SL...
HET H. MISOFFER.
iiyn lt;5^5quot; ^3
get |R JVIifoffeF.
UITLEGGING EN VERKLARING VAN ALLE CEREMONIÃN EN GEBEDEN
KKS'I'.I)
Plee hti lt;)' 0 II. Mis
DOOR
J. J. F. BROUWER,
Priester van de Con.gr. des A llerlipiliffsten Verlossers.
(goedkeuringen.
tDoor onzen Hoogwaardigen (Pater Generaal Nicolaus Mauron daartoe gemachtigd, staan wij toe dat het werkje: HET H. MISOFFER, Uitlegging en Verklaring van alle Ceremoniën en Gebeden eener Plechtige H. Mis, door den Eerw. Pater J. J. F. (Brouwer, opnieuw gedrukt worde.
,1. C. MEEUWISSEN, C. SS. R. Sup. Prov. Holl.
Amsterpam, 12 Januari -1893.
IMPRIMATUR.
Voorschoten, M. B E R N S E N ,
Die G Februarii 1893. Libr. Censor.
Cen woord tot Inleidin
»I)e 11. Min is voor den Katholiek het allen overheemchendc ca overstralende in het godsdienstig leven; zij is nog altoos als Thomas Murner in Luthers dagen ge tuigde, de zaak nda dem Christenmann sein grösstes Herz an ligt.quot; Aldus sprak niet lang geleden T)r Schappman in een zijner vlugschriften (/).
En te recht: de 11. Mis is en blijft steeds de hoogste daad van godsdienstigheid, waardoor (ï ode, de hoogste glorie, den menschen geluk en vrede gebracht wordt; zij is ons Offer of liever het Offer van Jezus Christus, den Godmensc/i, dat wij met Hem den Vader mogen brengen. Geen werk zoo goddelijk groot, zoo vruchtbaar voor ons zieleleven!
Gods glorie vermeerderen, ziedaar een plicht, welken de Godsdienst ons oplegt. Reeds de offers der oude wel. deden het. Maar neem alle glorie dier offers, welke er ooit zijn opgedragen te zamen,
(1) De bewonderenswaardig schoone brochure: lioomsch Reclu legen Protestantsch Verweer. Utrecht, Wed. J. R. van Rossuin. 1892.
VI
voctj cr de eer hij. die de engelen en heiligen in den hemel duor hunne lofprijzingen, de memchen op aarde door hunne gebeden, goede werken, boeledoeningen en martelpijnen Gode ooit brachten of brengen zullen, nooit zal zij de glorie evenaren, welke den Hemelschen Vader tcgenstraalt uit een enkele H. Min. Der schepselen glorie is van eindige, die van ons Offerlam, Christus, van oneindige heerlijkheid.
En welk eene bron van genaden ontspringt cr voor ons in dat Offer! Een enkel gebed van Jezus Christus vermag oneindig veel meer dan de gebeden van alle Heiligen te 'amen. Wat wij door Hem den Vader vragen, zal ons zeker gegeven worden (1). Welnu in de H. Mis is Jezus onze Voorspreker bij zijn Hemelschen Vader, terwijl Hij zich zeiven in ruil offert voor hetgeen Hij voor ons afsmeekt. Telkenmale als de handen des priesters met de geloovigen dit offer opdragen, sterft Jezus op geheimzinnige ivijze voor ons, biedt Hij zijn Lichaam, zijn Bloed den Hemelschen Vader turn, en herhaalt Hij het woord, dat eenmaal door Hem gesproken werd. toen Hij mensch zou worden: gt;)Brand- en Slachtoffers hebt gij niet gewild, die offers zijn onvoldoende, zie hier ben ik; Ik bied mij aan voor de zondige en ongelukkige wereld. Vader om mij geef haar ivat zij U vraagt.quot;
(1) Si quid petieritis Patretn in nomine meo, dabit vobis. Joes XVI. 23.
VII
Is hvt wonder, dat de Vader door deze Offerande bevredigd, de genade en gave van hoetvaar-digheid zelfs aan de grootste zondaars schenkt (2)? Is het wonder, dat uit die bron alle genadestroomen ons toevloeien, dat er alle vruchten gevonden worden, die eenmaal bloeiden aan den boom des kruizes (3). Is het wonder dal daar de zwakke kracht, de arme rijkdom, de bedroefde leniging, de zieke gezondheid. de verongelukte redding, de ongelukkigste troost en opbeuring vindt? Is het wonder, dat de zielen, des vagevuurs door dit Offer het meest geholpen worden, en de plaats van licht, rust en vrede ontvangen (4)9 O neen. waar Christus aldus voor ons spreekt, daar moet, gelijk op het kruis, de Vader verhooring schetiken.
Ontelbaar zijn de goederen, onbegrijpelijk de wonderen en geheimenissen, die dus zijn opgesloten in dit onbloedig Offer. Hel is zoo groot, zoo rijk, zoo glorievol, dat men nimmer woorden genoeg zal vinden om dit naar waarde uit te drukken, dat de naam nog gevonden moet worden, die dit Offer juist kenschetst. Het verstand des mensehen
(â¢1) Hujus quippe oblatione placatus Dominus, gratiam et donum poenitentiae concedens, crimina et peccata etiam ingentia dimittit. C. Trid. S. 22 de S. Sac. M. c. 2.
(2) Tantum valet celebratio Missae. quantum mors Christi in Cruce. S. Joës Chrys.
(3) Animae in purgatorio detentae, (idelium suffragiis, potissimum vero acceptabili Altaris Sacrificio juvantur. C. Trid. b. 25. de Purgat.
VIII
is daartoe te hekrompen, zijn spraak te arm. Noemde een 11. Andreas hel Offer des kruizes, een geheim : Mysterium erucis; voor den Christen zal de II. Mis oul: immer het groot Mysterie blijven.
Een naam is er echter, die reeds in de eerste tijden der Kerk aan dit II. Offer gegeven werd. liet is de naam Missa of' zooals wij zeggen: Mis. Ueze bleef door alle eenwen heen gebruikelijk, en vraagt, dan ooi; verklaring. Wat beteekenl deze?
Men heeft achter dien naam allerlei geheimen gezocht en mystieke verklaringen ervan gegeven. Men zocht daartoe afleidingen nu eens in het Ilebreewseh. dan in het Griekseh. dan weder in het Latijn (â¢/). Maar hoe schoon, hoe geleerd die verklaringen ook zijn, éêne is er slechts, welke â natuurlijk Is. die zich grondt op het volksleven en daarom ons slechts ten volle kan bevredigen. De sleutel er toe moet gezocht worden in het: Ite, missa est. dat aan- het einde, van het II. Offer gezongen of' gebeden werd.
Bij de Romeinen bestond de gewoonte, aan het einde van een of andere publieke bijeenkomst de vergaderden deze woorden toe te voegenIto, concio missa est, gaat, de vergadering is ontbonden. Dikwijls zeide men slechts alleen, vooral bij recht.s-
(1) Me» kan hierover lezen: Beued. XIV. do Sacr. Missae l.ib. II. C. I.
(2) Men vergelijke Dom Gueriinger. Expt. despriéres cl des Cer. de la Messe p. '220. â Kreutzer Das II. Meszopfer. § 14.
IX
fjedinf/eu: missa est, dactv 'men het ovevigc c/enocri-zaam wist (2). Welnu, diezelfde uitdrukking uuin de II. Kerk over hij de bijeenkomsten der r/eloo-vigen, wct-aronder de H, Geheimen werden cjevierd. Die ontbinding der vergadering was echter steeds dvhhel. Men had de wegzending der doopleerlingen, hoetelingen en ongetoovigen, en die der Cfiristenen, De eerste geschiedde ais de eigenlijk gezegde Offerande moest beginnen; zij toch mochten als onwaavdigen daarbij niet tegenwoordig zijn. De tweede had plaats aan het einde des Offers, indien althans bueten- of treurdagen niet vorderden, dal men nog bijeenbleef om te bidden ('/). Welnu die wegzending geschiedde doo}'den. diaken en gewoonlijk met de woorden: Ito, missa est, gaat, de vergadering is oiitbonden. Het volk nn, dat gewoonlijk aan een of andere zaak, die geheimzinnig is, een naam geeft, naarmate daarbij een of ander woord meer opvallend is, gaf daarom aan die bijeenkomsten eenvoudig den naam van missa;. langzamerhand werd dit meer gebrul kei Ijk en droeg men dien naam, doch in het enkelvoud, over op geheet het H. O/Ier. Neemt men daarbij in acht, dat hij die eerste Christenen de strengste tucht van geheimhouding heerschte omtrent het Misoffer, ten einde dit voor oningewijden verborgen zou blijven, dan laat zich deze geheimzinnige naam nog beter begrijpen (2).
(1) In dit geval zeide de diaken: Benedicamus Domino, Laat ons den Heer lofprijzen.
(2) Bened. XIV. 1. c. et alii.
X
Ziedaar den naam, welke aan dat heilig en (/â idilelijk Offer gegeven word. verklaard. Geeft zij ons niets van de grootheid ervan weder, de ontzaglijke waarde wordt, er echter niet door verminderd. Deze hlijfl wal zij is, oneindig.
De II. Kerk heeft dal II. Offer, als een kosl-haar edelgesteente, met hemelsehe wijsheid en kunstvaardigheid. zoo voortreffelijk mogelijk ingezet en omgeven mei uitstralend goud van gebeden, gezangen, jjleehtigheden, en ceremoniën. Zij deed hel tut grooleren luister van dat II. Offer, tol opwekking der godsvrucht zoo van priester als van geloovigen. Alles spreekt daar tot verstand en hart, alles heeft heleekenis. Die plaats waar het Offer wordt opgedragen, die wille kleederen en veelkleurige gewaden, die geurige wierookwolken, die diep treffende gebeden en roerende gezangen, die overheerlijke ceremoniën en plechtigheden, kortom die geheele Ritus, tot in de kleinste bijzonderheden bepaald en voorgeschreven, zij zijn een school waar men altijd meer heren kan, een voortdurende prediking voor het Christenvolk; zij gelijken te zamen genomen aan eene onuitputtelijke goiidrnijn, waar de forschende blik steeds nieuwe goudaderen ontdekt.
Wij hebben ten tweede male plaats genomen in die herschool, nogmaals met dubbel oor geluisterd tiaar die hemelsehe prediking, wij zijn opnieuw in die goudmijn afgedaald om er bovennatuurlijk goud voor verstand, hart en ziel te zoeken. Wat
XI
wij leerden, wat wij vernamen, wat wij vonden, wij deelen het in de tweede veel vermeerderde vitfiave van dil hoekje inede.
Wij herhalen hier verder den wemch hij den eersten druk uitjiesproken: Moge Gods zegen o/i deze verklaring der II. Min, die wij met zijne lutlji tot zijne glorie ondernamen, rusten, opdat onze lezers mei nog grooter liefde, nof/ meer ijver voor dat goddelijk en ontzachlijk Geheim worden vervuld.
PK SCHRIJVER.
ItOTTEnriAM, 11 .liiniiiiri
EERSTE DEEL
De Voorbereiding tot de plechtige H. Mis.
\ ooraleevwij den priester en zijne dienaren aan het altaar gaan volgen en van alle woorden, die wij er liooren en van alle ceremoniën, die wij daar zien, rekenschap geven. moeten wij eerst eenige noodzakelijke artikelen laten voorafgaan, over de plaats des offers en over al hetgeen daarbij gebruikt wordt of daarmede' in betrekking staat. Andei's toch zullen zich vele ceremoniën moeielijk laten begrijpen, en het zou ons, zoo wij ze tusschen de verklaring van de H. Slis zelve moesten invoegen, alsdan te lang bezig houden. Daarenboven, welk eene schoone beteekenis ligt er niet in vele zaken, die bij dat H. Offer gebruikt worden, opgesloten? Hoe leerrijk spreken tot ons altaar, pi'iestergewaden, licht, wierook en andere kerkelijke voorwerpen? A oorzeker niet slechts de ceremoniën en gebeden onder de H. Mis, maar ook dit alles, doet ons de grootheid van het H. Misoffer kennen en voeil tot de beschouwing der verheven geheimen op. welke daarin verborgen zijn. Laat ons dan in het eerste deel van dit werkje, onder den titel van ; de voorbereiding tot de plechtige II. Mis, deze verschillende zaken bespreken.
1. HET ALTAAR.
De plaats, waar het II. MisolTer moet worden opgedragen, is het altaar. Zeker, dit is wel de heiligste plaats der geheele kerk. Daar immers wordt Jesus Christus eiken morgen opnieuw geboren, vandaar schenkt Hij zich aan hen, die hongeren en dorsten naar zijn goddelijk Vleesch en Bloed, daar offert Hij zich. ofschoon op onbloedige wijze, telken dage aan zijnen hemelschen Vader op. Het altaar is dus als de kribbe van Bethlehem, de tafel van het laatste avondmaal, het kruis van Calvarië.
Onder het woord âAltaarquot; verstaat men volgens zijn eigenlijken en strikten zin den vasten of draagbaren geconsacreerden steen, waarop het H. Misoffer wordt opgedragen (1). In meer algemeenen zin echter neemt men het ook voor al hetgeen dezen steen omgeeft of daarmede verbonden is (2). In dezen zin nemen ook wij dit woord, als wij van »het altaarquot; spreken.
Het staat daar gewoonlijk voor u in den vorm van eene langwerpig vierkante tafel of in den vorm van eene tombe. De eerste doet u dan denken aan de tafel van het laatste avondmaal, waaraan Jesus met zijne leerlingen aanzat, toen Hij voor de eerste maal zich zeiven aan hen tot spijs en drank gaf. De tweede vorm herinnert aan dat tijdstip der Kerk, toen zij de felste vervolging moest verduren en verborgen in de catacomben, op de graven, waar de nog bloedige lichamen der martelaren rustten, het onbloedig Offer moest opdragen. Vandaar ook de wet der Kerk. die nog altijd voorschrijft, dat in elk altaar of ten minste in den geconsacreerden steen de reliquieën van H. Martelaren moeten rusten.
Wat echter vooral de heiligheid en den eerbied
(l) Luc. Fer. «Altarequot; 4, 5. (2) Missale, in versr.l.il-lende rubrieken.
voor het altaar inboezemt, is de bijzondere wijding, welke liet van den kant der Kerk ontvangen heeft. Dank dezer wijding, zegt de H. Thomas van Aquine, verkrijgt dat altaar eene zekere geestelijke kracht, waardoor het geschikt wordt voor de vereering van God, en den mensehen eene devotie inboezemt, die hen beter bereidt voor heilige 'zaken. Het altaar, zoo gaat die Engel der Schooi voort, dat eenmaal geconsacreerd is, beteekent ons in geestelijken zin .lesns Christus, onzen goddelijken Zaligmaker zeil': en waarlijk, hij die wat dieper ziet, vindt er de scli oonste gelij kenissen.
Dat woord steen, doet het ons niet denken aan het woord van den 11. Petrus, dat Christus de uit-gekozen, kostbare en hoogste hoeksteen. (Ijls. waardoor jood en heiden, als zij zich bekeerden, gelijk twee muren door den hoeksteen vereenigd worden in zijne ééne, heilige katholieke Kerk? De olie, waarmede die steen gezalfd werd, herinnert deze ons niet verder aan den Gezalfde (Christus) bij uitnemendheid. aan zijne zoetheid, aan zijn balsemenden overvloed van genaden die, gelijk het water aan den steenrots in de woestijn, aan dat altaar ontvloeit? De wierook, waarmede dat altaar zoo menigmaal omwolkt wordt en welriekend gemaakt, duidt (ip de welriekende kruiden, waarmede het Lichaam van Christus na zijn bloedig Otter gebalsemd werd . ook op de goddelijke eer welke dat goddelijk Lichaam van Christus door alle eeuwigheid toekomt. Ook zijne vijf H. Wonden vindt men terug in die vijf kruisjes, welke, de één in het midden, de anderen in de hoeken van den steen, gebeiteld zijn. Eindelijk die vereeniging van dat altaar met de reliquieën der Heiligen, zij doelt op de innige en onafscheidelijke vereeniging van Jesus Christus met de H, afgestor-
(O Act. A post, IV. il. â [ Petr. II. fl. 7.
zijne loei', in zijne schitterende wonderwerken, maur nog veelmeer in liet offer zijner heilige niensch-heid aan het kruis vertoonde. (1)
Ja, liet altaar niet zijn voorhangsel, zijne bekleeding, zijn kruis, zijne kandelaars en licht, beteekent ons in geestelijken zin zoo duidelijk mogelijk Jesus Christus den Verlosser. Het zegt ons zoo klaar, wat er op Cal-varië gebeurde, het roejit ons nog luider toe: hier wordt, ofschoon op onbloedige wijze, datzelfde offer opnieuw opgedragen. dat de twee volken vereenigde en de wereld met den hemelschen Vader verzoende.
Maar in moreelen zin is het altaar nog een ander zinnebeeld. Onder dit oogpunt wijst het ons naar het hart van den mensch. De Apostel zegt toch; Gods tempel is heilig, en gij zijt die tempel. (2) Welnu als wij Gods tempel zijn, dan moet er in ons een altaar zijn, en dit altaar is ons hart. Dit middelpunt in ons zeiven, gelijk het altaar in het midden der kerk. moet dan als een altaar zijn, waarop wij ons geheel en al offeren aan dien god-delijken Verlosser, die zich voor ons ten offer bracht. Het vuur der liefde moet op dit altaar steeds branden. gelijk de Heer beval (3) in de oude wet; een vuur dat door geene wateren van beproeving of wat ook kan uit gedoofd worden; een vuur dat elk offer daar gebracht voor God doet verteeren en ons tot volmaaktheid brengt. Het moet omhangen zijn met het veelkleurig kleed van tallooze (lengden, bedekt met het lijnwaad der sneeuwwitte onschuld : en het licht dat er op den kandelaar geplaatst moet worden en branden, zijn de goede werken, die met goede meening verricht, ten voorbeeld behooren te dienen voor anderen. Eindelijk geheel ons hart moet beheerscht worden door het kruis. want dat is de
(1) Sarnelli, Lettere Eccl. ï. IV. L. 15. â (2) 1 Cor. III. 16. â (3) Lev. VI. 9.
oorzaak, dut wij verdiensten kunnen vergaderen, dat is de bron onzer vreugde. Door het kruis alleen, door met Christus mede te lijden, kunnen wij met Hom verheerlijkt worden. Het kruis is de sleutel des hemels.
Hoe liefelijk zijn uw tabernakelen. Heer der Heir-krachten, wat zijn ze schoon, wat zijn ze beminnelijk voor mijn hart, dat juicht in den levenden God! Terwijl de musch zich een huis, de tortel zich een nest vindt voor hare kleinen, verlang ik niets anders dan uwe altaren, o Heer der Heirkrachten, o mijn Koning en mijn God! (1) Zoo zong de koning David, als hij in den tempel van het oud Verbond vertoefde. Zoo ook moet de vreugdekreet van den christen zijn bij het aanschouwen van het altaar des nieuwen Verbonds, waarop zich dagelijks dat ontzaglijk offer vernieuwt.
S 2. HET MISGEWAAD.
«Gij en uw volk.quot; sprak God oudtijds tot zijn dienaar Mozes, «zult heilige kleederen vervaardigen voor uw broeder Aiiron en zijne zonen, opdat zij voor mij hun priesterschap vervullen.quot; (2) En daarna bepaalde God zelf voor zijne priesters der oude Wet tot in de kleinste bijzonderheden . het gewaad, dat de hoogepriester en zijne levieten moesten dragen, als zij het tabernakel des Verbonds zouden binnen gaan of het altaar naderen, om in het Heilige hunne offers op te dragen. (3)
Was dit noodig in de oude Wet, hoeveel te meer moeten dan bijzondere kleederen verplichtend genoemd worden in de nieuwe, waar de schaduw voor de waarheid vervlogen is, waar geen offers
(i) Ps. LXXXI1I. 1â4. â (2) Exod. XXVIII. 2. 4. â (3) 1 c. 4â43.
â 8 â
van bokken of stieren maai' liet eenigc en ware Offer van Jesus Christus zei ven, den Zoon Gods, van den opgang der zon tot haren ondergang, immer wordt opgedragen! Moet daar zijne Bruid, de H. Kerk. in glanzend gewaad gekleed zijn, oin deel te nemen aan de Bruiloft des Lams (i) dan behooren ook op de allereerste plaats, zij die aan dat bruiloftsmaal van zoo nabij aanzitten, niet zonder bruiloftskleed te naderen: (2) dan moeten die ouderlingen, welke zich rond den troon van het goddelijk Lam mogen scharen, die maagdelijke eerstelingen der menschen. welke het goddelijk Lam volgen waar het gaat. (3) ja bet zeiven mogen medeoll'eren aan den hemelschen Vader, met veelkleurige kleederen omhangen, in bijzonder en rijk gewaad. als bet mogelijk is. gekleed te gaan. Dit was dan ook het gebruik van de eerste tijden der Kerk af, zooals ons door tallooze getuigenissen van Kerkvaders bevestigd is: dit moet ook nog immer in onze tijden bewaard blijven.
Wij willen daarom, na eerst de plaats des offers, bet altaar, besproken te hebben, thans over het gewaad , dat bij het opdragen van dat offer gebruikt wordt, handelen en er den lijken zin van wedergeven. Want als eene ijvervolle en teedere moeder, wil de Kerk in alles, zelfs in die kleederen. de eer van haren Bruidegom bevorderen en bare kinderen stichten en leeren. Dat gewaad heeft eene dubbele beteekenis, evenals het altaar. Er ligt eeu beeld in, dat ons herinnert aan zeer vele omstandigheden van bet Kruisoffer, waarvan bet 11. Misoffer de voortzetting is. Maar men vindt er ook eene moreele beteekenis in, welke den Priester en de geloovigen uitnoodigt, met passende gevoelens bij
(1) Apoc. XIX. 7. 8. â ('2) Apne. IV. 4. Mattli. XXII. II. 42. â' (3) Apoc. XIV. 4. 5. 6.
het Misofl'ei' tegenwoordig te zijn, om aldus aan de overvloedige vruchten der H. Mis deelachtig te worden.
Het eerste dier kleederen is het amict. Dit bestaat uit een wit linnen doek. waaraan twee banden gehecht zijn, en wordt gebruikt om den hals en de schouders des priesters alsmede van den diaken en subdiaken te bedekken. Dat amict, zegt ons Kardinaal Bona, (1) herinnert ons aanden doek, waarmede men het gelaat des Zaligmakers bedekte, toen men Hem sloeg en spottend zeide: «Pnifetecr ons, wie u geslagen heeft!quot; In geestelijken zin echter be-teekent het den helm (2) des heils. waarvan de H. Paulus spreekt, welken men verkrijgt door het ge-lool' en de christelijke hoop. waarvan Priester en geloovigen vervuld moeten zijn, als zij dit H. Offer gaan opdragen. Met een groot vertrouwen n. I. en als zeker van Gods hulp tegen de vijanden hunner zaligheid, zeker van hun heil, moeten zij het altaar naderen. Vandaar dat oudtijds, zooals bij sommige Orden nog in gebruik is, dat amict als een kap op het hoofd werd gezet, om deze neer te laten als men geheel gekleed was, of aan het altaar kwam: vandaar dat de Priester, diaken en subdiaken het nog immer, voordat zij hals en schouderen er mede bedekken, een oogenblik op het hoofd laten rusten (2) en de woorden er bij uitspreken: Stel, o Heer, den helm des heils ojgt; mijn hoofd om de aanvallen des duivels te kunnen ivederstaan. Het bedekt de schouders en de borst, en wordt na de banden kruiselings om de lendenen te hebben geslagen op de borst vastgemaakt. Dit alles doelt op de voor het oll'er zoo noodige zuiverheid van hart en lichaam, welke alleen kan bestaan, zoo het hurt, alsook de lendenen, de
(1) De Rebus Liturg. L. I. C. XXII. â (2) Kph. VI. II. 19. (3) Missale Rit. Cel. 1. li.
â 10 â
vooriiatuiisle zeteljiiaats tier wol lust, worden beteugeld en in toom gehouden. Daar het tevens om den hals wordt gedaan, doet het ons nog denken aan de beteugeling der stem, welke gedurende het Offer niet dan tot dat heilig werk gebruikt moet worden. Daarom was in vroeger tijden een ander gebed, dat daarop doelde, in gebruik, en zegt de Bisschop nog, als hij bij de wijding van den subdiaken het amict omdoet; Ontvang het umict. waardoor de hetengeling der stem wordt aangeduid.
Daarna bekleeden zij zich met de albe, een lang wit linnen gewaad, dat tot de voeten toe aldaalt. Die albe is het symbool van een tweevoudig kleed. Het eene was dat der verachting en vernedering, waarmede koning Herodes den Zaligmaker liet omhangen, toen hij Hem als een dwaas bespotte. Het ander is dat der verheerlijking en der vreugde, dat ons zal gegeven worden in den hemel, als wij daar het goddelijk Lam zullen volgen, nadat wij liier eerst door versterving en boete ons dit kleed verworven hebben. Daarom moet het wit en van linnen zijn. «Want, zegt Paus Innocentius, (l) gelijk linnen uit zich zeil' niet wit is, maar het slechts wordt door veel bewerking en veel bleeken. zoo ook verkrijgt de menschelijke natuur de zuiverheid, welke zij van natuur niet heeft, eerst door genade, als zij verstorven en ten onder gebracht wordt door veel kastijdingen.quot; Daarom bidden de bedienaren des heiligdoms, als zij zich met dat gewaad bekleeden: Heer, maak mij blank, en zuiver mijn hart. opdat ik, blank (icmaakt in het bloed den Lams, de eeuwige vreugde moge genieten. Daarom ook voegen zij er bij. als zij zich met het koord de lendenen omgorden en dat kleed samenbinden; Omgord mij, o Heer, met den cingel der zuiverheid. en dool in
(1) Opus cit. P. I. C. LI.
mijne lendenen alle wellust uil: opdal in. mij de deugd der onthouding en der kuischheid blijve. Die Engelendeugd moet door gebed en versterving bewaard worden. Vandaar zegt Dnrandus (1) is liet koord ook dubbel en doelt daardoor op hetgeen de Heer zeide: dat soort van duivel wordt slechts uitgedreven door gebed en vasten. (2) Tevens herinnert ons de eingel aan de koorden, waarmede Jesus gedurende zijn lijden en vooral aan de geeselkolom gebonden werd.
De manipel, het kleedingstuk, dat de gewijde bedienaren daarna aan hun linkerarm hangen, moet ons herinneren aan den doek, waarmede Veronica het zweet en de tranen van 's Heeren gelaat afdroogde. Hoe. vraagt gij misschien verwonderd, kan ons dat kleine vreemde gewaad daaraan doen denken? Omdat het oudtijds niets andei's was dan een kleine zweetdoek, die men dubbel over den arm hing, en gedurende het li. Misoffer gebruikte om de tranen, welke vele H. priesters daarbij stortten, (3) of het zweet, veroorzaakt door groote hitte of door langdurige en moeielijke plechtigheden, af te drogen. Zoo lezen wij in Beda's Martelaarsboek dat de II. Woestijnbewoner Arsenius steeds zulk een doek aan zijne hand droeg, om zijne overvloedige tranen af te drogen, en dat de overige H. Vaders hetzelfde deden bij 't opdragen van het 11. Misolfer. De naam ook wijst het aan, zooals ons Dui-andus leert. (4) Het woord manipel komt toch van mapjiula hetwelk beteekent kleine doek. Niets belet ons echter om tevens aan het manipulus of korenschoof te denken. Paus Innocentins (5) doet
(-1) Dur. Rationale Divin. 011'. L. III. C. IV. II. â (2) Marc. IX. 28. - (3) Gavant. Thes. S. Rit. P. II. Tit. I. R. 3. Litt. i. (4) Rat. Div. 1. c. C. VI. â (5) Opus cit. P. I. C. LVIII.
â 10 â
vooriiatuiisle zeteljiiaats tier wol lust, worden beteugeld en in toom gehouden. Daar het tevens om den hals wordt gedaan, doet het ons nog denken aan de beteugeling der stem, welke gedurende het Offer niet dan tot dat heilig werk gebruikt moet worden. Daarom was in vroeger tijden een ander gebed, dat daarop doelde, in gebruik, en zegt de Bisschop nog, als hij bij de wijding van den subdiaken het amict omdoet; Ontvang het umict. waardoor de hetengeling der stem wordt aangeduid.
Daarna bekleeden zij zich met de albe, een lang wit linnen gewaad, dat tot de voeten toe aldaalt. Die albe is het symbool van een tweevoudig kleed. Het eene was dat der verachting en vernedering, waarmede koning Herodes den Zaligmaker liet omhangen, toen hij Hem als een dwaas bespotte. Het ander is dat der verheerlijking en der vreugde, dat ons zal gegeven worden in den hemel, als wij daar het goddelijk Lam zullen volgen, nadat wij liier eerst door versterving en boete ons dit kleed verworven hebben. Daarom moet het wit en van linnen zijn. «Want, zegt Paus Innocentius, (l) gelijk linnen uit zich zeil' niet wit is, maar het slechts wordt door veel bewerking en veel bleeken. zoo ook verkrijgt de menschelijke natuur de zuiverheid, welke zij van natuur niet heeft, eerst door genade, als zij verstorven en ten onder gebracht wordt door veel kastijdingen.quot; Daarom bidden de bedienaren des heiligdoms, als zij zich met dat gewaad bekleeden: Heer, maak mij blank, en zuiver mijn hart. opdat ik, blank (icmaakt in het bloed den Lams, de eeuwige vreugde moge genieten. Daarom ook voegen zij er bij. als zij zich met het koord de lendenen omgorden en dat kleed samenbinden; Omgord mij, o Heer, met den cingel der zuiverheid. en dool in
(1) Opus cit. P. I. C. LI.
mijne lendenen alle wellust uil: opdal in. mij de deugd der onthouding en der kuischheid blijve. Die Engelendeugd moet door gebed en versterving bewaard worden. Vandaar zegt Dnrandus (1) is liet koord ook dubbel en doelt daardoor op hetgeen de Heer zeide: dat soort van duivel wordt slechts uitgedreven door gebed en vasten. (2) Tevens herinnert ons de eingel aan de koorden, waarmede Jesus gedurende zijn lijden en vooral aan de geeselkolom gebonden werd.
De manipel, het kleedingstuk, dat de gewijde bedienaren daarna aan hun linkerarm hangen, moet ons herinneren aan den doek, waarmede Veronica het zweet en de tranen van 's Heeren gelaat afdroogde. Hoe. vraagt gij misschien verwonderd, kan ons dat kleine vreemde gewaad daaraan doen denken? Omdat het oudtijds niets andei's was dan een kleine zweetdoek, die men dubbel over den arm hing, en gedurende het li. Misoffer gebruikte om de tranen, welke vele H. priesters daarbij stortten, (3) of het zweet, veroorzaakt door groote hitte of door langdurige en moeielijke plechtigheden, af te drogen. Zoo lezen wij in Beda's Martelaarsboek dat de II. Woestijnbewoner Arsenius steeds zulk een doek aan zijne hand droeg, om zijne overvloedige tranen af te drogen, en dat de overige H. Vaders hetzelfde deden bij 't opdragen van het 11. Misolfer. De naam ook wijst het aan, zooals ons Dui-andus leert. (4) Het woord manipel komt toch van mapjiula hetwelk beteekent kleine doek. Niets belet ons echter om tevens aan het manipulus of korenschoof te denken. Paus Innocentins (5) doet
(-1) Dur. Rationale Divin. 011'. L. III. C. IV. II. â (2) Marc. IX. 28. - (3) Gavant. Thes. S. Rit. P. II. Tit. I. R. 3. Litt. i. (4) Rat. Div. 1. c. C. VI. â (5) Opus cit. P. I. C. LVIII.
verloren bad, in zijne bespotting een soldatenmantel nam, om Hem, die uitwendig geheel en al aan ons wilde gelijk worden, ten einde ons te verlossen, om Jesus Cbristus daarmede te omhangen. Waarlijk, bij het: zie den mensch, paste ook. naast de doornen, de straf der zonde, die zijn hoofd omkroonden, naast bet zweet en bloed van den arbeid en bet lijden, zulk een spotmantel. De gevallen mensch gaf, zonder het te weten, het volkomen beeld van zich zei ven terug, in de bespotting van zijn Verlosser.
Als de Priester en diaken met de stool bekleed zijn. nemen vervolgens de drie gewijde dienaren ieder een verschillend gewaad aan, de subdiaken de tuniek, de diaken de dalniatiel;, de priester het Itnzuifel.
Tuniek en dalmaiiek hebben beide denzelfden vorm. liet Cseremoniale der Bisschoppen (1) geeft slechts als verschil op, dat de mouwen der tuniek nauwer en langer behooren te zijn dan die der dalmatiek. Dit laat zich verklaren, als men bedenkt dat zij vroeger door de priesters, en nu nog dooiden bisschop onder de dalmatiek gedragen moet worden. Doch zijn zij bijna geheel en al aan elkander gelijk, zij hebben verschillende beteekenis. De. tuniek, zeggen ons Paus Innocentius en Durandus, (2) beteekent ons dc volharding. Deze deugd alleen behaalt den prijs in den wedloop, omdat hij, die volhardt zal hebben tot het einde, zalig zal zijn. Vandaar zegt ons de H. Schrift: »We est getrouw tot aan den dood, en ik zal u de kroon des levens schenken.quot; (3) Als kleed der volharding mag het dan ook een kleed van vreugde genoemd worden, en kan de subdiaken bidden, als hij zich daarmede
(1) L. I. c. 40. n0 -1. â (2) De S. Alt. Mvst. T.. II. C, l.iV. â Rat. C. â N. (3) Apoe. II. 11)
- la -
bekleedt: De Heer omhange mij met het opperkleed der vreugde en met den dekmantel der blijdschap.
Ue dahnatiek, is het ojgt;|)erkleed des diakens. Zij wordt aldus genoemd omdat zij in Dalmatië, eene landstreek van Griekenland, werd uitgevonden: doch men gelooft dat zij genomen is, naar den rok zonder naad van .1. Chr. welke te Trier wordt bewaarden vereerd. Zij is bij een kleed van vreugde tevens het kleed der rechtvaardigheid (1), welke de diakenen vooral moesten uitoefenen jegens de armen, veriatenen, weduwen en weezen. Zij moesten hun het brood breken en liefdewerken bewijzen, zij werden door de Apostelen aangesteld, om aan tafel bij de liefdemalen te dienen, en voor ieder naar gerechtigheid liefdevol te zijn. Die wijde mouwen wezen hun tevens daarbij de ciantvrijheid en de minzaamheid zelfs jegens vijanden, als hoofddeugd aan. (2) De eerste diaken, de H. Stephanus, gaf daarvan het schoonste voorbeeld.
Het gewaad eindelijk van den Priester, het kazuifel, van het Latijnsche camla. kleine hut, afgeleid, had vroeger een anderen vorm dan thans. Het was een groote mantel, welke tot op de voeten nederhing, en waarin slechts ééne opening was n. 1. van boven om er het hoofd door te steken. Het was op die wijze, als het ware een hutje, waarin hij, die het droeg, woonde, en daar het aldus de armen des priesters ook bedekte, moest het telkens, als hij
(1) Pont. Rom. de ord. diac. â (2) Zie Innoc. 1. c. C. LV. en Durand. I. c. C. XI. Het behoeft niet gezegd, dat zoowel tuniek als dalmatiek door den wansmaak en de schaar hun oorspronkelijken vorm bijna geheel verloren hebben. Dank zij het herleven der kerkelijke kunst, welke wederom in vele kerken den waren vorm aan deze kerkelijke kleedij heeft teruggegeven. Moge de kennis en beteekenis van dit gewaad, daartoe nog meer medewerken.
- -iA -
zijne armen en handen gebruikte, door de dienaren opgeheven worden. Hierdoor laten zich eenige gebruiken, die bij liet II. Misoffer voorkomen, en vreemd schijnen, omdat zij niet meer noodzakelijk zijn, verklaren. Een voorbeeld is het ophouden van het kazuifel door de dienaren, als de Priester wierookt, of' de II. Hostie en den Kelk opheft. Dit was toch in vroegere tijden noodzakelijk. In de i0de eeuw begon men echter deze kazuifels te veranderen, tot dat zij langzamerhand den tsgenwoordigen vorm kregen. De hoogere beteekenis, welke in dit kleed ligt opgesloten, is de liefde, welke de priester moet bezitten om tot het altaar te naderen. Zonder deze toch is hij niets dan een klinkend metaal of een klaterend bekken. Al sprak hij de taal der engelen en menschen, al had hij eeu geloof dat bergen kon verzetten, al gaf hij zijn vermogen tot spijs aan de armen, zijn lichaam om verbrand te worden, zonder de liefde baat het hem niets. (1) De liefde is de volheid der wet en omsluit alle geboden. Vandaar dat het kazuifel ook alle andere priesterkleederen onder zich omvat. Het is tevens als zoodanig het bruiloftskleed, zonder hetwelk hij aan dien bruiloftsdisch niet mag aanzitten. Het kruis, dat men er tegenwoordig gewoonlijk achterop aanschouwt, wijst ons nog duidelijker naar die liefde heen: bet wijst ons naar Christus' liefde zonder maat. Zoo leert het kazuifel den priester Jesus' liefde na te volgen, en verkondigt deze aan de geloovigen, als hij daar met dat kleed en dat kruis op de schouders het altaar betreedt, dat hij met Christus hetzelfde liefdeoffer als van Calvarië, maar op onbloedige wijze, gaat opofferen.
Er is dus niets onverschilligs in die gewijde gewaden. Alles spreekt er, alles geeft ons eene heilige
(1) I Cor. XVIII. lâl.
en heilzame gedachte, alles verlevendigt ons geloof en onzen eerbied; zelfs de kleuren, welke de Kerk overeenkomstig de natuur der feesten of der tijden aanneemt. Men heeft vijf Liturgische kleuren n. I. wit, rood, paars, groen en zwart.
De witte kleur i.s de kleur der rechtvaardigheid en der maagdelijkheid. Vandaar dat men haar gebruikt op de feesten des Heeren en der H. Maagd, van de Engelen, Belijders en Maagden. De Engelen bij Christus' verrijzenis, Jesus zelf bij zijne gedaanteverandering waren gekleed in kleederen wit als sneeuw. De roode is het beeld van vuur en bloed, ol' van de liefde en het martelaarschap. Daarom ziet men haar op de feesten van den H. Geest, daar deze Geest der liefde onder de gedaante van vurige tongen verscheen, bij tie feesten van 's Heeren lijden, daar Jesus' bloed aldaar zijn kleed uitmaakte, zoodat de profeet vraagt: Waarom is uw kleed rood als van een die de wijnpers treedt: (1) daarom ook wordt deze kleur gebruikt op de feesten der Apostelen en der Martelaren, die hun bloed en leven voor Christus gaven. Het paars is het symbool van de versterving en den hal ven rouw, en wordt daarom gebruikt in den Advent en de Vasten, alsmede op het feest der ünnoozele Kinderen, omdat de Kerk treurt om de droefheid der moeders. Groen is de kleur der hoop. Zij noodigt ons uit om te hopen en volhardend te verlangen naar den hemel; vandaar dat zij gebruikt wordt op die zondagen, welke in het kerkelijk jaar de pelgrims tijd genoemd wordt, als namelijk niet die zondagen geen ander feest samenvalt. Eindelijk de zwarte kleur is het teeken van rouw en droefheid. Daarom bekleedt zich de Kerk hiermede, als zij treurt over den dood van haar Stichter, zooals op Goeden Vrijdag, of van hare overledene kinderen.
(l) Isaias LXUI. 2.
ilt; 3. WIEROOK EN WIEROOKVAT.
Bij eene plechtige H. Mis worden verder dikwijls wierook en wierookvat gebruikt. Waarom, zoo heeft misschien menigeen gevraagd, schrijft de Kerk die ceremonie voor? Wat beteekent het, dat depriester wierookkorrels op eenig vuur in dat wierookvat werpt, en daarmede dan het H. Sacrament, het H. Kruis, het Altaar, het Evangelieboek, enz. bewierookt? â Na de verklaring van Altaar-en Misgewaad meenen wij u dit in deze paragraaf te moeten verklaren.
Er zijn er geweest, die wilden beweren, dat het gebruik van wierook in de Kerk ontstaan was, om daardoor den slechten reuk te verdrijven. Waarlijk, eene dwaze veronderstelling! Als men toch bedenkt, dat het offeren van wierook zoo oud is als de Gods-vereering, dat men in de oude Wet geen offer opdroeg zonder daarbij het wierookvat en den wierook te gebruiken (1), dat zelfs de heidenen later dit immer navolgden, ja het offeren van wierook als eene goddelijke eerbewijzing aanzagen (2). zoodat. als een Christen eenige wierookkorrels voor een afgod op het vuur had geworpen, hij als een afvallige beschouwd werd: als men bedenkt, dat dit gebruik vooral ten tijde van Constantijn. toen die heerlijke Basilieken verrezen. welker houtwerk van geurig riekende cederboomen gemaakt was. in de Kerk meer algemeen werd, en daarvoor rijke en kostbare gouden vaten vervaardigd werden; dan zal een ieder het dwaze en onredelijke van deze bewering inzien. Neen, onze Moeder de H. Kerk, zoo
(1gt; Zie o. a. Exod. XXX. 1, 7, 8. â Num. XVI. 17.â II Paralip. XXVI. 18 etc. â (2) Ovidius zegt o. a. in zijn Metam. L. XIV «Ternpla tibi statuam, reddam tibi thuris honorem.quot;
wijs in al hare voorschriften, heeft daarbij van de Apostolische tijden af, een geheel ander doel voor oogen gehad. Het gebruik van wierook, het bewie-rooken van altaar, kruis, H. Sacrament, enz. heeft, evenals zoovele andere ceremoniën in de Kerk, eene geestelijke, eene geheimzinnige beteekonis.
Nauwelijks is de Zaligmaker geboren, of wij zien de Wijzen uit het Oosten aan Zijne kribbe neder-knielen en het goddelijk Kind, naast andere geschenken, wierook aanbieden. Zij erkenden daardoor, zegt de H. Gregorius, liet Kind als hun God, want de wierook wordt als een offer aan God gebi-acht (1). Als dus de priester den wierook op het vuur legt, dezen aanbiedt aan het H. Sacrament of aan het H. Kruis, daarmede het altaar, dat, zoo als wij vroeger zagen, Christus beteekent, omwolkt, dan doet hij daardoor in naam van alle geloovigen een openbare belijdenis der Godheid van Christus, dan betuigt hij door deze daad wat eenmaal Petrus beleed in woorden: «Waarlijk, Gij zijt de Zoon Gods, Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.quot; Ziedaar eene eerste beteekenis, waarom er wierook in Gods Kerk gebruikt wordt.
Eene tweede en nog veel schoonere geeft ons Paus Innocentius III. als hij ons het eerste bewierooken van het altaar uitlegt (2). »De hoogepriester, zegt hij, gaat het altaar op en werpt wierook in het wierookvat: hij geeft er mede te kennen, dat de Engel kwam en voor het altaar stond met het gouden wierookvat, gevuld met het vuur des altaars, en hem worden vele wierookkorrels gegeven, om met de gebeden der Heiligen Gode aan te bieden. Want die Engel is Christus, het gouden wierookvat zijn onbevlekt lichaam, het altaar zijne Kerk. het vuurde
(1) Hom. X. in Math. c. 2. â (2) De S. Alt. mvst. L. II. c. XIV.
liefde, de wierook liet gebed.quot; Christus toch, de Engel, de gezondene van zijn hemelschen Vader, komt bij elk Misoffer, dat wordt opgedragen ; staat daar voor het altaar, dat is voor het aanschijn van geheel zijne Kerk; neemt het gouden wierookvat, zijn onbevlekt, lichaam, waarin alle schatten van wijsheid en wetenschaj) zijn verborgen , als het ware opnieuw aan, en, vol van brandende liefde, biedt Hij den wierook des gebeds. welken Hij van de ge-loovigen ontvangt, als Middelaar tussehen God en de menschen, zijn hemelschen Vader aan.
De wierook beteekent ons dus, volgens dezen geleerden Paus, het gebed, dat door de geloovigen . vooral tijdens de H. Mis. gestort wordt. Het stijgt daar als een offer op, maar het wordt slechts wel-behagelijk aan God, als het door den eenigen Middelaar van verdiensten . door Jesus Christus wordt aangeboden: het wordt dan vooral aangenaam in Gods oogen, als llij zelf zich voor ons ollert. Vandaar dat de H. Laurentius Justinianus den zich offerenden Verlosser liet volgend schoone gebed in den mond geeft: »Vader, vergeef hun, want zoo gij het volk gespaard hebt. omdat Mozes en Aaron U den wierook opdroegen, hoe zoudt gij dan niet getroffen worden, nu ik geen wierook, maar mij zei-ven aanbied. Allergoedertierendste Vader, ziehier het wierookvat van mijn lichaam doorboord van alle kanten; geen overvloed van wierookwalm, maar van bloed verheft zich tot U in geur van zoetheid.quot; (1) Als gij dan. Lezer, den Priester dat vat ziet nemen en die opstijgende wolken tot God opgaan. denk dan, dat op dit oogenblik Jesus Christus zijne verheerlijkte wonden aan den hemelschen V ader toont en uwe gebeden aanbiedt; denk er dan aan. dat de goddelijke Zaligmaker immer onze Middelaar
(1) De Agone Clir. c. XV11.
wil blijven in den hemel, en daardoor onze gebeden zeker hoop op verhooring hebben.
Dezelfde Paus Innocentius ziet met Duraridus in het wierookvat niet slechts een beeld van Jesus' lichaam, maar hij voegt er bij: »Men verstaat ook door het wierookvat het goddelijk Woord, dat mensch werd. Gelijk het boven- en ondergedeelte van het wierookvat verbonden zijn door drie kettingen, zoo vindt men ook in Jesus Christus de Godheid en menschheid vereend, door drie vereenigingen: die van het lichaam niet de ziel: die van de Godheid met het lichaam; die van de Godheid met de ziel. â En het is van goud om de wijsheid des Woords aan te duiden.quot; (i) â Men moet zich daarenboven niet verwonderen, dat een Bernardinus van Siëna in het vat zelf een beeld zag van het allerheiligst Ilurt van Jesus. dat vervuld is met het brandende vuur der goddelijke liefde. Dat wierookvat is immers een vaatwerk, waarin men tijdens het offer der H. Mis den wierook ter eere van God verbrandt. Zoo ook is het Hart van Jesus het geheimzinnige wierookvat, waar de verlangens en gebeden der Heiligen moeten te samenkomen, die dan, als een zoete wierook, geheel welriekend door het bloed en de verdiensten van Jesus Christus, voor het altaar van God in den hemel opstijgen. â Maar de wierook moet verteren door het vuur. en zoo brandt dan ook eeuwig in zijn goddelijk Hart dat liefdevuur, t welk Jesus op aarde kwam brengen, en dat Hij immer ontstoken wil hebben. Zeker, door zijne goddelijke liefde verkrijgen onze gebeden veel kracht, maar Hij wil ook, dat dit liefdevuur in onze harten brande en ons bidden beziele. Dan eerst zullen zij geheel behagelijk zijn in de oogen van God : «Gelijk
(1) De S. Alt. myst. L. H. c. XVH.
â 22 â
de wierook,quot; zegt de H. Bernardinus (1), «dood scllijnt tot liet oogenblik, waarop hij, door liet vuur verteerd, zich in geur ige wolken oplost en ten hemel klimt, zoo is do verdienste van onze gebeden als dood en zonder waarde, als zij niet belevendigd worden door dat liefdevuur, waardoor Jesus voor ons verdiend heelt, en dat Hij op aarde is komen bren-gen.quot;
Maar, zoo zal misschien iemand vragen, als de wierook de aanbidding van God beteekent, als hij ons wijst o]) onze gebeden, die als een wierook voor den Heer opstijgen, en door Christus den hemelsehen Vader worden aangeboden, w'at wil het dan toch zeggen, dat ook personen, zooals de priester, diaken en subdiaken, ja zelfs het volk in de plechtige 11. Mis bewierookt worden ? â Wie een weinig nadenkt, zal dit spoedig begrijpen. Immers er ligt daarin een dubbele aanmaning opgesloten, eene aanmaning nl. die ons zegt, dat wij moeten bidden en aan God de verschuldigde eer bewijzen, gelijk Jesus Christus ons bevolen heeft, en ten tweede, dat wij allen, naar het woord des Apostels, den goeden geur van Christus moeten verspreiden, die zich van het altaar aan de zielen mededeelt (2). Vandaar beschouwden de eerste Christenen den wierook met zooveel eerbied, dat zij, bij het branden er van den reuk niet de hand aan den mond trachtten te brengen en met den priester baden; »De Heer ontsteke in ons het vuur en de vlam zijner eeuwige liefde.quot;
Wanneer gij dus, Lezer, gedurende de plechtigheden der H. Kerk, den wierook in geurige wolken ziet opwaarts stijgen, beijver u dan uw gebed met de meest mogelijke godsvrucht tot God te stieren. Met gouden schalen staan de Engelen des Heiligdoms
(1) T. IV. Dom. V. Pasch. â (2) Dion. Hier. Eccl. c. Ill en IV.
gereed , om uwe smeekingen te ontvangen en voor rlen troon van God te brengen. Jesus zelf biedt ze daar, als onze waarachtige Middelaar, zijnen hemel-schen Vader aan, ondersteunt onze gebeden, ja vereenzelvigt ze met de zijne: wat zoudt gij door zulk eene bede niet kunnen verkrijgen ?
S 4. HET BROOD EN DE WIJN VOOR HET H. OEEER.
Terwijl Jesus niet zijne Apostelen aan het laatste avondmaal aanzat, zoo verhalen ons de evangelisten Matthews, Marcus en Lucas, alsmede de Apostel Paulus in zijn brief aan de geloovigen van Corinthe, nam Hij drood, zegende dit, brak het en gaf het aan zijne leerlingen zeggende: «Neemt en eet: dit is mijn Lichaam.quot; Insgelijks nam Hij den kelk met wijn, zegende ook dien en gaf ze hun, terwijl Hij zeide: «Drinkt hieruit allen, niT is mijn Bloeii des nieuwen testaments, dat voor velen zal vergoten worden tot vergiffenis der zonden. Doet dit tot mijne gedachtenis.quot; ('1) Sinds die woorden aan de lippen van den goddolijken Meester waren ontvloeid, was ook het H. Sacrificie der Mis en daarmede ook het Priesterschap ingesteld. Ieder Christen weet het, dat dan ook elk wettig gewijd priester het altaar kan betreden, en daar door Jesus'Sacramenteele woorden uit te spreken over brood en wijn, deze ook in het waarachtig Lichaam en Bloed van Jesus Christus kan veranderen. Op het oogenblik dezer verandering geschiedt er een ontzettend wonder: Jesus Christus daalt met ziel en lichaam, met godheid en mensch-heid op het altaar neder, gelijk Hij in den hemel
(!) Matth. XXVI, 2Gâ28; Marc. XIV, 22â24; Luc. XXII. 19. 20; I Cor. XI. 23â25.
_ u _
bij zijn hemelsehen Vader is, en dat onder de nietige gedaanten van brood en wijn.
Tieeds spraken wij over verschillende toebereidselen voor de plechtige H. Mis. Wij verklaarden het Altaar met zijne versiering, de Priestergewaden en den wierook met het wierookvat, welke daarbij gebruikt worden. Zonden wij mogen nalaten te spreken over de noodzakelijke stof voor het H. Sacrilicie : het brood en den wijn? Voorzeker neen, immers moet onder die gedaanten .lesns tegenwoordig komen en zich offeren, dan behoort ook de Kerk steeds eene bijzondere zorg voor dat brood en dien wijn te hebben, daar zij voor' zulk een goddelijk offer moeten gebruikt worden, ja zelfs de geldigheid van het H. Sacrificie er van afhangt.
Welnu, allereerst willen wij dan opmerken, dat dit brood van fijn tarwemeel vervaardigd wordt en ongedeesemd is, dat de wijn, ware zuivere wijn, van den wijnstok voortgekomen, moet wezen.
Het is waar, in de eerste tijden, toen zij tegen de vervolging te kampen had, toen de Kerk zich zelf moest grondvesten, werd het H. Ofler met gewoon en dagelijksch brood opgedragen. Doch nauwelijks is zij haar tijdperk van worsteling uitgetreden, of alle ijver wordt aangewend, om dat brood zoo zuiver, zoo kostbaar mogelijk te maken, om den zoo voortreffelijkst mogelijken wijn te gebruiken. Het waren allereerst de kluizenaars in de woestijn van het Oosten, die het graan voor dat brood verzorgden en het onder psalmgezang bereidden, die de druiven leesden in uitsluitend daartoe bestemde vaten, ze persten en bewerkten tot helderen en zuiveren wijn, zooals wij lezen in het leven van den H. Pacomius. Intussehen zien wij ook de ge-loovigen zelf dit met den meesten eerbied verrichten, en het brood en den wijn onder de H. Mis ten offer brengen; zelfs keizers achtten zich niet ontsla-
gen van dezen jilicht. Verre van te denken, dat dit werk verlagend was voor handen, gewoon den sehepter te torsen, meenden zij ze voor geen edeler, geen voortreffelijker werk te kunnen gebruiken. Een H. Koningin Radegunda bereidde zelf met hare tengere handen het brood voor het Offer bestemd, en deelde dit aan onderscheidene kerken uit. En wie kent niet de geschiedenis van den H. Koning Wenceslaus, die om zijn ijver voor het H. Sacrament, zijn liefde voor het Priesterschap, door den Hoogepriester, Christus, met den lauwer der Martelie in de kerk zelve begiftigd werd? Hij immers was met zulk eene devotie jegens het H. Misoffer bezield, dat hij persoonlijk het koren zaaide, inoogste en maalde en daaruit het brood bereidde, noodzakelijk voor het H. Misoffer. Nergens echter had men daar meer ijver voor dan in de kloosters. Luister eens, hoe ons dit in verschillende kloosteretatuten (1) beschreven wordt. Eerst zochten de kloosterlingen het graan, ofschoon reeds zuiver in zich, korrel voor korrel uit, waschten 't. deden het in een zak daartoe uilsluitend bestemd, en gaven het aan een vertrouwden knecht, die het naar den molenaar bracht. Daar werd de molen eerst geheel en al gezuiverd en werden vervolgens de graankorrels gemalen. Zoodra het meel gereed was, bracht de dienaar het meel aan den koster, die priester zijnde, gekleed in amict en albe, het ontving, zuiverde in een zeef en het uitspreidde op een tapijt. Dan kwamen de priesters of diakens, gekleed in helderwitte alben, op de plaats tot het bereiden van het offerbrood bestemd, mengden, onder het zingen van onderscheidene psalmen, het meel met water in allerzuiverst vaatwerk, kneedden het zoo zorgvuldig mogelijk en bakten het in bij-
(1) Lanfranc. eoll. stat. cap. (3. â Dach. Conv. Cluniac. T. 4. Specilegii. etc.
â 26 â
zondere ovens, lt;lie gestookt werden met droog hout. Voorzeker, dat werk duurde soms lang, nochtans bleven zij daarbij allen nuchter. Dit gebruik, zegt ons Dom Martène, bleef bestaan tot do vijftiende eeuw. Zóó groot was hun eerbied voor het offerbrood, zóó streng en zorgvuldig hunne bezorgdheid bij het bereiden der hosties.
Niet minder was de bijzondere zorg voor den wijn. Uitsluitend daartoe bestemde wijnbergen werden aangelegd of aan de kerken geschonken. Een II. Remigius liet een wijngaard na aan de Kerk. om daaruit immer zuiveren wijn aan het altaar te kunnen gebruiken, (1) en een Ibas van Edessa werd op een kerkvergadering beschuldigd, omdat hij bij het 11. Sacrificie gewonen wijn gebruikt had. Geen wonder dan ook, dat nog immer de Kerk eenzelfden ijver en zorg aanwendt voor die stof, bij het 11. Offer noodzakelijk, dat zij vooral wil, dat alles zuiver, rein en onvervalscht is.
Het brood heeft van onheugjlijke tijden een ronden vorm (2). De Kerk volgt daarin haar godde-lijken Stichter na. Immers het brood bij het Paasch-nuial der Joden had steeds die gedaante; en wij weten het, bij het Paaschmaal stelde Jesus het 11. Sacrament des Altaars in. Het is in de Latijnsche Kerk ongedeesemd. omdat ook Jesus ongezuurd brood, gelijk dat op die dagen vóór Paschen door de Joden slechts gegeten mocht worden, geconsacreerd heeft bij het laatste Avondmaal.
Doch waarom koos zich de Heer Jesus juist brood en wijn voor dat goddelijk Sacrament, waarom wilde Hij juist onder die gedaanten ons Offer, ons ziele-
(1) Flodoard. L. I. hist. Rem. C. 18. â (2) Zie o. a. S. Caesar. Dial. 3. de Fide Ortod. q. 169 en Martene de Antiq. Ecel. Rit. T. I. L. 1. c. III. Art. VII.
_ 27 â
voedsel worden. Hooien wij daarover den H. Thomas (â !).
«Terecht, zegt hij. nam Christus brood en wijn voor dit H. Sacrament. En wei allereerst om het gebruik van dit Sacrament, dat in het nuttigen bestaat. Gelijk toch het water genomen wordt in het Sacrament des Doopsels om eene geestelijke af-wassching te doen, wijl de afwassching des liehaams gewoonlijk dooi' water geschiedt; zoo worden ook brood en wijn, waarmede de mensch zich gewoonlijk voedt, in dit Sacrament genomen om de geestelijke spijziging [die door het Lichaam en Bloed van Christus geschiedt] te beteekenen.
«Daarenboven geschiedt dit om het lijden van Christus, waarin het Bloed van het Lichaam gescheiden werd: en daarom wordt in dit Sacrament, dat de gedachtenis is van 's Heeren lijden, het brood afzonderlijk genomen als het Sacrament des Liehaams, en de wijn afzonderlijk als het Sacrament des Bloeds.
«Onder die gedaanten van brood en wijn wordt ook Christus geofferd, om de uitwerking, die het heeft op een ieder, die het nuttigt; want, gelijk Ambrosius zegt; «dit Sacrament strekt tot zaligheid van ziel en lichaam, en daarom wordt het Lichaam van Christus onder de gedaante van brood voor het heil des liehaams, het Bloed echter onder de gedaante van wijn voor liet heil der ziel geofferdquot; (2).
«Eindelijk nog om het uitwerksel te beteekenen van dit Sacrament in betrekking tot de ééne Kerk, die uit verschillende geloovigen is samengesteld, gelijk het brood bereid wordt uit verschillende graankorrels en de wijn uit verschillende druiven
(1) III. Q. 74. 1. c. â (2) Super Ep. I ad Cor. XI.
â 28 â
vloeit, zooals de Glossa (1) zegt op Cor, X:gt;)Velegt;i zijn wil één lichaam.quot; Dat uit vele graankorrels vereenigde brood, wil de H. Thomas zeggen, d.e wijn uit een menigte druiven te samengebracht, beteekenen ons, dat wij, Christenen, ofschoon wy velen zijn in getal, door den band van dit goddt, lijk geheim op het nauwst verbonden worden eu als één lichaam uitmaken in Christus Kerk U).
Waarlijk, als men al deze beteekemssen nagaat, dan moet men de wijsheid van den almachtigen Zoon Gods bewonderen . dan moet men bekennen dat Hij geen passender stof kon vinden voor he Sacrament des Altaars, dan brood en wijn.
Doch er worden ons nog andere redenen oi'K0quot;
.reven door de H. Schrijvers. «Omdat het brood
eene spijze is.quot; zegt ons de H. Alpbonsus met den
godvruchtigen Pater Nieremberg, »welke met skchts
o-enuttigd. maar ook bewaard kan worden: daaiom
heeft .lesus ook met ons onder de gedaante van
brood willen blijven: want onder die gedaante kon
Hij én de spijze worden onzer ziel, en tevens m
tabernakelen bij voortduring rusten, om daar,
. 1 ⢠_.i. ⢠.1 i
taui'rniiMïicii mij .............n i â¢
door zijne aanhoudende tegenwoordigheid m ons midden, ons gedurig te herinneren aan ZAïne al es-overtreffende liefde, welke Hij ons toedraagt (3). ))Die liefde,quot; zegt de 11. Bonaventura (41, »worclt ons nog duidelijker aangetoond door den wijn. ge lijk deze toch, maakt /.ij de halten van hen die beminnen, dronken.quot; Vandaar zegt de H. Bernardus : »\lwie eenmaal door het drinken dier befde volmaakt wordt bedwelmd . is blijde bij allen arbeid hij lijdt, maar voelt bet niet: hij werkt en wo.dt niet vermoeid : hij wordt uitgelachen en merkt het
onze
m Ord Au-. Tr. XXVI in Joan. â (2) Men zie ook Catéch. Rom. P. U. 0. 19 - (3) II Bezoek. _ (4) Serm. III, in Dom. I. p. Oct. Kpiph.
- 59 -
niet op.quot; Die liefde is de wijn, welke uit drie ranken groeiende, in een kelk werd uitgeperst, zooals de schenker van Pharao zag in zijn droom: »lk zag een wijnstok bij mij, waaraan drie ranken warenquot; (1). De wijnstok is Christus; Hij zelf zegt: ))Ik ben de ware wijnstok (2). De drie ranken : zijn Lichaam, zijne Ziel, zijne Godheid. Verzamel dan de weldaden, welke Christus ons in zijn Lichaam bewezen heeft, nl. in zijne menschwording, in zijn lijden en in de communie, en gij kunt er den wijn dier wonderbare liefde uitpersen. Verzamel de weldaden, die Hij ons schonk in zijne Ziel, welke voor ons zijn allerheiligst Lichaam achterliet in de wereld, zielen verloste uit het voorgebergte der hel, voor ons altijd tusschenspreekt in den hemel (3) en gij kunt den wijn dier kokende liefde uitpersen. Verzamel de weldaden zijner Godheid, lichamelijke n. I.. geestelijke en eeuwige: en gij kunt den wijn dier allerzoetste liefde, als van den derden rank voortkomende, uitpersen in den kelk des lichaams. «Zie toch eens.quot; roept de 11. Bernardus (4) uit, «hoe, ja hoe volmaakt God door ons verdient bemind te worden: die zelf ons het eerst heeft lief gehad , Hij, zoo groot en zoodanig, geheel om niet, wij zoo nietig en zoo ellendig.quot;
Ja, de Heide van onzen Heer Jesus Christus spreekt zelfs uit die nietige gedaanten, welke Jesus in zijn liefdessacrament aannam. Hij heeft ons een brood uit den Hemel bereid. dat alle geneugte in zich bevat, (5) een brood, dat het hait van den mensch versterkt: (G) zoo iemand van dit brood eet, hij zal leven (in zijne liefde) in eeuwigheid. (7) Hij heelt ons wijn gegeven, die het hart van den mensch
(1) Gen. XL. 0. â (2) Joïs, XV. i. â (3) Hom. VIII. 3i. â (4) de (Uiig. Deo. ante Med. â (5) Sap. XIX. '20. â (0) I's. GUI. 5. â (7) Joïs VI. 25.
- Sü -
verblijdt (1), een wijn, die maagden kweekt (2). een wijn van liefde, die de harten bedwelmt en slechts doet verzuchten naar U, o mijn Heer en mijn God. 0 dronkenmakende kelk van mijn Jesus, wat zijt gij voortreffelijk! (3)
Maar dit H. Sacrament is ook tot gedachtenis van Jesus' lijden ingesteld. De H. Thomas leerde ons dat lijden reeds in de twee onderscheidene gedaanten kennen. Doch laten wij met den H. Bona-ventui-a dit nog eens verder zien. «Wij moeten. zeo-t die groote kerkleeraar, ))zoo dikwijls wij dit brood eten. de gedachtenis van 's Heeren lijden hebben. In het offeren van brood nu wordt voortreffelijk aan dat lijden herinnerd, als men er aan denkt, lioe bet brood gemaakt wordt van koren, dat gedorscht, in den molen gemalen en in een fornuis gebakken is. Het graan toch is Christus; want zeide Hij niet van zich zeiven: «Voorwaar, voorwaar ik zeg u, als de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, zoo zal zij alleen blijven, maalais zij sterft, zal zij veel vrucht voortbrengenquot; (4). Met hevige slagen verbrijzeld is Hij in zijne geese-ling; ))toen nam Pilatus Jesus, en liet Hem geese-1611°:quot; (5) gemalen op den molen des kruises; »Hij werd vermorzeld om onze misdaden.quot; (6) Hij ook werd gelegd in het fornuis des grafs wat zijn lichaam, in dat van het voorgeborgte wat zijne ziel betreft : van Hem wordt gezegd, dat het offer in het fornuis o-ebakken, zonder zuurdeesem moest zijn, n. 1. vrij van schuld en onwetenheid, en besprenkeld met olie n. 1. met die der genade.quot; (7).
En welk eene treffende gedachtenis van Jesus lijden vinden wij nog in den wijn, onder welke ge-
(1) Ps. CII.I 15. â (2) Zach. IV. 17. â (3) pgt;-XXII. â (4) Joïs XII. 25. â (5) Jois XIX. 1. â (6) Isa. LUI. 5. â (7) Serm. IX. in Coen. Dmm.
daante Jesus zijn Bloed aan ons wilde geven. Immers de wijn wordt niet alle kracht geperst uit de druiven. Welnu, zegt de 11. Alphonsus: ('1) ))Jesus' aanbiddelijk lichaam werd bij zijne smarten en folteringen vertreden en geperst als de druif in de wijnpers.quot; Ja Hij zeil was het, die dat lijden vi'ijwillig op zich nam, dat alleen wilde dragen, en dus, Hij zelf was bet, die zijn goddelijk Bloed deed stroomen, die de wijnpers (des kruises) alleen heeft getreden. Vandaar roept dan ook do profeet (2) uit, als hij Jesus in zijn lijden aanschouwde: Hoe is dan toch uw opperkleed zoo rood, en zij n uwe kleederen als van hen. die de wijnpers treden? Hoe komt het, mijn Jesus. wil hij zeggen, dat ik U geheel met bloed overdekt en doorweekt, zoo vreeselijk doorwond, aanschouw? En de Heer antwoordde: De wijnpers (des kruises) heb ik alleen getreden: onder de volkeren was geen man met mij. De wijn derhalve herinnert ons zoo sprekend mogelijk aan die stroomen bloeds, welke Jesus voor ons vergoot op zijn kruis: de wijn herinnert ons, evenals het brood, aan zijn lijden en dood, welke Hij voor ons wilde verduren. Voorwaar, Jesus kon geen treffender stollen nemen voor dit H Offer, voor dit H. Sacrament.
\oelt gij, lezer, bij de beschouwing van dat brood en den wijn in het H. Offer, uwe liefde voor Jesus meer en meer opgewekt, o ik bid u, laat dan dat genadig oogenblik niet voorbijgaan. Wek u op tot grooter liefde en zeg daarom met den H. Alphonsus; »0 oneindige Liefde, eene oneindige wederliefde waardig! Wanneer zal ik u, mijn Jesus, beminnen, zooals gij mij hebt lief gehad? O goddelijk Voedsel! O Sacrament van liefde, wanneer zult gij mij toch geheel en al aantrekken? Neen, neen gij hebt er
(4) Oeuvr. Asc. (Edit. Diijardin) T. V. p. '268. â (2) Isa. LX1II. 2. 3.
- 3') -
niets meer bij te voegen, om van mij bemind te worden. Thans ben ik besloten U altijd lief te heb ben: verleen mij uwe hulp: verlicht mij, ontvlam mij. onthecht mij van de aarde en laat in eeuwig beid niet toe, dat ik van u gescheiden worde. (1)
§ 5. DE TAAL DEB, H. KERK IN DE H. MIS.
Toen onze goddelijke Verlosser, de eeuwige Hooge-priester zijn alverzoenend olTer op het kruis op-
.Iropo- en daar aan zijn hemelschen Vader de hoogste.
eer en verheerlijking bracht, was er een opschrift hoven zijn hoofd geplaatst in drie talen: m het Hebreeuwsch. Grieksch eu Latijn. Dat waren de talen waarin Jesus' bloedige Offerdood en liet ko-nin^sehap des Gekruisten aan geheel de wereld verkondigd werd. In die zelfde talen zou ook voortaan de wereld van den dood worden opgewekt, en aan den koninklijken Christus onderworpen blijven. Oe-lijk de Gestorvene van het kruis opstond en met meer sterft, zoo zouden ook de talen van den kruistitel uit den dood als herleven, en met meer sterven. maar in het onbloedig offer van Jesus den dood des Heeren blijven verkondigen. Immers het Latijn, vermengd met vele Grieksche en Hebreeuw-sche woorden, is de taal, waarin bijna over geheel den aardbodem, van den opgang der zon tot haren ondergang, sinds eeuwen her, de H. Mis wordt op-oedragen: het Latijn, de taal van Rome, het punt der eenheid tusschen .loden die de Hebreeuwsche. en Heidenen die de Grieksche taal spraken, werd de Liturgische taal der Kerk, welke bij de vernieuwing van het kruisoffer gebruikt wordt (2).
(-1) Oeuvr. Asc. 1. c. p. 47. - (2) lletisvvaar de H. Kerk heeft in eenige landen van het Oosten en van
â â
Menigeen zal zich echter reeds meermalen hebben afgevraagd: waarom toch dat Latijn? Waarom niet eene levende taal bij die kerkelijke plechtigheden gebruikt? Dan konden wij ze beter verstaan, dan konden wij medebidden ? Waarom eene taal genomen, welke aan de meeste menschen onbekend is? â Het antwoord daarop hoop ik u in deze paragraaf te geven. Zoeken wij vooral de voornaamste redenen daarvan te begrijpen, wij zullen zien dat Gods Geest, die alles met wijsheid en voorzichtigheid regelt, zich ook hierin uitspreekt.
Wat is het naaste en eerste doel van don Godsdienst? God vereeren, niet door een of anderen persoon, maar door eene geheele Kerk, en dat niet slechts in eene of andere zaak, met een of ander middel, maar in alles, met alle middelen, welke den mensch daartoe slechts dienstig kunnen zijn. Daarom vindt men in de Kerk van Christus, Godgewijde plaatsen, gewijde kleederen, liturgisch vaatwerk en kerkgerief, vindt men handelingen en gebeden, kerkzang en ceremoniën, in één woord alles, zóó, dat het ons op eigenaardige wijze tot God opvoert, God doet vereeren. Zou daar zulk eene taal mogen ontbreken? Voorzeker neen. Welnu, de Latijmche taal is daartoe bijzonder geschikt. Uit haar aard als godsdienstspraak aangeduid door hare klaarheid en juistheid, door haar ernst en deftigheid, door hare volheid en welluidendheid, is zij de taal van
Griekenland eene andere Liturgische taal toegelaten. Doch dit geschiedde alleen in die landen dier gewesten, waar voor de S1''1 eeuw het geloof verkondigd en eene andere taal in de Liturgie ingevoerd was, alsmede in Bulgarije', waar de H.H. Cyrillus en Methodius in de eerste helft der O1'» eeuw liet geloof verkondigden en, zooals het fiora. Brevier /.egt, om zekere en allergewichtigste redenen, de Slavonische taal invoerden. In alle andere landen gebruikt men de Latijnsche.
- u -
een koninklijk volk, de taal der Romeinsche Veroveraars en keizers; de taal der beschaving en dei-wetenschap ; de taal, welke in een goed gevormden persoon geëischt wordt: /ij is de taal van het Opperhoofd der Kerk, van bisschoppen en priesters, van zoovele Conciliën en Kerkleeraars, van eene Liturgie, die bijna twee duizend jaren oud is; zij is de taal van Rome, het middelpunt (Ier geheele Christenheid. Daarenboven, aan het kruis werd zij geheiligd en als door het Goddelijk Bloed van Jesus Se wijd. Gelijk Christus is zij gestorven, maar ook opgestaan om niet meer te sterven ; zij is eene doode taal voor deze wereld, maar eene levende voor God. Zij is en blijft waarlijk de taal der Roomsche stad, der Roomsche wereld (1). â Ja zulk eene taal is het meest geschikt om de Godsdiensttaai te wezen, om God door de gansche Kerk te doen vereeren.
Die ééne taal, over de gansche Kerk in gebruik, verkondigt ons tevens hare katholiciteit of ai.ge-meenheii). «Welk eene verheven gedachte,quot; roept de Maistre uit, »eene algemeene taal in eene alge-meene Kerk! Van de eene pool tot de andere vindt de katholiek, die een zijner kerken binnentreedt, zich aanstonds te huis: niets vreemds verschijnt aan zijne oogen. Inkomend, hooit hij wat hij geheel zijn leven gehoord heeft: zijn stem kan hij mengelen niet die zijner broeders. Hij begrijpt, wordt door hen begrepen; hij kan uitroepen: Rome is op alle plaatsen: het is overal, waar ik vertoef.quot; (2)
En zijn hart voelt hij van vreugde en bewondering uitzetten en grooter worden bij de gedachte: die gebeden, welke ik overal hoor spreken, werden ook herhaald één, twee, tien eeuwen geleden. Toen werd datzelfde Credo'uitgesproken, dat ook nu nog
(1) Benger, Pastoral theologie 11 B. pag. 241.
(2) Du Pape L. I. Q. XX.
â 35 â
van de lippen des priesters en met hem uit de harten der geloovigen vloeit, het waren dezelfde gebeden, dezelfde taal. Onwillekeurig voert hem die gedachte tot den oorsprong der algemeene Kerk, en bij het hooren van het Dominus vohiscum roept hij uit: Ja, o Kerk, de Heer is met U, de Heer blijft met U, blijft mei uwen geest. Gij zijt de ware. Dank, o mijn O-od, dat ook ik tot die ware Kerk geroepen ben !
Die ééne taal, in gebruik bij alle kerken, bewaart ook de zuiverheid der leer. Als ieder volk, zegt de H. Alphonsus, het Romeinsch Missaal in zijne eigen taal kon overbrengen en zóó gebruiken, moest men noodzakelijk tot eene groote verwarring komen. Hoe zou men dan gelijkheid van ceremoniën en gebeden houden? Dat is onmogelijk. De eene taal kan niet immer de ware uitdrukkingen van eene andere weergeven, allermoeilijkst zou het zijn denzelfden zin van ieder woord te behouden. Ãéne taal was noodzakelijk, om ketterijen te voorkomenquot; (1).
Daarenboven is elke levende taal aan gedurige verandering en verwisseling onderworpen. De taal, die onze voorouders spraken, toen .een H. Maternus, Servatius of Willibrordus voor het eerst het Evangelie verkondigden, zou zeker door bijna niemand onzer tijdgenooten verstaan worden. Of om een bewijs van lateren tijd te geven, welke moeite kost het ons niet, om een gebedenboek der vorige eeuw te lezen? Wat vreemde uitdrukkingen en woorden vindt men daar niet in! Moest dus de Kerk gebruik maken van de levende talen, dan moesten deze ook telkens herzien, telkens veranderd worden. Zou daardoor de ware zin der woorden niet verloren gaan? De Latijnsche taal daartegen blijft als doode
(1) Oeuvr. Diigm. T. VII. p. 109. Zie ook Kreuser. Das heilige Meszopfer. pag. (58â71. Bened. XIV. De S. Missae. Sacr. L. II. C. II. 7.
taal altijd onveranderd: het Latijn van de eersté Kerkvaders, van de eerste Pausen is nog het Latijn Van de latere gewijde schrijvers en laatste Pausen: de Liturgische gebeden, hoe vroeg dan ook opgesteld, hebben nog immer dezelfde kracht van uitdrukking, geven nog immer denzelfden zin van de leer dei-Kerk weer. Om de zuiverheid van Christus' leer te bewaren was het dus insgelijks noodzakelijk, dat die doode taal in de Misgebeden behouden werd.
Maar, zegt men, het volk kan toch beter begrijpen wat daar op het altaar plaats grijpt, als de H. Mis in de moedertaal wordt opgedragen. Daardoor zou het beter onderricht worden. Wij antwoorden : niet zoozeer om het volk te leeren wordt de H. Mis opgedragen, maar om het te heiligen, om het deelachtig te maken aan Christus' oneindige verdiensten. Het oll'er wordt ook voor hen en door hen opgedragen, maar de band, welke den priester met het volk verbindt, is niet het begrijpen des woords, maar het geloof, de onderwerping des verstands: en na het geloof volge de liefde, of liever zij gaat hand aan hand daarmede, want wie de liefde niet heeft is als een klinkend metaal, zegt de Apostel. Een hart dus is daarbij noodig, zuiver door het geloof, brandend door de liefde, dan zal men met God door het H. Offer vereenigd worden. Niet het begrijpen des woords derhalve, maar het eerbiedvolle geloof, de zuivere óf rouwmoedige liefde, zich uitende in liefdekreten en verzuchtingen des harten, dat is de hoofdzaak om de H. Mis goed bij te wonen. liet enkele geloofspunt: ik ben bij hetzelfde offer tegenwoordig als het offer van Cal var ie , dezelfde offerande wordt opgedragen, maar op onbloedige wijze, was voldoende, om in de harten van duizenden Heiligen helder flikkerende liefdevlammen te ontsteken: zeer velen verstonden de woorden niet, en toch trokken zij meer vrucht uit ééne H. Mis dan
â 37 â
duizend andere geleerden, die de Latijnsche taal machtig waren, en niets anders zochten dan onderricht te worden. Hun levendig geloof, hunne vurige liefde, dat waren de middelen om aan de oneindige verdiensten van het offer der nieuwe wet deelachtig te worden. Neen, daar waren geen gewone gebeds-formulen in hun moedertaal voor noodig. Integendeel die geheimvolle, plechtige taal der Liturgie, voor hen altijd nieuw, wekte hen veel beter daartoe op.
Maar toch hoor ik nog den een of anderen zeggen : Onbekend maakt onbemind. Liefde kan men slechts hebben voor hetgeen men kent, en die kennis kan men slechts verkrijgen door gebeden in onze moedertaal ! â Het eerste is waar, maar daaruit volgt het tweede volstrekt niet. Dit is niets anders dan een ijdele uitvlucht? Of is onze Moeder de H. Kerk niet rijk genoeg om ook door zaken te leeren; kan zij het hart niet ontvlammen door hare ceremoniën en plechtigheden, dooi' haren wegslependen zang, hare heilige handelingen, kortom door alles, wat met elkander te zamen werkt om het grootsche en ontzettende van het H. Offer te doen kennen? Voorzeker alle ceremoniën der H. Mis met r.Ue handelingen daaraan verbonden, met alle plechtigheden daarbij in gebruik, zijn veelmeer dan elke levende taal in staat, de verhevenheid en de waarde van het H. Offer ons te doen kennen. Alles werkt daartoe mede. Het is onnoodig alle woorden te weten, die er gesproken worden. Het Offer der H. Mis, zegt Bellarminus, bestaat meer in de daad dan in de woorden (-1).
Maar bij dit alles heelt toch onze Moeder de H. Kerk verlangd, dat hare kinderen zooveel zij konden, zouden begrijpen van die kerkelijke taal. Onophoudelijk heeft zij hare priesters aangemaand, aan de
(1) De Euchar. L. VL C. 11.
â 38 â
geloovigen de gebeden en ceremoniën van liet II. Misoffer te verklaren, hun den veel omvattenden zin, den rijkdom der gedachten, die daarin gelegen zijn, te doen begrijpen.(1) Daarenboven vindt een ieder in zijne moedertaal boeken, welke hem de liturgische gebeden nader verklaren. Men kan dus niet het volste recht zeggen: niets ontbreekt er aan de kinderen der Kerk, om dat aanbiddelijk Offer zooveel mogelijk te begrijpen, om het met de over-vloedigste vrucht voor hunne ziel bij te wonen.
§ 6. DE GEWIJDE ZANG DER H. MIS.
Hebben wij in de vorige paragraaf' gezien, hoe de ééne Latijnsche taal het meest geschikt is om de godsdiensttaai, de taal voor het H. Offer te zijn, thans moeten wij nog eenige woorden schrijven over datgene, wat die taal nog meer verlevendigt, wat er bezieling aan geelt, wat de gevoelens der ziel, door het gebed verkregen, aan anderen mededeelt, om hen op hunne beurt , tot godsvrucht te stemmen: wij bedoelen den gewijden zang, welke in de gezongen en plechtige H. Mis gebruikt wordt.
Gezongen is er ten allen tijde bij alle godsdienstoefening, Het is alsof het den mensch als ingeboren is van natuurswege, om de gevoelens van zijn hart door gezang kenbaar te maken, of daardoor zijnen Schepper te loven. Treedt de afgodstempels binnen der vroegere eeuwen, gij hooit er de priesters en het volk hunne heidensche gezangen, soms op zeer banale wijzen, luide uitgalmen. Gaat naar den tempel van het oude Verbond, en gij hoort de
(1) Ons Provinciaal Concilie zegt o. a. met het Couc. v. Trente: Mandat praeterea idem SS. Concilium, ut frequenter diebus praesertim dominicis et festis »ex iis, quae in Missa leguntur, aliquid exponant Parochi, ac SS. mi hujus Saerificii mysteriumaliquod declareut.quot;
39 â
oude Hebreeën de klanken hunner stemmen met de woorden vereenen en in lofzangen ten hemel zenden. De H. Schrift leert het ons op verschillende plaatsen (1). Aan de Levieten was het opgedragen lofgezangen en psalmen te zingen, en deze met hunne instrumenten te begeleiden. Onder David en Salomon waren er vier en twintig koren van zangers, uit niet minder dan 4000 levieten samengesteld, die de voortreffelijke beurtzangen, de psalmen, bij de offerplechtigheden ter eere Gods moesten doen weerklinken. (2).
En zou dan in het nieuwe Testament zulk een gewijde zang mogen ontbreken? Voorzeker neen. Ook daar vindt men den zang in gebruik , of liever haar eigen zang is zoo oud als de H. Kerk zelve. Treedt de zaal binnen van het laatste Avondmaal, waar de eerste H. Mis werd opgedragen. Wat geschiedt daar? Er worden verschillende lofzangen gezongen en eerst als de laatste heeft weerklonken: hymnu dicto (3) gaat Jezus met zijne leerlingen uit naar den Olijfberg.
Gaat naar de eerste bijeenkomsten der Christenen, als zij de H. Geheimen vieren, wat hoort gij daar? Zij onderrichten en vermanen elkander, zegt de Apostel Paulus, met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen (4).
â¢Ta het gezang bij het H. Offer bleef steeds het geliefkoosd gebed der christenen, »al waren de donkere katacomben hunne vergaderplaats, al moesten zij staan tusschen de doodsbeenderen hunner afge-storvenon, slechts door een flauw en droevig licht beschenen, hunne 11. Geheimen tot voorbereiding
m if
m i'
(1) Num. X. 8â11, XXXI. 6, Josue VI. 1. 6.13.â
(2) I Paral. XXIII. 30. 31, XXV. 1â31, XXXIII. 5.â
(3) Mattli. XXVI 30, Marc. XIV. 20. â (4) Colloss. III. 16, Eph. V. 18, 19. Jac. V. 13.
fï n|
ilill
gt;w }1 lr»v
â 40 â
en versterking voor een naderenden marteldood vieren. Hoe zouden zij zwijgen ; daar ook was hun verrezen Verlosser in hun midden: hoe zouden zij niet zingen van zijne macht en majesteit, niet zingen van zijne goedheid en matelooze liei'de, waar elke grafsteen met zijne symbolen hen heenwees naar de toekomstige verrijzenis en eene eeuwige heerlijkheid? Neen de Bruid des Heeren houdt haar bruiloftslied niet terug, al stroomen ook de tranen des lijdens.quot; (1)
Dat bevestigt ons de standvastige overlevering der H. Kerk. Alle geloovigen, welke ook hun stand , hun leeftijd, of hun geslacht was. leenden allen, nu eens achtereenvolgend dan eens te zamen hunne stemmen aan de gewijde gezangen. Ja, zoo gewoon was deze oefening aan de eerste Christenen, dat bijna allen, zelfs de minst geletterden, zonder veel moeite den juisten klemtoon aan de woorden konden geven. En volgens de getuigenis van den H. Hieronymus, kenden de Christenen geen andere populaire gezangen, dan de gewijde, geen andere quot;'liederen dan die der Kerk : steden en velden , dalen en heuvelen gaven die liederen weer, waren als de echo's der gezangen, die eerst in de donkere katacomben en later onder de wijde bogen der basilieken hadden weerklonken.
En toen de betere tijden der Kerk waren aangebroken, toen kwam ook onder de hoede dei-kerkelijke Overheid de kerkzang tot hoogere vol-maaktneid. Nog geen halve eeuw toch zijn de katacomben gesloten of de kerkelijke toonkunst heeft onder leiding van den Aartsbisschop van Milaan, Ambrosius (340â397) zulk een hoogen trap van bloei bereikt, dat een H. Augustinus de
(1) Gregorius blad 1 Jaarg. bl. 3. Zie ook de Katholiek Dl. 81. Lans: Giovanni Pierlugi da Palestrina bl. 84.
â 41 â
getuigenis aflegt: oHoe stortte ik tranen, o mijn God, bij uwe hymnen en lofzangen, hevig ontroerd door de zoetklinkende toonen uwer Keik : die klanken streelden mijn oor, en tegelijk vloeide uwe waarheid in mijn hait, en zij deden het in godsvrucht ontvlammen, en mijne tranen stroomden, en ik bevond er mij wel bij.quot; (1)
Anibrosius was voorzeker de eerste grondlegger van den kerkzang; maar het toppunt eener mogelijke volmaaktheid, een toonstelsel, welks eigenaardig karakter het uitmuntend geschikt maakte, om uitdrukking te geven aan dien diepen zin, dien vollen rijkdom van gevoelens welke in het liturgisch woord liggen opgesloten, een toonstelsel dat, voor ieders begrip bereikbaar, in alle kerken dei-wereld doordringen en een band van eenheid onder de Christenen te meer kon worden â dat toppunt werd eerst drie eeuwen later bereikt. (2)
Het einde der zesde eeuw zag een man den pauselijken stoel beklimmen, wiens Pausschap van slechts 13 jaar en 6 maanden, eindigde in het jaar 605, maar die aan de volgende eeuwen een faam van glorie achterliet, welke misschien wel ooit een gelijkenis heeft gevonden, maar nimmer overtroffen is. (3) «De H. Gregorius de Groote,quot; zoo zegt zijn geschiedschrijver Joannes de diaken, »in het huis des Heeren gelijk aan den allerwijsten Salomon, koos de meest zalvende en zoetste gezangen, die met de heiligheid der handelingen iu de H. Kerk overeenkwamen, uit, verbeterde sommige, voegde er nieuwe bij en bracht deze alle, genoteerd met neumen volgens acht kerktonen in zijn boek igt;Antiphonarium Centori' te zamen en liet dit,
(I) Confess. Lib. IX. C. Vil. â- (2) Gregoriusblad 1 .Taarg. bl. 3. â (3quot;) Don Gueranger. Instil. Liturg. Edit. 2. ï. 1. Ch. VII. p. 154. (4) Vita Greg. L. 11.
nadat er verschillende kopiën van gemaakt waren, bewaren in een kastje gesloten, bij het altaar van den H. Petrus. Daar mocht men het, alleen in geval van twijfel over een of andere noot, komen raad-plegen. Dat waren gezangen, waarlijk door een Heilige bijeengebracht, door een Heilige gemaakt, een kunstwerk, waarin men den heiligen kunstenaar herkent, die deze, als had hij de hemelsche melodiën hooren zingen en als was hij voorgelicht door den II. Geest, vervaardigd had. Allen dragen een eigen en eigenaardigen stempel van waarde en schoonheid; en men noemt dan ook dien zang naar zijn naam den Gvegoriaanschen.
Deftig, majestueus, geschikt om gemakkelijk door een massa stemmen gezongen te worden, ja door allen te zamen, komt die zang volmaakt overeen met de godvruchtige gedachte. Hij is geheel op de hoogte van het verheven doel, dat hij moet uitdrukken en dat is: de oneindigheid, de onveranderlijkheid, de eeuwigheid en de goedheid van God te prijzen, den mensch van de aarde op te voeren naar den hemel waar hij jubelt met de hemellingen. Men gelooft het dan ook zoo gaarne wat een Ger-bertus van dezen II. Paus verhaalt: «Toen Gregorius bad tot den Heer, dat Hij hem van boven de tonen voor zijne liederen zou schenken, daalde de H. Geest, in de gedaante eener duif, op hem neder, verlichtte zijn geest en ontvlamde zijn hart: toen begon hij den zang aan te hellen, zingende: ygt;Ad te levavi, Alleluja.quot; Vandaar dat dan ook deze Heilige steeds nog wordt voorgesteld met eene duif aan het oor, als werden hem aldus de melodiën des hemels overgebracht.
De geschiedenis verhaalt ons verder, dat deze zang zich ook spoedig verbreidde over het westelijk gedeelte der Kerk, vooral door de groote medewerking der Benedictijnen, welke die Paus met afschrif-
ten van zijn Antiphonarium en bekwame zangers naar Brittanië en andere gewesten zond, tnaar nimmer had hij echter zoo gereedelijk overal invloed gevonden, hadde een Karei de Groote ze niet onder zijne bescherming genomen.
Deze wilde zelf' in dien kerkzang onderwezen worden, richtte scholen voor het Gregoriaansch op, ging met eenige Fransche zangers naar Rome, om tie Romeinsche zangers der Latijnsche Kapel te hooren zingen en met deze een redetwist te laten voeren. En toen die wedstrijd ten nadeele der Franken was uitgevallen, maar deze niettemin, vertrouwende op de bescherming des keizers, de Romeinsche durfden beoordeelen en bevitten, vroeg Karei aan zijne zangers: »Waar meent gij. zal het water het meest onbedorven zijn, in de bron of de beek?quot; Hun antwoord was: sin de bron.quot; â «Laten wij dan,quot; zoo was zijn eindbesluit, »wij, die tot nu toe het troebele water uit de beek gedronken hebben, putten gaan aan de eerste bron: keert terug tot de bron van den H. Gregorius: want duidelijk is het, gij hebt den kerkelijken zang bedorven.quot;
En men keerde terug tot de bron; overal werden er in Kareis rijk zangscholen geopend om den kerkelijken zang met zijne hemelsche melodiën aan te leeren, en ze bij de plechtigheden der H. Kerk, vooral bij de II. Mis, te doen opstijgen tot den troon van God. Die Gregoriaansche melodiën nu werden langzamerhand de grondslag van geheel de toonkunst: «van die melodiën uit heeft geheel het harmonisch toonstel zich ontwikkeld, gelijk op een groeizamen akker de bladeren en vruchten voortspruiten uit den krachtigen en levensvollen boom: naar die melodiën grepen de beroemde toonkunstenaars, om ze tot grondslag te nemen voor hunne compositiën, en daar vlochten zij dan hun twee- drie- vier- en meerstemmig stemmen-
â â 44 â
weefsel om heen: en al kon dan liet oor in zulk eene meerstemmige bewerking somwijlen ook al niet noot voor noot de heilige Gregoriaansche melodie onderscheiden, zij was er in dat wist men. en men vereerde het werk, gelijk het kostbaarreliquiarium vereerd wordt, om het heiligdom dat er in besloten ligt.quot; (1)
Maar in al die eenwen, dat zich die meerstemmige zang ontwikkelde en voltooide, werd het kerkelijk woord helaas, door de verscheidenheid en den rijkdom der nieuwe kunstvormen schade gedaan. Dat woord, hetwelk steeds het voornaamste was en bleef. â het werd verwaarloosd en dikwerf onverstaanbaar, geheel ten nadeéle der priesters en geloovigen, ten nadeele van het Geloof. De melodiën verloren daarenboven langzamerhand hare kerkelijke waardigheid; een wufte en weekelijke geest drong er in dooi', zangwijzen van wereldsche liederen werden tot grondslag gekozen van meerstemmige muziek. Geen wonder dat deze ontaarding van den kerkzang zoo slecht mogelijk werkte op het Christelijk gevoel. Daar kwam de löde eeuw met haar vele kwaad en goed. met haar ketterijen en hervormingen. De Vaders kwamen bijeen op het Concilie van Trente en men was op het punt de meerstemmige muziek «waarin wél veel aan de kunst, maar niets aan den godsdienst werd gegeven,quot; geheel en al uit de kerk te verbannen, toen men echter weerhouden werd door den wensch van keizer Ferdinand 1, dat men, bij het verbieden van de weekelijke muziek, toch den gefigureerden ;cang niet verbannen zou. Men sloeg alsdan een middenweg in en liet het besluiten nemen over de passende wijze van zang en muziek aan de bisschoppen met hunne Provinciale Synoden over, doch onder voor-.
(1) De Katholiek t. a. p. bl. 85.
waarde »dat alle muziek geweerd werd, waarbij hetzij in den zang, hetzij in het orgelspel, iets weekelijks of' onreins gemengd was, opdat het huis Gods waarlijk het huis des gebeds mocht blijken te zijn en kunnen genoemd worden.quot; (1)
Was nu de meerstemmige zang aan een groot gevaar ontkomen, niet zoo gemakkelijk ging dit te Rome, toen de zaak opnieuw dooi' de commissie, welke door Pius IV benoemd was om uitvoering der besluiten van de Kerkvergadering te bevorderen en te bewaken, onderzocht werd. Zangers oordeelden dat de kerkelijke woorden, in meerstemmig koor gezongen, niet verstaanbaar konden gemaakt worden, zonder dat de harmonische toonkunst hare vormen verloor en dus ophield te bestaan. En toch. dit moest volgens het kerkelijk gezag geschieden. Besloten werd ten laatste als praktisch scheidsrechter daarin te doen optreden de groote en reeds wijdbefaamde toonkunstenaar Palestrina. Hij moest eene proeve leveren in eene doorhem gecomponeerde Mis, van een degelijk en kerkelijk kunstwerk, waarin niets weekelijks of onreins .voorkwam, waarin in weerwil van het samenklinken der tonen en de eigenaardigheden der harmonische vormen, elk woord en de gansche zin duidelijk verstaanbaar bleven. Gelukte deze proeve dan was de meerstemmige muziek voor de kerk behouden.
En met het gebed »Jlluinina omilos meosquot; «verlicht mijne oogen o Heer,quot; op de lippen, ging de door en door brave en godvruchtige toonkunstenaar aan het werk, vervaardigde in het korte tijdsbestek van 2 maanden niet slechts ééne, maar drie Missen, en behaalde de volkomen overwinning. Bij de proefneming op den 28 April 1565 in het paleis van een der kardinalen gehouden, deed hij
(1) Sess. XXII. â Sess. XXIY.
alle ervaren en kunstrijke zangers verbaasd staan; en nauwelijks waren de laatste tonen van het Agnus Dei der derde Mis weggestorven of de kunstenaar werd dankbaar en vol vreugde geluk gewenscht met zijn werk: de meerstemmige muziek bleef bestaan in Gods Kerk; muziek gelijk deze, die bet Huis Gods waardig was, mocht gezongen worden.
»Van dat oogenblik af,quot; zegt ons Mgr. Lans in zijne overheerlijke lezing, over dezen Engel dei-toonkunstenaars, «staat Palestrina in de historie als »koning der toonkunst.quot; Zwaai' was zijn strijd: te roemrijker zijne overwinning, te schitterender zijn koningschap. Heerlijk koningschap, voorwaar, aan den dienst des altaars gewijd; van het altaar erlangt het zijn luister, door het altaar wint het zijne verdiensten, met het altaar bezit het de onvergankelijkheid !quot; (1)
Maar aan het altaar dan ook moet èn de Grego-riaansche èn de meerstemmige zang innig medewerken bij het opdragen van dat boven alles verheven Offer. «Gelijk daarboven de stemmen der bemelsche heirscharen nimmer rusten, lof- en dankliederen zingende rondom het Lam, dat als geslacht op het altaar des hemels staat: zoo wordt de liturgische zang opgeroepen, om hier beneden rondom onze altaren dezelfde lof- en dankliederen te doen weergalmen, datzelfde Goddelijk Lam ter eer.
»Is dit alles? O neen, meer, veelmeer dient nog gezegd te worden. Immers het Offer, nn een verheerlijkt Offer, dat de Zoon Gods voortgaat dagelijks op te dragen op onze altaren, Is ook ons Offer.... Gelijk Christus, dooi' zich aan zijn hemelsehen Vader op te dragen, Gods Opperheerschappij volkomen huldigt, looft en prijst. Hem volmaakt dankt,
(1) De Katholiek t. a. p. bl. 101.
- «
ill
iif
ili
zijn toorn stilt en ontferming en genade afsmeekt: zoo behooren wij met en door dat Offer God te loven en te danken, voor onze zonden te voldoen en Zijne Goddelijke Zegeningen over ons af te bidden.quot; (1) Welnu dit alles geschiedt in dien voor-treffelijken zang der H. Mis, in die beurtzangen van den priester met het Christenvolk, die te zamen in Christus' naam bidden en zingen, en met Christus medeofferen : dat alles geschiedt in die overheerlijke melodiön van den Gregoriaanschen zang, waarin men nu eens jubelend verheerlijkt, dan juichend dankt, nu eens rouwvol treurt, dan blijde en als zeker van verhooring smeekt.
Dat alles zullen wij nog beter begrijpen bij de verklaring der Plechtige H. Mis, waarmede wij thans aanvangen. Eindigen wij nu met eene diepe bewondering van dien verheven zang der H. Kerk. eindigen wij met de volle overtuiging, dat, al wat in de Kerk gezongen wordt, waarlijk kerkelijk moet zijn. Want op haar rust de taak, wat er gebeurt op het altaar nog begrijpelijker te maken, de eervolle taak den mensch te doen bidden in den waren zin des woords, dat is. God te verheerlijken en te danken, verzoening met God te bewerken en genade af te smeeken zoo voor zich, als voor anderen.
' I
I:
M
(1) Gregorinsblad I Jaarg. bl. 9.
TWEEDE DEEL
De plechtige H. Mis.
^Ãteholpcn floor Gods genade, gesteund, zooals wij vertrouwen, door liet gebed onzer lezers, en voorgelicht door de beste verklaarders der H. Mis, gaan wij thans de uitlegging en verklaring van alle gebeden en ceremoniën der jileehtlge H. Mis beginnen, en den priester met zijne dienaren voet voor voet volgen aan het altaar.
Oudtijds was de H. Mis verdeeld in de Mis der Doopleerlingen en in die der Geloovigen. Thans echter verdeelt men haar op verschillende wijzen. quot;Wij zullen daarom de verdeeling volgen, welke de H. Kerkleeraar Alphonsus Maria de Liguori ons geeft, (1) en haar verdeelen in zes hoofdstukken.
I. De naaste Voorbereiding tot het H. Mis-olfer.
II. De Mis der Catechumenen of het gedeelte van den Introïtus tot de Oll'erande.
III. Van de Oll'erande tot de Prefatie.
IV. De Canon met het Pater noster.
V. De Voorbereiding tot de II. Communie en
de Communie zelve.
VI. De, Dankzegging na de H. Communie of de
gebeden tot het einde.
(1) S. Alph. Oeuvr. Compl. Dujardin. T. XIV. p. quot;16.â Pladys, Le Prétrc T. 11. p. 165.
EERSTE HOOFDSTUK. De naaste Voorbereiding tot het 1. Offer.
§ 1. AAN DEN VOET DES ALTAAES.
INTREDE IN HET HEILIGDOM.
et H. Offer, hetzelfde als dat van Calvarië, zal dan op onbloedige wijze worden opfredragen. De geloovigen zijn vergaderd en wachten met ongeduld den offeraar. Zij weten liet immers, na eenige oogen-blikken zal de aarde vereenigd worden met den hemel, Gode zal de hoogste eer en verheerlijking, lof en dank gebracht, den menschen, zondaars en rechtvaardigen, zoo zij slechts van goeden wil zijn, verzoening en heiliging, vrede en liefde geschonken worden. Het verlossingswerk van Jezus Christus gaat zich als hernieuwen, en daarom verzuchten die velen met de Oudvaders naar den Verwachte der volkeren, daarom smeeken zij zoo vurig mogelijk: «Kom, Heer Jezus, kom.quot; En met die zuchten en smeekingen der harten paren zich blijde de orgelklanken, (;1) en vertolken in de zachtste en liefelijkste accoorden het geluk des Christens, die de H. Mis gaat bijwonen. Als oudtijds de IIoogepriester het Heilige kwam binnentreden om het olfer te brengen, dan kondde het geklingel der gouden klokjes van zijn opperkleed zijn komst. (2) Hoort, daar klinkt ook nu de schel
(1) Caer. Episc. L. C. 28. n». 3. 4.
(2) Exod. XXVIH. 34, 35.
4
op feestelijk en toon: fle ingang van den priester en zijne dienaren wordt gemeld. ('I) VA] treden vooruit, de wierookdrager, die ons herinnert aan de men-schelijke natuur, welke God om de verlossing der wereld gaat bidden, (2) de twee levieten met hunne kandelaars en brandende kaarsen, (3) die ons de wet en de profeten beteekenen, welke Christus' komst zoo duidelijk aantoonden en aanschouwelijk maakten, en in Christus geheel en al vervuld zouden worden. (4) Joannes de Dooper, die Christus in de kracht van Elias onmiddellijk voorafging, om den weg des Heeren te bereiden en het volk de boetvaardigheid te prediken, volgt in den persoon des subdiakens. (5) Hij roept ons toe; «Zondaars, wilt ook gij met vrucht het offer van Jezus Christus bijwonen, wilt gij uw erfdeel herwinnen, doet boetvaardigheid. want het rijk des Hemels is nabij. Dan volgt de diaken, de naaste dienaar des priesters. Hij is de schoonste afbeelding van dien anderen Joannes, (6) die bij het eerste Misoffer aan Jezus' harte aanlag, die daar uit die heilige bron met volle teugen de stroomen des Evangelie's mocht drinken, die bij het bloedig offer van Calvarië naast het kruisaltaar stond, en daar met Jezus, zijn dierbaren Meester, mede het offer bracht. De priester toch, die hem volgt, vertegenwoordigt den persoon van Christus zeiven. Toegerust met zijne macht, zal deze opnieuw het ontzaglijkst ofler Gode mogen brengen, Christus door hem het Ofler van Calvarië, ofschoon op onbloedige wijze, hernieuwen; de diaken dus, die den priester daarin van zoo nabij ter
(1) Zie Gard. Comm. in Instr. Clem. ^ 16.
(2) Gavant, Comment, in Ruhr. Miss. P. i . X\l.
(3) Missale Rit. Cel. 11. 5.
(4) Gav. 1. c. Innoc. 111. ile S. Alt. Mvst. L. 11. 0. A 111.
(5) Innoc. O. cit. C. III.
(C) Innoc. O. cit. C. XV.
zijde staat, Christus' Evangelie aan de wereld verkondigt. met den priester de eerste medeofferaar is, hij vertegenwoordigt ons op sprekende wijze Joannes, den leerling, dien Jezus liefhad.
PSALM âJUDICAquot;
Zij allen zijn voor het offeraltaar gekomen. Zullen zij nu aanstonds den H. Berg bestijgen, zullen zij onmiddellijk de trappen opgaan en de H. Offerande van Gods Zoon den hemelsehen Vader aanbieden? â Maar, om dat slachtoffer te brengen, is er recht noodig op het leven der offerande; (1) de priester als mensch bezit dat recht niet. â Maar, als offeraar behoort hij gescheiden te zijn van de zondaars, en verhevener dan de hemelen: (2) de priester is een zwak schepsel, als alle anderen blootgesteld aan de vervolging des ongerechten, balling-is hij in dit tranendal. â Maar, om dat offer den heiligen God aan te bieden, moet hij zelf heilig, onschuldig, onbevlekt zijn : (3) en hij is een arm zondig mensch. Om dit alles dan moet hij eerst zijne onmacht, zijne zwakheid, zijne ellende erkennen, en de kracht van Gods verlichtende en verheffende genade, de vergiffenis zijner zonden door berouw en belijdenis afsmeeken. Hoort, hoe 's Heeren dienaar dit allerschoonst doet aan den voet des altaars, in den door do H. Kerk zoo juist gekozenen 42sten Psalm, waarin een David, bij het brengen van zijn dankoffer treffend Gods hulp afsmeekt, en blijde de betuiging doet van zijn vertrouwen op den Goddelijken bijstand. (4)
Na door eene diepe eerbiedsbetuiging aan God zijne nietigheid erkend te hebben, maakt depriester
(1) Conc. Trid. § XXU. 1. â (2) Hebr. VII. '26,â (3) Ibidem. â (4) Beelen. de Pminicn. Ps. 42.
met zijne dienaars het H. Kruisteeken, en zegt:
ygt;In den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes. Amen. Ik zal ingaan tot het altaar Gods.quot; In het Christendom begint alles met het teeken des kruises. Geen wonder derhalve, zegt Benedictus XIV (1), dat ook het H. Offer daarmede aanvangt. Almachtige, Drieëenige God, zoo erkent daarmede verder de priester, ik heb geen recht op het leven van uw menschgeworden Zoon; als mensch kan ik dat offer niet opdragen, ik heb daartoe uwe goddelijke macht noodig. Maar toen Gij mij tot uw priester uitverkoost, hebt Gij ze mij geschonken^ welnu dan in den naam des \ aders, wiens priester ik ben, wien ik dit oilev brengen moet, in den naam des Zoons, met wien ik priester ben, dien ik offeren mac/, in den naam des H. Geestes, door wien ik priester ben, door wien ik offeren Un, het zij zoo, ik zal het altaar des Heeren opgaan en het Kruisoffer op onbloedige wijze vernieuwen.
Ja, roept het volk, bij monde van 's priesters dienaren, ga op, ga op tot God, tot dien goeden, barmhartigen God, die zich geheel voor ons wil geven, en zóó in ons vreugde en geluk uitstort, zóó ons als verjeugdigt. Wij gaan met u dtot God, die onze jeugd verblijdt.quot;
Maar, zoo vervolgt de priester, ik ben als David voor de gramschap zijns schoonvaders, uit mijn vaderland gevlucht, balling ben ik op deze wereld, omgeven van goddeloozen, die mij vervolgen, belaagd door den ongerechten en bedrieglijken mensch. â En als offeraar moest ik geheel gescheiden zijn van de zondaars, verhevener dan alle inwoners van het hemelsche vaderland. Heer, oordeel, hoe zal ik kunnen offeren, bedenk dat ik dan eerst geheel gescheiden moest worden van de boozen. »Verschat
(1) de S. M. Sacrif. L. II. C. III. '1.
mij recht, o Gud, en handhaaf mijne zaak tegen een onheilig volk; bevrijd mij van den ongerechtigen en bedriegelijken mensch.quot;
Priester, zoo antwoordt het volk, dat zal geschieden, want God is onze kracht: waarom zou Hij ons ver-stooten? Neen, neen, niet met droefheid voortgetreden, ofschoon de vijand ons ook belaagt, in God kunnen wij alles: »Want Gij, o God, zijt mijne sterkte, waarom hebt Gij mij vemtooten, of waarom treed ik bedroefd daarheen, terwijl de vijand mij vervolgt?quot;
Geef dan, o Heer, uw goddelijk licht, uw voorlichtende en versterkende genade, zoo gaat de priester, thans vol vertrouwen verder, verkondig ons, o God, uwe waarachtigheid, door de vervulling, uwer beloften, waaraan Gij steeds getrouw blijft. Dan zal ik, ofschoon zwak en onwaardig, mij boven alle schepselen kunnen verheffen, dan zal ik uwe woonplaats kunnen binnengaan. Uwe genade en uwe belofte zullen mij er binnen voeren, daar ben ik zeker van. rtZend uw licht af en uwe waarheid, deze zullen mij geleiden en mij voeren tot uwen heiligen berg en in uwe woontenten.quot;
Ook wij gaan mede, roept het volk, wij ook gaan met u het altaar op. God is zoo goed, dat Hij ook ons tot medeolferaars wil hebben, en zóó ons leven als vernieuwt, onze zielen verjeugdigt. Ja, wij ook durven thans met u offeren: gt;gt;0lt;)k ik zal opgaan tot het altaar Gods, tot God, die mijne jeugd verblijdt.quot;
Voorzeker, vervolgt de priester, dat zult gij: laat ons dan met de volste vreugde den Heer gaan loven en danken; alle jubelklanken moeten ons ten dienste staan: alle droefheid moet uit onze ziel verbannen, alle ontsteltenis uit onze harten verdreven worden: «God, mijn God, ik zal U op de harpe loven. Waarom zijt gij nog bedroefd, mijne ziel, of waarom ontrust gij mij?quot;
â 54 â
En liet volk; Waarom zouden wij dit niet vol vertrouwen doen? God blijft immers zijn woord getrouw, en Hem gaan wij verheerlijken; God, die eenmaal alle tranen van ons aanschijn zal afwissehen, die ons aan Hem zal gelijk maken, die eens zijne heerlijkheid over ons zal doen schitteren, als wij Hem van aanschijn tot aanschijn zullen aanschouwen : God die alsdan vooral de onze zal zijn. »Betrouw op God, want Hon zal ik nog lofprijzen, Hem, het heil van mijn aanschijn en mijn God.quot;
En Hem verheerlijkende, roepen Priester en volk als uit één mond uit: ygt;Ecre zij den Vader en den Zoon en den H. Geest. Gelijk het was nu. en altijd en in alle eeuwen der eeuwen. Amen. En ten derde male herhalen zij het, maar thans op nog vreugdevoller toon: »Æ/; zal opgaan tot het altaar Gods; tot God, die mijne jeugd verblijdt.quot; (1)
CONFITEOR.
Maar de beschouwing van dit alles, het verlangen vooral naar den Verlangde der volkeren, naar J. Chr., het Licht en de Waarheid zelve, dat al vuriger en vuriger werd, wekt in de ziel van den priester echter tevens de levendigste gevoelens van berouw en onmacht. Beter dan ooit begrijpt hij zijn niet en zijne onwaardigheid. Mijn God, welk ontzaglijk werk ga ik beginnen met het opdragen
(i) Deze Psalm wordt echter nimmer gebeden in de Missen der overledenen, alsmede in den Lijdenstijd der H. Kerk. De reden ligt voor de hand, als men bedenkt, dat zij wegens het vertrouwen dat er in uitspreekt een blijde Psalm is. In Missen voor de afgestorven zielen nu treurt de Kerk over de smarten waarin die zielen wellicht nog verkeeren, in den lijdenstijd houdt zij zich slechts bezig met de smarten van haar Bruidegom.
i ;f.;
van de H. Mis! zoo denkt hij; Gij zljt zoo oneindig machtig en heilig, ik zoo ellendig en zulk een zondig mensch! Voorzeker ik moest heilig, onschuldig, onbevlekt zijn! (1) â Maar een berouwvol en vernederd hart verstoot Gij niet. â Daarom gaat hij zich vernederen, opnieuw zich zondaar erkennen en aan de heiligen des hemels en de christenen der aarde de hulp en de ondersteuning vragen hunner gebeden. Tot dit alles echter heeft hij Gods hulp op de eerste plaats noodig. Daarom maakt hij het teeken des Knüses en bidt. ygt;Onze hulp is in den naam des Heer en.quot; ygt;Die hemel en aarde gemaakt heeft.quot; antwoorden zijne dienaren. En vervolgens buigt hij zich diep, als de tollenaar durft hij de oogen niet opslaan, en belijdt voor den almachtigen God, die alleen zijne ziel kan zuiveren, voor Maria, de toevlucht van alle zondaars, voor den aartsengel Michaël, die ais beschermer van Gods volk de zielen moet voorbrengen, voor Joannes den Dooper, die ons de boetvaardigheid gepredikt heeft tot vergilfenis der zonden, voor een H. Petrus, die de sleutels des hemels ontving, een H. Paulus, die als bekeerde zondaar ons zulk een vertrouwen inboezemt, ja voor alle Heiligen, die in den hemel zich zoo verheugen, als een zondaar boetvaardigheid doet, en voor zijne broeders, die hem omgeven, dat hij gezondigd heeft door gedachten, woorden en werken. En om de vrijwilligheid daarvan nog meer te belijden zegt hij, de borst tot driemaal kloppende, dat hot geschied is door zijne schuld, door zijne schuld, door zijne allergrootste schuld. Vervolgens bidt en smeekt hij allen, dat zij bij den Heer, onzen almachtigen God, voor hem bidden.
Ook van ons vraagt hij dus een gebed, de priester Gods; welnu, geven wij gehoor aan zijne smeek-
:f||l â i
ill'
quot; 'i »
â â ft?
I'
*
(1) Hebr. Vil. 27.
:-ifl
- â -
â 56 â
beden, en laten wij met zijne dienaars bidden: l| l' »De almachtige God ontferme zich over u, vergeve I; â¢' i(we zonden, geleide u ten eeuwigen leven.quot; Ja, ja,
dat zij zoo, zegt de priester. «Amen.quot; I
De priester spreekt hier de algemeene schuldbekentenis uit, welke de Kerk in dezen vorm onafgebroken I ' reeds gebruikt van de 8ste eeuw af, ofschoon zij, wat P ! den inhoud aangaat, van apostolische overlevering ls.(l) ^ '
Het is niet geoorloofd zonder uitdrukkelijke vergunning van den H. Stoel er iets bij te voegen of af te laten. Zij geniet dit voorrecht boven alle Sacramentaliën, dat, als zij gebeden wordt, zij de vergiffenis schenkt van de dagelijksche zonden, waarover men berouw heeft. Zij ook zou kunnen voldoen voor iemand die in gevaar is van sterven, en die geen meer uitvoerige belijdenis zijner zonden zou kunnen doen. ('2)
Maar houden wij bij die schuldbekentenis des priesters ook in het oog, dat deze de plaats van Jezus Christus bekleedt, dat dus in den priester ook de goddelijke Verlosser die belijdenis doet.
Heeft Christus dan gezondigd? Neen, want onze Opperpriester is heilig, onschuldig, onbevlekt. (3)
Maar de zonden van het menschdom op zich genomen, toen Hij mensch werd, dat heeft Hij wel gedaan. En onder dien zondenlast ging Hij gebukt,
toen Hij doodsbedroefd was in den hof van Olijven,
dat deed Hem verzuchten en lijden, ja tot den doodsangst toe. Welnu, als wij dan voor het altaar den priester zoo diep gebogen zien, hem die belijdenis hooren doen, denken wij dan ook aan Jezus,
die zich om onze zonden zoo diep hoeft vernederd,
dat Hij de gedaante van een dienstknecht aannam.
|
(1) Bened. XIV. Op. Git. «Explication des priêres el |
Messe, p. 6. â (2) Ibidem VII 26, 10. â Don Gueranger. des ceremonies de la S. p. G en 8. â (3) Hebr. |
â 57 â
die zooveel heeft geleden, en roepen wij met Du-randus (1) uit: »0 vernietiging van het goddelijk Woord, dat de gedaante van een dienstknecht heeft aangenomen ter gelijkenis van het zondige vleesch !quot;
En zouden wij na dit alles ook zelf onze schuldbekentenis niet doen? Hebben ook wij God niet vergramd en misschien zwaar beleedigd? â- Welnu f belijden wij dan evenals de priester, met zijne dienaren onze schuld, vernederen wij ons onder de hand van den almachtigen God, kloppen wij op de borst en smeeken wij : «Heer, wees ons arme zondaars genadig!quot; Ja, bidden wij, dat de Heiligen Gods, maar vooral ook de priester, die hier als onze vader in de H. Mis zal optreden, voor ons zullen bidden bij den Heer onzen God; dan kunnen wij hoop op ontferming en vergiffenis, op ontbinding en kwijtschelding hebben. Want nauwelijks hebben wij die bede gedaan, of de priester bidt ze reeds zoowel voor hem als voor ons af. Laat ons dan met hem het kruisteeken maken, om in onze zielen weder het beeld van den gekruisten Christus te herstellen, dat wij, helaas, door de zonden hadden ontsierd, en luide herhalen: vAmen, het zij zoo!quot;
O, wat treffende, wat opbeurende, wat verhevene en zielroerende samenspraak van priester en volk! Met welk oog moet toch wel de zegevierende Kerk in den hemel thans op hare jongere zuster, de strijdende hier op aarde, die zich daar voor hun ge-meenschappelijken Vader zóó vernedert, zóó bidt, nederzien ? De schapen bidden voor hun herder, de herder voor zijne schapen. Is er een schouwspel meer aantrekkelijk, meer eigen, oin de eeuwige stroomen van Gods barmhartigheid over hen te doen nedervloeien? O neen, de priester is er van overtuigd, hij buigt het hoofd, als om ze te ontvangen en roept
(1) Rationale etc. L. IV. C. 7.
â 58 â
uit: »ÆÂ«, o Heer, Gij zijt veranderd. Gij zult ons doen herleven.quot; En de christenen juichen mede: »En uw volk zal zich in U verheugen.quot; «Toon ons dan, Heer, uwe Barmhartigheid,quot; verzucht de [triester. ygt;En uw Heil,quot; antwoordt liet volk, .lezux n. 1. die door zijn zoenoffer ons heil gaat worden, vgeef het ons.quot; Deze twee smeekbeden zijn sinds onheuglijke tijden gebeden. Zij werden genomen uit den I's.
van David waarin hij smeekt om den Messias. Wij ook verzuchten en verwachten in het II. Offer Hem. die de Barmhartigheid en het Heil zelve is. De beden van dien Psalm thans uitgesproken, zijn dus waarlijk een nieuw â¢Â»Borate eoeli demper et nnbes pluant Justum. Dauwt hemelen van boven entvol-ken regent den Bechtvaardige.quot;
En dan is het oogenblik gekomen, dat de priester als een andere Mozes den berg zal beklimmen, dat hij als middelaar tusschen God en de menschen den Hemelschen Vader door zijn Zoon om genade en verzoening gaat smeeken: hij moet zich scheiden van zijn volk, om zich met God te onderhouden. Maar zal dit geschieden zonder eerst elkander gegroet te hebben, vooral nadat men zoo opbeurend, zoo vertroostend met elkaar heeft gesproken en gebeden ? Keen dat mag, dat kan niet. Xa God eerst de verhooring hunner gebeden gevraagd te hebben, moeten zij elkander groeten en met dien groet een heihvensch doen, die overgelukkig maakt. En welke zijn de woorden, die zij spreken? »De Heer zij met u: Dominus vobiscuin,quot; zegt de priester. En het volk: ))Et cum spiritu tuo: En met uwen geest.quot; Gewoon orn die woorden zoo dikwijls te hooi'en. hebben wij misschien nimmer eigenlijk overdacht, wat ons daarmede toegewenscht, wat den priester door ons toegebeden wordt. Maar zij omvatten toch zooveel.
59 â
iff
»Dc Heer zij met u.quot; «Wat,quot; zegt zoo schoon Mgr. Gauniii, (1) «kan de priester in dit oogenblik zijn volk beter toewenschen? Hij roept die -woorden aan de geloovigen toe, nu Christus gaat geofferd worden. Het is alsof hij hun zegt: «Moge toch in het oogenblik. waarin de hemel zich gaat openen, waarin God zal nederdalen, en ik over uwe grootste belangen met Hem ga onderhandelen, Gods gunst op u rusten, de Heer met u zijn!
«Hij schenke u den geest des gebeds, de levendigste gevoelens van berouw en liefde, van verlangen en ijver.
»De Heer zij met u, nu Hij er zelf naar smacht, om zich met u te vereenigen.quot; Hij zij met u gedurende geheel zijne Offerande, ja dan zal zij voor u de heerlijkste vruchten voortbrengen. O, kan er treffender, meer omvattende wensch worden gedaan !
En wij, wij antwoorden aan den priester: «.Bh gt;net uwen geest.quot; Is ook deze groet op het geschikte oogenblik gesproken? Wij aarzelen niet bevestigend te antwoorden. Het volk zegt niet: En met u, maar Dinet uwen yeestquot; omdat het thans in den priester, nu hij het Heilige der heiligen binnengaat, niet meer een mensch, maar veeleer een zuiveren geest, een engel Gods ziet, die de meest engelachtige bediening gaat uitoefenen. «En met uwen geest,quot; zegt een schrijver van de negende eeuw, «omdat alles geheimzinnig en geestelijk is in de bediening, welke de priester gaat vervullen; omdat zijn hart niet kan binnendringen in de grootheid van zijn ambtsvervulling, zonder dat zijn geest zich bezig houdt met de groote geheimen en waarheden, welke in de gebeden liggen opgesloten, die hij gaat uitspreken.quot;
Aldus wenscht dan de priester aan de geloovigen, dat Jezus Christus te midden van hen verblijve, en het volk doet een dergelijk gebed voor den priester, opdat Jezus alles zij in allen; opdat Hij alleen bidde, beminne, aanbidde in de harten, en dat alle harten
i
li
'IIM
Sjfl ü'i
I
i
â M
â 60 â
zich tot één hart vormen in Jezus Christus. Merken wij nog op. dat deze groet: Bominus vobiscum op verschillende plaatsen voorkomt in het oude Verbond; en het antwoord: Et mm spiritu Ivo schijnt genomen te zijn uit Paulus' wensch aan Timotheus : Dat onze Heer Jezus Christus zij met uwen geest. (1)
§ 2. BIJ HET KOMEN AAN HET ALTAAR.
HET OPGAAN DER TRAPPEN.
De priester heeft dan zijne geloovigen gegroet, het christenvolk zijn herder. Jlij gaat zich van hen scheiden, om als offeraar te staan voor den troon des Allerhoogsten. Maar eene laatste vermaning moet nog van zijne lippen, een aanmaning, waarin hij zoowel zich zeiven als zijn volk toespreekt, een aanmaning tot gebed. «Broeders.quot; zoo moet hij allen toevoegen, «bidt voor mij in dit ontzaglijk oogen-blik, en ik zal het voor u doen. Laat ons volharden in het gebed.quot; (2) Daarom strekt hij zijne handen ten hemel uit. sluit ze weer voor zijne borst te zamen, als wilde hij tegelijk Gods genade ontvangen, en zegt met luider stem: »Oremus: laten wij bidden.quot; En zoodra hij die laatste vermaning dei' voorbereiding gesproken heelt, treedt hij in stilte, langzaam en plechtig met zijne dienaars den Offerberg op, maar verdubbelt, naarmate hij voortgaat, voor
(1) 2. Tim. IV. 22.
(2) Te Rheims bestond in 1583 nog ile volgende schoone gewoonte. Als de priester het altaar moest opgaan, deed hij eerst zijn groet aan het altaar, door te zeggen: ytSalva nos, Christe, Salvator .nuntii: Christus, Zaligmaker der wereld, maak ons zalig.quot; Dan keerde hij zich tot het volk en sprak: vOrate pro me, fratres, el ego pro vobis: Bidt voor mij, broeders, en ik voor u. Pax vobis: Vrede zij u.quot; Daarna beklom hij het altaar.
zich zelf en zijne dienaars de smeekbede om vrij van iedere zondevlek te zijn. »Wij hielden U, o Heerquot; zoo verzucht hij, »neem onze hoosheden van ons weg, om met een zuiver gemoed het Heilige der heiligen te kunnen binnengaan. Door Christus onzen Heer, Amen.quot;
«Het Heilige der heiiigen te kunnen binnengaan.quot; Dit herinnert ons aan den tempel van het oude Verbond. Daar had men het Voorhof, het Heilige, en het Heilige der heiligen. In dit laatste stond de Ark des verbonds, waarin o. a. het Manna bewaard werd, en waar God zijn zetel had opgeslagen. De li oogepriester mocht er slechts éénmaal in het jaar, en dan nog slechts na zich op allerlei wijzen gezuiverd te hebben, binnengaan. Dan bracht hij (laaiden beker met het bloed der offerdieren en plengde er dat ter verzoening en uitwissching voor den Almachtige. Het Oude Verbond is in alles het schaduwbeeld van het Nieuwe. Welnu, is dan het altaar, waar dat hemelsch Manna, dat alle geneugten in zich bevat, het brood der Engelen, bewaard wordt, waar Jezus troont en zijne genaden uitdeelt, waar Hij dagelijks het Nieuw Verbond verzegelt doorliet Offer van zijn Lichaam en Bloed, niet veel heiliger dan het Heilige der heiligen? Voorzeker, en hij, die daar binnengaat, moet zuiver zijn van alle zonden, hij moet ontdaan zijn van alle schoeisel der ongerechtigheid, om op die heilige plaats, als Mozes bij het brandende braambosch, met den Heer te kunnen spreken over de belangen van zijn volk; om, als Aaron het offer, maar thans het Offer van den eenigen Zoon van God, te kunnen opdragen. De minste vlek mag op zijne ziel niet kleven. En hoe meer nabij hij is bij God, en zich geplaatst ziet in het licht van de zon der gerechtigheid, des te meer vertoont zich het minste vlekje. Daarom moet hij, nu men tot die plaats opgaat, ofschoon hij reeds
â 65 â
vertrouwt te herleven en Gods barmhartigheid ontvangen te hebben met zijne dienaars, die hem vergezellen, opnieuw verzuchten : »JVeem van ons weg, o Heer, zoo smeeken wij U, al onze hoonhcden, opdat wij met een zuiver hart het Heilige der heiligen kunnen binnengaan.quot; En omdat Christus de bron is van alle genaden, omdat Hij de middelaar is tnssehen aarde en hemel, tusschen den mensch en God, daarom moet hij er bijvoegen; ygt;Door Christus, onzen Heer. Amen.quot;
Ja, om dit nog inniger door Jezus Christus als ook door de voorbede der Heiligen af te smeeken, buigt hij zich diep, zoodra hij aan het altaar komt, legt er zijne handen op en knst het vol eerbied, terwijl zijne lippen in stilte fluisteren; »Wij bidden U, n Heer, door de verdiensten van u we Heiligen, wier overblijfselen hier rusten, en van alle Heiligen, dat Gij U gewaardigt mijne zonden te vergeven. Amen.quot;
Eenvoudige maar toch veelbeteekenende ceremonie, kort maar voortreffelijk gebed in dit oogenblik! Ziet, de priester weet het. nog slechts een weinig tijds, en het offer begint: hij is reeds op de plaats, waar hij offeren moet, gekomen, hij staat voor den troon der Offerande, die tevens echter, wij vernamen het, een schoone afbeelding is van Jezus Christus, tronend te midden zijner Heiligen: wat kan hij anders doen dan het teeken van kinderlijken eerbied en liefde daarop drukken om de verzoening des te zekerder te maken en dan zich des te inniger met Jezus te kunnen vereenigen (1); wat beter dan zich daarbij ook van de voorbeden der Heiligen verzekeren ?
Te gelijk toch dat hij het altaar kust, vereert
(quot;1) S. Alph. Oeuvr. Asc. (Dujardin.) T. XIV. p. IS. (Pladys) p. 168.
hij tevens vol eerbied en liefde de kostbare overblijfselen der Heiligen, die aldaar aanwezig zijn. Hen heeft hij nu vooral als zijne vrienden noodig: Zij ook moeten door hunne vele verdiensten barmhartigheid voor hem verwerven, zij voor hem bidden, dat hem alle vlekken, welke nog oj) zijne ziel kleven, worden uitgewiscbt; zij hem helpen om dat goddelijk offer, zoo waardig als een mensch dat kan, op te dragen. (1) Het gebed daarenboven wat hij spreekt, maakt dit des te duidelijker.
Lezer, als gij dan den priester het altaar ziet kussen, o vereenig u dan met hem, want gij moogt immers met 's Heeren dienaar ook medeofferaar zijn lu de H. Mis. Betuig uwe Innige liefde aan Jezus, uw Zaligmaker: zeg Hem, dat gij de zonde haat en verfoeit, dat gij Hem alleen voortaan zult aankleven. En die betuiging zij niet als de geveinsde kus van Judas, die den Goddelijken Meester verried: neen oprecht zij het u gemeend; vast besloten moet gij zijn om in eeuwigheid geen zonden meer te bedrijven. Wend u daarom ook In dit oogenblik tot de vrienden des Allerhoogsten, tot Gods lieve Heiligen ; zij zullen u kracht verwerven, waar gij zwak zijt, zij u de volkomen zuivering uwer ziel erlangen, om alzoo heilig en welbehagelijk in Gods oogeu het Misoffer bij te wonen.
BEWIEROOKING.
De wierook, wij weten het van vroeger, beteekent ons o. a. het gebed der rechtvaardigen, het gebed der Heiligen In den hemel. De H. Joannes zag de grijsaards voor den troon van het Lam geknield, en zij boden in gouden schalen de geurige wierook-korrels aan, die de gebeden der heiligen zijn. (2)
(2) Apoc. V. 8.
(1) Don Gueranger Op. clt. pag. 12.â
u -
En wederom een andermaal zag hij een engel staande met een gouden wierookvat voor het altaar; en dezen werden de vele wierrookkorrels der gebeden van de heiligen gegeven om ze Gode te offeren. (1) Zou dan nu vooral niet het juiste oogenblik gekomen zijn om den wierook aan God aan te bieden? Nu de priester zijn laatste gebed der voorbereiding spreekt, en liet gebed der Heiligen Gods zoo noodig heeft? Ku hij God verzoekt, om tocb op hunne verdiensten, hunne smeekingen neder te zien? â Voorzeker, daarom legt de priester thans wierook in het wierookvat, spreekt zijnen zeo-en daarover uit, en bewierookt dan het kiuis an verder geheel het altaar met al zijn toebehooren. En die zichtbare ceremonie zegt ons, wat er dan op onzichtbare wijze in den hemel plaats heeft, .lezus, de Middelaar tusschen zijn Vader en het menschdom, neemt de gebeden en verdiensten der Heiligen en zijne eigen overvloedige verdiensten, en biedt ze als een offer, aangenaam in Gods oogen. aangenaam als de geurige wierook, zijn hemelschen Vader aan; het vuur zijner goddelijke liefde verzekert ons de verhooring.
Maar na die omwolking van het altaar neemt de diaken het wierookvat over en bewierookt den priester. Dit ook heeft zijne beteekenis. Iemand den wierook offeren is tevens een teeken van de hoogste eerbewijzing. Welnu, daar het laatste oogenblik der voorbereiding gekomen is en het H. Misoffer gaat beginnen, betuigt de diaken door die hooge onderscheiding: «Priester Gods, Gij hebt u voorbereid door betuigingen van onmacht, van zwakte, van berouw en boete; Gij hebt's Hemels voorspraak afgebeden, en den Middelaar Jezus Christus tusschen u en tusschen den hemelschen Vader gesteld; Gij
('1) A poe. VIII. 3.
hebt de gebeden der Heiligen verzocht, Gij hebt alles in één woord gedaan, om u zoo zorgvuldig mogelijk voor te bereiden; o, gedenk nu, welke macht n gegeven is door den Vader, den Zoon en den II. Geest: gedenk dat Gij de plaatsbekleeder zijt van Jezus Cliristns. Gij. andere Christus, begin thans de onbloedige offerande.quot; â Dat zegt ons de diaken, als hij den priester driemaal bewierookt.
Intnsschen mocht ook het volk niet zwijgen. Zoodra de priester met zijne dienaren het Heiligdom binnentrad, liet liet orgel zijne klanken hooren en stortte het volk bij monde van het koor zijne smeekbede uit in den overschoonen ingangszang oi'Introïtus, en zet ze voort onder de voorbereiding des priesters aan den voet des altaars en de bewierooking. «Gelijk de ingang des priesters,quot; zegt Pans Innocent!us III, (1) »de komst van Christus beteekent, zoo drukt die antiphoon, (2) welke bij den Introïtus gezongen wordt, het verlangen naar Jezus' komst op de meest sprekende wijze uit. De Heer zeide aan zijne apostelen: «Vele koningen en profeten hebben verlangd te zien, wat gij ziet, en zij hebben het niet gezien, te hooren wat gij hoort, en zij hebben het niet gehoord.quot; (3) Daarom verwijdt het koor zijne ziel en zingt jubelend dien Introïtus, gelijk de profeten, patriarchen, koningen en priesters en alle geloovigen met groot verlangen naar Christus' komst uitzagen,
(1) O cit. O XVHL (2) Dit woord beteekent: nheurtzany.quot; Reeds in de allereerste eeuwen der Kerk was men namelijk gewoon de psalmen met twee koren beurtelings te zingen. Men plaatste dan vóór en na den psalm een korte spreuk, die de hoofdgedachte er van aangaf of aan die gevoelens herinnerde, welke men, overeenkomstig feest of plechtigheid, met dien psalm wilde uitdrukken. Deze spreuk noemde men daarom als deel voor het geheel: «antiphoon.quot;
(3) Matth. XIII, 17.
â 66 â
roepend en smeekend *. »Zen(l toch, o Heer, het I,;ini. lt;len beheerscher der aarde. (1) Kom, o Heer, en wil niet toeven, verlicht de lasten van uw volk Israels.quot;quot; .Ia waarlijk, als men de melodie dier gezangen, welke zich nu eens Jubelend en blijde, dan weder godvruchtig, liefelijk en zoet, hier vol verhevenheid en majesteit, daar vol eenvoud en hartelijkheid, maar steeds vol innig verlangen doet hooren, overweegt, dan gevoelt men dat de groote Paus Gregrorins, bij de toonzetting dier antiphonen, meer heelt verlangd dan een eenvoudige inleiding (introductie), dat hij tevens het verlangen naar den Verlangde der volken heeft willen uitdrukken, die zoo aanstonds in het H. Olfer zijn verlossingswerk zal komen voortzetten.
Die antiphoon van het ingangsgezang moet steeds geheel en al herhaald worden. ))Het drukt de vermenigvuldiging en den aandrang van den kreet om verlossing uit, zooals de profeet zegt: «Vraag en hervraag, wacht en wacht opnieuw, nog een weinig, nog een weinig. (2) Zoo Hij nog toeft, wacht Hem af, want Hij is reeds in aantocht; Hij zal komen en niet toeven.quot; (3)
En tusschen dat smeekgezang naar den Verwachte der volkeren klinkt het; vLcre zij den Vader, den Zoon en den II. Geestquot; Het geschiedt, zegt ons verder de geleerde Paus Innocentius, als een bede om toch een gunstig gehoor te ontvangen, om Gods welwillendheid voor ons te winnen, want om gemakkelijker te verkrijgen wat wij verlangen, wenden wij ons lofprijzend tot de geheele Drievuldigheid en smeeken wij daardoor; «Toon ons, o Heer, uwe barmhartigheid, en uw heil geel het ons. Zoo vei-tegenwoordigt ons derhalve het gezang van den
(1) Isa. XVI, 1. â (2) Isa. XXVIII, VA. (3) Innoc. O. fit.
Introïtus, wel niet immer naar de letter der woorden, maar volgens den jubel des gezangs, altijd het verlangen der Oudvaders.quot; (1) Zij het ook voor ons een aansporing te meer om in dat oogenblik des te vuriger te verzuchten: »Kom Heer Jezus kom!quot;
(â 1) liinne. O. cit. XTÃI.
TWEEDE HOOFDSTUK.
ia lis der Catechumenen.
et, tweede gedeelte der H. Mis, dat wij thans moeten behandelen, omvat den Introilu.'!, dien wij het koor reeds hoorden aanvangen, liet Kyrie eleisoii. het Gloria in excelsin, de Collecte, den Epistel, het Graduale. Alleluja, Tractvs, ot Sequentia, het Ãvangelie en de Preek of Onderrichting. Hetwordt de Mis der Catechumenen genoemd, omdat deze doopleerlingen daarbij tegenwoordig mochten zijn en daarin vooral moesten leeren, wat zij moesten gelooven, hoe zij behoorden te bidden, en hoe zij hun feven moesten inrichten om goede Christenen te worden. Men zon dit deel der H. Mis dan ook het onderrichtend gedeelte kunnen noemen. Daarin toch werden zij onderricht in de psalmen van David, die bij den Introïtus en het Graduale gezongen werden, en waaruit zij het ware gebed moesten aanleeren: daar vernamen zij, hoe alle verzamelde Christenen vurig verlangden naar, en baden voor hunne bekeering in het Kyrie eleison; daarbij mochten zij den Vader, den Zoon en den H. Geest met de Christenen lofprijzend verheerlijken in die oud-Christelijke Morgen-hymne het vGloria in excelsis; daarin vooral werden zij onderwezen door de brieven der Apostelen in den Epistel, door de leer van Jezus zelf in zijn Evangelie, door de uitlegging en verklaring, die do bisschop, oi de priester daartoe aangewezen, vervolgens daarvan gaf in de
preek. Na een gebed, nogmaals alsdan voor hen verricht, werden zij, gelijk wij in onze inleiding zagen, dooi' den diaken weggezonden (1) en begon het eigenlijk OITer.
Gaan wij thans tot de verklaring van dit gedeelte over.
§ 1. INTROÃTUS.
Als de priester de laatste handeling van voorbereiding verricht, als de diaken hem bewierookt heeft ten teeken, dat hij als plaatsbekleeder van Jezus Christus de onbloedige Ofl'erande moet beginnen , keert hij zich, onder het gezang van het kooi', dat naar den Verlangde der volkeren verzucht, naar het misboek, eh bidt insgelijks dat ingangsgebed , den Introïtus.
In vroegere tijden werd bij dit gebed een gansche psalm door geestelijkheid en volk gezongen, als de bisschop de, kerk binnenging. Aan het altaar gekomen, knielde deze neder, bad, maakte het teeken des II. Kruizes, en gal' dan den voorzanger een teeken, om den psalm met het aEerc zij clan Vaderquot; te eindigen. Thans wordt daarbij slechts een enkel vers van den psalm gevoegd. en aanstonds met het Gloria Patri en de herhaling der inhüdings-antiphoon gesloten.
Behalve de treffende beteekenis. welke in dit gebed ligt opgesloten, en die wij reeds bij den koorzang er van bewonderden, vindt men er, zegt de II. Alphonsus, gewoonlijk de hoofdgedachte in
(1) Vergelijk lilervoor Martene. De ant. Eccl. Bit. P. 1. I.. 1. Art. IX. â Kien/er. Uas II. Meszopfer, pag. 153â155, pag. 225â227. â IJened, XIV, de S. M. Sacr, L II. c, VU. 9,
â 70 â
IBIUg will --------. i J 1,4.
zequot;t liet ons liet geheim des Heeren, dat herdacht wordt, dan weder verkondigt het den lof der Moeder-Maagd, dan weder de glorie van den Heilige, wiens feest men viert en tot wiens verheerlijking het H. Offer wordt opgedragen. Soms ook wekt het juichende op, om met blijdschap dat feest te vieren ; op andere dagen bidt het droevig en smeekend om Gods oneindige barmhartigheid; doch nog eens, immer straalt er de hoop op verlossing, het verlangen naar den Christus in door.
Als de priester dat heerlijk schoone en dieptrel-fende gebed begint, teekent hij zich opnieuw niet hut H. Kruis. Het drukt ons daardoor zeer juist uit, dat de onbloedige Offerande de hernieuwing is van het bloedig Kruisoffer, en dat door dat Kruisoller alleen deze Offerande vruchten draagt, zoo voor hem als voor zijn volk. omdat zij er de voortzetting van is. _ Maar in de Missen der overledenen worden deze vruchten voornamelijk op de zielen in het Vagevuur toegepast. Daar is alles wat hij spreekt, en vooral het Ingangsgebed, smeeking om de eeuwige rust en het altijddurend licht van Gods aanschijn voor die zielen, daar draagt hij vooral voor die zielen dat offer op. Daarom, zegt ons Gavantus, zegent hij dan niet zich zeiven. maai het misboek , of de zielen der afgestorvenen, voor welke hij het H. Offer gaat opdragen. Dan. gelijk ook in den Lijdenslijd van het kerkelijk ^ jaar , wordt het anders zoo blijde en lofprijzende den Vader enz. weggelaten, wijl wij alsdan onze blikken vol medelijden, geheel en al slaan op die arme zielen in bet Vagevuur, of op deu lijdenden en stervenden Heiland, en alzoo ons hart niet kunnen dwingen tot de vreugdevolle verheerlijking van den Drieëenigen God,
â 71 â
2. KYRIE ELEISON.
Gaat zich nu het verlossingswerk vernieuwen, o dan is ook de tijd van ontferming (1) en barmhartigheid gekomen; dan moeten ook, zoowel priester als volk, om genade smeeken. Dat doen zij, de priester biddend, het koor zingend, beiden zich vereenigend met de negen Koren der Engelen, in de negenvoudige kreet om ontferming der Goddelijke almacht. Hooit, driemalen klinkt het smeekend: Kyrie elcison: Heer, ontferm U onzer! Driemalen: ('.kriste eleison: Christus, ontferm U onzer! Driemalen opnieuw: Kyrie eleison: Heer ontferm U onzer! Die bede om ontferming wordt gestierd tot de Allerheiligste Drievuldigheid, driemalen tot den Vader, driemalen tot den Zoon, driemalen tot den 11. Geest. Waarom tot driemalen toe tot ieder der goddelijke Personen ? Omdat in ieder dier Personen de geheele Drievuldigheid vereenigd is. Welzijn de Vader, de Zoon en de H. Geest drie onderscheidene Personen, maar drie Personen, die één in wezen, die maar één God zijn. Neen, neen, zij zijn niet als drie menschelijke personen van elkander gescheiden , zij zijn in elkander; in den Vader is de Zoon en de H. Geest: in den Zoon de Vader en de H. Geest: in den H. Geest de Vader en de Zoon, en van alle eeuwigheid en door alle eeuwigheid is geen der goddelijke Personen ooit zonder de twee anderen. Daar alzoo in ieder Persoon de geheele Drievuldigheid zich bevindt, zoo smeeken wij ook ieder Persoon driemalen om ontferming. Maar den Vader en den 11. Geest bidden wij met hetzelfde woord «Kyrie: Heer,quot; omdat deze twee slechts ééne natuur n. 1. de goddelijke hebben : den Zoon echter roepen wij driemalen met den naam van Christus aan ,
(1) Ps. CX, 14.
â 72 â
will Hii ook de metischelijke natuur heeft aangenomen uil het maagdelijk lichaam van Maria en dus in Hem twee naturen n. 1. de goddelijke en de mensehe-
lijke vereenigd zijn.
0 die kreet dier smeekbeden moet dan ook ontzettend veel vermogen op het hart van God. Een H Basilius herhaalde ze voor de gesloten poorten van Pavia's Kerk en deze openden zich van zelt. De gelukzalige Geminianos slaakte ze, en vijt koningen
sloeg hij op de vlucht. (1)
Treffend was het, als oudtijds in de eerste eeuwen der Kerk deze litanie, zooals de H. Benedictus (2) ze noemt, voor de catechumenen ei. boetelingen werd aangeheven en voortgezet tiooi het christenvolk. (3) Die doopleerlingen, die nog immer vol verlangen verzuchtten naar het oogen-blik dat het water des Doopsels over hunne hoo -den'zou vloeien, om gezuiverd te worden van de erfzonde, die boetelingen, die weenend naar het oogenblik smachtten, dat de priester hun de zonden zou vergeven, liggen daar neergeknield. De diaken maant eerst de eersten aan tot gebed met de woorden: Doopleerlingen bidtquot; en spreekt vervolgens tot de Christenen: M de geloovigen voor hen bidden, en vooral de A'tnderen.quot; â .Ta, de kinderen, die engelen der aarde, zoo zuiver van hart zoo onschuldig, zijn almachtig op het van ^'
zij vooral moeten smeek en: Heer, ontfeim ) -ons allen! â Op dat woord van den diaken knielen zij met de overigen neder, en als hij dan voor die Catechumenen de verhooring hunner verzuchtingen, het Evangelie van Christus, het leeren der geboden.
(â¢n Dmaiulus. Balionale L. IV. c. XU.
(2) Reaula c. IX. â (3) Zie Barthelemy. Itat,,malde Jhcrand. T. II. Note 7, pag. 463 en Gaume. Catech. U(' Persev. T- VU. XVI.
ile vreeze Gods, het kleed der onsterfelijkheid, de zuiverheid van lichaam en ziel, de vergiffenis der erfzonde en der overige zonden van den oneindig' goeden God afsmeekt, herhalen de geloovigen, en vooral de kinderen, telkens na iedere bede en immer met meer aandrang en vurigheid: Kyrie eleison: Heer, ontferm U onzer! Christe eleiuon: Christus, ontferm U onzer! Zoo deed hij vervolgens ook voor de boetelingen, zij n. 1. die om een of andere zonde publieke boeten moesten doen; en ook voor dezen herhaalde de vergaderde menigte na elke bede des diakens Kyrie eleison. â Voorwaar dat oogenblik trof eens ieders ziel, en het laat zich begrijpen, hoe tallooze zondaars door dat voortreffelijk gebed, vooral dier kleine onschuldige kinderen, tot inkeer gekomen zijn, hoe zij daar weenden en schreiden in het voorhof des tempels over hunne groote misdaden.
Klinkt het Kyrie en Christe eleison thans srneekend door het tempelgebouw, welnu verplaatsen wij ons dan in den geest naar die oude basilieken van Con-stantinopel of van Xicea, en zorgen wij met dezelfde gevoelens bezield te zijn als de geloovigen van die gelukkige tijden. Zijn wij, helaas, niet meer onschuldig als die schuldelooze kinderen, verzuchten wij dan met den blinde van Jericho: «Jezus, Davids Zoon, ontferm U mijner!quot; Hij riep niets anders en hield niet op met roepen: Heer, ontferm U mijner! En de blinde kreeg het gezicht terug. â Zoo zullen ook de oogen uwer ziel geopend worden, zij zullen u tranen doen schreien, tranen van berouw over uwe zonden, en aan God zal weder meer eer en glorie, den mensch op aarde vrede gebracht worden, de vrede namelijk der vergiffenis, de vrede met God. Met de engelen om Bethleherns stal, met Christus' plaatsbekleeder zult gij het blijde: Gloria in excelsis Deo: Glorie aan God in den hooge, en vrede op
aiirdo den menscli van goeden wil. kannen iuinheU'en.
§ 3. GLORIA IN EXCELSIS.
Die heerlijke lofzang, dat verheven en schoone lied dat te Bethlehem begonnen werd, wordt thans dooi' den priester aangeheven, en door het volk, hij monde van het koor, voortgezet, 't Is een gezang, dut opklimt tot de hoogste oudheid der 11. Kerk. Men vindt het in alle Missalen dor Oostersche Kerk, en in de Apostolische Constituties staat het aangegeven onder den naam van vMuryenf/cbed.quot;(i) Vele Latijnsche schrijvers noemen den H. Hilarius (-(â 369) als den vervaardiger er van. Maar de 11. Athanasius, zijn tijdgenoot, zegt dat de vrouwen in het Oosten eu vooral de Christen-maagden deze hymne uit het hoofd kenden en haar luide zongen, bij de kerkelijke plechtigheden. (2) Uit dit feit blijkt, dat /.ij dus veel ouder moet wezen; de maker er van is dan ook niet bekend. Het vierde Concilie van Toledo zegt daarom zeer terecht, dat de eerste woorden er van verkondigd werden door de engelen, en dat zij daarom de lofzany der oiu/cloi genoemd wordt, doch dat het verdere door leeraars der Kerk er hij gevoegd werd. (3) «Wat er van zij. zegt ons Don Gueranger, niets is schooner dan de verschillende verzuchtingen, waaruit zij is samengesteld, liet is hier niet een van die gebeden, gelijk bij voorbeeld de prefaties, waarin de Kerk eerst de leer uiteenzet, voordat zij bidt: neen, hier is alles verheffing, begeestering. De engelen zelve hebben den toon er van aangegeven : de II. Kerk zet het woord der engelen vooit. geleid en gedreven door denzelfden Geest gelijk zij.quot; (4) Wat zij uit den hemel verkondigen, wordt door de Kerk op aarde beantwoord, het is alsof alle stemmen der
(1) CoItal. A/wsl. !,. 7. c. M. â ('2) De Virginitate vers. lin. â (3) Gap. 12. â (4) Explication etc. pag. lO.
schepping gewekt zijn, om God uls om strijd to loven, te prijzen, te aanbidden, te verheerlijken. Ziehier die prachtige lofzang :
Glorie zij God in dun allerhoogste.
En vrede op narde den inenschcn van f/oeden wil!
Wij loven U.
Wij prijzen U.
Wij aanbidden U.
Wij verheerlijken U.
H y brengen U dan./; om uwe yroole heeriijiiiwid !
Heer God. Hemelkoninri. God, Abnachlifie Vader!
Eeniggeboren Zoon. Heer Jezus Ghristns. Heer God!
Lam Gods. Zoon des Vaders,
Gij, die â wegneemt de zo)iden der wereld.
Ontferm U onzer.
Gij die wegneemt de zonden der wereld, verhoor ons smeeken.
Gij, die zit aan de rechterhand des Vaders,
Ontferm U onzer.
Want Gij alleen zijl heilig.
Gij alleen de Heer,
Gij alleen de Hoogste.
Jezus Chuistus!
Met den H. Geest, in de heerlijkheid des Waters.
Amen !
Ziedaar de heerlijke hymne, welke na het smeekgezang der ontferming, door priester en geloovigen met de engelen en heiligen des hemels te zamen gebeden en gezongen wordt. Zij herinnert ons aan de tijdelijke geboorte van Jezus te Bethlehem. De priester, die haar aanheft, terwijl hij zijne handen ten hemel uitstrekt, en daardoor beteekent, dat hij zijn hart met de engelen vereenigt (1), vertegenwoordigt ons den engel van den grooten Raad, die aan de herders verkondigde, dat Jezus geboren was:
(1) Salvian. Lib. 1. de Prov.
â 76 â
de menigte van het hemelleger, dat zich lofprijzend en zingend met dezen vereenigde, vindt men terug in het koor, dat ze onmiddellijk voortzet (1). En ja, zij mag met do engelen gezongen worden, want toen de ware vrede door de mensehwording van Jezus kwam, toen werd de scheidsmuur weggenomen, welken de zonde gebouwd had tusschen hemel en aarde, tusschen fiod en den mensch. Do vrede tusschen menschen en engelen was hersteld. Ho Godmensch werd geboren, omdat de vrede tusschen God en den mensch was vernieuwd. En nu in het H. Misoffer, nu zich ai die geheimen vernieuwen, nu moet dus opnieuw de aarde met den hemel jubelen : «Eer zij God 'm den allerhoogste, en vrede op aarde aan de menschen van goeden wil.quot; (2)
Doch gaan wij nog eens wat dieper in die overheerlijke hymne der Kerk en verklaren wij nader wat zij bevat. Na den aanhef der engelen, waarin geheel het doel der mensehwording van Christus ligt opgesloten, keert de H. Kerk zicli onmiddellijk tot den drieeenigen God, om Hem in de kortste maar krachtigste verzuchtingen te loven, te prijzen, te aanbidden, te verheerlijken: om Hem te danken om zijne groote glorie. Wij loven. U, wij prijzen V. wij aanbidden U, wij verheerlijken U. wij brenr/en U dank om uwe yruote (/larie. Deze laatste woorden eischen eenige verklaring. Hoe zijn wij verplicht God te danken om zijne groote glorie? Ziehier ons antwoord : God vergroot zijn glorie door ons goed te doen. De mensehwording is het grootste goed wat hij den mensch kon doen: bijgevolg is deze ook zijne grootste glorie. Die glorie bracht dan ook het rnenschgeworden Woord, Jezus Chr.stus aan zijn Hemelschen Vader en daar Hij het c.'eed voor
(1) Innoc. O. Cit. c. XX. (2) Luc. 11. 14.
-- 11 â
ons, ja ter oorzaake van ons, zoo zijn wij ook daarvoor Gode den hoogsten dank schuldig: Gratiasagimus tibi propter magnam gloriam tuam. â En na aldus den éénen God geëerd en gedankt te hebben, keert de H. Kerk zich vervolgens tot (ie drie onderscheidene. personen, tot God, den Hemelkoning, God, den alinachtigen Vader, die het beginsel is der twee anderen, tot den eeniggeboren Zoon, den Verlosser, die met den II. Geest in de heerlijkheid des Vaders deelt. Maar daar het «Gloria in excelsisquot; de hymne vooral is der verlossing, zoo spreekt het ook als van zelf, dat daarin die tweede persoon der H. Drievuldigheid vooral moet verheerlijkt worden. Vandaar dan ook, dat zijne Bruid, de II. Kerk, die uit dat Verlossingswerk te voorschijn trad, in liaren jubel naar alle titels zoekt, welke zij haren henielschen Hrnidegom geven kan. /.ij verheerlijkt, zijne eeuwige Godheid met de woorden eeniggeboren Zoon. Heer Clod. 7,(iogt;i (Jen Vaders-, zijne menschvvoi'diag met: Heer Jezus Christus, Lam Gods; ja daar ilij in die menschwording de goddelijke natunrmetde niensche-lijke vereenigde, zoo vermengt zij die titels a!s onder elkander: Eeniggeboren Zoon, Heer Jezus Christus, Heer God, Lam Gods, 'Zoon des Vaders. â Ran naar het groote goed ziende, wat die menschwording, wat dat Lam Gods ons bracht, zingt zij tot tweemalen toe: Gij, die wegneeml de zonden der wereld, ontferm U onzer; Gij, die wegneemt de zonden der wereld, verhoor ons smeeken. 0 ja, Jezus, dat Lam Gods is ons zoen- ons sweeAoffer tevens. Hij die onze zonden door zijn bloed heeft uit gewischt, is ook onze Middelaar in den hemel, draagt onze smeekingen den Vader voor, en bezorgt ons de verhooring er van, door zijne H. Wonden.â Om ons in bot vertrouwen daarop nog meer te bevestigen, richt zich die 11. Bruid nu oj) eens in haar lied naar den hemel en dringt door tot de
- '78 -
rechterhand des Vaders. Daar ziet zij haar Bruidegom gezeten in de volheid zijner heiligheid, zijner macht, zijner glorie, dien Bruidegom, die het voorwerp is van haren lolzang, Jezus Christus daar dompelt zij zich als het ware in het wezen van God zeil' en aanschouwt Hem met den II. Geest één in de heerlijkheid des Vaders en derhalve den eenujcn Heilige, den eenigcn Heer, den eenigen Allerhoogste; Gij alleen zijl Heilif/, Gij alleen de lieer. Gij alleen de Hoogste, Jezus Christus, met den II. Geest, in de heerlijkheid des Vaders Amen.
O, welk' een verheven en hemelsche lofzang is deze hymne der H. Mis. Alles is er groot maar ook tevens eenvoudig. Hoe duidelijk hoe klaar, wordt hier weergegeven, wat een hymne voor haar doel moet uitdrukken, en in welk eene begeesterende taal! Waarlijk hier is de korte samenvatting van hetgeen er in de H. Mis gaat geschieden.
De H. Mis immers is een viervoudig offer: een eercolfer aan den al machtigen God,, een dankoKev voor ontvangen genaden en weldaden, een zoewolfer voor onze zonden en misdaden, een smecAolfer om nieuwe gunsten en genaden. Welnu het vGloria in excelsisquot; wij behoeven het niet verder te verklaren brengt ons zoo duidelijk mogelijk dat viervoudig olfer voor den geest.
Wat de onsterfelijke Vondel zoo voortreffelijk zeide van het geheele Misolfer, â dat mag men op dezen lolzang toepassen.
Hier wordt de tol van Eere Godt betaeld: Gresnent de straf op 's misdaets hals gehaelt, Gedanckt voor 't goet door 't Kruis ons aan-
(gestorven :
En al de Kerck genade en heil verworven. (1)
(1) Altaergeheimmenissen IH Igt;oek,
Wat stof tot diepe overweging ligt er in dien heerlijken lofzang opgesloten! Ja waarlijk liet liart moet opengaan, de ziel zic.li verhelfen ten hemel, als dit Gloria in excelsis door Priester en volk op waardige wijze wordt gezongen. Maar ook een Christenziel, die eenmaal begrijpt wat deze lofzang be-teekent, wordt met droefheid en verontwaardiging vervuld, als zij die hymne der verlossing verlaagd ziet tot een wufte opera-muziek, als zij die engelenwoorden hooit weerklinken op wereldsche tonen en klanken, die meer geschikt zijn om het hart van God af te leiden en het met onedele gevoelens te bezielen, dan het ten hemel te voeren, om er met de engelen en heiligen Hem te loven, te danken, te smeeken; eene muziek, die den christen doet vergeten, dat hij in de kerk is, dat hij Mis hoort, en hem alzoo de vele vruchten van het II. Misoffer doet verliezen. Waarlijk, de duivel kon geen slimmer uitvinding doen dan op die wijze de kerk binnen te dringen. Mogen de tijden toch aanbreken dat dergelijke zang voor eeuwig uit de kerk verbannen worde, en daar niets anders weerklinke dan hare eigene, rijke, biddende en zielverheffende kerkelijke zang!
§ 4. DE COLLECTE.
Jezus is dan geboren iu don stal van Bethlehem. Wij hoorden den priester met de Engelen het vGlnria in excelsisquot; aanbellen, het volk zette dien blijden zang voort. Het prees, het dankte, het smeekte om verzoening en gunsten dien waren Emmanuel, die op aarde gekomen is, om ons den waren vrede te brengen. »Amen!quot; weerklonk het ten laatste, «Het zij zoo!quot;
Zie, nu buigt de priester zich en kust eerbiedig
- SÃ -
het altaar, om den gebrachten vrede van den God-nienseh te ontvangen; liij keert zich naar liet volk en terwijl hij ten teeken, dat hij den vrede van Christus komt mededeelen, zijne handen uitstrekt en sluit, zingt hij ; »Domimis vóbiscum: De Heer zij met U.quot; Hij wil er mede zeggen: «Jezus is geboren. God is met ons, o, moge Hij thans ook met u allen zijn en blijven; dan vindt gij den waren vrede, die alle geluk der wereld overtreft; want als God met ons is, wie is dan tegen ons?quot; (1) Nog duidelijker wordt ons dit, als wij begrijpen, dat in ile eerste eeuwen alle priesters in plaats van dit »Dominus vóbiscumquot; steeds Pax vohis: Vrede zijn zongen; een gebruik, dat nu nog de bisschoppen behouden hebben.
En als het volk, bij monde van het koor, gelijk vroeger, dien wensch beantwoord heeft met het: ygt;Eii met uwen geest,quot; gaat de priester ons het verborgen en biddende leven van .lezus aanschouwelijk maken. Hij treedt naar den epistelkant en begint al zingende eenige gebeden te storten. Maar zou hij het kunnen zonder wederom het volk insgelijks daartoe uit te noodigen? Neen, hij weet het, hij staat daar niet voor zich alleen, en daarom maant hij alle aanwezigen aan tot het gebed door zijn: DOremus: Laten wij bidden.quot; â «Als wij dan die aanmaning vernemen,quot; zegt ons de H. Bonaventura, 2) »leggen wij dan alle onze ijdele gedachten al;vei-werpen wij dan toch alle verstrooiing, houden wij op met verkeerde oorfluisteringen in de kerk, en geven wij acht om godvruchtig te zijn en ons met het gebed des priesters in de Mis te vereenigen, Hij toch vergadert alle gebeden en godvruchtigs gedachten van zich zeiven en van alle omstanders.
(1) Rom. VIII. 31. (2) Expos. Misssc. C. II.
â 81 â
en stort ze voor God, door tnsschenkomst van onzen Heer Jezus Christus, uit.quot;
Dat doet de priester in de gebeden, welke hij zingt. Men noemt ze daarom, zegt de II. Alphonsus Maria, (1) Collecte (samenneming), omdat hij, als middelaar tusschen God en do menschen. aller ge-heden daarin te zamen neemt, en ze aldus den he-melsehen Vader aanbiedt. Men noemde ze ook alzoo, zegt de II. Gregorius, omdat ze oudtijds over het verzamelde volk werden uitgesproken, voordat men de kerk binnenging, waar het offer moest worden opgedragen. De 11. Augdstinus noemde ze daarom ook DZegeninr/.quot; (2)
De Collecte is van een groot gewicht. (3) De H. Kerk wil dan ook, dat zij met eerbied worde aangehoord en mede gebeden.
In vroegere eeuwen moest al het volk, als dit gebed door den priester gezongen werd, neder-knielen. De diaken gal' daartoe aanstonds na het igt; Oremusquot; een teeken door te zingen : »Fleetamus genua: laat ons de knieën huigenquot; en door te zamen met den subdiaken en de overige dienaren des priester neer te knielen. (4) En terwijl dan de priester staande en met uitgestrekte handen zijn gebed vervolgde, waren allen als smeekelingen geknield, en verklaarden aldus, hoe noodig hun de genaden waren, welke de priester voor hen vroeg;
(1) Oeuvr. Asc. Dujardin. ï. 14. I. e. â Pladys. Le Prèlre T. II. p. 171. â (2) De Dono Persev. C. 23.â (15) Dit laat zicli nog beter begrijpen als men bedenkt dat de H. Iverk de priesters dit gebed in de kerkelijke getijden eiken dag minstens nog vijf malen doet herhalen, n.1. in de Vespers, Lauden, en die der kleinere Uren. In de Priem en Completen, die men liet kerkelijk Morgen- en Avondgebed kan noemen, en die van latere dagteekening zijn, wordt het echter niet gebeden. â (4) Martene. de antiq. Rit. L. I. C. IV. Art. lil. 8.
G
â 82 â
eerst bij het einde zong de diaken het volk toe : vlleft u op: Levatequot; en sloot de priester zijn gebed met de woorden: «Door onzen Heer Jezus Christus, die leeft en heerscht door alle eeuwen der eeuwen;quot; en allen antwoorden als uit één mond : «Amenquot;.
Die ceremonie is thans wel niet meer immer aldus in gebruik; alleen in vele kloosters ziet men de kloosterlingen zich diep buigen, als de priester de Collecte zingt. (1) Op vele boete- en vastendagen is zij echter in de H. Kerk algemeen nog grootendeels behouden. Dan doet zij ook nog steeds het; »Flectamus genuaquot; en het «Levatequot; door diaken en subdiaken zingen; dan wil zij nog immer, dat het volk onder die gebeden nederknielt. (2)
Doch waarom blijft de priester altijd staan? Waarom houdt hij zijne armen uitgestrekt, als bij die gebeden zingt? Hoor het antwoord van Paus Innocentius III, dat hij ons geelt met den H. Justinus, Martelaar: ))Rij het gebed te staan is het deel der rechtvaardigen; daarbij te knielen dat der zondaars.quot; (3) De priester vertegenwoordigt den Rechtvaardige bij uitnemendheid, Christus, die aan het kruis met uitgestrekte armen bad en nog altijd, zijne wonden toonend in den hemel, voor ons bidt: met Hem gaat hij het goddelijk Offer brengen, hij is gescheiden van de zondaars. Hij bidt met uitgestrekte armen, dat is ook de natuurlijkste houding van iemand die smeekt: een kind. dat een gunst wil verwerven van zijn moeder strekt zijne armen tot haar omhoog. Dat is ook de meest passende houding voor het gebed: (4) de eerste christenen baden steeds met uitgestrekte armen; zij deden dit
(â¢1) Dom Guer. O. C. pag. '27. â (2) Missale Rub. Gen. XVII. 6. â (3) Innoc. Op Git. L. U. C. 22. â J list. 1. qu. 115. â (4) Ps. XXVII. 133 et 144.1 Tim. II. 8.
ter nagedachtenis aan Christus, die eenmaal, wij zeiden het reeds, op het kruis zijne armen uitgestrekt hield en zóó voor ons bad. (1) Afbeeldingen in de Catacomben gevonden van hiddenden, die men dan ook orantes noemt, doen ons die gewoonte nog beter kennen. â En mocht Jozue met het volk Israels niet zóó lang de Amalacieten overwinnen , als Mozes met uitgestrekte armen, ondersteund door Aarou en Hui', tot God smeekte? En werd bij het ondergaan der zon de vijand niet gelieel op de vlucht geslagen? â Zoolang dan ook Christus, vertegenwoordigd in den priester, de handen uitgestrekt houdt, dat is, zijne hulp en troost aan Israël, aan zijne Kerk, biedt, zal zij overwinnen op den duivel, en zal die vijand niets o)) haar vermogen. Daardoor blijft Hij met Zijne Kerk tot aan zonsondergang, dat is, tot aan liet einde der wereld. Welnu, als Jezus ons zóó tot voorbeeld is, zullen ook wij dan het zwaard des gebeds niet aangrijpen, en vertrouwende op zijn almacht en liefde, daarmede tegen den duivel strijden? ,1a bidden wij met den priester, en heffen wij onze harten ten hemel; blijven wij bidden: heel het leger der duivelen zal verslagen worden. Wie bidt, wordt zalig!
Er is in elke Mis één Collecte; op sommige dagen echter, op kleinere feestdagen en vooiul op dagen van rouw en boete, worden er nog een of meer gezongen, die men dan herinneringsgebeden (Coinmcmorationes) noemt. Het geschiedt, omdat men tevens op dien dag andere Heiligen hei-denkt, of bijzondere gunsten voor zich zeiven of voor anderen, bijzonder voor de zondaars, wil af-smeeken. Steeds echter zijn die gebeden kort; maar hoe kort zij ook zijn, hoe weinige er ook geschieden.
(1) Tertull. Apol. C. 30. de Orat. 0. 11.
â 84 â
immer moeten wij in die heerlijk sohoone gebeden eene eenvoudigheid en zalving bewonderen, welke men te vergeefs elders zoekt. Der katholieke Kerk alleen komt hot toe. zulke gebeden te vervaardigen, want de ware Bruid weet. hoe zij het hart van haai- Bruidegom moet veroveren. In korte woorden geelt zij de reden, het motief, van haar gebed, en trekt er aanstonds in nog kortere het gevolg uit voor haar en hare kinderen; zij doet haar bede. Zoo leerde ook Christus ons bidden. (1)
Gewoonlijk richt zich de collecte rechtstreeks tot God den Vader, omdat aan Hem het Offer wordt opgedragen; en zij eindigt dan met die heerlijke sluiting: ytDoor onzen lieer Jezus ChvistKS^ Uw Zoon, die leeft en heerscht in de eenheid des II. Geesten, God door alle eeuwen der eeuwen. Ook dit heeft zijn reden. Heeft Jezus niet gezegd : »A1 wat gij den Vader in mijnen naam zult vragen, zal u gegeven worden?quot; (2) Zouden wij langs een anderen weg tot Gods eeuwige weldaden kunnen geraken, tenzij door Hem. die de Middelaar is tusschen God en de menschen? O neen, alle genaden, welke ons toevloeien, worden ons geschonken om de verdiensten van Jezus Christus. Al onze roem, al ons vertrouwen, ja geheel onze zaligheid bestaat alleen door onzen Heer Jezus Christus. (3) â De Priester voegt er bij: die leeft en heerscht in de eenheid des 11. Gees fes, omdat de Zoon, zeg( Paus Innocentius, als God. met den Vader leeft en heerscht in de eenheid des H. Geestes. d. i. één God is met den H. Geest; of wel in de eenheid des H. Geestes, n. I. in den H. Geest, omdat Deze de eenheid, de liefde en band tusschen don Vader en den Zoon uitmaakt. (4)
(1) Math. VII. â Luc. XI. â (2) Joïs XIV. 13. â (3) Philip. III. 3. â (4) O. Cit. C. XXV.
En als de priester zijne sluiting geëindigd heeft, antwoordt het volk reet het koor: DAmen.quot; Die korte maar toch zoo krachtvolle uitroep omvat zoowel de uitdrukking van hem, die verlangt, als die bevestigt. Amen! Amen! zongen de Joden, als zij de verlangens huns harten in hunne psalmen hadden te kennen gegeven. »If cl zij zoo, het zij zou.quot; ygt;Amen, Amen.quot; sprak ook de goddelijke Zaligmaker, als Hij de sterkste uitdrukking van bevesting wilde gebruiken, ja als het ware een eed deed. » Voorwaar, voorwaar, ik zeg Uquot; enz. O hoe schoon is dan dat korte woord alhier geplaatst! Het drukt het verlangen uit, dat de smeekbeden, door den priester gedaan, worden vervuld, het drukt tevens de betuiging uit, dat wij vast en zeker gelooven in den Drieëenigen God, dat wij met de H. Kerk zonder eenigen twijfel aannemen, dat Christus in de eenheid met den Vader en den H. Geest door alle eeuwen der eeuwen heerscht.
vAmen,quot; dit woord, lezer, moet gij, als het door het koor gezongen wordt, en niet slechts nu, maar telkens, als het in de H. Mis zal weerklinken met den hoogsten eerbied uitspreken. Met heeft reeds door de eeuwen weerklonken van de engelachtige lippen van zoovele Heiligen, Martelaren en Maagden, Belijders en Heilige Vrouwen. »Wat zal het zijn,quot; roept Mgr. Gaume (1) uit, «als wij bedenken, dat dit ygt;A))W)i,quot; uitgesproken door de Engelen en Heiligen, eeuwig weerklinkt en zal weerklinken door de grenzelooze eeuwigheid onder de gouden gewelven van het hemelsch Jerusalem? O, verlevendigen wij ons geloof, en de strijdende Kerk der aarde vertegenwoordigt ons op gevoelige wijze de Kerk des hemels, als wij dezelfde hymne, welke zij er zingen, in denzelfden geest rnedezingen. Als wij
(1) Cateeh. de Persév. T. VII. L. en XVII.
â 86 -
niets anders kunnen zeggen dan Amen, doen wij dan ten minste ons best, om liet te zeggen gelijk de engelen, de uitverkorenen en heiligen. Maar geeft acht, hebben wij nimmer gelogen toen dat woord van onze lippen ten hemel ging? Wij zeggen Amen, het zij zoo, op alles wat de Kerk vraagt en belooft in onzen naam, en misschien blijven wij nog immer onzen verkeerden wil. onze slechte verlangens volgen. O mijn God, wat is het Amen van den huichelaar, het Amen van den gierigaard, het Amen van den eerzuchtige, het Amen van den wraakgierige, het Amen van de wellustelingen anders dan een bijtende ironie! Ongelukkig degene, die er zich aan schuldig maakt!quot;
5. DE EPISTEL.
In de Collecte doelde de H. Kerk vooral op de gebeden van Jezus, die Hij verrichtte tijdens zijn verborgen leven. (1) Nu zal zij ons langzamerhand zijn optreden doen zichtbaar worden. Joannes de Dooper, die de boetvaardigheid predikende, het Evangelie van Christus voorafging, zal het Lam Gods ons aankondigen, dat de zonden der wereld wegneemt.
Zie, de subdiaken ontvangt het boek van een der lagere dienaren, hij begeeft zich onder de sluiting van het laatste gebed des priesters met dit boek naar het midden des altaars, knielt aldaar en plaatst zich weder aan de Epistel zijde. Daar zingt hij, terwijl het orgel zwijgt, den Epistel, n.1. een gedeelte van het Oude of Nieuwe Testament, begeeft zich opnieuw met het boek naar het midden, en, na aldaar zijn kniebuiging herhaald te hebben, gaat hij ter linkerzijde van den priester neder-
(1) Hugo Vict, de Quibusd. ad. M. Speet. L. II. e 10.
â 87 â
knielen , kust diens hand en wordt door hem gezegend. (1) En onder deze plechtigheid vergezelt hem steeds één acoliet, doch ook slechts één enkele; (2) deze brengt hem het boek ter linkerzijde aan, gaat met hem naar het midden des altaars, blijft aan zijne zijde terwijl hij den Epistel zingt, antwoord bij het einde: dDco gratias, Godc zij dankquot; en geleidt hem ook verder tot den priester.
Ziedaar de ceremoniën, welke den Epistel vergezellen. Zij zijn eenvoudig, maar van diepe beteekenis. De Epistel, wij weten het allen, is niets anders dan een lezing uit de 11. Schriften, welke door God zijn ingegeven. Nu eens zijn het de Profeten uit het Oude Testament, dan de Apostelen, die in hunne handelingen of brieven tot ons spreken. Van de eerste eeuwen der Kerk was het gebruikelijk, dat bij iedere samenkomst der Christenen, deels tot onderrichting, deels tot opwekking en voorbereiding, zulke lezingen gehouden werden. Eerst las men dan een les uit het oude en vervolgens een gedeelte van een fier brieven der Apostelen. Tegenwoordig echter wordt slechts één Epistel gelezen, uitgenomen op de Quatertemper- en eenige andere dagen door het jaar. Immer gaan aan dezen alsdan eeue Collecte vooraf, voorzeker om de harten des te beter te bereiden oin Gods woord te aanhooren. In ile Ambrosiaansche en Mozarabische Ritus is echter het oude gebruik der twee Epistelen nog behouden. Men noemt ze Epistelen omdat het van God ontvangen of van hoven gc:onden woorden zijn, daar toch Profeten en Apostelen niet uit zich zeiven. maar verlicht door den II. Geest, geschreven hebben. (3) Zoo leereu ons de H. Honaventura en vele anderen. (4) Ook worden ze dikwijls Lessen (Lectiones)
(1) Missale Rit. Cel. VI. 4. (2) limoc. O. cit. c. XXIX. â (3) I. Petr. I. iG. â (4) De Sacr. Miss. 0. II.
â 88 â
genoemd, omdat zij, zooals wij reeds zeiden, voorgelezen werden ter onderrichting. Ue zang ervan geschiedt dan ook zonder eenige stembuiging, behalve bij een vraag. Punctuatie en betooning der lettergrepen moeten, het spreekt van zelf, daarbij zeer nauwkeurig worden in acht genomen. Terwijl de subdiaken den epistel zingt, kan men zich nederzetten: (1) De eerste Christenen deden insgelijks, om met des te meer aandacht en oplettendheid te kunnen luisteren naar hetgeen gelezen werd. Doen wij aldus en aanhooren wij die woorden, alsof een der oude profeten of een dei' apostelen tot ons sprak. Het zijn toch hunne eigen woorden. Dit alles verklaart ook het gebruik, ze na het evangelie in de moedertaal voor te lezen.
Er ligt echter in het gezang dier goddelijke openbaring een nog dieperen zin, dan alleen onderrichting en opwekking. Zij dient ook tot voorbereiding voor het Offer, dat langzamerhand nadert. »lmmers,quot; zoo zegt ons zoo schoon Pastoor van Campen, (2) )gt;uit en door deze spreekt God tot ons, het is Gods woord dat wij daar vernemen, het is om zoo té spreken, reeds een begin van de mede-deeling Gods aan ons, die straks in de Consecratie veel grooter en heerlijker wordt, om eindelijk in de II. Communie hare volmaaktheid te bereiken, of zooals Kössing zegt, het is het opgaan van de goddelijke liefde-zon, die in de Consecratie hare middaghoogte bereikt en in de II. Communie haren loop voltooit.quot;
Heerlijk beeld, dat ons thaus ook al de ceremoniën verduidelijkt bij het gezang des epistels in gebruik! Toen die goddelijke liefde-zon koesterend en verwarmend haar loop begon, toen Jezus zijn openbaar
(1) Missale Rub. Gen. XVII. 7. â (2). Du Liturgie van het II. Misoffer. Tilaitz. 131.
loven loerend en weldoende intrad, ging Hem zijn dageraad, Joannes de Dooper, vooruit. Van God gezonden trad deze op en predikte alom hot doopsel der boetvaardigheid. Hij ging voor het aanschijn des Hoeren om zijn weg te bereiden, zooals hij zelf zeido : «Ik ben de stom des roepende in de woestijn ; smaakt recht den weg des Hoeren.quot; (i)
Do subdiaken gaat naar het midden dos altaars. Daar woleer ontving hij neergeknield aan de voeten van Gods plaatsbekleeder, den Bisschop, van God de macht om in zijne Kerk den Epistel to lezen. Hij brengt ons in herinnering, dat hij, evenals Joannes, van God gezonden is. Hij zingt de lessen van het Oude of Nieuwe Verbond, van Profeten en Apostelen, maar nimmer het Evangelie, waarin Jezus zijn openbaar leven zal doen kennen. Dit zal eerst later na zijne onderrichtingen volgen. Eerst zal God door de mond zijner profeten en apostelen en dan in de volheid zijner openbaring door zijn Zoon, Jezus Christus, tot ons spreken. Doch daar geheel zijne prediking, gelijk die van Joannes, tot God, tot Christus moet voeren, zoo is hij, als hij den Epistel zingt, ook naar het altaar, hot zinnebeeld van Christus), gekoerd. Alzoo is dan de subdiaken door zijn Epistelgezang de wegbereider, do vooriooper van Christus, de dageraad der goddelijke liefdezon, of om met Paus Innocontius 111 (2) te spreken: «De subdiaken treedt op als Joannes en zegt, zoo wel door zijn woorden als door zijn handelingen: «Ziedaar het Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld. Hij is het, die na mij komt en vóór mij geweest is, wiens schoenriemen te ontbinden ik niet waardig ben; ik moot kleiner worden. Hij grootor. Ik ben
(1) Marc. I. 3. â (2) Ã. eit. c. XXVII, zie ook Dur. Ration. L. IV. C. lö.
â 90 â
het liclit niet, maai' ik kom om getuigenis van het licht te geven: Hij alleen is het ware licht, dat allen mensch verlicht, die in deze wereld komt.quot; Om verder ook op de volgelingen van Joannes te wijzen, zoo gaat die geleerde Pans verder, vergezelt den subdiaken, die den epistel zingt, één dienaar, die insgelijks het gelaat naar het altaar gekeerd houdt; doch ook slechts écu, terwijl straks, als het Evangelie verkondigd wordt, deze zoowel als andere dienaren, den diaken zullen vergezellen. Het is omdat slechts weinigen Joannes' prediking met dankbaarheid aanhoorden eu Hem volgden, omdat het Evangelie door zoovelen en door Joannes zeiven werd aangenomen, die alsdan in de glorie dier goddelijke liefdezon, gelijk de dageraad bij het verschijnen der zon, zijn licht deed opgaan en verdween.
Ja, Joannes verdween, voor het oog der wereld ten minste, geheel en al. Omdat hij aan Herodes zijn overspelig en bloedschendig gedrag onder het oog bracht, werd hij in de gevangenis geworpen, en zou hij de kroon der Martelaren verwerven. Doch vóór hij stierf, zond hij, toen hij de werken van Christus vernam, ofschoon in boeien, twee zijner leerlingen tot Jezus, om hen aan Jezus te doen vragen of Hij de Verlosser was. Niet dat hij daaraan twijfelde, neen. hij. die in den schoot zijner moeder den eersten heilzamen invloed der verlossing had ondervonden, die den welbeminden Zoon des Vaders, toen hij Hem doopte, op zoo bovennatuurlijke wijze erkende, hij kon dit niet: maar hij zond hen tot Jezus, opdat zij Jezus zouden erkennen uit zijne wonderen.
Ook dit vinden wij als met den vinger aangeduid. Waarom toch begeeft zich de subdiaken na het gezang des epistels naar den priester met den acoliet, die hem bij den epistel ter zijde stond ? Het geschiedt.
â 91 â
zegt Innoeentius, (1) omdat Joannes, toen hij in de boeien Christus' wonderwerken vernam, twee zijner leerlingen tot Hem zond, met de vraag: zijt Gij het die komen moet, ol' verwachten wij een ander? (2) om hen uit de wonderen, die zij zagen, te doen begrijpen dat de Christus reeds gekomen was. Vandaar antwoordde Jezus en zeide hun : »Gaat en boodschapt aan Joannes wat gij gezien en gehoord hebt, blinden zien, kreupelen wandelen, melaatschen worden gezuiverd, dooven hooren, dooden staan op, den armen wordt het evangelie verkondigd.quot; (3) En daar de rechterhand des Heeren die wonderkracht uitoefende, daarom kust de subdiaken uit eerbied des priesters rechter. Maar zegenend ook wordt deze daarna door den priester uitgestrekt. De subdiaken wordt beloond voor hetgeen hij gedaan heeft, ontvangt daarmede tevens de goedkeuring voor zijn epistelverkondiging. Zoo deed ook Jezus, toen de leerlingen bij Hem geweest waren. Hij prees hun meester, den H. Joannes den Dooper. Hij zeide aan het volk: «Deze is meer dan een profeet. Voorwaar ik zeg u, onder de geborenen der vrouwen stond niemand grooter op dan Joannes de Dooper.quot; (4) â En met Joannes nam de Oude Wet een einde in Christus; Christus zelf begint de Nieuwe des Evangelies. Ook daarom wordt de subdiaken thans na den Epistel gezegend, terwijl de diaken straks vóór zijn evangelieverkondiging den zegen des priesters zal ontvangen. (5)
Van deze ceremoniën nadat de Epistel gezongen was, vinden wij reeds melding gemaakt in de 5do eeuw: toen echter scheen de voetkus in gebruik te wezen. »AIs de epistel door mij gelezen was,quot; zoo verhaalt een der hulppriesters van den H. Lanfrancus, «ging
(1) O. C. CXXIX. (2) Matth. XI. 3. (3) V. 5. â (4) V. II. â (4) Innoc. O. cit. XXIX.
â 92 â
ik volgens gewoonto zijne voeten kassen, ontving ik zijn zegen, en aldus niet zijne zegen teruggaan den, herstelde ik.quot; (1)
§ 6. HET GRADUALE.
Intusschen, terwijl deze ceremonie der zegening plaats heeft, heeft het koor het Graduale aangeheven. Het is het gezang dat oudtijds, gelijk ons kardinaal Bona, (2) Don Gueranger (3) en anderen verzekeren, de voorzangers, doch nooit meer dan twee, daalde zang er van zoo nauw luisterde, staande op de trappen van den ambon, het leesgestoelte waar het Evangelie gezongen werd, beurtelings met het volk zongen: of dat, volgens den 11. Alphonsus en kardinaal Hellanninus, gezongen werd terwijl de diaken die trappen beklom, om het Evangelie te gaan zingen. (4) Daarom wordt het nog immer Graduale of Trapgezang genoemd, gelijk ook de Psalmen, welke de joden zongen als zij de trappen des tempels beklommen, trappsalmen, Psahni gradualen heetten. Het is een voortreffelijke beurtzang, waarin men gewoonlijk de hoofdgedachte van den epistel terugvindt, of iets dat in nauw verband staat met het feest, dat gevierd of den tijd van het kerkelijk jaar, die herdacht wordt. Het wekt ons op om getrouw te volharden in de bevelen des Heeren. die wij zoo even in de lezing van den epistel ontvangen hebben, en om de trappen der deugden te bestijgen, welke ons opvoeren tot God. Want van deugd tot deugd moeten wij gaan. om ten laatste op den berg der verheerlijking God van aanschijn tot aanschijn te kunnen aanschouwen.
(I) Martene. de antiq. Kit. L. I. C. IV. Art. 'k No. 5. - (2) Rer. Lit. L. II. C. VI. IV. (3) Ex,)iic. etc. p. 33. â (4) Oeuvr. Asc. Diijardiu ï.'14. p. 20.â Pladys Le Prèlre T. II. p. 172.
â 93 â
Maar bij liet beklimmen van dion berg, hier in deze wereld, zijn wij altijd in het dal der tranen: is de arbeid ons als straf' der zonden aangewezen; aan het rijk Gods dus, dat eens zal komen, moeten steeds rnstelooze arbeid en aanhoudende boetvaardigheid vooralgaan, gelijk Joannes zoo herhaaldelijk verkondigde. Daaraan ook herinnert ons de Kerk en daarom, zegt Pans Innocentius en Durandus. (i) be-hooren mannen dit Graduale te zingen, geen kinderen, en, handelen die zangers vooral goed, die dit trapgezang niet in feestelijke of jubelende tonen uithalen, doch het veeleer als een zwaarmoedig en dof lied, eenvoudig en klagend zingen. Ziedaar verder ook de reden waarom de feesten van Paschen en Pinksteren, met hunne Octaven geen Graduale hebben; de H. Kerk denkt dan vooral aan de eeuwige rust en vreugde, waarin God na de verrijsenis de tranen zijner uitverkorenen afdroogt en er niet meer gearbeid behoeft te worden.
§ 7. HET ALLELUJA.
Vergeet de H. Kerk in die blijde dagen geheel en al de boetvaardigheid van lijden en arbeid, en deukt zij alleen aan de vreugde des hemels, ook nu, bij de andere Missen, moet zij toch aan die vreugde herinneren. Na de droefheid immers volgt de troost: zalig zij die weenen, omdat zij vertroost zullen worden. (2) Daarom wordt na het Graduale, tenzij in den vastentijd en in de mis der overledenen, liet Alleluja gezongen, dat ons de onuitsprekelijke vreugde beteekent der engelen en menschen, die in de eeuwige gelukzaligheid zich verheugen, dat is. God lofprijzen. Gelukkig toch degenen, die in uw
(1) O. cit. c. XXX. Rat. 1. c. c. 10. 20. â (2) Matth. V. 5.
â 94 â
huis wonen o Heer, in de eeuwen der eeuwen zullen zij U loven. (1) Die eeuwige verheerlijking wordt ons in dat blijde Alleluja op buitengewoon treffende wijze uitgedrukt. Overweeg eens dat woord. De koninklijke Psalmist zong het, ais hij in zijn Psalmen alle nienschenkinderen uitiioodigt om den Heer te loven, om zijn naam te verhellen door alle eeuwigheid ; (2) de grijze Tobias herhaalde het, toen hij de glorie mocht beschouwen van het hemelsch Jerusalem en daar met de engelen God verheerlijkte: (3) en Joannes de Evangelist, die door Gods Geest geholpen en verlicht, dat Jerusalem binnendrong, hoorde, bij den eeuwigen wierook der verheerlijking, die er opsteeg tot Gods troon, bij de uit-noodiging, die er door den hemel ging om God te loven en te prijzen, een kreet klinken als de stem van een ontzettende menigte, als het geruisch van vele wateren, als het geratel van vele donders; die kreet, zij was niet anders dan het «Alleluja, Alleluja, Alleluja.quot; (4) Moet het nog gezegd, wat dit Alleluja beteekent, dat het in de overmaat der lofprijzing Gods op de aarde is nedergedaald om ook ons met de engelen te doen medezingen :
Alleluja! looft den Heer!
Geeft liem dank en roem en eer,
Werpt Hem krans en zegepalmen
In een wolk van wierook op;
Laat uw lied er hoven galmen,
Steigren tot den hemeltop,
Laat liet hooger, hooger varen
En inet onverzachten toon,
Met den slag der harpenaren.
Met den schal der Englenscharen,
Zweven om zijn glorietroon!
Alleluja! Alleluja!
(i) Ps. LXXXIII. 5. â ('2) Ps. CX en CXII. â (3) Tob. XIII. â (4) Apoc. XIX.
Lof den eenwgen Opperheer!
Alleluja! Alleluja!
Dank en prijs en roem en eer! (I)
»Lof den eeuwgen Opperheer!quot; Ja, dat is de beteekenis van dat enkele woord ^Alleluja.quot; Het omvat de bede tot verheerlijking van don Drieëenigen God, 't gebod om Hem eer en glorie te geven in eeuwigheid, de lofprijzing van hemel en aarde. Het moet daarom weerklinken, als wij aan de vreugde des hemels denken, waar wij God zullen aanschouwen van aanschijn tot aanschijn: 't moot zwijgen, als wij in ons tranendal, in de woestenij dezer wereld, do zeventig jaren van ballingschap ons herinneren; 't wordt daarom tallooze malen herhaald, als wij do glorie dos Drieëenigen gedenken; 't gaat op in eon smeekbede om eeuwige rust en eeuwig licht, als wij do zielen van hen gedenken, die nog niet tot die glorie zijn doorgedrongen: 't is de kreet, dio uit duizend monden opgaat en duizendmaal herhaald wordt, als Jezus' Godheid zich in zijne glorie bij do verrijzenis vertoont: die gesmoord wordt als zijn lijden en dood in al hunne uitgestrektheid ons voor oogon staan.
Alleluja! O wat gedachten gaan hier door onze ziel, als wij dat woord overwegen, ou nog moor. als het daar door hot koor gezongen en herhaald, of liever, zooals Ruportus zegt, vol blijdschap gejubeld wordt. (2) Hoort waar hot kan, wordt het door hinderen voorgezongen, zooals Durandus (3) zegt, want God hoeft zijn lof uit de mond van sprakeloozon gevormd; on de schoonste verklaring en uiteenzetting van dit woord vindt men in Davids Psalm : Laudate PL'EKi Dominmn: Looft kinderen den Hoor; welke dan ook tot titel hoeft: Alleluja. Hot wordt door
(1) Mgr. Broere. â (2) De div. Off. L. 1. C. 35. â (3) Rat. div. Offic. L. 4. C. '20. n. 7. 8.
â 96 â
geestelijken herhaald, want hot is eon druppel uit dien oceaan dor vreugde van het hemelsch Jerusalem, die eerst in do ziel van patriarchen en profeten, en later overvloedig over de apostelen i;s neergevallen; (1) juichend schiet het ten hemel, en jubelend wordt de laatste syllabe in de rijkste on wisselvolste noten-wondingen voortgezongen, (2) zoolang het slechts mogelijk is. O wat drukt die jubelende A veel uit. Zegt zij ons niet dat de vreugde der Heiligen in den hemel grenzenloos is, dat zij duurt door alle eeuwen der eeuwen? Deteekent zij ons niet. dat hetgeen daar bereid is voor de zaligen en heiligen onuitsprekelijk is: dat dit genot niet in woorden vertolkt kan worden, maar zich moet uitdrukken in don galm der vreugde? Ja, dit alles, zeggen de H. Bonaventura (3) en de H. Angnstinus, (4) ligt in dien blijden zang des Alleluja's opgesloten. Gelijk de koningin van Saba, (5) toen zij in de heerlijkheid van Salomon verscheen, zoo kan de Kerk bij het beschouwen dier hemelsche glorie geen woorden meer vinden, om hare blijdschap uit te drukken; zij uit zich in den klank des gejubels, het geluid der vreugde zonder woorden, dat zich in hare uitgestrektheid niet door syllaben laat bedwingen, houdt 'taan zoo lang zij vermag, ja blijft het zwellend en juichend voortzetten, als om haar verlangen te kennen te
(-1) Rupert, de div. Olf. L. 1. c. 35. â ('2) Bit zingen zonder woorden (neumatizarcj noemt men juhilare, juichen, jubelen; het geschiedt om ile overvolle vreugde des harten te kennen te geven, eene vreugde die men niet door woorden kan uitdrukken. Van daar zegt de H. Augustinus; de jubel bestaat in een geluid der blijdschap zonder woorden: Qui jubilat, non verba dicit . seil jnbilare sonus quidam est laetitiae sine verbis. (In Ps. 0!l. 4.) â (3) Exp. M. c. II. â (4) In Ps. XXXII. 2. S. 1. n. 8. - (5) III. Reg. X. 5.
â 97 â
geven, dat het haar reeds geoorloofd was, het nooit meer te onderbreken in de eeuwigheid der eeuwigheden.
Moge dat blijde Alleluja voor ons allen een aansporing zijn om mede te jubelen en God te verheerlijken, maar moge het geschieden, gelijk de H. Augustinus zegt, door onze tong, onze stem, ons geweten, ons leven en onze daden. (1)
§ 8. DE TRACTUS.
Van Zondag Septuagesima tot Paaschzaterdag, de dagen van rouw en droefheid der H. Kerk, alsmede in de Missen der overledenen mag echter die kreet der vreugde niet ten hemel gaan. Het ïïAllelujaquot; zwijgt in alle kerkelijke getijden; ook in de H. Mis is het als uitgestorven. In plaats daarvan wordt nu de Tractus gezongen, ingesteld door Paus Teles-phorus. (f -138) Dit gezang wordt aldus genoemd naar het woord trahere, hetwelk trekken beteekent. waarvan tractus is afgeleid, omdat ze trekkend, met langzame stem, en de woorden zwaar betonend, (2) of ook, omdat het geheel achtereenvolgens in één trek, door één koor gezongen werd (3), terwijl de diaken zich bereidde om het Evangelie op de ambo te gaan zingen. Somwijlen bestond deze tractus uit een geheelen psalm, gelijk wij nog zien op den 'lstequot; Zondag van de Vasten; meestal echter slechts uit eenige verzen.
In hoogeren zin, zegt ons Durandus, is dit gezang een afbeelding van de ellende en den last der drukkende ballingschap hier op aarde, welke den psalmist deed uitroepen: Wee mij, daar mijne ballingschap verlengd is. (4) Wat ben ik ongelukkig dat mijne
(1) In Ps. CXI,. III. 1. '2. â (2) Dur. I. c. C. XXL '1. â (3) Don Gueranger ü. c. p. 34. â (4) Ps. '119. 5.
7
â 98 â
ballingschap zoolang duurt. De Tractus herinnert ons aldus ook aan het lange wachten der H. Patriarchen naar den Verlosser: aan de droet heid en ellende der Babylonische gevangenschap waarin de joden, aan de oevers van den Euphraat weenden en hunne muziek-instrumenten aan de takken derboo-nien ophingen, en met lang gerekte tonen hunne zuchten en klaagliederen deden hooren.
Niet altijd echter is de Tractus geheel droevig van toon, neen, bij de ellende van dit leven, komt soms de gedachte aan de eeuwige vreugde het hart verruimen. Wie met Christus lijdt, zal ook met Christus verheerlijkt worden; dat weet men met zekerheid. Vandaar dat soms do sombere klagende toon overgaat tot een zang vol blijde hoop, vooral als de woorden die gedachten ingeven.
§ 9. DE SEQUENTIA.
De A van het Alleluja, die men in de rijkste en wisselvolste notenwendigen allerwelluidenst voort-zong, werd ook Sequentia genoemd, wat niets anders beteekent dan : Hetgeen volgt. Die jubelende notenreeks toch volgde onmiddellijk uit het Alleluja en sloot zich tevens in een welluidende volgorde of rij van tonen daaraan vast. Maar daar het aantal dezer jubelmelodiën van het Alleluja vermenigvuldigde, naarmate de feesten toenamen, en het soms moeielijk was om deze allen van buiten te kennen en aldus te zingen, begon men op die noten eenige tekstwoorden te plaatsen, die met de welluidende melodiën overeenkomstig waren : ook deze behielden den naam van Sequentia. (i) Soms ook noemde men ze Prosa want, zegt ons Don Gueranger (2),
(1) Dr. Nik. Gihr. Die Sequenza des Rom. Mesbuches. II Dl. § 6. â (2) O. cit. pag. 35.
in den beginne geleek de Sequentia volstrekt niet aan die maatvolle hymnen, waarvan men vele voorbeelden vindt bij de ouden, noch ook aan die regelmatige in cadens en dikwijls met rijm vervaardigde gezangen, die wederom later hunne verschijning deden. Het was een gedeelte prosa, dat men eenvoudig zong om de neumen van het alleluja met woorden te bekleeden. Langzamerhand bracht men deze tot het soort der hymnen. De jubelende tonen gaven daartoe voorzeker des te meer aanleiding.
Gewoon I ijk noemt men Xotker den stamelaar (-j- 912) omstreeks 880 abt van S. Gal in Zwitserland, als den eersten dichter van dergelijke jubelzangen. Paus Nicolaus I keurde er verschillende goed en stond toe dat zij iu plaats der neumen gezongen werden. Tegen het einde der lO1'0 eeuw hooren wij een tweeden Notker, insgelijks monnik van S. Gal, er weder andere dichten, alsmede een liermanus Contractus in de '11116 eeuw. Een Adam van S.Victor in Frankrijk werd in diezelfde eeuw in Frankrijk vooral beroemd door zijne vele en allerschoonst vervaardigde Sequentia's (1). Elke feestdag, die zijn alleluja had in de Mis, had in de middeleeuwen ten laatste zijn Sequentia of jubellied. En om dezen jubel nog meer te doen uitkomen en tevens de plechtigheid der feesten te verhoogen, werden zij meestal gezongen onder het gelui der klokken en hot bespelen des orgels.
Maar zij waren zeer verschillend naar de landen waar zij gezongen werden. Te groot was de verscheidenheid daardoor van Sequentia's, iu de H. Mis gebruikelijk: en daarin moest toch vooral, gelijk de éénheid der ceremoniën ook de éénheid der ge-
1
Zie over hem: Barthelemy in het Apendice van het Deel ïtBational de Durand.quot; daar vindt men
een rijken schat van miildeleeuwsche Sequentia's.
â -100 â
beden en gezangen bewaard worden. Tevens wilde Pius \ bij de herziening van het Romeinsch Missaal in 1570, zooveel mogelijk tot de oude boeken van Gregorins terugkeeren, vandaar besloot hij ze wel niet geheel af te schaffen, maar vier der velen te behouden en deze in het Missale op te nemen. Zij waren ; het » Victimae Pascaliquot; voor het Paasehfeest. het itVeni Sancto Spiritusquot; voor dat van Pinksteren, het »Landa Sionquot; voor Sacramentsdag en deze drie ook voor de Octaafdagen van deze drie feesten ; eindelijk het «Dies Iraequot; voor Allerzielendag in de missen der overledenen. Een vijfde het vStahat materquot; voor de twee feesten van Maria's Smarten, werd later, bij de invoering dier feesten ook in het Missale opgenomen. In deze twee laatste Sequentia's, die na liet Tractus volgden, spreekt, iedereen zal het begrijpen, meer de droevige toon.
§ 9. HET EVANGELIE.
Middelerwijl het koor het Graduale, het Alleluja met of zonder de Sequentia of de Tractus zingt, heeft de priester ze in stilte gebeden. Hij gaat dan naar het midden des altaars, buigt zich diep voor den Gekruiste, ten teeken dat hij door Jezus alleen iets vermag, en smeekt, aldus gebogen, gelijk wij straks den diaken geknield zullen hooren doen, om zuivering van hart en lippen, ten einde het H. Evangelie waardig te mogen verkondigen. Niet de Profeten of Apostelen zullen nu spreken, maaide Zoon Gods zelf, het eeuwig Woord des Vaders gaat zijne leer verkondigen. Luisteren wij dan aandachtig, en laten wij geen enkele ceremonie onopgemerkt voorbijgaan.
Terwijl de priester in stilte bidt, brengt de subdiaken, die straks den epistel gezongen heeft, het misboek naar de andere zijde des altaars. Hij zegt,
â 101 â
ons door zijne handeling, dat de overgang van het Oude naar het Nieuwe Testament daar is. Gelijk Joannes de Dooper, na eerst den weg bereid te hebben voor het aanschijn des Heeren, en den Verlosser te hebben aangekondigd, Jezus met den vinger aanwees, zoo zegt ons de subdiaken door zijne handeling ook thans: «Ziedaar het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt. Hij is het, die door zijn leer en voorbeeld u zal verlossen, hoort Hem.quot; â De priester leest dan met nauw hoorbare stem het Evangelie, welks einde de subdiaken in naam des volks beantwoordt met het dLcius tibi Christe, Lof zij U o Christus,quot; als wilde hij Hem bedanken, dat ook hij, als een andere Christus, Gods woord heelt willen verkondigen. In vroegere eeuwen toch las de priest ei' niets van hetgeen gezongen werd, en aanhoorde hij slechts het Evangelie. (1)
Intusschen bereidt zich de vertegenwoordiger der evangelisten, de tweede Joannes, de diaken, wien het in plechtige Missen gegeven is de blijde tijding van Gods Woord op plechtige wijze te verkondigen, tot die verheven zending. Hij treedt de autaar-trappen op, legt het boek in het midden des altaars (2) neder, dat ons, zooals wij weten, Jezus Christus beteekent, en geelt aldus het nieuwe verband te kennen dat er bestaat tusschen het Woord Gods, hetwelk hij straks zal gaan verkondigen en den Zaligmaker zeiven. Na de lezing des Evangelies staat hij den priester ter zijde, als deze den wierook doet in het wierookvat, en dezen zegent; want ook deze is thans noodig.
Daarna knielt hij vol eerbied voor het midden des altaars en bidt smeekend dit heerlijk gebed;
(1) Don. Gueranger Op. G. pag. 41. â (2) Missale. Ordo Missae.
- 102 â
â¢h/uivcr mijn hurt en mijne lippen, almachtige Gorf, Gij, die de lippen van den profcel Irnias met een gloeiende Iwol gezuiverd licht; wil mij door mve goedgunstige harm hartigheid zou reinigen, dat ik uw heilig Evangelie waardig moge verkondigen. Door Christus onzen Heer. Amen.quot;
Voorzeker, de zin van dit gebed is duidelijk. De diaken erkent zijne onmacht om het goddelijk woord des Evangelies te verkondigen, en vraagt daarom, gelijk de priester zoo even te voren, om reiniging van hart en lippen; hij vraagt het den almachtigen God, die eenmaal Isaias' lippen met een gloeiende kool gezuiverd heeft. Toen deze profeet in een visioen den Heer der heerscharen aanschouwde en de lofzangen der Serafijnen hoorde, waagde hij 't niet met hen mede te zingen, daar hij ten volle bewust was van zijne onwaardigheid. Toen nam een der Serafijnen een gloeiende kool van het altaar, raakte zijne tong en lippen aan en sprak: «Zie, ik heb uwe lippen aangeraakt; nu zal uwe boosheid worden weggenomen, en zullen uwe zonden gereinigd zijn.quot; 1) De profeet werd dan gereinigd en gezuiverd door den almachtigen God, zoo verlangt het ook de verkondiger van liet Evangelie.
En als hij dat gebed gesproken heeft, treedt hij onbeschroomd het altaar weer op, neemt het boek uit het midden, als van Christus, aan, en knielt neder voor den vertegenwoordiger des Zaligmakers.
Heer, gelief mij te zegeneti,quot; zoo klinkt alsdan de smeekbede des diakens; en de priester antwoordt al zegenend : »Dc lieer zij in uw hart en op uwe lippen, opdat gij ivaardig en passend zijn Evangelic rnoogt verkondigen, in den naam des '-'aders en des Zoons 01 des 11. Gees les.quot; â vAmenquot; klinkt het uit den mond des diakens, «Hel zij zonquot;:
(1) Isa. VI. 5â7.
â 103 â
hij kust de hand dos priesters, die ze op liet evangelieboek had uitgestrekt, staat op en gaat het Evangelie des heils verkondigen.
Ziedaar de plechtige voorbereiding tot het zingen des Evangelies. Waarlijk, zij is schoon en verheven! Zij zegt ons, dat de woorden des Evangelies goddelijke woorden zijn, dat niemand, volgens den Apostel Paulus, ze mag verkondigen, ze mag prediken, tenzij gezonden. (1) «Gaat,quot; zoo sprak Jezus tot zijne leerlingen, sen onderwijst allen : (2) gelijk de Vader mij gezonden heelt, zoo zend ik u.quot; (3) Zoo moet nog immer de prediker van het woord Gods zijne zending ontvangen van de plaatsbekleeders van Jezus Christus, van den Paus en de Bisschoppen. Heeft hij ze niet, dan is hij een indringer, een valsch profeet: dan is hij een wolf, die onder schaaps-kleederen tot ons komt. Dat zeggen ons die plechtige zegening en gebeden des priesters, dat het leggen van de hand op het evangelieboek, dat die kus des diakens, welken hij als teeken van trouw en dankbaarheid aan zijnen zender schenkt.
En de Godsgezant gaat uit om het Evangelie der Nieuwe Wet te verkondigen. Als Mozes. toen hij met de tafelen der Wet Gods van den berg Sinaï afdaalde, zoo stijgt de diaken met de Wet des Nieuwen Verbonds van het altaar af; hij knielt naast den subdiaken nog eenmaal voor den Gekruiste, en gaat dan in plechtige processie naar de plaats, waar het Evangelie gezongen moet worden. Zie, de wierook-drager niet den brandenden wierook treedt voorop : (4) hij zegt ons, dat goede werken en gebed moeten voorafgaan, wil het Woord Gods goed verkondigd worden en waarlijk vruchten dragen : dat de prediker den goeden geur van deugden moet verspreiden.
(1) Kom. X. 15. â (2) Matt li. XXVIII. 19, (3) Joan. XX. 21. - (4) Missale Rit. Cel. VI 5.
â 104 â
wil hij waarlijk tot onze harten spreken: (1) de twee acolieten met de brandende kaarsen volgen: (2) zij getuigen, gelijk de leerlingen, die twee aan twee werden uitgezonden door Christus, dat het ware licht des Evangelies aan de wereld zal schijnen, hetwelk door zijn vlam allen mensch verlicht, die in deze wereld komt. (3) door zijne warmte het vuur der goddelijke liefde in onze harten ontsteekt, door zijn uitstralenden luister de glorie Gods in eeuwigheid blijft prediken.
Diaken en subdiaken volgen deze beteekenisvolle dienaren, en komen eindelijk aan de plaats, tot het zingen bestemd. Daar staat de subdiaken te midden der lichtdragers, en ondersteunt het boek des Evangelies, of houdt den lezenaar vast. De Oude Wet, is immers de zoon der slavin, die den Heer en Meester der Nieuwe moet dienen, en de subdiaken , de andere Joannes de Dooper, vertegenwoordigt nog immer de Oude Wet. â Zij moest de Nieuwe Wet steunen : .Tezus kwam niet in de wereld om de Oude af te schaffen, maar om ze te volmaken. De subdiaken moet dus de nederige dienaar, de aandachtige toehoorder zijn.
En nu klinkt de vredegroet aan het christenvolk. Jezus had zijn leerlingen bevolen : als gij een huis zijt binnengetreden om de blijde tijding des Evangelies te verkondigen, zegt dan altijd als uw eerste woord : «Vrede zij aan dit huis.quot; Zoo handelt ook de diaken, want hij wenscht aan het volk den Heer toe, die den waren vrede kwam brengen; hij zingt met luider stem: vDu lieer zij met u.quot; Maar tevens schijnt hij met dien groet, welken hij in de H. Mis slechts eenmaal doen mag, het volk te willen voorbereiden en zeggen: Gij gaat het
(1) Innoc. III. O. cit. C. XXXIX. â (2) Missa.le 1. c. â (3) Joan I. 9.
â 105 â
Woord Gods, het eeuwig Woord, vernemen: Dat is voor u allen een groote genade : dat dan de Heer niet u zij, dat Hij u verlichte en voede door Zijn woord. En al het volk staat op, en antwoordt hij monde van het koor: dEïi met uwen geestquot; De diaken erkent daarin hun verlangen om ook dat woord te hooren, hij maakt hunne harten nog leerzamer, hun verstand nog weetgieriger door hun te zeggen: Hoort, ik ga u het begin (of het vervolg) van het H. Evangelie verkondigen : vSeqnentia Sancti Evangelii etc.' Tegelijk maakt hij een kruisteeken met den duim op het boek en wel daar waar dat evangelie begint; vervolgens doet hij hetzelfde op zijn voorhoofd mond en borst, terwijl ook het volk zich aldus teekent; en als hij uitgezongen heeft, antwoordt dit juichend : »Eer en glorie aan U, o Heer, die ons uwen dienaren, de woorden des heils gezonden hebt.quot; »Gloria tibi. Domine.quot;
Wat wil dat teekenen met het kruis van evangelieboek en vervolgens van voorhoofd, mond en borst wel zeggen ? Door het kruisteeken op het boek te maken stelt ons de priester de waarde des Evangelies des te beter voor oogen, hij zegt ons daardoor: Wat ik u ga verkondigen is het Evangelie des Gekruisten; Jezus en dien gekruist, dezen prediken wij u; dezen vindt gij in dit evangelie. Voor de joden, het is waar, is hij een ergernis, voor de heidenen een dwaasheid. Maar wij mogen ons als zoodanig niet over Hem schamen, wij moeten Hem belijdend, roemen in het kruis van Jezus Christus, wij moeten de leer des gekruisten heminnen. Ziedaar waarom hij vervolgens het voorhoofd, den zetel der schaamte, den mond, waarmede men openlijk het geloof belijdt, en het hart, waarmede men beminnend gelooft ter rechtvaardigheid, teekent met het kruisteeken. En de geloovigen, die hetzelfde doen met den priester, willen ook daarmede hetzelfde
â 106 â
beteekenen. â Welnu, laat ons daaraan dan ook in hot vervolg denken, als wij voorhoofd, mond cn borst bij het evangelie teek enen niet het kruis. Laten ook wij dan met hart en ziel bij deze handeling zeggen tot den gekruisten Jezus: nimmer zal ik mij schamen over uw Evangelie, geen men-schelijk opzicht zal mij weerhouden het openlijk te belijden, U wil ik in mijn hart dragen om aldus vol liefde steeds te leven volgens uwe leer. O. als wij aldus doen, dan zal dat drievoudig kruisteeken, waarin tevens zooveel kracht gelegen is, ons versterken om te volbrengen wat wij beloven.
Maar ondanks al deze plechtige ceremoniën, welke reeds zijn voorafgegaan, kan do diaken nog niet besluiten het Evangelie te verkondigen. Hij wil eerst nog den geloovigen aantoonen, dat het woord des Evangelies een geurig reukwerk is, hetwelk zich overal, maar vooral in de geesten en harten der Christenen moet verspreiden. Daarom neemt hij het wierookvat, en bewierookt tot driemalen toe den tekst der goddelijke woorden; en dan vangt hij met vaste en volle stem, zonder overhaasting, den deftigen zang des Evangelies aan. Deze is eenvoudig, zonder veel moduleering of verandering van tonen: dit zou immers den zin des Evangelies, zeer dikwijls reeds in zich zeiven diepzinnig, nog verduisteren; het moet den hoorderen zoo gemakkelijk mogelijk gemaakt worden, dezen te begrijpen. Nochtans de zang verschilt bij dien van den Epistel, en behoort, schoon steeds dezelfde, o|i plechtige feesten blijder, vroolijker en opgewekter, op treur- en rouwdagen droevig en somber te zijn. De juiste en duidelijke uitspraak der woorden, met gepaste en degelijke betoning der lettergrepen, brengt de ware schoonheid aan dien Evangeliezang.
En onder dat zingen blijven alle geloovigen staan. Reeds Paus Anastasius gaf dat voorschrift (1) en
(,1) Ue Gonseer. C. I. Apostolica.
â 107 â
wilde dit, omdat men daardoor tu kennen zou geven dat men bereid is om ten strijde te gaan, ten einde de wet van Christus te verdedigen, en de bevelen en vermaningen o)) te volgen, welke in liet Evangelie liggen opgesloten. (1) Waren wij in de middeleeuwen bij het Evangelie tegenwoordig geweest, wij hadden dan gezien, hoe allen hunne stokken, welke zij vroeger gebruikten om er o|) te steunen, neerlegden: de geloovigen zeiden daardoor, dat zij thans slechts dienaren wilden zijn in de handen van hun Heer en geen eigen meesters; wij hadden gezien, dat krijgslieden hunne wapenen aflegden, om te getuigen, dat zij zich niet meer met die wapenen van staal, maar alleen met de wapenen des gedulds wilden verdedigen: ol' wel dat zij hunne zwaarden uit de schede trokken en ze aan den Evangeliezanger presenteerden, te kennen gevende, dat zij gereed waren tot den strijd. De geschiedenis bewaart ons daarover schoone getuigenissen. (2) Laten zij allen voor ons een aansporing zijn om de wet der1 Kerk, waardoor zij het staan onder den zang of de lezing des Evangelies gebiedt, (3) immer als trouwe kinderen te onderhouden, en betuigen wij daarmede tevens onze diepe onderwerping, onze innige aandacht, onzen hoogen eerbied aan de woorden des Evangelies. En mocht het ons niet
1
S. Alph. Oenvr. Asc. T. 14. p. 2'1. â (2) Zie Bona de Rel), lit. L. ü. C. VII. 3. â (3) Missale Rub. Gen. XVII. 3. In het leven van den li. Wilhelmus, abt van Roschilil, leest men, dat een ongelukkige, ineengedrongen vrouw, die bij het graf van dezen Heilige zat, toen de diaken het evangelie verkondigde, opeens een stem van den hemel vernam, welke haai' toeriep: «Vrouw, sta op, aan Christenen past het niet liij het Evangelie te zitten, maar met eerbied moet men staan, en aandachtig aanhooren wat gelezen wordt.quot; Zie Bolland. Acta Sanctorum 0 Aprilis.
â 108 â
gegeven zijn, het latijn te verstaan, welnu laat ons dan .diezelfde zorg, aandacht en eerbied aan den dag leggen, als het Evangelie in onze moedertaal daarna wordt voorgelezen.
Want ja, dat Evangelie, waarbij de Kerk zoovele plechtige ceremoniën in acht neemt, moet wel iets buitengewoons wezen. Hooren wij daarover Paus Tnnocentius III (1): «Gelijk het hoofd heerschappij voert over heel het lichaam, en alle ledematen daaraan dienstbaar zijn, zoo munt het Evangelie boven het geheele officie uit. en stemmen alle overige deelen daarmede overeen. Het Evangelie toch is het woord des WOORDS. de uitspraak der UITSPRAAK, de wijsheid der WIJSHEID. Het woord des Woords, dat in den beginne bij God was, door hetwelk alles gemaakt is. De uitspraak der Uitspraak, welke komt van het koninklijk troongestoelte, een onbeperkte heerschappij voerende, levend, werkend, en meer doordringend dan alle tweesnijdend zwaard. De wijsheid der Wijsheid, die met kracht reikt van het eene einde tot het andere, en alles met zachtheid regelt. Het is het paradijs van geneugten, de tuin vol kruiderijen, de geestelijke wijnkelder, de spijskamer des levens, de tafel der toonbrooden, het vierspan van Abinadab, de toren van David, de schat van den vader des huisgezins. Hier is de bron der tuinen, de put der levende wateren, die met kracht stroomen van den Libanon. . . . Want hier spreekt niet een Mozes, die, schoon hij vroeger welbespraakt was. in zijn spraak belemmerd werd, sinds hij den Heer hoorde spreken. Hier spreekt geen Isaias. die van zich zeiven zeide: Wee mijner dat ik zweeg, dat ik een man ben bezoedeld van lippen! Hier spreekt geen Jeremias, die getuigde: Al al al Heer God, ik kan niet spreken, want ik
(1) O. cit. C. XI. VI.
â 109 â
ben een kind. Maar hier spreekt de Vader in den Zoon, dien Hij heeft aangesteld als erfgenaam over het heelal, en door wien Hij ook de eeuwen gemaakt heeft.quot;
Aan dat Woord van God komt dan ook alle eer en glorie, alle lofprijzing en verheerlijking toe. Daarom antwoordt het volk in de stille H. .Mis na het Evangelie bij monde van den dienaar: dImus ti hi Christe, Lef aan U Christus quot; daarom gaat in de plechtige Mis de subdiaken met het boek tot den priester, om het evangelie, dat gezongen is, eerbiedig te doen vereeren met een kus. Oudtijds deed dit niet slechts de priester, maar ook de bisschop en allen die in het koor aanwezig waren: zóó drukten deze allen hunnen diepen eerbied voor het Evangelie Gods uit. en brachten lof aan Christus.
En vervolgens neemt de diaken het wierookvat en bewierookt den priester tot driemalen toe. Ook hij meent nog meer hulde te moeten brengen aan dat verheven Woord, hetwelk hij mogt verkondigen, en weet daarom, nadat hij vóór de verkondiging ervan, hetzelve bewierookt heeft, thans niets beter te doen dan den vertegenwoordiger van Christus, den priester dit teeken der hoogste eerbewijzing te geven. Bedenken wij nog verder, zoowel bij het aanbieden van het boek door den subdiaken, als bij die bewierooking door den diaken, dat de eerste ons Joannes den dooper, de tweede Joannes den Evangelist vertegenwoordigt, dan roept gene ons door zijne handeling toe: Deze (Christus) moet grooter worden: ik kleiner; (2) en deze: »ÆÂ«. den beginne was het Woord, en het Woord was hij God, en het Woord was God. (3)
(1) Martene O. lit. L. I C. IV. Art. V. VI. â (2) Joan III. 30. â (3) Joan I. 1. â
â -110 â
s 10. DE PREEK.
Ook de preek meenden wij bij de behandeling der plechtige Mis te moeten bespreken. Ofschoon wel geen noodzakelijk vereischte tot de H. Mis, en nog veel minder een bestanddeel van het Oiler, was zij toch steeds van den beginne der Kerk af daarin opgenomen tot onderrichting der doopleerlingen, alsook tot aansporing der christenen zeiven. Geen wonder, de 11. Schrift, na de voorlezing ervan, te verklaren, was reeds een gebruik in de oude Wet. (1) Wij lezen verder bij den Evangelist Lucas (2), dat Christus op zekeren Sabbath eene synagoog binnenging endaar insgelijks aldus handelde. Nog duidelijker zien wij Hem dit verrichten in de synagoog der plaats waar hij opgegroeid was, te Nazareth. Daar stond hij op om te lezen; het boek van Isaias den profeet werd Hem gegeven: en nadat Hij een plaats gelezen had, rolde Hij de boekrol op, gaf ze aan den dienaar en zat neder om ze te verklaren, terwijl aller oogen op Hem gevestigd waren. En allen waren verwonderd over de woorden der genade die uit zijnen mond voortkwamen. (3) Ziedaar reeds de preek in het oude verbond. Geen wonder dan ook, dat de prediking des evangelies, d. w. z. de verklaring ervan, waarlijk apostolisch is. Zij ligt in het wezen der leer opgesloten, en wilden de apostelen hun ambt vervullen, door Jezus hun opgelegd, dan moesten zij prediken. (4) Dat dit nu van apostolische tijden ai', na voorlezing des evangelies in de H. Mis geschiedde, blijkt ons duidelijk uit het verdedigingsschrift van Justinus den Martelaar, hetwelk hij schreef in het jaar 138 of 139 n. Chr. en aan
(-1) II Esdras VIII. â (2) Luc. VI. G. â (3) Lnc. nr. 16â22. â (4) Matth. XXVIII. 19. 20.
keizer Antoninus Pius zond. (1) Daar lezen wij het volgende : »Op de genoemde Zondagen is voor allen, die in de stad of op het land wonen, de samenkomst in een gemeenschappelijke plaats. Dan worden de gedenkschriften der A postelen of de schriften dei-Profeten, zoolang de tijd het toelaat, gelezen. Houdt de voorlezer op, dan spreekt degene die voorzit eene onderrichtings- of aanmoedigingsrede uit, ter beoefening van dergelijke deugdenquot; (als in het voor-gelezene opgenoemd zijn). Daarna verhaalt Justinus hoe alsdan de H. Mis wordt voortgezet. In deze woorden hebben wij dus zoo duidelijk mogelijk het bewijs dat reeds van apostolische tijden af onder de H. Mis, en wel vóór de offerande gepreekt word. Gewoonlijk deed dit de bisschop zelf of diegene die het II. olfer opdroeg ; soms ook mochten het anderen doen, doch moesten daartoe door den bisschop zeiven worden bestemd. Zoo hoeren wij den H. Joannes Chrysostomus dikwijls preeken in tegenwoordigheid van zijn bisschop Flavianus ; (2) bisschop Valerius liet den H. Augustinus voor zich prediken (3) en deze op zijn beurt liet dit weder door anderen doen, als zij priester waren. (4)
Gelijk Christus, die zittend op den berg, (5) en uit het scheepje van Petrus leerde, (6) en aldus de verhevenheid van het leeraarsambt uitdrukte, waren velen ook gezeten als zij predikten, nochtans algemeen was dit niet en in latere tijden werd dan ook het staan des predikers, doch op een verheven
(1) Men vindt de vertaling ervan in. zijn geheel in Kreusei': Op. cit. pag. 150â152; men leze onk Gatalanus, Caer. Eporum Comment, illustr. L. I. C. XXII § II. IV en V. â (2) Chrys. adv. Jud. VI. 4. â in Genes. Serin. I. etc. Possidius in vita C. V. â (3) Aug. Ep. 21. Palladius in vita. â (4) Aug. Serin. C. p. 1718 (ed. Migne.) â (5) Matth. V. I. â (G) Luc. V. 2.
â 1-12 â
plaats, algemeen gebruik, terwijl het Christen volk gezeten luisterde. De prediker begon met hetkruis-teekon, riep in het begin den H. Geest aan, en deed een gebed, opdat de Heer de tong mocht besturen van hem, die predikte, opdat wat gezegd moest worden, goed gezegd, en door zijne hoorders goed mocht begrepen worden, (i) Dan begon de eigenlijke preek, die gelijk wij uit de kerkvaders zien, meestal bestond uit de verklaring van het evangelie, ol' van een ol' ander gedeelte der H. Schrift. Daarin legde men zich niet zoozeer op welbespraaktheid en oud-grieksche woordenpronk toe, maar op welsprekende eenvoudigheid, die niet de ooren der toehoorders vleide, maar duidelijk en klaar de waarheid ontvouwde voor het verstand, dit onderrichtte, maar ook tevens het hart opwekte tot ijver en liefde.
Geheel deze wijze van prediken vinden wij grootendeels terug in de voorschriften, welke wij thans nog daaromtrent lezen in het Ceremonieboek der Bisschoppen. (2) Daar vernemen wij, dat niemand onder de pontificale Mis behoort te prediken dan de bisschop zelf of een kanunnik, die alsdan, ten teeken zijner zending, voordat hij het preekgestoelte beklimt, de hand des bissehops kussen en zijnen zegen vragen moet. Wordt de H. Mis door een ander opgedragen dan den bisschop, dan mag ook een ander geestelijke Gods Woord verkondigen: steeds echter moet hij daartoe de zending van den bisschop ontvangen hebben. Gelijk toch alle zielzorg en de volheid des priesterschaps bij de bisschoppen berust, en door hen wordt uitgestort op de lagere geestelijkheid, zoo bezitten zij ook geheel en ten volle de macht om te prediken die door hen aan hunne onder-hoorigen wordt overgedragen, zoodat deze dit ambt
(1) Zie hierover Kreuser. O. Cit. 222,223.âCerem. Episcoporum L. I. C. XXII.
- 113 â
niet mogen vervullen tenzij door hen gezonden. Daarom dan ook vragen zij bij aanwezigheid des bisschops zijnen zegen; en spreekt deze ditschoone gebed uit: ygt;De Heer zij in vw hart en op uwe lippen, opdat gij Zijne heilige ivoorden ivaardig en vruchten voortbrengend moogt verkondigen. In den naam des Vaders, enz. Verder bepaalt dit ceremonieboek : dat de preek onder de Mis regelmatig moet geschieden over het Evangelie, hetwelk daarin voorkomt (1), een voorschrift, door verschillende conciliën reeds gegeven , en zooals wij zagen , van apostolische tijden in gebruik; dat ook de predikant, na eerst het hoofd ontdekt te hebben, moet beginnen met het kruisteeken en na geknield het »Wees gegroetquot; gebeden te hebben.
Waarom men met dat kruisteeken begint, zal iedereen spoedig begrijpen. Wij weten toch van Tertulliaan en den H. Cyrillus van Jerusalem, dat de eerste Christenen dit teeken bij alles gebruikten: als men uitging of te huis kwam, als men at of dronk, zich kleedde of schoeide, als men te ruste ging of opstond, als men zich aan het werk begaf of wat ook ging verrichten, steeds maakte men eerst het kruisteeken (2). Als men derhalve bij alle dergelijke dagelijksche zaken dit deed. hoeveel te meer moest dit geschieden door hem, die Gods Woord kwam verkondigen. Dat teeken versterkt daarenboven door zijne kracht dengenen die Gods waarheid moet verkondigen tegen zijne tegenstanders, en verkondigt aan allen dat hij Christus predikt en dien gekruist. Vandaar zeide dan ook de 11. Cyrillus van Jerusalem (3): Moet gij tegen onge-loovigen het kruis van Christus verdedigen, maak
(1) Caer Epoi um 1. c. £ II. â(2) Tertul. de Corona MilUis 0. III. â Cvr. Hier. in Catech. IV. XII. â (3) Cyr. 1. c.
8
â 114 â
flan eerst met de liand dat kruisteeken en hij zal verstommen, die tegen u optreedt.
Waarom echter ook dat Wees gegroet? Een Erasmus spotte daarmede en noemde het een gebruik om vrouwen te vleien, een navolging van de hei-densche dichters, die de Muzen aanriepen. Zoover gaat men als men met een geest van verzet bezield is tegen de katholieke Kerk en geen eerbied meer heelt voor kerkelijke voorschriften. Had hij echter de geschiedenis ervan meer van nabij nagegaan, dan was het hem duidelijk gebleken, dat dit gebruik ontstaan was wegens de ketterijen, welke omtrent de H. Maagd in de H. Kerk opkwamen (1); en was hij doordrongen geweest van de ware devotie tot dé Moeder Gods. dan had hij moeten toegeven, dat een der beste hulpmiddelen zoowel om te prediken, als om Grods Woord aan te hooren is. den bijstand in te roepen van haar, die nooit werd geëvenaard in het geloof aan en in de liefde voor zijn goddelijk Woord, die alles vermag op het hart van haren Zoon en door wier handen God besloot, zijne genaden aan de menschen uit te deelen.
Na de preek werden de doopleerlingen, boetelingen, joden en heidenen, in één woord allen, die nog ongedoopt of onwaardig waren het H, Offer bij te wonen, weggezonden: alleen de geloovigen, zooals de H. Augustinus (2) en Ambrosius (3) ons mede-deelen, bleven, om het Offer bij te wonen. Daarom sprak de diaken, na afloop van de preek, gelijk wij zagen in onze inleiding, tot de catechumenen en ongedoopten: Ité missa est: gaat, uwe bijeenkomst is ontbonden. Soms ook werd deze uitdrukking door hem gebezigd : Si quis catechu menus, si quis infidelis, discedat: zoo men doopleerling, zoo men on-
(1) Ferrar. de liilu ss. Eed. veto Cone, C. XI, â (2) Serra, XLIX. § 8. â (3) Epist. ad Mareell. Sor.
â \iö â
geloovige is, dat men heenga (1). Vervolgens werden de boetelingen, die wegens een of andere misdaad eerie kerkelijke stmt' hadden beloopen. uit de kerk gel)anneii, of, als deze geëindigd was, wederom in de gemeenschap der christenen opgenomen. Soms ool\ werd door een allaat hnnne boete verkort: een gelMiiik dat wij nog terugvinden in de pontificale Mis, als de Bisschop den gewonen allaat schenkt cu na de preek doet afkondigen (2). Dan werden ook verder alle kerkelijke aangelegenheden aam de geloovigen bekend gemaakt, zooals de leesten, verordeningen omtrent vasten- en onthoudings-dagen, en alles wat zij behoorden te weten, vooral in de dagen der vervolging (3); men sloot ten laatste met gebeden voor verschillende noodwendigheden, voor geestelijke eo tijdelijke overheden, voor den vrede, voor gevaarlijke kranken, pas overledenen, enz. enz. (4). Men ziet het dus. mochten thans ook dergelijke aankondigingen en gebeden vóór de preek geweldeden, 't is duidelijk, het zijn geen uitvindingen van latere tijden, maar' men vmrtt dat alles in de eerste eenwen dei' Kerk terug.'
Dut oude gebruik der wegzending van de doopleerlingen, boetelingen en ongedoopten leert ons nog. welk een ontzettenden eerbied de H. Kerk altijd â voor het hoogheilig Offer gehad heeft, en tevens welke eeue heiligheid elk christen behoort aan te brengen, om waardig daarbij tegenwoordig te zijn. Hoewel het oude gebruik is opgeheven, wil nog immer onze Moeder de H. Kerk, dat wij met zuivere harten of, zijn wij zondaars, ten minste met harten, die reeds het begin der boetvaardigheid en het. berouw bezitten, voor God verschijnen, om
(i) Zie Ivrenser O. eit. pag. 22C. â (2) Caer. Epornm I. t'. § IV. â (3) ivrenser. O. cit. p. 22(5. â (4) Martene 0. cit, I. I. art, V, VU.
â 116 â
met den priester het oneindig heilig Offer zijns Zoons aan den eeuwigen Vader aan te bieden. Hoe toch zou anders ons Offer Hem aangenaam kunnen zijn ? Laat ons aan dat alles denken, nu wij de Mis der Geloovigen beginnen.
DERDE HOOFDSTUK.
Het Credo, de Offerande en de Prefatie.
^ 1. HET CREDO.
a de jilechtige Evangelieverkondiging en de verklaring ervan, volgt op vele dagen door het jaar het Credo, dat door den priester gebeden en door het koor geheel gezongen wordt, 't Is eene plechtige betuiging dat men de leer des Evangelies vastelijk aanneemt en daarvoor wil leven en sterven. In de eerste drie eeuwen der Kerk was dit nimmer gebruikelijk; het was niet noodig dat de geloovigen openlijk hun geloof' beleden, vóórdat het Offer begon. Wegens de ketterijen echter, die in de vierde eeuw ontstonden, en vooral wegens die van Arius en Macedonins, werd het, ofschoon wel niet algemeen, weldra in sommige kerken gebeden en langzamerhand ook gezongen. Het Credo der H. Mis is dan ook niet het Symbolum (1) der Apostelen, maar dat hetwelk het Concilie van Nicea (325) ons gal'tegen de ketterijen van Arius, doch tevens ver-
(I) Het woord Syniboliuti beteekent een teeken dat men ter onderscheiding aanneemt. Zoo is in een leger het wachtwoord symbool, ten einde te weten of man van hetzelfde leger is; in den christelijken krijgsdienst nu. was het opzeggen van dit Credo een teeken ter ondersclieiding van hen die geen christen waren. Zie Bened. XIV. O. cit. 0. VIII. '2.
â 118 â
vereenigd met do bijvoegingen gemaakt tegen Macedo-nius in het concilie van Constantinopel (381). 't Is echter duidelijk, het Symbolum der Apostelen ligt ten grondslag. Wij meenden het in dit hoofdstuk te moeten bespreken, daar het zeker niet tot de Mis der doopleerlingen mag gerekend worden. Het Symbolum der Apostelen moest toch voor hen zoo lang mogelijk verborgen worden gehouden : eerst kort voor het Doopsel, dat men hun op Paasch-zaterdag toediende, werd liet hun geleerd, n.1. op Maandag voor den 5den Zondag in de vasten (1). Daarenboven was het hun, noch ook den christenen geoorloofd, dit uit te schrijven en aldus te bewaren (2); men moest het van buiten leeren. Dit alles geschiedde uit vrees dat quot;de heidenen het in handen zouden krijgen. Hieruit laat het zich dan ook zeer goed verklaren, dat, toen men het Credo in de H. Mis begon in te voegen, dit eei-st geschiedde na de Mis der doopleerlingen.
Vermeldenswaardig is verder de geschiedenis, waardoor het door den Paus vastgesteld werd, het algemeen te doen zingen in de Roomsehe Kerk. Want geschiedde dit wel hier en daar, en werd het ook meer algemeen op sommige dagen gebeden onder de H. Mis, het te zingen was tot de lie eeuw-geen algemeen gebruik (3). Dit werd aldus vastgesteld door Pans Benedictus VII. op aandringen van den 11. keizer Henricus. Toen deze toch in 1014 te Rome verbleef eu daar de Pauselijke Mis bijwoonde, was hij verwonderd, dat het Credo, gelijk reeds in zijn rijk gebruikelijk was, niet gezongen werd. Hij sprak er dezen Paus over, en ontving tot antwoord; »de Kerk van Rome is tot nog toe
(1) August. Sarin. CCXH. iu l'quot;er. 2 post. Dom. Quad. â ('2) Hier. Epist. Pammech. Rallïn. â (3) Zie liened.
xiv o. cit. l. ii. c. vm. 7ân.
door geen bederf van ketterij aangestoken, onbewogen bleef zij volgen de leer van den H. Petrus in haar hechtheid van het katholiek geloof: die geloofsbelijdenis luide door het volk te doen belijden in de H. Mis, is dus niet noodzakelijk.quot; Nochtans Keizer Hendrik hield aan bij den Paus, dat deze het ter verheffing dezer belijdenis en tot eenheid der Kerk, algemeen zou maken ten minste in de publieke Mis, d. i. in die van dén Zondag. De Paus stond het toe, en van dien tijd af, wordt dan ook des Zondags steeds het Credo onder de H. Mis algemeen gezongen (1). Langzamerhand kwamen daarbij verschillende andere feesten, welke op een of andere wijze in betrekking tot het Credo staan (2) zooals die van onzen Heer Jezus Christus, wiens godheid en menschheid er zoo uitdrukkelijk in beleden worden; van Maria, die er in genoemd wordt en tevens de moeder is des geloofs: vau de Apostelen, die liet geloof grondvestten: der Leeraars, die het verdedigden: van alle Patroonheiligen en van de wijding eener kerk. omdat alsdan het volk als op den Zondag bijeenkwam. Ook op hot feest van de II. Boetelinge Maria Magdalena wordt het gebeden of gezongen. Waarom flit? Omdat zij de eerste is gew-eest, die aan de Verrijzenis van Jezus geloofde, deze aan de Apostelen aankondigde, en alzoo de Apostel der Apostelen geweest is. Alzoo leeren ons Purandus (3) en vele anderen.
Gaan wij thans over tot de uitlegging der woorden van het Credo en de ceremoniën daarbij in gebruik.
O wat zegt ons die. groote akte van geloof, door den priester aangeheven en door bet koor voortgezongen, veel, zeer veel! Hoor, in het midden des
(-1) Mariene O. cii. C. IV. L. 1. Art. V. X. XI. â en Bened. XIV. I. c. â ('2) S. Tlioinas .i parte (| 83. Art. 4. â (3) Rationale etc. I. c. 0. XXV. 14.âDom Gueranger. Op. Cii. pag. 42.
â 120 â
altaars, voor het kruisbeeld van Jezus Christus, van wien het gelooi' komt, en die ons eenmaal rekenschap van ons geloof zal afvragen, heft de priester plechtig het eerste geloofspunt aan. dCredo in union Deumquot; zoo zingt hij, )gt;Ik geloof in één God;quot; en hij heft tegelijk zijne handen omhoog om te getuigen, dat het geloof eene gave des hemels is. want niemand kan gelooven, tenzij God hem de genade er toe geeft (i). Ongelukkig degene, die reeds zoover door de zonden gekomen is, dat hij zijn geloof verloren heeft! 't Is een bewijs, dat God hem heeft verlaten, en hij niet. tenzij door een wonder van Gods barmhartigheid, kan terug-keeren (2). Dat opheffen der handen, is tevens een teeken van vreugde en dankbaarheid voor de gave des geloofs. 't Is verder, een betuiging, dat liet geloof ook een beweging is onzer ziel naar God; van nature stijgt het op ten hemel, en verheft zich tot God. als het vereenigd is met de liefde. Vandaar tevens die uitdrukking der 11. Kerk Credo in unum Deum, waarin volgens latijnsch spraakgebruik die beweging naar iemand heen, ligt opgesloten. â Dan, als hij het woord : ygt;in één Godquot; zingt, buigt hij eerbiedig het hoofd, en brengt de handen te zamen op het hart. Ja, Lezer, gij begrijpt met mij aanstonds deze ceremonie: het hoofd moet gebogen worden, 't verstand onderworpen, om te kunnen gelooven: maar het hart moet tevens beminnen, de liefde moet met het geloof vereenigd zijn, wil het een verdienstelijk geloof wezen. Dcorde credilur ad justitiam.quot; (3) De waarlijk geloovige heeft het Woord Gods tot onderpand der waarheid van zijn geloof. Hij gaat niet af op zijn kortzichtig mensche-lijk verstand, dat in alles het begrijpen volgt: neen
(1) Hebr. VI. 6. â (2) 11 Cor. IV. 0. Con3. Araus. II. CC. 5, 7. (3) Rom. X. 10.
â 121 -
hechter is zijn grondslag, hij steunt op de onwankelbare rots van Gods openbaring, en de weg daartoe is gebaand door de bekeering des harten, door de liefde en door het werk van Gods almachtige genade. Gelukkig dan degene, die dat geloof bezit, in wiens geest het geworteld is, in wiens hart het gevoed wordt door de liefde.
Na het Credo te hebben aangeheven, bidt de Priester met zijne assistenten het Symbolum in stilte geheel af, en kan zich dan gelijk bij het Gloria in excelsis nederzetten op de zitplaatsen daartoe aanwezig (1). De reden daarvan is duidelijk: zij doen het om de geloofsbelijdenis van het volk te vernemen, en deze daarna als een welgevallig Offer aan God aan te bieden.
liet christenvolk is dan ook bij monde van het koor, zoodra de priester het eerste geloofspunt heeft aangeheven, voortgegaan de andere punten zingend te belijden. Zij betreffen de drie goddelijke Personen en de werken en eigenschappen, welke hun voornamelijk worden toegeschreven: den Vader, als Schepper van hemel en aarde, van alle zichtbare en onzichtbare dingen: den Zoon, die, ofschoon God gelijk Zijn Vader en aan Hem in alles gelijk, de Verlosser werd van het gevallen menschdom; den H. Geest, die, eveneens God en Heer, gelijk de twee andere Goddelijke Personen, de verlosten van Jezus Christus, welke tot zijn ware Kerk op aarde behoord hebben, in ziel en lichaam ten eeuwigen leven heilig maakt. Komt, belijden wij dan ons geloof in die aanbiddelijke Drievuldigheid, en bidden wij het den zangers na, die het zoo duidelijk en hef/rijpelijk mogelijk, zonder of met zeer zachte
(1) Missale Rub. gen. XVII. 8.
â 122 â
begeleiding van het orgel (-1), geheel en onverdeeld na het Dik geloof in één Godquot; van den priester, voorzingen:quot; den almachtig en Vader, Schepper van hemel en aarde, van alle zichtbare en onzichtbare dingen.quot; lielijden wij derhalve bij dit eerste gedeelte de éénheid van God en zijne almacht, almacht in den Vader, daar de schepping van hemel en aarde, van al het zichtbare en onzichtbare, van al wat o)i de wereld en in den hemel is. Hem vooral wordt toegeschreven.
Gaan wij dan verder en betuigen wij omtrent den tweeden Persoon der H. Drievuldigheid : »En in één Heer, Jezus Christus, Gods ééniggehoren Zoon en uit den Vader voor alle eeuwen geboren; God van God, licht van licht, waarachtig God van ivaarachtigen God; voortgebracht, niet gemaakt, medezelfstandig met den Vader: door wien alles gemaakt is. Die om ons mensehen, en om onze zaligheid is nedergedaald van de hemelen.
Jezus Christus is dus, zoo moeten wij gelooven, ofschoon mensch geworden, één en dezelfde Persoon. Hij is dus onze Heer, omdat hij God is gelijk zijn Vader, omdat Hij ons gekocht heeft door zijn bloed, llij is de eeniggeboren Zoon des Vaders, niet in den tijd, maar vóór alle tijden geboren, dat is van eeuwigheid, niet gemaakt gelijk alle andere schepselen, maar voortgebracht uit dezelfde zelfstandigheid, zonder dat deze werd uitgeput. God dus van God, Licht van Licht, ware God van den waren
(-1) Caer. Episc. L. 1. C. '28 10. â S. R. C. 7 Mart. l«(rl _ '22 Mart. 1 Waarom dit zoo nauwkeurig voorschrift? Omdat deze punten des geioofs door liet volk moeten gehoord en beleden worden tevens. De zin zou verloren gaan als de zang ervan niet eenvoudig was, als sommige woorden meermalen herhaald werden, als het orgel zicli er zou tusschen mengen of den zang zou overmeesteren door zijn al te harde klanken.
â 123 â
God, geboren, niet gemaakt, één in zelfstandigheid, in wezen, in natuur met den Vader, bijgevolg even machtig, even goed en volmaakt als de Vader, zoodat alles wat de Vader bezit, ook den Zoon toekomt, behalve dat hij geen Vader is. Uit het licht komt licht voort, uit den mensch wordt een mensch, en uit God wordt God geboren, dat is, de eenige Zoon, die een en dezelfde goddelijke natuur als de Vader heeft, en dus ook met den Vader alles maakte; per qucm omnia facta aunt, door wien alle dingen gemaakt zijn.
Maar die Zoon Gods heeft toch nog een tweede natuur aangenomen. Hij zag ons menschen in de zonden gevallen, wij konden ons zeiven niet verlossen, toen besloot Hij uit den hemel te dalen, en, terwijl Hij God bleef, mensch te worden voor ons: »Die om ons menschen, en om onze zaligheid is nedergedaald van de hemelen. quot; Hij vereenigde zich met de menschelijke natuur, en hij onderging in die natuur al wat de mensch ondergaan kan, werd in alles gelijk aan den mensch, behalve in de zonde, quot;ij werd een schepsel, levend te midden van ons, en zicli daar bewegend, zich in alles aan de behoeften der menschelijke natuur gelijkvormig makend.
Als wij daarna dan die diepe vernedering der menschwording van dien oneindig volmaakten Zoon Gods belijden, als wij met den Apostel Paul us en de geheele H. Kerk betuigen, dat Jezus zich vernietigd, zich ontledigd heeft, toen Hij do gedaante van een slaaf aannam, knielen wij dan ook eerbiedig neder met den priester en zijne dienaren, die knielen en buigen aan het altaar; knielen wij neder voor dien Jezus, die mensch werd, want die vernedering der menschwording was voor ons, die eens hoovaardig tegen Hem opstonden; Hij deed het om ons te verlossen; knielen wij ootmoedig neder, de
â -124 â
Kerk vraagt, ja beveelt het ons (1), betuigen wij er tevens mede dat Hem, ondanks die vernedering, (juddclijke eer- toekomt, en herhalen wij dat zoo treffend mysterie des geloofs:
Et incarnatus est de spiuitu sancto ex maria
virgine. et homo factus est: ')en hij is vi.eescii geworden door den H. geest uit de maagd maria, en is mensch geworden,
Dan gaan wij verder belijden wat Jezus voor ons in zijne niensehelijke natuur heeft gedaan: want Ilij heeft niet slechts onze zwakheden en ellende op zich genomen, Hij heeft voor ons ten volle willen voldoen aan de goddelijke rechtvaardigheid: ja nog veel meer: om ons zijne onmetelijke liefde te toonen en een voorbeeld te geven van alle deugden, liet Hij zicli slachtofferen O]) den Calvarieberg aan het kruishout: wij belijden het: »Gekruist ook is Hij voor u)is; onder Pon this Pilatus heeft Hij geleden en is begraven.quot; Ontzettend wonder zijner liefde! De oorsprong des levens, de Zoon Gods, de Meester van het heelal, de Schepper stierf voor zijn schepselen! En hij stierf niet slechts den gewonen dood, maar hij stierf aan bet schand/wmf des kruises. Maar aldus ook gaf bij bet heerlijkste teeken van de overwinning op den duivel. God wilde dat wij, die
(1) Missale Rul). Gen. XVII. 3. De H. Alphonsus Maria was door de grootheid van dit mysterie zoo overtuigd van ile voortreffelijkheid dezer rubriek, dat hij, grijsaard van 80 ii 90 jaar, ziekelijk en gebrekkelijk als hij was, zich nooit ontslagen rekende van deze kniebuiging. Als hij de H. Mis, bij zijne lange ziekte, zoo lezen wij in zijn leven, zittend bijwoonde, omdat hij niet meer voortdurend knielen kon, wilde hij toch op twee oogenhlikken geknield zijn; die oogenblikken waren, als in de II. Mis het: »Et incarnatus estquot; gebeden of gezongen werd, en gedurende de Corsecratie. Heerlijk voorbeeld ter navolging!
â 125 â
door het hout verloren gingen, ook verlost zouden worden door liet hout, en dat het geneesmiddel ons van daar zou toekomen, van waar de vijand ons gewond had : Ja, dit alles kan alleen een Godmenseh doen. â Maar wie G3d is, heelt ook goddelijke almacht; door goddelijke kracht stond Hij levend oj) uit zijn graf, klom ten hemel, heerscht en oordeelt daar met zijn Vader in zijn eeuwig rijk, dat ook in zijn verheerlijkte menschheid geen einde zal nemen. Daarom gaan wij verder in onze geloofsbelijdenis en bidden wij : ïgt;En IIij verrees ten derden dage, volgens de schriften; en Hij is opgeklommen ten hemel, zit aan de rechterhand des Vaders; en Hij zal wederkomen met heerlijkheid om te oordeeten de levenden en de dooden, aan wiens rijk geen einde zal zijn.quot; Dat is onze geloofsbelijdenis in Jezus Christus, onzen Verlosser.
Dan volgen de geloofspunten omtrent den derden persoon der H. Drievuldigheid, den H. Geest, den Heiligmaker.
Hij is waarlijk God, voortgekomen uit den Vader en den Zoon. even machtig, even wijs, even eeuwig als God de Vader en God de Zoon. Gelijk onze ziel het leven geeft aan ons lichaam, zoo bezielt Hij al wat geschapen is, maar geeft vooral het leven aan onze zielen en onderhoudt dat in de zijnen door de bovennatuurlijke genaden. Vandaar belijden wij te gelooven : dEu in den H. Geest, den Heer en Levendmakendequot; Hij komt voort van den Vader en den Zoon te zamen. Hem komt dan ook te gelijkertijd en te zamen inet den Vader en den Zoon goddelijke of opperste eer toe, wij moeten Hem aanbidden: fgt;dic uit den Vader en den Zoon voortkomt; die met den Vader en den Zoon tegelijii aangebeden en medeverheerlijkt wordt. En daarom wil dan ook tevens de Kerk, als men die aanbidding des H. Geestes belijdt, dat men eerbiedig het hoofd
â 12G â
buigt. â Hij was met de Kerk van het Oude Verbond, want door Hem voorgelicht, hebben de profeten gesproken: die floor de profeten gesproken heeft. Hij blijft ook met de Kerk van het Nieuwe, met de ééne, heilige, katholieke en apostolische Kerk van Christus, bestiert haar, maakt haar gezag in geloofsuitspraken onfeilbaar, blijft met haar tot het einde der wereld. Want op haar alleen is Hij nedergedaald op den Pinksterdag, gezonden door den Vader (1) en den Zoon (2); neergedaald om steeds met haar te blijven (3) alles te bevestigen wat Jezus geleerd had (4) en haar tevens de volheid der leer te brengen (5). En alzoo gelooven wij de ééne, heilige, katholieke en apostolische Kerk, daar zij alleen deze vier kenteekenen bezit, die het onfeilbaar' bewijs zijn voor haar goddelijke instelling. â-Hij, de levendmakende en heiligende Geest, voert ons alleen door het Doopsel die Kerk binnen, zal eenmaal onze lichamen weer bezielen en doen verrijzen, Hij ons eenmaal het onsterfelijk leven schenken. Daarom betuigen wij : Ik belijd één doopsel tot vergeving der zonden. En ik verwacht de verrijzenis der dooden, en het leven der toekomende eeuwe. Amen.quot; En terwijl de priester deze laatste woorden: net vitam venturi sceculi. Amenquot; bidt, maakt hij het kruisteeken. Laten ook wij dit steeds doen. als leerlingen van Jezus Christus, want wij belijden er mede, dat eenmaal, bij het einde dei-wereld en het begin van dat eeuwig leven, het kruis in de wolken den Rechter zal aankondigen, dat niemand, tenzij wie gelooft in den gekruiste, den hemel kan binnen gaan.
Ziedaar ons Credo der H. Mis. Waarlijk, bij het belijden dier verhevene maar toch zoo troostende
(1) Joïs XIV. 16. â (2) Luc. XXIV. 40. â (3) Joïs XIV, 10, _ (5) joïs XV. 26. â (5) Joïs XV. -13. 26.
â 127 â
waarheden van den godsdienst voelt men zich gelukkig, katholiek te zijn. 't Is dezelfde geloofsbelijdenis van vóór achttien eeuwen; wat de Apostelen beleden, dat ook belijden wij, en dat belijdt de gansche katholieke Kerk over heel de wereld, waar ook verspreid. »0, wat schenkt deze gedachte een ontzettende kracht aan ons geloof,quot; roept hier Mgr. Gaume (1) uit. Als een mirakel der goddelijke almacht plotseling in één kerk der wereld, al de katholieken van het heelal te zamen riep, als een zelfde mirakel al de geslachten der achttien vervlogen eeuwen uit hunne graven deed opstaan, ze veréenigde met die levende geslachten, en als het ons dan gegeven was, hun zang, hun taal te vernemen, wij zouden dezellde geloofsbelijdenis, hetzelfde Credo uit hunnen mond hooren weerklinken, dat wij herhalen, en dat onze nakomelingen zullen herhalen na ons.
»En als eenzelfde mirakel ook alle ketters, alle protestanten van alle eeuwen en landen ten leven opriep, en men aan ieder van hen zijn geloofsbelijdenis vroeg, wat zouden wij hooren ? Een eindelooze spraakverwarring, een waar beeld van de hel of van den toren van Rabel: er zouden zooveel geloofsbelijdenissen zijn, als er secten en personen in iedere secte zich bevonden, geloofsbelijdenissen, de een tegenstrijdig aan de andere, verschillend volgens de tijden en de landen.quot; En wij voegen er bij, als men alleen in Nederland, onze nu levende afgedwaalde broeders bijeenriep, en hun vroeg: Mijne broeders, welk geloof hebt gij ? men zou hun verschillende en onderscheidene belijdenissen niet bij honderden, maar bij duizenden kunnen tellen. Laat ons dan den goeden God steeds dankbaar zijn dat wij de gave des geloofs hebben ontvangen en tot de alleenzaligmakende Kerk behooren: laat ons
(i) Gaume, Cat. de Persev. P. 4. XVIIIl; Legon,
â 128 â
Hem betuigen, dat wij alles gelooven. wat Hij ons te gelooven voorstelt door zijne. Kerk, en dat wij in dat geloof willen leven en sterven. Maar vergeten wij ook onze afgedwaalde broeders niet; zij ook zijn zielen, door Jezus verlost: zij ook kunnen Gods glorie vermeerderen, zoo zij leven en sterven in het ware geloof: bidden wij dan toch dikwerl, als we aan het groot geluk denken, dat wij bezitten in de katholieke Kerk, voor hunne bekeering, blijven wij in dat gebed volharden: dan zullen wij die afgedwaalden tot den Schaapstal van Christus terugvoeren. Het gebed is alvermogend in den hemel.
§ 2. DE OFFERANDE.
Een Godsdienst zonder offer is een wanschepsel zonder hoofd, een lichaam zonder leven. Godsdienst vraagt volkomen onderwerping van den geheelen mensch met al wat hij bezit aan de opperheer-schappij van God. Als van nature vraagt deze dus oilers, d.i. aanbieding en algeheele schenking van uitwendige zaken aan God (1). Wie den geheelen Godsdienst wil doen bestaan in kennis en verklaring van het Woord Gods en verder alle olfer verwijderd houdt, dwaalt grootelijks, ja heeft geen Godsdienst.
Het Offer behoort noodzakelijk tot de Gods-vereering, tot den Godsdienst. Zie naar het volk Gods. Van het paradijs af bracht het Offers. De oude wet had hare eere-, dank-, zoenen smeekoffers. Zie naar de heidenen, waar de duivel zich in het veelgodendom als God liet vereeren. Ook hij vroeg zijne offers. Die heidenen brachten o. a. vee naar den tempel, bonden het aan het altaar vast, bogen den kop ervan naar boven of beneden, ter toewijding aan boven of
(1) Hebr. VÃI. 3.
â 129 â
onderaardsche goden, slachtten en -verbrandden het, en besloten onder gezangen met het offermaal die zoogenaamde heilige handeling. Het is waar, in de nieuwe wet bestaat slechts één offer; wij onderscheiden wel het bloedige van het onbloedige, doch in waarheid is liet één en hetzelfde, daar de offergave, Jezus Chr., ook dezelfde is. De H. Mis is de voortzetting of liever de vernieuwing van het kruisoffer op onbloedige wijze. Dit alles neemt echter niet weg dat wij bij dit offer moeten medewerken, dat priester en ge-loovigen medeofferaars moeten zijn. Ook van onzen kant vraagt dus dit H. Offer, voor zoover het in ons vermogen is, aanbrenging en toewijding aan God van offergaven; mogen zij in zich voor den oneindigen God onvoldoende zijn, en de tusschen-komst van den Godmensch Jezus Christus noodzakelijk wezen om ze tot een waardig offer te maken, noodzakelijk is onze medewerking, om het offer te doen voltrokken en de verdiensten ervan in te oogsten.
Wij gaan thans over tot dat gedeelte der H. Mis, dat men de offerande noemt van brood en wijn. Wij zullen zien dat oudtijds werkelijk ook die aanbrenging en toeheiliging der offergaven door priester en volk geschiedde, en dat ook nu nog die opoffering van brood en wijn uit alle ceremoniën, gebeden en gezangen luide spreekt. Tevens wordt het uit dit alles duidelijk, dat hij die de H. Mis doet lezen en daartoe zijn Stipendium aan den priester aanbiedt, in den grond der zaak eveneens handelt als de eerste christenen deden, en daarom dan ook na den priester een der eerste medeofferaars is van het onbloedig offer.
DE AANBIEDING DER OFFERGAVEN.
Na het Symbolum des geloofs, kust de priester het altaar, keert zich tot het volk en zingt: nDominus vobiscum: de Heer zij met u;quot; het volk antwoordt
9
â 130 â
weder; )gt;Et cum spiritu tuo: En met uwen geest.quot;
Het behoeft zeker weinig verklaring waarom deze groet hier gewisseld wordt: nu de priester de offergaven gaat aanbieden, wenscht hij dat de liefde en de vrede des Heeren in hunne harten wonen: dat tooh maakt hun offer Gode aangenaam. Daarom kust hij uit naam van allen het altaar, dat, wij weten 't, Christus beteekent en brengt vervolgens diens vredekus in zijnen wensch aan hen over. En het volk, nog meer overtuigd van 's priesters waardigheid, die met de macht des Allerhoogsten bekleed is en van zoo nabij als olferaar gaat optreden, wenscht, dat ook hij meer dan ooit in zijn geest met God ver-eenigd blijft. Maar wil die vereeniging hlijvcnd zijn, dan is Gods genade voortdurend noodig, dan moet men noodzakelijk blijven bidden. Daarom vermaant dan ook de priester tot eenparig en volhardend gebed, en zingt hij, gekeerd naar den gekruisten Jezus : »Oremus:quot; laten wij bidden en blijven bidden, dan zal God ook met ons blijven en ons offer ons voordeel aanbrengen.
Het koor zingt vervolgens het Offertorium, terwijl de priester hetzelve in stilte bidt: 't is een gedeelte van een psalm of van een andere plaats der H. Schrift, dat gewoonlijk zinspeelt op het feest of de plechtigheid welke gevierd wordt, en beteekent ons, zegt de H. Thomas, de vreugde van hen die offeren (1). Men noemt het Offertorium, omdat onder het zingen van dit gedeelte vroeger het volk immer zijne offering kwam doen van brood, wijn en alles wat voor het altaar benoodigd was. De groote bisschop van Carthago, de H. Augustinus (2), voerde liet zingen van zulk een lofzang in, en dit verspreidde zich spoedig over de geheele Kerk. Deze lofzang bestond niet uit één maar uit meer verzen.
(1) P. III. Q. 83. Art. IV. â (2) Lib. II. Retract, c. I I.
â 13-1 â
tusschen welke het eerste gedeelte immer zoo lang herhaald werd, als het offeren der geloovigen duurde. Zóó geeft ons de H. Gregorius de groote in zijn Antiphonarium de Offertoria (1). In de tegenwoordige Mis der overledenen zien wij er heden nog een voorbeeld van ; daar hooren wij ook het koor uit naam van het volk immer zingen: «Offers en gebeden brengen wij u, o Heer, ten offer, neem ze aan voor de zielen, waarvan wij heden gedachtenis houden (2).quot;
Ofschoon echter het zingen van dit Offertorium eerst dagteekent uit de vierde eeuw, was het offeren van brood en wijn en van andere benoodigdheden voor het offer reeds veel langer in gebruik. Het dagteekent uit de tijden der Apostelen, want zooals wij reeds opmerkten, bestaat er geen Godsdienst zonder offering en offer. En wij weten dan ook uit de handelingen der Apostelen, dat de eerste Christenen dikwijls hunne goederen verkochten, en den prijs ervan aan hunne voeten kwamen nederleggen.
Dat offeren der geloovigen ging ook vergezeld van verschillende plechtigheden; zij zijn te schoon om ze hier onvermeld te laten. Ziehier wat wij als algemeenen regel vinden in het boek der Roomsche voorschriften (3). «Terwijl de zangers het Offertorium zongen, kwamen de leeken, eerst de mannen en dan de vrouwen, met hunne offers, voornamelijk van brood en wijn (4), aan den ingang of de koor-
(1) Zie Bona, de Reb. Lit. L. II, c. VIII. 3.
(2) In vete plaatsen van ons land bestaat dan ook nog de gewoonte, onder de Mis der overledenen bij de ollei-ande het altaar te naderen, en daar een offer te brengen. Voorzeker een schoone gewoonte, die ons het oude gebruik der Kerk herinnert. â (3) Ord. Rom. II. Nn. fl. Zie ook Martene O. cit. L. I. C. IV. Art. VI. â (4) Wij zeggen voornamelijk brood en wijn; men bracht toch ook dikwerf andere zaken aan, zooals, olie voor de lampen, wierook, bloemen, was en alle andere
â 132 â
afsluiting van het priesterkoor. Zij droegen ze, vooral het brood, op witte doeken, en boden ze aldus aan. De bisschop ontving ze, en gaf het brood den subdiaken, die het in een wit kleed legde, dat door twee acolieten werd vastgehouden: de kruikjes of kleine kannetjes met wijn ontving de aartsdiaken, die ze ledigde in een grooten kelk, welken een andere dienaar daartoe vasthield. Daarna keerde de bisschop naar zijn zetel terug, waschte zich de handen en ging het altaar op. Dan bracht men het geofferde naar het altaar: de aartsdiaken stelde het altaar in orde en legde de offergaven daarop neder. Vervolgens schonk hij door een zeefje van den geofferden wijn in een kelk, alsook in den vorm van een kruis, water, dat te voren gehaald werd door den subdiaken bij den hoofd voorzanger, die dit uit naam van heel het koor offerde. Dien kelk plaatste hij ter rechterzijde van het brood. De bisschop groette dan het altaar door het te kussen, en ontving vervolgens de offeranden der priesters en diakenen, die het altaar mochten naderen; ook den keizer was dit voorbehouden. Na nog eenige ceremoniën, waarbij de offergaven gezegend en bewierookt, en aldus den Heer werden toegewijd, hield men vervolgens zooveel brood en wijn op liet altaar, als er noodig w-as voor het Offer zelve en voor het getal van hen, die onder de H. Mis moesten te communie gaan, en ging de bisschop voort met het H. Misoffer.
Ziedaar de oude manier der Offerande of dei-aanbieding van de offergaven. Zij is schoon en indrukwekkend, en ging gepaard van zooveel godsvrucht en ingetogenheid, dat ketters, die soms waren bin-
kerkbenoodigdheden. Zelfs offerden koningen en keizers dikwerf, door de schenkingsakten op het altaar te leggen, kerkelijke goederen.
nengedrongen bij het Offer, er zich door bekeerden (1). Thans vindt zij op een andere niet minder plechtige wijze plaats.
Zoodra het ygt;Oremusquot; door den priester gezongen is, haalt de subdiaken, zoo althans de kelk niet te voren op het altaar geplaatst is, den kelk niet toe-behooren, en draagt dezen, gedekt door een lang zijden schouderkleed, naar het altaar. Daar is reeds vroeger onder het Credo, of wordt nu door den diaken een wit linnen doek over het midden des altaars uitgespreid. Deze wordt Corporale genoemd, omdat er straks het Corpus Christi, liet Lichaam van Christus op zal rusten (2). O, het spreekt van zelf, dat het van zuiver linnen moet zijn, want de grafdoeken van Jezus' Lichaam, welke het ons be-teekent, waren ook van linnen. Veertien eeuwen geleden zeide het aldus reeds de H. Hieronymus, en de Pausen maakten het tot een streng verplichtend voorschrift (3). Vroeger was het echter zoo groot, dat het over het geheele altaar uitgespreid was, en tevens nog met de uiteinden den kelk bedekken kon. Daar dit laatste echter zeer veel moeite veroorzaakte, voerde men daartoe het gebruik in van een kleiner corporale, dat op den kelk geplaatst werd. Men noemt het Palla, van pallium mantel, omdat het den kelk bedekt (4). Paus Innocentius ziet er tevens een schoone afbeelding van den zweetdoek des Ileeren in, welke afgescheiden van het overige lijnwaad, boven Jezus' hoofd in zijn graf rustte (5).
Als dan dat corporale over het altaar is uitgespreid, ontdekt de diaken den kelk, hij neemt de pateen of den vergulden schotel met het offerbrood er af,
(I) Men leze Fleury. L. XVI. § 48, over hetgeen ilaarbij aan den Ariaaiischeu Keizer Valens overkwam.
('2) Alcuin. c. '2 de celeljr. Missae. â (3) Cap. Con-
sulto de consecr. Dist. 'I. â (4) Bona c. 25, N0.11.â (5) O. cit. C. LX.
â 134 â
en reikt deze, terwijl hij ze tevens, alsook de hand des priesters, eerbiedig kust, aan den priester over. Deze neemt ze aan, houdt ze omhoog, slaat de oogen hemelwaarts, omdat hij met zijn hemelschen Vader gaat spreken, en bidt het volgende gebed :
«Neem, heilige Vader, almachtige eeuwige Gvd, dit onbevlekte ofler aan, dat ik, uw onwaardige dienaar, opdraag aan U, mijnen levenden en waren God, voor mijne ontelbare zonden en beleedigingen en nalatigheden; en voor allen, die zich hier rondom mij bevinden; maar ook voor alle Christen geloo-vigen, zoo levenden alts overledenen, opdat hel mij en hun tot heil verstrekke ten eeuwigen leven. Amen.quot;
De woorden van dit kort maar veelomvattend gebed zijn duidelijk. Zij behoeven geen verklaring. Alleen zij gezegd, waarom de priester hier spreekt van «dit onbevlekte ujferquot;; wat hij toch offert is hier niets anders dan brood. In zijn geloof echter ziet hij reeds vooraf het wonder, dat straks zal geschieden. Hij weet het, nog eenige stonden en door de woorden der consecratie zal dat brood veranderen in het waarachtig Lichaam van Christus, het Offer zonder eenige smet. Daarom noemt hij dat brood reeds nu het onbevlekte offer, daarom ook , want datzelfde offer is op bloedige wijze gebracht op het kiuis, maakt hij na dat gebed een kruis met de pateen boven het corporale, en legt er de hostie oj) neder (1). llij wil ons zoo duidelijk mogelijk zeggen: Zie, ik ga hetzelfde offer, dat Jezus eens op het kruis op bloedige wijze bracht, hier op onbloedige wijze hernieuwen. Zonder het kruisoffer heeft dit offer niet de minste kracht.
Opmerkenswaardig is het ook, dat in dit gebed niemand uitgesloten is, die tot de gemeenschap der geloovigen behoort, en dat dus ook niet
(1) llouorius Gernm. an. i. 1. c. 96.
â 135 â
slechts zij die bij de H. Mis tegenwoordig zijn deelen in het Offer, maar ook allo geloovigen, zoo levende als overledene, dus de geheele strijdende en lijdende kerk.
De offering van het brood wordt gevolgd door die van den wijn, welke door Jezus uitgekozen werd als tweede stof voor het Offer onzer altaren. Zie, de naaste dienaar des altaars, de diaken, mag den kelk met wijn bereiden: de subdiaken staat hem ter zijde en giet, nadat hij eerst eerbiedig den priester zijn zegen over het water verzocht heeft, eenige druppels ervan in den wijn, voor het offer bestemd. Eenvoudige maar veel betoekenende ceremonie! Waarom wordt hier de wij n met water gemengd? Allereerst, omdat Jezus het deed bij het laatste avondmaal, om ons een voorbeeld van matigheid te geven; want volgens de joodsche Wet kon de wijnbeker van den paaschmaaltijd gemengd worden met water (1). Maar vervolgens ligt daarin nog een geheimvoller beteèkenis opgesloten «Men doet een weinig water in den wijn,quot; zegt de II. Alphonsus, »om de vermenging of liever de ver-eeniging te beduiden. welke geschiedde bij de mensehwordlng des Woords tusschen de godheid en do menschheid; het is ook om de nauw verbonden vereeniging aan te toonen, die geschiedt bij het ontvangen van het H. Sacrament des altaars tusschen Jezus en den persoon, die communiceert, vereeniging, welke de H. Augustinus noemt, een vermenging van God met den mensch: mixlura Dei et hominis. Daarom ook vraagt de priester, bij die vermenging van het water met den wijn, in zijn gebed aan God, dat, gelijk zijn goddelijke Zoon zich deelachtig maakte aan onze menschheid.
(1) Bened. XIV. O. cit. C. X. ü. Zie ook Conc. Triil. S. 22. C. 7.
- 136 â
Hij ook ons deelachtig make aan zijn godheid door denzelfden J. Chr., onzen Verlosser (1).quot;
De wijn stelt ons dus de goddelijke, het water de mensehelijke natuur voor; doch daar er tusschen God en ons geene vereeniging mogelijk is tenzij door de verdiensten van Jezus' kruisdood, daarom ook maakt de priester eerst het kruisteeken over het water vóór het met den wijn vermengd wordt. Daar echter de H. Kerk in de Missen der overledenen slechts aan de lijdende geloovige zielen denkt in het Vagevuur, die reeds zeker zijn van hunne verlossing, ofschoon zij ze nog niet bezitten, en zij hier op aarde wel voor haar kan bidden maar geen gezag meer over haar heeft, en bijgevolg ook de sleutelmacht niet op haar kan uitoefenen, zoo blijft in deze missen de zegen des waters achterwege (2).
Ziedaar de diepe en treffende beteekenis, welke in die vermenging ligt opgesloten. Laat ons nog opmerken, dat diaken en subdiaken den kelk bereiden, en ze eerst daarna den priester aanbieden. De H. Kerk wil dat zoo, opdat wij zouden gedenken, dat de Priester niet alleen, maar met de gansche kerk, niet slechts voor zich zeiven, maar ook voor alle geloovigen, het Offer gaat opdragen; want die twee dienaren vertegenwoordigen hier het geheele christenvolk.
Daarom ook houdt de diaken den kelk vast, als hij dien eerbiedig in de hand des priesters gegeven heeft, daarom ondersteunt hij den priester, en spreekt te zamen met hem in het meervoud, terwijl beiden opzien tot het kruis, van waar alle heil gekomen is, dit sehoone gebed uit:
»Wij offeren U, Heer, den kelk des heila, en smeeken uwe goedertierenheid, dat hij voor het
(1) Oeuvr. Asc. (Dujardin.) T. 14. p. '2'2. â (2) Dom Gueranger. O. cit. pag. 80.
â 137 â
aanschijn van uwe goddelijke Majesteit tut ons heil en tot heil der geheele wereld met een geur van zoetheid moge opstijgen. Amen.
Klaar en duidelijk toont ons dit schoone gebed, waarbij wederom, gelijk bij dat van de offering des broods, gedacht wordt aan Hem, die straks onder de gedaante van dien wijn op het altaar zal verschijnen, dat Jezus her, is, die ons Offer wordt; zijn Bloed heeft gestroomd voor het heil der gansche wereld; Hij is het zoenoffer geworden voor onze zonden, en niet slechts voor de onze, maar ook voor die van de geheele wereld (1). Die kelk zal dus een ge ui' van zoetheid verspreiden, dat wil zeggen: den Hemelschen Vader aangenaam zijn en ons tot heil verstrekken.
En na dit gebed maakt de priester ook een kruis met den kelk, en plaatst dus, gelijk daar straks de hostie, den wijn op het offerhout van den Calvarieberg.
Lezer, als gij dan die zoo schoone ceremoniën der offering van brood en wijn aanschouwt, en gij zoo duidelijk ziet, dat ook gij offeraar gaat zijn met den priester, breng dan ook u zeiven uit liefde aan God ten offer. Jezus offert zich voor u, zoudt gij dan ook uw hart niet aan Hem willen geven ? Voorzeker, leg daarom uw hart op de pateen, uw ziel en al uwe vermogens in den kelk des priesters, en breng u zeiven aldus aan God ten offer, opdat gij straks na de Consecratie, gelijk het brood en do wijn, geheel veranderd, voor Jezus ademt, voor Jezus werkt, voor Jezus leeft: opdat gij dan moogt uitroepen met den Apostel Paulus: »Ik leef, niet ik, maar Christus leeft in mij.quot;
Als dan het brood en de wijn geofferd zijn, ontvangt de subdiaken van den diaken de pateen,
(1) I Joës II. 2.
waurop hot offerbrood zoo even nog rustte. Uit eerbied voor dit gewijde voorwerp wikkelt bij liet in zijn schouderkleed, en plaatst zich daarmede aan den voet des altaars tot het einde van het Pater nostcr. Slechts eenmaal zullen wij dezen dienaar gedurende dien tijd het altaar zien beklimmen, als n.1. het driewerf Heilig den driewerf heiligen God door de drie gewijde dienaren des altaars moet worden toegezongen. â Ongetwijfeld heeft dat verlaten des altaars door den subdiaken zijn oorsprong in de vroegere tijden, toen de pateen zeer groot was, en deze, zoo lang zij niet gebruikt werd, ook verwijderd werd van de altaartafel: maar niets ook belet ons, om daarin met Paus Innocentius (1) en Du rand us (2) tevens een geheimzinnige beteekenis te zien.
Geheel het leven van Jezus, zoowel zijn verborgen als openbaar leven, vooral zijn bloedig offer worden vertegenwoordigd, wij weten het, in het H. Misoffer. Reeds meermalen hebben wij daarop gewezen. Welnu, zoo zeggen ons beide geleerden, in dat weggaan des subdiakens zien wij de vlucht en het zich verbergen der leerlingen afgebeeld. Toen Jezus het II. Sacrament des altaars had ingesteld, en met de zijnen uitging om te bidden, toen voorspelde Ilij hun: «Gij allen zult dezen nacht in mij geërgerd worden. Er staat geschreven: Ik zal den herder slaan, en de schapen zullen verstrooid worden.quot; En waarlijk, nauwelijks was Jezus gevangen genomen, of zij vluchtten weg die leerlingen en verborgen zich. Slechts éénen, Joannes, dien wij immer terugvinden in den diaken, zien wij bij het kruis, toen Jezus zijn Offer bracht. Eerst later, als Jezus verrezen is van de dooden, en Ilij het «Vrede zij Uquot; komt brengen aan de zijnen, en zij Hem erkennen
(1) O. cit. C. LXI1. - (2) Rationale L. IV. C. XXX. 29.
139 â
aan liet breken des broods, komen zij er voor uit, volgelingen te zijn van den Gekruiste, en belijden zij hun geloof. Dit alios dan, wij herhalen het, vindt men allerschoonst afgebeeld in het weggaan des subdiakens, in zijn blijven aan den voet dos altaars totdat de priester do H. Hostie breekt, en den vrede aan zijne mededionaren en aan geheel het volk toewenseht.
Intusschon, terwijl de subdiaken zich aan den voet des altaars plaatst, gaat de priester door met in stilte zijne gebeden te storten. De handen smeekend te zameii gevouwen, en het hoofd eerbiedig neergebogen. bidt hij dat heerlijk gebed, dat eenmaal uit den mond der drie jongelingen vloeide, voor zij in den brandenden oven geworpen worden (1) :
»Mogen wij. o Heer, in den geest van uol-moediyheid cm met een rouwmoedig hart worden aangenomen, en moge ons offer voor uw aanschijn zóó gebracht worden, dat het Uhehage, Heer, God!quot;
Dat gebed is hier eene nieuwe bekentenis van onze onwaardigheid om het Offer op te dragen, 't is een smeeken om barmhartigheid en genade, ton einde tlode ons olfer bohago, 't is de herhaling van den vertrouwvollen kreet des koninklijken boetolings: oen rouwmoedig en vernederd hart zult gij niet versmaden ('ij.
Aanstonds daarop volgt een belangrijke zegon. Do priester roept don H. Geest aan, on vraagt, dat doze in het H. Olfer zijne medewerking verleeno. Hij, die den Zoon Gods voortbracht in den schoot van Maria, moet ook hier het wonder verrichten der zelfstandigshoidsvorandering, van hot brood on den wijn in Jezus' Lichaam en lilood. Die goddelijke Geest moet dus in do H. Mis ook her-
(1) Dan. III. 40. â {'2) lgt;s. 50. 18.
â 140 â
ducht en aangeroepen worden. Ziedaar, waarom de priester zegenend alhier dit gebed uitspreekt;
Kom, Heiligmaker, almachtige, eeuwige God, en zegen dit Offer, dat voor uwen naam bereid is.
En dat alhier waarlijk de H. Geest alleen bedoeld wordt, blijkt uit het woord: veni, kom, dat tot den Vader of den Zoon nimmer gezegd wordt; blijkt verder uit de woorden, welke vroeger in eenige kerken voor dit gebed in gebruik waren, of uit datgene wat de Grieksche Kerk nog heeft, en waarin steeds de H. Geest zelf genoemd en gevraagd wordt, dat Hij konio met zijn vuur, om liet brood en den wijn te verteeren, en te veranderen in het Lichaam en Bloed van Christus (1).
BEWIEROOKING.
Na dit gebed gesproken tc hebben, keert de priester zich om, zegent den wierook, legt dezen op het vuur en bewierookt vervolgens de offergaven en het altaar; daarna worden hij zelf, de overige dienaren, ja het geheele volk bewierookt.
Dit alles heeft voorzeker wederom zijne beteekenis, en willen wij het goed begrijpen, dan moeten wij ons herinneren, wat wij vroeger zeiden, dat de wierook, bij den aangenamen geur, welken hij verspreidt en die zich mededeelt aan de omwolkte zaak, tevens ons de belijdenis beteekent der Godheid van Christus en het gebed der Christenen. Dit alles vinden wij bij deze bewierooking terug. Allereerst wordt die wierook daarom op eene meer bijzondere wijze gezegend. De Heer gewaardige zich, aldus bidt de priester als hij den wierook op het vuur legt, dezen ivicrook, op voorspraak van dun gelukzaligen aartsengel Michael, die ter rechterzijde van het altaar
(1) liened. XIV. de Sacr. Missae. C. X. '20.
â 14-1 â
des reukwerks staat, en van alle uitverkorenen te zegenen en als een zoet reukwerk aan te nemen. Door Christus onzen Heer. Amen. Waarom spreekt hier de Kerk van den aartsengel Michael ? Omdat deze volgens den profeer, Daniël (quot;1), de schutsengel is van het volk, zoowel van het oude als nieuwe testament, ja een zinnebeeld zelf van den Heiland. Volgens de openbaring is hij het die met zijne engelen den Satan bestrijdt en overwint (2), en die ook met het gouden wierookvat in de hand voor het altaar stond (3). Hij dus is onze voorspraak, hij biedt met zijne engelen onze gebeden aan God aan, door zijne handen zullen ze Gade aangenaam zijn.
Dan neemt de priester het wierookvat en ver-eenigt door de bewierooking van de offergaven, met deze het gebed der geloovigen, om ze aldus des te aangenamer te maken in de oogen van God. Tevens bidt hij daarbij : ygt;Deze wierook, welke door U gezegend is, stijge tot U op o Heer, en uwe barmhartigheid dale neder over ons. De verzekering ligt daar voor ons in opgesloten, dat ons gebed, als het door God gezegend is, dat wil zeggen, aangenaam is in zijne oogen en tevens gepaard gaat met het Offer, zeker verhoord moet worden.
En gedachtig verder dat die offergaven straks in Jezus' Lichaam en Bloed zullen veranderen, gaat de priester het beeld van den Verlosser, het altaar insgelijks omwolken met den geurigen wierook, om alzoo wederom belijdenis te doen van zijne Godheid maar ook om door dien Middelaar onze gebeden den Vader aan te bieden. Vandaar dat de priester, om tevens deze tweede beteekenis ons te doen kennen, bij deze tweede bewierooking des altaars tevens een gedeelte bidt van den 140 psalm. Aldus bidt hij:
(I) Dan. X. 13. 21. XII. 1. â (2) Apoc. XII. 7â10.â (3) Apoc. VIII. 3.
â -142 â
»Mijn c/ebed zij als een reukoffer voor uw aangezicht;quot; als het oller namelijk, dat eiken morgen in de oude wet werd gebracht; (i)
,)de opheffing mijner handenquot; dat is de ver-hei'ling van geest en hart tot God, Dals een avondofferquot; als het reukwerk dat ook des avonds in den tempel geofferd werd (2).
Slel, o Heer, eene wacht aan mijnen mond. en eene verschanste poort aan mijne lippen,
vNeig mijn hart niet tot booze daden, om zonden te verontschuldigen met de boosdoeners.quot; Wil toch ons gebed aan God aangenaam zijn, dan moet de mond niet ontheiligd worden door slechte of nutte-looze woorden, dan moet ons hart zich niet neigen tot het kwaad en geen listen zoeken, om de zonden te verontschuldigen, neen het zij zuiver, ootmoedig en oprecht. Zoo bidt de priester, als hij de gebeden van het volk met zijn Offer Gode aanbiedt, cn tevens do Godheid van den Middelaar beleidt.
Maar het is alleen door de liefde, dat men zulke gebeden kan storten, de liefde, die als een vuur al het aardsche verteert en zich vlammend ten hemel verheft; daarom zegt de priester, als hij het wierookvat den diaken teruggeeft: »De Heer ontsteke in ons het vuur zijner liefde, en de vlam van zijn eeuwig beminnen. Amen.quot;
Die liefde, die een geur van zoetheid verepreidt door de overvloedige genade, welke er uit voorkomt, moet ons aller deel zijn. 't Wordt ons vervolgens beteekent door de bewierooking van priester en dienaren, van geestelijken en leeken: want ieder wordt in de plechtige Mis naai1 rang bewierookt (3). Men bewierookt een ieder bij de offerande der H. Mis, zegt de H. Thomas, cm de
1
Exod. XXX. 7. â (1) Kxod. XXX. 3. â (3) Missale Rit. Cel. T. VII. 10.
â 143 â
uitwerkselen der genade te verbeelden, die de goede geur is, waarvan Christus is vervuld, en die van Jezus Christus tot de geloovigen moet overgaan (1). Ook de eenheid der ledematen met liet ééne lichaam, waarvan Christus het hoofd is, komt daarbij dos te schooner uit, eenheid, welke zonder de liefde niet kan bestaan (2).
O wat zegt ons dan die bewierooking des altaars en der Christengeloovigen veel! Maar spreke zij ook tot ons hart! Als wij die geurige wierookwolken ten hemel zien opgaan, als wij er mede omwolkt worden, worde dan het woord van den H. Alphonsus opnieuw dieper in ons hart gegrift: »Wie bidt wordt zalig, en wie niet bidt gaat verloren:, en nemen wij telkens het onherroepelijk besluit: ik zal heel mijn leven den wierook des gebeds doen opstijgen voor Gods troon, ik zal blijven bidden, want dan blijf ik in de liefde en verkrijg ik den goeden geur van Christus, de genade, welke mij eenmaal den hemel moet binnen voeren, dan word ik zalig.
DE HANDENWASSCHING DES PRIESTERS.
Koeren wij terug tot den priester. Xa bewierookt te zijn door den diaken, wascht hij zich de handen. Die ceremonie, welke tot de apostolische tijden opklimt, heeft een dubbele reden, een natuurlijke en een geheimzinnige. De offering van brood en wijn, vooral gelijk zij vroeger plaats vond, en de bewierooking, welke zoo even is voorafgegaan, maken het toch passend, zoo niet noodzakelijk, dat de priester de handen wascht: doch het vindt ook plaats om een andere reden. Die handenwassching moet
(1) p. ((. 8.!. a ;gt;. ail. 2. â (2) Dmn Guei â¢anger. O. cit. pag. 00. Zie ook Kreuzer O. cit. pag. 25G.
â i44 â
zoowel den priester als den geloovigen leeren, dat het H. Misoffer met een onbevlekte reinheid van ziel behoort te worden opgedragen. »Gij hebt gezien,quot; zoo leerde de H. Cyrillus van Jeruzalem aan zijne geloovigen, »dat een diaken de handen wascht van
den priester____ Meent gij dat dit geschiedt om
het lichaam te reinigen? Geenszins, want wij zijn niet gewoon bij het intreden der kerk in zulk een staat te zijn, dat wij onze handen moeten wasschen. Maar die handenwassching herinnert ons, dat wij zuiver moeten zijn van alle zonden; onze handen toch beteekenen onze daden; de handen wasschen is niets anders dan onze werken zuiver maken (1).quot; En Dionysius de Areopagiet voegt er bij : »De priester wascht slechts de toppen zijner vingeren, om te kennen te geven, dat de ziel zuiver moet zijn zelfs van de geringste vlekken der zonden (2).quot;
Terwijl de priester deze zinnebeeldige ceremonie verricht, bidt hij dan ook een psalm, die volkomen in overeenstemming is met deze geheimzinnige be-teekenis. Hij is als een v rvolg van den psalm nJudicaquot; door den priester bij het begin der H. Mis aan den voet des altaars gebeden. Was deze toen echter eene heerlijke en onnavolgbare samenspraak van priester en geloovigen, waarin zij hunne onmacht erkenden, Gods genadekracht vroegen, en de vergiffenis der zonden door berouw en belijdenis afsmeekten: thans is hij een verheven en indrukwekkend smeekgebed van 's Heeren dienaar om nog volmaakter zuiverheid van leven en daden, om hulp en bescherming tegen de goddeloozen, ten einde van hunne aanvallen bevrijd te worden. Luisteren wij naar die treffende verzuchtingen, welke de priester
(-1) Catech. Myst. V. â (2) De Eccl. Hier. c. 53. Zie ook Bened. XIV. O. eit. C. XI.
ten hemel zendt, terwijl de reinigende waterdroppelen over zijne handen vloeien :
»Onder de onschuldif/en wasch ik mijne handen en (ja rondom uw aitaar.quot; Gij toch, o God, zoo wil hij zeggen, wilt slechts rondom uw troon Engelen en Heiligen, daarom wil ik zoo rein mogelijk zijn, en mij dan om uw altaar met hen scharen.
Daar zal Ik dan hunne lofzangen vernemen, en zelf de wonderen uwer macht verkondigen: want als priester ben ik verplicht, Gods wonderdaden te kennen en te doen kennen aan de geloovigen. «Opdat ik de stem van lof hoore, en al uwe wonderdaden vermelde.quot;
En met die zuiverheid des harten, met dat offer van lof en verheerlijking des Allerhoogsten, gaat de glorie van uw huis gepaard. Daarom vHeer, heb ik den luister van uw huis bemind, en de plaats, waar vw glorie woont.quot;
Eén dag aldaar is beter en van meer waarde dan duizend, doorgebracht in de woontenten dei-zondaren, liever ben ik aan uw altaar als een verwer-poling dan bij hen een tentgenoot. Heer onze God, hoe liefelijk zijn uwe tabernakelen! Daarom mijn Verlosser, laat mij toch niet met de boozen leven, met die menschen, die het verderf mijner ziel zoeken, en die daarom door U gestraft worden. «Verderf toeh, o God, mijne ziel niet met de goddeloozen, noch mijn leven met de mannen des hloeds; in wier handen ongerechticiheden zijn, en wier rechterhand vol is van geschenken,quot; die het leven aan de ziel ontrukken.
Heer, het is door uwe genade, dat ik een leven geleid heb onderscheiden van die zondaren, dat ik hier met een gezuiverd hart en gezuiverde handen ben binnen gegaan; behoed mij, bescherm mij en maak, dat mijn voet niet afwijke van den weg, welken ik ben ingeslagen; dan zal ik U eeuwig
â¢10
â 146 â
blijven verheerlijken: vDoch ik, ik wandelde in mijne onschuld, verlos mij en wees mij genadig; mijn voet staat op den rechten weg; in de vergaderingen zal ik U, o lieer, zegenen.
En vol blijdschap wegens die uitverkiezing boven zooveel duizenden, brengt hij daarna lof aan den Drieëenigen God, van vvien die groote weldaad kwam. Met liet hoofd gebogen naar zijn gekruisten Opperpriester, die ze als middelaar hem verwierf, bidt hij; »0larie zij den Vader en den Zoon en den H. Geest. Gelijk het was nu en altijd en in (die eeuwen der eeuwen. Amen.quot; (1)
Zullen wij bij het storten van dit heerlijk gebed door den priester ook niet opgewekt worden, om te bidden en te sineeken om eene grootere zuiverheid des harten? Voorzeker, want willen wij deel hebben aan de overvloedige verdiensten van het 11. Misoffer, dan moeten ook wij geheel rein tot 's Heeren goddelijken troon naderen. Herhalen wij daarom dikwijls, terwijl de priester zijne handen waseht en dien beerlijken psalm bidt: «Heer, wasch mij meer en meer van mijne ongerechtigheden, en zuiver mij van mijne zonden; zuiver alle gedachten van mijn verstand, alle begeerten van mijn hart, opdat ik mij geheel en al kunne vereenigen met den priester, en zoo deel hebbe aan de vruchten van het II. Sacrificie.quot;
SUSCIPE, SAUCÃA TRINITAS.
Neem, heilige Drievuldigheid, dit offer aan, hetwelk wij U opdragen ter gedachtenis van het
(1) Wegens de vreugde, welke zieh in deze lofprijzing iler H. Drievuldigheid uitspreekt, wordt zij wederom in de Mis der Overledenen en in den lijdenstijd achterwege gelaten.
lijden, de verrijzenis en de hemelvaart van onzen Heer Jezus Christus, en ter eere van de zalige Maria, altijd Maagd, en van den zaligen Joannes den Bonper en van da heilige Apostelen Petrus en Paulus, en van deze, en van alle Heiligen; opdat het hun strekke tot eer, en ons tot heil, en zij, wier gedachtenis wij op de aarde vieren, voor ons in den hemel mogen hidden. Boor denzelfden Christus, onzen Heer. Amen.
Ziedaar het gebed, dat de priester, in het midden des altaars weergekeerd, voor den gekruisten Jezus, gebogen bidt, na eerst tot Hem te hebben opgezien. Het is, de opdracht der offergaven, die straks zullen veranderen in Jezus' Lichaam en Bloed, aan de H. Drievuldigheid, ter gedachtenis aan zijn Lijden, Verrijzenis en Hemelvaart. Jezus heeft dit aldus bevolen, toen Hij zeide: »Dn ft dit tot mijne gedachtenis-quot; goddelijke woorden, waarmede Hij niet slechts aan de Apostelen en aan de priesters in hen, zoo duidelijk mogelijk de macht gaf, om de H. Mis op te dragen, maar waarin Hij hun tevens oplegde, geheel zijn leven, geheel zijn Persoon te gedenken, zoo wel zijn geboorte als zijn dood, zijn lijden en zijn verheerlijking. En zon dit anders kunnen of mogen? â Wordt Jezus niet, telkenmale er een H, Mis geschiedt, opnieuw als herboren op het altaar? Is de Mis niet hetzelfde offer als dat van Caivarië? Verkondigt Christus ons er tevens niet door, dat. gelijk Hij verrezen is van den dood en ten hemel is op-geklommen, zoo ook al degenen, die zijn vleesch eten en zijn bloed drinken, ten eeuwigen leven verrijzen en het ware Heilige der heiligen, den hemel, door Jezus' Bloed geopend, zullen binnengaan ? â Lijden, Verrijzenis en Hemelvaart van Jezus waren noodzakelijk om onze zaligheid te voltooien. Klaar als de middagzon, is het dan ook , dat wij bij dat Offer, hetwelk ons aan het hemelsch leven moet deel-
â -us â
achtig maken, ook altijd den strijd, de overwinning en de zegepraal van onzen Verlosser moeten gedenken, dat wij daartoe vooral met den priester het Offer den ürieëenigen God moeten aanbieden.
Doch die God des hemels wil ook vereerd worden in zijne Heiligen. Een koning ziet zoo gaarne zijne hovelingen, een vader zijne kinderen geëerbiedigd, want daarmede wordt zijn eigen macht erkend, zijne glorie vergroot. Zoo is het ook in de II. Mis. De schoonheid en de glorie van het hoofd zal des te schitterender zijn en te meer uitkomen, als alle ledematen, als geheel het lichaam in veelkleurige of gouden kleederpracht is getooid. Daarom draagt de priester dit offer niet slechts op tot gedachtenis van Jezus Christus, bet Hoofd der gansche Kerk. maar ook tot meerdere glorie dier uitverkoren Heiligen, welke reeds ledematen zijn van zijn verheerlijkt Lichaam in den hemel. En wie zullen onder die velen wel met meer recht genoemd mogen worden, dan zij, die de voornaamste leden daarvan uitmaken, dan Maria, dat meesterstuk van God zeiven uit welke Jezus zijn 11. Lichaam aannam, dan een Joannes de Dooper, die het Lam Gods ons aantoonde, dan een Petrus en een Paulus, die uitverkoren vaten van geloof en van liefde, die grondzuilen van Jezus' Kerk? Ja waarlijk ter hunner eer en glorie, alsook tot die der Heiligen wier gebeenten in het altaar rusten, ja van alle Heiligen, moet de offerande van .lezus Christus worden gebracht. â Maar die Heiligen zijn tevens onze voorsprekers in den hemel. Zij moeten ons, arme en behoeftige menschen, bij God in het rijk der genaden, helpen. Daarom gaat dan ook de priester uit naam van het volk met hen als het ware een verbond aan, en zegt hun in zijn gebed : wij willen gaarne dat offer ook tot uwe verheerlijking, o Heiligen, opdragen, maar ook gij moet ons daarvoor ter hulp
â 140 â
komen: gij moet bidden voor ons, opdat uit dat ontzaglijk Ofl'er ook lieil voortvloeie voor ons, die nog strijden op aarde.
En terwijl de priester zicli aldus met den ge-openden liemel vereenigt, gevoelt hij, dat hij zich hoe langer zoo meer van de aarde moet scheiden, dat hij als een nieuwe Mozes den berg beklimt, om geheel in God verslonden, zich met Hem te onderhouden. Daarom zal hij dan voor het laatste zich tot zijne geloovigen koeren, op eene nog meer bijzondere wijze dan in het begin der Mis, afscheid van hen nemen, en smeeken om volharding in het gebed, opdat hun beidei' offer Gode aangenaam moge zijn. Nu wordt hij meer dan ooit de hooge-priester, die, verwijderd van het volk, het heilige der heiligen binnengaat. Het volk zal zijn aangezicht niet meer zien, voordat het offer voltrokken is.
ORATE, FKATRES.
Zie, de priester kust dan bet altaar, de figuur van Jezus Christus, om er heilige gevoelens te putten, keert zich naar het volk. en zegt hun, terwijl hij door het uitstrekken zijner armen hen van zijn gebed verzekert, met duidelijke stem: nlfidt, broeders: Orale, fratres.quot; En aanstonds voegt hij er in stilte bij, igt;opdat mijne en mee offerande welgevallig zij aan God, den almachtujen Vader.quot;
Korte maar waarlijk treffende woorden! Zij zijn eene krachtige aanmaning tot wederkeerig gebed. Xa de onderlinge verbintenis met de Heiligen in den hemel, wil de priester, voordat hij zich geheel met God gaat bezighouden, nog een verbond met de strijdende ledematen der Kerk aangaan. Ridt, mijne broeders, voor mij. ik zal het voor u doen, ziedaar wat hij vraagt en belooft. En de reden waarom dit geschieden moet, behoeft hij er niet
150 â
hardop l)ij tc voegen. Hot volk begrijpt ze reeds, liet enkele woord »Omtcquot; is voor hen genoeg; allen weten het: wil het offer van Jezus Christus den hemelschen Vader zóó welgevallig zijn, dat het tevens heilzaam is voor priester en volk, dan moet er gebeden worden. De apostel Jacobus heelt toch gezegd: «Wij moeten voor elkander bidden, om zalig te worden (1).quot; En Jezus zelf leerde ons: «Waar er twee van u te zamen overeenkomen om te bidden, daar zal hun door den hemelschen quot;Vader alles gegeven worden; want waar er twee of drie in mijnen naam vereenigd zijn, daar ben ik in hun midden (2).quot; Meer nog, vóór dat Hij zijn bloedig olfer ging opdragen, maande hij ook zijne leerlingen aan tot gebed: Bidt opdat gij niet in bekoring valt (3). Xu dat offer gaat vernieuwd worden op onbloedige wijze en het oogenhlik daartoe al meer nabij komt, moet ook die vermaning van Christus worden herhaald.
»JSidt,quot; vtitijne broedersquot;, zegt de priester. Dat woord Dmijne broedersquot;, zegt zoo schoon Mgr. Gaume, dat treffende woord dagteekent reeds van achttien eeuwen her: het heeft weerklonken in de catacomben : 't werd uitgesproken door volken van heiligen, want het was de naam, waarmede onze voorouders elkander begroetten. En als de heidenen hun verwonderd vroegen: Hoe zijt gij tocli allen broeders ? antwoordden zij: Omdat wij allen geboren zijn van één en denzelfden Vader, die Jezus Christus is, en van ééne moeder, de II. Kerk (4).quot; O, wat wordt die naam vooral treffend in deze omstandig-
(H Jac. V. â (2) Matth. XVIII 10. 20. â (3) l.uc. XXII. â (4) Arnob. in Psal. CXXXfü. Unde estis omnes fratres? De uno patre, Clu'isto : de una matre. Ecclesia.
- 151 â
lieriun: »Mijne broeders, vereenigd zijn wij door de bandon des bioeds, laten wij het ook zijn door den band der liefde; neen, neen, laten wij ons niet van elkander scheiden in deze wereld , waar het ons algemeen welzijn geldt; wij gaan allen aanzitten aan dezelfde tafel, wij breken hetzelfde brood; en dat brood zal in ons eenzelfde leven onderhouden : hetzelfde goddelijk Bloed zal vloeien in onze aderen , en zal voor ons het onderpand worden, mijne broeders, van hetzelfde erfdeel (1).quot;
«Bidt, mijne broeders,quot; zegt de priester Ttopdnt mijne en uwe ojferande welgevallig zij aan God den almachtigen Vader.quot; Ja, het H. Misoffer is zoowel het offer der geloovigen als van den priester. Allen offeren met hem mede, gelijk hij wederom offert met Christus; dit leert ons het 11. Geloof; maar door de handen des priesters wordt vooral het offer opgedragen, en daarom is het antwoord van het volk , bij monde der dienaren : »Dlt;! Heer neme het offer uit uwe handen aan, tol lof en glorie van zijnen naam, alsook tot nut van ons en van zijne gansche H. Kerk.quot;
Die wensch, dat gebed des volks hebben geen verklaring noodig. Zij is duidelijk. Het If. Misoffer wordt, wij weten 't, tot verheerlijking van en dankzegging aan God, tot vergiffenis der zonden en om nieuwe genaden af' te smeeken, opgedragen ; die vier doeleinden liggen opgesloten in het: »tot lof en eer van zijn naam, en tot nut van ons en der geheele Kerk.quot; De priester beantwoordt dan dien vromen wensch des volks met in stilte te zeggen : Amen. Ja, het zij zoo.quot;
DE STILLE GEBEDEN.
Dan gaat de priester verder en bidt de Secreta
(1) Cat. de Persev. T. VU.
of de stille gebeden. Men noemt deze aldus, omdat hij ze in stilte bidt (1). Zij zijn verschillend naarmate het geheim of liet feest dat gevierd wordt; zij doelen alle echter nogmaals op de offergaven welke het volk aanbracht, en welke bereid zijn op het altaar, en drukken het verzoek uit, dat het genadig door God worde aangenomen, zóódat het allen voor tijd en eeuwigheid voordeelig zij. 't Is de laatste-bede der olferande tot welgevallige aanneming van het offer; de priester doet ze daarom vooral met het oog op het Geheim dat herdacht, of onder aanroeping van den Heilige, wiens feest gevierd wordt. In dat stille gebed ziet men tevens een afbeelding van Jezus' gebed in den hof van Olijven, die in de stilte der voornacht tot driemalen toe bad : Vader als het mogelijk is, laat deze kelk van mij voorbijgaan, maar niet zoo als ik wil, maar zooals gij (2).
Aan het einde van dit gebed verbreekt de priester op eens de stilte, en zingt luide nl'cr omnia scecula sceculorum: door alle eeuwen der eeuwen.quot; Het is alsof een engel hem verschenen is en de grootheid van bet Offer deed kennen; het is alsof hij dat Dsurgite eamvsquot; staat op, laat ons gaan, laat ons dat Offer brengen, uitspreekt, en allen wil aanmanen met Hem te offeren. Daarom ook legt hij de handen op het altaar, als wilde hij Jezus Christus, 't godlijk Offer reeds omhelzen. â En het Christenvolk begrijpt die verheven taal. Daarom staat het op (3), en met een zekeren aandrift antwoordt het bij monde van het koor: vAmeti: Het zij roo.quot; â 't Werd aldus reeds gezongen ten tijde van den H. Hieronymns: «Dit Amen, zegt hij. hoorde men van alle kanten in de kerken weergalmen als een donder (4). De geloovigen geven
(1) Dom Mariene O. cit. L. I. C. IV Art. VII. 5. â (2) Matth. XXVI. 39â44. â (3) Missale. Rn Ij. Gen. XVII. 7. â (4) Prajf. in. Ep. ad. Gal.
â 153 â
daardoor hiniiic toestemming voor al lietgeen de jn'iester in het stille gebed van God gevraagd heeft, en zegt Theodoretus, zij kunnen zich vast laten voorstaan, dat zij door het Offer, dat gaat volgen, zeker aan alles deelachtig worden, wat de priester afsmeekte (1).
§ 3. DE PEiEFATIE.
En nu is de Offerande geëindigd, en begint de Pr.efatie of de inleiding tot liet verheven gebed,des kanons, tot het goddelijk werk der Consecratie, 't Spreekt van zelf, zij moet een allervurigst dankgebed bevatten; zij moet de harten der geloovigen stemmen tot innige dankbaarheid, ze in den geest ten hemel opvoeren, daar ze vereenigen niet de Engelen en Aartsengelen, Cherubijnen en Serafijnen rondom den troon van den Almachtige, en met die hemelgeesten het jiihelend lied der hemelen, het driewerf Heilig doen schallen dooi' die eeuwige woontenten: want gezegend is Hij, die komt in den naam des Allerhoogsten, door Hem kunnen wij Gode geven al wat wij aan God verschuldigd zijn.
Hoor, hoe voortreffelijk de priester daarmede begint. Ja, hij was reeds gescheiden van zijn volk, als een nieuwe Mozes is hij den berg beklommen, het Heilige der heiligen binnengegaan, om er niet uit terug te keeren voordat het Offer voltooid is. Daarom keert hij zieli niet meer naar het volk. maar zingt het tochtoB: vDominus vobisctrm : de Heer zij met v.quot; â Priester en geloovigen moeten allen vervuld zijn van den H. Geest, want groote dingen gaan er geschieden. Daarom ook antwoordt het volk onmiddellijk door het koor: ygt;En met uwen (/cent: Et cxm sjiiritu tno.quot;
(1) lil Ep. '2 ad Cor.
154 -
Tot ware dankbaarheid aan God is noodig, dat men zich geheel en al losmaakt van het aardsche en met zijne gedachten in den hemel vertoeft. Al zoo is de tweede aanmaning des priesters: tiOinhooij de harten: Sur sum cor da!quot; en om niet slechts door woorden te spreken maar ook door daden, heft hij de handen omhoog, en voert door zijn opklimnienden zangtoon u den hemel binnen.
En het antwoord des volks, dat door te blijven staan, insgelijks te kennen geelt wat het wil, luidt alsdan: »Wij hébhen ze tot den Heer: Hahemus ad Duminum.quot; Maar zon dit wederwoord wel immer waarheid bevatten ? Zijn misschien de harten van velen zelfs in dat oogenblik, niet geketend aan aardsche zaken en bagatellen, aan zondige genoegens en wellusten, zoodat zij niet kunnen begrijpen wat des hemels is? â O, als dan die woorden worden gezongen en gij ze mede bidt, laten zij dan toch geen leugens bevatten: onthecht uw hart van al wat wereldsch, wat zondig is. en hecht u alleen aan uw God, die in den hemel is. Denk er aan: de Hemel gaat neerdalen op aarde. God komt met ons, welnu laat dien oneindig goeden vader in ons dankbare kinderen vinden. Aan niets moeten wij in dit oogenblik denken, zegt de H. Cyprianns (I), dan aan den Heer. Laat dus de aarde geheel en al daar, wend uwe blikken omhoog, want zie, de engelen Gods zijn reeds nederdalende, gelijk eenmaal op de ladder van Jacob.
En als dan de priester die verzekering des volks vernomen heeft, vraagt hij verder het dankgebed. 9Laat ons den lieer onzen God dankzeggen;' en hij strekt zijne handen biddend omhoog, blikt smeekend ten hemel, en buigt vol eerbied het
(1) de Oratione Dom. C. XXXI.
â 155 â
hoofd, als ware God reeds mot ons. Zou hot antwoord des volks, dat dit alles begrijpt, en daarom ook van dankbaarheid en liefde jubelt, anders kunnen zijn dan: Ddat is waardig en rechtvaardig 9quot; Neen. Daarom zingt het met verheffenden en blijden zangtoon dit antwoord, daarom klinkt 't vol vuur door de kerk: vDignum et justum est: Het is waardig en rechtvaardigquot;
Die samenspraak alhier gehouden is zoo oud als de kerk zelve; alles geeft ons te denken, dat zij aldus door de apostelen zeiven geregeld is, daar men ze in de oudste, ja in alle liturgien terugvindt (1).
En de priester gaat daarna die dankbare harten brengen voor den troon van den Drieëenigen God : »Waarlijkquot; zoo zingt hij, y)het is waardig én rechtvaardig, billijk en heilzaam, dat wij U altijd en overal dankzeggen, heilige Heer, almachtige Vader, eeuwige God, door Christus onzen Heer. Gij, o God, zoo wil hij zeggen, zijt al onzen lof en dank waardig, daar Gij de oneindig heilige Heer, en almachtige Vader zijt; van U komt tot ons alle goed. Gij hebt er dus meer dan wie ook, aanspraak op, liet is rechtvaardig; ons natuurlijk gevoel dwingt ons er toe, het is billijk; ja zelfs liet is heilzaam U te danken, want alleen door gepaste dankbaarheid zullen wij voortdurend uwe weldaden waardig blijven, het zal ons tevens voor-deelig zijn. Wij brengen U dien dank door Christus onzen Heer, want alleen door Hem, die ons verloste en den hemel opende, zijn wij in staat dit te doen. \V ij moeten ze altijd en overal brengen (2), want van den opgang der zon tot haren ondergang is Hij er steeds op uit door zijn oneindig heilig
(1) Kreuzer O. cit. p. quot;250. 260. â Dom Gueranger O. cit. p. 103. â (2) ïertull. de Oral. C. 111.
â 156 â
Offer ons weldaden te bewijzen, en tevens U den Heiligen Heer, Almachtigen Vader, den Eeuwigen Gvd, waardigen dank te brengen.
Maar niet slechts wij, schepselen der aarde, moeten Gode dankbaar zijn door Jezus Christus, ook de engelen des Hemels naderen door Hem den troon van God. Zij ook loven, verheerlijken, aanbidden en danken sidderend, vol diep ontzag en heilige liefde den hemelschen Aader, door Jezus Christus, den Opperpriester in eeuwigheid, den Middelaar tusschen den Schepper en zijne schepsels. Door Hem, zegt de Apostel Paulus (1), is alles geschapen wat in de hemelen en op aarde is, het zichtbare en het onzichtbare, hetzij Tronen ol' Heerschappijen, hetzij \orstendommen oi Machten. Sinds zijne menschwording is Hij daarenboven het Hoofd der gansche Kerk, en daartoe behooren allen, die met God verbonden zijn. zoowel de geloovenden hier op aarde, als de bezittenden in den hemel. Door dat Hoofd bestaat de gemeenschap tusschen de ledematen en God: door Christus derhalve ontvangen ook alle die hemelgeesten 't alovertrelfend loon hunner glorie, en moeten ook zij het danken aanbiddingsoffer brengen (2).
Hoor dan, hoe klimmend en verheffend de priester voortzingt en hoe hij dat alles uitdrukt in deze woorden: »Doov xvicn (J. Chr.) de Engelen uwe Majesteit loven, de Heerschappijen U aanbidden, de Machten sidderen, de Hemelen en de Krachten der hemelen en de gelukzalige Scraphijncn IJ in vereenigde vreugde verheerlijken.
En daarna vraagt de strijdende kerk ootmoedig het verlof, zich met die triomfeerende engelen te vereenigen, hare zwakke stem te paren met die
(1) Colloss. I. 10. 17. â ('2) Zie Kossing. LU. Voel. ül/er die H. Mcsse. Die Prafation.
zoo krachtige stemmen dor hemelgeesten en met dezen het driewerf Heilig Gode ter eere en ten dank, nederig te mogen medezingen: oMogen zoo smeeken wij IJ, met hen ook onze stemmen worden toegelaten, in nederiye belijdenis zeygend: Hcilif/, Heilig, Heilig, is de Heer, God der Heerscharen enz.
Ziedaar de gewone Pra'fatie. Alles spreekt daarin van dankzegging. De toon zelfs waarop zij gezongen wordt, dezelfde, als die welke de Grieken oudtijds gebruikten om iemand ten dank, loftuitingen, deelameerend toe te zingen (1), geeft ons deze insgelijks weer.
Hehalve deze Pnefatie bevat ons missale nog tien andere, die, grootendeels dezelfde als de gewone, echter in het midden een of andere beweegreden meer tot dankbaarheid bevatten. Deze is dan genomen uit het feestgeheim, dat gevierd, of den tijd, welke herdacht wordt. Ook de feesten van Maria, die met behoud barer maagdelijkheid, het eeuwig Licht, Jezus Christus de.r wereld bracht, en die der Apostelen, die tot leidslieden en herders in zijne kerk ons werden gegeven, zijn daarbij niet vergeten. De schoonheid en voortreffelijkheid dezer inlasschingen of veranderingen laten zich zeer goed begrijpen, als men bedenkt, dat zorgvuldig alle woorden daarvan uit de H. Schrift genomen zijn, hetwelk overigens ook met de geheele Proofatie het geval is (2).quot;
Opmerkelijk is het ook. dat men in de opnoeming der verschillende engelenkoren niet de namen geeft welke ons Dionysius de Areopagiet, een leerling van den II. Paulus, maar slechts die welke ons
(i) Dom fiiierangei' O. rit. p. -100. â (2) Ki-enzer O. eit, p. 260.
â -158 â
deze Apostel zelf in zijne verschillende brieven mededeelt (quot;1).
Als dan de priester in naam der kerk het verlof gevraagd heeft aan God, om met de Engelen het driewerf Heilig uit dankbaarheid mede te zingen, gaat dit ook weerklinken door de gewelven van liet heiligdom. Hoor, nauwelijks heeft het dicentes weerklonken of het koor, reeds vol ongeduld om den driewerf heiligen God te loven en te prijzen, breekt uit in jubelenden zang en herhaalt in twee koren den beurtzang der engelen: »Heilig! Heilig ! Heilig in de Heer, God der heerscharen. Vol zijn hemelen en aarde van uwe glorie!quot;
De priester, vereenigd met diaken en subdiaken, spreekt die woorden fluisterend uit voor het altaar, en voegt er nog bij: ^Gezegend die komt in den naam des Heeren. Hosanna in den hooge!quot;
Er zijn oogenblikken in 's menschen leven, waarin men gevoelt, dat de ladder van Jacob nog altijd staat opgericht, en de engelen Gods opklimmende en nederdalende zijn tusschen hemel en aarde! Zulk een oogenblik is het thans. De Christen, die begrijpt wat hij zingt, met wie hij jubelt, voelt zich nu vereenigd met die hemelgeesten. De engelen dalen neer en voeren hem op. Ja de aarde ontzinkt aan zijne voeten; hij gevoelt zich :
»ln eene zee van licht, een afgrond eindloos hoog, Waarin de hemel zelf met zijn onmeetbreu boog Vergaat en in verdwijnt (2);quot;
daar ziet hij zich met den profeet Isaias (3) opeens verplaatst voor den hoogen en verheven troon:
(-1) Rom. Vü. 38. Ephes. I. 21. VI. 12. Koloss. 1. 16. II. 10. 15. â (2) Mgr. Broere. Constantijn Il'lo Zang.â (3) VI. 3.
â -159 â
»Van bliksemende wolken, Hij draagt d' Almachtige, den Vader, die den voet Zet op een starren boog; de Zoon, wien zonnegloed Van waarheid en gena komt stralen van het wezen , Zit aan zijn rechterhand; daar, uit Hen opgerezen. De Heiige Geest het vuur, waarin zijn vleugel baadt. Als in omhelzing weer op beiden nederslaat (1).quot;
Hij hoort het eeuwige lied des hemels (2) uit den mond dier Cherubijnen en dier millioencn hemelgeesten opgaan, en stamelt het lovend en dankend vol vreugde mede: Heilig, Heilig, Heilig 'â¢ijt Gij, almachtige Heer, driewerf heilige God, Koning van millioenen en millioenen Engelen, die uw krijgsheir uitmaken, Bestuurder van al wat machtig en groot is in den hemel en op aarde. Ja, vol zijn hemel en aarde van Uwe glorie: in niets komt uwe heerlijkheid schooner uit, geen hoekje der schepping of uwe glorie o mijn God blinkt en schittert er: alles verkondigt uwe macht en grootheid. En alsuan ook het menschelijk lied met dat hemelsche willende vereenigen, uit hij verder den kreet van 't volk (3) toen Jezus Jerusalem binnen trok, zittend op een ezelin: Hosanna in den hooge! Als wilde hij zeggen: Aan U die in de hooge hemelen troont en zegeviert, U koning der heerlijkheid zij onze hulde en eerbied: Gezegend die komt in den naam des Heeren; gezegend en geprezen en verheerlijkt zij ook Uw Zoon die door U gezonden, ons zoovele weldaden bracht en nu ook wederom komt om ons geluk en onze zaligheid te vergrooten. Hosanna in den hooge!
Ziedaar het Triagion, dat gelijk de praafatie, zoo oud is als de Kerk zelve. Oudtijds werd het ook op den toon daarvan gezongen, en alsdan geheel vóór de Consecratie. Toen er langere zangwijzen
(1) Mgr. Broere. Constantijn Il'le Zang. â(2) Apoc. IV. 8. â (3) Matth. XXI. 9.
â 400 â
op ere,,laatst werden, zag men zich genoodzaakt het te verdeelen, opdat de Consecratie in stilte zon kunnen geschieden. Vandaar dat het koor nu na ile Consecratie het Benedictus etc. zingt. Wat vroeger dan een groet was aan Hem, die komen moest is daardoor nu een zegewensch aan den oekomene (1). Welnu laten wij ons vereenigen met dien dank- en jubelzang voor den drieëemgen God en dat driewerf heilig medebidden.
Maar gedenken wij tevens dit woord van den U. Joannes Chrysostomus: «hoe kunt gij met de Cherubijnen en Serafijnen ; Heilig, Heilig, Heilig, zingen, en dienzelfden mond gebruiken tot ontuchtige taal, tot kwaadspreken en vloeken? Zegt mij, als een dienaar een koninklijke vaas, alleen bestemd voor koninklijk voedsel, misbruikt tot onreinheid, zal zulk eene vaas nog mogen behooren onder het overige koninklijke vaatwerk? Voorzeker neen. Welnu zulk eene vaas zijt gij, Christen, die vloekt, die God lasteit, die ontuchtige taal durft uitbrengen en kwaad spreekt en lastert (2). 0 ik bid en bezweer het u, doe dit toch niet meer, maar bewaar uw mond zuiver van alle kwaad, opdat uwe lippen met de engelen dat engelachtig .heiligquot; hier op aarde in waarheid kunnen voortbrengen, om eens in den heme »dien plicht der toekomende heerlijkheidquot; ook te kunnen vervullen (3).
VIERDE HOOFDSTUK. De Canon met het Pater Noster.
WfU üÃn tl'1111* genaderd tot het voortreffelijkste en waardigste deel dei* II. Mis: de Canon, gevolgd door het Pater noster. Te midden van dit gedeelte zijn de II. Consecratie-woorden geplaatst, als het hart in het menschelijk lichaam, gelijk de H. Bona-ventura zich uitdrukt; (-1) en zal de goddelijke Zon der liefde glanzend opgaan, hare weldoende stralen over het christelijk heelal uitschieten, en alles met hemelsch licht, bovennatuurlijke warmte en godde-lijken luister vervullen. Voorzeker de gebeden, welke bij dit gedeelte gestort worden, moeten schoon en voortreffelijk zijn. Zij scharen zich immers als de liefelijke dageraad en het glanzend ochtendkrieken rondom die hemelsche Zon; zij zijn als de hel flikkerende starren, die het meest nabij tie zon staan : of liever, om mij van eeu nog juistere uitdrukking te bedienen, een gedeelte er van, de gebeden dei-Consecratie, maken het vflat lux, het worde lichtquot; uit van de vernieuwde wereldorde der Verlossing. Geen wonder, dat de Kerk niets in meer waarde houdt dan deze gebeden; dat de Kerkvaders ze noemen »/(lt;;lt; Gebedquot; (2) bij uitnemendheid, dat Florentius ze teekent (3) als ygt;de Geheimenis der heilnjste daad;quot; dat een li. Pelagius de Canon
(1) Kxpl. Missae 0. IV. â ('2) Cypriaims de Oiut. Dom. â In hoc. I. Ep. ad Decent. â (3) De Act. Missso.
â¢II
â -102 â
lofprijst (1) als y, de Akte der heilige verhor genheid.quot;
Men noemt ze Canon ; een Grieksch woord, dat beteekent orde of regel. In de taal der Liturgie is zij namelijk de vaste en onveranderlijke regel, volgens welken de priester het Ofter der nieuwe Wet voltrekken moet. Een paar kleine inlasschingen uitgenomen, dagteekent zij wat den zin betreft van de Apostolische tijden. Daar echter in die eerste jaren van het Christendom de goddelijke dienst in het Grieksch verricht werd, zoo zijn de Latijnsche gebeden eerst tegen de 2lle, of in de eerste jaren van de 3de eeuw aldus samengesteld. Zeker is het daarenboven dat zij sinds Gregorius 1 (-[⢠604) volstrekt geene verandering meer heeft ondergaan (2). Rij welken Ritus men daarenboven de Canon nagaat, overal vindt men denzelfden zin terug, mochten ook de woorden verschillen (3). Samengesteld, zooals het H. Concilie van Trente (4) ons leert, uit de woorden van den Heer zeiven, uit de Apostolische Overleveringen en uit de vrome instellingen der Pausen, is zij zoo zuiver van alle dwaling, dat zij niets bevat, of het verspreidt een heerlijken geur van heiligheid en godsvrucht, en voert de ziel des offerenden op tot God.
In diepe stilte moet zij geschieden. De stem dos priesters, die zoo even in de pra'fatie zoo luide nog klonk, wordt niet meer gehoord. Rondom het altaar zelf vernemen de meest vertrouwde dienaren des priesters niets meer dan een geheimvol lluisteren. Moet de verklaring nog gegeven worden? O aanstonds wordt datzelfde altaar de troon der Godheid, die troont in de stilte der eeuwigheid, die in den
(I) In Epist. Agobardi ad Lad. iinper. â ('2) Wie hierover meer wil weten, leze Bened. Xl\ O. rit. G. XII. ('tl Kard. Bonn (/lt;â Ui'h, IJl. Lil). II. C. XI. â (â¢!) Dom Gueranger. O. cit. p. '115. â (4) Sess. X..\ 11. C. 4.
â 103 -
eenin- welbeminden Zoon, te midden van den stillen nacht zijn koninklijke woonplaats verliet, om met ons te komen wonen. Zie, 't is dan ook of de Engelenkoren zich reeds vergaderen met de honderd vier en veertig duizend geteekenden uit de stammen Israels; 't is ol' de ouderlingen en de evangelisten hun God komen aanbidden zetelénd op zijn troon; 't is of de maagden met hare brandende lampen ter bruiloft gaan, ter bruiloft van het goddelijk Lam; 't is of de stem der groote menigte weerklinkt, een stem als het gernisch van vele wateren, als de klank van vele donders: «Verheugen wij ons, en juichen wij, en geven wij glorie aan onzen God (1).quot; Want terwijl het hemelse,h Heilig, Heilig, Heilig, nog rolt door de gewelven des heiligdoms, treden acolieten in engelrein gewaad, met brandende toortsen in de hand, het priesterkoor binnen en scharen zich rondom het altaar (2). Ja, de majesteit en de eerbied voor hetgeen gaat geschieden vordert dringend hier een ingetogen stilzwijgen (3). Zou Mgr. Broere dit alles voor oogen hebben gehad, toen hij dichtte:
Der englenstoet kwam aan. De stilte ging hun schreden Vooruit; nog spraken zij onhoorbaar hunne beden Kn langzaam zag men op den diamanten trap De blanke geesten met hun ligt-omwolkten stap Verrijzen en 't altaar van alle kant omgeven (4).
Maar er is meer.
Aan zuilen uitgehouwen Van bloedig Jaspis, hangen doornenkroon en touwen Kn kruis en foltertuig, eens door Gods Zoon geduld (4).
Hoe nader het oogenblik der Consecratie komt, hoe meer wij ook Jezus naderen, stervend op Calvarië. De gedachtenis van zijn lijden en dood wordt ge-
(i) A poe. XIX. â ('2) Missale Rit. Cel. VUL 8. â (-ï) b. Basil, de Spir. S. C. '17. Zie verder: Gihr. Das heiliijo Meszopfer sj 50. -- (i) Cuiislantijn. SJ® zang.
â 404 â
vierd, of liever Hij gaat zijn Offer vernieuwen. Dit zegt ons die gekruisigde Heiland, afgebeeld in elk Misboek tusschen de Procfatie en de Canon : dit zegt ons ook, (waarom toeb zonden wij het met Paus lunocentius III (1) aan de goddelijke Voorzienigheid niet mogen toeschrijven?) de eerste letter, waarmede de Canon begint. Zij is een T, de letter, die ons den vorm des kruises teruggeeft, en daarom door God zelf als het teeken des heils werd uitgekozen voor allen, die tot de uitverkorenen zullen behoo-ren (2). Welnu, wordt Jezus' lijden en dood herdacht, dan moet er ook een diepe stilte heerschen aan hot altaar, in het Godshuis. Want Jezus bad in nachtelijke stilte, voordat Hij zich overleverde in den hof van Olijven: Jezus werd in den stillen nacht gevangen genomen: Jezus zweeg, toen Ilij voor den rechter stond, en als een schaap, dat zijn mond uiet opent voor hem, die het scheert, werd Hij gegeeseld, met doornen gekroond, bespot en gehoond, werd Ilij ter dood geleverd aan het kruis. Daarenboven, zon iets anders dan stomme smart en droefheid ons deel kunnen zijn bij dat lijden en dien dood van den Godmensch ? â O geheimvolle stilte der Canon, wat zegt gij ons onbegrijpelijk veel! Hoe luid spreekt gij tot ons hart, en dringt gij de waarheid op aan ons verstand : Mensch, ziedaar uw Jezus, die voor u gaat sterven, die zijn
kruisdood gaat vernieuwen!......
En zijn wij thans ook meer dan ooit aandachtig! Als wij voor achttien eeuwen hadden mogen staan naast Jezus' kruis, o voorzeker, geen enkele handeling van Jezus ware ons ontgaan. Wij zouden geheel in Hem verslonden zijn geweest en in zijne onmetelijke liefde. Zoo moet ook nu de gesteltenis zijn
(1) De S. Altaris rnystei io L. lil. C. 11. Zie onk Bonav. 1, Ci â (2) Kzech. IX 4 0. en Apoc. XIV. 1 VII 3â9.
â 165 â
van ons, geloovige Christenen. Niets moet ons hart of onzen geest verstrooien; in stilte moeten wij met den priester bidden en letten oji zijne minste handelingen. Want daaruit worden ons tevens zijne gebeden verklaard.
§ 1. GEBEDEN VOOB DE CONSECBATIE.
HET GEBED âTE IGITUR.quot;
Bede v o o r d e H. K e r k.
/.ie, de priester begint dat indrukwekkend gebed. Eerst heft hij zijn handen en oogen ten hemel, omdat hij weet, dat nog altijd diiar de Verwachte der volken toeft, en hij vurig verlangt naar zijn komst; dan slaat hij zijne oogen neder, vouwt de handen te zamen, legt ze op het altaar, buigt zich als een waarlijk sineektnde diep voor zijn God, en bidt: »l dan. (/oedertieren.ste Vader, hidden en smeeken wij ootnwediy daar Jezus Christus, ineen Zoon. onzen lieer: dat Gij deze ijaven, deze geschenken. deze heilige, onbevlekte offeranden goed-gnnstig wilt aannemen en zegenen; inzonderheid die welke wij 11 opdragen, voor u we Heilige Katholieke l\erk; gelief haar over den gansehen aard-hodem in vrede te helvaren, te behoeden, te vereenigen en te besturen, te zamen met uwen dienaar, onzen Paus N. en onzen Bisschop N. en met alle rechl-geloovigen, en vereerders van het Katholieke en Apostolischc gcloof.quot;
In deze geheimzinnige tweespraak bidt en smeekt dus de olferende priester allereerst den goedertierensten Vader, die heilige en onbevlekte Offerande goedgunstig te willen aannemen en zegenen. Ilij doet het door .lezus Christus, zijn Zoon, want hij weet het maar al te goed, do verdiensten van dezen Middelaar moeten haar vruchtbaar maken; wij zijn
â 166 â
om onze zonden niet waardig veflioord te worden (1). Daarom legt hij, als hij die woorden Diloor Jezus Christus uwen Zoonquot; uitspreekt, de handen o|i het altaar, en kust het, als wilde hij zijn gekruisten Zaligmaker omhelzen, en nogmaals zijne liefdes ver-eeniging met Hem vernieuwen ter bevestiging zijner macht, die hij thans gaat uitoefenen. Doch waarom noemt hij die olferande deze yaven, deze geschcnlteu, deze heilige, unhevlektü ofl'eranden? â Die woorden, zegt de 11. Alphonsus Maria, slaan niet slechts op het brood en den wijn, die reeds geoll'erd zijn, maar ook bij vooruitneming op het allerheiligst Lichaam en onbevlekt liloed van Christus, waarin straks dat brood en die wijn zullen veranderen (2), en die, gelijk Paus Innocentius 111 (3) zoo schoon opmerkt, evenals aan het kruis, de gave des Vaders, bet geschenk des Zoons, het offer des H. Geestes worden. Toen immers gaf de hemelsche Vader zijn Zoon aan ons, toen schonk Jezus zich, toen droeg hij door den H. Geest zijn onbevlekt offer aan God o]i (4). Straks na de Consecratie zal Jezus wederom de gift des Vaders, het geschenk des Zoons, bet offer van den 11. Geest zijn. Maar, o vrijgevige genade, o genadevolle vrijgevigheid van onzen God, wat Hij gal', schonk en offerde voor ons, dat mogen wij ook aan Hem geven, schenken en offeren: Jezus Christus, die aan het kruis voor ons stierf, wordt opnieuw waarlijk onze gift, ons geschenk, ons heilig en onbevlekt offer. Ziedaar waarom de priester die woorden gebruikt. Maar dat offer moet dan ook buitengewoon heilig en onbevlekt zijn, ziedaar waarom hij tevens bij bet uitspreken dier woorden, tot driemalen toe het kruisteeken maakt over bet brood en den wijn.
(1) Bonav I. e. â ('2) Oeuvr. Asc. (Dujanlln) T. 14. p. '25. (Pladys.) J.e Prei re T. 11. p. 179. â (lt;lt;) U. cit. C. III. â (4) Hebr. IX.
â 167 â
Hij bidt dan verder, dat de liemelsehe Vader dat ÃH'er van oneindige waarde allereerst aannenm voor zijne heilige katholieke Kerk. Zouden andere belangen dan die der 11. Kerk in de 11. Mis de eerste mogen zijn? Neen, niets is dierbaarder aan ('rod dan die instelling van Christus. Hij smeekt, dat Hij haar in vrede, liefde, éénheid en voorspoed beware en besture; bevrijd dus van ketters en scheurmakers , van heidenen en afvalligen, van dwaling en vervolging. Eenheid toch is het groote kenteeken van Gods Kerk. Hij zelf zegt het ons in de H. Schrift: Una est coluinha inca. Eén in mijne duive (1). Niets moet dat kleed zonder naad van Christus komen verscheuren. â En die eenheid kan er alleen zijn, als allen vereenigd zijn met hun hoofd: daarom moet de Kerk bewaard worden met haar Opperhoofd den Paus, met hare Bisschoppen. De priester bidt daarom voor den Paus en voor den Bisschop zijner diocees. Die vrede, dat geluk kan slechts blijvend zijn, als ook de wereldlijke macht, die aan God haar oorsprong ontleent, volgens God bestuurt en met de Kerk samenwerkt. Daarom bad de priester in vroegere eeuwen toen alle koningen katholieken waren, ook voor zijn vorst. Het Protestantisme noodzaakte een Pius V daarin verandering te brengen. â Dat geluk eindelijk zal volmaakt zijn, als allen tot den waren Schaapstal behooren en zich nauwer om den Herder scharen; daarom bidt de priester voor alle rechtgeloovigen en voor hen, die, op w'elke wijze ook, er voor arbeiden om het katholiek en apostolisch geloof te bewaren.
Ziedaar wat hij allereerst in dit eerste gebed van de Canon vraagt, 't Is een bede voor de H. Kerk in 't algemeen. O dat het ons ook aanspore.
(1) Cant VI. 8.
â -166 â
om onze zonden niet wiuirdig verhoord te worden (1). Daarom legt hij, als liij die woorden fxloor Jezus Christus uwen Zoonquot; uitspreekt, de handen op het altaar, en kust het, als wilde hij zijn gekruisten Zaligmaker omhelzen, en nogmaals zijne liefdes ver-eeniging met Hem vernieuwen ter bevestiging zijner macht, die hij thans gaat uitoefenen. Doch waarom noemt hij die olferande deze (javen, deze geschcnheii, deze heilige, unhevlehte ofleremden ? â Die woorden, zegt de H. Alphonsus Maria, slaan niet slechts op het brood en den wijn. die reeds gcolVerd zijn, maar ook bij vooruitneming op het allerheiligst Lichaam en onbevlekt Bloed van Christus, waarin straks dat brood en die wijn zullen veranderen ('i), en die, gelijk Paus Innocentins 111 (3) zoo schoon opmerkt, evenals aan het kruis, de gave des Vaders, het geschenk des Zoons, het offer des H. Geestes worden. Toen immers gaf de hemelsche Vader zijn Zoon aan ons, toen schonk Jezus zich, toen droeg hij door den H. Geest zijn onbevlekt olVer aan God oji (4). Straks na de Consecratie zal Jezus wederom de gift des Vaders, het geschenk des Zoons, het offer van den 11. Geest zijn. Maar, o vrijgevige genade, o genadevolle vrijgevigheid van onzen God, wat Hij gaf, schonk en offerde voor ons, dat mogen wij ook aan Hem geven, schenken en offeren: Jezus Christus, die aan het kruis voor ons stierf, wordt opnieuw waarlijk onze gift, ons geschenk, ons heilig en onbevlekt oller. Ziedaar waarom de priester die woorden gebruikt. Maar dat offer moet dan ook buitengewoon heilig en onbevlekt zijn, ziedaar waarom hij tevens bij het uitspreken dier woorden, tot driemalen toe het kruisteeken maakt over het brood en der; wijn.
(l) Bonav I. e. â (2) Oeuvr. Asc. (Dujanliii) T. 1 i. p. '25. (Pladys.) te Prélre T. 11. p. 179. â (3) O. cit. 0. 111. â (4) Hebr. IX.
Hij bidt dan verder, dat de henielsche Vader dat Oll'or van oneindige waarde allereerst aanneme voor zijne lieilige katholieke Kerk. Zouden andere belangen dan die der H. Kerk in de H. Mis de eerste mogen zijn? Neen, niets is dierbaarder aan God dan die instelling van Christus. Hij smeekt, dat Hij haai- in vrede, lielde, éénheid en voorspoed beware en besture; bevrijd dus van ketters en scheurmakers, van heidenen en afvalligen, van dwaling en vervolging. Eenheid toch is liet groote kentoeken van Gods Kerk. Hij zelf zegt het ons in de H. Schrift: Una est columha inca, Eén in mijne duive (1). Niets moet dat kleed zonder naad van Christus komen verscheuren. â En die eenheid kan er alleen zijn, als allen vereenigd zijn met hun hoofd; daarom moet de Kerk bewaard worden met haar Opperhoofd den Paus, met hare Bisschoppen. De priester bidt daarom voor den Paus en voor den liisschop zijner diocees. - Die vrede, dat geluk kan slechts blijvend zijn, als ook de wereldlijke macht, die aan God haar oorsprong ontleent, volgens God bestuurt en met de Kerk samenwerkt. Daarom bad de priester in vroegere eeuwen toen alle koningen katholieken waren, ook voor zijn vorst. Het Protestantisme noodzaakte een Pius V daarin verandering te brengen. â Dat geluk eindelijk zal volmaakt zijn, als allen tot den waren Schaapstal behooren en zich nauwer om den Herder scharen: daarom bidt de priester voor alle rechtgeloovigen en voor hen, die, op welke wijze ook, er voor arbeiden om het katholiek en apostolisch geloof te bewaren.
Ziedaar wat hij allereerst in dit eerste gebed van de Canon vraagt, 't Is een bede voor de H. Kerk in 't algemeen. O dat het ons ook aanspore,
(1) Cant VI. 8.
- 168 â
om uls kinderen der katholieke Kerk in dat oogenblik ook voor onze Moeder to bidden. Toonen wij onze oprechte liefde, en snieeken wij insgelijks met den priester om vrede en eenheid voor de Kerk, bidden wij voor hare geestelijke overheden vooral voor den Paus en de Bisschoppen, vragen wij om behoud des gelool's voor al hare kinderen.
Gedachtenis lt;hr Levenden.
Xa die eerste bede in dit gebed, volgt een tweede meer in het bijzonder voor hen, voor wie de priester bidden wil, en voor degenen die bij het H. Offer tegenwoordig zijn. Hij verheft daarom nog hooger zijne handen, voegt ze op de borst te zamen, en bidt in stilte: Gedenk, Heer. mee dienaren en dienaressen N.... en A.... (en hierna houdt hij een weinig stil, en gedenkt allen, voor wie hij in het bijzonder wil bidden) en alle lt;iin-standers. wier geloof u bekend, en wier godsvrucht u niet verborgen is; voor wie wij o/ die v dit Offer van lof opdragen-, voor zich zeiven en voor al de hunnen, tot verlossing hunner zielen, tot hoop van hun heil en zaligheid, en die aan u. eeuwigen, levenden en waren God. hunne beloften volbrengen.
Het 11. Offer, waarvan de vruchten oneindig zijn, werkt op eene bijzondere wijze op hen, voor wie meer in het bijzonder ook gebeden wordt in de H. Mis. Vandaar dat de priester hier ook, wie hij meer bijzonder aan God wil aanbeveleii, mag gedenken. Zij deelen daardoor zeer overvloedig mede in de bijzondere vruchten dos Offers. En verder bidt hij nog voor andere geloovigen. Het zijn eerst en vooral diegene die milde giften en gaven vooi de offerande hebben aangebracht, of die voor het welzijn der Kerk en der armen bezorgd waren.
Immers in vroegere tijden werden hier de namen afgelezen dergenen, die het od'er hadden verzocht, ol' om eenige reden bijzonder verdienstelijk waren jegens de Kerk en de armen, 't Zijn vervolgens degenen, die bij liet H. Sacrificie met geloof' en godsvrucht tegenwoordig zijn en met den priester olleren. Het zijn zijne en hunne bloedverwanten en vrienden ; 't zijn allen, die een bijzonder gebed verzocht hebben. Voor deze allen smeekt hij bijzonder datgene af, wat Jezus ons kwam brengen door zijn kruis n.l. do verlossing hunner zielen uit de slavernij des duivels, dus de vergilfenis der zonden, het heil hier op aarde door alle goederen die hen gelukkig kunnen maken, lt;le zaliij/ieid. welke zij mogen verhopen, omdat Hij hen mede-erfgenamen maakte van zijn Rijk.
Wie erkent hier niet het liefdevol en moederlijk hart der Kerk? Al wat hare kinderen waarlijk gelukkig maakt, smeekt zij voor hen af. Ja, dat moeten ook wij voor elkander doen in ditoogenblik. Den goeden God moeten wij smeeken, dat al de onzen, al degenen, die weldoeners zijn van Kerk en armen, deelachtig worden aan de vruchten van het II. Misolfer, dat zij vergeving verkrijgen hunner zonden, en de goederen van het tegenwoordig en eeuwig leven verwerven. En laat ons hierbij niet te karig zijn in het gedenken van personen of in het vragen van gunsten: dat Offer is van oneindige waarde.
Gedachtenis der Heiligen.
Maar onze Moeder de H. Kerk kan verder niet vergeten, dat in de II. Mis de innigste ver-eeniging plaats heeft van den hemel met de aarde. Zij de strijdende staat dan vooral in verbinding met de zegepralende. Daarom wendt zij hare blikken omhoog en aanschouwt daar in die gemeenschap
â 170 â
der Heiligen die millioenen, welke duur heerschen en ons de luinden toereiken: die koren van engelen, die zieli gereed nuiken onze gebeden, opstijgende ids de wierook des oilers, te brengen voor Gods troon, en daar genade en barndiartigheid te verwerven. Ja zij weet het, die engelen en heiligen.
Hetzij de Godheid linn den loop iles lots verklaart, Hetzij zij zelv' den l)lik soms neêrslaan op deze aard, Of met den zonnestraal iu heure dalen glijden, Zij deelen in ons leed, zij kennen al ons lijden, lin aller lieemlen hulp wordt reeds der deugd verleend, Als 't inensehlijk oog om haar geen traan nog heeft
geweend (1).
En is dit ten allen tijde waar, meer dan ooit klinkt de beé, van 't mensehdom opgezonden, door alle kringen des hemels heen. wanneer de eeuwige Middelaar zich als Offerlam den hemelschen Vader aanbiedt, en zijne wonden vertoont; meer dan ooit is flat waar, als de 11. Mis wordt opgedragen.
Dan klinkt 't geroep door al die koren van hemelingen, en doet zich als een donder hooien:
»'t Zijn broeders, wier gesmeek van hunne lippen vliet Vergeten we in ile vreugd hun leed en lijden niet (1).
En die Heiligen Gods bidden met .Tezns voor ons.
Daarom dan ook herinnert ons thans de Kerk opnieuw en met aandrang aan dat troostend ge-loofspunt hetwelk van de Christenen der aarde en de Christenen des hemels slechts één huisgezin maakt.
Mijne kinderen, zoo schijnt zij ons toe te roepen, gij zijt thans in Jezus Christus meer dan ooit vereenigd met uw oudere broeders; hunne gebeden gaan de uwe ondersteunen: uw Offer is ook het hunne. Welnu dan, het is meer dan plicht, dat wij
(1) Broere. Conslantijn. 11'^ zang.
â 171 â
ons met hen vereenigen fondom den troon van het goddelijk Lmn. Ja, daarom bidt de priester dit schoone gebed: »ÆÂ« gemeenschap mei en de gedachlenis vierende inzonderheid van de glorievolle Maria, altijd Maagd, de Moeder van onzen God en Heer Jems Christus; maar ook van uwe gelukzalige Apostelen en Martelaren, van Petrus en l'aulus, Andreas, Jacobus, Joannes. Thomas. Jacobus, Philiiums, Bartholomaeus, Mattluvus, Simon en Thaddceus: van Linus, Cletns, ('lemens, SLrtns, Cornelius, Cyjirianus, Laurentius. Chnjsogonus. Joannes en Pan lus. Cosmos en Damianus en van al uwe Heiligen: wil om hunne verdiensten, en. voorbeden verleenen, dat wij in alles door de hulp uwer bescherming beveiligd worden. Door denzelfden Christus onzen. Heev. Amen.
«Hier op den weg des levens,quot; zegt zoo schoon Paus Innocentius (1), «houden wij gemeenschap met de heiligen door het geloof, dat zij eenmaal bezaten, en wij nog hebben. Wij toch bezitten het geloof en de hoop. zij hut goddelijk aanschijn, zij het voorwerp zelve van dat geloOven. Wij loopen nog in de renbaan, zij bezitten reeds den prijs: wij strijden nog op den weg, zij triumfeeren in het vaderland. Wij deelen derhalve In de gemeenschap en vereeren de gedachtenis dér Apostelen en Martelaren en vooral van de glorierijke Godsmoeder, de Maagd Maria, om door Imnne voorbede van het geloof tot het aanschouwen te geraken, uit de renbaan den eindpaal te bereiken, om van den weg over te gaan tot het vaderland. In het gedachtenis vieren der heiligen onderhoudt de Kerk, hetgeen de oudheid gewoonlijk deed, n.l. de voorvaderen gedenken in hare gebeden, om aldus door hunne smeekende verdiensten te verkrijgen wat zij
(1) ü. cit. C. IX. â (2) Exod. XXXII.
â 172 â
verlangt. Zoo rii'|gt; een Mo/es voor het zondige volk de gedsiditenis zijner vaderen in: «Herinner U Abraham, Isaac, Israël, uwe dienaren (2).quot; Zoo leest men, dat Azarias in het gloeiend fornuis gebeden heeft: «Neem toch, o Heer, onze God, uwe barmhartigheid niet van ons weg, zoo sineeken wij u om Abraham, uw lieveling, om Isaac, uw dienaar, om Israel, uw heilige (1).quot; Veel toch vermogen de verdiensten der vaderen voor hunne kinderen. Vandaar hoorde Ezechias, toen hij de goddelijke hulp inriep, eene stern, die zeide: »lk zal die stad beschermen en bewaren om-mij en om
David, mijn dienstknechtquot;......En daar er buiten
de eenheid der Kerk geen plaats is, om het oller der eenheid op te dragen, zoo vereenigen wij ons in het offer met de gedachtenis der Heiligen, in gemeenschap met hen het offer brengende. Want, gelijk één brood uit vele graankorrels, één lichaam uit vele ledematen, zoo bestaat ook de ééne Kerk uit vele geloovigen. Er staat toch geschreven : eene vreemdelinge ete er niet van, want het is heilig. Kn derhalve nemen wij bij het eten van dit Lam, alleen hem op. die vereenigd is met ons huisgezin, u.l. eiken huisgenoot in liet geloof, van den vorst tot den onderdaan, van het volk tot den tollenaar.quot;
Maar als wij de Heiligen gedenken, waarom worden er dan slechts Apostelen en Martelaren genoemd, en geen Belijders? Wij antwoorden met denzelfden Paus (2), als ook met Paus Benedictus XIV (3); omdat de canon zoo oud is en dus dit gebed reeds gemaakt was, voordat de Kerk de gedachtenis van Relijders hield. Want alle heiligen, die hier herdacht worden, gingen den H. Sylvester (j 335) vooraf, behalve .loannes en Paulus,
(1) Dan. III. â (2) O. rit. C. X. â (3) O. rit. ( XI1. 'â C. XIII. 24.
Marcellinus en Petrus, die onmiddelijk na hem leefden. Do Kerk nn begon eerst na den tijd van den 11. Sylvester de gedachtenis van H. Belijders te vieren. Een andere reden voegt Kard. Bona hierbij, als li ij zegt: «Belijders worden hier niet genoemd, maar wel apostelen en martelaren, omdat deze door hun bloed te vergieten het lijden en den dood van onzen Heer, welke in dit oll'er worden vertegenwoordigd, hebben nagevolgd (1).quot; Die twaalf apostelen met die twaalf martelaren, waaronder vijf pausen, een bisschop, een diaken en vijf leeken zijn als zoovele levende afbeeldsels van het kruisolfer, die als bloedgetuigen voor de geheele wereld de leer des krnises hebben verkondigd en bevestigd.
Wij mogen het hier niet onopgemerkt laten voorbijgaan, hoe uit dat zoo onde gebed tevens ook de bijzondere vercering blijkt der H. Kerk voor Maria. Gelijk in de eerste vergaderingen der Christenen, heeft zij in dit gebed ook de eerste plaats, ja neemt zij boven de apostelen en martelaren een geheel bijzonderen rang in. Hare glorievolle Maagdelijkheid, haar Goddelijk Moederschap, haar verheven Martelaarschap geeft haar daar recht op. En alzoo werd ook toen geloofd en beleden, wat de dichter (2) zingt:
Maar wie rijst hooger nog door 't lieflijk blauw der
| wolken 1
De aartsengel buigt en bloost en alle hemelvolken Verstommen voor haar hlik! t Is 't troostend licht
[der maan
Waarin al zwevende haar blanke voeten staan Een kroon van starren spreidt haar schitt'ring om
[haar slapen,
En 't kroost van Bethlehem in engeltjes herschapen Omzwaait haar, hand in hand, en tuimelt om haar voet, En werpt haar leliën en rozen te gemoet.
(I) Heb. Lit. L. II C. XII. â (2) Mgr. Bioere. Coiislaiilijn 'i'le zang.
â 174 â
Gij waart het, Moedermaagd! fiij welker schoot Hem
[baarde
Kminainiël, wiens bloed het leven schonk aan de aarde, li kroont de morgenster, n slechts omkranst de maan Op wie eens de eeuw'ge Zon zijn stralen af deed slaan.
Maar ook in welk eene innige verhouding staat Maria tot het bloedü/e en onbloedige Olfer! Het OlVerlam des kruises en des altaars werd ons door deze maagdelijke Moeder geschonken; het is »de vrucht uit don edelsten schoot,quot; door den H. Geest ontvangen. De Godmensch is «ons geboren, ons gegeven uit die onbevlekte Maagd.quot; Zij stond naast het kruis van Jezus, en terwijl haar moedertranen zich vermengden met Zijn Rloed, en het zwaard der smarten hare ziel doorkliefde, offerde zij met baar gekruisigden Zoon ook zich zelve voor het heil der wereld. Groot als de zee was toen haar lijden; met haren Zoon was zij aan het kruis genageld en gevoelde al zijne wonden in haar hart. Daarom wordt zij te recht de Koningin der martelaren genoemd. Haar naam is dus niet te scheiden van Christus' Offerande: hare gedachtenis moet met de zijne ook bij de onbloedige vereenigd worden. Dat heilig Offervleesch en Offerbloed komt o|) bet altaar uit Maria's hart en handen ; Van haar zullen wij leeren als ware priesters met het Lam Gods ook ons zeiven ten olfer te brengen (1).
Wij willen verder niet in de nadere geheimzinnige beteekenis treden, die vele schrijvers van dit gebed geven. Slechts wijzen wij nog op de laatste woorden: vdoor den-elfden Christus, onzen lieer.quot; Die uitdrukking in zoo onmiddellijk verhand met de namen dier Heiligen, die wij vereeren en aanroepen , bewijst opnieuw voor de zooveelste maal, dat de vereering der Heiligen niets tekortdoet
(1) Vergelijk : Gihr. 0. cit. § 57.
aan Christus' middelaarschap, dat de If. Kerk de IJeiligen aanroept en vereert nis machtige voorsprekers, maar Christus aanbidt als Dengenen, die altijd voor den troon van God onze rechtstreeksche tnsschenspreker is.
HET GEBED âHA NO IGITUR.quot;
Als in de onde Wet Aiiron of zijne nakomelingen in het hoogepriesterscluip aan den almachtigen God een slac.htoller gingen brengen, dan strekten zij eei-st de handen uit boven den kop der offerdieren. (1) /.ij namen aldus in naam van (iod bezit van het offer, en stelden liet in de plaats van heel het volk, dat om zijne zonde den dood schuldig was: ja, voegt er de II. Alphonsus nog bij, de offemar offerde op die wijze in dat offer zijn eigen leven aan God op (2).
Dit zelfde moet ook thans geschieden, nu Jezus ons Olfer gaat worden. Noch de priester, boe hoog zijne waardigheid ook zij. noch het christenvolk kunnen uit zich zelf een Gode welgevallig olfer voor de zonden brengen. De zonde is een opstand tegen een God : zij sluit eene oneindige boosheid in . een persoon van oneindige waardigheid alleen kan daarvoor voldoen. Wel kan de meusch zijn leven ten olfer bieden, maar zonder het olfer van Gods Zoon betee-kent het niets.
Zie, daarom, lezer, strekt de priester thans zijne handen uit over het brood en den wijn, die aanstonds zullen veranderen in het Lichaam en Bloed van Jezus Christus. De lloogepriester van het nieuwe Verbond neemt bezit van hot offer, vereenigt zich en ons allen er mede, om aldus in de oogen
(1) bevit. IV. VIII. Kxnd. XXIX. â (2) Oeuvr. Ase. (Diijanliu) XIV. pag. 27. Lr Prc'lre (Phulys) pag. IS^.
â 170 â
van God een welgevallig offer te zijn; of liever, want de Mis is de vertegenwoordiging van het kruisoffer, hij herhaalt hier door zijn handeling, doch omdat Jezus dat zoo wil, de ter dood veroordeeling van Pilatus, legt den Zaligmaker het kruis onzer zonden op, en zendt Hem uit, om o|i Calvariii te gaan sterven voor ons.
Treffend oogenhlik, dat ons waarlijk met gevoelens van diepe nederigheid moet bezielen! Als gij dan het teeken der schel verneemt, dat uzegt: Christen, de Priester stelt Jezus in uwe plaats, hij gaat u ten offer brengen! kniel dan neder met die levieten van het heiligdom, met die wierook- en lichtdragers, daar rondom het altaar; kniel dan neder in het stof, en bid met den priester: Neem i/oii, hidden wij n lieer, dit offer der dankbaarheid van ons. en van geheel uw gezin goedgunstig aan en beschik onze dagen in uwen vrede, onttrek ons aan de eeuwige verdoemenis, en laat ons onder de kudde uwer uitverkorenen geteld worden. Door Christus onzen lieer. Amen.
»T)e vrede in ons leven, de bevrijding van de eeuwige verdoemenis, het eeuwig leven,quot; ja dat waren de vruchten van Jezus' kruisdood: deze verwachten wij ook door het Offer der H. Mis. Hebben wij deze verworven, dan is ons geluk verzekerd, want dan bezitten wij dien volmaakten vrede, die alle vreugde en geluk overtreft. Er is toch, zegt Paus Innocentius lil. een drievoudige vrede, een vrede der reehtvaardigen, een vrede der zondaars hier op aarde, en een eeuwige vrede in den hemel. Dien vrede der rechtvaardigen gaf Christus aan de zijnen, toen Hij sprak: vpacem relinquo vobis: ik laat u den vrede (1):quot; en de Kerk bidt dien herhaaldelijk af, als zij smeekt: «Geef vrede in onze
(1) Joan. XIV. 27.
â -177 â
dagen.quot; Die vrede der zondaars is het teeken der verwerping, en van dezen zeide Christus: »Ik kom niet den vrede brengen, maar het zwaard (1).quot; Van den eeuwigen vrede eindelijk verzuchtte de psalmist: »In vrede zal ik slapen en rusten (2);quot; en onze Moeder herhaalt het telken male, als haar een kind door den dood ontvalt, als zij treurt bij het lijk, en voor de ziel smeekt: »Hoer, geef haar de eeuwige rust, het eeuwig licht verlichte haar; dat zij ruste in vrede. Amen.
HET GEBED âQUAM OBLATIONEM.quot;
En nadat Christus ter dood veroordeeld was, ging Hij,
«Met zijn altaar, het kruis, dat van den schouder hing (3,quot; naar den Calvarieberg, om te sterven voor onze zonden: daar legde Hij zich vrijwillig op het offerhout neder, en de beulen sloegen wreede, plompe nagelen door zijne handen en voeten. Vier gapende wonden openden zich daar, die straks na zijn dood met een vijfde vermeerderd werden in zijne zijde. Dat waren de bronnen, waaruit ons het nieuwe loven toevloeide, en waardoor het offer het Gode welgevallige Kruisolfer werd. Is het dan to ver gezocht, als de schrijvers in de vijf kruisteekens, welke de priester vervolgens over het brood en den wijn maakt, de vijf wonden des lleeren zien ? Wij voor ons meenen van neen, vooral, als men daarbij overweegt, hoe 's Heeren dienaar bidt: Gelief, s}neeken wij / . o God. deze offerande in alles gezegend 1%. voorschriftmatig. gt;5, goedgekeurd gSf , redelijk en aannemelijk te maken , opdat zij voor ons worde het Lichaam en Bloed van uwen al Ier-lief sten Zoon, onzen Heer Jezus Christus.quot;
(1) Matth. X. 34. - (Ã) Psalm. IV. 0. â (3)-Vondel. Peter en Pauwels 1072.
12
â -178 â
Door dit gebed derhalve smeeken wij, dat onze ofl'erande gezegend worde door den lioogsten en verhevensten zegen, namelijk de Consecratie: dat zij voorschriftmatig zij, dit i.s zoodanig worde, als door Christus is voorgeschreven en bepaald in het laatste Avondmaal: flat zij aldus ook een geldig een onherroepelijk goedgekeurd üfl'erzij. Wij vragen verder dat het geen levenloos, geen redeloos Offer, gelijk in de oude wet, maar een redelijk, een met verstand begaafd Offer worde, n. I. het levendig Offerlam, de Godrnensch Jezus Christus, de eeuwige Wijsheid, het eeuwig Woord van God: zoo, het kan niet anders, zal het ook aannemelijk, onfeilbaar en in den hoogsten graad Gode welgevallig zijn.
Voorzeker dat is een uitlegging van dit gebed, welke wij mogen aannemen (1). Aldus vinden wij daarin dan ook eene onmiddellijke en laatste smeekverzuchting naar den goddelijken Verlosser Jezus Christus, die door zijn goddelijk Vleeseh en Bloed de aarde met den hemel gaat verbinden, die den goddelijken vrede aan de menschen komt brengen, en het aanschijn der aarde zal vernieuwen; â¢out Nüiiis Corpus el Sanguis mat dilectissimi Filii tui Domini n os tri Jesu Christi.quot;
O wat is toch het sublieme, eenvoudig! nFiat lux: het worde licht!quot; klonk hot uit den mond van God, en het grootste der mirakelen in de orde der natuur, de wereld was er, de schepping begon. ygt;Fiat milii secundum verbum tuum: Mij geschiede volgens uw woord!quot; sprak Maria, en gewrocht is het grootste der wonderen in de orde der genade: Maria was de Moeder Gods, Gods Zoon werd mensch. En nu het wonder zal geschieden, dat alle andere overtreft, het groote wonder der zelfstandigheidsverandering, ja nu ook moet een derde fiat weer-
(1) Men vergelijke Gilir. 0. Git. § 59.
â 170 â
klinken, dat straks geheel voltooid zal zijn, als dooide consecratie-woorden de zelfstandigheid van het brood en den wijn veranderd zullen zijn in het Lichaam en Bloed van Christus. »H. Liturgie dei-Kerk, zoo roe]) ik hier uit met Mgr. Gaume, oj) ieder uwer bladzijden schittert het zegel van uwen goddelijken ooi-sprong (i).quot;
§ 2. DE CONSECRATIE.
En nu zijn wij genaderd tot aan het goddelijk werk des priesters, het oogenblik, waarop die dienaar des Heeren verricht wat Jezus deed in het laatste avondmaal, het oogenblik, dat Jezus, aan het kruis opgeheven, door het zwaard der consecratie-woorden op geheiinzinnige wijze gaat sterven voor ons. Ontzettend oogenblik !
De Serafs beven, en bij aller wachtend zwijgen Hoort men tien autaarrook al knapp'rend opwaarts
[stijgen. (2)
/.ie, de priester wischt den duim en den wijsvinger zijner handen op het corporale ter zuivering van het minste stofje af;
in die gezuiverde vingeren, eens gezalfd en gewijd bij het priesterschap, neemt hij vol eerbied de hostie, welke nu nog brood is:
hij slaat de oogen ten hemel;
maakt het teeken des kruises over het offerbrood :
buigt het lichaam voorover, en spreekt in Christus'
naam en persoon de consecratie-woorden uit......
liet eerste wonder is gewrocht!
(I) Cat. tie Persev. 7. XXI. Lec. â (2) Mgr. Broei-e Conslaiilijn, iJ'lu Zang.
â 180 â
't Breekt uit! 't breekt uit â het licht! Van heerlijkheid
[omgloord,
Uit welker vlammengloed ontzetbre geesten staren, Eu stemmen klateren en bliksempijlen varen,
Daalt Jezus, 't eeuwig Woord des Vaders, naar benêen. Hij is 't! de Redder is 't! nog waait om zijne leên Een kleed, met bloed bespat gelijk met purpervonken. Hem is de heerschappij van al wat is, geschonken;
Zijn voorhoofd is bedekt met kronen, Oppervorst Staat op den gordel, die zijn lichtgewaden torst. Als met één slag geveld, zoo vallen alle scharen Ter neder voor den God, die op hen aan komt varen. De grijsaards werpen Hem hun kronen te gemoet En zinken van hun troon en vallen voor zijn voet (1).
En de aarde vereenigt zich met die hemelingen: de priester knielt onmiddellijk na het uitspreken dier Consecratie-woorden neder en aanbidt het eerst zijnen Heer in die H. Hostie; dun staat hij op en verheft ze boven zijn hoofd, opdat ook allen, reeds te voren geknield, Hem op hunne beurt vol eerbied aanbidden; de levieten buigen zich daarom diep: de toortsdragers bieden in naam der Kerk op aarde, hun waslicht des geloofs; tot driemalen toe stijgt de wierook der aanbidding uit het wierookvat voor den troon des Lams, dat onafscheidelijk vereenigd is met den drieëenigen God (2): het orgel doet zijn hemelzoetste en zachtste tonen hooren (3); de groote torenklok (4). die bazuin der strijdende Kerk, meldt de blijde tijding: »Uw Verlosser is opnieuw geboren,quot; en roept ter aanbidding op: en al wat Christen is, zoo in als buiten de kerk, in huizen en straten, op velden en wegen, knielt neder en aanbidt Gods Zoon; want Hij is met ons onder de nietige gedaante van brood.
(1) Mgr. Broere Conslanljn Zang. â (2) Mis-sale Rit. cel. VIII. 8. â (3) Caer. Epist. II. 8. 28. â (4) Gard. Comm. in Insl. Clem. §
â 181 -
Ja! God woont onder stervetingen:
Het rijk der Heem'len is gesticht!
God is met ons! en wij omringen Met d'Englenrei den troon van 't Licht (1)
Komt dan, Christenen, en aanbidt mv God : Deunt adora (2) ..............
En na du li. Hostie op liet altaar te hebben neergelegd, knielt de priester opnieuw, nu ter dankzegging, omdat hij Christus in zijne handen mocht dragen.
Hij neemt dan, gelijk Christus bij het laatste avondmaal, den kelk met wijn in zijne heilige en eerbiedwaardige handen;
dankt weder, het hoofd buigend, den hemelschen Vader:
zegent dien kelk:
buigt zich voorover, en spreekt de goddelijke Consecratie-woorden over den wijn uit. En liet tweede wonder is gewrocht; ook onder die gedaante is Jezus tegenwoordig; het Offer is daar.
Ik zie den Bruidegom, die quot;t oog der aard verblijdde.
Gezeten naast zijn Bruid,
Hilar sterkend met het bloed, dat heenstroomt uit de zijde
Waaruit het leven spruit!
Ik zie den Offeraar en vleklooze Olferande
Die aan des kruises stam Door lijden, smaad en dood de macht des doods verhandde De Hel haai straf ontnam (3).
Opnieuw moet dan ook de priester aanbiddend iiederknielen, opnieuw- Jezus ter aanbidding opheffen : opnieuw inoeten de levieten bulgen in het stof,
(1) Mgr. Broere. Ãil/ii/rambe up het Jlleelieiliijnte. ('2) Apoe. XXII. 9. â (3) Dr. Schaepniau. Vondel.
â 182 â
opnieuw de toortsdragers het licht des gelool's aanbieden, opnieuw tot driemalen toe de wierook opstijgen dor aanbidding, onder de jubeltonen des orgels: opnieuw de groote klok het christenvolk de blijde boodschap verkondigen.
Aanbidden en smeeken zij dan ook nu onze eenige bezigheid, want nu is het vooral een aangename tijd, nu zijn liet oogenblikken des heils, waarin wij alles kunnen verkrijgen. Wij staan immers met Maria en Joannes, met Maria Magdalena en den goeden moordenaar bij het kruis. Het geloof zegt het ons.
Hier â bid, mijn ziel! Hier is uw vragen Een offer Hem van welbehagen;
Hier sta uw eigen leven af,
En geef u zelve weèr aan die zich zeiven gaf....
Hier bid! Laat 't uur u niet ontglippen: De wonde bloedt!.... Zet uwe lippen Aan dit voor u doorstooten hart!
Ken 't verblijden Van het lijden,
Drink de goddelijke Smart (1)!....
En na de woorden der Consecratie van het II. Hloed te hebben voleind, zegt de priester nog de woorden van Christus: d/aw dikwijls gij dit zult doen, doet dit tot mijne gedachtenis.quot; 't Geschiedt, zegt de II. Alphonsus, om de macht te herinneren, welke de Zaligmaker aan de Apostelen en hunne opvolgers voor eeuwig geschonken heeft, en tevens ter gedachtenis van Jezus' lijden.
Doen ook wij daarmede vrucht, en denken wij
(1) Mgr. Broere. Dithyrambe op het Allerheiligste.
â 183 â
aan do ontzettende waardigheid des priesters, waardigheid, welke den H. Bernardinus van Siena tot de allerheiligste Maagd doet uitroepen : «Gezegende Maagd, verschoon mij, als ik het zeg, maar ik spreek niet tegen n. God heeft het priesterschap boven u verheven, want gij hebt maar eenmaal Jezus Christus ontvangen en gebaard; maar de priester ontvangt Hein telkens, wanneer hij het H. Misoffer opdraagt, en baart Hem, om zoo te spreken, der wereld, zoo dikwijls als hij begeert ('!).quot; En de H. Augustinus: »0 eerbiedwekkende waardigheid der priesters, in wier handen de Zoon Gods als in den schoot der Maagd menseh wordt (2).quot; Ja de II. Alphonsus gaat nog verder. Hij durft den priester den schepper van zijnen Schepper noemen. God, zegt hij, had om de wereld te scheppen, slechts te spreken, en de wereld was. Zoo heeft ook de priester de conse-cratie-woorden maar uit te spreken, en het brood is geen brood, de wijn geen wijn meer, maar daar is het Lichaam en Bloed van Jezus Christus (3). Evenals het Woord van God hemel en aarde heeft geschapen, zoo brengen de woorden van den priester Jezus Christus voort (4). Ontzettende, ja goddelijke waardigheid derhalve van den priester!
En gaan wij verder, denken wij ook aan Jezus' lijden, want om den priester te scheppen, zegt de 11. Alphonsus, is Jezus gestorven. Om de wereld te verlossen was de dood des Verlossers op, het kruis niet noodig: één bloeddruppel, één traan, één gebed door Hein gestort ware voldoende geweest, om duizenden werelden te verlossen. Maar om aan den priester het aanzijn te geven, zegt Alphonsus, daarvoor moest Jezus noodzakelijk sterven. Hoe anders
(1) T. 1: Serin. 20. Art. 2. C. 7. â (2) Hom. 2 In Ps. 17. â (3) S. Alph. Selva C. I. â (4) S. Hier. Sarm. de Corp. Chr.
â 184 â
kon het Slachtlam aanwezig zijn, hetwelk de priesters thans in de Nieuwe Wet opdragen, dat Slachtlam, hetwelk geheel en al heilig en vlekkeloos in zich zelf, voldoende is om God op eene Ilera waardige wijze te eeren (1)? Hoe konden zij Olïeraars zijn van dat Goddelijk Lam. dat de zonden der wereld wegneemt? Onmogelijk: het H. Ofl'er der Mis is onbestaanbaar zonder het OH'er van Calvarië.
§ 3. GEBEDEN NA DE CONSECRATIE.
HET GEBED âÃNDE ET MEMORBS.quot;
Als de Consecratie geëindigd, en Jezus door priester, dienaren en alle geloovigen aangebeden is, zet Gods dienaar het goddelijk Offer voort. De handen uitgestrekt, gelijk Jezus zich offerende, ze wijd uitstrekte op het kruis, en gedachtig, dat hem door Jezus de macht is gegeven, om het Kruisoffer op onbloedige wijze te vernieuwen, smeekt hij den hemelschen Vader in diepe stilte: ygt;Daarom dan. o Heer, zijn wij, uwe dienaren, en ook uw heilig volle, hel zalig lijden en de verrijzenis uit hel graf en de glorievolle opklimming ten hemel van denzelfden Christus uw Zoon onzen lieer, gedachlig, en brengen wij aan uwe verhevene Ma jesteit- van uwe giften en gaven een zuiver * Offer, een heilig )J( Offer, een onbevlekt ^ Offer, het heilig )5lt; Brood des eeuwigen levens en den Kelk gt;5 van het altoosdurend heil. En terwijl hij dit gebed uitspreekt, maakt hij driemalen het kruisteeken over het Lichaam en Bloed des Heeren. eenmaal over de H. Hostie en eenmaal over den Kelk afzonderlijk.
Wie dit gebed en deze ceremoniën goed begrijpt,
(1) S. Alph. Selva C. I.
zal met ons bekennen, dat zij waarlijk troostrijk on treffend zijn. Ja het Lijden van Jezus, zoo zalig, omdat het onze verlossing uit de slavernij des duivels verzekerde on tevens een bron was der overvloedigste vertroostingen te midden van ons lijden : â zijne Verrijzenis uit het graf, zoo vertroostend omdat Hij triomfeerde over den dood, de straf der zonde, en aldus onze verrijzenis mogelijk maakte; â zijn Hemelvaart, eindelijk, zoo glorievol, omdat Hij ten hemel opklom uit eigen kracht, en ons dat Rijk der zaligheid opende: â die strijd, overwinning en zegepraal van onzen Verlosser, zoo noodig ter voltooing van ons eeuwig geluk, moeten hier opnieuw worden herdacht. Wij bezitten hier immers Jezus die geleden heeft, die verrezen is en die thans zegevierend heerscht in den hemel. Dit Ofler wijst daarenboven allerduidelijkst deze mysteriën aan. Het Lijden door het geheimzinnig steiv ven, daar er uit kracht der Consecratie-woorden een scheiding plaats heeft van het Lichaam en liloed: de Verrijzenis, omdat Jezus er waarlijk levend, en zijn Lichaam en liloed wezenlijk onder iedere gedaante tegenwoordig zijn: zijne Hemelvaart, omdat Hij verheerlijkt met ons is gelijk in den hemel, waar hij voortdurend zijn Offer voor ons blijft voortzetten. Deze drie mysteriën zijn vooral onze troost, omdat zij onze liefde, ons geloof en vooral onze zekere hoop op de verheerlijking in den hemel verlevendigen: wij deelen er in door zijn 11. Sacrificie: en daarom mogen wij, Gods dienaren en uitverkoren volk, met Hem die voortreffelijkste aller gaven en giften ten offer brengen aan den hemelscheu Vader. Zij zijn voor ons allen de zekere hoop, want 't is niet een offerande als in de oude Wet van bokken en stieren, maar een zuiver, een heilig, een onbevlekt offer, zuiver, omdat het gevormd werd dooi- den H. Geest, zon-
â 186 â
der de minste smet der zonde, heilig, omdat het met den oorsprong aller heiligheid, met God zeiven zelfstandig vereenigd is, onbevlekt eindelijk, omdat het door die vereeniging voor het minste vlekje onbekwaam is. Waar zulk een Offer wordt opgedragen, daar zijn de verdiensten oneindig, daar de vruchten zoo overvloedig mogelijk. Jezus is dan ook voor ons in de 11. Mis het Brood des eeuwigen levens en de Kelk der alfoosdurende zaligheid. Daarvan zijn wij allen verzekerd, en daarom ook spreekt de priester niet in zijn naam alleen, maar in naam van ons allen.
En terwijl de priester dat overheerlijke en troostvolle gebed spreekt, maakt hij tot vijfmaal toe, wij merkten het reeds op, het kruisteeken over die H. Olferande. De goddelooze Luther, die niet meer begreep wat des hemels is, werd toornig, als hij deze ceremonie zag, en lachte de katholieke Kerk uit, omdat zij zoo iets durfde bestaan. »Hoequot;, zoo spotte hij, »kan de priester Jezus Christus zegenen, alsof het schepsel zijn Schepper den zegen zou kunnen geven!quot; De ongelukkige afgevallen priester begreep niet meer, dat de priester door zij ne H. Wijding meer is dan een schepsel, dat hij, door de macht hem van boven gegeven, tie plaats vervult van den hemelsehen Vader, en zoo even nog die macht getoond heeft bij de Consecratie, toen hij als Schepper van den Schepper optrad. â De Priester, zegt de II. Alphonsus (I) met Paus Innocentius lil, zegent hier niet uit eigen gezag en in zijn eigen naam, maar in naam en door het gezag van den hemelschen Vader, die alleen Jezus Christus kan zegenen als mensch en als olfer. De H. Thomas antwoordt aldus: de Priester gebruikt na de consecratie het kruis-
(1) Oeuvr. Asc. Dujardin, ï. XIV. p. 31. Pladys, Le Prètre. ï. U. p. 187.
- 187 -
teeken niet om te zegenen en te wijden, maar alleen om de kracht des kruises en de wijze van Christus lijden, dat aan het kruis voltooid is, te herinneren (1). â Die ceremonie dus spreekt luider dan woorden kunnen uitdrukken; zij roept ons toe :»Ja, mijn Zoon, ik neem uw onbloedig Offer welgevallig aan, want uw lijden en kruis, uw bloedig Offer, maakte het mij eenmaal welbehagelijk.quot;
Het onbloedig Offer der II. Mis is hetzelfde als het bloedige Kruisoffer, ziedaar verder de gedachte, welke de Kerk ons zoo diep mogelijk wil inprenten door tot vijfmalen toe den priester hef kruisteeken te doen maken over Jezus' Lichaam en Bloed. Zij put zich uit, om zoo te zeggen, om dit toch aan onze oogen, aan onze ooren, aan al onze zintuigen, in onzen geest, en ten laatste in ons hart, diep in ons hart, in te prenten. Zij put zich uit, om ons vertrouwen op het 11. Ofer immer zekerder te maken. Zij wil in één woord, dat wij allen in deze kostbare oogenbiikken aan niets anders denken dan aan Jezus en dien gekruist. Kon zij het beter doen dan door herhaalde malen dat kruis ons voor oogen te brengen ? Kon zij ons beter toeroepen : VVeest toch aan den voet van het altaar, gelijk gij geweest zoudt zijn, als gij gestaan hadt onder het kruis.
Geef dan gehoor aan het verlangen uwer Moeder, lezer: denk er steeds aan, en zeg het in ditoogenblik aan uw Vader, die in den hemel is: ))H. Vader, ziedaar dan het langverwachte offer. Ziedaar uw Zoon die geleden heeft en voor ons stierf, die glorievol van de dooden verrees, die zegepralend ten hemel opklom. Hij is uw Zoon maar ook ons offer, oil er zuiver en onbevlekt, onze spijs en drank ter onsterfelijkheid.quot;
(1) I'. 3. q. 83 ad 5. Zie ook Dom. üueraiiffer. O. cit. p. 102.
â -188 â
HET GEBED âSUPRA QIUE PROPITIO.quot;
rgt;En,quot; zoo gaat de Priester vooit, vgewaardig U hierop met een genadig en gunstig uug neder te zien, en het goedwillig aan te nemen, gelijk Gij eenmaal met welgevallen de geschenken aannaamt van uwen dienaar, den rechtvaardigen Ahel. en de offerande van onzen Aartsvader Ahra-ham, en de heilige offerande, het vlekkeloos offer, dat uw hoogepriester Melchiscdech U heeft opgedragen.quot;
Hot Olfer is van oneindige waarde. De Godmenseh is op liet altaar en biedt zich voor ons ton ollor. De Kerk, wij hoorden het nog zoo even. is zeiier van verhooring. Hoe is het dan te verklaren, dat zij thans in dit gehed zoo dringend smeekt, dat de Vader er welgevallig op moge nederzien en het goedgunstig aanneme. Is haar vertrouwen dan aan het wankelen gebracht? O neen, maar men moet niet vergeten, dat de handen eens stervelings het met .Tezus aanbieden, dat zich met dat heilig Offer een offer vereenigt van duizenden anderen, die minder heilig, ja misschien bezoedeld zijn met zonden, do harten nl. van den priester en de ge-loovigen. Deze hebben zich met zijn Oller vereenigd, en dragen zich zeiven met .Tezus op. Daarop dan doolt de Kerk vooral in dit gebed (1), daarom bidt en smeekt zij, dat God het toch welgevallig wil aannemen, gelijk de offers van Abel, Abraham en Melchisedech, die rechtvaardigen der oude Wet.
Maar laat ons eenige toepassing maken op ons zeiven. Is ons hart even onschuldig, even edelmoedig als dat van Abel, die de eerstelingen van zijne kudde, het kostbaarste wat hij had, gaarne ten offer wijdde? Leven in ons binnenste het gelool
(I) Gaume Cat. de Persev. T. 7. Lec. XXI.
â -189 â
en do mood van een Abraham, die bereid was op bevel des Ileeren, bet offermes in bet liart van zijn eenigen zoon Isaac te steken? Bezitten wij de heiligheid van Melchisedech, die ontdaan was van allo menscbelijke genegenheid? â Als wij zien, dat ons dit ontbreekt bij het H. Misoffer, o bidden wij er dan veel om, vragen wij. dat toch onze harten offers worden, even edelmoedig, bereidvaardig en onthecht van bet aardsche, als die van deze aartsvaders. Gelukkige geloovigen die ze bezitten ! Zij zullen voor God waarlijk aangenaam zijn en met het Offer van Jezus door den bemelscben Vader worden aangenomen.
Waarom echter koos de Kerk juist deze drie offers uit, waarom spreekt zij niet van andere? â Paus Innocentius III (I) antwoordt: »Omdat juist deze drie offers der oude Wet dit nieuwe Offer het volmaakst vooraf beelden. Wie anders toch wordt afgebeeld door het offer der eerstgeborenen van Abels kudde, tenzij Christus, de eerstgeborene onder de vele broeders (2) ? Zooals Abel uit nijd door zijn broeder vermoord werd, zoo is Jezus ook gedood door het .loodsche volk. Ja, volgens de Apocalyps van den 11. .loannes, is Hij zelf het Lam, dat van het begin der wereld af gedood is (3).quot; Wat anders wordt er door dat offer van Abraham, die zijn welbeminden en eenigen zoon offert, be-teekend, tenzij bet lijden des Heeren? De Apostel zegt ervan: ))God heeft zijn welbeminden Zoon niet gespaard, maar Hem voor ons allen overgeleverd ('l).quot; «Deze is, zeide de bemelsche Vader, mijn welbeminde Zoon. in wien ik mijn welbehagen heb (5).quot; â Eindelijk, bet offer van den koning des vredes
(1) O. cit. L. V. c. 3. Confer. S. Bonav. Expos. Miss:e c. IV. â (2) Rom. VIH. 29. â (3) Apoc. XIII.â (4) Bom. VIII. 32. â (5) Matth. III. 17. XVII.
- 190 â
Melchisedech, die brood en wijn opdroeg (1), beeldt zóó voortreffelijk het nieuwe Oiler vooraf, dat daardoor van Christus voorzegd werd : Gij zijt priester in eeuwigheid naar de orde van Melchisedeeh (2), die, volgens het woord des Apostels, in alles gelijkend op den Zoon Gods, voortdurend priester blijft (3).
Ziedaar al wederom de diepe reden, waarom de Kerk in dit gebed deze drie Offers te zamen noemt. Waarlijk zij is veel omvattend, en leert ons altijd breeder en wijder de grootheid van Jezusquot; Offer kennen.
HET GEBED âSUPLICES TE ROGAMUS.quot;
En na dit innig gebed zie ik den priester nog meer de houding van een smeekenden aannemen. Tot nog toe hield hij zijne handen uitgestrekt, nu vouwt hij ze samen, legt ze op het altaar neer en buigt zich diep daarvoor. Waarom dat alles? Het gebed, dat hij uitspreekt, zal het ons leeren. Hij bidt in diepe stilte: »Ootmoedig smeeken wij U. almachtige God, laat deze (offergaven) door de handen van uwen heiligen Engel op uiv verheven altaar voor het aanschijn van. uive goddelijke Majesteit gebracht worden: opdat wij allen, die door deze deelneming aan het altaar, het hoogheilig Lichaam en Bloed van uwen Zoon zullen ontvangen, met alle hemelsche zegening en genade mogen vervuld worden. Dour denzelfden Christus onzen Heer. Amen.quot;
Maar is die smeekbede veelomvattend, dringt zij op alle hemelsche zegeningen en genaden aan, voor hen, die .Tezus' Lichaam en Bloed zullen nuttigen, diep en duister is er de zin van! .la, zegt Paus Innocentins III, deze woorden hebben zulk eene diepe beteekenis, dat het menschelijk verstand er
(1) Gen. XIV. 18. â (2) Ps. CIX. 5. â (3) Heb. VII.
nauwelijks in kan binnendringen (i). En aldus spraken vele andere geleerde schrijvers. Wij achten het echter minder ons doel al deze geheimzinnige beteekenissen mede te deelen. Laten wij tevreden zijn met de uitlegging van den H. Alphonsus en den H. Thomas. De eerste leert ons het volgende (2): »Door den Engel, '.vaarvan hier spraak is in dit gebed, kan men den Engel verstaan die voorzit bij het Sacrificie des Altaars, of volgens de uitlegging van le Brnn, den heiligen Engel bij uitnemendheid, in de H. Schrift genoemd de Engel van den grooten raad, de Engel des verbonds, d. i. Jezus Christus zeiven. «Doch,quot; zoo gaat de H. Alphonsus verder. »de uitlegging van den H. Thomas is de natuurlijkste. De priester, zegt deze, vraagt hier in het belang van het geheimzinnig lichaam, n.1. der Kerk, de aanbieding van zijne gebeden en van die van het volk aan God door den Engel, die bij de H. Geheimen aanwezig is (3). Zoo ook spreekt de II. Bonaventura (4). «Indien een engel,quot; aldus luiden zijne woorden, «toen Tobias bad, zijne gebeden aan God opdroeg, hoeveel te meer zal dit geschieden, als Christus met den Priester bidt, en het volk gebeden en smeekingen ten hemel zendt! Vandaar zegt Ambrosius (5): Twijfel er niet aan, of er engelen aanwezig zijn en dienen aan het altaar, als daar Christus zelf, geslachtofferd, verblijft.quot;
Niets belet ons echter de eerste uitlegging te volgen. Alsdan zien wij in dat verheven altaar, niet dat der aarde maar dat des hemels, hetwelk de H. Joannes er zag met het Lam staande, als geslacht: vidi Agnum stantem tarnquam occisum ((gt;).
(1) O. dt. c. V. â (2) Oeuvr. Ascet. Dnjardin T. XIV. p. 32. Pladys Le Prètre. ï. It. p. 188. â (3) p. 3. q. 83. ad. 4. â (4) Expos. Miss® C. IV. â (5) In Luc. Lib. I. â (G) Apoc. V. 0.
â 192 â
Dat Lam sfond, zegt hij, maar toch als gi Inderdaad Jezus, onze Heer, is als dat gc Lam. daar Hij steeds ons Offer is en in der zijne wonden, ofschoon verheerlijkt, den toont: maar Hij is daar ook staande, om leeft en niet meer sterven kan. Aldus to( Joannes onzen Zaligmaker in den hemel, aldus bevindt Hij zich ook hier op aai het Misoffer. En nu vraagt de priester aa dat zijn gezondene, zijn Engel dat Offer \ altaar der aarde wederom naar het alta hemels overbrenge. Wie kan die gezondei Engel anders wezen dan Zijn Zoon zelve, di getuigen: qui misit me Pater (l), de Yadei die mij zond. dan Jezus Christus, die bij vi in de H. Schrift de Engel van den grootst genoemd wordt? â Eerst als dat Offer do( in den hemel den Vader is aangeboden, kui zegening en de genaden ervan over ons ned( Ter gedachtenis aan dat alles kust ook de vol vreugde het altaar, en maakt hij het teeken over het Lichaam en Bloed, niet te zegenen. maar wederom om ons te leen ons offer zijn kracht ontleent aan Jezus' kn En het kruis, waarmede de priester zich teekent, als hij de hemelsche zegeningen af herhaalt ons nogmaals: Ja, o Heer. wij vert er op. niet uit eigen verdiensten maar t oneindige verdiensten van Christus den Ck dalen de genadestroomen des Offers af, en alle hemelsche zegeningen ons deel bij het gen van uw Lichaam en Bloed.
't Verdient nog vooral opmerking, dat de bidt voor igt;ons allen, die duur deze deel
(1) Joës V. 37. Angelus, Emjel beteekenl niet Jan gezondene.
â -193 â
|
maar toch als geslacht. ;r, is als dat geslachte ft'er is en in don hemel erheerlijkt, den quot;Vader )ok staande, omdat hij kan. Aldus toont ons in den hemel, maar »ok hier op aarde hij ;t de priester aan God, !ngel dat Olfer van het naar het altaar des an die gezondene, die ii Zoon zelve, die moest 'er (1), de Vader is het, iristus, die hij voorkeur van den grooten Raad :ils dat Offer door Hein aangeboden, kunnen do an over ons nederdalen, illes kust ook do priester i maakt hij hot kruisen niood, niet om dit om ons te loeren, dat t aan Jezus' kruisdood, o priester zich zolvon e zegeningen afsmeekt, o Hoor, wij vertrouwen lionston maar door de Christus don Gekruiste s Offers af, en worden ns dool bij het ontvan-jed, norking, dat do Priester door deze deelneming |
'jel beteekent niets anders aan het altaar, het hoogheilig Lichaam en Bloed van uwen Zoon zullen ontvangen.quot; Hij bidt dus alleen voor hen, die onder do H. Mis to Communie gaan, zij immers kunnen, eigenlijk gezegd, slechts genoemd worden ten volle deel te nomen aan het Offer. Zonder de Communie toch is het Offer niet voltooid. Hot Misoffer dient niet slechts tot voreering van God, maar ook tot zaligheid der menschen; en deze wordt door de 11. Communie vooral bewerkt. Daardoor immers treedt do mensch in lovensgeineen-schap met zijn goddelijk Offerlam, Jezus Christus; daardoor vereonigt hij zich met het Offer zelf, met do Rron aller genaden: daardoor wordt hij waarlijk een waardige Offerande, en Offeraar voor God. â Men versta ons goed, wij willen niet beweren, dat de Christen, zonder te communicoeron mot don Priester, geen deel kan hebben aan de oneindige vruchten des Misoffers, o neen, maar ten volle daaraan deelachtig worden, dat geschiedt vooral, als men mot den Priester ook hot H. Sacrament des Altaars nuttigen mag. Dat begrepen beter dan wij, de Christenen dor eerste eeuwen; zoo dikwijls zij het H. Misoffer bijwoonden, naderden zij geregeld tot de Tafel dos Hoeren. En met Jezus gevoed, wisten zij over lijden en dood te zegevieren. Niets was hun to vool, als bot de glorie der Kerk of hun geloof betrof. Al moesten zij de wreedste martolsmarton verduren , ontzettende pijnen lijdon, zij bleven getrouw aan den sterken God, die zich zoo dikwijls aan hen gaf, die hun dagelijksch voedsel geworden was. »Eorder sterven dau zonde doen!quot; daaraan bloven zij getrouw. Beschamend voorbeeld voor zoovele lauwe en trage Christenen van dezen tijd! Waarin ligt de oorzaak van linn lauwheid en onverschilligheid ? Hierin, dat zij zoo weinig communiceeron. O dat zij toch in dit gebed het verlangen hunner Moeder â¢13 |
â -102
Dat Lam slomi, zegt hij, maar toch als geslacht. Inderdaad Jezus, onze Heer, is als dat geslachte Lam. daar Hij steeds ons Offer is en in den hemel zijne wonden, ofschoon verheerlijkt, den Vader toont; maar Hij Is daar ook staande, omdat hij leeft en niet meer sterven kan. Aldus toont ons â¢loaimes onzen Zaligmaker in den hemel, maar aldus bevindt Hij zich ook hier op aarde hij het Misoffer. En nu vraagt de priester aan Ood, dat zijn gezondene, zijn Engel dat Olfer van het altaar der aarde wederom naar liet altaar des hemels overhrenge. Wie kan die gezondene, die Engel anders wezen dan Zijn Zoon zelve, die moest getuigen: rpii misil me Peiler (i), de \ ader is het, die mij zond. dan Jezus Christus, die hij voorkeur in dt' 11. Schrift de Engel van den grooten Hnnil genoemd wordt? Eerst als dat Offer door Hein in den hemel den Vader is aangeboden, kunnen de zegening en de genaden ervan over ons nederdalen.
Ter gedachtenis aan dat alles knst ook de priester vol vreugde het altaar, en maakt hij het kruis-teeken over het Lichaam en Bloed, niet om dit te zegenen. maar wederom om ons te leeren. dat ons olfer zijn kracht ontleent aan Jezus' kruisdood. En het kruis, waarmede de priester zich zeiven teekent, als hij de heinelsche zegeningen afsmeekt, herhaalt ons nogmaals: Ja, o Heer. wij vertrouwen er op. niet uit eigen verdiensten maar door de oneindige verdiensten van Christus den Gekruiste dalen de genadestroomen des Offers af. en worden alle heinelsche zegeningen ons deel bij het ontvangen van uw Lichaam en liloed.
't Verdient nog vooral opmerking, dat de Priester bidt voor ygt;ons allen, die duur deze deelneming
(1) Joës V. :{7. Angelus, B/k/c/beteekent niets anders dan gezondene.
ann het altaar, het hoogheilig Lichaam en Bloed van uwen Zoon zullen, ontvangen.quot; Hij bidt dus alKion voor hen. die onder de II. Mis te Communie gaan, zij immers kunnen, eigenlijk gezegd, slechts genoemd worden ten volle deel te nemen aan het Offer. Zonder de Communie toch is het Offer niet voltooid. Het Misoffer dient niet slechts tot vereering van God, maar ook tot zaligheid der menschen; en deze wordt door de H. Communie vooral bewerkt. Daardoor immers treedt de mensch in levensgemeenschap met zijn goddelijk Offerlam, Jezus Christus: daardoor vereenigt hij zich met het Offer zeil', met do lii'nn aller genaden: daardoor wordt hij waarlijk een waardige Offerande en Offeraar voor God. â Men versta ons goed, wij willen niet beweren, dat de Christen, zonder te communiceeren met den Priester, geen deel kan hebben aan de oneindige vruchten des Misoffers, o neen, maar ten volle daaraan deelachtig worden, dat geschiedt vooral, als men met den Priester ook het H. Sacrament des Altaars nuttigen mag. Dat begrepen beter dan wij. de Christenen der eerste eeuwen; zoo dikwijls zij het H. Misoffer bijwoonden, naderden zij geregeld tot de Tal'el des Heeren. Kn met Jezus gevoed, wisten zij over lijden en dood te zegevieren. Niets was bun te veel, als het de glorie der Kerk of hun geloof betrof. Al moesten zij de wreedste martelsmarten verduren , ontzettende pijnen lijden, zij bleven getrouw aan den sterken God, die zich zoo dikwijls aan hen gaf, die liini dagelijksch voedsel geworden was. «Eerder sterven dan zonde doen!quot; daaraan bleven zij getrouw.
Beschamend voorbeeld voor zoovele lauwe en trage Christenen van dezen tijd! Waarin ligt de oorzaak van bun lauwheid en onverschilligheid ? Hierin, dat zij zoo weinig communiceeren. O dat zij toch in dit gebed bet verlangen hunner Moeder
13
â '19-4 â
de Kerk tot do veelvuldige Communie erkenden, dat zij toch het menschelijk opzicht niet voeten traden, en dikwijider gingen aanzitten aan de Tafel des Heeren ! Met aanschijn der aarde zou veranderen, en het Gods Rijk in hunne harten nederdalen.
DE GEDACHTENIS DEK OVERLEDENEN.
Bij de consecratie en de opheffing herdachten wij de kruisiging en de oprichting van het altaar des kruises, waarop de Godniensch zijn leven ging geven. Te midden van de grootste smaad en smart hing de Heer en God der Engelen daar voor geheel een volk als een afschuwelijk booswicht ten toon, en daalde de aanbiddelijke Majesteit tot een greuzen loozen afgrond van vernedering en vernietiging af. Zóó olferde Hij zich op bloedige wijze.
En geen kreet van vervloeking, geen woord van wrake komt van zijne lippen. Neen, zijn oneindig minnend Hart kent slechts liefde en ontferming. Hij bidt daar aan het kruis voor zijne beulen, die hem moorden, voor de verblinde en goddelooze joden, die spottend juichen bij zijn dood, Hij bidt aan zijn kruis voor allen.
Zou onze Moeder de H. Kerk, bij de vernieuwing van zijn kruisoffer, zijn voorbeeld niet volgen? Voorzeker, want dit onbloedig olfer is een Sacrament der geheele kerk: 't wordt opgedragen in betrekking tot de strijdende, lijdende en zegevierende kerk; allen krijgen hun deel. Zij heeft dan reeds gebeden voor hen die zich straks zullen vereenigen met Jezus in de H. Communie, zij zal het ook doen voo)' de lijdende zielen in het Vagevuur, voor ons arme zondaars.
Zie. smeekend strekt de priester de handen uit, heft ze omhoog en voegt ze wederom op de borst te zamen; hij drukt daardoor zijn vurig verlangen
nit om verhoord te worden. Dan bidt hij : »Wees, Heer, gedachtig miv dienaren en dienaressen, die ons zijn voorgegaan met het teeken des geloofs en in de rust des vredes slapen,quot; en hij blijft eenige nogenblikken in stilte de H. Hostie aanstaren om aan Jezus diegenen aan te bevelen, welke hij bijzonder moet of wil gedenken. Dan gaat hij verder: Aan deze. Heer, en nan allen, die in Christus ritsten, gelieve Gij te verleenen, de plaats der verkoeling, van licht en van vrede, zoo srneeken wij U door denzelfden Christus onzen Meer. Amen. En als hij déze laatste woorden spreekt, bnigt hij eerbiedig liet hoofd.
Wie erkent hier in dit gebed niet de Moeder, die beminnend, maar tevens ook leerend optreedt? Ja, het is hier onze Moeder de II. Kerk, die in hare over-groote liefde voor al hare kinderen, ons toeroept; «Kind, gij hebt nog andere broeders en zusters, /'.i z'jn gestorven, geteekend met bet teeken des geloofs, dat is. het teeken der allerheiligste Drievuldigheid, dat hun reeds in het II. Doopsel en later bij zoovele andere Sacramenten, geschonken werd, zij rusten in do eenheid en deelgenootschap met Jezus Christus en zijne Kerk, maar zij zijn misschien nog niet voor het aanschijn van God. Want o, men moet zoo zuiver zijn om daar te verschijnen; in de glorie der Goddelijke /.on zal men het minste vlekje bespeuren. Voor ben heeft ook Jezus' liloed gestroomd bij liet Oll'ei'; het kan ook thans hen verlossen uit het Vagevuur, kom laat ons voor hen bidden.quot; En zij gaat voort als eene teedere moeder, en zij smeekt den hemelschen Vader door het Offer van zijn Zoon Jezus Christus, dat toch de plaats van verkoeling na dat hevige vuur, van licht na die duisternis, van vrede na dien hevigen strijd, dat de Hemel hun deel zij.
Liefdevol derhalve, zooals altijd, treedt de Kerk
â -196 â
hier op, maar ook leerzaam is dit gebed, 't Is oud als de Kerk zelve, want liet daalt af tot de Apostelen toe, zooals de H. Chrysostomus (quot;1) en Angustinus (2) ons verzekeren. Geen liturgie zoo oud in Gods Kerk, of het werd er gebeden (3): men had zelfs in die vroegere tijden een soort van bordje, diphticha geheeten, uitsluitend bestemd, om de namen, waarvan men de gedachtenis wilde doen houden, op te schrijven: deze werden alsdan dooiden diaken afgelezen. Dit gebed der H. Mis leert ons dus, dat men ten allen tijde in de II. Kerk geloofde aan het Vagevuur, en de II. Misalsvoor-deelig beschouwde voor de zielen die daar nog verbleven. Het leert ons dat men derhalve door deze heilige en ontzaglijke Offerande vooral de geloovige zielen kan ter hulp komen. Vandaar dat het Concilie van Trente ons verzekert (4): De zielen die in dat Vagevuur moeten verblijven, kunnen door het aangename Offer den altaars geholpen worden. Daarom, zoo zegt het ons, op een andere plaats (5). wordt dit Offer niet slechts voor de zonden, straffen, voldoeningen en andere noodwendigheden der levende geloovigen, maar ook voor de gestorvenen in Christus, die nog niet ten volle voldaan hebben, volgens Apostolische overleverhii/ opgedragen.
Zullen wij dan niet gehoor geven aan die leer der Kerk en vurig met haar bidden voor onze bloedverwanten en vrienden, ja voor allen, die daar nog lijden? Bedenk het wel, uit die vuurzee gaan kreten op als deze: «Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, gij ten minste mijne vrienden, want de hand des Heeren heeft mij geraakt!quot; Bid, bid veel
(1) Hom. 3 in Ep. ad Pliilip. et hom. 69 ad Pop. Ant. â ('2) Serm. 171 de verb. Apost. al. 32. â (3) Bona. O. cit. L. II. C. '14, n. 1,2. â (4) Sess. 25. Deer. de Purg. â (5) Sess. 22. Gap. 2.
â -197 â
gedurende de/.e oogenblikken voor de zielen in het Vagevuur, de verdiensten van Jezus' Offer zijn oneindig.
Een paar bemerkingen echter moeten wij hier nog geven, voor wij overgaan tot het volgende gebed. Vooreerst uit de uitdrukking, qui dorrnivnt in sonmo pacis.' die in de rust des vredes slapen. leeren wij hoe de H. Kerk den dood des Christens beschouwt, 't Is een s'aap. daar eenmaal die lichamen zullen verrijzen, en wederom vereenigd worden met de onsterfelijke zielen: 't is een slaap des vredes, omdat degenen voor wie men bidt, in vrede met de Kerk, in vrede met Jezus Christus gestorven zijn: moeten zij nog in liet vagevuur vertoeven, zij zijn toch zeker dat zij eenmaal hot eeuwig Rijk des Vaders, hot hemelsch Jerusalem zullen binnengaan. I)i pace: in vrede, dat was dan ook de uitdrukking der eerste Christenen voor den dood : men vindt die woorden in de catacomben op de graven der afgestorvenen : men zingt ze in dat zoo oude Officie der Martelaren: do lichamen der heiligen zijn in vrede begraven, corpora sanctorum in pace sepulta sunt. â Wij vernemen verder, hoe de Kerk in elke H. Mis aan alle zielen des V'age-vuurs denkt, daar zij niet slechts voor die zielen, welke de priester bijzonder gedenkt, maar ook bidt voor allen, die in Christus rusten, d. i. die in do liefde met .lezus stierven: hoe zij hot vagevuur beschouwt als een plaats van vuur dat vreeselijk kwelt, van eeuwige duisternis en altijddurende onrust en strijd, want zij smookt voor die zielen do plaats van verkoeling: refrigerii, licht: lucis, en vrede: pacis, af.
Eindelijk bij het sluiten van dit gebed mot de woorden: door denzelfden Christus onzen Heer, zien wij don priester nog het hoofd buigen, ofschoon dit anders nooit gebeurt, tenzij hij den naam
â lus â
vjeznaquot; daarbij noemt. Ook dit moot dus oenc bijzondere beteekenis hebben. Welnu, liet geschiedt, omdat Christus na zijn dood vol liefde ter helle wilde nederdalen, om de rechtvaardigen te troosten en ten hemel op te voeren (1); of ook, om Jezus reeds te bedanken voor de zielen, die thans door Hem verlost worden, want een gebod voor haar gestort, heeft altijd zijne heilzame uitwerking en laat God nooit onverhoord (2).
NOBIS QÃOQUE PECCATORIBUS.
De gedachtenis der afgestorvenen is voor ons levenden ook eene ernstige en aangrijpende gedachtenis aan den dood: memento mort. Wij herdachten daarbij, degenen, die ons van dit aardsche ballingsoord zijn vooriiit(/e(//i('n, en in het land der eeuwigheid zijn aangekomen. Wij volgen hen â snel en zonder ophouden. Zie, die korte jaren, zij vliegen voorbij, en wij bewandelen een weg, die niet meer terugkeert (3). Vreemdelingen zijn wij op aarde en aan-komelingen, gelijk onze voorvaderen. Onze dagen gaan over de aarde als een schaduw, en er is daar geen vertoeven (4). Spoedig, zeer spoedig zullen wij staan aan den rand des grafs. Welke gedachte dringt zich hier meer op den voorgrond, dan dat God ons zondaren genadig mag zijn en ons ook in zijne eeuwige woningen opneme. Daarom hooren wij dan ook den priester met half zachte, stem bidden, terwijl hij zich de borst klopt: siVoW.v quoqne peccatoribii.i; Ooi; oh* lonclaren, en in stilte voortgaande: vvwe dienaren, die op de menigte uwer ontferminffen hoimi. tril ooi; ons cent;/ deel en (/emeenschap geven met uwe Heilüje
(i) be Brun. IV. P. Ai t. XV. â (2) Dom Gueranger. O. cit. p. 176. â (3) Job. XVI. '23. â (4) l. Paral. XXIX. 15.
199 -
Apostelen en. Martelaren: niel Joannes. Steijhaniis, Mathias. Barnabas, L/natius, Alexander, Marcel-linus, Petras, Felicitas, Perpetua, Agatha, Lucia, Agnes, Cwcilia, Anastasia, en met lt;il uwe Heiligen. Neem ons, bidden wij U. in hunne gemeenschap op. niet met onze verdiensten te schatten, maar met kwijtschelding te verleenen. Boor Christus onzen Heer.
»Oolc ons zondaren.quot; Maar hou kan de priester zich hier niet de overigen zondaar noemen, hij, die bij het betreden des altaars niet het kleed der onschuld bekleed moet zijn ? Om zijne verledene zonden, die door boetvaardigheid reeds lang zijn uitgeboet, ziedaar het antwoord, om zijne dagelijksche fouten, van welke niemand geheel vrij is. Als wij zeggen, dat wij geen zonden hebben, zoo leert de Apostel Joannes, dan bedriegen wij ons, en de waarheid is niet in ons (1). .la, deze fouten en zonden maken hern onwaardig het H. Offer op te dragen, gelijk de geloovigen insgelijks onwaardig zijn. Daarom klopt hij zich de borst, gelijk de tollenaar van het Evangelie of gelijk de hoofdman hij het kruis na Jezus' dood, en moeten ook alle dienaren en geloovigen dit met hem doen. Maar (iod is oneindig barmhartig, zijne ontferming reikt van grens tot grens, zijne erbarming blijft in eeuwigheid. De menigte zijner ontferming zal de boosheid uitwisschen. gelijk David smeekte. Hierdoor hebben wij hoop en vertrouwen op den hemel. Ja. de oneindige Goede zal ons eenig deel en gemeenschap geven met zijne Heiligen in den hemel. Verdiend hebben wij het wel niet, maar op U. o Heer, hebben wij gehoopt, Gij zult onze schulden kwijtschelden, in eeuwigheid zuilen wij niet beschaamd worden.
(1) I Joës 1. 8.
200 -
/icduar do uitlegging van dit waarlijk troostend gebed. Herinneren wij er nog aan dat onze Moeder in dit gebed Heiligen noemt, die wel alle Martelaren. zijn, maar die toch tot alle standen behoorden : zij herdenkt profeten en apostelen, pausen en bisschoppen, priesters en lagere geestelijken, vrouwen en maagden. Is ook dit voor ons niet troostend? Het zegt ons immers, dat men in allen stand heilig kan worden, dat voor arm en rijk, voor oud en jong. in één woord voor iedereen, die zijn kruis opneemt en Jezus navolgt, de hemel openstaat. Zij. die daar ons toewuiven met den palm der overwinning, zij waren menschen als wij, zondaars als wij, zij hebben strijd en lijden gehad als wij, zij hebben overwonnen en heersehen thans met Christus in eeuwigheid. Dat zal ook eenmaal ons deel zijn. als wij volgens zijn leer slechts willen leven. Moed dan gevat, kleinmoedige mensch, nog een luttel strijds en de eeuwige belooning wacht n !
SLUJTINfi VAN DE CANON.
De Canon, dat verheven en indrukwekkend gebed begon met de pnelatie: 't was de inleidingshymne tot het ontzettend werk der Consecratie; thans gaat de plechtige sluiting, waarin alles wordt samengevat, volgen.
»Door -wie)!quot; (Christus) zoo bidt de priester, tot driemalen toe het Lichaam en Bloed van .lezus zegenend. Gij. lieer, alle deze goederen altijd schept, heiligt ^, levend maakt zegent . en aan
ons verleent.quot; Dan knielt bij eerbiedig neder, neemt de 11. Hostie en maakt daarmede driemalen het kruisteeken boven den kelk en tweemalen tnsschen den kelk en zijn eigen persoon, terwijl hij zegt: ygt;Doot' Hem gt;J(. en met Hem . en in Hem £lt; â is aan U God, )£g| den Almachtigen Vader, in de eenheid )J( des Heiligen Geesles alle eer en glorie.
En 11ij Ileze laatste woorden heft hij don kelk niet de H. Hostie oj), knielt weder eerbiedig en eindigt luid zingend: Door alle eeuwen der eeuwen: per omnia scecula sceculorum.quot;
Om de eerste woorden van deze sluiting, voor dat de priester neerknielt, goed te begrijpen, moeten wij wederom naar de. oudheid terug. Eene ceremonie toch had alsdan plaats welke uu niet meer geschiedt. Men bracht toen in de II. Mis ook brood, wijn, groenten, vruchten en al hetgeen men tot eigen gebruik noodig had mede: dit alles bood men nu ter zegening aan, en de bisschop ol' de priester, die de H. Mis las, zegende dit, als vertegenwoordiger van Christus (i). Sinds de 8ste eeuw werd dit gebruik afgeschaft, ofschoon men er nog de sporen van terug vindt in de zegening der druiven op het feest der gedaanteverandering des Heeren bij de Benedictijnen (2), in die van het Maria-kruid in de diocees van Keulen op Maria Hemelvaart (3), en vooral ju de wijding van de olie voor de zieken op \\ itte Donderdag door den bisschop (4), welke zegeningen op dit oogenblik plaats vinden, ofschoon dan met afzonderlijke gebeden.
Heelt echter de II. Kerk die zegening van mondbehoeften om gewichtige redenen afgeschaft, uit eerbied voor het verheven gebed van de Canon, behield zij toch deze woorden, en paste ze toe op het Lichaam en Bloed des Heeren, daar tegenwoordig op het altaar. He verklaring wordt dan de volgende:
God heeft alles, ook het brood en den wijn. die hier veranderd zijn in Christus' Lichaam en Bloed, geschapen door Jezus Christus, zijn Zoon. Zijn goddelijk Woord gaf aan alles het wezen, het aanzijn,
(I) Benecl. XIV. O. cit. L. II. C. XVIII. 11, Dom Gueranger O. cit. p. 183â186. â (2) Ibidem. â (3) Kreuzer. O. cit. p. 292. â (4) Pont. Rom. in Coena Domini.
â '202 â
liet loven. Hij sprak, en liet werd (i). Dat sclie))-pingswerk duurt voort. Jaarlijks brengt de aarde nieuwe granen, nieuwe druiven voort. Het eeuwig Woord zeide daarom : «Mijn Vader houdt niet op tot nu toe te werken, en ik werk voortdurend (2).quot; â Door Jezus Christus, Gods Zoon, werden deze gaven van alle andere uitgekozen tot het Offer, en veranderd in het allerheiligst Lichaam en Bloed van Christus, en aldus lt;ie}iexli(jd hij uitnemendheid : door Hein helevendigde God ze, dat is, werden zij van doode en levenlooze grondstoffen, »het levende un levendmakende broodquot; van Christus' Lichaam, en de ten leven opwekkende drank van Christus' Bloed : door Hem werden zij ciczegend als Offer, zoodat zij een overrijke bron zijn van hemelsche zegeningen voor zijne Kerk. En aldus geheiligd, belevendigd en gezegend srhunkt Hij ze ook aan ons door denzelfden Christus tot eigendom, als Offer en Sacrament, als losprijs en spijze der ziel, als ons hoogste en waardigste goed. Ziedaar waarom de 11. Kerk in het eerste gedeelte dezer sluiting, ook nn nog bidt; vDoor men Gij Ifccr, alle deze goederen altijd sen kit. heiligt, hf.i.kvf.nuigt, zegent eti aan ons jiededeei.t.quot;
Middelerwijl de priester de woorden ; â¢hltciligt. he-levendigt en zegentquot; uitspreekt, maakt hij tot driemalen toe het kruisteeken over het Lichaam en Bloed van Christus. Het geschiedt om uit te drukken, dat alle heiliging, verlevendiging en zegening na den zondenval, lumnen oorsprong ontleeuen aan het Kruisoffer: 't geschiedt verder om aan God te betuigen; lieer onze God. wij vertrouwen vastelijk. dat ook wij nu wederom door Jezus iw Zoon, geheiligd, herlevendigd en gezegend zullen worden (3).
(1) Gen. I. 3 ete. â (2) 1 Joan. V. 17. â (3) Vergelijk S. Alph. Oeuvr. Aseet. (Dujardin), T. XIV. p. 33. 34. (Pladys), Le Prètre ï. II. p. 190.
Ons geluk, ziedaar een der doeleinden van Christus' Offer. Er is echter meer. Door zijn Kruisofl'er werd ook Gode de hoogste, geheel volmaakte eer en verheerlijking gebracht; en dit geschiedt ook bijgevolg nog immer door de onbloedige Offerande. Welnu ook dit moet nogmaals zoo klaar en duidelijk mogelijk in het slot der Canon worden herinnerd.
Zie de diaken komt ter rechterzijde van don priester, neemt vol eerbied de palla van den kelk al, en knielt met den priester. Deze neemt de II. Hostie in de rechterhand, omvat den kelk met de linker, en terwijl deze ook door den diaken wordt vastgehouden (1), maakt hij, gelijk wij reeds zeiden, met de H. Hostie boven den kelk driemalen een kruis-teeken, terwijl hij zegt: Door Hon. en met Hein en in Hem, en vervolgens tweemalen vóór den kelk, boven ile plaats waar de II. Hostie gelegen heeft, zeggende: is alt;ui l God den Ahnwchllgcn Vader, in de eenheid den Heiligen Geesten,quot; en de H. Hostie boven den kelk houdende, en deze te zamen een weinig opheffende; volle eer en glorie.quot; Daarna legt hij de H. Hostie wederom neer, knielt en eindigt luid zingend : ygt;door alle eeuwen der eeuwen.quot;
Wat zegt ons allereerst dat optreden van den diaken bij deze heilige handeling ? Gij herinnert U, voorzeker nog, lezer, dat hij den evangelist Joannes vertegenwoordigt. Welnu, .loannes stond naast het kruis van Jezus, Joannes was de eenige der leerlingen, die den Calvarieberg beklommen was. en daar deelde in Jezus lijden, en den boom des kruises als omvatte, om aan zijn goddelijken Meester te betuigen, dat hij met lleni dien kelk des lijdens wilde drinken, met Hem het Olfer wilde opdragen. Maar Joannes, zoo leeren ons de Kerkvaders, vertegenwoordigde daar bij het kruis de geheele II.
(1) Caer. Episc. L. 1. O. 9. No. 5.
â 'ifH -
Kerk; wij wetun dat vooral uit de woorden door Jezus aan hem toegevoegd, doelende op Maria: «Ziedaar uw Moeder,quot; door die woorden ontving de 11. Kerk, ontvingen wij allen Maria als Moeder.â Zoo derhalve was het de H. Kerk die in Joannes met Christus het eere- en glorieoffer bracht aan den hemelschen Vader. Nu datzelfde Offer, doch o|i onbloedige wijze, wederom in den hemel wordt aangeboden, moest ook de andere Joannes, de diaken, hier voor de Kerk optreden en den vertegenwoordiger van Christus, ja Christus zeiven ter zijde staan; nu moet liet duidelijk uitkomen dat niet slechts Jezus, maar ook de Kerk dit Eereoffer aanbiedt.
En de woorden die de priester spreekt: ydour Iloti en met Hem en in Hemquot; leeren ons verder dat gelijk op het kruis, ook hier aan den almachtigen Vader en den H. Geest alle eer en glorie, dat is de volmaaktste hulde, vereering en aanbidding gebracht wordt. Door Christus toch wordt de Vader en den H. Geest geëerd en verheerlijkt, daar Hij zich zeiven of feit en tevens door zijn Offer alle aanbidding en verheerlijking der H. Kerk Hun aangenaam doet zijn. â /.ij ontvangen die eer tegelijk met Christus, daar Hij ook waarlijk God is en tegelijk met de twee andere personen aangebeden en verheerlijkt wordt. -- Eindelijk in Christus ook worden die twee goddelijke personen geëerd en verheerlijkt, daar zij alle drie door de eenheid van wezen in elkander zijn, en bijgevolg de vereering van den eenen, niet te scheiden is van die der beide anderen.
En wij allen, kinderen der Kerk, brengen insgelijks aldus eer en glorie aan den drieëenigen God, daar wij in Jezus ons Offerlam bezitten en derhalve door Hem offeren, met Hem medeofferen en ver-eenigd als ledematen met dat Hoofd i.i zijn Offer, in Hem geofferd worden.
Wat leeren ons eindelijk die kruisteekens met de H. Hostie gemaakt onder liet uitspreken dier woorden? Zij duiden nogmaals op de onuitputtelijke lijdensbron, waaruit alle eer en verheerlijking na den zondeval ontsproten is en waaraan liet onbloedig offer ook zijne kracht, daartoe ontleent. «Deze drie kruisteekens,quot; zoo zegt ons Paus Innocentius 111 (1), «beteekenen ons de drie kruisigingen, welke Christus aan het kruis doorstond, zijn lijden in het lichaam, in de ziel en in het hart. Over dat lijden des iichaams zeide de lieer door zijn profeet: »0 gij allen, die langs den weg gaat, aanschouwt en ziet, of er een smart is gelijk mijne smart (2). Zij doorgroeven mijne handen en voeten, en telden al mijne ledematen (3).' Over zijn zielesmart zeide de Heer aan zijne apostelen: «Bedroefd is mijne ziel tot den dood.quot; Jezus begon te beven en te sidderen. Hij begon bedroefd en beangst te worden (4). En uit zijn medelijden des herten vloeide de bede voort voor zijne beulen: «Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen (5)!quot; â De priester maakt deze drie kruisteekens niet de 11, Hostie boven den kelk, omdat Christus die kruisigingen doorstond op zijn kruishout, want, door den kelk wordt tevens zijn kruis beteekend, volgens hetgeen de Heer zeide : «Vader, zoo het mogelijk is. laat deze kelk van mij voorbijgaan (6).quot;
Was Jezus God en met zijn Godheid op het kruis, de Vader noch de H. Geest waren persoonlijk veree-nigd met Christus' Lichaam en Bloed, zij hadden de menschel ij ke natuur niet aangenomen, bijgevolg zij waren niet op het kruis en nog veel minder leden zij er, gelijk ook de (/oddelijke natuur van Christus daar niet lijden kon. Integendeel door Jezus'
(1) O. cit. C. IX. â (2) Th ren. 1. 12. â (3) Ps XXI. 17. â (4) Matth. XXVI. 37. 38. â (5) Luc. XXIH 34, â (G) Matth. XXVI. 38.
kruisdood werd de hoogste eer en glorie aan den Vader en den H. Geest gebracht. De priester moet ook dit uitdrukken ; ziedaar waarom hij vervolgens tweemalen vóór den kelk het kruisteeken maakt zeggende: )gt;is atni U God den Ahnachtujcu Vader, in de eenheid des Heiligen Geesten,' en den kelk met de 11. Hostie opheffende; »alte eer en ylorie.quot;
Deze opheffing was vroeger de eenige welke geschiedde in de H. Mis. Sinds de li'1quot; eeuw toch, toen de aartsdiaken van Angers, Berengarius, de wezenlijke tegenwoordigheid van Jezus in het H. Sacrament had durven loochenen, werd de opheffing onmiddellijk na de consecratie door de H. Kerk voorgeschreven, om aldus de Christenen hun geloof aan die wezenlijke tegenwoordigheid te doen belijden. quot;Vandaar dat in de kerken van het Oosten de opheffing bij de Consecratie nog immer geen gebruik is, doch die welke thans plaats heeft, met nog meer plechtigheid geschiedt. Als de priester aldaar de H. Hostie boven den kelk houdt en de woorden gesproken heeft: Omnis hunur el (j lor ia, keert hij zich naar het volk, toont hun het Lichaam en Bloed des lleeren, terwijl de diaken deze woorden doet hooren : Snncta Sanctis: het Heilige voor de heiligen (1).
Voorwaar, Lezer, alle deze ceremoniën zijn veelomvattend, maar dan ook, als men ze begrijpt, diep treilend en verheven. O, dat zij ons dan ook opwekken, om ons altijd inniger met het H. Offer te vereenigen, om onze gevoelens te vernieuwen, die wij hadden bij de eerste opheffing, en zoo met den priester, met Jezus zelf, de eer eu glorie te vermeerderen van den hemelsehen Vader. Nn reeds hier op aarde, moeten wij dat loflied
1
Dom Gueranger O. eit. p. 145. 190. Men leze verder Bened. XIV. O. cit, L. II. C. XV. 27.
â 'i07 â
beginnen, om het eens voort te zetten in den Hemel door de onmetelijke eeuwigheid. Ja blijven wij aanbiddend geknield, en vereenigei; wij onze zwakke stemmen met den priester; als hij het daar luide doet weerklinken: die eer en glorie worde gebracht door alle eeuwen ih-.r eenwen vper omnia .we,da sweulurumquot; verkondigen wij het dan nog luider met het koor: »Amen, Amen. Het zij zoo.quot;
§ 3. HET PATER NOSTER.
Na de Canon, die «akte der heilige verborgenheid,quot; »die geheimenis der heiligste daadquot; is het vvaardiquot;-en billijk het gebed te bidden, dat de lieer ons geleerd heeft. Geen gebed kan er vooi-trefïelijker gedacht of uitgesproken worden, 't Is geschonken dooi- denzelfden Jezus Christus, die den H. Geest ons zond, 't is voortgekomen uit den mond des Zoons, die de Waarheid zelve is. Zoo er dan een kroon op het werk moet gezet worden, zoo er nog een verhevener gebed moet volgen op het gebed bij uitnemendheid, geen beter kan er gevonden worden dan het Onze Vader, waarin wij God in geest en waarheid waarlijk aanbidden (1).
t Was dan ook reeds in de eerste eenwen der Kerk gebruikelijk, dit aan het einde der Canon, hetzij alleen door den priester, hetzij gezamenlijk met de geloovigen te bidden, zooals ons de il. Hieronynius en vele anderen verzekeren. «Jezus Christus,quot; zegt deze Kerkvader, «heeft zijne Apostelen geleerd, dat zij dagelijhs hij de Ojferande van zijn Lichaam durven zeggen: Onze Vader, die w de hemelen zijt (2).quot;quot; En zegt de II. Gregorius de Groote: «quot;Wij bidden het gebed des Heeren
(1) Confer. Cypr. Be O rat. Dom. in piinc. â Adv I'elag. L. III. n. 15.
â 208 -
onmiddellijk na de Canon, omdat de Apostelen reeds gewoon waren dit gebed uit te spreken bij de uit-deeling van bet goddelijk Offerlam . â Dit ook doen de Grieken, doch gezamenlijk (1).quot; Komt, laat ons dan ook onze voorvaderen in het gelooi navolgen, on luisteren wij aandachtig en herhalen wij bij ons zeiven de woorden, die de priester gaat zingen.
Hij heeft dan de sluiting gezongen van de Canon. «Het zij zoo, Amenquot; hebben wij geantwoord met het koor. Het gebed des Heeren zal nu volgen: wij zullen het uitspreken op een tijdstip, waarin de Maker zelf, Jezus Christus, op het altaar tegenwoordig is en geslachtofferd wordt. W elk eene vertroosting voor ons! Maar zijn wij wel waardig? Kunnen wij het wel? »De strijdende Kerk hier op aarde,quot; antwoordt zoo schoon de H. Alphonsus Maria, «wetende, dat zij samengesteld is uit zondaars, erkent zich onwaardig God haar Vader te noemen, en Hem de zeven beden van het Gebed des Heeren toe te sturen. Daarom verklaart zij, dat zij slechts dit gebed tot God durft opzenden, omdat de Heer het haar bevolen heeft.quot; «Boor heilzame voorschriften onderwezenquot; zoo doet zij den priester luide zingen, Den door goddelijk onderricht (jeleerd, durven wij zeggen: Onze Vader, die in de hemelen zijtquot; Zoo leert zij ons, dat wij vrijmoedig die zeven beden, die alles omvatten wat onze zaligheid kan verzekeren, Gode mogen aan-
(i) Epist. ad Joan. Syrac. L. IX. Ep. XII. Het gezamenlijk te doen was ook vroeger in eenige kerken van Frankrijk in gebruik. Wij lezen tocli in het leven van den H. Martinus, dat op zekeren Zondag tiij de H. Mis, toen het * Pater n os terquot; gezongen werd een stomme vrouw op eens den mond opende en met de overigen dit heilig gebed luide begon mede te zingen. Zie Greg. ïur. L. II. de mir. S. Mart. C. 30 en Martene O. cit. L. I. C. 4. Art. 8. n. 27.
â '209 â
bicden, omilat het Hom zon aangenaam is, en Mij het ons ook beveelt.
En de priester gaat dan voort met dien smeekbrief voor te zingen, welken onze hemeische Voorspreker ons zelf vervaardigd heeft. Hij blikt daarom onder het zingen op de II. Hostie, op Jezus Christus zeiven, door wien hij alles verhoopt. Terwijl hij die beden uitspreekt, me.enen wij niet heter te kunnen doen, dan ze van de uitlegging te vergezellen van den II. Kerkleeraar, welke ons zoo even reeds toesprak, den grooten 11. Alphonsns Maria (1).
«On-e Vader, die in de hentclcn zij!quot; De 11. Apostel Joannes doet ons de groote liefde ovei'wegen. welke de hemeische Vader ons betuigd heeft, door ons te doen noemen en waarlijk te doen zijn, zijne kinderen: Ziet eens, hoe groote liefde de Vader ons schonk, dat wij kinderen Gods genofmd worden en ook zijn (2). Voorzeker slechts uit uitermate groote liefde zijn wij, aardwormen, kinderen Gods kunnen worden, niet van nature voorwaar, maar door aanneming: en dat is de onmetelijke genade, welke Gods Zoon ons verworven heeft door menseh te worden, zooals de H. Panlus zegt: Gij hebt den Geest van aanneming tot kinderen Gods ontvangen, door welken wij roepen: Abba, Vader (3). Welk gi'ooter geluk kan een onderdaan verhopen, dan door zijn koning te worden aangenomen als kind? ol een schepsel, dan kind zijns Scheppers genoemd te worden? Welnu, dat heeft God voor ons gedaan, en zijn verlangen is, dat wij met een geheel kinderlijk vertrouwen de volgende beden voor Hem uitstorten.
I. Geheiligd zij uw naam. God kan geen grootere heiligheid bezitten dan die welke Hij heeft van alle
(1) Men zie zijne Oenvr. Asc. Dujardin. T. VI. p. 35 en T. XIV. p. 35. â ('2) I Joïs III. 1. (3) Rom. VIII '25.
â¢14
eeuwigheid af, zij is oneindig: als wij dan deze bede uitspreken, vragen wij alleen, dat God zijn 11. Naam overal doe kennen, dat Hij dien doe beminnen van alle mensehen : zoo van de ongeloovigen, die Hem niet kennen, als van de ketters, die Hem verkeerd verstaan, en van de zondaars, die Hein kennen, maar niet beminnen.
'2. Ons toekoine uw rijk. Tweevoudig is do beerschappij, welke' God over onze ziel voert, liet rijk der genade en dat der glorie. Door deze woorden nu vragen wij beide, te weten: dat de genade Gods in dit leven ten allen tijde over ons beei-scbe, dat zij ons geleide en besture, om eenmaal zijne glorie waardig gekeurd te worden, en bet geluk te hebben God te bezitten en zijn eigendom te zijn in eeuwigheid.
3. Uw wiLgeschiede op aarde als in den hemel. fleheel de volmaaktheid eener ziel bestaat in de vol-koniene vervulling van Gods wil. gelijk de gelukzaligen dit doen in den hemel: daarom doet Jezus Christus ons de genade vragen den wil van God op de aarde te vervullen, gelijk de Engelen en Heiligen dien volbrengen in den hemel.
4. Geef ons heden ons dagelijksch brood. Dat zegt ons de H.' Lucas in zijn evangelie (1). En door dit gebed vragen wij van God alle tijdelijke goederen, waaraan wij behoefte hebben tot onderhoud van ons tijdelijk leven. De woorden dagelijksch brood leeren ons daarenboven, dat wij zoodanige zaken slechts met matigheid moeten vragen, gelijk Salomon ons een voorbeeld gaf, toen hij bad : »Geü/ tnij slechts zooveel als voor mijn dagelijksch onderhond noodig is (2).quot;
Merken wij verder op, dat de 11. Mattheus dat brood bovennatuurlijk noemt »panem super substantia lem.quot; Volgens den Romeinschen Catechismus
(-1) Luc. XI. 3. â (2) Prov. XXX. 8.
verstaat men daardoor ook Jezus Christus zelf in het II. Sacrament des Altaars, dat wil zeggen : de 11. Communie. En met recht vragen wij dat hemelsch brood dagelijks, da nobis hod ie. omdat ieder Christen, volgens het Concilie van Trente, de H. Communie dagelijks, zoo al niet op werkelijke, dan toch op geestelijke wijze, behoort te ontvangen.
5. En vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onzen schuldenaren. Om waardig dat goddelijk Brood te eten, moet men zuiver zijn van doodzonde, ol' ten minste gewasschen door het Bloed van het Lam in het Sacrament der Biecht. Wij zeggen, i)zuiver van doodzondemaar men moet ook wel opmerken, dat, zoo iemand communiceerde met eene werkelijke gehechtheid aan eenige dage-lijksche zonde, vooral als dit bij herhaling geschiedt, men hem moeielijk kan vrijpleiten van eene min of meer onwaardige comnnmie.
6. En leid ons niet in bekoring. Hoe moet men dit verstaan? Leidt ons God misschien somtijds in de bekoring, voert Hij ons tot zonde? Neen, voorzeker neen, antwoordt de H. .Tacobus, God kan niemand tot het kwaad brengen. Deus enim inten-tator malonrm est; ipse autem ncminon tentc't (1). Men moet derhalve deze woorden begrijpen gelijk die van Isaïas, waar de Heer verkondigt, dat Hij liet hart van het .loodsche volk zal verblinden, zóó dat het de waarheid niet meer kan zien ('i). God verblindt nooit den zondaar; maar dikwijls weigert Hij aan eenigen, ter straffe van hunne ondankbaarheid, het licht, dat Hij hun zou geschonken hebben, zoo zij getrouw en erkentelijk waren geweest. Als men dan zegt: God verblindt, dan beteekent dit, dat Hij hun het licht van zijne genade onttrekt. En ziedaar den zin ook van de bede, welke wij verklaren: en
(1) .lac, 1 13. â (2) Is. VI. 10.
212
leid ons niet in bekoring. Wij vragen aan God. dat Hij niet toelate, dat wij in zulke gelegenheden van zonde geraken, waarin wij zullen bezwijken. â Daarom moeten wij altijd waken en bidden, gelijk de Heer liet ons vermaant te doen, om niet te komen iu bekoring: Waakt en bidt, opdat gij niet valt in bekoring (i). Komen in bekoring, dat is hetzelfde als zich te bevinden in gevaar van in zonde te vallen ; daarom moeten wij dikwijls, zeer dikwijls herhalen ; En leid ons niet in bekoring.
7. Mnrtr ro'los o/i.s tmn den kiende. Kr zijn drie soorten van kwaad, waarvan wij den Heer de bevrijding vragen, tijdelijke ramjien des lirhaams, geestelijke kwalen der ziel. eeuwige rampen van het ander leven. Wat de tijdelijke rampen van dit leven betreft, moet men altijd bereid zijn dat. wat God ons overzendt voor de zaligheid onzer zielen, met onderwerping aan zijn wil te dragen; zulke rampen zijn bijv. armoede, ziekten, troosteloosheid. Als wij dus God vragen van zulke rampen bevrijd te blijven, dan moeten wij het slechts doen onder voorwaarde; als zij niet noodzakelijk oi nuttig zijn voor onze zaligheid. Maar de ware rampen, waarvan wij zonder eenig voorbehoud de bevrijding moeten vragen, dat zijn de geestelijke kwalen onzer ziel, de zonden, want deze zijn oorzaak der eeuwige rampen in de hel. Kn honden wij ons overigens overtuigd van deze onfeilbare waarheid, dat wij ons, in den tegenwoordigen staat onzer bedorven natuur niet kunnen zalig maken, zonder heen te gaan door de vele beproevingen, waarmede dit leven als bezaaid is; door vele beproevingen, moeten wij het rijk Gods binnentreden (2).quot;
Ziedaar eene korte maar schoone verklaring van het gebed des Heeren. De priester zingt het luide
(2) Act. XVI. 21.
(l) Matth. XXVI. 41. â
in de II. Mis tot tK'. zesde bede toe; doch dan zwijgt hij, en laat de zevende antwoorden door liet koor. Het geschiedt om het volk ook te doen deelon in zijn gebed. Niet slechts de priester brengt hier het Onze Vader voor Gods troon, maar alle geloovigen, die met hem zich Gods kinderen mogen noemen. Ja, wij allen mogen bidden wat Jezus ons geleerd heeft: herhalen wij dan langzaam met den priester, dat kinderlijke «Onze Vader.quot; Overvloedige hemelsche gaven zullen daardoor ons deel worden.
Als het volk zijne instemming met dat Gebed des Meeren heelt te kennen gegeven door te antwoorden : »Maar verlos ons va» den kwade.quot; dan besluit de priester door met zachte stem te bidden : »Aigt;ien: het zij zoo.quot; Dit woord, zegt de H. Alphon-sus, is als de slotsom van al de voorgaande beden, het herhaalt nog eens alles te zanien wat wij gevraagd hebben. En dat is Gode alleraangenaamst. De grooten der aarde vinden het lastig, als men hen al te zeer met vragen overlaadt: God echter ziet dit des te liever. Hoe lastiger ons gebed is, zegt de II. Hieronymus, hoe aangenamer het Hein wordt (1). En Cornelius a Lapide getuigt: God wil, dat wij volhardend zijn in het gebed tot lastigheid toe (2). De priester zegt dit Amen echter op zachten toon, om hiermede te kennen te kennen te geven, dat hij als de vertegenwoordiger van Christus spreekt, die de vervulling dier beden óns verzekert: of liever, het is als een antwoord van God, dat Hij de bede des volk aangenomen en verhoord heeft.
Maar wij hebben hier nog op een treilende ceremonie te letten. Zie, nauwelijks heeft het; quot;Geef ons beden ons dagelijksch broodquot; weerklonken uit den mond des priesters, of de subdiaken.
(1) Hom. in Matth. â (2) In Luc. XI. 8.
â 214
die van de oll'eraiule af immer in stilte met de bedekte pateen onder aan de trappen dos altaars bleef vertoeven, gaat de treden op om de pat een aan te brengen. Wat zegt ons die ceremonie? Niet meer of niet minder moet zij ons verklaren, dan dat het hart des volks zijn dagelijksch brood verlangt. dat het Christenvolk smeekt om de Communie. Door de pateen toch. zegt Paus Innoccntius 111. wordt het hart der Christenen beteekend, dat wijd open staat voor do liefde (1): werd straks bij de olferande do verflauwde liefde herdacht van de leerlingen en geloovigen. die wegvluchtten toen Jozus zijn lijden begon, moest die verlatenheid ton volle worden afgebeeld, door het voortdurend afwezig zijn des subdiakens met de pateen, thans nu Jezus ons de vruchten van zijn dood gaat te genieten geven, nu Hij zijne laatste woorden gesproken heeft en stervend het hoofd buigt, nu herleeft die liefde, en gaat zij zich toonen mot die heilige vrouwen en leerlingen, die Jezus onmiddellijk na zijn dood hebben gezocht.
Want ja dat oogenblik van het Olfor dos krnises gaat herdacht worden. De zeven beden van het Onze Vader wijzen ons naar de zeven woorden, die de goddelijke Verlosser, van bet kruis, als van den verhovensteu leerstoel geheel het nienschelijk geslacht toesprak. Zij vormen zijn testament. Ku wij, zijne kinderen, mochten liet opvangen om. door die goddelijke erfenis verrijkt, de hemel voor ons Je zieu open gaan. Als dan alles volbracht is. wat de liefde slechts volbrengen kan, als Jezus sterft voor ons en zich olfort, als Hij zijn Lichaam, zijn lilood aan ons ten spijze geeft, moet ons hart ontvlammen door de liefde, moeten wij betuigen
(1) ü, C. L, VI. 0, 1, patena i. e. cor patens latitudine charitatis,
aan den stervenden Jezus: Heer Jezus, waarlijk flij zijt de Zoon van God, ik wil U alleen beminnen in eeuwigheid. Kom tot mij, Heer Jezus, kom in de H. Coinmnnie, en dat ik, gevoed door dat hemelsei) Brood, leve met U in eeuwigheid.
VIJFDE HOOFDSTUK.
De Voorbergiding tot de H. Communie en, ie Communie zelve.
Jüirc ware licfile zoekt niet slechts de teffeu-woonliglieiil van het heiniiide vooi'werp. geelt zich niet alleen ten ofler, maai' is i lan eerst voldaan, als zij zich geheel en al niet dat voorwerp kan vereenigen: ja vereenzelvigen. Welnu dat zocht ook onze goddelijke Zaligmaker. Hij wilde ons bij zijne tegenwoordigheid in het H. Sacrament des altaars, bij zijn voortdurend Oiler in de H. Mis, ook nog dit overgroot bewijs zijner liefde schenken, dat Hij zich aan ons geeft, ja ten spijze onzer zielen. «Neemt en eet.quot; zoo sprak Hij. «dit Is mijn lichaam (1). Drinkt allen hieruit, dit is mijn l?loed. dat voor velen zal vergoten worden (2). Mijn Vleesch is waarlijk spijs, mijn Bloed is waarlijk drank (:i). Die mijn Vleesch eet en mijn Bloed drinkt, blijft in mij en ik in hem,quot; (4) Die vereeniging, waardoor het heil en de zaligheid der menschen vooral wordt bewei'kt, waardoor de mensch in levensgemeenschap treedt met dat goddelijk Ofl'eiiam, moet, dan ook in de H, Mis geschieden: zij moet de oneindige ofl'erdaad voltooien en volmaken: zij ten
(1) Matth. XXVI 20. â (2) Matth, XXVI. â (3) Joïs VI. 56. â (4) Joïs VI, 57,
â 217 â
eeuwige duge het bewijs geven vim Jezus' oneindige liefde.
Dat deel der 11. Mis, de Coniinunie genaamd, waarbij ten minsto do priester het Lichaam en Bloed van Jezus zal ontvangen, gaan wij thans behandelen. Maar tot zulk eene heilige daad moet men zich waarlijk goed voorbereiden, en vooral de laatste oogenblikken zich goed ten nutte maken. Ziedaar dan ook de reden, waarom alle gebeden, welke nu na de Canon en het Gebed des Hoeren die II. Vereeniging voorafgaan, daarop doelen.
S 1. HET GEBED âLIBERA NOS.quot;
Hot eerste gebod, dat de priester, doch in stilte, na het Pater noster ter voorbereiding tot do II. ('omniunio uitspreekt is eene smeekbede om bevrijding van zonden, bekoringen en stralfon welke de zonden na zich sleepen: eene smeekbede om don waren vrede zoo voor zich als voor de goheele Kerk. Men kan het dan ook eene voortzetting noemen van het onze Vader, of liever eene verklarende en uiteenzettende herhaling van de laatste drie beden daarvan. Ziehier eerst dit schoone gebed in zijn geheel: Ier/os ons. hulclcii wij U u Heer. van alle verledcne, legenwouvdige en toekomende rampen; en verleen ons genadig door de tusschenkoinst der gelukzalige en glorievolle Moeder Gods Maria, van inve gelukzalige Apostelen Petrus. Paulus en Andreas en, van alle Heiligen, vrede in onze dagen, opdat wij door de hulp van uwe harmhartigheid ondersteund. altijd vrij mogen zijn van zonden, en gerust van alle kwellingen,; door denzelfden Jezus Christus onzen lieer, Uwen Zoon, die met U leeft en regeert in de eenheid des II. Geestes, Gvd door alle eeuwen der eeuwen. Amen.quot;
Inderdaad, het eenige kwaad is de zonde, 't Is
- '218
een ramp in tiet verledene, daar zij altoos liiltec-kenen in de ziel achterlaat, al is zij ook vergeven; een ramp voor het tegenwoordige, daar zij maar al te dikwijls en voordurend een bron is voor vele en hevige bekoringen, van ellende van allerlei aard : een ramp voor de toekomst daar zij hare straffen met zich voert, hare tijdelijke of eeuwige. Welnu bevrijding van al die rampen, ziedaar wat de priester aismeekt: dan, hij weet het, zullen wij reeds in ons leven den waren vrede kunnen genieten. Met ile zonde toch kan deze niet samengaan. Kr is geen vrede voor de (ioddeloo:en, zeyt de lieer (I). Hij vraagt die vrede, door tusschenkonist van de Heiligen, en hier noemt hij wederom op de eerste plaats de gelukzalige en glorievolle Moeder Gods Maria, daar zij als uitdeelster der genaden ook de koningin des vredes moet genoemd worden: hij noemt verderde Apostelen Petrus, Paulus en Andreas. Dat de voorspraak der twee eersten hier wordt ingeroepen, dit laat zich begrijpen. Van het oogenblik at dat die beiden apostelen hun teven op één dag te Rome gaven voor het geloof, zijn zij ook onalscheidelijk vereenigd gebleven. Maar waarom ook de M. Andreas De beste verklaring, dunkt ons, is deze: de H. Kerk heeft immer voor dezen broeder van den H. Petrus eeue groote voorliefde gehad (2) en hem daarom hoog vereerd, ja zijn feest werd oudtijds in Rome met dezelfden luister gevierd als dat van Petrus (3). Hij is daarenboven iu zijn apostolaat, wat den tijd betreft vóór Petrus. Wij weten toch uit het evangelie van Joannes (4), dat hij door Christus het eerst daartoe geroepen is. en dut hij zijnen broeder Petrus
(1) Isai. XLV111. â (%) LeBmn, Explic. de la Messe. Part, V. A. '2. § II. Dom Gueranger O. cit. p. '202. â
(3) Bened. XIX. O. cit. L. II. C. XIX. 7. 8. â
(4) I. 40. 41.
â 219 -
tot Jezus bracht. Wil men eindelijk nog een andere reden, welnu laat het deze zijn, welke Durandiis geelt: Petrus wordt hier genoemd, zegt hij, wegens het voorrecht der liooge waardigheid, welke deze bezat boven de andere apostelen; Paulus wegens dat zijner prediking, die hem vormde tot leeraar der heidenen: Andreas eindelijk wegens het voor-recht der buitengewone begeerte tot het lijden, welke deze aan den dag legde, toen hij gekruist werd {'1).
En als de priester de woorden bidt: vvcrlceii ons yenaduj vrede in onze du;/en.quot; maakt hij een kruis met de pateen, welke hij van den diakon bij het begin van dit gebed heeft aangenomen, kust dezelve en legt er de 11. Hostie op neder. Waarom dat kruisteeken met en dat kussen van de pateen, zal men vragen ? Benedictus XIV (2) antwoordt hierop: omdat de pateen ook het instrument des vredes is en het vaatwerk waarop aanstonds de vrede der Christenen n. I. liet 11. Sacrament gelegd wordt: en verder omdat Christus door het A'rim' allesheel't weggenomen, waardoor onze vrede gestoord wordt, ziedaar de natuurlijke redenen waarom de priester ze knst en zich er mede teekent, alvorens hij de II. Hostie daarop nederlegt.
Voordat hij verder de sluiting van dit gebed gaat bidden, neemt de diaken de palla van den kelk, knielen zij te zamen. neemt de eerste de 11. Hostie in zijne banden en breekt deze in twee ge-lijke deelen, terwijl hij zegt: «Door denzelfden onzen Heer Jezus Chrisius, uwen Zoon; legt vervolgens bet gedeelte dat bij in de rechterhand houdt op de pateen terug, breekt onder de woorden : ygt;die met U leeft en hecrscht in de eenheid des Heilirien
(1) Dur. O. cit. L. 4. C. XLIX. â C2) O. cit. L II. C. XIX. 11.
â 220 â
Geesten,quot; een kleiner gedeelte van Je andere helft af, en legt deze insgelijks op de pateen neder. Vervolgens zingt hij, terwijl hij dat kleiner gedeelte boven den kelk houdt; met luider stemme; «Door alle eeuwen der eeuwenen het koor antwoordt; vAmen.quot; Daarop vervolgt hij immer zingend, terwijl hij boven den kelk driemalen het kruisteeken maakt met dat kleine gedeelte der 11. Hostie: De vrede den Heer en altijd met ulieden. Eu er
wordt geantwoord : »E)i )nel uwen (jeestquot;. iMndelijk legt hij dat kleine gedeelte in den kelk en vermengt dit met het 11. Bloed.
Deze breking en verntenging schijnen in zich eenvoudig: nochthans zij zijn van de diepste be-teekenis en het hoogst gewicht. Men vindt ze dan ook in de Liturgiën van alle landen en tijden terug. De breking der II. Hostie allereerst herinnert ons aan hetgeen Jezus deed in het laatste avondmaal. Hij nam het brood in zijne handen, zegende, brak en gaf het aan zijne leerlingen zeggende: Bit is mijn lichaam (1), en hij beval zijne apostelen dit zelfde te doen. Wij lezen dan ook in de Handelingen der apostelen dat de geloovigen volhardden in de vereeniging van de breking des broeds (2) en Paulus herinnert ons daar nog duidelijker aan in zijn eersten brief aan de geloovigen van Corinthe(3) zeggende: vliet Brood dat wij breken, is het niet de deelneming aan hel Lichaam des Heer en
De H. Hostie wordt verder gebroken om ons het Ãlferkarakter der Eucharistie aanschouwlijker voor te stellen: die breking is toch op zeer duidelijke wijze een afbeelding van den geweldigen en bloedigen offerdood van Jezus Christus aan het kruis, die de sch'iding van /.iel en Lichaam ten gevolge had.
(1) Mattli. XXVI. 20. â (2) Act. Apost. II. 42, â (3) X. 16,
â 22! -
Zij flowlt ook tevens op de communie, die bij het Offer zal geschieden, daar »/(ei brood hrekenquot; algemeen wordt erkend als de spijze bereiden, en ter nnttiging voorzetten. Neemt men nu beiden te zinnen, en Offer en Communie, dan vindt men hielde Offerspij ze duidelijk aangewezen, dan vindt men er waarlijk het Eucharistisch Levensbrood in teniquot;' dat Jezus voor het leven der wereld gaf, en dat bij de II. Communie ook aan ons geschonken wordt.
De vermenyinci van dat gedeelte der 11. Hostie met het II. hloed is verder wederom in luiuwe betrekking met die breking. Doet toch deze breking ons Jezus kennen als gestorven en aldus geofferd, de vermenging moet ons leereu, dat in werkelijkheid op het altaar het 11. Lichaam van Chr. niet is zonder bet l'loed, dat hij er levend tegenwoordig is, en de geheele Christus onder iedere gedeelte als offergaven en offerspijze verblijft. Wijst de breking op Jezus dood, die geheimzinnige vermenging wijst ous op zijn cilorievolle upstanding, waarbij do ziel wederom met het Lichaam vereenigd werd. Zoo vinden wij hier op geheimvolle wijze Christus in zijn lijden en heerlijkheid terug: wij vinden er nogmaals dat Lam, hetwelk Joannes mogt zien in den hemel (/edaud maar toch staande d. i. zich offerend als Middelaar, maar ook eeuwig levend.
Maar vergeten wij niet, dat ook alles hier verder heen wijst naar dien dood en verrijsenis van Jezus. De stilte, waarin de priester dat gebed uitspreekt, wijst ons naar den Calvarieberg, waar Jezus gestorven is, wijst ons naar zijn graf, waar Hij op den sabbath rustte. Ook de vrouwen, die kruiderijen en balsem hadden bereid, zwegen volgens Gods bevel op dien sabbath (I). â De pateen, waarmede de priester het kruis maakt en welke hij vereert, waarin
(1) Luc. XXIII. 56.
222
wij daar straks liet hart der geloovigen zagen, zegt ons dat die heilige vrouwen, het hart vol van liefde, vroeg in den morgen naar het graf kwamen om Jezus te zalven. (1) Schoon zij hun verlangen in«t mochten voldoen, nam Jezus toch hun liel'debewijs aan, omdat zij den Gekruiste zochten; sik weet het, sprak de engel, gij zoekt Jezus, die (jefi.nn.tt is:quot; zij mogten verder vernemen: »Hij is niet liiei-: want hij is verrezen, gelijk hij gezegd heeft.quot; En als zij met vrees en groote vreugde spoedig henen gingen, om het den leerlingen te boodschappen, vei--scheen hun de verrezen Zaligmaker groette hen, en stelde hen gerust (2), Jezus ontmoette ham' en zeide: »Wcest gegroet.quot; En zij toetredende, omarmden zijne voeten en aanbaden Hem (3).
De kracht der H. Drievuldigheid deed o|gt; dien derden dag Jezus, den gekruiste verrijzen, en bracht de ziel wederom tot het lichaam, opdat gene- nie't iu het voorgeborgte zou blijven, dit geen bederf zou aanschouwen: daarom maakt de priester, voor hij die vermenging doet plaats hebben, driemalen niet dat gedeelte der H. Hostie een kruisteeken boven den kelk. En hij zingt daarbij : «Ite rmdt.' des Heer en gt;5 zij gt;5 altijd met ulieden'' omdat Jezus ons door zijne verrijzenis den waven vrede bracht, dien vrede, welken Ilij op dien eigen dag ook aan de zijnen verkondigde, toen Hij midden tusschen zijne leerlingen stond en zeide: ygt;Pi(.r-vobis: Vrede zij u (4).quot; â ȣ'/( met uwen geest,'* antwoorden de geloovigen met het koor. want Jezus deelde aan de Apostelen, onmiddellijk na dien vi-edeâ groet, den H. Geest, mede, terwijl Hij over hei gt; blies en sprak : «Ontvangt den 11. Geest (5).quot;
(1) Matth. XXVIII. ± Marc. XVI. 1. â (2) Matlli. XXVIII. 5. â⢠(3) Matth. XXVIII. 9. Vergeliik Innoc. 111. O. cit. 1.. VI. e. 1. â (4) Joïs XX. 20. â (5) Joïs XX. '25.
â 223 â
Waart pij in de eerste zes eenwen bij de H. Mis tegenwoordig geweest, dan liadt gij op dat woord des priesters: dDc vrede des Heereu zij altijd mei 'uliedeii.quot; alle de Christenen elkander den vredekus zien geven. Zij, geroepen tot de tafel van den éénen Vader, don God der liefde, moesten te kennen geven, ilat in liini hart geen afkeer of koudheid heerschte, miiar dat de liefde daar in al hare volmaaktheid zetelde; gij hadt dan voorzeker moeten iiitroe|ieii: ziet, hoe zij elkander beminnen, en hoe de een bereid is zijn leven te geven voor den anderen! â la, de pas beginnende Kerk vond in die broederlijke liefde het beginsel barer overwinning over het heidendom, want eendracht maakt macht. De mannen gaven dien heiligen vredekus aan de mannen, de vrouwen aan de vrouwen: en geheel dat volk van broeders en zusters naderde vervolgens tot de tafel van het Lam, waaraan alleen, volgens de taal der II. Leeraren, vredelievenden mogen aanzitten (i).
Heeft de Kerk, in hare diepe wijsheid, deze treffende ceremonie veranderd, de sporen ervan, wij zullen het straks zien na bet Agiuis Dei, heeft zij er van bewaard. Doch volgen wij de orde ons aangegeven, en overwegen wij eerst nog de woorden en de handelingen, welke daaraan voorafgaan.
Als de priester dan dat gedeelte der H. Hostie met het 11. Bloed vermengd heeft, spreekt hij nog liet volgende gebed in stilte uit: »De:e vermeu-(/iii(i en cunsecrafie van hel Lichaam en Bloed unzes Ileeren Jezua Christus worde vuur ons, die het untvangeii,, leu eevwige leven. Amen. Heerlijke smeekbede, en. als voorbereiding tot de Communie, diep van zin. Wij zeiden zoo even. de vermenging van het Lichaam en Bloed des Ileeren wijst ons
(1) Vergelijk Gaume Catech. de Perser. D 7. p. 1500. Kreu/.er. Das If. Meszopfer g 45 p. '207.
â 224 â
naar Jezus' opstanding uit liet graf en zijne glorievolle verrijzenis. Welnu, gelijk Christus verrezen is ten eeuwigen leven, zoo zullen ook wij, die Hem nuttigen, door Mem leven in eeuwigheid. â Het woord comecratic moet hier natuurlijk niet worden verstaan van de zelfstandigheidsverandering, die in het midden van de canon geschiedt; neen, zegt Rellarniinus, (1) wij vragen niet, dat de consecratie mi geschiede, maar dat de consecratie, die zoo even geschied is, ons heilzaam zij ten eeuwigen leven. Met andere woorden; dit gebed heeft dezelfde lieteekenis als dat van den Ainhrosiaanschen ritus, waar de priester bidt: nDiize permettging van hel. geconsacreerde Lichmm en Blued van onzen Heer Jezus Chrinlti.t zij ons die hel nuttigen ten eeuwige leren. Amen.quot;
^ 2. HET AGNUS DEI.
En na geknield te hehben herinneren ons priester en hoogere bedienaren aan het woord van Joannes den Dooper: Zie het Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld. Zij maken er eene smeekbede van om ontferming en vrede, terwijl reeds het volk met het koor heeft ingestemd en insgelijks luid smeekt: »Lam Gods. dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm IJ onzer. Lam Gods, dal wegneemt lt;le zonden der wereld, ontferm IJ onzer. Lam Gods. dol wegneem! de zonden der wereld, geef ons den vrede.quot; Heerlijk gebed ! vooral als men bedenkt, dat het geschiedt, terwijl men Jezus herdenkt, als dat geslachte en levende Lam, als gestorven, verrezen en verschenen aan de zijner.. Want het Lam, dat zijn mond niet open deed, toen het geslacht werd (2), liet ware Paaschlam, dat ons
(quot;l) De Miss. 'I. '2. c. 27. Confer S. Alpb. I. c. p. 39.â-(2) Isaï LUI. 7. â Act. VIU. 31.
225
verloste uit de slavernij des duivels, heeft bij zijn sterven onze zonden op zich genomen (1) ze getorst op het kruis (2), daar ze door zijn Bloed uit-gewischt, ons vrijgekocht (3) en ons gemaakt tot een rijk voor onzen God (4). Dat Lam, heeft daarna, verrezen van den dood, aan zijne leerlingen de macht geschonken de verdiensten van dien dood toe te passen, en bijgevolg de zonden te vergeven (5). Het brengt aldus ons den waren wede. Ja, om ons daarvan des te zekerder te maken, blijft het zich voortdurend, ofschoon dan op onbloedige wijze, offeren, gelijk liet thans wederom doet. Het Bloed van dat onschuldig Lam roept dus nog immer om barmhartigheid en genade voor de zondaars, het blijft zich offeren voor- en stroomen over de zielen van hen, die rouwmoedig neerknielen aan de voeten des priesters, oin de zonden te belijden, het wischt alle vlekken af en geeft ons den vrede. Ontferm U onzer, ontferm U onzer, geef ons den vrede, moet dan ook de kreet zijn, welke van onze lippen vloeit, nu wij dat bloedig en onbloedig Offer zoo duidelijk voor oogen hebben, nu wij ons voorbereiden tot die groote daad der li. Communie, waarbij wij aan de bruiloft van dat Lam zullen aanzitten, ja ons voeden met zijn eigen Vleesch en Bloed, en het onderpand van den eeuwigen vrede gaan ontvangen.
liet vAynus Deiquot; werd vóór de 7',e eeuw door het koor niet gezongen. De priester bad het slechts aan het altaar. Sinds den tijd echter van den H. 1'aus Sergins I (687 701) werd dit te zingen ook voorschrift (6).
«Doiia nobis pacem: Geef ons den vrede.quot; Zoo is de slotbede van het drievoudig Agnus Dei; en
(1) Isai LUI. 0. â (2) I Petr. [I. 24. â (3) Apoc. V. 0. â (4) Apoc. V. i0. â(5)JoïsXX. 23. â(6) Lib. Pontipc. â Mabillon. /n Orel. Hnni, C. 8. n. 7.
15
â 226 â
de priester verklaart vervolgens in stil gebed aan Jezus Christus, welken vrede, welke eendracht hij voor de Kerk verlangt. Daarna zien wij hem het altaar kussen, om den vrede van Jezus zeiven te ontvangen : hij deelt dezen door omarming onder de woorden : » Vrede zij aan Uquot; mede aan den diaken, die hern aan den subdiaken, en deze op zijne beurt aan de lagere assistenten overbrengt. Treilende ceremonie, welke ons aan den vredekus van vroeger herinnert; zij moet ook ons geloovigen stemmen, om meer dan ooit den waren vrede aan Jezus te vragen, welken Hij ons als erfenis naliet op zijn kruis, dien vrede met God, mei ons zeiven en met onze broeders, die alle begrip te boven gaat (I), en een voorsmaak geelt van den eeuwigen vrede in den hemel. Bidden wij dan ook vuriger dan ooit mot den priester: »Heer Jezus Christus, die tot uwe Apostelen gemxjd hebt: Ik laat u den vrede, mijnen vrede geef ik 1/, let niet op mijne zonden, maar o/i het f/c/oo/ uwer Kerk, en gewaardig U volgens uwen wil haar in vrede en eenheid te bewaren. Gij, die leeft en regeert. God, door alle eeuwen der eeuwen, Amen (2).quot;
(1) Phil. IV. 7. â (2) In de Missen der overledenen smeeken de priester en het koor tot driemalen toe bij het Annus Dei in plaats van om ontferming en vrede voor zich zeiven, om de eeuwige rust voor de geloovige zielen en klopt men niet op de borst. Ook wordt alsdan het gebed om den vrede niet gebeden en de vredekus niet gegeven. Geen wonder, de li. Kerk vergeet in deze H. Mis als het ware geheel en al zich zelve, en is slechts bezorgd voor de lijdende zielen in het Vagevuur, voor welke zij het Olïer opdraagt. Zij vraagt da ti ook voor haar niet den vrede, want dezen bezitten zij reeds, daar zij in de liefde Gods zeker zijn van hunne zaligheid; maar zij bidt. om de eeuwige rust in dien vrede, dat is de rust in God in den hemel.
â 227 â
§ 3. LAATSTE GEBEDEN VAN VOORBEREIDING.
Na het gebed om den vrede en na den vredekus volgde in de eerste eenwen der Kerk onmiddellijk de Communie. Ken nadere voorbereiding toch door meer bijzondere gebeden was niet noodig, daar alle gebeden, die voorafgingen, op de Communie doelden en als voorbereiding daartoe verricht werden. Heilige priesters en kloosterlingen echter voelden zich, naarmate dat oogenblik der Communie naderde, van heiligen eerbied aangegrepen, en spraken als van zeiven eenige gebeden uit, om daardoor nogmaals de vergilleuis der zonden en altijd grootere zni vering ai' te smeeken (1). De II. Kerk koos later van die gebeden er twee uit, welke, ofschoon niet van de eerste tijden des Christendoms, zeker reeds meer dan duizend jaren in gebruik zijn (2). Geen beter gebeden voor de geloovigen, die werkelijk of geestelijk coinmnniceeren, knnnen er gevonden worden.
Terwijl de priester vol eerbied zich weder buigt en de oogen op de H. Hostie slaat, bidt hij het eerste: ygt;Heev Jvzus Christus, Zoon. van den levenden God, die volgens den wil des Vaders, door medewerking van den II. Geest, door uwen dood nan de wereld het leven, hebt r/egeven.; verlos mij door dit uw hoogheilig Lichaam en Bloed van al mijne zonden en van alle rampen; en doe mij altijd uwe geboden aanhangen, en laat niet toe, dat ik ooit van U gescheiden worde: die met denzelfden God den Vader en den Heiligen Geest leeft en regeert. God, in alle eeuwen der eeuwen. Amen.quot;
Door de zonde was de dood in de wereld ge-
(1) Dom Martene. 0. Cit. L. 1. C. IV. Art. IX. 3â0. â (2) Dom Gueranger. O. Cit. p. 210.
â 228 â
komen, .fezns nam de zonde weg door zijnen dood, en heelt ons aldus levend gemaakt naar de ziel. Hij deed dit niet alleen, neen de Vader werkte er in mede door de toestemming van zijn wil. de H. Geest door zijne medewerking in de mensch-wording. Daar er nu geen beter middel is om aan dat leven deelachtig te worden dan het Lichaam 'en Bloed van .Tezus te nuttigen : »die mijn Vleesch eet en mijn Bloed drinkt, zal leven in eeuwigheid,quot; daarom smeekt de priester ook door dat hoogheilig Lichaam en Bloed algeheele zuivering van alle zonden en bevrijding van alle rampen al'. Maar als men tot dat leven wil ingaan, moet men de geboden onderhouden (i) en Jezus Christus aankleven, zoodat niets ons van zijne liefde kan scheiden (2); daarom vraagt hij ook de genade, Jezus' geboden immer aan te hangen en te volbrengen, en nimmer van Hem gescheiden te worden.
»Laat niet loc. dat il; van U. o Jezns, gescheiden worde.quot; Hoe treffend is deze bede in het oogenblik, als de ziel de innigste vereeniging met haren Goddelijken Bruidegom gaat genieten. Wat is de wereld voor ons zonder Jezus? Zonder Jezus zijn is een bittere hel; met Jezus het zoetste paradijs. Zonder Hem baat ons niets : wij hebben Hem noodig elk oogenblik. bij elke schrede, die wij zetten. Immer die zoo groote behoefte aan Jezus tegenwoordigheid te gevoelen, dat is de ware wijsheid en de vreugde des levens. Daarom ook houdt een H. Alphonsus Maria niet op, in al zijne gebeden te herhalen: vNe permittas tne sejjfivot'i o te: Laat niet toe, dat ik van U gescheiden worde, o Jezus!quot;
in het tweede gebeil smeekt de priester, terwijl hij zijn onwaardigheid ten volle erkent, aan zijnen Heer Jezus Christus, dat die H. Communie, welke
(1) Matth. XIX. 17. â (2) Rom. VIII. 35. Ps. LXXI. 2G.
229
bij gaat ontvangen, eene waardige Comnumie inogc zijn, zoodat bij zijn oordeel en verwerping niet ete; hij vraagt Hem verder om den algeheelen rijkdom der Sacramenteele genaden, die aan dit Hoogheilig gastmaal verbonden is, n. I. bescherming in den immer terugkeerenden strijd tussehen genade en natuur, tussehen geest en vleesch, tussehen deugd en zonde ; in dien strijd tegen de bekoringen der begeerlijke natuur, tegen de aanvechtingen van de verleidende wereld, tegen de listen en lagen des duivels; kracht, opdat de ziel bovennatuurlijk blijve leven, het lichaam immer meer gelijkvormig aan Jezus Lichaam, en aldus eens verheerlijkt worde; herstelling en genezing bij geleden verliezen of ontvangen wonden. De Eucharistie, zegt de H. Al-jihonsus, sterkt den geest in zijnen strijd tegen de bekoringen en de hartstochten, dooft het vuur der begeerlijkheid uit. dat in ons lichaam heefscht, en is een machtig middel tegen den dood der ziel (3). Ziehier dat heerlijk schoone gebed: vHcer Jezus Christus, dat het ontvangen van uw Lichaam, hetwelk ik. onwaardige, mij vermeet te nuttigen, in ij niet ten oordeel en verdoemenis strekke, maar dat het volgens uwe goedertierenheid mij diene tot bescherming van ziel en lichaam en tot heilzaam geneesmiddel. Die leeft en regeert met God den 1 ader in de eenheid van den heiligen Geest, God, door alle eeuwen der eeuwen. Amen.quot;
Daarna knielt de priester nogmaals voor Jezus Christus aanbiddend neder, en neemt dan vol moed en vertrouwen de II. Hostie in zijne handen, terwijl bij zijn vurig verlangen er naar uitdrukt door deze woorden : vliet hemelsche Brood zul ik nemen en
(1) S. Alph. Oeuvr. Asc. (Diijardin.) T. li. p. 40. (Pladys) Le Prètre T. II. p. 199.
â '230 â
den naam des Heeren aanroepeti.quot; Vooi-watu-, een veelbeteekende verzuchting! Zeide Jezus, toen Hij liet H. Sacrament des Altaars instelde, dat Hij reikhalzend verlangd had, dat Paaschlam met de zijnen te eten, hoeveel te meer moet de priester, moeten wij allen verlangen ons te kunnen voeden met dat goddelijk Brood, dat het leven onzer ziel is? Welnu, de priester geelt ons het. voorbeeld, zijne ziel hongert naar het hemelsch voedsel, zij is vervuld van blijdschap en uit zich in het woord van den koninklijken Psalmist (I): «Ja, ik zal het hemelbrood nemen en den naam des Heeren aanroepen,quot; ik zal God loven en verheerlijken. Laat ons hem navolgen en vurig verzuchten: «Kom, Heer Jezus, kom ! Mijne ziel verlangt allervurigst naar U.quot;
Bij dat vurig verlangen moet zich echter ook ootmoed en vertrouwen voegen. Bedenkt toch de priester, vvien hij gaat ontvangen, dan moet hij diep beschaamd staan over zijne onwaardigheid: met Petrus moet hij uitroepen: Ga weg van mij. Heer, want ik ben een zondig mensch (2)!quot; Bij den aanblik echter der onmetelijke liefde en goedheid des Zaligmakers, die zijne glorie op het altaar verbergt, om zich met ons te kunnen vereenigen, en ons toeroept: «Komt allen tot mij, gij, die belast en beladen zijt, ik zal u verkwikken (3)quot;, moet zich bij die erkentenis zijner onwaardigheid het vertrouwen voegen, ja dit den boventoon verkrijgen. Ziedaar waarom dan ook tot driemalen toe het woord van den hoofdman des Evangelies (4) van zijne lippen tot Jezus moet gaan, terwijl hij zich diep buigt en de borst tot driemalen klopt: »lieer ik ben niet waardig, dat gij onder mijn dak komt-.
(1) lJs. 115. 17. â (2) Luc. V. 8. â (3) Matth. XI. 28. â (4) Matth. VIÃ. 5â14.
- 231 â
maar spreek slechts een woord, en mijne ziel zal gezond worden.quot;
§ 4. DE COMMUNIE VAN DEN PRIESTER.
Dan vertrouwend, dat het machtige woord, hetwelk alles kan herstellen: nik wil, word gezuiverdquot; geklonken heelt, richt hij zich op. zegent zich met de II. Hostie, om nog voller heiliging te vragen en tiiilt: *Uel Lichaam van. onzen Heer Jezus Christus beware mijn ziel ten eeuwigen leven Amen;quot; vervolgens buigt hij zich vol ootmoed en eerbied voorover, en, nuttigt met innige Heide dat hemelsche Brood des levens, hetwelk God in zijne goedheid den armen en hongerlgen bereid heelt (â¢!). O, oogenblik van hemelsche geneugte, de engelen staren stom en verbaasd dat schouwspel aan en benijden des priesters lot. de heiligen Jubelen en heffen op nieuw hun lof- en danklied aan voor dien God der liefde, die zich aldus vernedert in zijne liefde zonder maat. Hier moet dan ook de dichter (2) weenend zingen :
God! o Goil! mijn tranen stroomen;
Overstelping van geneugt!
Hij, dien 'k zing, is neêrgekornen.
Heemlen, 'k juich in uwe vreugd! â HIJ, uw liclit en uw verblijden,
Is de Koning van liet lijden!
Is de mijne! â Hij bedwong Om op aard ine in 't hart te dalen.
Weer 't oneindig gloriestralen,
Waar Hij eeuwig in ontsprong;
quot;t Woord, ja 't Woord der Hemelzalen, Der verrukking niet te malen.
Waarin de englen ademhalen,
Vangt mijn sidderende tong! ââ¢
(1) Ps. 67, H. â (2) Mgr. Broere. Ditiiyrainhe op het Allerheiligste.
232 â
En stom van bewondering bij die oneindige liefdedaad, richt de priester zich op en blijft, met het hoofd een weinig gebogen, de oogen terneergeslagen, de handen te zaïnen tot op de hoogte van de kin, eenige oogenblikken in overweging van het Allerheiligst Sacrament rusten (l). Wat is de priester dan vooral ontzettend groot in onze oogen ! Hemel en aarde staren op hem als op 's werelds middelaar, die opnieuw het goddelijk OlVerlam der wereld bracht, het verzoenend Bloed deed vlieten, en den kreet om genade tot den Vader deed opgaan als eenmaal van Calvarie's top. En die vereeniging van Godquot; met den mensch roept luide dat het ofVev gebracht is, de liefde verwonnen heeft, de aarde weder met den hemel is verzoend.
Maar laten wij ons niet te veel aan beschouwing overgeven. Zelfs den priester, die zoo gaarne thans vooral zich zou ontledigen in acten van vernedering, aanbidding, erkentelijkheid en liefde, is dit niet zoo lang toegestaan. De H. Kerk wil niet, dat de H. Ofler-daad onderbroken wordt. Ondanks zich zei ven doet liij zich dan geweld aan, om aan zijne beschouwing een einde te maken. Hij heft dat hoofd op, dat met zooveel zoetheid rustte op het hart van Jezus; hij opent de oogen, en als verbaasd zich nog op aarde te bevinden, ontlast zijn hart zich in den dankkreet des profeets: Wat zal ih den lieer wedergeven voor al hetgeen Hij mij gedaan heelt? En tevens buigt hij opnieuw de knie, om God aanbiddend te danken.
Wat zal ik den Heer wedergeven voor alle weldaden, die ik van hem ontving? Die woorden moeten wij een weinig nader beschouwen. De weldaden der Voorzienigheid zijn zoo groot, zoo over
al) Hoe schüun zegt hier de rubriek : Quiescil aliijuau-tulum in medUalione Sanvtissimi Sacramenti.
â 233 â
menigvuldig, zoo buitengewoon bij de II. Communie, dat wij geheel en al onvermogend zijn God naar waarde te danken. Of, roept de II. Paulus uit, heeft God ons met Hein, met Jezus, niet alles gegeven (1) ? Als wij Jezus Christus ontvangen in de H. Communie, verkrijgen wij alle gaven en goederen, welke wij slechts kunnen begeeren. Dan hebben wij deel aan 't goddelijk leven, dat Jezus in den schoot zijns hemelseben Vaders geniet: op bijzondere wijze worden wij zijne broeders, kinderen des Vaders, woonsteden des Heiligen Geestes, die de liefde is van den Vader en den Zoon. Moge ook lijden, strijden en overwinnen hier op aarde voortdurend ons lot blijven; met Jezus vereenigd en in het genot zijner liefde is reeds de hemel vol zaligheid in ons binnenste neergedaald. God daarvoor naar waarde danken, nog eens, dat kunnen geen schepselen op aarde, geen heiligen, geen engelen, Jezus Christus alleen kan dit op waardige wijze doen. Welnu, dat begrijpt de priester en daar hij nu Jezus Christus nog voor zich ziet als tusschen zijne handen, onder de gedaante van wijn, neemt hij, na het corporale en de pateen nauwkeurig gezuiverd te hebben, den kelk met het goddelijk Bloed in zijne handen en roept uit: «Dm kelk des hei Is zal ik nemen, en den naam des Herren aanroepen. Lovend zal ik den Heer itnii-rnepen. en ik zal van mijne vijanden bevrijd zijn. Het Bloed van mijnen Heer Jezus Christus beware mijne ziel ten eeuivir/en leven.quot; En aanstonds, ,na zich onder deze laatste woorden met den kelk te hebben gezegend, brengt hij dezen aan zijne lippen en nuttigt met den hoogsten eerbied en innige godsvrucht ook het goddelijk Bloed.
(1) Rom. VUI. 32.
â 234 â
§ 5. DE COMMUNIE DEB GELOOVIGEN.
Het H. Offer is thans voltooid, zou ook niemand meer tot de H. Communie naderen: vurig echter verlangt de H. Kerk, dat ook de Christenen onder de H. Mis met den priester zullen commimiceeren. Wij hebben er vroeger reeds bij het behandelen der gebeden van de canon op gewezen, en die, welke de priester straks na de Communie zal uitspreken, veronderstellen hot (1). Treilend was dan ook dat oogenblik in de eerste eeuwen der Kerk. ygt;Het heilige voor de heiligen!quot; klonk het na de Coraniunie. des priesters uit den mond des diakens, alsof hij wilde zeggen: wie niet heilig is. hij wage het niet aan te zitten, want al wie onwaardig dit Brood zal gegeten, of den kelk gedronken hebben, hij zal schuldig zijn aan het Lichaam en Bloed des Heeren (2). Op dat teeken zag men de geloovigen het priesterkoor naderen. De priesters, die het H. Misoffer niet hadden opgedragen, kwamen voor het altaar, de diakenen er achter, de subdiakenen en overige gewijden in het eigenlijk gezegde priesterkoor, de geloovigen bij do cancelli of het hekwerk, dat met zijne groote poort den toegang en ook tevens de afsluiting vormde van het priesterkoor (3). Daar knielden zij neder en wachtten vol eerbied en ontzag het oogenblik af, dat hun hot Lichaam en Bloed des Heeren werd geschonken.
Kn als dan de priester, of de diaken, die ook menigmaal de 11. Communie mocht uitreiken, met het Engelenbrood In zijne handen, tot de communi-c,eerenden naderde, dan sprak hij tot deze: »Carpus Chrisli. liet Liehaain van CJiristus.quot; Hij die het
(I') Confer. Rit. Ram. de Sacr. Euch. et S. Alph. Lib. deCer. Missie O. XI. 5. II. (Edit. Schober pag. 115.)â (2) Cor. XI. â (3) Card. Bona Rer. LU. L. II. G. XVII. 7.
ontving, antwoordde: ygt;Amen. Het is zoo: ik geloof' liet vastelijken het goddelijk Manna werd hem gegeven, aan de mannen op de rechterhand, waaronder de linker zich kruiste, aan de vrouwen op een reinen en zuiveren linnendoek, dien men dominicale heette; heiden brachten dan het Lichaam des Heeren aan hunnen mond en nuttigden (1).
Daarna hood do diaken aan de communicanten den kelk met het kostbaar liloed, zeggende : vScoiynin Cfiristi, culi.r xahitis, Ifct Bloed von Christus, dv licll; des /leils.quot; De communicant antwoordde weder vAnten,quot; ik geloof het vastelijk, en bevochtigde zijne lippen met dien hemelschen drank (2).
Ziedaar de manier, welke ons de oudheid aanbrengt. Thans, als het oogenblik der Communie gekomen is, zien wij de communicanten, met ter neer geslagen oogen, de handen gevouwen, langzaam de communiebank naderen en daar neder-knielen. De diaken heeft reeds met eerbied de ciborie geopend, knielt en begeeft zich naar de Epistelzijde op de bovenste trede des altaars. Daar keert hij zich naar den priester, en zingt gebogen, niet heldere stem, en op een geheel treffenden en eigen-aardigen toon, het ^Confiteor.quot; Het is, gelijk wij in het begin der H. Mis reeds aanmerkten, de algemeene schuldbekentenis, die hij thans in naam des volks uitspreekt. Voor den almachtigen God, voor Maria en geheel het hemelsch hof, voor den priester, zijn
(1) Baron, ad annum 57. No. 146. 150. â Cyr. Hier. Catech. 5. â Aug. Serm. '252 de Tempore. Bened. XIV. O. i-it. L. II, C. XXU, 3. â (2) Het nuttigen van het H. Bloed is echter voor de leeken nooit verplichtend geweest, en ook nimmer een cdgemeen gebruik in de H. Kerk. Om de misbruiken en de ongelukken, die er uit voortkwamen, is het later geheel afgeschaft. Zie hierover Kreuzer. O. cit. p. 307â-309 en Bened. XIV. 1. c.
â 236 â
vader, belijdt hij zijne schuld, zijne schuld, zijne allergrootste schuld, daar hij gezondigd heeft door gedachten, woorden en werken ; en hij smeekt daarom Maria, den H. Michaël, alle Heiligen des Hemels en den priester, voor hem den Heer zijnen God te bidden.
Dan keert do priester zich tot hen, die aan de Tafel des lleeren zullen aanzitten en bidt: (ilinof/enclc God untfct'iHc zich over h. vert/eve '' uwe zanden, en yeleide u ten eeutvigen leven. »Ainen, het zij zooquot; is het antwoord der geloovigen, door de dienaren gegeven. En de priester zegt verder, terwijl hij het volk zegent; siKwijt.wheldinrj, onthhi-diny cn vergiffenis vcoi uwe zonden vcvleene u de almachti(je en havmhartige Heer. ygt;Amen is opnieuw het wederwoord. â Daarmede worden nogmaals alle fouten kwijtgescholden: niet alsof dit een fornieele sacramenteele absolutie is, welke de doodzonden vergeeft, maar zóó, dat hier nogmaals de vergilfeuis der zonden wordt afgesmeekt, zoodat zij, die met berouw en vertrouwen tegenwoordig zijn, voorzeker de vergiffenis van dagelijksche zonden en fouten kunnen verhopen ('1).
En als die woorden door den priester zijn gesproken, neemt hij hot aanbiddelijk Lichaam van Christus in zijne handen, keert zich tot het volk en zegt, terwijl hij hun dit toont: vAie het Lain Gods, dat de. zonden der wereld wegneemlquot; alsof hij wilde zeggen: Ziedaar Jezus, die als een Lam ter slachtbank geleid werd, ilie voor ons opnieuw op onbloedige wijze stierl. en de zonde wegnam; zie, Hij komt ook in u het Verlossingswerk voltooien. Hij gaat zijn intrek nemen in uwe zielen. Hij komt u heilig maken. â En gelijk liij straks, toen hij zelf zijn God ging ontvangen, zich tot
(1) de Carpo. Bibl. Liturg. '208.
driemalen toe onwaardig bekende, zoo spreekt hij ook nu in naam van allen, die tot hem naderen, tot driemalen toe; »Ilci'r, ik hen niet ivaardig, dat gij onder mijn dak komt; maar spreek slechts een woord en mijne ziel zal gezond worden.quot; Christen, gij die nadert, erken u dan ook in dat oogenblik geheel en al onwaardig, herhaal die woorden in stilte met den priester, terwijl gij als de tollenaar de borst klopt tot bekentenis uwer schuld: vraag tot driemalen toe van God dat machtige woord, dat n meer en meer zuivert, en nader dan vol vertrouwen en eerbied tot uw .lezns, die u dwingt tot Hem te gaan, en n aldus wil deelachtig maken aan het eeuwig leven. Dit ook wenscht de priester u toe, als hij de H. Hostie u komt geven, want dan spreekt hij, terwijl hij n tevens daarmede ter hooger heiliging nog zegent: gt;' liet Licltaam van onzen Heer Jezus (ihristus beware nwe ziel ten eeuwigen leven.quot;
ZESDE HOOFDSTUK.
De Dankzegging.,
IB/e oogénblikken na de H. Coivinmnie zijn voorzeker allerzaligst en kostbaar, zegen- en genaderijk : Jezus, de liefdevolle Godmenseh, woont dan met alle zijn schatten in ons hart. liet past dan ook, zegt een Dionysius de Karthniser (1), dat wij alsdan in alles naar ziel en lichaam ingetogen en zedig ons gedragen en niet minder bezorgd zijn ons dankbaar bij Jezus te houden, dan te voren toen wij Hem gingen ontvangen. Dankhaarheld ja, moet daarbij vooral op den voorgrond treden.
De H. Franciscns van Assise ging eens met zijnen Ordebroeder Massaus bij een felle zomerhitte over een uitgestrekt veld. Reeds lang hadden zij uitgezien naar een bron, om hun smachtenden dorst te lesschen. Daar vonden zij op eens een plaats, waar niet slechts het water opborrelde uit eene bron, maar waar tevens een groote boom, breedgetakt en vol in het blad. een weldoende schaduw aanbracht. Hier zetten zij zich neder, haaiden een stuk droog brood, dat zij met bedelen verkregen hadden, te voorschijn, weekten het in het water, aten en dronken. Alsdan begonnen de tranen te vloeien over de wangen van Franciscns. Verwonderd daarover vroeg hem de broeder: «Goede Vader, waarom weent gij?quot; Ach Broeder, zeide de
(1) E.rpoa. Missae. art. 38.
s _ 230 â
Heilige, zou ik geen tranen van dankbaarheid schreien, daar de hemelsche Vader ons hier zulk eene kostelijke maaltijd bereid hoeit?quot; Massaus kon bij deze woorden zijn glimlachen niet bedwingen, daar hem die spijs en die drank juist niet zoo kostbaar voorkwamen. Maar de Heilige ging voort: Broeder, bedenk, hoe goed de Heer voor ons arme schepselen is. Van eeuwigheid voorzag hij, dat wij hier eenmaal bezweet en dorstig zouden komen, en in zijne zorgzame liefde, deed hij hier die bron ontspringen r- «i' zorgde hij voor dezen schaduwrijken boom, opdat
; : wij hier zouden kunnen uitrusten, en het brood, i-t dat goede menschen ons gaven, bij een frisschen en li- aangenamen dronk waters, nuttigen. Waaraan hebben m wij toch eene zoo vaderlijke liefde en bezorgdheid ig verdiend ? Moet deze groote goedheid van God geen iS tranen van dankbaarheid uit ons oogen persen ?quot; â sn /.')*) dacht de II. Franciscus en was dankbaar aan Bt tquot;'0'' voor een hard stuk brood, voor een frisschen dronk waters (1). Maar wat zijn deze gaven in verst gelijking bij die, welke ons de Heer aan zijnen te maaltijd hier bereid heeft? Geen aardsche, vergan-;ij kelijke, maar hemelsche en onvergankelijke werden â n ons hij de 11. Communie medegedeeld. Hier schonk n ons de goede God dat hemelsch Brood, hetwelk it aüe geneugten in zich bevat: wie daarvan eet zal ii, leven in eeuwigheid ; hier ontsprong voor ons die ie bron van dat levende water, of liever van Jezus' â , kostbaar Bloed, die reinigt, verlVIscht, de hitte der ui hartstochten uitdooft, den grond van ons hart vrucht-â t buar maakt voor goede werken en aan de ziel het m wal'e level1 mededeelt. Ja, met zijn Zoon schonk Hij ons alles. De priester, de geloovigen die gecom-
le municeerd hebben, zij zijn één met God. Hier moet
Ie ''ai1 0()'i z'el va|i dankbaarheid overvloeien, hier
(1) Gihr. O. Cit. § 71.
â 240
moeten de jubelende lippen den Heet dankbaar loven en verheerlijken. Welnu, de H. Kerkbegujpt haar plicht. Na deelgenoote te zijn geworden aan dat groote Sacrament,quot; zegt de H August.nus (4) hem de II. Thomas (2), bepaalt zich quot; ~ deze
verder alles tot dankzegging.quot; En terwijl slechts kort is. wil /.ij verder dat een ieder daarna ze voor zich zeiven, vol ijver en aandacht voortzette.
$ 1. DE GEBEDEN BIJ DE ZUIVERING VAN DEN KELK.
Terwijl de priester de eenvoudigste handelingen verricht, terwijl hij den kelk zuivert, moet zijn liart zich reeds uiten in dankgebeden, die als het vervolg ziin van het; »Wat zal ik den Heer wedergeven, zoo even voor de nuttiging des H. Uloeds uitgesproken.
âLaat ons, Heer,quot; zoo bidt lnj in stilte bij de eerste zuivering met wijn, hetgeen vuj met den mond ,,enntticjd hebben, met een zuiver hm -ivaren; en van tijdelijk geschenk xvorcU het ons een altijddurend middel van zaligheid. Hij weet het maar al te goed, de dienaar des Heeren ware
dankbaarheid vordert een zuiver/quot; Jielhf '
maar hij kent ook zijne mensche ijke zwakheid, en daarom smeekt hij, uit dat goddelijke vouise , hetwelk ons hier als tijdelijk geschenk, dat wil zeggen als Offer en Sacrament, in weinige minuten n I. zoolang de gedaanten van brood en wijn bly ven bestaan, geschonken is, altijddurende kracht sterkte te putten, ten einde zonder zonden te kunnen leven en zix'i dankbaar te zijn.
Merken wij hier op, dat de priester dit gebed ' het meervoud spreekt, terwijl hij aanstonds het
(1) Epist. ad Paulin CXLIX n. 46. (2) 1 . HI Q-83. Art. IV.
volgende in het enkelvoud zal bidden. De reden is daarvan, dat de priester hier niet slechts voor zich zeiven maar ook voor hen bidt. die gecommuniceerd hebben. Als gij dan onder de H. Mis de H. Communie ontvangen hebt, bid dan insgelijks mot den |iriester hetzelfde gebed. Zeg in dit oogenblik aan nw Jezus: Ik heb U ontvangen en genuttigd, o moget gij bij mij blijven met uw genaden : bewaar inijii hart daartoe zuiver, moge ik do vruchten van dit tijdelijk bezoek in mij bewaren voor de eeuwigheid.
Kn do priester gaat verder, terwijl hij de vingeren, welke het IJ. Sacrament hebben aangeraakt, boven den kelk, met wijn en water wascht: »Z7w Lichaatn, Heer. dat ik genuttigd, en vw Bloed, dat ik gedronken heh. hlijve in mijn binnenste; en geel, dat in mij, die met de zuivere enheiliqe gchnrncn verkwikt hen, geen vlek der zonde ovèr-hhjve. Die leeft er. heerscht in de eeuwen der eeuwen. Amen.quot; Dit gebed is opnieuw en no-dringender de herhaling van het voorgaande, doch thans meer alleen voor den priester zeiven. die olleren en onder beide gedaanten nuttigen mocht. Het voedsel vereenzelvigt zich met het lichaam, het geelt kracht en sterkte, liet bevrijdt de herstellenden vooral van de naweeën der ziekten. Wat nu het licliameiijk voedsel is voor het lichaam, dat smeekt de priester al m geestelijken zin voor zijne ziel. l ank haar moet hij zijn voor alle ontvangen gunsten dankbaar door een heilig leven: dat kan hij niet tenzij door Jezus zelf. en daarom smeekt hij, dat het goddelijk Lichaam en Bloed, dat wil hier zeoo-en Christus door zijne genadekiacht. zich hechte aan. zich vereenzelvige met zijne ziel, en zich mededeele aan al hare vermogens; dat deze daardoor zoo hersteld worden, dat er geen enkel spoor meer overnlijve van zonde of ongerechtigheid.
â¢16
â 242 â
g 2. DE ANTIPHOON: âDE COMMUTTIE.quot;
Middelerwijl heeft ook het volk liegrepen, dat het erkentelijk tot .lezns moet opzien. Het koor heeft de antiphoon vde Communie,quot; welke ook straks de priester zal bidden, aangeheven. Het is een kreet van dankbaarheid, gewoonlijk toeimsselijk tevens op het ïeestgeheim van den dag. Vroeger werd zij gezongen om liet andere vers van een ge-heelen psalm bij het te commnnie gaan der geloo-vio-en, en heet daarom nu nog antiphoon ol beurt-o-ézang. Het, was gewoonlijk het woord van David ;
naakt en ziet, hoe zoet dr Heer isquot; dat dan herhaald werd tnssehen de verzen van een blijden dankpsalm. meestal van dezen heerlijken lolzang;
Ȯ/;, wil den Hecre laven te allen tijde; -'jn lol' zij (iedarilt;i in mijnen mond.
tliijue ziel rneml in den Heer: dal dehedrukten het hoor en en zich verblijden.
vPrijsl den Heer met mij, laai ons mei elkander zijnen nctam verheerlijken,
»Æ/â¢â zocht den Heer en Hij verhoorde mij. en Hij verloste mij itil alle mijne benauwdheden, enz.
En als dan de Communie was uitgereikt, gaf de bisschop een teeken aan den opperzanger, die den psalm sloot met het ygt;Eer zij den Vader; enz. terwijl het koor nogmaals de antiphoon herbaalde.
Thans is die manier veranderd, en heelt hare sporen slechts achtergelaten in de-antiphoon die alleen nog gezongen wordt, en om het oogenblik. waarop zij vroeger herhaald werd,. Communie ge-beeten is.' Slechts in de communie der Mis van de overledenen vindt men ze gelijk vroeger nog eemgs-zins terug.
â 243 â
§ 3. DE POST-COMMUNIE.
Als flan liet koor die antiphoon gezongen en de priester ze in stilte gebeden heeft, keert deze naar liet midden des altaars, kust liet vol eerbied, wendt zich tot hot volk en zingt zooals gewoonlijk : »Do-mimm vnhiscum: de Heer zij met IJ.quot; Het volk antwoordt weder: a FA mm spiritu tno: Eu hiel uwen c/eest. Zoo ooit die wensch bewaarheid wordt dan zal het nn zijn. Ja de Heer, die intrek genomen' heeft ni het hart dos jiriestere, die zich met zoo velen, hetzij op werkelijke, hetzij op geestelijke wijze vereonigd heeft, zal ook voorzeker gaarne mot hen blijven. Dat .Fozns beu dan verlichte, be-schenne en beware, niet slechts thans, nu zij dankend opzien tot den Gever dier goede gave, maar te allen tijde, tot dat de dag der eeuwige vereeniomn-aanbreekt in den hemel. 0 n
En bij het boek voergekeerd, zingt de priester een of meerdere gebeden, naarmate de feestda»-het vordert: mon noemt dit gebed vPostcomnmniequot; omdat het onmiddellijk na de communie gezongen wordt. Het is opnieuw eene bede om God te be-daiikon ^ voor de oneindige goedheid, die ons aan de H. Oeheimen deelachtig maakte, orn genaden te viagon tot bewaring der heilzame vrucht daaruit genoten, tot zaliging en heiliging onzer zielen. -Merken wij op, dat al die gebeden in het meervoud gesteld zijn, zoodat do priester niet slechts voor zich zeiven. maar voor allen, die met hein aan het H. Oller bobben deelgenomen, bidt. Zij wijzen ons dus al wederom naar de aloude gewoonte, dat do geloovigen met den priester onder de Mis communiceerden, telkens als zij deze bijwoonden. â Geen wonder dan ook, dat het koor bij de sluiting van elk dezer gebeden moet antwoorden. vAmen. Het ⢠ij .00. Maar vergeten wij ook de geheimzinnige
â 244 â
beteekenis niet, welke in dit gedeelte der II. Mis ligt opgesloten. Geheel het leven van .Tezns vinden wij in do H. Mis terug, zeiden wij in den beginne, en wij zagen het duidelijk; wij hebben Hem gevolgd reeds tot na zijne verrijzenis, tot zijne verschijningen aan de zijnen. Welnu in de communie, post-communie en hetgeen daarna volgt, ligt opgesloten, wat na Jezus' verrijzenis geschiedde. De apostelen waren' verheugd, toen zij den Heer zagen, en van vreugde stonden zij verbaasd (1), zij boodschapten aan elkander, wat zij gezien hadden op den weg, en hoe zij Hein erkenden in de breking des broods (2). Dat alles geelt de antiphoon der communie weer, zegt I'aus Innocentius 111 (3), welke zoo blijde en met twee koren beurtelings gezongen wordt. â De priester zingt verder met opgeheven handen zijne dankgebeden in de postcommunie. Zij leeren ons, hoe de Apostelen na de Hemelvaart van Jezus volhardden in het gebed, en hoe wij tevens in Jezus Christus zeiven in den hemel een voorspreker hebben, die zijne wonden toont en altijd voor ons bidt. Daarom wordt de postcommunie ook immer gesloten met de woorden: ixluor onzen Heer Jezus Christus, die met U leeft en heerschl in tie eenheid des Heiligen Geesten, door alle eenwen der eeuwen. Amen (4).
§ 4. HET SLOT DER H. MIS.
DE WEGZENDING DES VOLKS.
En na de postcomnumie is liet einde der II. Mis daar. De priester zal daarom zijn laatsten groet doen aan het volk, die van liefde getuigt, het volk den zijnen aan den priester, en alsdan zal de diaken
(-1) ,1 oïs XX. â (2) Luc. XXIV. 35. â (3) Innoc. O. cit. L .VI. C. X. â (4) Durand. Ration. L. II. C. LVII.
- 245 â
lieu iiuiikoiuligeii, thit do bijeenkomst ontbonden is en de Christenen naar hunne luiizen kunnen terug-keeren.
Zie, de priester keert zich dan na het laatste
gebed, na eerst weder..... het altaar gekust te hebben,
tot het volk en zingt hen groetend, toe: vDuminns vohisciDu, clc l[cvv zij wet U. ' Kostbare groet na de innige genieensehap ilie er door het Offer en de. II. Cohittiioiic'. met God ontstaan, nauwer toe-gehaaid en inniger geworden is! 't Is duidelijk, hij wil hier zeggen: de, lieer moge steeds met U blijven door zijne genade, zijne bescherming, zijnen bijstand en zijne linJp: de Heer blijve bij U bij vreugde en lijden, bij moeite en arbeid: de Zaligmaker moge als de goede Herder U leiden en weiden, moge uw bewaker en behoeder zijn: Hij moge bij U blijven tot de dag ten avond neigt, zoodat Gij met Christus ontwaakt en rust in vrede. En zou het volk ook hier anders kunnen antwoorden dan: vEl cum spiritu hio; hu met Lwen yeeslquot;? O neen, wie een wensch ontvangt en erkentelijk is. wenscht wederkeerig geluk, ja tracht in zijn wensch nog verder te gaan. VV elnu daarom uit het volk, bij monde van bet koor. dezen wensch: *En met Uwen (/eest,quot; als wilde het zeggen: Priester Gods. de Heer blijve niet slechts met L gelijk met ons. maar Hij moge ook met zijne voorlichtende en versterkende genade uwen geest vervullen en doordringen, om. als man Gods, als man des H. Geestes op waardige wijze steeds ons voor te lichten en te besturen, als een I'-ngel Gods steeds onze aangelegenheden en die der gansche Kerk met den Heer te kunnen bespreken.
Xa dien zoo trelt'euden wederkeerigen groet van priester en volk. keert ook de diaken zich tot het volk en zingt op plechtige wijze: He, missa est, Gaat. de. vergadering is ontbonden. Aldus toch moeten wij, gelijk wij In onze inleiding zagen, deze
â 246 â
woorden letterlijk verstaan. Gelijk bij alle andere publieke vergaderingen in gebruik was, werd ook bier in daarvoor gewone termen deze olïerbijeen-korast geeindigd en bet volk toegelaten been te gaan. Die beteekenis laat zich nog duidelijker begrijpen als wij zien, dat op dagen waarop bet volk nog bijeenbleef om te bidden (1), ol om bun laats ten pliebt te vervullen aan de overledenen, deze woorden niet gezongen werden, maar de Mis eindigde met de woorden: Bcncdicamus Domino: Laat ons den Heer verheerlijken oi', Requiescant in pace: Dal zij nisten in vrede. En vandaar dan ook nu nog het gebruik, dat in den advent en in de vasten en op sommige andere dagen in bet jaar Benedicamtis Domino en in de Missen dei' overledenen ; Requiescant in pace gezongen wordt.
Wil men echter ook eene overdrachtelijke beteekenis aannemen van bet Ite, missa est, welnu zij het dan deze, welke ons door Albertus de Groote (2), den H. Thomas van Aquinen (3), Paus Innocentius (4) en vele anderen gegeven wordt. »Lle diaken zingt Missa est, wijl het oiïer des heils, na het nuttigen der gedaanten, nu ter rechterhand des \ aders is opgezonden, opdat Jezus ons daar in zich zei ven den Vader aanbiede. Hij ons daar inlijve, met zich vereenige en ons een plaats bereide, gelijk Hij gezegd heei't door Joannes: Ik ga u een plaats bereiden (5). Gelijk bij zijne Hemelvaart, zoo is Hij ook nu wederom den hemel binnengegaan. â Lu de diaken moet dit zingen, daar deze hier als de vertegenwoordiger optreedt dier twee ms,nnen in wit gewaad, die den leerlingen toevoegden ; Galileesche mannen, wat staat gij hier ten hemel te zien
(-1) Bona, de Heb. Lit. CXX. :i. â ('2) Lib. de Sacr. M. Tr. 111. C. '23. â (3) 1'. 3. Q. 83. 4. â (4) O. cit. L. VI. C. XII. â (5) Joës XIV.
â 247 â
Jezus, die van LI is weggenoiiien ten liomoi, zal eenmaal komen zooals gij hem zaagt henengaan (1). Het koot' nn, zoo gaat Paus Innocentius verder, dat juidiendc antwoordt : nGude zij dank,quot; volgt de apostelen na, die God dankende met groote vreugde luiar Jerusalem keei'den, en de dagen daarop een-stemmig volha-dden iu God te prijzen en te zegenen (2). - God danken, is volgens het woord van den II. Augustinus, erkennen dat alle goederen van God komen, liet is Hem lofpiijzen voor zijne gaven.
VVelnn, horhalen wij dan met het koor dat blijde Deo (jratias, en betuigen wij daardoor aan den lieniclschen \ader: Ja, wij loven ü met erkentelijkheid voor alle genaden, welke wij van uwe goedheid in de II. Mis hebben ontvangen, wij verlaten \ol vreugdgt;' de kei'k, en zullen U eeuwig dankbaar blijven.
Na het dIIc Minna eslquot; ot' ygt;Bonedicanms Dominoquot; enz. is de Mis lan geeindigd, en werkelijk in de eerste tien eenwen ging de vergadering der geloo-vigen. na het «Deo (/ralianquot; geantwoord te hebben, uit elkander. Doch de godsvrucht des priesters en der geloovigen voegde hier en daar er nog een gebed met den zegen des priesters en het Evangelie van den H. .loannes bij: dit werd langzamerhand meer algemeen en ten laatste erkend door de II. Kerk, zoodat deze liet, doch eerst in de lö'16 eeuw, tot eene verplichting maakte voor iederen priester.
HET GEHED âPI.ACBATquot; EN DE ZEGEN.
liet eerste van liet bij de II. Mis gevoegde is liet sclioone gebrd vPlaceaiquot;, dat den zegen des priesters vooratgaat. (lebogen voor het altaar, daar hij een smeekgebed doet tot de H. Drievuldigheid,
(1) Act. A post. 1. li. â ('2) O. cit. L. VI. CXII, Zie ook Duraiul. Rat. L. IV, C. LVI1. 0,
â 248 â
en niet de luuulen (Uuirop rnstendo, unidat hij zich met Christus in zijn gebed vereenigt, zegt de priester in stilte: «Moge H. Drievuldigheid, dc hulde mijner dienstbaarheid, U behagen, en verleen, dat het Offer, hetwelk ik, onwaardige, vuur dc oogen uwer Majesteit heb opgedragen, U welgevallig zij. en mij en allen, voor wie ik het opgedragen, heb, door uwe barmhartigheid tot verzoening strekken. Door Christus onzen lieer Amen.quot;
Wie aandachtig dit gebed beschouwt, vindt er aanstonds een herinnering in van alles, wat de priester in de Mis heelt gedaan. Het is een korte samenvatting zoowel van het Eere- en Dank- als van het Smeek- en /oenoffer. De priester belijdt nogmaals, dat hij door zijn ofl'er hulde gebracht heeft aan den Drieëenigen God, en zoo waarlijk door Jezus, het goddelijk Offer. God op volmaakte wijze heeft verheerlijkt; hij betuigt zijne dankbaarheid door belijdenis zijner onwaardigheid, welke echter door de welgevalligheid des Oilers wordt vergoed: hij belijdt eindelijk, dat er door dat 011 er alleen ware verzoening is te hopen, en smeekt ze daarom nogmaals, zoo voor zich zeiven als voor allen, voor wie hij het opdroeg, dringend af.
Voorwaar een treffend gebed bij het einde der H. Mis! Het is als de bezegeling van het groote verbond, dat daar, bij dat Offer, met God is aangegaan. als de kroon, die de voltooiing en de eenheid aan het groote en heilige werk schenkt. En wie verder overweegt, wat ei' voor onzen geest opdaagt, als daarna de priester, plechtig de handen verheffende, den zegen geeft, hij begrijpt nog meer, waarom het hier wordt uitgesproken. Immers in den zegen des priesters wordt ons de gansche geschiedenis der wereld verhaald, dc val en de verlossing, het aardsch paradijs en de Oalvarieberg. in één woord alles wat wij juist in de H. Mis
â 249
hobbou hcrdaeht. (!ij vraagt rnissehien, hoc is dit mogelijk? Luister, lezer, het zal n klaar worden als de zon.
Zegenen wil in de taal der 11. Kerk zeggen: iets van onheilig heilig maken, iets aan den duivel ontrukken en aan God toewijden. Welnu, dat ware onnoodig geweest, zoo de mensch niet gevallen was in de erfzonde, want toen God de wereld gescha|ien had, overzag Hij alle dingen, en Hij bevond dat. zij goed waren (i), goed voor God, dus geheiligd. Maar de zonde kwam in de wereld, en heelt alle schepselen bedorven (2). Noodzakelijk werd het dus, dat ze den duivel ontnomen, aan zijn heilloozen invloed onttrokken en aan God werden toege-heiligd. Welnu, do Zoon van God zeil'begon dat ontzaglijk werk. Om den vorst dezer wereld te verjagen kwam Hij op de wereld (3), en zegenend en weldoend trok Hij onder de zijnen rond, hen vooral door zijn zegen-aanbrengend kruis uit dehelsche slavernij verlossende. Dan, zijne verdiensten waren oneindig, zijne Kerk kon dus het werk der zegening voortzetten. Ook zij zou zegenend en weldoende allo schepselen tot hmme oorspronkelijke heiligheid wederbrengen, want de Stichter had gewild, dat zij zon voltooien wat Hij had begonnen. Heerlijk tafereel derhalve van heel de wereldgeschiedenis, dat zich voor onzen geest ontrolt, als de priester zijne handen zegenend opheft en over Christus' volgelingen Gods zegen doet neerdalen.
0 neen, het verwondert mij dan ook niet. dat die zegen te allen tijde in de H. Kerk hooggeschat werd, flat de eerste Christenen niets zonden gebruiken, of het moest eerst gezegend zijn: het verwondert mij niet, dat rijk en arm. koning en onderdaan, grijsaard en jongeling de knieën buigen en vol
(1) Gen. 1. 31. - C2)Rom. V. 12. â (3) JoïsXIl. 13.
â 250 â
eerbied dat groote teeken der verlossing ontvangen; liet verwondert mij niet, dat de H. Kerk verschillende plechtige ceremoniën heeft voorgeschreven. welke bij dien zegen steeds moeten in acht genomen worden.
Maar leert de zegen eens priesters ons zóó 's men-schen geschiedenis kennen, hoe passend was het dan niet, dat hij bij het einde der H. Mis gegeven werd. Immers in dat M. Sacrificie wordt het verlossingswerk in werkelijkheid voortgezet; daar, wij hebben het herhaalde raaien aangetoond in den loop onzer verklaring van het Misoller, wordt hetzellde oll'er opgedragen als op Calvarië, daar vonden wij geheel het leven, het lijden en den dood van Jezus terug. De vrnchten zijn dus aanwezig, zij vragen om uitgedeeld te worden. Welnu, geven wij dan acht. op den priester, en ontvangen wij diep gebogen die hemelsche zegeningen, welke de Drieënige God na dat verheven oll'er zoo gaarne schenkt.
De tonen van het ygt;Dco gratiasquot; zijn nog niet weggestorven, of het is stil, doodstil in de kerk. Zelfs het orgel zwijgt. Alle geloovigeu knielen neder, en de dienaren des altaars, van den minsten tot den hoogsten. liggen eerbiedig gebogen. Zie. daar kust de priester het altaar: dooi' het teeken der heide tracht hij de welwillendheid van Jezus te winnen om den rijksten zegen te kunnen mededeelen; hij heft de handen en de oogen omhoog tot het kruis, want van dat vloekhout kwam de staat van zegening, door het kruis blijven de genadestroonien vloeien; en hij spreekt: uZegene u de ahrairlitifiv God,' hij keert zich om en gaat verder: »dc Vader, en de Zouti. en dc //. Geest,quot; en tegelijk maakt hij plechtig het zegeteeken der verlossing over het volk. â vAnwn. Het zij zuu.quot; is het antwoord, dat het volk als van zelf geeft, en waarmede het zoo vurig mogelijk die overvloedige zegeningen afsmeekt.
â 251 â
HET LAATSTE EVANGELIE.
linn guat de priester naar de Evangeliezijde dos altaars en leest daar liet begin des Evangelies van den H. .loannes (1). Waar dit lezen zijn oorsprong aan ontleent, weet men niet met juistheid te bepalen. doch men mag met eenige zekerheid aannemen, dat de devotie der geloovigen, die tot den priester naderden, met verzoek een gedeelte van het Evangelie en vooral het begin van dat van den II. Joannes over hen te lezen, om hen van alle gevaren te bevrijden, er een aanleidende oorzaak toe was. Zij begrepen toch, dat de plechtige belijdenis dei-Godheid van Christus en van zijne oneindig verdienstelijke menschwording een machtig middel was tot bet verkrijgen der vele genaden, ons door die menschwording verdiend. Daar de aanvragen daartoe steeds vermenigvuldigden, besloten verschillende priesters dit voor iedereen te doen bij het einde van de II. Mis (2).
Te allen tijde was dit Evangelie ook in de Kerk hoog geschat. De II. Augustiuns had reeds menigmalen hooren zeggen, dat zelfs heidenen het eerden. Een leerling van Plato, zegt hij (3), beweerde, dat men dit begin met gouden letters moest schrijven op alle plaatsen, waar men vergaderde, opdat heel de wereld het zou loeren kennen. De geloovigen schreven het uit, droegen het bij zich, en legden het op het hoofd, om van kwalen genezen te worden. De H. Kerkleeraar, wiens woorden wij zoo even aan-
(1) Als dezelfde dag twee evangelies h eft, bijv. een van het feest, wat op dien dag gevierd wordt, en een van den dag zeiven, wordt in plaats van het St. .lans-evangelie, dat van den dag nu gelezen. â (2) Dom Guerangui' O. cit. pag. 224. â (3) Lib. lü de Civil. Dei. C. 20.
â 252 â
luuiUlen, kemt dit gebruik volstrekt niet af, en oordeelt liet veel beter dan' andere tocu ter tijde gebruikelijke bijgeloovige praktijken. En wie kent niet de kracht, welke ook heden nog de eenvoudige geloovigen daaraan toeschrijven? Treed de woning van den landman binnen ten tijde van noodweer, hagelslag en onwedcr. gij ziet hem de zijnen rondom zich vergaderen, en hij bidt met luider stem dat evangelie voor, en als men dan hij de woorden; i-i lüt het Woard is vlcc.sch yvivovdenquot; gekomen is en geknield heelt, staat hij met gerust gelaat op, want zij vreezen nu den duivel niet meer, die soms in dat onweer mag woeden, zij hebben het St. .lans-evangelie gelezen. Ja, door en door geloovige Cluisten, blijf dat doen en houd u trouw aan dat overoud gébruik; dit alles heelt reden, de huldiging van het geheim der menschwording waarbij de slavernij des duivels ophield, is een krachtig schild tegen zijne aanvallen.
Een treilend voorbeeld verhaalt ons daarvan een zeer geloofwaardig schrijver, de II. Antonius (i). Twee jongelingen gingen op een geboden feestdag uit om vogelen te schieten, de een had de 11. Mis gehoord, de ander niet. Toen zij een eind wegs waren voortgegaan, ontstond er plotseling een zwaar ouweder: felle bliksemstralen doorkliefden de lucht, en onopiioudelijk rolde de donder. Op eens klonk een stern: v Sla at dood, slaat dood!quot; En zie, de jongeling, die de H. Mis niet gehoord had, lag dood aan de zijde van den anderen. Deze half dood van schrik, loopt verder en tracht een schuilplaats te bereiken, doch opnieuw klinkt de stem : ygt;Slaat dood, slaat dood!quot; Hij verwacht dan ook te sterven,
(1) P. Chron. T. 9. C. 10, § 2. â (2) Zie ook Hieron-Mengus. Sjirr. Exempt. V. Missa n. '10. en Marchautius Hort. Vaat. Cand. Mysl. T. 1\. inline.
â 253 -
maar een andere stem herneemt: »Æ/.â kan niet. want hij heeft van daag het verüum caro factcm est fielword: dat wil zeggen, hij heeft de Mis bijgewoond en het H. Evangelie van Joannes mede-gebeden. Zoo deed God door den duivel zelven de getuigenis afleggen, dat liet St. Jans-evangelie een bijzondere kracht tegen hem uitoefent.
Laat ons thans, na deze misschien ietwat te lange uitweiding, doch welke wij, om het nut, dat daaWn gelegen was, goed oordeelden, het Evangelie zeil nit den mond des priesters gaan vernemen. Deze wekt eerst de aandacht der geloovigen o|j. door nogmaals te zeggen: »De Heer zij âiel het antwoord der dienaren is: dEh. mei uwen geetil.quot; Dan maakt hij met den duim een kruisje Oj) bet Evangelie ol op het altaar, en teekent verder zijn voorhoofd, mond en borst zeggende: aBegin, van het ]l. Evangelie van Joanne*quot;, y,Glorie :ij u. o Heer,quot; is het blijde antwoord van het volk. Dan vervolgt hij :
)gt;In dm beginne wan hel Woord, en het Woord wan hij God, en hef Woord wan God. Dit was in den beginne bij God. Alles is door het Woord ge-ynciakt; en zonder Hein is niets gemaaht van hetgeen gemaakt is; in Hem was het leven, en het leven wan het licht der memehen: en het licht schijnt in de duisternissen, en de duisternissen hebben hel niet aangenomen. Er wan een mennek van God gezonden, wiens naam was Joannes. Deze kwam tot getuigenis, om getuigenis le geven van het licht, opdat allen door hem geloOven zouden. Hij was het licht niet, maar om getuigenis te geven van hel licht. Het ware licht was dal allen mennch verliehl, die in deze wereld kond. Hij wan in de wereld, en de wereld in door Hem gemaakt, en de wereld heeft Hem niet gekend. In' zijn eigendom kwam Hij, en de zijnen namen Hem niet aan.
â '254 â
Doch zoovclen Hem aannamen, hun gaf Hij de macht om kinderen Gods te. worden, hun die in zijnen naam gelooven, die niet uit den bloede, noch uit den wil des vleesches, noch uit den wil des mans, maar uit God r/ehoren zijn. Es HET Woorci) is vr.F.EScii geworden, en het heeft onder ons gewoond, en wij hebben zijne glorie gezien, eene glorie als des Eeniggeborenen van den Vader, vol gomde en waarheid.
Bij het woord; En het Woord is vleeseh geworden. iloet de priester met zijne dienaren gelijk onder het Credo, een kniebuiging, want opnieuw belijdt liij die diepe vei-nedering der menschwording van Gods oneindig voliuaakton Zoon. die de gedaante van een slaaf aannam oin ons te verlossen. En na dat Evangelie antwoordt het volk door den mond des dienaren: »Deo gratias. Gode zij dank.quot; Dit korte woord, wij herinnerden liet reeds meermalen, is zoo heilig, zoo volmaakt, zoo waardig in de oogen van God, dat men het grootste der geheimen met geen beter kan eindigen. »Wat kunnen wij beter denken, beter zeggen, beter schrijven,quot; vraagt do H. Augustinus, sdaii dit woord: Deo gratias. Gode zij dank? O neen, men kan niets korter uitdrukken, niets aangenamer hooren, niets grooter begrijpen, niets nuttiger en niet meer vrucht doen dan dit gebed: Deo gratias. Gode zij dank (i).quot;
Ja, Gode zij dank, na dat voltrokken offer, na dien oneindigen schat van verdiensten, welke uit den hemel is neergekomen op aarde. Dank zij God voor zijne onuitsprekelijke gave (2), zoo moeten wij hier met den Apostel uitroepen. Het oneindig heilige slachtoffer werd aan God gebracht door het Sacrificie, aan de menschen door de Communie. Hemel en aarde zijn één. Dank zij den Vader, die ons zijnen
(1) Epist. 77. â (2) II. Cor. IX. 15.
â 255 â
Zoon sc.linnli: dank Hen Zoon. die zich ton offer wijdde : dank den H. O eest, die ons in .lezas Christus geheiligd heeft: dank in één woord aan do Allerheiligste Drievuldigheid, uit welke alles, door welke alles, in welke alles ons is geworden. Dank en nn en altijd en door alle eeuwen der eenwen !
«Ja waardig is het Lam, der eeuwen Opperheer, le ontvangen lof en dank: Ihj is voor ons gestorven, Aan Hem zij glorie, kracht en macht en majesteit Amen! regeere Hij tot in der eeuwigheid ('1)1quot;
Kn hiermede hebben wij. onder Gods bijstand. â Mize taak volbracht. Wij stelden ons voor de plechtige 11. .Mis, zoo duidelijk wij konden, te verklaren. De goede (lod geve. dat ons werk niet onvruchtbaar /ij. maar dat wij tevens geleerd en gesticht hebben: :irlrn-(l. om nooit de II. Mis te verznirnen, maar dagelijks, zooveel wij eenigszins kunnen bij dat II. Offer tegenwoordig te zijn; c/esticht, om het eiken dag ook zoo godvruchtig mogelijk bij te wonen, en uit die mijn der goddelijke genaden, al het goud te putten, dat er in te vinden is. Het is waar. wij kozen de jilechtifii' H. fdis ter verklaring, omdat daarbij nog meer plechtigheden plaats hadden : maar dat neemt niet weg, dat elke andere H. Mis immei dezellde waarde bezit, en even groote genaden kan mededeelen.
Luisteren wij ten slotte naar de krachtige opwekking daartoe van onzen katholieken dichter (2):
O Kersten hart! wat traagheid let u dan Des morgens vroeg te rennen, daar dit Mann' Die zuivre daauw des olfers, zoo gezegend li in den mond en op de lippen regent,
( ') Mgr. Broere. Constantljn '2de zang. â (2) Vondel. Altaeryelieinmissen. Derde boek.
Zoo blank als sneeuw van 't heilrijk Paradijs? Wat hoop van staat, gebouwd op smeltende ijs. Wat zucht tot goud, wat vleierij van pluimen Betoovren u dien zegen te verzuimen?
Dien outeroogst? Dat olïerooft? Die vrucht.
Voor elk gekweekt in Seraphijnsche lucht? De Heiland, eens gehecht aan 't heilzaam telken. Begint van hier zijn vrucht u toe te reiken.
Hier bloeit de boom des levens dag aan dag.
Hier rust de ziel van 't ijdele bejag.
Mier toomt de geest het vleesch zijn dartelheden; Hier antwoordt God op zuchten en,gebeden;
Hier wischt hij af de tranen in den nood;
Hier leeft het hart in troost, hier sterft de dood; Hier geeft u God den voorsmaak van 't onsterflijk. Ook van zich zelf, door 't otferen verwerflijk.
IMPRIMATUR.
|
Voorschoten, Die G Fclirnarii 1893. |
M. BERN SEN, Lilir. Censor. |
1 X H O U D.
li li N VVOORU TOT I.NLUIUINO
^ERSTE pEEL. De Voorbereiding tot de Plechtige H. Mis.
|
Dk Vooubisreiding tot ue Plkciitige II. Mis . | ||||||||||||||||||||||||
|
fwEEDE pEEL. De Plechtige H. Mis.
Dn Plechtige II. Mis.....
Eerste Hoofdstuk. De luiasli' Voorbereiding tol het II. Offer .....
S 1. Aan den Voet des Altaars Intrede in het Heiligdom Psalm »Juilicaquot; .... Confiteor ..... ^ '2. Bij het komen aan het Altaar Het opgaan der Trappen Bewierooking:
BLAUÃ. V
48
49 49 49 51 54 GO (30
Ga
iNHOlil).
Tweede Hoofchluk. Oc Mis der Catechumenen
§ 1. Introïtus £ 2. Ivyi'ie eleisou § 3. Gloria in excelsis § i. De Collecte .
§ 5. De Epistel . ,
S (5. liet Graduale sgt; 7. Het Alleluja ^ 8. Ue Tractus .
^ lt;â¢gt;. De Sequeutia ^ 10. Het Evangelie § 11. De Preek Derde Hoofdstuk. Hel Credo, de Olfercmde en â¢Ie 1'rie falie .
Ul.AUZ.
S 1. Het Credo......
§ '2. De Olïerande.....
De Aanbieding der Ullergaven . Bewierooking . . . ⢠⢠De Handenwasschiug des Priesters Suscipe, Sancta ïrinitas
Orate, F ra tres.....
De stille Gebeden . ⢠⢠â¢
§ 3. De .............
Vierde Hoofdstuk. De Canon met het Pater .\ aal er
t; -l. Gebeden voor de Consecratie Het Gebed »Te igiturquot;
Bede voor de H. Kerk Gedachtenis der Levenden .
Gedachtenis der Heiligen Het Gebed »Hanc igiturquot; .
Het Gebed »Quain oblationemquot; .
08 m
71 74 70 8(gt;
'.H «W '.17 lt;18 100 110
117
117
128 120 140 143 146 140 151 153
161
165 165 165 168 160 175 177
Inhoud.
iïkaüz.
§ 2. De Consecratie ⢠. . . 179
§ 3. Gebeden na de Consecratie . . . 184
Het Gebed oUnde et Memoresquot; . . 184
Het Gebed «Supra quae propitioquot; 188
Hot Gebed «Supplices te rogamusquot; . 100
Do Gedachtenis dor Ovorledonon . 194
»Nobis quoqne peccatoribusquot; . . 108
sluiting van tie Canon . _ _ 200
à o. Hot l'ater noster.....207
Vijfde Jloofdstuk. Dlt;; Voorbereid in;/ lot de /J. Cum-
munie en de Communie zelve . . . (i
S I. Hot Gebod oLibera nosquot; . . _ 217
gt; Hot Agnus Dei ⢠. . ,
S â gt;. Laatste Geboden van Voorboreidiiiquot; . 227
§ i. De Communie van ilon Priester . . 231
gt; â¢gt;. Do Communie tier Geloovigen . . 234
Zesde Hoofdstuk. De Dankzegging . . . '238
S 1- Do Gebeden bij de zuivering van don Ivolk 240
^ 2. Do Antiphoon: »De Connnunioquot; . . 242
§ .5. De Post-Communio . 243
§ 4, Het slot .lor H. Mis . . . . 244
De wegzending des volks . . . 244
Het Gebed «Placeatquot; eti de Zegen . 247 Het laatste Evangelie ⢠. , .
(
Bij den uitgever dezes i* mede venchenen:
Melanie van Biervliet. Meditatiën voor Reügieusen Onderwijzeressen, met Voorrede van Prof. ,1. A. HF. Ruk.
Gi'.honden tinnen hand / quot;l.
IngeiM'tid »
~ âDit korte en «wkröke handboek is in veie kloosters mgevoeid. '
Lud. Blosius. Geestelijke Gids, of Canon van het geestelijk leven en geestelijke spiegel. Uit het latijn door ,1. DK BOKT S J.
Gebonden linnen hand / I.tO.
Ingenaaid » 1â¢
Kardinaal Wisr.MAN' zejrt;
.âIt gulden' boekje .ij sU,k en versie,en door i.et veelvnl,.ig gebrn.k,
Hyacinthus Negri S. 0. P. De Allerheiligste Rozenkrans. Korte Overwegingen .Ier Uozenkransgehe.men .net voorbeelden voor eiken dag. 2e druk. ^ ^ ^ ^ f ^
Itigencutid » 0.40.
tweede .irnk in korten tijd pleit .enoe^.an, voor de .iegelijk,,ei,i.
Mqr Egger. De katholieke jongeling in de hedendaagsche
(Monden in half linnen f 0.30.
we re lil.
«Een klei.........................da, de jongelingen waarschnwt tegen .ie ge-
var..... .n werkplaats, kazerne, fabriek en. nn de ^.Udagen b .
tegenwoordige en toeko.nstige leven ......... ondermgnd en veracht.
Prinses Craon. Henry Percy. Gezien linnen hand f 1.00.
Thomas Morus » 9
quot; quot; â â « 0.90.
Alban stolz Reisherinneringen.
A. de Ségur. Heidenen en Christenen,
. i rt » )gt; i.KViU.
Vorhalên uit lt;le eerste christentij.l »
Bij den uitgever dezes i* mede venchenen:
Melanie van Biervliet. Meditatiën voor Reügieusen Onderwijzeressen, met Voorrede van Prof. ,1. A. HF. Ruk.
Gi'.honden tinnen hand / quot;l.
IngeiM'tid »
~ âDit korte en «wkröke handboek is in veie kloosters mgevoeid. '
Lud. Blosius. Geestelijke Gids, of Canon van het geestelijk leven en geestelijke spiegel. Uit het latijn door ,1. DK BOKT S J.
Gebonden linnen hand / I.tO.
Ingenaaid » 1â¢
Kardinaal Wisr.MAN' zejrt;
.âIt gulden' boekje .ij sU,k en versie,en door i.et veelvnl,.ig gebrn.k,
Hyacinthus Negri S. 0. P. De Allerheiligste Rozenkrans. Korte Overwegingen .Ier Uozenkransgehe.men .net voorbeelden voor eiken dag. 2e druk. ^ ^ ^ ^ f ^
Itigencutid » 0.40.
tweede .irnk in korten tijd pleit .enoe^.an, voor de .iegelijk,,ei,i.
Mqr Egger. De katholieke jongeling in de hedendaagsche
(Monden in half linnen f 0.30.
we re lil.
«Een klei.........................da, de jongelingen waarschnwt tegen .ie ge-
var..... .n werkplaats, kazerne, fabriek en. nn de ^.Udagen b .
tegenwoordige en toeko.nstige leven ......... ondermgnd en veracht.
Prinses Craon. Henry Percy. Gezien linnen hand f 1.00.
Thomas Morus » 9
quot; quot; â â « 0.90.
Alban stolz Reisherinneringen.
A. de Ségur. Heidenen en Christenen,
. i rt » )gt; i.KViU.
Vorhalên uit lt;le eerste christentij.l »