijke samenleving een eerloos wezen, men vlucht hein als een inelaatsche. Een diefstal die openbaar wordt, berooft don mensi'.h in eens van alle eer en vertrouwen. Do diefstal maakt den mensch vaak ongelukkig voor geheel zijn loven, want ook de woreldsche macht heeft daaraan de onteerendste straf verbonden. Menigeen heeft door oneerlijkheid ambt, plaats, â roeden naam. ja geheel zijne toekomst op het
â 137 â
spel gezet, en meer dan deze tijdelijke gevolgen, weegt de grootte der fout bij God. De diefstal is eene groote zonde en de II. Schrift herbaalt uitdrukkelijk: «Geene dieven zullen liet rijk Gods binnentreden. God beware u voor deze ondeugd!quot;
-1. Bedenk wel : van do bezittingen uwer meesters behoort u niets. Gij moogt daarvan slechts in zoover gebruik maken, als zij u dit bevelen of toestaan. Buiten weten en willen der meesters n iets tooöigenen, hetzij klein ot groot, is diefstal, liet ergste is het nemen van geld. Verondersteld: een dienstbode is zeer spaarzaam, wil gaarne iets overleggen en in de spaarbank zetten, en begint nu hier en daar zich een cent, een halven stuiver, die hier en daar als verloren ligt. toe te eigenen, maakt kleine voordeeltjes op do markt bij het inkoopen, betaalt eenige stuivers minder dan zij opgeeft voor rekeningen, enz. â elke cent is onrechtvaardig goed. En wat het ergste is, zulk een dienstbode wordt weldra een volslagen dief, want de begeerlijkheid noemt toe; men komt van centen tot dubbeltjes, van dubbeltjes tot guldens. Hot gevaarlijkst is deze hartstocht voor hen, die in winkels dienen, waar groote omzet is, bijv. in koloniale
â 138 â
waren, waar tie meesters niet tot het kleinste toe kunnen controleeren en tot den laatsten cent kunnen nagaan. Zoowel als het nemen van ptelcl is ook het nemen van eenige zaken van waarde openlijke diefstal, bijv. verval-sching van koopwaren, liet seven of verkoopen daarvan, het gebruik van spijzen en kostbare dranken, door uwe meesters niet toegestaan. Ook hierin kan een dienst in een winkel zeer gevaarlijk zijn; ik wil u hieromtrent nog eenige wenken geven.
XXIII. Yragen en antwoorden.
1. Veronderstel: gij dient in oen winkel, gij hebt een kleed noodig, doch gij hebt geen geld. Nu neemt gij dit iiit de lade, met het vaste voornemen, het dadelijk terug te leggen als gij uw loon ontvangt.â Is dit geoorloofd?
Neen. â Gij hebt geen recht op het geld uwer meesters. (üj moogt hun een voorschot vragen, dan handelt gij eerlijk. Hebt gij eigenmachtig u op zulke wijze geld verschaft, dan zijt gij verplicht u daarover in de biecht te beschuldigen. Zeer dikwijls wordt het geld niet teruggelegd, en als gij gedurenöe langeren tijd geen goeden wil toont om liet onrecht-
â 139 â
vaardig goed terug te geven, kan de Absolutie n niet gegeven worden.
'2. Veronderstel dat gij naar de markt wordt gezonden om inkoopen te doen. Uwe meesters hebben hiervoor een zekeren prijs bepaald, waarboven gij niet moogt gaan. Door een gelukkig toeval en behendigheid krijgt gij het beterkoop. Moogt gij dit voordeel voor u houden?
Seen; het is uw plicht zoo goed en zoo billijk te koopen als mogelijk is. Het voordeel is voor uwe meesters.
8. (rij hebt arme ouders, die in grooten nood leven, uwe meesters zijn schatrijk. Gij hebt uwe ouders lief'en hebt groot medelijden met hen. Nu brengt gij hun in stille spijs, drank, groenten, ja hout, kolen en petroleum. Moogt gij dit doen?
Seen. â Dit is ontrouw uit kinderliefde, doch zij is niet geoorloofd. Gij moogt uwen meesters iets vragen en laten bepalen of en wat gij geven moogt. Ouders zonder geweten hebben soms hunne kinderen tot zulke oneerlijkheid aangezet en hunne kinderen hierdoor in het grootste ongeluk gestort.
4. Bloedverwanten, bekenden, vrienden bezoeken u; een broeder komt uit den vreemde;
â 140 â
.ni ziit zeer verheugd; uwe meesters ziju op eene partij en komen eerst laat thuis nj 7,iit baas in keuken en kelder en onthaalt hen naar hartelust, schenkt hun wijn. enz.
Is dit geoorloofd?
Neen. _ het is ontrouw uit liefde en beleefdheid, doch zij is ongeoorloofd. Vraag uwen meesters wat gij uwen bloedverwanten âeven moogt, als zij u komen bezoeken.
ó Uwe meesters zijn rijk, doch klein-harti»; het is slechte tijd, vele armen komen aan 'de deur. Gij zijt medelijdend van hart en zelve in armoede opgegroeid: nu gee t âij buiten weten en willen^ uwer meesters kleinigheden in geld, spijzen, oude kleeren. Mag dit wezen?
Veen - Dit is ontrouw uit medelijden, doch niet geoorloofd, want van alles wat uwen meesters behoort, behoort u ggt;J
moogt hun vragen, of en wat gij moogt geven Vervullen zij hunnen plicht met jegens de armen, zoo valt de verantwoording op hen.
6. Er liggen afgedankte kleedmgstukken, onbruikbare' zaken. Zij %?cu te bederven; jjij gebruikt dit in stilte of geett ze weg. Mag dit?
Neeiu _ (lij hebt geen r.-ht op het eigen-
â 141 â
dom uwer meesters. Gij moogt hun vragen ot' gij die zaken voor u of voor anderen moogt gebruiken. Laten zij ze bederven in plaats ze nuttig voor anderen te besteden, zoo valt de verantwoording op hen. â Vraag in dergelijke gevallen altijd raad, gij vindt in de biecht daartoe de beste gelegenheid.
XXIV. Het snoepen.
Onder snoepen verstaat men het ongeoor-looid en heimelijk gebruik van spijs, drank, en lekkernijen, welke niet noodzakelijk zijn tot onderhoud des levens, doch slechts dienen om de zinnelijkheid te streelen. De snoeplust vindt men vaak in hoogen graad bij kinderen. Er zijn kinderen, die altijd zouden snoepen, voor wie de ouders alles wat hun behaagt, zou moeten wegsluiten. De zucht tot het verboden, zinnelijkheid en zucht tot genot zijn de bronnen, waaruit de snoeplust ontspringt, lïij dienstboden is dit een zeer onaangenaam, nadeelig en gevaarlijk gebrek. Het is voor de meesters onaangenaam te weten, dat de dienstbode eerst en vooral van alles moet proeven. Daarenboven kan de snoeplust soms groote schade veroorzaken. In een specerij-handel.
â U-2 â
waar men vele kostbare zaken verkoopt, waarvan de dienstbode dagelijks snoept, zou men per jaar een heel sommetje verliezen. Het snoepen is daarenboven gevaarlijk, want hierdoor wordt de menseh week en zinnelijk en verliest de kracht om dat gebrek te overwinnen: hij verliest den smaak tot eenvoudig, gezond voedsel, en schaadt hierdoor zijne gezondheid. Het snoepen is bijzonder gevaarlijk als men van drank snoept. Fk heb meisjes gekend, die door het snoepen van likeuren, langzamerhand aan den drank geraakt en reddeloos verloren zijn gegaan. Eindelijk is het snoepen een begin van stelen: bijna elke dief is begonnen met snoepen. Wees daarom voorzichtig zoodra gij deze fout in u bemerkt. () verwin u krachtdadig. Beheerscht gij, ter liefde Cods, plichtshalve deze kleine begeerlijkheid. zoo zult gij kracht vinden in grootere bekoring u zeiven te overwinnen. Bemerk ook dat liet snoepen een biechtpunt is; dat als gij uwen meesters groot nadeel berokkent, deze schade vergoed moet worden en dat de biecht slecht en ongeldig is al-s de ware daadzaak verzwegen of bewimpeld wordt.
- 143 â
XXV, Andere ongetrouwheden.
DE LEDIGGANG.
De tijd der dienstboden behoort hunneu meesters, dit is zonneklaar. Hiervan is uitgezonderd de tijd voor dc godsdienstoefeningen, voor de noodzakelijke rnst, en de vrije tijd, welke de meesters hunnen dienstboden toestaan.
De overige tijd moet in geweten eerlijk tot nut der meesters gebruikt worden. In vele diensten kan er van ledigheid geen sprake zijn, daar elke minuut moet gebezigd worden wil men slechts liet noodzakelijkste kunnen verrichten. Daar tegenover staan andere. waarin de dienstboden veel of' weinig kunnen doen, zonder dat de meesters dit bemerken of narekenen kunnen. Dienstboden, tuinlieden, huisknechts, huishoudsters, enz., kunnen op hunne wijze dagdieven zijn en zij kunnen door het leegloopen hunnen meesters groote schade berokkenen. Er worden er gevonden, die onder het oog hunner meesters vlijtig arbeiden, ja zicli in het zweet werken, docli nauwelijks hebben zij den rug gekeerd, of men stelt zich schadeloos, men geeft zich aan traagheid over, laat de zaken gaan gelijk zij willen, veroorzaakt hierdoor schade in keuken, kelder, hof
â 144 â
en stal, verzuimt den geschikten tijd tot inkoop en bestelling enz. enz. Voor eik nadeel, elke schade, welke de meesters lijden door de traagheid, onverschilligheid eu onachtzaamheid der dienstboden, zijn deze verantwoordelijk. Wie toch kan een knecht verontschuldigen, die door traagheid eu nalatigheid het paard zijns meesters bederft; een tuinier, die tuin eu hot laat onderkomen; eene huishoudster, die de kostbaarste zaken laat bederven? Let derhalve op uwe plichten. Gebruik den tijd voor datgene, waarvoor hij u gegeven wordt. Wacht u voor onverschilligheid en traagheid, opdat gij u later geen zelfverwijt te doen hebt eu niet in moeielijkheid komt met uw geweten en uwe meesters, wegens schadevergoeding.
XXVI. De verkwisting.
liet eigendom der meesters moet den dienstbode dierbaar en heilig zijn; hij moet het beschouwen als hem toevertrouwd eu derhalve zorgvuldig, spaarzaam, volgens geweten daarmede omgaan. Hier tegenover staat lijnrecht de verkwisting. liet is niet christelijk, niet passend te zeggen: «Wat kan het mij schelen.
â 145 -
het zijn mijne zaken niet; men kan er wel tegen, zij zijn rijk genoeg, enz. Of wel: âer moet wat opgemaakt worden, anders wordt er ook niets verdiend; wat komt liet er op aan, ze kunnen het best betalen.quot; Het komt er niet op aan, wat uw meester betalen kan, docli wat gij te doen hebt. Het oude spreekwoord zegt: Vele kleintjes maken eén groot. Men kan groote sommen nutteloos uitgeven; groote sommen door eenige opmerkzaamheid sparen. De dagelijksche kleinigheden worden in den loop eens jaars een borg. Eene dienstbode, die geheel liet liuishonden in handen heeft, kan veel sparen en alles verschaffen wat noodig is; zij kan veel verbruiken en minder verschaffen. Zij, die in het huishouden ervaren zijn, zullen dit begrijpen. Het grootste gevaar voor verkwisting bestaat dan, als de dienstbode weet, dat hij niet wordt nagegaan, of dat zijne meesters geen kennis van huishouden hebben. Dan wordt niet zelden hoogmoedig, eigendunkelijk en slordig huis gehouden. Het is vooral erg, als eene jonge vrouw, vroeger niet in het huishouden ingewijd, haren tijd doorbrengt met muziek en romanlectuur en zich op genade of ongenade aan hare dienstboden moet overlaten. Hebt
10
o-ij de ware trouw van hart en liand, dan lult gij juist in zulke gevallen uwe meesters liefdevol ter zijde staan en door uw doorzicht en ervaring hun nuttig zijn.
Wilt gij zelf geluk en zegen hebben, zoo ga spaarzaam on trouw met het geld uwer meesters om. Toen Jacob Laban verliet, kon hij hem zeggen: «Toen ik tot u kwam, bezat gij weinig, en thans zijt gij rijk.quot; Daarom zegende God -lacob en gaf hem de landstreek Gessen in bezit.
XXYIÃ. Valsclie rekening. Bedrog.
1. Er zijn diensten, waarin gij rekening moet houden voor het huishouden, voor aankoop, enz.; winkels, waarin het boekhouden u wordt toevertrouwd; waar u geld wordt voorgeschoten om de uitgaven te bestrijden. Hier geldt.. vooreerst eerlijkheid, dan orde en groote nauiulceurigheidhi] het opschrijven, andeis raakt gij in de war, berokkent u vele onaangenaamheden en moeielijkheden, en â wat nog erger is â de schade, die gij veroorzaakt, moet gij weder goed maken. Verlaat u in dergelijke gevallen niet up uw geheugen, do^
â 147 â
schrijf alles dadelijk nauwkeurig, met dag en datum op.
2. Worden de rekeningen vrijwillig, tot eigen voordeel vervalsclit, zoo is dit bedrog. (iod beware n, u tot zulk eeue schandelijke zaak te laten verleiden. Denk aan liet woord der H. Schrift: «Beter weinig met recht, dan veel met onrecht. Het vermogen der oneerlijken verloopt als eene beek. Zoo gewonnen, zoo geronnen. Oneerlijk goed gedijt niet.quot; Wat gij op znlke wijze wint. verliest gij zevenmaal o}) eenc andere wijze.
o. Laat ii vooral niet verleiden, om in bondgenootschap met uwe mededienstboden, uwe meesters tc bedriegen. Veronderstel, dat oen opzichter of huishoudster, die het volle vertrouwen hunner meesters bezitten. oneerlijk zijn. valsche rekeningen opmaken; zij kunnen u dit niet geheel verbergen, zij willen, dat gij mededoet of althans zwijgt: zij beloven u een deel der winst. Sta hier vast. Treed open en vrij den bedrieger tegen. Laat u noch door vleierij verschalken, noch door bedreiging verschrikken. Verwijt hun hunne oneerlijkheid, cn als zij zich niet beteren, deel liet dan uwen meesters mede; en zoudt gij ook een tijd lang het offer van leugen, laster en ver-
â 148 â
volding worden, zoo vertrouw op «od; waarheid en eerlijkheid zegepralen immer, zij liet vroeg ot laat.
XXVIII. De zelfvergoeding.
1 Hieraan maakt zich een dienstbode schuldig, die, meenende dat zijne meesters hem niet geven wat hem toekomt, zxch in stilte datgene zoekt te verschaffen, wat hij
meent, dat hem toekomt. De vraag is ot dit geoorloofd is.
quot; Aangenomen uw meester geeft u met wat Mj u beloofd heeft. Men is overeengekomen voor tacliig gulden loon, daarbij is een geschenk beloofd en veel hoop gegeven op veel verval. Later beweert uw heer dat gij voor zeventig «ruiden gehuurd zijt, het geschenk wordt verbeten en van verval is geen sprake. Is dit werkelijk zoo, dan is dit oneerlijkheid van de zijde der meesters; nu laat de dienstbode zijn recht gelden eu gedraagt zich daarbij op zeer fatsoenlijke wijze, doch de heer bekommert zich daarom niet in het minste. Nu denkt de dienstbode: .gij moet m stilte het uwe zien te krijgenquot;; doch nu begint het moeielijk te worden: men moet schadevergoe-
ding zoeken voor rle tien gulden loon. voor het geschenk en het verval. Hoe moet men ilit laatste verrekenen!' Hoc moot die vorsroc-ding geschieden? Kan men den dienstbode niet licht als dief betrappen, als hij van tijd tot tijd iets wegneemt? Overschrijdt gij niet licht de grenzen der- eerlijkheid, door moor te nemen dan n toekomt? Denk eens aan al het gevaarlijke van uwen toestand: kan men zulk eene zelf vergoeding goed noemen? Neen. Xij is zeer af te raden. Het is nog boter uw recht bij het gerecht te zoeken; doet gij dit niet gaarne, dan lijd het verlies on zeg uwen dienst op, want de betrekking kan niet goed meer worden, wijl gij de achting voor uwe meesters verloren hebt.
Alen zegt; Mijn loon is tu/rring. âWat.quot; zegt gij, «zijn die paar gulden tegenover al het werken en slaven, dat ik moet doen van den morgen tot den avond. Ik moet den heelen dag klaar staan, de bel staat geen oogenblik stil, ik moet zestig trappen op- en afloopen, enz. En toch ontvangt gij het hoogste loon, dat men pleegt te geven: doch gij zijt ontevreden en meent altijd, dat liet loon niet geeven-redigd is naar het werk. Intusschen geeft «rij veel uit, houdt van ojischik, draagt lichte,
_ lóO â
kostbare schoenen, verknoeit en verkwist mv geld. En nu komt gij en zegt; De dienstboden trekken te weinig loon, en wat zij te weinig krijgen, moeten zij maar in stilte zien te pakken! Nu begint gij u geld toe te eigenen. Is
dit geoorloofd?
De eerste vraag is: Voor lioeveel zijt gij overeengekomen. Het loon, waarvoor men u gehuurd heeft is, uw loon, niets meer en mets minder. Men heeft u voor 7.quot;) galden gehuurd en 75 gulden gegeven; was het loon u niet hooff genoeg, dan hadt gij den dienst niet moeien aannemen. Gij hebt hem aangenomen, en of gij nu meer geld gebruiken kunt. meer uitgeven of meer sparen wilt, dit komt hier volstrekt niet in aanmerking. Herinner u de werklieden van het Evangelie; toen zij des avonds meer loon eischten, sprak de vader des Huisgezins: .Ben ik niet voor een denans met u overeengekomen; neemt wat u toekomt en gaat heen.quot; Elke stuiver, dien gij u toeeigent om uw loon te verhoogen, is diefstal. Is echter uw loon werkelijk te gering en willen uwe meesters uit onvennoge. of gierigheid het niet hooger stellen, zoo staat het u
vrij uwen dienst op te zeggen.
3. Men meent ook rede te hebben tot zelf-
â 151 â
I
vergoeding als men buitengeironn xcerk vemeht heeft, bijvoorbeeld als men een tijd lang den dienst eener zieke dienstmaagd heeft overgenomen, veel moeite bij een zieke gehad heeft als men heeft moeten waken, als er vele partijen gegeven zijn, als men schoon gemaakt heeft, enz. Hier kan eenerzijds de erkentelijkheid der meesters faleu, of de dienstboden kunnen te veeleischend zijn, en nieenen, dat zij voor eiken tred buiten hunne gewonen levensloop extra betaald moeten worden. Doch zich-zelven schadeloos stellen is nooit geoorloofd.
r In het voorbijgaan zij gezegd, dat de meesters
lquot; verplicht zijn hunnen dienstboden gezond eu
e toereikend voedsel te verstrekken. Geschiedt
s dit niet, dan mag men zich aanmelden en
r vorderen wat men noodig heeft. Zich-zelven
is levensmiddelen voor eigen geld aanschaffen
it of stelen om te kunnen werken, is onbestaan-
e- baar met een behoorlijken dienst, en zoo zicli
il. dit niet laat veranderen, is liet beter dien
311 te verlaten.
tr-n
U
if-
XXIX. De teruggave of restilutie.
Onreclitvaardig verkregen goed moet zijn reehtmatigeii bezitter zoodra mogelijk en ter volle waarde teruggegeven worden. Heeft uw meester door uwen diefstal nog andere schade ondergaan, zoo zijt gij verplicht, ook deze goed te maken. Hebt gij bijv. geld gestolen en behouden, dan moet gij ook den interest betalen. Waren hot vele kleine voorwerpen, die gij in een winkel ontvreemd hebt, zoo moot daarvan in geweten de rekening opgemaakt worden. Laat zich liet bedrag niet juist opgeven, dan moet men dit ongeveer berekenen. Zoo gij u in een dergelijk geval bevindt, raad ik u de afrekening niet uit te stellen, totdat gij ziek of stervend zijt, want dan zijt gij hiertoe slecht in staat.
Hebt gij uwen meesters iets ontstolen, dan zijt gij verplicht dit te biechten. 1 let kan, helaas, het geval zijn, dat men ophoudt te biechten om te kunnen voortgaan met stelen. Wilt gij eone goede biecht doen, dan moet gij den oprechten wil hebben het oneerlijk verkregen goed terug te geven, en gij moet wel overleggen, op welke wijze gij dit ten Spoedigste kunt. Gestold, dat gij Æ 25 schuldig
â 153 â
waart, zoo moet ^ij overleggen hoeveel gij van uw loon kunt afzonderen, wat gij op uwe kleeding, op uwe uitspanningen uit kunt zuinigen, om dit geroofde goed terug te geven. Het is niet voldoende de teruggave willekeurig tot onbepaalden tijd uit te stellen: liebt gij gezondigd, zoo besteel nu n zeiven, spaar om liet onreelit goed te maken. Zoo men niet door de daad bewijst, dat men liet gepleegde onrecht goed wil maken, zoo ontbreekt het veelal aan berouw en voornemen, en kan men de absolutie niet ontvangen, want een heilige zegt te recht: «Andere zonden worden vergeven door berouw, doch deze slechts door werkelijke schadevergoeding.quot; Kunt gij nu de geroofde Æ 25 niet in eens betalen, zoo leg langzamerhand kleine sommen ter zijde. Zoolang degene leeft, wien gij dit geld ontnomen hebt, moet het dezen terug gegeven worden: is hij intusschen gestorven, dan behoort het aan zijne erfgenamen: en zijn deze niet meer, dan moet het voor de armen of voor goede werken gebruikt worden. Doch in deze omstandigheden is de beste raad, dien ik u geven kan, deze: Zeg alles openhartig aan uwen biechtvader; hij zal u zeggen wat, hoeveel, wanneer gij do teruggave doen moet en u
daarenboven helpen dit te doen op eene wijze, dat nooit iemand zal weten, nog kunnen vermoeden. wie de persoon is, welke tot teruggave verplicht is.
XXX. Eenige bijzondere sieraden der dienstboden.
Na ii in de vorige hoofdstukken de plichten der dienstboden nitéén gezet te hebben en u op hunne deugden en ondeugden te hebben gewezen, wil ik n nu nog eenige eigenschappen aantoonen, welke men de sieraden der dienstboden noemen kan en die bijzonder veel bijdragen, om tusschen meesters en dienstboden eene goede, aangename, vreedzame en welwillende verhouding te vestigen en te behouden. Hiertoe behoort
DE GrEDIENSTIGrHEtD.
Gedienstige menschen winnen de harten: ongedienstige kunnen bij niemand voldoen. Een dienstbode, die volgens plicht en geweten alles doet wat de gehoorzaamheid vraagt, is ongetwijfeld een voortreffelijk mensch; doch deze gehoorzaamheid is nog geene gedienstigheid. Deze is iets vrijwilligs, iets wat
de gehoorzaamheid aangenaam en bevallig maakt. Zij volbrengt niet slechts bevelen, doch verstaat ook wenken, stille wenschen, zij raadt de gedachten. Er zijn menschen, die niets liever zeggen dan nneenquot;. Zij hebben altijd hun tneenquot; op de tong. Wat niet tot hun strengen plicht behoort, wat zij niet bepaald doen moeten, doen zij niet; en verzoekt men hen hierom, zoo heelt men zeker een rneenquot; te wachten, en ware het ook een allerkleinste dienst, zij zouden niet anders dan nneenquot; zeggen. Zulke menschen zijn lastig en onaangenaam. Men zegt wel eens, dat zij lijden aan een »««««quot;-hoest. Zij zien altijd moeielijkheden en maken bezwaar: men kan slecht goede vrienden met hen blijven. â Men vreest hun iets te verzoeken, want men kent het antwoord vooruit. I )e diepste beweegreden dezer ongedienstigheid is eigenliefde en gebrek aan edele naastenliefde. Men zegt wel eens: zulke menschen kennen slechts hunne eigen luiid en snijden gaarne riemen van die van anderen. Vermijd dit gebrek. Als uwe meesters iets wenschen, wat niet tot uw strengen plicht behoort, zeg dan niet kortaf en barsch «neenquot;, doch toon liever door uw gedienstig voorkomen en uwe manieren, dat gij
â 150 â
niet slechts uit plicht de bevelen, maar uit liefde hunne wenseheti wilt nakomen. Wees ook gedienstig voor uwe mededienstboden, jegens al uwe huisgenpoten, jegens uwe buren. Zie op geen tred, op geen kleine dienst, op geen lichte moeite. Door gedienstigheid verstaat men liet betoonen van kleine diensten. Zij kosten u slechts eene lichte overwinning. Het is een aangename, beminnelijke hoedanigheid, het is de bloem van liet menschelijk hart. Reeds bij kinderen bemerkt men vaak dat liet eóne gedienstig, het andere stroef' is. Het eene wijst gaarne den weg, loopt zelfs een eind mede met den vreemdeling, die hem hiernaar vraagt, terwijl een ander stroef blijft staan, geen antwoord geeft, wegloopt en den vrager laat staan. Zijt gij stroef van natuur, zoo overwin u zeiven, want de ongedienstigheid belioort tot de kwade neigingen der mensche-lijke natuur, welke men moet uitroeien.
XXXI. De opmerkzaamheid.
De opmerkzaamheid is een zorgvuldig acht-slaan op alles wat betrekking heeft tot den dienst, op het kleinste, zoowel als op het grootste; bijzonder op datgene wat dn mjosters
â 157 â
gaarne hebben. Dit is eene bijzondere gaaf, welke eenigen uit hunne natuur hebben. Zij hebben gewoonlijk een goed geheugen en vergeten niets; een scherp gezicht en zien alles; een goed verstand en verstaan alles; een vlug begrip en begrijpen alles. Zij zijn vlug, flink, handig, weten dadelijk alles aan te pakken en uit te voeren. Dit zijn natuurlijke gaven en kostbare eigenschappen. Anderen hebben een slecht geheugen en vergeten alles;quot; zij zien niets, begrijpen niets, hooren niets, werken niets, zijn zwak van hoofd, zwaar van begrip, langzaam en zwaarmoedig. Weder anderen zijn steeds verstrooid, verward, lichtzinnig, zweven rond in allerlei gedachten, die vaak onnuttig, ijdel, ja zondig zijn en veronachtzamen dienst en plicht. Alles wordt vergeten, brieven blijven liggen, boodschappen worden vergeten; men verstaat alles verkeerd, wijl men zich geen rust gunt, om de bevelen wel te verstaan. Hieruit ontstaan verkeerde boodschappen, misverstand, onaangenaamheden voor de meesters en andere personen; den geheelen dag heerscht er kwade luim, ja dikwijls geeft dit aanleiding tot groote schade. Voor dienstboden, die in eene zaak, in een winkel dienen is de opmerkzaamheid eene onmisbare hoe-
â 154 â
daarenboven helpen (lit te doen op eeue wijze, dat nooit iemand zal weten, nog kunnen vermoeden, wie de persoon is, welke tot teruggave verplicht is.
XXX. Eenige bijzondere sieraden der dienstboden.
Na n in de vorige hoofdstukken do plichten der dienstboden uitéén gezet te hebben en u op hunne deugden en ondeugden te hebben gewezen, wil ik u nu nog eenige eigenschappen aantoonen, welke men de sieraden der dienstboden noemen kan en die bijzonder veel bijdragen, om tusschen meesters eu dienstboden eene goede, aangename, vreedzame en welwillende verhouding te vestigen en te behouden. Hiertoe behoort
DE GEDIENSTIGHEID.
Gedienstige mensehen winnen de harten; ongedienstige kunnen bij niemand voldoen. Een dienstbode, die volgens plicht en geweten alles doet wat de gehoorzaamheid vraagt, is ongetwijfeld een voortreffelijk mensch; doch deze gehoorzaamheid is nog geene gedienstigheid. Deze is iets vrijwilligs, iets wat
â 155 â
de gehoorzaamheid aangenaam en bevallig maakt. Zij volbrengt niet slechts bevelen, doch verstaat ook wenken, stille wensehen, zij raadt de gedachten. Er zijn menschen, die niets liever zeggen dan rneenquot;. Zij hebben altijd hun ,neenquot; op do tong. quot;Wat niet tot hun strengen plicht behoort, wat zij niet bepaald doen moeten, doen zij niet; en verzoekt men hen hierom, zoo heeft men zeker een irneenquot; te wachten, en ware het ook een allerkleinste dienst, zij zouden niet anders dan meenquot; zeggen. Zulke menschen zijn lastig en onaangenaam. Men zegt wel eens, dat zij lijden aan een »ntW-hoest. Zij zien altijd moeielijkheden en maken bezwaar: men kan slecht goede vrienden met hen blijven. â Men vreest hun iets te verzoeken, want men kent het antwoord vooruit. De dio[)ste beweegreden dezer ongedienstigheid is eigenliefde en gebrek aan edele naastenliefde. Men zegt wel eens: zulke menschen kennen slechts hunne eigen huid en snijden gaarne riemen van die van anderen. Vermijd dit gebrek. Als uwe meesters iets wensehen, wat niet tot uw strengen plicht behoort, zeg dan niet kortaf en barsch «neenquot;, doch toon liever door uw gedienstig voorkomen en uwe manieren, dat gij
â 156 â
niet slechts uit plicht de bevolen, maar uit liefde hunne wenschen wilt nakomen. Wees ook gedienstig voor uwe mededienstboden, jegens al uwe liuisgenpoten, jegens uwe buren. Zie op geen tred, op geen kleine dienst, op geen lichte moeite. Door gedienstigheid verstaat men het betoonen van kleine diensten. Zij kosten u slechts eene lichte overwinning, liet is een aangename, beminnelijke hoedanigheid, het is do bloem van het menschelijk hart. lioeds bij kinderen bemerkt men vaak dat liet e'éne gedienstig, het andere stroef is. liet óóne wijst gaarne den weg, loopt zelfs een eind mede met den vreemdeling, die hem hiernaar vraagt, terwijl een ander stroef blijft staan, geen antwoord geeft, wegloopt en dun vrager laat staan. Zijt gij stroef van natuur, zoo overwin u zeiven, want do ongedienstigheid behoort tot de kwade neigingen der mensche-lijke natuur, welke meii moet uitroeien.
XXXL De opmerkzaamheid.
i)e opmerkzaamheid is een zorgvuldig acht-slaan op alles wat betrekking heeft tot den dienst, op het kleinste, zoowel als op het grootste; bijzonder op datgene wat d.Mueosters
â 157 â
gaarne hebben. Dit is eene bijzondere gaaf, welke eenigen uit hunne natuur hebben. Zij hebben gewoonlijk een goed geheugen en vergeten niets; een scherp gezicht en zien alles; een goed verstand en verstaan alles; een vlug begrip en begrijpen alles. Zij zijn vlug, flink, handig, weten dadelijk alles aan te pakken en uit te voeren. Dit zijn natuurlijke gaven en kostbare eigenschappen. Anderen hebben een slecht geheugen en vergeten alles;' zij zien niets, begrijpen niets, hooren niets, werken niets, zijn zwak van hoofd, zwaar van begrip, langzaam en zwaarmoedig. Weder anderen zijn steeds verstrooid, verward, lichtzinnig, zweven rond in allerlei gedachten, die vaak onnuttig, ijdel, ja zondig zijn en veronachtzamen dienst en plicht. Alles wordt vergeten, brieven blijven liggen, boodschappen worden vergeten; men verstaat alles verkeerd, wijl men zich geen rust gunt, om de bevelen wel te verstaan. Hieruit ontstaan verkeerde boodschappen, misverstand, onaangenaamheden voor de meesters en andere personen; den geheelen dag heerscht er kwade luim, ja dikwijls geeft dit aanleiding tot groote schade. Voor dienstboden, die in eene zaak, in een winkel dienen is de opmerkzaamheid eene onmisbare hoe-
â 158 â
danigheid; wordt hier niet ter degc opgepast, niet juist berekend, niet zorgvuldig besteld en uitgegeven, niet op den prijs gelet, dan kan het dagelijksch verlies in den loop des jaars tot eene groote som stijgen. Doch al dient gij niet in een winkel, alsdan kunt gij tocli door uwe onachtzaamheid vele onaangenaam-heden veroorzaken. Gij breekt bijv. eu beschadigt porcelein en glaswerk, verliest linnengoed, verkwist hout en licht, laat spijzen bederven, verslonst beddengoed en meubelen, enz. Wel zegt gij: ik heb er niet aan gedacht; doch juist hierin ligt uwe schuld, gij hadt er aan behopren te denken.
Al hebt gij uit de natuur deze gave van opmerkzaamheid niet, zoo kunt gij door Gods genade en eigen oefening veel verkrijgen. â De opmerkzaamheid eindelijk, om alles zoo in te richten als uwe meesters liet gaarne hebben; hunne bijzoudere wenschen, ja hunne zwakke zijde te bevredigen, alles op hunne kamers, in keuken, kelder, hof en tuin zóó in te richten als zij het gaarne hebben, is zeker eene bijzondere gave, die men ,iict uit vleierij, noch oogendienst, maar uit plicht en trouw moet trachten te verkrijgen. Beoefent men dit ten opzichte van bejaarde en ziekelijke
â 159 â
meesters, daa vergadert men verdiensten voor den hemel. De H. Franciscus van Sales zegt: «Ziekenkamers zijn goudmijnen.quot; Zulk eene dienstbode maakt zich gelijk aan eene liefdezuster, die haar geheel leven heeft toegewijd aan de opmerkzame en zorgvuldigste verpleging der zieken.
XXXTI. De zindelijkheid.
De zindelijkheid is liet sieraad der menschen. Men verlangt die van een ieder, tot welken stand hij ook behoore. Ook de arme kan zindelijk zijn. De natuur der menschen eischt reinheid; gezondheid en welvaart hangen hiervan af. Vele ziekten ontstaan uit onzindelijkheid; daarom heeft God liet groote middel tot zindelijkheid, liet water in zoo ruime mate verspreid. Do onzindelijke is hot voorwerp van afkeer, ja van afschuw. Een meester duldt niet lang een onzindelijken dienstbode. Uit onzindelijkheid vermoedt men andere slechte eigenschappen, want gewoonlijk is een vuil menseh lui, traag, nalatig in zijne plichten jegens de menschen en somtijds jegens God» en soms ook zedelijk onrein. De liefde tot de zindelijkheid is velen aangeboren, terwijl ande-
â 1G0 â
ren er soms geen begrip van scliijnen te hebben. Men trede slechts in de hut vau twee verschillende armen; beiden zijn even arm, bij den eëne is het hutje zindelijk, net, vriendelijk; bij den andere is liet een hol van vuil en slijk. Hoe komt dit? Omdat de edne huisvrouw zindelijk, do andere vuil is. God schijnt aan het vrouwelijk geslacht die bijzondere liefde tot zindelijkheid gegeven te hebben. Waarom ? Omdat het hare roeping is voor huis en huishouden te zorgen, en de zindelijkheid de eerste en voornaamste behoefte is in een huishonden. .Men verbeelde zich onzindelijke huishoudsters, keukenmeiden, kamermeiden, kindermeiilen, die alles laten vuil worden en onderkomen. Al hebben zij overigens ook goede hoedanigheden, zoo beneemt hunne slordigheid hun alle vertrouwen; men kan ze niet uitstaan, en men neemt liever eene dienstbode, waaraan meer ontbreekt, doch die ten minste zindelijk is.
De dienstbode, die deze goede eigenschap bezit, is zindelijk op zich zelve, op hare kleediug en in geheel haar voorkomen. Zij behandelt zindelijk al de zaken, welke haar worden toevertrouwd, vooral wanneer keuken eu huishouden tot haar gebied behooren. Zij is zindelijk uit plicht en uit liefde tot de
zindelijkheid en niet omdat zij vreest door hare meesters verrast te worden. Zij tracht alles wat haar in huis toevertrouwd is, zindelijk te onderhouden, voert derhalve een onop-houdelijken oorlog tegen liet stof, tegen elke onzindelijkheid en drijft dit vooral uit alle hoeken en kasten. Zij is niet sleehts oppervlakkig en voor liet oog zindelijk, doeh in den grond en tot in de kleinste zaak. Veel laat zich hierover nog zeggen, doch wie zindelijk wil worden, zal deze korte wenken ter harte nemen.
XXXTIT. De orde.
Orde is overal en altijd hoog noodig. In keizer- en koninkrijk, in stad en land, in hut en paleis, in elk huis, in elke kamer, in keuken, kelder, hof en tuin. Jaar, week, dag en uur moeten hunne orde hebben. God zelf schiep do wereld met een zekere bepaalde orde. Daarom zegt de H. Schrift: «God heeft alles naar maat, tijd en gewicht geregeld.quot; De Apostel vermaant de Corinthiërs, alles te doen naar regel en orde. Eenige menschen hebben uit hun natuur eene zekere liefde tot orde; anderen zijn onordelijk van aard, en
11
â 1(52 â
overal waar zij komen, brengen zij wanorde en laten niets op deszelts plaats. Anderen weder zijn tehuis in volle wanorde opgegroeid; de wanorde is Imn eene tweede natmir geworden. Zij voelen niet meer wat onordelijk is, en dit is zeer erg. want gewoonlijk be-liouden zij dit gedurende hun geheel leven. âWaar orde heersoht,quot; zegt de H. Atigustinus, , daar heersoht rust,quot; waar wanorde heerseht, heerseht eeuwige onrust. »^ aar orde is, zegt een ander, »is verstand, want zeer dikwijls komt wanorde voort uit onverstandigheid en verwarring van geest.quot; Men kan zich niet begrijpen, hoeveel wanorde ontstaan kan door een verward hoofd en hoeveel verdriet hieruit kan voortspruiten. Orde is het halve werk. Wie niet ordelijk is veroorzaakt zich-zelven veel last en onaangenaamheid. Dan is het eene. dan het andere verloren, verlegd, verdwenen; men zoekt, werpt alles dooréén, en terwijl men zoekt, verliest men weder iets anders. Eindelijk vindt men wat men zoekt, men wil aan het werk gaan, doch nu is men juist datgene weder kwijt, waarmede men moest beginnen. Nu is het geduld teu einde. Men werpt de schuld op anderen, men zegt dat alles behekst is, dat de duivel er onder
schuilt, enz. Eu bij wien ligt de schuld ? Niet bij anderen, niet bij heksen, niet bij Satan zelfs, maar bij u: uwe wanordelijkheid kan de zaken zoodanig verwarren en verbergen als waren zij betooverd. Wanorde brenirt
«' O
overal schade teweeg, bijzonder in liet huishonden: daarom is orde strenge plicht, en eene zeer noodzakelijke deugd voor dienstboden. De liefde tot orde zorgt, dat alles zich bevinde op de rechte plaats en men vergeet die plaats niet. zoodat men alles met gesloten oog, in het duister vinden kan. De ordelijke doet alles op jnisten tijd. is puntirj. Een puntig inensch noemt men een man van de klok. Heb de klok goed in uw hoofd en zet ze juist op tijd. anders komt gij in groote onaangenaamheden. Zijt gij onordelijk uit uwen aard, of door uwe opvoeding aan quot;eene orde en regel gewoon, zoek u dan deze deugd te verwerven; met Gods genade kan de mensch alles. Begin ordelijk te zijn in liet kleine, en gij zult het in het groote worden.
XXX [V. Het gedrag der dienstboden onder elkander.
De goede verhouding onder elkander behoort
mede tot de plichten, welke gij jegens uwe meesters te vervullen hebt. In een huis, waar verscheidene dienstboden noodig zijn, is het een zegen, als deze goed met elkander overéén komen, want zijn zij het niet ééns. dan heerscht er strijd, dan zijn zij öt' openlijk, of in stilte achterdochtig, afgunstig, kwaadsprekend, dan vormen zij partijen, stooken elkander op, en zijn een kruis in huis. Zij verbitteren zich zeiven en hunnen meesters liet leven; somtijds kan een enkele dienstbode door zijn stroef, luimig, onaangenaam gedrag of door zijne werkelijk kwade en boosaardige hoedanigheden, door liegen, overbrengen, vleierij, enz., de goede verstandhouding benemen, en onder dienstboden en meesters groote onaangenaamheden teweeg brengen, doch nog erger is het, wanneer de dienstboden het wel ééns zijn, doch het ééns zijn in het kwaad, oneerlijk zijn, slechte ver-keering hebben, elkander in dergelijk kwaad helpen, enz. Om nu eene goede verstandhouding daar te stellen, is ten eerste noodig;
1. De onderlinge liefde. Als de dienstboden braaf en godsdienstig zijn, dan heerscht er van zelf eene goede verhouding, want deugd en godsdienst dulden de bovengenoemde gebreken niet. Zij verlangen onderlinge liefde
en oprechte welwillendheid. «De liefde,quot; zegt de Apostel, »is geduldig, goedertieren; de liefde benijdt niet, zij is niet onbescheiden; zij is niet opgeblazen: zij is niet eerzuchtig; zij is niet baatzuchtig; zij laat zich niet verbitteren; zij denkt geen kwaad; zij verheugt zich niet over de ongerechtigheid, doch zij ver-blijdt zich over de waarheid; zij verdraagt alles, zij gelooft alles, zij hoopt alles, zij duldt alles.quot; Ziedaar het beeld van een volmaakte dienstbode, in betrekking tot zijne mede-dienstboden.
2. Indien gij hun eene ware liefde toedraagt, dan zult gij in uw uiterlijk gedrag reeds alles vermijden, wat hen kan krenken, beleedigen, bedroeven. Wacht u wel vooreen heerschzuchtig, trotsch, hoovaardig benemen. Bekleedt gij wellicht de eerste plaats, zijt gij boven de anderen gesteld, ouder in jaren, langer in den dienst, verrijkt met meer geschiktheid, meer ondervinding dan al de overigen, zoo moet gij niet den baas spelen, doch steeds denken aan liet woord des Heeren: .Wie de eerste onder u is, die zij aller dienaar.quot; Niets stuit meer tegen de borst dan trotsch-heid en heerschzucht. Spreek niet op gebiedenden, luiden en bitsen toon. Vermijd alle ruwheid in woorden en uitdrukkingen. Doe
â 16G â
memaud eeuig' verwijt, maak geeo ziuspelingeu, geef, zooals men zegt, geen steken onder water, als een mede-dienstbode soms vroeger verkeerdheden begaan heeft, of herkomstig is uit eene familie, die niet den besten naam heeft. Gij moet u dan gedragen als wist gij daarvan niets. Wacht u uwe mede-dienstbodeu te bespotten, hun bijnamen te geven; hebben zij wellicht eenige onhandigheid begaan en krijgen zij hierdoor onaangenaamheden met liuune meesters, ga gij dan niet voort met schelden, met beleedigende aanmerkingen, of ii over hun leed te verlustigen. Jonge menschen zonder ondervinding zouden door zulk een gedrag geheel in de war geraken. Toon u vooral medelijdend, voor de lichamelijke gebreken uwer mede-dienstboden, als zij bijv. misvormd of hardhoorig zijn. Reeds in het Oude Testament wordt gezegd: Men mag de dooven niet bespotten. In den dagelijkschen omgang, wanneer gij samen spreekt, moet gij anderen niet in de rede vallen, niet alleen het woord willen voeren, en ook anderen laten spreken. Dit alles schijnen slechts kleinigheden en nochtans zijn zij van het grootste gewicht voor de goede verstandhouding, die tusschen u moet heerschen.
- 167 â
o. De welwillendheid. In denzell'deu dienst woont gij onder hetzelfde dak, spijst aan eéne tafel, hebt hetzelfde beroep, dezelfde taak. dikwijls dezelfde afkomst. Gewoonlijk zijn ook andere omstandigheden dezelfde. Uwe ouders zijn gewoonlijk behoeftig, althans onyermogend, dikwijls reeds overleden. Vele dienstlieden zijn ouderloos, staan geheel alleen, hunne toekomst ligt in Gods hand. Hoe zoudt gij elkander dan niet van harte toegenegen zijn. Bemint dus elkander; maakt u liet leven niet zuur, maakt u den dienst niet bezwaarlijk, verlicht elkanders lasten.
Wensch en gun van harte uwen mededienstboden al het goede, dat gij u zeiven wenscht. Verre van u zij nijd en lage afgunst. Deze ondeugden kunnen vooral onder vrouwelijke dienstboden welig tieren: dan ziet men letterlijk de meesters naar de oogen, men loert en bespiedt of eene der dienstboden meer geacht wordt dan de andere, of zij eenig voorrecht geniet. Zijn de meesters eenigszins onvoorzichtig, bevoordeelen zij de eene boven de andere, dan staat weldra het vuur der jaloezie in volle vlam I
Uit oprechte welwillendheid moet gij gedienstig zijn jegens uwe mede-dienstboden,
â 168 â
zoowel als jegens uwe meesters. Help, onder-steuu, spring bij waar gij kunt. Kunt gij hen helpen dat zij bijtijds hun arbeid volbracht hebben en zich vroeger ter rust kunnen begeven. â kunt gij hou een handje helpen, hunne plaats vervangen, als zij hunne ouders bezoeken, kunt gij eene boodschap voor hen verrichten, terwijl zij met iets anders bezig zijn, zoo wees niet ongedienstig; zeg niet: AVat gaat mij dat aan! Ik ben voor de keuken gehuurd!quot; Ik herhaal hier nogmaals: Ongedienstige menschen zijn onuitstaanbare wezens.
4. Is een uwer mede-dienstboden ziek, zoo klaag toch niet, als gij een deel van hun werk moet overnemen; bied u liever dadelijk aan om hen te helpen, hoe en waar gij kunt. Bedenk, dat gij in hetzelfde geval kunt komen: Heden gezond, morgen ziek. Er zijn meesters, die dadelijk het hoofd verliezen, zoodra een der dienstboden ziek wordt en alles niet in hetzelfde lijntje kan loopen. Dan moeten de anderen des te ijveriger bijspringen. Het is mogelijk, dat enkele dagen rust, goeds verzorging en voorzichtigheid de gezondheid zal wedergeven. Mocht de ziekte langer duren en de zieke naar het gasthuis vervoerd worden.
â IGU â
vervul dan uw liefdeplicht ten volle, bezoek, bemoedig haar, bereid haar kleine verrassingen, verzeker haar, dat alles thuis goed gaat, enz. God zal uwe liefdevolle deelneming beloonen, want Plij vergeet in Zijne eeuwige goedheid zelfs den dronk koud water niet, ter Zijner liefde gegeven.
De oprechte welwillendheid deelt in lief en leed, docli door haar is men elkander ook bijzonder behulpzaam met betrekking tot het heil der ziel.
XXXY. Broederlijke vermaning.
Het is eene bekende waarheid, dat ieder mensch zijne gebreken heeft; liet is ook bekend, dat men veel lichter de gebreken van anderen, dan zijne eigene ziet; daarom is het goed en heilzaam, dat men op zijne gebreken opmerkzaam gemaakt worde, want zoolang men die niet kent, kan men zich niet verbeteren. Gesteld, een dienstbode is verkwistend, onzindelijk, praatziek, ruw of bijzonder nalatig in het vervullen zijner godsdienstplichten _ waarom zouden zijne mede-dienstboden hem hierop niet opmerkzaam maken ? Is het niet beter, dat zij dit doen, dan dat de meesters
â 170 â
het moeten doen? O ij staat elkander liet naaste, waarom zoudt gij dien plicht van oprechte broederliefde niet vervullen? Veronderstel, dat de zaligheid uwer mede-dienstboden op het spel staat, een jong, onervaren, lichtzinnig meisje heeft eene gevaarlijke, ongeoorloofde verkeering aangeknoopt, is in gevaar voor tijd en eeuwigheid ongelukkig te worden, â en gij zoudt zwijgen, haar niet waarschuwen, niet alles doen om liet arme kind te redden. Dit ware inderdaad onverantwoordelijk. â De Heer heeft ons de broederlijke vermaning uitdrukkelijk ten plicht gesteld door deze woorden: * Heeft uw broeder gefaald, zoo zeg hem dit eerst tusschen u en hem; dat is: ouder vier oogen. Zoo hij naar u niet luistert, zoo neem nog twee of drie anderen mede, opdat alles ruste in den mond van twee of drie getuigen. Als hij ook deze niet hoort, dan zeg het aan de overheden.quot;
Volg getrouw dezen weg, u door den Zaligmaker aangewezen. Spreek eerst de schuldige onder vier oogen; luistert zij niet, dan moeten ook da andere dienstboden haar waarschuwen, en zoo ook dit niet helpt, dan moet men de familie, den biechtvader, de meesters ter hulpe roepen. Op zulke wijze handelt men op
â 171 â
waarlijk christelijke lioi'de jegens het meisje.
2. Geheel verschillend van deze christelijke, broederlijke terechtwijzing is het zoogenoemde bespieden en overbrengen. Dienstboden, die zich indringen met Let masker van liefde en vertrouwen, om de zwakheden van hunne gezellen uit te vorschen, die elk woord afluisteren, tegenover do meesters den schijn aannemen van braaf' en godsdienstig te zijn en alles aanbrengen, zijn afschuwelijke, verachtelijke wezens, die slechts verdriet in huis uren-gen. De meesters moesten aan zulke menschen uooit geloof noch vertrouwen schenken, want al bestaat er slechts reden tot achterdocht, dat eene dienstbode alles overbrengt, dan veroorzaakt dit reeds een onaangenamen geest in het huisgezin; argwaan, mistrouwen, vijandschap, haat, twist en voortdurend gekrakeel treden in plaats van liefde en vriendschap. Al zoudeu uwe meesters u ook aanmoedigen, om de overige dienstboden te bewaken, hunne fouten te bespieden en aan te brengen, zoo laat u niet daarmede in, wijs dit verzoek bescheiden af. Als uwe meesters zei ven hun plicht vervullen, zullen zij licht de fouten en deugden bemerken, als zij hunne dienstboden naar behooren bewaken.
â 172 â
XXXVI. De toegevendheid.
Gij zult u wel herinneren, dat de Heer eens tot Petrus zeide: »niet tot zeven, maar tot zeventigmaal zeven moet gij vergevenquot;, dat is, gij moet altijd geneigd zijn tot toegevendheid, tot vergeven, tot verzoening. De Apostel voegt hierbij: «zoo iemand in eene zonde verrast wordt, dan vermaan hem in geest van zachtmoedigheid; draagt elkanders lasten, aldus zult gij het gebod des Heeren vervullen.quot; De Apostel wijst hierop, omdat ieder op zijn beurt en dikwijls zeer onverwacht in eene zonde kan vallen, [n zulk geval moeten wij zoo noodig zachtziuniij vermanen, doch vooral moet men met elkander geduld hebben. Zonder toegevendheid en christelijk geduld kan men met elkander niet in vrede leven, en dit is vooral zoo noodzakelijk voor dienstboden, die met verscheiden te samen moeten wonen en leven. Ieder heeft zijn bijzonder karakter, humeur, fouten en zwakheden, ieder heeft zijne kwade driften en neigingen. Nu zijn er nog bijzondere gevallen, waarin de mensch, gelijk de Apostel zegt, door eene zonde verrast wordt. Hoe zult gij zonder toegevendheid en geduld hier door komen. Ziehier eenige wenken:
â 173 â
1. Zie en zie niet, hoor en hoor niet, of' wel gedenk het spreekwoord: hoor en, zien en zwijgen-, maak uit eene kleinigheid niet dadelijk eene geheele geschiedenis, maak van eene mug geen olifant. â Neem niet dadelijk iets ten kwade op, trek u niet alles aan, wees niet lichtgeraakt. Kleine potjes koken dadelijk over. Wie alles dadelijk kwalijk opneemt, heeft weinig verstand en veel hoogmoed. Leg niet elk woord op de goudschaal, en versta niet alles verkeerd. Gij .djt dienstboden onder elkaar en moet op ieder woordje niet letten. Gesteld, gij zijt samen aan tafel, een der dienstboden maakt schertsend eene aanmerking over uwen hoed, en daar spnngt gij op, wilt de tafel dadelijk verlaten en u in uwe kamer gaan opsluiten. Wat moeten zulke manieren beduiden? Indien een mede-dienstbode vele goede hoedanigheden, doch een onaangenaam gebrek heeft, vergeet dan dit gebrek ter wille van zijne vele deugden. Verondersteld, dat hij van een verdrietigen, lichtgeraakten aard is, spoedig driftig wordt, dat hij alles wat hem in den weg komt, omver stoot, ja zijne eigen kleederen verscheurt, â docli het onweer duurt niet lang en dan heeft hij grooten spijt, want hij is braaf, oprecht en vlijtig. Heb er
â 171 â
geduld mede: hij heeft zich reeds gebeterd en zal wellicht zijn gebrek geheel overwinnen.
2. Indien gij een uwer mede-dienstboden beleedigd mocht hebben, maak de zaak dan spoedig weder goed. vraag zoo noodig, vergeving; herroep uw woord, enz. Indien u iemand vergiffenis vraagt, dan vergeet dadelijk en maak geen complimenten er over. Is de fout vergeven, dan moet zij ook vergeten ca in eeuwigheid begraven worden. Het zoo-genaamde blijven pruilen is een akelig gebrek; wanneer de Apostel zegt: ..De zon mag over uwen toorn niet ondergaan,quot; dan geldt dit ook voor dienstboden. Het is onuitstaanbaar, als dienstboden dag aan dag naast elkander aan tafel zitten en elkander niet willen aanzien, noch een woord toespreken. Wil iemand zich niet verzoenen, en ligt dat minder in zijn kwaden wil, dan wel in eene eigenaardigheid van zijn karakter, zoo wees de eerste, om hem tegemoet te komen en te helpen. Is het echter uit trots, overlegde boosaardigheid, zoo vervul trouw al uwe plichten en beveel de zaak verder aan God, en bid voor die persoon. Trotsch-heid en boosheid komen weldra ten val.
â 175 â
XXXTII, Nog een woord omtrent den omgang der dienstboden met elkander.
1. Dienstboden moeten zedig en fatsoenlijk met elkander omgaan; zij moeten alle ruwheid vermijden. Er moet onder hen eene christelijke deftigheid heersehen, daarom moeten ook hunne gesprekken fatsoenlijk zijn. Het eeuwig gepraat over de meesters, over de huisgenooten, over andere menschen, wellicht over ontstichtende nieuwtjes, is niet christelijk. Onzuivere, vuile gesprekken, zinspelingen, scherts, moet, gelijk de Apostel zegt, onder u niet eens genoemd worden. Geheel uw uitwendig gedrag, in blik, gelaat, gebaren, ja bij elke bewegingen luuideling moet steeds, ten allen tijde, op alle wijze, ten allen plaatse christelijk deftig zijn. Het spreekt van zelf, dat spotternij omtrent geloof en godsdienst onder u niet plaats mogen hebben. Mocht er eenig schurftig schaap onder u zijn, die zulk een toon zou aanslaan, zoo zet hem dadelijk op zijne plaats, dan zal liem de lust vergaan eene tweede maal dergelijke zaken te probeeren. Allen, die met geloof en godsdienst spotten, hebben gewoonlijk geen zuiver geweten.
quot;2. Nog verdient eene bijzondere bemerking de betrekking tusschen mannelijke en vrouwelijke
â 170 â
dienstbodeD. Hier kunnen gevaren ontstaan, die vaak de treurigste gevolgen na zicli sleepen. Onthoud derhalve dit:
Vermijd alle vertrouwelijkheid. â Laat u niet in met lichtzinnige, dubbelzinnige gesprekken. Laat geene gemeenzaamheid, vrijheid, geene vleierij toe, ook als liet eerst onschuldig schijnt. Alle kwaad begint in't klein. Vermijd met mannelijke dienstboden alleen te zijn, en als het niet te vermijden valt, dan maak spoedig af wat gij te doen hebt en ga heen. Hecht veel aan uwe eer, behoud u de achting en men zal u zelfs niet de minste onzedigheid in den weg leggen. Vertrouw uwe geheimen niet aan de mannelijke dienstboden, en neem ook de hunne niet aan. Zulke vertrouwelijkheden zijn gewoonlijk het begin van vele anderen en van niets goeds. Wees ook op uwe hoede tegen overdreven gedienstigheid van deze zijde; neem geene geschenken aan. Niet zelden lijdt de hechtste deugd schipbreuk door vleierij en deelneming. In dit punt is zij met den troost verwant; de beste troost is soms de zwaarste zonde geworden. Geef in liet algemeen geen gehoor aan trouwbeloften; gewoonlijk zijn zij ondoordacht en slechts een middel ter verleiding. Pas op.
mmamp;m
PLICHTEN DER DIENSTBODEN JEGENS ZICH-ZELVEN EN GEDRAG IN EENIGE BIJZONDERE VOORVALLEN DES LEVENS.
1. De
V
V olgens den H. Thomas is de jeugd de morgen, de lente van het menschelijk leven, (ielijk de morgen het schoonste gedeelte van den dag, de lente het lielelijkst Jaargetijde is, zoo is de jeugd de schoonste tijd van het leven. De jeugd is vroolijk van zin, helder eu opgeruimd van gemoed, terwijl de ziel vervuld is met hoop op eene gelukkige toekomst. Over de kruisen eu het lijden van liet menschelijk leven ligt ais een bloemtapijt gespreid; alles schijnt in het liefelijkst daglicht. De jeugd is zeker het schoonste, doch tevens ook het gewichtigste tijdperk van ons leven. Zooals het weder zieli 's morgens aankondigt, hlijt't het vaak den geheelen dag. Wat de
vrucht belooft in de lejite, geeft zij in den
{â gt;
â 178 â
zomer. Bevriest do bloesem in het voorjaar, dan zal de zomer geene goede vruchten brengen. Van liet vijftiende tot liet twintigste jaar wordt de grondslag gelegd voor geheel het volgend leven en zeer dikwijls voor het eeuwig lot der mensehen. Zie den vruchtboom in de lente. Hij staat vol bloesem, gij ziet blad noch tak. Eenige bloesems vallen af, andere ontwikkelen zich slechts ten halve, andere worden door wormen verteerd, slechts een klein getal worden goede vruchten. Ziedaar het beeld van het menschelijk leven. Er zijn menschen, die in de lichtzinnigheid der jeugd gelijü de bloesems door den wind medegevoerd worden, en waaruit niets goeds groeit. Anderen bevriezen door traagheid en onverschilligheid voor hun tijdelijk en eeuwig heil, anderen worden door eene ondeugd, gelijk door een worm afgeknaagd, en slechts zeer weinigen maken het volle gebruik van dezen schoonen levenstijd. Is de jeugd eens vervlogen, dan kan zij niet meer teruggeroepen worden. Is de tijd der jeugd gewichtig, zoo is hij tevens gevaarlijk, want de jeugd is onervaren, blind, zinnelijk, weerspannig, hartstochtelijk, en veel meer tot het kwade dan tot het goede geneigd. De gevaren zijn groot en tegenwoordig meer dan
â 179 â
ooit, want het gtloot' is zwakker, de zucht tot genot grooter, de verleiding listiger, de kwade voorbeelden talrijker. Wie kan ze tellen, hen, die in dien gevaarlijken leeftijd van vijftien tot twintig jaren hun geluk op liet spel zetten, de onschuld verliezen, geheel hun leven den knagenden worm der wroeging in zich omdragen. Duizenden zuchten: Hadde ik . . . Ware ik . . .; doch gedane zaken nemen geen keer: de rampzalige stap is gezet, kan niet meer goed gemaakt worden; de jeugd is verdwenen en kan niet meer teruggeroepen worpen! Laat dus i we jeugd aan God toe-behooren; leg daarin den grondslag voor uw tijdelijk en eeuwig heil. Vlucht de gevaren en luister naar den welgemeenden raad, dien ik u nog verder ga geven.
II. Het kostbaarst kleinood.
Het kostbaarst kleinood der jeugd is de onschuld. Bewaar deze deugd, want met recht zegt de H. Apostel Paulus: «Wie togen de deugd der kuischheid zondigt, zondigt meer dan door alle andere zonden, tegen zich-zelven.quot; De kuischheid is het sieraad der jeugd. Zij draagt ook den naam van eerbaarheid, wijl zij
â 180 â
de ware eer verschaft. De jeugd, zegt de H. Augustinus, moet deugdzaam zijn, en zij is dit door de onschuld. Zij heet onschuld, orndat degene, die deze deugd bezit, ook gewoonlijk vrij is van alle andere schuld en zonde. Zij is de bron, waaruit alle goed voortspruit; zij maakt de jeugd vroolijk en opgeruimd en bereidt een blijden ouderdom. Zij maakt ons aangenaam aan God en aan de menschen en geeft ons de ware wijsheid. De slechtste en meest bedorven mensch heeft nog achting voor deze deugd. Zelfs de heiden heeft er eerbied voor. De onschuld maakt de ziel ontvankelijk voor al wat waarlijk schoon, goed en edel is. Het onschuldige hart bidt gaarne cu vindt vreugde in het gebed. Zij maakt het gemoed zachtzinnig en goed, geeft lust tot liet werk, troost in het lijden, en verschaft den mensch eindelijk een zaligen en genisten dood.
De onschuld wordt vergeleken bij eene lelie, die een liefelijken geur verspreidt en geen stofje op zich duldt; â bij een helder wit kleed, waarop men de minste vlek gewaar wordt. De rij der maagden, welke volgens de Openbaring van den 11. Johannes, het Lam volgen waar liet gaat, zijn bekleed met witte
â 181 â
kleedoren. omdat zij zich door geene zonden van onzuiverheid bevlekt hebben. De onschuld is nog de kostbaarste edelsteen, welken 's men-schen ziel bezit: wie deze parel bezit, bezit alles; wie haar verliest, verliest alles. Zij is de schat in den akker verborgen, en om dezen te vinden, gaat de men sol i heen en verkoopt alles. De Zaligmaker belooft aan de zuiveren van harte, dat zij Gad zullen zien, hier beneden zullen zij God kennen e7i beminnen en Hem hiernamaals eeuwig aanschouwen.
2. Daarentegen zegt de II. Schrift: »De ontuchtigen zullen het rijk Gods niet binnentreden.quot; Hen, die tegen deze deugd zondigen, noemt men nntvchtigen. dat is: menschen zonder tucht noch zeden, oneerbaren, want hunne eer is verloren; zij, die door de banden dezer zonde gekluisterd zijn, noemt men bedorven wezens. De zonde der ontucht is eene schande voor eiken stand, eiken leeftijd, elk geslacht. Het is de misdaad der duisternis, het vergif, dat alles verwoest, de ziekte, die als de pest om zich heen grijpt en de menschen naar ziel en lichaam verderft. De ontucht brengt duisternis in de ziel. is de bron van het ongeloof, sluit het hart voor de goddelijke liefde en genade, ontneemt den lust tot bidden, baant
â 182 â
deu weg tot de buiteusporigste losbandigheid, eindigt met den lichamelijk en en geestelijken, tijdelijken en eeuwigen ondergang. Geene misdaad wordt reeds hier op aarde zoo zichtbaar gestraft; tot eeuwige waarschuwing liet God de steden Sodoma en Gomorra ten gronde gaan en de Doode Zee op derzelver plaats blijven. De ontuchtigen hebben slechts de straf der eeuwige verdoeming te wachten, daarom vermaant de Apostel: .Vlied de ontucht, want de ontuchtigen zullen het rijk Gods niet ingaan.quot;
3. Om de onschuld te bewaren is groote zorgvuldigheid, voorzichtigheid en waakzaamheid noodig, want is zij eens verloren, dan kunnen al de schatten der wereld ze u niet terugkoopen.
III. Het sterke schild.
⢠Wees getrouw in kleine zaken.quot; Ziedaar het sterke schild, waardoor gij u bewaart tegen de zonde der onkuischheid. .Wie niet getrouw is in liet kleine, zal niet trouw zijn in het groote.quot; Dit woord des Zaligmakers geldt voor den christen overal, doch nooit meer dan ten opzichte der heilige deugd van
â 183 â
zraverheid. Wie hier het kleine niet telt, zal weldra in groote en zware zonden vallen en deze heilige deugd geheel verliezen. O, hoe gelukkig ware me.ügeen geweest, hadde hij weerstaan in liet kleine, want deze zonde begint altijd in liet kleine, en, zooals men zegt, geheel onschuldig. De misdaad lokt als met betooverende tonen en trekt de menschen in hare valstrikken. Zij vleit als eene valsche vriendin en brengt ons dan in dood en verderf'. Zij belooft gouden bergen en geeft niets dan leugen en bedrog. W ilt gij de onschuld bewaren, zoo duld zelfs den schijn der zonde niet. Ten opzichte van deze deugd, is niets klein, niets onbeduidend. Zeg niet: eene gedachte, een blik, een woord, een gesprek, een lied, een beeld, eene verkeering zoo en zoo ingericht, kan niet schadelijk zijn. Eer gij het voorziet, zijt gij verder gekomen dan gij denkt en wilt. Is David door één blik niet een groot zondaar geworden? Zijn niet allen, die iu ontucht gevallen zijn, begonnen met lichtvaardige gesprekken, met dubbelzinnige scherts, met een zoogeuaamden vriendschap-pelijken omgang, met dwaze liefde? Is zulk een omgang niet de oorzaak geworden van duizend afwijkingen. Daarom waarschuw ik
â 184 â
u nogmaals: «Wees getrouw in het kleine, dit is het sterke schild, dat n in het gevaar zal behoeden.quot; God heeft in 's mensehen hart een teeder, lijn gevoel gelegd, het gevoel dei-schaamte; hierdoor kan hij onderscheiden wat zuiver of onzuiver, kuisch of onkuisch is, en zoodra dit gevoel gekwetst wordt, stijgt het schaamrood op het gelaat. Heb achting voor dit gevoel en denk, zeg, doe, duld nooit iets waarover gij behoeft te blozen.
IV. Het scherpe zwaard.
» Weersta in het begin.quot; Ziedaar het scherpe zwaard, waardoor gij uwen vijand op de vlucht drijft: wie niet onmiddellijk weerstaat, zal vallen. Heeft de vijand eens grond gewonnen, dan wijkt hij niet gemakkelijk, doch als gij hem dadelijk aangrijpt, zal hij spoedig overwonnen worden. Hoe langer gij talmt, des te heviger wordt de strijd, des te twijfelachtiger de zegepraal. Wanneer bluscht men den brand? In liet begin, of wanneer de lichte-laaie vlam reeds uit het dak slaat? Wanneer laat gij den dokter komen? Als de koorts don hoogsten graad bereikt heeft, als de wonde reeds ontstoken is; of dan als gij de koorts voor't eerst
â 185 â
gevoelt en bij de eerste pijn die de wonde veroorzaakt en er nog hoop op genezing bestaat? Wanneer herstelt men een huis? Als liet dreigt in te storten, of' wei als men het gebrek met weinig moeite en kosten kan ver-helpen? Wanneer wordt er een dam opgeworpen ? Als het water reeds alles heeft overstroomd ot als liet gevaar tot overstrooming zichtbaar wordt? Leer uit deze voorbeelden, hoe gij ii ten opzichte van het gevaar, dat uwe onschuld bedreigt, te gedragen hebt. Menigeen ware zoo diep niet gezonken, ais hij weerstand geboden had aan de eerste kwade gedachte, de eerste kwade neiging had overwonnen, de eerste woorden van den verleider niet had aanhoord, liet oog dadelijk had gesloten en den gevaarlijken omgang dadelijk vermeden had.
V. Trappen en soorten van zonde.
De 11. Augustinus onderscheidt drie trappen bij de zonde: 1°. De bekoring. 2°. Den prikkel der bekoring. 3°. Het toestemmen. â De bekoring, welke tegen onzen wil in ons ontstaat, is nog geene zonde, en God geeft ons juist daardoor gelegenheid tot strijd en
â 18G -
overwinning. Don prikkel der bekoring vergroot het gevaar. Volgt de volkomen vrijwillige toestemming in do bekoring, dan is de zonde bedreven. Zoo staat het ook met de zonde van onzuiverheid.
Gedachten, welke buiten uwe schuld in 11 ontstaan, zijn eene bekoring en nog geene zonde. Wederstaat gij hieraan in het begin en tracht gij die te verwijderen en er geen behagen in te scheppen, dan hebt gij niet gezondigd, gij hebt gestreden en overwonnen. Blijft gij daarin met welbehagen, wekt gij ze vrijwillig in u op. onderhoudt gij ze vrijwillig, voorbedachtelijk, uit kwaden, onzuiveren lust, dan liebt gij gezondigd, ja zwaar gezondigd. Wilt gij uwe onschuld bewaren, dan waak bijzonder over uwe gedachten en vermijd de gelegenheden, waardoor onzuivere gedachten, verbeeldingen en voorstellingen in u ontstaan kunnen.
2. Onzuivere woorden, gesprekken, liederen zijn zondig, en volgens omstandigheden groote zonden, des te zwaarder naarmate de woorden schandelijker, de gesprekken langduriger geweest zijn, naarmate daardoor meer ergernis aan anderen gegeven is. De Apostel Paulus zegt, * dat deze ondeugd niet eens genoemd
â 187 -
mag -wordenquot;. De H. Aloysius beweende bitter eenige ruwe u-oorrleu, welke hij als kind had uitgesproken zonder ze te verstaan. De Heilige Stanislaus kon geen onzedig woord aanhooren, zonder daardoor ten diepste getroften te worden. De H. Bernardinus van Sienna bloosde bij het hooren van een onkiescli woord. Men wachtte zich wel in zijne tegenwoordigheid onzedige gesprekken te voeren, en men zweeg zoodra men hem zag naderen. Moge de kieschheid dezer heilige mannen u tot voorbeeld dienen.
Door oneerbare woorden, gesprekken en liederen wordt in de wereld veel srezondigrd.
O O
In uwen dienst kunt gij menschen treffen, wier onzedige woorden, zinspelingen, scherts, cene treurige gewoonte geworden zijn, ja, hun eene tweede natuur geworden zijn; zulke menschen moet gij vlieden. lien met ernst te gemoet treden, dergelijke ruwheid moet gij met verachting aanliooren, want onthoud wel, de schaamtelooze mond toont een bedorven hart. Zulke menschen zijn gewoonlijk inwendig geheel bedorven, â want waar het hart vol van is, loopt de mond van over. Houd u ver van hen verwijderd, want zij zijn zeer gevaarlijk. Zij beproeven eerst met woorden, later beproeven zij meer. Geel' hun geen gehoor, lach niet,
â 188 â
scherts niet mede, veracht dergelijke menscheu in den grond, toun hun stoutweg die minachting en zij zullen zwijgen. Daar, waar vele dienstboden bij elkander zijn, moet het gesprek steeds passend, de scherts onschuldig, de uitdrukking fatsoenlijk zijn: men mag vroolijk zijn, doch nooit gemeen. (ïesprekken over nieuwtjes, die onzedelijkheid tot grond en voorwerp hebben, zijn at' te raden. Er is kwaad genoeg in de wereld, zonder dat meu het nog verspreide. Veel beter is het, dit te bedekken. Het is volstrekt niet goed, onschuldige gemoederen, die de wereld nog niet kennen, met het kwaad bekend te maken, als hiertoe geene noodzakelijkheid bestaat. Ziug geene onzedige, dubbelzinnige liederen, leer ze niet aan anderen, zoo gij ze soms hier ot' daar gehoord of' geleerd hebt. »Wie vroolijk is, zinge,quot; zegt de H. Jacobus, doch er zijn goede liederen genoeg. »Verheug u, doch verheug u in den Heer.quot; Ook waarschuw ik u tegen het lezen van slechte boeken. Er zijn dienstboden, die neiging tot het lezen hebben, en alles bij elkaar sleepen, om slechts te kunnen lezen. Dit is hoogst gevaarlijk-Lees geen boek, dat gij niet zeker weet goed te zijn. Het is meermalen gebeurd, dat men
189 â
dieustboflen met opzet slechte boekeu in de hand speelde, welke tegen geloof' en deugd streden. Iemand, lie op zulke wijze een onschuldig hart zoekt te bederven, is bepaald slecbt. Weiger zijne boeken en boud u zoover mogelijk van hem verwijderd.
Tl. De ware heldenmoed.
»l)e gelegenheid vluchtenquot;, ziedaar de groote heldenmoed, die onvoorwaardelijk noodzakelijk is om de deugd der kuischheid te bewaren. Het spreekwoord zegt, »de gelegenheid maakt den dief.quot; De Zaligmaker geelt ons omtrent het vluchten der gelegenheden deze les, welke gij zoo vaak gehoord bebt: «Als uw rechter oog u ergert, ruk liet uit en werp het weg: want liet is u beter een lidmaat te verliezen, dan met lichaam en ziel in de hel geworpen te worden.quot; Indien uwe rechterhand u ergert, kap ze af en werp ze van u; bet is u beter een lidmaat te verliezen, dan eeuwig in de hel geworpen te worden.quot; De Zaligmaker noemt hier de twee kostbaarste en noodzakelijkste lichaamsdeelen en nochtans moeten wij hiervan liet offer brengen, als zij onze eeuwige zaligheid in gevaar brengen.
â 190 â
v Wat baat het den inensch de gelieele wereld te winnen, zoo hij schade lijdt aan zijne ziel.quot; Het vluchten der gelegenheden kan e^en smartelijk vallen als liet uitrnkken van het oog, het afkappen der hand; hierin is ware heldenmoed gelegen. Ziehier wat de godgeleerden leeren omtrent hét vluchten der gelegenheid tot zondigen.
1. \V at verstaat men onder gelegenheid tnt zonde? â Men verstaat hierdoor alles wat ons in gevaar brengt te zondigen, hetzij in plaatsen, hazen, personen, handelingen, gesprekken, omgang, verkeer, vriendschap, enz. Als de mensch bemerkt, dat een of' ander zijne zaligheid in gevaar brengt, als hij zelf bemerkt, dat hij bij dergelijke gelegenheid in zonde valt, is hij in geweten verplicht, die te vermijden. »AVie het gevaar bemint, zal erin vergaan.quot;
Door naccste gelegenheid verstaat men die plaats, dat huis, dien omgang, dien persoon, welke krachtens haren aard of betrekkelijk dikwijls tot zonden aanleiding geven. I )c.lt;e kan men vergelijken bij liet vuur; wie te dicht daarbij nadert, moet noodzakelijk in brand geraken. Het vermijden der naaste gelegenheid is strenge plicht; niets of niemand in de wereld kan ons hiervan ontslaan.
â 1!)1 â
2. Waarom zijn wij streng verplicht de naaste gelegenheid te vluchten? Omdat wij hierin licht zondigen kunnen, zeer waarschijnlijk zondigen zullen, ja, in zekeren zin, zondigen moeten. Indien gij bij gelijke gelegenheden gevallen zijt één, twee malen, zoo kunt gij bijna verzekerd zijn ook ten derde en vierde male te vallen. Ja, door n aan liet gevaar bloot te stellen, hebt gij reeds gezondigd. Eene treurige ondervinding heeft dit geleerd. , Wie met pek omgaat, wordt er mede bevlekt.quot; Hij, die de naaste gelegenheid niet vlucht, zal zondigen, en waarom? Wijl hij zicli vermetel, tegen zijn geweten, vrijwillig in het gevaar begeeft, kan hij geen aanspraak maken op de bijzondere hulpe Gnds. Het gaat hem gelijk den sterken Samson, in de armen van Dalila ingesluimerd. Hij verloor het licht zijner oogen, zijne kracht, zijne vrijheid. Ue naaste gelegenheid beneemt den mensch het licht zijner oogen, dat is: zijn verstand, verzwakt zijne wilskracht, rooft hem de vrijheid en maakt hem slaaf van de zonde en den kwaden lust.
â 192 â
YII. Nogmaals de gelegenheid.
Alles wat tot dusverre omtrent de naaste gelegenheid gezegd is, rust op de ondervinding van af' liet begin der wereld tot den huidigeu dag. Eva viel wijl zij niet vluchtte. De Israëlieten werden bedorven, omdat zij den omgang met vreemde vrouwen niet vluchtten en zich door hare schoonheid lieten innemen. Joseph van Egypte bleef getrouw aan (j-od, omdat hij vluchtte en zelfs zijn mantel in den steek liet. Loth werd gered, omdat hij uit Sodoma vluchtte. Daarom roep ik u toe met den H. Philippus Nerius: «Vlucht, vlucht, indien gij de deugd wilt bewaren.quot; In andere gevaren moet men handelen, in het gevaar, dat uwe onsehuid bedreigt, moet gij vluchten. Hier is de vlucht liet veiligst middel, de grootste heldenmoed.
2. Hoe moet degene, die zich in de naaste srelegenheid tot zonde bevindt, zich in de biecht
O O
gedragen? Zonder den vasten, bepaalden, oprechten wil de gelegenheid te verlaten, is de biecht nutteloos, ongeldig, en als gij hierop te Communie gaat, doet gij eene on vaardige Communie. Gij moet noodzakelijk oprecht biechten en de omstandigheden duidelijk bloot-
â 193 â
leggen. Het is dan aan den biechtvader om te beslissen of de gelegenheid kan en moet verlaten worden; hoe misschien de naaste gelegenheid in eene meer verwijderde, minder gevaarlijke te veranderen is, of liet verkeer, de omgang kan blijveii bestaan of geheel moet afgebroken worden, hoe men zich in die omstandigheid moet benemen en wat men moet vermijden. Zoo do biechteling weigert de voorschriften des biechtvaders na te komen, kan de H. Absolutie niet gegeven worden. Al belooft de biechteling de naaste gelegenheid te vluchten, kan soms de absolutie niet gegeven worden, dan aleer hij door de daad heeft bewezen, dat hij de naaste gelegenheid wil vermijden en reeds vermeden heeft. Daar de mensch zoo zwak, en de naaste gelegenheid zoo gevaarlijk is, heeft de II. Kerk juist in dit opzicht de duidelijkste en strengste voorschriften gegeven. In de naaste gelegenheid is 's inenschen kracht niet bestand tegen de zonde en vooral tegen de zonde van onzuiverheid; de genade Gods en het waardig ontvangen der H.H. Sacramenten alleen kan en zal u redden.
18
â 194 â
Yin. De omgang.
Een jong meisje zonder ondervinding, dat onder dienstboden komt. die slechte tual voeren, onzedigen omgang hebben, daarover spreken, kau zeer spoedig bedorven worden. Eerst is zij verwonderd en bloost, luistert dan nieuwsgierig toe, spreekt mede. ondervraagt en de kiem des verderfs is gelegd. Zijn nu dergelijke dienstboden ouder, en zeggen zij daarbij: «dat is geen zonde, dat doen allen,quot; dan is de weg tot het verderf gebaand. Wacht u derhalve voor den omgang met menschen, die zedeloos en schaamteloos zijn in hunne woorden. gesprekken en gedrag. .Met zulke menschen moet gij niet omgaan, nooit vriendschap sluiten; want het zijn uwe vijanden en verleiders.
2. Omgang met personen van liet ander geslacht zonder vooruitzicht tot huwen, is ongeoorloofd, gevaarlijk, eindigt vroeg of laat in onzedelijkheid, ongeluk en verderf voor tijd en eeuwigheid. De H. Franciscus van Sales noemt deze ongeoorloofde, dwaze vriendschap: domheden, en vergelijkt ze bij den honig van Heraclea, welke wel is waar, zoeter smaakt dan de gewone honig, doch 's menschen
â 195 â
Woed vergiftigt eu hen razend maakt. Zulke betrekkingen ontstaan uit loutere zinnelijkheid. Zij berooven den irenseh van de liefde tot liet gebed, de vreeze fiods: zij wekken tegenzin op voor de godsdienstoefeningen, liet ontvangen der H.H. Sacramenten; men ontvlucht het aanhooren van het woord Gods; het hart wordt geheel vervuld door dwaze inbeeldingen cn voorstellingen en ik zeg het nogmaals, hot geheel loopt gewoonlijk uit in zonde, onzedelijkheid, ongeluk, levenslange gewetenswroeging en bitter berouw. Het is zeer erg, als een onervaren kind gelegenheid tot zulken omgang wordt aangeboden, en somtijds van hooger geplaatsten, bijv. den zoon des huizes, of een anderen huisgenoot, dien gij bedienen moet. Al zijt gij nog zoo onervaren, weet gij zeer goed, dat hier van een huwelijk geen sprake kan zijn, en toch wilt gij u in zulk eene verhouding plaatsen. Hebt gij dan geen eergevoel/ ilt gij uwe eer cn goeden naam op liet spel zetten, om u later te doen hoonen en uitlachen? Moogt gij u in zulk gevaar begeven? Ligt niet daarin de naaste gelegenheid tot zondigen? Weersta dus in het begin, vlucht, en als gij n te zwak gevoelt, verlaat dan zoodra mogelijk uwen dienst.
â 196 â
IX. De iiitspanniiig.
1. Dienstboden hebben gelijk iedereen, uitspanning noodig. en deze is hun van harte o-egund. De Zondag verleent zich hiertoe, want behalve dat men Zondags van zwaren arbeid verschoond blijft, worden, behalve de uren voor de godsdienstoefeningen bestemd, gewoonlijk eenige uren gegeven om uit te gaan.
De uitspanning mag echter nooit zondig worden. Een koningszoon werd tot een feest genoodigd in een slecht gezelschap. Toen hij zijn vader hiertoe verlof vroeg, antwoordde deze hem met ernst: .Bedenk, dat gij een koningszoon zijt.quot; Als kinderen Gods, zijn wij kinderen van een groot Koning, en hieraan moeten wij ook in onze uitspanningen denken. Volgens oude, goede zeden werden deze uit-gaansuren gebezigd tot eene wandeling naar buiten, tot het bezoeken van ouders en bloedverwanten, tot liet bijwonen der congregatie, christelijke leering of godsdienstoefening. Maar helaas, hoevelen wijken van die goede zeden af, en. geven zij eenige oogenblikken aan de godsdienstoefeningen, zoo wordt liet grootste deel van den tijd besteed in pleziei partijtjes met personen van het andere geslacht, in
kottielinizen, muziektumeu, ja zelfs in daus-huizeu. Het bezoek van dergelijke zaken is onpassend, gevaarlijk, kostbaar en veelal zondig.
2. Dansen zijn paddestoelen, zegt de H. Franciseus van Sales, de beste deugen nolt;j; niet, zij trekken al liet vergif tot zich, â zoo trekt ook liet dansen vergif in de ziel veroorzaakt slechte gedachten, dwaze liefde, brengt tot zonde en misdaad. De zinnelijkheid wordt opgewekt door de muziek en de beweging; slechts een onzuiver woord, een blik, een gebaar, en het hart is bereid, om het vergif in te ademen; daarom waarschuwt de Kerk onophoudelijk tegen het gevaar van het dansen; de heiligen noemen den dans het graf der onschuld, de pest der deugd. De ondervinding leert, dat in die streken, waar veel gelegenheid tot dansen gegeven wordt, er bijna geen enkel fatsoenlijke dienstbode meer te vinden is. Zeker is liet bezoeken dei-komedie niet beter; ook daar kunnen de dienstboden slechts lichtzinnigheid leeren. Alle ouders en meesters behooren hunnen invloed te doen gelden en de hun toevertrouwden uit die gevaarlijke bijeenkomsten verwijderd te houden.
â 198 â
X. De kleeding.
De kleeding is eenc voortdurende lieriune-ring aan den zoudenval onzer eerste ouders, en is dus uit haren aard een boetgewaad. Zij moet dienen, om liet lichaam te dekken en te verwarmen; doch welk misbruik wordt hiervan gemaakt, hoeveel onzin, hoeveel zouden doet zij bedrijven. De dwaasheid der kleeding heeft zich als eene pest van het menschdom meester gemaakt; ook de stand der dienstboden is hierdoor aangetast. Hoe oppervlakkiger, dwazer eu zinnelijker de wereld wordt, hoe dwazer, hoe kinderachtiger de kleeding. De oude eenvoud is verdwenen, men gaat boveu ziju stand, men verkwist, men hangt alles aan zijne kleederen, men hult zich in pronk en praal, doch men is daarenboven vaak onfatsoenlijk, onzedig in zijne kleeding. Dat een pauw zijn staart uitspreidt, als men hem beziet, mag men hem niet kwalijk nemen, doch dat een meusch zooveel gewicht hecht aan dien uiterlijken tooi, past hem niet als christen en als kind van (rod. Wel zegt men: , liet kleed maakt den man,quot; doch men kan ook zeggen, men erkent den meusch aan zijn kleed.
â 19!) â â
1. Uwe kleeding zij eenvoudiij, dat is: Heb zooveel kleedereu als noodzakelijk is en vermijd het overtollige. Vermijd ook het opvallende, het iiiigezochte. het opgesmukte; wat gij u aanschaft, zij hecht, goed, duurzaam. Maak, dat de kleur en de snede uwer kleederen niet in liet oog valt. Eene eenvoudige, solide stol', en eene donkere kleur zijn de schoonste kleeding, waarin men het langst behagen vindt. Esther koos het eenvoudigst kleed, terwijl de overigen zich met de kostbaarste kleederen tooiden, en Esther werd koningin. De H. Elisabeth droeg vorstelijke kleederen, zoo vaak zij aan het hol'verschijnen moest, doch zoodra zij alleen was, bekleedde zij zich mét een eenvoudig wollen kleed, gelijk de geringste vrouw.
'2. Uwe kleeding zij zindelijk. De H. Fran-ciscus van Sales zegt: «Men moet ten allen tijde de zindelijkheid ook in de kleeding in acht nemen.quot; De H. Magdalena van Pazzi zag hierin het beeld der reinheid van ziel. Niets staat in eene dienstbode meer tegen dan het nalatige, slordige, verscheurde, vuile in kleeding en uitzicht. De zindelijkheid moet als een punt van eer en 1'atsoeu beschouwd worden.
â 200 â
3. Uwe kleeding zij volgens uwen stand. Elke stand heelt zijn grenzen door God bepaald en moet zicli binnen deze houden, wil hij zich niet belachelijk maken, want het verdient opmerking, dat iedereen onmiddellijk voelt en ziet, als iemand buiten zijn stand gaat. Doch wat hierin het ergste is ,â wie boven zijn stand gaat, slaat bankroet. Wil de dienstbode zich kleeden gelijk zijne meesters, zoo is dit eene dwaasheid en wel ten eerste, omdat zijne beurs dit niet toelaat. Zij, die zich willen kleeden gelijk de vrouw en de dochter des huizes, hebben gewoonlijk geen stuiver geld, moeten haar loon vooruit vragen en worden later doodarm, ja, deze drift kan zoo sterk worden, dat men tot oneerlijkheden vervalt.
Tegenwoordig kan men, helaas! geen onderscheid meer zien tusschen de verschillende standen der samenleving, want de dienstboden gaan vaak boven hunnen stand gekleed, en dit ontstaat uit hoovaardigheid en ijdelheid. Een ijdele gek vraagde eens aan den H. Phi-lippus van Nerius: Hoe bevalt u mijn kleed? Deze antwoordde: »Als uw hart goed is. dan is alles goed, doch als uw hart goed ware, zoudt gij zulke pronkzieke kleedereu niet dra-
â 201 â
geu.quot; De heilige had gelijk. Wilt gij uwe meesters in hunne kleeding na-apen, en uw stand als het ware zoeken te verbergen door u te kleeden gelijk :dj, en meer dan zij, zoo is dit domme trots, want niemand mag zich over zijnen stand schamen.
1. Uwe kleeding moet eerbaar zijn. Dit is strenge christenplicht. Wie vrijwillig de eerbaarheid in kleeding kwetst, zondigt. Opzettelijke oneerbaarheid in kleeding is volgens den H. Carolus Borromeus, zware zonde. ⢠^ gij â zegt de H. Joannes Chrys. â u christelijk kleeden en opsieren, zoo sier u met eerbaarheid.quot; Vrouwen, die zich in onzedige kleeding durven vertoonen, hebben alle gevoel van schaamte verloren. Meisjes, die onzedige kleederen dragen, bieden zich te koop, om anderen ten verderve te voeren en zich-zelve in het verderf te storten.
De Kerk heeft steeds ten strengste tegen de oneerbare kleeding geijverd. De H. Am-brosius zag eens op een feest eene dame in oneerbaar gewaad in de kerk komen en stelde haar de vraag: «Waar gaat gij heen?quot; â .Naar de kerk,quot; luidde het antwoord. De aartsbisschop hernam op strengen toon : »Men zou meenen, dat gij naar dans of schouwspel
â 202 â
gingt. Verwijder u van hier, beween viwe zonden en kom hier niet, om God door uwen onwaardigen opschik te hoonen en de zielen te verderven.quot; â Onder de regeering van keizer Ferdinand verscheen eene zangeres schaamteloos ontbloot bij een concert. De deugdzame gemalin des keizers, Maria-Anna, zond haar dadelijk haar eigen sjaal, met verzoek zich daarmede te dekken. â De H. Hilarius zag eens eene vorstelijke dame in schaaintelooze kleeding en zeide: «Al zijt gij prinses, zoo houdt gij niet op christen te zijii en behoort u niet te kleeden als eene heidin.quot; Gij scherpt den dolk en geeft de zielen vaak een doodelijke wonde.
De eerbaarheid der kleeding bestaat hierin, dat gij eerbied hebt voor u zelve en alle ontblooting vermijdt, die zuivere oogeu kan ergeren, de schaamte kwetst, de onschuld doet blozen en snoode lust ontsteekt in de harten van ontuchtige menschen. Volg nooit onzedige modes; in liet oordeel zal de mode ii niet verontschuldigen. In huis, op het veld, in gezonde, in zieke dagen, bij bekenden, bij vreemden, nooit en nergens zijt gij wij van de wetten van eerbaarheid en schaamte. Bewaart gij die niet in uw uitwendig, dan
â 208 â
blijft gij liet zeker uiet inwendig en stelt n in gevaar diep te vallen.
XI. Zucht om te pronken en te behagen.
1. De zucht om te pronken is die kwade neiging des raensclien, om op alle wijzen zijn lichaam te sieren. Zij, die hierdoor aangestoken zijn, denken veel meer aan het lichaam, dan aau de ziel: en is het den christen niet onwaardig zooveel gewicht te hechten aau het kleed en zijne ziel en zaligheid te vergeten. Zij hebben het hoofd vol van de kleinste, nietigste zaken en de spiegel is hun afgod. Heeft deze neiging zich eenmaal meester van den mensch gemaakt, dan wordt hij lichtzinnig, oppervlakkig, de ware godsvrucht, de liefde tot het gebed en de godsdienstoefeningen verzwakt, en de weg staat open voor groote afwijkingen.
Deze pronkzucht ontstaat uit behaagzucht. Men wil behagen en wel lichamelijk behagen, terwijl de II. Schrift zegt: rDe schoonheid der dochter des konings is van binnenquot;, dat wil zeggen: de deugd en de schoonheid dei-ziel maken de waarde der menschen uit. Het
â -204 â
welbehagen Gods moeten wij zoeken, want wie God behaagt, zal ook aan goede menschen behagen, terwijl het lichamelijk ivelbehagen slechts slechte menschen tot ons trekt. Hier ligt het gevaar en daarom het spreekwoord: »Wio zoekt te behagen, zal vallen.quot; De behaagzucht is het rampzalige net, waarin duizenden zijn gevangen en omgekomen. Ik bid u, geliefde dienstboden, behoedt u voor het ondergaan op deze klip. Gij zijt, zoowel als de hoogere standen, tot pronk- en behaagzucht geneigd; het slechte voorbeeld bederft tot de eenvoudigste meisjes. Daarom smeek ik u, kleedt n eenvoudig, zindelijk, niet boven uwen stand, weest eerbaar en zedig in uwe kleeding en vlucht pronk- en behaagzucht. »Het sieraad der koningsdociiter is van binnen.quot; Gij zijt de dochters van den grooten hemelschen Koning. Zoekt dus uwe eer, uwen roem, uw sieraad, uw tooi, in het welbehagen Gods en in de deugden van uwen staat.
X[I. De keus van een dienst.
1. Voor kinderen, welke door huiselijke omstandigheden reeds vroeg hunne ouders moeten verlaten, of voor weezen, welke na
â 205 â
hunne eerste Communie reeds in dienst moeten treden, wordt gewoonlijk door ouders, voogden, bloedverwanten of' bekenden een dienst opgezocht. De eerste dienst is voor zulke kinderen van het allergrootste gewicht, geheel liet geluk des levens hangt daarvan af. Dikwijls wordt dit zoo licht over het hoofd gezien. In dezen eersten dienst komt het er bijzonder o]) aan of het kind in betrekking tot zeden en godsdienst veilig is, of de huisvrouw zich het kind aantrekt en het tot moeder verstrekt, of het genoeg bewaakt wordt, of het tijd en gelegenheid heeft tot uitoefening van zijne godsdienstplichten, en of zijne meesters het hierin nagaan. De eerste dienst legt, ik herhaal dit, den grondslag voor het volgend leven.
2. Zijt gij reeds volwassen en kunt gij u zelf een dienst kiezen, zoo gelde als eerste regel: «Kies u een dienst volgens uwe krachten en bekwaamheden.quot; Neemt gij een zwaren dienst aan en hebt gij eene zwakke gezondheid, dan moet gij u overwerken en bederft uwe gezondheid wellicht geheel en al. Gij wordt ziek, gij brengt uwe meesters in ongelegenheid en het heele huishouden raakt in de war. Neemt gij eenen dienst aan, waarvoor gij de noodige bekwaamheden niet bezit, dan
â 206 â
ontstaan dezelfde moeielijkheden. Gij verhuurt u bijv. al? keukenmeid en kunt niet koken; als linnenmeid, en kunt naaien noch stoppen. Natuurlijk volgt dan het eene verdriet op het andere. Geef u derhalve niet uit voor iets wat gij niet kent. Ouders en voogden moeten vooral zorgen, dat de kinderen vroegtijdig alles leeren wat hen bekwaam maakt voor hunnen lateren stand, en de kinderen moeten zich bevlijtigen in eiken dienst te leeren wat zij kunnen, ten einde later voor eiken dienst in staat te zijn. Er zijn dienstboden, die meenen alles te kennen, en niets in den grond kennen; die vroegtijdig denken aan zaken, waaraan zij niet moeten denken, die niets geleerd hebben en niets leeren willen. Ieder mensch moet trachten zich te volmaken in zijnen staat, en vervult gij hierin uw plicht niet, dan zult gij steeds een onbruikbaar wezen blijven.
3. Kies u geen dienst waar geloof en r/ods-dienst falen. Er zijn diensten, waarin met geloot en godsdienst den spot wordt gedreven, waar de meesters hunne godsdienstplichten niot vervullen, waar ongodsdienstigheid eene aanbeveling is: waar men op deugd en zeden weinitr acht slaat. Treed niet in zulk een
â 207 â
dienst, al biedt men u liet hoogst mogelijk loon. In groote steden zijn er vaak huizen, die op een klein Babyion gelijken, waar de gansche familie zich in dit standpunt bevindt, waar lichtzinnige dienstboden in denzelf'den stroom medegevoerd worden. Al zon men u vrijheid bieden uwe godsdienstplichten te vervullen, moogt gij toch zulk een dienst niet aannemen; liet voortdurend kwade voorbeeld werkt op het jeugdig gemoed en gij kunt niet berekenen, in welk gevaar gij zoudt kunnen geraken.
4. Onder de dienstboden wordt de neiging sterker tot reizen en het zoeken van een dienst in grnnte steden. Zeer dikwijls is reeds de beweegreden, die hen hiertoe aanzet, slecht: het is vaak lichtzinnigheid, zucht tot een vrij, onafhankelijk leven, begeerte naar hooger loon. Op goed geluk reist men naar eene groote stad, meldt zich bij eene verhuurster of' aan een kantoor van dienstboden en geraakt in een huis waar elke dienstbode, die niet zeer vast in zijn geloot' staat en niet bijzonder door Gods genade behoed wordt, in korten tijd ten gronde gaat. Welke treurige voorbeelden liggen hiervan voor de hand! De diensten in groote steden zijn tegenwoordig zeer gevaarlijk. Daar-
om raad ik elke vrouwelijke dienstbode af, zich op goed geluk een dienst te gaan zoeken. Wilt gij daar een dienst aannemen, dan moet gij goed weten, in welk gezin gij komt. Over het algemeen is liet u beter in kleinere steden, in katholieke streken te blijven, waar geloof en zeden nog bloeien, waar gij goede voorbeelden vindt en waar gij lichter de gevaren, die uwe onschuld bedreigen, ontgaan kunt.
XITI. Andere diensten.
1. Diensten, waar de zedigheid der dienstboden in gevaar is, moogt gij niet kiezen. Is het bekend, of weet gij van vertrouwbare zijde, dat men de onschuld daar aantast, dan is het gewetenloos zulk een dienst aan te nemen. Dat is eene gevaarlijke gelegenheid, die gij als christen verplicht zijt te vluchten. Vertrouw niet op uwe deugd, blijl' uit het huis, â dit is het beste middel, om het gevaar te ontgaan. Doch gesteld, gij hebt ter goeder trouw een dienst aangenomen, waarin voor u eene gevaarlijke gelegenheid ontstaat. De lieer of de zoon des huizes, een andere dienstbode, iemand dien gij moot bedienen, zoekt u strikken te spannen; hier is groote voorzichtigheid
â 209 â
plicht. Wees hier trouw in het kleine, weersta vast en kloekmoedig van het begin at', misschien gelukt liet u den vijand voor goed af' te slaan. Blijft het gevaar bestaan, dan bedeuk u niet lang en zeg den dienst op. Treedt bij dergelijken zoo gij ze moet bedienen, voorzichtig, doch vastberaden op. Gij weet niet welk een afgrond van bederf zulk een mensch is, want er zijn tegenwoordig vele diepgezonken wezens op aarde. Zoo liet gevaar blijft bestaan, dan zeg uwe meesters, dat gij die bediening niet langer kunt waarnemen.
'2. Wordt de gelegenheid voor u eene naaste gelegenheid, zijt gij zelve zwak geweest en meer of minder gevallen, dan zijt gij verplicht dadelijk zulk een dienst te verlaten. Kan dit niet oogenblikkelijk geschieden, dan moet de naaste gelegenheid in eene verwijderde gelegenheid veranderd worden, dat is: gij moet alles vermijden wat u in gevaar kan brengen van te zondigen. Zijt gij van goeden wil, dan zult gij door het gebed, het gebruik dor II.H. Sacramenten en liet vertrouwen op God de overwinning behalen, doch de veiligste weg is zoodra mogelijk een anderen dienst te zoekeu. Laat u door geene menschelijke beweegreden terug houden; zeg niet: ik kan het mijnen
14
â 210 â
meesters niet zeggen; het verwekt opspraak; ik heb hoog loon; men behandelt mij goed, wie weet of ik zulk een goeden dienst terugvind. Tegenover dit alles heb ik alleen het woord des Zaligmakers: * at baat het den mensch de wereld te winnen, zoo hij schade lijdt aan zijne ziel.quot;
XIV. De dienst in herbergen, hotels enz.
De dienst in koffiehuizen, herbergen, hotels, bierhuizen, restauraties enz. heeft zijne bezwaren. Daar ook moet men, wel is waar, dienstboden hebben, doch gij hebt plichten jegens u zeiven te vervullen en alvorens gij zulk eenen dienst aanneemt, moet gij wel overwegen, of gij dit in geweten doen moogt.
In herbergen en openbare lokalen komen allerlei soort menschen bij elkander. Ieder heeft vrij intreden. 'I er wille der zaak lokt men zooveel gasten mogelijk. Men heeft vaak groote, kostbare inrichtingen gemaakt; de kosten moeten gedekt worden. Hoe meer de eigenaar op zijn voordeel bedacht is, des te minder kiescli is hij in het verzamelen zijner gasten. Alle godsdiensten komen daar samen: Katholieken, Protestanten, Joden, heidenen en
christenen; men voert de uiteenloopendste gesprekken over godsdienst en geloof'. Daar verzamelen zich lieden van allerlei karakter en gedrag, en bijgevolg komt er vaak groote onbeschaafdheid te voorschijn. Daar komen ook zinnelijke, hartstochtelijke, zedelijk bedorven mensehen, die onbeschaamd zijn in hun gedrag. Er wordt gedronken, en men weet wat menschen doen, die half of geheel dronken zijn. Dagelijks komen daar vreemdelingen, van wie men niet weet, wat zij in hun schild voeren. Dit alles i.s verschillend volgens het soort en de gehalte der inrichting; doch hoe zij ook zijn mogen, de ondervinding heeft maar al te dikwijls geleerd, dat in zulke huizen deugd, reinheid, godsvrucht en vrouwelijke schaamte geheel op den achtergrond geraken. Ik merk derhalve daarbij op:
1. Ouders en voogden moeten niet licht jonge kinderen zonder ondervinding voor liet eerst in herbergen laten dienen. Zij kunnen daar indrukken krijgen, welke hun levenslang schadelijk zullen zijn.
'2. In huizen waar eene onordelijke herberg gehouden wordt, het geloof veracht, onzedigheid geduld, gedanst, gedobbeld, gespeeld wordt tot laat in den nacht, waar de meesters zonder
â 212 â
geloot' en godsdienst, huune godsdienstplichten niet vervullen, zelfs met dit alles spotten, spotternij toelaten â in zulke huizen moogt gij geenen dienst aannemen, want uw geloot zal daar lijden en gij zijt iu geweten verplicht uwe ziel te bewaren.
3. In herbergen, waar gij 's Zondags uwe godsdienstplichten niet kunt vervullen, waar u de tijd niet overblijft, rustig de H.II. Sacramenten te ontvangen, waar gij tot laat in den nacht de gasten moet bedienen, 's morgens nog half slapend slechts eene vroegmis kunt bijwonen, â in zulke huizen moet gij geen dienst aannemen, want daar verkeert gij in groot gevaar onverschillig te worden en uwe ziel zeer te benadeelen.
4. In herbergen waar op de zedigheid zoo nauw niet gelet wordt, waar door den waard zeiven allerlei lichtvaardigheid en onbetamelijkheid wordt toegelaten, waar men gaarne ziet, dat de dienstboden lichtzinnig en uitgelaten zijn, waar de gasten zich iu woorden, gesprekken, liedereu, scherts, dubbelzinnigheden , alles mogen veroorloven. waar de dienstboden bij de bediening cier gasten niet gevrijwaard zijn tegen schaamteloosheden, â in zulke huizen moogt gij geenen dienst
aannemen, want gij bevindt u daar in eene voortdurende, ja. in de naaste gelegenheid tot zonde. Ook fijnere restauratiën, hotels enz. kunnen in dit opzicht zeer gevaarlijk zijn. In logementen, waar de vreemdelingen door vrouwelijke dienstboden in hunne kamers begeleid worden, is de grootste voorzichtigheid dure plicht; het ware veel beter dat dit nooit en nergens gebeurde. Wees in dit geval kort, ernstig, terughoudend, laat u niet in met eenig gesprek, verwijder u dadelijk; wees vreemd; want liet zijn vreemdelingen.
5. Moet gij in eene dergelijke zaak geld ontvangen en uitgeven, wordt er veel omgezet, zoodat de meesters liet niet nauwkeurisr quot;ade
O O
kunnen slaan, of zijn zij onverschillig en nalatig hierin, hangt alles af van do getrouwheid der dienstboden, dan moet gij u zelven onderzoeken ot' gij u sterk genoeg gevoelt u in zulke gevallen voor de minste oneerlijkheid te bewaren. Hebt gij neiging tot oneerlijkheid, dan neem zulk een dienst niet aan. Zooals wij reeds vroeger aanstipten, is het oneerlijk als dienstboden in groote logementen of bierhuizen niet nauwkeurig toezien of de gasten betalen, of dat zij voorbedachtelijk van vrienden en bekenden geene betaling vorderen, of bij
â 214 â
het teruggeven en wisselen van geld onverschillig, slordig zijn, daardoor verkeerd rekenen en dagelijks hunne meesters gevoelige schade veroorzaken. Dat in al deze gevallen waar of schuldige nalatigheid öf opzettelijk bedrog tot grond ligt, schadevergoeding verplichtend is, spreekt van zelt.
Veel nog kon ik, op ondervinding gestaafd, hier bijvoegen. Daarom smeek ik u, alvoiens een dergelijken dienst aan te nemen, eerst goed te onderzoeken hoe het ten opzichte van geloof, godsdienst en deugd in een dergelijk huis gesteld is, en zijt gij, wat God verhoede, in een slecht huis geraakt, dan red u zoo snel mogelijk.
XV. De dienst bij andersgeloovigen.
1. Hebt gij de keuze tusschen een dienst bij Katholieken en een bij Protestanten ot Joden, zoo zult gij wel niet twijfelen welken gij moet aannemen. De dienstbode is lid van het gezin en kind des huizes en uwe meesters moeten de plaats uwer ouders vervangen en voor uw tijdelijk eu eeuwig welzijn zorgen. Deze verhouding kan best bestaan, als heer en dienstbode van hetzelfde geloof zijn. Uwe
katholieke meesters begrijpen u, daar zij ge-looven gelijk gij; en zoo zij braaf zijn, gaan zij u door hun voorbeeld voor eu kunt gij in alle moeielijkheden bij hen een goeden raad vinden. Ja, zoo gij nalatig mocht zijn in uwe godsdienstplichten, zullen zij u aansporen; daarom kies zoo mogelijk een katholieken dienst.
2. Bij andersgezinden, hetzij Protestanten of Joden, kan u de dienst op velerlei wijzen hinderlijk zijn. Gij staat ten opzichte van het godsdienstige als vreemden tegenover elkander. Men zal u vragen hoeveel tijd gij voor uwe godsdienstplichten behoeft, men zal u dien toestaan en â daarmede is alles afgedaan. Of gij naar de Mis gaat, uw Pascheu houdt enz., daarover zal niemand zich bekommeren. Deze dienst kan u ook zeer schadelijk worden. Er kunnen bijv. van tijd tot tijd spotachtige bemerkingen vallen omtrent biecht, li. Mis, vereering der heiligen, over uwen rozenkrans, dien men toevallig in uwe kamer heeft gezien, over de domheid der Katholieken enz. enz. Alles wat u heilig en dierbaar is hoort gij bespotten, en wel moogt gij vast in uw geloof staan, zoo dergelijke bemerkingen langzamerhand u niet onverschillig maken. Des te grooter is het gevaar als het gedrag uwer meesters
â 216 â
overigens onberispelijk is, want daardoor ontstaatquot; bij u de gedachte, dat men ook goed en braaf kan zijn zonder gebed, zonder godsdienst, zonder naar de kerk te gaan, zonder te biechten. Door de uiterlijke schoone zijde laat gij u verleiden, om dat geloof, dat de Zaligmaker tot voorwaarde onzer zaligheid gesteld heeft, te minachten. Zijt lt;rij verplicht een dienst bij andersgeloovigen aan te nemen, hetgeen in de meeste gevallen schadelijk werkt, zorg dan dat uw geloof niet verzwakke, dat gij'ongedeerd uwe godsdienstplichten vervult; beken quot;altijd vrijmoedig uw geloof, verdedig het tegen eiken aanval en toon door uw gedrag hoe schoon, hoe groot, hoe edel uw geloof is. Vooral bij Joden te wonen is uiterst gevaarlijk, en door de kerkelijke wetten verboden aan de vrouwen.
XVI. Do dienst bij kinderen.
1. De dienst bij kinderen is lastig, verdienstelijk, verantwoordelijk en eischt veel geduld. Het kind handelt volgens luim en zin, het doet ieder oogenblik iets, wat een volwassene last aandoet; het is onrustig, veranderlijk, altijd geneigd tot beweging, het lacht, weent, schreit, wil ieder oogenblik wat
â -217 â
t- anders, grijpt naar het verhodene, kent geen
3d onderscheid tusschen het schadelijke en on-
s- schadelijke. Dit alles den geheelen dag ver-
er dragen, 's nachts het kind bewaken, bij zieke
ie kinderen den nacht doorbrengen enz. enz., dit
ie alles valt zwaar; doch is het lastig, zoo is
id het ook zeer verdienstelijk als het met eene goede mcening geschiedt. God heeft in zijne
sn, wijsheid voor alles gezorgd, en daarom zijn
kt, er dienstboden, die een bijzonderen aanleg
lat hebben om met kinderen om te gaan en zich
ilt; hiervoor geheel opofferen. Zeer zeker hebben
iet zulke dienstboden, die zich dag en nacht met
â¢ag opoffering van leven en gezondheid hieraan
is. toewijden, eene rijke belooning in den hemel
ar- te wachten.
ten '2. Wie een dienst bij kinderen aanneemt, neemt tevens eene groote verantwoordelijkheid op zich. De Zaligmaker beminde de kinderen zoo teeder; Hij riep ze tot zich en zegende
er- hen; Hij gaf hun een engel ter bewaking. Hij
eel bedreigt met de zwaarste straf hen, die de
en kleinen ergeren. G-ij ook moet de bewaarengel
een der kinderen zijn. U wordt liet lichaam en
/er- de ziel van het kind toevertrouwd,
het 3. Zorg derhalve voor de gezondheid der
wat kinderen en hiertoe is eene bestendige, nauw-
â 218 â
keurige zorg en waakzaamheid plicht. Bijjouge kinderen is alles gevaar, gedeeltelijk wegens de zwakte hunner ledematen, die zoo gemakkelijk kunnen gekneusd, verschoven, verrekt, gebroken worden; gedeeltelijk wegens hunne onbezonnenheid, die overal naar grijpt en geen gevaar kent. Slechts een onbewaakt oogenblik en â liet kind is wellicht voor geheel zijn leven ongelukkig. Veroorloof' daarom niets, dat gevaarlijk zijn kan. Bemerkt gij eenige teekenen van ongesteldheid, zoo verzuim niet dit den ouders mede te deelen, opdat men spoedig eeu geneesheer kunne raadplegen. Mocht het kind door uwe nalatigheid eenig ongeluk gekregen hebben, zoo beken dit oogenblikkelijk en vertel de toedracht dei-zaak openhartig, hoe het kind gevallen is, waarover het geklaagd heeft enz., opdat de dokter onmiddellijk liet letsel ontdekken eu spoedig genezen kan. Wordt u een ziek kind toevertrouwd, dan houd u nauwkeurig aau de voorschriften van den geneesheer, dan hebt gij geeue verantwoording. Handel niet eigenmachtig; speel zelf niet voor dokter, want zeer gemakkelijk zoudt gij het kind iets geven, dat deszelfs leven in gevaar zou kunnen brengen.
4. Ook de ziel van liet kind wordt u toe-
â 219 â
vertrouwd. Kinderen zijn zeer vroegtijdig, vaak in hun derde, vierde jaar, zeer levendig gevoelig voor al wat goed en kwaad. is. Zoowel als zij alles zoeken te begrijpen, zieu, liooren, bemerken zij ook veel meer dan men denkt; daarom moet men zeer zorgvuldig zijn om hun geene verkeerde indrukken te geven. Zoek de liefde en het vertrouwen der kinderen te winnen, dan zult gij in menig geval zeer voordeelig voor hen kunnen werken. Let op de bijzondere kinderdeugden: Gehoorzaamheid, oprechtheid, betamelijkheid. Bestrijd de eigenzinnigheid, het liegen en alles wat onbetamelijk is in liet gedrag van het kind en daarom moet gij vooral bij het spelen de kinderen niet uit het oog verliezen. Gij zelt' moet ook in uw gedrag alles vermijden, wat aanstoot geven kan, en de onschuld der kinderen in woorden, liederen en handelingen eerbiedigen, en zijt gij bij anderen tegenwoordig, dan zorg dat niets hun oog noch oor kan kwetsen. Sommige dienstboden zijn in dit opzicht tegenover kinderen, die soms reeds zes of zeven jaar oud zijn, zeer lichtzinnig, en geven hun soms indrukken, die nooit meer uit hunnen geest kunnen ge-wischt worden. Indien gij bijzondere gebreken waarneemt in het karakter der kinderen, is
â 220 â
het goed de ouders hierop opmerkzaam te maken, ton einde hunne medehulp te erlangen. Verstandige ouders, die niet al te zeer met hunne kinderen ingenomen zijn, zullen u dankbaar zijn en u helpen om deze gebreken vroegtijdig te bekampen en te verbeteren.
5. Gij kunt den kinderen in hunne teedere jeugd reeds veel goeds leeren. Levendige, talentvolle kinderen hebben soms in hun vierde en vijfde jaar een zeer levendig begrip en een goed geheugen. Spreek hun over God, die alles geschapen heeft; leer hun, dat Hij alles weet, dat Hij een afschuw heeft van de ongehoorzaamheid, den eigenzin, het liegen en het snoepen, dat Hij brave kinderen beloont. Spreek hun van liet Kindje Jezus, van Mariai van Bethlehem, van de herders; gij kunt hun leeren bidden, kleine spreukjes leeren. 's morgens en 's avonds met hen bidden. Zoo wordt gij de eerste leermeesteres dei-kinderen en vaak denken zij in latere jai en nog aan de brave, godsdienstige dienstbode, die hunne jeugd bewaakt en ten goede geleid heeft. God zal u rijk beloonen voor alles wat gij aan die onschuldigen gedaan hebt, want Hij heeft ze lief en hun een engel gegeven om ze te bewaken.
â 221 â
XVII. Behoorlijke zorg voor de gezondheid.
De gezondheid is een kostbare sohat, vooral voor hen, die zonder behoorlijke lichaamskracht de plichten hunner bediening niet kunnen vervullen. Verliest gij uwe gezondheid, dan zijt gij broodeloos en hangt van de liefdadigheid van anderen at', liet lichaam is een broos vat, is het eens gebroken, dan kan het uiet gemakkelijk hersteld worden. Dikwijls springt de jeugd met dezen kostbaren schat zeer lichtzinnig om; men verliest ze soms door eigen schuld en wordt dan zich-zelveu en anderen tot last. Twee zaken dragen hiertoe veel bij, te weten: Onwetendheid en ongeregeld leven. De jeugd gevoelt zich sterk en meent alles te mogen ondernemen. Heet en koud, nat en droog, zomer en winter, dag en nacht, zwaaien licht, alles is haar hetzelfde, doch niet aan hare gezondheid. Zeker raad ik u niet aan u te vertroetelen; doch gij moet eene behoorlijke zorg voor uwe gezondheid hebben. Door een onmatig, onzedelijk leven, door drilt cn hartstocht verkort menigeen zich het leven. Mannelijke dienstboden, die weinig te doen hebben, vervallen tengevolge van de ledigheid
â 222 â
vaak tot den drank en verkorten aldus hun leven twintig, dertig jaren. Neem de volgende wenken ter harte.
1. Voeding. »Wie werkt, moet etenquot;: daarom moet men bedenken, dat zij die veel en zwaren arbeid te verrichten hebben, ook veel meer voedsel noodig hebben dan bejaarde lieden, die een zittend leven leiden. Wees echter niet onmatig, voldoe de behoeften der natuur, doch geef de maag niet meer dan haar aangenaam is. Eet niet zonder behoefte, want de volle verzadiging is vaak de oorzaak van koortsen en andere ziekten. Mannelijke dienstboden moeten zicli wel overtuigen, dat geestrijke dranken volstrekt geene behoefte voor den mensch zijn en dan alleen niet schaden als zij slechts bij uitzondering en in kleine mate gebruikt worden; men mag zich die niet tot behoefte maken: elke gewoonte van drank, vooral van brandewijn, wreekt zich langzamerhand op de gezondheid en delft menigeen een vroegtijdig graf.
2. Kleeding. Deze dient, gelijk wij reeds bemerkten, tot het dekken en verwarmen des lichaams, daarom moeten de uoodige en doelmatige kleedingstukkcn voorhanden zijn, bijzonder in den winter. Dienstboden moeten
â 223 â
vaak den geheelen dag in onverwarmde lokalen doorbrengen, in vochtige keukens of' kelders staan. Waarom vindt men in den winter en het voorjaar zooveel dienstboden, die aan jicht lijden, in de gasthuizen? Omdat men zich niet genoegzaam hiertegen bewaard heeft door warme kleeding. Dwaas is dus degene, die ter liefde der mode, zicli licht kleedt en zich hierdoor de zwaarste verkoudheden op den hals haalt, waaruit koorts en typhus met levenslangen nasleep ontstaan. Daarom is eene natte kleeding zeer gevaarlijk. Dienstboden zijn in dit opzicht va.ik hoogst onvoorzichtig. Door zwaren arbeid zijn zij soms doornat, zoodat het hoogst noodzakelijk was zich te omkleeden. Met dit natte pak in een koud lokaal blijven is hoogst gevaarlijk.
3. Woning. Uwe woning moge klein, laag, nauw zijn, doch zij imet drong zijn. Uwe bedstede is van het grootste belang voor uwe gezondheid. Eene vochtige slaapplaats met natte, salpeterachtige muren, weerstaat de sterkste gezondheid niet. Er zijn gevallen voorgekomen, waarbij dienstboden door zulk eene slaapplaats het gezicht verloren, levenslang met jicht te kampen hadden, lam werden, zenuwkoortsen kregen, doof' werden, enz. Elke
â 224 â
ziekte kau ontstaan uit eene vochtige slaapplaats. Ik houd uiet van onderaardsehe keukeus in ons vochtig klimaat. Is uwe slaapplaats onder liet dak, dan moet gij dak, muren en spleten goed dicht stoppen. Ik zou een voorbeeld kunnen aanhalen van iemand, die door eene slecht gesloten slaapplaats ouder het dak, zich eene oogenziekte op den hals haalde, waardoor zij blind werd. Onervaren dienst-Ijoden erkennen zulke zaken soms eerst dan, als het te laat is.
4. Arbeid. Eene behoorlijke aanwending dei-lichamelijke kracht is goed en gezond, doch overspanning is gevaarlijk en kan ziekten tengevolge hebben. Hierin moet gij de maat uwer krachten kennen en daarmede raadplegen alvorens u in een dienst te verhuren.
liuat. Het nachtwerken is schadelijk en op den duur niet vol te houden. Zeven uien slaap zijn noodzakelijk in de jeugd en bij ver-uioeienden arbeid.
XVIII. Wees spaaizaaiii.
1. â Wanneer gij alles hebt wat gij behoei't, denk dan aan den dag van morgen,quot; zoo sprak reeds voor vele duizenden jaren de Wijze
â 225 â
Man in het 33oek Sirach. God zelf beeft de liefde tot spaarzaamheid in 's meiisclieii hart gelegd, want -wij kunnen het niet goed lijden, als wij hooren of zien, hoe iemand geheel nutteloos gold uitgeeft, verkwist of verknoeit. Dan zeggen -wij vaak: Er kunnen dagen komen, waarop hij blij zal zijn met hetgeen hij thans â vermorst.quot; Een verkwistend mensch verliest de achtiug zijner medemenscben en wordt hij later arm, dan worden hem zijne vorige dagen verweten. God zelf is spaarzaam in zijne natuur; niets gaat daar verloren, en hoevele dieren zelfs geven ons hiervan een voorbeeld. Bijen en mieren kunnen ons lessen geven vau vlijt en spaarzaamheid. Zij denken aan de toekomst en zorgen voor den winter.
? Ken voorzichtijr ter
Wat
is sparen
zijde leggen van al het overvloedige, voor do dagen van nood; een zeker beperken tot liet noodzakelijke. Rijken en armen kunnen sparen. Als de arme goed gebruikt wat hij beeft, opdat hij niet slechts beden, maar ook morgen iets hebbe, als de rijke de overtollige uitgaven vermijdt, om lt;le armen des te meer te kunnen geven, sparen beide, en hunne spaarzaamheid is God welgevallig. Vragen wij ons af, boe het tegenwoordig staat met de spaarzaamheid
15
â 226 â
der dienstboden, zoo luidt het antwoord niet gunstig. Vroeger was het loon veel lager en men spaarde daarvan een noodpenning; thans kan men met het hooge loon vaak niet toe, men neemt zijn loon reeds voor den tijd op, men borgt, maakt schuld en vergeet de toekomst geheel. Het grootste deel wordt aan kleederen besteed: gaat men daarenboven nog naar koffie- of bierhuis, naar concert, bal of komedie, hoe kan men dan met zijn loon rondkomen? Het is daarom tegenwoordig niets vreemds als men een paar ziet trouwen, dat geen cent in de wereld bezit. Het bruidstoilet heeft de laatste guldens verzwolgen, en niets staat voor de deur dan armoede. De lichtzinnigheid veler dienstboden is onbegrijpelijk groot. â Ik bid u, neem deze wenken ter harte.
3. Geef niet meer uit dan noodig is. Overleg goed wat gij voor uwe kleeding behoeft. Koop slechts sterke en duurzame zaken. Kosten deze iets meer, zoo wint gij er toch bij. â Oa voorzichtig mot uwe kleederen om. Wie slordig en slonzig is, bederft veel, en heeft tweemaal zooveel noodig als wie net en proper is. Vermijd alle onnoodige uitgaven en presentjes. Wees niet kinderachtig en koop niet alles wat gij ziet. Bezoek geene koffie-
huizen, concerten en theaters. Neem nooit uw loon vooruil en leen nooit. Als gij iets kunt sparen, leen het dan niet uit, want dikwijls kunt gij het slechts met moeite en onaangenaamheden terug krijgen. Zet liet uit; de spaarbank biedt u hiertoe de beste gelegenheid; gij kunt het daar altijd terugkrijgen en gij trekt er interest van.
4. Het spreekt van zelf, dat eeue wijze spaarzaamheid geheel verschilt van de gierigheid. Deze afschuwelijke ondeugd schrapt alles samen, alleen met het doel om te bezitten, door de begeerlijkheid naar geld en goed, gaat de liefde tot God en den evenmensch geheel in hem te niet en zeer dikwijls worden gierigaards ook oneerlijk, daar zij door den den duivel der gierigheid verblind, vaak geen onderscheid maken tusschen datgene wat hun toekomt of hunnen naasten toebehoort.
XIX. Het vierde gebod verplicht u levenslang.
Vele dienstboden zijn ouderloos: vele hebben vader of moeder verloren: liet kleinste getal heeft nog liet geluk zijne ouders te bezitten. Dezen moeten hun geluk beseffen en hunne
plichten erkeuuen, daar het vierde gebod niet ophoudt, al ziju de kinderen volwassen en al kunnen zij hun eigen brood verdienen. Het vierde gebod blijft bestaan zoolang gij het â ieluk hebt uwe ouders te bezitten. Gehoor-zaamheid, eerbied en liefde blijven de drie heilige pliehteu, die gij ten bunnen opzichte le vervullen hebt en waarvan niemand of niets u ontslaan kan. Bedenk wel, dat van het nakomen dezer plichten Gods zegen en uwe aardsche welvaart afhangen, want juist aan bet vierde gebod heeft God eene belooning gehecht, en aan brave kinderen een lang en gelukkig leven toegezegd.
1. Hoe staat bet bij vele dienstboden ten opzichte van dit gebod? Hoe gedragen zij zicli ten opzichte hunner ouders? Men ontmoet daaromtrent treurige en verblijdende verschijningen. In het algemeen kan men zeggen, dat het geleden heeft. Vele kinderen moeten vroeg liet ouderlijk huis verlaten, trekken in den vreemde, en worden vreemd aan het ouderlijk dak. Ik heb een jongeling gekend, die in den vreemde trok, daar zeven jaar bleet en in al dien tijd geen enkele maal aan zijne oude moeder schreef. De oude vrouw zat in haar kamertje te schreien en toen bij terug-
â 229 â
keerde, was zij overleden. â Anderen bekommeren zich niet meer om hunne ouders, om des te vrijer en ongebondener te leven; â weder anderen knoopen lichtzinnige, ongeoor-lootde betrekkingen aan, zonder hunnen ouders raad te vragen. â Anderen eindelijk kunnen geen stuiver missen voor hunne arme, oude of zieke ouders, hoewel zij veel verdienen, een flink loon bekomen, dat zij verteren en verkwisten. jVIoeten de ouders in hunnen ouden dag bij de kinderen intrekken, en zich door hen laten onderhonden, dan is hun toestand niet benijdenswaardig, vooral wanneer er een schoonzoon of eene schoondochter in huis is, die de oude lui liefst spoedig kwijt is. â-Onthoud in dit opzicht deze wenken.
2. Blijf ook in den vreemde innig met het ouderlijk huis verbonden. Bezoek, zoo gij kunt, van tijd tot tijd uwe ouders. Kunt gij dit niet, dan schrijf. Ik heb dikwijls ondervonden, hoe blij ouders waren met eenen brief hunner kinderen. Vertel hun hoe het u gaat, wat gij doet, deel hun uwe omstandigheden mede, vraag hoe liet uwen ouders, broeders, zusters, familie gaat; vraag naar hunne gezondheid, deel hun iets mede wat hen verheugen kan, wensch hun geluk op verjaardagen, bij nieuw-
jaar enz. Bedenk toch, dat niemand op aarde u nader is dan uwe ouders, dat niemand u ooit kan beminnen gelijk zij. Neem derhalve in elke gewichtige zaak het eerst uw toevlucht tot uwe ouders, deel hun oprecht alles mede en vraag hun raad. Versmaad de raadgevingen uwer ouders niet; zeg niet: ik bon de kinderschoenen ontgroeid, ik zal wel voor mij zeiven zorgen; ik weet wel wat ik doen en laten moet.quot; Hoe dikwijls hoort men zulke rede-neering en hoe bitter heeft men die vaak moeten betreuren. Knoop derhalve nooit geene betrekking, kennismaking noch verkeering aan
O - O O
zonder dit uwe ouders mede te deelen en hunnen raad te vragen. Zich van zijne ouders verwijderd te houden, om des te vrijer kennis of' verkeering aan te knoopen die gevaarlijk ot' onzedelijk kan worden, is de zekerste weg ten verderve.
8. Vergeet uwe oude, behoeftige, zieke ouders niet. Vergeld aan hunnen ouderdom, wat zij aan uwe kindsheid en jeugd gedaan hebben. Doe niet gelijk de musschen, die hunne ouden vergeten, zoodra zij kunnen vliegen. Ondersteun hen zooveel gij kunt. Vermijd de overtollige uitgaven, spaar om hen te kunnen bijstaan. De H. Dulia trad
â 231 â
opzettelijk in dienst om hare ouders te kunnen ondersteunen en gaf' hun alles wat zij kon uitzuinigen. Ik zelf' heb een treffend voorbeeld van kinderliefde ondervonden.
Op zekeren Zondag ging ik naar het gasthuis om een 1 'Jjarigen, zieken jongeling te bezoeken. Toen ik hem aansprak, begon hij bitter te schreien. Ik vraagde naar de oorzaak; hij zweeg, daar de tranen zijne stem verstikten. Op mijn aandringen zegde hij eindelijk: «Ik weet, dat ik moet sterven, doch dit bedroeft mij niet; doch mijne ouders zijn arm en hebben negen kinderen. Ik heb wekelijks mijn loon naar huis gezonden, en wat moet er nu van hen worden?quot; De jongeling was meubelmaker, onschuldig als een kind; hij stierf' als een heilige.
Een tweede voorbeeld beleefde ik gedurende den oorlog, 's Avonds kwam ik aan het ziekbed van een zwaar gewond soldaat, een jeugdige, flinke grenadier. De kogel was diep ingedrongen, kou niet uitgehaald worden, en hij wist dat hij ging sterven. Hij zegde: «Ik wensch eene generale biecht te doen, doch lieb eerst nog een verzoek. Ik heb een onrecht te herstellen. Wilt gij mij hierin behulpzaam zijn? Als zestienjarige knaap ben ik stil thuis
â 232 â
weggeloopen naar N.. . . en ben daar metselaar geworden. Wat ik verdiende, heb ik op losbandige wijze verteerd. Eindelijk hoorde mijne moeder waar ik was, en zij weende dag en nacht. Zij kwam en vond mij. Zij bad, smeekte schreioud dat ik toch weder naar huis zon terugkeeren. Ik bleef koud en hardnekkig weigeren, zette mijne goddelooze levenswijze voort en werd eindelijk soldaat. Nu lig ik hier. God straft mij rechtvaardig, ik moet sterven, doch ik kan niet gerust deze wereld verlaten, alvorens ik mij met mijne ouders verzoend heb. Hier is hun adres. Schrijf, bid ik u, aan mijne ouders. Zog hun, dat ik berouw heb over mijne ondankbaarheid en van ganscher hart hunne vergiffenis afsmeek.quot; Hij legde zijne generale biecht af, ontving de H.H. Sacramenten en stierf kort daarna in vrede.
Wilt gij gerust sterven, vervul dan uwe plichten jegens uwe ouders, en moet gij hen in hunne oude dagen bij u in huis nemen, heb hen dan lief en verzacht hun lijden. Laat hun nimmer bemerken, dat zij tot last zijn. Verdraag hunne gebreken en ziekelijkheid, verzorg hen zoo goed gij kunt, opdat gij eens in geweten u de getuigenis moogt geven, dat
â 233 â
gij voor uwe ouders alles gedaan hebt, wat gij kondt en moest doen.
XX. De keuze van een levensstaat.
Een staat kiezen, beteekent het besluit nemen, of' gij ongehuwd wilt blijven, â in het huwelijk â of in het klooster treden wilt. Dit besluit is van het hoogste gewicht, want hiervan hangt vooreerst uw tijdelijk geluk af'. Wie zich tegen zijne roeping in het huwelijk of in het klooster bevindt ofwel ongehuwd blijft, is ongelukkig. Alle drie hebben het geluk des levens verloren, hoewel op verschillende wijze. Ook het eeuwig geluk hangt hiervan af, want volgens de woorden van den H. Basilius is de roeping als de leiband, die ons ten hemel geleidt. Wordt deze gevolgd, dan valt het ons gemakkelijker den hemel te bereiken. Even als een rijtuig op goeden weg in wel gebaand spoor, snel voortgaat en veilig zijn doel bereikt, zoo gaat de mensch veiliger, komt beter tot zijn doel, doet meer voor den hemel als hij vroolijk en tevreden zijne roeping volgt.
2. God heeft in het groote huishonden dei-wereld ieder zijne taak vastgesteld. Dit is
â 234 â
geen toeval, het belioort tot de plannen Gods, die Hij van alle eeuwigheid voor ons beschikt hoeft. Het komt er dus slechts op aan of wij den wil Gods behoorlijk erkennen en volgen. Hierin faalt de mensch dikwijls. Hoevelen zijn ongelukkig, omdat zij zich niet op hunne plaats bevinden en hoe kan dit anders als men nagaat hoe lichtzinnig, hoe verkeerd, hoe zondig men zijn staat verkozen en daarin getreden is. Koevele echtelingen zijn onbeschrijfelijk ongelukkig, rampzalig, doch om dit ongeluk wel te begrijpen, moet men nagaan hoe lichtzinnig men gehandeld heeft, hoe men eiken welmeenenden raad in den wind geslagen heeft, dien wellicht trotsch heeft versmaad, zijne ouders tot toestemming als gedwongen heeft, zich door zoude en misdaad tot dezen staat heeft voorbereid, onmiddellijk voor het ontvangen van het Sacrament des huwelijks onwaardig gebiecht en gecommuniceerd heeft. â Hoe kan onder zulke omstandigheden het huwelijk gelukkig zijn. De keuze van een levensstaat is eene gewichtige, eene heilige zaak, daarom wil ik u eerst zeggen hoe gij u daarin te gedragen hebt.
3. Handel niet in haast en overijling. Goede zaken moet men goed overwegen, en dit geldt
â 235 â
natuurlijk de keus van een levensstaat. Vroeg gedaan, laat berouwd. «Te vroeg gedaan, te laat bedacht, heefi; menig in verdriet gebracht,quot; zegt het oude spreekwoord. Hiertoe is tijd en volle gemoedsrust noodig. Binnen weinige weken zult gij wellicht de zaak in een geheel ander daglicht beschouwen dan nu, en gij kunt welliclit zelf' niet begrijpen, hoe gij zoo weinige dagen te voren zoo dwaas hebt kunnen denken en oordeelen, en gij dankt God niet gehandeld te hebben. Vooral dus, ik druk het u ernstig op liet hart, tijd en rrst.
4. ir Al wat goed is, komt van God, den Vader des lichts.quot; Gij hebt licht noodig om uwen roep te kennen, neem daarom tot God uw toevlucht. BID. ja bid zoo inuig, zoo aandachtig, zoo aanhoudend als gij nog ooit gedaan hebt, opdat de Heer u toone wat gij kiezen moet. Vertrouw vast dat als gij met God begint, gij eene goede keuze doen zult. Nader dikwijls eerbiedig tot de II.H. Sacramenten, vermijd zorgvuldig elke zonde, doe novenes, beveel u aan de H. Moeder Gods en den H. Jozef'; doe zoo gij kunt eene bedevaart, gebruik in één woord al de middelen, welke de godsdienst u aanbiedt om eeue gelukkige keuze te doen.
â 236 â
5. Onderzoek uw hart eu uwe neiging. God geeft gewoonlijk den mensch een zekere neiging en natuurlijken aanleg voor den staat, waartoe Hij hem roept. Wie zonder neiging eenen staat intreedt, wordt gewoonlijk ongelukkig. Zonder neiging in het huwelijk treden, is zeer gevaarlijk, doch die neiging is nog geen zeker kenteeken en men bedriegt zich vaak in dit opzicht. Eene enkel zinnelijke neiging is geen beweegreden om in het huwelijk te treden, want juist deze kan den mensch in het ongeluk storten, lioep dan uw verstand ter raad. Overweeg de daaraan gehechte plichten en bezwaren, de eigenschappen, de bekwaamheden die gij moet bezitten, overdenk alles, tot de minste bijzonderheid. Verberg u zeiven de bezwaren niet; sluit het oog niet, wees niet ziende blind, want in die zoogenaamde blindheid der liefde ligt de oorzaak van duizende ongelukkige huwelijken. Wilt gij huwen, dan moet gij ook weten of gij leven kunt: wilt gij liefdezuster worden, dan moet gij sterk en gezond zijn. lt; )verweeg alles, neem het liever te zwaar dan te licht op, dan volgt gij den veiligsten weg.
6. Roep f/oeden raad in. Doe niet als koning Roboam, die den raad der ouden versmaadde
â 237 -
om dien der jonge hovelingen te volgen, waardoor hij zich-zelven en zijn geheele volk ongelukkig maakte. â Vooral bij de keuze van een levensstaat is het hoogst gevaarlijk goeden raad te minachten. Steun niet op u zelven, want slechts jaren en ondervinding geven wijsheid, en hoe zou een twintigjarig hoofd die bezitten. Uwe Ouders moeten hierin uwe eerste raadgevers zijn: volg dien raad gedwee en neem geen staat aan tegen uwen zin. â üok andere brave menschen kunnen u goeden raad geven. Vraag dien aan vele verschillende, gij kunt hierdoor slechts leeren. Vooral is het nuttig eu dikwijls noodzakelijk den biechtvader raad te vragen. Heeft hij u sedert vele jaren geleid, dau kent hij uw karakter en neigingen en zoo gij in het klooster wenscht te treden, kan hij alleen beslissen of' dit uw roep is, eu of gij hiertoe geschikt zijt. Stel u zelven oprecht voor God de vraag, wat gij op uw sterfbed liggende, zoudt wenschen gedaan te hebben, en wat gij anderen aan zoudt raden. Indien gij op zulke wijze voorzichtig en waarlijk christelijk te werk gaat, dan moogt gij ook vertrouwen, dat God u op deu rechten weg geleiden zal, en zoo gij later in uwen staat moeielijkheden, bezwaren eu
â 238 â
lijden ontmoet, hebt gij liet troostend bewust- st zijn van volgens roep en plicht uw staat w gekozen te hebben. di __hi
XXÃ. I)e verschillende staten. (1(
1. De ongehuwde staat. Sommigen hebben hi
een tegenzin van liet huwelijk en nemen der- ei
halve het besluit ongehuwd te blijven. Dit is m
niet alleen geoorloofd, doch wordt zelfs door st
den H. Paulus aanbevolen als hij zegt: «Huwen m
is goed, ongehuwd blijven is beter.quot; Verschei- g' dene omstandigheden kunnen medewerken tot
het nemen van dit besluit, bijv. zwakke ge- V(
zondheid, gebrek aan genoegzame middelen k
van bestaan, huwelijksaanvragen die men niet gi
aannemen kan of mag, enz.; in al deze ge- Z
vallen is het beter ongehuwd te blijven. iv
Het kan ook gebeuren, dat iemand zich in u
zulk een goeden dienst bevindt, dat men liever z(
daarin blijft, en hoewel dit, wel is waar, ei
slechts beweegredenen zijn, die op menschelijk li
overleg rusten, is het toch raadzaam hiernaar di te luisteren; deed men dit meer, dan zouden
er zoovele ongelukkige huwelijken niet te ei
bejammeren vallen. u
Ook kunnen er hoogere beweegredenen be- m
â 239 â
st- staan, als: liefde tot de maagdelijkheid en de
lat wenscli God voltnaakter en rustiger te kunnen
dienen. Ook uit dit oogpunt beschouwd, wordt hij door den Apostel geprezen als hij zegt: «Wie ongehuwd is, zorgt voor datgene wat des Heeren is en hoe hij den Heer best been hagen kan, opdat hij heilig zij naar lichaam 3i- en ziel.quot; Hebt gij derhalve dit besluit geno-is men, leef dan vroolijk en tevreden in uwen )or staat, erken daarin den vinger Gods, dien uwe en meesters in alle deugd en tracht God te beha-ei- gen door het streven naar de volmaaktheid, tot 2. Zoek een goeden dienst te behouden, die re- volgens uwe kracht, uwe neiging, uwe been kwaamheden is. Zoek een vasten dienst, waarin iet gij lang, wellicht voor goed blijven kunt. re- Zoek goede katholieke meesters, bij wie gij uwe plichten getrouw kunt naleven; maak in u door ware deugd hun vertrouwen waardig, er zoo wordt gij langzamerhand lid der familie, a.r, en dit zal in menig opzicht uw toestand ver-ijk lichten en u opbeuren. Uw dienst wordt een ,ar dienst uit liefde en de liefde maakt alles zoet. en Indien gij aldus uwe plichten jegens God te en uwe meesters vervult, moogt gij genist uwe toekomst aan God overlaten, doch gij je- moet de handen niet in den schoot leggen.
â 240 â
Het is zeker dat gij steeds ouder wordt, ook kuut gij ziek worden; de omstandigheden kunnen bij uwe meesters veranderen en wellicht zoudt gij ua dezen, niet gaarne meer in een anderen dienst treden. Daarom moet gij trachten op eigen beeneu te kunuen staan en voor uwe toekomst zorgen. Al belooft men u, latei-voor u te zorgen, zoo kan dit tegenvallen en daarom moet gij uwe spaarpenningen ter zijde leggen en goed uitzetten. Laat u onder geen voorwendsel bepraten, die, hetzij aan vrienden of bloedverwanten, te leenen. Ik heb dienstboden gekend, die hunne zuur verdiende penningen uitgeleend hadden, bitter bedrogen werden, de beloofde interesten niet ontvingen en later, in plaats van hun kapitaaltje, slechts onaangenaamheden oogsten. Gij staat op u zelven en moet derhalve voor u zeiven het eerste zorgen.
Ook is het niet raadzaam bij bloedverwanten in te gaan wonen: gewoonlijk gaat liet slecht en duurt niet lang. Ook gebeurt het, dat men li belooft geheel voor u te zorgen; u kost, kleederen, inwoning aanbiedt tegen overgave van uw kapitaaltje; men belooft u gouden bergen, men zal eene schriftelijke verklaring geven, enz. Laat u niet ompraten, geef uw
â 241 â
eigendom niet af; als uw geld verteerd is. wordt men u moede; gij moet u alles laten welgevallen en moet genadebrood eten. liewaar uwe vrijheid en zelfstandigheid. Hebt gij in uwe jeugd God trouw gediend, dan zal Hij in uwen ouden dag voor u zorgen. Een goed dienstbode wordt van iedereen geacht, gewaardeerd en bemind.
XXII. De lunvelijke staat.
Het huwelijk is door (iod ingesteld; wie lot dezen staat geroepen is, kan hierin op aarde zijn geluk vinden en hiernamaals zalig worden. Doch ik herhaal: wie er toe geroepen is. Daarom zegt de II. Paulas: .Ieder onderzoeke welke gave hij van God ontvangen heeft.quot; En dit onderzoek moet bij het huwelijk zeer ernstig zijn. Deze staat heeft groote bezwaren, heilige plichten, groote verantwoording. U ie zonder roeping, zonder de vereisclile voorbereiding, zonder zuivere meening in dezen staat treedt, wordt ongelukkig, verstoort zijn levensgeluk en laadt eene groote verantwoordelijkheid op zicli voor alle eeuwigheid, want hij zal de bezwaren niet kunnen verdragen, de plichten niet vervullen. Eu wat het onge-
u;
â 242 â
lukkigstc is, bij het huwelijk zijn er niet steeds twee in het ongeluk gewikkeld, doch gewoonlijk een heel gezin en gaat dit over van geslacht tot geslacht.
1. Geen staat wordt zoo lichtvaardig aanvaard als het huwelijk, dit leert dagelijksche ondervinding; men staat verbaasd over de blindheid, waarmede men dezen staat intreedt. Men huwt uit hartstocht of blinde liefde, zonder God, tegen Gods wil, zonder vorstand noch overleg, en stormt in zijn oageluk. En waarom is men ongelukkig in het huwelijk? Meestal door eigen schuld. Wilt gij dan in hot huwelijk treden, kom dan in geweten datgene na, wat ik u bij de keuze van een levensstaat heb aangeraden. Kies niet iu overijling en opgewondenheid. Gebruik hiervoor tijd en rust. Onderzoek uwe neiging en uwen roep. Laat u leiden niet slechts door eene blinde liefde, doch door verstand en goeden raad. Bid veel en vurig om Gods bijstand, want uw tijdelijk en eeuwig geluk staat op het spel. Ziehier wat gij vermijden moet.
2. Trouw niet te jong. Wacht tot gij volwassen zijt naar lichaam en geest, tot gij eenige ondervinding hebt opgedaan, en het noodige geloerd hebt, om de plichten des
243 â
huwelijks naar behooren te vervullen. Het lichtzinnig jong trouwen komt meer en meer in zwang, men is nog kind, de familie vermeerdert zich snel, men betreurt zijnen stap, honger en ellende staan weldra voor de deur, men maakt elkander ongelukkig door verwijtingen, en het is niets dan tranen en ellende.
'Irouw met zonder vooruitzicht van te hunnen bestaan. Armoede jaagt de liefde weldra de deur uit; dikwijls treedt men arm in het huwelijk, van geene zijde is iets gespaard; armoede trouwt met armoede, en is er al eenig vermogen, zoo steekt men toch weldra in schuld en vertwijfeling. De man moet zijn gezin onderhouden; derhalve moet hij eene broodwinning hebben, zijn beroep verstaan, zeker uitzicht hebben op werk en verdiensten: zoo niet is het onverantwoordelijk te huwen, -^ls gij geen zeker uitzicht hebt op de noodige middelen van bestaan, dan trouw niet.
Trouw niet tegen moe neiging en zin. Waar men samen moet wonen, aan ééne tafel spijzen, in de innigste betrekking moet leven en dat niet voor eenigen tijd, maar voor geheel het leven, daar mag geen gebrek aan genegenheid en zeker geen afkeer aanwezig zijn. Men gelooft soms wel, dat die genegenheid zich later zal
â 244 â
ontwikkelen, (toch dit is niet waar en gebeurt slechts bij uitzondering. De echtvereeniging rust op wederzijdsche genegenheid, en waar deze niet voorhanden is, kan het huwelijk niet gelukkig zijn. Het is derhalve onverantwoordelijk, dat ouders soms hunne kinderen aanzetten en zelfs dwingen om tegen hunnen zin te huwen.
Huwelijken tusschen een man. die veel jonger is dan zijn vrouw vallen in den regel slecht uit en voeren soms tot echtscheiding. Ik heb in vele jaren van ondervinding slechts één dergelijk geval gevonden, dat gelukkig was uitgevallen.
Huw niet met naaste bloedverwanten. Huwelijken tusschen neef en nicht zijn zeer at te raden, zij zijn nadeelig en hebben bijna altijd zekere ziekten tengevolge, die in de familie voortwoekeren.
Jluw niet huiten uwen stand. Het is beter stand bij stand te laten. Passen stand, opvoeding, vorming, manieren niet bij elkander, zoo ontstaan daaruit allerlei onaangenaamheden, die het huiselijk geluk storen en tot een volkomen afkeer aanleiding kunnen geven. De mensch blijft wat zijne opvoeding hem gemaakt heeft, en het gelukt niemand, die indrukken te verwijderen.
â 245 â
Vlucht de hvicelijksuciiivrcuig van onfjeloovigen en zedelonze rnenschen. De ongeloovige is niet in staat het huwelijk behoorlijk te begrijpen; daarbij is een ongeloovige tot alles in staat. Als liet zelfs algemeen bekend is. dat iemand openlijk optreedt tegen geloot' en godsdienst, zich altijd schaart ter zijde van hen, die Kerk en godsdienst bestrijden, zoo vlucht voor zijn aanzoek en laat n volstrekt met zulk een mensch niet in, want een huwelijk zonder godsdienst kan sle'hts ongeluk aanbrengen. Vlucht nog meer een zedeloos, bedorven mensch. Laat u niet ompraten, dat zoo iemand zich beteren zal als hij getrouwd is. Menschen. die zich aan dronkenschap overgeven voor het trouwen, doen het later ook. Onzedelijke menschen blijven het ook. Boosaardige, toornige, ruwe, ongevoelige, twistzieke karakters behouden deze gebreken ook in den huwelijken staat. Daarbij mag men ook wel eens nagaan, uit welke familie iemand afstamt. Er zijn lichamelijke en geestelijke gebreken, die zicli in sommige familiën overerven. Sommige ziekten gaan over van geslacht tot geslacht, zooals vallende ziekte, tering enz. Zulke menschen behoorden nooit te trouwen. Doch ook de neiging tot dronkenschap, tot diefstal, tot
â 246 â
ontucht erven over. Denk en bid dus wel, alvorens een aanzoek van dergelijke personen aan te nemen.
Vlucht de gemengde huwelijken. Gij weet hoezeer de Kerk dergelijke vereenigingen verafschuwt. Een gemengd huwelijk kan niet zijn, wat het volgens den wil van Christus en dien der Kerk zijn moot. Het huwelijk brengt uit zich-zelven bezwaren genoeg mede; waarom die nog vermeerderen door verschil van geloot'. Zijn beide echtgenooten aan hun godsdienst gehecht, dan ontstaat er voortdurend twist; zijn zij beide onverschillig, dan gaat het geloot' verloren. Hoevele zwarigheden ontstaan niet bij de opvoeding dor kinderen! Ach, hoezeer is het te bejammeren, dat de Kerk zooveel dergelijke huwelijken te betreuren heeft. Wijs derhalve elk aanzoek van andersdenkenden dadelijk en bepaald van de hand, want dergelijke huwelijken kunnen slechts de treurigste gevolgen na zich slepen.
Is nu na rijp overleg de verloving aangegaan, dan moet die tijd tot voorbereiding tot liet huwelijk worden aangewend. Het is niet goed, dat die tijd te lang duurt. Verkeeringen, die twee jaren duren, zijn zeer schadelijk en gevaarlijk, daarom moet die niet eer aangegaan
â 247 â
worden, voordat men eenigszins bepaaldelijk kan vaststellen wanneer men huwen kan. Volgens kerkelijk voorschrift mogen de verloofden niet in hetzelfde huis verblijven. Zijn twee dienstboden uit denzelfden dienst verloofd, dan moet de eene den dienst verlaten en dit zoodra mogelijk. Volgens kerkelijk besluit en christelijk gebruik en zeden moeten verloofden elkander slechts in tegenwoordigheid van anderen zien en spreken. Vele ouders bekommeren zich, helaas! hierover zeer weinig, en hierin ligt de bron van zoo menige afdwaling. Doch hoe groot dit getal ook zij, zoo blijft het nochtans zeker, dat de tijd der verkeering geen tijd van zonde, doch van voorbereiding tot liet huwelijk zijn moet. Alles wat wij over de gevaarlijke en naaste gelegenheid dei-zonde van onzuiverheid gezegd hebben, geldt bijzonder hier. Dour gebed, door het ontvangen der 11.11. Sacramenten, door een zuiver en godvruchtig leven moet gij u voorbereiden. Dan onmiddellijk voor het huwelijk, met bijzondere vurigheid en oprechtheid naar omstandigheden eene generale biecht afleggen, met levendig geloof Jezus ontvangen in het H. JSa-crament des Altaars, dan kunt gij met rein gemoed elkander voor het altaar de hand
â 248 â
reiken en moogt gij lt;!ods besten zegen over uwe vereeniging hopen. Véél ongeluk en ellende, is vaak de straf voor dt' zonden gedurende den tijd der verkeering bedreven.
XXIII. De kloosterlijke staat.
1. «Wilt gij den hemel binnengaan, zou onderhoud mijne geboden. Wilt gij volmaakt zijn, dan ga en verkoop alles en volg mij,quot; aldus sprak de Zaligmaker tot den jongeling. Doch deze ging treurig heen, want hij was zeer rijk. In dexe woorden des Zaligmakers zien wij duidelijk wat wij doen moeten om in den hemel te komen en wat wij doen kunnen om volmaakt te worden. Het (:(:ne is gebod, het andere raad. Dit a/les verlaten bestaat hierin, dat de raenseh vrijwillig verzaakt aan alle aardsche goederen, door de vrijwillige armoede, belooft in eeuwige zuiverheid te leven, en zich door volkomen i/ehnorzaamlieid aan den wil zijner oversten te onderwerpen. Dit drievoudig verzaken noemt men de Evangelische Raden. Zij, die in het klooster treden, verbinden zich door geloften deze evangelische raden te onderhouden. Zij worden voor den kloosterling strenge plicht, want de kloosterling is onder
â 2 lit â
zonde verplicht naar de volmaaktheid te streven.
'2. Weinigen zijn tot dezen verheven .«tand geroepen; de roep tot het kloosterleven is eene gave Gods, een geschenk zijner liefde, daarom zegt de Zaligmaker: . Niet gij hebt mij. doch ik heb u uitgekozen.quot;
Wie het geluk heeft tot het kloosterleven geroepen te zijn. lieel't vele voorrechten boven de wereldlingen. Daarom zegt de H. Bernar-dns met recht: «Tn het klooster leeft de mensch zuiverder, valt zeldzamer, staat spoediger op. wandelt voorzichtiger.quot; Ood beneemt, den mensch de gelegenheid tot zondigen en de mensch wordt minder tot zonde geneigd. Daarom vindt men liet grootste geluk bij kloosterlingen, die uit ware roeping in het klooster getreden zijn. Doch let wel op het woord ware roeping. Wie deze mist is ongelukkig. en nog veel ongelukkiger dan degene, die zonder roeping een anderen staat gekozen heeft, en daar de kloosterlijke staat de hoogste, heiligste, volmaaktste staat is. is een zorgvuldig onderzoek, eene rijpe overweging, ern-Fliire voorbereiding en groote voorzichtigheid dringend noodig. Iemand kan uit geheel natuurlijke beweegredenen dezen staat kiezen: men komt toevallig in een klooster, ziet de zusters
â 250 â
tevreden en gelukkig in haar werkkring, men ziet ze geacht en bemind, eu nu wil men ze navolgen. Men is het dienen moede, schuwt den arbeid, wenscht een onbezorgd leven, men denkt in het klooster is men sroed bczorscd
O O
en komt tegelijk in een hoogeren stand eu geniet meer achting. Dit zijn geene redenen om in het klooster te treden, eu zij, die zoo deuken, zullen liet niet lang uithouden. Zij treden er in eu vinden alles geheel anders, dan zij verwacht hadden. W eldra vervelen zij zich achter die muren, het gehoorzamen is te streng, het stilzwijgen ouverdragelijk, het slot is akelig en het werk uog veel zwaarder dau in den zwaarsten dienst. Het stroovuurtje is gebluscht, de moed zinkt in de schoenen en gaat men uiet vrijwillig heen, dau wordt meu weggezonden, want in het klooster blijft niets verborgen en zonder ware roeping kau niemand het uithouden. Nu staat men weder in de wereld, het dienen valt dubbel zwaar. In hot klooster gaan eu het te moeten verlaten, is eeue kwade zaak, gewoonlijk bij ft het leven daardoor geknakt.
3. Sommigen hebben vroegtijdig een waar begrip van de nietigheid der aardsche zaken. en door Gods genade verlicht, erkennen zij
â 251 â
duidelijk, dat zij in de wereld, iu hare vermaken en vreugde gcone bevrediging zullen vinden. Zij trachten naar iets lioogers en beters. Dergelijke karakters gevoelen zich lielit tot liet klooster getrokken. Anderen wenschen do gevaren der wereld te ontgaan en hunne ziel te redden. Misschien hadden zij reeds te strijden tegen bekoringen en verleidingen, welke hun bij tijds het gevaar doen kennen. Men vreest schipbreuk te lijden en zoekt veiligheid in de haven des kloosters. Anderen kiezen dezen staat uit voorliefde voor de maagdelijke zuiverheid, anderen uit neiging tot een boetvaardig leven, ten einde voor eigen zonden en die van anderen te voldoen. Weder anderen gedenken de woorden des Heeren: «Wilt gij volmaakt zijn, dan verkoop alles en volg Mij.quot; Het verlangen dus naar de volmaaktheid is de beweegreden tot het klooster. Zij allen willen zich ten offer brengen voor Christus, die zich geheel voor ons ten offer gebracht heeft, de eene als leekebroeder bij Franciskanen, Jesuiten of Dominikanen; de andere als liefdezuster, tot verpleging van zieken, tot onderricht der kinderen, of wel als kloosterling in een gesloten klooster geheel aan liet beschouwend leven toegewijd. Al deze
â 252 â
beweegredenen zijn goed, zuiver, bovennatuurlijk, onbaatzuchtig. Zij komen niet voort uit traagheid, trotsdiheid, aardsche beweegreden en zijn derhalve kenteekenen van roeping. Deze worden des te zekerder als men alle hinderpalen moedig overwint, voordeelige vooruitzichten verwerpt, en altijd het doel in het oog houdt.
3. Alvorens gij uw besluit om in liet klooster te treden uitvoert, is het noodzakelijk: l11* de plifhten der orde in den grond te kennen; 2°. zich de bezwaren goed voor oogen te stellen; zich te onderzoeken of' men bekwaam is voor den dienst der orde; 4°. jegens zijn biechtvader met de grootste oprechtheid te werk gaan en zijnen raad volgen; 5°. niet van den eenon naar den anderen biechtvader loopen, om deszelfs goedkeuring en aanbeveling at' te dwingen; 6°. door een oprecht streven naar volmaaktheid, door het overwinnen van de r/ebreken van humeur en karakter zich voorbereiden tot het vervullen der kloosterlijke plichten, üm in liet klooster te treden, moeten zuivere beweegredenen, dni-delijke kenteekenen en goede voorbereiding aanwezig ziju. Aan deze drie zaken mag niets ontbreken. Beter niet in het klooster treden, dan er mgaan en weder m'ikomen.
Slot. Christelijke levensregel.
1. frij hebt slechts ééne ziel, deze moet gij redden voor de eeuwigheid. Laat de wereld doen wat zij wil, red gij slechts uwe ziel.
2. Alles hangt af vau een zaligen dood; deze hangt at' van een deugdzaam leven; men sterft gelijk men geleefd heeft, en zooals men sterft wordt men geoordeeld.
3. Denk om wel te leven: Ik betreur het verleden; in het tegemvoordige wil ik niet zondigen. Heer wees mij genadig in de toekomst. Ik zal sterven, k zal geoordeeld worden: eeuwig geluk of eeuwig ongeluk wachten mij.
4. .Sta vast in uw geloof, bewaar u een zuiver geweten. Zonder geloof is het onmogelijk zalig te worden. Wat strijdt tegen het geweten, is zonde.
5. Hidden en werken zijn even innig verbonden als lichaam en ziel.
C. Bid gaarne, dikwijls en eerbiedig. Aan Gods zegen is alles gelegen, en wat wij be-ginneu zonder God, zal ons geen zegen aanbrengen.
7. Sla 's morgens op bepaalden tijd op. vergeet nooit uw morgengebed en daarbij eene goede meening te maken.
8. Hoor de JL Mis geheel, gaarne, eerbiedig, aandachtig; het is het offer van Jezus op den Kalvarieberg.
9. Denk gedurende den dag dikwijls aan de teomwowdiffheid Gods. Denk niets wat God niet mag weten. Zeg niets wat God niet mag hooien, doe niets wat God niet mag zien.
â 254 â
10. Laat nooit uw avondc/ebed na cn onderzoek dagelijks rustig en nauwkeurig uw geweten.
11. Ontvang regelmatig en waardig de H.H. Sacramenten. Zonder deze is het onmogelijk de zoude te vermijden en deugd te verwerven.
12. Wei-h vlijtig en verheug u tot den arbeidenden stand te behooren. Werk gaarne, vroolijk, aanhoudend, ernstig. Acht en bemin uwen stand.
13. Werk 's Zondags niet, want hierop rust geen zegen. Hoor de H. Mis en de preek; lees een goed boek, neem rust en uitspanning.
14. Uwe uitspanning zij onschuldig en matig. Ontheilig den Zondag niet door zonde en ongeoorloofde vermaken.
15. Eer vader en moeder. Gij zijt hun levenslang, eerbied, liefde en behulpzaamheid schuldig. Vergeet hen niet in ouderdom, ziekte en nood. Bid voor hen na hunnen dood.
16. Vervul uwe plichten jegens uwe meesters vroolijk, onbaatzuchtig, in geweten. Bewijs hun achting, liefde, gehoorzaamheid. Dien niet ter wille van het loon, doch ter wille uwer ziel.
17. Bemin uwen evennaaste gelijk u zeiven. Volbreng werken van barmhartigheid zooveel gij kunt. Zie in ieder mensch het evenbeeld van God cn bemin de ongelukkigste het meeste.
18. Wees vriendelijk, voorkomend in den omgang. Beleedig niemand en wees niet lichtgeraakt. Wees streng voor u-zelven, zacht voor anderen.
â 255 â
19. Hond vrede met alle menschen. quot;Wees ter liefde des vredes doof, stom en blind. Waar echter plicht gebiedt te spreken, moet gij bedaard, liefdevol en oprecht spreken.
20. Wees voorzichtig met wien gij omgaat.
Waar men meê verkeert, wordt men meê
geeerd. Geloof niet te veel, ook niet te weinig.
Keur niet alles lt;;oed of af. Vlncht de onsre-1 . ® loovigen en zedeloozen.
21. Vergeef en vergeet gemakkelijk. Bestrijd den toorn. Wees steeds de eerste om de hand ter verzoening te reiken.
22. Wees nooir, trotsch. Hoogmoed komt voor den val. Houd u niet voor onmisbaar; pronk niet met uwe kleederen.
23. Benijd uwen naasten niet, want door nijd komt men tot haat.
24. Zorg voor uwe gezondheid. God wil dit. Neem goeden raad in acht en hoor wat ouderen u zeggen.
25. Wees matig in spijs en drank. Meer menschen sterven door overdaad dan door gebrek.
20. Vlucht bedwelmende dranken; zij leiden ziel en lichaam ten verderve. Wacht u bij feesten voor overdaad in eten, drinken en praten.
27. Kleed u eenvoudig, zedig, fatsoenlijk, zindelijk, eerbaar, zoodat gij elk oogenblik voor aller oog moogt verschijnen.
28. Wees tuisch. Bid, strijd, vlucht om deze deugd te bewaren. Wees getrouw in het kleine, weersta in het begin, vermijd de ge-
legenlieid. Zijt gij gevallen, zoo sta spoedig op, en biecht oprecht.
ü). Wees eerlijk met hart, haud en mond, altijd, overal, in alle zaken. Hebt gij oneerlijk goed, zoo geef het spoedig terug. Beter weinig rechtvaardig, dan veel onrechtvaardig.
30. \Vees spaarzaam. Een teerpenning is noodig, doch vergeet den noodpeuniug niet. Let op het kleine, blijf in uwen stand en zet de tering naar de nering.
31. Wees niet hebzuchtig, niet gierig. De gierigen gaan den hemel niet binnen. Wees met weinig tevreden, dan zijt gij steeds vergenoegd.
32. Bewaar uwe eer en goeden naam en vlied zelfs de schaduw van het kwade, niet voor het oog der mensclien, doch voor God; denk dikwijls: (iod alleen tot getuige, tot doel, tot loon.
33. Zorg ook voor de eer en den goeden naam van uwen naasten. Verdedig, behoed dien, denk zoolang gij kunt steeds iiet beste van hem.
3-1. Wees voorzichtig met de tong. Hooren, zien en zwijgen is een gulden spreekwoord. Zeg geen kwaad, spreek niet te veel, noch over u-zelveu, noch over anderen.
35. Lieg nooit, noch in ernst, noch in scherts, noch in nood, noch tot schade van anderen.
36. Huichel niet, want geen huichelaar komt voor Gods aangezicht. Wees jegens vriend en vijand bescheiden, oprecht, minzaam. Schijn wat gij zijt, wees wat gij scli jnt.
â 257 â
1
«dig 37. Voor het gerecht moet gij de waarheid
getuigen; zijt gij verplicht een eed af te leggen, oud, zoo doet dit eerlijk en rechtvaardig.
rlijk 38. lielaster niemand; heeft uw naasten
iiuig kwaad gedaan, dan zwijg zoo plicht u niet
gebiedt te spreken. Wie staat, zie toe dat hij g is niet valle.
niet. 39. Wees niet praatziek; verzwijg wat ge
zet heim moet blijven, wat gij beloofd hebt te
zwijgen, getrouw, vast en in zijn geheel. Hebt De gij eens liet vertrouwen verloren, dan zult
i'ees gij liet niet licht terugkrijgen,
ver- 40. Wacht u voor kwaadspreken, en over-
brengen. Den oorblazer is een gestreng oordeel lied - bereid; hij oogst slechts haat en vijandschap, oor 41. Wees niet overmoedig in het geluk,
enk niet kleinmoedig in het ongeluk. Na regen komt
oon. zonneschijn. Weet u in uw lot te schikken.
'den Denk rustig, overleg bedaard, handel krachtig,
oed Doe wat gij kunt. God zal het overige doen.
JSie 42. Dek u op uwe levensreis met den mantel
van geduld, want zonder lijden kunt gij niet ren, in den hemel komen. Zonder kruis geene kroon.
gt;rd. 43. Vertrouw in ramp en tegenspoed stand-
och vastig, blijmoedig en vroolijk op den Heer.
Hij is een schild voor hen, die op Hem hopen. 111 44. Wordt gij ziek, dan beveel u aan God,
'ün gebruik den geneesheer en roep den priester.
45. Beveel u aan God, want buiten zijn 'quot;'t wil zal geen haar van uw hoofd vallen. God
^11 zendt u de ziekte als middel tegen-, als straf
â U11 voor de zonde, als beproeving en gelegenheid
tot deugd. 17
258
-tC. Verzamel n verdiensten door uwe ziekte. Ziekekaraers zijn goudmijnen. Verzamel u dus goud voor de eeuwigheid door geduld en onderwerping.
47. Hebt gij hoop te genezen, dan maak goede voornemens om een geheel nieuw leven te beginnen. Zondig niet meer, opdat u niets ergers overkome.
48. Wordt de ziekte gevaarlijk, dan wees voorzichtig. Jireng uwe zaken goed in orde. Stel de biecht niet uit. Gij kunt verzwakken, de dood kan u verrassen.
49. Vraag do H.H. Sacramenten uit eigen beweging.
50. Sterf blijmoedig, want op dit ellendig leven volgt een eeuwig, beter loven. Dagelijks bidt gij: Ons toekome inv rijk. Als de dood u nu de poort opent, ga dan «getrouwe dienaar, blijmoedig binnen in de vreugde des Heeren.quot;
i isr ü o xj 15-
Blailt.
Voorbericht...........3
EEKSTE APDEELINCt.
1. Er ziju verschillende standen .... (i
2. De dienstbare staud.......8
3. Arbeiden is eervol........10
4. Arbeid maakt gelukkig......13
5. God bemint de dienstboden.....15
6. Maria en Jozef.........18
7. Het voorbeeld der heiligen.....20
8. De dienstbare stand is de bron van
vele deugden.........22
9. Wie dient moet geduldig zijn. ... 24
10. Verkeerde nieeningen.......2(1
11. Tijdelijke voordeeleii.......28
12. Voorbeelden van getrouwe dienstboden 30
TWEEDE APDEELING.
1. Eerste en verhevenste deugd .... 35
2. Hooger inzicht.........36
3. Uit geweten..........39
4. Het veilig anker.........41
5. Het gulden boekje........43
â 260 â
Bludz.
6. Voorbeelden van christelijkeu helden
moed ........' 46
7. Het sterke schild........47
8. De kroon des levens.......49
0. Het doodelijk vergif'.......51
10. De kleine wonden........53
11. Distels en onkruid........55
12. Blijf getrouw aan uwe oefeningen van
godsvrucht..........57
13. Gij moet den Zondag heiligen. ... 60
14. Het H. Sacrament der biecht .... 65
15. Wenken en raadgevingen.....67
16. De 11. Communie........68
17. Godsvrucht tot de H. Maagd en de
Heiligen...........71
18. Eenige bemerkingen.......74
DERDE AFDEELING.
1. De dienaar zijns meesters.....77
2. Schaduwbeelden.........80
3. Gij moet uwe meesters beminnen . . 81
4. Gij moet uwen meesters gehoorzamen . 85
5. Hoe moet gij gehoorzamen......88
0. Eigenliefde, eigenwil, eigenzin. ... 91
7. Lichtgeraaktheid, drift, toorn .... 94
8. Wees ootmoedig.........96
9. Hoe moet gij u gedragen bij terecht
wijzingen ...........99
lilad/.
10. De bescheidenheid........103
11. De zachtmoedigheid.......106
12. Het geduld..........108
13. Eeuige bijzondere gevallen.....112
14. Wees oprecht..........114
15. De waarheidsliefde........117
16. Getrouwheid..........120
17. Getrouwheid der tong.......122
18. Waarover moogt gij niet spreken . . 123
19. Het kostbaar edelgesteente.....128
20. Bewaar de geheimen uws meesters . . 131
21. De nieuwsgierigheid.......132
22. De trouw der hand........135
23. Vragen en antwoorden......138
24. Het snoepen..........141
25. De lediggang..........143
26. De verkwisting.........144
27. Het bedrog. â Valsclie rekening. . . 146
28. De zelfvergoeding........148
29. De restitutie of schadevergoeding . . 152
30. Eenige sieraden der dienstboden . . . 154
31. De opmerkzaamheid.......156
32. De zindelijkheid.........159
33. De orde............161
34. Gedrag der dienstboden ouder elkander 163
35. Broederlijke vermaning......169
36. Toegevendheid.........172
37. Nog een woord omtrent het voorgaande 175
â 262 â
VIERDE AFPEELING.
Bladz.
1. De jeugd...........177
2. Het kostbaarst kleiuood......179
3. Uet sterke schild........182
4. Het scherpe zwaard.......184
5. Trappen en soorten van zonden . . . 185
6. De ware heldenmoed.......189
7. Nogmaals de gelegenheid.....192
8. De omgang..........lOi
9. De uitspanning.........196
10. De kleeding..........198
11. Zucht tot pronken en behagen . . . 203
12. De keus van eenen dienst.....204
13. Andere diensten.........208
14. Dienst h; herberg en hotels .... 210
15. Dienst bij andersdenkenden, protestan
ten, enz............214
16 Dienst bij kinderen........216
17. Zorg voor de gezondheid.....221
18. Wees spaarzaam..........224
19. Het vierde gebod verplicht levenslang. 227
20. De kens van een staat......233
21. De verschillende staten......238
22. De huwelijke staat. ........ 241
23. De kloosterlijke staat.......248
Slot. Christelijke levensregel.....263
Bij ie üilpïersJ.J. ROMEN nOHN
TE ROERMOND,
zijn da volgende werker, franco per post te hekomen:
De Zeven Smarten en Vreugden van den H. Joseph, door een R. K. Priester 2S Ots.
De maand Maart toegewijd aan den H. Joseph. Overwegingen en geheden voor iederen dag van de maand Maart,
gebeden onder de H. Mis en andere ge-
heden, door P. Jozef........20 â
De week van Maria's Dienaar, die zijn zaligheid wil verzekeren, volgens de leer en voorbeeld van den H. Alphonsns . . 7 â Het gebed van Pater Zuechi; Ã mijne
Meesteres, door Pater Jozef.....10 â
De Moedergodsmaand opgedragen aan hare geliefde kinderen, door Pater Jozef 9 â
De Meimaand aan de Allerh. Maagd en Moeder Gods toegewijd, door Pater
Jozef.............18 â
Maand van Maria, door den H. Alphonsns, 3e uitgave, inhoudende eene â¢oVerweging voor eiken dag der maand Mei, de H. Mis, Litanie en andere ge-heden .............30 ,,
f
Novene of Negendaagscbe Oefening tot het H. Hart van Jezus, door P. Jozef 7 Cts.
Het goddelijk Hart van Jezus, overwegingen en gebeden voor lederen dag
der maand...........20 â
Maand van het H. Hart van Jezus,
dienende voor de vereeuiging ter devotie tot de 33 levensjaren van Jezus, door
R. J. Pierik, S. J.........3o â
De negen Dinsdagen toegewijd aan den H. Antonius van Padua. Handboek van godvruchtige oefeningen en verschillende gebeden voor bijzondere omstandigheden
des levens..........28 â
Onze lijdensuren geheiligd, opgedragen aan de lijdende kinderen van O. L. Vrouw van het H. Hart, Hoop der hopeloozen . 35 â
Levensregel voor den Roomsch Katholieken Militair, nagelaten door den WelEd. Gestr. Heer O. W. Gobius, Kapitein der Artillerie........10 â
Het vagevuur en de geloovige zielen,
volgens de werken van den H. Alphonsus,
door een Pater Redemptorist . . . . 15 â
Een week van godvruchtige oefeningen en gebeden. Aan de nagedachtenis der arme zielen in het vagevuur toegewijd,
door Pater Jozef. (Nieuwe uitgave) . . 15 â