ÃUITSCHLAND IN WOELING EN STRIJD.
DE OUDE FRITS EN DE NIEUWE TIJD.
I.
Vak 152
yjo
okc
DöITSCHLAND IN WOELING EN STRIJD.
HISTORISCHE ROMAN
door
louise mühlbach;
bewerkt door m. k,
DE OUDE FRITS EN DE NIEUWE TUD.
eerste deel. s '.®uct^c« cwv. wjchens oquot;», ftff «|n
derde veel verbeterde druk.
Nijmegen amp; Arnhem. gerr. e. amp; m. cohen.
EERSTE HOUK. DE OUDE FRITS.
I.
EEN EENZAAM KONING.
âliet zij dan zoo,quot; sprak de Koning, terwijl hij zich zuchtend van zijn armstoel voor de schrijftafel oprichtte: âZoo moet ik dan wederom naar buiten in het krijgsgewoel, en mijn oude leden moeten zich opnieuw aan de vermoeienissen van den oorlog onderwerpen. Voorwaar! het leven der Vorsten bestaat uit zorgen en plichten, en slechts zelden worden die verhelderd door de zonnestralen van vreugde en genot! Schikken Wij er ons dus in!
âJa, schikken wij er ons in,quot; herhaalde de Koning nadenkend, terwijl hij langzaam, de handen met den krukstok op den rug samengevouwen, in zijn studeervertrek op en neder ging. Achter hem sloop zijn lievelingshond Alkmene; liet trouwe dier bleef staan, zoo dikwijls de Koning dit deed, en stelde zich langzaam en slaperig weder in beweging, wanneer Frederik verder ging.
't Was een treurig, droefgeestig beeld, dezen ouden, gebogen man te zien, met den versleten driekanten hoed, die zijn mager, scherp geteekend, bleek gelaat overschaduwde, met den tot op den draad versleten, met snuif bemorsten uniformrok, met de hooge, ongepoetste laarzen om de magere beenen, â wiens eenig gezelschap een arme hazewindhond was, oud gelijk zijn meester, zonder vreugde en even in zich zelve gekeerde als deze.
6
De buste van Voltaire, die boven de schrijftafel op de console aan den wand stond, blikte vruchteloos met haar geestig, van leven schitterend aangezicht op Frederik neder; hij hief de oogen niet tot haar op, evenmin als naar de busten van den lord maarschalk Keith, en den markies d'Argens!
Neen, hij hief zijn blik niet tot haar op, de oude eenzame Koning, dien Europa als den grooten Frederik vereerde, dien zijn onderdanen als hun vader en weldoener prezen, wiens naam reeds onder de sterren des hemels schitterde, en die tóch een eenzaam oud man was, wiens bleeke dunne lippen juist het woord van berusting: âSchikken wij onsquot; prevelden, terwijl hij in zijn studeervertrek op en neder ging.
Met terneêrgeslagen oogen ; wijl hij niet wilde opzien tot hen, die niet meer waren. Aan hen te denken maakte hem weekhartig, en vervulde zijn ziel met smart! Dit koninklijke hart was nog altoos niet verstijfd, in weerwil der vele lit-teekens die het bedekten, in weerwil der vele ervaringen, die het leven en de ondank der menschen hem gegeven hadden! Neen, Frederiks hart was altoos nog vol teeder gevoel, vol dankbare herinnering.
En dezen, die daar van de wanden nederzagen op den eenzamen Koning, dankte hij de herinnering aan de schoonste en genotvolste jaren zijns leven! Markies d'Argens, loid maarschalk Keith en Voltaire !
d'Argens, de hartstochtelijke aanbidder van zijn Frederik, was reeds voor vijf jaren gestorven; de aarde bedekte lord maarschalk Keith's stof eerst sedert een maand, en Voltaire? â Voltaire lag stervend!
Dit had de Koning heden morgen van zijn Parijschen correspondent, van Grimm vernomen, en het had zijn hart met weemoed en droefheid vervuld!
Voltaire lag stervend! Het gelaat dat ginds aan den wand zoo geestvol glimlachte, was wellicht op dit oogenblik door stuiptrekkingen des doods verwrongen; de oogen, die hier zoo vurig schitterden, waren misschien nu reeds door den dood gebroken!
Voltaire lag stervend! De Koning kon niet opzien tot de busten van de dooden en den stervende! Maar al zijne gedachten waren toch bij hen!
Al zijn gedachten behoorden het verledene!
7
Hij dacht er aan, hoezeer hij Voltaire bemind, bewonderd en gevierd had, toen hij zelf nog als kroonprins te Rheins-berg woonde! En hoezeer had hij zich verblijd, hoe vereerd had hij zich gevoeld, toen Voltaire aan de beden van'den jongen Koning gehoor gaf, en tot hem naar Berlijn kwam om bij hem te wonen! Wèl had dit samenleven van den Koning en den dichter niet lang geduurd, en de Koning had * met bitter smartgevoel moeten erkennen; datj de mensch Voltaire de liefde niet waardig was, welke de Koning den dichter Voltaire had gewijd. Van den mensch had hij zicli losgemaakt, maar voor den dichter was zijne bewondering, zijne dankbaarheid blijven bestaan, en alle valschheden, lasteringen en boosaardigheden van Voltaire hadden Frederik hierin niet veranderd.
De herinnering hieraan was lang in zijn grootmoedige ziel verbleekt, en slechts de herinnering aan den dichter, aan den schepper van zoo vele genotrijke uren, was gebleven!
Voltaire lag stervend! De groote, machtige geest, die zoo lang in menschelijk hulsel de wereld en de menschen geleerd, verrukt en opgewekt had, wilde nu heen varenden zijn lichaam verlaten, om op te stijgen â waarheen? ' %
Is er een andere onsterfelijkheid dan roem! Een ander eeuwig leven dan dat, hetwelk de herinnering der volgende geslachten bereidt aan hen, die gestorven zijn?
âOnsterfelijkheid, waar zijt gij ?quot; vroeg de Koning plotseling zeer luid, en nu hief hij zijn groote oogen met den vlammenden blik tot de busten zijner vrienden op: âOnsterfelijkheid, waar zijt ge? Ik heb naar u gezocht en naar u gevorscht mijn geheel leven lang, en niets heeft mij kunnen onderrichten, noch het vorschen der geleerden, noch het peinzen der philosofen.quot;
En terwijl Frederik nu een plechtigen, verheven loon aannam, reciteerde hij met luider stem de slotregels van het gedicht, dat hij onlangs over de onsterfelijkheid aan d'Alembert had gewijd:
J'ai consacré mes jours il la philosophie;
J'adrnets tous les plaisirs in nocents de la vie,
Et sachant que dans pen ma course va linir,
Je jouis du présent sans peur de l'avenir.
Quel est après la mort 1'épouvantail il craindre?
Si le corps et l'esprit souffrent la même injure,
Je rentre et me confonds au sein de la nature;
8
S'il échappe au trépas un reste de mon feu,
Je me refugirai dans les bras de mon Dieu! ')
âEn, moge dit spoedig geschieden,quot; voer de Koning voort; âwant ik zal daar weder vereenigd zijn met mijn ontslapen vrienden, en â maar neen,quot; viel hij zich in de rede; âik heb het recht niet, dit nu reeds te verlangen, maar moet tevreden zijn nog een weinig in dit aardsche jammerdal te toeven. Elk moet eerst de taak hebben volbracht, die zijn groote Leermeester hem heeft opgelegd, en de mijne is nog niet voleind, bijgevolg â schikken wij ons!quot;
Hij zuchtte diep en begon weder langzaam op en neer te wandelen. Maar, toen zijn weg hem nu voerde voorbij de penanttafel, waarop een langwerpig kistje van zwart lluweel slond, bleet hij staan, en zijn groote oogen vestigden zich met een peinzende uitdrukking op dit kistje.
Dit kistje bevatte een fluit; de laatste tluit, welke zijn geliefde leermeester Quanz voor zijn koninklijken leerling vervaardigd had, en die Frederik derhalve ter gedachtenis aan den overleden Quanz hier in zijn studeervertrek, â dat tevens de tempel van de herinneringen aan zijn verleden was, â bewaarde.
âOók een der verloren genoegens, der verdoofde sterren mijns levens,quot; zei de Koning, op gedempten toon: âJa,zij zijn óók verstomd, mijn fraaie concerten! Quantz, Benda en Graun, zij zijn allen heen, en terwijl zij nu misschien naaide concerten der hemelscheheirscharen luisteren, moetikhet mij laten welgevallen, de ellendige, nietige taal der menschen te hooren en mij nogmaals de ooren te laten verdooven door den donder der veldslagen, waartoe de dolle, eerzuchtige Keizer van Oostenrijk mij denkt te dwingen.quot;
Hij had, terwijl hij dit zeide, zonder 't misschien zelf te weten, het deksel van het kistje opgeslagen en langzaam de fraaie ebbenhouten fluit, met de kunstige zilveren versierselen er uitgehaald. En nu vloog er iets als de glans van een avondzonnestraal^over zijn gelaat; zijne oogen glinsterden sterker, en een zachte glimlach trildej om de fijngevormde, dunne lippen.
Hij bracht de fluit aan zijne lippen, en als geestenge-
1) Oeuvres postlmmes. Vol. VII, p. 83.
9
Huister ruischte het met zachte, klagende tonen door de stille kamer. Vervolgens werden deze tonen luider, bepaalder, vormden zich tot een duidelijke melodie, en verhieven zich tot een opwekkend, verrukkend rhytmus.
Diepe stilte heerschte rondom. Geen geluid der buitenwereld drong tot het afgelegen vertrek door, waar de Koning met de tonen van zijn geliefd instrument aan de overleden vrienden zijn doodenoffer bracht, en aan den stervende op de vleugelen des gezangs zijn afscheidsgroet zond. De schildwacht, die buiten voor de vensters op het terras van Sans-souci heen en weder ging, bleef plotseling staan en luisterde, toen deze smartelijke klagende muziek uit de kamer des Konings zijne ooren trof; de wind, die met dartelen lentelust door de meibloesems der boomen voer, sloeg met een paar in vollen bloei staande takken van den vlierboom, die dicht bij het venster stond, tegen de glasruiten, alsof hij den eenzamen Koning zijn Meigroet wilde brengen. De kamerhuzaar in de antichambre, sloop op de teenen naar de deur van het verlrek, bracht zijn oor aan het sleutelgat, en luisterde met ingehouden adem naar de roerende melodie, die met zulke snikkende, klagende tonen tot hem doordrong.
Het was thans reeds iets zeer buitengewoons dat de Koning op de lluit blies, en maanden waren verstreken sinds deze muziek het laatst geklonken had.
Zelfs de windhond, Alkmene, scheen er vermoeden van te hebben dat hier iets buitengewoons geschiedde, want hij hief den slanken kop met een snelle beweging op, keek met zijn groote, donkere oogen naar den Koning, richtte zich op, en legde vleiend zijn voorpooten op de borst des Konings.
Maar Frederik lette er niet op, hij voelde deze aanraking niet. Zijn gedachten waren van het aardsche, het tegenwoordige afgekeerd; zij verhieven zich tot de onbekende sferen van het toekomstige leven, zij toefden in de elyzesche velden bij de piesten, naar welker wederzien hij vaak zulk een vurig verlangen voelde. Eenmaal, terwijl de smart des levens, de weeklacht der menschelijke ziel met machtige, edele melodie uit zijn lluit snikte, vulden zich de oogen des Konings met tranen, en met een blik vol smart en berusting hief hij ze langzaam op tot de buste van Voltaire, en aanschouwde deze zoo lang, tot het slot van zijn adagio ge-
10
eindigd was. Vervolgens legde hij, met een snelle beweging, half onwillig en wrevelig, de lluit weder in haar kistje, drukte het deksel dicht en streek vluchtig, alsof hij zich zeiven zijn weekhartigheid niet wilde bekennen, met de hand over zijne oogen.
âZoo,quot; zeide hij toen zeer luid; ânu hebben wij afgedaan met de dooden, en moet het leven weder in zijne rechten treden! Vraiment, 't is toch een laf ding, zulk een men-schenhart. Het wil nooit oud en koud worden, verbeeldt zich nog altijd een vonk in zich te dragen van het vuur, hetwelk de schandelijke kerel, Prometheus, eens den goden ontstolen heeft! QueÃe absurdiié! Wat heb ik,oude kerel, toch te doen met het vuur van Prometheus, nu mij het vuur van don oorlog spoedig weder op de nagels zal branden!quot;
âNu,quot; viel de Koning zich in de rede, toen de deur der antichambre zacht geopend werd; ânu, wat is er, Muller? En waarom steekt ge uw dom gelaat naar binnen?quot;
âVergeving, Majesteit,quot; antwoordde de kamerhuzaar; âde baron von Arnim, de intendant der koninklijke schouwburgen, is in de voorkamer en verzoekt om audiëntie.quot;
âLaat hem binnen komen,quot; beval de Koning, terwijl hij zijn kruk stok weder van de tafel nam, en zich in den ouden, met verkleurd fluweel overtrokken armstoel neder-liet. Met beide handen op den krukstok gelegd, en de kin op de handen gesteund, keek Frederik naar den intendant, die nu met een diepe buiging, op den drempel der deur verscheen.
âWelnu, Arnim,quot; riep de Koning hem toe; âwat is er weder? En wat hebt ge daar voor een pakket in de hand ?quot;
De intendant haastte zich den wenk van Frederik te volgen en hem te naderen.
âSire,quot; geide hij; âhet zijn de contracten der Fransche acteurs, welke ik Uwe Majesteit wenschte voor te leggen, vermits zij hernieuwd moeten worden. Ook wilde ik mij onderdanigst veroorloven een brief mede te deelen, dien ik gisteren van de zangeres Madame Mara heb ontvangen, alsmede een anderen van den zanger Concialini,dienüi heden ontving, en een verzoekschrift van vier figuranten der opera.quot;
.,'t Zal weer wat fraais zijn,quot; bromde de Koning, terwijl
11
hij met zachte hand Alkmene streelde, die op zijn schoot was gesprongen, en teeder zijne handen likte: âBegin met uwe berichten van achteren aan, en laat hooren wat het zangersvolk weder verlangt.quot;
âMajesteit, de zanger Concialini schrijft een zeer hartroe-renden brief, waarin hij mij bezweert aan Uwe Majesteit te zeggen, dat hij volstrekt om eene toelage moet verzoeken, wijl het hem onmogelijk is, mei drieduizend thaler gage rond te komen.quot;
âDe kerel is niet wijs,'' riep de Koning ; âals hij niet met drieduizend thaler kan uitkomen, zal hij 't ook met vierduizend niet kunnen.''
âSire, hij verlangt dan ook geen vierduizend, â maar vijfduizend thaler gage voor het volgende jaar.quot;
âNu, dat ontbrak er nog aan!quot; riep de Koning, terwijl hij woedend met zijn stok op den grond stampte; âIk moet geld voor kanonnen hebben, en zal niet dwaas genoeg zijn, om voor zulke prullen zooveel geld uit te geven. Het verwondert mij ten zeerste, Arnim, dat ge mij zidke domheden overbrengt.quot;.
âMajesteit, het is immers mijn plicht, dat ik âquot; âOch wat,quot; viel de Koning hem in de rede; âuw plicht is, niet zooveel complimenten met de comedianten en zangers te maken. Ik betaal deze menschen, opdat zij zullen zingen, en ik wil geen aanmatiging van hen dulden, Dit hadt ge ééns en vooral moeten in 't oog houden, en niet zooveel complimenten maken. Concialini krijgt niet meer gage dan hij thans heeft, en als hij meer wil hebben, kan hij naaiden duivel loopen. Dit is mijn antwoord. Verder nu! Wat wil madame Mara weder ?quot;
âMajesteit, mevrouw Mara weigert nog altoos de twee groote aria's te zingen, welke op Uwer Majfsteits bevel in de opera Goriolan moeten gevoegd worden. Zij heeft derhalve de vrijheid genomen zich schriftelijk tot Uwe Majesteit te wenden, en hier is de brief, zoo Uwe Majesteit de genade wil hebben hem te lezen.quot;
âPas du tout, monsieur, pas du tout!quot; riep de Koning, terwijl hij met den krukstok den hem gereikten brief wegsloeg, zoodat hij als een afgeschoten pijl door de kamer vloog, en in den uitersten hoek nederviel; tot groot vermaak van den windhond, die luid blaffend van 's Konings
12
schoot sprong en den zonderlingen vogel naijlde, om hem vervolgens in stukken te scheuren.
âGoed zoo, mijn hondje, goed zoo,quot; zei de Koning glimlachend ; âge schrijft met uw snuit deze aanmatigende vroüw ons antwoord. Zeg aan madame Mara, heer intendant, dat wij haar betaalden om te zingen, en niet om te schrijven. Zij moet aria's zingen en niet weerspannig zijn, anders zou 't met haar gaan als met haar man, die te Spardau zit, wijl hij weerspannig is geweest. Dit moet zij bedenken, en er zich naar richten. Zeg dat aan madama Mara.quot;
De intendant zette een zeer treurig gezicht, en kon nauwelijks een zucht onderdrukken, bij de gedachte aan het onaangenaam tooneel, 't welk hij met de trotsche en hartstochtelijke zangeres tegemoet zag. âEn de figuranten?quot; vroeg hij bedeesd.
âWat willen deze demoiselles, en wie zijn zij ?quot;
âSire, het zijn de vier figuranten, die in de opera de Hof- en Eeredames der Koninginnen en Vorstinnen moeten voorstellen. Zij verzoeken in dezen brief dat Uwe Majesteit haar genadiglijk een vast jaargeld gelieve te verleenen quot;
âNu, ik wil u terstond mijn antwoord dicteeren,quot; zei de Koning; âga daar aan mijn schrijftafel, en neem een vel papier en het potlood.''
Dë intendant haastte zich het koninklijk bevel te volbrengen, en een der losse vellen papier en het potlood van de schrijftafel te nemen.
âSchrijf nu,quot; beval de koning: âAan de vier Hof- en Eeredames van de opera. Ge hebt u geheel verkeerd tot mij gericht, wat uwe vaste jaarwedde betreft. Dit is een zaak, die uwe keizers en koningen aangaat; tot dezen moet ge u wenden, 't Is geheel tegen mijne beginselen, mij in de aangelegenheden van vreemde Hoven te mengen. Hiermede Gode aanbevolen!quot; â Hebt ge 'tgeschreven?quot;
âOm U te dienen. Majesteit, ik heb 't geschi;even,quot; antwoordde baron von Arnim met een lichten glimlach.^
âEn nu komen wij aan uwen laatste aangelegenheid,quot; zei de Koning; âaan het tractement en de jaargelden der Fran-sche comedianten. Maar zeg mij eerst, wat nieuws is er te Berlijn? En welke berichten heeft de faam in de laatste dagen daar uitgebazuind?quot;
âMajesteit, wat wel het nieuwste te Berlijn is, en wat
13
de faan is alle huizen en in alle harten blaast, is, dat Uwe Majesteit den Keizer van Oostenrijk wegens de Beiersché erfopvolging den oorlog heeft verklaard, en ieder verblijdt er zich over, dat Uwe Majesteit het trotsch, overmoedige Oostenrijk wil vernederen, en opnieuw voor Duitschland in het strijdperk wil treden.quot;
âHoor eens,quot; zei de Koning op strengen toon; âik heb niet van u verlangd dat ge de lofbazuin voor mij zoudt steken, als bevond zich mijnheer de/nspecimr rfes spec/ac/es op het tooneel, en wilde hij met een lampenkoning een spektakelstuk opvoeren. Gre weet dus, dat mijne soldaten weder het groote krijgstooneel zullen betreden, en wij thans werkelijke en waarachtige veldslagen zullen opvoeren?quot;
âOm u te dienen. Majesteit, ik weet dat,quot; antwoordde de heer von Arnim, buigende.
âWelnu, dan zal 't^een ik u te zeggen heb, u ook niet meer verwonderen,quot; zei de Koning met het hootd knikkende: âLuister! De tegenwoordige verwikkelingen laten hoogst ernstige tooneelen verwachten, en men kan bijgevolg zeer goed de komieke ontberen, Dit is de reden, waarom ik al de acteurs en actrices van mijn Franschen schouwburg hun tractement en jaarwedde intrek. Het uwe is insgelijks daaronder begrepen en ge zijt hiermede ontslagen. Zoodra ge al de Fransche comedianten hun afscheid hebt gegeven, zal het geheel aan uzelven staan, al uw zorg aan uwe minnarijen te besteden. Hiermede Gode aanbevolen!quot;
âSire,quot; riep de baron ontsteld: âUwe Majesteit geeft mij mijn ontslag?''
âNu, zijt ge doof geworden? Of hebt ge misschien nog iets van het katoen in de ooren, 't welk ik u vooreenige jaren schonk, toen ge uit Kopenhagen teruggeroepen werdt? 1)
1
Baron von Arnim was tot 1754 gezant te Kopenhagen, verzocht echter om zijne terugroeping, wijl de vochtige lucht aldaar voor zijne gezondheid nadeelig was. De Koning bewilligde zijn verzoek, en Arnim keerde naar Berlijn terug. Bij de eerste audiëntie, welke de Koning den teruggekeerde verleende, nam Frederik van zijn ;tafel een zorgvuldig omwikkeld doosje, en reikte het den heer von Arnim over, zeggende; âIk wil niet dat de Staat zulk een bruikbaren ^dienaar als gij zijt, zal verliezen. Ge zult in dit doosje iets vinden, dat warm houdt.quot; Arnim kon nauwelijks den tijd afwachten tot hij tehuis kwam en het doosje opende: het bevatte echter niets dan los katoen. Na eenige dagen echter.
14
âSire, ik heb alles gehoord, maar kan het niet geloovenâ
âJa, ja,quot; viel Frederik hem in de rede, terwijl hij zijn vinger diep in den zak van zijn zijden vest stak, en een snuifje eruit haalde, 't welk hij vervolgens langzaam en behagelijk aan zijn neus bracht; âja, ja; met het geloof is het altijd een moeielijke zaak, en ik vermoed dat ge nooit tot de vromen en geloovigen hebt behoord. Uwe minnarijen hebben er u niet toe laten komen. Maar thans kunt ge ze con amove vervolgen, want ik geef er u den tijd toe, door u van uwen dienst te ontslaan. Alleen hebt ge nog, zooals ik u straks reeds gezegd heb, het geheels Fransche co-mediantengespuis te ontslaan, en hiermede is dan de geheele rommel afgedaan. Nu, adieu, Arnim, dat het u altijd welga!quot;
De heer von Arnim prevelde eenigeon verstaanbare woorden en verliet achteruitgaande het koninklijke vertrek. De deur had zich nauwelijks achter hem gesloten, toen zij op nieuw haastig geopend werd, en een jong persoon, in met goud geborduurden rok, zonder eenige plichtplegingen binnentrad.
âMajesteit,quot; zeide hij haastig en halfluid; âzij is zooeyen in den Slottuin gekomen. Juist als gisteren, toen zij óók om dezen tijd kwam.quot;
âIs zij alleen, of is iemand bij haar?quot; vroeg de Koning opstaande.
âNeen, zij is alleen; slechts op eenigen afstand volgt haar de min met den Prinselijken zuigeling.quot;
De Koning sloeg op den jongen man met het onbeschaamde, lachende gezicht, een haastigen, toornigen blik, die dezen schielijk een ernstig, eerbiedig voorkomen deed aannemen.
âHeeft Uwe Majesteit mij nog iets te bevelen?quot; vroeg hij bedeesd.
âIk heb u te bevelen den mond te houden, tot u iets gevraagd wordt,quot; zei de Koning streng; âge verstaat u zeer goed op het nasluipen en bespieden, want ge hebt een paar goede ooren, een paar scherpe oogen en een scherpen speurneus. Daarom bezig ik u ook, wijl ik zulke bespieding
verhoogde de Koning Arnim's tractement met duizend thaler, en zond hem als gezant naar Dresden. Vervolgens werd Arnim intendant der koninklijke schouwburgen, tot hij op de bovenvermelde wijze ontslagen werd.
15
noodig heb. Voor 't overige moet ge echter weten, dat een kerel, die zich tot verspieder laat gebruiken, wèl een nuttig, maar toch altijd een nietswaardig sujet blijft, wien het past, zich steeds zeer bescheiden en eerbiedig te gedragen. Ik rijd nu naar Berlijn, en ge kunt meerijden. Trek uw staatsiekleed uit, opdat niet iedereen dadelijk den pauw aan zijne vederen herkenne, en ga dan naar de herbergen, en luister naar hetgeen men van den oorlog zegt, en of de menschen zeer ontevreden zijn. Houd uw groote ooren zeer wijd open, om mij van avond zeer veel nieuws te kunnen vertellen. Scheer u nu weg, en zeg mijn koetsier dat hij moet inspannen. Binnen een half uur rijd ik weg.quot;
De jonge man ging met gebogen hoofd en met hangende onderlip naar de deur, maar bleef er naast staan zonder haar te openen.
âNu,quot; vroeg de Koning op zachter toon; âwat is er nog ? Waarom gaat ge niet heen, Kretschmar'?quot;
âIk kan niet heengaan, als Uwe Majesteit op mij verstoord is,quot; gromde de kamerdienaar; âen ik mag ook niets meer hooren, en zien, indien Uwe Majesteit mij zoo beschimpt en voor zoo erbarmelijk en laaghartig houdt. Vooreerst, heeft Uwe Majesteit bevolen, dat ik overal luisteren en bespieden zou, en nu ik aan dat bevel gehoorzaam, nu word ik veracht en uitgescholden. Daarom wil ik er niets meer mer te doen hebben, en is 't beter dat Uwe Majesteit mij weder eenvoudig kamerlakei laat blijven, in plaats van zulk een gemeenen post te moeten hebben.quot;
âNu, het was zoo kwaad niet gemeend,quot; zei de Koning, âik meen het immers goed met u, maar ge moet u niets aanmatigen, en niet onvermoedig en oneerbiedig worden, anders jaag ik u natuurlijk naar den duivel. Overigens zijt ge immers geen gewoon spion, maar luistert slechts een beetje rond, wijl het u bekend is, dat ik gaarne weet wat de menschen zeggen, en wat te Berlijn en Potsdam omgaat. Pas echter op, dat niemand er iets van merkt; want dan zouden de menschen voorzichtig worden, en kreegt ge niets meer te hooren. Ga nu, en opdat ge weder een vroolijk gezicht zult zetten, wil ik u ook iets schenken.quot;
Hij haalde een met geldstukken gevuld beursje uitzijn vestzak, en reikte het den jongen man, die het evenwel met een verdrietig en stuursch gelaat aannam.
16
âNu, nu, laat de onderlip niet zoo hangen; ik zou er anders op kunnen treden,quot; zei de koning glimlachend; âsteek uw geld op, maak dat ge weg komt en laat de oude Pfund inspannen, want anders zal ik niet meer ter rechter tijd in den Slottuin komen.quot;
âNu dat heeft geen nood. Majesteit, want de juffer schijnt veel van wandelen te houden, en was gisteren gedurende bijna twee uren in den Slottuin, ging altoos langs de eenzaamste paden, alsof zij vreesde andere menschen te ontmoeten, zat wel een half uur lang op de ijzeren bank bij den karpervijver, en ging vervolgens in de philosofenlaan, waar zij als een jong veulen op en neêr huppelde.quot;
âGe zijt een sluwert, en weet uwe oogen goed open te doen,quot; zei de Koning: âScheer u nu naar den duivel, en laat inspannen!quot;
II.
WILHELMINE ENKE.
De Slottuin was heden even stil en zonder menschen, als 't er gewoonlijk placht te zijn. Geen luid gedruisch, geen spreken en lachen stoorde de stilte dezer zwijgende paden en lanen, en wie de eenzaamheid beminde en die zoeken wilde, behoefde zich slechts in de voormiddaguren naar den Slottuin van Potsdam te begeven; want daar kon men zeker zijn, haar te vinden.
Misschien was het dan ook daarom, dat de jonge dame, die zich daar in een der stille, donkere lanen bevond, den Slottuin had opgezocht. Ten minste: zij scheen volkomen tevreden er niemand te ontmoeten, want een opgeruimde, vergenoegde uitdrukking sprak uit haar gelaat, en haar ge-heele wezen ademde welbehagen en tevredenheid.
Zij was eenvoudig en zonder opzichtigen zwier gekleed; een donker gewaad van zijden stof omhulde hare rijzige, slanke gestalte; het zwart zijden manteltje, 'twelk zij herwaarts gaande gedragen mocht hebben, had zij nu afgeworpen en op de steenen bank gelegd, waarnevens zij stond. Aan de eenzaamheid, de zon en de vogels mocht
17
zij wel deze fraaie, slechts onder een wit gazen doek verborgen schouders en deze armen toonen, wier wonder-schoone vorm aan de fraaiste beelden der ouden herinnerde.
Haar aangezicht, hoewel niet van regelmatige schoonheid, bezat echter de uitdrukking van aanvalligheid en schalksch-heid, van geest en energie, die verlokkender en duurzamer bekoort, dan vaak de onherispelijkste schoonheid zulks vermag. Uit hare groote, zwarte oogen straalde een wonderbaar vuur, om hare purperroode, opgekrulde lippen speelde een zachte glimlach, haar fijn gevormde neus gaf aan haar gelaat een stoutmoedige, vaste uitdrukking, en haar hoog gewelfd voorhoofd deed vermoeden, dat daarachter, moedige en krachtige gedachten, dit door rijke, bruine, ongepoederde lokken omgolfd hoofd, doorkruisten. Zij was niet meer in den bloei der eerste jeugd, maar met hare vijf-en-twintig jaren scheen zij altoos nog jonger dan menige achttienjarige schoone, en al had hare gestalte niet meer den toover van het jeugdige en maagdelijke, zij betooverde daarentegen door hare zachte vormen, door de volheid en weelderigheid barer heerlijke buste.
âLouise, Louise! Waar blijft ge toch!quot; riep de jonge dame, terwijl zij haastig eenige schreden voorwaarts deed naar het kleine zijpad, dat zich hier van de groote laan scheidde, en aan welks einde men het uitzicht had op een uitgestrekt zonnig grasperk.
âIk ben hier, Mamsel,quot; riep een vrouwenstem; âik kom, ik kom al!quot;
âMamsel,quot; prevelde de dame; âhoe leelijk klinkt dat! Mij stijgt telkens een blos van schaamte in 't gelaat, als de min mij zoo noemt; het klinkt als bittere spot en hoon. Het werpt mij mijn geheel leven als een bezoedelden handschoen in 't aangezicht, en tóch moet ik het verdragen, en tóch zou ik nauwelijks wenschen dat het anders ware! Ha!quot; riep riep zij vervolgens met vroolijker stem; âdaar zijt ge Louise, en hier is mijn allerliefste kleine jongen.quot;
Zij snelde op de boerin toe, die juist uit het zijpad kwam, en boog zich met teederen blik over het in kussens en sluiers gewikkelde kind, dat de min in hare armen droeg.
âHoe fraai en schrander ziet hij er uit, mijn kleine Alexander,quot; riep de jonge dame; âzijne oogen zien mij Mühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. I. 2
18
zóó scherp en verstandig aan, alsof hij mij reeds kende, en wist, hoe lief ik hem heb.quot;
,,Ffij kent u ook reeds, Mamsel,quot; zei de min vriendelijk knikkende; âen hij weet óók reeds dat ge hem lief hebt; want, dat weten de kinderen, evenals de honden, terstond wie ze lief heeft en wie niet. De kinderen beginnen te schreien, en de honden kruipen weg, als er iemand bij hen is, die het niet goed met hen meent.quot;
âOnzin, Louise,quot; lachte de Mamsel, terwijl zij een langen kus op het voorhoofd van 't kind drukte: âOnzin! Heeft mijn kleine jongen niet gisteren geweend, toen zijn heer vader hem op den arm nam? En deze bemint zijn kleinen Alexander toch gewis zóó teeder, als slechts een vader zijn kind beminnen kanquot;
âJa, dat heeft nu weder een andere reden,quot; zei de min verontschuldigend: âdat de jongeheer gisteren begon te schreien, kwam alleen, omdat hij nu het domme viereljaars uit is, en ziet en hoort wat om hem heen geschiedt. Hij schrikte nu slechts, wijl hij voor 'teerst in zijn leven het gelaat van een man zag, en omdat, â maar zie eons Mamsel,quot; viel zij eensklaps zichzelve in de reden; âzie eens dat allerliefste hondje, dat daar komt aanspringen.quot;
Inderdaad, een allerliefst hazewindhondje van het kleine Italiaansche ras, kwam juist met dartele, lustige sprongen door het kleine zijpad naar de laan, en begon, toen het de beide vrouwen ontwaarde, luid toornig te blaffen.
âStil, Alkmene, stil,quot; riep een luide^ gebiedende stem; âsoyez raisonnable, mademoisselle.quot;
âGoede hemel, dat is de Koning,quot; stamelde de jonge dame verbleekend, en als bedwelmd eenige schreden achteruittredend.
âJa,quot; fluisterde de min; âwaarlijk, 't is de Koning. Daar komt hij van het grasprek regelrecht hierheen.quot;
âVoort, zoo haastig mogelijk voort!quot; lispte de Mamsel, en zij ijlde naar de bank, nam het manteltje, wierp het met bevende handen over haar schouders, en trok den kap over haar hoofd.
âKom nu, Louise, kom!quot;
Zij keerde zich haastig om, en had reeds eenige schreden voorwaarts gedaan, toen een luide stem achter haar, op bevelenden toon riep, âHier gebleven! Stil gestaan!quot;
19
De Mamsel gehoorzaamde dadelijk. Zij bleef als vastgenageld staan, en legde haar rechterhand op den schouder der min; misschien om haar tegen te houden, misschien om op haar te leunen. Hare knieën knikten onder haar, een zonderling suizen klonk in hare ooren, en zij had een gevoel, alsof de geheele wereld met haar omdraaide en onder haar ineen zonk.
Maar op deze eerste bedwelming van angst en schrik volgde een gevoel van fiere beradenheid, van moedige bezinning.
âIk sta thans op een keerpunt mijns levens,'' zeide zij tot zich zelve; âhet volgend uur zal óf mij verpletteren, óf mijn toekomst verzekeren! Strijden wij dus voor onze toekomst!quot;
Zij dwong haar hart tot kalmte, overwon haar vreesachtig beven, en zeide gebiedend tot zich zelve: âHef uwe oogen op en zie hem aan, hém, die u thans als rechter teeemoet-treedt!quot;
En langzaam, sloeg zij de oogen op, en richtte ze op hèm, die nu van het zijpad in de laan was gekomen, en thans dicht voor haar stond.
Maar, toen de vlammende blik zijner oogen haar trof, sloeg zij bevend de hare weder neder, en een donker purper bedekte hare wangen.
âWie zijt gij?'' vroeg de gebiedende stem van hèm die zijn adelaarsblik strak op haar gericht hield.
Zij antwoordde niet, maar stond zwijgend, onbewegelijk voor hem, en slechts hare luide, angstige ademhaling, die met koortsige snelheid haar borst bewoog, verried den storm die in haar binnenste woedde.
âWie zijt ge,?quot; herhaalde stem de andermaal, nog gebiedender: âWie heeft zich veroorloofd mijn tuin als kinderkamer te gebruiken? Wat is dat voor een kind, en wie zijn zijne ouders? Er moeten waarlijk aan het Hof zeer aanzienlijke personagjes zijn, die zich durven vermeten, hun kind met de min in den koninklijken tuin te zenden, en zeker moeten zij met hoogmoed en vreugde op dit kind hunner echtelijke liefde kunnen nederzien, daar zij het onbevreesd voor God, den hemel en de zon vertoonen! Zeg mij dus wien behoort dit kind ?quot;
De dame antwoordde nog altoos niet, maar er drong
'20
als een krampachtig snikken uit hare borst; eensklaps zonk zij als gebroken op hare knieën en hief hare gevouwene handen smeekend omhoog.
âGenade, sire, genade!quot; riep zij; âVernietig mij met uwen toorn, maar verpletter mij niet met uwen spot!quot;'
âWat is dat?quot; vroeg Frederik: âWelke taal veroorlooft gij u te voeren?''
âSire, het is de taal eener ongelukkige, eener wanhopige, die weet, dat zij thans voor haren rechter staat, voor het oog van den verheven Monarch, wiens oordeel zij meer vreest dan het oordeel Gods. Want God ziet in haar hart en in hare ziel; God kent de folteringen en de verwijten van haar geweten; God weet wat zij lijdt, en weet ook dat haar ziel rein is van alle eigenbaat en elke onedele begeerte. God zal doen wat Uwe Majesteit misschien mei zal doen; Hij zal vergeven.quot;
âGe spreekt zeer stout,quot; zei de Koning op strengen toon; âen 't schijnt dat ik met een tooneelprinses te doen heb, die zich vermeten wil een grande scène met een pathetisch slot voor mij te spelen. Maar ik moet u zeggen, dat ik het comediantenvolk verfoei, en mij de verhevene treurspelstijl der tooneelisten slechts doet lachen. Geef u dus geen moeite met mij, maar antwoord; Wie zijt ge? En wien behoort het kind, waarmede ge bier-wandelt?quot;
âSire, slechts God en mijn Koning mogen mijn antwoord vernemen,quot; antwoordde de dame: âik bid dus nederig, dat .het mij geoorloofd moge zijn, de min mef het kind van hier te verwijderen.quot;
âDoe dat,quot; zei de Koning, zacht met het hoofd knikkende; âmaar sta eerst op; want ik houd er niet van dat men voor mij, als voor een afgodsbeeld nederknielt.quot;
De dame richtte zich langzaam op, en wendde zich tot de min, die zich van angst en schrik eenige schreden teruggetrokken had, en met verbaasde oogen naar den Koning staarde.
âGa naar huis, Louise,quot; zeide zij haastige;' âen maak het kind in slaap. Ga!quot;
De min verwijderde zich ijlings; de windhond des Konings sprong haar na, en hapte naar de punt van den sluier, die het kind omhulde.
21
âWelnu, thans zijn wij alleen;quot; zei de Koning; âgeef nu antwoord. Wie zijt ge, en wien behoort het kind?quot;
âSire,quot; zei de dame met vastberaden stem; âik ben de dochter van uwen kamermuzikant Enke, en het kind is de zoon van prins Frederik Willem van Pruisen.quot;
De oogen des Konings schoten hunne vlammende bliksems over het gelaat der moedige spreekster.
âGij zegt dat,quot; riep hij op scherpen toon; âmaar wie blijft borg voor de waarheid? Het is een groote vermetelheid, zich van zulk een doorluchtigen naam te bedienen, om een kind een achtenswaardigen vader te geven. Als ik u nu geen geloof schonk, Mamsel Enke? Als ik u als een lasteraarster en hoogverraadster, als een echtbreekster en zondares naar het tuchthuis te Spandau zond?quot;
âSire, dat zult ge niet doen,quot; riep Wilhelmine Enke; âdat zult ge niet doen, want dan zoudfgij ook de eer en den naam van uwe troonopvolger naar het tuchthuis te Spandau zenden.quot;
âWat wilt ge hiermede zeggen?-' vroeg de Koning haastig,
âIk wil hiermede zeggen, Majesteit, dat de Prins van Pruisen heilige plichten jegens mij heeft; want ik bende moeder van het kind, dat ik zoo even weggezonden heb.''
âGij bekent dus uwe schande? Ge waagt het, voor mij, voor uwen Koning te bekennen, dat ge de geliefde, de on-derhoudene maitres van den prins van Pruisen zijt? Gij loochent het niet, een liaison te hebben met dezen heer die toch eene gemalin heeft, bij welke hij kinderen bezit'? Gij beproeft het zelfs niet, uwe misdaad te loochenen en te verontschuldigen ?quot;
âSire, ik zou beproeven haar te verontschuldigen, zoo ik niet wist, dat Uwe Majesteit mijne verontschuldiging tóch niet zou aanhooren.quot;
âWat zoudt ge tot uwe verontschuldiging kunnen aaït-voeren? Er is er volstrekt geene te vinden!quot;
âZeer zeker Majesteit!'' riep zij levendig; âDe liefde is mijn verontschuldiging. Ach,mijn Koningen Heer,schud niet ongeloovig uw verheven hoofd, zie mij niet aan met dien blik van verachting. U, mijn God in den hemel, U smeek ik, verlicht mijn ziel met een straal Uwer zon, opdat mijne gedachten opbloeien tot woorden, en mijne lippen kunnen zeggen wat in mijn hoofd en hart brandt. Hoe dikwijls in
22
al deze jaren van mijn arm, veracht, verduisterd leven, â hoe dikwijls heb ik naar dit oogenblik verlangd, dat ik tegenover mijn Koning mocht staan; dat ik berouwvol zijne knieën omklemmen, en hem om genade smeeken wilde voor mij en mijne kinderen, voor deze arme wezens zonder naam, wier aanzijn de beschuldiging, en evenwel de trots en vreugde mijns levens is. O, Majesteit, ik wil geen anderen beschuldigen om mij te verontschuldigen; ik wil nietdensteen, dien men op mij heeft geworpen, op anderen werpen. Maar zeggen moet ik toch: dat men een nauwelijks veertienjarig meisje niet verdoemen en veroordeelen mag, wijl zij het bevel van hare ouders gehoorzaamt, en den jongen man volgt, die de eerste en de eenige man is, die haar het woord der liefde in 't oor fluisterde.quot;
â'tls waar, ik heb er van gehoord,'' zei de Koning: âuwe ouders hebben zich de schande van hun kind met geld laten betalen.quot;
âMajesteit, mijn vader was arm; hij had vier kinderen, welke hij van het karig tractement als kamermuzikant, niet onderhouden en opvoeden kon. De Prins beloofde mijn vader voor mijne opvoeding en ontwikkeling te zullen zorgen.
âO, een jongmensch van vier-en-twintig jaar belooft veel, zonder er aan te denken het te willen houden.''
âMajesteit, de Prins van Pruisen heeft zijn belofte gehouden. Hij had mijn overleden vader beloofd voor mijne opvoeding te zorgen, en dat heeft hij gedaan. Alles wat ik ben en weet, heb ik hèm te danken.
âZoo, heeft hij dat gedaan? Nu, door wien heeft hij u dan laten onderwijzen, en wat hebt ge geleerd?quot;
âMajesteit, de Prins wilde vóór alles dat ik Fransch zou leeren spreken, en hij gaf mij dus een Fransche vrouw, madame Gerard, tot gouvernante, en daar deze muzikaal was, leerde ik van haar ook op het klavier en de guitar spelen.quot;
âNu ja, een beetje Fransch babbelen en muziek tingelen zal nu wel alles zijn, wat ge geleerd hebt,quot; riep de Koning de schouders ophalende.
âSire, ik bid om vergeving; ik ben ook tamelijk met geschiedenis en aardrijkskunde bekend; ook zijn mij de dichters, zoowel der oude als nieuwere volken, niet vreemd. Ik heb Homerus, Horatius en Virgilius in goede Fransche
23
vertalingen met mijn onderwijzer gelezen; wij hebben te za-men de geschiedenis van Brandenburg, van Duitschland en van Amerika bestudeerd; wij hebben de onsterfelijke werken van Voltaire, van Jean Jacques Rousseau en van Shakespeare gelezen, en de poëtische werken van onze nieuwe üuitsche dichters bewonderd. Mijn leermeester heeft mij al deze werken voorgelezen, en het deed hem altoos vermaak, ds ik hem den volgenden dag uit het hoofd, plaatsen, uit hetgeen wij gisteren gelezen hadden, kon herhalen.quot; ') âNu, dat schijnt voorwaar een zeer veelzijdig ontwikkelde leermeester te zijn,quot; merkte Frederik spottend op; .,hoe heet. hij toch?quot;
âSire, hij heet Prins Frederik Willem van Pruisen. Ja, Majesteit; 'tis de Prins, die mijn geest gevormd, die mij opgevoed en onderwezen heeft. Hoe jong hij zelt nog was, toen hij mijne opvoeding op zich nam, heeft hij zich toch met trouw, volharding en geduld aan deze moeielijke taak gewijd. Hij beminde mij, en daarom wilde hij mij zich zijner waardig maken, mijn geest en mijn hart vormen. Ik zal hem hiervoor danken zoolang ik leef; slechts de dood kan de liefde, de achting en den eerbied, welke hij mij inboezemt, uitdooven.quot; 1)
âZoo ik u echter beveel den Prins te verlaten? Zoo ik het schandaal niet langer dulden wil, en'tu dus tot plicht maak deze onwettige betrekking op te geven?quot;
âSire,quot; antwoordde zij met een moedige uitdrukking ; âik zal nooit vrijwillig van mijn dierbaren Prins en heer, van den vader mijner beide kinderen scheiden. Uwe Majesteit zou mij met geweld van hem moeten verwijderen.''
âO, dat zal niet noodig zijn, mademoiselle!quot; riep de Koning: âEr is nog een ander hulpmiddel. Ik zal den Prins te kennen geven, dat ik dit schandaal niet langer wil dulden. Ik zal hem hevelen u uw afscheid te geven, en voortaan geen gemeenschap meer met u te hebben.quot;
âMajesteit,'' hernam zij bedaard; âik weet dat de Prins zijnen Koning in alles een gehoorzaam en eerbiedig onderdaan en dienaar is, maar dit bevel zou hij niet gehoorzamen!''
1
Eigen woorden der gravin. Ibiden, pag. ló.
'24
âHoe, acht ge het mogelijk dat hij 't zou kunnen wagen mijne bevelen te trotseeren ?quot;
âSire, hij zou u niet trotseeren, maar 't zou hem onmogelijk zijn te gehoorzamen.
âWat zou hem hierin verhinderen?quot;
âDe liefde, sire; de trouw, welke hij mij duizend en duizendmaal met heilige eeden gezworen heeft, en eindelijk, sire, de achting, welke hij mij, als de moeder zijner beide kinderen, als de vrouw verschuldigd is, die hem haar eer en haar leven heeft toegewijd, en van wie niemand mag zeggen, dat zij slechts met één woord, één blik de trouw heeft gekrenkt, welke zij den Prins, den man barer eerste en eenige liefde gezworen heeft.quot;
âGij meent dus, dat ik den Prins niet anders dan met geweld van u zou kunnen scheiden?quot;
âJa, majesteit,quot; riep zij met van geestdrift gloeiend gelaat; ,,ja, dat meen ik!quot;
âO, gij zult u tóch misrekend hebben, en dat zult ge zien 1quot; zei de Koning op dreigenden toon: âGij weet niet welk een macht een wettige huwelijksverbintenis beeft, en welke mededingers wettige kinderen zijn, wier vader men zich voor God en de geheele wereld durft bekennen. Beroem u niet op de liefde van den Prins, maar denk dat een eerbare eenzaamheid en afzondering het eenige is wat u betaamt. Zulke liaisons dragen steeds hun vloek en straf in zich zelve, en gij zult dat moeten ondervinden. Ga die dus bijtijds uit den weg, dat zal het beste voor u zijn. En voor 't laatst wil ik u nog één zaak zeggen: Vermeet u niet, u met uwe onreine handen in de aangelegenheden van Staat en Regeering te mengen. Er zijn bij sommige collegies dingen voorgekomen die onbehoorlijk zijn, en ik heb bevel moeten geven, dat mijne regeeringsraden, bij aanstellingen en ambts-verleeningennietop de protectie en aanbeveling van zekeren hoogen persoon moeten letten. Gij staat achter dezen persoon, en schijnt mij de eigenlijke beschermster en genade-verieenster te zijn. Maar, neem u in acht; want ik zeg u: gebeurt iets dergelijks nog eens, en wilt ge u vermeten hier misschien de kleine Pompadour te spelen, iets anders te zijn dan wat u oneer uw vergunt, dan hebt ge met mij te doen I Gij hebt, zegt ge. Homerus gelezen ; dus ken t gij ook de geschiedenis van Penelope, die uit huwelijkstrouw spon
25
en weefde, en des nachts weder uittrok wat zij over dag geweven had. Ge hebt wel is waar met de getrouwe en eerbare Penelope geene overeenkomst, maar in één ding zoudt ge haar ten laatste toch kunnen nastreven, en wel, 't âspinnen,quot; meen ik, en zoo ge u voortaan niet zeer stil en rustig gedraagt, kon ik wel eens een moderne Penelope van u maken, en u in 't spinnen laten onderwijzen ; waartoe in het tuchthuis te Spandau de allerbeste gelegenheid bestaat. Onthoud dit en handel er naar, en laat het u niet weêr in 't hoofd komen, bescherming te willen uitoefenen. Ik zal het spinrad en de wol steeds voor u gereed houden; reken hierop vast en bepaald. Ga nu, en onthoud tevens, dat het mij onaangenaam is dat ge mijn Slottuin bezoekt, want ik mag gaarne zuivere lucht inademen. Richt dus uwe wandelingen ergens anders heen, en zorg, mij nooit weder te ontmoeten.quot; 1)
âMajesteit, ik âquot;
âZwijg; ik heb genoeg gehoord, en ge hebt geen woord meer tot mij te spreken. Ga, en omhul uw hoofd zoo dicht dat niemand uwe schande en de lichtzinnigheid van den Prins moge herkennen. Ga, en dat ik u «ooii wederzie!quot;
Hij gebood haar met een heftig handgebaar zich te verwijderen, en zijn groote oogen rustien met een vlammenden doorborenden blik op haar bleek, ontsteld gelaat, op haar gebogen, deemoedige houding; rustten nóg op haar, toen zij zich langzaam omkeerde, cn zich met moeite, alsof hare bee-nen onder haar wilden bezwijken, door de laan voortsleepte.
Lang stond de Koning met de handen op den krukstok geleund, en oogde haar na; ook toen zij reeds aan 't einde der laan verdwenen was, hield hij nog steeds zijne oogen daarheen gericht. Na een langen tijd, boog hij zijn hoofd, en een zachtere uitdrukking straalde over zijn aangezicht.
âDie zich vrij van zonde gevoelt, heffe den eersten steen op, om haar te steenigen,quot; prevelde hij, terwijl hij langzaam, gevolgd door zijn hondje, het zijpad weder insloeg en zich naar zijn rijtuig begaf, dat hem buiten den tuin wachtte.
Den geheelen weg over was de Koning stil, en geen
1
Dit bevel werd stipt gevolgd, en buiten deze ééne ontmoeting in den Slottuin van Potsdam, zag Frederik de geliefde van den Prins van Pruisen nooit weder.
26
enkele maal richtte hij het woord tot den opperstalmeester von Sohwerin, die tegenover hem op de voorbank van het rijtuig zat.
Eerst toen zij door de breede straat der Linden, Berlijn binnenreden, richtte Frederik zijn blik op den opperstalmeester, en daar hij zag dat deze, vermoeid van het lange zwijgen en den eentonigen rit, in slaap was gevallen, riep hij met luide, forsche, gebiedende stem Alkmene. Hij sprak luid en druk met haar, tot de heer von Schwerin, verschrikt ontwakend, zijn blik op den Koning richtte, om te onderzoeken, of zijn vreeselijk vergrijp tegen de etiquette, hem een toornige berisping op den hals zoude halen.
Maar Frederik keek hem zeer vriendelijk aan, en scheen zijn ontzettende fout geheel niet bemerkt te hebben. âHebt ge mij niet gezegd, Schwerin,quot; zeide hij op leven-digen toon; âdat graaf Schmettau zijn landhuis te Char-lottenburg wil verkoopen?quot;
âOm U te dienen. Majesteit; hij heeft mij zelfs gevraagd, of ik het niet koopen wilde, of hem soms een kooper kon bezorgen.''
âHoeveel zou het huis waard zijn?quot;
âMajesteit, graaf Schmettau vraagt er achtduizend thaler voor, maar er is een zeer fraai park bij, en het huis is zóó groot, dat men het wel een Slot kan noemen. Het is zeer goedkoop.quot;
âWaarom koopt ge het dan niet, daar Schmettau het u heeft aangeboden?quot;
De opperstalmeester poogde een zeer jammerlijk en treurig voorkomen-aan te nemen. âMajesteit,quot;'antwoordde hij zuchtend; âik zou de gelukkigste mensch zijn, zoo ik dit bekoorlijke en prachtige hind huis koopen kon, en't zou voor mij een ware zegen wezen, indien ik daar des zomers van tijd tot tijd de frissche lucht kon genieten. Maar mijne financiën vergunnen mij helaas zulke uitgaven niet; ik ben niet rijk en heb een talrijk gezin.''
âDan hebt ge gelijk, geen onnoodige uitgaven te doen,quot; zei de Koning bedaard; âfrissche lucht kunt ge immers bij mij in Potsdam zooveel ge maar wilt scheppen, en dat kost u en mij geen geld. Maar, zeg aan graaf Schmettau dat ge eeu kooper voor zijn landhuis te Charlottenburg weet.quot;
27
âO, Uwe Majesteit is waarlijk al te genadig!quot; riep de opperstalmeester vol vreugde; âik weet niet âquot;
Maar, het rijtuig reed juist het Slotplein op, en het donderend geratel der rollende raderen maakte de laatste woorden van den opperstalmeester onhoorbaar.
Hij haastte zich hel i-ijtuig te verlaten, om Zijne Majesteit bij het uitstijgen behulpzaam te zijn.
âZeg aan Schmettau,quot; beval de Koning, terwijl hij de breede trap van het Slot opging; âdat hij morgen voormiddag ten tien ure te Sanssouci kome, en zich bij mijn penningmeester en kabinetsraad Menkon aandiene.quot;
Hij knikte den opperstalmeester vriendelijk toe, en ging voorbij de het geweer presenteerende schildwachten de Zwitserszaal binnen, en vervolgens naar de bijzondere vertrekken, welke hij, als hij zijn verblijf in de hoofdstad hield, placht te bewonen.
De Zwitserszaal begon zich inmiddels te vullen ; want de generaals en stafofficieren van het Berlijnsch garnizoen niet alleen, maar ook der regimenten, die uit de overige provincies waren aangekomen, hadden zich, om zich bij 't leger aan te sluiten, ingevolge een koninklijk bevel, naar het Slot begeven.
De meesten hunner waren oud, gebrekkig en vermoeid naar geest en lichaam. Allen kwamen in de Zwitserszaal met grommige, verdrietige gezichten, met bekommerd voorkomen. Het groole nieuws van den aanstaanden oorlog met Oostenrijk, had zich reeds onder de militairen verbreid, en de oude generaals van den zevenjarigen oorlog vonden het zeer onaangenaam en lastig, dat men hen van hunne lauweren wilde opjagen, om nieuwe lauweren te verdienen, waartoe zij volstrekt geen lust meer gevoelden
Evenwel zou niemand het hebben durven wagen deze geheimste gedachte zijns harten aan een ander te verraden, of zelfs hier in de Zwitserszaal een woord van misnoegen te uiten. Want men wist, dat de Koning overal zijne spionnen had, en niemand kon weten, of de persoon met wien hij zich juist onderhield, óók niet tot de spionnen des Ko-nings behoorde.
Er heerschte dus onder de generaals en stafofficieren in de Zwitserszaal een bedrukt, angstig zwijgen, en slechts onbeduidende woorden en gezochte vragen naar elkanders
28
welstand lluisterde men elkander toe, terwijl aller blikken naar de deur waren gewend, door welke de Koning moest binnenkomen.
Eindelijk opende zij zich, en Frederik trad binnen. Zijn houding was gebogen evenals die zijner generaals, de rug gekromd door de zorgen des levens en den last des ouder-doms. Hij was een oud man, evenals deze allen welke hij juist met een oplichten van zijn driekanten hoed begroette, en in wier midden hij nu trad. Maar op zijn bleek, vervallen aangezicht straalde evenwel nog de zonneglans van een eeuwige, onvergankelijke jeugd, en zijn oog glinsterde heden nog even moedig en vurig als voor acht-en-der-tig jaren, toen hij op deze zelfde plaats zijn jonge officieren om zich verzameld had, om hun te zeggen, dat zij uit-zou-den-trekken ten oorlog tegen Oostenrijk! Hoevele oorlogen, hoevele gevechten, hoevele ontnuchteringen, zegepralen en nederlagen hadden deze acht-en-dertig jaren den Koning gebracht! Hoe weinig geleek de jonge, vurige Koning van toenmaals, op den ouden, zwakken grijsaard van heden! Hoe weinig geleek de jonge Koning Frederik de Tweede op den ouden Frits! En niettemin woonde in dit zwakke, matte hulsel, nog dezelfde sterke, moedige geest, en van den Koning Frederik den Tweede was in den loop dezer jaren Frederik de Groote geworden!quot;
De Groote was hij ook heden, deze kleine, gebogen grijsaard; want groot was zijn willen en volbrengen, en eigen verval en behoefte aan rust niet achtende, waren zijn denken en pogen slechts aan het welzijn van zijn volk en land, slechts aan Duitschlan'ds grootheid en roem gewijd.
Deze oogen, die zich nu naar den kring der om hem staande generaals wendden, waren nog altoos de vlammende oogen des heldenkonings, die met hun blik den loerenden moordenaar ontwapenden, en zelfs trotsche en gevierde geleerden in verwarring brachten, temidden van hun aangevangen rede, zoodat zij stamelden en verstomden.
Frederik de Groote was hij nog altoos, die nu, op den krukstok geleund, in den kring zijner generaals stond, en ze opriep ten strijde voor het vaderland, ten strijde voor Duitschland! â
âMessieurs,quot; sprak de Koning met luider stem; âik heb u om mij vereenigd om u te zeggen, dat wij uittrekken
29
moeten tot nieuwe gevechten en, zoo God wil, tot nieuwe overwinningen. Do Keizer van Oostenrijk dwingt mij er toe, want hij is voornemens, tegen alle wetten, gewoonten en Rijksrechten, een Duitsch land, het keurvorstendom Beieren, in 't bezit van zijn Huis te brengen. De keurvorst Karei ïheodoor heeft geen kinderen, en hij heeft met den Keizer een overeenkomst gesloten, krachtens welke na zijn dood het hertogdom Beieren aan Oostenrijk zal komen. Tengevolge van deze overeenkomst is reeds nu een Oos-tenrijkbch leger Beieren binnengerukt en heeft de grenzen bezet. Maar de keurvorst en hertog Karei Theodoor waren lot zulk een gedrag niet gerechtigd; want hoezeer hij ook geen kinderen ter opvolging bezit, heeft hij toch een wettigen opvolger en erfgenaam. Dat is zijns broeders zoon, de hertog Karei van Tweebruggen. Ãok Keursaksen en Mecklenburg hebben, â zelfs indien Tweebruggen er niet ware, â gegronde erf-aanspr^ken op Beieren, en al deze Vorsten hebben zich tot mij gewend, om hen bij den Keizer en bij het Bijk te vertegenwoordigen, en hen in hunne gekrenkte rechten en erf-aanspraken te beschermen. Ik heb aanvankelijk beproefd langs den weg van goedheid en overreding Oostenrijk van zijn uitbreidingszucht afte-hrengen, maar men heeft te Weenen elke vriendschappelijke bemiddeling afgewezen. Ik, als lid vanhetlUjk,â en vermits ik den Westfaalschen vrede door het Huber-tusburger tractaat opnieuw bevestigd heb, â gévoel mij dus onmiddelijk verplicht de voorrechten, vrijheden en rechten van het Duitsche Bijk te verdedigen, alsmede de keizerlijke kies-instellingen, waardoor de macht van het opperhoofd des Bijks beperkt wordt, om te voorkomen dat hij het overwicht zijner waardigheid misbruike. Ik heb derhalve wel moeten besluiten het zwaard op te hellen, om datgene, wat de heeren diplomaten niet met hunne pennen kunnen vereffenen, dadrtnede weder in orde te brengen, en voor een Duitschen Vorst en diens heilige rechten in het krijt te treden. *) Dit zijn de redenen, messieurs, die het mij tot plicht maakten een legerkorps bijeen te trekken, en u hier om mij te verzamelen.quot;
1) De eigen woorden des Konings. Zie Preuss. Priedrich der Grosse. Eln Lebensgeschichte. Band III.
30
Zijn oogen flikkerden in den kring rond, langs al deze verwelkte, gerimpelde gezichten zijner generaals, en ontmoetten overal slechts ernstige trekken en treurige blikken.
De Koning onderdrukte slechts met moeite een zucht, en ging toen met zachte, gesmoorde stem voort: âMijn zwakke ouderdom vergunt mij niet, zóó te reizen als ik dit in mijn vurige jeugd deed. Ik zal mij van een postkoets moeten bedienen, en gij, messieurs, hebt de vrijheid hetzelfde te doen. Maar, op den dag des gevechts zult ge mij te paard zien, en gij, mijne heeren, zult dan, hoop ik mijn voorbeeld volgen. ^ Tot zoolang, vaart allen wel!quot;
âLeve de Koning!quot; riep de generaal von Krokow, en al deze generaals, die eertijds in zulke luide, jubelende tonen met dezen kreet hadden ingestemd, herhaalden nu met zwakke, bevende stemmen den kreet der Pruisische krijgslieden: âLeve de Koning!quot;
Frederik dankte zijn generaals met een zachten glimlach, terwijl hij weder den versleten driekanten hoed een weinig ophief en, naar alle zijden groetende, zijn hoofd boog. Vervolgens wendde hij zich langzaam om, en keerde, op zijn krukstok steunende, naar zijn woonkamer terug.
Maar thans, nu hij weder alleen was, verbleekte de jeugdige glans in zijne oogen, en de grijze schaduwen des ouderdoms daalden op zijn peinzend voorhoofd neder.
âAllen zijn oud en grommig geworden,quot; zeide hij tot zich zelve: âzij zullen ook geen groote heldendaden meer verrichten, want de vlammen der eerzucht zijn in hunne harten verdoofd, en een warme haard moet hun kille leden verwarmen. Ach, het is toch een erbarmelijk iets, dat oud worden van den mensch! En evenwel noemen en beschouwen zij zich als Gods evenbeeld! Arme pochers, die door een zucht van Zijn almachtigen adem omgeworpen en gebogen worden, gelijk de grashalm in het zand.quot;
âMajesteit, mag ik binnenkomen?quot; vroeg een teedere, vroolijke kinderstem.
De Koning wendde zich haastig om en keek naar de deur, die zich juist zacht en voorzichtig geopend had. Op den drempel stond een allerliefste kleine knaap, in de uniform
1) Als voren.
31
van vaandrig, met de chako op het hoofd en een kleinen, sierlijken degen op zijde.
De Koning knikte hem vriendelijk toe. âJa, heer vaandrig,quot; zeide hij; âge moogt binnenkomen, te meer, wijl ik u hier ontboden heb.quot;
III.
FREDERIK WILHELM.
De kleine vaandrig huppelde met aanvallige levendigheid naar binnen, snelde met vroolijke sprongen op den Koning toe, nam zonder plichtplegingen diens hand, en drukte haar teeder aan zijne lippen.
Vervolgens hief hij het hoofd op, schudde de lichtbruine lokken van zijne blozende wangen terug, en keek met zijn glinsterende, blauwe oogen den Koning recht in 't gelaat.
âMajesteit,' riep hij; âgij zegt, mij ontboden te hebben, maar ik moet u zeggen, dat ik toch van zelf zou gekomen zijn, en zóólang aan uw deur gebedeld zoude hebben, tot üii mij binnen had gelaten.quot;
âEn zoo ik u evenwel niet binnen gelaten had?quot; vroeg de Koning glimlachend.
De kleine vaandrig dacht een oogenblik na; vervolgens zeide hij met tartend gelaat: ,,Dan Majesteit, zou ik de deur met geweld opengerukt hebben, naar binnen gesprongen zijn, mij aan Uwer Majesteit's voeten geworpen. Uwe handen gekust, en gezegd hebben: Majesteit, mijn Koning en mijn lieve oudoom, ik kom enkel om u duizendmaal te bedanken voor bet vaandrigspatent en de wonderfraaie uniform! Nu, en dan had ik wel eens willen zien of Uwe Majesteit den moed zou hebben gehad mij weg te jagen.quot;
jA'oyez done, mon Prince,quot; zei Frederik glimlachend; âgij gelooft dus, dat het mij voor eenige zaak aan moed kan ontbreken?quot;
âJa, Majesteit, voor slechte zaken!quot; riep de prins vol vuur; âen het zou slecht zijn, zoo gij mij niet wildet vergunnen u te danken. Ik heb mij zoozeer verblijd met het patent, hetwelk Uwe Majesteit mij genadig gezonden heeft, en daarbij
32
deze praclitigc uniform! Uwe Majesteit zegge zelf, zie ik er niet fraai in deze uniform uit?quot;
En de knaap richtte zijn sierlijke, slanke gestalte hooger op, en bracht groetend beide voorvingers zijner rechterhand aan de chako.
âNu ja,quot; antwoordde Frederik glimlachend: âge ziet er zeer knap uit. Maai', mon Prince; 't is niet genoeg dat men er goed uitziet, men moet ook goed zijn en goed handelen. Van een vaandrig mijner armee verlang ik geheel andere dingen dan van een ander, gewoon menschenkind; en wie mijne uniform draagt, moet ook bewijzen dat hij deze eer waardig is.quot;
âMajesteit, riep de prins haastig; âik verzekeru,paroze d'honneur, dat ik volstrekt geen dwaze streken zal doen, als ik de uniform draag. Uwe Majesteit kan't mijn gouverneur, mijnheer Behnisch, vragen. Hij is met mij mede gekomen en wacht buiten in de voorkamer, of Uwe Majesteit hem spreken wil. Ge zult eens zien, Majesteit; ik krijg een goed getuigenis. '
âNu, wij willen hem later binnenroepen,quot; zei Fredei'ik; âdoch eerst kunnen wij nog een weinig te zamen praten. Zeg nu eens, Frederik, hoe gaat het met u, zijt ge vlijtig en hebt ge braaf geleerd?''
âMajesteit, ik moet wel braaf leeren, zelfs indien ik er ook geen lust toe had! Mijnheer Behnisch laat mij volstrekl geen rust, en van 't spelen komt zoo goed als niets. Altoos moet ik leeren, werken, lezen, schrijven en rekenen. Nu en dan de aardrijkskunde en de geschiedenis! Majesteit, ik wilde dat er volstrekt geen aardrijkskunde en geschiedenis in de wereld was, dan behoefde ik niet zoo vreeselijk veel te leeren, en zou meer kunnen spelen en mij vermaken. Mevrouw mijne moeder heeft mij de vorige week een nieuwen kaatsbal geschonken. Maar meent U, dat ik er toe kom er behoorlijk mee te spelen? Nauwelijks ben ik begonnen, ot mijnheer Behnisch roept mij weder om te leeren en te studeeren. Maar ik ben slim geweest; o ja, ik ben slim geweest! Toen wij hierheen gingen, heb ik zeer heimelijk mijn kaatsbal den heer gouverneur inden groeten zak achter in zijn rok gestoken; en zoo heeft hij hem voor mij, zonder dat hij het weet, hierheen moeten dragen.quot;
33
âMaar weet ge wel, monsieur, dat dit zeer ondeugend is? vroeg de Koning streng.
âMajesteit, ik verzoek vergeving,quot; zei de prins blozend en bedeesd; âmaar ik kon mijn kaatsbal niet anders hier krijgen. De uniform is zoo nauw, en daarbij â daarbij dacht 'ik ook, dat het niet paste een kaatsbal in de patroon-tasch te steken, dit zou zijn: de uniform onteeren.quot;
âMonsieur, dat is een goede en juiste gedachte,quot; riep Frederik levendig; âen deswege wil ik u de ondeugendheid jegens den gouverneur vergeven. Maar waarom heeft de gouverneur den bal hier moeten brengen, en wat wilt ge er meê?quot;
âMajesteit, ik wil hem u toonen, wijl hij zoo fraai is, en dan wilde ik u om de genade verzoeken, hier een poosje bij u te mogen blijven, om met mijn raketbal te spelen.quot;
âNu, wij zullen zien, Frits,quot; antwoordde de Koning glimlachend; âhst zal uwe belooning zijn, als ik eerst weet of ge een belooning verdiend hebt. Bedenk u dus, en zeg mij oprecht de waarheid. Is mijnheer de gouverneur met u tevreden?quot;
âMajesteit, mijnheer Behnisch is nooit geheel tevreden, maar bijzondere berispingen heb ik in den laatsten tijd niet gekregen, en dus moet ik tamelijk goed opgepast hebben. Eens heb ik zelfs onder mijn fransch opstel Bien gekregen, en dit verheugde mij zóózeer, dat ik van louter pleizier, van den thaler, die mijn heer vader mij onlangs geschonken heeft, zes groschen heb genomen, en twee anjelierstokken kocht, waarvan ik een aan mijn broeder Hendrik heb geschonken, opdat hij toch óók een gedachtenis aan mijn Bien zou hebben.quot;
âDat was braaf,quot; zei de Koning welgevallig met het hoofd knikkende; âals het iemand goed gaat, moet hij steeds zijne verwanten en vrienden er deel aan laten nemen, en slechts het'kwade moet men voor zichzelven behouden.quot;
âIk zal het onthouden, Majesteit, en ik dank u voor de goede les,quot; riep de prins eerbiedig buigende.
âBus met het leeren schijnt het goed te gaan,quot; merkte de Koning op; âmaar hoe is het met het gedrag? Men heeft mij gezegd, dat monsieur de prins niet altoos zeer beleefd is jegens de menschen die hem bezoeken, en hij vaak een zeer onbeschoft kereltje is, zelfs tegen de heeren ofticie-
Mühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd, I. 3
34
ren, die komen om hem hunne opwachting te maken. Niet om zijnentwille; â want wat geven de officieren om zulk een kleinen dreumes als hij is? Maar om zijn heer vader en mij geschiedt het, dat de heeren officieren den kleinen prins Frederik Wilhelm hunne opwachting maken, hoewel hij nog slechts vaandrig is. En men heeft mij gezegd, dat monsieur deze eer gansch niet zoo aanneemt als hij moet; maar zich jegens de heeren officieren, â bij voorbeeld bij 't bezoek dat ze hem op het Paaschfeest brachten, zeer onbetamelijk gedragen heeft.quot;
âJa, dat is waar. Majesteit, ik kan het niet loochenen: 't was zeer afschuwelijk,quot; zuchtte de prins.
âNu, wat was het dan eigenlijk?quot; vroeg de Koning; âniemand heeft het mij juist, willen zeggen, uit vrees dat ik op mijnheer de vaandrig al te boos zou worden. Ik wil het dus van u zei ven vernemen, en hoop dat ge mij de waarheid zult zeggen?quot;
âDe volkomen waarheid, hierop kan Uwe Majesteit staat-maken,quot; betuigde de prins, âliegen is een zeer gemeene ondeugd, zegt mijnheer Behnisch, en een prins, die eens Koning zal worden, moet veel te trotsch zijn om te liegen. Neen ik lieg niet, en zal UwTe Majesteit de waarheid zeggen. De officieren kwamen mij op Paschen bezoeken, juist toen ik voor mijn kleinen broeder Hendrik in mijn tuin eieren had verborgen, welke hij en nog een paar andere knaapjes, die ik genoodigd had, zoeken zouden. Ik had voor drie groschen eieren gekocht: het was mijn laatste geld geweest, en ik had mij veel vermaak van dat eierenverstopspel voorgesteld. En juist toen het beginnen zou, komt mijnheer Behnisch en roept mij, omdat de heeren officieren er waren, en moest ik naar boven; den tuin. de knapen en het eierspel verlaten, en met mijnheer Behnisch naar mijn kamer gaan, waar de heeren officieren waren.quot;
âDat was inderdaad zeer onaangenaam,quot; zei de Koning op deelnemenden toon.
âJa, Majesteit, wèl zeer onaangenaam; ik was dan ook vreeselijk boos, en kon volstrekt geen vriendelijk gezicht zetten. Terwijl de officieren tot mij spraken, dacht ikimmer; waren zij maar weêr weg, opdat ik naar mijn tuin kon gaan. Doch zij gingen maar niet, en ten laatste begint de majoor von Werder mij nog een lange redevoering te houden,
35
en er komt geen einde aan, en ik werd ongeduldig en woedend, en . .
âEh bien, monsieur, waarom blijft ge steken?quot; vroeg de Koning, wiens oogen met een uitdrukking van innige teederheid op het onschuldig, gloeiend gelaat van den knaap rustten; âwat gebeurde er nu verder?quot;
âIets vreeselijks, Majesteit! Ik kon het niet langer uithouden, en toen de majoor, tefwijl hij steeds voortsprak, mij zoo scherp aankeek, kon ik het niet helpen, maar ik trok een leelijk gezicht, â ja, 'tis heiaasde waarheid,â ik stak de tong tegen hem uit. Maar, slechts heel even, en ik trok haar terstond weder in. Maar, gebeurd was het toch, en het was een vreeselijk tooneel; de heer majoor zweeg, mijnheer Behnisch werd vuurrood, en ik zelf was als door den donder getroffen!quot;
âMaar, dat is immers afschuwelijk, heer vaandrig!quot; inep de Koning, en doordien de prins, vol schaamte en berouw zijn oogen had nedergeslagen, ontging hem de vroolijke glimlach, die om Frederik's lippen speelde, en de teedere blik, waarmede hij den kleinen misdadiger aanschouwde. âWeet ge wel, monsieur, dat ge verdiend hadt op het houten paard te komen, en veertien dagen op water en brood en prison te brommen, wegens zulke insubordinatie?''
âIk weet het. Majesteit, en verzoek onderdanig om genade,quot; smeekte de prins met bevende stem en tranen in de oogen, âik ben buitendien genoeg gestraft; want mijnheer Behnisch heeft mij niet weder in den tuin gelaten, en ik heb van de eieren, die ik voor mijn laatste geld gekocht had, en van de knaapjes, welke ik genoodigd had, niets meer gezien. Ik moest de heele Paschen op mijn kamer blijven, en eiken dag twintig Latij nsche vocabels leeren, en drie bladzijden Duitsche woorden in het net schrijven. Het was een zware straf, maar ik weet dat ik haar verdiend had, en daarom heb ik niet gemord, en alleen gedacht dat ik mij beteren wilde.quot;
âNu, als ge dat gedacht, en bovendien uw straf ontvangen hebt, willen wij er niet verder over spreken,quot; zei de Koning, âzeg mij nog slechts, hoe is het gegaan op het Pinkstercour? Want, naar ik gehoord heb, bewezen de heeren otficieren u weder de eer, en maakten u met Pinksteren hunne opwachting. Hoe ging het toen?quot;
âMajesteit, het ging veel beter. Ik gedroeg mij tamelijk
36
goed, op eenige lompheden na, die echter niet heel erg waren; 1) mijnheer Behnisch heeft mij ook volstrekt geen straf opgelegd, maar eenvoudig gezegd; dat ik't een ander keer beter moest maken, spraakzamer, en niet zoo stroef zijn, en de heeren met vriendelijker gezicht moest begroeten. Dit kan ik u echter verzekeren Majesteit, als mijnheer Behnisch niet gromt, is dit eigenlijk een bewijs dat ik mij zeer knap gedragen heb. En mijnheer Behnisch heeft wie/gegromd.quot;
,.Nu, ik wil n gelooven, Frits, en ge zult de belooning hebben, die gij wenscht; ge zult een weinig bij mij blijven, en hier raket spelen. Boep nu mijnheer den gouverneur binnen, ik heb nog een paar woorden met hem te spreken.quot;
De kleine prins ijlde naar de deur, maar vóór hij die bereikte, bleef hij plotseling staan, en zijn gelaat nam een angstige, verlegene uitdrukking aan.
,l,Wat is er?'' vroeg de Koning; âwaarom roept ge den gouverneur niet?quot;
âMajesteit,quot; antwoordde de prins, terwijl hij weder langzaam naar den Koning sloop; âik ben bang. Mijnheer Behnisch zal vreeselijk boos worden, als ge hem de geschiedenis met den raketbal vertelt. Ik bid u dringend, Majesteit, verraad mij niet.quot;
j.Ja, maar als ge hier spelen wilt, moet ge toch den raketbal hebben, dien de gouverneur in zijn zak heelt.quot;
âMajesteit, dan wil ik liever niet spelen,quot; riep de prins.
âIntegendeel,quot; zei de Koning; âuw straf zal zijn, dat ge den bal weer even behendig uit den zak goochelt, als ge hem er in hebt gebracht. Doe het zóó voorzichtig, dat mijnheer Behnisch er niets van merkt, en dan willen wij er volstrekt niet van spreken; maar doet ge het onhandig, en betrapt u mijnheer Behnisch, dan moet ge u laten welgevallen dat het onweder losbarst. Dus, het ligt in uw hand! Terwijl ik met den gouverneur spreek, moet gij uw geluk beproeven. Boep mijnheer nu binnen!quot;
De prins voldeed nu met peinzend gelaat aan het ontvangen bevel, en de gouverneur Behnisch trad binnen. Naast de deur bleef hij staan, en toen hij zijn drievoudige buiging had gemaakt, wachtte hij onderdanig op verdere bevelen.
1
De eigen woorden van denkleinen prins. Zie: âTagebnch des Prinzen Priedrich Wilhelm. Liebden, Bladz. 18.
37
De Koning had zich op den armstoel recht tegenover de deur nedergezet, en met zijn kin op de handen, en deze op den krukstok geleund, zag hij met zijn groote, geestige oogen den geleerden en strengen heer gouverneur strak in 't gelaat. Mijnheer Behnisch stond dezen blik rustig door; geen enkele trek van zijn hoekig, als uit hout gesneden aangezicht veranderde; zijn breed, door de gepoederde pruik omlijst voorhoofd bleef kalm en effen, en zijne kleine, grijze oogen ontmoetten met rustigen blik, die des Konings. Naast den gouverneur stond de kleine prins Frederik Wilhelm, en zijn lief rooskleurig kindergelaat drukte de grootste spanning en verwachting uit.
âKom nader,quot;' zei Frederik. De gouverneur deed eenige schreden voorwaarts, en bleef toen staan. Prins Frederik Wilhelm sloop zacht achter hem, en zijne oogen richtten zich nu op de met zilver galon omzoomde zakken der twee nederhangende panden van den vleeschkleurigen satijnen rok, waarmede de gouverneur zich voor deze buitengewone gelegenheid had getooid. Een glimlach vloog over het aangezicht van den prins; want een dezer zakken was een weinig open, misschien wijl zij dik gevuld was, en uit de opening keek zeer koket de kleine vederbos van den bal.
Zacht, zeer zacht strekte nu de prins zijn hand uit, |en spitste de vingers om naar den bal te grijpen.
âKom nóg nader,quot; zeide op dit oogenblik Frederik, die den kleinen prins had gadegeslagen, en er vermaak in had hem nog een weinig in spanning te houden.
Mijnheer Behnisch deed nog een paar schreden voorwaarts, en de prins bleef verschrikt, en met opgeheven hand achter hem staan. Maar zijn schitterende, blauwe oogen richtten zich met een smeekende uitdrukking op den Koning. Frederik ving zijn blik op, lachte den knaap vriendelijk toe, en wendde zich toen tot den gouverneur.
âGe zijt sedert drie jaren bij den prins als gouverneur in betrekking?quot; vroeg hij.
âOm u te dienen. Majesteit; sedert het jaar zeventienhonderd vijf-en-zeventig.''
âEn tamelijk lange tijd,quot; riep de Koning; âlanggenoeg om van een natuurkind een geleerde te maken. Ge hebt ook uw best gedaan, en ik ben met u tevreden. Deschrijf-en rekenboeken, die ge mij op mijn bevel hebt gezonden,
38
zijn bevredigend, en ook de woordenlijst is zeer goed. Ik heb u dit zelf willen zeggen, en daarom heb ik u ontboden.quot;
âUwe Majesteit is zeer genadig,quot; zei de gouverneur, en zijn scherp, hoekig gelaat verhelderde een weinig; .,ik ben zeer gelukkig wegens de genadige tevredenheid uwer koninklijke Majesteit.quot;
âIk wilde u ook nog persoonlijk mijne meening zeggen wegens het verzoek, dat ge voor den prins tot mij gericht hebt,quot; ging de Koning voort, en zijn scherpe blik sloeg hierbij den kleinen prins gade, die nu dicht achter zijn onderwijzer stond, en andermaal de gespitste vingers uitstak.
âHij hebt mij ten tweeden male geschreven, om eenig zakgeld voor den prins te verzoeken, opdat deze zou leeren met geld om te gaan. Goed, zeer goed.quot;
En de koning knikte den prins toe, die achter den rug des gouverneurs juist triomfantelijk den bal in de hoogte hield, dien hij hem met een vluggen greep uit den zak had gehaald. Maar het moeilijkste bleef nog te doen. De bal was er, maar het raket stak nog in den afgrond van den zak, en slechts een kleine punt van dien steel kwam er even uit te voorschijn.
âMajesteit,quot; riep Behnisch, die het laatste goedkeurende woord des Konings op zich had toegepast; âMajesteit, ik ben zeer gelukkig dat gij de genade hebt, mijn verzoek om zakgeld in te willigen.
âNu ja, ik bewillig het,quot; zei de Koning; âwant het is gewis zeer noodzakelijk dat de prins leere het geld niet uit het venster te werpen. Ik zal maandelijks als zakgeld voor den prins, twee Friederichs d'or zenden. Maar laat ze, vóór ze den prins te overhandigen, telkens in kleine munt wisselen, opdat het zeer veel lijke.quot; 1)
Juist gleed 's prinsen hand in den jaszak van den strengen gouverneur, en dit kon wel eenigszins onzacht geschied zijn, want Behnisch merkte de aanraking, en stond op 't punt om achter zich te zien, maar Frederik verhinderde het hem.
âLuister,quot; riep hij haastig; â't zal nu tijd zijn, dat voor den prins een geregelder onderwijs beginne; want met het achtste jaar moet de opvoeding van een koninklijken prins sneller vorderen, en naar bepaalde beginselen geleid worden.
1
's Konings eigen woorden. Zie: âVertraute Briefe.quot;
cW
Ik zal u dus mijn instructie geven. Ge zult die schriftelijk ontvangen, en ik reken er op, dat gij haar u zóó vast inprent, dat ge ze steeds voor oogen en in 't hart zult hebben.quot;
âHet zal mijn bestendig streven zijn, de bevelen Uwer Majesteit stipt te volgen,quot; betuigde de gouverneur, en zag niet, dat achter hem de prins stond met schitterend aangezicht, en het gelukkig buitgemaakte raket omhooghelïende.
âIk sta, zooals ge wel gehoord zult hebben,quot; voer Fre-derik voort; âjuist op't punt een nieuwen oorlog te beginnen, en men kan niet weten, of ik uit dezen veldtocht terug zal keeren. Want ik mag mijn eigen leven niet ontzien, als het den roem en de eer van mijn Huis geldt, en ons leven en sterven staat in Gods hand. Vóór men echter een gevaar tegemoet gaat, waarbij men zijn leven waagt, moet men zijne aangelegenheden in orde brengen, en niets ongedaan laten wat men verplicht is te doen. Ik zal dus nog heden uwe instructie schrijven, en ze u zenden. Maar beloof mij plechtig op uw woord, dat gij u, zoolang ge bij prins Frederik Wilhelm zult zijn, naar mijn instructie zult richten en er naar handelen, zelfs ingeval ik uit den veldtocht niet levend mocht terugkeeren.quot;
âIk beloof het Uwe Majesteit op mijn woord een eerlijk man,quot; antwoordde Behnisch op vasten toon; âik zal in alle opzichten, zooveel in mijn vermogen is, de instructie van Uwe Majesteit volgen.quot;
âIk geloof u, want ik houd u voor een eerlijk man,quot; zei de Koning. âGe zult steeds in 't oog houden de ontzaglijke verantwoording, die op u rust; daar ge een prins hebt op te voeden, die later een koninkrijk zal regeeren, en van wien het lief en leed van vele millioenen menschen afhankelijk is. Als deze millioenen menschen eens den Koning zegenen, dien gij hebt opgevoed, valt een deel van dien zegen op u; zoo zij echter dezen Koning vloeken, valt deze vloek op uw schuldig hoofd, en zult gij de zwaarte er van gevoelen, zelfs als ge reeds in 't graf ligt. Denk hieraan, en handel er naar. En nu moogt ge gaan, want ik wil terstond de instructie schrijven, opdat ge haar nog heden ontvangt. Ga met God!quot;
Mijnheer Behnisch boog, en langzaam achteruittredende, keerde hij naar de deur terug.
âNog iets/' riep de Koning, terwijl hij met zijn krukstok
40
den gouverneur weder tol zich wenkte; âopdat ge u mijner steeds moogt herinneren, en ons gesprek van heden in uw geheugen blijve, wil ik u een klein souvenir geven.quot;
Hij opende de lade zijner schrijftafel, en nam er een gouden snuifdoos uit, waarop het naamcijfer des Konings in brillanten fonkelde.
âNeem deze tabatière,quot; zei de Koning vriendelijk knikkend; âge zult wel somwijlen een prise de contenance noodig hebben.''
Hij reikte den verheugden en bewogen gouverneur de snuifdoos, en wees, om hem van alle dankbetuigingen te ontheffen, haastig naar de deur.
âMajesteit,quot;' stamelde de heer Behnisch met tranen in de oogen; âmajesteit, ik âquot;
âGe zijt een braaf man en zoo lang ge dit blijft, kunt ge van mijne welwillendheid zeker zijn. Adieu! ''
âWelnu,'' zei de Koning, toen de deur zich achter den gouverneur gesloten had; âwelnu, Frits, ge hebt dus uw raketbal gekregen?quot;
âHier is hij, Majesteit'quot; juichte de prins, terwijl hij bal en rakel triomfantelijk in de hoogte hief.
âGe hebt uwe belooning verdiend, en zult haar hebben,quot; lachte de Koning; âge blijft bij mij in de kamer,en kunt met uw bal spelen. Maar neem u in acht, en maak niet te veel leven en drukte, want ik wil schrijven.quot;
Hij rolde zijn stoel naar de schrijftafel, waarop steeds een blad, papier en een pen gereed lagen ; hij begon terstond te schrijven, en de instructie voor den gouverneur Behnisch op te stellen.
Terwijl de Koning ijverig schreef, speelde de prins met zijn raket, wierp den bal hoog in de lucht, sprong hem dan zacht en onhoorbaar, steeds op de teenen trippelend na, om hem met het raket weer op te vangen. Soms mislukte hem dit, en viel de bal op den grond of op eenig meubel; bij 't geraas van zijn val keek de prins dan angstig, en met vleiende blikken naar den Koning.
Maar Frederik lelte er niet op. Hij was geheel verdiept in 'tgeen hij schreef, en dat zijne geheele opmerkzaamheid boeide. Hij hoorde volstrekt niet naar hetgeen de kleine prins deed, en tóch waren al de gedachten des Konings op hém gerichl; want hij schreef de instructie voor den gouver-
41
neur van den lateren Koning Fi ederik Wilhelm de Derde.
Vooreerst sprak hij in deze instructie van de verpleging en verzorging des lichaams, en hoe noodzakelijk het was dit door veelvuldige oefening in dansen, schermen en paardrijden, losheid, vlugheid en houding te geven; en het tevens door strenge behandeling sterk en krachtig te maken, opdat het tegen alle vermoeienissen bestand zij. Vervolgens ging de Koning in zijne instructie tot de noodzakelijke vakken van onderwijs over.
âHet is niet voldoende,quot; schreef de Koning; âdat de prins de data der geschiedenis als een papegaai leert klappen, maar hij moet ze leeren begrijpen. Het groote voordeel, dat men van de gebeurtenissen der oudheid heeft, is hoofdzakelijk de vergelijking die men met de nieuwere gebeurtenissen maken kan; daaruit de oorzaken te ontdekken,die tot omwentelingen aanleiding geven, en aan te toonen dat gewoonlijk in de wereld de deugd beloond, en het kwaad gestraft wordt. Later kan men hem een kleinen cursus over logica laten doorloopen, doch vrij van alle pedanterie; voorts late men hem de redenaars Cicero en Demosthenes, en eenige treurspelen van Racine lezen. Is hij eenige jaren ouder geworden, dan moet men hem een overzicht der meeningen van de wijsgeeren en van de verschillende godsdiensten geven; zonder hem echter haat tegen eenigen godsdienst in te boezemen; men moet hem dus verklaren, dat ze alle God, â doch slechts op verschillende wijze, â vereeren. 'tls niet noodig, dat hij voor den geestelijke, die hem onderricht, al te veel eerbied heeft.''
Op dit oogenblik vloog de bal van den kleinen prins juist op het papier, waarop de Koning schreef. Frederik was echter zóózeer verdiept in zijn arbeid, dat hij zich daardoor niet in zijn gedachtenloop liet storen, maar zonder op te zien den bal nam, en met zijn linkerhand op den grond wierp, terwijl hij bedaard verder schreef.
âDe voornaamste taak moet zijn: bij den prins den lust tot leeren op te wekken, alle pedanterie te verwijderen, en dus de dosis van onderwijs in den beginne niet te groot te nemen. Wij komen nu tot het gewichtigste deel der opvoeding, en wél tot dat wat de zeden betreft. Noch gij, noch alle machten der wereld zijn in staat het karakter eens kinds te veranderen, en de opvoeding kan niets anders doen.
42
dan de heftigheid der hartstochten matigen. Behandel mijn neef als zoon van een bijzonder persoon, die zijn fortuin wil maken; zeg hem, dat, zoo hij dwaasheden begaat en niets leert, hij door de geheele wereld zal veracht worden. Men moet hem geen ijdelheid in 't hoofd brengen, maar hem zeer eenvoudig opvoeden. De âquot;
Ten tweede male werd de Koning gestoord, en vloog de bal weder op zijn papier. Ditmaal hief de Koning het hoofd op, en zag met ernstigen, bestraffenden blik naar den prins, die, zonder een woord te zeggen, purperrood van angst en schrik in een hoek stond. Toen wierp de Koning den bal nogmaals op den grond, nam zijn pen op, en ging voort met schrijven:
âDe prins moet jegens elkeen beleefd zijn, en zoo hij zich tegen iemand, wie ook, een lompheid veroorlooft, moet hem dit terstond op dezelfde wijze beantwoord worden. Hij moet leeren, dat alle menschen gelijk zijn, en voorname geboorte slechts een hersenschim is, zoo zij niet door verdienste gesteund wordt. Men late den prins met iedereen spreken, opdat hij onbeschroomd worde. Het schaadt niet dat hij ongeregeld spreekt, want men weet toch dat hij een kind is. Zorg bij zijne opvoeding bovenal, dat hij uit zich zeiven quot;besluiten neemt, en niet door anderen behoeft geleid te worden. Zoowel zijne dwaasheden als zijn goede hoedanigheden moeten hem zeiven behooren. Van zeer groot gewicht is het, hem liefde voor den soldatenstand in te boezemen. Om deze reden is het noodzakelijk, hem bij elke gelegenheid te zeggen, en het hem ook door anderen te laten hooren, dat elk man van geboorte en adel, als hij geen soldaat is, een onbeduidend wezen is. Hij moet de soldaten zien exerceeren, zoo dikwijls hij dit wenscht; ook kan men van tijd tot tijd vijf of zes kadetten bij hem brengen, en ze voor hem laten exerceeren. Alles komt er opaan, den kist voor dezen stand bij hem aan te kweeken. Doch vóór alles moet men hem liefde voor ons land inprenten, en niemand moet met hem spreken die geen goed patriot is.quot;
Wederom vloog de bal op 's Konings papier. De kleine prins slaakte een kreet, en staarde met een uitdrukking van wezenlijken schrik naar den bal. Maar dezen keer nam de Koning het storende tusschenbedrijf niet meer zoo be-
43
daard op. Een toornige blik zijner oogen trof den spra-keloozen knaap, vervolgens nam hij den raketbal en stak hem in zijn borstzak, keek nog eens met dreigenden blik naar den prins, en schreef verder aan zijne instructie:
âDe officieren, die bij hem aan tafel zijn, moeten hem plagen en tergen, opdat hij stoutmoedig worde, 't Is noodzakelijk hem op te wekken, en men moet er voor zorgen dat hij zoo vroolijk mogelijk zij.''
âMajesteit,quot; sprak nu naast hem de bedeesde, vleiende stem van den prins; âMajesleit, ik verzoek duizendmaal vergeving voor dat ik zoo onhandig ben geweest. Het doet mij zeer leed en ik zal nu beter oppassen.quot;
De Koning sloeg geen acht op zijne woorden en schreef bedaard voort:
âZoodra ge hem nauwkeuriger kent, moet ge zoeken te ontdekken welke zijn voornaamste hartstocht is. God beware er ons voor dien te willen uitroeien, maar laat ons slechts trachten hem te temperen.quot; ^
âMijn lieve heer en Koning,quot; hernam de prins; âik bid u dringend, wees zoo goed en geef mij mijn raketbal terug.quot;
De Koning antwoordde nog altijd niet, maar begon nu bedaard het geschrevene over te lezen.
Prins Frederik Wilhelm wachtte eenigen tijd, maar toen nog altoos geen antwoord volgde, toen hij zag dat al zijn bidden vruchteloos bleef, steeg het rood des toorns op zijne wangen. Zijne oogen vlamden op en met verstoord, beraden voorkomen, beide armen in de zijden gezet, trad hij op den Koning toe.
âMajesteit,quot; riep hij met dreigende stem; âik vraag u, wilt ge mij mijn bal wedergeven of niet?quot;
De Koning keek schielijk van het papier op, en richtte zijne oogen óp den prins, die hem met tartend-vragenden blik aanschouwde. Een glimlach, zacht en lieflijk als de glans der avondzon, vloog over 't gelaat des Konings. Hij legde de hand op den blonden krulkop van den kleinen prins en zag hem liefdevol aan.
âU zullen zij Silezië niet weder ontnemen,quot; zeide hij
(1) Deze geheele instructie is de nauwkeurige vertaling van het oorspronkelijke, dat, door Frederik in de Fransche taal gesteld, â in zijn Oeuvrea completes voorkomt.
44
glimlachenrt: âZiedaar, mijn zoon, daar hebt ge uw bal.quot;
En hij haalde den bal weder uit zijn borstzak, en reikte hem den prins. Maar deze greep mét den bal tegelijk Frederik's hand, en drukte die vast en innig aan zijn zachte kinderlippen.
IV.
DE REIS NAAR RERLIJN.
Wilhelmine Enke had sedert hare ontmoeting met den Koning, hel overige gedeelte van den dag in angst en tranen doorgebracht. Zij had zich al de woorden van Fre-derik herhaald, en elk ervan had zich als een doorn in haar hart geboord. Tevergeefs had hare kleine zevenjarige dochter beproefd met zachte, vleiende woorden de moeder te doen glimlachen, tevergeefs had zij met trillende lippen en tranen in de oogen, haar lieve mama gebeden met haar, even als anders, te lachen en te zingen.
De moeder, anders altijd zoo vriendelijk en vol liefde, had zich heden uit de haar omklemmende armen barer dochter losgemaakt, en haar gezegd naar het broertje in de belendende kamer te gaan, en zich door de min sprookjes te laten verhalen.
Vervolgens, toen het kind met treurig gelaat en hangend hoofdje was heengegaan, sloot Wilhelmine de deur, en ging met groote, haastige schreden, de armen over de borst gevouwen, op en neer Haar geheel leven trok haar met zijn afwisselende tooneelen en beelden voorbij, en toen de treurige, vorschendo blik barer ziel die aanschouwde, vond zij er troost en verontschuldiging in voor zich zelve.
Zij dacht aan hare kinderjaren; zij zag zich weder in de sombere woning, waar zij met hare broeders en zusters bij hare ouders gewoond had. Zij zag den nood en de armoede dezer kinderjaren; de ziekelijke, steeds jammerende, steeds bedrijvige moeder; den dwazen, boozen vader, die zijn huiselijke oefeningen op den waldhoorn slechts afbrak, om de drukke kinderen te bevelen dat zij zich stil moesten houden, óf om uit de brandenwijnllesch, die altijd bij hem op tafel
45
stond, eenige haastige teugen te doen, en dan verder te blazen.
Vervolgens zag zij in dit treurig, vreugdeloos vertrek, waar zij nevens hare kleinere broerljes en zusjes gehurkt zat, een fraai jong meisje, met van goud glinsterende kleederen, met doorschijnende vleugels aan deschoud.ers, binnenzweven, en glimlachend en jubelend de kinderen begroeten.
Dit jonge meisje was Wilhelmine's oudere zuster Sophie, die tehuis kwam uit de Italiaansche opera, waarbij zij als figurant aangesteld was. Zij was nog in haar feeëncostuum, waarin zij des avonds in de opera Armida gedanst had, en zij kwam om met lachenden mond van hare ouders afscheid te nemen en hun te zeggen, dat een rijke Russische graaf haar zóózeer beminde, dat hij met haar huwen wilde, en voorloopig een fraaie, eigene woning voor haar had ingericht, welke zij onmiddelijk betrekken zou. Derhalve kwam zij om hare ouders vaarwel te zeggen; want het rijtuig stond voor de deur, en haar toekomstige echtgenoot wachtte haar daarin. Vervolgens had Sophie lachend haren brommenden vader, en hare weenende moeder de hand gereikt, had zich tot de kinderen gebogen en ze gekust, en zich vervolgens huppelend en dansend willen verwijderen. Maar, toen had Wilhelmine zich met onuitsprekelijken angst opgericht, was haar zuster nageijld en had haar met beide handen bij haar ritselende goudpapieren vleugels vastgehouden. âSophie, mijn lieve zuster, neem mij mede,''had zij gesmeekt, terwijl tranen in heldere beken uit hare oogen stroomden: âlaat mij niet alleen hier. Ge weet, ik heb u zoo lief, en 't is alle dagen mijn eenige vreugde geweest, u te zien. Neem mij mede, Sophie, en ik wil u gehoorzamen en u dienen, en niets meer zijn dan uw kamenier, maar laat mij niet hier . . . neem mij mede!quot; â De zuster had getracht zich los te maken. Maar Wilhelmine had haar met ki^ampachligcn angst bij de vleugels vastgehouden, en voortdurend geweend en gebeden. Toen had Sophie eindelijk gelachen. âNu, kom dan,quot; had zij gezegd; âals ge mijn kamenier wilt zijn, kunt ge medegaan. Niemand kan mij 't haar zoo goed opmaken ais gij, en de door u ingezette krullen staan mij het best. Kom. Wilhelmine, kom! Ik zal 't wel bij mijn bruidegom goed maken. Ge zult mijn kamenier zijn! Kom!''
46
De beelden barer berinnering veranderden,en Wilbelraine zag zicb nu in een scbitlerende omgeving; zag zicb als de arme, kleine, onopgemerkte kamenier nevens baar scboone zuster, de âbruid'' van den Russiscben graat Matuscbko. Vroolijkbeid, glans en wellust beerscbten in deze fraaie vergulde vertrekken die hare zuster bewoonde. Daar waren leesten en bijeenkomsten, en Sopbie was de koningin ervan; daar kwamen vele voorname en rijke beeren, en der scboone Sophie, de danseres, de bruid van den graaf Matuscbko, gold bunne buide. Op de kleine, treurige kamenier in de donkere, onoogelijke kleeding, met den zwart zijden doek om bet geziebt gebonden, alsof zij kiespijn bad, â op hair lette niemand. Zij droeg de afgelegde morgenkleederen barer zuster; zij moest op haar bevel het gelaat in den zwarten doek bullen, opdat niet in 't vluchtig voorbijgaan, of bij een toevallige ontmoeting, de bewonderaars van Sophie de bloeiende schoonheid barer zuster zouden ontdekken. Zij mocht nooit, als er bezoek was, in de gezelschapszaal komen; en slechts als de scboone Sophie alleen was, als zij zich verveelde, of als Wilhelmine's geoefende ban den het fraaie haar van beur zuster in nieuwe fantastische frisuren moesten tooien, dan mocht de kamenier Wilhelmine bij de toekomstige mevrouw de gravin toeven. Maar, elke onzachte aanraking werd met ruwe scheldwoorden, vaak zelfs met slagen en mishandelingen gestraft, en de glimlachende fee van 't salon, was in haar boudoir voor hare zuster slechts de strenge, grimmige meesteres, die elk verzuim met ontoegevende hardheid bestrafte, en van hare zuster baar blanke slavin gemaakt had.
Nog thans, na vele jaren verduisterde zich Wibelmine's gelaat, nu deze herinneringen haar voorbij zweefden, en schoten hare oogen toornige bliksems. Maar vervolgens, verhelderde en verheerlijkte een zachte glimlach bare trekken bij het fraaie, schitterende beeld, dat thans voor hare ziel oprees.
Het beeld barer eerste, barer eenige liefde! Zij beleefde weder den dag, waarop die het eerst als een zon voor hare verbaasde, verrukte blikken was opgegaan, en tóch was het een onstuimige, stormachtige dag geweest. Want zuster Sopbie was beden bijzonder toornig geweest, en daar zij met Wilhelmine alleen in het boudoir was, en deze bij 't
47
branden van hear haar het ongeluk had gehad, met het heete ijzer even hare wangen te bezeeren, had de fee zich in eene furie herschapen, die het arme, zwakke kind tegen den grond sloeg, en het met schoppen en vuistslagen mishandelde. Toen had eensklaps een sterke, torsche arm het sidderende, weenende meisje opgeheven, en een dreigende, gebiedende stem, haar zuster stilte geboden.
Prins Frederik Wilhelm, de prins van Pruisen was 't geweest, die zich over het arme kind ontfermde. De zuster 'had in haar toorn en woede zijn komst niet opgemerkt, en hi] was getuige van Wilhelmine's mishandeling geweest. Hij verdedigde nu het jonge meisje tegen hare zuster; hij verweet haar met strenge woorden hare wreedheid, en verklaarde dat hij voortaan de beschermer van het arme kind zou zijn.
Hoe schoon had hij daarbij uitgezien! Hoe edel was hij geweest in zijn toorn, in zijne verontwaardiging, en hoe hadden zijne oogen gestraald en geschitterd, toen hij haar had aanschouwd, haar, die aan zijne voeten knielde, zijne voeten kuste, en tot hem opzag als tot haren Verlosser!
âKom, Wilhelmine, kom, ik wil niet dat ge hier nog langer blijft, want uwe zuster zal 'tu nooit vergeven, dat ik mij uwer heb aangetrokken. Kom, ik zelf wil u tot uwe ouders brengen, en voor uwe opvoeding zorgen. Ge moet een even schoono, beschaatde dame worden als uwe zuster; maar, zoo God wil, grootmoediger en edelhartiger! Kom!quot;
Deze woorden, welke de prins tot haar gesproken had met zachte, teedere stem, waren nooit in haar hart verdoofd. Twaalf jaren waren sedert verstreken, maar zij hdörde ze nog altoos; zij hadden in hare ooren weergalmd, zoowel in 'tgeruisch der wereld, als in de stilte barer eenzame kamer. Zij hadden haar getroost, als de smaad van haar leven haar nederdrukte; zij hadden in haar gejubeld, als zij zich in den lust des levens, aan 't zalig gevoel van haar Jeugd en geluk overgaf.
Zij was hem gevolgd, stil en gedwee, gelijk het hondje zijn meester volgt. En hij had woord jegens haar gehouden; hij had voor hare opvoeding gezorgd, haar drie jaren laten onderwijzen, en haar zelf onderwezen; hij had, hoe zwaar 'them ook vallen mocht, zich van haar te scheiden, â hoe menige kommer het hem ook veroorzaakte,bij zijne beperkte
48
financiën de belangrijke meerdere uitgaven te bestrijden, â haar vervolgens naar Parijs gezonden, om daar aan het jonge, goed onderwezen meisje, de manieren der wereld te doen onderwijzen. Als een fijn gevormde dame, vertrouwd met den toon der groote wereld, bekend met al hare vormen en gebruiken, was Wilhelmine na een jaar uit Parijs teruggekeerd. De Prins van Pruisen had bet woord vervuld, dat hij tot haar gesproken had, toen hij haar uit het huis barer zuster wegvoerde; â hij had van haar een lijne, beschaafde dame gemaakt!
En toen hij nu weder, evenals destijds, tot haarzeide: âKom!'' â zou zij, die hem alles had te danken wat zij was, zij, die hem beminde als baren weldoener, haar leermeester, baar vriend en geliefde, â zou zij 't hem hebben kunnen weigeren?
Zij volgde hem; zij verborg zich voor hem in de kleine, bescheiden woning te Potsdam; leefde voor hem in eenzaamheid en afzondering, angstig vermijdende zich ergens in 't openbaar te vertoonen, opdat de Koning haar bestaan niet zou vernemen, opdat hij niet in zijn gerechten toorn den onwettigen band zoude verbreken, die den Prins van Pruisen met haar verbond. 1)
Wilhelmine dacht thans aan deze verloopen laatste zeven jaren van haar afgezonderd leven; aan de beide kinderen, welke zij den prins geschonken had; de vreugde, waarmede zijn vaderlijk geluk hem vervulde, in weerwil dat o )k zijn wettige gemalin hem in den loop van deze zeven jaren kinderen had geschonken. Zij zag om zich heen in de kleine stille kamer, die eenvoudig en bescheiden was ingericht, niet alsof ze voor de geliefde van den toekomsti-gen Koning van Pruisen, maar voor een eenvoudige burgervrouw bestemd was. Zij bedacht, hoe vaak zij met ontberingen, zelfs met gebrek te strijden bad gehad, hoe dikwijls het gebeurd was, dat zij de kostbare versierselen, â welke de prins haar in de zeldzame dagen van zijn overvloed geschonken had, â in de dagen van zijn geldgebrek zelve naar den lombardhouder had gebracht, om het daarop verkregene voor zich en haar beide kinderen, tot de noodzakelijkste uitgaven te besteden.
1
Mémoires de la Comtesse de Llchtenan, pag. 80.
49
Haar oog vlamde op van trots en vreugde bij deze gedachten, want zij mocht het zich zelve zeggen en bekennen: âNiet voor geld en rijkdom, voor macht en aanzien heb ik mijn leven, mijn lieide, mijne eer en mijn goeden naam verkocht. Uit zuivere neioing des harten, uit dankbaarheid en innige liefde ben ik den man van mijn hart gevolgd, ofschoon hij een prins was.quot; Maar de smaad baars levens drukte tóch op haar, en de Koning had haar dien beden als een bezoedelde handschoen in 't gelaat geworpen. âGa, en omhul uw hoofd zóó dicht, dat niemand uwe schande en de lichtzinnigheid van den prins moge zien. Ga, en dat ik u nooit wederzie.quot; Dit waren de woorden geweest waarmede de Koning haar had laten heengaan, de woorden die thans nog als de bazuinen van 't wereldgericht in hare ooren klonken. âGa, en dat ik u nooit wederzie!quot; Lag hierin niet opgesloten dat de Koning haar zóó ver verwijderen en verstooten wilde, dat het zelfs aan het toeval niet mogelijk zoude zijn haar weder in zijne nabijheid te brengen? Verborg zich achter deze woorden niet een bedreiging, wellicht een waarschuwing? Wilde de Koning misschien op haar de treurige ervaringen zijner eigene jeugd wreken ? Wilde hij baar misschien straffen voor datgene, wat Doortje Ritter bad geleden?
Doortje Ritter! Zij had óók een Kroonprins bemind; zij had het óók gewaagd, in weer wil barer nederige geboorte, hare oogen op te heffen tot den toekomstigen Koning van Pruisen. Zij was een eerbaar, deugdzaam meisje gebleven, in weerwil barer liefde, welke men misdaad noemde. Geslagen, met schande door de straten gegeeseld, naar het tuchthuis te Spandau-gezonden!
Ach, arme ongelukkige Doortje R,itter! Wil de Koning u een zoenoffer bereiden? Wil hij de vrienden zyner jeugd wreken aan de geliefde zijns opvolgers?
De oude, levensmoede Koning Frederik denkt anders dan de jonge, levenslustige Kroonprins Fi-ederik heeft gedaan! Hij kan hardvochtig zijn als zijn vader, onverbiddelijk en wreed als deze!
Doortje Ritter! Het lot van Doortje Ritter staat haar te wachten. Morgen wellicht reeds zal ook zij door de straten gegeeseld, beschimpt door de straatjongens, gehoond en gesmaad, en vervolgens als misdadigster naar Spandau, ge-
Mühlbach, Duitschland in woeling en strijd. I. 4
50
sleept worden! Heeft de Koning het niet reeds zelf gezegd? Heeft hij niet reeds gesproken van het tuchthuis te Spandau, van het spinrad, dat hij voor haar gereed wilde houden?
Terwijl zij dit dacht, overviel haar een vreeselijke angst, een naamlooze vertwijfeling. Het spinrad! Zij gevoelde, dat, zoo het haar thans ook nog niet wachtte, haar het lot toch boven het hoofd zweefde als het zwaard van Damocles, om bij de geringste aanleiding op haar neder te vallen, haar te grijpen en vast te boeien aan dit vreeselijk werktuig.
Neen, neen, zij kon dit niet verdragen! Zij moest zich aan zulk een dreigend gevaar onttrekken; zij moest zich redden voor den toorn des Konings.
Maar waarheen, waarheen? Vóór alles slechts weg van hier, weg uit zijne onmiddelijke nabijheid, waar één wenk van hem voldoende is, om haar te doen verdwijnen, vóór dat nog de prins, de vader harer beide kinderen, er bericht van heeft ontvangen, vóór hij weet welk gevaar haar bedreigt!
Weg van hier uit Potsdam! Dat is de hoofdzaak! Te Berlijn had de prins voor haar in de wintermaanden een kleine woning ingericht, die zij thans sedert de Lente voor de woning te Potsdam had verwisseld. Maar deze woning te Berlijn, bood haar voor het oogenblik meer veiligheid. Van daar kon zij vluchten bij het minste teeken van gevaar; kon zij zich zelf, als het noodig was, voor de navor-schingen van den prins verbergen, om zich zelve en hèm te redden.
Weg dus naar Berlijn! Dit was de eenige gedachte, welke baar thans bezielde. Weg met de kinderen, eer het onheil over haar losbrak!
Zij snelde naar de deur waarachter zich hare beide kinderen bevonden, rukte haar open en vloog naar de min, op wier schoot het slapend knaapje rustte, en waarnaast haar zevenjarige dochtertje geknield lag. Met bevende handen hief zij het knaapje in hare armen op, en drukte het aan hare borst.
,,Louise, wij moeten terstond weg, het is di'ingend noodzakelijk,quot; zeide zij met bevende lippen: âzeg aan niemand een woord ervan, maar spoed u! Bestel haastig een voerman, onderhandel met hem over den prijs, en zeg hem dat hij dadelijk van hieij moet rijden. Hij moet echter niet hier
51
voor de deur komen, maar ons buiten de Berlijnerpoort wachten. Wij willen te voet daarheen gaan en instijgen. Gauw, Louise, zeg geen woord! Het moet zijn, spoed u!quot;
De kindermeid waagde het niet, haar tegen te spreken, of zich tegen het bevel harer meesteres te verzetten, maar haastte zich om het te volbrengen.
âHet zal de schuld van den ouden Koning zijn,quot; zei Louise bij zich zelve, terwijl zij ijlings door de straat liep om een voerman voor den tocht te vinden. âTa, de oude Koning zal wel bevolen hebben, dat zij naar Berlijn moet gaan. Hij zag er ook zeer barsch uit, de oude ijzegrim, en zijn oogen llikkerden zóó schrikkelijk, dat men er schier van rillen en beven moest, en ik God dankte toen Mamsel mij beval heen te gaan. Ach God, ach God! ten leste neemt het nog een slecht einde, en ik had gewis beter gedaan, deze betrekking niet aan te nemen. Als wij nu maar eerst van hier waren, en ik maar een voerman had gevonden, die ons snel en dadelijk naar Berlijn wil brengen.quot;
Dank zij hare angst en bemoeiingen was spoedig een voerman gevonden, en er was nauwelijks een uur verloopen, toen Wilhelmine Enke reeds met hare beide kinderen en de dienstbode onder de linnen huif van de voermanskar, den weg naar Berlijn op reed. Deze weg was heden buitengewoon levendig; want de legerkorpsen, die de Koning heden te Berlijn in oogenschouw had genomen, trokken uit, om zich naar de Boheemsche grenzen te begeven. Te Potsdam zouden zij het eerste nachtkwartier houden, en daar zou morgen een laatste groote parade plaats hebben, vóór de Koning de reis naar de vijandelijke grenzen aannam. Dikwijls moest de huifkar ter zijde wijken en stil houden, om de regimenten te laten voorbijtrekken, die met volle muziek kwamen aan-marcheeren. Aan de spits van een dezer regimenten, reed op een moedig ros een generaal in schitterende uniform, de borst met ordeteekenen bedekt, wier brillanten en gouden versiersels in de zon fonkelden. Het was een groote, eenigszins zwaarlijvige gestalte, die evenwel zóó hoog te paard, zich zeer goed voordeed, en wiens houding iets liers en indrukwekkends had. Het gelaat paste weinig bij deze gestalte en uniform; het was voor een generaal schier te jong, voor de lijvige gestalte te sprekend en te fijn. Om de volle lippen speelde een vriendelijke glimlach, de lichtbruine
52
oogen blikten met vurige geestdrift, doch met een vriendelijke uitdrukking in het rond, en toen hij met zijn gevolg juist voorbij het eenvoudig en armoedig voertuig reed, waarin Wilhelmine met hare kinderen zat, hoorde zij zeer duidelijk zijn fraaie, heldere stem en zijn vroolijken lach.
âHij is het, o mijn God, hij is het,quot; prevelde zij, en dook angstig dieper in den wagen terug, en trok hare kinderen dichter tot zich.
âMamsel,quot; fluisterde Louise, door een opening van de huif loerende; âMamsel, 't is de Prins van Pruisen.quot;
âStil, om Godswil, stil, opdat wij niet bemerkt worden zei Wilhelmine zacht; âdaar, neem het kind, opdat het niet schreie, want als de Prins het hoort, komt hij terug; hy kent de stem van zijn zoontje.
âJa, hij kent de stem van zijn zoontje.quot; gromde de min, terwijl zij het kind aan hare borst legde; âen de kleine zoon moet hier in zulk een ellendigen wagen op den weg stilhouden, terwijl zijn heer vader hem zoo fraai en schitterend voorbij rijdt, zonder eens te weten, dat zijn lief jongetje zoo dicht bij hem is. Ach, 'tis wél jammer en
grievend!quot; . .
âJa, wèl is het jammerlijk en grievend,quot; zei Wilhelmine zacht voor zich, terwijl zij met schuwen blik uit haar donkeren hoek naar de voorbijmarcheerende troepen keek; âhoe zouden al deze menschen het geweer presenteeren en salu-
eeren, zoo miine kinderen niet in een ellendige kamer, maar onder een troonhemel geboren waren. Hoe zouden zij voor mij buigen en neigen, zoo ik niet Wilhelmine Enke, maar Louise van Hessen-Darmstadt heette, en de wettige gemalin van den Prins ware. Hebben zij ook niet gebogen en geneigd voor zijne eerste gemalin Elisabeth van Brunswijk, ofschoon elkeen wist van haren slechten levenswandel en hare minnarijen met lakeien en gemeene soldaten ? Buigen zij zelfs nu nog niet voor haar, ofschoon zij wegens haar slecht gedrag naar Stettin is verbannen, en daar als gevangene leeft? Een fraaie gevangenschap voorwaar! De geheele
stad is bare gevangenis, en als zij gaat wandelen, komen de soldaten in 't geweer en de menschen blijven op de straat staan om de Kroonprinses van Pruisen te groeten !1) Maar
1
De eerste gemalin van Prins Frederik Wilhelm van Pruisen was
53
als zij mij zien, gaan zij achteloos voorbij, of kijken mij met spottende gezichten aan, en achten zich verbazend deugdzaam en rein van zonden. En mijn eenige misdaad is toch slechts, dat mijn vader geen Prins was, en ik van nederige afkomst ben. Kan ik het helpen, en is het mijn schuld dat het zóó is, en dat de man dien ik bemin, en die mij bemint, niet met mij huwen â mij niet tot zijne wettige vrouw maken kan?quot;
âJa, ja! voorwaarts!quot; riep de voerman, die vóór op den stroozak zat, tot zijn paarden, terwijl hij er de zweep op legde. âNu voorwaarts!quot;
De troepen waren voorbij getrokken, de weg was nu weder vrij, en ongehinderd rolde de zware, krakende wagen over den zandigen weg naar Berlijn.
Allengs werd het stil binnen in den wagen. De beide kinderen en de min sliepen, ook de voerman liet schommelend zijn hoofd hangen, en hief slechts somwijlen â uil zijn sluimering ontwakende â de zweep op om zijne paarden een slag te geven, die evenwel de magere, hijgende dieren niet in 't minst hun langzamen tred deed versnellen.
Alleen Wilhelmine sliep niet; slechts in haar ziel was geen rust of vrede; zij verwenschte het lot, de menschen en betrekkingen, en een onuitsprekelijke angst voor de naaste toekomst, voor 's Konings verpletterenden toorn, vervulde haar gemoed.
Eindelijk, terwijl de zon reeds begon onder te gaan hadden zij Berlijn bereikt, en wilden zij de stad binnenrijden. Maar, in hetzelfde oogenblik kwam een ruiter in koninklijke livrei
Prinses Elizabeth van Brunswijk, de nicht van Frederik den Groote. De Kroonprins werd, nauwelijks een-en-twintig jaar oud, in den jare 1750 met haar in 't huwelijk verbonden, maar reeds na vier jaren moest deze ongelukkige echt, wegens den zedeloozen levenswandel der prinses, ontbonden worden, en werd zij, â met een geringe jaarwedde, â naar Stettin gebannen. Daar woonde zij tot aan haren dood, die eerst in het jaar 1840, dus na een een-en-zeventigjarige gevangenschap, plaats had. Nooit in deze een-en-zeventig jaren had de Prinses âLisbethquot;, zooals zij zich noemde, Stettin mogen verlaten; daar wist zij zich behagelijk te vergenoegen, en hare eoncerten en avondgezelschappen waren beroemd. De tweede gemalin van den Kroonprins van Pruisen was Louise van Hessen-Darmstadt, de moeder van Frederik Wilhelm III. Zij overleed in het jaar 1805.
54
door de poort rennen, riep met luide, gebiedende stem den voerman âhalt! halt!quot; toe, en beduidde hem dat hij uit-wiiken, en ter zijde rijden moest.
En nu hoorde men het in 't geweer roepen der poortwacht, het roffelen van den tamboer, en door de poort kwam een met zes paarden bespannen open koets. Een jonge, bleeke vrouw in prachtig gewaad bevond zich erin ; aan hare zijde zat de kleine vaandrig Prins Frederik Wilhelm, en op de voorbank, naast de opperhofmeesteres, de tweede zoon, 1 rins
Lodewijk. , ,
In het open schitterend rijtuig, omstraald van glans, met een blik van genoegen op hare kinderen, die de trots en de vreugde baars levens waren, reed de Prinses van Pruisen voorbij. En daar, ter zijde, in het ellendige, donkere voertuig, omhuld door de grijze bestoven huif, die op boepels gespannen den wagen overwelfde, diep in den hoek gedoken, zat Wilbelmine Enke, de mededingster der Prinses. En nevens haar de beide kinderen, wier bestaan haai veroordeelde, en op haar leven den stempel der oneer drukte.
\ls een droombeeld ruischte de schitterende verschijning voorbij Wilbelmine, maar zij dacht er steeds aan op den zeer langzamen rit door de straten. Zij was er nog mede vervuld, toen zij de Middenstraat inreden, en stil hielden voor het klein, armoedig huisje waarin zich hare woning bevond. Toen zij vervolgens alleen was in hare kamer, toen niemand meer haar aangezicht bespieden, en hare woorden vernemen kon, brak bet lang bedwongen gevoel met een wilden kreet uit hare ziel los; zij richtte zich hoog op en om hare lippen trilde een trotsche, tartende glimlach.
'ik ben tóch zijn vrouw, zijn geliefde vrouw, ik alleen, zeide zij met luide, zegevierende stem; âen mi/n kinderen ziin zijne eigenlijke ware en geliefde kinderen, want het zijn de kinderen zijner liefde. Hoe trotsch reed zij mij voorbij ; hoe schoon en intéressant zag zij er uit met haar bleek selaat en treurigen glimlach! Zij in den zonneglans, en ik in de schaduw. Maar zij weet tóch, dat ik haar medeminnares ben! En zij is niet de mijne; neen, de Piinses van Pruisen is niet de medeminnares van Wilbelmine Enke, en ik heb baar niet te vreezen!
,Maar, den Koning heb ik te vreezen!''riep zij plotseling
bevis? ontsteld. Hém had zij vergeten door de ontmoeting
tj
55
der Prinses; hare angst en zorg wegens de toekomst, alles was vergeten, en naar den achtergrond gedrongen.
Maar nu herinnerde zij zich weder; Goddank, aan het eerste gevaar was zij ontkomen! Voor 't oogenblik was zij gerpd. En wat zal de Prins doen als hij, te Potsdam aangekomen, haar en de kinderen er niet vindt? Zal hij vermoeden waarheen zij gegaan zijn? Zal hij komen om hen te zoeken? Zoo hij haar nog bemint, zoo zij nog altijd de gelukkige medeminnares der gemalin en van alle andere dames van 't Hof is, ja, dan zal hij komen, dan zal hij weten waar hij zijne Wilhelmine kan vinden!
Maar als 't waar is, wat de boosaardige menschen haar met geveinsde deelneming hebben toegefluisterd, â als de Prins eene andere bemint, als hij Wilhelmine zijne liefde onttrokken, â zich van haar afgewend heeft met onverschilligheid en koelheid, dan zal hij haar niet opzoeken; dan zal zij hier alleen blijven, alleen met hare kinderen, den geheelen langen, vreeselijken nacht!
Maar wat dan, als de morgen daagt, als zij de zekerheid heeft dat zij alleen is?
Neen, o neen! Zij kan 't niet denken, niet gelooven, dat hij haar verlaten, opgeven kon! Het zijn slechts kwade gedachten die haar kwellen, slechts de opwekkingen van dezen kwaden, vreeselijken dag, die hare verbeelding overprikkeld hebben!
âRicht u op, Wilhelmine, en wees sterk! Ga tot uwe kinderen, en lees het in hunne oogen dat hij u niet verlaten kan!quot;
Dit riep zij zichzelve toe; zij dwong zich tot kalmte, en begaf zich in de nevenkamer, waar Louise bezig was het weenend knaapje door sussen en zingen in slaap te brengen, terwijl het zevenjarig dochtertje met knikkend kopje reeds half slapend, op den lagen stoel zat.
âKom, mijn kind, ik wil u ter rust brengen,quot; zei Wilhelmine, het kleine meisje in hare armen nemende; âuwe moeder zal u zacht te bed leggen, en als ge in den slaap met de engeltjes spreekt, bid dan voor ons allen!quot;
Met liefderijke zorg was zij met het kind bezig; ontkleedde het met teedere behendigheid, en droeg het op baarbed, waarvoor zij toen nederknielde, om een zegen en een gebed over 't hoofd der slapende kleine te fluisteren. Ver-
56
volgens boog zij zich over de wieg van den kleinen knaap en zegende ook hem.
âSlaap mijn zoon, slaap. Wie weet of ik ooit uwe fraaie oogen weer open zie, of ik ooit weer uwe lippen zal kussen. Wie weet of men niet reeds dezen nacht zal komen om mij te halen, mij naar de gevangenis te brengen, mii te straiTen voor u, mijne kinderen, mijn geliefde kinderen! Maar stil, stil! ik wil rustig, bedaard blijven tot morgen, ja tot morgen!quot;
Zij wendde zich tot de min, die met angstig gelaat en saamgevouwen handen achter in de kamer stond. âGa nu, Louise,quot; zeide zij; âen bezorg u een of ander tot avondeten, want ge zult gewis hongerig en vermoeid zijn. Haal uit den naasten winkel wat ge noodig hebt, maar spreek met niemand, houd u zeer stil en noem mijn naam volstrekt niet. Kom dan spoedig terug, en blijf bij de kinderen. Om mij behoeft ge u niet te bekommeren, ik heb niets meer noodig!quot;
âMaar gij moet toch óók iets gebruiken, Mamsel; gij moet toch van avond iets eten?quot;
Zij schudde slechts afwerend het hoofd en keerde haastig naar de woonkamer terug.
V.
DE EED VAN TROUW.
Laat in den nacht hoorde de min hare Mamsel nog haastig heen en weder gaan, en luid in zich zelve spreken.
Maar spoedig hoorde Louise niets meer, want de slaap had ook over haar zijne vleugels uitgespreid; zij hoorde niet meer den onrustigen tred en de luide zelfgesprekken van Wilhelmine; zij hoorde ook niet, dat thans een rijtuig kwam aanrollen en voor het huis stil hield, dat de huisdeur geopend werd, en haastige, forsche mannenstappen de trap opkwamen.
Maar Wilhelmine had het wèl gehoord! Met ingehouden adem stond zij aan de deur, en luisterde naar de naderende schreden! Zij moesten over haar geheele toekomst beslissen, over het wel en wee van haar geheele leven!
57
Was hij het, de geliefde, de vader harer kinderen? Of waren het de gerechtsdienaars des Konings, die haar gevolgd waren, en kwamen om haar te halen?
Nu waren de voetstappen haar deur genaderd ; nu werd de schel haastig en driftig overgehaald.
Wilhelmina slaakte een kreet, een kreet van verrukking. Zij kende dezen toon, deze gebiedende manier, en zi] vloog door de kleine voorkamer naar de deur, en opende die. Twee armen omstrengelden haar, drukten haar aan het luid kloppend mannenhart, hieven haar op, en droegen haaide kamer binnen.
âWaarom zijt ge van Potsdam weggegaan? Zeg het schielijk, Wilhelmine, waarom hebt ge dat gedaan?5'
Hij vroeg het onder teedere kussen, terwijl hij haar op den divan liet nederglijden, en zich naast haar plaatste. Zij leunde tot eenig antwoord haar hoofd aan zijn borst, en weende smartelijk.
âWat beteekenen deze tranen, Wilhelmine? Zeg hel mij! Heeft iemand het gewaagd u te beleedigen, te krenken?quot;
âJa, Frederik. iemand heeft mij beleedigd en gekrenkt; maar iemand, die er niets bij waagt als hij het doet?quot;
âWie, Wilhelmine, mijn arm geliefd kind; wie heeft dat gedaan?quot;
âDe Koning! Hij heeft mij ontmoet in den Slottuin te Potsdam! Hij heeft mij met zijn toorn en zijn verachting verpletterd. Hij heeft mij gedreigd met vreeselijke straffen ; mij gezegd dat het spinrad in het tuchthuis te Spandau voor mij gereed stond, zoo ik door mijn gedrag zijn toorn nog verder opwekte!quot;
De Prins slaakte een kreet van woede, sprong op, en liep met groote schreden door de kamer. Wilhelmine zat stil, de gevouwen handen op haar schoot latende rusten, op den divan, maar hare tranen verhinderden haar niet, met vor-schende blikken den Prins te volgen, en met hare scherpe, doordringende oogen op zijn bleek, van woede trekkend gelaat te lezen.
âEn ik moet het dulden! riep de Prins, terwijl hij zich met beide handen voor 't hoofd sloeg. âIk kan de beleediging niet teruggeven, kan zelfs haar niet verdedigen, die ik bemin!quot;
Een straal van vreugde vlamde bij deze woorden van den Prins, in Wilhelmine's oogen op, maar verdween schielijk
58
weder onder de tranen, die met hernieuwd geweld uit hare oogen vloeiden.
âIk ben een arm, ongelukkig schepsel,quot; snikte zij ; âeen schepsel, dat elkeen verachten en krenken mag, dat geen bescherming en geen bijstand op aarde heeft, en verloren is, als God in den hemel zich er niet over ontfermt.quot;
Hij ijlde op haar toe, greep hare beide handen, en trok haar tot zich. âWilhelmine,quot; riep hij, bevende van opgewondenheid en toorn; âWilhelmine, drijf mij niet tot het uiterste; maak mij niet razend van smart. Js liet dan mijn schuld, dat ik u niet kan bijstaan tegen hèm? Heb ik u overigens niet tegen de geheele wereld verdedigd en beschermd? Heb ik het ooit gediüd dat men u oneerbiedig of verachtelijk bejegende?quot;
âGe behoefdet dit niet te dulden, mijn vriend, wijl ik mij angstig verwijderd hield van alle menschen, om hunne verachting, hun hoon te ontwijken. Want de schande doet pijn, ach, zoo vreeselijk pijn! Ik heb ditheden weder gevoeld, toen zijn hemelsche schoone oogen mij zoo vol verachting aanschouwden, toen zijn trotsche woorden mij verpletterden en in het stof wierpen! Ja, Frederik Wilhelm,de schande doet pijn, en zij is het juk, waaronder ik en mijn kinderen gebukt moeten gaan, zoolang wij leven!quot;
âNeen, Wilhelmine, neen!quot; riep hij, toornig met den voet stampend: âniet zoolangify leven, slechts zoolang/«)quot; leeft! Wacht maar, o wacht maar! Laat mij slechts uit mijn nood en slavernij treden; laat: slechts de dag komen, die mij vrij maakt, mij verheft! Mijn eerste daad zal zijn het juk van u en van onze kinderen af te nemen, en wee dengenen, ja duizendmaal wee, die het zullen willen tegenhouden! Heb nu nog slechts geduld, Wilhelmine ; onderwerp u, en verdraag mèt mij het harde, droevige tegenwoordige. Zeg mij nu, mijn kind, mijn geliefde, waarom hebt ge zoo pjot-seling Potsdam verlaten, en zijt ge hierheen gegaan?quot;
âWijl ik bevreesd was, F rederik. Wijl 't mij als een waanzin overviel, en ik dacht dat de Koning zijn gerechtsdienaars zou zenden om mij terstond naar Spandau te voeren. Een onuitsprekelijke angst verwarde mijn ziel; ik wist slechts dit ééne, dat ik vluchten, mij verbergen moest! Ik liet een wagen komen en reed hierheen, om hier van nacht te blijven, want het scheen mij, dat ik hier veiliger was dan te Potsdam,quot;
59
âEn ge liet mij niet bet minste bericht acbter, Wilhel-mine; ge naamt de vlucht zonder mij eenigen wenk te geven, waarheen ge u begeven had! Wat nu, zoo ik niets vermoed had, zoo ik radeloos en in smartelijken angst te Potsdam teruggebleven ware?quot;
âDan zou ik morgen met het aanbreken van den dag van hier zijn gereisd; ik zou de kinderen hier achtergelaten, â en mij in een of andere duistere, stille eenzaamheid gered hebben, waar geen menschelijk oog, zelfs niet het uwe mij had kunnen vinden.quot;
De Prins sloeg haastig zijn arm om haar gestalte, en drukte haar vast tegen zijn borst. âWilhelmine, zoudt ge dit gedaan hebben?''
âJa, Frederik, dat zou ik gedaan hebben,quot; zeide zij, met een teederen blik tot hem opziende, âik zou het gedaan hebben, want zoo ge niet tot mij waart gekomen, zoo uw hart u niet gezegd had, waar ge mij vinden zoudt, zou dit een teeken zijn geweest dat ge mij niet meer bemindet, dat ge onverschillig jegens mij waart geworden. En zoo uwe liefde niet aan mijn zijde staat als de schitterende marmeren zuil, waartegen ik leun, dan heb ik geen steun en bescherming meer in de wereld, dan kan alleen het graf mijn toevlucht zijn!
,,Ge ziet het echter,quot; zei de Prins glimlachend; âmijn hart heeft geraden waar gij u bevondt, en ik ben gekomen.quot;
, Ja Goddank, ge zijt gekomen,quot; riep zij juichend, terwijl zij hare armen om zijn hals sloeg, en een gloeienden kus op zijne lippen drukte; ,.ge zijt gekomen, en nu vreesik den toorn van den ouden Koning niet meer, en zijn vree-selijke woorden vallen als stompe pijlen aan mijne voeten neder. Want gij zijt er; ja, gij zijt er, mijn Frederik Wilhelm; gij, koning van mijn hart! Nu vrees ik nog slechts één zaak.quot;
,,Wat dan, Wilhelmine; zeg mij wat ge vreest?quot; Zij boog zich dicht lot zijn oor, en fluisterde: .,lk vrees iiwe ontrouw. Ik vrees dat degenen gelijk hebben, die mij in ongeteekende brieven schrijven, dat ge mij zult verstoeten, mij en de kinderen ; dat ge u van mij zult afwenden, want dat ge eene andere, â o neen, niet ééne andere maar verscheidene anderen bemint!quot;
âJaloezie, dus weder jaloezie!quot; zuchtte de Prins,
60
âO neen,quot; zeide zij teeder, âik herhaal slechts wat men mij dagelijks in anonime brieven schrijft.quot;
âWaarom leest gij ze?quot; vroeg hij driftig; âwaarom neemt gij het vergif, dat boosaardige en laaghartige menschen u aanbieden? Waarom werpt ge zulke brieven niet in het vuur in plaats van ze te lezen, gelijk ik doe, als men u bij mij belasteren wil?quot;
âOmdat gij weten kunt, Frederik,quot; antwoordde zij ernstig, en fier; âweten moet, dat alles wat men u over mij schrijft, slechts laster, slechts logen kan zijn. Mijn leven ligt open voor u; elk jaar, elke dag ervan is een wit blad, waarop slechts één naam staat geschi-even; slechts de naam Frederik Wilhelm! Niet âPrins Frederik Wilhelmquot;, want wat geef ik om uw prinsdom. Ware mijn geliefde geen Prins, ik zou niet gebukt moeten gaan onder de verachting der menschen; mijne kinderen zouden niet zonder naam, zonder vermogen, zonder recht zijn. Neen; ware mijn geliefde geen Prins, ik zou niet heden beschaamd en verpletterd als een misdadige, de oogen nedergeslagen hebben voor de dame, die mij in een schitterende équipage aan de zijde barer kinderen voorbij vloog, terwijl ik in een ellendig voertuig ootmoedig ter zijde week. Neen, indien mijn geliefde geen Prins was, zou hij mij tot zijne echtgenoote gekozen, â mij zijn naam gegeven hebben, en vrij en gelukkig zou ik, met mijne kinderen aan de hand, aan zijn zijde gaan. Wat geef ik dus om uw prinsdom? Ik bemin u niet wijl ge een Prins, â maar niettegenstaande ge een Prins zijt. En vermits ik u zóó bemin, weet ge ook dat mijne liefde eeuwig is, en ik u nimmer ontrouw zou kunnen worden, of u zou kunnen vergeten en verlaten.quot;
âEn is 't met mij niet volkomen hetzelfde?quot; vroeg de prins; âkunt gij ook niet weten dat it u nooit zou kunnen vergeten en verlaten?quot;
Zij schudde treurig het hoofd. âNeen Frederik, 'tis helaas, niet hetzelfde! Ge hebt mij bemind en bemint mij misschien nog, maar met die zachte, behagelijke warmte, die niet belet, dat daarbij ook nog gloeiende vlammen opgaan, die door hun hartstochtelijk vuur de weinige neven warmte geheel doen verdwijnen.quot;
âVoor een oogenblik kind, ja, dat geef ik toe; voor een oogenblik,quot; zei de prins nadenkend; âmaar het schielijk op-
61
vlammend vuur verteert en sterft ook even ras weder, en dan, als men nog slechts een aschhoop ziet, wendt men zich met innig welbehagen weder tot de warmte, en verheugt zich in haar zacht genot.quot;
âGij stemt dus toe, dat ge nog anderen nevens mij bemint?quot; vroeg Wilhelmine smartelijk.
âNeen, dat stem ik niet toe,quot; riep de prins; âmaar ge zijt een zeer schrandere vrouw, en ge kent mij; ge weet dat mijn hart licht te treffen is. Doch dit zijn slechts kleine vlammen, die op de oppervlakte weerlichten en schielijk weder verdooven. Laat ze huppelen en flikkeren, deze kleine dwaallichten, en weet, dat het eigenlijke licht, hetwelk mij koestert en beschijnt, mijn liefde, mijn vriendschap voor m is, Wilhelmine. Gij zijt mijn eerste geliefde geweest, en ge zult ook mijn laatste zijn, dat zweer ik u; hierop kunt ge vast en veilig bouwen. Zie, Wilhelmine, alles is onzeker en wankelend in het leven; alles heeft men voor mij bedorven en ontleed, en niets is er meer in de wereld, waarvoor ik eerbied heb! Om mij heen zijn slechts huichelaars en vleiers, die op mijn toekomstige grootheid speculeeren; of bespieders, die reeds nu fortuin willen maken, en mij daarom bespieden en beloeren, om zich door den tegenwoor-digen Koning te doen betalen, en mij lasteren om zich bij hem bemind te maken. Niemand aan het koninklijke Hof bemint mij, zelfs niet mijne gemalin. Hoe zou zij dat ook? Zij weet dat ik slechts op bevel van mijn koninklijken oom met haar gehuwd ben, en zij heeft mij schier met afkeer hare hand gereikt; want men had haar het ongeluk van mijneerste huwelijk en het geluk mijner liefde eerste'geopenbaard ! Zij kent de geschiedenis van Elisabeth van Brunswijk en die van Wilhelmine Enke! Zij heeft zich, evenals ik, aan het streng bevel van anderen onderworpen, en wij zijn gehuwd, zooals alle andere prinsen en prinsessen het zijn, en wij hebben kinderen, evenals alle andere prinsen en prinsessen. Ons huwelijk is een staatkundig huwelijk, maar geen huwelijk uitliefde. Wij buigen onder de noodzakelijkheid en den plicht, en geloof mij, dit zijn de wezenlijke huisgoden der vorstelijke familiën! Gelukkig de man, die nevens deze strenge godheden nog een kleinen geheimen tempel heeft, waarin hij der reine, ware liefde en vriendschap een altaar oprichten, en een verborgen, heilig geluk genieten
62
kan. Dit geluk heb ik u te danken, Wilhelmine; gij zijt de éénige, aan wie ik nog geloof, want ge hebt mij uwe waarde bewezen; gij bemint mij zonder eigenbaat en zonder eerzucht. Gij hebt het gezegd, en het is zoo; Gij bemint, mij, niettegenstaande ik een prins ben! Ik beken u nu; er zijn vele en schoone vrouwen, voorname en geestrijke dames aan het Hol, die uwe mededingsters zijn, en't er wellicht op wenschen toe te leggen, mij van u te scheiden, om my in hare armen te lokken. Zij zijn schoon, verleidelijk, en ik ben jong en hartstochtelijk; en zoodeze schoone dames geen eerbied hebben voor mijne waardigheid als getrouwd man, hoe zou ik dien dan hebben, ik, wien niet de liefde tot getrouwd man heeft gemaakt, doch slechts de plicht? Maar voor iets heb ik eerbied,Wilhelmine, voor onbaatzuchtigheid en trouw! En weet ge wie alléén door mij onbaatzuchtig en trouw bevonden is ? Wie nooit in mij den Prins, den toekomstigen Koning, maar slechts altijd den geliefde, den mensch heeft gezien, en nooit gewankeld, nooit berekend heeft? Dat zijt gij, Wilhelmine Enke, en daarom is de band, die mij aan u verbindt, onverbreekbaar; en daarom hebt ge ook niet te vreezen, dat ik u ooit zou kunnen verlaten, zelfs zoo ik somwijlen in de toovernetten van andere schoone vrouwen kon gevangen worden. Zulke toovernetten houden slechts korten tijd, dan vallen zij de ontnuchtering als rag uit elkander, terwijl de ketens, die ons aan elkander boeien, onverbreekbaar zijn; omdat een wonderbare, geheimzinnige macht ze wijdde met een toover-woord van ware liefde en innige vriendschap, en ze hierdoor onverstoorbaar en onvergankelijk gemaakt heelt.'
âTóch zijn het ketens, mijn dierbare vriend,quot; zei Wilhelmine zuchtend ; ,.gij zelf noemt ze zoo! Deze ketens zullen u eindelijk tóch drukken; ge zult het tooverwoord vergeten, dat ze bijeen houdt, en gij zult er u vrij van maken. O, mijn God, niets bindt u aan mij; geen heijig® band, geen eed, geen trouwgelofte, niets dan uwe helde. Maar, dat is goed en het verheugt mij; want zoolang ge mij niet verstoot, weet ik dat ge mij uit vrijen wil bij u duldt, en geen dwang u terughoudt.quot;
âMaar ik wil u ook een uiterlijk teeken van ons verbond geven,quot; riep de Prins; âen wel heden wil ik het doen, want
63
een dubbel gevaar zweefl boven onze hoofden. De Koning heefu u bedreigd, en mij bedreigt de oorlog.quot;
âHet is dus waar,quot; riep Wilhelmine jammerend ; âge gaat met den Koning ten oorlog?''
âZoudt ge willen dal ik hier bleef?quot; vroeg de Prins met glinsterende oogen; âzou ik hier in vrouwelijke genoegzaamheid het vermaak najagen, terwijl de Koning, in weerwil van zijn ouderdom, zich aan al de vermoeienissen van het krijgsleven, aan al de gevaren des oorlogs blootstelt? Het is een ongelukkige oorlog, deze oorlog wegens de Beiersche erfsehap, en God woel, of er voor het Duilsche rijk een bijzonder voordeel uit zul ontstaan, dat wij met wapengeweld een klein souverein hertogdom in wezen houden; en of't niet beter zou zijn de kleine Vorsten af te schaffen, en de macht der groote Duitsche Vorsten te versterken. Maar, de Koning wil nu eenmaal Beieren laten bestaan, wijl hij het Oostenrijk niet gunt; de Koning heelt tot den oorlog besloten en het betaamt zijn Kroonprins, zich zonder morren aan zijn besluit te onderwerpen, en hem in den oorlog te volgen. En daarom, Wilhelmine, wil ik u heden den eed van eeuwige trouw zweren. Als God over mij beschikt heeft dat ik zal vallen in den slag, dan zal deze eed uwe erfenis zijn. Ik heb niets anders dat ik u kan nalaten; want ik ben, â dank zij de zuinigheid van mijn heer oom, â een zeer arm Kroonprins, die wèl veel schulden, maar weinig geld heeft, en niet in staat is uwe liefde en trouw anders te beloonen dan met beloften, met hoop, met een wissel op de toekomst. Zulk een wissel wil ik u schrijven, een legaat voor mijn lieve Wilhelmine. Geef mij pen en papier, ik wil schrijven!quot;
Wilhelmine ijlde naar de groote commode, die onder den spiegel tegen den muur stond, opende de lade, nam er papier en een kleinen inktkoker uit.
âZiehier, mijn Frederik, is pen enpapierenalhetnoodigeom te schrijven. Maar de inktis, zooals ik helaas zie, verdroogd.quot;
De prins schudde levendig het hoofd. âZulk een liefde-eed, als ik u wil schrijven, kan ook niet met inkt van galnoten geschreven worden,quot; zeide hij glimlachend: âdaartoe behoort een ander vocht. Zie hier, dit is mijn inkt.quot;
Hij nam het pennemesje van het inkt-stel, stroopte den mouw van zijn rok een weinig omhoog, en deed nu een haastige snede over den arm. Toen het bloed met heldere
64
droppels te voorschijn kwam, doopte hij haastig de pen er in, nam toen het papier, schreef er eenige regels op, en reikte het Wilhelmine over.
âZiehier, Wilhelmine,quot; zeide hij; âlees! Laat uw en mijn hart, en laat Gods geest, die bij ons is, hooren wat ik geschreven heb!quot;
Wilhelmine nam het papier en drukte het aan hare lippen, vervolgens zonk zij op hare knieën neder; en de hand met het papier opheffende, als wilde zij het aan God overreiken, las zij met luide, plechtige stem ; âOp mijn vorstelijk eere-woord, ik zal u nooit verlaten, en alleen de dood zal mij van u scheiden. Frederik Wilhelm, Prins van Pruisen.quot; *)
âOp mijn vorstelijk eerewoord, ik zal u nooit verlaten en alleen de dood zal mij van u scheiden,quot; herhaalde de prins, terwijl hij zich tot Wilhelmine nederboog, en haar met zacht geweld van haren knieen ophief.
âNeem dit papier, Wilhelmine,quot; zeide hij; âen bewaar het goed. Als ik eens sterf, en uwe handen hebben mij zooals ik hoop, de oogen toegedrukt, geef dan dit papier aan mij n zoon en opvolger, want het is mijn legaat voor u, en ik hoop dat mijn zoon die zal eeren, en in u de vrouw van mijn hart erkennen, en voor u zorgen zal,quot;
âO, spreek niet van sterven, Frederik,quot; riep zij, hem vast omklemmende; âze mogen mij veroordeelen en als een misdadigster gevangen zetten, als gij or niet meer zijt. Wat geef ik erom wat mij gebeurt, als ik u niet meer bezit, mijn geliefde en mij heer! Niet daarom zal ik het dierbare blad bewaren, maar ter wille der liefde, die het mij gegeven heeft, en waarvan het eenmaal getuigenis zal afleggen voor mijne kinderen. Dit blad papier is mijn rechtvaardiging en verontschuldiging, mijn trouwacte en mijn eereblijk. Ik dank u, dat ge 't mij gegeven hebt, want'tis het schoonste geschenk dat ik nog van u ontvangen heb!quot;
âMaar wilt ge mij geen tegengeschenk geven, Wilhelmine?quot; vroeg de prins, âwilt gij my niet zweren, zooals ik u gezworen heb?quot;
Zij nam, in plaats van alle antwoord, het pennemes van de tafel, en richtte het tegen haar linkerarm.
âO, niet daar!quot; riep de prins, terwijl hij trachtte haar
1) Mémoires de la Comtesse de Lichtenau, pag. 120
65
hand tegen te houden: âKwets dezen fraaien arm niet, het zou heiligschennis zijn.quot;
Zij bevrijdde zich van zijn hand; hij poogde haar vast te houden, terwijl zij beproefde met het mes in haar arm te snijden, en bij deze wederzijdsche worsteling ging het pen-nemes zóó diep in haar linkerhand, dat het er vast in bleef zitten, en een bloedstroom uit de wonde vloeide. (^)
âO mijn God! Wat hebt ge gedaan!'' riep de prins ontsteld; âge hebt u gewond.quot;
Hij nam haar hand en haalde het mes uit de wonde, en een kreet van ontzetting ontsnapte hem, toen het bloed nu met een helderen straal te voorschijn sprong, en over zijn eigen handen vloeide.
âEen geneesheer! Zend dadelijk om een geneesheer,quot; riep hij luid, âwaar zijn mijne lieden, waar
Maar Wilhelmine sloot zijne lippen met een kus, en dwong zich tot lachen, in weerwil der pijn welke de wonde haar veroorzaakte.
âGeliefde heer, 'tis niets,'' riep zij opgeruimd; âik heb slechts een eenigszins grooten inktkoker gemaakt; dat is alles. Laat mij dus schrijven!quot;
Zij nam de pen en doopte haar in het bloed, dat nog steeds uit haar wonde vloeide, schreef op het blad papier, 't welk de prins haar reikte, met haastige trekken eenige regels en gaf het den prins.
âLees mij voor wat ge geschreven hebt,'' bad de prins, âik wil uit uw eigen mond uwen eed vernemen; gij zult bem met uwe lippen in mijn hart graveeren.quot;
Wilhelmine las: âBij mijne liefde, bij de hoofden mijner beide kinderen zweer ik, dat ik u nooit verlaten, â dat ik u tot den dood trouw blijven, en â nooit van u scheiden zal; ik zweer dat mijn vriendschap en liefde tot over het graf bij u zijn én blijven zullen, en ik steeds gelukkig en tevreden zal zijn, zoo ik tot den dood mij noemen mag uwe Wilhelmine Enke.quot;
âIk neem uwen eed aan, mijn Wilhelmine,quot; zei de prins, haar innig aan zijn hart drukkende; âdit blaadje papier zal tot mijn schoonste kleinoodiën behooren, en nooit zal ik er
1) Het lltteeken van deze wonde behield Wilhelmine, zooals zij zelve in hare gedenkschriften verhaalt, haar geheele leven. Zie Mémoires de la Comtesse de Uchtenau.
Mühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. I. 5
66
mij van scheiden. Wij hebben nu onze liefde en onze trouw met ons bloed bezegeld, en ik hoop dat ge nu nooit weder aan mij twijfelen, â of mij verkeerd beoordeelen zult. Dit uur blijve steeds in uwe herinnering.quot;
âIk zal dit uur nooit vergeten,quot; antwoordde zij plechtig; âen nooit, dat zweer ik u, nooit zal ik u weder kwellen en plagen met mijn ijverzucht. Ik zal altijd weten en er mij aan vast houden, dat ge toch tot mij terugkomt.quot;
Een heftig kloppen aan de huisdeur stoorde plotseling de nachtelijke stilte, en een luide, gebiedende stem riep den nachtwacht.
âHier ben ik, hier,quot; antwoordde in de verte een andere stem: âWie roept mij, en wat is er?quot;
âOpen de huisdeur,quot; gebood de stem weder.
âOns huis,quot; fluisterde Wilhelmine, die naar het venster was geslopen en het zacht geopend had : âHet is zóó donker, dat ik niets zien kan dan een zwarte schaduw voor onze deur.quot;
âBehoort ge in dit huis?quot; vroeg beneden de nachtwacht, die naderde; âik mag niemand een huis binnenlaten, die er niet in behoort.quot;
âHef uw lantaarn op, en bezie mij en mijn livrei!quot; gebood de andere: âBevel des Konings!quot;
Wilhelmine verwijderde zich van het venster en ijlde op den prins toe, die zich naar den achtergrond van 't vertrek had terruggetrokken.
âHet is Kretschmar, de kamerdienaar en spion des Konings,quot; fluisterde zij; âom Godswil, verberg u, opdat hij u niet zie. Hier binnen, ga bij de kinderen.quot;
âNeen, Wilhelmine, ik wil blijven, ik âquot;
Maar Wilhelmine drukte angstig haar hand op zijn mond, drong 'hem met zacht geweld naar de deur der nevenkamer, en opende die.
âZoo ge mij lief hebt, Frederik Wilhelm, zoo âquot;
De luide, heftige klank der schel in de voorkamer verdoofde hare woorden. Zij drong haastig den prins in de nevenkamer, sloot de deur en schoof den grendel er voor.
âEn nu,quot; zeide zij, zich hoog oprichtende, ânu wil ik mijn lot moedig tegemoet gaan. Wat ook gebeuren moge, het zal mij gelaten en rustig vinden. Mijn kinderen zijn veilig, want hun vader is bij hen.''
67
Zij nam het licht van de tafel, en ijlde de voorkamer binnen, die nog altoos van het luid schellen weergalmde.
âWie is daar ?quot; riep zij; âWie schelt nog zoo laat in den nacht?'1
âIn naam des Konings, open!quot;
Wilhelmine schoof den grendel weg, en opende de deur. âKom binnen,quot; zeide zij; âen zeg mij wie gij zijt.quot;
âIk denk wel dat ge mij kent, Mamsel Enke,quot; zei Kretsch-mar met een onbeschaamden lach; âge hebt mij gewis vaak genoeg te Potsdam in 't gevolg des konings gezien, en ik kan u zeggen dat ik u heden morgen heb gezien, toen de Koning u de eer aandeed met u te spreken, en zoo ik denk, heeft hij u juist geen liefelijkheden gezegd.quot;
âHeeft Zijne Majesteit u hierheen gezonden om mij dit te zeggen?quot; vroeg Wilhelmine fier.
âNu, dat juist niet,quot; antwoordde hij lachend; âmaar daar ge mij vraagt, moet ik toch antwoorden. Ik ben als koerier hierheen gereden, steeds in vollen galop van Potsdam af, en ik hoop dat ge mij ten minste een goed drinkgeld zult geven. Ik heb bevel u dezen brief te brengen, en in uw eigen handen te geven. Ge moet mij ook een regu wegens de goede ontvangst teekenen. Ziehier den brief?quot;
Ilij nam uit den borstzak zijner livrei een grooten, verzegelden brief, en overhandigde dien aan Wilhelmine. âEn hier hebt ge tegelijk de gereed gemaakte repu wegens de ontvangst,quot; vervolgde hij, âge behoeft er slechts uw naam onder te schrijven, en de geheele zaak is in orde. Hier is ook een potlood; ik heb mij op alles voorbereid, wijl het anders in den nacht zooveel drukte geeft. Maak nu de regu gereed, want den brief heb ik u reeds gegeven.quot;
Hij reikte haar het potlood, en strekte zich toen met een uitdrukking van welgevallen op den rieten stoel uit, die bij de deur stond. Wilhelmine bloosde van onwil wegens het vrijpostige, onbescheiden gedrag van den koninklijken lakei. Het scheen haar een slecht voorteeken voor den inhoud van den brief, en zij spoedde zich, de re?u te onderteekenen, om maar van den bode bevrijd te worden, en den brief te kunnen lezen.
âEn wat krijg ik voor drinkgeld van de schoone Mamsel Enke?quot;-vroeg de lakei, toen zij hem de regu reikte.
âZijn eigen grofheid en onbeschaamdheid,''antwoordde
«8
Wilhelmine fier; terwijl zij zich zonder te groeten omwendde en naar de huiskamer terugkeerde.
Kretschmar lachte luid achter haar. âNu, zij wil nog de voorname en fiere spelen,quot; zeide hij; âhet zal wel anders worden als zij maar eerst in de gevangenis zit. In de gevangenis komt zij stellig, en de brief, die ik haar gebracht heb, zal wel niets anders zijn dan een bevel van gevangenneming, want als de Koning zoo âbliksemt en dondert'' als heden morgen, slaat het ook altijd ergens in. Nu, wel bekome 't haar!quot;
Hij verliet langzaam en traag de voorkamer, en ging de trap af om weder zijn paard te bestijgen, dat hij aan een boom bij het huis had vastgebonden.
Inmiddels had Wilhelmine zich gehaast den grendel weg te schuiven, en voor den Prins weder de deur te openen.
âHier is een brief aan mij,quot; zeide zij, Frederik Wilhelm het verzegelde couvert reikende; âik bid u, open hem, want mij ontbreekt de moed; alles draait en beeft voor mijne oogen. Lees hem mij voor, ik wil uit uwen mond mijn vonnis ontvangen.quot;
De Prins nam den brief, verbrak het zegel en sloeg het papier uiteen, â't Is het handschrift van den geheimschrijver van het kabinet, Menken,quot; zeide hij; y,en bijgevolg komt de boodschap rechtstreeks uit's Konings kabinet. Nu, Wilhelmine, beef niet; leun met het hoofd tegen mij aan, en laat mij nu lezen!quot;
En met luide, kalme stem las de Prins: âNamens Zijne Koninklijke \lajesteit wordt aan Wilhelmine Enke bevolen en gelast, dat zij op zware straf zich niet zal vermeten en onderstaan haar kamer en hare woning te verlaten, tot dat Zijne Majesteit de Koning het haar vergunt en haar iemand zendt, die haar, en alles wat haar behoort, naar de plaats barer bestemming brengen zal. Zij moet dit bevel en deze boodschap met ootmoed en geduld ontvangen, en tot zoolang hare woning als een gevangenis beschouwen, die zij, op zware straf, niet mag verlaten, maar waarin zij ook niemand mag binnenlaten. Indien soms iemand, als zij dit bevel ontvangt, bij haar is die daar niet behoort, moet deze zich ijlings verwijderen, en zoo hij dadelijk te paard of per rijtuig naar Potsdam gaat, kan hij daar terstond een boodschap aan Zijne Koninklijke Hoogheid den Prins van Pruisen overbren-
69
gen, en hem berichten, dat Zijne Majesteit morgen voormiddag Hoogstdenzelve te tien ure te Sanccouci verwacht, waar ook mijnheer de minister von Herzberg tegenwoordig zal zijn, om een conferentie met mijnheer den prins te hebben. Zulks wordt aan Wilhelmine Enke medegedeeld, om het nauwkeurig in acht te nemen en op te volgen, en zich hiernaar in alle opzichten te gedragen.quot;
Een lange pauze ontstond, toen de prins gelezen had. Met sombere blikken staarden beiden voor zich neder, beiden nadenkend den inhoud des briefs overwegende.
âGevangene,'' lluisterde Wilhelmine na een lange stilte, âgevangene in mijn eigen woning.quot;
âEn voor mij het streng bevel terstond naar Potsdam te vertrekken, en morgen vroeg naar Sanssouci. Wat kan de Koning mij te zeggen hebben?quot;
âHij zal u mijne gevangenneming, mijn verbanning willen aankondigen,quot; zuchtte Wilhelmine.
De Kroonprins schudde levendig het hoofd. âNeen,quot; zeide hij; âIk geloof het niet. Indien de Koning u werkelijk naaide gevangenis wilde zenden, zou hij niet zulke maatregelen nemen; niet eerst u kamerarrest geven, alsof ge een officier waart, die een licht vergrijp tegen de subordinatie heeft begaan, maar hij zou aanstonds snel en beslissend handelen, zooals hij steeds gewoon is te doen. Hij zou u terstond naar Spandau of naar een andere gevangenis laten voeren, en 'taan mij overgelaten hebben, verdere stappen te doen. Neen; hoe meer ik het overdenk, des te duidelijker wordt het mij, dat de Koning niet ernstig vertoornd is, maar, zooals zijn scherpe geest gaarne doet, ons slechts een weinig wil beangstigen en kwellen, 't Is nu de hoofdzaak dat wij ons vóór alles nauwkeurig naar zijne bevelen richten en hem geen verdere reden tot toorn geven. Gij moet dus zorgvuldig vermijden, ook slechts voor een oogenblik uw woning te verlaten, of iemand hier toegang te verleenen. Ik daarentegen moet mij haasten, dadelijk en zonder verzuim van hier te gaan, en naai' Potsdam terug te keeren. Want ge kunt wel overtuigd zijn, dat hier bij u, evenals bij mij te Potsdam spionnen zijn geplaatst, die al onze schreden bewaken, en hiervan nauwkeurig bericht geven. Ik moet dus terstond vertrekken.quot;
âGij moet voort,quot; zuchtte Wilhelmine; âge moet mij hier
70
in angst en smart, als eene gevangene achterlaten. Ach, het leven is toch hard en wreed!quot;
âJa gewis, het is hard en wreed, Wilhelmine. Maar, moet ook ik mij niet aan zijn wil onderwerpen, en ootmoedig voor zijne bevelen buigen'? Is ook niet voor jni; het leven hard en wreed, en evenwel ben ik de Kroonprins van Pruisen, de erfgenaam van een troon! Ik word vernederd en gescholden als een lakei, en moet buigen en gehoorzamen als een slaaf; ik mag geen eigen wil hebben, noch zelfstandighande-len; maar moet mij vergenoegen niets dan een willooze stift te zijn in de groote machine, die hij naar zijn welgevallen bestuurt, en âquot;
âStil, om Gods wil,quot; viel Wilhelmine hem zacht in de rede: âzoo iemand u hoorde! Ge kunt niet weten of de spionnen, die ons omgeven, niet aan de deur luisteren!quot;
â't Is waar,quot; zei de Kroonprins bitter. âik kan het niet weten! Zelfs de min, die ons kind zoogt, kan een betaalde bespiedster zijn! de eigenaar van dit huis kan in soldij des Konings staan, en naar de deur zijn geslopen om ons te beluisteren! Derhalve is het vooral noodzakelijk dat wij de ontvangen bevelen nakomen! Vaarwel, Wilhelmine, ik vertrek terstond! Mijnheer Kretschmar zal wel op den hoek van een der naaste straten staan, en loeren of ik als een gehoorzame knecht zijns meesters van hier ga; als ik het doe, zal hij hiervan dadelijk bericht naar Sans-souci brengen, en de Koning zal wellicht tevreden zijn. Vaarwel, Wilhelmine, ik begeef mij terstond naar het paleis, om van daar naar Potsdam te rijden.quot;
âVaarwel, mijn heer en mijn geliefde, mogen God in den hemel en de Koning op aarde ons genadig zijn! Ik wil mij dwingen bedaard en onderworpen te blijven! Wat ik lijd, lijd ik om u! Dit zal mijn troost en opbeuring zijn. En zoo wi] elkander niet wederzien, Frederik Wilhelm, weet ik tóch, dat ge nooit vergeten zult hoe innig ik u bemind heb!quot;
71
VI.
OP HET EXERCITIE-PLEIN.
lleeds in den vroegen morgen heerschte er te Potsdam en in de omstreken van Sanssouci heden een vroolijk krijgsgewoel. Men zag op de straten en pleinen de ver-schillendste uniformen, en allerwege klonken de schetterende tonen der krijgsmuziek.
Met vliegende vaandels marcheerden de regimenten naar het groote exercitie-plein, waarop de Koning heden zijne soldaten de revue wilde laten passeeren, vóór zij met hem ten oorlog zouden trekken.
Van alle zijden rukten de regimenten aan in hunne schitterende uniformen, met statige fiere houding, om in onberispelijke orde de hun aangewezen positie op het exercitie-plein in te nemen.
Buizende toeschouwers wTaren in weerwil van het vroege morgenuur toegestroomd. Niet alleen uit Potsdam, maar ook uit Berlijn waren zij gekomen met geheele scharen, om deze laatste afscheidsparade des Konings bij te wonen, en met de oogen ten minste afscheid te nemen van de uittrekkende soldaten en van den Koning, die nog altijd een held was, niettegenstaande zijne negen-en-zestig jaren, en dien elk bewonderde, hoezeer' men de strengheid zijner regeering mocht gevoelen.
't Was inderdaad een heerlijk schouwspel, dit ruime plein te zien waarop de regimenten zich schaarden. De gouden borduursels, de zwaarden en helmen glinsterden en fonkelden in de heldere Meizon. In^ijnrechte gelederen stonden de soldaten; de trommen roffelden, de trompetten en bazuinen schalden, de officieren van den generalen staf bevonden zich, op hunne rijk getuigde paarden gezeten, op 't midden van het plein, of renden voorbij het front der regimenten heen en weder, om hier en daar met donderen^ stem een kleine onregelmatigheid in de positie, of een afWijking van de lijnrechte linie te bestraffen.
Achter de troepen stonden de équipages der voorname toeschouwers aan de eene zijde, terwijl aan den anderen kant het volk in dicht opeengedrongen troepen heen en weder golfde, en luid en levendig zijn oordeel te kennen gaf,
72
omtrent de verschillende regimenten en de generaals die op 't midden van het plein verzameld waren. Het volk â dat wil zeggen al degenen, die niet rijk genoeg waren om rijtuig te houden, en niet voornaam genoeg om op de, aan de eene zijde van het plein opgerichte tribune, â die voor de dames en heeren van den adel was voorbehouden, â oen plaats te bekomen, beschaafden en onbeschaafden, ambachtslieden, geleerden en kunstenaars, stonden hier in bonte mengeling dooreen.
Twee heeren, schijnbaar tot de meer beschaafde burgerklasse behoorende, stonden nabij de rijtuigen der voornamen in het gedrang. Beiden waren naar de mode gekleed, die sedert het verschijnen van âHet lijden van den jongen Wer-therquot; nog altoos de geliefdste was. Eng sluitende laarzen niet gele kappen bedekten de beenen tot aan de knie, en uit de laarzen kwam de witte pantalon, waarover het lange groene vest hing. Hierover voorts de groene rok met lange spitse panden en groote metalen knoopen, en op het gepoederd haar met den kleinen, sierlijk met lint omwonden staart in den nek, de lage, zwarte hoed met breeden rand. Slechts een dezer beide heeren droeg den âgroenen rokquot; en was derhalve in het onberispelijk geliefde Werther-costuum gekleed. Hij was een jong man van wellicht nauwelijks dertig jaren, fraai van gestalte en fier van houding; het gelaat van dien edelen vorm, en met die sympathetische uitdrukking, zooals de heerlijke gods-en menschenbeelden der ouden ons die vertoonen. Gelijk het hoofd van een op aarde neder-gedaalden God was het hoofd van dezen jongen man ; edel en fraai elke trek, elke beweging; vol adel en bevalligheid de lichtgebogen, fijne neus; breed het peinzend voorhoofd; edel-gevormd de wangen met den bruin-rooden tint van jeugd en kracht; forsch en scherp geteekend de kin, en om den lijn gevormden mond op de purperen lippen de uitdrukking van goedheid, welwillendheid, schalkschheid en overmoed. Groot en krachtig waren de oogen, fraai gespleten en wijd geopend, lichtbruin, en stralend en glinsteramp;id van het heilige vuur, 'twelk de goden zelf er in ontstoken hadden.
Zijn makker was misschien omstreeks acht jaren jonger; een jongeling van nauwelijks twee-en-twintig jaren, kleiner van gestalte dan de andere, smaller van schouders dan deze, en minder fraai in al zijne vormen, doch met een open.
73
vroolijk aangezicht, schrandere, goedhartige, schitterende oogen, en opgekrulde roode lippen, die naar het scheen niet konden ophouden te praten en te lachen.
âZie toch, bid ik u. Wolf,quot; zeide hij juist, den arm des anderen drukkende: âzie toch die oude waggelende eend. Möllendorf daar. Ik ken den ouden kerel nog uitGotha; hij verbeeldt zich iels degelijks te zijn en dat de Pruisische Staat eigenlijk slechts door Möllendorfs's genade roem en eer bezit. Hoor hem eens aan tafel zijn heerlijkheid uitbazuinen en op zijn Koning schimpen! Hij wil van den grooten Frederik een klein menschenkind maken, om zich boven hem te kunnen verheffen.quot;
âJa, zoo doen de kleine menschenkinderen,quot; antwoordde de andere; âzij willen de grooten verkleinen, endenken, als zij zich zeiven slechts op een zeer hoog voetstuk plaatsen, dat zij zeer groote mannen zijn. Bajazzo was óók een groot man toen hij op stelten door de menigte slapte, en zelfs een Keizer vau zijn hoogte op den neus kon zien! Maar gelukkig komt er toch altoos een oogenblik dat de lieve Bajazzi's van hunne stelten af moeten en het dan zoo niet hun zeiven, dan toch anderen duidelijk wordt, welke ellendige, nietige, kleine dwergen de groote mannen vati gisteren zijn.quot;
âEn zie eens. Wolf, daar is voor den steltenman Möllendorf, nu juist zulk een oogenblik gekomen !quot; riep de ander; âHé, hoe bukt zich de groote man, en hoe klein wordt hij op zijn schimmel; want daar komt een grootere aanrennen. Bezie hem nu eens goed. Wolf, en let op zijn gelaat, want wij zullen later bij hem dineeren, en hij heeft het niet gaarne dat men hem te scherp in de oogen ziet.quot;
âDit. is dus Prins Hendrik?quot; vroeg de heer Wolf levendig; âdeze kleine generaal, diejuistmet zijn gevolg in den kring der generaals rent, en voor wien allen buigen, is dat de broeder des grooten Konings?quot;
âHij is 't, Wolf, en hij is ook waardig de broeder van den grooten man te zijn.''
âMaar dat hij diens broeder is, is juist zijn ongeluk,quot; zeide een diepe, welluidende stem achter hen, en toen beiden zich omwendden, zagen zij een jong, elegant gekleed man in licht groenen rok, den met goud geboorden driekanten
74
hoed op het hoofd, in de hand een rotting van spaanseh riet met een grooten ivoren knop, waaraan sierlijke, kleine lederen kwasten hingen.
âGij zeidet, mijnheer?quot; vroeg de heer Wolf, en zijn groote, bruine oogen vlogen met zulk een blik over het 'bleeke, geestvolle gelaat des anderen, dat deze geheel verschrikt en verward eensklaps opzag en toch, als betooverd, zijne oogen niet van zijn aangezicht kon afwenden.
âGij zeidet, mijnheer?quot; vroeg de heer Wolf nogmaals.
,.Ik geloof,quot; stamelde hij; âgezegd te hebben dat het voor Prins Hendrik een ongeluk was de broeder te zijn, want hij is waardig het zelf t3 zijn, en voor zich zeiven genoemd te worden, wijl, â maar ik bid u,quot; viel hij zich in de rede; âheb een weinig deernis met mij en zie mij niet met uwe goddelijke oogen zoo diep in het hart! Ik word anders verbijsterd, loop naar Berlijn en schreeuw het door de straten, dat de Apollo van Belvédère te Potsdam is gekomen, en noodig alle poëten en auteurs uit hier te komen .en hem te huldigen.quot;
âEn bij den Hemel! gij zoudt misschien gelijk hebben,quot; riep de jongste van beide heeren lachend : âwant ik geloof zelt dat hij de Apollo van Belvédère is, en âquot;
âStil mijnheer, stil,quot; viel de andere hem in de rede, terwijl hij zich dicht tot het oor des jongelings boog; âhoud uw woord, en bewaar ons incognito zoolang wij hier zijn.quot;
âMaar, Wolt, kan ik het helpen dat deze sluwe kerel uw incognito doorziet, en den god vermoedt die zich achter het groene Werther-costuum verbergt?quot;
âIk bid u, mijnheer, voldoe aan mijn verzoek, eerbiedig ons incognito,'' bad de andere zacht en dringend.
âGoed, goed, ge zult uw zin hebben,'' lachte de andere goedhartig, en hij wendde zich nu tot den bleeken jonkman, die nog steeds als in verrukking zijne oogen op den heer Wolf hield gericht.
âLaat de auteurs en de poëten maar te Berlijn,quot; zeide hij; âwij willen den vermomden Apollo, zooals ge hem noemt, wel overreden dat hij daarheen tot hen gaat en hun de les leest, want er zijn zeer erge ketters onder de Ber-lijnsche poëten en vitters, en als God in den hemel zelf verzen voor hen maakte en treurspelen schreef zouden zij er tóch zeker wat op te bedillen hebben.''
75
âMaai- zeg mij eens, mijnheer, gij houdt Prins Hendrik voor een groot man?''
âHeeft niet de Koning zelf hem in zijn geschiedenis van den zevenjarigen oorlog zoo genoemd?quot; vroeg de vreemdeling, âheeft hij niet openlijk in 't bijzijn van al zijn generaals gezegd, dat Prins Hendrik van hen allen de eénige generaal was, die in den zevenjarigen oorlog geen enkelen misslag begaan had?quot;
âGelooft ge, dat de Koning dit ook na den thans begin-nenden oorlog van den Prins zal zeggen, die nu juist in den kring met zijn gevolg rijdt?quot; vroeg de jonkman levendig.
âGii meent den Prins van Pruisen,quot; zei de andere hoofdschuddend; âer zijn menschen, die dezen Prins de hoop van Pruisen noemen, en hem als een nieuw morgenrood aan den bewolkten hemel beschouwen.quot;
âEn gij, mijnheer, beschouwt ge hem óók zoo?'' vroeg de heer Wolf; âmeent ook gij dat de Prins van Pruisen eens een nieuwen dag zal brengen?quot;
âNeen,quot; antwoordde de ander haastig en zacht; âneen, ik geloof dat de dag verdwijnt als Frederik de Groote sterft, en dat op het schitterend licht, 't welk hij heeft aangebracht, een lange donkere nacht zal volgen.quot;
âWaarom gelooft ge dat?quot;
âOmdat het de loop der wereld is, dat op het licht de duisternis, op den dag de nacht volgt. Ziet den Prins aan, mijne heeren ; de heilige vlammen van het genie stralen niet meer zoo helder van zijn voorhoofd als vroeger, en gelooft mij, men zal wel zorgen dat zij spoedig geheel verdooven.quot;
âWie zal daarvoor zorgen?quot;
âZij, die vijanden van licht, beschaving en vrijheid zijn.quot;
âWie zijn dat?quot; vroeg de heer Wolf.
De andere glimlachte. âMijnheer,quot; zeide hij, âin zoover ik mij in alle nederigheid een zoon der Muzen noem, ben ik god Apollo dus óók gehoorzaamheid verschuldigd, en moet hem antwoorden als hij mij vraagt, hoezeer het antwoord gevaarlijk voor mij kan zijn. Ik antwoord dus: de vijanden van licht en beschaving zijn de Rozenkruizers, de vijanden der Illuminaten.
âO, men ziet wel dat ge niet tot hen behoort, mijnheer,quot; zei de jonge man lachend, âge zoudt ze anders niet zoo karakteriseeren, en âquot;
76
Een krachtig, lang aanhoudend tromgerolï'el, de luide fanfares van hoorns en trompetten overstemden de woorden des jongelings, en maakten elk verder gesprek onmogelijk.
üe Koning, gevolgd door een schitterend geleide, was zooeven op het exercitie-plein aangekomen. Zijneregitnen-ten begroetten met luid geschal hun veldheer, en tiet volk riep hem met duizendvoudigenjubelkreetzijnatseheidsgroet toe. Frederik lichtte even den hoed en reed langzaam langs de gelederen. Overal ontving hem het geschal dertrompet-ten; overal volgde hem do toejuiching des volks, maar zijn aangezicht bleet kalm en in zijne groote lichtblauwe oogen scheen de Jupitersblik voor altoos verdoofd te zijn. Zijne gestalte, scheen heden, op Gesar,â het lievelingspaard des Konings, â nóg kleiner, nog meer ineengebogen te zijn, zijn rug nog meer gekromd door den last der jaren en des levens, en aan den krukstok, dien de Koning' dwars over den hals van den schimmel hield, zag men dat de handen, die tegelijk de teugels hielden, van zwakheidbeetden.
âIs dat Frederik,quot; zei de heer Wolf voor zich, âis dat de held voor wien Europa gebeefd heeft, de moedige Vorst, die in zijne Staten de zon heeft laten opgaan, en de geesten gewekt heeft tot een vroolijk leven? Ach, hoe janamer en treurig, dat een held oud en zwak kan worden! Ach.,wreed lot, dat de edelste geesten bant in den gebrekkigenmen-schenvorm, en âquot; Maar eensklaps verstomde liij, en zag verbaasd en verwonderd naar den Koning.
De grijsaard had zich plotseling veranderd, en was weder een held geworden; de gebogene gestalte had zich opgericht, het aangezicht straalde van geest- en wilskracht, de oogen vlamden van koenen moed, en machtig en volklonk de stem, toen de Koning zich nu tot de generaals wendde, die in een wijden kring om hem heen stonden.
âMessieurs,quot; riep hij, âik kom om u vaarwelte zeggen. Op het slagveld zien wij elkander weder; op het slagveld, waar lauweren voor de dapperen bloeien. Ik hoop dat wij allen, met lauweren bekranst terug zullen keeren. Zegt aan mijne soldaten dat ik op hen reken; dat ik weet dat zij den roem der Pruisische troepen opnieuw zullen bevestigen, en dat zij mij op den dag des gevechts steeds aan hun spits zullen zien. Vaartwel!quot;
âLeve de Koning!'' riepen de generaals en staf-officieren
77
als uit één mond, en al het volk en al de soldaten stemden jubelend in; de dames in hare rijtuigen wuifden met hunne witte zakdoeken, en de heer Wolf en diens jonge makker rukten vol geestvervoering hunne hoeden af, en zwaaiden ze hoog in de lucht.
De groote oogen des Konings, die juist voorbij reed, blikten naar deze zijde, en eenoogenblik ontmoetten de blikken van Frederik den Groote die van den heer Wolf.
âMijn hart beeft alsof ik de Memnonszuil was, die door de stralen der zon getroffen wordt,quot; zuchtte hij zacht voor zich toen zijn vlammende oogen den heenrijdenden Koning volgden.
âDe plechtigheid is thans ten einde,quot; zei de jonge man naast hem, âen wij mogen nu wel gaan om op den bepaalden tijd te Berlijn, aan het diner van prins Hendrik te zijn.quot;
âIk wenschte dat de Koning nog een uur zoo had stil gestaan, riep de heer Wolf zuchtend, âtoen ik hem aanschouwde, was 't mij als hoorde ik een gezang van Homerus, en al mijn gevoel vereenigde zich in verrukking en vreugde. Gelukkig degenen, die hem naderen, en in zijne nabijheid mogen vertoeven!quot;
âMijnheer, dan zouden zijne kamerdienaars, volgens uwe meening, zeer gelukkig zijn,'' zei de onbekende; âen tóch weet ge wel, dat er voor een kamerdienaar geen groot man beslaat.quot;
âOmdat de kamerdienaar een klein mensch is,quot; riep de heer Wolf levendig; âwijl hij alles slechts als klein kan beschouwen met zijn kleine oogen!quot;
âJa, en er zijn helaas veel zulke wezens in de omgeving des Konings,quot; zuchtte de andere.
âKom, Wolf, wij moeten weg,quot; vermaande de jongeling.
âWacht nog een oogenblik, vriend,quot; verzocht de andere, en zich tot den vreemde wendende, voer hij voort; âik zou ii gaarne willen wederzien, om ons gesprek van heden voort te zetten. Gij woont te Berlijn en ik zal er u opzoeken, zoo gij mij uw naam wilt zeggen.quot;
âUw bezoek zal mij hoogst aangenaam zijn. Ik heet Moritz, en woon in de Kloosterstraat dicht bij het grijze klooster.quot;
âHeet ge Moritz?quot; vroeg Wolf levendig; âzijt gij de schrijver van de Reis naar Engeland?quot;
78
âJa, mijnheer, dezelfde; en mijn schoonste loon is, dat gij het weet en mijn naam u niet onbekend is.quot;
âGeheel Duitschland kent hem, en ge meent dat hij mij vreemd zou zijn gebleven?quot;
âMaar uw naam, mijnheer?quot; vroeg Moritz met een uitdrukking van opgewekte nieuwsgierigheid: âWilt ge mij ook niet uw naam zeggen ?quot;
De heer Wolf glimlachte. âDien zeg ik u als ik bij u ben in uwe kamer. De lucht die nog betooverd is door den adem des grooten Frederik's, mag niet ontheiligd worden door een anderen naam. Vaarwel, en tot wederziens te Berlijn.quot; â
Niet ver van deze drie stonden twee andere heeren, beiden in lange militaire mantels gehuld, beiden van buitenlandsch, in 'toogvallend voorkomen. De eene, klein en sierlijk van gestalte, van bruinen, donkeren tint, met edel, fraai aangezicht,] kon een Italiaan zijn; hiervoor getuigden zijn donkere tint, zijn pikzwart haar en zijn gloeiende zwarte oogen. De andere, rijzig, breedgeschouderd van gestalte, behoorde tot het noorden van Duitschland; dit verried zijn blond haar, zijn blauwe oogen en zijn geheele gelaatsvorm. Een zachte, behagelijke glimlach speelde om zijn breede, opgeworpen lippen, en slechts als hij zijn blik op zijn geleider richtte verdween deze glimlach, en nam zijn gelaat de uitdrukking van eerbiedige genegenheid aan.
Juist reed de Koning hem voorbij. De Italiaan hief zijn hand op, en legde ze met een zwaren druk op den arm van den Hercules.
âDe aartsvijand,quot; fluisterde hij zacht; âde demon van het ongeloof, voor wien niets heilig is, en die voor niets terug-dienst. De spotlachende geest der ontkenning, die verlichting noemt wat slechts verduistering is, voor wien geloof slechts bijgeloof, â en vroomheid slechts bedrog is. Weeover hem!quot;
âWee over hem,quot; herhaalde de andere zacht.
Op den Koning volgde nu in bont gewoel, de schitterende generale staf. Eerst prins Hendrik, vervolgens de Prins van Pruisen.
Toen deze voorbij de beide heeren kwam, drukte de hand van den Italiaan nóg heftiger den arm zijns geleiders. âAanschouw hem nauwkeurig, mijn zoon,quot; zeide hij; âl)at is onze toekomst, en onze hoop in deze landen!quot;
79
De Hercules wendde zich haastig met oen verbaasden blik tot den Italiaan. âDe Prins van Pruisen?quot; vroeg hij verwonderd.
De Italiaan knikte bevestigend. âOngeloovige, twijfelt ge?quot; vroeg hij op verwijtenden toon; âraakt ge in twijfel omtrent uwen heer en meester, wijl hij zegt wat gij, met uw nog verduisterde ziel niet kunt begrijpen?quot;
âNeen, neen, meester,quot; prevelde de ander; âik twijfel niet, maar ik ben verbaasd, omdat gij van den in zondenlust verzonken troonopvolger iets goeds verwacht.quot;
âJa, ja, zoo zijt gij, arme menschenkinderen,quot; zuchtte de Italiaan met een medelijdenden glimlach; âdadelijk gereed met uw oordeel, en licht voor schaduw, de schaduw voor licht houdende. Het is eene opmerking, die ik reeds hij den grooten en streng zedelijken minister Sully maakte, toen hij bij mij klaagde over de lichtzinnigheid en zedeloosheid, van Frankrijks Koning, Hendrik IV. Ik zeide hem, dat de strenge moraal en de zedewet bij groote mannen uitzonderingen dulden, en dat zij, door wie het welzijn der menschheid bevorderd moet worden, hun hemelsche liefdezucht ook moeten overdragen op de aardsche wereld. Sully wilde dit wel betwisten, maar ik sloeg hem uit het veld door hem te verhalen, wat eens de schoone en ongelukkige Koningin van Schotland, Maria Stuart, tot mij zeide.quot;
âMaria Stuart?quot; vroeg de andere verbaasd.
âJa, Maria Stuart,quot; antwoordde de Italiaan ernstig; âkom, mijn zoon, laat ons gaan. Wij hebben gezien'wat wij wilden zien. 'tls genoeg. Geef mij uw arm en laat ons gaan.quot;
Hij nam den arm van zijn geleider, en trok hem uit het gedrang naar den breeden weg, die naar het park voerde.
âGij wildet mij verhalen van het antwoord, dat Maria Stuart u gaf, meester,quot; zei de Hercules bedeesd.
âJa, ik wil u van haar verhalen,quot; antwoordde de Italiaan op treurigen toon; âhet was te Edinburg, en ik had Maria, bij wie ik zonder aandiening komen en gaan mocht, in haar boudoir verrast, toen de schoone Rizzio aan hare voeten zat, en onder begeleiding der luit minneliederen voor haar zong. Zij rustte op een met goud geborduurden divan, en hare gestalte kwam prachtig uit in het hemelsblauw, met zilver doorwerkte gazen kleed, dat als een wolk hare heer-
80
lijke leden omhulde. In hare lichtbruine lokken fonkelden een paar brillanten, als waren 'teen paar sterren, die met de wolk uit den hemel waren gevallen en nóg gloeiender fonkelden hare oogen, welke zij met een teederen liefde' blik op Rizzio gericht had. Op de ellebogen gesteund, had zij zich eon weinig met het bovenlijf nedergebogen tot den zanger, die met de luit in den arm tot haar opzag, en wiens wonderschoon gelaat schitterde en straalde van liefde en geluk, 't Was een heerlijk gezicht, dit jong bekoorlijk paar in de zaligheid der liefde, en nooit heb ik in den loop dezer eeuwen dit heerlijke beeld vergeten; nooit heeft het zijn schitterende kleuren in mijn ziel laten verbleeken. Hoe dikwijls heb ik niet later mijn vriend, den schilder Antonius van Dijk verzocht, dat hij voor mij met zijnon-sterfelijk penseel dit tooneel zou vereeuwigen. Hij beloofde 't mij ook, maar hij was destijds juist met het portret van den kleinzoon van Koningin Maria, van Karei I en diens familie bezig, en later, toen ik ongelukkigerwijs niet bij hem wTas om hem te redden, raapte de dood den grooten schilder weg, vóór hij aan mij zijn woord had gehouden, en mijn lievelingsbeeld had geschilderd. Maar ik houd het ten minste vast in mijn ziel, en ik zie altijd nog de schoone Koningin met den zanger aan hare voeten. Ik was onopgemerkt binnengekomen, en stond een paar minuten stil en onbewegelijk in de deur, vóór zij mij gewaar werden. Nu trad ik voorwaarts, en Rizzio hield in't midden eener teedere strophe op, en sprong overeind. Maria Stuart wenkte hem blozend zich te verwijderen. Hij ging zacht op de teenen met zijn luit in den arm naar buiten, en ik bleef alleen met de Koningin. Ik waagde het, haar zachte verwijten te doen wegens hare liefdesbetrekking met den schoonen zanger, en haar tot deugd, maar bovenal tot trouw jegens haren gemaal te vermanen. Hierop antwoordde mij Maria met haar licht-vaardigen, betooverenden glimlach : âMijn vriend, er is op aarde slechts ééne trouw, welke men houden moet; dat is de trouw jegens den God der Goden, jegens Amor. Waar hij niet is, wil ook ik niet zijn, en God Hymen is een vervelend pedant gezel, die al de bloemen des harten en alle verrukking der ziel met zijn onuitstaanbare fakkel tot asch verbrandt, indien Amor hem niet ter zijde staat. Ik ben God Amor trouw, en daarom kan ik het niet lang met God Hymen hou-
81
den, want dit zou ontrouw jegens de liefde zijn.quot; Dit was het antwoord der schoone Koningin Maria, en ik kon er niet op antwoorden, want ik moest haar gelijk geven; zag haar slechts aan en glimlachte. Maar eenklaps voelde ik als een dolksteek in mijn hart; want in dit moment openden zich de oogen mijner ziel, en het bekoorlijke vrouwenbeeld daar Voor mij op den divan, veranderde vreeselijk. In plaats van het zilverfonkelend gewaad, omhulde plotseling een zwart wollen kleed hare vermagerde leden; in plaats van de als sterren fonkelende brillanten, bedekte een zwarte rouwsluier hare grijs geworden lokken. De blankheid en volheid van haren hals vei'dween, en ik zag om den hals een breede, donkerroode streep. Toen begon haar hoofd te waggelen, scheidde zich bij de donkerroode streep, viel op den grond, en rolde aan mijne voeten. Ik zag dit alles zóó duidelijk, alsof het werkelijk gebeurde, en door een onuitsprekelijk medelijden overweldigd, viel ik der schoone Koningin, die van mijn visioen niets wist, te voet, en bezwoer haar met al den angst en al de teederheid der vriendschap, Schotland te verlaten en zich uit Engeland te redden, zoovèr zij kon, en er nooit terug te keeren, want daar wachtte haar het schavot. Maar Maria Stuart lachte om mijne waarschuwing, zij noemde mij een droefgeestigen dwaas, dien ij verzucht tot profeet had gemaakt; en hoe meer ik bad en smeekte, des te overmoediger en vroolijker werd de arme vrouw! Toen, ziende dat alles vruchteloos was, dat niets haar aan haar vreeselijk lot kon onttrekken, beloofde ik haar met een plech-tigen eed, dat ik in het uur van haren dood aan hare zijde zou zijn, dat ik haar op het schavot begeleiden zou. Zij lachte luid, en met dien spottenden overmoed die haar eigen was, nam zij mijn eed aan en reikte mij haar schitterend blanke, van brillanten fonkelende hand, opdat ik mijn eed met een kus er op zou bezegelen. Ik heb mijn eed trouw gehouden, en toen ik te Rome, waar ik mij juist ophield, het bericht der gevangenschap van de Koningin vernam, begaf ik mij dadelijk tot den Paus, den grooten Sixtus V, die destijds den stoel van den H. Petrus innam. Hij was gelukkig mijn vriend, en ik was hem nuttig geweest door hem te helpen zijn groote vrijzinnige denkbeelden voor het welzijn der menschheid, ten uitvoer te brengen. Als éénige wederdienst vorderde ik nu van den heiligen vader, dat hij Mühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. I. C
82
mij een gewijde hostie voor de ongelukkige Maria Stuart geven, en mij veroorloven zoude, haar die in hare gevangenis te brengen. Ook de heilige vader lachte om mijn kwaad voorgevoel, zooals Maria Stuart er om gelachen had, maar gaf mij evenwel de gewijde hostie en het gevraagd verlof. Ik verliet Rome met den meesten spoed en reisde dag en nacht door. Toen ik te Boulogne aankwam, wilde juist een naar Dover bestemde pakketboot het anker lichten ; het gelukte mij nog haar te bereiken en den volgenden avond was ik reeds te Londen. Den volgenden dag had de terechtstelling der Koningin te Fotheringhay plaats. Ik was de laatste uren bij haar, en uit mijne handen ontving zij de door Paus Sixtus V gewijde hostie. Ik hield mijn eed en geleidde haar op het schavot; haar hoofd viel, â zooals ik het vroeger te Edinburg had gezien, â aan mijn voeten neder. Het was op den achttienden April van 't jaar 1587, en tóch is't mij als ware het gisteren geschied, want voor den aanschouwenden geest verdwijnen ruimte en tijd, en het eeuwige, onsterfelijke is hem het alomtegenwoordige.quot;
De Italiaan had zich terwijl hij met zachte, treurige stem zijn verhaal ten einde bracht, steeds verder van het exercitieplein verwijderd en was in de breede laan van 't park gekomen, dat de eene zijde van het plein begrensde. Geheel in zijne herinneringen en verschijningen verdiept, scheen hij volstrekt niet te weten, waarheen hij wandelde, en als van zelve schenen zijne schreden zich steeds meer naar de eenzamer en afgelegener gedeelten van het park te wenden.
Ook zijn geleider lette niet op den weg; zijne aandacht was geheel door het zonderling verhaal van den Italiaan geboeid. Een wonderbaar gevoel van godsvrucht en angst bemachtigde zijn ziel, en met eene uitdrukking van vromen eerbied luisterde hij naar de woorden, die als zachte muziek van de lippen des Italiaans klonken.
âHet was in 't jaar 1587,quot; zeide hij zacht, toen de Italiaan zweeg; âdat wil zeggen voor bijna tweehonderd jaar, en ge hebt dat beleefd, en waart er bij tegenwoordig?quot;
,,Ik was er bij tegenwoordig,quot; antwoordde de Italiaan: âO ik had destijds reeds zooveel schrikkelijks beleefd, en zoovele doodsvoltrekkingen bijgewoond, dat deze treurige gebeurtenis voor mij niets bijzonders meer was, en niet in
83
mijn geheugen zou zijn gebleven, indien ik de schoone Koningin Maria Stuart niet zoo hartelijk en innig bemind had. Voor hém die in de eeuwigheid leeft, hebben alle verschrikkingen opgehouden, en de tijd ruischt in eeuwen hem voorbij, die hem slechts één enkelen dag toeschijnen.quot;
âLeer mij óók zoo te loven, meester; ik smacht naar kennis!quot; riep de andere opgewonden.
âIk weet het,quot; zeide hij; âja, ik zie in de diepte uwer ziel, mijn zoon, en ik weet dat gij smacht. Derhalve ben ik er, om den dorst uwer ziel te stillen en uw hongerig hart lafenis te brengen.quot; Hij bleef staan op het kleine rondeel, waarbij zij nu langs eenzame wegen gekomen waren, en dat met dicht geboomte en hoog struikgewas omsloten was. Geen luide toon stoorde de vreedzame morgenstilte dezer plaats, en slechts van verre hoorde men somwijlen nog de wegstervende tonen der muziek van de aftrekkende regimenten.
âIk wil u leeren in de eeuwigheid te leven,quot; vervolgde de Italiaan na een poos op plechtigen toon: âMijn voorganger en apostel Georg Schrepfer heeft u ingewijd in het tijdelijke en de kennis van het dezerzijdsche. Door het pistoolschot, 't welk hem de onzichtbare wereld opende, en hem aan uwe aardsche oogen ontrukte, heeft hij u, â zijn trouwsten en geloovigsten leerling, â de groote les van het verval van al het aardsche gegeven, en u voorbereid tot de heilige leer der onvergankelijkheid van het bovenaardsche. Mij echter zendt de eeuwige geest der menschheid, opdat ik u deze heilige leer zon openbaren. Toen ik u te Dresden ontmoette, en gij mij tegemoet kwaamt aan de zijde der gravin Dorothea von Medem, herkende ik u, dien ik nooit gezien had, aan het blauwe vlammetje dat boven uw voorhoofd flikkerde, en dat niets anders was dan de in smart en angst worstelende ziel van uwen leeraar Schrepfer, die bij u gebleven is, en van u hare verlossing verwacht. Ik begroette u derhalve niet als een vreemde, maar als een vriend. Niemand had mij uwen naam genoemd, en evenwel wist ik hem, en reikte u mijn hand, zeggende: âHans Rudolph von Bischofswerder, wees mij welkom. De blauwe vlam die op uw voorhoofd brandt, zendt u tot mij, en het pistoolschot onder den duizendjarigen eik in het Rosenthal van Leipzig, was de roepstem die mijn geest in de pyramiden
84
van Egypte hoorde, en mij naar Europa terugriep tot de mijnen, van welke gij een zijt.quot; ^
, âEn toen gij zoo spraakt, o heer en meester, herkende ik Wtfook m, en riep: Gij zijt degene, die mij is verkondigd ge-ft* worden; gij zijt de Messias, en mijn meester Sehrepfer was .pgfaO de Johannes die u vóórging on u aankondigde. Gij zijt de /gt;. A Groot-Kophta, ge zijt Alexander graafCagliostro! Entoen r⢠ik dien naam uitsprak, gingen plotseling de lichten die in zaa^ brandden uit en diepe duisternis en diepe stilte lt;****â heerschten alom. De beide gravinnen Dorothea von Modem ? rtu en hare zuster Eliza von der Recke omklemden mij bevend fya.e^b'j'va. geen hunner waagde het, zelfs met een zucht de stilte af te breken. Eensklaps schitterde het in de duisternis, en in bevenden lichtglans stond op den wand geschreven; Memento Domini Cayliostro et omnis mansuetudinis ejus. Wij zonken voor deze heilige schriftteekens op onze knieën en baden tot u, onzen meester en Groot-Kophta, en smeekten u, den adem uws levens over ons te blazen. Langzamerhand verdwenen de wonderbare geheimzinnige woorden van den wand, en duisternis en stilte heerschten wederom in het rond. Eindelijk begon deze stilte mij te beangstigen; ik riep om licht, en toen de bedienden met de kaarsen binnentraden, lagen de beide gravinnen in onmacht op den grond. Maar gij waart verdwenen.quot;
âDoch slechts om den volgenden dag weder voor u te verschijnen,quot; zei Gagliostro; âom u met plechtigen handslag op te nemen in den magischen kring der mijnen en u tot mijn discipel te verheffen; u deel te laten nemen aan de geheime wetenschappen der geesten, en voor te bereiden voor de onzichtbare loge. Herinner u nu wat ik u voor drie dagen te Dresden zeide! Weet ge 'tnog?quot;
1) Georg Sehrepfer, de stichter van de inwendige vrijmetselaarsloge, tegelijk kofliehuishouder en geestenbanner, noodigde in 'tjaar 1774 zijn vertrouwde leerlingen en geloovigen, waartoe ook Bischofswerder behoorde, in het Rosenthal bij Leipzig. Onder een duizendjarigen eik verzamelde hij ze om zich heen, om hun vaarwel te zeggen; daar hij zich nu terstond, gelijk hij zeide, voor hunne zichtbare oogen naar het verborgen Rijk wilde begeven, vanwaar hij, â hoewel slechts als geest, â aan zijne discipelen en geloovigen, den eenen geld, den anderen wijsheid zou zenden. Vervolgens beval hij hun de handen voor hun aangezicht te leggen en te bidden. De biddenden hoorden eensklaps een luiden knal, en toen zij opzagen lag Sehrepfer dood op den grond. Hij had zich met een pistoolschot gedood.
85
âIk weet het! Ge zeidet; âDe heilige dienst gebiedt mij met de gravin Medem naar Mitaa te gaan, om er verborgen schatten op te graven, waarvan de geest mij kennis heeft gegeven, en gewichtige magische geschriften uit de muren van een klooster te bevrijden. Maar vóór ik daarheen ga, wil ik u naar buiten voeren op den weg dien ge te bewandelen hebt, om het licht te vinden en het te laten schijnen in de zielen, die waardig zullen zijn het te aanschouwen. Volg mij dus; ik wil u op het pad desroems, der macht en der onsterfelijkheid voeren.quot; Dit waren uwe woorden, mijn heer en meester.quot;
,,En nu heb ik u hierheen gevoerd,quot; zei Cagliostro zacht; âen uw ziel twijfelt en beeft; want gij zijt nog blind met ziende oogen, en doof met hoorende ooren.quot;
âMijn ziel twijfelt niet, meester, maar zij begrijpt niet! Ik ben u gevolgd vol eerbied en geloof. Gij weet het, meester; want gij leest in de ziel uwer kinderen, en ziet hunne verborgenste gedachten. Ge hebt mij te Dresden gezegd: âGeef uwe betrekking in den dienst van den hertog van Koerland op.quot; Ik heb het gedaan en de stalmeester en kamerheer van den hertog van Koerland, is nu een ambteloos, eenvoudig persoon geworden. Ik heb mijn titel en waardigheden opgegeven in verblijdend geloof op u. Mijn toekomst ligt in uwe hand, en als een dankbaar en verkleefd zoon en leerling, zal ik het geluk en het ongeluk van u ontvangen.quot;
âGe zult uit mijne handen slechts het geluk ontvangen,quot; zei Cagliostro plechtig; âgij zijt een der uitverkorenen, en de blauwe vlam brandt op uw voorhoofd. Zij zal u verlichten in den geest, en u voeren op de paden des roems en der macht. Heden zijt ge nog een ambteloos, eenvoudig persoon, gelijk gij zegt; maar reeds morgen zult ge weder een aanzienlijk heer zijn, voor wien honderden buigen en die te gebieden heeft, waar anderen moeten gehoorzamen. U wacht de roem, en als ge dien verworven hebt, dan wacht u de macht. Wien heb ik u genoemd als onze toekomst en onze hoop in deze landen?quot;
âDen Prins Frederik quot;Wilhelm van Pruisen,quot; antwoordde de heer von Bischofswerder ootmoedig.
âToen ik dezen naam uitsprak, huiverdet gij, en noemdet den Prins een in zondenlust verlorene. Ge moet echter
86
weten, mijn zoon, dat slechts uit de zonde berouw, â en uit berouw verheffing en loutering ontstaat. Gij zijt uitverkoren en geroepen om den zondaar te bekeeren, en het kind der aarde terug te voeren op den weg des hemels. Prent u deze woorden diep in het geheugen, vervul er uw ziel mede als met vurige vlammen, herhaal u deze woorden den geheelen dag in stilte en eenzaamheid, en dan zullen hemelsche geesten zich verheffen, en u openbaringen der toekomst in de ziel fluisteren. Dan, als ge zóó voorbereid en gewijd zijt, wil ik u de heilige hallen der verhevene wetenschap binnenvoeren. Gij waart tot hiertoe de leerling van den voorhof; ge zult thans opgenomen worden als leerling der Tempelhal, en het zal dan van u athangen, of ge voortgaan zult tot het altaar des tempels, die reikt tot in de onzichtbare werelden der verborgenheden en wonderen.quot;
âO, mijn meester en mijn heer,quot; riep Bischofswerder met van vreugde stralend gelaat, terwijl hij op zijne knieën ne-derzonk; âge wilt mij begenadigen en de onzichtbare Tempelhal binnenvoeren ? Ik zal opgenomen worden in de heilige geestenwereld?quot;
âDat zult gij. Hans Rudolph von Bischofswerder. De groote meesters onzer Orde keuren u dat geluk waardig, en heden nacht zal de ster der toekomst over u opgaan. Houd u gereed! Bevind u te middernacht voor het eerste portaal van het koninklijk paleis te Berlijn. Een man zal u naderen, en ge zult hem vragen : âWie is onze hoop ?quot; Als hij u antwoordt: âde Prins van Pruisen,quot; dan is het de bode dien ik u zond, en ge zult hem volgen. Maar buig uw hoofd in ootmoed, sluit uwe oogen. voor al het aard-sche, en hef, in uw zeiven gekeerd, uwe gedachten op tot de geesten der groote ontslapenen, die uw hoofd omzweven en tot de blauwe vlam spreken, die op uw voorhoofd brandt.quot;
Bischofswerder boog zijn hoofd dieper, sloeg zijn handen voor zijn aangezicht en lag als een vurig biddende op zijne knieën.
Cagliostro boog zich over hem, legde hem zijn hand op 't hoofd, en blies driemaal op zijn blond haar.
âIk heb op u geblazen met den adem mijn geestes,quot; zeide hij; âen de macht stroomt daaruit over in uwen geest. Gevoel het met heilige huivering en houd u stil.quot;
87
Bischofswerder lag daar onbewegelijk met nedei'gebogen hoofd, en bedekt gelaat.
Cagliostro richtte zich op, en de groote zwarte oogen strak op den knielende gericht houden, trad hij met onhoorbare schreden van hem terug, naderde langzaam het dichte houtgewas dat het rondeel omgaf, en verdween er achter.
De heer von Bischofswerder lag nog steeds vol eerbied op zijne knieën. Eerst na een lange poos waagde hij het, de handen van zijn gelaat te nemen, en het hoofd op te heffen.
Met schuwen, dwalenden blik zag hij in het rond, en toen hij zag dat hij alleen was, richtte hij zich langzaam van ziine knieën op.
'âHij is weggezweefd,quot; prevelde hij : âmaar ik zal hem wederzien en hij zal mij de wijding geven! De wijding der onzichtbaren!quot;'
VII.
HET WONDEBELIXEB.
De Koning was langzaam, gevolgd door zijn generale staf, van het exercitie-plein weggereden langs den weg naar Sans-souci. Onderweg had hij met glimlachend gelaat de begroetingen van het volk ontvangen, dat op zijn geheelen weg door de stad, de straten bezet hield, en hem zijn vriendelijke atscheidswenschen toeriep. Vervolgens, voor de poort gekomen, hield de Koning zijn schimmel in, en wendde zich tot zijn gevolg. âMessieurs,quot; zeide hij; âin Bohemen zien wij elkander weder. Ik neem hier afscheid van u, en moet mij het genoegen ontzeggen heden nog mijn beminde generaals bi) mij te ontvangen. Een Koning, die te velde trekt, moet als een goed huisvader vooraf zijne huiselijke aangelegenheden in orde brengen, en alle noodige beschikkingen voor de toekomst maken. Ik heb dus heden nog zeer veel te doen, want ik wil morgen vroeg vertrekken! Gij zult óók nog wel wat te doen hebben, mijneheeren, en ieder uwer zal nog wel iets te beschikken hebben. Tot wederziens dus, messieurs!quot;
88
Hij hief den versleten driekanten hoed van ziin hoofd, groette de generaals met een lichten hoofdknik, wendde toen zijn schimmel om, en sloeg de breede laan in, die naar het park van Sanssouci voerde. Niemand volgde hem dan twee lakeieien te paard, die zich op eerbiedigen afstand hielden, steeds de oogen gericht op de gestalte des Konings, van wien zij echter niets zagen dan den gebogen rug en daarboven de punten van 's Koning driekanten hoed. Nu evenwel, toen zij de helft der laan bijna bereikt, en het schitterend gevolg ver achter zich gelaten hadden, verhief zich de krukstok een weinig boven den driekanten hoed.
Dit was het teeken, dat de lakeien verwacht hadden; zij sprongen nu ijlings van hunne paarden en zetten ieder den hazewindhond, dien ze voor zich op het zadel hadden, met angstige voorzichtigheid op den grond neder.
De dieren huilden, ânu hun sierlijke pootjes den grond raakten, â luid van genoegen, en bij dit krijschend, doordringend geluid hield de Koning zijn paard in, en wendde zijn hoofd een weinig ter zijde.
De beide honden kwamen in vollen ren aanloopen, en beide kwamen tegelijkertijd, â de een ter rechter-, de ander ter linkerzijde, â bij hun koninklijken meester aan.
De Koning keek rechts en links naar hen. âNu, Alkmene, nu Diana,quot; zeide hij, âzijt ge daar? Nu willen wij eens zien, wie van u beiden de staatsdame is!quot;
De beide windhonden, (als hadden zij 's Konings woorden verstaan en begrepen), sprongen eensklaps van het paard terug, blaften luid, namen een aanloop en sprongen op. Maar Alkmene was behendiger of misschien sterker dan Diana, en had zulk een gelukkigen sprong gedaan, dat zij recht voor haar meester op het zadel kwam, terwijl Diana na een mislukte poging om achter op 't paard te springen, nu beschaamd, met hangenden kop en staart zich achter het paard terugtrok.
âAlkmene heeft gewonnen,quot; zei Kretschmartotden nevens hem rijdenden lakei.
âJa, Alkmene is heden weder de staatsdame,quot; bevestigde de tweede lakei; âen Diana is slechts weder gezelschapsjuffer. Nu, zij zal zich ergeren, en ik neem't haar niet kwalijk.quot;
âIk óók niet,quot; zei Kretschmar bedachtzaam; â't is zeker
89
een groot onderscheid of men staatsdame, ot eenvoudig ge-zelschapsjuller is De staatsdame, blijft den geheelen dag bij den Koning; hij speelt met haar, gaat met haar wandelen, geeft haar bonbons, geeft haar te eten, zij krijgt van het hoen, dat voor haar en de gezelschapsjuffer dagelijks gekookt wordt, steeds de beste en lekkerste beten, en eerst als de staatsdame verzadigd is, wordt de gezelschapsjuffer binnengehaald, en krijgt dan wat de andere niet meer lustte.quot; ^
âMen zou haast wenschen zelf een hazewindhond bij den Koning te zijn!quot; zuchtte de tweede lakei. âWij althans hebben 't op verre na zoo goed niet; wij krijgen het hon-denloon, en de dieren krijgen hoenders en een goede behandeling! 't Is ellendig!quot;
âHet allerergste is, dat de Koning ons het huwelijk verbiedt,quot; zei Kretschmar droefgeestig; âal het andere zou er door kunnen, want zoo de oude Frits ook al dikwerf bromt en scheldt, betaalt hij later ervoor, en dus geef ik daar niets om ; want regent het eerst scheldwoorden, later regent het ook thalers, en elke âdomme ezel,quot; dien hij mij naar 't hoofd werpt, brengt mij ten minste later een dukaat op. Welnu waarom zou men zich voor zooveel geld niet laten uitschelden ? Ik blijf toch wat ik ben; en als de oude brombeer mij voor een ezel uitscheldt, blijf ik tóch de knappe kerel die ik ben, en Zijne Majesteit zou, bij den Hemel, hoogst tevreden zijn, als hij mijn figuur en houding had.quot;
âJa, gewis; wij zijn toch geheel andere kerels dan de oude Frits,quot; zei de tweede lakei; âik kan u iets zeggen; zelfs een prinses heeft mij een knappe kerel gevonden, 'l is trouwens wel elf jaren geleden, en ik was dus toen elf jaren jonger, en in dienst gegaan bij dé garde wegens mijn rijzige gestalte. Ik stond op schildwacht in de voorzaal der toenmalige Kroonprinsesquot; van Pruisen; het was de eerste keer, ik wist van niets en kende de hooge personages volstrekt
1) Dit was de dagelijksche rangregeling onder de lievelingshonden des Ko-nings, voor welker bediening twee zoogenaamde hondenlakeien waren aangesteld. Tot hunne functiën behoorde ook, dat, als de Koning zijne honden niet bij zich kon hebben, zij er een wandelrit mede moesten doen. Des zomers in een open kales; de honden lagen achterin, de lakeien zaten rugwaarts, en als zij de honden wegens eene of andere onbetamelijkheid berispten, of ze tot orde vermaanden spraken de lakeien de honden met âUquot; aan.
90
niet. Plotseling korat er een allerliefst, prachtig getooide dame in de voorzaal, met twee andere jonge dames achter zich, en zij praten en lachen heel vermakelijk. Eensklaps kijkt de kleine prachtige dame mij met haar groote, zwarte oogen aan, zóólang en scherp, dat ik schier rood werd, en de oogen nedersloeg. âZie eens,quot; riep zii lachend, âzie eens dien allerliefsten jongen. Ik wed, dat het een verkleed meisje is!quot; En meteen loopt zij op mij toe, streelt mij met haar zachte hand het gezicht en lacht; ,.Ik heb gelijk ! Hij heeft geen bewijs van baard !'t Is een verkleed meisje!quot; En flap! vóór dat ik het vermoed, geeft zij mij een kus, nóg een kus, en nog een derden kus. Ik was als betoo-verd en hield mij stil; ik dacht het zal zoo blijven; maar eensklaps kwam 't geheel anders uit; want, terwijlikdenk, nu komt de vierde kus, geeft zij mij met haar zachte hand een fiksche oorveeg en zegt: âDaar hebt ge een leertee-ken, opdat ge weten moogt dat, als een schoone vrouw u een kus geeft, ge niet stil moet staan als een tuinstaak, maar haar weder moet kussen. Daar hebt ge een tweede leer-teeken, opdat ge 'tniet vergeet!quot; En, flap! hief zij den arm op, en geeft mij nog een tweede oorveeg en de andere dames lachten schaterend; dit ergerde mij, en de beide oorvegen hadden mij warm gemaakt. âO,quot; zeide ik, âvoor den d . . . . , als't daarop aankomt, is er geen tweede leer-teeken noodig, dat zult ge zien !quot; En ik zet mijn geweer neder en spring moedig op de dame toe, en â daar gaan de groote vleugeldeuren open, twee beeren in prachtige, met goud geborduurde kleedéren, komen binnen, en het kleine vrouwtje ziende, blijven zij verstomd staan, en maken drie diepe buigingen. Nu rook ik lont, en nam spoedig weder mijn geweer op, en stond stijf als een marionnet. De beide beeren zeiden dat zij vanwege Zijne Majesteit kwamen, en Hare Koninklijke Hoogheid een onderhoud wilden verzoeken, om haar de boodschap des Konings te brengen; en nu ging de prinses met de beide beeren weder in hare vertrekken. Maar een der hofdames bleef voor dat zij heen ging, nog een oogenblik voor mij staan, en zeide: âAls ge u veis meet iets van de grap te vertellen, gaat ge naar de vesting-. Onthoud dit en zwijg.quot; â Nu, ik heb het onthouden en gezwegen tot den dag van heden.quot;
âEn heeft de prinses u later nog meermalen een leermerk
91
gegeven?quot; vroeg Kretschmar met een snellen, loerenden blik.
âNeen, nooit,'' antwoordde de lakei Schultze; âde prinses ging reeds den volgenden dag naar Stettin, waar zij thans nog als gevangene is, wegens hare lustige streken. Maar ik heb haar leermerk onthouden, en als mij later een vrouw kuste, gaf ik het haar altoos moedig terug.quot;
Zij waren intusschen achter den Koning den stijgenden rijweg nevens de terrassen opgereden, en renden nu sneller voorwaarts. Kretschmar sprong uit den zadel, wierp Schultze den teugel toe, en toen de Koning aan de zijpoort van het slot Sanssouci zijn paard inhield, stond de lakei reeds gereed om hem bij het afstijgen behulpzaam te zijn. De Koning had het streng bevel begeven, dat niemand van het dienstpersoneel te Sanssouci op zijn komen en gaan mocht letten, en hij trad dus ook heden zooals altijd, zonder eenig gerucht of praal zijn âhuisquot; binnen, ging langzaam, op zijn krukstok geleund door den kleinen corridor naar de schilderijen-galerij, trad die haastig door en ging, gevolgd door zijne honden en den kamerlakei Kretschmar, naar zijn woonkamer.
De Koning liet zich langzaam in den hoogleunigen armstoel neder, welks blauw verschoten satijn op vele plaatsen door zijne-honden zóó stuk gekrabd en gebeten was, dat het paardenhaar uit de gaten en scheuren stak. â âEn nu, Kretschmar,quot; zeide hij; âhoe is uwe expeditie afgeloopen'? Zijt ge van nacht te Berlijn bij Mamsel Enke geweest, en hebt ge haar gesproken?quot;
âOm u te dienen. Majesteit, ik ben er geweest. Ik heb de Mamsel gesproken en haar den brief gebracht.quot;
âWas zij alleen?quot; vroeg de Koning, terwijl hij boog en Alkmene streelde, die zich aan zijné voeten hadnedergelegd.
âNu,quot; antwoordde Kretschmar grijnzend; âik weet. niet of zij alleen was; wèl weet ik, dat toen ik later aan den hoek een weinig loerde, ik een heer in een mantel gehuld uit het huis zag komen ; een groot heer met breede schouders dien ik âquot;
âDien ge natuurlijk niet herkend hebt,quot; viel de Koning hem haastig in 'de rede; âhet was immers een donkere nacht, zonder maneschijn, en bijgevolg was het u niet mogelijk iemand te herkennen.quot;
âOm u te dienen, Majesteit,quot; zei Kretschmar ootmoedig; âik kon niemand herkennen. Ik wilde ook maar zeggen, dat
92
de onbekende misschien bij Mamsel Enke kon geweest zijn.quot;
âMisschien ook niet,quot; riep de Koning streng; âdat doet er niet toe. Wat hebt ge meer gehoord?quot;
âVolstrekt niets, Majesteit, wat de moeite waard is. Slechts dit moet ik zeggen, dat de lakei Schultze een zeer verwaande en grootsprekende zot is, en zeer oneerbiedige praatjes houdt.quot;
âHeeft hij ze tegen u gehouden?quot;
âJa, Majesteit, tegen mij.quot;
âNu, dan moest hij toch meenen, dat ze bij u goed vertrouwd waren. Wat heeft hij dan verteld?'
âVan een liefdesavontuur heeft hij mij verteld, dat hij voor elf jaar met de Kroonprinses van Pruisen zou gehad hebben. Hij beroemt zich er op, dat mevrouw de Kroonprinses zijne wangen heeft gestreeld en âquot;
âZwijg,quot; gebood de Koning met luide, toornige stem: âals Schultze dronken is geweest, en in zijn dronkenschap zotternijen heeft gesproken, hoe kunt gij u dan vermeten, kerel, mij zulke dwaasheden weder te zeggen? Als 't nog eens gebeurt, en ge mij zulke onzinnige sprookjes vertelt, jaag ik u uit mijn dienst, onthoud dat, ezel!quot;
âMaar,'Majesteit, vergeef het mij; ik dacht dat ik üwe Majesteit alles moest verhalen, wat ik bijzonders hoor!quot;
âMaar dit is niets bijzonders, en 't is niet der moeite waard er over te spreken! Schultze is een dronkaard ; dat heb ik wel is waar nog niet geweten, en 't is jammer van hem. Nu, ge kunt heengaan! Ik geef u vandaag verlot, opdat ge afscheid kunt nemen van alle vrienden en bekenden, en ze op het wederzien vertroosten. Breng alles in orde wat u aangaat, want als men te velde gaat, kan men niet weten of men terugkomt. Als ge schulden helDt, betaal ze!''
âIk heb schulden, Majesteit,quot; zuchtte Kretschmar: ,,maar ik heb geen geld om ze te betalen.quot;
De Koning trad naar het ijzeren kistje, dat op de groote commode onder den spiegel stond, en waarvan niemand dan hij den sleutel had. Hij nam dien uitzijn vestzak, opende het kistje en keek er in.
âGe kunt niet veel krijgen,quot; zeide hij: âwant het vak waar het geld voor de oorblazers, babbelaars en bespieders ligt, is bijkans ledig, en gij hebt er veel van gekregen! Daar hebt ge echter nog vijf goudstukken.quot;
03
âAch, Majesteit,'' klaagde Kretschmar: âdit is al te weinig; vijf-en-twintig thaler zijn niet toereikend om mijne schulden te betalen!quot;
De Koning sloeg het kistje dicht, en stak den sleutel weder in zijn zak. âJudas heeft slechts Ujiiwëg zilverlingen bekomen, omdat hij den Heiland verried. Het zal dus wel genoeg zijn, als Kretschmar vijf-en-twintig zilverlingen bekomt omdat hij zijn kameraad verried. Ga; ge krijgt niets meer! Schultze heeft de dienst! Ga!quot;
Kretschmai'sloopmetgebogen hoofd naar buiten, en de groo-te oogen des Koning volgden hem, tot de deur zich achter hem sloot.
â'tls toch een ellendig ras, de menschen,quot; prevelde hij; âvoor geld verraden zij hun eigen broeders; voor geld zouden zij hun eigen ziel verkoopen, als er slechts iemand was die haar koopen wilde! Nu, nu, Alkmene, waarom knort ge, en springt ge plotseling omhoog, mademoiselle? Ik spreek immer niet van u en uw eerzaam ras, maar alleen van het-ellendig menschenras. Stil, mijn hondje, stil !Ik houd immers veel van u, ge zijt immers mijn lief diertje.quot;
En hij nam Alkmene, die nu op zijn schoot sprong, in zijn armen, en drukte haar slank kopje aan zijn borst.
De deur werd juist geopend, en de lakei Schultze verscheen op den drempel.
âDe opperstalmeester von Schwerin, Majesteit, wacht Uwe bevelen.quot;
âLaat hem binnenkomen,quot; zei de Koning. De lakei trad terug in de voorkamer, en hield de deur open voor den opperstalmeester von Schwerin, die nu met een verheugden glimlach in de kamer kwam.
âHebt ge gedaan wat ik u opgedragen heb, Schwerin?'' vroeg de Koning.
De opperstalmeester haalde een rol papier uit zijn borstzak, en reikte die met een diepe buiging den Koning toe.
âIk ben zoo gelukkig, alles volbracht te hebben. Majesteit.quot;
âGraaf Schmettau wil dus het huis te Charlottenburg dadelijk afstaan?quot;
âOm u te dienen. Majesteit; hij wil het voor zeven duizendvijfhonderd thaler afstaan.quot;
âMet al het huisraad en den geheelen inboedel?quot;
âOm u te dienen. Majesteit, met den geheelen inboedel;
94
in den staat waarin het zich op dit oogenblik bevindt.quot;
âZoodat dus de nieuwe eigenaar terstond van het huis en den tuin bezit nemen, â en het bewonen kan?quot;
âTerstond, Majesteit! Ziehier het koopcontract; het is in alle wettelijke vormen opgesteld en gereed gemaakt, er ontbreekt nog slechts de naam des koopers, daar Uwe Majesteit mij bevolen heeft Hoogstderzelver naam niet te noemen, en te doen alsof ik zelf kooper was.quot;
âNu, Schmettau is niet zulk een domme kerel, dat hij dit geloofd zal hebben. Hij weet wel, dat gij geen geld weet te bewaren. Dus is het contract gereed en ontbreekt nog slechts de onderteekening van den kooper en de betaling der koopsom.quot;
âVergeving, Majesteit, er ontbreekt nóg iets,quot; zei de opperstalmeester glimlachend ; âer ontbreekt ook nog de naam van den toekomstigen eigenaar in het koopcontract. Ik heb mij niet willen vermeten dien in te vullen, alvorens ik van Uwe Majesteit hiertoe het uitdrukkelijk bevel ontvangen had.quot;
âZoudt ge dien dan gekend hebben?quot; vroeg de Koning; âweet ge dan den naam van den tegenwoordigen eigenaar?quot;
âik weet hem niet,quot; riep de heer von Schwerin vroolijk; âmaar de edelmoedigheid van mijn allergenadigsten Koning en heer doet mij hem raden; en mijn hart is zóó vol dankbaarheid en vreugde, dat het schier bersten zou, indien ik hel nog langer moest verzwijgen; zoo ik niet mocht zeggen welk een onuitsprekelijke vreugde Uwe Majesteit mij door dit. genadig geschenk bereidt, en hoe mijn geheel leven niet voldoende zal zijn, om Uwe Majesteit mijn dankbaarheid te bewijzen.quot;
âWaarvoor toch?quot; vroeg de Koning, hem met zijn groote oogen verwonderd aanstarende; âge denkt toch soms niet dat ik Schmettau's huis te Charlottenburg voor u heb bestemd ?quot;
De opperstalmeester knikte met een gelukkigen glimlach. âIk denk het. Majesteit!quot;
Frederik lachte luid. âLuister, Schwerin. Ge zijt een ontzaglijk snuggere kerel, en ge Zioori het gras groeien nog vóór het gezaaid is. Maar dezen keer hebt ge verkeerd gehoord, want het gras groeit niet. Wat zou 't u ook baten ? Gij behoeft geen gras; ge hebt distelen noodig, en die groeien niet in Schmettau's tuin te Charlottenburg. Hier, neem
95
het koopcontract en breng het mijn minister von Herzberg, dien ge in de audiëntiezaal zult vinden, en ga dan een weinig op het terras wandelen, en adem daar wat frissche lucht in. Ik heb u immers beloofd dat ge altijd het recht zoudt hebben in mijn tuin de heerlijke lucht te genieten. Breng dus eerst het koopcontract aan den hertog, en zeg hem dat, als de Prins van Pruisen bij hem komt, hij den Prins eerst bij mij moet zenden. Nu, waarom zet ge plotseling zirlk een jammerlijk gezicht? Kan ik het helpen, dat mijnheer de opperstalmeester zich zoo plotseling vernederd heeft, door onder de ambachtslieden te gaan, en luchtkasteelen te bouwen? Maar ge ziet wel; zulke dingen passen niet voor-ons noordsche klimaat, en zij storten aanstonds weder in. Nu, doe wat ik u gezegd heb, en herstel u daarna op het terras!quot;
De opperstalmeester sloop met een zeer treurig gelaat heen, en begaf zich naar de audiëntiezaal, waar hij den minister Herzberg reeds aanwezig vond, en hem 's Konings bevel mededeelde.
âGe hebt een voortreffelijken koop gedaan,'' zei de minister vriendelijk; âen ik denk dat Zijne Majesteit u zeer geprezen zal hebben wegens den buitengewonen ijver, en de groote geschiktheid waarmede gij de zaak tot stand hebt gebracht. Graaf Schmettau was juist hier, en kon niet genoeg roemen, hoe vlug en voorzichtig gij u betoond badt; en bij de bezichtiging van het huis een deelneming en belangstelling zelfs voor de geringste zaken hadt aan den dag gelegd, alsof de zaak u zeiven aanging, en gij het huis voor u zeiven wildet koopen. De graaf verhaalde mij onder anderen, dat hij twee schilderijen uit het salon waarop hij bijzondere betrekking had, wilde behouden, omdat zij een erfstuk zijns vaders waren. Maar gij verklaardet, dat ge streng bevel hadt, niet het minste voorwerp uit het huis af te staan; en gij slechts dan den koop mocht sluiten, als de geheele inventaris onverkort werd overgegeven. Dit bewijst voorwaar een zeer prijzenswaardigen ijver voor de belangen van onzen koninklijken meester; maar ik meen tóch, heer opperstalmeester, dat wij zóó uiterst streng niet behooren te zijn, en graaf Schmettau wél mogen vergunnen, deze twee schilderijen te behouden.quot;
âBehoud wat ge wilt, excellentie,quot; riep de opperstalmees-
9ü
ter verdrietig; âik heb nu niets meer met deze aangelegenheid te doen, en zij ligt nu alleen nog in uwe handen.quot;
âWaarheen wilt ge dan zoo haastig ?quot; vroeg de minister, toen de opperstalmeester na een vluchtige buiging, haastig door de kamer ging, en op het punt stond de deur te openen.
De heer von Schwerin keek met een droevig gelaat om. âZijne Majesteit heeft mij bevolen op het terras te gaan, en frissche lucht te scheppen.quot;
Hij groette vluchtig en ijlde voort. De minister von Herz-berg oogde hem verwonderd na. âEr moet hem iets gebeurd zijn, dat hem van streek heeft gebracht,quot; zeide hij schouderophalend; âhij is anders handelbaarder en opgeruimder. Ha, daar komt de Prins! Ik wil hem tegemoet gaan!quot;
Hij opende voor den Prins, â wiens stem hij in de voorkamer had gehoord, â de deur, en deelde hem het koninklijk bevel mede. âIk zal Uwe Koninklijke Hoogheid hier verwachten, als Zij na het onderhoud met den Koning de genade wil hebben, mij te bezoeken!quot;
âIk zal volgens bevel komen, zoo gij na het onderhoud met den Koning, de genade wilt hebben mij te verwachten,quot; zei de Prins glimlachend, en hij begaf zich ijlings naar de woonkamer van zijn koninklijken oom.
Frederik zat nog in zijn fauteuil, toen de Kroonprins binnentrad, en Alkmene zat op zijn schoot. Hij zette echter, zoodra hij den Kroonprins ontwaarde, den hond op den vloer, en nam ter begroeting van zijn neef den driekanten hoed een oogenblik af.
âBonjour, mon neveuquot; zeide hij met een vriendelijken hoofdknik; âverontschuldig mij dat ik in mijn leunstoel blijf, en den toekomstigen Koning van Pruisen niet staande begroet.quot;
âSire,quot; riep de Prins levendig; âde hemel geve dat nog vele jaren mogen verloopen, eer men mij dien titel geven kunne, dien mijn groote voorganger met zóóveel roem en wijsheid gedragen heeft, dat men er aan moet wanhopen hem na te streven, en zich tevreden mag stellen, in de schaduw zijns lichts te leven, en te teren van zijn roem.quot;
De Koning schudde langzaam zijn hoofd. âVan den roem worden de volken niet verzadigd, en de kassen niet vol;
97
zeide hij op efnstigen toon; âniemand kan teren van't geen een ander vóór hem gedaan heeft, en iedereen moet voor zich zeiven instaan; niet zien naar de lauweren die misschien uit het verledene voor hem blinken, maar naar het naakte veld der toekomst, dat vóór hem ligt, en waarop hij het zaad der toekomstige lauweren strooien moet! Aan den roem stoor ik mij weinig, en ik raad u niet, mon neveu, u daarop te verlaten. Men moet iederen dag opnieuw beginnen zich frisch aan te zetten tot krachtig handelen.quot;
üe Kroonprins boog en nam plaats op den tabouret, dien de Koning hem met een lichten handwenk aanwees. ,,Ik zal mij beijveren, sire, de verhevene les Uwer Majesteit op te volgen, om eens mijn grooten leermeester geen oneer te doen.''
âGij drukt u te bescheiden uit, mon neveu,quot; zei Frederik, terwijl zijn grooteoogen zich meteen fiere uitdrukking op 's prinsen gelaat richtten. âWaarlijk te bescheiden, en ik weet van u dat ge anders denkt, en 't u en uwen vurigen geest nooit voldoen zal, uzelven en uwen voorvaders geen oneer te bereiden, maar dat u alles er aan gelegen zal zijn u en uw Huis eer aan te doen. Het lot is u gunstig, want het geeft u thans de gelegenheid u te toonen als een man, waarvoor ik u houd; een moedig soldaat, een bekwaam veldheer, met één woord,een echte Hohenzollern! Ik zal u tot bevelhebber eener afdeeling van mijn leger maken, en mijn oog zal elke uwer bewegingen, al uwe operatiën met levendige belangstelling volgen.quot;
Het gelaat van den Prins schitterde van vreugde en zijne oogen glinsterden. Frederik zag dit met genoegen, en zijne blikken, die hij nog altijd op 't gelaat van zijn neef gericht hield, werden minder scherp en streng.
âHij heeft ten minste moed,quot; dacht Frederik, âhij is geen sybariet, die voor het ruwe oorlogsleven terugschrikt.quot;
âIs het mogelijk,quot; riep de Kroonprins levendig; âUwe Majesteit zou mij zóó hoog begenadigen, door mij een zelfstandige positie in dezen oorlog te willen verleenen?quot;
âIk geef u slechts wat u als generaal en als troonopvolger toekomt,'' antwoordde Frederik vriendelijk; âAan mij zal het zijn, in 't groot en algemeen de krijgsplannen en operatiën te bepalen; aan u, met de afzonderlijke bevelhebbers deze plannen te regelen, en de uitvoering er van te bezorgen. Het zal mij verheugen te zien dat ge het krijgsberoep Mühlbaoh Duitschland in woeling en strijd, I 7
98
niet slechts theoretisch, maar ook practisch ver staat. En daarom is mij deze oorlog, â dien ik overigens slechts met tegenzin en door nood gedwongen aanga, â toch nu in zóóverre welkom, omdat hij, naar ik hoop, aan mijn Kroonprins de gelegenheid zal geven, zijn eerste lauweren te verdienen en er zijn hoofd meê te versieren, dat tot nu toe slechts met mirthen gekroond was.quot;
âMajesteit, ik âquot;
âStil; ik doe u immers geen verwijten, mon neveu, want ik ken de menschelijke natuur en de verleidingskunsten der vrouwen. Maar 'tis nu ten hoogste tijd dat ge voor een nieuw hoofdbedeksel zorgt, want mirthen staan slechts een poos aan jeugdige gezichten goed, en den man siert de helm, getooid met den lauwer des helds.quot;
âIk heb lang naar dit sieraad des mans verlangd,'' zei de prins levendig; âen ik ben üwer Majesteit uit den grond mijner ziel dankbaar, dat zij mij de gelegenheid wil geven dien te verwerven. Deze oorlog is dus in myneoogeneen groot geluk!quot;
âDe oorlog is nooit een geluk, mon neveuquot; zuchtte de Koning: âhij is veeleer voor de volken een groote ramp, en ik zou hem dus gaarne vermeden hebben. Maar de overmoed en de veroveringszucht van den jongen Keizer van Oostenrijk dwongen mij er toe. Ik mag en wil het niet dulden, dat Oostenrijk zich met een vreemde erfenis verrijkt en zijn eigen bezittingen vergroot, door, met voorbijzien van de wettige erfrechten eens Vorsten, een Duitsch land aan zich te trekken. Beieren moet als een onafhankelijk, vrij Duitsch vorstendom onder een souvereinen regent bestaan, dat is voor Duitschlands evenwicht hoogst noodzakelijk, en ik mag dus als Duitsch Vorst niet toegeven, dat Oostenrijk zijn macht op onrechtmatige wijze vergroot; maar wil ook mijn goed zwaard in de schaal werpen, opdat die zwaarder worde, waarin Duitschlands bestaan ligt, en opdat zij niet door Oostenrijks zwaarte in de lucht geslingerd kunne worden. Dit is de bedoeling en de reden van dezen oorlog, waartoe ik slechts met moeite besloten heb. Maar als het geldt de grootheid en het evenwicht van Duitschland te bewaren, mag een Duitsch Vorst niet weifelen, maar moet hij alles op 't spel zetten om die te behouden. Oostenrijks eerzucht heeft Duitschland reeds veel bloed gekost en zal
99
het nog voel kosten, geloof mij, mon neveu-, blijf dus als Koning steeds op uwe hoede tegen Oostenrijks veroveringszucht. Maar zie, 't gaat mij als allen ouden lieden, die praatachtig zijn en de jeugd lessen geven, terwijl zij zeiven nog zooveel te leeren hebben. Want leerlingen blijven wij allen, zoolang wij op aarde wandelen, en broddelwerk is al ons doen!quot;
âUwe Majesteit heeft het recht verloren dit van zich te beweren,quot; riep de Prins; âwant de wijsgeer van Sanssou-ci is het voorbeeld, de meester en leeraar van geheel Europa!quot;
âMijn zoon,quot; zei de Koning met een zachten glimlach; âde grootste mannen der oudheid erkenden het als de hoogste trap van alle wijsheid, dat zij steeds in 't leven en bij al hun handelen indachtig bleven, te moeten sterven ; en te midden hunner vroolijke feestenen weelderige gelagen lieten zij de lustige gezangen en de dartele dansen afbreken door de ernstige waarschuwing: âMensch, gedenk dat gij sterven moet!quot; â Wij willen een weinig van deze wijsheid profiteeren, mon neveu! Ik heb u met mijn oorlogskreet afgeroepen van het vroolijke gastmaal des levens, en'tis mogelijk dat menige danseres en zangeres zeer en rage tegen mij is, wegens deze storing; wijl ik aan den lustigen dans en de rozeteesten op zulk een afschuwelijke wijze een einde heb gemaakt! Het zöu ons echter bij onze krijgsonderne-mingen kunnen schaden, zoo de rooskleurige lippen der schoonen ons hare verwenschingen nazonden, en daarom moeten wij trachten ze te verzoenen en ons een goede gedachtenis in hunne harten te verworven. Gij glimlacht, mon prince-, en denkt dat dit voor mij, ouden kerel, tóch vergeefsche moeite is, en ik de gunst der dames op geenerlei wijze meer winnen kan? Nu, dan moet gij voor mij optreden, en voor mij de verzoening en bevrediging op u nemen.quot;
âIk ben tot alles bereid wat Uwe Majesteit mij wil opdragen en bevelen,quot; riep de prins; âmaar ik protesteer tegen de beteekenis welke Uwe Majesteit aan mijnen glimlach heeft gegeven, en. .
âEn die tóch zeer voor de hand ligt en gerechtvaardigd zou zijn,quot; viel de Koning hem in de rede; âIk roep u van het vroolijke gastmaal dés levens; ik stoor de met rozen
400
bekranste danseressen midden in den dans, dien zij voor u uitvoeren, 't Is dus zeer natuurlijk, dat zij op mijn vertoornd zijn, en ontevreden dat het feest een einde moet nemen, zonder dat zij belooning of ten minste vergoeding ontvangen hebben! Ik bid u dus, mon neveu, beloon en vergof.d de vertoornde scboonen, en laat ons van hier gaan met het gerust geweten, dat wij volstrektgeene schulden achterlaten.quot;
âA.ch, sire,quot; zuchtte de Kroonprins; âhet zal mij helaas wel onmogelijk zijn, in dit opzicht met een gerust geweten te velde te trekken.quot;
âVeroorloof mij u hiertoe in staat te stellen,quot; zei de Koning met een innemenden glimlach; âNeem dit kistje hier, mon neveu; het bevat een, door de grootste kenners der menschelijke natuur geprezen wonderelixer tegen alle gebreken en alle nooden der menschen. Men zal, als men het behoorlijk aanwendt, tranen van smart in vreugdetranen er mede veranderen, â en een woedende helleveeg in een lachenden engel hertooveren kunnen. Ik bid u, gebruik dit wonderelixer nog vóór wij te velde trekken, en beproef het bij een der vertoornde schoonen; want ik herhaal, wij moeten ons huis in orde brengen, en geen schulden achterlaten ; wij moeten ook de schulden der dankbaarheid betalen, en den maaltijd zegenen, als wij goed onthaald zijn geworden! Neem dus tot dit duel mijn kistje met het wonderelixer.quot;
Hij reikte den prins een fraai ingelegd kistje, en glimlachte, toen de prins, terwijl hij met levendige woorden den Koning zijn dank betuigde, tegelijkertijd .beproefde het deksel van het kistje te openen.
âIk zie met genoegen,quot; zeide hij; âdat ge nog een tamelijk onschuldig hart hebt, mon neveu; want ge zijt nog nieuwsgierig naar het wonderelixer, dat in het kistje verborgen is, terwijl ik dacht dat de menschen, en vooral de schoone vrouwen u reeds lang genoegzaam onderricht hadden, dat er slechts deze éénige balsem voor al het ongemak der aarde bestaat! Ga tot mijn minister Herzberg, als ge wilt, mijn prins. Hij zal u den sleutel van het kistje geven en u, zoo ge het wenscht, ook de aanwijzing mededeelen voor het behoorlijk gebruik ervan. Vaarwel, mon neveu, en tot spoedig wederziens. Ik vertrek morgen naar Silezië, want het gaat met mij langzamer dan met u, jongelieden. Ge
401
zult mij binnen eenige dagen volgen, en dus nogmaals a revoir mon neveu!
Hij reikte den prins zijn blanke magere hand, trok echter haastig terug, toen deze haar aan zijne lippen wilde drukken, en wees vriendelijk naar dc deur.
VIII.
DE GOUDEN REGEN.
Met pijnlijke nieuwsgierigheid begaf prins Frederik Wilhelm zich naar de audiëntiezaal, waar de minister Herzberg hem verwachtte.
âZijne Majesteit zendt mij tot u, Excellentie,quot; zeide hij; âik moet in den waren zin des woords opheldering van u verzoeken; want het betreft een kistje, 't welk mij de Koning ten geschenke gegeven heefl, en dat een wonderelixer moet bevatten, waarnaar ik natuurlijk zeer nieuwsgierig ben. Maar ik kan het kistje niet openen, en ik moet van Uwe Excellentie den sleutel er van verzoeken.quot;
âWil uwe Koninklijke Hoogheid vooraf de goedheid hebben mij eenige woorden te veroorloven, die misschien ter verklaring kunnen dienen?quot; vroeg de minister glimlachend. âZoo Zijne Majesteit mij de eer heeft bewezen Uwe Koninklijke Hoogheid tot mij te zenden, en van mij den sleutel van dit kistje te begeeren, dan meent Zijne Majesteit hiermede waarschijnlijk, dat ik u de noodige ophelderingen zal geven; want een werkelijke sleutel is mij door Zijne Majesteit niet ter hand gesteld.''
âIk bid u dus, mijn waarde Excellentie,, geef mij deze ophelderingen,'' riep de prins ongeduldig.
âMijn prins, vergeef mij, zoo ik mij dus veroorloven moet, een oogenblik de teederste snaren van uw hart aan te raken. Het bevel des Konings verplicht er mij toe. Zijne Majesteit kent sedert lang de betrekking met een zekere vrouw, tot welke Uwe Koninklijke Hoogheid helaas meer dan tot mevrouw uwe gemalin de neiging zijns harten heelt gewend.'* âZeg liever, Excellentie; â Zijne Majesteit wist dat ik
102
zekere vrouw de neiging mijns harten had geschonken, en desniettemin beval hij mij tweemaal een huwelijk met een onbeminde en onbekende Prinses. Ik ben tweemaal gehuwd, zooals Zijne Majesteit het bevolen had, omdat voor den Kroonprins van Pruisen de wil des Konings, wet is. Maar voor mijne liefde en voor mijn gevoel is er geen andere wet dan die van mijn hart, en deze alleen ben ik gevolgd, zoo ik in weerwil der mij opgedrongen gemalin, jegens deze zekere vrouw mijn liefde en trouw heb behouden.''
âZijne Majesteit maakt u deswege ook geen verwijten, want de philosoof van Sanssouci kent de menschelijke natuur, en is toegevend voor hare zwakheden. Zijne Majesteit is â ik herhaal 's Konings eigen woorden, â Zijne Majesteit is er mede tevreden, dat ge juist deze vriendin en geliefde hebt gekozen en vindt het goed dat gij haar ook voor de toekomst als een verzachting voor een niet gelukkig huwelijk behoudt, want de nederige stand dezer vrouw is voor Zijne Majesteit een waarborg, dat zij zich nooit in de aangelegenheden der regeering zal mengen, iets, dat Zijne Majesteit zeer kwalijk zou opnemen. Maar eenmaal het bestaan dezer vrouw toegegeven, moest Zijne Majesteit wenschen dat deze betrekking met ietwat meer vorstelijk fatsoen omgeven zij; de geliefde van een Kroonprins mag niet als de grisette van een edelman op kamers wonen, maar zij moet een eigen huis hebben, en waardiglijk de livrei van haren heer dragen!''
âAlsof het mijn schuld is dat dit niet geschiedt,quot; riep de prins; âalsof de Kroonprins van Pruisen niet dagelijks en ieder uur door de nooden des levens geplaagd wordt, en nauwelijks weet hoe hij zich door het noodzakelijk schulden maken en dringende schuldeischers zal heen worstelen! Ge weet het immers zelf het best, Excellentie, hoe karig en zuinig de Koning zijn Kroonprins onderhoudt; hoe hij mij nauwlijks de middelen verleent om mijn huishouding slechts op een fatsoenlijken, laat staan op een vorstelijken voet te voeren; hoe wij allen: ik, mijne gemalin, mijne kinderen, in ons bestaan geheel en al afhankelijk zijn van den Koning, wiens zuinigheid elk jaar toeneemt, terwijl toch onze uitgaven en behoeften met ieder jaar vermeerderen, 't Is treurig genoeg dat ik degene, die mij haar trouw en genegenheid sinds tien jaren bewezen heeft, niet waardiglijk
103
beloonen kan, ma,ar moei dulden dat zij in afhankelijkheid en nooddruft leeft.quot;
âZijne Majesteit heeft dat zelf ingezien, en meent dat Uwe Koninklijke Hoogheid, juist nu zij te velde trekken, en als moedig veldheer zich aan 't onzekere lot der veldslagen moet blootstellen, er aan denken moet, de toekomst van al degenen die u ter harte gaan te verzekeren, en hun een zekeren uiterlijken welstand, â en voor alle gevallen een verzekerd bestaan te bereiden. Er bood zich thans, meent Zijne Majesteit, juist een goede gelegenheid hiertoe aan; want graaf Schmettau wil zijn huis te Chariottenburg verkoopen, en het zou Zijne Majesteit zeer aangenaam zijn, zoo Uwe Koninklijke Hoogheid er bezitter van werd, en het misschien aan degene die u aan 't hart ligt, wilde overdragen. Zijne Majesteit heeft, om u de zaak te vergemakkelijken, door zijn opperstalmeester met graaf Schmettau laten onderhandelen, en de koopacte doen opstellen. Zoo gij dus genegen zijt dat huis te koopen, kan het onmiddelijk in uw bezit overgaan. Hier is het koopcontract. Er ontbreekt nog slechts de naam van den tegenwoordigen eigenaar, de handteekening van den kooper en de betaling der koopsom met zevenduizend vijf honderd thaler.quot;
âDe beide namen zouden er spoedig kunnen zijn, maaide koopsom,quot; riep de Kroonprins zuchtend; âvanwaar het geld te krijgen!quot;
âKoninklijke Hoogheid,quot; zei de minister glimlachend; âik heb u nu den sleutel voor dit kistje gegeven, zooals Zijne Majesteit heeft bevolen. Wees nu zoo goed het te openen. Een sterke druk op deze kleine rozette zal hiertoe voldoende zijn.quot;
De Kroonprins volgde deze aanwijzing, en het deksel van het kistje sprong open. Het bevatte niets dan een strookje papier, 't welk de prins er uithaalde en haastig opende.
Met 's Konings eigen handschrift stond erop geschreven; âBevelschrift aan mijn tresorier, om aan de order van den Prins van Pruisen op vertoon twintigduizend thaler te betalen.quot; ^
Het gelaat van den prins straalde van vreugde. âHa, riep hij ; âde Koning heeft mij inderdaad een wonderelixer gegeven, dat alle kwalen en gebreken geneest, en de balsem
1) Mémoires do la comtesae de Lichteuau. Vol. 1,
404
is voor allo mogelijke kwalen. Ik wil het terstond aanwenden ! Geef hier, Excellentie, laat mij den naam in het koopcontract schrijven.quot;
Hij greep haastig het papier, trad naar de tafel waarop inkt en pen gereed stonden, en vulde met vliegenden spoed de opengelaten plaatsen van het contract in.
âDaar staat het,quot; riep hijvroolijk; âEigenares: Wilhel-mine Enke; kooper; Frederik Wilhelm Prins van Pruisen. Er blijft nog slechts over het geld van den tresorier des Konings te halen, en graaf Schmettau te voldoen.''
âIk heb de vrijheid genomen Uwe Koninklijke Hoogheid deze moeite te sparen, en het geld gereed te leggen. Hier zijn twintig rollen; elke rol bevat honderd dubbele Frie-derichs d'or en zoo Uwe Koninklijke Hoogheid het mij wil vergunnen, neem ik van dit geld zeven rollen, om er graaf Schmettau mede te betalen.quot;
âNeem, neem,quot; riep de prins. âZiehier zeven rollen en het bevelschrift, en hier mijn dertien rollen.quot;
âEn hier is het koopcontract, Koninklijke Hoogheid, 'twelk gij wel persoonlijk aan de eigenares zult willen overhandigen!quot;
âMaar eerst moet ik tot den Koning gaan! Mijn hart dringt mij hem te danken; hem te zeggen hoe innig ik de groote goedheid en teederheid gevoel, waarmede hij mij in deze zaak tot eeuwige dankbaarheid verplicht heeft. Ik gevoel mij beschaamd zonder vernederd te zijn; 'tis mij als moest ik gelijk een berouwhebbend zoon, die aan de goedheid en teederheid zijns vaders getwijfeld heeft, â wijl deze soms zijn misslagen met strengheid strafte, â thans den zoo goeden, zoo zorgvuldigen en milden vader in mijne armen sluiten, en hem duizendmaal om vergeving bidden, dat ik ooit aan zijne liefde, zijne goedheid kon twijfelen. Ik moet naar den Koning.quot;
âHij zal u niet ontvangen, Koninklijke Hoogheid,quot; antwoordde Herzberg glimlachend : âGij kent immers den verheven heer, die zoozeer de liefde en bewondering verdient, welke wij hem allen uit de volheid van ons hart toedragen. Hij laat de zon zijner genade of goedheid op ons allen schijnen, en begeert nooit dank of erkentelijkheid. Hij doet het edele en goede zelfs somwijlen in ruwen vorm; opdat degene, dien hi] het bewijst, zich niet vernederd zou gevoelen door den last der dankbaarheid; en vaak, als hij het grommigst
105
en ruwst schijnt, is hij het edelst en liefderijkst. Gij hebt dit dezer dagen weder voor u zeiven en de uwen ondervonden, Koninklijke Hoogheid. Hij scheen toornig te zijn, en zich te hullen in den tabbaard des zederechters; maar, onder dien tabbaard klopte het teedere, edele hart van den m en sch en vriend en vader, die, na met strenge woorden gestraft te hebben, met grootmoedige daden vergeeft.quot;
âEn voor deze goedheid en grootmoedigheid moet ik hem nu dank zeggen; hij moet mij hooren!quot;
âHij zou vertoornd zijn. Koninklijke Hoogheid, zoo gij hem dwingen wildet den dank te ontvangen, waaraan hij zich onttrekken wil. Hij heeft mij veeleer uitdrukkelijk bevolen Uwe Koninklijke Hoogheid te verzoeken van deze geheele zaak nooit een woord tot hem te spreken, maar ook aan niemand er van te gewagen; wijl, zooals Zijne Majesteit zeide, hij niet gaarne heeft dat do wereld iets van de aangelegenheden der familie verneme. Gij zult Zijne Majesteit het best uwe erkentelijkheid bewijzen, door u stipt naar zijne wenschen te schikken. Koninklijke Hoogheid, en ook bij uwe eerstvolgende ontmoeting met hem, van deze zaak met geen woord te gewagen. Dat is, zooals ik zeide, de wensch en de wil des Konings.quot;
âWaaraan ik mij natuurlijk moet onderwerpen,quot; zuchtte de prins; âhoezeer ik beken dat het mij leed doet, zooveel van 's Konings grootmoedigheid te ontvangen, zonder dit ten minste met mijne oprechte dankbetuigingen te kunnen vergelden. Ik bid u, zeg hem ten minste, dat ik zijne goedheid diep gevoel, en deze edelmoedigheid steeds met teedere aandoening zal gedenken. En nu, als het niet anderszijn kan, wil ik mij verwijderen en tot Wilhelmine ijlen. â Maar, mijn Hemel, daar bedenk ik, dat zal onmogelijk zijn ; want de Koning heeft haar huis-arrest gegeven.
âVerontrust u deswege niot, Koninklijke Hoogheid, maar, als 't u behaagt, rijd dan dadelijk naar Charlottenburg en begeef u naar het door u gekochte huis. Gij zult daar de nieuwe eigenares reeds vinden, en zij zal u een onderhoud mededeelen, 'twelk zij heden morgen met den stads-presi-dent van Berlijn, den heer von Kircheisen, gehad heeft.quot;
âIk ijl naar Charlottenburg,quot; riep de prins; âwant ik beken 't; ik ben nieuwsgierig te welen, wat de stads-president haar te zeggen had.quot;
100
âIk kan wel denken dat Uwe Koninklijke Hoogheid haast heeft,quot; glimlachte de minister; ,,en vermits gij wegens de zware rollen geld niet goed te paard kunt rijden, heb ik mij veröorloofd uwe equipage hier te doen komen, en die wacht u. Ik leg de rollen geld hier in deze blikken doos, en als gij het beveelt zal ik den lakei roepen, om ze in 't rijtuig te dragen.''
âNeen, neen, ik bid u, laat mij ze zelf dragen,quot; riep de prins, terwijl hij de doos met beide handen greep; âzeis waarlijk zwaar; maar 'tis een aangename last, en zoo mijne armen ook een weinig lam worden, zal de gedachte aan het wonderelixer dat ik draag, mij toch kracht en moed geven ! Vaarwel, Excellentie, ik vlieg naar Charlottenburg!quot;
De Prins begaf zich met haastige schreden naar het gereed staande rijtuig, en beval den koetsier, hem zoo snel de paarden loopen konden naar Charlottenburg te rijden.
Tengevolge van dit bevel was de weg in minder dan een uur afgelegd, en het rijtuig hield te Charlottenburg voor de deur van Schmettau's villa,stil, die nu het eigendom van mademoiselle Wilhelmine Enke zou worden,
Niemand ontving den prins toen hij het huis binnentrad. Het voorhuis was ledig, de deuren der kamers waren gesloten. Maar eene deur aan de overzijde van het voorhuis stond open. De prins ging er door, en stond nu op een kleinen stoep, vanwaar een trap naar beneden in den tuin voerde, die zich met zijne bloembedden, grasperken, bosch-ages, en hooge boomkruinen op den achtergiond, zeer statig en aangenaam voordeed. De vogels kweelden, de boomen ruischten, veelkleurige vlinders fladderden boven de welriekende bloemen, en de liefelijke groep ginds op het gras, was Wilhelmine, vroolijk stoeiende met haar dochtertje, en de min met het zoontje op den schoot, dat zijne moedei lachend de armpjes toestak.
âWilhelmine! Wilhelmine!quot; riep de prins, en zij antwoordde met een vreugdekreet, staakte het spel met de kinderen, en kwam als met gevleugelde schreden aanloopen.
âZijt ge daar eindelijk, eindelijk, mijn geliefde heer!quot; riep zij, buiten adem de trap opvliegend; ,.ik bid u om Gods wil, zeg mij wat dit alles beteekent! Ik sterf van nieuwsgierigheid.quot;
âIk ook,quot; zei de prins lachend. âWees zoo goed en wijs
107
mij den weg; laat ons in een kamer gaan waar ik deze dóos kan nederzetten.quot;
âWat bevat dan dit gedrocht, 't welk u verhindert mij te omhelzen?quot;
âVraag het niet, maar haast u mij er van te ontlasten.quot; Zij gingen het huis binnen, en Wilhelmine opende een vleugeldeur, die naar een met smaak gemeubelde kamer voerde.
Frederik Wilhelm zette diep ademhalend de doos op de marmeren tafel, die voor den divan stond, nam vervolgens Wilhelmine in zijne armen en liet zich met haar op den divan neder.
âNu, Wilhelmine, zeg mij nu vóór alles, wat heeft de stadspresident von Kircheisen u gezegd?quot;
âHij heeft mij namens den Koning bevolen, mijn woning te Berlijn op te geven, evenals die te Potsdam, en mij in beide plaatsen zoo min mogelijk in 't openbaar te vertoonen, opdat, gelijk de Koning zeide, door mijne verschijning, geen ergernis worde gegeven aan hen, die recht hebben op de liefde en trouw van den Prins van Pruisen. Slechts als ik mij bescheiden in de schaduw hield, en de mij aangewezen woonplaats zoo min mogelijk verliet, zou Zijne Majesteit genegen zijn mijn bestaan te ignoreeren, en niet verder notitie van mij te nemen. Maar zoodra ik het wagen mocht uit de schaduw te treden en een rol le willen spelen, zou Zijne Majesteit het ergste vermoeden en zorgen, dat mijn rol voor altoos uitgespeeld zoude zijn.1)
âDat zijn zeer harde en wreede woorden,quot; zei Frederik Wilhelm zuchtend.
âJa, wèl zeer harde en wreede woorden,quot; herhaalde Wilhelmine smartelijk: âElk er van trof mijn hart als een geeselslag, en ik schreide ten leste luid, zooveel pijn deden ze mij. Mijnheer von Kircheisen was geheel verschrikt en verzocht mij verschooning, dat hij zóó spreken moest, maaide Koning had hem uitdrukkelijk bevolen zijne woorden stipt over te brengen. Vervolgens kondigde hij mij aan, dat het rijtuig voor de deur stond, om mij en de kinderen naar mijn toekomstige woonplaats te brengen, en dat ik onverwijld daarheen vertrekken moest. Hij zelf voerde mij
1quot;) Mémoires de la Comtesse de Lichtenau, 59.
108
vervolgens naar het rijtuig, want hij had bevel, den Koning terstond van mijn vertrek bericht te geven. De man, die naast den koetsier op den bok zat, had order ons hierheen te brengen, en begaf zich van hier terstond naar Potsdam. En zoo ben ik nu hier in dit eenzame huis aangekomen, zonder dat mij iemand zeggen kon, wat ik hier doen, â en of ik hier blijven moet.
âJa, Wilhelmine, ge moet hier blijven,quot; riep de prins, haar in zijn armen sluitende: âWij hebben nu eindelijk een tehuis en een blijvende plaats voor onze liefde en onze kinderen gevonden. Dit huis is het uwe; ge zijt hier meesteres, en ik hoop dat ge mij als uw gast hier steeds welkom zult heeten!quot;
âFJet mijne?quot; riep zij verheugd: âDit huis is het mijne? Gij schenkt het mij? Ach mijn God, hoe edelmoedig en verkwistend zijt ge. Gij oveiiaadt mij met de geschenken uwer liefde, alsof gij Jupiter en ik Danaë ware!quot;
âEen fraai beeld, en opdat het juist zij, wil ik werkelijk de rol van Jupiter vervullen!quot; riep de prins lachend.
En hij opende haastig de blikken doos, die vóór hem op de tafel stond, nam er een rol uit, en zich er mede over Wilhelmine heenbuigende, brak hij die midden door, zoodat de goudstukken als een gouden regen op Wilhelmine's haar, heur fraaie schouders en wonderschoone armen neder regenden!
Zij schreide en lachte, en zocht de goudstukken te vangen die nevens haar nedergleden, en rinkelend op den grond rolden; zij sprong ze na en zonk er mede op den vloer neder'. Maar de prins greep lachend een tweede rol en brak die boven haren rug open, zoodat die geheel overstroomd was door de blinkende geldstukken, die werkelijk als regendroppels op baar nederstortten, en vervolgens nog een rol en nog eene. Wilhelmine bad lachend en tierend om genade en sprong overeind: en de geldstukken rinkelden en klonken om haar heen, en rolden als dartele aardgeesten rondom haar over den vloer.
109
IX.
DE DUITSGHE LITERATUUR EN DE KONING.
Inmiddels had zich de minister Herzberg tot den Koning begeven en hem bericht gebracht van den gesloten koop en de dankbaarheid en aandoening van den prins.
Frederik knikte. âDeze zaak is dus óók afgedaan,quot; zeide hij; âen zoo het noodlot wilde dat de prins niet uit dezen veldtocht terugkeerde, is voor het lot van deze vrouw en de beide arme kinderen gezorgd, die zoo vaderloos en zonder naam door de wereld moeten gaan.quot;
âHet noodlot zal niet zoo wreed handelen, Majesteit; liet zal Uwe Majesteit niet zulk een kommer bereiden.''
âMon cher, het noodlot is een zeer liefdeloos schepsel,quot; riep de Koning schouderophalend: âDe tranen der men-schen treffen het niet meer dan de waterdroppels die van het dak druipen. Het gaat met reuzenschreden over de hoofden der menschen en treedt ze allen in het stof, zoowel de grooten als de kleinen, den Koning als den bedelaar. Wat mij betreft: ik geef mij zonder morren aan het lot over. Staatkundigen en krijgslieden zijn ten laatste toch slechts de marionetten der Voorzienigheid. Wij handelen zonder te weten wat wij doen; want wij zijn toch slechts de werktuigen eener onzichtbare hand, en maar al te vaak is de uitkomst onzer handelingen juist het tegendeel van hetgeen wij gehoopt hadden. Laat ons derhalve de zaken nemen zooals 't God behaagt, en verbeelden wij ons niet het lot te beheerschen Ziedaar mijn geloofsbelijdenis, Herzberg, en zoo ik uit dezen schandelijken veldtocht niet weder mocht terugkomen dan weet ge, dat ik zonder morren voor den wil van 't lot gebukt heb. En nu genoeg hiervan! Het huis is besteld, gij kent omtrent alle zaken mijn wil; de loopende regeeringszaken zullen dus regelmatig voortgaan, en als er iets buitensgewoons geschiedt, zoo zend er mij bericht van. Zeg mij nu nog, wat is er ander nieuws.quot;
âNiets bijzonders, Majesteit. â Toch iets! De jonge hertog von Weimar is hier.quot;
1) Eigen woorden des Konings. Oeuvres posthumes. Vol. X pag. 256.
410
âDat weet ik reeds! Hij heeft zich bij mij aangediend! Ik kan hem echter niet meer spreken, en heb hem door prins Hendrik, mijn heer broeder, laten verzoeken zich met generaal von Möllendorf over de voorwaarden te verstaan, onder welke hij wil vergunnen dat in zijne Staten voor mijn leger soldaten kunnen geworven worden. Ik hoop dat de hertog rede verstaat, en ons niet hinderliik is. Maar 't is toch juist niets bijzonders dat de jonge hertog von Weimar hier is?quot;
âNeen, dat niet, Majesteit, maar met hem is zijn liefste vriend gekomen; hij die, zooals de menschen te Weimar zeggen, thans in het hertogdom Saksen-Weimar het goede en slechte weder maakt.quot;
âNu, wie is dan die wedermaker?quot; vroeg de Koning, de vingers in het vestzakje stekende.
âMajesteit, die wedermaker is Johann Wolfgang Goethe; de dichter van het Lijden van den jongen Werther, dat sinds vier jaren in geheel Duitschland een nieuw weder gemaakt, â alle harten verrukt, en alle verbeeldingen verhit heett. Deze groote wedermaker aan den hemel der literatuur en poëzie, deze Johann Wolfgang Goethe is hier, en ik geloof dat het wél de moeite waard is dat Uwe Majesteit dezen jongen man eens zie; want zoo mij niet alles bedriegt, dan heeft deze dichter een groote toekomst, en zal als een ster der eerste grootte aan den hemel der Duitsche literatuur schitteren.quot;
âBlijf mij van het lijf met uw Duitsche literatuur en uw ster van de eerste grootte,quot; riep de Koning misnoegd, terwijl hij langzaam de vingers met de snuif aan zijn neus bracht: De fraaie letteren zijn tot hiertoe op onzen bodem niet gelukkig geweest, en wij moeten ootmoedig onze armoede erkennen. Wat nu ten slotte uw ster van de eerste grootte, dezen monsieur Goethe betreft, ik bedank u wel hartelijk. Ik wil niets van hem weten. Hij heeft met zijn Lijden van den jongen Werther het hoofd van alle verliefde zotten verdraaid, en dat reken ik hem waarlijk niet als verdienste aan; want de jeugd in Duitschland is buitendien verliefd genoeg, en het was volstrekt niet noodig dat deze mijnheer Goethe met zijn sentimenteelen liefdesroman nog olie in het vuur goot.quot;
âVergeving, Majesteit, dat ik het waag te weerspreken,quot;
lil
zei Herberg zacht; âmaar dit boek, hetwelk Uwe Majesteit veroordeelt, heeft niet alleen in Duitschland, â maar in geheel Europa, âja, men mag zeggen in de geheels wereld, den onizaglijksten indruk gemaakt; en wat de openbare meening der geheele wereld zóó hoog verheft, kan toch niets onwaardigs zijn; want vox populi vox dei blijft toch altoos een waar woord.quot;
âDat is niet waar,quot; riep de Koning levendig; âen het woord van het oude Romeinsche volk geldt niet meer voor ons verwijfd, vervallen geslacht. Wie tegenwoordig de rnenschen vleit en hunne zwakheden verheerlijkt, is voor hen een knappe kerel; dien verheffen zij tot in den hemel, en dien noemt de openbare meening een genie, een Messias! Ga mij weg met dien onzin! De Werther van mijnheer Goethe heeft veel kwaad gesticht;hij heeftgezondemenschen ziek, â maar geen enkelen zieke gezond gemaakt. Er is sedert een waanzinnige liefdekoorts in alle jonge hoofden gevaren, en de zotte sentimentaliteit en sympathie met gekunstelde minnarijen is sedert in de mode gekomen. Het jonge volk gedraagt zich als ware de liefde een tarantula, van wier beet men krankzinnig moet worden als men een zeer verheven jongeling is; zij jammeren van smart en gaan in den maneschijn wandelen; maar moed hebben zij niet meer in 't lijf, en goede soldaten komen er nimmer of nooit van deze moderne Werthers. En hieraan heeft die monsieur Goethe schuld met zijn onuitstaanbare Werther-jeremiade! Het is een erbarmelijk prulwerk, en volstrekt niet waard dat men er van spreek!quot;
âVergeving, sire,quot; zei Herzberg glimlachend; âUwe Maje-teit heeft mij steeds genadiglijk vergund, om voor u als de ridder en voorvechter der arme üuitsche literatuur te verschijnen, en somwijlen een goed woord te mogen, doen voor de Duitsche Muze, die onbekend en ongeacht in de schaduw van Uwen troon moet staan, terwijl de Fransche dame met haren glinsterden tooi en hare geblankette wangen altijd welkom geheeten wordt Uwe Majesteit ver-oorlove mij nu genadiglijk dat ik ook heden weder ridderdienst doe voor de Duitsche Muze. Het moge waar zijn, dat Werther veel kwaad gedaan, â dat hij de zieken nóg zieker, en menigen gezonde ziek gemaakt heeft. Maar, Werther heeft aan den anderen kant ook weder oneindig veel nut
3
142
gesticht, en een groote, onsterfelijke verdienste is aan dit ik werk niet te ontzeggenquot; | oai
âNu, en wat is die verdienste?quot; vroeg de Koning, terwijl
hij langzaam weder een snuifje nam; âIk ben vraiment vu
zeer curieux te vernemen, welke verdienste dit dwaze, van Ba
liefde jammerende boek heeft.quot; tnv
âSire, het heeft de groote verdienste, Duitschlands literatuur met een werk verrijkt te hebben, welks taal mees- Ie' terlijk is, en het hoog verheft boven alles wat wij tot hiertoe van Duitsche schrijvers verkregen. Met dit werk treedt de he Duitsche literatuur eensklaps uit do waggelende, onzekere kinderjaren, en vertoont zich als een bloeiend, verrukkend, D tot den strijd toegerust jongeling, wien de goden voor elke to gedachte en gevoel het juiste woord op de lippen hebben la gelegd, en die datgene kan uitdrukken, wat tot hiertoe ve onuitspreekbaar op den bodem des harten gerust heeft.quot; in âNu, ik wilde dat het er was Wyyen rusten!quot; riepFrede- d( rik verdrietig : âGij zijt nu eenmaal do kampioen der Duitsche hs Muze; maar ge weet óók dat ik mcorrw/iftZe ben, en ik kan fe mij niet door u laten overreden broddelwerk voor meesterwerk te houden. En hieraan is niet de armoede der geniën, G maar veeleer de Duitsche taal schuld, die niets kort ineen- 1c drongen en precies uitdrukken kan. Hoe zou men het bijvoorbeeld wel aanleggen om Tacitus in't Duitsch over te d zetten, zonder er een menigte woorden en omschrijvingen n bij te voegen; in het Fransch heeft men dit volstrekt niet t( noodig, daarin kan men alles even kort, en tóch nauwkeurig d uitdrukken.quot; d âSire ik zal de vrijheid nemen u te bewijzen, dat men z ook in de Duitsche taal de kortheid van Tacitus kan navol- k gen,'' riep Herzberg opgewonden. âTk zal een stuk van i Tacitus quot;vertalen, om Uwe Majesteit dit bewijs te leveren.quot; z âIk houd u bij uw woord! En ik zal u hierop antwoor- ; c den met een verhandeling te schrijven over de Duitsche literatuur, hare gebreken, en de middelen ter barer verbe- t tering1). En tot zoolang willen wij den strijd laten rusten, ⢠rJ hoort ge! Ik blijf er bij: aan goede schij vers ontbreekt het s ons, Duitschers, geheel en al! Misschien zullen zij komen, als
113
ik reeds lang in de Elyseesche velden met Voltaire en Al-garolti ga wandelen.quot; 1)
âSire, zij zijn er waarlijk reeds,quot; riep Herzberg met vuur. âWij hebben bij voorbeeld Lessing, die Minna von Barnheltn en Emilia Galotti heeft geschreven; twee drama's waarop elke natie trotsch zou kunnen zijn.quot;
âIk ken ze niet,quot; zei de Koning bedaard: âen heb in mijn leven nog niet van uwen Lessing gehoord.quot;
âMajesteit, en zijn wonderschoon blijspel Minna vonBarn-helm is tóch ter verheerlijking Uwer Majesteit geschreven.quot;
âEen reden te meer voor mij om het niet te lezen. Een Duitsch blijspel! Dat moet iets fraais zijn! Want het Duitsch tooneel, â nu, dat is nog het allererbarmelijkste. In Duitsch-land heeft Melpomene in haar gevolg slechts wilde minnaars, van welke de eenen op stelten loopen, terwijl de anderen in het slijk kruipen. Maar van de altaren der godin worden zij allen teruggestooten; want zij zijn oproerig tegen hare wetten, en verstaan niets van de kunst om te treffen en belang te wekken.quot; 2)
âMaar, majesteit,quot; riep Herzberg; âgij hebt noch Emilia Galotti, noch Minna von Barnhelm de eer gedaan ze te leeren kennen.
âNu, nu, word maar niet zoo verstoord, Herzberg!quot; zei de Koning glimlachend: âmaar ge zijt nu eenmaal de minnaar der Duitsche literatuur, en verliefden moet men iets ten goede houden. Doch zóóver zult ge mij toch niet brengen, dat ik de dingen lees, welke gij Duitsche blijspelen en tragedies noemt! Ik zal er mij wel voor wachten; mijne tanden zijn niet meer sterk genoeg om zulke harde beten te kunnen kauwen. Nu, wrok nu niet langer, Herzberg. Maar dit zeg ik u; de eerste uren, welke ik in dezen veldtocht vrij heb, zal ik besteden tot het schrijven mijner verhandeling over de Duitsche letterkunde!''
âEn de eerste uren, welke ik vrij heb,quot; bromde de minister: âzal ik besteden tot het overzetten van een stuk uit Tacitus in onze schoone Duitsche taal, om het Uwer Majesteit te toonen!quot;
âtl est incorrigible glimlachte Frederik; âNu goed, wij
1
's Konings eigen woorden. Zie Oeuvres posthumes. Vol II. pag. 293.
2
's Konings eigen woorden. Zie Oeuvres posthumes. Vol. II. pag. 293.
Mühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. I. 8
114
zullen zien! Tot zoolang'laat ons vrede maken, Herzberg; want zie, als men op 't punt is ten oorlog te gaan, is 't altoos goed, ten minste vrede te hebben met zijn geweten en zijne vrienden. Dus, laat het zoo blijven, Herzberg !
âMajesteit, uwe genade en goedheid beschamen mij inderdaad,quot; zei de minister aangedaan. âIk bid duizendmaal om vergeving, zoo ik mij, in mijn ijver voor de arme, achteruitgezette'literatuur, tot onbetamelijke drift hebt laten vervoeren.quot;
âIk prijs u wegens uwen ijver,quot; riep de Koning; âen het behaagt mij in u, dat ge de trouwe ridder sans peur et sans rèproche zijt voor de Duitsche literatuur. Ik schrijt hare armoede overigens niet aan de Duitsche natie toe, â die zeker even veel geest en genie heeft als elke andere natie; â maar, de Duitsche natie wordt in hare verstandelijke ontwikkeling tegengehouden door uitwendige omstandigheden, die haar verhinderden zich tegelijkertijd mèt hare naburen te verheffen. Wij zullen gewis óók eens onze klassieke schrijvers hebben; iedereen zal ze lezen,om er zich naar te vormen; onze buren zullen Duitschleeren,aan de Hoven zal men het met genoegen spreken, en het kan gebeuren, dat onze taal, zoo zij volkomen gevormd is, door geheel Europa verbreid wordt, en wij óók onze Duitsche klassieken zullen hebben.quot;')
De Koning sloeg, dit zeggende, met heimelijken blik zijn minister gade, en hij glimlachte vergenoegd en knikte welgevallig, toen hij zag hoe het edele, geestvolle gelaat van Herzberg, â dat door donkere wolken beschaduwd was geweest, â zich allengs verhelderde, en zijn sombere blik opklaarde.
âNu, niet waar, nu zijt ge weder tevreden?quot; vroeg de Koning goedhartig.
âIk ben gelukkig, Majesteit, wegens de voorspelling welke Uwe Majesteit omtrent de Duitsche taal doet. En mag ik nog iets zeggen ?quot;
âZeg het, Herzberg! Het mocht u anders te zwaar op 't hart drukken.''
âMajesteit, ik profeteer dat deze Wolfgang Goethe eens tot de klassieken der Duitsche literatuur zal behooren,
1) 's Konings eigen woorden. Zie Oeuvres posthumes. Vol. III.
115
en daarom â daarom wilde ik Uwe Majesteit nogmaals bezweren, dit ontluikend genie een genadigen blik te vergunnen, en den heer Goethe bij zicht te willen ontbieden. Uwe Majesteit vindt geen behagen in't lijden van den jongen Werther. Maar Goethe heeft buitendien nog andere traaie werken geschreven. Hij is ook de auteur van vele gedichten, en bijzonder fraaie drama's. Hij heeft de tragedie Stella gewrocht.quot;
âDat onzedelijke, sentimenteele stuk, waarvan wij de voorstelling te Berlijn hebben moeten verbieden, wijl daarin een kerel wordt geschilderd, die twee vrouwen tegelijk bemint, en nog voor den dubbelen minnaar van zijne vrouw en zijne geliefde speelt, terwijl hij een volwassen dochter heeft. Dit is een onzedelijk larmoyant stuk, dat evenals de Werther met een zelfmoordend pistoolschot eindigt, en tegen alle moraal en het huwelijk gericht is;daarom is het verboden geworden.quot; 1)
âMaar, sire,quot; voer de hardnekkige minister voort; âde heer Goethe heeft niet alleen Stella geschreven, ook Gla-vigo, de âquot;
âWien hij slaafsch aan de gedenkschriften van Beaumar-chais heeft ontleend,quot; viel de Koning hem in de rede. 't Is geen Duitsch, maar een Fransch product.quot;
âNu, dan veroorloof ik mij daarentegen een echt Duitsch product te noemen, 't welk Johann Wolfgang Goethe geschapen beeft. Ik bedoel het Duitsche drama Gotz von Berlichingen!quot;
âHoud op, 'tis genoeg!'' riep de Koning misnoegd, terwijl hij opstond. âIk wil niets meer hooren. 't Is erg genoeg dat stukken als deze Gotz von Berlichingen, op Duitsche tooneelen kunnen verschijnen, dat toch niets meer is dan een afschuwelijke naiiping der slechte Engeische stukken van Shakespeare! En het parterre applaudisseert en bevordert met enthusiasme deze walgende platheden. (2) Nu, nu, zet nu niet weder een boos gezicht! Ge moet geduld hebben met mij ouden knaap! 'tZal mij hartelijk
1
De tragedie Stella, die te Berlijn met grooten bijval werd opgevoerd, werd den Koning in liet jaar 1776 als onzedelijk voorgesteld, on hij liet de verdere opvoeringen verbieden. Zie Plumke; Geschichte des Berliner Theaters.
2
's Konings eigen woorden. Oeuvres posthumes, Vol III.
llfi
verheugen als uw heer Goethe ooit, zooals ge zegt, een Duitsch klassiek wordt. Maar ik zal niet meer beleven, dat het zoover komt; en ik zie nog slechts het embryo, waar gij reeds den uitgebroeiden klassieker ziet. Ginds in de Elyseesche velden willen wij er verder over spreken, Herz-berg; en dan willen wij eens zien of Homerus of Horatius en Virgilius, of Corneille en Racine u den rug niet keeren, als ge hun uwen heer Wolfgang Goethe als den Duitschen klassieker voorstelt. En nu, adieu, Herzberg! Zoodra het de omstandigheden toelaten, laat ik u tot mij naar Silezië roepen, en dan kunt ge mij uw Duitsche vertaling van Tacitus medebrengen.quot;
Hij knikte den minister vriendelijk toe, en ging toen langzaam, â terwijl de andere afscheid nam en zich verwijderde, â op zijn krukstok geleund, in de kamer op en neder.
Na eenigen tijd bleef hij bij de ronde tafel in het midden der kamer staan, nam de zilveren bel, en schelde. Terstond opende zich de deur, en de lakei Schultze trad binnen.
De Koning richtte zijne oogen strak op den binnentredende, en de scherpe, vlammende blikken dezer groote, glinsterende oogen maakten den lakei verward en beangst. Hij bleef verlegen, en met nedergeslagen oogen aan de deur staan.
âNu, waarom blijft ge daar staan?quot; vroeg de Koning; âheb ik niet gescheld, en weet ge dus niet wat ge te doen hebt?quot;
De oogen des Konings bleven doordringend op hem gevestigd, en maakten de verwarring van den lakei nog grooter. Hij vergat geheel, dat het schellen op dit uur beteekende, dat de Koning zijn tweede ontbijt begeerde, en hij dus de deuren van de aangrenzende kamer moest openen, waar het dejeuner gereed stond.
De Koning wachtte nog een oogenblik ; en vermits de lakei nog altoos besluiteloos staan bleef, gebood hij hem op scherpen toon, naderbij te komen.
De lakei naderde langzaam en waggelend, altijd nog onder den invloed van den strengen blik des Konings.
âNu, ik zie reeds wat het is,quot; zei Frederik de schouders ophalende; âge zijt weder dronken, zooals ge het dikwijls zijt, en âquot;
âMajesteit,quot; riep Schultze verschrikt; âdronken, ik?''
117
âZwijg!quot; donderde de Koning; âwilt ge u nog vermeten tegen te spreken? â Dronken, zeg ik, zijt ge, en ik kan geen dronkaards als mijne lakeien gebruiken. Het moeten nette, beschaafde, nuchtere menschen zijn, die de ooren open en den mond dicht houden; die geen babbelaars en dronkaards zijn, en niet voor waarheid houden wat zij in hunne dronkenschap meenen beleefd te hebben. Zulke kerels als gij, kan ik volstrekt niet gebruiken; zij zijn voor niets anders goed dan voor kanonnenvoer. En daartoe zult ge ook weder dienen; scheer u terstond weg; ga tot generaal von Alvons-leben, en meld u aan, om bij de garde ingelijfd te worden. Gij treft het; ge komt dadelijk in 't veld, en moet morgen vroeg reeds uittrekken. Zeg maar aan den generaal dat ifc u zend, en ge als gewoon soldaat in dienst moet treden.quot;
âMaar, majesteit,quot; riep Schultze jammerend; âik weet niet wat ik misdaan heb. Ik ben waarlijk niet dronken, ik âquot;
âZwijg!quot; herhaalde de Koning; âdoe wat ik bevolen heb! Ga naar den generaal von Alvensleben, en raeld u aan, om dadelijk bij het eerste garde-regiment ingelijfd te worden. Voort met u! Dronken en babbelachtige lakeien kan ik niet gebruiken. Voort!quot;
De lakei sloop langzaa«i, met gebogen hoofd naar buiten, met moeite de tranen weerhoudend, die in zijneoogenstonden.
's Konings blikken hadden hem gevolgd,â en waren steeds zachter en milder geworden.
âliet spijt mij van den armen kerel,quot; zei de Koning, toen de deur zich achter den lakei gesloten had ; âmaar ik moest hem toch een les geven; want ik kan geen babbelaars gebruiken. Een paar weken moet hij de uniform dragen, en dat zal hem wel tot nadenken en rede brengen. Maar dan wil ik hem pardonneeren, en weder in mijn dienst nemen. Want hij is een goedhartige kerel, die niemand zou kunnen verraden en in 't ongeluk brengen, zooals Kretsch-mar hèm gedaan heeft. Nu, wat is dat?quot; viel de Koning zich in de rede: âen wie is deze monsieur, die daar bij den concierge staat?quot;
De Koning trad naar 't venster, en nam met scherpe oogen den heer op, die ginds op het bovenste terras stond, en in een ijverig gesprek was met den concierge van Sans-souci.
118
Op dit oogenblik werd de deur geopend, eu de binnentredende katnerlakei overhandigde den Koning een verzegelden brief.
Van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Hendrik,quot; zeide hij.
âWie heeft hem gebracht?'' vroeg hij, den brief aannemende en langzaam openende.
âMajesteit, de vreemde heer, die daar buiten staat, en met den concierge spreekt. De concierge zendt mij, en ik zou op Uwer Majesteits bevelen wachten.''
âNu, wacht dan,quot; zei de Koning, terwijl hij het papier opensloeg; het bevatte eenige regels van prins Hendrik's eigen handschritt, luidende: âUwe Majesteit, mijn veelgeliefde, dierbare broeder! Brenger dezes is de literator en poëet mijnheer Johann Wolfgang Goethe, thans legatieraad in hertogelijk Weimarsche dienst, en een groot gunsteling van den hertog onzen neef; ik ontmoette hem juist met den hertog, toen zij van de parade kwamen en naar Berlijn wilden gaan, waar de hertog bij mij dineert en ook zijn legatieraad. De hertog sprak mij van het groot verlangen,'t welk zijn legatieraad Goethe koestert, om het beroemde huis van den grooten wijsgeer van Sanssouci en de kamer, welke Voltaire heeft bewoond, te zien, en verzocht mij om mijne voorspraak bij u, mijn veelgeliefde Koning en broeder. Ik kon mij aan dit verzoek niet wel onttrekken, en richt derhalve tot Uwe Majesteit deze regels, terwijl ik op 't punt ben met den Hertog naar Berlijn te gaan, waarheen de legatieraad later zijn hertog, voor het diner bij mij, volgen zal. Ik blijf van Uwe majesteit, mijnen heer, de broeder, de onderdanige dienaar Hendrik.quot;
De Koning vouwde het papier dicht. âBoep den concierge,quot; zeide hij ; âik vergun hem den vreemdeling het geheele huis en het park te laten zien; maar hij moet zorgen dat hij mij niet ergens in den weg komt, zoodat de vreemdeling mij ontmoet. Maar zeg dit den concierge heimelijk, zoodat de vreemdeling het niet hoort. Spoedig, want zij wachten reeds lang!quot;
De kamerlakei ijlde heen en de Koning trad weder aan het venster. âDat is dus monsieurs Goethe,quot; zeide hij, terwijl hij, achter de zijden gordijn verscholen, naar buiten keek; âZie, zie, welk een driestheid. Hij staat daar en teekent naar 't schijnt, mijn huis in zijn zakboekje af. Wat een paar
119
wonderbare oogen heelt deze mensch in 't hoofd, en hoe trotsch en moedig kijkt hij. En welk een voorhoofd ! Vrai-ment, 't is een fraai mensch, en Herzberg kon ten leste wel gelijk hebben! Er steekt iets bijzonders achter dit voorhoofd, en uit zijne oogen bliksemen goddelijke vonken. Maar óók zeer overmoedig en trotsch ziet de heer eruit! En nu doet 't mij eerst recht pleizier, dat ik het Herzberg geweigerd heb, en niets met hem te doen wil hebben. Zulke overmoedige geniën moet men steeds liever een weinig onderdrukken ; dan gevoelen zij des te meer hun kracht, en trachten te ijveriger zich te onderscheiden. Ja, ja, ik geloof het; deze mensch heeft een toekomst â hij ziet er uit als ware hij de jonge god Apollo, die zich verwaardigd heeft op aarde neder te dalen ! â Nu, mij zal hij niet begoochelen met zijn faai hoofd; en zoo hij te Weimar de man is die het goede en slechte weder maakt, zal hij leeren dat te Sans-souci regen en zonneschijn niet van hem afhankelijk zijn, en de zon en de wolken bij ons er zich volstrekt niet om bekommeren, of er een mijnheer Goethe in de wereld is of niet. Hier ben ik het alleen, die het weder maakt; en zoo moet het ook blijven zoolang ik leef! Zonneschijn en regen van den grooten Wedermaker, aan wien wij ons allen moeten onderwerpen; maar de kwade en goede dagen moeten in Pruisen, zoolang ik leef, slechts van mij uitgaan! Nu, mij dunkt, dat 't mij soms ook gelukt een weinig zonneschijn te maken,quot; voer de Koning voort, terwijl hij zich van het venster verwijderde en, de handen met den kruk-stok op den rug gevouwen, langzaam weder op en neór ging; âIk denk dat de prins van Pruisen heden óók wel een weinig zonneschijn heeft, en terwijl 'tin Sanssouci zeer somber en eenzaam is, mag 't wel des te helderder en vroolijker in Charlottenburg zijn, en â Eh bien, oude knaap,quot; viel de Koning zich plotseling in de rede, terwijl hij staan bleef; âwilt ge weêr den teergevoelige spelen, en lofdichten op uwe solitude maken? Nu, nu, beklaag u niet! Komt bij mij, geesten mijner vrienden; spreekt een weinig tot mij! Voltaire, d'Argens, en gij, mijn goede lord Marschal; komt bij mij, gij schimmen; komt bij mij met de herinneringen aan fraaiere dagen, en betoovert met uwen zonneglans het gerimpeld voorhoofd van den ouden Frits!quot; â
Terwijl de eenzame Koning op Sanssouci de schimmen
120
zijner vrienden aanriep, om zijn stille, sombere kamer te verlichten, scheen de zon met helderen glans over het huis en den tuin te Charlottenburg, â de zon die Frederik had doen opgaan over dit huis.
Den geheelen dag had Wilhelmine Enke besteed om het huis met zijn fraai en smaakvol huisraad in oogenschouw te nemen; elk meubel, elk voorwerp in de kamers onderwierp zij aan een oplettende beschouwing; alles vervulde haar met vreugde en verrukking, en de prins, die haar vriendelijk en gewillig van de eene kamer naar de andere geleidde, vermeide zich in dejubelende uitbarstingen harer blijdschap, en den vreugdevollen trots, die uit haar gelaat sprak.
âHet is een genot u iets te schenken, Wilhelmine,quot; zeide hij; âen ik wilde maar, dat ik mij dit genot zeer dikwijls kon bereiden; want ik geniet het dubbel, als ik u aanschouw met zulk een zonneschijn op uw fraai gelaat!quot;
âGij zijt mijn zonneschijn, Frederik,quot; riep zij vurig: âgij zijt voor mij de lieve God op aarde! Arm en ellendig ben ik ter wereld gekomen! Gij hebt mij rijk en gelukkig gemaakt! U dank ik, dat ik thans een woonplaats, een stukje aarde heb, waarvan ik zeggen kan; Dit is het mijne, hier bloeien de bloemen voor mijl Hier in dit huis ben ü: de meesteres, en niemand mag zich vermeten mij hier met minachting te behandelen; want wie hier tot mij komt is mijn gast, en moet mij eeren! En dit alles, alles dank ik u!quot;
âNiet mij,quot; zei de prins glimlachend; âik gaf u slechts wat een ander mij voor u gegeven heeft! Den Koning alléén komt uwen dank toe! Streng in woorden maar mild in daden, heeft hij u dit asyl gegeven, en u bevrijd van de slavernij der armoede, die geen tehuis heeft. Ge moogt het niemand zeggen, Wilhelmine; want de Koning zou zeer vertoornd zijn zoo men vernam, dat bij u niet alleen verdraagzaamheid, maar ook edelmoedige goedheid bewezen heeft. Het is een geheim, 't welk ik eigenlijk naar den wil des Konings u zelfs niet mocht openbaren. Maar ik kan uwen dank niet aannemen; want ik heb hem niet verdiend! Van den Koning komt uw geluk; niet van mij! Ge weet immers hoe arm ik ben. Maar wacht slechts, mijn geliefde, wacht slechts. Er zal een dag komen, dat ook ik u vergelden
121
kan; dat de arme Kroonprins in den rijken Koning veranderd wordt; en, geloof mij, op dien dag zal de gouden regen weder op u nederstroomen, zonder ooit op te houden. Doch, in weerwil van den regen zal toch steeds een heldere zonneschijn om u stralen, en als Koning wil ik u beloonen met glans, macht en rijkdom, voor al de liefde en trouw die gij den armen Kroonprins bewezen hebt! Tot zóólang verheug u met het weinige wat. de genade u geschonken heeft, in afwachting van het vele dat de liefde u zal geven! Maar, nu, Wilhelmine, vaarwel! De avond daalt, en ik moet naar Potsdam; want de Koning zou het zeer ten kwade duiden, zoo ik niet den laatsten avond van mijn hierzijn bij mijne gemalin, en in den kring van mijn gezin doorbracht! Vaarwel, Wilhelmine!''
Hij omhelsde haar teeder, en zij deed hem uitgeleide naar het gereed staande rijtuig. Vervolgens keerde zij in het huis terug om er nogmaals de ronde te doen door de reeks fraaie kamers, die thans haar eigendom waren; en steeds helderder werd haar aangezicht, steeds trotscher hief zij het hoofd op. Een onuitsprekelijk, nooit gekend gevoel bewoog haar ziel; en stemmen, welke zij nooit gehoord had, spraken tot haar uit de diepte haars harten.
âGe zijt thans niet meer een veracht schepsel, zonder tehuis,'' fluisterden deze stemmen âGij hebt thans in de wereld een tehuis, een eigendom. Tracht nu ook een naam te maken; iets belangrijks in de wereld te worden. Ge zijt schrander, ge zijt schoon; â en met uwe schranderheid en schoonheid moet ge u een groote toekomst bereiden! Denk aan de markiezin de Pompadour! Zij was arm, van nederige afkomst, versmaad en veracht evenals gij! Maar een Koning beminde haar, en zij werd de Koningin des Konings, en geheel Frankrijk boog voor haar; zelfs de Keizerin Maria Theresia verwaardigde haar met hare opmerkzaamheid, en noemde haar: hare cousine! Ik ben óók de geliefde eens toekomstigen Konings, en ik wil óók de Koningin mijns Konings worden!quot;
Wilhelmine was blijven staan midden in de groote zaal, welke zij juist wilde doorgaan, en zij luisterde met luid kloppend hart naar deze verleidelijke stemmen, en zag in haren geest wonderbare beelden der toekomst.
Zij zag zich in deze zaal omgeven door pracht en heer-
122
lijkheid, schitterend van brillanten; zag om zich heen getooide dames, en heeren in blinkende uniformen met fonkelende ordekruisen; zag overal slechts glimlachende gezichten, slechts eerbiedige houdingen; zag hoe aller oogen op haar gevestigd waren; hoorde de zoete vleiende woorden, die van aller lippen klonken voor haar, de eens zoo verachte en gehoonde.
âZóó zal het zijn, ja, zóó zal het zijn!quot; riep zij met luide stem; âIk wil de Koningin mijns Konings zijn! Ik wil de Pruisische markiezin de Pompadour worden, dat zweer ik bij de hoofden mijner kinderen, bijâquot;
âZweer het liever bij uw eigen fraai hoofd. Wilhelmine,quot; zeide een stem achter haar, en toen zij met een lichten kreet omzag, werd zij de hooge gestalte van een man gewaar, die, geheel in een langen, zwarten mantel gehuld, in de open deur der zaal stond.
âWie zijt gij, mijnheer?quot; vroeg zij ontsteld; âHoe durft ge het wagen hier binnen te komen?quot;
Hij antwoordde niet, maar sloot met een bedaarde beweging de deur achter zich dicht, en ging vervolgens langzaam,quot;met hoog opgericht hoofd door de zaal tot Wilhelmine. Zijn zwarte oogen waren strak op haar gericht, en hunne vlammende, doorborende blikken schenen Wilhelmine in verwarring te brengen.
Zij had de lippen geopend om hulp te roepen, maar het woord bestierf er op, hare wangen verbleekten, de blik barer oogen werd strak; als aan den grond genageld bleef zij midden in 't vertrek staan, slechts hare armen hief zij langzaam op, en stak ze afwerend den naderende toe.
Hij glimlachte; maar er lag iets gebiedends, iets be-heerschends in zijne houding, in de vlammende oogen, die onafgewend op haar rustten. Thans, nu hij zeer dicht bij haar was, hief hij de rechterhand op, en maakte een ongeduldige beweging. Terstond zonken hare uitgestoken armen neder, een gloeiend rood bedekte hare wangen, en een gelukkige glimlach verhelderde hare trekken.
Hij nam den driekanten, met goud omzoomden hoed af, die tot hiertoe zijn hoofd beschaduwd had, en groette haar met een lichte hoofdbuiging.
âHerkent ge mij, Wilhelmine?quot; vroeg hij met zachte, welluidende stem.
i
123
âJa,quot; zeide zij, steeds haar blik strak op den zijnen gewricht houdende; âja, ik herken u! Ge zijt Gagliostro, de Igroote heer en meester, de wonderdoener!quot;
- T âWeet ge nog, Wilhelmine, waar wij elkander ontmoet hebben ?quot;
âIk weet het, meester; het was te Parijs bij den gou-fverneur der Bastille, den heer Delaunay. Ge liet mij in
Ide kristallen üesch zien.quot;de kristallen üesch zien.quot;
âEn wat vertoonde u deze kristallen llesch?quot;
âMijn toekomst, meester! Een schoone, schitterende toekomst, vol glans en pracht. Ik zag mij fonkelend van brillanten. een Koning lag aan mijne voeten, een kring van , rijk gedoschte hovelingen stond om mij heen. Alles boog Ivoor mij met eerbied, en ik hoorde als geestengefluister om mij heen; âWees gegroet, schoone gravin! Wees ons genadig, verhevene Vorstin!quot; Het klonk in mijne ooren als hemel-Ische muziek, en ik lachte luid van verrukking.quot;
âWas dit alles, wat de kristallen flesch u vertoonde?quot; ; vroeg Gagliostro op plechtigen toon.
Zij beefde, en een rilling liep door haar gansche lichaam, i âNeen,quot; fluisterde zij; âneen, het was niet alles! Na deze beelden van glans, van macht en heerlijkheid, zag ik een ander, een vreeselijk beeld! Ik zag mij in eenvoudig, donker i gewaad, in het midden van een doodsch, eenzaam vertrek ⢠ijzeren staven waren aan de vensters; de lage, zwarte deur met ijzeren platen beslagen; en de witte kalkmuren zonder eenig versiersel; een kerker, ach, een kerker was het die mij omgaf, en ik hoorde wederom als geestengefluister om mij heen; âWee u, gevallene, onttroonde! Gij hebt de dagen van glans verspild; onderwerp u met geduld aan de dagen : van smaad en vernedering!quot; Ik kon het niet verdragen; | ik schreeuwde luid van ontzetting, en zonk onmachtig ineen.quot;
âGe had begeerd de toekomst te zien, en ik vertoonde haar u,quot; zei Gagliostro ernstig; âmaar, hoewel ik het licht ' in uwe ziel deed opgaan, bleef 't er tóch donker en ge gingt voort in den nacht van ongeloof, en begeerde niet verder te gaan op den weg der kennis. Gij vergat dit uur der aanschouwing. Gij vergat ook mij. Tweemaal zond ik u boden, die u leiden zouden op het rechte pad; maar gij weest ze lachend af. Herinner u echter wat ik u te Parijs gezegd heb. Herinner u, ik wil het!quot;
124
âIk herinner mij, meester,quot; zeide zij zacht: âGij zeidet: âOp den gewichtigsten dag uws levens zal ik tot u komen, en u mijn hulprijke hand bieden. Neem haar aan, en het eerste beeld, 't welk gij hebt gezien, zal zich verwezenlijken. Wijs haar af, en ge zijt aan het tweede beeld vervallen, en de kerker wacht u!quot;
âJa, dat zeide ik, en ge ziet, ik houd woord! Het is heden een groote, gewichtige dag uws levens. Ge zijt ontkomen aan behoefte en vernedering; gij hebt den eersten stap gedaan op de stijgende ladder uwer macht en grootheid: ge zijt de meesteres van dit huis geworden.quot;
âGe weet dit?'' vroeg zij verwonderd.
Een medelijdende glimlach speelde om zijne lippen. âIk weet alles wat ik weten wil, en moet zelfs de vreeselijke dingen aanschouwen, voor welke mijne medeliidendeoogen zich gaarne zouden willen sluiten. Ik zie met de oogen van mijnen geest uwo geheele toekomst, en mijn ziel ontfermt zich uwer! Ongelukkige, ge zijt verloren, zoo ge de hand niet aanneemt, die ik u bied. Ik zie u wankelen, ik zie u nederstorten van de ladder des geluks! Ongelukkige, ge ziet niet den afgrond, die zich voor u opent; uw voet glijdt uit, ge stort naar beneden; ik zie u bloedend met verbrijzelde leden op den grond liggen!quot;
âOntferming, meester, ontferming,quot; smeekte zij. âStrek uwe hand naar mij uit en bescherm mij!quot;
En de armen smeekend tot hem opheffende, zonk zij als verpletterd aan zijne voeten neder.
Hij boog over haar heen en streek zacht met de toppen zijner vingers herhaaldelijk over haar bleek, koud aangezicht, over hare borst, en blies op haar den heeten adem zijner lippen.
âIk wil mij uwer ontfermen,quot; zeide hij plechtig; âik wil u beschermen. Sta op, Wilhelmine, verhef u van uwe knieën, mijne dochter.quot;
Hij reikte haar zijn hand, en zij richtte zich er mede op; maar, terwijl zij dit deed, drukte zij een gloeienden kus op deze hand.
âVan dit uur af reken ik u tot de mijnen,quot; zeide hij plechtig; âen zult gij opgenomen worden in 't heilig verbond der geesten; gij zult de wijding ontvangen, en den voorhof des tempels binnengaan. Zijt ge bereid?quot;
427
de heer Philipp Carl Moritz. Zonderling was zijn voorkomen ;
âMorgen-ndcm-zal van^de houdine en
âTc middernacht verwacht mij hier met de mijnen. De tempelbroeders zullen komen en voor u de hallen openen, en gij zult ingaan in den tempel der zaligheid. Ge zult zien, hooren en zwijgen!quot;
âIk zal zien, hooren en zwijgen,quot; fluisterde zij zacht.
âAls de avond is aangebroken, zend gij uwe dienstboden weg,quot; gebood Gagliostro: âen laat de deuren vanuw huisopen. Ik zal wachters aan de ingangsdeuren plaatsen, en niemand wordt binnengelaten dan de geroepenen! Zijt ge bereid ze te ontvangen?''
âIk ben bereid, meester!quot;
âGa nu naar uwe kamer, Wilhelmine; verbet uw gemoed in eerbied en berouw, en verwacht de dingen, welke u de toekomst bei'eiden zullen. Morgen te middernacht zien wij elkander weder: ik zal u uit uwe huiskamer komen halen. Op uwe knieën, mijne dochter, op uwe knieën!quot;
Zij zonk op hare knieën neder, en boog haar hoofd op de borst. âZegen mij, meester, zegen mij!quot;
âIk zegen u,quot; zeide hij. Zij voelde een heete, brandende aanraking op haar voorhoofd, en door de half duistere kamer schoot plotseling als een lichtende bliksemstraal.
Wilhelmine slaakte een luiden gil, en sloeg de handen voor haar verblind gelaat.
Toen zij ze na een lange poos weder liet nederglijden, was het donker om haar heen. Slechts door de hooge vensters drong het bleeke maanlicht binnen, en wierp grillige lichtstrepen langs de donkere schaduwen der muren op den vloer, en op Wilhelmine's knielende gestalte.
Zij richtte zich op, sloeg een schuwen blik om zich heen, en zag huiverend dat zij alleen was.
âMorgen, fluisterde zij; âmorgen te middernacht!quot;
124
âIk herinner mij, meester,quot; zeide zij zacht: âGij zeidet: âOp den gewichtigsten dag uws levens zal ik tot u komen, en u mijn hulprijke hand bieden. Neem haar aan, en het eerste beeld, 't welk gij hebt gezien, zal zich verwezenlijken. Wijs haar af, en ge zijt aan het tweede beeld vervallen, en de kerker wacht u!quot;
âJa, dat zeide ik, en ge ziet, ik houd woord! Het is heden een groote, gewichtige dag uws levens. Ge zijt ontkomen aan behoefte en vernedering; gij hebt den eersten stap,gedaan op de stijgende ladder uwer macht en grootheid: ge zijt de meesteres van dit huis geworden.quot;
âGe weet dit?quot; vroeg zij verwonderd.
Een medelijdende glimlach speelde om zijne lippen. âIk weet alles wat ik weten tuil, en moet zelfs de vreeselijke dingen aanschouwen, voor welke mijne medelijdende oogen zich gaarne zouden willen sluiten. Ik zie met de oogen van mijnen geest uwe geheele toekomst, en mijn ziel ontfermt zich uwer! Ongelukkige, ge zijt verloren, zoo ge de hand niet aanneemt, die ik u bied. Ik zie u wankelen, ik zie u nederstorten van de ladder des geluks! Ongelukkige, ge ziet niet den afgrond, die zich voor u opent; uw voet glijdt uit, ge stort naar beneden; ik zie u bloedend met Verbrijzelde leden op den grond liggen!quot;
âOntferming, meester, ontferming,quot; smeekte zij. âStrek uwe hand naar mij uit en bescherm mij!quot;
En de armen smeekend tot hem opheffende, zonk zij als verpletterd aan zijne voeten neder.
Hij boog over haar heen en streek zacht met de toppen zijner vingers herhaaldelijk over haar bleek, koud aangezicht, over hare borst, en blies op haar den heeten adem zijner lippen.
âIk wil mij uwer ontfermen,quot; zeide hij plechtig; âik wil u beschermen. Sta op, Wilhelmine, verhef u van uwe knieën, mijne dochter.quot;
Hij reikte haar zijn hand, en zij richtte zich er mede op; maar, terwijl zij dit deed, drukte zij een gloeienden kus op deze hand.
âVan dit uur af reken ik u tot de mijnen,quot; zeide hij plechtig; âen zult gij opgenomen worden in 't heilig verbond der geesten; gij zult de wijding ontvangen, en den voorhof des tempels binnengaan. Zijt ge bereid?quot;
âMorgen-n
âTe middernacht verwacht mij hier met de mijnen. De tempelbroeders zullen komen en voor u de hallen openen, en gij zult ingaan in den tempel der zaligheid. Ge zult zien, hooren en zwijgen!quot;
âIk zal zien, hooren en zwijgen,quot; fluisterde zij zacht.
âAls de avond is aangebroken, zend gij uwe dienstboden weg,quot; gebood Cagliostro: âen laat de deuren vanuw huisopen. Ik zal wachters aan de ingangsdeuren plaatsen, en niemand wordt binnengelaten dan de geroepenen! Zijt ge bereid ze te ontvangen?'' *
âIk ben bereid, meester!quot;
âGa nu naar uwe kamer, Wilhelmine; verbet uw gemoed in eerbied en berouw, en verwacht de dingen, welke u de toekomst bereiden zullen, Morgen te middernacht zien wij elkander weder: ik zal u uit uwe huiskamer komen halen. Op uwe knieën, mijne dochter, op uwe knieën!quot;
Zij zonk op hare knieën neder, en boog haar hoofd op de borst. âZegen mij, meester, zegen mij!quot;
âIk zegen u,quot; zeide hij. Zij voelde een heete, brandende aanraking op haar voorhoofd, en door de half duistere kamer schoot plotseling als een lichtende bliksemstraal.
Wilhelinine slaakte een luiden gil, en sloeg de handen voor haar verblind gelaat.
Toen zij ze na een lange poos weder liet nederglijden, was het donker om haar heen. Slechts door de hooge vensters drong het bleeke maanlicht binnen, en wierp grillige lichtstrepen langs de donkere schaduwen der muren op den vloer, en op Wilhelmine's knielende gestalte.
Zij richtte zich op, sloeg een schuwen blik om zich heen, en zag huiverend dat zij alleen was.
âMorgen, fluisterde zij; âmorgen te middernacht!quot;
TWEEIXE BOETL. ROZENKRUiZERS EN KRACHTGENIES.
I.
GOETHE TE BERLIJN.
âWist ik slechts of 't een mensch was, of dat werkelijk god Apollo mij verschenen is in menschelijke gedaante,quot; zuchtte de conrector Moritz, terwijl hij in zijn kamer heen en weder ging. â Een zonderlinge kamer, en een zonderlinge verschijning, de gestalte van den jongen conrector Moritz.
Duister de kamer, de glasruiten morsig, en hier en daar met papierstrepen beplakt. Grijs de wanden, en hier en daar met groote letters Grieksche zinspreuken er op geschreven. In een open, hooge kast eenige honderde boekdeeien, gedeeltelijk ordelijk naast elkander staande, gedeeltelijk verward door elkander geworpen. Op een groote tafel dicht bij het venster, een verwarde hoop boeken en papieren, en in 't midden een reusachtige buste van den Apollo van Belvedère, in hare witheid en fraaiheid zonderling uitkomendetusschen het stof, en de wanorde, die haar omgaven. Op den achtergrond der kamer een open kleerkast, aan wier haken bontkleurige kleederen hingen; en daarnevens een tafel met heerlijke, welriekende bloemen in potten, die met morsig papier omwikkeld waren. De vloer onzindelijk en stoffig; maar in 't midden der kamer bedekt met een nieuw fraai tapijt, van de heerlijkste kleurschakeering.
Op dit tapijt ging hij op en neêr, de eigenaar dezer kamer, de conrector aan het gymnasium van het grijze klooster;
^ ' ' 427
ê
de heer Philipp Carl Moritz. Zonderling was zijn voorkomen ; even zonderling als zijn kamer. Niets van de houding en het wozen, welke hij gisteren op het exercitieplein te Potsdam had vertoond, van het fashionable voorkomen van een jongen fat, die naar de laatste mode gekleed was. Heden in een gewaad, dat aan geen mode onderworpen is: een wit gewaad, dat boven aan den hals met een rood lint gesloten is; witte mouwen, aan het handgewricht dicht geknoopt, en met kanten manchetten omzoomd; een wit gewaad dat van de schouders met' weinige plooien nedervalt tot over de knie. De beenen die er onder te voorschijn komen, geheel naakt; en slechts de voeten bekleed met sandalen van donkerrood lint. Het haar niet, zooals de mode vereischt, gepoederd en in den nek tot een staart gebonden, maar in zijn natuurlijke bruine kleur, los en slechts bijeen gehouden door een purperrood lint, dat als de voorhoofdsband dei-oude Romeinen door het dichte, krullend haar was geslingerd, en aan beide slapen met twee korte strikken nederhing.
In dit vreemd kostuum, dat half den ouden Adam, half den ouden Romeinen behoorde, ging Philipp Moritz in zijn kamer op het tapijt heen en weer, aan den vreemdeling denkende, dien hij gisteren op het exercitieplein te Potsdam had leeren kennen, en wiens schitterende schoonheid zijn ziel en hart zóódanig had vervuld, dat hij ook heden zijne gedachten nog altijd niet van hem kon afwenden.
âWelke booze demon dreef mij toch gisteren naar Potsdam te gaan?'' vroeg hij zich. âIk haat de menschen; ik weet, dat alle van slechte en gemeene stof zijn, en evenwel drijft mij het verlangen naar hen steeds weder naar buiten in de wereld.quot;
Een luid kloppen aan de deur stoorde hem in zijn zelfgesprek, en op zijn gebiedend âbinnenquot; werd deze geopend.
âHij is 't, 'tis Apollo,quot; riep Moritz verheugd; âKom binnen, mijnheer; kom binnen, ik heb u verlangend verwacht!quot;
En Moritz ijlde op den jongen heer toe, die juist de deur achter zich sloot, en wiens fraai en trotsch gelaat door een glimlach werd verhelderd, bij den aanblik der zonderlinge verschijning, die voor hem stond.
âVergeving, mijnheer, ik stoor u! Ge waart juist met uw toilet bezig! Vergun mij terug te komen, als uw toilet geëindigd fs.quot;
128
âGij vergist u, mijnheer,quot; riep Moritz opgewonden; âIk heb mijn toilet gemaakt, en gij vindt mij in mijn gewoon huisgewaad. Ik bemin ongedwongenheid en vrijheid, en ik ben van meening, dat de menschheid eerst dan geheel gelukkig en tevreden zal zijn, als zij, weder tot den natuurstaat teruggekeerd, geen kleeding meer behoeft, en zich niet schaamt over de schoonheid, welke de groote en goede Natuur aan haar geliefdste en uitverkorensle schepselen verleend heeft.quot;
âMijnheer,quot; riep de andere lachend; âdan zou het slechts noodig zijn dat de groote en goede Natuur ook het klimaat daarnaar had ingericht, â en aan hare geliefdste en uitverkorensle schepselen geen voorbeschiktheid tot verkoudheid verleend had.quot;
âGe moogt gelijk hebben,quot; antwoordde Moritz ernstig; âmaar twisten wij nu niet. Ge hebt mij gisteren beloofd, mij hier te Berlijn uwen naam te zeggen. Doe dit dus!quot;
âZeg mij eerst nog eens den uwen. Zeg mij of de jongeling in het ideale gewaad, dien ik hier voor mij zie, dezelfde eerzame jonkman is, dien ik gisteren op het exercitieplein te Potsdam ontmoette, en die zich als Philipp Moritz aan mij voorstelde; zeg mij dan verder of het dezelfde Philipp Moritz is, die voor eenige jaren aan Johann Wolfgang Goethe zulk een geestigen en hartelijken brief over het treurspel Stella schreef, hetwelk men destijds hier verboden had.
âJa, mijnheer, ik ben deze zelfde Philipp Moritz, die dat gedaan heeft; en wel uit de innigste behoefte des harten, en om den dichter Goethe te bewijzen, dat er hier te Berlijn niet louter zulke domme kerels zijn, die, als Nicolai, zijn Stella voor een onzedelijk stuk hielden, maar wel voor datgene, zooals Goethe zelf' het noemt: âeen schouwspel voor beminnenden!quot;
âEn wilt ge wel zoo vriendelijk zijn mij te zeggen, wat de dichter u op uwen waarden brief geantwoord heeft?quot;
âTrotsch en beminnelijk tegelijk! Niet met woorden, maar tóch vriendelijk heeft hij mij een antwoord gegeven. Hij zond mij een exemplaar van zijn tragedie Stella, gebonden in rose satijn. ') Zie, daar ligt het, voor de buste van
1) Goethe in Berlin. Erini erungsbliitter zur Feier eeines hundertjahrigi n Geburtstages. S. 3.
129
Apollo op mijn schrijftafel. Daar is sedert drie jaren zijn plaats.quot;
âMaar wat schreef hij er bij ?quot;
,,Niets mijnheer, en waartoe ook? Was niet de zending reeds een liefderijk antwoord?quot;'
âSchreef hij er niets bij? Mijnheer, veroorloof mij u te zeggen, dat Goethe zich jegens u als een lomperd en ezel gedragen heeft.quot;
âMijnheer,quot; riep Moritz toornig; âik verbied u, hier in mijn kamer op zulk een onbetamelijke wijze over mijn lieveling te spreken!quot;
âMijnheer,quot; lachte de ander; âmij moogt ge dit niet verbieden. Ik mag wèl beweren dat deze mensch soms een lomperd en een ezel is; ik mag dit berouwvol voor u bekennen, mijn lieve Moritz .... want ik zelfben deze Johann Wolfgang Goethe!quot;
âGij? Gij zijt Goethe?quot; riep Moritz, terwijl hij Goethe met beide handen aangreep, hem naar het venster trok, en hem met gloeiende, van vreugde stralende blikken aanschouwde: âJa, ja,quot; riep hij vervolgens juichend; gij zijt óf Apollo óf Goethe! En vermits de goden niet zoo dom en dwaas zullen zijn, nog eens op onze erbarmelijke wereld terug te keeren, zijt gij Goethe! Geen ander mensch kan zich vermeten, zulk een goddelijk aangezicht Ie vertoonen als gij, gij lieveling der goden!quot;
Hij liet den glimlachenden dichter los, en ijlde naar de schrijftafel. âHoor, Apollo,quot; riep hij in woeste vreugde; âGoethe is hier,'uw geliefdste zoon. Hoera, leve Goethe! Vlieg op, Molla, vlieg door de lucht! Hij is hier! Hij is hier!quot;
Hij nam het rosé boekje, en wierp het juichend omhoog ; vervolgens ijlde hij met dolle sprongen door de kamer rond, wierp zich eindelijk op het tapijt, en wentelde er zich op heen en weder, als een vroolijk, overmoedig kind op den schoot zijner min.
Goethe lachte luid. âMaar wat doet ge toch, mijn lieve heer Moritz?quot; riep hij : âWat beteekent dit?quot;
Moritz staakte een oogenblik zijn dolle wentelingen, en zag lachend, met van vreugde stralend gelaat tot Goethe op.
âIk kan mijn vreugde over u niet beter uitdrukken,quot; riep hij; âde taal is te arm, te arm!quot;
Mühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. I. 9
130
âNu, als het dat is,quot; riep Goethe lachend; âdan wil ik mij bij u nederwerpen.quot;
En hij deed dit; hij wierp zich naast Moritz op het tapijt neder, en rolde en draaide zich met hein. ^
Maar plotseling sprong Moritz op, ijlde zonder een woord te spreken naar de kleerkast, stak zich met razenden spoed in zijn laarzen en kleederen, en stond na weinige minuten in geheel fatsoenlijk gewaad tegenover Goethe, die zich van het tapijt opgericht, â en verbaasd deze snelle herschepping aanschouwd had.
Nu greep Moritz'zijn driekanten hoed, wierp dien op zijn golvende haarlokken, en ijlde naar de deur. Goethe's hand hield hem tegen.
âMijnheer, ge wilt toch niet zóó op de straat gaan ? Gij vergeet dat uw haar nog met losse lokken, alsof een plotselinge waanzin het had losgemaakt, om uw hoofd golft.''
âMijnheer, de menschen zijn reeds gewoon, mij in zonderlinge costumes te zien; en de meesten hunner houden mij ook voor krankzinnig. Ge weet het immers; de krankzinnigen houden zich zeiven steeds voor verstandig, en de verstandigen voor gek. Gij zult mij toestemmen dat het onzinnig is, zijn haar met meel te bestrooien, en dit heerlijk sieraad des menschen in een bespottelijken staart te binden. En deze zinneloozen, die dit doen, zullen my voor krankzinnig houden, wijl ik mijn fraai haar, zooals God het geschapen heeft, onbedekt en onbeplakt draag. Laat mij dus gaan!quot;
âMaar om 's hemels wil, waar wilt ge heen?quot; vroeg Goethe, den weerstrevende tegenhoudende.
âIk wil door al de straten van Berlijn uitgalmen en uitbazuinen, dat de dichter van Werther, van Glavigo, van Götz von Berlichingen, van Stella, en van zoovele hemelsche gedichten, â dat Wolfgang Goethe hier bij mij, in mijn armoedige kamer is. Ik wil ze roepen, al de dichtertjes
1) Dit tooneel, â 'twelk ook Teichmann in zijn âErinnemngsblattern: Goethe in Berlin,quot; mededeelt, â is mij zelve juist zooals ik het hierboven geschilderd heb, en zooals ook Teichmann het voorstelt, door Ludwig ïieck meer dan eens verhaald geworden. Teichmann noemt als dengeen, met wien Goethe dit tooneel had, den gelegenheidsdichter Burmann. Ik herinner mij echter zeer goed, dat Ludwig Tieck mij verhaalde, dat het Philipp Moritz, âde zonderling en geleerdequot; was geweest, met wien Goethe op zulk een kluchtige wijze de kennismaking opende. De schrijfster.
131
en geleerden van Berlijn; ik wil ze hierheen slepen; Ramm-ler en Nicolaï, Engel en Spalding, Gedicke en Plumicke, Karschin en Burmann, en hoe zij verder mogen heeten. Zij zullen allen komen, allen, om Wolfgang Goéthe te zien en te aanbidden; de rijmelaars, u, den wezenlijken dich-ter, Apollo's lieveling!quot;
âMijn lieve Moritz,'' riep Goethe lachend; âals ge dat doet; als ge mij verlaat om deze menschen hier te halen, doet ge vergeefsche moeite, want als ge weder komt, zult gij mij niet meer vinden.quot;
âOnmogelijk,'' zei Moritz ernstig; âgij zult tot mijne terugkomst mijn gevangene zijn. Ik zal u opsluiten, en uit het venster kunt ge niet ontkomen, daar ik gelukkigerwijs twee verdiepingen hoog woon.quot;
âMaar ik zal gaan vóór dat ge beproefd hebt mij op te sluiten,quot; zei Goethe schier verstoord: âIk ben gekomen om u te zien; zoo gij nu weg wilt loopen, goed, dan ga ik ook, en ik raad u niet mij hierin te willen hinderen.''
Hij had, dit zeggende, zijn stem uitgezet, en zij klonk luid en krachtig door de kamer. Zijne wangen hadden zich donkerder gekleurd; zijn groote, bruine oogen schoten vlammen, en over zijn hoog, gebiedend voorhoofd trok als de schaduw eener wolk.
âJujriter tonans,quot; riep Moritz, hem aanschouwende; âja, ge zijt Jujriler tonans in eigen persoon; en mijn ziel buigt voor u,, en onderwerpt zich aan uw bevel. Ik blijf om u te aanbidden, te aanschouwen.quot;
âEn zoo mogelijk een verstandig woord met mij te spreken,'' zei Goethe met vleiende stem ; âWeg met de overgevoeligheid en de wierookgeuren. Wij zijn immers geen syba-riten, die zich met banket en suikergoed voeden; maar wij zijn mannen, die een groot doel beoogen, en weten dat het slechts langs doornige wegen te bereiken is. Maar, naar het doel moeten toch onwrikbaar de oogen gericht blijven, en niets mag er ons van verwijderen.quot;
âEn wat is het doel, waarnaar wij moeten streven?quot; vroeg Moritz, wiens wezen zich plotseling veranderd had, en wiens gelaat thans diepe neerslachtigheid en treurigheid uitdrukte.
Goethe glimlachte. âHoe gij dit vragen kunt, alsof gij zelf dat niet wist.quot; zeide hij levendig; âZelfkennis is ons
132
eerste doelwit! De wijzen der oudheid wisten wat zij deden, als zij boven hunne tempels het: âTfen u reiymquot; schreven, dat alle naderenden vermaande in zich zeiven te keeren, vóór zij in de hallen der goden traden. Immers het men-schelijk hart is óók een tempel, hoewel daarin helaas vaak de demons met de goden, strijden. Hen er uit te drijven, en voor de goden plaats te bereiden, is de taak; en als dan na de reiniging en loutering aan het eigen wezen ruimte is gegeven voor goede daden en grootsche handelingen, dan moeten wij ons niet tevredenstellen met hetgeen wij overwonnen hebben, maar ons oprichten met vreugde, en altaren bouwen op de plaatsen, welke wij bevrijd hebben van de sluiphoeken der demons. Wij moeten hiertoe de oogen openhouden, en de waarheid en werkelijkheid aanschouwen; ze niet met zwarte sluiers orrihangen, of opschikken met bonte lappen. Helder moeten onze begrippen zijn omtrent de gevolgen der dingen; opdat wij niet zijn als dwaze menschen, die den geheelen dag over hoofdpijn klagen, en er tegen medicineeren, en toch alle avonden te veel drinken.quot;
Wist hij welk een tweestrijd er heerschte in het hart van den jongen man, tot wien hij sprak ? Hadden zijne groote vlammende oogen de geheimen gelezen, die in deze verduisterde ziel rustten?
Hij zag hem, terwijl hij sprak, medelijdend en vriendelijk aan, en deze blik vol goedheid en erbarming was als een zonnestraal, die de ijskorst smolt, welke zich om Moritz' hart gelegd had.
Zijn aangezicht trilde; een stuiptrekkend beven'voer door zijn geheele gestalte, en een gloeiend rood schoot over zijne wangen; het werkte en streed in zijn trekken, en plotseling braken de tranen in heldere beken uit. zijn oogen los.
âIk ben ellendig, grenzenloos ellendig,quot; zuchtte hij met bevende, door tranen gesmoorde stem, terwijl hij als verpletterd op een stoel nederzonk, en luid snikkend de handen voor zijn aangezicht sloeg.
Goethe naderde hem, en legde zacht de hand op zijn schouder. âWat is het, dat u ellendig maakt?quot; vroeg hij met vriendelijke, deelnemende stem ; âKunnen menschen u helpen?''
âJa,quot; snikte hij; âzij kunnen het, maar zij willen niet; en zoo ga ik te gronde, sta aan den rand van een afgrond.
133
waaruit de waanzin mij aanstaart met zijn tandenknarsend grijnzen; ik weet hot, en kan niet terug. Ik draag reeds thans de larve van dien waanzin, om daarachter mijn van verdriet gerimpeld aangezicht te verbergen. Uwe goddelijke oogen hebben zich niet laten misleiden; gij hebt de grimas niet voor mijn wezenlijk gelaat gehouden; ge hebt achter het bonte mom geschouwd en de ellende gezien, die zich er achter verbergen wilde.quot;
âIk zag haar en beklaag u, gelijk een vriend den vriend beklaagt, dien hij gaarne zou willen helpen, zoo hij slechts wist hoe dit aan te vangen.quot;
âMij kan niemand helpen,quot; zuchtte Moritz, treurig het hoofd schuddende; âik ben verloren!''
âNiemand is verloren, die den wil heeft zich zeiven te redden,quot; zei Goethe schier misnoegd ; âhij, die op de woedende zee drijft, door stormen gezweept, moet altoos nog hopen dat een plank naar hem toedrijft, welke hij grijpen, â en waaraan hij zich vasthouden kan. Daarom mag hij de oogen niet sluiten, en de arnfien niet moedeloos laten hangen; hij moet waken, en naar redding uitzien. Doet hij dit niet, â laat hij zich door de woeste baren verzwelgen, â dan is hij een zelfmoordenaar, die, als Herostratus, den heiligen tempel verwoest, en uit zijn eeuwige schande zich een eeuwigen roem wilde maken.quot;
âDat zegt gij?quot; riep Moritz: âGij, de dichter vanWer-ther, van het onsterfelijke werk, 'twelk de tranen der geheele wereld heeft gedronken, en het heilige testament voor alle ongelukkigen is geworden!quot; .
âVoor alle verliefden, wilt ge zeggen,quot; antwoordde Goethe; âen ook voor alle verwarde geesten, die zich voor geweldig dichterlijk houden, als zij jammeren en huilen; die over ongeluk schreeuwen als het lot hun niet het speeltuig wil gunnen, dat hunne ijdelheid, hunne eerzucht, of hunne verliefdheid zich gekozen heeft. Beschuldig mij niet van iets, waaraan ik onschuldig ben; zeg niet dat de wijn een vergif is, omdat hij nadeelig op de zieken werkt. Voor de gezonden is hij bestemd; hij wekt op en voert tot nieuw, krachtig handelen.- Wil u dus niet voor ziek houden, maar wil gezond zijn!quot;
âIk ben ziek,' zuchtte Moritz; âgeloof mij, ik ben ziek! O, zie mij aan met deze oogen, die als sterren in mijn ver-
134
duisterde ziel schitteren, 't Is mij als den wandelaar, die lang door de woestijn is getrokken, wien het gloeiende zand de voeten verbrand, â de zon het haar verschroeid heeft; die, uitgeput door honger en dorst, zich den dood nabij voelt en voor wien zich nu plotseling een groene oase vertoont, waarbij een mensch staat, die den eenzame verlorene de armen reikt, en met een zachte engelenstem tot hem zegt: Kom, red u in mijne armen; gevoel dat ge niet alleen zijt in de woestijn, want ik ben er en wil u helpen!''
âEn ik zeg u dit uit den grond mijns harten,'' spiak Goethe op innigen, gemoedelij ken toon: âJa, hier is een mensch, die gaarne bereid is u te helpen; die gevoel heeft voor elke smart, wijl hij in eigen borst alle smarten heeft gevoeld, en die zelfs van zich zeggen kan, evenals Ovidius: âNiets menschelijks is mij vreemd,quot; Kan ik u helpen, zoo spreek, en het zal geschieden.quot;
,,Neen, ge kunt het niet,quot; prevelde Moritz.
âDeel mij ten minste uw kommer mede; ook dtiimmers is verlichting; aan een verstandig mensch zijn lijden te klagen, en te weten dat hij mét ons gevoelt.quot;
âO, hoe goed en edelmoedig zijt gij!quot; zei Moritz de hand van den snel gewonnen vriend aan zijn borst drukkende: âHoe goed doet het mij u te hooren; in uw schoon aangezicht te zien. Ik waande mij verstaald tegen al het men-scbelijke; waande dat de nar, dien ik zijn wilde, reeds den hoogeren mensch in mij gedood had ; ik was er schier trotsch op, dat het mij gelukt was de menschen te bedriegen; dat zij mijn grillig masker voor mijn werkelijk aangezicht hielden; dat zij met den vinger op mij wezen, en lachend tot elkander zeiden: ,,Dat is een nar, een zonderling, die op heel ernstige wijze kluchtige grappen maakt, en dien de Natuur zelve tot hofnar der menschelijke maatschappij bestemd heeft.'' Den noodkreet mijner ziel heeft immers niemand begrepen; en in welke folteringen ik zuchtend de nachten heb doorgebracht, â dat vermoeden zij niet, deze menschen, die des daags om den grappigen snaak lachten.quot;
âGij doet niet slechts u zeiven, â ge doet ook den menschen onrecht,quot; zei Goethe zacht: âGe draagt in de wereld en in de literatuur een geachten naam; elk man van beschaving kent uwe voortreffelijke Prosodie der Duitsche taal, en heeft uw geestige Reis naar Engeland gelezen. Maar ge kunt
135
van de menschen niet verlangen, dat zij in 't haastig voor-liijgaan terstond de kern van de schaal zullen onderscheiden ; en zoo ge u voor hen met een hoogen, zonderling beschilderden muur omgeeft, mocht ge niet verlangen, dat de menschen achter dezen muur, â die den ingang van een poppenspel schijnt te vormen, â een heiligen tempel, een bloeienden tuin, of zelfs een kerkhof met treurige graven zullen vermoeden.quot;
âEen kerkhof met graven, ja, dat ben ik,quot; zei Moritz treurig: âzóó ziet het er uit in de diepte mijns harten! Niels dan begraven hoop, vermoorde idealen, vertredene wenschen! Ik heb geworsteld en gestreefd van mijne kindsch-heid af; mijn geheel leven was een strijd tegen de omstandigheden, een inzet van mijn geheelen mensch tegen het ongunstig lot. Hoewel de zoon van een armen ambachtsman, had de Natuur tóch in mijn ziel den dorst naar kennis, naar wetenschap en kunst gelegd. Hierdoor gold ik in mijne familie voor een deugniet, voor een dommen ledigganger, die zich wilde laten voeden, instede van zijn brood te verdienen. Want, wat was voor mijn vader het bestudeeren van boeken anders dan lediggang en luiheid! Met slagen en mishandelingen werd ik tot den arbeid gedreven; en opdat ik, gelijk mijn vader, een goede schoenmaker zou worden, bond hij mij aan den driestal vast, die nevens den zijnen stond. Daar moest ik de lange vreeselijke dagen zitten en door het stinkende leder den pikdraad trekken; en als mijne armen verlamd, en mijne handen vermoeid nederzon-ken, werd ik weder met slagen tot den arbeid gedreven. Eindelijk onttrok ik mij, met den moed dien de wanhoop geeft, aan deze marteling en vluchtte. Onbekend met de wereldsche toestanden, hoopte ik op de ontferming der menschen; doch ik hoopte vergeefs! Niemand wilde mij bijstaan, niemand mij helpen. Dagen, weken lang had ik in het, dicht bij ons stadje gelegen â bosch omgezworven; had geleefd als de dieren des wouds van wortelen en kruiden, en was tóch tevreden en gelukkig; wanthetéénige watikop mijn vlucht had medegenomen, waren de beide boeken, die ik als prijzen had gekregen in do gelukkige dagen, toen mijn vader mij, op mijn dringend bidden, de latijnsche school had doen bezoeken Maar het oordeel der onderwijzers, dat ik voor een geleerde was geschapen, had mijn vader toen zóó ver-
136
schrikt,] dat hij mij van de school nam, om van den ontluikenden geleerde, â die tot niets zou deugen, â een schoenmaker te maken, die zijn brood kon verdienen. Maar mijn beide lieve boeken had ik behouden, en in de eenzaamheid van het bosch las ik Ovidius en Virgilius zóólang, tot ik ze van buiten kende, en ze met luide, roerende stem, tot mijn eigen verrukking, declameeren kon. 0, nog heden denk ik aan deze weken in de stilte des wouds terug, als aan de gelukkigste, reinste en schoonste mijns levens.quot;
âEn zeker waren zij dit ook,quot; zei Goethe zacht: âwant het terugkeeren tot de Natuur is het terugkeeren tot zich-zelven, en die een degelijk en krachtig mensch zijn â en blijven wil, moet vooral in en mèt de Natuur leven.quot;
âAch, dit leven mocht mij echter niot lang meer vergund blijven,quot; zuchtte Moritz : âmijn vader had mijn verblijt-plaats ontdekt, hij kwam met gerechtsbeambten en politiedienaren om mij te vangen; en als een misdadiger, een wild dier, werd ik met gebonden handen, op klaar-lichten dag, onder het spottend gelach der straatjongens naar de stad, â en in het huis mijns vaders teruggevoerd. Laat mij zwijgen over de vernedering, de martelingen, die nu volgden; hoe ik mij zeiven tot last werd ; hoe ik naar den dood verlangde, en echter zóó diep gezonken was, dat ik niet meer den moed had hem in te roepen. Eindelijk echter gaven de mishandelingen mijns vaders mij den moed weder. Ik vluchtte andermaal; maar nu niet naar het bosch; ik begaf mij naar de naaste groote stad, met het besluit liever te sterven dan tot mijn vader terug-te-keeren; besloten om mijn brood te verdienen, op welke wijze dan ook, en datgene te worden, wat mijne onderwijzers mij vroeger voorspeld hadden ; een geleerde! Hoe ik geleefd, wat ik geleden en ontbeerd heb, verschoon mij. u dit te schetsen. Ik heb de laagste diensten verricht; ik heb maanden lang gewerkt als een dier; ik heb zonder huisvesting rondgezworven; in eenzame hofsteden en vervallen huizen geslapen; van een stuk brood, een teug water geleefd, en met vrekkige gierigheid het geld bijeen geschraapt, dat ik voor mijn arbeid als boodschapper, als daglooner verdiende. Eindelijk, na een jaar van zulk een leven had ik zóóveel bijeen, om van een uitdrager oude kleederen te koopen, en vervolgens tot den directeur van het gymnasium te gaan, met het smeekende verzoek: mij
137
onder de leerlingen van zijn gymnasium op-fe-nernen. Onder een stroom van tranen opende ik hem mijn geheele hart; liet hem de gansche foltering van mijne treurige kindschheid zien; bezwoer hem zich mijner te ontfermen, en mij de gelegenheid te geven mij in de wetenschappan te bekwamen. Hij echter bejegende mij met harde, honende woorden en dreigde, mij als een weggeloopene, een landlooper en bedelaar aan de politie over-te-leveren. âIk ben geen bedelaar,quot; riep ik heftig: âik wil van niemand iets voor niet hebben; ik. heb hier geld om twee jaren vooruit te betalen, en zal in dien tijd zooveel verdienen, om dan weder voor twee volgende jaren te betalen.quot; Dit verzachtte den toorn van den strengen directeur, hij werd vriendelijk en goed, en beloofde mij zijn bijstand.quot;
âArme knaap,quot; zuchtte Goethe: âzóó vroeg reeds moest hij leeren dat er een macht is, waarvoor niet alleen Koningen en Vorsten, â maar ook de geest buigen moet; waarvoor alle wetenschappen, alle kunsten, als haren Mecenas onderdanig zijn ! Deze macht dus opende u de deuren van het gymnasium?quot;
âZij deed het. De directeur van het gymnasium ontfermde zich mijner; hij verklaarde zich bereid mij te laten deelnemen aan het gymnasiaal onderwijs. Hij deed meer; hij verzekerde mijn toekomst. O, hij was een zeer mensch-lievend man! Toen hij vernam dat ik buiten dit geld, waaraan het bloedig zweet van een jaar kleefde niets bezat, toen âquot;
âToen gaf hij u het geld terug,quot; viel Goethe hem vriendelijk in de rede.
âNeen, toen bood hij mij in zijne woning, kost en kleederen aan, gedurende al den tijd van mijn verblijf aan het gymnasium.quot;
âHa, dat doet goed!'' riep Goethe: âzeg mij den naam van dezen man van eer; opdat ik, zoo ik hem ooit ontmoet, hem mijn hand kunne reiken.quot;
Een treurige glimlach gleed over Philipp's gelaat. âVeroorloof mij, u voorshands nog den naam te verzwijgen,'' zeide hij:
âIk nam het edelmoedig voorstel, dat mij deze waardige man deed, dankbaar aan, én vroeg slechts bewogen en aangedaan. of ik geen wederdienst voor zooveel goedheid en
138
edelmoedigheid bewijzen kon? O ja, er waren wederdiensten; en de heer directeur had de goedheid mij er mede bekend te maken. De heer directeur was ongehuwd, en wilde geen vrouwelijke dienstboden om zich hebben. Ik zou bij hem zijn als zijn gezelschaphouder, zijn makker; ik zou doen wat, zooals hij zeide, âelk dankbaar zoon voor zijn vader doen zou.quot; Ik moest hem bij 't kleeden behulpzaam zijn, zijn kamer in orde houden, en zijn ontbijt gereed maken!quot;
âDat wil zeggen; ge moest zijn bediende worden!quot; riep Goethe verontwaardigd.
âAlleen 's morgens,quot; zei Moritz glimlachend; âdes avonds, en zelfs des nachts zou ik de eer hebben zijn famulus te zijn. Dan moest ik het werk en de oefeningen der leerlingen nazien en corrigeeren; ook moest ik bij vooruitgaande vorming en geleerdheid, mij belasten dagelijks twee bijlessen in de verschillende klassen te geven; en eindelijk moest ik in mijn vrije avonduren den directeur voorlezen, of met hem kaartspelen. Ruitendien moest ik mij verbinden nooit zonder zijn verlof zijn huis te verlaten; nooit met eenig ander mensch buiten de ondervvijs-uren te spreken of te verkeeren. Al deze voorwaarden werden schriftelijk opgesteld, en als een handelscontract door beide partijen onderteekend.quot;
âEen handel, waarbij een menschenziel werd verkocht!quot;' riep Goethe met donderende stem; âzeg mij nu den naam van dezen eerloozen zielkooper, opdat ik hem aan de kaak der openbare meening stelle!''
âHij is voor een jaar gestorven,quot; zei Moritz zacht; âGod heeft hem voor Zijn rechterstoel geroepen. Toen hij de nadering des doods gevoelde; toen de artsen hem zeiden dat het kankergezwel, waaraan hij leed, ongeneeslijk was, â liet hij mij bij zich roepen; toen smeekte hij weenend, door berouw gefolterd, om mijn vergiffenis. Ik heb hem vergeven, en daarom wil ik ook niets meer zeggen van het leven dat ik in zijn huis geleid heb. Ik was gedurende zeven jaren niets anders dan een slaaf, die in het zweet zijns aan-gezichts zware diensten doet. Maar, ik had mij als slaaf verkocht ter liefde der wetenschap; 'en uit deze ontsproot voor den eenzamen, vernederden slaaf troost en bemoediging. Ik was bediende, gezelschaphouder, verlusliger, slaaf van mijn tiran; maar, ik was ook de discipel, de priester der weten-
139
schap. In de eenzame uren van den nacht, â als ik alleen was in mijne kamer, â vielen de ketens van mij, dan kwamen de groote onsterfelijken tot mij, en ik sprak met Virgilius en Horatius; de trotsche Gesar was er, en Bome-rus boog zijn goddelijk aangezicht tot mij, den armen verdrukte. De zalige oogenhlikken dezer eenzame nachten zijn onvergetelijk, onbeschrijfelijk; zij gaven mij de kracht, om de vermoeienissen van den dag te verdragen,âen ik verdroeg ze. Na zeven jaren was ik rijp voor de academie; en het koopcontract tusschen mij en mijn meester werd opgeheven. Als een vrij mensch trok ik naar Frankfort op de academie. Maar er was reeds voor gezorgd dat mijne vrijheid aan keten zou worden gelegd. De armoede boeide mijne handen en voeten. Zeven jaren was ik slaaf van den directeur geweest; doch nu was ik de slaaf der armoede! Ik moest loondiensten doen om te leven! Laat er mij van zwijgen ! 't Is voldoende als ik u zeg; dat ik een jaar lang geen bepaalde woonplaats, geen warm eten gehad had. Dat alles ligt achter mij, ik heb het doorstaan; en na zeven jaren van strijd, van worstelen, van onuitsprekelijke smart, van bezali-gende studie, gewerd mij de belooning, waarnaar ik gestreefd had. De moeielijke leertijd was ten einde, en ik werd vrij. Ik legde mijn examens af; werd gepromoveerd tot Doctor in de wijsbegeerte en magister der vrije kunsten, en verkreeg na velerlei tusschenomstandigheden, hier aan het gymnasium van het grijze klooster, de betrekking van conrector, waarvan ik leef,quot;
âGoddank! Ik adem ruimer,quot; zei Goethe met een zonni-gen glimlach, die in oogenhlikken van blijde opgewonden-denheid zijn aangezicht verhelderde: â't Is mij als een schipbreukeling, die eindelijk de reddende haven is binnen-geloopen; en ik verheug mij over uwe redding als ware zij de mijne. Ge zijt nu geborgen; ge zijt in de haven,en in de vreedzame stilte van uw studeerkam er zult ge voor u zeiven slechts vreugde en lauweren doen bloeien Waarom dus nog aarzelend en ongelukkig, heer conrector, heer poëet? Het verleden ligt met zijne smarten en vernederingen achter ii; bevredigend is het tegenwoordige, en vol hoop kunt ge in de toekomst zien.quot;
,,Jammerlijk is mij het tegenwoordige,quot; riep Philipp Mo-ritz toornig; âen vol wanhoop zie ik in de toekomst! En
140
gil ziet dit niet, man met de goddelijke oogen ? Gij gevoelt dit niet, dichter met de sympathetische ziel ? Gij hebt dus gedacht: deze Philipp Moritz heeft slechts een hoofd voor de wetenschap, niet ook een hart voor de liefde? Ik zeg u: hij heeft een hart, een gloeiend menschenhart; en het is verscheurd van smart, en alle folteringen der ijverzucht op het ontzegde geluk, woelen er in. Ik ben niet geschapen om gelukkig te zijn, en toch verlangt mijn geheele wezen naar geluk; tóch zou ik blijmoedig mijn leven geven voor één dag van geluk aan de zijde mijner eeuwig, mijner onuitsprekelijke geliefde!''
âBezondig u niet,quot; zei Goethe verstoord : Een man, die als gij geleden, gestreden en gestreefd heeft, mag niet zeggen dat gij voor eenige vrouw, â ware zij ook de heerlijkste en schoonste, â het leven zou geven, dat voor hem bestemd is tot een hoogere taak, dan om slechts gelukkig door de liefde te zijn. Of meent ge soms, dat God den man een vonk van zijn licht in de ziel, â een atoom Zijner eeuwigheid in zijn innigste wezen gelegd, en zijn wereldscheppen-den adem over hem geblazen heeft, alléén om hem de zaligheid en :t geluk in de armen eener vrouw te laten vinden? Neen mijn vriend; God heeft den man gegeven van Zijn kracht en Zijnen adem, opdat hij Hem een waardig vertegenwoordiger op aarde zij, en door zijn leven bewijze, dat de mensch tegelijk de bloem van de vrucht is van Gods schepping. De liefde is voor den man de bloemengeur zijns levens. Hij mag er zich een poos door bedwelmen; hij mag er zich door bezielen tot dichterlijke scheppingen, zelfs tot groote daden; maar hij mag haar niet de meesteres, de dwingelandes van zijn wezen laten worden : en, zoo ze hem wil ketenen, moet hij die ketens breken, al mocht hij ook zijn eigen hart tevens breken. Want de man heeft nog iets hooger dan zijn hart; hij heeft de ziel en den geest!''
âAch,quot; riep Moritz smartelijk; âmen ziet wel, gij hebt nooit ongelukkig bemint; nooit de wanhoop leeren kennen; de dierbare, aangebeden vrouw, â welke gij bemint en die u misschien weder bemint, âu nooit ontnomen gezien, en voor een ander bestemd!quot;
Er vloog als een wolk over het aangezicht van Goethe, en de glans van zijn blik verdoofde.
âHoor,quot; zeide hij zacht en haastig, terwijl hij zijn hand
141
op Moritz' schouder legde ; âin dit uur, waarin twee zielen zich elkander openbaren, wil ik u iets bekennen, dat nog geen menschelijk oor van mij vernomen heeft. Ook ik bemin een vrouw, die niet de mijne kan en wil zijn; want zij behoort een ander. Ik bemin deze bekoorlijke vrouw, zooals ik nooit een sterfelijk wezen bemind heb. Sinds jaren behoort haar mijn aanzijn, is zij het middelpunt mijns levens. De aarde zou geen zon, â de hemel geen God meer voor mij hebben, zoo zij, de ééne eenige, uit dit leven verdween. Zelfs de smarten, welke ik om harentwil lijd; â de pijn, welke zij mij nu eens door hare terughouding en koelheid, dan weder door hare warme toenadering oplegt, â zelfs deze pijn zegen ik, want zij komt slechts van haar, en van de hoogste zaligheid des gevoels. Deze liefde is zóódanig, als waren alle gewaarwordingen, die vroeger mijn hart doorstroomden, â en welke ik óók liefde noemde, â⢠slechts de kleine bronnen geweest, die nederstortten van de berghellingen mijner jeugd, en nu alle samenvloeiden in één stroom; in zich vereenigende alles wat geweest is, om nu in eeuwige bewegelijkheid en hernieuwing het voedsel en de levensweg van mijn geheele toekomst te zijn. De schepen, die mijn geluk, mijn vreugde, mijn roem en mijne dichten dragen, drijven alle op dezen stroom. De huizen, de paleizen, welke mijne verbeelding bouwt, verhellen zich aan zijn strand. Elke koelte die dezen stroom treft, beangstigt mij en doet mij rillen. Ieder wolkje, dat het voorhoofd mijner veelgeliefde doet betrekken, legt zich als een dreigend onweder op mijn voorhoofd. Ik leef van haren glimlach; een goed woord van hare lippen is voldoende om mij dagenlang gelukkig te maken; en als zij zich koelen onverschillig van mij afwendt, loop ik rond als werd ik gelijk Orestus door de furiën vervolgd.quot;
âGij bemint!quot; riep Moritz: âIk herroep mijn woord. Gij de uitverkorene, goddelijke jongeling, hebt alles ondervonden wat een menschenhart beweegt; â zelfs een ongelukkige liefde!quot;
âNeen,quot; zeide Goethe misnoegd en schier toornig; âIk noem deze liefde ntei ongelukkig; want in het gevoel zelf ligt het geluk, â ongeluk is slechts: als men zich zeiven verliest. Daartoe mag, en zal de liefde mij echter nooit voeren. Ik kan van haar alleen de zoetste zaligheid des
142
levens ontvangen; maar nooit zal zij mij tot de vernietiging van mij zeiven kunnen brengen. De smart wegens haar kan als een verwoestende stormwind al de bloesems mijns harten breken, â maar mij zei ven breken zal zij niet! De man, de dichter moet hooger staan dan de minnaar; en waar deze zou vertwijfelen, moet gene zich verheffen, en als Prometheus de vuist trotsch en dreigend uitsteken naar de eeuwige goden, opdat zij niet gering van hem denken, niet wanen dat hij een worm in het stof is; maar erkennen moeten, dat de mensch den goden gelijk is; verheven boven alle smarten, niet vertwijfelend en het leven hatend, wanneer ook niet alle bloesemdroomen rijpten; maar met omhoog gerichten blik voortgaande, ook door de woestijnen des levens, en zich troostende met de gedachte: dat slechts groote harten groot leed ondervinden, en het grootsch overwinnen kunnen. Overwonnen smart brengt ons den onsterfelijke nader, en draagt ons langzamerhand uit het aard-sche tranendal tot de lichtere hoogten, waar wij, â nader bij God, â de aarde met haar nietig gewemel als een ellendig speeltuig aan onze voeten zien!quot;
âHemelsch, dit te kunnen zeggen, goddelijk het te gevoelen !quot; riep Moritz weenend; âen de smart des levens boeit mij in het stof; laat mij niet opstijgen tot de hoogte, welke een held als Goethe zegerijk bereikt. Groot is het zich zeiven te overwinnen, en van 't geluk af te zien dat zich aan ons onttrekt. Maar zie, hoe zwak ik ben; ik kan het niet; ik kan het meisje, dat ik bemin, niet opgeven; ik zou hemel en aarde in beweging moeten brengen om haar evenwel fe veroveren, en sterven zoo het mij niet gelukt; â sterven, zooals Werther gestorven is!quot;'
Een toornige blik vlamde in Goethe's oogen op, en een donkere gloed vloog over zijn wangen. âKomt mij allen niet weder met dezelfde litanie!quot; riep hij: âWilt m^niet verantwoordelijk maken voor uwe zwakheid, en den armen Werther ten laste leggen wat in uw eigen hoofden spookt. Ik, die Werther heb geschreven, ben toch bevrijd gebleven van deze afschuwelijke ziekteder overgevoeligheid. Waarom kunt gijlieden het niet, die toch slechts leest wat ik gevoeld heb? â âVergeving,quot; vervolgde hij met een milden glimlach en zachtere stem; âvergeving voor mijn heftigheid. Maar, nooit heeft eenen dichter het werk dat hij geschapen
443
heeft, â nevens goedkeuring en roem, â zooveel verwijten berokkend als dit boek aan mij. Het lijden van den jongen Werther heeft zich waarlijk in het lijden van den jongen Goethe herschapen; en ik vrees, dat zelfs de oude Goethe er nog door bezocht zal worden. Ik heb tot u gesproken als een vriend tot den vriend; neem mijne woorden ter harte; verhef u uit het stof, en schud de door u zei ven gestrooide asch weder van uw hoofd. Treed als een moedig strijder weder in het leger des levens; wend alles aan; list, geweld, beleid en vermetelheid,om uwe geliefde te veroveren. Gelukt dit echter niet, dan geldt het den hoogsten strijd van den mensch des gecstes met het schepsel; dan herinner u het afscheidswoord, dat ik u nu toeroep; âVan de macht, die alle wezens boeit, bevrijdt de mensch zich, die zich zeiven overwint!quot; â Vaarwel, en zoo gij ooit de toespraak van een' vriend, â de nabijheid van een gelijkgevoelende ziel noodig hebt, kom dan tot mij te Weimar, en deelneming en raad zullen u nooit ontbreken.quot;
âIk kom, o zeker, ik kom,quot; zei Moritz diep bewogen, terwijl hij Goethe's aangeboden hand hartelijk in de zijne drukte.
âLaat mij u nu nóg iets tot afscheid zeggen: Leef veel in de Natuur; gewen u de musch, de bloem of den steen even goed uwe aandacht waardig te houden, als den wondervogel Pheniks, of de gedenkteekenen der oudheid met de onleesbare opschriften. Het verkeer met de Natuur is balsem t voor een ziek gemoed, on het wordt 't gemakkelijkst door hare zachte handen genezen. Ik heb dit ondervonden en ondervind het nog dagelijks. En nu nogmaals: Vaarwel. Ik meen het niet oppervlakkig, maar zooals de woorden het zeggen, ik wilde dat ik u op een andere wijze helpen kon, dan slechts met goede woorden; en het doet mij waarlijk leed dat ik u op andere wijze, noch hulp noch hoop geven kan. üm dezen vijver, dien een engel slechts zelden in beweging brengt, wachten honderden vele jaren lang. Slechts weinigen kunnen genezen, en ik ben de man niet, om in dezen tijd te zeggen : âSta op en wandel !quot; Gij alléén kunt dit; geen ander kan het voor u!quot;
Hij keerde zich om, en Moritz met de hand afwerende, opdat hij hem niet volgen zou, verliet hij haastig de kamer, ijlde met gevleugelde schreden de beide trappen af, en ging naar buiten op de straat. Ruim ademend bleef hij nog een
444
poo3 naast de huisdeur staan, en zag naar het gewoel der straat, naar de menschen, die druk voorbijgingen, nu vroo-lijk lachende en met hunne makkers pratende, dan met ernstige gezichten en met hedrijvigen haast. Om hèm echter, die daar tegen de deur stond, â om hèm bekommerde zich niemand; hèm zag niemand aan, en als hem in 't voorbijgaan een blik trof, was die koel en onverschillig, en Johann Wolfgang Goethe hier in de huisdeur, was voor de voorbijgangers niets meer dan de eenvoudige burgerman in de deur van het naburige huis. Misschien verdroot het Goethe â zonder dat hij betwist, â tóch een weinig, dat de menschen volstrekt geen acht op hem sloegen; dat de weêrmaker van Weimar, â hij, voor wien daar op alle plaatsen de menschen groetend bogen, en hem met vroolijke blikken en vriendelijken glimlach groetten, âhier te Berlijn volstrekt niet opgemerkt werd; en niets anders was dan een gewoon menschenkind, een vreemdeling onder vreemden.
âIk zou hier niet altoos willen wonen,quot; zeide hij, terwijl hij nu langzaam door de straat ging; âwat zijn in zulk een groote stad de menschen voor elkander meer dan zandkorrels, welke de eerste de beste wind bijeen, â en weder uit elkander jaagt! Niemand is zich zelf als individu, maar slechts als een deel in de massa, 'tls goed eens te kijken in zulk een kaleidoskoop, en zich met het bonte kleurenspel te vermaken ; maar dan moet het er bij blijven, en met blijmoedig hart wil ik terugvliegen tot al mijne vrienden, â tot u, geliefdste, tot u, Charlotte!quot;
II.
IN DEN VOORHOF EN IN DEN TEMPEL.
Wilhelmine Enke had dien dag in groote ongerustheid en opgewondenheid doorgebracht; en zelfs de verstrooiing, welke het nieuwe eigendom haar verschafte, was niet in staat geweest de beklemdheid van haar hart te overwinnen en haren angst te verwijderen. In den vroegen morgenstond was Prins Frederik Wilhelm gekomen om haar vaarwel te zeggen, omdat hij nog in den loop van den dag met de
145
regimenten, waarover hem het commando was toevertrouwd, Potsdam zou verlaten. Met de teederste liefdesbetuigingen had hij van Wilhelmine afscheid genomen ; met tranen in de oogen had hij de beide kinderen gekust en aan zijn hart gedrukt, en toen hij reeds op het punt stond het rijtuigte bestijgen, was hij nogmaals in het huis terug gekeerd, om zijne weenende geliefde te omhelzen, haar van zijne trouw te verzekeren, en zich door haar te laten beloven, dat ook zij hem trouw blijven, en nooit een anderen man beminnen zou dan hém alleen.
Maar het was niet alleen het afscheid van haren geliefde, dat Wilhelmine's gemoed zoozeer beangstigde, en haar zoo rusteloos heen en weder dreef. A.ls een donkere wolk stond de herinnering aan Cagliostro's geheimzinnige verschijning voor haren gfiest, en met elk voortgaand uur steeg deze wolk hooger, en vervulde haar meer en meer met angst en ontzetting.
Het was vergeefsch dat zij zich bij hare kinderen voegde, dat zij in vroolijk spelen met hen, opbeuring zocht; dat zij in den tuin met hen rondliep, en vervolgens nogmaals het geheele huis doorwandelde. Hare gedachten keerden steeds weder tot Cagliostro terug, en tot de plechtigheid, die heden nacht in haar huis zou plaats vinden.
Het beangstigde haar vreeselijk, dat zij bij het aanbreken van den nacht hare dienstboden moest wegzenden, en zich dan evenwel niet in het eenzame en verlaten huis mocht opsluiten. Maar Cagliostro had gezegd; âLaat de deuren van uw huis open. Ik zal wachters aan de ingangsdeuren plaatsen, en niemand zal binnen gelaten worden dan de geroepenen.quot; Zij had den moed niet, zich tegen zijn bevel te verzetten; en toen de avond aanbrak, zond zij den bediende en de keukenmeid naar Berlijn, met het bevel inbare woning aldaar al haar goed en huisraad in te pakken, den volgenden morgen vroegtijdig een wagen te huren, en de goederen naar Charlottenburg te brengen. Ook de beide kinderen had zij reeds een uur vóór het vertrek der andere dienstboden met de min naar Potsdam laten rijden en haar denzelfden last gegeven: morgen vroeg met de zaken, die zich in hare woning aldaar bevonden, weder naar Charlottenburg te komen.
Zij was dus nu geheel alleen, en met kloppend hart verwachtte zij de dingen, die komen zouden. Haastig ging zij Uühlïaoh, Duitschland in woeling en strijd. I. 10
446
door de eenzame stille kamers; de galmende echo van hare eigene voetstappen beangstigde haar: met schuwen blik zag zij rond in alle vertrekken, als vreesde zij dat er zich iemand had verborgen om haar te bespieden, te bestelen, of zelfs te dooden. Zij had immers zoovele vijanden, zoo velen die haar verwenschten, en, ach, geheel geen vrienden; niemand die haar genegen was, die haar beminde, behalve den eene, die thans ver van haar was! De tranen, welke de gemalin van dezen ééne sinds jaren om harentwille geweend had, vielen in dit uur van eenzaamheid en verlatenheid als een zware last op haar hart, en brandden op haar geweten. Zij beproefde wei zich voor zich zelve te verontschuldigen, en tot zich zelve te zeggen, dat zij 't immers was geweest, die voor de gemalin quot;had moeten wijken, en voor haar in de schaduw had moeten treden; dat zij immers, vóór hij gehuwd was, hem bemind, â zich met liefde aan hem opgeofferd had, en tóch niet gerechtigd was zijne echtgenoote te worden, wijl God haar niet onder een troonhemel had doen geboren worden. Maar tóch rezen weder het treurig gelaat en de weenende blik der prinses uit de diepte van haar geweten op, en beschuldigden haar: noemden haar eene echtbreekster, en misdadigster voor God en menschen!
âIk heb hem bemind, ik bemin hem nog,quot; riep zij angstig : âdit is mijne verontschuldiging en mijn rechtvaardiging. Zij, die in het licht en onder de achting en deelneming der menschen door het leven gaat, â zij, die huldigingen ontvangt, â zij, die later Koningin zal zijn, â zij is niet te beklagen! Ik slechts ben het; ik alleen! Ik sta ter zijde in de schaduw; gehoond en vei^acht door de menschen ; â mij ontwijkt, mij vermijdt men. Degenen die mij groeten, doen het met een spottenden glimlach; en als ik voorbij ben gegaan, zeggen zij tot elkander met verachtelijk schouderophalen : â't Was Enke, de matres van den Prins van Pruisen!quot; â âMaar dat zal anders worden!quot; riep zij luid; âIk wil niet altoos gebukt gaan onder vernedering en smaad! Ik wil mij wreken wegens mijn vertreden en gehoond verleden! Ik wil rang en naam, eer en aanzien hebben. Dat wil ik; ja dat wil ik!quot;
Zoo ging zij verder door de rij stille vertrekken. Alvorens zij de dienstboden liet heengaan, had zij al deze kamers laten verlichten, en overal de kaarsen der lusters en kandelaars
147
ontsteken; ook in de groote zaal, van vvelker zoldering twee prachtige lichtkronen van bergkristal nederhingen. Deze helderheid, die haar overal omgaf, was voor haar een soort van geruststelling; zij kon nu ten minste niet verrast worden, en zoo men haar wilde aangrijpen, zag zij ten minste den vijand, en kon ze naar redding uitzien.
,,Ik was dwaas toen ik Cagliostro's wensch vervulde en bewilligde, hem heden nacht te ontvangen,quot; prevelde zij: âik weet immers dat hij een kwakzalver is! Er zijn geen profeten en toovenaars! En tóch! Heeft hij niet vroeger te Parijs, zonder mij te kennen, mij mijn geheel verleden voorspeld; heeft hij mij niet geheimen mijns levens medegedeeld, welke niemand kende behalve ik en God? Heeft hij mij niet de toekomst voorspeld, en is niet reeds veel van 'tgeen hij mij toenmaals zeide, vervuld geworden? Ja, ja, Cagliostro is een toovenaar; een profeet, en heeft een wonderbare macht over mij; hij leest in mijn ziel en kent mijne geheimste gedachten. Hij zal mij helpen mij te ver-helfen, en uit mijn smaad en vernedering te voorschijn te treden, als een geëerde, machtige en rijke vrouw! Ik wil hem vertrouwen, en niet langer twijfelen en aarzelen; Cagliostro is mijn heer en mijn redder! En dus wil ik ook geen vrees meer hebben. Hij heeft gezegd, dat hij mijn huis zou laten bewaken, en hij zal het doen! Voorwaarts dus, Wilhelmine, voorwaarts zonder vrees! Ik wil eens zien hoe de groote zaal zich voordoet bij het kaarslicht.quot;
Zij ijlde door de kamer, en wilde de groote vleugeldeuren openen, die van hier in de zaal voerden. Maar de knop der deur weerstond haar druk; de deur opende zich niet. Nu schudde zij haar heftiger.
âWie is daar?quot; riep een luide, dreigende stem van binnen. Wilhelmine heelde, en haar hart klopte zóó geweldig, dat zij duizelde en een oogenblik tegen de deur moest leunen. âWie is daar?quot; herhaalde de stem: âHet parool! Niemand wordt binnen gelaten, die het parool niet zegt!quot;
Wilhelmine trad van de deur terug, en sloop zacht op de teenen weder in de kamer. ,ilij heeft woord gehouden,quot; (luisterde zij: âde deuren worden bewaakt! Ik wil in mijn woonkamer gaan, want daar wilde hij mij komen afhalen !quot;
Zij ging haastiger voorwaarts, naar de uitgangsdeur. Plotseling was het, als hoorde zij achter zich 't geluid van slepen-
148
de voetstappen. Ontsteld zag zij om. Ja, zij had zich niet vergist. Twee mannengestalten, geheel in zwarte mantels gehuld, het gelaat met een zwart masker bedekt, komen langzaam, sluipend achter haar aan.
Wilhelmine slaakte een kreet van schrik, en rukte de deur open, om met ijdele schreden de naaste kamer door
te gaan, en in hare daaraan grenzende woonkamer te vluchten. Goddank! Eindelijk had zij die bereikt; maar alvorens er binnen te gaan, sloeg zij een schuwen blik achter zich.
De twee gemaskerden waren nog steeds achterhaar;]â zij komen al nader en nader. Willielmine vloog baarkamer binnen, sloeg de deur achter zich dicht, schoof den grendel er voor, en zonk toen ondanks zichzelve op hare knieën neder.
Wat zal nu gebeuren! Zullen de gemaskerden de deur inslaan? Zullen zij haar vermoorden'? Hoe dwaas, hoe vreeselijk dwaas, hare dienstboden te hebben verwijderd. Nu ziet zij alles in ! Alles! Alles! â Cagliostro is niet alleen een bedrieger, een kwakzalver; hij is een roover, een dief; en zij is in den val geloopen, dien hij voor haar gesteld heeft, â als een lichtgeloovige zottin in den val geloopen. Nu zal hij haar met zijne handlangers alles ont-rooven; hij zal het fraaie eigendom, 'twelk zij eerst pas gekregen heeft, uitplunderen ; en dan, als alles geborgen is, dan zullen zij komen om Wilhelmine te vermoorden, opdat zij niets kan verraden !
Zij weende, en beschuldigde zich bevend vol berouw, van lichtgeloovigheid en domheid ! Zij gevoelde zich voor het eerst van haar leven geheel moedeloos en lafhartig; want het was de eerste maal in haar leven, en dat zij voor haar eigendom beefde. Zorgeloos en met lichten tred was zij tot hiertoe door het leven gegaan; maar het bezit maakte haar angstig; 't was haar nog zoo nieuw, zoo ongewoon ; het kwam haar als een tooversprookje voor, dat zich spoedig weder in niets kon oplossen.
Maar, langzamerhand keerden toch hare beradenheid en kalmte terug De stilte, die haar omgaf, werd door niets gestoord ; niemand deed een poging om de deur open te breken, en de meesteres van dit heerlijk eigendom te vermoorden !
Zij richtte zich langzaam van hare knieën op en sloop
149
voorzichtig naar de vensters. Deze vensters zagen uit op het kleine, met een hek afgesloten voorplein, dat zich aan de straat voor het huis bevond.
De maan scheen zóó klaar en helder, dat zij volkomen duidelijk het pad, dat tusschen dicht houtgewas naar het hek liep, zien kon. Het huis lag zijwaarts van den groeten weg, die zich aan gene zijde van het houtgewas, wel op een vijftig schreden afstand bevond, en slechts door dit houtgewas kon men haar huis bereiken.
Op. dit, door de maan beschenen pad, zag zij nu zwijgende, gemaskerde gestalten naderen. Zij gingen, de een ach ter de ander, langzaam als een processie voorwaarts, en naderden de ingangspoort, die zich in't midden van het hek bevond. Naast deze deur stonden twee hooge donkere gedaanten, en ieder der aankomenden bleef bij deze staan, en scheen hun iets toe te fluisteren; vervolgens ging hij over het voorplein het huis binnen.
âHij heeft mij de waarheid gezegd,quot; fluisterde Wilhelmi-ne: âhet huis is goed bewaakt, en niemand treedt binnen dan zij die geroepen zijn! Nu moed gevat! Ook i/i; behoor tot de geroepenen; en als het uur gekomen is, zal Cagliostro mij wel afhalen en geleiden!quot;'
Zij had nu al hare kalmte en bedachtzaamheid weder-gevonden; zij glimlachte zelfs oin den angst, dien zij gevoeld had, en spotte zelve met haar lafhartigheid.
âVerwachten wij dus nu bedaard wat komen zal,quot; zeide zij, terwijl zij zich op den divan uitstrekte; âniemand kan bij mij komen zoo ik de deur niet open; want deze kamer heeft gelukkig slechts één uitgang. Zelfs de wonderman kan hier niet binnenkomen; of de wanden moesten zich voor hem openen, óf de grendels terugwijken voor zijne aanraking! Hoor, de klok slaat! Elf uur! Dus nog een uur wachtens! O hoe vervelend. Beproeven wij een weinig te rusten.quot;
Zij drukte haar hoofd in de kussens, en sloot deoogen. Deze rust, deze stilte om haar heen deed haar goed na de vele opwekkingen van dezen dag. Langzamerhand verwarden zich hare gedachten; grillige beelden zweefden voorbij haren geest, en hare ademhaling werd korter. â Wilhelmine was ingeslapen.
Diepe stilte omgaf haar, en slechts de slag der klok, die
150
de voorbijgaande kwartieren aangai, stoorde de stilte.
Juist had de klok het laatste kwartier vóóiquot; middernacht geslagen, toen een der vensters, die aan het voorplein uitkwamen, zacht geopend werd, en een donkere gestalte voorzichtig en onhoorbaar er door in de kamer klom. Een oogenblik bleef deze gestalte luisterend staan, en hield zijn blik op de slapende gevestigd. Zij bewoog zich niet; zij sliep nog altoos. De gestalte ging schielijk voorwaarts, richtte zich hooger op, stak de armen omhoog, deed de kaarsen van de lichtkroon uit, en sloop toen naar de deur.
Wilhelmine sliep nog steeds.
Plotseling was 't haar, alsof een verblindende zonnestraal haar aangezicht trof, en zij ontwaakte verschrikt uit haar diepen slaap. Ja, 'twas geen droom geweest; 'â¦â¢was iets schitterends in de overigens donkere kamer. Een witte gestalte, als uit licht en zonneglans geweven, stond voor baar en verblindde Wilhelmine's oogen, zoodat zij haar blik moest nederslaan.
âSta op en volg mij,quot; sprak een zachte en gebiedende stem: âde Groot-Kophta beveelt het u! Neem dit masker, bind het voor uw aangezicht en waag niet, het ook slechts één oogenblik op te lichten, als u uw leven lief is!quot;
Zij nam het masker, 't welk een hand haar reikte, en waarop een vlammetje danste, en bond het vast voor baar aangezicht.
âüoe nu in stilte, nog een gebed,quot; beval de stem ; âen volg mij dan!quot;
De schitterende gestalte zweefde nu voor haar uit door de donkere kamers, en Wilhelmine volgde haar. Zij gevoelde zich als door een betoovering bevangen; haar hart klopte alsof 't zou bersten; hare voeten beefden, en evenwel waren geen angst en vrees meer in haar, maar een verheugd vertrouwen, een diepe aandoening vervulden haar geheele wezen. De oogen onafgewend op de schitterende gestalte die voor baar uitzweefde, gericht houdende, ging zij voortin de duisternis, en trad de groote zaal binnen. Ook hier was alles donker en stil; slechts een zacht gemurmel als van biddenden trof Wilhelmine's oor, en 't scheen haar toe, alsof een menigte zwarte schaduwen zich in deze donkere ruimte heen en weer bewoog.
âKniel neder en bid,quot; fluisterde een stem nevens haar;
451
maar 't was niet de stem der schitterende gestalte, die haar had binnen gevoerd; deze was nu verdwenen, en nacht was alles om haar heen.
Wilhelmine deed wat haar bevolen was, en knielde neder. Maar zij kon niet bidden; er was geen aandacht, geen vroomheid in haar; slechts gespannen verwachting, en onbedwingbare nieuwsgierigheid.
Nog steeds heerschten stilte en duisternis om haar heen; slechts somwijlen hoorde men hier en daar een diepen zucht, een onderdrukt gekreun, een uitroep die in het murmelen des gebeds verdoofde.
Eensklaps werd deze stilte door de tonen eener wonderbare muziek afgebroken; scherp en snijdend als glas, vol en galmend als klokken waren deze tonen, die met trillende golvingen als onzichtbare geesten door de zaal ruisch-ten; steeds hooger, steeds krachtiger zwellende, nu eens zoo krachtvol als orgelklanken, en dan weder zoo teeder en zacht als het suizen der koelte. En thans verhieven zich bij deze muziek menschelijke stemmen in een wonderbaar harmonisch koor, tot een vurig lied van verlangen, van smart, van verwachting, van smeeken naar het naderen van hèm, die komen zou om de Ijeerlijkheid en den vrede te brengen, en den straal der godzaligheid in de harten der ge-loovige broeders te doen nederdalen.quot;
Het koor der onzichtbaren was nog niet geëindigd, toen 't op den achtergrond der zaal begon te schemeren met zonderlinge blauwe lichtstrepen; vervolgens schoot er als een lichtende bliksemstraal door de donkere ruimte; en toen de verblinde oogen zich weder ophieven, zagen zij, als in een stralenkrans, in 't midden van gouden wolken een hooge schitterende gestalte in lange nedergolvende, van zilver fonkelende kleederen; de wonderbare buste, de fraaie armen, de volle schouders slechts gehuld in een doorschij nend gouden weefsel, waarover het lange krullende haar tot op den gordel nederviel. Een glinsterend lint, fonkelend als samengeregen sterren, kronkelde zich door het haar, dat een vrouwelijk gelaat van verhevene schoonheid omgaf. Eeuwige jeugd straalde van deze rooskleurige, volle wangen; opgewekt verstand blonk op dit hooge, heldere voorhoofd; vrede, vreugde en geluk verkondigde de glimlach der volle purperen lippen; liefde en hartstocht schitterden in de groote vlam-
152
mende oogen. Het koor der onzichtbaren zong nu met jubelende tonen;
âDe eeuwige maagd, de eeuwige, heilige, reine Natuur groet de dwalenden, heiligt de zoekenden, maakt ze tot vindenden, tot vroolijk genietenden.quot; â
De hernelsche vrouw hief hare fraaie armen op, en breidde ze uit als voor een teedere omhelzing; een goddelijke, verrukte glimlach verhelderde haar aangezicht; de vlammende blik harer fraaie oogen scheen iedereen te groeten, hem vreugde en hoop te verkondigen, en terwijl men zalig, in verrukking nog aanschouwde, zweefden de gouden wolken dichter en dichter bijeen, en bedekten met heur blinkende sluiers het bekoorlijke beeld der maagdelijke Natuur. Allengs verbleekten nu de wolken; de gouden glans verdween; het koor der onzichtbaren verstomde, en de zachte klanken der muziek stierven langzaam weg.
Op de plaats, waar straks in de gouden wolken het schitterende vrouwenbeeld zichtbaar was geweest, stond nu in een langen nedergolvenden zwarten tabbaard, een hooge mannengestalte; een mat, blauwachtig licht als maneschijn omgaf haar, en deed de donkere omtrekken der gestalte duidelijk op den verlichten achtergrond uitkomen. Lang, sneeuwwit haar omlijstte het hoofd; een zwart masker bedekte het gelaat, en maakte het voor elk onkenbaar.
âMijne geliefden,quot; riep de gemaskerde, terwijl hij zegenend beide handen uitstak; âde.onbekende vaders van onze verheven orde der Rozenkruisers zenden mij tot u, en hebben mij bevolen, u te groeten met den heiligen groet des levens. Ik moet u verkondigen, dat de tijd der openbaringen meer en meer nadert, en dat de verhevene verborgenheden der aarde en der Natuur zich spoedig voor u zullen onthullen, evenals de roos zich plotseling onthult in haren purpergloed, die zoolang in den schoot der groene bladeren geslapen heeft. Gij zijt de groene bladeren, en de Natuur is de purperen roos. Zij zal zich voor u ontsluiten met al hare verborgenheden; zij zal u in haren kelk het levenselixer doen vinden en het geheim des gouds, zoo ge in uwen plichtwandelt;zoo ge onvoorwaardelijk deonzichtbare vaders gehoorzaamt; zoo ge u in blind vertrouwen aan hunne wijsheid onderwerpt; zoo ge zweert van alle eigen onderzoek
153
te willen afzien, en uw eigen verstand te mistrouwen.quot; ')
âWij zweren het!quot; riepen plechtige stemmen van alle zijden der zaal.
Zweert blinde, zwijgende gehoorzaamheid aan alles wat de onzichtbare vaders u zullen verkondigen door uwe ring-directeurs; u gebieden zullen, onder het heilig teeken der Rozenkruisers, door woord of schrift.quot;
âWij zweren het!quot; klonk het weder in koor.
âVloek over u, smaad en schande, verderf en ondergang,quot; donderde de gemaskerde; âzoo ge ook slechts in uwe gedachten afwijkt van uwen eed; zoo ge u vermeet te vorschen en te peinzen, of den maatstok van uw ellendig, beperkt verstand te leggen aan de heilige handelingen en werken van de verheven vaders, aan wie de Natuur zich geopenbaard heeft, en voor wie alle verborgenheden der aarde en des hemels ontsloten zijn. Eeuwig verderf en al de folteringen dei-hel en des vagevuurs zullen over hèm komen, die twijfelt; vervloekt en vogelvrij zal degeen zijn, die een verrader dei-verheven orde wordt. Hoort gij, geesten der diepten en der duisternis, en wijkt, wijkt angstig van hier, vóór dat de toorn der onzichtbare vaders als een verpletterende bliksem op u nederschiet. Opent u, deuren, opdat de boozen van hier kunnen wijken, en slechts de goeden hier terugblijven!quot;
Terwijl hij dus sprak hief hij met een gebiedende beweging de armen op, en terstond sprong de groote vleugeldeur der zaal open. Een lichtstroom drong uit het belendend vertrek binnen, en verlichtte met hellen schijn de zaal. Zij was geheel gevuld met menschen, met donkere gestalten, die nauwkeurig op elkander geleken, want allen waren gehuld in zwarte mantels, de kappen over het hoofd getrokken, en hun gelaat was met een zwart masker bedekt. Al deze gestalten lagen naast elkander geknield, geen hunner bewoog zich, en geen enkele richtte zich op om de bezwering te volgen, en van hier te wijken.
De deuren sloten zich weder en de duisternis heerschte rondom, ook daar waar men te voren de gestalte had gezien. Maar zijn stem sprak voort: âSlechts de goeden, slechts de gehoorzamen zijn dus nu hier verzameld, en hen
1) Zoo luiden de woorden in de wetten der Rozenkruisers. Zie Neue All-gemeine deutsche Bibliotheek, Band 56, Seite 10.
154
verkondig ik thans, dat het leven hier onder ons is, maaide dood buiten voor de deur wacht, om den verrader te trelfen, die de heilige geheimen des verhonds zou kunnen verraden. Blijft in het goede, mijne broeders; vergeet het nooit dat de dolken geslepen zijn voor de verraders, en er geen plaats in de wereld is, waarheen de verraders der heilige orde zouden kunnen vluchten voor den strafï'enden dolk der onzichtbare vaders. Maar slechts de goeden, slechts de gehoorzamen zijn hier, en aan dezen verkondig ik, dat de tijd der openbaring steeds nadert, en hij komen zal zoo ge allen ijverig zijt in den dienst, en met al uw vermogen poogt de verheven orde steeds verder uit te breiden op aarde, en het getal der broeders te vermeerderen. Want de uitbreiding dezer orde is immers niets anders, dan de uitbreiding der gelukzaligheid onder de menschen. Slechts van de onzichtbare vaders stroomt de gelukzaligheid uit; want de onzichtbare vaders onzer orde zijn het, die den hemel aan elkander binden, en den versperden weg naar het paradijs weder zullen openen. De hoogste bestuurders onzer orde zijn meesters over de geheele, in God den Vader rustende, Natuur: zij zijn Gods lievelingen, welke het hoogste drieëenige wezen met zijn innigsten omgang en hoogste openbaringen verwaardigt.1) Wilt ge nu in een tijd, die niet ver meer af is, deelnemen aan Gods openbaringen, en voor u zien opdagen de verborgenste schatten der Natuur, zweert dan dat ai uw peinzen en denken en streven er op gericht zal zijn, gehoorzaam te wezen aan de bevelen uwer oversten, en voor de orde steeds nieuwe bondsbroeders en bondszusters te winnen.quot;
âWij zweren het!'1 klonk het in opgewekt koor door de geheele zaal; âWij zweren onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan de onzichtbare vaders. Wij zweren met alle middelen naar de uitbreiding der orde te zullen trachten!quot;
,,Het ongeloof, het vrijdenken, de eigenwaan is de duivel, die in de wereld rondsluipt, en de menschen afleiden wil van God. De hoogmoed van het verstand zoekt den menschen te verleiden, en van God en de verborgenheden der Natuur af te houden; de duivel heeft zijne discipels gezocht, die de zondige verlichting en het hoogmoedig vrijdenken moeten
1
Woorden uit de orderwetten der Rozenkruisers. Zie alsvoren.
455
onderwijzen; deze discipels hebben zich vereenigd in de orde der Illuminaten, en hier te Berlijn hebben zij hun zetel gevestigd. De onzichtbare vaders bevelen u deze schandelijke Illuminaten te bestrijden met woorden, daden en geschriften. Zoo een uwer een Illuminaat kent, moet hij hem beschouwen als zijn ergsten en schandelijksten vijand; hij moet hem haten en vervolgen, zooals hij de zonde haat, zooals hij de misdaad vervolgt; hij moet zijn gemeenschap ontvlieden, zooals hij de gemeenschap des duivels ontvliedt, anders is hij verloren en verdoemd; en nooit zullen de onzichtbare vaders hem vergeven, en nooit zal hij de verborgenheden der Natuur ontwaren en deel nemen aan hare schatten. Zweert dus; zweert haat, vervolging en vijandschap aan de orde der Illuminaten. Dit gebied ik u in naam der onzichtbare vaderen.quot;
âWij zweren !quot; klonk het luid door de zaal : âWij zweren haat, vervolging en vijandschap aan de orde der Illuminaten.quot;
âIeder die tot deze orde behoort, is een vervloekte en verdoemde; en ware het ook uw broeder, jazelfsuw vader,â ge moet hem evenwel vloeken en verdoemen! Zweert dit in naam der onzichtbare vaderen!quot;
âWij zweren het!quot;
âZoo breng ik u dan de tevredenheid en den zegen der onzichtbare oversten en vaders! Zij verkondigen u door mijn mond de woorden die luiden: âElke verdoolde, dien ge aanwerft voor de verheven orde der Rozenkruisers, en dus terugvoert tot God en de Natuur, is een schrede, welke gij zelf voorwaarts doet naar de heilige schatkist der openbaring, waarin voor u bewaard worden het elixer des levens en de tinctuur van het goud! Iedere vervloekte, die tot de Illuminaten behoort, wordt u een zegen, zoo gij hem met berouw en boete afleidt van de paden der ondeugd, en hem voor het eeuwige leven en de gemeenschap der gezegende orde der Rozenkruisers wint; en wie kan aantoonen en bewijzen dat hij twaalf nieuwe leden voor onze heilige orde gewonnen heeft, klimt een sport hooger op de ladder der kennis, en stijgt tot een nieuwen graad. Met den zesden graad echter, treedt ge uit den voorhof des tempels den heiligen tempel zeiven binnen, en al de verborgenheden der wereld en der Natuur worden u daarin geopenbaard. Bedenkt dit wel en werft, gedachtig aan het bevel der
156
onzichlLare vaders! Tot de naaste vergadering luidt het parool voor alle geloovigen: Vloek en vervolging aan het dui-velsgebroed der Illuminaten!quot;
âVloek en vervolging aan het duivelsgebroed der Illuminaten!quot; weergalmde het in de zaal.
âGaat nu allen heen; verlaat den voorhof des tempels, geeft buiten aan de deur de schatting, die gij schuldig zijt, en ontvangt daarvoor het nieuwe, heilige teeken des ver-honds, 'twelk u onder elkander dienen moge tot herkenning der broeders. Slechts de ring-directeurb en de broeders van den zesden graad moeten, zoodra zij de schatting voldaan hebben, weder aan deze deur kloppen; en zoo zij den portier, die hen ontvangt, het woord des levens kunnen toefluisteren, zal hij ze binnen laten. Gaat! Ik ontsla u in naam van de onzichtbare vaders en de drieëenige Natuur.quot; ââ¢
âNeem dezen mantel en omhul u er mede, opdat ge niet herkend wordt,quot; tluisterde een stem naast Wilhelmine,en zij voelde, dat een zacht hulsel over hare schouders werd geworpen: âWilt ge nu heengaan of verder treden op de baan der kennis?quot;
âIk wil verder treden,quot; antwoordde Wilhelmine op vasten toon.
âWilt ge treden in den zesden graad, en de verborgenheden der Natuur leeren kennen?quot;
âIk wil het.quot;
âZoo zeg ik u het woord des verbonds! Maar wee u, zoo uw mond het ooit aan Qen ander verraadt. Vloek en verderf over u ; dood over uwe kinderen, zoo ge het doet. Zweer dat uw mond nooit het woord des verbonds zal verraden.quot;
âUat zweer ik!quot;
âWelaan ! Hoor dan.quot;
Wilhelmine voelde een heeten adem aan haren wang, en de stem fluisterde haar het gewichtige woord in het oor.
âGa nu naar buiten,quot; voer de stem daarop voort. âBetaal uwe schatting; gij moogt hier thans niet blijven, Ga en kom weder binnen met de geroepenen.quot;
Een hand vatte de hand van Wilhelmine, en trok haar voorwaarts door de donkere ruimte naar den uitgang. Verblind trad zij de verlichte kamer vóór de zaal binnen, en slechts als door een sluier zag zij, dat al de vermomde ge-
157
stalten die er zich bevonden, zich naar het midden dei-kamer begaven. Daar stond een klein altaar, in welks midden een zwarte schaal was geplaatst. Uit zilveren bekkens aan weerszijden stegen hooge naphta-vlammen op; een vermomde zwarte gestalte stond naast het altaar. Elk der andere vermomden naderde het altaar, legde geldstukken in de marmeren schaal, ontving hiervoor van den vermomde een papier, en verwijderde zich vervolgens door de deur aan de overzijde der kamer.
Ook Wilhelmine naderde nu het altaar, en terwijl zij met haastige beradenheid, een ring van haar vinger trok, waaraan een juweel fonkelde, legde zij dien in de schaal.
âIk heb geen geld bij mij,quot; zeide zij met bevende stem: âmogen de onbekende vaders mij veroorloven, in plaats van met een geldstuk, met een juweel mijne schatting te voldoen.quot;
De vermomde knikte toestemmend en reikte haar het nieuwe bondsteeken toe. Het bestond uit een papier, waarop een vrouwenbeeld was voorgesteld, en daaronder het leeken der Rozenkruisers; het Andreaskruis.
Wilhelmine trad nu weder terug en naderde den kleinen troep dergenen, die naar de deuren der zaal waren teruggekeerd, en derhalve tot de broeders van den zesden graad behoorden.
Allengs hadden de overige aanwezigen zich verwijderd ; de vlammen nevens de offerschaal op het altaar waren uitgedoofd; allengs begonnen ook de kaarsen op de lichtkroon te verflauwen en uit te gaan. Diepe duisternis heerschte nu ook hier in de voorkamer. Maar, na eenigen tijd openden zich de deuren der zaal, en een lichtglans, schitterend als zonnestralen, stroomde in de voorkamer; een drievoudig trompetgeschal weergalmde, en daarna zong een koor van onzichtbare stemmen: âTreedt binnen, gelukzaligen ! treedt binnen, geroepenen!quot;
Zij gingen voor; zij fluisterden de een naden ander den beide vermomden, die met ontbloote zwaarden naast de ingangsdeur stonden, een woord in het oor, traden toen de zaal binnen en naderden den troon, die zich op den achtergrond tegen den breeden wand verhief. Op dezen troon stond, omgeven van geurige bloemen, een rustbed, overdekt met zilvergaas, dat op een uit den hemel nedergedaalde
458
wolk geleek. Men zag wel dat onder deze wolk iets geheimzinnigs verborgen was, maar men kon dit iets niet onderscheiden; men wist niet of't een kind, eene vrouw of een man was, die zich onder deze zilveren wolk verborg.
Op de onderste trede van dezen troon knielden de geroepenen neder, vouwden de handen, bogen de hoofden en baden zacht. Een diepe, plechtige stilte heerschte hierbij; zelfs de 'gebeden verstomden op de lippen, en de harten waagden het nauwelijks te kloppen van angst en verwachting. Toen klonk plotseling boven al deze gebogen hoofden een stem die uit de wolken scheen te komen; zoo oneindig ver en hoog, en toch zoo majestueus als de donder rolde zij. Deze stem 'riep: âHij komt, de uitverkorene! De Groot-Kophta nadert!quot;
En de deuren sprongen open, en de Groot-Kophta trad binnen; een slanke, majestueuze gestalte, gehuld in een met zilver geborduurd satijnen gewaad; het zwarte krulhaar bijeen gehouden door een van brillanten fonkelenden hoofdband, en het fraaie gelaat stralend als van verheerlijking. Wilhelmine herkende hem wel. Het was Cagliostro, de Groot-Kophta, de wonderdoener.
Met zachte stem groette hij de broeders, de geloovigen, en beval hun, hem te naderen, en zijn hand aan te raken. En toen zij dit deden, voer een schok door hunne leden, en het was alsof een vuurstroom zich over hun geheele wezen uitstortte; overweldigd, ontsteld en toch gezukzalig zonken zij neder aan de voeten van den Magiër, die zich lot hen boog, en op hen blies met den adem zijns monds.
âGij zijt de uitverkorenen,quot; zeide hij met zachte, welluidende stem; âde sterrebroeders, voor wie zich de verborgen-⦠heden des hemels en der aarde ontsluiten. Ik neem u op in de heilige orde der lievelingen Gods, welke ik met Enoch en Elias heb gesticht, toen wij nog toefden in het beloofde land. Van hen heb ik ontvangen het woord des levens; zij hebben mij gezonden naar de oude wijzen in Egypte; en in de pyramiden hebben deze mij verkondigd de geheime wetenschappen, die de aarde met al hare schatten aan ons onderwerpen! Die zich aan mij houdt met eerbied en trouw, ontvangt van mij het eeuwige leven en het geheim der onsterfelijkheid.quot;
âWij gelooven aan u, door God gezegendequot;; prevelden de
159
knielenden; âwij weten dat wij van u leven en heil ontvangen. Buig u tot ons, geef ons van den adem der onsterfelijkheid.quot;
Hij boog zich weder en blies over hen, en zij barstten los in woorden van dank en verrukking.
Slechts Wilhelmine zweeg; zij alleen scheen niets te gevoelen van den magischen invloed des wonderdoeners. En evenwel boog de wonderdoener zich tot haar, en staarde haar met zijn groote vlammende oogen aan.
âGij zijt geroepen, gij zijt uitverkoren,quot; zeide Jiij;, Ga, stijg op tot den tabernakel, en licht den sluier op.quot;
Zij deed wat haar bevolen was, besteeg de treden van den troon en lichtte den sluier op. Een wonderbare, geheel in een los, doorschijnend gewaad gehulde vrouw lag op het rustbed uitgestrekt; haar met rozen bekranst hoofd was gebogen, hare oogen waren gesloten als in een diepen slaap.
âLeg uwe band op haar voorhoofd,'' gebood de Groot-Kophta; âricht in uw hart een vraag tot de profetes des verbonds, en zij zal antwoord geven.quot;
Wilhelmine legde haar hand op het hooge, blanke voorhoofd der sluimerende; terstond vloog een glimlach over haar gelaat en zij knikte zacht met het fraaie hoofd.
âJa,quot; zeide zij; âge moet gelooven; ge moogt niet twijfelen. Hij is de uitverkorene, de verheven Magus!quot;
Wilhelmine beefde, wTant het antwoord paste volkomen op de vraag barer gedachten: âKan ik gelooven aan do wonderen, welke hij ons verkondigt? Moet ik niet twijfelen, daar hij toch slechts een mensch is; zooals wij allen?'
âRicht een tweede vraag tot de profetes,quot; gebood Ca-gliostro.
Wilhelmine legde weder de hand op het voorhoofd der slapende, en vroeg haar in hare gedachten, en wederom glimlachte deze, en knikte met het hoofd.,
âVrees niets,quot; zeide zij: âhij zal u altoos beminnen, en u nooit verstoeten; maar gij moet hem niet van den rechten weg brengen, doch heiti leiden naar de tempelhallen van het geloof en de kennis. Zoo ge dit niet doet, zijt ge verloren! Schande op aarde en verdoemenis in den hemel is dan uw deel.quot;
Dit antwoord paste volkomen, want Wilhelmine's vraag
100
was geweest: âZal hij mij altijd beminnen, of zal hij mij eens verstooten?quot;
âGe moogt nog een derde vraag doen,'' riep Cagliostro.
En Wilhelmine deed in den geest haar vraag en de profetes antwoordde luid: âGij wordt gravin, en zult zelfs Vorstin worden. Gij zult millioenen bezitten, en de ge-heele wereld aan uwe voeten zien, zoo ge dit waarachtig wilt; zoo ge tot de onzichtbare vaders roept om hulp en bijstand, zoo ge den Groot-Kophta bidt om zijn kracht en zijn wonderdoenden zegen.
Wilhelmine zonk ontsteld en overweldigd op hare knieën neder, want ook dit derde antwoord was volkomen gepast op haar onuitgesprokene vraag.
âIk roep tot de onzichtbare vaders om hulp en bijstand,quot; sprak zij luid; âik bid den Groot-Kophta om zijn kracht en zijn wonderdoenden zegen!quot;
Een luide donder klonk, de lichten gingen uit, en diepe duisternis vervulde het vertrek. Wilhelmine voelde zich opgeheven en weggedragen, terwijl de donder nog altoos rolde, en luide gebeden rondom haar klonken. Vervolgens voelde zij, dat men haar op den grond nederliet en dat zij weder de vrijheid der beweging had.
âVlucht, vlucht voor de wraak der onsterfelijken, zoo ge nog twijfelt, nog mistrouwt!'' riep een vreeselijke stem boven haar: âZie hoe de onsterfelijken zich wreken!quot;
En plotseling begon het voor haar te schemeren; een gestalte kwam uit de duisternis tevoorschijn- haar eigen gestalte! Zij zag zich zelve op hare knieën, de armen smee-kend opgeheven, het aangezicht van tranen overstroomd, en vóór haar, hoog opgericht, een vermomde gestalte, met den blinkenden dolk in de opgeheven hand; en deze hand zonk al lager en lager, de punt van den dolk naderde haar meer en meer, flikkerde voorbij hare oogen, boorde zich in haren boezem â het bloed sprong omhoog!
Wilhelmine slaakte een kreet van ontzetting, sloot de oogen en zonk onmachtig ineen.
Zij zag niets meer van de wonderen die nu gebeurden ; hoorde niets meer van de verkondigingen der profetes, en de openbaringen welke de Magiër den uitverkorenen deed. Zij zag niet de verschijningen der zalige geesten, die ten laatste op het smeeken der broedeis door de zaal zweefden.
1G1
Zij hoorde ook niet, hoe eindelijk, âtoen alles verdwenen was, toen ook de gewijden, de een na den ander, zich verwijderd hadden, â Gagliostro afscheid nam van den baron von Bischofswerder.
âIk heb u nu verheven tot een der hoofd-directeuren der verheven orde,quot; zeide hij; âGij zult nu onmiddellijk van de onzichtbare vaders der Rozenkruisers uwe bevelen ontvangen. Zij zullen ze u ischriftelijk mededeelen, en gij zult ze getrouw en stipt volbrengen.quot;
âIk zal ze getrouw en stipt volbrengen, meester,quot; antwoordde Bischofswerder ootmoedig.
âGij zult er uw loon voor ontvangen,quot; ging Gagliostro voort: âalle verborgenheden zullen u geopenbaard worden, en het hoogste doel zult ge bereiken. Gij zult de wetenschap des levens en des gelds leeren; ge zult den steen der wijzen vinden, en het geheim des gouds zal zich aan u openbaren, als ge doet wat de onzichtbaren van u vorderen zullen.quot;
âIk wil alles doen, alles!quot; riep Bischofswerder met vuur; âZeg mij, meester, wat vorderen zij van mij?quot;
âZij vorderen dit; word voorshands de vriend, de vertrouwde van Prins Frederik Wilhelm van Pruisen. Zoek zijn gemoed te winnen, zijn ziel te beheerschen; maak u voor hem onontbeerlijk. Vervolgens; omgeef hem met dienstboden en vertrouwden, die u onderdanig en trouw zijn. Vervul zijn geheele wezen met eerbied voor de verheven orde; maak hem tot bondsbroeder. Word voorshands de vriend van den prins van Pruisen, opdat ge eens de meester, de gebieder van den Koning Frederik Wilhelm wordt! Gij zijt nu in Pruisen een der opperhoofden onzer orde; hoe meer leden ge haar toevoert, des te meer zult ge van hare verborgenheden vernemen! Vaar nu wel! Mij zenden de onzichtbare vaders ver van hier; maar ik kom terug, en zoo ge dan werkzaam en trouw zijt geweest, openbaar ik u een groote verborgenheid, en breng u het levens-elixer.quot;
âWanneer komt ge terug, meester?quot; vroeg Bischofswerder opgetogen.
Gagliostro glimlachte. âNog vóór dat de Kroonprins van Pruisen tot Koning verheven is geworden,quot; zeide hij; âvraag niet verder. Vertrouw en gehoorzaam! Als de orde door u machtig is geworden in Pruisen, zult gij de
Uühltaoh, Duitschland in woeling en strijd. I. 11
16'i
machtigste der orde zijn. Vergeet dit niet! En nu, ga!'
âLaat mii uw hand nog kussen, meester,quot; bad Bischofs-werder; âblaas over mij uwen adem van wonder en kracht.quot;
Gagliostro reikte hem zijn hand; Bischofswerderdrukte er een kus op, en boog het hoofd om den bezielenden adem des Magiërs over zich'te laten blazen. Vervolgens keerde hij zich op den gebiedenden wenk van Gagliostro om en verliet de zaal.
III.
DE GENERAAL DER ONZIGHTBAREN.
Alleen Gagliostro en de schoone omsluierde vrouwengestalte, â die nog steeds op het rustbed lag, â bevonden zich thans nog in de zaal.
Gagliostro trad op haar toe, hief den sluier op, en beschouwde haar een oogenblik met de uitdrukking van gloeiende teederheid.
âWij zijn alleen, Lorenza,'' zeide hij toen.
Zij opende hare groote oogen, richtte zich op en zag om zich heen in de groote zaal, die nu door de uitgaande kaarsen der beide lichtkronen slechts flauw verlicht werd. Vervolgens vestigde zij hare oogen op Gagliostro, die in zijn schitterend costuum van Magiër voor haar stond, en een vroolijke lach klonk van hare lippen, zóó luid, zóó onweerstaanbaar, dat Gagliostro onwillekeurig er mede instemde en lachen moest, evenals Lorenza deed.
âO, 't was hemelsch, 'twas een heerlijke comedie,quot; riep Lorenza, nog steeds lachende: âHeb ik niet goddelijk gespeeld, Giuseppo? Was ik niet betooverend als godin der Natuur ?quot;
âGij waart in werkelijkheid de godin der Natuur, Lorenza; en er kan niets schooners zijn in hemel of op aarde dan gij, gij alleen! Maar kom, mijn tooveres! 'tls tijd om op te breken, want wij moeten morgen vroeg reeds vertrekken.quot;
163
âEn hebben wij veel geld gewonnen, Giuseppo? Is de schatting rijkelijk ingekomen?quot;
âJa, Lorenza, wij hebben meer dan honderd louis d'or en een juvveelen ring van de meesteres van dit huis.quot;
âDien geeft ge mij,quot; riep Lorenza haastig.
âNeen, Lorenza, niet den ring, maar den diamant, zoodra ik hem door een valschen vervangen heb. Deze ring moet ons nog eens nut aanbrengen. Het is één ring der keten, waarmede ik deze vrouw aan ons bind.quot;
âZeg mij, Giuseppo, was ik niet bewonderenswaardig? Geleek ik niet sprekend op haar?quot;
, Ja, bedriegelijk sprekend, Lorenza. Ik zelve huiverde toen ik u zag, en den dolk op uwen boezem richtte.quot;
âEn het bloed ! O, hoe spoot het bloed omhoog!quot;
Lorenza barstte weder in een luiden lach uit, en Cagliostro stemde er vroolijk mede in. Maar, plotseling zweeg hij en wendde luisterend zijn hoofd naar de deur, welke hij gesloten had toen Bischofswerder er uit was gegaan.
't Was hem alsof hij gerucht had gehoord, een eigenaardig kloppen aan de gesloten deur. Hij luisterde. Ja, weder werd geklopt, viermaal in een eigenaardige maat, als voor een bepaalde melodie.
Cagliostro ontroerde en wenkte Lorenza, â die spreken wilde, â waarschuwend met de hand.
Het eigenaardig viermaal kloppen aan de deur liet zich nu ten tweedenmale hooren.
âStil Lorenza, om Godswil, stil,quot; fluisterde Cagliostro; âlaat ik u den sluier overwerpen ; verroer u niet, adem niet. Het is een bode der onzichtbaren.quot;
Ten derdenmale liet zich het kloppen hooren.
Cagliostro sprong van de treden des troons naar beneden, ijlde naar de deur, schoof den grendel weg, en bleef toen met gebogen hoofd in deemoedige houding naast de deur staan.
Deze werd geopend, en een vermomde gestalte, met een masker voor 't gelaat trad binnen, sloot en grendelde de deur achter zich, en wendde toen langzaam het hoofd ter zijde naar Cagliostro.
âWiens dienaar zijt gij?quot; vroeg hij met strenge stem.
âDe dienaar mijner onzichtbare meesters en vaders,quot; antwoordde Cagliostro ootmoedig.
âWie zijn deze onzichtbare vaders?quot;
104
âDe vier afgezanten van den grooten Generaal der verdrevenen.quot; ,
âNoem hem bij den naam dien hij voerde, voordat onze geiiefde Orde door de kuiperijen en den laster van haar vijandig gezinde personen begon ai te nemen in ledental en zij in de meeste rijken bijna geheel haar invloed verloor tot het verheven doel waarmede zij gesticht wei d. Noem hem bij zijn wezenlijken naam. Wie is het opperhoofd der onzichtbare vaders?quot;
âDe Generaal der Rozenkruisers,quot; antwoordde Laglios-tro eerbiedig, terwijl hij zijn hoofd dieper boog.
âKent ge het teeken waaraan hij te herkennen is?quot;
âJa. 'tls de ring met het wapen der orde; een Andreaskruis boven eene met doornen omgeven roos.quot;
De vermomde stak den rechterarm uit den mantel waarin hij gehuld was, en stak Gagliostro de ontbloote hand toe.
âZie en herken mij.quot;
âDe Generaal!quot; prevelde Gagliostro, zijn verschrikten blik op den grooten zegelring vestigende, die hem aan de bleeke, smalle hand van den andere tegenglinsterde. âDe Generaal der verheven Orde zelf!quot;
En terwijl Gagliostro de aangeboden hand nam en aan zijne lippen drukte, zonk hij op zijne knieën neder. De vermomde bleef onbewegelijk staan voor den knielende, die in zijn fonkelend gewaad en met den van diamanten schitterenden hoofdband, zoo diep boog voor de eenvoudige
gestalte. ..
âGij hebt het gezegd; ja, ik ben het, zeide hij na een poos, op koelen, rustigen toon; âik ben hier om met u te spreken, en u uit mijn eigen mond mijne bevelen te laten
hooren.quot; .....
âGebied, mijn meester,quot; zei Gagliostro ootmoedig; âik ben slechts een zwak werktuig in uwe hand.quot;
âGe zult een sterk werktuig zijn in mijne hand, dit is mijn wil 5 gïi hiertoo wil ik u uitruston in don naam der verhevene Orde. Sta op ; richt u op van uwe knieën, want ik wil spreken tot den man, die pal moet staan in de
stormen. Sta op!quot;
Gagliostro richtte zich langzaam op, en stond nu met gebogen hoofd. De. trotsche gebiedende, was nu een deemoedige, gehoorzamende dienaar geworden.
165
âWanneer hebben wij elkander het laatst gezien ?quot; vroeg de vermomde.
âHet was te Rome in 't jaar 1773.quot;
âJa, 't was in het jaar 1773,quot; zei de vermomde, met zijne scherpe, doordringende stem, âtoen het scheen alsof de booze geest in de menschen was gevaren om ze op alle mogelijke wijzen tegen ons op te hitsen. Ja, het was in den tijd toen het verraad en de omkooping tegen ons hare hoogste triomfen vierde. Onze orde werd toen voor een tijd ontbonden en werden onze broeders toen in martelaars veranderd, die zonder woonplaats en zonder have als vervolgde vluchtelingen omdoolden in de wereld, den boozen een hoon, en den goeden een droevig voorbeeld van deugd en standvastigheid. Toen was het, dat ik u voor 'teerst zag. Verdreven en vervolgd, waart ge gevlucht in het huis van een man, die tot de onzen behoorde, en wiens dochter uwe geliefde was. Waarom waart gij verborgen, en waarom waart ge uit Palermo gevlucht? Spreek, opdat ik hoor dat ge 't nog weet, en de opgehevene niet ondankbaar de dagen der vernedering vergeten heeft.quot;
âMen had mij te Palermo beschuldigd dat ik documenten vervalscht, en hierhoor rijke bezittingen aan hunne rechtmatige eigenaars onttrokken had. Men had mij derhalve in den onderaardschen kerker van het kasteel gezet, en ik was den dood nabij, toen onzichtbare beschermers mij bevrijdden en redden.quot;
âWas de beschuldiging gegrond'? Hadt ge werkelijk gedaan, waarvan men u beschuldigde?quot;
âJa,quot; antwoordde Cagliostro zacht; âik had het gedaan.quot;
âVoor wien en op wiens last?quot;
âVoor de vaders, die het mij bevolen hadden, en wier recht op de bezittingen van den tegenstander der Orde door deze documenten duidelijk bewezen werd.quot;
âGe hebt destijds de macht en de dankbaarheid onzer Orde leeren kennen. Uit den onderaardschen kerker bevrijdden wij u; lieten u langs veilige wegen naar Rome ontkomen, en bezorgden u een veilige schuilplaats ten huize van een getrouwe. Maar juist toen brak als een lawine het ongeluk over ons uit, en de machtigen werden vervolgden. Ten huize van den zadelmaker Feliciano ontmoette de Generaal der Orde den voortvluchtigen verval-
166
scher Giuseppa Balsamo. Hij gaf hem geld en brieven van aanbeveling, en onderrichtte hem nopens alles wat hij te doen had om voor de Orde nuttig te zijn, en zichzelven een genotrijk en aangenaam leven te verschaffen. Is 'tniet zóó?quot;
âJa, het is zoo,quot; antwoordde Cagliostro zacht.
â'tWas ook de Generaal der Orde, die u in quot;t huwelijk deed verbinden met uwe geliefde, Lorenza Feliciano; die u inwijdde in de geheime wetenschappen, en u de geheime krachten der Natuur leerde kennen, opdat ge die zoudt aanwenden ten nutte van u, en in 't belang der mensch-heid. Is 't niet zoo ?quot;
âHet is zoo, meester.quot;
âTen laatste, toen hij van u scheidde, liet de Generaal u, â op uw dringend verzoek, â zijn gelaat zien, wijl ge, zooals ge toen zeidet, het. gelaat van uwen weldoener wildet aanschouwen, om het in uw hart te prenten. Zoudt ge dat gelaat nog herkennen?quot;
âIk zou het onder duizenden herkennen, hoewel ik het slechts één minuut zag!quot;
De Generaal hief langzaam zijn hoofd op, en nam het masker at. Een bleek, tot op het vel uitgeteerd aangezicht met groote zwarte oogen, die diep in hunne kassen lagen, met dunne bloedelooze lippen, met hoog^beenig voorhoofd werd zichtbaar. âHerkent ge dit gelaat?quot;
âNeen,quot; antwoordde Cagliostro, âneen; het is niet hetzelfde gelaat.quot;
âGe ziet, mijn zoon, de mensch verandert, maar de kennis blijft. Ik ben een andere dan destijds, en tóch dezelfde; want de uitwendige menschengestalte is slechts het vat van het voortdurend verbond, waarin onze eeuwige waarheid en de verheven Leer gestort worden. Breekt het vat, dan wordt het vervangen door een ander, en uit een onuitputtelijke bron vloeit de eeuwige gedachte en de heilige kennis in ieder vernieuwd vat. Ge ziet het, â ik ben een vernieuwd vat; maar ik ben dezelfde geest, die toenmaals tot u sprak ; ik ken uw verleden en weet waartoe ge uitgezonden werd in de wereld. Zooals de Generaal destijds tot u sprak, spreek ik ook heden; zij hebben ons beschuldigd, zij hebben onö veroordeeld; de boozen hebben de deugdzamen in den ban gedaan, maar vernietigen kunnen zij ons niet. De verheven Orde der Rozenkruisers is beroofd van het leven voor
167
de wereld, maar niet van haar leven voor den geest. De Uo-zenkruisers sterven niet, want zij dragen het eeuwige leven in zich, en er zal een dag komen dat zij uit de duisternis en de verbanning weder in 't licht komen. Ga heen, mijn zoon, en help dezen dag voorbereiden; help ons de wegen banen, opdat wij er eens weder op wandelen kunnen. Hebt gij gedaan wat u bevolen werd?quot;
âIk heb het gedaan, meester; ik heb mijn geheele leven aan den dienst der Orde gewijd. Ik ben in de wereld rondgetrokken, ik heb overal voor de onzichtbare vaders gewrocht en gewerkt, overal hun Leer verbreid, overal voor de orde discipelen en aanhangers geworven. De broeders der Egyptische vrijmetselarij, de broeders der Carbonari zijn de discipelen, welke ik voor de Orde geworven heb; en gij weet het. Generaal, er zijn vele machtige en aanzienlijke mannen onder hen.quot;
âDat weet ik, en ik ben over u tevreden; ge zijt een ijverig en nuttig werktuig! Om u dit te zeggen ben ik gekomen, om u aan te moedigen en te onderlichten ben ik hier! Tot het volbrengen van iets grootsch zult ge helpen, iets grootsch verkondigt u onzen verheven stichter door mijn mond. De wereld ligt in het booze, en de duivel gaat zegevierend over haar, sedert de broeders onzer Orde belasterd, gehaat en vervolgd worden door de boozen. De duivel, dat is de hoogmoedige verlichting en het pralend verstand, dat zich schrander waant, en toch dom is, â dat van zijne verlichting spreekt, hoewel het in de duistei'nis wandelt! Dit waanwijze verstand te bestrijden, deze valsche verlichting tegen te gaan, ziedaar thans de heilige taak onzer Orde, die nooit sterft, die nooit uitgeroeid wordt. Want onzen stichter heeft haar in de wereld gezonden, opdat zij den duivel zou bestrijden, den duivel der valsche verlichting, die de heer der duisternis is. Ik heb u gadegeslagen; ik ben u gevolgd op uwe wegen, en ik ben over u tevreden. Maar ik verwacht iets grootscher van u!quot;
âWat moet ik doen? Spreek, o heer en meester; gebied, wat moet ik doen?quot;
âGe zult in geheel Europa werken en ijveren voor de herstelling der verheven Orde; ge zult alle geesten aan haar ondergeschikt, â alle rijken, machtigen, aanzienlijken en gi ooten aan haar dienstbaar maken. In de Orden der Car-
168
bonari en der Egyptische vrijmetselarij moet ge vereenigen al de verdoolde en eenzame schapen, opdat het weder één kudde worde, die haar herder verwacht, en verlangend plaats voor hem bereidt. Aan de Orde der Rozenkruisers zult ge de bondsbroeders toewijden, die het verheven woonhuis is der onzichtbare vaders onzer orde. Ons behoort de wereld, en ge moet helpen baar voor ons te heroveren. De ongeloovigen moet ge bestrijden met alle wapens die u alleen of met medehulp van uwe bondsbroeders ten dienste staan, want ik zeg u, zij zijn geoorloofd als men ze aanwendt tot nut der verheven Orde en tot bet herwinnen barer macht. Voor niets moogt ge terugdeinzen, wat tot nut en voordeel van dit verheven doel kan strekken ; zelfs voor geen moord, want dit is slechts een rechtvaardige straf, als het geldt een machtigen vijand uit den weg te ruimen. En, al moest ge revoluties verwekken, en al moesten volken tegen volken elkander in een grimmigen broederoorlog verscheuren, â deze revoluties zullen geheiligd, deze broederoorlogen zullen gezegend zijn, als zij dienen om de macht onzer Orde te versterken, en haar de zege te bereiden over hare tegenstanders. Slechts door onze Orde kan het welzijn weder in de wereld komen, kan de menschheid weder verlost worden. Zoo de leidende vaders nit zitten in den raad der Vorsten, zoo zij niet de rechterhand zijn der machtigen, en niet de machines der Staten besturen, dan gaat de wereld te gronde, en de menschheid is verloren. Ge moet helpen, mijn zoon, het onheil af te wenden, en weder heil op aarde te verspreiden! Veel hebt ge reeds gedaan; nog veel hebt ge te doen! Het geloof aan wonderen heiligt de gemoederen ; ga dus, en doe wonderen. Overal zullen onze vaders u ondersteunen, want ge weet het, ze zijn overal, hoewel men waant dat zij nergens zijn. De booze en zijn aanhang hebben de onzen wel de tijdelijke macht, maar niet de ziel ontnomen, en wij zijn en zullen zijn. Negenduizend ordebroeders heb ik uitgezonden om in Europa voor de Orde te werken, en aan het bondsteeken zult ge ze herkennen. Zij zullen voor u werken, zooals gij voor hèn werkt! Als u gevaar dreigt, zullen de onzen het weten, en zij zullen u bevrijden. Ongrijpbaar en onaantastbaar zult gij zijn, zoo lang ge gehoorzaam en trouw werkt voor de verheven Orde, en
469
steeds meer geloovigen en dienaars voor haar werft. Ge hebt met juisten blik gezien dat hier in Pruisen voor ons een gewichtige standplaats is, en ik prijs u derhalve, dat ge de toekomst voorbereidt, want de toekomst zal hier voor ons zijn! Wanneer de koninklijke spotter zal gestorven zijn, begint hier een nieuw Rijk, en de Rozenkruisers zullen tot macht komen. Ook de ondeugden moeten de deugd dienen, en Bischofswerder en Wilhelmine Enke zijn nuttige middelen voor ons heilig doel. Dat ge dit erkend hebt, strekt u tot lof. Ga voort, mijn zoon, zooals gij begonnen zijt, en gij zult machtig en groot zijn op aarde. Geen haar op uw hoofd zal gekrenkt worden, zoolang ge een trouw dienaar der onzichtbare vaders zijt. Maar zoodra gij een verrader der heilige zaak zoudt worden, zijt gij verloren en onze toorn zal u verpletteren.quot;
âNooit, generaal, nooit zal ik een verrader worden!quot; riep Cagliostro, de handen als tot een eed opheffende.
âIk hoop het, mijn zoon. Onze vijanden zullen uwe vijanden, â onze vrienden uwe vrienden zijn. Zoodra in mijn naam een der broeders u beveelt; âDood dezen man of deze vrouw,quot; dan doodt gij! Zweer dit!quot;
âDan dood ik,quot; herhaalde Cagliostro met luide stem; âdat zweer ik!quot;
âZoodra in mijn naam een der broeders u beveelt: âRed deze man of deze vrouw,quot; dan geeft ge alles, zelfs uw leven, om ze te redden. Zweer dit!quot;
âIk zweer het!quot;
âGij staat onder den heiligen tempel der Orde, maar ook onder het wrekende zwaard der Orde. Wees hieraan bij alles wat gij doet steeds indachtig. De wereld staat voor .u open, en onze invloed zal u overal ter zijde staan. Ge zult ons de harten der machtigen en grooten winnen, en uwe Rozenkruisersordo op de treden van den Troon plaatsen. De Groot-Kophta moet ons de geloovigen toevoeren.quot;
âDe Groot-Koptha zal alles doen wat ge beveelt, want hij is altoos slechts de ootmoedige dienaar van zijn generaal,quot; zei Cagliostro, terwijl hij weder zijne lippen drukte op de hand, die de andere hem bood.
âKus niet de hand,quot; zei de generaal; âhet is de hand van een nietig sterveling. Kus den ring; want hij is het onvergankelijk teeken onzer verheven Orde,
470
Cagliostro zonk op zijne knieën neder. âIk kus den ring van de onsterfelijken,'' riep hij; âden ring van de Orde der Rozenkruisers. Ik zweer eeuwige trouw, onveranderlijke gehoorzaamheid, standvastige liefde tot in den dood.quot;
âSta op,quot; gebood de Generaal: âDe tijd is gekomen, en wij moeten scheiden. Ik ben hier om u uit te rusten met hetgeen gij noodig hebt voor de verdere reis door't leven. Hier zijn aanbevelingsbrieven voor Warschau en Mitau; hier andere voor Parijs en Londen. Zij blijven van kracht, schoon ze ook eerst na jaren afgegeven worden. En hier is het gewichtigste: credietbrieven en wissels op aanzienlijke bankiershuizen, ter waarde van vijf-maal-honderdduizend thaler.quot;
âEen half mülioen?quot; riep Cagliostro, schier ontsteld.
âJa, een half millioen,quot; herhaalde de generaal, en zijn grijs, mager gelaat trok zich tot een glimlach samen : â âVerwondert u dit? De Groot-Kophta moet reizen en leven als een Vorst, opdat hij de oogen der menschen verblinde, en de gemoederen der machtigen aan zich onderwerpe Wij geven u een half millioen; maar herinner u dat ge overal onder de waakzame oogen der Orde staat, en er op aarde nergens een plek is, waar ge u met hel halve millioen dat wij u toevertrouwen, verbergen kunt voor onze wraak. Gij moet het uitgeven, om er broeders mede te koopen en tronen te winnen; want met geld koopt men aZZes: debatten en de gewetens der menschen. Ge moet leven als (yrcmof seigneur, en de Groot-Kophta moet een Vorst gelijken. Hier zijn uwe credietbrieven, neem ze!quot;
Hij reikte Cagliostro vijf verzegelde brieven, en hernam : âZij zijn ingericht voor vijf jaren; slechts één is ieder jaar geldig. Ge kunt ze aan de nomrners herkennen. De brief met nommer één geteekend, is voor dit jaar, die met nom-mer vijf is eerst na vijf jaren geldig. Ge ziet, de Orde is bedacht op uwe zekerheid, en vijf jaren uws levens zijn van alle aardsche zorgen ontheven. In den geest moet ge scheppen, en de wereld moet ge betooveren, opdat zij verlost worde door de verhevene Orde der Rozenkruisers, die het welzijn van allen beoogt.quot;
Hij boog groetend zijn hoofd, en maakte met de opgeheven rechterhand voor Cagliostro liet bondsteeken ; vervolgens ging hij met langzamen, statigen tred door de zaal, de
171
trappen van den troon op, en sloeg den sluier weg die Lorenza omhulde.
Zij zag tot hem op met gloeiende wangen, met glinsterende oogen, en een wonderbare glimlach speelde om hare volle, purperen lippen.
Met dezen glimlach wilde zij haar dank te kennen geven voor het vorstelijk geschenk, dat haar echtgenoot ontvangen had; met deze glinsterende oogen den Generaal haar verrukking, hare liefde en trouw bezweren.
Hij zag haar aan met de koele, rustige oogen van den arts, die een zieke beschouwt.
âGe hebt gehoord wat ik gesproken heb?quot; vroeg hij.
âJa, verheven meester,quot; antwoordde zij met haar zoete, vleiende stem: âIk heb alles gehoord, en mijn hart is vol dankbaarheid en aandoening.
âBewijs dit, door uwen echtgenoot bij te staan en te helpen om het groote doel te bereiken, waarvoor wij hem uitzenden. Ik heb het reeds gezegd; ook de ondeugd moet de deugd dienen, en dus moet ook lt;/«/ons dienen, Lorenza. De schoonheid is óók een macht, en als zij heilige oogmerken dient, is zij zelve geheiligd. Wend uwe schoonheid aan om voor de Orde aanhangers te winnen, en de macht der Rozenkruisers uit te breiden in alle landen en onder alle volken!quot;
âIk zweer, dat dit mijn heilig streven zal zijn,quot; riep Lorenza, terwijl zij zich van het rustbed wilde oprichten.
Doch de hand van den Generaal diukte haar weder in het kussen. âBlijf,quot; zeide hij gebiedend; âer is niemand hier, dien ge betooveren zult! Blijf! Ik zal u geven wat ge steeds verlangd hebt: rijkdom, eer en aanzien ! Onze bescherming zal steeds met u zijn, indien gij zweert de verheven Orde der Rozenkruisers en de onzichtbare vaders trouw te dienen!quot;
âIk zweer het,quot; riep zij plechtig.
âAls bewijs onzer tevredenheid schenken wij u, om uwe schoonheid nog meer betooverend te doen zijn, een diamanten tooisel,quot; hernam de generaal en hij legde een étui in de handen van Lorenza. Vervolgens hief hij den sluier op en dekte dien weder over hare gestalte.
âDien gij beiden ons met toewijding,quot; zeide hij, terwijl hij de treden van den trap afdaalde.
172
âIn leven en sterven!quot; riep Cagliostro.
De generaal knikte hem toe en gebood toen hij zag dat Cagliostro zich wilde oprichten: âBlijf op uwe knieën en volg mij niet.quot;
Door de groote vensterruiten drong de eerste straal der morgenzon, bescheen met gouden glans de knielende gestalte van den Magiër, en deed de brillanten op diens voorhoofd sterker vlammen. Hij had het hoofd diep op zijn borst gebogen en bleef in deze houding, terwijl de meester hem voorbijging.
Toen hij den langzamen zwaren tred niet meer hoorde, en de deur dreunend dicht sloes, richtte Cadioslro zich overeind.
âHij is weg,quot; fluisterde Lorenza, terwijl zij van het rustbed afsprong. Met een ruk opende zij het étui en gaf een kreet van bewondering op het zien der kostbare sieraden. Toen ook Cagliostro ze bewonderd had, vroeg zij: âIs het waar, heeft hij u werkelijk een half millioen gegeven?quot;
Cagliostro hield haar met triomfantelijk gebaar de brieven voor. âZie deze adressen; zij zijn gericht aan de eerste bankiershuizen te Rome, Parijs, Londen en Berlijn!''
âEn gij gelooft dat zij, evenals de diamanten, echt zijn?quot;
âIk ben er van overtuigd!quot;
âDus zouden wij dan nu reeds ons doel bereikt hebben?quot; jubelde Lorenza: âDus zijn wij rijk en machtig?quot;
âNeen,quot; zei Cagliostro treurig: âwij zijn armer dan ooit. Dit geld maakt ons tot slaven, tot afhankelijke werktuigen. Gij hebt het immers gehoord, Lorenza; wij zijn overal in den tempel, â maar ook overal onder het zwaard der Orde!quot;
IV.
EEN GEPENSIONEERD GEiNERAAL.
âVrouw,quot; riep generaal von Werrig, terwijl hij, opzijn krukstok geleund, in de kamer zijner vrouw rondstrompelde; âvrouw, ziehier het antwoord van onzen allergenadigsten
173
heer en Koning. De koerier, die heden aan het ministerie van oorlog is aangekomen, heeft het medegebracht.quot;
âEn hoe luidt 's Konings antwoord?quot; vroeg de generaais-vrouw, â eene bleeke, magere vrouw, met pokdalig gelaat, hardvochtige en strenge trekken, met flauwe, grijze oogen, die wellicht nooit van teeder vuur hadden gevlamd, en met bloedelooze, dunne lippen, waarop nooit een glimlach gespeeld had: âEn hoe luidt 's Konings antwoord?quot; herhaalde zij met haar krijschende stem, toen haar echtgenoot, hijgend en kuchend door de inspanning van het loopen, op een stoel nederzonk en zijn dik, rood gelaat met een gekleurde katoenen zakdoek afveegde.
âIk heb jhet nog niet gelezen,quot; hijgde de oude man; âik dacht, ik wil mijne vrouw de eer laten's Konings brief het eerst te lezen, vermits mijne hooggeleerde echtgenoote immers ook het verzoekschrift aan Zijne Majesteit heeft op gesteld.quot;
De generaalsvrouw scheen volstrekt niet verwonderd over dit bescheiden gedrag van haren echtgenoot. Zij nam met eene driftige beweging den verzegelden brief uit zijne handen, en terwijl zij zich daarmede op hare plaats aan de werk-fafel in de vensternis nederzette, verbrak zij langzaam het zegel, en vouwde het papier uiteen.
De oude generaal richtte zijne kleine, grijze oogen onafgewend op het onbewegelijke gelaat zijner gade,,en zijn opgezet, rood gelaat drukte angstige spanning en verwachting uit.
Diepe stilte heerschte gedurende eenige minuten in de kamer. Slechts de klok aan den wand liet haar gelijkmatigen slinger-tik hooren; en toen de wijzer nu het verloop van een uur aanduidde, sprong een koekoek uit den boom, die boven de wijzerplaat was geschilderd, en liet elfmaal zijn heesch, schor geluid hooren.
âHij wordt alle dagen ontstemder,quot; bromde de generaal, terwijl hij naar de oude, geelgeworden wijzerplaat der klok opzag, en zijn peinzenden blik langs de koorden liet neder-glijden, waaraan de ijzeren gewichten hingen. En van daar zweefde zijn oog vervolgens door de geheele kamer; bleef op elk meubelstuk rusten, en ontmoette overal ouderdom, verval en behoeftigheid. Een oude waggelende divan met gelapt en verkleurd zijden overtrek; een oude leunstoel
174
daarnevens, van wiens kussens de oude generaal uit veeljarige ondervinding wist, dat het hard als steen was; voor den divan een ronde tafel, die met een verkleurd wollen kleed bedekt was, om de afgesleten, verbleekte politoer te verbergen; vervolgens eenige matten stoelen tegen de wanden ; een oude zwarte eikenhouten kast naast de deur, en in een vensternis de werktafel van de generaalsvrouw, â dit was hel ameublement dezer kamer. Voor de vensters hingen gordijnen van verkleurde wollen stof, aan den met groene verf beschilderden muur eenige schilderijen en portretten; waaronder het portret des Konings, â een fraaie kopergravure die Frederik in zijn jeugdige schoonheid voorstelde, â een in het oog vallende plaats innam. Het was een zeer somber vertrek, dat zekerlijk door de generaalsvrouw geordend was, en volkomen met haar norsch gelaat en onbevallige strenge gestalte harmonieerde.
De generaal verbrak eindelijk hel zwijgen. âIk bid u, Klotilde,quot; zeide hij op zeer onderdanigen toon; âzeg mij, wat schrijft de Koning ?quot;
Zij vouwde het papier dicht, en een blik van vreugde vlamde in hare oogen op.
âBewilligd,quot; zeide zij; âalles bewilligd.quot;
De generaal sprong van zijn stoel op en strompelde, in weerwil der jicht die zijne voeten verlamde, met jeugdige vlugheid voort, om zijne echtgenoote te omhelzen.
âGe zijt een kapitale vrouw,quot; riep hij, terwijl hij een klappenden kus op de koude, grijze wang zijner vrouw drukte; âHet was de verstandigste daad mijns levens, dat ik u trouwde, Klotilde.quot;
âVan mij zou ik het tegendeel mogen beweren, Emeren-tius,quot; antwoordde zij verdrietig; âHel was bepaald niet verstandig van mij gehandeld, dat ik, een jonkvrouw van zulk een voornaam geslachten zóó verwend in mijne behoeften, met een officier huwde, dien de Koning op het slagveld geadeld had; die niels bezat dan zija kapiteins-tractement, en van wien ik wist dat hij een lichtzinnig mensch, â een speler was.quot;
.,.Ta, mijn Klotilde, de liefde was sterker dan uw verstand,'' zei de generaal vergoelijkend: âde liefde is uwe verontschuldiging.quot;
âDomheid,quot; riep mevrouw von Werrig toornig; âde liefie
175
is nooit een verontschuldiging, altoos slechts een domheid.quot;
âNu, laat ons dan aannemen, dat ge mij niel uitliefde gehuwd hebt,quot; merkte de generaal aan; ânemen wij aan, dat ge het uit louter verstand hebt gedaan, wijl gevondt dat het tijd was aan den man te komen, en zich, â in weerwil van uwe menigte voorouders, en uw voornaam geslacht, â toch voor u helaas geen andere partij wilde opdoen dan deze kapitein, wien de Koning wegens zijne dapperheid op het slagveld van Leuthen geadeld had; die overigens een heel knap en bevallig officier was, en van wien men mocht hopen dat hij bevordering zou maken. En ge werdt immers ook niet in uwe hoop bedrogen, mijn goede Klotilde. Ik avanceerde werkelijk en was reeds majoor, toen ongelukkigerwijs de Hubertusburger-vrede een einde aan ons fideel krijgsmans-leven maakte. Maar ge weet, ik ben ook nog in vredestijd geavanceerd. Zijne majesteit had het niet vergeten, dat ik hem destijds bij Leuthen midden uit den vijand had gehouwen ; hij maakte mij tot luitenantkolonel, tot kolonel, en toen ik uithoofde van de afschuwelijke jicht mijn ontslag moest nemen, gaf hij mij den titel van generaal.quot;
âZonder Excellentie,'' zei zijn echtgenoote droog; âniet eens het genoegen heb ik, dat men mij Excellentie tituleert. Het zou toch een kleine schadeloosstelling zijn geweest voor mijn treung, armoedig leven; het zou toch menige vriendin miiner jeugd geërgerd hebben, zoo zij mij Excellentie had moeten noemen. Maar neen; niet eens een fraaien titel heeft mij mijn huwelijk aangebracht; niets dan zorgen!quot;
âMaar wèl een fraaie dochter, Klotilde, vergeet dat niet. Onze Marie is schoon, verstandig en goed, en door haar zult ge nu een gelukkig, gerust leven verkrijgen! Want ge zegt immers dat de Koning alles bewilligd heeft, wat wij hem verzocht hebben.quot;
âAlles!quot; herhaalde zijne vrouw met nadruk; âwij zijn nu aan het einde van al onzen nood en zorgen, en kunnen er ten minste op rekenen een onbezorgden, gerusten ouderdom te hebben ; want de goede God is genadig geweest, en heeft u gedwongen aan uw lichtzinnig spelersleven een einde te maken, en de jicht behoed ons Goddank voor de ellende, die zoo vaak reeds door uw ongelukkigen hartstocht over ons is gekomen.quot;
176
âIk heb slechts in den beginne uit hartstocht gespeeld,quot; zei haar echtgenoot zich verontschuldigend; âlater heb ik altijd slechts gespeeld om het verlorene te herwinnen.quot;
âEn hebt daarbij steeds alles verspeeld, wat wij bezaten; ge hebt op uw eerewoord gespeeld, zoodat wij jaren lang de helft van uw pensioen voor uwe speelschulden moesten afstaan, en God nog mochten danken dat de Koning er niets van vernam, anders hadden wij het ergste kunnen duchten.quot;
âIk bid u, geliefde Klotilde,quot; verzocht de generaal: âmaak u niet onnoodig warm over het verledene; het is immers voorbij, en zooals ge zegt boeit de jicht mij helaas aan huis, en behoedt mij voor alle verzoeking.quot;
âNiet helaas heb ik gezegd,quot; verbeterde zijne echtgenoote; âgoddankquot; heb ik gezegd, dat de jicht aan uwe lichtzinnige wijze van leven een einde heeft gemaakt.quot;
âDus Goddank, mijn lieve. Laat ons hierover niet twisten. Het is immers voorbij ; en voortaan zullen wij dus een gelukkig en tevreden leven leiden, daar de Koning alles bewilligd heeft.quot;
âWij ontvangen van onzen schoonzoon een j aargeld, dat aan mij wordt uitbetaald, en waarover ik het beheer zal hebben.quot;
De generaal zuchtte; âIn dit geval vrees ik, dat ik er niet veel van bekomen zal.quot;
âIn allen geval,quot; merkte zijne vrouw op scherpen, ge-krenkten toon aan; âin allen geval meer dan ik ooit van uw tractement en pensioen ontving.quot;
âNu blijft er nog één zaak over, mijne waarde,quot; zei de generaal ontwijkend; âen wel, dat onze dochter Marie hare toestemming geeft.quot;
Mevrouw von Werrig liet een korten, ruwen lach booren, die echter niet in 't minst haar somber aangezicht verhelderde. âWij zullen er haar niet om verzoeken, maar zullen haar bevelen hare toestemming te geven!quot; riep zij.
De generaal trok de schouders op. âGe weet,quot; zeide hij bedeesd; âMarie heeft een zeer beraden karakter, enâquot;
âNu, waarom aarzelt ge?quot; vroeg zijn echtgenoote ongeduldig : âWat, en ?quot;
âEn ik geloof, dat zij den prorector Moritz nog altoos bemint.quot;
Mevrouw von Werrig lachte andermaal. Maar thans bad haar lachen iets dreigends; 't klonk als een uittarting. âDen
177
schoolmeester?'' riep zij verachtelijk. âZij moet het eens wagen mij nogmaals te zeggen, dat zij den schoolmeester bemint. Zij, de dochter van een generaal en een geboren Rijksgravin!quot;
âMijn lieve,quot; zei de generaal: âhet was uwe schuld. De eenige fout misschien, die ge ooit begaan hebt! Hoe kondet ge toch zulk een jongen, schoonen en beminnelijken man in ons huis laten komen, en hem tot onderwijzer onzer dochter kiezen
âHoe kon ik denken dat mijne dochter zóó ontaard zou zijn, om op een burgerman, op een eenvoudigen schoolmeester te verlieven?quot;
âEn wel zóódanig te verlieven, dat zij reeds dadelijk zijne vrouw zou willen worden! 't Is waarlijk ongehoord; en vooral thans afschuwelijk, â want als zij in hare liefde volhardt, en âquot;
âZij zal niet volharden,quot; viel zijne vrouw hem in de rede; âzij zal doen wat wij haar bevelen! Mijn woord hierop. Wat praten wij! 't Is beter dadelijk tot een beslissing te komen!quot;
En met beraden houding stond mevrouw von Werrig op, ging naar de kleine koperen schel, die op de ronde tafel stond, en schelde heftig.
Terstond daarop werd de zijdeur geopend, en een kleine, mismaakte dienstmeid, â den vuilen voorschoot ter zijde geslagen en de punt er van in den band gestoken, â verscheen in de deur.
âGa naar boven tot de freule,quot; beval mevrouw von Werrig; âen zeg haar dat zij dadelijk bij ons beneden moet komen.quot;
In plaats van zich te haasten het ontvangen bevel te volbrengen, bleef de dienstmaagd op den drempel staan.
âIk mag nu niet naar boven gaan,quot; zeide zij met luide, krijschende stem; âZij heeft gezegd dat ik haar niet mocht storen; en als er bezoek kwam, moest ik zeggen dat zij niet tehuis was. Zij heeft heden zeer veel te doen; want die bloemruiker zal binnen een uur reeds gehaald worden, en zij heeft ook nog twee lessen te geven. Zij plaagt zich gewis van den morgen tot den avond, en nu mag men haar niet storen.quot;
âIk beveel het u,quot; riep mevrouw von Werrig heftig; âga
Mühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. I. 12
178
naar boven, en zeg aan-de freule dat zij terstond beneden moet komen; dat we haar gewichtige dingen hebben te zeggen. Geen tegenspraak. Ga, Trui!quot;
Trui haalde de schouders op, maar waagde niet tegen te spreken; want zij kende dezen kouden, gebiedenden toon barer mevrouw, en wist dat men er zich naar voegen moest.
â't Zal zekerlijk niets goeds zijn, wat ze haar te zeggen hebben,quot; bromde Trui, terwijl zij nu haastig de trap opliep, die van de eerste verdieping van 't kleine, lage huis naar den zolder onder 't dak voerde. Hier en daar waren in het dak eenige pannen opgelicht en schuin geplaatst. Door deze openingen drong een flauwe lichtschemering binnen, die het dak en den lagen zolder verlichtte, en Trui den weg wees naar de deur aan het einde. Voor deze deur hield zij stil en klopte zacht. .
Mag ik binnenkomen, freule? Ik ben het: â Trui!'
âDe deur is open, Trui,:' riep een liefelijke meisjesstem, en de oude Trui opende nu haastig de deur, en trad de zolderkamer binnen, die zich voor haar opende.
Het was een allerliefst kamertje; volmaakt een kamertje van een jong meisje. Het met sneeuwwit linnen bedekte bed omgeven met witte gordijnen, die over een, in den wand boven het bed aangebrachten haak nedervielen. Even zulke witte gordijnen voor het breede, lage zoldervenster, dat met zijn uitstek eenigszins een lichte voorkamer van de eigenlijke duistere kamer vormde, die er achter lag. In deze lichte voorkamer had het jonge meisje alles bijeengebracht wat tot haar leven en haar genoegen noodzakelijk kon zijn.
Daar waren de fraaiste, welriekendste bloemen op het vensterkozijn; daar hing in de nette koperen kooi het vroo-lijke licht gele kanarievogeltje; daar waren fraai kopergravures opgehangen; daar stond de tafel waarop allerlei gemaakte bloemen in een vaas tot een prachtig bouquet vereenigd waren; en daar eindelijk, voor deze met werktuigen, papieren en bonte stoffen bedekte tatel, zat de bewoonster dezer kamer, de dochter van den generaal von Werrig en diens vrouw.
Een jong meisje van nauwelijks twintig jaren; een trot-sche, indrukwekkende gestalte, eenvoudig maar bevallig gekleed. Het licht gepoederd haar, naar de toemalige mode hoog opgestoken op het breede, heldere voorhoofd, en aan
179
de rechter zijde met een blauwe strik versierd, waarvan eenige lichte linten los nederhingen. Het edel gevormde, fraaie aangezicht, zacht blozend; en om de donkerroode lippen eene uitdrukking van moedige geestkracht. Toen de oude Trui binnentrad, hief het jonge meisje langzaam de oogen van den rozeknop op, met welks vervaardiging zij juist bezig was geweest, en richtte ze op de binnenkomende. â Wat groote zwarte oogen! Hoe fonkelden zij onder de zacht gebogene, zwarte wenkbrauwen, die haar voorhoofd beschaduwden!
âNu, oudje,quot; zeide zij vriendelijk, âwat is er? Hebt ge vergeten dat ik heden ongestoord werken wilde?quot;
âIk heb 't niet vergeten, freule, maar âquot;
âMaar ge hebt vergeten dat ik hier boven in mijn dakkamertje niet uw freule ben,quot; viel het jonge meisje haar in de rede: âneen, niet uw freule, maar uwe Marie; die ge als kind verpleegd en opgepast hebt, en wier beste en trouwste vriendin gij geweest zijt, zoolang zij leeft. Kom bier, oudje, geef mij de hand, en zeg dan wat ge te zeggen hebt!quot;
De oude Trui slofte haastig nader, en haar leelijk, oud gelaat was nu schier fraai, toen zij met een uitdrukking van gloeiende teederheid in het schoone aangezicht zag, dat haar toelachte en haar harde, bruine hand'in de haar gereikte kleine, blanke hand van het jonge meisje legde.
âMarie,quot; zeide zij zacht en bijna angstig; âge moet dadelijk beneden komen bij mevrouw uwe moeder en mijnheer uw vader. Zij hebben u iets zeer gewichtigste te zeggen.quot;
âIets gewichtigs?quot; herhaalde Marie, haar werk terzijde leggende: âWeet ge wat het is?quot;
âNiets goeds, vrees ik,quot; zuchtte de oude Trui: âer kwam vooraf een soldaat. Hij zeide dat hij van het ministerie van oorlog kwam, en den heer generaal een brief bracht, die uit Breslau, uit het kabinet des Konings gezonden was.quot;
âAxh mijn God, wat kan dat te beduiden hebben?quot; vroeg Marie verschrikt, terwijl zij opsprong: âEr is iets gaande, ik weet het! Ik heb het gemerkt aan de vluchtige uitdrukkingen mijns vaders; aan de trotsche, dreigende houding mijner moeder, en bovenal aan de drieste opdringend-heid van den mensch, dien ik verfoei, zooals men de ondeugd,
480
de domheid en de verveling verfoeit. Zij willen 'tnietge-looven, dat ik hem haat, dat ik liever âquot;
âMarie, komt ge niet, Marie?quot; klonk van beneden de gebiedende stem der moeder.
âIk moet gehoorzamen.quot; zei Marie met een diepen zucht, en zij snelde naar de deur. De oude Trui volgde haar; en thans, nu Marie juist den voet op de eerste trede van de trap gezet had en naar beneden wilde gaan, legde zij de hand op haar arm, en hield haar tegen. âMarie,''zeide zij zacht en haastig: âMarie, ze hebben mij wel verboden ooit met u over hem te spreken, maar ik moet het toch doen.''
Marie bleef staan, en een donkere gloed schoot voor een oogenblik over haar gelaat, dat in groote spanning opzag tot de oude Trui, die boven aan de trap stond en tot haar nederboog.
âSpreek, Trui,quot; fluisterde zij zacht.
âMarie, ik heb hem gezien, voor een uur geleden.quot;
âWaar, Trui, waar hebt ge hem gezien?quot;
âGinds, aan den hoek van de Frederikstraat, waar de bakker woont. Hij stond daar en had op mij gewacht, want hij weet wel, dat ik om dien tijd daar altijd heenga.
Hij zei dat hij er reeds twee uren gewacht, ongevreesd had dat ik niet. zou komen.quot;
âWat zeide hij. Trui? Om Godswil, gauw. Wat zeide hij verder?quot;
âHij zeide; Ik zou mijn lieve freule berichten dat hij liever wilde sterven, dan het leven op deze wijze nog langer te dragen. Hij zou heden middag om twaalf uur hier komen.quot;
âHeden middag,quot; fluisterde Marie; âen dat zegt ge mij
eerst nu?quot; .
âIk wilde het u eigenlijk in 't geheel met zeggen, Marie, want ik dacht, het is beter dat niemand er iels van weet, en gij niet zoudt behoeven te veinzen. Maar, zoo zij u nu tot iets willen dwingen, Marie, weet ge dat hij komt en hij zal u bijstaan!quot;
âHij zal mij bijstaan, ja, hij zal âquot;
âMarie!quot; riep de generaalsvrouw, en aan den voet van de trap verscheen nu hare dorre, magere gestalte.
Marie vloog de steile trap af; en achter haar moeder,â die, zonder een woord tot haar te richten, weder over het
481
kleine portaal door do openstaande deur was gegaan, â trad zij de huiskaoier harer ouders binnen.
V.
DE BRIEF DES KONINGS.
âMarie,'' zei mevrouw von Werrig, nadat zij zich met deftige bedaardheid op het harde kussen van den divan had gezet, waarneyetis de generaal op zijn armstoel zat, en ijverig met (iehand zijn pijnlijk rechterbeen wreef; âMarie, neem een stoel en zet u bij ons.quot;
Marie haalde bedaard een der mattenstoelen, en nam tegenover hare ouders aan de andere zijde der tafel plaats, âWij hebben zooeven een brief uit het kabinet des Konings ontvangen,quot; z^ei mevrouw plechtig; âhet is noodzakelijk dat gij den inhoad ervan kent, en ik zal hem u derhalve voorlezen. Maar illt; verbied u uitdrukkelijk, mij gedurende de voorlezing op uwe gewone heftige wijze in de rede te vallen en aantnamp;rkingen te maken, die steeds van zeer weer-strevenden ei*, on aangenamen aard zijn. Ge hebt mij immers begrepen, Ma_rie?quot;
âVolkomen, moeder,quot; antwoordde Marie licht buigende; âik zal ingevolge uw bevel zwijgend, en zonder, het te wagen u in de rede te vallen, uwe voorlezing aanhooren.quot;
âDe briet is n stuurlijk aan uwen vader gericht,' zei mevrouw von Werrig; âwant in zijn naam had ik aan den Koning geschTeven.quot;
âIk wist in 't geheel niet, dat gij aan Zijne Majesteit geschreven hadt, lieve moeder.quot;
De moeder wierp een toornigen blik op het zacht, doch vastberaden g elaat harer dochter.
âGij vergeet; reeds nu mijn bevel en uwe belofte, mij niet in de rede te vallen! Ja, ik had aan Zijne Majesteit geschreven; en 't is geenszins noodig u te zeggen, wat ik, of liever uw quot;vad er, van den Koning verzocht had ; â want ge zult het uit liet antwoord van onzen genadigen lands-vader vernemen. Dit antwoord luidt aldus;
âLieve getrouwe! Ik heb uw verzoekschrift ontvangen,
482
en 'tis mij aangenaam geweest bij deze gelegenheid van u te vernemen dat het u welgaat, en ge thans een bedaard, verstandig leven leidt, daar gij vroeger tot klachten aanleiding gegeven hadt: want het is mij wèl bekend, dat ge-u aan een onbehoorlijk leven hebt overgegeven, en het abominabel hazardspel u en uw gezin veel nood en ongeluk berokkend heeft. Ge weet dat ik tweemaal uwe schulden heb betaald, maar u bij den tweeden keer op mijn Koninklijk woord de verzekering gaf, dat ik nooit weder één grosche voor u betalen zou; en dat, zoo ge u ooit weder aan het spel overgaatt en speelschulden maaktet, ik u naar Spandau op de vesting zou zenden, en uw pensioen zou intrekken. Desniettemin hebt ge later weder gespeeld, en uw loszinnig leven opnieuw begonnen. Zoo ik, in weerwil hiervan, u niet, zooals ik u gedreigd, â en gij verdiend hadt, naar Spandau in eeuwigdurende gevangenschap zond, was het, wijl ik medelijden met u had, en ik eraan dacht dat ge een dapper soldaat zijt geweest, die mij bij Leuthen een goeden dienst hebt ^bewezen. Om deze reden wil ik nu ook uw verzoek vervullen en vergunnen, dat, daar ge geen zoon hebt, uw naam en wapen op uwen behuwdzoon zullen overgaan. De naam von Werrig Leuthen is wèl waard dat hij behouden worde, en voor onze opvolgende geslachten een voorbeeld zij van de dappere daden, welke mijne soldaten volbracht hebben, en van de dankbaarheid, welke hun Koning, hun bewees. Ik geef dus mijn vergunning, dat Ludwig Ebenstreil, tot hiertoe bezitter van een bankierhuis, met uwe dochter en eenig kind huwe, en âquot;
âMare slaakte een kreet van ontzetting, en sprong van haar stoel op. Moeder âquot;
âStil!quot; gebood de moeder : âIk beveel u, mij niet te storen, maar met betamelijken eerbied den brief van Zijne Majesteit tot het einde aan te hooren!quot;
En met verheffing van stem, â somwijlen opziende om een strengen, gebiedenden blik op hare dochter te slaan,â las zij voort; âen zich voortaan noeme; Ludwig Werrig von Leuthen, waarbij ik den wensch voeg; dat hij den nieuwen naam eer zal aandoen, en zich steeds als een waar edelman zal gedragen. Echter moet Ludwig Ebenstreit terstond en onvermijdelijk zijn bankiers-affaire opgeven ot ver-
183
koopen; wijl ik niet kan vergunnen dat een edelman het beroep van burgerlieden drijve, en koopman blijve. Een edelman moet soldaat óf grondbezitter zijn; en zoo uw aanstaande behuwdzoon geen van beiden zijn wil, kan hij slechts als particulier en rentenier zijn geld verteren, en dat kan hij immers doen; hierbij beveel ik echter dat uw behuwdzoon zijn geld binnenslands vertere en de kapitalen, welke hij binnenslands gewonnen heeft, niet buitenslands brenge. Zoo hij dit doen wilde, zou 't hem slecht bekomen, en ik zou hem met geweld laten terughalen. Dat moogt ge hem berichten, en hiernaar heeft hij zich te regelen. Voor den adelbrief, dien ik voor uwen behuwdzoon zal laten opmaken, moet hij aan het invalidenhuis te Berlijn de somma van honderd louisd'or betalen; het staat echter aan hem of hij, als een rijk edelman, misschien ter belooning aan mijn arme invaliden, nog meer wil betalen. De huwelijksvoltrekking zal echter niet eerder plaats hebben, dan als de adelbrief opgemaakt, â en in de Berlijnsche dagbladen gepubliceerd is; daar ik niet wil dat de dochter van een generaal en eene Rijksgravin een mesalliance doe. Ge kunt alles voorbereiden tot de bruiloft, en zoodra de publicatie geschied is, kunnen de jongelieden huwen. Opdat echter uwe dochter niet zonder uitzet bij haren rijken man in huis kome, schenk ik haar duizend thaler, waarvoor zij zich een uitzet moet koopen, en zal dit geld tegen de eigenhandige quitantie uwer dochter, uit mijn generale staatskas te Berlijn betaald worden. Overigens blijf ik uw toegenegen Koning Frederik.quot;
âEn hier op den rand,quot; ging mevrouw von Werrig voort, terwijl zij met een blik van boosaardige vreugde naar haren echtgenoot keek; âhier heeft de Koning eigenhandig nog eenige regels geschreven. Zij luiden : âIk heb order gegeven dat het geld slechts persoonlijk door uwe dochter, tegen haar eigen quitantie ontvangen kan worden. Want ik ken u, en weet dat ge niet speelt omdat ge geen geld, â maar omdat ge de jicht hebt. Zoo ge geld had en geen jicht meer, zoudt ge den uitzet uwer dochter naar den duivel spelen, et c'est cela ce que je ne veux pas; want een adellijke jonkvrouw mag niet arm als een kerkmuis met een rijk man trouwen. Frederik.''
Er ontstond een diepe stilte, toen de generaalsvrouw de
484
lezing had geëindigd. Haar echtgenoot was nog altoos bezig met de vlakke hand zijn ziek, piinlijk been te wrijven. Marie zat met de handen op haar borst gedrukt, alsof zij de zuchten en snikken, die zich wilden loswringen, met geweld wilde terugdringen. Haar groote, zwarte oogen waren met een uitdrukking van smartelijke ontzetting op hare moeder gericht, en zij scheen in doodsangst op dit koude, onbewegelijke aangezicht, een trek van deelneming en ontferming te zoeken.
Mevrouw von Werrig vouwde langzaam den brief weder dicht, en legde hem op de tafel. âGe weet nu alles, Marie,quot; zeide zij na een pauze; âgij weet nu, dat wij, zooals het aan ouders betaamt, over uwe toekomst en uwe hand beschikt hebben. Ge zult u, â zooals 't een gehoorzame en welopgevoede dochter betaamt, â zonder te morren en tegen te spreken, aan de beschikkingen uwer ouders onderwerpen, en den echtgenoot, dien onze zorg voor u bestemd heeft, aannemen. Hij zal nog heden hier komen, om uw jawoord te ontvangen. Ge zijt van heden af de bruid van den toe-komstigen heer von Werrig, en het spreekt van zelf, dat vanaf dit uur de hoogst onpassende en vernederende bezigheden, waarmee ge u tot hier toe hebt ingelaten, ophouden. Ge moogt geen bloêmen meer maken en geen les meer geven. De tijd van zulke vernederingen is. Goddank, thans voorbij; en mijne dochter mag er zich niet verder toe leenen een schoolmatres te zijn. Gij hebt nu nog slechts de quitantie te schrijven, en dan zal ik met u naar het ministerie van Finantiën gaan, om de duizend thaler te ontvangen.quot;
âIk zal deze quitantie niel schrijven,quot; zei Marie met zachte, maar vaste stem.
Mevrouw von Werrig, die juist wildeopstaan, zonk wTeder op den divan terug; de generaal, wiens opmerkzaamheid schijnbaar geheel op het wi'ijven van zijn been was gericht, hield met wrijven op, en hief zijn rood, opgeblazen gelaat op, om zijn dochter met verbaasden blik aan te zien.
âGe zult deze quitantie niet schrijven?quot; herhaalde mevrouw. ,,Heb ik goed gehoord? Waren dit werkelijk de woorden, die mijne hier tegenwoordige dochter Marie gesproken heeft?''
âJa, moeder ik heb ze gesproken,quot; antwoordde zij zacht; âik zal, en kan deze quitantie niet schrijven.''
185
âEn waarom zult en kunt gij deze quilantie niet schrijven ?quot; vroeg de moeder met spottende stem.
âWijl ik dit geld niet begeeren en ontvangen kan, moeder; wijl ik nooit de echtgenoot van den man kan worden, dien ge voor mij bestemd1 hebt.quot;
De generaal sprong met een wilden vloek van zijn armstoel op en wilde op zijn dochter toevliegen, maar zijn vrouw stak haar arm uit, en schoof hem weder in zijn stoel terug. Toen ging zij tot hare dochter, die zich bij ïiare nadering langzaam oprichtte, en haar met vasten, treurigen blik aankeek.
âWaarom kunt ge nooit de echtgenoot van den man worden, dien wij voor u bestemd hebben?quot; vroeg zij. âAntwoord nu: waarom kunt ge dat niet ?quot;
âGij weet het, moeder,quot; antwoordde Marie, en terwijl zij sprak, werd haar stem allengs vaster, kleurden zich hare wangen hooger, vlamde een uitdrukking van geestdrift in hare oogen op, en verheerlijkte haar geheele wezen : âGij weet het, moeder; ik kan nooit de echtgenoot van dezen mijnbeer Ebenstreit worden, want ik bemin hem niet; veeleer veracht en verfoei ik hem, wijl hij een mensch zonder eergevoel is; wijl hij lueet dat ik hem niet bemin, en er evenwel in volhardt mij te willen huwen. Ware dit echter ook niet zoo; verachtte en verfoeide ik hem ook niet, maar ware hij mij slechts onverschillig, ik zou evenwel nooit zijne vrouw kunnen worden.quot;
âWaarom niet?quot; riep generaal, met opgeheven vuist zijn dochter dreigende.
âWaarom niet?quot; vroeg zijne vrouw met haarijskouden blik, zonder medelijden en zonder toorn.
Marie beantwoordde dezen blik met glinsterende oogen. âOmdat ik de bruid van een ander ben,quot; riep zij, en deze woorden klonken als een vroolijke, jubelende kreet haars harten. âOmdat ik de verloofde bruid van mijn geliefden Moritz ben!''
âOnbeschaamd, wederspanning schepsel!quot; schreeuwde haar vader: âHebben wij u niet verboden âquot;
âZwijg!quot; viel zijne vrouw hem in de rede, met een gebiedend handgebaar, dat den gehoorzamen echtgenoot dadelijk deed verstommen: âZwijg! Het is aan mij vragen tot haar te richten, want ik ben haar moeder: en mi; bovenal
18(3
is mij no dochter gehoorzaamheid en onderwerping verschuldigd. Antwoord mij dus, Marie. Weet ge niet, dat wij u verboden hebben ooit weder van dezen mensch te spreken, of in eenige betrekking met hem te staan? Weet geniet, dat ik, â uwe moeder, â u met mijn vloek heb gedreigd, zoo ge niet elke gedachte aan een huwelijk niet alleen,â maar aan eenige gemeenschap met deze ellendigen, erbar-melijken mensch liet varen?quot;
âMoeder,quot; riep Marie heftig; âhij is geen ellendig, erbarmelijk mensch. Ge moogt hem haten, maar ge moogt den edele, den goede, den eerlijke niet beleodigen!quot;
âHij is een nietswaardige!quot; schreeuwde haar vader; âHij heeft zonder medeweten barer ouders een lieldesbetrekking met een minderjarig meisje aangeknoopt. Hij is een schandelijke, nietswaardige verleider.quot;
âHij is een eerlooze!quot; riep mevrouw von Werrig; âEen eerlooze, die van ons vertrouwen misbruik heeft gemaakt. Wij vertrouwden hem onze dochter toe om haar te onderwijzen; hij was de bezoldigde leermeester onzer dochter. Hij maakte gebruik van de gelegenheid, en in plaats van mijne dochter te onderwijzen, deed hij haar lietdesverkla-ringen, â betaalde liefdesverklaringen, â want hij stal ons den tijd dien hij er toe besteedde, om het hart van onze dochter met zijn vleierijen te begoochelen, en van zijn leerlinge zijn geliefde te maken!''
âO, onwaardige, schandelijke beleediging!quot;' riep Marie met vlammende, toornige blikken: âGij weet, dat dit laster is. Gij weet, dat Moritz geen betaalde leermeester was; dat hij nooit geld van u aangenomen heeft. En zoo hij het werkelijk had gedaan. â zoo hij zich zelfs aan de treurige noodzakelijkheid had moeten onderwerpen, en zich zijn edelen arbeid had laten betalen, wijl hij arm is en gedwongen van zijn kennis te leven, â blijft hij evenwel niet een vrij man, die het recht heeft zijne liefde te schenken? Hij heeft ze mij geschonken, en ik heb ze aangenomen als het kostbaarste, heerlijkste, schoonste geschenk mijns levens. Ach, zie mij niet zoo toornig aan, vader; ik kan immers niet anders spreken, ik kan toch het innigste leven mijns levens niet dooden en verloochenen. En gij, mijne moeder, vergeef mij toch, dat ik niet anders kan. Ge weet, ik ben u in alle andere zaken steeds een gehoorzame doch-
187
ter geweest, en hoewel ge mij nooit het geluk hebt leeren kennen een beminnende moeder te hebben, â hoewel ge beiden 't mij nooit hebt kunnen vergeven, dat uw eenig kind geen zoon is, die uwen naam erft en een schitterenden rang-verwerft, â heb ik u toch altoos bemind, teeder, trouw en innig en nooit er over geklaagd dat de onwelkome dochter geen liefde, geen teederheid, â maar slechts onverschilligheid en koelheid van hare ouders ontving.quot;
âFraai, zeer fraai,quot; sprak mevrouw von Werrig met spottende stem; ânu zal zij zich nog beklagen en het ons ten laste leggen, dat zij een liefdelooze en ondankbare dochter is. Wij hebben haar hart niet begrepen; 'tis onze schuld dat hare liefde naar elders ontvlucht is. Ik ken immers deze romantische spreekwijzen; ik heb ze immers ook in de romans van mijnheer Moritz gelezen, en mijne dochter herhaalt slechts, als een leerzame scholier, wat zij van haren schoolmeester geprofiteerd heeft. Zeer fraai; wij hebben den heer Moritz er voor betaald dat hij de freule onze dochter tot een romanheldin zou opvoeden. Zij zou bij hem talen leeren, maar zij heeft bij hem slechts de taal der romans geleerd.quot;
âGe zijt zeer hard en zeer wreed, moeder,quot; zei Marie treurig; âik wilde mij niet beklagen, maar mij slechts verontschuldigen ; slechts om een weinig medelijden en toegevendheid bidden; slechts het verwijt van mij weren, dat ik een koele, liefdelooze dochter ben geweest. Mijn God, ik smachtte zoo zeer naar uwe liefde; ik wilde u zoo gaarne bewijzen dat ik met vreugde alles wilde doen om uw leven een weinig te veraangenamen, en u eenig genoegen te verschaffen. Ik was zoo gelukkig, als ik door mijn lieve bloemen, door de lessen welke ik gaf, u iets bezorgen, u een of ander klein genoegen bereiden kon.quot;
âHa, nu zal zij ons nog verwijten dat zij voor ons gewerkt, â zich voor ons opgeofferd heeft,quot; schimpte de moeder âman, dank toch het offerlam, dat voor u werkt en tobt; voor ons beiden hare jeugd weggeeft, om ons leven met rozen te bestrooien!''
âIk heb nu genoeg van die praatjes en dat gejammer!quot; schreeuwde de generaal, woedend met zijn vuist op de tafel slaande; âmijn dochter zal geen romanheldin zijn, maar een gehoorzaam kind, dat in alles den wil harer ouders
488
volgt en zich aan hen onderwerpt. Gij trouwt raet den man, dien we voor u bestemd hebben. De Koning heeft zijne toestemming gegeven, en ik wil het zóó, en ik beveel het u! Hiermee basta! Ik wil niets meer booi'en; de zaak is atgedaan ! De beer Ebenstreit komt heden namiddag hier, hij zal met onze goedkeuring u zijne huwelijks-voorstel doen en ge zult zijn hand aannemen. Ik beveel het u!quot;
âIk kan dit bevel niet gehoorzamen,quot; riep Marie; âach, hebt toch ontferming met mij! Dwingt mij toch niet mij te verzetten tegen Gods heilig gebod, en als een ongehoorzame en ondankbare dochter voor Hem te verschijnen. Ik heb immers tot hiertoe al uwe bevelen gehoorzaamd en mij aan uwen wil onderworpen, hoewel ik somwijlen dacht, dat het mijn hart zou breken. Ge hebt Moritz verboden hier te komen; hebt hem als een knecht met hoon en beschimping de deur gewezen, en hij is heengegaan en heeft het zwijgend verdragen om mijnentwille. Ge hebt mij verboden aan hem te schrijven, brieven van hem te ontvangen of ooit een samenkomst met hem te hebben! Moeder dreigde mij met haar vloek zoo ik deze bevelen ongehoorzaam was, en ik onderwierp mij. Ik heb alles toegegeven, al mijn wenschen opgeotferci, ik heb van mijne liefde afgezien ! Maar meer moogt, â meer kunt ge niet van mij vorderen! Ik kan van het geluk afstand doen; maar ge moogt niet willen dat ik in mijn ongeluk toestem; dat ik levend begraven worde!quot;
âEn zoo wij dit tóch willen?quot; vroeg de vrouw: âZoo wij van onze dochter verlangen, dat zij aan het geluk barer ouders hare wenschen ten offer brengt; dat zij van een romantische, dwaze liefde afstand doe, om de echtgenoote van een jongen man te worden, die haar bemint, die ons liefheeft, en die rijk genoeg is om ons een onbezorgden, aangenamen ouderdom te verzekeren?quot;
âkarie,quot; riep de generaal nu met biddende, schier smee-kende stem: âMarie, bewijs ons thans dat ge werkelijk een goed en dankbaar kind zijt. Zie, wij hebben in ons geheele leven zooveel slechte dagen, zooveel zorg en nood gehad. Het ligt nu in uwe hand, ons voor onzen oüderdom goede en schoone dagen te bereiden, en alle zorgen en nood voor altoos af te wenden. Wij zijn vaak wrevelig tegen God geweest dat Hij ons niet in plaats van u een zoon had
189
geschonken; â maak nu dat wij God er voor danken dat wij een dochter hebben, die in staat is ons een zoon aan te brengen; die onzen naam zal overdragen op hare kinderen, en die ons geeft wat wij nooit gekend hebben: welstand en rijkdom. Ik bid u, mijn lieve, goede Marie, gun uwen ouden vader een paar laatste onbezorgde en gelukkige levensjaren!quot;
âEn ik, Marie,quot; zei de moeder met een weeke, teedere stem, zooals Marie nog nooit van haar gehoord had; âik bid u óók, wees een goede dochter; ontferm u over uwe moeder. Zie, ik heb altoos een kommervol, vreugdeloos leven geleid. Ongehuwd leefde ik, â een geborene Rijksgravin, â van de weldaden van trotsche verwanten, die mij mijne afhankelijkheid bitter lieten gevoelen; gehuwd was mijn leven niets dan ooriogsnood, zorg en kommer. Ik bid u, Marie, leer mij eindelijk het geluk kennen, waarnaar ik, zoolang ik op de aarde ben, steeds vergeefs gesmacht heb; geef mij de onafhankelijkheid en den welstand, waarnaar ik altoos verlangd, â maar die ik nooit heb leeren kennen. Ik bid u, Marie, maak uwe arme ouders gelukkig, door hun een rijken, voornamen en goeden schoonzoon aan te brengen, â door met den heer Ebenstreit te trouwen.quot;
Marie, die den toorn, de bedreigingen harer moeder met vasten blik, met fiere houding beantwoord had, beefde, toen zij deze vrouw, die op haar harde, onverbiddelijke lippen steeds koele, strenge woorden had gehad, zich thans zag verootmoedigen tot biddende, smeekende woorden.
Zij had haar aanvankelijk verschrikt in het bewogen, zenuwachtig gelaat gezien; vervolgens had zij, als door ontzetting aangegrepen, de handen voor haar aangezicht gelegd, en zoo met gebogen hoofd en bedekt gelaat gestaan, terwijl hare moeder sprak.
âSpreek, mijn dochter,quot; riep de generaal, toen zijn vrouw zweeg: âSpreek, mijn lieve Marie. Zeg één woord, en wij zijn allen gelukkig, en er is heden in Berlijn, en in de ge-heele wereld geen gelukkiger gezin dan het onze. Zeg, dat ge met Ebenstreit huwen wilt, en wij willen u beminnen en zegenen zoo lang wij nog op aarde leven. Zeg het, mijn lieve Marie!''
Thans liet zij hare handen van haar aangezicht neder-glijden en zag met een blik vol onuitsprekelijke smart ha-
190
re ouders aan, die de gevouwene handen tot haar uitstaken. Een pauze, een bange, vreeselijke pauze ontstond. âIk kan niet, het is onmogelijk!quot; riep zij toen op luiden jammerloon : âIk kan dezen man niet huwen, want ik bemin hem niet, want ik bemin een ander, dien ik nooit vergeten kan, dien ik eeuwig beminnen zal, ik bemin âquot; âDe heer prorector Moritz!'' riep Trui, terwijl zij driftig de deur opentrok, en met een triomfantelijken glimlach naar binnen keek.
VI.
LIEFDE EN HAAT.
âDe heer prorector Moritz!'' herhaalde Trui.
âWij willen hem niet zien!quot; riep mevrouw von Werrig met een afwerend gebaar.
.Hij moet zich niet vermeten hier binnen te komen!'' schreeuwde de generaal.
âMoritz, o mijn geliefde Moritz,quot; riep Marie, terwijl zij met uitgebreide armen op hem, die juist op den drempel der deur verscheen, toeijlde en hem innig omhelsde: âHa, God zendt u, opdat ge mij zoudt bijstaan in dit gewichtig uur.quot;
De oude Trui, die door de half opene deur had geloerd, knikte tevreden toen zij zag hoe de schoone, bleeke jonkman zijne geliefde vast aan zijn hart drukte, en zijn hand op het dierbare hoofd legde, dat afgemat op zijn schouder nederzeeg.
Trui sloot onhoorbaar de deur. âJa,quot; fluisterde zij ; âMarie heeft gelijk; God zelf zendt haren geliefde juist in dit uur hier, en daarom wil ik het ook niet verdragen, dat haar slechte en liefdelooze ouders hem weder wegzenden.quot;
En met een snel besluit draaide zij den sleutel om, en sloot de deur van buiten af. Vervolgens ging zij haastig door de keuken naar de achterkamer, waarin uit het woonvertrek een tweede deur voerde, en sloot ook deze.
,Ziezoo,quot; mompelde zij met een gelukkigen glimlach; ânu
191
willen wij eens zien of zij hem de deur kunnen wijzen of hem er uit werpen. Neen, zij zullen hem moeien hooren 1 De oude Trui wil het; want het geldt het geluk barer lieve Marie, en 't is mij geheel onverschillig of mevrouw mij later de oogen wil uitkrabben; ik zal wel zorgen dat zij 't niet doen kan. Maar nu willen wij eens luisteren!quot;
En Trui legde haar oor tegen de deur en luisterde; bukte ook somwijlen, om door het sleutelgat te kijken en een blik op de aangezichten der strijdenden te werpen.
De generaal en zijn vrouw hadden aanvankelijk, als verstijfd van schrik, sprakeloos de onstuimige omhelzing der beide minnenden aanschouwd, vervolgens sprong de generaal met dreigend opgeheven vuist op; maar in plaats van het tierende scheldwoord, dat reeds op zijne lippen zweefde, kwam er slechts een smartkreet uit, en hij zonk kermend en jammerend weder in zijn leunstoel neder.
De jicht had weder bezit genomen van haar offer. De toorn, die het bloed van den generaal zoo heftig in beweging had gebi acht, had ook de pijn in zijn been weder opgewekt.
Zijn echtgenootè lette intusschen volstrekt niet op zijn kermen en jammeren, en het kwam haar misschien zeer gelegen voor/ nu alléén de woordvoerster te kunnen zijn, en dat haar echtgenoot als 't ware het toestemmende, kermende en klagende koor vormde.
âVan elkander !quot; riep zij met gebiedende stem, terwijl zij trotsch op de beide gelieven toetrad, en hare lange, dorre armen naar hen uitstak : âVan elkander, en weg met hem !quot;
Zij legde hare hand op Marie's arm, die om den hals van den geliefde was geslagen; wilae hem wegduwen en hare dochter tot zich trekken. Maar Marie's arm strengelde zich nóg vaster om den hals van den geliefde, en Moritz drukte Marie nóg inniger aan zijn hart.
Beiden sloegen volstrekt geen acht op de vrouw; zij hoorden niet de heftige losbartigen van toorn, waaraan deze zich nu overgaf. Zij zagen elkander met schitterende oogen en zalige blikken aan, en lazen de een in 't gelaat des anderen de vreugde des wederziens, en de geschiedenis van hunne standvastige en onvergankelijke liefde.
âUwe wangen zijn bleek en ingevallen, mijn geliefde.quot;
âDe smart om u heeft mij verteerd, Marie. Maar gij, geloofd zij God, ge staat voor mij onveranderd als een bloeiende roos.quot;
192
âDe liefde en de hoop hebben mij getroost en gesterkt, mijn Philip.quot;
âGenoeg, ik verbied u nog een woord te spreken,quot; tierde de generaalsvrouw, terwijl zij Marie met de kracht des toorns wegrukte: âMijnheer Moritz, wilt ge nu eindelijk zeggen, met welk recht ge u vermeet ons huis binnen te dringen, en ons als een straatroover in onze vreedzame woning te overvallen? â Maai' neen, ge zult het mij zeggen; ik wil niets van u hooren, volstrekt niets! Hém, die zich verstout ongeroepen en ongewenscht in onze kamer te komen, heb ik niets te zeggen dan: Vertrek! Daar is de deur! Vertrek! Dadelijk!''
âMevrouw,quot; antwoordde Moritz, terwijl hij nu met kalme houding mevrouw von Werrig naderde; âmevrouw, ik verzoek vergeving. Ge hebt wel gezien, dat ik niet ongewenscht hier ben binnengetreden, en gij zult mij derhalve moeten veroorloven te blijven.quot;
âJa, zij zal hem wel moeten veroorloven te blijven,''' spotte Trui buiten voor de deur: âHet zal haarmoeielijk vallen hem weg te zenden, zoolang ik het niet wil!quot;
âNeen, ik veroorloof 't u niet,quot; riep de generaalsvrouw; âWij hebben niets met elkander te maken! Uit mijn oogen! Weg!'
âWeg!quot; schreeuwde de generaal: âAch, de jicht, de hel-sche pijn! Ik kan den onbeschaamden mensch niet de deur uitwerpen! Ik moet hier liggen en mij krommen als een worm! Ik kan zelf mijn huisrecht niet handhaven! Ach! ach ! welk een pijn!quot;
âBlijf, mijn Philip,quot; fluisterde Marie, terwijl zij zich weder aan Moritz vastklemde: âZij willen mij verkoopen, mij dwingen lot een gehaat huwelijk. Laat het niet toe! Pgt;.ed mij !quot;
âGezijt de mijne, Marie; ge hebt mij eeuwige trouw gezworen, en niemand kan u dwingen tot een huwelijk, dat gij niet wilt.quot;
âJa, wij, hare ouders, wij kunnen en zullen haar dwin â gen!quot; riep mevrouw von Werrig: âWij hebben tot dit huwelijk 's Konings toestemming, en wij zullen, als het zijn moet, ons ongehoorzaam en weerspannig kind met geweld naar het altaar slepen!quot;
âDoe dat, moeder; ik zal dan voor het altaar luid ten aanhoore van de geheele wereld âneenquot; zeggen!quot;
103
âO, wij zul len wel zorgen dat er niemand is die u hoort, buiten den geestelijke, en deze zal uw neen niet hooren, daar hij weet dat de Koning zelf u bevolen heeft ^ja'' te zeggen!quot;
âMaar God zal haar ween hooren, mevrouw, en zal wraak nemen op de wreede, liefdelooze moeder!quot;
âIk zal deze wraak afwachten,quot; spotte de vrouw; âhet gaat u niet aan, en gij hebt er u niet om te bekommeren. Verwijder u!quot;
âNeen, mevrouw, ik ben gekomen om u te spreken en zal niet eerder van hier gaan, dan als ge mij gehoord hebt!quot;
âNu, dan zal ik heengaan, want ik wil u niet hooren en ik beveel u mij te volgen, Marie.quot;
Zij greep met onweerstaanbaar geweld de hand barer dochter, en trok haar naar de zijdeur. Maai' deze deur gaf aan haar drukking niet toe; zij opende zich niet!
Mevrouw von Werrig ijlde, hare dochter met zich trekkende, naar de ingangsdeur. Maar vergeefs; haar heftig schudden was vergeefs; ook deze deur opende zich niet.
âHa, ik zou mij zelve wel willen kussen,quot; prevelde Trui, terwijl zij hare oude, rimpelige wangen streelde; âik was schrander en wijs als Salomo. Ja, roep maar om Trui; beveel maar dat zij moet openen! Trui is er niet. Trui heeft geen ooren voor u!quot;
â't Is een complot, 'tis een schandelijk complot!quot; riep de generaalsvrouw, toornig stampvoetende; âHet nietswaardig schepsel. Trui, is mede in de samenspanning. Zij heeft de deuren gesloten; de heer schoolmeester betaalt er haar zeker voor!quot;
Trui hief achter de deur dreigend haar vuist tegen hare mevrouw op. âWacht, het ânietswaardig schepselquot; zal ik u inpeperen. Alle dagen zult ge u over mij te ergeren hebben!quot;
âIk zweer u, dat ik niet weet wie deze deuren gesloten heeft,quot; zei Moritz bedaard; âmaar wie het ook geweest zij, ik dank er hem uit den grond mijns harten voor; wat hij dwingt u mij aan te hooren, en moge de liefde mijne woorden kracht geven, opdat zij uw hart vermurwen. Mijnheer de generaal, mevrouw, ik bezweer u, weest niet wreed, opent uw hart voor zachtere gevoelens! 'tls toch niet mogelijk dat bet doof zou zijn voor den smartkreet van uw eenig kind!quot;
Mühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. I. 13
194
âWelnu,quot; zei mevrouw, terwijl zij plotseling weder haar spottende kalmte aannam, en zich statig op den divan neder-liet; âdaar ik door een schandelijk verraad gedwongen word u aan te hooren, moge het geschieden. Beproef het dus, mijn hart,'t welk zooals ge zegt doof is, ooren te verschaffen. Laat mij de wonderen uwer welsprekendheid hooren!''
âAch, mijn Philip,quot; zeide Marie, zich met beide handen aan Philip's arm vastklemmende; âge ziet wel, alles zal vergeefs zijn.quot;
âLaat mij evenwel hopen, geliefde, dat het mij moge gelukken een vonkje van liefdevol medelijden te verwekken, zooals Mozes water uit de rots te voorschijn riep! Mevrouw, ge hebt mij voor een jaar geleden schandelijk uw deur gewezen; met woorden vol spot en hoon hebt ge mij verboden ooit weder dezen drempel te betreden. En indenop-gewekten trots mijner ziel zwoer ik, dat dit nooit gebeuren zou; â dat ik nooit weder spreken zou tot degenen, die mij zoo diep beleedigd hadden. Maar al deze eeden zijn uitge-wischt door de liefde, door de heilige, reine liefde, die mij aan dit dierbaar wezen verbindt. Wij hebben beiden een troosteloos, ellendig jaar lang beproefd, gescheiden van elkander te leven. Wij wilden, zoo niet vergeten, dan toch ontberen. Marie onderwierp zich, als een gehoorzame dochter aan uwe bevelen, en gaf mij den ring terug dien ik eens, in een groot en heilig oogenblik, aan haren vinger had gestoken; ik ontsloeg haar van haren eed van trouw, en liet de geliefde mijner ziel vrij! Maar 'tis vruchteloos geweest! Ik heb in dit jaar geworsteld met de smart, zooals in de woestijn een hulpeloos mensch met de slang worstelt, die hem omstrikt heeft. Ik ben schier krankzinnig geworden van deze smart; en zou het zeker geworden zijn, zooniet het troostwoord van een edelen en grooten geest mij opgewekt had uit mijne verslagenheid, en zoo niet de liefde weder als een zonnestraal de duisternis mijner ziel verlicht had. Ik luisterde niet meer naar den gekrenkten trots, naar mijn beleedigd eergevoel; de liefde gebood mij hierheen te gaan ... en hier ben ik. En in het bijzijn uwer ouders vraag ik u thans, Marie; wilt ge mijne vrouw zijn, wilt ge mijn armen, onaanzienlijken naam aannemen, en tevreden zijn, met aan mijne zijde een stil, bescheiden leven te leiden V Ik zal slechts zóóveel kunnen verdienen om ons een stil,
195
huiselijk, tevreden leven te verzekeren; ik heb u geen glans, geen schatten aan te bieden; maar ik bied u mijn leven, mijn hart en mijne liefde, mijn geheele zijn en denken. Neemt gij het aan, Marie?quot;
âIk neem het aan als het hoogste geluk des levens. Ik begeer niets dan uwe liefde, want ik breng u niets dan mijne liefde. Ziehier, mijn hand; zij behoort slechts u! En nu, kom, laat ons in ootmoed de knie buigen voor mijne ouders, laat ons bidden om hunnen zegen! Ach, mijn vader, mijne moeder, laat u bewegen door mijn smeeken. Ziet dezen geliefden man! Mijn geheele hart behoort hem; ik begeer niets dan met hèm te leven, met hèm te werken! Geen rijkdommen, geene schatten zijn er voor mij buiten die, welke ik in zijne liefde vind!quot;
âMijnheer de generaal, mevrouw, geef mij de vrouw mijns harten,quot; riep Philip Moritz diep bewogen ; â't is waar, ik ben haar niet waardig; ik hel) haar geen naam, geen stand aan te bieden, maar ik zweer, ik wil dit alles voor haar trachten te verwerven! Ik wilpogen mij door mijne bekwaamheden en mijne talenten, een beroemden naam te maken, en ge zult het misschien eenmaal aan mijnen roem vergeven, dat ik slechts een edele man en geen edelman ben. Wilt geen twee harten scheiden, die elkander behooren! Neemt mij aan tot uwen schoonzoon, en ik zweer, ge zult steeds aan mij een verkleefden, trouwen zoon hebben, die u beminnen en vereeren zal ter wille van uwe dochter. Ik kan niets meer zeggen ; er zijn geen woorden om geheel en volkomen datgene uit te drukken wat ik gevoel. Maar de liefde trekt mij op mijne knieën neder; de liefde maakt mij ootmoedig als oen kind voor zijne ouders! En zoo bid ik: Geeft mij uwe dochter! Geeft mij haar tot vrouw!quot;
âEn zoo bid ik,quot; riep Marie, terwijl zij nevens Moi'itz op hare knieën nederzonk: âgeeft mij mijn geliefde! Geeft mij hèm tot man!quot;
Het was een fraai hartroerend gezicht, dit jonge paar te zien, 't welk daar op zijne knieën lag, de aangezichten schitterend van geestvervoering, do oogen vlammend van 't vuur van het verhevenste gevoel, beiden doorglocid van hetzelfde verheven, krachtig bewustzijn, dat zij één waren in liefde, en bereid om met de geheele wereld te strijden voor hun geluk!
196
Maar het hart van mevrouw von Werrig werd niet ge-troiïen door dit gezicht, en de generaal had te veel pijn aan zijn arme, door de jicht gefolterde leden, om den blik te kunnen wenden naar deze fraaie, jeugdige groep van liefde, moedige beradenheid en teederste opoffering. Buiten echter lag de oude Trui op hare knieën, en haar gevouwen handen opheffende, fluisterde zij, terwijl de tranen als heldere parels over hare oude wangen rolden ; âLieve God, ik weet wel, dat bij hèn geen ontferming is, ontferm Gij u dus, lieve Heer en God. Laat mijn lieve Marie gelukkig worden ; duld niet dat deze liefdelooze vrouw haar verkoopt en koppelt aan den slechten mensch, dien mijn Marie verfoeit. Ik weet wel, ik ben slechts een arm schepsel en niet waardig dat Gij haar antwoordt, lieve Heer en God. Maar ik heb het meisje even lief als ware het mijn eigen kind, en ik zou mijn hartebloed voor haar willen geven. Lieve Heer en God, ik smeek u, laat mijn Marielje gelukkig worden! â Zoo,quot; voer zij voort, terwijl zij zich van hare knieën oprichtte; ânu heb ik gesproken en laat alles aan God over, en Hij zal doen wat goed is. Zij heeft hem moeten aan-hooren, en als 'l niet anders zijn /can, moet hij heengaan.quot;
Voorzichtig en zacht ontsloot de oude Trui weder de beide deuren, en luisterde naar hetgeen nog volgen mocht. Neen! Trui had gelijk; bij haar was geen ontferming. Het hart der generaalsvrouw was niet te vermurwen.
âGe zijt nu gereed, nietwaar?quot; vroeg zij met haar scherpe, onbewogen stem; âge hebt mij niets meer te zeggen?quot;
âNiets meer, mevrouw, met onze lippen; slecht onze harten spreken en bidden nog tot u!quot;
âIk ken deze taal niet, mijnheer, en 't is u niet gelukt mijn hart ooren en gehoor te geven. Maar ik wil nu in dezen onaangenamen strijd het laatste woord spreken, â het laatste woord, hoop ik, voor het geheele leven. Dit laatste woord luidt: gij zult en kunt nooit de man mijner dochter worden. Gij beiden kunt nooit een paar worden?quot;
De beiden jongelieden sprongen van hunne knieën overeind, en staande legden zij hunne handenineen,enaanschouw-den elkander met een schitterenden blik, die beter dan alle woorden zeide: Niets kan ons scheiden dan de dood!
âIk begeer dat ge mij niet in de rede valt,quot; ging mevrouw von Werrig gebiedend voort: âIk heb u aangehoord, nu
197
moet ge ook mij hooren. Maar ik beloof u, ik zal korter zijn dan gij ; ik zal u niet met nuttelooze woorden en vervelende klaagliederen lastig vallen. Ik zal slecht zeggen wat tot de zaak noodig is. Marie is de dochter van den generaal Werrig von Leuthen, wiens naam met hem zou uitsterven, zoo de gunst en genade des Konings dit niet verhinderde, door te bewilligen dat de echtgenoot, dien wij onze docliter willen geven, onzen naam aanneemt en daardoor tot onzen werkelijken zoon wordt. Gij moogt nu in uw burgelijken hoogmoed, â en met den trots dien ge er over gevoelt dat de dochter van den generaal von Werrig u bemint, â misschien zeggen en denken, dat gij deze echtgenoot en deze schoonzoon zoudt kunnen zijn. Maar hiertoe ontbreekt u tweeërlei; ten eerste hetnoodzakelijkvermogen, en ten tweede de toestemming van den Koning en van den generaal von Wer-rig Waart ge een rijk man, nu ja, dan zou het mogelijk zijn dat wij ons lieten bewegen door de teerdere verliefdheid van onze dochter, en onzen eigen afkeer om harentwille zouden overwinnen. Maar ge zijt arm en zonder middelen; ge zijt van nederige afkomst en neemt in de samenleving een ondergeschikte positie in. Het zou een ware bespottelijkheid zijn, zoo men den schoolmeester Moritzplotseling in een heer von Werrig-Leuthen wilde herscheppen, en ge begrijpt dat de Koning tot deze bespottelijkheid de hand niet zal leenen. De schoonzoon van den generaal von Werrig moet een rijk man zijn, om aan zijn nieuwen adel in de maatschappij beteekenis te kunnen geven; en er is gelukkiger een vrijer om de hand mijner dochter, die deze noodwendige eigenschap bezit, en dien wij dus zijn aanzoek om de hand van Marie hebben toegestaan. De Koning heeft in onze keuze toegestemd en bewilligd, dat de rijke bankier Ludwig Ebenstreit onze schoonzoon worde en onzen naam drage. De Koning heeft in dezen brief, die hier op de tafel ligt, â en welks geheelen inhoud aan Marie bekend is, â de belofte gegeven, dat hij den bankier Ebenstreit in den adelstand zal verheffen, en slechts twee voorwaarden gesteld: namelijk, dat de bankier zijn burgerlijk beroep late varen en als particulier van zijne renten leve, en dat het huwelijk van het jonge paar niet eerder plaats hebbe, dan wanneer de adelbrief'voor den bruidegom uitgevaardigd en gepubliceerd zal zijn; opdat de dochter van den generaal von
198
Werrig geen mesalliance doe. Ge weet nu alles, en zult eindelijk begrijpen, dat er voor u niets anders overblijft dan uwen dwazen wensch te bedwingen, verschooning te vragen voor de verregaande onbeschaamdheid, waarmede gij het gewaagd hebt ons huis binnen te dringen, en u ten spoedigste te verwijderen. Indien mijne ooren mij nietbedrogen hebben, heeft uwe medeplichtige de deuren weder open gesloten. Ik geloof dat ik mij niet vergist heb; want ofschoon mijn hart ook geen ooren heeft, â mijn hoofd heeft ze des te beter. Wij zijn ten einde; ik ontsla u van den plicht vergilfenis te vragen, en zoo besluit ik dit onaangenaam tooneel met de woorden, waarmede ik het geopend heb: Daar is de deur! Vertrek!quot;
âJa; daar is de deur, vertrek!quot; riep de generaal: âIk wil eindelijk rust hebben, ga! Mijn dochter is de verloofde bruid van den rijken heer Ebenstreit, en zal zijne vrouw worden, zoodra diens adelbrief uitgevaardigd en gepubliceerd is. Ga!quot;
Het jonge paar stond nog steeds hand in hand, en nu wendden zich hunne blikken, â die tot nu toe op mevrouw von Werrig gericht waren, â- tot elkander. Toen hunne oogen elkander ontmoetten,schitterdeereenstraalvanhemel-sche verrukking in, en een glimlach speelde om hunne lippen.
âIs het waar, Marie?quot; vroeg Philip Moritz: âSpreek, mijn geliefde, is het waar? Wilt gij de echtgenoote van den rijken heer worden, dien uwe ouders voor u gekozen hebben?quot;
âNeen, Philip,quot; antwoordde zij kalm; âneen, ik zal nooii de echtgenoote van dezen man worden, want ik bemin hem niet. Ik bemin slechts u, â en hier, voor Gods aangezicht, in de tegenwoordigheid mijner ouders, herhaal ik den eed, dien ik u voor een jaar geleden gedaan heb; â Ik bemin u en zweer u trouw tot in den dood! â Zij mogen mij kunnen beletten uwe gade te worden, maar zij kunnen mij niet dwingen de gade van een ander te worden. Ik zweer, dat ik, zoo ik uwe vrouw niet kan worden, nooit huwen zal!quot;
âIk neem uwen eed aan, mijne geliefde, en God heeft hem gehoord,quot; zie Moritz plechtig.
âIk heb hem óók gehoord,quot; riep mevrouw von Werrig schouderophalend: âen ik zeg u, â deze romanheldin zal eene meineedige worden. Ik zal wel middelen vinden om haar te dwingen haren dwazen eed te breken!quot;
109
âOf wij, mevrouw,quot; zei Moritz met een trotschen glimlach: âwij zullen misschien middelen vinden, dit huwelijk, 't welk gij beraamt, te heiemmeren of veeleer de echtverbintenis te verhinderen.quot;
âHa,quot; riep mevrouw von Werrig met een spottenden lach; âik zou toch wel nieuwsgierig zijn dit middel te kennen. Mijn dochter is vanaf dit uur de verloofde bruid van den heer Ebenstreit, en de huwelijksvoltrekking zal plaats hebben, zoodra âquot;
âZoodra de adelbrief uitgevaardigd en gepubliceerd is geworden. Dat is het juist! Dat Is immers de voorwaarde, die vervuld moet worden. En daarom zeg ik u, mijn geliefde, wacht en hoop! Deze vrouw is zonder medelijden en ontferming geweest, maar God leeft in den hemel, en Frederik de Groote op aarde! Wacht en hoop! Wees standvastig in hoop, trouw en liefde. Laat den moed niet zinken; en u noch door bedreigingen, noch door toorn tot toegeellijkheid dwingen. Zie, mijn dierbare, ik heb op de geheele wereld niets dan u, bemin niets dan u, vertrouw op niets dan op u! Gij zijt mijn hoop, mijn doel, mijn levensgeluk! Zoo gij mij verlaat, verlaat mij mijn goede engel, en ben ik een rampzalig, verloren mensch, wien het beter ware in den diepsten afgrond te werpen, dan hem de foltering van een gebaat leven nog langer te laten dulden! Het bewustzijn uwer liefde maakt mij sterk een blijmoedig; het zal mij opwekken om te strijden als een held voor de geliefde, dierbare vrouw, voor wie ik mijn leven wil geven, om het nieuw, gelouterd en geheiligd van haar te ontvangen! Het bewustzijn u verloren te hebben, zou mij tot een verlorene maken!''
Zij legde hare beide handen op zijn schouders, en staarde hem met schitterende oogen in het gelaat.
âIk bemin u, Philip, en zweer dat ik nooit een ander beminnen, nooit met een ander huwen zal. Wij willen moedig zijn in hoop, dapper in standvastigheid. En hoor het. mijn geliefde, en hoor het ook, moeder: Ik verloof mij aan dezen geliefden man! Ge kunt mij thans beletten zijne gade te worden; maar dan zeg ik hem: Wacht, mijn geliefde! Over vier jaren ben ik meerderjarig, meesteres van mijn wil, â en dan, mijn dierbare Philip, dan geef ik mij u tot vrouw. Laat ons dus hopen en wachten!quot;
âJa, Marie, wachten en hopen. Vaarwel, dierbare, vergeet
200
bet niet! Er leeft een groote God in den hemel en een groot Koning op aarde. Vaarwel!''
Hij drukte een langen, gloeienden kus op de kleine hand die de zijne omklemd hield, en met den druk harer teedere vingers zoo welsprekend de woorden herhaalde, welke Marie's lippen gesproken hadden: âIk hemin u, en zal u eeuwig trouw zijn!quot;
Toen zagen zij elkander aan, gelukkig, vol zaligheid, zelfs nu in dit zware oogenblik van scheiden. Hij wendde zich naar de uitgangsdeur; Marie, steeds hare hand nog in de zijne, geleidde hem daarheen.
âVerstout u niet nog één schrede verder te gaan!'' riep mevrouw von Werrig haar gebiedend toe, en Marie, gehoorzaam aan haar bevel, âbleef aan de deur staan, knikte hem toe, en zag hem na met hare groote, schitterende oogen, totdat de deur zich achter hem sloot.
Buiten bij de deur stond de oude Trui. âMijnheer Mo-ritz,quot; fluisterde zij; âik zal eiken morgen om zeven uur ginds bij den bakker zijn, en wachten of ge mij iets te bestellen hebt. Het kon ook zijn, dat ik u soms iels te bestellen had. Dus kom!quot;
âIk zal komen, goede oude,quot; zei Moritz vriendelijk: âgij zijt hier de eenige, die het goed met ons meent. Bescherm mijn engel; troost haar met uwe liefde, en als men het al te erg mocht maken, kom dan en roep mij.''
âJa, dat zal ik, mijnheer Moritz, gewis dat zal ik. Maar luister, de booze mevrouw gromt en scheldt weder op onze arme engel. Ik wil binnengaan, om mijn Marietje tot bliksemafleider te dienen. Ik doe dit vaak, en 't doet mij genoegen als hare pijlen zoo op mijne oude, harde huid ne-dervallen en mij toch volstrekt geen leed doen. Vaarwel, mijnheer Moritz, de bliksemafleider moet naar binnen!quot;
Zij ijlde heen, trok de deur der woonkamer open en stoorde door haar plotselinge en luidruchtige verschijning de generaalsvrouw in de toornige verwijten, die deze in een woedenden woordenstroom tot Marie richtte. Nu keerde zich de toorn der gravin tot Trui, die haar met tartend gelaat aanstaarde.
âWat wilt ge hier? Hoe durft ge u verstouten hier ongeroepen binnen te komen?quot;
âIk dacht dat ge mij geroepen hadt, mevrouw,quot; zei Trui
201
barsch ; âwaarom zoudt ge anders zoo geschreeuwd hebben als ge de oude, doove Trui niet geroepen hadt. Of was 'tde heer generaal, die mij riep? Ach, daar ligt de arme oude heer en kermt en jammert, en niemand ontfermt zich over hem!quot;
âAch, Trui, 't is een geluk dat gij er zijt,quot; jammerde de generaal; âniemand anders bekommert zich om mij. Heete dekens, heete dekens voor mijn been! De pijn is vreeselijk!quot;
âArme, geliefde vader,quot; riep Marie; âik wil voor u zorgen, ik wil li verplegen.quot;
Zij wilde zich tot den generaal begeven, maar hare moeder stiet haar heftig terug.
âGeen stap verder,quot; gebood zij; âgij hebt het recht niet meer hem te naderen, gij, zijn moordenares! Op my hoofd kome de schuld, zoo de toorn en het verdriet van dit vreeselijk uur hem den dood brengen!quot;
âNu, nu, sterven zal de heer generaal niet zoo dadelijk,quot; zei Trui, die bezig was het den generaal in zijn leunstoel gemakkelijk te maken: âMaar, freule, ge hebt gewis wel wat anders te doen dan hier te staan! Men heeft reeds tweemaal om de bloemen gezonden; en de mamsel, van welke ge een Francaise moet maken, zit boven en wacht op heiparlez-voiis. Maak dus dat ge boven komt, freule.quot;
Marie dankte haar met een vriendelijken blik, en verliet stil en haastig de kamer.
âEn nu, onbeschaamde,quot; riep de generaalsvrouw; ânu heb ik een woord, een laatste woord met u te spreken. Wie heeft straks de deuren gesloten, toen die man hier was?quot;
âIk, mevrouw,quot; antwoordde Trui, die juist weder met een groot kussen uit de achterkamer kwam, en het naar den generaal bracht, om er zijne voeten in te hullen.
âGij bekent dus dat ge opzettelijk de deuren gesloten hebt?quot;
âNu, allerbeste mevrouw, bij vergissing sluit men toch geen deuren? Ik wilde niet dat mijnheer Moritz soms van angst en schrik zou wegloopen, als mevrouw hem zijn standpunt duidelijk maakte, en zijn hoofd terechtzette. Hij zou 't gedaan hebben, geloof mij, mevrouw; hij zou zekerlijk ontsnapt zijn, en slechts de helft van uw fraaie rede hebben gehoord, en 't zou hem niet duidelijk zijn geworden
202
welk een armzalig mensch hij is. Daarom sloot ik de beide deuren; en nu heeft hij de geheele strafpredikatie moeten hooren, en is gewis berouwvol en verpletterd heengegaan. Zoo, mijn arme, lieve heer generaal Ligt de voet hoog genoeg? Moet ik soms nog een warme ilesch halen?quot;
,,Niets zult ge halen, volstrekt niets meer zult ge doen,quot; riep de gravin; âge zijt een huichelaarster, die het met Moritz eens is. In dit uur nog verlaat ge mijn huis! Ge zijt uit mijn dienst ontslagen ! Ga, en pak uwe zaken bijeen, en dan voort met u !quot;
âOm Godswil, Trui, ga niet heen,quot; kermde de generaal; âwij hebben dan immers niemand die mi] helpt!quot;
âJa,quot; zei Trui, de schouders ophalende: âhet kan toch niet anders; zij geeft mij mijn paspoort, en ik moet natuurlijk opstappen. Dus, mevrouw,quot; vervolgde zij, de generaais-vrouw met eerbiedige houding naderende; âik moetdadelijk, onverwijld inpakken en vertrekken?quot;
âDadelijk, onverwijld, valsch schepsel!quot;
âDadelijk, onverwijld. â Maar, zóóveel tiid zal het zeker nog wel hebben, dat mevrouw eerst zoo goed zij met mij af te rekenen! Zooveel tijd zal 't nog wel hebben dat mevrouw eerst de oude Trui haar achterstallig loon betaalt.quot;
âJa,quot; zei de gravin eenigszins aarzelend; âdat zal terstond geschieden.quot;
â't Zal terstond geschieden,quot; herhaalde Trui; ânu, ja, 't zal niet zoo moeielijk zijn de rekening op te maken. Ik ben thans twintig jaren in uw dienst;âjuist zoo lang als ons Marietje oud is, want ik kwam bij u als kindermeid, en heb Marietje opgepast en verpleegd, heb haar leeren loo-pen en spreken, en een weinig voor moeder gespeeld bij het lieve kind, Nu, dèstijds kreeg ik mijn loon, want het waren goede tijden. Maar vervolgens kwam de pensioentijd, en wij konden geen keukenmeid en geen knecht meer houden. De ratten loopen altoos weg, als het schip een lek heeft. Maar, de oude mol Trui bleef. De mensch is immers in de wereld om te werken, en waarom zou ik niet een weinig voor knecht èn keukenmeid èn kamenier hebben gespeeld, toen mijn engel, Marietje, mij niet meer zoo veel noodig had. Zoo werd ik dus meid voor alles, en ben het sedert gebleven. Toen ik dezen nieuwen, grooten dienst tien jaren geleden bij u aanvaardde, was mevrouw ook zeer
203
goed voor mij; toen zeide mevrouw: Trui, ik geef li nu natuurlijk clubhei loon. Ge krijgt nu jaarlijks twintig thalei', en met Kerstmis nog vier thaler. Is het niet zoo, mevrouw?quot; âIk geloof dat het zóó afgesproken was.quot;
âEn ik weet het volkomen zeker,quot; riep de geneïaalleven-dig, die nu eerst de handelwijze van Trui begon te begrijpen; âja, Trui zou jaarlijks twintig thaler hebben, maar zij heeft ze nooit gekregen; wij zijn haar alle jaren meer dan de helft schuldig gebleven. Ge weet immers, vrouw, ik heb steeds onze schulden geboekt, en wij hebben voor een paar dagen geleden â O wee, o wee de pijn! Trui, help mij, dek den voet warmer toe! â wij hebben voor een paar dagen geleden 't nog samen uitgerekend. Wij zijn aan Trui honderddertig thaler schuldig.quot;
,;Honderddertig thaler,quot; herhaalde Trui, de handen verwonderd ineenslaande; âis het waar, mevrouw, zóóveel geld wil mevrouw mij nu betalen? ü, dat is heerlijk ; dan word ik immers nog een rijke partij, en krijg ten leste zelfs nog een man! Ik bid u, goede mevrouw, geef mij toch spoedig mijn honderddertig thaler.quot;
âZóó schielijk gaat dat nu niet,quot; zei de gravin trotsch; âwij hebben tezamen uitgerekend hoeveel geld ge van uw loon bespaard, en bii ons uitstaande hebt, wijl âquot;
âMijn God,quot; viel Trui haar in de rede; âge zijtzoohe-melsch goed; ge noopt mij te sparen, en zijt zelve de spaarkas, waar ik mijn geld beleggen kan!''
âOmdat,quot; ging de gravin met nadruk voort, â zonder op dezen tusschenzin te letten; âomdat wij u uwe spaarpenningen thans wilden doen uitbetalen door onzen aanstaanden schoonzoon.quot;
âDoor den bankier Ebenstreit?quot;
âJa, door den rijken bruidegom onzer dochter. En hierbij moge het nu ook blijven. Ik heb op 't oogenblik niet zooveel los geld in huis, om uw loon te betalen.quot;
âMevrouw veroorlooft mij toch zoolang hier te blijven, en als te voren mijn diensten te verrichten, tot de lieer Ebenstreit de bruidegom onzer freule is, en mij mijn loon in uw naam betaalt?''
âJa, Trui, dat vergun ik u,quot; zei mevrouw von Werrig met een genadig gebaar; âge zoudt dus zeer verstandig doen met de freule te overreden, dien rijken minnaar aan
204
te nemen; â want als zij haar jawoord geeft, en zijn bruid wordt, zult gij geen honderddertig, â maar volle tweehon-thaler ontvangen.quot;
âVolle tweehonderd thaler!quot; riep Trui verheugd; ,,Nu, aan mij zal 't niet liggen; ik zal gewis alles doen om mijn tweehonderd thaler te verdienen. En dus mag ik nu tot aan de verloving nog hier blijven, mevrouw?''
âJa, dat moogt ge.quot;
âIk dank u zeer, mevrouw. En nu, heer generaal, wil ik u schielijk een paar heete omslagen maken. Die zullen u £?oed doen!quot;
o
VII.
CARL-AUGUST EN GOETHE.
âZeg mij nu eei'lijk en oprecht, Wolf,''sprak hertog Car 1-August, â terwijl hij zich behagelijk op de sofa uitstrekte, en groote rookwolken uit zijn lange pijp blies; â âzullen wij nog langer in dezen grooten, hatelijken, monsterachti-gen steenhoop, Berlijn genaamd, omzwalken? Zullen wij ons nog langer met sierlijke strijkages links en rechts, met infaam- zoete spreekwijzen, met fraai-klinkende, vlei-end-bedriegelijke frazen ons in dit monster van stof en steen, van zand en zonnegloed, van parades en slobkousen bewegen ? Of hebt ge er genoeg van hier de generaals te zien pronken en de vrouwen zich opschikken, en als razenden door de lange straten te rennen, om hier een erbarmelijke kerk, ginds een grootsch paleis te bezichtigen ? Zijt ge het moede hier slechts als een van de velen rond te kruipen, terwijl ge elders als de ééne eenige tusschen de velen gaat? Zijt ge 't moede uw leerling en vriend Garl-August hier als een klein, erbarmelijk individu met liefelijke beloften, met ijdele klanken afgescheept te zien, zonder dat hij hierop met een krachtig DonnenveUer! kan antwoorden, en â Ach, ik heb een gevoel als moest ik mij zeiven in een pistool laden, en mij met een duchtigen knal naar mijn lief Weimar schieten. Wolf, ik bid u, Wolf laad mij, en druk af, â ik kan niet meer. Spreek nu! Antwoord!quot;
205
âIk antwoord, ik druk af, mijn veelgeliefde heer,quot; riep Goethe lachend; âik was zelf reeds geheel buiten adem van de adetnlooze rede. Was zij van mijn waarden Vorst'zelve, of hebben wij haar nagezegd uit Klingers's geweldigen kot-h urn tred ?quot;
âBeschuldigt de booze man mij van diefstal, in plaats van te antwoorden?quot; riep de hertog lachend: âNu ja, listige Woff, ge hebt gelijk; het was een lapsus, en ik dacht juist aan Klinger en harmonieerde met zijn heftigen jongeling Wild, die zweert dat hij bij al dat zoet gelleem lust krijgt zich over een trom te laten spannen, of in don loop van een pistool te kruipen, naar de hand wachtende, die hem in de lucht moet schieten. Mij is 't ook zoo pistool-knallerig, zoo Klinger's storm- en diang-achtig!quot;
Goethe schoof de tafel met het ontbijt, waaraan zij gezeten, â en zich verkwikt hadden, ter zijde, stond op en richtte zijn slanke gestalte omhoog; hief het edele hoofd lier op, en den eenen voet vooruitgezet, den rechterarm uitstrekkend, begon hij met luider stem: âHeisa, nu eens in het tumult en rumoer, zoodat de zinnen rondvliegen als weerhanen in den storm. Dat wilde gewoel heeft mij reeds zooveel welzijn toegebruld, dat het mij waarlijk een weinig beter begint te worden. Dol hart, ha, tier, en span u uit, laaf u met het geharrewar! Geharrewar! War!quot;
âBravo! bravo!quot; lachte de hertog: âIs het Klinger, of wie anders, die zich laatt met het geharrewar?quot;
âIk ben 't, die alles is, alles,quot; zeide Goethe, met verheven kothurntred als een kwikstaart heen en weder gaande: âIk ben 't die alles geweest is, alles! Ik werd handlanger, om iets te zijn. Leefde op de Alpen, hoedde de geiten, lag dag en nacht onder het oneindig gewelf des hemels, door de wilgen verkoeld en door inwendig vuur gebrand. Nergens rust, nergens duur. Zie, zoo dreig ik te bersten van kracht en gezondheid, en kan mij niet mager maken. Ik wil den veldtocht hier medemaken, dan kan mijn ziel zich uitrekken, en doen zij mij den dienst, en schieten mij neder, best!quot; 1)
âBravo, Wild, bravo!'' riep de hertog; âHa, hoe bliksemt en rolt en fonkelt dat! Mij doet het buitengewoon goed, in
1
Idem.
206
deze gods-jammerlijke, stijf-linnen sierlijkheid en opgeschikt-heid zoo'n paar krachtige woorden van een degelijk kracht-ffenie te hooren. Die kracht-genies zijn toch gezonde kerels, en er straalt iets uit hen van het Prometheus-vuur. Zij moeten immers komen, deze llinke, vurige jongens na de kinderachtige staartperiode; zij waren de volle, weelderige plant, en mijn Wolfgang, mijn boezemvriend, mijn poeet en onderwijzer, is de goddelijke bloem van deze plant. Daaiom laat ik ze gelden deze storm- en drangpoëten, want zij zijn de vaders en broeders van mijn Wolfgang van mijn gelouterd kracht-genie. Maar hoor. Wolf, doe mij één pleizier en louter u niet al te veel; laat uw goddelijk vuur maar altoos jrisch met vulkaansche vlammen opschieten, en zet geen potdeksel op den donderenden krater. Somwijlen, als ik u zoo opgeschikt en kinderlijk, zoo eenzaam en plechtstatig zie, word ik geheel angstig en bang, en vraag ik mij, of het dezelfde Wolfgang Goethe is, met wien ik vroeger bij vroohjke Bachusfeesten uit doodshoofden toosten dronk; dezeltde, met wien ik mij op het marktplein te Weimar, tot schrik der eerzame burgers, uren lang in het klappen met de zweep oefende; dezelfde die in de bergschacht zoo goddelijk een duet danste met de knappe boerendeerns, en onuitputtelijk was in het uitvinden van dolle streken. Dus zeg mij toch, mijnheer Wolfgang: zijt ge 't nog, of zijt ge een ander
geworden T' , t i ^ iu
Ik ben het en ben het ook niet,' antwoordde Goethe
o-limlachend: âer zit nog altoos wel een goede portie dolheid
in mij, en ik moet haar somwijlen nog uitbliksemen en uitdonderen; maar ik hoop dat daarna de lucht in mijn ziel steeds helderder zal worden, en zich boven den krater, waarvan ge spreekt, een welige tuingrond zal uitstrekken, waarop fraaie en geurige bloemen tot nut en vreugde mijner vnen-den en mij zei ven bloeien zullen. Somwijlen verlang ik naar dien tijd, als naar het beloofde land. Somwijlen schuimt en bruist en dondert het nog in mij, als gistende most, die alle deksels en hoepels zou willen doen springen, en met krachtige fonteinen van dollen lust ten hemel schieten
,Laat gisten en zieden; laat het deksel springen en de oude vaten bersten!quot; riep de hertog vroolijk: âIk hebei-vermaak en vreugde in, en hoe helscher leven ge maakt, des te sterker houd ik er mij van overtuigd, dat de gistende
207
most tot een wonderbaren wijn, een laafdrank voor goden en menschen, zal klaren, waarmede de wereld zich nog verkwikt, als wij allen reeds lang zijn heengegaan naar het rijk der schaduwen, des niets â óf van alles! Ge weet, mijn Wolf, ik vereer u en ben er trotsch op? dat ik u bij mij heb en dat ge tut. de mijnen behoort! Ik bezit wel is waar slechts een klein hertogdom, maar het is toch groot genoeg om er een behagelijk leven te leiden; groot genoeg voor den kleinen, aardschen hertog Carl-August en den grooten koning der geesten Johann Wolfgang. Laat ons dus terugkeeren naar ons lief klein land; want ik wil 't u bekennen, Wolf; ik verlang naar mijn Weimar,'naar het lieve kleinsteedsche leven, waar iedereen mij kent en groet; ja, ik verlang zelfs naar mijne honden en paarden.quot;
âEn ik,quot; zei Goethe; âwaarachtig, ik verlang óók naar mijn lief klein tuinhuis; naar het Tusculum, dat mijn grootmoedige en milde hertog mij geschonken heeft. Ik verlang er naar, op het balkon van mijn huisje, gehuld in den blauwen sterrenmantel des hemels, een stillen, lieven Meinacht, â slapend, droomend én wakend door te brengen.''
âVerlangt ge naar niets anders, Wolf? Naar niets anders dan naar het tuinhuis te Weimar?quot;
âNeen,quot; riep Goethe, en een onuitsprekelijke uitdrukking van vreugde en verrukking verheerlijkte plotseling zijn ge-heele wezen ; âneen, hoe zou ik het loochenen, hoe zou ik het kunnen. Het zou immers een verraad zijn tegen het hoogste en heerlijkste! Neen, ik verlang naar haar, naar mijne Muze, mijne meesteres, mijne âquot;
âGeliefde,quot; viel de hertog hem in de rede; âik bid u houdt u beiden niet zoo kinderlijk, zoo verbloemd en deugdzaam. Hebt toch den moed, â den frisschen, dapperen, goddelijken moed, om de schandelijke, huichelachtige welvoegelij kheidsmoraal bij den neus te trekken, en grooten fier heen te stappen over datgene, wat het kleine, erbarmelijke menschengewormte moraal noemt. Voor den arend zijn er toch andere zedewetlen dan voor de duif. Als de adelaar een lam wegvoert, en het. hoog met zich draagt in den ether naar zijn koningsnest, heeft hij dan niet gedaan wat recht is, en wat Gods genade aan zijne sterkte en hoogheid vergunde? Heeft, hij d;in niet even veel recht, als wanneer
208
(ie duif een erwt steelt, welke zij onder drek en stol op den grond vindt, en die toch óók niet haar eigendom is? Maar waarlijk; als de duif dan met haar erwt in den snavel opziet, en hoog boven zich den adelaar aanschouwt met zijn lam in de forsche klauwen, dan schreeuwt zij moord en hrand: âDat is een dief! Dat is een onredelijk schepsel!quot; Alsof een erbarmelijke duif in staat ware over een adelaar te oordeelen.quot;
âEen fraai beeld,quot; riep Goethe verheugd; âeen beeld dat mij tot een gedicht zou kunnen bezielen.quot;
âMaak er een van, Wolf, en noem het ter mijner gedachtenis: âDe adelaar en de duif!quot; â Maar, mnak ef ook werkelijkheid van, mijn jonge adelaar; ontvoer uw witte lam, neem het bovenwin uw adelaarsnest, en laat de kinderachtige wereld met haar onzedelijke moraal babbelen wat haar belieft. Hoe kunt ge het uithouden. Wolf, uw geliefde aan de zijde van een anderen man te zien? Wantzegen beken het eindelijk: zij is tóch uwe geliefde, de schoone Charlotte von Stein?quot;
âNiet zooals gij 't meent, hertog; niet in den gewonen zin des woords. Ik bemin haar, ik aanbid haar, maar 't is een reine, een grootsche en heilige liefde. Ik zou niet willen, dat Charlotte ooit om mijnentwille voor hare kinderen zou moeten blozen. Zij zou in mijn eigen ziel voor mij ontheiligd zijn, als ik mij haar ooit kon voorstellen met den gloed der schaamte op de wangen, en een ander vuur in de oogen dan het vuur der verrukking voor al wat groot, schoon en edel is. Zij is voor mij de inhoud van het reinst en liefelijkst vrouwelijk wezen, en ik aanbid haar. Ik verheug mij dat zij is zooals zij is,: als helder bergkristal, doorschijnend en klaar, zoodat men er zich in spiegelen kan, en als men haar aanschouwt, zichzelven in het diepst des harten ziet. Hoog boven alle vrouwen staat zij voor mij, en haar behooren al mijne gedachten, en zullen haar ook blijven behooren, zelfs zoo ik een andere vrouw in liefde omhelsde. Schooner is zij dan alle schoonen; reiner dan alle reinen; beminnelijker dan allebeminnelijken;en al mijne gedachten spelen voor haar in juichende harmonie een éénig schoon concert. Nu weet ge alles, hertog, en als ge wilt, zeg dan gerust dat Charlotte von Stein mijn geliefde is, â want in de hoogste beteekenis des woord is zij het!quot;
209
,,Ach, gij poëten, gij poëtenquot; zuchtte de hertog glimlachend; âeen weinig waanzin draagt ge toch allen in uwe hoofden, hoezeer ik ook toegeven wil, dat het goddelijke waanzin is.quot;
âZeg liever, hertog, dat het voor ons alle dagen Pinkster is, en de duif der verrukking zich alle dagen op onze hoofden nederzet, en ons spreken doet in alle talen!quot;
âIk zeg, dat gij de uit den hemel nedergedaalde god Apollo in eigen persoon zijt; en met goden mag men niet twisten ; men ziet wel dat goden in hunne hemelen andere wegen bewandelen, dan wij stervelingen op aarde. Ik wil er dan ook mede levreden zijn. Wolf, zoo zich nu en dan onze wegen kruisen, en wij soms in vriendschap en eensgezindheid een goed eind van onzen levensweg te zamen wandelen. Wij zijn thans op een vreedzame wandeling; en zoo 't mijnheer Wolf goedvindt, wilde ik dat wij ons terstond naar het lieve Weimar, â half dorp, half stad, â hegaven, en daar weder onze toevlucht zochten. Ik heb, zooals ik met u afgesproken had, den Koning van Pruisen laten berichten, dat ik er vooreerst niet in bewilligen kon, dat in mijn hertogdom onder de jonge mannen gewerfd werd voor 's Konings leger, vermits zulke wervingen door den Keizer en het Rijk zeer kwalijk konden genomen worden. Kortom, ik heb gesproken zooals mijn legatieraad Wolfgang Goethe in de voor mij uitgewerkte memorie, tot mij gesproken heeft. ^ Generaal von Müllendorf heeft dus voorshands van zijn eisch afgezien; wij hebben onze laatste conferentie gehad, en zoo het den heer le'ljatiéraad nu behaagt, konden wij heden namiddag van hier rijden, naar Dessau gaan, ons daar een dag ophouden, en vervolgens weder naar Weimar trekken.quot;
âMij is 't heel wel; 't is mij alsof plotseling aan den hemel een ster opging en mij wenkte om haar te volgen, zooals de herders op 't veld, toen zij het Christuskindje zouden vinden. Mijn Ghristuskindje met alle wondoren en heilige verrukkingen ligt in Weimar; en liever en zaliger is 't mij in zijn nederige, kleine kribbe, dan in al de paleizen en heerlijkheden van deze groote stad.quot;
1) Deze memoirie van Goethe over het werven van recruten, bevindt zich in; Briefwechsel des Groszherzogs Carl-August mit Goethe, Theil 1, s. 4 ff.
Mühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. I. 14
210
âNu Goddank,quot; riep de hertog een zucht van verlichting slakende : âge stemt dus met mij overeen, en het trotsche, valsche Berlijn houdt u niet in zijne tooverhanden?quot;
âNeen, het houdt mij niet, hoe lief 't mij ook was «r eens in te kijken, evenals het kind in de kijkkast. Gij weet het, mijn waardste, ik leef gaarne in aanschouwing; en duizend lichten zijn mij opgegaan hier in deze groote stad. Ook dat ik den ouden Frits heb gezien, en zijn wezen, zijn goud, zilver en marmer, zijne apen, papegaaien en gescheurde gordijnen; â ook dat verheugt mij zeer. Het is een aangenaam gevoel, aan de bron des oorlogs te zitten op het oogenblik dat zij dr%jt over te loopen. De pracht der koningsstad te zien, en leven en orde en overvloed, die er niet zouden zijn zonder de duizende menschen, bereid er voor geofferd te worden, en het bont gewoel van menschen, wagens, paarden, geschut en toerustingen. En dat alles toch slechts stiftenquot; uit het groote uurwerk, slechts poppen, die hunne beweging ontvangen van den grooten cylinder, Fridericus Rex geteekend; die de een na den ander hunne melodiën moeten zingen, al naar een van de duizend stiften van den grooten hoofdcylinder't hun oplegt. ')
âGe hebt gelijk den grooten man met den hoofdcylinder in het groote raderwerk van den Staat te vergelijken,quot; hernam de hertog: âhij regeert nog alles, brengt nog alles in beweging, en stoort er zich niet aan, als zijn kleine lomperds groote menschen beschimpen, 't Heeft mij soms het hart met woede vervuld, deze kerels zoo onbeschaamd te hooren schimpen, en tóch te moeten doen alsof ik het niet hoorde. Ach, Wolf, laat ons naar Weimar terugkeeren. Mij dunkt, de menschen zijn daar beter.quot;
âIn allen geval, bescheidener jegens ons, hertog, dan zij het hier zijn. Hoe grooter de wereld, des te vuiler de klucht, en geen hansworsterijen zijn zóó schandelijk en dom, als het wezen der grooten, middelbaren en kleinen door elkander. Ik heb heden morgen de goden gebeden, mij mijn moed en oprechtheid te laten behouden tot het einde, en liever dit einde te verhaasten, dan mij het laatste gedeelte
1) Goethe's eigen woorden. Zie: Goethe's Briefwechsel mit Frau von Stein, Th. 1. S. 168. â Merck: Briefwechsel. S, 139. â Reimer's Mittheilungen über Goethe Th. II S. 60.
211
tot aan het doel traag te laten voortkruipen. Maar de waarde, welke deze reis hierheen, voor mij en voor ons allen heeft, erken ik dankbaar. Ik bid de goden aan, en voel echter in mij moed genoeg hun een eeuwigen haat te zweren, zoo zij zich jegens ons willen gedragen als hun evenbeeld, de menschen.quot; ^
âGe zijt dus hier reeds klaar met hen, Wolf?quot;
,.Bijna, mijn waarde Carl, of zoo ge wilt, reeds geheel. Slechts wil ik nog tot afscheid een paar bezoeken afleggen, opdat de menschen mij niet al te erg verketteren, en voor trotsch en hoogmoedig uitkrijten.quot;
âWijl zij zeiven trotsch en opgeblazen zijn, en zich vermeten te denken, dat Wolfgang Goethe huns gelijke is, en hun derhalve eerbiedig het hof moet maken. Ik hoop ten minste, dat ge niet naar den hoogwijzen heer Nicolai gaat; den nuchteren prozaïst, den opgeblazen verstand-mensch, die meent dat hij met zijn verstand alles kan doorgronden, en tóch met al zijn verstand een ware ezel is!quot;
âNeen, ik ga noch naar Nicolai, noch naar Rammler en Engel, of hoe zij allen heeten mogen, deze schrandere heeren auteurs van Berlijn. Ik ga slechts naar den teekenaar en kunstenaar Chodowiecki: naar de goede mevrouw Karsch, de 'gelegenheidsdichteres, en eindelijk naar den philosoof Mendelssohn. En dan, âals het mijn lieven heer en vriend behaagt, â rijden wij heden namiddag weg, en schudden het stof van het zandige Berlijn van onze voeten.quot;
âIk begin er reeds mede,quot; zei de hertog; âterwijl gij uwe bezoeken gaat alleggen. Wilt ge mijn rijtuig nemen? Ge weet immers, er staat steeds een rijtuig uit den koninklijken stal, beneden op de plaats voor mij gereed.
âDe hemel beware mij! Men zou moord en brand schreeuwen, zoo ik in een koninklijk rijtuig aan de deuren der poëten kwam, en men zou weder zeggen: Wolfgang Goethe heeft den poëet geheel en al afgelegd om slechts de heer legatieraad te zijn. Neen, ik ga te voet, en ik heb er pleizier in, door het menschengewoel te dringen, en de cu-rieuse Berlijnsche straattaal een weinig te bestudeeren!quot;
1) Goethe's eigen woorden, Zie Goethe's Briefwechsel mit Frau von Stein, Th. I. S. 169.
212
VIII.
GOETHE'S BEZOEKEN.
Na van zijn vorstelijken vriend afscheid te hebben genomen, begaf Goethe zich op weg, om zijne visites te'maken.
Hij ging eerst naar Chodowiecki, den grooten teekenaar en kopergraveur, wiens roem reeds destijds door geheel Duitschland verbreid was.
De kunstenaar was in zijn atelier, en werkte ijverig aan de karakterfiguren voor de âMimik,quot; het nieuwste werk van professor Engel, â toen Goethe, door een dienstmaagd aangediend, bij hem binnentrad.
âMeester,quot; zeide hij glimlachend, terwijl hij Chodowiecki de hand bood: âik kom u dank zeggen voor de vele schoone en gelukkige uren, welke mijne vrienden en ik u schuldig zijn. Gij schildert met de graveernaald en dicht met het penseel; ge zijt een kunstenaar van Gods genade.quot;
âAls de dichter Goethe mij dat zegt, moet er wel iets van aan zijn,quot; zei Ghodowiecke met opvlammende blik: âik dank hem de schoonste en beste uren mijns levens, en daarom maakt het mij trotsch en gelukkig, zoo ik door iets wat ik gedaan heb, een weinig van mijn dank en mijn vreugde heb kunnen afdoen. De eenige zalige tranen, welke ik onder de vele bittere geweend heb, heb ik geetort bij Werther's lijden. Uw Götz von Berlichingen heeft mij zóódanig verrukt, dat hij mij zelfs des nachts in den droom verscheen, en mij geen rust liet, tot ik eens midden in den nacht mijn bed verliet, licht ontstak en Götz teekende, zooals hij op de bank in het bosch zit, en met broeder Martin spreekt. Wacht, ik zoek de teekening, gij moet haar zien!quot;
Hij opende haastig zijn portefeuille en zocht onder de teekeningen het groote vel papier, 't welk dit tooneel uit Götz voorstelde.
Goethe beschouwde het opmerkzaam, en gaf luid zijn vreugde te kennen over de correcte teekening en de dramatische opvatting, en zag niet, â of wilde't misschien niet zien, â dat terwijl hij de fraaie teekening van Chodowiecki beschouwde, de kunstenaar, zijwaarts van hem staande, ijverig bezig was, met potlood op een blad papier dat voor hem op een tafeltje lag, te teekenen.
213
âHoe wonderschoon hebt ge mijn Duitschen ridder wedergegeven,quot; riep Goethe na lange beschouwing: âde geheele krachtige stoute middeleeuw spiegelt zich in deze figuur af, en zoo ik Götz von Berlichingen nog niet geschreven had, zou 't gezicht van deze teekening mij er wellicht toe opwekken. O, gij kunstenaars zijt toch een benijdenswaardig volk. Waartoe wij duizende woorden noodig hebben om het uit te drukken, stelt ge ons voor met weinige lijnen; en één streek is u voldoende, om een lachend gelaat in een weenend te veranderen. Hoe zwak is toch het woord, en hoe krachtig het penseel. Ik wenschte dat ik het talent had een schilder te zijn!quot;
âÃn ik,quot; riep Chodowiecki; âik zou al mijne penseelen, mijne potlooden en graveernaalden den duivel in 't gezicht willen werpen; â ik zou zelfs mijn ziel willen verkoopen, zoo ik daarvoor de ziel en het genie van den dichter Wolfgang Goethe in mij kon opnemen. Welk een mensch is hij ! en welk een profiel hebben de goden hem gegeven! Hier ! Zie eens, of ge op aarde ooit een mensch hebt gezien met zulk een profiel!quot;
En hij reikte Goethe het papier, waarop hij geteekend had, en waarop zich nu, â met weinige geniale trekken geschetst, â het sprekend gelijkend profiel-portret van den dichter bevond.
Goethe beschouwde het met het gelaat van een criticus, â't is waar,quot; zeide hij volkomen ernstig: âer zijn misschien niet veel menschen met zulk een profiel, maar ik kan uw meening niet deelen, dat de goden aan dit profiel zouden gewerkt hebben. Veeleer komt het mij voor, alsof de schrijnwerker deze scherp geteekende trekken uit eikenhout had gesneden, en een zeer onuitstaanbaar karakter meen ik in dit profiel te lezen. Ik ken natuurlijk den mensch niet dien het portret voorstelt, maar ik moet u zeggen, mijn waarde meester, dat mij deze mensch, dien ge hier geportretteerd hebt, â en wiens portret, zooals ik zou durven zweren, sprekend gelijkt, â dat mij deze mensch volstrekt niet zou bevallen. Deze scherpe, gebogen neus heeft iets onbescheidens en aanmatigends; het voorhoofd is wél hoog, en schijnt met gedachten vervuld, â maar zijn terugloopende linie bewijst, dat deze gedachten slechts vluchtig zijn, en zich in damp verliezen. De mond, met zijn omgekrulde lippen, heeft
214
een onuitstaanbaren trek van domme goedhartigheid en sentimentaliteit; de sterk vooruitstekende kin zou den roover-hoofdman Cartouche kunnen behooren, en deze groote gespalkte oogen met den gekunstelden blik, bewijzen volkomen welk een opgeblazen fat deze mensch is, die zich misschien verbeeldt, dat alle vrouwen op zijne tronie verliefd zijn.Neen, neen, ik blijf er bij, het oorspronkelijke van dit portret zou mi] nooit of nimmer kunnen bevallen, en zoo de groote geiaatskenner Lavater het zag, zou hij zeggen: âHet is het portret van een opgeblazen, verward krachtgenie, dat zich verbeeldt heel wat te zijn, en toch niets is! Het portret van een waanwijzen knaap, met een hol hoofd achter het bluffend voorhoofd, en met holle frazen op de dikke lippen. |
âEn als Lavater dat zegt, is hij een zot en een ezel,quot; riep Chodowiecki woedend, âen mag hij zich met al zijn gelaatkunde in den diepsten hoek der aarde verschuilen; en Lichtenberg te Göttingen heeft volkomen gelijk, dat hij den hersenloozen dweper Lavater, voor geheel Duitschland bespottelijk heeft gemaakt met zijn geestige gelaatkunde dei-hond enstaarten, en zijne silhouetten van jonge zwijnenstaar-ten. ^ Als Lavater inderdaad zóó weinig verstand heeft, dat hij geen kraai van een adelaar kan onderscheiden, is dit zijne zaak; maar hij moet zich niet verstouten ooit een blik op dit portret te slaan, en ook gij zijt het niet waard, gij spotter, dat ik mij kwaad over u maak. Ik zeg u, dit prodel is zóó schoon, dat de groote Zeus #in den hemel tevreden mocht zijn, zoo men het hem toekende. Ook is dit portret zeer gelijkend, en gij behoeft u volstrekt niet te.houden alsof ge 't niet kendet, en niet wist dat het Wolfgang Goethe voorstelt. Daar gij het echter met spot en hoon beschimpt, welnu, dan moge het vernietigd worden, en zal ik het verscheuren !quot;
âOm Godswil,quot; riep Goethe, terwijl hij toesprong en Chodowiecki, die juist gereed stond om het papier te verscheuren, diens beide handen met krachtige vuist vasthield: âOm Godswil, lieve, heerlijke man, scheur dit por tret niet stuk. Het zou mij zijn alsof ge mijn eigen hoofd spleet, zóó gelijkend is dit portret.quot;
1) Deze humoristische satire van Lichtenberg tegen âLavater's Physiog nomikquot; is te lezen en met de teekeningen te zien in: Lichtenberg's Ver-miscbte Schriften. Bd. IV. S. 119 ff.
215
âHaha!quot; juichte Chodowiecki lachend: âge erkent dus nu dat dit portret gelijkend is?quot;
âIk erken het Chodowiecki; gaarne en met vreugdeerken ik het.quot;
âEn gij stemt verder toe, dat 't het hoofd van een genialen, edelen dichter, â van een lieveling der Muzen is? Antwoord âja,quot; of ik scheur het portret midden door, en ge zult er uw levenlang hoofdpijn van hebben.quot;
âIk antwoord: Ja, ja! alles wat ge wilt,quot; riep Goethe lachend ; âik ben in staat mij zeiven de grootste vleierijen te zeggen, alleen om deze fraaie teekening te redden. Geef ze mij, wonderlijke man!quot;
âNeen,quot; zei Chodowiecki ernstig; âik geef haar u niet. Zulk een teekening is niet gemaakt om tusschen twee bordpapieren in uwe portefeuille te vergaan, of in het boudoir uwer geliefde, achter glas en lijst opgehangen te worden. Neen, geheel Duitschland, de geheele wereld zal er pleizier van hebben; geheel Duitschland zal hem zien, den jongen, schoonen Goethe, â en na eeuwen nog zullen de Duitsche vrouwen Wolfgang Goethe, zooals hij er uitzag in zijn negen-en-twintigste jaar, in haar pronkkamer aan den wand hangen, en zuchtend en met kloppend hart moeten bekennen : âZulk een goddelijk jongeling is er slechts éénmaal geweest, en zal ook nooit weer komen. Ik wenschte dat ik hem gekend, â ik wenschte dat hij mij bemind had.quot; Ja, ja, zoo zullen zij spreken na eeuwen nog; want ik wil deze teekening in een kopergi'avure vereeuwigen, en mijn schoonste kunstwerk zal het worden, dat zweer ik!quot; 1)
âGe zijt een heerlijke kerel,quot; riep Goethe; âen ik moet u omhelzen en zeggen, dat het mij verheugt door u vereeuwigd te worden ; want dit portret behaagt mij buitengemeen, en ik zou er schier trotsch op kunnen zijn, dat dit hoofd met het geniale profiel mijn eigen afbeelding moet voorstellen. Dus, nu zijn wij het eens; en thans, voordat ik u vaarwel zeg, laat mij nog het werk zien, waarbij ik u juist gestoord heb.quot;
Hij wilde den doek opheffen, welken Chodowiecki bij
1
De kopergravure van Chodowiecki, die nog tegenwoordig bestaat, en van welke de schrijfster van dit werk een fraai exemplaar bezit, dat Ottilie von Goethe haar eens ten geschenke gaf, is een borstbeeld in profiel, het fraaiste uit zijn jeugd.
216
zijn komst over de koperen plaat had geworpen, maar de kunstenaar vweerde hem af.
âBezie dit niet,quot; zeide hij levendig; âhet zou mij leed doen voor u als handwerksman te verschijnen, daar ik wensch dat gij in mij slechts den kunstenaar vereert. Wij, arme kunstenaars zijn er echter slecht aan toe, en het oude spreekwoord blijf voor ons helaas steeds waar: âDe kunst bedelt om brood.quot; Men moet het grootste gedeelte zijns levens steeds handwerksman zijn, om hierbij ook eenige uren vrij te hebben, waarin men kunstenaar mag wezen. De ellendigste prullen moet ik met mijn graveernaald illus-treeren, om hiermede den tijd te koopen dat ik een kunstwerk kan scheppen.quot;
âDit zijn de renten, vriend, welke gij aan de wereld moet betalen voor het groote kapitaal, 'twelk de goden u hebben toevertrouwd. Geloof mij, de kunstenaar Ghodo-wiecki zou 't schraal hebben, zoo de handwerker Ghodo-wiecki niet het gelag betaalde, en hem een beteren maaltijd bezorgde. Maar wees daarom niet ontevreden; geloof mij, de menscb moet een handwerk hebben, dat hem voedt; want de kunstenaar wordt niet betaald, maar alleen de handwerksman. ^ Dus wensch ik slechts dat de handwerksman Ghodowiecki altoos zeer veel te doen hebbe en zeer duur betaald worde, opdat de kunstenaar Ghodowiecki ons nog vele schoone en voortreffelijke werken verschaffen moge. En dit zij voor heden mijn vaarwel, vriend en kunstenaar! Zoo ge echter zeer spoedig van mij een welkomstgroet wilt hooren, kom dan te Weimar, en ge zult zien, hoe men daar de kunstenaars eert, en hoezeer men er Ghodowiecki als een kunstenaar erkent!quot;
Hij omarmde Ghodowiecki, die hem met van vreugde stralende oogen aanschouwde, en zich niet liet tegenhouden den dichter, als ware hij een Vorst, een Koning, tot voor de deur van zijn huis uitgeleide te doen.
âEn nu naar madame Karsch,quot; zeide Goethe in zich zelve, terwijl hij rustig door de straten ging; âdeze goede vrouw heeft mij met zulke lieve en aangename verzen bezongen, dat ik haar wel mijn dank er voor moet brengen, niettegen-
1) Goethe's eigen woorden. Zie G. H. Lewes: Goethe's Leben und Schriften I. 495.
217
staande ik mij heb voorgenomen mij verre van de Ber-lijnsche auteurs te houden. Dus naar de Renbaan tot madame-Karsch.quot;
Van de Wilhelmstraat, waar Chodowiecki woonde, tot de Renbaan, was niet ver, en spoedig had Goethe het ouder-wetsche, grijze huis bereikt, waar de dichteres wonen moest. Eerst na lang vragen en zoeken in de benedendste, dettiger verdiepingen van het huis, gelukte het Goethe de woning van de dichteres uit te vinden. Nadat hij een smalle, steile trap, die tot een schuinen zolder voerde, beklommen had, stond hij nu voor een smalle, lage deur. Bij het door een klein dakvenster vallende schemerlicht, merkte Goethe een stuk grauw papier, 't welk opgeplakt was, en waarop met groote letters geschreven stond: Anna Louise Karsch, Duitsche dichteres.quot;
Bescheiden klopte Goethe aan de deur, eerst zacht, toen luider en hoorbaarder. Maar geen âbinnenquot; klonk, en de stemmen welke zich binnen in een levendig gesprek lieten hooren, zwegen geen oogenblik, ook nu niet, toen Goethe de deur opende en de duistere kamer die zich voor hem vertoonde, binnentrad.
âIk wil het doen, mijnheer,quot; zei de vrouw, die naast een jonkman aan een tafel zat, welke in de vensternis stond; âja ik wil het doen; ik wil iets in uw album schrijven, hoewel ik u zeggen moet, dat het album-geschrijf thans zeer druk wordt. Miar ge moet ook aan mijne voorwaarden voldoen. Ge moet mij beloven, dat, als ge bij den heer Rammler zijt geweest, en hij iets in uw album heeft geschreven, gij terstond weder tot mij komen, en mij zult laten zien wat hij geschreven, â en mij vertellen wat hij van mij gezegd heeft.''
âWelnu, mevrouw Karsch, ik beloof het u,quot; riep de jonge man plechtig; âik geef der Duitsche dichteres het woord van eer van een Duitschen jongeling, die zich nooit zoo ver zal verlagen zijn woord te breken.quot;
âGoed, ik schrijf dus,quot; zei de kleine vrouw, terwijl zij de pen nam en zich over het kleine boek boog, dat voor haar op de tafel lag. Een diepe stilte ontstond nu; met ingespannen blik volgden de oogen van den Duitschen jongeling âde- kleine dorre handquot; die de pen voerde; met heldere, oplettende oogen schouwde Goethe, die onopgemerkt als een
218
ootmoedig suppliant aan de deur stond, door de lage, donkere kamer, wier armoedige inrichting van de bekrompene omstandigheden der âDuitsche dichteresquot; getuigde. Ook het voorkomen van Louise Karsch harmonieerde met deze kamer. Een kleine, beenige, magere gestalte, gekleed in een eng-sluitend gewaad van donkere gebloemde sits; op het grijze haar, dat gescheiden het lage voorhoofd bedekte, een witte muts, wier verkreukte strik iets van zijne witheid verloren had, en in dit opzicht juist harmonieerde met den breeden geplooid en kraag die den gelen, mageren hals der dichteres omgaf. De gelaatstrekken waren scherp en hoekig, maar onder de dikke, grijze wenkbrauwen schitterden een paar groote, donkere oogen met wonderbaren glans, die zich van tijd tot tijd met snellen, scherpen blik onder 't schrijven van 't papier afwendden, en peinzend naar de lage zoldering
der kamer opzagen.
âZoo mijnheer,quot; zeide zij nu, de pen nederleggende; âhier hebt ge mijn gedicht. Hoor:
Wees meester over uwen wil,
Wanneer hij u in uwen plicht wil hind'ren;
Hij zij de macht die de deugd aan zich boeit,
Dan zal de nijd zich blind staren
In kwaad te willen vinden.quot; (l)
âZeer fraai, o zeer fraai,quot; riep de jonkman verrukt; âik dank u duizendmaal, en deze heerlijke woorden zullen voortaan de leidster van mijn geheel leven zijn!quot;
, Ga nu naar den heer professor Rammler, mijnheer, zei mevrouw Karsch gebiedend ; âen toon mij later wat hij geschreven heeft, want ik ben overtuigd â Mijn hemel,quot; viel zij zich zelve in de rede, terwijl zij, opstaande, nu eerst Cioethe gewaar werd, die nog altijd aan de deur stond. âMijn Hemel, daar is een vreemdeling!quot;
âJa, een vreemdeling,quot; zei Goelhe, die haar met vriendelijken glimlach naderde, terwijl de gelukkige bezitter van het album zich verwijderde; âeen vreemdeling, die Berlijn niet
wilde verlaten zonder de Duitsche dichteres bezocht te hebben.quot;
1) Sei König über Deinen Willen,
Wenn er Dich hindern will am Pflichterfüllen, Er sei der Tugend Kettenmacht,
Dan wird die Scheelsucht hier verblinden â lm Tadelflnden.
219
âEn zonder een vers van haar in uw album geschreven te zien, niet waar?quot; vroeg zij, âik ken dat; ik bon thans in de mode gekomen, en zoo ik er van leven kon, door mij in uwe albums te vereeuwigen, zou ik een onbezorgd beslaan hebben. Nu, heb ik het geraden? Nietwaar? Ge wilt iets van mijn hand?quot;
âNeen, slechts een goed woord en een vriendelijken handdruk ; want het handschrift van Louise Karsch bezit ik reeds, zoo ten minste het gedicht en de brief, welke de lieve mevrouw Karsch mij voor een half jaar te Weimar zond, door haar zelve geschreven zijn.quot;
âGii zijt dus Goethe?quot; riep zij, hare handen verwonderd ineenslaande; âde dichter Johann Wolfgang Goethe, de beroemde schrijver van het werk, dat mij zoovele âquot;
âTranen heeft gekost,quot; viel Goethe haar lachend in de rede ; âik bid u, mijn lieve, bespaar mij deze fraze, die mij op reis vervolgt, evenals de furiën aan Orestes; die ik steeds hooren moet, als een nieuwe bekende zich aan mij voorstelt. Ik weet het immers: Werther is de lievelingsgestalte van het lezend publiek geworden; hij heeft aller traanklieren geopend, al de maneschijn-zielen doen smelten; ik zou mij zeiven willen kussen en oorvegen geven dat ik Werther geschreven heb.quot;
Mevrouw Karsch lachte luid. âDat is heerlijk! Gij behaagt mij. Ge zijt een groot dichter, een genie, want slechts een genie komt er toe zich zeiven te beoordeelen en te bespotten. Welkom dus. Duitschlands grootste dichter, welkom in het dakkamertje der dichteres. Ziedaar het goede woord, dat ge wildet hebben, en hier den handdruk.quot;
Zij reikte Goethe hare beide handen en knikte hem vriende-lijk toe. âEn dus hebt ge het der moeite waard geacht, de arme Karsch te bezoeken? Dat verheugt mij; want ik zie hieruit, dat men u ten onrechte van hoogmoed beschuldigt.quot;
âDoet men dat?quot; vroeg Goethe glimlachend ; âkunnen de Berlijner poëten en auteurs 't mij altoos nog niet vergeven, dat ik aan een Hof leef, en een Vorst mij met zijn gunst vereert?quot;
âZij zouden het u zeer gaarne vergeven,quot; sprak mevrouw Karsch; âzoo zij de macht hadden, u ter zijde te schuiven en uwe plaats in-te nemen. Zij zijn slechts boos op u, wijl zij u benijden, en wij het hier niet gewoon zijn opgemerkt
220
te worden. Onze Vorst en Heer, â welk een groot held en Koning hij overigens ook zij, â bekommert zich in 't minst niet om de Duitsche poëzie, en zijnentwege mochten alle Berlijnsche auteurs verhongeren; hij zou er zich evenmin om bekommeren als om de muggen, die in den zonneschijn spelen.quot;
âHij is dus nog altoos niet veranderd, de groote Koning?quot; vroeg Goethe; âHij wil nog altoos niets weten van de Duitsche literatuur?quot;
âNeen; hij houdt haar nog altoos voor de taal van barbaren eri berenleiders. Hij beschimpt en veracht ons, en weet even weinig van ons, als de man in de maan. De oude Frits aanbidt zijn Voltaire; de Fransche dichters kent hij uit 't hootd, maar zelfs van een Lessing weet hij niels, en met Götz von Berlichingen en het lijden van Werther heeft hij gespot, ik zeg 'tu ronduit, gespot! â O, ik weet het! Ik ken den generaal von Seidlitz, 's Konings adjudant; hij noodigt mij soms aan zijn tafel, laat zich dan door mij mijne gedichten voorlezen, en verhaalt mij wat de Koning over de Duitsche dichters zegt, wijl Seidlitz er vermaak in lieeft mij kwaad te maken; want ge moet weten dat, als ik kwaad word, ik zonder het te weten, in verzen begin te spreken. Ik heb mij dit aangewend, gedurende mijn ongelukkig huwelijk met den kleermaker Karsch. Als hij mij schold, antwoordde ik hem in verzen en trachtte, om mijn gedachten op andere zaken te richten, de moeielijkste rijmen te maken. Daar hij echter schier altoos schold en twistte, sprak ik ook schier altoos in verzen.quot;
âEn ge leiddet dus op deze wijze een zeer dichterlijk huwelijksleven?' glimlachte Goethe.
âJa, wèl dichterlijk,quot; zei mevrouw Karsch, en hare groote, glinsterende oogen verduisterden zich ; âzoo het waar is, dat tranen de doop des dichters zijn, ben ik twaalf jaren lang dagelijks gedoopt geworden, en moet dus een zeer buitengewone dichteres zijn!quot;
âDat zijt ge immers ook, wie zou het betwisten! Uwe liederen getuigen van een groote dichterlijke begaafdheid, en ik heb uwe fraaie heldendichten op den ouden Frits met groot genoegen gelezen.quot;
âEn hij?quot; vroeg zij op bitteren toon: âWeet ge wat bij gedaan heeft? Ik wendde, mij tot hem, en verzocht hem
221
om eenige ondersteuning. Want tot wien zou een dichter zich in zijn levensnood anders wenden, dan tot God en zijn Koning? Wie is het waard den dichter te hulp te komen, behalve de Koning ? En bovendien had hij mij met zijn eigen mond beloofd, voor mij te willen zorgen.quot;
âGe hebt hem dus zelf gesproken?quot; vroeg Goethe. âJa, ik heb hem zelf gesproken. Het is acht jaar geleden, toen generaal von Seidlitz mij een audientie bij den Koning te Sanssouci bezorgde. De Koning was zeer genadig en minzaam, en vroeg mij veel nopens mijn leven; en toen ik hem van mijne armoede vertelde, beloofde hij mij vriendelijk voor mij te zorgen. *)
âEn hij deed het niet? Zou de groote Koning zijn gegeven woord niet gehouden hebben ?quot;
âNeen; hij heeft het niet gehouden. Zoo hij het aan den geringsten Franschen schrijver had gegeven, zou hij het gehouden hebben. Maar een Duitschen dichter, â waartoe dezen woord te houden ? Wat is voor den grooten Duitschen Koning een Duitsch poëet? Een verschijnsel, dat hij niet kent, waaraan gij niet eens geloofd. Neen, de Koning, â hoe groot hij ook zij, â heeft zich jegens mij, de Duitsche dichteres, tóch klein getoond. Ik heb hem bezongen als een poëet, en hij heeft mij hiervoor een ellendige aalmoes willen geven, gelijk men den haveloozen bedelaar geeft, die aan den weg hongert.quot;
â'tls dus wezenlijk waar?'' vroeg Goethe: âHij heeft u op uw verzoekschrift âquot;
âTwee thaler gezonden. Ja, dat is waar, en ik zie 't wel aan uwen glimlach, â gij kent de geschiedenis en weet, dat ik ze hem teruggezonden heb. O, ik had liever willen verhongeren dan dezen bedelpenning aannemen. Maar, ik wil u het nieuwste verhalen wat mij gebeurd is, eerst nu voor een paar weken. Ik had de geschiedenis met de twee thaler vergeten en verkropt. Het gaat mij nu beter, want de boekhandelaars betalen mijne liederen en gedichten goed, en een aantal begunstigers en vrienden aan wier hoofd de
1) Die gesprek 't welk Frederik met mevrouw Karsch had, is te lezen in : Anekdoten und Ckarakterzüge aus dem Leben Friedrich's des Grossen, zweiter Band, Seite 72.
222
Prins van Pruisen staat, geven mij met elkander een klein jaargeld, waarvan ik ten minste zuinig leven kan. Een mijner begunstigers heeft mij een stuk land geschonken aan de Spree, niet ver van de Herkulesburg,en daar wilde ik gaarne een huisje bouwen, om eindelijk toch een vaste woonplaats te hebben, waarin ik mij kon terugtrekken, en die mij een toevlucht moest zijn tegen alle onrust en smarten des levens. En wijl ik dit dacht, kwam hel oude vertrouwen en de onvergankelijke liefde voor den grooten Koning weder in mij op, en daar ik hem zoo innig vereerde, hoopte ik nog altoos op de vervulling van zijn belofte. Ik wendde mij dus nogmaals tot den K oning; ik bad hem voor mij te doen wat hij voor zoo velen, â wat hij voor schoenen kleermakers gedaan had. Want ge weet immers, de Koning geeft aan ieder die bouwen wil geld tot bijstand. Alle huizen op de Gensdarmenmarkt zijn met behulp van koninklijke bouwgelden gebouwd, en de Koning zelf ontwerpt somswijlen de teekening der voorgevels. Voor den slager Kühn heeft hij ook zelf den voorgevel van diens huis op de Gensdarmenmarkt gemaakt, en negen-en-negentig schapenkoppen tot versiering der fries geteekend;â slechts negen-en-negentig, wijl hij zeide dat de slager Kühn zelf de honderdste was. Het heeft dezen dan ook niet geholpen dat hij protesteerde ; hij moest de schapenkoppen behouden, zoo hij de bouwgelden wilde hebben.quot;
âWaarachtig,quot; riep Goeth lachend; âde Koning is toch in alle dingen een geniaal en buitengewoon man, en niemand evenaart hem.quot;
âNeen niemand evenaart hem,quot; herhaalde mevrouw Karsch; âen niemand zou jegens mij gehandeld hebben zooals de Koning heeft gedaan. Luister slechts! Ik schreef dus aan den Koning, en ik verzocht hem in een mooi, zeer goed gelukt gedicht, en met ware geestdrift en aandoening, eindelijk ook eens het lichtzijner genade te laten schijnen op een Duitsch dichter, en voor mij een Mecenas te zijn, hoezeer ik ook helaas geen Horatius was. En terwijl ik schreef bloedde mijn hart van jammer en wee, dat ik zoo bidden en bedelen moet, on mijn tranen vielen neder op het papier, waarop de Duitsche dichteres hare vurige bedelverzen schreef. Nu, wat meent ge wel dat de Koning mij geantwoord heeft? Hoeveel bouwgeld meent ge wel dat de groote Koning mij
223
voor mijn huis heeft laten aanwijzen? Neem maar de minste som en zeg mij, hoeveel ge denkt?quot;
âNu, zoo het weinig was, gelijkt ge zegt; â maar zoo hij u toch bouwgeld zond, zal de Koning u misschien een paar honderd thaler hebben gezonden.quot;
De dichteres barstte in een luid, spottend lachen uit; âDrie thaler heeft hij mij gezonden! Zegge: drie thaler heeft FrederikdeGroote mij voorden bouw van'eenhuisgezonden.quot;
âEn gij? Wat deedt gij? Hebt ge ze aangenomen?quot;
âJa,quot; antwoordde zij trotsch; âja, ik heb de drie thaler aangenomen, en wil ze bewaren als een vermaking voor mijne dochter, als een historische herinnering voor toekomende geslachten, die hun vertellen zal van de gunst des Duitschen Konings voor de Duitsche dichteres. Ik heb de drie thaler aangenomen en den Koning een quitantie gezonden. Wilt ge mijn quitantie hooren ? Zal ik ze u voorlezen?quot;
Goethe knikte vriendelijk, en mevrouw Karsch nam uit den hoop papieren, die op haar schrijftafel lagen, een blad
en las:
Zijne Majesteit beval,
Mij, voor 't bouwen van mijn huis,
Drie thaler te doen uitbetalen.
Dit bevel werd heel nauwkeurig
Prompt en vaardig uitgevoerd,
En ik ben tot dank verplicht.
Maar voor drie thaler kan
In Berlijn i?een timmerman
Mij mijn laatste woning bouwen,
Anders bestelde ik zonder afkeer
Mij morgen zulk een woning, â
Waar de wormen feest zullen houden
En zich ergeren ovei 't gastmaal
Van 't overschot der oude, magere vrouw,
Die de Koning â liet verhongeren. 1)
1) Seine Majestat befahlen
Mir, statt meines Hauses Bau,
Doch drei ïhaler auszuzahlen. Der Befehl ward ganz genau. Prompt und willig ausgerichtet, Und zum Dank bin ich verpflichtet, Aber für drei Thaler kann In Berlin kein Hobelman Mir inein letztes Haus erbauen Sons bestellt' ich ohne Grauen
224
âNu,quot; zei mevrouw Karsch, hare schitterende oogen op Goethe slaande, die ernstig en stil voor zich zag: âNu, lacht ge niet?quot;
âNeen,quot; antwoordde hij zacht: âik lach niet; veeleer maakt uw gedicht mij treurig; want daaruit klinkt de groote smart van 's dichters leven, de eeuwig zich hernieuwende strijd tusschen werkelijkheid en phantasie. De door de goden gezegenden moeten zich vernederen, en hoe hoog wij ook ket hoofd ten hemel verhelfen, onze voeten slaan toch in het stof der aarde; en daar men op de voeten moet blijven om op aarde te kunnen wandelen, moet zich het door God bezielde hoofd altijd, weder nederbuigen uit den hemel, om op aarde zijn weg te vinden, en dien in ootmoed te vervolgen.quot;
âO, dat doet goed,quot; riep mevrouw Karsch met tranen in de oogen; âdat is balsem voor mijne wonden. O Goethe, ge zijt een groot dichter; want ik gevoel het, ge zijt een groot mensch, en uw hart is goed en medelijdend. O Goethe, hoe onrecht doen 'u degenen, die u trotsch en koel noemen, en van uwen hoogmoed spreken. Wees slechts somwijlen een weinig toegevend, gij, lieve, groote poëet. Waarom hebt ge, bijvoorbeeld, onze Berlijnsche dichters en auteurs niet bezocht? Ge kunt toch denken dat de tijding van uw hierzijn als een loopend vuur door de geheele stad is gegaan. Daar hebben nu Nicolai, Rammler, Engel en Mendelssohn, en al die andere groote en beroemde heeren,deze acht dagen sedert ge te Berlijn zijt, in hunne huizen gezeten als de das in zijn hol, om op u te wachten en uw bezoek niet te missen. Eindelijk zijn ze nu wanhopig geworden en schelden dapper, dat ge hoogmoedig en trotsch zijt, en iets beters wilt zijn dan wij allen. Waarom hebt ge deze Berlijnsche heeren geen bezoek gebracht, gij, lieve, groote, edele dichter?quot;
Er werd heftig aan de deur geklopt, en de jonge man met zijn album in de hand, ijlde binnen.
Morgen mir ein solches Haus, Wo einst Wiirmer Tafel halten TTnd sich iirgern übern Sehmaus Von des abgegramten, alten Magern Weibes Ueberrest, Das der Koning â seufzen liisst.
Zie: Leben und Gedichten der Louise Karschin. Herausgegeben von ihrer ïochter.
'225
âHier ben ik weder,quot; zeide hij buiten adem: âGe ziet, mijn lieve mevrouw Karsch, ik heb mijn woord gehouden, en kom terstond van den heer professor Piammler weder tot u.quot;
âGij hebt hem dus gesproken? Hij heeft iets in uw album geschreven?quot;
âJa ik heb hem gesproken, en hij heeft er iets in geschreven.quot;
âEn hij heeft op mij gescholden, niet waar? Hij heeft met hoogmoedig neus-optrekken van mij gesproken ? Want ge moet weten,quot; wendde zij zich tot Goethe; âde heer professor Rammler veracht mijne gedichten, omdat ik met de romeinsche en grieksche mythologie niet zoo bekend ben als hij. â Nu, spreek, mijne jonge vriend, wat zeide hij van mij ?quot;
âIk heb u wel is waar mijn woord van eer gegeven alles te zeggen,'' zuchtte de jonge man; âmaar ik hoop dat ge er mij van zult ontslaan, als ik het u verzoek.quot;
âNeen, dat doe ik niet,quot; riep mevrouw Karsch levendig: âVeeleer verlang ik, krachtens uw gegeven woord van eer, dat ge mij woord voor alles verhaalt.quot;
âAls hetlt; dan zijn moet, â nu, het zij zoo,quot; hernam de jonge man met nadruk: âIk begaf mij dan tot den heer professor llammler, die een paar huizen van hier woont. Hij vroeg mij terstond of ik bij u geweest was.quot;
âEvenals ik u vroeg, of gij bij Rammler waart geweest,quot; lachte mevrouw Karsch.
âIk stemde het toe, en zeide, dat ge mij zijn woning hadt aangeduid. Hierop vroeg hij: âHeeft zij geen kwaad van mij gesproken? Zij is gewoon zich dit, naar oudewijven-manier, jegens vreemden te veroorloven. Ik ken haar.quot; Hierop doorbladerde hij mijn album, en toen hij uw vers vond, werd hij zeer rood, sloeg met de hand er op, en riep: âDaar zie ik immers, dat ze van mij gesproken heeft! Zij zegt aan iederen vreemde, dat ik haar vol gebreken vind. Wat zij daar geschreven heeft, moet op mij slaan.quot; Toen nam hij haastig de pen en schreef op de bladzijde tegenover-die, waarop uw vers staat, een paar regels, sloeg het boek dicht en gaf het mij. Ik, om mijn woord van eer te houden, liep terstond hierheen, en heb mij zei ven nog niet eens den tijd gegeven om te lezen, wat hij geschreven heeft.quot;
âLees het dan nu,quot; gebood mevrouw Karsch: âSpoedig, sla het album open. Lees!quot;
Mühlbaoh, BuüscJiland in woeling en strijd. I. 15
226
De jonge man doorbladerde haastig het album, en toen hij de bewuste plaats gevonden had, las hij;
âWie smaadt, en wie naar smaadwoorden hoort,
Verdienen, dat de eerste aan de tong, â en de ander Aan de ooren worde opgehangen.quot;!)
âDit is schandelijk, infaam!quot; riep mevrouw Karsch toornig, terwijl Goethe luid lachend het album nam, en het scherpe puntdicht nog eens overlas. âMaar zóó is Rammler, ja, zóó is hij !quot; ging zij driftig voort: âZijn tong is voor alle menschen een tweesnijdend zwaard, en slechts voor hem-zelven een aangename pauwestaart, waarmede hij zijner-heerlijkheid lofzangen toewaait. Maar hij weet niet dat hij zelf een gek is. Ja, een gek! De groote Frederik zelf heeft Rammler zoo genoemd, en dus is hij 't. Hij stond onlangs naar de wachtparade te zien, deze verheven, beroemde professor Rammler; â hij stond zeer dicht bij den Koning en keek onafgewend naar hem. Een der caveliers of generaals, die Rammler kende, fluisterde den Koning een paar woorden toe. Toen wendt de oude Frits zijn schimmel, rijdt, regelrecht op den heer professor toe, ziet hem met zijn fonkelende sterrenoogen aan, en vraagt: âZijt gij de groote Rammler?quot; En mijn professortje buigt trotsch het hoofd, en zegt: âJa, Uwe Majesteit, dat ben ik.quot; De Koning roept luid: âGij zijt een gek!quot; wendt zijn schimmel weder, en rijdt langzaam weg,1) terwijl rondom den âgrooten Rammlerquot; alles lacht en spot. O ja, er zijn vele stukjes van hem bekend. Wil ik u eens vertellen hoe Lessing den grooten Rammler bespot heeft?quot;
âNeen, lieve mevrouw,quot; zei Goethe lachend: âvertel mij niets meer. Ik zie wel, ge zijt een ondeugend, licht geraakt volkje, gij, Berlijner auteurs en poëten. Ik zou waarlijk bang voor u worden, en zal blij zijn ongedeerd van hier te komen. Laat mij dus heengaan, lieve mevrouw; gedenk mij in vriendschap, en als de anderen't al te erg mochten
1
Zie: Beriihmte Schriftsteller der Deutschen. Als boven.
'227
maken, hef dan medelijdend uw lieve hand op, en houd den geesel tegen, opdat hij niet kunne nedervallen op den armen Wolfgang Goethe. Adieu, waarde mevrouw!quot;
Hij knikte haar toe, opende haastig de deur en ijlde den trap af weder de straat op.
âMet de Eerlijner auteurs en poëten wil ik nu verder niets te doen hebben,quot; zei Goethe bij zichzelven; âen ik hen blijde dat ik mij van hen verwijderd heb gehouden. Maar met den Berlijner philosoof zal 't mij, hoop ik, beter gaan. En bij hèm zal ik de wijsheid en verdraagzaamheid vinden, welke den poëten ontbreekt.quot;
Daar stond hij nu na een korte wandeling vaor het huis in de Spandauerstraat, waar de koopman en philosoof Mozes Mendelssohn woonde, ging de trap op en schelde aan de deur, die naar diens woning voerde.
Een oude knecht opende, en antwoordde op Goethe's vraag, dat mijnheer Mendelssohn tehuis was, en zich in zijn studeerkamer bevond.
âZeg hem dan dat Wolfgang Goethe uit Weimar hem wenscht te spreken.quot;
De knecht verdween, en Goethe stond wachtend in de kleine, enge gang, keek glimlachend naar de deur, welke de knecht hem als den ingang van zijns meesters studeerkamer had aangeduid, en verwachtte, dat âde poorten der wijsheidquot; zich voor hem openen zouden, om het wereldkind in de heilige hallen der philosofie te laten ingaan.
Daar binnen echter, achter deze deur stond de kleine misvormde man; de groote filosoof Mozes, de zoon van Mendel, en overlegde bij zich zei ven of hij Wolfgang Goethe ontvangen zoude. Waarom zou hij 't ook doen? Was Goethe niet reeds acht dagen te Berlijn geweest, zonder hem te bezoeken, juist alsof de trotsche legatieraad hem wilde bewijzen, dat hij zich weinig bekommerde om den Berlijnschen philosoof. En had Mozes' edele vriend, de groote Lessing niet onlangs met krachtige en toornige woorden tegen Götz von Berlichingen uitgevaren, en waren zijne andere drie vrienden, Nicolai, Bammler en Engel, óók niet de verbitterde tegenstanders en antipoden van het krachtgenie en den legatieraad uit Weimar? En zoo hij bij Mozes wilde komen, waarom kwam hij dan zoo laat, zoo â
âMijnheer,quot; merkte de aan de deur wachtende bediende
228
fluisterend aan ; âmijnheer Goethe wacht, moet ik hem niet binnenlaten ?quot;
De philosoof hief zijn hoofd op. Zijn besluit was genomen. âNeen,quot; riep hij zeer luid; âneen, ge zult dezen heer Goethe niet binnen laten. Zeg hem, dat ge u vergist hebt, en ik niet tehuis ben!quot;
De oude knecht keek verschrikt naar zijn heer, van wien hij heden voor het eerst een onwaarheid hoorde.
âHoe, mijnheer, moet ik den vreemdeling zeggen, '
âGe moet hem zeggen,quot; riep Mozes op toornigen toon, dien misschien de misnoegdheid met zich zeiven hom ingaf; âge moet hem zeggen dat ik niet tehuis ben . .. dat ik ben
uitgegaan!quot; . ...
En met vastberaden, trolseerende houding zette de philosoof zich weder aan zijn schrijftafel, om voort te werken aan zijn nieuw werk: âJeruzalem,quot; en zeide stil voor zich : âIk heb gelijk gehad hem af te wijzen. Hij heeft te lang gedraald; nu is het te laat.quot; 1)
De knecht was aarzelend en langzaam heengegaan, om deze beschamende boodschap over te brengen. Toen hij echter in de gang kwam, vond hij dien ledig. De vreemdeling was verdwenen.
Hij had de luide, afwijzende woorden van den philosoot gehoord, en liever het bescheid niet willen afwachten.
IX.
AFSCHEID VAN BERLIJN.
âWat is 't, mijn Wolf?quot; vroeg de hertog, toen Goethe tehuiskomende bij den hertog binnentrad; âwat beteekent deze wolk op uw voorhoofd? Hebben de verwenschte Eerlij ner fraaie geesten eindelijk mijn dichter geërgerd en gekrenkt?quot;
1
Uit den mond van Ludwig Tieck heb ik zelve deze anecdote gehoord, en Ludwig Tieck verzekerde, dat de zoon van Mozes Mendelssohn ze hem had medegedeeld. Zie ook : Goethe in Berlin. Ermnne-rungsblatter. Seite 6. Oe Schrijfster.
229
âNeen, hertog, ik âquot; En plotseling ophoudende, barstte Goethe in een luid, schaterend gelach uit, liep met groote schreden in de kamer op en neer, en lachte en schreeuwde en tierde: âHoera, hoera! Leven en wijsgeeren. Levende philosofen!''
âHoera! Hoera!quot; juichte de hertog, en stemde vroolijk met Goethe's luid lachen in: âLeven de philosofen! Hoera !quot;
âIk zie ze rijden in de vroolijke Mei naar den Bloksberg,quot; riep Goethe; âop een ezeltje met gouden hoorns rijden zij met Farizeërgezichten, en vroom de oogen opslaande, bidden zij; âik dank u, o Heer, dat ik niet ben als de wereldkinderen ; niet hoogmoedig, trotsch en ijdel. Ik dank u, o Heer, dat ik een wijze ben, een philosoof!quot; â O, beste Garl-August, ik heb heden een philosoof gehoord, een wijs man, en groote openbaringen heeft hij mij verkondigd, met de wijsheid die uit zijn mond stroomde. Ãn alle spinnen in de grijze, zelf-geweven webben in zijn gang, lluisterden en zongen: âWij zweven, wij weven aan de bron des levens. Wij spinnen aan het doek der tijden.quot; En âHalleluja!quot; lispten de muisjes, die uit de hoeken kropen, âhalleluja, hier woont de groote philosoof Mozes, die de wijsheid met lepels heeft gegeten, en niets weet van aardsche ijdelheid! O, neen, volstrekt niets! volstrekt niets!quot; en de muizen en spinnen dansten een rondedans op den drempel van den philosoof! Hopsa-hei! Wij willen óók dansen!''
En hij sloeg zijn beide armen om den hertog heen, en draaide met hem in warlende kringen, en beiden lachten en beiden tierden, en de wolfshond van den hertog, die rustig in 'den hoek geslapen had, sprong op en danste huilend en blaffend om de dansenden, die met steeds wildere passen en met steeds hooger bokkesprongen door de kamer draaiden. Het zijden lint, dat Goethe's haar in den nek tot een staart samenhield, geraakte los door de wilde beweging, de losgedraaide staart viel uit elkander, en toen Goethe dit merkte, schudde hij wild het hoofd, zoodat zijn haar, van poeder stuivend, in groote woeste lokken ver om het hoofd slingerde; vervolgens zonken beiden, hij en de hertog, geheel vermoeid van het dolle draaien, hijgend en lachend op den grond neder, en de hertog keek Goethe aan met oogen, die door het lachen met tranen gevuld waren.
âGoddank, Wolf,quot; riep hij; âGoddank! De most heeft eens
230
weder vergist, en een paar hoepels der deftigheid doen springen!quot;
âJa,quot; zei Goethe, die plotseling weder een ernstige, bedaarde houding aannam; âde most heeft gegist; de lieve menschen hebben met hun ijverige handen er een weinig in geroerd, en nu denk en hoop ik, dat ten laatste nog een goede, edele wijn uit den most zal geklaard worden.quot;
âEn kunnen wij nu vertrekken. Wolf?quot; vroeg de hertog opspringend; âzijt ge nu gereed met de Berlijnsche menschen ?quot;
âIk ben met hen gereed,quot; antwoordde Goethe, âen wie weet; misschien niet alleen met de Berlijners, maar ook met de andere menschen. Ik gevoel het, mijn hertog; de bloem van 't vertrouwen, de oprechtheid en de opofferende liefde verwelkt dagelijks meer, en slechts voor u, en voor de lieve, welke ik bemin, heeft zij nog kleur en glans en geur. Ach, mijn dierbaren, weest barmhartig, en laat niet toe dat zij ook voor u eens verwelke. Laat mij den zonneschijn der vriendschap en goedheid in uwe oogen, mijn Carl; versterk daai'mede de arme kleine bloem, opdat zij niet geheel verdorre en verwelke!quot;
Hij sloeg met hartstochtelijke onstuimigheid zijne armen om den hals van den hertog, die hem teeder aan zijn borst drukte.
âO, Wolf, mijn Wolf, gij kinderziel en dichterhart! Gij zijt kleinmoedig en versaagd? Gij weet niet dat ge de zon zijt, die ons allen verlicht, en bloemen in ons schept? Laat geen wolken u verduisteren. Wolf; doorschijn haar met uw frissche, jeugdige kracht en goddelijken glans. Maar gewis, hier in de dikke zand-atmosfeer van Berlijn, verliest zelfs de zon haar kracht en stralen! Kom, Wolf, laat ons van hier gaan. Kom, onze paarden trappelen!quot;
Hij trok zijn vriend voorwaarts buiten de kamer, en vroolijk sprongen beiden de trap af, naar het gereed staande rijtuig, de groote hond huilend en jubelend achter hen aanspringend, terwijl de lakei in eerbiedige houding bij het open portier stond.
âVoorwaarts nu, voorwaarts! Blaas, postiljon, blaas! Een vroolijk deuntje, hoort ge! Laat uw afscheidsliedje schetteren door de straten! Blaas, postiljon, blaas; en ik wil u uw keel laten bevochtigen, terstond buiten de poort,
231
met uw wit, dun nat, dat ge Berlijnsch bier durft noemen!quot;
En de postiljon lachte vergenoegd, toen de hertog, achterover in de open kales geleund, zoo sprak, en schetterend galmde zijn hoorn het Duitsche lied: âEr reden drie ruiters uit de poort,quot; zóó luid, dat de groote hond van den hertog, die knipoogend op de voorbank tegenover de beide heeren lag, zich oprichtte, en in een lang aanhoudend gehuil uitbrak.
Onder het hoorngeblaas van den postiljon en het jammer-gehuil van den hond, reden zij langs de lange, bedompte straten, door de Leipziger poort, en de voorstad met de kleine lage huizen. Nu ging het een heuvel op van geel los zand, 'waarin de wielen van het rijtuig tot aan de assen wegzonken, zoodat de paarden het slechts hijgend en van zweet druipend konden voorttrekken. Toen de postiljon op den top van den zandheuvel gekomen was, hield hij de paarden in om ze bij adem te laten komen, en wendde zich om tot de hooge reizigers:
âUwe Genaden, van hier ziet men Berlijn voor het laatst. Als wij den heuvel afrijden, is 't weg!quot;
âEn wordt niet meer gezien,quot; reciteerde de hertog: âKom, Wolf, laat ons uitstijgen, en afscheid nemen van Berlijn.quot;
Beiden sprongen uit bet rijtuig, zonder af te wachten dat de lakei eerst van den hoogen bok was gestegen. De hond sprong hen na, en volgde kwispelstaartend onvergenoegd beide heeren, die, door het diepe zand wadende, naar de kleine hoogte gingen, die zich zijwaarts op het veld verhief.
Daar stonden zij beiden arm in arm en zagen naar beneden op de stad, die vèr uitgestrekt met bare torens en schoor-steenen, met hare paleizen, huizen en kazernen aan hunne voeten lag, en waarboven een dikke grijze wolk van mist en rook zweefde, en den horizon in't rond in stof en nevel hulde.
âVaarwel, Berlijn, gij stad van hoogmoed en eigenwaan,quot; riep de hertog vroolijk: âIk schud bet stof van mijne voeten, en strooi het zand van uwen bodem over de herinnering aan u in mijn hart!quot; â En terwijl hij dit zeide, bukte hij, nam een handvol zand van den heuvel waarop zij stonden, en wierp het in de lucht.
âVaarwel, gij muzen en gratiën van het zand en het stof,quot; zei Goethe,quot; terwijl zijn vurig oog vèr over de grijze neveldaken blikte: âVaarwel, Berlijn; stad zonder groen
232
en zonder Natuur, slad der dichtkunst zonder poëzie, Babylon van wijsheid cu philosohe. Ik heb u gezien met uwe gehlankette wangen, uwen behaagzieken glimlach, uw weelderige leden en verleidelijke bekoorlijkheden. Mij echter zult ge niet begoochelen met uwe bedriegelijke schoonheid ; mij zult ge niet het merg uit de leden en het bewustzijn van reine, vrije menschelijkheid uit de ziel zuigen. Fraai moogt ge zijn voor slavenzielen,â de vrije man keert u den rug toe en strooit asch, asch, asch op uw hoofd. Vaarwel, Berlijn, moge ik u nooit wederzien!quot; 1)
En ook Goethe bukte, nam beide handen vol zand, en wierp het in de lucht in de richting van Berlijn. â
Den postiljon scheen de tijd lang te vallen in de brandende zonnnehitte, en luid schetterend liet hij de melodie van het soldatenlied klinken: âAdieu nu, Louisje, en schrei nu maar niet, want iedere kogel die treft immers niet!quot;
Zeer weemoedig klonken deze tonen in de eenzame stilte rondom, als waren het klaaggeesten van Berlijn, die weenden om den smaad, dien de Vorst en de dichter het hadden aangedaan.
âNu, voorwaarts, Wolf, naar ons lieve Weimar!quot;
Het rijtuig rolde den zandheuvel af, en Berlijn was voor de reizigers verdwenen, die nu droomend en peinzend in het krakende rijtuig door het mulle zand rolden.
Slechts langzaam, over onbestrate wegen ging de reis voort, in weerwil der versche postpaarden op de verschillende pleisterplaatsen, en langzamerhand brak de nacht aan en spreidde zijn sterrenmantel over de wereld uit die sluimerend uitrustte van de lasten quot;en vermoeienissen des dags.
De hertog Carl-August lag achterover geleund in de kussens en sliep. Ook de hond op de voorbank, en de. lakei op den bok sliepen; de postiljon liet somwijlen eenigelangge-
1
Goethe is inderdaad nooit weder te Berlijn geweest, hoezeer hij er vaak genoeg genoodigd werd; onder anderen toen de nieuwgebouwde schouwburg van Berlijn met een door Goethe hiervoor gedicht Proloog geopend zou worden. Men had deze plechtigheid ingewijd met de eerste voorstelling van Goethe's Iphigenia, en de Vorstin Radziwill liet den dichter door graaf Brühl dringend uitnoodigen, voor dit feest naar Berlijn te komen, en in haar paleis te logeeren. Maar Goethe, â destijds trouwens reeds 72 jaar oud (1826), â bedankte en verontschuldigde zich wegens zijn hoogen leeftijd.
2H3
rekte tonen uit zijn trompet hooren, waarmede hij zich zei-ven misschien uit zijn halve sluimering wilde wekken. Alleen Goethe was wakker; hij blikte met zijn groote oogen op ten hemel, en de sterren fonkelden en schitterden in deze oogen, als waren deze zelf een paar uit den hemel nedergedaalde sterren; hij zag op tot den hemel en tot God, en grootsche gedachten en grootsche voornemens deden zijn edele mannenborst zwellen. Hij dacht terug aan het ver-ledene, en durfde blijmoedig erkennen dat hij veel verricht, â veel schoons gedaan had. Hij zag vooruit in de toekomst, en zeide tot zich zeiven, dat hij nog veel grooters te volbrengen, â nog veel schooners te volvoeren had, en zwoer bij zich zeiven dat hij het volbrengen wilde.
âJa, ik wil het,quot; (luisterde hij zacht, de hand ophei'tende tot de sterren; âde pyramide mijns levens wil ik zoo hoog mogelijk in de lucht opbouwen. Daaraan wil ik steeds denken, â en het nooit vergeten! Ik mag er ook niet mede dralen, want ik ben reeds ver in jaren gevorderd; en wie weet, misschien stoort het lot mij in 't midden van mijn bouwen, en de toren van Babel blijft onvoltooid. Daarom op, in allen geval. Wolf! Men zal ten minste moeten zeggen dat de bouw der pyramiden stout ontworpen was; en als ik leef, zullen, zoo God wil, mijne krachten tot den top reiken! Bouw, Wolfgang, bouw dus aan de pyramide uws levens, aan de gedenkzuil uwer toekomst!quot; â
EINDE VAN HET EERSTE DEEL.
INHOUD.
EERSTE BOEK.
Bladz.
Hoofdst. I. Een eenzaam Koning........5.
â II. Wilhelmine Enke.........16.
, III. Frederik Wilhelm.........31.
â IV. De reis naar Beriyn........44.
t/ V. De eed van trouw.........56.
â VI. Op het excercitieplein........71.
â VII. Het wonderelixer.........87.
â VIII. De gouden regen..........101.
â IX. De Duitsche literatuur en de koning . . 109.
TWEEDE BOEK.
Bladz.
Hoofdst. I. Goethe te Berlijn..........126.
n li. In den voorhof en in den tempel . . . 144.
â III. De generaal der onzichtbaren.....162.
,, IV. Een gepensioneerde generaal.....172.
â V. De brief des Konings........181.
â VI. Liefde en haat..........190.
â VIL Carl-August en Goethe....... 204.
VUL Goethe's bezoeken.........212.
IX. Afscheid van Berlijn........ 228.
Uitgave van GEBR. E. amp; 31. COHEN, Nijmegen en Arnhem.
Schrijven en spreken in het openhaar.
Eene taak waaraan zich onnoemelijk velen wijden, zonder die opvallende kennis te bezitten, die hen èn spreken èn schrijven veroorlooft. Zij die in deze een uitmuntenden gids willen bezitten, een boek waarin in korte, krachtige taal het zakelijke van een onderwerp behandeld wordt, make eens kennis met het daarvoor zoo uitmuntend geschikte boek van
SIMON GORTER,
JJlTGEZOCHTE VERZAMELING jDpSTELLEN, vroeger verschenen onder den titel:
ZBers. jaar leven-s -voor d.e ca.a,g-quot;)olacLpers
BEZORGD DOOR
H. DE VEER.
Waar hij de belangen van ons volksleven bespreekt, schittert GORTER'S talent in deze kernachtige en gehaltvolle stukken. Buitengewoon speelziek en dartel is zijn taal, gekuischt van vorm en fijn gedacht brengt hij alles onder het oog zonder boosaardig of wreed te zijn. Schier elke volzin is met kunstenaarshand bewerkt en klassiek gebouwd. Een schat van lezenswaardige artikelen is in dezen bundel vereenigd en zijn deze, hoe klein van omvang ook, zoo vol rijkdom aan gedachten als zijn uiterst zeldzaam en rijk talent als letterkundige dit terecht doet verwachten. De inhoud van dit boek met zijn 85 verschillende onderwerpen is verrassend leerrijk. Hoe men spreken en hoe men schrijven moet in het openbaar is van GORTER te leeren. Zijn stijl heeft eene ongeëvenaarde zeggingskracht.
SIMON GORTER, EEN KEURBUNDEL, Uitgezochte verzameling opstellen kost slechts f 1.40, fraai gebonden in linnen f 1.90.
1
Uitgave van Gebr. E. amp; M. COHEN, te Nijmegen en te Arnhem.
De interessante, historische Roman, het Meesterwerk van VICTORIEN SARDOÃ,
Madame Sans-Gêne.
Pakkend en boeiend verhaal, bewerkt door
EDMOND I EPELLETIER,
met ongeveer lOO prachtige Platen geïllustreerd. Compleet in 3 flinke Deelen f' -^SO, fraai gehouden f S,30.
L
Deze hoogst boeiende historische roman is een aantrekkelijk en interessant verhaal, rijk geïllustreerd met bijna 100 fraaie Platen, verdeeld in 3 Deelen, onder de titels:
I. De Strijkster. â II. De Vrouw van den Maarschalk. â lil. De Koning van Rome,
en bevat eene menigte bijzonderheden uit het leven van de
II lKKI IIAKI'. LiEFKRVHE, Hertogin van Dantzig,
om hare openhartigheid en kordaatheid, om hare ongegeneerdheid en eigenaardigheden, bijgenaamd
MADAME SANS-GÃNE.
Napoleon, de eerste Keizer der Pranschen vervult in deze roman eene voorname rol.
Niet alleen in Frankrijk, maar ook in andere landen heeft deze roman grooten opgang gemaakt.
Critici van naam hebben alle recht laten wedervaren aan dit werk, waarin o. a. Napoleon niet enkel als veroveraar beschreven, maar ook zijn karakter in andere opzichten geschetst wordt.
In een interview met een der medewerkers van een bekend letterkundig blad verklaarde Sardou:
âIk wilde Napoleon vertoonen, zooals hij in het gewone leven was en het bewijs leveren, dat hij een mensch was als wij allen, en geen bullebak of een duivel, zooals zij van hem in het Buitenland denken, noch een engel of een godheid zooals sommigen in Frankrijk zich hem voorstellen. Ik heb hem vertoond in alle in het dagelijksch leven voorkomende omstandigheden; met den historischen krul op zijn voorhoofd; in zijne flesch-groene uniform en witte korte broek; met zijne handen op den rug, de onmisbare snuifdoos omvat houdende. Ik heb hem getoond wanneer hij blokken hout in het vuur schopt, een zeer gemeen aanwendsel dat hij bij de vele kampeeringen verkregen had en dat hij zoo druk deed, dat al de laarzen, die nog van Napoleon bestaan, aan den teen versleten zijn. Zijne jaloerschheid tegenover zijn tweede vrouw is evenzeer naar waarheid geteekend, door de wijze, waarop Napoleon de Neipperg behandelt en de brieven van Marie-Louise onder-
schept. Zijn scherpe, krachtige spreektrant, die dikwijls zoo snel was, dat het zijn secretarissen volstrekt onmogelijk was om zijn dictée te volgen, is ook naar de werkelijkheid weergegeven, gelijk ook zijn overdreven nauwgezetheid in liet inachtnemen der vormen ten hove, en de sterk gespannen verhouding tusschen hem en zijne twee zusters, â dit alles heb ik getracht duidelijk ten toon te stellen. En wat Madame Sans-Gcne betreft, er bestaan gewichtige vermoedens aangaande eene groote menigte belangrijke feiten in haar leven. Zoo heb ik er bijvoorbeeld nooit in kunnen slagen, om den datum van haar geboorte te vinden, ofschoon ik al de archieven van Parijs doorsnuifeld heb. Niettemin is zij, voor zoover het de geschiedenis aangaat, volkomen authentiek; in 1792, den tijd waarin het voorspel van mijn stuk speelt, was zij een jonge vrouw ; ten tijde van het keizerrijk in 1811, was zij, zooals de geschiedenis ons haar laat zien, reeds tamelijk oud, hoewel ik haar in het stuk hare physieke bekoorlijkheden heb laten behouden. Dan verder is met geen enkel bewijs te staven, dat zij al dan niet schrijven kon. In mijn bezit zijn documenten, geschreven door haar secretaris en door haar onderteekend met een bijzonder onbedreven en ongeletterde hand.quot;
Edmond Lepelletiee, een uitmuntend en boeiend schrijver, volkomen bekend met de historie der Revolutie en van het Keizerrijk, heeft in overeenstemming en samenwerking met V ictorien Saedoü en Emile Mobeau deze prachtige historische roman geschreven, waarvan de rijke inhoud tienmaal méér geeft dan het bekende tooneelspel van dien naam.
Het avontuurlijke en vooral historische van deze interessante vrouw (Madame Sans-Géne) en van de andere personen die naast haar leefden, worden daarin met meesterhand geschilderd. Hij verrykte het verhaal met talrijke en pakkende bijzonderheden, ontleend aan Mémoires en andere documenten. Vele kleine bijzonderheden, dikwijls van zeer belangrijken invloed op den loop der historie, â daarbij vele niet algemeen bekende intimiteiten â komen daarin voor.
Deze buitengewone en ware geschiedenis van eene dier dappere Fransche heldinnen heeft sensatie gemaakt en allen aangegrepen.
Zeldzaam werd een zóó groot publiek getroffen en geroerd als door het lezen van het interessante verhaal van Madame Sans-Gêne. Het publiek in verrukking brengende voorvallen en interessante, pakkende scènes komen voor in de beschrijving van het leven en het ongehoorde geluk van Madame Sans-Gêne en van de dapperen en de verraders die zij op haar weg ontmoette, van het uur af dat zij in een katoenen kostuum gekleed was tot op den dag dat het purper hare leden omsloot.
Het is een roman van waarde waarin de ziel en de verbeeldingskracht van den lezer zonder ophouden verschillende aandoeningen ondervinden. Een geheele tijd, die onze belangstelling blyft wekken, treft den geest van den lezer.
Getrokken uit een der meest bewogen tijdperken der geschiedenis van Frankrijk, de groote Revolutie, meent men de personen te zien leven, die in dezen roman de hoofdrol vervullen.
Uitgave van Gebr. E. amp;M. COHEN, te Nijmegen en te Arnhem.
THACKERAY'S Romantische werken,
vertalingen van
Dr. UNDO (OUDEN HEER SMIDS) en Dr. YAN DEVENTER.
De kermis der ijdelheid. Met levensbericht van den schrijver en portret. Bewerking van Dr. M. T. Sindo
(Ouden Heer Smits). 2 dln......
Hetzelfde werk in 2 fraaie prachtbanden .
Het ploertenbpek en andere schetsen. Bewerking vai
Dr. J. C. Van eventee......
Hetzelfde werk in fraaien prachtband
De lotgevallen van Hendrik Esmond. Bewerking van Dr. M. T. Lindo (Ouden Heer Smits) .
Hetzelfde werk in fraaien prachtband .
De Virginiërs. Bewerking van Dr. M. T. Lindo. (Ouden
Heer Smits). 2 dln.......
Hetzelfde werk in 2 fraaie prachtbanden .
De New comes. 2 dln......
Hetzelfde werk in 2 fraaie prachtbanden .
De lotgevallen van Filips op zijn weg door de wereld, aanwijzende wie hem bestal, wie hem bijstond en wie zich niet om hem bekommerde. Bewerking van Dr. M.
T. Lindo. 2 dln. . .......
Hetzel'de werk in 2 fraaie prachtbanden .
Geschiedenis van Arthur Pendenis, zijn voor- en tegenspoed, zyn vrienden en zijn grootsten vijand. Bewerking van Dr. M. T. Lindo (Gaden Heer Smits). 2 dln. Hetzelfde werk in 2 fraaie prachtbanden .
Kompleete romantische werken, 12 dln. .
Dezelfde werken in 12 keurige prachtb.
f 1.50
â 2.50
â 0.75
â 1.25
â 0.75
â 1.25
â 1.50
â 2.50
â 1.50
â 2.50
1.50 2.50
1 50 2.50 7.50 12.-
Ik herinnerde mij het genot dat ik hem zoo dikwerf verschuldigd ben geweest, â en de lessen van wijsheid, die ik van hem geleerd heb, en â waarom zou ik mij daarover schamen, â de tranen van aandoening, die het me wel eens zooveel moeite gekost heeft te verbergen, als ik in den huiselijken kring in zijne werken zat te bladeren.
Lezer, het ga u ook zoo. Neem die werken met een hart vol liefde geschreven, met een hart vol liefde ter hand. Ik kan u het genot van de eerste kennismaking daarmede benijden; â ik kan de genoegens van eene herhaalde lectuur er van met u deelen.
LINDO. (Ouden heer Smits).
quot;Verder leze men de prachtige beoordeeling in de âLit ter arische Fantasiënquot; van Ed. Busken Huet, waarin o.a. gezegd worJt, dat slechts weinige auteurs het voorrecht met hem deelen ooi na hun dood nog steeds door nieuwe geslachten gelezen te worden.
ÃETM f®i SüffiiE
I^omarLtisclxe zeer g-ezoclvte -werlsexi.
De wapens neergelegd, 2 doelen (4.50).....f 1.50
Hetzelfde werk gebonden.........2.â
Trudi, Roman uit de groote wereld (2.75) . . . . â 0.75
Hetzelfde werk gebonden.......â 1.25
Daniela Dormes (2 30)........â 0.75
Hetzelfde werk gebonden.......â 1.25
Een slecht mensch (1.90)........â 0.75
Hetzelfde werk gebonden.......«1-25
De roman van een schrijver (2.25)......â -0.75
Hetzelfde werk gebonden . . . . .. . . â 1.25
De inventaris eener menschenziel (3.â).....â 0.75
Hetzelfde werk gebonden.......â 1.25
Een handschrift (1.80)........â 0.75
Hetzelfde werk gebonden.......â 1.25
Eva Siebeck (2.25).........â 0.75
Hetzelfde werk gebonden.......â 1.25
Aan de Riviera (2.25).........â 0.75
Hetzelfde werk gebonden.......â 1.25
Diep-innerlijk..........â 1.90
Hetzelfde werk gebonden.......â 2.40
Vroolijkë Verhalen.........â 1.90
Hetzelfde werk gebonden.......â 2.40
Verzamelde Werken, 12 deelen, ingenaaid . â 9.50
â â in 11 stempelbanden . . . , â 14.50
Allerlei bladen en tijdschriften van allerlei kleur en richting zijn vol lof over de werken van deze geniale schrijfster.
Rosegger, Bodenstedt, Hart, Land en de voornaamste critici en schrijvers hebben de meeste dezer werken met gloed aanbevolen, terwijl de voornaamste bladen er geheele kolommen aan gewijd hebben. Vooral âDe wapens neergelegdquot; is een boek met groote bestemming. Uit den grooten voorraad beoordeelingen laten wij enkele uittreksels volgen:
.... Een boek heeft niet alleen de bestemming om te onderrichten, wetenschappelijke resultaten te vermelden of te vermaken, te onderhouden, den tijd te helpen verdrijven â een boek kan ook een wapen, een oorlogskreet, een kruistocht-prediking zijn.
Dat was indertijd bijv. de âromanquot; van Mevrouw Beecher Stowe: ,,De negerhut van Oom Tom,quot; het boek dat den stoot heeft gegeven tot de afschaffing der slavernij in Amerika.
Dat was indertijd het boek van Multatuli. âMax Havelaar,quot; of de koffieveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappij,quot; dat den grondslag heeft gevormd voor een andere beschouwing van zijne koloniën door Nederland.
Zulk een boek, gelooven wij stellig, dat ook blijken zal te zijn het geschrift, dat we met onverdeelde belangstelling, neen .... bewondering hebben gelezen; Bertha von Suttner's âLevensgeschiedenis,quot; waarboven zij als motto heeft geschreven tot devies: âDe wapens neergelegd.'quot;
âMevr. Suttner's romans zijn vol edele denkbeelden, vol gloed en leven. Behalve de aangename toon en intrige die zij er in legt, hebben hare werken nog een hooger doel, n.1. om te veredelen. Wij bevelen ze gaarne een ieder aan.quot;
GEBR. E. amp; M. COHEN, te Nijmegen en te Arnhem, debiteeren met groot succes:
DICKENS' Compleete
geïllustreerde Werken.
22 deelen, 4quot; formaat, f 30.â, keurig gebonden f 41.â.
Deze volledige, verbeterde en sterk vermeerderde uitgave, heeft circa 14000 kolommen druks en bevat 848 uitmuntende Platen.
DICKENS' Werken zijn aCxondcrliJk verkrijgbaar als volgt:
Oavid C'o|gt;p«rMellt;l, met 61 platen ....... f 2,60
liet vvrlateii huis, met 61 platen ........ 2,60
Momliey en zoon, met 62 platen..........2,60
Kleine Dora, met 58 platen .......... 2,60
Maarten riiuzzlewit, met 59 platen.........2,60
Onze wederzijdselic vriend, met 58 platen ... . . â 2,60
Klok van Mr. Iliimplirey en Kdw. Urood, met 30 platen . . - 2,60
Kikolaas Nieklebcy, met 59 platen.........2,60
Namnel l'iekwik, met 61 platen ......... 2,60
Juirroiiw liirriper, enz. (Reeks Kerstverhalen) met 21 platen . â 2,00
Kerstsprookjes, met 20 platen........â 2,00
Kerstvertellingen, met 31 platen..........2,00
Melly, met 30 platen.............1,75
Olivier Twist, met 28 Platen...........1,75
tiroote verwaehtlngen, met 30 platen. . . . . â 1,75
Nchetsen van Boz, met 34 platen ,........1,75
in loonden en Parijs, met 25 platen.........1,75
Barnaby Budge, met 46 platen ......... 1,75
Schetsen uit Amerika en Italië, met 18 platen . . . . â 1,75
Jozef (irimaldi, met 10 platen...........1,75
Wlechte tijden, met 20 platen ......... 1,50
Ken reiziger die geen handel drijft, met 26 platen . . . â 1,50
Bovenstaande prijzen zijn voor geb. Ex. in prachtbanden.
Q?oov tngenaatöe toefen te ie pnje 50 â¬en( per werft mtnier. Een oompleet stel dezer â werken in rood gebonden, vormende 20 banden /quot;40.
.... Een verteller zonder wederga, tevens aandoenlijk en satiriek, vroolijk en weemoedig, een teekenaar van idealen en van karikaturen.
Cd. BTISKEN HUET. Litter Fantasiën. Dl. IV, blz. 54.
Dickens heeft door en met zijn talent der menschheid een weldaad bewezen. Met zijne aangrijpende verhalen en schetsen, die alleraantrekkelijkst zijn, tracht hij het bittere, in het leven voorkomende, te verbeteren; zijn weg was eenvoudig maar doeltreffend. Hij slaagde met succes; zijne romans en verhalen, zijne novellen en schetsen zijn meesterstukken die verkwikken, krachtige en voedzame kost, levensonderhoud.
Hetzij door vroolijkheid, hetzij door ernst, hij treft tot in de ziel; bijgeeft meer waarde aan het leven, door zijne groote, juiste en scherpe opmerkingsgave voor iedereen open te leggen in geschriften, die, overdacht en fijn bewerkt als ze zijn voor de eenvoudigsten zoowel als voor hoogontwikkelden naast bet luimige: ,,niitquot;, naast ernst: âwaarheidquot; bevatten.
Vak 152
»â ;V : V-:?*^:'-«^:-Vx-Vx-W;-:-r^ -:-V -V : »~ : /lt;- :- V :-V : V V - V V : V V » V V ⢠V ,-V-: V- V ' V V. :-'«s- -.'V : '» : '*:-:-.V : '⢠V : V '» ⢠V :
LOUISE MUHLBACHS
historische j^oracms
Be^'-erkt door ]VI, Iv.
Duitschland in Woeling en Strijd
DE OUDE EEITS EI DE IIEÃÃWE TIJD.
* *
NIJMEGENâARNHEM.
EBRs. E. amp; M. COHEN.
i'
191
DUITSCHLMD IN WOELING EN STRIJD.
DE OUDE FRITS EN DE NIEUWE TIJD.
ii.
DUITSCHLAND IN WOELING EN STRIJD.
HISTORISCHE ROMAN
door
LOUISE MÃHLBACH.
Bewerkt door M. K.
DE OÃDE FKIÃS EN DE NIEUWE TIJD.
â BIBUO 'quot;CA 1
TWEEDE DEEL. li VVIJCHENS
OBD. . «|N,
derde veel verbeterde druk.
Nijmegen amp; Arnhem. Gebr. E; amp; M. COHEN.
D K n D K _B O E JL. WOELING EN STRIJD.
I.
DE KONING EN DE OOSTENRIJKSCHE DIPLOMAAT.
Frederik was den veldtocht tegen Oostenrijk met al de geestkracht die hom in zijne jeugd bezield had, begonnen. Nadat hij den diplomaten nog eens hunne onderhandelingskunsten had laten beproeven, en deze mislukt waren, â was hij schielijk voorwaarts gerukt, en met zijn voorhoede Bohemen binnengedrongen.
De keizerlijken, â van de nadering des vijands verwittigd, â trokken haastig in hunne verschansingen bij Kö-ningratz terug; en hoewel er eenige kleine voorpostengevechten plaats hadden, waarbij de Pruisen overwinnaars Ideven, kwam het echter tot geen beslissenden veldslag. De keizerlijken weken tot achter de Elbe terug, en op den anderen oever der Elbe, â te Welsdorf, â sloeg de Koning zijn hoofdkwartier op.
Maar wat was het, dat den Koning verhinderde in snellen zegetocht verder voort te dringen'? Waarom overviel hij het keizerlijke leger niet, daar hij toch wist dat het nog verstrooid, en niet in staat was, de vereenigde macht dei-Pruisen weerstand te bieden? Want ook de tweede leger-afdeeling, onder het opperbevel van Prins Hendrik was, vereenigd met de Saksische bondgenooten, Bohemen binnengedrongen en had hij Nimburg een vaste stelling genomen, terwijl de keizerlijke veldmaarschalk Laudon haastig met
6
zijn leger terugtrok, en achter den Iser bij Münchengratz en Jungbunzlau beschutting zocht.
Waarom hield de Koning midden in zijne overwinningen stand? Hij was toch, sinds hij te velde was getrokken, allen weder met frisch, jeugdig vuur, als een schitterend voorbeeld, voorgegaan. Altoos te paard, en geen gevaar ontziende! Zelfs bij de bedekking der fourageurs had de Koning zich persoonlijk werkzaam betoond, en aan alles deel genomen wat het woelige oorlogsleven aan vermoeienissen en ongemak medebracht.
Waarom draalde hij nu plotseling, en bleef hij werkeloos in zijn legerkamp bij Welsdorf? Waarom ontbood hij,â in plaats van zijne generaals en stafofficieren, â zijn minister von Herzberg tot zich, in zijn kwartier?
Iedereen vroeg zich dit af, en iedereen wist er een ander antwoord voor.
Omdat de Keizerin van Rusland haar stem had verheven tegen dezen oorlog van Duitsche broederstammen ; zeiden sommigen.
Omdat de Koning van Frankrijk zich als bemiddelaar had aangeboden, om den twist te vereffenen; zeiden anderen.
Omdat de Keizerin-Koningin Maria Theresia, door schrik bevangen wegens het snelle voorwaarts rukken der Pruisen, vredesonderhandelingen had aangeknoopt; beweerden derden.
En terwijl aldus de schrandere politici in Duitschland, ja zelfs in geheel Europa overlegden, peinsden en gisten,â verwijlde Fredeiük rustig in het boerenhuis, waarin hij zijn kwartier had opgeslagen, en dat met tapijten, veldstoelen en gordijnen lot een behagelijk verblijf was ingericht geworden.
In zijn particulier vertrek zat hij op den hoogleunigen, met leder overtrokken armstoel, die uit de naburige pastorie voor hem was aangebracht. Alkmene lag op zijn schoot, en Diana aan zijn voeten. Zijn gelaat was een weinig bleek en afgemat; maar zijne oogen glinsterden met onverdoofden glans, en om zijne lippen zweefde, nu hij sprak, een lichte spottende glimlach.
,,Ja,quot; zeide hij tot den minister von Herzberg, die voor hem stond; âzóó is het nu met do zaken gelegen, en daarorh heb ik u hier laten komen! De Keizerin-Koningin is boven alles een teedere moeder. Het beangstigt haar vreeselijk,
7
dat de lieve, jonge Keizer Jozef naar zijn leger is vertrokken, en zich aan de gevaren des oorlogs wil bloot stellen. Mijn goede vrienden te Weenen hebben mij bericht, dat mijn binnenrukken in Boheme, te Weenen eenige sensatie verwekt, â en de Keizerin-Koningin zóódanig verschrikt heeft, dat zij met allen ernst eraan dacht, vredes-onderhandelingen met mij aan te knoopen. Toen ik dit uit zekere bron vernam, legerde ik mij hier, opdat de Keizerin zou weten waar ik te vinden ben, en zond u een koerier die u ten spoedigste hierheen riep. Nu, ik had nauwelijks drie dagen hier in kwartier gelegen, toen reeds de baron von Thugut als gezant der Keizerin-Koningin verscheen, om mij voorstellen te doen, en een veertiendaagschen wapenstilstand te bepalen. Ik stelde mijne voorwaarden, en zond hem er mede terug; doch gaf de Keizerin door haar onderhandelaar de belofte, dat ik al mijne stappen zóódanig zou inrichten, dat Hare Majesteit niets voor haar bloed en den geliefden en hoog-geachten Keizer te vreezen had. ^ Foi/a, mow c/ierminisire; nu weet ge alles, en als de Oostenrijksche diplomaat weder komt, kunt gij met hem onderhandelen.quot;
âUwe Majesteit is dus genegen vrede te sluiten?''vroeg Herzberg.
De Koning haalde de schouders op. âAls het met eere, geschieden kan, ja,quot; zeide hij: âIk wil u iets zeggen, Herzberg, â de veldtocht valt mij zwaar. De oude kerel van acht-en-zestig jaar voelt den last des levens op zijn gebogen rug, en zou zich gaarne willen uitstrekken en rusten, en de laatste paar jaren zijns levens als philosoof en schrijver, in plaats van als soldaat genieten.quot;
âUwe Majesteit heeft, zoo God wil, nog vele jaren te leven,quot; riep Herzberg; âhet zou een groot ongeluk voor Pruisen zijn, indien het zijn grooten Koning niet nog een lange en gelukkige regeering te danken had.quot;
âHm,quot; zei de Koning; âer zijn in Pruisen zeer velen die anders denken, en mij naar alle duivels wenschen! Nu, ik denk evenwel deze messieurs niet zoo spoedig op te zoeken, want er zijn in dit aardsche jammerdal nog genoeg duivelarijen, die iemand zulk een behoorlijk vagevuur bereiden.
1) 's Konings eigen woorden. Zie Preuss, Priedrich der Grosse. Band IV, 102.
8
dat men later wel eenige aanspraak op de zaligheid des hemels mag maken. Derhalve denk ik dan ook nog een poosje hier beneden te blijven, en aan dit zuurdeeg des levens een weinig mede te kneden, opdat er voor mijn onderdanen een eetbaar brood uit ontsta. Gij moet mij daarbij helpen, Herzberg ; want zoo ik ook de bakkersbaas ben voor mijn volk, zijt gij mijn gezel, en moet het brood kneden, waarvoor ik u het meel lever. Opdat ons echter het meel niet ontbreke en het brood niet ontga, zou het noodig kunnen zijn, dat wij, zoo mogelijk vrede maken.quot;
âWil Uwe Majesteit mij genadiglijk zeggen hoever ik gaan kan, en welke voorwaarden Zij stelt?''
âZiehier, neem dit papier,quot; zei de Koning, een blad van zijn tafel nemende en het Herzberg overreikende; âIk heb er alles op beschreven, en hiernaar hebt gij u te richten. Ik ben tot eiken vrede bereid, die met eere gesloten kan worden, en die het doel niet verijdelt,'t welk ik mij gesteld heb. En dit doel, mon cher, vous le connaissez! Het is Duitschland in veiligheid te stellen tegen de eer- en veroveringszucht van Oostenrijk! Ik zal en kan het niet dulden, dat het Huis Oostenrijk naar een onrechtmatig landbezit in Duitschland streett, en zich Beieren wil toeëigenen, hoewel er een rechtmatige erfgenaam is. Nu, ik weet wel, dat ik eigenlijk voor Don Quichot speel, en voor Duitschlands rechten wil strijden, zooals de ridder de la Mancha voor zijne Dulcinea van Tobosa vocht. Mais, que voulez-vous 9 â Het is voor mijn roem en voor mijn rust noodzakelijk dat ik nogmaals tegen Oostenrijk in het strijdperk treed, om het te bewijzen, dat ik nog leef. Ik doe dezen stap, wegens het aanzien dat ik mij in het Duitsche Piijk verworven heb, en dat ik zou verloren hebben, indien ik Oostenrijk in deze Beiersche aangelegenheid niet tegengetreden ware. Bovendien is 't mij agréable, mijn opvolger aan het kanongedonder te gewennen, en te zien hoe hij zich op het camp de bataille gedraagt.quot;
âHij zal gewis den heldenstam der Hohenzollern eer aandoen,quot; zeide Herzberg buigende.
Een snelle blik uit 's Konings vlammende oogen trof het kalme, ernstige gelaat van den minister. â âGij bezigt frazen en vleierijen, en dat is een bewijs dat ge niet tevreden zijt. Nu, nu, loochen het niet; 't is u niet naar den zin
9
dat ik hier draal en onderhandel, om de pennen in plaats van de zwaarden in beweging te brengen. Gij zijt een man van de daad, en als het naar uwen zin ging, moest ik reeds een beslissenden slag hebben gewonnen, en op raarsch naar Weenen zijn, om de Keizerin-Koningin in haren burgl te belegeren, en -haar een vernederenden vrede voor te schrijven.quot;
,,Majesteit, ik kan verzekeren. âquot;
âNu, nu,quot; viel de Koning hem in de rede; âbetwist het maar niet! Meent ge dat ik het niet versta in uw eerlijk, ontevreden gelaat te lezen? Meent ge, dat ik in mijn binnenste niet evenzoo denk? Beken dus; heb ik de waarheid niet gezegd? Beken, ik beveel het u!quot;
âWelnu, zoo Uwe Majesteit het beveelt, wil ik de waarheid zeggen. â Ja, majesteit; ik had gewenscht dat Uwe Majesteit den heer von Thugut niet gemachtigd had, hier ten tweedemale tot verdere onderhandelingen te verschijnen. Ja, _ ik zou gelukkig zijn geweest, indien Uwe Majesteit als overwinnaar en held voor Weenen ware verschenen; â opdat deze trotsche Habsburgers eindelijk tot het inzicht zouden zijn gekomen, dat Frederik van Pruisen niet meer achter, â maar nevens hen staat; dat hij een nieuwen tijd en een nieuwe orde van zaken heeft geschapen; dat de oude, vermolmde en versleten instellingen der keizerlijke opperheerschappij, voor Frederik de Grroote tot stof vervallen zijn; en dat Duitschland zich hervormen moet, om nevens den grijsaard Oostenrijk ruimte te maken, en de baan vrij te houden voor den jongeling Pruisen! Ja, Majesteit, ik had gewenscht, dat Gij minder grootmoedig, minder edel waart jegens den overmoedigen en trotschen vijand, en geen andere voorwaarden aannaamt dan deze ééne: Gelijkstelling van Pruisen met Oostenrijk in het Duitsche Bijkquot;
âMon cher, ik ben waarlijk verbaasd over de vigueur, waarmede ge spreekt, en 't is mij aangenaam u zoo appassionato te vinden,quot; zei Frederik, zijn minister vriendelijk toeknikkende; âMaar luister, ik wil u iets toevertrouwen, wat ik u echter niet zou aanraden aan iemand over te zeggen: ik ben toi mijn eigen regret niet meer, zooais ge mij vleiend noemt, Frederik de Groote, âmaar ik ben de oude Frits. Verstaat ge mij? De oude Frits! C'est d dire: een jammerlijk, uitgediend soldaat, die geen kracht en geen vuur meer in zich gevoelt. ]k moet u bekennen, dat mij
10
de verzen van Boileau steeds in de gedachten liggen, en dat ik ze eiken dag, als ik te paard steeg, herhaald heb;
Malheureux, laisae en paix ton cheval vieillisant,
De peur, que tout ü coup essoufflé, sans halelne,
II ne laisse, en tombant, son maïtre sur 1' arêne.
Zie, 'tis het jammerlijke van het leven, dat de mensch oud wordt, en dat het oude foudraal, â waarin de ziel zit, â wanneer het versleten en zwak is, zelfs de ziel aan zich onderdanig maakt, en haar dwingt hare vleugels in-te trekken en krom te liggen. Au commencement wist ik niet dat het reeds zóóver met mij gekomen was, en ik verbeeldde mij dat de gevleugelde ziel sterk genoeg zou zijn om het oude, broze lichaam mede op te heffen. Daarom waagde ik het, in weerwil van mijnen ouderdom, dezen oorlog te ondernemen; want ik hield het voor mijn heiligen devoir ten beste van Duitschland op te treden voor eer en recht, en den Keizer van Duitschland te bewijzen, dat hij niet willekeurig handelen en wandelen kan in het Duitsche Rijk. Maar zoo ik nu, â gelijk ik dit door mijne houding tot nu toe bewezen heb, â een eervollen vrede maken kan, ben ik daarmede volkomen voldaan, en tracht volstrekt niet naar de eer nieuwe lauweren te verdienen; maar zou zeer tevreden zijn, mij als vader mijner arme onderdanen, de burgerkroon te verwerven. Zie, daar hebt ge nu mijne geloofsbelijdenis. Ik heb haar u even oprecht gebiecht, als mijne respectable nicht, de Keizerin-Koningin, aan haren zielsverzorger biecht, â behalve dat ik er niet bij op de knieën lig, en gij niet doet zooals wijlen de biechtvader der Keizerin deed, â en mijn biecht niet aan den trèsrsaint-père te Rome verraadt!quot;
âUwe Majesteit weet wel, dat ieder woord, 't welk Uwe Majesteit de genade heeft tot mij ie spreken, in het binnenste mijns harten is geschreven, en geen foltering in staat zoude zijn, mij zelfs èèn lettergreep te ontrukken.quot;
âIk weet dat ge een trouw en ijverig dienaar van uwen Koning en uw vaderland zijt,quot; zei Frederik hem toeknikkend; âen luister, één ding wil ik u nog zeggen; een anderen dan een eervollen vrede sluit ik niet', en zoo de Keizerin-Koningin niet als basis des vredes, van hare eischen op Beieren atstand doet, moet ik mijn afkeer van den oorlog
11
overwinnen, en dan zal het zwaard tot stand brengen, wat de pen niet vermocht. En nu, passons ld dessus. Daar Thugut nog niet komt, zoo laat ons over andere zaken spreken. Ik moet u zeggen, dat ik tamelijk vlijtig ben geweest, en de werkeloosheid van het kampementsleven zooveel mogelijk besteed heb om te arbeiden. Ik heb een lofrede op Voltaire geschreven, en als ik die nog eens gecorrigeerd en overgezien heb, zult gij, â ter herinnering aan Voltaire, âin de academie te Berlijn een gedachtenisfeest verordenen, en er mijn lofrede voorlezen.quot;
âEn geheel Duitschland, geheel Europa zal verbaasd zijn over den groeten, koninklijken geest; die zich in het legerkamp nog bezig houdt met de muzen, en den man een onvergankelijk monument opricht, die zoo slecht en ondankbaar jegens zijn weldoener en beschermer gehandeld heeft.quot;
âVous allez tropviie, moncher, vraimenl Irop vife,quot; riep Frederik opgewonden: â't Is waar, Voltaire was een ellendige kerel, maar toch een groot poëet; hij heeft mij ook slecht en ondankbaar behandeld, want ik had hem vele gunsten bewezen, en hem behandeld als vriend en niet als Koning. Maar ik was 'them schuldig; want ziet ge, Voltaire was mijn weldoener geweest, en ik heb aan zijne werken de schoonste en verhevenste ui'en van mijn jongelings-, leven te danken. Daaraan heb ik gedacht, en daarom heb ik deze lofrede op hem geschreven. Nu, ze zal niet veol bijzonders zijn, en ik vrees dat de académie francaise de taal scherp zal critiseeren; maar hoe zou't mogelijk zijn in Boheme en in 't leger, -â nu op marsch, dan in kwartier, â goed Fransch te schrijven? Ik heb intusschen gedaan wat ik kon; en zoo het werk ook dengene niet waardig is, dien het moet verheerlijken, zoo heb ik toch van de vrijheid der pen kunnen profiteeren, om in Berlijn openlijk te laten voordragen, wat men te Parijs nauwelijks waagt elkander in het oor te fluisteren.quot; %)
âIk zal zeer gelukkig zijn het orgaan voor deze vrijmoedige declamatie te wezen. Majesteit,quot; hernam Herzberg buigende.
1) 'sKonings eigen woorden. Oeuvres posthumes. Vol. XV, 109. Deze lofrede op Voltaire, welke de Koning in het legerkamp schreef, moest Herzberg reeds in Kovember van hetzelfde jaar in de académie voordragen.
42
âMaar met het andere werk dat ik begonnen' hob, zult ge niet tevreden zijn,quot; zei Frederik glimlachend; âgij zijt immers zulk een ijverig Duitschor, en waagt het zelfs te beweren, dat het ondragelijke Duitsche jargon een fraaie zinrijke taal is.quot;
âEn ik moet bij deze bewering blijven. Majesteit,quot; riep Herzberg met vuur, âde Duitsche taal is een welluidende, edele, zinrijke taal; en zij is wèl in staat, â wat scherpte en kortheid betreft, â¢â met de talen der Ouden te wedijveren.quot;
âDat hebt ge reeds vroeger tegen mij beweerd,quot; riep de Koning: âik heb het reeds toen betwist, en betwist het nog heden! Blijf mij met uw Duitsche taal van 't lijf. Zij verdient eerst dan waardeering, als groote poëten, groote redenaars, uitstekende geschiedschrijvers baar gecorrigeerd en bevrijd hebben van die llauwe en weeke spreekwijzen, die haar thans nog misvormen en maken, dat men een menigte overtollige woorden moet gebruiken, om weinige denkbeelden uit-te-drukken. Tot hiertoe is de Duitsche taal echter niets meer dan een samenilansing van verschillende dialecten, die elke streek van het Duitsche Rijk het beste meent te spreken, en waarvan nauwelijks twintigduizend in elke streek verslaan wat zij zeggen!quot;
âSire,quot; riep Herzberg heftig; âzoo spreekt een Koning omtrent de Duitsche taal, op hetzelfde oogenblik dat hij voor de Duitsche eer te velde trekt, en zich aan al de nooden en vermoeienissen des oorlogs onderwerpt? â Neen, het kan Uwe Majesteit geen ernst zijn, onze schoone taal te verachten!quot;
âIk veracht haar niet; ik zeg slechts dat zij eerst gevormd, â en van hare uitwassen ontdaan moet worden. Tot zóólang echter moeten wij ons van de Fransche taal bedienen, die tegenwoordig de wereldtaal is, en waarin men al de meesterstukken der Grieken en Latijnen met dezelfde kracht, losheid en juistheid, als in het oorspronkelijke kan teruggeven! Gij beweert wel, dat men Tacitius even goed in een Duitsche vertaling zou kunnen lezen, maar ik geloof 'tniet, en weet, dat de Duitsche taal niet in staat is den Latijnschen schrijver met die kernachtige kortheid terug te geven, zooals de Fransche taal dit vermag.quot;
1) 'sKonings eigen woorden. Zie: Oeuvres posthumes. Vol. XV. e. a, A.
13
âSire, ik kan u thans tot mijne vreugde het tegendeel bewijzen,quot; zei Herzberg verheugd; âeen Berlijnsch geleerde, de conrector Moritz, heeft op mijn wensch een paar hoofdstukken uit het veertiende boek der jaarboeken van Tacitus woordelijk in het Duitsch overgezet, en daarnevens in twee kolommen de Fransche vertaling, alsmede het oorspronkelijke Latijn geschreven. Ik heb de vrijheid genomen, deze vertaling van den conrector Moritz mede-te-brengen. Gij zult eruit zien, sire, dat het wél mogelijk is een Latijnschen schrijver kort en kernachtig in het Duitsch over te zetten, en dat er bij ons wèl jonge geleerden zijn, die den geest onzer taal begrepen hebben, en zich met bevalligheid en bekwaamheid ervan weten te bedienen.quot;
âNu, geef,'' riep de Koning met vuur: âik ben waimenf nieuwsgierig het werk van den Duitschen taalgeleerde te bewonderen, die zich verstout heeft Tacitus te vertalen.''
âSire,quot; zei Herzberg, en zijne oogen richtten zich met een zachte, biddende uitdrukking op 's Konings gelaat, âik voeg bij de overgave van deze vertaling een verzoek.quot;
âWat is 't?quot; vroeg de Koning. âHet is zóó zeldzaam u een verzoek te hooren doen, dat ik reeds daarom er zeer nieuwsgierig naar ben. Zeg dus, wat is het?quot;
âMajesieit, mijn verzoek betreft den vertaler van dit hoofdstuk van Tacitus. Hij is, zooals ik reeds gezegd heb, een jong, Berlijnsch geleerde, conrector aan het gymnasium van het grijze klooster. Een jonkman van buitengewone begaafdheid, die waarschijnlijk een groote toekomst voor zich heeft, en thans reeds als auteur menigen belangrijken arbeid geleverd heeft. Toen ik den directeur Gedicke verzocht mij een jongen geleerde voor de bedoelde overzetting aan te bevelen, noemde hij mij doctor Moritz als den uit-stekendste ; en bij deze gelegenheid leerde ik dezen jongen man kennen en waardeeren.quot;
âDat zie ik,quot; knikte de Koning: âGij spreekt met veel opgewektheid van hem, en vermits, wat mij Herzberg zoo warm aanbeveelt, ordinairement goed en degelijk is, begin ik in dezen monsieur Moritz belang te stellen. Dit is toch waarschijnlijk wat ge begeert? Ik zal, zoodra ik te Berlijn teruggekeerd ben, â et le bon Dieu permettra que ce sera bientót, â u dadelijk machtigen mij dit licht voor te stellen, Zijt ge nu tevreden?quot;
14
âVergeving, sire; ik waag het nóg meer te begeeren. Mijn bede is, dat Uwe Majesteit de genade hebbe, den jongen man terstond een audientie te vergunnen.quot;
âComment, terstond op 't oogenblik ? â Hij is dus hier, deze feniks, die mijn kalmen minister zoo warm maakt? Vanwaar|komt hij dan? Wat wil hij toch hier?quot;
âSire, hij komt van Berlijn, en heeft het ondernomen de reis hierheen te voet te doen. Ik ontmoette hem onderweg. Hij zat aan den weg op een steen, en at met vroolijk gezicht een stuk brood, sprak luid met zich zeiven, en was zóózeer in zijn zelfgesprek verdiept, â 't welk hij ter loops gezegd, in de Latijnsche taal voerde, â dat hij volstrekt niet op mijn rijtuig lette, dat langzaam in het zand voort-kroop. Maar ik herkende hém terstond; liet stilhouden, en riep hem bij zijn naam. Toen eerst sloeg hij zijn blik, die tot hiertoe ten hemel was gericht, naar mij op ; maar zonder eenige verlegenheid, en geenszins beschaamd, omdat ik hem in zulk een armoedigen toestand aantrof.quot;
âC'est d dire, hij is een goed comédiant,quot; zei de Koning : âhij wist natuurlijk, dat ge daar voorbijrijden zoudt, en had zich expressement daar neergezet om uwe attention tot zich te trekken.
âIk verzoek vergeving, sire; de conrector kon volstrekt niet weten dat ik hem daar ontmoeten zou. Uwe Majesteit weet immers, dat ik midden in den nacht door een koerier werd gewekt, die mij het bevel van Uwe Majesteit bracht, mij hierheen te begeven. Twee uren later zat ik reeds in het rijtuig, en reed onafgebroken dagen nacht voort. Zoo mij dus de jonge man, die te voet reisde, ongeveer vijf mijlen van hier ontmoette, moest hij reeds verscheidene dagen onderweg zijn, en bijgevolg Berlijn verlaten hebben op een tijd, dat ik zelfs nog niet vermoedde, deze reis te zullen doen.quot;
âC'est vrai,quot; zie de Koning; âhet was een valsch sowppon van mij. Spreek voort? Ge naamt den heer Moritzinuw rijtuig, nietwaar ?quot;
âIk bood het hem natuurlijk aan, sire, omdat hij mij zeide dat hij deze reis had ondernomen, om bij Uwe Majesteit een audientie te verzoeken. Hij wees het echter eerst bepaald af, zeggende: dat hij tot Uwe Majesteit wilde gaan, gelijk de pelgrims naar den Paus te Rome, om hunne zaligheid te
15
verwerven, â te voet in 't stof der wegen, â als een ootmoedig bedelaar, die het hemelrijk zoekt.quot;
âEen zonderling mensch; een echt origineel, naar het. schijnt,quot; riep de Koning.
âja, inderdaad een origineel, sire. Hiervoor wordt hij ook door al zijne vrienden gehouden.''
âHeeft hij vrienden?quot; vroeg de Koning met een onge-loovigen glimlach.
âJa, sire; vele en deelnemende vrienden, die met warme teederheid aan hem gehecht zijn, en hem, â om zijne groote en schitterende hoedanigheden, â gaarne zijne zonderlingheden ten goede houden.quot;
âHoor, Herzberg, ge zijt geheel en al bekoord, en ge spreekt van dezen mensch als een verliefd meisje.quot;
âSire, zoo ik een meisje ware, zou ik zekerlijk op Moritz verlieven, want hij is schoon!''
âDiable, ik begin bijna bang te worden voor dit sujet. Hij is dus schoon, geleerd, schrander en goed, hoewel hij tot het winderig, opgeblazen Berlijnsche volk behoort! Nu, spreek, hebt ge den monsieur verder op den weg laten voorttrekken ?quot;
âNeen, sire; ik heb hem overreed een plaats in mijn rijtuig aan te nemen, door hem begrijpelijk te maken, dat hij anders gevaar liep, Uwe Majesteit niet te bereiken, daar toch de mogelijkheid bestond, dat Uwe Majesteit reeds lang van Welsdorf opgebroken, â en verder gemarcheerd was, vóór hij er was aangekomen. In geen geval echter wilde hij een plaats in mijn rijtuig aannemen, maar verklaarde zich achter op het rijtuig te zullen plaatsen. âWant,''zei-de hij tot mij met zijn tai'tende beradenheid; âals een bedelaar kom ik tot den Koning, en daarom kan ik ook slechts tot hem gaan als een bedelaar, en niet als een groot heer.quot;
â Vraiment, c'est un original,quot; prevelde de Koning; âWeet ge dan, wat de mensch van mij wil ?quot; vroeg hij toen luid.
âNeen, Majesteit,quot; antwoordde Herzberg; âhij zeide mij slechts, dat 'thet levensgeluk van twee menschen betrof, en dat hij buiten God slechts den Koning zijn hart kon ontsluiten.quot;
âWaar is uw protégé?quot;
âSire, hij staat voor het huis, en wacht op een genadigen roep. Dit is dus nu mijn onderdanigste bede, dat Uwe
16
Majesteit hem een audiëntie verleene, en mij genadiglijk vergunne den heer Moritz te roepen.''
âNu, doe het, en âquot;
De deur werd juist geopend en de kamerhuzaar diende aan: âDe secretaris van Vorst von Galitzin is zooeven van Weenen aangekomen, en verzoekt onderdanigst om eene audiëntie.quot;
âC'est lui, eest le baron,quot; zei de Koning zich tot den minister wendende: âZeg dus aan uwen protégé, dat hij wachten moet, en kom dan weder hier. Laat den secretaris van Vorst Galitzin binnenkomen!quot;
De kamerhuzaar opende de deur, en in 't zelfde oogenhlik dat de minister von Herzberg naar buiten ging, verscheen op den drempel de baron von Thugut, buitengewoon en geheim gezant van Keizerin Maria Theresia.
âNu, mijnheer de baron,quot; zei de Koning, terwijl hij de diepe, eerbiedige buigingen van den gezant met een nauwe-lijks merkbaren hoofdknik beantwoordde; âgij zijt dus reeds weder terug. Ik trek hieruit de conclusion, dat gij uwe instructies niet onmiddelijk uit Weenen van de Keizerin-Koningin hebt gehaald, â maar van den mederegeerenden Keizer Jozef, die zich, zooals ik hoor, naar de armée heeft begeven, en zich in het Oosten rij ksche legerkamp bevindt!quot;
âSire,quot; antwoordde Thugut laconiek; âik heb dag en nacht met koerierpaarden gereden, en ontving mijn instructies onmiddelijk van de Keizerin.quot;
De Koning schudde even het hootd, en een onmerkbaar lachje speelde een oogenhlik om zijne lippen.
âEn de jonge Keizer stemt met deze instructies in?quot; vroeg hij.
âSire, Zijne Majesteit is slechts mederegent,quot; antwoordde Thugut haastig; âhet is derhalve volstrekt niet noodzakelijk dat mijn Souvereine hare besluiten van de toestemming van haren heer zoon afhankelijk maakt.quot;
Een weerlicht vlamde op in de oogen des Koning, maar hij sloeg ze haastig neder. âDe Keizerin wil den vrede,'' zeide hij bij zichzelven; âmaar de Keizer wenscht in een oorlog een paar lauweren te verdienen, en zou derhalve de onderhandelingen zijner moeder door een coup de main willen afsnijden. Men moet dus op zijne hoede zijn!quot; â
Juist opende zich andermaal de deur, en Herzberg trad
17
weder binnen. âGij ziet, ik heb op uwe terugkomst gehoopt.quot; zei de Koning; âen heb derhalve mijn Staatsminister,den heer von Herzberg, hier ontboden. Dit is de baron von Thugut, mon cher ministre, de afgezant der Keizerin-Konin-gin, die nu oorlog of vrede, ââ al naar omstandigheden,â in zijn zak draagt.quot;
âSire, ik moet ontkennen zulk een gewichtig persoon te zijn,quot; zei Thugut haastig. âOorlog en vrede liggen eigenlijk in de handen van Uwe Majesteit, en het hangt slechts geheel en al van den verheven Koning van Pruisen af, of hij Duitschland den vrede en de rust wil wedergeven, â óf dat hij de schuld ervan wil dragen, dat de bloedige geesel van den broederkrijg andermaal de ongelukkige Duitsche volken teistei'e !quot;
âO, dat klinkt immers zeer sentimenteel!quot; riep de Koning glimlachend; .,de heer von Thugut wil ten gunste van de Duitsche volken een beroep op mijn hart doen, terwijl wij toch hier alleen met het hoofd te doen hebben. Oostenrijk wil altijd het hoofd van Duitschland zijn, en zou als zoodanig het eene Duitsche land na het andere, als een aangenaam voedsel willen inslokken. Maisvoyons, monsieur le baron] als men het hoofd wil zijn, kan men niet tegelijkertijd ook de maag vertegenwoordigen; want, zooais ik mij heb laten zeggen, is het alleen bij de weekdieren der zee 't geval, dat het hoofd in de maag zit, en tegelijkertijd denkt en verduwt. Oostenrijk behoort nu echter vraiment niet tot de weekdieren, maar heeft integendeel een tamelijk harde en ondoordringbare schaal. Wij kunnen het dus niet permitteeren als maag datgene in te nemen, wat het als hoofd voor een goeden buit gekozen heeft. Het keurvorstendom Beieren mag niet ingeslokt worden; â dit is het noodzakelijke voorafbedongen fondament, waarop alleen de tempel des vredes voor de arme, ongelukkige volken gebouwd kan worden. Zoo gij, â of liever de Keizerin-Koningin,â hiermede instemt, dan zeg het, en de verdere onderhandelingen kunnen dan door beide heeren hier gevoerd worden ! Zoo gij den vredestempel echter op een ander fondement denkt op te trekken, zeg ik u vooraf â doe mij dan geene voorstellen, want ze zouden tevergeefsch zijn! Ik ben niet ten oorlog gegaan om veroveringen te maken, maar alleen om het recht van een Duitschen Vorst te verdedigen, en
Mührbaoh, Duitschland in woeling en strijd. II. 2
18
niet te dulden, dat anderen veroveringen maken in het heilige Duitsche Rijk! Ik weet, dat de oorlog, â zooals gij straks zeidet, â een bloedige geesel voor de Duitsche volken is; maar, monsieur, zóó sentimenteel willen wij het toch ook niet opvatten, en niet van broederkrijg spreken, als Oostenrijk tegen ons te velde trekt. Of wilt ge soms mijn goede Pommeren, Markers, en mijne andere Duitsche volksstammen bewijzen, dat de Kroaten en Pandoeren, de Hongaren, Walachen, Italianen en Polen, welke het Oostenrijk-sche Keizershuis tegen ons in het veld brengt, hun Duitsche broeders zijn? â Ik denk, dat deze broederschap zich slechts tot ons aller stamvader Adam zou laten terugvoeren, en in dien zin is dan gewis elke oorlog een broederoorlog; in allen geval altijd een malheur voor de mensch-heid, en ik heb de overtuiging, dat de Keizerin-Koningin even gaarne hare Kroaten, Pandoeren, Walachen, Hongaren en Galiciërs zou willen sparen, als ik al mijn Diutec/ie onderdanen.quot;
âOok Uwer Majesteits Poolsche onderdanen, zooals te vermoeden is,quot; voegde baron Thugut er bij.
âNu, riep de Koning: âmijn Poolsche onderdanen zijn een zeer kleine breuk mijner onderdanen, en staan zoo omtrent in verhouding tot de Duitsche bevolking, als in 't Oostenrijksche Keizerrijk de Duitsche bevolking tot de niet-Duitsche volksstammen. Maar genoeg hiervan; hoezeer ik ook den zoogenaamden Duitschen broederoorlog mei erken, moet ik wèl erkennen, dat de oorlog, â tegen wien hij ook gevoerd worde, â steeds een groot ongeluk is. Ik zal daarom gaarne alles doen, om hem te vermijden; alles wat met de eer en den roem zoowel van mijn Huis, â als van Duitscbland in 't algemeen, bestaanbaar is. Laat dus hooren! Hoe heeft de Keizerin-Koningin mijne voorstellen aangenomen, en welk antwoord brengt gij mij?quot;
âSire,quot; antwoordde Thugut, terwijl hij de documenten, welke hij had medegebracht op de tafel legde, â de touwtjes waarmede zij bijeengebonden waren losmaakte, en de papieren uiteen sloeg; âsire, ik verzoek verlof Uwe Majesteit de hierop betrekkelijke documenten te mogen voorlezen.quot;
âNeen, heer baron,quot; antwoordde de Koning haastig; âdeze nadere bijzonderheden gaan mijnen minister aan. Zeg mij slechts den korten inhoud!quot;
19
âWelnu,quot; zei Thugut; âzooals Uwe Majesteit beveelt: De Keizerin-Koningin verklaart zich bereid het met den overleden Keurvorst Karei ïheodoor gesloten erfverdrag op te hellen, van de Reiersche erfenis af te zien, en al de in bezit genomen districten terug te geven, â als Pruisen zich daarentegen verbindt, bij openvallende erfopvolging der markgraven Anspach en Baireuth, deze markgraafschappen niet als nieuwe provinciën bij Pruisen in-te-lij-ven, maar ze als onafhankelijke vorstendommen, met zelfstandige souvereinifeit, in Duitschland te laten bestaan.quot;
âDat heet; Oostenrijk, â dat zich op onrechtmatige wijze met Beieren wilde vergrooten, â zou Pruisen zelfs diens rechtmatige erfenis willen onttrekken !quot; riep de Koning, en een toornige bliksem vlamde in zijn oogen op. âIk wil voors'hands dit bijvoegsel niet gehoord hebben, en mij slechts voldaan verklaren met de eerste bepaling; dat Oostenrijk van zijne aanspraken op Beieren wil afzien.''
âSire, slechts op voorwaarden, die met de eer, dewen-schen en behoeften mijner verhevene gebiedster in overeenstemming zijn.quot;
âGij hoort, mijn waarde Herzberg,quot; wendde de Koning zich glimlachend tot zijnen minister: âc'esi tout comme chez nous. Het zal nu uwe taak zijn, zóódanige voorwaarden te vinden, waardoor noch de eer van den eenen, noch die van den anderen geschaad wordt. En daartoe mogen de hee-ren diplomaten hier in de nabijheid, â in het klooster Braunau bijvoorbeeld, â bijeenkomen; want hier bij mij, in mijn armoedige hut, zal dit niet gaan. De heeren diplomaten zijn steeds gewoon aan hunne conferenciën en onderhandelingen veel tijd te besteden, terwijl wij, krijgslieden, weinig tijd beschikbaar hebben! Gaat dus naar Braunau, terwijl ik met mijn leger verder trek.quot;
âHoe? wil Uwe Majesteit van hier opbreken?quot; vroeg Thugut met zichtbare verbazing.
Een fijne glimlach speelde om 's Konings lippen.
âJa,quot;' zeide hij; âik wil voorwaarts gaan, want mijn stilstaan zou op een terugtocht gelijken. De diplomatische kunsten zouden de onderhandelingen zóódanig kunnen rekken, dat de keizerlijken inmiddels al hunne vreemde volksstammen verzameld, â en tot den zoogenaamden broederoorlog hadden laten opmarcheeren. Dus, mijnheer de baron.
20
bespoedig de onderhandelingen; want eiken dag van den di-plomatieken vrede, is voor het ongelukkige Bohemen een dag van fourageerenden oorlog meer; en ik weet niet of gij de Gzechen óók niet tot de Duitsche broederstammen telt, voor wie de krijgsnood verderfelijk is. Dus, mijn waarde minister von Herzberg, ge hebt van nu af met den heer baron von Thugut te doen. Want ik hoop, dat gij het aanneemt, om met mijnen minister, in het klooster Braunau eenige diplomatische veldtochten te maken?quot;
âSire, ik neem het aan,quot; antwoordde Thugut, wiens gelaat nu somberder en ernstiger was geworden, sinds hij van het voorgenomen oprukken des Konings vernomen had ; â âja, ik neem het aan, en zal mij, âzoo Uwe Majesteit mij ontslaan wil, â terstond op weg naar Braunau begeven.quot;
âDoe dat, beer baron,quot; zei de Koning; âde goede, gastvrije monniken zullen wel reeds voor een goed souper en zarhte bedden gezorgd hebben; want ik heb den heer prior door een koerier, van de spoedige aankomst der heeren diplomaten doen berichten.quot;
âUwe Majesteit had dus de genade, van mijne terugkomst overtuigd te zijn? vroeg Thugut.
âIk was van het teeder hart der Keizerin-Koningin overtuigd, en wist dat Hoogstderzelve, in hare christelijke barmhartigheid het nog eens genadiglijk beproeven zou, zulk een ouden barbaar en ketter als mij, te bekeeren. Ga dus, heer baron; begeef u naar het klooster Braunau, en als ik morgen met mijn leger er voorbij trek, zal ik niet nalaten tot stichting der diplomaten, een vroom lied te laten blazen; bijvoorbeeld: âMijn ziel gelijkt het hert dat tot u roept,quot; óf: âO Heer, ik ben de oude hond,quot; of een ander vroom en godzalig lied, opdat de heeren diplomalen zeer godzalige gedachten uit de klanken mijner militaire muziek mogen scheppen. En hiermede beveel ik u in Gods bescherming, heer baron!quot;
Hij knikte hem een korten afscheidsgroet toe, en verzocht den heer vón Herzberg glimlachend de rol eens opperkamerheers op zich te nemen, en den afgezant der Keizerin naar zijn rijtuig te geleiden.
De baron van Thugut had zijn op de tafel uitgespreide papieren bijeengeraapt, en stond juist op het punt de ka-, mer te verlaten, toen de Koning zijn naam riep. *
21
âUwe Majesteit had de genade mij te roepen?quot; vroeg Thugut, zich haastig omkeerende.
âJa,quot; antwoordde Frederik glimlachend, terwijl hij op de bandjes wees, die om Thugut's papieren hadden gezeten: âGij hebt iets vergeten, mijnheer, en ik houd er niet van mij met het eigendom van een ander te verrijken.quot;
De heer von Thugut nam dezen laatsten goed gemikten sleek van zijn koninklijken tegenstander met een eenigs-zins verlegen gelaat aan, en haastte zich de bandjes op te nemen en zich te verwijderen.
II.
DE KONING EN DE MINNAAR.
De Koning oogde hem glimlachend na, en ging toen naar 't venster, om door de kleine, groene glasruiten nog een blik op den Oostenrijkschen diplomaat te werpen, die juist voorbij ging.
âEen sluwe vos,quot; zeide hij glimlachend; âmaar ik zal hem bewijzen, dat wij ons een weinig op de vossenjacht verstaan, en ons door zijne listen niet laten verschalken.quot;
âUwe Majesteit wil dus werkelijk reeds heden opbreken?quot; vroeg de weder binnentredende minister.
âJa, mon cher ministyrc. Dat wil zeggen; ik wil niet, maar ik moet, om aan de vredesonderhandelingen een oorlogzuch-tigen klem te geven. Ziet ge dan niet, dat de vijand geen vrede, â maar slechts uitstel wil, om met zijne krijgstoerustingen gereed te komen? De vredesvoorstellen komen van de Keizerin, â maar de voorwaarde omtrent de An-spachsche erfenis komt van den Keizer, en is de Erisappel, dien de krijgszuchtige heer op de tafel werpt, waaraan zijne moeder en ik gaarne de vredespijp met elkander zouden willen rooken. Aan u, Herzberg, staat het nu, om over den vrede te handelen, terwijl i/c den Erisappel opneem, en hem een weinig op de punt van mijn zwaard laat balan-feeren. Morgen vroeg breek ik met mijn korps op, en
1) Historisch, 's Konings eigen woorden. Zie; Hornmayr, Anemonen VI.
22
marcheer voorwaarts. Maar vooraf willen wij nog een on-dei'houd hebben. Gij zult vermoeid zijn van de lastige reis. Rust dus eerst, vervolgens dineert ge met mij, en na het diné de conferentie.quot;
âSire, â en mijn protégé, de conrector MoritzT'
âHebt ge niet gezegd dat deze mensch een geheime audiëntie bij mij wenschte?quot;
âSire, hij heeft de verre reis van Berlijn naar hier alleen met dit oogmerk gedaan, en ik verzeker Uwe Majesteit op mijn woord van eer, dat ik niet het minste vermoeden heb, van 't geen Moritz zijnen allergenadigsten Koning zou willen verzoeken.quot;
âEh Men, zeg dan in het voorbijgaan aan uwen protégé, dat ik hem de verzochte audiëntie bewillig â om uwentwille, Herzberg. Ge zijt zulk een wonderlijk mensch, dat ge nooit voor u, â maar altoos voor anderen iets te verzoeken hebt, en dat, als men zich jegens u reconnaissant wil betoonen, dit altijd anderen ten goede komt. Laat dus dién mensch binnenkomen en ga slapen, want als ge daarna met Thugut samenkomt, zult ge de oogen terdege open moeten hebben, en goed wakker zijn. Au revoir!quot;
De minister Herzberg verwijderde zich, en terstond hierop verscheen op den drempel van't koninklijk vertrek de ernstige, bleeke gestalte van den conrector Philip Moritz.
De oogen des Konings staalden met een langen, doordringenden blik op dit edel, vastberaden gelaat, dat door zwaren kommer verbleekt scheen, en uit welks groote, zwarte oogen evenwel zulk een moedig vuur blonk.
âZijt gij de vertaler van het hoofdstuk uit Tacitus,'t welk de minister Herzberg mij heeft overhandigd?quot; vroeg de Koning na een poos.
,,Ja, sire,quot; antwoordde Moritz zacht.
âDe minister zegt mij, dat uwe vertaling goed is,quot; ging de Koning voort, wiens oplettende blik nog altoos op Moritz rustte; âmaar beken, dat het u buitengewoon moeielijkis geweest de korte, juist passende woorden van Tacitus in de omslachtige, wijdloopige, Duitsche taal over te brengen?quot;
âIk verzoek vergeving, sire,quot; antwoordde Moritz, wiens jeugdige drift zich slechts moeielijk van het eigenlijke doel zijner komst liet afbrengen. âDe Duitsche taal is geenszins wijdloopig; en 't heeft mij dus volstrekt geen moeite gekost,
23
den Latijnschen schrijver in de Duitsche taal te vertolken, die, wat fraaiheid en welluidendheid betreft, met elke andere levende taal kan wedijveren, en ze allen in diepte, kracht en poëzie overtreft.quot;
âDiable!quot; riep de Koning glimlachend; âgij spreekt als een onverzettelijk Duitsch philoloog, die weinig van klank en welluidendheid verstaat, en woordengeramtnel met diepzinnigheid verwart. Geef mij toch een of ander kort voorbeeld van de diepzinnigheid, kracht en poëzie, welke gij in de Duitsche taal roemt?''
De jonge man kon een haastige, ongeduldige beweging niet onderdrukken. De Koning zag het en glimlachte.
,,Nu,'' zeide hij: âbedenk u. 'tls altoos goed als men overweegt en nadenkt eer men spreekt. Ik wacht op uw voorbeeld.quot;
âSire,quot; antwoordde Moritz na eenig nadenken, âhier is het: De jongeling nam een laatst afscheid van zijne geliefde. Zij aanschouwde hem met een droefgeestigen glimlach; hij antwoordde hierop met een weemoedigen blik, vervolgens keerde hij om, ging naar buiten in de middernachtsstilte, en het meisje bleef moedeloos alleen.'' Sire, dit is geloof ik, een voorbeeld der schoonheid van onze taal, en ik geloof, dat zelfs de Latijnsche taal niet in staat is, den zin ervan in zóó weinig woorden weder te geven; want haar ontbreekt hiertoe de diepte van gedachte.
Frederik knikte levendig. âGe hebt gelijk,quot; zeide hij; âuw voorbeeld is goed, en deze woorden zijn waarlijk poëtisch. Beken echter, dat onze taal ze tot hiertoe niet gekend heeft. Gij zijt niet alleen een geleerde, zoo 't schijnt, maar ook een dichter, en ge hebt dezen zin met een fijnen smaak,voor welke ik u prijzen moet, door geheel nieuwe woorden samengesteld.
âSire.quot; antwoordde Moritz kalm; âdeze woorden behoo-ren, methonderde andereschoone, zinrijke woordvormingen, reeds sinds driehonderd jaren aan onze taal; want Martin Luther heeft ze reeds in zijne overzetting van den bijbel ge-gebruikt.quot;
âHij is niet alleen geleerd,quot;zeide koning bij zichzelven;âhij is ook een eerlijk man,die de waarheid bekent en het aas, dat ik hem toewierp, niet tot eigen voordeel aanwendt. Thans, nu ik hem op den proefheb gesteld, moet men hem zijn ongeduld wel vergeven.quot;
24
De doorborende blikken des Konings werden nu zachter, en zijn gelaat verloor zijn strenge uitdrukking.
De minister von Herzberg heeft mij verteld, dat hij u onderweg ontmoet heeft, en gij de verre reis te voet had willen atleggen. Is dat waar?''
,.Ja, Sire 't is waar.quot;
âWaarom wildet ge dit?''
âSire, ik wilde doen zooals de arme, zwaar beladenen in de middeleeuwen deden.Zij trokken in bedevaart naar Rome tot den heiligen vader, die destijds de Koning der Koningen was; en met eiken tred, dien zij voorwaarts deden, scheen't hun, alsof delast van hen week, en zijhun geluk naderden. Uwe Majesteit is in onze dagen, wat in de middeleeuwen de Pausen waren, en daarom ben ik ter beevaart naar onzen Koning getrokken',die de machtheeft te binden en te ontbinden, en van wien ik mijn persoonlijk geluk zou willen afsmeeken; en niet alleen het mijne, maar ook dat van een edel, goed en schoon meisje, 'twelk ik bemin.quot;
âHa, het betreft dus een liefdeshistorie!''riep de Koning: âNu ja, als men u aanziet, begrijpt men dit. Ge zijtjong en vurig naar het schijnt, en de meisjes hebben oogen wat is het, en hoe kan ik u in een aventure d'amour helpen.quot;
Sire, door genadiglijk een adelbrief niette laten uitvaardigen en afzenden, of zoo Uwe Majesteit hem afzendt, de voorwaarde op te heffen, die er aan verbonden was.quot;
âIk begrijp u niet,quot; zei de Koning op strengen toon: âSpreek niet in raadsels! Wat bedoelt gij?quot;
âSire, de generaal Werrig von Leuthen heeft zich tot Uwe Majesteit,gewend en Uwer Majesteits genadige bewilliging verzocht voor het huwelijk zijner dochter met den bankier Ebenstreit. Uwe Majesteit heeft hem deze bewilliging genadiglijk verleend, maar er bijgevoegd; datde bankier Ebenstreit den naam van zijn toekomstigen schoonvader moet aannemen, en de huwelijksverbintenis van het jonge paar eerst dan mag plaats hebben, als de adelbrief uitgevaardigd, â en aan den bankier Ebenstreit gezonden is.'
De Koning knikte bevestigend. âVoor welk diploma de nieuwbakken edelman aan het invalidenhuis honderd louis-d'or betalen moet. Maar wat gaat u dit alles aan, en welk verband bestaat er tusschen den adelbriet van den rijken bankier, met den conrector Moritz?quot;
25
âSire,quot; riep Moritz mei vuur: âIk bemin de dochler van den generaal von Leuthen, en zij beantwoordt mijne liefde. Sire, het ligt in de genadige en goedertieren handen van Uwe Majesteit, twee menschen, die elkander beminnen,â die niets anders begeeren dan hand in hand, in blijmoedige liefde en standvastige trouw door het leven te gaan,â tot de gelukkigste, zaligste schepselen Gods te maken, zoo Uwe Majesteit den adelbrief voor den bankier Ebenstreit niet laat uitvaardigen!quot;
,,Zou dit voldoende zijn voor uwe wenschen?quot; vroeg de Koning met een doordringenden blik.
Moritz sloeg voor dezen blik de oogen neder. ,,Neen,quot; antwoordde hij, âneen; dat is niet voldoende. Sire, ik gevoel eerst thans, â nu ik tegenover Uwe Majesteit sta,â de stoutheid mijner onderneming, en ik vind nu geene woorden om uit te spreken wat in mijn ziel gloeit, en in dui-zende vlammen van mijne lippen zou willen spreken. O, sire, ik weet slechts, dat ik de dochter van den generaal bemin; dat Marie mij weder bemint, en dat deze liefde op mijn donker en doornig levenspad de eerste zonnestraal is, die, in mijn eenzaam hart gevallen, al de bloesems van mijn gevoel heeft opgewekt. Sire, ik zie u glimlachen, en in uw grooten geest spot gij wellicht met, het arme rnenschenkind, dat onder het rollen der wereldgeschiedenis, â die thans op het slagveld, ter wille der gedachte van één mensch, het leven van duizenden verplettert, â nog denkt aan zijn persoonlijk geluk. Maar mijn leven, sire, is een groot slagveld geweest, waarop ik steeds heb moeten strijden met alle demons, die uit de doos van Pandora zijn voortgekomen. In ontbering en nood ben ik opgegroeid, heb ik geleefd en geleden; tot God in mijn hart deze liefde, deze öefmfe'oorde liefde liet schijnen, en mij door baar schadeloos stelde voor een vreugdeloos, afgetobd, uitgehongerd leven. Mij is dus dit gevoel voor mijn geliefde meer dan een versiersel mijns levens; zij is mijn leven zelve, en van haar af te zien zou zijn, van het leven te moeten afzien. En ik ben nog zoo jong, sire, en ik verlang zoo zeer naar dit onbekende paradijs van aardsch geluk, dat mijn voet tot hiertoe nooit betreden heeft, en dat ik slechts aan de hand mijner geliefde bereiken kan. Ik verlang zoo zeer óók eens, â zooals andere bevoorrechte menschen, â onder den zonneglans
26
van 't geluk een langen, schoonen, warmen zomerdag te genieten, en dan bij het gulden avondrood op mijne knieën neder te zinken en te roepen: âIk dank u, o God, want ik heb Uwe verhevenheid en Uwe goedheid erkend, en gij hebt mi] Uwe heerlijkheid geopenbaard, en de zaligheid, welke Gij mij geschonken hebt!quot;â Dit alles zal Uwe Majesteit klein en onbelangrijk voorkomen; want het hart eens Konings is niet als dat van andere menschen, en het kleine, persoonlijke geluk van den enkele moet hèm gering schijnen, die peinst en werkt voor het geluk van gansche volken. Sire, de vlieg echter, die zich op de helmpluim van den zegevierenden Koning koestert, heeft óók hare aanspraak op geluk; want God heèft haar geschapen met dezelfde zorgvuldigheid en liefde, waarmede Hij het edelste Zijner schepselen: den mensch, heeft geschapen, en het zou wreed zijn haar zonder noodzakelijkheid of nut te dooden. â Sire, ik verhef mij niet; ik weet dat ik in Uwe oogen niet meer ben dan de arme vlieg op uwe helmpluim, maar ik bid ook slechts: vergun mij genadiglijk mijn leven, want God heeft het mij gegeven!quot;
âGe wilt hiermede zeggen, dat ik den generaal von Leu-then zou verbieden zijne dochter aan den rijken mensch die naar haar vrijt, uit te huwen, en tot welk huwelijk, versta mij goed, â tot welk huwelijk ik reeds mijne toestemming heb gegeven?quot;
âSire, ik versta slechts dit: dat dit huwelijk mij niet alleen tot wanhoop brengen, â- maar ook de ellende en het ongeluk van het edelste en lieflijkste wezen zou zijn, 'twelk God ooit geschapen heeft! De dochter des generaals von Leuthen bemint den haar opgedrongen minnaar niet, zij verfoeit hem. En zij heeft er wèl recht toe; want de bankier Ebenstreitiseen koel,ijdelgeldmensch,ontzenuwd en verzwakt ten gevolge van een los, buitensporig leven, zonder eenigen zin voor iets hoogers en edelers, en die in het meisje, hetwelk hij zijn hand heeft aangeboden, niets ziet dan de dochter van den generaal, die hem door 's Konings genade een adellijken naam en titel bezorgen kan. Majesteit, ik bid nu niet meer voor mij, â maar ik bid voor de dochter van een man, die eens het geluk heeft gehad Uwe Majesteit in den slag het leven te redden. Moge Uwe Majesteit medelijden hebben met de dochter van dezen man.
27
en haar niet tot een troosteloos, hopeloos leven aan de zijde van een onbeminden, van een verfoeiden man doemen!quot;
De Koning schudde langzaam het hoofd. âMaar ge vergeet dat de generaal, dien ik dank schuldig ben, mijne toestemming tot deze echtverbintenis als een gunst verzocht heeft, en ik haar hem gegeven heb.quot;
âSire, ik bezweer u, neem uwe toestemming terug. Sire, op mijne knieën smeek ik u, neem deze toestemming terug. Wil geen twee menschen ongelukkig maken, die van Uwer Majesteits genade niets anders begeeren, dan de vergunning; elkander te mogen beminnen, met elkander te mogen leven.quot;
En de jonge man wierp zich, de wangen rood van inwendige aandoening, de oogen door tranen verduisterd, op zijne knieën, en hief de gevouwen handen biddend tot den Koning op.
âSta op,quot; zei Frederik bewogen: âKniel niet voor mij, als voor een God, daar ik toch slechts een zwak mensch ben, â aan dezelfde gevaren onderworpen, die u, die de geheele menschheid beheerschen. Sta op! En nu beantwoord mij één vraag. Zijt gij rijk?quot;
âNeen, sire,quot; antwoordde Moritz, zijn hoofd fier oprichtende; âneen ik ben arm.quot;
âEn uwe geliefde? Weet ge dat generaal von Leuthen arm is als Job; zelfs nog armer, want hij heeft schulden. Weet ge dat?quot;
âMajesteit, zoo de dochter van den generaal rijk, of slechts welgesteld ware, zou ik nooit of nimmer dezen gang tot Uwe Majesteit gewaagd hebben; want ik hadde geweten dat Uwe Majesteit mijnen wil misduiden, â en gelooven kon, dat mijn liefde mij slechts door eigenbaat was ingegeven. Maar, tot mijn geluk is Marie von Leuthen arm; bezit zij niets dan haar edel, schoon wezen, en leidt onder de harde, liefdelooze tucht barer ouders zulk een vreugdeloos leven, dat ik blijmoedig zeggen kan; zij zal aan mijne zijde niets ontberen, van 't geen zij bezeten, â ik zal haar kunnen schenken wat zij tot hiertoe nooit genoten heeft: een tevreden stil leven, een bescheiden geluk!quot;
âHoeveel tractement hebt ge van uw onderwijzerspost?quot;
âMajesteit, ik heb als conrector aan het gymnasium van 't grijze klooster een tractement van driehonderd- vijftig thaler.quot;
28
âEn hiervan wilt ge niet alleen leven, â maar ook een gezin onderhouden?quot;
âSire, ik zal nog op eene andere wijze geld kunnen verdienen; ik zal boeken schrijven, zooals ik reeds gedaan heb. Men zegt mij, dat ik een niet onbemind auteur ben, en de boekhandelaars betalen mij goed.quot;
âMaar zoo ge morgen ziek wordt, is 't gedaan met uwe verdiensten, en uw gezin kan dan mèt u honger lijden. Nelt; n, neen; ge zijt een idealist, die zich bet leven voorstelt, zooals het zijn moest, maar niet zooals het werkelijk is. Ik heb u aangehoord; want ik dacht, dat ge mij toch eenig aannemelijk argument voor uwe pretentiën zoudtaanbieden. Maar ik vind niets dan de droombeelden van een verliefde, die meent dat de wereld moet draaien om de as van zijn liefde en zijn geluk. Maar, zie toch; de liefde is een haft, dat zich slechts een paar uren in de zon verlustigt, en met de eerste avondschemering sterft. En ge meent, dat om den wille van zulk een haft, een Koning zijn eens gegeven woord breken zou? Dat hij een man, dien hij dank schuldig is, zou beloonen met een rijken schoonzoon, die hem welkom is, weg te jagen, â en hem daarvoor een armen schoonzoon op te dringen, van wien hij op zijn ouden dag nooit een gemakkelijk, aangenaam leven zou kunnen hopen? Maar zoo zijt gij jongelieden! Gij denkt altoos slechts aan u zeiven, en stoort er u volstrekt niet aan, of de ouden verkwijnen in kommer en zorgen, zoo gij u slechts op hun graf een hut voor uw persoonlijk geluk kunt oprichten. Maar ik vraag u, â u, die mij zooveel van uw geluk en van dat uwer geliefde gezegd hebt, â ik vraag u; waar staat het dan eigenlijk geschreven dat de mensch gelukkig moet zijn, en waar de noodzakelijkheid hem gelukkig te maken? Meent ge dan, dat ik, â die toch een lang, werkzaam leven achter mij heb, â dat ik ooit gelukkig ben geweest. Vraiment, de menschen hebben er wel voor gezorgd, dat ik deze godenspijs nooit geproefd, â en vroegtijdig geleerd heb er van af te zien. Het leven is geen pleizier, maar het leven is een arbeid, en ik voor mij denk; het geluk bestaat slechts hierin, dat men, als men ten laatste vermoeid is van het harde dagwerk in het graf kan dalen om eindelijk uit te rusten. Werken moet elk mensch naar zijne krachten, en naar den stand waarin het lot hem ge-
'29
plaats heeft; en zoo hij dezen stand verlaat, is hij oen deserteur, die het hoogste verloren en verspeeld heeft, wat. den mensch gegeven is; zijne eer. Gij zult. geen deserteur willen zijn, en niet aan het leven vertwijfelen, wijl het u uw gewaand geluk niet geven kan.quot;
âSire,quot; riep Moritz met een kreet van smart; âgeen gewaand, â maar een wezenlijk geluk!quot;
âHet geluk is altoos gewaand, nooit wezenlijk,quot; zei de Koning langzaam het hoofd schuddende; âen 'tgeen wij heden als geluk begeeren, zouden wij morgen reeds als een ongeluk willen vervloeken! Dat u dit tot les diene; ga heen en werk. Maak, â wijl ge toch een geleerde zijt, â de wetenschap tot uwe geliefde, en gij zult vinden dat zij een minnares is, die nooit hare schoonheid en jeugdige frischheid verliest, en welke men nog in de grijsheid huldigen kan als de eeuwig schoone, de eeuwig trouwe, iets wat. men van de dames niet beweren kan.quot;
âSire,quot; vroeg Moritz treurig: âGij wilt het smeeken mijns harten niet verhoeren? Gij wilt dit arme, onschuldige meisje, â dat Uwe Majesteit smeekt door mijnen mond,â tot een lang vreugdeloos leven, tot een dagelijks zich hernieuwend ongeluk veroordeelen?
De Koning haalde de schouders op. âIk zeide straks dat het geluk slechts gewaand is, maar ik had er moeten bijvoegen; dat óók het ongeluk slechts gewaand is. De dochter van den generaal von Leuthen zal zich aan haar ongeluk gewennen, de echtgenoote van een rijk man te zijn, enten laatste zal zij met lachend gelaat in haar met vier paarden bespannen vergulde koets rijden.quot;
âSite, ik zweer u, gij miskent dit hooghartige, dierbare meisje, gij . . .quot;
âGenoeg,quot; viel de Koning hem in de rede: âGij kent nu mijne meening en mijnen wil. Ik heb den generaal von Leuthen mijne toestemming tot dit huwelijk gegeven, en ik herroep mijn woord nimmer. Bovendien zou een huwelijk van de dochter mijns generaals met u, een mesalliance en een bespottelijkheid zijn. Ge moogt in de republiek der geesten en der wetenschappen een zeer hooge plaats innemen, maar in mijn aardsch koninkrijk neemt de conrector van 't gymnasium een al te bescheiden positie in, om zijne oogen te mogen opheffen tot de adellijke freule von Leuthen. Het
30
doet mij leed, dat ik u geen anderen troost kan geven dan dezen: gebruik verstand en berusting. Daar men de maan niet van den hemel kan nemen, moet men tevreden zijn, als men met een olielamp de duisternis van zijn aardsch kamertje verlichten kan. Zoo 't u hieraan echter ontbreekt, kom dêin tot mij, en ik zal u kunnen helpen. Maar weet, de maan kan ik u niet bezorgen, want zij behoort mij evenmin, als mij de bruid van den rijken heer Ebenstreit behoort, en wat iemand niet behoort kan hij niet wegschenken ! Vaarwel, keer terug naar Berlijn, en wees moedig in onderwerping. Gewen u aan de gedachte, dat de freule von Leuthen binnen veertien dagen de gade van uwen rijken medeminnaar wordt; â want langer zal 't wel niet duren, daar mijn bevel tot uitvaardiging van den adelbrief reeds naar Berlijn verzonden is. Weet ge wat? Ik wil u nog een ander voorstel doen. Keer niet terug naar Berlijn, maar ga voor een paar weken op reis. Ik zal zorgen, dat ge van uw gymnasium verlof krijgt, en ik geef u reisgeld. Neemt ge mijn voorstel aan?''
âIk dank Uwe Majesteit; ik neem het niet aan,quot; antwoordde Moritz met kalme waardigheid; âVoor de wond, welke ik in mijn hart draag, is slechts één balsem, diende genade mijns Konings mij zou kunnen verleenen. Maar het geld is geen pleister, waarmede het hart genezen, â en de Wonden verkoeld worden Ik kan slechts, evenals de rampzaligen, die door de spitsroeden moeten loopen, ineenzinkend zeggen: âIk dank voor de genadige straf!quot; â Sire, ik verzoek mij te mogen verwijderen, want ik wil terstond naar Berlijn terugkeeren.quot;
âGij zult toch niet het dwaze denkbeeld hebben om te voet terug te gaan?quot; zei de Koning levendig: âBinnen een uur zal een koerier van hier naar Berlijn rijden.quot;
âSire,quot; zei Moritz somber, âik,quot; â maar eensklaps zweeg hij, en als een bliksemstraal vlamde in zijne oogen op; hij sloeg ze echter weder spoedig neder voor den opmerkzamen blik des Konings. âIk dank,quot; zeide hij vervolgens: âik neem het aan, en zal inet den koerier naar Berlijn terugkeeren.quot;
De Koning knikte. âAu revoir, te Berlijn! Als de veldtocht geëindigd is, en ik naar Berlijn teruggekeerd ben, zal ik u tot mij laten roepen. Ge zult zien, dat ge dan zelf
3.
om uw bedevaart hierheen zult lachen, en geleerd zult hebben, u over een zoogenaamd ongeluk te troosten!quot;
âSire, ik geloof het niet!quot;
âEn ik ben er van overtuigd. Vaarwel!quot;
Moritz beantwoordde dezen koninklijken wensch slechts met een stomme buiging, en ging met gebogen hoofd en treurend hart naar buiten.
De Koning oogde hem zeer lang na, en een uitdrukking-van diepen weemoed sprak uit zijn gelaat. âAch,quot; zuchtte hij zacht voor zich; âhoe benijdenswaardig zijn toch degenen, die nog aan de illusiën der liefde gelooven, en wie de ouderdom en de ondervinding nog niet gewekt hebben uit dezen laatsten droom van geluk! Hoe lang is het geleden, dat ik eruit ontwaakt ben, hoe lang, dat ik âquot;
De Koning zweeg, liet het hoofd zinken op de leuning van zijn stoel, en staarde met groote, vlammende oogen voor zich uit, en zag de ledigheid bevolkt met de herinneringen zijner jeugd, met de droomen waaruit hij zoo lang, ach, zoo lang reeds ontwaakt was! Zij trokken hem voorbij, deze lieve, bekoorlijke gestalten, welke hij vroeger bemind had. Daar was de schoone mevrouw von Wrechem, die zijn eerste liefde was geweest, en welke hij gezworen had eeuwig te zullen beminnen; daar was een ander gezicht; het gelaat van een lief, onschuldig meisje, dat smaad en vernedering voor hem geduld had. O, Dora, Dora, droom mijner jeugd, vlucht voorbij. â En nu, dit gelaat met de groote oogen, die zoo teeder op hem gericht zijn! Het gelaat zijner zuster Friederike, die uit liefde voor hem â den Kroonpi ins, â zich zelve opgeofferd en den onbeminden man hare hand gereikt had, om haar broeder met zijnen vader te verzoenen, en voor hem de erfenis van den troon te behouden. Nu rijst een ander gezicht op, zacht en stil, met smartelijke onderwerping in de blauwe oogen, het gelaat zijner gemalin, die hem zoo vurig bemind had, en die aan zijne zijde onbemind is uitgebloeid. â Voorbij! Voorbij! â Weder een nieuw gezicht! De schoone Leon-tine von Moriën, de Tourbillon aan het Hot van den Kroonprins te Rheinsberg! Zoo jong, zoo beminnelijk, zoo vroolijk, en tóch vervlogen, in zuchten gestorven! Maar nu, nu komt zij aanzweven, de bekoorlijkste, de liefelijkste aller gestalten; â en de oogen die strak voor zich hebben
32
gestaard, vlammen nu op met een straal van erkenning; en het hart, â dat oud en nuchter is geworden, â vindt thans een rassen, vurigen polsslag terug, en de lippen, die strengen vast opeengedrukt waren, openen zich nu voor een zucht, en {luisteren vervolgens zacht, zeer zacht: âBarberina!quot; Zij staat voor hem in haar betooverende schoonheid, met den bekoorlijken glimlach op de purperen lippen, met den vurigen liefdeblik in de vlammende oogen. O, Barberina!...
De Koning stond op, hij huiverde. Hij keek met een zonderlingen blik om zich heen in de eenzame, duistere kamer, alsot hij meende er nog altoos deze vrouwengestalten te zien, die hem groetten met hear treurigen glimlach en weenenden blik.
Maar neen, niemand was er! Mij was alleen, geheel alleen; niemand sprak tot hem, en slechts als een llauwe echo klonk uit de verwijderde dagen zijner jeugd het woord, 't welk hij destijds tot devies van zijn geheele leven had gemaakt; Soffri e tacli! ')
âSofjfri e taci!'' herhaalde de Koning zeer zacht; âhet woord van berusting is het eenige, wat mij uit mijn jeugd nog trouw is gebleven! Maar neen, er is nog ééne vriendin! Mijn lluit is er nog! Kom, trouwe gezellin mijns levens! Gij kent al mijn lijden, en tegenover n behoef ik niets te verzwijgen!quot;
De Koning nam de lluit uit haar foudraal, en beschouwde haar met teederen blik. 't Was lang geleden dat hij haar in de hand had genomen; haar, de âtrouwe gezellin van zijn lijden.'' De zorgen en bekommeringen zijns levens, de pijnen, waarmede de jicht hem bezocht; de ouderdom, â ach, de treurige, ontnuchterende ouderdom, â had hem ook van zijn lluit gescheiden, en slechts uit trouwe, lieve gewoonte vergezelde zij hem nog op zijne reizen, lag ze nevens hem op zijn tafel.
Maar in dit uur, â nu de herinneringen hem begroetten, â gevoelde Frederik zich weder jong, teruggegeven aan de zachte gewaarwordingen des harten, en hij nam de lluit, bracht haar aan zijne lippen, om de echo, die in zijn hart weerklonken had, door zijne geliefde lluit te doen herhalen.
Maar ach, de muziek zijns hartens is verstomd, en zijn
1) âLijden en zwijgen.quot;
3B
fluit geelt den welluidenclen toon van zijn verleden niet meer terug.
De Koning nam met een toornige beweging de fluit van zijne lippen, en legde haar haastig weder in het foudraal.
âAlles is weg en gestorven,quot; zeide hij somber: ânietsis mij gebleven, â want er is niets duurzaams in het leven ! Niels!''
Plotseling klonk buiten trompetgeschal en roffelden de trommen, en met lustige muziek naderde het regiment, dat heden parade voor den Koning zou maken.
En wat is het, dat zij spelen? Wat schalt en jubelt, en klinkt en juicht tot den eenzamen Koning met duizende schitterende herinneringen, als zegetrots en heldengejubel?
't Is de marsch van Hohenlriedberg, die in de stille kamer weergalmt. De marsch, dien de Koning zelf gecomponeerd heeft, na de schitterende overwinning van Hohenfriedberg.
De Koning hief zijn groote oogen met een vromen, dankbaren blik ten hemel. âEr is toch iels duurzaams in het leven,quot; zeide hij luid en blijmoedig: âdp liefde sterft en de muziek vervliegt; maar het goede, dat wij in het leven geschapen hebben, blijft; en het grootsche dat wij volbracht hebben, vergelden ons de goden met het schoonste aardsche loon, want zij maken den sterveling onsterfelijk; zij geven hem wat hooger is dan de liefde, dan het geluk: zij geven hem den roem! Roept mij, trompetten van Hohenfriedberg! Ge zult ook nog schallen als ik niet meer ben, en toekomstige geslachten zult gij verhalen van den ouden Frits! Na zulk een verhaal is het wel waard dat men geleetd en geleden heelt! Ik kom, trompetten van mijn roem, ik kom!quot;
En met jeugdige levendigheid, met schitterend aangezicht ging de Koning naar buiten tot zijne generaals, die hem met zwijgenden eerbied begroetten; â tot zijne soldaten, die met luide jubelkreten den geliefden veldheer en Koning ontvingen.
III.
TE WiEIMAR.
âPostiljon, houd stil!quot; riep de hertog : âVan hier kan men mijn lie! Weimar zien, en ik wil mij aan dit schouwspel
Uuhllsaoh, Duitscliland in woeling en strijd. II. 3
34
vergasten. Zie, Wolf; ginds ligt het, door groen boomgewas omgeven. Het is een nederig, oud, grijs nest, maar het lijkt mij toch veel fraaier en heerlijker, dan het voorname, trol sche Berlijn; en ik zou het aan mijn hart willen drukken met al zijn kleine, grijze, onoogelijke huizen, en vervelende oude pedanten, en zou het willen kussen als ware het mijn liefje! Kom, Wolf, stijg uit, en laat ons te voet verder gaan, terwijl het rijtuig vooruit rijd.''
âWelkom, welkom! Schoon paradijs met al uwe engelen en al uwe slangen,quot; riep Goethe, terwijl hij uit het rijtuig sprong, en zijne armen wijd uitbreidde naar de kleine stad, die zoo vreedzaam en stil in het dal voor hen lag: het geheimzinnig heilige boek met zeven zegels gesloten, ligt ge hier vóór ons; en al onze zinnen, ons hart en onze ziel dringen naar u, en willen de zeven zegels verbreken, om heerlijke openbaringen en goddelijken lust te putten uit uwen geheimzinnigen inhoud.quot;
âEn'gunt mijn verrukten vriend,quot; zei de hertog glimlachend ; âgunt hem, o goden, dat hij eindelijk het zegel breke, 't welk de wreede vriendin zich op de lippen heeft gelegd, opdat hij den kus der liefde niet zou drinken, die onder het zegel gloeit! Zie, Wolf; ginds dat grijze dak met den achtergrond van hooge hoornen, dat is het huis â
âHet huis, waar mijn geliefde, mijn vriendin, mijn zuster, mijn meesteres vertoeft, viel Goethe hem in de rede: âWant dat is zij, mijn alles in alles; en wat ik nu en dan bemind heb, â en wat ginds en hier mijn hart heeft verkwikt en mijn geest beziggehouden, â al deze kleine bronnen en beekjes des gevoels en der zaligheid zijn nu alle samengevloeid tot den breeden, zilveren stroom mijner liefde tot haar, en in dezen stroom weerspiegelen zich hemel en aarde, en wonderbare verborgenheden der onsterfelijkheid verkondigen mij zijne ruischende golven.''
âAch, Wolf,quot; zuchtte de hertog; âwelk een gelukkig, benijdenswaardig schepsel Gods zijt gij! Een vrije, ongebonden kerel, die zijne liefde kan schenken ginds en hier, waar het hem lust. Wolf, Wolf, als ik u raden mag, trouw nooit, want âquot;
Goethe legde hem met een haastige beweging de hand op den mond. âStil, mijn heer en mijn vriend, o, zwijg. Geen woord tegen de edele hertogin Louise! Zij is een toonbeeld
35
van teedere en edele vrouwenwaarde; en benijdenswaardig is mijn Carl, dat hij zulk een edele vrouw, zulk een lieve moeder voor zijne kinderen de zijne noemt.quot;
âZekerlijk is hij dat, mijn Wolf,quot; zei de hertog opgetogen; âde hertog van Weimar zou gewis geen edeler en bekoorlijker gemalin hebben kunnen vinden, â aan zijn land en zijne nakomelingen geen liefderijker en deugdzamer moeder hebben kunnen geven. Maar zie. Wolf; â uw Carl heeft nog een ander teeder, gemoedelijk hart voor zich geheel persoonlijk; en dit hart zou ook gaarne geheel persoonlijk een ander hart het zijne noemen, en in goddelijk minnekoozen, in diep gevoelig juichen, in zalig wenschen en vreezen uitwoeden in jeugdigen lust. Ge kunt toch niet van mij vergen, dat ik thans reeds met mijne twee-en-twintig jaren voor huisvader speel, de echtelijke slaapmuts over mijn ooren trek, en geen oog en hart meer heb voor andere schoone vrouwen? Niets vrouwelijks meer bemin buiten mijn jonge gemalin, ofschoon ik deze oprecht en hartelijk bemin en mijn lot zegen, dat mij met zulke zachte koorden aan de huwelijkskar heeft gebonden! Maar tóch ben ik gebonden, â en gij, Wolf, gij gelukkige, zijt vrij!quot;
âWijl mij 't wreede lot ontzegt, mij met de eenige geliefde te verbinden! O, Charlotte, Charlotte! waart ge vrij, hoe zalig zoude ik zijn, zoo ge mij in ketenen slaan, en mij binden wildet. Niet aan de huwelijkskar, zooals de gelukkige spotter zegt; â neen, aan den duivenwagen van Venus zou het zijn, waarin gij zoudt tronen, en waarin ge mij naar den hemel zoudt opvoeren!quot;
âLaster niet. Wolf!quot; riep de hertog: âVal liever op uwe knieën neder en dank de goden, dat zij u niet binden en u de vleugels afsnijden. Juist wijl gij de lieveling zijt der goden, juist daarom hebben zij het zoo beschikt, dat de vrouw, welke gij boven alle andere vrouwen bemint, i'eeds uiterlijk gebonden is en een ander behoort. Zij wilden u de illusiën des geluks en het verheven genot der liefde nog langer doen behouden; en daarom behoedden zij u voor deze instelling, welke de Fransche tooneelspeelster Sophie Arnaud met zulk een bijtend vernuft het âsacrament der echtbreukquot; genoemd heeft. En ge zult het toestemmen; wij hebben in ons lief Weimar veel zulke kleine sacramen-teelen; en ik moet vaak lachen als ik overdenk, waarom
36
toch onze bekoorlijke schoonen getrouwd zijn, daargeene harer den echtgenoot bemint, maar elke bovendien nog een
âvriendquot; heeft. â ⢠n
âHet menschelijk hart is een wonderlijk ding, zei Goethe, terwijl zij arm in arm den heuvel afgingen; âen bovenal het vrouwenhart. Het is een heilig raadsel, 't welk God zich zei ven heeft opgegeven, en dat ook slechts alleen God kan oplossen.
Een bliksemstraal schoot op dit oogenblik uit de wolken neder, onmiddellijk door een luide majestueuze donderslag
gevolgd. , , ,T n i
âHoor maar, hoor, Wolf,quot; lachte Garl; âde Heere God
in den hemel geeft u antwoord, en bevestigt uwe bewering.quot;
âOf straft mij voor mijne stoute woorden,quot; riep Goethe, daar juist de hagel met groote steenen neêrviel, en hem als naaldenprikken in 'tgelaat sloeg: â'tls alsof de hemel mij met roeden geeselt.quot;
âEn ons rijtuig is in vollen draf reeds beneden in het dal,quot; zei de hertog; âbeproeven wij 'thet te roepen!quot;
Hij sprong midden op den weg, en beide handen als klankborden aan den mond leggende, begon hij met volle, krachtige stem te roepen: âHei; postiljon! Hier, voerman.
Maar de telkens opnieuw rollende donder, de huilende storm, de ratelende hagel maakten het roepen van den hertog onhoorbaar, en tegen den nu met vreeselijke stroomen nederstortenden regen, konden beide heeren nog slechts bescherming vinden onder de groote eikenboomen, die aan den weg stonden, en wier machtige en volle bladerenkruinen een ondoordringbaar dak tegen den stortregen vormden.
âIk ken in de wereld niets verhevener dan een onweder, zeide Goethe, wiens gelaat nu een ernstige, bezielde uitdrukking had aangenomen: âAls de donder met zulk een vreeselijken, majestueuzen toorn rolt, is het mij als hoorde ik Prometheus zijn toornige stem tegen de goden verheffen. In de zwarte wolken zie ik zijn van nevels omgeven
gestalte; â zie, hoe de Titan zijn reuzenarmen opheft tegen de goden, met zijn reuzenlijf den blauwen hemel overschaduwende, hen zijn machtigen toorn in 't aangezicht werpende, en âquot;
Een bliksemschicht schoot neder, een ontzettende donderslag volgde, en dreunde lang tusschen de bergen en heuvelen voort.
37
âHoort ge hem, Carl ?'' riep Goethe in vervoering: âHoort ge hoe hij al de stemmen der aarde samenvat voor den brullenden donder van zijnen toorn? Zie maar: zie, ginds staat hij aan den hemel, in zijn donkere, nachtelijke gedaante, en heft dreunend de voeten op, en dondert omhoog; ik hoor het, ik hoor het! Hij roept:
Bedek uw hemel, Zeus,
Met wolkendamp,
En oefen u, â den knaap gelijk
Die distelen afslaat, â
Aan de eiken en de bergkruinen';
Ge moet mijn aarde
Toch laten staan,
Kn mijn hut, door u niet gebouwd,
En mijn haard,
Welks gloed
Ge mij benijdt!
Ik ken niets armzaliger
Onder de zon, dan u, goden!
TTw âquot;
Weder ratelde een geweldige donderslag en verdoofde Goethe's woorden, die met vlammende, tartende oogen naaiden hemel staarde, en de gebalde vuist ophief, als ware hij zelf Prometheus, die de goden dreigde.
âGa voort, mijn Wolf, ga voort,quot; riep de hertog, toen de donder zweeg; âhoe kunt gij, â zelf een god, â ulaten storen door het brommen der goden! Ga voort!quot;
Maar de opgeheven arm des dichter zonk neder, en de vlammende blik zijner oogen werd zachter.
âGeen menschelijk woord kan toch uitdrukken, wat Prometheus in dezen donderslag sprak,quot; zei GoetVie peinzend; âen met ootmoed gevoelde ik zooeven, hoe zwak en klein wij menschenkinderen toch zijn! Wij verbeelden ons zoo groot te zijn, en onze stem is toch slechts als het gonzen van den kever tegenover Gods donderstem.quot;
âNiet kleinmoedig. Wolf, niet deemoedig. Uw stem zal machtig klinken door geheel Europa, en alle ooren zullen haar hooren en alle harten zullen haar verstaan; en na eeuwen nog zal zij even frisch en jeugdig schoon voor de menschen klinken als voor mij op heden, üe donder gaat voorbij en verstomt, maar 's dichters woord verliest nooit zijn klank; het ruischt in hemelmelodie door alle tijden heen. En dat zeg ik u, Wolf: den Prometheus, dien ge
as
straks begonnen zijt in bliksem en donder, moet ge ten einde dichten, en moogt hem niet als een fragment in mijne ooren laten wegsterven. Ik wil hem zwart op wit eens voor mij zien, en rustig aan zijn schoonheid hulde biën. Ge ziet. Wolf, ik begin zelf te rijmen in de nabijheid eens dichters, en van de goddelijke spranken, die uit u schieten, valt een vonkje in mijne ziel. O, Wolf, het beste wat in en aan mij is, dank ik u, en daarom prijs ik mijn lot dat mij u deed vinden!quot;
âEn ik het mijne, dierbare Garl,quot; zei Goethe innig; âwant slechts hier in uwe nabijheid, â beschermd en verpleegd door uw schoonen, edelen geest, â kon mijn eigen en innig wezen zich ontwikkelen en in bloei komen. Wij geven en ontvangen dagelijks de een van den ander; en zoo schieten de wortels van ons leven te zamen en zullen, zoo God wil, tot twee fraaie boomen opgroeien, met even volle kronen als deze eiken, die beschermend en beschaduwend zich boven ons welven. Maar zie, mijn beste, de regen heett schier opgehouden. Ginds, bij de opgehevene vuist van Prometheus breekt reeds de zon een weinig door, en mij dunkt, dat wij naar de lieve plaats zouden kunnen gaan.
âO Wolf, Wolf, hoe verliefd zijt gij! Dat noemt nu een minnaar âde regen heeft schier opgehouden,quot; terwijl hij nog zóó liefelijk valt, dat wij doornat zouden zijn vóór wij beneden kwamen. Maar hoor? Ik geloof dat een rijtuig nadert, en zoo het toeval ons gunstig is, vinden wij een onderkomen. Wij willen eens zien.quot;
De hertog ging van onder de boomen naar den weg, en tuurde met zijn scherpe jagersoogen in de verte.
âJa,quot; zeide hij ; âer nadert een rijtuig, maar er zal voor ons geen gelegenheid zijn om mede te rijden, want. naar het mij toeschijnt, is 't een open boerenwagen, en zitten er een menigte menschen in!quot;
âHet schijnt zoo,quot; zei Goethe, die zich bij hem gevoegd had; âeen zeer vroolijk gezelschap schijnt er zich in te bevinden ; want hoor maar, heer, zij zingen een lustig lied. Nu zult ge echter moeten toestemmen dat de regen voorbij is, en dat . .
âCharlotte von Stein ginds in haar huis te vinden is,quot; viel de hertog hem in de rede: âVoorwaarts, Wolf; geef mij uw arm, en voorwaarts!quot;
39
Rustig, arm in arm, gingen beide jonge mannen nu voorwaarts, en die hen ontmoet bad zonder hen te kennen, zou gemeend hebben dat zij twee broeders waren, zoozeer geleken zij op elkander m voorkomen, wezen en gestalte en ook in kleeding; want de hertog droeg evenals Goethe het Werther-costuum : de kaplaarzen, de geel lederen broek, den groenen rok met koperen knoopen, en aan het gepoederde haar den sierlijken, met lint omwonden staart.
Terwijl zij nu met vlugge schreden den heuvel afgingen, kwam het rijtuig achter ben steeds nader. De scherpe oogen van den hertog hadden zich niet bedrogen, 't Was inderdaad een ladderwagen, en een vroolijk gezelschap zat op de stroozakken, welke men er als kussens in had gelegd. Zij hadden nu opgehouden te zingen, en keuvelden en lachten, en waren zóó verdiept in bun onderhoud, dat zij geen acht sloegen op de beide wandelaars, die voor den wagen uitgingen, en die nu, toen zij den wagen dicht achter zich hoorden, â ter zijde weken.quot;
Maar nu scheen iemand hem gezien te hebben ; want er klonk als een kreet van verrassing, het gesprek verstomde, en een gestalte richtte zich in den wagen op; â een gestalte, half man, half vrouw, met een kleinen, door en door natten vrouwenhoed van sierlijken vorm op het hoofd, overigens geheel gehuld in een mansrok van dik groen fries,
âHij is 't, bij God, 't is Carl!quot; riep de gestalte, en in 't zelfde oogenblik ijlde ook de hertog naar den wagen.
âIs 't mogelijk? Zijt gij het, mijn hartelijk geliefde moeder?quot;
âMevrouw de hertogin Amalia!quot; riep Goethe verwonderd.
âJa/' lachte de hertogin, en bare groote, schitterende oogen lachten mede, en groetten tegelijk met innigen blik de beide lievelingen, die nu aan den kant van den ladderwagen stonden. â_âJa, de hertogin Amalia! Ziet nu hoe bet spreekwoord zich bewaarheidt: De appel valt niet ver van den stam! Op den heirweg ontmoeten moeder en zoon elkander, stam en appel! Op den grooten weg! Terwijl zij in deftige karossen elkander eerbewijzingen moesten brengen!
âEn mag men vragen, geliefde mevrouw hertogin, waarheen ge gaat?quot; vroeg de hertog; âEn welk ordekleed het is dat Uwe Doorluchtigheid hier tentoonstelt?quot;
40
âTe voet zijn wij over het land gegaan, naar Tiefurt,quot; antwoordde de hertogin lachend; âen te voet wilden wij terugkeeren. Maar het zwakke, vertroetelde ding, Thusnel-da, klaagde dat haar de elfen voetjes zeer deden, en het onmogelijk was terug te wandelen.quot;
âO, hertogin, hertogin,quot; riep de dame, die achter de hertogin tusschen de zakken hurkte; âmoet ik weder het béte de souff'rance zijn, en moet ik u in mijne voetstappen laten treden, terwijl ik âquot;
âStil, Göchhausen; stil, lieve Philomele,quot; viel de hertog haar in de rede; âeerst moet den verwonderden het Del-phisch raadsel dezer uniform opgehelderd worden.quot;
,,Dit alles is zeer gemakkelijk op te helderen,quot; zei de hertogin lachend; âden ladderwagen namen wij, wijl er geen ander voertuig was; en deze uniform is de groene overjas van mijn goeden Wieland, dien hij mij bereidvaardig geleend heeft, om mij tegen den stortregen te beschermen.quot; ^
âEn deze groene overjas zal mij van nu af een heerlijk palladium zijn,quot; riep de kleine heer met de vroolijk-flikke-rende oogen en het zacht blijmoedig gelaat, die nevens de hertogin op den stroozak zat. ®
âEn ziedaar ook onzen Knebel,quot; riep de hertog, den heer toeknikkende, die naast de hofdame, freule von Göchhausen zat, en de natte kap van zijn mantel juist van zijn gepoederd haar wegtrok: âen onze schatmeester Bertuch, en graaf Werther, en baron von Einsiedel!quot;
âEn Uwe Doorluchtigheid vraagt niet naar onze schoone Wertherin, de betooverende gravin? vroeg freule Göchhausen met haar snibbige, scherpe stem : âAch, onze lieve schoone gravin is ziek, zeer ziek! Is 't niet zoo, graat Werther,'uwe echtgenoote is ziek?quot;
âJa; ik geloof, men zegt het,quot; antwoordde de graaf verstrooid: âik. heb de gravin sinds eenige dagen niet gezien, en daaruit besluit ik âquot;
âOm Godswil,quot; riep de hofname; âsluit niet; wantge-kondt het slot verdraaien, en dan zou de schoone gravin altoos achter slot en grendel blijven, en niemand kreeg haar
1) Werkelijk voorval. Zie: Lewes, Goethe's Leben und Schriften I, 406.
41
weder le zien. Dat hielden wij niet uit! Nietwaar, baron Einsiedel, dat hielden wij niet uit?quot;'
Haar stekende oogen richtten zich met een zonderling vorschenden blik op den jongen, schoonen baron von Einsiedel, die nevens den graaf von Werther achter haar op den stroozak zat, en zich verlegen afwendde.
âWat deert toch onze schoone gravin ?quot; vroeg de hertog, terwijl Goethe in een levendig gesprek met de hertogin Amalia gewikkeld was: âZij is toch niet gevaarlijk ziek, de lieve gravin?quot;
âO neen, niet gevaarlijk ziek,quot; antwoordde freule Göch-hausen haastig: âzij heeft slechts de genieziekte. De genieziekte, waardoor wij allen min of meer zijn aangetast, sinds het dolle genie Wolfgang Goethe hier te Weimar rondwoedt, en den eenzamen lieden de hel heet stookt. O Goethe, o Wolf, hoe gerust wandelden wij in lommer en onschuld, en in behagelijke schaapskleederen, vóór gij kwaamt en ons het vel over de ooren trok, en ons aanstaakt met uwe storm- en drangziekte, en de genieberoering over ons bracht met hare melaatschheid!quot;
âGöchhausen, houd uw booze tong,quot; riep de hertogin lachend; âen verberg uwe vreugde niet achter spot en boon ! Beken maar eerlijk, dat ge verheugd zijt uwen lieveling weer te hebhen, en ge niets haastiger weet te doen, dan dadelijk aan zijne moeder, mevrouw Aja, te schrijven en haar te berichten: âOnze lieve hertog is weder hier, en mét hem is ook mijn engel, mijn afgod. Wolfgang, weder tehuis gekomen !quot; Want ik zeg u, Goethe; Thusnelda bemint u, en al den tijd dien ge weg zijt geweest, heeft zij schier het voorkomen eener zwaarmoedige kwikstaart gehad. Als men haar vroeg waarom zij treurde, weende zij als âquot;
âAls een krokodil,quot; vulde de hertog aan: ,,0, ik ken deze tranen van de hofdame Göchhausen; ik weet te vertellen van hare krokodillen-natuur. Moeder, o, moeder, hoe kunt ge toch dit monster in uwe nabijheid dulden? Hebt ge 't dan nooit beproefd haar een crucifiks voor te houden, opdat de diavolezza uit haar omkleedsel kome, en de booze geest van baar wijke?quot;
âFraai, zeer fraai.quot; riep de kleine, misvormde hofdame lachend ; âik zie, Uwe Doorluchtigheid is niet veranderd op de opvoedingsreis. Waar zijt ge toch geweest, waarde
42
hertog? Ha, ik herinner mij. Ge zijt met den heer Goethe over den Rijn gevlogen, en beiden zijt ge nu weder tehuis gekomen, geheel onveranderd en juist zooals ge uitgevlogen waart.quot;
Allen lachten, en het vroolijkste en luidste lachte de hertog. âGöchhausen, go zijt een heerlijk schepsel,quot; riep Carl; âen te benijden is de Arminius, die eens deze Thusnelda in zijn huis zal voeren. O, ik zie hem reeds voor mij, den schoonen jongeling, die den moed heeft deze Duitsche vrouw de zijne te noemen.quot;
âIk zal hem de oogen uitkrabben,'' riep freule Göchhausen: âen dan kan de gravin Werther bij hem voor Antigone spelen, en hem als Oedipus in het land rondleiden. Waarom houdt ge de oogen dicht, Einsiedel? Ik krab immers nog niet!quot;
âIk denk er volstrekt niet aan mijne oogen dicht te houden,quot; zei baron Einsiedel zeer verwonderd.
âGe denkt nooit, dat weet men,quot; riep freule Göchhausen ; âmaar onwillekeurig deedt ge het, toen ge hoordetdatde gravin Werther als Antigone den blinden Oedipus leiden zou. Nu, dat zal een genie-reis worden, o, een genie-reis ! Wat zult gij er dan van zeggen, graaf?quot;
Maar vóór dat de graaf den tijd had te antwoorden, wendde zich de hoffreule weder tot den hertog. âEn wat heelt Uwe Doorluchtigheid mij medegebracht van de opvoe-dingsreis? Want ge hebt immers niet vergeten, dat ge mij een fraai geschenk hebt beloofd?''
âNeen, ik heb't niet vergeten! Ik heb voor mijn Thusnelda een geschenk medegebracht, â o, een kostbaar geschenk! '
âWelk, Doorluchtigheid?quot;
âEen verrassing, waarover Thusnelda, â hoeschranderzij ook is, â een geheelen nacht zal moeten peinzen en raden'. Maar, heer legatieraad Goethe, zou 't nu geen tijd zijn om afscheid te nemen ?quot;
âMijnheer de hertog, ik wacht slechts op uw bevel,quot; antwoordde Goethe, terwijl hij met een buiging van de hertogin afscheid nam.
âMaar op mijn bevel moet gij beiden wachten,quot; zei Ama-lia, haren zooii de hand reikende, welke deze innig aan zijn lippen drukte.
âIk beveel u dus, heden avond bij mij een soiree bij te
43
wonen, waarvoor de uitnoodigingen reeds gedaan zijn. Ook mijn schoondochter, mevrouw de hertogin Louise heeft die aangenomen, mijnheer de hertog, âalsmede mevrouw von Steiu, mijnheer Goethe! Dus verwacht ik u heden avond op Belvedere, mijneheeren. Ge zult een gast vinden. De dichter Gleim is hier, en zal ons heden avond uit zijn nieuwen Muzenalmanak voorlezen! Ge komt immers, heer zoon ? En ook gij, Goethe?quot;
Beiden gaven verheugd hunne toestemming, en oogden vervolgens met vroolijken lach den ladderwagen na, die lustig hotsend de hertogin en haar vroolijk gezelschap wegvoerde.
âNu; dit is wederom een vet hapje voor de giftige tongen der eerzamen,quot; riep de hertog: âMevrouw mijne moeder op een ladderwagen in Wieland's groenen overjas, en de regeerende hertog met zijnen Goethe, na een lange reis, als gewone handwerksgezellen te voet hun intredequot; in de residentie doende.quot;
âIk wilde wel, geliefdste heer, dat wij reeds onzen intocht deden,quot; zei Goethe zuchtend.
âO, o, het liefdeverlangen maakt u ongeduldig. Wolf! Nu, kom dan! Maar luister eens. Wij moeten fieule Göchhau-sen heden nog een poets spelen. Ik heb haar een verrassing beloofd. Wilt ge mij helpen, Wolf?quot;
âMet alle genoegen, hertog.quot;
âIk heb reeds iets bedacht; een recht dolle, vroolijke grap willen wij met haar hebben, en uw knecht, Philip moet ons hierbij behulpzaam zijn; hij is een behendige kerel, en weet te zwijgen.quot;
âAls het graf, hertog!quot;
âDat is ook noodig bij zulk een heer, dien alle vrouwen naloopen. Nu willen wij óók loopen, WollT, in vollen draf van den berg, -âen dan voorwaarts, waarheen het hart ons trekt. Heden namiddag kom ik bij u in het tuinhuis, en haal u af naar Belvedere; dan willen wij over de verrassing voor freule Göchhausen spreken! Voorwaarts, Wolf!quot;
In gestrekten galop renden beiden den heuvel at, de kleine voorstad in, tot groote ontzetting der eerzame lieden, die hen hoofdschuddend naoogden en elkander vertelden, dat de jonge hertog er weder was met zijn dollen lieveling.
De âdolle lievelingquot; scheen heden doller dan ooit; want hij vloog nu, toen hij met een korten groet van den hertog
44
afscheid had genomen, met geweldige sprongen door de kleine straat naar het engelsche park, vervolgens door de breeds allée verder, steeds verder, en hield eerst stil voor het huis, welks dak hij straks van de hoogte reeds zoo verlangend begroet had.
De huisdeur was open, zooals gewoonte is in kleine steden, en de knecht, die in 't voorhuis met eerbiedigen groet den heer legalieraad tegemoetkwam, berichtte, dat de heer stalmeester von Stein naar zijn buitengoed Kochberg was gereden, maar dat mevrouw achter in den tuin was, en zich waarschijnlijk in 't paviljoen bevond. Want daarheen was zij met hare gitaar gegaan.
âAlleen ?quot; vroeg Goethe, en toen de knecht dit bevestigde, ijlde Goetlie met gevleugelde schreden voorwaarts door het huis, en over de plaats van den tuin. Niet door het salon en den hoofdingang wilde hij gaan; neen, verrassen wilde hij de geliefde, â'haar zien, nog vóór zij hèm had gezien, en in haar lief gelaat lezen of zij aan hem dacht!
Zacht nu de kleine tuindeur geopend, stil de lommerrijke allée in, die zijwaarts den tuin begrenst. Raken de voeten nog de aarde, of zweven zij er over heen? Hij voelt het niet; zijn ziel heeft liare vleugels uitgeslagen, en zij dragen hem! Dragen hem naar het kleine paviljoen, waaruit muziek hem tegenklinkt, â gitaar tonen en daarbij een heerlijke, volle, melodieuze stem! â Haar stem!
Hoe straa.lt zijn gelaat van verrukking en zaligheid, en welke goddelijke vlammen branden in zijn groote oogen! Daar, daar is de open deur van het paviljoen! Om den hoek tuurt liij naar binnen, en aanschouwt haar niet alleen met zijne oogen, â hij aanschouwt haar ook met zijn ziel, zijn hart. Zij ziet hem niet. Zijwaarts zit zij van de deur; op het tafeltje voor haar ligt het muziekboek, de gitaar rust in haren arm, en met volle stem zingt zij naar Reinhard's fraaie melodie:
âIjieber durch Leiden Mocht' ich mich schlagen, Als so viel Preuden Des J.ebens ertragen.
Alle das Neigen Von Herzen zu Herzen,
45
Ach, wie bo eigen Schaffet es Schmerzen !'' !)
Toen zwijgt zij als overweldigd door hare eigen gedachten, en de gitaar zinkt neder in haar schoot, de fijne blanke handen strijken zacht over de snaren, zoodat zij somwijlen als geestengelluister klinken. De groote, donkerblauwe oogen staren in de verte, en de liefelijke mond herhaalt zacht, terwijl een zoete glimlach er over glijdt:
âAch, wie so eigen Schaffet es Schmerzen !quot;
En nevens de tuindeur, door welke bloemengeur en vogelgezang door den zachten wind werden binnengevoerd, staat Wolfgang Goethe, en aanschouwt met glinsterend aangezicht de vrouw, welk hij reeds sedert drie jaar zoo vurig bemint, zóó gloeiend, âdat alle andere gevoelens bij hem ondergingen in deze eene liefde!quot;
Langer houdt hij 'tniet uit! â Hij ijlt voorwaarts, hij ligt aan hare voeten en strekt zijn armen naar haar uit.
âO, Charlotte, o geliefde! Hier ben ik weder, en ik bemin u, u alleen!quot;
Een kreet! â Was 'teen kreet van verrassing of van verrukking? Wie liet de gitaar ter aarde vallen? Zij of hij? Wie omhelsde den ander met teedere onstuimigheid; zij of hij ? Wie drukte de heete, gloeiende lippen op de twee andere gloeiende lippen; zij of hij ? En wie zeide: ,,Ik bemin u, en dank God dat ik weder rusten kan in uwe liefde! Ik bemin u, en wilde dat wij beiden nu sterven moesten; want men heeft het geheele leven samengevat in het ééne moment: als de liefde zich openbaart in ons en in ons tweede ik!quot;
Zij zat op den tabouret, en hij lag nog altoos voor haar op zijne knieën; hare voeten had hij met beide handen omvat, en aan zijn boezem gedrukt; zijn groote, zwarte oogen blikten met onuitsprekelijke verrukking in dit geliefde gelaat, dat anders altoos zoo zacht en gelijkmatig, â en als door een zijden sluier overdekt scheen, doch thans door een zonnig morgenrood beschenen werd.
1) Liever zou ik mij door lijden moeten heenworstelen, dan zooveel vreugde des levens te verdragen. De neiging van hart tot hart, â o, welke eigenaardige smarten veroorzaakt die!
46
âZeg mij, o zeg mij, Charlotte, hebt ge aan mij gedacht? Of neen! Zeg mij liever niets; want uwo oogen spreken tot mij, en mogen zij oprechter zijn dan deze wreede lippen die nooit bekennen, nooit toestaan, ü, sla de leden niet over deze geliefde'oogen neder, âniet over mijne sterren, die mij verlichten, waarheen ik ook gaan, âwaarheen ik mij ook wenden mag. Uwe oogen zijn mijn dag, mijn Lente, mijn liefde! En dag en liefde en Lente keeren immer weder, en worden tóch nooit oud! Laat mij die eeuwig-jongen in uwe oogen zien, en laat er mij ook een weinig in lezen van de verborgenheden, die als paarlen in de diepte van uw hart rusten! O, Charlotte, zeg mij slechts dit: is ook de parel der liefde er bij, en is deze parel de myne, alleen de mijne?quot;
âWare dit zoo, dan zou 't immers een ongeluk zijn,quot; fluisterde zij met een zoeten glimlach; âde paarlen, â ge weet het immers, â zijn een ziekte, en dus zou mijn hart ziek zijn, zoo het in zich den parel der liefde voedde. Maar neen, neen!'' voer zij met meer kracht voort, terwijl zij met hare handen den knielende van zich drong: âneen, ik ben niel ziek, en bijgevolg rusten er geene paarlen op den bodem van mijn hart. Sta op, Wolf, mijn dierbare Wolf. Het eerste oogenblik des wederziens heeft zijn recht gehad; laat ons nu echter ook verstandig en eerbaar met elkander spreken, zooals het betaamt voor een gehuwde vrouw en haren vriend!quot;
âVriend,quot; herhaalde Goethe heftig; âaltoos dit hatelijk, huichelachtig woord, dat als een priestertoga mijn heilig gloeiend hart omhullen moet. Ik zeg u Charlotte, ik ben niet uw vriend, en zal nooit uw vriend zijn! Er is geen vonkje van dit stille, bedaarde vuur van aardsche genoegzaamheid in mij, waarop men wél zijne spijzen kan koken, om er zich ordelijk en stil mee te voeden, maar waai'op men nooit of nimmer de godenspijzen kan bereiden, waarmede des dichters hart zich laven, âen zijn ziel zich verkwikken moet Neen, in mij brandt het vuur, 'twelk Prometheus den goden uit den hemel ontroofde; en dit vuur, â uit den hemel afkomstig en op de aarde brandende, â is hemelsche en aardsche liefde, vereenigd in een laaie vlam! Neen, Charlotte, ik zeg 't nog eens: weg met het huichelachtig woord âvriendschap!quot; 't Is liefde, liefde, wat
47
ik voor u gevoel. Laat het u door alle poriën in de ziel dringen; 'tis liefde Charlotte! En zeg mij niet in dit uur, dat ge er niets van weet, bekoorlijke, hemelsche huichelares! Ik heb uw gevoel verrast. De gloeiende kus des wederziens, die nog op mijn verrukte lippen brandt, dien heeft mij niet de vriendin, de zuster gegeven; â maar de beminnende, welke de verrassing het masker ontrukte, en die, door vreugde overweldigd, de waarheid moesl bekennen, â ware het ook slechts in een kus!quot;
^Ge wilt dus, dat de kus des wederziens ook tevens die des afscheids zij?quot; vroeg Charlotte treurig, terwijl zij met een smachtenden, kwijnenden blik de blauwe oogen opsloeg tot den schoonen man, die met gloeiend aangezicht voor haar stond: âGe wilt dus dat wij ons voor altoos scheiden? Want ik moet u herhalen, wat ik u zeide, toen, wij elkander voor de laatste maal zagen: Slechts dan, â als ge er toe besluit uw onstuimig gedrag te beteugelen, het overstroomend gevoel te beperken binnen de grenzen, welke het verstand en de zeden ons opleggen, â slechts dan mag ik u zien, mag ik mij in uwe nabijheid, uwen omgang verheugen!quot;
âJa, met deze wreede, onmogelijke woorden hebt ge mij van hier verjaagd, Charlotte, en wreed en koel waart ge tot het laatst. O, Charlotte; ge weet niet wat ik leed, toen ge mij op onze laatste wandeling, al uwe verstandige voorstellingen, â uwe koele vermaningen, als duizende vergiftige pijlen in het hart wierpt. Zoo de hertog niet met zijne gemalin vóór ons den berg ware opgegaan, hadde ik moeten uitweenen! In mij riep alles: O, die wreede, die onverbiddelijke; â die van mij, die haar bemint, â onuitsprekelijk, eeuwig bemint, â verlangen wil, dat ik haar zMsier, vriendin noeme! Ik heb deze woorden op de geheele reis dagelijks bij mij zeiven herhaald; wilde immer weder beproeven uw geliefd beeld er mede te omkleeden. maar het was onmogelijk, want zij veranderden mij uw aangezicht, en ik vond onder hen den engel niet meer, dien ik aanbid. Neen; het gaat niet; ik kan u niet zuster, niet vriendin noemen!quot;
âDan, o mijn lieve Wolfgang,quot; zuchtte Charlotte; âdan kan ik volstrekt zijn voor u! Dan moet ik in dit uur des wederziens van u afscheid nemen, en wil, om u deze
48
scheiding te verlichten, onverwijld naar Kochberg tot mijn echtgenoot gaan, en er den geheelen .zomer blijven.quot;
Hij greep met zijn krachtige handen hare armen, en staarde haar met zijn grimmigen b'ik in !t gelaat. â âIs 't u ernst,quot; riep hij: âzoudt ge werkelijk in staat zijn dit te doen?quot;
âGoethe, ik bid u, laat mijn armen los. Ge doet mij zeer 1quot;
âDoet gij mij dan geen zeer? Boort ge niet met deze koele, bedaarde oogen, gloeiende dolken in mijn hart, en lacht er wellicht bij, en verheugt u in mijne folteringen, die u bewijzen dat ik n grenzenloos bemin? Terwijl gij slechts een spel met mij drijft, mij aan uw triomf-wagen spant, alleen om voor de wereld met mij te pralen, en haar te bewijzen dat het u gelukt is, den leeuw te temmen en hem voor u in een vreedzaam huisdier te veranderen? Ga, uw koel hart verdient niet, dat ik u bemin!quot;
Hij stiet haar arm weg, en tranen schitterden in zijn oogen. Charlotte von Stein aanschouwde hem met een koelen, toornigen blik.
âVaarwel, heer legatieraad. Het behaagt u een arme vrouw te beleedigen en te smaden, die geen ander wapen tegen u heeft dan haar eer en hare deugd. Vaarwel; ik wil niet langer aan dergelijke beleedigingen blootgesteld zijn, daarom wil ik mij liever verwijderen.quot;
Zij keerde langzaam om en ging naar de deur. Maar met één sprong vloog hij op als een leeuw, sneed haar den weg af, viel aan hare voeten neder, en lag, om medelijden biddend, om vergeving smeekend, voor haar.
âIk wil goed zijn, Charlotte. O, ge zult het zien, ik wil zacht zijn als een kind. Ik weet het, ik ben een booswicht, een misdadiger! Ja, het is woede tegen zijn eigen vleesch, als de ongelukkige zich lucht zoekt te maken door zijn geliefdste te beleedigen! En zoo het nog slechts in aanvallen van kwade luim ware, en ik het mij bewust kon zijn. Maar zoo ben ik bij mijn duizende gedachten weder tot kind afgedaald; onbekend met het oogenblik, verduisterd nopens mij zeiven, terwijl ik de] toestanden van den ander als met een helder verslindend vuur verteer. Charlotte, o geliefde Charlotte, vergeving! Ik wil immers alles wat gij wilt! Ik wil mij naar alles voegen, zooals gij 'tbegeert!quot; ^
1) Goethe's eigen woorden. Zie: Goethea's Briefe an Charlotte von Stein, I, 358.
49
âWilt gij tevreden zijn met mij te beminnen als uw vriendin, uwe zuster?quot;
âIk wil hiermede tevreden zijn,quot; zuchtte hij treurig: âmaar dan moet ge ook voortaan zulk een zusterlijken zin in u pogen op te wekken, die door mijne onhebbelijkheden volstrekt niet getroffen kan worden. Ik zou u anders somwijlen in oogenblikken moeten vermijden, als ik u bet meest noodig heb. - Ach, Charlotte; het komt mij schrikkelijk voor, dat ik de beste uren mijns levens, de oogenblikken van mijn samenzijn met u bederven moet door mijne smart; â met u, om wier wille ik mij toch gaarne elk haar uit het hoofd zou rukken, zoo het zich in een dienst veranderen kon. En evenwel zoo blind, zoo verstokt te zijn! Heb medelijden met mij! Ik herhaal bet; ik wil tevreden zijn met alles, doch verstoot mij niet. Reik mij slechts de band, en beloof mij dat ge mijn zuster, mijn vriendin wilt zijn!quot;1)
âWelnu, hier is mijn hand,quot; zeide zij met een bekoorlijken glimlach; âik wil uwe vriendin, uwe zuster zijn, en, â en âquot;
âNu, mijn Charlotte, wat? Spreek voort! Wat?quot;
Zij legde haar hoofd zeer licht op zijn schouder, en hare woorden klonken bijna onhoorbaar in zijn oor: â âEn als mijn dierbare vriend, mijn veelgeliefde broeder zich een paar gelukkige weken zeer verstandig en zeer gehoorzaam heeft betoond, schenk ik hem tot belooning een ring van mijn haar, waarom hij mij zoo lang gebeden beeft, enâen een kus bovendien, dien de geliefde aan de zuster tot bezorging beeft overgegeven!quot;
Hij sprak geen woord, maar drukte baar blozend gelaat aan zijn borst, legde zacht zijn hand op haar hoofd, en een liefderijke, zalige glimlach speelde om zijne lippen.
IV.
DE VOORLEZING.
Deze glimlach blonk nog op Goethe's fraai gelaat, toen hij 's avonds met den hertog Carl naar Belvedere ging. Het was laat geworden; want beide beeren hadden veel werk gehad
1
358.
Mühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. II. 4
50
met de âverrassing,quot; welke de hertog aan de hofdame von Göchhausen beloofd had. Menige voorbereiding met Goethe's dienaar Philip en eenige handwerkslieden, was hiertoe noodig geweest! Daardoor hadden beide heeren zich verlaat, en de soirée der kunstlievende, â en vooral met de literatuur ingenomen hertogin Amalia, was reeds begonnen.
Het gezelschap zat, toen beide heeren binnentraden, in het salon in een kring om een langwerpig ronde tafel in 't midden van het vertrek. Aan het boveneinde zaten op fauteuils de beide hertoginnen, â de moeder en de gemalin van Carl-August, naast hertogin Amalia, â haar vriend en lieveling, de voormalige opvoeder van Carl-August, de dichter Wieland, en naast dezen een bejaard heer met yroolijk, goedhartig gelaat, â en behalve Wieland de eenige, die niet zooals de hertog en Goethe, zich in het Werther-co-stuum vertoonde, maar een witten met zilver geborduurden rok droeg, hierbij een donkerblauw satijnen vest en pantalon, zwart zijden kousen, schoenen met gespen, jabot en manchetten van kant.
Deze heer, met de vroolijke bruine oogen, het rond vergenoegd gelaat, dat zich in de omlijsting der gepoederde pruik gezet en deftig voordeed, â deze heer was de dichter Gleim, wiens vervoering voor Frederik den Groote hem menig fraai soldaten-en krijgslied had ingegeven, en wiens liefde voor literatuur en poëzie hem lot een enthusiastisch bewonderaar van al degenen had gemaakt, die zich met poëzie bezighielden, en der Muzen hunne offers hadden gebracht. Daar hij buitendien rijk en mild was, was het zeer natuurlijk dat de dichters en schrijvers vader Gleim veel oplettendheden bewezen, en zij zeer tevreden waren als hij de dichterlijke kinderen hunner luimen voor een goed honorarium drukte, en jaarlijks in een boek verzamelde, 't welk hij den titel van âMuzenalmanakquot; gegeven had.
Uit zijn juist verschenen nieuwen Muzenalmanak las âvader Gleimquot; nu heden op de soirée der hertogin Amalia voor, en met diepe aandacht een vriendelijke oplettendheid luisterde het gezelschap, dat om de tafel zat, naar deze voorlezing. Als de hertogin Amalia op hare levendige wijze soms de voorlezing van een vers met een opgetogen âbravo!
voortreffelijk!quot; afbrak, dan vernam men stemmen van goedkeuring en bewondering om de tafel, en vader Gleim's aan-
51
gezicht straalde van vreugde en genoegen, en met verhoogde geestdrift ging hij dan met zijne voorlezing voort.
Het binnentreden van den hertog en Goethe had geen storing in de voorlezing veroorzaakt; want men wist dat de hertog er niet van hield, dat men van zijn komen of gaan bijzonder notitie nam, en bovendien had de hertogin bij het verschijnen van beide beeren, door een afwerend handgebaar bevolen, de voorlezing niet af te breken.
Vader Gleim las dus ongestoord het nieuwe, opwekkende gedicht van den gevangen dichter Schubart voort. Toen hij ten einde was, maakte hij een korte pauze, droogde met den zijden zakdoek het zweet van zijn voorhoofd, en nam een kleine teug uit het glas met frambozen water, dat voor hem op de tafel stond.
Nu naderde hem een slanke, hoog opgegroeide jonge man in de geliefde Wertherdracht, boog voor den voorlezer en keek hem zóó vriendelijk met zijn groote, zwarte oogen aan, dat het den goeden vader Gleim als een zonnestraal in 't hart viel.
âGij schijnt eenigszins vermoeid te zijn, mijn edele heer,quot; zei de onbekende jonge man met zijne fraaie welluidende stem: âik zou u daarom willen vragen, of ge mij niet veroorloven wilt u een weinig af te lossen, en in uwe plaats de voorlezing uit den heerlijken Muzenalmanak te vervolgen ?quot;
âDoe het, mijn lieve Gleim,quot; zei de hertogin Amalia glimlachend; âge zijt werkelijk geéchauffeerd, en de jonge heer moge de aangename en welkome lectuur voortzetten.quot;
Vader Gleim was hiermede natuurlijk zeer tevreden, reikte den vreemden jongen man met een hoffelijke buiging het boek over, en deze zette zich nevens de hofdame, freule von Göchhausen, vlak tegenover vader Gleim.
Met heldere, duidelijke stem begon hij te lezen. Sierlijk en bescheiden vloeiden de verzen der jonge poëten van zijne lippen, aandachtig luisterde het gezelschap, en vader Gleim, de beschermer van alle jonge poëten zat met verrukt gelaat, knikte vriendelijk goedkeurend met het hoofd, en luisterde met een behagelijken glimlach, hoe lief en sierlijk de rijmen klonken, en de verzen rolden en ruischten, die alle onder zijne bescherming waren ontstaan, en die dus ook fraai, zeer fraai moesten zijn. Hoe liefelijk liet het zich tochhooren:
52
âDie Zephyre lauschen,
Die Biicbe rauschen,
Die Sonne
Verbreitet ihr Licht mit Wonne!quot;!)
En hoe fraai las de jonge man deze allerliefste verzen! Maar eensklaps ontroerde vader Gleim, en de glimlach verdween van zijne lippen. Wat was dat? Wat las toch de jonge man? Het waren verzen, die volstrekt niet in het boek stonden; verzen, die zóó wonderbaar klonken, als vader Gleim ze nimmer van zijn jonge poëten gehoord had, âMaar, mijnheer,quot; riep Gleim, geheel het decorum ver-getende: âdat staat immers niet in het boek, dat âquot;
De jonge man wierp met zijn groote, zwarte oogen slechts een enkelen blik op hem, die den goeden Gleim zóódanig verbijsterde, dat hij midden in den begonnen zin zweeg, en met wijd geopende oogen, in ademlooze verbazing luisterde naar 'tgeen de jonge man nu las. â Fraai waren deze verzen! Zulke heerlijke gedachten waren erin, dat de poëten, wier verzen in den Muzenalmanak gedrukt waren. God hadden mogen danken, zoo hun iets dergelijks ingevallen ware. Maar het waren geen minnezangen, en niets kwam er in voor van harten en smarten, van lijden en verblijden; maar het waren satiren, kleine zweepslagen, met liefelijke behendigheid links en rechts uitgedeeld, en elk lid van het gezelschap een slag gevende, die hen geen smart veroorzaakte, maar de anderen deed lachen.
Ja, lachen moesten allen; en de vriendelijke gezichten verlevendigden en bezielden zich, en steeds doller, steeds scherper vloeiden de satirieke verzen van de lippen des voorlezers. 't Was een wezenlijk vuurwerk van geest en humor, van goedhartige scherts en bijtende luim, dat de jonge man afstak, en vader Gleim was geheel verrukt; want allen, ja allen hadden zulke aardige prikken en steken ontvangen, en slechts hij was tot hiertoe verschoond gebleven! Tot hiertoe! â Maar wat is dat? Wat leest hij daar van den Mecenas der kunstenaars en dichters, en waarom richtten zich al deze glinsterende en lachende blikken van het gezel-
1) De zefirs ruisohen, De beekjes bruischen,
De zon
Verbreidt baar vroolijk Hebt.
53
schap op hém, den goeden Gleim? â Zeer hoog verheft de voorlezer de verdiensten van den Mecenas en prijst hem zeer, dat hij met hart èn liefde èn beurs zich over de dichters ontfermt, en terstond victorie roept en kransen vlecht, als iemand een fraai vers heeft gemaakt! Maar als men hem aanziet, den goeden vader, den Mecenas, is 't alsof hij plotseling veranderd is; en in plaats van op den hoo-gen troon den Mecenas, kan men er een kalkoen zien:
âDie, op het ronde nest gezeten,
Van ijver en van vuur moet zweeten,
Om al iie eieren uit te broeien,
En zich voor and'ren te vermoeien,
Die hem hunne eieren komen brengen.
Om die met zijn eigene te vermengen.
Hij zit en broeit steeds onverdroten,
Heeft menigen vreugdetraan vergoten Bij dezen schoonen eierenhoop.
Maar soms gebeurt het, o hoe snood!
Dat eenig dichter, lam en slecht,
In 'tnest een krijtbrok nederlegt.
Waarop de broeier onvermoeid.
Gelijk op d'and're eieren broeit.quot;
Nu kon Gleim zich niet langer inhouden, hij sloeg op de tafel en riep luid: ,.Dat is óf Goethe óf de duivel!quot;
En het geheele gezelschap brak in een eindeloos gelach uit, en Gleim riep lachend, doch inwendig gewis een weinig verstoord, ten tweede male: âDat is ót Goethe öf de duivel!quot;
âBeiden, lieve vader Gleim,quot; zei Wieland, die zich de tranen van 't lachen uit de oogen veegde: âbeiden, vader Gleim; 'tis Goethe en hij heeft weder den duivel in't lijf. Hij is als een moedig veulen, dat voor- en achteruitslaat, zoodat men wéldoet hem niet nabij te komen.quot;
Alleen Goethe lachte niet, en nu met verheffing van stem voortlezende, deed hij al de verdere gesprekken verstommen, en voer voort met ziine voorlezing, en geeseldemet bitteren spot;
âHêm die, zichzelven waant een God,
Maar die, â verwaand en opgeblazen, â
Zich rekenen mag slechts bij de dwazen.
Die met zoete Wertheriaden,
En andere flauwe Jeremiaden,
Zich zei ven maakt tot 's werelds spot,
En geeft om duivel, noch om God.quot;
1) Wieland's eigen woorden. Zie Lewes : Goethe's Leben I 432.
54
En zoo woedde en bliksemde, en spotte en lasterde Wolfgang Goethe tegen zijn eigen vleesch en bloed, tot dat freule Göchhausen, Thusnelda, geheel rood van toorn van haar stoel opvloog, hem het boek uit de hand rukte, en hare beide handen op zijn lachende lippen legde, terwijl zij uitriep; âZwijg, Goethe, of ik schrijf aan mevrouw Aja, uwe hartelijk geliefde moeder, dat hier een sater en lastertong zich verstout heeft, haren eenig geliefden zoon zóódanig te lasteren en te verketteren, dat het zonde en schande is! Zwijg, of ik schrijf het aan mevrouw uwe moeder!quot;
Nu eindelijk zweeg de dolle lastertong; nu stond Wolfgang op en ging naar vader Gleim, boog voor hem en bood hem met zulk een innemenden blik en zulke vriendelijke, lieve woorden de hand, dat vader Gleim geheel verrukt en verheugd hem de zijne gaf, en hem hartelijk dankte voor het zonderling en verrassend genoegen, 't welk hij hem met zijn Muzen-almanak veroorzaakt had.
De hertog echter ging naar de kleine Göchhausen, en zeide: âThusnelda, ge zijt een onvergelijkelijk schepsel, en volkomen er toe geschapen om de stammoeder der Germanen te zijn. Thusnelda, ik verklaar mij heden voor den geheelen avond tot uwen ridder, en ik zal u dienen en huldigen als uw onderdanigen knecht, en geen oogenblik van uwe zijde wijken.quot;
âZeer goed, heer hertog; dit zal een allerliefste idylle in Watteau's stijl zijn; ik ben de schoone herderin en voer Uwe Doorluchtigheid aan een lintje voort. â En mijn geschenk, heer hertog? Mijne verrassing?quot;
âGeduld, Thusnelda! Ge zult uw geschenk ontvangen. Ge moogt echter niet ongeduldig worden, maar afwachten wat het schoone uur brengt:
Is 't heden niet, dan is het morgen.
Elke dag heeft zijn lust en zorgen!quot;
âHa, ha, hertog; in plaats van mij een geschenk te doen, antwoordt ge mij met een rijmpje. Dat komt ervan, als men een Goethe tot vriend en gezel heett! Dolle streken gelijken de windmazelen; zij zijn aanstekend. O, hertog, ge hebt de windmazelen! Een nieuwe ziekte van 't genie! Gelukkig dat onze lieve gravin Werther reeds aan een andere ziekte ligt, anders kreeg zij stellig óók de windma-
55
zelen. Of heeft zij ze misschien reeds, heer graaf Wer-ther
âIk weet het niet, freule,quot; antwoordde de graaf, uit zijn verstrooidheid gewekt: âIk weel alleen, dat mijne gemalin zeer lijdend is, en zich derhalve naar ons landgoed heeft begeven, om daar in stilte en rust te herstellen.'t Zal mij helaas onmogelijk zijn, mijn geliefde vrouw [daar te bezoeken; maar mijne trouwe en lieve vriend, de baron von Einsiedel zal mij morgen op mijn verzoek een liefdedienst bewijzen, en naar mijn landgoed lijden, om in mijn naam âquot; t
âDen bok tot tuinier te benoemen,quot; viel Thusnelda hem levendig in de rede.
âNeen, dat niet, freule, dat niet,quot; zei graaf Werther, geheel verbluft, terwijl hertog Carl in een vroolijken lach losbarstte, freule Göchhausen een geestige kabouter noemde, en haar, â als haar trouwe Celadon, â den arm bood om haar tot de hertoginne-moeder te geleiden.
Er heerschte een vroolijke, gelukkige, stemming in het gezelschap. Het aardige impromptu van Goethe had de vonken van geest en vernuft in alle hoofden en op aller lippen ontstoken, en het gelukkigst was Goethe zelf; want Charlotte was aan zijne zijde, en aanschouwde hem vriendelijk glimlachend met hare groote, peinzende oogen, en liet het ïiefderijk toe, dat Goethe, â als haar getrouw cavalier,â den geheelen avond aan hare zijde bleef.
Den geheelen avond bleef ook hertog Carl de getrouwe cavalier der freule von Göchhausen, die heden onover-tretïelijk was in haar scherp vernuft en bijtende luim, en den hertog verrukte, de hertogin Amalia deed lachen, en d-e hertogin Louise somwijlen aanleiding gaf tot een licht schouderophalen, en een afkeurend hoofdschudden.
To midden van een levendig gesprek met mevrouw von Stein, werd Goethe dooreen lakei gestoord, die hem de boodschap bracht, dat in de voorkamer iemand op hem wachtte.
Goethe ging haastig naar buiten, en toen hij terugkwam begaf hij zich naar hertog Carl, en fluisterde hem eenige woorden in het oor. Deze knikte levendig, en fluisterde toen ook, waarop Goethe zich tot de hertogin Amalia begaf.
âWat is 't, Goethe?'' vroeg de hertogin : âIs er een koerier met gewichtige dépêches aangekomen?quot;
513
âNeen, genadigste Hoogheid, dat niet. Maar ik kom tot Uwe Doorluchtigheid als koerier van uwen heer^oon.De hertog laat verzoeken, dat, als Uwe Genade zich heden nacht ter ruste begeeft, zij de deur van hare voorkamer sluite, en die in geen geval opene, hoe smeekend en angstig Thusnel-da er ook om moge bidden.quot;
âGe wilt toch mijne arme Göchhausen geen kwaad doen, gij, moedwillige snaken?quot;
âGeen kwaad, hertogin! 't Is slechts een kleine verrassing, welke de hertog aan freule von Göchhausen beloofd heeft, en die geheel onschuldig en zonder gevaar is.quot;
âNu, het zij dan zoo,quot; knikte hertogin Amalia âdan beloof ik geheel doof tc zijn voor het kloppen en bonzen van Thus-nelda, en ik verheug er mij reeds op, morgen de nieuwe dolheid te vernemen ! Want heden wil ik er liefst niet naar vragen, wijl ik, â zoo 't soms Ãil te dol ware, âer wellicht mijn veto tegen zou moeten inbrengen, hoezeer ik u toch gaarne een scherts en grap gun. Maar zie eens, mevrouw mijne schoondochter schijnt reeds te willen vertrekken. Weet zij van de geschiedenis?quot;
âNeen, Hoogheid. Gij weet wel dat de jonge hertoginâquot;
âVeel verstandiger is dan de oude, en afkeurend het hoofd schudt, als zij van uwe geniestreken hoort. Het zou misschien goed zijn, dat ik óók zoo verstandig ware, maar dat gaat nu eenmaal niet. Ik houd van u, vroolijk en overmoedig volkje, en ik denk altoos; de jeugd moet uit-gisten, des te verstandiger en bedaarder wordt deouderdom.quot;
âEn gij hebt zeker gelijk, mevrouw de hertogin. Het gaat met de menschen als met het druivensap. Als de jonge most niet gist en schuimt, komt er nooit een edele wijn van. En â Uwe Doorluchtigheid zie slechts onzen Garl, met de overmoedige scherts op de lippen, en 't goddelijk vuur in de helder bruine oogen. Is dit niet een heerlijke, schuimende most, en zal er niet een edele, krachtige wijn van komen?quot;
âWij willen het hopen, Goethe; en als degoden het geven, dan komt de grootste verdienste ervan aan Wolfgang Goethe toe, die bewezen heefteen goed wijnbouwer te zijn, en zich dan met mij, over het heerlijk gevolg zal verheugen!quot;
57
V.
DE BETOOVERING.
Kort daarna was het gezelschap vertrokken, en was het weder eenzaam en stil op het slot Belvedere. De hertogin had al hare huisgenooten bevolen, zich ter ruste te begeven.
Alleen freule van Göchhausen was nog hij hare meesteres. Zij zat voor het bed der hertogin en keuvelde met haar, en herhaalde op haar scherpe, geestige wijze al de groote en kleine voorvallen der soiree, en deed de hertogin lachen om de boosaardige aanmerkingen, waarmede zij hare rede spekte, en hare scherpe uitvallen tegen enkele personen van het gezelschap.
âGöchhausen, ge zijt toch de boosaardigste en lustigste spotvogel dien God geschapen heett,quot; riep de hertogin lachend. Zijt ge nu ten einde, lastertong, en wilt ge, na al uw ondeugende praatjes, nu niet naar hoven naar uw kamertje gaan, uw avondgehed stamelen als een rechtvaardige, en u uitstrekken op uw maagdelijke legerstede?quot;
âTerstond, mevrouw de hertogin, terstond! Slechts één ding moet ik u nog zeggen, en Uwe Hoogheid er opmerkzaam op maken! In 'thuis Werther is een schandaal op komst; ik ruik het reeds, ik bespeur het in de lucht, zooals de duif den gier bespeurt.quot;
âGe verschrikt mij, Göchhausen; welk schandaal dan? Gij gelooft toch niet, dat de schoone gravin Werther âquot;
âHaar echtgenoot niet alleen zeer moede is, maar naar een plaatsvervanger omziet, een â vriend, zooals de geniedames dat tegenwoordig noemen. Ja, dat geloof ik, hertogin, â en ik geloof óók, dat ik den soi-disant vriend reeds ken, dien de lieve, teergevoelige gravin gekozen heeft.quot;
.,Den baron von Einsiedel, nietwaar?quot; vroeg de hertogin: âNamelijk; ik bedoel niet onzen goeden ami par excellence, maar zijn dollen, jongere broeder,â den luitenant. Dien meent ge toch, Göchhausen ?quot;
âJa, dien meen ik. Hoogheid, en ik heb reeds acht dagen lang gewaarschuwd en gezinspeeld. Maar, graaf Werther is nu eenmaal niet te wekken uit zijn domheid en ge-dachtenloosheid.quot;
âThusnelda, ge laat weder den vrijen teugel aan uw
58
kwade tong. Werther is een diep geleerd man, die de oude talen, het sanskriet en het perzisch heeft bestudeerd, en dien ik waarlijk dikwerf zijn taalkennis benijd.quot;
â't Kan zijn dat hij de oude talen verstaat,quot; riep freule Göchhausen de schouders ophalende; âmaar de moderne talen, â de genietaai on de oogentaai, verstaat hij geheel niet; en hij is blind met ziende oogen ! Ik zeg u, genadigste Doorluchtigheid, zoo wij niet waakzaam zijn, â en gij niet door een verstandige tusschenkomst de zaak verhindert, dan zal er schandaal ontstaan. En ge weet wel, dat zou voor de afschuwelijke Weimarsche philisters,â zooals onze lieve studenten te Jena de gewone menschen noemen, â een welkome gelegenheid zijn, om weder moord en brand te roepen, en weder te keffen over de onzedelijke geniehuishouding, die Wolfgang Goethe aan het Hof te Weimar ingevoerd heeft.quot;
âGe hebt gelijk, Thusnelda,quot; zei de hertogin nadenkend; âge zijt toch met uw scherpe tong en sluwe oogen als een schrandere herdershond, die steeds zorgvuldig acht geeft, dat geen onzer schapen verloren gaat; die er evenwel ook niets om geeft, bij zijn wachtdienst onverhoeds dezen of genen met zijn scherpe tanden aan te vallen en in't been te bijten.quot;
âZij mogen schreeuwen, die ten onrechte gebeten zijn geworden. Doorluchtigheid! Maar de gravin Werther zal niet schreeuwen, geloof mij: veeleer zal zij angstig hare beenen in acht nemen, om niet een welverdiende tuchtiging te ontvangen. Ik bid u. Doorluchtigheid, verhoed een schandaal! Niet om deze dwaze, sentimenteele jonge vrouw en haren diep geleerden echtgenoot, â maar om onzen jongen hertog en Goethe niet weer met Uwe Doorluchtigheid zelve, aan den laster en hoon der alledaagsche menschen prijs te geven.quot;
âGe hebt gelijk, Thusnelda; wij moeten trachten een schandaal te verhoeden. De kleine mevrouw Werther is voor vier dagen naar haar landgoed gereden, nietwaar?quot;
âJa, Doorluchtigheid; en dat is 'tjuist, wat mij verontrust. Zij vertrok gezond als een visch van hier, en nu heet het plotseling, dat zij ziek, zeer ziek is. Maar men roept geen arts; en in plaats van dezen, zendt de geleerde domkop van een echtgenoot morgen den vriend Einsiedel naar zijn
59
landgoed, om hem bericht te halen wegens den toestand zijner dierbare wederhelft.quot;
âWij moeten dat verhinderen, Thusnelda. Wij willen morgen een grooten wandelrit doen met onze geheele Hofhouding, naar het landgoed van den graaf von Werther. Het zal een verrassing zijn voor iedereen. Zend morgen vroeg den fourier, en laat het geheele Hofgezelschap uitnoo-digen vooreen buitentoertje met onbekend doei. üe paren, â zooals zij zich in de rijtuigen verdeelen moeten, â zullen door het lot aangewezen worden, en gij, Thusnelda, draag zorg dat de luitemant Einsiedel w als cavalier ten deel valt. Op deze wijze is hij aan u gebonden, als wij bij mevrouw Werther komen; en dan willen wij haar overhalen met ons mede te gaan, en eenigen tijd bij ons op Belvedere te blijven. En nu, Thusnelda, goeden nacht. Ik ben zeer vermoeid en heb rust noudig. De slaap zit reeds op den rand mijner oogleden, en zal ze toedrukken, zoodra ge weg zijt. Goeden nacht, mijn kind, en slaap wel!quot;
De kleine, misvormde freule Göchhausen drukte een kus op de haar gereikte hand der Vorstin, nam toen den kandelaar met het kort eindje waskaars, wenschte knielend de Hertogin nogmaals goeden nacht en aangename droomen, en verliet de vorstelijke slaapkamer.
Buiten in de voorkamer was alles donker, stil en eenzaam. De lichten waren uit; de kamervrouwen hadden zich naar boven in hare slaapkamers begeven, en de hofdame von Göchhausen was zekerlijk de eenige persoon, die zich in dit uur in het hertogelijk kasteel Belvedere nog buiten het bed bevond.
Maar de freule gevoelde daarom geen zorg en angst. Zij was gewoon de laatste te zijn, die zich ter ruste begaf; â de laatste, die door deze lange, eenzame gangen, twee trappen hoog, naar hare slaapkamer ging, welke zich op de derde verdieping bevond, terwijl de levenslustige, gezellige hertogin, de benedenvertrekken van 't kasteel tot logeer- en gezelschapskamers ingericht had. Eiken nacht steeg freule von Göchhausen, als zij van de hertogin kwam, deze trappen op, ging met licht in de hand door de gang, die naar de deur harer slaapkamer voerde, vond in de kleine voorkamer hare kamenier, die slapend op haar wachtte, en liet zich door haar ontkleeden.
60
Waarom zou dus de hoffreule zich heden verontrust hebben, omdat 'tzoo heel stil en eenzaam was in het kasteel? Zij dacht er zelfs niet aan, en ging gerust voorwaarts de eerste trap op.
Een weinig onaangenaam was 't wel, dat de wind op het eerste trapportaal haar licht uitblies, en begrijpen kon zij eigenlijk niét hoe dat geschieden kon, â want geen venster was open, en van tocht geen spoor te ontdekken. Intus-schen, het was een onloochenbaar feit; het licht was uitgeblazen, en Thusnelda moest nu in den donker haren weg vervolgen. Want het was donker in dezen nacht, en aan den bewolkten hemel geen lichtende ster.
Ja, 't was donker, zeer donker, zoowel op de trap, als in de gang. Maar als men den weg gewoon is, hindert dit niet; en de hoffreule wist den weg in den donker even goed alsof zij een licht in de hand hield.
Zoo! Nu was zij boven in de gang, en kon nu niet missen; want slechts één deur bevond zich in die gang, en dat was de deur barer slaapkamer.
Daar! Nu de hand uitgestoken en den deurknop omgedraaid! Maar waar is dan de deurknop? Hoe zonderling misgetast! Dus iets verder! âMaar ook daar is geen knop, ja zelfs geen deur!
Met haastige handen strijkt Thusnelda over den muur om de deur te ontdekken.'t Is ongeluofelijk. ongehoord,â nergens is een deur. Effen glad is de wand overal, geheel behangen, nergens een deur!''
Een lichte huivering loopt door het hart der moedige kleine hoffreule; zij kan 'tzich niet verklaren wat dat te beduiden heeft. Zij roept haar kamenier. Maar geen antwoord, geen geluid stoort de stilte.
âIk wil nog eens naar beneden gaan,quot; prevelde Thusnelda ; âmisschien is de hertogin nog wakker, en kan ik aan haar nachtlicht mijn kaars ontsteken.quot;
Nu met vliegende schreden de trap af naar de slaapkamer der hertogin! Maar, ach ; de deur, welke Thusnelda openen wil, is gesloten! Anders sluit de hertogin nooit de deur, en nu heden, juist heden wél!
Thusnelda waagde het evenwel, zacht aan deze deur te kloppen, en met deemoedige, smeekende stem toegang te verzoeken!
61
Geen antwoord, alles blijft stil! De hertogin had het haar immers vooraf gezegd, dat zij zeer vermoeid was, en zeker terstond zou inslapen, wanneer Thusnelda weg was!
Zij is dus inderdaad terstond ingeslapen, en de hofdame durft het niet wagen, door harder kloppen, de hertogin te wekken. Zij moet zich dus geduldig schikken, en andermaal naar boven gaan; want nu is 'thaar duidelijk. Zij heeft zich straks, toen haar licht uitging, zeker vergist, â en is, in plaats van rechts op het portaal, links gegaan ; en daar in de gang is geen deur, geen enkele. Ja, ja, zoo zal het zijn! â Dus nu weder naar boven de trap op 1 Zoo! En nu aan het einde van de tweede trap rechts omgekeerd, en rechts de donkere gang in. Nu, hier is de deur, hier â maar neen, hier is yeen deur, dus ook geen knop om haar te openen.
Ten tweedemale strijkt de freule met zoekende handen over den wand, en vindt overal een gladden muur; â nergens, â neen, nergens een deur!
Een onbeschrijfelijke ontsteltenis overweldigt nu plotseling het hart der kleine hoffreule; zij weet niet meer of zij waakt of droomt; zij weet niet meer waar zij zich bevindt: of in een betooverd kasteel, óf als nachtwandelaarster misschien in een vreemd huis. Hier moest de deur zijn, en de deur is er niet! Hier moest in de voorkamer haar kamenier op haar wachten; maar geen voorkamer is er en geen kamenier! Alles eenzaam, verlaten en stil.
Thusnelda strijkt met hare bevende handen over haar gelaat, trekt zich aan den neus, trekt zich aan 't haar. âIk ben het toch? Ik ben het toch nog zelve? Ik ben toch wakend? Ik weet toch dat ik hoffreule ben bij de hertogin Amalia; dat hierboven, twee trappen hoog, op de gang zich een deur bevind, en men daarmede in mijn slaapkamer komt! Wees niet dwaas, Thusnelda, en verbeeld u niet dat hier hekserij plaats heeft. De deur is hier en moet gevonden worden. Zoek maar!quot;
Zij zoekt. âMet uitgespreide armen, met uiteengestrekfe vingers zoekt en strijkt en tast Thusnelda zoo ver zij grijpen en reiken kan over den wand heen, eerst aan de eene, â en dan aan de andere zijde van de gang. Indien men het bij den dag had kunnen zien, dan zou het een zeer grappig en komiek gezicht geweest zijn, om de fraai gekleede, mis-
62
maakte hoffreule te zien, hoe zij met de lange armen en uitgestrekte vingers letterlijk aan den muur scheen te kleven, en er langs schuurde en trippelde, altoos naar de deur zoekende en die niet vindende.
Neen, 't is vergeefs! geheel vergeefs! 't Is betoovering, 'tis hekserij! De deur is verdwenen! â Een onbepaalde, vreeselijke huivering bekruipt het hart der anders zoo moedige hoffreule; voor het eerst gevoelt zij zich bevreesd en angstig, en geen schertsend woord komt over de bevende lippen. Haar gebeurt iets wat haar sinds lang niet is gebeurd ; zij weent van angst, zij bidt van angst! Ja, waarachtig ; de spottende, bijtende hoffreule Thusnelda bidt en smeekt God haar te bevrijden van deze betoovering, en haar de deur te laten vinden!
Maar dit gebed is tóch vergeefs; de deur laat zich niet vinden, t Is hekserij,'t is betoovering, en Thusnelda moet er zich aan overgeven ; zij waagt niet nog langer te zoeken ; want het schuiven en wrijven harer armen en handen op den wand doet haar huiveren; zij waagt het niet zich te bewegen; want als zij loopt, vindt zij dat hare hakken zoo buitengewoon kort zijn, en zij moet steeds omzien of iemand achter haar is, maar kan toch niets zien, wijl het zoo donker is.
Dus hurkt Thusnelda nu neder op den vloer bij de plaats, waar zich in gelukkige dagen de deur harer slaapkamer bevond, en schikt zich in het onvermijdelijke; â schikt er zich in, om op de eenzame gang den nacht door te brengen ! De nacht van betoovering en hekserij !quot;1)
En niet alleen voor de hoffreule von Göchhausen was het een nacht van betoovering en hekserij. Nog elders in Weimar heeft het gespookt in dezen schoonen Meinacht. Nog elders!
Daar dicht bij het hertogelijke park, omgeven door weilanden, staat een eenvoudig klein huisje. De llm stroomt er dicht voorbij, en drie bruggen voeren over den llm naar dit buisje. Maar aan het einde dezer bruggen bevinden zich hekken, welke men sluiten kan, zoodat niemand over de brug komen, â en naar het huisje gaan kan, zoo de eigenaar het niet wil, en hij de hekken gesloten beeft.
Heden nacht kan niemand er over, want de brughekken
1
Zie Lewes: Goethe's Leben und Schriften I 408.
(33
zijn gesloten, en de eigenaar van het huisje, â dat met zijn witte muren zelfs in den nacht zeer duidelijk tegen den donkeren achtergrond van het park uitkomt, â staat als in een gesloten vesting, of als op een eiland raidden in zee.
Dit huisje behoort aan Wolfgang Goethe; 't is een geschenk van zijn vriend den hertog Carl-August. Het eenvoudige huisje, omgeven van grasperken, aan den oever van den Hm, is des dichters paradijs, zijn Eldorado, zijn Tusculum. Laat is hij heden nacht tehuis gekomen, en evenwel verlangde hij niet naar slaap en bed. De schoons Meinacht met den zvvaren donkeren onweershemel, lokte hem naar buiten op het balkon, en daar op een tapijt liggende, zag hij met eerbied en verrukking op naar de wolken, die in donkere massa's elkander najaagden ; nu eens met majestueuse grootsch-heid voorwaarts dreven, dan tusschen haar dunne sluiers een oogenblik de volle maanschijf onthulden, die hen met een gouden rand omzoomde; dan weder haar geheel bedekkende en omhullende, zoodat de gansche omtrek in duistere schaduw overging, tot uit de donkere wolken de kronkelende bliksems nederschoten, en de duisternis voor een oogenblik met hun schitterend licht verhelderden.
Een heerlijk schouwspel was dit voor den teêrgevoeligen dichter; en met zijn geheele ziel gaf hij er zich aan over, luisterde met zalige verrukking naar Gods stem, die in het rollen des donders voor hem klonk; zocht het onuitsprekelijke te bevatten en-te begrijpen met dichterlijk gemoed; luisterde naar de stem van den huilenden storm, van de zuchtende boomen en van het ruischendeloof. En vervolgens, na het schielijk voorbijgegaan onweder, de diepe, plechtige rust, die nu ontstond in de nachtelijke wereld, alsof zij daar slapend lag, langzaam ademend en glimlachend vol zalige droomen. Ue lucht geheel vervuld met geuren, die uit den bloemtuin opzweven naar het balkon, waarop de dichter rust en droomt met open oogen en wakende zinnen, vol van God en van liefde! De wolken aan den hemel zijn alle vervlogen, en groot en helder met haar volle schijf, zweeft de maan in de oneindige donkere ruimte, waar duizende sterren schitteren, duisterend van onbekende werelden, van de verborgenheden der schepping en de grootheid van Hèra die ze geschapen heeft.
6'2
maakte hoffreule te zien, hoe zij met de lange armen en uitgestrekte vingers letterlijk aan den muur scheen te kleven, en er langs schuurde en trippelde, altoos naar de deur zoekende en die niet vindende.
Neen, 't is vergeefs! geheel vergeefs! 't Is betoovering, 'tis hekserij! De deur is verdwenen! â Een onbepaalde, vreeselijke huivering bekruipt het hart der anders zoo moedige hoffreule; voor het eerst gevoelt zij zich bevreesd en angstig, en geen schertsend woord komt over de bevende lippen. Haar gebeurt iets wat haar sinds lang niet is gebeurd : zij weent van angst, zij bidt van angst! Ja, waarachtig; de spottende, bijtende hoffreule Thusnelda bidt en smeekt God haar te bevrijden van deze betoovering, en haar de deur te laten vinden 1
Maar dit gebed is tóch vergeefs; de deur laat zich niet vinden. T, Is hekserij,'t is betoovering, en Thusnelda moet er zich aan overgeven ; zij waagt niet nog langer te zoeken ; want het schuiven en wrijven barer armen en handen op den wand doet haar huiveren; zij waagt het niet zich te bewegen; want als zij loopt, vindt zij dat hare hakken zoo buitengewoon kort zijn, en zij moet steeds omzien of iemand achter haar is, maar kan tóch niets zien, wijl het zoo donker is.
Dus hurkt Thusnelda nu neder op den vloer bij de plaats, waar zich in gelukkige dagen de deur barer slaapkamer bevond, en schikt zich in het onvermijdelijke; â schikt er zich in, om op de eenzame gang den nacht door te brengen ! De nacht van betoovering en hekserij !quot;1)
En niet alleen voor de hoffreule von Göchhausen was het een nacht van betoovering en hekserij. Nog elders in Weimar heeft het gespookt in dezen schoonen Meinacht. Nog elders!
Daar dicht bij het hertogelijke park, omgeven door weilanden, staat een eenvoudig klein huisje. De Hm stroomt er dicht voorbij, en drie bruggen voeren over den 11 m naar dit huisje. Maar aan het einde dezer bruggen bevinden zich hekken, welke men sluiten kan, zoodat niemand over de brug komen, â en naar het huisje gaan kan, zoo de eigenaar het niet wil, en hij de hekken gesloten heeft.
Heden nacht kan niemand er over, want de brughekken
)) Zie Lewes: Goethe's Leben und Schriften I 408.
03
zijn gesloten, en de eigenaar van het huisje, â dat met zijn witte muren zelfs in den nacht zeer duidelijk tegen den donkeren achtergrond van het park uitkomt, â staat als in een gesloten vesting, of als op een eiland midden in zee.
Dit huisje behoort aan Wolfgang Goethe; 't is een geschenk van zijn vriend den hertog Carl-August. Het eenvoudige huisje, omgeven van grasperken, aan den oever van den Ilm, is des dichters paradijs, zijn Eldorado, zijn ïusculum. Laat is hij heden nacht tehuis gekomen, en evenwel verlangde hij niet naar slaap en bed. De schoone Meinacht met den zwaren donkeren onweershemel, lokte hem naar buiten op het balkon, en daar op een tapijt liggende, zag hij met eerbied en verrukking op naar de wolken, die in donkere massa's elkander najaagden ; nu eens met majestueuse grootsch-heid voorwaarts dreven, dan tusschen haar dunne sluiers een oogenblik de volle maanschijf onthulden, die hen met een gouden rand omzoomde; dan wederbaar geheel bedekkende en omhullende, zoodat de gansche omtrek in duistere schaduw overging, tot uit de donkere wolkeu de kronkelende bliksems nederschoten, en de duisternis voor een oogenblik met hun schitterend licht verhelderden.
Een heerlijk schouwspel was dit voor den teêrgevoeligen dichter; en met zijn geheele ziel gaf hij er zich aan ovei% luisterde met zalige verrukking naar Gods stem, die in bet rollen des donders voor hem klonk; zocht het onuitsprekelijke te bevatten en-te begrijpen met dichterlijk gemoed; luisterde naar de stem van den huilenden storm, van de zuchtende boomenen van het ruischendeloof. En vervolgens, na het schielijk voorbijgegaan onweder, de diepe, plechtige rust, die nu ontstond in de nachtelijke wereld, alsof zij daar slapend lag, langzaam ademend en glimlachend vol zalige droomen. JJe lucht geheel vervuld met geuren, die uit den bloemtuin opzvveven naar het balkon, waarop de dichter rust en droomt met open oogen en wakende zinnen, vol van God en van liefde! De wolken aan den hemel zijn alle vervlogen, en groot en helder met haar volle schijf, zweeft de maan in de oneindige donkere ruimte, waar duizende sterren schitteren, lluisterend van onbekende werelden, van de verborgenheden der schepping en de grootheid van Hèm die ze geschapen heeft.
04
âAch maan, zilveren, geliefde maan; hoe stil en trotsch, hoe verheven en tevens beminnelijk ziet ge mij aan. Als ik u beschouw, hoe ge daar zoo stil heengaat, zwevende in het oneindige; â als ik u beschouw met uw zacht, goddelijk licht, denk ik aan u, aan u, Gbarlotte! Gij staat boven mij gelijk de maan, zoo zacht, zoo helder; ik hul mij in uw stralen, en mijn geest wordt licht in uw licht!quot;
Mir ist es, denk' ich nur an Dich,
Als in den mond zu seh'n,
Ein süsser Friede weht ura mi'jh,
Weiss nicht, wie mir gescheh'n! 1)
Ja, zoete vrede, heilige maanscbijnrust, dit zullen mijne gedachten zijn aan u, Charlotte! Geen gloeiende zonnehitte, geen koele sterrenglans. De maan zijt ge voor mij, helder, en stralend; zacht licht verspreidende en vredige helderheid! Ach, Charlotte! Ach, lieve gouden maneschijn, wat ziet ye mij zoo in het hart! En wat ziet ge ook zoo in den llm, alsof ge daar in 't koele zilverbad laagt, en mij wildet lokken bij u te komen, en u te zoeken in de murmelende waterdiepte? Luister, luister, hoe zij murmelen en ruischen, de kabbelende golfjes van den llm; hoe zij zacht koutend tegen den oever klotsen, en met gouden kettinkjes voortruischen met den stroom! ik kom, ik kom, lieve waternimf van den llm! Gij breidt uwe zilveren armen zoo verlangend naar mij uit! Ik kom, ik kom!quot;
En van het balkon ijlde hij naar beneden uit het huisje, naar den oever van den stroom! De kleederen uitgeworpen, en meteen luiden jubelkreet, nu in het als zil vei glinsterende water.
Welk een goddelijk genoegen, welk een hemelsche lust! Daar zoo te liggen op den rug, zich te laten schommelen door de murmelende golfjes, en op te zien vol zalige verrukking, tot de gouden maan, tot de glinsterende sterren! En de stilte van den helderen Meinacht, â deze stilte toch zoo verlevendigd door de stemmen der Natuur, door het suizen der boomen, door het ruischen des waters, door het kwelen en fluiten van een of anderen droomenden vogel! Hierbij de frissche geuren, die van de door regen gedrenkte, verkwikte
1) 't Is mij, als ik aan u denk, alsof ik in de maan zie. Een zoete vrede omzweeft mij; ik weet niet, wat my geschied is.
05
weiden opstijgen, en de lucht vervullen. O schoone nacht, goddelijke stilte der Natuur! Hoe heerlijk en verheffend, u te beluisteren, gedragen door de golven en opziende ten hemel. Hoe heerlijk ook, zich met wilde onstuimigheid te werpen in den koelen stroom; hem te omvatten met beide armen, hem van zich te stooten met handen en voeten, en als een visch te dartelen door het spattende water, dat dan door de maan bestraald, als een gouden regen nederdroppelt.
Plotseling, te midden van 't zwemmen houdt Wolfgang Goethe stil, en hett het hoofd op uit het water; luistert en tuurt, 't Was hem alsof hij voetstappen had gehoord, die op de brug stampten, â op zijn brug! Ja, hij heeft zich niet vergist, daar is iemand! De maan beschijnt helder en duidelijk deze gestalte, die het waagt over de brug, â de verbodene brug des dichters, â te gaan; de maan laat hem de gestalte en kleederdracht duidelijk onderscheiden, 't Is een boer uit überweimar, die zoo vroeg komt, om waarschijnlijk morgen ochtend de eerste op de weekmarkt te zijn Omdat hij denkt dat niemand het nu ziet, wil hij over de brug gaan; en durft hij van den verboden, naasten weg gebruik maken!
âO boertje! boertje! straf verdient uw koene vermetelheid, en als er geen mensch is om u te straffen, dan moeten het de spoken doen!quot;
Hoor, welk een woeste, gillende kreet plotseling onder de brug van uit het water klinkt, die door een tweede, nog gillender, gevolgd wordt!
Het boertje blijft verschrikt midden op de brug staan, en kijkt naar beneden in de rivier! Maar wat is dat? O, almachtige, algoede God, wat is dat? Daar heft zich uit het water een witte, glinsterende arm, en een dreigende vuist naar de brug omhoog! Nu ruischt en spat het in de rivier, en een witte gedaante verrijst; een witte gedaante met een zwart hoofd en lang zwart haar; en vreeselijke, schrikbarende tonen klinken uit de diepte, en de gedaante verdwijnt om weder op te rijzen, weder te dreigen, weder vree-selijk te gillen en te huilen.
Het boertje schreeuwt luid van schrik, en een afgrijselijke, verwoede lach klinkt tot hem op, en de witte gedaante duikt op en neder, en tiert en schreeuwt, terwijl ook het boertje schreeuwt van angst en ontzetting;
Uühlbaoh, Buüschland in woeling en strijd. II 5
66
âEen spook! Een spook! Alle goede geesten loven den Heer! Amen! Amen! Amen!quot;
De angst geeft hem vleugels, de schrik draagt hem voort! Huilend en schreeuwend, vervolgd door het woest getier der witte gedaante, die nog altoos op en neder duikt, vlucht het boertje en houdt niet eerder stil, en rust niet eerder voor hij weder tehuis, in Oberweimar is ; en den volgenden morgen verhaalt hij zijn verbaasde, verschrikte buren, dat het op de brug, die naar het tuinhuis van den dollen legatie-raad Goethe voert, niet pluis is, en er een rivierspook huist, dat in de maneschijn vreeselijk huilend uit het water opstijgt. *) â , , . .
Toen het boertje verdwenen was, verdween ook het rivier-spook uit den Ilm; snelde als een verkwikt, verheugd men-schenkind in een ruim, gemakkelijk nachtgewaad gehuld,naar het huisje, steeg weder op het balkon, in plaats van in het zachte bed; legde zich weder op het tapijt op den vloer, en staarde vol aanbidding van God en de Natuur, naar den donkerblauwen hemel en de glinsterende en fonkelende sterren; genoot met eerbiedige verrukking de heerlijkheid des hemels; ademde met lange teugen de zachte, verkwikkende nachtlucht in, en dacht wakend en vervolgens ook droomend slechts aan Charlotte!
Slechts aan Charlotte! Geen enkelen keer aan de arme Thusnelda von Göchhausen, die óók heden-nacht niet in haar bed komt, maar in angst en schrik in 't kasteel Belvedere op de trap den langen nacht doorbrengt, van vermoeidheid eindelijk ingeslapen is, en toen op de trap geslapen heeft tot den morgen. Zóólang, tot de stem der hertogin haar wekt, en Amalia haar verwonderd en lachend vraagt hoe zij daar komt, en waarom de hoffreule op het trapportaal den nacht heeft doorgebracht?
âOmdat ik betooverd ben, hertogin; omdat mijn slaapkamer van den aardbol verdwenen is; omdat een of andere verdoemde kabouter, of afschuwelijke heksenmeester mij betooverd heeft, omdat deze boosaardige âquot;
âNu, nu, neem uw goddeloozen mond in acht,quot; viel de hertogin haar in de rede: âen haal u met uwe scheldwoor-
i) Het sprookje van dit rivierspook in den Ilm is. â sinds het nachtelijk bad van Goethe, â tot in onzen tijd te Weimar blijven bestaan. Zie Lewes 1. 451.
67
den seen hoogverraadsproces op den hals; want ik geloof wel dat het de hertog is, op wien ge zoo schimpt, en hij de kabouter en heksenmeester is!quot;
Nu sprong freule Göchhausen overeind als had zij een electrieken schok ontvangen, en riep: âDe verrassing! God in den hemel, dat is de verrassing, welke de hertog mii heeft medegebracht!quot;
âDat kan wel zijn, Thusnelda,quot; lachte de hertogin: âZooeven is een expresse van mijn heer zoon aangekomen met een briefje voor de lieve Thusnelda von Göchhausen. Ik klom de trap op, om zelve het briefje aan mijn holïreule te brengen, en vond haar tot mijne verwondering slapend hier op de trap. Hier is de brief. Lees schielijk en zeg wat het is!quot;
Met haastige handen opende Thusnelda den haargereikten hertogelijken brief, en liep zijn inhoud door.
âNu?'' vroeg de hertogin nieuwsgierig: âwat schrijft hij ?'
âHoor, Doorluchtigheid, dit schrijft hij :
Moet ik u verrassen nu?
'k Hoop, 't zal mij gelukken !
Booze geesten hebben zich Bij u ingedrongen.
De kabouters hebben uw Deuren dicht gemetseld,
En Thusneld' moest jammerlijk Op den grond zich strekken.
Ga nu binnen maar, mijn kind.
De hekserij zal wijken;
Uit uw kamer haal gezwind,
Wat ik u wil reiken.
Uit Berlijn is 't meëgebraoht.
Om u te verrassen.
En het zij u toegebracht Om mijn schuld te lossen, l)
1) Ueberraschen sol ich Dich ?
HofP, es ist gelungen!
Böse Geister haben sich
Bei Dir eingedrungen.
Kobolds haben freventlich
Thüren Dir vermauert,
Und Thusneld' hat jammerlich
Auf der ïrepp gelauert.
Jetzo geh' hinauf mein Kind,
Alle Zauber weichen,
Aus dem Stübchen hol' geschwind,
Wass ich Dir wil reichen;
Aus Berlin hab ich's gebracht
Dir zur Ueberraschung,
TJnd es sei Dir dargebracht
Mir zur Sünd'âAbwaschung.
68
âEen zeer overmoedig mensch, mijn heer zoon,quot; lachte de hertogin: âmaar ge ziet, Göchhausen. hij zegt'toch pater peccaui, en ik ben overtuigd, dat ge iets zeer fraais en welkoms in uwe kamer zult vinden.quot;
âIk neem het niet hertogin, ik neem 't volstrekt niet. Doorluchtigheid,quot; mokte de'â¢hofdame: âHij heeft mij te zeer beangstigd en gekweld in dezen vreeselijken nacht. Ik verzeker Uwe Doorluchtigheid, ik was half dood van angst, en â
âEn gij vergeeft hem tóch, Thusnelda ; want de hertog is nu toch eenmaal uw verklaarde lieveling, en als hij recht overmoedig en goddeloos is, moogt gij er hem geen verwijt van maken; want gij zijt even zoo en geen haar beter! Kom, Thusnelda, laat ons naar boven gaan, en zien wat het is.quot;
Zij gingen naar boven en vonden er vier metselaars, die sedert het aanbreken van den dag ijverig bezig waren geweest den muur, dien zij gisteren, gedurende de soirée hadden gemetseld, weder uit de deuropening te nemen, en de deur er weder in te zetten.
Thusnelda moest, in weerwil van haar slechten nacht, toch lachen, toen zij over puin en gruis en stukken behangsel, door de eerst half weder geopende deur in haar kamertje kwam, en daar hare kamenier in tranen badende vond, die haar jammerend en klagend verhaalde, dat de hertog haar had laten inmetselen, wijl Zijne Doorluchtigheid gevreesd had, dat de kamenier niet zou kunnen zwijgen, maar deze duivelsgeschiedenis aan hare meesteres zou openbaren.
âDus zijt ge werkelijk dezen nacht ingemetseld geweest?quot; vroeg de hertogin lachend.
âJa, Doorluchtigheid,quot; jammerde de kamenier; ,,en ik geloofde dat ik nooit weder aan 't daglicht zou komen, en heb den geheelen nacht gebeden en geweend. Het eenige wat mij troostte en geruststelde, was, dat Zijne Hoogheid mij, vóór ik ingemetseld werd, door den bediende van den heer legatieraad Goethe, Philip een verzegeld doosje liet overhandigen, met bevel: om zoodra de muur weder weggenomen zoude zijn, en de genadige freule weder hier binnen trad, haar dit doosje ter hand te stellen.quot;
âGeef, Liesje, geef het doosje,quot; riep Thusnelda ongeduldig, en ontving het verzegelde doosje, dat door de eigen hand van den hertog aan haar geadresseerd was.
69
Toen zij het doosje geopend had, straalde haar aangezicht van vreugde, en een glimlach van tevredenheid vloog over haar gelaat.
âNu, hertogin, dat noem ik eene verrassing, en de hertog is, en blijft mijn lieveling. Als hij zich soms een eenigszins krassen geniestreok veroorlooft, maakt hij het later op zeer edelmoedige en vorstelijke wijze weder goed. Zie maar, hertogin, het fraaie zakhorloge,'t welk Zijne Hoogheid voor mij heeft medegebracht, sierlijk van goud, en geheel met brillanten omzet!quot;
âJa, 'tis fraai, en 'tis jammer dat ge het niet dragen wilt, Thusnelda. Geef het mij, en laat het aan mij over om het aan mijn heer zoon terug te geven, zonder hem te erg te krenken. Want gij wilt immers geen geschenk van hem aannemen; hij heeft u te veel beangstigd en gekrenkt?quot;
âIk neem het, hertogin,quot; riep freule Göchhausen lachend: âik neem het aan, en alles is vergeven en vergeten!quot;
VT.
DE GELDMAN. '
âHebt ge nog altoos niets van hem vernomen, Trui? Hebt ge hem nog niet wedergezien? Heeft hij u niets gezegd?quot;
âNeen, mijn liefste, eenigste Marietje,quot; zuchtte do oude Trui: âgeen woord, geen boodschap van hem. Ik ben wel twintigmaal in deze acht dagen naar den bakker op den hoek der straat geloopen, waar wij elkander ontmoeten zouden, maar mijnheer Moritz was er niet, en niets, niets heb ik van hem kunnen vernemen.'
âAch, mijn God! mijn God!quot; zuchtte Marie; âer moet hem iets gebeurd zijn! Hij is misschien ziek, in doodsgevaar, en âquot;
âNeen, neen, mijn kind.quot; hernam de oude Trui met vuur: âhij is niet ziek; en opdat ge u niet verontrust, wil ik u liever alles zeggen en bekennen! Omdat ik de angst en ongerustheid niet langer kon verdragen, ben ik heden morgen naar de woning van den heer conrector gegaan, en âquot;
âGe hebt hem dan tóch gezien, â hebt hem gesproken, Trui?quot;
70
âNeen, Marie, ik heb hem niet gezien! Hij was er niet, en van de menschen in het huis vernam ik, dat hij reeds acht dagen aiwezig was.quot;
âAfwezig,quot; herhaalde Marie nadenkend ; âmijn God, wat kan dat heteekenen? Wat heeft hem kunnen bewegen, mij in dezen moeielijken tijd te verlaten ? Zeg mij. Trui, zeg mij wat ge denkt! Troost mij, zoo ge kunt! Ge weet dus niets, niets meer, dan dat hij weg is?''
âEen klein beetje meer weet ik nog, mijn lief kind; maar 'tis niet veel. Toen ik van de menschen hoorde, dat mijnheer Moritz sedert acht dagen verdwenen was, toen, â ik wil 't u wel bekennen, Marietje, â toen was het, alsof mij een steen op het hart viel, en mijne arme beenen begonnen zóódanig te beven, dat ik niet verder kon, en mij op de donkere trap in het huis, waar ik zulk een schrikkelijke boodschap ontvangen had, nederzette,â bitterlijk weende, en mij allerlei vreeselijke dingen voorstelde.quot;
âVreeselijke dingen?quot; vroeg Marie: âO, Trui, ge dacht toch niet dat de Moritz, â dat mijn geliefde, moedige, dappere Moritz soms â soms iets mocht gedaan hebben, wat slechts lafhartige, goddelooze, zondige menschen doen kunnen? Ge dacht toch niet dat mijn geliefde â o neen, neen. Trui; ik weet, ge denkt beter van den edelen, geliefden man, en ge weet dat hij den last des levens, â evenals ik zal doen, â zoolang zal dragen als 't God behaagt!quot;
De oude vrouw boog beschaamd haar hoofd, en vouwde deemoedig de handen samen. âVergeef mij, mijn kind, dat ik zulke zwakke en zondige gedachten had. Ik zal u en uwen geliefde er in mijn hart vergiffenis voor vragen, zoolang ik leef! Maar ik had nu eens deze gedachte, en nadat ik had uitgeweend, besloot ik ten minste te beproeven, voor mijn geliefd kind navorschingen te doen. Zoo ging ik dus naar het gymnasium van het grijze klooster, en vroeg stoutmoedig naar mijnheer den directeur, zeggende, dat ik hem volstrekt moest spreken!''
âEn hebt ge hem gesproken? Goede, lieve Trui, â Hebt ge hem gesproken?quot;
âIk heb hem gesproken, lieve kind. Ik heb hem gezegd dat ik een oude tante van den conrector Moritz was, en naar Berlijn gekomen was, om hem te bezoeken ; ik had in zijn huis vernomen dat hij op reis was, en kwam nu om
71
van den heer directeur te vernemen, waarheen de heer conrector vertrokken was, en hoelang hij zou uitblijven ?quot;
âO Trui, hoe slim zijt ge, en hoe liefderijk denkt ge aan alles !quot;riep Marie, de oude vrouw omhelzende, en een teederen kus op haar bruinen, gerimpelden wang drukkende: âEn wat heelt de heer directeur gezegd, wat heeft hij u geantwoord ?quot;
, Hij heeft mij gezegd, dat de heer conrector Moritz een verlof van veertien dagen had verzocht, voor een dringende en noodzakelijke reis, en dat hij, rlaar hij reeds tien dagen weg was, nu wel spoedig zou terugkomen.quot;
âDus nog vier dagen. Trui; vier dagen, en hij komt terug, en zal misschien hoop of hulp brengen! Want daarom is hij toch vertrokken; dat weet, dat gevoel ik, hoewel ik niet denken of zeggen kan, vanwaar deze hulp zou kunnen komen. Ach, Trui, lieve Trui; zoo ik slechts deze vier dagen nog vrij kon blijven, â als slechts vóór dien tijd de beslissing nog niet gekomen is! Slechts zóólang, o God; geef slechts zóólang nog genadig uitstel; tot Moritz teruggekeerd is, tot ik bericht van hem ontvangen heb!''
âZij hebben reeds alles in orde gebracht,quot;'prevelde Trui: âde huwelijks-dispensatie is er al, en de predikant Dietrich heeft beloofd, dat hij elk oogenblik gereed zou zijn om het hu-welijk te voltrekken. Mijnheer Ebenstreit heeft ook reeds het geld, â en nog eens zooveel als verlangd werd âaan het invaliedenhuis gezonden, en zoo nude adelbrief komt, dan âquot;
âZwijg,quot; viel Marie haar in de rede, âspreek niet voort! 't Ts vreeselijk er slechts aan te denken, â om krankzinnig te worden, het te hooren ! Ik wil het laatste, het uiterste nog beproeven ! Mijn vader, rnijne mogder zijn doof geweest voor mijn smeeken, misschien gelukt het mij hém te roeren, hém tot medelijden te bewegen! Ik heb hem tot hiertoe nooit alleen kunnen spreken; moeder heeft ons steeds bewaakt, en elke verklaring tusschen ons onmogelijk gemaakt. Maar ik wil haar nu daartoe dwingen; ik wil dezen man tot vertrouwde nemen, aan wien men mij verkoopen wil, en die wellicht medelijden en ontferming voor mij gevoelen zal, â dien mijn smeeken misschien roeren kan!quot;
Trui schudde treurig haar hoofd. âIk vrees, mijn geliefd kind, dat het vruchteloos zal zijn Deze man heeft geen hart; ik heb hem op de proef gesteld, en weet het. Maar â stil, de huisschel klinkt. Wie 'kan dat zijn?''
72
Zij slopen beiden uit het zolderkamertje en keken, voorzichtig over de trapleuning buigende, naar beneden in 't voorhuis. De knecht, â want sedert de rijke bankier Ebenstreit Marie's verloofde was, had de generaal ter zijner oppassing, van zijne waardige echtgenoot een knecht in tamelijk prachtige livrei gekregen, â de knecht had echter reeds de deur beneden geopend, en den bezoeker binnengelaten. Maar zij hoorden zijn stentorsten zeggen: âMijnheer de bankier Ebenslreit!quot;
âHij!quot; riep Marie verschrikt terugwijkende; âHij, en in dit vroege morgenuur? â Trui, dit is geen toeval! Dit heeft iets te beteekenen! Stil, de knecht komt!quot;
âIk ga naar beneden,quot; fluisterde Trui: âmisschien kan ik iets afluisteren!quot;
En terwijl de freule weder in hare kamer sloop, ging de meid de trap af, zonder den knecht, die liaar voorbijging, met een blik te verwaardigen.
âHij is een huichelaar en spion,quot; mompelde Truiin zich zelve: âhij is door het slechte volk omgekocht om mijn lief kind te bespieden, en hij zou in staat zijn haar te verraden, zoo hij iets ontdekte.quot;
De knecht had intusschen met zeer eerbiedige en deemoedige houding aan de genadige freule bericht; dat mijnheer de bankier Ebenstreit was gekomen, en mevrouw von Wer-rig dus de freule liet verzoeken beneden te komen.
â'tls goed,'' antwoordde Marie: âzeg maar, dat ik aanstonds kom.quot;
Maar de knecht bleef staan en wreef besluiteloos, verlegen de handen.
âWaarom gaat ge niet heen vroeg Marie: âHebt ge mij nog iets te zeggen!quot;
âIk wilde u wel iets zeggen, genadigste freule,quot; fluisterde hij, een schuinen, bespiedenden blik door de kleine kamer slaande, alsof hij vreesde door iemand beluisterd te worden :
âIk wilde u zeggen, mijn lieve, genadige freule dat, indien zulk een arm, eenvoudig mensch als ik, u in iets van dienst kan zijn, en gij hem verlrouwen. â en iets opdragen wilt, hij gelukkig zou zijn aan de freule te bewijzen, dat Karei Leberecht een eerlijke, goedhartige knaap is, die een hart in 't lijf heeft, en wien het schrikkelijk leed doet, dat hij de arme freule zooveel ziet lijden en dulden.quot;
73
âIk dank u,quot; zei Marie zacht: âhet doet mij goed deelneming te ondervinden.quot;
âEn zoo de genadige freule op de een of andere wijze mijne geringe diensten gebruiken kan, wil zij dan zoo goed zijn mij te roepen, en mij haar verlangen te melden?quot;
âJa, dat wil ik; hoewel ik niet geloof dat dit het geval zal zijn.quot;
âEn de genadige freule zal mij niet aan mevrouw, â ja zelfs niet aan de oude Trui verraden?quot;
âNoen, dat beloof ik u, en daar geefiku mijn hand op.quot;
De knecht nam de hem gereikte hand, en drukte er een eerbiedigen kus op. âIk wil dadelijk mijn dienst bij de genadige freule aanvaarden,'' zeide hij: âen bericht derhalve dat zij zich, â naar ik geloof, âop het ergste moet voorbereiden. De heer bankier zeide zooeven, dat de adelbrief was aangekomen.quot;
Marie verbleekte, en een oogenblik scheen het, alsof zij van doodelijken schrik ineen zou zinken. Maar zij herslelde zich spoedig, en overwon hare zwakheid.
âIk dank u,quot; zeide zij: â'tis goed dat ik het weet, en ik wil nu naar beneden gaan!quot;
Met bedaarde, fiere houding trad zij de huiskamer barer ouders binnen, en beantwoordde de begroeting van den verloofde, die haar met teedere voorkomendheid tegemoet kwam.
âMijn lieve Marie,quot; riep demoeder; âik heb de eer u hier mijnbeer Ebenstreit von Leuthen voor te stellen. De adelbrief is heden morgen aangekomen.''
âIk féliciteer u, moeder,quot; zei Marie bedaard : âGe hebt dus nu den lang verlangden erfgenaam van uwen naam gevonden?quot;
âFéliciteert bovenal mij, mijn lieve, schoone bruid,quot; zei de heer Ebenstreit von Leuthen, met zijn heesche, nauwelijks verstaanbare stem; âdit' adelsdiploma bekroont al mijne wenschen, want het maakt mij tot echtgenoot van mijn dierbare, geliefde bruid. Ik kom mijn lieve bruid verzoeken, dat onze huwelijksverbintenis, â waaraan nu niets meer in den weg staat, â morgen voor den middag plaats moge hebben, en mijne dierbare Marie âquot;
âMijnheer,quot; viel zij hem trotsch in de rede; âheb ik u vergund mij zoo vertrouwelijk toe te spreken?quot;
âIk heb hem dit vergund,quot; gromde de generaal, die in
74
kussens gepakt in zijn rolstoel lag: âSpreek voort, mijn lieve heer zoon!quot;
Hij boog het hoofd met een dankbaren glimlach, en voer voort: âIk wilde dus verzoeken, dat mijn dierbare Marie mocht bepalen, waarheen wij onze huwelijksreis zullen richten; naar Italië, Spanje, Frankrijk, of waarheen zij wil?quot;
âIs het zóó tusschen u besloten?quot; vroeg Marie: âZal morgen vroeg de huwelijksvoltrekking plaats hebben, en dan het gelukkige, pasgehuwde paar een reis ondernemen ïquot;quot;
âJa,quot; antwoordde mevrouw von Werrig haastig; â'tis zoo besloten en het zal zoo zijn. Zoo ge hieromtrent nog iets te wenschen hebt, mijn lieve dochter, zeg het dan,â en ik ben overtuigd, dat uw bruidegom er gaarne aan voldoen zal.quot;
,.Ik zal van deze vergunning gebruik maken,quot; zeide zij bedaard: âmijn wensch is, met dezen heer terstond een geheim onderhoud, zonder eenige getuige, te hebben.quot;
âAch, mijn hemel, hoe ongelukkig ben ik,quot; zuchtte de heer Ebenstreit; âmijn lieve Marie vraagt daar juist het eenige, wat ik helaas niet toestaan kan !''
âWaarom kunt ge dat niet, mijnheer?quot; vroeg Marie: âWat kan u verhinderen dezen wensch te vervullen?quot;
âMijn gegeven woord,quot; jammerde hij : âMijn hemel, ik heb immers op den dag onzer verloving aan mevrouw mijn waarde schoonmoeder mijn woord moeten geven, met mijn lieve bruid nooit alleen te zullen zijn, ja zelfs niet met haar te correspondeeren!
âDit zijn regelen van betamelijkheid en etiquette, welke mijn dochter, hoop ik, eerbiedigen zal,quot; zei de moeder op strengen toon: ,,geen deugdzaam meisje mag vóór het huwelijk met haren verloofde alleen zijn, of minnebrieven met hem wisselen!quot;
âGe hebt immers na de bruiloft tot zulke dwaasheden de beste gelegenheid,'' bromde de generaal.
âEn ik zal er gebruik van maken; wees er van verzekerd, lieve heer vader,quot; lachte Ebenstreit; âik zou echter mevrouw mijne geëerde moeder willen verzoeken, mij heden voor een half uur van deze gelofte te ontslaan, opdat ik den eersten wensch, waarmede mijn dierbare bruid mij vereert, kunne vervullen.quot;
âNeen, heer zoon,quot; zei mevrouw von Werrig streng;
75
âdat is onmogelijk. Ik wijk nooit van mijne beginselen af. Ge zult mijn dochter vóór haar huwelijk niet alleen spreken, maar slechts in de tegenwoordigheid harer ouders.quot;
âMoeder,quot; riep Marie ontsteld ; âblijft ge hierbij ? Wilt ge mij dezen kleinen vvensch niet toestaan?quot;
âDezen kleinen wensch ?quot; herhaalde de moeder spottend ; âAlsof ik niet wist, waartoe mijn teêrgevoelige dochter dit geheim onderhoud verlangt? Alsof ik niet wist, datzij bij onzen schoonzoon hetzelfde zou beproeven, wat zij bij hare ouders tevergeefs beproefd heeft. Een eerbaar meisje heeft haren verloofde niets te zeggen, wat hare ouders, â wat vooral haar moeder niet hooren mag. Speek dus; â zeg toch uwen verloofde, wat ge hem te zeggen hebt.quot;
âWelaan, moeder, gij wilt het,quot; riep Marie heftig; âmoogt gij nu de gevolgen dragen! â Mijnheer Ebenstreit, hoor dus. Men heeft mij aan u vei'loofd; men wil mij dwingen uwe vrouw te worden; men wil mij aan u verkoopen als een koopwaar, en gij hebt den koop aangenomen, in het goede geloof dat ik er mede instemde, dat ik mij met uwen rijkdom betaald houd, voor de opoffering mijner vrijheid en rnenschenrechten. Men heeft u echter misleid, mijnheer! Ik ben geen koopwaar, die bereid is zich aan den meestbiedende over te geven; ik ben een vrouw, die een hart heeft voor liefde en haat, â en die dit hart hooger acht dan alle rijkdommen dezer aarde. In dit hart woont echter voor u geen liefde, en ik bid, ik bezweer u: wil er geen haat tegen u in ontsteken. Ik kan u niet huwen, mijnheer, ik kan het niet!quot;
Er klonk een zware vloek, en de generaal, zijn pijnen vergetende, richtte zich woedend van zijn armstoel op, en zwaaide de gebalde vuist tegen zijn dochter.
Maar aanstonds was zijn vrouw aan zijne zijde; zij drong hem op zijn stoel terug, en gebood hem met haar harde, koele stem zijn gezondheid te ontzien, zich zeer stil te houden. en bedaard aan te hooren wat hun schoonzoon zijne liefdelooze, ontaarde dochter te zeggen had. Want hij alleen had in deze zaak te spreken, en alleen aan hèm kwam het toe te beslissen.
âSpreek dus, mijn lieve zoon,quot; wendde mevrouw zich nu tot den jongen man, die met een stillen, valschen glimlach naar de barones geluisterd had, wier dof-blauwe oogen onaf-
76
gewend op het jonge meisje rustten, dat met gloeiende wangen, en hijgenden boezem voor hem stond, en dat hem nooit zoo schoon, zoo begeerenswaardig was voorgekomen, als op dit oogenblik.
âSpreek, mijn lieve zoon, en zeg aan mijne dochter de geheels waarheid; hoort ge, â de geheele waarheid!''
âZoo ge het mij vergunt, mevrouw en dierbare moeder, zal het geschieden,quot; antwoordde Ebenstreit met onderdanige vriendelijkheid, en zijn blik, die zich slechts een moment van haar had afgewend, richtte zich weder op Marie.
âGe hebt mij een treurige bekentenis gedaan, Marie,quot; zeide hij zuchtend; âmaar gij hebt er mij niet mede verrast; want ik mag het u thans bekennen, dat mevrouw uwe moeder, toen ik om uw hand vroeg, tol mij zeide; âIk geef u mijne toestemming, alsmede die van mijn echtgenoot; â maar ik vrees, dat ge nooit de toestemming mijner dochter zult verkrijgen, want zij bemint u niet.
âWas dat alles wat ik u gezegd heb?quot; vroeg mevrouw von Werrig scherp.
âNeen, dat was niet alles,quot; ging Ebenstreit licht buigend voort; âGij hebt er bijgevoegd; âMijn dochter bemint een doodarm mensch, een schoolmeester ; en zij heeft de romaneske gril, met dezen armen school meester te willen trou wen!quot;
âEn gij?quot; vroeg Marie met ingehouden adem; âwat hebt gij hierop geantwoord?quot;
âMijn dierbare Marie, ik heb gelachen, mijn huwelijks-aanzoek herhaald, en mevrouw uwe moeder geantwoord ; dat ik den strijd met den armen schoolmeester aannam, en gij mij door deze romantische liefde nog veel intéressanter en liever waart. Mijn God, het leven is zóó vervelend, zóó erbarmelijk, dat men blijde moet zijn de een of andere afwisseling, â eenig amusement te vinden; Ik verzeker u echter, dat ik mij sedert vele jaren niet zóó goed heb vermaakt, als in deze veertien dagen, sinds ik uw verloofde ben, en dus in dezen stillen, zwijgenden oorlog met u leef! Het heeft mij onuitsprekelijk geamuseerd, u zoo schuw, zoo spijtig te zien; en elke dag heeft mijn liefde voor u slechts verhoogd. En, mijn hemel, hoe kan dit anders ! De rijke bankier Ebenstreit heeft n7)oit een vrouwgevonden,dienietgaarnebereid was,zijn liefde aan te nemen, ennuzou hij niet degene beminnen, die de eersle is, die hem weerstaat? Gjj hebt mijn eigenliefde en
77
mijne ijdelheid opgewekt, freule; gij hebt het huwelijk met 11 tot een zaak mijner eerzucht gemaakt, en gij zult het hegrij-pelijk vinden, dat ik hierop antwoord: âFreule von Leutlien zal en moet mijn vrouw worden, om 't even wat het mij kost. Zij wil mijn rijkdom trotseeren, zij veracht het geld. Ik wil haar echter dwingen eerbied te hebben voor mijn rijkdom, en de macht van het geld te erkennen. Zij is bovendien een wreede, zelfzuchtige dochter, die volstrekt geen medelijden wil hebben met hare arme ouders, en hen ter wille eener dwaze liefde, in kommer en ellende zou laten verkwijnen. Ik wil haar dus tot een (/oec^e dochter maken; en haar dwingen hare ouders,â en hierdoor ook zichzelve gelukkig te maken.quot; Ziet ge, mijn waarde bruid, dat alles h.eb ik tot mij zelve gezegd, en daarnaar heb ik gehandeld en zal ik handelen. En nu heb ik nog slechts dit te zeggen: Morgen te elf uur heeft onze huwelijksverbintenis plaats, en wij zullen, zooals 't behoort, terstond op reis gaan! Heb dus de goedheid te bepalen, waarheen wij reizen zullen, opdat ik daarnaar mijne beschikkingen neme!quot;
âVerloren! Reddeloos verloren!quot; riep Marie met een lui-den smartkreet, beide handen voor 't gelaat slaande.
âZeg liever: gered, uit het ongeluk gered,quot; antwoordde de bankier bedaard; âwant geloof mij, Marie, er is in de wereld slechts één ongeluk, â en dat is armoede! Alles is te verdragen, alles te overwinnen; alleen de armoede niet! Zij is als een bijtende, invretende ziekte, die haar zetel aiet in het lichaam heeft, maar in de ziel, en die lichaam én ziel vernietigt, veel zekerder dan vergif zulks vermag. AJe edele gevoelens, alle dichterlijke gedachten, alle grootsche en moedige ontwerpen verlammen en sterven door de armoede en geloof mij, zelfs de liefde is niet in staat, deze vree-selijke macht te wederstaan. Ook zij wordt, âschoon ook na een langen en bitteren strijd, â door haar gedood. Gij zult dat later leeren begrijpen, mijn dierbare bruid, en van dien dag afaan zult ge mij beminnen. Ik hoop dus op dezen dag, en zal geduld hebben en toegevend zijn!quot;
âO welk een edel, hooghartig man zijt gij,quot; riep mevrouw von Werrig met vervoering; âMarie, val op uwe knieën en dank God, dat hij u zulk een grootmoedigen redder en minnaar heeft beschikt, die u bevrijden zal van alle kwaad en alle ongeluk.quot;
78
Zij had daai- nog altijd gestaan met bedekt aangezicht, kermend en zuchtend; doch nu liet zij met een toornige beweging hare handen nederglijden, en zag met vlammende oogen en gloeiende verachting op deze glimlachende vrouw die tegenover haar stond, neder.
âNoen!quot; riep zij; âik dank hem niet, maar ik klaag hem aan, en verwensch hem! Hij is een godloochenaar, want hij loochent de liefde! Zijn ziel, die voor geen edele gevoelens vatbaar is, hoont en lastert al het goede, edele en schoone,â en het éénige wat deze mensch bemint, is zijn ellendig geld! Ik echter zeg u, ik zal nooit de vrouw van dezen man worden; en zoo ge mij dwingt met hem voor het altaar te treden. zal ik nog voor het altaar neen, en altoos neen zeggen!quot;
âZij wil mij dooden,quot; riep de generaal: âzij wil haren ouden vader vermoorden; hij zal verhongeren, ellendig omkomen enquot; â
âZwijg!' gebood zijne vrouw; âstaak het klagen en jammeren, want zij is zelfs de tranen en klachten barer ouders niet waard. Zij wil onze moordenares worden, maar zij zal het niet. â Mijn zoon, zeg haar wat wij besloten hebben! Antwoord gij haar!quot;
âHet antwoord op uwe romantische taal is eenvoudig en natuurlijk, mijn geliefde bruid,quot; zei Ebenstreit koel: âik heb mij uwe gevoelens vooraf voorgesteld, en was derhalve voorbereid op hetgeen gij zooeven gezegd hebt. Voor het altaar neen, en altoos neen te zeggen, is een idéé, dat ik in zeer vele fraaie romans heb gelezen, en waarvan ik derhalve vermoedde, dat het u ingevallen kon zijn. Ik heb dus ook mijne maatregelen daai-naar genomen! Met geld kan men alles bewerken, alles naar zijn welgevallen beschikken! Mijn geld heeft mij voor ons huwelijk een dis-pensatie van de openbare afkondiging verschaft; mijn geld vergunt ons, dat wij niet naar de kerk rijden om getrouwd te worden, maar dat hier, in de woning onzer waarde ouders, de huwelijksverbintenis zal plaats hebben. De wet wil, dat bij het trouwen van een bruidspaar vier getuigen tegenwoordig moeten zijn, en wij zullen deze vier getuigen hebben in onze waarde ouders, in den koster, die den geestelij Re hierheen geleidt, en in mijn kamerdienaar.quot;
âEn deze vier getuigen zullen dan ook hooren, dat ik mij tegen u verzet; dat ik niet toestem; â dat ik neen zeg!quot;
79
â't Is mogelijk dat ge zulks doet, mijn waardste, maar onze getuigen zullen uwe woorden niet hooren! Met geld kan men dooven hoorend, â en hoorenden doof maken. De oude predikant Dietrich, die ons trouwen zal, kent bovendien de geschiedenis uwer liefde en houdt haar, zooals wij allen, voor eene ziekte, waarvan men u genezen moet. Hij zal dus uit medelijden met u, uw âneenquot; niet hooren, en de beide andere getuigen zijn voor hunne doofheid betaald.quot;
âZoo ben ik dan verloren, reddeloos verloren,quot; kreet Marie, hare armen ten hemel heffende: âEn Gij, God in den hemel, laat het toe, â Gij ontfermt u niet over mijn nood ! Gij zendt mij geen redding, geen hulp! O, mijn vader,quot; â voer zij voort, op den generaal toeijlende en zich voor hem op de knieën werpende; âheb toch medelijden met uw arm kind. Spreek een woord van ontferming. Gij zij teen oud man, en hebt misschien nog slechts weinige jaren te leven. Bezwaar uw geweten niet met het vreeselijk verwijt, uw kind, uw eenig kind, voor een geheel, lang, troosteloos leven ongelukkig te hebben gemaakt. Heb medelijden, o, heb medelijden!quot;
âEn hebt cjij dan medelijden?quot; riep haar vader; âWeet gij niet dat wij arm zijn, â zóó arm, dat uw zieke vader zelfs de noodzakelijkste verpleging ontberen moet? Enge wilt, dat het zoo blijven zal? Uwe ouders moeten zich voor u opofferen, â moeten ontberen en lijden voor u? Neen, gij, de dochter, behoort u voor uwe ouders op te olferen, te ontberen en voor ons te lijden!quot;
âEen fraaie ontbering, een fraai lijden,quot; spotte mevrouw von Werrig: âzij zal een rijke vrouw worden, zij zal het fraaiste huis, de fraaiste équipage, de prachtigste meubels van geheel Berlijn hebben!quot;
âEn daarbij een echtgenoot, die haai aanbidt,quot; riep' Eben-streit; âdie het zich tot levenstaak zal maken voor haar geluk, â en dat van hare edele ouders te zorgen. Derhalve, mijn dierbare Marie, neem thans een krachtig, moedig besluit. Begraaf het verledene in uw hart, en zie de toekomst vast en vroolijk in 't aangezicht, 't Is, Goddank, onveranderlijk. Gij wordt mijne vrouw, en wij worden morgen voormiddag te elf uur in deze lieve kamer hier getrouwd. O, vrees niet dat het huwelijksaltaar zulk een bekoorlijke bruid, zulk een rijke familie niet waardig zal zijn. Met geld kan men
80
alles bewerken, en voor geld z'ullen de luiniers en decorateurs morgen voormiddag deze kamer in een van bloemen geu â renden tempel herscheppen, die waardig zal zijn de godin der liefde te ontvangen. Gij zuil, als ge in uwe kamer terugkomt, daar de bruiloftsgeschenken mijner liefde vinden, en ik hoop dat het eenvoudig bruidskleed uwe goedkeuring zal wegdragen. O, schud niet het hoofd; zeg niet dat ge dit kleed niet wilt aantrekken, want ge zult nu wel bemerkt hebben, dat al uw weerstreven vruchteloos is. Gij zult mijne vrouw worden ; gij moet hel worden, want ik en mijn geld, wij willen het!quot;
âEn ik,quot; riep Marie, zich bleek en dreigend voor hem oprichtend, en hem aanschouwende met een blik van onuitsprekelijke verachting; âen ik en mijne liefde, wij willen het niel\ Moge God nu richten tusschen mij en u! Moge hij hém vergeven die alditongelukover mij gebrachthebben ! Ik kan het niet, en iA: kan slechts zeggen : Wee over hen!quot;
âWee over u /quot; riep haie moeder; âwee over den verleider, die ons kind tot zonde en misdaad verleid heeft, die ââ quot;
âZwijg moeder!quot; viel Marie haar met strenge, gebiedenue stem in de rede: âik wil niet, dat ge hem lastert, dien ik bemin en beminnen zal, zoolang tot âquot;
âTot ge hém vergeten, â en mij beminnen zult, Marie,quot; zei Ebenstreit, terwijl hij haar naderde, en ras hare hand grijpende, die aan zijne lippen drukte.
Zij onttrok hem deze hand met een uitdrukking van on-uitsprekelijken afschuw, keerde zich om en ging langzaam met hoog opgeheven hoofd door de kamer naar de deur.
âWaar wilt ge heengaan?quot; vroeg de moeder heftig.
Zij had reeds de hand aan defl deurknop gelegd, en wendde nu haar bleek gelaat tot hare moeder. âNaar mijn kamer,quot; zeide zij; âhet zal mij wel veroorloofd zijn mij-te verwijderen, want wij hebben, dunkt mij, elkander niets meer te zeggen!quot;
Mevrouw von Werrig wilde iets antwoordden en haar naijlen, maar haar schoonzoon hield haar zacht tegen. âLaat haar gaan,quot; zeide hij : âzij heeft rust noodig om zich te herstellen, om te overleggen, en zich aan de gedachte te gewennen, dat haar lot onvermijdelijk is.quot;
âMaar zoo zij nu in hare razende verblinding, in haar dwazen hartstocht naar wanhopige middelen grijpt?quot; vroeg
81
de moeder:'âzoo zij bevoorbeeld een poging deed om te vluchten? Wij mogen haar niet uit het oog verliezen; er moet iemand bij haar zijn, die haar bewaakt.quot;
âGij hebt gelijk, waardste moeder; zij mag tot morgen niet alleen zijn. Wij moeten iemand, dien zij vertrouwt, in hare nabijheid hebben. Wat dunkt u bijvoorbeeld van de oude Trui? Zou die niet voor ons te winnen zijn?quot;
âNeen, onmogelijk,quot; riep de moeder: âTrui is door niets te winnen; zij is een waanzinnige zottin, voor wie niets, volstrekt niets eenige waarde heeft, dan Marie!''
Ebenstreit haalde de schouders op. âDat beteekent, zij verlangt veol geld,'' zeide hij : âzij wil zich duur verkoopen. Ik bid u, geëerde mevrouw moeder, laat de oude vrouw hier komen,quot;
âNu, ge zult zien,quot; riep mevrouw von Werrig, terwijl zij naar de deur der zijkamer ging, en met luide stem de oude dienstmaagd riep. Het duurde intusschen tamelijk lang eer deze verscheen, en zij kwam niet binnen door de deur, welke de dame geopend had, maar van de tegenovergestelde zijde, door de andere deur.
âLeberecht zegt mij, dat mevrouw mij geroepen heeft,quot; gromde do oude Trui, terwijl zij met een norschen blik rondkeek.
âWaarom ziet ge er zoo verstoord uit, oude?quot; vroeg mevrouw; âen wat hebt ge daar met uwe oogen op de tafel te zoeken ?''
âMijn geld heb ik er te zoeken!quot; riep de meid driftig; âIk dacht dat ge mij geroepen hadt om mij te betalen, en dat het geld geteld op de tafel lag. Maar er is niets; ik zal weder niets krijgen, en arm als een kerkmuis blijven zoolang ik leef. Mevrouw heeft mij vast en zeker beloofd dat ik, zoodra het huwelijk was vastgesteld mijn loon tot den laatsten penning, met al den interest zou ontvangen; ik heb daarop vertrouwt, en nu âquot;
,.Nu zult ge alles ontvangen,quot; viel Ebenstreit haar in de rede; âge zult nog veel meer ontvangen dan mevrouw u schuldig is, zoo ge voor ons een trouwe en oplettende dienstmaagd wilt zijn.quot;
âDat ben ik altoos geweest en zal het altoos zijn,quot; bromde Trui; âniemand kan iets van mij zeggen, â maar mijn loon heb ik tóch niet gekregen.quot;
Uühlbach, Buitschland in woeling en strijd. II. 6
82
âEn weerspannnig zijt ge óók genoeg geweest,'' zei mevrouw; âkunt ge't bijvoorbeeld loochenen,datgij hetaltoos met mijne dochter gehouden,â en haar altoos voorgesproken hebt?quot;
âIk loochen het volstrekt niet,quot;' zei de meid tartend: âik heb de freule opgepast en verzorgd van kindsbeen af; ik heb haar zoo lief als mijn eigen kind, en ik zou gaarne alles doen om haar gelukkig en tevreden te maken.quot;
âEn gelooft ge dan. Trui,quot; riep de generaal uit zij n armstoel: âgelooft ge dan, dat Marie met den armen sukkel van een schoolmeester ooit gelukkig en tevreden zou kunnen worden ? Hebt ge dan niet aan ons en aan u zelve gezien, dat armoede een ongeluk en schande is?quot;
âIk heb 't gezien en ondervonden,quot; zuchtte de oude vrouw treurig: âen 't heeft mij bekeerd, en ik weet nu wel, dat het voor mijn Marietje een groot ongeluk zou zijn, zoo zij met dien armen schoolmeester trouwde.quot;
âDus zult ge ons gewis willen helpen, de freule voor zulk een ongeluk te behoeden?quot; vroeg Ebenstreit haastig.
âHoe kan ik helpen?quot; zuchtte Trui de schouders ophalende.
âGe kunt helpen,quot; zei mevrouw von Werrig: âge kunt mijn dochter overreden verstandig te zijn, en zich in het onvermijdelijke te schikken. Gij zijt de eenige wier woorden indruk zullen maken op Marie, want zij vertrouwt u. Ge kunt voorts mijn dochter behoeden en bewaken, opdat zij wellicht in hare hartstochtelijke opgewondenheid niet iets onberadens, iets vreeselijks bega. Ge kunt ons berichten wat zij doet en zegt; en ons waarschuwen zoo Marie soms een dol plan ontwerpt, om haar dwazen wil door te zetten.quot;
âDat heet,quot; vroeg Trui met een boozen, toornigen blik : âdat heet: âik zou mijn Marietje verraden?quot;
âNeen, niet verraden,quot; zei Ebenstreit: âredden zoudt ge de freule, â redden voor zich zelve. Spreek dus, wilt ge ons helpen?quot;
âIk wil mijn loon betaald hebben, mijn tweehonderd thaler,quot; riep de meid: âik heb mijn geld eerlijk verdiend, en ik wil het hebben!quot;
Ebenstreit nam uit zijn portefeuille een blaadje papier, schreef met potlood eenige regels, enlegdehetpapieropde tafel.
âHier is een briefje van vierhonderd thaler,quot; zeide bij : âZoo ge dit papier morgen middag, na ons trouwen aan
83
mijn kassier brengt, zal hij u vierhonderd thaler uitbetalen.''
âVierhonderd thaler!quot; riep Trui vroolijk in de handen klappende: âvierhonderd thaler klinkend geld, â en dat fraaie geld zal het mijne zijn, en â Maar ik geloof het niet,quot; voer zij voort, en haar gelaat verduisterde : Neen, ik geloof het niet. Ge zegt dat slechts heden, opdat ik u zou helpen en bijstaan, en de freule tot het huwelijk overreden zou. Maar morgen, als het huwelijk is gesloten, en men de oude Trui niet meer behoeft, lacht men haar uit met haar briefje en jaagt haar weg. O, ik ken dat; ik heb lang genoeg geleetd om al de streken der rijke lieden te kennen. Klinkend geld wil ik zien, slechts voor klinkende munt verkoop ik mij !quot;
âL)e oude behaagt mij,quot; lachte Ebenstreit; âzij is practisch en heeft gelijk. Oude Trui, als ik u beloof dat ge binnen een uur vierhonderd thaler in geld van mij ontvangen zult, wilt ge ons dan helpen en bijstaan? Wilt ge dan de freule overreden haar dwazen weerstand opte geven, en mijne vrouw te worden? Wilt ge dan de freule bewaken en behoeden, en ons terstond berichten zoo er iets bijzonders geschiedt?quot;
âVierhonderd thaler is een mooie som,quot; prevelde Trui: âik zou mij daarvoor in'tOude-vrouwenhuiskunnenkoopen, en nog een mooi stuivertje overhouden; ik kon hiervoor een nieuw bed koopen, en net huisraad, en âquot;
De stem der oude vrouw verloor zich in onverstaanbaar gemompel, maar haar gelaat had een opgewondene uitdrukking, en zij scheen ijverig te rekenen, â want zij had de vijf vingers barer hand wijd uitgespreid, en met den langen mageren wijsvinger van haar rechterhand sloeg zij nu op dezen, dan op genen der uitgestoken vingers, alsof elke vinger een kapitaal was, dat zij berekende en onderzocht.
Mevrouw von Werrig en de bankier keken haar met spottende blikken aan, de generaal sloeg haar met sombere oogen gade en bromde bij zich zeiven: âZoo ik deze vierhonderd thaler bij mijn laatste spel had gehad, zou ik niet verloren zijn geweest; want dan had ik nog een cowp kunnen afwachten.quot;
âNu, oude,quot; vroeg Ebenstreit na een poos: âzijt ge nog niet gereed met uwe berekening?quot;
âJa,'' riep Trui met een verheugden lach; âja, ik ben gereed! Vierhonderd thaler zijn niet genoeg, geet mij vijfhonderd thaler! Binnen een uur vijfhonderd thaler in klin-
84
kende munt, en ik doe alles wat ge wilt; ik overreed Marielje tot het huwelijk, bewaak haar den geheelen dag en nacht, en vertel u alles wat zij doet en zegt. Maar vijfhonderd; vijfhonderd thaler moet ik hebben!quot;
Ebenstreit wendde zijn matte, blauwe oogen met een triomfantelijken glimlach naar de generaalsvronw. âHebt ge niet gezegd dat de oude Trui volstrekt niet te winnen, â en om te koopen was? Ge ziet wel, lieve mevrouw, ik had gelijk; gij badt haar niet genoeg geld geboden, en de oude Trui wilde zich slechts zoo duur mogelijk verkoopen.quot;
âJa, zoo duur mogelijk,quot; lachte de oude; âVijfhonderd,
dat is mijn prijs!quot; ^ i
âEn die zal u binnen aan uur m goede, blanke thalers betaald worden,quot; zei Ebenstreit vriendelijk.
âZóóveel geld, zóóveel geld,quot; jammerde de generaal: âhet had mij kunnen redden, zoo ik het destijds had gehad!quot;
âSchoonzoon,quot; zei mevrouw: âik moet bekennen, ge zijt zeer edelmoedig.quot;
âNiets is mij te veel, als het geldt mij mijn schoone, lieve bruid te verzekeren,quot; antwoordde Ebenstreit: âga nu oude. Binnen een uur zult ge uw geld hebben. Ge vergunt immers, heer vader, dat ik uw knecht naar mijn kantoor zend, om het geld te halen?quot;
âGa, Trui,quot; beval mevrouw: âga en zend Leberecht hier.
De oude Trui ging met vlugge schreden heen. Maar buiten voor de deur bleef zij staan, en haar geheele wezen veranderde. Men had kunnen denken dat haar een inwendige kramp overvallen was, zoo vertrok zich haar gelaat, zoo trilden hare leden, zoo hijgde de adem uit haar borst, zoo hief zij hare armen en de gebalde vuisten tegen de deur op, zoo beefden hare lippen en slaakten enkele, afgebrokene woorden, die evenwel niemand verstaan kon, want zij werden slechts onduidelijk en fluisterend gesproken.
Maar het was toch geen kramp; want toen Trui naderende voetstappen op de trap hoorde, hield zij plotseling met hare bewegingen op, en nana weder haar gewone houding, en gewone gelaatsuitdrukking aan.
Gij moet dadelijk binnen komen bij mevrouw,quot; bromde zij den bediende toe, die de trap afkwam; âmaar zeg nu eens, waar komt ge vandaan, en wat hebt ge boven te doen gehad?''
85
âIk heb u gezocht, schoone Trui,quot; lachte Leberecht: âniets anders wilde ik boven, â slechts u heb ik gezocht.quot;
âWelnu, ge hebt mij gevonden, zeg nu, wat ge van mij wilt? Maar ik weet het reeds. Ge wilt niets! Ge wilt slechts luisteren; en daar ge dacht dat ik bovqn bij de freule was, zijt ge naar boven geslopen om te luisteren. Ontken het niet! Ik ken u, ik ken u beter dan gij denkt; wat ik heb reeds menige adder gevonden, en weet dus hoe die dingen er uitzien. Maak nu dat ge binnen komt, want mevrouw wacht u. Maar dat zeg ik u; ontmoet ik ujvan-daag nog eens op de trap, dan gooi ik u een emmer water over 't hoofd!quot;
Met dezen vriendelijken liefdegroet verliet Trui Leberecht, en ijlde met jeugdige levendigheid naar het dakkamertje van Marie, die haar de armen toestak, en zich luid weenend aan haar hart vleide.
âStil, mijn lief kind, stil,quot; troostte de oude vrouw; âween niet zoo, want bet breekt mijn hart.quot;
âEn 't mijne breekt niet!quot; riep Marie wanhopig; âen ik verdraag al deze foltering, en overleef al dezen smaad. Trui, mijn goede, eenige moeder Trui, help mij toch, sta mij toch bij! 'tls immers niet mogelijk! Ik kan immers dezen vreeselijken man niet trouwen. Ik heb mijn dierbaren Moritz eeuwige trouw gezworen, en ik moet die houden of sterven!quot;
âSterven! Dat beteekent, ge wilt mijn moordenares worden, Marie,quot; snikte de oude vrouw; âwant als (/y sterft, sterf ik óók. Maar wij willen beiden nog niet sterven, mijn lieve kind, en daar wij nog leven, willen wij ook aan 't leven niet wanhopen! Weet ge wat, Marie? Ik ga nog eens naar de woning van mijnheer Moritz.'t Is immers mogelijk dat hii tehuis is gekomen, en de lieve God u een redder zendt!quot;
âO goede, lieve Trui, doe dit; ga en vraag naar hem, en zoo hij er is, zeg dan aan mijn geliefde, dat ik moed en beradenheid heb om alles te wagen, alles te verdragen, om mij voor hem te behouden ; dat niets te zwaar en te gevaarlijk zal zijn, als het dienen kan om mij met hem te vereenigen ! Zeg hem, dat ik een leven in armoede en ontbering, in een afgelegen hoek der wereld, aan zijne zijde, duizendwerf verkies boven een leven van overvloed en rijkdom, in
86
het schitterendst paleis, aan de zijde van dezen gehaten man; â zeg hem, â maar neen, zeg hem niets, want hij weet alles. Hij weet dat mijn geheele ziel, mijn geheel hart hem behoort, en er voor mij slechts één geluk is: hèm te beminnen en hèm te behooren. Ga, Trui, lieve Trui; ga en zie of Moritz teruggekomen is, en vertel hem dan alles wat hier geschiedt, en dat ik besloten heb het uiterste te wagen om mij te redden!quot;
âIk zal gaan, mijn lieve kind. Maar het kan niet zoo spoedig geschieden, want ik heb hier in huis eerst nog iets te doen, een schoon iets. Luister maar, mijn lieve kind, wat zij van mij gemaakt hebben, en wat ik geworden ben.quot;
En zij verhaalde Marie haastig de geschiedenis barer om-kooping en weder kwam haar geheele wezen hierbij in beweging, en weder schokten hare leden, en hieven zich hare gebalde vuisten omhoog.
âZiet ge,quot; hijgde zij; âde menschen zeggen altoos dat wij vrouwen de katten gelijken. Maar van nu af weet ik, dat het niet waar, dat het een schandelijke logen is. Zoo er slechts een weinig van deze kattennatuur in mij was, ik zou den schandelijken menschenkooper aan den hals zijn gesprongen, en hem den strot afgekrabd hebben, â¢âterwijl ik nu heel bedaard bleef staan en lachte, en deed alsot mij zijn schandelijk, eerloos voorstel zeer verheugde. Foei, een arm schepsel zoo in verzoeking te brengen; die eerlooze kerel, die zielverkooper! Maar wacht, hij zal zijn straf hebben! De lieve God zal ons wel helpen en bijstaan. En de vijfhonderd thaler zal mij de zielverkooper betalen, en 't zal zijn straf zijn, later te moeten erkennen, dat zijn vervloekt, schandelijk geld niet alles doen kan, enernogiete is dat mijn heer Ebenstreit niet kan koopen, al wTierp hij er nóg zooveel zondengeld voor weg: dat liefde en trouw niet te koop zijn. Weet ge, dat willen wij hem leeren, mijn lieve kind, en zoo de les hem als snuif in de oogen schiet, zal 't mij aangenaam zijn, en âquot; Zij was buiten adem, zij moest hijgend zwijgen, en naar lucht snakken.
âGa, Trui,'' fluisterde Marie: âga en zie of bijgekomen is, want het is mijn laatste hoop! In hèm berust mijn geluk en mijn leven!quot;
âIk ga al,quot; zei Trui zich herstellende; âEerst neem ik beneden mijn zondengeld in ontvangst, en veins en lieg een
87
beetje; en dan ga ik naar den heer directeur en naar de woning van den heer conrector, en vraag ook eens bij den bakker. Wanhoop niet, mijn lieve kind; ik heb zulk een blij voorgevoel, alsof de lieve God zich over ons ontfermen, â en ons hulp zenden zal.quot;
Zij kuste en omhelsde haar dierbaar kind, ging toen ijlings naar beneden, en'wachtte nauwelijks liet bepaalde uur af; zoodat zij ongeroepen in de woonkamer trad, en hare vijfhonderd thalers eischte.
Mijnheer Ebenstreit lachte hartelijk om haar ongeduld, reikte haar met een genadigen glimlach tien geldrollen, en vermaande haar, nu ook flink en ijverig te zijn bij hetgeen van haar verlangd werd.
âIk heb haar reeds een weinig getroost,quot; zei Trui vergenoegd : âzij begint reeds tot andei-e gedachten te komen, en ik hoop wel, dat zich alles nog ten beste zal schikken. Laat mij maar begaan, mevrouw en heeren, en laat mij maar gehéel alleen met haar. Maar eerst wil ik nu even een boodschap bij mijn ouden broeder doen. Hij zal mijn geld bewaren; 't is een secuur man, die mij niet zal be-nadeelen.quot;
âTrui,quot; riep de generaal: âge zij t een oude zottin, dat ge elders wilt zoeken, wat ge hier zoo dichtbij hebt! Geef mij uwe vijfhonderd thalers in bewaring. Ik ben er immers goed voor, en ik wil er u zelfs interest van betalen. IJoort. ge, ik bewaar uw geld!quot;
âDank u, heer generaal, dank u! Ik breng het liever aan mijn broeder! 't Is om familieschap, weet u!quot;
Zij sloop haastig uit het vertrek, ging naar hare kamer nevens de keuken, verborg het geld in haar bed, en verliet toen met vlugge schreden het huis.
Nauwelijks was een uur verstreken, toen Trui nóg haastiger dan zij was heengegaan, terugkwam, slechts een enkelen vluchtigen, loerenden blik in de keuken wierp, en toen haastig de trap naar het dakkamertje opsnelde. Een zonderlinge, vroolijke aandoening lag op haar geheele wezen; hare oogen schitterden, om haar lippen speelde een glimlach, en terwijl zij over de kleine voorplaats ging, fluisterde zij zacht: âHoe verheugd zal zij zijn! O, mijn God, hoe verheugd zal zij zijn!quot;
Zij was inmiddels nauwelijks het kamertje binnengegaan
88
en had de deur achter zich gesloten, toen van achter den vooruitspringenden schoorsteen, die over den zolder door het dak naar buiten liep, de magere, kleine gestalte van den knecht Leberecht te voorschijn kwam, en zacht en behoedzaam, als op kattepooten, naar de deur sloop.
Binnen werd luid en levendig gesproken; het klonk tweemaal als een vreugdekreet, als een verrukt juichen, en Marie's stem riep: âO Trui, lieve Trui! Nu is alles goed! Nu vr(?es ik niets meer 1 God heeft mij den redder gezonden, om wien ik hem gesmeekt heb!quot;
Leberecht stond nog altoos met gebogen knieën en krommen rug nevens de deur; hij had zijn oor aan het sleutelgat gelegd, en luisterde met ingehouden adem naar elk woord, dat daar binnen gesproken werd. â
O Trui, goede Trui, hadt ge hem kunnen zien, den verrader, hoe hij daar aan de deur kleefde, met strakke oogen, met wijd open mond, zijn geheele ziel in zijn ooren, â geheel bespieder en luisteraar! Hadt ge hem kunnen zien, hoe hij nu eens de lange knokige handen wreef en grijnzend knikte, en dan weder gespannen luisterde met ingehouden adem!
O, Trui, waarom kunt ge hem niet zien, om de voorspelling waar te maken, en den luisteraar oen emmer water over het hoofd te werpen, en hem te verjagen van de deur van uw geliefd kind! â
Het was een lang, een zeer lang onderhoud, t welk Trui met haar geliefd kind had, en in hare opgewondenheid vergaten beiden de nopdige voorzichtigheid, en dachten er niet aan, dat zij beluisterd konden worden.
Toen dit ten laatste de goede oude vrouw inviel, sprong zij als een tijgerkat naar de deur, en rukte haar open. Maar er was niemand. Alles was eenzaam en stil, en geen mensch was te zien.
âGoddank, mijn liefste kind,quot; fluisterde Trui; âniemand heeft ons beluisterd. Ik wil nu naar beneden gaan, en de heerschappen zeggen, dat ge reeds naar reden begint te luisteren en dat ik hoop, dat het mij, â zoo wij heden den geheelen dag alleen te zamen blijven, â gelukken zal, u te overreden en tot verstand te brengen.quot;
âDoe dat, Trui,quot; fluisterde Marie; âik mag niemand zien, want mijn gelaat zou mij misschien verraden, en mijne moeder heeft zeer scherpe oogen! Ga, maar kom spoedig terug!quot;
89
Nadat de onde Trui de deur achter zich gesloten hadr ging zij de trap af. Achter den schoorsteen stond de luisteraar en spion; hij had juist nog den tijd gehad zich te verbergen, eer de oude vrouw de deur had geopend, en stond daar met boosaardig grijnzend gelaat, terwijl hij naar de zich verwijderende schreden der dienstmaagd luisterde.
Vervolgens sloop hij zacht uit zijn schuilhoek, â- de trap af, naar zijn slaapplaats, die zich in een hoekje onder de trap bevond.
Daar zette hij zich op de ijzeren bedstede neder, steunde de ellebogen op de knieën en het hoofd in de handen, en staarde met zijn doffe, walerig-blauwe oogen voor zich uit.
âHet moet overlegd worden,quot; fluisterde hij; ânu is er eindelijk een kapitaal te snappen. Hoe doe ik? Hoe leg ik het aan, om zeer veel te pakken? Ga ik dadelijk tot mijnheer Ebenstreit, of wacht ik? Vei tel ik hem nu terstond alles wat ik gehoord heb, en verhinder daardoor de geheele geschiedenis? De beide vrouwen zullen het dan natuurlijk ontkennen, mij voor een leugenaar uitschelden en zeggen, dat ik de geheele geschiedenis slechts verzonnen heb, om een zondeloon te verdienen. Ik wacht dus! Ik laat de geschiedenis rustig haar gang gaan. Ik laat hen een wandelrit doen, en als zij zoowat een uurtje weg zijn, verkoop ik mijn geheim. Verkoop het voor een billijken prijs. â Afgedaan ! Ik zeg nu niets, houd mij geheel onnoozel, en eerst heden avond na het souper springt de bom!quot; :â
VII.
DE SCHAKING.
Het was avond. In de huiskamer van den generaal was juist de speeltafel in orde gezet; Leberecht had den generaal er naar toe gerold, en zijn plaats achter den rolstoel ingenomen. Ebenstreit en mevrouw von Werrig hadden zich aan weerszijden der vierkante tatel op hunne plaatsen nedergezet, en tegenover den. generaal waren de kaarten van den ontbrekenden partner gelegd. Het uur, dat de generaal verlangend den geheelen dag wachtte,-âhet uur van't whistspel was dus aangebroken, zooals het regelmatig eiken avond
90
op denzelfden tijd begon. Want in het contract, 't welk de generaal met zijn aanstaanden schoonzoon gesloten had, â en dat den ouders van Marie een aanzienlijk jaargeld verzekerde, â was het uitdrukkelijk als een verplichting gesteld, dat de heer zoon eiken avond met zijne schoonouders een partij whist moest spelen!
De heer Ebenstreit had zich meteen vriendelijken glimlach aan deze voorwaarde onderworpen, en deze whistpartij als eene uitgave beschouwd, welke hij tot aan zijn huwelijk dagelijks te voldoen had. Want men speelde hoog, en daar de generaal, â die met den atwezigen partner speelde, â zijn schoonzoon in de kennis van het spel verre overtrof, en deze ook voor zijne partner de speelschuld moest betalen, was het sleeds een groote uitgaaf voor Ebenstreit, en een groote ontvangst voor den generaal, voor wien dit speeluur het lichtpunt van eiken dag was.
De kaarten waren gegeven, en Leberecht had ze juist voor den generaal gerangschikt, en ze hem in de door de jicht verlamde handen gestoken, toen de deur haastig geopend werd, en Trui met vroolijk, triomfantelijk gelaat binnentrad.
âWat is er oude,quot; riep de generaal: âwaarom stoort ge-ons? Weet ge niet dat ik om dezen tijd rust wil hebben? Dat niemand hier binnen mag komen?quot;
âDat weet ik, heer generaal,quot; antwoordde de oude vrouw glimlachend: âmaar ik dacht, een goede tijding kan nooit schaden en brengt geluk aan.quot;
âEn welke goede tijding hebt ge dan ?quot; vroeg mevrouw von Werrig op strengen toon.
âHet compliment van de genadige freule,quot; riep Trui met zegevierende stem: âen zij ziet in, dat zij zich in haar lot moet schikken, en 't niet baten zou langer te weerstreven. Zij zal dus morgen te elf uur voor de huwelijksplechtigheid gereed zijn.quot;
De generaal slaakte een vreugdekreet, en sloeg zóó heftig met zijn hand op de tafel, dat de kaarten dooreen vlogen. Zijne vrouw knikte deftig met het hoofd, en de gelukkige bruidegom gaf terstond de oude Trui nog een paar goudstukken voor het heugelijk bericht.
âZij heeft zich dus door uw toespraak werkelijk laten bekeeren?quot; vroeg hij.
91
âDoor mijn toespraak en door haar eigen verstand, jongeheer. De genadige freule ziet in, dat, zoo zij met haar lieven Moritz niet huwen kan, de heer Ebenstreit de beste en geschiktste ^an voor haar zijn zou, wijl hij haar bemint en voor hare bejaarde ouders zoo edelmoedig zorgt. Maar één ding moet ik nog vragen, en haar hierop bescheid brengen. Ik moet vragen, of mijnheer Ebenstreit vergunnen wil, dat de oude Trui de jonge vrouw in haar huis vergezellen, â en altijd bij haar blijven mag?quot;
âJa, oude, ik sta het toe,quot; zei Ebenstreit; â't Is mij zelfs lief, zulk een schrandere oude vrouw altijd bij de hand te hebben. Zeg dus aan de genadige freule, dat het mij een genoegen is haar wensch te vervullen.quot;
âIn dat geval moet ik herhalen, dat de genadige treule morgen te elf uur tot het huwelijk bereid is, en zij tot zoo lang slechts om verlof verzoekt, alleen te mogen blijven, opdat zij zich kunne herstellen, en met haar hart en verleden sluiten.quot;
âIk sta er volstrekt niet op de freule te zien,quot; zei mevrouw: âzij mag dus tot morgen doen wat zij verkiest.quot;
âDat wil ik mijn lief Marietje zeggen, en 't zal baar zeer verheugen,quot; riep Trui.
âZeg haar ook van haar vader, dat 't hem lief is haar bleek jammerlijk gezicht tot morgen niet te zien!quot; riep de generaal: ânu, heer zoon, let op uw spel, en gij. Trui, verstout u niet ons andermaal te storen. Leberecht, speel mijn harten-aas uit!quot;
Leberecht, die stil, met nedergeslagen oogen en volkomen onverschillig gelaat achter den rolstoel van den generaal stond, speelde nu voor hem de aangeduide kaart uit, en Trui verliet de kamer.
âAlles is in orde, mijn liefste kind,quot; zeide zij, toen zij het dakkamertje weder binnentrad. âZij hebben liet avondeten gebruikt, en zitten reeds aan de speeltafel. Ge weet, dat duurt twee uren; dan gaat de lieve mijnheer Ebenstreit heen, en mijnheer en mevrouw gaan naar bed. Wij hebben alles juist en goed berekend, en ge hebt nu achttien uren voor u, waarin ge zeker zijt dat niets ontdekt wordt. Luister, het slaat zeven unr, en buiten is het reeds tamelijk donker. Hij zal nu met het rijtuig komen. Als de posthoorn blaast, is het tijd.quot;
92
âAch, Trui, mijn lieve moeder, mijn hart staut stil van angst, en mijne knieën beven,''zuchtte Marie: âik weet dat het iets gewichtigs, iels vreeselijks is wat ik doen wil.quot;
âZij hebben u er toe gebracht, mijn liefste kind;'t is uwe schuld niet.quot; troostte de oude vrouw: âzij dwingen u,zoo te doen! Want ieder menschenkind moet toch de vrijheid hebben zich zelve zijn geluk of ongeluk te bereiden, en, zooals onze lieve oude Frits gezegd heeft; op zijn eigen manier zalig te worden. Zij hebben u voor ellendig geld willen verkoopen, en gij bewijst hun, dat ge geen slavin zijt, die men verkoopen kan!quot;
âMaar ik bewijs óók dat ik een ongehoorzame, slechte dochter ben,quot; zei Marie bevend; âO, thans in dit laatste urn-valt het als een zware last op mijn hart, en de woorden der H. Schrift branden in mijne ziel: ,,Gij zult uwen vader en uwe moeder eeren, opdat het u welga op aarde.quot;
âGij hehl ze geëerd uw leven lang,quot; zei Trui plechtig; âik kan het voor God en de menschen getuigen; gij hebt ze geëerd en hebt geleefd naar de woorden der H. Schrift. Gij hebt voor hen gewerkt en geijverd, en hebt hiervoor nimmer dank of liefde ontvangen, maar altijd slechts ondank en verachting. Er staat óók geschreven mijn kind: âGij zult uwen vader en uwe moeder verlaten en den man volgen.'' Zoo doet ge dan ook naar het gebod van God, en dit moge u geluk en zegen brengen! Mijne gebeden en gedachten vergezellen u, mijn geliefd kind; want een moeder kan haar kind niet inniger beminnen, dan ik u!''
âEn een moeder kan niet liefdelijker en trouwer voor haar kind zorgen, dan gij voor mij gedaan hebt. Trui!quot; riep Marie, de oude vrouw teeder aan haar hart drukkende; âontvang mijn dank, goede, lieve; neem hem met dezen kus, mijn geliefde moeder! Gij zijt het immers, door wie alleen mijne redding mogelijk is. Door uwe hulp alléén kunnen wij deze verre reis ondernemen, gij geeft er mij immers het geld voor.quot;
âNiet ik,quot; lachte de oude vrouw; ,,de heer Ebenstreit doet het. En 't is voorwaar het kluchtige en mooie, dat de slechten zichzelven altoos de strikken leggen, waarin zij gevangen worden, en dat âquot;
Plotseling zweeg Trui, want men hoorde nu de luide, schetterende tonen van een posthoorn, en als jubelklank
93
weergalmde het in 't stille dakkamei Ije: âEr reden eens drie ruiters uit de poort!quot;
âHij is er, o hij is er!quot; riep Marie, en haar oog vlamde op van verrukking: âHij roept mij! Ik kom, mijn geliefde, ik kom! â Vaarwel, lief stil kamertje, waar ik zooveel geweend, gearbeid en geleden heb. Ik zal u nooit wederzien! Mijn geliefde roept mij; ik volg hem, al ware 't ook in den dood! Ach, God, vergeef het mij, maar Gij weet, Gij ziet, dat ik niet anders kan. Men wilde mij dwingen den eed van trouw te breken, en meineedig te worden jegens hèm, dien ik eeuwige liefde gezworen heb. Ik mocht het niet doen; ik kon hèm niet verlaten, dien ik bemin en die mij bemint. â Trui, als zij toornig zijn en schelden, bid dan voor mij! Als zij in hun toorn hun ojigelukkig kind vloeken, val dan op uwe knieën en smeek den zegen af van den lieven God, die de Vader der liefde is! Mijn geweten doet mij geen verwijten; ik heb voor hen gewerkt, zoolang zij mij noodig badden; â thans, nu hun aangenomen zoon hun voor den verkochten naam een jaargeld betaalt, thans behoeven zij mij niet meer, en kan ik voor mij zelve arbeiden.quot;
âLuister, mijn liefste kind, de posthoorn schettert reeds weder,quot; fluisterde Trui, met geweld hare tranen terugdringende: âge moet gaan!quot;
âUw zegen, moeder, geef mij uw zegen,quot; bad Marie, op hare knieën nederzinkende.
Trui legde hare handen op het hoofd der knielende. âGods zegen vergezello u,quot; zeide zij : âGods zegen wissche den vloek der menschen uiten late u wandelen in liefde en geluk.quot;
âAmen,quot; zuchtte Marie; âamen ! â En nu, vaarwel moeder, vaarwel!quot;
Zij richtte zich van hare knieën op, drukte een laatsten kus op de lippen van de oude Trui, en sloop toen uit de kamer de trap af. Trui was haar gevolgd tot aan de trap; daar was zij op hare knieën nedergezonken, en oogde de gestalte van haar geliefd kind na, vouwde de handen samen en luisterde. Zij hoorde beneden de huisdeur openen en dichtslaan, hield den adem in, en luisterde in vreeselijke spanning. Na eenige minuten schetterde de posthoorn, en deed een luid-jubelende fanfare hooren.
âZij zijn weg,quot; prevelde Trui, boog het hoofd op liaar borst, en bad lang en vurig.
94
Beneden in de huiskamer werd intusschen het, kaartspel voortgezet. De generaal was heden bijzonder gelukkig in het spel, en bijgevolg zeer vroolijk en tevreden. Na eiken robber vloeiden hem de thalers toe, en er lag reeds een fraai hoopje geld voor hem, toen de klok tien uur sloeg, en zijne vrouw verklaarde dat het spel nu een einde moest nemen, wijl men zich ter ruste moest begeven.
De generaal onderwierp zich zuchtend aan deze uitspraak; want hij wist uit veeljarige ondervinding, dat het vergeets was, den wil zijner echtgenoote te weerstreven. Hij schoof het gewonnen geld in den lederen zak, dien hij steeds bij zich droeg, en had juist Leberecht bevolen zijn rolstoel te verschuiven, toen de knecht met een plechtige buiging dicht voor hem trad, en met zachte stem vroeg: âMag ik mijnheer verzoeken mij een oogenblik gehoor te verleenen?quot;
âNu, wat wilt ge, kerel?quot; vroeg de generaal: âWat hebt ge te zegggen?quot;
âIk heb slechts te verzoeken, genadigste heer generaal, dat men mij toesta te bewijzen, dat ik een trouwe en eerlijke knecht ben, die voor het welzijn zijner meesters waakt.
De genadige heerschap heeft Trui vijf honderd thalers gegeven, opdat zij de freule goed bewaken zou. Ik zou u echter wenschen te bewijzen, op welke wijze de oude haar geld verdiend heeft, en hoe geheel anders uw trouwe knecht gehandeld zou hebben. Wil mevrouw de genade hebben Trui te roepen, en haar te bevelen de genadige freule te verzoeken een oogenblik beneden te komen,wijlÃweGenade haar iets gewichtigs heeft mede te deelen ?quot;
Mevrouw von Werrig richtte hare koele, trotsche oogen op hem, en scheen op zijn glimlachend, ootmoedig gelaat zijn geheimste gedachten te willen lezen.
âEn als de genadige freule nu komt,quot; vroeg zij ;, wat dan ?quot;
âA.ls zij komt, mevrouw,quot; antwoordde Leberecht; âals zij komt, ben ik een ellendige zot en schurk! Maar, ik verzoek u Trui te roepen, en haar de boodschap te geven.quot;
Het duurde lang eer de oude vrouw verscheen, en zij kwam met verward voorkomen, en vroeg slaperig wat men nog zoo laat van haar begeerde,
âGa naar boven,quot; gelastte de generaalsvrouw; âik laat de freule verzoeken terstond beneden te komen; wij hebben haar iets gewichtigs te zeggen.quot;
95
De oude vrouw schrikte, doch herstelde zich spoedig.
âDat zal wel kunnen wachten tot morgen,quot; gromde zij; âde freule is te bed gegaan en slaapt reeds.quot;
âZij liegt, genadigste mevrouw,quot; glimlachte Leberecht, die intusschen de voorzichtigheid gebruikte, zich achter den i-ol-stoel des generaals te verschansen: âZij weet dat zij liegt, en de ireule nog niet te bed is gegaan.quot;
âO, gluiper en schurk!quot; riep Trui, haar vuist opheffende ; âhoe kunt ge u verstouten te zeggen dat ik lieg? Hoe kan zulk een ellendig wezen tegen eerlijke lieden optreden, en zeggen dat zij doen wat hij doet, zoo dikwijls hij den mond slechts opent?quot;
âGenadigste mevrouw, zij wil met mij twisten, om tijd te winnen,quot; zei Leberecht de schouders ophalende; âelke minuut tijds is haar kostbaar, daarom twist zij. Ik verzoek echter, dat mevrouw zich naar boven begeven, â en onderzoeken wil, of de genadige freule in hare kamer is.quot;
âDat zal moeielijk gaan,quot; riep Trui; âde genadige freule heeft den grendel voor haar deur geschoven, om geheel ongestoord te zijn.quot;
âDat wil zeggen,quot; grijnsde Leberecht: âTrui heeft de deur gesloten, en draagt den sleutel bij zich in haar zak.quot;
âGeef den sleutel!quot; schreeuwde de generaal, die tevergeefs beproefde op te staan: âGeef, of ik laat de politie roepen, en u ia de gevangenis werpen!quot;
âDoe datquot; schreeuwde de oude vrouw tartend : âdoe dat, maar den sleutel geef ik niet!quot;
âHoort ge, â zij heeft hem!quot; riep Leberecht.
âO, gij schurk, ik breng u om 't leven; ik krab u de oogen uit erbarmelijke fielt!quot;
âBedaar, Trui, bedaar,quot; gebood Ebenstreit; âde generaal heeft u bevolen den sleutel te geven. Doe het dus!quot;
âJa, doe het,quot; riep mevrouw: âof ik jaag u oogenblikke-lijk uit mijn dienst.quot;
âDat zult ge wel laten,quot; antwoordde Trui, âwant ik zal van zelve gaan. Maar den sleutel geef ik niet!quot;
âDe deur is oud en het slot verroest,quot; zei Leberecht: âmet een duchtigen schop kan men haar intrappen, geloof ik.quot;
,,Kom, heer zoon,quot; gebood mevrouw; âlaat ons gaan zien!quot;
Beiden verlieten ijlings de kamer, terwijl de generaal raasde omdat hij werkeloos en stil moest blijven zitten, en
yo
Trui en Leberecht elkander, meer met hunne blikken dan met woorden, de woedendste bedreigingen toewierpen.
Plotseling hoorde men een luid kraken en stommelen.
âZij hebben de deur opengebroken!quot; riep de generaal.
âIk zeide het immers, dat zij oud en gebrekkig was,'' glimlachte Leberecht: ânu, mijn schoone Trui, wat zegt ge nu?quot;
De oude meid droogde met de vlakke hand het angstzweet af, dat met groote droppels op haar voorhoofd stond.
âIk zeg, dat gij een slecht, mensch zijt, en de lieve God in den hemel u eens straffen zal voor het verraad dat ge jegens een ongelukkig meisje gepleegd hebt. Want ik zie wel, dat ge ons beluisterd hebt, en alles weet!quot;
âWeg 1quot; schreeuwde de generaalsvouw, de kamer binnensnellende; âzij is weg!quot;
âDe kamer is ledig!quot; riep Ebenstreit: âMarie is er niet in. Leberecht, spreek nu. Zeg, wa't weet ge?quot;
âIk wil spreken: â dat wil zeggen, zoo wij den handel eens kunnen worden,quot; antwoorde Leberecht: âIk wil spreken, maar deze oude vrouw hindert mij, en ik verzoek den genadigen jongeheer de goedheid te hebben, met mij naar de andere kamer te gaan.quot;
âLieve, almachtige God, ontferm u over mijn Marielje,'' prevelde Trui, op hare knieën zinkende, en het hoofd in hare handen verbergende.
Ebenstreit had zich intusschen in het belendende vertrek begeven, en de knecht was hem gevolgd.
âSpreek nu,quot; zeide hij gebiedend: âZeg wat ge mij hebt mede te deelen!quot;
Leberecht haalde de schouders op. âWij zijn hier alleen,quot; zeide hij: âen wij zijn twee mannen die een affaire met elkander willen doen. Ik ben op dit oogenblik geen knecht, en gij zijt geen heer; ik ben iemand die een gewichtig geheim kent, en gij zijt iemand die het koopen wil.quot;
âWelk een zonderlinge en ongehoorde taal is dat?'' vroeg Ebenstreit verbaasd.
âDe taal van een mensch, die den rijken bankier Ebenstreit niet alleen een schoone vrouw, â maar ook zijn adel kan doen missen. Want gij hebt zelf heden morgen gezegd, dat uw adelsdiploma slechts geldig is, als gij de echtgenoot der dochter van den generaal von Leuthcn wordt, en het
97
bevat de uitdrukkelijke voorwaarde, dat gij eerst vanaf den dag uwer huwelijksvoltrekking met de freule, den adellijken naam dragen zult! Gij zult hem dus nooit dragen, zoo ge mij het geheim niet afkoopt, en niet van mij verneemt, waar ge uwe bruid kunt vinden. Niemand weet dat buiten mij.quot;
âEn de oude Trui,quot; zei Ebenstreit snel.
âGij weet zeer goed, dat de oude Trui u niets verraden zal; gij weet dit zóó goed, dat ge 't zelf niet eens zult beproeven haar om te koopen.''
âGe vergist u,quot; zei Ebenstreit, de schouders ophalende; âde oude vrouw is even goed te koop als iedereen.quot;
âDat meent ge, wijl Trui uwe vijfhonderd thalers heeft aangenomen? Nu, ge ziet, dat zij u tóch niet ondersteund heelt, en het zal u ook niet baten, dit geld van haar terug te eischen, want zij heeft het niet meer.quot;
âHoe? Heeft zij 't niet meer?quot;
âZij heeft de vijfhonderd thalers aan de freule gegeven,'' grinnikte Leberecht: â't is inderdaad een kluchtige geschiedenis! Gij hebt het geld ervoor gegeven, dat uwe bruid met haar geliefde een reis kan doen, en zich elders laten trouwen.quot;
Ebenstreit stampte toornig met den voet, en ging eenige keeren in woedende opgewondenheid op en neer, terwijl Leberecht hem met een spottenden glimlach gadesloeg.
âLaat ons er een einde aan maken,quot; zei de bankier eindelijk, terwijl hij voor Leberecht bleef staan: âgij weet waar de freule zich bevindt, en wilt mij dat geheim verkoopen. Zeg dus uw prijs.quot;
âDrieduizend tbaler, en een plaats als bediende in uwe zaak, welke ge immers onder een andere firma voortzet.quot;
âGe zijt gek,'' zei Ebenstreit: âik zal niet zoo dwaas zijn aan zulke onzinnige eischen te voldoen.quot;
Leberecht haalde de schouders op. âIk maak u opmerkzaam, dat ik voor elk uur wachtens duizend thaler meer vorder; en dat, zoo ge u al te lang bedenkt, de bruid en de adel bepaald verloren zijn.quot;
âGij zijt een ellendige schurk !quot; riep Ebenstreit woedend.
âIk zal de politie verwittigen. Er zal wel een middel zijn u tot bekennen te dwingen, en te vernemen waarheen de freule gegaan is.''
Hühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. II. 7
98
âIk geloof niet dat zulk een middel bestaat,quot; lachte Lebe-recht: âTrui zal stellig niets bekennen, en ik zou wel willen weten wat er mij toe dwingen zou, zoo ik niet wil ? De Koning heeft immers de pijnbank afgeschaft, en het eenige middel om mij tot spreken te brengen, heb ik u genoemd. Drieduizend thaler en een plaats op uw kantoor. Let wel! 't Is nu bijna elf uur! Om twaalf uur vorder ik vierduizend thaler.quot;
VIII.
ONDER DEN STERRENHEMEL.
Het was een wonderschoone nacht, vol heldere maneschijn. De wereld lag in rustigen sluimer; de menschen waren, met hunne zorgen en smarten, hun vreugde en hoop ter ruste gegaan. Op steden en dorpen, en landwegen en bos-schen is de lieve, troostende engel: de slaap, neergedaald. De treurigen heeft hij in rust gewiegd, den beladenen den last verlicht, den wanhopenden en armen gouden droomen gebracht, en den vermoeiden zalige rust geschonken. Slechts van hen, die door hun geweten worden wakker gehouden, heeft hij zich met treurig gelaat afgewend, en is zuchtend en vol kommer verder gezweefd. Ach, en hun getal is legio geweest. Ook hen, wier geluk hen wakker houdt,^is bij voorbij gezweefd; maar in 'tvoorbijzweven heeft hij hen aanschouwd met een glimlach, die tevens een gebed en een zegen beteekende. Ach, maar het getal van deze is zeer gering geweest; want het geluk is een zeldzame gast op aarde, en slechts bij tusschenpoozen keert het bij den sterveling in! â
De beiden, in het rijtuig gezeten, dat nu op den eenzamen, stillen landweg voortrolde, deze beiden waren gelukkig, en toen de troostende engel des slaaps hen in den helderen nacht , voorbijruischte, terwijl zij met wakende zinnen en met wakend hart elkander aanschouwden, ook vaak de schitterende oogen ten hemel hieven, als dankten zij God voor hun geluk, â toen de ongel des slaaps dit zag, spreidde hij zijne van sterren fonkelende vleugels wijder uit, om
9ü
sneller voorbij te vliegen, maar uit zijne oogen vielen twee tranen neder.
âZie, o zie, mijn Marie, twee sterren vallen van den hemel. Zij groeten u, mijn geliefde, en willen ons zeggen dat zij met ons gaan.''
âAch, Philip, dit is een kwaad teeken! De vallende sterren beteekenen ongeluk!quot;
Zij vlijde zich vaster tegen hem aan, en leunde haar hoofd op zijn schouder. Hij legde zijn arm zacht om haren leest en drukte de geliefde innig aan zijn hart.
âGeen vrees, mijn Marie,quot; zeide hij zacht; âer is voor ons slechts één ongeluk; van elkander gescheiden te zijn. Dit ongeluk hebben wij lang verdragen, doch nu is het ten einde voor eeuwig. Gij hebt mij u zeiven gegeven; ik ben de uwe met mijn geheele ziel, en door den nacht gaat onze weg het geluk, de zonneheldere toekomst tegemoet, want wij zullen nooit weer scheiden!quot;
âNooit,quot; fluisterde zij innig; âO, moge God ons gebed verhooren. Nooit scheiden, o, lieve God, nooit! En tóch, Philip, terwijl ik dit zeg, loopt een rilling door mijn ziel.quot;
âWaarom, mijne Marie? Waarom die vrees? Overleg toch, laat ons nog eens alles overdenken! Niemand verneemt vóór morgen vroeg onze vlucht; en dan, als zij u missen, weet toch niemand waarheen wij ons begeven hebben. En terwijl zij zoeken en uitvorschen, snellen wij onophoudelijk voort; zonder te rusten of te toeven, vóór wij te Hamburg aangekomen zijn. Morgen avond zijn wij daar, en een der paketbooten, die eiken Woensdag van Hamburg naar Engeland zeilen, neemt ons Dinsdagavond aan boord. Zoodra wij in Engeland zijn, gaat onze reis eerst naar Suffolk, tot mijn ouden vriend, den vikaris van Tunningham. Hij heeft, â toen ik verleden jaar bij hem was, en weken lang bij hem logeerde, â mij dikwerf verhaald van de oude voorrechten, die sinds langen tijd om een of andere reden aan de parochiekerk van Tunningham is verleend, om ook zulke paren wettig te trouwen, tegen wier vereeniging zich elders bezwaren mochten voordoen. Hij zal het verbond onzer liefde inzegenen, Marie. Hij zal mij voor God en menschen het heilige recht geven, mijn geliefde de mijne te noemen, en mij aan haar te geven voor tijd en eeuwigheid. Wij zullen vooreerst niet naar Duitsch-
100
land terug kunnen keeren, maar wij zullen ons vaderland overal in quot;ons dragen, want wij hebben elkander en onze liefde Ik heb vele betrekkingen, vele geleerde te Londen Zii zullen mij helpen om waardigen aibeid te vinden Bovendien heb ik eerst voor eenige weken met den boekhandelaar Nicolai te Berlijn, wegens een nieuw werk een contract gesloten. Ik zal het te Londen schrijven, en het zal er niet te slechter om ontvangen worden, wij
hetEntook mijne bloemen en schilderstukken zullen met
slechter beschouwd worden te Londen dan te Berlijn, zei
^Neen^Marie,quot; riep hij levendig; âgij zult met werken. Ikheb den zoeten plicht, voor u te zorgen, en hij maakt rnü gelukki- fier en blij. O, mijn geliefde, welk een zaligheid0 is 't voor mij, eene dierbare, lieve vrouw aan mijn zii de te hebben, die Goddank, slechts rijk aan inwendig pederen, en arm, - o
tche goederen is. Welk een zaligheid, voor u te werken . te weten dat in mijn geest de kracht leeft, om door zijn werk rSs te verschatlen wat.ge behoeft;omte^
trouwe diensten u een weinig te vergeldf.n^et uitsprekelijk rijke, dat ge mij door uwe liefde gefLVoor een beminnende is er immers gfu/rotscher gelukkige e-evoel dan de verzorger en onderhouder van de vrouw füner' liefde te zijn, haar voor deze kleine behoeften des levens van hem athankelijk te weten, terwijl hij in alle eroote gevoelens, bij al zijn geestig willen en werken, vanhaar zoo veel ontvangt. Ik dank God, Mane, dat gij arm zijt, en dat ik voor u werken kan. Hoe zou iku alles kunnen v
toch niet dat de rijkdoS, Si ëe®»?-
pfbtffenoot zou ontvangen, voor mij iets zijn kun, of m j . ee vreugde zou^kunnen bereiden? Ge meent todi «iet dat deriikdom ook slechts een klein gedeelte van datgene had kunnen vergoeden, wat ik zou moeten verhezen, zoo ik van m
gescheiden ^verd, Philip? Gij zijl mijn ^ToTen Mei van u alleen kan voor mij geluk en ongeluk komen. 1 _ ii aan uw zii ben ik gelukkig en rijk, al zouden wij oo uiterlijk gebrek moeten lijden! Zonder u is er voor mij geen
JOl
£feluk, en zou ik arm zijn in den overvloed des rijkdoms! Wat is toch alle uiterlijk bezit ? Ik heb het leeren verachten en gevoel mij vrij, fier en'gelukkig, wijl wij beiden in onzen geest ons bevrijd hebben van al deze uiterlijke zaken, waarmede de dwaze menschen zich bezwaren, en die hun noodzakelijk toeschijnen. O, mijn geliefde, mijn geheele ziel lost zich op in blijdschap, dat ik bij u ben, dat niets mij meer van u scheiden kan. Niets, ook niet de dood: want ziet ge, ik geloof aan de eeuwigheid der liefde; â ik weet dat deze ziel, die geheel vervuld en doorgloeid is van liefde voor u, ook niet door den dood kan verdooven, maar dat zij eeuwig, o, eeuwig leeft in liefde voor u!quot;
âJa, ge hebt gelijk, Marie! De liefde is de onsterfelijkheid der ziel; in haar wordt de mensch herboren tot nieuw gevoel, uit baar stijgt hij op naar de lichtgewesien der eeuwigheid. O, als ik denk hoe eenzaam en duister voor mij het leven was, vóór ik u kende; hoe koud en vreugdeloos mijne dagen verliepen, en hoe ik wrokkend vaak den hemel schier bedreigde, dat hij mij eenzaam geschapen, â en mij opgelegd had door deze woestijn te trekken! En nu straalt mij de toekomst tegen in helderen zonneschijn; â nu is het mij alsof ik in het paradijs leefde, en niemand leefde dan gij en ik, en de geheele schepping slechts bestaat om mijn geluk te loven en u, geliefde eenige, met alle stemmen der -Natuur juichend te begroeten. O Marie, al leefde ik ook duizend jaren, mijn hart zou jong blijven in liefde en aanbidding voor u ; want gij hebt mij gered van mij zelve, hebt mijn eigenlijke, innige ziel vrij gemaakt uit de banden, waarin zij door een duister, vreugdeloos leven gesloten was. Ik ben een nieuw mensch geworden door u ; een goed, een gelukkig mensch. Leg uw hoofd aan mijn hart, Marie; laat het er rusten, vele schoone, gelukzalige jaren, en ontvang in dit uur, â nu ik wel gevoel dat onze zielen d^n eeuwigen onoplosbaren band sluiten, â van mij den heiligen eed: dat ik u beminnen, u heilig houden, u eeren en achten zal als mijn kostbaarste goed. Ge zult mijn alles zijn; mijn vrouw, mijn vrienden, mijn kind en mijne zuster! Open en vrij zal mijn ziel eeuwig voor u liggen; voor u wil ik leven en werken, van u wil ik het geluk ontvangen, en als mijn edelsten schat wil ik het in mijn ziel bewaren! Geef mij uwe hand, Marie!quot;
102
Zij legde hare hand in de zijne, en hare teedere vingers sloten zich vast om de sterke, krachtige manshand. De maan, â die groot en vol boven hen aan den hemel stond, â bescheen de beide edele aangezichten, en deed de oogen, die op elkander gericht waren, hooger opvlammen. Vliegend rolde het rijtuig voorwaarts, de nachtwind streek langs hunne wangen en speelde door hunne donkere lokken.
Moritz hief hun beider vereende handen omhoog, en blikte opwaarts tot den met sterren bezaaiden hemel. âWij heffen onze handen tot U op, o God. Gij hebt mijn eed gehoord. Gij eeuwige Geest, die boven de sterren troont, â neem hem aan en zegen de vrouw, die ik bemin!quot;
âEn neem ook mijn eed,o God,quot; fluisterde Marie: ,,Zie den man, dien ik bemin en dien ik eeuwige trouw zweer; zegen hem, en zegen mij in hem! Laat ons leven in liefde, en laat ons sterven!quot;
âAmen, mijn geliefde, amen!quot;
Zij hielden elkander innig omhelsd, en hunne lippen sloten zich in een langen gloeienden kus. Voort rolde het rijtuig in den stillen, zaligen nacht! â O, waarom kunnen deze paarden niet de vlerken van den nachtwind leenen, waarom kunnen de gevleugelde zielen aan de lichamen niet beur wieken leenen! In heilige liefdezaligheid, hand in hand, ziet ge beiden op tot de sterren, en goddelijke vrede en hemelsch vertrouwen is in u! Gij glimlacht, en uwe gedachten spreken te zamen van het geluk der toekomst, en het ongeluk snelt reeds toe met zijn zwarte vlerken, en spoedig zal het u grijpen met zijn giftige klauwen! -
Hoort ge het niet? Dringt 't gerucht van voortjagende paarden niet in uwe ooren ? Hoort ge niet schreeuwen en roepen achter u? â
Zij hoeren niet; zij hooren slechts de teedere stemmen, die in hunne harten spreken, en willen de plechtige stilte dezer gesprekken zelfs niet met een luid woord der lippen sloren.
Nu schettert de posthoorn! Nu houdt het rijtuig stil voor het eenzame huis aan den weg.'t Is de pleisterplaats. Verwisseling van paarden! Het huis is sül, geen lichtje te zien! Driemaal moest de postiljon schallen en blazen, voor het binnen levendig wordt, een lampje verschijnt, het venster kletterend geopend wordt, en een slaperige,
103
grommige stem naar het getal paarden en de naaste wisselplaats vraagt.
Vervolgens worden langzaam de paarden aangebracht, en nóg langzamer voorgespannen! Wat komt het er op aan! De nacht is zoo schoon, en zoet is 't hand in hand met haar te zitten onder den sterrenhemel, die zich als een gewelf boven hen uitspreidt.
En hoort go 't niet, en zegt u niet uw hart, dat het ongeluk als een stormwind aanbruist, hoort ge nog altoos niet die roepende, schreeuwende stemmen?
De postiljon bestijgt het paard en schettert zijn trompetlied in den nacht. Het rijtuig rolt voort en de postiljon blaast vroolijk, en die achter hen voortrennen op snelle paarden hooren het wél, en antwoorden met een luiden triomfkreet!
Marie beeft en heft haar hoofd van Philip's schouder op.
âWat was dat? Hebt ge 'tniet gehoord?quot;
âWat, geliefde? Wat zou ik gehoord hebben? Spreken de sterren tot u? Groeten de engelen hunne zuster op aarde ?quot;
âLuister? Nu klinkt het weder! Hoort ge 't nog niet? Luister! Is 'tniet alsof men roept: âhalt! halt!quot;
âJa, waarlijk! Ik hoor het óók! Maar wat gaat het ons aan, mijn lieve ? Wat geven wij om de buitenwereld en het bestaan van andere menschen?quot;
âIk weet niet, Philip; ik word zoo angstig, â mijn hart staat stil, als van ontzetting!quot;
âHalt! halt!quot; â De nachtwind draagt den kreet over, zoodat hij over hunne hoofden klinkt als ravengekras!
Zonderling! Wien mag dit roepen gelden?
Moritz richt zich van zijn zitplaats op, en ziet achterom over den weg. Wit en helder in den maanschijn ligt de weg achter hen, en ginds in de verte, als een troep raven, zwart en klein, komt het aanvliegen! Grooter, al grooter wordt het, komt nader, krijgt vorm en gedaante!
Ruiters zijn het! Ruiters! Met lossen teugel rennen zij voorwaarts.
âPostiljon! Rijd voort! Haastig! Laat de paarden jagen! Ginds vóór ons is een bosch! Breng ons slechts daarheen, opdat wij ons in het dichte hout kunnen verbergen! Rijd
404
voort, postiljon! Wij zijn geen dieven,geen moordenaars! Gij doet geen slecht werk, zoo ge ons redt! Rijd voort! Honderd thalers zijn voor u, zoo ge ons redt!quot;
De postiljon zweept de paarden. In vollen galop rolt het rijtuig voort. Maar duidelijker, steeds duidelijker hoort men het schreeuwen en vloeken. De raven, de ongeluksvogels, komen nader.
âAch, God in den hemel, ontferm u in onzen nood! Rijd voort, postiljon! In Gods naam, rijd!quot;
âHalt, halt In naam des Konings, halt!quot;
De postiljon luisterde met verwondering, en weder schreeuwde men met woedende stemmen: âIn naam des Konings, halt!quot;
De postiljon hield de paarden in. âVergeving mijnheer, fluisterde hij; âden naam des Konings moet ik eerbiedigen.quot;
Nader renden de ruiters, al nader.
âPhilip,quot; fluisterde Marie; âwaarom sterven wij niet! O God, waarom sterven wij niet!quot;
Hij klemde haar in zijne armen! Hij drukte een gloei-enden kus op hare lippen. Misschien den laatsten in dit leven! âMarie denk steeds aan onzen liefdeseed: Trouw tot in den dood!quot;
âTrouw tot in den dood!quot; riep nu ook zij.
âEn standvastig alle stormen des levens getart!quot;
En zij herhaalde: âEn standvastig alle stormen des levens getart!quot;
De ruiters op de hijgende paarden omringden het rijtuig! Twee mannen in uniform reden aan de zijde van 't rijtuig waar Philip Moritz zat. Zij legden hunne handen op zijn schouder, âHeer conrector Philip Moritz! In naam des Konings nemen wij u gevangen! Ge zijt beschuldigd van ontvoering van een minderjarig meisje,en wij hebben bevel, u tot nader order naar Spandau te transporteeren.quot;
Aan de andere zijde van het rijtuig waren óók twee ruiters. De voorste was de heer Ebenstreit; hij legde de hand op Marie's schouder, en stoorde er zich niet aan, dat zij huiverend terugweek,
âMijn dierbare bruid, ik kom als afgezondene van uwen heer vader, en ben gemachtigd u naar het ouderlijk huis terug te voeren.quot;
Zij antwoordde niet. Als verstijfd van schrik zat zij
105
onbewegelijk, en uit hare hemelwaarts gerichte oogen vloeiden langzaam twee enkele tranen neder.
âGij neemt mij gevangen in naam des Konings?quot; riep Moritz, bevend en bleek van toorn: âNu goed, ik buig mij voor de wet! Maar ik verzoek, dat ik vooraf met gindschen mensch moge spreken.quot;
Hij wees met verachtelijk gebaar op Ebenstreit, en sprong uit het rijtuig. â âMijnheer, slijg van uw paard en kom, wij hebben elkander iets belangrijks te zeggen.quot;
âWij hebben elkander niets te zeggen,'quot; antwoordde Ebenstreit bedaard: âik heb geen lust met. u te onderhandelen.
âMaar ik,quot; schreeuwde Moritz woedend, als een leeuw vooruitspringend; âik heb u te zeggen, dat gij een ellendige schurk zijt, en daarom wil ik u behandelen, zooals men een schurk behandelt!quot;
En hij rukte met een woeste beweging den postiljon de zweep uit de hand, zwaaide haar suizend door de lucht, en liet haar op Ebenstreit's gelaat nedervallen. âHa,''riep hij op zegevierenden toon: ânu heb ik u gedwongen mij voldoening te geven!quot;
Maar de politieagenten waren van hunne paai den gesprongen, en ook Leberecht had zich haastig uit den zadel gelicht. Zij wierpen zich op Moritz, klemden zich aan zijnearmen en voeten. Het was een woedend, wanhopig gevecht, Marie aanschouwde het met gevouwen banden, als was zij in gebed verzonken.
Zij rukten hem neder, bonden zijne handen, en hielden hem met ijzeren vuisten vast. Er klonk een gillende kreet, en Marie zonk onmachtig ineen.
Moritz liet bij het vernemen van dien kreet het hoofd op de borst zinken.
âVoert hem naar het naaste station terug, mijne vrienden,quot; gebood Ebenstreit: âwij hebben daar immers reeds het rijtuig besteld, flat hem naar Spandau zal brengen.quot;
Hij was van zijn paard gestegen, en nam nu in het rijtuig de plaats in nevens Marie, die nog steeds in onmacht lag.
âPostiljon!quot; riep hij: âklim te paard en wend het rijtuig om. Tot aan het tweede station behoud ik u, en zoo ge snel rijdt, krijgt ge een louis d'or.quot;
âIk zal jagen alsof de duivel achter mij is, mijnheer,quot;
106
jubelde de posüljon, wendde het rijtuig, en wilde in vollen draf wegrijden. Maar Ebenstreit gebood hem stil te houden, en beval Leberecht op den bok te gaan zitten. Vervolgens wendde hij zich tot de politiebeambten.
âMijneheeren,quot; zeide hij op hoogen toon: âgij zult getuigenis afleggen. Gij hebt gezien, hoe deze meisjesroover, deze dief, mij beschimpt en mishandeld heeft. Ziet, het bloed vloeit over mijn gelaat. Gij zult het getuigen.quot;
âIk zeil zal het getuigen voor God en de menschen,quot; schreeuwde Moritz met een woedenden lach ; âik heb u beschimpt en gebrandmerkt!quot;
âWij zullen het getuigen,quot; antwoordden de politiemannen eerbiedig: âzoodra wij den arrestant te Spandau afgeleverd hebben, zullen wij ons bij u aanmelden, mijnheer von Ebenstreit.''
âEn gij zult dan van mij ieder de beloofde belooning van honderd thaler ontvangen,quot; antwoordde Ebenstreit glimlachend : âzoo ge echter zweert, over dit geheele avontuur te zwijgen en woord houdt, zoodat er niets van uitlekt, ontvangt ge na drie maanden nóg honderd thaler.quot;
âWij zullen zwijgen, mijnheer von Ebenstreit; zeker, wij zullen zwijgen!quot;
âIk geloof het,quot; glimlachte Ebenstreit: âhonderd thaler is voorwaar een fraai sommetje! â Nu voorwaarts, Leberecht! Spoor den postiljon goed aan, opdat wij nog vóór het dag is te Berlijn zijn, en niemand iets van de afschuwelijke geschiedenis verneemt!''
Het rijtuig snelde voort. Op een der paarden zat de postiljon en lachte van pleizier, wijl hij aan den beloofden louis d'or dacht. Op den bok zat Leberecht; een uitdrukking van boosaardige vreugde schitterde op zijn gelaat. .,Dat was een heerlijke nacht,quot; zeide hij bij zichzelve: âwij hebben allen een goede zaak gedaan ;ik echter de beste, want ik heb drieduizend thaler verdiend en een goede betrekking. Ik wilde maar, dat hij 'tniet dadelijk aangenomen, âen nog een uur gewacht had, â dan had ik nog duizend thaler meer!quot;
In het rijtuig, nevens zijn koude verstijfde bruid, zat Ebenstreit, en ook op zijn gelaat schitterde een triomfantelijke glimlach.
âMet geld doet tnen alles,quot; zeide /zi/bij zichzelve: âgeld
107
is de koning der wereld! Ware ik een arme sukkel geweest, dan had de generaal mij niet tot schoonzoon willen hebben, de Koning mij niet geadeld, en had ik mijn schoone bruid niet aan haren verleider kunnen ontrukken. Geld geeft aanzien; en ik hoop dat het mij óók de macht zal geven, mij op den misdadiger te wreken voor de pijn hier in mijn gezicht!quot;
En hij wendde zich om, keek achterwaarts, en dreigde met de vuist.
Doch Moritz zag het niet. Met gebogen hoofd, zwijgend, als verdoofd door het vreeselijke dat hem overkomen was, ging hij met geboeide handen tusschen de beide ruiters, zelfs niet in staat te vluchten; want zij hadden hem aan iederen arm een touw gebonden, en elke ruiter hield een dezer touwen in zijn hand.
Zoo, â als een gevangen misdadiger, vernederd en gehoond, â ging Philip Moritz voort, met wanhoop en woeste razernij in het hart.
De sterren zagen het, en de maan blikte groot en vol op hem neder!
Ach, Marie! Ge hadt wel gelijk. Vallende sterren be-teekenen ongeluk! Uwe sterren zijn gevallen! â
IX.
HET OFFER.
Vier lange, smartelijke weken waren voor de arme oude Trui sedert den in het vorig Hoofdstuk beschreven nacht verloopen. Maar voor haar geliefd kind waren zij vervlogen als een smartelooze droom. Want zij had van niets geweten, en 't geen door de menschen anders als een bitter ongeluk wordt beschouwd, was voor haar een geluk geweest. â Een zware ziekte had haar het bewustzijn, de kennis van het tegenwoordige ontnomen, en in deze weken barer ijlende koortsen was haar verwarde geest steeds aan de zijde van haren gelietde geweest, â had zij slechts tot hém gesproken, hem verteld van hare liefde, haar geluk en hare hoop. Somwijlen echter, als het bewustzijn in haar was teruggekeerd, had zij in vreeselijke opgewondenheid, bevend
108
van angst, aan de oude Trui gevraagd, waar zij zich bevond, en waar haar gefiefde, haar Moritz was? Vervolgens hadden de droombeelden weder haren geest beschaduwd, en de smartelijke uitdrukking die op hare lippen zweefde, was in een glimlach opgelost geworden.
Nu echter waren de dagen van genezing, van terugkee-rend bewustzijn gekomen, en met hen de smart om het verloren geluk. Slechts van lieverlede had de oude Trui,â de trouwe verpleegster, die dag en nacht aan haar leger toefde, â de vele opgewondene, onstuimige vragen beantwoord, welke Marie haar deed ; had haar verhaald van dien vreeselijken dag der ontvoering, dat Leberecht hen beluisterd, â en Marie's geheim voor veel geld verkocht had; dat hij echter vooraf reeds alles tot de vervolging had voorbereid, de politie kennis gegeven, âde paarden besteld,â en een koerier vooruifgezonden had, opdat men op elk post-station versche paarden zou vinden.
Vervolgens schilderde Trui haar de vreeselijke woede van haren vader, en hoe hare moeder in haar toorn zelfs de hand had opgeheven tegen de oude Trui, en gezworen had, haar in de gevangenis te laten zetten. Maar vóór zij nog des morgens dit voornemen kon uitvoeren, was het rijtuig aangekomen, waarin Ebenstreit de bewustelooze dochter aan hare ouders terugbracht, en Trui had haar uit het rijtuig getild, en met behulp der generaalsvrouw naar baar dakkamertje gedragen, en dit sedert met haar bewoond.
Marie hoorde deze verhalen met sombere kalmte, met trotsche smart. De ziekte scheen een zonderlinge verandering in haar gemoed teweeggebracht, â en den zachten, teederen geest van het jonge meisje verhard te hebben. Het vuur van inwendige smarten had haar ziel verstaald, haar hart verstijfd, haar energie in een moedigen trots veranderd. Zij was van haar bed opgestaan als eene andere, eene in pijn en smarten opnieuw geborene. Met het bewustzijn van haar legen woord igen toestand en haar verloren geluk, was haar wezen allengs zoodanig veranderd; â had het jonge, beminnende, teergevoelige meisje zich in de sterke, energieke, trotsche vrouw veranderd, die zich bewust was, dat zij een leven vul ontbering, strijd en nederlagen tegemoet-ging, en er voor haar op aarde geen geluk meer zijn kon.
Trui sloeg deze verandering van hare lieveling met onrust
109
en zorg gade. Zij had gewenschtdat Marie slechts éénmaal klagen zou, zich slechts éénmaal in tranen mocht lucht geven. Maar Marie klaagde, â nadat de eerste storm der vertwijfeling voorbij was gegaan, â niet meer, en het scheen alsof de tranen in hare oogen voor altoos verdroogd waren; want hare groote, zwarte oogen waren altoos helder, en nooit door tranen verduisterd. Slechts ééns was nog een diepe aandoening in haar wezen zichtbaar geweest; dat was toen Ti ui, â teneinde Marie uit den toestand van inwendige verstijving te wekken, â haar vroeg, of Marie geheel en al haar ongelukkigen geliefde had vergeten, en of zij't zich niet aantrok hoe het hem ging?
Een doodsche bleekheid bedekte bij deze vraag de teede-re, doorschijnende wangen van Marie, en een rilling voer door hare leden. âIk weet hoe 't hem gaat,quot; zeide zij dof, terwijl zij haar van smart trillend gelaat afwendde: âik weet wat hij lijdt, want ik weet wat ik zelve lijd. Wij zijn beiden ellendig en verloren ; wij hebben beiden geen andere hoop dan den dood. Maar daartusr.chen ligt nog een woestijn, welke wij moeten doorworstelen, in hitte en stof, in storm en kou, eenzaam, zonder steun en zonder troost.âStil, Trui, zeg mij niets, zoek niet mij een ellendige hoop voor te spiegelen; ik ken mijn lot en wil het dragen. Zeg mij wat ge yan hem weet? Waar is hij ? Heeft men hem aangeklaagd? Spreek goede Trui, vrees niet; zeg mij alles!quot;
Maar misschien vreesde Marie tóch voor zich zelve; want met een haastige beweging wierp zij den batisten doek, dien zij in de hand hield, over haar hoofd en gelaat, en zat nu met bedekt hoofd, terwijl Trui sprak.
âIk weet zeer weinig van den armen, lieven heer Moritz.quot; berichtte de vrouw: âhij is sedert dien nacht niet in zijne woning teruggekeerd. Maar een paar dagen later zijn twee politiebeambten gekomen, hebben al zijne goederen en papieren verzegeld, en zijn kleederen en linnengoed medegenomen. Zijne hospita, bij wie ik een paar keeren geweest ben, wist mij volstrekt geen uitsluitsel te goven, en begreep niets van het geheimzinnige verdwijnen van den heer conrector, die anders altijd zoo'n stil, solied mensch was geweest. Ik heb ook overigens inde stad en bij de buren onderzocht; maar het schijnt, dat degeheelegeschiedenisuwerontvoering als een groot geheim bewaard is geworden, want de buren
110
weten er niets van, en over u en den heer Moritzquot; wordt niet gesproken, Zij die hem kennen, gelooven dat hij een reis doet, en 't verwondert hun volstrekt niet dat hij zonder afscheid heen is gegaan, want zij zeggen dat hij dit altoos zoo gedaan heeft. ,,Maar,quot; voer Trui zachter voort: âde heer directeur Gedicke, bij wien ik ook ben geweest, zette een zeer treurig en ernstig gezicht, toen ik hem naar den heer Moritz vroeg. âHij is verdwenen,quot; zeide hij met een zwaren zucht: âja, verdwenen is hij, en wie weet of men hem ooit zal wederzien!quot; â âHemelsche Vader!quot; riep ik: âde heer directeur meent toch niet, dat hij zich een ongeluk zou hebben toegebracht? â âNeen,quot; zei de directeur: âhij heett zich zei ven geen ongeluk toegebracht, want daarvoor is hij te veel een man van eer. Maar anderen hebben hem groot leed toegevoegd : zij hebben hem ongelukkig gemaakt voor zijn geheele leven.quot; â Alle verdere vragen waren vruchteloos. Hij wist niets meer, of wilde niets meer weten. Maar ik geloof dat mijnheer en mevrouw wel meer weten. Zij weten waar de arme heer Moritz is; want als uwe moeder van hem spreekt, noemt zij hem steeds de tuchthuisboef, en heel triomfantelijk zeide zij mij gisteren: âIn het nieuwe wetboek, dat onze Koning heeft laten maken, staat, dat degene die een onmondig meisje ontvoert en verleidt, met tien jaren tuchthuis gestraft zal worden.quot; â En toen lachte zij zóó schrikkelijk en wreed, dat mij 't hart in het lijf beefde.quot;
En terwijl zij dit zeide, keek Trui met oplettenden,onderzoekenden blik naar Marie, om den indruk gade te slaan dien hare woorden maakten; â om te zien of zij eindelijk niet weder in tranen, in klachten zou losbarsten, of de smart niet eindelijk de stijve korst, die zich om haar hart had gelegd, zou oplossen.
Maar Marie zat onbewegelijk en zwijgend; geen klacht kwam van haar lippen, geen zuchten of kermen drong uit hare borst. Een lange stilte ontstond. Toen trok Marie langzaam den doek van haar hoofd, en Trui schrikte over het bleeke, strakke aangezicht, dat er van onder te voorschijn kwam.
âMarie, mijn lieveling,quot; riep zij, op haar toesnellende en haar in haar armen sluitende: âWeen toch, jammer toch! Ach, lieve God, hij verdient het wel, dat ge om hem schreit,
Ill
want hij heeft u zoo teer bemind, üf stelt ge geen ver-,trouwen meer in uw oude Trui? Acht ge mij niet meer waardig uw verdriet met u te deelen?
Marie legde mat en zwak haar hoofd aan den boezem harer getrouwe, en een langgerekte,gillendesmartkreetwrong zich uit haar borst, een rilling doorliep hare geheele gestalte, en de bedwongen tranen vloeiden als beken langs hare wangen.
Trui sloeg plechtig hare oogen ten hemel. âIk dank U, mijn Heer en God,quot; fluisterde zij; âhaar hart is niet gestorven. Het leeft nog, want het lijdt!quot;
âJa, het lijdt,quot; zuchtte Marie; âhet lijdt doodelijke folteringen.quot;
Maar niet lang gaf zij zich over aan deze hartstochtelijke uitbarsting van haar gevoel. Spoedig droogde zij weder hare tranen, en haar trekkend, bewogen gelaat nam weder een bedaarde uitdrukking aan.
âTrui,quot; zeide zij met zwakke stem, altoos nog met het hoofd aan hare borst rustende; âTrui, ik ben zóó onuitsprekelijk ongelukkig, dat woorden het niet uitdrukken, â en tranen het niet verzachten kunnen. Zoo ik mij aan mijn smart overgaf, en mijn jammer uitklaagde, zou ik sterven en vergaan van verdriet; en dat mag toch niet zijn; want ik moet leven en wil leven, om hem te verwachten, hem te redden! Nóg weet ik niet' hoe ik dit kan;; â nóg dwarlen mijne gedachten en besluiten al? flikkerende dwaallichten in mijn binnenste. Maar ik zal mijn geest dwingen rustig te zijn, en al deze dwaallichten zullen zich vereenigen tot een enkele, gloeiende, krachtige vlam, en deze vlam zal de muren en hindernissen wegruimen en vernietigen, die hem insluiten en boeien. Hij is gevangen, ik weet het, ik voel het in mijn hart; â hij is gevangen, en ik moet leven om -hem te bevrijden. Ziet ge, dit is de èénige taak mijns levens, en ik wil haar vervullen ; en daarom moet ik mij vermannen, en sterk en hard zijn in mij zelve. Verwonder u niet. Trui, zoo ik niet meer klaag en ween, en niet spreek over mijn ongeluk. Deed ik dit, veroorloofde ik mijn smart te leven, dan zou zij mij den dood geven. Derhalve onderdruk [ik haar, want ik wil gezond worden, opdat ik voor Moritz kunne handelen en werkzaam zijn. Help mij, gij,
112
mijn eenige trouwe, en tracht mij niet te verteederen, maar help mij . te verharden, en onderdruk uwe klachten, opdat ook de mijne stom zijn. Weet echter, dat ik aan niets denk dan aan hem, en van het leven niets meer begeer dan het aan hém te wijden, hém te kunnen redden en bevrijden. En nu, mijne goede Trui, laat ons niet weder zóó te zamen spreken; want ik gevoel dat al de beradenheid, welke ik met moeite verkregen heb, door uwe en mijne tranen weder bezweken is, en ik opnieuw moet beginnen mij krachtig te maken.quot;
En zij dwong zich van af dit uur weder opnieuw om sterk te zijn, en richtte zich op aan haar eigen smart als aan een zuil die zich ten hemel verhief; leunde tegen deze zuil en ontving van haar, â zooals Briseus van de aarde, â de kracht om te leven en te handelen.
Zij kon het thans weder van zich verkrijgen haar stil dakkamertje te verlaten en naar beneden, naar de huiskamer harer ouders te gaan. Zij kon daar uren lang, rustig en stil zitten luisteren naar alle gesprekken, steeds hopende een woord op te vangen, dat haar eenige aanduiding kon geven. Maar hare ouders vermeden het, ooit aan het gesprek een opwindende wending te geven; zij waren zachter en toegevender geworden. Zelfs de generaalsvrouw had haar dochter volstrekt geene verwijten gedaan, en nooit van het verlede-ne gesproken, wijl zij vreesde Mario's genezing daardoor te belemmeren, zich daardoor van het beoogde doel te verwijderen, en het huwelijk met Ebenetreit weder onbepaald te moeten uitstellen, â Ebenstreit zelf had het tot hiertoe zorgvuldig vermeden, Marie door zijne tegenwoordigheid lastig te vallen, en telkens als men in de voorkamer de voetstappen van Marie hoorde, â die steeds tegen hetzelfde uur van haar dakkamertje kwam, â had Ebenstreit zich uit de andere deur verwijderd, om haar uiet te ontmoeten.
âWie gaat toch heen, telkens als ik binnenkom?quot; vroeg Marie op zekeren dag toen zij de huiskamer binnentrad.
De generaal hoestte van verlegenheid, en keek angstig naar zijn echtgenoote, wier oogen met een koelen, onderzoekenden blik ^op hare dochter gericht waren. De blikken van beide vrouwen ontmoetten zich, en rustten strak op elkander. Een koude, wreede glimlach gleed over de dunne, bloedlooze lippen der generaalsvrouw, want zij had in de
113
oogen barer dochter een tartende, vaste beradenheid er-lcend,en zijwist nu dat zij genezen was.
âHet is uw bruidegom, die telkens uitgaat als gij komt,quot; zeide zij: âonze lieve Ebenstreit, â voor wiens bezit wij dagelijks God meer danken; want hij is zulk een goede, edelmoedige en opofferende zoon. Onze lieve Ebenstreit vreest dat zijn aanblik u zou kunnen opwinden, en derhalve, om a te ontzien, verwijdert hij zich steeds als gij komt.quot;
âHij behoeft zich om mijnentwil niet te ontzien,quot; zei Marie kioel; âmij windt niets op, mij smart ook niets meer. Het zou immers zeer treurig zijn, zoo uwe liefdelooze en ondank-Ij are dochter u de tegenwoordigheid van uwen lieven, edel-moedigen zoon deed verliezen. Laat hem toch komen, wij behoeven toch geen notitie van elkander te nemen!quot;
Hare ouders staarden haar verwonderd aan, en toen zij reeds zweeg, luisterden zij nog naar den wegstervenden toon h-arer stem, die zoo hard en trotsch, zoo geheel vreemd voor hen geklonken had.
âZij is geheel veranderd,quot; bromde de generaal in zichzelve: â'tis alsof zij dezelfde persoon niet meer is, zoo trotsch en majestueus ziet zij er uit. Hoe schitteren hare oogen! Men zou waarachtig bang voor haar worden!quot;
Toen Marie den volgenden dag in de huiskamer kwam, was Ebenstreit er. Hij ging haar met een vroolijken glimlach tegemoet, en terwijl hij haar met teedere woorden begroette en zich over hare genezing verheugde, reikte hij haar zijn beide handen.
Zij zag het niet en gaf hem niet de hare, maar keek koud en streng in zijn glimlachendgelaatenophetbloedroodelittee-ken, dat van af het voorhoofd tot aan de kin over zijn aangezicht liep. Vervolgens verhelderde eensklaps baar gelaat, en een uitdrukking van wilden triomf vlamde in hare oogen op.
âHoe misvormd ziet ge er uit!quot; riep zij met juichende stern: âVanwaar hebt ge dit litteeken?quot;
âDat weet gij wel, Marie,quot; prevelde hij met betrokken gelaat.
âJa,quot; riep zij triomfantelijk: âJa, ik weet het.Hij heeft u gebrandmerkt, en gij zult dit teeken voor God en de menschen eeuwig op uw aangezicht dragen.quot;
âHet is zeer wreed van u mij daaraan te herinneren, Marie,quot; fluisterde hij zacht.
üühlbaoh, Dmtschland in woeling en strijd. II. 8
114
Zij lachte luid, maar het was zulk een wilde, ruwe lach, dat zelfs hare moeder ervan schrikte, â âWreed, ik wreed!quot; riep zij; âO, mijnheer, het past u wel mij van wreedheid te beschuldigen!quot;
âGenadige freule,quot; zei de oude Trui, die juist met bleek en bewogen gelaat in de kamer kwam.
âNu, wat is er Trui, wat wilt ge van mij?quot;
âGenadige freule, er is iemand die u verlangt te spreken, wijl hij u iets zeer gewichtigs heeft te zeggen.quot;
âHoe kunt ge u verstouten iemand aan te dienen, zonder dat ik er u verlof toe heb gegeven?quot; riep mevrouw von Werrig: âHoe kunt ge de onbeschaamdheid zoo ver drijven, en âquot; . '
âZwijg moeder, als ik u verzoeken mag,quot; viel Marie haar in de rede: âlaat ons hooren wie het is. Spreek, mijn lieve Trui! Wie is er?quot;
âGenadige freule,quot; zei Trui met bevende stem; âhet is de heer professor Gedicke, de directeur van het grijze klooster.quot;
Marie ontroerde, een gloeiend rood schoot over hare wangen, en zij moest zich aan een stoel vasthouden om niet'ineen te zinken.
Gij zult hem niet ontvangen,quot; riep de moeder; âik verbied het u!quot;
Plotseling zweeg zij en staarde naar de deur, die zich juist geopend had, en waarin een hooge, fiere gestalte, â een grijsaard met eerbiedwekkend voorkomen verschenen was.
âVergeving,quot; zeide hij, met bedaarde, koele waardigheid voorwaarts tredende: âvergeving dat ik, vóór uw verlof te hebben ontvangen, hier binnenkom. Maar 's Konings bevel machtigt mij er toe, en mij dunkt, daf wij ons allen aan het bevel van onzen grooten en gestrengen heer en Koning wel zonder verzet zullen moeten onderwerpen.quot;
âHoe, mijnheer, gij komt iri naam des Konings?quot; vroeg de generaal, zich met moeite oprichtende; âHeeft Zijne Majesteit u met een boodschap aan mij, generaal van Leuthen, vereerd ?quot;
âNeen, heer generaal, ik kom met een boodschap van Zijne Majesteit aan freule von Leuthen, de bruid van den heer Ebenstreit, en ik heb bevel haar die persoonlijk, alleen en zonder getuigen mede te deelen.quot;
âMijnheer de professor,quot; riep mevrouw von Werrig de
115
schouders ophalende; âgij houdt ons voor zeer onnoozel, zoo gij denkt dat wij dit dwaze verzinsel zullen gelooven, waardoor gij u een geheim gesprek met mijne dochter wilt verschalfen. O, gij zijt immers de heer directeur van het gymnasium van 't grijze klooster, en natuurlijk de vriend van den heer conrector Moritz. In diens naam wilt gij met mijne dochter spreken, en haar een geheime boodschap brengen. Zeer sluw inderdaad, zeer sluw, maar er komt niets van.quot;
Ue directeur haalde, in plaats van eenig antwoord, twee groote brieven uit zijn zak, en trad er mede naar den generaal.
âKent ge dit zegel?'' vroeg hij.
âJa, heer professor,quot; antwoordde de generaal eerbiedig: âHet is het zegel van 's Konings bijzonder kabinet.quot;
âLees het adres, heer generaal. Aan wien is deze ongeopende brief hier gericht?quot;
âWaarachtig; hij is aan mijne dochter, freule vonLeuthen, gericht.quot;
âEn deze tweede, geopende brief i' Ik verzoek u, heer generaal, zeg, aan wien is die geadresseerd?quot;
âAan den heer professor Gedicke, directeur van het gymnasium van 't grijze klooster.quot;
De professor sloeg den brief open. â âRent ge het schrift van Zijne Majesteit den Koning, heer generaal von Leuthen?quot;
âJa, heer professor; ik ken het.quot;
âWees dan zoo goed deze woorden te lezen, die hier op den rand van dit kabinetsschrijven staan,quot; zei de professor, terwijl hij het papier omvouwde, zoodat alleen de bedoelde plaats zichtbaar was.
De generaal nam het papier en las ; âProfessor Gedicke moet zelf naar de matnsel gaan, om haar tot reden te brengen. Hij moet aan freule von Leuthen zelve dit kabinetsschrijven overhandigen, en haar in't geheim en zender getuigen de les lezen. Want ik wil, dat aan deze geschiedenis een einde kome. Hij leere de mamsel Mores! Mores! Fre-derik.quot;
âGij hebt het gehoord, mijnheer en mevrouw,quot; zei de professor, het papier weder bij zich stekende, en met een trot-schen blik -om zich heenziende: âik moet in 't geheim en zonder getuigen met de freule spreken'. Koninklijk bevel! Eerbiedigt het!quot;
116
âMijn lieve schoonzoon,quot; zei de generaal plechtig: âkoninklijk bevel! Geef mij uw arm, want ge weet wel, ik ben nog altijd zwak ter been. Geleid mij naar de andere kamer. En gij, lieve vrouw, neem gij mijn anderen arm! Stil, zeg geen woord! Koninklijk bevel! Wij hebben slechts te gehoorzamen en niet te raisonneeren!quot;
Hij nam haastig den arm zijner vrouw en legde zijn hand zóó vast er op, dat zij hem niet ontsnappen kon. Toen wenkte hij Ebenstreit, en op dezen geleund en zijn vrouw met zich voorttrekkende, ging de generaal door de kamer, stiet met den voet de deur der zijkamer open, en ging daar met zijn beide begeleiders binnen.
Marie had zwijgend deze geheele onderhandeling aangehoord. Onbewegelijk, bleek en koel midden in het venrek staande, was haar voorkomen trotsch en fier, zoolang hare ouders en Ebenstreit nog aanwezig waren. Doch thans, nu de deur der zijkamer zich achter hen sloot, â thans kwam er leven en beweging in dit koude marmerbeeld, en zij ijlde op den grijsaard toe, vatte zijn hand en blikte hem met ingehouden adem in het eerwaadig, treurig aangezicht.
âLeelt hij? Beantwoord mij slechts deze vraag. Leeft hij ? Is hij niet ziek ?quot;
âJa,quot; antwoordde hij treurig: âhij leeft en is naar 't lichaam niet ziek. Maar zijn ziel lijdt en is zeer ziek.quot;
âEn de mijne niet?quot; vroeg zij met bevende stem. âO, ik weet wat hij lijdt, want wij dragen beiden hetzelfde leed. Maar zeg mij, mijnheer, hebt ge hem gezien?quot;
âJa, freule, ik heb hem gezien.quot;
âWaar is hij? Waar hebt ge hem gezien?quot;
âIn de gevangenis!quot;
Marie huiverde en trad verbleekend achteruit. De directeur vervolgde: âIn een donkeren, vochtigen kerker der kasematten van Spandau heb ik hem gezien en gesproken. Daar zit de ongelukkige sedert bijna twee maanden zonder lucht,zonder licht, zonder bezigheid, en zijn woedende wraak-gedachten en toornige liefdeklachten zijn zijn eenig gezelschap.quot;
Een dof kreunen drong zich uit de borst van Mane, en zij sloeg beide handen voor haar doodsbleek aangezicht.
âEn in dit verblijf der smart,quot; ging de directeur voort:
117
âin deze woning der verdoemden moet hij tien jaren blijven en lijden, zoo de dood hem niet verlost.quot;
âWat zegt gij?quot; kermde zij opziende: âtien jaren lang? Men heeft hem dus veroordeeld?quot;
âJa, men heeft hem veroordeeld. Hij heeft zich aan een zware misdaad schuldig gemaakt; de ontvoering van een minderjarig meisje, dat met toestemming harer ouders en van Zijne Majesteit den Koning de verloofde bruid van een ander was. Lees hier de verklaring van het gerechtshof, welke men mij heeft medegedeeld als chef van het gymnasium waarbij Moritz is aangesteld. Zie, hier is de onderteekening des Konings, die het vonnis heeft bekrachtigd en uitvoerbaar gesteld, en hier op den rand heeft de Koning eigenhandig de woorden geschreven, welke uw vader zooeven gelezen heeft.''
Zij nam het papier met bevende handen en doorliep den inhoud. â âTien jaren tuchthuisstraf,quot; stamelde zij opdoffen toon ; âom mijnentwille ! Veroordeeld tot een levenden dood! Neen, neen! Dat is onmogelijk! Dat kan niet zijn! Tien jaren! De beste jaren zijns levens! Hij in het tuchthuis! Als misdadiger veroordeeld! Het is niet mogelijk, 't Kan niet zijn! Ik wil tot den Koning! Ik wil mij aan zijne voeten werpen, hem om genade smeken! Ik ben de schuldige! Ik alleen! Mij moet hij veroordeelen, en naar het tuchthuis voeren! Ik wil 't hem 'zeggen, ik wil tot den Koning! O, hij zal, hij moet mij hooren!quot;
âHij zal u niet hooren,quot; zuchtte de grijze directeur; âhij zal u niet bij zich toelaten. Maar hoor mij, arm kind! Toen ik dit vonnis ontving, achtte ik het mijn plicht alles wat in mijn vermogen was aan te wenden, om Moritz te redden ; want ik bemin hem als een zoon, en ik had groote hoop op hem gesteld.quot;
âO, ik dank u voor deze woorden,quot; riep Marie, terwijl zij de hand van den grijsaard aan hare lippen drukte.
âIk begaf mij terstond tot den heer minister, graaf Herz-berg, en had met hem een lang onderhoud. Ingevolge zijn raad, â en toen hij mij verklaarde dat alleen de Koning genade of verzachting van straf kon verleen en, â begaf ik mij naar Breslau, waar de Koning thans zijn winterkwartier heeft opgeslagen.quot;
âEdele, grootmoedige man, ik zal er u voor beminnen zoolang ik leef! En hebt ge den Koning gesproken?quot;
118
âIk heb den Koning gesproken, en alles wat mijn hart en mijn hoofd mij ingaven gezegd tot verontschuldiging, tot rechtvaardiging van mijn jongen, ongelukkigen vriend. Maar alles was vergeefsch. De Koning was te meer verbitterd over het onwettig gedrag van mijn jongen vriend, wijl hij zelf de genade had gehad met Moritz te spreken, en hem de onmogelijkheid der vervulling zijner wenschen uiteen te zetten. Ik hield intusschen niet op met bidden en smeeken, en eindelijk gelukte het mij het edelmoedige hart des Ko-nings te vermurwen.quot;
âHeeft hij Moritz begenadigd ?quot; vroeg Marie met herlevende hoop.
âHij verklaarde, onder zekere voorwaarden te vergunnen, dat Moritz heimelijk uit zijne gevangenis mocht ontvlieden. Deze voorwaarden waren schriftelijk geformuleerd, en zoo Moritz er in bewilligde, en er zich onder eede toe verbond, zou hij niet alleen uit zijn gevangenis bevrijd, â maar ook met middelen voorzien worden om naar Engeland te gaan, en bij het Pruisische gezantschap aldaar een aanstelling als translateur verkrijgen.quot;
âEn de voorwaarden, mijnheer? O, zeg mij de voorwaarden?quot;
âDe voorwaarden zijn: Ten eerste, dat Moritz zich schriftelijk en ondereede verbinde, van elke poging en gedachte aan eene echtverbintenis met freule von Leuthen af te zien, en nooit te beproeven haar te naderen. Ten tweede, dat hij, vóór de gevangenis te verlaten, aan freule von Leuthen,â dus aan u, â een brief schrijve, waarin hij plechtig verklaart van u af te zien, en het u tot een heiligen plicht maakt de , hand van den man, â met wien de wil uwer ouders u verloofd heeft, â aan te nemen en de echtgenoote van den heer Ebenstreit von Leuthen te worden. â Dit waren de voorwaarden, en de Koning beval mij, mij naar Spandau te begeven, om persoonlijk met Moritz te onderhandelen, hem door verstandige voorstellingen te bewegen ze aan te nemen, en zich de vrijheid en een eervolle toekomst te verzekeren.''
âGij zijt dus bij Moritz geweest?'' âJa!quot; â âGij hebt hem deze voorwaarden medegedeeld?quot; â âJa!quot; â âEn hij ?quot; â âHij heeft ze afgewezen ? Met woede, met toorn en verontwaardiging afgewezen.''
âHij heeft ze afgewezen!quot; herhaalde Marie met van vreugde
119
stralend gelaat; âü, mijn dierbare Philip, ik dank u; ge bemint mij trouw en standvastig. Uw groot, heerlijk voorbeeld zal ook mij opwekken en bezielen. Ik zal standvastig zijn als gij, trouw als gij!quot;
âOngelukkig kind,quot; hernam de directeur treurig; âgij weet niet, wat ge zegt. Als gij Moritz wezenlijk bemint, kunt ge hem niet veroordeelèn, en dat doet ge, zoodra ge zijn voorbeeld volgt! Luister verder! Krachtens ontvangen bevel moest ik den Koning den uitslag van mijn onderhoud met Moritz schriftelijk berichten, en de Koning liet mij hierop door den minister von Herzberg zijn laatste besluiten mededeelen, en mij dit kabinetsschrijven ter bezorging aan u geven. Ik moet het u, zooals gij weet, persoonlijk ter hand stellen! Hier is het, lees, mijn kind, maar wees quot;hierbij indachtig, dat het minder moedig en dapper is in zijn wil te volharden, dan zich zelve te overwinnen en zijn eigen wil te breken, als't het welzijn geldt vaneen wezen dat wij beminnen, 't Moge den fantastischen zin van een jong meisje streelen, zelf de zwaarste olfers te brengen ten gevalle van den geliefde, maar als zij tot een waarachtig groote liefde in staat is, moet zij bereid zijn het zwaarste' olfer, dat der ontbering, te brengen, zoo het haar vergund is hierdoor het leven en de toekomst van hem dien zij bemint te behouden. Denk hieraan, mijn kind, en bid God dat hij u voorlichten moge tot een groot en moedig besluit! â Lees nu!quot;
Hij reikte haar den brief. Zij nam dien zwijgend, met ingehouden adem aan, verbrak het zegel en sloeg het papier open. Maar het beetde en zwaaide in hare handen, en het dwarrelde zóódanig voor hare oogen,datzij niet lezen kon.
Zij reikte met een haastige beweging aan den directeur het papier over. â âLees gij,quot; duisterde zij: âIk kan niet. Lees gij!quot;
De grijsaard nam het papier; Marie, â niet langer in staat zich staande te houden, â zonk op den grond neder en zoo, o]) hare knieën liggen, met ingehouden adem, de vlammende oogen met de uitdrukking van onuitsprekelijken angst op den voorlezer gevestigd, luisterde zij naar de woorden, die langzaam en plechtig van zijn lippen klonken.
âZijne Koninklijke Majesteit laat mademoiselle Marie von Leuthen hierbij berichten, dat Hoogstdezelve ten zeerste
120
ontevreden is over haar onbetamelijk en pliclitvergeten gedrag dat volstrekt geen eerbaar meisje, bijzonder geen adellijke freule betaamt. Zijne Majesteit beeft vroeger baren vader den adel verleend, om hem voor een heldendaad te vereeren, en Zijne Majesteit neemt het zeer kwalijk, dat de dochter den adel baars vaders schande wil aandoen, door zich niet alleen aan een passion beneden haren stand over te geven, maar zelfs de zedeloosheid zóóver te drijven, des nachts op onbetamelijke wijze het ouderlijke huis te ontvlieden met een man, die naar zijn stand beneden haar staat, en wiens vrouw zij, naar 't bevel des Konings en den wil haars vaders, nooit worden kan. Zoo Zijne Majesteit niet de vroeger bewezene diensten van haren vader eerde, en den nieuwbakken adel niet voor schande wilde bewaren, zou hij de weerspannige dochter in een verbeterhuis doen plaatsen en volgens de wet laten stratfen. Nu echter zal zij slechts aan de straf van baar geweten overgelaten blijven, terwijl de geheele zwaarte der wet en der straf haren verleider en medeplichtige, den conrector Philip Moritz, treffen zal! Hij is krachtens de wet veroordeeld tot tienjarige tuchthuisstraf, en Zijne Koninklijke Majesteit zal deze straf ook geen jaar, zelfs geen dag verminderen ; want de veroordeelde heeft een zware misdaad gepleegd, en de straf is rechtvaardig.quot;
âRechtvaardig!quot; riep Marie op luiden jammertoon, de handen wringende: âTien jaren tuchthuisstraf â rechtvaardig?quot;
De directeur las verder; âEvenwel wil Zijne Koninklijke Majesteit de halsstarrige en lichtvaardige freule nog een laatste middel doen weten, waardoor zij haar eigen eer herstellen, en tegelijkertijd den conrector Philip Moritz van zijn straf bevrijden kan. De conrector Moritz is persoonlijk aan Zijne Majesteit den Koning bekend, en uit bijzondere achting voor zijne geleerdheid en bekwaamheden wil Zijne Majesteit een laatste moyen voorslaan om hem te bevrijden, en tegelijkertijd eene geschiedenis, â die Zijne Majesteit ter wille der algemeene zedelijkheid zeer onaangenaam is,â ten einde brengen. Zoo de mademoiselle zich dus, â gelijk het een eerbaar meisje en een gehoorzame dochter betaamt, â aan den wil haars vaders onderwerpt, en onverwijld met den heer Ebenstreit huwt, om met hem een fatsoenlijk en respectabel huwelijk te leiden, zal in't zelfde uur dat haar huwelijk voltrokken wordt, de conrector Philip Moritz uit
121
zijn gevangenis ontslagen worden; en uit bizondere consideratie, â wijl de misdaad, voor welke hij veroordeeld werd, alsdan geboet is, â wil Zijne Koninklijke Majesteit den veroordeelde begenadigen,'hem zijn straf kwijtschelden en hem een ander gepaste werkkring verschaffen. Dit is in dezen Zijner Koninklijke Majesteits laatste besluit; en indien freule von Leuthen zich er niet met volkomen obéissance aan onderwerpt, zal zij haar geweten met een zware schuld bezwaren, want dan zal zij het zijn, die den conrector Moritz tot tienjarige tuchthuisstraf veroordeelt, en iedere dag van zijn verbeurd en ongelukkig leven, zal haar beschuldigen. Zijne Koninklijke Majesteit wil terstond het besluit der mademoiselle vernemen. Zoo zij aan het verstand, de moraal en de ware liefde gehoor geeft, zal zij de verklaring onderteekenen, welke de, directeur professor Gedicke gelast is haar voor te leggen. Zij zal in zijne tegenwoordigheid hare ouders kennis geven, dat zij zich gehoorzaam aan hunne bevelen onderwerpt, en in dit geval heeft Zijne Majesteit bevolen, dat de conrector Philip Moritz terstond in vrijheid gesteld worde. In tegenovergesteld geval zal hij onmiddellijk naar Brandenburg in het tuchthuis worden gevoerd om zijn straf te ondergaan. Dit, is des Konings onveranderlijke wil en bevel. In naam Zijner Majesteit den Koning uitgevaardigd, en door Hoogstdenzel-ven eigenhandig onderteekend. Frederik.quot; â
âEn nu, mijn kind,quot; ging de directeur, na een korte plechtige pauze voort; âbeslis nu! Ik weet bij dit koninklijk schrijven niets te voegen : Zoo het niet door zich zeiven tot uw hart, verstand en eer gesproken heeft, zijn alle woorden nutteloos quot;
âO God, 'tis wreed! 't Is schrikkelijk!quot; riep Marie de armen ten hemel slaande: âHij is bereid voor mij te lijden ; neen, niet voor mij, â voor onze liefde, voor den eed van trouw, dien hij mij gedaan heeft, en ik zou dien eed breken, zou trouweloos worden, zou zijn vloek op mij laden! Want hij zal mij vloeken, hij zal mij nooit vergeven, hij zal mij verachten als een trouwelooze, als een lafhartige!quot;
Zij sprong op als een leeuwin, en haar gelaat gloeide van toorn en ontzetting. âO,quot; riep zij: âhij zou misschien kunnen gelooven, dat ik mij door rijkdom, door een schitterende toekomst heb laten verleiden! âNeen, neen, ik geef mijn
122
toestemming niet! God moge genade oefenen, zoo de Koning het niet wil! Ik breek mijn eed van trouw niet. Slechts Moritz, geen ander wordt mijn echtgenoot!quot;
âOngelukkig meisje !quot; riep de grijsaard verschrikt: âwelaan, ik moet u nog het laatste zeggen. Luister! Tk weet niet of ge Moritz zoolang kent als ik; of ge bekend zijt met zijn zwaar, veelbeproefd verleden, of gij weet dat hem dit zenuwachtig, prikkelbaar en opgewonden heeft gemaakt. Er dreigt hem een gevaar, dat vreeselijker is dan gevangenschap en dood. Het ongewone leven en de vreeselijke eenzaamheid in de donkere, vochtige gevangenis, hebben in zijn geest een overspanning, een prikkelbaarheid bewerkt, die ontzettend is. Hij is aan't vrije ongedwongen leven, aan studie, aan verstandelijke bezigheden gewoon. Zoo hij in het gevangenisbuis in 't tuchthuis wol moet spinnen, zal de schande, de gevangenschap hem niet dooden, zij zal iets ergers doen, â zij zal hem krankzinnig maken!quot;
Een gillende kreet van Marie was het antwoord. â âDat is niet waar!quot; kreet zij; âdat is onmogelijk! Hij waanzinnig! Neen! Gij zegt dit slechts, om mij 'te bewegen om te doen wat gij begeert.'t Is niet waai'; zijn heldere geest zal door de zwaarste beproevingen niet verstoord worden!quot;
,;.Gij gelooft mij niet? Gij meent, dat een grijsaard die met den eenen voet reeds in 'tgraf staat, en die Moritz lief heeft, u zulk een schandelijke onwaarheid zou kunnen zeggen? Ik zweer het u bij het leven mijner kinderen, bij alles wat mij heilig is: Philip lijdt thans reeds aan een ziekelijke hersenoverspanning. Zoo hij niet spoedig aan het leven, de vrijheid, en zijne studiën wordt wedergegeven, moet hij krankzinnig worden!quot;
Thans greep zij met woeste dritt de hand des grijsaards. âHij zal niet krankzinnig worden!quot; gilde zij: âhij zal niet lijden, niet gevangen, niet in't tuchthuis begraven zijn om mijnentwil. Ik wil hem redden, ik en mijne liefde! Ik ben bereid! Ik wil alles doen wat de Koning beveelt! Ik wilâ den man huwen, dien â mijne ouders voor mij bestemmen. Maar â spreek â zal hij dan vrij, terstond vrij zijn?quot;
âTerstond, heden! Binnen drie uren reeds, mijn arm, lief kind!quot;
âVrij! En ik zal het zijn, die hem bevrijd heeft! Zeg mij, wat moet ik doen? Wat verlangt de Koning nog meer?quot;
m
âDe onderteekening van deze verklaring,quot; zei de directeur, terwijl hij uit het rescript des Konings een tweede papier nam; âzij luidt als volgt: âIk, Marie von Leu then verklaar hierbij vrijwillig en uit eigen beweging, dat ik afzie van elke andere echtverbintenis; dat ik terstond met den heer Eben-streit von Leuthen in het huwelijk wil treden, en hem een trouwe, eerbare ecbtgenoote zal zijn. Dit bevestig ik mei mijne handteekening.quot;
âGeef hier, spoedig,spoedig!quot; hijgde zij buiten adem : âik wil onderteekenen! Hij moet vrij zijn! Hij zal mei krankzinnig worden!quot;
Zij nam het papier, ijlde er mede naar de schrijftafel, greep de pen en met een enkelen, haastigen trek onderteekende zij. .Vervolgens reikte zij het den directeur over.
âHet is mijn doodvonnis,quot; zeide zij dof: âJa, mijn doodvonnis! Maar hij zal leven! Neem!quot;
âMijn kind,quot; zei de grijsaard diep bewogen: âGod zal u dit olïer toerekenen, en het zal u in uw doodsuur als een straal van het eeuwige morgenrood beschijnen! Gij hebt met dit olfer een edel, schoon menschenleven gered, en zoo Moritz aan de wetenschap, de wereld en de kunst nog diensten bewijst, zoo hij zich roem en eer verwerft, â dan heeft hij het u alleen te danken!quot;
âHij moet mij niets te danken hebben,quot; fluisterde zij: âHij moet leven, en â zoo hij 't kan, gelukkig zijn! Dat is alles wat ik begeer! Wat heb ik nu nog meer te doen ?quot;
âlij mijne tegenwoordigheid aan uwe ouders te zeggen, dat gij gereid zijt met den heer Ebenstreit te huwen, en de huislijks voltrekking nog heden, zoodra mogelijk, kan plaats hepben.quot;
âEn dan, als ik dat verklaard heb en het huwelijk is gesloten, zal hij dan vrij zijn? Zweert ge het mij ? Mijnheer, gij^zijt een oud man! Bedenk u goed. Zweert ge mij, dat, zoo ik in dit huwelijk bewillig, Philip Moritz heden nog vrij, â en aan een eervol, werkzaam leven wedergegeven wordt?quot;
âIk zweer het u bij mijne eer, bij mijn hoop op eene vergelding hiernamaals.
âIk geloot u! Open de deur en roep mijne ouders. Maar eerst â gij zijt vader, gij bemint uwe kinderen zeker. Ik heb nooit een vader gehad die mij beminde, en nooit heeft een hand zich zegenend op mijn hoofd gelegd. Ge hebt
124
gezegd, dat ge Moritz als een zoon bemint. O, bemin mij slechts één oogenblik als een dochter, en zegen mij!quot;
De grijsaard opende wijd de armen, en tranen vloeiden uit zijne oogen. âKom aan mijn hart, mijne dochter, en moge God u zegenen, zooals ik u zegen.quot;
Zij wierp zich luid snikkend in zijne armen, en zij hielden elkander lang en vast omklemd. Vervolgens richtte Marie zich haastig op,
âIk mag niet langer dralen,quot; zeide zij: âHij is gevangen, en hij moet vrij zijn. Open de deur, en laat hen binnen komen!quot;
Langzaam, met gebogen hoofd ging de grijsaard dooide kamer.
Toen de deur zich opende, toen de generaal, op Ebenstreit's arm leunende en gevolgd door zyne gade, binnentrad, ging Marie met trotsche, vaslberadene houding de binnenkomenden tegen.
âVader,quot; sprak zij langzaam en bedaard; âik ben bereid mij naar uwe wenschen te schikken. Laat den geestelijke komen; ik bewillig er in, nog heden de echtgenoote van dezen heer te worden, zoo hij mij vooral een voorwaarde wil toestaan.quot;
âEisch, mijn dierbare Marie! Zeg uwe voorwaarde! Ik ben met vreugde bereid alles te doen wat gij wilt.quot;
âIk stel de voorwaarde, dat wij nog heden een reis ondernemen, een verre reis. Naar het Oosten, naar Egypte, Palestina: een reis, die ons jaren lang van hier verwijdert. Stemt gij toe?quot;
âIn alles wat mijn dierbare Marie beveelt. Wij zullen nog heden vertrekken.quot;
âGoed,quot; zeide zij dof: âMoeder, ge kunt mij den bruidskrans in 't haar vlechten! Ik ben tot het huwelijk bereid!''
Drie uren later was in 't huis van generaal von Leuthen alles voor de trouwplechtigheid gereed. Sedert drie maanden had men immers deze gewichtige handeling tegemoet gezien, en alle maatregelen er voor genomen.
Beneden in de huiskamer hadden de decorateurs en behangers haastig een trouwaltaar opgericht, en met bloemguirlandes en festoenen van gaas en zijden stoffen, met vlaggen en standaards de wanden versierd. Mevrouw von Werrig had zich met het zware fluweelen kleed, â dat haar
125
rijke schoonzoon haar voor deze plechtigheid vereerd had, en met de gouden sieraden, die insgelijks zijn geschenken waren, getooid. â De generaal was in zijn met goud geborduurde uniform gekleed en had heden, daar de jicht hem weinig plaagde, en hem het gebruik zijner ledematen vergunde, een zeer statig voorkomen. De genoodigde getuigen begonnen zich langzamerhand in de fraai geschikte voorkamer te vereenigen. Juist hield Ebenstreit von Leuthenin een rijke, prachtige équipage, â die het huwelijksgeschenk voor zijn bruid moest zijn, â voor het huis van zijn schoonvader stil, en wekte door zijn smaakvolle met goud geborduurde kleeding, de bewondering van het talrijk bijeenge-schoolde straatpubliek.
De oude ïrui, in baar eenvoudig donker Zondagskleed, had juist bij de trap het verschijnen van den bruidegom afgewacht, en ging nu naar de bruid, om haar zijne aankomst te berichten.
Marie was in haar dakkamertje, maar hoe weinig geleek dit vroeger zoo eenvoudig, lief vertrekje op zijn gewoon voorkomen, en hoe weinig geleek de bewoonster er van op het jonge, rooskleurige, glimlachende meisje, dat er vroeger in gehuisd had, â dat ginds aan de kleine bruine tafel in de schuine venster verdieping haar jonge leerlingen lesgegeven, â of met vlijtige handen de allerliefste bloemen gefabriceerd had, welker opbrengst zij aan hare ouders tot onderhoud van de kommerlijke huishouding gaf, en vroolijk en ijverig bleef, hoewel zij nooit dank en erkentenis verwierf. Nu was deze tafel bedekt met roode marokijnen étuis, wier half open deksels fonkelende kleinoodieën vertoonden, met kant, linten en partumeriën. Prachtige zijden kleedingstuk-ken, doeken en shawls, kanten garnituren en bloemguirlandes hingen over de leuningen der stoelen, en lagen op het bed en de meubels in 't rond.
De heer Ebenstreit von Leuthen had zijne bruid tot bruidsgeschenk een waarlijk vorstelijken uitzet geschonken, en hare moeder had al deze heerlijke zaken in de kamer barer dochter uitgespreid.
Marie had zich sinds zij hare bewilliging tot het huwelijk had gegeven, zonder weerstreven aan al de schikkingen barer moeder en van haren bruidegom onderworpen. Zij had zich met het witte, met goudkant overtrokken satijnen gewaad
126
gekleed; have hals, armen en ooren met de brillanten sieraden getooid, zij had het haar trotsch in de hoogte late.n kappen en poederen, zonder slechts een enkelen blik in den grooten staanden spiegel te werpen, dien de galanterie van haren verloofde in het dakkamertje had doen plaatsen. Zij liet het toe, dat hij heur haar met den kostbaren bruidssluier van goudkant sierde, maar toen de kapper den krans van kunstrnirten van de tafel nam, om hem op de spits van het hoogt; kapsel te bevestigen, weerde zij hem heftig af.
âUw werk is volbracht, zeide zij: âden mirtenkrans zal mijne moeder zelve mij op het hoofd zetten. Ik dank u.
Toen Trui binnenkwam, stond Marie in het midden der kamer; zij hield den mirtenkrans in de hand, en hare oogen waren er met een wrokkenden, somberen blik op gevestigd.
âZijt gij daar. Trui?'' zeide zij, het hoofd langzaam omwendende, en haar stem^vas hard en ruw: ,,'t Is mij lief dat ik u nog een oogenblik alleen zie, want ik heb u nog iets te zeggen. Ik heb met â metâquot; zij bleef steken, en haar aangezicht verbleekte nog meer, maar toen schudde zij toornig het hoofd, als waren hare treurige gedachten slechts vliegen, die er om zweefden: â âik heb met mijn aanstaanden echtgenoot over u gesproken,quot; vervolgde zij haastig en heftig: âIk heb begeerd, dat gij zoolang ik leef, bij mij blijft.
Gij zult in het huis wonen, dat van nu af, als het mijne wordt beschouwd. Dadelijk na het trouwen, als ik vertrek, gaat gij daar heen. Uwe woning is gereed; gij zijt als bestuurster van het huis aangesteld, en zult er het oppertoezicht voeren, tot ik terugkom.quot;
De oude vrouw schudde treurig het hoofd. âNeen,' zeide zij : âdat is een veel te voorname post voor mij, en hiertoe deug ik volstrekt niet. Ook mag ik niet zulk een voornaam en lui leven leiden, en onzen Lieven Heer den dag ontstelen. Voor mij past het te werken en de handen te roeren.quot;
âDoe dan in het huis wat ge wilt en wat u lief is, antwoordde Marie: âmaar zeg niet, dat gij mij verlaten wilt, en ik u niet vinden zou als ik terugkom. Beloof mij. Trui, dat ge er zijt als ik kom, en gij mij dagelijks verwachten zult. Als ge neen zegt,quot; riep zij heftig: âals ook gij mij wilt verlaten, keer ik nooit terug. Beloof mij het huis te betrekken en er te blijven, tot ik terugkom.'
âNu, ik beloof het u, mijn arme Marie,quot; zuchtte Trui.
127
Marie lachte luid. âGij noemt mij arrn?quot; spotte zij: âziet ge niet hoe rijk ik ben! O, ik draag een schat aan mijn hals. 6a, beklaag mij niet Trui! Ik ben immers rijk.quot;
âMarie,quot; fluisterde de oude vrouw: âlach zoo niet. Uw lachen doet mij pijn. Ik wilde u slechts zeggen, dat de bruidegom juist gekomen is, en de predikant er ook reeds is.quot;
â't Is dus tijd. Tijd voor het trouwen der rijke, gelukkige bruid!quot; riep Marie: âGa, Trui, ik bid u, ga naar beneden en verzoek mevrouw mijne moeder hier te komen, en mij met den mirtenkrans te sieren.quot;
âLieve Marie,quot; bad Trui met bevende stem; âzal ik dit doen?quot;
âNeen,quot; riep zij achteruittredende; âNeen, niet^y! Raak dezen heilloozen krans niet aan. Ge hebt er immers geen deel aan! Roep mijne moeder! Ga! Het is tijd!quot;
Trui keerde om en ging met gebogen hoofd naar de deur.
Marie oogde haar na met een treurigen, somberen blik. Vervolgens, toen de oude vrouw over den drempel trad, riep Marie haar met zachte stem terug.
âTrui, mijn getrouwe, mijne moeder, omhels en kus mij nog eenmaal!'
De oude vrouw slaakte een kreet, en sloeg hare armen vast en teeder om den hals van Marie, en voelde op haar voorhoofd den langen gloeienden kus, waarmede Marie afscheid van haar nam.
âGa nu. Trui; wij mogen ons niet zwak maken. Gijkent mij en ziet in mijn hart! Ga nu!quot;
Trui antwoordde niet, droogde zuchtend de tranen uit hare oogen, en ging heen.
âVaarwel, Trui,quot; fluisterde Marie, haar naoogende: âmet u gaat mijn verleden, â met u gaan mijn jeugd en mijne verwachtingen heen. Wanneer de deur zich weder opent, treedt mijn toekomst binnen, en een nieuw, vreesdijk leven met haar. Wee degenen, die het mij bereid hebben; wee degenen, die mij zoo vreeselijk] veranderd hebben! Zij zullen zien, wat zij van mij gemaakt hebben.^ Zij hebben den goeden engel in mij gedood. Van nu af zal slechts de kwade demon macht over mij hebben. En hij zal mij van zonsopgang tot zonsondergang tot wraak vermanen, en deze wraak zal vreeselijk, wreed en liefdeloos zijn, evenals zij, die van mij gemaakt hebben wat ik thans ben! Wee
128
over hen! Ik zal geen medelijden hebben; ik zal mij wreken, en er zal een dag komen, dat het hun berouwen zal, den dag van heden te hebben beleefd, die mijne tranen voor eeuwig gedroogd heeft! Ik zal mij wreken! Dat zweer ik u, Moritz! Ik zal mij en u wreken!quot;
De deur opende zich, en mevrouw von Werrig ruischte naar binnen in haar prachtigen bruiloftstooi. âGe hebt mij laten roepen, mijn lieve Marie,quot; fluisterde zij.
âJa, mevrouw, ik wilde u verzoeken mij den bruidskrans op te zetten.''
âHoe?quot; vroeg de moeder glimlachend: âGe noemt mij mevrouw? Waarom zegt ge niet moeder, zoo als vroeger ?quot;
â't Is beter zoo, mevrouw,quot; antwoordde zij koel; âziehier den krans, neem hem, â en zoo ge wilt, tooi er mij mede.''
âGaarne, mijn lieve kind,quot; zei de dame; âhij is zeer fraai en zal u buitengewoon goed staan.quot;
âDunkt u ? Maar ge weet toch, wat ge doet, mevrouw ? Gij zet mij dezen krans op, om mij aan een troosteloos, ongelukkig leven te wijden, aan de zijde van een man, dien ik haat en veracht.quot;
âMijn lieve kind, ik weet dat ge dit /iecZen meent. Maar ik weet ook, dat ge van meening veranderen, â en spoedig bevinden zult, dat rijkdom een ramp is die zich laat dragen.quot;
âMevrouw,quot; riep zij met hoog opgeheven hand, en dreigend gebaar; âgij zult eens aan deze woorden denken! Dat zweer ik u. Nu zijn wij gereed, en het oiïer is bereid. Versier mij met den mirtenkrans!quot; â
V LK KD E BOEK.
DE ZICHTBAREN EN ONZICHTBAREN.
I.
DE OUDE FRITS.
De veldtocht was geëindigd, en de vijandelijke legers waren in hunne verschillende Duitsche vaderlanden teruggekeerd. Frederik de Groote had zijn doel bereikt, want Oostenrijk had het bezit van Beieren moeten opgeven, en de Vorst van Tweebruggen was plechtig door hem als de rechtmatige erfgenaam van den Keurvorst, de rechtmatige heer en bezitter van Beieren erkend. Keizer Jozef had zich met diepe smart en bitteren wrok aan den wilzijner moeder, â de regeerende Keizerin, â onderworpen, én tot den door baron Thugut bewerkten vrede zijne toestemming gegeven. Toen hij echter in zijne hoedanigheid van mederegent de vredesacte onderteekend had, wierp hij de pen misnoegd ter zijde, en een vlammenden, toornigen blik op Thugut's streng, ondoorgrondelijk gelaat slaande, riep hij : âZeg aan Hare Majesteit, dat zooeven de mederegent van mevrouw mijne moeder zijn laatste daad volbracht heeft, en dat hij abdiceert. Ik zal van af heden nog slechts de gehoorzame zoon van Mevrouw mijne moeder zijn; maar ik kan geen gehoorzame mederegent worden, die zich in alles eerbiedig aan Haalr keizerlijken wil onderwerpt. Daarom abdiceer ik^ en zal mij voortaan niet meer om de regeeringsaangelegenheden bekommeren.quot; â En de Keizer hield woord. Hij trok zich wrokkend en diep in zijn ziel gekwetst in de eenzaamheid terug, begaf Mühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. II. 9
130
zich vervolgens op reis, en liet de regeering geheel en al aan de Keizerin over.
Beieren was dus gered! Het dankte aan de waakzaamheid, schranderheid en onbaatzuchtige hulp van den grooten Koning van Pruisen zijn bestaan, en de hoogst gelukkige Keurvorst Maximiliaan zwoer, dat hij, zoowel als zijne opvolgers en erfgenamen, nooit zouden vergeten dat Beieren zijn aanzijn en bestaan eeniglijk aan Pruisen moest toeschrijven, en dat dus de dankbaarheid van het Beiersch Vorstenhuis jegens het Pruisische, nooit kon, â noch zou verzwakken.
Frederik nam dezen eed van overvloeiende dankbaarheid aan met de kalmte van een wijze, en den glimlach van een ongeloovige. Hij kende de menschen te goed, om niet te weten, wat men aan hunne eeden te hechten had; om niet te weten dat hun op den duur niets drukkender en ondragelijker schijnt dan dankbaarheid; dat deze hun spoedig tot een last wordt, welken zij tot eiken prijs van hunne gebogen schouders willen werpen, al moesten zij ook de schuldige vijanden worden van dengene, dien zij als vriend zooveel dankbaarheid gezworen hadden. â
Frederik de Groote nam dus de eeden van Beieren niet als een verzekering voor de toekomst aan, maar slechts als een afbetaling op rekening van het verledene.
âIk ben niet ten oorlog getrokken om Beieren's Vorst aan mij te verplichten,quot; zeide hij tot zijn eenigen vertrouwde, graaf Herzberg, toen deze hem op zekeren dag een nieuwen dankbrief van den Keurvorst naar Sanssouci had overgebracht: âIk wilde Duitschland slechts beschermen tegen Oostenrijks aanrandingen, en de balans in het Duitsche Rijk in evenwicht houden. Geloof mij, het Huis Oostenrijk is een gevaarlijke vijand der kleinere Duitsche Vorsten en volken, en zoo mijne opvolgers dit niet altoosin hun geheugen houden, en zij zich ooit door de vleierijen en de kattepootjes van Oostenrijk laten begoochelen, zal Oostenrijk hen op den een of anderen dag het vel over de ooren trekken, gelijk de kat met de muis doet, die zich door den reuk van het spek laat verleiden. Pruisen moet echter geen muis zijn in het Duitsche rijk ;geengebraad voor Oostenrijk, â maar hetmoet een duchtige keffer en herdershond zijn voor de lieve, geduldige kudden der Duitsche Vorsten en volken, en het moet goed acht geven dat de kudde steeds trouw bijeen blijve
134
en niemand uit het gelid trede, opdat zij niet verstrooid worde en verloren ga.quot;
.,Uwe M ajesteit heeft daar voor Duitschlands toekomst een slechte karakteristiek voorgesteld,quot; zuchtte Herzherg peinzend; âen wijl ik helaas moet toestemmen dat deze karakteristiek met scherpe en juiste trekken ontworpen is, volgt hieruit, dat het arme Duitschland nog veel strijd en tegenspoed heeft te doorstaan.quot;
âHoe meent ge dit?quot; vroeg de Koning: âWelke karakteristiek heb ik gegeven?''
âUwe Majesteit heeft Oostenrijk geteekeud als de kat, die bestendig in Duitschland op buit loert, welke zij verslinden kan. Pruisen daarentegen als de keiïer en herdershond, die de Duitsche kudde bewaakt en bij gelegenheid ook wel dengene in 'tbeen bijt, die uit het gelid wil treden. De vergelijking past, en hierin ligt de natuurlijke veete tusschen Oostenrijk en Pruisen zeer helder en duidelijk uitgesproken. De Natuur heeft kat en hond in eeuwige vijandschap tegenover elkander gesteld, en er is tusschen hen geen vergelijk te treffen, aan geene vriendschap te denken. Er mag wel somwijlen een wapenstilstand ontstaan; en dan mag de kat met de ingetrokken klauwen streelen, en de hond ophouden te blaffen en te knorren, â maar de strijd zal zich toch altoos weder hernieuwen, en zal en kan slechts eindigen met den dood van den eenen, en den triomf van den andere der beide vijanden!quot;'
âGe hebt gelijk,quot; zei de Koning, zacht met het hoofd knikkende; âer zuilen uit deze natuurlijke vijandschap nog zeer vele twisten en stormen voor Duitschland ontstaan, én veel bloed zal om hunnentwille vergoten worden. Men moet dus den blik op de toekomst vestigen, en zijn aandacht erop bepalen, om zooveel mogelijk naderend onheil af te wenden, en hooge slagboomen op te richten tegen de katte-sprongen des vijands. Ik zal er over nadenken, en op een moyen zinnen' voor Duitschlands beveiliging! Maar vooreerst, mon cher ami, heb ik met Pruisen te doen, en moet ik voor mijn land en mijn volk zorgen! De oorlog heeft aan mijne arme onderdanen veel schade berokkend. De industrie kwijnt, de welvaart is verstoord, wij moeten er aan denken nieuwe bronnen van verdiensten te openen, en degenen die ten gronde zouden zinken, hulpvaardig bijstaan. Hiertoe
132
moeten wij echter ook nieuwe bronnen van inkomsten verkrijgen en op nieuwe belastingen bedacht zijn.quot;
âSire,quot; zei Herzberg, de schouders ophalende; âde belastingen zijn helaas alle reeds zóó hoog opgevoerd, dat het moeielijk zal zijn nog nieuwe of hoogere te heffen.quot;
âHierin bedriegt ge u ten zeerste,quot; riep de Koning levendig ; âEr zijn nog zaken, die volstrekt niet belast zijn, en op deze wil ik belasting leggen, en kundige lieden laten komen, die voor mijn land een regie zullen inrichten. Ik wil bepaald niet, dat de arme menschen nog meer belasting zullen betalen dan zij reeds doen, en het brood en meel, en het vleesch en bier zullen niet belast worden, want dit zijn de voedingsmiddelen der armen. Maar de tabak, de koffie en thee, en dergelijke zaken moeten een hooge belasting betalen. Want zie, dat is overvloedig tuig, en de armen gebruiken het niet, maar alleen de welgestelden en rijken. Wie tabak rooken en koffie en thee drinken wil, kan het betalen, en moet er voor betalen dat hij een lekkerbek is!quot;
âVergeef mij, maar juist deze belastingen zullen groote misnoegdheid verwekken,quot; antwoordde Herzberg: âUwe Majesteit weet immers, dat de koffiebelasting door de geheele wereld gelaakt en gecritiseerd wordt, en dat juist de armen er het meest over morren. Want de koffie is, â in weerwil van allen tegenstand der regeering,âsteeds meer en meer een voedingsmiddel en verkwikking voor de arme en geringe menschen geworden.quot;
âEn ik wil hen leeren er zich van te onthouden !quot; riep de Koning, terwijl hij heftig met zijn krukstok op de voor hem staande tafel sloeg: âIk zal niet dulden dat zooveel geld buiten 't land gaat voor dit afschuwelijk brouwsel. De menschen moeten weder leeren, in plaats van de infame kofiie, biersoep te gebruiken, zooals ik zelfs nog als jong mensch heb moeten doen! En wat voor den Kroonprins van Pruisen goed genoeg was, zal dit ook heden nog wel voor de Pruisische onderdanen zijn. Ik zeg 'tu Herzberg; ik wil mijn volk leeren óf zijn goede vaderlandsche biersoep weder te eten, óf den slechten buitenlandschen drank met een zware belasting te betalen. Nu, en dan willen wij eens zien, wie ten laatste overwinnaar blijft: de Pruisische biersoep of de buitenlandsche koffie!quot;
133
âSire, 't is mogelijk dat de biersoep op de armoede en de hooge belasting de overwinning behaalt; â maar in allen geval zal het volk ontevreden zijn, en tegen Uwe Majesteit morren.quot;
,,Meent ge, dat ik daar iets om geef?quot; vroeg de Koning met een haastigen, vurigen blik op het kalme, ernstige gelaat van zijn vertrouwde: âMeent ge, dat mij iets aan de goedkeuring van het volk gelegen is, of dat ik mij aan zijn morren stoor? Zie, Herzberg; ik stoor mij aan het juichen en het brommen even weinig, als ik mij aan de vlieg stoor die in mijn kamer gonst en bromt. Als zij zich verstout mij op den neus te vliegen, â welnu dan jaag ik haar weg en als ik kan, geef haar bovendien een slag. Maar overigens moge zij gonzen en brommen, want anders kan zij niet; dat ligt immers zoo in haar natuur. En weet gij, Herzberg, zoo een landsvader er naar wilde hooren, of zijne onderdanen met hem tevreden zijn en hem prijzen, â nu, dan zou hij spoedig een verloren man zijn, en zelf niet meer weten wat hij wilde en moest. Want het volk is veranderlijk als de wind, en het treedt morgen onder den voet, wat het heden op de handen heett gedragen; het steenigt heden, wat het gisteren gehuldigd heeft! Spreek mij niet van het volk. Ik ken dien kinderachtigen, veranderlijken, dwazen hoop, waaruit het is samengesteld, â en ik weet dat hij verloren is, die op zijn gunst bouwt. Mij is 't volkomen onverschillig of mijn volk mij bemint of haat; ik zal tóch naar mijn beste weten en kennis mijn plicht jegens mijne onderdanen doen, zooals 'teen eerlijk, en aan zijn plicht getrouwen ambtenaar betaamt. Als de eerste en meest verantwoordelijke dienaar van mijn Staat, zal ik er steeds op bedacht zijn, zijne inkomsten te vermeerderen, zijne uitgaven te verminderen, den rijken zooveel mogelijk belastingen op te leggen, en ze den armen zooveel mogelijk te verlichten. Ziet ge, dat is mijn taak als eersten ambtenaar en dienaar van mijn staat, en ik zal haar vervullen tot aan mijnen dood!quot;
âO,quot; riep Herzberg levendig: âmocht toch geheel uw volk deze edele en verheven woorden zijns Konings kunnen hooren, en in zijn hart prenten!quot;
âWaartoe, mon scherT vroeg Frederik de schouders ophalende: âIk verlang volstrekt niet vergood te worden, en het staat mijn lieven onderdanen volkomen vrij, over mij te
134
raisonneeren, zoo zij slechts hierbij prompt betalen, en alles zijn behoorlijken en rustigen gang gaat.quot;
âEn dat doet het,quot; zei Herzberg blijmoedig: âde staatsmachine is zóó goed ingericht, dat zij ook gedurende den oorlog haar plicht gedaan heoft, en de welvaart zich spoedig weder zal herstellen.quot;
âVooral,quot; riep de Koning levendig: âals wij de kunst van den landbouw goed beoefenen. Want geloof mij, ten laatste komt alles er slechts op aan, wie 't best verstaat zijn land te bebouwen. Dit is de hoogste kunst; want zonder deze zouden er geen kooplieden, geen hovelingen, geen Koningen, geen dichters en wijsgeeren zijn. Alleen wat de aarde voortbrengt, is wezenlijke rijkdom. Wie landerijen verbetert, onbebouwd land vruchtbaar maakt, en moerassen drooglegt, die maakt de schoonste veroveringen op de barbaarsch-heid.quot;
,,En ook hij maakt veroveringen, sire,quot; zei Herzberg glimlachend; âdie de moerassen in de hersenen droogt; inde hoofden het onbebouwde land vruchtbaar mnakt, en de landerijen des geestes verbetert. Dit doet Uwe Majesteit immers óók, door overal de scholen te vermeerderen en voor het onderwijs des volks te zorgen. Ik heb, ingevolge Uwer Majesteits bevel, mij door de schoolbesturen verslag laten geven, en overal is een verheugde toeneming van scholen waar te nemen. De beschaving en verlichting zijn stijgend, en sinds onze onderwijzers het beginsel van Rousseau hebben aangenomen, heerscht er ook een meer humane geest in onze scholen.quot;
âWelk is het beginsel, dat wij aan Jean Jacques te danken hebben?quot; vroeg de Koning.
âSire, bet beginsel dat de mensch van nature goed is!quot;
âO, mon cher,quot; riep de Koning de schouders ophalende: âdie dat zegt, kent het afschuwelijke ras, waartoe wij be-hooren, al zeer weinig.quot; 1)
âUwe Majesteit geloofteer dus niet aan ?quot; vroeg Herzberg.
De Koning hief zijn groote, blauwe oogen met een peinzenden blik tot. de busten op, die op de kasten zijner bibliotheek langs de wanden stonden. Hij liet ze lang op d'Alembert, op Plato, op Homerus rusten, beschouwde ver-
1
'sKonings eigen woorden. Zie; Freuss, IV. 221.
135
volgens de buste van Voltaire met het satersgelaal, en sloeg ze toen weer langzaam neder.
âNeen,quot; zeide hij treurig; âik geloof er niet aan. De menschen zijn een slecht ras, en tóch moet men ze beminnen ; want onder de vele slechten zijn altijd eenige goeden, en hun licht straalt zóó helder en klaar, dat zij de duisternis der anderen verlichten en den nacht in dag veranderen. Ik heb op mijn levensweg veel erbarmelijks en slechts leeren kennen, maar ik heb er mij mede verzoend, wijl ik ook eenige deugd en verhevenheid,.iets edels en schoons gevonden heb, als graankorrels onder het kaf. Gy behoort tot de graankorrels, Herzberg, en vermits om den wille vanéén rechtvaardige, vele onrechtvaardigen vergeven zal worden in den hemel, w'il ik op aarde óók zoo doen, en om uwentwille den Trencks, den Schaiïgotschs,den Wallraven,den Glasows, den Dahsens, den Görnes, den Voltaires, en hoe die verraders, gifmengers en trouwioozen verder mogen heeten, reeds op aarde vergeven. Blijf gij aan mijn zijde en sta mij bij, veel kwaads te verhinderen, en een weinig goeds tot stand te brengen. Ik zal u in mijn hart er steeds ?quot;econ??cnssani( voor zijn, en hieraan moet ge u houden en dit moet ge weten, schoon ook mijn oud verweerd gelaat er somwijlen knorrig uitziet, en mijn stem ruw en verdrietig is. Ik ben een oud, grommig grijsaard, bedenk dit wel; ik verlies met eiken dag een gedeelte mijns levens, en nader steeds meer de woning, waaruit nog niemand met berichten teruggekomen is.quot;
âGod geve, dat Uwe Majesteit nog zeer verre van deze woning verwijderd is,quot; zei Herzberg diep bewogen; âGod geve het ter wille van uwe onderdanen, die zoo zeet de onvervangbare zorg en regeering van Uwe Majesteit behoeven.quot;
âEr is niemand ter wereld onvervangbaar,quot; zei de Koning het hoofd schuddende: âals ik weg ben, zal men mijn opvolger toejuichen. Nu, ik hoop dat mijne onderdanen aan hem een goeden opvolger van hun ouden, knorrigen Koning zullen hebben. Ik ben in den veldtocht zeer tevreden over hem geweest, en hij heeft zich ook later bij de diplomatieke zending naar Petersburg zeer goed gedragen. Hij heeft bewezen soldaat 'en diplomaat te zijn, en dus hoop ik, dat hij voor mijne onderdanen een goed Koning zal wezen. Herzberg, waarom antwoordt ge niet, waarom
436
slaat ge de oogen neder? Wat wilt ge met uw zwijgen zeggen ?quot;
Niets, Majesteit, zeker niets! De Kroonprins bezit een edel, grootmoedig hart, een goed verstand, maar âquot;
âNu, waarom zwijgt ge, Herzberg? Spreek uit. Wat bedoelt ge met uw: maar?quot;
âIk wil zeggen, sire, â maar de Kroonprins moet er zich voor wachten, dat hij zijn wil niet aan dien van anderen ondergeschikt maakt.quot;
âHa, gij meent, dat hij zich door matressen en gunstelingen zal laten beheerschen.quot;
âIk vrees het. Majesteit. En voorts, Uwe Majesteit weet, dat de Kroonprinsen gewoonlijk de tegenvoeters der regee-rende Vorsten zijn. Indien dus de regeerende heer een verlichte geest is, vrij van alle vooroordeelen, dan âquot;
âDan is zijn Kroonprins een duisterhng,quot; voegde de Koning er haastig bij; âdan heeft hij des te meer vooroordeelen, en zou in staat zijn zich door mannen der duisternis en mystieken te laten beheerschen. Niet waar, dat wilt ge zeggen ?quot;
Graaf Herzberg knikte. Frederik vervolgde opgewonden ; ,,Men heeft mij verhaald van een nieuwen vriend, dien de Kroonprins uit den oorlog heeft medegebracht; â vaneen vriend, die tot de Rozenkruisers en geestenbezweerders behoort, en hier voor deze bedriegerijen veel aanhangers moet vinden. Is dat waar? Heeft de Kroonprins zulk een vriend?quot;
âJa, sire, 't Is de overste von Bischofswerder, een Rozenkruiser en fanatieke geestenbezweerder, en daarbij van zeer innemende manieren. Hij heeft gewis op het zachte gemoed van den Kroonprins reeds veel macht gekregen, en zijn aanzien stijgt met den dag.quot;
,,En wat zegt de matres van den Kroonprins hiervan? Is zij jaloersch?quot;
âVan welke matres van den Kroonprins gelieft Uwe Majesteit te spreken?quot; vroeg Herzberg.
De Koning ontstelde, en als een bliksem schoot uit zijne oogen. âWat?quot; riep hij heftig: âEr is dus reeds van meerdere sprake? De Kroonprins heeft nog andere matressen buiten die Enke, die ik hem heb toegestaan?quot;
âSire, 't schijnt helaas, dat de Kroonprins geen zeer
137
getrouw hart heeft; en buitendien is 't het plan van den heer von Bischofswerder, naar ik vermoed, den Prins van eene vrouw te scheiden, die zich niet aan hem wil onderwerpen, en het zelfs waagt met de geestenbezweerders en geestenzieners te spollen, en haren invloed aan te wenden, om ook den Kroonprins er toe te brengen zich tegen hen te verzetten.quot;
âDoet dat die Enke?quot; vroeg de Koning.
âJa, dat doet zij, sire,quot; antwoordde Herzberg, terwijl de Koning opstond en langzaam, op zijn krukstok geleund, in de kamer op en neer ging: âJa, dat doet Wilhelmine Enke, en men moet bekennen dat zij zich hierbij zeer moedig en goed gedraagt. Men kan haar over 't geheel niets verwijten. Zij leidt een stil en afgezonderd leven, verlaat haar fraai huis te Gharlottenburg zeer zelden, en leeft er slechts voor de opvoeding barer kinderen en in een kring van hoogbeschaafde mannen, geleerden, dichters en kunstenaars, die wel is waar alle tot de verlichten, de zoogenaamde illuminaten behooren, en den heer Bischofswerder dus een doorn in het oog zijn. Ik heb, zooals Uwe Majesteit ziet, eenige goede berichtgevers in deze kringen, en volgens de jongste berichten welke zij mij gebracht hebben, is de kwade invloed van den heer von Bischofswerder thans zeer overwegend. Hij en zijne vrienden pogen Wilhelmine Enke in 't gemoed van den Kroonprins te schaden, en hem zijn onzedelijke betrekking met baar lot verwijt te maken, wijl zij hem eene andere minnares willen geven, die den Bozekruisers en het mysticisme is toegedaan.quot;
âDat zal niet gebeuren,quot; riep de Koning levendig; âneen, wij mogen dat niet dulden; en als men dan, helaas, reeds gedwongen is zulke abominable betrekkingen toe-le-laten, moet men ten minste trachten, van het kwade het minst kwade te kiezen. Ik zal niet dulden, dat deze vrouw, die ten minste het verstand en het hart op de rechte plaats heeft, door dezen monsieur Bischofswerder verdrongen en verstoeten wordt. Hij zal baar behouden, mon neveu, en zij moet hem meihare duivelarij zoo mogelijk de Rozenkruiserij trachten uit te drijven. Herzberg, ga jij naar den Kroonprins, en zeg hem zulks van mijnentwege; zeg hem, dat ik den Kroonprins laat bevelen âquot;
138
Hij zweeg plotseling, en staarde geheel verwonderd in Herz-berg's gelaat, waarop juist een zachte glimlach verscheen.
âWaarom lacht ge, Herzberg?quot;
âSire. ik lach niet. Zoo zich echter mijne lippen misschien onwillekeurig bewogen, kwam dit wijl ik mij met mijn dom en dwaas verstand verstoutte, de afgebroken zinsnede van Uwe Majesteit aan te vullen.quot;
quot; âZoo? En hoe verstouttet ge u mijn afgebroken zinsnede aan te vullen?quot;
âSire, Uwe Majesteit heeft gesproken: Zeg den Kroonprins dat ik hem laat bevelen, â en toen ge zweegt, voegde ik er bij: ,.dat hij Wilhelmine Enke moet beminnen en haar trouw zijn.quot; ik vraag echter om vergeving wegens mijn bévue. Ik had immers moeten weten, dat Uwe Majeeteit nooit iets zou bevelen, welks uitvoering men niet dwingen kan, en dat mijn groote Koning in zijne wijsheid beter heeft geweten dan ik: dat liefde zich niet laat gebieden, âen trouw zich niet Iaat dwingen. Sire, ik bid om vergeving voor mijne neuswijsheid, en verzoek Uwe Majesteit mij te zeggen, ivelk bevel ik den Kroonprins van mijn geliefden Koning en Heer brengen moet'?quot;
De Koning naderde den minister, en zag, met een half treurige, half teedere uitdrukking in het edele, zachte gelaat van Herzberg, en in deze schrandere bruine oogen, die zich niet voor Frederik's vlammende oogen nedersloegen. Vervolgens hief hij langzaam de hand van den krukstok op, en dreigde met den langen, mageren wijsvinger.
âHerzberg,quot; zei de Koning: âGij zijt een füou, en wilt mij mores leeren. Nu, ge hebt gelijk! De liefde laat zich niet gebieden, maar men kan haar toch misschien te hulp komen. Ge moet den Kroonprins volstrekt nie's zeggen, en hem niets bevelen. Het interieur van zijn huis moeten wij voorwaar aan hem zei ven overlaten; maar wij mogen de oogen open houden en het een weinig âbewaken. Doe gij dit dus, Herzberg; en zoo ge iets nieuws ontdekt, zeg het mij, en indien Wilhelmine Enke tegen deze infame Rozenkruisers hulp noodig heeft, â en wij het mystieke gespuis misschien met haar bijstand kunnen verpletteren, zeg het mij óók, en ik ben gaarne bereid te doen wat ik kan. Ach, Herzberg, is 't evenwel geen zeer treurige zaak, dat men zich zoo met streken en listen door de wereld moet kronkelen, om een
139
weinig goeds te bereiken, en zeer veel kwaads te verhoeden ? Ziet ge, mijn geheele leven is arbeid en moeite geweest; ik ben oud geworden vóór den tijd, en nu ik zou willen uitrusten van velerlei vermoeienissen, en gedurende een paar laatste, rustige jaren oogsten, wat ik in een lang leven gezaaid heb, nu moet ik zien dat ik op geen vruchten te hopen heb, en dat het zaad, 'twelk ik gezaaid heb, wellicht door mijn opvolger onder den voet zal worden getreden, 't Is zeer treurig dit te moeten erkennen, en de toekomst in te zien zonder vreugde en zonder troost!quot;
De Koning wendde zich om en trad naar 't venster, misschien om Herzberg den traan niet te laten zien, die in zijne oogen stond. De minister waagde het niet, het treurige zwijgen te storen; hij zag slechts met de uitdrukking van innig medegevoel naar de kleine, gebogene gestalte in den kalen rok, die aan 't venster stond. Een oneindige smart vervulde zijn hart bij dit gezicht en bij de gedachte, dat dit hoofd niet alleen door de jaren en de welverdiende lauweren gebogen was, maar veel meer door zorgen en kommer, door een hopeloos staren in de toekomst.
De Koning keerde zich weder om, en zijne oogen waren nu weder helder en klaar. â âMen moet nooit den moed verliezen,quot; zeide hij; âen even als men in den oorlog op het slagveld steeds een reservekorps achter de hand moet hebben, zoo moet men ook in het leven doen. Want de wereld is ten laatste toch slechts een groot slagveld, en het leven een aanhoudende strijd, waarbij men moedeloos en versaagd zou worden, zoo men niet als reservekorps nog de hoop in zijne ziel behield. Ik wil mij deze reserve ook niet laten ontsnappen, maar er mij liever met mijn oude jichtige handen aan vastklemmen. Mon ami, ik wil mij houden aan de hoop. Gij hebt het zelf gezegd, en ik heb het ook als waar bevonden: de Kroonprins is een goed en braaf mensch, en heeft een degelijk gezond verstand. Misschien gelukt het nog, hem van den dwaalweg, waarop zijn jeugd, zijne lichtzinnigheid en de raad van slechte vrienden hem gevoerd hebben, terug te brengen. Beproeven wij het met alle middelen van goedheid en vriendelijkheid; want deze, geloof ik, werken het meest op hem. Versmaden wij het zelfs niet, deze vrouw, deze Wilhelmine
140
Enke te ondersteunen en te souteneeren, zooveel het met onze eer bestaanbaar is. Als de Kroonprins nu eenmaal een matres moet hebben, is deze altoos nog beter dan iedere andere, en wij willen haar aanmoedigen en beschermen. Buitendien moet men achter de onweerswolken altoos naaide sterren uitzien, en 't is mij alsof ik geheel op den achtergrond aan Pruisens toekomstigen hemel een ster zie opkomen, die belooft, na verloop van jaren een zeer helder licht te zullen verspreiden. Gelooft ge óók niet, dat de kleine Prins Frederik Wilhelm zulk een opkomende ster is?''
âJa, Majesteit,quot; antwoordde Herzberg verheugd ; âja, dat meen ik gewis. De kleine Prins is een heerlijke knaap; eenvoudig en onschuldig'van hart, daarbij van een helder en krachtig verstand, bescheiden en zonder aanmatiging.quot;
âNu, ziet ge wel,quot; riep de Koning zichtbaar opgeruimd; âdaar hebben wij dus een ster achter de wolken, en wij willen ons best doen dat zij ook niet verduisterd worde. Ik wil den Prins vaker zien. Hij moet mij alle maanden een bezoek brengen. Zijn gouverneurs en onderwijzers moeten mij alle drie maanden verslag over hem uitbrengen. Wij willen hem tot een goeden, toekomstigen Koning vormen, en over ^ijne opvoeding waken. Ja, en wij willen ook over ons zeiven waken, dat wij niet kleinmoedig, dwaas en verdrietig worden, en niet aan 't leven vertwijfelen. Ik ben thans mijn laatste lustrum ingetreden. Stil, spreek het niet tegen, maar geloof mij! Mijn lichaam is versleten, mijn geest begint te verstompen, â en hoezeer ik nog leef en mij beweeg, heb ik tóch reeds een goed deel van mij zeiven begraven. Zie slechts, hier in deze kamer alleen bevinden zich twee doodkisten, waarin de beste gedeelten van mijn verleden begraven zijn. Zie maar eens om. Ziet gij ze?quot;
âNeen,quot; zei Herzberg, terwijl hij zijn blik langzaam langs de wanden der bibliotheek liet glijden, hem op kasten en tafels liet rusten, en eindelijk op de, in't midden der kamer staande schrijftafel vestigde: âNeen, ik zie geen doodkisten !quot;
âZie daarheen, ginds naar de tafel bij het venster. Wat ziet ge daar?quot;
âMajesteit, op de tafel staat een instrumentkistje, en daarnevens ligt een degenschede.quot;
âDat zijn de beide doodkisten van mijn verleden, Herzberg.
441
In het instrumentkistje ligt mijn fluit begraven, dat wil zeggen; de jeugd, de poëzie, de liefde en de kunst. In de degenscheede ligt mijn degen begraven, dat wil zeggen : mijn mannelijke leeftijd, mijn werkkracht, mijne lauweren en mijn roem. Ik zal nooit meer de fluit blazen, ik zal nooit meer het zwaard opheffen! Het is voorbij! Voorbij!quot;
âMaar tóch blijft den grooten Koning nog een nieuw, groot werk te voltooien!quot; riep Herzherg levendig: âDe jeugd is vervlogen, de krijgszangen zijn verdoofd. Maar de poëet, de held zal zich herscheppen, in den wetgever. â Sire, gij hebt Pi'uisen groot en sterk naar buiten gemaakt, thans rest u nog iets grooters te doen. Gij moet het groot en'sterk maken van binnen. Gij hebt het nieuwe provinciën gegeven, geef het thans een nieuw wetboek. Gij wilt niet meer strijden met het heldenzwaard. Dat Uwe Majesteit nu het zwaard der gerechtigheid en der wet opheffe boven de hoofden barer onderdanen!quot;
âJa, dat wil ik,quot; riep de Koning met opvlammenden blik : âGij bebt mij goed verstaan en begrepen, en hebt erkend wat mij alleen nog waardigschijnt-te willen, en te volbrengen. Ik wil mijn volk een nieuw wetboek geven ; een recht voor hoog en laag, voor voornaam en gering; en de armste en de rijkste daarnaar gevonnisd worden. De grootkanselier von Carmer moet er dadelijk aan beginnen,? en een ontwerp voor een rechterlijke hervorming bewerken. Gij zult hem hierbij behulpzaam zijn, Herzberg. Dat zulk een rechterlijke hervorming noodzakelijk is, hebben wij nog onlangs weder gezien bij gelegenheid van het proces-Arnold ; toen de infame rechters den voorname ook weder gelijk wilden geven, en den armen man veroordeelen. Ge zult moeten toestemmen dat het zoo is, en de rechters een schandelijk vonnis hebben geveld, toen zij den armen molenaar Arnold ongelijk gaven tegen den rijken graaf Schmettau, die het water van den molenaar afstuwt, waarmede hij zijn molen drijft? Hoe kunnen de rechters den graaf gelijk geven tegen den armen man, daar het toch duidelijk is, dat hij ongelijk heeft?quot;
âMajesteit, ik verzoek vergeving. Maar ik geloof, dat de rechters naar de letter der wet gevonnisd hebben, en â
âDan moet deze letter uitgeschrapt, â en deze wet vernietigd worden,quot; viel de Koning hem in de rede: âer mogen
142
geen onrechtvaardige en onbillijke wetten zijn. Daarom heb ik de rechterlijke uitspraak gecasseerd, de hardnekkige kerels naar de vesting gezonden, den armen molenaar aan zijn recht geholpen, en den hoogmoedigen kerel, den grootkanselier Fürst, afgezet. Ik had dit reeds sinds jaren besloten; want ik wist dat hij een neuswijze mosjeu was, die arme lieden steeds vergeefs liet antichambreeren, maar met het voornaam gespuis steeds zeer lief was, en zich döor hen het hof liet maken. Ik had er reeds lang mijn aandacht op gevestigd, en wachtte slechts op eene gelegenheid om zijn hoogmoedig hoofd te buigen. Nu bood zij zich aan, en ik maakte er gebruik van, voild tout. Het zal, hoop ik, een goed voorbeeld zijn voor alle rechterlijke colléges. Zij zullen zich nu herinneren dat de minste boer en bedelaar even goed een mensch is als de Koning, en hem even goed recht moet verleend worden. Hiernaar moeten zij oordeelen en vonnissen, en zoo zij dit niet doen, zullen zij met mij te doen hebben. Want zie, een rechterlijk college dat ongerechtigheden pleegt is gevaarlijker en slechter dan een rooverbende; want voor dezen kan men zich wachten, maar voor schelmen, die den mantel der justitie gebruiken om hunne booze driften te bevredigen, voor hen kan niemand zich wachten; zij zijn erger dan de grootste spitsboeven die in de wereld zijn, en verdienen een dubbele straf. Daarom heb ik de onrechtvaardige rechters afgezet en naar de vesting te Spandau gezonden, waaraan alle anderen een voorbeeld moeten nemen.quot; 1)
âIn elk geval behoort dit proces van den molenaar Arnold tot de wereldgeschiedenis,quot; zei Herzberg nadenkend: âna eeuwen nog zullen de rechtsgeleerden er van spreken, de armen en verdrukten het zich herinneren, en de gedachtenis van den grooten Koning zegenen, die ook voor de armen en de boeren het hemelrijk der gerechtigheid een even wijde poort wilde openen als voor de rijken en adel-lijken. En deze poort zal het nieuwe wetboek zijn, 'twelk Uwe Majesteit aan zijn volk wil geven, en dat boven de kronen van goud en lauweren, uw hoofd zal omstralen met den glans der burgerkroon, wier juweelen do dankbare tranen uws volks zullen zijn!quot;
âMoge het zoo zijn,quot; zei Frederik plechtig: âMaar zeg
1
's Konings eigen woorden. Zie Prenss: Friedrich der Grosse, IV.
143
mij nu, weet ge wel welke datum het heden is, Herzberg ?quot;
âSire het is de dertigste Mei.quot;
âJa, barbaar. Het is de dertigste Mei! Dat wil zeggen ; het is de sterfdag van Voltaire, en nadat ik twee jaren lang met de Katholieken getwist en gestreden heb, heb ik tóch mijn wil doorgezet, en Voltaire zal nu eindelijk te Berlijn de eer bewezen worden, welke de geestelijken in zijn vaderland den onsterfelijken dichter geweigerd hebben. Op den dag van heden,âjuist op Voltaire's sterfuur, â wordt te Berlijn in de katholieke kerken een lijkdienst voor Voltaire gehouden, om zijn onsterfelijke ziel uit het vagevuur te verlossen. â Nu, nu, zet niet zulk een grommig gezicht. Ik bob eigenlijk geen begrip van een onsterfelijke ziel, en als hij er eene had, geloof ik niét, dat er menschen zijn, die haar het eeuwige leven kunnen bezorgen. Maar daar zij weigerden voor Voltaire een lijkdienst te verrichten en ik er op sta hem hoog te verheffen, daarom heb ik mijn wil weten door te drijven om den grooten dichter een laatste hulde te brengen. En dit geschiedt nu heden namiddag te vier ure in Berlijn. Bijd dus nu heen, Herzberg; woon dezen dienst bij, en verhaal mij morgen hoe het afgeloopen is, en of er veel en aandachtig gebeden is en de geur van den wierook op de gemoederen gunstig gewerkt heeft. Adieu, Herzberg, au rev oir op morgen!quot;
En terwijl de Koning met een vriendelijken handwenk zijn vertrouwden minister ontsloeg, begaf hij zich door de kleine gang naar zijn kabinet, liet de staatsraden komen en arbeidde een uur met bon. Tegen den tijd van het diné verschenen eenige generaals, â oude verweerde gestalten met gebogen ruggen, gerimpelde aangezichten en dolfe oogen. Herinneringen aan jaren van roem en overwinning; herinneringen aan het verledene, dat nog slechts door grafteekenen in het tegenwoordige leefde. De Koning knikte hen vriendelijk toe, maar bleef gedurende den ge-heelen maaltijd stil en zwijgend, en liet slechts somwijlen uit beleefdheid een onverschillige vraag hooren, welke eerbiedig en vervelend door een der oude generaals beantwoord werd. En als dan de harde, grommige geluiden in de hooge ronde zaal klonken, scheen het alsof zij in dit hooge vertrek de geesten der herinnering opwekten, en de echo van vervlogen dagen weder in Frederik's hart wakker riepen. Hij
144
hief dan wel de oogen op naar de zoldering, waar in bont vroolijk kleurenspel Arnoretten uit de wolken schouwden, en sierlijke Faamfiguren uit lange bazuinen den roem der onstf.rfelijken bliezen. Het waren nog dezelfde Arnoretten, die eertijds uit de wolken nederlonkten, toen hier beneden in de zaal de halfronde tafel stond, waaraan de jonge Koning met schitterend aangezicht zat in den kring der vrienden, in den kring van lord Marshal, Voltaire, d'Argens, Algarotti, la Mettrie en Keith. De Arnoretten waren heden nog even frisch als toenmaals en de godinnen hadden de bazuinen nog niet van beur lippen genomen. Maar waar waren al dezen vrienden van de vroolijke ronde tafel ? Wat was van hen geworden? Stof, niets dan stof! Allen nedergezonken in ontbinding en nacht. Vervlogen hun scherts en poëzie. Stof, alles slechts stof! â
De Koning hief zwijgend zijn glas met den goudbruinen Tokayer omhoog, richtte den blik op de wolken en de Amoretten, en bracht zijne vrienden een doodenoffer, terwijl hij eerbiedig en stil zijn glas ledigde. Vervolgens wierp hij met een heftige, verachtelijke beweging het ledige glas over zijn schouder achter zich, zoodat het rinkelend in duizend stukken op den vloer kletterde. De oude generaals, â die bij het dessert in een lichten namiddagsluimer waren gevallen, â schrikten op en zagen woest om zich heen alsof zij meenden dat de vijand aanrukte. Alkmene kroop van onder den stoel des Konings te voorschijn, en besnuffelde met haar langen, sierlijken snuit voorzichtig de glinsterende glasscherven, terwijl de lakei zich bukte, om ze zorgvuldig van den grond op te nemen.
De Koning stond op, gaf met een vriendelijken groet den ouden generaals hun afscheid, nam zijn krukstok en wenkte er haastig mede naar de groote vleugeldeuren, die naar buiten in den tuin voerden.
De lakeien snelden hem vooruit, openden haastig de deuren, en plaatsten zich in militaire houding aan weerszijden. Frederik ging gebukt naar buiten, daalde langzaam de beide treden af, die naar het bovenste terras voerden, en wenkte den lakeien de deuren achter hem te sluiten.
Nu was hij alleen. Slechts de hazewindhond huppelde vroolijk om hem heen, sprong blaffend voor hem uit, kwam dan kwispelstaartend weder tot zijn meester terug, die lang-
145
zaam langs don rand van bet terras, â dat hij vroeger met zijne vrienden op en af was gegaan, â voorttrad.' Thans bleef hii staan voor de breede trap, die van terras tot terras naar beneden voerde, en aanschouwde met peinzenden, diep-ernstigen blik de ledige, eenzame trap en zag, misschien in den geest, lieve, welbekende gestalten eropzweven, en begroette ze met een blik van onuitsprekelijke liefde en droefheid, dien bij nu langzaam van de trap ophief naar den hemel, als wilde hij daar degenen vinden, welke bij hier beneden vruchteloos zocht.
âZiet ge mij werkelijk, mijne vrienden?quot; vroeg hij met zachte, treurige stem ; âZiet ge op mij neder en verwondert u, dat ge hier, waar ge vroeger een vroolijk, lachend man hebt gezien, thans een gekromd, gebogen iets vindt, â een grijsaard, die schier verstijfd is; die koud en flegmatisch bijna altijd zwijgt, en als hij spreekt slechts geeuwen veroorzaakt. Ach, waar zijn die scboone dagen der lente, toen wij de gesprekken kruidden met Attisch zout, en scherts ons van de lippen dartelde, evenals wij in moedigen, jeugdigen lust door het leven dartelden? Thans, in plaats van den dans, strompel ik op mijn krukstok voort; verwelkt is het lichaam en mat de ziel. O, schrikbarende verandering, beillooze grijsheid! Wat baat het mij nu, dat ik een Koning ben! Ik heb menigen slag gewonnen, en word nu toch door den ouderdom en den dood overwonnen, en ben nu tóch alleen !'! 1)
Een windvlaag ruisebte door de boomen aan weerszijden van het terras, en streelde zacht de wangen des Konings, als waren het geestenhanden, die ze teeder en liefkozend beroerden. Bloemengeur steeg van de terrassen op, en beneden ruisebte de waterval, en liet murmelend de zilverdroppels der omhoog schietende stralen weder neervallen in het groote marmeren hekken. De fraaie, blanke mar-mergroepen er om heen, blonken in den gouden zonneschijn, en in het donkere loof der boomen kweelden en jubelden de vroolijke zomervogels.
Eensklaps werd dit liefelijk gedruisch der Natuur door den luiden galm eener klok afgebroken. De wind droeg den klank over van de kerken te Potsdam, en al deze
1) 's Konings eigen woorden. Zie Oeuvres posthumes, X, 100. Uühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. II. 10
146
metalen tongen verkondigden den Koning het vierde uur ! Het sterfuur van Voltaire! â
Hij dacht er aan, keerde langzaam om, ging langs het terras naar het rozenpriëel aan het einde van het huis, naar den vriendschapstempel, waarin de buste zijner overledene, geliefde zuster Frederike was geplaatst.
Daar zette hij zich dicht bij den ingang neder, en luisterde naar de gonzende stemmen der klokken, en dacht er aan, dat thans te Berlijn de lijkdienst voor Voltaire een aanvang nam.
De godsdienst der herinnering! Het gebed voor de onsterfelijke ziel! En terwijl hij, de eenzame Koning, daar zoo gebogen en stil ter neder zat, luidde een zonderling klinken en zingen door zijn ziel, en als een plechtig gebed en heilige doodmis weergalmde het in zijn binnenste.
Hij wist het nauwelijks zelf; â boog zijn hoofd dieper, en schreef met den krukstok letters in het zand aan zijne voeten.
Niemand zag ze, alleen de blauwe hemel schouwde er op neder, en de windhond volgde met nieuwsgierige schrandere oogen de strepen in het zand.
Aan den lijkdienst te Berlijn, aan het gebed voor Voltaire's onsterfelijke ziel denkende, schreef de hand des Konings in het zand, het woord der verborgenheid en der openbaring, het woord der verkondiging en der hoop, het woord: âOnsterfelgkheid!quot;
Toen rustte de hand, en het hoofd met den driekanten hoed leunde achterover tegen het ijzeren hek van het prieel. De wind ruischte nog steeds hoog in de boomen, en droeg de bloemengeuren door de lucht. Een zoete stilte heerschte rondom, en zachter zongen de vogels, als wilden zij den Koning niet wekken, die slapend in het prieel bij het marmerbeeld zat, met den windhond op zijn schoot, en in het zand aan zijne voeten het woord; âOosterfelgkheid.quot; â
147
II.
GAGLIÃSTRO'S TERUGKOMST.
Wilhelmina Enke woonde nog steeds in haar lusthuis te Gharlottenburg. Zij was nog altoos de âongehuwdequot;' dochter van den hoboïst; nog altoos de geliefde en vriendin van den Kroonprins, zooals zij voor twee jaren was geweest, toen deze haar vóór den Beierschen veldtocht, dit huis en dezen tuin geschonken had. Niets was in haar uiterlijke omstandigheden veranderd; haar loven had zich even gelijkmatig en rustig voortgesponnen, en uiterlijk geen verandering ondergaan.
Alleen op Wilhelmine's vroeger zoo frisch en fraai aangezicht was een kleine verandering ontstaan. Hare wangen hadden niet meer volkomen dien fraaien,jeugdigen blos; het lachje op haar purperen lippen was niet meer zoo geheel overmoedig en stout, en hare oogen hadden iets van hun schitterend vuur verloren.
Dat kwam, wijl Wilhelmine soms verdriet had gehad, en zich soms bekommerd had. Dit was de eenige verandering, die haar, sedert zij te Gharlottenburg haar fraai huis bewoonde, getrolfen had. Zij had in den gouden beker, diende liefde van den prins aan bare lippen had gedrukt, ook eenige alsemdroppels geproefd, en de bitterheid ervan wilde hare, aan de zoetheid des levens gewone lippen weinig bevallen.
Zij had ook heden weder eenige van deze biltere druppels geproefd, want de Kroonprins, die heden bij haar aan 't diné verwacht was, had haarjuisldoor een koerier uit Berlijn laten berichten, dat hij verhinderd was, â en niet voor morgen te Gharlottenburg komen zou.
Hij had haar dat in een zeer vriendelijk, maar zeer la-conisch, eigenhandig briefje gemeld, en terwijl Wilhelmine nu in de eenzaamste en donkerste allee aan het einde van haren tuin heen en weder ging, las zij dit briefje nogmaals, onderzocht ieder woord en vorschte in elk naar een verborgen zin.
âDat hebben zij weder bewerkt,quot; fluisterde zij vervolgens, terwijl zij vergramd het papier in kleine stukjes scheurde, en deze weg wierp, zoodat ze als kleine vlinders op de
148
struiken bleven hangen. â âJa, dat is weder hun werk! Zij beproeven alles otn hem van mij af te trekken, en hem meer en meer in hunne macht te krijgen. En het zal hun gelukken ; want ze zijn met hun tweeën en vinden ondersteuning bij de Prinses, terwijl ik alléén ben, en niemand mij ondersteunt. Ik ben alléén, geheel alléén!quot;
âWanneer ge alleen zijt, is dit zekerlijk uwe schuld,quot; sprak een ernstige, plechtige stem, en een hooge mannenge-stalte kwam uit het houtgewas, dat de achterzijde van den tuin begrensde te voorschijn.
âGagliostro!quot; riep Wilhelmine verschrikt terugwijkende: âMijn God, 'tis Gagliostro!quot;
âWaarom schrikt ge voor mij, mijn dochter?quot; vroeg hij zacht: âWaarom wijkt ge voor mij terug en slaat de oogen neder ?quot;
âIk wist niet, dat gij hier waart,quot; stamelde zij verlegen; âik waande u nog altijd in Koerland.quot;
âEn wijl ge mij verre geloofdet, vergat gij uwen eed,quot; zeide hij streng; âvergat den heiligen eed, dien ge den onzichtbaren gezworen hebt; vergat de bezworene plichten. O, mijn dochter, mijn dochter, de onzichtbaren weenen smartelijke tranen over u!quot;
âIk zou zeer nieuwsgierig zijn deze tranen te zien,'' zei Wilhelmine, die thans volkomen hare beradenheid herkregen : had âmeent ge, mijnheer de Magus, dat eenige dezer tranen zich ook in de oogen van den overste von Bischofswerder en van zijnen intimus, den heer rekenings-raad Wöllner, zouden bevinden ? Meent ge, dat ook deze over mij weenen ?quot;
âZij behooren niet tot de onzichtbaren, maar tot de zichtbaren,quot; antwoordde Gagliostro ernstig ; âmaar hunne zielen zijn trouw en verkleefd, en daarom moeten ook zij weenen over deongelukkige, die haren eed vergat en haar woord brak.quot;
âVergun mij dan u te zeggen dat ik voor deze tranen bedank,quot; riep zij heftig; âja, dat ik er om lach, als deze huichelaars en mystieken over mij weenen.quot;
âMijn dochter,'' zei Gagliostro smartelijk; âwelke woorden zijn dat, en hoe zonderling veranderd vind ik u! Ik stijg juist uit de reiskoets, die mij uit het verre Noorden hierheen heeft gebracht. Mijn eerste gang, vóór ik nog iemand heb gezien, â is tot u van wie ik hoopte met een vroolijken
149
liefdegroet ontvangen te worden; â en wat verneem ik in plaats hiervan? Harde woorden vol hoon en spot, vol ongehoorzaamheid tegen de onzichtbare vaders, welken ge echter trouw en onderwerping beloofd hebt.quot;
âGij hebt er mij toe gedwongen!quot; riep zij haastig: âIn mijn eigen huis hebt ge mij overvallen, en mij genoodzaakt deel te nemen aan uwe mystieke vergaderingen.quot;
âMen moet, als men de menschen bemint, hen zelfs tot hun geluk dwingen,quot; zei Cagliostro plechtig: âWij hadden in u een der geroepenen, der groote geesten erkend, die waardig zijn het licht te aanschouwen, en zich te koesteren in de stralen der kennis. Derhalve namen wij u op in 't verbond der geesten, en âquot;
âEn deedt mij groote beloften,quot; viel zij hem heftig in de rede; âbeloften, van welke inmiddels geen enkele vervuld is. Waar is de grafelijke kroon, welke gij mij beloofd hebt? Waar is de macht en het aanzien, de eer en de waardigheid, welke ge mij hebt toegezegd?quot;
âWaar zijn de daden, welke gij beloofd hebt, waar de bewijzen uwer trouw en verknochtheid?quot; vroeg hij met toornige' stem; âOngelukkige, gij waagt het, u te verheffen tegen het machtig verbond? Uw kortzichtig verstand meent met hèn te kunnen spotten, wier waakzaam oog u bespiedt, en ziet dat ge op een slechten weg zijt! Hoed u, Wilhelrnine Enke, hoed u! Heden kom ik om u te waarschuwen, maar als ik weder voor u verschijn, zal ik komen om u te straffen. Keer dus terug; keer terug, terwijl het nog tijd is! Dien de onzichtbare vaderen trouw en gehoorzaam; onderwerp uwen wil aan den hunne, zooals ge beloofd hebt met een heiligen eed! De toegezegde belooning zal dan niet uitblijven, en Wilhelrnine Enke zal een grafelijke, een vorstelijke kroon op haar fraai hoofd dragen, en de machtigsten en grootsten zullen zich voor haar buigen. Wilhelrnine Enke, de onzichtbare vaderen zenden mij tot u, en verlangen van u berouw en bekeering. Gij verkeert in vriendschap en goedheid met de ergste vijanden van het heilige verbond der Rozenkruisers. Leden, ja zelfs hoofden en voorvechters der Illuminaten zijn in uw huis welkome gasten.quot;
âWaarom zouden zij niet?quot; vroeg zij glimlachend: âDeze lieden zijn levendig en vroolijk van geest; zij doen zich
150
niet geheimzinnig voor, en leggen ons niet op de pijnbank met hun mysticisme. Zij beoogen slechts één doel, één groot en heerlijk doel: zij willen de geesten bevrijden van de banden van bijgeloof en huichelarij. Zij willen met open vizier de huichelaars en bedriegers tegemoettreden die de menschen dom en in geestesslavernij houden, opdatzij dienstbaar aan hunne oogmerken, en de slaven van hunnen wil worden. Zij noemen zich Illuminaten, wijl zij zich voorgenomen hebben met een straal der kennis de hoofden te verlichten, welke de Rozenkruisers verduisterd, en met mystieke nevelen gevuld hebben.quot;
âRampzalige,quot; riep Cagliostro dreigend; âdat waagt ge mij te zeggen?quot;
âJa,quot; zeide zij, hem met hare groote, bruine oogen moedig en vast in het toornige gelaat ziende: âJa, dat waag ik u te zeggen, en ik moet u tevens doen opmerken, dat wij ons hier niet in een mystieke Rozenkruisers-vergadering bevinden, en uwe gemeenzaamheid hier dus niet past. Ja, ik waag het u te zeggen, dat ik tot de vrienden der Illuminaten behoor, dat ik met vrijmetselaars en vrijgeesten verkeer. Zij hebben mij wel is waar geen grafelijke kroon, geen eer en waardigheden beloofd, â maar zij hebben mij geschonken wat ze mij niet beloofd hadden: ze hebben mij geamuseerd; zij hebben de verveling uit dit huis verdreven, ze hebben in plaats van het mysticisme de poëzie, in plaats van de onzichtbare machtige orde, den zichtbaren Griekschen tempel hier gebracht. Het is mogelijk, dat mijn leven niet godzalig genoemd kan worden, maar het is ten minste een van goden zalig, en dit is althans reeds iets in deze vervelende wereld.quot;
âIk zie u aan en sta verbaasd,quot; zei Cagliostro; âwantik lees op uw gelaat dat de duivel macht op u gekregen heeft, en uit u spreekt met den vermetelen overmoed der zonde. Ongelukkig kind, smoor den vermetelen toon uwer woorden, opdat de onzichtbare vaderen ze niet vernemen, en u niet verpletteren met den dondersteen van hunnen toorn!quot;
âIk veroorloof mij u te zeggen, dat ik zulke donder-steenen volstrekt niet vrees,quot; zeide zij luid lachend: âwij zijn hier in Pruisen, waar de Rozenkruisersverduistering nog niet het licht heeft kunnen verdrijven, en waar de groote Koning over al zijne onderdanen waakt.
151
Hij zal 'tniet dulden, dat een in 't donker sluipend spook hier macht uitoetene, en hij zal ook mij de bescherming niet onttrekken, welke hij den geringste zijner onderdanen niet weigert. Ik herhaal dus, ik vrees niet; en opdat ge het duidelijk weten en erkennen moogt, wil ik u nu de geheele waarheid zeggen. Ik houd u voor een huichelaar en bedrieger, die âquot;
âOngelukkige,quot; viel Cagliostro haar in de rede, terwijl hij met een woedend gebaar op haar toesnelde en haren arm greep; âzwijg of uw leven is aan de hand der onzichtbare wrekers vervallen !quot;
Zij schudde het hoofd en staarde hem met een trotschen blik in zijne vlammende oogen. âIk herhaal uwe eigene woorden,quot; sprak zij, de schouders ophalende; âzwijg, of uw leven is aan de hand der onzichtbare wrekers gevallen ! Of meent ge soms, dat ik niet weet wat u te Mittau is wedervaren, en hoe men daar den grooten Magus en geestenbezweerder als een kwakzalver en bedrieger heeft erkend, die met zijn tooverlantaarngeesten de arme menschen bedriegt, en wiens eenige wonderkuur hierin bestaat, dat hij de beurzen der menschen lichter, en zijn eigen beurs zwaarder maakt ? Meent ge soms, dat ik niet wist, hoe de Groot-Kophta en opperpriester der onzichtbaren voor de vervolgingen dergenen, welke hij misleid en bedrogen had, â en diede politie tegen hem hadden ingeroepen, in nacht en nevel uit Mittau moest vluchten, om zijne vrijheid, zijne schatten en zijn wondervol lokaas, de schoone Lorenza Feliciana, in veiligheid te brengen1? O, ik zeg u, pas op, miinheer âgraaf Cagliostro ; want de Keizerin van Rusland laat een zekeren heer Giuseppe Balsamo, â die ook te St.jPetersburg dolle bedriegerijen heeft uitgevoerd, â opsporen, en men beweert dat hij groote gelijkenis heeft met den heer â graaf Cagliostro ! Keizerin Katharina is de goede vriendin en bond-genoote van den Koning van Pruisen ; en zoo ik den gelukkigen inval bad hem te berichten, dat de gezochte zich hier te Berlijn bevindt zou dit aan de verhevenheid van den Groot-Kophta een zeer onaangenaam einde maken.quot;
âIntegendeel, het zou voor de macht en verhevenheid van den Groot-Kophta slechts een welkome gelegenheid zijn zich te openbaren, en zijn ellendige en boosaardige vijanden in het stof aan zijne voeten te werpen,quot; antwoordde Caglios-
152
tro bedaard; âbeproef het maar, afvallige en trouwelooze dochter der onzichtbaren ; â beproef het vrij, de bende mijner vijanden tegen mij aan-le-hitsen, opdat gij erkennen moogt, dat al hun geket en geblaf het edele hart niet kan verontrusten, dat God de geheele wereld tot jachtgebied heeft gegeven, om daarin te heerschen. Ik heb u gehoord tot het einde ; ik acht uwe beschimpingen en beschuldigingen geen antwoord en rechtvaardiging waardig, en ik lach om uwe bedreigingen. Maar ik waarschuw u, Wilhelmine Enke; waag het niet de onzichtbaren nog langer te trotseeren, en de leidende vaders nog langer te beleedigen door uwen trou-weloozen wederstand. Keer terug, misleid kind der zonde, â keer terug, terwijl het nog tijd is ! Irt naam der onzichtbaren verleen ik u een laatste uitstel, want hunne lankmoedigheid is grenzenloos, en hunne ontferming zonder einde!quot;
âIk begeer geen uitstel, en ik begeer uwe lankmoedigheid en ontferming niet!quot; riep zij trotsch: âIk wil geen gemeenschap met mijne viianden; â en de Rozenkruisers zijn mijne vijanden, â want Bischofwerderen Wöllner behooren tot hen, en deze beiden haten mij, en willen mij verdringen. Neen, geen gemeenschap tusschen hen en mij; geen verzoening, waar slechts vijandschap mogelijk is!quot;
âDe hemelingen luisteren niet naar de stem der wereld-lingen, en zij openbaren zich dan op het heerlijkst, wanneer deze zulks 't minst verdienen. Zij zullen u beschermen en over u waken, zelfs tegen uwen wil; en nooit zal hun oor voor uw hulproep gesloten blijven in de ure des ge vaars. Ziehier het teeken hunner genade voor u. Neem dezen ring! De onzichtbaren zenden hem u als groet. Herkent ge hem?quot;
Wilhelmine nam den aangeboden ring en beschouwde hem opmerkzaam. ââJa,quot;zeide zii, âik herken hem. Het is de ring, dien ik vroeger op het offeraltaar nederlegde, in plaats van het goudstuk, dat gij begeerdet.quot;
âDezen ring zenden u heden de onzichtbaren als kostbaar onderpand hunner genade. Gij zult hem behouden en dragen als een teeken hunner hemelsche lankmoedigheid, en zoo ge eens terugkeert van den dwaalweg, waarop de Illumina-ten u gevoerd hebben, zend dan dezen ring aan een der Ber-lijnsche kringdirecteurs; â zend hem aan Bischofswerder of aan Wöllner, en u zal hulp en bijstand geworden. Vaar-
153
wel; ik vergeef u al uwe kwade woorden, die gij tot mij gericht hebt, maar die als stompe pijlen langs het pantser mijner gerechtigheid nedergevallen zijn. Vaarwel!quot;
Hij keerde zich met een trotsche hoofdbuiging om, en trad in het houtgewas terug.
Wilhelmine stak den ring aan haren vinger, en liet hem met een zonderlingen glimlach heen en weder fonkelen. âIk weet niet,quot; zeide zij: âmaar de steen komt mij veranderd voor; 'tis alsof hij niet meer dat wonderschoone kleurenspel van vroeger heeft, en â Ik wil bij gelegenheid toch eens aan den juwelier Wagner vragen, of het nog dezelfde steen is, en of de Groot-Kophta ook niet aan mijn ring een zijner wonderen beproefd beeft! En nu wil ik terstond een bode aan den minister von Herzberg zenden,, en hem berichten dat Gagliostro hier is geweest. Hij heeft mij in naarn des Konings zijne bescherming toegezegd, en ik geloof wel, dat ik die thans noodig zal hebben.quot;
Zij liep haastig naar het huis en begaf zich in bare kamer om den bewusten brief te schrijven. Maar dat was een werk, dat Wilhelmine niet zeer gemakkelijk viel. Zij had wél geleerd heel aardig in het Fransch te keuvelen, zij had zich ook door haren koninklijken leermeester, den Kroonprins Frederik Wilhelm, menige fraaie wetenschappelijke kundigheid verworven, en door den omgang met geleerden en kunstenaars geleerd zich in do üuitsche taal vaardig, â en zelfs geestig uit te drukken, â maar het schrijven was haar een al te ongewone zaak, om er vlug mede te zijn, en er verliep dus een zeer langen tijd, eer de brief aan den minister von Herzberg gereed was. Toen, na gelukkig volbrachten arbeid, gaf zij hem aan een bediende, met bevel hem terstond naar Berlijn te brengen. Hij nam hem met zwijgende onderdanigheid, en verwijderde zich onmiddellijk om aan baar bevel te voldoen. Maar een zonderlinge sluwe glimlach speelde om zijne lippen, terwijl hij met haastige schreden door de breede allée ging, die door de diergaarde naar Berlijn voerde; en toen hij onderweg een huurrijtuig ontmoette, dat dezelfde bestemming had, liet hij het stilhouden, en steeg er in.
âIk kan mij deze uitgave wel veroorloven,quot; zeide hij bij zicbzelve, terwijl hij zijn plaats innam; âik zie niet in, waarom ik te voet dezen langen weg zou afleggen, nu ik
154
toch geld in mijn zak heb. Het was knap van mij, dat ik onlangs aan den heer von Bischofswerder vertelde, dat de minister von Herzherg heimelijk een bezoek had afgelegd bij mijne meesteres; en even knap van hém, dat hij mij een louis d'or als belooning er voor gaf, en mij beloofde mij eiken keer zooveel te willen geven, als ik hem een gewichtig nieuws bracht â Nu, mij dunkt toch, dat ik hem heden een gewichtig nieuws breng! Een brief van mijne meesteres aan den minister Herzberg. Ik denk, als ik hem meermalen zulke berichten breng, zal mijnheer von Bischofswerder mij niet alleen geld geven, maar ik zal ook een graad opklimmen, en ten laatste zelfs in den kring der uitverkorenen en geroepenen komen, â terwijl ik nu nog altoos tot de buitenkringen behoor; tot degenen, die niets weten en slechts alles hopen! â
III.
HET TRIUMVIRAAT.
Terwijl de bediende van Wilhelmine zich aldus aan zijne verwachtingen overgaf, en langzaam in het bescheiden voertuig door de breede laan reed, rolde hem een elegante, met vier paarden bespannen équipage voorbij, en hield reeds lang, vóór zijn rijtuig de Brandenburgsche poort had bereikt, voor het huis stil, dat de overste von Bischofswerder bewoonde. Een heer sprong er uit en ijlde den lakei, die hem de deur opende, voorbij, de trap op. Hij volgde den kamerdienaar, die hem naar 't scheen, boven aan de trap opwachtte, en hem in eerbiedige houding door den met dikke tapijten belegde gang voorging. Aan 't einde ervan, opende hij de beide vleugeldeuren, trad op den drempel, en kondigde met plechtige stem aan: âZijne Eminentie, graaf Cagliostro!''
Toen trad hij weder eerbiedig in de gang terug, boog diep voor den hem voorbij gaanden graaf en sloot, toen deze was binnengetreden, haastig en zacht de deuren weder achter hem dicht.
De beide heeren, die zich in de kamer bevonden, snelden den graaf tegempet.
155
Hij groette hen met glimlachenden hoofdknik, en stak hen minzaam zijn blanke, met brillanten versierde handen toe.
âMijn geliefde broeders,quot; zeide hij zuchtend; .,gij hebt mij, helaas de waarheid gezegd. Wilhelmine Enke is een afvallige, een trouwlooze!quot;
âEen in zondenlnst verlorene, door den duivel der ontucht omstrikte boeleerster,quot; prevelde de oudste der beide hee-ren, een man van lange, magere gestalte, met bleek, beenig, door pokdalen geschonden gelaat, het breede hooge voorhoofd nog slechts door weinig haar overschaduwd, de doiïe waterige oogen steeds als in verrukking hemelwaarts gericht, en de groote, knokkige handen voortdurend gereed zich te vouwen, hetzij om te bidden, of slechts om in stille betrachting de twee lange schrale duimen om elkander Ie draaien: âIk heb het immers altoos gezegd,quot; ging hij met een zwaren zucht voort: âzij is de verleidster, welke satan in lichamelijke wedergeboorte van zichzelven, aan de zijde van den ongelukkigen Prins heeft geplaatst, en er kan hier geen heil gesticht worden, vóór het ons gelukt is, deze onheilige vrouw te verwijderen.quot;
âEn gij, mijn geliefde broeder,quot; vroeg Cagliostro zacht: âgij zijt van een andere meening, nietwaar'?''
âJa,'' antwoordde de heer von Bischofswerder zacht: âja, ik ben van een andere meening. Gij weet het wel, verhevene meester en heer, hoezeer ik mijn vriend, den eerwaardigen Wöllner, hoogacht en bemin, en van hoeveel gewicht mij zijne meening is. In al mijne berichten, welke ik u voor de verhevene en onzichtbare vaders zond, heb ik steeds van mijn vriend Wöllner bijzondere melding gemaakt. Op mijn wensch en voorstel hebben de onzichtbaren hem in den kring der geroepenen aangenomen, en hem tot directeur van een der drie Berlijnsche kringen benoemd. Hij werkt nevens mij in quot;t Verbond, en werkt ook nevens mij aan de zijde van den Kroonprins; want het is op mijn bijzondere, warme aanbeveling geschied, dat de Kroonprins den heer Rath uit de rentekamer van Prins Hendrik uit Rheinsberg naar Berlijn opriep, opdat hij er voordrachten zoude houden over de staatswetenschap en alle andere takken van bestuur. Ik zeg dit niet om er mij op te beroemen, hoezeer ik het altijd als een roem beschouw, voor een uit-
456
stekend man de baan te hebben geopend, om zijn groote , talenten dienstbaar te maken. Ik zeg dit slechts, om mijne diepe vereering voor den waarden broeder Wöllner te bewijzen, en mij in uwe oogen te verdedigen, meester, zoo ik evenwel in dit geval van een andere meening ben dan mijn broeder, en niet tot een gewelddadige verwijdering dezer vrouw kan raden, aan wie het hart van den Prins inniger gehecht is dan hij zelf weet.quot;
âGij behoeft u voor mij niet te verdedigen, mijn zoon,quot; zei Cagliostro op hooghartigen toon: âWant deze oogen, welke deonzichtbaren met een straal der openbaring verlicht hebben, zien op den bodem der dingen, en het verborgenste is voor hen openbaar. Ik heb in uw beider harten gezien, en ik wil u zeggen wat ik er in gelezen heb. Gij, Hans Rudolf von Bischofswerder, behooi'taan de wereld, en baar lijden en vreugde golven in u op en neder. Gij hebt het verlangen naar kennis en de wetenschap van het onzichtbare, maar ge wilt óók een weinig genieten van bet zichtbare, en deel hebben aan de genoegens des levens. Wat gij echter aan u zei ven vergunt en toelaat, moogt ge ook uwen koninklijken heer niet ontzeggen, wiens vriend en leidsman gij zijt, en die eens een machtig Koning en heer der zichtbare wereld, â een geloovig dienaar en zoon der onzichtbare wereld zal zijn. Spreek, is 'tniet zoo?quot;
âHet is zoo,quot; antwoordde Bischofswerder, die met stomme bewondering elk woord had opgevangen dat als een openbaring van Cagliostro's lippen viel: âJa, het is zoo; ge hebt in uwe wijsheid de innigste gedachten mijns harten gelezen, en wat ik zelf nauwelijks vermoedde, dat weet gij, mijn meester en heer!quot;
âWerk en handel slechts voort, mijn zoon,quot; zei Cagliostro; âen ook gij zult opstijgen tot de hoogere kringen, waar het vermoeden en kennen, het denken en weten één zijn.quot;
Hij reikte Bischofswerder zijn hand, welke deze met innige hartelijkheid aan zijne lippen drukte. Vervolgens wendde hij zich tot Wöllner, die met opwaarts gerichten blik en gevouwen banden daar stond, en wel scheen gebeden te hebben, want zijn duimen draaiden niet, maar rustten in eerzame onbewegelijkheid op elkander.
âGij echter, mijn zoon en mijn broeder,quot; voer Cagliostro met verhevene, trotsche kalmte voort: âgij hebt uw blik en
157
gedachten meer afgewend van de aardsche dingen, en de vreugden dezer wereld hebben geen bekoorlijkheid voor u.quot;
âIk heb den eed der deugd nedergelegd op het altaar der onzichtbaren,quot; antwoordde Wöllner met zijn harde, scherpe stem: âIk heb mij aan een godzalig leven van ontbering gewijd, en gezworen alles aan te wenden om degenen, welke ik bereiken kan, op het smalle pad te geleiden, dat naar het paradijs van kennis, wetenschap en hemelsche vreugde voert. Hoe zou ik nu mijn eed kunnen vergeten, nu het er op aankomt den edelen Prins, die een licht en schild moet zijn in de verheven Orde, afte brengen van de breede baan der ondeugd, en hem op het pad der zaligen te leiden? Hoe kan ik het dulden, hem in zonden-lust verloren te zien, daar hij toch tot de deugd geroepen is, en naar het licht der kennis verlangt?quot;
âMaar om dat licht in al zijne helderheid te kunnen verdragen, moet hij gegaan zijn door de duisternis en donkerheid der zonde,quot; zei Cagliostro; âna de dagen van dwaling komen de dagen van kennis. Dit is het wat onze broeder Theophilus, â dien de aardsche wereld Bischofswerder noemt, tot zachtheid beweegt, terwijl gij, â broeder Crysopho-rus, â van den Prins de ruwe, strenge deugd vordert, die de groote, eerste gelofte der vooruitgaande broeders van de verheven orde der Rozenkruisers is. Ge hebt beiden evenzeer gelijk als ongelijk. Het is goed zacht te handelen, zooals broeder Theophilus heeft gedaan; maar ook zachtheid moet hare grenzen hebben, en den nachtwandelaar die op den rand van een afgrond staat, moet men wekken, opdat hij niet in zijn duizelenden slaap ontwake, en naar beneden slorte. Wilde men dit echter doen met ruwe en strenge woorden, gelijk broeder Ghrysophorus begeert, â wilde men hem toeroepen bij zijnen naam, dan zou men hem niet redden, â maar door 't gewelddadig wekken zijn val slechts verhaasten. Langzaam en voorzichtig moet het ontwaken zijn; en zooals men de zieke oogen slechts langzamerhand weder aan het licht gewent, opdat zij niet geheel blind worden, moet ook het licht der deugd en kennis met schrandere voorzichtigheid voor de oogen van den door de ziekte der ondeugd aangetaste aanbreken, opdat hij er zich aan gewenne. Hoort nu mijn voorstel: Roep uit de drie kringen der broederschap de hoogere graden op tot eene
158
vergadering voor dezen nacht. Ge hebt mij gezegd, dat de Prins verlangt tot de zienden te behooren, en toe te treden tat het verkeer met de geestenwereld. Zijn verlangen zal dezen nacht tot vervulling komen; hij zal de geesten aanschouwen, en een nieuwe toekomst voor zich zien opgaan. Laat ons nu alles voorbereiden en bespreken, want mijn tijd is beperkt, en de stemmen der onzichtbaren roepen mij morgen van hier. Laat ons dus spoed maken, en doen wat wij moeten doen.quot;
Op dit oogenblik werd een bescheiden kloppen aan de deur vernomen, dat met verscheidene tusschenpoozen zacht herhaald werd.
â't Is mijn kamerdienaar,quot; zei de heer von Bischofswerder; âen hij kondigt mij aan, dat hij iets gewichtigs te berichten heeft.quot;
Hij ging naar de deur, opende haar, en iluisterde eenige woorden met den buiten staanden persoon. Vervolgens kwam hij met een verzegeld briefje in de hand weder bij de heeren.
Cagliostro had schijnbaar onverschillig en in diepe gedachten verzonken gestaan, en zijne opmerkzaamheid scheen volstrekt niet op het gesprek gericht, 't welk Bischofswerder half luid naar buiten had gevoerd. Hij richtte inmiddels rustig en bedaard eenige vragen tot Wöllner, en scheen slechts naar diens antwoorden te luisteren, â óók nog toen Bischofswerder hem weder met haastigen tred naderde
âHet is inderdaad een gewichtig bericht,quot; zeide hij levendig; âIk heb in dezen brief het bewijs in handen, datâquot; Cagliostro viel hem met een gebiedende handbeweging in de rede, en voltooide Bischofswerder's begonnen zinsnede: âdat Wilhelmine Enke een machtige tegenpartij is, die zelfs aan het Hof des Konings betrekkingen heeft; want deze brief is van Wilhelmine Enke aan den heer minister von Herzberg gericht. Was het dit niet, wat ge wildet zeggen, broeder Theophilus?quot;
âJa,quot; zei Bischofswerder verbaasd ; âja, dat is het, wat ik zeggen wilde. Hier is de brief, meester. Wees zoo goed hem te openen en te lezen.quot;
âHet is onnoodig,'' antwoordde Cagliostro, den brief afwijzende; âgeheel onnoodig den brief te openen, om hem te lezen. Den ziener hindert geen zegel; voor zijn oog is
159
hel geslotene openbaar. Ik lees dezen brief, dien Wilhel-mine Enke aan den minister flerzberg geschreven heeft.
Zij bericht daarin den minister, dat de bedrieger en geesten-banner Gagliostro op zijne doorreis en vlucht van Mittau bij haar geweest is, en haar bedreigd heeft. Zij verzoekt den minister om bescherming tegen de gewelddadigheden, waarmede Gagliostro haar bedreigd heeft, en stelt voor, dat de minister den bedrieger zal laten gevangen nemen. Onder den naam van graaf de St. Julien logeert hij in het Hotel âDe Koning van Portugalquot; te Berlijn, en zal er zich nog slechts korten tijd ophouden. Spoed is dus noodzakelijk.â Dit is de inhoud van den brief, dien broeder Theophilus in handen heett.quot;
De beide heeren staarden n u eens met verbaasde, on tstelde blikken op den brief, dien Bischofswerder, nog altoos gesloten en verzegeld in zijne handen hield, en dan weder op den verheven Magus, wiens vlammende oogen lazen, zonder noodig te hebben datgene te zien wat zij lazen.
âOpen nu den brief en overtuigt u beiden, dat ik u den inhoud juist heb weergegeven,quot; beval Gagliostro.
âHet is onnoodig,quot; riep Bischofswerder in vervoering. âWij weten dat ge alles weet, alles ziet; dat uwe woorden kennis en waarheid zijn. Het is dus onnoodig dezen biief te openen, want gij hebt hem gelezen!quot;
âHet is noodig,quot; zei Gagliostro, zijn blikken strak op Wöll-ner gericht houdende, â die daar zwijgend en met neder-geslagen oogen stond; âHet is noodig, want ik lees twijfel in de ziel van broeder Grysophorus.quot;
âMijn heer en meester,quot; stamelde Wöllner verward; âik waag niet te twijfelen, maar âquot;
âMaar gezoudt willen overtuigd zijn,quot; viel Gagliostro hem met een lichten zweem van spot in de rede: âopen den brief, Theophilus!''
Bischofswerder haastte zich te gehoorzamen, terwijl hij met een scherp mes de smalle zijde van het couvert opensneed, den brief er uithaalde, en hem den Magus wilde overreiken.
âGeef hem aan Grysophorus, beval Gagliostro: âhij zal hem voorlezen; â want de ongeloovige moetgeloovig worden.quot;
Wöllner nam het hem gereikte papier, en begon met zachte, bevende stem te lezen. Het schrift was onduidelijk,
160,
en dikwijls bleef hij steken, wijl een of ander woord geheel onleesbaar en onverstaanbaar voor hem was. Maar terstond viel dan Cagliostro, â die op een afstand met over elkander geslagen armen in de vensternis stond, â met het juiste woord in, en voltooide met kalme stem de begonnen zinsnede, zóó juist en zeker, als hield hij zelf het papier in zijn hand en las den inhoud.
De brief bevatte nauwkeurig wat Cagliostro vooraf reeds als den inhoud ervan had opgegeven, en hoe verder Wöllner las, des te verlegener en bevender werd zijn stem, en des te opgewekter werd Bischofswerder's voorkomen.
Toen hij nu den brief ten einde bad gelezen, zonk Wöllner, als door een hoogere macht nedergeworpen, op zijne knieën, de gevouwene handen tot Cagliostro opheffende.
âGenade,quot; smeekte hij sidderend: âgenade! 't Is waar, ik ben ongeloovig geweest als Thomas. Ik heb getwijfeld als Paulus. Ontferm u mijner, o meester en heer; want in dit uur vaart het geloof en de kennis met heilig, goddelijk licht in mijn zondig hart, en drijft er den twijfel voor altoos uit. Ik erken thans uw bovenaardsche macht en uwe hemel-sche kennis! Mijn geheele wezen en denken buigt ootmoedig voor u en uwe verhevenheid, en niets wil ik voortaan zijn dan uw ootmoedige leerling en dienaar, â bet werktuig van uw verheven wil. Vergeef mij, hemelsche alwetende, dat mijn zondig hart twijfelde. Blaas over mij den adem der kennis; leg uw verhevene rechterhand op mijn hoofd, en doorstroom mij met uwe hemelsche kracht.quot;
âOntferm u ook mijner,quot; riep Bischofswerder, terwijl hij naast Wöllner nederknielde, en even als deze zijn gevouwen handen tot Cagliostro ophief: âBlaas ook over mij den adem uwer genade, en laat uwen hemelschen blik op mij, den berouwvolle, den onwaardige, rusten !quot;
Cagliostro hief met verhevene kalmte zijn hoofd en blik ten hemel, zijne lippen bewogen zich, en stieten soms enkele luide, bezwerende woorden uit. Vervolgens trok hij eensklaps zijne handen,â welke hij gekruist op de borst in zijn gewaad had geschoven, â eruit, en stak beide met wijd uitgespreide vingers omhoog.
âKomt tot raij,-gij geesten!quot; riep hij met luide donderende stem; âtot mij, Ariol, Aphorus en Hekla, gij, geesten van het vuur en de lucht. Gij moet vlammen en branden op de
161
hoofden dezer beide, en moet hun verkondigen dat de on-zichtbaren bij ons zijn. Komt tot mij, geesten des vuurs!quot;
Hij balde zijne handen, en stak toen weder de vingers uit en op iederen vingertop flikkerde en danste nu een blauwachtig vlammetje.
Een hemelsche glimlach verhelderde het fraai gelaat van den Magus ; hij liet langzaam de handen nederdalen op de hoofden der beide knielenden, en de vlammetjes gleden van zijne vingertoppen af op hunne hoofden, bleven er een oogenblik rusten, en gingen toen uit.
âDe onzichtbaren hebben zich aan u verkondigd door de vuurteekens,quot; riep Cagliostro: âde heilige vlam heeft gebrand op uwe hoofden, en ik druk nu op uwe voorhoofden den kus der wijding en kennis.quot;
Hij boog zich langzaam, en het was beide knielenden, als zweefde een welriekende wolk voorbij hunne gloeiende aangezichten, als legde zich een geurige lelie een oogenblik op hun voorhoofd, en hunne harten beefden van huiverende geestvervoering en bovenaardsche zaligheid. Gagliostro's handen voeren met een zachte aanraking over hunne aangezichten, en een zalig gevoel vervulde hun geheele wezen. Vervolgens beval hij hun met zijn zachte, welluidende stem, zich op te richten, en zij deden het, zonder te gevoelen dat zij ledematen, â dat zij nog een lichaam hadden, â staarden slechts opgetogen den wonderdoener aan, en gevoelden zich verrukt door zijn glimlach.
Nu maakte Cagliostro met haastige beradenheid eenige streken en trekken door de lucht, zijne oogen namen een ernstige, gebiedende uitdrukking aan, en dadelijk was het, als verbleekte een zonnestaal op de aangezichten van beide gemagnetiseerden, â als ontwaakten zij uit een verrukken-den, schitterenden droom tot de nuchtere werkelijkheid.â âIk heb u een blik laten werpen in de verborgenheden en wonderen, welke aan de wetenschap dienstbaar zijn,quot; zeide Cagliostro ernstig en kalm. âUwe zielen waren in gemeenschap met de onzichtbaren, en uit de bron der kennis is een vurige droppel der verlichting op uwe hoofden gevallen. Bewaart dit in u als een hemelsche verborgenheid, waarvan de lippen nooit mogen spreken of getuigen, en laat ons nu rustig en bedaard ons gesprek vervolgen.'' âLaat mij nog eens mijn hoofd op uwe voeten leggen, en HühVbaoh, Duitschland in woeling en strijd. II. 11
162
kracht ontvangen door deze aanraking,quot; bad Bischofswerder.
âLaat mij nog eens uwe knieën omvatten en u om genade en vergeving smeeken,quot; bad Wöllner, weder op zijne knieën zinkende, en zijne armen om Cagliostro's kniëen slaande,â terwijl Bischofswerder zich ter aarde wierp, eu zijne lippen op Cagliostro's voeten drukte.
Hij liet het glimlachend geschieden, en reikte hun toen zijne handen, om hen bij het opstaan behulpzaam te zijn.
âLaat ons nu menschelijk verstandig spreken, mijne vrienden,quot; zeide hij: âBroeder Theophilus, ge moet nu vóór alles den brief weder in het couvert schuiven, en dit weder sluiten.quot;
Bischofswerder vouwde het papier weder samen, schoof het in het couvert, nam van zijn tafel een fleschje, dat met een klevende zelfstandigheid gevuld was, streek met het kleine penseel dat er nevens lag, voorzichtig over de uiterste randen van het opengesneden papier, en drukte ze toen weder vast opeen.
âHier is de brief, meester,quot; zeide hij : âniemand kan zien dat hij geopend was. Gij hebt te bevelen wat er nu verder mede geschieden zal.quot;
âGeef hem uwen kamerdienaar, en zeg hem dat hij hem aan den knecht, die hem gebracht heeft, moet teruggeven, opdat deze hem aan het adres bezorge.quot;
âAan den minister Herzberg ?quot; riepen beide heeren ontsteld : ^Maar dat is onmogelijk; â Herzberg is een gezworen vijand van de heilige orde en van uw eigen hemelschen persoon. Hij zou terstond tot de uiterste, geweldigste maatregelen overgaan, en zich zekerlijk aan uw verheven persoon vergrijpen.quot;
âIk geloof het gaarne,quot; glimlachte Gagliostro: âhij zou mij gevangennemen, en de groote Frederik zou triomfantelijk aan de groote Semiramis van het Noorden berichten, dat hém is gelukt, wat al de fijne speurneuzen der Bussische politie niet vermochten; â dat hij den grooten âMagus van het Noorden/' zooals mijn aanhangers in Busland en Polen mij noemen, gevangen genomen heeft. Ja, dat zou een welkome triomf voor de ongeloovigen en dwazen zijn, en zij zouden dien jubelend en spottend in de wereld uitbazuinen! Gij hebt gelijk, dat mag niet geschieden; en hoezeer het voor mij slechts een korte gevangenschap des lichaams zoude zijn, â waaruit de geest mij door zijn macht en zijn wil
163
spoedig weder zou bevrijden, â wil ik echter mijne vijanden dezen oogenblikkelijken triomf niet vergunnen. Ik mag dit niet doen, want mijn tijd is afgemeten, en ik moet weg naar Egypte, waar in de heilige piramiden alle broeders dei-slapende eeuwen binnen acht dagen vereenigd zullen zijn om mij hunne bevelen te geven voor de eerstvolgende eeuw, â en voor de toebereidselen ervan. Ik ben de wereldgeest, dien de wil der onzichtbaren gebannen heeft in den menschelijken persoon, en derhalve moet deze persoon door mij heilig gehouden en beschermd worden.quot;
âVergun mij, dat ik dezen verheven, dezen goddelijken persoon bescherme met mijn bloed en leven!quot; riep Bischofs-werder.
^Ook ik smeek u, verhevene meester,quot; bad Wöllner;,^er-gun mij het geluk voor uwe veiligheid te waken, en uwen doorluchtigen persoon te verdedigen tot mijn laatsten bloed-droppel. Zeg ons dus, wat wij te doen hebben!''
âGij hebt boven alles te doen, wat ik u gezegd heb,quot; antwoordde Gagliostro glimlachend: âTheophilus, geef den brief aan uwen kamerdienaar, en herhaal hem wat ik gelast heb.quot;
Bischolswerder nam met een onderdanige buiging den brief, ging er mede naar buiten, en keerde na weinige minuten terug.
âHet is geschied, gelijk gij bevolen hebt, meester,quot; zeide hij deemoedig: âIn een kwartieruurs zal de brief in Herz-berg's handen zijn.quot;
âNeen,quot; antwoordde Gagliostro, die met strakken blik voor zich uitstaarde: âNeen, hij zal niet in zijne handen zijn; want Herzberg is niet in zijn huis. Ik zie hem in een met vier paarden bespannen équipage op dengrooten weg rijden. Nu rijdt hij over een rivier, nu een stad binnen en door een straat, waarop men het rollen der wielen niet hoort. Nu weder uit de poort en een breede laan in.quot;
âDat is de weg naar Sans-souci,quot; prevelde Bischofswerder zeer zacht, maar Gagliostro moest hem toch verstaan hebben, want hij herhaalde luid zij ne woorden: âJa, dat is de weg naar Sans-souci, en de minister Herzberg zal er don geheelen dag bij den eenzamen, verdrietigen ouden Koning blijven; en eerst als hij heden avond terugkeert, zal hij den brief zijner geheime bondgenoote ontvangen, en dan zal hij zich haasten om naar het logement, waar de graaf de St.
164
Julien zijn intrek zou hebben genomen, zijne gerechtsdienaars te zenden, en aan alle poorten het bevel te geven den graaf niet te laten passeeren. Maar het zal te laat zijn; â want de graaf de St. Julien zal reeds vertrokken zijn.quot;
âVertrokken?quot; riepen beide heeren verschrikt; âgij wilt ons thans verlaten?quot;
âZwijgt, mijne broeders.quot; zei Gagliostro glimlachend: âik zal vertrokken zijn voor profanen, maar ik zal voor de ingewijden hier blijven tot morgen. Somwijlen echter moeten zelts de verhevenen zich vernederen, en de stralenden zich verduisteren. En dus moet ook ik heden afstijgen van mijne geesteshoogheid, en mij vernederen in het stof der alledaagschheid. Zoo de onheiligen en oningewijden hunne aardsche oogen wijd openhouden, om te zien wat zij niet mogen zien, moet men hunne oogen verblinden met aardsch stof, en voor degenen die niet waard en waardig zijn dat men voor hen wonderen openbare, moet men zich zelfs somwijlen tot goochelaarskunsten vernederen. Dit wil ik dan ook heden doen! Met goochelspelkunsten wil ik mijne vijanden op den dwaalweg brengen, en hun bericht geven van mijne aanwezigheid! Hoeveel poorten zijn in de stad Berlijn?quot;
âDaar zijn er negen, meester.quot;
âWelaan, zendt terstond boden naar uwe kringen, en eischt acht reiskalessen en zestien groote zware reiskoffers. Bezorgt mij voorts uit uwe kringen acht mannen van mijn gestalte en groote, â vertrouwde, geheimhoudende mannen. Bovendien heb ik acht pruiken noodig, nauwkeurig van denzelfden vorm als de mijne. Bestelt verder' voor acht verschillende adressen vier postpaarden met twee postiljons. Dit is alles wat thans noodig is.quot;
âEn alles zal juist en spoedig volbracht worden,quot; zei Bischofswerder ootmoedig; âmijn broeder Ghrysophorus en ik zullen te zamen uwe bevelen uitvoeren, en gij behoeft nog slechts tijd en plaats op te geven, waarheen de équipages, de bedienden, en de postiljons met de paarden gedirigeerd moeten worden.quot;
âDit alles.later. Vergeet echter voorde nietige aardsche dingen, de groote hemelsche aangelegenheden niet. Boept derhalve de aan u ondergeschikte kringen, â de ingewijden
165
der inwendige graden â op. Convoceert hen voor dezen nacht in het paleis van den Kroonprins te Potsdam. Onder de oogen van den ouden vrii geest, den Koning zelf, willen wij voor zijnen Kroonprins de poorten der geestenwereld openen, en hem inwijden in de hoogere graden. Maar vooraf moeten de onzichtbaren tot hem spreken, en hem bericht brengen uit de hemelsche gewesten der ongenaakbaren! Maakt hiertoe nu alle voorbereidselen, mijne broedei's; volbrengt nauwkeurig en stipt de bevelen, welke ik u gegeven heb, en komt dan tot mij in mijn logies, om al het noodige met mij te bespreken, en mijn laatste bevelen te ontvangen.quot;
VI.
PLANNEN VOOPt DE TOEKOMST.
Cagliostro verliet zijn beide vertrouwden, besteeg zijn voor de deur wachtende équipage en keerde naar zijn hotel terug. De eigenaar en de eerste bediende ontvingen den heer graaf met den grootsten eerbied, en geleidden hem, â beiden in eerbiedige houding, â de trap op. De eerste bediende haastte zich de beide vleugeldeuren, die naar de vertrekken van den graaf voerden, te openen. In dit oogenblik wendde Cagliostro zich tot den eigenaar, â en terwijl hij een onverschillige vraag tot dezen richtte, â opende hij een weinig zijn gewaad, en schoof het met goud geborduurde blauw-satijnen vest iets boven zijn borst los.
De man verbleekte, en als door een plotselingen schrik aangegrepen, deinsde hij terug. Cagliostro ging hem bedaard voorbij zijn kamer binnen, en wenkte slechts met een gebiedende handbeweging dat hij hem zou volgen. De eigenaar van het hotel gehoorzaamde deemoedig, trad binnen, sloot de deur achter zich, en zonk vervolgens er naast op zijne knieën.
âGij hebt het teeken herkend, dat ik op mijn borst draag?quot; vroeg Cagliostro.
âJa, meester,quot; stamelde de kastelein als het ware geheel verplet door eerbied; âja ik heb het verheven teeken herkend.quot;
âGij behoort dus tot de geroepenen en uitverkorenen van
166
1
den inwendigen tempel; want slechts dezen is het oog open voor het teeken der kennis.quot;
âJa, meester en heer, ik ben ingegaan in de inwendige tempelhallen; ik weet de teekens te verklaren, en ik weet dat de zon mij beschijnt; dat een der verhevenen, der on-zichtbaren mij waardig keurt, in zichtbare gestalte voor mij te verschijnen. Grenzenloos als dit geluk is mijne gehoorzaamheid! Beveel over mij, mijn meester en heer; mijn leven, mijn goed en bloed behooren aan de orde, â behooren aan den verheven ordemeester!''
^ âSta op van uwe knieën en hoor mijn bevel,quot; antwoordde Cagliostro vol hoogheid; â en met korte, gebiedende woorden deelde hij vervolgens den deemoedigen kastelein zijne bevelen -mede, en gaf hem de noodige aanwijzingen. Hierop gelastte hij hem met een trotsche hoofdbuiging zich te verwijderen, en begaf zich in de aangrenzende kamer, â in de kamer zijner echtgenoote Lorenza Feliciana.
Zij lag met bekoorlijke achteloosheid op den divan neder-gevlijd. Haar hoofd, door lange, zwarte haren omgolfd, â welke zij, trots het gebruik en de mode, geheel ongepoederd droeg, â lag achterover gebogen op de leuning van den divan; hare oogen waren gesloten, en de adem kwam langzaam en gelijkmatig, uit haren fraaien, slechts half bedekten boezem.
Lorenza sliep, en haar sluimer was zóó kalm en vast, dat Cagliostro's binnentreden haar niet wekte. Hij ging nu zacht en voorzichtig over het zachte tapijt, dat den vloer bedekte, op haar toe, â bleef voor den divan staan, en beschouwde haar opmerkzaam. Allengs werd de uitdrukking van zijn gelaat vriendelijker, kwam er een zachte glimlach op zijne lippen, en in zijne oogen vlamde een straal van innige, hartstochtelijke teederheid.
âZij is nog altoos wonderschoon,quot; fluisterde hij: âGeen man is in staat de betoovering dezer wonderschoone vrouw te wederstaan! Ach ik wilde, Lorenza, dat ik de kwade geesten in mij kon dooden; al deze verleidelijke en misdadige stemmen in mij tot zwijgen brengen: met u, schoone geliefde, vluchten in een eenzaam dal van ons dierbaar vaderland, en aan uwe borst, â door uwen arm ontvangen, het leven zacht en stil mij voorbij laten glijden; aan liet verledene slechts nog glimlachend en zonder leedwezen den-
167
kende, als aan een vervlogen droom. Ik wilde, dat ik kon vergeten en weder onschuldig worden en rein; zalig door mijne liefde, zonder wenschen en begeerten! Maar neen, het is te laat! â Ik kan niet meer terug; de demons in mij willen niet zwijgen, hun behoort mijn ziel, en ik moet mijne roeping voleindigen. Ontwaak Lorenza, ontwaak!quot;
Haar schoone gestalte beefde, zij richtte zich verschrikt overeind, en sloeg de oogen op. â âWat is er?quot; vroeg zij: âWie is hier?quot;
âIk ben het, Lorenza,quot; zeide hij treurig; âIk moest u wekken, want ik heb u iets gewichtigs te zeggen.quot;
âZijn de vervolgers er?-' riep zij opspringend: âHebben zij ons ontdekt? Komen zij ons gevangen nemen?quot;
âNeen, neen, Lorenza. Niemand vervolgt ons; wees gerust!quot;
âGerust,quot; herhaalde zij met een honenden lach: âsedert tien dagen reizen wij dag en nacht: verbergen ons in ellendige spelonken en holen; reizen onder vreemde namen, en gelooven bestendig onze vervolgers achter ons te hebben; en thans, â nu wij ons hier zoo stoutmoedig en vermetel openlijk vertoonen, nu verlangt ge dat ik gerust zal zijn? Ik heb thans voor het eerst sedert dien vreeselijken nacht te Mittau, geslapen, en als er geen gerechtsdienaai s zijn, en ons geen gevaar bedreigt, was het zeer wreed en onmee-doogend van u, mij uit mijn zoeten slaap te wekken.quot;
âEr zijn geen gerechtsdienaars, en er bereigt ons op dit oogenblik geen gevaar, Lorenza; maar evenwel moest ik u wekken om u iets gewichtigs mede te deelen.quot;
âG-ewichtigs?quot; riep zij de schouders ophalend: âWat is er voor mij nog gewichtig, sedert dien lewusten nacht te Mittau? O, o, als ik er aan denk, zou ik luid willen schreeuwen van toorn, zou ik mij zelf willen vernietigen van vertwijfeling!quot;
âHet was inderdaad een vreeselijke nacht,quot; zei Gagliostro somber: âen zelfs mijn hart huivert, als ik er aan denk: Deze groote, geheime vergadering, uit de aanzienlijkste en machtigste heeren en dames van den Koerlandschen adel bestaande: â ik, niets kwaads vermoedend, en overtuigd dat het slechts een vergadering van geloovigen en gene-genen was, â zelfs geen achterdocht koesterende, dat zich verraders en twijtelaars onder hen konden bevinden, of het hun ooit zou kunnen gelukken, mijne handlangers om Ie
108
koopen en het geestentoestel te vervalschen; â ik geheel argeloos in het midden van verraders, slechts met de bezwering der geesten bezig!quot;
âEn ik op mijn feeëntroon,quot; â voegde Lorenza er bij; âneergevlijd in het onschuldsgewaad der hemelschen, slechts in een zilveren wolk gehuld, â hoor plotseling een kreet, sla de oogen op, en zie dat de zaal volkomen duister is, en geene geesten haar verlevendigen.quot;
âHet toestel haperde; dat wil zeggen: mijne helpers en knechts lieten het haperen, en de vergadering begon te morren. Toen verschenen plotseling de geesten. Maar in plaats van de ontslapene helden en vorsten, â welke geesten welke ontzettende gestalten!quot;
âApen, katten en ander gedierte!quot; riep Lorenza, met een luiden lach: âO, het was een onweerstaanbaar gezicht, en nu nog, â in weerwil van mijn toorn, â moet ik lachen, als ik er aan denk; en ik lachte toen op mijn feeëntroon alsâquot;
âAls een dwaas kind, dat het gevaar niet kent en beseft.quot; viel Cagliostro haar in de rede; âmaar uw lachen moest spoedig verstommen voor het vreeselijke oproer en tumult, dat in de zaal ontstond. Men schreeuwde om licht, de ridders trokken de degen, de vrouwen vloden, de mannen drongen met luide verwenschingen op mij toe, Zij noemden mij een bedrieger, en bedreigden mijn leven !quot;
âOok het mijne,quot; riep Lorenza; âO, welke beschimpingen en beleedigingen heb ik toen moeten hooren! Hoe allen op mij indrongen, mijn leeëntroon bestormden, en schreeuwden dat ik hun de geschenken, de brillanten en het geld moest wedergeven, die zij mij vroeger als een hulde gebracht hadden! Hoe scholden zij, en noemden mij een bedriegster. Mijn God, ik had hen toch volstrekt niet bedrogen ü'k was alleen zeer schoon, en dit was geen bedrog; ik was alleen koket, en dit was evenmin een bedrog! Ik prikkelde hen door mijne preutschheid en wreedheid, en zij brachten mij kostbare geschenken, wijl ik een deugdzame vrouw was. En nu maakten ze mij tot verwijt, wat toch hun vrije wil was geweest, â en wilden de kostbare geschenken terug hebben, welke zij mij immers opgedrongen hadden. En ik moest het zwijgend aanhooren, en kon mij zelfs niet verdedigen; niet in mijn kostuum van onschuld en godde-
169
lijkheid uit de wolk tot de zeer menschelijke en zeer weinig onschuldige mannen spreken, die denfeeêntroonopstorm-den. Het was een zeer kluchtige toestand; maar ik verloor gelukkig niet geheel mijne tegenwoordigheid van geest, maar liet het toestel spelen, en verdween met mijn troon in het luik, dat zich weder boven mij sloot, en mij nederliet in mijn kleedkamer. Toen haastig mij in mijne kleederen geworpen en voorwaarts geijld, om mij naar uwe kamer tot u te spoeden, om mijne kostbaarheden, mijne brillanten te halen en te redden.quot;
âZelfs in dit oogenblik van het hoogste gevaar dacht ge niet aan mij,quot; zei Cagliostro met een bitteren glimlach : âge dacht slechts aan uwe schatten.quot;
âHebt ge zelf mij niet geleerd, dat geld en goed het éénige is waarnaar men moet streven, en welker bezit de moeite loont?quot; vroeg zij; âHebt ge mij niet de wijsheid geopenbaard, dat slechts rijkdom gelukkig maakt, en dat deze alleen ons eer, macht, liefde en trouw verschaft ? Ach, Giuseppe, hebt gij mij niet tot het ellendige, hardvochtige afschuwelijke schepsel gemaakt, dat ik thans ben? En ge wilt mij verwijten dat uwe lessen zulke goede vruchten gedragen hebben; dat ik den god aanbid, dien gij mij geopenbaard hebt, en de priesteres des rijkdoms geworden ben?quot;
â't Is waar,quot; zuchtte Cagliostro: âik heb u de waarheid leeren kennen; ik heb u op den bodem van het gewoel dei-wereld laten zien. Ja, rijkdom is de god op aarde, wien alles toestroomt, naar wien alles zich wendt. Wij zijn de slaven van den rijkdom ; wij moeten hem dienen en volgen, of onder de wielen van zijn triomfwagen verpletterd worden ! De menschen spreken en redeneeren veel over de woeling en strijd, die tegenwoordig door de wereld en de gemoederen gaat; en alles loopt er ten laatsle slechts op uit, den eeuwigen, onsterfclijken hemel des rijkdoms te bestormen, en alles woelt eigenlijk toch slechts om goud!''
âEn als ik denk dat wij alles verloren hebben,quot; riep Lo-renza, terwijl zij opsprong en toornig met haar in zijde geschoeiden voet stampte: âals ik denk dat alles wat ik door jarenlange huichelarij en bedrog, door koketterie en vleien verworven heb, thans weder verloren is. Zij hebben mij beroofd en bestolen! Zij hebben beslag gelegd op al onze goederen, die schandelijke barbaren! De politie had het
173
huis omsingeld, eiken uitgang bezet, over de daken hebben wij moeten vluchten in het huis van een ordebroeder; niets hebben wij kunnen medenemen van al mijne schatten, en al onze rijkdom is in damp en rook vervlogen!quot;
âGe overdrijft, Lorenza,quot; en stelt de dingen erger voor dan zij inderdaad zijn,''zei Gagliostro glimlachend: âsla een blik om u heen, en zie waar ge zijtlln een behagelijke kamer, omgeven van weelde en genot, 't Is waar, onze groote ondernemingen in Koerland en te Petersburg zijn mislukt, en de Russische Keizerin heeft mij met hare vijandschap vervolgd en verdreven. Maar de onzichtbare vaderen hebben mij niet verlaten ; zij weten dat ik een nuttig werktuig ben in hunne handen. De hoogste dienaar van den generaal heeft mij rijkelijk met geldmiddelen, passen en instructies voorzien. Wij hebben vele duizenden verloren, maar zullen vele duizenden herwinnen; want de toekomst behoort ons. De onzichtbare vaderen beschermen ons, en de groote generaal der onzichtbare vaders heeft mij geroepen tot een nieuwe, gewichtige zending. Hij zendt mij naar Parijs, opdat ik daar werkzaam zij, en arbeide en handelc voor het heilig doel der oide, enââ quot;
âEn hebben de verhevene heeren voor mij geene zending T' vroeg Lorenza: âIs er voor mij te Parijs niets anders te doen, dan een schoone vrouw te zijn, en voor mijn waarden echtgenoot kunststukjes uit te voeren?quot;
âGij zult terstond naar Parijs verlrekken, Lorenza,'' zeide hij: ,,de onzichtbare vaderen hebben wel degelijk een zending voor u. Zij zenden u vooruit; groote dingen worden in Frankrijk voorbereid, en wij moeten helpen ze voor te bereiden. Lorenza, gij gaat naar Parijs in dienst van de revolutie der geesten. Het rijtuig is besteld, en nog in dit uur zult ge vertrekken!quot;
âEn wanneer zult gij mij volgen, mijn Giuseppe?'' vroeg Lorenza met een zweem van wantrouwen.
âMijn Lorenza, ik zal officieel binnen eenige uren van hier vertrekken ; werkelijk echter eerst op 't zelfde oogen-blik dat mevrouw de barones de Valmore hier in de reiskoets van het hotel wegrijdt. Naast de kamenier op den bok zal een bediende zitten, die voor mevrouw de barones het rijtuig opent en dan met de équipage wegrijdt. Deze bediende zal ik zijn,quot;
171
_âOfficieel zult ge binnen eenige uren reeds vertrekken,'' zei Lorenza nadenkend: âwat wil dat zeggen?quot;
Cagliostro glimlachte. â âDit is een geheele historie, en daarbij een tamelijk grappige. Hoor, mijn Lorenza; zet u hier bij mij op den divan, log uw hoofd aan mijn borst, en luister naar de kluchtige geschiedenis die ik u nu verhalen wil 1quot;
V.
WONDEREN EN GEESTEN.
Tegen den avond van dien dag hield de reiskoets van den graaf de St. Julien voor de deur van het hotel: âDe koning van Portugal'' stil. Twee groote reiskoffers waren op de achterbank van de open kales gebonden, de postiljon zat op den bok en blies met schetterende tonen het Duitsche volkslied; âEr reden eens drie ruiters uit de poort.''
In het voorhuis van 't logement stonden de beide kellners met den huisknechf, en mijnheer de graaf de St. Julien, kwam gevolgd door den kastelein, de trap af.
De graaf groette met een voorname hoofdbuiging den kellners en den huisknecht, die diep voor hem bogen, doch evenwel zeer goed de witte hand bemerkten, die zich naar hen uitstak, en zich dus haastten ook hunne hand uit te steken, om het aangeboden geldstuk te ontvangen.
De heer graaf ging nu langzaam de drie treden van het steenen bordes af, en steeg in het rijtuig. De kastelein sloot het portier, en de équipage rolde onder het lustig schallen van den posthoorn voort.
De kastelein oogde haar met een behagelijken glimlach na, als iemand, die een voordeelige zaak heeft gedaan, en met de betaling zeer tevreden is. De beide kellners en de huisknecht waren in de huisdeur getreden, en volgden insgelijks met hunne blikken het voortrollend rijtuig, dat juist om den naasten hoek verdween.
Op dit oogenblik vernam men het vroolijk schetteren van een posthoorn, een rijtuig kwam van de tegenovergestelde zijde der Burgstraat aanrollen, en hield voor het hotel stil.
172
Twee groote, zwarte reiskoffers waren achter op de plank van de open kales geplaatst, de postiljon zat op den bok en blies op zijn posthoorn : âEr reden eens drie ruiters uit de poort.quot;
Maar het rijtuig was ledig; de kastelein, die nog op de stoep stond, bekeek het glimlachend; de kellners en de huisknecht, die in de huisdeur stonden, vroegen zich verwonderd af wat dit te beteekenen had, toen zij achter zich in het voorhuis, haastig naderende voetstappen hoorden. Zij zagen om, en traden toen verbaasd en verschrikt van den drempel terug in het voorhuis.
Van de trap kwam mijnheer de graaf de St. Julien, stak zijn witte hand uit, gaf in het voorbijgaan den beiden kellners en den huisknecht een drinkgeld, trad vervolgens uit de huisdeur, steeg bedaard in het rijtuig, naast welks portier de kastelein stond, sloeg zelf het portier dicht, maakte met de hand een gebiedend teeken, en de équipage rolde weg.
De kastelein, â naar 't scheen, â sprakeloos van verbazing, stond nog altoos als vastgenageld op dezelfde plek; de kellners en de huisknecht waren weder in de huisdeur getreden, en staarden met groote oogen het tweede rijtuig na, 'twelk juist den hoek om sloeg, toen andermaal een posthoorn de aangename wijs van de âdrie ruitersquot; liet hoeren, en wederom een reiskoets met twee koffers kwam aanrijden, en voor het hotel stil hield.
Nu verbleekten de kellners, en keken schuw naar de trap achter zich. Daar kwam langzaam en deftig de graaf de St. Julien de trap af, groette in 't voorbijgaan de beide kellners en den huisknecht met een voornamen hoofdknik, stak zijn witte hand uit, reikte ieder hunner een drinkgeld, ging naar het rijtuig en reed weg, onder het vroolijk schetteren van den posthoorn.
De kastelein stond, als door den donder getroffen, nog altoos op dezelfde plek voor het bordes van zijn huis, en keek met een uitdrukking van onuitsprekelijke ontzetting naar rechts en links. De kellners hadden de kracht niet meer om in de huisdeur te treden, hunne knieën knikten te zeer, en hunne blikken waren onafgewend op de trap gericht. Zij hoorden nu wel, dat buiten wederom een postiljon liet oude deuntje van de âdrie ruitersquot; blies, en evenzeer het rollen en stilhouden van een rijtuig, maar
173
hunne oogen waren als geboeid aan quot;de trap, dien de graaf de St. Julien juist langzaam en trotsch afging, zooals hij dit reeds driemaal gedaan had. Hetzelfde ernstig koel gelaat mot den grooten baard, die zijn kin beschaduwde, met de groote gepoederde pruik, wier lokken over zijn voorhoofd en wangen rolden, nauwkeurig de donkerbruine mantel over de zwart fluweelen kleeding, en de witte, met lange kanten manchetten omgevene hand, die zich nu uitstak, en den kellners en den huisknecht een drinkgeld reikte.
Ditmaal hadden de jongelingen nauwelijks genoeg besef om de hand uit te steken, ten einde het geldstuk aan te nemen; want het duizelde voor hunne oogen, en hunne harten klopten koortsig en snel van schrik en ontzetting.
âIk zou willen wegloopen,quot; stamelde de eerste bediende, terwijl juist graaf St. Julien ten vierdemale in het rijtuig steeg en wegreed: âja, ik zou gaarne willen wegloopen, maar 't is alsof mijne voeten aan den grond genageld zijn.quot;
âAls ik ze kon optillen, was ik reeds lang weg geweest,quot; zuchtte de tweede kellner, wien het zweet in groote droppels op 't voorhoofd stond: â'tls gewis een duivelverschij-ning! Ach God, ach God, er wordt al weder geblazen, en de drie ruiters komen al weder.quot;
âEn de heer graaf komt reeds weder de trap af,quot; prevelde de huisknecht, die tot hiertoe geheel in de aanschouwing zijner geldstukken verdiept was geweest.
En ja; de graaf de St. Julien kwam weder ten vijfdemale de trap af, reikte in 't voorbijgaan ten vijfdemale den bleeken jongelingen hun drinkgeld, ging door de huisdeur naar het rijtuig, waarnaast de kastelein stond, en reed met de schetterende âdrie ruitersquot; weg.
âJulius,quot; fluisterde de eerste kellner: âik bid u om Godswil grijp eens in mijn haar en trek er duchtig aan, opdat ik wellicht ontwake, en deze vreeselijke droom ophoude.''
âIk kan niet,quot; jammerde Julius : âik ben verlamd aan handen en voeten. Ik kan mij niet bewegen!quot;
âIk wel,quot; zei de huisknecht moedig, stak de hand uit, en trok zóó geweldig aan het golvende haar van den eerste kellner, dat deze luid schreeuwde, en zich volkomen overtuigde dat dit alles geen droom, â en hij werkelijk wakker was.
174
Maar de posthoorn schalde reeds weder, en do âdrie ruitersquot; kwamen reeds weder aanrollen, en voor de zesde keer daalde de graaf de St. Julien de trap af, deelde ten zesdemale de giften uit, en reed ten zesdemale weg.
â't Is een helsch heksenwerk,quot; kermde de eerste kell-ner: âwij zijn betooverd, behekst.quot;
,,Ik houd het niet langer uit,quot; steunde de kellner Julius : âIk sterf er van.quot;
âIk houd het wél uit,quot; zei de huisknecht droog, terwijl hij de zes geldstukken in zijn holle hand liet klinken; âzoo het helsche hekserij is, deze zes goudstukken zijn ten minste niet uit de hel, want zij zijn heel koud, zien er zeer goed en echt uit, en â Ha, daar is de heer graaf al weder!quot;
âJa, de heer graaf kwam voor de zevende maal de trap af, voorbij de kellners, die echter nu niet meer op hunne voeten stonden, maar op de knieën waren nedergezonken, 't geen mijnheer de graaf heel bedaard als een bewijs van onuitsprekelijken eerbied aannam, en hun het geldstuk in de bevende handen liet glijden.
âAlle goede geesten loven den Heer,quot; prevelde de eerste kellner, terwijl hij het aannam; maar noch de heer graaf, noch het geldstuk schenen door deze vrome spreuk getroffen te worden; want de heer graaf steeg bedaard in het rijtuig, en het muntstuk bleef gerust in de hand van den eerste kellner, 'tgeen den huisknecht aanleiding gaf tot de opmerk-king: dat hij bereid was tot den volgenden dag, en nóg langer hier te staan, zoo het den heer graaf de St. Julien believen mocht telkens weder van de trap te komen, en telkens weder zijn drinkgeld uit te deelen.
Maar het beliefde den heer graaf de St. Julien nog slechts tweemaal de trap af te gaan, drinkgeld uit te deelen en in het rijtuig te stijgen. Toen nu de graaf ten negendenmale weggereden was, schenen de âdrie ruitersquot; werkelijk besloten te hebben de poort uit te rijden; althans kwamen zij niet meer aan het logement De koninrj van Portugal schetteren, en geen reiskoets hield er meer voor stil. De kastelein wachtte nog een poos, en sprak met de buren, die door bet gedurig blazen van den posthoorn eindelijk aan de vensters gelokt waren, en er naar vroegen hoe het kwam, dat zoovele heeren plotseling met extrapost uit zijn logement wegreden. Waarop de kastelein hen met een holle grafstem, strakken
175
blik en vreeselijk schouderophalen verhaalde, dal ei'in zijn hotel slechts één heer had gelogeerd, en de duivel hier gewis in 't spel moest zijn geweest, daar hij dien heernegenraaal had zien wegrijden.
Vervolgens ging hij, onder bestendig hoofdschudden, in zijn hotel terug, in welks voorhuis hij de kellners en den huisknecht bezig vond hun drinkgeld te tellen, terwijl zij nog soms begeerige blikken naar de kap wierpen, alsof zij nog altoos hoopten, dat de graaf de St. Julien weder naar beneden zou komen.
Juist zooals graaf Cagliostro den beiden heeren ordebroeders had aangekondigd, kwam de minister Herzberg eerst 's avonds laat van Sans-souci te Berlijn terug, en vond op de schrijftafel in zijn studeervertrek Wilhelmine's briefje.
De minister schreef terstond een paar haastige woorden aan den directeur van politie, en verzocht hem zich in persoon naar het logement De koning van Portugal te begeven, om er den graaf de St. Julien gevangen te nemen, en in verzekerde bewaring te brengen.
Na verloop van een uur kwam de heer directeur van politie met de onaangename boodschap terug, dat de graaf de St. Julien reeds vóór twee uren van het hotel afgereden was, en tegelijk verhaalde hij den ministerde zonderlinge geschiedenis, welke hem door den kastelein medegedeeld, â en door de kellners en den huisknecht bevestigd was geworden' dat de graaf de St. Julien negenmaal achtereen van het hotel was weggereden,
Herzberg glimlachte. âGij ziet, wij hebben met een zeer behendigen schelm te doen,quot; zeide hij; âen deze schelm is niemand anders dan de zoogenaamde graaf Cagliostro, die onlangs te Mittau en St. Petersburg als een vermetel bedrieger ontmaskerd is, en aan wiens gevangenneming Keizerin Katharina zeer voel genegen is. Het zou dus Zijne Majesteit onzen Koning zeer welkom zijn geweest, zoo hij der Keizerin deze kleine oplettendheid had kannen bewijzen, haar den vermetelen goochelaar uit te leveren.quot;
âMisschien zou 't kunnen gelukken hem nog op zijn vlucht te vangen,quot; zei de politiedirecteur: âUwe exeilenüe weet, dat sedert een half jaar op bevel des Konings elke reiskoets, die een der poorten van Berlijn uitrijdt, aangehouden wordt; dat de reizigers zich met hun pas moeten doen erkennen,
176
hunne reisrouten aangeven, en dat deze aangiften zeer zorgvuldig door den poortschrijver opgeteekend worden, en daarvan proces-verbaal wordt opgemaakt, welkproces-verbaal dan iederen morgen naar Sans-souci aan Zijne Majesteit ^ezonden wordt. Men zou derhalve, â als men aan alle poorten navraag doet, zeer gemakkelijk kunnen vernemen, door welke poort hij Berlijn verlaten heeft. De poortschrijver zal in den vertoonden pas gezien hebben, waarheen de zoogenaamde graaf St. Julien vertrokken is, en wij kunnen hem dan op dien weg vervolgen en laten aanhouden.'
âDat is een goede gedachte,quot; zei de minister; âspoed u, heer directeur, haar uit te voeren, en wees zoo goed mij van uwe ontdekking bericht te geven.quot;
De politiedirecteur ijlde in ijverigen ambtsijver heen, en nauwelijks was een uur verloopen, toen hij weder het kabinet des ministers binnentrad.
âNu, mijn waarde directeur,quot; riep de minister hem toe; âhebben wij den vluchteling ontdekt?quot;
De directeur schudde met zeer ernstig gelaat het hootd. âExcellentie,quot; zeide hij ;â'tis wonderbaar. Deze man is geen comediant, maar een heksenmeester. Hij is uitmal de negen poorten onzer stad Berlijn gereden; precies op 't zelfde uur en minuut uit al de negen poorten!quot;
Herzberg lachte. âHieraan herken ik den geestrijken graat Cagliostro,quot; zeide hij: âdit is een van zijn groote kunst-stukken
,ExceUentie,quot; antwoordde de politiedirecteur hoofdschuddend : âdit is geen kunststuk, 't Is hekserij! 't Is onmogelijk dat een mensch op hetzelfde uur uit negen poorten rijdt; aan iedere poort in dezelfde équipage,met twee reiskoffers, op den bok een postiljon, die aan iedere poort hetzelfde deuntje blaast, met een behoorlijken pas, dien hij aan iedere poort vertoont, en zich legilimeert als de graaf de St. Julien, die over Hamburg naar Parijs reist. Zie, excellentie, hier zijn de negen declaraties der negen poortschrijvers van Berlijn. Zij zijn woord voor woord overeenstemmend, dat wil zeggen, zoo ik niet betooverd ben en nog goed lezen kan!quot;
âHet zal zich zoo wel nebben toegedragen,quot; zei Herzberg glimlachend; âen ik beken dat dezo streek Cagliostro alle eer aandoet. Ik zal morgen weder naar Sans-souci rijden.
Ml
Ge kunt mij begeleiden, mijn lieve directeur, om den Koning de declaraties voor te leggen en hem verslag te doen. En wat dunkt u? Het zal nu wel onmogelijk zijn den graaf St. Julien nog verder te vervolgen?quot;
âIk zou zeer gelukkig zijn,quot; antwoordde de directeur van politie; âzeer gelukkig, zoo ik de raeening Uwer Excelletie mocht vernemen, in welke richting wij den vluchteling zouden kunnen vervolgen?quot;
âMijne meening? Nu, die zal ik u zeggen,quot; riep Herz-berg lachend; â Ik ben overtuigd, dat de graal St. Julien uit negen poorten is getreden, wijl hij in de stad is gebleven, en op die wijze het best alle vervolging ontgaat, 't Zou dan ook vruchteloos zijn hem na te sporen. Of het moest zijn, dat ge bij al de ordebroeders der Rozenkruisers huiszoeking deedt; en daar dit niet goed doenlijk is, moeten wij den sluwen Magus ditmaal wel lalen ontsnappen.quot;
Minister Herzberg had gelijk. Cagliostro was slechts uit de negen poorten van Berlijn gereden om veilig en zonder gevaar in de stad te kunnen blijven, en met Bischofswerder en Wöllner de toebereidselen voor het groote tooneel te maken, dat in dezen nacht voor den Kroonprins Frederik Wilhelm zou uitgevoerd worden.
Reeds sedert lang had de Prins een levendig verlangen te kennen gegeven om eindelijk eens in de mysteriën der wonderbare en heilige orde, â waarvan zijn beide vrienden hem zooveel, en met zulk een eerbiedigen schroom gesproken hadden, â opgenomen te worden. Maar zij hadden dit verlangen steeds ontweken, en altijd schouderophalend en met diep leedwezen beweerd, dat het onmogelijk zou zijn den Kroonprins deze verhevene verborgenheden te onthullen.
âDe geesten verschijnen zelfs voor de ingewijden niet altoos,quot; had Bischotswerder gezegd; ,,zij voegen zich naar ons roepen en smeeken slechts dan, als wij met vurige ziel tot hen bidden, en alles uit onze omgeving en nabijheid verwijderen, wat ons tot ongeloof en twijfel zou kunnen verlokken. Ik vrees ten zeerste, dat het vruchteloos is voor Uwe hoogheid de geesten der afgestorven te bezweren, zoolang Uwe Hoogheid met Hare bijzondere gunst eene dame vereert, die met de verhevene orde der Rozenkruisers spot, en met de vijanden der orde verkeert. Hoe zouden de gees-
Mühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. II. 12
178
ten, voor wie niets verborgen is, zich verwaardigen te verschijnen, indien degeen die hen roept, misschien nog kort te voren met een vriendin der Illuminaten en ongeloovigen in betrekking is geweest?quot; â
âDe geestenwereld openbaart zich slechts aan de deugd-zamen en reinen,quot; had Wöllner met zijn scherpe, strenge stem gezegd; âdie niet op de paden der onschuld en kuisch-heid wandelt, dien kunnen de geesten der zaligen niet naderen ; want de zonde en de ondeugd omgeven hem met een dichten nevel, die hem verwijderd houdt van den zuiveren dampkring der verhevenen. Zoo gij de geesten der zaligen wilt oproepen, Prins, moet ge vooraf den sfeer die u omgeeft zuiveren en reinigen, en deze vrouw verwijderen, die u afhoudt van de paden der deugd en kuischheid.quot; â
Maar, al deze vermaningen waren vruchteloos geweest. De Kroonprins, â hoezeer hij ook verlangde in de geestenwereld opgenomen en een hooger, aanschouwend lid der Rozenkruisers te worden, â had er echter niet toe kunnen besluiten, haar van zich te verwijderen, die sedert tien jaren zijn geliefde, zijn vriendin was geweest; die blij moedig smaad en vernedering voor hem verdragen, â om zijnentwil vele voorname en rijke partijen afgeslagen had, en liever eenvoudig en schier behoeftig had geleefd, dan van den Prins te scheiden, en de eerbare gade van een rijk man worden.
Neen, het was onmogelijk Wilhelminete verlaten; haar, de geliefde zijner jeugd, de moeder zijner twee lieve kinderen ; 'haar, die met zulk een teedere liefde aan hem verkleefd was, die alleen het verstond, met haar schalksch vernuft, met hare beminnelijke stoutheid, met hare goedhartige vroolijkheidde verveling te verdrijven, die overal elders den Prins vervolde. Neen; hij kon niet zoo ondankbaar, zoo hardvochtig zijn, Wilhelmine, die hij had bemind, toen zij jong en schoon was, thans te verstoeten, nu haar jeugd niet meer de frisch-heid, hare schoonheid niet meer den eersten bloei bezat!
Dit hadden de ordebroeders Bischofswerder en Wöllner begrepen; daarom besloten zij tot krachtiger middelen hun toevlucht te nemen, en Cagliostro's onverwachte aankomst moest hen natuurlijk als een boodschap der onzichtbare vaderen voorkomen, die hun den Magus zonden, opdat het verhevene werk der zielsbekeering van den Prins, onfeilbaar tot stand kwam.
179
In dezen nacht nu, zou dit volbracht worden! Zij hadden den Kroonprins aangekondigd, dat de onzichtbaren ontferming wilden hebben met zijn verlangen naar kennis, en dat zij, â hoezeer hij nog op de paden der ondeugd wandelde, â evenwel gezind waren, hem in de velden der zaligen te doen schouwen. Elk uur moest hij zich dus gereed houden, en de boden verwachten, die komen zouden om hem te roepen. v
De Kroonprins had derhalve aan zijn geliefde Wilhelmine geschreven, dat hij eerst morgen naar Gharlottenburg zou komen; hij had den geheelen dag zijn kamer niet verlaten, en in ongedurige spanning de verschijning der boden verwacht. Thans, nu de nacht was aangebroken, gaf hij de hoop op, en met verslagen gemoed zeide hij tot zich zelve, dat de verhevenen hem dus niet waardig hielden voor hunne reine nabijheid, en dat Wilhelmine Enke dus werkelijk een verhindering zijner kennis zijn moest. Terwijl hij nu begon te overleggen, of hij aan het heil en de kennis zijner ziel werkelijk zijne geliefde zou opoiïeren, opende zich zacht de geheime deur, die naar de kleine zijtrap voerde, en twee mannengestalten, geheel in zwarte mantels gehuld, de aangezichten met zwarte maskers bedekt, traden binnen en plaatsten zich naast de deur.
De Kroonprins, die hun binnentreden niet bemerkt had, schrikte, nu hij bij een toevallige hoofdwending de twee onbewegelijke gestalten ontwaarde, en terugdeinzend vroeg hij met bevende stem wat zij begeerden.
âNiet wij zijn het die begeeren,quot; antwoordden beiden op denzelfden toon na elkander, als ware de een slechts de echo des anderen: âniet wij zijn het die begeeren, maar^ijzijt het. Gij begeert de onzichtbai-en te aanschouwen, â dat de geestenwereld zich voor u zal openen. De verhevenen willen uwe begeerte vervullen! Kom, volg ons!''
Zij openden de geheime deur; een der gemaskerden ging er uit, de andere bleef er naast staan, en wenkte den Kroonprins, dat hij hem voor zou gaan.
De Prins aarzelde, het scheen hem vermetel zich op deze wijze in een gevaar te begeven, dat hij niet kende, en menschen te volgen, die misschien zijn vertrouwen misbruiken konden.
âLaat mij uwe aangezichten zien; neemt de makers af,quot;
180
zeide hij; âik ben bereid u te volgen, maar ik moet weten met wie ik ga.quot;
âBlijf dan liever,quot; zei de gemaskerde; âDiegeen vertrouwen heeft is geen vertrouwen waardig; die slechts aan het zichtbare gelooft, van hèm wenden de onzichtbaren zich Ãvf quot;
Frederik Wilhelm glimlachte. Hij had deze stem herkend, en wist nu dat het Bischofsweder was, die tot hem sprak; maar hij wist niel, dat Blschofswerder opzettelijk zijn stem niet veranderde, om den Prins moed in te boezemen.
âWelaan, 't zij zoo,quot; riep Frederik Wilhelm : âde onzichtbaren zullen zien, dat ik geloof. Volg mij!'
Aanstonds naderde hem de gemaskerde, nam den mantel van zijn schouder, en wierp dien den Kroonprins om; nam den driekanten hoed en het masker van zijn hootd, en bedekte er Frederik Wilhelm's hoofd en aangezicht mede. Deze liet dit toe, en ontwaarde met eenig verwondering, dat de andere, â hoezeer deze hem zijn mantel, zijn masker en zijn hoed had gegeven, â evenwel in dezelfde vermomming als vroeger gebleven was.
âKom nu, want de onzichtbaren verwachten u,quot; zeide deze nu, en de Kroonprins trad moedig over den drempel, en ging naar buiten in de kleine gang, die naar de zijtrap Voerde. De tweede vermomde volgde, en sloot de deur achter zich; de eerste vermomde ging vooruit, en bij eiken tred dien hij voorwaarts deed, verspreidde zicb een zachte schemering. die den Prins den weg scheen te wijzen.
Zwijgend ging 't nu de trap af en naar buiten door de poort van het kasteel, waar een gesloten rijtuig wachtte. De Prins steeg in, de twee vermomden volgden hem, en het rijtuig reed weg.
âWaarheen voert ge mij?quot; vroeg Frederik Wilhelm. ^
âTot de onzichtbaren, welke uw verlangen geroepen heelt,quot; antwoordde een stem, die den Prins geheel vreemd voorkwam, Daarop heerschte weder diepe stilte; in razen-den galop vloog het rijtuig over de straatsteenen, vervolgens door 'het mulle zand voorwaarts steeds voorwaarts. Tweemaal beproefde de Kroonprins nog een gesprek aan te knoopen, maar dezelfde vreemde stem riep hem gebiedend toe: âBeinig uw hart, en bid!quot; en daarop werd alles weder stil.
181
Het berouwde nu den Prins van ganscher harte, zich met dit avontuur ingelaten te hebben. Hij dacht aan zijn vroo-lijke, geliefde Wilhelmine; hij verlangde naar haar, en overlegde reeds of 't niet beter ware, te bevelen dat men omkee-ren, â en hem naar Charlottenburg, tot zijne geliefde voeren zou. Maar de overtuiging; dat Bischofswerder zich nevens hem bevond, en de vrees om in de oogen zijns vriends en gunstelings zwak en moedeloos te schijnen, hielden het gebiedende woord terug. Thans, na een rit, die den Prins verscheidene uren scheen geduurd te hebben, hield het rijtuig stil, het portier werd geopend, de twee vermomden sprongen er uit, reikten Frederik Wilhelm de hand en hielpen hem bij 't uitstijgen. Hij sloeg een vorschenden, schuwen blik 't rond. en ademde ruimer; want in weerwil der nachtelijke duisternis, wist hij tóch waar hij zich bevond, en zag dat men voor het marmerpaleis te Potsdam stond, dat nabij het nieuwe paleis lag, 't welk de Kroonprins bij zijn verblijf te Potsdam bewoonde.
Zoo men hem juist hierheen voerde, kon men zekerlijk niets kwaads tegen hem in 't schild voeren, â waren het zekerlijk vrienden, die zich hij hem bevonden. Het marmerpaleis stond daar stil en donker, want het was onbewoond, en diende slechts bij feestelijke gelegenheden tot verblijf van 's Konings gasten, waarvan zich echter thans niemand te Potsdam bevond.
Het rijtuig had stil gehouden voor een deur, die gewoonlijk niet open was, en voor welke mitsdien geen schildwachten stonden. Nu evenwel was deze deur open, en de Prins trad met zijne begeleiders binnen. De een ging voor hem uit, terwijl de [ander volgde, en zoo schreden zij door de gang, trappen op en af, en slechts de schemerende lichtglans dien de vooruitgaande gemaskerde achter zich wierp, leidde hunne schreden.
Nu hoorde men in de verte een wonderbaar, zonderling geluid; een feestelijke muziek, die snijdend en scherp als glas, wonderbaar dreunend en doordringend als windgehuil klonk, en de zenuwen trillen, het hart beven deed. Hoe verder zij gingen, des te sterker zwollen de tonen, en daartusschen hoorde men zuchten, kermen en jammeren, als van ge-martelden en gefolterden.
De vooruitgaande vermomde opende nu een deur, en bei-
%
182
den plaatsten er zich nevens. â âWij zijn aan het doel,quot; sprak de vreemde, onbekende stem.
âWaar?' vroeg de Prins; âWat is het doel?''
âDe plaats, waar ge aanschouwen zult wat ge begeert,quot; antwoordde. Bischotswerder's stem, zóó zacht en geruststellend, dat Frederik Wilhelm er zich door bemoedigd gevoelde: âde onzichtharen voegen zich naar uwe vurige wenschen. en de geesten, welke gij roepen wilt, zullen verschijnen. Doch zoo uw hart thans vreest, zoo ge gevoelt dat de nabijheid der afgestorvenen u overweldigen zou, zoo ge angst gevoelt, treed dan terug, beveel dat wij u van hier wegvoeren naar uw paleis, en het zal geschieden. Maar zie dan ook voor altoos af van het verheven geluk, de onzichtharen te aanschouwen, en met de geestenwereld heilige gemeenschap te hebben.quot;
âIk ken geen vrees,quot; antwoordde de Prins fier: âik wil de afgestorvenen zien!quot;
âGa dan deze kamer binnen, en zij zullen u naderen. Val neder op uwe knieën, en roep driemaal met luider stem de namen van drie ontslapenen, en zij zullen voor u verschijnen en de vragen beantwoorden, welke gij tot hen richt. Maar hoed u, en waag u niet in hunne nabijheid ; want de blik hunner oogen is doodelijk, en hun adem is vernietigend. Blijf daarom op uwe knieën als zij u verschijnen, en op eerbiedigen afstand van hen, zooals den sterfelijken voor de onsterfelijken betaamt. Treed binnen, broeder, bid en hoop!''
Frederik Wilhelm begreep in weerwil van de heimelijke vrees, die wederom zijn hart bekroop, dat thans geen terugwijken meer mogelijk was, en trad dus vlug over den drempel.
Terstond sloot zich de deur achter hem, en hij bevond zich nu in zulk een diepe duisternis, dat hij 't niet waagde zich voorwaarts te bewegen, maar op zijne knieën neder-zonk. De scherpe, doordringende muziek verstomde, en een stem, die van zeer verren afstand scheen te komen, en tóch krachtig en geweldig was, riep nu: âNoem de overledenen welke gij begeert te zien! Noem ze driemaal!quot;
âMarcus Aurelius, Leibnitz, en de groote Keurvorst!quot; zei Frederik WTilhelm luid, en herhaalde deze namen nog tweemaal.
âWie roept mij ?quot; sprak thans een holle grafstem, â en
183
ginds recht tegenover den Prins, verbreidde zich nu een blauw licht, werd grooter, nam een raenschelijken vorm aan, die aanvankelijk als uit nevels en wolken scheen geweven, maar vervolgens meer aaneengesloten en dichter werd, en nu als een krijgsmansgestalte uit den vroegeren Romeinschen tijd verscheen. Marcus Aurelius, de Romeinsche Keizer in kuras en helm, waaruit een bleek, vaal gelaat met wijdgeopende, strakke oogen staarde.
âWie roept mij?'' herhaalde de grafstem, maar de Prins was niet in staat te antwoorden. De lippen weigerden hem hun dienst, en toen hij naar dit levend lijkgezicht met de wezenstrekken van Marcus Aurelius zag, liep een rilling door zijn geheele wezen.
âGij antwoordt mij niet,quot; donderde de stem; âik wil u echter zeggen, wie gij zijt; Gij zijt een in zonden en ondeugdenquot; verloren zoon der aarde, een afvallige, een verlorene'. Gij zijt de Kroonprins van Pruisen, geroepen om Koning te worden, een volk te regeeren, en zijt toch slechts een zwakke zoon der aarde, die zichzelven niet kan be-heerschen. Keer terug van de paden der ondeugd,terwijl het nog tijd is; verhef u uit het stof der zonde, opdat de aschregen der vergelding u niet begrave, zooals die eens het zondige Pompei begraven heeft. Geen grafsteen wijst dan de plek aan, waar de zondaar is gevallen; verzonken is hij in den nacht der vergetelheid, of, zoo hij genoemd wordt, volgen hem de vervloekingen van toekomstige geslachten. Derhalve, keer terug; keer terug van de dwaalwegen der zonde. Verhef u tot de deugd, opdat de zaligen u naderen kannen. Uwe nabijheid doet mij huiveren! Wee over u! Wee! wee! wee!quot;
Het nevelbeeld verdween, en er heerschte weder een oogenblik diepe duisternis. âIk wil niets meer zien, ik wil niets meer hooren,quot; riep de beangste Kroonprins; âdeze lucht benauwt mij, opent de deuren! Ik zie af van den omgang met de overledenen Ik wil weg!''
Maar plotseling lichtte het weder in 't duistere vertrek, en een gestalte /weefde nader, en een ernstig, somber aangezicht, door een groote allongepruik omgeven, staarde den Prins aan. Hij herkende het wel; het waren de trekken van den ^rooten philosoof Leibnitz, dien hij gewenscht had te zien, en wiens aanblik hem tóch met onuitsprekelijke
184
ontsteltenis vervulde. Et) evenals Marcus Aurelius, vroeg ook Leibnitz den Prins naar zijn begeerte, en daar li ij niet antwoordde, begon ook Leibnitz met toornige stem tot hem te spreken, hem zijne zonden te verwijten, en hem te bezweren het pad der ondeugd te verlaten.
âIk wil weg! Open! Open!quot; riep de Prins, toen het dreigend spooksel verdwenen was, en hij tastte met de handen achter zich, tot hij de deur vond, en schudde en drukte haar met al de kracht van schrik en angst. Maar zij gaf niet toe, zij bleef gesloten, en hij moest nu uit de duisternis ook den derde der door hem geroepenen zien te voorschijn komen. Hij moest den grooten Keurvorst Fre-derik Wilhelm zien; hoe hij met hoog opgeheven arm, met fonkelende oogen, met toornig gelaat nader trad, en zijne leeuwenmanen schudde tegen den verdwaalden inzonden nederliggenden zoon van zijn Huis; hij moest hooren,hoe hij hem heftige, toornige woorden toeslingerde, en hem dreigde met zijn vloek en zijn wraak, zoo hij niet afzag van de zonde, die hem tot zedeloosheid, tot ondeugd, tot onkuischheid verleidde!
âIk wil mij betei'en,quot; zuchtte de Prins: ,,Ik wil alles doen wat de geesten bevelen. Maar ontfermt u slechts over mij! Laat mij vrij! Bischofswerder! Te hulp! Te hulp! Opent de deur! Ik wil mij beteren! Maar hier uit! Opent de deur!quot;
De deur opende zich werkelijk, en een lange stoet van donkere, gemaskerde gestalten trad het half donkere vertrek binnen, De gemaskerden omringden hem, en handenwringend smeekten zij den Prins, zich van de ondeugd en de zonde at te wenden, zich tot de deugd te bekeeren, en de verleidster, de onheilige te verlaten.
Zij jammerden, smeekten, zonken neder op hunne knieën, hieven de handen tot hem op, en baden snikkende en wee-nende; âKeer terug! Beminde, Geroepene! Zie af van Wil-helmine Enke; zie af van de ondeugd! Verstoot de verleidster en wend uw gelaat tot de deugd, welke gij gezien hebt in al hare schoonheid!quot;
En hun weenen en smeeken trof zijn hart, en de doodsangst, de zenuwoverspanning maakte hem machteloos.
âIk wil doen wat ge van mij begeert,quot; riep de Prins, terwijl de tranen uit zijne oogen vloeiden: âik wil van mijn geliefde afzien!''
185
âZweer hel!quot; riep het koor der gemaskerden. ,,lk zweer, dal' Wilhelmine Enke niet meer mijn geliefde zal zijn,quot; riep de Prins: âik zweer bij alles wat mij heilig is, dat ik wil afzien van Wilhelmine Enke. Ik zweerâquot; Zijn stem haperde, het suisde in zijne ooi en, alles dwarrelde en draaide voor zijne oogen. Hij zonk onmachtig ineen.
Toen hij na een lange bewusteloosheid ontwaakte, bevond hij zich weder op zijn bed, in de slaapkamer van het nieuwe paleis te Potsdam.
Voor zijn bed zat Bischofswerder, en hield zijn blik vol teedere deelneming op den Prins gericht. Nu boog hij zich tot hem neder, en bracht met een uitroep van blijdschap, de hand van den Prins aan zijne lippen.
âGoddank, mijn dierbare Prins, ge zijt weder ontwaakt; ge zijl aan een nieuw leven wedergegeven. Gij behoort nu aan de deugd, aan de eerbaarheid, en de onzichtbare vaderen zegenen den deugdzame, den lichtvaardige!quot;
âBischofswerder,quot; zei de Prins op doffen toon: âis het waar? Heb ik gezworen Wilhelmine Enke te versloolen? Wilhelmine Enke niet meer te beminnen?quot;
âJa, mijn Prins,quot; antwoordde Bischofswerder verheugd; âGij hebt het belooft bij alles wat u heilig is. God in den den hemel en de geesten en de onzichtbaren hebben uwen eed gehoord, en er is een goddelijke vreugde hierover in den hemel en op aarde!quot;
De prins antwoordde niet; hij wendde zijn hoofd slechts naar de andere zijde, om Bischofswerder te tranen niet te laten zien, die over zijne wangen vloeiden.
VI.
DE TERUGKOMST.
Het fraai huis, 't welk de heer Ebenslreit von Leuthen in de schoonste straat van Berlijn âonder de Lindenquot; bezat, was na diens huwelijk en verheffing in den adelstand, geheelnieuw ingericht geworden, en verbeidde in de heerlijkste versiering, de komst zijner bewoners. In de laatste weken had in dit huis een levendige drukte geheerscht; allerlei
180
handwerksliaiien en kunstenaars waren er bezig geweest, en de oude Trui, â de achtbare bestuurster van het huis, â zag met stomme verbazing, hoe de zalen steeds meer schitterden in den glans der gouden meubels, der prachtige spiegels en lichtkronen, der heerlijke schilderijen, welke mijnheer von Leuthen uit Italië had gezonden, de marmerbeelden, tapijten, zijden behangsels, met goud geborduurde gordijnen en al de kostbare voorwerpen van weelde, die overal op vergulde marmeren tafels stonden.
Thans, nu alles voltooid, het geraas der arbeidende werklieden verstomd, en alles wedeu eenzaam en stil was, â ging zij langzaam door de versierde, eenzame vertrekken, en liet onderzoekend hare oogen naar alle zijden zweven. Maar, er sprak geen tevredenheid, doch veeleer toorn uit hare blikken, en om hare lippen speelde een verachtende glimlach.
âDit is de ellendige prulleboel, waarvoor zij mijn arm Marietje verkocht hebben,quot; prevelde de oude vrouw, terwijl zij langzaam voortging: âVoor zulk een nietswaardige voddenkraam en tooi, hebben zij het arme, onschuldige hart in 't verderf gejaagd, en het zal hun schuld zijn zoo haar ziel verloren gaat. Want ik zie 't wel aan hare brieven, dat zij geheel anders is geworden, en dat zij haar herschapen hebben met hun schandelijk geldhuwelijk. Van niets schrijft zij steeds, dan over de inrichting van dit huis, en niets is fraai en kostbaar genoeg. Nooit een hartelijk, vertrouwelijk woord voor haar oude Trui. 'tls alsof zij alles vergeten heeft, wat vroeger geweest is! Ach, 'tis droevig en jammer met de rijke menschen! Het schandelijk geld versteend hunne harten, en maakt hun slecht en liefdeloos.quot;
Het heftig geluid eener schel klonk thans door het huis, en weergalmde akelig in de ledige, eenzame zalen.
âDat is zeker mevrouw von Werrig,quot; zei Trui hoofdschuddend : âzij schelt altoos alsof zij de komst van den Koning wil aankondigen, en draagt haar neus zoo hoog, alsof zij de geldzak van haar schoonzoon is. â Inderdaad,quot; bevestigde Trui, toen men nu buiten de schelle stem der generaais-vrouw vernam; âinderdaad, daar is zij! Zij kijft reeds met den nieuwen hofmeester, die eerst sinds gisteren hier is; zij behandelt al de dienstboden hier, als waren het hare
187
eigene; maar zij willen 'tzich niet laten welgevallen, en dat doet mij pleizier.quot;
â't Is ongehoord! 'tis abominabelquot; schreeuwde de gene-raalsvrouw, terwijl zij met een heftigen ruk de deur opentrok en het salon binnentrad, waar Trui zich juist bevond; âdeze kerel verstout zich mijne bevelen te weerspreken en â Ha, daar zijt ge immers. Trui!quot;
âJa, ik ben hier,quot; zei de oude Trui bedaard: â heeft mevrouw mij gezocht?quot;
âJa, ik heb u gezocht, Trui. Ge moet mij zeggen of ge den nieuwen hofmeester, dien gij, â 't is belachelijk om het te zeggen, â dien (jij gehuurd hebt, niet ingeprent hebt dat de bevelen, welke ik hem geef, even goed zijn, alsof mijnheer von Ebenstreit of zijne gade ze gegeven hadden ?quot;
âNeen, dat heb ik hem niet ingeprent, mevrouw,quot; antwoordde Trui bedaard: âer staat hier niets van in den brief, dien mij Marietje âquot;
âMarietjelt;?quot;viel mevrouw von Werrig haar in derede: âHoe kunt ge u verstouten, de rijke mevrouw barones von Ebenstreit zoo gemeenzaan te noemen?quot;
â't Is waar,quot; zei Trui zuchtend: âik had ongelijk, en verzoek verschooning.quot;
âIk kom hier, om na te zien of alles in orde is,quot; vervolgde mevrouw: âik beveel den hofmeeser de deuren en gangen en 't voorportaal met bloemguirlandes en kransen te versieren, en die man heeft de onbeschaamdheid mij te antwoorden, dat hij dit niet doen mag.quot;
âHierin heeft hij volkomen gelijk, mevrouw. Want mevrouw de barones Ebenstreit von Leuthen â nietwaar, dit is de juiste titel? âmevrouw de barones heeft geschreven, dat zij zonder eenige feestelijkheid haar huis wil betrekken, en uitdrukkelijk verzocht, hare aankomst niet te vieren. Zie, hier is de brief. Ik draag hem altoos bij mij. Hier staat het, luister maar: âEr mag geen feestelijkheid voor onze aankomst plaats hebben, en ik verzoek uitdrukkelijk er van verschoond te blijven! Geen bloemen en guirlandes, geen manifestaties, die tóch slechts leugen en huichelarij zijn. Ik wensch dat mij niemand ontvangt. Hoort ge. Trui, niemand! Geef hiervan ook kennis aan mijne moeder,en zeg haar, dat ik, zoodra ik mij van de vermoeienissen der reis hersteld heb, met mijnheer den baron mijn plichtmatig
188
bezoek bij mijnheer den generaal en zijne vrouw zal brengen .
Welke koele en lieldeloo/e woorden!quot; riep de generaals-
vrouw. âWaarachtig, men zou niet gelooyen dat het een dochter is, die zóó van hare ouders schrijft.quot;
Zij heeft misschien op haren huwelijksdag vergelen dat zii 'no0, ouders heeft,quot; zei Trui de schouders ophalende: âen zij wif nu bij hare terugkomst, wellicht niet terstond aan dezen ongelukkige!) trouwdag herinnerd worden. Zij kan echter elk oogonblik komen, mevrouw ; want de koerier, die hare aankomst moest berichten, is reeds voor een uur aan-gekomen, en daarom zou t misschien beter zijn, dat
, Ge wilt u toch wel niet vermeten te zeggen dat ik heen moet gaan? Neen, ik zal mij niet laten beletten, mijne dochter, mijn eenig kind, op te wachten, dat ik sedert bijna drie jaren niet gezien heb. Men kan het eene moeder niet ten kwade duiden, dat zij den tijd niet kan afwachten, om hare dierbare dochter te omhelzen. Ach, ik heb immei s geen andere vreugde dan mijn gelief kind, en ik verlang onuitsprekelijk, haar aan mijn hart te drukken, en haar miin
verdriet te klagen.quot; . â T1 j j t r
âVerdriet? Heeft mevrouw verdriet? Ik meende dat cut volstrekt niet voor haar bestond, en had mij nooit, voorgesteld, dat haar iets ter wereld bekommeren kon.quot; quot; En evenwel heb ik zwaar verdriet,quot; zuchtte de gene-raalsvrouw â âIk kan '1 u wel zeggen Trui, want ge kent al onze omstandigheden. Ge weet het, de heer generaal is nu weder tamelijk gezond, de beide badreizen naai Wies-baden en Teplitz hebben hem van zijn jicht genezen, en hii is thans helaas zóó sterk en gezond, dat hij overal kan heengaan. De booze, afschuwelijke jicht heeft hem ongelukkig verlaten!quot;
'Ongelukkig? Betreurt mevrouw dit? :
', Gewis betreur ik het, Trui; want nu hij niet meer ziek is,quot;heeft de generaal zijn vorig leven weder begonnen 11 ij gaat weder naar de wijnhuizen, waar vroolijke gezelschappen bijeenkomen, en hij speelt weder! Verbeeld u. Trui; gisteren avond heeft de generaal gespeeld, heeft al het geld verloren dat hij bij zich had, en alsof dit nog met genoeg ware, heeft hij het jaargeld, dat mijnheer von Lbenstreit voor ons heeft vastgezet, een geheel jaar verpand, en zich op zijn woord van eer verbonden, dat hiermede zijn speel-
489
schuld betaald zou worden. Zoo dat nu geschiedt, zullen wij het volgende jaar even arm en behoeftig moeten leven als vroeger; want wij zuilen dan niets hebben, dan het geringe pensioen van den generaal, en ge weet. Trui, hoe kommerlijk wij daarvan leven moesten.quot;
âEr. ge zult nu nóg minder hebben dan vroeger,quot; zei Trui: âwant toenmaals had ge nog het geld, dat ons lief Marietje met haar bloemenmaken en lesgeven verdiende, en waarvan zij nooit iets voor zic/i behield, maar alles aan hare ouders gaf, hoezeer zij er nooit dank voor kreeg. Ach, destijds was zij nog mijn lief, goed Marielje, en zoo vlijtig en zoo geduldig was zij, en zoo onverdroten heeft zij gearbeid voor hare ouders! Destijd had zij niet vergelen dat zij ouders had; zij werkte voor hen van vroeg tot laat, en â ach God, mijn hart breekt, als ik er aan denk, en ik moet weenen, zelfs in uwe tegenwoordigheid, mevrouw!quot;
Zij hief den slip van haar donkerblauwen boezelaar omhoog, en droogde hare oogen, en hield dien vast, want de tranen braken telkens weer los.
âWelk een leelijken boezelaar draagt ge,quot; riep de gene-raalsvrouw: âen hoe gemeen zijt ge in 't geheel gekleed. Dit is toch waarlijk niet de kleeding, die aan een huishoudster en bestuurster van een rijk en voornaam huis past, en deze betrekking bekleedt ge toch thans. Spoed u. Trui, en ga u beter kleeden, opdat ge uwe meesters behoorlijk en fatsoenlijk kunt ontvangen.
âIk zal 't wel laten, mevrouw, want ik ben zeer fatsoenlijk gekleed. 'tMag misschien niet de tooi zijn eener huishoudster en bestuurster, maar 'tis de kleeding, die voor de oude Trui past; en zooals ik ze altoos 's Zondags gedragen heb; toen ik nog de éénige dienstmaagd voor alles, bij u en mijn Marietje was. Gy zult dit wel niet weten, maar Marietje, â ik wil zeggen mevrouw von Eben-streit, â ziet het misschien, en denkt dan eenoogenblik aan haar lief dakkamertje, en dan âquot;
âEn dan zal Marie eindelijk inzien. Trui, hoe goed wij voor haar gezorgd hebben, en hoe dankbaar zij aan hare goede ouders moet zijn, dat zij haar zulk een rijk man bezorgd hebben. En als Marie dat eindelijk inziet âquot;
âGij vergeet met wie ge spreekt, mevrouw,quot; viel Trui haar spottend in de rede: âen dat het niet betaamt, als
190
men tot de oude Trui spreekt, âMarietjequot; te zeggen. Mevrouw von Ebenstreit, wilt ge zeggen.quot;
âWelnu, ja; mevrouw von Ebenstreit zal, als zij nu dit prachtige huis binnentreedt, toch moeten inzien, hoe goed haar moeder 't met haar gemeend heeft, en hoeveel dank zij haar verschuldigd is, en gij moet haar daaraan herinneren, Trui; en haar dan zeggen, welk een schrikkelijk verdriet mij haar vader heeft veroorzaakt, en dat het de plicht mijner dochter is, mij daarvan te bevrijden, en zij haar man moet overhalen, ditmaal nog eens die leelijke speelschuld te betalen, en dat geld niet van het jaargeld af te trekken. Want het zou toch een vreeselijke onrechtvaardigheid zijn, zoo ik er óók door moest lijden, dat de generaal weder de speelwoede heeft, en dat dit een slechte dank zou zijn voor den rijkdom dien ik mijne dochter heb bezorgd. Ge zult dat alles aan mijn dochter zeggen, Trui, en âquot;
âIk zal haar niets zeggen, volstrekt niets, mevrouw,quot; viel Trui haar driftig in de'rede: âde lieve God beware mij er voor, dat ik het zou doen, en met zulk een schrikkelijke logen mijn geweten bezwaar. Maar luister! Daar komt een rijtuig, en een posthoorn schalt! Zij komen! Zij komen!quot;
En de oude Trui ijlde naar buiten, de trap af naar de voorplaats. Door de breede koetspoort rolde juist de équipage op de plaats, en hield stil voor de stoep die naar de trap voerde.
De hofmeester en de beide livreibedienden naderden met eerbiedige buigingen, om het portier te openen, en hunne meesters hij het uitstijgen behulpzaam te zijn. De oude Trui kwam er bij, om de dame te begroeten, die er zoo geheel uitzag als haar lieveling, haar Marietje, en tóch weder zoo geheel anders, zoo bleek, zoo ernstig en koel.
âDe lieve God zegene uwe aankomst en uwe intrede in dit huis!quot; riep Trui met bevende stem.
De groote oogen der dame richtten zich met een onverschillige uitdrukking op de oude vrouw, wier trekken zoo bewogen, â en wier oogen met zulk een teedere uitdrukking op haar gericht waren.
âIk dank u,quot; zeide zij koel: âMijnheer, ik verzoek uw arm .quot;
En zij legde de hand op den arm van Ebenstreit, die uit het rijtuig was gesprongen, en zich dienstvaardig aan-
191
bood. Aan zijn arm zweefde de trotscbe gestalte nu de met kostbare tapijten belegde trap op, de marmerbeelden voorbij, die de pilaren van de trap versierden, zonder Trui zelfs met een blik te verwaardigen.
Zwijgend volgden de hofmeester en de huishoudster Trui het paar.
âMag ik u naar uwe vertrekken voeren?quot; vroegEbenstreit, toen zij de bovengang betraden: â01 wilt ge mij eerst het genoegen vergunnen, met mij de nieuw ingerichte zalen te bezichtigen?
âNatuurlijk,quot; antwoordde zij koel: âwij willen eerst de gezelschapskamers zien, want dat is de hoofdzaak. Wij zullen veel gezelschap hebben. Gij weet, ik haat de eenzaamheid.quot;
,,.Ta, ik weet het,quot; zuchtte Ebenstreit; âwij zijn zeer zelden alleen geweest.quot;
âEn het zou vreeselijk zijn, zoo wij het waren,quot; zeide zij met hare koele bedaardheid.
De hofmeester opende de deur der kleine voorzaal, en zij traden dit van goud, spiegels en lichtkronen fonkelend vertrek binnen.
âO, dit is waarlijk zeer keurig, zeer prachtig,quot; riep Ebenstreit, een trotschen, tevreden blik in't rond slaande: âZeg het zelve, Marie, is 't niet uwer waardig?quot;
Zij liet een koelen onverschilligen blik in 't rond waren. â âHet behaagt mij in geen geval,quot; zeide zij: âde inrichting moge zeer kostbaar zijn, maar zij herinnert aan het parvenuschap. Men ziet overal den nieuwen rijkdom van den geadelden bankier.quot;
De heer von Ebenstreit fronste het voorhoofd, en zijn gelaat verduisterde; maar hij waagde het niet aan zijne misnoegdheid lucht te geven tegen zijn koele, trotsche echtgenoot, maar zocht naar eene uitvlucht.
âGe zijt zeer streng, Marie,quot; zeide hij: âmaar wees toch zoo goed mij te zeggen, hoe gi] het met deze strenge grondbeginselen nog een oogenblik dulden kunt, dat de oude Trui in deze armzalige kleeding, â die gewis niet aan eenigen rijkdom herinnert, â hier voor ons durft verschijnen?quot;
De oogen van mevrouw von Ebenstreit zweefden een oogenblik vluchtig over Trui's gestalte. â âDe oude Trui
102
is hel. éénige voorwerp hier,quot; zeide zij toen: âflatnieiaan den ijdelen pronk van liet bankiersohap herinnert, maar die in de waardiger en passender kleeding, als oude dienstmaagd van een oud adellijk huis verschijnt. Blijf maar altoos zooals gij zijt, Trui, en laat u niet verleiden door onze dwaasheden! Ik â maar wat is dat?quot; brak zij plotseling af, terwijl hare oogen zich verduisterden, en haar blik zich naar de deur wendde, welke de hofmeester thans op een wenk zijns meesters geopend had.
âDat ben ik!quot; riep mevrouw von Werrig, die nu met uitgebreide armen en een teederen glimlach uit het salon binnentrad: âO, mijne kinderen, mijn geliefde kinderen. Daar zijt ge eindelijk! Na drie jaren valt mij eindelijk weder het geluk ten déél, mijn eenige, geliefde dochter te omhelzen.quot;
Zij wilde haar arm om den hals van Marie slaan, maar deze stak beide handen afwerend tegen haar uit, en trad terug.
âMijn kind, mijn kind,quot; kermde haar moeder: âis het dan mogelijk dat een dochter hare moeder zóó ontvangt, na zulk een lange scheiding?
^Huishoudster Trui,quot; vroeg Marie op strengen toon, zich tot de oude vrouw wendende: âhebt ge mijn brief niet ontvangen, of hebt ge vergeten dat ik uitdrukkelijk bevolen heb, dat er geen vreemde hier in huis bij onze aankomst tegenwoordig zou zijn ?'
âIk heb het niet vergelen, mevrouw; ik heb 't ook aan mevrouw uwe moeder gezegd. Maar zijquot; â
âMaar ik wist, dat dit bevel geen betrekking op m?} kon hebben,quot; viel de moeder haar in de rede: âik behoor immers niet tot de vreemden: ik ben immers de moeder mijner geliefde, tehuiskomende kinderen. Spreek zelf, mijn dierbare, geliefde zoon; vindt gij 't niet natuurlijk, ja niet door de wetten der betamelijkheid geboden, dat ik u in uw huis ontvang?quot;
âIk vind dit inderdaad,quot; antwoordde mijnheer von Eben-streit, wien het een verlichting scheen te zijn, in de gene-raalsvrouw een bondgenoote tegen zijn trotsche, schoone echtgenoote te vinden: âHet verheugt mij zeer onze dierbare, geliefde moeder hier te zien, en ik verzoek u, lieve Marie, u mèt mij te verheugen.quot;
193
Een toornige blik vlamde uit hare oogen op haren echtgenoot, die nu verlegen en verward de oogen nedersloeg. Vervolgens nam haar gelaat weder zijn koele, kalme uitdrukking aan, en zij ging door de deur het salon binnen, welks schitterende inrichting met geen blik door haar verwaardigd werd.
âVolg mij,quot; zeide zij gebiedend, en mijnheer von Eben-streit gehoorzaamde, terwijl hij zijn schoonmoeder den arm gaf, en haar de zaal binnenvoerde.
âHa,quot; riep hij glimlachend: âdat is prachtig. Welkeen glans! welk een weelde! Zeg mij, mijn lieve mevrouw schoonmoeder, of deze heerlijke receptiezaal niet volkomen aristocratisch en waardig is gestoffeerd?quot;
,,lk vind, dat een vorstin, een koningin er mede tevreden kan zijn!quot; riep mevrouw von Werrig verrukt: âZelfs in 't koninklijke paleis zijn geen behangels, die bij deze met goud doorwerkte satijnen behangsels te vergelijken zijn.quot;
âMijnheer de baron,quot; zei Marie gebiedend : âwees zoo goed uwen hofmeester te verwijrieren; ik wensch u en mevrouw von Werrig alleen te spreken.quot;
De hofmeester wachtte 't bevel des barons niet af, maar sloop haastig de voorzaal binnen. De oude Trui bleef nevens de deur staan, en hield haar ernstigen, vragenden blik op de jonge barones gericht.
âNu,quot; riep de generaals vrouw ongeduldig: âhebt ge niet gehoord. Trui? â Maak dat ge wegkomt!quot;
âBlijf hier, Trui,quot; zei Marie bedaard: âgij kent ons verleden, en voor u hebben wij niets te verloochenen. Sluit de deur, en blijf hier. â En thans,quot; voer zij voort, en haar stem verloor nu, toen zij zich tot hare moeder wendde, de zachte uitdrukking, die er een oogenblik, toen zij tot de oude Trui sprak, in getrild had: â âen thans, als 't u behaagt mevrouw, willen wij ons verklaren.quot;
âMaar mijn kind,quot; zei de moeder zuchtend: âhoe zonderling veranderd vind ik u. Ge noemt mij, â uwe moeder, â mevrouw, en spreekt tot Ebenstreit zoo statig, alsof hij niet sinds bijna drie jaren uw lieve, getrouwe man was. Mijn hemel, lieve zoon, wat beteekenen deze deftige vormen?quot;
Ebenstreit haalde de schouders op. â âMevrouw uwe dochter wil het zoo,quot; zeide hij: âterstond in het eerste uur na ons trouwen, toen wij alleen waren, en ik mijn dier-ïlllhlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. II. 13
194
bare Marie op gemeenzamen toon toesprak, heeft zij mij eens en voor al streng verboden, dat wij op zulk een gemeene, burgerlijke wijze met elkander zouden omgaan, en zij is er nooit van afgeweken.quot; . j ,,
âGij zult intusschen hebben ingezien dat ik gelijk had, zei Marie bedaard; âdat het voor twee menschen, die elkander noch beminnen noch hoogachten, noch in eenige andere dan in een uiterlijke, plechtige betrekking tot elkander staan, volstrekt niet betaamt, met elkander op een gemeenzamen en vertrouwelijken toon te spreken. In allen geval zijn wij aan niemand hieromtrent rekenschap schuldig; het
minst aan mevrouw von Leuthen, die het best den aard van ons zoogenaamd huwelijk, dat grootendeels haar werk is, â kennen moet.quot;
âEn ik beroem er mij op,quot; riep de generaalsvrouw levendig: âJa, ik heb dit huwelijk, â dat tot ons aller geluk heeft gediend, â tot stand gebracht, en ik hoop dat m\in lieve dochter mij nu ook zeer dankbaar zal zijn,^ en p^ijn waarde zoon mij de liefde zal bewijzen, welke hij mij zoo dikwerf gezworen heeft.quot;
âIk weet niet, wat mijn echtgenoot u gezworen heeft, zei Marie fier: âmaar ik neem de vrijheid u te zeggen, dat ik niet weet, mevrouw, tot wie ge hier als tot uwe dochter spreekt. Mocht ge toevallig mi/hiermede bedoelen, dan moet ik u zeggen, dat ge u vergist. Ik heb nooit eene moeder gehad; en zoo ik vroeger vele jaren lang met teedere bezorgdheid getracht heb een moeder, â dat wil zeggen een hart, dat mij beminnen en voor mij een toevlucht zijn zou, â te winnen, dan is dit.lang voorbij. Op den dag, toen ik de echtgenoote van den heer yon Ebenstreit werd, heb ik mij losgescheurd van alle familiebanden; heb ik het besluit genomen, alleen, â en slechts op mijn eigen kracht en mijn eigen wil steunende, â den weg door het leven te gaan. Ik geloof, mijnheer von Ebenstreit zal u kunnen bevestigen, dat ik geen oogenblik in deze drie jaren van dit besluit, ben afgeweken, en hij mij altoos onwrikbaar en standvastig gevonden heeft.'
âHet zal gewis niemand kunnen invallen, dit te willen betwijfelen, mijn lieve Marie,quot; zei Ebenstreit bedeesd âwij leiden gewis een tamelijk zonderling huwelijk. Of liever men kan eigenlijk ons leven geen huwelijk noemen; wij
105
leven veleer nevens elkander als een paar compagnons, die zich voor een speculatie vereenigd hebben, met weerstreven van de eene, â en met blijdschap van de andere zijde. Deze andere zijde, de compagnon, die in de compagnieschap zijn hoogste geluk vindt, en er slechts naar wenscht het in een teeder huwelijk te veranderen, ben i/c; maar het is tot hiertoe, helaas, geheel onmogelijk geweest.quot;
âEn zal ook in het vervolg geheel onmogelijk zijn, dat weet ge wel. Maar 'tis goed, dat ook mevrouw het wele, die de compagnieschap bewerkt heeft, en niet omtrent de uitkomst ervan kon twijfelen.quot;
âIk beken,quot; riep de generaals vrouw: âdat ik volkomen verbijsterd ben door hetgeen ik hier zie en hoor. Ik zou er aan twijfelen, dat deze koele, trotsche, hier aanwezige dame mijne dochter is, zoo ik haar niet herkende aan haar gelaat en aan den naam, dien zij draagt.quot;
âDien gij mij hebt opgedrongen, en waarbij deze heer u geholpen heeft, hoewel hij wist dat ik hem niet beminde, niet achtte, en een verbintenis met hem mij een verschrikking scheen, voor welke ik in den dood zou willen hebben vluchten; zoo ik niet gezworen had, het leven te verdragen ter wille van het eenige doel, dat ik mij gesteld heb. â Maar het dient tot niets nu te spreken van't geen voorbij is. Er blijft ons slechts over, ons met de toekomst bezig te houden, en het is mij thans lief dat ge hier zijl, mevrouw, opdat wij eens voor altoos elkander verstaan, Ge zijthier gekomen tegen mijn wensch en wil.quot;
âGe zult het moeten verontschuldigen, mijn waarde Marie; het was 't verlangen eener moeder, dal er miin toe verleidde, de liefde âquot;
Een koude, verachtende blik der groote oogen, die zich op het gelaat der gen eraals vrouw richtten, deed haar midden in hare woorden verstommen.
,Jk wensch dat wij elkander voor altoos verstaan en verklaren,quot; zei Marie na een korte pauze; âIk wensch in mijn huis geheel alleen en ongehinderd de rechten uit de oefenen, welke een dame des huizes toekomen. Gij staat mij deze rechten toe, mijn gemaal?quot;
âVolkomen en onvoorwaardelijk, mijn dierbare Marie. Gij weet dat ik geen anderen wil heb, dan den uwe, en ik het als mijn hoogste geluk beschouw, mij in alle zaken
19Ã
aan u te onderwerpen, altoos nog hopende uwe liefde te verwerven en uw hart te winnen, dat â quot;
âDat deze vrouw hier in steen veranderd heeft,quot;zei Marie bedaard, terwijl zij met opgeheven hand op hare moeder wees: âDaar ge mij dus erkent als de meesteres van dit huis, maak ik van mijne rechten gebruik, en niemand ter wereld kan mij hierin verhinderen, want ik sta geheel alleen, en ben bevrijd van alle familiebanden. Ik ben door mijne geboorte en uwen rijkdom een dame dergroote wereld, en als zóódanig wil ik leven.quot;
âEn 't verheugt mij zeer, dat gij dit wilt, Marie,quot; riep Ebenstreit; âik heb daarom deze gezelschapszalen op de kostbaarste wijze laten inrichten; ik heb ons huis opeen grooten voet gebracht, en zal er trotsch op zijn de geheele groote wereld hier te zien verschijnen, om mijne echtgenoote te huldigen, zooals dit overal te Parijs en Londen, te Rome, Madrid en Petersburg is geschied. Overal hebben wij de eerste kringen om ons heen gezien, en overal, moet ik zeggen, geëerde mevrouw schoonmoeder, â overal heeft de groote wereld zich beijverd in onze salons te verschijnen, is iedereen verrukt geweest door de schoonheid, den fijnen wereldtoon en de edele manieren van mevrouw uwe dochterquot;
âIk verzoek u, laat mij bij het eigenlijke onderwerp van ons gesprek blijven,quot; zei Marie streng; âik zeide, dat ik van mijne rechten als vrouw des huizes gebruik wil maken. Een der eerste rechten is: dat ik er slechts die personen in ontvang, welke ik zien wil; dat niemand zich veroorloven mag, zonder mijne bewilliging deze vertrekken, âof zelfs dit huis te betreden. Is u dit duidelijk, mijn echtgenoot
âJa, het is mij duidelijk,quot; antwoordde Ebenstreit bedremmeld; âdit is trouwens het recht van elke huisvrouw.quot;
âHet is ook mij duidelijk,quot; riep de moeder, slechts met moeite haar toorn bedwingende; âmaar ik wacht evenwel op het beslissende woord; ik wil zien of het inderdaad mogelijk is, dat een dochter den misdadigen moed heeft, hare moeder uit haar huis te jagen!quot;
âIk zeide u reeds, dat ik geen moeder heb, en niemand het recht heeft mij dochter te noemen,quot; antwoordde Marie koel; âzoo ge echter op een beslissend woord wacht, zal het uitgesproken worden; Ik wil in mijn huis en in mijn vertrekken slechts het gezelschap zien dal ik genoodigd heb.
197
en de echtgenoole van den generaal von Leuthen behoort daartoe niet!quot;
âAch, mijn dierbare Marie; ge zijt wreed!quot; riep Ebenstreit verschrikt.
âZij is eene ontaarde, eene niets waardigeT'sprak demoeder.
âZoo ik dat bon,quot; hernam zij bleek en streng; âwie anders heeft mij zulks gemaakt, dan gij beiden ? Wie heeft mijn hart gedood en met voeten getreden, tot het gevoelloos, als in steen veranderd was; âwie anders dan gij beiden? Draagt nu de gevolgen uwer wreedheid uwer liefdeloosheid! Ik kan het niet veranderen en herhaal slechts: De generaais-vrouw behoort niet tot de personen, welke ik ooit noodigen zal! Zij heeft bijgevolg ook niet hetrecht,ooit deze vertrekken te betreden, of er thans nog langer te blijven.quot;
âZij wijst mij de deur,quot; riep mevrouw von Werrig, en tranen, wezenlijke, beete tranen vloeiden uit hare oogen; âzij wijst mij de deur, zij wijst mij naar buiten!quot;
âIk doe wat ge vroeger een ander hebt gedaan, mevrouw,quot; antwoordde Marie, en haar stem en haar gelaat nam nu een plechtige uitdrukking aan; âgij hebt den edelsten, besten en hooghartigsten mensch, â gij hebt een man die uw achting en onderscheiding waardig was, met hoon en spot, met schande en verachting uw deur gewezen; hebt hem er uitgeworpen, hoewel ge wist, dat ge er mijn hart door braakt. Ik volg slechts uw voorbeeld; ik maak van mijn huisrecht gebruik, zooals gij deedt, en ik ben hierbij minder schuldig dan gij; want tusschen ons beiden is van geen achting en waardeering sprake, en geen van ons beiden behoeft de ander hoogachting en eerbied te bewijzen.
âGij duldt dat, heer zoon?quot; vroeg degeneraaisvrouw: âGij veroorlooft, dat men in uwe tegenwoordigheid, in uw huis mij zoo smadelijk bejegent? Want in allen gevalle is dit toch uw huis! Gij zijt toch de meester hier? Mijn God, spreek toch, maak toch gebruik van uw recht als heer des huizes; zeg toch aan uwe vrouw, dat ik, als uwe moeder â want ik ben immers ook uwe moeder, wijl gij mijn aangenomen zoon zijt en mijn naam draagt, â dat ik als uwe moeder het recht heb hier te zijn, hier te komen zoo dikwerf mij dit behaagt.''
, Nu, mijnheer,quot; zei Marie,toen Ebenstreit verlegen zweeg: âspreek toch; zeg toch aan mevrouw uwe meening. Beslis
198
nu wie ge in uw huis wilt hebben; de vrouw van den generaal von Leulhen of mij? Een van ons beiden kan slechts hier blijven; ik geef u volkomene vrijheid te kiezen!quot;
âDan blijft mij natuurlijk geen keus,quot; antwoordde Eben-streit moed vattend -; âIk kan mij natuurlijk slechts voor mevrouw mijne echtgenoote verklaren, die de edelste en fierste schoonheid van geheel Berlijn is, en die mijn huis tot hel middelpunt van de aristocratie en de geldwereld maken zal. Dit is mijn hoogste trots, en om dit te bereiken, heb ik immers naar de hand mijner schoone echtgenoote gedongen, en al de krenkingen, smarten en vernederingen aangenomen, die tot hiertoe mijn deel zijn geweest. Zoo ik tusschen moeder en dochtel mijne keuze moet bepalen, kan ik niet anders dan de dochter kiezen.quot;
âHij geeft mij op!quot; gilde de generaalsvrouw; âGij zijt een ondankbaar, slecht mensch! Gij vergeet dat ge mij alles te danken hebt; dat ik alles heb bewerkt. Wat zoudt ge builen mij zijn? Niets dan een ellendige, domme geldman, om wiens domheid en vervelendheid iedereen lacht, en die nooit toegang in voorname en beschaafde huizen gevonden zou hebben. Wat zijt ge door mij ? Een voornaam man, die op een grooten voet leven kan, lot wiens gezelschappen iedereen zal willen komen; die zelfs aan helHuf kan verschijnen, wijl hij onzen adellijken, beroemden naam draagt. En aan wie hebt ge dit alles te danken? Aan wie anders, dan aan mij? Aan mij alleen?quot;
âGij hoort het. God in den hemel!quot; riep Marie op plechtige, bezwerende wijze beide armen ophelïende: âZij zegt het zelve: zij alleen iieeft dit ongeluk aangericht,en ik sla gerechtvaardigd in dit uur!quot;
âVergeving, mevrouw moeder,quot; zeiEbenstreit hoogmoedig: âgij gaat te ver. Vooreerst heb ik toch alles, wat ik ben, slechts aan mijn geld, â aan mijn rijkdom te danken. Ik was inderdaad van onaanzienlijke afkomst, maar ik was eerzuchtig en rijk. Ik zeide bij mij zeiven: Met geld kan men alles gedaan krijgen, en gij ziet het, ik heb alles gedaan gekregen. Mijn rijkdom heeft mij een adellijken naam, een prachtig huis, een schoone vrouw, en een rang in de samenleving verschaft. Ik stem gaarne toe, dat ge mij in mijne plannen behulpzaam zijt geweest; maar ge zoudt dit zekerlijk niet gedaan hebben, zoo ik niet rijk, â en in slaat
499
ware geweest, u voor uwe hulp Ie betalen. Ge ontvangt toch van mij een zeer aanzienlijk jaargeld, en kunt derhalve niet over ondankbaarheid klagen, maar moet toegeven, dat ge een zeer vooi deelige zaak hebt gedaan. Ge zult het mij nu moeten vergeven, als ik u verzoek, aan dit pijnlijk too-neel een einde te maken.quot;
âDat wil zeggen, dat ik heen moet gaan,quot; zei de gene-raalsvrouw, die zich door de zinspeling op het jaargeld plotseling weder de speelschuld van den generaal lierinnerde, en derhalve en zachter toon aansloeg; âNu goed, ik wil gaan, en lieloof nooit weder te komen; mij geheel en voor altoos van u verwijderd te houden, zoo ge mij twee voorwaarden bewilligt.quot;
âWees zoo goed mij deze voorwaarden te zeggen, mevrouw.quot;
âDe eerste voorwaarde is deze: Mijn man heeft het jaargeld, 't welk ge voor hem bestemd hebt, voor het geheele volgende jaar verspeeld, en reeds vooraf vier vierendeeljaars-kwitantiën gegeven aan dengene, met wien hij op zijn woord van eer gespeeld heeft. Ge zult deze vier kwitantiën, zoo men ze u vertoont, betalen, maar nietlemia ons jaargeld onverminderd voldoen.quot;
âDat heet met andere woorden: ik moet de som van duizend thaler als speelschuld van mijnheer uw echtgenoot betalen. Is dit uwe voorwaarde?quot;
âJa, dit is mijn eerste voorwaarde.quot;
' âGezult haar aannemen, mijnheer,quot; gebood Marie; âge zult dit doen ter eere van onzen naam.quot;
âWelnu,quot; zuchtte Ebenstrcit: âik neem de voorwaarde aan. Ik zal de speelschuld betalen.quot;
âDe tweede voorwaarde is: Gij verhoogt ons jaargeld met vijfhonderd thaler. Gij verzwijgt dit den generaal, en betaalt deze vijfhonderd thaler aan mij alleen uit.quot;
âMaar dat is onmogelijk,quot; riep Ebenstreit ontsteld; âGij houdt mij voor een Cresus, wiens rijkdom onuitputtelijk is. Ik zeg u echter; zoo dit leven en deze uitgaven zoo voortgaan, dan zal zelfs mijn kolossaal vermogen er door uitgeput worden, en â
âGij overdrijft,quot; viel Marie hem in de rede, en een zonderling vuur vlamde in hare oogen op; âeen vermogen als het uwe kan nooit uitgeput worden, en de bankierszaak
200
Ebenslreit, â die thans slechls van firma veranderd, maar toch altoos de uwe is gebleven, â is een onuitputtelijke bron van rijkdom. Neem ook deze tweede voorwaarde aan, opdat wij eindelijk rust hebben.quot;
âWelnu,quot; zei Ebenstreit, voor wien Marie's woorden als streelende muziek klonken: âwelaan, ik neem ook deze tweede voorwaarde aan. Ge zult deze vijfhonderd thaler hebben.quot;
âVoor mij alleen?quot;
âVoor u alleen, mevrouw.quot;
âWie is mij echter borg, dat ge uwe belofte zult vervullen T
âMijn woord, mevrouw.quot;
âO, ik geloof niet aan gesproken woorden,quot; riep de gene-raalsvrouw met een honenden lach: âik geloof slechts aan geschreven woorden.quot;
âWelnu, ik zal er een obligatie van opstellen, en de eer hebben u die morgen in uwe woning te brengen.quot;
âGoed, zoo zijn wij nu met de laatste zaak ten einde, en ik kan heengaan. Vaarwel, mevrouw de barones,quot; wendde de generaalsvrouw zich tot,hare dochter; âvaarwel! En dit is het laatste woord, dat ik tot u richt: Ik heb u verwenscht van af het eerste oogenblik, dat gij het levenslicht aanschouwdet. Een zoon zou de erfgenaam zijn geweest dei-rijke leengoederen mijner familie, wier natuurlijke erfgename ik moest zijn, zoo ik een man was, en die aan mijn zoon zouden overgaan. Een zoon zou uwen vader en mij rijk en gelukkig hebben gemaakt; een dochter maakte ons ongelukkig, want de rijke goederen gingen nu aan een verren bloedverwant over, en wij kregen niets, volstrekt niets. Derhalve konden uwe ouders zich niet verheugen over uwe geboorte, konden zij u niet welkom heeten. Derhalve hebben wij het u voor de eerste maal vergeven dat gij leefdet, toen wij u aan een rijk man uithuwelijkten, die ons ten minste bevrijdde van de uitwendige zorgen des levens en de erbarmelijke nooddruftigheid. Maar bemind hebben wij u nooit; en daarom baart het scheiden van u mij thans ook geen smart. Ge zijt mij altijd onaangenaam en lastig geweest, en ik verlies slechts een ongerief, als ik den aanblik van uw gelaat voor altoos mis! En nu, heer schoonzoon, geef mij uw arm, en doe mij tenminste uitgeleide tot aan den
201
drempel van uw huis, opdat ge deze koele slang loch zeggen kunt, dat zij voor altoos bevrijd is van 't gezicht harer moeder, die nooit anders dan met koele verachting aan haar denken zal. Geef mij uw arm en kom!quot;
Zij greep heftig den arm van Ebenstreit, trok hem mede, wierp in 't voorbijgaan een blik vol onuilsprekelijke verachting op de oude Trui, die bleek en treurig bij de deur zat, stiot met een heftigen ruk de deur open, en dreef Ebenstreit, die den moed niel had zich te verzetten, met zich naar buiten.
VII.
ACHTER HET MASKER.
Hoe veranderd was eensklaps dit somber gelaat, loen de deur achler de beide vertrekkenden was dichtgevallen, en Marie zich tot de oude Trui wendde, en haar groette met den glimlach van vorige dagen, behalve dat deze glimlach treuriger en smartelijker was.
Plotseling stond zij naast Trui, sloeg haren arm om haar hals, en kuste de oude, trouwe oogen en den van aandoening bevenden mond, en fluisterde: âWees gezegend en gegroet, mijne moeder. Neem mij aan uw trouw, teeder hart; laat mij aan uwen boezem uitrusten van al deze folteringen, en bemin de arme verlorene een weinig, die âquot; Zij trad plotseling terug, en haar gelaat was weder even hard en koel als te voren, en hare groote oogen richllen zich met een onverschillige uitdrukking op haren echtgenoot, die juist weder de kamer linnenlrad.
âZij is weg,quot; zei Ebenstreit ruim ademend: âIk hoop, mijn lieve Marie, dat ge tevr eden zijt met mijn gedrag, en hierin een bewijs ziet van mijn groote liefde en hoogachting.'' âIk verlang dergelijke bewijzen volstrekt niet,quot; antwoordde zij koel. âWij hebben onze intrede in dit huis, â dat van nu af de tempel van ons leven zijn moet, â op een zeer waardige wijze gevierd, en het de meest geschikte wijding voor de toekomst gegeven. Het gewichtigste wat wij nu te doen hebben is, dat wij onze aankomst alhier aan de voorname wereld bekend maken. Onze paarden, welke
202
wij te Alexandrië hebben gekocht, en de nieuwe équipages uit Londen zijn reeds aangekomen, nietwaar?
âJa, dierbaarste. Mijn boekhouder berichtte dit imtners reeds voor veertien dagen naar Parijs, en klaagde tegelijkertijd een weinig over de enorme sommen, welke hij te betalen had.quot;
Gij moet hem dit eens vooral verbieden, zeide zij, en wederom straalde een zonderlinge uitdrukking van vreugde en smaad op haar aangezicht: âHet is volstrekt onbetame-lijk, dat ondergeschikten zich op deze wijze durven onderstaan hunne meesters te berispen, of hun een raad te geven. Zij hebben slechts zwijgend en zondor tegenspraak te gehoorzamen. Dit zult ge al uwe ondergeschikten onder toog brengen, en hun zeggen, dat elk terstond ontslagen wordt, die zich verstouten mocht te morren, of u raad te geven.
,Ik zal 't hun bekend maken,quot; antwoordde Ebenstreit zuchtend: âhoewel ik zeggen moet, dat mijn oude boekhou-der buitengemeene kennis heeft van finantieele operatien, en door de veeljarige trouwe diensten, welke hij ons huis heelt bewezen, wel het recht heeft verkregen, in gewichtige gevallen een woord mede te spreken, en raad te geven.
,Ge zult dan wél doen, dezen man uwe dankbaarheid te bewijzen, zooals 'teen edelman betaamt, zei Maiiegebiedend: âGe zult hem pensioneeren, met zijn volle tracte-ment, en een ander in zijne plaats stellen.
âMaar hij heeft een zeer hoog tractement, en hyisnog
zeer kras.quot;
âEen reden te meer om hem thans te pensioneeren, opdat hij nog van zijn leven genieten, en zich in t loon ziins arbeids verheugen kunne, üoe overigens naar uw welgevallen, Ik heb u slechts gezegd, hoe een waardig edelman handelen zou. Wilt ge in s'ede hiervan kibbelen en dingen als een koopman, â dit is uw zaak.
âDe hemel beware mij,quot; riep Ebenstreit; âik zal natuui-lük slechts als een waardig edelman handelen!
Zij knikte zacht toestemmend. âGeef bevel dat onze siekoets met de arabische paarden ingespannen worde. VV ij willen terstond visites gaan maken, omdat wij reeds overmorgen ons huis met een groote soirée willen inwijden.
O dat is hemelsch,1' zei Ebenstreit verrukt;, ik zal dus nu'eindelijk de voldoening hebben, de Berhjnsche voorname
'203
wereld bij mij te zien, en mijne intrede te doen in den kring mijner nieuwe standgenooten.quot;
Ja,quot; zeide zij met een blik van onuitsprekelijke verachting: âJa, ge zult deze voldoening hebben. Zend mij latei-den hotmeester. Ik zal hem de lijst der personen geven, welke ik wil noodigen. Gij kunt er dan naar verkiezing bijvoegen/'
âO, ik zal er niemand bij te voegen hebben,quot; riep Ebenstreit.
âOm 'teven! Zorg nu voor het noodige. Ik zal mij naar mijne vertrekken begeven, om toilet te maken.quot;
âMaar ge zult mij moeten vergunnen, u naar uwe kamers te geleiden, want ge weet immers den weg niet,quot;
âTrui zal hem mij wijzen, en mij tevens verslag doen van haar beheer. Ga vooruit, Trui!'
Zij groette Ebenstreit met een fiere hoofdbuiging, en volgde de oude vrouw, die haar nu door een reeks prachtige vertrekken voorging.
âHier is de toiletkamer van mevrouw,quot; zei Trui, toen zij een geheel met spiegels, met kant en zijden gaas gelooide kamer binnentraden.
Er heerschte een levendige drukte, want de Fransche kamenier, die met de beide kamerdienaars in de tweede reiskoets was aangekomen, had reeds de groote koffers laten binnen brengen, en begon ijverig de kostbare satijnenen zijden toiletten uit te pakken, die bij geheelen dozijnen uit Parijs meêgebracht waren.
âLeg een elegant bezoektoilet gereed,quot; beval Marie; âik kom dadelijk. Ga voort. Trui, ik wil alles zien!''
âHier is de slaapkamer,quot; berichtte Trui, terwijl zij do naaste kamer binnengingen, waar zij de Duitsche kamenier bezig vonden, het met zijde en kant getooide bed in orde te brengen, ingeval mevrouw na de reis misschien een weinig wilde rusten.
De genadige vrouw «cheen daar echter geen lust toe te hebben, maar vroeg aan Trui, waarheen de andere deur voerde.
âDie voert naar de kleine gang, mevrouw de barones.quot;
Mevrouw de barones fronste het voorhoofd. â âHeb ik niet bevolen, dat mijn slaapkamer, buiten de toiletkamer geen anderen ingang zou hebben, en met geen andere kamers in verbinding mocht staan?''
'204
âDit bevel is ook gevolgd, mevrouw de barones,quot; zei Trui; âin de kleine gang bevindt zich slechts één deur en daardoor komt men in de beide kamers, welke ik bewoon. Deze kamers hebben echter een uitgang naar de andere zijde, en men kan de deur die naar de gang voert, sluiten, zoodat mevrouw de barones zeker is, niet gestoord te worden.quot;
âNu ik alles zie,quot; zei de barones; âwil ik ook uwe kamers zien, Trui. Vertoon ze mij!quot;
Trui ging vooruit, en de barones volgde haar door de kleine gang, en naar de deur aan het einde ervan.
Zij traden de eenvoudige, stille kamer binnen, en Trui sloot voorzichtig de deur achter zich. â âHier zijn wij alleen,quot; zeide zij; âhier ziet ons niemand.quot;
Marie wees zwijgend naar de tweede deur. De oude vrouw knikte. â âJa,quot; zeide zij; âdat is het. Ik heb alles nauwkeurig gedaan, zooals 'tin den brief stond. Toen mijn Marietje op reis ging, schonk zij mij al de voorwerpen en meubels, die in haar dakkamertje waren, en ik mocht alles met mij bierheen brengen ; en alles staat nu, zooals vroeger in het kamertje.quot;
Zij opende de deur, en zij ti'aden binnen; t was werkelijk alsof het kleine, stille dakkamertje was, 't welk de barones als meisje bewoond had; waar zij hare bloemen maakte, hare lessen gaf, en met haar oude Trui, â haar eenige troosteres en vriendin, â woonde.
En toen zij zich nu in dit vertrek bevonden, verdween de trotsche, kalme uitdrukking van 't gelaat der barones. Een lange kreet van smart en doodelijke foltei ing klonk van hare lippen; zij zonk als gebroken op hare knieën neder, sloeg hare armen om de gestalte der oude Trui, leunde met het hoofd op hare knieën, en weende bitterlijk.
âO, Trui, nu hebt ge mij weder; nu is zij teruggekeerd, uwe Marie, â armer en ellendiger dan toen zij heenging. Aanschouw mij. Trui; zie wat het leven van mij gemaakt heeft. Toen ik heenging, verachtte ik de wereld ; thans, nu ik terugkeer, veracht ik mij zelve. O, Trui, zij hebben mij arm en ellendig, zij hebben mij slecht en wreed gemaakt! En het was goed zoo, en ik was tevreden tot nu toe; ik verheugde mij in mijne erbarmelijkheid, en triomfeerde, als ik dacht, hoe ik hen eens voor Gods toorn wilde aanklagen, wegens mijn verlorene ziel en mijn vertreden hart. En thans.
205
nu ik ii gezien heb, Trui, â nu ik hier omgeven hen van de lierinneringen mijner jeugd, â nu gevoel ik afschuw van mij zelve, en zou wenschen te vergaan van schaamte en herouw! Trui ik hen zóó slecht, â zij hehhen mij zóó erbarmelijk gemaakt, dat ik niet heter meer hen dan zij allen. O Trui, kunt gij uwe ontaarde slechte dochter vergeven, dat zij haar eigen moeder uit het huis verbant? Maar ik kon haar gezicht niet verdragen, want ik gevoelde dat wrok en haat mij overweldigen zouden, en ik haar zou kunnen vloeken !quot;
âEn zij heeft het wèl aan u verdiend, mijn arm kind,quot; lluisterde Trui, terwijl de tranen over hare wangen vloeiden : âZij heeft immers zelve gezegd, dat zij u nooit bemind heeft, en zelfs nu in dit vreeselijk uur, dacht zij er slechts aan, handel te drijven en geld te maken. Wanneer de lieve God dit gehoord heeft, heeft hij u alles vergeven, en ik doe het ook, en bid en smeek den Lieven Heer dat hij degenen straffe, die u zoo ongelukkig hebben gemaakt, en geen ontferming hebben met hen, â zooals zij er geen gehad hehhen met u. Ach, mijn arm, lief kind, mijn hart deed mij zoo zeer, toen ik u zoo geheel veranderd zag, en ik kon't nauwelijks ge-looven, dat deze trotsche, koele dame mijn Marietje was. Nu zie ik wel, dat gij het zijt, en ik dank God dat ge weent; want in uwe tranen, heb ik u weder herkend, en uw smart bewijst mij, dat ge nog altoos mijne Marie, het kind mijns harten zijt!quot;
âAch trui, hoe heb ik er naar verlangd, u weder te zien. Daaraan te denken, was mijn troost in deze vreeselijke jaren, en als ik dreigde te wanhopen aan de geheele mensch-heid en aan mij zelve, dacht ik aan u, Trui, en dat hield mij staande.quot;
âEn dacht ge aan niemand anders, mijn kind?quot;
âJa,quot; fluisterde zij zacht; âik dacht ook aan hem. Laat mij in dit uur alles weten. Trui; verzwijg mij niets. Gij weet van hem?quot;
âJa,quot; zei Trui; âik weet van hem. Ik dacht, dat ge mij zoudt vragen, en dus hen ik gisteren nog hij den heer directeur Gedicke geweest, en heb naar hem geïnformeerd.quot;
âEn wat hebt ge vernomen? Zeg mij eerst het gewichtigste. Leeft hij? Is hij gezond?quot;
âHij leeft, en is ook weder gezond. Maar hij was langen
206
tijd zwaarmoedig; zóó zelfs, dat hij een geheel jaar lang geen onderwijs meer kon geven. De heer directeur Gedicke reed, toen hij van uwe huwelijksvoltrekking terugkwam, terstond naar Spandau, en haalde hem van daar; en langzamerhand, zoo behoedzaam en voorzichtig mogelijk, verhaalde hij hem uwe echtverbintenis, en dat gij slechts om zijnentwille dit offer gebracht hadt,quot;
,.En hij? Hoe nam hij het op? Wat heeft hij gezegd?quot; âNiets, Marie; hij heeft niets gezegd;âhij is slechts als verlamd geweest, staarde voor zich uit, en sprak niets. Dit heeft weken lang geduurd; toen plotseling sprak hij, raasde en tierde; en zij moesten hem binden, opdat hij zich geen-leed zou aandoen.quot;
âA.ch,'' riep zij huiverend; âspreek niet voort. Ik dacht dat ik sterker, â ongevoeliger was. En nu is 't mij toch, alsof êen ijzeren vuist mijn hart verscheurde!quot;
,,En dat is goed, mijn kind,quot; zei Trui zacht; , ge zult ontwaken uit uwe versteening, en uwe tranen en droefheid zullen uw hart weder week maken, opdat God en de eeuwige menschlievendheid er weder hun intrek in kunnen nemen. En daarom wil ik u alles zeggen; ge moet weten dat de arme, lieve Moritz schrikkelijk geleden heeft. Toen hij had uitgeraasd, is hij zwaarmoedig geworden, en heeft zich te HaÃe in de eenzaamheid teruggetrokken. Daar heeft hij gewoond op een hooizolder. Boeken liet hij zich brengen en een oud klavier, maar menschen mochten niet bij hem komen, en het eten schoven ze hem heimelijk door de deur. Uren lang hoorden zij hem luid spreken, en des nachts zong hij bij het klavier, en dit klonk zóó aandoenlijk, dat de menschen beneden in het huis weenden, als zij het hoorden.quot; 1) Marie weende óók, nu zij het hoorde; zij lag altoos nog ter aarde, verborg het gelaat in hare handen, en weende zóó zeer, dat de tranen door hare vingers dropen.
Trui voer voort; âDit duurde bijna een jaar; al de menschen wisten het, en het bleek toen duidelijk, hoe lief zij allen den heer Moritz hadden, en hoe geacht hij was. De onderwijzers aan het gymnasium van quot;t grijze klooster hebben de lessen, welke hij moest geven, onder elkander verdeeld, opdat de heer Moritz zijn plaats en zijn tractement
1
Berühmte Schriftsteller der Deutsohen. quot;Berlin 1S55. 1.
'207
niel verliezen zou. Zelfs de Kon-ing heeft bij den lieer directeur Gedicke naar hem geïnformeerd, en veel deelneming betoond. Zijne vrienden, â en bijzonder de heer Gedicke, zijn ook vaak naar Halle gereisd, om naar hem te zien, en op een dag, toen de heer Gedicke juist de ladder wilde opklimmen naar den hooizolder, komt mijnheer Mo-ritz naar beneden, geheel gekleed en volkomen bij zijn verstand; spreekt met den directeur even bedaard en zacht als altoos, en rijdt met hem naar Berlijn terug. Nu, dat veröor-zaakte een groote vreugde in 't gymnasium. Zij hebben hem een groot feest ti r viering van zijn herstel gegeven, en zóóveel liefde en vreugde betoond, dat het roerend was. Hij is ook bevorderd geworden, en tot professor benoemd, en op uitdrukkelijk bevel van den Koning onderwijst hij ook den jongen Prins Frederik Wilhelm in het Latijn en Grieksch. O, hij is een zeer geacht man, en âquot;
âEn hij is getrouwd, hoop ik,quot; fluisterde Marie; âNietwaar, Trui; hij is gelukkig? Hij is gehuwd?quot;
âNeen,quot; antwoordde de oude vrouw: âneen, de heer directeur zegt, dat hij zeer rijke partijen kon doen, want hij is zeer gezien, en wordt in de voornaamste gezelschappen genoodigd. Maar hij wil niet en weigert alles, want â ik moet het u zeggen â hij haat de vrouwen.quot; âAch, hij haat ze! Dat wil zeggen; hij haat mij?quot; âJa, Marietjo, hij haat u; en zóó vreeselijk en hevig, dat de heer directeur zegt, dat het goed zou zijn, zoo ge 't wist; daar ge u voor hem in acht moest nemen. Gij moest hem uit den weg gaan en het vermijden, hem ooit in een of ander gezelschap te ontmoeten. Want hij heeft bij zich-zelven gezworen, dat hij u zijn haat en toorn voor de geheele wereld zou openbaren; en hij zou er in staat toe zijn, meende de heer directeur, en daarom laat hij het u zeggen, opdat ge u er naar kunt gedragen.quot;
â't Is goed, ik dank u,quot; zei Marie, zich oprichtende; âik zal er mij naar gedragen! Kus mij nog eens, mijn moeder; laat mij dit arme, vermoeide hoofd aan uw trouw hart leggen ! Ach Trui, welk een jammerlijk iets is toch het leven !quot;
âGe zult nog weder anders spreken, Marie; ge zult het weder leeren beminnen.quot;
âZoo ik dat geloofde, â zoo ik dacht dat ik zóó diep zinken kon, zou ik mij in dit oogenblik dooden! Maar ik ken
208
mij beter, en ik weet flat ik nog slechts leef, om mij te wreken. Stil, zeg mij niets! Zie mij aan; ik ben een der verdoemden, en gitids in deze fraaie pronkkamers is mijn hel! Hier, Trui, hier zal mijn paradijs zijn; en hier zal de booze demon, die ik ben, zich mogen veranderen in een arme, treurende vrouw, die weent om haar schoon verleden, die weent om haar troostelooze toekomst. Ik zal dikwijls hier komen, Trui; des nachts als allen slapen, die mij des daags zoo trotsch en gelukkig hebben gezien, dan zal ik komen, â en gij. Trui, gij alleen zult mij zien, zooals ik werkelijk ben! Vaarwel nu! Ik moet nu weder naar mijn hel gaan!quot; â
Een half uur later reed een prachtige équipage uit het huis van den heer Ebenstreit von Leuthen. De menschen op de straat bleven staan, om de fraaie arabische paarden en het kostbare zilveren tuig te bewonderen; en door de groote glasruiten heen een blik in de koets te werpen, waarin nevens een nietig, blond, mager man, die er uitzag als een bediende, â een wonderschoone bleeke vrouw zat, met trotsch, onverschillig gelaat, welker groote oogen niets schenen te zien, en slechts strak voor zich uit staarden.
Dat was mevrouw de barones von Ebenstreit, die met haren echtgenoot rondreed, om door den lakei, die met wapperenden vederbos naast den rijk gegalonneerden koetsier op den bok zat, in de voorname huizen barer bekenden visitekaartjes te laten afgeven.
Toen het echtpaar van dezen rit teruggekeerd was, ontving mijnheer von Ebenstreit van zijne gade de lijst der personen, die op het feestder terugkomst genoodigd moesten worden.
Hij sloeg een vluchtigen blik er op, en zeide dat alles geschieden zou, zooals zijn dierbare Marie 't bevolen had; hij wist dat zij dit alles veel beter verstond dan hij, en een uitgezocht gezelschap zou genoodigd hebben, en â doch plotseling zweeg hij, en staarde met verward, en schier verschrikt gelaat op de lijst der genoodigden.
âNu,'' zeide zij onverschillig: âwat is er? Waarom zwijgt ge?quot;
âO, 't is slechts een vergissing van mij. Ik heb waarschijnlijk verkeerd gelezen, en verzoek voor mijn dwaze misvatting vergeving. Hoe moet deze naam luiden?quot;
209
Zij boog zich van den divan waarop zij rustte, een weinig voorover, en zag op het papier dat Ebenstreit haar reikte.
âGij meent dozen, naam hier, waarop ge uw vinger houdt?quot; vroeg zij bedaard: âHij heet: professor Philip Moritz.quot;
Ebenstreit staarde haar geheel verschrikt aan. â âTk heb mij dus niet vergist? 't Is werkelijk deze man? Ge wilt dezen heer noodigen?quot;
âWaarom niet?quot; vroeg zij volkomen onverschillig: âWij noodigen onze vrienden en bekenden, en deze beer behoort daartoe. Het is natuurlijk dat wij ook hèm verzoeken. Buitenrlien hebben er allerlei praatjes geloopen, en't is dus noodig deze praatjes te doen ophouden door aan de wereld te toonen hoe men met voorname kalmte, dergelijke gevoelens tot de koude werkelijkheid terugbrengt. Zoo ge niet van mijne meening zijt, schrap dan den naam.quot;
âO neen, mijn waardste. Integendeel, ik geef u volkomen gelijk, en bewonder u!''
âGeef de lijst dan aan den hofmeester, want 't is ten hoogste tijd om de uitnoodigingen te verzenden!quot;
VIII.
DE VLOEK.
De avond van het feest was aangebroken. De équipages reden af en aan voor den breeden ingang van Ebenstreit's hotel. Op straat verdrong zich een nieuwsgierige menigte voor de ingangsdeuren, om naar binnen te kijken enten minste een vluchtigen blik op de dames te kunnen werpen, die uit de koetsen stegen, en aan den voet van de met tapijten belegde trap, door den hofmeester ontvangen werden. Een dubbele vij met goud gegalonneerde lakeien stond aan weerszijden van de trap, â die met de heerlijkste buitenlandsche gewassen gesierd was, welke de lucht met een wolk van geuren vulden. Twee reusachtige portiers met breede gouden bandeliers en groote gouden staven in de hand, stonden nevens de ingangsdeur der voorzaal, die met hare lichtkronen, kandelaars en spiegels als in zonneschijn schitterde. Uit deze voorzaal kwam men door de
Mühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. II. 14
210
groote, wijd geopende vleugeldeui^en inde receptiezalen, en ieder die binnentrad moest den deurwachter die er bij stond zijn naam zeggen, opdat deze hem met stentorstem in de zaal zou uitroepen. Daar stond de heer von Ebenstreit, om met glimlachend gelaat en ijverige dienstvaardigheid de nieuw aankomenden te ontvangen, hen vervolgens de naaste zaal binnen te leiden, en aan zijne echtgenoote voor te stellen.
Het was een uitgelezen gezelschap; de schitterendste namen der aristocratie waren er vertegenwoordigd: generaals en stafofficieren, gravinnen en baronessen verdrongen elkander naast de dames der finantiewereld, nevens ministers en geheimraden, in deze prachtig versierde zalen, die de verrukking en bewondering, de afgunst en nijd van allen opwekten. In de vensternissen en vertrouwelijke hoekjes stonden de bekenden, die elkander hier ontmoetten, in afzonderlijke groepen verspreid, en aanschouwden het bonte gedrang der op-en-neder-golvende menigte, en fluisterden elkander hunne boosaardige opmerkingen toe, en deelden elkander de vertroostende meening mede : dat zulk een praal en weelde een voormaligen bankier volstrekt niet paste, en, als dat zóó voortging, mijnheer de baron von Ebenstreit stellig geruïneerd zou worden,en den hoogmoed zijner pronkzuchtige en verspillende vrouw, met zijn ondergang zou moeten betalen.
âHebt ge reeds gezien, welk een juweelenvracht zij draagt?'' fluisterde gravin Moltke mevrouw von Morien in 'toor; âals 't echte juweelen-zijn, draagt zij een landgoed op hare schouders!quot;
âHet familiegoed der von Leuthens,quot; fluisterde mevrouw -von Morien lachend: âGe weet toch, mijn lieve, dat de vader van den generaal von Leuthen steenbakker was, en 't is hem misschien gelukt, een paar tegelsteenen tot juweelen te bakken.''
âGe zijt ondeugend, mijn beste,'' glimlachte gravin Moltke; âmaar men moet zeggen, haar toitet is wonderfraai. Men heeft iets dergelijks nog niet gezien. Het overkleed van goudkant staat prachtig op het rozesaüjnen onderkleed.quot;
âJa, en het kapsel van struisvederen, brillanten, bloemen, kant en vogels is waarlijk ridicule!quot;
âHet moet evenwel nauwkeurig naar 't kapsel der jonge
211
Koningin Marie Antoinette gemaakt zijn, 't welk deze voor veertien dagen op het hofbal te Versailles droeg,quot; zei de gravin Moltke; âde barones von Ebenstreit was met haar hazewindhond van een man op dit hofbal tegenwoordig en moet zelfs, zooals mij de Fransche gezant gisteren verhaalde, furore hebben gemaakt, door haar even kostbaar als keurig toilet.''
,,Maar zekerlijk niet door haar gedrag,quot; zei mevrouw von Morien: âdeze vrouw is voorwaar ondragelijk hoogmoedig en onbeschaamd! En wat zegt ge van deze aanmatiging, onzen naam aan de deur te laten uitroepen, als waren wij op een auctie, waar men adelsdiplomas verschachert?''
âDat is een Fransche mode, die wel iets goeds heeft,quot; merkte de gravin op: ,.maar het past toch niet voor een dame van twijfelachtigen adel en onzekeren staat, hier dergelijke buitenlandsche modes te willen invoeren. Zoo iets moet zij aan anderen overlaten, en zich bescheiden aan de gebruiken onderwerpen, die ten onzent geldig zijn.quot;
âMen merkt er juist het opgeblazen parvenuschap aan,quot; fluisterde mevrouw von Morien: âalles riekt nog naar het lak van het nieuw geschilderd wapen.quot;
âStil, lieve vriendin! Zie, daar komt de barones aan den arm van den Franschen gezant, 't Is toch waarachtig een imposante verschijning, en men zou baar voor een koningin kunnen houden.quot;
âZou men wel gelooven dat deze koningin vroeger bloemen j'oor geld heeft gemaakt? Kom, lieve gravin, ik heb een allerliefst tooneel verzonnen, en ik wil ons een weinig wreken op deze hoogmoedige vrouw,quot;
Zij gaf der gravin haren arm en trad op de barones toe, die juist aan den arm van den Franschen gezant. Markies de Trevés, midden in de zaal stond^ onder de groote lichtkroon van bergkristal, die haar als meteen krans van fonkelende sterren omgaf, en de juweelen van haar halssnoer en oorhangers met duizende bonte vlammen deed stralen.
âO, vergun ons dat wij ons een weinig koesteren in uwe stralen, ma toute belle,quot; zei de gravin Moltke, terwijl zij met mevrouw von Morien de barones naderde.
âWeet gij, mijn waarde,quot; riep deze; ,weet gij, dat men er soms toe verleid zou worden te gelooven, dat men zich
:212
hier in een tooverpaleis bevindt, zoo betooverend schoon is hier alles!quot;
âEn mevrouw de barones versterkt door haar verschijning dit geloof,quot; merkte de Fransche gezant galant aan: âmen twijfelt niet, dat men zoo gelukkig is een bekoorlijke fee voor zich te zien, zooals de verbeelding slechts in hare gelukkigste uren gedroomd beeft.quot;
âJa, waarlijk,quot; riep mevrouw von Morien: âIk wandel waarlijk rond als in een betoovering, en heb lust mij bij 't hoofd te vatten en mij te schudden, om mij te overtuigen dat ik niet een hoofdstuk uit Aiadin's wondersprookjes droom, maar werkelijk waak. Ik nam er zelfs even de proef van, maar toen raakte mijn hand toevallig de rozen â in mijn haar, en âquot;
âEn die overtuigden u dat ge waaktet, want ge herin ner-det u iets,quot; viel de barones Ebenstreit haar met een trot-schen glimlach in de rede: âZiet eens,quot; vervolgde zij, terwijl zij zich tot den gezant wendde: âZie eens, monsieur la marquis, welk een fijne oplettendheid mij deze dame bewijst. Zij draagt een bloemkrans in 't haar, dien ik zelf vervaardigd heb.quot;
âComment\ Mevrouw de barones is dus werkelijk een fee? Gij laat bloemen groeien, en houdt er u tot uitspanning mede bezig, om met onzen Lieven Heer te concurrceren ? O, ik kan het niet gelooven, 'tis onmogelijk, dunkt mij.quot;
âEn toch is het waar,quot; zei mevrouw von Morien: âdeze rozen zijn werkelijk door mevrouw de barones van Ebenstreit gefabriceerd, en ge ziet, mijn lieve, welk een hooge waarde ik er aan hecht, want ik heb deze fraaie rozen zóó goed bewaard, dat zij er uitzien als kwamen zij eerst heden uit de handen der vervaardigster, en 'fis toch langer dan drie jaren geleden, dat gij de goedheid hadt voor mij te werken, mijn dierbare barones.'quot;
âDit was volstrekt geene goedheid van mij,quot; zei Marie trotsch: âmaar een noodzakelijkheid, en ik beken oprecht, dat ik voor de lieve, dierbare Mevrouw Morien zulk een moeielijk werk niet uit goedheid en beleefdheid zou gefabriceerd hebben. Maar ge moet weten, mijn lieve markies, dat ik voor mijn huwelijk zeer arm was, en voor geld arbeidde. Mevrouw von Morien behoorde tot mijne klanten, en 'fis zeer natuurlijk dat zij nog van mijne bloemen be-
213
zit, want ik heb zeer veel voor haar gewerkt. Zij is een zeer practische en schrandere dame; en daar zij wist dat ik zeer om geld verlegen was, gaf zij mij vele bestellingen en betaalde mij een zeer geringen prijs; want zij verstond hel bijzonder goed, te handelen en te dingen, en als men arm is, moet men zich helaas aan de onbeschaamdheid der rijken onderwerpen. Ik dank u, mijn dierbare weldoenster, dat ge mij de eer bewijst, juist heden mijn fabrikaat te dragen, want het was voor ons beiden een aardige gelegenheid ons te verklaren en te herkennen. En hoe, mijn geëerde mevrouw de gravin, zouden wij beiden óók niet een klein herinneringsfeest moeten vieren? Wilt gij óók niet de goedheid hebben, mij aan het verledene te herinneren'?quot;
,,lk zou niet weten welk een bijzonder herinneringstee-ken ik bezitten kon!'' antwoordde de gravin verward.
âMijn [lemel, zoudt ge vergeten hebben, dat ik uwe nicht, de tegenwoordige mevrouw von Hohenthal, les in de Fransche taal heb gegeven? Zij kwam immers driemaal in de week bij mij, â want gij verkoost haar tot mij te zenden, wijl de les dan eenige groschen goedkooper was, dan als ik bij u kwam.quot;
Op dit oogenblik riep de deurwachter met luid klinkende stem in de zaal: âDe heer professor Philip Moritz!quot;
Een slank man in elegante, modische kleeding verscheen in de deur, en daar staan blijvende, liet hij zijn groote, zwarte oogen met een langen, bespiedenden blik door de zaal gaan. Mijnheer von Ebenstreit naderde hem, en reikte met eenige onverstaanbare woorden Moritz de hand. Deze scheen hem ecliter niet te zien; hij boog slechts even, en vroeg toen met luide stem ; âMag ik u verzoeken, mijnheer, mij aan de dame des huizes voor te stellen?quot;
âWees zoo goed mij te volgen,quot; prevelde Ebenstreit, en door den kring der lachende, schertsende, kwaadsprekende heeren en dames heen, voerde hij Moritz naar het midden der zaal, waar Marie nog altoos bij den Franschen gezant en de beide dames stond.
âMijne lieve,quot; zei Ebenstreit, â en zijn stem beefde een weinig; âmijne lieve, ik breng u hier een oud bekende, den heer professor Moritz.''
Hij wilde terugtreden, maar Moritz legde de hand met den witten handschoen op zijn arm, en hield hem tegen.
214
âBlijf nog een oogenblik, heer baron,quot; zeide hij ; âik moet de vrijheid nemen een vraag tot u te richten, vóór ik met mevrouw de barones hier spreek.quot;
Hij had zóó luid en op zulk een zonderling grove en onbeleefde manier gesproken, dat aller gezichten zich verwonderd en vragend naar hem wendden. Alle gesprekken verstomden, en alle in de zaal aanwezigen drongen verder naar 't midden, naar de zonderlinge, in 't oog vallende groep, die onder de lichtkroon stond; â naar de barones, die in haar trotsche pracht, bedaard en koel naast den gezant met het breede blauwe lint der orde van den H. Lode wijk stond, en volkomen kalm naar haren echtgenoot keek, en naar dien bleeken man met vlammende oogen, die zich als flikkerende dolkpunten in haar aangezicht boorden.
Een diepe stilte ontstond, en te midden dier stilte hoorde men Ebenstreit's bevende stem, die vroeg: âWat is het, heer professor? Waarmede kan ik u dienen?quot;
âGij kunt mij dienen, door mij te zeggen, wiegezijt?quot; riep Moritz met een ruwen lach.
âIk, heer professor? Ik ben de baron Ebenstreit von Leuthen!quot;
âEn het litteeken, 't welk ge daar op uw gezicht draagt, komt dat van den zweepslag, dien ik voor drie jaren een zekeren monsieur Ebenstreit in het gelaat gaf? Zijt gij dezelfde monsieur, die mij toenmaals de ontvoering zijner bruid door de politie liet beletten? Dien mensch daagde ik destijds tot een duël uit, maar de lafaard {weigerde mij voldoening te geven, en toen sloeg ik hem met de zweep in 't gelaat, zoodat het bloed er langs vloeide. Antwoord mij nu : zijt gij deze door mij getuchtigde lafaard, die mijnheer Ebenstreit?quot;
Een vreeselijke, lange pauze volgde op deze woorden; niemand waagde ze door eenig geluid af te breken; al deze uieuwsgierige oogen, deze verbaasde gezichten waren op Ebenstreit gericht, die doodsbleek en sprakeloos in het van toorn vlammende gelaat zijns vijands staarde.
âMaar antwoord dan toch 1quot; riep Moritz stampvoetend: âZijt gij deze lafaard? Komt die roode streep op uw gelaat van mijn zweepslag?quot;
Wederom ontstond een lange stilte, vervolgens hoorde men een luide, heldere en bedaarde stem zeggen : âJa, hij is het!''
215
âWie antwoordt mij?quot; vroeg Moritz, terwijl hij zijn bliksemende oogen van Ebenstreit afwendde.
âIk,quot; antwoordde Marie; âik antwoord u voor mijn echtgenoot.quot; - â '
âGij dus,quot; riep hij met donderende stem; âgij zijt de echtgenoote van dezen mensch?quot;
âJa, ik ben zijn echtgenoote.quot;
âEn deze uitnoodiging hier,quot; voer hij voort, terwijl hij een papier uit zijn zak haalde: âdeze uitnoodiging is door u aan mij gericht? Gij hebt u veroorloofd mij te noodigen?quot;
âJa, mijnheer,quot; antwoordde zij met heldere, kalme stem ; âik heb dit gedaan.quot;
âEn met welk recht, madame? Wat gaf u hiertoe aanleiding? Antwoord! Ik ben hier gekomen om van u een antwoord op deze vraag te ontvangen?quot;
âGij zult het hebben,quot; zeide zij bedaard: âIk heb u ge-noodigd, wijl ik wenscbte u weder te zien.quot;
âDan zijt gij een onbeschaamde!quot; riep bij woedend.
âMijnheer,quot; sprak nu do gezant, terwijl hij zich dreigend tegenover Moritz plaatste: âgij vergeet dat ge tot een dame spreekt, en het eerloos is eene vrouw te beleedigen Daar de echtgenoot van deze dame zwijgt, verklaar ik mij tot haren ridder, en zal niet dulden, dat gij haar slechts met één woord, één blik beleedigt.quot;
âEn hoe zoudt ge dat verhinderen?quot; vroeg hij meteen honenden lach: âWat zoudt ge doen, zoo ik deze dame het papier, waarop zij de onbeschaamdheid heeft gehad mijn naam te schrijven, voor de voeten werp, en haar verbied ooit weder miin naam te schrijven?quot;
Hij wierp, dit zeggende, het ineengefrommeld papier voor Marie's voeten, en staarde toen met tartenden blik den markies aan.
âIk zal u door de bedienden de deur uit laten werpen,quot; riep de gezant: âHier, lakeien! Grijpt dezen man, die naar't schijnt het dolhuis is ontloopen; grijpt hem, en werpt hem de deur uit! Hier, lakeien!quot;
Een paar lakeien gehoorzaamden het bevel, en baanden zich een weg door het gedrang, dat zich thans in een dichten kring om de groep gesloten had. Moritz keek hen met de hand aan den kleinen pronkdegen geslagen, dreigend aan.
216
âWie mij aanraakt is een Jdnd des doods! ' riep hij met luide stem.
âTerug,quot; riep Marie op dit oogenblik, gebiedend den arm tegen de lakeien uitstekende; âTerug! Niemand wage het dezen heer aan te raken. Ik verzoek u, heer markies, en ik verzoek al mijne geërde gasten bedaard het einde van dit looneel af te wachten, en niet te beproeven, den heer professor Moritz het spreken te beletten.quot;
âDat heet, mevrouw, gij wilt mij trotseeren?'' vroeg hij tandenknarsend: âGij rekent op mijne edelmoedigheid en denkt, dat ik thans zal zwijgen, en voor dit geachte gezel-schap,'t welk uwe tegenwoordigheid, uwebrillantenen uwen rijkdom huldigt, de geheimen van het verleden nietzal onthullen? Maar ge zult u in mij vergist hebben, madame. Ik sta hier voor u als het spook van uw verleden, en ik beschuldig u van meineed en eerloosheid! â Ik vraag u allen, die hier vereenigd zijt in vreugde en genot, en u met bloemen en ordelinten getooid hebt, om deze vrouw te huldigen, â ik vraag u, of gij weet wie zij is, en wat zij gedaan heeft? Neen, gij weet het niet, en dus zal zfc het u zeggen. Zij was een meisje, lief en onschuldig als een engel des hemels! Als men haar aanschouwde, geloofde men aaneene openbaring Gods, als men aan haar dacht, waren de gedachten onschuldige gebeden, en men gevoelde zich geheiligd en verheven door het aanschouwen harer oogen, waarin de ge-heele hemel terugstraalde. Zij was arm, en toch zóó onuit-sprekelijk rijk, dat, zoo een koning al zijne schatten aan hare voeten had nedergelegd als de morgengift zijner liefde, hij door hare liefde echter nog meer ontvangen zou hebben dan hij gaf; â want in haar hart rustten de schatten der geheele menschheid. O, men zou bloedige tranen kunnen weenen, als men denkt wat zij was, en nu zien wat van haar geworden is! Lacht toch, heeren en dames, lacht toch; want gij ziet wel, ik ben een krankzinnige, ik ween over mijn verloren engel!quot;
'Hij sloeg zijne handen voor zijn aangezicht, en stond een oogenblik wankelend en snikkend. Een zacht zuchten en murmelen liep door de zaal; de dames namen beur zakdoeken en drukten ze voor hare oogen, andere zagen met diep medelijden op den schoonen jongen man, die haai' oneindig belangrijk voorkwam. Vervolgens echter wendden hare blik-
217
ken zich verwijtend op de barones, die insgelijks verplefterd moest zijn geweest door deze verwijten en tranen van den schoonen jonkman, maar die fier en bedaard daar stond, en met glinsterend, van vreugde stralend aangezicht hare oogen onafgewend op Morifz gericht hield.
âHet is voorbij,quot; zei deze, terwijl hij de handen van zijn gelaat nam: âde laatste traan is geweend en de laalste klacht is geslaakt. Ik wil u nu zeggen, hoe deze engel een ellendige, jammerlijke vrouw is geworden. Datikhaarbe-minde^ â ja, zóó beminde als een ellendige en verstootcne het gezegende schepsel bemint, dat hem het paradijs, den hemel opent, â nu, dit is een onverschillige zaak, en ik spreek er niet van, alleen dat zij mij beminde, dat zij mij dit diets maakte, en ik zoo dwaas was hare woorden te gelooven! Zij wisselde met mij den eed van eeuwigen trouw ; wij wisselden met elkander de gelofte van trouwe, onveranderlijke liefde, en wij belootden elkander, alle lasten dei-aarde blijmoedig te dragen, en niet te scheiden dan door den dood. O, ik zou eerder aan mijzelven hebben getwijfeld dan aan haar, die boven mij stond als de verheerlijking Gods. Ik wilde haar verdienen en verwerven door arbeid en vlijt, door de kennis van mijn geest, door den roem, waarmede ik mijn naam hoopte te verheerlijken! Dit was evenwel niets in de oogen harer hebzuchtige ouders, en zij wezen mij snood en trotsch af, maar zij bemoedigde mij tot een vast vertrouwen in hare liefde. Maar terwijl ik te voet, â als een arme pelgrim naar het hemelrijk,â te voet naar Selizië tot den Koning ging, om mij voor hem te verootmoedigen en het geluk mijns levens van hem af te bedelen, terwijl ik streed om haar, kwam de verzoeking, de zonde en de gemeenheid dezer wereld in de gestalte van dezen man, die nu bleek, gebroken en in onmachtige woede daar staat, tot mijne bruid. De duivel des rijkdoms bracht de engel in verzoeking, en â zij bezweek! Aanschouwt haar! ââ Van de engel is een demon geworden, een ellendige verkochte, meineedige vrouw! Zij heeft de liefde verraden en zich overgegeven aan den ellendigen Mammon; zij heeft haar edel âikquot; in het stof gel reden, en is in een vergulde koets er over heen gereden, gelijk Tullia over het lijk haars vaders! Zij heeft zich verkocht aan den rijkdom, voor welken gij u allen buigt, en dien gij aanbidt als het gouden kalf! En
218
toen zij dit alles gedaan had, â nadat zij haar lichaam, haar ziel verkocht had aan een mensch, dien zij verfoeide, zoo hij niet rijk was, â nadat zij teruggekeerd is, om in dit vergulde paleis der weelde te pronken met hare zonde, heeft zij den vermetelen moed, mij, den vertredene, den waanzinnige, hier te roepen, alsof ik een gevangen slaaf was, die aan de zegekar harer weelde moet trekken. Maar ik ben een vrij man, en ben slechts hier gekomen om haar mijne verachting, mijn toorn in't aangezicht te werpen ; om haar te brandmerken voor u allen als een meineedige, als een verraadster, welke ik nooit, vergeven, â welke ik vloeken zal tot den laatsten ademtocht mijns levens. Zoo! Nu heb ik den last dezer smarten van mijn ziel geworpen, en nu beveel ik deze vrouw u te zeggen of ik de waarheid heb gesproken!quot;
Hij stond daar met gloeiend gelaat, en wees met een gebiedende handbeweging op Marie. In de ruime zaal heerschte nog altoos een doodelijke stilte. Zelfs de kaarsen schenen minder helder te branden, en er lag als een drukkende atmosfeer op de gemoederen.
âAntwoord, madame,quot; beval Moritz gebiedend: âzeg aan dit geëerd gezelschap of ik de waarheid heb gesproken?quot;
Zij beantwoordde zijn toornigen blik met een kalmen oogopslag, en iets als een glimlacli verheerlijkte haar gelaat. âJa,quot; zeide zij met heldere stem : ,,ja, gij hebt de waarheid gesproken! Ik ben een meineedige, een verraadster der liefde! Ik heb mij verkocht aan den rijkdom, en heb voor den ellendigen Mammon mijn geluk, mijn zielevrede en mijn liefde weggegeven. Ik zou mij misschien kunnen verontschuldigen, maar ik wil het niet; 't is genoeg te zeggen, dat ge in alles de waarheid hebt gesproken. Slechts in één opzicht niet! Gij zeidet mij te willen vloeken, tot uwen laatsten ademtocht. Dit woord zult ge eens herroepen, en wellicht zal een dag komen, dat uit deze oogen, die mij thans met den bliksem des toorns zouden willen verpletteren, een traan van medelijden nedervloeit op de arme vrouw, die in het stof voor u geknield ligt, en smeekt om den laatsten zegen uwer liefde!quot;
âMarie!quot; riep hij mei een luiden, hartverscheurenden smartkreet: âO, Marie!quot;
En eensklaps stortte hij nu yoor haar neder, omvatte
219
hare knieën, drukte een heeten kus op haar hand, en barstte in luid schreien uit. Doch dit duurde slechts een oogenblik; vervolgens sprong hij op, en met een wilde beweging degenen, die hem in den weg stonden, terugdringende, vloog hij de zaal uit.
Een vreeselijke stilte heerschte in het vertrek. Niemand had den moed zich te bewegen, of de stilte af te breken. Een ieder hoopte, dat de barones door een geveinsde onmacht aan dit pijnlijk tooneel een einde zou maken, en elkeen vergunnen zou zich te verwijderen. Maar de barones had noch medelijden met hare gasten, noch met zichzelve.
Zij wendde haar hoofd nu tot den Franschen gezant, die bleek en diep getrolfen achter haar stond, en eensklaps klonk een luid lachen van hare lippen.
âO, monsieur le marquis, wat zijt ge bleek,quot; riep zij: âMijn hemel, gij hebt dus dit comediespel voor waarheid gehouden? Gij hebt geloofd dat deze tooneelvoorstelling wezenlijkheid was? Hebt ge dan vergeten, dat ik u voor eenige maanden te Parijs zeide, dat ik eigenlijk geboren was om tooneelspeelster te zijn? Gij wildet dit toen bestrijden, en ik beloofden hier te Berlijn in mijn hotel een tooneel-stuk uit te voeren, en met zóóveel talent, dat ge het comediespel voor waarheid zoudt houden. Wij hebben eromgewed.''
âMijn hemel, ja, 'tis waar; hoe kon ik het vergeten!quot; riep de markies, die met diplomatische fijnheid gaarne zijn hulp bood, om dit pijnlijk tooneel te doen eindigen.
, Nu,quot; vroeg Marie glimlachend; âwat zegt ge? Heb ik mijn weddenschap gewonnen?quot;
âVolkomen gewonnen, genadigste barones. Gij hebt gespeeld als een groote kunstenares, en ik zal morgen de eer hebben mijne weddenschap te betalen.quot;
âMaar geef mij thans, heer markies, uw arm, en geleid mij naar de danszaal. Weest zoo goed, ons te volgen, geëerde gasten. Luistert, de dansmuziek begint!quot;
Zij zweefde aan den arm van den markies voort, en het gezelschap volgde haar. Maar er bleef toch oen gedrukte stemming achter, en vroeger dan anders zou geschied zijn, ledigden zich de zalen.
Te middernacht was alles stil en verlaten; de laatste gasten hadden zich verwijderd, en onder de lichtkroon stond Marie bleek en koel tegenover haren echtgenoot.
2-20
Hij had het gewaagd, zich te beklagen over het ontzettend tooneel van dezen avond; hij had geweend en gejammerd over hare wreedheid en over zijn schande. Zij echter was koel en trotsch gebleven, en geen spoor van medelijden sprak uit haar gelaat.
âGij wist wat ge deedt, toen ge mij de schande van dit huwelijk berokkendet,quot; zeide zij: âik heb u niet misleid, u geen hoop voorgespiegeld. Ik heb u gezegd, dat het u eens bitter berouwen zou, wat ge aan mij misdaan hebt! Ge hebt drakentanden gezaaid, en er zijn krijgslieden uit opgegroeid, die hunne zwaarden tegen u richten en mij op u zullen wreken. Zie nu, wat ge met uwen rijkdom tegen mijne krijgslieden beginnen zult. Ge zegt immers dat de rijkdom alles vermag, dat alles op aarde te koop is. Zie nu, of ge u vrede en een gerust geweten kunt koopen, zooals ge mij gekocht hebt! Maar ik zeg u; mijn ziel is toch vrij gebleven, en zij zweeft boven u als de geest der wraak! Hoed u voor hem!''
Zij keerde zich fier om, en verwijderde zich langzaam. De lichtkronen deden hare brillanten fonkelen, en de groote spiegels kaatsten de beeltenis eener bleeke, trotsche vrouw terug, die er voorbij zweefde, ernstig en streng als de wraakgodin.
Ebenstreit oogde haar na, en hij huiverde voor deze eenzaamheid en stilte in de verlichte pronkzalen, zonk huiverend ineen, en weende smartelijk!
En binnen in het kamertje, in het verborgen paradijs van het verleden, lag Marie op hare knieën, en strekte de armen ten hemel, en weerde de tranen niet, die uit hare oogen vloeiden.
âIk dank u. God,quot; lluisterde zij: âik heb hem wedergezien. Mijn offer is niet vergeefsch geweest! Hij leeft! Hij is vrij, en zijn geest is helder en klaar! Ik dank u, God, want hij bemint mij nog! Zijn toorn is liefde!quot;
221
IX.
DE KONING EN DE ROZENKRUISERS.
De goddelijke vreugde, welke zooals Bischofswerder zeide, in den hemel en op aarde er over heerschte, dat de Kroonprins van Pruisen zich tot de deugd bekeerd, â en van Wilhelrnine Enke afgezien had, âdeze goddelijke vreugde zou niet lang duren, en de âonzichtbare vadersquot; en de vrome Rozenkruisers zouden spoedig ervaren, dat een schrandere en sluwe vrouw zelfs de geesten weet te tarten, en eeden kan ontduiken.
De Kroonprins had sedert den nacht der geestenbezwering het huis te Chariottenburg, het huis dat zijn geheel geluk omsloot, niet weder gezien; hij had al de brieven van Wilhelrnine onbeantwoord, ja ongelezen teruggezonden, hij had zelfs den moed gehad hare kinderen, die kwamen om hun vader te bezoeken, naar Gharlottenburg terug te zenden, zonder ze gezien te hebben. Misschien zou hij dit niet gedaan hebben, zoo hij alleen ware geweest, zoo hij zijn eigen hart had mogen volgen. Maar Bischofswerder en Wöllner verlieten hem niet; want de onzichtbaren, â zoo zeiden zij, âhadden hun bevolen, in deze moeielijke dagen van beproeving en verzoeking, aan de zijde van den veelgeliefden bondsbroeder te blijven, voor hem en mèt hem te bidden, en hem door stichtelijke gesprekken en weten â schappelijke onderzoekingen op te heffen en te vervroolijken.
Het bidden en de stichtelijke gesprekken waren aan Wöllner opgedragen, die bovendien zijne voordrachten over de staatswetenschap dagelijks voortzette, en den Prins voorbereidde tot de groote zaak der koninklijke regeering, welke gelijk zij hoopten, zeer spoedig door het gunstige lot aan hem zou worden opgedragen.
Voor de wetenschappelijke navorschingen en de vermakelijkheden had Bischofswerder te zorgen, en hij onderwierp zich aan dezen plicht, met den vurigen ijver en de blijmoedigheid van een onderzoeker, die zelf vol hoop en vol geloof is. In het laboratorium, 'twelk in het nieuwe paleis te Potsdam was ingericht geworden, werkte de Prins met zijn lieven Bischofswerder dagelijks vele uren lang, om eindelijk de groote hoop der Adepten, â den steen dei' wij-
222
zen, â te ontdekken, en zoo men dien helaas ook niet vond, brouwde men daarentegen allerlei wonderdranken, die als het elixer der eeuwige jeugd en der trouwe liefde, den Prins onuitsprekelijk welkom waren.
Vervolgens in de avonduren begaf men zich naar de kamer der bezweringen, en riep de geesten van groote overledenen op, die dan ook, door de gebeden van Wöllner en het vurig smeeken van den Kroonprins bewogen, altoos de goedheid hadden te verschijnen, en den Prins hun veelgeliefden zoon noemden, en hem hunne tevredenheid betuigden, dat hij moedig en trouw gebleven, â en niet weder in de onheilige strikken der verleidster gevallen was.
De Kroonprins zelf echter gevoelde niet de minste tevredenheid met zich zelve. Hij verlangde dagelijks meer naar de geliefde zijner jeugd, naar zijne kinderen, voor welke de kinderen zijner gemalin: de verlegene, stille en linksche prins Frederik Wilhelm en diens wToelige, kleine broeders, hem geen vergoeding waren. Hij zag des nachts in den droom Wilhelmine Enke in tranen badende, met wringende handen op den grond liggen; hij hoorde haarteeder smee-kend zijn naam roepen, en als hij dan ontwaakte, overviel hem een troostelooze smart. Hij moest schreien van verlangen en harteleed, en hij zou tot haar geijld zijn, indien de vreeselijke eed, welken hij den geesten had gedaan, hem niet teruggehouden had.
Maar deze eed boeide hem, legde zijn verlangen aan banden, en maakte hem treurig en zwaarmoedig. De geesten evenwel kenden geen medelijden, geen erbarmen; en Bi-schofswerder en Wöllner waren van den morgen tot den avond hunne strenge vertegenwoordigers, en vermaanden den armen Prins tot deugd en vroomheid, en wonden zijn opgewekte phantasie met hunne wondergezichten en verschijningen steeds meer en meer op.
Op zekeren dag intusschen, toen beide heeren juist bij den Kroonprins waren binnengetreden, om hunne morgengebeden tot de onzichtbaren met hem te verrichten, verscheen een koninklijke lakei met het bevel, dat beide heeren zich onmiddellijk naar Sanssouci moesten begeven, waaide Koning hen verwachtte.
Dit was een bevel, waaraan men zich zonder dralen moest onderwerpen, en dat geen uitstel toeliet; want er was tege-
223
lijk een koninklijk rijtuig verschenen, om de heeren af te halen.
âMisschien heeft het genadige lot ons uitgekozen, om martelaars der heilige zaak te worden,quot; zei Wöllner, vroom de handen vouwende.
âMisschien zullen wij nooit weder het geluk genieten onzen dierbaren ordebroeder terug te zien,quot; zuchtte Bischofs-werder: âmaar onze zielen zullen altoos bij u zijn, mijn Prins, en de onzichtbare vaderen zullen u beschermen op al uwe wegen!quot;
De Kroonprins was zeer geroerd en bewogen, en met tranen in de oogen zag hij de vrienden vertrekken. Desniettemin overviel hern, toen het rijtuig wegrolde, een wonderbaar gevoel van verlichting; het scheen hem alsof de lucht om nem heen nu vrijer en helderder was, en hij ademde ruimer, als ware iiij van een drukkenden last bevrijd.
Op dit oogenblik opende zich de deur, een lakei trad binnen, en presenteerde op een gouden bord den Kroonprins een brief. â Indien Bischofswerder er ware geweest, zou hij hem misschien niet geopend en gelezen hebben. Maar Bischofswerder was er niet, en de Kroonprins las den brief. Vervolgens zag hij peinzend en nadenkend voor zich, herlas de teedere, verlangende woorden, welke hij bevatte, nam een moedig besluit, richtte zich meteen van vreugde stralend gelaat op, en beval dat men zijn rijtuig zou laten voorkomen.
Weinige minuten later verliet ook de Kroonprins het kasteel, en de paarden joegen in vollen galop voort. â
De heeren Bischofswerder en Wöllner waren inmiddels te Sanssouci aangekomen, en de kamerhuzaar, die hen in de voorzaal verwachtte, voerde hen terstond door de schilderij en-galerij en de kleine gang naar 's Koning kabinet. Voor de deur beval hij hen te wachten, en trad het konink-lijke vertrek binnen. De beide heeren hoorden hem met luide stem hun beider namen uitroepen, én vernamen ook vervolgens de stem des Konings.
âZe moeten wachten,quot; riep deze: âze moeten wachten in den kleinen corridor, tot ik ze laat binnenkomen!quot;
De kamerhuzaar verscheen nu weder, verkondigde den heeren met gedempte stem het koninklijke bevel, ging naar buiten, en sloot de deur zorgvuldig achter zich.
224
Oe beide heeren wachtten dus. Het was tamelijk eng in dezen corridor; daarbij heerschte er een heete, drukkende lucht, en er waren geen stoelen of banken aanwezig, om de door het staan vermoeide voeten rust te geven.
Binnen, in de kamer des Konings, hoorden zij verscheidene stemmen in afwisselend gesprek; somwijlen scheen het alsof de Koning bevelen gaf, dan weder sprak hij met gesmoorde stem gelijkmatig voort, ais iemand, die dicteert.Trouwens, het waren immers de werkuren des Konings, dat wisten de Rozenkruisers zeer goed, en zij wachtten derhalve geduldig en standvastig. Maar de tijd verliep; in het kabinet was elk gerucht verstomd, en het horloge van den heer Bischofswerder zeide hun, dat zij reeds drie uren hier in den corridor gestaan hadden.
âHet is zeker, dat men ons vergeten heeft,quot; duisterde Bischofwerder: ,,Wij willen den kamerdienaar verzoeken, den Koning te herinneren dat wij hier zijn.quot;
âJa, dat willen wij,quot; duisterde Wöllner; âwant ik beken, dat dit staan mij schier ondragelijk wordt.quot;
Zij slopen beiden naar de uitgangsdeur, en draaiden voorzichtig aan de bronzen kruk. Maar de deur opende zich niet, hoewel de kruk zich bewoog. De deur was blijkbaar van buiten gesloten.
De beide heeren zagen elkander verschrikt aan. âWat beteekent dat? Zou het opzetteliik zijn geschied? Zijn wij hier gevangen? Wij moeten het afwachten, wij moeten geduld hebben, hoewel 't een harde beproeving is.quot; â
Zij wachtten het af en oefenden hun geduld. Maar eindelijk konden zij 't niet langer uithouden, namen een wanhopig besluit, en klopten zacht aan de deur der koninklijke kamer. Niemand gaf antwoord, slechts een hond begon luid te blaffen, daarna werd alles weder stil.
âEr is bepaald niemand meer in,quot; zuchtte Bischofswerder: âde Koning is waarschijnlijk reeds aan het diné gegaan; want het is, zooals ik op mijn horloge zie, reeds zijn etensuur.quot;
âIk wilde, dat het ook 't onze was,quot; zuchtte Wöllner. âIk beken, mijn maag verlangt naar lichamelijk voedsel, daarbij waggelen mijn beenen onder mij!quot;
âIk heb een vreeselijken honger,quot; kermde Bisschofswer-der: âbovendien is de lucht hier verstikkend. Ik ben tot het uiterste besloten. Ik maak gerucht.quot;
225
Hij stormde als een wanhopig gevangene op de buitendeur toe en riep om den kamerhuzaar, en bad en beval dat men mocht openen; maaj- toen alles stil bleef en niemand antwoord gaf, klopte hij aan de andere deur, en wilde die openen. Maar ook deze was gesloten, en slechts een blaffende en grommende hond gaf antwoord op hun kloppen en schreeuwen.
âDe Heer heeft ons verlaten,'' kermde Wöllner: âDe verhevenen hebben hunne aangezichten van ons afgewend. quot;Wij willen bidden en smeeken om genade en verlossing!quot;
Hij zonk op zijne knieën, en begon met luide, jammerende stem te bidden en te smeeken.
âIk bid u om Gods wil, wat moet dat hier?quot; riep Bischofswerder verdrietig; âMeent ge, dat uwe gebeden de deur hier openen, âen ons bevrijden zullen? In Sanssouci baten geene gebeden, en hier kunnen wij niets uitvoeren met onze vroomheid. Hier helpt niets dan geestkracht en beradenheid. Kom, wij willen zoolang op de uitgangsdeur hameren en kloppen tot men haar opent.quot;
En zij bonsden en klopten en schreeuwden en tierden zóólang, tot hunne handen lam, en hunne stemmen schor waren geworden. Toen, â niet meer in slaat zich op de been te houden, â zetten zij zich op den grond neder, doodelijk afgemat van honger en vermoeidheid, en schier weenende van woede en vernedering.
Eindelijk, na lange, folterende uren,âeindelijk hoorde men geruclit in de kamer. De hond sloeg aan met vroolijk huilen en blaffen, vervolgens hoorde men verscheidene stemmen. Stoelen werden verschoven, en het was duidelijk, dat de Koning weder in zijn kabinet getreden was.
En nu naderden voetstappen, nu werd de deur van den corridor geopend, en de kamerhuzaar wenkte beide heeren .binnen te komen. Zij hadden zich met moeite van den grond opgericht, en slopen nu waggelend de kamer binnen. De kamerhuzaar sloot de deur achter hen, en verwijderde zich vervolgens, zacht op de teenen gaande, door de tegenovergestelde deur.
De Koning zat in zijn leunstoel, den driekanten hoed op 'thootd, de kin op zijne handen gesteund, die op den krukstok rustten.
Zijn groote blauwe oogen richtten zich met een langen, MUhltach, Duitschland in woeling en strijd. II. 15
2'26
doorborenden blik op de beide Rozenkruisers, die in zeer deemoedige houding naast de deur van den corridor stonden. Vervolgens wendde hij zijn blik van hen naar den minister Herzberg, die voor hem, â bij de met acten bedekte tafel stond.
âDit zijn dus de beide grootwaardigbeidsbekleeders dei-Rozenkruisers?quot; vroeg Frederik: âDe beide charlatans, van wie men mij gezegd heeft, dat zij den Kroonprins de hel heet maken, en hem aanhoudend met hunne gebeden en litaniën belegeren?quot;
âMajesteit,quot; antwoordde Herzberg glimlachend; âdeze heeren zijn de overste von Rischofswerder en de rekenings-raad Wöllner, welke Uwe Majesteit ter audiëntie heeft ontboden.quot;
âJa,quot; antwoordde Frederik; âik wilde toch die duizendkunstenaars eens zien, die de onbeschaamdheid hebben op hun commando den geest van onzen voorvader, den grooten Keurvorst, te laten verschijnen, ja zelfs Keizer Marcus Aurelius uit de elyseesche velden op te roepen. Ge zijt immers de 'beide heeren, die zulke mirakels uitvoert?quot;
âSire,quot; stamelde Rischofswerder: âwij hebben inderdaad beproefd geesten op te roepen.quot;
âJa; beproefd heb ik 'took,quot; riep de Koning: âmaar zij komen niet, en daarom wilde ik eens een paar toovenaars zien, en zou gaarne van hen het geheim koopen.quot;
,,Koninklijke Majesteit, houd het mij ten goede,quot; zei Wöllner deemoedig; âmen moet in de heilige orde der Rozenkruisers opgenomen worden, om geesten te kunnen oproepen.quot;
âMerci!quot; riep Frederik: âIk ben nog niet rijp voor der-gelijken onzin, en zoolang ik leef mogen de onzichtbaren zich in acht nemen; want zoo zij zich mochten verstouten al te zichtbaar te worden, zou ik ze bij de veeren pakken en mores leeren. Ik wil niet dat Pruisen in domheid ver-zinke, en dat de Rozenkruisers en de mannen der duisternis hier hunne kunsten drijven. Het heeft moeite genoeg gekost, een weinig verlichting en verstand in de hoofden van 't volk te brengen, en het bijgeloof en onverstand te verdrijven, en ik wil niet vergeefs gewerkt en gepoogd hebben. Als de Rozenkruisers en geestenbezweerders geen reden willen verstaan, tik ik ze zóódanig op de vingers, dat
227
hun het geestenoproepen vergaan zal. Dat moet ge den onzichtbaren berichten en hun tevens zeggen, dat zij mijn Kroonprins met rust laten, en hem niet te veel plagen, anders jaag ik al die lieden naar den duivel, en ik weet stellig dat hij ze met open armen ontvangen zal. Het kan wel is waar geen kwaad, dat den Kroonprins soms een weinig tot het geweten wordt gesproken, opdat hij een eerbaren levenswandel voere en zijne gedachten meer op ernstige studie dan op minnarijen richte. Maar men moet geen huichelaar van hem willen maken, en zijn goedhartigen aard niet misbruiken. Er moet hem geen geweld worden aan gedaan; en zoo de Rozenkruisers den baas willen spelen over mijn neef, zal ik hen bewijzen dat ik hier baas beu, en hunne ongerijmdheden niet langer dulden, maar het geheele nest uitroeien. Onthoudt dit, messieurs, en bedenkt dat ik mijne oogen open houd en alles zie. Ik heb het zeer ongunstig opgenomen, dat de Kroonprins in den laatsten tijd zoo hypochondrisch en droefgeestig rondsluipt. Men moet hem zijn levensgenot gunnen, en zich niet permitteeren hem voor te spiegelen, dat laaghartigheid en deugd hetzelfde is, en men in deugd en zedelijkheid wandelt, als men degene verraadt welke men trouw heeft gezworen en liefde schuldig is! Een eerlijke kerel moet vóór alles dankbaar zijn, en mag haar niet verlaten, die hem hare eer en haar leven heeft opgeofferd, en zich altoos trouw en liefderijk heeft betoond. Ik hoop dat de messieurs mij begrepen hebben?quot;
âOm u te dienen, sire,quot; zei Bischofswerder: âhet zal mij steeds een heilige plicht zijn, de bevelen Uwer Koninklijke Majestet stipt na te komen.''
âOok ik zal met ijver en trouw steeds trachten's Konings wil te vervullen,quot; betuigde Wöllner.
âDat zal ook noodig zijn,quot; sprak de Koning: âwantanders zouden beide heeren er te Spandau voor moeten boeten, dat zij zich vermeten hebben, zich tegen mijn wil te verzeilen. Dit alleen heb ik u willen zeggen, en dit moet ge onthouden voor altijd. Ik wil geen dompers, geen verborgenheidskramers en geen sekten. Iedereen kan den lieven God op zijn manier aanbidden; maar niemand moet den trolschen waan hebben dat hij 't beter weet dan anderen, en tot de uitverkorenen behoort, op wie de heilige
228
geest in 't bijzonder is nedergedaald. quot;Wij zijn allemaal zondaars, en de ilozenkmisers zijn niet beter dan de Iliimuna-ten en vrijmetselaars, en deze allen zijn niet beter dan ieder kleermaker en schoenmaker, die zijn plicht als onderdaan en mensch doet. Adieu!quot;
Hij knikte haastig met het hoofd, en zijn doordringende oogen volgden beide heeren, die met gebogen hoofd naar de deur wankelden waarnaar Frederik hen metdenkruk-stok gewezen had.
âAttendez!quot; riep de Koning, toen zij op het punt stonden om het kabinet te verlaten: âMocht de kroonprins, â zoo ge thans in zijn paleis komt, â er soms niet tegenwoordig zijn, dan raad ik u, hem niet op te sporen, maar te denken dat misschien de onzichtbaren in het spel zijn, en den Kroonprins tot een geestenbezwering opgeroepen hebben. Apropos, ik geloof dat ik u een weinig heb laten wachten ? Nu, ge zult dit natuurlijk nauwelijks hebben opgemerkt; want de geesten zullen gewis de uitverkoren werktuigen der onzichtbaren met alle vreugde op hunne vleugels gedragen, en met spijs en drank verkwikt hebben. Want zij, quot;die door de geesten beschermd worden â en die zelfs geesten oproepen, kunnen immers nooit in nood zijn ! Als zij ^hongeren roepen zij wijlen Lucullus, opdat hij hun spijzen geve, en zoo zij geen aardsche stoelen hebben, roepen zij madame Semiramis, opdat zij hare hangende tuinen late nederdalen, met verkwikkende rustbanken voor de uitverkorenen! Het verheugt mij, zoo ge daar in den corridor zulke bovenaardscho verkwikkingen genoten hebt. Adieu !quot;
De Koning oogde hen met een langen treurigen blik na. âHerzberg,quot; zeide hij vervolgens, terwijl hij met zijn kruk-stok fden minister nader tot zich wenkte: âHerzberg, het is toch een zeer treurige zaak, dat de mensch oud wordt. Ik gevoel dit, terwijl ik deze beide schelmen naoog. Want gelooft gij, dat ik anders deze twee kerels zoo rustig had la|en o.ft 1*0lelden
âSire, ik begrijp Uwe Majesteit waarlijk niet,quot; antwoordde de minister schouderophalend: âik weet niet, wat Uwe Majesteit zelfs in hare vroolijkste jeugdige dagen anders had kunnen doen, dan beide heeren rustig te laten heengaan.
âDat zal ik u zeggen,quot; riep de Koning, met zijn krukstok op de tafel slaande: âindien ik niet een oude, zwakke kerel
229
ware, die noch kracht, noch beradenheid meer bezit, had ik de twee fielten laten pakken, en voor levenslang naar Spandau transporteeren!quot;
âUwe Majesteit lastert zichzelven,quot; zei Herzberg glimlachend : âGij waart zelfs in uwe vurigste, jeugdige dagen altoos een rechtvaardig Monarch, die nooit tegen de Wet zondigde; en Uwe Majesteit zou derhalve ook deze twee mannen niet gestratt hebben, daar zij zich aan geen bepaald misdrijf hebben schuldig gemaakt.quot;
âZij hebben zich echter wél aan een misdaad schuldig gemaakt!quot; riep Frederik heftig: âZij maken zich dagelijks en ieder uur aan een misdaad schuldig; want deze fielten verleiden den Kroonprins, en maken van den toekomstigen Regent van mijn land een duisterling, een geestenziener, en tegelijk een lichtmis! Ik heb hem wel moeten vergunnen Wilhelmine Enke, welke hij sedert zijne jongelingsjaren bemint, â tot zijn geliefde te behouden, en ik heb een oog gesloten voor deze amour; want ik weet, dat een Kroonprins toch tevens ook een man is, en zijn hart óók zijne rechten heeft. Indien de Kroonprins nu de gemalin, welke de politiek hem gegeven heeft, niet beminnen kon, â welnu, moge het den jongen man gepermitteerd zijn, de geliefde, welke zijn hart heeft gekozen, te behouden en bij haar een soulagement te vinden voor het gedwongen huwelijk van den Kroonprins. Daarbij was deze Enke een zeer passable persoon, die ten minste niet het hoofdgebrek van dergelijke creaturen had; zij wilde niet aan politiek doen, en was niet heerschzuchtig. Zij was een maitresse zonder eerzucht en aanmatiging, die den Kroonprins werkelijk beminde; en daarom begunstigde ik deze betrekking, car il faut faire quelquefois bonne mine au mauvais jeu. Nu echter komen deze fripons, de heeren Rozenkruisers en duisterlingen, en willen de maitresse door maitressen verdringen, opdat zij macht op hem verkrijgen, en de toekomstige Koning van Pruisen een werktuig in hunne handen zij; â een automaat, die zij aan een koord houden, en die zich naar hun wil beweegt als een pop. Zij vullen zijne hersens, â die, helaas, niet al te vast zijn, â met den nevel en den onzin hunner Rozenkruiserij, en verdrijven zijn weinigje geest met hunne geestenzienerij. Zij zeggen, dat zij hem willen leeren den steen der wijzen te vinden, en
230
maken hierbij met hunne Rozenkruiserij .toch slechts een zot en een dwaas van hem. Nu, is het waar of niet? Moet ge mij gelijk geven, of kunt ge mij weerleggen?quot;
âIk moet, helaas, toestemmen dat Uwe Majesteit de waarheid zegt,quot; zuchtte Herzberg.
âNu, en dit toegestemd, wilt ge tóch nog beweren, dat deze infame kerels geen misdadigers zijn, wien recht zou geschieden, zoo ik ze naar Spandau zond ?quot;
âSire, er zijn helaas vergrijpen en misdaden, die zich aan de menschelijke stralïen onttrekken, en welke men niet vonnissen kan, wijl de Wet hiertoe geen recht geeft.quot;
âEn ik zeg u, dat ik in vroegere jaren mij daar verduiveld weinig aangestoord zou hebben! Als ik in mijn tuin een giftig onkruid zie, dat de lucht verpest en den tuingrond schaadt, ruk ik het uit, en vertreed het onder mijne voeten. En ik zou deze twee onkruidsplanten moeten laten staan en verder laten verwoekeren, wijl de Wet mijgeen recht geeft, ze onschadelijk te maken? Non, moncher;ïn mijn jeugd zou ik met vaste hand toegegrepen, â en het onkruid blad voor blad uitgeroeid hebben. Maar zie, dat is het juist, wat mij kwelt. Ik ben een oude, onnutte kerel, en ik gevoel dat mijn hand zwak en bevend is geworden, en niet meer de kracht heett, onkruid uit te roeien. Daarom laat ik het staan, en zie al de afschuwelijke dingen aan, welke deze verfoeilijke kerels hier in het werk stellen. Ik zie de wolken opstijgen, waaruit eens een zwaar onweder over Pruisen zal ontstaan, en kan ze niet meer uiteendrijven met de kracht mijns adems; want ik heb het weinigje adem, dat nog in mijn oude, verdorde borst is, nog te zeer noodig voor mijne regeeringszaken. Ik heb niet zooveel tijd meer over, om voor de toekomst te zorgen, en kan alleen nog voor het tegenwoordige leven en werken.quot;
âMaar de zegen van uw werken, Sire, zal ook in de toekomst voortduren; want wat een groot man gedaan heett voor het tegenwoordige, is niet verloren met zijn dood, maar schijnt als een lichtende ster voor de toekomstige geslachten over zijn graf!quot;
âHet schandelijk dwaallicht; de heeren Rozenkruisers, zullen wel zorgen deze ster uit te dooven, als 't een vetkaars is, die een te lange pit heeft,quot; zei de Koning schouderophalende; âen het is derhalve een waar geluk voor mij,
231
dat de heeren astronomen mij aan den hemel een kleine verheerlijking bezorgd, â en mij /weröoven een ster toegewijd hebben: want hier beneden zouden de Rozenkruisers, de heeren Wöllner en Bischofswerder, haar 1 óch niet laten bestaan en schijnen. En hiermede moet ik mij dan, helaas, troosten; en als't hier beneden slecht gaat, moet ik denken: ik heb mijn ster hierboven aan den hemel!quot;
âDeze ster heet Frederiks eer,quot;riep Herzberg: âen zij zal schijnen over alle toekomstige geslachten, en voor de zonen en kleinzonen van uw Huis een leidstér zijn voor hun denken en handelen, en zij zullen van haar leeren, verstandig en wijs te zijn, als de groote Frederik-quot;
âNu zijt ge in een zeer groote dwaling, Herzberg,quot; zei de Koning haastig: âde toekomstige geslachten leeren nooit iets van de verledene, â en de kleinzonen gelooven altijd wijzer te zijn dan hunne grootvaders. Vergeten wordt door hen alles wat gedaan is, en onder het stof der jaren verbleekt de grootheid der helden. Gij hebt mij zooeven met een fraaien eeretitel genoemd, waarvan ik echter wél weet, hoe weinig ik hem verdien !quot;
âMet een eeretitel, Sire, dien ge door alle eeuwen behouden zult; want in alle geschiedboeken zal men spreken van Frederik 11, als van Frederik den Groote !quot;
âIn de geschiedboeken misschien, maar in don mond des volks zal men van hem spreken, als van den owden Frits; en dit zal in den mond dergenen, die mij liefhebben, een epitheton ornans, â in den mond dergenen, die mij haten, een uitdrukking van minachting zijn! Ja, ja, ik ben de oude Frits; de heeren Bischofswerder en Wöllner zullen mij óók zoo noemen, en den Kroonprins doen begrijpen, dat de oude Frits zichzelven overleefd heeft, en hij den nieuwen tijd volstrekt niet begrijpt, en er geen achting voor heeft. Ja, ja; de oude Frits is in hunne oogen een afgetakeld schip, dat door den stormwind des levens onbruikbaar is gemaakt. Zij willen 'tnu kalefaten, het een nieuwe takelage geven, en een nieuwe vlag, en bidden in vurig gebed tot God, dat hij toch den ouden stuurman : den ouden Frits, naar den duivel moge zenden, en op den sterfdag van den ouden Frits zullen zij hun vlag hijschen. Er zal met groote letters op geschreven staan: De nieuwe tijd! â Maar ik, oude Frits, zal in de elyseesche velden met Voltaire en Jordan, en
232
Suhm en al mijn lieve vrienden vereenigd zijn, zooals eens te Sanssouci, en zal met medelijdenden glimlach nederzien
op den nieuiuen tijd, â de oude divaasheid! â Vale!quot;
X.
DE ECHTVERBINTENIS.
Buiten stond het rijtuig gereed, en voerde de heeren Wöllner en Bischofswerder weder terug naar het nieuwe paleis van den Kroonprins. Geen van beiden sprak onderweg een woord. Zij gevoelden zich heiden uitgeput en doodmoede, en de philippica des Konings klonk nog steeds in hunne ooren.
Toen 't rijtuig voor 't paleis stilhield, stegen heide heeren zwijgend uit, en als uitbeen mond vroegen zij den lakei die hen op de trap tegemoetkwam, of Zijne Koninklijke Hoogheid reeds aan tafel was gegaan.
âZijne Koninklijke Hoogheid is niet hier,quot; luidde het antwoord. âHij is heden voormiddag, terstond nadat beide heeren vertrokken waren, â van hier gereden, en nog nietterug.quot;
âMen moet zoo spoedig mogelijk in de kleine eetzaal voor ons dekken,quot; beval Bischofswerder; âIn een kwartieruurs moet alles gereed zijn!''
âWat zegt genu?quot; vroeg Wöllner, toen zij alleen waren; âWat denkt ge van deze ongelukkige geschiedenis?quot;
âVriend,quot; antwoordde Bischofswerder; âhierop zal ik u eerst kunnen antwoorden, als ik den eersten fazantvleugel gegeten, en het eerste glas champagne gedronken heb.quot;
En hij hield^woord. Nadat hij in plechtige stilte een goede helft van den getruffelden fazant gegeten, â eneenige glazen champagne-frappé gedronken had, wierp Bischofswerder zich met welbehagen in zijn fauteuil achterover, terwijl Wöllner nog met den vroomsten ijver aan zijn fazant bezig was, en zich over deze openbaring der onzichtbaren ten zeerste scheen te verheugen!
Bischofswerder liet hem begaan, en beval den lakei het dessert op te zetten, en zich dan te verwij dei-en.
âEn nu, mijn waarde vriend,quot; zeide hij, toen zij alleen waren; ânu ben ik bereid uw vraag te beantwoorden. Ge
'233
vroegt mij, wat ik van deze ongelukkige geschiedenis dacht, en wat ik er van zeide? Welnu, ik denk dat de Koning in staat is zijn woord te houden, en ons werkelijk naar de vesting Spandau te zenden, zoo wij ons openlijk tegen zijne vrijgeestige gevoelens verzetten.quot;
âIk ben er van overtuigd,quot; zuchtte Wöllner, met een weemoedigen blik de laatste overblijfselen van zijn fazant beschouwende: âWij zullen ter wille van de heilige zaak welke wij dienen, nog veel te lijden hebben.quot;
âDat heet,quot; verbeterde Bischofswerder, terwijl hij eenige Fransche confituren op zijn bord schoof: âdat heet, wij zouden te lijden hebben, indien wij ons in fanatiek onverstand niet naar de omstandigheden wilden voegen.''
âMaar men mag toch het verhevene niet verloochenen,quot; riep Wöllner; .,men mag toch niet om de veiligheid van het lichaam, het heil zijner ziel in gevaar brengen, en als Petrus zijnen Heer verloochenen?quot;
âNeen, mijn edele, geliefde vriend ! Maar men moet voorzichtig zijn als de slangen, en men is verplicht jegens de verheven Orde de nuttige en bruikbare werktuigen voor haar te behouden, en te trachten dat zij aan de Orde niet onttrokken worden. Dit zult ge toestemmen?quot;
âJa, ik stem het toe.quot; antwoordde Wöllner plechtig.
âNu, en verder zult ge toestemmen, dat wij voor de verhevene orde der Rozenkruisers en voor de zaak die de onzichtbare vaders beoogen zeer bruikbare, â ja ik mag zeggen, zeer onontbeerlijke werktuigen zijn? Het is onze taak, aan de verdrevenen en vervolgden hier een wijkplaats te verzekeren; den akker te ploegen en te zaaien, opdat die eens, als de Kroonprins aan de regeering komt, voorde geheele menschheid, en bijzonder voor onze Orde, goede vruchten drage. Wij zullen hier bouwen aan hetPdjkder toekomst, en hiertoe b hoort vóór alles, dat wij in het hart van den toekomstigen Koning een zóó zekeren en vasten grondsteen leggen, dat niets dien schokken of losrukken kan. Wie zal dit werk verrichten, zoo wij hier niet zijn? Wie zal het wagen, de zware taak op zich te nemen, zoo wij schipbreuk hebben geleden? Wie zal den geheimen en aanhoudenden strijd tegen deze sluwe en machtige verleidster willen ondernemen, zoo wij in dezen strijd door haar overwonnen worden?quot;
234
âNiemand zal dit doen,quot; zuchtte Wollner; âniemand zal de Simson willen zijn, die aan deze Delila ten olFer valt.quot;
âWij beiden willen de Simsons zijn, mijn vrieud,quot; antwoordde Bischofswerder, terwijl hij een glas schuimenden champagne ledigde: âwij willen de Simsons zijn, die de Philistijnen verjagen; maar zy zal op ons de Delila kunsten niet uitoefenen, â en ons het haar afsnijden of de oogen uitsteken. Tegen twee Simsons is toch de schoonste en listigste Delila niet sterk genoeg! Wij hehben den heiligen plicht, deze plaats hier te behouden, en zoo wij ten laatste mochten zien, dat wij Delila niet kunnen overwinnen en verjagen, moeten wij tot een ander middel onze toevlucht nemen.quot;
âTot welk middel, mijn dierbare broeder?quot;
âWij moeten dan een vergelijk treffen,quot;
Wöllner sprong van zijn stoel op, en een donkere toorn-of champagnegloed flikkerde op zijn aangezicht: âEen vergelijk met de zondares?quot; riep hij heftig : âVrede sluiten met de verleidster, die den Prins afleidt van de paden der deugd?quot;
âVrede en vriendschap sluiten met deze vrouw, die, ons als vijandin buitengewoon schaden, â als vriendin buitengewoon nuttig kun zijn,quot; antwoordde Bischofswerder : âJa, dat is mijne meening, en ik ben er thans te meer van overtuigd dat wij dezen middelweg moeten inslaan,|vermits de Koning deze vrouw begunstigt, en haar zijne bescherming verleent.quot;
âWijl hij van zijne verspieders heeft vernomen, dat zij met Illuminaten en vrijgeesten verkeert, â dat zij onze tegenstandster is!quot;
âEen reden te meer, mijn edele, ijverige vriend; âeen reden te meer voor ons, om hare vriendschap te verwerven, en een vriendschapsverdrag met Willielmine Enke te sluiten, dat zóólang geldend en van kracht moet zijn, tot de Kroonprins aan de regeering komt, en de oude goddelooze,en vrijgeestige Koning in het graf is gedaald. Dan begint hier te Pruisen een nieuwe tijd, en wij '/uilen dan hier de meesters zijn, en onze handen zullen de staatsmachine besturen en regeeren. â Mijn vriend om den wille van zulk een groot en verheven doel, moet men zelfs bereid zijn, met den duivel een vergelijk te treffen! Waarom dan niet met deze kleine duivelin, wier macht toch met ieder-jaar dalen
235
zal, wijl zij elk jaar aan jeugd en schoonheid verliest.quot;
â'I Is waar,quot; zuchtte Wöllner; âwij moeten steeds de spreuk onzer verheven orde indachtig zijn: âHet doel heiligt de middelen,quot; en dus moge ook ait onheilig middel het heilige doel dienen, en moeten wij het aangrijpen, zoo gij, mijn waarde broeder, van meening zijt, dat het onvermijdelijk is.quot;
âDat ben ik, en gij zult mij, helaas! gelijk moeten geven. Gij ziet het immers; de Kroonprins keert niet terug; hij blijft, waar hij heden morgen, van onze afwezendheid gebruik makende, is heengegaan.quot;
âHoe?'' riep Wöllner, verschrikt de handen vouwende; . âge meent toch soms niet, dat âquot;
âDat Rinaldo weder in den toovertuin zijner Armida is teruggekeerd? Ja, dat meen ik.quot;
âKom, vriend,quot; riep Wöllner opspringende; âlaat ons terstond toesnellen om hem te verlossen, en zijne ziel te redden van de eeuwige verdoemenis!quot;
âIntegendeel, waarde broeder; laat ons den Prins hier bedaard afwachten, en hoeden wij ons hem bij zijne terugkomst, een woord van verwijt of berisping te zeggen. Dit zal zijn hart roeren, en de dankbaarheid zal hem meer vermurwen, dan alle verwijten zouden kunnen doen. De Kroonprins heeft een week, liefdebehoevend gemoed, en hierop moeten wij werken, zoo wij hem in onze macht willen krijgen. De onze moet hij echter worden, en daarom zeg ik nogmaals: Wij moeten een verdrag met Wilhelmine Enke sluiten, want : het doel heiligt de middelen! Vullen wij onze glazen met schuimenden champagne, en laat ons hierop klinken, mijn geliefde broeder!quot;
Zij klonken, en lustig en vroolijk rinkelden en klonken de glazen. â
Even lustig en vroolijk rinkelden en klonken de champagne glazen op dit zelfde uur in de kleine eetzaal van W ilhelmine Enke te Charlottenburg.
Zij hadden een verzoeningsfeest gevierd ;een stil,gemoedelijk feest, waaraan slechts hare beide kinderen hadden deelgenomen. Maar juist daarom beviel het den Kroonprins zoozeer. Het vroolijke lachen en de onschuldige scherts zijner kinderen verrukten den teéderen vader, en de stralende oogen, het zoete glimlachen en het van geestigheid
236
tintelende onderhoud van Wilhelmine, vervulden zijn hart met weelde en lust.
Geen woord van verwijt was over hare lippen gekomen, geen klacht had den Prins bedroefd. Van vreugde juichend, met open armen was zij hem tegemoet geijld, en had zij zich aan zijn borst geworpen ; met teedere kussen zijne, om vergeving biddende lippen gesloten, en hem met zielroerende woorden gedankt, dat hij gekomen was, â dat hij de roepstem van haar verlangen heden beantwoord had, en tot haar was teruggekeerd.
Aanvankelijk had de Prins slechts het geluk der hereeni-ging met zijne geliefde en met zijne kinderen gevoeld,â maar thans, nu de eerste vreugderoes voorbij, â nu het vrooljjke, gelukkige maal geëindigd was, en de prins zich met Wilhelmine naar haar huisvertrek begeven had, nu begon de vreugdegloed op zijn gelaat te verbleeken, en een weemoedige ernst beschaduwde zijn goedhartig gezicht.
Wilhelmine, die nevens hem op den divan zat, legde zacht haren arm om zijn hals, en zag met teederen, vragen-den blik toi hem op.
âEr ligt een sluier op uw ziel, mijn geliefde,quot; zeide zij: âWilt ge hem niet een weinig oplichten, en uwe Wilhelmine laten zien, wat er onder verborgen is?''
âAch, Wilhelmine,quot; zuchtte hij: âhet is een rouw-sluier, en de smart der opoffering verbergt zich er onder!quot;
âIk begrijp u niet, mijn Frederik,quot; glimlachte zij; âWie kan u willen dwingen tot eene opoffering, die u smart veroorzaakt?quot;
âDe betrekkingen, de omstandigheden, mijn geliefd kind; een in den drang des oogenbliks gedane eed I â Luister, Wilhelmine, opdat ge verstaat wat ik meen, en begrijpen zult wat ik lijd!''
En haar vast tegen zich aandrukkende, verhaalde de Prins haar stamelend, en dikwijls door zijn zuchten afgebroken, de geschiedenis van den bewusten nacht der geestverschijningen en der gelofte.
âEn is dit, alles, mijn dierbare?quot; vroeg zij, toen hij geëindigd had, en de glimlach nog altoos op hare lippen stond.
âHoe meent ge dat?quot; vroeg hij verbaasd.
âIk meen, of ge de geesten cn Rozenkruisers niets anders gezworen en beloofd had, dan voortaan met Wilhelmine
237
Enke in geen betrekking te staan, en van uwe liefde voor Wilhelmine Enke afstand le willen doen?quot;
âNiets anders?quot; vroeg hij schier verstoord: âKon ik hun nog iets ergers beloven ?''
âGewis,quot; zeide zij: âiels veel ergers, en ik verwonder mij over de vrome vaders, dat ze hunne woorden zoo onvoorzichtig hebben gesteld. Zoo zij slechts hebben laten zweren, dat ge uwe liefde voor Wilhelmine Enke laten varen, en u van Wilhelmine Enke scheiden zoudt, dan volgt hieruit, dat de vrome vaders niet van mijn persoon, maar slechts van mijn naam hebben gesproken, en wij hebben dus niets anders te doen, dan dezen naam te laten varen, opdat mijn waarde, ridderlijke prins niet meineedig worde.quot;
âIk begrijp dit niet, Wilhelmine,quot; riep hij ruimer ademende: âmaar ik zie aan uw sluw gezicht, dat ge een of ander gelukkig plan van redding voor uwenongelukkigen Frederik Wilhelm beraamd hebt. Zeg mij dus, dierbaarste, wat bedoelt ge?quot;
âIk meen,quot; fluisterde zij: âdat wij mij een anderen naam moeten geven. Wij moeten mij doen trouwen.quot;
âU doen trouwen ?quot; riep hij ontstelt: âNooit! Neen, nooit zal ik er in bewilligen, u aan een anderen man af te staan !quot;
,,Niet aan een anderen man, maar slechts aan een anderen naam,quot; zeide zij, zijne wangen streelende: âZie, deze edele heeren Rozenkruisers zijn buitengewoon deugdzame en zedige lieden, en aangezien zij u zoo onuitsprekelijk beminnen, en zoo onbaatzuchtig slechts uw weizijnen geluk beoogen, smart het hun ten hoogste, dat mijne liefde voor u het licht en de zon niet schuwt, en zich in geen dekmantel van deugd en huichelarij hult.quot;
âZie eens,quot; fluisterde de Prins zacht: âzie eens, hoe mijn schoone tijgerkat krabt, terwijl zij schijnt te streelen.quot;
âWij willen aan den vromen,deugdzamen ijver der edele Rozenkruisers toegeven,quot; voer Wilhelmine voort, en hare oogen flikkerden werkelijk even boosaardig, en met zulke groenachtige vlammen als die van een tijgerkat: âwij willen ons in een manteltje van deugd hullen, en aan Wilhelmine Enke's zijde een man plaatsen, opdat, als zij met hare kinderen gaat wandelen, de menschen toch niet meer met een blos van deugd zouden kunnen zeggen: âDaar gaat de eer-looze mamsel met hare kinderen.quot; â Ik heb dit alles in
238
deze lange, smartelijke tijden van eenzaamheid en verlatenheid zeer goed overlegd en bepeinsd, en heb besloten, mij aan de Rozenkruisers en de onzichtbare vaderen, â die zoo ijverig voor uw zieleheil en mijn goeden naam bezorgd zijn, â gewillig en deemoedig te onderwerpen.quot;
âDat heet,quot; lachte de Prins: âge hebt besloten, hun een wassen neus aan te draaien. â Uw plan is goed! Maar er zal geen man te vinden zijn, die een schijn-huwelijk met u zal willen aangaan, ... en een ander huwelijk zou ik niet dulden.quot;
âEr is reeds zulk een man gevonden,quot; fiuisterde Wilhel-mine glimlachend:âUw kamerdienaar Rietz is bereid,zulk een schijn-huwelijk met mij aan te gaan.quot;
âMijn kamerdienaar!quot;
âJa, mijn Frederik Wilhelm! Ge moet hieraan erkennen, dat ik niet eerzuchtig ben, en dit slechts geschiedt, om mij voor u te behouden, en ons geluk te verzekeren tegen de vervolgingen dezer zeloten der deugd. Zie hier dit geschrift,quot; voer zij voort, terwijl zij een papier uit den zak yan haar kleed nam, en het openvouwde: âHet is een huwelijkscontract tusschen mij en den heer Rietz. Hij verbindt zich hierbij mij zijn naam te geven, maar mij overigens als eene hem geheel vreemde vrouw te beschouwen, en nooit met mij onder èèn dak te wonen. Ik verbind mij daarentegen bij Zijne Koninklijke Hoogheid den Kroonprins te bewerken, dat de heer lïietz een jaarlijksche toelage van vierhonderd thalers erlangt; dat de edele Kroonprins, zoodra hij Koning is geworden, den kamerdienaar tot geheim kamerheer bevordert, en hem levenslang deze plaats verzekert. ^ Wilt ge deze voorwaarden aannemen, en dit papier onderteekenen ?quot;
âIk wil alles doen, mijn dierbare geliefde, wat mij uw bezit verzekert, in weerwil van den ongelukkigen eed, dien ik gedaan heb! Geef hier het papier, ik wil het onderteekenen! En wanneer is de huwelijksvoltrekking?quot;
Wilhelmine stond op, reikte den prins een in inkt gedoopte pen, en wees vervolgens glimlachend op het papier; âHet huwelijk wordt voltrokken, op hel oogenblik dat mijn dierbare heer en gebieder dit papier onderteekent.quot;
1) Historisch. Zie: F, Förster: Neueste preussische Geschichte, I, 74.
239
De prins onderteekende met een haastigen pennelrek,en wierp vervolgens de pen lachend in de kamer. âLeve Wil-helmine Rietz!quot; jubelde hij: âleve mijn dierbare vriendin die mij van meineed en zonde verlost heeft! Kom in mijne armen, Wilhelmine; zij zijn wijd geopend, om de schoonste, de schranderste, en de sluwste vrouw aan mijn hart te drukken, en er haar eeuwig te houden!quot; â â
Twee dagen later verhaalde men elkander te Berlijn, dat op een dorp, niet ver van Potsdam, een landelijk feest had plaats gehad, waarbij ook de Kroonprins tegenwoordig was geweest, en dat daar de bruiloft van mamsel Wilhelmine Enke met den kamerdienaar van den Prins, den heer Rietz, gevierd was geworden.
De beide Eerlijnsche couranten berichtten onder de huwelijksaankondigingen; âGehuwd Wilhelmine Enke, met Carl Rietzquot;
Toen Wilhelmine deze aankondiging las, klonk een luide lach van hare lippen. âO, mijnheeren Rozenkruisers,quot; riep zij, en hare oogen fonkelden van stout leedvermaak; âmijn trotsche helden der deugd! Ditmaal ben ik u te slim geweest, en zijt gij door mij overwonnen geworden. Ik zou nu wel eens al die verblufte gezichten willen zien, die heden op dit nieuwsblad staren! En hoe allen zullen lachen, schimpen en spotten! De minnares van een Prins trouwt met een bediende, een kamerdienaar! Ja, wacht maar, wacht! -â Laat mij slechts leven tot die Prins Koning is geworden, dan zal Wilhelmine Rietz uit de pop te voorschijn komen, en een prachtige vlinder zal er uitvliegen ; de vrouw van den kamerdienaar zal zich verheerlijken tot een gravin, tot een prinses! De Groot-Kophta, de JVlagus heeft hij mij immers beloofd, en hij zal woord houden! Ik draag immers zijn ring aan mijn vinger, en de brillant fonkelt en glinstert zoo fraai, â hoewel de juwelier zegt dat 't slechts een valsche diamant is, die voor den echten is verruild! üm 't even, zoo de valsche slechts evenzeer schittert als de echte. Zoo zal ook ik eens als onechte gravin fonkelen, schitteren, en den lieden de oogen verblinden. Als die tijd gekomen, â als de Kroonprins Koning geworden is, wil ik Gagliostro roepen, en hij zal mij helpen I Ik ben óók een valsche diamant, en ik wil in een grafelijken ring gezet worden! Alles op aarde is bedrog, logen en verblinding!
240
Alles woelt en dringt in wilde begeerlijkheid naar geluk, oer en roem! Ik wil óók mijn deel er van hebben. De woeling en strijd der wereld gaat ook door mijn borst. De vlammen der eerzucht gloeien in mijn ziel; de vlammen van het eeuwige] verlangen naar geluk branden in mijn hart. Gloeit en brandt, maar tot het uur der vervulling is gekomen, â tot de laaggeborene dochter van den waldhoornist een hooggeborene gravin is geworden!quot;----
XI.
DE VERVULDE WRAAK.
Sedert de eerste soirée ten huize van den rijken bankier Ebenstreit, was daar de geheele winter in vermaken en feestelijkheden doorgebracht. De positie van den baron Ebenstreit von Leuthen in de aristocratische wereld was,â dank zijne dinés, soirees, bals en feesten, â maar vooral dank zijner schoone, geestige en Irotsche echtgenoote, â gevestigd. De heer Ebenstreit von Leuthen zag al zijne eerzuchtige wenschen vervuld; want zijn huis was het middelpunt der groote wereld, en men sprak in geheel Berlijn over zijne kostbare feesten, zijne onvergelijkelijke dinés, van den vorstelijken voet, waarop hij leefde. Men bewonderde zijne paarden, zijn livreien, en de praal, waarmede zijne gemalin overal verscheen.
De bewondering vleide den ijdelen, eerzuchtigen parvenu buitengemeen, en het was de gelukkigste dag zijns levens, toen hém op zekeren dag de onuitsprekelijke eer te beurt viel, den prins Hendrik van Pruisen, â den broeder van Frederik den Groote, â in zijn huis te zien verschijnen, om een diné bij te wonen. Dezen grooten dag, op welken, zooals Ebenstreit zeide, het geld zijn hoogsten triomf op alle vooroordeelen en alle etikette vierde, waarop een koninklijke Prins den rijken nieuwgeschapen adel als zijns gelijke erkende, â dezen grooten dag had hij aan zijne echtgenoote te danken. Door hare familie en maatschappelijke betrekkingen was hem de toegang tot de hoogste aristocratische kringen mogelijk geworden; zij was zoo bekend met de
241
weeMe en de elegantie des levens, zij gold voor een toonbeeld en ideaal eener voorname dame, â en haar gemaal was hierover zeer trotsch en gelukkig. Hij prees zijne sluwe gedachte, deze schoone, schrandere en voorname vrouw cjekocht te hebben, en vond, dat hij daarmede een zeer goede zaak had gedaan, hoewel men zijn huwelijk volgens de gewone begrippen niet gelukkig, eigenlijk volstrekt geen huwelijk, noemen kon.
Terwijl de geheele wereld over de feesten, den glans en rijkdom van den baron von Ebenslreit sprak, waren er trouwens velen, die (luisterden, dat de baron deze weelde niet lang kon volhouden, maar er door ten gronde gericht zou worden. Men verhaalde elkander: â de baron had sedert zijn huwelijk groote kapitalen opgezegd ; hij leefde van zijn kapitaal, in stede van de rente, â en om dit te-kort te dekken, had het bankiershuis, 'twelk onder een andere firma, evenwel voor rekening van den baron gedreven werd, groote speculaties gewaagd, die echter mislukt waren. Het bankiershuis moest failleeren, â fluisterden de mannen van zaken; want het deed de onzinnigste en gewaagdste ondernemingen, die alle mislukten, wijl er niemand was, die den baron met zaakkennis ter zijde stond, en hem zijne verkeerde speculaties ontried. De oude boekhouder Splittgerber, die de zaak lange jaren had bestuurd, en de eigenlijke waardige vertegenwoordiger ervan was geweest, was door den baron gepensioneerd geworden, en had een eigen zaak gevestigd. Later had de tweede boekhouder het eens gewaagd, den baron te waarschuwen, en hem het gevaarlijke zijner ondernemingen voor te stellen. Maar Ebenslreit had hem hierop terstond zijn ontslag gegeven, en het geheele personeel van zijn bankiershuis bijeengeroepen, om hun mede te deelen om welke reden de tweede boekhouder ontslagen was, hen te waarschuwen en te zeggen; dat het ieder zijner kantoorbedienden zoo zou gaan, die zich mocht verstouten, de handelingen en ondernemingen van den principaal te criti-seeren, of zich zelfs te veroorloven, hem een raad te willlen opdringen.
Niemand had dan ook sedert dien dag wed ar deze vermetelheid gehad; veeleer was ieder der bedienden ijverig in de weer, om van de verwarring der zaken, die met eiken dag toenam, zooveel mogelijk voordeel te trekken, en van
Mühlbaoh, Buitschland in woeling en strijd. II. 16
242
het ineenstortend huis nog eenige brokken op te vangen.
Maar de baron liet in zijn verblinding en trotsche zorgeloosheid, de dingen met glimlachende onverschilligheid loopen zooals zij wilden; waagde zich tot steeds gevaarlijker speculatiën en gaf, als zij mislukten, groote feesten, om onder den glans van den baron, den tegenspoed des bankiers te verbergen.
Marie scheen van al deze dingen niets te vermoeden; zij schenen haar volstrekt niet te raken. Zij loefde op den voet eener groote dame; gaf schitterende feesten, verspilde ontzettende sommen voor haar toilet en voor hare sieraden; liet elke maand de kostbare livreien harer talrijke dienstboden vernieuwen, de inrichting harer zalen veranderen, en schonk met edelmoedige mildheid de meubels, kleederen en versierselen, die haar niet meer bevielen, aan hare lieve, voorname vriendinnen. Deze beijverden zich, zulke geschenken aan te nemen, en vloeiden over van dankbaarheid en liefdebetuigingen, terwijl zij heimelijk verstoord waren, wegens de aanmatiging der hoogmoedige vrouw, die zich veroorloofde, haar afgelegde zaken te schenken.
Maar zij namen ze toch met blijdschap aan; zij verschenen immer weder in de schitterende zalen, en duldden den overmoed en de trotsche minachting, waarmede de barones hen bejegende, en noemden luid degene haar dierbare vriendin, welke zij heimelijk haatten en benijdden.
Wist Marie dit, of liet zij zich misleiden door zulke vriendschapsbetuigingen ?âSom wij len, als hare vriendinnen haar omhelsden en kusten, vloog een flauwe glimlach over haar trotsch gelaat. Eens, toen zij voor den aanvang der soiree door de verlichte, prachtige zalen ging, bleef zij staan voor een kostbaren Venetiaansche spiegel, die haar 't beeld der schoone, van juweelen schitterende vrouw, in het zilver geborduurde kleed weerkaatste, â aanschouwde deze vrouw met een uitdrukking van hoon en spotternij, en fluisterde haar toe: âDuld slechts verder! Ge zult spoedig verlost zijn! Deze ellendige tooi zal spoedig van u vallen ! Wees slechts standvastig! Ik hoor reeds het kraken van 't gebouw, en 'tzal spoedig in puin boven ons ineenstorten!quot;
Maar ook anderen hoorden het kraken van dit gebouw, en op een dag, â toen men juist ten huize van den baron de toebereidselen voor een groot diné maakte, waarmede
243
de baron en de barones von Ebenstreit het seizoen wilden besluiten, â kwam de voormalige eerste boekhouder des barons in het paleis, en verlangde met bekommerd en angstig gelaat, Ebenstreit te spreken.
De baron bevond zich juist met zijn echtgenoot in de groote receptiezaal, welke de décorateur voor het feest van heden op bevel der barones prachtig met bloemen en festoenen, zuilen en beelden had versierd. Ebenstreit beschouwde bewonderend de smaakvolle, heerlijke inrichting, toen de binnentredende lakei den voormaligen boekhouder, thans bankier Splittgerber, aandiende.
âLaat hem terugkomen,quot; zei Ebenstreit ongeduldig. âIk ben thans bezig. Ik âquot;
âVergeving, heer baron,quot; klonk een ernstige, zachte stem achter hem; âvergeving, dat ik uwen lakei gevolgd, â en zonder verlof hier binnen gekomen ben. Maar het is volstrekt noodzakelijk. Ik moet u spreken, en wel onmiddellijk!quot;
âNu, maak het dan tenminste kort,quot; riep Ebenstreit verdrietig; âge ziet, mijn echtgenoot is hier, en wij zijn bezig met schikkingen te maken voor het feest van heden.quot;
De heer Splittgerber antwoordde niet terstond, maar sloeg een zonderling treurigen, onderzoekenden blik door de feestelijk versierde zaal, en op de beide lakeien in rijk met goud bezette livrei, die in de breede vleugeldeuren stonden.
âLaat deze menschen zich verwijderen, en beveel hen de deuren te sluiten,quot; zeide hij vervolgens schier gebiedend, en Ebenstreit, â onwillekeurig beheerscht door zijn plech-tigen ernst, voldeed aan zijn begeerte.
âZult ge nu ook bevelen, dat ik heenga, mijnheer?quot; vroeg Marie op haar fiere, kalme wijze; âGij behoeft het mijnheer den baron slechts te zeggen, en hij zal u gewis gehoorzamen.quot;
âIk bid u, blijf, mevrouw de barones,quot; zei Splittgerber bedaard ; âwant wat ik te zeggen heb, gaat mevrouw de barones evenzeer aan, als den heer baron.quot;
,,Nu dan, ik bid u, zeg het spoedig,quot; riep Ebenstreit ongeduldig; âik herhaal u, wij zijn met gewichtige toebereidselen voor ons feest van heden bezig.quot;
âGij zultheden geen feestgeven !quot; zei Splittgerber plechtig. Ebenstreit richtte zich op, en staarde den ouden man
244
die hem met treurigen blik beschouwde, verschrikt in het gelaat. Maar de barones brak in een luid, spotachtig lachen uit.
âMijn waarde heer,quot; riep zij : âuw toon en houding herinneren mij aan de schrikkelijken momenten in de sprookjes, wanneer de kwade geest komt om de verkochte ziel op te oischen, en het geheele tooverkasteel -in puin valt.quot;
âUwe vergelijking is, helaas,gepast, mevrouwdebarones,quot; zuchtte de oude man: âHeer 'baron, ik ben tot u gekomen wijl ik uwen vader bemind, â uw huis dertig jaren gediend, en in uw dienst een klein vermogen verzameld heb, waarmede ik mijn eigen zaak heb opgericht. Gij hebt buitendien, toen ge mij plotseling uit uwen'dienst onlsloegt, mij niet alleen mijn volle tractement als pensioen laten behouden, maar ge deedt nog meer; ge hebt dit pensioen door een aanzienlijke som gekapitaliseerd, en ik werd nu op deze wijze een vermogend man.quot;
âGe behoeft hiervoor slechts miine echtgenoote dankbaar te zijn,quot; zeide Ebenstreit: âzij eischte van mij, dat ik u bij uw ontslag, met de nobele onbekrompenheid van oen echten edelman schadeloos zou stellen.quot;
âGe vergeet echter te zeggen, dat ik het ook was, die het ontslag van dezen heer eischte,quot; merkte Marie koel op.
âAch, had ge dit niet gedaan, mevrouw de barones,quot; riep Splittgerber: âHadt ge den ouden, trouwen boekhouder aan de zijde uws echtgenools gelaten! Veel kwaad had hij wellicht kunnen verhinderen, en menigen goeden raad hebben gegeven.quot;
âJuist dit was de reden waarom ik uw ontslag begeerde,quot; antwoordde Marie, en een zonderlinge, triomfantelijke glimlach gleed over haar aangezicht: âGij veroorloofdot u raad te geven. Ik vond dit onbetamelijk, en daarom drong ik op uw ontslag aan.quot;
âEn ik herhaal: hadt gij het toch mei gedaan!quot; zuchtte Splittgerber: âIk had misschien het verderf kunnen afwenden, dat thans onvermijdelijk over u beiden losbreekt. Ik kom om u te waarschuwen; om u te bezweren, u te redden en te vluchten, terwijl het nog tijd is!quot;
âMijn God, wat is er dan gebeurd?quot; vroeg Ebenstreit vol ontzetting.
âEr is gebeurd,quot; zei Splittgerber: âdat hel bankierhuis
245
Ebenstreit firma Ludwig, zich sedert vier maanden met het bankiershuis Ehlert te Amsterdam geassocieerd heeft, â schepen gekocht en geladen, en een overzeesch handelshuis te Calcutta, zooals zij 't noemden, gevestigd heeft. De heer bankier Ebenstreit heeft de laatste overblijfsels zijns vermogens bijeen geraapt, en ze in deze onderneming gestoken, om 't geen hij door speculaties had verloren, door deze enkele groote speculatie te herwinnen. Hij heeft buitendien voor tachtigduizend thaler wissels, welke het Amsterdam-sche huis heeft uitgegeven, geëndoseerd, zoodat, indien deze wissels daar geprotesteerd worden, mijnheer Ebenstreit deze sommen moet betalen.
âNu, en verder?quot; vroeg Ebenstreit beklemd.
âHet bankiershuis Ehlert te Amsterdam is gefailleerd; de chef is met de kas op de vlucht, de tachtigduizend thaler wissels zijn gisteren, eergisteren on heden geprotesteerd te Berlijn teruggekomen, en gij, mijnheer de baron, zult ze nog heden moeten betalen, ot u bankroet verklaren, en naar de gijzeling gaan!quot;
Tegel ijker tijk klonken een doffe kreet en een luide lach. Ebenstreit zonk op een stoel neder, en verborg het bleek gelaat in zijne handen; Marie stond hoog opgericht nevens hem, en haar gelaat straalde van vreugde.
âIk beu verloren,quot; kermde Ebenstreit: âik bezit niet het achtste gedeelte dezer som; ik kan niet betalen. Ik moet een schandelijk bankroet maken, want mij rest geen middel meer, om het te verhoeden.quot;
âNeen,quot; herhaalde Marie met trotsche kalmte: âhem rest geen middel meer, om heit te verhoeden. Men zal hem als bankroetier naar de gevangenis voeren. De rijke bankier Ebenstreit zal uit dit huis, dat het zijne niet meer is, naar de gijzeling gaan als een arm man, een bedelaar â neen, erger dan een bedelaar, als een bedrieger!quot;
âAch, ge zijt wreed,quot; kermde Ebenstreit.
âGij zegt, mevrouw de barones, dat dit huis het zijne niet meer is?quot; vroeg Splittgerber verschrikt.
âNeen,quot; riep zij op zegenvierenden toon: âhet behoort mij. Dit huis, met alles wat er in is, behoort mij. Deze schilderijen, deze beelden, alles is het mijne, en ik heb ook nog juweelen en paarlen, goud, en zilverwerk. O, ik ben nog altoos een rijke vrouw!quot;
246
âEn gij meent het te blijven, als uw echtgenoot bankroet is?quot;'vroeg Splittgerber; âGij leeft dus niet in gemeenschap aan goederen?''
âNeen, Goddank; wij leven niet in gemeenschap van goederen!'' riep Ebenstreit verheugd: âDezegemeenschap is op mijn wensch sinds een jaar opgeheven. Ik heb alvorens de opheffing der gemeenschap gerechtelijk aan te kondigen, een gerechtelijke overschrijving en schenking van dit huis met zijn geheelen inventaris laten opmaken, en mevrouw de barones von Ebenstreit is de wettig erkende bezitster van dit huis en den geheelen inventaris. 0, ge ziet wel, mijnheer, dat ik niet zoo geheel onverstandig was, als gij meent. Ik heb ten minste mijne echtgenoote verzekerd; zij zal altijd nog een rijke vrouw zijn, schoon ook mijn bankiershuis failleert, en zij zal mij geen honger laten lijden. Ik zal met mijne crediteuren accordeeren, zij zullen wellicht tien procent krijgen; maar mijne echtgenoote zal rijk zijn, en dit is genoeg voor ons beiden.quot;
âDat heet,quot; zei Splittgerber koel: âgij zult een bedriege-lijk bankroet maken! Gij hebt voor uwe echtgenoote een vermogen gered, en de gemeenschap van goederen opgeheven, om u zelve voor de kwade gevolgen van uw bankroet te redden. Uwe crediteuren zullen het tiende gedeelte van hun kapitaal terugontvangen, maar gij zult, â wanneer mevrouw uwe echtgenoote haar huis, hare kunstschatten, hare juweelen, haar goud en zilver en hare équipages verkoopt, â nog altoos een zeer rijk man blijven.quot;
âJa, een zeer rijk man,quot; zei Marie; âik heb in de laatste weken al mijne bezittingen door gerechtelijke schatters laten waardeeren, en een staat mijner bezittingen laten opmaken. Uit dezen staat blijkt, dat ik, zoo ik mijne bezittingen verkoop, hiervoor ten minste driemaal honderdduizend thaler zal ontvangen.quot;
âO,quot; riep Splittgerber; âzoo dit alles nog den baron behoorde, zouden zijne crediteuren volkomen bevredigd, â de wissels betaald kunnen worden, en u bleef dan altoos nog een klein kapitaal over, om, fatsoenlijk en eerlijk te kunnen leven. â Maar 'tis u zeker niet genoeg fatsoenlijk en eerlijk te leven, â gij wilt schitterend leven, en neemt het hierbij met de eerlijkheid zoo nauw niet. Mevrouw de barones zal hare kostbare bezittingen verkoopen, en dan
247
zullen mijnheer en mevrouw waarschijnlijk naar Parijs gaan, om er in glans en vreugde voort te leven, terwijl hier uwe bedrogen schuldeischers, door uw toedoen misschien in armoede en ellende omkomen. Heer baron, ik zie nu, dat uwe echtgenoote volkomen gelijk had, op mijn ontslag aan te dringen. Ik zou u inderdaad slechten laad gegeven hebben. Ik had u geraden een eerlijk man te blijven ; alles te verkoopen en uwe schuldeischers tevreden te stellen, teneinde eenmaal met een goed geweten te kunnen sterven. Gij verkiest liever een schitterend leven te leiden, en uw geweten in slaap te jnbelen, tot God het zal opschrikken tot een vreeselijke ontwaking. Nu, ieder naar zijn wijze! Ik kwam hier om u mijne hulp aan te bieden. Ik had gedacht: ge zoudt met uwe bezittingen uwe schulden dekken ; er bleef u dan niet genoeg om te leven, en het zou dan uwen voormaligen boekhouder vergund zijn, u zijn trouw te bewijzen, en â Ik was echter een dwaas, dat zie ik nu! Gij, schrandere lieden, behoeft mijne hulp niet. Maar een goeden raad wil ik u tóch tot afscheid geven! Laat uw diné ten minste voor heden afzeggen, want het zou toch een onaangenaam opzien baren. Om vier uur worden de wissels gepresenteerd, en de houders zullen er zich niet mede tevreden willen stellen, dat mijnheer de baron ze niet betalen kan, wijl hij gezelschap heeft. Zij zullen op dadelijke betaling of gevangenneming aandringen, en dus tegelijk eenige gerechtsdienaren medebrengen. Ik weet dit van uwen grootsten schuldeischer, en toen hij het mij verhaalde, verzocht ik hem toegevendheid jegens u te gebruiken. Nu zal ik hem zeggen, dat hij gelijk heeft, en geen toegevendheid moet gebruiken, wijl gij geen toegevendheid verdient! Vaarwel!quot;
Hij keerde zich met een koele hoofdbuiging dreigend om, en ging door de zaal.
âLaat ge hem heengaan?quot; vroeg Marie haastig: âHebt ge hem niets te zeggen?quot;
âNeen, volstrekt niets,'' antwoordde hij de schouders ophalende: âWat zou ik hem zeggen?quot;
âNu, dan heb ik hem iets te zeggen.'' â En met luide stem riep Marie: âMijnheer Splittgerber! Nog een woord!quot;
Hij bleef naast de geopende deur staan, en wendde zijn
248
somber gelaat naar baar om; âNu, wat is er, madame? Wat wilt ge nog van mij?quot;
âIk heb u nog iets te zeggen,quot; zeide zij ernstig, en met trotscbe kalme houding begaf zij zich door de zaal, naar den heer Spliltgerber. Hij zag met strengen, verachtenden blik op haar neder, maar zij beantwoordde dezen blik met een zachte, vriendelijke uitdrukking, en een zachte glimlach speelde om hare lippen.
Nu stond zij dicht naast den ouden man, die haar trotsch en dreigend opgewacht had, en deze van juweelen schitterende dame, â in het fonkelende, met goud geborduurde satijnen gewaad, geen schrede was tegemoet gegaan. Zij boog zich tot hem, en lluisterde hem eenige woorden in het oor. Hij ontroerde, en staarde verwonderd en vragend in haar gelaat. Zij knikte hem glimlachend toe, boog zich weder tot zijn oor, en lluisterde nogmaals eenige woorden.
De oude boekhouderscheen nu plotseling als herschapen. Zijn somber gelaat verhelderde zich; zijn blik, die eerst zoo tartend was geweest, had nu een bewogen uitdrukking; hij boog diep voor de barones, en toen zij hem nu tot afscheid hare hand reikte, drukte hij er in eerbiedige houding zijne lippen op.
âGe zult dus binnen een uur wederkomen? 'vroeg Marie.
âJa, mevrouw de barones; binnen een uur,quot; antwoordde hij eerbiedig; ,,Ik zal met de bewuste personen komen.quot;
âIk dank u, mijnheer! Tot wederziens dus!quot;
Splittgerber ging heen, en Marie wendde zich nu weder tot Ebenstreit, die verbaasd, half luide woorden prevelende, naar haar zacht geheimzinnig onderhoud met den boekhouder geluisterd had.
âEn nu met u, mijnheer,''zeide zij, en haar stem, en haar geheele wezen hadden nu iets plechtigs, indrukwekkends: âHet uur der afrekening is thans voor ons beiden gekomen ; het uur, waarop ik jaren lang gehoopt had; 't welk ik gekocht heb met vier jaren van foltering, van zelfverachting en vei'-twijfeling. Het spel loopt nu ten einde, mijnheer; ik wil mijne vrijheid van u koopen. Luister, ik wil eindelijk deze slavenketen breken, â ik wil vrij zijn!quot;
âMijn God, Marie,quot; stamelde hij, verschrikt terugwijkende: âmet welken blik van haat ziet ge mij aan?quot;
âVerwondert u dat?quot; vrceg zij : âHeb ik u ooit dezen haat
249
verborgen? Heb ik u ooit doen gelooven, dat tusschen mij en u eene verzoening mogelijk was?quot;
âNeen, waarlijk, dat hebt ge nietgedaan. â Maar nu zult ge mij alles vergeven, want ge ziet immeis hoe ik u bemin, hoe ik slechts aan uwe toekomst gedacht heb. Jk zal een arm man worden : gij echter, Marie, zult rijk zijn en blijven!quot;
Zij zag op hem neèr met eene uitdrukking van onuitsprekelijke verachting. â âGe zijt nóg slechter en erbarmelijker, dan ik dacht,quot; zeide zij : âGe hebt geen toegevendheid, geen ontferming verdiend ; want ge zijt oen eerloo-ze bankroetier, die er zich niet om bekommert dat anderen door hem in armoede en ellende komen, mils hij slechts zijn toekomst verzekerd hebbe. Ik echter, wil het niet dulden, dat de naam, dien ik tegen mijn wil en tot mijn ongeluk draag, dat deze naam geschandvlekt, â en aan den hoon en spot der wereld prijs gegeven worde. Ik wil u dwingen een eerlijk man te blijven, en eerliik jegens uwe schuideischers te zijn. Hoor wat ik u voorstel : Ik heb geld, ik ben rijk, en ik zou in slaat zijn al de wissels, welke men u heden zal presenteeren, te betalen, zoo ge hiervoor ééne voorwaarde wilt vervullen.quot;
âO, Marie, ge zijt een engel!'' riep Ebenstreit, op haar toeijlende en voor haar nederknielende: âIk wil alles v/al gij wilt; ik neem elke voorwaarde aan, welke ge mij stellen kunt.''
âZweer het mij,'' zeide zij koel.
âIk zweer het, ik neem uw voorwaarde aan.quot;
,,Welaan! Sta op, en ga naar gindsche vensternis. Wat vindt ge daar?quot;
âIk vind daar achter de bloempotten verscholen, niets dan schrijfgereedschap.quot;
âBreng het hier, en zet het op de latei.quot;
Hij gehoorzaamde haar bevel, en zette het schrijftuig op de groote, met florenlijnsch mozaïk ingelegd, marmeren tafel, waarnevens Marie stond.
Zij haalde uit den zak van haar kleed een opgerold papier, dat zij uiteensloeg en op de tafel legde.
âOnderteeken dit papier,quot; beval zij gebiedend: âOnder-teeken het met uwen volledigen naam, en voeg er bij: âMet volkomene overeenstemming.quot;
250
âMaar ge zult mij toch vooraf zeggen wat dit papier behelst, en wat ik onderteekenen moet?quot;
âGe hebt gezworen te onderteekenen,quot; zeide zij: âen ik zweer u nu, dat ik, â zoo ge aan deze voorwaarde niet voldoet, â de wissels niet betaal, het rustig zal aanzien, dat men u naar de gijzeling voert, en u nooit, versta mij goed, nooit er uit bevrijden zal. Kies nu, mijnheer ! Wilt ge dit papier onderteekenen, of wilt ge levenslang gevangen blijven? Want, ik zeg het u vooraf: ik zal alles doen wat ik kan, opdat uwe schuldeiscbers u niet in vrijheid stellen ! Ik zal denken dat Gods gerechtigheid u inde gevangenis heeft gebracht, en het ontfermend medelijden der menscben u er niet uit bevrijden mag. Kies nu; wilt ge onderteekenen, of als een eerloos bankroetier naar de gevangenis gaan?quot;
âIk wil onderteekenen,quot; zeide hij zuchtend, nam haastig de pen, en schreef zijn naam onder het papier. Daarop reikte hij bet haar toe.
Marie sloeg er een vluchtigen koelen blik op. â âGij hebt vergeten er bij te voegen. âMet volkomen overeenstemming. Vul dit aan.quot;
Zij liet het papier als een verwelkt blad op de tafel ne-dervallen, en zag met een vlaramenden blik op hem neder, terwijl hij schreef. Hij ontmoette dezen blik, toen hij haar nu weder het papier reikte.
âAch,quot; zuchtte hij; welk een blik was dat! Ik lees in uwe oogen hoezeer ge mij haat.quot;
âJa,quot; zeide zij op kalmen toon; âik haat u. Maar dit is niet alles! Ik veracht u! â Stil, antwoord niet. Ge wist dit lang; ge wist het vóór ik gedwongen werd met u naar het trouwaltaar te gaan. Ik heb 't u toen gezegd, maar ge hebt mij uitgelachen. Ik heb u er voor gewaarschuwd met mij te huwen, maar gij bad den vermetelen moed, met mijn smart te spotten, en mij te troosten met den rijkdom, dien ge mij aanboodt. Het zaad van den haat, door u toen gezaaid, is opgeschoten, en ge zult heden de vruchten ervan oogsten! Ge zult heden leeren erkennen, dat het geld een ellendige vodderij is, â zelfs niet in staat, u de deelneming van hén te verwerven die zich uwe vrienden noemden, zoolang gij rijk waart, doch die zich honend van u en van mij zouden afwenden, zoo wij hen om bijstand, hulp of medelijden verzochten.quot;
251
âIk geloof, mijn waardste,'' zeide hij vleiend; âdat gij hierin te ver gaat. Gij hebt onder de dames zooveel teedere vriendinnen, â en ik mag zeggen, dat ik onder de voorname heeren, die ons huis bezoeken, zoo vele edele en beminnenswaardige mannen gevonden heb, die mij met warme vriendschap tegemoet kwamen âquot;
âWijl zij van den rijken man geld wilden leenen,quot; viel zij hem in de rede.
âHet spreekt van zelf, dat mijn kas steeds voor mijne dierbare vrienden open was, en ik het mij tot eer rekende, hun mijne vriendschap ook door daden te bewijzen.quot;
âGij zult heden zien, met welke daden uwe vrienden u hiervoor hunne dankbaarheid bewijzen! â Luister! De klok slaat hel uur, waarop wij uwe goede vrienden genoodigd hebben, en de rijtuigen komen reeds aanrollen. Ga uwe gasten ontvangen.''
Zij wees met een gebiedende handbeweging naar de deur, Nen Ebenstreit haastte zich aan haar bevel te voldoen, en zich naar de eerste receptiezaal te begeven.
Juist toen hij over den drempel trad, verscheen de deurwachter, en diende met luide stem aan: âDe heer professor Gedicke!quot;
Ebenstreit groette hem vluchtig in 't voorbijgaan; de oude man begaf zich tot de barones, die hem levendig tegemoet trad.
âGe hebt mij geschreven, mevrouw de barones,quot; zeide hij zacht; âen mij verzocht, heden op een soiróe bij u te ver-schijnen. en ik ben gekomen. Maar ge ziet wel: mijn levendige wensch om u weder te zien, is o rzaak dat ik te vroeg ben gekomen; want, naar ik zie, is nog niemand hier.quot;
âIk heb u een kwartier vroeger genoodigd,quot; antwoordde zij: âIk wilde gaarne een paar minuten met u alleen zijn.''
âIk dacht het, en daarom haastte ik mij te verschijnen.quot;
âMijn oude Trui is voor eenige dagen geleden bij u geweest, heer professor?quot; vroeg zij bedeesd.
,Ja, mevrouw de barones, en ge begrijpt, dat haar bezoek mij zeer verrast en getroffen heeft. Ik geloofde, dat gij mij vegeten hadt; dat geheel het verleden in uw geheugen was uitgewischt, en nu kwam plotseling uw boodschap, en daaruit vernam ik, dat uw edel en trouw hart geen vergeten kent. Ik weet wel, ik moest dit beklagen; want zoo gij niet vergeet, hebt ge geleden, en evenwel heb ik
252
mij verheugd, en heeft het mij goed gedaan, den smarlelijken groet uwer herinnering te ontvangen.''
âIk bid u,quot; zeide zij met bevende stem; ,,spreek niet zoo vaderlijk tot mij. Het maakt mij week, en ik moetal mijn kracht behouden. â Zeg mij dit slechts: Mijn goede Trui heeft u mijn wensch medegedeeld. Is 't u mogelijk geweest, dien te vervullen?quot;
âUw brave, oude vriendin heeft mij duizend thaler gebracht. Zij heeft mij namens u verzocht, dit geld op een of andere wijze aan professor Morilz te doen toekomen, teneinde daarvoor een reis naar Italië te doen.quot;
âHebt ge het kunnen volbrengen, en het zóódanig kunnen inrichten dat hij niet vermoedt, van wie dit geld komt? Want bij zou het niet aannemen, zoo hij de onzuivere bron kende, waaruit het vloeit. En luister: ik heb hem somwijlen heimelijk, â- als hij het niet vermoedde, â gezien ; ik heb soms in het huis, waar hij woont, op't uur dat hij van het gymnasium kwam, achter een trap verborgen geslaan, om hem te zien. En ik heb opgemerkt, dat hij steeds bleeker was geworden, zijn gang steeds zwaarder en matter werd.quot;
â't Is waar; sinds gij weder hier zijt, heeft er een verandering met hem plaatsgehad. De vorige zwaarmoedigheid schijnt hem weder te bevangen.quot;
âDaarom moet hij van hier, om zich te verstrooien en mij te vergeten. Een reis naar Italië was reeds vroeger zijn wensch, zij zal hem nu genezing brengen. Zeg mij daarom : Is het u gelukt, hem het armzalig reisgeld te ge ven?quot;
âJa, mevrouw de barones, het is mij gelukt,quot; antwoordde de grijsaard: âIk heb mij tot een boekhandelaar gewend, tot wien Moritz in betrekking staat. Ik heb hem gezegd, dat een vriend, die niet genoemd wenscht te zijn, aan professor Moritz gaarne de middelen voor een reis naar Italië wilde geven, die voor zijne gezondheid noodig was, maar dat Moritz veel te trotsch is, om dit middel als een geschenk, â van wien 't ook zij, â aan te nemen. Daarentegen zou hij van den boekhandelaar wél dat geld nemen, zoo deze hem het voorstel deed, ervoor naar Italië te reizen, om voor hem een werk over Italië, en voornamelijk over Rome's kunstschatten te schrijven.quot;
253
âO, dat was een voortreffelijke gedachte,quot; riep Marie âen is dit geschied?quot;
âJa; de boekhandelaar Maurer heeft professor Moritz uit-genoodigd, voor hem een werk over Italië te schrijven; en toen deze zuchtend zeide, dat hom de middelen tot zulk een reis ontbraken, heeft de heer Maurer* hem voor dit werk, de helft van het honorarium, vooraf met duizend thaler betaald, en dientengevolge zal iVEoritz zijn reis naar Italië morgen aanvangen.quot; 1)
âIk dank u,quot; riep zij verheugd: âMoritz is gered! Hij zal genezen! Hij zal al zijn kommer in Italië vergeten en overwinnen.quot;
âGelooft ge dat werkelijk?quot; vroeg de lieerGedicke: âZijt ge óók niet in Italië geweest?quot;
âJa; ik ben er twee jaren geweest. Maar met mij is 't iets anders. Men kan niet vergelen, als men elk uur de keten zijner ellendige slavernij hoort ramrnolen.quot;
âIk zie het, mijn arm kind; gij hebt nic/vergeten. Wij zien elkander heden sinds uwen huwelij ksdag voor het eerst weder, en ik lees met smart, de geschiedenis der verloopen jaren op uw aangezicht.quot;
âZie mij aan, mijn vriend,quot; zeide zij : ,,zie wat deze jaren van mij gemaakt hebben! Een ellendige vrouw, die de wereld veracht, en voor zichzelve huivert. Ik ben in mijzelve veranderd geworden, en mijn hart was tot steen verhard. Maar nu ik u aanschouw, komt de herinnering aan het vreeselijk uur van mijn huwelijk weder in mij op, en doet de tranen mijner smart in mij na oogen komen. O, mijn vriend, mijn vader, destijds legdet ge uwe handen op mijn hoofd, en zegendet mij! Doe liet in dit uur weder. Want weder sta ik voor een groote beslissing, en ik heb den zegen eener edele ziel noodig!quot;
âIk weet niet, mijn kind, wat dit uur u brengen zal; maar ik leg mijn hand op uw hoofd, en hid tot God, dat Hij u moge zegenen, en met Zijne genade verzeilen!quot; â
âMevrouw de gravin von Moltke en mevrouw von Morien !quot; riep de binnentredende deurwachter, en deze dames ruisch-
1
Het werk, dat Moritz na zijne terugkomst uitgaf, en dat nog tegenwoordig de hoogste belangstelling wekt, draagt den titel: Reiseneines Dent-schen in Italië. In den jahren 1786 bis 1788. In bri efen von Carl Fhilipp Moritz. Drei Biinde. Berlin 1793. Bei Friedrich .Manner.
254
ten in schitterend toilet binnen, en ijlden op de barones toe, wier gelaat nu weder koel en kalm was, als altoos, en die op hare gewone, trotsche wijze, hare gasten ontving.
âHoe wonderschoon ziet ge er heden weder uit!quot; riep gravin Moltke, haar teeder omhelzende: âO, gij komt mij altoos voor, als de godin der schoonheid en des rijkdoms, die met verkwistende edelmoedigheid overal hare gaven uitstrooit, en door wier aanraking alles in goud verandert!quot;
âWier hart echter goed en zacht is gebleven,quot; voegde mevrouw von Morien er bij; âJa, ge zijt een godin, die altoos vreugde bereidt, altoos anderen gelukkig maakt! Zie slechts, ik draag heden den wonderschoonen bracelet, dien ik onlangs aan u bewonderde, en dien ge mij met overdadige grootmoedigheid terstond ten geschenke gaaft.quot;
âEn ik, ma toule belle,quot; riep de gravin; âik heb mij heden getooid in het heerlijke goudlaken, 't welk gij met zulk een verplichtende goedheid, onlangs voor mij uit Parijs hebt laten komen.quot;
âGij vergeet, mevrouw de gravin, dat ge mij verzocht, deze bezorging voor u op mij te nemen.quot;
âO, inderdaad, dat is waar! Dientengevolge ben ik uwe schuldenares.quot;
âIndien gij te trotsch zijt, mevrouw de gravin, een geschenk van mij aan te nemen.quot;
âO, gewis niet. Integendeel, ik dank ü mijn dierbare. Zeg het zelve, lieve Morien: is deze vrouw niet een engel?quot;
Op dit oogenblik drong de Fransche gezant, markies de Trèves, door den kring der steeds vermeerderende gasten, en naderde de barones, die hem levendig tegemoet trad, en zich met hem in een vensternis terugtrok.
âWelkom, heer markies,quot; zeide zij zacht en haastig: âBrengt'ge mij het beloofde?quot;'
âJa, mevrouw, ik breng het,quot; antwoordde de gezant, een diepe buiging makende:,,ziehier,'' voer hij voort, terwijl hij een verzegeld pakje uit zijn borstzak haalde, en het de barones overreikte: âMaar ik maak er u nogmaals opmerkzaam op, mevrouw, dat gij zelve dezen koopprijs hebt bepaald, en er bij gebleven zijt, hoewel ik van meening ben dat bij te laag is.''
âO neen; ik heb hem bepaald naar de berekening der
255
schatters, en de som is voldoende voor 't geen ik noodig heb. Het zijn honderdduizend thaler?quot;
âJa, mevrouw de barones; honderdduizend thaler in wissels op de kas van het Fransche gezantschap, die ieder uur bereid is tot betaling.quot;
âIk dank u, mijnheer; en daar wij elkander thans wellicht voor de laatste maal zien, verzoek ik u tevens mijn dank aan te nemen, voor al de vriendelijkheid en welwillendheid, welke gij mij bewezen hebt, en waaraan ik steeds met genoegen zal denken.quot;
âMijn hemel, mevrouw de barones; gij spreekt, alsot ge ons en den kring, â welks ster gij zijt, â wilt laten !quot;
âDie kring zal mij verlaten,quot; zeide zij met een zonderlingen glimlach: âeer een half uur verstreken is, zal van al deze goede vrienden en vriendinnen, geen enkele meer hier teruggebleven zijn. Ha, daar komt beslissing! Zie ginds, heer markies.quot;
De heer bankier, Splittgerber!quot; riep op dit oogenblik de deurwachter, en de oude man trad binnen, gevolgd door twee lieden van weinig voornaam voorkomen, en in een costuum, dat weinig bij de prachtige feestzaal paste.
âDe bankier Splittgerber sloeg intusschen op de spottende lachjes, het fluisteren en sissen van het gezelschap geen acht. Hij drong zich met zijne begeleiders door het edel gezelschap voorwaarts, en wees nu op Ebenstreit, die zich door een instinctmatig gevoel gedreven, naast Marie had geplaatst.
âDeze beer,quot; sprak Splittgerber met luide stem: âis mijnheer de baron Ebenstreit von Leuthen, eigenaar van het bankiershuis onder de firma Ludwig!quot;
De beide heeren naderden hem. â âMen heeft ons in uw kantoor hierheen verwezen,quot; zei een hunner.
âMaar mij dunkt, dat deze plaats niet tot zaken geschikt is,quot; riep Ebenstreit verstoord: âVolgt mij, mijneheeren!quot;
âNeen, heeren,quot; gebood Marie: âblijft! ünze waarde, hier aanwezige gasten zijn zulke hartelijke, teedere vrienden van ons, dat wij de kleine verlegenheid, waarin wij ons bevinden, voor hen niet behoeven te verbergen. Integendeel; zij zullen ons helpen, die te overwinnen! De zaak is deze, mijn dierbare vrienden: Deze heeren komen, om van mijn echtgenoot de betaling van eenige wissels, ten
250
bedrage van tachtigduizend thalei', te vorderen. De heer von Ebenstreit is oogenblikkelijk niet in 't bezit dezer som ; maar ik ben overtuigd, dat onze waarde vrienden hem zullen helpen, en zich over deze gelegenheid verheugen, om hem de vriendschap te kunnen bewijzen, welker verzekering hem zoo dikwijls gelukkig heeft gemaakt! Mijnheer von Ebenstreit, neêm hier mijn portefeuille, er steekt een potlood in! Ga er mede rond bij onze lieve, waarde gasten. Doe een collecte. Iedereen moge teekenen hoeveel hij geven wil, en wij zullen spoedig de som van onze dierbare vrienden ontvangen hebben.quot;
Ebenstreit nam de portefeuille, en naderde den baron von Frankenstein. âHeer baron,quot; zeide hij ; âvergeef mij, zoo ik u heden aan de betaling der vier paarden herinner, welke ik u drie maanden geleden voor duizend Louisd'or verkocht heb.quot;
âMijn waarde heer,quot; riep de baron lachend; âdit is een zonderlinge manier, om zijne schuldvorderingen te incassee-ren. Men noodigt ons op een feest, en zet ons eenigermate het pistool op 'de borst, opdat wij uwe; schulden zouden betalen!quot;
â'tls zonderling! 'tls bespottelijk!quot; hoorde men hier en daar uit het gewoel der gasten, die als bij afspraak naar de deur drongen. Maar de deur was thans gesloten, niemand kon er uit.
Blijft!quot; riep Marie nu met trotsche stem: âblijft allen! Ik wenscb, dat dit geheele achtenswaardig gezelschap getuige zij van 'tgeen hier geschiedt. Het zijn dezelfde gasten, die voor een jaar bij do inwijding dezer vertrekken tegenwoordig â en getuigen waren van het tooneel, dat mij de edelstequot; en beste man verwenschte, en mij zijn vloek naar het hoofd slingerde. Thans is het uur der rechtvaardiging gekomen, en gij zult it/ederom getuigen zijn. Mijnheer bankier Splittgerber, neem dit. Ge zult in dit papier wissels vinden, ten beirage van honderdduizend thaler. Betaalde wissels dezer heeren, voldoe met het overige, de andere schulden van den baron, zoover het strekt. Ga!'
âEn nu,'' vervolgde Marie, toen Splittgerber met de beide
mannen door een zijdeur de zaal verlaten hadden; ânu mijn
waarde gasten, wil ik u eene verklaring geven. De baron Ebenstreit von Leuthen is geruinoerd. Hij heeft van dit
257
uur af niets meer, wat hij het zijne kan noemen. Hij is arm! Hij is een bedelaar, zoo hij niet werken wil!quot;
âMarie,quot; riep Ebenstreit verschrikt, terwijl hij op haar toesnelde en haar arm greep, âMarie â quot;
Zij stiet met een heftige beweging zijn hand weg. âRaak mij niet aan, mijnheer; want ik gruw van u! Waag het niet, mij vertrouwelijk bij mijn naam te noemen, want ge weet wel, dat ik u nooit het recht van gemeenzaamheid gegeven heb. Gij zelf hebt mij gezegd, dat onze verbintenis geen eigenlijk huwelijk,â maar slechts de betrekking van twee associés, was, die zich tot een speculatie verbonden hadden. Welaan, mijnheer, de zaak is afgeloopen; want een der associés is een bankroetier, en de andere is eene vrouw, die u verwenscht, en van u vier jaren van schande en ellende terugeischt! Het verwondert u, mijne vrienden, dat ik zoo spreek. Gij kent dezen man niet, maar ge zult hem leeren kennen! Ik wil u zeggen, wie hij is!quot;
Terwijl zij sprak, had zicli op den achtergrond der feestzaal eene deur geopend, en was de oude Trui in haar eenvoudige, gewone kleeding, gevolgd door Philip Moritz binnengetreden.
Niemand lette op beiden, want aller opmerkzaamheid was op deze vrouw gevestigd, die hoog opgericht, als een godin der wraak, in 't midden der zaal stond.
De oude Trui voerde Moritz achter een nis, die uit bloemen en festoenen, in een bekoorlijke grot herschapen was.
âBlijf hier,quot; fluisterde Trui: âHier kunt ge alles hooren. Want ik wil niet dulden, dat ge Berlijn verlaat, zonder de rechtvaardiging mijner lieve Marie gehoord te hebben. Derhalve heb ik gedaan, wat mij God vergeven moge; ik heb u hierheen gevoerd, zonder dat Marietje het weet. Luister nu, en bid dan God, dat Hij u het groote onrecht vergeve, 'twelk gij haar hebt gedaan. Maar houd u heel stil, opdat Marietje u niet zie; want zij zou boos worden op haar oude Trui.quot;
âJa,quot; ging Marie met koele verachting voort: âgij zult dezen man leeren kennen, voor wien gij u allen gebogen, â wiens handen gij gedrukt, â dien gij uw vriend genoemd hebt, wijl hij rijk was; wijl hij, door zijn rijkdom, een voornaam man, â een baron geworden is. Weet ge,/ioe hij dat geworden is? Doordien hij aan een arme, adellijke freule Huhlbaoh, Buitschland in woeling en strijd. II. 17
258
zijn hand gaf; doordien hij haar, â- en daarbij haren adel, voor zijn rijkdom kocht. Ik was deze arme freule, en ik werd door hem gekocht, zooals men een koopwaar koopt. Hij wist, dat ik hem verachtte, dat ik een anderen man vurig beminde. Ik heb hem dit alles bekend; ik heb hem gezegd, dat ik mijn geliefde eeuwige trouw gezworen had, en nooit op aarde een ander man beminnen zou! Ik heb hem gebeden, gesmeekt, mij vrij te laten. Hij was zonder erbarming, en lachte om mijne tranen; hij meende met zijn rijkdom mijne liefde te kunnen koopen, en dat mijn hart door zijn geld eindelijk zou bewogen worden. Ik had weerstand moeten bieden ; liever moeten sterven, dan mij tot dit huwelijk te laten dwingen; ik wist het! Maar mijn lot wilde, dat de man dien ik beminde, door mij in gevaar was, â dat hij met zware gevangenschap den korten droom van ons geluk moest boeten. Ik kon hem redden, zoo ik dezen man hier, mijn hand gaf. Men stelde mij voor zijn redding deze voorwaarde, en ik nam die aan. Ik werd voor de wereld zijn gade; maar terwijl ik het werd, zwoer ik mij, â zwoer ik hem zelf, mijn ongeluk en mijn schande te wreken. Vier jaren heb ik besteed, om deze wraak te volbrengen! Nu is zij volbracht. Met zijn rijkdom heeft deze man mij gekocht en in zijne boeien geslagen. Ik heb hem geholpen zijn rijkdom te verkwisten, ik heb van den rijken man een bedelaar gemaakt. Hij trouwens was voorzichtiger. Hij heeft mij, zijn echtgenoote, dit paleis met alles wat het bevatte geschonken, en thans, terwijl ik tot u spreek, troost hij er zich mede, dat ik rijk ben, dat hij mijn echtgenoot heet, en bijgevolg, daar hij zich nooit van mij zal laten scheiden, mijn rijkdom met mij deelen zal. Maar nu, mijnheer Ebenstreit von Leuthen, nu is de ure der wraak en der vergelding gekomen! Ik ben arm, evenals gij, en ik ben, Goddank, niet meer uw echtgenoote. Ik ben vrij!quot;
âVrij!quot; herhaalde Ebenstreit verschrikt: âDat is nietv/a.a.vl Gij zijt mijn echtgenoote voor de heele wereld!quot;
Een zegevierende glimlach gleed over haar aangezicht. â âNeen,quot; zeide zij: âik ben het mei / De huwelijkswet, welke de goote Frederik aan de lijdende, ongelukkige menschheid heeft gegeven, â deze huwelijkswet veroorlooft aan ieder paar, dat geen kinderen heett, het huwelijk te verbreken, en te scheiden, zoo beide echtelingen in een gemeenschappelijk
259
verzoekschrift er op aandringen, met de onderteeken'mg van hun naam, en in volkomene overeenstemming,''
Ebenstreit slaakte een kreet van ontzetting; â âHet document, dat ge mij straks hebt laten onderteekenen?'' âWas een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding, 'twelk ik door mijn notaris heb laten opstellen, en dat wettig is, wijl het met ons beider handteekening is voorzien.quot;
âDat is verraad!quot; schreeuwde Ebenstreit: âIk zal er tegen protesteeren!
âDoe dat,quot; zeide zij bedaard : âGe zult zien, dat het vergeefs is. Ik heb mijn vrijheid gekocht. Ik beloofde uuwe wissels te betalen, zoo ge mij uwe handteekening voor dit document wildet geven. Ge hebt onderteekend, en ik heb betaald. Weet ge, vanwaar ik deze honderduizend thaler heb genomen, welke ik zooeven aan dien heer ter betaling uwer wissels en schulden heb gegeven? Vraag bet den heer markies Trèves hier. Hij zal u zeggen, dat hij mij dit geld gegeven heeft!'
âJa,quot; zei de markies: âmevrouw de barones zegt, zooals van zelve spreekt, de waarheid. Ik had de eer, mevrouw honderdduizend thaler te overhandigen,quot;
âEn wilt ge nu weten waarvoor de heer markies mij deze aanzienlijke som betaald heeft? Ik was de eigenares van dit huis, van dit meubilair, van deze beelden en schilderijen. Ik heb hem dit alles verkocht! Dit paleis met al zijn pracht behoort hèm. De équipages, mijn zilverwerk, alles heb ik aan dezen man verkocht! O, ge zult nu zeggen, ik behoud altoos nog iets; want ik heb nog mijne juweelen en sieraden, mijn kostbare kanten en kleederen. Neen, ik bezit niets! Ik heb al dezen rijken tooi aan mijne moeder gezonden, om haar schadeloos te stellen voor het jaargeld,'twelk mijnheer von Ebenstreit haar als koopprijs voor mij betaald heeft, en dat hij van af heden niet meer betalen kan, want hij is een geruïneerd, een arm man! Ik heb hem hiertoe gemaakt! Ik heb mij gewroken!
âHeer markies,quot; kreet Ebenstreit, als waanzinnig door toorn en ontzetting: âis dat waar? Hebt gij van deze vrouw dit huis met zijn inventaris gekocht?quot;
â't Is waar. ik heb dit huis met zijn meubilair gekocht, nadat mevrouw de barones mij door gerechtelijke documenten had bewezen, dat zij de éénige en rechtmatige bezitster
260
was. Ik heb haar als den gevorderden koopprijs honderdduizend thaler betaald, en mevrouw de barones overhandigde dit geld straks aan den heer Splittgerber.quot;
âAch,quot; steunde Ebenstreit; â't is waar, ik ben een geruïneerd man. Ik ben verloren!quot; En zijn gelaat in zijne handen verbergende, ijlde hij naar buiten.
Marie oogde hem met een langen^ treurigen blik na, en wendde zich vervolgens, ruim ademend, weder tot het gezelschap.
âGij weet nu alles, mijne dames en heeren, â ik zeg niet meer, mijne gasten! Van dit oogenblik af, behoort dit huis aan mijnheer den markies, en wij allen zijn dus zi/ne gasten. Gij zult nu niet meer van mij kunnen zeggen, dat de dochter van den overleden generaal von Leuthen zich verkocht had aan een rijk man. Zij was verkocht gemor-den, maar zij heeft zich nu vrij gekocht, en is weder arm geworden! Doch, ook weder vrij!quot;
Op dit oogenblik opende zich een zijdeur, en de generaais-weduwe von Leuthen stormde binnen. â âLaat mij, ik moet naar binnen!quot; riep zij de oude Trui toe, die vruchteloos poogde haar tegen te houden: âik wil van mijn dochter zelve opheldering hebben. Ik wil weten wat dit beteo-kent! Ha,quot; voer zij voort, terwijl zij verder ging; ,,men geeft hier een feest. Ik zie een vroolijk gezelschap, en ziedaar mevrouw mijnedochterin al hare heerlijkheid en pracht. Het is dus niet waar, wat ik vreesde? Mijn dochter is wei krankzinning? Zij was bij haar volle verstand, toen zij mij heden morgen haar juweelkistje met brillanten, paarlen en gouden sieraden, en een aantal der kostbaarste kanten en kleederen zond! En daarbii lag een met zwart verzegelde brief, met het opschrift ; Testament der barones Ebenstreit von Leuthen. Ik opende het haastig, en er staat in: âik vermaak aan mijn moeder mijne kostbaarheden, kanten en kleederen. Zij mag dat alles verkoopen, en zich er mede schadeloos stellen voor het verloren jaargeld. Marie.quot; â Nu ijlde ik hierheen, om te hooren, of mijn dochter gestorven is, en wat het bijvoegsel van het verloren jaargeld beduidt, en vind nu, âquot;
âVindt nu de bevestiging van al hetgeen ik u geschreven heb,quot; zei Marie koel: âMijnheer de baron Ebenstreit von Leuthen is geruïneerd; hij bezit niets meer. Maar wat be-
261
kommert dat u, mevrouw? Ik heb u immers schadeloos gesteld! Mijne kostbaarheden en kanten zullen u een kapitaal bezorgen, dat u het verloren jaargeld vergoedt. Ge hebt uw koopprijs niet verloren, en het huwelijk,'twelk gij gesticht hebt, heeft ten minste voor u goede vruchten gedragen!
âGij zijt een ondankbaar en wreed kind,quot; zeide mevrouw von Werrig trotsch. âIk wist dit reeds lang, en mijn hart heeft zich reeds lang van u afgetrokken. Maar gij draagt mijn naam, en deze ten minste, wil ik voor schande bewaren. Ik vraag u dus: wat beteekent hetgeen ik onderweg hierheen gezien heb? In de Friedrichsstraat kom ik voorbij een huis, waaraan werklieden bezig zijn, een bord boven de glazendeur te bevestigen. Ik zie toevallig op, en wat aanschouwen mijn oogen? Op dat bord staat met groote, vergulde letters; âBloemenfabriek van Marie von Leuthen.quot; Ik was als verstomd, en slaarde sprakeloos naar deze vreesdij ke woorden. En nu ben ik hier, en wil weten wat dit beduidt?quot;
âIk zal 't u zeggen, mevrouw,quot; riep Marie met gloeiend gelaat: âen ik zai 't ook u zeggen, dames 1 Mevrouw von Morien, mevrouw de gravin von Moltke, en gij allen, mijne dames, ik verzoek om uwe gunst! Ik ben nu weder geworden wat ik vroeger was, eer men mij verkocht; Marie von Leuthen, de bkmmenmaakster. Ik heb mijn vrijheid herkregen, en in vrijheid wil ik werken om te leven-Van mij is alle misleiding en schijn gevallen! Ik ben niet meer de vrouw van een gehaten man ; ik ben niet meer de voorname, rijke vrouw. Deze brillanten en dit kostbare gewaad, is de laatste logen aan mij, en ik wil haar afwerpen, zooals ik mijn geheel verleden afgeworpen heb!'
Zij maakte haastig het juweelen collier en de braceletten van hals en armen los, en reikte ze aan hare moeder. âNeem, mevrouw, het zijn mijne laatste juweelen. En hier, neem ook dit! Mijn laatste pronkgewaad!quot;
Zij maakte de wit-satijnen strikken, waarmede het kleed op hare schouders en om de taille bevestigd was, los, en het ruischte van haar neder als een schitterende, zilveren wolk, en uit deze wolk trad Marie te voorschijn in een eenvoudig wit kleedje, net en zonder tooi, zooals zij in hare meisjesdagen geweest was.
âNeem, mevrouw, neem!' riep zij verheugd; âNu is alles
20^
ten einde en volbracht. Ik ben weder mij zelve! Ik ben vrij ! Ik ben weder de bloemenmaakster mijner voorname begun-stigsters! Ik heb mij gewroken! Vaarwel, gij allen die getuigen waart van dit tooneel! Ik treed nu weder uil uwe kringen, en ik vergeef allen, ook u, mijne moeder! Moogt ge gelukkig en tevreden zijn, en moge de gedachte aan uwe ongelukkige dochter nooit uw ziel verontrusten en uw slaap storen; moogt ge kunnen vergeten, dat uwe dochter leeft en ongelukkig isl Ja, ongelukkig is zij! Want, dat gevoel ik thans; de wraak heeft mijn smart niet verzacht, en de vloek, dien hij op mijn hoofd heeft geslingerd, zal er eeuwig op blijven rusten!quot;
,.lk neem hem van u, Marie!quot; riep Moritz, terwijl hij met uitgebreide armen uit de nis trad en op Marie toeijlde die verstomd en verschrikt terugdeinsde. â âO, edele, moedige vrouw; vergeef, dat ik, zonder uw verlof, getuige ben geweest van dit tooneel. Maar ik dank er God voor; want nu heb ik duidelijk gezien, welk een sterke ziel en welk een trotsch hart in dit schoone lichaam wonen. Ik huig mijn hoofd voor u, en op mijne knieën smeek ik u: Marie, vergeef mij, dat ik mij in u vergissen, â en aan u twijfelen kon. Vergeef mij al de harde en wreede woorden, welke ik, ellendige, zondige dwaas gewaagd heb tegen u te bezigen! O, mijn hart was in vertwijfeling toen ik het deed en in vertwijfeling is het gebleven. Vergeef mij. Marie, vergeef mij om deze vier jaren van ellende en duisternif,! Zie, het begint weder te dagen, en een nieuwe zon zal over ons opgaan! O, bedek niet uw gelaat! Zie mij aan, Marie! Zeg, dat ge mij vergeeft! Mijn dierbare, vaderlijke vriend, spreek gij voor mij ! Gij weet wat ik geleden heb! Help mij, hare vergiffenis te verwerven!quot;
âMarie,quot; sprak de grijsaard, terwijl hij haar naderde en zacht zijn arm om haar legde: ,,Richt u op, mijn arm, veel beproefd kind. God heeft gewild, dat gij een zwaren strijd zoudt moeten voeren, maar nu is hij overwonnen! Het verle-dene valt van u af, en alles verdwijnt wat er toe behoort!quot;
En terwijl hij dit zeide, wenkte hij de gasten, van welke zich reeds velen verlegen en angstig terugtrokken, en waarvan de iaatsten zich nu stil en onhoorbaar door de zijdeuren verwijderden, en blijde waren van zulk een pijnlijk tooneel ontslagen te zijn.
263
Niemand was nu nog in de schitterende zaal aanwezig dan de oude heer Gedicke, Philip Moritz en Marie, die nog steeds met de handen voor het gelaat, midden in de zaal stond.
âMarie,quot; bad Moritz; âo, zie op. zie mij aan! Lees op mijn aangezicht verdwenen smarten en toekomstig geluk; gij heb het gezegd, en ik dank God: Ge zijt vrij! Dit onnatuurlijke huwelijk is ontbonden! Wees nu moedig en waar tot het einde. Aanschouw mij oog in oog. Weg met deze hand, die mij uw lief gelaat verbergt.quot;
Hij trok met een onstuimige beweging hare handen van voor hare oogen, en haar van tranen overstroomd gelaat zonk op zijn schouder.
âMarie,quot; zeide hij nu op innigen,zielroerenden toon: .,ik bemin u zóó vurig en gelukkig, als ik u ooit bemind heb! Wij zijn door de woestijn der smart getogen ; maar nu treden wij weder het bloeiende leven in, en ik vraag u nu : Dierbare vrouw, wilt ge bet met mij deelen? â Spreek, Marie, kunt ge mij vergeven? Bemint ge mij nog?''
Zij zag hem lang en diep in de oogen, en allengs veranderde haar gelaat. De hardheid verdween uit hare trekken, en een zalige glimlach kwam om haar lippen.
âIk bemin u,quot; riep zij verheugd: âJa, ik bemin u! En dit zij ons afscheidswoord. Ga, Moritz, ga heen in de wereld. Mijn liefde volgt u op al uwe wegen, en mijn ziel is bij u, eeuwig en trouw! Maar wij zijn gescheiden voor altoos; want de afgetobde arme vrouw met haar somber verleden, mag geen schaduw op uw leven werpen ! Ga, mijn geliefde! U verwacht Italië, en u troost de kunst!quot;
âMarie, Marie! Alleen bij m is mijn geluk en mijne liefde, en niets wil ik op aarde dan u bezitten. Ge zijt vrij, ge zijt onafhankelijk. Volg me ga mèt mij naar Italië!quot;
âAch, mijn vader,quot; riep Marie tegen de borst van den grijsaard gevlijd: âzeg hem toch dat dit onmogelijk is. Nóg ben ik immers de getrouwde vrouw van den gehaten man! '
âZij heeft gelijk, Philip,quot; zij Gedicke plechtig: âdring niet verder bij haar aan. Eerst moet door gerechtelijke uitspraak haar huwelijk ontbonden zijn, en dan moet dit arme, zieke hart rust hebben om te genezen, en eerst dan moogt ge opnieuw er naar dingen. Ga nu naar Italië, en leg uw toekomst en uw geluk met vertrouwen in mijne handen. Marie,
204
heeft een moeder verloren, maar zij zal in mij een vader wedervinden. Ik zal haar behoeden tot uw terugkomst.quot;
Juist opende zich de deur, en de oude Trui trad binnen.
âMarietje,quot; zeide zij: âalles is gereed. Al onze lieve zaken uit het dakkamertje zijn ingepakt, en moeten weggevoerd worden naar de nieuwe woning, naar onze bloemenfabriek. Willen we nu gaan, mijn lief kind?quot;
âJa,quot; riep zij, haar trouwe, oude Trui omhelzende: âja, moeder, wij willen gaan. Vaarwel, Philip; «roept Italië! Ga!quot;
âWelaan, ik galquot; riep hij, haar hand vattende: , Maar, als ik wederkeer, als ik dan uw hand neem en u vraag: Marie, ik bemin u. Wilt ge mijn vrouw zijn? Wat zult ge mij dan antwoorden ?quot;
Zij zag hem met een langen, zaligen blik aan:âHetanl-woord staat in mijn hart,quot; zeide zij : âKeer weder en vraag er mij naar! Dan zal ik voor God en menschen 't u verheugd kunnen zeggen!quot;
INHOUD.
DERDE BOE K.
Bladz.
Hoopdst. I. De Koning en de Oostenrijksche diplomaat 5.
n II. De Koning en de minnaar......21.
j. III. Te Weimar............33.
IV. De voorlezing...........49.
â V. De betoovering..........öl.
â VI. De geldman............69.
â VIL De schaking...........89.
â VIII. Onder den sterrenhemel.......98.
IX. Het offer............107.
V I E R D E BOE K.
Bladz.
Hoofdst. I. De oude Frits...........129.
â II. Cagliostro's terugkomst.......147.
III. Het triumviraat..........154.
, IV. Plannen voor de toekomst......165.
â V. Wonderen en geesten........171.
â VI. De terugkomst..........185.
â VII. Achter het masker.........201.
VIII. De vloek............. 209.
IX. De Koning en de Rozenkruisers .... 221.
X. De echtverbintenis......... 232.
XI. De vervulde wraak........ 240.
Uitgave van Gebr. E. amp; M. COHEN, te Nijmegen en Armhem.
RUDOLPH FALB amp; CHARLES BLÃNF, De Ondergang der Wereld.
Humoristische Homan.
Vit liet Duitsoh vertaald door II. VAK I'.\lt; K.
Circa 320 pag. druks in postformaat fl,50 geb.in linn, stempelb. f 1,90.
Recensie Arnhemschc Courant van 2G Januari 18fl8, tweede blad:
Als de man, die bekend staat als humorist, in het openbaar optreedt, loopt bij groot gevaar zijne hoorders teleur te stellon: velen zullen, juist omdat die roep van hem is uitgegaan, wat hij zegt niet geestig vinden. Daarom neemt ook hij, die op een titel zijn werk een humoristisch boek noemt, eene groote verantwoordelijkheid op zich. Beter zou het voor hem zijn, als bij maar afwachtte tot de lezer er kennis van bad genomen en aan dezen overliet bet den neam van bumoritisch toe te kennen.
In sommige gevallen is die bijvoeging echter noodig, zoo ook in bet geval, waarin de Duitscbers Dr. Falb en Cbarl. Blunt verkeerden, toen zij hun boek hadden geschreven: Dc ondergdng der wereld, waarvan dezer dageir eene zeer goede vertaling door H. van Knok bij de Gebr. E. en M. Coben verscheen. De eventueele koopers moeten vooraf gewaarschuwd worden, dat de schrijvers die gebeurtenissen niet uit een wetenschappelijk oogpunt zouden behandelen, ofschoon in de laatste twintig bladzijden â en deze zijn naar on^e meening de voortreffelijkste in bet boek â het vergaan der wereld van dat standpunt geschetst wordt. âHet bloed kruipt waar het niet gaan kan,quot; dachten wij bij het lezen van bet laatste schoon gedachte en voortreffelijk geschreven hoofdstuk: âHet boek der vernietiging.quot;
Het zevenachtste gedeelte echter, dat hieraan voorafgaat, is in humoris-tiscben trant geschreven, en bevat menig inderdaad geestig tafereel en ver-nnftig gevonden detail. Als zoodanig noemen wij bijvoorbeeld den toestand van den man, die getrouwd is met eene vrouw, welke hem niet beeft getrouwd. Tot opheldering strekke, dat op bet oogenblik nadat de bruidegom zich vooi den ambtenaar van den burgerlijken stand beeft verbonden, de bruid door baar vader belet wordt het antwoord uit te spreken, zoodat hij gehuwd is en zij niet. Altijd volgens de auteurs. Hij kan nu ook niet scheiden; waiit zij zegt niet gehuwd te zijn, dus dat zij ook niet kan of behoeft te scheiden.
Een ander type is dat van den uitvinder, den man, die meent dat alle uitvindingen dezer eeuw door hem zijn gedaan en hem ontstolen zijn door diegenen, aan wie zij worden toegeschreven. Eindelijk zelfs beweert bij, dat de planeet die Crookes, de hoofdpersoon van den roman, beeft uitgevonden om daarop aan bet vergaan der wereld te ontkomen, ook eene uitvinding van hem zelve is. Als hij de overtuiging krijgt, dat zij inderdaad door Crookes is uitgevonden, werpt hij zijn aanteekenboekje, waarin zijne uitvindingen vermeld zijn, in zee, en als hij aan zijne overtuiging gaat twijfelen, springt bij zijn boekje na.
P2r komt in dit boek een schaker voor, die in personen, figuren en in alle toestanden problemen, in alles het schaakspel ziet en een jonge dame tot vrouw neemt, omdat zij een schaakprobleem beeft opgelost, dat boven zijne kracht ging. Hij wil echter scheiden van haar als zij weigert, onniddellijk na de echtverbintenis met hem een partij te spelen.
Door dergelijke wezens als hoofdpersonen te doen optreden is de Onderyany der wereld wel aardig, terwijl bet schetsen van de menscbelijke handelingen in verband met die gebeurtenis den lezer vroolijk stemt.
Uitgave van Gebr. E. amp; M. Cohen, te NJjinegen en Arnhem.
STEEXj.
OYER DE VLAKTE DER WATEREN.
Geschiedkundige Roman uit den Groeten Engelsch-Indischen Opstand. Vit liet Engelsoli door II. - I..
2 deelen, elk van circa 300 pag. druks in postformaat, f 3,60; gebonden in linnen banden f 4,50.
Recensie Arnhemsche Courant van 4 Januari 1898, derde blad:
De groote opstand in Britsch-Indië, die veertig jaar geleden plaats had, is geen gebeurtenis, welke thans nog in ons land bijzondere belangstelling kan opwekken. Met zekere onverscbilligbeid namen wij dan ook de bij de heeren E. en M. Cohen verschenen vertaling in handen van mevrouw Steei's roman âIn the Face of the Waters:quot; O v e r de vlakte der wateren.
Slechts weinige bladzijden echter hadden we er van gelezen, of het boek greep ons met onwederstaanbare kracht aan door de karakters der hoofdfiguren : Engel?,che officieren en hunne vrouwen, beboerende tot het leger in Bengalen, in het rijk van den pas onttroonden koning van Oude. Hunne onderlinge verhouding en hunne handelingen vormen den hoofdinhoud van het eerste deel. Van den eigenlijken opstand verneemt men nog weinig; hij wordt voorbereid; als een dreigenden orkaan ziet men hem naderen en ook de lezer geraakt onder den indruk van het onheil, dat niet kan uitblijven en den somberen achtergrond uitmaakt van de tafereelen, waarin de betrekkelijk weinige Engelschen en de duizenden en duizenden in gisting gebrachte Hindoes en Ma-homedanen de hoofdrollen vervullen.
Wij worden het eerst met hen in kennis gebracht bij eenepublieke verkooping van de diergaarde van den onttroonden koning. Het verarmde volk vindt ter nauwernood eenige âanna'squot; totdat een kakatoe onder den hamer komt. Een papegaal is verkocht voor een penny aan een inlander, die, als de omstanders hem over zijn koop bespotten, het dier den hals omdraait en hun toeroept: Lacbt maar, ik heb vleesch gekocht voor een penny de twee pond. Dit Tot staat ook de kakatoe te wachten, en om haar te redden biedt eene Engelsche dame op tegen een ouden man, die een bod heeft gedaan. Haar geleider, majoor Erlton, drijft nu den prijs al hooger en hooger op tot vijftien ropijen. De arme man moet daarvoor zwichten, met smart; want de vogel was de zijne : hij had hem aan den koning geleend, omdat hij zoo mooi schreeuwen kon : âDeen! Deen! Futteh Mahomed!quot; âVoor het geloof! voor het geloof! Aan Mahomed de overwinning!quot; De dame, die het eerste het hooger bod gedaan heeft, mevrouw Gissing, wil het dier niet hebben en geeft het aan den majoor, opdat deze het aan zijne vrouw schenken zal: die houdt zoo van bidden, en men zeide dat de vogel zoo mooi bad. Wat hij bad wist zij niet.
Wij willen den loop der handeling niet verder volgen: slechts enkele details vermeldden wij, om het karakter van het boek te doen kennen, dat tal van toestanden en tafereelen bevat, die den lezer aangrijpen en dingen doen aanschouwen die men in geen ander werk verhaald, althans zóó verhaald vindt.
De oorlogsgebeurtenissen, die van het tweede deel het hoofdonderwerp vormen, laten wij geheel rusten. Maar ook de beschrijving daarvan kenmerkt zich door de plastische inkleeding. Het zijn geen verhalen, het zijn beeldgroepen, die de schrijfster er van geeft, in een stijl, geheel op de hoogte van het onderwerp.
Ook in dit opzicht is het werk van mevrouw Steel voortrelfelijk, evenals van vinding en vorm. Hij, die dezen vorm overbracht in onze taal verdient grooten lof.
Over de vlakte der wateren is een zeldzaam mooi boek, waarop niet genoeg de aandacht kan worden gevestigd.
GEBR. E amp; M. COHEN, te Nijmegen en te Arnhem, debiteeren met succes:
EDUART PUNT JUNIOR,
Humoristische Roman door GEORGE KEPPER.
Flinke roman in 8° formaat, fraaie druk, circa 360pag. druks /quot;2,40
Recensie van De Amsterdammer, Weekblad voor Nederland,, in het No. van 17 Februari 1898:
De heer Kepper is een van die gelukkige menschen, welke nog de kunst verstaan van vertellen. Als koutende aan het gezellige haardvuur verhaalt hij ons thans het leven van Eduard Punt, beginnende met diens geboorte, een âvoor hein persoonlijk en belangrijk feit, dat zelfs Eduard's verbitterdste tegenstanders hem niet konden betwisten.quot; Veel tegenstanders zal de jonge Punt op zijn levensweg wel niet hebben ontmoet, want de auteur leert ons een Anisterdamschen jongen van burgerfamilie kennen, vol kattekwaad en levenslust, maar ook rijk aan allerlei goede eigenschappen. Aardig geschilderd is het familieleven van Punt Senior en diens kringetje van stijfbur-gerlijke menschen, uit het midden dezer eeuw, toen Amsterdam nog zijn buitensingels had, zijn Leidsche bosch, zijn varieté's âin verteringquot;, en wat al niet meer.
De uitgevers rangschikken dit boek onder âde opwekkende lectuur,quot; en te recht. De humor Van den heer Kepper stemt prettig, en menig Amsterdammer zal zich bovendien gelukkig rekenen aan de band van den luimigen verteller nog eens herinnerd te worden aan zooveel, dat hij slechts noode zag heengaan. F. A. R.
PAUL SCHEERBART,
TARUB, Bagdad's beroemde Kookster,
Romantisch verhaal uit de Arabische Beschavingsgeschiedenis der IXe eeuw.
Uit het Duitsch door R. C. v. H.
Circa 270 pag. druks in postformaat, Æ 1,80; gebonden in linnen band Æ 1,HO. Recensie Arnhemsche Courant van 28 Januari 1898, eerste blad: De Arabische toestanden zijn eenigszins bekend uit de Duizend en een Nachtvertellingen, waarin echter waarheid en verdichting zoo dooreengemengd zijn, dat men zich daaruit geen juist denkbeeld van het land en het volk kan vormen. Paul 8cheerbart heeft dit ondernomen en in zijn Tarub, Bagdad's beroemde Kookster een beeld ontworpen van de Arabische Maatschappij in de negende eeuw
Zijn werk is hoogst belangrijk om de zeden en gewoonten van de Ooster-sche volken in dien tijd te doen kennen. Nu en dan maken ook de werkelijke gebeurtenissen van dien tijd op den lezer den indruk van sprookjes, zoo afwijkend zijn de toestanden van die onzer dagen. Ook de karakters der personen zijn zoo geheel verschillend van die der westerlingen, vooral uit later eeuwen, dat hunne handelingen ons met verbazing vervullen. Hier en daar zou men zich eer in het Parijsche Bohème geplaatst achten dan in eene samenleving van een oostersch volk.
De gewoonten van die dagen worden in aanschouwelijke tafereelen geschetst; letterkunde, wetenschap en godsdienst worden er in behandeld in het verkeer van dichters, sterrenkundigen, in hunne geleerde samenkomsten, uitspanningen en uitspattingen in levendige kleuren verhaald, inzonderheid die van den hoofdpersoon, den dichter Safur en zijn minnares, naar wie het boek is genoemd.
De oostersche stijl is in overeenstemming met de gebeurtenissen, en zeer goed in onze taal weergegeven door R. C. v. H.
GEBR. E. amp; M. COHEN,
l^agfa-zij ïien. Tran O-oecLlccepe IBoel^en,
NIJMEGEN en ARNHEM.
Brons Middel (E.), Hermine. Indische roman. (3,â) f 0,90
Wie Oost-Indische Dames en Heeren van Dr. Jan ten Brink heeft gelezen, zal in dit boek een waardig pendant vinden.
Junglmhn, Licht- en schaduwbeelden uit de binnenlanden van Java. Verhalen en gesprekken der gebroeders Dag en nacht. 7e herz. en verm. druk. Met gelith. omslag f 1,40
---, Hetzelfde werk in prachtband. f 1,90
Ealff (S), Herinneringen en Schetsen. (Vervallen Kolonie. â Wonderen Oosten. â Bataviaasch Richter. â Merwestad. â Jean Bart.
â Wiertz. Museum, enz. enz.) (f 2.90) f 1,25
---, Hetzelfde werk gebonden. f 1,75
Borel (G. P. W.), Onze vestiging in Atjeh. Critisch beschreven, met 2 kaarten, roy. 8o. f 1,20
â â - , Drogredenen zijn geen waarheid. Naar aanleiding van het werk van den luitenant generaal Van Swieïen, over onze vestiging in Atjeh. (1,80) f 0,90
Driest (P. van), Bangka, beschreven in reistochten. Met twee geologische kaarten en 2 afb. tusschen den tekst, (f 1,75) f 0,60
Hofdijk (W. J.), In het harte van Java. Groot episch gedicht, fraai gedrukt op best papier. Imperiaal formaat. f 1,25
Hoeven (Pruys v. d.). Een woord over Sumatra, in brieven verzameld. 2 deelen. (f 3,50) f 0,75
Sumatra's westkust, Palembang, Benkoelen.
Prof. Veth, Eoorda van Eysinga e a, Groot Aardrijkskundig en Statistisch Woordenboek van Ned.-Indië, bewerkt naar de jongste berichten. Geheel volledig, alle steden, dorpen, vlekken, gehuchten, rivieren enz. Een Reuzenstandaardwerk. 5700 kolommen druks. Onmisbaar voor studie, handel, nijverheid, enz. In plaats van f49.00 nu voor slechts f 7,50
Geschiedenis, Aardrijkskunde, Statistiek, Land- en Volkenkunde, Bijzonderheden, Wetenswaardigheden voor den handel, enz. enz.
Lassen's Geschiedenis van den Indischen Archipel, bewerkt door Dr. A. W. de Kleeck. (2,â) f 0,60
Veth (P. J.), Atchin en zijne betrekkingen tot Nederland. Topogra-fisch-historische beschrijving. Met een uitslaande schetskaart van het rijk Atchin en de nederzettingen op Sumatra. Naar de nieuwste bronnen samengesteld door W. F. Versteeg, (f 1,70). f 0,75
Wilier (P. J.), Het eiland Boeroe, zijne exploitatie en Alfoersche instellingen, uitgegeven met bijdragen en toelichtingen in verband tot Europeescbe kolonisatie in Nederlandschlndië door Jhr. J. P. Cornets de Groot van Kraauenburg. Met eene groote schetskaart van Boeroe. (4,75) f 1,30
Uitgave van Gek. E. amp; M. COHEN te Nijmegen en te Arahem.
Walter Scott's Romans
vertaald en tewerkt
DOOR
GERARD KELLER.
Met de oorspronkelijke gravures der editie van MARCUS WARD amp; Co. Londen.
a f 1,â per compleet werk ingenaaid, a/quot; 1,40 per compleet werk in artistiquen prachtband.
1. ITanhoe, ingenaaid f 1,â, gebonden . ... f 1,40
2. De Bruid Tan Lammermoor, ingen. f 1,â, geb. . â 1,40
3. Warcrley, ingen. f 4,â, geb........»,1^0
4. Gay Maunering, ing- f 1 â, geb........ 1,40
5. Kubbert Roodhaar, ing. f 1,â, geb...... 1,40
6. De Talisman, ingen. f 1,â, geb......?, 1,^0
7. De Verloofde, ingen. f 1,â, geb......â 1,40
8. De Oudheidkenner, ingen. f 1,â, geb. . . . â 1,40
9. De Oude Pelgrim, ing. f 1,â, geb......â 1,40
10. Het hart van iVid-Lothian, ingen. f 1,â, geb. . â 1,40
11. Auua yan Geiersiein, ingen. f 1,â, geb. . . . â 1,40
12. Het Kasteel Kenilworih, ingen. f 1,â, geb. . . â 1,40
13. Het schoone meisje ran Perth, ingen. f 1â, geb. â 1,40
14. De Zeeroorer, ingen. f 1,â, geb. . . . . . â 1,40
15. Uaeutin Dnrward, ingen. f 1,â, geb.....â 1,40
Uitgave van Gebr. E amp; M. Cohen te Nijmegen en Arnhem.
WITKAMP's Aardrijkskundig Woordenboek van Nederland.
Geheel herzien en naar de nieuwste gegevens en statistieken bijgewerkt door M. A. SIPMAN, voorzien van een aantal fraaie, nieuwe voor dit doel speciaal bewerkte kaarten in kleurendruk geteekend door den bekenden cartograaf F. BRUINS.
Het Woordenboek van WITKAMP is een werk dat voortdurend in eene algemeen gevoelde behoefte voorziet. Studeerenden, industriöelen, handelslieden enz. hebben reeds lang deze nieuwe uitgave van dit onmiskenbare boek tegemoet gezien. Zeer veel werk was aan de herziening en bijwerking verbonden.
De eischen die men aan een goed Aardrijkskundig Woordenboek mag stellen zijn:
Dat men er in vinde alle provincies en onderdeelen, landstreken, steden, gemeenten, dorpen, vlekken, buurtschappen en gehuchten met het bevolkingscijfer, heerlijkheden, kasteelen en huizen van naam, rivieren, weteringen, meren, beken, kanalen en uitwateringen, polders, enz. enz.
De verdeeling in kerkelijke gezindten, verdeeling der kiesdistricten, redenen van welvaart, takken van handel en nijverheid, grondgesteld-lieid, spoor- en tramwegen met stations en halten, bezienswaardige en belangrijke instellingen en een volledig overzicht van de plaatsen waaraan historische feiten verbonden zijn.
De gerechtshoven, arrondissements rechtbanken, kantongerechten, zetels van kerkelijke autoriteiten, standplaatsen van schoolopzieners en de onder hen ressorteerende gemeenten.
De eisoh is dat het alles bevatte, wat voor iederen Nederlander en voor ieder die in Nederland belang stelt, wetenswaardig, nuttig en onmisbaar is. Het moet zijn een vraagbaak voor kantoor en gezin, voor fabriek en studeerkamer.
Aan al deze eischen voldoet WITKAMP's Aardrijkskundig Woordenboek van Nederland.
WITKAMP is een onzer beste geschiedvorschers. Met zijne bekende stiptheid en nauwkeurigheid onderzocht hij alle archieven en andere bronnen. Het was een reuzenarbeid, maar met alle inspanning, met veel moeite, tijd en kosten is dat ECHT NATIONALE STANEAARDWEEE tot stand gekomen. Het boek is geheel op de hoogte van dezen tijd gebracht door M. A SIPMAN. 't Is niet alleen stipt en nauwkeurig herzien, maar.tevens aanzienlijk vermeerderd. Het bevat 11 kaarten onzer provincies en een groote van Nederland in kleuren, fraai bewerkt door F. BRUINS, speciaal voor dit boek.
. WITKAMP's Aardrijkskiiiidig' Woordenboek van Nederland
is buitengewoon goedkoop en kost slechts f 7.50.
Geïllustreerde Algemeene WereldgeseMedenis
voor School en Huis.
Zeker is het, dat er hier te lande geen oorspronkelijk werk bestaat, dat op eene onderhoudende, boeiende wijze de Alge-meene Geschiedenis verhaalt. De heer KOLLEWIJN stelde zich ten taak een boek samen te stellen, geheel verschillende van de groote menigte handboeken die bestaan.
Het is geen- opsomming van feiten, namen, jaartallen en personen, maar eene boeiende, onderhoudende, levendige, volledige doch ook wetenschappelijk juiste beschrijving van de OUDHEID, de MIDDELEEUWEN, van de NIEUWE en van de NIEUWSTE GESCHIEDENIS, dus de
geheele algemeens gesoliiedenis
die wy het Nederlandsche publiek aanbieden.
Waarlik, 't is een boek, dat in eene lang gevoelde behoefte voorziet, eene Algemeene Geschiedenis, die aan bovenstaande eischen voldoet. Eene geschiedenis, die aan belangwekkendheid en schoonheid van styi, wetenschappelijke juistheid en volledigheid paart. De bewerker, wiens naam op historisch gebied zoo'n goeden klank heeft, verhaalt op heldere, bevattelijke wijze in krachtigen styl, de geschiedenis van de vroegste tijden tot op heden.
KOLLEWIJN'S Geïllustreerde Algemeene Wereldgeschiedenis
wordt door ons rijk geïllustreerd uitgegeven met ruim 300 mooie platen, naar teekeningen van de groote specialiteiten op historisch gebied.
Dit werk verschijnt in 50 afl. a 15 ct. of in 4 fraaie flinke deelen. Prijs f 7.50 of in 4 prachtbanden f 9.50.
I U 2
Goedkoope uitgave van
Gebr. E. amp; M. Cohen te Nijmegen en te Arnhem,