§
m
â BBÃHBÃÃ
m
%: è^3
rïyTTYVYVTYYTTYTTTTV VVV VVV Vïl ^ *lt;
gt;* *lt; gt;⦠*lt; gt;* â _______________ ________ ^
DE ÃÃÃEIMI EN ÃEUGDEIÃ 3
TAN DE
ALLERH, MAAdü EN MOEDER (I0DS
m GODVRUCHTIGE LEZINGEN
VaN O. L. V. MOEDER VAN BAli.M HAUTIGH KID.
MÃfsSSSWâ
gt;â¦
gt;â¦
gt;â¦
gt;â¦
gt;â¦
gt;â¦
gt;â¦
gt;â¦
gt;â¦
gt;*
gt; VOOR IEDEREN DAG DER MAAND MEI. ^ gt;*
gt;⦠DOOS EEN PKIESTER DER CONGBEGATIE gt;â¦
gt;â¢
gt;* TIEBDE DRUK.
gt;' Eibl!^xh3ek'
r*
gt;*
gt;*
gt;â¦
gt;â¦
gt;â¦
^ Stoomdruk van het R. K. Jongens-Weeshuis. ^
gt;* 0
1 8 9 5. â¢
gt;â¦
KXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXll
2^ ^
IMPRIMATÃB.
M. F. DE BEER, Sup. Gen. ad hoc delegatus. Datum Tilburg!, 28 Februarii 1895.
SF
*5t
Voorrede voor de Pte wmm.
â A\ aarom het getal der Maanden van Maria al wederom met eene vermeerderd ?quot; Kwam, waarde Lezer , deze vraag niet in uwe gedachte op , toen dit nederig werkje u in handen viel ? Doch, alvorens gij uw oordeel uitspreekt (dat misschien een veroordeeling zijn zou), bewijs mij de goedgunstigheid de woordeu te lezen van een uitstekend geleerde en groot vereerder van Maria : â Laat ons zegt Dionysius de Karthuizer (1), ,, laat ons de verheven Moeder Gods prijzen zoo-â veel als in ons vermogen is; al vereeren en â beminnen wij haar zooveel wij kunnen , altijd â zullen wij moeten erkennen, dat wij niets gedaan â hebben , wat haar waardig is ; nooit zullen wij â haar eeue dankbetuiging kunnen aanbieden, die â beantwoordt aan hare weldaden,quot; Deze woorden van den geleerden en vromen kloosterling waren het, die mij den moed gaven, na zoovele anderen, ook nog dit werkje ter eere van Maria in het licht te geven.
Zekerlijk wij kunnen nooit genoeg doen ter eere
1) Dionys. Carth. De Laud. B. M. Lib. 1 Art. 2.
K
onzer verheven Moeder ; maar te doen wat ia ons vermogen is , dat reeds is eene voldoening voor een liefdevol hart. Te meer, dewijl Maria, zooals de H. Alphonsus (1) zegt, zelfs het minste, wat wij haar aanbieden , met welgevallen aanvaardt en honderdvoudig beloont. Eu is een feest-ruiker, bestemd voor eene koninsiu, wel ooit te rijk van bloemen voorzien ? Of moet niet aan een feestmaaltijd te barer eere, veeleer overvloed heerschen aan alles , dan het minste ontbiekeu .
Welnu , waarde Lezer , beschouw dan dit boekje als een nederig bloempje, gestoken in den feest-ruiker, bestemd voor Maria ; als eene nederige toes|iijs bij den heerlijken feestmaaltijd, die in deze maand te barer eere wordt aangerecht.
Daarenboven heeft eene ondervinding van vele jaren bewezen , dat de werkjes over Maria , die telken jare verschijnen, elkander geenszins at breuk doen, eu dat men, door die werkjes te vermenig-i vuldigen, de oudere niet in vergetelheid brengt;
J maat daardoor slechts de lezers vermenigvuldigt.
^ gt; Gelijk de slechte pers zoo verderfelijk is, omdat ^ hare vruchten talrijk zijn als de zandkorrels aan den oever der zee en binnen het beieik liggen van iedereen, daarom ook moeten., volgens de herhaalde verlangens van Z. H. Leo XIII , de voortbrengselen der godsdienstige pers vermenigvuldigd , en binnen het bereik van iedereen gebracht worden, om zoo den slechten invloed der
1) S. Alph. de Lig. Sup. Salve Regina. ---------^
y
eerste met goed gevolg te kunnen bestrijden en onschadelijk te maken.
Vervuld van eerbied jegens de verheven Moeder Gods, die tevens ons aller beminnelijke Moeder is , durf ik haar dit nederig werkje aanbieden , van hare goedheid verhopende, dat zij het wel zal willen aannemen als een bewijs van dankbaarheid voor de menigvuldige weldaden, die hare moederliefde mij heeft bewezen. Van u, god vruchtige Vereerders van Maria, durf ik een welwillend onthaal verwachten.
AVij hebben gemeend den vromen lezer een dienst te bewijzen met hem na iedere lezing een klein gebedje aan te bieden , getrokken uit een H. Kerkvader; Heiligen toch verstaan beter dan iemand de kunst van te bidden en de gevoelens huns harten in liefdevolle taal uit te storten. Twee vurige vereerders van Maria, wier werken nochtans gewonen lezers minder bekend zijn, hebben ons de stof daartoe geleverd , ni. de H.
â Ildefonsus , in de 7Je eeuw Bisschop van Toledo , in Spanje, en de H. Anselmus, in de ll(,e eeuw Aartsbisschop van Kantelberg in Engeland.
Achter elke lezing is ook een voorbeeld geplaatst, dat geschikt is om het vertrouwen, 5t welk de geloovigen in Maria stellen moeten, meer en meer aan te wakkeren. Dit is nu eenmaal de gewoonte van alle schrijvers eener Meimaand. Deze gewoonte heeft veel voor, en niets tegen, zich ; â waarom zouden dan ook wij ze niet volgen ?
y
VI
Overeenkomstig de Kerkelijke voorschriften , wordt echter aan deze voorbeelden niet meer gezag toegekend, dan dat der schrijvers, die ze verbalen. Dewijl echter deze schrijvers mannen zijn van erkende geleerdheid en godsvrucht, is dit gezag zeker niet gering.
Dengenen, die geneigd zijn vele voorbeelden en mirakelen in twijfel te trekken, ecnig en alleen omdat ze wonderbaar zijn, meenen wij de woorden te mogen toestieren, waarmede de H. Alphonsus in zijne onovertroffen (misschien onovertreffelijke) Heerlijkheden van Maria eene reeks van voorbeelden en wonderen inleidt : â 't Zou zeker on-â voorzichtig zijn alle wonderen te gelooven , die â in boeken verhaald worden ; maar feiten ver-â werpen , die ons door geloofwaaidige personen â worden medegedeeld , is gewaagd en onbillijk. m Wij gelooven wel heidensche schrijvers als Sue-â tonius en Tacitus ; waarom niet eveneens geloof â geschonken aan Christen schrijvers, die uitmunten â door geleerdheid, oordeel en godsvrucht ? Een-â voudig aannemen , wat ons door geleerde , ver-â trouwbare mannen wordt medegedeeld, heeft â veel minder bezwaren, dan het met minachting, â zonder grond en zonder onderzoek te verwerpen.quot;
Moge nu de H. Maagd in ruime mate haren zegen schcnkeu aan de geringe pogiugen , aangewend om haren eeredienst te bevorderen ; moge dit kleine zaadje, door eene dienstwillige hand uil gestrooid, overvloedige vruchten van deugd.
T
vii
voortbreiigen tot glorie van haar, die wel verre boven onzen lof verheven is, maar die toch vuriglijk verlangt ook dooi ous geprezen te worden , en van welke de H. Kerk zegt: â Omni lande dignissima, Zij is allen lof overwaard!g.quot;
De Bewerker.
Voorrede yoor de 4de uitgave.
Een woord van dank aan God en aan Maria voor den zegen, ovar onzen nederigen arbeid uitgestort, en een woerd van welverdiende hulde aan het Nederlandsch godvruchtig publiek voor de belangstelling in alles wat Maria vereert, ziedaar wat deze nieuwe uitgave moge inleiden. Dat reeds het eerste jaar na zijn verschijnen een herdruk van dit boekje noodig zou zijn , terwijl nu reeds de 4(,e druk mag worden aangeboden, wij had-- den het ons niet durven voorstellen. Om nog -meer aan allen van dienst te zijn , is deze uitgaaf vermeerderd met eenige godvruchtige gebeden en oefeningen ter eere van Maria.
Tilburg, Maart 1895.
A IN MA. UIA OSBEVLEKT.
Allerkuischte Moedermaagd,
Rein ontvangen, zonder zonden. Eeuwig hebt gij God behaagd , En gena bij Hem gevonden.
Allerschoonste Hemelpoort,
Vreugd der Englen , Hoop der aarde,
Lelie , die Gods oog bekoort. En ons Jesus Christus baarde ;
Schoonste Spruit van Jesses stam , Balsem voor des harten wonden , Moeder van het God'lijk Lam , Dal zich gaf voor onze zonden ;
Duifje , door uw onschuld schoon gt; Rijk bekleed met Gods genade;
Ondoordringbaar hechte Woon, Zonde of hel deed u nooit schade 1
Lieflijk is hel maagdlijk Mcht, Dat gij uitstraalt, schoone Sterre , Die onz' wankle schreden richt En het einddoel wijst van verre;
Trek ons door uw balsemgeur Op de paden uwer deugden 1
O , ontsluit ons 's hemels deur En den schat der eeuwge vreugden t
OE VOORRECHTEN EN DEUGDEN
van de
ALLERH. MAAGD EN MOEDER GODS MARiA.,
Vooravond m den rten Mei.
(Her de Tiering' tier Meimaand.
'at juist de Meimaand aan Maria 'is gewijd, daartoe hebben verschillende oorzaken medegewerkt. Sommige schrijvers noemen den H. Phi-lippus Nerius als den insteller dier godsvrucht. Zooveel is zeker, dat deze Heilige, beducht zijnde voor de vele gevaren,.
AAN MARIA ONBEVLEKT.
Allerkuischte Moedermaagd ,
Rein untyaiigen , londer zonden , Eeuwig hebt gij God behaagd , En genu bij Hem gevonden.
Allerschoonste Hemelpoort,
Vreugd der Bnglen , Hoop der aarde,
Lelie, die Gods oog bekoort, En ons Jesus Christus baarde ;
Schoonste Spruit van Jesses stam , Balsem voor des harten wonden , Moeder van het God'lijk Lam , Dat zich gat voor onze zouden ;
Duifje , door uw onschuld schoon » Rijk bekleed met Gods genade;
Ondoordringbaar hechte Woon, Zonde of hel deed u nooit schade!
Lieflijk is het maagdlijk licht, Dat gij uitstraalt, schoone Sterre, Die onz' wankle schreden richt En het einddoel wijst van verre;
Trek ons door uw balsemgeur Op de paden uwer deugden 1
O , ontsluit ons 's hemels deur En den schat der eeuwge vreugden 1
DE VOORRECHTEN EN DEUGDEN
VAN DE
ALLERH. MAAGD EN MOEDER GODS MARiA..
VoomoM ïan den lsten Mei.
Over de Viering der Heimaand.
[at juist de Meimaand aan Maria ^is gewijd, daartoe hebben verschillende oorzaken medegewerkt. Sommige schrijvers noemen den H. Phi-lippus Nerius als den insteller dier godsvrucht. Zooveel is zeker, dat deze Heilige, beducht zijnde voor de vele gevaren,.
10 VOORAVOND.
waaraan de jongelingschap van Rome in dezen tijd van het jaar was blootgesteld, het besluit vormde en uitvoerde, Rome's jongelingen door godvruchtige oefeningen ter eere van Maria, daarvan af te houden. Te dien einde vereenigde hij ze in de Meimaand dagelijks rondom zich. Na zijn dood volgden de Paters van het Oratoria -te Rome het voorbeeld van hun heiligen Stichter, totdat men, een weinig na het midden der achttiende eeuw, de Meimaand ter eere van Maria ook begon te vieren in het Romeinsch college, bestuurd door de Palers der Sociëteit van Jesus. Dewijl deze Orde over de gansche wereld hare huizen telde, was ook weldra de viering der Meimaand in ruimeren kling verspreid en werd zij bekend in alle streken van Europa, 'tScheen, dat de Goddelijke Goedheid en Maria's liefde daardoor aan de wereld als 't ware een behoedmiddel hadden willen geven tegen de rampen, die de maatschappij bedreigden. Want nauwelijks was deze godsvrucht vrij algemeen, of daar barstte de groote Fransche revolutie uit, met haar
_________
VOOKAVOND. 11
droevigen nasleep van ong-eloof en zedenbederf (1).
Z. H. Pius VII kwam na vele jaren van ballingschap in Mei 1814 te Rome terug en nam weer bezit van zijn troon. Wat al rampen en ellenden zag hij van op dien hoogen zetel! Hoe zuchtte Eu-ropa onder de gevolgen van Napoleons oorlogen! Hoe was de godsvrucht verminderd en het geloof verzsvakt! Z. H. meende het geneesmiddel te vinden , â en Gods Geest lichtte hem hierin voor, â in de godsvrucht tol Maria. De geheele Christenwereld wekte hij op, om de Meimaand aan Maria toe te wijden, en iederen dag aan haar, die de Hulp der Christenen is, bijzondere blijken van vereering te geven. En om de geloovigen daartoe aan te] moedigen, opende Z. H. de schatten der H. Kerk en verleende aan allen, die gedurende deze maand door gebed of goede werken Maria vereerden, een aflaat van ;i00 dagen voor iederen dag der maand, en een vollen aflaat, onder de
1) Vgl. â de Maandrozenquot; Mei 1886 en de â Bode van het H. Hartquot; Mei 1890.
______Of.___«4^
12 VOOEAVOND.
gewone voorwaarden, te verdienen op een dag naar verkiezing.
Is het wonder, dat bij zulke aanmoediging , de geheele Christenwereld deze godsvrucht met geestdrift aannam en er thans geen land , geen stad , geen dorp meer gevonden wordt, waar de Meimaand niet aan Maria's vereering is toegewijd?
Zoo de eer der H. Maagd ook ons ter harte gaat, dan mag niemand onzer zich bij die algemeene verheerlijking onbetuigd laten. Wij zouden wenschen, dat Maria's Moederlijk oog zich gewaardigde een liefdevollen blik op ons te slaan ; welnu , vereenigen wij ons met de geheele Christenwereld en geven wij haar in deze maand bijzondere blijken van eerbied en liefde. En zou Maria wel iets anders van ons verwachten ? Is zij niet onze Moeder ? Hoe zou zij het dan opnemen, als wij , die hare kinderen zijn, ontbraken bij die algemeene feestvreugde? Wat zou haar moederlijk oog ons met droefheid zoeken, als wij ook slechts één dag nalieten voor haar genadetroon te verschijnen! Wie haar groet, zal van die minnelijke Moe-
VOORAVOND 13
der een ledengroei ontvangen. Waarin zal die beslaan? In een rijken zegen van liemelsche gunsten en genaden ! Zijl gij in moeilijkheden, zij zal u helpen; wordt gij door lijden terneergedrukt, haar blik zal u opbeuren en troosten; kwellen u de bekoringen, zij zal u sterken ; vindt gij het juk van 's Heeren dienst soms zwaar, zij zal het u licht maken , en weet het wel, dat haar hart. in deze dagen altijd meer genegen is tot verhooring uwer bijzondere gebeden, omdat zij in deze dagen zoo rt/f/eween ge-eerd wordt. Konden wij het eens zien. wat gezegende vruchten de viering der Meimaand steeds heeft voortgebracht in de huisgezinnen, hoe rijke schatten van ^ genaden zij bezorgde aan geestelijke ge- ^ stichten en parochiën, onze ijver zou verdubbelen !
Kies u dan onder de volgende besluipen er een of meer uit, en tracht die met alle zorg te volbrengen :
1» Ter eere van Maria geduvende de maand Mei dubbel gelrouw te zijn in het volbrengen der
--^---
14 VOORAVOND.
dagelij ksche plichten en in het vluchten van alle zouden.
2° Bij het ontwaken den dag aan God en aan de H. Maagd toe te wijden.
3° Eeu beeld te versieren der H. Maagd en Moeder Gods.
4° Dagelijks, zoo mogelijk, de H. Mis en het Lof ter eere van Maria bij te wonen.
5° Op vooruit te bepalen uur, dagelijks eenig gebed ter eere van Maria te bidden tot verkrijging van een of andere bijzondere gunst.
6° Eenig goed werk te harer eer te verrichten.
7° 's Avonds het Rozenhoedje godvruchtig te bidden.
8° Bij het slapen gaan zich aan de liefderijke zorgen van Maria aan te bevelen.
VOORBEELD (1).
Een vroom kloosterling, met name Nicolaas Pratensis, had van Paus Sixtus IV verlof bekomen , om in zijn klooster een zeker feest ter eere van Maria, dat toen nog niet algemeen was ingevoerd, te mogen vieren. Verheugd over den goeden uitslag zijner pogingen, snelt hij naai den kloostertuin, plukt daar eene der schoonste rozen, die hij vinden kan , en spoedt zich daarmede naar de kerk. Voor het beeld van Maria gekomen spreekt hij met kinderlijken eenvoud ; â O, mijne
1) Carp. Solaris , de Cultu Sanctorum.
VOORAVOND. 15-
goede Moeder, als het u aaagenaain is, dat deze feestdag in onze Orde gevierd wordt, och, geef dan , dat deze roos, die ik u thans aanbied, frisch en geurig blijve een geheel jaar lang.quot; Wat gebeulde ? Een geheel jaar lang zag ieder, die de kerk bezocht, een frissche, geurige roos voor Maria's beeltenis liggen , en bedankte die goede Moeder, welke zoo door een zichtbaar wonder te kennen gaf, hoe aangenaam haar de liefdevolle ijver van haar dienaar geweest was.
Vereerders van Maria, legt ook gij de viering dezer Meimaand als eene frissche roos aan Maria's voeten en geheel het jaar door zal uw gedrag doortrokken blijven met de geuren der deugd.
GEBED,
(H. Ildefonsus, F//de eeuw, in zijn boek over de Kroon der Maagd. Iloofdst. 1.)
o Maagd en Koningin, gij verschijnt ons in 't hoogste der Hemelen als bekleed met de zon en gekroond met twaalf sterren ; gij zijt vol van goedheid en barmhartiger dan eenig schepsel, uw aanblik is zachter dan die van de sterre der zee; o zie, met welke pijlen de vijand mijner ziel mij doorboort ; zie , welke smarten mij kwellen , welke bekoringen mij bestormen 1 Laat niet toe, dat de duivel mij in zijne woede verwinne en mij aan zijne wet onderwerpe ; maar dat uw arm hem neervelle en de hel hem verslinde. Zend op mij
i?____Ã
16
VOORAVOND.
de stralen van uw licht , dat mij verlichte in 't uur van mijn sterven. Als de wreede , onverbiddelijke dood mijn lichaam zal doen vallenen de gedachte aan mijne zonden mij van vrees zal doen beven , sta mij dan bij door uwe tegenwoordigheid , en verdedig mij tegen de aanvallen der vijanden. Verkrijg mij, o Maria, dat ik sterve met de hoop op de verrijzenis en de volle ^ zekerheid, de eeuwige glorie te zullen verwerven. Amen.
(H. Anselmus, Psalterke van 0. L. Vrouw.) Gegroet, o Maagd , onze Voorspreekster ! Gegroet, o Bevrijdster der gevangenen I Heilig Sion, door u is de Emmanuël Verlosser geworden van 'i uitverkoren volk. Wees gegroet 1
K-
gt;c
Eerste Dag.
Maria's Onbevlekte Ontrangenis.
Tota pulchra es , Maria.
Gehesl schoon zijt gij , o Maria.
(Lojz. der Kerk.)
iAN geen vereerder van Maria is ' het onbekend , hoe in het jaar 1858, op eene rots van Lourdes de Allerh. Maagd Maria verscheen aan een arm kind van 14. jaar. De H. Maagd was in hagelwit gewaad, bad den rozenkrans en noemde zich; de Onbevlekte Ontvangenis. Van dien tijd af werd Lourdes met zijne bron, welke Maria deed ontspringen, een toevluchtsoord voor allen, die kwalen hadden naar ziel of lichaam; tot aan het uiteinde der
18 EERSTE DAB.
wereld werd de naam dier genaderijke bron genoemd en Maria bedankt voor de weldaden, bekomen door hare Onbevlekte Ontvangenis. Welk doel had Maria, met, op zoo buitengewone wijze, zelve hare Onbevlekte Ontvangenis aan de wereld te verkondigen ? De H. Maagd liet ons daaromtrent in het onzekere; maar mogen -wij niet met grond veronderstellen , dat zij er een tweevoudig doel mede had ? Vooreerst, om ons geloof te bevestigen; want nog slechts weinige jaren waren voorbij , sinds Pius IX z. g. hare Onbevlekte Ontvangenis tot leerstuk der Kerk verheven had; en ten andere, om aan de vereering dier Onbevlekte Ontvangenis eene nieuwe uitbreiding te geven en haar meer en meer onder de geloovige Chris- t-.,, tenen te verspreiden.
Inderdaad, waren en zijn die duizenden gunsten niet als eene uitnoodiging van Maria , die zegt: « Komt, mijne »kinderen, vereert mijne Onbevlekte »Ontvangenis, en gelijk de bron van » Lourdes niet zal ophouden u we licha-» men te genezen , zoo zal die vereering
5â¬
EÃRSIE DAG.
» eene bron voor u zijn van duizenden » gunsten naar de ziel ?quot;
En welke zijn die gunsten en weldaden ? Al had God aan de vereering van dat geheim geen andere gunst verbonden , dan deze, van ons eene groote i achting in te boezemen voor de onschuld | en reinheid van ziel en lichaam, waarlijk , wij zouden Hem dankbaar moeten zijn. God wilde tot Moeder geen ander schepsel, dan eene reine Maagd, die nooit, zelfs niet één oogenhlik, onder de macht van den duivel geweest was; geen andere, dan die altijd geschitterd had in al den glans , die de heiligma-kende genade aan de ziel mededeelt. Zoo groot is Gods afschuw voor het onreine der zonde , zoo groot zijne liefde i voor de reinheid en voor eene ziel , in welke Hij die reinheid vindt. En hier nu is vooral de les van Onzen Heer Jesus Christus van toepassing : « Weest » volmaakt gelijk uw Hemelsche Vader »volmaakt is.quot; Als Gods liefde voor de onbevlekte Zuiverheid zoo groot is, welke moet dan niet onze liefde voor de
19
20 EEBSTE DAG.
zuiverheid van ziel wezen ? Als God de heiligmakende genade zoo hoog schat, op welken prijs moeten wij dan die gave onzer ziel niet stellen ? Heb dank, o God, voor de les, die Gij ons aldus in Maria's Onbevlekte Ontvangenis gegeven hebt!
Eene tweede weldaad is , dat Maria , 1 als «de Onbevlektequot; aangeroepen, op eene krachtdadige wijze hare kinderen bijstaat in de bekoringen tot onzuiverheid. De mensch is tot het kwaad geneigd van zijne prille jeugd af; het men-schelijk leven is een strijd, die dikwijls met de jaren toeneemt; ons is een prikkel gegeven des vleesches, en de duivel geeft aan ons, gelijk aan den H. Paulus vuistslagen; maar Maria is in dien strijd ons ondoordringbaar schild. Waarom ? Omdat zij in hare Onbevlekte Ontvangenis den duivel heeft overwonnen. Haar kon geen hel of duivel ooit zijn eigendom noemen. Nooit konden zij haar met het minste vergif der zonde besmetten ; maar daarom zoekt de duivel aan de kinderen te doen, wat hij op de Moeder niet ver-
_____________________
EERSTE DAG. 21
mocht. Doch wees gerust; ook nu nog wil Maria toonen, dat zij over de onreine geesten weet te zegepralen en dat ook nu nog haar maagdelijke voet den kop van 't helsch serpent weet te verpletteren. Daarom beval de Eerbiedwaardige Clemens Maria flofl'bauer het volgend kort ; gebedje ten zeerste aan in bekoringen: « Heilige Maria, door uwe Onbevlekte » Ontvangenis zuiver mijn lichaam, mijn » hart en mijne ziel.quot;
Wie zou haar dan niet vereeren, die reine Maagd, die Onbevlekt Ontvangene ? O, of zij allen eens luide spraken , die Maria's hulp in bekoringen ondervonden, hoe vele en hoe schoone getuigenissen zouden wij hooren ! Ja, ware de duivel eens gedwongen, openlijk te bekennen, hoeveel duizenden malen hij moest vluchten, zoo dikwijls Maria's onbevlekte reinheid aangeroepen werd tegen zijne eigene onreinheid, wat machtige aansporing zou dat voor ons zijn, om ons vertrouwen te stellen op haar, die schoon en glanzend is als de zilveren maan aan den helderen hemel!
quot;'ït
--------------ffc---^
22 EERSTE DAG.
Hoe lieflijk is die onbevlekte reinheid ! O. H. Jesus Christus wordt dikwijls genoemd de tweede Adam, omdat, gelijk de eerste Adam aan het menschelijk geslacht het lichamelijk leven gaf, zoo ook Christus ons het leven der genade gegeven heeft en alzoo herstelde, wat de eerste Adam bedorven had. Maria noemt men ^ dan de tweede Eva, omdat zij de oorzaak was van het leven onzer ziel, gelijk de eerste Eva het was van dezer dood. Met recht dus is Jesus Christus de tweede Adam, Maria de tweede Eva. Doch bemerk wel, wat van de eerste Eva in de H. Schrift gezegd wordt, dat zij namelijk eene hulpe was « aan Adam gelijk Zal dus de tweede Eva niet in alles op den tweeden Adam gelijken? Zeker, ^ op duizenderlei manieren gelijkt Maria op Jesus, en nooit had Hij een volmaakter afbeeldsel op aarde; maar wie kan nu de gedachte verdragen, dat zij, die in alles op Jesus geleek , niet op Hem zou gelijken wat zijne onbevlekte Zuiverheid
1) Genes. II. 8.
KEKSTE DAG.
betreft? Op Jesus Christus haddeti de geesten der onreinheid nooit eenige macht, â en zouden zij ooit toegang gehad hebben tot Maria?
Neen, neen, H. Moeder, gij hebt zelfs de maan onder uwe voeten , om aan te duiden, dat haar licht, 'twelk dient om l onze duisternissen te verdrijven, bij u vergeleken nog duister is en een voetbank wordt voor uwe voeten! Gij zijt, zooals de H. Kerk zegt, blank als de sneeuw, een duive wonderschoon, een toren, waartoe de helsche draak nooit toegang vond; in één woord , gij zijt die geheel schoone, tota pulchra, die de H. Geest reeds eeuwen voor uwe komst begroette â en in profetische gezangen deed prijzen !
Voornemens.
1° Des Zaterdags vooral wil ik door een of andere oefening van deugd of een klein gebedje Maria's Onbevlekte Ontvangenis vereeren, en, zoo mogelijk , vasten.
2° In bekoringen tegen de H. Deugd de H. Maagd niet vertrouwen aanroepen als de Onbevlekt Ontvangene.
33
____E........
24 EERSTE DAG.
*1
VOORBEELD (1).
De H. Anselmus verhaalt ons, dat er in de dagen der Noormannen en Denen, in Engeland een abt was , met name Heisin. Deze was door zijn koning belast met eene netelige onderhandeling in Denemarken. Hij was een groot vereerder van de H. Maagd, zijne Moeder. Op zijne terugreis van Denemarken naar Engeland vergezelde hem de geheele Deensche vloot. Daar stak eensklaps een vreeselijke storm op. Zandbanken rezen op voor de oogen van 't scheepsvolk; en wanhopige kreten vervulden de lucht. Maar zie, op eens zien zij dicht bij 't schip een persoon, als Bisschop gekleed. Hij roept Heisin bij zijn naam : â Heisin, sta op en kom naar mij luisteren 1quot; Iedereen vraagt zich af : wie mag die persoon zijn ? Heisin staat op en de onbekende, denkelijk een Engel, zegt hem: â Als gij aan den dood wilt ontkomen, en uw vaderland en uw klooster terugzien, beloof dan aan de H. Maagd , dat gij het feest harer Onbevlekte Ontvangenis getrouwelijk zult vieren; beloof ook, dat gij aan zoo velen als gij kunt, zult leeren dien grooten dag plechtig te heiligen.quot; De abt Heisin , die zeer voorzichtig was , antwoordde dadelijk : â Hoe moet ik zulks doen, daar ik zelfs in het geheel niet weet op welken dag het geschieden moet.quot; De gezant van God antwoordde : â De zesde der Iden van Decern-
1) S. Anselm. Miraculum de Concept. B. M. V.
Xt .....
EERSTE DAG.
ber (d. i. 8 Dec.) is de gedenkwaardige dog der Ontvangenis van Maria en ik raad u aan, dien dag te vieren en te doen vieren !quot;
De abt Helsin dankte God en verbond zich door belofte, uit te voeren wat hem van zijnentwege was opgelegd. Pas had hij die belofte gedaan , of de kracht van den storm was gebroken en de kalmte keerde terug. Een gunstige wind deed hem spoedig landen op de kusten van Engeland. Helsin stelde op den 88ten December dat feest in en noodigde vele geloovigen uit, dien dag godvruchtig door te brengen. âDat onze Heer Jesus âChristus,quot; zoo beslu t de H. Anselmus , âden â vrede en een lang leven schenke aan allen, die â godvruchtig dit mysterie zullen vereeren ! En â dat Hij hun na den dood de eeuwige rust ver-â leene!quot;
GEBED.
(77. Ildefonsus, Cap. III.)
o H. Maagd, zend mij van boven het licht uwer barmhartigheden, opdat mijne besmeurde ziel gezuiverd worde door uwe genade; dat zij schittere door uwen glans ; dat zij verzacht worde door uwe teederheid; dat uwe liefde haar doe branden en dat uwe bescherming haar dekke. Dat uw maagdelijk Moederschap mij voor alle gevaar en alle zoude behoede 1 o Mijne Meesteres , ik wil u eeren ; o mijne zoetheid , ik zal u beminnen; o mijne Koningin, ik zal u eer-
25
4
------- -------^..........
26 EERSTE DAG.
biedigeu; o mijne Bruid , ik zal u getrouw zijn ! Maar verlicht mij , opdat ik de waarheid zie te midden der duisternissen ; opdat ik, omringd van ijdelheden, het leven vinde en den dood ontkome. Gij zijt vervuld van alle genaden; maak van mijn hart een goddelijken tempel; vervul het met uwe heilige liefde, opdat het naar u verlange, u zoeke, u vinde, u beziUe , u voor altijd be-houde en vreedzaam in u ruste. Amen.
(II. Anselmus.J
Gegroet, o Heilige Stad, waarin de Mensch-geworden God gewoond heeft 1 o Maagd, op welke al wie den naam des Heeren kent, vertrouwt. 'Wees gegroet!
Tweede Dag.
Wij moeten de H. Maagd eeren om hare Terheven Heiligheid.
Tu supergressa es umiversas. Gij overtreft allen.
Prov. XXXI, 29.
de al wijze en algoede zijne H. Kerk iemand
rANNEER
jGod in
'roept tot eene verhevene bediening, dan is Hij gewoon te gelijk al die genaden te geven, welke zoo iemand noodig heeft, om de plichten dier bediening getrouwelijk te kunuen vervullen. Zoo zijn de verplichtingen groot en zwaar, die rusten op de schouderen eens priesters , zwaar de plichten eens Bisschops, van welke de H. Ilieronymus zegt, dat zij voor Engelenschouders zell's te duchten zijn; en boven alles zwaar is de last,
4
w
________
TWEEDE DAG.
die drukt op de schouderen van hem , die van eenvoudig sterveling, verheven wordt tot de waardigheid van stedehouder van Christus op aarde. Wie zal zulke verheven bedieningen kunnen vervullen ? Hij, en hij alleen, aan wien God de genade daartoe geeft. Misschien is het ons wel ooit in de gedachte gekomen : : « Hoe zou ik bestand zijn, gelijk de HH. Martelaren , tegen vervolging en lijden ? De gedachte daaraan doet mij reeds beven!quot; Doch vergeten wij het niet, dat wij op het juiste oogenblik, als God ons riep tot den verheven staat van martelaren , ook de genade zouden ontvangen , om geen vervolging te vreezen, terwijl wij nu die genade nog missen, omdat wij ze nu niet noodig hebben, 't Is de leer van den grooten H. Thomas, die zegt1): «Aan een ieder wordt de » gratie geschonken , volgens den staat, » waartoe hij wordt uitgekozen.quot; Welk gevolg trekt die H. Leeraar daaruit? Dit; Dan moet ook de H. Maagd Maria
1) Parte III. Q. XXVII, a. B.
-y
TWEEDE DAG.
van God al die genaden ontvangen hebben , die Tiaar geschikt maakten om Moeder Gods te zijn'). Voorwaar, geen geringe mate van genade en heiligheid! Want, zegt de H. Alphonsus, de waardigheid van Moeder Gods is de maatstaf, volgens welken wij de heiligheid van Maria kunnen afmeten1). En gaat niet die waardigheid het begrip van Engelen en menschen te boven?
't Verwondere ons daarom niet, de godgeleerden en HH. Vaders de krachtigste uitdrukkingen te hooren gebruiken , om aan te toonen , hoe groot Maria's heiligheid was. De H. Alphonsus zegt, â en vóór hem had het de groote godgeleerde Suarez reeds gezegd, â dat het zeer waarschijnlijk is, dat Maria van het eerste oogenblik van haar bestaan grootere genaden van deugd en heiligheid ontving, dan alle Engelen en Heiligen te zamen2). Vele godgeleerden houden het voor zeker, dat elke genade,
lx
5?'
1
Ibid.
2
S. Alph. ibid.
30 TWEEDE DAG.
die ooit aan eenig schepsel gegeven is , ook aan Maria is geschonken, 't Was alsof de Hemelsche Vader zijn onmete-lijken schat van genaden in tweeën splitste; de eene helft verdeelde Hij onder duizenden en raillioenen Heiligen ;
I T .. i
maar het andere gedeelte schonk Hij onverdeeld aan zijne beminde Dochter, de Moeder zijns eenigen Zoons. Wie zal dan in staat zijn die genaden , die heiligheid te beschrijven ? Als wij ons de heiligheid van een H. Joannes Bap-tista verbeelden, de grootmoedigheid van een H. Paulus, de nederigheid en naastenliefde van een H. Vincentius, de zuiverheid van een H. Aloysius, de verheven beschouwingen van een H. Teresia , och , 't zijn slechts kleine deeltjes van hetgeen Maria aan deugden bezat, 't Is de uitdrukkelijke leer van den H. Thomas').
Welsprekend zijn de woorden, waarmede de H. Bonaventura zijn gevoelen uitdrukt: « De H. Maagd wordt eene zee ygt; genoemd. Waarom ? Om den over-1) Opusc. 8.
. _il2i 31
______JL .
TWEEDE DAG.
»vloed van genaden , die in haar zijn » samengevloeid.... Staat er niet ge-» schreven : alle stroomen loopen uit in » de zee 1 (Eccl. I.) Zoo zijn alle genade-» gaven der Heiligen tot Maria gestroomd.
» Zegt ons , gij Engelen , Patriarchen , » Profeten , Apostelen , Belijders , Maag-⢠» den , waar vinden wij uwe genaden ? â¢' » In Maria. Geen wonder ! Uit haar is » Hij gevloeid, die de bron is aller ge-» nadennl. Onze Heer Jesus Christus, de Zoon van Maria naar den Vleesche.
't Is onder de godgeleerden , met den H. Thomas en den H. Alphonsus aan het hoofd, een algemeen aangenomen gevoelen, dat, wanneer iemand in staat van genade een goed werk verricht met al de vurigheid, die overeenkomt met p. de genade, die hij reeds bezit, dat dan telkens de schat zijner genaden en ver- I diensten verdubbelt. Pas dat eens toe ! op het leven van Maria, en wie zal zich dan hare heiligheid en genade kunnen i verbeelden? Zij is als die hoogebergen,
wier voet men zien kan, maar wier
1) S. Bonav. In Spec. cap. III.
Bibl^'iïök amp; MINDHtes WEERT.
32 TWEEDE DAG.
kruin zich in de wolken verliest en onzichtbaar is.
« Nooit,quot; zegt de H. Alphonsus, «nooit » liet zij eene enkele genade ongebruikt; »zij verrichtte geen enkele handeling, » die niet verdienstelijk was; nooit kwam » haar een woord over de lippen , nooit » doorkruiste eene gedachte haren geest, »nooit ontsnapte aan hare borst een » ademtocht, die niet Gods meerdere eer » en glorie ten doel hadden. Nooit ver-» flauwde zij in ijver, nooit vertraagde » zij haren gang tot God , nooit verloor » zij iets door eenige traagheid , zoodat »zij aan de genade beantwoordde met » al hare krachten en God beminde zoo » veel, zoo vurig , zoo volmaakt als het »in hare macht was').quot;
Zoo spraken eenmaal Heiligen, die nog op aarde leefden. Wilt gij ook eene stem uit den Hemel hooren? Luister dan naar die verheven samenspraak, die er eenmaal plaats had tusschen Maria en den Engel Gabriêl. De eerste woorden , die uwe ooren treffen , zijn:
1) Sem. de Assumpt.
TWEEDE DAG.
« Wees gegroet, gij, vol van genade*).quot; Bedenk hierbij, dat de Engel deze woorden niet pprak uit zicli zeiven; maar gelijk een getrouws afgezant geen andere woorden spreekt, dan die hem door zijn vorst in den mond zijn gelegd, zoo sprak ook' de Engel hier de woorden Gods; God zelf noemde hier door den mond -F des Engels Maria vol van genade. Wij zien dit bevestigd in de H. Schrift; want naderhand zegt de H. Vrouw Elizabeth tot Maria : « Zalig zijt gij.quot; Waarom ? « Omdat gij geloofd hebt de dingen, die »u van ivege den Heer gezegd zijn.quot; En Elizabeth was op dat oogenblik vervuld met den H. Geest. Vol dus van genade is Maria, als eene vaas, die tot aan hare boorden gevuld is met het helderste water. Nochtans is die genade niet oneindig, (want wat of wie is oneindig behalve God en God alleen?) maar, zegt de H. Thomas2), clt; daarom wordt Maria » vol van genade genoemd, omdat zij al » de genaden ontvangen had, die beant-
]) Luc. I.
33
2) Part. III. Q. VII. Art. 10, ad. 5.
â¢fvJ
---^ __
TWEEDE DAG.
» woordden aan de waardigheid, waartoe »God haar had uitg-ekozen.quot; Zouden dan mensehelijke woorden in staat zijn Maria's heiligheid naar waarde te beschrijven ?
quot;Voornemens.
1° In het âWees gegroetquot; met bijzondere aandacht en eerbied de woorden uitspreken : âVol van gratie.quot;
2° De heiligheid van Maria vereeren, door ze in ons gedrag te doen uitschijnen, d. i. de minste zonde vermijden en hare deugden navolgen.
VOORBEELD (1).
In het leven van den H. Josephus van Cupertino , den grooten wonderdoener van zijn tijd, lezen wij vele trekken van kinderlijk eenvoudige liefde tot Maria. Uit vele zij er een gekozen , welke te vinden is in de â Acta Sanctolâ¢um', der f Bollandisten.
In den omtrek van het klooster, waar hij leefde , bevonden zich talrijke herders net hunne kudden. Dikwijls verzamelde hij die herders voor een beeld van Maria, verkondigde daar in liefdevolle taal hare beminnelijkheid en deed hen dan te harer eer vrome liederen zingen , waarvan de bergen de echo's herhaalden. Maar eens weiger-
1) In vita S. Joseph, a Cup. 18 Sept. tom. 45.
34
TWEEDE DAG. 35
den allen te komen. Dat bedroefde Josephus grootelijks. Maar wa: deed hij ? In naam van Maria riep hij al hunne schaapjes tot zich en ziet, al huppelend gehoorzaamden zij hem; en hoe ook de herders zich verzetten en toornig werden , de schaapjes snelden naar Josephus, die hen naar zijn Maria-beeld geleidde en ze daar ordelijk rangschikte. Hij knielde neder en opende den mond tot een liefdevol gezang, 't Was de Litanie van Loretto, die hij aanhief. âSancta Maria, Heilige Maria zoo zong hij en , â o wonder! â wat de menschen weigerden, dat deden de redelooze dieien: de schapen en lammeren verhieven hunne stemmen en met een vroolijk geblaat gaven zij te kennen, dat ook zij naar hun best vermogen Maria wilden vereeren. En telkens als Josephus eene aanroeping deed tot Maria, hernieuwden de schaapjes hun geblaat, dat als een ongekunsteld loflied opsteeg tot voor Maria's troon. Eindelijk stond de Heilige op , gaf met een blij en van vreugde stralend gelaat aan al de schaapjes zijn zegen en zond heu terug naar hunne herders in de vallei; aan welk bevel zij vroolijk huppelend voldeden.
GEBED.
(II. lldffonsus t. a. y.)
Kom mij te hulp, o Maria, hemelsch licht mijner ziel, Zachtheid, die mij versterkt, Sterkte, die mij onderstcuut, kom mij te hulp. Ver-
TWEEDE DAG.
3G
wijder van mij alle zondige woorden, iedere slechte gedachte, alle verkeerde handeling. Uwe genade geleide mij heel mijn leven ; uwe tegenwoordigheid verlichte mijn verstand ; uwe barmhartigheid voere mij ten eeuwigen leven. Gij zijt waarlijk de rechte weg, die ter glorie geleidt, o Moeder, o Voetpad, waarlangs men de hoogte des Hemels bestijgt, gij vormt daarboven die vergadering van heilige en nederige zielen. O Zoete Honigraat, o Bloem der aarde, Koningin dezer wereld , Band en Keten van liefde, gij zuivert ons van onze zonden, o Maagdelijke waardigheid, versierd met vlekkelooze leliën 1 O Vruchtbare maagdelijkheid , gezeten in quot;t hoogste der Hemelen I Koningin der Engelen , heilzaam geneesmiddel, bloem der dalen, toonbeeld der deugden, levende troon van Jesus Christus , geleid mij na dit ballingschap tot de glorie der Heiligen , mij, die in ootmoed uwe hulp afsmeek. Amen.
fll. Anselmus t. a. p.J
Gegroet, o Goddelijke Tabernakel, dien de â Allerhoogste door Jesus Christus geheiligd heeft. Straal van het eeuwig Licht, Heilmiddel voor den zondaar , wees gegroet.
Derde Dag.
Hoezeer wij Maria moeten Tereeren om hare verheven waardigheid van Moeder Gods.
Elevata est magnificentia tua
super coe]os.
XJwe heerlijkheid is verheven boven de Hemelen.
4*
Ps. VIII. 2.
I
Be
ls wij al hetgene de HH. Vaders verhevens en schoons aangaande Maria's waardigheid gezegd hebben eens bij elkander konden zien, wat zou dat een heerlijke lofzang ter eere van Maria zijn ! Gelijk op een zon-nigen lentemorgen de vogelen des hemels hun Schepper prijzen en elkander in schoonheid van klanken trachten te
quot;J*»
-----------^
88 DEKUE DAG.
i overtreflen, zoo is het , alsof ook die heilige en geleerde mannen onderling een wedslrijd hadden aangegaan, wie i hunner het goddelijk Moederschap van j Maria in de heerlijkste woorden zou prijzen. Hoor den H, Cyprianus, als tolk der geheele 3° eeuw, waarin hij leefde : « Heer , hoe wonderbaar is uw ' » naam , zegt hij. Waarlijk , Gij alleen » doet wonderwerken. Niet zoozeer de » schepping der wereld verwondert mij ; » niet de loop van zon of maan, of de » afwisseling der jaargetijden of de over-» heerlijke plantengroei doen mijne ver-»wondering ten top stijgen; maar dit I »gaat mijn begrip te boven, dat God »rust in den kuischen schoot eener » Maagd ... ., mijn verstand staat stil . ygt; en met den grijzen profeet moet ik » zeggen : Ik heb uwe werken gezien en »groote vreeze heeft mij bevangen! » Jesus Christus, die was en is, van » alle eeuwigheid door den Vader voort-» gebracht, Hij , dien de Hemelen niet » kunnen bevatten , Hij , die alles met »zijne tegenwoordigheid vervult, Hij
39
-JSl.
-4*
â lx
DEKDE DAG.
» rust in den schoot van Maria, zijne » Moeder') !quot;
« 0 wonder boven alle wonderen, dat »eene Maagd Moeder is van God1)!quot; zegt de H. Ildefonsus, en de H. Basilius had vóór hem gezegd : clt; Nooit zal het » ophouden een wonderbaar geheim te » zijn , dat God , die voor alle eeuwen » geboren is, zijn eigen schepsel begroet : » met den naam van Moeder2).quot; Waarlijk , de H. Joannes Damascenus heeft niets te veel gezegd, toen hij, zijne verwondering niet meer meester , uitriep : : «o Wonder der wonderen! o Maria, : » gij zijt daardoor verheven boven al het » geschapene3)!quot; Ook de H. Sophronius kan geen woorden genoeg vinden, om die quot; waardigheid uit te drukken : « Wie zal » ondernemen , zegt hij, dat wonder »met waardige woorden te prijzen'? » Wie zal er in slagen alles van uwe
1
S. Ildef. IIT. de Virginilate B. M. V.
2
S. Cypr. Sermo. de Nativ.
3
S. Joes. Dam. Or. T de Nativ,
4______________--------4*.
40 DEKDE DAG.
» grootheid te zeggen? Gij zijt de Koren »der Engelen te boven gegaan! Gij »hebt den luister der Aartsengelen in »de schaduw gesteld, gij hebt de ver-» heven Tronen onder u gelaten; boven ))de Heerschappijen en Vorstendommen, » boven de Machten en Krachten, ja boven » de Serafijnen en al wat geschapen is,
»zijt gij verheven, omdat gij en gij »alleen onder de schepselen Moeder zijt » van God')!quot; Verbeeld u zoo mogelijk de verbazing der Engelen en Machten des Hemels, toen bun werd bekend gemaakt, dat Maria, eene nederige Maagd, was uitverkoren tot Moeder Gods. Zij treurden bij den val van Eva; maar nu juichten zij, omdat zij in Maria hersteld zagen, wat Eva misdaan had. Hoe zullen zij hunne blikken op Nazareths woning en Bethlehems stal hebben geslagen en elkander hunne verwondering hebben medegedeeld; want, zeggen de HH. Thomas2) en Augustinus3) : de verheven-
1) Hom. de Deiparee Annunc.
2) S. Thorn, parte I. Q. XII. Art. Vil.
3) S. Aug. Ep. 109.
^ ..... ^
4'______^-------
DERDE DAG. 41
n.
heid van Moeder Gods kan zelfs door de Engelen niet worden begrepen.
De H. Kerk stelt ons Maria voor, omringd door de dochteren van Sion, die haar bewonderen en allerzaligst prijzen. Maar Maria vraagt haar : Wat bewondert gij mij, o dochteren van Sion'? Wat gij in mij ziet en prijst is geen mensche-lijk werk, maar het werk van God, den Allerhoogste'); het is boven alle geschapen verstand verre verheven.
Doch als dat zoo is, dan moeten ook wij deelen in die verwondering; want wat zelfs voor een zuiver, onbeneveld Engelenversland onuitlegbaat' is, hoe zullen wij met ons verduisterd en kortzichtig verstand dat kunnen begrijpen?
Loven en verheerlijken wij dan Maria's waardigheid! Ja waarlijk, Maria verdient het, dat wij er haar geluk mede wen-schen, door de Allerheiligste Drievuldigheid boven alle schepselen uilgekozen te zijn tot Moeder van Christus. Maria zelve noodigt ons daartoe uit; want in de getijden legt de H. Kerk haar deze
1) In off. Expect. Part. 18 Dec.
ÃTquot;
_____________
42 DERDE DAG.
woorden in den mond : « Wenscht mij » geluk , want ofschoon ik gering was , » heb ik toch aan den Allerhoogste be-»haagd.quot; En daardoor eeren wij ook God, zegt de H. Bernardus'), want Hij heeft haar groot gemaakt en verheven boven al het geschapene. In Maria ver-eeren wij dus het wonderwerk, het kunststuk der H. Drievuldigheid. Wij loven en prijven God, als wij de schoonheid der schepping bewonderen en met David zeggen : « hoe wonderbaar is uw » Naam over heel de aardequot; (Ps. 8. 1.); maar veel meer loven en prijzen wij Hem , met Maria te eeren, als Moeder van God.
Zeer zeker, onze eerste moeder Eva werd uitverkozen tot eene hooge waardig- ;V heid, loen God haar maakte tot « Moeder » aller levenden.quot; Maar wat is dat in vergelijking van Maria's waardigheid? Zij toch was Moeder van den Heer des Levens! â¢â Betsabee was moeder van Salomon , den luisterrijksten koning van Israel; maar Maria was Moeder van den 1) Hom. 4 Super : Missus est.
!
K
I
DEltDE DAG. 43
Koning der koningen , bij wien vergeleken , Salomon arm en gering was, ja wiens onderdanigen dienaar hij zich noemen moest. â Gelukkig de Profeten , die Hem in de verre toekomst mochten aantoonen en in den geest den Heer Jesus Christus zagen ! Gelukkig de H. Joannes de Dooper, die Hem met den â vinger mocht aanwijzen ; gelukkig de H. Jozef, die Hem op zijne armen mocht dragen , Hem streelen en voeden ; maar gelukkiger, ja allergelukkigst de H. Maagd Maria, die boven deze allen werd uitgekozen, om Hem het leven te geven! Wie zal dan niet instemmen met de H. Kerk, als zij in hare getijden zingt: «Zalig zijt gij, H. Maagd Maria, en » allen lof overwaard ig , omdat uit u is »opgegaan de Zon der Gerechtigheid , » Christus onze God, door wien wij be-»Jiouden en verlost zijn ?quot; En met den H. Bernardus, als hij, Maria's verheven waardigheid beschouwende , uitroept: « Beide verdienen onze bewondering : de »allergenadigste goedertierenheid des » Zoons, en de allerhoogste waardigheid
*F~- V
________K.___-J*
44 DERDE DAG.
» der Moeder: maar wat bewondert gij »het, meest? Voor beide staat mijn » verstand slil; beide zijn wonderbaar. » Een God gehoorzaamt aan eene vrouw! » o Nederigheid zonder voorbeeld ! Eene » vrouw gebiedt aan een God ! o Waar-» digheid , zonder haars gelijke')!quot;
De 11. Geest zegt in het boek dei-Spreuken2) , dat de glorie der ouders terugstraalt op de kinderen. Wat wil de H. Geest daarmede zeggen ? O, daarmede erkent en bevestigt Hij , wat wij dagelijks rondom ons zien gebeuren, hoe namelijk kinderen fier zijn om de eer, die aan hunne ouders bewezen wordt. Hoe gevoeldet gij u , als gij zaagt, dat uwe ouders door iedereen geëerd en be-â X, mind werden; als zij door de geestelijke of wereldlijke overheid werden uitgekozen tot eene eervolle betrekking? Dat verheugde u. En te recht! Verheug u ook zoo, dewijl uwe Moeder Maria door God is uitgekozen tot de hoogste waardigheid , tot de eer van Moeder Gods,
1) S. Bern. Hom. 1 de laud. Virg. Matr.
2) Spr. XIII. 6. --------
sv
DERDE DAG. 45
eene eer, waarbij keizerskronen en koningszetels al hun luister en schoonheid verliezen.
quot;Vquot; oornemon.
Ter eere van Maria's verheven waardigheid van Moeder Gods wil ik mij voortaan beijvereu , het gebed : âde Engel des Heerenquot; en het â Wees Gegroetquot; met bijzondere aandacht en godsvrucht te bidden.
VOORBEELD (1).
In de geschiedenis der stichtingen van de H. Teresia, door haar zelve beschreven, lezen wij het volgende :
Vier of vijf maanden voor de stichting van Malagon, zegde mij een jong edelman, dat, als ik ook een klooster wilde slichten te Valladolid, hij mij dan uit goeder harte een huis met wijngaard en prachtigeu tuin zou ten geschenke geven. (Hij ging hierin te werk volgens zijne devotie tot O. L. Vrouw van den Berg Karmel). â In dank nam ik dit aanbod aan. Ongeveer twee maanden daarna werd die jongeling plotseling door eene ziekte getroffen ; hij verloor de spraak en kon niet biechten gelijk het behoort; maar door herhaalde teekenen gaf hij aan God zijn berouw over
4-
1) Bonis. (Euvres de St. Therèse. tom. IT. cap, X,
â55s-
--
UKUDE DAG.
zijne zonden te kennen. Spoedig daarop stierf hij. Ik was toen zeer ver vandaar verwijderd ; maar de lieer zeide mij : â Mijne dochter , zijne zalig-â heid is in zeer groot gevaar geweest; maar ik â heb medelijden met hem gehad en hem barm-â hartigheid betoond ter oorzaak van den dienst, â dien hij aan mijne Moeder bewezen heeft, door â dat huis te geven , om er een klooster te harer â eere te stichten ; maar die ziel zal het vagevuur â niet verlaten , dan bij de eerste H. Mis, die in j â het nieuwe klooster zal gelezen worden.quot; Ik haastte mij , om zoo spoedig mogelijk deze stichting te beginnen. Onze Heer zegde mij eens in 't gebed : â Spoed u, want die ziel lijdt veel.quot; Toen kon niets meer mij weerhouden en Zondags na St.-Laurentiusdag werd de H. Mis in de voor-loopige kapel opgedragen. .. . Op het oogenblik der H. Communie kwam de priester naar ons toe met de ciborie in zijne hand. Ik trad toe, en op het oogenblik, dat de priester mij de H. Hostie gaf, verscheen mij die jonge edelman aan zijne j zijde. Zijn gelaat schitterde. Blijdschap sprak quot;r uit al zijne trekken; zijne handen hield hij gevouwen ; hij dankte mij voor alles wat ik tot zijne bevrijding gedaan had, en ik zag hem vervolgens ten hemel opstijgen.
GEBED.
(II. lldefonsus. C. Il.J o Luisterrijke Maagd, allerh. Moeder van God, neig tot ons uw welwillend oor en sla op ons
46
,-X
DERDE DAG.
uw medelijdend oog. Ik ben blind, verlicht mij; ik ben ziek, genees mij ; ik ben dood , doe mij herleven. Uw aanblik , zoeter dan honig , vertroost de weenenden ; uwe zachte hand geneest de zieken ; uw geur , o maagdelijke roos , doet dooden herleven. Alle goed komt tot ons door uwe verdiensten en gebeden. Zie neer op een armen zondaar, die in zonde en duisternis, en omringd is van tallooze ellenden. Breek gij mijne banden, o allerh. Maagd, voldoe mijne schulden, herstel de puinen mijner ziel. Maak den oudeu mensch in mij weder nieuw , ... doe hem weder-vinden, wat hij verloren had, en dat zijne onvolmaaktheden verdwijnen door de werking der genade. Amen.
(II. Anselmus. Ibid.)
Gegroet, o onvergelijkelijke Maagd , maagdelijke Woonstede van den Koning , gegroet ! Hij , die de Hemelen bewoont, heeft U tot rustplaatsgekozen. o Maagd, wees gegroet I
47
Vierde Dag.
Maria, liet Voorbeeld der jeugdige Jaren.
Quum essem parvula, placui Altissimo.
Ofschoon ik klein was , behaagde ik den Heer.
(Kerk. Getijden.)
f^REN wij ons heden eens rond-i de wieg der Allerh. Maagd.^REN wij ons heden eens rond-i de wieg der Allerh. Maagd.
Zie wel toe. Dat kind, 't welk voor u ligt, is geen gewoon kind. Andere kinderen toch komen ter wereld , nog beroofd zijnde van hun verstand; zij bezitten er de kiem van, geenszins het gebruik. Dat kind echter, hoe klein en jeugdig ook, heeft reeds het volle gebruik van zijn verstand; het denkt, het redeneert, het weet zich rekenschap te geven van alles.
--sr
VIERDE DAG. 49
Zoo spreekt de yroote godgeleerde Sua-rez') en de H. Bernardinus van Senen1). Dat was eene weldaad van God, welke zij niet ongebruikt liet; met David zeide zij reeds in het eerste oogenblik van haar bestaan : Den Heer zal ik prijzen, die mij verstand geschonken heeft2), en geheel en onverdeeld wijdde zij zich - ^ aan God , om zijnen wil in alles te volbrengen. Zij kende van toen af de boosheid der zonde, doch enkel en alleen om ze te verfoeien als beleediging van God; zij zag als kind reeds in, wat hare onschuld in gevaar kon brengen en zij vluchtte het.
Was het wonder, dat in dit Kind geen der gebreken van de kindsthe jaren gevonden werd, geen lichtzinnigheid, geen eigenzin, geen traagheid, geen ongehoorzaamheid, niet dat voortdurend najagen van vermaak, geen achteloosheid in 't volbrengen van plichten ?
In hare ouders erkende zij de plaats-
4
1
Thorn. II. Serm. 51 ait. I. c. II.
2
Ps. XV. 7.
50 VIERDE DAG.
bekleeders van God en zij gehoorzaamde hun , alsof God zelf sprak.
Maar Maria was niet besterad, om altijd in het ouderlijke huis te verblijven. Hare ouders hadden de gelofte gedaan, haar onder de maagden van den tempel te doen opvoeden , en reeds bij - haar derde jaar volbrachten zij deze ./ gelofte'). De HH. Joachim en Anna vergezelden hun dochterlje en, zegt de H. Georgius1), ontelbare hemelgeesten begeleidden haar met jubelende zangen. In den tempel aangekomen, wijdde zij zich den Heere toe; zij dankte, zegt de H. Alphonsus2), hare teerbeminde ouders voor hunne liefderijke zorgen , kuste hun de handen en vroeg hunnen zegen. Daarna werd zij door den Hoogepriester het heiligdom
1
Ibid.
2
Serm. de Pifcscnt.
i
51
VIEKUE DAG.
v
binnengeleid. Hoe beminnelijk , hoe engelachtig, hoe heilig was hier haar leven! De HH. Vaders hebben zich beijverd , om de schoonste tafereelen daarvan op te hangen; zij puiteden die of wel in hunne vrome verbeelding of wel in godvruchtige overleveringen. « Zietzegt de H. Anselmus , « hoe »omzichtig zij was in hare woorden, » hoe minzaam in hare manieren, hoe » zedig , hoe bedaard , hoe vriendelijk » in haar omgang !quot; En de H. Ambro-sius zegt1), dat «zij bescheiden was in »hare woorden , ijverig in den arbeid »en eerbaar in het spreken; niemand » hinderde zij, aan een ieder deed zij goed ; » zij betuigde eerbied aan ouderen ; aan «gelijken in jaren benijdde zij niets, »en nimmer kwam een ijdel woord »over hare lippen; niemand zag haar »ooit ledig, en in alles en altijd had » zij de gewoonte, niet op den mensch »te zien, maar op God.quot; Hare zorg strekte zich ook tot hare gezellinnen uit, « want, zegt de H. Bonaventura , uiter-1) S. Ambr lib. 11. de Viig.
f.________*____________
Iquot;quot; t
52 VIERDE DAG.
» mate bezorgd was zij, opdat dezen den » goeden God niet zouden vergrammen.quot; Geen wonder! Zij , die zich bewoog door de ruime gebouwen des tempels, zij was zelve bestemd , om eenmaal de levende Tempel en Woonplaats te worden van den Allerhoogsten God, en het goud, gt; ; de edelgesteenten, de kostbare tapijten , 4 die den tempel van Jeruzalem versierden, j zij zegden haar, dat ook zij versierd moest zijn met deugden , wier glans het goud en zilver nog overtrof! Geen enkel deel dan ook van hare ziel liet zij onversierd. De H. Ambrosius wijst ons nog op hare wonderbare matigheid in spijs en drank; « nooit,quot; zegt hij , «zocht Maria de voldoening harer zinnen, »en als zij zich des avonds ter ruste » legde , dan was het eenig en alleen , »om aan de behoefte der natuur te i » Voldoen.quot; En wat deed zij , zoo des nachts hare sluimering soms onderbroken werd ? «O ,quot; zegt alweder de H. Ambrosius , «dan bewogen zich aanstonds »hare maagdelijke lippen tot een stil » gebed. Hoe waren dan ook allen door
_______________2______ â
VIERDE DAG. 53
» haar voorbeeld gesticht, hoe beminden »haar hare ouders, en hoe werd zij » door allen geprezen ! Haar leven was » eene stilzwijgende les voor allen. Aan » wien komt zij niet beminnelijk voor? » Maarzoo spreekt nog altijd dezelfde H. Bisschop , « als zij ons behaagt, dat »dan ook hare werken ons behagen! 4' » En vooral dat wij haar voorbeela na-» volgen, om eenmaal in hare belooning » te deelen
Kinderen, ziedaar vooral uw voorbeeld. De II. Maagd is een spiegel, waarin iedereen zich spiegelen kan. Wat ziet gij, zoo gij u voor dien spiegel plaatst? Is hare gehoorzaamheid ook de uwe ? Hare beminnelijke zachtheid , hare zedige bescheidenheid, hare bereidvaardige dienstwilligheid, zijn het ook uwe eigenschappen ? Geve zulks God en Maria!
quot;Voornemens.
1° De jaren onzer jeugd stelleu onder Maria's bescherming.
1) S. Ambr. Ibid.
------^â
54 VIERDE DAG.
2° Onze doopbeloften vernieuwen en de deugden van Maria's kinderjaren trachten na te volgen.
VOORBEELD. (1).
Hoe behaaglijk het aan Maria is, dat kinderen van jongs af hare deugden navolgen , leert ons het leven van den Zaligen Herman Joseph. Nog slechts een kind zijnde , had hij reeds eene vurige liefde tot Maria. Op zekeren dag trad hij naar gewoonte de kerk der H. Maagd binnen, 't Was koud, en de arme knaap ging blootsvoets over den killen kerkvloer. Voor het beeld der Moeder Gods gekomen, wilde hij zijn gebed beginnen. Daar riep hem Maria vol medelijden toe : â Waarom gaat gij in eene zoo felle koude blootsvoets ?quot; De knaap antwoordde '⢠â Omdat ik geene schoenen heb.quot; De goede Moeder wist, dat zijne ouders doodarm waren en daarom zeide zij : âGa naar gindschen steenquot; (en zij wees dien met den vinger aan), â daaronder zult gij vier ^gt;! â geldstukken vinden; neem die en schaf er u â schoenen voor aan.quot; De knaap gehoorzaamde en vond de geldstukken. Blijde snelde hij nu terug tot Maria , om haar voor haar bijstand te danken ; zij voeede er toen bij : â Als gij weer iets â noodig hebt, 't zij schoenen of een schrijfbord â of stiften , of wat ook , ga dan naar diezelfde â plaats en gij zult de geldstukken vinden , die â gij noodig hebt.quot; En , voegt de schrijver van
1) Act. Sanct. toni. X. pag. 686.
__ ------
VIERDE DAG. 55
zijn leven hierbij , nooit zou men zulks geweten hebben; maar eenige dagen voor zijnen dood hebben wij , met eene heilige list, dit verhaal aan zijn mond ontlokt.
GEBED.
(II. Ildefonsus Cap. IV.)
o Maria, Moeder van God, allergoedertiereüst zijt gij , allerzoetst en oppermachtig; heb dan medelijden met mij ten dage mijner behoefte en kwelling. Zie , hoezeer mijne vijanden vermenigvuldigd zijn en met wat haat zij mij vervolgen. Mijne ziel hebben zij aangegrepen; zij hebben haar gewond , besmeurd, met voeten getreden, o Mijne Meesteres, verzoen mij met mijn Schepper , dien gij eenmaal bekleed hebt met uw heilig vleesch. Geef mij terug aan God , dien gij eenmaal met maagdelijke melk gevoed hebt. O , mocht ik om uwentwille door zijne genade bezocht, door zijne goedheid opgericht, doorzijn licht beschenen , door zijne kracht versterkt worden ! Mocht ik alzoo mijne vijanden verachten , het goede doen , mij geheel en al aan mijn Schepper verbinden en eeuwig zijnen en uwen lof zingen ! Amen.
(II. Anselmus, t. a. p.)
Gegroet gij , hemelschoone tempel van Jeruzalem ; uit uw heiligdom is voor ons de Zoon des
Vaders voortgekomen I
--
Maria, een Yoorboeld ran ware
Godsvrucht. .
Vas insigne devotionis.
Schoon vat van godsvrucht.
Lit. Lazir.
Jeer velen vormen zich eene ver-p keerde voorstelling van de ware 'Godsvrucht. De een stelt ze in vrijwillige vastens, een ander in ^ lange gebeden en het dikwijls ontvangen der HH. Sacramenten, een derde in het geven van groote aalmoezen , weer een ander in het vergeven van ongelijk ofwel in eene zekere gevoelige aandoening der ziel, of in het lidmaatschap van tallooze broederschappen en veree-nigingen. Dit alles nochtans zijn slechts
---£*------
VIJFDE DAG. 57'
middelen om de godsvrucht te bekomen, ofwel het zijn gedeelten, soms de gevolgen der godsvrucht, maar de godsvrucht zelve zijn zij niet, evenmin als het licht, de warmte, de stralen der zon, de zon zelve zijn. Wat is dus wai'e godsvrucht ? De H. Thomas zegt het: Zij is â ' i.- een bereidvaardige, standcaslige wil, om zich aan den Heer en aan zijn dienst toe te wijden1). Hieraan ziet men, dat deze deugd eigenlijk alle deugden in zich bevat, zoodat wie deze bezit, alle deugden bezit, zoowel de volmaakste zuiverheid als de diepste nederigheid , zoowel de bereidvaardigste gehoorzaamheid als de wonderbaarste verduldigheid , zoowel de heiligste voorzichtigheid als de ijverigste dankbaarheid ; omdat « zich aan God en zijn dienst toewijdenquot; eigenlijk niets anders is dan in alles, overal er. altijd Gods H. Wil volbrengen, en daarin bestaat de heiligheid. Stelt gij de godsvrucht in iets anders, dan bedriegt gij u zeiven en is uwe godsvrucht niet die van de allerheiligste Maagd. â Maria 1) S. Thom. 2. 3. q. S2 , a. I ad. 1 et 2.
____V* â
VIJFDE DAG.
wordt door de II. Kerk genoemd : een schoon vat van godsvrucht. Laat ons zien in hoeverre zij dien bereidvaar-digen en standvastigen wil om God te dienen bezat.
Heeft Maria zich den Heere toegewijd ? O, zeer zeker. Van 't eerste oogenblik af, dat zij het gebruik harer rede bezat, keerde zij zich tot God eti verkoos zijn dienst tot levensdoel. De H. Alphonsus zegt met eene liefelijke vergelijking, dat Maria's wil gelijk was aan de zonnebloem. Des morgens keert deze zish naar het Oosten, en als de zon hooger stijgt en haren loop naar het Westen volbrengt,
dan volgt haar de zonnebloem en keert
- . i zich steeds naar die bron van kleuren 5lt;
en warmte. Zoo keerde zich Maria reeds van in den morgen haars levens naar de Zon van gerechtigheid , die God is, van wien alle licht uitstraalt. Wat deed zij in den tempel? De H. Brigitta') ontving er de openbaring van : « Zij vluchtte,quot;
zegt deze, « den omgang van bekenden,
1) S. Biig. lib. I Revel, c. 10.; lib. III. c. 8.
-----^--------
-......
VIJFDE DAG.
»ja zelfs, zooveel mogelijk onllrok zij »zich aan de bezoeken harer ouders. » Nooit, noch des daags, noch des nachts »week haar hart van God. Zells als » zij met handenarbeid bezig was, hield » zij niet op met bidden; God , dien zij i » eeniglijk beminde, had zij altijd voor »oogen. Slapen was voor haar geen » genoegen , maar behoefte der natuur ; » en als het lichaam sliep , dan waakte ygt; de geest.quot;
Liefeliik ook is de beschrijving, die de H. Bonaventura') ons geeft van Maria's godsvrucht in den tempel: « Toen » mijn vader en mijne moeder mij in den » tempel hadden achtergelaten , verkoos ygt; ik God tot mijnen vader en ik dacht »dikwijls en ernstig na, wat ik doen » kon , om God te behagen. Ik stond » iederen nacht op en ik begaf mij naar » het altaar des tempels ; daar bad ik den ygt; Almachtige om nederigheid , geduld , » lieftalligheid , zachtmoedigheid , en alle » deugden, die mij aangenaam konden »maken in zijne oogen. Ik smeekte 1) Med. vit. Christi. torn. 2. C. 3.
59
00 VurDB DAG.
» Hem , dat Hij mij den dag zou laten » beleven, waarop de allerzaligste Maagd » zou komen , die den Zoon Gods moest »ter wereld brengen; dat Hij mijne » oogen zou sparen, om haar te kunnen » zien ; mijne tong, om haar te prijzen; » mij tie handen, om haar te dienen; » mijne voeten , om heen te snellen tot » haar dienst; mijne knieën, om den Zoon » Gods in haren schoot te aanbidden Iquot;
Dat leven, 't welk reeds de beoefening aller deugden in zich besloot, wijdde zij nog vuriger den Heere toe, loen zij,â o liefelijk schouwspel! â als Kind van drie jaren haren Maagdom voor eeuwig den Heer, den Bruidegom harer ziel, opdroeg, als wilde zij , die reeds geheel aan God toebehoorde, zich met dubbele banden aan zijnen dienst verbinden.
Daar kwam de tijd, dat de Heer, dien zij tot nu toe als den onzichibaren Koning gediend had, zichtbaar op de wereld verscheen en hare diensten kwam vragen. Maria, zult gij u toewijden aan zijn dienst? Groofe offers zal deze van u eischen ! .... Maria is bereid. Geen
--------^------
VIJFDE DAG. 61
gewone diensten zal zij bewijzen, gelijk een loontrekkende dienaar dat doet, maar zij zal zich toewijden aan dien dienst, zij zal daarvoor leven ; die dienst zal het eenig doel zijn van al hare werken ; zij zal er zich met alles , wat zij heeft en is, voor opofferen. De H. An-
1-
selmus') zegt, dat Maria aan haar Heer )v
en God al de werken van christelijke barmhartigheid bewees, die Hij in het oordeel zal beloonen. Zij deed ze niet « aan den minste der zijnen,quot; maar aan Hem zei ven : Zie, zegt hij , zij spijsde Hem, als Hij hongerig was, van zijne prilste jeugd af, tot aan zijn dertigste jaar en zij deelde die bediening met de Engelen des Hemels, die Hem dienden ^ en spijsden1). Zij laafde Hem , als Hij dorstig was , toen zij met een heiligen eerbied en diepe ootmoedigheid jegens Hem haar moederlijken plicht vervulde. Zij kleedde den Naakte, toen zij Hem te Bethlehem wikkelde in de schamele
1
S. Bern. Serm. in Nat.
--------
62 VIJFDE DAG.
doeken, die zij bezat, en hare handen dat meesterstuk vervaardigden, dat Hij droeg tot bij het kruis, dat wonderbaar kleed zonder naad! Zij bezocht den Kranke. Waar? Toen Hij, als de Man van smarten , zich voortsleepte op den kruisweg,
toen Hij eindelijk lag uitgestrekt op het smartelijk ziekbed des kruises. Maria - v was daar en I roostte ! Zij herbergde den Vreemdeling, waarvan geschreven staat: Hij kwam in het zijne, maar de zijnen hebben Hem niet ontvangen. (Joes 1.) Zij gaf Hem haren schoot, hare woning, haar hart! Zij verloste den Gevangene uit de handen der Joden , o , wel niet met de daad, â dit was haar niet mogelijk, â maar duizendmaal met haar wil; en op den wil ziet Gods alziend oog, \ meer dan op de daad. Zij begroef den Doode, toen zij Hem met hare eigene handen, zegt de H. Alphonsus, koud en levenloos neerliet in het donkere graf, waarin zij te gelijk haar hart en hare liefde liet opsluiten. Zoo wijdde zich Maria toe aan den dienst des Heeren. quot;Wat betrof de onderhouding der Wet in
yf._______________________AK
VIJFDE DAG. 63
al hare voorschriften , van Maria, meer dan van iemand , is het woord der H. Schrift bewaarheid; In de wet des Hee-ren vindt zij haar vermaak en nacht en dag is deze in haren geest').
En was die wil, waarmede zij zich toewijdde aan God en zijn dienst, was T'; die wil bereidvaardig en standvastig ? . -Maria's daden geven het antwoord. De dienst des Heeren mocht van haar vorderen , dat zij « in alle haast over het gebergtequot; zou gaan, om Elizabeth te dienen; of dat zij zich midden in den winter naar Bethlehem zou begeven ; of dat zij zich des nachts naar Egypte in veiligheid zou stellen, of terugkeeren naar Judea; dat zij zou staan onder het kruis haars Zoons of waken bij zijn graf, altijd pj vond de Heer haar bereid met de woorden des Profeets in het hart en op de lippen : « Mijn hart is bereid , o Heer , mijn hart is bereid')!quot; Zoo bleef haar wil tot aan haar laatsten snik. God riep haar tot Zich in de glorie, om daar in eeuwig-
1) Ps. I. 2.
2) Ps. 56. 8.
AK,
04 VIJFDE DAG.
heid haar heilig dienstwerk voort te zetten , met God te prijzen en Moeder te zijn der menschen, â en Maria kwam, even bereid om te sterven als om te leven !
o Schoon, uitstekend Vat van Godsvrucht, och, of een druppeltje van dien kostbaren balsem, dien gij bevat, op onze ⢠zielen viel en ons doortrok met dien waren geest van godsvrucht, die alle deugden in zich bevat!
quot;V oornem ens.
In alle omstandigheden des levens den vinger Gods erkennen en bereidvaardig Gods wil volbrengen ; want hierin, en niet in iets anders, bestaat de ware godsvrucht.
VOORBEELD (1).
Op het feest van Maria Boodschap wilde de H. Gertrudis, â aldus verhaalt zij zelve, â onder de H. Mis ter H. Tafel naderen. Zij zag in eene verschijning de H. Maagd , wonderbaar versierd met alle deugden. Gertrudis wierp zich aan hare voeten en smeekte Maria, dat zij haar hart zou be-⢠reiden, om Jesus waardiglijk te ontvangen, gelijk
1) S. Gertr. Legatus. div. pietat. lib. IV. c. 12.
-----------
VIJFDE DAG. 65 !
zij zelve Hem op dien dag in haren knischen schoot ontvangen had. Maria plaatste toen op Gertrudis' borst een schitterend sieraad ; 't had zeven hoeken, aan welke kostbare edelsteenen fonkelden. Deze â edelsteenen verbeeldden deugden, waardoor Maria den Heer zoozeer behaagd had, ui. hare j aantrekkelijke zuiverheid, hare vruchtbare nederig- i heid , hare vurige begeerte , [hare groote kennis, 1 hare onuitbluschbare liefde, hare vreugde in God, 5 haren onverstoorbaren vrede. En toeu Gertrudis, '| versierd met dezelfde deugden, zich aan de blikken des Heeren vertoonde, teen verheugde zich de Heer, Hij neigde zich tot haar en leidde haar binnen in zijn Hart en overlaadde haar met al de teekenen der innigste liefde.
In het Evangelie werden op dien dag de woorden gezongen : â Ecce ancilla Domini, zie de dienstmaagd des Heerenquot; Gertrudis groette toen. Maria en herinnerde haar aan de vreusden , die zij eenmaal bij dien groet moest hebben ondervonden.
Maria antwoordde met de lieftalligste zoetheid : â Al wie mij deze vreugden herinnert, zal ondervinden , wat kracht er gelegen is in de woorden der H. Kerk; Toon, dat gij onze Moeder zjt.quot; Ja, eene Moeder zal ik mij tooneu, niet ! alleen des Konings door mijne macht ; maar ook van den smeekeiing door den overvloed van genaden , die ik voor hem in 's Heeren Hart zal putten.
VIJFDE DAG.
GEBED.
(//. Ildefonsus. Cap. V.)
Ik groet u, o Maria, vervuld met hemelsclie genaden. Maria, vol van God en omringd van glorie; de leliën der maagden omgeven u, de belooningen der deugd zijn uw gevolg, o Goddelijke Moeder-maagd, die omstraald zijt met de macht des Allerhoogsten 1 Gij zijt een lichtende vuurkolom , gij verlicht èn zon on sterren. Gij zijt een hagelwitte toren van ivoor en eene purperen roos. God gaf u eene lans in hauden om daarmede den helschen draak neer te vellen. Gij zijt het heil en de glorie der menschen ; o Moeder van God , o kroon der maagden , aan u zij na God een eeredienst zonder grenzen, een glorie zonder einde. Amen.
(II. Anselmus. 1. a p.)
Gegroet, o Maagdelijke Aarde, die ons de Vrucht gaaft, waardoor God verheerlijkt werd I o Maria , die ons Dengene gebaard hebt, wiens kennis het ware geluk is, wees gegroet!
66
Zesde Dag.
Maria, een roorbeeld van Liefde lot Jesns Christus.
Charitas Cilnsti urget nos. De liefde van Christus dringt ons.
(quot;2 Cor. r. U.J
n het boek der Openbaring van
i H. Joannes') lezen wij , dat ueze leerling des Heeren in eene , verschijning eene vrouw zag, bekleed met de zon. Dat is een beeld van Maria. De zon beduidt de üefde, waarmede zij haren Goddelijken Zoon beminde en welke zoozeer de liefde overtrof van alle Engelen en Heiligen, als de zon alle sterren overtreft in luister en glans.
Hoe groot is die liefde ? ... Zegt mij
!
1) Apoc. XII. 1.
ZfcSDE DAG.
hoe groot Maria's genade en heiligheid waren , en ik zal u zeggen , hoe groot : hare liefde was !
Hebt gij nooit het beeld gezien der i smartvolle Moeder, doorboord met zeven | zwaarden van droefheid ? Zoo zou men ; ook Maria kunnen afbeelden, doorboord met zeven schichten van liefde.
I. De eerste vurige pijl was de God-heid van Jesus. Zij beminde Hom als haren God. Zij doorschouwde, beter dan eenig sterveling, de goddelijke volmaaktheden. « Zalig toch de zuiveren van » harte, want zij zullen God zien.quot; Zij zag, dat Hij het opperste Goed is in zich zeiven, en als zoodanig trok Hij geheel haar hart tol zich, gelijk een mag- 1 neet het ijzer aantrekt.
II. De tweede schicht van liefde was de II. Menschheid van Jesus, vereenigd met de Godheid. Die H. Menschheid beschouwde zij als een troon, waarop de Godheid rustte, en als een lichtende wolk, waarachter de bron van alle licht zich verborgen had. Als nu een H. Fran-ciscus van Assisië bij 't beschouwen dier
68
ZESDE DAG. 69 f
H. Mens;hheid in verrukking ^eraakto, hoe zal Maria haar dan bewonderd en bemind hebben, zij, die beter dan iemand wist, dat geheel de wereld , zooals vele HH. Vaders zeggen, slechts was geschapen en ingericht, om eenmaal die H. Menschheid te huisvesten !
III. De derde liefdeschicht was het Goddelijk Moederschap , waartoe de H. Drievuldigheid haar had uilgekozen. Stel u voor : Maria, komende bij hare nicht Elisabeth. Wat hoort gij ? Elisabeth spreekt van Maria's Moederschap. Zij wenscht er haar geluk mede en .... oogenblikkelijk stort Maria, vervoerd van vreugde en liefde, haar boezem uit in het heerlijk Magnificat; de Engelen hoorden en zagen haar en nooil zullen zij dat oogenblik vergeten !
IV. De vierde schicht was de Goedheid van Jesus. Waaraan dankte Maria de tallooze weldaden , gunsten en genaden, om welke alle geslachten haar zalig prijzen? Aan Jesus'goedheid. Als nu de H. Paulus, bij de gedachte aan Christus' weldaden in vervoering uitriep : « de liefde
.............£________________421
70 ZKSDÃ DAG.
» van Christus dringt ons'),quot; en «wie »zal ons van de liefde van Christus » scheiden !quot; wie zal dan de liefde kunnen begrijpen, die Maria gevoelde, als zij bedacht, wat zij van Hem ontvangen had ?
V. Een vijfde vurige pijl was Maria's Moederliefde. Komt hier , alle moeders dezer aarde; zegt, hoezeer gij uwe kinderen bemint; noemt op , wat gij zoudt willen doen, om aan een uwer kinderen het leven te redden; vreest niet., overdreven te zijn in uwe uitdrukkingen;
zegt ons, wat uw hart gevoelt voor die geschenken van God ! Welnu, als gij mij dat alles zult gezegd hebben, dan kan ik u nog altijd met waarheid zeggen : Maria had als Moeder meer liefde voor i
%
Jesus, dan gij allen te zamen voor uwe kinderen, «want ,quot; zegt de H. Kerkleeraar Anselmus2) : « Maria's Moeder-» liefde was grooter dan alle liefde der » schepselen.quot;
VI. En wat te zeggen van hare Vertrouwelijkheid met Jesus? Alles in
1) 2 Cor. V. 14.
2) S. Anselmus. De excell. Virg. cap. IV.
------^------------------
ZESDE DAG. 71
Hem diende om voedsel te geven aan hare liefde. Beschouw Hem; hel schoonste van de kinderen der menschen is Hij , vol beminnelijke aanvalligheid , wijsheid en dienstvaardigheid ! Zijn zachte en liefderijke oogslag drong door hare ziel en de beminnelijke glimlach der onschuld vervulde haar met vreugde en liefde. Ja, de H. Anselmus') heeft gelijk, als hij uitroept: « O, met welk eene vreugd » werd haar hart doortrokken , als zij » Hem bij zich aan tafel zag , Hem bij » zich en met zich zag arbeiden, of als »Hij haar in allerzoetste taal onder-»richtte in alles, wat zij van Hem »wenschte te weten ! Wie zal zulks » begrijpen
VII. De Geheimen van Je sus' 11. Leven , Lijden en Sterven, van zijne Verrijzenis en Hemelvaart vormen te zamen een zevenden liefdeschicht, die Maria's Hart doorboorde. Zij wist, wat elke daad, elke smart van Jesus in 'tGoddelijk raadsbesluit beteekende, zij kende
1) Ibid.
ZESDE DAG.
er de dieple en do uilgestrektheid van; als Koningin der Profeten zag zij er de vervulling in van de oude profetieën en tot in de verst verwijderde toekomst zag zij er denkelijk al de uitwerkselen en gevolgen van. Als zij Hem dus zag leeraren in Judea, of dacht aan de instelling van het H. Sacrament des Altaars in de zaal des Avondmaals, of Hem zag sterven op Calvarië, of glorierijk verrijzen en ten Hemel stijgen , dat alles vermeerderde hare liefde en deed ze overslaan tot een brand, die geheel haar hart verteerde.
Die liefde was het, die aan al hare werken de volmaaktheid gaf, die wij er in bewonderen; die liefde deed haar deelen in al de vernederingen en smarten van haar Goddelijk Kind; die liefde deed haar sterven in eene verrukking van vreugde, zonder dat zij de smarten des doods gevoelde. Met hoeveel recht dus legt de H. Kerk aan Maria dit woord der H. Schrift in den mond: « Ik ben de Moeder der schoone liefde')!quot;'
1) Eccli. XXIV , 21.
y..
ZbSDE DAG.
Niet voor zich zelve alleen is zij zulks! ook voor ons; «want,quot; zegt de II. Ber-nardus1), «de pijl der liefde is door haar ygt; hart gedrongen ; er door gedrongen , »zeg ik, opdat de liefde tot onö zou » komen en wij allen van hare volheid «zouden ontvangen en zij in ons waar-» lijk de Moeder d. i. de Voortbrengster » der liefde zou worden.quot;
niemens.
1° Tk zal de Allerheiligste Maagd Maria vurig
Ismeeken, dat zij mij de liefde geve, zoo ik ze | niet heb; en dat zij ze n mij vermeerdere , zoo ik in staat van genade ben.smeeken, dat zij mij de liefde geve, zoo ik ze | niet heb; en dat zij ze n mij vermeerdere , zoo ik in staat van genade ben.
2° Ik zal strijden tegen de zonde, omdat deze in strijd is met de liefde tot Jesus Christus.
VOORBEELD (2.)
Eens was de H. Vincentius Ferrerius, nog een jongeling zijnde, bezig met het lezen van het boek, dat de H. Hieronymus over den altijd-durenden Maagdom van Maria geschreven heeft, i Onder die zoete en godvruchtige lezing bad hij dringend Maria , dat zij hem altijd in de zuiverheid mocht bewaren. Daar hoort hij eensklaps
1) Serm. 29 in Cant.
2) Boll. In vit. S. Vine. tom. X p. 486.
'St* ..... ............'Pv
Voo
ZESDE DAG.
74
eeiie stem, die hem toeriep: Wij kunnen niet aitijd zuiver zijn als maagden; ofschoon gij u tot nu toe zuiver en kuisch hebt mogen noemen, zal ik wel zorgen , dat gij dien eervollen naam niet langer kunt dragen. â De Dienaar Gods was verbaasd over die stem , hij dacht en herdacht, wat zij beduidde en van waar zij komen mocht; maar gelooven, dat het Maria's antwoord zijn zou
op zijn gebed, dat kon hij niet; want al tegoed
wist hij, dat die kuische Maagd alle reine zielen bemint, versterkt, helpt en aanmoedigt. Hij wierp zich dan op zijne knieën en bad Maria, dat zij hem toch mocht bekend maken , wat die verschrikkelijke woorden te beteekenen hadden. Het duurde niet lang , of Maria zelf verscheen hem, omringd van grooten luister. Zij versterkte hem en gaf den vrede en de blijdschap aan zijne ziel weder, zeggend, eer zij verdween: â De stem, die gij hoordet, was de stem des â duivels ; hij stelde u de moeilijkheid der zui-
â verheid voor, om u daardoor af te schrikken.
â Wees voorzichtig , maar houd goeden moed 1 â Vele strikken zal hij u spannen ; want hij weet â zeer goed, dat, als hij uwe zuiverheid overwint, â al uwe andere deugden van zelf vervallen ; â maar vertrouw op God , Hij zal uw schild zijn â en gij zult overwinnaar blijven over alle dui-â vclsche listen en lagen.quot;
Vincentius bedankte Maria vurig en deze ver
dween,
V
----------pL------
ZESDE DAG. 75
GEBED.
(II. Ildefonsus. Cap. VI.)
o Maagd, zoo macttig en zoo vol goedheid, o Maagd zoo teeder en zoo zoet, zoo schoon en beminnelijk, heb medelijden met den armen zondaar , die voor u ligt neergeknield. Zuiver mij van mijne smetten , bevrijd mij van mijne gebreken, verlicht mijn verstand met uw zuiver licht, ontsteek mijne ziel van liefde tot u, verkrijg mij van uw Zoon vrede, barmhartigheid en ten dage des oordeels , de glorierijke verrijzenis.
CR. Anselmus. t. a. p J
Gegroet, o Hemelster, o blij âAllelujaquot; der geloovigen I o Maagd, door welke alle volkeren den Heere lofzingen, wees gegroet!
Zevende Dag.
#
Maria, een voorbeeld van Zelfopoffering ^
en (ïrootuioedigheid.
Fortis ut mors dilectïo. De liefde is sterk als de dood.
{Cant. VIL 6.)
zelfopoffering bestaat hierin , ^dat men zichzelven, zijn lichaam, ^zijne eer , zijne genoegens , zijne belangen , de gemakken des levens , ja alles opoffert om aan God te behagen; en doet men dit met een edelmoedig hart, dat niet op zich zeiven terugziet en niets voor zich zeiven behoudt, dan is die zelfopoffering, te gelijk grootmoedigheid.
Beide deze deugden waren in hooge mate in Maria vereenigd. W as het alreeds
ZKVENDE DAG. 77 ;
--j
geen blijk van de edelmoedigste zelfopoffering , dat zij op den (eederen leeftijd van drie jaren het ouderlijk dak met al de genoegens van den huiselijken haard tn al de streelingen der moederliefde verliet, om zich naar den tempel te Legeven en daar den Heer te dienen? Zij overzag al de uilgesfreklheid van dat olTer, maar zij bracht het, omdat de dienst van God het vorderde.
Armoede , vernedering , lijden verkoos zij tot haar deel, omdat zulks ook het deel van Jesus zijn zou. Reeds bij zijne geboorte aanvaardde zij edelmoedig voor zich en haar Kind dat leven van armoede en vernedering, 't welk haar de toekomst brengen zou. Dat kostte veel aan - het moederhart, dat zoo gaarne een kind i in eere en welzijn ziet; «maar,quot; zegt de j H. Bernardinus van Senen1), «tot die on-» uitsprekelijke smart droeg zich de Al-» lerh. Maagd Maria op en zij werd toen » reeds met haar Zoon als gekruisigd.quot; I
Grootmoedige zelfopoffering was het, i
1) S. Bern. Sen. Tom. Ill Serm, VI. Art. II. ! Cap. I.
-------
78 ZEVENDE DAG.
toen Maria, zooals vele HH. Vaders getuigen , de schatten, die zij van de drie Koningen ontvangen had, aan de armen uitdeelde. En toen zij 40 dagen na Jesus' geboorte naar Jeruzalem toog, wat was die reis anders dan een edelmoedig ofler van haar Kind, dat haar dierbaarder was dan alles, en te gelijk een offer van hare verheven maagdelijke eer, daar zij zich gelijk stelde met de gewone moeders, die aan de wet der zuivering onderworpen waren ? Zij offerde de gerustheid en den vrede van geheel haar volgend leven, want: « een » zwaard van droefheid zal uwe ziel door-» boren en dat Kind zal zijn tot val en op-» standing van velen in Israël.quot; Dat lot werd haar toen aangekondigd en zij aanvaardde het ootmoediglijk. Zie haar kort daarop, midden in den nacht, met het Kind aan haar hart, wegvluchten door de woestijn. Waarheen ? Naar een vreemd land, waar zij jaren verblijft, slechts troost vindend in de edelmoedigheid, waarmede zij het offer van haar vaderland, hare familie en de genoegens van den
I
________
ZEVENDE DAG.
79
huiselijken haard aan God gebracht had. En haar leven te Nazareth? 'tWaseene voortdurende zelfopoffering' ; des morgens, des avonds, overdag en des nachts was hare eenige bezigheid zich. zelve en hare rust te vergeten, om Jesus, die toenam in wijsheid en jaren , te dienen en te helpen. Daar brak de tijd aan, dat Jesus zijn openbaar leven ging- beginnen en Hij zich voortaan uitsluitend ^ing bezighouden met de zaken, die zijns Vaders waren. Maria, bereid u voor op dat offer, op die scheiding! Gij zult zijne zoete samenspraken , zijne beminnelijke tegenwoordigheid moeten missen en alleenzijn! Maria brengt dat offer; want zij weet , dat God het wil, en dat is haar genoeg.
Na een leven van vernedering en -lijden, die zij edelmoedig met Hem deelde, hangt eindelijk haar Zoon aan
't schandhout des kruises..... Wat
edelmoedige zelfopoffering- werd er toen gevorderd van Maria, ora in dat verschrikkelijk oogenblik zich vrijwillig te plaatsen aan den voet van dat kruis; daar door een geheel volk gehoond en
I !
80 ZEVENDE BAG.
versmaad te worden als de moeder van een misdadiger; daar getuige te zijn van dat lijden, dien doodstrijd, dien allerlaatsten, pijnlijken doodsnik en eindelijk haar dierbaren schat te moeien afstaan aan het donkere graf! Toen oiTerdo zij zich zelve met Hem aan den Yader, en, zegt de H. Mechtildis'), «zij toonde toen zulk eene kracht van » geest, dat zij alle moederlijke genegen-»heid overwon; terwijl alle schepsel »teekenen gaf van droefheid bij het »sterven van den Zoon Gods, was zij » alleen onwankelbaar, en bereidvaardig »stemde zij er in toe, dat IJij geofferd » werd voor het heil der wereld.quot; De ; H. Bonavenlura1) voegt daarbij: « dat » zij gaarne alle smarten, die haar Zoon » onderstond (en ach, hoe onbeschrijflijk quot;f »waren die!) zelve zou hebben willen » onderstaan;quot; «ja ,quot; zegt de H. Bernar-dinus van Senen, « duizend en duizend-malen zou zij in plaats van haar Zoon
'V
1
S. Bonav. in I. Sent. Dist. 49. Art. II. Q. 2 in fine.
^___________Mf-___
ZEVENDE DAG. 81
ygt; hebben willen sterven.quot; â Glorierijk sleeg Jesus na veertig dagen ten Hemel; en Maria? In dit tranendal werd zij achtergelaten! Zij verdroeg het; want zij wist, dat de Kerk, die haar Zoon gesticht had en die zijn geheimzinnig lichaam was , hare tegenwoordigheid en hulp nog behoefde, gelijk zijn wezenlijk lichaam die hulp in deze wereld had noodig gehad. Doch waar ter wereld in het Oude ol: Nieuwe Testament eene edelmoedige zelfopoffering te vinden, die deze nabijkomt? Hoe beschamend voor ons, die dikwijls bij het minste ofler, dat God van ons vraagt, lafhartig terugschrikken en Hem weigeren 1 te geven , wat zijn dienst van ons vraagt!
quot;Voornemen.
Bij het doen van mijn plicht, wil ik trachten | niet te zien op de moeilijkheden daaraan verbonden , maar edelmoedig mij zeiven en al het mijne voor God en plicht ten offer brengen.
VOORBEELD (1).
In het leven van den edelen ridder Walter van Bierbeke, die later monnik te Hemmenrode in
1-
1) Boll. torn. 3 pag. 60.
Hquot;-
£$___________
82 ZEVENDE DAG.
Brabant werd en als zalig vereerd wordt, leest men, dat hij, nog in de wereld zijnde, eene groote godsvrucht had tot Maria. Op zekeren dag was hij op weg naar een steekspel. Verscheidene ridders vergezelden hem. Men kwam aan eeue kerk en hij verzocht hen , dat zij met hem daar eene H. Mis zouden hooren. Zij weigerden, vreezende te laat te zullen komen. quot;Walter echter bleef en liet een H. Mis zingen ter eere der H. Maagd. Hij woonde ze bij en reed vei-volgens zijne gezellen achterop. Spoedig ontmoette hij eenige lieden, die terugkeerden van het steekspel. Zijne eerste vraag was: â Is het reeds begonnen ?quot; â Jaquot; was het antwoord. â Wie gedraagt zich het dapperst ?quot; Zij antwoordden ; â Een zeker ridder Walter van Bierbeke , iedereen spreekt van hem en verkondigt zijnen lof.quot; Toen andere lieden, die hem verder tegenkwamen, ook hetzelfde berichtten , was hij uitermate verwonderd en dacht, wat dit beteekenen mocht. Hij kwam eindelijk ter plaatse, wapende zich en reed het strijdperk in ; maar hij deed daar niets buitengewoons. Toen het tournooi geëindigd was, kwamen verscheidene ridders naar hem toe en smeekten, dat hij hen toch genadig zou behandelen. â Waarom vraagt gij mij dat ?quot; zegde Walter. Zij antwoordden : ,, Gij hebt ons heden overwonnen.quot; Walter ontkende zulks; maar zij herhaalden : âWaarlijk, heden zijn wij met u hand-
ZEVENDE DAG.
gemeen geweest; 2110 blazoen hebben wij gezien , uw wapenkreet gehoord quot; Toen erkende de edele ridder, dat dit geschied was door eene gunst van Maria, die hij vereerd had met eene Mis te doen zingen en te hooren. â Wat was er gebeurd ? Terwijl hij achterbleef, zorgde Maria , dat hij in het steekspel waardig vertegenwoordigd was. Door wien ? Door een Engel, of door een Heilige ? Dat is het geheim van Maria.
GEBED.
{II. Ildefonsus. Cap. VII.)
o Maagd, onze Meesteres, overvolle Schat, overladen met zoovele genaden, wees ons gunstig in de behoefle, zacht in de kwellingen, liefderijk in de angsten, bereid en behulpzaam in 't gevaar. Gij zijt de toevlucht der ongelukkigen, de troost van den bedroefde, gij droogt de tranen van den weenende. Ach, het gewicht onzer zonden drukt ons, de stroom onzer driften sleept ons mede, de golven onzer booze lusten overstelpen ons. o Gij, die medelijden hebt met onze ellende, vervul ons met uwe moederlijke vertroostingen. Laat niet toe, dat wij in eeuwige duisternis gedompeld en veroordeeld worden tot de eeuwige straffen. Kom ons in 't benauwdste der uren te hulp, in dat uur vol schrik, dat uur des doods en geleid ons naar de vreugde der heilige verrijzenis en van het licht zonder duisternis. Amen.
88
8é ZEVENDE DAG.
(11. Anselmus t. a. p.J
Gesroct, o gezegende Aarde, waar hei lied weerklinkt, dat in 't land der ballingschap niet mag gezongen worden 1
Achtste Dag.
Maria zocht niet liet aardsche, maar het hemelsche.
Quicrite primum regnum Dei. Zoekt eerst het rijk Gods.
(Luc. XII. 31.)
n
e geest der wereld is door den H. Geest treffend beschreven in hel boek der Wijsheid, waar Hij, die de harten kent, den godde-' looze laat zeggen : « Welaan , laat ons »de tegenwoordige goederen genieten »en de schepselen gebruiken, terwijl » wij nog jong zijn. ... Laat ons met »kostelijken wijn en balsem ons ver-I »zadigen en dat. geen bloem des tijds » ons ontga. Laten wij ons kronen met » rozen , voordat zij verwelken; geen
â S:
3
ACHTSTE DAG.
»bloemhof blijve onbezocht voor onzen
» lust..... laat ons overal de teekenen
» achterlaten van onze weelde, want » zulks is ons deel en ons lot1).quot; «Zingenot en rijkdom,quot; dat is dus de strijdleus , die de wereld in hare vaandels geschreven draagt; zingenot en rijkdom is de breede weg, waarop zich het meestendeel der menschen voortbeweegt; 'tzijn de doeleinden, die zij met een ijver, een betere zaak waardig, najagen tot groot en onherstelbaar nadeel hunner zielen. Vermaken , kleederpracht, kostelijke maaltijden, gemakken , eer en aanzien , ach , hoevelen besteden geheel hun leven aan niets , niets anders, terwijl zij niets meer schijnen te vreezen dan armoede , vernedering en ontbering ! Welk een schitterend voorbeeld van het tegenovergestelde was Maria, ook reeds vóór Jesus Christus de plechtige uitspraak deed : « Zalig zijn de armen van geestzoodat Onze Heer, toen Hij dat woord sprak, niet alleen op zich zeiven had kunnen wijzen als een volmaakt 1) Sap. II, 6 â 8.
86
irquot;
'54*
'i* -yA
ACHTSTE DAG. 87
Voorbeeld dier deugd, maar ook op zijne H. Moeder. Zij verachtte de rijkdommen en gaf blijk van die verachting door vrijwillig den staat van armoede te omhelzen. Vele omstandigheden haars levens doen met grond veronderstellen, dat hare armoede niet gedwongen was of veroorzaakt door den drang der omstandigheden , maar geheel en al vrij-williglijk aanvaard. Zij was immers van koninklijken bloede, en behoorde tot den stam en de familie van Israels grootsten koning: David. Hare ouders, Joachim en Anna , waren , volgens de overlevering,
rijk. Maar aan de H. Brigitta openbaarde Maria : « Van den beginne af »beloofde ik in mijn hart aan God, »nooit iets op deze wereld te zullen 'â «bezitten1).quot;-â Jozef, haar Bruidegom, was een volijverige werkman; een Hei- j lige toch kan men zich niet anders voor- i stellen dan werkzaam; Maria zelve was ; bekwaam in alle vrouwelijke handwer- | ken en oefende die ook werkelijk uit, i zooals de H. Epiphanius uitdrukkelijk i 1) S. Birg. 1. I c. X.
ACHTSTE DAG.
zegt; maar hoe kan nu in een huisgezin, waar man en vrouw ijverig werken en waar geene kinderen zijn of slechts één, hoe kan daar andere dan vrijwillige armoede heerschen ? Waar bleef dan hetgeen zij met werken verdienden ? In de handen der armen , zooals Maria het zelf aan de H, Brigitta openbaarde ; «Jozef en ik, wij gaven alles aan de » noodlijdenden en behielden slechts het »noodzakelijke voor gering voedsel en » schamele kleeding').quot; â
Toen zij voor den Priester verscheen, begeleid door den H. Jozef, dien zij tot Bruidegom had uitgekozen, ziet gij, hoe zij aardsche grootheid met voeten trad ? Eene vrome overlevering verhaalt, dat menig voornaam jongeling met aandrang Maria tot Bruid vroeg; daarbij was zij zelve versierd met alle denkbare gaven naar ziel en lichaam. Had zij dus niet eene verbintenis kunnen aangaan, die men in de wereld schitterend zou genoemd hebben? Maar Maria gaf haar woord aan Jozef; zij 1) Ibid. 1. VU. c. 25.
n
5^quot;--------amp; Si
T
ACHTSTE DAU.
89
'Ui
legde hare teedere hand in de vereelte hand van eenen nederigen handwerksman 1... Konden de wanden van den stal te Bethlehem eens spreken , wat zouden zij ons veel kunnen verhalen van Maria's armoede! Daar was te Bethlehem in de herberg plaats voor dieven, moordenaars en ontuchtigen, -fquot; maar niet voor de eeuwig gezegende, allerreinste Maagd Maria. Zij leed het in ootmoed en legde haar Kind, gewikkeld in doeken, op de harde kribbe. Doch waar zal zij zelve den nacht doorbrengen ? Een bed is er in dien stal niet, ook geene gemakkelijke meubelen , zoodat wij â o armoede van Maria ! â ons moeten verbeelden , dat zij , de allerzaligste, op een weinig stroo in een hoek van den stal hare maagdelijke leden ter ruste zal hebben neergelegd ! o Nederigheid ! o Onbeschrijfelijke ontbering! Arm wilde Maria te Jeruzalem verschijnen , waar zij de offergift der armsten aanbood; arm was zij op hare vlucht naar Egypte; arm in dat vreemde land, arm te Nazareth, arm
Jpt
â ]*
90 ACHTSTE DAG.
geheel haar leven lang! Haar Zoon had geen steen om zijn hoofd op te laten rusten , en zou de Moeder gehad hebben , wat de Zoon miste?
Gelijk de rijkdommen , zoo verachtte zij eer en aanzien der menschen. Verkondigde zij misschien aan hare stam- of landgenooten, tot welk eene |' waardigheid God haar had uitgekozen met haar een Aartsengel te zenden en
tot Moeder Gods te verheffen .....
De H. Jozef zelf vernam het niet van haar, maar een Engel moest het hem komen mededeelen , daar Maria gezwegen zou hebben , om alle eer te ontvluchten ! Zien wij haar op den Thabor bij Jesus' verheerlijking, ofwel bij zijn luisterrijken intocht binnen Jeruzalem ? Neen. â Waar zien wij haar ? Op den kruisweg, op Calvarië; daar deelt zij in de verachting, die haar Zoon ondervindt! â Hoe beschouwde zij de vermaken en vreugden der wereld ? Eéns slechts in geheel haar leven vinden wij haar op eene bruiloft. En wie zegt ons, of aij daartoe niet door omstandigheden
â^Tquot;
ACHTSTE DAG. 91
van familie of vriendschap gedwongen was ? Maar dan was het nog bij zoo arme lieden, dat zij zelfs geen voldoenden maaltijd konden aanrechten. â Hoe waren hare kleederen ? De H. Schrift zegt het ons niet; maar uit de omstandigheid, dat Maria haar Kind in de kribbe legde, om het door den adem der dieren te doen verwarmen , besluit de H. Vincentius Ferrerius'), dat hare kleeding schamel moet geweest zijn; anders toch, zegt hij , zou Maria het Kind aan haar hart verwarmd hebben; maar zij bezat geen warme kleederen, zoodat zij zelve, â och arme ! â van koude verkleumd was. Diezelfde Heilige zegt nog, dat Maria zich niet bekommerde om versierselen, een zwak, waaraan haar geslacht zoozeer onderhevig is; neen , Maria zocht niet de schoonheid des lichaums, die voorbijgaat, maar de duurzame schoonlieid dei-ziel , gedachtig aan hel woord des H. Geestes in het boek der Spreuken : « Vele » dochteren hebben schatten vergaderd , » maar gij /ofschoon nederig en arm) 1) In Serm. de Nat.
93 ACHTSTE DAG.
ygt; gij overtreft ze allen. Bevalligheid is »bedrieglijk en schoonheid eene ijdel-» heid; maar eene vrouw die den Heer » vreest, die is lofwaardig1).quot; De vrees des Heeren , de eer des Allerhoogsten , ja, die zocht Maria, die prentte zij den eersten Christenen in ; en dat onder dezen alle goederen gemeen waren en de geest, van armoede bloeide , dit zal wel groo-tendeels het gevolg geweest zijn van Maria's woord en voorbeeld , waarmede zij deze leering des Heeren verklaarde; « Zoekt eerst het rijk Gods en zijne ge-»rechtigheid en 't overige zal u toege-»worpen worden2)!quot; o Voorbeeld van Maria, hoe roept gij ons toe, onze harten van 't aardsche te onthechten en naar 't hemelsche te richten !
quot;Voorn em on.
Dikwijls met den H. Ignatius (en ongetwijfeld ook met Maria) zeggen en beoefenen : Hoe walgt mij de aarde, als ik den Hemel beschouw !
1
Spr. XXXT , 30.
2
! 2) Mt. VI, 33.
93
âèL,-------
ACHTSIE DAG.
VOORBEELD (1).
De H. Gregoiius de Groote verhaalt ons het volgende: Musa was eene jeugdige maagd. Zij beminde spel eti verstrooiing en al de beuzelarijen van haar geslacht en leeftijd. Op zekeren nacht, terwijl alles doodstil was, verscheen haar Maria, omringd van talrijke maagden, die zoo oud schenen als Musa. Allen schitterden van schoonheid en zoo gaarne zou Musa zich bij haar ? aangesloten hebben ; zij durfde dit nochtans niet ! zeggen. Toen vroeg haar Maria met de teederste liefde , of zij ook gaarne deel zou uitmaken van den maagdenstoet, óie haar diende, âo Ja, o ja, âzeer gaarne,quot; riep Musa nu uit. âMaar, dan â moet gij uw leven veranderen, ernstiger worden â en al die nietswaardige beuzelingen laten varen. â Doe zulks en na dertig dagen zult gij worden âtoegelaten bij mijne uitverkorene dienaressen.quot; Musa ontwaakte en begon aanstonds uit te voeren, wat Maria haar gezegd had; zij werd een geheel - andere dochter. Zoo lichtzinnig als zij te voren -was, zoo ernstig werd zij nu, tot groote verbazing harer ouders, die zich wel wachtten zulk eene j loffelijke gesteltenis tegen te werken. Den der- ; ligsten dag overviel haar eene doodelijke ziekte. | Maria verscheen wederom. Dezelfde maagden omringden haar ook nu. Zij riep Musa tot zich j en deze, den laatsten snik gevend, riep uit: !
1) Dial. lib. IV., cap. XVII.
94
âHier ben ik, o mijne Koningin, ik volgn, hier ben ik, ik kom.', En hare ziel vloog opwaarts uit haar maagdelijk lichaam en voegde zich bij het koor der maagden, om voor eeuwig Christus' en Maria's lof te zingen.
GEBED.
(H. lldefonsus. Cap. VIII.)
o Maria, Toevlucht der armen en zoete verkwikking voor al wie lijdt, aller oogen zijn met vertrouwen op u gevestigd 1 Verlos ons van de verderfelijke kwalen, die wij lijden ; gij toch hebt rijke hulpbronnen ten dienste van allen , die gij helpen wilt! Blijf met ons, o Maagd, want het wordt avond. Verlos ons van de duisternis en schaduwen des doods. Geleid ons tot de glorie der gelukzalige onsterfelijkheid. Amen.
{II. Anselmus. t. a. p.)
Gegroet, o maagdelijke Aarde 1 Midden in u heeft God, in den persoon zijns Zoons, de grootste wonderen gewerkt.
Negende Dag.
Maria, yoorbeeld yan Zuiverlieid.
Sicut lilium inter spinas. Gij 2ijt als een lelie onder de doornen. (Cant. II)
zou niet huiveren, als hij de /£0^ maagdclij kc Zuiverheid van Maria moet bespreken ? Vooral hiervan is het, dal de H. Bernardus zegt, dat hem niets meer afschrikt en tegelijk hem niets meer aantrekt, dan over Maria te spreken. Gelijk de zou schoon en prachtig is, maar juist door haren glans ons belet ze te aanschouwen, zoo is de glans van Maria's zuiverheid heerlijk, maar juist die glans is oorzaak, dat we er nooit genoeg van zeggen kunnen, ja, wat wij er ook van zeggen of niet, al
-m.
NEGENDE DAG.
96
%
n.
spraken wij de cc talen van Engelen en menschen,quot; het zal altijd te weinig zijn. o Zuiverheid van Maria! o Lichtkrans, die haar hoofd omstraalt! Zie, pas heeft zij eenige schreden gedaan op het pad van haar aardsche leven, pas bereikt, zij haar derde jaar, of reeds verschijnt zij voor den Heer, in hare teedere handen eene gave dragend, die niemand nog vóór haar den Heere gebracht had, namelijk; de belofte van maagdelijke zuiverheid, haar door den H. Geest ingegeven'). Ja, de H. Thomas van Aquine aarzelt niet te zeggen , dat zij reeds op het eerste oogenblik, waarop zij het gebruik van haar verstand bezat, met een vasten en onveranderlijken wil besloot die gelofte af te leggen 2).
Wie zal de schoone lofprijzingen opnoemen , waarmede de HH. Vaders en Kerkleeraars die zuiverheid van Maria hebben verheven ? Boekdeeien zouden
1) S. Alph. in Festo Prasent;. S. Ildeph. | senn. V de Assumpt.
2) S. Thorn, in 3 P. Q. 38. Item Suarez | torn. II. in 3 part. Disp. 6.
-sr-
NEGENDE DAG. 97
daarmede gevuid kunnen worden en zijn er mede gevuld. De eene H. Vader drukt zich al sterker uit dan de andere en te zamen vormen zij een heerlijk koor, dat de zuiverheid van Maria bezingt; zij gelijken een machtig orgel, dat, alhoewel uit vele pijpen van verschillenden toon en kracht bestaande, den lof van Maria's zuiverheid door de gewelven der Kerk doet weergalmen. Hoort den H. Antoninus : « Maria overtreft zelfs de Engelen » in zuiverheid , daar deze geesten zijn ; » hare zuiverheid is edeler , verdienste-»lijker en roemrijker; want de Engelen » zijn van nature zonder lichaam ; hunne » zuiverheid dus is een noodzakelijke toe-» stand hunner natuur; in Maria echter »is de zuiverheid, naar ziel en lichaam, » geheel en al vrijwillig.quot;
Hoort den H. Thomas, die zegt, dat in den Hemel geen zuiverheid zoo heerlijk gekroond is als die van Maria. Hoort de Bruid van Christus, de H. Kerk; zij, die anders onuitputtelijk is in lofzangen ter eere van Maria, kan nu geene bewoordingen vinden om die zuiverheid te
_______^________
98 negende dag.
prijzen , en , als buiten zich zelve van bewondering , roept zij uit: « o Heilige »en onbevlekte maagdom , met welke »lofzangen ik u verheffen zal, waarlijk, »dat weet ik niet1);quot; want voor dien maagdom , voor die zuiverheid staat alle verstand stil! Wien zal het ongeloofelijk voorkomen, wat vele HH. Kerkvaders uit de eerste eeuwen verhalen , dat Maria, om hare zuiverheid dagelijks door Engelen bezocht werd, ja, dat een Engel Gods haar dagelijks spijze bracht in den tempel ? «Enquot; â zoo voegt de H. Georgius van Nicomedië daarbij â « zij was waardig » niet slechts door één Engel, maar door »tienmaal duizend Engelen gediend te » worden3).quot;
Maria omringde hare zuiverheid , vol-gens den raad , dien de H. Geest in de Scbriltuur geeft, met eene haag van waakzaamheid en gebed en rondom dezelve plaatste zij nog de zedigheid en de matigheid als een muur. «Meer dan
1) Id off. B. M. V. per annum.
4
4
2) S. Gcorg. Orat. de oblat. Virg.; item S. Germ. Cpl. de oblat. Virg.
^ ^----------^
_____________ _____
NEGENDE DAG. 99 !
» eenig mensch het, vermag,quot; zegt de H. Joannes Chrysosóomus, « beoefende zij de «zedigheid en de matigheid1).quot; Zedig was zij in hare oogen, die zij zelden opsloeg of op anderen vestigde; zedig in hare bewegingen en handelingen, in hare kleeding vooral, die, zooals de H. Joannes Damascenus getuigt, te kennen gaf, dat zij de weekheid en weelde met voeten trad2); zedig in hare geheele levenswijze, welke allen, die ze gadesloegen , met bewondering vervulde. Zedig was zij in gezelschap van anderen, even zedig wanneer zij alleen was, en die zedigheid gaf aan haar gelaat zulk eene uitdrukking van hemeische schoonheid, dat de H. Dionysius de Areopagiet getuigt: « Ik heb » Maria gezien , maar hadde ik niet ge-» weten , dat Christus alleen de Godde-»lijke eer en aanbidding verdient, ik zou » mij voor haar hebben neergeworpen en » haar als eene Godin hebben aanbeden.quot; Welk eene les voor hen , die meenen, dat alleen schoonheid des lichaams, ver-
1) S. Joes Chr. Hom. in Dui Ilyp.
2) S. Joes Dam. orat. I de Nativ.
NEGENDE DAG.
100
hoogd door ijdele kleederpracht, hen in aanzien doet stijgen en daarom die verhevene schoonheid der ziel, die bekoorlijke zedigheid verwaarloozen , niet bedenkende, dat zedige eenvoud veel meer bekoorlijkheid geeft aan de jeugd en veel meer eerbiedwaardigheid aan den ouderdom , dan de schoonste kleederen en de schitterendste eigenschappen van geest en lichaam ! « Wie Maria beschouwde,quot; zegt Dionysius de Karthuizer'), «voelde » in zich eene groote liefde tot de schoon-» ste der deugden ontwaken.quot; Haar leven was een voortdurend voorbeeld, hoe ieder kind van Maria de H. Deugd van Zuiverheid moet beoefenen en bewaren. « Dank »aan God in den hooge,quot; zegt de H. Alphonsus, « eeuwige dank, dat Hij ons » in Maria zulk een voorbeeld geschonken ygt; heeft!quot; Maar waartoe zal ons dit voorbeeld dienen ? Misschien tot onze groo-tere veroordeeling voor den rechterstoel Gods ? Dat verhoede Maria ! Maar laat ons dan ook die deugd beoefenen, gelijk zij ze beoefend heeft, dan zal zij ons 1) Dion. Carth. lib. I de laud. Virg.
101
liefhebben en beschermen , want, zegt de H. Joannes Damascenus'): «Maria » haat de onzuiverheid ; maar even fel, »als zij die ondeugd haat, even feeder »bemint zij de zuivere zielen.quot; Wij mogen dus in bekoring en strijd op haren bijsland rekenen, en als zij met ons is, wie zal dan tegen ons zijn? «o Gij »kuische zielen, vlucht dan allen tot » Maria; zij zal door hare bescherming » u dien allerschoonsten en allerkoslbaar-» sten schat der zuiverheid bewaren1)!quot;
quot;Voornemens.
1° Aan Maria ziel en lichaam toewijden , opdat zij ze in reinheid en zuiverheid beware.
2° Nooit of nimmer des morgens en des avonds de 3 weesgegroetjes ter eere harer zuiverheid vergeten.
VOORBEELD. (3.)
Ofschoon de H. Raymundus Nonnatus van hoogadellijke geboorte was, hoedde hij toch in zijne jeugd de schapen. Aan den voet van eenen berg,
1
S. Joes Chrys. Serm. de B. M. V.
NEGENDE DAG.
102
waarheen hij gewoonlijk zijne kudde dreef, stond een klein kapelletje en een beeld der allerh. Maagd Maria. Op zekeren dag kwam een vreemde herder tot hein. Nooit had Raymundns hem gezien. Met de grootste vriendelijkheid en onder duizend beleefde plichtplegingen groette hij Raymundns ; hij zeide , dat hij de adellijke afkomst van Raymundns kende , en prees hoogelijk zijne ootmoedigheid , dewijl hij een zoo nederig herdersleven wilde leiden , ofschoon hij toch door zijne wetenschap en geleerdheid in de wereld kon schitteren. â Daarenboven zegde hij , â het herdersleven â heeft zijne eigenaardige gevaren ; duizenderlei â zondige gedachten komen daarbij in den geest â op en men is beroofd van alle geestelijke en â lichamelijke hulp.quot; Raymundns stond verbaasd over die taal, die ten doel had hem te misleiden De herder sprak voort en mengde eindelijk eenige dubbelzinnige en onkuische woorden onder zijne vermaningen. Het werd Raymundns bang om het hart. Hij keert zich om naar het beeld van Maria en roept tot zijne goede Moeder : âMaria, sta mij bij !quot; Nauwelijks had de vreemde herder den naam van Maria gehoord, of hij slaakte een gil en verdween in een zwarten rookwalm , die de lucht rondom verpestte. Raymundns bemerkte, dat de duivel hom in zichtbare gedaante bekoord had. Vol dankbaarheid viel hij toen ter aarde neder voor het beeld der H. Maagd, dankte haar met groote vurigheid, wijdde zich opnieuw
____--------------42£
NEGENDE DAG. 103
aan haren dieust ea smeekte haai', dat zij hem toch altijd zou blijven bedekken met, den mantel harer moederlijke bescherming.
GEBED.
CH. lldefonsus. Cap. 1X.J
Gelukzalige Maagd, Moeder van God en der menschen , eer en roem van ons geslacht, gij , '-y heiliger dan de Heiligen, schitterender dan de heerlijkste schepselen, wie kan u naar waarde prijzen ? Wie kan u waardige lofzangen aanbieden ? 'Sedert gij waardig bevonden werdt, om God ter wereld te brengen, Hem op uwen heiligen schoot te voeden, is ons heil in uwe handen, o onze Meesteres. Uw barmhartig oog gewaardige zich ons enkel aan te zien en zonder vreeze zullen wij den Heer dienen , den eeuwigen Koning en zijne gezegende Moeder. Hoor dan onze bede, o glorierijke Koningin, die leeft en heerscht met God, en .v voor eeuwig zetelt in do onmiddellijke nabijheid
van den troon der opperste Majesteit. Amen. '
{11. Anselmus.)
Gegroet, o hemelsche Lelie ; de eenige Bloem, die gij voortbracht, heeft den kinderen Gods een â seuwisr vredeverbond bezorgd.
Tiende Dag,
Maria, een yoorbeeld Tan Gebed.
V
T
Dirigatur oratio mea sicut incensum. Mijn gebed stijge op als een wierook.
fPs. 40. 2 J
t.
}idden is de kunst der Heiligen. ^quot;Hoe verder iemand in deugd gevorderd is, hoe beter hij zich kan onderhouden met God. Maar wat dan te zeggen van Maria's gebed, dat zij stortte van op het eerste oogenblik van haar bestaan ? 't Verwondert niemand , den H. Anselmus te hooren zeggen : « dat Maria's geliefkoosde bezigheid het » gebed was1)quot; en niemand zal er eenige zwarigheid in vinden den E. Hieronymus te gelooven, wanneer hij verhaalt, dat
1
S. Anselmus, Lib. de forma et morib. Virg.
TIENDE DAG. 105-
Maria, alreeds tijdens haar verblijf in den tempel, zizh 's morgens drie uren bezig hield met het gebed en eveneens drie uren des avonds, behalve dat haar hart nog aanhondend onder hare bezigheden ten Hemel sleeg en daar God aanbad en bedankte')! En waarom bad Maria zoo lang en zoo vurig ? Dat, open-, baarde zij zelve aan de H. Elizabeth van Thuringen, zooa!s de H. Bonaventura2) ons meedeelt, cc Toen ik in den tempel » leefdezegt zij , « stond ik altijd des » middernacht s op en bad vurig, dat s God mij zou verleenen, gestadig al de » voorschiften zijner Wet te volbrengen, »en dat Hij mij al de noodige genaden »zou gelieven te schenken, om mij »meer en meer aangenaam te maken , » in zijn oogen.quot; Zullen ook al de vurige verzuchtingen der HH. Oudvaders in haar, die de Koningin der Oudvaders was, niet een weerklank gevonden hebbed ? « Dauwt, hemelen , den Recht-» vaardige van boven en gij , o wolken ,
1) S. Hier. de ortu Virg.
2) S. Bonaventura, Med. Vitrc Chri. Cap. IIL.
%â ------------------^---
106 TIENDE DAG.
» zendt ons den Gerechte !quot; « Zend , o » Heer, Dien Gij zenden zult, het Lam, d dat de wereld beheerschen zal.quot; Zoo verzuchtten de HH. Patriarchen, en wie kan zich Maria, in den tempel biddende, anders voorstellen, dan met diezelfde verzuchtingen in het hart en op de lip-pen? «O,quot; zegt de H. Bernardinusvan l* Senen'), « het is ons niet mogelijk te » verklaren, met welk een brandend ver-» langen zij lot den hemel verzuchtte , » om de spoedige komst van den Zalig-» maker te verwerven.quot;
En toen eindelijk dat Lam gekomen was en haar had uitgekozen tot zijn zetel en woonplaats, toen zij Het eindelijk aan haar hart mocht drukken, ;.q zich zelve, â⢠o wonder! â Moeder noemen kon van God en aan de wereld den langverwachten Verlosser mocht aanbieden, toen veranderde haar smeekgebed in een jubelend danklied, waarvan zij ons slechts enkele klanken liet hooren in haar verrukkelijk Magnificat ; maar haar hart â was steeds vol van zulke gebeden. «En
1) S. Bern. Sen. Serm. de Cone. Art. I. Cap. Ill.
^----------
________^_______
TIENDE DAG. 107
4
» Maria overdacht al deze dingen in haar » hartzegt de Evangelist, en â zoo mogen wij er bij voegen â zij maakte daarvan de stof van haar gebed. Want, als zij dat Kind, gewikkeld in arme doeken en liggend in eene kribbe beschouwde en daarbij overwoog, dat datzelfde Kind haar God en Schepper was, die de Hemelen met zijne tegenwoordigheid vervult en de aarde gebruikt als eene voetbank zijner voeten , dan aanbad zij God, dan vernederde zij zich zelve, dan dankte zij God voor de gave van zijn eenigen Zoon, dan droeg zij Dezen op aan den Vader voor het heil der zondige wereld.
Zoo gij ooit goed bidden kunt, is het niet dan, wanneer gij in diep eerbiedige houding terugkeert van de Tafel des Hee-ren , waar gij Jesus Christus ontvangen hebt? Dan dwingt u de tegenwoordigheid van zulk een Gast tot eerbied , en onwillekeurig sluit gij de oogen , vouwt
de handen of bedekt uw aangezicht en.....
gij bidt vuriger dan ooit. Welnu , dien God had Maria altijd zichtbaar bij zich;
V
--
TIENDE DAG.
haar blik ontmoette steeds den zijnen ; haar allerlevendigst geloof was oorzaak , dat uit haar hart voortdurend tot Hem de vurigste gebeden opstegen , gebeden van lofprijzing, van dankzegging, van smeeking voor ons heil en dat van alle i mensehen.
De H. Bonavenlura1) zegt: «De H. ; n Maagd heeft ons een voorbeeld gegeven »van volhardende standvastigheid in » het gebed, een voorbeeld, dat wij moe-» ten navolgen.quot; Had die Heilige , toen hij die woorden schreef, niet de plaats voor den geest uit de Handelingen der Apostelen, waar geschreven staat: «Deze » allen waren volhardende in het gebed » met de vrouwen en Maria, de Moeder » van Jesus ?quot;
Tien dagen bad zij aan het, hoofd der HH. Vrouwen en bereidde zich alzoo op de komst des H. Geestes. Na die komst ziet de H. Hieronymus2) en geheel de christelijke Overlevering haar niet anders^ dan al biddend en overwegend, de plaat-
1) S. Bonav. Tu spcc. Cap. IV.
2) S. Hicron. de Assumpt. Virg. M. 13.
108
TIENDE DAG. 109
sen des lijdens bezoekende. Wij kunnen het ons gemakkelijker verbeelden , dan het beschrijven , welk een wierook van hemelsch gebed uit haar hart opsteeg, als zij Calvarië en het H. Graf bezocht of als zij in de zaal des laatsten Avond-maals (de dagelij ksche vergaderplaats der geloovigen) het Onbloedig Offer bijwoonde , dat de eerste Paus, de H. Petrus , daar dikwijls opdroeg. En als bij het «breken des Broods,quot; de H. Petrus het Lichaam des Heeren nam en het ten spijze overreikte aan Maria en zij Hem nu onzichtbaar ontving, dien zij eenmaal wonderbaar van den H. Geest ontvangen had, God! wie beschrijft dan haar gebed, hare vurigheid, hare liefde, haar duizendmaal herhaald Magnificat?
Och, of een duizendste gedeelte van dien geest des gebeds aan ons gegeven werd ! Och, of wij iets gevoelden van dat vuur, dat Maria verteerde, en haar leven tot aan haar gelukzaligen dood, tot eene nooit onderbroken oefening van het verhevenste gebed maakte. O Maria, verkrijg ons die gunst!
-J.
____________
I 110 TIENDE DAG.
\' oor n ('in ens.
1° la navolging van Maria zal ik het gebed trachten te beminnen en ik wil hare voorspraak inroepen om het goed te verrichten.
2° Haar vragen een levendige godsvrucht jegens het H. Sacrament.
VOORBEELD. (1).
*4
Te Soissons in Frankrijk leefde in de 8ste eeuw een vroom dienaar van Maria, Leodardus genaamd. Hij had zijn verblijf in een klooster, 't welk was toegewijd aan de H. Maagd ; daar oefende hij de nederige en moeitevolle bediening van bakker des kloosters uit. Zijne bezigheden mochten al veelvuldig zijn , nooit konden zij hem van het gebed aftrekken, want bidden was zijn lust en zijn leven. Soms gebeurde het, dat hij in het vroege morgenuur het brood in den oven moest doen; maar .. dan hoorde bij de klok luiden voor de H. Mis i V en zulk een verlangen om die te hooren greep quot; hem dap aan, dat hij in zijne eenvoudigheid zich voor een beeld van Maria op de knieën wierp , haar zijn werk aanbeval en haar bad , dat zij , terwijl hij Mis hoorde, hare Engelen zou zenden om voor het bakken van het brood te zorgen. Nooit stelde Maria die allereenvoudigste bede te ;
1) Boll, in Vita S. Leodardi; ex Breviario i Suessionensi ; tom. 60, pag. 641.
---------------it
___________
TIENDE DAG. Ill
leur. Als hij zich verwijderde, daalde de H. Maagd, gevolgd door eeoe menigte Engelen neder, en met hare eigene handenen geholpen door hare dienende geesten, schoot die beminnelijke Moeder het brood in den oven. Nog lang nadien vertoonde men te Soissons op de plaats zelve der bakkerij een schilderstuk, dit groote wonder voorstellende.
GEBED.
(11. lldefonsus. Cap. X.)
o Maria, uwe maagdelijke zuiverheid verkrijge mij de zuiverheid des harten ; uwe vruchtbaarheid geve mij het sieraad aller deugden ; uwe ootmoedigheid doode mijn hoogmoed ; uwe godsvrucht make mij vroom en zacht: uwe heiligheid bezorge mij den geest van boetvaardigheid. Dat ik door uwe goedheid de eeuwige glorie waardig worde , na gedurende geheel mijn leven innig aan uw dienst verkleefd te zijn geweest. Het lichaam wordt door wreede kwellingen bezocht; onophoudelijke bekoringen putten de krachten mijner ziel uit en in den strijd gaan vreugde des harten en innerlijke vertroosting verloren, o H. Koningin der Maagden , geef ons troost, breng ons hulp , hoor de kreten , die wij slaken , zie onze tranen, en blijf bij ons, o onze Meesteres, opdat wij, omringd van duisternissen, niet bezwijken in de zonde en gelijk worden aan de onreine dieren, o Eerbiedwaardige Vrouwe, Maagd zonder vlek
^ ....... ........ -fe
2
112 TIENDE DAG.
â¢en iu den Hemel met glovie gekroond om uw wonderbaar Moederschap , maak mijne ziel, die vol droefheid uwe hulp inroept, zacht en uederig en zuiver. Ach , dat ik toch door een dood vol berouw en godsvrucht, gerake tot het glorievolle, heerlijke leven en daar bloeie , voor altijd behoed voor gevaar. Amen.
(II. Anselmus.)
Gegroet, o H. Sion. Van uwe hoogten uit beschermt ons de menschgewoiden God en neemt Hij onze offers genadig aan I
Elfde Dag.
Maria, een yoorbeeld in het Teracliten van het inenschelijk opzicht.
Non respicis personam homi-num.
Gij let niet op den persoon der menschen.
(Mt. XXIl. GIJ
.et menschelijk opzicht met voeten treden , wat is dat ? Dat is voor plicht en geweten uitkomen, zonder zich te storen aan 't geen de menschen zullen zeggen of denken ; dat is trachten aan God te behagen zonder vrees van aan de menschen te mishagen ; eene deugd, in een woord, die onder de menschen zeldzaam is. Bezat de H. Maagd deze deugd ? Gratia plena, [ vol genade is zij ; dus ook deze genade
8
114
^L
ELFDE DAG.
mag haar niet ontbreken. Zien wij, in hoeverre zij die deugd beoefend heeft.
Van Christus, haren Zoon, legden zelfs de Pharizeërs, zijne vijanden, deze loffelijke getuigenis af: «Meester, wij weten, dat Gij niet let op den persoon der menschen , en dat Gij U aan niemand stoort.quot; Diezelfde getuigenis willen wij , Maria's vrienden en dienaren , neerleggen aan hare voeten; want ook op haar, als de volmaakte navolgster van Jesus, zijn deze woorden van volle toepassing.
Nauwelijks was Maria in den tempel, of zij nam daar het besluit en bevestigde het met eene belofte aan God, van altijd te zullen leven in volmaakte zuiverheid en nooit een aardschen bruidegom te zullen kiezen, 't Is mogelijk, dat deze gelofte van Maria eenigen tijd geheim was, maar een geheim blijven kon zij niet. De tijd zou aanbreken, dat men haar, evenals alle Joodsche maagden, ten huwelijk geven zou, en wat zou men dan zeggen van hare belofv.e ? Tot daii toe was de maagdelijke staat ongekend
115
ELFDE DAG.
en ongeëerd in Israël; vooral werd het aangezien als eene groote oneer, kinderloos te blijven. Geen der heilige vrouwen uit het oude Testament, geen Sara, Rebecca, Rachel, Esther of Judith hadden geleefd buiten het huwelijk; en moest nu deze jonge Maagd eene levenswijze gaan omhelzen, die nog niemand vóór haar omhelsd had ? Zoo zal men rondom haar, misschien tot haar gesproken hebben; de eenen , denkelijk, keurden haar besluit goed ; anderen keurden het onvoorwaardelijk af; weer anderen wisten niet wat te denken ; en Maria ? Zij kende het welbehagen Gods ; zij wist, dat zij aan God een aangenaam offer bracht, en nu mochten de menschen zeggen of denken , wat zij wilden , zij , zij bracht haar ofl'er; zij zocht het welbehagen Gods , gelijk eene kompasnaald altijd het Noorden zoekt, wat stormen haar daar ook van trachten af te brengen.
Nadat de Engel aan Maria de blijde Boodschap gebracht had, begaf zij zich naar hare nicht Elisabeth, om haar met veel liefde te dienen. Wat moesten de
.r«
j/lt;
116
gt;1'
*gt; Wj
ELFDE DAG.
--1
menschen hier wederom van denken? Dat Elisabeth de meerdere, Maria de | mindere was; Elisabeth toch werd door i Maria gediend. Wie was nochtans de meerdere ? Maria; o ja , ver , zeer ver was zij boven Elisabeth verheven; want hoe heilig Elisabeth ook was, Maria overtrof haar in heiligheid en genade verre ; Elisabeth zou moeder worden van den Voorlooper des Heeren , Maria van den Heer der Hemelen zeiven. Maar wat maakte Maria er uit, wat de menschen van haar dachten ? Zij meende die liefdediensten aan God en aan Elisabeth verschuldigd te zijn, en nu bewees zij die diensten drie maanden lang en ja, veel langer zou zij ze met alle liefde bewezen hebben, als zulks Gods welbehagen geweest ware!
De dag der opdracht in den tempel naderde. Zal Maria zich naar den tempel begeven en zich daar aan de wet der zuivering onderwerpen ? Welke gevolgen zal dit voor haar hebben ? Zal iedereen, die haar in den tempel naar het altaar ziet gaan , dragend een kind
I
#----------Ttf------
117
_iâ
y
tLFDE DAG.
en een geringe offergift, niet zeggen: « Zie, daar gaat eene moeder, zooals » er dagelijks vele in den tempel komen; » zij is onderworpen aan de wet der zui-»vering en zij is verplicht haar kind » vrij fe koopen ?quot; Eti wat blijft er dan in 't oon' der menschen van haar aller-reinsten Maagdom? Wat van de Goddelijkheid van haar Kind , 't welk geene vrijkooping noodig had ?
Aarzelde Maria voor die bedenkingen ? Geen oogenblik! Zij meende dit voorbeeld van onderwerping aan de wet verschuldigd te zijn aan andere moeders, en nu mocht al iedereen haar houden voor eene gewone moeder, welke zuivering behoefde, en haar Zoon voor een gewoon kind, dat vrijgekocht moest worden , Maria meende Gods welbehagen te kennen en niets kon haar nu terughouden om dienovereenkomstig fe handelen.
De dag van 's Heeren lijden kwam. Mocht Maria, die teedere Moeder , ontbreken aan de zijde van haar Zoon op een oogenblik , dat haar moederlijk bij-
Mt
â¢jvt
f-
y
ELFDE DAG.
zijn Hem zooveel troost kon verschaffen? Zie haar, hoe zij door de dichte menigte dringt, die Jesus op zijn kruisweg begeleidt. Men vraagt zich af; wie is die vrouw ? En , o , wat beleedigende antwoorden zal zij toen hebben moeten hooren! Zij dringt door de beulen, die haar tegenhouden en schelden, en ten aanschouwe van geheel die vijandige menigte, werpt zij zich om Jesus' hals cn aarzelt niet, dengene voor haren zoon te erkennen, die door geheel die menigte beschouwd en veroordeeld wordt als een misdadiger en oproermaker. Daar werd moed toe vereischt en menige moeder zoude zich door menschenvrees hebben laten terughouden; maar Maria had in den blik van Jesus gelezen, dat dit bewijs van liefde Hem aangenaam zou zijn, en wat of wie zou haar nu hebben kunnen tegenhouden ?
Haar Zoon hing aan hel. kruis , tus-schen twee moordenaars. Jesus had haar nog een laatste woord te zeggen. Waar bevindt zich Maria'? Aan den voet
118
5$
119
.^L
ELFDE DAG.
van het kruis. Maar ziet zij dan niet, dat geheel .Temzalem , vorsten en volk , priesters en schriflgeleerden, al de natiën der wereld, die toen in Jeruzalem waren, haar verachtten en hoonden als de moeder van een boosdoener? Ja, Maria wist het en. zij zal het ook wel gehoord hebben aan de schimpwoorden, waarmede beul en Pharizeer haar en Jesus overlaadden ; maar ... Jesus verlangde haar in dat allerplechtigst oogenblik aan zijne zijde, en al hadde zich de geheele wereld daartegen verzet , zij zou alle menschen-vrees veracht hebben , om daar te zijn , waar moederplicht haar riep !. ...
o God , wat voorbeeld voor ons ! o Laffe menschenvrees, waaraan wij lijden ! Een woord, eene minachting, een spotlach is genoeg, om ons onze duurste plichten te doen overtreden , om ons God en ons geweten te doen verraden! o Maria, genees ons door uw voorbeeld en uw gebed ! Wel is de ziekte diep , diep ingeworteld, maar des te meer glorie zal u toekomen van onze senezing !
â l^
% i %ï'~
w
120 ELFDE DAG.
quot;Voornem on.
Ik zal met 's Heeren en Maria's hulp trachten te doen, wat plicht en geweten mij voorschrijven, wat dan ook de meuschen mogen zeggen of denken,
VOORBEELD (1).
't Is Maria zeer aangenaam , dat hare dienaren j haar navolgen in 't verachten van het mensche- ! lijk opzicht. Dit toonde zij wonderbaar aan den H. Joannes Damascenus. Deze groote man , nog bestuurder van Damascus zijnde, had als een dapper strijder met het zwaard zijner pen, de leer der Kerk verdedigd en zelfs vrijmoedig aan keizer Leo, den Isauriër, in verschillende brieven onder het oog gebracht, hoe verkeerd hij handelde met de leer der Kerk te bestrijden. Dit was oorzaak , dat hem tot straf de rechterhand werd afgekapt ; deze hand werd tot afschrikking van anderen op de markt ten toon gehangen. Joannes leed intusschen vreeselijk. Hij verzocht des avonds zijne hand terug, om ze ter aarde te bestellen. Zij werd hem gegeven en hij begaf er zich mede naar zijne kapel , viel daar neder voor een beeld van Maria en bracht zijne afgekapte hand aan den doorgesneden pols , terwijl hij vurig bad : âo âDierbare Moeder, gij weet, waarom ik mijne
1) Bolland, in vita S. Jois Dam. tom. 15 p. 114.
â ^4
ELFDE DAG.
121
m
m
â hand verloren heb , verkrijg mij , dat uw lieve â Zoon ze geneze , opdat zij tot zijnen en uweu â lof nog veel kunne schrijven. O, wat gij wilt, â dat kunt gij ook , want gij zijt Moeder van â God.quot; Joannes weende en viel in slaap. Toen zag hij , dat Maria's beeltenis zich medelijdend en lieftallig tot hem keerde en hij hoorde haar zeggen : â Zie , uwe hand is genezen ; houd niet â op ze te gebruiken gelijk gij beloofd hebt en â maak haar als de stift eeus snellen schrijvers.quot; Hij ontwaakt, beziet zijne hand, en haar genezen ziende, barst hij uit in luide lofzangen ter eere van haar, die machtig is en zoo groote dingen aan hem gedaan had. Geheel dien nacht bracht hij over met God en Maria te prijzen in nieuwe en schoone gezangen. Ter gedachtenis aan dit wonder en tevens ter bevestiging er van, liet Maria een litteeken rondom den pols bestaan.
GEBED. (H. Ildefonsus. Cap. XI.J
In gevaren en angsten, zie op tot de Sterre roep Maria aan; Maria wijke niet uit uw hart, noch van uwe lippen ; haar volgend zult gij niet afdwalen ; aan haar denkend zult gij niet dolen ; haar biddend zult gij niet wanhopen; als zij u ondersteunt, hebt gij niets te vreezen ; als zij u beschermt, zult gij niet vallen; gij zult niet vermoeid worden , als zij a aan de hand geleidt,
ELFDE DAG.
en gij zult Jen Hemel vinden. Zoo geschiede het ons , o Maria, door uwe heilige voorspraak en uwe glorierijke verdiensten; wij vragen het aan uwen gezegenden Zoon , met wien gij leeft en heerscht in alle eeuwen. Amen.
(11. Anselmus. t. a. p J
Gegroet, o Moeder, wier Zoon ons voedsel heeft willen worden en die den zielen doet proeven, hoe zoet de Heer is.
]22
quot;w
Twaalfde Dag.
Maria, Voorbeeld van Ootmoedigheid.
Respexit humilitatera ancillae suae.
Neergezien beeft Hij op de ge-ringheid zijner dienstmaagd.
e ootmoedigheid bestaat hierin, dat men zich zeiven niet hooger
\Luc. I. 48.)
acht dan men waardig is, â dat men zijn eigen nietigheid en onvermogen erkent, en al het goede , dat men heeft, aan God alleen toeschrijft en Hem alleen alle eer daarvan geett. Voorwaar, niets is gemakkelijker dan aan te toonen, dat Maria deze deugd in den hoogsten graad bezat, niet alleen door de getuigenis der HH. Vaders , maar ook door
TWAALÃDE DAG.
de beschrijving, welke de HH. Evangeliën ons van haar geven.
Zij zelve openbaarde eens aan de H. Mechtildis'), dat zij deze deugd van hare prilste jeugd af in een heldhafligen graad bezat, zoodat zij zich nooit, â en dit zijn hare eigene woorden, â boven an-, deren gesteld heeft, 't Is aan ootmoe-digen eigen, allen lof Ie vluchten ; hij. is hun onverdraaglijk, ook al is hij nog zoo rechtmatig verdiend. Zie Maria: De Engel Gabriël spreekt haar een enkel woord van lof toe, en, zegt het H. Evangelie , Maria ontstelde over zijn ivoord. De Engel kondigt haar aan, dat zij verheven is tot de hoogste waardigheid, hare ontsteltenis vermeerdert. En toen het haar, zonder Gods plannen tegen te werken, niet meer mogelijk was te weigeren, toen vernederde zij zich tot in de diepste diepten barer geringheid en noemde zich de nederige « dienst-ygt; maagd des Heer en.quot; «o quot;Wonder!quot; roept de H. Bonaventura2) uit, «een.
1) Lib. spec, gratiae p. I. c. 29.
2) S. Bouav. In spec. cap. VIII.
124
TWAALFDE DAG. 125
» Aartsengel spreekt Maria aan ; zij wordt » genoemd vol van gratie, er wordt haar » beloofd, dat de H. Geest over haar zal » komen, zij wordt uitverkozen tot Moe-» der Gods, gesteld boven alle schepselen, »tot Koningin van Hemel en aarde ver-» heven , maar bij dat alles vernedert zij » zich diep zeggende : Ziehier de dienst-ygt; maagd des Hoeren.quot; Hij , die weet, hoe gevoelig 's menschen hart is yoor lof en verheffing, hoe reeds de duivel onze eerste ouders door dat middel verleidde en tot zonde bracht, hij zal ook weten, hoe waar het woord is van den H. Ber-nardus'), sprekende over Maria's nederigheid : « Nederig te zijn in een geringen » toestand , is niets groots; maar oot-» moedig te zijn te midden van eer en »verheffing, dat is eene zeldzame en » waarlijk verhevene deugd.quot; Geen ander bewijs voor Maria's nederigheid zou er dan ook noodig zijn, dan haar gedrag bij de Boodschap des Engels; doch zoo talrijk zijn hare daden van nederigheid, dat wij de beschrijving dier Boodschap 1) S. Bern. Hom. 4 super: Missus est.
____Jf
i
12G TWAALFDE DAG.
bekorten , om ook die andere daden ten minste te kunnen aanstippen.
Wat gebeurde bij 't bezoeken van Elisabeth ? « Leert daarzegt de H. Ambrosius , « van Maria de nederigheid : » Zij , de meerdere, komt tot Elisabeth, » die veel minder is dan zij; â de meer-» dere gaat uit, om de mindere te die- ': » nen , â zij is het, die het eerst, Eli-»sabeth begroef'),quot; niet afwachtend , dat Elisabeth haar voorkome. Elisabeth is dan ook verwonderd over die nederigheid , waarmede zij , de Moeder des Heeren, zich gewaardigt tot haar te komen ; « maar zegt de H. Bernardus, « dat Maria nog meer bewonderd worde, » omdat zij, in navolging van haar Zoon, » niet gekomen is om gediend te worden, | » maar om te dienen2).quot; Elisabeth noemde haar « zaligquot; en verhief haar om de hooge waardigheid , waartoe God haar 1 uitverkozen had; doch ziet, zegt de Z. P. Canisius , aanstonds overdekt de blos der schaamte hare maagdelijke wangen
1) S. Ambr. lib. II in Luc.
2) S. Bern. Super: Siguum magnum.
f
i
â^---------
TWAALFDE DAG. 127
.4.... VS
en diep vernedert zij zich onder Gods machtige hand. Al den lof, dien Elizabeth haar geeft, brengt zij aanstonds op God terug; « Gij , Elisabeth, gij verheft mij, maar mijne ziel verheft den Heer. Uw kind sprong op van blijdschap in uwen schoot, maar mijn geest verheugt zich in God, mijn Heil. Gij noemt mij gezegend onder de vrouwen , doch niet uit mij zelve ben ik zulks, maar door Hem, die groote dingen aan mij gedaan heeft1).quot;
Nederig onderwerpt Maria zich aan den hoovaardigen, heidenschen Cai'sar. Zij zal gewillig de schatting betalen en vertrekt op zijn bevel naar Bethlehem. Zij verdraagt het nederig, dat men haar, die op het punt is van Moeder te worden, overal buitensluit en dat zij bij de geboorte des Heeren beroofd is van alle hulp. Wat was er nederiger dan die kribbe en die doeken en die stal van Bethlehem ? Wat nederiger dan Maria's gedrag bij hare zuivering, waarbij zij zich rangschikte onder de gewone
1) Apud Migne, Summa aurea. torn. 8 p. 1200.
128 TWAALFDE DAG. -------- j
moeders*? Was het geen nederigheid in haar, dat zij aan den Heiligen Jozef, haar allerkuischten Bruidegom, in alles gehoorzaamde en zich door hem liet geleiden te huis en in de ballingschap. Dat zij met hem handenarbeid verrichten en zoo den kost verdienen wilde, zij de Maagd van koninklijken bloede? Dat zij hem, zooals de zalige P. Canisius wederom zegt, dat zij hem aanhing en in alles den voorrang als aan haar echtgenoot toekende.
Het is aan de ootmoedigen eigen, weinig te spreken en zoo zij spreken , het met de grootste bescheidenheid te doen. Maria was Moeder Gods geworden; maar van wie moest het de H. Jozef vernemen? Niet van Maria zelve, maar van een Engel des Hemels, en nooit zou Maria haar nederig stilzwijgen verbroken hebben, zoo God niet gesproken had. Slechts viermaal wordt zij in 't Evangelie sprekend opgevoerd: in haar gesprek met den Engel, met Elizabeth, bij het terugvinden van haar Kind in den Tempel, en bij de bruiloft van Gana.
TWAAITOE DAG.
Haar gesprek mei den Engel en Elisabeth liep over de ontzaglijke geheimen , die God in haar bewerkte; doch merk wel op, dat Maria die groote geheimen nooit bij hunnen naam noemde; zij spreekt van; «dat mij geschiede naar uw woordzij gewaagt van « groote din's) gen, die God aan haar gedaan had,quot; ^ van het « neerzien Gods op hare gering-» heidquot; maar zich zelve « Moeder Godsquot; noemen, neen, dat was te veel voor hare nederigheid, zoo zelfs dat Elisabeths huisgenooten, die misschien niet wisten, waarvan Maria sprak, uit hare woorden niet konden opmaken, tot welke waardigheid zij verheven was! â Bij het terugvinden van haar Kind riep zij uit: uw vader en ik zochten U met droefheid, zich aldus nederig op gelijke lijn stellend met den H. Jozef, dien zij op de eerste plaats noemde, ofschoon hij niet de vader, maar alleen de voedstervader des Heeren was. En wat kan men zich nederiger denken, dan hare bede bij de bruiloft van Cana: ze hebben geenen wijn meer 9 Zij , die zoo groote
9
T2g-
_____ X______'1^.
130 TWAALFDE DAG.
rechten op Jesus' Hart kon doen gelden, zij spreekt slechts één schuchter woord, en toen haar Zoon haar eerst met eenige strengheid scheen af te wijzen, verdroeg zij het met de zachtste nederigheid.
Doch, waar zou men eindigen, zoo men al hare daden van nederigheid moest opnoemen ? Bethlehem , Nazareth, Cal- . variê, o, hoevele trekken van nederigheid zoudt gij nog kunnen verhalen ! Na des Heeren dood waren de leerlingen vergaderd « met de vrouwen en Maria, » de Moeder van Jesus1).quot; «Zie,quot; zegt de H. Bernardus, « was Maria hier weder-»om niet de laatste van allen ? Wel » moeten de leerlingen nog vleeschelijk » gezind geweest zijn, toen de H. Geest » hun nog niet gegeven was en zij twist- *9 »ten over den voorrang, terwijl toch » reeds Maria, ofschoon zij boven allen » verheven was , zich onder allen , en » meer dan allen vernederde; maar te » recht werd zij van de laatste, rle eerste; )) te recht werd zij Meesteres en Koningin, »die zich zelve dienstmaagd noemde;
1) Act. 1. 14.
*
ISf:-
TWAALFDE DAG.
»te recht werd zij verheven boven de » koren der Engelen, die zich vernederde »tot onder de vrouwen en boetvaardige » zondaressen , ja zelfs onder haar , uit » welke de Heer zeven duivelen had uit-»gedreven')!quot; Maria is hoog in den Hemel verheven; zelfs is eene grootere verheffing niet denkbaar, maar dan is ook hare nederigheid boven alle beschrijving verheven; want, zegt de H. Geest: ade vernedering gaat de glorie vooraf'; (Prov. XV. 32.) en, zegt een oud schrijver tot Maria: « nooit zoudt gij boven alle Engelen verheven zijn geworden, zoo gij u zelve niet beneden alle menschen vernederd hadt2)!quot; o Nederige Maagd Maria, deel ons iets mede van uwe nederigheid; want, (moeten wij het niet erkennen ?) zoo nederig gij zijt, zoo hoogmoedig zijn wij. De eersten zijn, de grootsten, de schoonsten, de rijksten, de meest geprezenen, dat is onze toeleg en ons streven ! Och, of ons Maria's
1) De H. Bern. bedoelt hier Maria Magdalena. Hom. sup. Signum magnum.
2) In Serm. de Nat. Virg. qui incipit : Crea-toris Matrem.
131
amp;
132 TWAALFDE DAG.
voorbeeld leerde, de laafsten te zijn, de minsten, de armsten , de meest verachten , de minst geprezenen, o, dan zou God ook neerzien op onze geringheid en Hij , die machtig is, zou groote dingen aan ons doen !
Voorneinens.
1° Niets .goeds aan ons zelven toeschrijven, maar alles aan God ; ons nooit boven anderen stellen en den lof zooveel mogelijk ontvluchten.
2° Maria bidden, dat zij ons hoovaardig hart ootmoedig make gelijk het hare.
VOORBEELD (1).
De H. Hyacinthus, de x\postel van Polen en Lithauën, bevond zich eens in de Russische stad Kiew, toen de Tartaren , een woeste volksstam, die stad belegerden en stormenderhand innamen. Alles wat vluchten kou, vluchtte. Ook Hyacinthus besloot op raad zijner vrienden te vluchten , om alzoo een onvermijdelijken dood te ontkomen. Hij nam het H. Sacrament uit de kerk en ijlde voort. In die kerk stond een zeer zwaar marmeren beeld van O. L. Vrouw. Juist was Hyacinthus tegenover dit beeld, toen van uit hetzelve hem eene stem tegenklonk, die hem ver-Ij In vita S. Hyacinthi. 16 Ang.
V'
TWAALFDE DAG. 133
zocht, ook dit beeld aan de ontheiliging der Barbaren te onttrekken.
Hyacinthus antwoordde: âIk zou dit gaarne â doen, maar gij zijt zoo zwaar; ik zal niet sterk â genoeg zijn , om u le dragen.quot;
Het beeld hernam: â Vrees niet, de Zaligma-â ker, dien gij in uwe hand draagt, zal mij zoo â licht maken, dat gij geene moeite zult hebben, â om mij te dragen.quot;
Hyacinthus naderde dan tot het zware beeld , sloeg zijn linkerarm om hetzelve , terwijl hij in zijne rechterhand het H. Sacrament droeg ; en zie , het zware beeld was eensklaps zoo licht geworden als eene veer. Zonder hinder kwam hij aan eene opene poort der stad en sloeg den weg in naar Polen. Onderweg ging Hyacinthus droogvoets over eene breede rivier en de wateren droegen hem en zijn heiligen Last. Na eene lange reis kwam hij in de stad Krakau. Daar plaatste men het beeld , dat Hyacinthus gedragen had, op een voetstuk in de kerk van het klooster der Dominicanen ; en zie . nauwelijks stond het op zijne plaats, of wederom had het zijne vorige zwaarte.
GEBED.
(H. lldefonsus. Cap. XII.)
o Allerzuiverste Maria, verheven beminnares der maagdelijkheid, doof iu mij de koorts der driften uit, zuiver mij van mijne vlekken en doe
ir-
134 TWAALFDE DAG.
door den heilzamen dauw uwer genade in mijn hart blanke leliën van zuiverheid ontluiken. In al mijne gebeden, overwegingen , lezingen en handelingen gevoele mijne ziel de zoetheid uwer tegenwoordigheid , den troost, de leiding en de bescherming uwer hemelsche heiligheid. Verzacht mijn hart door uwe kostbare zalving en zoetheid, opdat ik uwe liefde kunne gevoelen, te gelijk met de genoegens uwer toegenegenheid en de vreugde uwer vriendschap. Amen.
(H. AnselmusJ
Gegroet, o Maagd, in wier schoot de ongeschapen Vader dat â goede Woordquot; gesproken heeft, te weten: zijn eenigen , eeuwigen Zoon.
r*
Dertiende Dag.
Maria, een voorbeeld van Zachtmoedigheid.
Beati mites.
Zalig zijn de zachtmoedigen.
{31 t. V. 4.)
3*
H. Kerk bezit een lofzang, dien haren priesters zeer dikwijls 'in den mond legt en die begint met de woorden: Ave maris slella, V, gegroet, o Ster der zee. In dien lofzang geeft zij aan Maria een titel, waarop deze, â wij zullen dit zien , â het volste recht heeft, nl. : Maagd , zachtmoedig onder allen. Wat is zachtmoedigheid ? Iets anders dan geduld, 't welk meestal lijden veronderstelt, dat onvermijdelijk is en waartegen men zich niet verzetten kan; zachtmoedigheid echter
tl «SI
^__iV~___4^
136 DE11T1ENDE DAG.
is die zachte, kalme gemoedsgesteltenis, waarmede men alles verdraagt, wat ons overkomt, zonder ooit billerheid te too-nen aan den evenmensch, zonder ooit uitgelaten te zijn in voorspoed; die gesteltenis der ziel, die zich weet te y schikken naar alle toestanden en personen, ^ die alle, zelfs de eigene gebreken weet te verdragen ; in een woord , 't is die algeheele zellbeheersching , waarvan wij een zoo groot gedeelte door de erfzonde verloren hebben1). Maria bezat die deugd. Haar hart was als de effen spiegel van een meer, dat ingesloten is door hooge bergen , en waar wind noch storm ooit een rimpel op brengen kan,
veel minder het in beweging zetten en - opzweepen. Ziet, hoe liefelijk de blauwe â¢' hernel met zijne duizenden sterren zich weerkaatst in dien gladden waterspiegel. Zoo was Maria's hart: kalm, altijd gelijk, zonder rimpel, zonder golfslag , zonder
1) S. Thom. 2. 2. q. CLVII. a. 4. c. 1. Deze zegt: Geduld behoort tot de cardioule deugd van Sterkte; zachtmoedigheid tot de cardiDale deugd van Matigheid.
5^ -i*
Vf-
DERTIENDE DAR.
beweging;, een effen spiegel, waarin God en de hemel zich liefelijk weerkaatsten.
Maria was zonder erfsmet ontvangen; vandaar dat zij de bewegingen der ziel in hare macht had; geen opwelling van drift kon zelfs in haar opkomen, zoo zij het zelf niet wilde. Zacht was zij in hare gesprekken. Waar in de H. Schrift vindt men één woord, dat de minste hartstocht, ik zeg niet, te kennen geeft, maar ook slechts in de versie verte doet vermoeden ? Zelfs, zegt een oud schrijver, in den toon en in de buiging harer stem, was nooit iets, wat naar hevigheid zweemde'). Zacht was zij ook in hare daden. De H. Ignatius van Antiochië was een harer tijdgenooten, men zegt zei I's een der kinderen, die Jesus in zijn leven zegende en aan zijne leerlingen ten toonbeeld stelde. Hij kende dus Maria, hij had haar gezien en dikwijls gesproken. Wat zegt nu die Heilige van Maria's zachtaardigheid ? « Alvorens zij ging sterven ,
1) Apud Migue, Summa aurea, torn. XII. col.. 14C3.
137
--------^---
DERTIENDE DAG.
» werden vele H. Vrouwen gedreven om » haar nog eenmaal fe zien, hare bemin-»nelijke manieren te bewonderen, ja »een enkel woord van hare teedere ygt; lippen te mogen hooren en, al was »het ook stilzwijgend, nog eenmaal »hare blikken te mogen vestigen op »dat. gelaat, waarop eene hemelsche » kalmte en zachtaardigheid lag uifge-»spreid; en met blijdschap wilden » velen van haar lange reizen onderne-»men, om dat geluk nog eenmaal te » kunnen genieten1).quot;
Hoe zal zij dan alle harten tot zich getrokken hebben! De zachtmoedigen toch zullen de aarde beërven2), zegde de Koninklijke profeet, en deze profetie werd later plechtig bevestigd, toen Christus verklaarde : Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde bezitten ; zij oefenen zulk eenen invloed uit op de gemoederen, dat men waarlijk zeggen kan, dat zij door dien zachten invloed
138
1
Epist. ad 13. Jocm, qute tarnen a nonnullis smptonbus inter spuvias recensetur.
2
Ps. XXXVI 11.
DEHTIENDE DAG. 139
inderdaad de wereld beheerschen. quot;Wie toch weerstaat aan de zachte inborst en aan de liefelijke woorden der zacht-moedigen, die als zachte balsemolie de harten doortrekken en in bezit nemen. De H. Franciscus van Sales was zacht en door zijne zachtmoedigheid oefende hij een ware tooverkracht uit op zijne omgeving ; hoe zal dan Maria , waarvan toch de H. Franciscus van Sales maar een navolger was, alle harten gewonnen hebben van leerlingen en vrienden , ja zelfs van vijanden, die zich stelden onder het bereik van haar zachten invloed ! Is het niet van haar, als van de sterke vrouw bij uitnemendheid, dat geschreven staat, « En zachtrnoedig-» heid bestuurt hare tong,),quot; d. i. zooals de uitleggers zeggen: in haar spreken is zij nooit bitter of hevig, maar altijd zacht en beminnelijk?
Maria is eene dochter van David ; al de deugden welke in dien heiligen koning schitterden, leefden wederom op in de heerlijke spruit, die Maria genoemd
1) Prov. XXXI.
iïc
140 DERTIENDE DAG.
wordt. En hoe bad David, door den H. Geest verlicht, tot God ? « Gedenk » Heer, David en al zijne zachtrnoedig-ygt; heid').quot; Niet altijd bezitten de kinderen de deugden der voorouders; maar Maria bezat hunne deugden niet alleen , zij bezat ze in een veel volmaakteren graad; zoodat David haar in de verre -toekomst begroeten kon, niet slechts als zijne navolgster , maar ook als zijne leermeesteres en zijn voorbeeld.
Haar voorzeker had Salomon voor oogen, toen hij in zijn geheimzinnig Hooglied zong: Eene duive is mijne geliefde'1). Ja , aan een zachte duif was Maria gelijk, zonder bitterheid jegens hare vervolgers, zonder wrok tegen degenen, die haar beroofden van haar . Zoon; gelijk eene zachte duif wel droevig weeklaagt, als zij hare jongen verliest, maar geen geweld gebruikt om ze te verdedigen.
En hoe kon Maria anders zijn ? « Zeg mij , vraagt de H. Augustinus, met wie
1) Ps. 131. 1.
2) Cant. VI. 8.
â¢,u
141
DERTIENDE DAG.
*⢠-
gij omgaat en ik zal u zeggen , wie gij zijt.quot; Met wie ging Maria om ? Meer dan dertig jaren met Hem, die van zich zeiven naar waarheid getuigde : Leert van Mij , dat Ik zachtmoedig .... van harte ben; met Hem, die zich ter slachtbank liet geleiden als een lam, dat zwijgt voor die het dooden. Hoe kon zij dan anders zijn dan zachtmoedig? Zou de zachtmoedigheid , waarmede Hij miskenning , beleediging , ondankbaarheid , ja , een schandelijken dood verdroeg, op haar geen invloed gehad hebben, als diezelfde voorbeelden in lateren tijd van een H. Franciscus van Sales, een H. Ignatius en Xaverius, die van nature opvliegend waren, zachte lammeren gemaakt hebben ? Dat zal dadelijk na zijne bekeering de H. Petrus wel ondervonden hebben. Hij had haar bedroefd door zijn Meester, die haar teergeliefde Zoon was, te verloochenen en zich zeiven te verwenschen; maar zal zij Petrus dienzelfden nacht niet reeds in liefde ontvangen hebben , hem troostend, hem bemoedigend en belovend zijne voorspraak te zullen zijn?
i
142 DERTIENDE DAG.
Wie kan zich Maria anders voorstellen ? En zou Judas niet hetzelfde ondervonden hebben, als hij zich tot haar gewend had ?
o Zachtmoedigheid van Maria, wat zijt gij bewonderenswaardig! Alle vloeden en rivieren loopen in de zee en de zee loopt niet over, zegt de H. Schrift1). Die zee is Maria's hart, verzekert de H. Ber- -A nardinus van Senen. Alle kwelling en tegenspoed liep daarin uit; maar nooit stroomde het over door hevigheid of hartstocht!
quot;Voorn emon.
Met Maria's hulp iii handelingen en spreken alle hevigheid zorgvuldig vermijden, gedachtig het woord van den H. Franciscus van Sales: Men lokt meer bijen met een druppel honing, dan met een geheel vat azijn.
VOORBEELD (2).
Daar leefde in de 13de eeuw te Leuven in Brabant een Jood, die met de Christenen, zijne medeburgers, dikwijls in zijn huis twistredenen hield over het geloof. Deze gesprekken maakten
1) Eccl. I.
2) Uit een oud handschr., aangehaald in de Act. Sanct. tom. 44. pag. 538.
4,
143
nEETIENDE DAG,
zeer veel indruk op zijn vijfjarig dochtertje. Rachel. Zij voelde zich tot het christendom getrokken en nam er vooral behagen in, de Christenen den zoeten naam van Maria te hooren gebruiken. Dit ging zoo ver, dat zij heimelijk bij hare ouders aan tafel brood wegnam en het aan arme kinderen uitdeelde, die dan tot dankbetoon, voor haar dien l liefelijken naam van Maria moesten uitspreken. L Hare ouders bemerkten nog niets daarvan. Er . 1 woonde toen ter tijd een priester te Leuven, met name Reinier. Deze bemerkte, dat de jonge Rachel zoo gaarne tot hem kwam ; zij mengde zich dan onder de christen kinderen en keerde dikwijls terug, zoodat eindelijk Reinier het waagde te vragen: â Lieve Rachel, wilt gij ook Christen âworden?quot; âZeer gaarne,quot; antwoordde het kind, â als gij mij maar onderwijst in 't geen ik weten â moet.quot; Toen gevoelde de priester eene buitengewone vreugde en een zeker voorgevoel, dat er van dit kind nog iets groots worden kon. Nooit was Rachel moede het christelijk onderricht aan te hooren en als de priester verhinderd was, nam zijne oude dienstmaagd zijne taak over. Zoo werd het kind zeven jaar. Toen eerst bemerkten de ouders wat er omging, en in den raad der Joden werd besloten, dadelijk het kind uit Leuven te verwijderen en over den Rijn in veiligheid te brengen. Zoodra het kind dit vernam, kwam het weenend bij den priester en smeekte hem , voor haar te zorgen , daar anders alles voor haar ver-
DERTIENDE DAG.
loren zijn zou. â Kom morgen vroeg, voor 't op-â gaan der zon, op uwe gewone plaats/' zegde de priester, 't Kind beloofde zulks. Des avonds gelastte hare moeder, dat aan hare voeten voor haar dochtertje een bed zou bereid worden, 't Kind sliep in, en vergat de belofte , aan den priester gedaan. Doch Maria waakte. In een sneeuwwit kleed verscheen zij haar, reikte haar een staf over en sprak : â Catharina, sta op ; u wacht eeu groote weg 1quot; llachel meende den staf te grijpen en viel onder eeu gil van haar bed. De moeder ontwaakte door dit geraas, 't Kind hield zich stil en.... de moeder sliep dadelijk weer in. Rachel vluchtte, kwam bij den priester, die haar in veiligheid bracht, haar doopte en haar den naam gaf van Catharina, zooals Maria zelf haar genoemd had.
GEBED.
{II. Ildefonsus. Cap. XII.)
o Maria, mijne Moeder, al te dikwijls verwijder ik mij van uwe liefde. Blinde en ongelukkige mensch, die ik ben 1 Ik ben verward in de uitwendige bekommeringen en steeds er op uit om in de streelingen der schepselen nietige vertroostingen te zoeken. In gedachten, in woorden, in genegenheden laat ik mij meeslepen door den stroom van voorbijgaande, nietswaardige zaken. Vandaar dat mij uwe liefde en zoetheid zoo onbehaaglijk voorkwamen. Maar, o mijne Meesteres,
144
DERTIENDE DAG.
gij bemint de hemelsche dingen en gij bewoont een ongenaakbaar licht. Gij zijt in den Hemel; ik kruip over de aarde. Gij bemint de onvergankelijke goederen en ik de vergankelijke goederen dezer wereld, waarin slechts ijdelheid, ellende en kwelling des geestes gevonden wordt. Wat zal ik u nog meer zeggen ? Gij zijt vol deugden, heilig, rechtvaardig, zachtmoedig; en ik, ik ben een â zondig, onrechtvaardig, onbarmharlig mensch. Ik ben blind, gij zijt het licht; ik ben dood, gij zijt het leven ; ik ben vol droefheid , gij zijt de vreugde. Maar ik roep thans tot u, o Moeder van God : o, maak mij weer levend ; o Moeder des Verlossers, koop mij weer vrij ; o Moeder des Zaligmakers, maak mij zalig. Ik smeek er n om, o mijne glorierijke Meesteres, versterk mijn hart, opdat het niet bezwijke in de wellusten der wereld, regel mijne gedachten en mijn verstand , verhef mijne ziel, en och, of ik mij aldus door de kracht uwer liefde volmaaktelijk aan u konde hechten, en slapen en rusten in den overvloed uwer zoetheid en genade. Amen.
(H. Anselmus.J
Gegroet, o Poort des Hemels, o Woonstede van God, o Moeder , wier Zoon onze Broeder en onze losprijs is.
145
M *
*
quot;â¢l5t
10
Veertiende Dag.
Maria , toonbeeld van Gehoorzaamheid.
Vir obediens loquetur victorias. De Gehoorzame zal van overwinningen spreken.
fProv. XXL 2S.J
oo er onder de menschen iemand is, wiens voedsel het zijn moet
ie gehoorzamen, dan is het wel de mensch, die in dienstbaarheid gesteld is. Gehoorzamen is zijn leven, zijne bediening , zijn eenige bezigheid, en geen gewichtiger gebod had weleer de H. Pau-lus den dienstbaren te geven dan dit: « Gehoorzaamt aan uwe oversten, als aan Christus zeiven.quot; Eene dienstmaagd zonder gehoorzaamheid, zou zij niet gelijk staan met een werktuig, dat tot alles ondienstig is ? Zoo wij eens gelukkig
^5?
$-------
â
VEERTIENDE DAG.
147 I
genoeg waren geweest, om tegenwoordig le zijn bij de blijde boodschap des Engels, toen hemelsch licht Maria's kamer vervulde, en zij sprak met den Aartsengel, wat zouden wij gehoord hebben? Dat Maria zich noemde « de dienstmaagd des Heer enquot; dat is, een schepsel, 't welk gehoorzamen tot roeping heeft. Gehoorzaamheid aan God, dat zal haar voedsel, haar leven , hare bediening, haar eenige bezigheid wezen. «. Ja, waarlijk gedroeg zij » zich als eene dienstmaagd des Heeren,quot; roept de H. Thomas van Villanova uitquot;), « want noch door eenig woord, noch door » eenige handeling, noch door eenige ge-» dachte was zij ooit ongehoorzaam aan »den Allerhoogste. Van hare vrijheid .v: » behield zij niets voor zich, maar was in » alles onderworpen aan God op Hem hield zij haar oog onafgebroken gericht.
Zoo gehoorzaam als zij was aan God en deszelfs HH. Wetten, evenzoo onderdanig was zij aan die schepselen, welke voor haar de plaats van God bekleedden. Wie toch kan Maria zich anders voorstel-1) S. Thorn. VIII. Cantic. de Annunc.
Xj-___y _
148 TEERTIENDE DAG.
len dan vliegend op de wenken van den H. Joachim, haar vader? Hoe anders, dan reeds in de oogen van de H. Anna lezend, wat deze verlangde, en zich haastend, om het uit te voeren ? Zoo iemand, dan wist Maria, dat een wenk of een bevel der ouders een wenk is van God.
In den tempel levend, was zij voor allen een toonbeeld van gehoorzaamheid. Zij openbaarde zelf aan de H. Elisabeth van ïhuringen, dat zij daar dagelijks met de vurigste, gebeden Gods genade afsmeekte, om toch alle voorschriften der Wet en der Overheid zoo stipt mogelijk te kunnen volbrengen.
In het jaar van Christus' geboorte zat keizer Augustus in zijn marmeren paleis te Rome, en door ijdelheid geprikkeld, wilde hij weten over hoeveel onderdanen hij den schepter zwaaide. Hij teekende het bevel , dat aan allen gelastte zich naar de plaats hunner afstamming te begeven om zich daar te laten opschrijven. Waarop kwam voor Maria dat bevel van Augustus neer? Dat zij, midden inden winter , zonder hulpmiddelen , kort voor
x1-
VEERTIENDE DAG.
de geboorle van haar dierbaar Kind , eene reis had af te leggen van vele uren, langs wegen, zooals wij ze niet meer kennen , wij, die aan gebaande en effen wegen gewoon zijn. Maria had te gaan langs berg en dal, door bosschen en velden , God weet in welk weder ! Nu was wel keizer Augustus een heiden, en ijdelheid was de voorname drijfveer zijner handelwijze, maar hij was bekleed met het gezag; hij gebood en ... Maria gehoorzaamde.
De H. Jozef was aangesteld tot hoofd van 't H. Huisgezin. Maria was eigenlijk ver boven hem verheven door hare waardigheid van Moeder Gods, door hare deugden en hemelsche voorrechten. Maar in allen ootmoed ontving zij de bevelen van Jozef. Eens werd Jozef onverwachts uit den slaap gewekt; een Engel stond voor hem : « Sta spoedig op,quot; klonk het, « neem de Moeder en het Kind, en vlucht naar Egypte!quot; Jozef wekte Maria en ... de opgaande zon zag haar reeds op weg in de woestijn en verre van Bethlehem. Nu had Maria wel kunnen vragen :
149
150 VEERTIENDE DAG.
« Waarom spreekt de Engel niet tot mij, »die toch hooger in waardigheid ben »dan Jozef? En waarom vluchten in » den nacht ? Waarom naar Egypte ?quot; Maar zoodoende zou zij de verdiensten der gehoorzaamheid verloren hebben, en die wilde Maria tot geenen prijs afstaan; neen, zonder spreken of tegenbedenking gehoorzaamt zij aan God en aan Jozef.
Veertig dagen na 's Heeren geboorte ontmoeten wij haar, met haar Kind op den arm, gaande door de zuilenrijen des tempels tot voor het altaar. Waarom ? Om te voldoen aan de wet, die aan iedere moeder van een eerstgeboren zoon gebood , dat kind den Heere op te offeren en zich zelve aan de plechtige zuivering te onderwerpen. Maar , H. Maagd , gij zijt Moeder van een God en gij zijt zoo rein en zuiver, dat gij geene zuivering
behoeft!____ God heeft gesproken ; de
wet schrijft het voor en «Maria gaat slangs moeilijke wegen naar Jeruzalem,quot; in een woord, zij gehoorzaamt. En toen zij, 42 jaar later, dienzelfden tempel bezocht en daar â o droevige herinne-
yi
------------^
151
VJ5ERTIENDE DAG.
ring! â haar dierbaar Kind verloor, wat was toen die reis anders dan eene vrijwillige, onverplichte gehoorzaamheid aan de wet, die namens God zulk eene reis wel aan de mannen van Israël, maar niet uitdrukkelijk aan de vrouwen voorschreef? Ja, laat ik vrijelijk zeggen, haar geheele leven , iedere ademhaling , iedere hartslag, iedere voetstap was voor haar een daad van gehoorzaamheid aan God of aan de menschen !
Zoo was Maria's hoe is de onze ?
gehoorzaamheid; en o Maria, wat is het u navolgen ! Iedere
er verre af, dat wij verontschuldiging, die wij kunnen vinden , om niet te moeten gehoorzamen , is ons welkom. En zoo wij gehoorzamen , heeft dan onze onderwerping de eigenschappen van Maria's gehoorzaamheid ? Is zij eenvoudig, bereidvaardig en blijmoedig? Of is onze wil niet veeleer gelijk aan eene slang, die geklemd en gedrukt wordt door een steen en zich zoo lang wringt en keert en wendt tot het haar gelukt den steen te ontkruipen ? Is de gehoorzaamheid voor
Sif'
152 VEEBTIENDE DAG.
ons niet zulk een steen ? Zoo ja, dat dan Maria's voorbeeld ons leere, wat gehoorzaamheid is en hoe wij ze met verdienste beoefenen kunnen ten opzichte van God , van ouders, van oversten en van allen, die met eenig gezag bekleed zijn.
quot;V oornemen.
Heden althans zal niets aan mijne gehoorzaamheid ontbreken ; want in mijne oversten zal ik God zeiven beschouwen, die beveelt of verbiedt.
VOORBEELD. (1).
De gelukzalige Henricus Suzo werd dikwijls in den geest den Hemel binnengevoerd en toegelaten tot de jubelende koren der Engelen. Eens â 't was daags na Maria-Hemelvaart , â werd hem wederom toegestaan, van verre het hemelsch Hof te aanschouwen. Zooals gewoonlijk wilde hij binnentreden en hij deed daartoe verscheidene pogingen; dit gelukte hem echter niet. Maar zie, een schitterende jongeling nam hem bij de hand en zeide : â Meen niet, mijn broeder, dat j, het u heden geoorloofd is binnen te treden ; gij j, zult ditmaal buiten blijven; daar kleeft op u
1) Bolland, In vita B. Henr. tom. 3. p. 294.
----^-------
â%â VEERTIEN HE DAG.
_J*
153
â eene schuld en deze moet eerst uitgewischt zijn.quot; Toen geleidde de jongeling hem langs een kronkelend pad naar een onderaardsch hol; daar was het donker en huiveringwekkend; geen zou of maan zag hij er, en noch ter rechter-, noch ter linkerzijde kon hij zich bewegen. Hij zuchtte en weeklaagde erbarmelijk. Kort daarop verscheen diezelfde jongeling, die hem vroeg, hoe hij het maakte. âZeer X, slecht,quot; was het antwoord. âWeet dan,quot; zeide de jongeling, âdat de Koningin der Hemelen thans â op u vertoornd is, om eene fout, die gij nu hier âmoet uitboeten.quot; âWat heb ik dan gedaan?quot; vroeg Henricus verschrikt. De jongeling antwoordde : â Zij neemt het u kwalijk , dat gij er â zooveel op tegen hebt, op hare feestdagen te â prediken, zoodat gij zelfs gisteren op haar hoog-â sten feestdag aan uwe Oversten geweigerd hebt â over haar eene preek te houden.quot; Henricus hernam : â Maar, Heer, zij is zoo hoog verheven, â dat ik mij onwaardig acht over haar tot het â volk te spreken en daarom laat ik dat liever â over aan oudere priesters ; zij kunnen dat beter â dan ik, onwaardige.quot; De jongeling verzekerde hem nochtans, dat zijne sermonen aan Maria zeer aangenaam waren, en drukte jhem op het hart, dat hij dien dienst niet meer behoorde te ontvluchten. Henricus barstte los in tranen en gaf zijn woord, dat hem zulks niet meer zou overkomen ; âmaar,quot; zeide hij, âdierbare jongeling, verschaf mij weder-â om de gunst van die allerzaligste Maagd.quot; Toen
154 VEERTIENDE DAG.
glimlachte de jongeling, troostte hem en voerde hem uit zijnen kerker, zeggende : âZie, de allerh. â Maagd lacht u vriendelijk toe , ten teeken, dat â zij haren toorn tegen n heeft afgelegd.quot;
GEBED.
(i2. Ildefonsus.)
o Maria, schoon en zuiver licht, door de groote heerlijkheid, die gij aan uwe verdiensten te danken hebt, verlicht mijne oogen, opdat zij uwe schoonheid beschouwen ; veredel mijn smaak , opdat hij uwe zoetheid beter proeve; hernieuw mijn reuk , opdat hij uwe geuren beter smake ; dat uwe heilige wijsheid mij verlichte, en dat uwe brandende liefde mijne inwendige zintuigen doe branden, opdat ik wel over u denke, u vurig beminne, u diene met godsvrucht, u beter begrijpe , u grondiger bestu-deere, u met meer vreugde overwege, mij inniger met u vereenige. Sta mij bij, o mijne Meesteres, als ik godvruchtig tot u bid , als ik u tracht te smaken in de zoete overdenking mijner ziel , als ik iets over u lees of overweeg , als ik over u spreek, of in de benauwdheid mijner ziel tot u vlucht. Dat uw geur mij verfrissche, dat de herinnering aan u mij versterke , dat uwe zoetheid mij meer opbeure, dat uwe genade mij voede, dat uwe liefde in mij de zachtmoedigheid overstorte, dat uwe tegenwoordigheid mij vertrooste, dat uwe lei-
2$
VEERTIENDE DAG. 155
dende hand mij overal vergezeile en langs uwe paden mij voere tot hst licht, dat gij bewoont. Amen.
{H. Anselmus.)
Gegroet, o maagdelijk Heiligdom, waaruit de Heer Jesus te voorschijn kwam , Hij , die het Licht van het Licht is en aan God de grootste glorie gaf.
Vijftiende Dag.
Maria, een Toorbeeld Tan Naastenliefde.
üt diligatis invicem. Dat gij elkander liefhebt. (Jois. XV. 12J
}emint elkander, gelijk Ik u ; heb liefgehad; dat was een ' nieuw gebod , 't welk door Jesus Christus op de wereld gebracht zou worden. Hij wachtte, om het af te kondigen, een der plechtigste oogenblik-y ken zijns levens af; bij het laatste Avondmaal deelde Hij het aan zijne leerlingen mede. Wachtte Maria op de afkondiging van dit nieuwe gebod, eer zij het beoefende? Geenszins. Als de H. man Job van zich zeiven getuigen kon : « het medelijden is met mij opgegroeid met duizendmaal meer recht kon Maria dat van zich zelve zeggen.
y\.
VIJFTIENDE DAG.
De liefde tot God en de liefde tot den naaste zijn twee takken van eenzelfden boom; de een kan zonder den anderen niet leven, volgens het woord van den H. Joannes: « Zoo iemand zegt, dat hij God bemint en zijnen broeder haat,. .. de waarheid is niet in hem.quot; En was Maria's liefde tot God niet de grootste, die zich denken laat? Dan is ook hare liefde tot den evenmensch de grootste geweest , die wij ons kunnen verbeelden.
De naastenliefde heeft voornamelijk twee kanalen, waarlangs zij zich, als eene frissche , verkwikkende bron, over de aarde uitstort; zij zijn : de liefde tot de armen en de dienstvaardigheid in het betoonen van hulp. Ook Maria's naastenliefde stortte zich langs deze twee wegen over hare omgeving uit.
Zij beminde de armen, o Ja, want zij beschouwde ze met de oogen des geloofs; en dan zag zij in hen lievelingen des Heeren, de gelijken van haren Goddelijken Zoon , die, terwijl Hij rijk was, vrijwillig den staat der armoede omhelsde; die de armen het eerst bij
157
_______________
158 VIJFTIENDE DAG.
zijne kribbe riep, zich bij voorkeur in zijne prediking tot de armen zou wenden, gelijk Isaïas voorspeld had; die eenmaal zijne apostelen onder de armen zou uitkiezen, zijne Kerk voornamelijk
zou vestigen onder de armen en in hen ..
voornamelijk zou willen geëerd worden, zooals Hij later zeggen zal: «Wat gij den minste der mijnen gedaan hebt, dat hebt gij Mij gedaan.quot; Hoe kon het anders, dan dat Maria die armen beminde ? Daarenboven, haar hart was niet, gelijk dat van alle menschen, ook der liefdadigsten, door de zonde meer of minder verhard, daar nooit een vlekje van zonde hare ziel besmeurde ; hardvochtigheid is een gevolg der zonde , in Maria dus kon zij niet zijn. Haar hart was als maagdelijk was, dat lichtelijk alle indrukken ontvangt en behoudt; zag dus Maria ellende, armoede of ontbering , dan maak ten deze op haar feeder hart zulk eenen indruk, dat zij haar medelijden op alle wijzen wilde betoonen.
Werkdadig ook was die liefde; voor-
----------;
VIJFTIENDE DAG. 159
uit reeds vermeed zij, wat naderhand de H. Jacobus aan de geloovigen zou schrijven ; « Als een broeder of zuster »geen kleederen hebben en voedsel »ontberen en iemand uwer zegt: gaat » in vrede , verwarmt u en eet; maar »hun het noodige voor hun lichaam ygt; niet geeft, wat zal dat baten') ?quot; dat wil zeggen, volgens de verklaring der geleerden: laat uwe liefdadigheid niet bestaan in woorden , maar in daden.
De H. Schrift laat. ons iets van die liefdadigheid vermoeden, en wij kunnen het niet genoeg betreuren, dat de HH. Evangelisten ons niet meer trekken daarvan hebben opgeteekend. Een tipje echter van den sluier, die hare liefdadig- i heid bedekt, licht de H. Mattheus op, waar hij spreekt van het bezoek der HH. drie Koningen en van de Opdracht in den tempel. « En nedervallend aanbaden zij Hem, zij openden hunne schatten en boden Hem goud , wierook en myrrhe aan2).quot; Geschenken , aange-
1) Jac. II, 15, 16.
2) Mt. II, II.
. . -----------------
160 VIJFTIENDE DAG.
boden door koningen aan een Konin
dien zij in zijne hoogste waardigheid wilden eeren, zullen zeker niet gering geweest zijn; dit eischte hunne waardigheid en de waardigheid van Hem, dien zij eerden. quot;Wij lezen niet, dat het Kind of Maria die schaften geweigerd hebben ; en toch, als wij Maria na slechts veertig dagen te Jeruzalem zien , welke offergift draagt dan de H. Jozef voor haar in zijne hand? Zijn het niet twee jonge tortelduifjes ? Maar, dat is de offergift der armste menschen, en die het eenigszins doen kan, hij offert ten minste een eenjarig lam. H. Maagd Maria, waar zijn de ontvangene
schatten ?..... «In de handen der
y armenzegt de H. Bonaventura'). lt;c Het goud, zegt de H. Antoninus1), dat »haar ruimschoots was geschonken »door de koningen, bewaarde zij niet » voor lateren tijd , maar zij deelde het »door Jozefs handen aan de armen » uit. Uwe linkerhand kenne het goede
1) S. Bon. Med. Vitte Chri. c. IX.
2) S. Antonin. pr. IV. Art. 15. c. 33. L. 5.
O 5
---
VIJFTIENDE BAG.
*h
__
161
niet, dat uwe rechterhand doet, is een voorschrift des Heeren; Maria beoefende het, en in zekeren zin is dit voor ons zeer te betreuren , daar zoodoende voor ons duizenden bewijzen harer liefdadigheid verloren gingen, die wij eerst in den laatsten dag, als alle sluiers opgelicht worden, zullen kennen ; eerst dan zullen wij er baar om kunnen prijzen.
Het tweede kanaal der naastenliefde is de dienstvaardigheid. Deze let op alle gelegenheden om wel te doen door kleine en groote diensten ; zij voorkomt de vragen, zij bespiedt alle gelegenheden, om op de liefderijkste wijze alle liefde te betoonen. Zonder nog te spreken van Maria's dienstvaardigheid ten opzichte van haar Goddelijk Kind, dat zij zal voeden , geleiden , bewaken en met zorgen omringen, moeten wij Maria niet bewonderen, «in alle haast over het » gebergte gaande,quot; om hare nicht Elisabeth die hare diensten noodig had, te gaan helpen ? De reis is ver, â eene voetreis van 3 dagen, â over bergen en dalen loopt haar weg. Ver-
11
----^â
182 TIJFTIENDE DAG.
gezell haar de H. Jozef? Wij weten het niet. Zacharias is nog stom en doof. Ook hem zal zij met eene groote liefde dienen. Zal zij eenige belooning voor hare diensten erlangen ? Daaraan denkt zij zelfs niet! Elisabeth heeft hare diensten noodig; Elisabeth vraagt die dien-sten niet, maar Maria voorkomt haar , en zij gevoelt zich gelukkig, haar drie maanden lang als de nederige dienstmaagd des Heeren te mogen dienen. O dienstvaardigheid, die waarlijk onze bewondering verdient en ons zoo krachlig aanspoort tot eene gelijke liefde!
Beschouw Maria na vele jaren op de bruiloft te Cana. De bruidegom en de bruid hebben geenen wijn meer. Wat ^ zal daaruit voor hen volgen ? Eene oogenblikkelijke verlegenheid , eene vernedering voor beiden , 't is waar; maar deze zal toch spoedig vergeten zijn , gelijk zoovele andere , die de mensch , de ' arme vooral, dagelijks ondervindt Maria I bemerkt hun toestand. Zij zou er in i willen voorzien. Doch hoe ? Van waar ; wijn te bekomen? Ãén middel blijft
1amp;'
VIJFTIENDE DAG. 163
haar over : een mirakel te vragen. Maar, is die geringe verlegenheid wel een vol-â doende reden voor die vraag? â Weet ; Maria niet, dat Jesus' uur, om mirake-! len te doen , nog niet gekomen is ? â Waarschijnlijk; doch geen ander middel, om de jeugdige echtgenooten van dienst |. te zijn, blijft haar over, zij zal het te [ baat nemen; en zonder dat men haar | iets gevraagd heeft, klinkt het reeds zoetelijk van hare lippen in Jesus' oor: « Zij hebben geenen wijn meer.quot; Zulk eene dienstvaardigheid kon Maria alleen oefenen; och, of wij haar ten minste van verre daarin navolgden ! H. Maria, verkrijg ons die genade !
*\ oornem en.
De gelegenheden opzoeken en te baat nemen om onzen evennaaste alle diensten op de liefderijkste wijze te betoonen, en daarbij het oog gericht honden op God, Dien wij in den evennaaste dienen.
VOORBEELD (1).
Daar was tijdens het leven der H. Catharina van Senen in deze stad eens een hongersnood.
1) Sarins torn. II. 30 Apr.
VIJFTIENDE DAG.
Catharina had slechts eea weiuig bedorven meel meer. Wegwerpen wilde zij het niet; maar om voor de armen ten minste te doen , wat zij kon, maakte zij er deeg van ; doch zie , onder hare handen groeide de hoeveelheid aan. Toen het uit den oven kwam , had het geen bedorven , maar een zeer aangenamen geur; zij , die er van aten, verklaarden , nimmer heerlijker brood gegeten te hebben. Zij deelde er ruimschoots van uit aan de armen; veel nog bleef er over, en gedurende verscheidene weken bleef zij mildelijk aan het uitdeden. Dat buitengewone mirakel baarde opzien en haar biechtvader gebood haar te verklaren, welke macht hier in het spel was. Nu beleed Catharina eenvoudig, dat de H. Maagd haar verschenen was, vergezeld van vele Engelen en Heiligen. De H. Moeder Gods had met hare gezegende handen Catharina in de toebereiding van het brood geholpen, vandaar die heerlijke smaak en die vermenigvuldiging. Zoo beloonde* God door een wonder Catharina's liefdadigheid en toonde Hij tevens, dat Maria, die liefdadig was tijdens haar sterfelijk leven, het ook nu nog is in den Hemel.
GEBED.
{H. lldefonsus.)
o Allergoedertierenste Moeder, die den dooden het leven geeft en redding aan hen, die vergaan, het licht aan de blinden, de hoop aan hen, die
164
i*.
VIJFTIEKDE DAG.
wanhopen en troost aa:a de weenenden , ik bid u, stort de onuitputtelijke schatten uwer barmhartigheid uit en breng vreugde in mijn hart, gejubel in mijn geest, lichtende zuiverheid in mijn binnenste, o Wees mij, Maria, het leven eu het heil mijner ziel, de zoete vrede mijns harten, de troost eu de blijdschap mijns geestes. Schitterende Zeester, allermeedoogendste Aioeder, geleid mij, verdedig mij tegen mijne vijanden en in alle gevaren , opdat ik door de hulp uwer genade en den steun uwer barmhartigheid , gezuiverd worde van al mijne gebreken, en bevrijd van alle rampen. Dat ik alzoo zonder gewond te worden dit ellendig leven mogen doorleven en zekerlijk de eeuwige vreugde bereiken. Amen.
CII. Anselmus.)
Gegroet , o heilig Sion des vredes , waar lofzangen weerklinken , die Gode waardig zijn ; Hij toch heeft zich van de woning uws schoots een welgevallige rustplaats bereid !
165
Zestiende Dag.
Maria, een -voorbeeld van Overgeving aan Gods wil in kwelling en lijden.
Ad flagella paralus sum. Ik ben tot kwellingen bereid.
(Fs. 118J
[iemand ter wereld is vrij van [kruisen en kwellingen. Wij leven in een tranendal, waar wel eenige rozen groeien , maar aan welke zooveel doornen staan , dat zij bijna de moeite van het plukken niet loonen. De eerste en laatste kreet des menschen op aarde is een smartkreet. Rijk en arm, onderdaan en meester, jong en oud, alles lijdt, volgens het woord van Christus tot zijne leerlingen ; In de wereld zult gij verdrukking hebben. (Jois XVI, 33.) Bij
â ZESTIEKDE DAG.
167
?«
die kruisen, die wij nu eenmaal toch niet ontvluchten kunnen, hebben wij aan niets meer behoefte, dan aan geduld en onderwerping aan Gods H. Wil. Dank zij der Goddelijke Goedheid! De Heer heeft zelfs zijne H. Moeder aan die al-gemeene lijdenswet niet willen onttrekken. Waarom niet? Om ons in haar een voorbeeld te geven van 't verhevenste geduld. Doorblader vrij de H. Schrift: gij zult er wel vinden , dat Maria leed , vreeselijk leed, en uwe verbeelding zal u nog veel meer doen verstaan , dan de letter dor H. Schrift u te lezen geeft; maar nergens zult gij een spoor vindon van ongeduld ; wel sporen van droefheid, wel woorden, die te verstaan geven, hoe overvol haar gemoed was, maar altijd eene kalme, gelatene onderwerping te midden der grootste kwellingen. Of die kwellingen rechtstreeks door God waren gezonden , dan of zij haar werden aangedaan door de menschen, altijd was zij , hoe teeder ook overigens, eene rots, die onbeweeglijk blijft, wat stormen en golven ook rond haar woeden.
quot;~45r-
Js !
m m
168 ZESTIENDE DAG.
Wat leed Maria ? Zou het beantwoorden van die vraag alleen geen boek-deelen vorderen ? De H. Kerk zegt het ons met de woorden der H. Schrift: wijd uitgestrekt als de oceaan is uwe droefheid'). En wie meet de lengte, wie beschrijft de breedte, wie peilt de diepte der zee ?
Hoe zal zij niet geleden hebben, toen zij, op het punt van moeder te worden, zich verstooten zag en beroofd van alle hulp, die dan vooral zoo noodzakelijk is ? Kon zij toen niet klagen met den Profeet2): « De os kent de kribbe zijns » meesters en de ezel den stal zijns hee-» ren, maar Israël ?quot;... Ach , het kent de gaven niet, die het ontvangt!
Een stal, eene kribbe , ziedaar alles, wat zij haar Kind geven kon ! Kon zij Het met de weinige schamele doeken , die zij had, beveiligen tegen weer en wind en winter ? Zuchtte haar hart niet, toen zij Jesus den 8s:el1 dag zijn onschuldig bloed zag storten in de Be-
1) Dom. III. Sept. in festo VII Dol.
2) Is. I. 3.
lx
ZESTIENDE DAG.
snijdenis, droevig beeld der bloedige gebeurtenissen, die later komen zouden? Hoe treurig was de voorspelling van Simeon , die haar een zwaard aankondigde , dat hare ziel zou doorboren! « Telkens als zij aan dat zwaard dacht,quot;
zegt de Zalige P. Canisius, « drong het » dieper in hare ziel; en wanneer dacht » zij er niet aan1)1?quot; «Voorwaar, geen »kinderspel was het voor haar,quot; zegt diezelfde Zalige, « midden in den nacht, » zonder middelen, een verwoeden koning »te ontvluchten en naar Egypte te trek-» ken door dorre woestijnen.quot; Te moeien hooren, dat Bethlehem ter oorzake van haar Zoon van zijne kinderen wreedaardig beroofd was, mijn God, wat droefheid voor dat medelijdend moederhart! In ^ Egypte , te Bethlehem , te Nazarelh dat dierbaar Kind ten prooi te zien aan armoede , ontbering, verachting en vergetelheid ; dat kostbare pand , door God haar toevertrouwd , te verliezen in Jeruzalem , o wat onbeschrijfelijke droefheid ! En toch was die droefheid niet 1) P. Canis. Polem. Mar. lib. IV. Cap. XXVI.
169
m j,
^4
170 ZESTIENDE DAG.
ten einde; steeds grooler en grooter zou zij worden , als een stroom, die breeder en breeder wordt, naarmate hij de zee nadert, waarin hij zich verliest. Zij beminde Joannes den Dooper als een Heilige en als den Voorlooper haars Zoons; zij moest het hooren , dat hij wreedaardig door een overspeligen koning vermoord . was; â zij beminde haar volk als het volk Gods, en zij moest zien , hoe dat volk tot zijn eigen ongeluk zich hardnekkig tegen haar Zoon ging verzetten ; â zij beminde haar Zoon en zij moest Hem van zich laten heengaan; waarheen ? Tot Schriftgeleerden en Pharizeërs , die ook haar hart zouden doorboren , als zij Jesus zouden versmaden en Hem noemen; een Samaritaan en bezetene !
Daar verscheen het besluit van den Hoogen Raad om Jesus te dooden ! O , Maria wist, wat Isaïas en de andere profeten van zijn lijden en dood voorspeld hadden. Zij zag Hem alreeds in den geest als den Man van smarten, gewond van het hoofd tot de voeten! o Leerlingen , die Jesus lafhartig verliet; o
lt;«£
ZKSTIEÃIDE DAG. 171
Judas, die zijne vijanden aanvoerdet en aan zijne goedheid wanhopend, u zeiven verhingt; o Caïphas, o Pilatus, o beulen, o Herodes , o verstokte moordenaar aan 't kruis, wat hebt gij Maria's hart vervuld met eene zee van bittere droefheid ! Toen zij Hem aan het kruis verheven zag, met gebroken oog , bebloed gelaat, stervende lippen, verlaten van God , ea Hij afscheid nam van zijne Moeder en haar in zijne plaats den H. Joannes tot zoon gaf, kon toen wel eene droefheid met de hare vergeleken worden ? De H. Bernardus') wil er ons iets van doen begrijpen, als hij uitroept: «o Welk » een ruil! Een dienaar ontvangt zij in » plaats van den Heer der Hemelen, een » leerling in plaats van den Leermeester; » een zoon van Zebeiheus, voor den Zoon » van God ; een sterfelijk mensch in plaats » van den waarachtigen God 1quot;
Hij stierf en liet zijn Hart doorboren,.. Hoe gedraagt zich Maria, de teederste der moeders, bij dien dood ? Waar zijn hare klachten? Valt zij in zwijm? Ver-
1) S. Bern. In hom. sup. Evang. : Stabat,
__â_____4*
172 ZESTIENDE DAB.
wijt zij aan beulen en rechters hunne misdaad ? Roept zij de wraak des Hemels af over de moordenaars haars Zoons? Verre vandaar. Geen vingerbreed week zij af van haar geduld en standvastigheid !' « Zie ze staan onder 't kruisquot; , roept de H. Anselmus uit1), «vol moed en gela-» tenheid ! De leerlingen waren gevlucht, -p »de mannen waren verre, maar tot » roem en glorie van 't vrouwelijk ge-» slacht, stond zij daar, het schromelijk
» lijden haars Zoons aanschouwend.....
» Zij stond, gelijk het eene eerbare Maagd » betaamde; zij gaf geen lucht aan hare »droefheid door bittere klachten , zij » morde niet, zij verweet niets , maar » kalm , gelaten , zwijgend , vol geduld y » stond zij daar, badend in tranen, over- \ » goten met droefheid.quot; Ja, de H. Ber-nardus2) laat haar zeggen : «; Ik zal bij ygt; Hem staan en opzien naar zijne door-» boorde handen en voeten. Ik wil zien, » hoe Hij hangt aan 't kruis en hoe Hij » deze wereld verlaat; ik zal toetreden ,
1) S. Anselm. In Serm. sup. Evang.: Stal/at.
2) S. Bern. ibid.
ZESTIENDE DAG. 173
» zijne voeten omhe'zen en Hem, als Hij » van 't kruis zal afgenomen zijn , met 9 bewijzen van liefde overladen; want » mijn Zoon is Hij en mijn Heer!quot;
Waar is de droefheid, die Maria's droefheid nabijkomt; maar ook, waar is het geduld, dat het hare gelijkt?
. Och, wat zijn onze kwellingen bij de hare, en hoe ongeduldig verdragen wij ze nog! o Bedroefde Moeder, verkrijg ons een deeltje van uw geduld; het. lijden zal ons draaglijk worden,als uw voorbeeld ons voor den geest staat, als gij ons herinnert, dat de eenige weg, die ten Hemel leidt, over Calvarië loopt.
quot;Voornemen.
Wat ons ook overkome, 't zij God ons beproeve â¢of de menschen ons kwellen , altijd denken , dat het Gods wil is, dat wij lijden; ons niet beklagen en ons zeiven aanmoedigen door Maria's voorbeeld.
VOORBEELD (1).
De gelukzalige Liberatus de Lauro , van de â Orde der Minderbroeders, lag zwaar ziek. Eens leed hij meer dan gewoonlijk en stond op het
1) Bolland, torn. 42. p. 652. F.
ZESTIENDE DAG.
puut van onder zijne pijnen den geest te geven. Daar verscheen hem Maria, de Bewaarster der üemelsche geneesmiddelen, vergezeld van drie maagden , die ieder eene vaas droegen. Na een allervriendelijkst onderhoud met Liberatus, gaf eene dier hemelsche Maagden hem uit hare vaas eene spijze, wier smaak en geur hem zoodanig met wonderbare vreugde vervulde, dat zijne borst ; te eng was om ze te bevatten en hij uitriep : .! â Genoeg, o allerzoetste Moeder, genoeg, o hemel-â sche Geneesmeesteres ! Zooveel zoetheid, o Troos-â teres van het menschelijk geslacht, kan ik niet â verdragen 1quot;
Toen Maria hare hand naar de tweede vaas uitstak , riep hij nog luider : â Als ik dat eerste â kostelijk geneesmiddel al niet verdragen kan , â hoe dan , lieve Moeder, het tweede ?quot; Toen sprak Maria: âDeze geneesmiddelen schijnen u â kostelijk ; maar betere dingen zal mijn Zoon u â geven , omdat gij voor Hem de bitterheden des â levens met geduld gedragen hebt. Door die â zoetheid zult gij niets meer gevoelen van uw ⢠â lijden, totdat ik na weinige dagen met mijn â Zoon wederkom , om u uit deze wereld ten â Hemel te geleiden.quot;
Van dien oogenblik af gebruikte Liberatus spijs noch drank meer , bracht zijne overige dagen in de grootste vreugde des harten over en verliet toen zonder eenigen angst voor den dood dit dal van tranen.
174
ZESTIENDE DAG.
GEBED.
(H. Ildefonsus. Cap. XV.J
o Mijne Meesteres, door al de groote wonderen, die men in u bewondert en prijst t bid ik u, beziel mij met uwe liefde. Toon mijner ziel uwe maagdelijke en meer dan engelachtige schoonheid, en dat ik alzoo blijde sterve, vol van vertrouwen op God, vol van hoop op u , gerustgesteld aangaande mijne zonden en de onvergankelijke glorie, die mij wacht. Amen.
(H. Ansel mus. t. a* p.J
Gegroet, o Maria ; de Hemelsche Vader heeft in uwen Zoon ons heil gesteld; in uw Zoon ook legde Hij het kort begrip van geheel ons geloof.
175
.y!
Zeventiende Dag.
Oyer de naTolging van Maria's Deugden.
Imitatores mei estote.
Weest mijne navolgers !
(1. Cor. XI. l.J
iLT gij eens eene moeder gelukkig maken en haar oog van vreugde doen stralen ? Zeg haar dan, dat het kind, 'twelk zij op haren arm draagt ot dal aan haren schoot speelt, sprekend op haar gelijkt eu dezelfde trekken, dezelfde kleur der oogen volkomen teruggeeft. Ja, zoet is voor eene moeder de gedachte, een kind te hebben, dat op haar gelijkt! Van een anderen kant is het eene eer voor een kind, ook op laleren leeftijd, het evenbeeld zijner moeder te zijn,] en een ware lof-
ZEVENTIENDE BAG.
spraak is het als allen , die het kennen, getuigen: «de deugd en de beminnelijk-» heid der moeder hsrleven in het kind.quot;
Zoo is het ook voor Maria eene vreugde, en voor ons , hare kinderen , eene eer, als wij op haar gelijken door de navolging harer deugden. O, als zij ziet, dat in ons, als in een hof, dezelfde deugden bloeien, waarin zij zoo wonderbaar heeft uitgeschene, als zij daar rozen van serafijnsche liefde, leliën van engelachige zuiverheid, viooltjes van diepe ootmoedigheid ziet groeien , dan blikt zij met het zaligst welgevallen op ons neer en straalt haar oog van moederlijke blijdschap. Vandaar de uitspraak aller Heiligen , dat geen eeredienst Maria aangenamer is dan de navolging harer deugden. Versier haar beeld met bloemen, ontsteek een zee van licht voor haar, zing liederen te harer eer, stier gebed op gebed tot haren hemelschen troon omhoog , gij zult haar zulk een groot genoegen niet doen , als wanneer gij te harer eere uwe gramschap bedwingt, uw hoogmoed vernedert, uw evennaaste
12
177
âââ---------^------
178 ZEVENTtENDE DAG.
met liefderijkheid dient, uwe zuiverheid onder hare bescherming stelt.
Men zegt ooit: geen eeredienst is Maria aangenaam , als men hare deugden niet navolgt. Misschien heeft iemand onzer daar het noodlottig besluit uit getrokken : ik ben in zonde, hoe zal mijn gebed Maria behagen ? Beminde lezer , neen , dat besluit geeft Maria u niet in. Al zijt gij in zonde, o bid en vereer haar, opdat uit die vereering als uit een knop de bloem harer deugden moge voortspruiten. Eene bloem met haar schitterende kleuren en liefelijken geur behaagt ons; maar ook de knop alreeds, ofschoon op verre na zoo schoon niet, is ons welkom , omdat wij weten, dat v hij de bloem in zich bevat, en wie de nog niet ontloken knoppen wegnam, zou geen bloemen zien. Uw gebed en uwe vereering zijn zulke gesloten knoppen; werp ze niet weg. Ga voort: de bloem zal niet uitblijven!
Maria navolgen, wat is dat ? Dat is op haar gelijken met geest en hart en daad. Wat Maria's geest dacht, moet
â é - v
i
ZEVENTIENDE DAG. 179
â â¢
ook onze geest denken ; wat haar hart gevoelde, moet ook ons hart gevoelen en onze daden moeten gelijken op de daden van haar, die de Spiegel der Gerechtigheid genoemd wordt.
Wat vinden wij in Maria's geest, in haar H. Hart vooral ? Eerbied en liefde voor deugd ; afschuw en haat der zonde ; liefde tot God en zijnen Menschgeworden Zoon ; liefde voor ons, menschen; hoogachting voor al wat hemelsch en geestelijk is, overdenking der groote mysteriën van ons H. Geloof, gelijk de H. Evangelist dat zegt: « en Maria overdacht al » deze dingen in haar hart1)quot; en elders: « en Maria bewaarde al deze woorden in » haar hart2.)quot; Worden zij ook gevon-
den in onzen geest, in ons hart?.....
Mochten wij toch wel het woord bedenken van den grooten H. Augustinus; « Het voornaamste der godsvrucht is, na » te volgen , wat wij vereeren!quot; Hoelang dan nog zal onze geest vervuld blijven met ijdele gedachten en wereldsche nie-
1) Luc. II, 19.
2) Luc. II, 51.
180
ZEVENTIENDE DAG.
tigheden, hoelang zal ons hart zich laten heen en weder sleuren door de genegenheden der natuur, door de liefde voor de wereld, die zoo vol ergernissen en zonden is ?
Hoe waren Maria's handelingen ? Geen menschelijlv woord is in staat daar al de heiligheid en schoonheid van te beschrijven. Met meer recht dan een H. Paulus kon zij zeggen; «vveest gij mijne » navolgers , gelijk ik het ben van ChristusZegt niet de H. Kerk, dat zij de Spiegel der Gerechtigheid is ? De zon der gerechtigheid is Christus; als nu de stralen der zon, die onze aarde verlicht , in een spiegel vallen , geeft dan ook die spiegel geen zon te zien, die schittert en verblindt en gelijkt op de zon, die aan den hemel staat ? Zoo wierp O. H. Jesus de stralen van al zijne deugden op Maria, die deze stralen weerkaatste en alzoo schitterde met den verblindenden glans van alle deugden. Wat volgt daaruit voor ons? Dat zegt
1
*-
1) 1 Cor. Xt. 11.
ZEVENTIENDE DAG. 181
u de H. Joannes Dc.rnascenus'): «Maria »is zuiver en bemint de zuivere zielen ; » hierom moeten wij de zuiverheid van )) ziel en lichaam bewaren, en hare
» goedgunstigheid zal ons deel zijn.....
» Zij haat de gramschap , de hardvoch-» tigheid , den nijd en de afgunst; zij » kent geen zucht naar ijdele glorie , . »waardoor men zich afmat in nutle-» loozen arbeid ; in haar geen hoogmoed, » geen pronkzucht, geen haat tegen men-» schen, alleen haat tegen zonde en on-» deugd. Voorwaar , zij schept behagen » in alle deugd : zij verheugt zich over »onze versterving, spaarzaamheid en »godsvrucht. Zuiverheid en reinheid , »vrede en zachtzinnigheid bemint zij; »liefde, barmhartigheid en ootmoed » bevordert zij, in een woord elke deugd ygt; is haar eene vreugde, daarom moeten » ook wij met alle liefde en ijver die ygt; deugden oefenen.quot; Want, zegt de H. Bernardus1): «de H. Maagd kent en
X
1
S. Bernard. Saper Salve Reg.
ZEVENTIENDE D\G.
» bemint hen , die haar beminnen , zij » is nabij degenen, die haar aanroepen , » bijzonder bij hen , die haar navolgen.quot; «Dezen tochvoegt de H. Ildefonsus er bij'), cc zijn hare lievelingen, en de »ware lof des harten is, hare werken » na te volgen.quot; lt;c Allerliefstenzoo besluit dan ook de H. Hieronymus, » gij vereert en bemint Maria in waar-» heid, als gij haar uit geheel uw hart » wilt navolgen.quot;
N.B. Aan hen, die in de wereld leven en zouden meenen, dat de beoefening veler deugden, zooals die hier in Maria worden voorgesteld, niet uitvoerbaar is in de wereld, kunnen wij een zeer geschikt middel aan de hand doen , om die beoefening met het vroom verlangen naar deugd in overeenstemming te brengen. Dat middel wordt ons gegeven door onzen H. Vader Paus Leo XIIT, die al de kracht van zijn Apostolisch woord gebruikte , omjjhet^aau te bevelen, nl. het lidmaatschap van de Derde Orde van den II. Francis-cus. Wilt gij ware gndsvrvchX ? De Derde Orde heeft ze tijdens de 13(le eeuw in de wereld hersteld.â Wilt gij liefde tot Je sus f Wie beminde Hem meer dan de Stichter dezer 3,le Orde , Fran-
1) S. Ildef. Serm. 1. de Assumpt.
183
________________
ZEVENTIENDE DAG. 183
â ciscus ? â Zoekt gij verachting van 't aardsche ? Wie beminde zoo de armoede als Frauciscas ? â Zedigheid, in kleeding en leefwijze, is voorschrift; gebed insgelijks; en gelegenheid om het men-schelijk opzicht met voeten te treden , vindt gij daar in overvloed ; verlangt uw hart naar ootmoed en zachtmoedigheidy waar zult gij ze beter kunnen beoefenen, dan daar, waar gij er de schoon-
(, ste voorbeelden van ziet ?, ste voorbeelden van ziet ? Naastenliefde, overge-ving aan Gods Wil, zijn dan voor u plichten, en eene schoone gelegenheid om te gehoorzamen, ook wanneer men gewoon zijn zou te gebieden, is dan de regel, waaraan gij u vrijwillig onderwerpt. Wilt gij dus, vrome lezer, die in de wereld leeft, Maria navolgen in al hare deugden , sluit u dan aan bij die keurbende, welke aan Maria zoo aangenaam is , en wat u moeilijk , ja misschien onmogelijk zijn zou, als gij alleen blecft, zal u mogelijk en gemakkelijk worden door de vereeniging met anderen.
Voornemens.
1° Vurig tot Maria bidden, opdat zij mij mijne hoofddrift doe kennen.
2° Ter navolging van Maria mij vandaag oefenen in die deugd, waaraan ik de grootste behoefte heb , en die ondeugd bestrijden , waaraan ik het meest onderhevig ben.
yfv_
184
ZEVENTIENDE DAG.
4*
VOORBEELD (1).
De H. Rosa van Viterbo lag zwaar ziek ; zij scheen op het punt den geest te geven ; haar pols hield reeds op te slaan. Eensklaps wordt haar blik strak , haar gelaat glinstert van vreugde, zij herleeft en haastig opstaande, roept zij tot hare verbaasde gezellinnen : â Hoe kunt gij toch zoo â onbezorgd zijn, dat gij de Koningin des Hemels â niet groet ? Ziet gij Maria niet, de doorluch-â tige Moeder Gods, die nadert? Haasten wij â ons haar te gemoet te gaan ; knielen wij voor â hare majesteit neder!quot; Reeds is Rosa bij de deur der kamer. Daar staat Maria voor haar in onbeschrijfelijken glans, omringd van maagden, die wel minder schoon zijn dan zij , maar toch nog boven alle beschrijving verheven. Een oogenblik bleef Rosa stom van verbazing; maar weldra jubelde zij het uit: â o Mijne Koningin, o mijne vreugde, âo mijn troost, o mijn geluk! Ik zie het, gij â hebt mij eenig bevel te geven , spreek , spreek, â uwe dienstmaagd hoort u.quot; Nu gelastte Maria aan Rosa zich te kleeden in haar schoonste gewaad» vervolgens zich te begeven naar de kerken van den H. Joannes den Dooper en van haar â welbeminden dienaar, den armen Franciscusdan naar de Lieve-Vrouwekerk. Daar moest zij hare schoone haarlokken laten afsnijden, zich ontdoen van hare
1) Boll. tom. 43 p. 435. uit het Proces der Heiligverklaring.
ZEVENTIENDE DAG. 185
wereldsche kleederen, zich laten beldeeden met het kleed der derde Orde van den H. Franciscus en zich met eene gerinae koord laten omgorden. Dan moest Rosa naar haar kamertje terult;:keeren en er zich op toeleggen, om God te bidden en te loven. ... â En , zoo voegde de gezegende Moeder Gods er bij, indien gij u daarom beschimping en spot op den hals haalt, moet gij dat met geduld verdragen , want dat zal n een bron zijn van verdiensten en kostbare belooningen ; maar wee degenen , die ze u aandoen !quot;.... Maria verdween en Rosa was volkomen genezen. De Engelen zeiven brachten aan Rosa een scapulier, wel grof en arm, maar passend voor haie teedere schouders. Stipt voerde zij nu uit, wat Maria haar gelast had; zij gaf zich gansch aan God en geheel Viterbo bewonderde deze jeugdige Maagd in het armoedige kleed van Franciscus veel meer, dan toen zij schitterde in al den glans der rijkste gewaden.
GEBED.
(/Z. Ildefonsus.)
o Mijne Meesteres, verlicht met uw liefelijk, licht de oogen mijner ziel, versterk mijn hart. door uwe hemelsche zoetheden en dat uw liefelijke geur mij aan den dood onttrekke. Konde ik u geheel en al in 't binnenste mijns harten bezitten ! o Maagd zonder vlek, o Licht der
^---
---------^â
186 ZEVENTIENDE DA.G.
wereld , Glorie der 11. Kerk , Vreugde van Jeruzalem , Eer van ons volk , breng in mijn hart de vlammen uwer liefde, opdat ik brande van vurigheid om u te prijzen, u te verheerlijken, om van u te spreken en uw lof overal te verkondigen.
Dat uwe stem , o glorierijke meesteres, in mijne ooren weerklinke en dat ik uw zacht geluid met vreugde verneme. Toon mij uwe zoo beminnelijke trekken en mijne ziel zal behouden zijn. Amen. , v
{II. Anselmus.)
Gegroet, o H. Maagd! Door uw Zoon, die de Heiland is, door den Vader gezonden, verheugen wij ons in den Heer , die ons met goederen heeft overladen.
Achttiende Dag.
Wij moeten Maria vereeren, omdat zij onze Moeder is.
Mater amabilis. Minnelijke Moeder. (Lit. Laurel.)
;aria is de Moeder aller geloovigen. De H. Bonaventura zal ons de reden daarvan zeggen.
«Maria is niet slechts de Moeder van » Christus, zoo luiden zijne woorden, »maar ook de algemeene Moeder der »geloovigen. â Hierom zegt een oude » Leeraar : als Jesus Christus de Broeder » is van alle geloovigen, waarom zou zij, »die de Moeder is van Christus, niet » de Moeder zijn van alle geloovigen ? â » Welaan , mijne allerliefsten , laten wij
*4-*______--K_____4*
188 ACHTTIENDE DAG.
»ons thans verheugen en in vreugde » zeggen: Gezegend is de Broeder, door »wien Maria onze Moeder is, en ge-» zegend is de Moeder, door wie Chris-» tus onze Broeder is').quot;
Niemand, zegt de H. Cyprianus, heeft God tot Vader, die de Kerk niet tot Moedor heeft; op gelijke wijze zouden wij kunnen zeggen: niemand heeftJesus Christus tot Broeder, die Maria niet tot Moeder heeft. Welnu, Jesus Christus is de Broeder van alle menschen, omdat Hij zich, ofschoon God zijnde, gezegend in eeuwigheid, met onze menschelijke natuur heeft willen hekleeden; Hij is de eerstgeborene, de oudste broeder van allen , die in Hem gelooven en eenmaal y het rijk zijns Vader met Hem beërven \ zullen. Maar is Jesus Christus onze Broeder , onze Eerstgeborene, dan is ook Maria onze Moeder. Waar, wanneer, hoe werd zij zulks ?
Hoor den H. Alphonsus: «Maria is ygt; de geestelijke Moeder onzer zielen » geworden , zegt hij , toen zij de ge-1) S. Bonaï. In Spec. B. M. V. Cap. VIII.
ACHTTIENDE DAG. 1S9
»l)oorte gaf aan Jesus Christus, de «oorzaak van ons geestelijk leven en van »onze zaligheid').quot; Zij wist, dat Hij onze Redder en Zaligmaker zijn zou; doordat zij nu het leven des lichaams aan Jesus Christus gaf, schonk zij aan het menschelijk geslacht, dat in den dood der zonde begraven lag, het leven der ziel, het heerlijke leven der genade. Is dan Maria niet de Moeder onzer zielen? En zal hij, die Maria niet voor zijne Moeder erkent, Jesus Christus wel tot zijn Broeder kunnen hebben en medeêrven in zijn rijk? En zouden wij zonder hare toestemming in de mensch-wording onzes Heeren , ook nu nog niet dien slaap des doods slapen , waarin de zonde van Adam ons gedompeld had ?
Zij werd ten tweeden male onze Moeder bij de Opoffering van haar Kind in den tempel. Daar kocht zij haren Jesus vrij. Waartoe? Opdat Hij zou leven en kunnen werken en lijden, om ons het leven der genade te geven en overvloediger te geven.
1) S. Alph. Super Salve Reg. Cap. I. § 2.
â¢lx
X
190 ACHTTIENDE DAG.
En als was die dubbele band, die ons aan haar als aan onze moeder verbindt , nog niet sterk genoeg, wilde zij een derde maal onze moeder worden onder het kruis. Daar offerde zij aan God het Goddelijke Lam, dat daar hing, bloedend uit duizend wonden en den doodsnik op de lippen had. Zij stemde er in toe, dat Jesus zoude sterven, opdat wij, van den dood verlost, geestelijk zouden leven! Wat wilde onze Heer zelf, toen Hij aan het kruis verheven, zijn stervende lippen met moeite ontsloot, wat wilde Hij nog doen ? Plechüg Maria tot Moeder aller geloovi-gen aanstellenquot;? â Neen, Maria in hare waardigheid ook nog door zijn Goddelijk
woord bevestigen! Luisteren wij..... .f
Goddelijke Meester , spreek !..... Hij
ziet met zijne bebloede oogen Joannes aan , Joannes , die volgens de leer dei-Vaderen ') de vertegenwoordiger was van alle geloovigen, â en met wel gebroken,
1) Alph. Salmei-on torn. X. tract. 41; Toletus in Jois. XIX.; S. Bernardin. Sen. lom. I. Serm. 55 ; S. Alph. de Lig. Sup. Salve Reg. Cap. I.
X
ACHTTIENDE DAG.
maar toch plechtige stem, klinkt het door de stilte en de duisternis, die op Calvarië heerschen : « Vrouwe , ziedaar « uwen Zoon. Zoon , ziedaar uwe Moe-» der.quot;
Maria dus is onze Moeder, Gode zij daarvoor eeuwige dank ! â Maar als zij onze Moeder is, dan heeft zij te onzen | opzichte ook het hart en de gevoelens eener moeder! Dan bemint zij ons als hare kinderen ! Sn wal is de liefde eener moeder voor haar kind ? Laat een kind geboren worden in een paleis, | leg het neer in een gouden wieg , omring het met bedienden , wier voetstappen in zachte tapijten gesmoord worden, maar neem zijne moeder van hetzelve weg ,.. .. dat kind , omringd van dien rijkdom , is ongelukkig , diep beklagenswaardig ; 't is eene bloem, die de verwarmende stralen der zon moet missen; maar als zijn weenend oog, het tee-dere oog eener moeder ontmoeten kan , als het zich drukken mag aan haar van liefde kloppend hart, â al is dat kind
dan geboren in een ellendige hut en,
------------
191
___^__
193 ACHTTIENDE DAG.
gewikkeld in armoedige doeken, duizendmaal gelukkiger is het, omdat het in die liefde, die moederliefde, alles vindt, wat tot zijn bestaan en geluk noodig is. Lezer, zoo gij u nog in het bezit eener moeder verheugen moogt, dank er God voor; heeft echter de dood ze u reeds ontrukt, (en wie weet sinds hoe lang reeds), troost u dan, want gij hebt eene andere Moeder in den Hemel, die u meer bemint dan uwe aardsche moeder u beminnen kon. En toch, hoe lief had u deze ! . .. .
Daar is in het leven der H. Teresia veel, dat een vroom gemoed kan treffen, maar niets treffender dan haar na den dood harer moeder te zien neerknielen voor een beeld van Maria en te hooren zeggen : « Maria , ik heb thans op aarde » geene moeder meer; wees gij nu voort-» aan mijne Moeder!quot; En was Maria voor haar eene Moeder?... Door Maria werd Teresia de groote Hervormster van de Carmelietenorde, een sieraad der Kerk, eene Heilige des Hemels. Zou hare aardsche moeder zooveel voor haar hebben
A*
ACHTTIENDE DAG.
kunnen doen ? o Maria , wees ons dan eene «beminnelijke Moederquot; en dek ons met den mantel uwer liefde I
V' oorneni om.
Gelijk een rechtgeaard kind zijneaardsche moeder op alle wijzen tracht te verheugen, door goed , gedrag, door diensten, door kleine geschenken, zoo zal ook ik trachten door allerlei deugden het hart mijner hemelsche Moeder te verblijden.
VOORBEELD (1).
De H Bonaventura verhaalt van den Serafijn-schen Vader Franciscus, âdat hij Maria met eene â onuitsprekelijke liefde beminde , omdat zij den â Heer der eeuwige glorie, Jesns Christus, ons tot âbroeder gegeven heeft. Na onzen Heer Jesus â stelde hij vooral op Maria zijn vertrouwen, en â nam haar tot Voorspreekster van zich zeiven en â van zijne Orde ; van den feestdag van Petrus â en Paulus tot aan Maria-Hemelvaart vastte hij âjaarlijks te harer eere.quot;
Eens had hij het geluk haar te aanschouwen, omringd van Engelen. Dit viel voor te Assisië in eene kleine kapel, Portiuncula geheeten. De
1) In vita S. Franc. cap. IX. n: 125. cit. a Boll. torn. 50 p, 766; Mgr. De Ségur, Mois de Marie.
193
13
194 ACHTTIENDE DA.G.
H. Franciscus bevond zich in zijne kluis dicht bij de kapel. 'tWas reeds nacht en Franciscns bad met vele tranen voor de ongelukkige zondaars. Eensklaps verschijnt hem een lichtende Engel, die hem toeroept: âFranciscns, sta op en kom â in de kapel; daar wacht n de Heer met zijne â H. Moeder en de Eugelen.', Terstond snelt de Heilige naar buiten. Hij opent de deur der kapel en daar â o zoete vreugde 1 â ziet hij op het , altaar, in 't midden van een hemelsch licht Maria met het kind in hare armen en omringd door talrijke, zingende Engelen. Franciscns viel op deu grond neder en riep in verrukking uit: âMijn â Schepper, hoe is het mogelijk, dat uwe Majesteit â zoo tot mij afdaalt ? Hoe kiest gij deze nederige âkapel uit, om er met uwe zalige Moeder en â al uwe Engelen in neder te dalen 1quot;
Hij vroeg alsdan voor die plaats den grooten en buitengewonen aflaat, bekend onder den naam van den aflaat van Portiuncula. Eerst was het alsof de Zaligmaker dit verzoek niet wilde ver-hooren : â Franciscus ,quot; sprak Hij , â uwe vraag â is groot; zoo iets heb Ik nog nimmer aan een â mijner dienaren toegestaan. En toch, zoo mijne â Moeder het mij vraagt, zal Ik het u om harent-â wil verleenen.quot; Aanstonds wendde zich nu Franciscus tot Maria en smeekte hac.r, zijne voorspraak te willen zijn ; de Engelen smeekten met Jiem. Als Maria nu zelve de bede van Franciscus aan haren Zoon voordroeg, schonk Jesus de ge-
----^------
ACHTTIENDE DAG. 195
vraagde gunst, onder voorwaarde, dat Franciscus de zaak zoude onderwerpen aan den Paus van Rome. Hij deed zulks; de Paus keurde den aflaat goed en wij zijn zoo gelukkig, naast God aan Maria deze onwaardeerbare gunst te mogen dank weten.
GEBED.
{II. Ildefonsus. Cap. XVI.)
O Maria, uw moederlijke schoot is vol barm- -hartigheid en medelijden , en gij zijt, na God, onze eenige toevlucht. Ik bid u, aanhoor goedgunstig en teederlijk het gezucht onzer droefheid en den kreet onzer angsten. De vrede is van de aarde geweken , het menschelijk geslacht kwijnt en sterft van gebrek, de eene Christen berooft den anderen ; oogsten worden vernield; de zonden zijn talloos , de ondeugden overvloedig; de duivelen zijn ontketend en doorloopen de wereld ; godsvrucht en medelijden worden gebannen ; geen eerlijkheid meer, geen zuiverheid; â begeerlijkheid en ongeloof heerschen overal te gelijk met . bedrog en veinzerij en leugen ; iederen dag worden diefstallen begaan , kloosters geplunderd en uwe dienaren wreedaardig vervolgd. Ter hulp, Heilige Maagd , ach , kom ons ter hulp ! Amen.
(II. Anselmus.)
Gegroet, o Koningin der Maagden; Moeder zonder vlek ! Uw Zoon is ons een heerlijk erfdeel.
Negentiende Dag.
Maria heeft zich altijd onze Moeder getoond door hare -weldaden.
Ego sum mater pulchra; dilec-tioDis.
Ik beu de Moeder der schoone liefde. (Eccli. XXIV. 21 )
'e H. Petrus Damianus, dien wij 'zekerlijk onder de vurigste vereerders van Maria mogen stellen, zegt tot de H. Maagd ; «Ik weet, o » Maria , dat gij allergoedertierenst zijt, »en ons met eene onoverwinnelijke »liefde bemint, ons, die door uw Zoon »en uw God met de volmaakste liefde »bemind worden. Ja, gij bemint op » eene bijzondere wijze hen, die u zijn »toegedaan, volgens het Boek der
__*=__
NEGENTtENDE DAG. 197
» Spreuken: Ik bemin hen, die mij he's) minnen 'j.quot; Inderdaad, liefde is zoozeer het kenmerk eener moeder, dat wij moeite heliben ons eene moeder zonder liefde te verbeelden en wij daarvoor onze gedachten moeten laten gaan naar de verre gewesten van China en andere afgodische streken , waar moeders hare eigen kinderen ter prooi aan wilde dieren voorwerpen. Zal dan het edelste aller moederharten, het H. Hart van Maria , ook niet een brandpunt zijn der teederste liefde tot ons, hare kinderen? De stralen, die het uitschiet, zijn schitterend en verwarmend, gelijk de stralen der zon. Die stralen zijn hare weldaden. En wie telt die?
Zij schonk ons .Tesus Christus, de Bron van alle goed. Zij heeft ons door Hem alle goed geschonken: «want » geen andere naam is onder den hemel » den menschen gegeven , in welke wij »zalig moeten worden2).quot; Zij schonk Hem bij zijne geboorte, ja, maar zonder
1) Spr. quot;VIII. 17.
2) Hand. IV. 12.
NEGENTIENDE DAG.
smart of pijn; zij schonk Hem ook voor ons aan het kruis, toen een zwaard van droefheid hare ziel doorboorde, en zij ons door die gift het recht op den Hemel wedergaf.
Als wij eens een blik slaan op dat gedeelte van ons leven , dat achter ons ligt en nimmer meer terugkeert, wat zien wij ? Meer weldaden van Maria, dan jaren, misschien dan dagen. Gij twijfelt ? Maar bedenk dan, dat gij nog geen dag op deze wereld waart of reeds nam Maria u onder hare bescherming. Toen gij op den eersten dag uws levens ter kerke gedragen werdt als een kind van gramschap, een slaaf des duivels en besmeurd met de erfzonde, keer-det gij op de armen uwer dierbaren huiswaarts geheel schoon , bekleed met het schitterend gewaad der genade, als een kind van God en de broeder van Jesus Christus. Wie schonk u die weldaad ? Maria, door wier handen alle gunsten van God ons toevloeien! â Als een Engel zoo vlijtig bij uwe wieg waakte en zijne beschermende vleugelen over u
198
199
---2lt;L__
NEGENTIENDE DAG.
uitspreidde , wie zond hem tot u ? Maria , de Koningin der Engelen! â Dat christelijke ouders u voedden met de melk der Wet Gods en over uwe onschuld waakten, aan wie dankt gij het? Na God, aan Maria ! â Als gij in lichamelijke gevaren waart en gij ontkwaamt als door een wonder, als gij u sterk J gevoeldet in de bekoringen of bevrijd werdt van de aanvallen des duivels of aangespoord tot deugd en goede werken, 't was Maria, die met haar moederlijken mantel u bedekte en beschermde.
Als gij niettegenstaande hare waakzaamheid , door boosheid of zwakte toch in zonde gevallen waart en, diep gezonken in het slijk der zonden, moeite hadt om op te staan; als de Biecht u afschrikte en de weg van boetvaardigheid u moeilijk scheen om te begaan , wie reikte u in die donkere, droevige oogenblikken de hand? Maria, uwe Moeder, aan welke gij naast God alle genaden te danken hebt, en die de Toevlucht der Zondaren genoemd wordt.
££______
200 NEGENTIENDE DAG.
Ontvingt gij in de H. Communie het Lichaam en Bloed des Heeren, werdt gij in het geloof gesterkt door het H. Vormsel, of in de andere Sacramenten met genade begiftigd, dank er Maria voor, die ons den Gever aller genaden, den Insteller aller Sacramenten geschon-^ - ken heeft. -
« God heeft de volheid van alle goed in » Maria gelegd,quot; zegt de H. Bernardus1), «opdat wij zouden erkennen dat al » onze hoop, dat alle genade, alle heil tot » ons komt door de handen van Maria.quot; En, voegt de H. Antoninus daarbij : cf Wie meent Maria's hulp te kunnen »missen, is gelijk aan een jong vo-ygt; geitje, dat buiten het ouderlijk nest y »gekomen is en vliegen wil, maar , % » geene vleugels heeft, die het dragen » kunnen.quot;
Moeten wij zeiven de waarheid er van niet bekennen, zoo wij hierin onze ondervinding raadplegen? Ieder onzer zou dan misschien met den heiligen Joannes Berchmans kunnen zeggen r 1) S. Bern. Serm. de Nativ.
â¢jj; 'lt;â ït
___is,___4^
NEGENTIENDE DAG. 201
« Van mijne jeugd af heb ik het geluk »gehad als haar kind behandeld te » worden; alle gunsten en genaden heb »ik door Maria ontvangen.quot;
Zoo de menschen deze waarheid al niet over de geheele wereld verkondigen, J de gansche aarde is toch overdekt met ( ^- stomme getuigen, die krachtiger spre- -^ ken dan woorden en die Maria's moederlijke goedheid wijd in het rond en hoog in de lucht verkondigen. Waar ter wereld , zoo er Katholieken zijn, vindt gij niet een heiligdom, een altaar,
eene kapel, een kerk ter eere van Maria ? Deze zeggen u , dat op al die plaatsen Maria de stralen van haar liefdevuur heeft doen gevoelen; dankbaarheid voor gunsten deed ze uit den grond verrijzen! ^ Dat zeggen u ook die duizenden exvoto's, die op bedevaartplaatsen de muren der kerken bedekken. In de kerk van O. L. V. der Overwinningen te Parijs alleen , is Maria's altaar behangen met 4000 metalen harten en meer dan 50 eerekruisen ; marmeren platen bedekken de muren en
verkondigen op welsprekende wijze de
^ ^
--^---
NEGENTIENDE DAG.
goedheid van haar, van welke lt;le H. Barnardus zegt; «dat zij zorg draagt » voor alle ongelukkigen
quot;Voornemens.
1° Maria van harte bedanken voor de gunsten en weldaden, die wij van haar en door haar
ontvingen.
2° Aandachtig onze gebeden verrichten met de meening daardoor aan onze goede Moeder genoegen te doen.
VOORBEELD (2).
Pater Herman Cohen is een der beroemde bekeerlingen , die, gelijk de Ratisbonne's, de j Lehmann's en anderen , van het Jodendom tot den christelijken godsdienst overgingen. Londen, Parijs , geheel Europa bewonderde hem als een
⺠toonkunstenaar van den eersten rang..... Hij
' werd Christen, priester, Carmeliet en liet de wereld , die hem eerst bewonderde , zich nu verwonderen over zulk een stap.
Zijne moeder bleef hardnekkig ; Pater Herman bad veel, zeer veel voor hare bekeeri Qg. Met welk gevolg?.... Zijne moeder stierf in het -Jodendom. â God heeft mij zwaar beproefd
1) S. Bern. de Aqurcductu.
2) In Vita P. Herman.
202
â -jvt
/ NEGENTIENDE DAG. 203
schrijft hij aan een vriend, â mijne arme moeder â is dood en ik blijf in onzekerheid 1 . . . . Maar â er is zooveel gebeden, dat men toch wel hopen â mag, dat er in haar laatste oogenblikken tusschen â God en hare ziel zaken zijn voorgevallen, welke â ons onbekend zijn.quot; Niet lang daarna stortte hij de bittere droefheid zijns harten uit bij den beroemden pastoor van Ars. â Blijf hopen , blijf â hopen was het antwoord van den man Gods ; â op een feestdag der Oi-beviekte Ontvangenis zult â gij eenmaal een brief ontvangen , welke u een â grooten troost zal verschaffen.
Zes jaren verliepen. Pater Herman was dit j woord van den Pastoor schier vergeten ; doch ziet, den 8 December 1861 ontvangt hij van een Pater j Jesuiet een brief, geschreven door eene groote : dienares Gods. Die brief luidde, kort samengevat, i als volgt : op een oogenblik na de H. Communie, | toen ik diep verzonken was in innig onderhoud met mijn Zaligmaker, herinnerde ik mij, hoe ik somwijlen gehoord had, dat de menschen zich verwonderden, dat de onophoudelijke gebeden van P. Herman om de bekeering zijner moeder niet waren verhoord geworden ; toen waagde ik het O. H. Jesus Christus naar de oorzaak daarvan te vragen en Hij antwooidde mij : âDe geheimen â mijner gerechtigheid zijn ondoorgrondelijk en Ik âben aan niemand mijne genade schuldig. Maar â eer zullen hemel en aarde vergaan, dan dat Ik â mijne belofte verbreek : dat ieder gebed verhoord.
3*
204i NEGENTIENDE DAG.
â wordt, als het (ïe noodige hoedanigheden bezit. â Om u het bewijs daarvan te geven, luister....â en daar werd haar geopenbaard, dat in het stervensuur dier Joodsche vrouw , terwijl zij buiten kennis lag , de H. Moeder Gods tot den troon van Jesus naderde. Hem om geuade en erbarming smeekte voor de ziel der stervende en sprak : âIk â verlang die ziel als mijn erfdeel , als den prijs â van uw H. Bloed en van mijne smarten aan â den voet des kruises.quot; Eensklaps schoot uit-Jesus' H. Hart eene schitterende lichtstraal over de ziel der stervende en inwendig sprak deze: âo â Jesus , God der Christenen , God , dien mijn â zoon aanbidt, ik geloof in U, o, erbarm U over â mij 1quot; Zij verlangde inwendig het Doopsel en .... de ziel scheidde van het lichaam. En, zegt de dienares Gods, eene stem gelastte mij : âmaak â dit aan Pater Herman bekend ; dezen troost wil â ik hem geven voor zijn langdurige smarten, â opdat hij de goedertierenheid van Maria's hart â verheerlijke , en verkondige , welke macht zij â heeft over mijn Hart.quot;
GEBED.
(11. lldefonsus. Cap. XV1.J
Allergoedertierenste Koningin, zie tot welk eene ellende het menschelijk geslacht gekomen is. Wat droefheid is er over de H. Kerk verspreid , wat bitterheid doet alle schepsel treuren 1 o Liefderijke
ââ
NEGKNTIKNDE DAG.
1SÃ
_^
205
Moeder, dat uwe liefde medelijden met onze â ellenden hebbe en dat de ingewanden uwer barmhartigheid bewogen worden door ons lijden. Spreek te onzen gunste voor den rechterstoel Gods, verbid de strengheid var. den Almachtigen Vader, doe het vonnis van den oppersten Rechter wederom intrekken en beteugel hier beneden den overmoed der goddeloozen. Dat een nieuwe vrede neer-stroome van den Hemel, dat de werken van Godsvrucht in 't midden der wereld weder opleven , dat de deugden weer bloeien in de kloosters, dat uwe heiligheid geprezen en lof gebracht worde aan God den Vader, den Hecre Jesus Christus, uwen Zoon , en den Heiligen Geest, uwen Bruidegom. Amen.
(H. Anselmus.)
Gegroet, o Maria. Uit u, o Maagdelijke Woonplaats, kwam God te voorschijn, zich zeiven en zijne genade aan ons gevend.
*£â¢
Twintigste Dag.
Onze eerste plicht jegens Maria: Eerbied.
Et sicut qui thesaurizat, ita et qui honorificat matrem suam.
Die zijne moeder eert , is als iemand, die zich schatten verzamelt. {Eccli. III. 5.)
vorige dagen dezer maand be-⢠schouwden wij Maria, tot het hoogste punt van eer verheven; wij beschouwden haar nl. als Moeder van God ; maar ook als Moeder der menschen hebben wij ze gezien , die beminnelijke Maagd. Welke gevolgtrekking zullen wij uit dat alles maken ? Is zij de Moeder van God, dan verdient zij al onzen eerbied en moeten wij haar dien zooveel mogelijk betuigen. â Is zij onze Moeder,
quot;5f
X__.]*
TWIHTIGSTE DAG. 207
dan verdient zij waarlijk al onze liefde, gelijk eene moeder alle recht heeft, op de liefde van haar kind. â Is zij Moeder van God , dan is zij machtig; is zij Moeder der menschen dan is zij vol goedheid, en die macht en die goedheid te zamen vragen van onzen kant een onbeperkt vertrouwen. Eerbied, lief- -de en vertrouwen, ziedaar dus de plichten , die ieder onzer jegens Maria te vervullen heeft.
Welk recht heeft Maria op onzen eerbied ? Onze wil wordt niet bewogen, tenzij ons verstand eerst overtuigd zij , en och, of dan nog altijd de wil uitvoerde, wat het verstand als goed en nuttig voorstelt ! Zie dan , o mensch , Maria verheven tot eene hoogte, die al uw verstand, al was het nog zoo verheven, verre overtreft: zij is Moeder van God. Al zoudt gij nu Maria om geen andere reden vereeren, dan omdat zij Moeder van God is, dan zoudt gij daarin God zeiven tot voorbeeld hebben. Heeft God zelf Maria daarom vereerd ? Zeer zeker. Verplaatsen wij ons in den geest in het nederige
TWINTIGSTE DAG.
huisje van Nazareth, in het kamertje van Maria. Vanwaar dat zachte , maar toch heldere licht ? Vanwaar die hemel-sghe stem , die de stilte onderbreekt?.... â O, een Engel is daar, een afgezant van God ...., een Aartsengel, een der zeven, die altijd staan voor den troon des Heeren'). Waartoe is hij gekomen? Om Maria van Gods wege vol eerbied te groeten, o Onbegrijpelijk mysterie! -De Schepper van alles zendt tot zijn schepsel een afgezant uit zijne onmiddellijke nabijheid, een zijner verhevenste geesten, in één woord : Gabriel, wiens naam beteekent: Kracht Gods! Zoo vereerde God zelf Maria en gewaardigde Hij zich aan ons een voorbeeld te geven.
Toen Onze Heer Jesus Christus in menschelijke gedaante op aarde rondwandelde, hoe behandelde Hij toen zijne H. Moeder? Met eerbied. Wat anders toch zegt ons dat woord, zoo diep van beteekenis; «en Hij was hun onderdanig'1) 9quot;
1) Tob. XII. 15.
2) Luc. II. 51.
208
TWINTIGSTE DAG. 209
Hoe meer wij dus Maria onzen eerbied beluigen, des te meer ook zullen wij gelijkvormig zijn aan Hem, die niet gekomen was om de Wet te niet te doen, maar om ze te volmaken en te vervullen ; en wat zegde die Wet ? « Eer » aiüc moeder al de dagen des levens !quot; Treden wij in zijne voetstappen, geen . * pad is veiliger; want een God in men-schelijke gedaante gaat ons voor.
En is Maria niet eene Koninginne, omringd van al den luister en majesteit, die aan hare waardigheid past ? Dwingt niet reeds hier op aarde eene vorstin, die straalt in den glans van rijkdom, schoonheid en deugd, den eerbied af van die haar omringen'? Wat eerbied v gebiedt dan niet onze Hemelsche Koningin Maria, die gesteld is, niet over sterfelijke menschen, maar over de hofhouding van den Koning des Hemels! O, als de Engelen haar begroeten met de woorden der H. Schrift: «Wie is zij, die daar voorttreedt als de opkomende dageraad , schoon als de maan en uitgelezen als de zondan is dat
:4; 5?---
210 TWINTIGSTE DAG.
niets anders dan de uitdrukking van het eerbiedig ontzag, dat hen bezielt voor haar, die zij als hunne Koninginne vereeren en wier bevelen zij op snelle vleugelen volbrengen.
Beminnelijk is de voorstelling van den H. Bonaventura'), die ons Maria beschrijft , reeds hier op aarde omstuwd -van lieve Engelen, die eerbiedig hare bevelen afwachtten. Wat zagen dezen in haar? Niet alleen, zegt de groote godgeleerde Suarez'2), de Moeder van God, maar ook reeds hunne toekomstige Koningin. De H. Geest heeft ons ten minste iets van den eerbied dei-Engelen geopenbaard, toen Hij ons in het H. Evangelie deed beschrijven , met ^ hoeveel ontzag de Aartsengel Gabriel, (volgens een vrij algemeen gevoelen, Maria's Engelbewaarder), zijne Koninginne toesprak : Wees gegroet, gij vol van genade, de Heer is met u en gezegend zijt gij onder de vrouwen!
Waar God en zijn Gezalfde en geheel
1) S. Bonav. ia Med. Vitee Chri, cap. III.
2) Tom. II, in 3 Part. Disp. 22 , Sect. I.
________^_______â¢
TWINTIGSTE DAG. 211
het Hemelsch Hof Maria zooveel eer betoonen, waarlijk daar mag onze eerbied, de eerbied harer kinderen, zeker niet ontbreken. Wij zullen nooit dien eerbied van God , van Jesus Christus , van de Engelen nabijkomen, laat staan evenaren ; maar in zaken, die boven onze krachten gaan, wordt de wil voor de daad gerekend'); en in den dienst van Maria is het een overgroole troost te mogen denken, zooals de H. Alphonsus ons zegt, dat aan Maria het minste bewijs van eerbied alleraangenaamst is. quot;Vquot; oomemens.
Zorgen wij, dat het bidden van het quot;Wees gegroet, van het Engel des Heeren, otize gezangen, onze gesprekken over Maria en al onze gods vruchtoefeningen inderdaad genoemd kunnen worden : betuigingen van eerbied jegens Maria; opdat ook op ons het woord der H. Schrift toepasselijk zij : âDie zijne Moeder eert , is als iemand, die zich â een schat vergadert.quot;
VOORBEELD (1).
De Gelukzalige Petrus Armengol, kloosterling van de Orde van O. L. Vrouw ter Slaven , had
1) â Tn magnis voluisse sat est.quot;
2) Boll. tom. 41 p. 334.
^ -
TWINTIGSTE DAG.
niets anders dan de uitdrukking van het eerbiedig ontzag, dat hen bezielt voor haar, die zij als hunne Koninginne vereeren en wier bevelen zij op snelle vleugelen volbrengen.
Beminnelijk is de voorstelling van den H. Bonaventura'), die ons Maria beschrijft , reeds hier op aarde omstuwd van lieve Engelen, die eerbiedig hare bevelen afwachtten. Wat zagen dezen in haar ? Niet alleen, zegt de groote godgeleerde Suarez'2), de Moeder van God, maar ook reeds hunne toekomstige Koningin. De H. Geest heeft ons ten minste iets van den eerbied der Engelen geopenbaard, toen Hij ons in het H. Evangelie deed beschrijven , met hoeveel ontzag de Aartsengel Gabriël, ^ (volgens een vrij algemeen gevoelen, Maria's Engelbewaarder), zijne Konin-ginne toesprak : Wees gegroet, gij vol van genade, de Heer is met u en gezegend zijt gij onder de vrouwen !
Waar God en zijn Gezalfde en geheel
amp;
1) S. Bonav. in Med. Vita; Chri , cap. III.
2) Tom. II, in 3 Pavt. Disp. 22, Sect. I.
210
-
-----£----
TWINTIGSTE DAG. 211
het Hemelsch Hof Maria zooveel eer betoonen, waarlijk daar mag onze eerbied, de eerbied barer kinderen, zeker niet ontbreken. quot;Wij zullen nooit dien eerbied van God , van Jesus Christus, van de Engelen nabijkomen, laat staan evenaren ; maar in zaken, die boven onze krachten gaan, wordt de wil voor de daad gerekend1); en in den dienst van Maria is het een overgroole troost te mogen denken, zooals de H. Alphonsus ons zegt, dat aan Maria het minste bewijs van eerbied alleraangenaamst is.
quot;V oornemens.
Zorgen wij, dat het bidden van het Wees gegroet, van het Engel des Heeren, onze gezangen, onze gesprekken over Maria en al onze godsvrucht-oefeningen inderdaad genoemd kunnen worden : betuigingen van eerbied jegens Maria; opdat ook â op ons het woord der H. Schrift toepasselijk zij : â Die zijne Moeder eert , is als iemand, die zich â een schat vergadert.quot;
VOORBEELD (1).
De Gelukzalige Petrus Armengol, kloosterling van de Orde van O, L. Vrouw ter Slaven , had
1) â In magcis voluisse sat est.quot;
2) Boll. tom. 41 p. 334.
rh______?L__
212 TWINTIGSTE DAG.
meermalen tochten gedaan ter bevrijding van gevangenen in Afrika. In 1266 op een dier tochten had hij al zijn geld daarvoor reeds uitgegeven , toen zijn hart met droefheid vervuld werd, wijl hij zag, dat hij eenige jongelingen niet meer kon vrijkoopen. Hij zond zijn medgezel, Broeder Willem van Florence, naar Spanje terug, om nieuwe sommen te halen ; hij zelf zou intusschen, â aldus kwam hij met de barbaren overeen, â in de boeien blijven ten borgtocht voor de jongelingen , die vrijgelaten werden. De eene week na de andere ging voorbij ; broeder Willem kwam niet terug. Waar toefde hij ? Nog altijd in Spanje , waar hij groote moeite had om het noo-dige geld bijeen te krijgen, en daarbij, zijn overtocht naar Afrika kou ook om andere redenen op den gestelden dag niet plaats hebben. Eindelijk toch slaagde hij; maar helaas , eerst verscheidene dagen na den gestelden termijn landde
hij in Afrika. Daar vond hij Petrus .... eenige . dagen te voren opgehangen aan een galg, omdat, ^ zoo leiden de barbaren , het geld er niet op tijd geweest was en hij hun godsdienst veracht had. Broeder Willem wilde het lichaam begraven en treurde om het verlies van zulk eeneu medebroeder; maar toen hij al weenend naderde en hem wilde afnemen , vond hij hem tot zijn groote vreugde nog in leven. â Dierbare broeder,quot; zoo sprak de Gelukzalige, âween niet; de allerh. Maagd heeft â mij ondersteund en in leven gehoucen; al deze
TWINTIGSTE DAG.
â dagen is zij bij mij geweest.quot; Met blijdschap liet broeder Willem hem af, kocht hem en vele anderen vrij en allen keerden verheugd naar t vaderland weder. Daar zagen al de medebroeders van Petrus, dat zijn hals gedurende het overige van zijn leven de sporen bleef dragen van de koord , wnaraan hij zoovele dagen gehangen had , en tevens liet bewijs , dat Maria hare ^ ware dienaren bemint en beschermt. De ooggetuigen van dit wonderbare voorval hebben het onder eede bevestigd.
GEBED.
CH. Ildefonsus. Cap. XVII.J
o Gij , die de zielen met zooveel zachtheid verzorgt en geneest , H. Maagd , die onze harten verlicht, o, genees onze krankheden, verdrijf onze duisternispen , verlicht ons geloof, versterk onze hoop, ontsteek onze liefde, o Schitterende Ster, die ons den Weerglans van des Vaders licht geschonken hebt , Hem , die het schitterende licht der Heiligen is, gij hebt aan hen . die in de schaduwen des doods gezeten zijn, den eeuwigen morgen aangekondigd. Als de dageraad, die opkomt in 't Oosten , zoo zijt gij de eeuwige Zon voorafgegaan , de wereld met de stralen uwer genade beschijnende en de Kerk met den glans aller deugden vervullende. Verlicht mij, o Maria; want uw licht doet den Hemel schitteren , het verlicht de wereld en dringt door tot in de hel.
213
___^â
214 TWINTIGSTE DAG.
Uw glans vernietigt de ondeugden, doet de deugden heileven, verspreidt, heiligheid en bezorgt aan ons den vrede en de liefde des Hemels. Amen.
fH. Anselmus.)
Gegroet , o gezegende Maagd ; uit uw maagdelijk heiligdom kwam voort de God van goedheid, de Heiland der wereld, de eenige volmaakte mensch, Jesus Christus !
Een en twintigste Dag.
toonen uitwendig eerbied
hunne heeren en meesiers,
Onze tweede [ilielit jegens Maria; Liefde.
Mater amabilis. Beminnelijke Moeder. (Lit. Laur.J
omdat zij hen vreezen. Kinderen hebben niet slechts uitwendig, maar ook in het hart eerbied voor hunne ouders. Waarom ? Omdat zij hen beminnen. Zoo zij onze eerbied voor Maria, onze Moeder, gegrond op de liefde , die wij haar toedragen ! Waarom beminnen wij haar ? O , zeer zeker omdat zij in zich vereenigt alle eigenschappen , die een schepsel beminnelijk maken kunnen. Is zij niet op het nauwst met God verbonden ? Is zij
216 EEN EN TWINTIGSTE DAG.
niet schoon door alle hemelsche gaven , volmaakt, goedertieren , medelijdend , barmhartig? In één woord: is zij niet onze Moeder ?
Ja, als Moeder heeft zij alle recht op onze liefde. Niet allen kunnen begrij-] pen, wat liefde er in een moederhart *L zijn kan; dat weet alleen de moe-I der, die met onbeschrijfelijke teederheid haar kind aan het hart mag drukken , of wier zachte blikken de glinsterende oogen harer dierbaren ontmoeten. Maar allen, wie wij ook zijn, wij kunnen weten, hoeveel liefde er in een kinderhart zijn kan, voor die beminnelijke vrouw, die zich met zoo innig genoegen onze moeder noemde. Zelfs, al hadden y wij nooit het geluk gehad, haar te ken- ^ nen en haren naam uit Ie spreken, dan nog zouden wij ze bemind hebben , als wij bedachten, dat wij aan haar het leven en het bestaan te danken hadden. En nu , nu zij zich voor ons heeft opgeofferd , zoo menigmaal haar slaap voor ons heeft onderbroken, zoo menig benard oogenblik om ons heeft
J*..
EEN EN TWINTIGSTE DAG.
doorgebracht, nooit hare oogen van ons afwendde, onze handen vouwde en onze knieën boog tot ons eerste gebed , als een zichtbare Engelbewaarder over ons waakte en de vleugelen harer liefde tot aan haar laatste oogenblik, en misschien nu nog, over ons heeft uitgestrekt; mijn God, welk hart zou zoo ondankbaar kunnen zijn, zulk eene moeder niet te beminnen, met eene liefde sterker dan de dood! Ja waarlijk, wreed mogen zij heeten , die ooit de tranen uit hare oogen doen vloeien !
Maar zouden wij dan ook Maria niet beminnen, die Moeder boven duizenden ? Gij verbeeldt u misschien, dat er geen grootere liefde is dan de liefde, die uwe aardsche moeder u toedraagt. Hier op aarde, is er geene grootere; dat is zeker; maar hierboven ? Ja, daar is eene grootere liefde, 't Is de liefde van Maria. Hoe bemint zij ons ? Zeg het ons, o grootste vereerder van Maria , H. Alphonsus de Liguori! « Zij »heeft meer liefde voor ons dan alle »moeders te zamen, zij bemint ons
217
K.
.F
----^----
'218 EEN EN '1WINTIGSTE DAG.
»meer dan alle Heiligen en Engelen »te zamen genomen ons liefde toe-» dragen zoo antwoordt hij') ; maar, voegt de H. Petrus Damianus daar aan loe: «Liefde worde betaald met liefde: » beminnen ook wij daarom uit al onze »krachten Maria5).quot; Heeft niet Maria ons het leven der genade gegeven, gelijk onze aardsche moeder het leven der natuur? Heeft zij niet over ons gewaakt en wie weet voor hoevele gevaren èn ziel èn lichaam behoed ? En spreidt zij nu nog niet altijd de vleugelen harer moederlijke bescherming over ons uit? Gelooven wij haar gerustelijk op haar woord , als zij tot den heiligen Alphonsus Rodriguez eenigszins bestraffend zegde: « Alphonsus, gij meent ygt; dat gij mij meer bemint, dan ik u ; » maar weet , dat geene liefde op aarde »te vergelijken is met de liefde, die » ik u toedraag.quot;
Liefde dus voor liefde! Daar heeft Maria alle recht op; zoo begrepen het
1) St. Alph. S. Salve Regina , Cap. I.
.2) S. Petr. Dam. Sermo. I. de Nativ.
AH
-â^----
EEN EN TWINTIGSTE DAG.
rf;
IK
219
de Heiligen. De H. Joannes Berchmans had altijd in het hart en in den mond: « ik wil Maria beminnen , ik wil Maria »beminnen! Hij wist wel, dat de liefde door de oefenir.g aangroeit, dat het hart gelijk is aan een vuursteen, waarop men herhaaldelijk slaan moet, eer de vonken daaruit spatten; daarom werd hij nooit moede die woorden te herhalen. Volgen wij hem daarin. Als wij haar dikwijls onze liefde betuigen, herhaaldelijk en gaarne over haar spreken , haar oprecht gemeend onze Moeder, onze dierbare Moeder noemen, dan zullen de vonken van liefde niet uitblijven en ons hart zal instemmen met de woorden, die de mond spreekt. Zoo ging het ook met den H. Stanislaus Kostka; een gebedje tot Maria, een gesprek over haar, het hooren van de woorden: « Moeder van barmhartigheid,quot; was genoeg om eene hoogroode kleur van liefde op zijn gelaat te brengen; en als hij dan over Maria en zijne liefde tot die goede Moeder begon te spreken, dan voelde iedereen in het hart een vurig verlan-
.X
â S
-----IV--
EEN EN TWINTIGSTE DAG.
gen, om Maria met dezeltde liefde te beminnen. 't Is ons niet pegeven , Maria te beminnen gelijk die Heiligen; maar bieden wij aan Maria ten minste de liefde dier Heiligen aan , opdat zij aan-vulle, wat aan onze liefde ontbreekt.
quot;Voornemens.
1° Aan Jesus Christus vragen eene vurige liefde jegens zijne H. Moeder.
3° Alle gelegenheden te baat nemen om haar met den mond , maar vooral met het hart onze liefde te betuigen.
220
3° Zoo er gelegenheid toe bestaat, zorgen lid te zijn eener Congregatie van O. L. V. of van een Genootschap, bijzonder aan haar toegewijd en door haar beschermd , b. v. de Derde Orde van den H. Franciscus, de Rozenkransbroederschap en andere.
.X
NV
A
VOORBEELD.
Nog niet lang geleden vermeldden de dagbladen van Weenen het volgende feit, waarin Maria's tus-schenkomst niet te miskennen valt. Een jongeling viel in een snelvlietenden stroom, waarop een eind-weegs verder een watermolen gebouwd was. Hij grijpt rondom zich, tracht aan den kant te komen alles tevergeefs, de vloed sleept hem mede ; voort gaat het, steeds voort in onstuimige vaart; nog
---eij--
KEN EN TWINTIGSTE DAG.
«en paar ellen en .... het klapperend molenrad zal hem verpletteren. ... Maar neen, Maria waakt over hem. Zij zal hem redden en ook den molenaar , een vroom Maria-vereerder, de droefheid besparen, onschuldig oorzaak te zijn van zulk een wreeden dood.... De jongeling roept om hulp.... het klapperend molenrad overstemt hem. Doch hoor, daar klinkt het angelusklokje.... De molenaar verneemt het.... Bij het eerste geklingel doet hij zijn molenrad stilstaan en knielt om Maria te begroeten met het â Engel des Heeren 1quot; Gelukkig gebed 1 Een oogenblik later zou de jongeling verpletterd zijn geweest 1 Zijn hulpgeroep kou nu gehoord worden cn, van een wissen dood gered , dankte hij God en Maria.
GEBED.
(77. lldefonsus.)
o Maria, gij schittert en straalt van onschuld gq reinheid. Het sieraad van alle deugden bekleedt u met heerlijkheid. Gij zijt de gesloten Poort des tempels, de Poort, aan den Koning der koningen voorbehouden. Gij zijt de geheiligde Woonplaats van den Heer en geteekend met het zegel der geheele H. Drievuldigheid, o Lichtende Wolk, gij verdrijft de schaduwen der zonde, o Wolk, zoo rijk aan regen, gij verfrischt de dorheid onzer harten en onze onvruchtbaarheid maakt gij vruchtbaar. o Schitteiende wolk, die u tot hoog in de Hemeleu verheft; bloeiende Stam van Jesse, de
__45lt;
221
222 EEN EN TWINTIGSTE DAG.
genade doet u bloeien j Ark, door den Hemel bevochtigd , o verkwik ook onze harten door een zachten verfrisschenden regen. Gij zijt een ceder van zuiverheid, een vruchtbare wijnstok, een geurige cypres, een zachte olijfboom, o Bron der godsvrucht, voer ons naar de haven der barmhartigheid. o Lelie van zuiverheid, Toevlucht der zondaren , schoone Lentebloem, trek ons naar de hoogten des Hemels, o Maria, gij Voorwoord . onzer Nieuwe Wet, gij Heilig Boek van den Oppersten Leeraar, bescherm ons , en maak dat wij na dit ellendig leven de zaligheid door a mogen vinden. Amen.
(H. Anselmus. 1. a, y.)
Gegroet, o Koningin der genade 1 Uw Zoon is de Koning der glorie, de Heer, de Koning der deugden , Licht van Licht, Jesus Christus!
Twee en twintigste Dag.
Onze derde plicht jegens Maria: Vertrouwen.
X
X
Virgo potens, Virgo clemens. Machtige Maagd , Goedertierene Maagd. (Lit. Lauret.)
SLs Maria Moeder van God , dan is j|zij machtig; is zij Moeder der ^quot;menschen, dan is zij goederlieren ; en is zij machtig en goed te zamen, dan â verdient zij ten volle ons vertrouwen. Wat toch is vertrouwen anders, dan zich verlaten op, zich overgeven aan iemand, die ons helpen kan, en bovenal ons helpen voïl. Zoo iemand ons helpen kan, dat is alreeds iets, maar niet alles; zoovele ongelukkige armen ondervinden het, die zich om hulp wenden tot rijken,
224 TWEE EN TWINTIGSTE DAU.
die hen helpen kunnen , maar het al te dikwijls niet willen. Ook in het willen alleen is de hulp niet gelegen; als dat zoo was, wie onzer zou dan niet met zijnen wil zoovele naar ziel en lichaam ongelukkigen te hulp komen en hun lijdelijk en eeuwig geluk verzekeren? Neen, de arme is evenmin gebaat met het kunnen van hardvochtige rijken, als met het willen der medelijdende, maar onvermogende harten. Kunnen en willen te zamen dus, dat wordt vereischt tot werkdadige hulp en bijstand. Waar dat kunnen en willen vereenigd te vinden ? Bij Maria, Moeder van God en Moeder der menschen.
Zijn alle Heiligen machtig bij Jesus Christus, omdat zij allen zijne vrienden zijn, sommigen onder hen zijne profeten waren, of zijn Voorlooper, of zijn Voedstervader op aarde geweest zijn, dan is Maria machtiger dan zij allen , want meer dan zijne vrienden, meer dan zijne profeten of zijn Voorlooper of Voedstervader is zij; zij was en is zijne Moeder.
â ISe
________^
TWEE EN TWINTIGSTE DAG. 225
Ook onze Moeder is zij , en ook dat gebiedt vertrouwen. Vertrouwen steunt altijd op de liefde , die ons wordt toegedragen. Vertrouwen van den eenen kant en liefde van den anderen zijn als twee schalen eener balans, die altijd gelijk moeten slaan; naarmate er liefde is in de eene schaal, is er vertrouwen in de andere. Raadpleeg uwe ondervinding. Vertrouwt gij in nood op uwe vijanden, zoo gij er hebt? Neen. Waaromniet? Omdat zij u niet beminnen. Vertrouwt gij op uwe vrienden? Ja; vooral, niet waar, op dezulken, van wie gij weet, dat zij machtig zijn en oprecht veel van u houden. Vertrouwt gij op iemand ter wereld meer, dan op de geliefde perso-y nen , aan wie gij den naam geeft van -u vader en moeder ? Neen, omdat nie- quot; mand ter wereld u meer bemint. Weinig liefde dus , weinig vertrouwen ; veel liefde, voel vertrouwen. Moeten wij dan ook de gevolgtrekking niet maken : onbegrensde liefde eischt onbegrensd vertrouwen ; Maria's liefde tot ons is onbegrensd , want zij is, â en dit zegt
15
xtquot;- ïT #
226 TWEK EN TWINTIGSTE PAG.
alles, â zij is onze Moeder bij uitnemendheid ; moet dan ook niet ons betrouwen op haar zonder grenzen zijn? Innig was de H. Gerrnanus daarvan doordrongen, toen hij in kinderlijke vrijmoedigheid tot Maria zegde: « Wie, na uw sGoddelijken Zoon, draagt zooveel zorg » voor het menschelijk geslacht als gij , » o Maria ? Wie verdedigt ons zoo in onze » kwellingen ? Wie beijvert zich zoozeer » om ons van bekoringen te bevrijden ? » Wie staat zoozeer ons , zondaars , bij »door hare voorspraak ? Niemand is » er, die zalig wordt zonder u. Niemand »wordt van het kwade verlost, tenzij » door u, 0 Allerreinste'). Gij zijt mijne »toevlucht, mijn leven, mijne verdedi-»gmg, mijn wapentuig, mijn hulpge- ^ » schrei, mijne hoop, mijne sterkte2).quot;
Zijn wij dus in droefheid, dan weten wij, waar voor ons gemoed troost en opbeuring te vinden is. â Zijn wij onder den druk van moeilijkheden zonder tal, wij weten , waar raad en uitkomst
1) S. Gerrnanus Const. Hom. de Zona.
2) Idem. Oratio de Oblat Deiparae.
TWEE EN TWINTIGSTE DAG. 237
verleend wordt; in studie of arbeid , in de keuze van een levensstaat, in geestelijken of lichamelijken nood, bij u , o minnelijke Moeder der menschen, is hulp en bijstand in overvloed , want gij zijt de oorzaak onzer blijdschap, de troosteres der bedrukten, de zetel der wijsheid.
- Het gebed der Kerk is de weerklank van hare geloofsleer'), zegt Pius IX , roemrijker gedachtenis. En wat gebiedt de Kerk tot Maria te zeggen'? Virgo potens, o machtige Maagd! En onmiddellijk daarop: Virgo clemens, o goeder-tierene Maagd! Zegt de Heilige Kerk daardoor niet, dat èn kunnen èn willen in Maria vereenigd zijn? Zij is machtig, maar niet in deze of gene zaak alleen , maar in alles; want zegt de H. Ansel-mus2) tot Maria ; « Uw allergoedertieren-» ste Zoon , Onze Heer Jesus Christus , »zal allerspoedigst toestaan al wat gij wilt, o Maria.quot; En is niet het woord
1) lu zijne Dogmatische Bulle: Inejfabilis, waardoor de Onbevl. Ontvangenis van Maria tot leerstuk wordt verheven : atque adeo lex credendi ipsa snpplicandi lege «tatueretur.
2) De excell. Virg. Gap. XI.
*
--------:
228 TWEE EN TWINTIGSTE DAG.
van een kerkvader aan iederen vereerder van Maria bekend: Omnipotentia supplex, zij is eene smeeker.de almacht ? Scheppen kan God alleen, omdat dingen uit het niet voortbrengen eene uitsluitend goddelijke eigenschap is, die de Heer, naar het algemeen gevoelen , aan geen schepsel kau mededeelen; maar smeeken, bidden, dat kan Maria; zij heeft den sleutel van het hart Gods. Wat zij vraagt, dat verkrijgt ze ; « want,quot; zegt de H. Bonaventura'): « gij zijt alvermo-»gend door den Heer, die met zijne » Almacht bij u is.quot; Wal God dus kan door zijne natuur, dat kan Maria door haar gebed. Wat blijft er dan over wat Maria niet zou kunnen ? Alleen dat, wat in strijd is met de eer en de heiligheid van God ! Virgo po tens , ora pro nobis. Ja, machtige Maagd, bid voor ons en alle goed zal ons door u geworden 1
En zal zij ook voor ons bidden? Ja, want zij is ook Virgo clemens, de goe-
1) S. Bonav. In. Spec. B. M. V. Cap. 8. -----ï?------
TWEE EN TWINTIGSTE DAG.
derlierene Maagd. Wel mocht dus de H. Methodius en wij met hem bidden : «o Allerheiligste Moeder Gods, die » boven allen goedertieren zijt, en boven »allen luisterrijk door de eer, die gij » als Moeder Gods geniet, en door de » vrijheid, die gij hebt om tot God »te spreken , wij bidden u met aan- . X »drang, dat gij u gewaardigt ons al-»tijd indachtig te willen zijn.quot;
Moeten wij dan ons zeiven niet van dwaasheid beschuldigen, dat wij op Maria zoo weinig vertrouwen stellen en dikwijls dan eerst tot haar onze toevlucht nemen , als wij alle mensche-lijke middelen hebben uitgeput en alles hopeloos geworden is ? Waarom niet eerder tot haar geroepen als een kind tot zijne Moeder? Waarom haar niet in tijdelijke en geestelijke aangelegenheden onze belangen aanbevolen *? 't Ligt niet aan haar, dat wij verzonken zijn in zooveel ellenden naar ziel en lichaam ; aan ons is alle schuld , omdat, wij verzuimen met volle handen te putten in die onuitputtelijke schatten van goedheid
229
w
230
TWEE EN TWINTIGSTE DAG.
en macht, om welke Maria zoo te recht de smeekende almacht genoemd wordt!
quot;Voornemon.
Dagelijks , maar vooral in moeilijkheden , tot Maria mijne toevlucht nemen en alzoo toonen , dat ik vertrouw op hare macht en liefde, die beide door Gods goedheid zonder grenzen zijn.
VOORBEELD (1).
Ten bewijze, dat Maria er haar behagen in schept zelfs de minste verlangens harer dienaren te vervullen , diene het volgende voorval uit het leven der Gelukzalige Osanna van Mantua.
Zij brandde van verlangen, om te leeren lezen en eeu weinig te kunnen schrijven, om zoodoende uit de lezing der levens van Heiligen geestelijk voordeel voor hare ziel te trekken. Maar dikwijls had zij haren vader hooren zeggen, dat het voor jonge dochters gevaarlijk is veel te leeren , wijl ~ zij daardoor somtijds op een slechten weg komen ; daarom durfde zij haren vader die gunst niet vragen. Maar met onwankelbaar vertrouwen wendde zij zich tot eene beeltenis van Maria, die aan het hoofdeinde van haar bed stond, en dagen lang bad zij om die gunst te verkrijgen, 't Scheen haar in 't eerst, dat zij niet verhoord wsrd. Maar op zekeren dag bad zij met grootere volharding en
1) Bolland, tom. XXIV. 18 Juni.
'i*
v-
-----fZ-----
TWEE KN TWINTIGSTE DAG. 231
zeide tot Maria, dat zij niet zou opstaan, alvorens verhoord te zijn. Eu zie, in eene verrukking voelde zij in hare hanien een blad , dat van den hemel gedaald was en waarop de woorden: Jesus, Maria, /eer schoon geschreven stonden. Met het grootste gemak las zij die woorden, en het blad verdween.
Uitermate verheugd over dien gunstigen uitslag, , bedankte zij hartelijk Maria, die voor haar de plaats van schoolmeesteres wilde innemen. Nu kwam zij voortaan dagelijks tot de beeltenis van Maria, bracht een boekj-3 met geestelijke liederen mede, juist alsof zij naai school ging en knielde in allen eenvoud neder. Zij bad en las dan haar boekje, juist, zegt een oud geschiedschrijver, alsof zij jaren lang op de schoolbanken gezeten had. Toen haar een Latijnsch boek in handen gevallen was , las en verstond zij ook dat boek met bet grootste gemak , zonder stil te slaan voor de moeilijkste en meest ingewikkelde volzinnen.
Zij nam ook een schrijfstift of pen en beproefde te schrijven ; maar , zooals zij gevraagd had , ver bracht zij het daar nooit in.
Zoo leerde zij dus door Maria's hulp : schrijven, lezen en de Latijnsche taal!
GEBED.
(R. lldefonsus. Cap. XVIII.)
Allerzoetste Meesteres, alle goed, dat ons van den Heer gewordt, gaat door uwe handen; daarom
-£s
TWEE EN TWINTIGSTE DAG.
bid ik u, goedgunstig mijn gebed to willen aau-booren en mij vergiffenis en vrede te bekomen, o Maria, Weerglans der eeuwige glorie, o Maagd, geheiligd door den Geest Gods, Duif, zoo rijk aan onuitsprekelijke verzuchtingen, kom ons te gemoet bij ons uitgaan uit Egypte ; heb dan uwe handen gevuld met genaden en verdedig ons tegen het gebriesch der helsche benden, o Maria, maak dat wij door u een zoete rust kunnen genieten in 't leger der rechtvaardigen. Amen.
(II. Anselmus. t. a. p.J
Gegroet, o Moeder van Smarten, wier Zoon onze zielen genezen heeft! Uw Zoon is de eenige machtige Middelaar, Hij heeft onze zaak verdedigd en voldaan voor onze schulden.
232
*
Gegroet, o Moeder, wier Zoon, (te gelijk de eenige Zoon van den Vader, die in de Hemelen is) zich voor ons ten offer heeft opgedragen.
*
Drie en twintigste Dag.
Onze Gebeden tot Maria.
Ad te clamamus exules. â¢gt;j. Tot U roepen wij, ballingen.
(Gebeden der //. Kerk.)
'ELiJK wij op drie manieren tot God kunnen bidden, nl. Hem prijzend om zijne eigenschappen,â Hem dankend om zijne gaven,â en Hem smeekend om nieuwe gunsten , zoo kunnen wij ook Maria, Gods Moeder, y vereeren door lofgebed, dankgebed en smeekgebed.
Als wij Maria verheerlijken om hare waardigheid van Moeder Gods; als wij ons verheugen, omdat zij hoog boven Engelen en Heiligen in den Hemel verheven is, omdat in haar gelijk in een kostbare kroon alle deugden als juweelen fonkelen en schitteren, dan bieden wij
|
r |
X | |
|
23i BKIE EN TWINTIGSTE DAG. | ||
|
5$ |
Maria een aangenaam gebed van lof aan ; want bidden is niet alleen genaden en gunsten vragen, maar ook God en zijne Heiligen loven en prijzen om hunne eigenschappen en deugden. Wij , men-schen, wij zijn vol zelfzucht, tot zelfs in het geestelijke; verreweg de meeste - christenen kennen alleen het gebed, dat â aan God en zijne Heiligen gunsten vraagt, en zij zouden, zoo het aan hen was overgelaten het « Wees gegroetquot; samen te stellen , dit hebben laten bestaan uit deze woorden : bid voor ons, nu en in het uur van onzen dood, dat is : verkrijg ons gunsten, tijdelijke en geestelijke, in het leven en in den dood. Zeer zeker, zulk smeekgebed is Maria aangenaam; nooit zal een geloovige te veel of te dikwijls Maria om hare gunsten smee-ken; die goede Moeder zal ook nooit moede worden zijn gebed te verhooren; maar naar het voorbeeld der Engelen, der Heiligen en der H. Kerk moeten wij haar ook loven en prijzen. Daarom zegt de H. Ildefonsus'): «De wijsheid des 1) S. Ild. Serm. I. S. II. de Assumpt. |
k y |
|
* si |
DRIK EN TWINTIGSTE DAG. 235
»Vaders en de H. Geest noodigen ons suit, Maria te verheerlijken door zoete » lofzangen. Laat ons haar prijzen, door ygt; wie de Oorsprong des levens de wereld »is ingetreden, de vloek der eerste » ouders is vernietigd en de zegen des » Hemels over de wereld is gekomen.quot;
Welnu dan, vrome vereerder van Maria, verhef blijde uwe stem, als liederen weerklinken te harer eere; luister toe, als gij eene lezing of eene predikatie hoort over hare grootheid en macht; juich en verheug u met de H. Kerk, als Maria's feestdagen gevierd worden; loof en prijs haar met den Aartsengel, als gij het « Wees gegroetquot; bidt of het «Engel des Heerenquot; hoort luiden. En zijt gij in staat hare kerkelijke getijden te lezen of te harer eere de H. Mis te hooren , o dan vooral biedt gij haar een alleraangenaamste offerande van lof en verheerlijking aan')!
1) Of zijt gij door heMidmaatschap der Derde Orde verplicht dagelijks '12 maal het Onze Vader en Wees gegroet te bidden , doe dit dau ter eere van Maria's 12 voorrechten.
quot;V
236 DRIE EN TWINTIGSTE DAG.
Ook dankend moet gij tot Maria bidden. Dankbaarheid behaagt aan Goden menschen, terwijl ondankbaarheid verfoeid wordt door goeden en kwaden. En waarlijk, waarvoor wij Maria te danken hebben, behoeven wij niet te vragen. Heeft zij ons Jesus Christus ^ - niet gegeven ? Heeft zij de wereld niet mede verlost, door toe te stemmen in de Menschwording, door haren Zoon voor ons op te offeren in den tempel en op het bloedig altaar des Kruises? En moet ieder onzer niet met den H. Leonardus a Portu-Mauritio zeggen, dat wij tempels zijn , waarvan iedere steen luide roept: uit dankbaarheid vooreene gunst van Maria ?
y Onder ons, menschen, is dankbaarheid een nieuw verzoek, dat bijna zeker verhoord wordt; zoo is het ook bij Maria. Zoo wij haar danken., dan smee-ken wij haar om nieuwe genaden; wij stemmen haar moederlijk hart gunstig, en de goedgunstigheid van eene zoo goede en machtige Moeder daalt als een frissche regen van milde weldaden op
DRIE EN TWINTIGSTE DAG. 237
onze zielen en lichamen neder. Dank dan , duizendmaal dank , aan U , lieve Moeder des Heeren en der menschen!
Wat ons smeekgebed betreft, daarvan zegt de H. Bernardus1): «Wat gij ook »aan God wilt vragen, vergeet vooral » niet, het eerst aan Maria aan te be-» velen.quot; Daardoor zullen wij vleugelen geven aan ons gebed, waarmede het door de wolken dringt en den troon van God bereiken kan; daarom zegt ook de H. Alphonsus, dat hij veel, zeer veel goeds verwacht van ieder werk, dat tusschen twee Weesgegroetjes in, verricht wordt. Eu als het waar is, wat de H. Alphonsus met tal van bewijzen staaft, dat geen genaden tot ons komen dan door de handen van Maria, â als wij weten, dat zij goed is en machtig, moeten wij dan wel ooit ophouden onze smeekingen tot haar op te zenden ?
Maar om verhoord te worden, moet toch ons gebed eenige eigenschappen bezitten, die maar al te dikwijls ontbreken
1
S. Bern. de Acjuieductu.
238 DRIE EN TWINTIGSTE DAG.
en, helaas, zoodoende menig gebed onvruchtbaar laten.
Vooreerst wil Maria, dat ons gebed voortkome uit een zuiver hart. Is dit wonder ? Behaagt aan ons het heerlijkste fruit, als het ons wordt aangeboden op eene schaal, die vuil en besmeurd is ? Nochtans, o zondaar, vraag Maria om dat zuiver hart en zij zal niet nalaten het u te geven, om daarna ook uwe andere gebeden te kunnen verhooren.
Ten tweede, dat wij trachten te bidden met in- en uitwendige godsvrucht. Eén «weesgegroetjequot; met aandacht is meer waard dan honderd met slordigheid , zegde een Heilige. Dat is zoo, want niet in het vele, maar in het / goede bestaat de waarde van het gebed; als het gebeden geldt, moet men ze niet tellen , maar wegen. Zeer waar is de opmerking van een schrijver1) die zegt, dat heden ten dage, als Maria de groetenis des Engels hoort, zij wederom reden heeft om te verschrikken en ent-
1
Businger. Leven v. Jesus en Maria.
M:
DRIE EN TWINTIGSTE DAG.
steld uit te roepen ; « wat mag dit toch » voor een groetenis zijn !quot; Zoo slordig en oneerbiedig wordt dit gebed zeer dikwijls verricht.
Ten derde moet het gebed tot Maria vertrouwvol zijn , zooals de H. Bernar-dus') dat zegt: « Vlucht tot Maria ; als » zij voor ons tea beste spreekt, zal zij â¢Â« »verhoord worden om hare eerbiedig-
» beid.....o Mijne Kinderen , dit is
»geheel de reden van mijn vertrou-» wen .... Gij hebt, o Maria , genade » gevonden bij God. Welk een geluk ! » Altijd zal zij genade vinden en het is »juist genade, die wij noodig hebben.quot;
239
*1
Ten vierde zij ons gebed volhardend. De H. Joannes Berchmans zegt hiervan : al is het nog zoo weinig wat wij doen , als wij maar volharden2). Och, werd die raad toch altijd maar opgevolgd! Welke vruchten zouden dan die drie weesgegroetjes ter eere van Maria's zuiverheid, de gebeden der broederschappen en andere oefeningen niet voort-
1) S. Bern. Ibid.
2)' Quidquid minimum, dummodo constans.
SF
-v
*[!___*____4^
240 DRIE KN TWINTIGSTE BAG.
brengen, terwijl zij nu misschien onvruchtbaar blijven ! Hoe vele zondaren hebben aan een geringe oefening ter eere van Maria, aan een Weesgegroetje, aan een klein schietgebedje, aan een medaille of aan het groeten eener beeltenis van Maria hunne bekeering eu hunne eeuwige zaligheid te danken! Ja wie weet, of wij zeiven al niet reeds dikwijls op het punt zijn geweest, om door Gods rechtvaardigen toorn getroffen te worden, als onze dagelijksche oefeningen ter eere van Maria ons niet met een schild gedekt en beschermd hadden. Dat weten God en Maria alleen !
Stijgt dan op ten Hemel, lof-, danken smeekgebeden ! Maar gelijk een ver-y _ zoekschrift aan den Koning of Koningin, _ 14 niet wordt toegelaten dan wanneer zekere voorwaarden vervuld zijn, zoo ook hebbe ons gebed de noodige vereischten, om aan Maria's hof te worden toegelaten,
en.....houden wij ons dan verzekerd
van de verhooring.
____JS,___^
DRIE EN TWINTIGSTE DAG. 241
quot;V o a rn em en.
Onderzoek eeus, hoe gij uwe gebedeu tot Maria verricht. Hebben zij de noodige eigenschappen ?
Laat gij ze nooit achter ?
VOORBEELD (1).
Tn het leven van den grooten wonderdoener der Franciscaner Orde, den H. Joannes Josephus vau ^ ^ het Kruis , lezen wij :
Een jong geestelijke van Piedemonte leed zes maanden achter elkander zulk een zware hoofdpijn, dat hij niet in sta.at was zijne studiën voort te zeiten. Hij nam zijne toevlucht tot den H. Joannes Josephus. Hij klopte aan de kamer des Heiligen, en deze, door den H. Geest verlicht, (want hij had hem te voren nooit gezien of gekend) riep hem toe : â Kom binnen, Nicolaas.quot; Binnengetreden , wist de jongeling eerst niet goed , wat te zeggen; toen Joannes Josephus hem naar zijne zuster, zijne moeder en ook naar 'sjongelings V eigen gezondheid gevraagd had , verklaarde deze hem , dat hij gekomen was, om van zijne hoofdpijn genezen te worden.
â Weet gij ,quot; vroeg de Heilige , â waarom gij âdie hoofdpijn hebt gekregen? Ik zal het u â zeggen : Gij hebt sedert zes maanden verzuimd â de drie Weesgegroetjes te bidden, die gij vroeger â gewoon waart iederen avond tot Maria op te â zenden. Dat is de oorzaak van uwe hoofdpijn, 1) In vita 5 Martii.
16
DRIE EN TWINTIGSTE DAG.
â Hervat weder die godvruchtige oefening en gij â zult van uwe kwaal verlofct zijn.quot; Toen legde de Heilige zijne hand op het hoofd van den jongeling en aanstonds was deze van zijne pijnen verlost. GEBED.
fR. Ildefonsus.)
o Maria, door de genade van Jesus Christus zijt gij versierd met al de hemelsche edelgesteenten. Door de genade schittert gij met de diamanten aller deugden, o Gij, vervuld met wijsheid en met hovenaardsche gaven, verdedig ons met uwe macht tegen de aanvallen des duivels. Geef ons allen den vrede, o Vorstin der maagden. Een eeuwig verbond hecht u aan den Bruidegom. Doe dien Jesus, wiens Moeder gij zijt, voor onze oogen in al zijn schoonheid schittereu. En dewijl gij de Ark des Verbonds zijt, stem uw aaubiddelijken Zoon gunstig voor ons. Door u is de Ster des lichts opgegaan ; kom ons daarom te hulp in onzen nood , en gewaardig n ons te gemoet te komen in 't uur van onzen dood. Amen !
(II. Anselnms t. a. p.)
Gegroet, o Moeder van Smarten ! De Christus, die uit u geboren is, heeft ons des avonds bet ware Paschen meegedeeld. Des morge-as naar Pilatus geleid , heeft hij ons geleerd , wat waarheid is. Midden op den dag gekruisigd , werd Hij door den Vader verhoord ; stervend overwon Hij den dood en glansrijk verrees Hij uit zijn graf.
w
Vier en twintigste Dag.
Over het H. Rozenkransgebed.
Rosa raystica. Geheimzinnige Roos. (Lit. Lauret.)
ipjf' nder de gebeden, die wij fer ere van onze beminnelijke Moeder kunnen verrichten, is er één, dat haar onder alle andere bijzonder aangenaam is , 't is het II. Rozenkransgebed. Als wij afgaan op hetgeen de plaatsbe-kleeders van Jesus Christus, de Pausen van Rome, daarvan gezegd hebben, dan moeten wij erkennen , dat wij aan Maria geen beter lof-, dank- en smeekgebed kunnen opdragen. De eene Paus noemt het « eene altijd vloeiende bron »voor 't heil der geloovigen')een
1) TTrbauus IV.
----^-------
.t-------------------^---
344 VIER EN TWINTIGSTE DAG.
andere prijst het als « een schild tegen » den toorn Gods1);quot; eenderdeals «een » dam tegen de ketterijen en insluipende » dwalingen2),quot; een vierde als « een sie-» raad der Roomsche Kerk3) en elkeen herinnert zich nog de schoone lofspraken van Leo XIH op den H. Rozenkrans, â toen hij aan de geheele wereld gedurende de maand October dat gebed voorschreef. In één woord, alle Pausen wedijveren als 't ware, wie den Rozenkrans wel het meest door woorden zal prijzen en door aflaten aanmoedigen.
Wien zou het dan verwonderen, Ie zien, dat de heilige en godvruchtige personen sinds de instelling en herleving van den I Rozenkrans, allen dal gebed hebben hooggeschat en ijverig gebeden ? Ja, een Jjjj Heilige te vinden, die geen liefde had voor den H. Rozenkrans, dat zou even moeilijk zijn, als een Heilige aan te wijzen, die geen liefde had voor Maria. De H. Cardi naai-Aartsbisschop van Mi
ll Greg. XIII.
2) Leo X.
3) Julius III.
______________
VIER EN TWINTIGSTE DAG. 245
laan, Carolus Borromeüs, bad hem dagelijks zelf voor in zijne Calhedraal, en nooit wilde hij dat aan een ander overlaten ; de H. Franciscus van Sales had zelfs eene gelofte gedaan , dagelijks don geheelen Rozenkrans te bidden , en om het niet te vergeten , hing hij des avonds zijn Paternoster aan zijn .}* arm. Keizer Karei V beschouwde dat gebed ais het zekerste middel om den zegen Gods over zijn uitgestrekt rijk af te trekken. Ja zelfs Maria, onze allerbeminnelijkste Moeder, hoe verscheen zij op de gezegende rotsen van Lourdes? Met den Rozenkrans in hare maagdelijke vingeren en het Rozenkransgebed op hare zuivere lippen ! Was y het niet alsof zij in hare teedere goed-beid ons wilde zeggen : « Mijne kinderen, » volgt mij na, nu de H. Kerk in druk »is en tallooze rampen haar en de » maatschappij bedreigen ; bidt den Ro-» zenkrans, en deze zal redding brengen T' En waarlijk, 't zou de eerste maal niet zijn , dat de H. Kerk gered werd door dat gebed. Toen Maria in hare goed-
______Jï____
*
246 VIER EN TWINTIGSTE DAG.
heid den Rozenkrans aan den tf. Domi-nicus overreikte en beval hem onder het volk te verspreiden, was ook toen de Kerk niet in nood ? Dreigde ook toen het geloof niet te gronde te gaan ? Waren er ook toen geen verwoede vijanden der Kerk, die haar ondergang gezworen hadden en op het punt schenen , daarin te slagen ? De Albigenzen en andere ketters vervulden toen die taak van Satan, welke thans de vrijmetselaars en ongeloovigen op zich genomen hebben. Maar de H. Dominicus leerde, zooals Maria hem gelast had, aan 't volk den Rozenkrans , en 't geloof keerde terug in de harten, de liefde groeide opnieuw en overdekte weldra met hare groenende takken geheel de ^ wereld. Dat was de vrucht van 't Ro-zenkransgebed. Waarom zou dat gebed in onzen tijd niet een gelijk uitwerksel kunnen hebben ? God is dezelfde als toen , Maria is dezelfde , de Rozenkrans is dezelfde; maar is ook ons vertrouwen hetzelfde ? God geve het, en ja, dan zal ook dat gebed dezelfde uitwerkselen
k
VIER EN TWINTIGSTE DAG. 247
hebben; want de ondervinding van alle dagen leert, dat gelijke oorzaken gelijke gevolgen hebben.
Maar waaraan ontleent de Rozenkrans dan toch die kracht, welke de Pausen, de Heiligen, en ook de geschiedenis hem toekennen , ja , die wij misschien door persoonlijke ondervinding kunnen bevestigen ? â Hij ontleent die voornamelijk aan den zegen, die het aan de H. Maagd behaagt daarover uit te storten. «.Rozenkransquot; wordt dat gebed genoemd, en inderdaad een krans van rozen is het. Maria openbaarde zelve aan eene groote Heilige, dat, zoo dikwijls wij op aarde het Rozenhoedje bidden , wij haar in den Hemel het hoofd versieren met rozen. En wie zou zich dan niet beijveren om haar dikwijls zulk een frisschen krans van hemelsche rozen te brengen en zoodoende een van die moederlijke blikken vol teederheid te verdienen , die de Zaligen in den Hemel van vreugde doen jubelen, en waarmede geen wellust of weelde der wereld in vergelijking kan komen ? Zulk een blik
X:
_____is,____4?i
248 TIER EN TWINTIGSTE DAG.
is voor den raensch een zonnestraal, die duizenden zegeningen voor lichaam en ziel doet ontluiken.
Die wonderbare kracht ontleent de Rozenkrans ook ten deele aan zich zei ven. quot;Waaruit toch bestaat hij ? Uit de schoonste en krachtigste gebeden, die l er zijn. Allereerst belijden wij met de -P H. Kerk ons geloof en vervullen alzoo het voorschrift des Apostels, dat « wie ygt;tot God nadert, gelooven moei').quot; De voortreffelijkheid aantoonen van het Gebed dos Heeren, 't welk zoo dikwijls in den Rozenkrans terugkomt, zou zulks misschien niet de waarde van dat gebed verkleinen ? Die waarde toch is Goddelijk en boven onzen lof verre verheven, het heeft God zelf tot Maker. En wat jte te zeggen van dat liefelijk gebed, dat aanhoudend in den Rozenkrans terugkeert als de zilveren tonen van een welluidend klokje, het beminnelijke Wees gegroet? Als gij dat uitspreekt, dan spreekt gij de taal van Engelen en Heiligen ! « Wees gegroetquot; , zoo klonk
1) Hebv. XI, 0.
--------
_4J£
249-
VlfcR EN TWINTIGSTE DAG.
het eenmaal uit den mond des Aartsengels , « gegroet, gij vol van genade , » de Heer is met u, en gezegend zrjt gij » onder de vrouwen.quot; Eene groole Heilige, de H. Elisabeth , zette dat loflied voort, herhaalde de laatste woorden des Engels en voegde er bij : «. en gezegend is de » vrucht uws lichaarns.quot; Maar met welk gevolg sprak zij die woorden ? Dat Maria in verrukking geraakt en haar heerlijksten lofzang jubelend ontboezemt in 't blijde Magnificat! Daar voegde de H. Kerk, â «de vergadering der Hei-» ligen â nog eene krachtvolle bede aan toe, en ziedaar nu ons «Wees gegroetquot;, 'twelk kind en grijsaard, geleerde en onwetende, rijke en arme Jf herhalen, en waardoor zij aan Maria weer al de vreugde bezorgen, die zij gevoelde , toen de Engel en Elisabeth voor 't eerst haar met die woorden begroetten !
Troost u dus, gij , die in uwe nederigheid u beklaagt niets meer voor den Hemel te kunnen doen, dan uw Rozenhoedje te bidden; troost u, want gij doet een waarlijk verheven werk, en zoo
ITquot;
____j*___â-4^
250 VIER EN TWINTIGSTE DAG.
ergens, dan mogen wij hier de woorden toepassen , die de H. Joannes Chrysosto-mus van een ander gebed, het gebed voor vijanden , bezigt ⢠terwijl gij bidt, dunkt het mij , dat de Engelen des Hemels voor een oogenblik hunne hemelsche lofzangen onderbreken , om te luisteren naar uwe bede, die ten Hemel stijgt als .^ liefelijke muziek, en zij zijn verbaasd, dat er in het dal van tranen , onze aarde , lofzangen zijn, die de hunne in schoonheid evenaren.
Wij herhalen dikwijls dat Weesgegroet. Ook dal heeft zijne reden en zijne kracht. Maria's hart brandt van liefde tot God, maar ook van liefde tot ons. Wat doen wij nu, wanneer wij in den Rozenkrans Y zoo dikwijls hetzelfde gebed herhalen? ^ Dan laten wij telkens een druppel welriekende olie op de liefdevlammen haars harten vallen, en ieder druppel vermeerdert in dat hart die vlammen van liefde, die naar buiten slaan en ons zullen verwarmen en doen gloeien van liefde tol God , ons opperste Goed !
Besluiten wij dus met den H. Alphon-
xt quot;i*--ï
VIER EN TWINTIGSTE DAG. 251
sus: clt; Onder alle oefeningen van gods-» vrucht ken ik er niet eene , die aan-» genamer is aan Maria. Hoe mogen zij »zich van hunns zaligheid verzekerd » houden, zij, die zorg dragen iederen dag » met liefde en volharding den Rozen-» krans te bidden ! De duivelen, op het » gebed van den H. Dominicus uit een be-» zetene verdreven, konden niet nalaten »uit te roepen; Wij zijn gedwongen »te verkondigen, dat hij, die volhardt » in zijne godsvrucht tot Maria en den » Rozenkrans , niet verloren zal gaan , »omdat de H. Maagd voor hem zijne s zaligheid zal verwerven.quot;
Voornemens.
1° Niet verzuimen telken dage ten minste een rozenhoedje te bidden.
2° Het altijd bidden met aandacht, de mysteriën der Verlossing daarbij zorgvuldig overwegende , want daarvan hangt grootendeels de kracht van dit gebed at'.
VOORBEELD (1.)
Eens predikte de li. Dominicus over den Rozenkrans voor den hertog van Bretagne en diens hof.
1) Alanus a Rupe. De Ortu etc. Ps. C. 7.
252 VIER EN TWINTIGSTE DAG.
Onder andere zegde hij , dat de H Maagd hem geopenbaard had, dat na de H. Mis en de Kerke* lijke Getijden geen gebed verdienstelijker is dan de Rozenkrans. Dat vonden zijne toehoorders al te sterk en Dominicus werd openlijk van overdrijving beschuldigd. Na zijne predikatie besteeg hij het altaar , om de H. Mis te lezen , aan God de zorg overlatende voor zijne verdedigins. Doch ziet, eensklaps werd hij van den grond opgeheven en bleef in de lucht een geheel uur zwevend , schitterend en vlammend van een goddelijk vuur. Dit was een eerste wonder ter bevestiging zijner leer. Toen hij eindelijk zijn H. Offer kon voortzetten, tot aan de Consecratie genaderd was, en de H. Hostie omhoog hief, zagen de aanwezigen iu de H. Hostie de allerh. Maagd, dragende het Kindje Jesus op hare armeu, gelijk men overweegt in de blijde geheimen van den Rozenkrans. Bij het ophetfen van den Kelk met het H. Bloed zag men den Zaligmaker lijdend en stervend gelijk in 5^ de droevige mysteriën. Op het einde der Mis werd het altaar omstraald van hemelsch licht en Jesus Christus vertoonde zich in de heerlijkheid zijner Verrijzenis en Hemelvaart, gelijk men overweegt in de glorierijke geheimen. Nauwelijks had Dominicus het H. Offer geëindigd, of hij beklom wederom den predikstoel en nu had hij geene moeite om zijne hoorders, die nog onder den indruk waren dezer wonderen, te overtuigen. Vorst en volk wijdden zich met ijver nan de be-
-----^-------â¢
VIER EN TWINTIGSTE DAG, 253
oefening dier godsvrucht en ondervonden weldra, hoe heilzaam deze devotie is voor hen, die ze beoefeuen.
GEBED.
(77. Ildefonsus.)
Wij groeten u, o Maria, levende troon der Opperste Majesteit, bloem van ootmoed , lelie van reinheid, tempel der geheele H. Drievuldigheid, heiligdom der onbevlekte liefde. Wij groeten u, o maagdelijke aarde , die de liefelijke Bloem hebt voortgebracht, nadat u de H. Geest had vruchtbaar gemaakt; o voorbeschikte bloem , die door het Vleeschgeworden Woord zijt geheiligd. Gelijk de eerste stralen der zon de duisternissen van de aarde verdrijven en aan den dag zijn luistei geven , zoo heeft ook het opgaan van uw licht onze harten verblijd , toen gij ons den Verlosser geschonken hebt. o Maagd , vol van goedheid , gewaardig u toch, ons te bezoeken in onzen doodstrijd eu na den dood ons te roepen tot de verhevene vreugde der eeuwige glorie. Amen.
{H. Aiiselmus.)
Gegroet , o Moeder, wier Zoon een mensch-geworden God is, die zich zeiven voor ons ten brandoffer heeft opgedragen en alleen ons redding gebracht heeft.
Gegroet , o Moeder, vol medelijden, wier Zoon een altaar is van God den Vader, een altaar, dat de jeugd onzer zielen verblijdt.
1-
|
V |
X |
% |
|
Vijf en twintigste Dag. De Godsvrucht tot Maria is allerzoetst. o Dulcis Virgo Mavia. o Zoete Maagd Maria. . {Gei. der II. Kerk.) ^ at de godsvrucht tot Maria zoet , dat kunnen allen getuigen, in wier harten een druppel gevallen is van dien hemelschen honig. Geen wonder! Maria is Moeder; wij zijn hare kinderen. En welken naam heeft een kind het liefst in het hart of in den geest en voortdurend in den mond? Is het niet de zoete naam van Moeder? En kunnen wij ons; op aarde ongelukkiger schepselen voorstellen, dan die, welke reeds van hunne geboorte af weezen zijn, dat is: veroordeeld om nooit of nimmer dien teederen naam van moeder uit te spreken ? Hier |
% H | |
VIJF EN TWINTIGSTE DAG.
is niet alleen sprake van die eerste levensjaren, waarin moeder en kind onafscheidelijk met elkander in liefde verbonden zijn , maar ook van de jaren, waarin het reeds waar geworden is, wat God zegt: « de man zal vader en moeder verlaten').quot; Vele uren scheiden den mensch dan misschien van haar, die hem het leven gaf, vele moeilijkheden omringen hem wellicht, maar te midden van dat alles is het een troost te denken: één hart ter wereld ten minste bemint mij, klopt voor mij en wenscht mij alle goed; 't is het hart mijner moeder. En als men ze verloren heeft, o, de herinnering aan haar en aan hare liefde beurt reeds op en geeft 5(1 kracht in de moeilijkheden des levens. Zoo is het ook met onze hemelsche Moeder Maria. Haar naam, zoo zacht als uitgestorte olie, ja, waarlijk hij is zoo gelijk vele Heiligen hem noemen: « een jubelvreugde in het hart, een »honig in den mond, een zoet geluid » voor het gehoor.quot; Neen , de H. Ber-1) Gen. II , 24.
XI
252 VIER EN TWINTIGSTE DAG.
Onder andere zegde hij , dut de H Maagd hem geopenbaard had, dat na de H. Mis en de Kerkelijke Getijden geen gebed verdienstelijker is dan de Rozenkrans. Dat vonden zijne toehoorders al te sterk en Dominicus werd openlijk van overdrijving beschuldigd. Na zijne predikatie besteeg hij het altaar , om de H. Mis te lezen , aan God de zorg overlatende voor zijne verdediging. Doch _ ziet, eensklaps werd hij van den grond opgeheven en bleef in de lucht een geheel uur zwevend , schitterend en vlammend van een goddelijk vuur. Dit was een eerste wonder ter bevestiging zijner leer. Toen hij eindelijk zijn H. Offer kon voortzetten, tot aan de Consecratie genaderd was, en de H. Hostie omhoog hief, zagen de aanwezigen in de H. Hostie de allerh. Maagd, dragende het Kindje Jesus op hare armeu, gelijk men overweegt in de blijde geheimen van den Rozenkrans. Bij het opheffen van den Kelk met het H. Bloed zag men den Zaligmaker lijdend en stervend gelijk in de droevige mysteriën. Op het einde der Mis werd het altaar omstraald van hemelsch licht en Jesus Christus vertoonde zich in de heerlijkheid zijner Verrijzenis en Hemelvaart, gelijk men overweegt in de glorierijke geheimen. Nauwelijks had Dominicus het H. Offer geëindigd, of hij beklom wecïerom den predikstoel en nu had hij geene moeite om zijne hoorders, die nog onder den indruk waren dezer wonderen, te overtuigen. Vorst en volk wijdden zich met ijver aan de be-
VIER EN TWINTIGSTE DAG. 253
oefening dier godsvrucht en ondervonden weldra, hoe heilzaam deze devotie is voor hen, die ze beoefeuen.
GEBED.
(Æ/. Ildefonsus.)
Wij groeten u, o Maria, levende troon der Opperste Majesteit, bloem van ootmoed, lelie van reinheid, tempel der geheele H. Drievuldigheid, heiligdom der onbevlekte liefde. Wij groeten u, o maagdelijke aarde , die de liefelijke Bloem hebt voortgebracht, nadat u de H. Geest had vruchtbaar gemaakt; o voorbeschikte bloem, die door het Vleeschgeworden Woord zijt geheiligd. Gelijk de eerste stralen der zon de duisternissen van de aarde verdrijven en aan den dag zijn luister geven, zoo heeft ook het opgaan van uw licht onze harten verblijd , toen gij ons den Verlosser geschonken hebt. o Maagd , vol van goedheid , gewaardig u toch, ons te bezoeken in onzen doodstrijd en na den dood ons te roepen tot de verhevene vreugde der eeuwige glorie. Amen.
{H. Anselmus.)
Gegroet, o Moeder, wier Zoon een mensch-geworden God is, die zich zeiven voor ons ten brandoffer heeft opgedragen en alleen ons redding gebracht heeft.
Gegroet , o Moeder, vol medelijden, wier Zoon een altaar is van God den Vader, een altaar, dat de jeugd onzer zielen verblijdt.
i-
Vijf en twintigste Dag.
De Oodsvrucht tot Maria is allerzoelst.
*
Dulcis Virgo Maria. Zoete Maagd Maria. {Geö. der 11. Kerk.)
de godsvrucht lot Maria zoet dat kunnen allen getuigen, in wier harten een druppel gevallen is van dien hemelschen honig. Geen wonder! Maria is Moeder; wij zijn hare kinderen. En welken naam heeft een kind het liefst in het hart of in den geest en voortdurend in den mond? Is het niet, de zoete naam van Moeder ? En kunnen wij ons op aarde ongelukkiger schepselen voorstellen, dan die, welke reeds van hunne geboorte af weezen zijn, dat is : veroordeeld om nooit of nimmer dien teederen naam van moeder uit te spreken ? Hier
-i*-
-^L
VI.IP EN TWINTIGSTE DAG. 255
is niet alleen sprake van die eerste levensjaren, waarin moeder en kind onafscheidelijk met elkander in liefde verbonden zijn , maar ook van de jaren, waarin het reeds waar geworden is, wat God zegt: « de man zal vader en moeder verlaten*).quot; Vele uren scheiden j- den mensch dan misschien van haar, die hem het leven gaf, vele moeilijkheden omringen hein wellicht, maar te midden van dat alles is het een troost te denken: één hart ter wereld ten minste bemint mij, klopt voor mij en wenscht mij alle goed; 't is het hart mijner moeder. En als men ze verloren heeft, o, de herinnering aan haar en aan hare liefde beurt reeds op en geeft kracht in de moeilijkheden des levens. Zoo is het ook met onze hemelsche Moeder Maria. Haar naam, zoo zacht als uitgestorte olie, ja, waarlijk hij is zoo gelijk vele Heiligen hem noemen ; « een jubelvreugde in het hart, een »honig in den mond, een zoet geluid » voor het gehoor.quot; Neen , de H. Ber-1) Gen. II , 24.
VIJF FN TWINTIGSTE DAG.
nardus, die honingzoete leeraar1), zegt niets te veel, als hij Maria toespreekt: «o Groote , o genadige, o allerlofwaar-» digste Maagd , uw naam is zoo zoet, »zoo beminnelijk, dat men dien niet »kan uitspreken zonder ontvlamd te » worden; nooit komt hij in de gedachte, »of hij verkwikt het hart dergenen, » die u beminnen.quot;
Vanwaar die zoetheid, aan haar naam en hare vereering verbonden ? Van Maria zelve, die de bron is van alle zoetheid. Stel u voor; de H. Brigitta in verrukking; zij ziet O, H. Jesus Christus, zij ziet Maria. Wat hoort zij ? Dit gebed van Maria tot Jesus: «Ik » smeek U , mijn Zoon , omdat Gij voor » mij allerzoetst zijt geweest, maak dat »ook anderen aan mijne zoetigheid » deelachtig worden.quot; En de Goddelijke Zoon voldeed aan dat smeekgebed zijner beminde Moeder2). Mag dan niet met recht de H. Petrus Damianus3) op haar
1) Doctor mellifluus. Apud. S. Bonav, in Spec. c. 8.
2) Lib. Rev. I. Cap. 58.
3) Serm. de Annunt; Eccli. XXIV, 27.
.256
________________^
VIJF EN TWINTIGSTE DAG. 257
de woorden toepassen der H. Schrift: « Mijn geest is zoet en mijn erfdeel ygt; gaat honig en honigraat te boven ?quot; En mag de H. Bernardus') haar niet te recht vergelijken bij het beloofde land, dat overvloeit van melk en honig?
't Is alles slechts de weerklank van ^, dat woord, 'twelk de H. Kerk aan Maria . ^ dagelijks door duizend monden toesliert:
Vita , dalcedo , wees gegroet, ons leven,
onze zoetheid.... o goedertierene, o zoete Maagd Maria, o dulcis Virgo Maria!
Dat die zoetheid, welke Maria als een lokaas over hare vereering uitstrooit, ons dan aanspore baar des te vuriger te vereeren; want, zegt de H. Joannes Damascenus') tot Maria : « Zij, die u » godvruchtig gedenken, ontvangen hier- % »door een allerkostbaarste gave, die » ben geheel voldoet. Aan u te denken »schenkt hun zulk eene blijdschap, »dat niemand hun die kan ontrooven. »Zij, die hun geest hebben gemaakt »tot een schatkamer van godvruchtige
1) Serm. super Salve Eegina.
2) S. Joan. Dam. Or. I. de Dorm. Deiparae.
17
55s---^
_______
258 VIJF EN TWINTIGSTE DAG.
» gedachten over u , worden met heilig »genoegen vervuld en met groote goe-» deren verrijkt.quot;
Zoet is de godsvrucht tot Maria om hare gaven ; want het hart van een kind zwelt van vreugde, als het uit de milde hand zijner moeder eene gave ontvangen mag: en Maria's moederhand strooit . ^ immer weldaden! Zoet is het voor de dankbare liefde, te denken aan de weldaden , die men reeds ontvangen heeft.
Zoet is de blijdschap der hoop van met nieuwe weldaden door die liefderijke Moeder te worden verrijkt; deze hoop alleen reeds geeft troost aan het hart, moed in den strijd, geduld in kwellingen , standvastigheid in beproeving.
Maar nooit heelt die godsvrucht meer zoetheid, dan in dat verschrikkelijk oogenblik, als de aarde ons ontzinkt en de eeuwigheid en het oordeel voor ons oprijzen, als duivel en hel hunne pogingen verdubbelen om ons in den afgrond te storten , en kwelling en benauwdheid des doods ons van alle kanten zullen omgeven. Dan zal zij hare Enge-
yf-_________3_____
VIJF EN iWINTIGSTE DAG. 259
len afzenden tot bewaking en verdediging onzer ziel, ja, wie weet... of niet Maria in persoon zich aan onze blikken zal vertoonen , om ons gerust te stellen en te troosten. Misschien komt het ons vermetel voor , haar die genade te vragen ; aan zeer vele Heiligen heeft zij ze verleend ; maar ofschoon wij geene . % Heiligen zijn, toch leert ons de H. Alphonsus de Liguori daarom bidden en heeft hij zelfs daarvoor een allerschoonst gebed opgesteld.
De groote godgeleerde Suarez, een voorbeeld van godsvrucht tot Maria, mocht op zijn sterlbed zeggen : « Ik »wist niet, dat sterven zoo zoet was.quot; Hij dankte het aan Maria. Daarom bad | ook de H. Bonaventura') en mogen wij ^ vertrouwvol bidden met hem: « o Geze-»gende Maagd, als mijne ziel deze »wereld zal verlaten, kom gij haar dan »te gemoet. Gewaardig u alsdan mijne »ziel te troosten door uwe tegenwoor-»digheid. Wees gij haar een ladder » en een weg, die ten Hemel geleiden.quot;
1) In Psalt..
}4 * ^ A
----^---
ttf.__
260
VIJF EN TWINTIGSTE DAG.
quot;Voornemens.
1° Ik zal mijn best doen om in de podsvruclit tot Maria dagelijks toe te nemen , om zoo ten minste iets van de zoetheid, die er aan verbonden is, te ondervinden.
2° Nooit het scapulier afleggen, opdat de dood 'mij niet verrasse, zonder die livrei der kinderen van Maria.
-F
VOORBEELD (1).
In het leven van eene onzer vaderlandsche Heiligen, de H. Lidwina , lezen wij, dat zij eene groote vereerster was van Maria. Dikwijls ging zij te Schiedam , hare geboorte- en woonplaats, i bidden voor een wonderbeeld, dat op de volgende ! wijze te Schiedam in aanzien was gekomen. Een I beeldhouwer had een schoon beeld van Maria gebeiteld. In de meening er te Antwerpen meer 1 geld van te zullen maken, ging hij op een schip, om zich daarheen te begeven. Het uur van ver-' trek kwam ; het scheepsvolk begon te werken, T de zeilen werden gespannen, de ankers gelicht doch .... het schip bleef onbeweeglijk liggen. Vruchteloos deed de kapitein zijne donderende stem hooren, tevergeefs verdubbelden de matrozen al hunne pogingen, niets baatte. Allen waren ten hoogste verwonderd. âBij Sint Willi-brord, roept een matroos uit, ik ge loof, dat het
1) In vita S, Lidwinae Schied,
'-j*
w
VIJF EN TWINTIGSTE DAG. 2G1
de H. Maagd is , die weigert Schiedam te verlatenquot; en hij wees met den vinger het schoone beeld aan. Deze woorden trekken de aandacht. Een man wil het beeld opheffen , maar hij kan niet; verscheidene mannen te zamen beproeven het, zij slagen niet beter. â Mirakel , mirakel !quot; riep luide al het scheepsvolk met de menigte, die op den oever samenstroomde , â mirakel, Maria wil met ons verblijven!quot; Men kocht het beeld van den kunstenaar, en zie, nu kan deze het met alle gemak opnemen en naar den oever brengen. Pas heeft hij voet aan wal gezet , of zonder moeite vaart het schip weg , tot groote verwondering van allen, die het zagen. Het beeld werd in triomf naar de parochiekerk gebracht, waar het van dien tijd af plechtig vereerd werd.
GEBED.
(Æ/. lldefonsus.)
o Mijne Meesteres, wonderbare, onuitsprekelijke dingen verhaalt men van u ; sla op mij, armen zondaar, die ontbloot ben van alle verdienste, uwe heilige en medelijdende blikken. Verlicht mijnen geest, ontsteek mijn hart, vernieuw mijn verstand, verlevendig mijne ziel. Teedere Moeder, geef mij nieuwen moed. Voorzichtige Maagd , onderricht mij. o Mijne Kracht, veisterk mij. Dat al mijne handelingen door u bestuurd worden , dat al mijne gedachten en genegenheden zich richten
VIJF EN TWINTIGSTE DAG.
tot u. Dat uw licht in mijn hart dringe en uwe liefde in mijne ziel; dat uwe goedheid in mij wone, opdat ik met zachtheid en heiligheid op u denke, van u spreke, en ik altijd inzie en hagrijpe, wat aangenaam en welgevallig is in uwe oogen.
(II. Amelmus. /. a. p.)
Gegroet, o Maagd, wier Zoon onze redding geworden is. Daarom roept ook de Koninklijke Profeet: Volkeren, klapt in uwe handen en jubelt van blijdschap.
262
De Godsvrucht tot Maria is aller-Toordeeligst.
In me omnis spes vitae et
virtutis.
In mij is alle hoop op leven en deugd.
(Eccli. XXIV. 25.^
SISXJehalve de faüooze weldaden, fdie wij rechtstreeks van Maria's si ^ moederhand ontvangen , zijn er nog andere, die wij , zooal niet van haar, dan ten minste door en om haar, verkrijgen.
Wat grooter goed kan er voor ons, stervelingen, zijn, dan dat geheel de H. Drievuldigheid, Vader, Zoon en H. Geest, met goedgunstig oog op ons neerziet ? Die blik is voor ziel en lichaam, wat de
264 ZES EN TWINTIGSTE DAG.
stralen der zon zijn voor teedere planten : èn ziel èn lichaam tieren en bloeien in de koesterende warmte, die van den hoogen troon der Godheid op ons neerdaalt. Hoe die gunst te verkrijgen? quot;Wat te doen, opdat de Vader met zijne Almacht, de Zoon met zijne Wijsheid , de H. Geest met zijn Licht ons bijsta? Vereer , vereer zooveel gij kunt Maria , die de Dochter is van den Vader, de Moeder van den Zoon, de Bruid des H. Geestes! Gelijk hier op aarde een vader, die een eenige dochter heeft, welke hij bemint en die de steun en troost van zijn ouden dag is, er behagen in schept, den lof dier dochter te hooren verkondigen, ze gaarne aan ^ anderen voorstelt en er trotsch op is, zulk eene dochter te bezitten, zoo is ook de Hemelsche Vader verheugd Maria vereerd te zien, die eene dochter is, schoon boven alle dochteren der men-schen, die als een spiegel is, waarin Hij zijne Goddelijke volmaaktheden weerkaatst ziet, en van welke Hij, ofschoon in eenigszins anderen zin, zou
ZES EN TWINTIGSTE DAG. 2G5-
kunnen zeggen , wat Hij eenmaal getuigde van zijn eenigen Zoon: cc deze is » mijn welbeminde Dochter , in wie ik » mijn welbehagen gesteld heb.quot; Prijzen wij de verheven schoonheid dier Dochter van God , o , dan verheugt zich het hart des Hemelschen Vaders, en die vreugde keert als een vruchtbare en zachte dauw van allerlei zegeningen op ons terug.
En haar beminnelijke Zoon? Deze heeft zich in alles can ons, menschen , gelijk willen maken, behalve in de zonde. Alle genegenheden, alle natuurlijke eigenschappen heeft Hij in zich opgenomen, toen Hij , midden in den nacht nederdalend van zijn hoogen troon, «zich zeiven ontledigde, de gedaante van »een slaaf aannemendeOok die natuurlijke genegenheid dus van een zoon voor zijne moeder heeft Hij in zich gevoeld, en, wat meer zegt, gevoelt Hij nog in zich; want, ofschoon gezeten
1) Philip. II. 7; de H. Kerk zegt in haar Officie: dum medium silentium tenerent omnia et nox in suo cursu medium iter enz.
â V-
ZES EN TWINTIGSTE DAG.
aan de rechterhand en in de glorie des Vaders, is Hij nog altijd volmaakt mensch. Hier wordt nu een beroep gedaan op uw eigen hart. Zeg ons, zoo gij uwe aardsche moeder hoort prijzen, hare deugden en beminnelijkheid ziet vereeren en hoogschatten , voelt gij u dan niet getrokken tot dengene, die haar prijst ? Beschouwt gij hem niet als vriend en tracht gij hem de eer, die hij aan uwe moeder doet, niet te vergelden ? Zoo is ons hart, dat nochtans zooveel gebreken heeft; hoe zal dan het Hart van Jesus Christus zijn , dat heilig en aanbiddelijk Hart, hetwelk zijne Moeder veel volmaakter bemint, dan wij de onze ! Zal ook Hij zich niet getrokken gevoelen tot ons , zoo wij zijne Moeder eeren ? Zal Hij ons niet beschouwen als zijne bijzondere vrienden en ons onze eerbewijzingen vergelden ? Dankbaarheid loch en liefde tot zijne Moeder zijn twee schitterende stralen, die in de Zon van Gerechtigheid, Jesus Christus , heerlijk uitblinken.
Alle Christenen zijn tempels des H.
266
_________4^1
ZES EN TWINTIGSTE DAG. 267
Geestes; maar nooit heeft de H. Geest, een tempel gehad, waarin Hij met. zooveel welgevallen rustte als in Maria, ja , zoo groot was hare behaaglijkheid , dat Hij haar uitkoos, niet alleen tot een tempel, om in haar te wonen, maar tot v eene Bruid , met welke Hij zich op het quot; nauwst vereenigen wilde. Die bruid quot; bemint Hij met eeuwige, onschendbare liefde; Hij overlaadde haar met de schitterendste gaven zijner genaden , die haar gemaakt hebben tot het meesterstuk der hand Gods. â Als wij nu die welbeminde Bruid onze hulde aanbieden,
haar loven en prijzen om de gaven, waarmede de H. Geest haar versierde, houden wij ons dan verzekerd , dat ook op ons wel eenige stralen zullen neerkomen van dat eeuwige licht, dat de H. Geest over de wereld verspreidt, van dat vuur , dat de harten versterkt, de verstanden verlicht, de zielen verwarmt en de harten doet branden van liefde tot God.
Om alles in één woord te zeggen: hij , die de godsvrucht tot Maria in
X 5 - Sc ⢠5«
_____ÃÃj,â__
ZES EN TWINTIGSTE DAG.
zich opneemt, zal ondervinden, wat damp; Leviet Obededom ondervond, toen de Ark des Verbonds in zijn huis verbleef, en met de Ark de zegen van den Drieeenigen God neerdaalde. Maria is de « Ark des Verbondsquot; bij uitnemendheid, zooals de H. Kerk zingt; neem hare liefde, haar beeld, hare deugden in u op , uwe ziel en uw lichaam zullen de tegenwoordigheid dier Ark gewaar worden aan de tallooze zegeningen , die van den Almachtigen God op u zullen neerdalen. Vooral deze zegening zal uw deel zijn t dat gij gelijk wordt aan haar; ^want onmogelijk bijna is het, dat gij hare deugden en voorrechten beschouwead en vereerend , niet zoudt leeren beminnen, wat zij bemint, namelijk Jesus Christus, en niet zoudt verfoeien, wat zij verafschuwt, dat is; de zonde en alle ondeugd.
H. Drievuldigheid, Vader, Zoon en H. Geest, och of die gunst ons aller deel ware ; geef ons ten minste vermeerdering van godsvrucht tot Maria, opdat zij weldra ons deel worde!
268
v»
--HL,---
ZES EN TWINTIGSTE DAG.
quot;V oornem ens.
1° Dikwijls aan de H. Drievuldigheid vragen om de liefde tot Maria, en althans reeds een begin maken met het navolgen van die deugd, waaraan gij het meest behoefte hebt.
2° Vandaag Maria dikwijls begroeten als Dochter van God den Vader, Moeder van God
den Zoon en Bruid des H. Geestes.
VOORBEELD (1).
Refugium peccatorum, Toevlucht der zondaren, wordt Maria genoemd ; hoor, hoe zij het was in het volgend voorval, dat vermeld wordt in het leven van den H. Franciscus de Hieronymo.
Er was een man, die sedert 25 jaren niet ter biecht was geweest, en hij meende, dat hij geen biechtvader meer zou vinden, die hem zou willen aanhooron of zijn geweten zou kunnen ontwarren. Met deze gedachte ging hij in zijne zonden voorr, en achtte zich ook geene vergiffenis waardig. Maar hoe vol zonden hij ook was , altijd bleef hij vervuld van eerbied voor Maria's beelden , die hij altijd gioette, wanneer hij ze zag. Dit redde hem. Op zekeren nacht verscheen hem Maria, zij wekte hem op, om van leven te veranderen en zich met haren Goddelijken Zoon te verzoenen. De ongelukkige sloeg deze vermaning in den wind. Maria verscheen hem een tweede maal, doch tevergeefs ;
__^
269
1) In vita S. Franc, de Hier. 11 Maji.
(
w
--^----
ZES EN TWINTIGSTE DAG.
hij beterde zich niet. â Eindelijk â o groote goedheid en barmhartigheid van Maria 1 â verscheen zij hem een derde maal en zegde toen : â Ga aanstonds biechten ; ik heb van mijnen Zoon â genade voor u bekomen , omdat gij , alhoewel â een groot zondaar zijnde , mijne beelden altijd â met eerbied hebt gegroet.quot; â De zondaar antwoordde haar al bevend : â Ik zal nimmer eenen â biechtvader vinden, die mij zal willen ontslaan.quot; Toen zegde Maria ; âGa naar de kerk der Jesuieten â bij mijnen dienaar Pranciscus de Hieronymo. â Vrees niet. Zoodra hij zal weten , in hoeveel â tijd gij niet meer gebiecht hebt, zal hij u met â groote liefde omhelzen en u al de hulp verleenen, â die gij noodig hebt , om uit de ketenen uwer â zonden verlost te worden.quot;
De zondaar vatte moed op deze woorden, 's An-derendaaags 's morgens vroeg ging hij naar het klooster en zoodra Pater Franciscus gehoord had, dat hij in 25 jaar niet ter biecht geweest was, omhelsde hij hem, hoorde zijne biecht, zond hem blijde en welgemoed huiswaarts, en christelijk was voortaan zijn levenswandel.
*
GEBED.
{H. Ildefonsus. Cap. XX.)
o Allerheiligste Maagd , gij zijt de tempel des Heeren. In u woont de Almacht in de liefde, de Wijsheid in den ootmoed, de Goedheid in de
£JLquot;_
270
ZES EN TWINTIGSTE DAG. 271
kracht, de Eenvoudigheid in de volmaaktheid, de Zuiverheid in de m aagdelijkheid, de heiligheid in al uwe werken. Gij zijt het leven der wereld, o Maria , het geneesmiddel der kwijnende zieleo, de boom des levens , wiens vrucht de rouwvolle harten geoeest, de zwakken ondersteunt, de bedroefden vertroost. Gij dooft de begeerlijkheid uit, gij doet de deugden ontkiemen, gij versterkt al wie bekoord wordt, gij verlicht de blinden , gij verkwikt de dorstigen, gij verzadigt de honge-rigen ; gij versterkt met uwe kracht de stervenden, en als een weldadige gids, geleidt gij ze naar de glorie van 't Paradijs, o Moeder, och , of uw gezegende Zoon ons door u deze genade scheuken mocht. Amen.
(77. Anselmus.)
Gegroet, o Moeder, uit welke degene geboren is, naar wien het menschdom verlangde ; o Maagd, in welke onze menschelijke natuur verheven is op den troon van den Eeuwigen Vader, wees gegroet 1
Zeven en twintigste Dag.
Maria boezemt ons afschrik in van de zonde.
Jam amplius noli pec-care.
Wil voortaan niet meer zondigen.
(Jois. VIII. 11.)
van de voornaamste gevolgen ^^fe^pder godsvrucht tot Maria is eene zekere teederheid van geweten, waardoor wij een afschrik krijgen van alle kwaad , de zonde reeds op een verren afstand onderscheiden en ze als iets afschuwelijks van ons verwijderd houden. Dit ver wondere ons niet. Gelijk een slecht gezelschap vooral daarom gevaarlijk is, wijl het langzamerhand het goede in ons verstikt en het kwade minder â¢afschuwelijk maakt, zoo is ook omgekeerd
SL
M
ZEVEN EN TWINTIGSTE DAG. 373
de voortdurende omgang van geest en hart met de heiligste der Maagden voor ons oorzaak, dat wij de deugd steeds hooger schatten en de zonde steeds dieper verafschuwen. « Zeg mij roept de H. Augustinus uit, «met wie gij » omgaat, en ik zal u zeggen, wie gij »zijt,!quot; Welnu, zoo gij godsvrucht hebt tot Maria, dan hebt gij omgang met haar; dan hoort gij inwendig hare inspraken ; dan ziet gij hare voorbeelden; dan wordt gij langzamerhand aan haar gelijk; 't is immers een oud spreekwoord , dat liefde en vriendschap alleen bestaan kan onder gelijken , of dat zij anders gelijken maakt. Zie dan wel toe gt; gij j die u een vriend van Maria | wilt noemen! Is er iets dat zij meer verfoeit dan de zonde ? Haar maagdelijk oog kan ze niet verdragen; nooit was er een enkele vlek, hoe gering ook, op hare ziel. Zoudt gij dan toelaten, dat uwe ziel besmeurd zij en een afschuw worde voor haar oog?
Geen menschelijk woord is in staat Maria's afschuw van de zonden te be-
18
ï?--:
----------5«------
274 ZEVEN EN TWINTIGSTE DAG.
schrijven; maar wij kunnen er toch iels van begrijpen, als wij bedenken, dat Maria in het licht der eeuwige glorie met haar onverzwakt en onbeneveld versland , 't welk daarenboven nog verlicht wordt door de stralen der Godheid, beseft en begrijpt, welk eene misdaad de zonde is, daar deze Gods oneindige Majesteit beleedigt en zoekt te vernietigen ; want dat de zonde God niet doodt, ligt niet aan de zonde zelve, (zij is er boos genoeg toe), maar ligt daaraan, dat de oneindig heilige God omringd is met het ondoordringbaar schild zijner onsterfelijkheid en eeuwigheid. Hoe bitter moet het dan niet voor die goede Moeder Maria zijn, een harer kinderen de hand te zien opheffen tegen God , den Oneindige !
V
Maria bemint haren Zoon Jesus Christus met eene weergalooze liefde, en die liefde is haar eene andere reden, om de zonde te verfoeien. Zij toch weet zeer goed , dat het de zonden der men-schen, onze zonden waren, die haren Zoon deden lijden en nog dagelijks zijn smart-
W'
275
'IK
ZEVEN EN TWINTIGSTE DAG.
vol lijden en bitteren dood vernieuwen. Zondigt gij dus , o mensch , dan brengt gij onder de oogen van Maria de geesel-kolom , de geesels, het kruis, de nagelen , de lans. Voedt gij de booze neigingen in uw hart, dan laat gij in dat hart doornen groeien, waarvan eene - kroon voor Jesus' hoofd gevlochten wordt. Gij geeselt Hem opnieuw, gij legt den last des kruises wederom op zijne schouderen, gij pijnigt en doorsteekt Hem, en zulks ...... onder de oogen zijner bedroefde Moeder ! O, dat men niet inziet, dat de zonde een zwaard is, 't welk Maria's Moederhart doorsteekt! Wanneer ons een zwaard in de hand werd gegeven . om daarmede onze aardsche moeder te 'L doorboren, wie zou dat zwaard niet met verontwaardiging van zich wegwerpen ? En men zou den treurigen moed kunnen hebben , niet, alleen om dat zwaard der zonde in de hand te nemen , maar het in koelen bloede neer te stooten in het hart onzer hemelsche Moeder Maria?
De zonde is eene melaatschheid der ziel. Erger nog; zij is een zelfmoord
%
^ ...........................
----!
276 ZEVEN EN TWINTIGSTE DAG.
der ziel. Zoo gij Maria vereert, dan weet gij, dat zij niet alleen Moeder des Heeren, maar ook Moeder onzer zielen is. Welnu , zult gij haar dan het verdriet kunnen aandoen, uwe ziel voor hare oogen met de afzichtelijkste melaatsch-heid te besmeuren , ja zelfs die ziel den *\' doodsteek te geven, terwijl Maria in de weer is, om haar te redden, voor alle gevaren te behoeden en daarvoor geen moèite, geen smeekingen , geen inspraken der genade spaart ?
Maria is eene groote Koningin. Hare vereerders en dienaren vormen hare eerewacht. Zij dragen hare livrei, bestaande in een scapulier , dat zij zelve i op aarde gebracht heeft. De duivel wilde Maria's ziel belagen en haar met zijn gif bezoedelen. Dit gelukte hem niet; maar nu beproeft hij het op hare vereerders en tracht aan de dienaren het kwaad te berokkenen, dat hij aan de Meesteres niet in staat was te doen. Zult gij, dienaren dier hemelsche Koningin , hem voet geven ? Zult gij den aartsvijand uwer beminnelijke Meesteres
5? â
______
ZEVEN EN TWINTIGSTE DAG.
J
dat genoegen verschaffen ? Gij doet het nochtans, zoo gij in zijne bekoringen toestemt, en hel eerekleed, dat gij draagt, met zonde bezoedelt!
Maar wie , die dit alles bedenkt, â en de dienaar van Maria bedenkt het allijd, â zul geen afschuw opvatten voor een kwaad , dat zijne Moeder zoo- . ^ veel leed veroorzaakt? Ja, zal hij zijn uiterste best niet doen, om zelfs de geringste dagelij ksche zonden te vermijden , in zooverre de menschelijke zwakheid zulks toelaat ? Hij weet loch, dat, al stoot hij geen zwaard in Maria's borst, zijne dagelij ksche fouten doornen zijn, die haar Moederhart wel niet doorboren , maar toch wreedelijk pijningen ! En zou het ons voordeelig zijn, als Maria op ons gebed : «toon, dat gij onze Moeder » zijt,quot; zou moeten antwoorden : « toon » gij eerst, dat gij mijn kind zijt?quot;
quot;Voornemens.
1° Maria vurig bidden om een groeten afschuw van de zonde.
2° Zelfs de dagelijksche zonden zorgvuldig vermijden en ons in acht nemen tegen alle gevaren.
277
::
ZKVEN EN TWINTIGSTE DAG.
VOORBEELD.
Een joDgeling was aan de zonde van onzuiverheid verslaafd. Hij had nochtans godsvrucht tot Maria en hij schepte er zijn behagen in, haar met lofzangen en gebeden te vereeren. Eens bevond hij zich op eene onmetelijke heide en over de vlakte weerklonken wederom zijne liederen ter eere van Maria. Doch spijs ontbrak hem en de honger deed zich gevoelen als een scherp zwaard. Daar verscheen hem eensklaps Maria. Zij liet hem kostelijke spijzen voorzetten , maar op onreine en walgelijk vuile schotels. De jongeling beschouwde met begeerige oogen de spijzen ; maar hij verklaarde aan Maria, dat het hem onmogelijk was er van te eten, omdat de schotels zoo walgelijk besmeurd waren.
â O sprak toen de minzame Moeder Maria , â mijn dierbare zoon, zie, de lofzangen en gebeden, âdie gij mij aanbiedt, zijn wel goed, 't zijn in â mijn oog kostelijke spijzen ; maar uw hart is â evenals deze schotels besmeurd , en walgt mij ; â daarom kan ik uwe lofzangen niet aaunemen.,,
De jongeling gevoelde de waarheid van Maria s moederlijk verwijt; hij bekeerde zich en leidde voortaan een beter leven.
GEBED.
(11. Ildrfonsus. Caj:. XXI.)
o Teedere Maagd, door uwe nederigheid zoo hoog in den vrede verheven, o Maagd van den
ZEVEN EN TWINTIGSTE DAG.
geur aller deugden doortrokken, de liefde doet u brauden eu lichten; gij verheugt, gij vervult met eene wonderlijke zoetheid het hart van hem, die u dient. Gij zuivert zijn binnenste en maakt hem kuisch ; gij doorstraalt zijn hart en gij verruimt het; gij verlicht geheel zijne ziel. Och, dat mijne genegenheden toch enkel zich bezig hielden met uwe liefde. Dat mijne ziel wegsmelte op de gedachte aan u ; dat mijn hart brande voor u, o Maria Dat uw lof nooit van mijne lippen wijke , noch uw naam uit mijn hart. Dat ik u immer gedu rende mijn leven in mijne nabijheid gevoele als mijne Beschermster in cie bekoring, mijne Troos teres in de droefheid, mijne Hulp in het gevaar mijn Licht in de duisternis, mijne Zoelheid in de bitterheid , mijne Helpster in tegenspoed , mijn Steun in den nood, mijne Hoop in den strijd des doods, mijne trouwe Geleidster en mijne Gezellin op mijne reis naar de vreugden der Engelen. Amen.
CU. Au s el mus. t. a. ]) )
Gegroet, o Ster van 't Paradijs ; Moeder van dien Zoon, die alleen de Allerhoogste is en wiens naam is : de Heer !
279
Acht en twintigste Dag.
Maria helpt ons op den weg naar den Hemel.
Qua; pervia coeü porta manes
et Stella maris.
Gij blijft ons eeu open deur des Hemels en de Sterre der zee. {Hymnen der Kerk)
s F- Hemel is de plaals onzer be-stemming; daarvoor zijn wij door den Vader geschapen, daarvoor heeft Jesus Christus ons verlost , daarvoor biedt ons de H. Geest in zijne Kerk duizenden genademiddelen aan. Daarvoor gaf de H. Drievuldigheid ons, behalve dat alles, nog eene gave van onschatbare waarde, nl. de H. Maagd Maria tot Moeder en Geleidster op den weg ten Hemel. Die weg is smal en
ACHT EN TWINTIGSTE DAG. 281
hobbelig; duizend zijwegen , die breed en gemakkelijk zijn, maar die uilloopen op afgronden, lokken den reiziger daarvan af. Wat dcet nu Maria ?
Vooreerst, zij wijst ons den weg aan, dien wij te volgen , en de dwaalwegen , die wij te vermijden hebben. De veiligste weg is het voorbeeld en do leer van Jesus Christus; Maria wijst ons dien aan met op de Bruiloft van Cana te zeggen: « doet alles wat Hij u zeggen zalquot;'); met andere woorden ; onderhoudt zijne geboden, beoefent zoo mogelijk zijne raden, volgt de lessen op, die als een vruchtbare dauw aan zijn Godde-lijken mond ontvloeiden, en gij zult het eeuwig leven vinden.
Maar die voorbeelden baars Zoons zijn misschien voor de oogen van gewone Christenen te schitterend , zij verblinden misschien gelijk de zon en schrikken af door hunne verhevenheid; welnu, Maria geeft zich zelve tot voorbeeld; haar licht is als de zachte glans der maan; wien zal het onmogelijk zijn, zich daarin,
1) Jóis. II. 5.
4*
-----------------£--
283 ACHT EN TWINTIGSTE PAG.
Ie spiegelen'? Zij doet nog meer. Niet alleen loont zij als een vriendelijk gesternte met hare stralen den weg des Hemels, zij ondersteunt ook onze zwakke schreden. Zwak, ja, zeer zwak zijn wij. Maar Maria is eene Moeder, die ons aan hare hand geleidt. Eene aardsche moeder kan haar kind wel ondersteunen ; maar kracht geven aan zijne voeljes, dat kan zij niet. Maria echter doet het. Zij geelt kracht aan onze voelen , om met reuzenschreden voort te gaan op den weg der geboden ; zij verruimt ons hart, en doel ons met David in waarheid zeggen; (.(.Heer, toen Gij mijn » hart vcrruimdet, heb ik geloopen op » den weg uwer voorschriften').quot; y Met een liefelijk beeld noemt de H. Ephrem haar: «eene bron van gratie »en vertroosting.quot; Die bron loopt altijd langs onzen weg; als dus de dorst ons kwelt, altijd hebben wij door Maria versche genaden , inspraken en verlichtingen in overvloed ; wij behoeven slechts
1) Pa. CXVIll.
-----^
I
ACHT EN TWINTIG'JTE DAG. 283
te pulten, en verfrischt en verkwikt zijn wij in staat, onzen weg te vervolgen. Zij is ook eene bron van vertroosting. Wat doet eene moeder, als haar kind op den weg vermoeid wordt en klaagt? Zij troost en bemoedigt het door de zoete hoop , dat het weldra op de plaats van rust en genoegen zal aankomen. Zoo doet ook Maria. Zij wijst ons op den Hemel , als de plaats van eeuwige rust en blijdschap; zij zendt hare Engelen , die ons door inspraken en voorlichtingen de tegenwoordige goederen doen verachten, de toekomende doen verlangen, ons helpen om alle moeilijkheden , hinderpalen en struikelsteenen te vermijden en gelukkig het einde onzer reis te bereiken. « Den wijn der God-sdelijke liefde biedt zij ons aan,quot; zegt de tl. Bernardus1), «waardoor het leven » der heiligmakende genade in ons be-» waard blijft en toeneemt,quot; « en ,quot; zoo voegt de H. Thomas van Aquine â daarbij: «bij ieder werk van deugd
V
1
S. Bern. Super Salve Reg. Cap. IV.
----
ACHT EN TWINTIGSTE DAG.
» kunt gij over hare hulp beschikken; » want overeenkomstig de woorden der » H. Schrift, zegt zij u: In mij is » alle hoop van leven en van deugd').quot; «Maria,quot; zegt de H. Alphonsus, «heeft » het oog op ons gericht, als eene moe-» der op hare kinderljes. Valt er een, zoo » laat zij de anderen slaan, loopt lot het »gevallene, om het op te helpen, het » te reinigen van 't slijk en. zijne tranen » te drogen.quot; « Wend u dus,quot; zoo raadde deze Heilige aan eene diep gezonken zondares, «als een gevallen kind tot »uwe Moeder, en zekerlijk zal zij u » helpen opstaan, zij zal met moederlijke » zorg uwe ziel van 't slijk der zonden » zuiveren en uwe smarlen lenigen.quot;
Doch Maria zou , (hare goedheid ver-schoone de uitdrukking) nog slechts half werk verricht hebben , zoo zij ons alleenlijk den weg aanwees en ons op denzelven steunde, maar ons niet bracht tot de poort des Hemels. Doch wees gerust, Maria laat haar werk niet on-
1) Eccli. XXIV. S. Thom. opusc. 8.
JSfc__
284
ACHT EN TWINTIGSTE DAG. 283
voltooid. Zij rust niet, eer wij in volle zekerheid zijn; want, zegt ons de H. Kerk herhaaldelijk, zij brengt ons niet alleen in de poort des Hemels, maar zij is zelve die zalige poort: felix coeli porta'), door welke allen moeten ingaan ; en met recht mocht dan ook de H. Kerk deze woorden der H. Schrift op Maria's lippen leggen : « Die mij vindt, vindt het »leven, en zaligheid zal hij van den Heer » verwerven1).quot;
O, hoezeer was die vurige Maria-vereerder, de groote H. Bernardus, van die waarheden doordrongen, toen hij zijn overvol gemoed in de volgende heerlijke woorden uitstortte5): « Zie-» daar , ziedaar die edele ster van Jacob ! «Geheel de wereld verlicht zij met hare » stralen ! Hoog in de Hemelen schittert » haar glans , diep in de hel ook dringen » hare stralen door; de aarde verlichten
W'
1
Prov. VIII. 35.
ACHT EN TWINTIGSTE DAG.
286
» zij , de zielen verwarmen zij meer nog »dan de lichamen; deugden kweeken » zij aan, en de ondeugden verdelgen zij. )gt; Ja, Maria is dat heerlijk gesternte, » dat glanst over deze groole wereldzee. » Hoe schittert zij door hare verdiensten, » hoe licht zij ons voor door hare voor-ygt; beelden ! o Gij allen , die dobbert op »die zee, geslingerd door stormen en » winden .. . . o wendt toch uwe oogen ygt; niet van haar af! Of wilt gij mis-»schien in de golven vergaan? Als » de winden der bekoringen opsteken , » als de klippen van kwellingen u om-» ringen, ziet op tot die ster en roept » Maria aan ! Als gij geslingerd wordt »door de onstuimige golven van hoog-» moed , van eerzucht, van kwaadspre-» kendheid of afgunst, ziet op tot de ster »en roept tot Maria ! Als toorn, of »begeerlijkheid des vleesches of lage »geldzucht uw scheepje bijna doen »zinken, ziet op tot Maria! Als de d grootheid uwer zonden u beangstigt , » uw besmeurd geweten u doet beven , »en het oordeel u van vrees doet sid-
___£_______
acht kn twintigste dag. 287
» deren en gij oo het punt zijt van neer » te storten in den onpeübaren afgrond »van droefheid en wanhoop, o dan, » dan vooral, denkt aan Maria! In ge-»vaar en benauwdheid, in twijfel en » angst, denkt toch aan haar !... Haar »volgend zult gij niet dwalen, haar - »aanroepend zult gij niet wanhopen, »aan haar denkend zult gij niet te-»leurgesteld worden, als zrj u vasthoudt » zult gij niet vallen, als zij u beschermt »zult gij niet vreezen, als zij u leidt » zult gij niet vermoeid worden , als zij » u gunstig is , bereikt gij uw einddoel »eti gij zult door eigen ondervinding » weten, hoe terecht er geschreven slaat : » en de naam der Maagd was Maria*).quot;
quot;Voornemen.
Dagelijks, doch vooral in moeilijke omstandigheden en bekoringen, Maria's bijetand afsmeeken, en ons door haar laten geleiden.
VOORBEELD (2.)
In 't leven van den H. Odo , Abt van Cluny, leest men : Eens kwam een struikroover zich bij
1) Luc. I. 27.
2) Joannes Monachus. IX sïcc. De vita S.-Odonis 1. IJl
⢠r
Kt_______________,__42?.
^88 ACHT EN TWINTIGSTE DAG.
-den Heilige aanbieden, om kloosterling te worden. De H. Odo maakte veel bezwaar, om hem als zoodanig aan te nemen , te meer wijl een man , die hem kende , getuigde : â dat hij berucht was, â om zijne misdaden.quot; Maar de struikroover gat' zoo groote teekenen van berouw, hij smeekte den 11. Odo met zooveel aandrang bij het heil zijner ziel, die God, zoo ze^de hij, van hem zoude op-y â eischen, dat de H. Abt zich liet bewegen en hem aannam. Doch nu bleek eerst de werking der Goddelijke genade. Met reuzenschreden ging de bekeerling in deugd vooruit; weldra was hij rijp voor den Hemel. Toen hij op zijn sterfbed lag verhaalde hij aan zijn Abt, dat hij des nachts eene schitterende jonkvrouw had zien naderen , die hem vroeg of hij haar kende. Hij antwoordde : â Neen.quot; â Ik ben ,quot; sprak toen de schitterende jonkvrouw, âik ben die Moeder van Barmhartig-â heidy die de Christenen zoo dikwijls aanroepen.quot; â o Mijne Meesteres,quot; riep toen aanstonds de â x. kloosterling , â wat wilt gij , dat ik doen zal ?quot; âBinnen drie dagen zult gij bij mij zijn,quot; sprak zij , en zij kondigde hem het juiste uur van zijn dood aan. De dag en het uur bewezen , dat de verschijning waarachtig geweest was ; want juist op 't aangeduide uur stierf hij.
Van dien dag af noemde de zalige Odo, Maria niet anders meer dan Moeder van Barmhartigheid , gelijk zij zich zelve aan dezen boetvaar-â digen zondaar geopenbaard had.
ACHT EN TWINTIGSTE DAG. 289
GEBED.
(II. lldifonsus. Cap. XXIl.)
o Goedertierene Vorstin , verhoor raiju gebed : dat uwe genade mijn voorhoofd versiere , mijne zintuigen verlichte, kuischheid geve aan mijn lichaam, mijne zinnen heilige, mijn hait ont-vlamme. Dat uwe deugd in mijne ziel dringe, mijn geweten verlichte, mijn vleesch zuivere. Sta mij bij , als ik bid of lees of overweeg, als ik spreek of mijne maaltijcien neem, als ik slaap of als ik wakende ben. Dat uwe goedheid en barmhartigheid mijne schulden kwijtschelde, mijne verdiensten doe aangroeien, mijne verliezen herstelle, en mij de oneindige goederen des Hemels verwerve. Mogen uwe genade en kracht mijn dood verzoeten, mijnen vijand terugdrijven, mij aan de afgronden der hel ontrukken, en mij voeren naar de vreugden van het Paradijs. Amen.
CI1. Ansel mus.)
Gegroet, o Ster van 't Paradijs, wier Licht wij aanbidden, als wij uwen Zoon ter eer het blijde Alleluja doen klinken.
*
19
'i*.
Negen en twintigste Dag.
Maria, Toevlucht der zondaren.
iquot;
Jï
Dulcis Parens clementiae. o Zoete Moeder der barm-harllsiheid.
(Ilymnen der Kerk.)
^Iv^fc'OLGENS den H. Bernardus') is de ^0) H. Maagd Maria bezield met de ^ quot; grootste barmhartigheid jegens de J zondaars, omdat zij Jesus Christus baarde, 1 die de barmhartigheid zelve is en de barmhartigheid van Jesus Christus haar altijd voor oogen staat.
Alles gaf haar gevoelig en medelijdend ; hart voor de zondaars ten beste, zelfs i haren eenigen Zoon , hierin den hemel-schen Vader navolgend, van wien de
1) S. Bern. Serm. T. Dom. I. por.t Epiph.
~^t_________'M
NEGEN EN TWINTIGSTE DAG. 291
H. Kerk zegt1): «Zoo lief heeft God den » mensch gehad , dat Hij zijnen eenigen » Zoon niet heeft gespaard , maar Hem »voor ons allen heeft overgeleverd tot » den dood , ja tot den dood des kruises.quot;
Door het voorbeeld van Jesus werd die barmhartigheid dagelijks grooter, en toen zij bij haren dood in den Hemel werd opgenomen, legde zij die barmhartigheid niet af, maar zoo mogelijk werd deze daar nog grooter. Dienaangaande zegde eens de Heilige Agnes in eene verschijning tot de H. Brigitta: « Maria was zoo goedig en barmhartig, » dat zij alle kwellingen wilde verduren, »liever dan dat de zielen der rnen-»schen niet zouden verlost worden. ygt; Thans met haar Zoon in den Hemel » vereenigd, vergeet zij de haar eigene »goedheid niet, maar tot allen, zelfs »tot de diepst gevallenen, strekt zij »hare barmhartigheid uit2).quot; «Zij is » thansquot; , zegt de H. Alphonsus , « in » den Hemel aangesteld tot Koningin van
1) lu Off. Passionis Dui.
2) S. Brig. Rev. lib. III. Cap. 30.
___________4
292 NEGEN EN TWINTIGSTE DAG.
j) barmhartigheid, om van Gods wege ygt; alle genade van ontferming en barm-»hartigheid mede te deelen aan de ygt; zondaren, die met vertrouwen tot haar »hunne toevlucht nemen').quot; Werd het ons eens gegeven te zien, wat stroomen van barmhartigheid zij over de wereld heeft uitgestort, hoevele inspraken , waarschuwingen, heilzame ongerustheden zij in het hart der zondaren gebracht heeft; hoe dikwijls zij den straf-fenden arm Gods heeft tegengehouden, als hij verpletterend dreigde neer te komen op het hoofd van menigen schuldige, ook van ons misschien; hoe dikwijls zij, gelijk de tuinman van het Evangelie bij den onvruchtbaren vijgeboom , gesmeekt heeft: o Heer, vergun hem nog één jaar, ik zal hem in dien tusschentijd omringen met duizend zorgen, en brengt hij dan nog geen vruchten van boetvaardigheid voort, hak hem dan om, handel volgens uwe rechtvaardigheid, maar spaar hem ten minste nu nog! « En wie weet,quot; zegt de H. Petrus Da-
1) S. Alph. Super Salve lieg.
âgt;
293
y
NEGEN EN TAVINTTGSTE DAG.
mianus, «hoe dikwijls Maria aldus de » gramschap van den eeuwigen Rechter » heeft bedaard ! Want, o Maria , in »uwe handen zijn de schatten van de » barmhartigheid des Heeren
Onze Middelares, onze Voorspreekster, wordt Maria door de H. Kerk genoemd. En waarlijk, geen eerenamen zijn beter -verdiend. Wat is eene middelares ? Dat is eene vrouw, die belast is twee vijandig gezinde partijen te verzoenen. Zulk eene vrouw is Maria. Zie haar staan tusschen twee partijen; van de eene zijde God, die te recht op den zondaar vertoornd is en hem zijn rech'.ma-tigen toorn wil doen gevoelen ; van de andere zijde den zondaar, die tegen God, zijn Schepper, vermetel in opstand is. Wat doet nu Maria ? Den zondaar verkrijgt zij overvloedige genade, zij stort in zijn hart leedwezen en boetvaardige gevoelens, en God stemt zij tot barmhartigheid en vergeving ; de twee partijen zijn verzoend, door Maria's zachte bemiddeling.
1) S. Petr. Dam. De Amore Virg.
-gt;r
3(J-t NEGEN EN TWINTIGSTE DAG.
Maar zij is meer; zij is eene Voorspreekster. Eene voorspreekster neemt de verdediging van de eene parlij op zich legen de andere. Welnu, dat doet Maria. «Zij ziet wel op Gods recht vaardig-» heid zegt de H. Petrus Damianus , » maar niet zoo, dat zij zijne barmhar- I »tigheid uit het oog verliest').quot; Zij erkent wel de schuld van den zondaar, zij kan hem daarvan niet vrijpleiten ; maar wat zij kan , dat doet zij : zij bidt, zij smeekt, zij biedt den hemelschen Vader het dierbaar Bloed, het lijden, de smarten van haar Goddelijk Kind aan, zij herinnert haren Zoon aan hare liefde voor Hem , aan die duizenden diensten , door haar aan zijne H. Menschheid bewezen, aan de smarten en angsten, die zij voor Hem onderstond ; zij doet alles, en veel meer, wat wij op deze wereld een ad-vokaat zien doen voor een beschuldigde, dien hij, kost wat kost, wil redden ; kan hij de misdaad al niet ontkennen , hij voert ten minste verschoonende omstandigheden aan, hij doet een beroep op de
1) S. Petr. Dam. Serm. 1. de Nttiv.
......
NEGEN EN TWINTIGSTE DAG.
goedertierenheid des rechters; smeekingen , tranen zelfs, niets laat hij onbeproefd, om vrijspraak te bekomen. Zoo doet Maria, en .... de gramschap des Heeren bedaart, de banden der zonden â worden verbroken , de duivelen verdreven , de zondaren met hunnen Schepper verzoend! «En gij, onze hoop, wees .X » gegroetroept dan ook de H. Kerk in geestdrift uit; ja, de H. Bernardus zegt , dat hij voor Gods rechterstoel geen andere hoop bezit dan Maria'). « De zondaar mag vreezen,quot; zegt. hij, » te naderen lot God , want de Heer is »een verterend vuur, en als was zou » de zondaar voor dat vuur versmelten. » Maar de menschelijke zwakheid , hoe » groot ook , behoeft niet te vreezen tot »Maria te naderen; in haar toch is » niets , dat afschrikt, niets , dat naar » strengheid zweemt, maar zij is geheel »zoetheid en barmhartigheid2).quot; Tot haar mogen de zondaren vluchten als tot eene veilige vrijstad, waarin zij be-
1) S. Bern. Super: Missus est.
2) ld. Sup : Signum Magnum.
295
4.
3'J-t NEGEN EN TWINTIGSTE DAG.
Maar zij is meer; zij is eene Voorspreekster. Eene voorspreekster neemt de verdediging van de eene partij op zich tegen de andere. Welnu , dat doet Ma- j ria. « Zij ziet wel op Gods rechtvaardig-» heid zegt de H. Petrus Damianus , i » maar niet zoo , dat zij zijne barmhar-»tigheid uit het oog verliest').quot; Zij erkent wel de schuld van den zondaar, zij kan hem daarvan niet vrijpleiten ; maar wat zij kan , dat doet zij ; zij bidt, zij smeekt, zij biedt den hemelschen Vader het dierbaar Bloed, het lijden, de smar- i ten van haar Goddelijk Kind aan , zij herinnert haren Zoon aan hare liefde voor | Hem , aan die duizenden diensten , door haar aan zijne H. Menschheid bewezen, aan de smarten en angsten, die zij voor JS Hem onderstond ; zij doet alles, en veel meer, wat wij op deze wereld een ad-vokaat zien doen voor een beschuldigde, dien hij, kost wat kost, wil redden; kan hij de misdaad al niet ontkennen , hij voert ten minste verschoonende omstandigheden aan, hij doet een beroep op de
1) S. Peti'. l)am. Serm. I. de Nativ.
V' rS
-------^-------rp.
NEGEN EN TWINTIGSTE DAG. 295
goedertierenheid des rechters ; smeekin-gen, tranen zelfs, niets laat hij onbeproefd, om vrijspraak te bekomen. Zoo doet Maria, en .... de gramschap des Heeren bedaart, de banden der zonden worden verbroken , de duivelen verdreven , de zondaren met hunnen Schepper verzoend ! « En gij , onze hoop , wees » gegroetroept dan ook de H. Kerk in geestdrift uit; ja , de H. Bernardus zegt , dat hij voor Gods rechterstoel geen andere hoop bezit dan Maria1). « De zondaar mag vreezenzegt hij , » te naderen tot God , want de Heer is »een verterend vuur, en als was zou »de zondaar voor dat vuur versmelten. » Maar de menschelijke zwakheid , hoe 5^ » groot ook , behoeft niet te vreezen tot »Maria te naderen; in haar toch is » niets , dat afschrikt, niels , dat naar » strengheid zweemt, maar zij is geheel »zoetheid en barmhartigheid2).quot; Tot haar mogen de zondaren vluchten als tot eene veilige vrijstad, waarin zij be-
1) S. Bern. Super: Missus est.
3) ld. Sup : Signum. Magnum.
296 NEGEN EN TWINTIGSTE DAG.
schermd worden tegen de vervolging der goddelijke gramschap. Er waren in Israël weleer zes vrijsteden , waarheen iedereen vluchten kon , die een mensch bij ongeluk gekwetst of gedood had; daar was hij veilig. Maar de geestelijke vrijstad, welke Maria is, staat open voor allen zonder onderscheid; hierom â begroet haar de H. Ephrem als de toevlucht , ja, als een algemeen ziekenhuis der zondaars'). En inderdaad, dat is zij , lioe vreemd de naam ook klinke; want gelijk in een ziekenhuis allerlei zieken worden opgenomen , zoo neemt Maria in haren schoot allerlei zondaars op; wat afschuwelijke ziekten zij ook in hunne ziel hebben, Maria ontvangt en geneest ze. En nu mag de duivel zijn best doen , om den zondaar in zijn macht te houden, hij mag hem voor Gods rechterstoel beschuldigen en als zijn eigendom opeischen, Maria's blik zal voldoende zijn om alle banden en boeien te verbreken. De H. Benedictus zag eens een man door een woestaard 1) S. Eph. Serm. de Laud. Deiparfc.
397
^----èv----
KEGEN EN TWINTIGSTE DAG.
geboeid; de Heilige zag op de boeien | neer en oogenblikkelijk sprongen zij | los'). Zoo zal ook Maria doen; als j hare zachte oogen vallen op de kele- j nen, waarmede de duivel den zondaar . geketend houdt, dan zullen deze los i springen, en de zondaar is hersteld in l de vrijheid der kinderen Gods, zooals f de Kerk bidt in hare lofzangen ; « slaak »des zondaars boeien2)!quot; Ja, Maria zal op hunne bede voor de zondaars verkrijgen, dat God hen in het oordeel genadig zij ; zooals al wederom de H. Kerk ons leert bidden , wanneer zij in het Stabat Mater zingt ; «o Maagd , »verdedig mij nog, wanneer ik vcor » Gods rechterstoel sta3)!quot;
Voornemens.
1° Tn zonde gevalleu zijnde of op dagen, dat wij ter biecht gaan, aan Maria een volmaakt berouw vragen.
2° Met betrouwen haar de bekeering van een of anderen bekenden zondaar afsmeeken.
1) S. Greo;. Magn. lib. Til, Dial. Cap. 31.
2) Solve vinela reis.
3) Per te, Virgo, sim defensus, in die judicii. ^------
_____________
298 NEGEN EN TWINTIGSTE DAG.
VOORBEELD.
Om ons duidelijk te maken, waarom de H. Maagd zooveel belang iu ons stelt, gebruikt de H. Bernardus eene schoone gelijkenis.
Daar was eens een edelvrouw, die een eenigen zoon had. Zij bewoonden te zamen een kasteel, omringd van breede grachten. Gelukkige dagen sleten zij : de moeder beminde haren zoon, de . zoon zijne moeder om het meest. Op een winteravond zaten zij bij elkander en spraken vertrouwelijk. .. . Daar breekt een pions in het water de stilte. . . Een hulpgeschrei volgt. . . Moeder en zoon snellen naar buiten. Wat zien zij ? Eeu jongeling , door de duisternis misleid , is iu het water gevallen; hij is in groot gevaar ! De zoon der edelvrouw bedenkt zich geen oogenblik. Hij werpt zich in 'tkoude water, doet de uiterste pogingen en slaagt er in den jongeling op't droge te brengen. quot;Weldra herstelden droge kleederen , een verkwikkend vuur en verwarmende dranken zijne krachten ... hij was behouden ! Doch zie ; bleekheid bedekt het gelaat van den redder; hij gevoelt zich onpasselijk, hoe moet zich te bed begeven en weldra brengt de verkoudheid, in het water opgedaan , hem aan den rand van 't graf. Stervend beveelt hij aan zijne moeder den geredde eu smeekt haar, hem als haar zoon aan te nemen en te beminnen. Hij sloot de oogen en stierf.... Maar wie beschrijft de teederheid , welke nu de moeder voortaan aan haar pleegzoon bewees ; de
~iw
NEGEN EN TWINTIGSTE DAG. 299
gedachte: âmijn zoon, mijn eenige , mijn teer-â geliefde is voor hem gestorven,quot; deed hare liefde verdnizendvoudigen 1
Die edelvrouwe is Maria; de eenige zoon is Jesus Christus; die dienkeling, o zondige mensch, dat zijt gij. Gij waart op liet punt te verdrinken in den poel uwer zonden ; Jesus Christus redde u daaruit, maar .... ten koste van zijn eigen leven! Op 't smartbed des kruises beval Hij n % aan Maria met de teedere woorden : Vrouw , ziedaar in plaats van Mij een anderen zoon ; draag de liefde , die gij voo,* Mij hebt , op hem over. En wie zal nu kunnen beschrijven, hoe Maria den geredden zondaar bemint ?
GEBED.
{II. Ildefonsus.)
Edele en edelmoedige Moeder van het Mensch-geworden Woord , van den eeuwigen Zoon des - Vaders , gij , die de wereld te hulp gekomen zijt door de Vrucht van uwen maagdeiijken schoot ; o wonderbare Maagd, voor alle eeuwen der eeuwen reeds voorbeschikt, om Moeder van den Oppersten Koning te worden, ik zou zoo gaarne uwe verdiensten prijzen en het wonder uwer genade en deugd verheerlijken, al ben ik dan ook slechts een arme, onwaardige zondaar, besmeurd met zonden, bevlekt door de begeerlijkheid en den wellust; al omringen mij duisternissen , al bemoeilijken de
NEGEN EN TWINTIGSTE DAG.
zonden mijne wegen, en al ben ik verstrooid van geest en onstandvastig van hart. Maar gij , o mijne Meesteres, ^ij, die de wijsheid van God in het hart, goddelijke woorden in den geest en het Menschgeworden Woord des Vaders in uwen schoot draagt, herstel mijne zwakheden en mijne fouten, geef mij uw licht, stort uwe zalving uit op mijn dor hart en hervorm zoo wel mijne inwendige vermogens, dat ik altijd heiliglijk van u spreke, uwe eer hevordere en woorden tot u stiere , die geheel vlammend zijn van liefde tot u. Amen.
CI1. Anselmus t. a. p.J
Gegroet, o Moeder, wier Zoon de helsche geesten wel niet prijzen, maar dien wij loven, als onzen Heer.
300
Dertigste Dag.
Maria, de Schrik der duivelen.
Et nomen virsfinis Jlaria.
Eq de naam der Maagd was Maria.
(Luc. 1. 'll.)
p den dag harer Hemelvaart werd â¢Maria gekroond tot Koningin der zegepralende, der strijdende en der lijdende Kerk. Hemel en aarde, Engelen en Heiligen, menschen en zielen des Vagevuurs begroeten haar thans als eene beminde Koningin, wier zacht en liefdevol gezag zij blijde huldigen. Maar ook nog over een ander gedeelte van Gods schepping strekt hare macht zich uit, nl. over de donkere, onpeilbare diepten der hel, waar Lucifer en zijn aanhang wonen. Ja , ook daar is Maria
*â¢*
DERTIGSTE DAG.
Koningin, maar met al de strengheid van een overwinnende Heerscheres. Wee den overwonnenen ! Door Jesus , haar : Zoon, zegepraalde zij over den duivel ; en de zonde; zij fnuikte en brak de ; macht der hel door haar vlekkeloos ; leven.
Toen onze eerste ouders, Adarh en Eva, gekleed in dierenhuiden, beschaamd en bedroefd het Paradijs verlieten , beloofde God in zijne goedheid eene vrouw, die aan den duivel, hun verleider , den kop zou verpletteren : Ik zal vijandschap stellen tusschen u en de vrouw en zij zal ii den kop verpletteren. (Gen. III.) Die vrouw is Maria, zooals de heilige Vaders') verklaren; zij vernederde en overwon den duivel. Doch waar? En wanneer ?
Zij overwon hem reeds bij 't eerste oogenblik van haar bestaan door hare Onbevlekte Ontvangenis. Methusalem en Henoch, Abraham en Isaac, Jacob en David waren Heiligen, maar de duivel kon zich beroemen : op hen heb ik ooit
1) luter alios. S. Cypr. Lib. II. ad?. Judaeos.
302
2 *
DERTIGSTE DAG. 303
macht gehad ; de profeet Jeremias, de H. Joannes de Dooper, zij behaagden aan God, maar de duivel, hoe kort dan ook, had macht over hen uitgeoefend. Maria alleen ontkwam aan zijne klauwen ; nooit kon hij zijne nagelen slaan in haar hagelwit kleed, en op den dag dier i Onbevlekte Ontvangenis begint voor hem -die lange reeks van vernederingen, waarbij hij telkens oen druk van dien maagdelijken voet op zijn hoovaardigen kop gevoelen moet.
Zij verwon hem ook tijdens haar leven; want hoe ook dè duivel het aanlegde om dien Toren van David in te nemen , nooit kon hij er in slagen een opening te vinden ; nooit kon hij het minste vlekje werpen op het glansrijke kleed, dat hare ziel versierde; «zij » waszegt de H. Bernardus1), «die » sterke vrouw, naar welke Salomon zocht, ygt; wanneer hij vol bewondering vroeg: » Wie, wie zal de sterke vrouw vinden ?quot; Zoo sterk was zij tegen die aanvallen der hel, dat het H. Concilie van Trente
1) Sup : Missus est. Hom. TI.
304
DERTIGSTE DAG.
in eene plechtige zifting, vol eerbied en met goddelijk gezag verklaarde, dat zoodra er sprake is van zonde of van neiging daartoe, het niet spreekt van de allergezegendste Maagd Maria1), want deze is van 't eerste oogenblik van haar bestaan af rein en onbevlekt gebleven ; en in een der plechtige doem-vonnissen verklaart die eerbiedwaardige Vergadering, waarin de H. Geest voorzat : « Veroordeeld zij hij , die zegt, dat » iemand, die eens gerechtvaardigd is, ... » geheel zijn leven door, alle dagelijksche »zonden kan vermijden, zonder een »bijzonder voorrecht van God, zooals ygt; de H. Kerk aanneemt van de aller-ygt; zaligste Maagd Maria2).quot;
Doch meer nog overwon Maria den duivel door Jesus Christus, haren Zoon. Toen zij Hem aan de wereld gaf bij zijne geboorte, toen zij Hem voor ons heil opofferde aan het kruis, waar was toen de duivel ? Van schrik en argst kromp hij ineen en verborg zich in dö diepste diep-
1) Cone. Trid. Sess. V.
2) Sess. VI. ean. 23.
quot;X1--
â¢J£
DERTIGSTE DAG.
ten der helsche afgronden; want meer dan ooit gevoelde hij den verpletterenden voet der Maagd Maria! « Jaroept de H. Bernardus vol geestdrift uit'), «gij, uitstekende stijderes, gij hebt » hem moedig aangevallen; hij had Eva »wel ten val gebracht, maar gij zijt «verschrikkelijk als een leger in slag-»orde geschaard! Moesten zij niet » sidderen , die vorsten der duisternis , » wanneer zij tegen zich zagen optreden » eene vrouw, bekleed met eene wapen-»rusting, waartegen zij niet bestand »waren; eene vrouw, die de Sterke ygt; genoemd wordt en nu nog daarenboven sten oorlog was uitgerust? Rondom »haar zagen zij een machtige schare , »de heirkrachten des Hemels en een » leger van geesten , afgezonden ter be-»schikking van zulk eene machtige » vorstin ; schrik overviel de duivelsche »geesten, angst greep hen aan en zij » riepen tot elkander : ziet, meer dan »Eva is deze. Zij is als de leger-
1) S. Bern, in deprec. ad Virg. torn II. Citat. a S. Bonav. in spec. Cap. IX.
305
quot;v
20
K'
DERTIGSTE DAG.
» scharen des Hemels; laat ons vluchten! » laat ons vluchten !quot;
En toen eindelijk de duivel moest zien, dat zijne aartsvijandin , met heerlijkheid gekroond, op den hoogslen zetel des Hemels naast haar goddelijken Zoon geplaatst werd en zij uit Gods handden ij schepter over Hemel, aarde, vagevuur -j en hel ontving, clt; toen,quot; zegt de H. Joannes Damascenus1), «toen sidderden » de duivelen in de lucht, hunne reeds »geknakte en gebroken macht .werd » nog meer verminderd en verbroken2)
hunne nederlaag was voltooid !
Is het nu wel wonder, dat de duivelen beven op het hooren van Maria's naam en voor dien naam in aller ijl de vlucht nemen? Wie zou niet gaarne dien vijand , van ons heil, dien belager onzer zielen , i dien bestrijder onzer hemelsche Moeder willen vernederen en hem angstig doen vluchten in de diepste schuilhoeken zijner donkere woning ? Welnu , spreekt den
300
1
S. Joes Dam. Or. I. de Djrm. Virg.
2
S. All)h. Sup. Salve Reg. Cap. IV ; Item. S. Bern. Sen. tom. III. Serm de B.
^--:-------f.
DERTIGSTE DAG. 307 ! _____
gezegenden naam van Maria tegen hem uit, en hij zal ineenkrimpen van pijn , «want, (zoo werd aan de EJ. Brigilta » geopenbaard) als een dienaar van Maria » in eene bekoring haar aanroept, dan »slaan de duivelen op de vlucht; lie-! » ver lijden zij dubbele pijnen , dan zich ; »door de macht van Maria beheerscht » te zien').quot; En Thomas a Kempis zegt: « Gelijk de schichten des bliksems , zoo » vallen zij bij het aanroepen van Maria's »naam ter helle neder, en voor dien » naam vluchten zij , als voor een ver-» terend vuur2).quot;
Maar moeten wij na dat alles niet verwonderd zijn , dat zoovele Christenen nog in zonde vallen en zeggen , dat de ^'/j bekoring te sterk was? Maar waarom in den strijd Maria niet aangeroepen ? Waarom niet, gelijk David , dien naam als een steen geslingerd tegen het hoofd van den helschen Goliath'? Gevallen zou hij zijn , en wij , wij zouden als overwinnaars juichen; want waar zal het
1) Apud S. Alph. ibid.
2) Thorn, a Kempis ad Novit. lib. 4.
DERTIGSTE DAG.
blijven, wat de H. Bernardus zegt: dat hij zwijge van Maria's goedheid en macht, die haar aanriep en geene hulp vond !
quot;Voornemen
In iedere bekoring zal mijn eerste werk zijn, mij met Maria's naam als met een ondoordringbaar schild te bedekken.
VOORBEELD (1).
Maria's macht over de duivelen ondervond eens de Zalige Joannes van Parma , 7lt;,e Generaal der Franciscanerorde. Eens was hij met eenige Broeders op reis en verdwaalde des avonds bij mistig weder in een groot bosch. Angstig vroegen hem zijne gezellen : â Vader, wat nu ?quot; Doodbedaard antwoordde hij : â Vertrouwt op God, en roepen â wij Maria en onzen H. Vader Franciscus aan.quot; Eu te gelijk begon hij beurtelings met zijne Broeders het oflicie van Maria te zingen, waarbij hij ( nog verschillende gebeden te harer eer voegde. Daar hooien zij eensklaps het gelui van een klokje. Eene abdij vertoonde zich aan hun Dog. Zij klopten aau , men deed open en verschillende monniken, die gereed schenen te staan, namen hen met bereidvaardigheid als gasten op ; vuur werd aangelegd, water voor de voeten gegeven, dekleedeien gedroogd, een maaltijd gereed gemaakt en bedden
1) Bolland, torn. IX. p. 60. Ex annal. Wadding.
308
DERTI3STE DAG. 30(J
gespreid. Men begaf zich ter ruste. Omtrent middernacht stond de Zalige Joannes op, om te bidden ; en toen hij het klokje der kerk hoorde, ging hij met de andere monniken naar het koor, om de getijden te zingen. Verbeeld u zijne verbazing, toen hij hoorde, dat men die getijden niet geregeld afzons:, maar middenin begon , nu hier, dan daar weder een psalmvers herhaalde en met wanorde en ongeregeld voortging, 't Werd den Zalige bang om het hart. hij kreeg vermoeden en J gelastte de monniken in den naam van God en door het lijden des Heeren te zeggen , wie zij waren. Hij, die de Abt scheen, antwoordde: dat zij allen geesten der duisternis waren , die daar op de gebeden van Maria en den II Franciscus tecen wil en dank gezonden waren, om Joannes en zijne gezellen te helpen. Eensklaps verdwenen èn monniken èn klooster De Zalige bevond zich weer midden in een groot bosch. Joannes en zijne gezellen vervolgden nu gesterkt hunnen weg en ^ kwamen des morgens aan een klooster hunner Orde. De Generaal dankte God en Maria en maakte aan geheel zijne Orde de wonderbare bescherming en macht van Maria bekend.
GEBED.
CII. lldefonsus. Cap. XXIII)
o Maria, van u staat geschreven : âGod sprak : dat het licht zij, en het was lichtquot; o Zuiver licht, o licht zoo schoon , zoo schitterend aan
310 DERTIGSTE DAG.
den hemel, gij verlicht de aarde, eij doet de hel j beven; o Licht, dat hen terechtbrengt die ver- I dwalen , verheug de treurenden , maak het geluk uit der Engelen en Heiligen van 't Hemelsch Hof,
toon ons onze lonten , herstel onze misstappen , verlicht onze duisternissen ; geef den zieken de gezondheid en vreugde aan de weenenden. Doe aan de zondaren hun toestand inzien, geleid hen tot de boetvaardigheid en geleid allen , die op u «
hunne hoop en hun vertrouwen stellen, tot de | eeuwige glorie. Amen.
(II. Anselntus. t. a. p j
Gegroet, o Moeder, wier Zoon de vreugde is der dochters van Sion, terwijl de zielen der Heiligen juichen om zijn goddelijk gezelschap.
Een en dertigste Dag.
Maria, de Hoop onzer zaligheid.
Qui elucidant me vitam aster-
nam habebaut.
Die mij verheerlijken, zullen het eeuwig leven bezitten. {Eccli. XXIV. 31.)
[iemand weet, of hij haal of liefde ^waardig is'), en: Die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle'), ziedaar twee uitspraken des H. Geestes , die iederen Christen met schrik vervullen moeien. Zal ik zalig worden? Doe ik niet tevergeefs het goede? Zal ik volharden in mijne goede voornemens? Christen , hebben die gedachten u nooit gekweld ? Of erger, hebben ze nooit u
1) Eccle. IX. 1.
2) 1 Cor. X. 12.
2%,-----
312 EEN EN DEKTIGSTE DAG.
bijna doen besluiten het juk des Heeren af te schudden, om de wegen der zonde te volgen? God verhoede het!
't Is de leer der Kerk, dat zonder eene goddelijke openbaring niemand met de zekerheid des geloofs kan weten , of hij zalig zal worden of niet. Lel nochtans wel. De H. Kerk zegt: met de zekerheid des geloojs; maar daar is nog eene andere zekerheid, die wel niet onfeilbaar is gelijk deze , maar ons toch eene groote mate van vertrouwen mag inboezemen. En wanneer gij aan de Kerkleeraars en Godgeleerden vraagt, welke die zekerheid is, dan zullen zij u verscheidene teekenen opnoemen, waaraan gij kennen kunt, of gij in goeden je staat zijt en de eeuwige zaligheid zult verwerven. Geluk en vrede aan u, o dienaars van Maria; want met eene overeenstemming, die u alle vrees benemen moet, antwoorden allen uit één mond, dat een der zekerste teekenen van voorbeschikking is: eene ware, duurzame godsvrucht tot Maria.
Wien is het woord onbekend van
'tb
EEN EN DERTIGSTE DAG.
313
A â lt;
een grooten Keriileeraar ea Heilige: « Een waar dienaar van Maria kan niet »verloren gaan ?quot; Volgt daaruit misschien , dat, om zalig te worden, het alleen genoeg is godsvrucht te hebben tot Maria ? Die heilige Leeraar zou de eerste zijn, om het tegen te spreken. Of moet men er uit. besluiten , dat een zondaar Maria niet vereeren moet, wijl zulk eene vereerinj.' haar niet behagen kan? Ook dat niet. Neen, Maria vereeren door eenige werken van godsvrucht is niet genoeg ; zalig worden kunnen wij slechts door te wandelen op den weg der geboden Gods, door het goede te doen en de zonde te laten.
Maar zie, daarin juist helpt Maria hare vereerders. Zijt gij in staat van genade en biedt gij haar de hulde aan van uw dagelijksch gebed, van vrome lofzangen en gesprekken , dan verkrijgt u Maria de genade, die gij noodig hebt, om te volharden en in deugden te groeien en aan te wassen ; en zijt gij in zonde, o dan , dan vooral vereer Maria , bezoek hare beelden , prijs haren naam , luister
r
^5
'ir-
------^-------
314 EEN EN DERTIGSTE DAG.
naar haren lof, vast te barer eere, want zij zal u helpen , om uit uwe zonde op Ie slaan. Gij zijt gevallen, misschien in 't walgelijke slijk, der laagste zonden; misschien meent gij, dat gij daaruit niet opslaan kunt; gij denkt, dat geen priester ter wereld uw verward geweten zal kunnen ontwarren; of gij zijt zoo zwak, . dat gij telkens in uwe zonden terugvalt; wie zal u dan helpen , wie u de hand reiken, wie de geheime plooien uws gewetens verlichten '? Niemand anders en niemand liever en beier dan uwe goede Moeder Maria. Hoe dikwijls is u gezegd, dat zij u meer bemint dan uwe aardsche moeder; welnu , als gij eens wist, dat uwe ziel en zaligheid in dezer handen was, zoudt gij dan niet verIrouwen, wetend , dat zij u bemint? Welnu, stel dan diezelfde ziel en zaligheid in de handen uwer hemelsche Moeder, en zij zal ze in veiligheid brengen ! Heeft zij dat niet duizend en duizendmaal getoond door zondaars van allerlei aard; roovers, moordenaars en ontuchtigen, die haar toch nog eenig bewijs van liefde gege-
Xf'______M__
EEN EN DERTIGSTE DAG. 315
ven hadden , te redden en dikwijls nog in het laatste oogenblik ?
« Maar, zegt gij , daar zijn ook zon-» daars geweest, die Maria vereerden »en toch verloren gingen !quot; Wie verzekert u , dat ze verloren gingen '1 Is het oordeel Gods niet een ondoordringbaar geheim ? Doch nemen wij eens aan, dat zij verloren gingen, waarom was het dan ? Omdat zij vermetel vertrouwden; zij meenden of maakten zich wijs, dat het genoeg was, Maria door een of andere gemakkelijke oefening te vereeren en dat zij voor het overige vrijelijk konden zondigen, zich gerustelijk in de naaste gelegenheid van zonden mochten begeven en zoo namen i zij uit Maria's goedheid zelve een aanleiding , om haar Zoon nog meer te beleedigen. Wie ziet niet, dat dezulken zich Maria's bescherming geheel en al onwaardig maakten? En wie weet, hoe Maria nog haar best gedaan heeft om menige van die zielen te redden en tot aan de poorten der hel aan den duivel zijne prooi betwist heeft? Want is zij
--J^.----
EKN EN DERTIGSTE DAG.
niet de goedertierene Maagd bij uitnemendheid? En wat is haar, na God, dierbaarder dan eene ziel'?
Maar u, die van goeden wille zijt, aan u zij vrede van Maria's wege! Zij is, zooals de H. Kerk zegt, in navolging van den H. Geest, zij is de Moeder der schoone liefde .. . en der heilige hoop. (Eccli. XXIV. 24). Zij zal die liffde Gods in uw hart voortbrengen of vermeerderen en met die liefde , de hoop op de eeuwige goederen in uw hart doen herleven. Als eene wijze moeder zal zij uwe gebreken verbeteren, in de ziekten uwer ziel u alle geneesmiddelen bezorgen , u voeden met de hemelsche spijzen aller genaden , en zoudt gij niettegenstaande zooveel zorgen nog verloren kunnen gaan? Neen, neen, verban de vrees uit uwe zielen en zeg liever met den H. Joannes Damascenus1): «o Moesder Gods, als ik geheel mijn betrou-» wen stel in u, dan zal ik zalig worden ; » indien gij mij onder uwe bescherming » neemt, dan heb ik niets te vreezen lquot;
]) S. Joes. Dam. Orat. de Nativ.
zt.__
316
-Eby.
A'lt;
317
EEN EN DERTIGSTE DAG.
Als wij eenmaal op ons sterfbed den laalsten ademtocht en, â o schrikkelijk oogenblik ! â het vreeselijk oordeel Gods verwachten, dan vooral zal de vereering van Maria een troost en eene hulp zijn; als alles ons ontzinkt hier op aarde, waarheen dan ons te wenden, tot wie ons te keeren ? Tot haar, tot wie de H. Kerk, door den H. Geest verlicht, ons dagelijks leerde bidden; bid voor ons nu en in het uur van onzen dood I En och, of zij zich dan verwaardigde zichtbaar aan onze oogen te verschijnen, om ons te troosten en de duivelen te verdrijven, neen, dan zou het sterven niet pijnlijk en de dood eene vreugde zijn! o H. Maria, wij zijn die gunst niet waardig, maar maak ons ten minste zalig, gelijk wij het altijd van uwe moederlijke goedheid gehoopt hebben en zullen blijven hopen tot onzen laatsten snik ! Vaarwel, lieve Moeder, tot in den Hemel!
quot;Voornemens.
1° Zich dagelijks aan Maria aanbevelen, dagelijks iets, al is het nog zoo weinig, te harer eere doen.
4
*
318 EEN EN DERTIGSTE DAG.
2° In het Wees gegroet met bijzondere aandacht zeggen: bid voor ons nu en in het uur van onzen dood.
VOORBEELD (1). \
Karei, de zoon der H. Brigitta , ondervond , alvorens te sterven, op bijzondere wijze die liefderijke zorg en bescherming van zijne H- Moeder Maria. Hij had haar gediend , geprezen en verheerlijkt en geen dag van zijn leven laten voor-h ij gaan zonder haar aan te roepen. Zijn sterfuur kwam. Wat deed Maria voor hem ? Hoor, wat zij zelve dienaangaande aan de H. Brigitta openbaarde , om haar over het verlies van haar zoon te vertroosten : â Ik , ik stond naast uw zoon , â toen hij op het punt was den geest te geven ; â ik zorgde er voor, dat geen liefde voor aardsche â zaken nog in zijn hart opkwam , dat hij aan â niets dacht, of over niets sprak , wat strijdig â was met Gods wil en dat hij niets naliet van â datgene , wat aan God welgevallig was. . . Op â het oogenblik dat zijne ziel van 't lichaam â scheidde , was ik daar om zijne smart te ver-â zachten , opdat de pijn hem niet zou beletten âaan God te denkeu, of op Hem te vertrouwen. â Ook zijne ziel heb ik behoed : geen duivel mocht âhem naderen, om hem te bekoren, en toen de âziel van 't lichaam gescheiden was, riep ik ze â tot mij, en de bende der duivelen nam in aller ijl â de vlucht.quot; Zoo sterven de dienaren van Maria !
1) S. Brigitta Rev. lib. VIL Caj.. XIII.
1
â________f1______________
EEN EN DERTIGSTE DAG. 319
GEBED. (*)
(11. Ildefonsus. lu fine libri de Corona Virg.)
o Moeder van God, H. Maria, altijd Maagd, wij leggen de laatste hand aan de kroon, die wij n beloofd hadden. Als wij iets goeds van u hebben kunnen zeggen , of iets passends over een zoo verheven onderwerp, dan schrijven wij het toe aan Gods genade en aan uwe machtige voorspraak. Al wat in deze hulde ontbreekt aan juistheid en voorzichtigheid , wij schrijven het toe aan onze onwetendheid en aan onze zonden, en omdat wij vreezen zulk een verheven Majesteit als de uwe niet naar waarde geprezen te hebben, vragen wij u ten slotte van harte vergeving, o Ja , vergeef ons, o zuiverste Moeder; verschoon uwe dienaren, die tot u bidden , die u niet beleedigen uit boosheid en hunne hoop stellen op uwe welwillendheid. o Koningin der barmhartigheid. Voorspreekster der zondaars, o gij, die zoo moederlijk onze fouten weet te verontschuldigen en ons als ouderlooze kinderen weet te verdedigen, een laatste
1
De godvruchtige lezer duide het den schrijver van dit werkje niet ten kwade , dat hij hem dit gebed des H. Ildefonsus voorlegt. Moge het al niet toepasselijk zijn op den lezer, och , dat hij het dan â wij vragen dit nederig , â uit den grond zijns harten bidde voor den schrijver, wiens gevoelens daarin zoo juist worden weergegeven. Eu hiermede , welwillende lezer, vaarwel!
â¢320 EEN EN DERTIGSTE DAG.
maal nog roepen wij tot u : o Maria, wees altijd geprezen; o Moeder, wees altijd verheerlijkt! Leef en heersch met uwen eenigen Zoon, Jesns Christus, in alle eeuwen der eeuwen. Amen.
{II. Anselmus. Conclusion
Gegroet, o Maria, o zeldzame Edelsteen, waarop de geheimen creschreven staan, die de eeuwige Iloogepriester op zijoe borst draagt.
Gegroet, o Maria , o zuiver goud , waarin de gezegende , onuitsprekelijke naam gegrift is 1 Gegroet, o Maagd zonder uws pelijke ; uwe hemelsche vruchtbaarheid is door de kracht Gods een schuts-mantel geworden voor 't menschelijk geslacht !
GEBEDEN ONDER DE H. MIS.
Voorbereiding.
Wanneer gij u naar de H. Mis bcseeft, vsi-beeld u , dat gij den berg van Calvarie bestijgt, om met de H. Maagd Maria, met Joannes en Magdalena onder het kruis te staan.
o Allerheiligste Drievuldigheid, geef mij de genade, dat ik het H. Misofl'er eerbiedig en aandachtig bijwone. Ik wil het in vereeniging met den Priester aan uwe goddelijke Majesteit opdragen :
1° Tot verheerlijking van uwen H.
; Naam ;
2° Tot vergiffenis mijner zonden en tot voldoening der straffen, die ik voor dezelve verdiend heb ;
3° Tot dankzegging voor alle weldaden, die ik van U ontvangen heb;
4» Tot verkrijging van meerdere genade, hulp en sterkte, om de bekoringen te
overwinnen , voornamelijk , deze.....om
de heilige deugd van zuiverheid onbevlekt
21
[J 5-.quot; »
GEBEDEN ONDER
te bewaren en in de heiligmakende genade tot mijnen dood toe te volharden.
Neem, o barmhartige God, dit offer genadig aan en verhoor mijn gebed, door Jesus Christns, nwen Zoon, die met ü leeft en heerscht in de eenheid des H. Geestes , God van eenwigheid tot eeuwigheid. Amen.
Confiteor.
{Schuldbelijdenis.)
Aan den voet van het altaar betuigt de Priester zijne onwaardigheid om het H. Offer op te dragen. Met den misdienaar doet hij daar een vurig gebed, legt eene openbare belijdenis zijner zonden af en klopt tot teeken vau berouw driemaal op zijne borst.
Het is niet noodig, o mijn God, dat ik mijne zonden voor U belijd, om ze U te doen kennen; Gij kent ze veel beter, dan ik ze ooit kennen zal; gij leest ze in mijn hart. Doch om mij zeiven te vernederen belijd ik dezelve in tegenwoordigheid van Hemel en aarde. Ik beken, dat ik ü zwaar beleedigd heb door gedachten, woorden en werken , en uwe verontwaardiging verdiend heb door mijne schuld , door mijne schuld , door mijne allergrootste schuld.
O Maria, die de toevlucht der zondaren zijt, mijn H. Engelbewaarder , mijne
222
DE II. MIS.
HH. Patronen , bidt voor mij ea verworft mij de vergeving mijcer zonden.
Introïtus.
(Ingangsyebed.)
I)e Priester beklimt het altaar, kust hetzelve tot teeken van eerbied voor Jesus Christus j die daarop weldra als Oll'er zal nederdalen, en ter eere der heilige dienaren en vrienden Gods, wier relikwieën in het altaar bewaard worden. Dan bidt hij het Ingangsgebed of Introïtus.
o God , kom mij te hulp ; Heer , haast II, om mij te lielpen. Dat zij beschaamd en bevreesd worden, die mijne ziel belagen. Dat zij terngwijken en zich schamen , die mij kwaad willen. Glorie zij den A^ader en den Zoon en den H. Geest; gelijk het was in het begin en nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Kj'rie eleieon.
Heer, ontferm U onzer, (driemaal.)
Christus, ontferm ü onzer. â
Heer, ontferm ü onzer. â
Gloria,
Het Gloria is de lofzang der Engelen, een vreugdezang. Daarom worde het achtergelaten, a!s de Priester ten teeken van rouw of boetvaardigheid een zwart of paars kasuifel draagt.
Gloria aan God in den hooge, en vrede
323
324 GEBEDEN ONDER
op aarde aan de menschen van goeden wil! Wij loven U ; wij prijzen à ; wij aanbidden U; wij verheerlijken ü; wij danken U, om uwe groote glorie , Heer God , hemelsche Koning, God, Almachtige Vader; Heer Jesus Christns, Eengeboren Zoon des Vaders. Die wegneemt de zonden der wereld, ontferm U onzer. Die wegneemt de zonden der wereld, neem onze smeeking aan. Die aan de rechterhand des Vaders gezeten zijt, ontferm U onzer. Want Gij zijt alleen de Heilige, Gij alleen de Heer , Gij alleen de Allerhoogste: Jesns Christns, met den H. Geest, in de glorie van God den Vader. Amen.
(In gezongen missen kan men van het Kyrie tot het Gloria gevoeglijk bidden :
Zondags de Litanie der H. Drievuldigheid, 's Maand. â â van den H. Geest.
Dindags â Woensd. â Donderd. â Vrijdags â Zaterdags â
van den H. Naam Jesus. van den H. Jozef.
van het H. Sacrament, v, h. H. Lijden of v. h. H. Hart. van Lorelte.)
Gelood.
Als de Priester zich tot de aanwezige geloovigen keert, zegt hij : Do minus vohiscum, (de Heer zij met u). Zij antwoorden door den misdienaar: Ttt cum spiritu luo, (en met uwen geest) amp; '\. zooals de Heer met ons moge wezen , zoo zij Hij ook met u.
-«i
DE II. MIS.
X-aat ons quot;bidden.
Geef ons , o Heer , door de voorspraak der H. Maagd en dar Heiligen, die wij eeren , al de genaden , welke uw dienaar, de Priester, U voor zich zeiven en voor ons vraaat. Mij niet hem vereenigende, doe ik hetzelfde gebed voor allen , voor wie ik verplicht ben te bidden, en ik vraag TJ voor hen en voor mij al de genademiddelen , welke gij weet, dat wij noodig hebben, om het eeuwig leven te bekomen, in den naam van Jesus Christus, onzen Heer. Amen.
Epistel.
Lees hier aandachtg de volgende zinsnede uit de brieven (ejiistels) der Apostelen; bedenk daarbij, dat de H. Geest die waarheden heeft ingegeven en dat zij geschreven zijn tot uwe onderrichting.
â Gehoorzaamt uwen oversten en weest âhun onderdanig; want zij waken, moe-â tende rekenschap geven voor uwe zielen ; â weest hun onderdanig opdat zij dit met â vreugde doen en niet al zuchtende ; want âdit is u niet voordeelig. â Weest niet â eigenwijs. â God weerstaat de hoog-â moedigen , maar den nederigen geeft Hij âgenade. â Wij bevelen u in den Naam
325
M
i
M
quot;T
GEBEUKX OSDKU
âvan O. H. Jesus Christus, dat gij u â verwijdert van iedereen , die zich onge-â regeld gedraagt. â- Weest matig en âwaakt; want tuv vijand, de dnivel, gaat â rond als een brullende leeuw , zoekende â wien hij zal kunnen verslinden. â Indien âiemand zegt: ik heb God lief, en zijn â broeder (d. i. zijnen naaste) haat, hij is â een leugenaar. â Wij hebben van God âdit gebod, dat wie God lief heeft, ook â zijnen broeder (d. i. zijnen naaste) moet â liefhebben. â Wie onzen Heer Jesus â Christus niet bemint, hij zij gevloekt!quot;â
Hoe goed zijt Gij, o God! Gij zorgt niet alleen voor ons lichaam, maar ook voor onze ziel. Gij maakt ons uwen wil bekend en toont ons den weg naar den Hemel. ]k dank U voor uwe heilzame onderwijzingen , en maak het voornemen , mijn leven zoo in te riehten , gelijk Gij verlangt. Help mij door uwe genade. Geef, dat ik alles beminne , wat Gij gebiedt , en alles hate, wat Gij verbiedt.
Evangelie.
liet Evangelie wordt staanJe aangehoord ten teekeu van eerbied voor het woord Gods, in 't Evangelie vervat. Men teekent zich met het kruis op het voorhoofd , den mond en de borst ; daardoor vragen wij aan God, dat wij zijn H.
326
DB li. 3irs,
Woord met het verstand begrijpen, met den mond belijden en met het hart beminnen mogen.
Lees en overweeg de volgende woorden uit het ! H. Evangelie.
â Als gij het leven wüt ingaan , onder-â hond de geboden. â Komt tot mij , al-j, len die vermoeid en beladen zijt, en Ik ! â zal u verkwikken. Keemt mijn juk â(d. i. mijne geboden) op u, en leert van â Mij, dat Ik zachtmoedig en nederig van âharte ben, en gij zult rust voor uwe âzielen vinden, want aaijn juk is zoet en âmijn last is lieht. â Wie één van deze âkleinen, die in Alij gelooven, ergert, het â is hem beter, dat een molensteen aan â zijn hals gebonden en hij in de diepte âder zee verdronken worde. â Wee den â mensch , door wien de ergernis komt. â âWat baat het den mensch, dat hij de â geheelo wereld wint, maar zijne ziel v. â verliest ?
â Wie zich over Mij en mijne woorden â zal geschaamd hebben, over dien zal â de Zoon des menschon zich schamen, â wanneer Hij komen zal, in zijne hecr-âlijkheid. â Vreest hen niet, die het â lichaam dooden, maar vreest veeleer âHem, die ziel en lichaam kan verderven âin de hel. â Vraagt en gij zult ver-
328
GEBEDEN ONDER
â krijgen ; zoekt en gij zult vinden , klopt âen u zal worden opengedaan. â Weest â bereid, want op een unr, dat gij niet â denkt, zal de Zoon des mensohen komen.quot;
Credo.
Dit wordt gebeden oftrezonscn op olie Zondagen, op de Veestdasen van Onzen Heer en de Allerh. Maagd, alsmede op de Feestdagen der Apostelen en der Kerkleeraars.
Ik geloof in éénen God, den al machtigen Vader, Suhepper van Hemel en aarde, van alle zichtbare en onzichtbare dingen. â En in écnen Heer Jesus Christus, Gods Eengeboren Zoon, en uit den Vader vóór alle eeuwen geboren, God van God, licht van licht , waarachtig God van waarachtigen God; voortgebracht, niet gemaakt, van ééne zelfstandigheid met den Vader, door wien alles gemaakt is. Die om ons, menschen , en om onze zaligheid is nedergedaald van den Hemel. Ea is Vleesch ffeworden door den, Tl. Geest, uit de Maagd Maria en is Mertsch geworden. Hij is ook gekruist voor ons onder Pontius 1'ilatus, Hij heeft geleden en is begraven ; en Hij is ten derde dage, volgens de Schriften , verrezen ; en Hij is opgeklommen ten Hemel: zit aan de rechterhand ----- ..........
K.
â Y'
- Jr
------
DE H. MIS. 339
des Vaders; vandaiir zal Hij wederkomen in glorie, om te oordeelen de levenden en dooden; wiens rijk geen einde zal hebben. â
Ik geloof in den H. üecst. den Hccre en levendmakende, die uit den Vader en den Zoon voortkomt ; die met den Vader en den Zoon te zamen aangebeden en mede verheerlijkt wordt; die door de j Profeten gesproken hoeft.
En ééne, Heilige, Katholieke en Apos-tolieke Kerk. Ik belijd één doopsel ter vergeving van do zonden. En ik verwacht de verrijzenis der dooden en het leven der toekomende wereld. Amen.
Offerande van Ztiroocl eii AVijn.
Hier begint het eerste van de drie voorname deelen der H. Mis.
Weldra, o Hemelsche Vader, zal het brood en de wijn , die de Priester U aan het altaar opdraagt, door de woorden der Consecratie veranderd worden in het Lichaam en Bloed van Jesna. Deze, nw welbeminde Zoon, zal zich opnieuw aan U opofferen, om ons aan de verdiensten van zijnen kruisdood deelachtig te maken, In vereeniging met Jesus draag ik U ook mij zeiven op en wijd U mijn lichaam met
ft
330
al zijne zintuigen , mijne ziel met al hare krachten. Ik neem mij voor, vandaag al mijne werken tot uwe eer te verrichten en alles uit liefde tot TJ te lijden, wat mij heden lastigs of moeilijks zal overkomen. Ik zal ook mijn best doen, om mijne ziel zuiver van zonden te bewaren, vooral van de zonde .... waarin ik reeds te dikwijls gevallen ben. Zegen dit voornemen , opdat ik daaraan getrouw blijve.
quot;Vingcrwasscliing.
Wasch mij , o God , meer en meer van mijne ongerechtigheden en reinig mij van mijne zonden ; maak mijne ziel zoo zuiver en schoon als zij onmiddellijk na haar Doopsel was.
Orate Fratres.
(Bidt, mijne Broeders.)
De Heer ontvange deze offerande uit de handen des Priesters tot lef en eere van zijnen naam , tot voordeel van ons en van zijne geheele H. Kerk.
3?refatie.
Dit is een loflied, welks naam voorrede of voorbe-reidiug beteelcent, omdat het de Consecratie voorafgaat. Aan het einde van de prefatie bidt de Priester het lollied der Engelen, dat in het Latijn begint met het woord : Sancius d. i. heilig ,
DE H. JUS.
alsmede het gezang dar scharen, die Jesus bij zijn intocht in Jeruzalem begroette : Benedictus en Hosanna.
Het gelukkig oogenblik nadert, waarop de Koning der Engelen en der menschen op het altaar gaat verschijnen. Vervul mij, o Heer, met uwen Geest, dat mijn hart, onthecht van de aarde, alleen op U zijne gedachten vestige. Welke verplichting heb ik niet, om U te allen tijde en op alle plaatsen te danken en te loven !
Kiets ia billijker, niets is voordeeliger, dan dat wij ons met Jesus Christus vereenigen, om U onoplioudelijk te aanbidden. Het is door Hem , dat alle gelukzalige Geesten uwe Majesteit loven; het is door Hem , dat alle krachten der Hemelen, bevangen door eene eerbiedige vrees, zich vereenigen , om U te verheerlijken.
Gedoog, Heer, dat wij onze zwakke lofzangen met die der hemelsche Geesten vereenigen en dat wij te zamen juichend en met verwondering uitroepen :
Heilig, heilig, heilig is de Heer. de God der Heerscharen ! Hemel en aarde zijn vol van uwe heerlijkheid. Hosanna in den hooge! Gezegend Hij , die komt in den naam des Heeren! Hosanna in den hooge.
331
2Sfi---------------
332 GEBEDEN ONDER
Csinon. (*)
Gedachtenis der Levenden.
Van nu af tot het â Pater nosterquot; doet de Priester alle pebeden in stilte. Dit stille bidden heeft iets treheimnisvols en is daarom zeer geschikt om den heiligen eerbied, waarmede de geloovigen de H. Olferande moeten bijwonen, te verhoogen.
Ik smeek U , o goedertierenste Vader, door Jcsus Christus, uwen Zoon, onzen Heer de ofl'erande gunstig aan te nemen en te zegenen , welke ik I] opdraag voor de H. Katholieke Kerk , opdat het IJ believe haar te bewaren , te beschermen en te besturen, met onzen H. Vader den Paus, onzen Bisschop en allen, die het ware geloof belijden.
Gedenk, Heer, uwe dienaars en dienaressen, bijzonder mijne ouders, bloedverwanten, vrienden, weldoeners en allen voor wien ik verplicht ben te bidden. Maak hen gelukkig op aarde en geef hun eenmaal deel aan het eeuwig gelnk des Hemels. Ik bid U ook voor den Priester , die het H. Sacrificie opdraagt, voor allen, die hier tegenwoordig zijn, alsmede voor de bekee-
(*) Dit woord beteekent: Regel. Men noemt alzoo dit gebed omdat het geregeld in elke H. Mis voorkomt.
£l' V.
â____*]£
DE H. MIS. 333
4
ring der zondaars, ketters en ongeloovigen. En opdat mijne gebeden U welgevalliger mopen zijn, vereeaig ik ze met die der Allerh. Maagd, der HH. Apostelen Petrus en Paulus en van alle Heiligen.
Consecratie.
De Consecratie is het fcewichtigsto eu heiligste deel vau de H. Slis. Verdubbel dus uwe aau- K dacht eu godsvrucht. Leg uw kerkboek neder, 'j buig met den diepsteu eerbied uw hoofd , denk , dut de Hemel opengaal en Jesus Christus in persoon op het altaar versohijut. Zeg :
Bij cle ophefFing dor ET. Hostie.
Geloofd en gedankt zij te allen tijde het allerheiligste en goddelijk Sacrament.
(100 dageu allaat ouder iedere H. ilis bij de opheffing eeus te verdienen. 7 Dec. 181U.)
Jesns, ik geloof in U , omdat Gij de
. pc
eeuwige Waarheid zijt. Jesus, ik hoop op U , omdat Gij de eeuwige Barmhartigheid zijt. Jesus, ik bemin U bovenal, omdat Gij boven alles beminnelijk zijt. o Jesus, vermeerder mijn geloof, mijne hoop en mijne liefde.
Bij de ophefFing; van den iKlellc.
Eeuwige Vader, ik ofi'er TJ het allerkostbaarst Bloed van Jesus Christus tot
^
GEBEDEN ONDER
voldoening mijner zonden en voor de noodwendigheden der H. Kerk.
(100 dagen aflaat, telkens. 22 Sept. 1817.)
!Nci de Conseci'atie.
(Gedachtenis der overledenen.)
Nu is Jesus Christus wezenlijk op het altaar en offert zich aan zijnen Hemelschen Vader op , om ons aan de verdiensten van zijn Kruisdood deelachtig te maken.
Zie, o Vader, uit den hoogcn Bemel op het altaar neder, waar Jesus, uw teerbeminde Zoon , zich aan U opdraagt voor de zonden zijner broeders â en wees mij om zijnentwil genadig. Gedenk, o goede Vader, de smarten, die uw Zoon voor mij heeft verdragen, de algeheele verlatenheid, waarin Hij aan het kruis gehangen, het Bloed, dat Hij tot den iaatsten druppel vergoten, den schandelijken dood, dien Hij voor mij onderstaan heeft. Wees mij dus genadig , vergeef mij het kwaad , dat ik tegen TJ begaan heb ; heilig mijne ziel en stort uwen overvloedigen zegen over mij uit. Door denzelfden Jesus Christus onzen Heer. Amen.
Ik bid U ook voor de geloovige zielen in het Vagevuur, vooral voor N. N. voor
33-Ji
DE H. MIS.
degenen, die in nijne gebeden zijn aanbevolen en voor wie ik het meest verplicht ben te bidden. Genadige God, heb medelijden met haar , verlos haar nit de pijnen , opdat zij in den Hemel met de Engelen en Heiligen eeuwig uwen lof zingen. Amen.
loiter noster.
Almachtige, eeuwige God! Gij hebt ons door uwen Zoon geleerd, hoe wij moeten bidden ; vol vertrouwen op zijne verdiensten durven wij zeggen; Onze Vader enz.
o Heer , verlos ona , bidden wij U , van alle kwaad, dat verleden , dat tegenwoordig , dat nog aanstaande is; en verleen ons door de voorspraak van de zalige en roemwaardige Moeder Gods Maria , altijd Maagd, van de HH. Apostelen Petrus en Paulus en Andreas en alle Heiligen genadig vrede in onze dagen , opdat wij, door den bijstand uwer barmhartigheid geholpen, te allen tijde vrij moge blijven van zonden en van alles wat onzen vrede zou storen. Door denzelfden Jesus Christus, Onzen Heer, uwen Zoon, die met U leeft en heerscht van eeuwigheid tot eeuwigheid.
335
amp;
336 GEBEDEN ONDEE
-.'Vgiius Dei.
Bij het einde van het voorgaande gebed breekt de priester de H. Hostie en laat een deeltje daarvan in den kelk vallen. Vereenig u in gebed met hem en zeg, driemaal rouwmoedig op uwe borst kloppend :
Lam Gods, dat wsgneemt de zonden der wereld , ontferm U onzer.
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld , ontferm ü onzer.
Lam Gods, dat wegneemt de zonden | der wereld , geef ons den vrede.
1
Commianio.
Daarna neemt de Priester de H. Hostie en zegt ! vol nederigheid en vertrouwen, zooals de hoofdman van het Evangelie , driemaal : Meer , ik hen niet waardig enz. Dun nuttigt hij het Liehaam des Heeren eu vervolgens ook het H. Bloed. Als ! gij niet werkelijk communiceert , zult gij op de ' volgende wijze eene geestelijke communie doen. .
Heer Jesns Christns, Zoon van den levenden God, ik durf tot de H. Tafel niet naderen, om uw H. Lichaam en dierbaar Bloed te nuttigen. Ik bid U evenwel, mij aan de uitwerkselen der H. Communie deelachtig te maken; verlos mij, door de kracht dezer hemelsche spijs, van al mijne boosheden en van alle kwaad;
-1
337 j
geef, dat ik altijd getrouw blijve aan uwe geboden , en laat niet toe, dat ik ooit van U gescheiden worde.
Lieve Jesus, hoe gaarne zou ik nu zoo zuiver van zonde zijn, dat ik U in de H. Communie mocht ontvangen, om innig met U vereenigd te worden. Mijn hart verlangt vurig naar U ; maar ik ben niet â â waardig, dat Gij onder mijn dak komt, , doch spreek sleohts één woord en mijne ziel zal gezond worden.
Heer, ik ben niet waardig enz.
Heer, ik ben niet -waardig enz.
o H. Maaltijd, in welken Christus genuttigd , de gedachtenis van zijn lijden gehouden , de ziel met genade vervuld en ons het onderpand der toekomende glorie gegeven wordt.
Ziel van Christus , heilig mij.
Lichaam van Christus , maak mij zalig.
Bloed van Christus, verzadig mij.
Water van Christus' zijde, reinig mij.
Lijden van Christus, versterk mij.
o Goede Jesus , verhoor mij.
Laat niet toe , dat ik van U gescheiden worde.
Tegen den boozen vijand verdedig mij.
In het uur van mijnen dood , roep mij.
Doe mij dan tot ü komen.
22
GEBEDEN OXDEK
Opdat ik met uwe Heiligen IJ love,
In de eeuwen der eeuwen. Amen.
(300 dagen allaat telkens. 9 Jan. 1854.)
iNa do H. Commnnic?.
O Heer Jesns Christus, Gij zijt waarlijk de goede Herder en bemint ons, uwe Buhapen, op de innigste wijze. Gij liebt uw leven voor ons gegeven en blijft voort- |gt; durend voor ons welzijn bezorgd; Gij voedt ons met uw eigen Vleesch en drenkt ons met uw eigen Bloed in de H. Communie. Wij danken II voor uwe groote liefde en smeekeu U , dat Gij ons altijd , vooral in het uur van onzen dood , tegen den helschen wolf, den duivel, willet besehermen. Sta ons bij , opdat wij U , onzen goeden Herder , als getrouwe schapen volgen op den weg der deugd , om eens tot het eeuwige leven te mogen ge-raken. Amen. 1
S^egon.
1 |
Verbeeld u, dat God u zegent door de hand i van zijnen dienaar, den Priester; kniel dan eer- [ biedit^, maak godvruchtig het tecken des H. Krnises eu zeg: Jlij zegeno de almachtige God, j de Vader , do Zoon en de H. Geest. Amen.
Ja, zegen mij, o goede God ; zegen mijn lichaam met al zijne zintuigen , mijne ziel
338
DE H. 5ITS.
_r-I
_
339
met al hare vennofreoa ; zegen vooral mijnen wil , opdat ik U bovenal beminne en nwe geboden getrouw onderhonde. Amen.
Sfc. tTans Evangelie.
In den beginne was het Woord en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn cr door gemaakt; en zonder Dat is er niets gemaakt van hetgeen er gemaakt is. Daarin was het leven , en het leven was het licht der inenschen : en het licht schijnt in de duisternissen en de duisternissen hebben het niet begrepen. Er was een menech van God gezonden, wiens naam was Joannes. Deze kwam tot getuigenis, om getuigenis van het licht te geven, opdat allen door hem gelooven zoudeu.
Hij zelf was het licht niet, maar om getuigenis van het licht te geven. Dit was het waarachtig licht, hetwelk allen mensch verlicht, die in deze wereld komt. Hij was in do wereld en de wereld is door Hem gemaakt, en de wereld heeft Hem niet gekend. Hij kwam in zijn eigendom, doch de zijnen hebben Hem niet aangenomen ; maar allen, die Hem aangenomen hebben, heeft Hij macht gegeven, om kin-
!?4
--
GEBEDEN ONDER
deren Gods te worden ; degenen, die in zijnen Naam gelooven, die niet nit den bloede, noch nit den wil des vleesches, noc-h nit den wille des mans maar uit God geboren zijn. En het Woord is vleesch geworden en Het heeft onder ons gewoond. En wij hebben zijne glorie gezien, eene glorie als des Eengeboren van den Vader, vol genade en waarheid.
OolMMlcn na de stille TT. ÃVtis, vooree-sclireven door Z. TI. !Pavis Xieo IXIII.
Driemaal het â Wees Gegroetquot; enz.
Wees gegroet, o Koningin, Moeder van barmhartigheid ; ons leven , onze zoetheid en onze hoop , wees gegroet.
Tot U roepen wij , ballingen, kinderen van Eva.
Tot ü smeeken wij , zuchtend en wee-nend in dit dal van tranen.
Daarom dan, onze Voorspreekster, sla op ons uwe zoo barmhartige oogen.
En toon ons, na deze ballingschap, Jesns, de gezegende vrucht uws lichaams.
O goedertierene, o meedoogende, o zoete Maagd , Maria.
y. Bid voor ons, H. Moeder Gods, Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
340
DE K. MIS.
LAAT ONB BIDDEN.
O God , onze toevlauht en onze kracht, zie genadig neder op het tot U roepende volk ; en door de voorspraak der glorierijke en onbevlekte Maagd en Moeder Gods Maria, van den H. Jozef, haren Bruidegom, van uwe II£1. Apostelen Petrus en Paulus en alle Heiligen, verhoor barmhartig en goedgunstig de gebeden , welke wij storten voor de bekeering der zondaren, voor de vrijheid en de verheffing onzer Moeder de H.Kerk. Door Christus, onzen Heer. Amen.
Heilige Aartsengel Michaël, verdedig ons in den strijd, wees onze bescherming tegen de boosheid en de lagen des duivels. Wij smeeken nederig, dat God hem gebiede; en gij, aanvoerder van het hetnelsche heir, drijf den Satan en de andere booze geesten, die ten verderve der zielen in de wereld rondzwerven , door de goddelijke kracht in de hel terug. Amen.
341
GEBEDEN ONDER HET LOF.
-cVlite vall Greloof en Dankzegging.
Geloofd en gedankt zij elk oogenblik het allerheiligste en allergoddelijkste Sacrament.
Heer Jcsus Christus, waarachtig God en Mensch, ik geloof, dat Gij hier onder de gedaante van brood waarlijk tegenwoordig zijt, met ziel en lichaam, en ik aanbid U nederig als mijnen Heer en mijnen God. O, mocht ik U aanschouwen, beminnen, loven en verheerlijken , gelijk zoovele duizenden Engelen ü met de grootste vreugde aanschouwen, beminnen en loven in den llemel! Hoereel toch ben ik U hiervoor verschuldigd , dat Gij ter liefde van mij uit den Hemel gedaald zijt,
dat Gij U op hot kruis voor mij hebt
-----------â......
4-.
------^---------
GEBEDEN 343
opfjeoflerd en nog voortdurend in dit H. Sacrament voor mij tegenwoordig blijft tot eeuwig aandenken uwer liefde! Wat zou ik ondankbaar en ongelukkig zijn, als ik deze liefde niet met wederliefde vergold !
Eeroboeto aan Jesus Christus in het ïl. Sacrament.
JC
O Jesus, mijn God en Zaligmaker, ik aanbid U met den diepsten eerbied , dien het geloof mij ingeeft , en ik bemin ü uit geheel mijn hart, U, die in het hoogwaardig Sacrament des Altaars verborgen zijt. Ik verlang vurig al de oneerbiedigheden, onteeringen en heiligschennissen te herstellen , waaraan ik mij ooit mocht hebben schuldig gemaakt.
Ik aanbid IT dan , mijn God , wel niet .zooals Gij het verdient en ik het doen moest, maar dan toch zooveel ik in mijne zwakheid kan. O , hoe gaarne zou ik U aanbidden met al de volmaaktheid , waartoe alle redelijke schepselen te zamen in staat zijn!
Ik heb de mcening van U nu en altijd te aanbidden , niet alleen voor die katholieken, welke U hunne aanbidding en liefde weigeren, maar ook voor al de ketters,
844
scheurmakers en ongeloovigen. Mochten zij zich toch bekeeren, mochten ook zij TJ aanbidden! Ach, ja, mijn Jesus, wees door alle menschen elk oogenblik aanbeden , bemind en bedankt in het heilig en goddelijk Sacrament des Altaars. Amen.
Geleed tot Jesus.
O Heer, zie genadig van nw heilig altaar op mij , ellendigen zondaar , neder. Mot een bedroefd hart, maar met groot vertrouwen bid ik tl , vergeef mij mijne zonden; zij zijn mij van harte leed, ik haat en verfoei ze uit liefde tot I] en wil ze nooit meer bedrijven. Maak mij, naar uw voorbeeld, zachtmoedig en ootmoedig van harte , gehoorzaam , kuisch , getrouw aan mijne plichten, geduldig in lijden en in alles onderworpen aan uwen heiligen wil. Geef mij de volharding in uwe liefde tot het einde mijns levens toe.
Betrouwende op uwe goedheid , o mijn Zaligmaker, bid ik ü ook voor allen, voor wie ik verplicht ben te bidden. Zegen onzen Heiligen Vader, den Paus, de bisschoppen en priesters; ver ?ul hen met eenen vurigen ijver voor uwe eer en voor de zaligheid der zielen. Ik bid U in het bijzonder voor mijnen zielbestuurder en.
GEBEDEN
voor hen, die mij in den godsdienst onderwijzen of onderwezen hebben. Gelief hen daarvoor te beloonea, en hunnen arbeid te zegenen , opdat zij ons en vele anderen tot de eeuwige zaligheid mogen brengen.
Ik beveel U, o Jleer! mijne ouders, aan wie ik zooveel verschuldigd ben. Geef hun al wat zij voor ziel en lichaam noodig hebben voor dit en het eeuwige leven. Dit vraag ik ü ook voor mijne broeders, zusters en andere bloedverwanten.
Ik bid U ook voor mijne vijanden , indien ik er heb; voor allen , die mij ooit beleedigd hebben , en voor hen , aan wie ik ergernis heb gegeven; ik bid U voor allen , die voor mij bidden.
Ach, Heer! mochten toch alle zondaren zich tot ü bekeereu ! Geef hun daartoe uwe genade ; ontferm U over hen.
En om niemand in mijn gebed te vergeten, beveel ik II ook alle zieken, die U in het H. Sacrament niet kunnen bezoeken. Geef hun sterkte, om hunne smarten uit liefde tot U geduldig te lijden en daardoor den Hemel te verdienen. Ik bid U voornamelijk voor hen , die in gevaar zijn van sterven. Sta hen bij in dat gewichtig oogenblik , opdat zij in uwe liefde uit deze wereld scheiden.
345
ONDKR HET LOF.
Eindelijk beveel ik IJ de zielen der overledenen, die nog in het vagevnur zijn, vooral de ziel van. . .. Vervul haar vurig verlangen van zieh met U te gaan vereenigen in den Hemel.
Al deze genaden voor mij zeiven en voor anderen hoop ik van uwe goedheid te bekomen. Amen.
'[
ANTIPHONEN DER H, MAAGD,
die gezongen worden onder het Lof.
Van Zaterdag vóór den eersten Zondag van den Advent tot Kerstmis.
_. \ 1 m rl I '.cciom ptori.s Mater.
Verheven Moeder, uit wier schoot Ona aller Zaligmaker sproot. Gij , Hemelpoort, die open staat, Gij , Zeester , die ons niet verlaat.
Breng 't vallend kroost, dat op wil staan, Breng gij het uwen bijstand aan ; Die, waar natuur verbaasd op staart, Uw heilgen Schepper hebt gebaard.
GELEDEN
Gij, Maagd, zoo vóór als na dien stond, Neem 't â Avequot; nit des Engels mond , En zie, o Moeder van den ileer. Ontfermend op ons , zondaars, neer.
v. De Engel des Heeren heeft Maria geboodschapt.
r). En zij heeft ontvangen van den H.
'1 Geest.
LAAT ONS BTDDEN.
Wij bidden U, Heer, stort uwe genade in onze harten, opdat wij , die door de boodschap des Engels de Menschwording van Christus, uwen Zoon, gekend hebben, door zijn lijden en kruis tot de heerlij kheid der verrijzenis gebracht worden. Door denzelfden Christus, onzen Heer. Amen.
Van Eerslacond tot O. L. V. Lichtmis, dezelfde Antiphoon, maar Vers en Gebed als volgt:
y. Ka het baren zijt Gij onbevlekte Maagd gebleven,
347
iy. Moeder Gods, bid voor ons.
LAAT ONS BIDDEN.
o God, die door de vruchtbare maagdelijkheid der H. Maria de gaven der eeuwige zaligheid aan het menschehjk ge-
w
ONDEK HET I.OF.
slacht verleend hebt, Iaat ons, bidden wij U, de Toorepraak van haar gevoelen , door wie wij verdiend hebben , de bron des levens, Onzen Heer Jesas Christus, nwen Zoon, te ontvangen. Amen.
Van 0. L. V. Lichtnm tot Woensdag in de Goede Week.
A.vo Eegina Coelorvim.
Gegroet, o Hemelkoningin ,
Gegroet, der Engelen Vorstin;
Heil U , o Spruit, o Zaalge Schoot,
Waaruit der wereld 't Licht ontsproot.
Wees, glorierijke Maagd, verblijd.
Die onder alle 't schoonste zijt;
Gegroet, o Gij , zoo vol van eer,
En bid voor ons bij God den Heer.
y. Gedoog , dat ik U love, H. Maagd.
Iv. Geef mij sterkte tegen uwe vijanden.
LAAT OKS BIDDEN.
Barmhartige God, wil onzo zwakheid ondersteunen , opdat wij , die de gedachtenis der H. Moeder Gods viaren , door den bijstand van hare voorspraak uit onze zonden mogen opstaan. Door denzelfden Christus, onzen Heer. Amen.
348
GEBEDEN
Van Paasch-Zaterdag tct Zaterdag na Pinksteren.
IReginti Caeli.
Verblijd U, 's Hemeln Koningin! Alleluja. Want dien gij droegt vol moedermin, Allelnja.
Stond, naar zijn woord, weer op uit't graf! Allelnja.
Bid God genade voor ons af. Alleluja. quot;f. De Heer verrees : o wees verblijd , Alleluja.
Maria, die zijn Moeder zijt! Allel.
LAAT ONS BIDFIEN.
o God , die U gewaardigd hebt, door de verrijzenis van uwen Zoon, onzen Heer Jesus Christus, de wereld te verblijden, verleen, smeeken wij ü, dat wij door zijne Moeder, de Maagd Maria , de vreugden van het eeuwige leven mogen verkrijgen. Door denzelfden Christna, onzen Heer. Amen.
Van Zaterdag vóór H. Drievuldigheids-Zondag tot Zaterdag vóór den Advent.
Salve Eegina.
Wees gegroet, o Koninginne,
Moeder van Barmhartigheid ,
Wees gegroet, gij , die ons leven , Zoetigheid en hope zijt.
349
yr.___^
\ 350 ONDER HET LOF.
I___
Tot U roepen wij al klagend; -â Wij, 't verbannen Evakroost, Smeeken, nit dit dal van tranen, Znchtcnd , weenend , U om troost.
O welaan dan , Midd'laresse ,
Sla uw oog op onzen nood;
En toon ons na 't ballingsleven Jesus, vrucht van uwen schoot.
Moeder , zoo vol mededoogen , Wie men nooit vergeefs iets vraagt. Moeder , schat van heilgenaden , o Maria , zoete Maagd !
i-'. Bid voor ons , H. Moeder Gods.
U. Opdat wij waardig worden der beloften van Christus.
LAAT ONS BIDDEN.
Almachtige, eeuwige God, die door de medewerking van den H. Geest, het lichaam en de ziel der roemwaardige Maagd en Moeder Gods Maria, tot eene waardige woonplaats van uwen Zoon bereid hebt, geef, dat wij, die ons in hare gedachtenis verblijden, door hare genadige voorspraak van alle aanstaande kwaad en van den eeuwigen dood bevrijd worden. Door denzelfden Christus , onzen Heer. Amen.
i
^ __ ^--------------
GEBEDEN
nVEagnificat.
Mijno ziel verheft den Heer:
En mijn geest jnieht in God, mijn Zaligmaker!
Omdat Ilij nederzag op de geringheid van zijne dienstmaagd; want, zie, van nn af znllen alle geslachten mij zalig noemen.
Dewijl Hij groote dingen aan mij gedaan heeft, de Machtige, en Heilig is zijn naam;
En zijne barmhartigheid is van geslachte tot geslachte voor degenen, die Hem vreezen.
Kracht heeft Hij geoefend door zijn arm : hoogmoedigen in de gedachten huns harten heeft Hij verstrooid ;
Machtigen heeft Hij afgezet van den troon, en geringon heeft Hij verheven ;
Kooddrnftigen heeft Hij met goederen overladen , en rijken heeft Hij ledig weggezonden !
Hij is Israël, zijnen dienstknecht, te hulp gekomen, en Hij is indachtig geweest zijner barmhartigheid ,
Gelijk Hij gesproken had tot onze vaderen , met Abraham en zijn zaad in eeuwigheid.
351
ONDEE HET I.OF.
Glorie zij den Vader, den Zoon, en den H. Geest.
Gelijk het was in het begin, en nn, en altijd, en in de eenwen der eeuwen. Amen.
Tantvim Ergo.
Knielen wij voor 't glorierijke Sacrament vol eerbied neer.
De onde Godsvereering wijke
Voor den dienst der nienwe Leer.
En hoe 't zintuig ook bezwijke, Ons geloof groei' meer en meer.
Aan den Vader, hooggeprezen. Aan zijn Eengeboren Zoon
Macht en zeegning uitgelezen,
Glorie , heil en eerbetoon !
Voor den Geest, van 'tzelfde Wezen, Eijze een loflied even schoon ! Amen.
VERSCHILLENDE GEBEDEN
TOT DE
ALLERHEILIGSTE MAAGD MARIA.
Litanie van Lorei te.
Heer , ontferm U onzer.
Cliristns, ontferm U onzer.
Heer , ontferm U onzer.
Christus , hoor ons.
Christus , verhoor ons.
God hemelsche Vader , ontferm U onzer. God Zoon, Verlosser der wereld, ontferm
U onzer.
God H. Geest, ontferm U onzer. H. Drievuldigheid , één God , ontferm U onzer.
H. Maria, bid voor ons.
H. Moeder Gods , bid voor ons.
H. Maagd der maagden, bid voor ons. Moeder van Christus , bid voor ons.
23
.n
X
___^____
354 VERSCHILLENDE GEBEDEN.
Moeder der goddelijke gratie, bid voor ons. Allerreinste Moeder ,
Allerzuiverste Moeder,
Ongeschonden Moeder ,
Onbevlekte Moeder,
Beminnelijke Moeder ,
Wonderbare Moeder,
Moeder des Scheppers ,
Moeder des Zaligmakers,
Allervoorzichtigste Maagd,
Eerwaardige Maagd ,
Lofwaardige Maagd , S!
Machtige Maagd , ^
Goedertieren Maagd , g
Getrouwe Maagd , ^
Spiegel der rechtvaardigheid , o
Stoel der wijsheid ,
Oorzaak onzer blijdschap,
Geestelijk vat,
Eerwaardig vat, jg
Uitmuntend vat van devotie,
Geestelijke roos,
Toren van David ,
Ivoren toren ,
Gulden huis ,
Arke des verbonds,
Deur des Hemels ,
Morgenster ,
Behoudenis der kranken,
samp; ............ quot;quot; VÃ
-M
y.i'
VERSCHILLENUE GEBEDEN.
Toevlucht der zondaren , bid voor ons. Troosteres der bedrukten ,
Hulp der Christenen,
Xoningin der Engelen ,
Koningin der Patriarchen , ^
Koningin der Profeten , SI
Koningin der Apostelen , lt;
Koningin der Martelaren , S
Koningin der Belijders , o
Koningin der Maagden, v
Koningin van alle Heiligen ,
Koningin, zonder erfsmet ontvangen , Koningin van den allevheiligsten rozenkrans ,
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der
wereld , spaar ons , Heer.
Lam Gods , dat wegneemt de zonden der
wereld , verhoor ons , Heer.
Lam Gods , dat wegneemt de zonden der
wereld , ontferm L1 onzer.
Christus , hoor ons.
Christus, verhoor ons.
Heer, ontferm U onzer.
Christus, ontferm U onzer.
Heer, ontferm U onzer.
355
pi
M
Onze Vader. Wees gegroet.
v» x3
Onder uwe bescherming nemen wij onze toevlucht, o H. Moeder Gods, verstoot
___^________
354 VERSCHILLENDE GEBEDEN.
Moeder der goddelijke gratie, bid voor ons. Allerreinste Moeder ,
Allerzuiverste Moeder,
Ongeschonden Moeder ,
Onbevlekte Moeder,
Beminnelijke Moeder ,
Wonderbare Moeder,
Moeder des Scheppers ,
^- Moeder des Zaligmakers,
Allervoorzichtigste Maagd,
Eerwaardige Maagd ,
Lofwaardige Maagd , Si
Machtige Maagd , ^
Goedertieren Maagd , g
Getrouwe Maagd , ^
Spiegel der rechtvaardigheid , a
Stool der wijsheid ,
Oorzaak onzer blijdschap,
Geestelijk vat.
Eerwaardig vat,
Uitmuntend vat van devotie,
Geestelijke roos ,
Toren van David ,
Ivoren toren ,
Gulden huis,
Arke des verbonds.
Deur des Hemels,
Morgenster ,
Behoudenis der kranken,
^ %---- ^
__________________
verschillende gebeden. 355
Toevlucht der zondaren , bid voor oes. Troosteres der bedrnkten ,
Hulp der Christenen,
Xoningin der Engelen,
Koningin der Patriarchen , ^
Koningin der Profeten , eL'
Koningin der Apostelen , g
Koningin der Martelaren , 3
â Koningin der Belijders , o
Koningin der Maagden , F
Koningin van alle Heiligen,
Koningin, zonder erfsmet ontvangen , Koningin van den allerheiligsten rozenkrans ,
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der
wereld , spaar ons , Heer.
Lam Gods , dat wegneemt de zonden der
wereld , verhoor ons , Heer.
Lam Gods , dat wegneemt de zonden der
wereld , ontferm U onzer.
Christus , hoor ons.
Christus, verhoor ons.
Heer, ontferm U onzer.
Christus, ontferm U onzer.
Heer, ontferm U onzer.
Onze Vader. Wees gegroet.
Onder uwe bescherming nemen wij onze toevlucht, o H. Moeder Gods, verstoot
350 VERSCHILLENDE GEBEDEN.
onze geboden niet in onzen nood, maar verlos ons altijd van alle gevaren; o roemwaardige cn gezegende Maagd ! onze Meesteres, onze Middelares, onze Voorspreekster, verzoen ons met uwen Zoon, beveel ons aan uwen Zoon , vertoon ons aan uwen Zoon. y. Bid voor ons, H. Moeder Gods, Rr. Opdat wij waardig worden de beloften van Christus.
LAAT ONS BIDDEN.
quot;Wij bidden U, Heer, stort uwe genade in onze harten, opdat wij , die door de boodschap des Engels de mensohwording van Christus, uwen Zoon, gekend hebben, door zijn lijdon en kruis tot de heerlijkheid der verrijzenis gebracht worden. Door den-zelfden Christus, onzen Heer. Amen.
Gcbeimeix te overwegen onder liet bidden van den Eozenltrans.
De blijde Geheimen.
Bij het eerste blijde Geheim overweegt men, hoe de Aartsengel Gabriël aan de allerh. Maagd aankondigde, dat zij onzen Heer Jesus Christus zou ontvangen en baren.
Ãén Onze Vader, 10 Wees gegroet en één
VER SC HILT. EX HE GEBEPEN.
Glorie zij den Vader, (hetzelfde voor alle andere Geheimen.)
Bij het tweede blijde Geheim overvreegt men, hoe de allerh.. Maagd, toen zij had vernomen, dat de H. Elisabeth moeder zonde worden , sposdig op weg ging , om ze in haar hnis te bezoeken , en daar 3 maanden bij haar bleef.
Bij het derde blijde Geheim overweegt men , hoe de allerh. Maagd Maria , toen de tijd was gekomen, onzen Verlosser Jesns Christus te middernacht, in denstal van Bethlehem baarde. en tusschen twee redelooze dieren in de kribbe nederlegde.
Bij het vierde blijde Geheim overweegt men, hoe de allerh. Maagd Maria, op den dag barer Zuivering, Christus onzen Heer in den tempel opdroeg en Hem in de armen legde van den H. Grijsaard Simeon.
Bij het vijfde blijde Geheim overweegt men , hoe de allerh. Maagd Maria, na haren Zoon verloren en gedurende 3 dagen te hebben gezocht, Hem aan het einde van den derden dag in den tempel terugvond in het midden der Leeraars, aan wie Hij , 13 jaren oud, vragen voorstelde.
Droevige Geheimen.
Bij het eerste droevige Geheim over-
357
_
VEKSCHILLlsNDE GEBEDEN.
weegt men , hoe onze Heer Jeaus Christus, toen Hij bad in den Hof van Olijven, bloed zweette.
Bij het tweede droevige Geheim overweegt men , hoe onze Heer Jesns Christus in het huis van Pilatus wreed gegeeseld werd en tallooze slagen ontving.
Bij het derde droevige Geheim overweegt men, hoe onze Heer Jesus Christus met allerpuntigste doornen werd gekroond.
Bij het vierde droevige Geheim overweegt men, hoe aan Jesus Christus , toen Hij ter dood was veroordeeld, tot zijne grootere beschaming en smart, het zware krnishont op de schouders werd gelegd.
Bij het vijfde droevige Geheim overweegt men, hoe Jesus Christus, op den Calvarieberg gekomen, van zijne kleederen beroofd en met uiterst scherpe nagels aan het Kruis werd gehecht, waarop Hij stierf in tegenwoordigheid zijner diepbedroefde Moeder.
Glorierijke Geheimen.
358
Bij het eerste glorierijke Geheim overweegt men, hoe onze Heer Jesus Christus den derden dag na zijn Lijden en Dood , glorierijk en zegevierend verrees, om nooit meer te sterven.
.............^--1 B
---------
VERSCHILLENDE GEBEDEN. 359
Bij het tweede glorierijke Geheim overweegt men , hoe J. C., veertig dagen na zijne Verrijzenis, met grooten luister in zegepraal ten Hemel opklom, onder de oogen van zijne allerh. Moeder en van alle zijne leerlingen.
Bij het derde glorierijke Geheim overweegt men , hoe Jesna Christus , zittende aan de rechterhand zijns Vaders, den H. Geest afzond in de zaal van het laatste Avondmaal, waar de Apostelen met de allerh. Maagd vergaderd waren.
Bij het vierde glorierijke Geheim overweegt men , hoe de allerh. Maagd Maria , twaalf jaar na de Verrijzenis van O. H. J. C., nit dit leven scheidde en door de Engelen ten Hemel werd opgevoerd.
Bij het vijfde glorierijke Geheim overweegt men, hoe dei allerh. Maagd Maria in den Hemel werd gekroond door haren goddelijken Zoon, en overweegt men ook nog de glorie van allo Heiligen.
Men kan den Rozenkrans besluiten met het bidden der Litanie van Lorette.
VERSCHILLENDE GEBEDEN.
-A-kte van Eerbied
I. Ik vereer u uit geheel mijn hart, o allerheiligste Maagd , boven alle Engelen en alle Heiligen des Hemels, als de Dochter van den eeuwigen Vader; verder wijd ik u mijne ziel toe met al hare vermogens.
IFees gegroet, enz.
II. Ik vereer u uit geheel mijn hart,
boven alle Engelen en alle Heiligen des Hemels, o allerheiligste Maagd Maria , als de Moeder van den Eenigen Zoon Gods; ook wijd ik n toe mijn lichaam met al zijne zinnen.
Wees gegroet, enz.
III. Ik vereer u uit geheel mijn hart, en boven alle Engelen en alle Heiligen des Hemels, o allerheiligste Maagd Maria, als de geliefde Ilruid des H. Geestes; ook wijd ik u mijn hart met al zijne genegenheden , en ik bid n, voor mij van de allerheiligste Drievuldigheid alle genaden te verkrijgen, die voor mijne zaligheid noodzakelijk zijn.
Wees gegroet, enz.
Paus Leo XIT , door een Eescript van 21 October 1823, vergnnde aan alle geloovigen, telkens als zij , godvruchtig en met rouwmoedig hart, deze gebeden bidden met drie Weesgegroetjes, ter
361
-----------
VKKSÃHlLLKNDE GEBEDEN.
eere der 11. Maasrd , om hare bescherming te vragen in de beoefening der heilige deugden, en iu hel bijzonder van de zuiverheid :
Ei'n ajlaat van ] (JO day en.
Een vollen Ajlaat hen , die ze , op boven vermelde wijze, gedurende eene geheele maand hebben gebeden, aan het einde dier maand, op een dag volgens hunne keuze , mits zij waarlijk rouwmoedig biechten, communiceeren en bidden volgens de intentie van Z. H.
Deze Aflaten, de volle en de gedeeltelijke, werden voor altijd bevestigd door Z. H. Pans Pius IX, door een Rescript van den 28 Juui 1876.
GEBED.
O allerheiligste Maagd Maria I Moeder van het vleeschgevrorden Woord , Schat-bewaarster der genaden en toevlucht der arme zondaars, met een levendig geloof nemen wij onze toevlucht tot uwe moederlijke liefde, en wij vragen u de genade van altijd den wil van God en van n te volbrengen. Wij leggen ons hart in uwe handen ; wij vragen u het leven der ziel en de gezondheid des lichaams, en niet twijfelend door u verhoord te worden, allerbeminnelijkste Moeder, zeggen wij met een levendig geloof:
Wees gegroet, Maria enz. (driemaal.)
............. .....w..........
---------------â----â
362 VERSCHILLENDE GEBEDEN.
LAAT ONS BIDDEN.
Wij bidden U, Heer, door de tnsachen-komst der zalige Maria altijd Maagd, bewaar uwe dienaren tegen alle ziekten , en, terwijl wij uit geheel ons hart ons aan uwe voeten nederwerpen, bescherm ons goedgunstig tegen alle vijandelijke listen. Door Christus onzen Heer.
Amen.
Paus Leo XII, door een Decreet van de H. Congregatie der Aflaten, 11 Augustus 1824, verleende:
Een aflaat van 100 dagen , eens per dag, aan allen , die godvruchtig en niet een rouwmoedig liart bovenstaande gebedeu zullen verrichten.
GEBED.
Gedenk , o allergoedertierenste Maagd Maria, dat het nooit gehoord is, dat iemand, die tot u zijne toevlucht nam, nwen bijstand verzocht, of uwe voorspraak inriep, is verlaten geworden. Aangemoedigd door zulk vertrouwen , snel ik tot ü, o Maagd der maagden, mijne Moeder, en zuchtende onder het gewicht mijner zonden, werp ik mij voor uwe voeten neder; o Moeder
2amp;__.
⢠-f-
VERSCHILLENDE GEBEDEN.
des eeuwigen Woords, versmaad mijne beden niet, maar aanhoor ze goedgunstig en verhoor ze. Amen.
Z. H. Paus Pius IX , bij Rescript van de H. Congregatie der Allaten , 25 Juli 1846 , verdunde aan alle geloovigen, telkens als zij, ten minste met een rouwmoedig hart en godvruchtig, genoemd gebed bidden :
Een Ajlaat van 300 dagen.
Een vollen Ajlaat eens in de maand, aan allen, die bet , eene maand lang, ten minste eens per dag hebben gebeden, op een dag naar verkiezing, waarop zij , na waarlijk rouwmoedig te hebben gebiecht en gecommuniceerd, eene kerk ot' openbare bedeplaats bezoeken en daar eeuigen tijd bidden volgens de meening van Z. H.
Schietgebed,
In uwe Ontvangenis, o Maagd Maria, zijt gij onbevlekt geweest; bid voor ons den rx| Vader, wiens Zoon Jesus gij van den H. Geest ontvangen en gebaard hebt.
of wel
Gezegend zij de Heilige en Onbevlekte Ontvangenis van de allerheiligste Maagd Maria.
Paus Pius VI, bij Rescript van de H. Congregatie der Aflaten, 21 November 1793, verleende aan alle geloovigen, telkens als zij godvruchtig
363
364i VERSCrULLENDE GEBEDEN.
en met een rouwmoedig hart het een of het andere der genoemde sehietgebeden zullen bidden :
Efjn Aflaat van 100 dagen.
Schietgebed.
O Maria, die zonder smet de wereld zijt ingetreden , ach ! verkrijg mij van God , dat ik ze zonder zonden moge verlaten.
Z. H. Pius TX , bij Rescript van de Secretarie der Breven , 27 Maart 1863 , verleende aan alle geloovitren, die godvruchtig en met een rouwmoedig hart dit schietgebed zullen bidden:
Ben Aflaat van 100 dagen , eens per dag.
GEBED.
O Hart van Maria, Moeder van God en ook onze Moeder, allerbeminnelijkst Hart, voorwerp van het welbehagen der aanbiddelijke Drievuldigheid, Hart, alle vereering en liefde der Engelen en men-schen waardig; Hart, het meest gelijkvormig aan dat van Jesus , waar van gij het volmaaktste afbeeldsel zijt. Hart vol goedheid en medelijden jegens onze ellenden , gewaardig U het ijs onzer harten te ontdooien , en maak , dat zij zich geheel en al vasthechten aan dat van onzen God-
I
-----------±-----------j
VEKSCHILLENÃE GEBEDEN.
305
K'
delijken Verlosser. Stort in hen da liefde tot uwe dengden, en ontvlam ze door het heilig vuur, waarvan pij zonder ophouden brandt. Eeseherm de H. Kerk, bewaar haar, wees altijd hare toevlucht en hare roemrijke verdediging tegen alle aanvallen harer vijanden. Wees onze weg om tot Jesus te gaan, en het kanaal, waardoor wij alle genaden ontvangen, die ons ter zaligheid noodzakelijk zijn. Wees onze bijstand in onze noodwendigheden, onze verkwikking in onze droefheden, onze kracht in de bekoringen, onze toevlucht in de vervolgingen , onze hulp in alle gevaren, maar bijzonder in den laatsten strijd onzes lerens , in het uur van onzen dood, wanneer de geheele hel zich tegen ons zal ontketenen, om onze zielen te rooven. Ach ! laat ons dan , o allerzoetste Maagd , de teederheid van uw moederlijk Hart ge- ^ voelen, en de kracht van nw vermogen op het Goddelijk Hart van Jesus, door ons in de Bron zelve der barmhartigheid eene veilige schuilplaats te openen, vanuit welke wij met u dat Hart in den Hemel mogen gaan zegenen in alle eeuwen der eeuwen. Amen.
v
GETIJDEN
VAN DE
ONBEVLEKTE ONTVANGENIS
DEE
ALLERHEILIGSTE MAAGD.
DE METTEN.
y. Opent n, mijne lippen, verkondigt thans
R-. Den lof en de grootheden der allerheiligste Maagd.
il. o Mijne Meesteres, kom mij te hulp; R-. Verdedig mij krachtig tegen het geweld
mijner vijanden.
y. Glorie zij den Vader, en den Zoon en
den H. Geest,
R-. Gelijk het was in het begin, nu en altijd, en in de eeuwen der eeuwen. Amen. Alleluja.
'Sr* '
â----------------
GETIJDEN VAN DE ONBEVL. ONTV. 367
N. B. Van Septuagesima tot Paschen, zegt men in plaats van Alleluja : Lof zij ü , Heer, Koning der eenwige glorie.
Lofzatig.
Ik groet U, Meesteres dor wereld,
En 's Hemels Koningin ,
U , Maagd der maagden , 's ochtends
Een Ster aan 's hemels tin.
Gegroet, Gij vol genade ,
Doorstraald van godd'lijk licht; Breng hulp , o Meesteresse ,
Want zie , de wereld zwicht!
Vóór de eeuwen heeft de Schepper
ü voorbeschikt, en riep U Moeder nit zijns Een'geu ,
Des Woords, waardoor Hij schiep: En aard en lucht en zeeën.
Hij zelf heeft ü getooid Als zijne Bruid. Gij , schoone,
Droegt Adams zonde nooit. Amen.
if. God heeft Haar uitverkoren boven allen;
IJc. Hij heeft hare woning in zijn heiligdom gevestigd.
if. o Mijne Meesteres, neem mijn gebed onder uwe bescherming;
En mijn geroep kome tot U.
J?F ' quot;£4
;!
368 GETIJDEN VAN DE
LAAT ONS BIDHEN.
Heilige Maria, Koningin der Hemelen , Moeder van onzen Heer Jesus Christus, en machtige Vrouw der wereld, die niemand verlaat, noch verstoot, aanzie mij gunstig, o mijne Meesteres, met de oogen uwer barmhartigheid, en verwerf mij van uwen welbeminden Zoon vergiflenis mijner zonden, op- V dat ik, die nu met godvruchtige liefde uwe Heilige en Onbevlekte Ontvangenis herdenk, hierna de eeuwige vergelding ontvan-ge uit de handen van onzen Heer Jesus Christus, dien gij als maagd gebaard hebt, en die leeft en heerscht met den Vader en den H. Geest, in volmaakte eenheid. God in de eeuwen der eeuwen. ]*:. Amen. y. o Mijne Meesteres, neem mijn gebed
onder uwe bescherming;
R;. En mijn geroep kome tot ü.
y. Laat ons den Heer loven.
It. Gode zij dank.
y. Dat de geloovige zielen door Gods
barmhartigheid in vredo rusten. 1^:. Amen.
DE PRDIEN.
quot;y. o Mijne Meesteres, kom mij te hulp;
4
ONBEVLEKTE ONTVANGENIS.
Verdedig mij krachtig tegen het geweld mijner vijanden.
Glorie zij den Vader, enz.
Lofzang.
Ik groet ü, v/ijze Maged ,
U, hnis aan God gewijd, Die zevenarmig kandlaar En toonbroodtafel zijt.
Gij bleeft voor ieder smetje Der wereld rein bewaard,
Daar Ge in den schoot der moeder
Steeds vlekloos heilig waart, o Moeder aller menschen ,
o Aller Heil'gen poort,
o Nieuwe Ster van Jacob ,
Die boven do Englen gloort. Den satan zijt Gij vreeslijk ,
Een heir , geschaard ten strijd; Wees ook der Christnen vrijstad, Een have , kalm en wijd. Amen.
y. Hij heeft Haar geschapen in den H. Geest;
En Haar verheven boven al zijne werken.
y. o Mijne Meesteres , neem mijn gebed onder uwe bescherming ;
!£:. En mijn geroep kome tot U.
24
369
3^.
w
15
â¢3*
370 GETIJDEN VAN DE
LAAT ONS BIDDEN.
Heilige Maria , Koningin der Hemelen , Moeder van onzen Heer Jesas Christus, enz. (zie bladz. 368.)
DE TERTIÃN.
y. o Mijne Meesteres, kom mij te hnlp; It. Verdedig mij krachtig tegen het geweld mijner vijanden.
Glorie zij den Vader, enz.
Lofzang.
o Bondsark , â Koningszetel
Des wijzen Salomon;
o Kegenboog , o Braamstruik,
Dien 't vuur niet deren kon. o Groene Staf, o Scliaapsvel,
Dat Gedeon eens vond;
Gesloten Poort der Godheid ,
o Haat uit 's leeuwen mond. 't Betaamde , dat zoo edel
Een Dochter werd bewaard Voor 't kwaad , waarmede eens Eva
Ons erflijk heeft bezwaard;
God wil niet, dat de lieine,
371
ONBEVLEKTE ONTVANGENTU.
Die Hij zich uitverkoor Tot zijne Moeder, immer
Door zonde aan satan hoor'. Amen.
y. Ik woon in het hoogste der hemelen, En mijn troon rast op eene wolkkolom, y. o Mijne Meesteres, neem mijn gebed
onder uwe bescherming; R-. En mijn geroep kome tot U.
LAAT ONS BIDDEN.
Heilige Maria, Koningin der Hemelen, Moeder van onzen Heer Jesus Christus, enz. (Zie bladz. 368.)
li
DE SEXTEN.
y. o Mijne Meesteres, kom mij te hulp;
1^-. Verdedig mij krachtig tegen het geweld mijner vijanden.
Glorie zij den Vader, enz.
Lofzang.
Ik groet U , Maagd en Moeder ,
Woon der Drievuldigheid, o Vreugd der Engelen ; â Tempel
Der kuischheid toebereid.
o Troost van wie bedrukt is, o Lusthof vol geneugt,
372 GETIJDEN VAN DE
Palm van geduld, â en ceder
Door uwe reine deugd.
Gij zijt vol zegeningen ,
Een priesterlijke grond ,
Hoogheilig en gansch zuiver
Van erfelijke zond'.
o Stad des Allerhoogsten ,
Poort, waar 't in 't oosten daagt, In U is 't al genade,
o Wonderbare Maagd. Amen. y. Gelijk eene lelie tussuhen de doornen, 1^. Zoo is mijne Vriendin onder de dochters van Adam.
y. o Mijne Meesteres , neem mijn gebed
onder uwe bescherming ;
IJ:. En mijn geroep kome tot U.
LAAT ONS BIDDEN.
Heilige Maria, Koningin der Hemelen, Moeder van onzen Heer Jesus Christus, y enz. (zie bladz. 368.)
DE NONEN.
o Mijne Meesteres , kom mij te hulp; Verdedig mij krachtig tegen het geweld mijner vijanden.
Glorie zij den Vader, enz.
________________
ONBEVLEKTE ONTVANGENIS. 373
Lofzang.
Ik groet U, hechte Vrijstad,
o Davids Toren , sterk Door bolwerk , muur en wapens ,
Die 's vijands macht beperk'!
Eeeds bij uw eersle Ontvangnis, In liefdejiloed ontbrand ,
5? Maakt Gij de macht des duivels , v
Des helschen draaks te schand.
o Sterke Vrouw, o Judith,
Die zege op zege vocht,
o Schoone Maagd Abisag ,
Die Christus toestren mocht. Zie, Eachel droeg den redder
Slechts van 't Egyptisch land : Gij, Moeder, leidt den Beiland Der wereld aan uw hand. Amen.
y. Geheel schoon zijt Gij, mijne Vriendin! R-. En nooit is de vlek der erfzonde in à geweest.
y. o Mijne Meesteres , neem mijn gebed
onder uwe bescherming;
R;. En mijn geroep kome tot U.
LAAT ONS BIDDEN,
Heilige Maria , Koningin der Hemelen , Moeder van onzen Heer Jesus Christus, enz. (zie bladz. 368.)
quot;STquot;
________
374 GETIJDEN VAN DE
DE VESPERS.
y. O Mijne Meesteres, kom mij te hulp;
IJ:. Verdedig mij krachtig tegen het geweld mijner vijanden.
Glorie zij den Vader, enz.
Lofzang.
Ik groet IJ, Wonderwijzer,
Waarop de zonne wees,
Tien graden wederkeerend ;
Want 't Woord van God werd vleesch. Om U , o menseh , te brengen
Uit 't slijk op quot;s Hemels troon.
Stelt zich beneden de Englen , lgt;e Oneindige: Gods Zoon! De klaarheid van die Zonne
Straalt op Maria neer ,
Bij haar Ontvangnis schittren
Des daag'raads glansen weer. Een lelie onder doornen ,
Verplet zij satans kop;
Als 't liefelijke maanlicht
Benrt zij den dolende op. Amen.
y. Ik heb in den hemel een licht doen schitteren , dat niet zal uitdooven ,
IJL-. En als een nevel heb ik het gansche aardrijk overdekt.
---------------
ONBEVLÃKTE ONTVANGENIS. 375
y. o Mijne Meesteres, neem mijn gebed
onder nwe bescherming ;
R.-. En mijn geroep kome tot CT.
LAAT ONS BIDDEN.
Heilige Maria , Koningin der Hemelen , Moeder van onzen Heer Jesns Christus, enz. (Zie bladz. 368.)
DE COMPLETEN.
. Moge uw Zoon Jesus Christus, o onze Meesteres, door uwe gebeden verzoend , ons bekeeren ;
R:. En zijne gramschap van ons afwenden, y. o Mijne Meesteres, kom mij te hulp; R:. Verdedig mij krachtig tegen het geweld mijner vijanden.
Glorie zij den Vader, enz.
Lofzang.
Ik groet U, Maagd vol bloesem,
o Moeder onbesmet,
Vorstinne zacht, wier slapen
Een sterrenkrans omzet.
Verheven boven de Englen,
Gansch maagd lij k , zonder leed. Staat Ge aan des Konings rechter
--as,--
GETIJDEN VAN DE
In 't gouden stralenkleed.
Verkrijg ons , lieve Moeder ,
Des zondaars hope zoet,
Gij , blijde Ster der zeeën.
Gij , Reede , als 't noodweer woedt, Gij , open Deur des Hemels ,
Der kranten zoet behoud , â Dat eens ons oog den Eoning ^ - In Sions hof aanschouwt! Amen.
y. Maria, uw naam is eene uitgestorte olie;
R-. Uwe dienaren hebben U bovenmate bemind.
y. o Mijne Meesteres, neem mijn gebed
onder uwe bescherming; R:. En mijn geroep kome tot ü.
LAAT ONS BIDDEN.
Heilige Maria , Koningin der Hemelen , Moeder van onzen Heer Jesus Christus, enz. (Zie bladz. 368.)
OPDRACHT.
Wij off'ren U al smeekend,
o Goedertieren Vrouw,
Deez' lofgezang. O , geef toch, Dat Ge ons langs 't pad zoo nauw
yp_
376
----^----
ONBEVLEKTE ONTVANGENIS. 377
Moogt leiden naar den Hemel;
En Ge in den laatsten strijd , O Zoete Maagd Maria ,
Ons een befchermster zijt. Amen. R:. Gode zij dank.
Gebeden, waarmede men naar verkiezinsc de Getijden der Onbevlekte Ontvangenis kan sluiten.
Antiphoon. Deze is de Eoede, waarin geen noest van erfzonde , noch schors van dadelijke zonde is geweest.
y. In nwe Ontvangenis zijt Gij ongeschonden Maagd gebleven ;
R-. Bid voor ons God den Vader, wiens Zoon Gij gebaard hebt.
LAAT ONS BIDDEN.
o God, die door de Onbevlekte Ontvangenis der Allerh. Maagd eene waardige woonplaats voor uwen Zoon bereid hebt; wij smeeken TT, dat Gij, die Haar, uit kracht van den toekomstigen dood van denzelfden nwen Zoon , van alle vlekken bewaard hebt, ook ons wilt verleenen, dat wij door hare voorspraak zuiver en onbevlekt tot U mogen komen. Door onzen Heer Jesus Christus , uwen Zoon , enz. R:. Amen.
â
378 GETIJDEN VAN DE ONBEVL. ONTV.
Z. H. Paus Pius IX , bij Breve van 31 Maart 1876, verdunde aan alle geloovigeu , telkens als zij ten minste met rouwmoedig hart en godvruchtig het kleine oliicie ter eere der Onbevlekte Ontvangenis bidden : Een aflaat van 300 dagen.
LIT^MIE
VAN DE
ONBEVLEKTE ONTVANGENIS
DEK
ALLERII. JIAAGD MARIA.
N.B. Deze litanie is getrokken uit de Bulle der dogmaverklaring van de Onbevlekte Ontvangenis der H. Maagd Maria, door Z. H. Paus Pius IX.
Heer, ontferm U onzer.
Christus , ontferm TJ onzer.
Heer, ontferm ü onzer.
Christus , hoor ons.
Christus, verhoor ons.
Eeuwige Vader, die in de Hemelen zijt, ontferm U onzer.
God Zoon, Verlosser der wereld, ontferm U onzer.
4-
------2-----
VEESCHILLENDE GEBEDEN. 379
H. Geest, waarachtig God, ontferm U onzer.
H. Drievuldigheid, één God , ontferm
U onzer.
H. Maria , bid voor ons.
Maria , van het begin en van alle eeuwen uitverkoren en voorbeschikt om de Moeder van Gods eenigen Zoon te worden .
Maria, meer dan alle schepselen door
God bemind ,
Maria, in wie God door een geheel â buitengewone voorliefde zijn grootste 5^ welbehagen vond, ^
Maria, onvergelijkelijk ver boven alle
Engelen en Heiligen verheven ,
Maria, zoo wondervol begiftigd met den overvloed der hemelsche gunsten, dat Gij altijd geheel vrij bleeft van elke zondevlek ,
Maria, geheel schoon en volmaakt, verrijkt met de volheid van onschuld en heiligheid ,
Maria , wier heiligheid de grootste is , die men zich beneden God kan voorstellen , en welke niemand, behalve God , kan begrijpen ,
Maria , zonder erfzonde ontvangen ,
Maria, die de volkomenste overwinning
---------^-----
O
------
VEHSCHILLENDE GEBEDEN.
op het onde serpent hebt behaald , bid voor ons.
Maria, aan wie God de Vader zijnen eenigen Zoon, aan Hem gelijk en nit Hem zeiven voortgekomen , geschonken heeft,
Maria, door God den Zoon zeiven uitgekozen , om wezenlijk zijne Moeder 'N- te worden ,
Maria, van wie de H. Geest gewild heeft, dat door zijne medewerking diegene ontvangen en geboren werd , van wien Hij zelf voortkomt, ££
Maria, van den eersten stond uwer Ont- ^ vangenis af onbevlekt, §
Maria, door genade en een bijzonder ^ voorrecht, door de verdiensten van g Jesus Christns, vrij bewaard van de smet der erfzonde,
Maria, van het oogenblik uwer schepping af met de genade van den H. Geest toegerust,
Maria, op eene meer wonderbare wijze vrijgekocht boven alle andere men-schen ,
Maria, die met uwen goddelijken Zoon in die onverzoenbare vijandschap tegen den duivel hebt gedeeld ,
Maria, die met uwen onbesmeurdeu
quot;5^
---as,.---
VERSCHILLENDE GEBEDEN.
5^.
voet den kop der helleslang hebt verplet, bid voor ons.
Gij, de arke van Noë, die zonder letsel aan het algemeen bederf der wereld ontkomen zijt.
Gij, het braambosah, dat Mozes geheel vlammend zag, en te gelijk met groen en bloesem bedekt,
Gij , die gesloten tuin, waarin geen bederf kan binnensluipen,
Gij , het huis, dat zich de eeuwige Wijsheid bouwde, versierd met zeven ^ pilaren, het zinnebeeld der zeven gaven van den H. Geest, g
Gij, dat onbederfelijk hout, waaraan ° de worm der zonde nooit knaagde, g Gij , die altijd heldere bron, door de ?
kracht van den H. Geest verzegeld, Gij, die, volmaakter dan Judith of Esther, uw geslacht hersteld hebt en eene levensbron voor geheel het menschdom zijt,
Gij, die nooit duisternis gekend hebt. Gij , het eigen kunstgewrocht der H.
Drievuldigheid,
Gij, de onbevlekte onder alle opzichten, de onschuld zelve, de volkomene ongeschondenheid, het beeld zelve van oorspronkelijke zuiverheid, de
---W--
_ZÃ.
381
lx
VERSCHILLENDE GEBEDEN.
eene Heilige , de woonstede van alle genaden des H. Geestes , bid voor ons. Gij, die God alleen boven U en alle
schepselen beneden U hebt,
Gij , wier lof door geene tong op aarde noch in den Hemel naar waarde kan verkondigd worden ,
Gij, de lofspraak der Profeten en Apostelen ,
Gij, de eer der Martelaren, de vrengde
en kroon van alle Heiligen ,
Gij , de zekere schuilplaats en onover-wonnen hnlp van allen , die in nood amp;
zijn. S
o Alvermogende Middelares, die de S aarde met uwen Zoon verzoent, g o Roem, luister, bolwerk der H. Kerk, ^ o Uitdelgster der ketterijen ,
Gij , die het geloovige volk , die alle natiën aan de grootste ellenden , aan rampen van allen aard hebt onttrokken ,
o Maria, ruim door uwe machtige bescherming alle hinderpalen uh den weg, zegevier over alle dwalingen, maak , dat onze Moeder de H. Kerk onder alle volkeren en op alle plaatsen dagelijks in kracht en bloei toe-neme .
382
----£-----
VERSCHILLENDE GEBEDEN. 383
Door uwe Onbevlekte Ontvangenis, verkrijg voor ons, o Maria, eene ware bekeering. Door uwe Onbevlekte Ontvangenis, verkrijg voor ons een oprecht berouw over onze zonden.
Door uwe Onbevlekte Ontvangenis, verkrijg voor ons de genade om altijd eene goede biecht te spreken.
Door uwe Onbevlekte Ontvangenis, verkrijg voor ons het geluk om in dit leven aan de goddelijke gerechtigheid voor al onze zonden te voldoen.
Door uwe Onbevlekte Ontvangenis, verkrijg voor ons de uitstekende gunst van onze ziel zuiver en zonder smet te wasschen in het Bloed van uwen Zoon, Jesus Christus, en in de werken eener heilige boetvaardigheid.
Door nwe Onbevlekte Ontvangenis, verkrijg voor ons eene heldhaftige liefde voor de zuiverheid, en eenen grooten afschrik voor de tegenovergestelde ondeugd.
Door uwe Onbevlekte Ontvangenis, verkrijg voor ons eene steeds toenemende liefde tot God en een onverzoenbaren haat tegen de zonde.
Door uwe Onbevlekte Ontvangenis, help ons, troost ons in alle noodwendigheden
en smarten.
--^----
____^__
384 VERSCIIILLliNDE GEBEDEN.
Dooi- uwe Onbevlekte Ontvangenis, verkrijg ons de genade in Gods liefde te sterven. Lam Gods , dat wegneemt de zonden der
wereld , spaar ons, Heer !
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der
wereld , verhoor ons , Heer!
Lam Gods , dat wegneemt de zonden der
wereld, ontferm U onzer.
Jesus Christus, hoor ons.
Jesus Christus, verhoor ons.
ir. Het is (heden) de Onbevlekte Ontvangenis der allerheiligste Maagd Maria, 1^-. Van Haar, wier glorievol leven alle kerken opluistert.
LAAT ONS BIDDEN.
o God, die door de Onbevlekte Ontvangenis der allerzuiverste Maagd Maria voor uwen Zoon eene Hem waardige woonplaats hebt bereid, geef ons door hare voorspraak, dat wij met zorg ons hart en ons lichaam vlekkeloos in uwe oogen bewaren, die Haar van alle smet gevrijwaard hebt. Door denzelfden Jesus Christus, onzen Heer. Amen.
Ii-orte toewijding aan de 1 i. Maagd.
o Moedermaagd, die nooit besmet zijt
VERSCHILLENDE GEBEDEN. 385
geweest door eenigo zondevlek, hetzij dadelijke of erfelijke , ik beveel mij aan U en vertrouw U de zuiverheid mijns harten.
(100 clageH aflaat eens daags.)
Xl'
Gebed tot de -A-llerh. Maagd, o Allernitmnntendste, allerglorierijkste en allerheiligste, altijd ongeschondene Maagd Maria, Moeder van onzen Heer Jesus Christus, Koningin der wereld en Heersuheres over alle schepselen , die niemand verlaat, niemand verstoot, niemand, die met een zuiver en nederig hart tot U zijne toevlucht neemt, ongetroost wegzendt, versmaad mij toch niet om mijne tallooze en zware zonden, verlaat mij niet om mijne al te groote ongerechtigheden, noch ook wegens de verstoktheid en onreinheid mijns harten; verwerp mij , uwen dienaar, niet uit uwe gunst en uwe liefde. Verhoor mij, ellendigen zondaar, die op uwe barmhartigheid en goedheid vertrouw ; kom mij te hulp, liefderijke Maagd Maria, in al mijne kwellingen , benauwdheden en behoeften, en verkrijg mij van uwen lieven Zoon, den almachtigen God en onzen Heer Jesus Christus, vergiffenis en kwijtschelding van al mijne zonden, do genade van heilige
___H___
386 VERSCHILLENDE GEBEDEN.
vrees en liefde voor U, gezondheid en kuischheid des lichaams, en bevrijding; van alle rampen en gevaren naar ziel en lichaam. Wees mij in het stervensanr eene liefdevolle Helpster, en bevrijd mijne ziel en de zielen van al mijne bloedverwanten , broeders, zusters en vrienden, naastbestaanden en weldoeners, en van alle , zoo levende als ontslapene geloovigen, van de eetiwige duisternis en van alle kwaad door de hulp van Hem, dien Gij negen maanden in uwen allerheiligsten Schoot hebt gedragen en met uwe heilige handen in de kribbe hebt nedergelegd, uwen Zoon, onzen Heer Jesns Christus, die gezegend is door de eeuwen der eeuwen. Amen.
Allaat van 100 dagen, eens per dag. Vollen allaat op den laatsten dag dev maand of op een der acht onmiddellijk daarop volgende dagen, aan allen, die bovenstaand gebed eene maand lang dagelijks fcebben gebeden , zoo zij na waarlijk rouwmoedig te hebben gebiecht en gecommuniceerd , eene kerk of openbare bidplaats bezoeken en daar een tijd lang bidden volgens de meeuiug van Z. H. (Leo XII,. 30 Jan. 1828.) j
Gebed tot de H. Maagd , om G-ods gramschap van ons; af te wenden.
Wees gegroet, eerbiedwaardige Konin-
5$ ^
VJSRSCHILLESUE GEBEDEN.
387
gin des vredes, allerheiligste Moeder van God; bewerk door het allerheiligste Hart van uwen Zoon Jesus, den Vorst des vredes, dat zijne gramschap bedare en Hij in vrede over ons heersuhe. Gedenk, o allergenadigste Maagd , dat het nooit gehoord is, dat iemand, die uwe voorspraak inriep, door U is verlaten geworden. Aangemoedigd door dit vertrouwen, kom ik tot U. Versmaad mijne woorden toch niet, o Moeder des Woords, maar aanhoor ze goedgunstig, en verhoor ze, o goedertieren, o zoete Maagd Maria.
Aflaat van 300 daijer. , telkens, aan alle ge-loovigen, als zij ten minste met rouwmoedig hart en godsvrucht bovenstaand gehed verrichten. Vollen aflaat eens iu de maand op een dag naar verkiezing, waarop men, na waarlijk rouwmoedig gebiecht en gecommuniceerd te hebben, eene kerk ot openbare bidplaats bezoekt en daar eenigen tijd bidt volgens de meeuing van Z. H. (Pius IX, 23 Sept. 1816.)
Gelied tot. de Onbevleltte jVLaiigd, om storlcte in do quot;beltoring en oen zaligen dood te vragen-
Allerheiligste, onbevlekte Maagd en mijne Moeder Maria, tot ü , die de Moeder
3S8 VERSCUII.LENDK GEBEDEN.
van mijnen Heer zijt, de Toevlucht der zondaren , neem ik , de ellendigste onder allen, op dit oogenblik mijne toevlucht. Ik vereer U, o groote Koningin, en ik bedank ü voor alle mij tot hiertoe geschonken genaden , in het bijzonder, dat Gij mij hebt bevrijd van de hel, zoo herhaaldelijk door mij verdiend.
Ik bemin U, mijne allerbeminnelijkste Meesteres, en bij de liefde, die ik U toedraag, beloof ik, U altijd te willen dienen en al mijn best te doen, dat Gij ook door andere menschen wordt bemind.
Ik stel op U al mijne hoop, al mijn behoud ; neem mij aan voor uwen dienaar, en verberg mij onder uwen mantel, Gij, Moeder van barmhartigheid. En daar Gij zoo vermogend zijt bij God , bevrijd mij van alle bekoringen, of verwerf mij ten minste de kracht, die tot aan mijn dood toe te overwinnen. Van U vraag ik eene ware liefde tot Jesus Christus. Van U verhoop ik een zaligen dood. O mijne Moeder, bij de liefde, die Gij aan God toedraagt, bid ik U, mij altijd bij te staan, maar meer bijzonder in mijn stervensuur. Verlaat mij niet, tot zoolang Gij mij behouden in den Hemel ziet, om daar, geheel de eeuwigheid door, U te
X
VERSCHILLENDE GEBEDEN. 389
zegenen en nwe barmhartigheden te zingen. Zoo hoop ik het, zoo zij het! Amen.
Z. H. Paus Pius IX, hij eigenhandig Rescript van 7 Sept. 1854 , vergunde aan alle geloovigen, telkens als zij teu minste met een rouwmoedig hart en godvruchtig genoemd gebed bidden voor de eene of andere beeltenis van O. L. V. : Een aflaat van 300 dagen. Een vollen allaat eens in de maand , aan allen , die het op bovengemelde wijze gedurende eene geheele maand dagelijks hebben gebeden, zoo zij, na waarlijk rouwmoedig te hebben gebiecht en gecommuniceerd , voor de behoeften der H. Kerk en volgens de meening van Z. H. bidden.
Opdracht aan de H. jVIaagd.
o Mijne Vorstin! o Mijne Moeder! ik ofier mij geheel aan U op, en ten bewijze, dat ik D gansch ben toegedaan, wijd ik VL IJ vandaag mijne oogen, mijne ooren, mijnen mond, mijn hart, geheel mij zeiven. Wijl ik U toebehoor, o mijne Moeder, bewaar mij , bescherm mij als uw goed en eigendom.
Z. H. Paus Pius IX, heeft bij decreet van 5 Aug. 1851 verleend :
a. Een aflaat van 100 dagen eens daags aan alle geloovigen , die 's morgens en 's avonds , na het bidden van een Weesgegroet , bovenstaand
*
VEESCHILLENDE GEBEDEN.
gebed godvruchtig tot de H. Maagd zullen spreken, om de overwinning te behalen in de bekoringen, vooral tegen de zuiverheid.
b. Een vollen allaat aan hen, die zulks gedurende eene maand zullen verricht hebben , mits zij biechten ,quot; coramuuiceeren , eene kerk of openbare kapel bezoeken, en daar bidden volgens hel inzicht van Z. II. den Paus.
Verzuchting.
o Mijne Meesteres, o mijne Moeder, gedenk , dat ik de uwe ben. Bewaar mij, verdedig mij als uw eigendom en bezitting.
(100 dagen aflaat telkens, als men in bekoringen deze verzuchting doet. Pius IX, 5 Aug. 1851.)
Gebod van den H. Pranciscus de Sales tot de H. ÃVXaagd.
Gedenk , o goedertieren Maagd, dat Gij mijne Moeder zijt, en dat ik tiw kind ben; dat Gij zeer vermogend zijt, en dat ik een nietig, zwak en ellendig schepsel ben. Ik smeek U, allerliefste Moeder, geleid en bescherm mij in al mijn doen en laten.
Zeg niet, o genadige Maagd , dat Gij mij niet knnt helpen; want uw welbeminde Zoon heeft U alle macht in den Hemel en
390
X
ONBEVLEKTE ONTVANGENIS, 391
op aarde gesehor ken. Zeg niet, dat Gij mij niet moet bijstaan : want Gij zijt de Moeder van alle stervelingen , en vooral de mijne. Zoo Gij mij niet kondet ondersteunen , dan zou ik U verschoonen door te zeggen: het is waar , Maria is mijne Moeder, en zij heeft mij lief als haar kind, maar helaas! het ontbreekt Haar aan macht. Zoo Gij mijne Moeder niet waart, dan zou ik mij onderwerpen en denken : Maria is rijk genoeg, om mij bij te staan; maar ach, zij is mijne Moeder niet en draagt mij geene liefde toe. Daar Gij echter, o overzoete Maagd! mijne Moeder zijt en alle macht bezit, hoe zou ik U kunnen verontschuldigen , indien Gij mij niet hielpt.
Bedenk dus, o lieve Moeder! dat Gij gehouden zijt al mijne beden te verhooren. Dat de Hemelen en de aarde tl prijzen en verheerlijken , o roemrijke Maagd, o verheven Moeder Maria ! Zie niet op mijne zonden en zwakheden, maar neem mij, tot meerdere eer en glorie van uwen godde-lijken Zoon , als uw kind aan. Bescherm mijne ziel en mijn lichaam tegen alle kwaad, en deel mij al uwe deugden, vooral uwe ootmoedigheid, mede. Verleen mij alle gaven, goederen en genaden.
.Mr-
392 VERSCHILLENDE GEBEDEN.
die mij welgevallig maken aan de allerheiligste Drieëenheid, den Vader, den Zoon en den H. Geest. Amen.
Geiled van den H. Edmnndus.
De H. Edmundus bad dagelijks het hier volgende gebed, dat hij zelf had opgesteld. Toen \ de jongeling bet eens aehtergelalen had , verscheen hem 's nachts de H. Joannes en sprak | hem met een streng gelaat toe : â Edmundus, waarom hebt gij mijn gebed verzuimd ? Zorg , dat gij het nooit meer vergeet !quot; (Surius. Leven van den H. Edmundus , GJe deel.)
o Vlekkelooze, eenwig gezegende, nooit volprezen, onvergelijkelijke Moedermaagd, allervoortreffelijkste tempel van den H. Geest, wonderbaar heiligdom der Godheid, denr des Hemels; na God is de wereld aan U de weldaad van het leven versohnl- V digd. O Moeder der Barmhartigheid, wees mij genadig, neig uwe ooren vol medelijden tot mijn onwaardig smeekgebed, wees toch altijd voor mij , armen zondaar, eene hnlp in den nood.
o Gelukzalige Joannes boezemvriend, lieveling van onzen Heer Jests Christus, gij, die om uwe maagdelijkheid door Jesus tot Apostel zijt uitverkoren en meer dan
___amp;_____
VERSCHILLENDE GEBEDEN.
i-
de andere leerlingen des Heeren werdt bemind; gij zijt het diepst doorgedrongen in de geheimen van Jesus' Hart, gij zijt een Apostel en een Evangelist bij uitnemendheid. U dan roep ik aan , opdat gij te gelijk met Maria, mij altijd wilt helpen. O twee hemelsche parelen, Maria, y' de welbeminde Moeder, en Joannes, de welbeminde leerling van Jesns! O twee ^ lichten , schitterend voor den troon van God, verdrijft door uwen glans de nevelen mijner ongerechtigheid. Gij zijt die twee uitverkorenen, die om de verdiensten uwer zuiverheid door Jesus geroepen werdt aan den voet van zijn kruis. opdat Hij stervend, ü nog een laatste bewijs zijner liefde zou geven.
Tot U, o Maria ! heeft Jesus gesproken : âVrouw, ziedaar uw Zoon!quot; en tot U, Joannes; âZoon, ziedaar uwe Moeder!quot;
Aan ü dan, o Maria! aan u, o Joannes! aan U beiden , die door den zoetsten liefdeband , door den band, die de moeder aan haren zoon en den zoon aan zijne moeder verbindt, door Jesus Christus zeiven met elkander vereenigd ; aan U beiden vertrouw ik, ellendige zondaar, mijn lichaam en mijne ziel. Ach, wilt toch altijd mijne voorspraak zijn bij den Heer, wilt mij allo
393
-----^----.*£
394 VERSCHILLENDE GEBEDEN.
uren , alle oogenblikken van mijn leven,
voor alle in- en uitwendige gevaren behoeden en verwerft mij de zaligheid van mijn lichaam en mijne ziel.
Bewerkt toch , smeek ik U, bewerkt toch door de kracht uwer gebeden, dat de H. Geest zich gewaardige mijn hart te bezoeken en ie bewonen, opdat Hij , de goedertieren Gever van alle gaven, mij van alle vlekken der ongerechtigheid zuivere , mij verlichte en met alle deugden verrijke , mij in de liefde tot God en den naaste bevestige, en mij, na de voltrekking van mijne loopbaan op aarde, geleide tot de vreugde van de uitverkorenen des Hemels. Amen.
Hulde arm de Onbevleltte Moedermaagd.
Wees gegroet, glorierijke Maagd , gezegende Moeder des Verlossers. Gij zijt de morgenster, wier licht helderder is dan het zonnelicht; de zoetheid van uw H. Hart is zoeter dan honigraat. Gij zijt die wonderschoone Maagd, voor wier schoonheid alle schoonheden verduisteren; uw purper [overtreft het purper der rozen, en
VERSCHILLENDE GEBEDEN.
de witheid der lelie kan met uwe reinheid niet vergeleken worden.
Alle deugden , o liefderijke Moeder, o goedertieren , gezegende Maagd , versieren U. Gij overtreft de Apostelen in ijver, de Martelaars in standvastigheid, de Belijders in heiligheid van leven, de Maagden in kuischheid. Gij overtreft de Seraphijnen in liefde, de Cherubijnen in zuiverheid.
Alle Heiligen eeren ü als hunne Koningin. Uw troon is geplaatst in het hoogste der Hemelen , het dichtst bij dien van God.
Gebed van. den. OH. .A.loysms van Qonzaga, om zich te stellen, onder de bescherming der -A-llerb. uVXaagd ÃNXaria.
Heilige Maagd Maria, mijne Geleidster, mijne Meesteres, ik kom mij werpen in den schoot uwer moederlijke barmhartigheid, en mijne ziel en mijn lichaam, van dit oogenblik en voor altijd, stellen onder uwe bewaring en bijzondere bescherming; ik betrouw en stel in uwe handen al mijne hoop en troost, al mijne pijnen en smarten , mijn leven en deszelfs einde, opdat
395
396 VERSCHILLENDE GEBEDEN.
door uwe heilige voorspraak en door uwe verdiensten al mijne werken volgens uwen en uws Zoons wil geschikt worden. Amen.
Gebed van den H. Stunislans Kostka tot lt;le ÃT. ZVtaagil, oin Haar zijn werlc op te dragen.
Ik draag U op , o mijne lieve Moeder , mijnen arbeid en mijne pijnen, mijnen geest en mijn hart; gewaardig ü die zwakke hulde van mijnen eerbied en mijne liefde jegens U te aanvaarden, en zelve die op te dragen aan Jesus Christus, uwen godde-lijken Zoon en mijnen Zaligmaker. Amen.
INHOUD.
BLADZ.
Voorrede.........m
Aan Maria Onbevlekt......vm
Vooravond van den lstel1 Mei. O ver-
de viering der Meimaand. . . 9 Eerste Dag. â Maria's Onbevlekte v
Ontvangenis........17
Tweede Dag. â Wij moeten de H.
Maagd eeren om hare verheven
Heiligheid.........27
Derde Dag. â Hoezeer wij Maria moeten vereeren om hare 'verheven waardigheid van Moeder Gods...........37
yf-.
w
^[:______
398 inhoud.
BLADZ.
Vierde Dag. â Maria, het Voorbeeld der jeugdige Jaren. . . 48 Vijfde Dag. â- Maria , een Voorbeeld- van ware Godsvrucht. . 56 Zesde Dag. â Maria, een Voorbeeld
van Liefde tot Jesus Christus. . 67 Zevende Dag. â Maria, een Voorbeeld van Zel/opo/fering en Grootmoedigheid........76
Achtste Dag. â Maria zocht niet het aardsche , maar het Ilernel-
sche...........85
Negende Dag. â Maria, Voorbeeld
van Zuiverheid.......95
Tiende Dag. â Maria , een Voorbeeld van gebed.......104
Elfde Dag. â Maria, een Voorbeeld in het verachten van het men-
schelijk opzicht.......143
Twaalfde Dag. â Maria, Voorbeeld
van Ootmoedigheid......123
Dertiende Dag. â Maria, een Voorbeeld van Zachtmoedigheid. . . 135 Veertiende Dag. â Maria, Toonbeeld van Gehoorzaamheid. . . 146
^--------
HOUD. 399
BLADZ.
Vijftiende Dag. â Maria, een Voorbeeld van ^Naastenliefde. . . . 156 Zestiende Dag. â Maria, een Voorbeeld van Overgemng aan Gods Wil in kwellinj en lijden. . .166 Zeventiende Dag. â Over de Navol-
ging van Maria's Deugden. . . 176 Achttiende Dag. â Wij moeien Maria vereeren, omdat zij onze Moeder is..........187
Negentiende Dag. ââ Maria heeft zich altijd onze Moeder getoond
door hare weldaden.....196
Twintigste Dag. â- Onze eerste plicht
jegens Maria: Eerbied. . . . 206 Een en twintigste Dag. â Onze tweede plich t jegens Maria :
Liefde..........215
Twee en twintigste Dag. â Onze derde plicht jegens Maria : Vertrouwen.........223
Drie en twintigste Dag. â Onze
Gebeden tot Maria......233
Vier en twintigste Dag. â Over het II. Rozenkransgebed.....243
*1' ^
â¢-1*
396 VERSCHILLENDE GEBEDEN.
door uwe heilige voorspraak en door uwe verdiensten al mijne werken volgens uwen en uws Zoons wil geschikt worden. Amen.
GeTsed van den U. Stanislaxis Kostka tot de TT. Maagd , om Haar zijn. werlc op te drïïgen.
Ik draag U op, o mijne lieve Moeder, mijnen arbeid en mijne pijnen, mijnen geest en mijn hart; gewaardig ü die zwakke hulde van mijnen eerbied en mijne liefde jegens U te aanvaarden, en zelve die op te dragen aan Jesus Christus, uwen godde-lijken Zoon en mijnen Zaligmaker. Amen.
|
y |
X .-] |
* | ||
|
* |
INHOUD. |
IC | ||
|
BLADZ. | ||||
|
Voorrede......... |
III | |||
|
Aan Maria Onbevlekt...... |
VIII | |||
|
Vooravond van den lsten Mei. Over | ||||
|
de viering der Meimaand. . . |
9 | |||
|
Y |
Eerste Dag. â Maria's Onbevlekte |
v | ||
|
Ontvangenis........ |
17 | |||
|
Tweede Dag. â Wij moeten de H. | ||||
|
Maagd eer en om hare verheven | ||||
|
Heiligheid......... |
27 | |||
|
Derde Dag. â Hoezeer wij Maria | ||||
|
moeten vereeren om hare'verhe | ||||
|
ven waardigheid van Moeder | ||||
|
Gods........... |
37 | |||
|
X |
Xquot; |
«/ |
* | |
INHOUD.
BLADZ.
Vierde Dag. â Maria, het Voorbeeld der jeugdige Jaren. . . 48 Vijfde Dag. â ââ Maria, een Voorbeeld van ware Godsvrucht. . 56 Zesde Dag. â Maria, een Voorbeeld
van Liefde tot Jesus Christus. . 67 Zevende Dag- â Maria, een Voorbeeld van Zelfopoffering en Grootmoedigheid..... ... 76
Achtste Dag. â Maria zocht niet het aardsche, maar het Ifernel-
sche...........85
Negende Dag. â Maria, Voorbeeld
van Zuiverheid.......95
Tiende Dag. â Maria , een Voorbeeld van gebed.......104
Elfde Dag. â Maria, een Voorbeeld in het verachten van het men-
schelijk opzicht.......413
Twaalfde Dag.â Maria, Voorbeeld
van Ooimoedigheid......123
Dertiende Dag. â Maria, een Voorbeeld van Zachtmoedigheid. . . 135 Veertiende Dag. â Maria, Toonbeeld van Gehoorzaamheid. . . 146
398
_______^_______ijü,
INHOUD. 309
BLADZ.
Vijftiende Dag. â Maria, een Voorbeeld van Naastenliefde. . . . 156 Zestiende Dag. â Maria, een Voorbeeld van Overgeving aan Gods Wil in kwellinj en lijden. . . 166 Zeventiende Dag. â Over de Navolging van Maria's Deugden. . . 176 Achttiende Dag. â Wij moeten Maria vereeren, omdat zij onze Moeder is..........187
Negentiende Dag. â Maria heeft zich altijd onze Moeder getoond
door hare weldaden.....196
Twintigste Dag. â Onze eerste plich t
jegens Maria: Eerbied. . . . 206 Een en twintigste Dag. â Onze 5? _ tweede plicht jegens Maria:
Liefde..........215
Twee en twintigste Dag. â Onze derde plicht jegens Maria : Vertrouwen. ........223
Drie en twintigste Dag. â Onze
Gebeden tot Maria......233
Vier en twintigste Dag. â Over het
II. Piozenkransgebed.....243
----------
1
400 INHOUD.
BLADZ.
Vijf en twintigste Dag. â De Godsvrucht tot Maria is allerzoetst. . 254 Zes en twintigste Dag. â De Godsvrucht tot Maria is allerooordee-
ligst...........263
Zeven en twintigste Dag. ââ Maria boezemt oyis afschrik in van de
zonde..........273
Acht en twintigste Dag. â Maria helpt ons op den weg naar den
Hemel..........280
Negen en twintigste Dag. â Maria,
Toevlucht der zondaren. . . . 290 Dertigste Dag. â Maria, de schrik
der duivelen........301
Een en dertigste Dag. â Maria,
de hoop onzer zaligheid. . . . 311 Gebeden onder de H. Mis. . . . 321 Gebeden onder het Lof. .... 341 Verschillende gebeden tot de Allerh. Maagd Maria.......352