ocr page 1

•m. a,quot; K w

f »4Êt

lA : #.?*gt;..•♦ Jm 'A * w- 2%«^^

tóv^lt;S^c' gt; W r^V'. • r^-'é»

l-'. J. •■:# .f«r

vS^ltfSinélè ■ 'Siw1 **(;-•'*. t-'ï.vl *gt;^S

w.*f- »quot;?•' ^

, ' f ' •CL;-'^- k t *■ • J ij, ■' • ., :a J| m.

- J?*** amp; cvgt;h? quot;wquot;

k JLf #,^1 * Ar' % Jquot; h-

W** ■'*■}'amp;% ':^¥i

Va

•gt;gt; -'jy' 3 'e ^* V vW^# ^ 'i

li. Kf*§»■* 'r ■ * • 1 *gt; « *%•« * / «V-va

K-.r^Sr -gt; iv. ^

k.v»? »♦.,.-amp;•■ r^''is laws

^gt;, .

193

ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

\

DUITSCHLAND IN WOELING EN STRIJD.

VOK8TEN EN DICHTERS.

I.

ocr page 6
ocr page 7

DOITSCHLAND IN WOELING EN STRIJD.

HISTORISCHE ROMAN

door

LOUISE MÜHLBACH.

Bewerkt door M. K.

i __

it'

VORSTEN EN DICHTERS.

bibliotica

CONV. wuchehs

oro. f** '■

EERSTE DEEL.

derde veel verbeterde druk.

Nijmegen amp; Arnhem. CiEBR. E. amp; M. COHEN,

ocr page 8

—

_

ocr page 9

fTrtr- j/ètt

vte^suewe-fónJi

/{a- /V-fiAa o-Wrati^a/L^-vyJi,

flfaih ill t^famp;oLpLak** ^

.e SHrmrie/ ■hqtA^wJ-c fate4Vé- ^ Cftrtri-e

EERSTE BOEK.

DE NIEUWE TIJD.

i.

FRIEDRICtl VON SCHILLER.

De eerzame, vredelievende bewonets van Mannheim, de hoofdstad van Keurpaltz, hadden zich reeds lang ter rusle begeven, en de straten waren eenzaam en ledig. Slechts aan het kleine, uitstekende venster van een hoekhuis aan het Slotplein brandde nog een somber, dof licht, alsof het slechts de schijn eener lamp was, die een ziekenkamer moest verlichten.

Maar de nachtwacht, die juist aan den hoek met luide stentorstem het derde morgenuur had aangekondigd, wist het beter; en toen hij den hoek omging, sloeg hij hoofdschuddend nog eens den blik naar het verlichte venster op.

„Mosjeu Schiller is nog niet naar bed gegaan,quot; zeide hij bij zich zelve; „en sclmjft misschien weder den geheelen nacht door. Maar ik wil het niet dulden. Ik heb immers mijnheer Streicher beloofd naar het venster te zullen opzien, en indien het licht nog na één uur brandt, daartegen te protesteeren. Nu, ik wil't heden dan eens probeeren, want een eerlijk man moet zijn belofte houden.quot;

En met luide, krachtige stem begon de nachtwacht te roepen; „Mijnheer Schiller! Hola! Mijnheer Schiller!quot;

Nu werd het verlichte venster door een schaduw verduisterd; men hoorde het geluid van een raam dat geopend werd, en een eenigszins scherpe stem vroeg; „Wie roept mij? Wie noemt mijn naam?''

ocr page 10

6

„Ik, mijnheer Schiller: ik, de nachtwacht Fabian!quot; schreeuwde de man naar boven.

„En wat wilt ge van mij, eerzame bewaker der deugdzame stad Mannheim?quot;

„Ik wil u verzoeken, mijnheer Schiller, zoo goed te zijn nw licht uit te doen, en naar bed te gaan.quot;

„En wonderlijk idee,quot; riep de stem luid lachend naar beneden; „hoe komt ge op dien zotten inval, en wat gaat den bewaker der straten, het licht achter mijn venster aan?quot;

„Het gaat mij eigenlijk niet aan, mijnheer; dat weetik zeer goed,quot; sprak de nachtwacht: „maar ik heb den muziekmeester mijner dochter, den heer Streicher, beloofd acht te geven op uw venster, en telkens als het licht in uw kamer na één uur brandt, u te roepen, en u in naam van uwen goeden vriend te verzoeken, uw licht uit te doen en naar bed te gaan.quot;

„Een zotte inval van mijnheer Streicher,quot; lachte de onzichtbare van boven: „het verwondert mij echter, dat ge zijn wil doet, en u dien last oplegt.quot;

„Verwonder u niet, mijnheer, want ik doe het niet voor niets. Mijnheer Streicher heeft mij gezegd dat ik telkens als ik u geroepen, — en in zijn naam verzocht had naar bed te gaan, voor de volgende klavierles mijner dochter slechts den halven prijs zou betalen, en ik verzoek u dus, mijnheer Schiller, zoo goed te zijn, morgen mijnheer Streicher te zeggen, dat ik gedaan heb wat hij van mij wilde. En nu moogt ge 't maken zooals ge wilt; ge moogt slapen of waken! Ik heb mijn plicht gedaan. Goeden nacht, mijnheer Schiller!quot;

„Goeden nacht!quot;

De dichter sloot haastig het venster, en trok bibberend den ouden, afgesleten rok, die hem tot slaaprok diende, over zijn borst samen.

„Die goede, trouwe Streicherquot;, prevelde hij : „hy is zulk een eerlijke ziel, en meent het zoo goed met mij, maar bij weet niet hoeveel leed hij mij heden gedaan heeft! Ik was juist in de schoonste geestvervoering; alle ramp an alle nooden des levens waren van mij geweken! Ik was niet meer koud; er waren geen pijnigende schuld-eischers, — geen zorgen en ook geene liefdessmarten

ocr page 11

7

meer! Ik was in uwen hemel, vader Zeus! En nu komt de bode van mijn vriend, en roept mij weder terug op de koude, armzalige aarde. Het vuur mijner goestdrift verdooft, en daardoor voel ik, dat er ook geen vuur meer in de kachel is!quot;

Zijn groote, blauwe oogen vestigden zich op de hooge zwarte kachel, waarin nog slechts eenige glimmende kolen zichtbaar waren.

„Geen vuur,quot; zuchtte Schiller schouderophalend : „maar ook geen hout om een nieuw vuur aan te leggen. Ach, arm, gebrekkelijk menschenkind! De gloeiende vlammen uwer ziele vermogen niet het verstijfde lichaam te verwarmen, en het proza des levens rukt u bestendig weder omlaag uit de gouden velden der poëzie! Maar neen, ik wil mij niet laten beheerschen door dezen dwingeland, het proza. Op mij zal het geen macht hebben, en ik wil het tarten! Vergeef mij, vriend Streicher, maar ik/tan uw wil niet doen! Uw nachtwacht heeft mij geroepen tot slapen, maar don Carlos roept mij om te waken! Ik mag den Spaanscben prins niet laten wachten. Gelukkig staat de pot met koffie nog in den haard; als zij nog warm is, zou het arme, rillende lichaam tóch geholpen zijn.quot;

Hij ging haastig door de schaarsch verlichte kamer naar den kachel, hurkte voor de haarstede neder, nam den bruinen koffiepot uit de asch, zette hem aan de lippen, dronk een langen teug, en schoof vervolgens met een haastige beweging den pot weder in den haard.

Het was een zonderlinge vertooning, deze lange, magere gestalte in den grijsgelen flanellen rok, die met de witte pluimmuts op het lioofd voor den haard hurkte, en zich met den koffiepot bezighield. Indien de vereerders en vereerderessen van den treurspeldichter Schiller hem zóó gezien hadden, zouden zij nooit geloofd hebben, dat deze jonge man in het armoedig, onbevallig toilet, — deze jonge man met de magere, lange hoekige gestalte, met het knokkige, niet fraaie gelaat, het geelachtig haar, dat, zonder staartlint, verward en ordeloos langs de ingevallen wangen nederviel, — de dichter van drie treurspelen was, die sedert eenige jaren geheel Duitschland met verbazing, bewondering en schrik vervulden, en die als de vuurzuilen van een nieuwen tijd, op het graf van

ocr page 12

8

den ouden, met verterende, gloeiende vlammen ten hemel opstegen.

Goethe had voor omstreeks tien jaren door zijn „Lijden van den jongen Wertherquot; geheel Duitschland met de tranenstroomen der geestvervoering vervuld, en dit wonderbare boek, — half roman, half werkelijkheid, — was als een brandstichtende bliksem in aller harten geslagen, alsof al deze harten slechts tonder waren geweest, die zich door het vuur van deze welsprekendheid, van dezen liefdegloed met zalige vreugde lieten vernietigen, en stervende zich nog gelukkig roemden, door zulk een hemel-gloed verteerd te worden, — Goethe's Werther was in de woeling en strijd, als eene openbaring van den wereldgeest, — als een heraut der verjonging van Duitschland, ja van geheel Europa, — ontvangen geworden. Kniebuigend had ieder met vrome verrukking naar deze hemelsche stem geluisterd, die met den heiligen storm van den hartstocht de harten uit hun slaap schudde, en ze uit de genoegzaamheid van het proza opwekte tot den verheven storm' en drang der poëzie, — tot de zalige smart, van onbevredigd verlangen en hemelbestormende liefde.

En thans, nu de gemoederen nauwelijks bedaard waren, nu de verblinde oogen nauwelijks gewoon waren aan het wonderbare hemelsche licht, dat hun uit „Werther,, tegen-flikkerde, — thans na nauwelijks tien jaren, ontstond reeds voor hen een tweede wonder, had de storm- en drangperiode—wier vader en oorzaak Klinger met zijne hemelbestormende drama's was geweest, — reeds een nieuwen genius geboren, en een nieuw licht was over Duitschland opgegaan!

In 'tjaar 1774 had Goethe zijn roman ,,Het lijden van den jongen Wertherquot; uitgegeven. Geheel Duitschland, — ja geheel Europa had met hartstochtelijke vervoering, met tranenrijk medelijden, hem toegejuicht als den wonderbaren toondichter, die het lijden en de smarten, de harten en de zielen van iederen afzonderlijken mensch bewogen, had samengevat tot een verhevene sympho-nie, waarin iedere zucht, elke gedachte der lijdende, wee-nende, genietende en juichende menschheid haar stem en uitdrukking gevonden had

In 't jaar 1782 werd Schiller's eerste treurspel „de Roo-

ocr page 13

9

versquot; voor het eerst opgevoerd, en de uilwerking ervan was van de ongehoordste, duurzaamste gevolgen. Had Goethe door zijn Werther aller harten met de verrukking voor liefde en teergevoeligheid, vervuld, — Schiller vervulde met zijn „Roover.squot; aller harten met de verrukking voor de vrijheid, met den haat tegen de dwingelandij ! De persoonlijke grootheid en vrijheid van den mensch vonden in den edelen roover Karei Moor hare idealen vertegenwoordigd; en niet alleen alle jonge meisjes, maar ook alle jongelingen dweepten met den hooghartigen roover, en vervulden hun gemoed met afschuw en verachting voor de dwingelanden, die den edelsten man er toe gebracht hadden, dat hij, om de ellendige slavenketen der vorstendienaarschap te ontgaan, naar de Boheemsche bosschen vluchten, — en roover worden moest.

De geestvervoering voor den vrijheidsheld, voor den roover Karei Moor, doorgloeide tegelijkertijd aller harten met haat tegen de dwingelanden. De opspringende leeuw, die op de gedrukte exemplaren van den Roover te zien was, en het omschritt: „In tyrannosquot; droeg, was slechts het portret van het Duitsche volk, dat, door Schiller's tragedie tot in het diepste merg van zijn wezen opgewonden, met toornigen trots opstond tegen de dwingelandij, en van zijn eigenwaarde en voortreffelijkheid als mensch meer bewustheid verkreeg, door de bezielende woorden van Karei Moor.

„Zoo ik,quot; zeide destijds een Duitsch Vorst, „zoo ik bij de schepping der wereld als God werkzaam ware geweest, en had kunnen vooruitzien dat in deze wereld de roovers zouden bezongen worden, zou ik de wereld niei geschapen hebben!'' —

In een Duitsche stad, waar de Hoovers werden opgevoerd, maakte de voorstelling zulk een geweldigen indi'uk op de gemoederen der jeugd, dat twaalf leerlingen van het gymnasium het plan ontwierpen, heimelijk de huizen hunner ouders te ontvlieden, en naar de Boheemsche wouden te gaan, om een rooversbende te vormen. Beeds waren alle maatregelen genomen, en in den eerstkomenden nacht zouden de twaalf toekomstige roovers buiten de poort op een bepaalde plaats bijeenkomen, toen een der jonge helden bij den laatsten goedennachtkus, dien hij aan zijne

ocr page 14

10

moeder gaf, zijn tranen niet kon weêrhouden, en hierdoor tot de ontdekking van het groote geheim, — en dè ontbinding der aanstaande jonge rooversbende voerde. Had het Duitsche publiek met den zich zelf vermoordenden liefdeheld Werther gedweept, — thans kwam het in verrukking voor den zich zelf vermoordenden rooverheld Karei Moor; en zooals het destijds voor de Ziefde was opgetogen, was het nu opgetogen voor de vrijheid, — voor de edele, fiere menschheid! En de dichter Schiller gaf aan deze verrukking steeds nieuw voedsel. Op zijne ,,Rooversquot; volgde spoedig een nieuwe tragedie der vrijheid, „Fiesco,quot; en de opschudding, welke dit treurspel teweeg bracht, moest tóch nog overtrolfen worden door de sensatie, welke Schiller's derde treurspel; „Louise Müllerin, oder Kabale und Liebequot; in geheel Duitschland verwekte. Dit was tegelijk een verheerlijking der edele liefde, van het fiere mensche-lijke hart, en eene vervloeking van het gewone vooroordeel, dat zich aanmatigde den adel en de voorname geboorte als een onderscheiding én voorrecht voor te stellen.

De Roovers, Fiesco en Kabaal en Liefde waren de vlammende brandfakkels der revolutie, die in Duitschland ter zelfder tijd in de geesten zou plaats hebben, als zij in Frankrijk op stoflelijke wijze aan de lichamen plaatshad. In Frankrijk bracht men het koningschap en den adel onder de guillotine, in Duitschland brandmerkten hen de Vorst en de hofmaarschalk in „Kabaal en Liefde.quot;

Goethe had aan het Duitsche publiek het ideaal der lietde gegeven, — Schiller gaf 'thet ideaal der vrijheid. En Duitschland dweepte met evenveel vuur voor den dichter der „Roovers,quot; als het voor den dichter van „Wertherquot; gedweept had.

Maar ach! De dweperij en de geestdrift van het publiek openbaart zich wèl in woorden en lofzangen, maar niet in daden en stoffelijke bewijzen; en de vereerders geven aan hunne dichters wel een gedeelte van hun hart, — maar niet van hunne beurs!

Schiller had aan de Duitschers zijn drie tragediën gegeven; zij waren in vollen zegepraal over alle Duitsche too-neelen gegaan, maar Schiller was evenwel nog altoos de arme dichter gebleven, wiens éénige bezitting de onzichtbare lauweren waren, die zijn hoog voorhoofd sierden, en

ocr page 15

11

die het enthusiasme Ier Duitschers hem toegekend had.

Met deze lauweren op het edel, jeugdig hoofd, zagen hem in hunne verrukte gedachten zijne ontelbare bewonderaars, en zij zouden verbijsterd zijn geweest, zoo zij thans den edelen dichter der „Rooversquot; hadden gezien, hoe hij in een slaaprok, met de pluimmuts over de onzichtbare lauweren voor zijn kachel zat, en de kolen met zijn mond aanblies, opdat de koffiepot een weinig verwarmd zou worden.

Maar het was een vruchtelooze poging. De kolen waren aan 't uitgaan, en de a-dem van den dichter was niet sterk genoeg, om ze een nieuwen gloed te verleenen.

„Het is vruchteloos,quot; zuchtte Schiller, terwijl hij met troosteloos gebaar den ioffiepot in de asch zette: „waar geen hout is, kan geen ^ua r branden.quot;

Hij hief zich langzaam uit zijn knielende houding op en ging, de handen op den rug gevouwen, met groote schreden in zijn kleine kamer op en neer. De dolle vetkaars, die op de met papieren en boeken bedekte tafel stond, flikkerde hooger op, telkens als Schiller met haastigen tred naderde, ert verlichtte dan helderder de groote, magere gestalte, en het bleek gelaat met het hooge voor-hootd en de lichtblauwe oogen. Aanvankelijk was dit gelaat somber en ontstemd geweest; maar allengs nam het eene andere uitdrukking aan, en spoedig vertoonde het opflikkerende -vuuraan het duistere kamertje het gelaat van een bezielden dichter, met glinsterende oogen en vroolijken glimlach.

„Ja,quot; riep hij met luide, krachtige stem; „Ja, zóó zal het zijn! Dit toonel Avil ik aan het derde bedrijf toevoegen, en het moet bet verhevenste en grootste van het ge-heele treurspel worden. Niet aan prins Carlos of de koningin zal Posa zijne quot;verhevene vrijheidsideën, en zijne theori-ên om het volk gelulckig te maken, verkondigen. Neen, hij zal ze Koning Filips, den tiran zeiven in't aangezicht slingeren ; hij zal met den vurigen bliksem zijner woorden deze rots der dwingelandij verwarmen, en in de borst van den menschenhatenden, bijgeloovigen heerscher, de bron der geestvervoering, der menschlievendheid laten opwellen! O, eeuwige goden, geeft mij woorden, bezielt mijne gedachten en ontvlarat mijn geestdrift, opdat ik kunne

ocr page 16

12

zeggen en uitdrukken, wat mijn geheele ziel thans met een stroom van verrukking en poëzie vervult!quot;

Hij ijlde naar zijn schrijftafel, en wierp zich met zulk een geweld op den ouden mattenstoel, dat die kraakte. Maar Schiller lotte er niet op; zijn geheele ziel was bij zijn werk, zijn geheele hart was vol geestvervoering en verrukking. Met vliegende haast vloog zijn hand over het papier, en steedfs helderder werd zijn glimlach, steeds bezielder de uitdrukking van zijn gelaat. Somwijlen riep hij met luide, krachtige stem zich zeiven de woorden toe, welke de vliegende pen op het papier wierp, opdat zij daarna voor alle eeuwigheid in de harten zijner lezers zouden geprent blijven. Maar Schiller dacht niet aan zijne lezers en niet aan de mogelijke uitwerking zijners woorden; hij dacht slechts aan zijn werk. Zijn geheele ziel was slechts vervuld van de poëzie, van de verhevenheid van het grootsche tooneel, hetwelk hij bij zijn tragedie wilde voegen.

„O,quot; riep hij nu, en als een afgeschoten pijl vloog de pen over het ritselende papier: „o, kon de welsprekendheid van al de duizenden die in dit grootsche uur betrokken zijn, op mijne lippen zweven, om den straal, dien ik in deze oogen bemerk, tot een vlam te verheffen. „Zie af van de onnatuurlijke vergoding, die ons vernietigd. Word voor ons het toonbeeld van het eeuwige en ware, en —''

Een luid, heftig hoesten deed den opgewonden dichter afbreken; hij moest zijn reciet staken; de pen rustte in zijn trillende hand, en uit het verheven rijk van het ideale, riep de lichaamspijn den dichter weder terug tot de werkelijkheid.

Hij liet de pen, — de pijl die de goden hem gegeven hadden, opdat hij al de wolken van het vooroordeel ermede verdeelen, en voor de verrukte menschheid den hemel der poëzie openen zou, — hij liet de pen vallen, en legde de hand op zijn bevende, hijgende borst

„Welk een pijn doet dit, en hoe steekt het!quot; kreunde hij; „Is 't niet alsof de tiran Filips, in den toorn zijner beleedigde majesteit, mijn armen Posa den dolk in de borst ges too ten had, en —quot;

Een nieuwe hoestbui deed hem verstommen, en vulde met zijn luiden klank de stille, eenzame kamer. Het klonk

ocr page 17

13

hem zeiven akelig en schrikbarend, en hij zag met een zonderling haastigen blik achter zich in de duistere ruimte, alsof hij daar het spooksel zocht, dat zulke treurige klanken liet hooren.

„Als dat zóó voortgaat, is 't nauwelijks de moeite waardig geweest dat ik mijn tirannieken hertog ontloopen ben,quot;'' prevelde Schiller; „ik zou dan waarlijk beter hebben gedaan, mijn arm, ellendig leven rustig uit te dienen als regiments-chirurgijn, in plaats van het hier uit te hoesten als Duitsch, -- dat is te zeggen; als hongerig dichter.quot;

Doch terwijl hij dit zeide, trok hij minachtend zijn lippen omhoog, en een edele verontwaardiging sprak uit zijn open, bewegelijk gelaat.

„Stil,quot; riep hij: „stil; schaam u. Schiller, dat ge zulke onmannelijke, zulke lafhartige woorden spreken kunt. Gij wilt een dichter zijn, Friedrich Schiller, en zijt niets eens een man! Ge wilt de hoogten van den Parnassus beklimmen, en zinkt reeds versaagd en moedeloos ineen, als u op den tocht een ongemak treft, en u herinnert: dat ge slechts een mensch zijt; een mensch, die het waagt tot den zetel der goden op te klimmen. Zoo ge een dichter zijt, Friedich Schiller, bedenk dan, dat de goden over u waken, en dat zij u niet terhal ver wege wreed zullen verlaten.quot;

„Neen,quot; riep hij met luide, machtige stem, terwijl hij hoofd en blik ophief: „neen, de goden zullen mij niet verlaten! Zij zullen mij kracht en gezondheid en een lang leven verleenen, opdat ik de taak volbrenge^ welke zij mij in ziel en geest en hart gelegd hebben. Neen; de Parnassus staat boven mij, en ik zal hem beklimmen!quot;

En zijn oog blikte stralend en vol zaligheid opwaarts; zag niet de lage, donkere zoldering zijner kamer, noch des levens nood en behoeften, die hem omgaven! Zijn vlammende blik zag in het oneindige; voor hem opende zich de lage zoldering „en hij zag den hemel open, en het aangezicht der zaligen!quot;

Een luid gerucht, dat van de straat tot hem doordrong, wekte hem uit zijn geestvervoering. Het was de nachtwacht, die op zijn hoorn blies, en vervolgens met schetterende stem het uur uitriep.

„Vier uur,quot; prevelde Schiller; „de nacht loopt ten

ocr page 18

14

einde! — En mijn licht ook,quot; voer hij glimlachend voort, terwijl hij naar den koperen kandelaar zag, van welks bovenrand het gesmolten vet met groote droppels neder-viel, terwijl de pit er schier in verdronk.

Schiller haalde de schouders op. „Ik moet dus nu tóch midden in mijn groot tooneel ophouden, en naar bed gaan,quot; zeide hij: „mijn goede vriend Streicher heeft mij door zijn toeterenden liefdebode vruchteloos er toe verzocht, en nu dwingt mij een vetkaars er toe! Ach, welke armzalige schepsels zijn wij menschen toch! Een nietig, wezenloos, stoffelijk ding heeft meer macht over ons, dan de geest; en terwijl wij dezen tegenstaan moeten wij ons doordat niets laten onderwerpen! Naar bed dus, naar bed! Vaarwel, mijn Posa! Het arme menschelijk schepsel verwijdert zich voor eenige uren van u, maar de verhevene men-schelijke geest keert spoedig tot u terug! Goeden nacht, mijn Posa!quot;

Juist vlamde de pit van het armzalige licht nog eens op, en ging toen zacht knetteren in 't gesmolten vet uit. „Zóó is het goed,quot; lachte Schiller; „de dichter moet gelijk de muilezel, ook in het donker zijn weg langs den rand van een afgrond weten te betreden!''

Hij tastte door de kleine kamer naar zijn slaapvertrek, ontkleedde zich haastig, en spoedig verkondigde zijn luide, gelijkmatige ademhaling, dat een weldadige, verkwikkende slaap op het hoofd van den jongen dichter Friedrich Schiller was nedergedaald.

II.

DE NOOD DES LEVENS.

Friedrich Schiller sliep nog steeds, hoewel de bleeke Decemberzon reeds tamelijk hoog aan den hemel stond, en het kleinsteedsche leven op de straten van Mannheim reeds lang ontwaakt was. Friedrich Schiller sliep nog altijd en zou, — door het lange nachtwaken, het werken en hoesten vermoeid, zeker nog lang geslapen hebben,

ocr page 19

15

zoo niet een luid kloppen aan zijn deur en vervolgens een haastige tred, den dichter gewekt hadden.

Een jonge man stond op den drempel der kamerdeur, en riep Schiller een krachtigen morgengroet toe.

„Dat komt er van. Frits,quot; zeide hij hem met den vinger dreigende: „des nachts niet in het bed, des morgens niet uit het bed! Ik heb u toch den nachtwacht als liefdebode gezonden, maar hij heeft mij reeds geklaagd dat het vergeefs was geweest.quot;

„Wees niet boos, mijn Andreas,quot; riep Schiller glimlachend, terwijl hij zijn vriend de hand toestak: „Weet ge, een dichter moet toch vóór alles een gehoorzaam dienaar der Muzen zijn, en mag haar de deur niet wijzen, schoon zij ook op ongeschikte wijze hem des nachts een bezoek brengen,quot;

„O, de negen Muzen zouden ook tevreden zijn geweest, zoo ge ze afgewezen, — en vergund hadt heden weder bij u aan te kloppen! Maar sta op, Fritsje; ik heb u helaas over iets noodzakelijks en ernstigs te spreken!quot;

Friedrich Schiller was in éen sprong uit het bed. — „Noodzakelijks en ernstigs,quot; herhaalde hij, terwijl hij zich haastig kleedde: „dat klinkt voorzeker zeer geheimzinnigj Andreas; en nu ik u aanzie, vind ik, dat op uw anders zoo kalm voorhoofd een zeer donkere wolk ligt. 't Is toch geen ongeluk wat ge mij wilt aankondigen?quot;

„Neen, Frits; een ongeluk, Goddank niet, maar een groote onaangenaamheid,quot; zuchtte Andreas Streicher: „de infame, ellendige armoede steekt wederom hare klauwen naar ons uit, en wil ons krabben en folteren.quot;

„Wat is 't ?quot; vroeg Schiller buiten adem, terwijl hij met bevende handen zijn slaaprok aanschoot: „Ik ben nu gereed, en voorbereid om alles te hooren. Een of andere schuldeischer, die geen geduld meer hebben, — en mij in de gevangenis werpen wil, nietwaar? Zeg het maar ronduit, Andreas, geen omwegen!quot;

„Nu, ga met mij in de huiskamer, en dan zult ge alles vernemen,quot; zeide Andreas Streicher, terwijl hij zijn vriend de hand reikte en de kamerdeur, welke hij bij zijn binnenkomen achter zich gesloten had, haastig opende: „Kom en zie!quot;

„Mijnheer Schwelm,quot; riep Schiller, toen hij, de kamer

ocr page 20

16

intredende, den heer gewaar werd, die met tamelijk onrustig gelaat in de vensternis stond; „Ja, waarlijk, het is onze'waarde trouwe Oswald Schwelm uit Stutgart; de literarische doop vader onzer dichterlijke loopbaan, en — Maar. mijn Hemel, hoe teurig ziet ge er uit, lieve Schwolm ; en geen enkel vriendelijk woord tot begroeting hebt ge voor mij?quot;

„Ach, Schiller, het zijn slechte tijden,quot; zuchtte Oswald Schwelm: „de angst en nood des levens hebben mij uit Stuigart, en als een zeer onwelkomen gast tot u gedreven. Geloof slechts, dat ik zelf het diep beklaag, maar ik kan het niet veranderen, en 'tis niet mijn schuld! Ik zou voorwaar gaarne alles geven voor mijn lieven vriend Schiller, maar ik heb niets meer; en hoe onaangenaam het mij ook is, ik moet u thans manen om de oude schuld.quot;

„Dat is het dus,quot; prevelde Schiller, terwijl hij als machteloos op een stoel nederzonk; „Ge wilt geld van mij hebben! Gij komt dus niet om een ouden vriend te bezoeken, maar om een schuldenaar te manen,quot;

„Wees niet hard tegen hem, Schiller,quot; zeide Streicher, zich tot hem vooroverbuigende; „De arme Schwelm is in den grootsten nood en verlegenheid. Ge weet immers, hij heeft destijds, — toen geen enkele boekhandel zich wilde laten vinden om uwe „Rooversquot; te drukken, —bij den drukker te Stutgart voor u goed gesproken wegens de kosten van drukken en papier voor de „Roovers,quot; wijl hij evenals wij allen overtuigd was, dat de „Rooversquot; u spoedig tot een beroemd dichter zullen maken, en u niet alleen eer en roem, — maar ook geld zouden aanbrengen. Nu is het geld, helaas, tot heden uitgebleven, en de arme Oswald quot;Schwelm heeft hierbij nog het ongeluk gehad, dat het handelshuis, waarin hij zijn kapitalen had belegd, bankroet is gegaan, en bij zijn vermogen verloren beeft. Sedert vervolgt de boekdrukker hem op onbeschaamde wijze, en heeft zelfs een bevel tot gijzeling tegen Schwelm verkregen. Otn de gijzeling te ontgaan, is Schwelm uit Stutgart gevlucht en hier gekomen.quot;

„Vergeef mij, vriend,quot; riep Schiller, terwijl hij opsprong en den jongen koopman Schwelm omhelsde; „Ach, mijn goede, geliefde vrienden; gij hebt u in mij en de toe-

ocr page 21

17

komst, naar 't schijnt, deerlijk misrekend, en de hoogvliegende plannen, die wij in vroolijken, jeugdigen lust verzonnen zullen zich niet verwezenlijken.quot;

„Zij hebben zich immers gedeeltelijk reeds verwezenlijkt,quot; zeide Schwelm zacht; „ge zijt een beroemd dichter; geheel Duitschland bewondert en roemt u ! Op alle too-neelen worden de „Rooversquot; gegeven — quot;

„En ik heb niet eens driehonderd gulden,quot; viel Schiller hem smartelijk in de rede; „niet eens een ellendige driehonderd gulden, om ze den vriend terug te geven, die mij vertrouwd heeft, die borg voor mij is gebleven, en die nu door mij in ongelegenheid en nood komen moet!quot;

„Het is u dus niet gelukt het geld bijeen te krijgen?quot; vroeg Streicher treurig; „Ik deelde u toch reeds voor veertien dagen den noodkreet en angstbrief mede, dien de goede Schwelm aan mij gericht had, en gij beloofdet het geld te bezorgen. Mijn Hemel, ik wilde er u sedert niet meer om vragen, wijl ik wist dat ge stellig geen middel onbeproefd zoudt laten om het geld te verkrijgen.quot;

„Tk heb ook geen middel onbeproefd gelaten,quot; riep Schiller met toornig gebaar; „maar wat zal ik zeggen? Het talent van een dichter is zulk een erbarmelijk kapitaal, dat niemand er op borgen ot voorschieten wil! De paar gulden, welke ik voor de opvoering der Roovers en Fiesco ontvangen heb, zijn nauwelijks toereikend voor mijn noodwendige levensbehoeften; en toen ik mijnheer den intendant von Dalberg verzocht mij op „Kabaal en Liefdequot; ten minste een voorschot van driehonderd gulden te geven, — vermits de heer intendant toch het drama wilde laten opvoeren, — weigerde hij ze mij, en ik heb de vernedering moeten verduren, door den voornamen beer als een arme, bedelende schrijver afgewezen te worden!quot;

„En uw vader?quot; vroeg Andreas Streicher bedeesd; „Hebt ge niet gezegd, dat gij u tot uwen vader, den heer majoor Schiller wildet wenden?quot;

.,Dat heb ik óók gedaan,quot; antwoordde Schiller zuchtend ; „ik heb hem uit een volle en bewogene ziel geschreven, en hem al mijn nood en zorgen voorgesteld; ik heb hem gebeden zich over zijn armen zoon te ontfermen, hem slechts dezen éénen keer bij te staan, en uit deze verlegenheid te helpen. Maar 't schijnt dat mijne woorden de kracht Kühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. III. 2

ocr page 22

18

niet hebben gehad zijn vaderhart te bewegen; want ik heb tot hiertoe vruchteloos eiken postdag antwoord verwacht. Heden weder schijnt de post, die van Stutgart komt, mij geen brief gebracht te hebben; want ik geloof toch dat het gewone uur waarop de brieven besteld worden, reeds lang voorbij is. Dus moet ik nu weder drie dagen geduldig naar antwoord wachten, en de volgende post veroordeelt mij dan wellicht opnieuw tot geduld. Ach, vrienden; kondt ge in mijn binnenste zien, kondt ge beseffen, wat ik lijd door deze vernedering, deze foltering! Mijn God, ik ben immers, wat mijn persoon betreft, gaarne bereid te ontberen en te derven; mij met het geringste te vergenoegen, ja zelfs te hongeren en te dorsten voor het verhevene, grootsche doel 't welk ik mij gesteld heb! De weg eens dichters is steeds doornig geweest, en de armoede was altoos de vriendin en gezellin der poëzie. Ik geef daar niet om; ik begeer geen schatten, en indien zelfs de verzoeker thans, in dit uur van nood en smart tot mij kwam, en mij een millioen bood, maar op voorwaarde dat ik daarvoor van de poëzie moest afzien, en geen tooneelstukken meer mocht schrijven, zou ik het millioen met verachting afwijzen, en duizendmaal liever een arme tooneeldichter, — dan een rijke ledigganger willen zijn. Maar dit ik u, mijne vrienden, om mijnentwille in verlegenheid en zorg zie, dat gij voor mij lijden moet en ik u niet helpen kan, dit is inderdaad voor mij een bittere lijdenskelk, en —quot;

„De brievenbesteller!quot; riep Streicher verheugd, toen juist na bedeesd kloppen de deur zacht geopend werd, en een man in de uniform der Thurn-en-ïaxissche postbeambten binnentrad.

„Een brief uit Ludwigsburg. Tien kreuzer port,quot; zei de brievenbesteller, den grooten verzegelden brief aanbiedende.

„Tien kreuzer,quot; zuchtte Schiller, en hij zocht met bevonden haast in de zakken van zijn slaaprok, en vervolgens in de lade van zijn schrijftafel.

„Hier zijn tien kreuzer, ingeval ge soms geen klein geld mocht hebben,quot; zei Streicher haastig, terwijl hij den brievenbesteller hot geld reikte, en den brief van hem in ontvangst nam. — „En hier is uw brief, vriend Schiller. Is hij van uw vader?quot;

ocr page 23

49

„Ja, vrienden, hij is van hèm!quot; riep Schiller: „En nu mogen de goede goden mij genadig zijn geweest, en hel. hart van mijn vader voor de bede zijns zoons ereopend hebben.quot;

Hij scheurde met ongeduldigen haast het couvert open, en sloeg het groote samengevouwen papier uiteen. — „Ach, vrienden,quot; zuchtte hij: „het is een zeer lange brief, en dit beduidt niets goeds, want wie iets toestaan wil, gebruikt niet veel woorden; maar wie weigeren wil, is spraakzaam en omkleedt zijn „neenquot; in zeer sierlijke woordenpraal. Laat mij nu lezen!quot;

Er ontstond een pauze. Schiller, op zijn stoel voor de schrijftafel zittende, den arm over de leuning gelegd, hield den brief zijns vaders in de hand en las hem, terwijl Andreas Streicher en Oswald Schwelm, tegenover hem in de versternis staande, hem met gespannen gelaat en angstige oplettendheid gadesloegen. Zij zagen, dat Schiller's voorhooid meer en meer betrok, dat zijne wangen nóg bleeker werden, en de mondhoeken zich trillend optrokken, gelijk zij altijd deden als toorn of smart de ziel des dichters bewoog.

„Lees, Andreas,'quot; riep Schiller na lang zwijgen, terwijl hij Andreas Streicher den brief overreikte: „lees den brief mijns vaders luid voor, opdat gij beiden weet hoe het met mij staat, en erkent dat ik niets ben dan een arme, ellendige droomer, dien men met ruwe woorden uit zijne illusion moet wekken, en dien niemand gelooft,—zelfs zijn eigen vader niet! Andreas, lees de strafpredikatie, welke mijn vader tot zijn ontaarden zoon gericht heelt. Ik wil het mij als boete opleggen, deze harde woorden van uwe lippen te hooren, en zij zullen er u misschien toe brengen met mijn vader in te stemmen, en mij óók op te geven. Lees dus, Andreas!quot;

Streicher nam den hem gereikten brief en las:

„Mijn zoon! Hier zit ik, heb uw brief voor mij, en hen er van droefheid door tot tranen bewogen. Reeds lang heb ik uw tegenwoordigen toestand kunnen voorzien, waarvan het begin reeds te Stutgart gemaakt werd. Ik heb er u trouw voor gewaarschuwd, u de beste vermaning gegeven om alle vertering, die uwe inkomsten overtrelïen, te vermijden, en u in geen schulden te steken, die wel

ocr page 24

20

spoedig gemaakt, — maar moeielijk te voldoen zijn. Ik heb u, toen ge van de academie kwaamt, volkomen uitgerust; onze genadigste hertog heeft u voor een begin en voor uwe diensten een loon gegeven, waarmede gij als ongehuwd mensch, mèt hetgeen uwe ouders nog dagelijks tot eenigo verlichting deden, wel hadt kunnen toekomen ; — maar nu hebben al deze voordeelen, al mijne lessen, alle hoop ook op aanstaande betere uitzichten alhier, niets gebaat, ge hebt al mijne gronden bestreden, al mijne ondervinding en die van anderen terzijde gesteld, en slechts zulke hersenschimmen en menschen gevolgd, die u in het verderf moesten storten. God zelf heeft in Zijne wijsheid en goedheid geen anderen weg voor uwe zelfkennis kunnen kiezen, dan u in den uitersten nood te laten komen; u te doen gevoelen dat al ons eigen weten en kunnen, — al onze hoop op andere menschen, op gelukkige toevallen als anderszins, meestal ijdel, dwaas en vruchteloos zijn, en dat Hij het is. Die eeniglijk hulp verschaft aan allen, die met ernst en geduld er om bidden!quot;

,.Alsof ik dat niet gedaan had/' viel Schiller den voorlezer in de rede: „alsof ik niet met vurige ziel en in diepen ootmoed den grooten Bestuurder van het lot der menschen hierboven gesmeekt heb, een straal Zijner genade te laten nederdalen op het hoofd van hém, die van zich gelooft heelt, dat hij de heilige roeping der poëzie moest volgen, en hiervoor met blijmoedig vertrouwen alle andere aardsche uitzichten en verwachtingen heeft opgegeven. Maar mijn vurige gebeden zijn vruchteloos gebleven ; geen straal van ontferming heeft mijn armoedige, donkere kamer verlicht; en zoowel door God als door de menschen wordt de dichter met een toornige weigering als een bedelaar afgewezen! — Lees nu verder, vriend Streiches! Ik wil den kelk der smart tot op den bodem ledigen, en geen droppel alsem zal er in ovei'blijven. Lees dus, Andreas!quot;

„Maar, Friedrich,'' bad Stretcher met geroerde, smee-kende stem: „waarom wilt ge u zei ven en ons de pijniging opleggen, deze harde woorden te lezen? Mijnheer uw vader meent het zekerlijk goed met u. Hij is een zeer braaf en eerlijk man; maar hij beschouwt de wereld van zijn standpunt met andere oogen, dan zij den dichter van de hoogte

ocr page 25

21

van den Parnassus schijnen kan. Hij wil u meten met den maatstaf van het gewone, en deze past niet voor Friedrich Schiller. Dat uw vader u de verzochte driehonderd gulden niet betalen wil, hebben wij reeds gezien uit de inleiding van den brief, — en dit is genoeg.quot;

„Neen, dat is niet genoeg!'' riep Schiller heftig: „Gij moet weten hoe mijn eigen vader over mij denkt, opdat ook gij u niet langer illusies over mij maakt, en mij soms niet den een of anderen dag verwijt, dat ik u met mijne droomerijen besmet, — en u verwachtingen voorgespiegeld heb, waarvan geen enkele zich mocht verwezenlijken. Lees dus, Andreas, ik verzoek het u; want het komt mij voor, dat de geeselende woorden van den vaderlijken toorn mij verontschuldigen, en genoeg boete zijn voor mijne droomerijen. Lees!quot;

„Nu, als ge het volstrekt wilt. Frits, zal ik voortgaan,quot; zuchtte Andreas Streicher, — en met luide stem las hij nu verder: „Bij al den tegenspoed dien ge sedeit uwe verwijdering ondervonden hebt, zijt ge nog niet verootmoedigd, en slechts door dwang geleerd geworden. Dat ge acht maanden lang aan afwisselende koorts geleden hebt, doet uw studie geen eer aan, en ge zoudt een patient gewis in hetzelfde geval de bitterste verwijten gedaan hebben, dat hij zich niet in dieet en leefregel naar het voorschrift gedragen had. De mepsch wordt waarlijk niet altijd, wat de omstandigheden willen; hij zou anders slechts een machine zijn. Mijn lieve zoon, ge hebt nog niet recht met u zeiven gestreden, en het is hoogst onbetamelijk en zondig, uw wrevel op de opleiding aan de academie te werpen. Daar zijn vele goede menschen uit voortgekomen, die evenmin ondersteuning genoten of verlangd hebben, en zij komen thans vooruit, zijn geacht en verzorgd. Hoe meent ge wel, dat wij, uwe ouders te moede zijn, als wij er aan denken, dat ge in al uwe ongelegenheid niet gekomen zoudt zijn, — dat wij duizende zorgen om uwentwile niet gehad zouden hebben, — dat ge gewis thans wat ge zocht, bereikt zoudt hebben, zoo ge hier waart gebleven; dat ge in 't geheel gelukkiger, meer tevreden met u zeiven, en in de wereld bruikbaarder zoudt zijn, zoo ge meer op den middenweg waart gebleven, en geen naam hadt willen maken. Het is echter volstrekt niet noodig, dat

ocr page 26

22

een groot talent zich ook door uiterliik vertoon moet onderscheiden ; ten minste, zoolang men niet behoorlijk nut van zijn krachten heeft getrokken, en dan kan zeggen en bewijzen : dit en dat heb ik aan mijn vlijt en mijn hoofd te danken. De predikant Hahn en de predikant Fulda zijn beiden groote mannen, die door alle reizende geleerden bezocht worden; zij maken echter niet meer vertoon dan ieder ander. Wat de verlangde driehonderd gulden betreft, deze aanvraag heeft mij in de uiterste misnoegdheid gebracht. Ik heb u nooit aanleiding gegeven te denken; mijn vader kan, en zal mij redden als ik in verlegenheid kom; en gij weet immers zelf, dat ik nóg drie kinderen heb, van welke nog niet'één verzorgd is, en die om uwentwille reeds veel te kort komen. Met uwe vooruitzichten, verwachtingen, plannen en beloften kan ik niet instemmen, te minder wijl ik hierin reeds zoozeer teleurgesteld ben, en indien ik er ook al eenigsins aan gelooven wilde, zou ik tóch niet in staat zijn ergens geld op te nemen; want hoezeer ik als eerlijk man bekend ben, kent men toch mijn geldelijken toestand en mijne bezoldiging, en weet men, dat ik niet in staat zou zijn een schuld van twee tot driehonderd gulden van mijne gewone inkomsten terug te geven. Overigens kan ik niets anders doen dan voor u bidden! Uw toegenegen vader. Schiller.quot;—')

„Kan niets anders doen dan bidden en knorren!quot; riep Schiller opgewonden : „Nu ziet ge welk een nietwaardi-ge, erbarmelijke kerel ik ben. A.1 de hoop, welke mijne familie, mijne vrienden, — ja welke ik zelf op mij en mijn talent gesteld had, is tot water geworden, heeft zich in rook en damp opgelost als een hoop brandend stroo. Niets is waarheid gebleven, dan delast mijner schulden en mijne armoede. Mijn goede Oswald, gij hebt de dwaasheid gehad mij te gelooven, en een wissel op mijne toekomst te accepteeren. Nn moet ge tot uw eigen schade ondervinden, dat deze wissel geen waarde heeft, en mijn vader mij met recht verwijten doet, wijl ik den vermetelen moed heb gehad, om van een Wurtembergsch regiments chirurgijn een Duitschen dichter te willen maken!quot;

„Spreek zoo niet, Friedrich Schiller,quot; riep Streicher mot

1) Schiller's Beziehnngen zu Aelteren, Geschwistern und der Familie Wol-zogen. Stuttgart. Cottascher Verlag. 62. — 68.

ocr page 27

23

vuur; „uwe woorden zijn lasteringen, en geheel Duitsch-land zou verstoord op u zijn, zoo het die hoorde!quot;

„Maar geheel Duitschland zal zich wél wachten, mijne schulden te betalen. Zoo ik, die met heilige, trouwe opoffering, met vreugde bereid ben mijn geheel bestaan aan den dienst van het vaderland te wijden, en al mijne geestkrachten en talenten tot zijn nut, zijn leering en genoegen te geven — zoo ik van de Uuitsche natie wilde eischen dat ook zij mij een offer bracht, ja dat slechts ieder, die mijne treurspelen gelezen of gezien heeft, mij hiervoor één groschen leergeld, één groschen kijkgeld betaalde, zou iedereen loochenen dat hij mijne tragediën gelezen of gezien heeft, en zich schouderophalend afwenden van den bedelaar, die van het publiek nog iets' anders verlangde dan zijn handenklappenden bijval en zijn vluchtig vermaak. Ach, vrienden; ik ben zeer ellendig, zeer verslagen, want weet, dat dit niet de éénige groote schuld is, die mij plaagt. Er waren nog andere zielen, die op mijn dichttalent hoopten en vertrouwden, en zich door de „Rooversquot; lieten verleiden. Mijn edele vriendin, mevrouw von Wol-zogen, die den balling, toen hij uit Ludwigsburg gevlucht was, op haar landgoed Bauerbach een wijkplaats verleende, heeft nóg meer gedaan dan dat. Zij heeft mij, — toen ik na zeven maanden haar fraai Tusculum verliet, om verder de wereld in te gaan, — tweehonderd gulden geleend, welke ik plechtig beloofd heb, haar binnen een jaar terug te geven. Dat jaar is om; mijn edele vriendin heeft vast oj) mijn woord gerekend, want zij heeft deze som noodig voor de noodzakelijke aflossing eener hypotheek, die op haar landgoed ligt, en ik ben niet in staat mijn woord te vervullen. Ik moet het mij laten welgevallen, dat ze mij voor een afzetter, een bedrieger houdt, die haar met ijdele beloften van haar have en goed beroofd heott.quot;'

„Dat zal mevrouw von Wolzogen niet denken, want zij kent u!quot; riep Streicher.

„Zij zal het evenmin denken als ik het doe,quot; zei Oswald Schwelm zacht; „niet gij hebt schuld dat ge in geldelijke ongelegenheid zijt, en uw nood beschuldigt niet u, maar het Duitsche publiek, de Duitsche natie, die haren dichter gebrek laat lijden, terwijl zij opgetogen is over uwe werken; de Duitsche natie, die wél lauweren schenkt en kran-

ocr page 28

24

sen vlecht, maar niet weten wil dat men van lauweren niet leven kan, en kransen den dichter niet baten, zoo men hem ook niet de plaats bereidt, waar hij op zijn gemak de Muzen verwachten, — en rusten kan op zijne lauweren. Ach, Friedrich Schiller, als ik zoo zie,quot; hoe gij, een der edelste en verhevenste dichters, — hoe gij u door nietigen en erbarmelijken geldelijken nood moet laten plagen, dan vloeien mijne oogen over van droefheid, niet wegens u, maar wegens het Duitsche vaderland, dat zijne edelste zonen verloochent, terwijl het den vreemde huldigt, en met ophef iederen Italiaanschen kwakzalver ontvangt, die wel de goedheid wil hebben hier te komen, om voor zijn afgezaagde kunsten zijn beurs met het Duitsche geld le vullen.''

„Neen, neen, dat niet!quot; riep Schiller heftig: „Gij moogt het Duitsche vaderland niet verachten en versmaden, want 't is mij het hoogste en heiligste wat op aarde bestaat. Gelijk een echte, trouwe zoon nooit zijne moeder smaadt, — zelfs schoon hij meent dat zij onrechtvaardig jegens hem is geweest, — zoo mag ook de trouwe zoon van Germanië deze verhevene moeder niet schelden, maar moet haar met onveranderlijke, teedere liefde verkleefd en onderdanig blijven, al mocht zij hem niets willen bewilligen dan een wieg en een graf. Gelijk wij zeggen: „Wat God doet is welgedaan!quot; moeten wij ook zeggen; Wat Germanië doet is welgedaan!quot; Gelooft mij mijne vrienden, zoo ik het waarlijk verdien, en, — gelijk gij zegt en ik hoop,--waarlijk een dichter ben, — dan zal ook het Duitsche vaderland zich in liefde tot mij wenden, en mij voor het manna der poëzie, het brood des levens geven. Wien de goden den kus der onsterfelijkheid hebben geschonken, zullen de menschen niet laten verhongeren!quot;

„Amen,quot; zeide Streicher met een lichten zweem van spotternij.

„Ja, amen,quot; herhaalde Schiller glimlachend; „hetis goed, vriend Oswald dat ge door uwe vriendschappelijke verstoordheid den patriot in mij hebt opgewekt; want de patriot heeft mij nu over mijn nietigen aardschen nood heen-geholpen. O, vrienden, hebt slechts geduld en toegevendheid met mij. Alles zal wel beter worden, en zoo ik waarlijk een dichter ben, zullen de goden zich ook over mij

ocr page 29

25

ontfermen, en de dag der erkenning en des roems zal voor mij komen! Maar voorwaar; nóg heb ik u niets aan te bieden dan de hoop. Een wissel op de toekomst is het éénige wat ik u, mijn goede Oswald, geven kan voor het kapitaal dat ge mij geleend hebt.quot;

„Deze wissel is in mijn oog de heerlijkste en schoonste munt,quot; zeide Oswald Schwelm hartelijk: „en het is waarlijk niet uwe schuld, dat mijn hardvochtige schuldeischer hem óók niet zoo wil beschouwen, maar betaling vordert voor het drukken der „Roovers.quot; Nu, spreken wij niet meer hiervan, en vergeef mij. Schiller, dat ik u door mijn komst verontrust heb. Maar ik dacht, zooals ik zeide, niet aan de armzaligheid van het Duitsche vaderland, maar slechts aan den Duitschen dichter, die voor dat vaderland de „Roovers,quot; „Friescoquot; en „Kabaal en liefdequot; heeft geschreven, en ik hoopte dat de bijval hem rijk had gemaakt. Geef mij de hand. Schiller, en laat ons afscheid nemen.

„En wat wilt ge doen, mijn arme vriend?' vroeg Schiller bewogen; ,,Zult ge naar Stutgart terugkeeren, waar de hardvochtige schuldeischer u bedreigt?''

„Neen,quot; antwoordde Oswald: „neen, ik zal niet naar Stutgart terugkeeren; want het bevel tot inhechtenisneming hangt daar boven mijn hoofd, als het zwaard van Damocles! Ik zal mij naar Karlsruhe begeven, waar ik een ouden oom heb, en ik zal trachten zijn hart te vermurwen. Rekommer u niet om mij, vriend, en moge de herinnering aan mij ook geen oogenblik de helderheid des geestes en de scheppingskracht der dichters verduisteren. Het zal' mij wel gelukken, mij er door te helpen. Voor ons prozamenschen houdt het toeval nog eerder een achterdeurtje open, waardoor wij den nood des levens kunnen ontwijken, terwijl gij, poëten, die steeds doordeope-ne vleugeldeuren der groote hoofdpoort in den tempel des roems wilt binnengaan, daar lichter door de boosaardige duiveltjes geplaagd en gekweld wordt. Adieu, vriend Schiller, vader Zeus blijve bij u alle dagen!quot;'

„Adieu, vriend Schwelm,quot; zei Schiller, hem de hand reikende en hem met een treurigen blik diep in het goede, open aangezicht ziende: „Ge wilt vroolijk schijnen, vriend; ge wilt mij uw angst en zorg niet laten zien. Maar ik zie achter den sluier, dien de vriendschap en uwe goed-

ocr page 30

26

hartigheid over uw gelaat hebben gelegd,' en ik zie daar achter uw bekommerd gelaat een inwendigen angst, ü, mijne vrienden; ik ben toch een arm, beklagenswaardig mensch, en het baat niet, dat ik het mij verhelen, — en mij wapenen wil tegen deze bekentenis.quot;

„Neen, ge zijt een groot, een benijdenswaardig mensch,quot; riep Streicher in vervoering: „daaraan houden wij allen vast, en ook gij moet dat weten, en er met vreugde van doordrongen zijn. Gij bestijgt den berg des roems, en schoon ge ook thans nog in een wolk moogt staan, gij zult en moet er doorkomen, en later zal u zonneglans en heerlijkheid bestralen.quot;

„Ik wilde, vriend,quot; zeide Schiller, terwijl hij met een treurige glimlach op de asch in den kachel wees: „dat er thans reeds een weinig zonneglans ware, en men zulke dure kolen niet noodig had om zijn kamer te verwarmen. Maar geduld, geduld! Ge hebt gelijk, Andreas; ik stijg den berg op en sta in een wolk, en dus is't geen wonder, dut het mij onbehagelijk en koud is. Maar alles zal beter en fraaier worden, en ook mijne gezondheid zal zich versterken; de booze koorts en het hoesten zullen mijn vrije schreden naar boven niet meer hinderen en steenen aan mijne voeten binden, terwijl ik tot de goden wil opzweven. Vaarwel nu, vrienden! Mij dunkt dat mijn schrijltafel mij met verbaasden blik aanschouwt, en mij wil vragen, waarom ik haar nog niet mijn hulde heb gebracht.''

„Laat haar maar opzien en vragen,quot; riep Streicher: „Ge moogt haar tóch geen antwoord geven. Ge moet eerst, zooals een ander eerlijk menschenkind, het ontbijt nemen. Ga mede, Friedrich; wij willen ons in de herberg een ontbijt laten opdisschen. Eten moet de mensch en schoon ik ook, helaas, niet zooveel heb om den Cerberus der schuldeischers te bevredigen, kan ik evenwel voor ons drieën een ontbijt en een glas wijn betalen. Kom, Friedrich, maak spoedig een weinig toilet, en laat ons met vasten mannestap den grond en de aarde dwingen, ons te erkennen als hunne meesters.quot;

„Neen, goed, lichtzinnig wereld mensch,quot; zeide Schiller glimlachend: „neen, ditmaal blijf ik hier. Ik moet voort-werken aan don Carlos, die dag noch nacht mijn geest rust laat, en volstrekt geabsolveerd wil zijn!quot;

ocr page 31

27

„Maar beloof mij ten minste, Frits, dat ge ontbijten zult vóór ge aan den arbeid gaat.quot;

„Dat beloof ik u! Ga nu, Andreas; want zie, de goede Schwelm houdt reeds de deur open, en wacht op u!quot;

III.

HENRIETTE VON WOLZOGEN.

„Ontbijten,quot; prevelde Schiller, toen de beide vrienden vertrokken waren. „O ja, het zou volstrekt geen slechte gedachte zijn, zich nu te laven met warme koffie, en daarbij versch, geurig wittebrood te eten. Maar dat kost te veel, en men moet óók tevreden zijn, als men slechts een teug frisch water een stuk grof brood kan hebben.quot;

Hij stond op en keerde naar zijn kamer terug, om zijn eerst zoo vluchtig moi'gentoilet te voltooien, den haarzak-in oide te brengen, en de eenvoudige en bescheidene kleederen aan te trekken, die zijn daagsche en Zondagsche kleeding waren, en wier kale mouwen van langen dienst getuigden.

Toen zijn toilet voleindigd was, nam Schiller de karaf, die nevens een glas op een blikken presenteerblad stond, ijlde met luchtige sprongen de trap af, en naar buiten op de groote plaats naar de fontein, om met den steeds kletterenden straal, die uit den open mond van een tragisch masker spoot, zijn karaf te vullen.

Dat was Schiller's eerste morgengang; eiken ochtend konden de bewoners van het huis den maseren, bleeken

• I • ty /

jongeling met zijn karaf naar de fontein zien gaan, en zagen zij met welgevallen, hoe hij met groote schreden op de plaats heen en weder ging, het hoofd achterover geworpen, de groote, blauwe oogen ten hemel gericht, en met volle teugen en hoog opgehevene borst de frissche morgenlucht inademende. Vervolgens, als hij zijn leden gerekt en uitgestrekt, de lucht ingeademd, en den hemel aanschouwd had, ging hij weder naar de fontein, nam dc karaf, die reeds lang van het bronwater overstroomde,

ocr page 32

28

en ijlde er mede in huis, de trap op en weder naar het enge, armoedige kamertje.

Maar hij bracht toch den hemel en de frissche morgenlucht van buiten met zich binnen, en zijn ziel was vroolijk en gesterkt tot poëtische scheppingen.

Ook heden was het hem wèl geworden in de frissche morgenlucht, en toen bij het eerste glas frisch bronwater gedronken, — en bierbij uit de kast in den muur eenig wit brood en boter gehaald, en dit op en neer gaande verorberd had, — scheen het hem goed en behagelijk te worden, want een zachte glimlach gleed over zijn aangezicht, en zijne oogen straalden helder.

„Hoe rijk is toch hij, die weinig behoeften heeft,quot; zeide hij zacht voor zich; „en hoe vrij verheft zich de geest, wieh nietige aardsche ijdelheid de wieken niet verlamd heeft. Komt tot mij, muzen en gratiën; houdt vriendelijke wacht aan mijn schrijftafel en bestuurt mijne hand, opdat zij niets schrijve, dan wat u bevalt!quot;

Hij wierp zich haastig op den stoel voor de schrijftafel, nam de pen, doorliep met een vluchtigen blik het gisteren 't laatst geschrevene, en voltooide nu met snelle trekken bet laatste, groote tooneel van het derde bedrijf van zijn nieuw treurspel „don Carlos.quot;

„En nu verlaat mij!quot; reciteerde Schiller, terwijl hij zijn pen met bevende snelheid over het papier joeg, en vervolgens met geheel veranderde stem voer hij voort: „Kan ik bet met één vervulde hoop, — dan is deze dag de schoonste mijns levens Iquot; En weder met de eerste stem voegde hij er bij; „Hij is geen verlorene in het mijne!quot; —

„Ja,quot; riep Schiller nu geheel luid, terwijl bij de pen wegwierp: „ja, hij is ook geen verlorene in het mijne, en er zal een dag komen, dat ik met voldoenig en vreugde aan dit uur zal denken, dit uur, waarin ik het grootste en moeielijkste voor een dramatisch dichter; hetslottoo-neel van het derde bedrijf eener tragedie geschreven heb. O, gij muzen en gratiën, die ik lot mij heb geroepen, — hebt ge aan mijn roep gehoor gegeven, zijt ge mij nabij geweest, en hebt ge mij gezegend tot dichterlijke handeling én gestalten? Ik heb immers heden morgen reeds mijn menschelijk oiïer gebracht aan smart en kwelling, ik heb den tranendoop weder op mijn arm hoofd ontvangen. Dus

ocr page 33

29

zegent mij hiervoor met uwe gunst, muzen en gratiën, en laat mij hopen dat de tranen van den mensch wederom de nieuwe doop des dichters waren! Ja, ja, ik gevoel het hier in mijn eigen geweten; ik hen een dichter, en dit nieuwe werk zal er getuigenis van geven voor de wereld en de menschen, en —quot;

Een kreet van verrassing of van schrik klonk eensklaps van zijne lippen, en hij staarde naar de deur, die zich juist had geopend, en waarin een dame, geheel in een reispels gehuld, het gelaat geheel overschaduwd dooreen pelskap, verschenen was.

„Mevrouw von Wolzogen!quot; riep hij opspringende: „Is het mogelijk, zijt gij het, zijt ge het werkelijk?quot;

Hij ijlde op haar toe, nam hare handen, en toen haar innige en treurige blik den zijnen ontmoette, zonk hij plotseling voor haar neder, legde zijn hoofd tegen haar knie, en weende bitterlijk.

„Ach, mijn vriendin, mijne moeder, dat wij elkander zóó moeten wederzien! Dat ik mot zulk een schaamte en berouw voor u in het stof moeten liggen!quot;

„En waarom. Schiller?'' vroeg mevrouw von Wolzogen, met haar zachte, vriendelijke stem: „Waarom ligt ge in het stof voor mij, en wat beteekent dit berouw? Stil, stil, antwoord nog niet mijn arm kind. Luister eerst! Ik kom tot u om geen andere reden dan om u te zien. Het kwam mij onmogelijk, onnatuurlijk voor, Mannheim door te reizen, zonder mijn vriend, mijn zoon, mijn Friedrich Schiller te zien. Mijn zuster, die in het Meiningensche woont, is plotseling zwaar ziek geworden, en roept mij met angstig verlangen tot zich. Nu, ik volg haren roep; want nog niemand heeft tot Henriette von Wolzogen geroepen, of haar hart heeft die roepstem verhoord. Dus heb ik den geheelen nacht gereden, en zal nu ook aanstonds weder verder rijden. Ginds aan den hoek wacht het rijtuig; ik heb naar Schiller's woning gevraagd, en nu ben ik hier en vraag u, Friedrich Schiller: wat moet het be-teekenen, dat ge geheel verstomd zijt, en mij volstrekt niet meer geschreven hebt? Dat moet ik weten, en ik ben hier eenig om deze ééne vraag te doen: Schiller, hebt ge uwe vriendin in Bauerbach, — hebt ge mij, die uw vriendin, uwe moeder was, — hebt ge mij \ ergeten ?quot;

ocr page 34

30

„O neeu, neen,quot; riep hij smartelijk, terwijl hij opsprong, en beide armen met innige teederheid om den hals van mevouw von Wolzogen sloeg, en haar vast tegen zich drukte: „Nooit zou ik uwe goedheid, uwe grootmoedigheid en vriendschap kunnen vergeten! quot;Maar begrijpt ge dan niet, vriendin, dat uw laatste brief een schrikkelijke uitwerking op mij maken, — mij tot wanhoop brengen moest?quot;

„Zie nu, zie den dichter, die dadelijk in vuur ontvlamt, als wij, prozaïsche aardsche kinderen, met een practische vraag aankomen ; als wij tot onze eigene smart er aan moeten herinneren, dat, helaas, niet voor ons allen ambrozijn uit den hemel valt om ons te spijzen! Maar ik dacht het wel, dat de wilde knaap weder woedde tegen zijn eigen vleesch, en geheel wanhopig was tegen zijn lot. Juist daarom ben ik hier, om u te zeggen. Schiller, dat ge beter moet denken van mij en van u zeiven, en niet de edele vriendschap vermengen met het onedel metaal, dat schrandere menschen wel is waar de zenuw des levens noemen, maar dat gelukkig niet de zenuw der vriendschap is, en —quot;

„O, mijn vriendin, zoo ge wist.quot; —

„Stil, ik ben nog niet ten einde met mijn philippica, welke ik op dezen nachtelijken rit zoo recht op mijn'gemak bedacht heb, en die ik nu, zoo niet aan den man, toch aan den dollen, trouwe loozen knaap wil brengen. Neen, Friedrich Schiller; is het mogelijk dat uw hart zou kunnen verstommen en vergeten, en ontrouw worden aan zijne herinneringen? En waarom? Wijl de arme,moederlijke vriendin haren jongen vriend vertrouwelijk heeft geschreven, dat zij in geldelijke verlegenheid is, en 't haar aangenaam zou zijn, zoo hij van de som, welke zij hem geleend heeft, ten minste een gedeelte terug kon betalen. ICn wat antwoordt hierop de vriend? Niets, volstrekt niets! Hij werpt den brief der vriendin in het vuur, en—quot;

„In het vuur zijner pijn, zijner wroeging,quot; viel Schiller haar levendig in de rede: „Hij zweeg, wijl het zijn hart verscheurde, ook slechts één oogenblik op de lijst te staan dergenen, die jegens u bedriegers zijn geworden. O, mijn lieve, dierbare vriendin, — o, gij, voor wie ik mij in 't binnenste mijns harten gevoel als een teedere, gehoorza-

ocr page 35

■31

me zoon, overweeg toch in uw teedere vrouwenziel, of het mij niet tot wanhoop moest brengen, jegens u, ontrouw aan mijn woord te worden. Ge hebt mij, in vertrouwen op mijne eerlijkheid, een aanzienlijke som geleend, — te aanzienlijker, daar gij zelve niet rijk zijt, en het geld zelfs van een jood moest leenen. Ik gaf mijn plechtig woord van eer, dat ik de geleende som in den loop van een jaar terug zou betalen, en nu is dit jaar om; nu dringt de Jood Israël, na zoolang geduld te hebben geoefend, op betaling aan, en nu ge mij dit meldt en mij met zacht verzoek aan mijne belofte herrinnert, — nu gevoel ik met schaamte en woede, dat ik jegens u ontrouw aan mijn woord, — een eerlooze moet worden, en daarom, — ach, de ellendige menschelijke natuur, die zóó lafhartig is, dat zij haar eigen onmacht niet in 't aangezicht mag zien,— daarom zweeg ik. Maar begrijpt ge het dan niet,gij, mijn zoo sterke, fijngevoelige vriendin, — begrijpt ge dan niet, dat mijn zwijgen voor mij zeiven een smart, een foltering was? O, hoe gaarne zou ik in de bedruktheid mijns harten, in de behoefte aan vriendschap, tot u, mijn dierbaarste, gevlogen zijn, zoo niet juist het schrikkelijk gevoel mijner onmacht om uwen wensch te vervullen en mijne schulden af te doen, mij teruggeworpen had. De gedachte aan u, die mij altijd zoo veel vreugde schonk, werd mij door de herinnering aan mijne onmacht een bron van foltering. Zoodra uw beeld voor mijn ziel kwam, stond ook hetge-heele beeld van mijn ongeluk voor mij. Ik vreesde u te schrijven, wijl ik u niets, altoos niets dan het eeuwige: „heb geduld met mij,quot; schrijven kon.quot; ^

Hij legde zijn hoofd op de knieën van mevrouw von Wolzogen, en barstte in luid weonen uit. Maar zij boog zich tot hem neder, en met zacht geweld drong zij hem van den grond op te staan.

„Op, Schiller, het hoofd omhoog. U betaamt het niet te wanhopen en te klagen, gelijk andere menschenkinde-ren, die in ellende zitten. Uw plicht is het, het lastig gewormte der aardsche zorgen te vertreden onder uwe voeten, die naar den Parnassus stijgen.quot;

1} Schiller's eigen woordou. Zie: Schiller's Beziehungen zu Aeltern, Cxeschwistern und der Familie von Wolzogen. Stuttgart, Cott'soher Verlag, o. 450.

ocr page 36

32

Maar dit gewormte ligt niet aan mijne voelen; het gonst om mijn hoofd, het maakt mij dol in de hersens, en ik ben verloren, reddeloos verloren als dat zoo voortgaat! Ik moet het u zeggen, ik moet het in uw edelmoedig, verschoonend hart roepen, en ge moet de waarheid hoo-ren die luidt: Ik kan u thans onmogelijk iets van mijn schuld voldoen. O, het is schrikkelijk dat ik dit zeggen moet, maar schamen mag ik mij niet, want 't is het lot Men is er niet strafbaai voor, dat men ongelukkig is ) . En men is niet ongelukkig wijl men geen geld heeft,' zei'mevrouw von Wolzogen glimlachend: „men is gehinderd en gebonden als een jong vurig paard, dat in vollen galop over een vlakte of berg wil rennen, maar hierin door den bedwingenden, strakgehouden toom weerhouden wordt. Maar, mijn vriend; men is niet ongelukkig en wanhoopt niet. Met de sterkte van den moedigen wil en de energie van de scheppende kracht, heit men zich om-boog verbreekt de teugels, en maakt zich vrij door zich zeiven. Zelfs de gevleugelde Pegasus draagt een teugel en moet dien dulden, — maar de dichter, die den teugel be-stuurt en leidt, deze is vrij! Vrij om opwaarts te zweven naar den Parnassus, op den rug van bet gevleugelde paard, en hoe booger bij komt, des te lager verdwijnt de aarde en wijkt terug met al haar aardschen nood. Daarom den blik opgeheven, Friedrich Schiller; opwaarts naar den Pai-nassus,Dwaar de gouden roem en de onsterfelijkheid des

dichters u verwachten!quot; o u-n

Woorden, fraaie, bemelsche woorden, nep bchiller, met smartelijke woede: „O, er was een tijd, toen mij de hoop op onsterfelijken roem evenzeer gestreeld beeft, als de galanterie aan eene vrouw. Thans is mij alles onverschillig, en ik schenk u mijn dichterlijken lauwer voor den eersten hoeuf d la mode, en sta u mijn tragische muze ai als stalmeid, zoo ge vee houdt.1) Hoe klein en jammerlijk is toch de hoogste grootheid eens dichters bij de gedachte, o-elukkig te leven. En ik ben zoo ongelukkig en zou gaarne al de groote aanwijzingen op toekomsligen roem voor

1

' 2) Schiller's eigen woorden. Zie: Schiller's Beziehungen. S. 416.

ocr page 37

Hó

een deugdelijker! wissel van honderdduizend gulden geven, en —

„Zwijg!quot; riep mevrouw von Wolzogen schier gebiedend ; „Gij lastert u zeiven. Maar uw hart weet Goddank niets van hetgeen uwe lippen zeggen, en de lasteringen, welke de toorn u ontrukt, vormen een taal, die slechts uw verbeelding, — doch niet uw geest, kent en verstaat. Ik heb u straks gezegd, dat het u niet betaamt, op den grond te liggen. Nu echter moest ik zeggen: Op de knieën, Fried-drich Schiller; op de knieën en smeek uw eigen genius, dat hij u de zware bezondiging, welke ge met woorden tegen hem begaan hebt, moge vergeven.quot;

„Vergeving,quot; steunde Schiller; „O, mijn viiendin, mijne moeder, u smeek ik om vergeving. Ik ben een misdadiger, ben gelijk Petrus, die in de ure van angst en nood zijn eigen heer en heiland verloochent, en ik hoon datgene, wat mij toch het heiligste en grootste op aarde is. Heb toegevendheid en geduld met mij! Alles zal wel beter worden! Uit de onrustig woelende en gistende most, die tot niets deugt, zal toch mettertijd een krachtige vurige wijn tevoorschijn komen, die anderen tot verkwikking en verheuging strekt. Neen, ik wanhoop niet aan mijn toekomst, en gij, die mij liefhebt, zult het óók niet, en —quot;

„En wij doen dit ook niet,quot; zeide mevrouw von Wol-zogen glimlachend: „O, wonderlijk, lief mensch! Gij zijt toch als de hemel, waar onweersstorm en zonneschijn, dreigende zwarte wolken en vroolijk blauw in snelle afwisseling elkander opvolgen. Straks wanhoop, toorn en woede tegen het lot, en nu weder vroolijke hoop en zegepralende moed. Weet ge, mijn geliefde jonge vriend, daardoor verkondigt zich het ware dichterlijke gemoed, en al hadt ge het nog nooit geweten dat ge een dichter zijt, in zulk een uur moest ge het ontwaren. Maar t/c, Friedrich Schiller, heb nooit, noch aan uw genie, noch aan u zeiven getwijfeld, en ben gekomen om u dit te zeggen, en de treurige wolk te verdrijven, welke het hatelijk geld tus-schen twee bevriende zielen wilde doen verrijzen. Neen, Friedrich; wij willen de zon onzer hartelijke vriendschap niet laten bewolken, en tusschen ons zal alles helder en licht blijven. Eerlijk, waar en oprecht willen wij jegens elk-Mühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. III. 3 v

ocr page 38

34

ander zijn, maar niet verstommen en het woord van deelneming terughouden, zoo wij elkander ook niet altya kunnen verleenen, wat de een van den ander verwacht. Ik weet dat ge in verlegenheid zijt, en u menige ontbering moet opleggen, en ik kan u, in weerwil van al mijn vriendschap, tóch niet helpen en bijstaan. Ge weet, dat de Jood Israël het geld verlangt, dat ik van hem geleend heb en het ligt tóch niet in uw macht het mij te geven' hoezeer dit voor mij onaangenaam en voor u smar-teliik is. Maar willen wij, wijl wij behoeftig zijn, ons nu ook nog arm maken1/ Willen wij, wijl wij^geen geld hebben, ook geen vriendschap meer bezitten?quot;

„Neen, mijne lieve, mijn groote, mijn goede mevrouw, riep Schiller met een van vreugde stralend aangezicht: neen; wij willen ons aan de vriendschap ophelien en troosten, en zij zal ons eene vergoeding zijn voor al het overige! Ach, hoe arm en behoeftig zou men toch zijn in het bezit van millioenen, als men de vriendschap en liefde ontberen moest. Ik ben rijk, want ik heb dierbare

vrienden.quot; . . 1,

En hebt misschien behalve uwe vrienden nog liet heerlijk bezit eener geliefde, nietwaar'? Aha! Friedrich, hoe allerliefst bloost ge, en hoe verlegen is uw blik! Uus verliefd, reeds weder verliefd? Maar op wie, mijn dichter, — op eene of op twee? En heet de schoone Marga-

rethe, of Charlotte, of Laura, of' - ,, , , ,

Genoee, om Godswil genoeg,' nep Schiller lachend. ,dè schoone heet: de Ikfde, en ik zoek haar hier en ginds, en geloof haar hier en ginds te vinden, op elk edel en schoon vrouwengelaat, dat zich tot mij wendt met het beminuelijke lachje der onschuld en de waardigheid der schoonheid. Mijn hart is wijd open, om er de helde als een zegevierende koningin te laten intrekken, en bezit te nemen van den troon der schoonheid, — van den troon, dien ik haar in 't heiligdom mijns harten heb opgericht, nevens het altaar der vriendschap, waarop (jij zetelt, mijn dierbare mevrouw Wolzogen, mijn tweede moeder. U, hoe dank ik u, dat ge gekomen zijt. Den last der schaam-te en vernedering heeft uw zachte, liefderijke hand nu van mij ziel gewenteld, en ik gevoel mij licht en vrij, en kan nu zonder berouw en toorn over deze heiüooze

ocr page 39

35

geldelijke aangelegenheid met u spreken. Neen, neen, weiger het mij niet, dierbare, maar laat mij spreken, opdat alles helder worde tusschen ons. Luister! Ik ben schier het geheele vorige jaar ziek geweest. Een eeuwig knagend hartzeer, — de onzekerheid mijner uitzichten, — verhinderden mijne herstelling. Dit alleen is de oorzaak, dal zoovele mijner plannen verijdeld zijn, en ik niet zooveel kon werken en verdienen als ik hoopte. Maar thans zijn mijn ontwerpen gemaakt, en wel met rijp, volkomen overleg. Zoo ik thans niet op mijn weg verontrust word, is mijn toekomst verzekerd. Ik kom tot orde, en zal in staat zijn tot den laatsten penning te betalen. Ik moet thans slechts lucht hebben, tot mijne zaken aan den gang zijn; zoo ik thans verlamd word, ben ik voor altijd verlamd. In deze week kondig ik een tijdschrift aan, de Rijnsche Thalia. Ik geef het uit bij inteekening, uit vele plaatsen is mij hiertoe de hand geboden, en mijne verwachtingen zijn uitmuntend. Dit tijdschrift zal gelukken, het zal mij een bepaald jaargeld opbrengen, waarvan ik leven kan; van de opbrengst mijner tooneelstukken zal ik dan mijne schulden betalen, en in de eerste plaats mijn schuld aan u, mijn dierbare, lieve vriendin. Ik geef u dus plechtig de stellige verklaring, dat ge vóór het einde van 't volgend jaar in termijnen geheel afbetaald zult worden, en ik zal u drie wissels teekenen, welke ik zeker op den bepaalden vervaltijd zal voldoen. Glimlach niet ongeloovig, mijn dierbare, maar reken op deze verzekering. Ik weet zeker, dat God mijn gezondheid voor dit edele doel sterken zal.quot; 1)

„Mijn vriend,quot; zei mevrouw von Wolzogen bewogen: „moge God u sterk, gezond en krachtig maken; niet opdat ge mij de kleine schuld betaalt, maar opdat ge de groote schuld betaalt, welke gij jegens de wereld hebt. Want gij zijt aan de wereld schuldig, dat ge haar bedeelt van het groote kapitaal poëzie en geest, 't welk God u heeft toevertrouwd als het talent, dat vruchten moet dragen tot vreugde der menschen, en u zeiven tot eer en roem. Het is een heilige en gewichtige roeping, waartoe God u heeft uitverkoren. Gij moet de menschheid voor-

1

Schiller's eigen woorden aan Henriette von Wolzogen. Zie: Schiller's Beziehungen. S. 452.

ocr page 40

36

gaan als haar dichter en priester; ge moet al hare smarten en kwalen uitstorten in woorden en klachten, en ze toch óók voor haar verheerlijken tot zegen en tot vruchtdragende geestvervoering. Denk steeds aan deze uwe verhevene en heerlijke i-oeping, mijn vriend; en als aardsche zorgen om uw hoofd gonzen, bekommer er u evenmin om, als de leeuw dit doet om de vliegen die om zijne manen spelen, en welke hij met één slag van zijn geweldigen klauw verdrijven kan, als hij 'tder moeite waard acht. En thans, nu wij ons verklaard hebben, en weder weten wat wij voor elkander zijn en altoos zijn zullen, nu is mijn tijd verstreken en moet ik weg, want mijn zieke zuster verwacht mij. Vaarwel, Friedrich; geef mij nog eens de hand, en zoo, onze handen trouw en vast ineengeslagen, laat ons elkander trouwe vriendschap^beloven, trouwe vriendschap, die nooit verstomt en zwijgt, maar altoos aan de zusterziel moet zeggen, wat haar bedrukt of verheugt.quot;

„Zoo zij het!quot; riep Schiller op innigen toon; „trouwe vriendschap, die nooit verstomt en zwijgt. Ik zal mij zoowel in goede als kwade dagen steeds tot u wenden, mijn tweede moeder en vriendin, en ik bezweer u nu ook : twijfel nimmer aan mij. Gij waart en zijt mijn hart steeds even dierbaar, en zult het eeuwig zijn. Ik kan nooit trouweloos jegens u worden, maar omstandigheden en het lot kunnen soms de buitenzijde onkenbaar maken. Onttrek mij dus nooit uwe liefde. Ge moet en zult mij nog volkomer leeren kennen, en misschien bemint ge mij dan nog een weinig meer. Laat niets een vriendschap storen, die5 zoo zuiver, zoo innig onder Gods oogen gesloten werd, 1) en wees verzekerd, ik zal u altoos met de tee-derheid van een zoon beminnen, schoon ge mij niet veroorloven wildet, in waarheid uw zoon te zijn. Ik doe u deswege geen verwijt, vriendin, want ik weet, gij hadt gelijk. Ik sta nog aan het begin mijner loopbaan, en mag het nog niet wagen, de hand uit steken naar eene vrouw, die ik bemin!quot; .....

Henriette van Wolzogen glimlachte, en terwijl zij zacht

1

Schillers eigen woorden aan Henriette von Wolzogen. Zie: Scliiller s Beziehungen. S. 455.

ocr page 41

37

haar hand op Schiller's schouder legde, zag zij hem met een vriendelijk hoofdknippen diep in de groote blauwe oogen.

„Naar eene vrouw, die ge bemint?'' fluisterde zij: „Beken het slechts u zei ven, lief groot kind; de éènige vrouw welke gij bemint, is nog niet gevonden, en voorloopig speelt uw hart nog blindemannetje met alle schoone en jonge vrouwen. Mijn dochter Charlotte is schier weêr vergeten, wijl de scnoone mevrouw Visscher zulke traaie oogen heeft, en zoo vroolijk en aangenaam weet te babbelen. Ook is er de schoone Margaretha Schwan, welke de dichter Schiller zekerlijk thans alléén en uitsluitend beminnen zou, indien zich niet tot zijn geluk of ongeluk, sinds eenige weken te Mannheim de jonge mevrouw Gharlotle von Kalb ophield. Zij is wel is waar niet eigenlijk schoon, maar zij heeft oogen die als een krater van hartstocht gloeien, en hare woorden zijn vlammende vuurpijlen van vervoering. Dat verrukt voorwaar deze jongen poëet, en hij staat als Hercules op den tweesprong tusschen Margaretha en Charlotte, en zal ten laatste, wijl hij niet weet of hij zich rechts of links moet wenden, regelrecht voorwaarts gaan, en verder zoeken naar de vrouw, welke hij beminnen mag. Vaarwel, mijn Schiller, trouwe vriend, ontrouwe minnaar! Vaarwel!quot;

Zij wierp hem met de hand een laatsten afscheidsgroet toe, en verliet haastig de kamer. Fried rich oogde haar met verwarden, verstrooiden blik na.

„Zou zij gelijk hebben?quot; fluisterde hij; „Is het dan werkelijk zóó met mijn hart gesteld, dat het steeds slechts gloeiend aanvat, om weder los te laten? Ach, raadselach tig leven, waar is voor mij de oplossing? Heb ik dan werkelijk reeds bemind, en is mijn hart zóó trouweloos, dat het niet vast kan houden?quot;

Hij ging met haastige schreden in zijn kamertje heen en weder, het voorhoold bewolkt, de blauwe oogen op zijn borst gericht, als wilde hii de verborgenheden zijns harten ontraadselen.

„Neen,quot; zeide hij na een pauze; „neen, ik ben niet trouweloos. Ik zal in liefde eeuwig en altoos vasthouden wat zich in liefde tot mij neigt. Maar dat is het juist! Ik heb nog geen vrouw gevonden, die mij beminnen wilde of kon,

ocr page 42

38

Mijn hart verlangt vurig naar deze zoete wederkeerige wisseling van gevoel, — en geheel nieuwe bronnen van geluk, van bezieling, van poëtische scheppingskracht zouden zich voor mij openen, als de zoo vurig verlangde, zoo dikwert geroepene vrouw, die mij beminnen kon, zich eindelijk aan mijn blik mocht aanbieden! Maar het schijnt dat de arme, leelijke en onhandige dichter Friedrich Schiller zulk een geluk niet waardig is, en hij er in berusten moet slechts, — evenals Mozes het beloofde land, — do liefde van verre te aanschouwen, en te sterven zonder te zijn ingegaan in hare heilige tempelhallen.quot;

Hij wierp zich zuchtend op den stoel voor zijn schrijftafel, en legde zijne handen voor zijn trillend, smartelijk bewogen aangezicht. Maar spoedig liet hij langzaam zijn handen weder nederglijden, en schudde krachtig zijn hoofd.

„Weg met de teergevoeligheid,quot; zeide hij schier toornig: „men moet zich op aarde gewennen gelukkig te zijn, ook zonder geluk ; en al heb ik geen geliefde gevonden, ik heb toch vrienden, die mij beminnen, en de vriendschap eener edele ziel kan ons wel troosten wegens de geweigerde liefde van een misschien onstandvastig hart. Want hij, die ook slechts ééne ziel de zijne noemt op aarde, is hoog gezegend, en zit aan de ronde tafel der goden. Mijn Posa, van u wil ik leeren, en in u wil ik mijn eigen gewaarwordingen overgieten. Gij hadt op aarde slechts één vriend, en de liefde, welke gij aan geene vrouw kondt wijden, schonkt gij aan de menschheid, schonkt gij aan uw volk. Zoo wil ook ik mijn hart wijd openen voor de geheele menschheid, en er zal eene vrouw zijn, welke ik bemin boven alle vrouwen, en deze vronw zal Germaniaheeien\ Haar wil ik dienen en toebehooren, haar beminnen zoo lang ik leef. Hoort mijn eed, muzen en alle goden! Ger-mania heet mijne geliefde. Haar dichter wil ik zijn en haar knecht, haar wil ik knielend aanbidden, haar wil ik hemelhoog verheffen, en haar zal ik nooit trouweloos worden, want haar behoort het heiligste gevoel mijns harten en tevens mijner ziel. En nu, Friedrich Schiller, verman u en wees sterk en verheugd. Ge zijt Germania's geliefde en tegelijk haar zoon; wil dus slechts wat groot en goed is scheppen, uw leven lang, tot eer en vreugde van de geliefde en moeder! De pen in de hand, Friedrich Schil-

ocr page 43

89

Ier. Zij is het zwaard, waarmede gc strijden moet en overwinnen zult!quot;

Hij nam de pen en hief haar ten hemel; zijn oog straalde van geestvervoering en op zijne glimlachende lippen zweefde een stil gebed.

De pen zonk neder op het papier, en de muzen bogen zich over den dichter en lonkten hem liefderijk toe.

IV.

LEED EN VREUGDE.

Hoelang hij zoo gezeten en geschreven had, wist hij niet ; hij wist slechts dat het gelukkige oogenblikken van scheppen en dichten waren geweest, wist slechts dat zijn hart vol zaligheid, zijn ziel vol geestvervoering was, en al dit verheven gevoel zich moest en kon uitstorten in woorden. Hij gevoelde zich als een god in scheppende kracht; schiep uit den ether zijner verbeelding menschen, die voor hem wandelden, voor hem leefden en leden. — Maar ach, uit de reine hoogten der poëzie zou de dichter spoedig weder nederstijgen tot de stoffige aarde, en 's levens nood zou hem spoedig weder afroepen uit de heldere sferen van zalige, dichterlijke aanschouwing.

Zijn deur werd heftig opengerukt, en Oswald Schwelm stormde buiten adem en bleek binnen.

„Om Godswil, Schiller, help mi]! Ik heb hem herkend! Hij kwam juist in de straat, gevolgd door twee gerechtsdienaars !quot;

„Wie? Van wien spreekt ge? Wie vervolgt u?quot; riep Schiller, van zijn schrijftafel opspringende.

„Mijn hardvochtige schuldeischer uit Stutgart. Iemand moet hem verraden hebben dat ik mi] hierheen, naar Mannheim heb begeven, en nu is hij mij met zijn bevel van gijzeling gevolgd, en wil mij hier gevangen laten nemen. Dit werd mij duidelijk, toen ik hem haastig met de twee politiedienaren de straat zag ingaan. Maar ik hoop.

ocr page 44

40

dat hij mij niet gezien heeft, en dus ben ik haastig hierheen geijld en bid u nu, Scliiller, red mij voor mijn vervolger, voor mijn onbarmhartigen sclmldeicher, bescherm mijn vrijheid, behoed mij voor de gijzeling!quot;

„Dat wil ik,quot; zeide Schiller met beraden, tartend gelaat, en zijn gestalte richtte zich hooger op, en hij hief de hand op, alsot hij den onzichtbaren vijand bedreigde: „Gij zult om mijnentwille niet nog meer lijden, en uwe vrijheid zal men u ten minste niet ontrooven.quot;

„Stil, vriend, stil! Mij dunkt ik hoor iets de trap op-sluipen en buiten fluisteren. Verberg mij! Om Godswil verberg mij, ot —quot;

Te laat! te laat! Daar eaat de deur open, endeonmee-doogende schuldeischer uit Stutgart treedt binnen, vergezeld door twee politiedienaren.

Schiller slaakte een toornigen kreet, en sprong als een getergde leeuw op den indringer toe, greep hem bij de borst, schudde hem en drong hem terug naar de deur.

„Wat wilt ge hier, mijnheer? Met welk recht dringt ge hier binnen, en waagt het mijnen drempel te overschrijden, zonder dat ik u hiertoe verlof heb gegeven1?''

De man antwoordde op deze onstuimige vragen, welke Schiller met dreigenden blik, met gefronsd voorhoofd tot hem richtte, slechts met een stommen wenk aan de twee gerechtsdienaars, die nu met ernstig ambtsgelaat door de kamer traden, en Oswald Schwelm naderden, die zich in den uitersten hoek der kamer teruggetrokken had.

„Mijnheer Osward Schwelm, in naam van het Keur-vorsteiijk Hooggerechtshof van Mannheim nemen wij u in hechtenis, luidens dit bevelschrift, uitgevaardigd door de gerechtelijke overheid van het Keurvorsteliik gerechtshof te Stutgart, en op verzoek van den heer Richard overgedragen aan de Keurhaltzische rechterlijke overheden van Mannheim. Krachtens de wet en de rechten van deze stad nemen wij u in hechtenis, en eischen van u ons onmiddellijk en zonder verzet te volgen.quot;

„Gij hebt het gehoord, mijnheer Schiller,quot; zei de boekdrukker Richard met ophef: „ik ben in mijn volle recht hier binnen te komen, want hier bevindt zich mijn schuldenaar, dien ik in hechtenis wil laten nemen.quot;

„Neen, bloedzuiger,quot; riep Friedrich Schiller, woedend

ocr page 45

41

slampvoelende: „neen! Ge zijl mei in uw volle reclit, maar in uw volle onrecht! Ge zijt een barbaar, wijl ge een mensch van zijne vrijheid wilt berooven, hoewel ge weet dat hij ii niets, volstrekt niets schuldig is!quot;

„Hij is borg gebleven voor een som van driehonderd gulden; deze som is opvorderbaar, en mijnheer Schwelm moet haar betalen, of naar de gevangenis gaan.quot;

„O God, sta mij bij,quot; riep Schiller, bevende van toorn, en doodsbleek van inwendige aandoening: „geef mij geduid, opdat ik dit gedrocht niet vermorzel en verpletier in de heilige kracht van mijn toorn. Ik wil gelaten zijn, ik wil mij vernederen, ik wil bidden en smeeken, want hel geldt het edelste en hoogste: hel geldt de vrijheid van een mensch! O wees volkomen gerust, vriend Schwelm, deze mensch zal zijn schandelijk voornemen niet uitvoeren; hij zal u hier in mijn kamer niet in hechtenis nemen. Deze kamer is mijn huis, mijn burg, en niemand mag het wTagen den burgvrede van mijn huis te storen. Eruit met u, onmeedoogende schuldeischer; eruit met u, dienaren der wel! Voor mijn deur kunt ge staan, en wachten als bloedgierige honden naar het edele wild, dat ge jaagt. Maar slechts als hij uit dezen gewijden kring treedt, eeist als hij dezen drempel overschreden is, eerst danquot; moogt ge uw hand leggen op het edele wild, eerst dan behoort het u! Eruit, zeg ik u, eruit! Mijn God, zoo uw leven u lief is, spoed u ! Ziet ge dan niet dal de heilige toorn der menschheid in mij oprijst? Gevoelt ge dan niet, dal mijne handen u zullen vermorzelen, zoo ge niet vlucht, niet dadelijk vlucht 1quot;

Hij hief zijne armen hoog op, balde zijn handen lot machtige vuisten, en zóó, met vlammende oogen, niet toornig gelaal, schoon door inwendige aandoening, wilde hij op deze mannen losvliegen, die Oswald Schwelm gegrepen hadden, en nu met volkomen verblufte en ontstelde gezichten Schiller aanstaarden.

Maar Oswald Schwelm had zich reeds van hen losgemaakt, greep met geestdrift Schiller's arm, en bad hern met zachte, dringende woorden, aan de Wel haar loop te laten, en hem aan zijn lol over te geven,daar het nu toch te laat was, hem er aan te onttrekken. En toen wendde hij zich tol de beambten, en verzocht hun de woordenen

ocr page 46

42

beleedigingen te vergeten, welke de heer Schiller in zijn toorn had geuit, en zeide volkomen te erkennen, dat zij in hun recht waren; hij was dan ook bereid hen te volgen, en zich aan de harde noodzakelijkheid te onderwerpen.

Toen hij dit zeide, vloog een donkere gloed van toorn over Schiller's wangen, en hij sliet Oswald Schwelm, die de deur naderde, onzacht terug.

„Neen,quot; riep hij met luide, dreigende stem; „neen, ik sta het niet toe; ik laat niemand over dezen drempel! Zoo ge niet wilt heengaan zonder hem, welnu, dan moogt ge blijven mét hem, en mijn kamer, de kamervan een Duit-schen dichter, zij de gevangenis voor den edelen Duitschen man, die niets anders heeft misdaan, dan dat —

„Dan dat hij mij het geld schuldig is gebleven,quot; viel de heer Richard hem in de rede: „het geld dat hij mij reeds voor een jaar geleden moest betalen. Maar sinds eenjaar paait hij mij met ijdole beloften en nietige uitvluchten, en dit ben ik nu moede, en wil het mij niet langer laten welgevallen, maar er een einde aan maken. Gerechtsdienaren, doet nu uw plicht; neemt dezen heer in hechtenis, en stoort u niet aan de groote woorden van mijnheer Schiller. Hij is een dichter, en dichters nemen het zoo nauw niet met hunne woorden. Men moet ze maar laten praten, en er geen notitie van nemen. Voorwaarts nu, voorwaarts!quot;

„Neen, neen!quot; riep Friedrich buiten zich zeiven en bevende van toorn: „Hier, Oswald, houd u aan mij. Ge zult niet van mij gaan. Help, help!''

„Wat gebeurt hier, wie roept hier om hulp?' vroeg een zwTare mannenstem, en in de haastig geopende deur verscheen nu de breede, zwaarlijvige gestalte van een man in eenvoudige burgerkleeding, met een goedhartig, welwillend gelaat.

„Mijnheer Hölzel,quot; riep Schiller nu meer bedaard: „mijn brave huisheer, u zendt God. Ge zult ons bijstaan en helpen.quot;

„Waarmede? Wat is er?quot; vroeg Hölzel; „Ik kwam van den zolder voorbij uw deur, en hoor razen en schreeuwen, en mijnbeer Schiiler om hulp roepen. Ik moest dus wel komen, en vragen wat er te doen is?quot;

„En ik zal u antwoord geven, ik zal u zeggen wat er te doen is, lieve Hölzel,quot; zeide Schiller met flikkerende

ocr page 47

43

oogen: „het zijn een onbarmhartige schuldeischer~ en ruwe gerechtsdienaren, die het wagen tot in mijn kamer een vriend van mij te vervolgen, die voor dezen zijn schuld-eischer uit Stutgart is gevlucht, om mijne hulp in te roepen! Van mij, die de ellendige, beklagenswaardige oorzaak van al zijn lijden en nood ben. Voor mij is de goede Oswald Schwelm wegens driehonderd gulden borg gebleven bij den boekdrukker, die mijn eerste werk, mijn „Roovers,quot; gedi Likt heeft. Wij hoopten destijds op'een schitterend succes; wij droomden dat de „Rooversquot; als een gouden zaadkorrel zouden zijn, waaruit een rijke oogst voor mij groeien zou. Wij hebben ons bedrogen, en mijn arme vriend hier, moet nu zijn dwaling met zijn vrijheid boeten.quot;

„Neen, dat zal hij niet,quot; zeide de heer Hölzel levendig, terwijl hij zijn breede hand met een krachtigen druk op Schiller's arm legde: „neen, ik wil het niet dulden, dat de goede vriend, die op uw toekomst vertrouwde, zich misrekend zal hebben. Gij weet het immers, mijnheer Schiller, ik ben nu eenmaal verzot op de „Roovers,quot; en zoo dikwijls het stuk hier te Mannheim gegeven werd, heb ik het gezien, en als een kind^eschreid om Ifïland, die zoo fraai Karei Moor voorstelde; en mijn hart opende zich van lust en vreugde wegens deze heerlijke kerels, deze roovers, en wegens Spiegelberger, die zijn hoofdman zóó teederlijk bemint, dat hij duizendmaal voor hem in den dood zou willen gaan. Ik wil u bewijzen, Schiller, dat ik geleerd heb van den edelen Spiegelberger, en datde grootmoedige rooverhoofdman mijn voorbeeld is. Ik ben wel niet rijk en mag mij niet, als ik geen geld heb, gelijk hij doet op den weg in hinderlaag leggen en den hoogmoedigen edellieden hunne schatten ontnemen; maar zóóveel geld kan ik toch nog bijeenbrengen, om een braaf man uit de verlegenheid te helpen, en den dichter der „Rooversquot; een dienst te bewijzen!quot;

„Wat zegt ge, mijn vriend?quot; vroeg Schiller verheugd: „Wat wilt ge doen?quot;

„Ik wil, met uw verlof, aan mijnheer Schwelm, — wiens familie te Stutgart mij zeer goed bekend is, en van wien ik overtuigd ben, dat hij 't mij terug zal geven. — ik wil hem voor twee jaren tegen billijke rente driehonderd gulden leenen, zoo hij ze van mij,wil aannemen,quot;

ocr page 48

44

Ik neem ze met vreugde aan,quot; zei OswaldSchwelm, de hem gereikte hand van den bouwmeester Hölzel hartelijk in de ziine drukkende; „Ja, ik neem het geld met vreugde aan, en geef u mijn woord, dat ik het op den bepaalden tiid' behoorliik terug zal betalen.quot;

Ik geloot het,quot; zeide Hölzel trouwhartig; „want hij, die de uitgave der „Rooversquot; bevorderd, en er zijn geld voor gegeven heeft, is zeker een edel, goed mensch, en zal ieo-ens anderen geen bedrieger worden. Komt nu allen met mij naar beneden op mijn kanloor. Zaken raoeten ordelijk worden behandeld,quot; voer hij voort, terwijl hij glimlachend in de kamer rondkeek, waarin niets op zijn plaals stond, maar alles verward en ordeloos dooreen lag: ,Hier ziet het er juist niet zeer ordelijk uit, en mp dunkt dat er op deze tafel niet zooveel ruimte is, om de driehonderd gulden uit te tellen.quot; , , ,

„Dat. isquot; waar,quot; zeide Schiller glimlachend ; „maar bedenk, Hölzel, dat deze tafel bij mij nog nooit noodig heelt gehad zich zóódanig te schikken, dat er driehonderd gulden op geteld konden worden.quot;

Ik weet, helaas, al te wel, dat de heeren schouwburgintendanten den dichter Schiller niet zóó betalen als zij moesten!quot; riep Hölzel verachtelijk; „Hij geeft hun zijn heerlijke werken, en zij betalen er hem kruiersloon voor. Ze0, mii, miinheer Schiller; is het werkelijk waar, wat mij gisteren de heer Schwan verhaalde; — heeft de heer intendant von Dalberg u voor uw treurspel „Fnosco wer-keliik een loon van acht Louis d'or gegeven?'

'ja, dat is waar, Hölzel, en ik kan u verzekeren, dat deze tafel, voor mijne drie tooneelstukken tezamen, nog niet onderden last van driehonderd gulden gezucht heelt. Dit moge mij in uw oog verontschuldigen wegens t geen ge hier zoeven vernomen hebt.quot; i a

,Er is geen verontschuldiging noodig,quot; zei Holzel goec -harliquot;; „K.omt, mijneheeren, laat ons naar beneden, en aan onze zaken gaan. Maar vooraf, mijnheer de drukkei der „Roovers,quot; — zend de gerechtsdienaars weg, w'antzij hebben hier niets meer te doen, en beleedigen met hunne tegenwoordigheid slechts het oog. Zoo! En nu willen wij het geld tellen, en het bevel van inhechtenisneming er voor inlossen.quot;

ocr page 49

;45

„En de sclmldbekentenis voor u schrijven, waardige, edele helper in den nood,quot; zeide Oswald Schwelm, terwijl hij den drukker volgde, die voorafgegaan door de gerechtsdienaars de kamer reeds verlaten had.

Ook Schiller wilde hem volgen, maar Hölzel schoof hem rnet zacht geweld weder in de kamer terug. — „Gij behoeft niet met ons te gaan, mijnheer Schiller,quot; zeido hij: ,,Wat gaan den dichter onze zaken aan, en waarom wilt ge uw kostbaren tijd zoo nutteloos verspillen? Blijf hier; wij zullen met onze geldzaak wel buiten u klaar komen, en ik gun het den geldwolf van een boekdrukker ook niet, dat hij nog langer in uwe nabijheid blijve.quot;

„Mijn lieve vriend,quot; riep Schiller bewogen: „hoe edel en kiesch zijt ge, en hoe goed slaat het u, zoo zonder praal en ophef, geheel eenvoudig en stil, grootmoedig te zijn en weldaden te bewijzen. Ge hebt mij heden van een zwaren last bevrijd, en veel kommer en zorg van mijn ziel genomen. Ik dank er u voor, en zoo mijn volgend drama beter uitvalt en mij goed gelukt, moogt ge zeggen, dat gij er de oorzaak van zijt, en mij aan mijn werk geholpen hebt!quot;

„Een fraaie hulp, waarachtig!quot; lachte de bouwmeester: ,,lk kan wèl een eenvoudig huis bouwen, maar van uwe tooneelstukken versta ik niets; en niemand ter wereld zou mij gelooven, zoo ik zeide, dat ik Friedrich Schiller bij zijne treurspelen geholpen had. Nu, dat is ook niet noo-dig. Bewaar mij slechts een vriendelijke herinnering in uw hart, dat is roem genoeg voor mij; schoon ook de raenschen van een armen bouwmeester Hölzel niets anders vernemen.quot;

„Mijn vriend,quot; zei Schiller met ernstige, plechtige stem: „mijn vriend; zoo ik werkelijk een dichter ben, en de Duitsche natie mij misschien eens als haren dichter zal willen erkennen, beminnen en in eere houden, — dan zal zij ook aan u denken, dan zullen de menschen ook uw naam in goede gedachtenis bewaren. Want, wat een edel tnensch in goedheid en liefde een dichter beeft gedaan, is niet verloren, en kinderen en kleinkinderen prijzen hem voor zijn goede daad, alsof hij ze hun had gedaan, en noemen hem den weldoener der natie, wijl hij de weldoener van hun dichter is geweest. Dit moge uwe

ocr page 50

46

belooning zijn, mijn lieve vriend. Ik wensch liet om uwent- en om mijnentwille. Ik ga nu, want mijn hart is tot tranen toe bewogen, en ik gevoel dat ze mij in de oogen willen komen!quot;

De heer Hölzel had de laatste woorden reeds niet rneer gehoord, maar was naar buiten gegaan, en had zacht de deur achter zich dicht gedrukt. Niemand zag de tranen, die thans uit Schiller's oogen vielen; niemand hoorde de zware zuchten, die uit zijn borst drongen; niemand was getuige, hoe de groote dichterziel in zich zelve worstelde met de vernedering, de zorgen en kwellingen van het aardsche leven; -- niemand hoorde de weemoedige klachten over den aardschen nood en de armoede, welke het eenige erfdeel der meeste dichters zijn! Maar Friedrich Schiller's vurige ziel verhief zich dra boven zulk een aardsch verdriet. De blik, die vol tranen op het tegenwoordige gericht was geweest, zag nu in de toekomst, hief zich op tot de lichte hoogten, waar in stralenden zonneglans de tempel des roems, in gouden schrift den naam van FRIEDRICH SCHILLER droeg!

.,Ik ben een dichter,quot; jubelde het luid in zijn binnenste: „een dichter, meer door Gods genade, dan het Vorsten en Koningen zijn Zoo hun de aarde behoort, mij behoort de hemel, en terwijl zij aan gouden tafels spijzen, eet ik ambrozijn, en drink nectar aan de tafel der goden! Wat deert het, of de dichters op aarde ook bedelaars zijn, of geld en goed en uiterlijke rijkdom hun ook ontbreken. Zij mogen zich deswege niet beklagen, want de goden schenken hun dit kapitaal van geest en poëzie, opdat het vruchten geve in hunne werken. En schoon de mensch ook soms honger lijdt, spijzen de goden den dichter aan hunne tafel op den hoogen Olympus!

Hieraan wil ik tot mijn troost denken, vervolgde Schiller luid: „en dit wil ik tot troost aan anderen zeggen. Ik wil er een gedicht over maken, en dat quot;zal heeten: De verdeeling der aarde!quot;

Hij naderde zijn schrijftafel, teekende met haastige trekken den titel in zijn dagboek op, en wilde zich toen weder aan zijn tragedie begeven.

Maar de Muzen, die, — door het gerucht van aardschen nood, en het gerei over aardsche goederen, uit de onthei-

ocr page 51

47

ligde kamer des dichters gevloden waren, — de Muzen wilden zich nu niet naar zijn roepstem schikken, en der gedachten van den dichter ontbraken verhefline en bezieling.

Misnoegd wierp Schiller de pen weg, en sprong op. „Het gaat niet,quot; riep hij ; ,,ik heb het heilige vuur des hemels uitgedoofd met de tranen, welke het leed der aarde mij afperste, en alles is koud in mij, — koud en woest! Waar vind ik weder die heilige vonk, opdat zij mij de ziel ontgloeie en de verbeelding ontvlamme?quot;

„Bij haar!quot; riep het in zijn hart: „Bij Charlotte von Kalb. Ja, zij, — de lieve;, jonge vrouw met de vurige ziel, — zij zal mij weder opnieuw ontvlammen en bezielen. Zij verstaat zich op poëzie, en wat werkelijk schoon en groot is, vindt weerklank in haar hart. Ik wil tot Charlotte gaan! Ik wil haar de twee eerste bedrijven van mijn „Carlosquot; voorlezen, en aan hare vreugde zal zich het vuur mijner bezieling opnieuw ontsteken!quot;

Hij rolde haastig zijn manuscript te zamen, en nam zijn hoed. Geen blik sloeg hij in den kleinen, doffen spiegel, die bestoven aan het smalle vensterkozijn hing; geen schuier bracht het verwarde, gele haar in orde, of nam hot-stof en de vlekken zijner kleeding weg. Aan zulke bijzaken van uiterlijk voorkomen, dacht de dichter volstrekt niet. Wat bekommerde hem de schaal, hèm, die zich eeniglijk met de kern des wezens bezig hield!

Zoo ijlde hij weg uit het huis, door de straten der kleine stad. De menschen, die hem ontmoetten, groetten hem eerbiedig en bleven staan, om de hooge, slanke gestalte des dichters na te oogen. Hij zag ze niet, lette niet op hen. Zijn oog was ten hemel gericht; zijne gedachten vlogen hem vooruit naar Charlotte, naar de jonge vrouw met de vurige ziel en het opgewekte hart.

Of dit hart haar heeft gezegd dat de dichter komt? — Of de sympathie der zielen het Charlotte von Kalb laat vermoeden, dat Friedrich Schiller nadert? —

ocr page 52

48

V.

CHARLOTTE VON KALB.

Zij zat aan het venster van hare elegante huiskamer. Zij had zooeven haar fraai en smaakvol rnorgentoilet voltooid, en toen nu de spiegel het beeld der jonge, twintigjarige vrouw met het blond, licht gepoederd haar, met het hooge, peinzende voorhoofd en de buitengewoon groo-te, glinsterende, zwarte oogen had weerkaatst, — toen hij haar de slanke, sierlijke gestalte had vertoond, die in het zacht plooienrijk gewaad van hemelsblauwe wollen stof liefelijk was om te aanschouwen, — had Charlotte von Kalb zich zuchtend omgekeerd.

„Ik ben het wél waard bemind te worden, en echter bemint mij niemand! Neen, niemand! — Noch mijn echtgenoot, dien familieredenen mij hebben opgedrongen, noch mijne zuster, die slechts aan het ongeluk van haar eigen huwelijk denkt, noch één mijner overige verwanten. Ik sta alleen! De echtgenoot, die aan mijne zijde moest zijn, is immers ver van mij, aan het Hof der schoone Koningin van Frankrijk. Mijne zuster leeft met haren onbeminden echtgenoot op hare goederen, eu twist en strijd om aard-sche have en goed heerschen in de familie. Ik ben alleen, geheel alleen! Ach, deze eenzaamheid des harten is troosteloos; want mijn hart is vol verlangen naar liefde, vol heilig vuur van geestvervoering!quot;

Zij huiverde inwendig toen zij dit zeide, en richtte hare oogen met een schuwen, angstigen blik op het kleine portret, dat nevens andere daar aan den wand tusschen de vensters hing. Langzaam naderde zij het, en aanschouwde het lang en peinzend.

Het was slechts een eenvoudig, zwart silhouet, een manshoofd in profiel. Maar hoe merkwaardig, hoe vol uitdrukking was dit profiel; hoe prachtig dit boog, denkend voorhoofd, hoe fier de scherp gebogen adelaarsneus; hoe bespraakt en fijn de open lippen, en hoe krachtig defor-sche kin. Men kon aan het siliiouet zien, dat 't het hoofd van een uitstekend man voorstelde, zelfs indien er de naam niet onder had gestaan, denaam: Friedrich Schiller!

ocr page 53

49

„FriedrichSchiller!quot; lluisterde Charlotte zuchtend; „Frie-drich Schiller!quot;

Meer spraken hare lippen niet, maar in haar hart fluisterde en klaagde het zacht en angstig, en zij luisterde naar dat gelluister, en staarde naar buiten op de straat, in het ledige!

Daar klonk buiten de schel der huisdeur, en deze klank wekte Charlotte von Kalb uit hare mijmering. Er is iemand het huis binnengetreden! Zij hoopt dat hij niet tot haar komt! Zij mag thans niemand zien, want er komt toch niemand, die haar vreugde brengt!

Fr wordt haastig en driftig aan de deur barer kamer geklopt, en een purpergloed stroomt over Charlotte's wangen, want zij kent dat kloppen, en in haar hart vindt het zulk een luiden echo, dat zij geen antwoord geven kan.

Men klopt ten tweeden male, en een plotselinge angst, waarvan zij zich zelve geen rekenschap weet te geven, grijpt het hart van Charlotte aan. Zij ijlt door de kamer naar baaL1 boudoir, en drukt de deur zacht achter zich dicht. Maar zij blijtt er naast staan, en hoort dat de deur geopend wordt, en een man binnentreedt. Zij hoort zijn stem, die den bediende toeroept: „Mevrouw von Kalb is niet hier! Ga, en zeg haar, dat ik verzoek haar te mogen zien.quot;

Ha, zij herkent deze stem! De stem van Friedrich Schiller; en het schiet als een bliksem door baar ziel, en haar hart huivert en beeft. —

Het mag niet zijn! Neen, Charlotte, bij alles wat u heilig is, het mag niet zijn! Denk aan uwe plichten, vergeet ze geen oogenblik! Wapen uw hart, opdat het sterk en vast blijve! Leg een masker voor uw aangezicht, een ondoordringbaar masker! Niemand, neen, niemand ter wereld mag vermoeden wat in u omgaat; het minst hij zelf!

Er wordt aan de blinde deur geklopt, die in de slaap-kacner voert. De kamenier is er, om haar fluisterend te berichten, dat mijnheer Schiller in het salon is.

„Zeg hem, dat hij een paar minuten wacht! Ik kom aanstonds!quot;

Toen de paar minuten verstreken waren, trad Charlotte von Kalb, met effen voorhoofd en lachenden mond, het salon binnen. Schiller ijlde haar tegemoet en nam de fijne, Mühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. III. 4

ocr page 54

50

kleine hand, welke zij hem reikte, en drukte die innig aan zijne lippen.

„Charlotte, vriendin, mijn hart is bewogen en vol onstuimige gedachten; daarom kom ik tot u, want ik weet dat mijn dierbare vriendin de beste kennis heeft van alle aandoeningen des harten.quot;

„Aandoeningen des harten, Schiller?'' vroeg zij met een luiden lach: „Zijn wij reeds weder zoover? Is er reeds weder een nieuwe verliefdheid, buiten de schoone Margaretha Schwam en de kleine Charlotte von Wolzo-gen ?quot;

Hij zag verwonderd tot haar op; hunne oogen ontmoetten elkander, en Charlotte's wangen werden bleeker, in weerwil van de lachende uitdrukking, welke zij nog altoos op haar gelaat kon bewaren.

„Hoe zonderling spreekt ge heden, Charlotte, en hoe veranderd klinkt uw stem?quot;

„Ik heb een koude gevat, vriend,quot; zeide zij de schouders ophalende: „ge weet het, ik kan geen koude verdragen, zij doodt mij. Maar ge zijt niet hier gekomen om dit van mij te hooren.quot;

„Neen, 'tis waar,quot; antwoordde Schiller verstrooid: „ik ben niet daarom gekomen. Ik — waarom zijn uwe handen zoo koud, Charlotte, en waarom hebt ge mij nog geen enkel goed woord gezegd?quot;

' „Wijl ge er mij nog volstrekt geen tijd toe gelaten hebt,quot; glimlachte zij: „'tSchijnt waarlijk. Schiller, dat ge heden hier zijt gekomen als de regiments-chirurgijn, die een geneeskundig bezoek doet, — en ^ niet als de dichter, die een goede bekende begroeten wil!quot;

„Een goede bekende,quot; riep Schiller heftig, terwijl hij Charlotte's hand onstuimig wegstiet: „Charlotte, wilt ge voor mij inderdaad niets meer zijn, dan een goede bekende?quot;

„Nu dan, een goede vriendin,quot; zeide zij bedaard: „maar twisten wij toch niet om woorden, Schiller. Wij weten immers, wat wij voor elkander zijn. Ge moest ten minste weten, dat mijn hart aan alles deel neemt wat ubetreft. Dus zeg mij nu, lieve vriend, wat voert u in zulk een ongewoon uur tot mij? Het moet iets bijzonders zijn, denk ik; want men is niet gewoon den dichter Schiller om de-

ocr page 55

51

zen tijd buiten zijn studeerkamer te zien. Nu, heb ik het geraden? Is het iets bijzonders?quot;

„Ik weet niet,quot; antwoordde Schiller verward.

„Hoe, ge weet niet?quot; vroeg Charlotte met een luiden lach, die Schiller leed scheen te doen; want hij ontroerde, en een wolk vloog over zijn hoog voorhoofd.— „Gij weet niet waarom ge tot mij gekomen zijt?quot;

„Ik weet niet;quot; zeidej^ij peinzend; „'tis mij plotseling zoo zonderling, zoo veranderd. Ik kwam met een vol, vertrouwend hart, ik verlangde zoozeer naar u, Charlotte ; en j nu is 't eensklaps alsof een ijskorst zich om mijn hart heeft gelegd, en uw zonderling koel, onverschillig voorkomen doet mijn innigste gevoelens verstijven.quot;

„Ge zijt.een kind, dat heet: gij zijt een dichter! Kom, mijn dichter, twisten wij niet meer om woorden en voor-. komen; beschouwen wij niet meer de schaal, maar houden ; wij ons aan de kern, en ge weet dat zij bij mij goed en frisch is. — Ha, nu zie ik ook waarom gij gekomen zijt. . Daar licht een rol papier nevens uw hoed! Een manu-ï script! Friedrich Schiller is gekomen om de vereerster zijner muze, — zooals hij haar voor eenige dagen beloofd heeft, — zijn nieuwste gedicht voor te lezen. Gij zeidet, dat het een geheim was, en wildet mij niet eens zeggen, of uwe nieuwe arbeid een tragedie of dichtstuk was. Maar nu, — nietwaar Schiller, nu wilt ge mii het geheim openbaren?quot; amp; J amp;

,Ja, dat wilde ik,quot; zeide Schiller treurig: „ik wilde de deelnemende, de geliefde vriendin het begin van een nieuw i treurspel voorlezen, maar —quot;

„Geen maarquot; — viel zij hem haastig in de rede: „O, | geef hier, laat mij;het manuscript zien!quot;

Zij ijlde met lichten, gevleugelden tred naar den stoel, waarop Schiller nevens zijn hoed, het opgerolde manuscript gelegd had.

„Mag ik het openen. Schiller?quot; vroeg zij, en toen hij ! zwijgend knikte, scheurde zij met bevende hand den om-j slag af, rolde het papier open, en las: „Don Carlos,iiifant van Spanje, een treurspel.quot; — Ha, Schiller, lieve Schiller, ï een nieuw treurspel! O mijn dichter, mijn dierbare dichter, welk een vreugde, welk een verukking' —

„O,quot; riep hij juichend: „dat is weder de schoone toon

ocr page 56

52

en dit is weder de vlammende, zielvolle blik ! Welkom, Charlotte, duizendmaal welkom!quot;

Hij ijlde op haar toe, nam hare hand en drukte die aan zijne lippen. Zij echter zag hem niet aan, hield haar blik onafgewend op het manuscript gericht, dat zij nog in de hand hield, en herhaalde zacht: „Don Carlos, inlant van Spanje.quot;

„Ja, en dezen infant wil ik u thans voorlezen, dat wil zeggen: de beide eerste bedrijven. Ge wilt het immers, Charlotte?quot;

„O, welk een vraag. Schiller! Spoedig, neem een stoel; zet u tegenover mij, en lees!quot;

Zij nam op de kleine canapé plaats, en toen Schiller zich even omwendde om een stoel te halen, drukte Charlotte ijlings een kus op het manuscript in haar hand.

Doch toen Schiller met zijn stoel aankwam, lag het manuscript reeds op de J tafel, en Charlotte zat met kalme houding tegenover hern.

En Schiller begon te lezen; las der „vriendinquot; het eerste bedrijf van don Carlos voor, las met welluidende stem, met gevoel en vuur, geheel medegesleept door de macht van zijn eigen dichtwerk.

Maar de vriendin, de toehoorster scheen al deze verhevene, zalige gewaarwordingen niet te deelen! Hare groote, zwarte oogen waren onafgewend op den lezer gericht; aanvankelijk had haar gelaat levendige deelneming uitgedrukt, maar allengs was deze uitdrukking verdwenen; zij was onrustig geworden, en somwijlen, als Schiller zoo luid en met vuur declameerde, had als een heimelijke glimlach om hare lippen getrild. Nu had Schiller zijn lectuur geeindigd, legde het manuscript op de tafel, en wendde den nog van geestvervoering stralenden blik tot zijne vriendin.

„Nu, mijn eenige, mijn dierbare vriendin, zeg mij nu eerlijk en oprecht uwe meening! Wat dunkt u van mijn werk V

„Eerlijk en oprecht?quot; vroeg zij met dezelfde trekking om hare lippen.

„Ja, vriendin, ik verzoek het u.quot;

„Welnu, mijn vriend,quot; riep zij met een luiden, onbe-dwingbaren lach ; „welnu, lieve Schiller, dan moet ik u

ocr page 57

53

eerlijk en oprecht zeggen, dat „don Carlosquot; het slechtste is wat gij geschreven hebt.quot;

Schiller sprong van zijn stoel op, en staarde haar met ontzetting aan: „Uw oprechte meening?'

„Ja, vriend, mijn oprechte meening!quot; — En Charlotte von Kalh lachte nog alloos.

.,Neen,quot; riep Schiller met smartelijken toorn: „neen, dat is te erg!quot;

Hij greep h.iastig zijn hoed, en zonder Charlotte aan te zien, zonder haar te groeten, verliet hij de kamer, en wierp de deur heftig achter zich in het slot. ')

Met groote schreden ijlde hij over de straat voort, met misnoegen en wrok in het hart, en toch zóó vol weemoed, zóó treurig, dat hij luid had kunnen weenen van smart en jammer, over zich zeiven en over de geheele wereld!

Als hij bekenden op de straat zag naderen, ontweek hij ze, en sloeg haastig een zijstraat in. Hij kon thans niemand groeten, of over onverschillige dingen spreken.

Zoo bereikte hij met haastigen gang zijn woning, ging de trap op en zijn kamer binnen, welke hij straks in zulk een opwekte stemming verlaten had, en nu zoo teleurgesteld, zoo ontnuchterd weder betrad.

„Alles is vruchteloos, alles vergeefs!quot; riep hij luid, terwijl hij zijn hoed ver van zich in de kamer wierp: „Ik meende goud te hebben gevonden, en het zijn niets dan glimmende kolen geweest, die nu zijn uitgedoofd. Ach, Friedrich Schiller, wat zal van u worden, on wat wilt ge beginnen met dezen valschen gloed in uwe ziel ?quot;

Hij liep onstuimig in het kleine vertrek heen en weder, stiet verbolgen de boeken, — die in geniale wanorde op den vloer verspreid lagen, — met zijn voet ter zijde, zoodat zij naar den uitersten hoek der kamer vlogen; voer met de handen door zijn verward haar, waaruit hij in zijn woede het staartlint wierp, en sloeg dan weder met gebalde vuisl op de oude, vermolmde tafel, welke hij de eer aandeed zijn schrijftafel te noemen.

Het was een heftige vlaag van woede, een losbarsting van inwendige troosteloosheid en wanhoop, gelijk die

1) Dit tooneel is nauwkeurig historisch, naar de voorstellingen van Holf-uieister, Viehoff, Wolzogen, Scheer, en anderen.

ocr page 58

54

in het leven van den armen, geplaagden en gekwelden dichter niet zeldzaam was.

„Mijn vader heeft gelijk,quot; riep hij woedend: „ik ben een opgeblazen dwaas, die zich zeiven te hoog schat, en met groote vooruitzichten en verwachtingen praalt, doch van wien nooit iets degelijks zal worden! Waarom heb ik niet naar zijn wijzen raad geluisterd? Waarom ben ik geen regi-ments-chirurgijn gebleven, en heb mij niet deemoedig aan de voeten van mijn dwingeland gebogen? Waarom was ik zulk een opgeblazen dwaas, van iels beters te willen zijn dan een pleistermeester ? Ik verbeeldde mij door de goden aan tafel te zijn genoodigd, terwijl ik toch niets anders waard ben, dan aan de lakeientafel van mijn hertog, het harde brood van plicht en afhankelijkheid te eten! Zij heeft gelachen. Gelachen om mijn dichtwerk. Al deze woorden, deze gedachten, die uit het diepste mijns harten zijn opgebloeid, — al deze gestalten, waaraan ik geest van mijnen geest, leven van mijn leven heb gegeven, — dit alles heeft op haar geen anderen indruk gemaakt, dan dat zij gelachen heeft, gelachen om mijn treurspel! Ach, Charlotte, Charlotte, waarom hebt ge me dit aangedaan!quot;

En hij voer weder met de handen door zijn haar, en zonk luid kermend en steunend op den stoel neder.

„Ik ben ongelukkig, zeer ongelukkig! Ik meende een wereld te kunnen veroveren, en heb nog geen enkel men-schenhart veroverd ! Ik hoopte roem, eer, aanzien en een verzekerd bestaan door de scheppingskracht van mijn talent te verwerven, en ben een arm, onbekend, door schuldeischefs, door nood en ellende vervolgd en gejaagd mensch, die ten laatste geheel aan zichzelven zal twijfelen, en zich-zelven troosteloos bekennen moet, dat hij zich te hoog geschat en misrekend heeft, en dien men uitlacht om heigeen hèm toch zulk een hoogheilige ernst was ! Waarlijk, ik ben ongelukkig, zeer ongelukkig! Geheel alleen, niemand, die mij bemint, die mij begrijpt!quot;

Zware zuchten deden zijn borst zwellen, tranen stonden in zijne oogen, die zich langzaam met verwijtenden blik ten hemel richtten.

Toen hij vervolgens de oogen weder neersloeg, wendden zij zich naar de schrijftafel, — de schrijftafel, waaraan hij zoovele uren van den nacht in opgewekten arbeid door-

ocr page 59

gebracht, — zoovele uren van den dag geschreven, gepeinsd en ook geleden had !

„Tevergeefs en ijdel alles! Slechts misleiding en waan ! Als men kan lachen om hetgeen ik met het bloed mijns harten heb geschreven, dan ben ik geen dichter, geen uitverkorene ! Dan ware het beter, dat ik voor den kost acten afgeschreven, en kook-recepten samengesteld had, in plaats van treurspelen en —quot;

Hij zweeg en stak de hand uit naar het paket en den brief die op de tafel lagen, en welke de brievenbesteller gedurende zijn afwezigheid gebracht, en daar neergelegd had.

Een eenvoudige brief zou hem onverschillig gelaten, ja met schrik vervuld hebben; want de brieven, welke hij ontving, brachten hem immers slechts smart, vernedering en kwelling. Zij waren óf van manende schuldei-schers, óf van zijn vei-toornden vader, óf van schouwburgintendanten, die zijn Fiesco als „onbruikbaar en onuitvoerbaar'' afwezen.

Maar. nevens dezen brief lag een paket, en de brief, dien Schiller nu in zij-n hand nam, droeg het postmerk Leipzig. — Uit Leipzig! Wie kon hem van daar schrijven, wie hem iets zenden? Wie had hem iets anders gezonden, dan geweigerde manuscripten en tooneelstuk-ken?quot;

„Ha, juist! Dat was het! — Hij had immers „Fiescoquot; ook naar Leipzig aan den tooneeldirecteur aldaar gezonden en deze zond hem nu het stuk terug, en schreef een beleefden afwiizenden brief er bii. Andersniet, natuurliik anders niet!

Met een wrevelen blik rukte hij het zegel los, sloeg den brief uiteen, en zag het eerst naar de onderteekening, om zich te overtuigen dat hij zich niet vergist had.

Maar neen! 'tWas niet de naam van den tooneeldirecteur van Leipzig. Maar hoe, wat beteekende dat? Daar stonden met verschillend schrift vier namen onderteekend ! Daar stond: E. G. Körner, en daarnaast: Mina Stock, en onder deze namen weder twee: L. F. Hubel, en Stock.

Schiller schudde verwonderd zijn hoofd, en begon toen den brief te lezen. Aanvankelijk bedaard, nieuwsgierig, maar hoe verder hij las, des te opgewekter werd zijn

ocr page 60

56

gelaat, des te hooger kleurden zich zijne vroeger zoo bleeke wangen.

Uit het verre Leipzig riepen vier vurige zielen den verwilderden, ongekenden dichter hun groet toe. Danken wilden zij Friedrich Schiller, — zoo schreven zij, —danken voor de vele schoone uren, welke hij hun bezorgd had; danken voor zijne edele, hooghartige dichtwerken, die hunne harten met de edelste gevoelens, — hunne zielen met hooge verrukking vervuld hadden. In hunne schoone uren en in de opgewondenheid hunner van liefde voor elkander vervulde harten, hcdden alle vier, de twee gelukkige bruidsparen, zich door Friedrich Schiller's dichtwerken verheven ; en beter, gelukkiger en vroo-lijker waren zij geworden door de gedachten en gewaarwordingen, welke de dichter in hen had opgewekt. En verder schreven beide gelukkige paren, dat, om geheel gelukkig en opgetogen te zijn, hun niets anders ontbrak, dan de tegenwoordigheid des dichters, dan zijn gelukkig-makende, bezielende nabijheid. Zij hadden tezamen zijn „Roovers,'' zijn „Kabaal en Liefde,quot; zijn „Fiescoquot; gelezen, en bij de lectuur was de liefde in hunne reine harten ontvlamd, was als een teedere plant onder de zegenende stralen der zon gekweekt en ontloken, en Friedrich Schiller was de bemiddelaar geweest tusschen beide bruidsparen. Dus moest hy nu ook de bruidsleider zijn op hun bruiloft, moest hunne bede verhooren, en naar Leipzig komen op het feest hunner liefde. En vervolgens zeiden zij hem met aandoenlijke woorden: dat zij nooit anders van hem spraken, dan van hun dierbaarsten vriend, hun weldoener; dat zij hem verzochten, door bijgaande kleine liefdesgeschenken een bewijs hunner dankbaarheid te mogen geven, en hem bekend te maken met de personen, die hem zoo vurig vereerden, zooals dit trouwens in Duitschland ieder warm hart en ieder denkend hoofd deed evenals zij!

Hij legde den brief ter zijde en opende met haastige, bevende handen hel pakje; want zijn hart verlangde de personen te zien, die hem zoo vurig vereerden.quot;

En daar waren zij, deze lieve personen; zij stelden zich aan hem voor in vier fraaie miniatuur-portretten, waarop gemerkt stond, dat „Huber' ze geschilderd had. Welke bekoorlijke, fraaie meisjeshoofden lachten Schiller uit deze

ocr page 61

57

twee medaillons toe; hoe ernstig, peinzend en diepzinnig, was het hoofd van dezen jongen man, die als „Körnerquot; werd aangeduid, en hoe geniaal en frisch en moedig was het hoofd van den schilder Huher!

Maar er was nog meer in het pakje dan deze vier portretten. Er was in sierlijk notenschrift op papier met gouden rand een lied; een lied uit de „Rooversquot; en Körner was als de componist van het lied genoemd. Vervolgens was er nog een prachtige, met goud, zijde en paarlen ge-boorduurde brieventasch, en daarin lag een briefje, waarin Dora en Mina schreven, dat zij dezen brieventasch voor den dichter hadden vervaardigd, terwijl hare verloofden haar zijne treurspelen voorlazen.

Schiller beschouwde deze fraaie liefdegeschenken met verbaasden blik; 'l was hem alsof hij droomde, als was alles slechts een begoocheling zijner verbeelding, en geen werkelijkheid. Hoe zou hij, die heden nog zooveel krenkingen en vernederingen had ondervonden, — hij, dien men gehoond, gescholden en uitgelachen had, — hoe zou hij aan zulk een geluk, zulk een waardeering komen! Hoe konden monschen, die hem volstrekt niet kenden, niets van hem wisten, er toe komen hem groeten, geschenken, en woorden van dank te zenden?

Neen, neen! Het was alles slechts een droom, een misleiding !

Maar, daar lag immers de brief, de sprekende getuigenis der waarheid en werkelijkheid! Schiller nam hem met bevende handen en las hem weder.

„O, laat het u gezegd zijn, groote, edele dichter, wij danken u de schoonste en beste uren van ons leven. Wat goed in ons was hebt gij beier gemaakt; wat duister was hebt ge verhelderd, onze eigen gewaarwordingen hebben uwe dichtwerken voor ons verklaard, en uwe verhevene woorden klinken van onze lippen, als wij, beminnenden, tezamen zijn. Ontvang onzen dank, Friedrich Schiller; ontvang hem van twee Uuitsche jongelingen en twee Duitsche meisjes! Laten zij tot u, den Duitschen dichter, spreken in naam der Duitsche natie, van welke alle harten u te-genkloppen; — in naam der duizende en duizende Duitsche jongedochters en jongelingen, die met verrukking uwe liederen zingen, en wie bij het aanschouwen uwer trage-

ocr page 62

58

diën tranen van aandoening van zaligheid uit de oogen vloeien!quot;

Tranen van aandoening en van zaligheid ! Deze vloeiden nu uit Schiller's oogen! Hij weet niet dat hij van zijn stoel nederzinkt op zijne knieën, dat zijn lichaam zich buigt, wijl zijn ziel in vervoering opstijgt tot God. De armen heft hij omhoog, vouwt de handen samen als tot het gebed, en zijn van tranen glinsterende blik zoekt en vindt den hemel.

„Ik dank u, God, dat ge mij zulk een groote vreugde hebt doen beleven! Ik dank u, vrienden in de verte, tot wie mijn hart heenvliegt met beminnend verlangen, — ik dank u voor dit uur! Ik dank u, want 'tis het zaligste mijns levens! Gelijk een stem in de woestijn, opbeurend en troostend, klinkt uw liefdegroet in mijn oor, en ik, die verslagen was van smart en wanhoop, ik richt mij weder op met blijden moed en vroolijke hoop! O als ik denk, dat in de wereld buiten u, gezegende twee paren, er misschen nog andere zijn, die mij beminnen; die zich verheugen zouden mij te ieeren kennen, — dat misschien over honderd en meer jaren, als ook mijn stof reeds lang vervlogen is, men nóg mijn gedachtenis zegent, en mij nog in het graf tranen en bewondering wijdt, — dan, o mijn geliefde onbekenden, dan verheug ik mij over mijn dichtersroeping, en verzoen mij met God en mijn dikwijls hard levenslot! ^

„Nu weet ik, dat ik een dichter ben,quot; riep hij luid, terwijl hij opsprong en met groote schreden op en neer ging: „neen, het was geen misleiding, geen ijdele waan. ïk ben een dichter! Het heilige vuur der poëzie moet gloeien en vlammen in mijne werken, anders zou het niet zulke edele zielen en beminnende harten kunnen doen ontbranden! Ik ben een dichter, ofschoon zij mij ook uitgelachen en gehoond heeft! Zij, van wie ik voorwaar geloofd had, dat zij mij boven alle anderen begrijpen zou!quot;

Er werd luid en heftig aan de deur geklopt. Op Schiller's roep trad een livreibedi.mde builen adem binnen, en reikte Schiller een toegevouwen blaadje papier over.

Met haastig, nauwelijks leesbaar schrift stond op het

1) Schiller's eigen woorden. Zie: Schiller nnd seine Familie. S. 448

ocr page 63

59

papier: „Ik bezweer u, vriend, kom tot mij! Ik heb u iels gewichtigs te zeggen! Wees grootmoedig en kom terstond! Charlotte!quot;

O, zij had in een goed oogenblik zijne grootmoedigheid ingeroepen! Hoeveel leed zij hem ook gedaan had, de wonde brandt niet meer, er is balsem op zijn hart gelegd!

„Ga, Karei, en zeg aan mevrouw, dat ik terstond kom!quot; Karei ijlt heen; Schiller neemt zijn hoed en begeeft zich op weg, en denkt onderweg toch niet aan Charlotte. Hij denkt aan de vier vrienden te Leipzig, die hem beminnen, die niet gelachen zouden hebben om zijn „don Carlos!quot; Deze gedachten stralen in zachte vroolijkheid, in zelfgevoel van zijn aangezicht, dat nu helderder en klaar is, zooals het nog nooit was; en fierder en vrijer draagt hij zijn hoofd, want de waardeering van edele zielen rust op hem als een zegen Gods, en beurt hem op. Zóó treedt hij de woning van Charlotte binnen, en gaat door het voorhuis naar de deur barer kamer.

Charlotte heeft hem verwacht; zij staat met beweende oogen naast de open deur, en wenkt hem met een zaligen glimlach, binnen te komen, en toen hij dit gedaan,— toen hij de deur achter zich gesloten heeft, zinkt Charlotte voor hem op de knieën, de schoone, voorname jonge vrouw voor den armen jongen dichter, — maar tóch de dichter door Gods genade!

„Ach, Schiller, waarde Schiller, kunt ge mij vergeven? Ik roep tot u, den genius, den edelste der Duitsche dichters, ik bid om vergiffenis!quot;

Hij boog zich geheel verschrikt tot haar neder. „Om Godswil, mevrouw, wat doet ge ? Hoe kunt ge u zóó vernederen? Sta op, ik bezweer u, sta op!quot;

„Niet eerder, dan wanneer ge mij mijn dwaling vergeven hebt; niet eerder, dan als ge mij zweert niet meer vertoornd te zijn over het vreeselijk tooneel van straks!quot;

„Welaan, ik zweer u, Charlotte, dat geen spoor van misnoegdheid meer in mij is. Goede engelen hebben met een ademtocht der liefde al mijn ontevredenheid en toorn weggewaaid. Sta nu op, Charlotte! Hier, richt u aan mijn hand overeind!quot;

Zij greep de haar gereikte, sterke hand des jongelings met hare beide kleine handen, en richtte zich er mede op.

ocr page 64

60

„Ach, Schiller, dierbare vriend, wat heb ik geleden en tóch, hoe zalig ben ik tergelijkerfijd, sedert ge mij straks verlaten hebt. Welk een geluk was het voor mij, dat ge in uwe misnoegdheid uw manuscript hier achterliet. Ik nam het, om het nog eens te lezen, om mij te versterken in mijne meening wegens de mislukking. Ach, ik ontdekte een hemelsche teleurstelling, een gelukzalig misverstand, toen ik nu las. — O Schiller, welk een verheven dichtstuk is deze tragedie; in welk een weiluidenden stroom vloeien deze woorden, met welk een dichterlijke vlucht stijgen deze gedachten ten hemel. Mijn vriend, heil u, heil uwe toekomst; want uw nieuw dichtwerk, uw ,,don Carlosquot; is het schoonste wat ge nog geschreven hebt!quot;

,,0, Charlotte,quot; riep Schiller verheugd : ,,is het dan waar, zegt ge dit in ernst? Maar neen, neen! Slechts uwe goedhartigheid laat u nu zóó spreken. Gij hebt gezien, dat uw veroordeeling mij smartte, en ge wilt mij edelmoedig verzachting geven.quot;

„Neen, Friedrich, neen; ik zweer u bij het hoogste en schoonste, bij uwe edele ziel, bij uw dichterwaarde; uw don Carlos is een lauwerkrans der onsterfelijkheid voor uw edel dichterhoofd. Eeuwen zullen voorbijgaan, en men zal deze tragedie nog altijd prijzen en eeren als een meesterstuk, en de geheele Duitsche natie zal er trotsch op zijn, te kunnen zeggen; „Friedrich Schiller was de onze! Zijn dichtwerken, die geheel Europa verrukken en vervoeren, zijn in de Duitsche taal geschreven, en een Duitsch dichter was Friedrich Schiller!quot; O, kon mijn geest dan zweven in den ether, om deze woorden van hel nageslacht te hooren, en op het graf van den onsterfelijke, hètn het jubellied des roems toe te zingen, dien mijn gecsl gekend en bewonderd had, toen hij nog in aardsche gestalte besloten, op aarde wandelde. Schiller, mijn ziel vlamt u tegen, en ik heb een gevoel, als ware i/c de muze. die den dichter moet wijden met den kus van liefde en van smart! Wat kan een vrouw den man, welke zij het hoogst vereert, het zuiverst bemint, — wat kan zij hem heerlijker schenken, dan den wijdingskus van hare lippen? Neem hem, Friedrich Schiller; mijne lippen bieden zich u aan, dichter van don Caiios; ontvang den kus der wijding, den kus van dankzegging!quot;

ocr page 65

61

„0, Charlotte, mijne muze, mijn vriendin en, — laat liet mij zeggen, het groote, goddelijke woord: — mijne geliefde! Ik dank u!quot;

Hij legde zijn arm vast om de teedere gestalte, sloot haar aan zijn hart, en drukte een langen innigen kus op hare lippen, aanschouwde haar toen met glinsterende oogen en gelukkig, verrukt door haar blozend aangezicht, door haren vlammenden blik, wilden zijne lippen andermaal de hare zoeken.

Maar Charlotte onttrok zich aan hem met een haastige beweging, en trad terug. — „Het schoone oogenblik is genoten,quot; zeide zij ernstig en vol waardigheid; ,,Wij be-

Ihooren thans weder aan het leven, aan de werkelijkheid, en nadat wij de goden en de muzen hebben gehuldigd, moeten wij er ons wel in schikken, ons weder aan men-schelijke instellingen en gebruiken te onderwerpen.quot;

„Waarom Charlott«, waarom willen wij dat? Zijn niet de menscholijke instellingen veranderlijk en vergankelijk, en aan wisselvalligheid onderhevig? Wat heden de men-schen misdaad noemen, is in andere tijden een heldendaad, en wat zij heden brandmerken als ondeugd, prijzen

Izij later misschien als deugd. O, Charlotte, ik bemin u; mijn ziel verlangt naar u, mijn hart roept u! Alles is gevoel en zalig genot als ik u aanschouw! Laat ons het verbond der geesten sluiten, die met goddelijke verhevenheid hoog boven aardsche gevoelens opstijgen; — het verbond van gloeiende, godzalige liefde, die van hart tot hart, van ziel tot ziele spreekt. O zie mij niet zoo verbaasd aan met uwe oogen, die diep zijn als de zee en vlammend als het vuur! Hebt ge niet reeds lang geweten en begrepen, Charlotte, dat ik u bemin, u alleen ?quot;

„Mij alleen,quot; riep zij smartelijk: Neen! dat is niet zoo, niet mij alleen! Gij bemint in mij de liefde, maar niet mij zelve. O Schiller, hoed u, ik bezweer u om uw eigenwil, hoed u! Neem uwe bekentenis terug. Ik wil haar niet gehoord hebben; zij z.al verdoofd zijn voor mijne ooren, uitgewischt uit mijne verbeelding. Neem haar terug, of neen, spreek er geen woord meer van. Vergeten wij dit oogenblik, gelijk men den laatsten zonnestraal vergeet, die eens den nederdalenden nacht vergulde, en

ocr page 66

62

spreken wij weder met elkander, zooals wij vroeger deden, — als vrienden!quot;

„Vrienden!quot; riep Schiller heftig: „Ik roep u toe, gelijk Aristoteles: O, mijn vrienden, er zijn geen vrienden! Ten minste, wat ik voor u gevoel, Charlotte, is geen vriendschap! Het is gloeiende, hemelsche, zalige liefde! Maar gij, o gij begrijpt hier niets van! Gij kent de liefde niet, want uw hart is koud!quot;

„Mijn hart is koud,quot; herhaalde zij met een opvlammen-den blik in hare groote oogen: „ik ken de liefde niet! En dat zegt mij Friedrich Schiller! Des dichters oogen zijn bewolkt! Zij zien niet achter de gordijn, welke de wereld en de welvoegelijkheid voor mijn aangezicht gelegd hebben! Ik ken de liefde, Friedrich Schiller! Maar mag ik, — de gehuwde vrouw, de gade van een onbeminden en niet beminnenden echtgenoot — ik haar kennen? Moet ik niet de tranen der gelukzaligheid laten verdrogen in mijne oogen, den kreet van 'tverlangen op mijn lippen laten verstommen, en een ijskorst leggen om mijn hart, dat groeit en brandt van de vlammen die mijn ge-heele ziel bewegen, zooals het vuur in het binnenste van den aarbol zijn warmte, licht en bloemen geeft? Zoo ik vrij was, — zoo mij de wil mijner familie niet met den onbeminden man naar het altaar had gevoerd, van't welk men mij na het uitgesproken „jaquot; onmachtig wegdroeg in de reiskoets,1) zoo ik op hem mocht toetreden en hem mocht noemen den man, dien ik zou kunnen beminnen, dan zoude ik tot hem zeggen: ,,Geliefde mijner ziel, gij zijt het ik van mijn ik, het hart van mijn hart; gij zijt de gedachte mijner gedachte; al mijn wezen ontvang ik van u, en alle denken adem ik uit uwe blikken! Neem mij aan, zooals de zee den regendroppel aanneemt, die zich in haar oplost en in haar verdwijnt! Laat mij een gedeelte zijn van uw wezen, en gevoel dat mijn eigen wezen geheel verloren en ondergegaan is in het uwe. Verloren 'heb ik mij zelve, om mij in u weder te vinden. Ondergegaan ben ik, om met u op te stijgen tot de lichte hoogten der zaligheid, der kennis, der poëzie! Voor ons is er

1

Zie: Charlotte. Für die Preunde der Verewigten. Als Manuscript ge-druckt. S. 80.

ocr page 67

63

; nu op aarde en in den hemel geen verlaten, geen scheiden ! meer, want wij zijn één, en slechts door een moord kunt | ge van de tot één verbonden geliefden weder twee wezens j maken, die gescheiden, ieder her- en derwaarts zullen ; gaan. Ik echter zou niet gaan en verder wandelen; want i de scheiding van u, o geliefde, — die mij eerst één met : u heeft gemaakt, — de scheiding kan slechts door bloed, door mijn vergoten hartebloed geschieden, en mijne lip-* pen zouden u zelfs niet kunnen beschuldigen, zij zouden I verstomd zijn onder den kus des doods! Zoo ge mij dus niet wilt vermoorden, wees dan trouw, gelijk ik het zijn i zal tot den dood!quot;

„Charlotte! Groot, hemelsch wezen! riep Schiller, verbaasd, verrukt in haar vlammend gelaat starend: „Gij | staat voor mij als in een stralenkrans! Een ïitanide zijt | ge, een hemelbestormster!quot;

Een glimlach gleed over haar aangezicht, en de groote, s glinsterende oogen, die hemelwaarts hadden geschouwd, ■ wendden zich langzaam weder tot de aarde, en richtten | zich met een ernstigen blik op Schiller, — „Ik heb u gezegd, Schiller, hoe ik tot den man mijner liefde spreken f zou, indien ik mocht; doch daar de plicht het mij verbiedt, moeten de lippen stom blijven. Maar tot u mag de | vriendin spreken, — de innig deelnemende bekende, — ' en met u wil zij zich verheugen over het heerlijke nieuwe werk. Zet u bij mij. Schiller, en laat ons van uwen „don Carlosquot; spreken.quot;

„Niet eerder, Charlotte, vóór ge mij eerlijk en oprecht bekent, waardoor plotseling deze verandering in u ontstaan is, en hoe het komt dat u nu datgene behaagt, wat ge voor eenige uren nog uitgelachen hebt.quot;

„Moet ik 't u zeggen, Schiller? Eerlijk en oprecht?quot;

„Eerlijk en oprecht, vriendin, gelijk alles tusschen ons zijn moet.quot;

„Welnu mijn vriend, dan wil ik u bekennen, dat gij - zelf de schuld er van draagt, zoo mij uw dichtwerk niet beviel.quot;

J „Ik? Hoe dat toch, Charlotte?quot;

„Ik zal 't u zeggen, uit vriendschap: gij bedierft uwe tragedie door uw voordracht. Gij zijt dichter, maar geen voorlezer, — want in het vuur de voordracht vergeet mijn

ocr page 68

64

vriend dat zijn don Carlos geen Zwaabsch Duitsch heeft gesproken, en Koning Filips niet uit Stuckart afkomstig is. En nu is 'ter uit; geef mij nu de hand, Schiller, en zweer mij, dat ge mijn lachen vergeten zult!quot;

„Neen, ik wil niets vergeten, Charlotte, wat ge doet of zegt! Want alles wat ge doet is goed, schoon en beminnelijk! Ik kus deze geliefde hand, die mij sloeg, en zou ook de lippen willen kussen tot verzoening, — die wreede lippen, die om mij gelachen hebben.quot;

„Geen scherts thans. Schiller,quot; zeide zij afwerend, „laat ons ernstig blijven, en met ernsl over de toekomst van uwen don Carlos spreken. Er moet iets groots, iets buitengewoons geschieden voor dit groote, buitenwone werk! Het moet als een meteoor over de aarde stralen, en zijn naam met vlammend schrift schrijven in hutten en paleizen. De dichter, die Koningen en Vorsten zóó schoon laat spreken, moet ook mét Koningen en Vorsten spreken, — moet een vorstelijken Mecenas voor zijne dichtwerken winnen. En hiertoe heb ik een plan ontworpen. Schiller, ge moet den hertog Karei August van Weimar leeren kennen, of liever, hij moet u leeren kennen, en uw Mecenas worden. Wilt ge het?'

„Wat baat het of ik wilquot; zuchtte Schiller, schouderophalend: „Hij zal niet willen! Hij, de geniale hertog, die zijn beroemden, grooten Goethe heeft en zij Wieland en Herder, hij zal zich weinig bekommeren om den armen, jongen Schiller, hij zal hoogstens, gelijk al de andere hooge en voorname heeren, den schrijver van „de Rooversquot; verwenschen, en zeer blijde zijn als diens dolle dichtwerken schipbreuk lijden op de onverschilligheid van 't publiek.quot;

,.Ge doet den edelen hertog en u zeiven onrecht,quot; riep Charlotte levendig: „Karei August van Weimar is geen gewoon Vorst, en gij zijt geen gewoon dichter. Wijl ge nu beiden buitengewone menschen zijt, zijt gij het waard elkander te kennen. Mag ik de bemiddeling op mij nemen? Hertog Karei August komt naar Darmstadt, om zijne familie te bezoeken. Wilt ge daarheen gaan, en aan den hertog van Weimar voorgesteld worden?quot;

„Ik wilde het wel,quot; riep Schiller levendig; „de dichtkunst heeft hooge, vorstelijke beschermers noodig! Wie

ocr page 69

65

weet ol Tasso ooit zijn „Verlost Jeruzalemquot; zoude hebben geschreven, zoo de hertog van Este niet zijn vriend ware geweest, en hem aan zijn hof niet een gastvrije wijkplaats had gegeven, ü, indien ge kunt, Charlotte, en ge mij zulks waardig houdt, verschaf mij dan toegang en ontvangst bij den hertog Karei August van Weimar. Moge hij, — die de zon zijner vriendschap laat schijnen op Goethe, — voor mij slechts een kleinen zonnestraal van genade hebben, die mijn eenzame, kille kamer verwarmt. Ik wil tevreden zijn, wil niet te veel begeeren; zoo de hertog slechts notitie neemt van den gehoonden dichter der Roovers. Pieeds dit zou mij baten!quot;

„Hij zal, hoop ik, meer voor u doen, Schiller. Ik ken den hertog, en ook de landgravin van Hessen. Ik zal ^u voor beiden brieven geven, en ook de heer von Dalberg, wien de hertog zeer genadig is, zal u zeker aanbevelingsbrieven geven! O, het zal gelukken, het moet gelukken! Wij zullen u met geweld uit de schaduw in het licht brengen! Niet alleen het Duitsche volk, maar ook de Duitsche Vorsten zullen den dichter Schiller beminnen en eeren; en mijn hand zal het zijn, die hem voert tot den troon, opdat de dichter met den Vorst gaan moge!quot;

„Laat mij deze hand kussen, die zulk een welwillende leiding op zich neemt,quot; zeide Schiller met vuur: „geloof mij, Charlotte; al uwe woorden zijn als sterren in mijn hart gevallen, en hebben het verlicht met bovenaardschen glans en met hemelsche zaligheid.quot;

„Moge een gunstig lot geven, dat deze sterren nooit ver-bieeken,quot; zuchtte Charotte: „moge het nooit donkere nacht voor ons worden! Maar nu, mijn vriend, ga.quot;

„Ge zendt mij weg. Charlotte?

„Ja, ik zend u weg. Schiller. Men moet zuinig zijn met de schoone oogenblikken in het leven. Ga!--—quot;

Op den avond van dezen veelbewogen dag schreef Schiller een warmen brief van dankbetuiging aan zijne onbekende vrienden te Leipzig; zijn hart opende zich wijd terwijl hij schreef, en onbewimpeld verhaalde hij hun zijn leven, dat zoo arm was aan vreugde, zoo rijk aan ontberingen en teleurgestelde hoop. Alles, waarnaar hij tot nu toe gestreefd, — wat hij gewild en gewenscht had, deelde hij hun mede; verzweeg hun ook niet zijne armoede en be-

Mühlbaoh, Buitscliland in Woeling en Strijd. III. 5

ocr page 70

66

hoefte; want nooit kende Schiller de valsche schaamte van vergulde armoede, en hield nooit gebrek aan geld voor een gebrek aan' eer en waarde. Alles bekende hij aan de verre, nooit geziene vrienden; hoe verlaten hij zich gevoelde, en in een andere sfeer verlangde te komen, — onder andere menschen, die hem misschien zouden kunnen beminnen en begrijpen.

Onder dit schrijven slaakte zijn pen, en het was hem als zag hij den treurigen, verwijtenden blik in de groote vlammende oogen van Charlotte, als hoorde hij haar Huis-teren; „Is dat uwe lietde. Schiller? Ge wilt u van mij verwijderen, en weet toch dat ge mijn moordenaar zult zijn, zoo ge gaat?quot;

Hij schrikte inwendig, legde zijn pen ter zijde en stond op, om met haastigen tred in zijn kamer op en neder te gaan. De hartstochtelijke woorden, welke Charlotte heden morgen tot hem gesproken had, weerklonken in zijne ooren, maar zij waren hem in de stilte des nachts tóch niet meer de hemelsche muziek, die ze hem heden morgen waren geweest.

„Ik geloof dat het gevaarlijk is haar te beminnen.quot; prevelde hij: „zij vordert van mij een geheel hart, en zou mij met hare liefde tiranniseeren. Maar ik moet vrij zijn; want slechts de vrije kan zich de wereld veroveren, en den roem, en de liefde, die mijn hart verkwikken zou, mag nooit mijn dwingelandes zijn!quot;

Hij plaatste zich haastig weder aan zijne schrijftafel, en voltooide den begonnen brief aan Körner; hij schreef; „Ik wenschte dat een gunstig lot mij van hier voerde, want ik gevoel, dat ik hier niet kan blijven. Ik wilde, dat ik tot u kon komen te Leipzig, om u te danken voor het schoone uur, dat ik heden door u beleefd heb! Aristote-les had ongelijk toen hij zeide; „O, mijn vrienden, er zijn geen vrienden!quot; — Ik denk aan u en aan uwe dierbaren, ik denk aan u alle vier, en roep blijmoedig en gelukkig; Er zijn tóch vrienden! Zalig degenen, wien de goden vergunnen ze te vinden, zonder ze gezocht te hebben !quot;

ocr page 71

67

VI.

DE TITEL.

Charlotte von Kalb jhad woord gehouden. Zij had Schiller met aanbevelingsbrieven aan den hertog Karei August en diens naaste omgeving voorzien; zij had ook den heer von Dalberg bewogen, hem brieven aan invloedrijke personen van het Hof te Darmstadt te geven. Voorzien van deze aanbevelingen, — bescheiden en nederig meer van deze verwachtende, dan van zijn eigene beteekenis en waarde, — trok Schiller in 't begin van 't jaar quot;1785 naar Darmstadt, om te beproeven aldaar in hertog Karei August van Weimar een vriend en beschermer te winnen.

Wat zijn naam en waarde zekerlijk niet vermocht, dat bewerkten de aanbevelingsbrieven van Dalberg en Charlotte. Men zou voor den dichter van de „Rooversquot; en van „Fiesco,quot; — die de vrijheid en de volksheerschappij prezen, — en van „Kabaal en Liefde,quot; — die de aristocratie tegenover de rechten van het hart brandmerkte, — men zou voor den dichter, die het gewaagd had een Vorst, een regeerend Heer te trotseeren, zekerlijk niet de gouden poorten van het vorstelij k paleis geopend hebben; — maar de aanbevelingsbrieven van Charlotte en Dalberg waren de schitterende sleutels die ze openden.

Friedrich Schiller werd dus ontvangen aan bet land-grafelijke Hof van Darmstadt; de jonge, levenslustige hertog Karei August van Weimar kwam den dichter met vriendelijke goedheid tegemoet, en geprikkeld door de vurige lof hymnen van mevrouw von Kalb, over Schiller's nieuwe tragedie, begeerde Karei August iets uit deze tragedie te hooren.

Schiller bood zich aan, het eerste bedrijf van „Don Carlos'' voor te lezen, en dit werd genadig aangenomen. Reeds denzeltden dag in het namiddaguur vond deze voorlezing plaats. Een schitterende kring van voorname heeren in geborduurde hofkleeding en versierd met ordesterren, van dames in prachtig toilet, fonkelend van brillanten en gouden sieraden, was in de gezelschapszaal der landgravin vereenigd. Zij zelve, de kunstminnende en geestige land-

ocr page 72

68

gravin van Hessen, zat aan de zijde van haren schoonzoon, den hertog Karei August, op de chaise-longue, die in het midden der zaal stond, en waarachter zich de dames en heeren van het Hof gegroupeerd hadden. Niet ver van daar, geheel afgezonderd in het rniddea der zaal stond een eenvoudige rietenstoel bij een kleine ronde tafel, waarop een glas water was gezet. Dit was de troon des dichters; dit was de nectar, dien hij drinken zou aan de tafel der goden!

Hij was tóch beklemd en niet op zijn gemak, toen hij in eenvoudig, onversierd gewaad in den schitterenden Hofkring trad; hij gevoelde dat het bloed hem naar de wangen schoot, en vervolgens naar zijn hart terugkeerde, en zijn aangezicht doodsbleek werd.

„Verman u. Schiller, en wees kloek! Schaam u, dat een weinig uiterlijke grootheid en klatergoud, — dat vorstenrang en titels u zouden kunnen verblinden!quot;

Dit zeide hij tot zich zei ven, terwijl hij naar zijn plaats ging, voelende dat aller oogen op hem rustten, dat ieder hem monsterde met kouden, vorschenden blik.

„Wat bekommert mij dit hofgespuis, deze hofmaarschalk von Kalb en consorten,quot; zeide hij spijtig tot zich zelve; „niet om hnnnentwille ben ik hier gekomen, en het is mij volkomen onverschillig wat zij van mij denken, 'fis mij slechts om den hertog te doen; om den vriend van den grooten Goethe!quot;

Zijn blik zweefde naar de canapé, en ontmoette daar de oogen van den jongen hertog, wiens gelaat met de uitdrukking van goedhartige, vriendelijke deelneming tot hem gericht was. Schiller gevoelde zich door dit gelaat bemoedigd en verkwikt, en een glimlach gleed over zijn aangezicht.

Hij sloeg zijn manuscript uiteen, en begon met luide, vaste stem het eerste bedrijf van zijn „don Carlosquot; te lezen. Zijn stem klonk vol en welluidend; zijn voordracht was, — dank zij de vermaningen van Charlotte,— zuiver-deren gematigder, en hoe verder hij las, des te meer week de verlegenheid van hem, des te helderder werd zijn hoog voorhoofd.

De hovelingen, die aanvankelijk met trotsche minachting op den jongen, stijven dichter hadden nedergezien,

ocr page 73

69

vertoonden nu meei- deelnemende gezichten, en dit hoofd met het geelblonde haar, de scherp geteekende trekken en den grooten gebogen neus, scheen hun nu, aldus bestraald van geest en ernst, niet meer zoo leelijk en onbeduidend, als 't hun vroeger was voorgekomen.

Mevrouw de landgravin toonde op haar edel gelaat de grootste aandacht, en de voorlezing van „don Carlos'' maakte op haar zulk een diepen indruk, dat zij haren battisten doek te voorschijn haalde, om de tranen van aandoening uit hare oogen te wisschen.

De hertog Karei August kon meermalen een uitroep van bewondering, een luid hravo\ niet onderdrukken, entoen de voorlözing van het eerste bedrijf ten einde was, toen Schiller zich van zijn stoel ophief, ijlde Karei August levendig op hem toe, om den dichter te danken met een warmen handdruk, en hem vervolgens tot mevrouw de landgravin te voeren, opdat ook zij hem haren dank, en hare deelneming mocht betuigen.

Vervolgens nam de hertog den arm des dichters, en trad met hem door de zaal, fot misnoegen der voorname hove-) lingen, die het toch, in weerwil van hun eerbied, een weinig zonderling vonden, dat do hertog zich zoo gemeenzaam aanstelde, en met iemand zonder geboorte of naam, arm in arm door de vorstelijke zaal wandelde.

Maar voorwaar, dit was het gevolg van den wijsgeeri-gen geest, die te Weimar heerschte; men mocht zich over dergelijke vreemdigheden niet verwonderen! Aan het Hof te Weimar heerschte toch zulk een mengeling van hoog-en laaggeborenen, dat men elk oogenblik gevaar liep met iemand te spreken, die volstrekt niet gerechtigd was hier • te zijn. De hertog had zelfs zijne minachting voor de eti-kette zóóver gedreven, dat hij den Frankforter burgerzoon. Wolfgang Goethe, tot zijn geheimraad en vertrouweling gemaakt had; en men wist dat zijne moeder, de hertogin Amalia, — evenals hij zelf, — nooit een reis ondernamen, zonder onderweg een of anderen fraaien geest voor het beschaafd verkeer te Weimar op te vangen!

Ditmaal was Monsieur Schiller de fraaie geest dien de hertog wilde werven. Dat zag men zeer duidelijk; want na een kwartieruurs stond de hertog reeds met den dichter Schillei: in de uiterste vensternis der zaal en spraken zij

ocr page 74

70

zeer levendig tezamen, Het was aanstootelijk en ergerlijk, met welk een vrrje rustige houding, met welk een open, grappig trotsch gelaat Monsieur Schiller tegenover den hertog stond, en hoe levendig en ongedwongen hij met hem sprak!

De hertog echter scheen in zijn gesprek zeer veel belang te stellen, en zijn open, fraai aangezicht toonde de grootste deelneming en vriendelijkheid.

„Ik geloof, dat het lot u een groote roeping heeft gegeven, mijnheer Schiller,quot; zei de hertog, toen Schiller hem juist met korte en krachtige trekken den inhoud en den verderen loop van den „don Carlosquot; had medegedeeld:

„Gij zult de dichterlijke prediker van het volk zijn, geloof ik; — ge zult de in verval gekomen Duitschers weder het hart verfrisschen en de verbeelding opwekken, en ik voorspel u een grootsche toekomst. Gij hebt u een fraai doel gesteld; ge wilt niet alleen aan het zuiver mensche-lijke, maar ook aan het ideale weder zijne rechten in deze wereld toewijzen, en uw „don Carlosquot; is een openlijke strijd van het zuiver menschelijke en ideale, legen bet materialisme en het gebruikelijke. Ge zult u hierdoor onder de hoogeren vele vijanden, — onder de groote menigte echter vele vrienden verwerven, en zoo ge misschien niet de lieveling der Vorsten kunt zijn, zult ge zekerlijk de lieveling des volks worden. Want het volk heeft een goed gezond verstand, en zal steeds zijn sympathie schenken aan hém, die het zuiver menschelijke prijst en verheerlijkt, tegenover de belachelijke aanspraken van etikette en vooroordeel. Maar ik zeg 't u ook vooraf: ge zult in de zoogenaamde voorname wereld een moeielijken post hebben, en elke schrede voorwaarts met strijd moeten verwinnen.quot;

„Ik ben van mijn vroegste jeugd af aan zulk een strijd gewoon,quot; antwoordde Schiller met een zuchten glimlach: „het lot heeft mij niet verwend, en zorg is tot nu toe de éénige vriendin geweest, die mij trouw ter zijde heeft gestaan.quot;

„Gij vergeet de Muzen,quot; riep de hertog levendig: „mij dunkt, dat ge u over de vriendschap dezer dames niet moogt beklagen!''

„'tls waar, Doorluchtigheid,quot; antwoordde Schiller ern-

ocr page 75

71

stig: „zij zijn mij somwijlen gunstig geweest, en ik dank haar de schoonste uren mijns levens.quot;

„Nu, het zal den bezielden dichter ook niet aan de gunst van menige aardsche godin en Muze ontbraken,'' zei de hertog, en lachte luid, toen Schiller's gelaat plotseling gloeide, en beschaamd zijn blik nedersloeg.

„O, ik zie het,quot; riep hij vroolijk: „er zijn voor u ook aardsche Muzen, en het ideale is voor u ook in de werkelijkheid overgegaan! Kan dit misschien in betrekking staan met de vurige lofrede, die mevrouw von Kalb mij over u geschreven heeft?quot;

„Doorluchtigheid, ik begrijp waarlijk niet wat Uwe Doorluchtigheid meent.quot;

„Of ge wilt het niet begrijpen. Onderzoeken wij de zaak niet verder. In allen geval heeft mevrouw von Kalb het mij tot plicht gesteld, mij voor haren dichter te intéresseeren, en ik dank haar, dat zij mij met u bekend heeft gemaakt. Ik zou u nu ook gaarne een bewijs mijner dankbaarheid willen geven, en ge zoudt mij pleizier doen mij te zeggen, op welke wijze ik u nuttig zou kunnen zijn.quot;

„O, Doorluchtigheid, dat gij zoo vriendelijk en genadig tot mij spreekt,'' zeide Schiller hartelijk; „dit is reeds een weldaad voor mi]; want uwe goedheid schijnt als een zonnestraal in mijn hart, waarin het werkelijk soms recht koud en somber is.quot;

„In uw hart gewis niet. Schiller, want daar brandt het edele vuur der dichtkunst. Maar in uw kamertje mag het, somwijlen wel eenzaam en koud zijn. Ik kan mij dit wel voorstellen; want wanneer de onsterfelijken den dichter zelfs met alles zegenden, hebben zij gewoonlijk slechts het ééne vergeten wat noodig is; namelijk het goud. De goden leggen gewoonlijk den sterveling slechts één sooit van kapitaal in de wieg; óf een kapitaal van geest, óf een van stoffelijke waarde, en hij moet waarlijk een bijzonder lieveling van hen zijn, wien zij heide verleenen.quot;

„Ja, zekerlijk een zeer bijzonder lieveling,quot; zeide Schiller zacht, en hij las in den glinsterenden blik van den Vorst, dat hij aan zijn lieveling 'dacht, aan Wolfgang Goethe, die eens als een schitterend meteoor voor Schiller was opgegaan, — destijds toen hij aan de zijde van den hertog in de Karelsschool te Stutgart verscheen, en de prijs-

ocr page 76

72

uitdeeling aan de leerlingen dier school biiwoonde. Ook de leerling der Karelsschool Friedrich Schiller had toen een prijs bekomen ; en toen hij dien ontving, hadden de groote, vlammende oogen van Goethe zich op hem gevestigd, maar slechts met den welwillenden, rustigen blik van een voornaam man, die zich verwaardigt deelneming te betuigen.

Schiller had destijds dezen blik diep in zijn hart gevoeld, en nu dacht hij er aan hoe hij in het vorstelijk Slot te Darmstadt, tegenover den hertog stond, — den hertog, die voor Goethe een vriend, voor hem een beschermer, een begunstiger kon zijn.

„Ik wenschte u nuttig te kunnen zijn,quot; zei de hertog, na een tijdlang gezwegen en Schiller, die peinzend en sprakeloos de oogen nedergeslagen hield, - te hebben gadegeslagen:

„Kunt ge mij een wensch noemen, mijn waarde heer Schiller, dien ik wellicht zou kunnen vervullen? Ik ben wel is waar geen machtig, — en helaas ook geen rijk Vorst, maar zoo ik u op eenige wijze helpen kan, ben ik er gaarne toe bereid.quot;

Schiller hief zijn hoofd haastig op, en zijn oog beantwoordde met een trotschen blik, het vragend aanschouwen van den hertog. Niet voor alles ter wereld zou hij den Vorst zijn armoede en nood hebben bekend; niet op den glanzenden vloer van de vorstelijke zaal mogen staan als een ootmoedig bedelaar, die om een genadeloon smeekt voor den tocht door het leven!

„Ik herhaal het. Doorluchtigheid; 'tis voor mij reeds een groote dienst, dat gij mij deelneming en vriendelijk gehoor schenkt.quot;

Het gelaat van den hertog verhelderde, en hij ademde op, alsof een last van zijn ziel was gevallen. — „Aan deze ondersteuning zal 't u nooit ontbreken, wees er van verzekerd. Iedereen zal vernemen, dat Karei August van Weimar zich verheugt, den Duitschen dichter Friedrich Schiller te kennen, en hij hem bijzondere achting en genegenheid toedraagt. Een Duitsche hertog is uw dwingeland geweest, en heeft u de wereld in gejaagd; 't is dus wel recht en billijk dat een andere Duitsche hertog zich jegens u als een vriend betoont, en het beproeft uw levenspad een

ocr page 77

73

i weinig meer effen te maken. Ik zal hier altoos toe bereid 1 zijn, en openlijk voor de geheele wereld, — uw tirannieken

3 Vorst er onder gerekend, — getuigenis alleggen van mijne

hoogschatting voor uw persoon en talent. Ge zult, nog i vóór ge Darmstadt verlaat, het bewijs er van hebben! s Vaarwel voorshands, en zoo ge nog eens te Weimar komt,

vergeet dan niet uw' goeden vriend Karei A.ugust te be-, : zoeken. Gij vertrekt immers eerst morgen vroeg met den 3 postwagen ?quot;

e „Ja, Doorluchtigheid; eerst morgen vroeg.quot;

i t „Ge zult dus, nog heden avond een boodschap van mij ontvangen, waarde mijnheer Schiller!quot;

Hij knikte den dichter vriendelijk toe en reikte hem i tot afscheid de hand, geleidde hem ook zelf naar mevrouw i de landgravin, opdat hij afscheid van haar zou nemen.

Schiller keerde nadenkend en peinzend naar het logement waar hij was afgestapt, terug.

1 Wat heleekenden de woorden van den hertog? Welk

, getuigenis van zijne hoogachting wilde Karei August hem geven? Misschien wel eene aanstelling? 0, al ware zij I ook nog zoo gering, voor hem zou zij toch een verzeke-• ring, een verlichting wezen ? Misschien wilde de hertog hem i | slechts het verblijf op een zijner ledig staande kasteelen i * aanbieden, opdat hij er in rust en in stilte zijn „don i ! Carlosquot; zou kunnen voltooien. Nu, dat zou óók een zegen,een s weldaad zijn. De balling zou dan toch weder een woon-t plaats hebben gehad, waaruit hij niet verdreven kon wor-| den; een wijkplaats tegen de aanvechtingen des levens en s der zorgen.

c Langzaam en traag kropen voor den eenzamen dichter

, in het stille, onbehagelijke kamertje van het logement de 3 uren voort; met gissingen en vragen aan het lot kwelde 3 hij zijn geest, en luisterde hierbij telkens naar de deur,

of de verwachte bode van den hertog niet kwam. i Eindelijk, na uren lang wachten, werd aan zijn deur

i I geklopt, en een hertogelijke lakei reikte Schiller een ■ grooten, verzegelden brief. Zeer plechtig en officeel zag i de brief er uit, met zijn groot staatszegel, dat het om-t |schrift droeg: „Hertogelijk kabinet,quot; en even plechtig en i | officeel was de dichter te moede, toen hij, nadat de lakei i hem verlaten had, den hertogelijken brief opende. Wat

ocr page 78

74

was bet nu? Een aanstelling of een verblijf, dat de goede

hertog hem aanbood? .

Een uitdrukking van bevreemding en verrassing vloog over Schillers gelaat, toen hij den brief las en met een treurige wolk op het voorhoofd, liet hij zijn hand met den officieelen brief op de tafel nederzinken. nut

Geen aanstelling, geen verblijf bood hem de hertog. Een titel saf hij hem: den titel van hertogelijk Weimarschen Raad. De kabinets-secretaris van den hertog gat hem van dit edelmoedig besluit van zijn genadigen heer kennis en berichtte dat hem het document zijner benoeming, uit Weimar, terstond na de terugkomst van den hertog, in officieelen vorm gezonden zou worden, doch de heer Friedrich Schiller zou reeds van dit uur af gerechtigd ziin den genadigst verleenden titel te voeren, en zich hert'oaelük Weimarschen Raad te noemen.

Toen hii dit nu voor de tweede maal las, drong een luide spotlach van de lippen des dichters Dit was dus de oplossing van het raadsel. Hij, die zich zei ven met wist te raden, was nu de raad van een Vorst, die waar-schiinliik zijn raad nimmer zou begeeren .! — Hij, de ballinquot;- de door zorg gekwelde, die niets bezat en het zijne noemde, buiten zijne manuscripten, hij was nu bezitter van een titel! ,, . a- r\a Welk een zonderling contrast! Zijn tragedie, die de vorstenheerlijkheid en de sleur, de etikette en het ceremonieel wilde bestrijden, ten gunste van de edele mensch-heid de geliikheid van rechten en den zielenadel, — deze tragédie zou nu den dichter als eerste belooning een vorstelijke gunst, een genadig geschenk van etikette en sleur

OP,t1WaSsenzonderling! 't Scheen schier een spottermij van het lot, en toch! — Hij dacht aan Charlotte von Kalb, dacht dat het haar wèl verheugen zou hem zoo geeerd, en door een Duitschen Vorst gewaardeerd te zien. Hy dacht aan zijne goede ouders, voor wie het zekerlijk een groot genoegen zou zijn, den voonnaligen regiments-chi-rurgiin van den hertog van Wurtenberg in het buitenland zoo0 onderscheiden te zien, en wien het toch bewijzen kon, dat hun Frits, — aan wiens voorkomen en fortuin de strenge vader dikwijls wilde wanhopen en twijtelen,

ocr page 79

75

dat hLin Frits ten laatste tóch nog tot eer en aanzien in de wereld komen kon.

Welnu, het mocht dan zoo goed zijn! Een kleine aanstelling zou wel is waar beter zijn geweest, en een vorstelijk verblijf in een of ander jachtslot zou stellig de voltooiing van den „don Garlosquot; zeer bevorderd hebben. Maar men moest ook nu tevreden zijn, en de titel was toch altoos een geschenk, waarvoor hij dankbaar moest zijn, want het was immers een openbare eer en waardeering, en zou misschien den overmoedigen tooneelspelers meer eerbied inboezemen voor den dichter, wiens drama's zij vaak door een slechte en slordige voorstelling, mishandelden en verminkten. Schiller vouwde glimlachend den liertogelijken kabinetsbrief weder dicht. — „Nu,quot; zeide hij zacht: „ik voed de trotsche hoop dat ik een dichter ben door Gods genade. Hierbij ben ik nu een raad geworden door hertogelijke genade. Nu wil ik slechts wen-schen, dat ik ten laatste ook nog een dichter èn raad worde door volksgenade, en het volk mijne werken erkent en waardeert, en mij den titel zijner liefde en regeering geeft. De raad des volks te zijn, is waarlijk een eer boven alle eer. Naar dezen heiligen en schoonen titel smacht mijn ziel; en met alles wat aan geest en talent, aan kracht en energie in mij is, wil ik er naar streven dien te verdienen, en door mijn werken datgene te worden, wat des dichters grootste en heerlijkste belooning is; DE LEERAAR EN RAADSMAN DES VOLKS!quot;

VIL

HET AFSCHEID VAN MANNHEIM.

Als hertogelijk Weirnarsche Raad was Schiller naar Mannheim teruggekeerd, en toen Charlotte von Kalb dit nieuws van hem vernam, en haar gelaat glinsterde van vreugde, scheen ook Schiller een soort van voldoening-te gevoelen; want ook hij glimlachte, en sloeg zijn arm met hartstochtelijke innigheid om Charlotte's gestalte, en stelde

ocr page 80

76

tot voorwaarden dat zij hem met een kus beloonen moest zoo hij zich werkelijk van dien titel bediende.

Charlotte bloosde en verborg haar hootd aan zijn borst, hij echter hief het zacht op, en drukte een langen kus op de lippen, die niet meer tegenstreefden. Toen echter eischte Charlotte met heftige onstuimigheid, dat Schiller haar verlaten zou, en toen hij weigerde, — toen hij bad en smeekte te mogen blijven, — schoot een gloeiend rood over hare wangen, en hare oogen schoten vlammen.

„O, Schiller, ge weet niet wat ge doet en wat ge begeert. Ziet ge dan niet, dat een afgrond tusschen ons ligt?quot;

„Ik zie hem, Charlotte; maar de arm der liefde is machtig en sterk; en over alle afgronden draagt de waarachtig beminnende de gelielde vrouw, — of stort zich, als het niets anders zijn kan, mèt haar in den afgrond!quot;

„Er is nog een derde, Schiller?, een vreeselijk derde. Hij trekt haar tot zich, maar later komt bij hem de ontnuchtering, de teleurstelling. Het ideaal heeft zich herschapen in een zeer gewone vrouw, welke hij veracht, wijl hare liefde haar hooger en heiliger was dan hare deugd. Zij gevoelt zijne verachting, en de afgrond, dien zij met den geliefde heeft overschreden, wordt nu haar graf, waarin zij zich vrijwillig stort, om zich te redden voor dengene, dien zij bemind heeft! O, Schiller, indien het ooit zóó zijn kon, — indien ooit de blik, die vroeger beminnend op mij rustte, mij aanschouwen kon met de uitdrukking van verachting, — het zou mij verpletteren en ik zou sterven! Maar stervend zouden mijne lippen dèngene beschuldigen, die wel liefde geven, maar geen trouw bewaren kon, — en voor Gods rechterstoel zou ik hem roepen, als een verrader, een moordenaar! O, Schiller, hoed u, —ik waarschuw u nogmaals, — hoed u, in mijn borst een vuur te ontsteken, dat, eens ontvlamd, nooit weder zou ver-dooven; dat van geen blussching zou willen weten, maar vrij en trotsch en grootsch zou opvlammen ten bemel, de geheele menschheid niet achtende, en zich niet storende aan alle vooroordeelen en instellingen der wereld! Nóg wandelen wij aan weerszijden van den afgrond; maar onze stemmen kunnen elkander bereiken, onze aangezichten elkander zien, onze oogen elkander ontmoeten met een, blik van innige vriendschap. Maar gij zijt vrij te gaan,

ocr page 81

77

waarheen wilt; en zoo uw pad u zijwaarts-voert van den weg, dien ik aan gene zijde bewandel, zal ik u na-oogen en weenen; maar ik zal u geen verwijten doen! Bedenk dit. Schiller; laat het u voldoende zijn, dat Charlotte u haar vriend noemt! Wil niet, dat zij u een anderen naam geve, een naam dien ge thans wellicht zegenen, — maar later vervloeken zoudt. Vlucht, Schiller, vlucht, nu het nog tijd is; en laat ons met blijden weemoed aan de schoone dagen onzer vriendschap denken. Laat ons met stille onderwerping in de toekomst zien, en leven van onze herinneringen 1quot;

„Ge zijt heden zonderling, Charlotte,quot; zeide Schiller treurig: „Uwe oogen zijn zóó dreigend, dat ik er schier voor zou vreezen, zoo ik niet wist dat mijn Titanide in weerwil van haar hemelbestormende vervoering toch een zachte, teedere en beminnende vrouw is. Neen, Charlotte; ge zijt onrechtvaardig jegens u zelve, ge klaagt u aan zonder schuld. Neen, ge zoudt nooit den man vloeken, dien ge eens bemind hebt; ge zoudt stervend hem zegenen voor de schoone uren van verrukking, welke hij u eens gegeven heeft. Ge zoudt hem niet beschuldigen, maar verontschuldigen en medelijden met hem hebben, zoo de noodwendigheid des levens hem dwong van u, — het liefste wat hij ooit gekend heeft, — te scheiden, Ge zoudt weten dat zijn pad eenzaam en woest is; dat hij met weenenden blik, gelijk de omgewende aangezichten uit Dante's hel, slechts bet verledene ziet en beweent, terwijl hij voorwaarts in de woeste toekomst gaat. Ja, zóó is het, Charlotte; ik ken u beter dan ge u zelve kent. Nooit vloekt de vrouw den man, dien zij waarachtig bemind heeft; zij vergeeft en bemint ook dan nog, als de stroom des levens scheidend tusschen hem en haar doorbreekt, en hem dwingt haar te verlaten,quot;

„Voor hen, die waarachtig beminnen en trouw gezworen hebben, bestaat er zulk een dwang niet!quot; riep Charlotte met toornigen gloed: „Gij kent de liefde niet. Schiller, als ge dit zegt; ge spot met het heiligste gevoel, als ge meent dat het ooit kan verdooven, en de noodwendigheid des levens twee harten kan scheiden, die zich voor eeuwig met elkander in liefde verbonden!'' „Hoe zonderling opgewonden zijt ge heden, Charlotte,quot;

ocr page 82

78

zeide Schiller met verduisterd aangezicht: ,,ilv kwam tot u met zulk een vol, vroolijk hart; ik had u zooveel te zeggen en mede te deelen! Met alles wat mij beweegt en vervult, wilde ik tot u vlieden, als in de trouwe wijkplaats van gelukzaligen vrede en hemelsche overeenstemming. Maar nu zie ik wel, dat ik een slecht uur gekozen heb, en Charlotte mij heden niet begrijpen wil. Ach, dierbare, waarom gelijken wij menschen allen zoo zeer op Herostratus, die de brandfakkel in den heiligen tempel der goden wierp, en waarom wij allen het geheimzinnige beeld in den tempel van Isis ontsluieren ?quot;

„Wijl wij de waarheid willen zien!quot; riep zij met vuur.

„De waarheid is de dood,quot; zachtte hij treurig; „dedwaling is het leven; en wee ons, zoo wij niet tevreden willen zijn met de schoone dwaling die het leven looit en kleedt, en den dood voor ons omsluiert! — Ik ga, Charlotte; 'tis beter zoo, want, ge hebt mij treurig gemaakt, en smartelijke gedachten in mij opgewekt. Vaarwel voor heden, en als ik morgen terugkom, Charlotte, wees dan goed en lief jegens mij, zooals ge in den grond van uw wezen steeds zijt.quot;

Hij nam zijn hoed, groette haar met een treurigen glimlach, en ging heen. Charlotte oogde hem na met strakken, ontstelden blik.

„Hij bemint mij niet,quot; kreet zij wanhopig: „Hij bemint mij nietl Als hij mij beminde, ware hij niet zóó van mij gegaan, — niet zonder mij den eed van eeuwige trouw te wijden. Ach, dezen slechts wilde ik van hem ontvangen, wilde hooren dat hij de eeuwigheid der liefde wil. Maaibij deinsde terug en ging. Hij bemint mij niet, en ik, o mijn God, ik bemin hem!quot;

Zij zonk op hare knieën, verborg haar hoofd in hare bandenden weende smartelijk.

En smartelijk was ook Schiller te moede, smartelijk en bang tegelijk. Den geheelen dag vermeed hij de menschen, en bleef alleen in zijn eenzame studeerkamer; ging er met groote schreden heen en weder, naderde somwijlen de schrijftafel, wierp haastig eenige regels op het papier, en ging vervolgens weder op en neder, mijmerend, peinzend of luid met zich zeiven sprekende.

Den geheelen dag bleef ook Charlotte ver van de men-

ocr page 83

79

schen, alleen in hare woonkamer. Des avonds laat werd aan haar gesloten deur geklopt, en de kamenier berichtte, daar er een brief van den heer raad Scbiller gekomen was. Charlotte opende de deur, nam den brief, en beval licht te brengen. Vervolens opende zij Schiller's brief. Een klein papiertje lladderde haar toe, daarop stond met vluchtig schrift: „Dierbare Charlotte! Wat ons gesprek van heden bij mij heeft opgewekt, heb ik ter neder geschreven en zend het u, want het behoort u. Moge het ons beiden nooit gaan als den armen jongeling in den tempel van Sais! De waarheid te zoeken is de liefde dooden, en tóch is de liefde de schoonste waarheid, en waar is het ook, dat ik u bemin, Charlutte! Geloof dit, en laat aan de groote Isis haren sluier! Friedrich Schiller.quot;

Toen zij dit gelezen had, ontplooide Charlotte met bevende hand het groote papier, dat zich nog in het couvert bevond. Het was een gedicht, en droeg het opschrift: „Het gesluierde beeld van Sais.quot;

Carlotte las en herlas het, en haar ziel werd steeds treuriger. —,, Hij bemint mij niet,quot; herhaalde zij zacht; „Zoo hij mij beminde zou hij geen gedicht gemaakt hebben, maar tot mij zijn gekomen, om aan mijne voeten te weenen! Dat zou een levend gedicht zijn geweest! A.ch, Schiller, ik ben de rampzalige jongeling, en ik heb de waarheid aanschouwd! De lust mijns leven is verdwenen, en even als deze, voert een diepe droefheid mij ten grave, — en gelijk uw jongeling roep ook ik: „Wee denge-ne, die tot de waarheid komt door schuld! Zij zal hem nooit tot vreugde zijn!quot;

Toen Schiller den volgenden morgen bij Charlotte kwam, reikte zij hem met vlammenden blik hare beide handen, aanschouwde hem met een teederen glimlach, en herhaalde zacht de woorden uit zijn brief van gisteren : ,,Laten wij aan de groote Isis haren sluier!quot;

Schiller slaakte een vreugdekreet en zonk aan Charlotte's voeten neder, kuste hare handen en zwoer, dat hij haar beminde, haar alleen; dat hij haar trouw wilde blijven, in weerwil van alle afgronden en diepten!

Maar de eeden der menschen verwaaien als do bladeren in den wind, en wat heden heerlijk ruischten bloeit, is morgen verwelkt en dood! —

ocr page 84

80

Charlotte mocht gelijk hebben, dat Schiller wèl de liefde, maar niet de trouw kende; — want nauwelijks twee maanden na zijn terugkomst van Darmstadt en dien dag des wederziens met Charlotte, schreef Schiller aan den nieuwen vriend Körner te Leipzig het volgende: „Ik kan niet meer te Mannheim blijven. In een onuitsprekelijke bedruktheid mijns harten schrijf ik u, mijn beste. Ik kan niet meer hier blijven. Twaalf dagen heb ik het in mijn hart omgedragen, als een besluit om uit de wereld te scheiden. Menschen, omstandigheden, aarde en hemel walgen mij, en wat mij hier misschien nog dierbaar kon zijn, daarvan scheiden mij convenientie en omstandigheden. Leipzig schijnt voor mijne droomen en voorgevoel als de rooskleurige morgen, aan gene zijde van den boschrijken heuvel. In mijn leven herinner ik mij geene zoo zekere voorspelling als deze; dat ik in Leipzig gelukkig zal zijn. Tot hiertoe hebben omstandigheden mijne plannen verhinderd. Mijn hart en mijne Muze moesten tegelijk voor de noodzakelijkheid zwichten. Er is niets noodig dan zulk een verandering van mijn lot, opdat ik een geheel ander mensch — zij, dat ik begin dichter te worden.quot; En de verre vriend in Leipzig, de edele Körner, antwoordde op dezen smartkreet des dichters met een echte vriendendaad. Hij noodigde Friedrich Schiller tot zich en de vrienden, naar Leipzig, en opdat geen uiterlijke nood Schiller's reis zou-de verhinderen, zond Körner hem een wissel, die toereikend was voor de reiskosten en de betaling der drukkendste schulden.

VIII.

PLANNEN VOOR DE TOEKOMST.

De toebereidselen voor zijn vertrek waren spoedig voltooid. Van den Mannheimschen schouwburg had Schiller zich reeds eenige weken vroeger geheel losgemaakt; al de tooneelspelers waren hem vijandig, wijl Schiller het ge-

::f

ocr page 85

81

waagd had in het door hem opgerichte tijdschrift „Thaliaquot; de tooneelspelers te berispen die, zooals hij zeide, zijn | tragedie Kabaal en Liefde „zoo erg verknoeid hadden.quot; 1 De schouwburg-intendant, de heer von Dalberg, had zich I reeds lang beleedigd en gekwetst gevoeld door het weinig | eerbiedig en onderdanig gedrag van Schiller, die het wa-| gen wilde, zijn dichterwaardigheid en dichtertrots tegen-| over de intendantenwaardigheid en den aristocratentrots l te stellen, en de heer von Dalberg deed dus niet de min-| ste poging, om Schiller nog langer te Mannheim te hou-| den. Slechts weinige bekenden en goede vrienden had m Schiller vaarwel te zeggen, en nu was ook dit gedaan; nu | was de armoedige kleine reiskoffer gepakt, en den volgenden morgen vroeg, wilde Schiller op'reis gaan. Slechts twee personen waren er nog, van wie hij afscheid moest nemen. Het waren Charlotte von Kalb en Andreas Strei-cher. Met den vriend had hij afgesproken, dat zij de laatste uren te zamen wilden doorbrengen, en in Streicher's woning bijeen zijn ; en dus ijlde Schiller, nu alles bezorgd m was, bij 't vallen van den avond naar Charlotte.

Zij zat alleen in de schemering; toen hij haar kamer binnentrad, wendde zij het hoofd naar hem om, daar r 't gerucht der dichtvallende deur haar uit haar gepeins | wekt,e; maar zij stond niet op, om hem tegemoet te gaan, | had geen woord van begroeting voor hem, en zag hem met ernstigen, treurigen blik aan.

Ook Schiller zeide niets, ging langzaam door de ruime kamer naar de canapé, waarop zij zat, plaatste zich voor 1 haar, en beschouwde haar met ernstig en treurig gelaat.

Geen van beiden sprak; diepe stilte heerschte in de - duistere kamer. En tóch spraken hunne zielen tot elkander; en tóch was een en dezelfde klacht in beider hart: 1 de klacht der scheiding.

„Ge staat, voor mij. Schiller, gelijk de toekomst,quot; zeide Charlotte na een lange pauze; „Ja, als de toekomst, zoo duister, hoog en koud; het gelaat in nacht gehuld !quot; gt; s . gt; s ë

ï quot;^11 Sehjk mijn ziel,quot; zuchtte Schiller, terwijl hij

I langzaam voor Charlotte op zijn knie nederzonk. Zij liet ,5 ^ t.06? en belette het ook niet, toen hij haar hand nam, en die vast in de zijne hield.

Mllhlljaoh, Dnitschland in woeling en strijd. III. 6

ocr page 86

82

„Charlotte, gelietde, dierbare Charlotte, ik kom om afscheid te nemen. Ik wil weg van hier!quot;

„Waarom ?quot;

„Mijn omstandigheden hier zijn onhoudbaar geworden. Met den schouwburg ben ik in vijandschap, en ik heb den lust verloren, tijd en kunst te besteden voor deze ondank-baie potsenmakers. Het stroovuur van mijnheer von Dalberg is lang verdoofd, en hij ondersteunt mij niet tegenover de aanmatiging zijner tooneelspelers. Ik heb een hekel aan dit gekibbel en twist, en ik ga dus heen!quot;

„Waarom?'' herhaalde zij.

„Ge vraagt nog, Charlotte, en hebt het toch zooeven van mij gehoord?quot;

„Ik heb voorwendsels gehoord. Schiller, maar niet de waarheid. De waarheid wil ik weten; de waarheid ben ik gerechtigd te eischen. Wij moeten in dit uur den sluier wegtrekken van het beeld van Isis. Wij moeten de waarheid aanschouwen, al mocht zij ons ook den dood brengen! Schiller, waarom gaat ge heen uit Mannheim? Waarom verlaat ge de plaats waar ik woon?quot;

„Ach, Charlotte, dat ik dit moet, is een bittere smart, maar ik moet haar dragen. Een geheime macht trekt mij van hier! Wie kan de ster des levens verklaren? Wij moeten haar volgen, en voortwandelen onder haar licht, schoon het ook om en in ons nacht is! Wèl had ik mij als de hoogste zaligheid des levens voorgesteld, steeds aan uwe zijde te zijn, al mijn denken, mijn gevoelen met u te deelen, ons leven als twee tot één vereende beken, die in den zonneschijn klaar en helder met zacht golfgemurmel voortvloeien. Maar beken worden stroomen, en de door wilde hartstocht opgewekte vloeden dulden geen dwang, en verzetten zich tegen alle beperking en grenzen. Charlotte, ik ga, wijl ik niet langer blijven mag! Ik moet en wil u in dit uur alles zeggen, want gij eischt waarheid, en dus moet ik ze u geven! Charlotte, ik ga om ons beider wil! Gij zijt gehuwd, — ik ga! Het vuur mijner ziel heeft zich aan uw zuiver licht ontvlamd; moet ik niet een toekomst vreezen, waarop bedrog en twijfel ligt? Uwe tegenwoordigheid gaf mij een verrukking, welke ik vroeger niet gekend had, maar deze verrukking miste vrede.quot;

„Schiller, ach blijf, en wij zullen beiden dezen vrede

ocr page 87

83

vinden, zoo wij slechts willen. Den vrede der vriendschap!quot;

„Neen, Charlotte, het snarenspel onzer zielen kent een hoogere harmonie!quot;

„Welnu, ja, het is zoo! Blijf, en laat het snarenspel ruischen, laat de harmonie der vereende zielen klinken! Ach, vriend, zoo wij scheiden, blijven wij voor elkander niet meer wat wij zijn. Ik wil niet klagen, — niet de vurige smarten mijner ziel vooi'u openleggen. Maar ik smeek slechts: Schiller, blijf. Als de stille kaars mij voortaan beschijnt, zal ik mij niet over de vlam verheugen; het zal donker om mij zijn, want de avond brengt mij niet meer, als vroeger, den vriend!quot;

„Ik kan, ik wil uw vriend niet zijn, daarom ga ik, Charlotte! Ik wil alles of niets! Dit zweven tusschen hemel en aarde, doodt mij. In den storm en drang van den hartstocht gloeit mijn ziel, en storm en drang is in u,en vlamt uit u met eiken ademtocht des levens. Maar gij wilt niet. Gij hebt niet den moed der waarheid.,,

„Ik zeg als gij: ik wil alles of niets,quot; riep zij heftig: „De waarheid kan niet in den logen bestaan, en het zou logen zijn, zoo ik met de uiterlijke boeien aan mijn hand, mijn hart nog in ongebonden vrijheid wilde laten begaan. Alles of niets. Slechts geen huichelarij. Vrij voor de wereld wil ik mijn liefde bekennen, óf ik omhul haar met den sluier van den plicht, der onderwerping. Maar onder dezen sluier te zondigen, dat kan ik niet. O Schiller! ons leven was tot hiertoe een verhond van waarheid. Ge wilt het breken. Het lot had u tot mij gezonden, üogen-blikken van het reinste bestaan waren ons vergund, en deze geschenken der schoonste uren, zouden nu verloren zijn?''

Schiller antwoordde niet terstond, maar boog over Charlotte^ hand, en drukte die aan zijn brandend voorhootd.

„Vóór alles weet ik,quot; zeide hij vervolgens zacht: „dat wij slechts in den bloei der jeugd waarachtig leven en gevoelen. De jeugd is de verheerlijking der vlammende ziel. En mijn hart gevoelt, dat ge nooit dit verlangen verdoo-ven, — dezen glans ontwijden kunt!quot;

„Ge spreekt op gemeenzamen toon,quot; *) fluisterde zij zacht:

1) „Du sagen Sie.quot; Onvertaalbaar.

ocr page 88

84

„ik doe dit dus ook! De waarheid kent geen hoffelijkheid. Gemeenzaamheid heerscht onder de zaligen! Zij is een nauw verbindingszegel, en daarom willen wij het op heilige wijze, op ons eeuwig onsterfelijk verbond drukken!quot;

Zij sloeg beide armen om don hals van Schiller, die nog altoos voor haar knielde, en drukte een zachten kus op zijn voorhoofd. Hij zelf omhelsde haar vurig, en kuste met harstochtelijken gloed haar voorhoofd, hare wangen en bevende lippen. Vaarwel, gij eenige, eene! Vaarwel!quot;

„O, Friedrich,quot; zuchtte zij zacht: „is dit uw afscheidskus?quot;

„Ja, Charlotte, mijn afscheidskus! Ik moet weg! Maar ge blijft bij mij, ge vervult mijn geest, ge zijt mijn geliefde ziel!quot;

„En tóch, Friedrich, toch vlucht ge?quot;

„Mijn lot gebiedt het mij! De wereld vordert mijn geest, —' ik vorder haar wetenschap en gunst.quot;

.,A.ls ge deze gunst der wereld hebt,quot; klaagde zij; „zult ge de liefde niet meer kennen, en niet meer aan uwe Charlotte denken!quot;

„Waarom zegt ge dat, Charlotte, daar ge het toch beter weet?quot; vroeg hij verstoord: „Waarom deze pijnigende woorden? Ge kent niet mijne droefheid om u! Ik verlies alles aan u, gij verliest niets aan mij! Gij zijt zoo zelfstandig, — o, zoo heb ik in mijn jongelingsdrootnen de vrouw niet gedacht. Anders verschijnt mij nu de Natuur, en vol beteekenis is voor mij het voorbijgaand menschen-geslacht.quot;

„Ach. Friedrich,quot; zuchtte zij zacht: „mijn leven begon eerst in u! Weet ge het niet dat gij, slechts gij alleen, mijn liefde zijt?quot;

„Ik heb het gehoopt in lange folterende oogenblikken, daar ge mij steeds koel en afwerend aantegen kwaamt. Het is mij eerst sedert eenige dagen tot zékerheid geworden, en diarom, geliefde, aanbiddelijke vrouw, — het beslissende woord moet eindelijk gezegd worden; daarom vlucht ik!quot;

„Ge weet dat ik u bemin,quot; riep zij met een luiden smartkreet; „ge weet het, — en vlucht?quot;

„Ja, Charlotte, daarom vlucht ik. Mijn ziel vlamt van gloeiende liefde, en deze gloed zou mij vernietigen; daar-

ocr page 89

85

om vlucht ik, ten einde de ziedende golven tot bedaren te brengen. De rustige liefde is de atmosfeer, waarin de dichter alleen gedijen kan. De storm en drang van den hartstocht zouden mijne gedachten verwarren, de helderheid mijner ziel verstoren.quot;

Hij sprong op, en ging met groote schreden heen en weder. Buiten was het nacht geworden, en slechts als een donkere schaduw in de duisternis, zag Charlotte de gestalte van den vriend haar voorbijzweven. Maar hare groote oogen waren onafgewend op deze schaduw gericht, die toch het éénige licht haars levens was!

Nu bleef de donkere schaduw voor haar staan, en het schoot als vuur door hare ziel, toen hij zacht zijn hand op haar schouder legde. Beiden konden hun door den nacht omsluierde aangezichten niet zien, en zagen tóch elkander diep en duidelijk in het hart.

„Charlotte,quot; zeide Schiller, diep bewogen: „ik heb u veel te danken, en zal het nooit vergeten! Mijn jeugd was somber; al te vroeg werd ik met dwaling en kommer bekend, en daardoor werd mijn geest omsluierd, mijn hart verbitterd! Toen vond mijn genius uwe tonen, zij spraken mijn gedachten uit! Gij verscheent voor mij als de bezielde Muze; ik beminde de bezielende, en ik zou voor altoos de uwe zijn, zoo ik den moed voor deze liefde had. Den moed, te vergaan in dezen gloed; niets meer te willen, niets meer te zijn, dan uw schepsel, Charlotte, — slechts de vaas, waarin zich de stroom uwer liefde overloopend en beheerschend uitstort. Maar neen; het kan zoo niet zijn en blijven! Rustig moet mijn ziel zijn; onafhankelijk van deze macht, die mij evenzeer beangstigt als verrukt. Slechts hij die zich boven den hartstocht verheft, is vrij, en slechts de vrije man, kan de Natuur dwingen onder zijn wet!quot;

„U beheerscht de trots,quot; zuchtte zij smartelijk: „en trots heeft geen vertrouwen, geen rust. Gij kent niet de droefheid en eenzaamheid der wereld, anders zoudt ge bij mij blijven; bij mij, die met u gevoelt en met u denkt! Niets wreekt zich schrikkelijker dan het leven, 'twelk men onderneemt, zonder op het hart te letten.quot;

„Ik let er op, Charlotte, maar het mag niet de éénige spil zijn, om welke mijn leven draait; en zij zou dat zijn, zoo ik bij u bleef, gij vurige Titanide, goddelijke vrouw,

ocr page 90

86

tot wie zich mijn ziel en mijn hart eeuwig zullen wenden, alles vergetend, alles, en evenwel — wil ik slechts uwe vriendschap!quot;

En toen hij dit zeide, sloeg hij zijn arm om haar, en trok haar op van den divan in zijne armen, en kuste hare wangen.

„O, Friedrich, gij weent; ik voel uwe tranen op mijn voorhootd.quot;

„Zwijg, Charlotte,quot; riep hij heftig; „zwijg en — bemin mij ! Bemin mij slechts één enkel zalig oogenblik, en laat u door mij beminnen!quot;

„Ik bemin u, Friedrich,quot; zeide zij hartstochtelijk: „O, ge stort smart en zaligheid met volle stroomen uit. Ge bemint mij, gelijk ik u bemin! Maar ge beeft voor deze liefde, en wilt den sterveling niet wijden wat goddelijk is! O, Schiller, er woont immers toch een God in ons, dus laat ons goddelijk schoon beminnen, in ootmoed en ontbering; laat ons vrijwillig hoop en verlangen opofferen!quot;

Hij antwoordde niet, maar drukte haar vaster aan zijn hart, boog zijn hoofd op haar schouder, en weende luid.

Stil was het in de donkere kamer, en niets stoorde deze stilte, dan het zacht snikken der weenenden. Maar toen, na deze smartelijke pauze, hief Schiller zijn hoofd weder op, en liet de armen zinken, die Charlotte omvat hadden.

„Laat ons licht ontsteken,quot; zeide hij, en zijn stem had nu een harden, ruwen toon: „opdat ik uw aangezicht en uwe geliefde oogen nog eens zien kunne, vóór ik ga!quot;

„Neen, Friedrich,quot; zuchtte zij: „zoo ge vertrekt heb ik voortaan geen licht noodig; want het doffe leven wordt in de duisternis het minst gevoeld. Geen licht! Laat ons scheiden in de duisternis; want in duisternis zal ik voortaan leven, maar ik zal u toch altoos voor mij zien, en uw aangezicht zal altoos in mijn ziel schijnen. Goeden nacht, Friedrich! Ach, ge ontneemt mij alles, nu ge gaat, ge ontneemt mij ook mijn schoone droomen! Anders kwamen des nachts in den slaap de liefelijkste beelden voor mijn bed. Maar nu zullen zij u volgen; want zij kwamen van u, zij waren de gedachten uwer ziel. Uwe gedachten zullen mij thans vlieden, en dan ontvlieden mij ook mijne droomen. Ge ontneemt aan mijn dagen de zon, aan mijn nachten de droomen! Dus laat, ons scheiden in duisternis.quot;

ocr page 91

87

„Charlotte,quot; zeide hij zacht: „als in weemoed opgelost, hoor ik als geestentonen uwe woorden, en het is mij alsof het verledene voor mij verdwijnt! O ga niet, blijf bij mij, zoet verleden, heerlijke tegenwoordigheid! Blijf bij mij. Ziel mijner ziel, allergeliefdst wezen! Waar zijt ge, Charlotte, waar zijt ge?quot;

Zij antwoordde niet! Hij breidde verlangend de armen naar haar uit, maar zij bereikten haar niet, omvatten slechts het ledige.

„Charlotte, kom voor het laatst aan mijn hart! Kom! Laat mij voor het laatst van uwe lippen den lust van 't Paradijs inademen!quot;

Geen antwoord! Het was hem alsof hij een schaduw in de duisternis zag zweven, vervolgens klonk het vér en zacht als een trillende Eolusharp in zijn ooren: „Goeden nacht, Schiller!''

Nu het gerucht van een deur die zich opent en weder sluit, vervolgens werd alles stil

Een smartelijke zucht drong uit Schiller's borst; hij gevoelde dat Charlotte van hem was gegaan, dat hij alleen was.

Nóg stond hij een oogenblik te luisteren en hoopte dat zij zou terugkomen; maar alles bleef stil om hem heen.

„Ach,quot; prevelde Schiller: „het scheiden doet wee, alsof 'tsterven is! — Ach, Charlotte, ik heb u toch innig bemind ! Ik — Stil, mijn hart, stil, geen klachten meer! Het moet geschieden!quot;

Hij wendde zich langzaam om, en ging naar de deur.

„Vaarwel, Charlotte, vaarwel!quot;

Geen antwoord. Slechts de wegstervende echo zijner eigene woorden scheen het te zijn, die in de donkere ruimte antwoordde: „Vaarwel!quot; 1)

Haastig rukte Schiller de deur open en stormde voort, naar buiten in de stilte van den nacht. Door de eenzame, donkere straten ijlde hij voort, en voelde niet dat hij zonder hoofdbedeksel was; dacht er niet aan, dat hij zijn hoed bij Charlotte had achtergelaten; voelde niet dat de koude lucht van dezen Maartschen nacht zijne slapen koelde, dat de nachtwind door zijn vliegende haren suisde.

1

Zie: Charlotte. Für die Freunde der Verewigten, S. 126, 164. folg.

ocr page 92

88

Het paste bij zijn stemming; liet verlichtte zijn hart, met den stormwind voort te bruisen, met den nacht in de duisternis voort te gaan.

Eindelijk wekten hem de koude, zware regendroppels, die op zijn bloot hoofd nedervielen, uit een laatste, smartelijke worsteling met zijn liefde, en bekoelden tegelijk zijn voorhoofd en hart.

„God, ik dank u; Gij laat Uwe wolken zich op mij ontlasten; Gij wilt met het water van Uwen hemel mijn hart rein wasschen van onzuiveren hartstocht en slaafsche liefde! Gij wilt mij vrij maken! En nu ben ik vrij ! Ben weder mij zei ven! Ben vrij!quot;

En met vroolijk aangezicht trad Schiller de kamer van Andreas Streicher binnen, en begroette hem met een levendig: „Goeden avond, broederhart!quot;

Maar deze zag geheel ontsteld op Schiller's doornatte kleeding en zijn druipend haar.

„God in den hemel. Frits, vanwaar komt ge? Ge ziet er uit, alsof ge de nimf van den Rijn een bezoek hebt gebracht, en juist uit hare natte armen komt!quot;

„Ge hebt misschien gelijk, Andreas! Ik heb afscheid genomen van de beminnelijke nimf die mij betooverd hield.quot;

„Maar Frits, waar is uw hoed? Hebt ge hem misschien aan de nimf als een gedachtenis gelaten?''

„Ge kunt wederom gelijk hebben, Andreas. Ik heb mijn hoek bij de nimf als een gedachtenis gelaten, en alleen mijn hoofd uit den strik getrokken.quot;

„Wees zoo goed en spreek verstandig,quot; gromde Streicher: „als men op reis gaat, moet men zijne zaken bijeenhouden!quot;

„Zaken,quot; riep Schiller lachend: „ik heb geen zaken, en behoef ze dus niet bijeen te houden.quot;

„Des te erger, Schiller, des te erger, — Maar zeg, waar is uw hoed?quot;

„Ge hebt het reeds gezegd; ik heb henp. aan de nimf van den Rijn als een gedachtenis gelaten.quot;

„Ik wenschte, dat ge dit niet had gedaan,'' morde Andreas : „ge hadt haar liever een lok van uw geel haar moeten geven, dat zou goedkooper zijn geweest; want het haar groeit weder, maar hoeden moet men koopen! Nu gelukkig heb ik juist heden een nieuwen hoed voor mij gekocht, en ge moogt hem op reis mede nemen.quot;

ocr page 93

89

Hij reikte Schiller een fraaien, glimmenden vilthoed, en knikte hem vriendelijk toe. — „Hier, neem eerst dezen doek, en droog uw wilde lokken, en probeer dan of de hoed u past.quot;

„Andreas,quot; zeide Schiller, toen hij den hoed opgezet,— en bevonden had, dat hij hem volkomen paste; „hebt ge den hoed voor u gekocht?quot;

„Ja, natuurlijk voor mij, en nu komt gij, wild mensch, zonder hoed aanloopen. en mij blijft nu niets anders over, dan u den mijnen te geven.'

„Zoo? — Kom eens hier, Andreas,quot; zei Schiller glimlachend ; en toen Andreas op hem toetrad, zette Schiller hem den hoed op het kleine, slechts met weinig haar bedekte hoofd, en koddig genoeg was het om te zien, hoe de hoed den kleinen Streicher diep over 't voorhoofd zonk.

Maar Schiller lachte toch niet; hij hief langzaam den hoed weder op, en zag met een langen, innigen blik zijn vriend diep in het verwarde, beschaamde gelaat.

„Andreas, ik had nooit gedacht dat ge ook liegen kondt!quot;

„'tSchijnt ook, dat ik het slecht genoeg versta,quot; bromde Streicher: „erg genoeg, dat ge een eerlijk mensch er toe dwingt de waarheid te ontwijken, als de vlieg de heete brei. Uw hoed was slecht, en had een anderen.verdiend ; maar had ik mij nu willen vermeten u een nieuwen hoed te schenken, dan zou het een tegenstribbelen zonder einde zijn geweest. Ik dacht dus : ik wilde heel op 't laatst, als ge in den postwagen steeg uwen hoed verruilen, en zoo zou ik ook gedaan hebben, als go niet zonder hoed gekomen waart, en ik niet van die gelegenheid voor mijn mal geschenk had willen gebruik maken.quot;

„Het is geen mal, maar een heerlijk geschenk, Andreas. Ik neem uw hoed en dank u; ik zal hem voorloopig in stede van den lauwerkrans dragen, dien het Duitsche volk waarschijnlijk reeds op 'tpunt is voor mij te vechten, — maar die wel eerst gereed zal zijn, als mijn hoofd lang onder de aarde gezonken is. Want het gaat in Duitsch-land zeer langzaam met lauwerkransen, en ik, — weet ge, Andreas, ik geloof somwijlen, dat het met zijn leven zeer spoedig zal gaan, en mij niet veel tijd zal overblijven, om voor mijne onsterfelijkheid te^arbeiden. Maar stil! Wij willen ons niet treurig en droefgeestig maken. — Ik dank

ocr page 94

90

u, vriend, voor uw geschenk, en neem het van u aan, dat ge mijn hoofd met een hoed wilt versieren. Ja, als ik het goed bedenk en overleg, Andreas, dan is eigenlijk een hoed een veel beter en fatsoenlijker hoofdbedeksel voor een Dnitscher, dan een lauwerkrans. Laurier is in ons koude noorden alleen goed om er karpers mee te stoven, en een verstandig mensch moet dus in Duitschland liever naar een hoed, — dan naar een lauwerkrans trachten! Ja, zóó moet het zijn. en hierop willen wij klinken, Andreas. Ge hebt mij op punch genoodigd, geef dus nu uw punch, goede, flinke kerel; wij willen de glazen opheffen en klinken op onze toekomst! Punch hier, Andreas!quot;

Andreas haastte zich den kleinen bedekten bowl, met de zorgvuldig naar al de regels der kunst bereide punch, van den heeten oven te nemen, en beide vrienden plaatsten zich aan de kleine tafel, en vulden de glazen.

„Omhoog het glas, Andreas, en laat ons klinken; J.eve de hoed! Een pereat voor den laurier!quot;

;,Neen, Frits, hierop klink ik niet met u,quot; zeide Strei-cher, langzaam zijn glas nederzettende; „het zou zonde en misdaad zijn, zoo Friedrich Schiller zulk een on-waardigen, erbarmelijken toast wilde uitbrengen. Ge zijt beden weder in uw wanhopige luim. Frits, en, zoudt gaarne weder eens den bliksem uit den hemel halen, om een geweldige donderbui in uw eigen hemel te veroorzaken!quot;

„Ja, inderdaad, dwaze kerel!quot; riep Schiller zijn glas in één teug ledigende: „Donderbuien zuiveren de lucht, en doen de zon weder schijnen. En weet ge, mijn vertrek van hier is zulk een geweldige onweersbui met regenvlagen, donder en bliksem, — en het zal mijn leven reinigen en louteren, opdat het later weder helder wordt, en in zonneschijn voortvloeit. Andreas, ik ga heen, om geluk en vrede te zoeken!quot;

„En bovenal roem,quot; vulde Streicher aan, terwijl hij zijn dampend glas tegen dat van Schiller liet klinken.

„Neen,quot; zei Schiller, met sombere stem; „neen! Blijf mij met uw roem van 'tlijf! — Roem heet in goed Duitsch vertaald: Doornen, honger, ontberingen! Maar ik wil mijn plaats hebben aan de rijk bezette tafel des levens, en weet ge, wat ik daarom doen wil?quot;

„Nu, ik ben nieuwsgierig het te vernemen!quot;

ocr page 95

91

„Ik wil rechtsgeleerde worden,quot; riep Schiller levendig, een tweede glas ledigende: „Ja, dat is het! Ik wil rechtsgeleerde worden, en een geheel nieuw leven beginnen. Ik sluit de rekening met mijn leven af, en als ik heden nacht den postwagen bestijg, die mij naar Leipzig brengt, dan is het niet de dichter Schiller, de schrijver der „Roo-versquot; en andere dwaasheden, die in de oude kast zit, — maar de student Friedrich Schiller, die naar Leipzig gaat, om er zich het Jus in te stampen, en het te leeren verdraaien. Zet niet zulk een leelijk gezicht, Andreas, en schud uw wit hoofd niet. Ik zeg u, ik wil jurist worden; ik ben het moede, het doornige pad van een Duitschen dichter te bewandelen, met bloedende voeten en hongerige maag. Al mijn illusiên zijn verdwenen, en wat vroeger als een gouden - meteoor voor mij in de zon fonkelde, is niets dan een zeepbel geweest, die nu gebarsten is, en dichterroem heette.quot;

„Ge spreekt nu weder even wild romantisch als Karei Moor,quot; riep Streicher: „en het is er u toch geen ernst mede.quot;

„Het is wel degelijk ernst, mijn vriend! De treurige ondervinding van mijn leven tot hiertoe, heeft mij wijs en practisch gemaakt. Ik wil van de dichtkunst niet voor altoos afzien, maar haar slechts genieten, zooals men oesters eet en champagne drinkt: in de feestelijke en hoogste momenten des levens. Voor het gewone leven wil ik rechtsgeleerde worden. O, ik heb alles goed overlegd en bedacht. Ik heb gelukkig een sterk hoofd en een vlug begrip; ik zal dus met onvermoeide vlijt en vasten wil'in een jaar evenveel leeren en studeeren, als anderen in drie jaren. De Leipziger universiteit is rijk aan hulpmiddelen, en ik zal ze mij ten nutte weten te maken. Wanneer een gewoon hoofd in drie jaar, bij gewone studie, een goed jurist kan worden, die op fatsoenlijke wijze rijkelijk zijn brood verdient, zal ook ik dit gezegende doel bereiken, — en wel in korter tiid. Ik ben van mijn vroegste jeugd af, aan het bestudeeren van systemen gewend; ik heb in onze Karelsschool, — gezegender gedachtenis, — ten minste geleerd, mij in 't Latijn even vlug uit te drukken als in het Duitsch. Voor mij is het leeren, het nadenken en studeeren een lust; het behandelen van moeielijke themas een genoegen; dus ben ik overtuigd, dat ik een goed jurist

ocr page 96

92

zal worden, met groote schreden den slakkengang van gewone menschen inhalen, — en in korten tijd komen zal, waar zelfs de koenste verwachting mij eerst na jaren zou kunnen vermoeden.quot; 1)

„Ge stemt dus ten minste toe, dat ge geen gewoon mensch zijt,quot; zeide Andreas Streicher schouderophalend: „en ge wilt evenwel dezen buitengewonen mensch, den dichter, in het dwangbuis van practische wetenschap knellen? Waarachtig, mij vergaat de eetlust en zelfs de punch komt mij zuur voor, als ik eraan denk, dat de dichter der „Rooversquot; advocaat wil worden!quot;

„Zoudt geliever wenschen dat hij verhongert en gebrek lijdt met zijne drama's in plaats van een gelukkig en aangenaam leven te leiden bij zijne processtukken? Ach, mijn vriend; de loopbaan eens dichters is vol doornen en vernederingen. De wijzen en verstandigen halen de schouders over hem op, als over een verbijsterden dwaas; de zoogenaamde voorname wereld erkent hem niet als haars gelijke, en zelfs de tooneelknoeiers geven zich het air, alsof zij den dichter een gunst bewijzen, zoo zij zijne drama's opvoeren en, gelijk zij zeggen, de doode gestalten, door hun verheven spel eerst levend maken. — Neen, neen, het is een bepaalde zaak, ik wil geen tooneeldichter zün; ten minste niet weder, vóór ik in de wereld, als rechtsgeleerde een aanzienlijke en belangrijke betrekking verworven heb. Streven wel is waar moet de mensch altoos, en eerzucht moet hij bezitten, om steeds hooger te komen. Hebt gij óók geen eerzucht, Andreas?quot;

„Natuurlijk heb ik die, en wil met alle kracht er naar streven mijn ideaal te bereiken, en kapelmeester te worden.quot;

„En ik, Andreas, ik wil ministerworden,quot; riep Schiller in vervoering: „Ja, dat \s^mijn ideaal! Minister van een kleinen staat; mijn geheel leven, mijn denken en zijn,aan het geluk der menschen te wijden; voor de armen en bedrukten een weldoener, — voor mannen van talent en wetenschap, een begunstiger te zijn; het goede en nuttige te ondersteunen, het schoone te kweeken, — c^, Andreas, is mijn ideaal, en dit is bereikt, zoo het mij gelukt als

1

Schiller's eigen woorden. Zie: Schiller's Flucht von Stuttgart undAuf n thalt in Mannheim. (Von Andreas Streicher.) 214.

ocr page 97

93

jurist carrière te maken, en aan een onzer lieve, kleine Saksische Hoven minister te worden. Ja, vriend, zóó zal het zijn; gij kapelmeester, ik minister! Laat ons de glazen vullen, en nu met de dampende glazen staan wij op, en leggen de handen ineen. Dit is onze laatste toast, onze heilige eed: Niet eerder willen wij elkander schrijven, niet eer elkander bezoeken, dan wanneer Andreas Streicher kapelmeester, en Friedrich Schiller minister geworden is!quot; M

„Het zij zoo, het zij zoo!quot; riep Andreas lachend: „Hoera, leve de kapelmeester, leve de minister!quot;

Zij stieten de glazen jubelend tegen elkander, leegden ze toen tot den bodem, en zonken in elkanders armen tot een laatst vaarwel. Want het uur was gekomen, en er moest gescheiden worden!

Zwijgend geleidde Andreas zijn vriend door de eenzame straten der slapende stad naar het posthuis, waar de postwagen reeds gereed stond, en de passagiers verwachtte. Nu nog een laatsten handdruk, een laatste aanschouwing, en toen hotste de postwagen weg, en voer den nieuwen Gesar en zijn geluk de wereld in!

IX.

DE LAATSTE RIT.

Jaren zijn slechts vluchtige oogenblikken, als men in het verleden terugblikt; — wanneer men ze echter inde toekomst tegemoetziet, gelijkt elk jaar een eeuwigheid! Hoelang scheen het jaar van af de lente van 1785 tot die van 1780, 'twelk de jonge Friedrich Schiller met zooveel hoop en zooveel schoone droomen tegemoetging.

Hoelang was datzelfde jaar voor den ouden Frederik, voor den ouden philosoof van Sanssouci, wien elke dag een boodschap in 't oor fluisterde, — de heillooze boodschap: „Gij zult sterven!quot;

Hij sloot zijn oor niet voor deze toefluisteringen van

1) Schiller's eigen woorden. Zie: Soliiller's Flaclit von Stuttgart, 216.

ocr page 98

94

den ouderdom en het verval; hij vreesde ook niet voor den dood. Voor hèm was het. geheele leven één groote veldslag, — één voortgezette strijd geweest; en steeds had hij heldhaftig tot den dood bereid gestaan, en moedig gestreden tegen allerlei vijanden; en voorwaar, onder dezen waren degenen, die met zichtbare wapens op het werkelijke slagveld tegenover hem stonden, niet de ergste en gevaarlijkste geweest! Erger was het geweest tegen de domheid, de boosheid, tegen nijd en afgunst, tegen vooroordeel en kwaadwilligheid te strijden; blijmoedig worstelend voorwaarts te gaan, niet lettende op het geschreeuw der dwazen en den laster der ondankbaren.

Lichter is het in den wezenlijken veldslag te overwinnen, dan te strijden tegen vooroordeelen, dan misbruiken te vernietigen. En deze vernietigingsstrijd der vooroordeelen en misbruiken, was na de dagen der werkelijke veldslagen, de nooit eindigende arbeid van den Koning geweest. Zijn volk gelukkig, aanzienlijk, rijk en machtig te maken, dat had hij zich tot de heiligste taak zijns levens gesteld; en hij zette haar dóór met alle energie en kracht, en liet zich niet van zijn weg brengen, en afschrikken door boosheid en ondankbaarheid. Handel en verkeer bloeiden onder 's Konings weldadige hand; de industrie beurde zich op, zoodat de fabrieken bloeiden en voor hare voortbrengselen aftrek vonden in de verste landen! woeste akkers werden vruchtbaar gemaakt, en de ploeg trok zijn zegenbrengende voren door velden, die vroeger woest en onbebouwd waren geweest. De soldaten des oorlogs hadden zich nu in soldaten des vredes herschapen, en moesten strijden voor de welvaart en den voorspoed des volks. Wel is waar ontstonden er vaak zware gevechten, en moest het goede met dwangmiddelen ingevoerd worden, — maar wat deerde dit? Waren de aardappelen daarom een slechter voedsel, wijl de boeren in Silezië door gewapende soldaten naar het veld moesten worden gedreven, om deze verachte vrucht te poten? Werd toch deze vrucht, — niettegenstaande den aanvankelijken tegenstand, — niet spoedig een geliefd volksvoedsel, verdreef de schadelijke peulvruchten en liet in het land het geld, dat men anders voor rijst naar 'tbuitenland had gezonden? Was het niet den Koning gelukt ook de zijdeteelt in zijne staten in te voeren, en

ocr page 99

95

dooi' de verbetering der schapenfokkerij, de industrie der wollengoederen op te beuren?

En evenals hij met vaderlijke zorg voor akkerbouw en industrie werkzaam was geweest, had Frederik ook voor de kunsten en wetenschappen de levendigste deelneming betoond; geleerden en kunstenaars ontboden en ondersteund; zorg gedragen voor den bloei der academiën en universiteiten in zijne landen.

Evenals hij echter binnenslands zorgde voor zijn volk, deed hij 'took naar buiten; had steeds zijn koenen blik op den erfvijand van Pruisen, op Oostenrijk gericht, en wilde niet, en duldde niet, dat het huis Ilabsburg begee-rige handen naar Duitsche landen uitstak. Wijl Frederik in de toekomst zag, en wijl hij aan den dood dacht, wilde hij zijn land verzekeren tegen Habsburg, ook na zijn dood. De Vorstenbond gaf hiervan het bewijs, — de-Vorstenbond, Frederiks laatste politieke daad, het laatste dreigen van den Koning van Pruisen, die op Oostenrijk zooveel overwinningen had behaald, het zoovele zedelijke nederlagen had bereid. De Vorstenbond, vereenigde de Duitsch Vorsten tegen het veroveringszuchtige Oosterijk; de Vorstenbond vereenigde allen tegen één, en maakte den één tot vijand van allen. Elkander wederkeerig bij te staan en te beschermen tegen den vijand; geen rechtsverkrachting te dulden; wat den kleinste onder hen mocht geschieden op te nemen en te wreken, alsof het den grootste was geschied; de welvaart van het Duitsche Eijk altoos in'toog te houden en te bevorderen; de wettige constitutie van het Rijk te handhaven, en geen aanranding er van te dulden, — dit was het doel en het oogmerk van den Vorstenbond, die in Juli van het jaar 1785 door Pruisen met de andere Duitsche Vorsten, — uitgezonderd Oostenrijk en de aan dit Rijk verwante Huizen, — gesloten werd.

De Vorstenbond was Frederik's laatste politieke daad. Tegen Oostenrijk had hij als jonge Koning het eerst zijn zwaard opgeheven, — tegen Oostenrijk had hij nu zijn laatste wapenfeit volbracht: Duitschland vereenigd tot één geheel, opdat het door eenheid sterk, — en door sterkte vrij zou worden !

Hij had nu het zaad gestrooid tot nieuw geluk, maar hém zou het niet vergund zijn, de vrucht te oogsten. Zijn leven

ocr page 100

96

was afgeloopen en het arm, vervallen lichaam herinnerde den sterken, machtige geest, die er in woonde, dat hij spoedig zijne gevangenis verlaten, en opstijgen zou ten hemel, of in het eeuwige Al!

Maar Frederik wilde tóch werkzaam blijven, en zijn volk dienen tot het laatste oogenhlik. Zoo lang hij de handen nog roeren kon, moesten zij werken tol welzijn van zijn land. Zoo lang zijn geest nog vrij en sterk was, moest hij bezig zijn voor zijn volk. Maar voorwaar, lichaamssmarten verduisterden somwijlen zijne geest, en maakten zijn stemming somber en lichtgeraakt; in zulke uren te arbeiden en zich met regeeringszaken op te houden, zou gevaarlijk zijn geweest; en allicht hadden de smarten des lichaams invloed kunnen hebben op de besluiten, welke hij te nemen had. Dit overwoog Frederik in zijn vaderlijke zorg voor zijn volk, en hij poogde zijn lijden onschadelijk te maken. Er waren toch eenig uren, waarin hij minder leed van de jicht en de moeielijke ademhaling; dit waren de vroege morgenuren, waarin de Koning, — na een of twee uren geslapen te hebben, — zich minder zwak en machteloos gevoelde.

Een of twee uren slaap! Niets meer wilde de Natuur den koninklijken zieke bewilligen, die een halve eeuw gewaakt had voor Pruisens eer en voor Pruisens roem, en wiens oogen nu vermoeid waren, en verlangden naar rust en slaap! Maar de Koning verdroeg met het geduld van een wijze, ook deze marteling der slapeloosheid; ja hij kon er zelf over schertsen.

„Mijn lieve hertog,quot; zeide hij tot den hertog van Koerland, die hem in Juni 1786 bezocht: „zoo^ge bij uw terugkeer naar Koerland soms een nachtvvachtpost vacant vindt, denk dan aan mij en geef ze mij, want ik verzeker u, dat ik het waken in den nacht voortrelïelijk geleerd heb.quot; —

Maar de goede uren van zijn waken in den nacht wilde hij tóch voor zijn volk dienstbaar maken; en derhalve moesten de kabinetsraden, die anders des morgens te zeven uur met hun werk en rapporten bij hem kwamen, nu reeds 's morgens te vier uur in zijn kabinet komen, om met hem te arbeiden.

„Mijn toestand.quot; zei de Koning met een zachten glim-

ocr page 101

97

lach, toen hij dit aan de drie kabinetsraden mededeelde; „mijn toestand dwingt mij, u deze moeite te veroorzaken, die voor u niet lang duren zal. Mijn leven loopt ten einde, en de tijd dien ik nog heb, moet ik nuttig aanwenden. Hij behoort mij niet, maar den Staat.quot; ^

Ja, zijn leven liep ten einde; — maar het duurde lang eer deze sterke heldengeest zich losworstelde van het vervallen lichaam, en nog lang had hij de kracht, over het zwakke lichaam te heerschen, en dit aan zich dienstbaar te maken. Somwijlen, als de artsen meenden dat de krachten des Konings waren uitgeput en deze arme, ineenge-kromde gestalte, — die daar op het terras in de warme, brandende Junizon zat, en toch beefde van koorts en koude, — spoedig niets meer zou zijn „dan het uitgewoonde en verlatene huis zijner ontvloden ziel,quot; raapte de Koning eensklaps weder zijne krachten bijeen, worstelde met zijn kwaal, en overwon met het vuur van zijn geest, de verstijving des lichaams. Zoo was het geweest in April, toen hij, terwijl de artsen zijn dood nabij geloofden, plotseling op een morgen na een verkwikkenden slaap beval, zijn rijtuig te laten voorkomen, zich uit de kussens oprichtte, zich kleedde en met vasten tred, schoon ook met gebogen houding, de trap afging naar zijn rijtuig, om een langen wandelrit te doen, en dan niet weder naar het stads-paleis van Potsdam terug te keeren, maar naar zijn lief Sans-souci te rijden, en er zijn zomerverblijf op te slaan.

Zoo was het ook heden op den vierden Juli, toen de Koning, — die den vorigen dag in groote pijnen en benauwdheid had doorgebracht, — zich, na een korten slaap des nachts, weder bijzonder verkwikt en versterkt gevoelde. Hij liet des morgens te vier ure zijn kabinetsraden hij zich binnenkomen, en werkte met hen tot acht uur; dicteerde dépêches en uitvoerige regeeringsaangelegenheden, die van de helderheid en scherpte van zijn geest getuigden; vervolgens te acht uur liet hij zijn gezelschap komen, om zich met hen te onderhouden, en zijn geest was heden even levendig en frisch, als in de lang verloopen dagen van ongestoorde gezondheid. Hij schertste en lachte, en spotte om zijn eigen zwakheid en vervallenheid, met

1) Zimmermann: Priedrich's des Grossen letste Lebenstage, 1G3. Mühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. III. 7

ocr page 102

98

zulk een bemirmnlijke schalkschheid, dat graaf Lucchesini zich niet weerhouden kon in luide verrukking, en met vreugdetranen in de goede, trouwe oogen, den Koning als een herstelde te begroeten. Frederik haalde zacht de schouders op. „Mijne lieve graaf,' zeide hij; „ge hebt volkomen gelijk; genezen zal ik spoedig zijn, maar in een anderen zin dan gij meent. Ge houdt het laatste opflikkeren der lamp voor een heldere, bestendige vlam. Mon cher, de nacht zal u spoedig bewijzen, dat ge u vergist hebt. Maar ik wil van dit opflikkeren der lamp nog pro-fiteeren, en mij persuadeeren dat ik een gezond mensch ben. Ik groet u dus, messieurs; want ik wil mij het goede uur en den helderen zonneschijn ten nutte maken, en een wandelrit doen. Men moet Condé voorbrengen.quot;

„Maar, sire!quot; riep Lucchesini ontsteld.

Eon blik uit Frederik's oogen deed den graaf zwijgen.

„Monsieur zeide hij streng: „zoolang ik leef, is er geen maar waarmede men mij tegengaat.quot;

De graaf boog zwijgend, en volgde de beide andere heeren, die reeds naar de deur traden. De groote oogen van Frederik volgden de gestalte van zijn gunsteling, — die met gebogen hoofd heenging — met levendigen, deel-nemenden blik, en toen Lucchesini juist den drempel dei-deur wilde overgaan, riep hij hem terug. De graaf keerde haastig om, en naderde den Koning.

Frederik hief langzaam zijn hand op, en wees naar het venster, waardoor de zon en het groen van loof en struiken zichtbaar waren.

„Zie eens, Lucchesini, hoe traai dat is,quot; zei de Koning: „Dunkt u ook niet, dat het heden een schoone zomerdag is?quot;

„Ja, sire, een zeer schoone zomerdag; maar er zullen er, hoop ik, nog vele komen, en als üwe Majesteit zich eerst • nog eenige dagen hersteld heeft, zal hij te beter de zomerdagen kunnen genieten.quot;

„Gij blijft er bij. Gij zijt een stijfkop,quot; riep Frederik glimlachend: „Ik zeg u echter, dat ik niet meer herstellen zal, en ik wil u slechts iets vragen: Zoo ge met lieve, vertrouwde vrienden jaren lang te zamen geleefd hebt, en ge moest dan scheiden en hen verlaten, zoudt ge dan geen behoefte hebben afscheid van hen te nemen, en hun

ocr page 103

99

te zeggen; „Vaartwel, ik dank u!quot; Of zoudtge uwe vrienden zwijgend en koel, — zonder groet, als een dief in den nacht, verlaten?''

„Neen, sire, dat zou ik zekerlijk niet,quot; antwoordde Luc-chesini haastig: „ik zou mijne vrienden om den hals vallen, en met tranen en kussen afscheid van hen nemen.quot;

„Nu, weet ge,quot; zei Frederik zacht „de boomen in mijn tuin behooren óók tot mijne vrienden, en ik wil hen dus ■. vaarwel zeggen, gelijk den menschen. Stil, zeg geen woord! Ik ben oud, en de ouden moeten voor de jongen wijken, opdat elk geslacht zijn plaats vinde. Mij verschrikt het sterven niet; want om recht te gevoelen wat het leven is, moet men om zich heen zijne medemenschen zien geboren worden en sterven. ^ Alles is slechts wisseling, en de zon beschijnt tegelijk menige wieg en menig graf. Zie zoo treurig niet, maar geloof mij, ik ben zeer tevreden het wereldtooneel te verlaten.quot;

En terwijl de Koning zijn hoofd een weinig hooger ophief, declameerde hij met luide, vaste stem;

O ui, finissons sans trouble et mourons sans regrets, En laissaut 1' univers comblé de nos bienfaits.

Ainsi 1' astre du jour au bout de sa carrière Repand sur 1' horizon une douce lumière,

Et ses derniers rayons qu'il darde dans les airs,

Sont ses derniers soupirs qu'il donne a 1' univers.2)

Hij reikte den graaf met een vriendelijken hoofdknik de hand, en toen deze zich boog om haar te kussen, viel een traan uit zijn oogen op de koude, knokige hand van Frederik.

De Koning voelde dezen heeten traan, en schudde zacht zijn hoofd. „Gij zijt een zeer zonderling mensch,quot; zeide hij; „een waar verkwister. Gij strooit een oud man bril-lanten op de hand, terwijl ge toch beter en verstandiger deedt, ze voor jonge, knappe lieden te bewaren. — Ga nu, en ik hoop u heden na mijn rit in goeden welstand weder te zien.quot;

ocr page 104

100

Hij wenkte naai' de deur, en wendde zich vervolgens langzaam naar zijn windhond Alkmene, die op een stoel naast den fauteuil des Koning lag, en met slaperige oogen tot hem opgluurde.

„Ge zijt óók reeds oud en zwak, Alkmene,quot; zei de Koning zacht; „en zult het óók niet lang meer maken. Wij moeten ons beiden haasten, zoo wij nog van een laatsten zonnestraal profiteeren willen. Kom, Alkmene! Wij willen wandelen! Kom!quot;

De hond sprong haastig overeind op zijn slanke pooten, en volgde den Koning, die langzaam naar de deur zijner slaapkamer trad, om een weinig toilet te maken voor zijn wandelrit.

Een kwartier uurs later ging de koning, leunende op de armen zijner twee kamerdienaars, door de vertrekken naar de deur, waar, bij de zoogenaamde groene trap, zijn lievelingspaard Condé stond. De stalmeester en^ de kamerheer du jour stonden aan weerszijden der deurj en in de nabijheid hielden twee rijknechts de paarden van beide heeren bij den teugel.

De Koning zag dil met een haastigen blik, en schudde misnoegd zijn hoofd. — „Geen dwaasheden en geen praal zeide hij gebiedend; „Ik wil naar een dame rijden, die veel machtiger is, dan alle Koningen dezer aarde. Als men naar de zon gaat, mag men niet pronkend komen met gevolg, maar deemoedig als een bedelaar. Geen suite! Mijn beide rijknechts alleen zullen mij begeleiden.quot;

De beide heeren wierpen elkander een treurigen zijde-lingschen blik toe, maar waagden niet te weerspreken, en boden den Koning hunne handen, om hem bij't opstijgen behulpzaam te zijn.

Maar ach, het was een moeilijke en treurige taak, den Koning zijn paard te doen bestijgen. De eerbied verhinderde, hem op te tillen, en de zwakheid des Konings verhinderde hèm op te stijgen. Men bracht eindelijk stoelen en kussens aan, en stapelde ze opeen, zoodat zij een soort van trap vormden, welke de Koning vervolgens, geleid door zijne kamerdienaren, opsteeg, en zich met moeite en stijf op den zadel liet nederglijden. Condé alsof hij wist, dat de grootste rust noodzakelijk was voor het moeielijke kunststuk, — stond onbeweeglijk, en Alk-

ocr page 105

101

mene zag met schrandere, bespiedende oogen tot zijn meester op, die zich nu met inspanning recht in den zadel zette.

Maar nu hij zijn zitplaats had ingenomen, nu hij op den rug van zijn geliefd paard zat, nu hief Condé plotseling den kop hooger op en hinnikte luid, alsof hij den Koning zijne vreugde wilde verkondigen, dat zij weder te zamen waren. Alkmene had de vreugdebetuiging van Condé verstaan, en wilde niet bij hem achterblijven; want het dier barstte in een luid vroolijk blaffen uit, sprong lustig om het paard en zijn ruiter heen, die juist den toom in de hand nam, en door een lichten druk der hakken, het schrandere dier het teeken gaf, zich in beweging te zetten.

Langzaam reed de Koning nu de groene trap af, — aldus noemde man de zacht glooiende grasvlakte, die ter zijde van het terras van Sanssouci naar beneden liep, — en de rijknechts wilden hem volgen, toen de kamerheer op hen toetrad.

„Geeft goed acht,quot; duisterde hij: „en blijft zoo dicht mogelijk bij Zijne Majesteit, opdat gij, in dien Zijne Majesteit iets overkomen mocht, aanstonds bij de hand zijt.quot;

„Ik zal het rijtuig van Zijne Majesteit beneden bij de obelisk laten brengen,quot; zei de stalmeester zacht: „Zoo den Koning iets overkomt, dan brengt hem daarheen, en een uwer rijdt dan in vollen galop, onmiddellijk naar den lijfarts Sello.quot;

De twee rijknechts knikten slechts met het hoofd, en haastten zich den Koning na te rijden, die nu juist zijn paard in galop zette, en door de alée galoppeerde.

Het was een wonderschoone zomerdag; des nachts had het geonweerd, en de lucht was hierdoor zuiver en geurig geworden; het groen glinsterde in onbestoven frisch-heid en het gras geleek zacht en glanzend als fluweel.

Nu reed de Koning langzamer. Hij liet zijn oogen met een onuitsprekelijk weemoedigen blik om zich heen zweven, vervolgens opwaarts tot de kruinen der ruischende boomen, opwaarts tot den donkerblauwen hemel, die hem in wolkenlooze helderheid scheen toe te lachen.

„Ik zal spoedig tot u komen,quot; zeide hij; „en uwe heerlijkheden en wonderen aanschouwen! Thans wil ik afscheid nemen van de heerlijkheden der aarde!quot;

ocr page 106

102

Hij liet langzaam de oogen nederdalen van den hemel, en richtte ze weder op de aarde ;hij zoog hare heerlijkheid diep in zich op, en laafde zijne oogen met de aanschouwing der Natuur; luisterde naar de muziek der murmelende beken, der klaterende watervallen, der ruischen-de boomkruinen, en der in het dichte loof kweelende vogels.

Zoo reed hij voort door het eenzame park, de eenzame Koning, — niemand om hem, dan in de verte zijn beide lakeien, en vóór hem de dartelende windhond. Maar boven hem God, — boven hem zijn roem, en nevens hem en in hem, zijne herinneringen, en do vele jaren die doorleefd

waren! , , .. . ,

In deze alléén had hij gewandeld met zijne vrienden, die nu allen dood, — allen daarheen waren gegaan, waar ook hij nu spoedig zou volgen. .

Hij had er vaak naar verlangd; hij had vaak tot zich zeiven gezegd, dat 'het zeer schoon en begeerlijk moest zijn in te gaan in de eeuwige rust en den eeuwigen vrede 'des doods. En evenwel gevoelde hij nu diep in zijn ziel een wonderbaren weemoed, 't Scheen hem alsof de hemel nooit zoo geschitterd had, als waren de boomen nooit zoo frisch en groen geweest, als hadden de bloemen en grasperken nooit zoo heerlijk gegeurd als heden! Waar-om zou men verlangen naar den vrede des grafs? Hoe heeriijk en verrukkend was toch reeds deze vrede der schepping; hoe opende zich de ziel van stille zaligheid, en liet zich door zonneschijn en bloemengeur laven.

Bij al de rampen der wereld heb ik mijn toevlucht tot u genomen, gij heilige maagd: eeuwig reine, kuische Natuur quot; zeide hij stil en in vervoering tot zich zeiven. „De menschen zijn ellendig en zwak, en t is niet waardig om hunnentwil te leven; zij verdienen niet, dat men zich om hunnentwille ergert of bedroeft. Maar om uwentwille zou ik notf langer willen leven, schoone heerlijke Natuur 1 Gij zijt eigenlijk op aarde mijn eenige geliefde geweest, en het doet uwen armen, ouden minnaar tóch wee, van u te

scheiden!quot; , , j »

Jal het deed wee! De Natuur scheen heden een teest-kleed aangelegd te hebben, om Frederik te begroeten, en zich aan den scheidende nog eens te vertoonen, in al hare schoonheid en pracht.

ocr page 107

i

103

Ja, het deed wee, haar te verlaten, van haar afscheid te moeten nemen — Langzaam, zeer langzaam reed de Koning door de alleen van Sanssouci voor zijn laatste afscheid! Somwijlen, als een opening in het geboomte hem een bijzonder fraai gezicht bood, hield hij zijn paard stil, en aanschouwde met een gloeienden, verterenden blik het liefelijk landschap; vervolgens sloeg hij zijn oog haastig neder, want het had zich plotseling verduisterd dooi* iets brandends. Misschien was het een door den suizen-den wind opgestoven zandkorrel, maar gewis geen traan! — Neen, gewis niet! — Waarom zou hij ook weenen,hij die zoo moede en verzadigd van het leven was ?

„Ja, moede en verzadigd,quot; zeide hij luid: „de menschen zijn een erbarmelijk ras, en ik ben het moede over slaven te regeeren. Moede, voor dwingeland te spelen, terwijl ik zoo gaarne vrije mannen om mij zag. Neen, neen, ik betreur het niet te sterven; ik ga gaarne heen, en mijn gelaat zal nog glimlachen als men mij begraaft.quot; 1)---

Van de menschen te scheiden moge licht zijn, — maar de Natuur is zoo schoon, zij schouwt zoo liefelijk, zij glimlacht zoo zoet! Het afscheidnemen is toch een zware taak, en wee doet het toch, tot dezen hemel, tot deze aarde, tot de boomen en bloemen te zeggen: „Vaartwel! Ik zie u nooit weder!quot;

'tls alsof boomen en struweelen treurig terugruiscben : „Vaarwel!'' Als klaagde de murmelende waterval: „Wij scheiden voor eeuwig!quot; Ach, de Koning, de held heeft altoos nog een hoekje in zijn hart waar hij slechts mensch is, waarin de wijsheid en de ervaring niei zijn doorgedrongen, en waar het natuurlijk gevoel alleen heerschappij voert.

Ja, de mensch neemt moeielijk en met bitter weegevoel afscheid van de schoone Natuur. Hij zou de boomen en bosschages, de bloemen en grasperken nog langer willen zien, de balsemieke lucht nog langer wenschen in te ademen. Maar deze mensch bier is tevens held en wijsgeer, en de held fluistert hem in het gewonde hart; „Verman u en wees sterk. Gij hebt dikwijls den dood in de oogen gezien en niet geknipoogd, — doe zoo ook nu!quot;

1

's Konings eigen woorden. Zie: Oeuvres posthumes. XI. 284.

ocr page 108

104

En de wijsgeer spreekt in zijn ziel; „Schik u in het onvermijdelijke. Een torenuurwerk bestaat uit staal en ijzer, en loopt tóch niet langer dan twintig jaren, en gij zoudt u verwonderen, dat uw lichaam na zeventig jaren versleten is? Verheug u veeleer; want ge zult nu spoedig de eeuwige verborgenheid der schepping vernemen; ge zult weten, of er nog bewustzijn bestaat na den dood, eu of wij in het Elyseum weder vereenigd zullen worden met hén, die ons zijn voorgegaan.---

„Ja, ik zal het vernemen!quot; riep de Koning zeer luid: „Ik groet u, mijne dooden, die vaak hier met mij gewandeld hebt, in deze lommerrijke dreven. Wij zullen elkander nu spoedig weder ontmoeten in de dreven van het Elyseum, en ik zal u bericht brengen van de erbarmelijke aarde en het nietige menschengeslacht. Ik groet u, mijn moeder en mijne zuster, en u, Voltaire, Cesar en Cicero! Ik kom tot u, onsterfelijken!quot;

Hij hief zijn hoofd hooger op en ademde diep, alsof een zware last van zijn ziel gevallen was. Zijn oog schitterde, en zijn aangezicht vlamde als van hemelsche verrukking. Zóó zag hij naar Sanssouci, dat even boven de boomen voor hem zichtbaar werd; de vensters blonken in den zonneschijn, en lucht en licht en zonneschijn en hemelglans rustten op het gebouw.

„Het is mijn graf,quot; zeide hij glimlachend; „en tóch de wieg mijner onsterfelijkheid. Wist ik ook, dat ik den dood ontvlieden kon, zoo ik niet in mijn huis terugkeerde, ik zou tóch niet willen vlieden. Ik ben bereid den dood het offer mijner menschelijkheid te brengen, en keer naar huis, om nu te sterven!quot;

En terwijl hij dit zeide, hief hij langzaam den arm op, lichtte den ouden driekanten hoed een weinig omhoog, en boog groetend het hoofd naar alle zijden, zooals een Koning doet, als hij afscheid neemt van zijn omgeving en zijne hovelingen.

Toen liet hij zijn hoed weder neder op zijn weinig grijs haar, en drukte Condé de knieën zóó sterk in de zijden, en trok den teugel zóó strak aan, dat het dier zich in een snellen galop zette, Alkmene het slechts hijgend en met moeite kon volgen, en de lakeien geheel verbluft en ongerust, hunne paarden in sneller gang brachten.

ocr page 109

105

Deze snelle rit deed den Koning goed; de suizende lucht scheen zijn borst te sterken, en den nevel der melancholie van zijn ziel te verdrijven.

Hij had het laatste atscheid genomen van de Natuur, en vrede gemaakt met de menschheid in zijn binnenste. Nu was het sterven en afscheidnemen overwonnen, — het laatste oiler van aardsche smart gebracht!--

Toen de Koning na een rit van twee uren door het park van Sanssouci in snellen galop weder de groene trap oprende, stonden de kamerheer en de opperstalmeester tot zijn ontvangst gereed, vroolijk verrast, dat hun vrees niet vervuld was, — dat de Koning niet alleen zonder ongeval zijn rit ten einde bad gebracht, maar dat hij er zelf beter en sterken uitzag dan sinds langen tijd.

De koning bracht met een vluggen ruk zijn paard tot staan, en de lakeien ijlden met kussens en stoelen toe, om ze voor den Koning tot het afstijgen op te stapelen.

Maar de Koning wees hen driftig af. „Maakt niet zooveel ophef,quot; zeide hij: „'t Zal genoeg zijn als ge mij den arm reikt, om er op te kunnen leunen. Ik wil nog slechts een oogenblik in den adem schieten.quot;

Hij streelde Condé's slanken, gladden hals, en het schrandere dier wendde den kop om, alsof het zijn meester wilde aanschouwen, en hem danken voor deze liefkozing.

„Ja, gij kent de hand die u streelt,quot; zei de Koning glimlachend: „wij hebben te zamen menigen rit gedaan, en tot zijn in zonneschijn en regen makkers geweest. Vaarwel, mijn trouwe dier!quot;

Hij had zich lager over het dier gebogen, en streelde zijne manen. Toen hij vervolgens het hoofd ophief viel zijn scherpe glanzende blik op een jongen, slanken, officier, die juist aarzelend en verlegen op het terras kwam, en weifelend of hij wel verder mocht gaan, nabij de groene trap staan bleef.

„Nu, wie is dat?quot; vroeg de Koning met opgeruimd gelaat: „Welk een jong officier hebben wij daar? Kom eens hier, en meld u aan!quot;

De jongeling ijlde nu haastig voorwaarts, naderde zeer dicht het paard des konings, sloeg als militairen groet de rechterhand aan zijn politiemuts, en salueerde.

„Ik heb de eer mij bij Uwe Majesteit aan te dienen,quot;

ocr page 110

lOö

zeide hij met heldere, vroolijke stem; „Mij is bevolen op dit uur hier te zijn, en stiptheid is de eerste plicht van den soldaat.quot;

„Monsieur, eest hien repondu, knikte de Koning; ,.geet mij de hand en help mij van het paard!quot;

De jonge officier haastte zich dit bevel te volbrengen legde zijn beide armen op den hals van Condé, en stak ze zóó krachtig en strak voor zich uit, als waren het twee ijzeren stangen, die eiken last weerstaan konden. De Koning legde zijn beide handen zwaar en vast op deze levende steunsels, en hield er zich aan vast, terwijl hij zich langzaam over den rug van 't paard nederliet, en vervolgens den grond bereikte. . „

„TVès hien, mon neveu, zeide hij toen vriendelijk: „Ge hebt een krachtigen arm, en zijt voor uw vijftien jaren zeer sterk.quot;

„Zestien jaar, Majesteit,quot; riep de jonge prins ijverig; „ik word over vier weken reeds zestien jaar.quot;

„Zoo, ge wordt reeds zestien jaar!quot; antwoordde Frederik glimlachend; „Nu, dan zijt ge bijna reeds een respectabel persoon, en mag men zich niet vermeten, u zonder eerbied te behandelen. Mon prime, voulez vous avoir la bonté de me donner votre brasquot;?quot;

„Sire, et mon roi,quot; antwoordde de prins haastig; „vous me daignez d'un grand honneur et je vous suis trés recon-naissant.quot; — En na zich diep gebogen te hebben, reikte hij den Koning zijn arm.

„Zie eens,quot; zei Frederik met het hoofd knikkend; „dat gaat immers reeds zeer goed met het Fransch. Nu, wij willen nog een oogenblik op het terras blijven. De zon schijnt zoo warm, en dat doet mij, ouden man goed! Con-duisez moi, mon prince.quot;

Hij wees met zijn krukstok naar den armstoel, die nevens de open deur van het salon stond, en ging vervolgens, stevig leunende op Frederik Willem's arm, langs het terras.

„Zoo,quot; zeide hij, zich op een stoel nederlatende en zwaar ademende; „zoo! Hier wil ik nog eens voor tlaatst ruS' ten in den zonneglans, voor ik het donkere huis binnenga,quot;

„Hij liet zijne oogen langzaam over de terrassen en boo-men zweven, en richtte ze vervolgens op den jongen prins.

ocr page 111

107

die in een stijve, militaire houding nevens hem stond.

„Heer luitenant,quot; zeide hij toen: „vergeet een paar oogenblikken, dat ge voor den Koning staat. Ik ontsla u van den militairen eerbied. Zoo! Geef mij de hand, mijn zoon, en wees uwen grijzen oudoom van harte welkom!quot;

Hij reikte den prins zijn hand, en deze drukte haar eerbiedig aan zijne lippen.

„Zet u,quot; beval de Koning, op het tabouret wijzende, dat nevens zijn fauteuil stond; en vervolgens, toen de prins daaraan voldaan had, keek hij lang en met een diepen, vorschenden blik in het open, forsche gelaat van den jongen prins.

„Ik heb u hier geroepen, mijn kind,quot; zei Frederik toen met zijn weeke, zachte stem: „ik wilde u nog eens zien, voor ik op reis ga.quot;

,,Hoe?quot; vroeg de prins onbevangen: „wil UweMajestet op reis gaan?quot;

„Ja, ik wil op reis gaan,quot; antwoordde Frederik zacht met het hoofd knikkende.

„Maar, Majesteit,quot; zei de prins: ,,ik meen, dat de groote manoeuvres ditmaal hier te Potsdam zullen plaats hebben.quot;

„Ja, de groote manoeuvre zal hier te Potsdam plaats hebben,quot; bevestigde de Koning: „en bij de groote revue zal ik mij dan te melden hebben bij dengene, die de Koning aller Koningen is. Waarom ziet ge er eensklaps zoo verschrikt uit, mijn zoon? Ge hebt ten laatste wellicht gemeend, dat de menschen nooit dit Paradijs verlaten, — nooit sterven moeten?quot;

„Majesteit,quot; antwoordde de prins: „ik heb nooit aan het sterven gedacht!quot;

„Hieraan hebt ge w7él gedaan, mijn zoon,quot; zei Frederik, wiens stem nu plotseling weder zeer vast was; „Ge moet uwe oogen scherp en onbeweeglijk op het leven richten, want het leven heeft nog zeer veel van u te verlangen, en zal u groote eischen stellen. Daarom moet ge al uw aandacht wijden, dat ge aan deze eischen des levens kunt voldoen. Ge moet ook zeer vlijtig studeeren en leeren,en u ijverig oefenen in de wetenschappen. Welke is uw lievelingswetenschap ?quot;

„De geschiedenis, sire.quot;

„Dat is goed, Frits. Prent u slechts goed de groote mo-

ocr page 112

108

menten in, en leer door de groote heldendaden der Koningen, zelf een held te worden. Men moet zich vóór alles een groot doel stellen, en daar naar trachten zijn geheel leven door. Wie is uw geliefdste held in de geschiedenis?quot;

„Sire,quot; antwoordde de prins na kort bedenken: „sire, mijn geliefdste held is Cosmo van Medicis.quot;

De Koning zag hem verbaasd aan. „Wat weet ge van hem?quot; vroeg hij: „WTie was deze Cosmo van Medicis?quot;

„Hij was een groot veldheer,quot; antwoordde de prins: „een groot wetgever, en zijn streven was er steeds op gericht, het volk gelukkig te maken.quot;

„Ge meent dus, dat het de taak van een groot man en Vorst moet zijn, het volk gelukkig te maken?quot;

„Ja, sire, zijn hoofdtaak. — De heer professor Behnisch heeft mij eens bij de les in de geschiedenis verhaald van den grooten Cosmo van Medicis, dien de Florentijners den „Weldoener van het volkquot; noemden. Toen hij voelde dat hij sterven moest, liet hij zich in zijn stoel dragen naar hei groote plein van Florence, want, — zeidehij, — hij wilde als een teeder en gelukkig vader sterven, te midden zijner kinderen. De kinderen echter, welke hij bedoelde, waren zijne onderdanen, en deze stroomden nu van alle zijden naar het plein, en vulden het zóó dicht, dat het een zwarte, golvende massa geleek. Wijl nu spoedig op de markt niemand meer plaats vond, drongen de rnen-schen de huizen binnen, wier deuren alle geopend werden, en uit de huizen die het geheele plein rondom omgaven, zagen duizenden uit de vensters, en duizenden stonden op het plein, in welks midden op een verhevenheid de stoel stond, met den stervenden Yorst. Maar, hoezeer zooveel duizende menschen daar verzameld waren, heersch-te er toch diepe stilte. Niemand wilde zich bewegen, en aller blikken waren op het bieeke gelaat van den quot;Vorst gelicht. Deze echter glimlachte, zag den kring rond, en sprak met luide stem : „Daar mijn laatste uur gekomen is, wil ik vrede maken met God en de menschen. Zoo dus iemand onder u is, dien ik onrecht heb gedaan, of die zich te beklagen heeft over eenige onrechtvaardigheid, onder mijn bestuur geschied, zoo moge hij mij nu naderen en mij ter verantwoording roepen, opdat ik hem recht

ocr page 113

109

late wedervaren, vóór ik sterf. Spreekt dus, in den naam van God beveel ik, spreekt!quot; — Maar alles bleef stil, en men hoorde niets, dan het zacht snikken en weenen van het volk. Nu vroeg de Vorst ten tweedemale: „Is iemand onder u, dien ik onrecht gedaan heb, hij melde zich spoedig, want de dood nadert!quot; En een luide stem riep uit het volk: „Gij hebt ons niets dan goeds gedaan, — zijt onze weldoener, onze vader geweest! De eerste smart, welke ge ons veroorzaakt, zal zijn, dat ge ons verlaat, en daarom srneeken wij u: Ach, vader, verlaat uwe kinderen niet!quot; — En rondom op het plein, en uit alle vensters riepen duizenden met weenende en biddende stemmen; „Ach, vader, verlaat uwe kinderen niet!quot; En de Vorst hoorde, met van vreugde stralend aangezicht, dit bidden en weenen van zijn volk. „Dit is de verhevenste treurmuziek, die voor een Vorst klinken kan,quot; zeide hij: „Zalig is de Vorst die sterven kan, terwijl zijn volk weent en hem zegent!quot; — En toen hij dit gezegd had, hief hij zich in zijn stoel op, en breidde de armen uit als ten zegen. En het geheele volk zonk op de knieën, weende en jammerde luid. Toen viel Cosmo weder terug in zijn stoel. Hij was gestorven onder de tranen en zegenwenschen zijns volks!''

De prins, die op 't laatst met bevende stem en tranen in de oogen gesproken had, zweeg nu, en zag schuw naar zijn oudoom op, wiens oogen, gedurende het geheele verhaal strak en onafgewend op hem gerust hadden. De oogen van den grijsaard en van den jongeling ontmoetten elkander, en het scheen voor beiden wél een ontmoeting en begroeting huaner harten, want beiden glimlachten.

„En zóó zoudt gij ook eens wenschen te sterven, mijn zoon?quot; vroeg Frederik met weeke stem; „Ge zoudt als Cosmo van Medicis willen sterven, terwijl uw volk om u als om zijn vader schreide?quot;

„Ja, sire, dat zou ik willen,quot; antwoordde de prins ernstig; „en ik zweer Uwe Majesteit, dat, zoo ik ooit Koning mocht worden, ik er slechts bedacht op zou zijn, mijn volk gelukkig te maken. Ik zal steeds aan u denken, en al uwe woorden en daden in mijn geheugen houden. Mijn nieuwe gouverneur, de heer Leuchsenring, heeft mij ook gisteren iets wonderfraais verhaald. Hij heeft mij verhaald,

ocr page 114

110

dat Uwe Majesteit dag en nacht voor uw volk en uw land werkzaam was, en u volstrekt geen rust gundet, en gezegd hadt: „Een Koning is niets meer dan de eerste ambtenaar van zijn volk!quot; — Dit heeft mij zoo zeer bevallen, en dit wil ik tot motto mijns levens maken.quot;

„Nu,quot; zeide Frederik hoofdschuddend: „behoud het motto in uw hart, maar spreek er niet van, zoolang ge geen Koning zijt; want het kon u anders menig desagrement veroorzaken. Hoed u wel, van mij te spi'eken, als ik niet meer ben, en prent deze les in uw geheugen; Een Kroonprins moet nooit de handelingen van den regeerenden Vorst critiseeren. Hij moet bescheiden zwijgen, en aan het geheele volk 't voorbeeld geven van een onderdaan, die zijn Koning gehoorzaam en onderdanig is, zelfs wanneer deze veel doet of laat geschieden, wat hem niet behaagt. Ik herhaal het: Een kroonprins moet zwijgen, en zwijgend opmerken en leeren. Vergeet dit nooit, mijn zoon, en maak u ook nog ten regel van uw geheele leven: Nooit moet een goed Koning al te veel het oor leenen aan vrouwen en gunstelingen, en zich door hen laten beheer-schen; want zoo dit geschiedt, is het steeds ten ongeluk van het volk, en brengt den Vorst in minachting. Ik niets meer hierover zeggen, maar onthoud mijne woorden.quot;

„Ik zal het doen, sire,quot; antwoordde de prins ernstig; „ik zal mij deze schoone lessen eiken avond en eiken morgen herhalen, maar geheel in stilte, en zóó, dat niemand het hoort.quot;

„Trés Men, mon neueu,quot; zei Frederik knikkend; „welaan, nu willen wij eens zien, hoe het overigens met ons staat. Tast even daar in mijn rokzak, en haal er het kleine boekje uit. Ik heb het opzettelijk bij mij gestoken, opdat ge mij er uit zoudt voorlezen. Hebt ge het?''

„Ja, sire, ik heb het. Het zijn de fabelen van La Fontaine.quot;

„Oui, eest ca! Sla het boek open. Zooals het valt. Welke fabel hebt ge getroffen

„Le renard et le corbeau.quot;

„Nu, lees mij deze fabel eerst in het Fransch voor, en vertaal ze mij dan.quot;

De prins gehoorzaamde; hij las vloeiend en met zeer juiste uitspraak en toon de fabel eerstin de oorspronke-

ocr page 115

Ill

lijke taal, en gaf haar vervolgens even vloeiend en vlug in het Duitsch terug.

De koning luisterde met de grootste aandacht, knikte vaak goedkeurend met het hoofd, en prevelde meermalen een „bravo! superbe!quot; er tusschen.

Toen de vertaling ten einde was, reikte hij den prins de hand, en beschouwde hem met een teederen blik. — ,,lk verheug mij over u. Frits,quot; riep hij: „en ge zult er een belooning voor hebben, dat ge zoo vlijtig zijt geweest. Begeef u vóór ge heengaat tot mijn kamerdienaar, en laat u door hem tien Friederics d'or betalen. Dit is^de recompense, dat ge zoo goed voor de vuist vertaald hebt.quot;

„Neen, ik dank,quot; zei de prins: „maar ik verdien deze belooning niet, en kan haar bij gevolg niet aannemen.quot;

„Hoe?quot; vroeg de Koning ten zeerste verbaasd: „Ge verdient haar niet? Waarom niet?quot;

„Wijl ik niet voor de 'vuist heb vertaald. Zoo ik dit gedaan had, zou 'tlang zoo goed niet zijn gegaan. Maar het toeval heeft gewild, dat de fabel, welk ik opsloeg, juist dezelfde is, welke ik eerst gisteren en eergisteren bij mijn gouverneur vertaald heb; en dus is het zeer natuurlijk dat het goed ging.quot;

De Koning zag met een langen, peinzenden blik in het fraaie, jeugdige, frissche en onschuldige aangezicht van Frederik Willem, en steeds helderder werd zijn gelaat, steeds hooger straalden zijne oogen van vreugde en tee-derheid.

Vervolgens neigde hij zich levendig tot den prins, hief zijn bevende hand op, en streelde hem zacht liefkozend de wangen.

„Dat is braaf, mijn zoon, dat behaagt mij,quot; zeide hij : „Ge hebt een eerlijk, oprecht hart. Zóó is het goed! Wil nooit meer schijnen dan ge zijt, en wees steeds meer dan ge schijnt.1) De belooning, welke ik u beloofd heb, zult ge tóch hebben; want een Koning moet altoos zijn beloften vervullen, en mag een bewilligde gunst nooit terugnemen, zelfs zoo zij aan den verkeerde is gekomen. Maar dat is bij u niet eens het geval; — want ge hebt zeer goede progès in het Fransch gemaakt. Ga zoo voort en wees

1

Frederik's eigen woorden: Zie: Friederich Wilhelm. Von Eylert I. 455.

ocr page 116

112

vlijtig, want ge moet de Fransche taal even vaardig spreken als uwe moedertaal, en daarom moet ge met uwe omgeving altijd Fransch spreken.

„Dat doe ik ookquot;: riep de prins met vuur: „mijn onderwijzers spreken altoos Fransch met mij,en worden vreese-lijk boos, zoo mijn broeder en ik soms een woord Duitsch met elkander spreken. Er gaan dikwerf vele dagen voorbij, zonder dat ik een woord Duitsch spreek, en onze bediende spreekt ook niets dan Fransch.quot; ^

„Dat is mij lief, Frits,quot; knikte de Koning: „De Fransche taal is de taal der diplomatie in de geheele wereld, en zij is wegens hare buigzaamheid het. beste hiertoe geschikt. Ik bemin de Fransche taal, maar niet het Fransche volk. Er bereiden zich, vrees ik, daar erge dingen voor, en 't is mogelijk dat het er spoedig pêle-mêle toegaat. Ik zal het niet beleven; maar ge kunt er op rekenen, dat de krater, die thans aan 't gisten is, los zal breken, en zijn abomi-nablen vuurstroom over geheel Europa zal uitstorten. Bereid u voor op dien tijd, mijn zoon! Habiliteer en wapen u! Wees vast, en denk aan mij! Waak over onze eer en onzen roem! Bega geen onrechtvaardigheid, maar duld er ook geene. Wees rechtvaardig en goed jegens al uwe onderdanen, en slechts streng tegen uzelven.quot;

„Ik wil even streng zijn tegen mij zeiven als mijnheer professor Behnisch tegen mij is,quot; zei de prins ernstig: „Ik wil van mij niets door de vingers zien, en zoo ik iets onrechtvaardigs doe, wil ik mij dadelijk een straf opleggen.quot;

„Is uw professor zóó streng?quot; vroeg de Koning glimlachend.

„Ach ja,quot; Majesteit, zeer streng. Zoodra ik een misslag bega, is het dadelijk straf; en zoo ik ook slechts even lomp of driftig ben geweest, dadelijk moet ik er voor boeten.quot;

„Trés bien,quot; zeide de Koning; „Uw professor heeft volkomen gelijk; want een prins moet bovenal beleefd zijn, en zich zeiven beheerschen. Maar waarin bestaan dan de straffen, die hij u oplegt?quot;

1) Aan deze gewoonte, dat Frederik Willem in zijn jeugd slechts Fransch sprak, is het toe te schrijven, dat hij zich ook in latere jaren nooit vloeiend en gemakkelijk in de Duitsche taal wist uitte drukken. Zoodra de Koning Franseh sprak was zijn onderhoud levendig en opgewekt, daarentegen was hij bedeesd en stijf, als hij zich van Duitsche taal bediende.

ocr page 117

113

„Juist altoos in zulke dingen, die voor mij het onaangenaamste zijn. Of, ik moet in plaats van te gaan wandelen, tehuis blijven en werken, óf ik moet alleen met den professor uitgaan, in plaats dat mijn broeder er bij is, en dan geeft het niets dan geleerde gesprekken. Of óók, als ik in de week niet vlijtig ben geweest, mag ik des Zondags niet naar het Slot en bij mevrouw mijne moeder eten. Uwe Majesteit weet toch, dat wij, — mijn broeder en ik, — niet op het Slot wonen, maar met den heer professor Behnich en den heer Leuchsenring in de Breestraat onze huishouding hebben. Maar onze middagtafel is zeer slecht, en daarom verheug ik mij altijd op den Zondag; want dan eet ik voor de geheele week, en 't is steeds de eenige dag, waarop het eten mij smaakt. In de week is het afschuwelijk, en ik mag er zelfs niet over klagen, want dan is het altijd: wij hebben geen geld om een betere tafel te kunnen houden.quot;

„En dat is waarheid,quot; zei Frederik op strengen toon: „men moet vroeg leeren de tering naar de nering te zetten, en zuinig met het geld om te gaan. Dat ge overigens geen honger lijdt, ziet men wel aan uw frissche, roode wangen en uw krachtige gestalte. Beklaag u dus niet, mijn kind, en eet uw middagmaal met vergenoegd gelaat. Als men jong is, moet het eten ons onverschillig zijn; het tafelgenot is een soulagement voor den ouderdom; dejeugd moet het verachten, en een gezonde frissche appel moet een jong mensch lekkerder smaken, dan een oud man een ananas. Ge zult surement in latere tijd aan rijkbezette tafels nog met genoegen aan den tijd terugdenken, toen ge naar den Zondag verlangdet, omdat ge dan beter eten kreegt dan in de week. Mijn zoon, eevst door het ontberen leert men het genot kennen, en hij alleen is wijs, die blijmoedig weet te ontberen. Ik hoop en wensch echter, dat ge eens voor uw volk een wijs, krachtig en spaarzaam Koning zult zijn, en daarom laat ik u eenvoudig en zuinig opvoeden, en wil dat ge vóór alles, met het geld leert omgaan. Want ge moet weten, dat ge van u zeiven niets bezit, maar u alles door het volk en het land gegeven wordt, dat u voedt en onderhoudt, en zulks thans nog niet wegens uwe verdiensten en verrichtingen, maar alleen, wijl gij de zoon van uw stamhuis zijt.quot;

Mühlbaoh, Daitschland in woeling en strijd. III. 8

ocr page 118

114

T

„Sire,quot; riep de prins levendig „ik ben echter nog zoo jong, en dus heb ik nog niets kunnen verrichten.

Maar ik beloof Uwe Majesteit dat ik een degelijk mensch, ^

— en bovenal een degelijk soldaat wil worden, en mij de eer waardig zal maken, de neef van Frederik den Groote te zijn!quot;

„Doe dat, mijn zoon; maak u de eer waardig, de Koning uws volks te zijn, en onthoud wèl de fraaie geschiedenis van den dood van Cosmo van Medicis, welke ge mij zooeven verhaald hebt. En nu, mijn zoon, willen wij scheiden. De zon is achter de hoornen gegaan; ik gevoel mij een weinig vermoeid, en wil in huis gaan.quot;

„O, het is hier zoo schoon en zoo prachtig,quot; zei de prins zacht: „en Uwe Majesteit heeft mij zoo gelukkig gemaakt met mij te vergunnen u te zien!''

„Ja,quot; prevelde de Koning: „het is zeer schoon en prachtig in de schoone, bloeiende wereld!quot;

En hij liet zijn blik met een smachtende uitdrukking over de terrassen en over de boomen zweven,en richtte ze ,

eindelijk op de punt der obelisk, die, aan den ingang van den tuin staande, hoog boven het geboomte uitstak. Vervolgens hief hij zijn hand op, en wees naar deze spits.

„Zie, mijn zoon,quot; zeide hij: „hoog boven al het andere verheft zich deze spits, slank en hoog, en tóeh vast in storm i

en onweder. Deze pyramide zegt tot u: Mo, force est ma droiture. Het culminatiepunt, de hoogste spits der pyramide ziet over alles heen, en bekroont het; draagt echter niet, maar wordt gedragen, door alles wat er onder ligt; voornamelijk door het onzichtbare, diep omlapg gebouwde fundament. Mijn zoon, zoo is bet ook in den Staat. Het dragende fundament is het volk, en de spits van de obelisk is de Koning. Houd het steeds met het volk, opdat het u beminne en vertrouwe, want daardoor alléén kunt ge sterk en gelukkig zijn. ^ En nu, mijn zoon, kom aan mijn hart, en ontvang dezen kus van uwen ouden ? Koning, tot afscheidsgroet. Wees goed, en doe het goede en rechte! Maak eens uw volk gelukkig, opdat ge zelf gelukkig kunt zijn!quot;

Hij trok den prins, die voor hem ned ergeknield was.

1) Frederik's eigen woorden. Zie : Eylert. I. 456.

ocr page 119

115

in zijne armen, drukte een kus op zijne lippen, en legde een oogenblik als ten zegen, zijn koude, bevende hand op het hoofd van Frederik Willem.

„Sta nu op, ,mijn kind,quot; zeide hij vervolgens liefderijk: „Het is genoeg, vergeet dit uur niet!quot;

„Sire, ik zal het nooit vergeten,quot; fluisterde de prins luid snikkende, terwijl hij de hand van Frederik aan zijne lippen en aan zijn oogen drukte, die van tranen overvloeiden.

„Roep de lakeien,quot; fluisterde de Koning afgemat: „zij moeten mij naar binnen dragen!quot;

De prins haastte zich de in het salon wachtende bedienden te roepen; zij hieven den leunstoel op, waarin Frederik rustte, het hoofd achterover geleund, de oogen gesloten.

Slechts even opende hij nog de oogen, om den prins te zien, en hem met zijn hand een laatsten afscheidsgroet toe te wenken. Toen zonken de leden weder neder over de schitterende oogen, en de Koning liet zich in zijn „donker huisquot; en in zijn bibliotheek dragen. En toen zij hem daar nedergezet hadden, en langzaam op de tee-nen waren heen geslopen, wijl ze meenden dat de Koning sliep, opende Frederik de oogen, en zag op tot de eersten zijner groote dooden, en groette de vrienden met een wenk zijner hand.

„Thans is alles voorbij en afgedaan,quot; zeide hij zeer luid: „ik heb mijn tuin voor het laatst gezien, en afscheid genomen van de Natuur. Als mijn lichaam nu weder dit huis verlaat, zal het ingaan in de eeuwige rust; maar mijn geest zal tot u komen, mijne vrienden, en zal met u wandelen in eeuwige helderheid en kennis. Verwacht mij, mijne vrienden, ik kom spoedig. Maar,quot; — vervolgde hij met verhevener, krachtiger stem: „nog is de avond en de laatste zonsondergang voor mij niet gekomen, en arbeiden en zorgen wil en moet ik, zoolang het nog dag is!quot;

Hij schelde en beval den lakei den minister von Herz-berg, — die sedert eenige weken op 's Konings wensch bij hem op Sanssouci woonde, — te roepen.

Vervolgens, toen de minister kwam, groette Frederik hem met vriendelijke opgeruimdheid, en met volkomene kalmte en helderheid van geest, arbeidde hij met Herzberg verscheidene uren lang; liet hem voorstellen doen, gaf

ocr page 120

116

zijne beslissingen,en dicteerde met vaste stem, verscheidene dépêches aan de gezanten van Frankrijk en Rusland.

„Laat al deze zaken nog heden in orde brengen, Herz-berg,quot; zeide hij vervolgens, toen hij den minister ontsloeg: „de kabinetsraden moeten mij deze stukken nog heden ter onderteekening voorleggen, opdat zij geéxpédieerd kunnen worden. Ik moet met mijn tijd omgaan als een oude vrek, en van elke minuut nut trekken, want ik weet niet of de volgende minuut mij nog behoort.quot;

„O, sire; er zullen, hoop ik, nog jaren aan Uwe Majesteit behooren, tot zegen van uw volk en —quot;

„Meent ge soms, dat ik dit wensch?quot; viel Frederik hem in de rede: „Neen, mon chev, ik ben vermoeid, en verlang te rusten van de smarten des levens. Ge denkt misschien dat ik ze niet voel, wijl ik niet klaag! Maar ge moet weten, dat vele dingen zich slechts laten supporteeren, als men er niet over klaagt. Het leven en ik zijn quitte met elkander, en zoo het mij eenige lauweren heeft geschonken, hadden de doornen toch de overhand, en tusschen de doornen was nauwelijks één enkele roos. — Stil! Geen klachten! Maar hoor! Er zit mii, geloof ik, iets in de leden, en de dood staat misschien reeds aan mijn deur. Daarom wil ik u nog iets zeggen. — Het zal na mijn dood hier wel een dolle boel worden. Maitressen en gunstelingen zullen regeeren, en de huichelaars en dwepers zullen den lieven God tot uithangbord nemen, om daar achter hun godlas-telijk spel te drijven. Nu, dit kunt ge niet verhinderen, en als de lieve God dit laat gebeuren, moet gij er u ook in schikken. Maar zoo de verkwisters en dissipateurs de schatkist aangrijpen, — zoo zij de gelden, welke ik met moeite gespaard, en tot melioratie des lands bestemd heb, — zoo zij die voor hunne vermaken, maitressen, en gunstelingen willen verspillen, moet ge dit niet dulden. Gij moet in mijn naam tot het gemoed des Konings spreken, en beproeven hem met goede of kwade woorden te persuadeeren, het geluk zijns volks heilig te houden, en niet voor zijn favorites te verspillen, wat den Staal behoort. Wilt ge mij beloven dit te doen?quot;

„Ja, ik wil het Uwe Majesteit beloven,quot; antwoordde Herzberg plechtig. „Ik wil het u zweren, dat ik zonder menschenvrees en berouw, de bevelen van mijn grooten,

ocr page 121

117

geliefden Koning zal gehoorzamen, en zijn opvolger desnoods de woorden, welke Uwe Majesteit mij zooeven gezegd heeft, herhalen; en alles doen wat in mijn vermogen is, dat het geld van den Staat niet tot andere doeleinden gebruikt worde, dan tot welzijn van land en volk.quot;

„Ik dank u,quot; zei de Koning: „dit is mij een grootsom-lagement, en ik gevoel mij thans gerust. Geef mij de hand, Herzberg. Nogmaals dank ik u. Ge zijt een trouw dienaar uws Konings geweest, en gij zult voortwerken in mijn geest, schoon ook mijn geestzijn versleten hulsel reeds lang ontvloden is. N«, wij willen elkander niet weekhartig maken, want het leven is voor mij nog een harde noot, en ik moet de tanden vast op elkander bijten, om baar te kunnen kraken. Adieu voor heden. Herzberg; ik wil nog een weinig slapen. De kabinetsraden moeten heden avond te acht uur komen.quot;

„Maar, sire, zou het niet beter zijn, zoo Uwe Majesteit heden uitrustte, of de kabinetsraden vroeger liet komen, om tijdiger ter rustte te gaan, en te slapen?'

De Koning haalde de schouders op. „Rust is er slechts als men dood is, en slaap slechts als men gezond is! A-dieu Herzberg!quot; —

Des avonds te acht uur traden de drie kabinetsraden bij den Koning binnen, en hij werkte met hen drie uren lang. Maar ook zelfs toen zij hem verlaten hadden, bleef de Koning nog voor zijn schrijftafel zitten, bracht zijne papieren in orde, en schreef eigenhandig een brief aan zijn zuster de hertogin van Brunswijk.

Buiten in de voorkamer stonden de twee kamerdienaars en wachten vergeefs op het schellen des Konings, dat hen binnen moest roepen, en fluisterden elkander toe, dat de Koning heden weder zeer lang opbleef en werkte, schoon de lijfarts uitdrukkelijk bevolen had, dat de Koning niet zoolang mocht werken, maar zich vroegtijdig ter ruste moest begeven. Doch niemand waagde het naar binnen te gaan, en den Koning in zijn arbeid te storen, en dus stonden zij besluiteloos en treurig, de ongeruste blikken op de deur gericht.

Maar achter deze deur, in 's Konings kamer, zagen nog twee andere oogen naar den Koning, — het waren de oogen van zijn windhond. Alkmene. Reeds tweemaal was

ocr page 122

118

het diertje van zijn zitplaats opgesprongen, was naar den Koning gegaan, had zich zacht aan zijne zijde gevlijd, en was vervolgens, als Frederik er niet naar zag, treurig en met hangenden kop weder naar zijn kussen teruggekeerd.

Nu hief de hond den slanken hals op, en zag met schrandere oogen naar den Koning, die met den rug naar hem gekeerd, aan zijn tafel zat, en schreef. Vervolgens rees de windhond op, was met twee sprongen door de kamer, en op den stoel des Konings. De twee sierlijke voorpooten op den schouder van zijn meester leggende, boog hij den slanken hals vooruit, en met een haastigen hap van zijn spitsen snuit, greep hij de pen des Konings, en sprong er mede van den stoel.

„Stil, Alkmene,quot; riep de Koning, geheel verdiept in zijn arbeid, en zonder op te zien: „voer geen zotheden uit, mademoiselle!quot;

En hij nam een andere pen van den inktkoker, en schreef onafgebroken voort.

Alkmene had de pen laten vallen, en blikte aandachtig naar den Koning, toen zij zag dat de Koning nog altoos schreef, slaakte zij een zacht, klagend geknor. Toen, met éèn sprong was zij weder op de rugleuning van den stoel, vlijde zich weder tegen den schouder des Konings, rukte andermaal de pen uit zijn hand, en sprong er mede op den grond. Maar nu liet zij de pen niet vallen maar behield haar in den mond, bleef dicht bij den stoel des Konings staan, en zag met glinsterende oogen tot haar meester op.

Frederik wendde het hoofd van zijn werk naar het dier en een zachte glimlach gleed over zijn gelaat.

„Vraiment,quot; zeide hij zacht; „Alkmene wil mij, geloof ik, herinneren, dat het tijd is naar bed te gaan. Nu, kom hier mademoiselle, ik zal uw zin doen.quot;

Alkmene, — alsof zij deze woorden des Konings verstond — liet de pen vallen, slaakte een kort, vroolijk geblaf sprong op den schoot des Konings, en legde haar pooten op zijn schouders.

De Koning drukte den slanken kop van den hond aan zijn borst, en streelde hem zacht. „Alle vrienden hebben mij toch niet verlaten,quot; prevelde hij; „Ik zal wel een

ocr page 123

119

lachenden erfgenaam hebben,' maar als men den dooden man daar buiten in zijn graf draagt, zal ten minste mijn hondje op mijn graf blijven, en om mij weenen.quot;

Hij drukte het beest vaster tegen zich; een diepe stilte heerschte rondom. Buiten in den tuin, ^voer de nachtwind door de boomen, en zij ruischten als met heilige orgeltonen. Een paar afgevallen bloesemtwijgen dreef, de wind omhoog, en joeg ze tegen het lage venster, waarachter Frederik arbeidde, en het streek over het venster als met geestenhanden, en lluisterde en suisde en ruischte langs het venster, als wilden de stemmen van den nacht, en de geesten der bloemen en boomen den Koning hun groet brengen.

Plotseling slaakte Alkmene een lang, smartelijk gehuil en sprong naar de deur, krabde er tegen, huilde, jankte en krabde zóólang, tot de lakeien zich verstoutten de deur te openen.

Daar lag de Koning kreunend in zijn leunstoel, en het bloed vloeide van zijn bleeke lippen neder, zijn oogen waren gebroken. Men haalde den lijfarts en den chirurgijn, men deed den Koning een aderlating, en wreef zijne slapen met opwekkende vochten! Hij ontwaakte nog éénmaal tot het leven, en de smarten des aanszijns grepen hem nog éénmaal aan, en zijn heldengeest behield nog een paar weken den zege over dood en lichaamszwakte. Maar de rit op Condé, den vierden Juli, was toch zijn laatste geweest, en zijn „donker huisquot; verliet Frederik sinds dien dag niet meer. —

Als de Koning der woestijn, de leeuw gevoelt, dat zijn sterfuur nadert, gaat hij naar het woud, en waar het kreupelhout het dichtst is, en de eenzaamheid het diepst, legt hij zich neder om te sterven! De Natuur heeft gewild dat niemand de laatste klachten, den laatsten doodstrijd van den Koning der woestijn, door zijn blik zou ontheiligen. —

Voor den grooten Koning was zijn Sanssouci de heilige schuilplaats der eenzaamheid, en stil en zonder klacht blies daar de held en Koning, zijn laatsten aardschen zucht uit.

Op den morgen van den 17 Augustus 1786 was het volbracht en geleden!

ocr page 124

420

Op aarde had een groot mensch zijn laalsten adem uitgeblazen. Daar lag het hulsel van hem, dien men Koning Frederik den Tweede genoemd had. Maar aan den hemel glansde een ster, aan wie de geleerden den naam van Frederik's eer gaven, en zij schijnt van den hemel nog heden op ons neder, en groet ons en Pruisens grond: FREDERIK'S EER!

ocr page 125

123

- - ••■//

TWEEDE BOEK.

DE NIEUWE KONING VAN PRUISEN,

I.

NA DEN DnOD.

„De Koning is doodi Ficderik de Tweede is niet meer! Majesteit, ik kom, om u deze treurige boodschap te brengen!quot;

Dit waren de woorden, waarmede de minister von Herz-berg in den nacht van den zeventienden Augustus, door den kamerdienaar Rietz geleid, voor het bed van den Kroonprins Frederik Willem trad, en dezen uit zijn slaap wekte.

„Wat is er? Wie spreekt tot mij ?quot; vroeg de Kroonprins zich opheffend, en nog half in den slaap de beide mannen aanstarende, die voor zijn bed stonden, de een met een treurig, de ander met een vroolijk gelaat.

„Ik waagde het tot Uwe Majesteit te spreken,quot; antwoordde Herzberg: „ik, de gewezen minister van Koning Frederik den Tweede. Zijne Majesteit is voor een half uur overleden, en ik ben terstond hierheen geijld, om persoonlijk deze treurige boodschap over te' brengen. Koning Frederik de Tweede is dood.quot;

„Leve Koning Frederik Willem de Tweede!quot; riep de kamerdienaar Rietz met luide, jubelende stem, terwijl hij ijverig den nieuwen Koning hielp zich te kleeden, en toilet te maken.

ocr page 126

120

Frederik Willem bleef spralTeloosr iSTocti0 uit-

droefheid, nóch van vreugde kwam over zijne lippen. In zich zeiven verdiept, ernstig doordrongen misschien van de grootheid van 't oogenhlik, of verlegen wat hij zou zeggen, om deze beide mannen van zoo verschillend karakter te voldoen, liet hij zwijgend door zijn kamerdienaar zijn toilet voltooien, terwijl de minister von Herzberg zich in de uiterste vensternis teruggetrokken had, en sül en treurig de bevelen des nieuwen Konings afwachtte.

„Uwe Majesteit is gereed,quot; zei Rietz nu met zachte, onderdanige stem.

Frederik Willem ontroerde, en scheen als uit diepe gedachten te ontwaken. — „Staat het rijtuig gereed?quot; vroeg hij.

„Ja, Majesteit, ik heb het straks dadelijk besteld.quot;

„Kom dan, Herzberg, wij willen gaan. Rietz, ge gaat mede.quot;

„Maar Zijne Majesteit mag niet zoo nuchter naar buiten in de nachtlucht. De chocolade zal wel gereed zijn. Veroorlooft Uwe Majesteit dat ik ze hale?quot;

„Neen, Rietz, laat dat,quot; riep de Koning afwerend: „Alles heeft zijn uur en tijd. Kom, Herzberg. Geef mij den arm, want mijne knieën beven. Ge moet mij leiden, Herzberg.quot;

Hij legde zijn hand vast op Herzberg's aangeboden arm, en ging daarop leunende naar buiten. Rietz volgde hen, en terwijl diens kleine, grijze oogen op den minister waren gericht, hief hij dreigend achter diens rug de hand tegen hem op.

„Gij zult niet lang meer de steun van mijn Koning zijn,quot; prevelde hij tusschen zijn opgetrokken lippen: „Wij zullen u spoedig uw paspoort geven. — u en uw geheelen aanhang. Wij hebben lang genoeg op den achtergrond gestaan, en toegezien hoe gij regeerdet. Nu is onze tijd gekomen, en wij willen er gebruik van maken!quot;

Zijn gelaat was dreigend en vijandig, toen hij dit zeide, maar hij veranderde het haastig, en was geheel onderdanigheid en eerbied, toen hij daarop voorwaarts ijlde, om het portier van het rijtuig te openen, en niet alleen zijn Koning, — maar ook den minister Herzberg behulpzaam te zijn bij 't instijgen. Vervolgens klom hij op den bok,

ocr page 127

123

om er zijn plaats nevens den koetsier in te nemen, en het rijtuig rolde door de breede allée, die van het nieuwe paleis naar het slot Sanssouci voert. Een korte rit van slechts weinige minuten, want de rossen vlogen voorwaarts alsof zij wisten, dat zij den nieuwen Koning zijn toekomst tegemoet voerden. In het rijtuig werd geen woord gesproken; ieder gaf zich aan zijne gedachten over, ook de kamerdienaar Rietz. Ook hij, — dit wist hij wel, — ging een nieuwe toekomst tegemoet, en hij zwoer bij zichzelven, dat zi] niet alleen schitterend, maar ook voordeelig zou zijn; en hij glimlachte behagelijk toen hij dacht, hoeveel genot en vreugde het leven hem nu brengen zou; want de Koning beminde hem immers, en nog meer beminde hij zijne echtgenoote, de soi disant madame Rietz.

„Nu, deze zal niet lang meer madame blijven,quot; zeide hij welgevallig in zich zelve: „zij is eerzuchtig: ik laat het departement der titels en orden aan haar over, en neem het departement der geldzaken en stoffelijk voordeel op mij. Nu, als twee zulke brave echtgenooten zich voorspannen en trekken, moest het toch curieus gaan, zoo de kar niet ras voorwaarts kwam door het slijk des levens, en ten laatste zich in een dettige koets veranderde!quot;

Juist sloeg het rijtuig den hoek der allée om, en daar lag Sanssouci, beschenen door de eerste stralen der morgenzon, schitterend om te zien, hoewel daar binnen het lijk eens Konings lag, die, gisteren nog de heer en gebieder van millioenen menschen, — heden een wezenloos niets, een hand vol stof van het stof der menschheid was! —

Het rijtuig hield stil, en Rietz snelde toe om het portier te openen, want niemand naderde om dit te doen. Verwarring en droefheid heerschten in het huis des Konings, dat thans niet meer het huis Sans-souci — het huis „zonder zorgenquot; mocht heeten, want zorgen en smart waren er ingetrokken, sedert zijn koninklijke bezitter de oogen gesloten had. —

De Koning trad in de voorkamer; een paar lakeien stonden nevens de deur. Toen de jonge Koning hen met een vriendelijken hoofdknik groette, vloeiden de tranen uit hunne oogen, en in hun smart vergaten zij de verschuldigde hoffelijkheid, en verzuimden de deur, die naar

ocr page 128

418

het diertje van zijn zitplaats opgesprongen, was naar den Koning gegaan, had zich zacht aan zijne zijde gevlijd, en was vervolgens, als Frederik er niet naar zag, treurig en met hangenden kop weder naar zijn kussen teruggekeerd.

Nu hief de hond den slanken hals op, en zag met schrandere oogen naar den Koning, die met den rug naar hem gekeerd, aan zijn tafel zat, en schreef. Vervolgens rees de windhond op, was met twee sprongen door de kamer, en op den stoel des Konings. De twee sierlijke voorpooten op den schouder van zijn meester leggende, boog hij den slanken hals vooruit, en met een haastigen hap van zijn spitsen snuit, greep hij de pen des Konings, en sprong er mede van den stoel.

„Stil, Alkmene,quot; riep de Koning, geheel verdiept in zijn arbeid, en zonder op te zien: „voer geen zotheden uit, mademoiselle!quot;

En hij nam een andere pen van den inktkoker, en schreef onafgebroken voort.

Alkmene had de pen laten vallen, en blikte aandachtig naar den Koning, toen zij zag dat de Koning nog altoos schreef, slaakte zij een zacht, klagend geknor. Toen, met één sprong was zij weder op de rugleuning van den stoel, vlijde zich weder tegen den schouder des Konings, rukte andermaal de pen uit zijn hand, en sprong er mede op den grond. Maar nu liet zij de pen niet vallen maai' behield haar in den mond, bleef dicht bij den stoel des Konings staan, en zag met glinsterende oogen tot haar meester op.

Frederik wendde het hoofd van zijn werk naar het dier en een zachte glimlach gleed over zijn gelaat.

„Vraiment,quot; zeide hij zacht: „Alkmene wil mij, geloof ik, herinneren, dat het tijd is naar bed te gaan. Nu, kom hier mademoiselle, ik zal uw zin doen.quot;

Alkmene, — alsof zij deze woorden des Konings verstond — liet de pen vallen, slaakte een kort, vroolijk geblaf sprong op den schoot des Konings, en legde haar pooten op zijn schouders.

De Koning drukte den slanken kop van den hond aan zijn borst, en streelde hem zacht. „Alle vrienden hebben mij toch niet verlaten,quot; prevelde hij: „Ik zal wel een

ocr page 129

119

lachenden erfgenaam hebben;' maar als men den dooden man daar buiten in zijn graf draagt, zal ten minste mijn hondje op mijn graf blijven, en om mij weenen.quot;

Hij drukte het beest vaster tegen zich; een diepe stilte heerschte rondom. Buiten in den tuin, ^voer de nachtwind door de boomen, en zij ruischten als met heilige orgeltonen. Een paar afgevallen bloesemtwijgen dreef de wind omboog, en joeg ze tegen het lage venster, waarachter Frederik arbeidde, en het streek over het venster als met geestenhanden, en fluisterde en suisde en ruischte langs het venster, als wilden de stemmen van den nacht, en de geesten der bloemen en boomen den Konini? hun sroet brengen.

Plotseling slaakte Alkmene een lang, smartelijk gehuil en sprong naar de deur, krabde er tegen, huilde, jankte en krabde zóólang, tot de lakeien zich verstoutten de deur te openen.

Daar lag de Koning kreunend in zijn leunstoel, en het bloed vloeide van zijn bleeke lippen neder, zijn oogen waren gebroken. Men haalde den lijfarts en den chirurgijn, men deed den Koning een aderlating, en wreef zijne slapen met opwekkende vochten! Hij ontwaakte nog éénmaal tot het leven, en de smarten des aanszijns grepen hem nog éénmaal aan, en zijn heldengeest behield nog een paar weken den zege over dood en lichaamszwakte. Maar de rit op Condé, den vierden Juli, was toch zijn laatste geweest, en zijn „donker huisquot; verliet Frederik sinds dien dag niet meer. —

Als de Koning der woestijn, de leeuw gevoelt, dat zijn sterfuur nadert, gaat hij naar het woud, en waar het kreupelhout het dichtst is, en de eenzaamheid het diepst, legt hij zich neder om te sterven! De Natuur heeft gewild dat niemand de laatste klachten, den laatsten doodstrijd van den Koning der woestijn, door zijn blik zou ontheiligen. —

Voor den grooten Koning was zijn Sanssouci de heilige schuilplaats der eenzaamheid, en stil en zonder klacht blies daar de held en Koning, zijn laatsten aardschen zucht uit.

Op den morgen van den 17 Augustus 1786 was het volbracht en geleden!

ocr page 130

120

Op aarde had een groot mensch zijn laalsten adem uitgeblazen. Daar lag het hulsel van hem, dien men Koning Frederik den Tweede genoemd had. Maar aan den hemel glansde een ster, aan wie de geleerden den naam van Frederik's eer gaven, en zij schijnt van den hemel nog heden op ons neder, en groet ons en Pruisens grond: FREDERIK'S EER!

ocr page 131

123

--v/

TWEEDE BOEK.

DE NIEUWE KONING VAN PRUISEN.

I.

NA DEN Dr'nü.

„De Koning is dood! Fiederik de Tweede is niet meer! Majesteit, ik kom, om u deze treurige boodschap te brengen !quot;

Dit waren de woorden, waarmede de minister von Herz-berg in den nacht van den zeventienden Augustus, door den kamerdienaar Rietz geleid, voor het bed van den Kroonprins Frederik Willem trad, en dezen uit zijn slaap wekte.

„Wat is er? Wie spreekt tot mij ?quot; vroeg de Kroonprins zich opheffend, en nog half in den slaap de beide mannen aanstarende, die voor zijn bed stonden, de een met een treurig, de ander met een vroolijk gelaat.

„Ik waagde het tot Uwe Majesteit te spreken,quot; antwoordde Herzberg: „ik, de gewezen minister van Koning Frederik den Tweede. Zijne Majesteit is voor een half uur overleden, en ik ben terstond hierheen geijld, om persoonlijk deze treurige boodschap over tequot; brengen. Koning Frederik de Tweede is dood.quot;

„Leve Koning Frederik Willem de Tweede!quot; riep de kamerdienaar Rietz met luide, jubelende stem, terwijl hij ijverig den nieuwen Koning hielp zich te kleeden, en toilet te maken.

ocr page 132

droefheid, nóch van vreugde kwam over zijne lippen. In zich zeiven verdiept, ernstig doordrongen misschien van de grootheid van 't oogenblik, of verlegen wat hij zou zeggen, om deze beide mannen van zoo verschillend karakter te voldoen, liet hij zwijgend door zijn kamerdienaar zijn toilet voltooien, terwijl de minister von Herzberg zich in de uiterste vensternis teruggetrokken had, en slil en treurig de bevelen des nieuwen Konings afwachtte.

„Uwe Majesteit is gereed,quot; zei Rietz nu met zachte, onderdanige stem.

Frederik Willem ontroerde, en scheen als uit diepe gedachten te ontwaken. — „Staat het rijtuig gereed?quot; vroeg hij.

„Ja, Majesteit, ik heb het straks dadelijk besteld.quot;

„Kom dan, Herzberg, wij willen gaan. Rietz, ge gaat mede.quot;

„Maar Zijne Majesteit mag niet zoo nuchter naar buiten in de nachtlucht. De chocolade zal wel gereed zijn. Veroorlooft Uwe Majesteit dat ik ze hale?quot;

„Neen, Rietz, laat dat,quot; riep de Koning afwerend: „Alles heeft zijn uur en tijd. Kom, Herzberg. Geef mij den arm, want mijne knieën beven. Ge moet mij leiden, Herzberg.quot;

Hij legde zijn hand vast op Herzberg's aangeboden arm, en ging daarop leunende naar buiten. Rietz volgde hen, en terwijl diens kleine, grijze oogen op den minister waren gericht, hief hij dreigend achter diens rug de hand tegen hem op.

„Gij zult, niet lang meer de steun van mijn Koning zijn,quot; prevelde hij tusschen zijn opgetrokken lippen: „Wij zullen u spoedig uw paspoort geven. — u en uw geheelen aanhang. Wij hebben lang genoeg op den achtergrond gestaan, en toegezien hoe gij regeerdet. Nu is onze tijd gekomen, en wij willen er gebruik van maken!quot;

Zijn gelaat was dreigend en vijandig, toen hij dit zeide, maar hij veranderde het haastig, en was geheel onderdanigheid en eerbied, toen hij daarop voorwaarts ijlde, om het portier van het rijtuig te openen, en niet alleen zijn Koning, — maar ook den minister Herzberg behulpzaam te zijn bij 't instijgen. Vervolgens klom hij op den bok,

ocr page 133

423

om er zijn plaats nevens den koetsier in te nemen, en het rijtuig rolde door de breede allée, die van het nieuwe paleis naar het slot Sanssouci voert. Een korte rit van slechts weinige minuten, want de rossen vlogen voorwaarts alsof zij wisten, dat zij den nieuwen Koning zijn toekomst tegemoet voerden. In het rijtuig werd geen woord gesproken; ieder gaf zich aan zijne gedachten over, ook de kamerdienaar Rietz. Ook hij, — dit wist hij wel, — ging een nieuwe toekomst tegemoet, en hij zwoer bij zichzelven, dat zii niet alleen schitterend, maar ook voordeelig zou zijn; en hij glimlachte behagelijk toen hij dacht, hoeveel genot en vreugde het leven hem nu brengen zou; want de Koning beminde hem immers, en nog meer beminde hij zijne echtgenoote, de soi disant madame Rietz.

„Nu, deze zal niet lang meer madame blijven,quot; zeide hij welgevallig in zich zelve: „zij is eerzuchtig: ik laat het departement der titels en orden aan haar over, en neem het departement der geldzaken en stoffelijk voordeel op mij. Nu, als twee zulke brave echtgenooten zich voorspannen en trekken, moest het toch curieus gaan, zoo de kar niet ras voorwaarts kwam door hel slijk des levens, en ten laatste zich in een dettige koets veranderde!quot;

Juist sloeg het rijfuig den hoek der allée om, en daar lag Sanssouci, beschenen door de eerste stralen der morgenzon, schitterend om te zien, hoewel daar binnen het lijk eens Konings lag, die, gisteren nog de heer en gebieder van millioenen menschen, — heden een wezenloos niets, een hand vol stof van het stof der menschheid was! —

Het rijtuig hield stil, en R.ietz snelde toe om het portier te openen, want niemand naderde om dit te doen. Verwarring en droefheid heerschten in het huis des Konings, dat thans niet meer het huis Sans-souci — het huis „zonder zorgenquot; mocht heeten, want zorgen en smart waren er ingetrokken, sedert zijn koninklijke bezitter de oogen gesloten had. —

De Kuning trad in de voorkamer; een paar lakeien stonden nevens de deur. Toen de jonge Koning hen met een vriendelijken hoofdknik groette, vloeiden de tranen uit hunne oogen, en in hun smart vergaten zij de verschuldigde hoffelijkheid, en verzuimden de deur, die naar

ocr page 134

124

de binnenvertrekken voerde, te openen. Rietz deed dit, stiet de deur open, liet den Koning en den minister pas-seeren, en trad achter hen de receptiezaal binnen, die nog geheel ledig was, want niemand van de hovelingen en edellieden, der prinsen en prinsessen wist nog van den dood des Konings. —

Le Roi est mort! Vive le Roi! Zij zullen allen wel komen met een weenend en een lachend oog, met een gedwongen traan voor den ontslapene, en een verheugden, huldigenden glimlach voor den wakende, die heden morgen de oogen heeft opgeslagen, om een kroon op zijn hoofd, en een koninkrijk aan zijne voeten te zien!

Le Roi est mort! Vive le Roi!

Hoe stil is heden de voorkamer van den gestorven Koning! Geen geluid klinkt; het portret der markiezin de Pompadour, 't welk zij den Koning als een bewijs harer hulde had gezonden^ glimlacht aan den wand met zijn kokette schoonheid op de voorbijgaanden neder. De Koning en de minister letten er niet op, maar Rietz, die hen volgt, ziet met een sluwcn glimlach op tot de mai-tresse des Konings, en denkt dat zijne echtgenoote gewis even beroemd en geëerd zal worden, als de beroemde geliefde des Franschen Konings. Waarom zoude ook niet eens een Keizerin aan haar schrijven, en de geliefde van den Koning van Pruisen ma cousine noemen? Waarom niet?

De kamerdienaar Rietz heeft moeite zijn luiden lach te onderdrukken, terwijl hij dit denkt, en legt dan de hand haastig op het gezicht, nu hij thans achter den Koning de huiskamer des Koning binnentreedt; want daar zijn menschen, — daar kunnen opmerkzame oogen zijn en moet men dus een bedroefd gelaat toonen!

Maar neen; er zijn heden in de huiskamer des Konings geen opmerkzame oogen, en de menschon die er zijn, denken slechts aan hun smart en droefheid. Geen tranen van etikette, geen zuchten van geveinsde droefheid zijn hier. Slechts de vier raadsleden uit het kabinet des Konings zijn er. Zij waren als altijd te vier ure gekomen om met den Koning te arbeiden, want nog gisteren had hij hen bij zich binnengelaten, had hun met zwakke stem instructies gegeven, en met bevende hand zijn naam onder

ocr page 135

125

een regeeringsstuk geteekend. Zij waren dus heden gelijk immer met de opgaande zon gekomen, maar zij zagen nu, dat hun zon was ondergegaan; er bleef voor hen niets meer te doen, dan te weenen !

De Koning zag hen niet, — of sloeg geen acht op hen, maar ging haastig voorbij naar de open tweede huiskamer, naar de treurige groep in 't midden er van. Een groote leunstoel, met kussens met bloedvlekken, en in de kussens een gelaat, dat gisteren nog aan een Koning behoorde, en 'twelk de dood, — die groote koning, — heden herschapen had in een bleeke, marmeren buste, die met gesloten oogen daar ligt in vreedzame stilte, met een glimlach om de lippen, die gisteren nog tot de zon riepen: „Spoedig zal ik bij u zijn!quot;

Nu was hij, de groote Koning, bij haar, bij de zon, en 't geen daar lag in den armstoel was nog slechts „het versleten hulselquot; der ontvloden ziel!

Daarnevens staat de lijfarts Selle in treurige verslagenheid ; achter den stoel staan de beide lakeien, die den laatsten nacht trouw bij den Koning gewaakt hebben, en nu schreien, bitterlijk schreien, wijl hij hen verlaten heeft.

Diepe stille heerschte, en er was iets in deze stilte, dat zelfs den kamerdienaar Rietz ontzag inboezemde: want hij sloop zacht op de teenen en hield zijn adem in, om zoo onhoorbaar mogelijk het lijk des Konings te naderen, dien hij, toen Frederik nog leefde, nooit van zoo nabij gezien had.

Het snikken der lakeien werd luider, toen zij den nieuwen Koning tot het lijk zagen treden. De lijfarts boog zijn hoofd dieper ter begroeting van het nieuw opgaand gesternte, de windhond, die tot hiertoe stil en onbewegelijk aan de voeten des Konings had gelegen, sprong op, richtte zijn slanken spitsen kop omhoog, slaakte een lang, klagend gehuil, en kroop toen met hangenden staart onder den leunstoel.

Frederik Willem, diep geschokt, met tranen in de oogen, boog zich over het koninklijke lijf, hief de kille hand aan zijne lippen, kuste haar, en legde toen zijn levensvolle, warme menschenhanden op dit hoofd, dat nevens de kroon zooveel lauwerkransen gedragen had.

„God geve mij zijn zegen, opdat ik u een waardig op-

ocr page 136

126

volger zijn moge, mijn Koning!quot; zeide Frederik Willem zacht, terwijl een paar groote tranen langzaam over zijne wangen rolden: „Gij hebt Pruisen groot gemaakt; moge God ten minste geven, dat ik het niet weder klein make! Vaarwel, mijn Koning en mijn oom, en vrede zij met ons allen!quot;

„Amen!quot; zeide Herzberg met vaste stem; „Zijne Majesteit Koning Frederik riep mij gisteren avond tot zich, toen reeds de schaduwen des doods op zijn voorhoofd lagen, en met stamelende stem fluisterde hij: „Breng morgen hij mijn lijk mijn opvolger mijn huldigingsgroet!quot; Majesteit, ik breng u dien!quot;

Frederik Willem boog, en wendde zich toen tot den lijfarts. — „Gij waart bij den Koning toen hij stierf, waarde Selle?quot;

„Ja, sire, ik was bij hem.quot;

„Hoe laat is de Koning gestorven?quot;

Selle hief de hand op, en wees met een plechtig gebaar op de groote pendule, die ginds aan den wand op een marmeren kolom stond. — „Majesteit, de ijzeren tong van het uurwerk is verstomd op hetzelfde oogenblik, dat de Koning zijn laatsten adem uitblies. Wees zoo goed te zien, sire; dit uurwerk heeft zich tot het eerstegedenktee-ken van den grooten Koning gemaakt.quot;

Frederik Willem blikte, — tegelijk getroffen en verheugd, — in de aangeduide richting. — „Wonderbaar,quot; zeide hij zacht: „zeer wonderbaar! Zij hebben dus gelijk! Overal zijn wij door wonderen omringd, en geheimzinnige geesten heerschen om ons heen in alle zaken!quot;

Hij naderde het uurwerk, beschouwde met eerbiedige huivering de groote wijzerplaat, wier twee groote metalen wijzers thans twee geestenvingers voor hem waren, die het oogenblik vasthielden, waarop de Koning gestorven was.

„Twee uur twintig minuten,quot; zei de Koning zacht: „zonderling en ontzettend.quot;

Hij wendde zich om, en wenkte zijn kamerdienaar, die op de teenen tot hem ijlde.

„Zeg mij, Rietz; hoe laat was het, toen ik u van nacht riep, wijl ik door vreeselijke benauwdheid wakker werd?''

„Majesteit, het was juist twintig minuten over twee! Ik weet bet nauwkeurig, want Uwe Majesteit gebood mij uw horloge te laten slaan.quot;

ocr page 137

127

„Ja, ja,quot; fluisterde de Koning voor zich: „het was juist twintig minuten over twee. De geesten wekten mij, want de nieuwe dag brak voor mij aan!quot; —

Le Roi est mort! Vive le Roi! De Koning, die zijn land de vrijheid van denken en de verlichting heeft gebracht, Koning Frederik is dood! Een schaduw verduistert de zon van dezen eersten morgen des nieuwen tijds. Deze schaduw zal spoedig een zware wolk worden, en duisternis en nacht zullen nederdalen op Pruisen!

Le Roi est mort! Vive le Roi! —

Frederik Willem, die peinzend voor het uurwerk had gestaan, vermande zich nu door de kracht van zijnen wil. Dit uurwerk, dat stil stond, verkondigde hem het begin van een nieuwen tijd, en hij moest dien voldoening geven.

Hij naderde wederom het lijk. — „Waar zijn de orde-teekens van den Koning?quot; vroeg hij den kamerlakei Strütz-ki, op wien geleund Koning Frederik zijn laatsten adem had uitgeblazen.

Strützki droogde haastig zijne oogen, en sloop zacht naar de kast, waarvan hij de deur opende.

„Laat de andere daar,quot; gebood Frederik Willem: „breng mij slechts het lint der Zwarte Adelaarsorde.quot;

Strützki haastte zich aan het bevel te voldoen, en toen de Koning nu het breede oranjegele lint in de hand hield, wendde hij zich tot den minister von Herzberg.

„Heer graaf,quot; zei de hij: „buig uw hoofd, en ontvang van mij de laatste gedachtenis van den grooten Koning, die thans zijn tol aan de sterfelijkheid betaald heeft, om als onsterfelijke onder ons te verwijlen. Dit lint, dat Frederik de Groote heeft gedragen, zal thans ttw; borst versieren, en voor u en de geheele wereld een bewijs zijn, mijner hoogachting en erkentelijkheid. Ge zult mij een even trouw en ijverig helper zijn, als ge dit mijn grooten oom waart; ge zult als minister mij ter zijde staan, zooals ge hèm deedt, en ik zal van u raad en hulp ontvangen, mijnheer de graaf Herzberg.quot;

„Majesteit,quot; fluisterde Herzberg met door tranen gesmoorde stem: „Majesteit, gij beloont mij boven mijne verdienste. Ik heb slechts mijn plicht gedaan, en —quot;

„Heil den Koning,quot; viel Frederik Willem hem in de rede: „heil den Koning, die beambten om zich ziet, die

ocr page 138

128

het groote ea goede dat zij volbrengen, slechts als hun plicht beschouwen. Voor hem ontstaat hieruit des te meer de verplichting, zulke diensten te waardeeren, en zich dankbaar te betoonen; want er zijn zeer weinig menschenop aarde, die van zichzelven in dezen hoogeren zin kunnen zeggen, dat zij hun plicht gedaan hebben. Ik ben echter een zeer gelukkig Koning, want ik zie hier op den drempel van mijn nieuwen tijd twee getrouwen, welken ik dank te wijten heb, U, mijn waarde graaf, heb ik mijn schuldige schatting betaald. Men zal voor u het grafelijke diploma gereed maken, en u de insignes onzer hoogste Huisorde van den Zwarten Adelaar ter hand stellen. Gij zult even als vroeger de zaken van het aan u opgeiragen ministerie besturen. Nu echter moet ge rust nemen, want ik weet dat ge in de laatste nachten veel gewaakt hebt. Tot wederziens, mijn waarde graaf!''

En daar Herzberg zich nu, na een laatsten, smartelijken blik op het koninklijk lijk, verwijderde, wendde koning Frederik Willem zich tot den kamerheer Rietz, die tot hiertoe met gebogen hoofd had gestaan, om niet op zijn gelaat zijne onverschilligheid en nieuwsgierigheid te laten lezen.

„Nu, mijn beste Rietz,quot; zei de Koning, hem de hand reikende: „nu tot u! Eindelijk kan ik u voor uwe trouwe diensten beloonen! Ik benoem u tot tresorier van mijn huis en van mijn kas!quot;1)

„Ach, Majesteit, mijn geliefde, genadigste Koning,quot; snikte Rietz, terwijl hij zijn dikke lippen op de hand van Frederik Willem drukte; „zooveel genade en goedheid! Ik heb dit niet verdiend; maar ik dank uit den grond mijns harten, en Uwe Majesteit zal steeds uw trouwslen en onderdanigsten dienaar aan mij hebben! O, wat zal mijn vrouw zeggen, en hoe gelukkig zal zij zijn wegens deze nieuwe eer en goedheid, welke Uwe Majesteit mij bewijst!quot;

De Koning trok met een licht beven zijn hand terug, en zag schier schuw naar het lijk, dat zoo groot en stil daar nederlag, maar zag niet den haastigen, loerenden blik, die uit de oogen van den nieuwen tresorier over zijn aange-

1

De eigen woorden van Koning Frederik Willem II. gesproken bij het lijk van Frederik.

ocr page 139

129

zicht vloog. Zoo het lijk van den grooten Frederik nu plotseling weder levend ware geworden, zoo deze gesloten oogen zich weder geopend hadden, — welk een blik zou het geweest zijn, dien Frederik op den verachtelijken kamerdienaar geworpen zoude hebben! Maar neen; zelfs het lijk van een Koning hoort niet meer, en de gesloten oogen openen zich niet weder!

Le Roi est mort! Vive le Roi! —

De Koning trad langzaam terug, maar zijne oogen rustten nog altijd op het gelaat met de gesloten oogen, die evenwel in zijn hart zagen.

„Rietz, men moet den beeldhouwer uit Potsdam halen, opdat hij het doodsmasker des Konings neme!quot;

quot;Tot uwen dienst. Majesteit; het zal terstond geschieden.quot;

Hij ijlde naar de deur, maar een wenk van zijn koninklijken heer hield hem terug. Frederik Willem schuwde er voor, alleen met den grooten doode en weenende lakeien te zijn, — alleen met het lijk! Want hij wist het immers: de lijken der afgestorvenen worden altijd bewaakt door de geesten hunner voorouders, en boven dit lijk zweefden de geesten van al degenen, die, toen zij nog in menschelijke gedaante omwandelden, den overledene nabij hadden gestaan in liefde en vriendschap, in haat en vijandschap. Zij strijden om de ziel van den gestorvene, deze geesten zijner vrienden en vijanden; zij strijden om Frederik's ziel, zooals zij gestreden hebben om de ziel van Mozes. Dit heeft hem eerst onlangs de geest van den phio-soof Leibnitz geopenbaard, dien Bischofswerder en Wöll-ner hadden opgeroepen, opdat hij den ongeloovigen Kroonprins Frederik Wdlem de woorden van beide geloovigen zou bevestigen!

Ja; boven het lijk strijden de vijandige geesten om het bezit zijner ziel, en het is gruwzaam en ontzettend dit te weten, en alleen te blijven met het lijk en de geesten! —

„Rietz, mijn getrouwe, blijf!quot; zei de Koning schier ang-stig: „Of neen! Roep den overste Bischofswerder hier.quot;

„Majesteit, hij is naar de stad gereden, om den tegen-woordigen heer Kroonprins bericht te geven, en hem hierheen te geleiden.quot;

„En dè kamer-raad Wöllner?quot;

„Majesteit, ik heb een koerier naar Berlijn gezonden,

Mühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. III. 9

ocr page 140

;i30

om hem het overlijden te berichten, en hem hier te ontbieden.quot;

„O, mijn goede Rietz, welk een trouw en zorgvuldig dienaar zijt ge,quot; zei Frederik Willem hem toeknikkende: „Ga mij voor en open de deuren. Ik wil naar de audiëntiezaal gaan, want daar zal thans wel reeds de Hofhouding vereenigd zijn!quot;

Hij groette met de hand het koninklijke lijk, boog er voor, alsof hij de audientie verliet, welke de groote Frederik hem gegeven had, en trad rugwaarts-gaande uit de kamer. Een oogenblik was 't nu stil in de kamer des doods, tot Alktnene weder van onder den armstoel te voorschijn kroop, en weder haar klaaggehuil aanhief, waaraan de twee lakeien hun snikken en weenen paarden.

II.

LE ROI EST MORT! VIVE LE ROI!

Terwijl bij den dooden Koning slechts een paar arme bedienden en een trouwe hond terugbleven, ontving de nieuwe Koning in de audiëntiezaal de gelukwenschen van zijn Hol en zijn dienstpersoneel.

Le Roi est mort! Vive le Roi!

Daar waren zij alle, de hofbeambten, de ministers; en nu kwamen ook voor en na de prinsen van het koninklijke Huis, door de doodstijding verschrikt, toesnellen om den nieuwen Koning te begroeten.

De kamerdienaar Rietz, die in de voorzaal was gebleven, kwam thans binnensluipen, en trad op den Koning toe.

„Majesteit, Zijne Koninklijke Hoogheid de Kroonprins benevens prins Lodewijk zijn zooeven aangekomen, en vragen, of Uwe Majesteit de genade wil hebben, hunne gelukwenschen te ontvangen.quot;

„Geleid de prinsen in de concertzaal,quot; zei de Koning; „Ik zal er terstond komen. — En de overste Bischofswerder'?''

„Hij is met den heer Kroonprins gekomen, Majesteit.quot;

De Koning knikte vriendelijk. Dit lied van „Majesteitquot; klonk tóch in zijne ooren als een aangename muziek, en

ocr page 141

431

de treurtonen om den overledene, moesten vooi deze muziek verstommen!

Le Rol est mort! Vive le Hoi!

De Koning groette met een vriendelijken hoofdknik, en verliet de audiëntiezaal, om den Kroonprins en prins Lo-dewijk te begroeten, die hem in de concertzaal wachtten. liietz opende hem de deuren, en riep luid in de concertzaal; „Zijne Majesteit de Koning!quot;

De beide prinsen ijlden hun vader tegemoet, en kusten zijne aangeboden handen.

„Ik veroorloof mij, mijn genadigsten heer vader mijn zeer onderdanigsten gelukvvensch te brengen,quot; zeide de Kroonprins, in stijf declameerenden vorm, slechts stipt de woorden herhalende, welke de gouverneur Behnisch hem gezegd had: „Ik bid Uwe Majesteit mij Hare genade te behouden, en overtuigd te zijn, dat ik steeds de eerste en gehoorzaamste Harer onderdanen zal zijn.quot;

De Koning zag met betrokken gelaat op den prins neder, die eens zijn opvolger zou zijn. — De Kroonprins! Dit is een onaangenaam woord! Een eeuwige sombere vermaning aan eigen dood! De Kroonprins, die daarop slechts wacht om Koning te zijn; die gelijk de schaduw des doods steeds achter den Koning treedt, en hem aan de vergankelijkheid herinnert! quot;t Is zeker moeielijk zijn opvolger, zijn Kroonprins te beminnen; maar men vergeeft hem zijn bestaan, zoo hij ten minste de zoon eener geliefde echt-genoote is, zoo men als vader zijn kind bemint! Maar als de Kroonprins de vrucht van een onwelkom huwelijk van convenientie, — de zoon eener opgedrongene gemalin is! Als men een anderen zoon bezit, — een zoon wiens moeder men bemind heeft, welke men zijn geheele teedere liefde heeft gewijd!

O, hoe geheel anders zou deze zoon zijn vader ontvangen hebben! Hoe zou hij hem om den hals zijn gevlogen, hoe hem geliefdkoosd en gekust hebben! — O, mijn lieve zoon Alexander, waarom zijt (/y niet mijn opvolger! Waarom moet ge verwijderd blijven, en rnoogt ge in dit gewichtige en groote uur niet aan mijne zijde staan! Maar dat moet anders worden, ja gewis, geheel anders! Ik wil mijn Alexander uit de vernedering en duisternis tevoorschijn brengen: ik tuil het!

ocr page 142

132

Slechts eenige korte, ceremonieele woorden had de Koning met zijn beide zonen gewisseld; op koelen toon had hij den stijven geluk wensch van den Kroonprins beantwoord, en voor de verlegen gestotterde woorden van prins Lode-wijk, had hij slechts een stommen hoofdknik tot antwoord gehad.

„Gaat, mijn prinsen,quot; zeide hij nu; „gaat. Aanschouwt het lijk van uwen grooten oom, en prent u dit gezicht diep in de ziel, opdat ge hem nooit vergeet!quot;

„Ik zal den grooten Koning nooit vergeten,quot; zeide de Kroonprins. Over zijn open, fraai gelaat vloog nu een smartelijke trek, en zijn stem was plotseling zóó bewogen en aangedaan, als zijn vader nooit eer gehoord had. — „Neen, ^Majesteit; ik zal den grooten Frederik nooit vergeten. Hij was steeds zoo genadig en goed jegens mij, en nog onlangs heeft hij zoo teeder en liefderijk tot mij gesproken als een genadige vader, en dit heeft mij zóó goed gedaan, en mij zóó gelukkigen trotsch gemaakt, dat ik mijn geheele leven er dankbaar voor zal zijn!quot;

De lang tegengehouden tranen stroomden nu uit de oogen van den Kix)onprins over zijne wangen, entoen de jonge prins Lode wijk zijn broeder zag schreien, begon ook hij te weenen, en stamelde snikkend; „Hij is jegens mij óók altijd zeer genadig geweest, de hoogzalige Koning!quot;

De Koning wendde zich om. Deze tranen zijner zonen krenkten hem. Wie weet of zij zoo zullen weenen, als hun vader, de Koning, eens sterft!

Le Roi est mort! Vive le Roi! —

„Gaat heen, en betaalt het verledene een laatste tranen-oi'fer, mijn zonen, opdat ge later des te vroolijker het tegenwoordige huldigen kunt!quot;

De beide prinsen maakten voor hun vader een plechtstatige buiging, en gingen achteruittredende, als bij een militaire exercitie, de kamer uit.

De Koning oogde hen met somberen blik na.— „Stijf als hout, en onbevallig als marionetpoppen,quot; zuchtte hij; „en tóch hebben zij een hart, maar niet voor mij, — niet voor hun vader! — Rietz!quot;

De kamerdienaar verscheen terstond in de deur, en wachtte met deemoedigen glimlach op de bevelen zijns gebieders.

ocr page 143

133

„Rietz, ga terstond tot mijn lieven zoon Alexander, en zeg hem wat hier gebeurd is. Hij moet zich met zijn gouverneur, den heer de Chapuis dadelijk naar Charlot-tenburg begeven, en mij daar wachten. Ge moet aan zijne moeder zeggen, dat ik van avond bij haar thee wil drinken, en zij mij tegen zes uur verwachten kan!quot;

„Zal Uwe Majesteit in Charlottenburg overnachten?quot; vroeg de kamerdienaar met het onschuldigste gelaat, en nedergeslagen oogen.

„Ik weet niet,quot; antwoordde de Koning: „ik zal misschien naar Berlijn gaan, en —quot;

„Zou Uwe Majesteit het soms niet noodig achten? mevrouw de weduwe van den hoogzaligen Koning een con-doleantiebezoek te Schönliausen te brengen?quot;

Rietz had dit alles zacht, nauwelijks met een beweging zijner lippen gezegd ; maar het oplettend oor des Konings had de woorden tóch verstaan, en zijn gelaat nam een schitterende uitdrukking aan.

„Ja, mijn hartekenner en vriend, ik wil naar Schönliausen gaan, naar de Koningin-weduwe. Neem het snelste paard uit mijn stal, mijn getrouwe, rijd er heen, en kondig mijn komst aan.

„Alleen aan de Koningin-weduwe, Majesteit? — Aan niemand anders?quot;

Een glimlach vloogquot; over het aangezicht des Konings. „Gij vraagt, alsof ge het antwoord niet wist! Neen, laat u ook aandienen bij de hofdame der Koningin-weduwe, bij de schoone freule von Voss. Breng haar mijn groet, verzoek haar in mijn naam zich gereed te houden, mij nog heden te ontvangen, want ik heb haar veel en gewichligs te zeggen! Ga, mijn veelgetrouwe! Spoed u!

„Hij heeft haar veel en gewichtigs te zeggen,quot; prevelde Rietz bij zich zeiven, toen hij naar buiten was gegaan, om de bevelen des Koning te volbrengen: „Alsof wij allen niet wisten wat hij de schoone jonkvrouw te zeggen heeft; alsof zijn liefde voor haar, niet een bekend geheim was, 't welk het geheele Hof, — 't welk ook de Koningin, zijn gemalin, — en de lieve madame Bietz, myn gemalin weten. Goed; ik ga tot den kleinen Alexander, en dan jaag ik naar Schünhausen, en vervolgens gaat het naar madame Rietz te Charlottenburg, om haar bericht te brengen! Zij

ocr page 144

134

is altijd zeer mild, mevrouw mijne echtgenoole, — en ik kan zeer veel geld gebruiken! Het leven is zulk een vroolijk en aangenaam iets, als men geld heeft! En het is volkomen onverschillig, wie men is, en wat men is! Als men slechts geld, — altoos veel geld in zijn zak heeft, is men tóch een voornaam heer, en alle menschen hebben respect voor u. Daarom is de hoofdzaak voor mij, rijk te worden; want den rijke behoort de wereld, en ik wilde gaarne dat zij mij behoorde. O, ik zal mijn tijd goed besteden; en degenen die gelooven, dat ik mij laat begoochelen door hun gladde vleierijen, en uit goedhartigheid hun voorspraak bij den Koning zou zijn, zullen zich. God weet het, zeer bedrogen hebben! Betaalt, mijne heeren, betaalt, dan kunt ge de voorspraak van den machtigen heer tresorier Rietz hebben, maar niet voor niets! Voor niets is slechts de dood! — Neen, ik vergis mij,quot; zeide hij stilstaande, en met, een grijnslach de compagnie grenadiers naoogende, die juist de laan naar het Slot opmarcheerde, om de eerewacht bij het lijk des Konings te vormen; — „neen, ook de dood is niet voor niets. De lijkplechtigheden kosten veel geld!quot; — De grenadiers trokken voorbij, en het dof geroffel hunner met zwart lloers bekleede trommels stierf weg, terwijl de wind het klokgelui van Potsdam overbracht, dat aan de ontwakende stad den dood baars Konings aankondigde. Rietz ijlde voort, om den zoon des Konings naar Chai-lottenburg te zenden tot de oude geliefde des Konings, en vervolgens naar Schönhausen te rijden, om de nieuwe geliefde des Konings, de liefdegroeten van Frederik Willem

over te brengen!----

In Frederik's sterfkamer was het nog altoos stil en eenzaam; geen geluid stoorde het plechtig zwijgen. Eens was Strütski op de teenen naar buiten geslopen, om van het terras een paar vlierstruiken te halen, en daarmede de vliegen van het gelaat des dooden Konings te verjagen. Nu stonden de beide lakeien aan weerszijden van den fauteuil, met de groene takken, en wuifden er zacht mede over het bleeke wassenbeeld, en verdreven de drieste insecten, die het wagen wilden, dit gelaat aan te raken, wijl de dood het met zijn beeldhouwershand tot steen gebeiteld had. Men hoorde niets dan het zacht geritsel der bladerenpluim en het gonzen der vliegen, die telkens we-

ocr page 145

135

der keerden, alsof zij wilden spoüen met de menschen, die haar wilden beletten, bezit te nemen van wat tóch hun eigendom was!

Nu opende zich zacht de deur; de beide jonge prinsen slopen binnen, en voorzichtig, — als vreesden zij hem te wekken, — naar den leunstoel, waarop Frederik lag.

De Kroonprins staarde lang en stil den dooden Koning aan, en een heilige, diepe ernst sprak uit zijne trekken. „Gaat een weinig ter zijde, lakeien,quot; zeide hij gebiedend: „en ook gij, mijn broeder, laat mij een oogenblik alleen. Ik beb aan zijne Majesteit hier nog een woord te zeggen!quot;

De lakeien verwijderden zich tot aan de deur. Prins Lodewijk trad naar de schrijftafel in de verwijderdste vensternis, en de jonge, zestienjaiige Kroonprins was nu alleen met den stillen, onsterfelijken Koning.

Hij knielde voor het lijk, nam de kille hand van den doode, en zag hem met een wonderbare uitdrukking van ernst en beradenheid in het onbewegelijk gelaat.

,,Mijn lieve, groote oom en beer,quot; fluisterde hij: „ik zweer u, dat ik trachten zal alles te doen, wat ge mij onlangs gezegd hebt, en er steeds naar streven zal, uw groot-scbe gedachtenis eer aan te doen. Ik zweer u, dat ik eens een goed Koning wil zijn, en pogen de liefde des volks te verdienen. Mijn lieve oom en heer; ik heb een geheim op het hart, en dat moet ik u zeggen vóór ge in de groeve nederdaalt; want mij dunkt, gij moet het weten, en zult geruster slapen, als ik u mijn geheim gezegd heb: Ik haat madame Rietz en haar man, en zoo ik eens Koning wordt, en madame Rietz dan nog leeft, zal ik haar stratï'en voor haar misdaad, en haar voor al de tranen laten boeten, welke zij mijn lieve moeder gekost heeft. Niemand ter wereld weet, dat ik mij dit heb voorgenomen, — niemand buiten mijn moeder, die mij onlangs verhaald heeft, welk verdriet madame Rietz haar veroorzaakt heeft, en ik was toen zóó toornig, dat ik dadelijk zou hebben willen gaan, om haar te dooden. Maar mijn moeder vermaande mij tot berusting en geduld, en ik heb haar beloofd, dat ik zou zwijgen en stil zijn. Maar als ik eens Koning ben, zwijg ik niet meer, en dan zal voor deze vrouw de dag van oordeel en straf komen! Dat zweer ik ook u, mijn

ocr page 146

136

lieve gx^oote oom en heer, en dit is het geheim 't welk ik u wilde medegeven in de doodengroeve. — Ja, Frederik, ik zal eens mijne moeder wreken! Vaarwel, mijn Koningen slaap in vrede, of —quot; Een hand legde zich op zijn schouder, en opziende, zag hij nevens zich de slanke, hooge gestalte van zijn jongen neef prins Louis, die onbemerkt binnen gekomen, en hem genaderd was.

„Ik wensch u geluk, cousin,quot; zei de prins plechtig: „ik bid om uwe verdere genade, heer Kroonprins van Pruisen. Zijne Majesteit de Koning zendt mij hierheen, opdat ik aan het koninklijke lijk en den Kroonprins mijn schuldigen eerbied zou brengen, en het laatste wil ik nu het eerst, en vóór alles doen.quot;

„Neen,quot; zeide Frederik Willem, die langzaam was opgestaan : „neen, doe dat niet, cousin Louis. Ik ben er toch niets anders en beters door geworden, dat onze groote Koning gestorven is.quot;

„Maar iets machtiger,quot; zei de prins buigende; „ge zijt Kroonprins, en men moet nu diepen eerbied voor u hebben! ü! zie inij niet zoo ernstig en toornig aan, cousin. Ge denkt dat ik onverschillig en koel ben; maar neen, neen; ik heb mij slechts voorgenomen, niet teweenenbij het lijk van onzen lieven oom. Mevrouw mijne moeder zegt, dat, zoo men een traan op het aangezicht van een doode laat vallen, men óók spoedig moet sterven, want deze traan trekt ons naar beneden tot den doode. En tóch, Frederik, als ik bedenk, dat onze goede oom dood is, die steeds zoo genadig en vriendelijk voor mij was, en die onze roem en onze eer was, kan ik niet anders, dan moet ik tóch weenen, in weerwil mijner moeder. — Ach, groote Frederik, waarom zijt ge nog niet een paar jaren op de wereld gebleven, — slechts zóólang, tot uw fiere blik gezien had, dat een degelijk prins en een dapper soldaat geworden was, van. den dommen jongen, die ik thans nog ben!quot;

„Maar, cousin,quot; fluisterde de Kroonprins; „hoe kan men zoo oneerbiedig van zich zeiven spreken, en zijn eer als prins zoo zeer vergeten?quot;

,.0, een prins is niets beter dan ieder ander mensch,quot; zei prins Louis de schouders ophalende: „en schoon ik ook den grootsten eerbied heb voor uwe heerlijkheid.

ocr page 147

137

mijnheer de Kroonprins, heb ik echter volstrekt geen eerbied voor mijn klein prinsschap, vooral in dit oogen-hlik, nu ik zie, dat zelfs de groote Frederik, de groote held en Koning, slechts een mensch was, en sterven moest. Ach, Frederik, ach, mijn dierbare oom, waarom moest ge nu reeds sterven! Ge waart immers nog zoo oud niet! Nauwelijks vier-en-zeventig jaar, en er zijn er toch zoo velen, die ouder zijn dan gij! Onlangs toen ik hier kwam, om naar uw welstand te vernemen, zat aan den ingang van het park een oud man, en koesterde zich indeheete zon; hij had de handen gevouwen, en bad luid. Ik trad tot hem, en reikte hem een geldstuk. Hij nam het echter niet, en ik vroeg hem wat hij bad en smeekte, daar hij toch geen geld wilde hebben. „Ik bid en smeek voorden zieken Koning,quot; zeide hij, „ik bid en smeek de zonnestralen, dat zij den zieke koesteren en verkwikken, en hem nieuwe levenskracht brengen mogen. Hij is rïög zoo jong, de Koning; hij kan nog zoolang leven, want ik was er reeds als schildwacht bij, toen hij gedoopt werd, de groote Koning, en nu zeggen ze dat hij reeds sterven moet. Dat beangstigt mij. Want als zulk een jong heer reeds moet sterven, dan zal aan mij, oude, óók wel spoedig de beurt komen, en ik wilde zoo gaarne nog een weinig leven, en in de zon zitten!quot; Fn hij zit nog in de zon, de oude man van negentig jaren, en gij hebt toch reeds moeten sterven, groot Frederik! Ge zijt opgestegen naar de zon, en wij kruipen hier beneden in de schaduw, en verlangen naar u, w^eenen om u, en —quot;

„Stil, cousin, stil!quot; fluisterde de Kroonprins; „Zie, er komen menschen! De beeldhouwer die het doodsmasker moet afnemen! Kom, laat ons naar buiten gaan! Kom!quot;

Hij wilde de hand van prins Louis nemen, en hem wegvoeren. Maar deze weerde hem zacht af, en knielde voor het lijk neder, en kuste de kille hand, die nog kortelings zoo vriendelijke zijne wangen had gestreeld. — Want Frederik had prins Louis, den zoon van zijn broeder Ferdinand, steeds zeer liet gehad, en hem vaak voorspeld, dat iets grootscb en degelijks van hem worden zou.

De jonge prins dacht hieraan, toen hij nu de hand van het lijk aan zijne lippen drukte, tot het laatst vaarwel. „Ik zweer u, mijn groote oom en Koning,quot;' fluisterde hij:

ocr page 148

„ik zal alle moeite doen, dal uwe voorspelling vervuld worde, dat iets goeds en degelijks van mij wordt, en ik den naam dien ik draag, eer aan doe. Deze kus, dien ik thans op uwe hand druk, zij het zegel van mijn eed, en mijn laatste liefdegroet!quot;

Hij stond op, en zijn groote, donkere oogen vestigden zich met een langen teederen, blik op het lijk! „Ach,quot; zuchtte hij : „waarom ben ik geen schilder of teekenaar, om dit gezicht te kunnen bewaren!quot;

„Ge brengt mij op een goede gedachte,quot; riep de Kroonprins levendig: „ik ben geen schilder, maar kan toch een weinig teekenen, en ik wil mij een gedachtenis aan dezen dag verschaffen. Ik verzoek u, heer beeldhouwer Eckstein, wacht nog een kwartier, opdat ik een teekening kunne maken van den hoogzaligen Koning.quot;

De beeldhouwer, die reeds met zijn gipspot het lijk genaderd was, trad met een eerbiedige buiging weder terug; de jonge prins Lodewijk, de broeder van den Kroonprins, nam Van de schrijftafel des Konings een potlood en een vel papier, en reikte het den Kroonprins. Deze begon nu met vluchtige, haastige trekken een teekening te schetsen.1) Nevens hem stond zijn broeder, en zag toe; achter den leunstoel stonden de twee lakeien met de wuivende takken, en van onder den fauteuil kwam de spitse, gele kop van Alkmene te voorschijn, terwijl de beeldhouwer Eckstein eerbiedig naar het uiterste einde van het vertrek teruggeweken was. Prins Louis was echter zacht de aangrenzende kamer binnengeslopen, — in de zoogenaamde concertzaal, waar de instrumenten stonden, de fluiten en violen in beur kasten, en de piano met ivoor en parlemoer ingelegd, welke de Koning zoo dikwijls bespeeld had.

In de sterfkamer was het nu weder stil en plechtig; geen geluid stoorde de stilte. Het lijk lag daar stijf en groot en verheven in zijn dubbele majesteit van dood en roem, en de Kroonprins teekende ijverig en met haastige

1

Deze teekening, welke de Kroonprins van het lijk van Frederik den Groote ontwierp, liet hij later achter glas in een lijst zetten. Zij hing nog vele jaren daarna in zijn woonkamer, met het eigenhandige onderschrift: „Dit 'heb ik den 17 Augustus 178(5, des voormiddags tnsschen 9 en 10 uur, zelf geteekend.quot;

ocr page 149

139

trekken, toen plotseling de stilte dooi' een zachte, weemoedige muziek afgebroken werd. Uit de muziekkamer kwamen deze tonen, en zij vervulden het stille vertrek des doods, als met melodieuze zuchten en harmonisch klagen.

Alkmene kroop van onder den fauteuil te voorschijn, en ging langzaam in de aangrenzende kamer, als wilde zij zien of haar meester, wiens stem zij sedert gisteren niet meer gehoord had, haar van het klavier tot zich geroepen had. Zij keerde echter spoedig met hangenden staart weder naar het lijk, toen zij gezien had, dat het niet haar meester was, die daar aan de open piano zat, en er zulk een treurige muziek aan ontlokte.

Neen, niet de Koning, — maar zijn neef Louis was het, die op het klavier het treurlied om den grooten doode deed klinken; en de tranen vloeiden hem hierbij uit de groote, zwarte oogen, over het schoon, jeugdig, krachtig gelaat neder. Misschien was hot onbetamelijk, dat hij de stilte dezer heilige vertrekken stoorde, maar wat bekommerde zich de jonge prins daarom. Hij dacht slechts, dat hij den ontslapene het laatste doodenolfer zijner liefde wilde brengen, en niemand was er, die hem dit verhinderde. De etikette had niets meer te maken met den dooclen Koning, zij wijlde ginds in de audiëntiezaal bij den levende. Daar was het plechtig en ceremonieel; daar bogen de met ordeteekens als bezaaide excellenties, en de met goud geborduurde uniformen; daar prevelde men eerbiedige gelukwenschen, en ontving genadige glimlachjes van de koninklijke lippen.

Le Roi est mort! Vive le Roi!

III.

DE GUNSTELINGEN.

Koning Frederik Willem ging terug naar de kleine audientiekamer. en wenkte zijn beide vrienden Bischofs-werder en Wöüner hem te volgen.

Hij omhelsde zijn vertrouweling Bischofswerder, en druk-

ocr page 150

138

„ik zal alle moeite doen, dat uwe voorspelling vervuld worde, dat iets goeds en degelijks van mij wordt, en ik den naam dien ik draag, eer aan doe. Deze kus, dien ik thans op uwe hand druk, zij het zegel van mijn eed, en mijn laatste liefdegroet!quot;

Hij stond op, en zijn groote, donkere oogen vestigden zich met een langen teederen, blik op het lijk! „Ach,quot; zuchtte hij; „waarom ben ik geen schilder of teekenaar, om dit gezicht te kunnen bewaren!quot;

„Ge brengt mij op een goede gedachte,quot; riep de Kroonprins levendig: „ik ben geen schilder, maar kan toch een weinig teekenen, en ik wil mij een gedachtenis aan dezen dag verschalfen. Ik verzoek u, heer beeldhouwer Eckstein, wacht nog een kwartier, opdat ik een teekening kunne maken van den hoogzaligen Koning.quot;

De beeldhouwer, die reeds met zijn gipspot het lijk genaderd was, trad met. een eerbiedige buiging weder terug; de jonge prins Lodewijk, de broeder van den Kroonprins, nam van de schrijftafel des Konings een potlood en een vel papier, en reikte het den Kroonprins. Deze begon nu met vluchtige, haastige trekken een teekening te schetsen.1) Nevens hem stond zijn broeder, en zag toe; achter den leunstoel stonden de twee lakeien met de wuivende takken, en van onder den fauteuil kwam de spitse, gele kop van Alkmene te voorschijn, terwi]! de beeldhouwer Eckstein eerbiedig naar het uiterste einde van het vertrek teruggeweken was. Prins Louis was echter zacht de aangrenzende kamer binnengeslopen, — in de zoogenaamde concertzaal, waar de instrumenten stonden, de 'fluiten en violen in heur kasten, en de piano met ivoor en parlemoer ingelegd, welke de Koning zoo dikwijls bespeeld had.

In de sterfkamer was het nu weder stil en plechtig; geen geluid stoorde de stilte. Het lijk lag daar stijf en groot en verheven in zijn dubbele majesteit van dood en roem, en de Kroonprins teekende ijverig en met haastige

1

Deze teekening, welke de Kroonprins van liet lijk van Frederik den Groote ontwierp, liet hij later achter glas in een lijst zetten. Zij hing nog vele jaren daarna in zijn woonkamer, met het eigenhandige onderschrift: „Dit heb ik den 17 Augustus 1780, des voormiddags tusschen 9 en 10 uur, zelf geteekend.quot;

ocr page 151

139

trekken, toen plotseling de stilte door een zachte, weemoedige muziek afgebroken werd. Uit de muziekkamer kwamen deze tonen, en zij vervulden het stille vertrek des doods, als met melodieuze zuchten en harmonisch klagen.

Alkmene kroop van onder den fauteuil te voorschijn, en ging langzaam in de aangrenzende kamer, als wilde zij zien of haar meester, wiens stem zij sedert gisteren niet meer gehoord had, haar van het klavier tot zich geroepen had. Zij keerde echter spoedig met hangenden staart weder naar het lijk, toen zij gezien had, dat het niet haar meester was, die daar aan de open piano zat, en er zulk een treurige muziek aan ontlokte.

Neen, niet de Koning, — maar zijn neef Louis was het, die op het klavier het treurlied om den grooten doode deed klinken; en de tranen vloeiden hem hierbij uit de groote, zwarte oogen, over het schoon, jeugdig, krachtig gelaat neder. Misschien was het onbetamelijk, dat hij de stilte dezer heilige vertrekken stoorde, maar wat bekommerde zich de jonge prins daarom. Hij dacht slechts, dat hij den ontslapene het laatste doodenolfer zijner liefde wilde brengen, en niemand was er, die hem dit verhinderde. De etikette had niets meer te maken met den clooden Koning, zij wijlde ginds in de audiëntiezaal bij den levende. Daar was het plechtig en ceremonieel; daar bogen de met ordeteekens als bezaaide excellenties, en de met goud geborduurde uniformen; daar prevelde men eerbiedige gelukwenschen, en ontving genadige glimlachjes van de koninklijke lippen.

Le Roi est mort! Vive Ie Roi!

III.

DE GUNSTELINGEN.

Koning Frederik Willem ging terug naar de kleine audientiekamer. en wenkte zijn beide vrienden Bischofs-werder en Wöllner hem te volgen.

Hij omhelsde zijn vertrouweling Bischofswerder, en druk-

ocr page 152

140

te een kus op zijn voorhoofd. — „Mijn vriend, gij moogt mij niet meer verlaten, en nooit op andere wegen gaan, dan aan mijne zijde.quot;

„Achter mijn koninklijken meester,quot; zei Bischofswerder, diep buigende: „achter Uwe majesteit, gelijk de trouwe hond, die schrede voor schrede zijn meester volgt, en niets meer verlangt, dan dat hij hem soms tot zich roept, en hem met een vriendelijken blik begunstigt.quot;

„Ik ken u, mijn vriend,'' zei de Koning; „ik weet, dat ge onbaatzuchtig en zonder eerzucht zijt, en de dingen dezer wereld voor uwen verlichten en edelen geest weinig belang hebben, 't Is mijn taak voor uw aardsch welzijn te zorgen, zooals gij de zorg voor mijn geestelijken welstand op u genomen hebt. Mijn lieve Bischofswerder; ik benoem u tot kolonel, en dit zal slechls de trap zijn, die u spoedig tot generaal bevordert; want ge zijt dapperen moedig, niet alleen tegenover de zichtbare menschen, maar ook tegenover de onzichtbare geesten, en 't is mijn heilige plicht, de dapperen te beloonen.quot;

„Majesteit, de eenige belooning, welke ik begeer, is uwe gunst,quot; zei Bischofswerder zacht: „ik wensch en smeek niets anders, en alles wat de koninklijke genade aan eer en waardigheden op mij laat nederdalen, verontrust mij slechts als iets onverdiends, als een stralend licht, dat mijn geringe verdiensten slechts nóg helderder beschijnt, en mijne onwaardigheid des te duidelijker voor de geheele wereld bloot legt. Evenwel neem ik de rangverhooging, welke de genade mijns Koning mij verleent, met eerbiedigen dank aan ; hoezeer ik haar liever weigeren, — en stil in de duisternis, onder de schaduw van den troon wilde staan. Maar ik mag niet; want een hoogere heeft mij bevolen, mij te onderwerpen aan de koninklijke genade, en ik moet gehoorzamen.quot;

„Een hoogere?quot; vroeg de Koning: „wie is hij? Wie heeft buiten mij hier nog te bevelen?quot;

„Majesteit, de geesten der groote dooden! Majesteit, de onzichtbaren, wier heerschappij grooter is dan die van alle zichtbaren, — hoe groote en machtige Koningen zij ook mogen zijn!quot;

De Koning, die met trotschen blik en opgeheven hoofd dus gevraagd had, nam nu plotseling een deemoedige, ver-

ocr page 153

141

slagene houding aan, boog het hoofd, en vouwde de handen vroom te zamen. — „Ik ben een zondaar, een misdadiger,quot; prevekLe bij: „in den trots en hoogmoed mijner nieuwe waardigheid, vergat ik de hoogeren; en het kleine zichtbare schepsel wilde zich vermeten, aan de gelijk te

zijn ! Ik heb berouw; ik smeek om ontferming, en onderwerp rmij aan de bevelen der hoogeren. Ge hebt dus weder ra et hen gesproken? Zij hebben u hun wil verkondigd?quot;

,, Maj esteit,quot; zei Bischofswerder geheimzinnig fluisterend: „Dezen- nacht, toen ik slapend te bed lag, ontwaakte ik plotseling door een wonderbaar licht, en ik rees op, want ik meende dat er brand was uitgebroken, en mijn bed in vlanrni en stond. Maar ik voelde mij zacht weder neder-gednilet, en zag nu dat dit licht, 'twelk mij verschrikt had, een hoofd stroomde, dat midden uit de duisternis des nachts straalde, en welks oogen als twee hemelsche sterren fonkelden. Deze oogen bestraalden mij met zachte teedertieid, en met een hemelschen glimlach om den mond sprak de verschijning tot mij: „Uw hart is nederig en uw zia is eenvoudig; gij begeert geen aardsche eer, en glans en rijkdom bekoren u niet. Maar ik gebied u, u uit uwe nederigheid op te richten, en u aan aardsche eer niet te onttrekken, Want degenen, welke de onzichtbaren beminnen, nnoeten ook door de zichtbaren gewaardeerd en verheven worden, en hunne genade moet openbaar worden voor lt;le menschen. Gij zult morgen een trap verhoogd wordamp;n, en overmorgen nóg een, en ge zult aannemen wat uaw Koning u aanbiedt. De onzichtbaren willen het zoolquot; — En toen het wonderbare hoofd aldus gesproken had, verdween het, en donkerheid en nacht was het weder om rmij heen. Ik slak echter licht aan, en opdat ik den volgenden morgen een zichtbaar teeken zou hebben, dat dit alles geen droom was geweest, schreef ik de laatste woorden, welke de geest tot mij gesproken had, op een vel papier, en schreef er het uur bij, waarin het gebeurd was. Majesteit, ik heb het papier medegebracht, om het mijn Koning te laten zien. Hier is het!quot;

I)e Koning nam het papier, 'twelk Bischofswerder hem aanbood, en met half luide stem las hij: „Gij zult morgen een t rap verhoogd worden, en overmorgen nóg een, en ge

ocr page 154

142

zult aannemen : wat uw Koning u aanbiedt. De onzichtba-ren willen liet zoo! Bevel van den verlichtenden geest, gegeven in den nacht van den zestienden op den zeventienden Augustus, twintig minuten na twee uur.quot;

„liet uur en de tijd, waarop de Koning gestorven is ! riep Frederik Willem verbaasd: „Het uur, waarop ook ifc zoo plotseling ontwaakte. Wonderbaar, hoogst wonderbaar, inderdaad!'' j

„Majesteit, voor de zieners zijn er geen wonderen, zeide Biscbofswerder bedaard: „Uwe Majesteit behoort tot de

zieners.quot; . „

„Maar slechts tot de zieners van den minsten graad, zuchtte de Koning: „ik tast nog in de schemering, en mijne oogen worden nog altoos verblind door den glans deron-

zichtbaren.quot; , , . , i

„Uwe Majesteit zal voorwaarts treden tot de hoogste hel-derheid en licht, en zoo de onzichtbaren mij veroorloven willen. Uwe Majesteit te geleiden in den heiligen tempel der kennis, zal dit voor mij de hoogste aardsche zaligheid en geestesvreugde zijn!'' . , ■•

„Ja,quot; riep de Koning verrukt: „ja, mijn vriend;gij zult mij geleiden, en aan de hand van den verlichte, zal ik mij van nu af over niets meer verbazen; want dit papier, 't welk ik in de hand houd, is een wonder, een zichtbare verkondiging., dat de onzichtbaren ons nabij zijn, en alles weten. Öp dezelfde minuut dat Koning Frederik stierf, ontwaakte ik met een kreet, en verkondigde M de geest, dat ge verhoogd zoudt worden door uwen Koning, — door mij, die zulks in ^dat oogenblik geworden was! Ik bid u, mijn vriend, laat mij dit papier, — dit tastbare teeken van de nabijheid der onzichtbaren, — behouden!quot;

Biscbofswerder boog — „Alles wat de hand des Konings aanraakt, wijdt de Koning hiermede tot zijn eigendom, en zoo ben ik zijn eigendom, met alles, wat mij behoort!

„Ik dank u, kolonel, ik dank u. Bestijg de trede, welke deze morgen u biedt, en laat het mijn zorg zijn, dat ook spoedig overmorgen kome. — En nu,quot; voer de Koning voort, terwijl hij zich tot Wöllner wendde, die gedurende het onderhoud van den Koning en Biscbofswerder, met gevouwen handen en gebogen hoofd gestaan had: —- „nu tot u, heer kamer-raad Wöllner. Ook u ben ik tot dank en erkentenis verplicht.

ocr page 155

443

„Tot grooteren dank en hoogere erkentenis, dan mij armen onwaardige,quot; riep Bischofswerder: „want Ghryso-phorus, de met licht omgevene, behoort tot de uitverkorenen, en is de lieveling der onzichtbaren. Zoo Uwe Majesteit den hoorn uwer genade uitstort op Ghrysophorus, gaat er geen droppel van verloren, maar alles valt op den goeden en vruchtbaren bodem der kennis!quot;

De Koning knikte den onbaatzuchtigen, edelen vriend glimlachend toe, en legde toen zijn hand zacht op Wöll-ner's schouder.

„Dus wil ik op u steunen, Wöllner,quot; zeide hij; „en even als ik mijn rechterhand nu op u leg, zoo wil ik u maken tot mijn rechterhand, gelijk ik Bischofswerder maak tot mijn hoofd, dat voor mij denkt. Gij beiden zult mijn hoofd en mijn hand zijn.quot;

„Maar uw hart, Majesteit?quot; vroeg Wöllner mot zijn ernstige, plechtige stem; „Uw hart moet gij ze?/zijn, en geen ander menschelijk wezen mag uw hart zijn; slechts de Koning zelf!quot;

Frederik Willem glimlachte. — „Mijn hart, dat ben ik,quot; zeide hij: „ik, de Koning, maar ook ik de man-, en zoo ik hoofd en hand laat handelen en wandelen, mogen dezen mij ook veroorloven mijn hart te laten handelen en wandelen, — zooals ik wil en kan! Heer kamerraad Wöllner, hebben u de onzichtbaren niets verkondigd, en hebt gij alleen dezen nacht in een rustigen slaap doorgebracht?quot;

„Ja, Majesteit,quot; antwoordde Wöllner met verslagen gelaat; „ik heb geen boodschap van de onzichtbaren ontvangen, en ik moet de waarheid de eer geven en bekennen, dat ik zelden zoo rustig en ongestoord geslapen heb, als dezen nacht.quot;

„Hij sliep den slaap des rechtvaardigen,quot; zeide Bischofswerder; „en de geesten hielden wacht aan de deur van onzen Ghrysophorus.quot;

„Dan verkondig ik u, wat de geesten u nid verkondigd hebben,quot; riep de Koning levendig; „Wöllner, ik benoem u tot geheim opper finantieraad, en tegelijk tot intendant van de koninklijke gebouwen.quot;

„O, Majesteit,quot; riep Wöllner met een vroolijke flikkering zijner kleine, grijze oogen; „O Majesteit, dat is meer dan ik verdien; meer bijna dan ik kan aannemen. Want

ocr page 156

144

ik gevoel mij zulk een hooge onderscheüiing niet waardig en deze genade overtreft verre mijne verdiensten. Maar evenwel, —in weerwil dat de genade mijns Koning mij zoo hoog verheven en vereerd heeit, durf ik het evenwel wagen in dit uur aan Uwe Majesteit een verzoek te richten, 't welk ik echter niet uit eigen koene begeerte, — maar op bevel en last van de onzichtbaren wensch uit te spreken. Want niet aardsch is mijn wil, en slechts wat de geesten mij verkondigen, moet ik doen.quot;

„Zeg mij uw verzoek, waarde geheim opper-finantie-raad,'quot; glimlachte de Koning: „ik geef u mijn koninklijk woord, dat het eerste verzoek, 'twelk ge tot mij richt, vervuld zal worden.quot;

„O Majesteit, dan heet mijn verzoek slechts; Schenk mij zoo lang ik leef uwe genade, uw vertrouwen en uwe hoogachting!quot;

„Dit beloof en zweer ik u,quot; zei de Koning: „en ik zou het ook moeten doen, zonder dat ge mij er om verzocht hadt; want het spreekt vanzelf. Wij kunnen dit dus niet aannemen als uw verzoek, dat wij beloofd hebben te vervullen! Spreek dus, Wollner; noem mij een ander verzoek.quot;

„Welnu, Majesteit; dan verzoek ik, dat Uwe Majesteit mij genadiglijk wilt opdragen, de papieren van Koning Frederik te regelen, en zijne letterkundige nalatenschap voor de drukpers te bezorgen.quot;

„Ik draag u dit niet alleen op,quot; zeide de Koning: „maar, — opdat ge volkomen ongehinderd en volkomen vrij kunt handelen, — schenk ik u deze papieren als vrij eigendom. Ge moogt er van laten drukken of achterhouden wat u belieft. Slechts deze ééne voorwaarde stol ik u: dat ge de handschriften,manuscripten en papieren des Konings, als ge ze onderzocht en 't geen u gepast schijnt er van hebt laten drukken, niet vernietigen, — maar al deze papieren, na gemaakt gebruik, weder aflevert aan het koninklijk geheim archief, waarin deze papieren bewaard zullen worden.quot;

„Ik zal dit bevel stipt nakomen,quot; zeide Wöllner eerbiedig: „en opdat deswege geen twijfel kunne rijzen, verzoek ik Uwe Majesteit om de genade, door een genadig schriftelijk bevel te gelasten, dat de papieren, brieven en manuscripten van den overleden Koning, (dien ik helaas niet den zaligen Koning mag noemen, want hij heeft ge-

ocr page 157

145

leefd in ongeloof en duisternis,) dat deze papieren mij door de beide geheime kabinetsraden des Konings zullen worden overgegeven; dat zij mij die bladsgewijze toetellen, en ik hun na ontvangst, een recu ter hand stel, waarbij ik mij verplicht, al deze mij toegetelde papieren weder getrouw en dankbaar af te leveren. Ik zal mij ook gewis haasten dit te doen; want de onzichtbaren hebben mij bevolen niet te dralen, maar ijverig en snel het groote werk te voltooien, dat zij mij bevolen hebben.quot;

„En is het u vergund, mijn vriend, mij mede te deelen, waarin dit groote werk bestaat?quot; vroeg de Koning.

„Ja, Majesteit, het is mij vergund, — meer nog, het is mij bevolen! Ik moet Uwe Majesteit zeggen en mededee-len, met welk oogmerk ik de manuscripten en papieren van wijlen den Koning verzoek, en waarom ik ze wil laten drukken! Dit moet geschieden, opdat de onderdanen Uwer Majesteit de oogen geopend worden, en zij zien mogen, dat degeon, dien de vrijgeesten en ongeloovigen een verlichte noemden, een bespotter van alle godsdienst was, een godloochenaar, voor wien niets heilig was; die alles hoonde en bespotte, die slechts zijn eigen zelfvergoding diende, en aan de afgoden des roems en der heidensche poëzie, alleen eerbied en erkentenis bracht. Het is mij doör de onzichtbaren bevolen geworden, den spottersgeest van den ongeloovigen Koning voor de wereld- te ontsluieren, en haar te bewijzen, dat zulk een spottende geest nooit in het hemelrijk komen, — en de zaligheid deelachtig worden kan. Hoort ge, mijn dierbare Koning en Heer,quot; voer Wöllner met verheffing van stem voort, daar juist de stilte, buiten door het dof tromgeroffel der optrekkende troepen afgebroken werd: — „hoort ge deze trommels, die het aanbreken van een nieuwen dag verkondigen! Gezegend zij deze dag, die aan millioenen verleide men-schen een gids en aanvoerder geeft, die hen terug zal brengen op het rechte pad, en het heilige kruis weder zal oprichten, 't welk zijn voorganger onder het stof zijner voeten heeft getreden. Frederik Wilhelm, heil uw volk, dat ge gekomen zijt om Gods kerk weder op te bouwen, en het rijk der geesten weder te vernieuwen. Heil u, den lieveling der onzichtbaren, heil Frederik Wilhelm!quot;

En met verrukten kreet stemde ook Bischofswerder nu

Mllhltaoh, Duitschlaiul ia woeling en strijd. III. 10

ocr page 158

146

in, en herhaalde deze woorden: „Heil u, den lieveling der onzichtbaren, heil Frederik Wilhelm!quot;

De Koning had met gebogen hoofd en nedergeslagen oogen Wollner s rede aangehoord, en de verheugde kreten zijner beide getrouwen, schenen hem slechts met onrust en angst te vervullen.

,Jk ben een onwaardige, een zondaar,quot; prevelde hij op doffen toon: „en zoo ge u mijner niet ontfermt, en mijn voorspraak zijt bij de onzichtbaren, dan ben ik een verloren, — aan het verderf overgeleverd man. Maar ik smeek u beiden, mij de hand te reiken, en mij bij te staan, opdat ik niet valle en fe gronde ga.quot;

„De onzichtbaren hebben ons bevolen aan uwe zijde te staan, en u ons leven te wijden,quot; zeide Wöllner plechtig.

„En hadden zij dit ook niet gedaan,quot; riep Bischolswer-der teeder: „dan zou mijn hart mij dit tóch gebieden, want mijn hart behoort geheel en al mijn Koning, en is gereed zijn bloed dropsgewijze voor hem te geven. Spreek dus nu, mijn Koning: wat moeten wij doen, en wat behoeft Uwe Majesteit voor den vrede van haar ziel?quot;

„Zeg, voor den vrede van mijn hart, mijn getrouwe,quot; riep de Koning: „want het is mijn hart, dat zijn vrede verloren heeft. Ik bemin! bemin met gloeiende hartstocht, en tóch heb ik in de heilige loge der onzichtbaren gezworen, dat mijn leven aan de deugd en de eerbaarheid gewijd zou zijn. ü, zegt mij, zegt mij, mijne vrienden, hoe kan ik nu mijn gelofte houden, zonder mijn hart den doodsteek te geven? Laat mij niet in vertwijfeling en smarten verzinken, maar ontfermt u over mijn nood. Ik gevoel mij ziek en ellendig; de foltering der liefde, de strijd met mijne plichten benemen mij alle kracht en allen moed. .0, slaat mij bij en helpt mij! Gij, mijn vriend Bischofs-werder, geef mij nog eenmaal van het levenselixer,'t welk de groote wonderdoener Cagliostro u heeft toevertrouwd; — geef mij gezondheid, leven en vreugd weder!quot;

„Uwe Majesteit weet wel,quot; antwoordde Bischofswerder: „dat ik u tot den laatsten droppel van dit kostbare elixer gaf, 't welk de groote wijze mij geschonken had, opdat ik eens, in de ure van mijn dood, daaruit een nieuw leven en gezondheid zou drinken. Ik heb blijmoedig mij zeiven aan den dood overgeleverd, om mijn heer en Koning nieu-

ocr page 159

147

we levenskracht le geven, en ik moet nu met diepe smart ervaren dat liet niet toereikend is geweest, um zijn doel te vervullen. Maar wat ik nooit en nimmer voor mij zeiven zou doen, zal ik voor mijn Koning doen! Ik zal de onzichtbaren smeeken om het geheim der bereiding van dit levenselixer; ik zal mij met al de kracht mijner ziel met mijne gedachten tot den Magus wenden, en hem bezweren mij te verschijnen en mij te onderrichten, hoe ik voor mijn Koning en heer het elixer des levens moet bereiden.quot;

„Ach,quot; zuchtte de Koning treurig; „als het er toe noodig is, dat de Magus persoonlijk hier verschijne, om u zijn wondergeheim mede te deelen, dan zal de wensch mijns levens wel onvervuld blijven. Want Gagliostro bevindt zich, — zooals mijn gezant mij gisteren op mijn vraag bericht heeft, — in Londen, en uit geheel Europa stroomen de geloovigen daarheen, om den verheven lijder te zien, die in Frankrijk wegens de heillooze halssnoergeschiedenis in den kerker heeft gesmacht, tot zijn onschuld erkend, en hem de vrijheid hergeven werd. Echter op voorwaarde dat hij terstond Frankrijk verlaten, — en nooit weder de grenzen des rijks overschrijden zou. Gagliostro heeft zich dus naar Londen begeven, en ontvangt daar de hulde zijner vereerders, en denkt er te blijven, gelijk hij onzen gezant persoonlijk heeft medegedeeld. Hou zouden dus uwe verzoeken en gebeden in staat zijn, den grooten Magus van .zóó verre hierheen te roepen? Zijn verheven geest is aan het lichaam gebonden, en moet zich aan de wetten van het stoffelijke onderwerpen.quot;

„Neen, mijn Koning,'' antwoordde Bischofswerder bedaard ; „de wetten van 't stof hebben geen macht op den verheven Magus Gagliostro. Hij gebiedt met de wonderkracht zijns geestes zijn lichaam, en hij moet gehoorzamen aan 't geen de geest van het lichaam begeert. Ik lees in uwe ziel, dat ge twijfelt, mijn Koning, en niet gelooven kunt aan de heerschappij van den geest. Maar ik wil, dat Uwe Majesteit geloove en tot kennis kome, want slechts daarin is voor u, — evenals voor ons allen, heil en eeuwige gezondheid le vinden. Ik zal in den aanstaanden nacht de onzichtbaren bezweren, en indien mijn gebed verhooring vindt, zal de Magus van het Noorden in dezen zelf-

ocr page 160

448

den nacht nog hier onder ons verschijnen, om mijn smeeken te verhooren.quot;

„Als dat gebeurt,quot; riep de Koning: „ben ik voor eeuwig tot geloof en erkentenis bekeerd; dan zal mij niets meer doen wankelen in mijn geloof en vertrouwen op u, mijn Bischofswerder,quot;

„Het zal gebeuren,quot; zei Bischofswerder bedaard: „ik verzoek Uwe Majesteit, in het aanstaande middernachtsuur de genade te willen hebben, mij en Crysophorus tot zich toe te laten, opdat wij in uwe tegenwoordigheid de on-zichtbaren oproepen.quot;

„In bet aanstaande middernachtsuur?quot; herhaalde de Koning verlegen, terwijl hij de oogen nedersloeg. Een snelle, doorborende blik van Bischofswerder vloog over het gelaat des Konings, en scheen op zijn ontrust gelaat zijn innigste gedachten te willen lezen.

„Ik weet,quot; zeide hij na een pauze: „ik weet dat Uwe Majesteit dezen nacht in Carlottenburg wil doorbrengen bij uwe kinderen en hunne moeder, en als Uwe Majesteit het beveelt, zullen wij ons tegen middernacht daar bevinden.quot;

„Doet dat, mijne vrienden,quot; zei de Koning haastig: „ik verwacht u in Charlottenburg tegen het [middernachtsuur — of liever, ik ben nieuwsgierig of ge werkelijk daar komen zult, en of het aan Bischofswerder's bezweringen gelukken zal, den grooten Magus tot mijn hulp en bijstand daarbij te roepen. Want ik heb hulp en bijstand noodig. O, zoo ge werkelijk mijne vrienden zijt, en de onzichtba-ren uwe oogen verlicht hebben met de stralen der kennis, dan weet ge ook, welke kwalen mijn ziel folteren, en welke smarten in mijn hart branden!quot;

„Wij weten het,quot; zeide Bischofswerder: „de onzichtba-ren hebben het ons verkondigd.quot;

„Wij weten het,quot; herhaalde Wöllner: „de onzichtbaren hebben mij bevolen, hun geliefdsten zoon. Koning Frede-rik Wilhelm te smeeken, zijn geweten niet te bezwaren met nieuwe zonden, maar de nieuwe gloeiende liefde, die in zijn hart brandt, uit te roeien.quot;

„Ik kan niet, neen, ik fcan niet!quot; riep Frederik Wilhelm, en met een innigen smartkreet sloeg hij de handen voor zijn aangezicht.

ocr page 161

149

Zijn beide vertrouwelingen wisselden een haastigen blik met elkander, en Bischotswerder schudde, — alsof hi] een onuitgesprokene, doch wèl verstane vraag van Wöllner beantwoordde, — haastig en ontkennend het hoofd. Vervolgens boog hij zich met zijne lippen aan 't oor van den zuchtenden en kermenden Koning.

- „Majesteit,quot; fluisterde hij: „wij willen in dezen nacht ook de onzichtbare vragen, of zij toegevend willen zijn voor de liefde des Konings, en zij niet vergunnen willen, dat de schoone, eerbare en deugdzame jonkvrouw von Voss, de vrouw worde van den man, welken zij bemint, zonder haar deugd Ie krenken, en hare eerbaarheid geweld aan te doen !quot;

„O,quot; riep de Koning, terwijl hij zijn arm om den hals des vriends sloeg: „indien er zulk een middel bestond, zou ik de gelukkigste der menschen zijn, en gaf er u mijn geheel koninkrijk voor, om er naar welgevallen mede te handelen. Geef mij de vrouw, die \k bemin, en ik geef u daarvoor mijn koninklijke macht!quot;

Wederom wisselden de beide vertrouwelingen een haastigen blik met elkander, en Wöllner boog zacht toestemmend zijn hoofd.

„Wij willen dezen nacht de onzichtbaren bidden,quot; zeide Bischofswerder: „en ik hoop dat zij verleenen zullen, wat Uwe Majesteit wenscht.quot;

„Maar zij zullen aan deze gunst voorwaarden en boeten verbinden,'' zeide Wöllner.

„Ik ben bereid alles op mij te nemen, en te doen wat zij begeeren. Laten ze mij slechts de bemelsche vrouw geven, waarom ik bid!quot;

IV.

DE HOFDAME.

Naar het slot. Schönhausen, het verblijf van Koningin Elisabeth Christine, Frederik's gemalin, was nog geen tijding gekomen van het overlijden des grooten Konings. Het was nog tamelijk vroeg in den morgen, en Koningin

ocr page 162

150

Elisabeth Christine, die eiken dag een afzonderlijken koerier naar Potsdam zond, om nopens den toestand des Ko-nings bericht in te winnen, was juist bezig het briefje te schrijven, dat zij eiken morgen aan baar gemaal richtte, en dat altoos slechts de deelnemende vraag naar zijn welstand bevatte.

Zij bad het briefje voltooid en vouwde het papier te zamen, toen de deur der aangrenzende kamer geopend werd, en een jonge dame van rijzige gestalte en merkwaardige schoonheid verscheen. Haar rijk, blond haar omgaf ongepoederd, met een rijkdom van kleine krullende lokken, haar hooggewelfd voorhoofd. Hare groote oogen waren van een helder, glinsterend blauw, haar fijngebogen neus gaf aan haar gelaat een voorname, aristocratische uitdrukking, en van hare purperroode, licht opgekrulde lippen schenen, als zij glimlachte, alle Amors van jeugd en lietde hunne pijlen af te schieten, op de harten der aanbidders van de schoone hotdame Julia von Voss. Haar fiere slanke gestalte toonde de tèedere vormen en liefde-lijke volheid, die wij bewonderen aan de Venusbeelden der ouden, en er was toch tegelijk iels van het majestueuse, strenge en kuische wezen van Juno in het geheele voorkomen der hofdame, — iets ongenaakbaars en eerbiedwek-kends, dat de aanbidders op een afstand hield, nadat zij aangetrokken waren geworden door deze betooverende schoonheid.

De Koningin knikte hare hofdame die een diepe buiging maakte, met een zachten glimlach den morgengroet toe. — „Ge komt om mijn biljet te verzenden, nietwaar mijn kind?'' vroeg zij: „De koerier wacht?quot;

„Neen, Majesteit,quot; antwoordde de hotdame met zekere plechtigheid: „neen, het betreft geen koerier om af te zenden, maar een koerier, die de genade verzoekt, toegelaten te worden. De kamerdienaar van uwen koninklijken neef Frederik Wilhelm is in de voorkamer, en verzoekt gehoor.''

De Koningin richtte zich met een, voor baren ouderdom ongewone levendigheid, uit haar fauteuil op. — „De kamerdienaar van mijn neef?quot; vroeg Elisabeth Christine met bevende lippen: „En weet ge, wat hij brengt?quot;

„Hij wil bet slechts aan Uwe Majesteit zelve zeggen,quot;

ocr page 163

151

antwoordde de hofdame; vervolgens, toen de Koningin in den stoel terugzonk, en haar met half weifelende stem beval, den koerier binnen te laten, opende zij haastig de deur der voorkamer, en wenkte zwijgend met een fiere handbeweging naar buiten. Terstond verscheen op den drempel der deur de breede, kolossale gestalte van den koninklijken geheimkamerdienaar Rietz. Met een glimlach op de dikke lippen, de kleine grijze oogen onafgewend op de bleeke, oude dame gericht, die hem met de uitdrukking van bedwongen angst aanstaarde, trad de kamerdienaar binnen,^ en ging bedaard en ongenoodigd, door het ruime vertrek op den fauteuil der Koningin toe.

„Majesteit,quot; zeide hij, zonder af te wachten dat de Koningin hem verlet tot spreken gaf: „ik ben door Zijne Majesteit Koning Frederik Wilhelm —quot;

De Koningin Viel hem met een luiden smartkreet in de rede: „Van Koning Frederik Wilhelm,quot; — herhaalde zij bevend; „Hij is dus dood?quot;

„Ja,quot; antwoordde Rietz, zacht het hoofd buigende: „Ja, Koning Frederik is in den vorigen nacht gestorven, en de vroegere prins van Pruisen is thans Koning van Pruisen. Zijne Majesteit laat aan mevrouw de Koningin-weduwe zijn genadigen en eerbiedigen groet brengen, en beval mij aan de Koningin-weduwe te zeggen, dat Zijne Majesteit nog in den loop van den dag hier zal komen, om Uwe Majesteit het condoleantiehezoek te brengen.''

De Koningin lette niet op de woorden van den kamerdienaar; zij had van al wat hij zeide slechts dt/. gehoord, dat haar gemaal, — dat Frederik de Groote dood was ; dat de man, dien zij sinds vijftig jaren zoo trouw, zoo onderworpen bemind had, niet meer tot de levenden behoorde.

„Hij is dood! O, mijn God!quot; riep zij weeklagend: „Hoe kan het leven voortgaan, hoe kan de wereld bestaan, zoo Frederik er niet meer is? Wat zal van het ongelukkige Pruisen worden, als de groote Koning het niet regeert, als het diens wijsheid en kracht, — zijn verlichte geest ontbreekt?quot;

„Uwe Majesteit vergeet dat de Koning een roemrijken opvolger heeft,quot; merkte Rietz met cynische onverschilligheid aan.

De hofdame Julia von Voss, die nevens den fauteuil der

ocr page 164

152

Koningin stond, fronste het voorhoofd bij deze drieste woorden van den kamerdienaar, en een trotsche blik barer glinsterende oogen trof het breede, zelfvoldaan gelaat van den vermetele.

„Ga naar buiten,quot; zeide zij, met een gebiedend handgebaar naar de deur wijzende: „wacht in de voorkamer tot hare Majesteit u laat roepen, om u haar antwoord en bare bevelen te geven.quot;

Een toornige blik vloog over het gloeiend gelaat van den kamerdienaar, maar hij onderdrukte dien snel, en nam een devote, eerbiedige houding aan.

„Uwe Genade heeft slechts te bevelen,quot; zeide hij: „ik ben de gehoorzame dienaar van de genadige hofdame, en zal mij steeds beijveren uwe bevelen stipt na te komen. Ik weet, dat ik hierin slechts den wil van mijn koninklijken meester volg, die —quot;

„Ga naar buiten!quot; beval de hofdame,met een vlammen-den blos van toorn op de wangen.

„Neen,quot; zei de Koningin, die zich thans uit haartreu-rig peinzen en staren oprichtte: „neen; laat den goeden Rietz nog hier, lieve Julie. Hij moet mij van den grooten doode vertellen. Ik moet weten hoe bij gestorven is, en hoe zijn laatste oogenblikken geweest zijn. Spreek, Rietz, verhaal mij.quot;

En de kamerdienaar verhaalde nu op geschikte wijze en met rappe tong van de laatste levensuren des Konings, en hij wist bierbij zóó behendig in het verhaal de gestalte van den nieuwen Koning te laten schijnen, en wendde zich dan telkens met zulke drieste en veelbeteekenende blikken tot de hofdame, dat deze blozend zijne blikken ontweek, en de lippen vast opeen drukte, als wilde zij de toornige en wrevele woorden terugdringen, welke haar rooskleurige mond begeerde te spreken.

„Ik verliet Zijne Majesteit den Koning bij het lijk van zijn voorganger,quot; zeide Rietz aan 't slot van zijn verhaal: ,.Maar zelfs in zijn rechtmatige smart om zijn koninklijken oom, dacht het edele en trotsche hart des Konings aan de dierbare levenden, — aan wie de gansche liefde Zijner Majesteit behoort, — en hij beval mij terstond naar Schönhausen te ijlen, om te berichten, dat bet verlangen zijns harten hem hierheen roept, en dat —quot;

ocr page 165

153

„Wil Uwe Majesteit den bode niet laten gaan? viel de hofdame hem met toornige stem in de rede.

„Ja, hij mag gaan,quot; prevelde Elisabeth Christine zacht: „Zeg den Koning, mijnen heer neef, dat ik hem verwacht, en mij zeer vereerd gevoel door zijn welwillend gedrag.quot;

„Majesteit, het is de liefde en de vereering, die hem naar Schönhausen trekken,quot; merkte Rietz aan: „ik durf dit verzekeren; want de Koning is zoo genadig, mij met zijn volkomen vertrouwen te vereeren, en hij noemt mij dikwijls zijn - quot;

Figaro, vulde de hofdame aan, met een verachtenden trek harer fiere lippen.

„Zijn vriend,'quot; vervolgde Rietz zonder, naar 't scheen, het snijdende woord der freule gehoord te hebben; „ik heb de eer, al de hartsgeheimen mijns koninklijken meesters te kennen, en —quot;

„De echtgenoot van Wilhelmine Enke te zijn!quot; riep de hofdame verontwaardigd; „Majesteit, wilt gij jden bode niet laten gaan?quot;

„Ga, Rietz,quot; zei de Koningin zacht. Rietz echter draalde nog altijd en hield de oogen met een glimlachende uitdrukking op freule von Voss gericht.

„Majesteit,quot; zeide de hofdame; „ik geloof dat de bode op een drinkgeld wacht, en wij zullen niet eerder van hem ontslagen zijn, voor gij 't hem gegeven hebt.quot;

Rietz barstte, — zonder zich voor de treurende en wee-nende Koningin te ontzien, — in een luiden lach uit. „Dat is kluchtig,quot; riep hij; „dat zal ik aan Zijne Majesteit verhalen, en het zal hem amuseeren, dat de genadige freule zijn geheim kamerdienaar en tresorier een diinkgeld aanbiedt! Hij zal het betooverend vinden van Uwe Genade, want Zijne Majesteit vindt alles betooverend wat Uwe Genade doet. Ik wacht echter niet op een drinkgeld, maar ik wacht op het verlof, om aan de hofdame von Voss de boodschap over te brengen, welke Zijne Majesteit mij voor Uwe Genade heeft opgedragen, en ik verzoek de freule dus —quot;

„Ga naar buiten en wacht in de voorkamer, tot ik u laat roepen,quot; beval de freule.

„üw Genade, zal dat spoedig zijn?quot; vi^oeg Pdetz met zijn onverstoorbare kalmte; „Ik veroorloof mij op te merken.

ocr page 166

154

dat ik nog andere boodschappen voor Zijne Majesteit te verrichten heb, en dus vraag ik, of Uwe Genade mij spoedig zal laten roepen?quot;

„Gij hebt niets te vragen, maar slechts te gehoorzamen,quot; zei de freule fier.

Rietz haalde de schouders op, boog zwijgend voor de Koningin, die, in smart verzonken, van al wat om haar voorviel, niets bemerkte; ging toen met forschen tred door de kamer, en begaf zich in de voorzaal.

„Zij is zeer trotsch, zeer overmoedig,'' bromde hij voor zich, terwijl hij zich in de eenzame voorkamer zóó ongemanierd op een der stoelen liet nedervallen, dat ze krakend onder hem waggelde: ,,,Ta waarachtig, zij is zeer trotsch; het zal moeite kosten haar te temmen. Maar getemd zal zij tóch komen, en er zal wel een dag komen, op welken ik haar vergelden kan, dat zij mij heden zoo gehoond heeft! „Figaroquot; heeft zij mij genoemd. Ik weet wel wat dit beteekenen moet, want wij hebben niet vergeefs Fransch leeren spreken, en zijn niet tevergeefs een beschaafd man! Nu ja. Figaro! Ik begrijp! De altoos dienstvaardige knecht van den graaf Almaviva, de koppelaar bij de schoone Piosine. — O, o, freule, neem u in acht! Ik ben heden de Figaro, die helpt Rosine te veroveren, en aan den graaf Almaviva over te leveren. Maar ik heb óók mijne schoone Suzanne; en op een dag, als Almaviva zijn goddelijke Rosine moede is, zal hij zich weder tot mijne Suzanne wenden, en die zal u dan weder op den achtergrond schuiven. — Figaro! O, genadige hofdame, ik zal het u inpeperen, dat ge mij zoo genoemd hebt. Nog heden wil ik er met mevrouw mijne echtgenoote over spreken!quot;

V.

FIGARO.

Terwijl Rietz zich aldus aan zijne wraakgierige en toornige gedachten overgaf, bevond de hofdame zich nog altoos

ocr page 167

155

naast de Koningin, en trachtte haar tevergeefs met zachte woorden en teedere toespraak te troosten.

„Uwe Majesteit lijdt immers toch slechts een denkbeeldig verlies,quot; zei de hofdame ten laatste, toen zij alle troostredenen had uitgeput; „het zal voor u blijven zooals het tot hiertoe sinds vele jaren geweest is, en het maakt voor Uwe Majesteit volstrekt geen onderscheid, of uw koninklijke gemaal nog te Sanssouci resideert, dan of hij gestorven is. Uwe Majesteit was immers tóch ver van hem.quot;

„Maar ik was hem toch nabij met mijne gedachten,quot; klaagde Elisabeth Christine: „ik wist toch dat hij leefde, dat hij dezelfde lucht inademde als ik; dat de zonnestraal, die mij verkwikte, ook op zijn geliefd, edel hootd neder-viel. Ik wist, dat de oogen van geheel Europa gericht waren naar Sanssouci, en dat ieder woord van den grooten Koning, floor geheel Europa weerklank vond. Het deed mij goed, — het was mijn troost voor alles wat ik ontbeerde, dat deze groote held en Koning, dien iedereen aanbad, iedereen bewonderde, — dat hij soms in zijn onuitsprekelijke goedheid aan de arme gemalin dacht, en soms een straal van vreugde in haar donker, stil leven liet schijnen. Op eiken Nieuwjaarsdag mocht ik toch aan zijne zijde zijn, en het groote hotcour met hem gemeenschappelijk houden, en dit was altijd een gebeurtenis, waarop ik mij reeds het geheele jaar verheugde; want bij het cour was de Koning steeds de eerste, die mij, — schoon ook zwijgend, — feliciteerde, en hij zag mij dan met zijn wonderbare oogen zuó vriendelijk en zacht aan, dat mijn hart herleefde van geluk en zaligheid.quot;

„Maar hij sprak nooit met Uwe Majesteit, de harde, wreede Koning!quot; riep de hofdame de schouders ophalende.

„Laster hem niet,quot; zei de Koningin haastig: „Hij was niet hard, niet wreed. Want ware hij dit geweest, dan zou hij, toen hij Koning werd, de hem opgedrongene en onbeminde gemalin, van zijne zijde verstoeten hebben. Maar hij was zacht en goed; hij duldde mij. hij gunde mij het geluk hem te beminnen, mij de zijne te mogen noemen, hoezeer hij ook niet de mijne was. In plaats van mij te verbannen, zooals hij kon'de doen, verdroeg hij mij, en liet mij de koninklijke eer, welke zijn gemalin toekwam. 't Is waar, ik heb hem zelden gezien, en nogzeld-

ocr page 168

156

zatneF gesproken, — maar ik wist toch van hem, en nooit liet hij mijn geboortedag voorbijgaan, zonder mij eigenhandig zijn gelukwensch te schrijven. Eens, — ach eens ging hij in zijn goedheid zelfs zóó ver, dat hij de Nieuwjaarsaudiëntie hier te Schönhausen hield, wijl mijn zieke voet mij verhinderde naar Berlijn te gaan. O, dien dag zal ik nooit vergeten, want het is de eenige keer, dat mij de Koning hier bezocht heeft, en sedert was het mij, alsot de zon nooit meer onderging, maar eeuwig in deze zalen scheen, welke Frederik doorwandeld had! „Op dien dag,quot; vervolgde de Koningin geheel in hare herinneringen verdiept, met een treurigen glimlach; „op dien dag gebeurde ook iels, wat het geheele Hof in verbazing bracht, en geheel Berlijn er over deed spreken. De Koning, die mij anders te Berlijn op het Nieuwjaarscour altoos slechts van verre groette, en mij slechts van verre aanschouwde, — de Koning naderde zeer dicht mijn stoel, reikte mij de hand, en vroeg mij met vriendelijke, deelnemende woorden naar mijn welsiand. Ik was door dit onverwacht geluk zóó verward, zóó bedwelmd, dat ik schier in onmacht ware gevallen. Mijn hart klopte alsof het zou bersten, en ik was niet in staat slechts een enkel woord te zeggen, tenzij de tranen, die uit mijne oogen nedervloeiden, voor hem een antwoord waren. 2) Sedert dien dag echter heeft de Koning nooit weer tot mij gesproken; doch de woorden, welke hij toen zeide, hebben steeds als een heerlijke muziek in mijn hart weerklonken, en zij zullen in mijn sterfuur nog mijn graflied zijn.quot;

„O,quot; riep de hofdame half bewonderend, half verontwaardigd: „o, hoe is het toch mogelijk dat men zóó beminnen kan!quot;

De Koningin, — die geheel vergeten had, dat zij niet tot zich zelve sprak, dat iemand de zachte klaagtonen barer herinnering hoorde, — hief schielijk het hoofd op, en hare blauwe oogen schitterden, alsof zij in plaats van zeventig jaren, er slechts zeventien geteld hadden.

„Hoe zou het mogelijk zijn, dat men wiei zoo beminnen kon, als het Frederik de Groote is, dien men bemint,quot; zeide zij fier: „ik had deze liefde tot mijn leven, tot mijn

1) Zie Preuss; Friedrich der Grosse. Eine Lebensgeschichte. IV.

ocr page 169

d57

godsdienst, tot mijn hoop op do onsterfelijkheid gemaakt! Ik wijdde haar mijn gelieele ziel, al mijn denken en gevoelen; en zij gaf mij daarvoor de vreugde der onderwerping, de kracht van het dulden. Zonder deze mijne groote, schoone liefde zou ik in de eenzaamheid en woestheid van mijn leven zijn ondergegaan; door haar had mijn leven zijn waarde, zijn verrukking en zijn onverwelkbare jeugd. De jaren hebben mijne haren gebleekt en mijn gelaat gerimpeld, — maar in deze vervallene, ellendige gestalte der oude vrouw, klopt het hart van een jong meisje, en over alle tijden en gebreken heen, draagt mij mijn hart met zijn eeuwig jonge liefde tot gindsche hoogten, waar ik hèm weder zal zien, en hij misschien de liefde zal beantwoorden, welke hij hier versmaadde. De liefde veroudert niet; als men haar in het hart draagt, verdwijnen de jaren als vluchtige droomen, en met onsterfelijke jeugd verheerlijkt zich het sterfelijke zijn. Verwonder u dus niet, Julie, dat de arme oude vrouw, welke gij voor u ziet, in weerwil van haren ouderdom, nog spreken kan van hare liefde. Zij was de liefde mijner jeugd, en zoo is üe liefde voor mij gebleven! En

ga nu, mijn kind; laat mij alleen met mijne herinneringen en met mijn grooten doode. Ik heb veel met hem te spreken en te zeggen, wat alleen God hooren mag! Ga, mijn kind, en zoo ge ooit bemint en lijdt, denk dan aan dit uur!quot;

Zij wenkte het jonge meisje vriendelijk een afscheidsgroet toe, en toen de hofdame naar buiten ging, zag zij nog dat de Koningin op hare knieën nederzonk.

Langzaam, met gebogen hoofd ging Julia von Voss door de aangrenzende binnenvertrekken naar haar kamer. — „Ik zal nooit zóó beminnen en dus nooit zoo lijden,quot; zei-de zij tot zich zelve: „ik begrijp niet, hoe men zijn eigen ik zóó kan weggeven en verliezen aan een ander, vooral wanneer deze andere, ons niet gloeiend bemint, even gloeiend als mij —quot;

Zij zweeg en bloosde, en een rilling liep door hare leden. „Ik zou wel willen weten, of hij mij wel zoo vurig bemint, als deze vrouw haar gemaal heeft bemind, of — Maar, mijn God,quot; brak zij haar eigen gedachten af: — „ik vergeet immers, dat zijn kamerdienaar wacht, en mij een boodschap te doen heeft!quot;

ocr page 170

458

En loen zij nu haar woonkamer was binnengetreden, schelde zij, en beval hare kamenier den kamerdienaar Rietz uit de voorkamer der Koningin tot haar te brengen.

Vervolgens ging zij met langzame schreden op en neer. Zware zuchten deden haren boezem zwellen, en zacht duisterden hare lippen: „Tk bemin hem niet! Neen, ik bemin hem niet, en evenwel zal ik zijn liefde niet langer kunnen weerstaan, want allen zijn tegen mij; zelfs mijn eigen verwanten zijn bereid mij op te oiferen. Opdat zij groot en aanzienlijk mogen worden, moet ik in het stol worden getreden, en opdat zij in eere kunnen leven, moet ik in schande leven! Maar ik wil niet!quot; riep zij plotseling luid, en hare gestalte richtte zich trotsch op, en zij hief het fraaie hoofd omhoog; „Neen, ik wil niet in schande leven; ik wil niet, dat iedere eerbare vrouw het recht zal hebben met den vinger op mij te wijzen, en mij gelijk te stellen met de schaamtelooze vrouw van dezen afschuwelijken Rietz! Ik wil niet, dat men freule Julia von Voss de maitresse des Konings noemèn kan. Ik wil dat niet, en —quot;

„De geheimkamerdienaar des Konings!quot; kondigde de kamenier aan, en achter haar trad Rietz de kamer der hofdame binnen.

„üe arme Figaro heeft zeer lang moeten wachten, mijn genadige Ireule,quot; zeide bij met een spottenden glimlach; „Uwe Genade is zeer wreed jegens Figaro's genadigen heer, die op uw antwoord wacht.quot;

„Ik heb u niet naar uwe meening over mij gevraagd,quot; zeide de hofdame met haar fierste houding: „Gij zijt de bode des Koning, — spreek dus, voer's Konings bevel uit!quot;

„Ach Hemel! Hier betreft het geene bevelen, maar slechts beden des Konings,quot; zuchtte Rietz schouderophalend: „Zijne Majesteit verzoekt de hofdame verlof, haar na de condoleantievisite bij de Koningin-weduwe Hoogstdes-zelfs bezoek te mogen brengen.quot;

„Ik zal uit hoofde der etikette immers tegenwoordig zijn als Zijne Majesteit de Koningin-weduwe zijne opwachting maakt,quot; zei de freule: „en als Zijne Majesteit mij iets te zeggen heeft, moge hij de genade hebben, daar met mij te spreken.''

„O, o, dat gaat niet,'' zeide Rietz met een zachten glim-

ocr page 171

lach: „indien Zijne Majesteit de genadige freule hier in hare kamer een bezoek wenscht te brengen, zal hij wel iets te zeggen hebben, dat niet voor de ooren van andere dames bestemd is. Misschien wil Zijne Majesteit wel over de betrekkingen der Koningin-weduwe met Uwe Genade spreken, en om uwe genadigen raad verzoeken hoe die te regelen. Ik vermoed, dat de Koning den hofstaat der Koningin-weduwe en haar Huis aanzienlijk wil vergrooten, want hij sprak er onlangs met wezenlijke verontwaardiging van, dat de hofdames van Koningin Elisabeth Christine zulk een geringe jaarwedde ontvingen, en er nauwelijks fatsoenlijk van konden leven. De Koning zal het zijn heiligen plicht achten, de jaarwedde der hofdames te verhoogen, en het zou voor Zijne Majesteit gewis een ware vreugde zijn, zoo Uwe Genade hem wil zeggen hoe hoog de jaarwedde zijn moet, welke Uwe Genade wenscht. Uwe Genade behoeft zich in 't minst niet te ontzien om een zeer aanzienlijke som te noemen, want Zijne Majesteit is mild en edelmoedig, en hij zal zeer gelukkig zijn den wensch Uwer Genade te vervullen. Het zou misschien nuttig zijn, zoo Uwe Genade de goedheid wilde hebben mij reeds vooruit eenige aanwijzingen te doen, opdat ik Zijne Majesteit voorbereide. Ik zal zeer gelukkig zijn, zoo Uwe Genade mij tot uwen onderdanigsten dienaar aannemen wil, en misschien zou 'took voor Uwe Genade nuttig kunnen zijn, — want geheel Berlijn en Potsdam, ja geheel Pruisen weet, dat ik de factotum des Konings ben.quot;

„Heeft Zijne Majesteit u opgedragen mij al deze onbeschaamdheden te zeggen?quot; zei de freule koel.

„Hoe! onbeschaamdheden?quot; vroeg Rietz, geheel in de war door de trotsche, verachtende houding der dame, die hem, — den veelvermogenden factotum, — met zooveel atkeer aanschouwde: „Ik weel toch niet, ik heb toch niet —quot;

„Zwijg,quot; gebood de freule: „ik heb u, uit betamelijken eerbied voor den Koning, aangehoord. Nu echter beveel ik u uit betamelijken eerbied voor mij zelve, u dadelijk te verwijderen. Ik zal later Zijne Majesteit zelve vragen of hij zijn kamerdienaar werkelijk heeft opgedragen, mij iets anders te zeggen, dan dat Zijne Majesteit mij de eer van zijn bezoek wilde bewijzen. Ga!quot;

ocr page 172

IGO

Zij keerde den kamerdienaar trotsch den rug toe, en ging door de kamer heen, toen zij zich plotseling tegengehouden voelde. Het was Rietz, die haar gegrepen had, en nu op zijne knieën nederzonk en met smeekend gebaar tot haar opzag.

„Vergeving, Uwe Genade, vergeving! Ik heb mij zeker verkeerd uitgedrukt, want anders zoude Uwe Genade niet zoo verstoord, den onderdanigsten uwer dienaren willen verlaten. Ik wilde slechts zeggen, dat —quot;

„Dat gij de echtgenoote van Wilhelmine Enke zijt!quot; riep de freule met een luiden spotlach, terwijl zij haar kleed zóó driftig terugtrok, alsof een giftig dier het had aangeraakt. Vervolgens verliet /ij, — nog altoos lachende, en zonder een enkelen blik op den knielende te richten, — de kamer.

De kamerdienaar Rietz richtte zich van zijne knieën op, en zijn vroeger glimlachend gelaat nam nu een valsche, grimmige uitdrukking aan.

Hief de hand dreigend op tegen de deur, en zijne lippen fluisterden een vloek en een verwensching. Vervolgens vloog een grijnslach over zijn van toorn gloeiend gelaat.

„Ja, zeide hij: „ik ben de echtgenoot van Wilhelmine Enke, en dat zal eens uw verderf worden! Dreig maar, spot maar; ge zijt tóch niet beter dan de lijster, die in het net vliegt, om de roode bessen, waarmede men hem gelokt heeft, te eten en daarbij ellendig omkomt. De net ten zijn gesteld, de roode bessen zijn gestrooid, en ge zult de verzoeking niet weerstaan, mijn allerliefste lijster; — ge zult gevangen worden en te gronde gaan!quot;

En met een schamperen lach wendde hij zich om, en verliet de kamer.

De hofdame Julia von Voss had zijn verraderlijke woorden niet gehoord, maar er was toch in haar hart een onuitsprekelijke angst, een pijnlijke ongerustheid, en toen de deur zich nu opende en haar broeder, de koninklijke kamerheer Karei von Vos binnentrad, gilde zij luid en zeeg op een stoel, terwijl zij haar gelaat met hare handen bedekte.

„Maar, Julie,quot; zeide haar broeder misnoegd: „welke kinderachtigheden zijn dat nu weder, en wat komt u over? Waarom schrikt ge voor mij?

ocr page 173

161

„Ik weet niet,quot; zeide zij: „maar toen ge straks in de deur verscheent, was het mij alsof ik den verzoeker zag komen, die mij tot zonde en schande verleiden wil.quot;

„Zeer vleiend,quot; inderdaad lachte mijnheer von Voss: „maar er kan iets van aan zijn. Ge vergeet echter te zeggen, dat de verzoeker u tegelijk de wereld wil aanbieden. Hoe zeide Satan tot Christus, toen hij hem op den berg gevoerd, — en hem de wereld aan zijne voeten getoond had: „Dit alles zal u onderdanig zijn, zoo ge mij volgen, en mij als uwen heer erkennen wiltquot; Ook ik, Julie, kom om u een deel der wereld aan te bieden, om een land, een kroon en een Koning aan uwe voeten te leggen.quot;

„Ge hebt den Koning gezien? Hij heeft met u gesproken?'' vroeg Julie hijgend.

„Hij zendt mij als ■postillon d'amour vooruit, en zal spoedig zelf hier zijn.quot;

„Ik wil hem niet zien,'quot; riep de hofdame, beide handen afwerend uitstekend: „neen, ik wil hem niet zien, nooit! Hij zal mij geen bezoek brengen, ik grendel mijn deur, en zal haar niet eerder openen, dan als hij weg is, en het eindelijk opgeeft, mij te vervolgen en te kwellen.quot;

„Mijn lieve,quot; zei de heer von Voss op kalmen toon: „ik ben gekomen, om een ernstig beslissend woord met u te spreken. Ge moet thans een bepaald besluit nemen; of liever, ge moet er toe besluiten, te doen, wat uwe familie, wat het verstand, de eerzucht en de trots u raden. Gij hebt meteen bewonderenswaardige schranderheid en consequentie den Koning aan u geboeid, en ik maak u mijn compliment. Geen dierentemmer kan een leeuw met meer bekwaamheid en kunst, en met beter gevolg temmen, dan gij uwen koninklijken leeuw hebt getemd, zoodat hij u als een lam op den voet volgt. Reeds drie jaren duurt deze temming, en hoe wreeder ge zijt, hoe meer ge hem slaat, des te teederder volgt hij u. Maar alles heeft zijne grenzen, mijn schrandere zuster, en als men de lijn al te sterk spant, breekt ze.''

„Deed ze dat maar!quot; riep Julie wanhopig: „Dit is't juist wat ik wil, wat ik bedoel. O, mijn broeder; gij, en gij alle, mijn wreede verwanten, gij vergist u in mij, en wat ge voor geraffineerde koketterie houdt, is toch slechts de

Hühlbaoh, Duitschlcmd in woeling en strijd. III. li

ocr page 174

162

ware en oprechte uitdrukking mijner innigste gevoelens. De Koning heett mij sinds drie jaren met zijne liefde vervolgd; ik heb hem drie jaren lang met stroefheid en koelheid afgewezen, ik heb hem op alle wijzen met woorden, blikken en gebaren te kennen gegeven, dat zijn liefde mij lastig is en mij beleedigt. Ach, mijn God, ik zou deze ondragelijke, vreeselijke liefde willen ontvluchten tot het einde der wereld, maar ik kan niet weg, want ik ben arm; ik bezit geene middelen om elders te leven, om mij te bevrijden van deze vreeselijke banden, waarin gij allen mij wilt sluiten.quot;

„En buitendien, mijn lief zustertje, beken het slechts, buitendien houdt u uw eigen hart hier terug. Gij bemint den Koning.quot;

„Neen,quot; riep zij heftig: „neen, ik bemin hem wei, hoewel ik zeggen moet, dat er geen man op de wereld is, die mij ooit beter behaagd heeft. Maar ik bemin hem niet, mijn hart klopt niet sneller als hij komt, mijn ziel verlangt niet naar hem, als hij verwijderd is, en somwijlen, als de Koning aan mijne zijde is, bekruipt mij een vreeselijk, angstig gevoel, en ik zou willen vluchten, en tot de geheele wereld willen schreeuwen; „Red mij, red mij voor den Koning!quot; Neen, ik bemin den Koning niet, en zoo ik hem afwijs, geschiedt dit niet uit sluwheid, maar wijl mijn hart er mij toe drijft. Zie er dus van af, mij voor uwe plannen te winnen. Ik wil niet de gezellin van mevrouw Rietz worden!quot; , ,

„Waarachtig, dat zult ge ook niet,quot; zeide haar broeder ernstig: „integendeel, mijn schoone, wijze zuster; gij zult deze onwaardige persoon verdringen; gij zult de weldoenster van Pruisen worden, en eerbaarheid, deugd en zedelijkheid zullen door u weder in aanzien komen aan het Hof van onzen jongen, heminnenswaardigen Koning.quot;

De oogen der schoone hofdame vlamden op, en een zacht rood overtoog hare wangen.

„Zoo dat mogelijk ware,quot; riep zij op den toon van innige vreugde: „.Ta, zoo het mij gelukken kon, den Koning aan deze schandelijke banden te onttrekken, — zoo ik deze gehate vrouw onschadelijk kon maken, zou dit waarlijk een taak zijn, terwille waarvan men veel zou kunnen overwinnen, veel verdragen.quot;

ocr page 175

163

„Ge haat dus deze Wilhelmine Rietz wel zeer?quot;

„Mijn God, wie zou haar niet haten?quot; vroeg Julie raet vuur; „Zij is de schande van haar geslacht, zij hoopt oneer op het hoofd van onzen edelen, genialen Vorst, zij heeft zijn gemalin reeds vele tranen ontlokt, en —quot;

„En u ook eenige, nietwaar?quot; viel haar broeder glitn-laclaend in; ,,Mijne schoone Julie, ge hebt u zelve verraden, ge zijt jaloeramp;'ch. Men is echter slechts jaloersch als men bemint. Ontken het dus niet langer, — ge bemint den Koning.quot;

„Neen, neen, ik bemin hem niet!quot; riep zij heftig: ,,lk wil hem niet beminnen, want de schande zou mij dooden. Ach, ik bezweer u, broeder, verlang niet van mij, dat ik mij aan schande overlever. Heb toch erbarming met mij, en dring mij niet met geweld uit de rust en de stilte van een vreedzaam leven. Ik wil immers tevreden zijn, hier in eenzaamheid en stilte aan de zijde der ongelukkige Koningin te blijven, mijne dagen in verlatenheid en verveling voort te slepen, en van geen dag iets meer te verlangen, dan dat hij ten einde zij. Ik ben niet eerzuchtig, en begeer niet te schitteren; vergun mij dus stil in de schaduw te staan en te vergaan.quot;

„Neen, mijn lieve zuster, wij gunnen u dat mei,quot; zei de kamerheer schouderophalend; „zoo het u alleen betrof, nu ja, dan moest men het zich laten welgevallen, en ge mocht uw leven regelen zooals gij goed vondt. Maar achter u staat uwe familie — uwe familie, die door rampen van velerlei aard achteruit is gegaan, en volstrekt niet den stand inneemt, die haar toekomt, en welken ik vóór alles wensch. Want ik beken het, c/tère soeur, ik ben eerzuchtig, ik wil carrière maken. Ik ben thans op den besten weg er toe, en wil door u niet tegengehouden, — maar geholpen worden. Zoo ge den Koning afwijst, valt natuurlijk uw geheele familie in ongenade, en dit bevalt nóch mij, nóch onzen waarden oom, den opperhofmeester der tegenwoordige Koningin-weduwe. Hij wenscht opperhofmeester des Konings, — en ik wensch kabinetsminister te worden. Buitendien behoeven onze fmantiën ten zeerste hulp; ons familieslot is vervallen, de bosschenzijn gekapt, de bodem is slecht bebouwd, de gebouwen en stallen moeten vernieuwd worden, want zij zijn slechts

ocr page 176

1(54

ellendige ruinen, waarin het half verhongerde vee geen bescherming tegen het weêr vindt. Gij zijt er toe geioepen om den glans van het oude geslacht von Voss weder op te frisschen.,,

„Door mijn oneer, door mijn verderf,' zuchtte de hofdame: „O, mijn moeder, mijn dierbare, geliefde moeder; waarom hebt ge mij verlaten, en zijl voor al deze laagheden naar den hemel gevlucht! Zoo gij nog bij mij waart, zoudt ge mij beschermen, en 't niet dulden dat men mij

zoo wreed in verzoeking bracht!

Ge herinnert mij ter goeder ure aan onze dierbare moeder, lieve Julie,quot; zei de heer von Voss: ,,Weet ge nog wat zii op haar sterfbed tot u gezegd heeft?

Ja miin broeder, dat weet ik,quot; antwoordde zij zacht: Zii heeft gezegd: „Ge zult geen wees zijn, want gij hebt uwen broeder, die voor u zorgen, — en u beschermen zal. Ik draag al mijne rechten op hèm over, want hij is van nu af aan het hoofd der familie, en ge zult hem^ als zoodanig beminnen en eeren, en hem gehoorzamen. .

Ik draag al mijne rechten op hem over, want hij is van nu af aan het hoofd der familie,quot; herhaalde de heer von Voss met verheffing van stem : „Vergeet dat met, mijn zuster. Ik, als het hoofd der familie, vorder van u, dat ge de weldoenster zult worden uwer familie, van uwe Koningin, ja, van 't geheele vaderland. Het is een grootsche, heilige taak, welke ik u stel. Gij zult het land, de Koningin, den Koning zeiven bevrijden van de heerschappij der^zonde, der gemeenheid, van de ellendige, schandelijke maitressen regeering. Met één woord; gij zult de verac i-teliike Wilhelmine Rietz en haren afschuwelijken man verdringen, en eerbaarheid, deugd en zedelijkheid weder aan dit Hof invoeren. Waarlijk, mij schijnt dit een heerlijke, grootsche taak, wél waardig door mijn edele, schoone

zuster volbracht te worden.quot; „ .

Het zal mij niet gelukken haar te volbrengen, nep de' hofdame levendig: „de Koning zal er nooit in bewilligen den gehaten Rietz te verbannen.

Des te grooter zouden dus de roem en de eer zijn, zoo het u gelukt den Koning van deze onwaardige, ge-meene maitresse, — de Koningin van deze slang, en e land van dezen bloedzuiger te bevrijden. Ha, de geheele

ocr page 177

165

Koninklijke familie, ja, geheel Pruisen zou u zegenen en prijzen, zoo ge deze Rietz en haren soi-disant echtgenoot verdringen kondt.quot;

„Ja,quot; zeide Julie zacht en nadenkend voor zich: „het zou een verhevene, een heerlijke taak zijn, maar ik zou haar moeten koopen voor mijn eigen oneer en vernedering. En dat wil, dat kan ik niet. Bloeder, mijn geliefde broeder, wees toch barmhartig; vorder niet het onmogelijke, het verschrikkelijke. De dochter mijner moeder kan niet de maiteresse des Konings worden!quot;

,.En wie zegt dan, dat ge dat worden zoudf?quot; vroeg de heer von Voss schouderophalend; „Waarachtig, ik zou de laatste zijn, dit van u te vorderen en tebegeeren. Neen; niet de maitresse, maar de vrouw des Konings, — de eerlijke gehitiude vrouw des Konings zult ge worden, en een geestelijke der gereformeerde kerk, zal uw wettig huwelijk met den Koning inzegenen.quot; quot;

„Dat is immers onmogelijk,quot; riep de hofdame, wieroo-gen onwillekeurig opvlamden van vreugde: „dat kan immer niet zijn. De Koningin leeft, zij is de wettige gemalin des Konings.''

„Ja, de wettige gemalin der rechterhand,quot; zei de heer von Voss bedaard: „maar de Koning heeft, gelijk ieder ander sterveling twee handen, en hij heeft een voorrecht, dat andere stervelingen niet hebben; het recht, ook aan de linkerhand een vrouw te kunnen trouwen.quot;

„Onmogelijk, geheel onmogelijk, zoolang de gemalin der rechterhand leeft!'' riep Julie.

„Hierover heeft alleen het consistorie der geestelijke aangelegenheden te beslissen,quot; antwoordde haar broeder bedaard: ,,of veeleer, ik drukte mij verkeerd uit, — het consistorie heeft slechts een raadgevende stem, de beslissing heeft alleen de Koning, die in ons land de kerk vertegenwoordigt, en het opperhoofd er van: de evangelische paus is. Hém komt het toe te zeggen, of zulk een huwelijk met de linkerhand mogelijk is, in weerwil van een huwelijk met de rechterhand. Vorder dit van hem, stel hem dit tot voorwaarde. Herinner u de woorden, welke de schoone Gabrielle tot Hendrik IV zeide, toen hij hare woning bezichtigde, en hij de door hem aangebedene dame vroeg: „Waar is de weg naar uw slaapvertrek?quot; — „Sire,''

ocr page 178

166

antwoordde zij hem, „de weg naar mijn slaapvertrek gaat door de kerk!— Herinner u dit, als ge den Koning spreekt.

.Gewis, ik zal 't mij herinneren, ' nep Julie met gloeiende wangen en een trotschen. vroolijken glimlach; „Ik zal den Koning mijne voorwaarden stellen, en slechts als hij die vervult, zal ik er in bewilligen de zijne te worden

en —

Nu waarom zwijgt ge, waarom bedekt plotseling een blos uwe wangen? - Ha, ge hoort een équipage aanrollen, en uw scherpzinnig, teeder hart zegt u, dat het de Koning

__uw toekomstige gemaal is, die komt. Ja, mijn schoone

7nsterquot; quot;-ins de heer von Voss voort, terwijl hy aan t venster trad en naar buiten zag; „ja^ het is de Koning. Nu houd u gereed, mijn schrandere, trotsche Ju he, uwen koninklijken minnaar waardiglijk te ontvangen. Want ge zult hem immers ontvangen? Ik mag Zijne Majesteit immers zeggen dat ge zijn aangekondigd bezoek met vreugde

welkom heet?'' ,, , , ,. __.

Neen, ach mijn God, neen,quot; prevelde de hotdame met

bevende lippen: „ik ben er niet op voorbereid, ik kan

den Koning thans niet zien. , j .

Geen kinderachtigheid!quot; zeide haar broeder streng. Ge zult nog tijd hebben u voor te bereiden en een besluit te nemen, want de Koning gaat eerst tot de Koningin-weduwe en er zal wel een kwartieruurs verloopen, eer de condo'leantievisite geëindigd is. Ik verlaat u nu, maar bedenk, dat ik het geluk van uw huis, van uwe tamilie, zoowel als van het geheele land, in uw hand heb gelegd

en handel daarnaar.quot;

Hü verliet haastig, zonder haar antwoord af te wachten, de kamor, en begaf zich naar de groote audiëntiezaal beneden, waar de hovelingen en edellieden des Komnig bijeen waren, terwijl de Koning zich tot de Koningin-weduwe in

haar kabinet begeven had. . , , . . , ••

Onder het gevolg van den Koning bevond zich ook zijn vertrouweling, de nieuw benoemde kolonel von Bischols-werder, en naar dezen begaf zich de heer von Voss, toen hü de audiëntiezaal was binnengekomen.

Het zal'gelukken,quot; zeide hij zacht: „wy zullen ons hoog enquot; verheven doel bereiken, op onze vijanden zegevieren, en ons en de onzichtbare vaderen de heerschappij verze-

ocr page 179

167

keren. Mijn zuster bemint den Koning; maar zij is in deugd en eerbaarheid grootgebracht, en zou liever den Koning en hare liefde, — dan hare zedelijke grondbeginselen opgeven.quot;

„Te waardiger is zij voor de hooge roeping, waartoe de wil der onzichtbaren haar heeft uitverkoren,quot; zei Bischofs-werder met ophef; „Zij zal onzen dierbaren, geliefden heer en Koning uit de armen der zonde redden, en hem tot de deugd terugvoeren aan de hand der liefde, die geheiligd en gewijd is door dii edele oogmerk en doel.quot;

„Maar zij verlangt nog eene andere heiliging en wijding. Zij verlangt de wijding eener rechtmatige, wettige echtverbintenis. Zoo wij haar die verschaffen kunnen, zal mijn zuster later onze gehoorzame en verkleefde vriendin zijn; het werktuig, waardoor wij, — dat heet waardoor de onzichtbaren, — regeeren en heerschen.quot;

„Het is voorwaar een groote en stoute eisch,quot; zeide Bischofswerder; „maar wij moeten haar trachten te vervullen. Wij willen met onzen edelen en schranderen vriend Wöllner hierover spreken, en ook aan de voeten van den verheven groot-kophta en meester der onzichtbare loge, willen wii den eisch der edele hofdame nederleggen.quot; ■

„Is hij hier, de groot-kophta?quot; vroeg de heer vonVoss levendig: „Het is dus werkelijk waar, wat gisteren de kringdirecteur in de vergadering aankondigde; de groot-kophta verwijlt in onze nabijheid?quot;

„Hij was ondet' ons in die vergadering, en de adem zijner heerlijkheid wuifde om ons allen,'' zei Bischofswerder; „maar slechts de ingewijden van den hoogsten graad hebben de kennis van het eeuwige heil, en de wetenschap der nabijheid van de onzichtbaren. O, mijn vriend, hoe heb ik u gisteren in de vergadering beklaagd, dat ge nog staat in den voorhof van den tempel, en nog niet binnengetreden zijt in het heilige binnenste!quot;

„Wat moet ik doen om hiertoe te komen?'' vroeg de heer von Voss dringend; O, zeg mij, mijn dierbare, benij- • denswaardige en begenadigde vriend, wat moet ik doen om voorwaarts te gaan, om de genade deelachtig te worden, uit den voorhof in het heilig binnenste van den tempel te mogen treden, en tot de zieners te behooren?quot;

„Ge moet tot de geloovigen, de hopenden en de gehoor-

ocr page 180

166

antwoordde zij hem, „de weg naar mijn slaapvertrek gaat door de kerk! — Herinner u dit, als ge den Koning spreekt.

Gewis, ik zal 'tmij herinneren, ' riep Julie met gloeiende wangen en een trotschen. vroolijken glimlach: „Ik zal den Koning mijne voorwaarden stellen, en slechts als hij die vervult, zal ik er in bewilligen de zijne te worden

Nu, waarom zwijgt ge, waarom bedekt plotseling een blos uwe wangen? - Ha, ge hoort een equipage aanrollen, en uw scherpzinnig, teeder hart zegt u, dat het de Koning

__uw toekomstige gemaal is, die komt. Ja, mijn schoone

7uster quot; o-ing de heer von Voss voort, terwijl hij aan t vensier frad en naar buiten zag: „ja, het is de Koning. Nu houd u gereed, mijn schrandere, trotsche uwen

koninklijken minnaar waardiglijk te ontvangen. Want ge zult hem immers ontvangen'? Ik mag Zijne Majesteit immers zeggen dat ge zijn aangekondigd bezoek met vreugde

WelNeen, ach mijn God, neen,quot; prevelde de hofdame met bevende lippen; „ik ben er niet op voorbereid, ik kan

den Koning thans niet zien!' , ,

Geen kinderachtigheid!quot; zeide haar broeder streng. Ge zult nog tijd hebben u voor te bereiden en een besluit te nemen, wint de Koning gaat eerst tot de Koningin-weduwe en er zal wel een kwartieruurs verloopen, eer de condo'leantievisite geëindigd is. Ik verlaat u nu, maar bedenk, dat ik bet geluk van uw luns, van uwe familie, zoowel als van het gebeele land, in uw hand heb gelegd

en handel daarnaar.quot; .

Hii verliet haastig, zonder haar antwoord af te wachten, de kamer, en begaf zich naar de groote audiëntiezaal beneden waar de hovelingen en edelheden des Koninig bijeen waren, terwijl de Koning zich tot de Koningin-weduwe m

haar kabinet begeven had. , . . ,

Onder het gevolg van den Koning bevond zich ook zijn vertrouweling, de nieuw benoemde kolonel von Bischots-werder, en naar dezen begaf zich de heer von Voss, toen hii de audiëntiezaal was binnengekomen.

Het zal quot;gelukken,quot; zeide hij zacht: „wij zullen ons hoog enquot; verheven doel bereiken, op onze vijanden zegevieren, en ons en de onzichtbare vaderen de heerschappij verze-

ocr page 181

167

keren. Mijn zuster bemint den Koning; maar zij is in deugd en eerbaarheid grootgebracht, en zou liever den Koning en hare liefde, — dan hare zedelijke grondbeginselen opgeven.quot;

„Te waardiger is zij voor de hooge roeping, waartoe de wil der onzichtbaren haar heeft uitverkoren,quot; zei Bischofs-werder met ophef: „Zij zal onzen dierbaren, geliefden heer en Koning uit de armen der zonde redden, en hem tot de deugd terugvoeren aan de hand der liefde, die geheiligd en gewijd is door dit edele oogmerk en doel.quot;

„Maar zij verlangt nog eene andere heiliging en wijding. Zij verlangt de wijding eener rechtmatige, wettige echtverbintenis. Zoo wij haar die verschalTen kunnen, zal mijn zuster later onze gehoorzame en verkleefde vriendin zijn; het werktuig, waardoor wij, — dat heet waardoor de onzichtbaren, — regeeren en heerschen.quot;

„Het is voorwaar een groote en stoute eisch,quot; zeide Bischofswerder; „maar wij moeten haar trachten te vervullen. Wij willen met onzen edelen en schranderen vriend Wöllner hierover spreken, en ook aan de voeten van den verheven groot-kophta en meester der onzichtbare loge, willen wij den eisch der edele hofdame nederleggen.quot;

„Is hij hier, de groot-kophta?quot; vroeg de heer vonVoss levendig: „Het is dus werkelijk waar, wat gisteren de kringdirecteur in de vergadering aankondigde: de groot-kophta verwijlt in onze nabijheid?quot;

„Hij was onder ons in die vergadering, en de adem zijner heerlijkheid wuifde om ons allen,'' zei Bischofswerder: „maar slechts de ingewijden van den hoogsten graad hebben de kennis van het eeuwige heil, en de wetenschap der nabijheid van de onzichtbaren. O, mijn vriend, hoe heb ik u gisteren in de vergadering beklaagd, dat ge nog staat in den voorhof van den tempel, en nog niet binnengetreden zijt in het heilige binnenste!quot;

„Wat moet ik doen om hiertoe te komen?'' vroeg de heer von Voss dringend: O, zeg mij, mijn dierbare, benij- « denswaardige en begenadigde vriend, wat moet ik doen om voorwaarts te gaan, om de genade deelachtig te worden, uit den voorhof in het heilig binnenste van den tempel te mogen treden, en tot de zieners te behooren?quot;

„Ge moet tot de geloovigen, de hopenden en de gehoor-

ocr page 182

468

zamenden behooren. Ge moet de onzichtbaren door onvoorwaardelijke onderwerping bewijzen, dat ge een gehoorzaam werktuig zijt, dan zult ge geroepen worden bij do werkenden!quot;

„En waaraan zal ik dit erkennen ?quot;

.,00 zult een zichtbaar teeken van de tevredenheid der onzichtbaren ontvangen, Zoo het u en ons met uwe hulp gelukt, de heerschappij der onzichtbaren hier zóó vasttegronden, dat zij het zijn, die Pruisen regeeren; zoo onze vijandin Rietz, met haar geheelen aanhang van ongeloovigen, onschadelijk is gemaakt, en uitgeroeid wordt als slecht onkruid; zoo door uwe begenadigde zuster, deugd en eerbaarheid weder het bijzonder leven des Konings regelen en heiligen — dan, mijn vriend, zullen de onzichtbaren u een zichtbaar teeken hunner tevredenheid geven. Zij zullen van den kamerheer von Voss, den staatsminister von Voss maken.quot;

„O, mijn waarde, mijn machtige vriend !quot; riep de kamerheer verrukt: „ik zal alles doen wat de oversten van mij begeeren ; — ik zal een blind werktuig zijn in de hand der onzichtbaren, opdat ik eens —quot;

„De Koning!quot; riep de kamerheer dit jour, terwijl hij de vleugeldeuren der kleine voorzaal wijd opensloeg; „De Koning!''

En onder de plechtige stilte zijner hovelingen, die diep en eerbiedig hunne trotsche hoofden bogen, trad Koning Frederik Wilhelm, van de condoleantievisite bij de treurende weduwe van Frederik terugkeerende, weder de zaal binnen. Zijne oogen blikten met een levendigen, haastigen blik in het rond, en toen zij den kamerheer von Voss ontwaardden, wenkte de Koning hem met een hoofdbeweging tot zich.

„Nu?quot; vroeg de Koning zacht, toen de kamerheer haastig'toeijlde; „Nu, wat zegt uwe zuster?quot;

„Majesteit, zij zeide mij niets, maar zij zal uwe Majesteit wel des te meer te zeggen hebben,quot;

„Zij is dus bereid mij te ontvangen?quot; vroeg de Koning met stralend gelaat.

„Majesteit, mijne zuster verwacht u, en ik wijs u den weg, zoo Uwe Majesteit de genade wil hebben mij te volgen.quot;

„Kom,quot; zei Frederik Wilhelm haastig; en zonder zijn

ocr page 183

469

edellieden verder 'met een blik te verwaardigen, verliet de Koning, voorgegaan door den kamerheer von Voss, de audiëntiezaal.

-—, t

VI.

HET VERBOND.

Wilhelmine Rietz had den ganschen dag in angst en opgewondenheid doorgebracht. Koning Frederik was dood! Deze lijding was als een windvlaag van Sanssouci naar Potsdam, van Potsdam naar Charlottenburg en Berlijn gevlogen, en verder naar alle steden en plaatsen der prui-sische monarchie.

Koning Frederik de Groote was dood! De faam, die het met doordringenden jammertoon verkondigde, en de oogen van millioenen trouwe onderdanen en bewonderaars van Frederik met tranen vulde, — de faam had aan de geliefde van den Kroonprins gemeld, dat zij thans de geliefde eens Konings was.

Maar Wilhelmine had vurig gewenscht het van hem zeiven te hooren; een zichtbaar teeken te ontvangen, dat de Koning aan haar dacht, dat de wierookdampen van het nieuwe koningschap de herinnering aan het verledeneniet in hem verduisterd hadden.

Zij wachtte lange, angstvolle uren naar de verbeide boodschap, en een onuitsprekelijke vrees overweldigde haar, toen de geheele voormiddag verliep, zonder haar eenige tijding te brengen. Eindelijk, tegen twee uur kwam haar zoon Alexander met zijn gouverneur, den heer de Ghapuis naar Charlottenbm ,, .p bevel des Konings,'' zooals de gouverneur berichtte. Maar ook hij kon haar niets meer zeggen; want hij had den Koning niet gezien, maar het bevel slechts uit den mond van den kamerdienaar Rietz ontvangen.

„Dit is een slecht teeken, een zeer slecht teeken,quot; prevelde Wilhelmine in zichzelve, toen zij weder alleen was: „Hij verwijdert mijn zoon uit Potsdam, om zijn nieuw Hof geen ergernis te geven. Hij bemint mij niet meer,

ocr page 184

170

anders zou hii den moed hebben alle gebabbel der wereld te trotseeren.' Ach! hij bemint mij niet meer, en ik zal voortaan niets meer zijn dan de verachte, afgedankte mai-tresse, wie ieder hoonlachend voorbijgaat, en die God danken moet, zoo zij zich met hare schande en vernederig in een stillen hoek der wereld verbergen kan, voor de schampere blikken en de bijtende spotternijen der menschen. Maar ik wil dat niet! Neen, ik wil niet afgedankt, — niet in het stof vertreden worden! O, Wilhel-mine,quot; voer zij voort, en hare oogen schoten vlammen, en een gloeiend rood bedekte hare wangen; „o, Wilhelmine, bewijs nu, dat ge geen zwak, geen gewoon schepsel zijt; bewijs dat ge schranderheid, moed en geestkracht bezit-Strijd om uw bestaan, om uw toekomst, om uwe liefde. Want ik bemin hem, ge weet het, mijn God,—ikbemin hem, ik bemin hem; ik kan niet leven zonder hem. kn ik wil niet leven zonder hem!quot; Hij is mijn hoop en mijn toekomst. Zonder hem ben ik een veracht schepsel, met hem ben ik een geërde vrouw, die men eerbiedig vleit en huldigt, en die men slechts bespot en hoont, als men zeker is, dat zij het niet hooren kan. Bespot mij maar, hoont maar) _ des te grooter is mijn triomf, zoo ge mij toch met de onderdanigste vleierijen omgeven, — en u buigen moet voor de gehate persoon. Ik heb voor den armen Kroonprins Frederik Wilhelm veel te lijden en te dulden gehad, en ik wil nu door den rijken Koning Frederik Wilhelm hiervoor beloond, — en schadeloos gesteld worden. Neen, ik wil niet afgedankt worden! Zoolang ik leef wil ik strijden om mijn bestaan, strijden met al de wapens van list en geweld, van intrige en vleierij O, ik verheug er mij op, ja waarachtig, ik verheug er mij op. Het is toch een verstrooiing, een afwisseling, een levensprikkel!

„])e geheimkamerdienaar en tresorier des Konings! diende de binnentredende bediende aan.

„Wie is dat?quot; vroeg Wilhelmine verwonderd; „Ik ken

zulk een heer niet.quot;

Ik ben het, mijn lieve vrouw, mijn aangebedene Wilhelmine,quot; zeide Rietz, terwijl hij luid lachend de kamer binnentrad; „ge ziet in mij, mijne waarde vrouw, den geheimkamerdienaar en tresorier, zooals hij versch gebakken uit den oven der koninklijke genade komt!quot;

ocr page 185

171

,,Ga naar buiten, Jean,quot; beval Wilhelmine den bediende, die dralend, en misschien door nieuwsgierigheid teruggehouden, zich in de kamer iets te doen' maakte.

„Neen, mijn geliefde vrouw,quot; zeide Rietz, den bediende tot zich wenkende; „wees zoo goed te vergunnen, dat Jean nog een oogenblik blijft, tot ik hem mijne bevelen gegeven /heb. Jean, ik ben hongerig en dorstig, en moet volstrekt iets eten. Breng mij dus schielijk iets bruikbaars; een ganzenleverspastei, of een fazant, of beide tegelijk. Breng ook een weinig kaviaar en een stukje wildbraad hier. Laat vervolgens een llesch champagne van de beste soort uit den kelder halen, en zet haar in ijs, want het is heden afschuwelijk warm, en ik heb verkoeling noodig. Spoed u, Jean, en breng mij dit alles hier!quot;

De knecht antwoordde niets, maar zag vragend naar zijn meesteres. Rietz ving dezen blik op, en lachte luid. „Ik geloof waarachtig,quot; riep hij: „dat de zotte kerel zich vermeent, mij, zijn meester, niet te willen gehoorzamen!quot;

„Vergeving,quot; prevelde de knecht bedeesd: „ik ben door madame in dienst genomen.quot;

„Ja, inderdaad; maar ge weet toch, vlegel, dat ik de heer ben, dat madame mijne vrouw is, en —quot;

„Genoeg,quot;' viel Wilhelmine hem ernstig in de rede: „dek de tafel in de eetzaal, Jean, en haast u!

„Goed gesproken, Wilhelmine; laat ik er u voor kussen, mijn schat!quot; riep Rietz met uitgebreide armen op zijn echtgenoote toetredende, terwijl de knecht de deur opende. Doch nauwelijks had de deur zich gesloten, toen hij zijne armen liet nederzinken, en schuw terugweek voor Wilhelmine, die met toornig gelaat en flikkerende oogen tegenover hem stond.

„Mijnheer,quot; zeide zij met halfluide, van kwaadheid bevende stem; „mijnheer! Ik verbied u, u zulke vrijheden te veroorloven, en zulk een vertrouwelijke taal in tegenwoordigheid van mijn bediende te voeren.quot;

„Maar, madame,quot; antwoordde Rietz glimlachend; „ik kan haar immers slechts in 't bijzijn van uw bediende voeren, en zij past toch, geloof ik, zeer goed bij mijn rol. Ik heb de eer voor de wereld als uw echtgenoot te figuree-ren, bijgevolg moet ik ook voor de wereld mijne rol behoorlijk spelen, en bewijzen, dat wij een zeer gelukkig en

ocr page 186

172

tevreden echtpaar zijn; want de boosheid en de afgunst der menschen gaat ver, en zoo zij slechts zouden bemerken dat ik minder teedcr tot u sprak, zouden uwe vijanden gewis terstond het gerucht verspreiden, dat ge met mij in een ongelukkigen echt leefdet.''

„Tk verklaar u, mijnheer, dat ik geen lust heb tot schertsen,quot; riep Wilhelmine ongeduldig: „wees dus zoo goed ernstig te zijn. Nu wij alleen zijn, verzoek ik u de dwaze grap van ons zoogenaamd huwelijk niet verder te spelen.'

„Erg genoeg voor mij dat het slechts een grap is,quot; zuchtte Rietz met ophef: „ik wilde —quot;

De toornige blik, dien Wilhelmine op hem wierp, hield zijne woorden terug, en hij nam schielijk een droefgeestige, eerbiedige houding aan: „Ik zwijg, madame, ik zwijg,quot; zeide hij, met komieke deftigheid een diepe buiging makende: „Ik ben thans nog slechts uw onderdanige knecht, en nu ik u eerbiedig hulde gebracht heb, trek ik mij terug, want de glans der zon heeft mijne oogen verblind.quot;

Hij kruiste de armen over de borst, boog zich, —zooals de slaven in 't Oosten doen, — diep ter aarde voor zijne meesteres, richtte zich weder op, en was met een haastigen sprong bij de deur.

„Waarheen wilt ge, mijnheer?quot; vroeg Wilhelmine; „Waarom blijft ge niet hier1? '

„Ik kan niet, meesteres,''zeide hij deemoedig: „de Moor heeft zijn plicht gedaan, de Moor kan heengaan! — Zoo heet het namelijk in het nieuwe stuk van monsieur Schiller, dat onlangs hier in den schouwburg werd opgevoerd.quot;

„Maar gij hebt nog niet uw plicht gedaan,quot; zeide Wilhelmine met een onwillekeurigen glimlach: „ge hebt uw boodschap nog niet bij mij uitgevoerd.quot;

„Welke boodschap?quot; vroeg Rietz met den schijn van verwondering. _ _ .

„Wel, de boodschap van Zijne Majesteit. Want hij^is het toch ongetwijfeld, die u hierheen gezonden heeft?quot;

„Ha, dat 's waar,'' zeide Rietz onverschillig: „Ja, dat 's waar, ik vergat het. Goede God, ik heb heden zooveel boodschappen, ik ben naar zooveel dames gezonden geworden, dat ik het een door het ander vergeet. Ik speel thans een zeer gewichtige rol; ik ben de Figaro van mijn meester Almaviva; de Figaro, die zijn meester moet hel-

ocr page 187

473

pen, zijne schoone cousine te ontvoeren. Ge kent immers het stuk, het allerliefste, loszinnige stuk, dat in Frankrijk, — en natuurlijk ook bij ons, zooveel furore heeft gemaakt?quot;

,,Ja, ik ken het en verzoek u, Rietz, houd mij niet op de pijnbank met uwe aardigheden. Wat zeide de Koning? Welke boodschappen heeft hij u gegeven?quot;

,,0, madame, ge zult toch niet van mij vergen, dat ik u de boodschappen zal verraden, welke graaf Almaviva mij gegeven heeft?quot; riep Figaro Rietz met edele verontwaardiging. „Slechts 'tgeen mijn schoone Suzanna betreft, heb ik haar te berichten, en dat is; Zijne Majesteit zal heden avond hier komen, en zijne vertrekken moeten voor hem in gereedheid worden gebracht; want Zijne Majesteit wil hier thee drinken, en vervolgens in het kleine laboratorium nog een weinig werken en brouwen.quot;

Wiihelmine's gelaat, dat vroeger zoo schitterend en helder was geweest, verduisterde bij de laatste woorden van den geheimkamerdienaar.

„De Koning wil in het laboratorium werken?'' vroeg zij : „Hij komt dus niet alleen?quot;

„Hij komt alleen, maar ik vermoed dat zijne helpers en leeraars, — de beide groote helden der onzichtbare loge, — hier later denken te komen, om voor Zijne Majesteit wat holmspokus te maken — dat heet, ik druk mij verkeerd uit— ik wilde zeggen, om met Zijne Majesteit een weinig in de geheime wetenschappen te arbeiden. Ja, ja; de beide groote verlichten willen hier komen, en zoo ik u das een raad mag geven — Maar neen, zulk een schrandere en verlichte dame als gij, behoeft geen raad van zulk een dommen, onverstandigen kerel als ik ben. Ik zwijg dus en verwijder mij, om mijn lichaam ten minste te versterken, daar mijn geest van zulk een zwakke constitutie is, dat hiervoor alle moeite vergeefs zou zijn. Genadigste Koningin, wees zoo genadig mij te ontslaan!quot;

Hij maakte een ceremonieele buiging en keerde toen, rugwaarts gaande, naar de deur terug.

„Blijf, Rietz!'' beval Wilhelmine gebiedend.

„Onmogelijk, Koningin. Mijn boodschap is volbracht, en de Moor kan niet alleen, — maar wil ook heengaan.quot;

„Blijf, Rietz, ik verzoek het u,quot; zei Wilhelmine nu, hem een schrede naderende.

ocr page 188

174

„Maar Rietz trok de schouders op. „Als de maag gebiedt, baten zelfs de beden der schoonste vrouw niet.quot;

„Nu, ga dan eten,quot; riep Wiihelmine ongeduldig: „en alsquot; ee gegeten hebt, keer dan bij mij terug.quot;

Dat gaat óók niet. Koningin! Ik moet terstond naar Potsdam rijden, waar ik met Hare Majesteit de Koningin _ dat heet met Hare Majesteit van de rechterhand, op 'bevel des Konings een gewichtige, geheime conferentie te houden heb. Ik moet dus dadelijk, zoodra ik gegeten heb, weder onder zeil gaan en de ankers lichten,

200 Welnu,quot; zei Welhelmine een ras besluit nemend; „dan zai'ik u naar de eetzaal geleiden, en terwijl gij eet, kunnen wij praten.quot; , i. T-). . , Bravo! bravo! Dat is % wat ik wilde, lachte Rietz. de dienstboden moeten zien, in welk een hetnelsche verstandhouding wij met elkander leven, en hoe mevrouw mijne echtgenoote elke minuut aanwendt om met mij te zamen te kunnen zijn. Geef mij uw arm, madame, en voer

mij naar de eetzaal.' ..

Zij nam met een gedwongen glimlach zijn arm, en liet zich van hem door het salon, naar de aangrenzende eetzaal geleiden, Jean had een kleine tafel met allerlei lekkernijen, pasteien en gebraad gereed gemaakt, en was nu bij het buffet bezig, den champagne in ijs te koelen.

Zet ook nog een llesch rijnwijn in ijs, Jean, nep Rietz, terwijl hij zich behagelijk op den stoel liet neder-cdiiden, en het aan „mevrouw zijne echtgenoote overliet, voor zich zelve een stoel naar de tafel te dragen, aan welke Rietz echter reeds een truffelpastei had in beslag

genomen. , ,

„Heerlijk,quot; zeide hij, toen hij zwijgend eemge beten genuttigd had : „ik zeg u, mijn dierbaarste Wiihelmine. niets gaat boven een truffelpastij 1quot; ,,

Wiihelmine wendde zich met een ongeduldige beweging tot den knecht, die den wijn in den ijskoeler draaide. Gil kunt nu gaan, Jean; mijnheer zal zich alleen bedienen. quot; „En mijn champagne?quot; vroeg Rietz. Maar Wiihelmine we'nkte met een gebiedend gebaar naar de deur, en .lean

haastte zich er uit te gaan.

„Zoo,quot; zeide Wiihelmine ruimer ademende: „nu zijn

ocr page 189

175

wij alleen. Spreek nu, mijnheer. Ge wildet mij een goeden raad mededeelen.quot;

„Madame,quot; antwoordde Rietz, een van truffels geurenden beet naar zijn mond brengende; „Madame, in dit oogenblik kan ik u slechts den raad geven, van deze truffelpastij te eten, want zij is voortreffelijk!quot;

„Ge zijt wreed!quot; riep Wilhelmine: „Ge zet mij op de pijnbank!quot;

„Zeg veeleer dat gij wreed zijt, madame,quot; antwoordde Rietz, terwijl hij opstond, en den ijskoeler met den champagne van het buffet haalde; „het is waarachtig wreed een mensch te dwingen, midden in 't hoogste tafelgenot te moeten opstaan, en zich zeiven te bedienen. De champagne smaakt niet, als men zich dien zeiven moet inschenken.quot;

„Mijnheer, ik zal u inschenken, ik zal u bedienen!quot; riep Wilhelmine levendig,, terwijl zij opsrong en de chara-pagnefiesch nam.

Rietz knikte welgevallig. „Zóó is het goed,'' riep hij; „dit is pikant, en zal mij den maaltijd kruiden. De alvermogende Koningin der linkerhand bedient haren onder-danigen echtgenoot van de linkerhand. De meesteres wordt slavin, de slaaf wordt meester! Is dat niet een allerliefst raadsel? Maar ik zeg u, madame, het is niet het laatste raadsel, 't welk wij zullen opgeven! O, o, er zullen thans zeer vele raadsels opgegeven worden, en menig mensch zou zeer gelukkig zijn, zoo hij de juiste oplossing vinden kon.;'

,.Ge wildet mij een goeden raad geven ten aanzien der beide gunstelingen,quot; zeide Wilhelmine met een glimlach, die haar trotsch hart zwaar viel: „spreek dus, lieve mijn heer Rietz! Deel mij uw raad mede.quot;

Rietz hief zijn glas op, en aanschouwde met een stillen lach de opstijgende blaasjes van den champagne. — „Dit herinnert mij aan een ouden vriend, den burgemeester van Stargard, mijn lieve geboorteplaats,quot; zeide hij: „de goede burgemeester Funk was een echt Pommersch kind, die het Hoogduitsch verachtte, en zelfs met zijn Koning slechts platduitsch gesproken zou hebben. Platduitsch te spreken en 's middags te eten, was zijn hartstocht, en ik heb menigmaal, als ik hem met zulk een vroom en verheerlijkt gelaat aan zijn eettafel zag zitten, gedacht: de

ocr page 190

176

oude heer verbeeldt zich dat hij in de kerk is, en als priester de sacramenten uitdeelt, want met zulk een he-melsche kalmte gaf hij zich aan het tafelgenot over en niets ter wereld mocht hem daarin storen.

„Maar ik begrijp niet.quot; riep Wilhelmine: ,,wat de herinneringen uit uwe jeugd met den raad, dien ge mij geven wilt, gemeens hebben,quot;

„Ge zult dit dadelijk begrijpen, koningin, zeide Kietz, langzaam zijn glas ledigende: „Veroorloof mij slechts, nog een poosje bij de herinneringen aan mijn lieven, ouden meester te blijven. Want ge moet weten, hij was mijn meester, die lieve, oude burgemeester; — ik heb by hem de kunsten van kamerdienaar, van schrijver en vertrouweling geleerd, en al de kleine kunstgrepen en listen, door welke een kamerdienaar zich tot factotum van zijn heer maakt. De Koning is waarlijk den ouden burgemeester zeer veel dank schuldig; want zonder hèm zou hij nooit in het bezit van zulk een uitstekenden factotum zijn gekomen, als de geheimkamerdienaar en tresorier Rietz is. Hierbij leerde ik echter nog van mijn goeden, ouden meester hoe men een lekkerbek wordt, hoeveel voorafgaande kundigheden, en hoeveel practische studiën er toebehooren, om tot de verhevene hoogte op te stijgen, die het recht geeft, zich een lekkerbek te noemen. Mijn oude meester, — die met recht den hoogen titel van lekkerbek kon voeren heeft mij de beste en strengste grondbeginselen ingeprent. Dan gebeurde het wel, dat te midden onzer gesprekken, — en terwijl de oude beer na 't eten beha-geliik de zwarte mokka slorpte, en rookwolken uit de lange pijp blies, — dat dan een der burgers van de stad zich liet aandienen, om in zijn nood, raad en hulp bij zijn burgemeester te zoeken. Maar dan hadt ge den toom en de woede van den ouden heer moeten zien. Dan sloeg hij met de vuist op de tafel, en schreeuwde woedend: Watt1 Ik zal raad geven ? Na den maaltijd en voor mets /

„Ha,quot; riep Wilhelmine, .,ik begin te begrijpen!

„Waarachtig, dat is gelukkig,quot; lachte Rietz, terwijl hij Wilhelmine het ledige champagneglas toehield, om het door haar te laten vullen: „Dus ge begint te begrijpen dat het een zeer mooi en passend gezegde is: „JNa den maaltijd en voor niets!quot;

ocr page 191

177

„Ja, ik wil er u dadelijk 't bewijs van geven! Mijnheer, wat verlangt ge voor uwen goeden raad?quot;

„Bravo! bravo!quot; riep Rietz, de glazen tegen elkander klinkende: „Bravo! voortreffelijk gezongen, mijn prima donna! Nu zullen wij elkander begrijpen, en zoo ge't vergunt, willen wij nu ernstig met elkander spreken. Madame, willen wij een of-en defensief verbond sluiten? Antwoord nog niet. Ik wil volstrekt niet, dat ge kat in den zak koopt; ge moet mij eerst begrijpen, vóór ge een besluit neemt. Wij staan thans aan den ingang van een nieuwen tijd, en voor de meeste menschen is de toekomst als een boek, welks geheimzinnig schrift zij niet lezen kunnen. Ik verbeeld mij, dat ik er een weinig van lezen kan, en ik wil u zeggen, wat in het boek staat. Ik lees er in, dat Pruisen thans door een Koning zal worden geregeerd, die alles kan, behalve dit ééne: zich zeiven te regeeren, maar die aan week was gelijk is, in de handen dergenen, die hem weten te behandelen.quot;

„Maar mijnheer,quot; riep Wilhelmine: „gij waagt het zoo oneerbiedig van uwen Koning —quot;

„Madame,quot; viel Rietz haar, de schouders ophalend, in de rede: „doe geen moeite! Voor den kamerdienaar en voor de maitresse — pardon voor dit woord, koningin — is zelfs de verhevenste Koning slechts een zeer gewoon mensch, en als wij beiden alleen zijn, behoeven wij ons niet te geneeren. De Koning zeg ik, zal geregeerd worden. Nu is slechts de vraag; door wien? 't Is de vraag: of de kamerdienaar en de maitresse dit gelukkige en gezegende Koninkrijk Pruisen zullen regeeren, óf dat zij deze wel is waar moeielijke, —maar toch winstgevende zaak, aan de Rozekruisers en Domperlieden, aan de onzichtbare vaderen en hunne zichtbare zonen Bischofswerder en Wöll-ner, willen overlaten.quot;

„Als zij dat doen,quot; riep Wilhelmine levendig: „zullen zoowel de maitresse als de kamerdienaar verloren zijn, want men zal ze verwijderen!quot;

„Dat is ook mijne meening.quot; zeide Rietz: „de lieve Rozekruisers vreezen onzen invloed. Zij weten, dat wij beiden te verstandig zijn, om aan hun hokus-pokus te gelooven, en het ons pleizier doet, den Koning soms in te lichten, dat deze geheimzinnige kerels hem goochelkunstjes ver-Mühlbaoh, DuitscMancl in woeling en strijd. III. 12

ocr page 192

178

toonen. Ik voor mij haat deze vrome huichelaars, deze wijze dwazen; hel is mij evenmin mogelijk, met hen in vriendschap te leven, als dit den eerlijken hond met de sluipende kat mogelijk is, en ik reken het tot mijn hoogste genoegen, als ik hun soms een duchtigen kneep kan geven, en hun een stukje uit hun lamsvel scheuren, om den Koning te toonen, dat er een wolf in het zachte lams-

vel zit.quot; . , , j u

„Mij gaat het evenzoo,quot; riep Wilhelmine lachend: „het is mij óók onmogelijk met deze menschen vriendschap te sluiten, hoe dikwerf zij mij 't ook hebben aangeboden, hoe-vele pogingen zij ook reeds hebben aangewend, om mij tot hunne bondgenoote te maken. Maar ik wil niets te doen hebben met de onzichtbare vaders in het binnenste van den tempel; de zichtbare zonen in de voorhoven des tempels zijn mij^veel liever, want men weet toch wat men aan hen heeft!quot;

„Gij zijt een hemelsche vrouw,quot; riep de kamerdienaar verrukt: „Waart ge mijn echtgenoote niet, dan zou ik dadelijk op u verlieven. Maar 'tis gelukkig dat ge mijn gade zijt, want verliefden zijn blind, en wij beiden moeten de oogen open houden, om niet onverhoeds in de strikken te vallen, die onze vrome vogelaars zeer rijkelijk voor ons gereed zullen houden. Zij of wij, dat is de leus, en om deze zal onvermoeid gestreden worden, gedurende de roemrijke regeering van onzen Koning. De huichelaai's en Rozekruisers, of — mag ik het woord zeggen, allerschoonste?quot;

„Ja, mijn vriend, zeg het woord!quot;

„Welaan dan! De leus heet: De huichelaars en Rozekruisers, of de liberlins en maitressen! — Ik voeg mij bij de laatste partij, want daar heeft men goede dinés en schitterende feesten; daar heerscht het vermaak, daar is de vreugde koningin!

„Ik sla aan uwe zijde, mijn vriend; oorlog en dood aan de huichelaars en Rozekruisers!

„Heil en zegen voor de libertins en maitressen! Zij zullen regeeren over Pruisen! Zij zullen het roer van den Staat besturen, en wij beiden, Wilhelmine Enke, — wij beiden willen de aanvoerders en meesters dezer lustige bende zijn! Wij willen mét en voor elkander strijden, en

ocr page 193

179

onze gemeenschappelijke vijanden zijn en blijven : de huichelaars en Rozekruisers! Geef mij de hand er op!quot;

„Hier is mijn hand. Ja, onze gemeenschappelijke vijanden zijn en blijven de huichelaars en Rozekruisers!quot;

,,Gij helpt mij, en ik help u! Wij beschermen en behoeden elkander. Onze belangen zijn gemeenschappelijk, en wat den een' bevoordeelt, bevoordeelt ook de andere! Gij, mijn schoone Wilhelmine, zijt eerzuchtig, het is u niet genoeg mijn weiluidenden naam te dragen. Gij wilt hooger op, en ik neem 't u niet kwalijk, want ge zijt er volkomen toe geschapen een kroon te dragen; ware 't ook slechts een gravenkroon!quot;

„Zij zou mij voldoende zijn,quot; zei Wilhelmine glimlachend; „En gij, mijn vriend, waarin bestaan uwe wen-schen?quot;

„Ik ben een zeer bescheiden mensch, en ordes en titels verlokken mij niet. Ik wil nooit iets meer worden dan ik thans ben, maar dat, — mijn koningin, — wil ik blijven. Uit mijn plaats wil ik niet verdrongen worden; veeleer zou ik mij die tot een zeer zacht en lekker nest willen bereiden.quot;

„Ik zal u het dons er toe verschaffen,quot; riep Wilhelmine glimlachend.

„Goed, maar het moet eiderdons zijn, mijn lieve, want dat is het fraaiste. Ik houd nu eenmaal van het keurige, het uitstekende; want ik heb in alle dingen, een fijnen smaak, en zoo ik iets wenschte, zou het zijn: dat hetge-heele leven slechts uit één enkel diné bestond, en men dan eerst van de geurige, rijk bezette tafel opstond, als men in 'tgraf moest nederdalen. Ik ben niet eergierig en ook niet gierig zonder eer, maar geld moet ik toch hebben, veel geld, — want tot een behagelijk, genotrijk leven behoort geld, zeer veel, ontzaglijk veel geld! Bij mij is dus de leus: het geheele leven een goede tafel, en — na den maaltijd niets voor niet!

„Ik geloof dat het een zeer wijze leus is, en schoon ik haar ook niet tot de mijne kan maken, zal ik haar als de uwe toch altoos eeren, en mij er voor u naar richten.quot;

„Dat zal mij zeer aangenaam zijn,quot; zeide Rietz haar toeknikkende; „want dan zal ik mijn ideaal kunnen verwezenlijken.quot;

ocr page 194

180

Eu mag men vragen, waarin dit ideaal bestaal?' ,quot;ln een eigen, aangenaam huis, met een uitstekenden kok, met zorgvuldige, eerbiedige dienstboden, met een fraai comfortabel meublement en een zeer keurige middag-tafel, waaraan iederen dag vier couverts voor aangename, vrooiijke en voorname gasten gereed staan, en die ook el-ken dag bezet worden. Weet ge, koningin, wat er toe behoort om dit ideaal te verwezenlijken? Er behoort ten eerste toe; dat de Koning mij een huis schenkt, dat juist zoo groot is, om door mij als een behagelijke woning gebruikt te worden. Ik ken zulk een huis; het ligt aan den ingang van het park Sanssouci. Het heeft slechts vijf kamers, een salon en een benedenverdieping, de keuken en een paar dienstbodenkamers, 't Is juist een huis, dat voor een bescheiden mensch als ik ben, past, en ik zou het gaarne hebben. Vervolgens behooren hiertoe rijke clienten, die raad bij mij halen, die ordes en titels wen-schen, en denken dat de vertrouwde kamerdienaar hun die bezorgen kan, als zij hem vleien en eenige oplettendheid bewijzen. Ik zou bij voorbeeld, als ik dat fraaie huis kreeg, slechts één kamer schraal meubelen, en al de andere kamers kaal en ledig laten staan. Dan zou ik mijn bezoekers mijn lief, klein huis laten toonen, en het zou raar moeten gaan, zoo het niet spoedig zeer rijk gemeubeld was. Om dit te bereiken, behoef ik uwe hulp, mijn genadigste gemalin en koningin.quot;

„En waarin moet die bestaan, mijnheer de philosoot.

„Alleen hierin, aangebedene, dat gij de verzoekers, die bij u komen, tot mij zendt; namelijk zulke verzoekers, die ordes en titels, of een adellijk wapen willen: want met politiek laat ik mij niet in, daarvoor ben ik niet sluw genoeg, en ik speculêer derhalve ook slechts op de domheid der menschen. Dus, gij zendt de dommen met hunne verzoeken tot mij; gij zegt hun, dat ordes en titels mijn departement zijn, en ik alleen hierin iets bij den Koning kan uitrichten. Zoo ge dat doet, voert ge mij niet alleen clienten toe, mijn huis meubelen, maar bevordert hierdoor ook mijn aanzien; ge maakt van mij een gewichtig, respectabel persoon, dien men vleien en het hof maken, dien men eerbied en achting betuigen moet, om iets te kunnen verkrijgen. Het gevolg hiervan zal zijn, dat ik

ocr page 195

181

ootmoedige en verkleefde dienaren hebben zal, en er altoos eenige aangename en geachte gasten voor mijn middagtafel te vinden zullen zijn. Want ge begrijpt, dat ik er geen pleizier in zal hebben, hongerlijders te verzadigen, en menschen, die slechts eten wijl hun maag rammelt, aan mijn tafel te voeden; maar ik wil gasten hebben, voor wie het eten een vermaak is, en die een goede pastei niet 'als een voedingsmiddel, maar als een fijn genot beschouwen. Wilt ge dus helpen mij al deze dingen te bezorgen?quot;

„Ja, mijn vriend, dat wil ik. Maar zeg mij nu ook, waarin bestaan uwe tegendiensten, en wat zult gij voor mij doen ?quot;

„Ik zal uw gehoorzame dienaar, uw oprechte, vertrouwde vriend, en uw aanhanger op leven en dood zijn. Ik zal, als de heeren diplomaten en politici zich tot mij wenden en mijne bemiddeling verzoeken, hen terstond naar u verwijzen, en zal steeds uwe belangen in 'toog houden. Zoo het ooit den heeren Bischofswerder en Wöllner mocht gelukken, u bij den Koning te lasteren of uit zijn gunst te dringen, zal ik u de hand bieden en u behulpzaam zijn, die vrome lichten weder op den achtergrond te schuiven, waar ze behooren. Ge zult in alle zaken op mij kunnen rekenen, en ik zal uwe belangen voorstaan, als waren het de mijne, en alsof ik werkelijk de eer had te zijn wat ik, helaas, slechts schijn: — de echtgenoot der schoone en beminnelijke Wilhelmine Pdetz. Maar waarachtig, deze naam klinkt slecht, en ik zal u helpen, dien spoedig voor een langen en beterklinkenden te doen verruilen. Voor mij is de naam Rietz juist lang en goed genoeg; hij zit mij warm als een gemakkelijke slaappels, waaraan men gewoon is, en dien men liever heeft dan een eng staatsiekleed. Maar voor u, mijn allerschoonste, moeten wij volstrekt een barons- of graventitel vinden. Overigens, daar mij uwe onbaatzuchtigheid en zorgeloosheid bekend is in alles, wat geld en goed betreft, zal ik het mijn heiligen plicht achten, ook in dit opzicht uwe belangen te behartigen, en den Koning er soms opmerkzaam op te maken, zoo ge het een of ander noodig hebt. Bij voorbeeld : een fraai paleis onder de Linden te Berlijn, of een groo-ter landhuis hier te Gharlottenburg, of een prachtig

ocr page 196

iuweelen sieraad, of een verhooging van uwe inkomsten.^

„Ach, mijn vriend, ik zal u hiervoor zeer dankbaar zijn, zeide Wilhelmine met een dwependen opslag harer schoone oogen: „tnaar de hoofdzaak blijft toch altoos, dat de Koning mij bemint, of ten minste mijn liefde niet afwijst, en mij niet verstoot. Ik bemin hem, hij is de vader mijner kinderen, hij was de geliefde mijner jeugd, en ik kan zweren dat ik nooit een ander man bemind heb, dan hèm alleen. Zelfs mijn ergste vijanden kunnen mij niet verwijten, dat ik ooit de liefde mijner jeugd ontrouw geweest, —ofooit een andere liaison gehad heb, dan die met den armen Kroonprins, voor wien ik liever nood en gebrek geleden heb, dan de aanzoeken van de rijkste en aanzienlijkste aanbidders gehoor te verleenen.quot;

„'tls waar,quot; zeide Rietz met volkomen ernstig gelaat; „men kan u geene verwijten maken. Ge hebt een volkomen onberispelijk en eerbaar leven geleid, en de chronique scandaleuse heeft over u volstrekt niets te berichten gehad.quot;

„Gij spot met mij,quot; zuchtte Wilhelmine ; „ik begrijp uwe woorden zeer goed. Ge wilt zeggen, dat mijn geheel leven buiten de eerbaarheid staat, en ik met mijn geheel bestaan tot de chronique scandaleuse behoor. O, weerspreek niet, het is zoo, en ge hebt hierin ook gelijk. Ik behoor tot de verstootenen; tot dezulken, die buiten de maatschappij staan, en tóch kan men van mij zeggen, dat ik niet, --als zoovele aanzienlijke en hooggeëerde dames, — mijn hart en mijn hand voor een voordeelig en rijk huwelijkscontract verkocht heb. Ik heb mijn hart en mijn liefde gevolgd, dat is alles, en de maatschappij straft mij er voor door een slagboom op te richten tusschen mij en de zoogenaamde fatsoenlijke wereld. Ik ben echter volstrekt niet van plan, mij dit nog langer te laten welgevallen. De geliefde des Konings behoeft niet achter den slagboom te slaan, terwijl zoo menige gravin, — die zich aan een on-geliefden man om diens titels en rijkdom verkocht heeft en met hem gehuwd is, en voor wie trouw slechts een ijdele waan is, — binnen de geheiligde ruimte, op de tribune een eereplaats inneemt. Ik wil door de afsluiting-breken; ik wil dat de slagboomen voor mij vallen, dat de zoogenaamde voorname en exclusive wereld mij opneme in hare rijen, en zich voor mij buige. Of zij mij haten en

ocr page 197

183

verfoeien, dat is mij geheel onverschillig, mits ze slechts den schijn aannemen, mij te hoogachten en te eerbiedigen. Zij moeten mij niet alleen en eenzaam laten, alsof ik midden in de wereld als op een woest eiland leefde, gelijk Robinson, — en God moest danken als de Koning soms de rol van Vrijdag op zich neemt, en mij gezelschap houdt. Ik wil in de maatschappij opgenomen worden, ik wil het middelpunt ervan zijn; ik wil een salon hebben, waarin zich niet alleen kunstenaars en geestrijke mannen vereenigen, maar waar ook de dames uit de voorname wereld komen. Dit is mijn eerzucht, mijn geluksdroom. Ik wil een maatschappelijke positie hebben, trots alle zoogenaamde exclusive kringen. Zoo dikwerf ik deze menschen ontmoette, en hun neusoptrekken, hun verachtend omwenden en hun spotlach zag, heb ik tot mij zelve gezegd: „Wacht maar, gij trotschen, gij deugdzamen ! Ge zult tóch eens het salon van Wilhelmine Rietz bevolken, en de stoffeering van het schitterende beeld harer macht en heerlijkheid zijn. Wacht maar, voorname heeren, ge zult tóch eens bij Wilhelmine Rietz antichambreeren. Wacht maar, trotsche heldinnen der deugd, ge zult tóch eens met Wilhelmine Rietz arm in arm gaan, en haar de eereplaats aan uwe rechterzijde geven! — Weet ge, met zulke gedachten voor de toekomst heb ik mij vele jaren getroost, en de toekomst is voor mij aangebroken, en de tijd is gekomen, dien ik zoo lang verbeidde; de tijd, dat Wilhelmine Rietz de voorname wereld dwingen zal, haar de gesloten deuren leopenen, en haar het salon te laten binnentreden. Wilt mij hierbij behulpzaam zijn?quot;

„Waarachtig, dat wil ik, en 't zal mij een lust zijn,quot; lachte Rietz: „Ik wil de smidsknecht zijn, die u de sleutels levert, om de gesloten deuren te openen, en die, zoo 't met geen sleutel gaat, u loopers en breekijzers verschaft. Ja, ja, gij zult de salons binnen. Het zal een moeielijk werk wezen, maar juist daarom zal 't mij vermaak doen u behulpzaam ta zijn, en de hoogmoedige voorname lieden een neus aan te draaien. O, ik haat dat voorname gespuis, en 'tzal mij een ontzaglijke pret zijn, te zien hoe zij weerstreven, — en tuij hen toch dwingen zullen zich voor u te verootmoedigen en u het hof te maken en te vleien. Ja, ge zult en moei den berg op, en ik wil u de hand

ocr page 198

184

reiken en u helpen opwaarts te stijgen. Ik verlang echter volstrekt niet mét u op te stijgen; ik blijf liever beneden in het dal, en houd mij bij mijne zaken.quot;

„En wordt beneden in het dal een rijk man, terwijl ik misschien boven op de hoogte altoos nog, even als thans, met schulden en schuldeischers te strijden zal hebben.quot;

„Ja, Ja,quot; zeide Hietz „strijd zal er zijn, velerlei strijd. De zorg voor uwe schulden neem ik op mij : zij zullen allen betaald worden, en gij zult en moet zóódanig gedoteerd worden, dat ge geen schulden meer behoeft te maken. Maar wat ik niet alléén op mij kan nemen, is de strijd met uwe schoone, voorname mededingster. Dat is vrouwenwerk, daar kan men niet met de breede bijl in slaan, maar slechts zeer voorzichtig, met speldeprikken moet deze strijd gevoerd worden!quot;

„Spreekt ge van mijne mededingster, de schoone Julie von Voss?quot;

„Ja, allerschoonste, ik spreek van haar, en ik wil u terstond het bewijs geven, dat ik uw vriend ben. Ik wil u verhalen, wat ik u niet verhalen mag. De geheimkamerdienaar breekt het ambtsgeheim, — maar mijn hemel, ge zijt immers mijn echtgenoote, en voor zijne vrouw heeft ook de] geheimzinnigste man op 't laatst geen geheim ! Luister dan!quot;

En hij verhaalde haar met zachte, gedempte stem, — als vreesde hij dat zelfs de wanden hem beluisteren konden, — van zijne huidige zending naar Schönhausen en de boodschappen des Konings, en, van zijn onderhoud met de schoone hofdame.

Wilhelmine luisterde met bleeke wangen en bevende lippen, en slechts somwijlen viel zij hem in de rede met een haastige vraag, of een toornigen of dreigenden uitroep.

VII.

DE VOORWAARDEN.

Terwijl dit verbond in de eetzaal gesloten werd, zat Jean in de voorkamer en wachtte op het geluid der schel,

ocr page 199

185

dat hem misschien bij zijne meesteres binnen zou roepen. Maar alles bleef stil en zwijgend in 't rond, de lucht was zoo heet en zwoel in de kleine kamer, en de aanbrekende avondschemering verbreidde er zulk een aangenaam halfduister, dat Jean de verzoeking niet kon weerstaan een weinig de oogen te sluiten, en zich aan de droomen zijner toekomst over te geven. Misschien was 'took slechts een droom, dat hij plotseling een hooge, geheel in een langen zwarten mantel gehulde gestalte voor zich zag staan, dat deze gestalte hem de hand op den schouder legde, en hem zacht bij zijn naam riep. Misschien zag hij dit alles slechts in den droom, en hoorde ook slechts inden droom, toen de vermomde hem fluisterend vroeg; „Gij behoort tot den derden kring der onzichtbare loge?quot; En hij antwoordde, óf in den droom óf in werkelijkheid,' — hierover was hij quot;t met zichzelven niet recht eens: „Ja, ik behoor daartoe!quot; Vervolgens vroeg de gestalte: „Men heeft u hier gezonden met bevel, alles wat hier gebeurt nauwkeurig aan den kringdirecteur te berichten, en u'in alles aan zijn wil te onderwerpen. Denkt ge hieraan?' — „Ik ben een gehoorzame knecht der onzichtbaren,quot; antwoordde Jean eerbiedig. „Ik zal nooit mijn eed vergeten, want ik weet, dat dan de straf mij bereiken, — en de gerechte toorn der onzichtbare vaders mij verpletteren zouquot;. — „Heeft de kringdirectuur u het verbondsteeken medegedeeld?quot; — „Ja, dat heeft hij gedaan.'' — „Ziehier het verbondsteeken,quot; zei de vermomde, terwijl hij een oogenblik een kleine driehoekige metalen plaat in zijn hand liet glinsteren. - „Ik zie het,quot; antwoordde Jean, terwijl hij opstond: „en ik zie aan den driehoek, dat ik een broeder van hoogeren graad voor mij heb. Ik groet u dus eerbiedig, broeder hoogere.quot;

Hij boog eerbiedig, maar de vermomde boog slechts even zijn hoofd, dat geheel door de kap van den mantel bedekt was.

„Kent ge het teeken, waaraan de meester de orde, — de groot-kophta kenbaar is? vroeg hij met zachte, dringende stem.

„Ik ken het,quot; antwoordde Jean nauwelijks hoorbaar met ontroering.

De gedaante stak nu de rechterhand, — welke hij on-

ocr page 200

480

der den mantel verborgen had gehouden, en waaraan een groote solitair fonkelde, — te voorschijn. „Ziehier het teeken,quot; zeide hij.

Jean slaakte een kreet van verrassing, en viel op zijne knieën. — „Beveel, o, almachtige,quot; fluisterde hij; „uw slaat heeft geen anderen wil dan den uwen.quot;

„Sta op en geleid mij,quot; beval de vermomde, en dadelijk stond Jean weder op zijne voeten. — „Waarheen beveelt de verhevene dat ik hem geleiden zal?quot; vroeg hij onderdanig.

„Voer mij de kleine kamer binnen, die zich naast het aboratorium van den tegenwoordigen Koning bevindt. Maar breng mij er langs zulke wegen, dat geen menschen-oog mij ziet, geen menschenoor mij hoort.''

„Dan verzoek ik onderdanigst eerst verlof, te mogen onderzoeken of niemand buiten in hel voorhuis staat,quot; zei-de Jean, naar de deur ijlende. Maar de vermomde volgde hem en hield hem tegen. — „Waarom langs hier'?quot; vroeg hij: „Waarom door het voorhuis, daar men toch van hier door de blinde deur in den kleinen corridor komt, die naar de geheime trap voert.

„'t Is waar, ik vergat het,quot; zeide Jean bevend, terwijl hij met een mengeling van verbazing en ontzetting- tot den verhevene opzag, die in het vreemde, hem onbekende huis zóó goed den weg wist, dat hij zelfs de geheime deuren en trappen kende.

„Als het Uwe Verhevenheid behaagt,quot; prevelde hij : ^hier is de deur.

Hij drukte op een kleinen, nauwelijks zichtbaren knop in het behang, en dadelijk sprong een kleine deur uit de muurbekleeding Ie voorschijn, en liet den doorgang vrij.

„Ga vooruit en geleid mij,quot; zei de vermomde, terwijl hij Jean in den gang schoof; „wij zullen zacht gaan en geen woord spreken, want de corridor loopt dicht langs de eetzaal, waarin zich uwe meesteres met den kamerdienaar des Konings bevindt, en men zou ons kunnen hooren. Verneem dus hier mijne bevelen. Gij voert mij over den corridor en de geheime trap, opent dan met den sleutel, dien ge bij u draagt, het laboratorium en laat mij daar binnengaan. Dan sluit ge terstond weder de deur, en keert ijlings naar de voorkamer terug. Ge neemt ech-

ocr page 201

187

ter nopens al wat gebeurt een diep zwijgen in acht, en verraadt op gevaar van uw leven en uwe eeuwige zaligheid met geen woord, geen gebaar, met geen wenk uwer oogen, dat ge mij gezien hebt.quot;

„Verhevene meester,quot; fluisterde Jean: „ik ben niet meer dan uw slaaf en uw creatuur, en ik weet dat mijn leven slechts stof is in uwe hand. Ik vrees de onzicht-baren, en aanbid u in uwe vei'hevenheid. Verleen mij de genade, dat ik uwe voeten omvatten, — en uit deze aanraking het heil en den zegen der eeuwige gezondheid en kracht erlangen moge.quot;

En hij boog zijn hoofd op den grond, en kuste de voeten van den vermomde met vurige teederheid.

Deze boog zich tot hem neder. „U zal genade geworden,quot; zeide hij ; „want ge zijt een goede, gehoorzame knecht. Bij de eerste vergadering zult ge vernemen, dat ge een graad verhoogd, — en een schrede nader gekomen zijt tot de binnenste hallen des tempels. Zeg geen woord van dank; zwijg, sta op en geleid mij.quot;

Jean richtte zich op en ging voorwaarts. De vermomde volgde hem, en Jean voerde hem, zooals Zijn Verhevenheid het hem geboden had, naar het laboratorium, liet hem er binnen, sloot de deur weder, en keerde toen ijlings naar de kleine voorkamer terug.

Was dit alles werkelijk zoo gebeurd, of had Jean slechts gedroomd? Hij wist het zelf niet Ie zeggen, en zag vragend en angstig in het kleine vertrek rond. Hij was geheel alleen; de geheime deur was gesloten, Niemand was bij hem, diepe stilte omgaf hem, en ook in de eetzaal scheen het volkomen stil te zijn. Jean sloop zacht op de teenen naar de deur, en luisterde. Nu hoorde hij het dof gefluister van sprekenden, en kon van tijd tot tijd duidelijk de stemmen van zijn meesteres en den kamerdienaar onderscheiden. Zij schenen in een levendig gesprek, maar zij spraken zóó zacht, dat het Jean onmogelijk was ook slechts een enkel woord te verstaan.

Hij hoorde hen evenmin, als zij Jean's gesprek met den vermomde hadden gehoord. Zij waren inderdaad in een levendig gesprek, 'twelk Wil hel mine's geheele aandacht boeide. Rietz had haai' niet alleen zijn onderhoud met de hofdame verhaald, maar had haar ook getrouw, bericht.

ocr page 202

188

dat de Koning te Schönhausen was gekomen, en de heer von Voss zijn zuster overreed had, sKoning bezoek te

^^oTweet ge dat?quot; vroeg Wilhelmine de schouders ophalende: „Ik verbeeld mij, dat er wel geen overreding noodig was, en de trotsche freule er zeer gaarne toe be

icid^zalyZi^i^g ^ mijn allerschoonste gravin; ik weet het beter, want ik heb het geheele gesprek van de hofdame

met haar broeder gehoord,quot;

„Hoe? waart ge er bij tegenwoordigi*

„Niet juist bij tegenwoordig, maar ik hoordehettoch, want de' deuren in het oude vervallen slot te Schonhau-sen zijn vol reten en scheuren, en men kan, als men dicht bij staat, zeer gemakkelijk er door ho^n equot; * d „En ge stond dicht bij de deur der kamer ^n de

k^Zóó^dicht, dat men nauwelijks een ^blad papier tus-

schen ons beiden had kunnen schuiven. i^-tpraar

„En er was niemand, die den onbescheiden luisteraar

van de deur verdreef?''

Integendeel, er was een menschelyk wezen m de K1®1 ne garderobe, Waarin ik mij bevond, maar het had er mets tegen in te brengen, en dat is zeer eenvoudig vvant dit menschelijk wezen was door my, voor het verl®f t® ™og®^ luisteren, zeer goed betaald. De kamenier van de hofdame bemint het geld, en is speculatief. Zij wil gaa™eteBerl j een modewinkel oprichten, en hiertoe behoeft men ^eld, en zij neemt het dus, vanwaar zij het krijgen ^

taal haar in naam van mijn genadigen ra.eester er dat zij hare freule steeds den lof des Komngs voorzingt, en ik betaal haar in mijn eigen naam er vooi, «at zy mj bericht geeft omtrent het gevolg van haar zingen, J laat luisteren aan de deuren, waar ïets te ,uistelequot; t heeft mij gisteren inderdaad een aardig sommetje gekos , want het sluwe kamerpoesje heeft ^icfh1t^ee™af\aren

betalen: eens voor het gesprek der hofdame met haren

broeder, en toen len tweedenmale, voor het gespiek des

Konings met de hofdame.quot; „ovwinfr

Wilhelmine sprong op, en een kreet ^ ^bazing

klonk van hare lippen. „Ge hebt hel gespiek des Kom g

ocr page 203

189

met de hofdame gehoord, en dat zegt ge mij eerst? — Ik bezweer u, Rietz, mijn lieve Rietz, mijn beste vriend, verhaal mij, spreek. Wat heeft de Koning gezegd, wat heeft zij hem geantwoord?quot;

„Niets na den maaltijd en voor niets,quot; zeide Rietz, terwijl hij zich behagelijk uitrekte, de rest der champagne-flesch in zijn glas deed droppelen, en dit langzaam aan zijne lippen bracht: — „Niets na den maaltijd en voor niets!quot;

„Spreek, mijn lieve Rietz. Zeg mij, wat moet ik doen? Wat wilt ge hebben?'

„Het allerliefste kleine huis aan den ingang van het park van Sanssouci. Het is op speculatie gebouwd, dat heet: ik heb het laten bouwen, in de hoop dat tegen den tijd der voltooiing, de oude Koning gestorven zou zijn, en onze Frederik Willem den troon bestegen zou hebben. Mijn hoop is nu verwezenlijkt, en ik vraag u nu, genadige gemalin: wilt ge bij Zijne Majesteit bewerken, dat hij mij dit huis als eene belooning voor mijne jarenlange, trouwe diensten schenkt?quot;

„Ik wil het beproeven; ik wil den Koning met beden bestormen, dat hij u dit huis schenke.quot;

„Dan is 't even goed alsof ik het reeds heb, en ik betuig mijn edele begunstigster mijn dank. En nu, daar ik reeds vooruit betaald ben, wil ik u nauwkeurig den inhoud van dit gewichtig gesprek mededeelen. Dat heet, ge verlangt toch niet dat ik u al de liefdebetuigingen, de eeden van eeuwige trouw verhaal, waarmede de Koning de hofdame bestormde?quot;

„Neen, dat verlang ik niet,quot; zuchtte Wilhelmine met smartelijk trillende lippen; „ik ken dat immers! Het zal immers slechts eene herhaling zijn geweest van't geen hij mij gezegd heeft. O, de mannen! Het is een verraderlijk, trouweloos geslacht!quot;

„Ja, zij hebben deze eigenschap met de moedermelk ingezogen, en Koning Frederik Willem is toch óók slechts de zoon zijner moeder. Dus niets van de liefdeëeden des Konings en van de edele onrust en den strijd tusschen deugd en liefde van de zijde der edele freule. Gij kent dat alles, en weet ook dat zulk een strijd altijd er mede eindigt: dat de liefde overwint. De schoone freule bekende eindelijk met vele tranen en zuchten den verrukten

ocr page 204

190

Koning, dat zij hem wel beminnen zou, zoo hij niet ongelukkigerwijs gehuwd was, en zoo bovendien madame Rietz niet bestond. Indien de Koning niets anders ware dan een arm edelman, zou de freule zich gelukkig achten, de zijne te worden, en zou zij blijmoedig met hem ontberen en lijden; maar zij kon niet de verachte geliefde van een Koning zijn, — zij kon niet der edele Koningin nieuw verdriet en smart bereiden, en eindelijk zou het baai-volkomen onmogelijk zijn, een verachte en gehate mededingster als Wilhelmine Rietz nevens zich te dulden! — Maar, mijn God, wat deert u ? Ge wordt eensklaps zoo bleek, gij kermt en steunt! Arme vrouw, als gij zóó teergevoelig zijt, moet ik voorwaar zwijgen!''

„'tls niets, werkelijk niets,'' hijgde Wilhelmine met moeite: „'t Was slechts een kramp, en 'tis reeds voorbij. Spreek voort, ik ben geheel kalm, geheel bedaard. Spreek. Wat antwoordde de Koning?''

„Hij bad haar, de voorwaarden te stellen, waarop zij zou kunnen besluiten hem te behooren, en de schoone en schrandere hofdame stelde hare voorwaarden, terwijl zij verzekerde, dat die onherroepelijk waren, — haar ultimatum, zooals de heeren diplomaten zeggen. Waarachtig, zotte voorwaarden, en ik moest bijna luid lachen, toen ik ze hoorde.quot;

„Hoe luiden die voorwaarden? Ik bid u, zeg ze mij,quot; fluisterde Wilhelmine, terwijl zij hare handen vast in elkander sloot, om ze te dwingen niet te beven.

„Het waren drie voorwaarden, en de hofdame zwoer bij de gedachtenis barer moeder, die uit liefde voor den vader des Konings, prins August Willem, van verdriet gestorven was, — dat zij den Koning niet weder wilde zien en spreken, vóór hij beloofd had, die voorwaarden te vervullen; dat, zoo hij ze niet wilde of konde vervullen, de freule voor altoos het Hof wilde verlaten, en zich in de diepste eenzaamheid terugtrekken.quot;

,;Zij is sluw, o, zij is zeer sluw,quot; fluisterde Wilhelmine, hare handen vaster ineenklemmende: „En hare drie voorwaarden?quot;

„Zij luiden aldus: Ten eerste, de freule begeert, dat zij vormelijk en wettig door een evangelisch predikant met den Koning aan de linkerhand gehuwd worde. Ten tweede

ocr page 205

101

verlangt zij, dat eerst en vóór alles de Koningin, de gemalin der rechterhand, hare toestemming geefl, en ten derde eischt zij, dat Wilhelmine Rietz benevens hare beide kinderen verbannen worden. Zij moet een landgoed in Litthauwen ten geschenke bekomen, met streng bevel het nooit te verlaten, en nooit weder te Berlijn of Potsdam te komen.quot;

„En de Koning?quot; riep Wilhelmine met een doordringenden smartkreet.

„De Koning verzocht vier weken bedenktijd, kuste eerbiedig de hand der trotsche dame, en verwijderde zich Nu, mijn koningin, nu weet ge alles, en 'tis nu ook tijdquot; dat ik mij verwijder; want ik moet naar Potsdam tot de' Koningin, om op last en bevel des Konings met haar te confereeren, op welke voorwaarden de Koningin hare bewilliging zou geven tot dit dwaze huwelijk. Maar ik begrijp u niet, allerschoonste. Ge zet zulk een treurig gezicht, alsof ge reeds op 't punt waart naar Litthauwen te vertrekken, en alsof gij het niet waart die macht en geweld hebt op het hart en de ziel des Konings. Ik voor mij geloof zeer vast aan deze macht; en ben overtuigd dat de Koning u nooit opgeven en verlaten zal. Zou ik anders met u het of- en defensief verbond hebben gesloten ? Kon ik er anders op rekenen dat ik door uwe voorspraak het fraaie, kleine huis bij Sanssouci zou krijgen? Neen, mijn allerschoonste; gij blijft tóch koningin, trots alle gemalinnen dei rechter- en linkerhand. Maar ge moet den moed niet verliezen, en niet zulk een treurig gezicht zetten. Want ge weet, treurige gezichten kan onze goede heer volstrekt niet uitstaan, en voor weenende vrouwen loopt hij dadelijk weg.quot;

„'tls waar, ge hebt gelijk,quot; zeide Wilhelmine: „Ik Wil lachen, o, ik wil lachen !quot;

En zij barstte los in een luiden, schaterenden lach, waarmede Rietz vroolijk instemde.

„Zóó is het goed,quot; riep hij; „zóó bevalt ge mij! Ge ziet er uit als een leeuwin, die den roover wil verscheuren, die hare geliefde welp wil stelen. Goed zoo, mijn allerschoonste! Die op God vertrouwt, braaf om zich houwt, zal nooit tot schande komen, zeide mijn goede oude burgemeester Funk. Houw om u heen, koningin; houw duch-

ocr page 206

192

tig om u heen, en alles zal goed gaan, en wij zullen nooit tot schande komen. En nu heb ik de eer u te groeten, genadigste mevrouw gemalin, want ik hoor daar een rijtuig aankomen, en ik wed dat het de Koning is. 't Is niet noodig, dat Zijne Majesteit mij nog hier vindt; ik zal dus uit de achterdeur sluipen, en door den tuin aftrekken. Addio, carissima, addiolquot;

Hij boog eerbiedig, wierp haar toen met de toppen zijner vingers kushandjes toe, opende een venster en sprong naar buiten op het terras, van 't welk eenig treden naar beneden in den tuin voerden.

Wilhelmine oogde hem met duisteren blik, met somber gelaat na. — „Welk een gemeene ziel, welk een ellendig karakter,quot; fluisterde zij: „en tóch moet ik het met hem houden, en vriendelijk jegens hern zijn; want hij is mijn eenige bijstand, mijn eenige vriend, en zonder hem zou ik verloren zijn! En ik wil niet verloren zijn! Ik wil mijn plaats behouden, en er om strijden, tot mijn laatsten ademtocht.quot;

„De Koning!quot; riep Jean de deur openslaande: „Zijne Majesteit is aangekomen, en verwacht mevrouw in hare woonkamer.quot;

„Ik kom,quot; zei Wilhelmine bedaard: „spoed u naar het park, en verwittig mijn zoon en mijne dochter. Zij zijn beneden bij de rivier, en moeten terstond komen om Zijne Majesteit te begroeten.quot;

VIII.

NIEUWE LIEFDE.

De Koning kwam Wilhelmine met een zachten glimlach tegemoet, en toen zij zeer eerbiedig voor hem buigen wilde, terwijl zij hem met ceremonieele, plechtige woorden hare gelukwenschen bracht, lachte Frederik Willem, trok haar in zijne armen, en drukte een hartelijken kus op haar voorhoofd.

Wilhelmine beefde, en de tranen drongen in hare oogen; zij had willen schreien, hem in hare armen sluiten, en

ocr page 207

m

mei teodere klachten en vui ige liefdebetuigingen den Koning bezweren haar niet te verlaten,— haar en hare kinderen niet te verstooten in de verbanning. Maar zij overwon hare aandoening; zij wist immers dat de Koning geen treurige gezichten verdragen kon, dat hij schreiende vrouwen ontvluclitte!

Zij had dus den moed te glimlachen, vroolijk te zijn, geen spoor van ongerustheid of angst te toonen, maar met volkomene ouhavangenheid en argeloosheid te spreken, alsof in hunne betrekking volstrekt niets veranderd was, — zich nooit iets daarin veranderen kon.

Frederik Willem, — die aanvankelijk onder een bedaard uiterlijk, zijn inwendiye verlegenheid verborgen had, — gevoelde zich als van een drukkenden last bevrijd, toen hij Wilhelmine zoo onbezorgd vond. Hij gaf zich blijmoedig over aan het weldadige gezelschap zijner schoone en bevallige vriendin, die het altoos zoo goed verstaan had hem te vervroolijken, en al zijne zorgen te verbannen. Toen vervolgens de heide kinderen kwamen, — toen zijn lieveling, de tienjarige Alexander, op hem toe kwam springen, met zijn schoone, blauwe oogen zijn papa Koning aanstaarde, — vervolgens zijne armen met innige teeder-heid om zijn hals sloeg en zijn vader, zonder ontzag voor zijn Koningschap, innig liefkoosde en kuste; — toen de liev,; dochter, in den vollen, jeugdigen bloei harer zestien jaren, het bekoorlijke evenbeeld harer jonge moeder, tot hem kwam en zich op zijne knie zette, tegenover den zoon, die op de andere knie zat; — toen vervolgens de altoos nog schoone en bekoorlijke moeder dezer beide geliefde kinderen op de groep toetrad, en lachend, met stralende oogen hare armen om de kinderen en den vader sloeg, toen doorstroomde een gevoel van onuitsprekelijk welbehagen de borst van Frederik Willem, en zijne oogen vulden zich met tranen.

Hij schoof zacht de heide kinderen van zijne knieën en stond op. — „Gaat naar beneden in den tuin, mijne lievelingen. Verwacht mij in het rozepriëel. Wij willen daar de zon zien ondergaan. Gaat nu. want ik heb met uwe moeder te spreken.quot;

„Maar 'tis toch niets kwaads, genadigste papa?quot; vroeg Alexander angstig: „Gij hebt toch mijne mama niets te zeggen, dat haar treurig maakt?'

Mühlbaoh, Buitschland in woeling en strijd. III. 13

ocr page 208

194

„En als dat zoo ware,quot; vroeg Frederik Willem glimlachend: „wat zoudt gij daartegen doen?quot;

„Als het zoo ware,quot; antwoordde de knaap met een stoute, tartende uitdrukking; „dan weet ik wel, wat ik doen zou. Dan ging ik niet weg; dan bleef ik hier, schoon ook papa bevolen had dat ik heen moest gaan. Maar dezen enkelen keer zou ik niet kunnen gehoorzamen, al zou ik er ook om gestraft worden.quot;

„Wat zou het u baten, zoo ge hier bleett, Alexander ?quot; vroeg de Koning.

„Het zou zooveel baten. Majesteit,quot; antwoordde de knaap ernstig: „dat mijn lieve, waarde mama dan niets zou vernemen wat haar treurig maakt, en haar misschien aan 't schreien brengt.quot;

„Maar zoo ik haar nu het treurige in uwe tegenwoordigheid zeide?quot;

„Dat zult ge toch niet doen, heer vader!quot; riep Alexander, zijn sierlijke, slanke gestalte hoog oprichtend: „Neen, ge zult mama in mijne tegenwoordigheid gewis niets treurigs zeggen, want ge weet, dat ik óók zou beginnen te schreien, als mama schreit, — en het zou u toch zeer smarten, indien uw arme kleine zoon mèt zijne mama zoo schrikkelijk schreiden.quot;

„Gij houdt dus wel veel van uwe mama?quot;

„Ja,quot; riep de knaap innig, terwijl hij zijne armen vast om de taille zijner moeder sloeg, en zijn blonden krulkop aan haren boezem vlijde; „ja, ik bemin mijn mama ten hoogste, en als ik haar zie schreien, is 't alsof mijn hart wil breken, zooveel leed doet het mij. En ze schreit tegenwoordig zeer dikwijls, mijn lieve mama, en —quot;

„Ga, Alexander,quot; viel zijne moeder hem haastig in de rede: „ge ziet, uw zuster is een gehoorzame dochter, en heeft reeds aan het bevel van uwen waarden vader gehoorzaamd. Volg haar dus, mijn zoon, en leer van haar, uwen heer vader steeds zonder morren te gehoorzamen.quot;

„Ja, mijn zoon, volg uwe zuster,quot; zei de Koning zacht: „vrees ook niets, ik heb uwe mama niets treurigs te zeggen.quot;

„Nu, mijn genadige papa, dan ga ik,quot; riep de knaap, terwijl hij de hand zijns vaders teeder aan zijne lippen drukte, en vervolgens vlug en bevallig door de kamer sprong

ocr page 209

495

De Koning oogde den bekoorlijken knaap, raet glinste-renden blik na, tot de deur zich achter hem gesloten had; toen richtte hij zijn oog op Wilhelmine, die met een zachten glimlach zijn blik beantwoordde.

„Wilhelmine,quot; zeide hij: „ik ben heden een nieuw leven ingetreden. De arme, met schulden geplaagde Kroonprins in nu een machtig, rijk Koning geworden. De eerste en heiligste plicht van den jongen Koning is, u zijne dankbaarheid te bewijzen; u, die hem, toen hij nog Kroonprins was, liefde en trouw gehouden hebt. Derhalve, Wilhelmine, waart gij mijn eerste gedachte; derhalve kom ik tot u, om u te bewijzen, dat ik een dankbaar hart heb, en het verledene nimmer vergeten zal. Gij hebt voor mij ontbeerd, voor mij geleden; de tijd der vergelding, der belooning is nu aangebroken. Eisch dus; zeg mij vrij en zonder terughouding al uwe wenschen, want ik zweer u, zij zullen vervuld worden. Wilt ge een naam, een voornamen titel, wilt ge brillanten en schatten, wilt ge een fraai landgoed hebben? Spreek, zeg het; want ik ben gekomen om u eindelijk te beloonen, en ik ben Koning! Noem mij dus uwe wenschen!quot;

Zij zag hem met glinsterende oogen en trotsche houding aan. „Ge zijt gekomen om mij te beloonen,quot; zeide zij: „en. ... ge zijt Koning! Wat geef ik om uw Koningschap? De Koning heeft de macht niet, mijne wenschen te vervullen!quot;

„Wat wenscht ge dan?quot; vroeg hij onthutst.

„Ik wensch, wat niet de Koning, — maar slechts de man mij verleenen kan. Ik wensch, dat ge mij bemint, zooals de Kroonprins mij bemind heeft. Ik begeer geen rijkdom, geen schatten; ik vraag niet naar titels en landgoederen. Toen wij zwoeren dat wij elkander wilden beminnen en trouw zijn tot den dood, toen waagdet ge niet te denken, dat ge mij eens beloonen wildet voor mijn liefde. Toen wij wederkeerig den eed van liefde en trouw met ons bloed schreven, was dit het huwelijkscontract onzer harten, en dit contract bestond slechts uit één paragraaf. Het verzekerde slechts ieder van ons beide, de liefde en trouw van den andere, als huwelijksgift. Laat my deze huwelijksgift, Frederik Willem, en behoud uwe schatten, uwe titels en landgoederen voor uwe gunstelingen, favo

ocr page 210

106

riten en vleiers. Zulke dingen zijn goed genoeg voor hèn, maar niet voor mij ; — niet voor de moeder uwer kinderen! Laat mij mijn huwelijksgüt, Frederik, —behoud mij uwe liefde en trouw!quot;

De Koning sloeg voor hare groote, vlammende oogen zijn blik verlegen neder, en scheen het niet te merken, dat zij hem hare beide handen met een smeekend gebaar toestak. Hij wendde zich af, en ging langzaam, met gebogen hoofd in de kamer op en neer.

Wilhelmine's handen zonken neder, en een zware zucht wrong zich uit haar beklemde borst. — „De beslissing is er,quot; zeide zij tot zich zelve: „Zij zal mij beraden en strijdvaardig vinden.quot;

Plotseling bleef de Koning voor haar staan, en zijn schoon en goedhartig gelaat glinsterde van een straal van ernstige beradenheid.

„Wilhelmine,quot; zeide hij: „ik sta op den drempel eenet' grootsche, verhevene toekomst, en ik wil dien niet met een teugen overschrijden. Er moet waarheid tusschen ons zijn, geheele, volkomene waarheid! Zijt ge bereid die te hooren ? '

„Ik ben bereid,quot; zeide Wilhelmine ernstig: „ik wil liever stez'ven door de waarheid, dan leven door den leugen.quot;

„Kom, Wilhelmine,quot; voer de Koning voort, terwijl hij haar de hand reikte: „wij willen ons daar op den divan nederzetten, waarop wij zoo vaak in ernstige en vertrouwelijke gesprekken nevens elkander gezeten hebben. Wij willen ook heden zoo tot elkander spreken, en onze harten moeten zich voor elkander ontsluiteu, met eerlijk en innig vertrouwen.quot;

Hij geleidde haar naar den divan, en nam nevens haar plaats/ Zij leunde haar hoofd tegen zijn schouder, en als een snik wrong zich uit hare borst.

„Spreek nog niet,quot; fluisterde zij: „laat mij nog een oogenblik zóó rusten en aan het schoone verledene denken, thans nu de toekomst u met zulke schitterende verwachtingen wenkt. Ach, ik heb den moed niet haar te aanschouwen, en 't komt mij voor, alsof ik tot de onge-lukkigen behoor, van wie Dante verhaalt, dat ze voorwaarts gaan met rugwaarts gekeerde aangezichten, en dat zij niet zien wat komt, maar alleen wat geweest is, en wat achter hen ligt. Ach, even als zij, zie ook ik slechts wat

ocr page 211

-197

achter mij ligt. Ik zie ons beiden jong, gelukkig en vroo-lijk; want over ons schijnt de ster onzer jonge liefde. Ik zie u nevens mij als mijn leermeester, die mij onderwijst en mijn geest tracht de beschaven. — Weet ge nog, Fre-derik, hoe ge mij de Italiaansche taal geloerd hebt. Met u heb ik Dante gelezen; gij hebt mij dit afgrijselijk beeld van de rugwaartsgekeerde aangezichten verklaard. Moet ik nu ook door u in werkelijkheid ervaren, wat ge mij destijds in gedicht verklaard hebt? Moet ik huiverend 't gezicht der toekomst vermijden, en slechts leven en teren van het aanschouwen van 't geen geweest is en dat achter quot;mij ligt? Zeg mij, Frederik, is het dan waar, is liet dan mogelijk? Ligt dan de liefde met al haar geluk, hare zaligheid, werkelijk slechts achter ons, en niet meer vóór ons? — Maar neen, zeg het nog niet,quot; riep zij angstig, toen hij nu spreken wilde; ,,laat ons nog een oogen-blik stil zijn en droomen, daar wij immers, zooals ge zegt, op den drempel van een nieuwen tijd slaan.quot;

Zij zweeg en boog haar hoold vaster aan de borst van Frederik Willem, die zacht zijn hand om haar hals legde, en haar aan zijn hart drukte. Een lange pauze ontstond: door bet venster drong een laatste straal der ondergaande zon in de kamer', trok er een als gouden, trillende streep doorheen, en bescheen het hoofd der arme vrouw, die bevend aan de borst van haren geliefde rustte.

De laatste straal der ondergaande zon! De geesten der herinnering sidderden en dansten er op; de dagen, die geweest waren, glinsterden in dezen laatsten straal, en doofden er mede uit.

„Ach,quot; zuchtte de Koning na een lange pauze: „waarom is toch het menschelijke hart zoo zwak, — waarom behoudt het niet, gelijk de brillant, zijn heldere kleuren en schitterenden glans? Waarom verdwijnt de glans en het vuur der liefde? Waarom heeft het lot gewild, dat alles aan afwisseling onderworpen zij, . . . ook de liefde?quot; —

Wilhelmine hiel haar hoofd op —het uur van weemoed was overwonnen, zij had nu don moed voorwaarts te zien, en den drempel van den nieuwen tijd te overschrijden. Wat zal hij haar brengen? Zal hij donker zijn, zal de zon zijn ondergegaan voor haar leven, zooals zij het is voor het half duistere vertrek, waarin zij zich thans be-

ocr page 212

198

vindt nevens den man die haar eens zijn levenszon genoemd heeft, en nu bij haar toeft in nacht en duisternis?

„Ge bemint mij niet meer, Frederik Willem; zeg het maar ronduit: ge bemint niet meer?quot;

„Ik bemin u, Wilhelmine; zeker, ik bemin u oprecht, harteliik, en innig.quot;

Zij slaakte een luiden kreet, en drukte de hand op haar hart. Hoe verschilde deze koele liefdesverzekering, van de gloeiende verklaringen van vroegere dagen!

„Verder, Fredei-ik, verder! Ik ben bereid alles te hooren ! Ge bemint mij oprecht, hartelijk, en innig, zegt ge?quot;

„Ja, Wilhelmine, en God is mijn getuige dat dit de waarheid is! Ik zou alles willen doen, alles, om u gelukkig te maken!quot;

„Alles! — Slechts dit ééne niet! Slechts niet mij te be minnen, zooals ge vroeyer gedaan hebt!quot;

„Ach, Wilhelmine, de mensch is eenmaal slechts een mensch, en geen God! Niets aan hem is eeuwig en onsterfelijk, ook de liefde niet! Die liefde niet, die ontvlamt in gloeienden hartstocht en slechts zalig is in het bezit van het geliefde, aangebedene voorwerp. Het bezit echter, het verlangde bezit, is juist wat de liefde doodt. Ons bekoort slechts wat wij verlangen, en zoo we aan het verlangde gewoon zijn geworden, maakt de gewoonte ons onverschillig. 't Is ellendig dat het zoo is, maar het is zoo! Wij kunnen de menschelijke natuur niet veranderen, want menschen zijn wij allen.quot;

„Woorden, woorden,quot; prevelde zij beklemd: „Zeg toch alles in eens. Gij bemint mij niet? Gij bemint een andere? Beantwoord mij deze twee vragen, ik bezweer u, beantwoord ze mij!quot;

„Dat zal ik, Wilhelmine. Ik bemin u niet meer, zegt ge. 'tls waar, ik bemin u niet meer, gelijk ik u vroeger bemind heb; maar misschien nóg meer, misschien beter en reiner! Ik bemin u niet meer, maar ik voed voor u de grootste, innigste vriendschap. De liefde is gelijk de zon, die met den morgen helder opstraalt, en des avonds verdwijnt. De vriendschap is als de avondster die er altijd is, hoezeer wij haar niet zien kunnen, zoolang ze door den glans der zon overschenen wordt. Voor ons, Wilhelmine, is de zon eindelijk ondergegaan; want zij heeft ons

ocr page 213

199

vele, zeer vele jaren beschenen, en nu moet het toch eindelijk eenmaal nacht worden, en ge kunt er niet boos om zijn, dat zij ondergaat. Maar de avondster schijnt nog aan onzen nachtelijken hemel, en zij zal er eeuwig schijnen. Ik bid u, Wilhelmine, wees nu geen zwakke, geen gewone vrouw. Geef u niet aan sentimenteele, verliefde klachten over, maar bezie de zaken zooals zij zijn. Wees groot en overwin de kleingeestige ijdelheid der vrouw, die zich beleedigd gevoelt, als de verliefdheid en het teedere verlangen des mans verkoeld zijn. Ik bemin u niet; en daar ik een man ben, en daar het hart steeds jong blijft voor een nieuwe liefde, wil ik u ook dit nog bekennen : ik bemin eene andere! — Stil, stil, val mij niet in de rede met klachten en verwijten. Wij kunnen het beiden niet veranderen; wij moeten slechts den moed hebben, de waarheid in 't gezicht te zien! Ja, ik bemin eene andere; bemin haar even vurig, als ik u eens bemind heb, maar — ik geloof thans niet meer aan de eeuwigheid van het gevoel; ik weet dat alle liefde vergaat, en, daarom zeg ik ook niet meer tot de nieuwe geliefde, zooals ik eens tot u heb gezegd; „Ik wil u beminnen, zoolang ik leef,quot; maar ik zeg slechts: „Ik wil u beminnen, zoolang mijn hart er toe in staat is!quot; Ik wTeet, er zal een dag komen dat ik deze liefde moede ben, maar nooit, nooit, Wilhelmine, zal een dag komen, dat de vriendschap, welke ik voor u gevoel, zou kunnen verkoelen; dat ik onverschillig zou kunnen worden jegens degene, welke ik eens zoo vurig bemind heb, aan wie ik de schoonsteen gelukkigste jaren mijner jeugd te danken heb! Wilhelmine, ik weet het, er zal een tijd komen, dat mijn hart verstomd zal zijn voor alle liefde en voor alle vrouwen. Maar voor u zal het altijd zijne warmte en zijn leven behouden; want de dagen mijner jeugd zullen mij beschijnen van uw voorhoofd, en de herinneringen aan gelukkiger jaren boeien mij vaster aan u, dan alle eeden van liefde mij aan andere vrouwen zouden kunnen boeien. Wees slechts zoo groot, zoo moedig en verstandig, als ge altijd geweest zijt; vergeef mij de menschelijke zwakheid, geef mijne liefde op en neem mijne vriendschap aan, — mijn trouwe, eeuwige, onvergankelijke vriendschap,quot;

„Vriendschap!quot; herhaalde zij met een honenden lach:

ocr page 214

200

,,Ik huiver, als ik flat woord hoor. Ge hebt rnij vurigen wiin beloofd, en nu wilt ge mijn smachtenden dorst met koud water Nlilien !quot;

„Den wijn wordt tnen moede, Wilhelrnine! Op de he-melsclie bedwelming volgt de zeer aardsche misselijkheid ; maar bij liet eeuwig frissche bronwater, blijft men frisch en sterk; het stilt den dorst, zonder te bedwelmen, het maakt gezond en hondt het hart kalm.quot;

„Of laat het verkillen en tot ijs verstijven,quot; zuchtte Wilhelmine.

Neen, het geeft nieuwe levenswarmte! Zoo is het ook met de vriendschap, Wilhelmine.quot;

„Dat heet,quot; snikte zij: .,ge wilt mij verstooten, mij in ballingschap zenden? Ik zal voor een medeminnares moeten wijken?''

„Neen, dat zult ge niet!' riep hij levendig: „Neen, gé zult er slechts in bewilligen mijn vriendin Ie zijn; u te verheffen boven alle kleingeestige ijverzucht, en u verstandig en wijs in het onvermijdelijke te schikken. Maarzoo ge dat niet kunt, Wilhelmine; — zoo ge in plaats van de verstandige vriendin, de rol der ijverzuchtige Orsina spelen, en mij scènes veroorzaken wilt, — slechts dan zou ik tot mijn eigen diepe smart van u moeten scheiden, van den omgang met mijn dierbare vriendin afzien, en —quot;

„Neen,quot; riep zij, hem met een kreet van verschrikking vast in hare armen sluitende: „neen, ik kan niet leven zonder u, en ik wil niet met mijn arme. mijn geliefde kinderen in ballingschap gaan!quot;

„Met uwe kinderen,quot; herhaalde de Koning: „wie denkt er aan, deze kinderen in ballingschap te zenden?quot;

„Houdt ge het niet voor mogelijk, dat ge mij verstooten in ballingschap zendt? Nu, waar ik ben, zullen ook mijne kinderen zijn !quot;

„Waar gij zijt, Wilhelmine, zal ook uwe dochter zijn; dat is wettelijk, dat is natuurlijk. Maar de zoon behoort den vader, en wat ons ook scheiden en verwijderen moge, mijn zoon Alxander mag niet van mij gaan,— mijn lieve, schoons knaap blijft bij mij!quot;

Hij zag niet dat Wilhelmine's oogen opvlamden, dat een koen besluit opschoot in hare ziel. Het was geheel donker

ocr page 215

201

geworden om lien heen — de zon was ondergegaan in bon en om hen!

Wilhelrnine le^de haar hand op Frederik Wilhelm's schouder. — „Wij staan op den drempel van een nieuwen tijd,'' zeide zij: „onze zoon zal nu beslissen tusschen ii en mij. Ik leg mijn lot iti zijn hand, en wil belaanne-men als kwam het van God. Wij willen hem roepen, en hij zal kiezen tusschen zijn vader en zijne moeder. Zoo hij mij verlaten, — en bij u blijven wil, dan wil ik mijn hoofd buigen in ootmoed, en blijven en mij tevreden stellen met uwe vriendschap; in de duisternis en de schaduw van verre staan, terwijl mijn gelukkige, beminde mededingster in den glans des geluks en der liefde aan uwe zijde wandelt! — Maar, als mijn zoon met mij wil gaan, met zijne moeder, dan wil ik als Hagar in de woestijn trekken, maar ik wil niet klagen en mij ongelukkig gevoelen, want ik heb mijn zoon aan mijne zijde, — mijn zoon, die het evenbeeld is zijns vaders, mijn zoon in wien ik zijn vader bemin 1:'

„Welaan, het zij zoo,quot; riep de Koning: „onze zoon zal beslissen. Ga, en haal hem hier.''

„Neen, ik wil bem slechts in uwe tegenwoordigheid zien; ge zoudt anders kunnen meenen dat ik op zijn besluit invloed bad geoefend. Veroorloof, dat illt; hem/«ai roepen.quot;

Zij schelde en beval den binnen tredenden dienaar, licht te brengen, en den „jongenheerquot; te verzoeken, dadelijk bij Zijne Majesteit te komen.

„Wij zullen nu vernemen wat bet lot over mij bestemd heeft,quot; zei Wilhelrnine, toen de dienaar heen was gegaan : „Want net lot zal mij spreken, door den mond van mijn zoon!quot;

IX.

DE BESLISSING.

Na verloop van eenige minuien werd de deur van bet nu verlichte vertrek geopend, en Wilhelmine's zoon trad binnen. Met blozende wangen en met misnoegde houding

ocr page 216

202

trad hij op den Koning toe, die den schoonen knaap met teederen blik tegemoet zag.

„Genadige heer vader,quot; zeide hij: „ge hadt beloofd ons in het roz'epriëel beneden aan de rivier op te zoeken, en wij hebben gewacht en gewacht, maar te vergeefs! De zon is prachtig ondergegaan, en het was hemelsch om te zien, toen zij zoo eensklaps onderdook in het water; maar gij zijt niet gekomen, en hebt de lieve zon geen goeden nacht gewenscht. Waarom niet? Mij dunkt een Koning moet altoos woord houden, en ge hadt toch beloofd te komen?quot;

„Nu, nu, mijn gestrenge heer,quot; glimlachte de Koning: „ik bid om vergeving. Maar ik had noodzakelijk met mevrouw uwe moeder te spreken, on ge zult dus wel zoo goed zijn mij te verontschuldigen.quot;

De knaap richtte zijn groote, blauwe oogen met een vragende uitdrukking op zijne moeder. — „Was't noodzakelijk, mama?quot;

De Koning lachte luidkeels. — „Waarachtig,quot; riep hij: „ge zijt als een groot-inquisiteur, mijn kleine Alexander, en men zou waarlijk bang voor u zijn. Maar gij hebt Zijne Gestrengheid nog niet geantwoord, mevrouw mama. Verontschuldig mij toch bij hem, door den jongenheer te verzekeren, dat wij werkelijk iets noodzakelijks te bespreken hadden.quot;

„Alexander weet, dat, wat de Koning zegt en doet, boven allen biaam verheven is,quot; antwoordde Wilhelmine ernstig: „en ik verzoek slechts hem te verontschuldigen, dat hij alleen aan den goeden vader, — en niet aan den Koning dacht. Maar hoor nu, mijn kind, waarom uw vader u* hier ontboden heeft, en span uw kleine hoofd en uw lief hart goed in, opdat heiden antwoord geven, op't-geen de Koning u vragen wil.quot;

„Moet ik dan de vraag aan hem doen?quot; vroeg de Koning bijna verlegen: „'t Zou mij liever zijn, zoo gij het deedt, Wilhelmine. — Maar,quot; voer de Koning voort, toen Wilhelmine een ontkennende beweging maakte: „het zal geschieden zooals ge wenscht. — Luister dus, mijne lieve Alexander, 'tis mogelijk, dat uwe moeder zich verplicht acht, eon paar jaar te verbuizen, en van hier te vertrekken. Ik wil haar Ier gedachtenis aan mijne troonsbestijging eenige goederen in Pruisen schenken, en mevrouw uwe

ocr page 217

203

moeder wil daar eenige jaren op hare landgoederen leven. Maar, hoezeer het leven aldaar voor dames recht aangenaam moge zijn, is het toch zeer eenzaam en stil, — en voltrekt niet geschikt voor een jongeheer, die nog zeer veel te leeren heeft en later soldaat wil worden, iets wat op het land niet geschieden kan. Derhalve wensch ik natuurlijk, dat ge u gedurende eenige jaren van uwe moeder verwijdert, — en bij mij, bij uwen vader blijft, die u gewis even zeer bemint als uwe moeder. Maar wij hebben besloten, dat wij u, — hoe jong ge ook nog zijt,— de beslissing willen laten en ik vraag u dus: mijn zoon, wilt ge met uwe moeder gaan, of bij uwen vader blijven? Antwoord niet terstond, mijn kind, maar bedenk u eerst goed op 'tgeen ge zeggen wilt.quot;

„O, mijn lieve heer vader,quot; zei de knaap: „daar is volstrekt niets te bedenken, en ik weet terstond wat ik te doen heb. Mijne lieve nama heeft mij nooit verlaten, zij is altijd bij mij gebleven; zij heeft, toen ik onlangs de mazelen had, dag en nacht aan mijn bed gezeten, met mij gespeeld en mij zulke fraaie geschiedenissen verhaald. En ik weet zeker: ik zou nooit weer beter zijn geworden, zoo mijn lieve mama mij niet zoo opgepast had. Want als zij slechts een korten tijd niet bij mij was, en niet aan mijn bed zat, was ik zeer ziek en had veel pijn, maar als zij terugkwam, was alles terstond weder goed. En hoe zou ik nu mijn lieve mama kunnen verlaten, daar zij mij toch nooit verlaten heeft?quot;

„O, mijn kind, mijn geliefd -kind,quot; riep Wilhelmine met tranen in de oogen: „God zegene u voor dit woord. Maar tóch wil ik niet, dat het een beslissing zijn zal! Ge moet toch overleggen, mijn zoon. Ik ga naar mijne landgoederen, zooals uw heer vader u gezegd heeft. Het zal er eenzaam en stil zijn; er zijn daar geen soldaten, g^en fraaie huizen, geen vermakelijkheden en geen knapen, waarmede ge spelen kunt. Zoo ge echter bij uwen heer vader blijft, zult ge alles hebben, en ge zult geëerd worden en in aanzien zijn als een prins. Ge zult in de fraai slad Berlijn quot;wonen, alle dagen de soldaten zien exerceeren, in een koets en te paard rijden, een fraai huis onder de Linden met mijnheer de Ghapuis bewonen, en alles wat ge wenscht, zal uw heer vader u geven.''

ocr page 218

204

„Dan moet hij mij mijn moeder geven, want dat wensch ik,quot; riep de knaap 'levendig, „Ja, mijn heer vader, als ik met mijn lieve mama in een fraai huis onder de Linden wonen kan, en ge dan dikwijls tot ons komt, dan heb ik alles wat ik wensch.quot;

„Maar uwe moeder wil immers niet te ^Berlijn blijven, Alexander, en dus moet ge kiezen of ge met haar weggaan, — of bij mij, uw vader, blijven wilt.quot;

„Nu,quot; zeide Alxander ernstig: „als ik kiezen moet, wil ik natuurlijk met mijn lieve mama weggaan. Het doet mij wèl zeer leed, dat ik mijn heer vader verlaten moet, maar zonder mijne mama kan ik niet op de wereld zijn, want zij heeft mij zoo heel lief, en is zoo goed voor mij, en ik ben altijd ongerust als zij niet bij mij is.quot;

Door inwendige aandoening geen woord kunnende uitbrengen, zonk quot;Wilhelmine langzaam op hare knieën, en breidde met verrukten glimlach, met stralende oogen de armen uit naar haren zoon, die zich met een kreet van teederheid aan haar borst wierp.

De Koning wendde zich af, en een diep smartelijk gevoel vervulde zijn hart. Hij legde zijn bevende hand op zijn oogen, en stond in weemoed en smart verzonken in 'tmidden der kamer; eenzaam en verlaten, terwijl hij de kussen, het snikken, de gefluisterde liefdewoorden van moeder en zoon hoorde.

Plotseling voelde hij zijn schouders licht aangeraakt en een van weemoed bevende stem fluisterde zijn naam. De Koning liet de handen van zijn aangezicht nederglijden, en zijn blik ontmoette de groote oogen van Wilhelmine. Zij stond nevens den Koning, met de rechterhand op den schouder van den knaap steunende, die zijn hand om hare taille bad geslagen, en met zijn hoofd tegen haar heup leunde.

„Vaarwel, Frederik Willem,quot; zeide zei met luide, plechtige stem: „Hagar gaat uit in de woestijn des levens. De landgoederen en schatten, welke ge mij biedt, verwerp ik, en slechts het weinige dat tot hiertoe het mijne is, behoud ik; want ik wil niet dat mijne kinderen bongelen nood zullen lijden. Ik zal, zoodra ik een plaats heb gevonden, waar ik blijven wil, berichten, en men moet mij daarheen bet meubilair van dit huis zenden. Dit huis

ocr page 219

2Ü5

zal verkocht worden, en de koopprijs zli! mijn vermogen en het erfdeel mijner kinderen zijn. Elk andere voor mijn verleden wijs ik, als mij onwaardig, af. Nog in dezen nacht vertrek ik met mijne kinderen. Mijn gedachten en zegenwenschen blijven echter terug, bij den vader mijner kinderen. Vaarwel, Majesteit, en wees zoo gelukkig, als ik liet u toewensch. Vaarwel!quot;

Zij boog tot een laatsten groet het hoofd, wendde zich toen om, en schreed geleund op haren zoon, door de ruime kamer.

De Koning oogde haar in ademlooze spanning na; bij elke schrede voorwaarts werd het gevoel van smart in zijn hart grooter, nam de angst zijner ziel toe. Toen VVilhel-mine nu de deur opende, toen moeder en zoon er wilden uittreden, zonder slechts een enkelen keer om te zien naar hèm, die hen in onuitsprekelijke angst, met tranen in de oogen nazag, — toen klonk een kreet van ontzetting van zijne lippen, vloog hij hen na, greep met een hartstochtelijke onstuimigheid Wilhelmine's arm, trok haar terug, en stootte haar met een woeste beweging zóó heftig midden in de kamer, dat zij als verslagen ter aarde zonk, en Alexander in luid weenen uitbarstte.

Dit weenen scheen Wilhelmine uit hare verdooving te wekken; zij richtte zich op, en wendde zich met fiere kalmte tot den Koning, die hijgend, in gloeiende opgewondenheid voor haar stond.

„Zend hèm naar buiten,quot; stamelde zij: „ik wil niet, dat hij Uwe Majesteit zoo ziet.quot;

De Koning antwoordde niet, maar ijlde tot den knaap, kuste hem teeder, schoof hem naar buiten, en sloot de deur achter hem. Vervolgens keerde hij tot Wilhelmine terug, die hem met bleek, maar kulm gelaat aanzag.

„Wilhelmine,quot; zeide hij, ieder woord met moeite uitbrengende: „Wilhelmine, het is niet mogelijk Ge kunt mij niet verlaten, want als gij gaat, gaat mijn jeugd, mijn geluk, — gaat mijn goed gesternte mét, u! Heb toch medelijden met mij; zie toch hoe ik lijd! Wees groot, wees goed, wees barmhartig. Blijf bij mij!''

„Gij hoort hem. God,quot; riep Wilhelmine, haar beide armen ten hemel heffende: „Gij hoort hem, en ziet wat ik lijd! Ik heb hem bemind van mijn vroegste jeugd af aan.

ocr page 220

206

ik ben hem tr ouw geweest met iedere gedacli te, met eiken ademtocht mijns levens; ik heb voor hem smaad en schande en de verachting der wereld verdragen, ik heb al de schatten mijner ziel en mijns harten gegeven aan den eenigen, geliefden man. En deze offers en vernedering zijn nog niet genoeg geweest. Hij vordert van den moeder zijner kinderen nog een grooter offer: hij vordert dat ik van zijne liefde afstand doe, en zie, hoe hij aan eene andere de liefde geeft, welke hij mij gezworen heeft. O groote, almachtige God, ontferm u mijner; zend een bliksemstraal, die mij doodt, die mij redt: want ik kan niet leven zonder hem, en kan niet leven mét hem!''

, Wilhelmine,quot; zei de Koning met doffe stem: „ge wilt mij dus dit offer niet brengen? Ge wilt niet bij mij blijven als mijn geliefdste, dierbaarste vriendin, aan wie ik mijn geheel vertrouwen schenk; die, als de zuster mijner ziel, elke gedachte met mij deelen zal, — voor wie ik nooit een geheim hebben wil?quot;'

Zij schudde langzaam het hoofd. — „Wat deed Kleopatra, toen, zij den triomftocht van haren trouweloozen geliefde en hare gehate mededingster verheerlijken, — en onder het juk moest gaan? Zij gaf zich zelve den dood, zij liet de slangen, die in haar hart gewoeld hadden, er uit sluipen in het leven, en haar den dood geven. Ik verkies liever te sterven als Kleopatra, dan te leven als de markiezin de Pompadour!''

„Nu, welaan dan,quot; zeide Frederik Willem met bevende stem, de oogen met een teedere uitdrukking op Wilhelmine richtende: „ik wil u bewijzen, dat de liefde der vriendschap, waarmede ik u bemin, sterker is dan de liefde welke ik aan eene andere gewijd heb. Ik wil u, — de geliefde mijner jeugd, de vriendin mijner ziel, — het offer mijner wenschen en de hoop mijns harten brengen. Ik zie om uwentwille af van het bezit der andere ; ik wil de freule von Voss niet weder zien. Zij moet het Hof verlaten, en ik zal nooit een poging doen, om haar terug te roepen. Zijt ge nu tevreden, Wilhelmine? Wilt ge nu bij mij blijven, en mij mijn lieven zoon laten, die mij om uwentwille verlaten wilde? Wilhelmine, wilt ge trachten te vergeten enquot; — de stern des Konings haperde en tranen vloeiden uit zijne oogen; hij schudde ze echter on-

ocr page 221

'207

tevreden weg, dwong zijn stem niet te beven, en vervolgde: „en wilt ge uit liefde beproeven, mij schadeloos te stellen voor het offer dat ik u breng in liefde?quot;'

Wilhelmine sloeg met een luiden vreugdekreet hare beide armen om den hals des Konings, en drukte een langen, gloeienden kus op zijn trillende lippen.

„Ik dank u, Frederik Wilhelm, ik dank u! Gij beloof-det mij, toen ge kwaamt, mij heden te willen beloonen voor mijne liefde en trouw gedurende al de jaren, die vervlogen zijn. Gij hebt uwe belofte vervuld, mijn geliefde; ge hebt mij beloond. Ge hebt mij bet grootste ofïer gebracht, 't welk een mensch kan brengen ; ge hebt mij uw hartstocht geofferd, wilt mij de trouw bewaren, welke ge mij gezworen, — .welke ge bezegeld hebt met uw bloed. Zie hier, Frederik Wilhelm, zie hier het litteeken aan mijn hand. Deze wonde bracht ik mij destijds toe, toon ik u met mijn bloed een schriftelijken eed mijner liefde en trouw wilde geven. Gij kustet de wonde, en dronkt mijn bloed, en zwoert dat ge mij eeuwig beminnen, mij nooit verlaten wildet. Ge hebt uwen eed vervuld, Frederik Willem; ge hebt u zei ven overwonnen, en aan de trouw het hoogste menschelijk offer gebracht!quot;

De Koning onderdrukte den zucht, die zich uit zijn borst wilde wringen, en drukte Wilhelmine's hoofd aan zijn hart. — „Én ge blijft bij mij, Wilhelmine? Ge verlaat mij niet?quot;

Zij hief ijlings het hoofd op en zag hem met glinsterende oogen aan. — „Ik blijf bij u, Frederik Willem; ik blijf bij u, — en sterker in mijn liefde dan Kleopatra het was, neem ik het juk op mij, en ga rustig voort in den triomftocht mijner mededingster. Offer tegen offer! Gij wildet uwe liefde offeren, maar ik offer mijn vrouwelijke trots en vrouwelijke ijdelheid voor u op! Ik zal het zonder morren verdragen, als de verlatene geliefde deemoedig en stil achter de nieuwe geliefde te gaan, en haar sleep te dragen. Ga, Frederik Willem, ding om de schoone freule; huw met baar, zoo uwe priesters het veroorloven, wees gelukkig met haar, en bemin haar zoolang uw hart het kan. Maar dan, — keer dan terug tot uwe vriendin, die u bemint, en zich nooit van u afwenden kan, — want hare liefde voor u is de adem baars levens.quot;

ocr page 222

208

„O, Willielmine, mijn dierbare, mijn hoogliurligc Wil-helmine!'' riep de Koning, iiaui' innig aan zijn hart druk-dende; „Nooit zal ik deze grootmoedigheid, deze liefde vergeten; nooit zal ik ophouden er u dankbaar voor te zijn. Ik heb u gezegd en herhaal het: het hart van den mensch is wan kei moedig, en elke liefde sterft ten laalste. Maar de vriendschap leeft eeuwig en trouw voort, want geen aardsche begeerte verduistert de reine hernelsche vlam barer heilige liefde. U, Wilhelmine, mijn dierbare vriendin; nooit zal ik u verlaten, nooit zal het uwe vijanden, uwe mededingsters gelukkeo, mij van u te onttrekken !quot;

„Zweer mij dat!quot; riep Wilhelmine, terwijl zij haar rechterhand ophief; ,,L.eg uw vinger op het litteeken hier aan mijn hand, en zweer dat ge voor het geheele leven mijn dierbare vriend wilt zijn; dat niets ons zal scheiden, niets u zal kunnen bewegen mij te verstoeten, — maar dat ik leven zal waar gij leeft, en dat ik altoos uw vriendin, uw vertrouwde, uwe zielszuster zal zijn!''

De Koning legde de drie vingers zijner rechterhand op het litteeken, herhaalde de woorden welke zij gesproken had, en zwoer haar t rouwe, verkleefde vriendschap tot aan den dood, en zwoer «dat hij Wilhelmine nooit verstooten zou, dat zij wonen, zou waar hij woonde, en als zijn vriendin, zijne vertrouwde, altoos aan zijne zijde zou blijven.quot; ^

„En thans, nu wij liet eens zijn,quot; zeide hij vervolgens met een ge'.ukkigen glimlach; ,,nu zal het mij wèl geoorloofd zijn, mijn dierbare vriendin te beloonen, en een straal van mijn jong koningschap op dit bescheiden huis te laten schijnen! Ge wildet, zooals ge straks gezegd hebt, dit huis verkoopen, en van den verkoopprijs leven. Nu goed, ik ben hiermede tevreden. Ik koop u het huis af, en betaal er u vijfmaal honderdduizend thaler voor. Van de rente moet g-e trachten te leven, en zoo het hier of daar hapert, en er eenige schulden ontstaan, zult ge het mij zeggen, en ik zal ze betalen.quot;

„O, mijn dierbare, mijn grootmoedige vriend,quot; riep Wilhelmine; „hoe zal ilc u danken, hoe —

1) Dit tooneel is getrou-W nair de eigen mededeeling van Willielmine Rietz. Mémoires de la Conxtesse de Lichtenuu.

ocr page 223

20Ü

„Stil,quot; viel de Koning baar in de rede: „ik ben nog niet ten einde. Dit huis behoort nu mij, want de koopprijs zal u morgen uit de koninklijke schatkist betaald worden. Daar men met zijn eigendom doen kan wat men wil, schenk ik dit huis weg, — en wel: aan de moeder van den graaf en de gravin von der Mark, en ik zal er voor zorgen dit kleine huis te laten vergrooten en verbouwen, opdat het een waardige woning zij voor den graaf en de gravin von der Mark, en bijzonder voor hunne edele en schoone moeder.quot;

„De graaf en de gravin von der Mark?quot; herhaalde Wil-holmine verwonderd: „Wie zijn dat? Ik ken ze niet! Wie is hunne moeder? Ik heb haar nooit gezien!quot;

„Ge zult haar dadelijk leeren kennen, wacht maar,quot; zeide de Koning glimlachend; en hij ging naar de deur, schoof den grendel terug en trok toen haastig aan het zich naast de deur bevindende schelkoord.

„Waar zijn de kinderen?quot; vroeg de Koning den toeijlenden lakei.

„Majesteit, de jonge heer en jonge dame zijn in de eetzaal, en verwachten Uwe Majesteit.quot;

„Zij moeten terstond hier komen,quot; beval de Koning, bleef bij de half geopende deur staan, en zag verwachtend de geroepenen tegemoet. Vervolgens, toen zoon en dochter ijlings, en met angstig vragenden blik de kamer binnentraden, nam de Koning beiden glimlachend bij de hand, en voerde ze naar hunne moeder.

„Madame,quot; zeide hij plechtig: „madame, ik heb de eer u hier de gravin Marianne, en den graaf Alexander von dei-Mark voor te stellen.quot;

„Graaf Alexander von der Mark?quot; herhaalde de knaap, met zijn groote, blauwe oogen glimlachend tot den Koning opziende: „wie is dat?quot;

De Koning boog zich, en hief zijn zoon in zijne armen op. — „Dat zijt gij, mijn zoon; gij zijt de graaf von dei-Mark, en uwe zuster is de gravin; ge zult den Pruisischen adelaar in uw wapen voeren, en aan mijn Hof geëerd worden, als mijn lieve en knappe zoon. Zij allen, de voorname hovelingen, zullen zich voor u en uwe zuster buigen. De graaf en de gravin von der Mark zullen den voorrang hebben aan mijn Hof, boven de andere grafelijke

Mühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. III. 14

ocr page 224

210

familien, en zullen terstond achter de koninklijke prinsessen hun plaats hebben.quot; i , o»

,,En mijn lieve mama heeft immers daar ook haar plaats . vroeg Alexander: „Zij blijft toch altijd bij ons?

„Ja,quot; zei de Koning haastig; „zij blijft altoos bij haar lieve kinderen, — altoos bij den graaf Alexander von der Mark. En wijl de jonge heer graaf straks zeide, dat, zoo hij in een fraai huis onder de Linden met mevrouw zijne moeder kon wonen, en ik hem daar zeer dikwerf bezoeken wilde, hij dan alles had wat hij wenschte, wil ik hem het fraaiste huis onder de Linden te Berlijn schenken, en daar zal de jonge graaf wonen, — en ik zal er hem dikwerf bezoeken.quot;

„O, dat is mooi, dat,is heerlijk!quot; riep de knaap inzijn handen klappende; „nu willen wij blijde zijn. Nietwaar, Marianne, gij verheugt u óók?quot; . ■ i

„Gewis, ik verheug mij,quot; zei het jonge meisje glimlachend : „en ik betuig Zijne Majesteit mijn dank voor de groote eer, welke hij ons laat wedervaren, door ons zulk een voornamen titel te schenken.quot;

De Koning knikte haar vriendelijk toe, en reikte haar zijn hand, welke zij teeder en eerbiedig aan hare lippen drukte.

„Het verheugt mij, mijn lieve dochter, dat deze titel u welkom is,quot; zeide hij: „maar dewijl men van een titel en naam niet leven kan, zal ik u ook een toereikend spelde-geld toeleggen, en zoo zich een geschikte en welgevallige vrijer voor u opgedaan heeft, ontvangt de jonge gravin von der Mark een huwelijksgift van tweemaal honderd duizend thaler, die haar zekerlijk, als het bekend wordt, zeer veel minnaars en vrijers verschaffen zal, waarvan zij dan den rechten kiezen mag. — Stil, stil, geen dankbetuigingen meer! Laat ons aan tafel gaan ! Heer graaf von der Mark, geef mevrouw uwe moeder den arm, en gij, mijn jonge gravin, laat u door mij geleiden.quot;

„Majesteit,quot; berichtte op dit oogenblik de binnentredende lakei: „de heeren von Bischofswerder en Wöllnerzijn zooeven hier aangekomen, en verzoeken genadig gehoor.quot;

„Waarachtig, 'tis waar,quot; prevelde de Koning: „ik had ze geheel vergeten. — Madame,quot; wendde hij zich tot Wil-helmine: „ik moet verschooning verzoeken dat ik mij

ocr page 225

211

verwijder. Ik heb beide heeren wegens een gewichtige zaak hier ontboden, en ik mag bon thans niet laten wachten. Zoodra deze zaak geëindigd is, moet ik echter naar Potsdam terugkeeren. Vaarwel, en verwacht mij morgen op het dejeuner.quot;

X.

DE GEESTENBEZWERING.

„Ik heet u welkom mijne vrienden,quot; zei de Koning: „Gij wilt bet werkelijk ondernemen de onzichtbaren te bezweren?''

„God is machtig in de zwakken,quot; zei Wöllner, vroom de handen vouwende: „en wij menschen zijn niets anders dan de vaten, waarin Hij Zijne liefde uitstort, en door welke Hij zich kenbaar maakt. Ik heb mij beden door vasten en gebed waardig gemaakt voor de gemeenschap der geesten. Het verlangen naar de onzichtbare vaderen klopt in mijn hart en in mijn hoofd, en als ik hen aanroep met het vuur van dit verlangen, twijfel ik niet dat zij mijn smeeken gehoor verleenen, — en ons naderen zullen om de vragen te beantwoorden, welke de geliefdste zoon der onzichtbaren, Uwe Majesteit, tot hen zal richten.quot;

„Evenmin twijfel ik;quot; zeide Bischofswerder met kalme opgeruimdheid; „ik zal met al de kracht van ziel en zin,— met alle middelen, welke de heilige geheime wetenschappen mij aanbieden, den geest van den groot-kophta smeeken, en het zal nu blijken of de onsterfelijke geest de kracht heeft het sterfelijke lichaam te gebieden, dat het tijd en ruimte overwinne, en zich onderwerpe aan den wil des geestes.quot;

„Gij houdt het dus werkelijk voor mogelijk, mijn vriend? Ge zijt inderdaad thans nog van meening, dat het aan uwe bezweringen zou kunnen gelukken, den groot-kophta hier te laten verschijnen?quot;

„Ja, Sire: ik ben van deze meening!quot;

ocr page 226

212

„Dat heet: gij wilt zijn geest oproepen, opdat hij in een ontastbare verschijning voor ons verrijze. Want het kan u geen ernst zijn, hem in menschelijke gedaante werkelijk hier te doen verschijnen, daar ik u gezegd heb, dat de groot-kophta zich te Londen bevindt; dat onze gezant hem daar niet alleen gezien, — maar ook gesproken heeft op den dag, toen hij mij den koerier zond, dien ik gisteren ontvangen heb.quot;

„Majesteit, de geheime wetenschappen leeren mij, dat de geest het lichaam gebiedt, en wij zuilen nu zien, of deze leer de waarheid bevat. Zoo de groot-kophta hier niet verschijnt in vleesch en bloed, om Uwe Majesteit het elixer des levens, waarnaar uwe ziel verlangt, mot eigen hand to brengen, dan liegt de wetenschap, en de verhevene geesten hebben mij niet waardig gehouden, mij de waarheid te verkondigen! Ik doe dan afstand van den hoogeren graad in het binnenste des tempels; want ik behoor dan niet tot de wetenden; en terwijl ik mij ootmoedig buig voor den toorn en de minachting der onzichtbaren, keer ik vrijwillig terug naar de buitenste tempelhallen, om den leertijd nog eens te beginnen.quot;

De Koning schudde peinzend en nadenkend zijn hoofd. „Gij hebt een stoutmoedige kracht van overtuiging, mijn vriend, en ik wenscli slechts, dat ze u niet beschaamd make! Laat ons aan 't werk gaan!quot;

„De wil van onzen Koning geschiede,quot; antwoordden de beide Rozenkruisers vol eerbied; „wil Uwe Majesteit ons genadiglijk veroorloven naar het laboratorium te gaan, om onze toebereidselen te maken?quot;

„Ik zal mèt u daarheen gaan, om u als dienend broeder bij te staan,quot; zeide de Koning: „gij weet immers, dat niemand buiten mij en u dit laboratorium mag binnentreden; en ik houd den sleutel steeds in een geheime lade van mijn schrijftafel \ erborgen, welke iA; alleen kan openen!quot;

„Uwe Majesteit veroorlove, dat wij ons verwijderen, om niet te zien, vanwaar Uwe Majesteit den sleutel neemt.quot;

De beide Rozenkruisers tiaden naar de deur terug en wendden hun gelaat derwaarts, zoodat zij niet zien konden, wat achter hen geschiedde.

„Ik heb den sleutel,'' zei de Koning na eenige oogen-blikken: „komtnu, broeders. Wij willen aan't werk gaan!quot;

ocr page 227

213

Hij ijlde naar de kleine blinde deur, stak den sleutel in het slot, opende haar en trad, dour Bischofswerder en Wöllner gevolgd, — het laboratorium binnen.

Doch nauwelijks had hij een schrede voorwaarts gedaan, of de Koning deinsde met een kreet van ontzetting, en bleek van schrik, terug.

„De onzichtbaren, de onzichtbaren!quot; prevelde hij; „Ziet slechts! Ziet! Zij wisten dat wij kwamen, en hebben alles voorbereid!quot;

„Heil en eer den onzichtbaren vaders,quot; riep Wöllner met vervoering: „Zij hebben voor ons de plaats gereed gemaakt.quot;

„De onzichtbaren verwachten ons, en keuren ons voornemen goed,quot; juichte Bischofswerder verheugd; „zie slechts, o zie, mijn Koning en mijn broeder!quot;

En hij trok den Koning ijlings naar den grooten haard, die de eene zijde van het laboratorium innam. Inderdaad; — het scheen werkelijk, alsof onzichtbare handen in het laboratorium werkzaam waren geweest. Op den haard llikkerden uit de ijzeren openingen de vlammen van een helder vuur, en speelden met brandende tongen om de pannen en retorten, die op de, ronde openingen van de haardplaat stonden, en in welke donkere en heldere vochten en mixturen sisten en kookten.

„Alles is voorbereid,quot; zeide Bischofswerder, die opmerkzaam in de retorten keek; „het schijnt dat de onzichtbaren hier een geheime mixtuur willen bereiden. Maar mijne oogen zijn verblind, en het is nog duister in mijne hersens; ik begrijp de onzichtbaren niet, en weet niet wat geschieden zal, want ik ken deze stoffen en elixers niet, slechts gevoel ik dat hun geur mij met wonderbare vreugde vervult. O kom hier, Majesteit; adem dezen betooverenden geui in, drink deze atmosfeer der onzichtbare werelden!quot;

De Koning trad bedeesd, schier angstig naar den haard, en boog over de groote retort, die Bischofswerder met zijn vinger aanwees. Van de bruine kokende massa stegen juist dikke dampen op, en om wuifden het aangezicht des Konings als met warme geestenhanden.

„'t Is waar,'' fluisterde de Koning diep ademende: „een wonderbaar gevoel overweldigt mij, een zoete verdooving, die aangenaam en verkwikkend is.quot;

ocr page 228

214

„Het zijn de geesten, die u tegenwuiven, Majesteit,quot; zei Wöllner met ophef: „0, ik weet en gevoel het: mijn gebeden zijn verhoord geworden. Zij naderen, zij naderen, de onzichtbaren! Zie, mijn Koning, zie daarheen!quot;

De Koning wendde zich levendig naar Wöllner, wiens opgeheven hand naar den tegenoverliggenden muur wees.

,» „Ziet ge. Majesteit, ziet ge de hemelsche gedaanten? Hoe zij ons wenken, hoe zij ons groeten met hunne verhevene hoofden!quot;

„Ik zie niets,quot; prevelde de Koning treurig: „wat het oog der ingewijden met verrukking vervult, is voor mij nog gesloten en gegrendeld. Ik zie niets!quot;

Neen, hij zag niets, de Koning! — Voor hém was 't vertrek ledig; hij zag niet de zwevende geesten, zag ook niet dat Bischofswerder juist in de groote retort een witte poederachtige massa strooide. Maar hij zag de witte wolken, die nu van den haard naderden, hij zag de vlammen, die uit de retorten opschoten, hoorde het sissen en knallen, het opflikkeren en kraken als van onzichtbare geweren.

„De onzichtbaren strijden en worstelen,quot; riep Wöllner: „de goede en de booze geesten staan in 't gevecht tegenover elkander, en willen elkander den geest van den edelen Koning betwisten! Met de vrijgeesten en spotters, de verlichten en illuminaten strijden de verheven uitverkorenen, worstelen de goddelijken en de Rozenkruisers. Geef hun den zegen, verheven, almachtig God! Sla Uwen hemel-schen blik op de geloovigen, de Rozenkruisers, en laat de illuminaten te schande worden. Op mijne knieën smeek ik u. Bestuurder aller dingen! Ontferm U over den Koning, ontferm U over ons, en —quot;

Een luide, vreeselijke knal, — een sissend, huilend, dwarlend gerucht verdoofde zijne woorden. Groote witte wolken golfden van den haard door de kamer, vlammen schoten er uit, en aanhoudend klonk het bulderen en knallen.

De Koning was achteruit gedeinsd; hij zou op den grond zijn gevallen, zoo Bischofswerder hem niet met sterken arm bad tegengehouden en naar den leunstoel gevoerd, waarop hij den bezwijkende liet nederzinken. Het gonsde en snorde in zijne ooren, hij sloot de oogen en liet half onmachtig het hoofd op de borst zinken.

ocr page 229

215

Plotseling wekte hem het luid roepen van zijn naam uit zijn verdooving. — „Ontwaak, Frederik Willem, ontwaak! Ons is de overwinning! Het verheven bondsteeken der Rozenkruisers heeft gezegevierd. De booze geesten zijn gevlucht! Ontwaak, Frederik Willem, ontwaak! De verhe-venen willen antwoord geven, op de vraag die op dBn bodem uws harten rustquot;

De Koning sloeg de oogen op, en staarde in 'trond. Maar niets vertoonde zich: nevels zweefden om hem heen, wolken stegen voor hem op. Plotseling echter scheen het hem, alsof te midden dezer wolken, een gelaat te voorschijn kwam. Het bleeke, lijkvale gelaat van een man! Lang, bruin haar golfde ter weerszijden van het breede, Jage voorhoofd neder; de oogen, wijd geopend, dof als die van een doode, staarden den Koning aan, die huiverend beefde en toch, als door een onzichtbare macht gedwongen, steeds zien moest naar het gruwzaam liikengelaat, dat hem uit de warrelende nevels aanstaarde. Allengs werd de verschijning helderder, en kwam duideliiker en bepaalder uit de wolken en nevels te voorschijn, 't Scheen, alsof het hoofd hooger oprees, uit de nevels kwamen nu reeds de schouders te voorschijn, waartusschen het hoofd zich krachtig en stijf verhief. Nu rees de gestalte steeds hooger, breed van schouders, krachtig van lichaamsbouw, in den eng sluitenden lederen kolder, met een br.eede, dubbele kanten kraag om den hals, de borst versierd met een gouden ster, over den rug nedervallend een rijk met goud geborduurd, met hermelijn omzoomden, fluweelen mantel. Onbewegelijk, stijf, bleek als een lijk stond de hooge, forsche Yorsten-gestalte te midden der nevels, die haar omhulden, en als in een overeind staande doodkist hielden. Maar de groote, fiere oogen boorden zich met een kouden, strengen blik in het gelaat van Frederik Willem, die inwendig huiverde, en met zacht geprevelde woorden om genade en ontferming bad.

„Vrees niet, Frederik Willem,quot; zei de verschijning, die sprak zonder de lippen te openen, en wier stem dor en hol klonk als uit een graf: „vrees niet, Frederik Willem ; ik ben niet gekomen om u te beangstigen, maar om u te troosten. Mij' zenden de verhevenen om uw afgemat hart te verfrisschen, en uw ziel troost en vrede te geven. Kent

ocr page 230

216

ge mij niet, Frederik Willem, weet ge niet, wie ik ben?quot;

„Neen,quot; zeide Frederik Willem zacht: „ik weet het niet.quot;

„Ik ben Filip van Hessen,quot; klonk het van de gesloten, doodsbleeke lippen; „Filip van Hessen, dien de dwaze en kortzichtige menschen den bijnaam \'ün grootmoedige gegeven hebben.quot;

„Ha, nu ken ik u, mijn Vorst!quot; riep de Koning; „Gij waart het, die de oproerige boeren in groote veldslagen overwont; die Frans von Seckingen tot onderwerping dwongt; die aan de reformatie in Duitschland toegang verschafte. flij waart het ook, die zich na den ongelukkigen slag bij Mühlberg aan Keizer Karei V onrlerwierpt, door hem krijgsgevangen genomen, — en na jaren lange gevangenschap, eerst door het Passauer verdrag bevrijd werd. Zeg, verhevene geest, zijt gij de geest van dezen edelen Vorst, Philip den Grootmoedige ?quot;

„Ik was het en ben het. Mijn geheel leven is een strijd geweest, en vele vijanden hebben tegenover mij gestaan. Maar de machtigste en grootste vijand stond in mijn eigen hart, deze vijand was de liefde, de zoete, gloeiende hartstocht. Gehuwd sedert zeventien jaren met Christine van Saksen, welke mij het staatsbelang tot vrouw verkozen had, ontbrandde mijn hart in strafbare, vurige liefde voor de schoone Margaretha von Saaie, en al mijn begeerte was er op gericht haar te bezitten, en haar mijne vrouw te noemen. Hare deugd echter weerstond mijn begeerte, en hoezeer ze mij beminde, had zij toch besloten mij te vermijden en te ontvlieden, zoo zij niet de mijne kon worden, door den zegen des priesters en het huwelijk. Ik zocht te vergeefs van hare liefde de vervulling mijner wenschen te verwerven ; zij weigerde, — met tranen wel is waar, — maar zij weigerde toch! liet waren smartelijke dagen, en harder was mij deze strijd, dan alle die ik in het open veld had geleverd! Ik heb destijds geweend en geleden, als ware ik niet een krijgsman en een dapper Vorst, maar als ware ik een laffe knaap, wien de wereld een eierdop schijnt, dien hij (usschen zijn wringende handen wil platdrukken.quot;

„Ge verhaalt mij mijne smarten,quot; fluisterde de Koning, „gij schildert mijn lijden en strijd.quot;

V

ocr page 231

217

.,lk weet het,quot; antwoordde de verschijning; „mijn blik dringt in uw hart en ziet wat ge lijdt; en daarom kom ik om u te troosten, terwijl ik u zeg dat ik geleden heb gelijk gij, en dat uwe wonden geheeld zullen worden, evenals de mijne het werden. Het meisje, dat ge bemint, is deugdzaam en leeder, zooals Margaret ha van Saaie het was. Zij wil u alleen toebehooren en uwe vrouw worden door een kerkelijk huwelijk, evenals Margarelha van Saaie begeerde. Ik wendde mij in de diepe bedruktheid en nood mijns harten tot den groolen stichter der reformalie, aan wien ik mij aangesloten had met heiligen ij ver, en dien ik toegang in mijne landen verschaft had. Ik wendde mij tot Luther, en vroeg hem, of de kerk een huwelijk met de linkerhand kon inzegenen, indien reeds een huwelijk met de rechterhand bestond. En Luther, die man van recht en waarheid, antwoordde mij hierop : er stond in den Bijbel, dat de linkerhand niet weten mocht wat de rechterhand doet, en dus behoefde ook de rechterhand niet te weten wat de linker deed. De vrouw der linkerhand had niets te maken met de gemalin der rechterhand, welke redenen van Staat mij gegeven hadden. Deze was de gemalin van den Vorst, gene echter zou de vrouw van den man zijn; en daar nu twee personen in mij vereenigd waren, de Vorst en de man, konden deze twee personen ook twee huwelijken aangaan; het eene voor den Vorst, het andere voor den man, en geldig was het kerkelijk huwelijk voor beiden. — Maar, vermits het geweten mijner bekoorlijke geliefde evenwel ontrust was in deszelfs eerzame reinheid, vroeg ik ook den grooten geleerde en wijze, den zedelijk strengen en deugdzamen Filip Melanchton om zijn ooi'deel en meening, en zeide hem, dat ik de beslissing in zijne hand wilde leggen. Filip Melanchton besliste echter evenals Luther, en uit de kerkvaders en de heilige schriften bewees de geleerde man de mogelijkheid en geldigheid van zulk een dubbel huwelijk; slechts voegde hij er de voorwaarde bij; dat tot zulk een huwelijk met de linkerhand, de bewilliging en toestemming der gemalin van de rechterhand moest verzocht worden. Dit deed ik toen, en mijne gemalin was edelmoedig, en gaf mij de begeerde toestemming. Dus werd Margaretha van Saaie mijne wettige vrouw en de moeder van zeven kinderen, die de

ocr page 232

218

vreugde en de trots hunner ouders waren. — Om u dit te zeggen, ben ik uit de heilige rust van mijn graf opgestegen; want aldus was mij bevolen door de verhevene geesten, die grooter zijn dan ik, en die te gebieden hebben over levenden en dooden. Leer door mijn voorbeeld, hoe men de deugd en de zedelijkheid verzoenen kan met de liefde; verzaak de onkuische vrouw, die zich aan uwe zijde heeft gedrongen; wend u voor altoos van haar, en zoek en vind uw geluk aan de zijde der edele jonge vrouw, welke de zegen des priesters tot de uwe zal wijden. Vaarwel, ik moet van hier, mijn tijd is om!quot;

De verschijning scheen nu in wolken en nevels te vervliegen, zij werd donkerder en flauwer; soms verhief zij zich dof en met onduidelijke omtrekken tusschen de drijvende wolken, vervolgens verdeelde .ze zich en verdween. Ook de nevels verdeelden zich, het flikkerende vuur op den haard verlichtte nog slechts het laboratorium, en liet den Koning de twee vrienden herkennen, die aan weerszijden van zijn leunstoel knielden en baden.

„Ge hebt gehoord, mijne vrienden?quot; vroeg de Koning ruimer ademende: „Ge hebt gehoord wat de zalige geest van den grootmoedigen Vorst mij verkondigde?quot;

„Niets hebben wij gehoord dan het huilen en sissen der geesten, en daarom hebben wij gebeden, dat de toorn der verhevenen zich moge verzachten,quot; zei Wöllner hoofdschuddend.

„Maar ik heb een verschijning gehad, een hemelsch gezicht!quot; riep Bischofswerder: „Ik zag mijn dierbaren, geliefden Koning en Heer te midden van twee edele vrouwengestalten. Zij zagen beiden tot hem op met teedere liefde; zij hadden, aanzijn rechter-en linkerhand staande, hem beide haar rechterhand gereikt, en aan deze beide handen schitterde een gouden ring, het kostbare teeken van een wettig huwelijk. Het gelaat van mijn koninklijken meester echter straalde van verrukking, en boven hem scheen de ster der reine en kuische huwelijksliefde. En het was mij, als hoorde ik een hemelsche stem, die riep: „Vind uw geluk aan de zijde der edele jonge vrouw, welke de zegen des priesters tot de uwe zal wijden!quot;

„Dit waren de laatste woorden van den verheven geest, die mij verschenen is,quot; zei de Koning verheugd; „gij hebt

ocr page 233

219

ze dus gehoord mijn getrouwen, en hebt bij mij volhard in het gebed tot de onzichtbaren. O, ik dank u beiden, en zal uwe trouw beloonen, zoolang ik leef. Maar ach,quot; voer de Koning zuchtend voort: „ik vrees slechts, dat mijn leven niet meer van langen duur zal zijn. Ik gevoel mij vermoeid en doodelijk afgemat, en ik reken op u en uwen invloed, mijn getrouwen, dat ge het elixer des levens van de onzichtbaren voor mij afsmeekt.quot;

„Ik zal, — ik wil het!quot; riep Bischofswerder, zich in weerwil zijner zwaarlijvigheid, met jeugdige vlugheid van zijne knieën oprichtende: „Het werk der bezwering moet nu beginnen. Ik wil mijn geest gebieden, dat hij uit het lichaam opstijge, en over tijd en ruimte heen zweve naar den groot kophta, om hem te smeeken, aan den twijfelenden en ongeloovigen aardschen Koning een teeken te geven zijner hemelsche macht, en hem te laten erkennen de macht en de heerschappij der wetende geesten, op het onwetende vleesch.quot;

„Waag het niet, ik bezweer het u, mijn dierbare vriend, waag het niet,quot; smeekte Wöllner: „het is God verzoeken, en de Natuur honen, als men de wetten der Natuur wil gebieden en verbreken. Het is mogelijk dat uw grooteen sterke geest de macht heeft uit het lichaam op te stijgen, en zich met de snelheid der gedachte op verren afstand te verplaatsen. Maar bedenk wél de moeielijkheid van terug te keeren ; bedenk, of het verstijfde en doode lichaam nog de kracht zal hebben, den terugkeerenden geest weder op te nemen, en hem woning te geven.quot;

„Ik weet wel dat dit het gevaar is, 'twelk ik tegemoet-ga,quot; riep Bischofswerder: „maar ik waag alles voor mijn Koning; en geen doodsgevaar kan mij verschrikken, als het zijn heil en zijne tevredenheid geldt. Stil, mijn Koning, stil. Zeg geen woord van dank of erkentenis! Ik bemin u! Hiermede is alles gezegd en alles verklaard! En nu laat mij wegzweven! Laat mij hém nu roepen, den groot-kophta, den heilbrenger, den levenschenker! Maar luister, Wöllner, hoor deze laatste woorden! Als de verhevenen en onzichtbaren mij bijstaan, en aan mijn geest de kracht verleenen weg te zweven, zal mijn lichaam verstijven en er als een lijk uitzien. Maar men moet daarom niet ge-looven dat ik gestorven ben. Slechts als deze toestand

ocr page 234

220

langer dan een half uur duurt, verzoek ik u naast mijn lichaam neder te knielen, en door gebeden en aanroepingen de onzichtbaren te smeeken, dat ze mijn geest gebieden terug te keeren in zijn aardsche hulsel; want inderdaad, ik zou thans nog niet in lichaamloozen toestand wenschen te blijven, daar mijn Koning mij misschien nog noodig heeft. En nu, mijn Koning en mijn Heer, nu verzoek ik u, laat mij tot afscheid nog eens uw geliefde hand kussen.quot;

„Neen, kom aan mijn hart, mijn trouwe, edelmoedige vriend,quot; riep de Koning, terwijl hij Bischofswerder innig omhelsde.

,En nu, hoort mij, onzichtbaren! Hoort en neemt mijn gebed in genade aan! Laat mijn geest opz we ven, draagt hem over tijd en ruimte! Wöllner! Kom hier! Houd mijn lichaam! Houd het!quot;

Wöllner ijlde op den roepende toe, die juist waggelend op een stoel nederzonk. Hij ving het lichaam op, leunde het hoofd aan zijn borst, legde hem zijn hand op den mond, en streek hem de wangen en slapen. De Koning stond met ingehouden adem achter hem, en begreep niet wat plaatshad; zag niet het kleine fleschje,'twelk Wöllner den zwaar ademende en steunende onder den neus hield, zag evenmin, hoe Wöllner het vervolgens behendig en snel in den mouw van zijn rok liet glijden.

Maar toen Wöllner nu achteruittrad, toen hij met een plechtige beweging wees op de rustende gestalte, toen zag de Koning wel, dat Bischofswerder's geest was heengegaan, en 'tgeen daar bleek en stijf op den stoel lag, nog slechts het wezenlooze hulsel van den vluchtenden geest was; dat deze wijd geopende, verglaasde oogen niets meer zagen, en deze geopende mond verstijfd was in een laatsten zucht.

Be Koning wendde zich huiverend af. 't Is een vreese-lijk gezicht; het levenlooze lichaam van een vriend, die in den dood gaat, om voor ons het leven te verwerven. Het zou vreeselijk zijn, zoo de dood sterker was dan de geest, en hem niet terug liet keeren in zijn hulsel! Dan ware het olïer van een vriend niet alleen te beklagen, maar ook de dood zou vruchteloos geweest, — en het elixer des eeuwigen levens insgelijks niet gewonnen zijn Maar men moet op den tijd acht geven en de minuten tellen, opdat,

ocr page 235

221

als het halfuur verstrijkt, men de gebeden en aanroepingen kunne beginnen.

De Koning haalde met bevende hand het kostbare, met juweelen omzette horloge te voorschijn, en staarde strak en met ingehouden adem op de langzaam voortgaande wijzers. Met ieder minuut steeg zijn angst, en toen nu nog vijf minuten aan het bepaalde halfuur ontbraken, verbleekte de Koning, en de ontzetting deed zijn lichaam sidderen en beven. Slechts nog ééne minuut, dan —

„Hij beweegt zich,quot; fluisterde Wöllner: „zie slechts, Majesteit. O zie! het oog wordt weder bezield, de open mond sluit zich, de kleur des levens keert op de wangen terug. Een wonder, een wonder is geschied! Do geest heeft den dood overwonnen! De geest is teruggekeerd in het aardsche hulsel.quot;

Bischofswerder ademt diep, richt zich op. Zijne oogen zoeken en vinden den Koning, en hij gaat tot hem met waggelende schreden, maar met een glimlach op de lippen.

„Sire, mijn dierbare Koning, mijn geest groet u, en mijn hart juicht tot u in liefde. Ik breng u een blijde tijding! De groot-kophta heeft aan mijne bede toegegeven. Hij nadert, om mijn Koning het heil, de gezondheid en bovenal het geloof en de overtuiging te brengen!quot;

„'tis dus werkelijk waar? Hij nadert? Hij zal komen?quot; riep de Koning verheugd.

„Roep hem. Majesteit! Roep den groot-kophta; maar doe het met geloovig en vertrouwend hart.quot;

„Groot-kophta! Verhevenste de verhevenen! Neig u genadig naar mijn smeeken! Verschijn mij, divo Ga-gliostro! Verhoor mijn bidden! kom tot mij, meester en heer!quot;'

Een weerlicht, een knal, van den haard komende, waarnevens Wöllner slaat; vervolgens drijven weder nevels en wolken door het vertrek, alles omhullende, alles verbergende. Toen zij echter eindelijk weder vervliegen en wegdrijven, staat in 't midden der kamer een hooge, in 't zwart gehulde geslalte. Maar het hoofd is onbedekt, en op het zwarte haar, dat met zware lokken om dat hoofd golft, straalt en fonkelt een ster, met den glans van vlammen en juweelen. En ook als sterren schitteren deze groote, zwarte oogen, die zoo zacht en welwillend den

ocr page 236

222

Koning aanschouwen, — den Koning, die van vervoering, van eerbied overweldigd nederzinkt op zijne knieën, en de handen smeekend opheft tot den verhevene, den afge-bedene.

Maar de groot-kophta zweefde nader met onhoorbare schreden, boog zich tot den knielende, gebood hem met zachte woorden zich op te richten, en hielp hem met eigene hooge hand op te staan.

„Ja, gij zijt het, zijt het werkelijk!quot; riep de Koning verrukt; „Ik voel de warme, levensvolle menschengestalte, den liefderijken druk der zegenende hand! En ik voel ook, hoe door uwe aanraking mij een nieuw leven doorstroomt, en een hemelsche kracht weder in mijne aderen vloeit. Heil u, Cagliostro, heil u, verhevene!''

„Gij hebt mijn hulp begeerd, mijn zoonquot;, zeide Cagliostro, met plechtige stem: „Gij hebt mij een bode gezonden om mij te roepen, en ik heb, toen ik juist op 'l punt stond het paleis van St. James te Londen binnen te gaan, den roèp van uw edelen bode vernomen. Ook daar was inderdaad mijne tegenwoordigheid dringend noodig; want de ongelukkige Koning George van Engeland wordt weder bezocht door de demons die zijn geest verwarren, en zijne zinnen benevelen. Men had mij geroepen, om de demons te verdrijven uit het hoofd van den zieken Koning. Maar 't is van meer belang, dat de gezonden niet ziek worden, dan dat de zieken eenige beterschap vinden. De geest van Althothas zeide mij, toen hij mij riep: „Spoed u tot Koning Frederik Willem van Pruisen, want hij heeft u noodig, zoo hij niet ziek wil worden, — en sterven zal! Spoed u, hem zijne gezondheid te behouden en zijn ziel te versterken, want hij heeft dit noodig, quot;en zijn groote, schoone geest is het waardig, dat den sterfelijke gegeven worde van de kracht der onsterfelijken 1quot; Ik begreep evenwel niet terstond van wien Althothas sprak, want ik wist immers nog niet, dat Koning Frederik gestorven was. Maar plotseling zag ik voor de oogen mijns geestes, op een met kussens gevulden armstoel, een grijsaard met gebroken oogen, met trekkende lippen, wiens bloed niet meer vloeide uit de geopende ader. Twee weenende lakeien stonden aan zijne zijden, een windhond lag aan zijne voeten, en boven hem in de lucht, zag ik de demons van het

ocr page 237

223

ongeloof en der spotzucht strijden om de ziel, die zich opwrong met pijn en smart, en van welke de goede demons en de engelen des geloofs en der kennis, zich vertoornd afwendden. En ik begreep wat het gezicht mij zeggen wilde: dat de ongeloovige Koning gestorven, — en de lieveling der onzichtbaren, Frederik Willem, thans Koning van Pruisen was. En toen ik dit erkend had, riep Al-thothas ten tweedenmale; „Spoed u, want Frederik Willem heeft u noodig. Snel toe, opdat de gezonde niet ziek worde, opdat de sterfelijke ontvange van de kracht der on-sterfelijken!quot; Ik keerde om van den drempel van het St. James-paleis, begaf mij terug naar de geheime en heilige werkplaats der onzichtbaren, om de middelen te halen, welke ik behoefde, en vervolgens, hief ik mij op met de heilige kracht welke aan de zienden en wetenden gegeven is, en zweefde hierheen.quot;

„Het is dus waar, het is dus mogelijk!quot;' riep Frederik Willem geheel verrukt: „Ge zijt het werkelijk, verheven meester? Ge hebt het wonder volbracht, en het lichaam bevolen zich aan den wil des geestes te onderwerpen, en dien te volgen door tijd en ruimte! O, laat mij uwe knieën omvatten, laat mij aan uwe voeten liggen! Blaas mij den adem van uw gezegenden mond toe, en laat mij dezen hemelschen adem inademen in mijne zieke, sterfelijke borst!''

En hij boog voor den groot-kophta de knie, en hief het gelaat smeekend en met verrukt gebaar tot hem op.

„Sta op, Frederik Willem; lieveling der onzichtbaren, richt u op van uwe knieën. Ik ben gekomen om u op te beuren, niet om u te vernederen. De Koning, die over millioenen menschen gebiedt, moet zijn knie niet buigen voor iets sterfelijks, en niet aanbidden, wat zichtbaar is en vergankelijk. Buig uw onsterfelijke ziel voor den onsterfelijke; bid met eerbied tot de onzichtbaren en onvergan-kelijken. Wees een gebiedend Koning der menschen, een gehoorzaam onderdaan der verhevenen! — Sta op, Frederik Willem, en hoor wat ik te zeggen heb; want mijn tijd is kort en afgemeten, en Althothas wacht mij op den drempel van het St. James-paleis te Londen.quot;

De Koning, — gehoorzaam aan het bevel, — richtte zich terstond op, en stond in eerbiedige houding voor den ma-

ocr page 238

224

gus, die hem onafgewend met zijn groote, scliitterende oogen aanstaarde.

„Ge zijt niet ziek, Frederik Willem,quot; zeide hij toen: „maar ge zijt ook niet gezond; de vleugelen van • uwen geest zijn verlamd, en de slag van uw hart is mat. Ge zoudt ziek worden en sterven, zoo er geene middelen waren om den dood, die grijnzend aansluipt, van de deur uws lichaams le verjagen.quot;

„O, ontferm u mijner, verheven wonderdoener! Geef mij van de middelen des levens, verdrijf den dood! Ontferm u, red mij! Ik zweer, dat mijne dankbaarheid gren-zenloos zal zijn, en ik bereid ben tot elke belooning, welke de verhevenen en onzichtbaren van mij vorderen kunnen!'

„De verhevenen en de onzichtbaren vorderen geen offer, en nemen geene belooning, zooals aardsche menschen doen. Zij handelen en werken naar hoogere wetten: slechts liefde, vereering en gehoorzaamheid, is de belooning, welke zij begeeren.'' 1

„Ik wijd hun die uit het diepst mijns harten.quot;

„De onzichtbaren weten dit, en derhalve ben ik hier om u te helpen, en u de kracht der gezondheid en des levens weder te geven. Hoor nu wat ik u te verkondigen heb, Frederik Willen, en prent het diep in uw hart!Opdat de dood geen macht op u verkrijge, moet uw hart zijn opgeruimdheid, uw ziel haar kracht herwinnen. De opgeruimdheid uws harten is echter gestoord, wijl een heftige en vurige liefde het vervult, en gij te zwak zijt om die te overwinnen. Volg haar dus, Frederik Willem! De onzichtbaren veroorloven het u! Laat de groote, de reine en edele liefde bezit nemen van uw geheele wezen ; verwijder alle onedele hartstochten en wenschen; maak het edele, bekoorlijke meisje, 't welk gij bemint, tot uwe wettige vrouw, en vrede, vreugde en rust zullen weder in uw hart komen, en de vleugelen van uwen geest zullen zich weder verheffen, en u tot verrukking opvoeren. Maar ook aan het lichaam moet gezondheid gegeven worden, en wij willen er alles van verjagen, wat ziekte en zwakheid is. Ik breng u het elixer des levens, der gezondheid en

kracht!quot; . , „ . r- j

„O dank, eeuwige, onuitsprekelijke dank!quot; nep i1 rede-rik Willem, terwijl hij driftig naar het lleschje greep, dat

ocr page 239

225

Gagliostro hem toereikte, en dat de Koning met een kreet van verrukking aan zijne lippen drukte.

„Laat mij drinken, verheven meester! Laat mij drinken reeds in dit uur!quot;

„Neen! Spaar deze kostbare artsenij tot een anderen tijd, als ik niet bij u ben, en gij ze behoeft. Nu ben ik er, en ik stroom kracht en gezondheid op u uit. Ontvang die, Frederik Willem! Ik zalf u in naam der onzichtba-ren tot Koning der wereld en des levens!quot;

Hij droppelde uit een fleschje eenige di'opp.els op het dunne, spaarzame haar des Konings, en een heerlijke geur vervulde plotseling de kamer. De Koning hief met een uitroep van verrukking zijn hoofd op, en ademde met volle teugen den heerlijken geur in.

„Het is mij zoo goed, zoo blijde en zoo licht!quot; riep hij; „Het schijnt, dat ik mij ophef van de aarde; de boeien des lichaams vallen van mij af, en mij dunkt, ik zie de poorten van het Paradijs voor mij!quot;

„Neem dit, en zij zullen zich voor u openen,quot; zeide Gagliostro, terwijl hij een klein grijs balletje als een pil op de lippen des Konings legde; „eet dit, en al de weelde en verrukkingen van het Paradijs zullen zich aan u openbaren in hemelsche aanschouwing en gevoel!quot;

De Koning at de hem gereikte gift, en een rilling doorliep zijn geheele gestalte, toen hij haar langzaam binnenslikte. Zijne oogen openden zich met een gloeiend rood, vervolgens bedekte een vale bleekheid zijne wangen, hij waggelde en zonk achterover in den armstoel, dien Bi-schofswerder en Wöllner voorzichtig en zacht nader hadden gerold.

Gagliostro boog zich over hem, en sloeg de schaduwen gade, die over het gelaat des Konings trokken en het verduisterden. Hij zag hoe deze schaduwen allengs verdwenen, hoe het gelaat des Konings zich verhelderde en nu straalde van vreugde en geluk, terwijl een glimlach van verrukking om zijne half geopende lippen speelde.

„Hij is in het Paradijs,quot; zeide Gagliostro, zich weder oprichtende: „Zijne verbeelding schept hem hemelsche vreugde en zaligheid. Een uur zal voorbijgaan eer hij uit het Paradijs op de aarde terugkeert en zelfs de herinnering aan hetgeen hij in dit uur heeft genoten en

Mühlbaoh, Duitschland in woeling m strijd. III. 15

ocr page 240

226

aanschouwd, zal nog lang als een zonnestraal in zijne ziel schijnen. Hij zal eeuwig verlangen naar de hernieuwing dezer zaligheid, en ge zult er hem mede troosten, dat ik, — zoo hij leeft en handelt naar den wil der onzicht-baren, en hun een gehoorzaam en onderdanig dienaar is, — dat ik dan tegen 't einde van elk jaar hem verschijnen, of hem door een bode zenden zal van deze geheimzinnige wonderspijs, die de vreugde en de verruk- ' kingen van een geheel leven samenvat in één uur. Zijn geest is in weelde verloren, en zijn oor is gesloten voor elk aardsch geluid! Gij echter, mijne vrienden en geliefden, treedt nader tot mij, en verneemt wat ik u te zeggen heb.quot;

De beide Rozenkruisers Wöllner en Bischofswerder naderden hem met eerbiedig gelaat, en schenen ten hoogste gelukkig, toen Gagliostro zijn beide handen op hunne schouders legde.

„Spreek tot ons, verheven meester! Ieder woord van uwe lippen valt als een hemelsche dauwdroppel in onze ziel, en verkwikt haar met een goddelijke lafenis. Zeg en beveel wat wij te doen hebben!quot;

„Gij zult voortgaan op den weg dien de onzichtbaren u door mij hebben afgebakend. Ge zult helpen het rijk der onzichtbaren en der geesten uit te breiden op aarde en aan hen de macht en het gezag der regeering te verschaffen. Alleen de onzichtbaren en hare zichtbare dienaren en vertegenwoordigers moeten voortaan heerschen en gebieden op aarde, en daarom moeten de tronen ineenstorten, de kronen in 'tstof vallen, en de namen der aardsche Koningen en Vorsten als onkruid uitgeroeid en vernietigd worden. Ik zeg en verkondig u, dat een groote, een vreeselijke tijd nadert met bloed en vuur, met roof, moord en plundering. De demons van het oproer en den opstand trekken door alle landen, en dreigen alle Vorsten, en groeten alle volken met de veelbelovende woorden van vrijheid en broederschap. Wij zijn het, — de dienaren der onzichtbaren, de machtige vaders der verheven Orde,— die deze demons gevormd en uitgezonden hebben, opdat zij de Vorsten zouden verschrikken, en bun het gruwzaam spooksel van revolutie en volksopstand zouden voorhouden. De Koning, die onlangs gestorven is, had zijn leven

ocr page 241

2'27

er aan besteed, om den geest der volken vrij te maken ; wij moeten er alles aan besteden, ze weder in boeien to slaan, en volken en Vorsten weder terug te voeren tot ootmoed en onderwerping. Hiertoe is eerst noodig de Vorsten te verschrikken, hen angst voor hunne volken in te boezemen, opdat zij berouwvol terugkeeren tot onze verheven en machtige Orde. Zij moeten boete doen in zak en asch, en weten en leeren erkennen, dat alleen de Rozenkruisers en de machtige bestuurders hun vrede en zekerheid verschaffen, en de oproerige volken weder tot gehoorzame en onderworpene onderdanen terugbrengen kunnen. Om wonden en ziekten te heelen is somwijlen het scherpe mes en het gloeiende vuur noodig. Wij, de onzichtbare vaders, wij willen den Vorsten deze genezing brengen door het mes en het vuur, opdat zij bevend op hunne knieën zinken en bidden, en leeren inzien vanwaar alleen hun heil komen kan. Ook de revolutie kan een machtig en verheven wapen worden in de handen der onzichtbaren, en ook op bloedige paden kan het heil gevonden worden! Wee ons echter, wee ons allen, dat wij deze paden bewandelen moeten. Wee!quot;

„Wee! Wee!quot; riepen de beide Rozenkruisers bleek van ontzetting, terwijl het gelaat van den slapenden Koning nog altoos straalde van zalige verrukking.

,,Maar door het wee moet het heil komen,quot; voer Cag-liostro voort; „Het wilde vleesch moet uitgesneden worden met het mes, de etterende wonden moeien met het vuur gebrand worden, opdat zij nieuwe heelkracht erlangen. In woeling en strijd moet de aarde schudden; in woelingen strijd moeten de tronen waggelen, de Vorsten nederval-len in het stof, en de volken huilen als door den storm gezweepte golven. Maar de verheven Orde zal dan het scheepje zijn, dat den storm gebiedt te zwijgen, en tegen de woede der volken een dam stelt, door ze terug te voeren tot ootmoed en geloof. Den stier, die woedend is, kan men 't gemakkelijkst het touw om de hoornen slaan, want de woede maakt hem blind, zoodat hij de banden niet ziet, waarmede men hem boeien zal. Wij gebruiken de volken om de Vorsten schrik aan te jagen, —wij, de onzichtbare vaders van Orde der Rozenkruisers. De revoluties zijn de storm en drang, die wij uitzenden over de geheele aarde,

ocr page 242

228

opdat zij gezuiverd worde van de dampen der zelfverheffing, der dwaasheid en valsche verlichting. Over geheel Europa zijn de meesters en broeders onzer Orde verspreid; overal bereiden zij het werk der vernietiging en omverwerping voor, — opdat uit de vernietiging en de omverwerping zich het edele en verhevene nieuw opbouwe, en de Orde en hare dienaren weder uit puin en asch, en uit woeling en strijd, zegevierend en heerschend optreden. Gij, mijne ordebroeders, hebt hier te handelen en te werken! U geef ik in den naam der onzichtbare vaders dit Rijk en dezen Koning over! Ge zult hem beheerschen, en hem dienstbaar maken aan de machtige Orde en de onzichtbare vaders. Ge zult heerschen en regeeren in Pruisen, en de dwaalleer en waanwijsheid uitroeien. Ge zult het ware heil oprichten, en het onheil ten bodem werpen! Immers het heil is het geloof, en het onheil is het ongeloof! Voert den Koning terug tot het geloof. Elk middel, dat ge hiertoe gebruikt, is goed; want het doel heiligt de middelen, en wordt een heilig wapen in de handen der geroepenen en uitverkorenen! En nu, mijne broeders, groet ik u tot een laatst vaarwel, want mijn uur is gekomen, en ik moet van hier gaan!quot;

„Ge wilt ons verlaten, o meester en heer!quot; jammerde Bischofswerder; „Blijf bij ons, en help ons in onze onvermoeide pogingen.quot;

„Blijf bij ons,quot; kermde Wöllner, „sta ons bij, en help ons den Koning terugvoeren op het rechte pad.quot;

„Gij beiden zult dit zonder mij volbrengen, want gij zijt sterk in het willen, en hij is zwak in het weerstreven! Gij beiden zult de koningen zijn in Pruisen; gij zvdt regeeren en heerschen! Vergeet echter nooit, dat ge als heerschenden nog altoos de dienenden zijt.quot;

„Wij zullen dit nooit vergeten! Wij zullen altoos wachten op de bevelen der onzichtbaren, en gehoorzaam zijn aan een wil, dien uw verheven mond ons verkondigen zal!quot;

„Wie kan weten of zeggen of mijn mond u ooit weder iets zeggen en verkondigen zal!quot; zeide Cagliostro op zwaarmoedigen toon: „Ik wandel door de wereld langs den rand van afgronden, en op de toppen van bruisende golven; de storm is mijn gezel, en de woeste drang der geesten is mijn handlanger. Uit den storm en d«n drang

ocr page 243

2'29

der geesten zal het heil en de verlossing ontstaan; uit moord en bloed zal het bondsteeken onzer orde opnieuw opbloeien. Denkt aan deze woorden en vaartwel, broeders van de orde der Rozenkruisers! Denkt er aan, en vaartwel voor eeuwig!quot;

XT.

HET TESTAMENT.

Hot stoffelijk overschot van den grooten Frederik was weggevoerd uit de vertrekken, waaruit hij sedert vele jaren zijne Staten geregeerd had; — weggevoerd uit het huis dat zijn éénige levensvreugde was geweest, en voortaan een gedenkteeken zou zijn van zijn leven en aardsch bestaan. Maar, men was reeds dadelijk begonnen zijne bevelen en wenschen te minachten, en aan de wereld een bewijs te geven, dat de Koning niet voornemens was in de voetstappen zijns voorgangers te treden, en dat hij diens vrijzinnigheid en strijd tegen alle vooroordeelen goedkeurde. Frederik had nabij de terrassen van Sanssouci voor zich zei ven een grafgewelf laten bouwen. Hij wilde, dat zijn aardsch omhulsel een blijvende plaats vond in den tuin, welken hij geschapen had, en nabij het huis, waarin hij met zijne vrienden geleefd had, en gelukkig was geweest!

Maar zijn opvolger achtte zulk een rustplaats te midden van den tempel der Natuur, onder den heiligen koepel des hemels, dien God zelf gewelfd had, geen waardige rustplaats voor een Koning. Waardiger achtte hij den tempel, welken menschenhanden uit steen gebouwd hadden; en in plaats van 't schitterend hemelgewelf, moest een gewelf van kalk en steen de laatste rustplaats des grooten Konings bedekken.

Sedert vele jaren had de philosoof van Sanssouci geen kerk meer bezocht; Ihans, — als wilde men aan de wereld bewijzen, dat er een omkeering in Pruisen plaats had, — thans droeg men het aardsche hulsel des Konings in een kerk, en gaf het daar een laatste rustplaats. Naar

ocr page 244

230

de garnizoenskerk te Potsdam, waar zich onder den kansel het graf weltde over de eenvoudige lijkkist van Frederik Willem den Eerste, daarheen wendde zich op den avond van den achttienden Augustus de stille, sombere lijkstoet des Konings. Zijn generaals en officieren, de magistraat van Potsdam, en Frederik's kleine Hofstoet volgden den lijkwagen, waarop de eenvoudige doodkist stond. Maar nóch zijn opvolger, — Koning Frederik Willem, —nóch de prinsen en prinsessen waren er bij tegenwoordig. Eenzaam, zooals hij geleefd had, ging Frederik ten grave, daalde hij neder in het sombere grafgewelf, waarin de asch zijns vaders hem verbeidde. In het leven hadden zij zich van elkander verwijderd gehouden, maar de dood voerde hen nu weder bijeen, en wat sterfelijk aan ben was geweest, rustte nu te zamen in eendracht en stilte. De dood verzoent en vereenigt alles, en zelfs de Koningen zijn in zijne handen slechts stof'van het stof der mensch-heid! — —

Op den morgen nadat Frederik was bijgezet, begaf zich Koning Frederik Willem echter naar Sanssouci, want daar, in Frederik's arbeidskamer, zou een plechtige en gewichtige handeling plaats hebben: de opening van het testament! De prinsen, de koninklijke broeders, die 's Konings lijk niet naar zijn laatste rustplaats begeleid hadden, wilden echter bij deze plechtige handeling niet ontbreken, en de prinsen Heinrich en Ferdinand, zelfs de prinses Amalia, de oude gebrekkige, door ziels- en lichaamslijden afgetobde en misvormde zuster des Konings, waren te Sanssouci gekomen, om de opening van het testament bij te wonen. Zij stonden bij elkander in de vensternis, deze broeders en zusters, en fluisterden zacht met elkander; gramschap en toorn spraken uit hun gelaat, en de blikken, welke zij naar de deur wierpen, door welke de nieuwe Koning moest binnenkomen, waren vol haat en spot.

„Bischofswerder is kolonel geworden en Wöllner ge-heim-finantieraad,quot; gromde prins Heinrich verbitterd: ,,ja zelfs de afschuwelijke kerel Rietz heeft een titel gekregen. Maar aan zijne familie denkt hij niet, — voor ons zijn er geen gunstbetooningen!quot;

„Hoe zou dat ook kunnen zijn,quot; hoonde Amalia met

ocr page 245

231

haar scherpe, snijdende slem: „de gunstelingen slaan onder den gouden drop, en wij willen toch niet hun plaals innemen, hoop ik? Ten minste ik voor mijn part dank er voor, Ie slaan waar Enke staat, en ook met de nieuwe vlam, de hofdame von Vosz, wil ik de koninklijke liefde niet deelen.quot;

„Zij zal spoedig een gewichtige plaats innemen,quot;' lluis-terde prins Ferdinand, „de Koning zal zich met haar laten trouwen.quot;

„Onmogelijk!quot; kraste de heesche stem der prinses: „of het moet zijn, dat onze lieve neef met zijne diavolini eerst zijn gemalin van de hand gezet had.quot;

„Hij wil misschien Koning Salomo tot voorbeeld nemen,quot; morde prins Heinrich: „deze was óók een aartsliefhebber van vrouwen, en wordt tóch in den Bijbel voor een zeer achtingswaardig Koning gehouden.quot;

„Hij moest over zich zeiven een vonnis van Salomo vellen,quot; kraste de prinses: „hij moest zich in drie deelen snijden: een voor de Koningin, een voor Enke, en een voor de nieuwe favorite.quot;

„Men moet van deze laatste met eerbied spreken,quot; fluisterde prins Ferdinand: „de Koning wil het zoo: want de hofdame von Vosz is ontzaglijk deugdzaam, en wil volstrekt getrouwd worden. De Koning heeft terstond op Frederik's sterfdag een samenkomst met de freule gehad, en toen heeft zij hem hare drie voorwaarden gesteld. Zij verlangt de toestemming der Koningin, vervolgens het kerkelijk huwelijken ten derde de verwijdering van madame Rietz.quot;

„De Koningin zal hare toestemming niet geven,quot; zei prinses Amalia.

„Zij heeft die reeds gegeven! De kamerdienaar Rietz heeft dit meesterstuk tot stand gebracht. De Koning betaalt de schulden zijner gemalin, verdubbelt haar spelde-geld, en hiervoor geeft zij hare toestemming tot een huwelijk met de linkerhand.quot; 1)

„De vrouwen zijn alle erbarmelijke, veile wezens,quot; bromde prins Heinrich: „valsche katten, die ieder uur gereed zijn te krabben, en hare beste vrienden te verraden. Een Koningin is hierin niet beter dan een bedelares! Voor geld

1

Historisch,

ocr page 246

232

verkoopt de Koningin hare eer en haar recht, en laat de ondeugd een mantel van deugd omhangen. Maar ditmaal zal het toch niet helpen, want er zal geen predikant te vinden zijn, die het onwettige huwelijk inzegent.quot;

„Ge vergist u, cher frère,quot; zeide prins Ferdinand glimlachend : „er is er reeds een gevonden. De Koning heeft den nieuwbakken heer geheim-finantieraad Wöllner om raad gevraagd. De kerel was immers vroeger predikant, en kent dus de streken der geestelijken. Hij heeft den Koning uit de geschiedenis bewezen, dat zulke dubbele huwelijken mogelijk zijn, en zelfs Luther aan den landgraaf Filips zulk een huwelijk veroorloofd heeft; hij heeft zich voorts aangeboden, — daar hij zelf een geordend prediker is, en de functiën van een zoodanigen verrichten mag, — in persoon de huwelijksplechtigheid te voltrekken.quot;

„De mannen zijn alle erbarmelijke, veile sujetten,quot; zeide prinses Amalia, terwijl zij uit hare groote, met bloed be-loopen oogen, die haar den bijnaam van „booze feequot; hadden bezorgd, een boosaardigen blik op haren broeder Hein-rich wierp.

„'t Verwondert mij dat gij dit zegt,chère sceur,quot; merkte prins Heinrich op: „Ge hebt dus uw oordeel over de mannen wel zeer veranderd.quot;

„Neen,quot; siste zij toornig; „neen, ik heb altoos geweten dat de mannen een erbarmelijk ras zijn. Er waren slechts twee uitzonderingen; de eene was mijn broeder Frederik, en de andere was de man, dien de groote Koning Frederik zelf niet in boeien kon houden, en die met de kracht van zijn geest zelfs de zwaarste grendels, en de sterkste ketens verbrak en zich vrijmaakte, trots alle Koningen en gevangenbewaarders. O, dank u, Heinrich, dat ge mij aan hèm herinnerd hebt; want mijn oud hart, 'twelk de menschen vergiftigd hebben, en dat verschrompeld en koud is, wordt weder warm en jong, als ik aan hèm denk, om wien ik zooveel geleden heb, en die van mij de oude heks heeft gemaakt, welke ik thans ben. Doch stil, daar komt de Koning, onze lieve heer neef!quot;

En Amalia, wier gelaat juist door een straal van jeugd en herinnering verhelderd was geworden, nam weder hare boosaardige en sombere uitdrukking aan, en zij strompelde den „heer neefquot; tegemoet, die, gevolgd door den graaf von

ocr page 247

233

Herzberg en den eerst gisteren benoemden staatsminister von Vosz, de kamer binnentrad.

„Hoe schoon ziet Uwe Majesteit er uit,quot; riep prinses Amalia met haar krijschende stem: „hoe schoon en jong! Zoo het dunne haar er niet was, en het embonpoint en de lieve gemalin, zou men Uwe Majesteit voor een jonkman kunnen houden, die uit vrijen gaat, en —quot;

„En daarbij het ongeluk heeft, een booze fee te ontmoeten,quot; glimlachte de Koning: „maar het hindert niets; wij zijn reeds verstompt tegen haren boozen blik, en zullen nooit ophouden haar te beminnen en te achten. Ik verzoek mijn lieve tante Amalia, alsmede mijn beide heeren ooms, overtuigd te zijn, dat ik voor hen allen steeds een genegen en liefderijk neef zal zijn, en gaarne bereid ben, hunne wenschen te vervullen. Wij spreken later hiervan; maallaat ons nu de plechtige handeling beginnen, die ons hier heeft samengebracht. Heer graaf von Herzberg, ik verzoek u, den gezant van den hertog van Brunswijk binnen te voeren.quot;

En de Koning nam op den fauteuil plaats, die in het midden der kamer stond, en aan weerszijden waarvan zich eenige stoelen en tabourets bevonden, waarop zich prinses Amalia en de beide prinsessen nederlieten. Dicht bij het venster, stond een met een groen kleed bedekte tafel, waarvoor drie stoelen met hooge, kunstig gebeitelde leuningen, waren geplaatst. Het was de schrijftafel van Frederik den Groote, waaraan hij dagelijks zoo vele uren gewerkt en gepeinsd had voor Pruisens welzijn en de eer zijner onderdanen, en wier aanschouwing onlangs den minister von Herzberg tranen in de oogen had gedreven.

„De heer baron von Hardenberg, minister en buitengewoon gezant van Zijne Doorluchtigheid den hertog van Brunswijk!quot; riep graaf von Herzberg, terwijl hij den genoemde aan zijn hand binnenvoerde, en hem aan den Koning voorstelde. Baron von Hardenberg boog met de welgemanierdheid van een elegant man der wereld en van een hoveling tevens, en richtte vervolgens zijn groote, blauwe oogen met een uitdrukking van eerbiedige verwachting, — maar met volkomen kalm en gerust gelaat, op den Koning.

„Spreek, mijnheer de baron,quot; zei Frederik Willem:

ocr page 248

234

„mijn heer oom, de hertog van Brunswijk, zendt u tot mij. Wat heeft de heer baron von Hardenberg te zeggen ?quot;

„Sire, ik breng op last en bevel van mijn genadigen heer en hertog het testament van den hoogzaligen Koning Frederik den Tweede! Ongeschonden aan alle zegels en volkomen zooals wijlen Zijne Majesteit het den hertog reeds voor jaren heeft ter hand gesteld, en zooals het sedert gerust heeft in het hertogelijk staats-archief te Bruns-wijk.quot;

Hij reikte den Koning het verzegelde document over, en verzocht hem, met de prinsen en de ministers de zegels te onderzoeken, om zich te overtuigen dat zij ongeschonden waren; vervolgens, als Zijne Majesteit dit gedaan had, de zegels te verbreken en het testament te openen. Nadat alles geschied was, — toen de Koning het samengevouwen papier uiteengeslagen, en Herzberg betuigd had, dat dit het werkelijke en eigenhandige schrift van Koning Frederik was, — reikte Frederik Willem de papieren weder aan den baron von Hardenberg.

„Gij zijt het, die ons dezen laatsten groet en vermaningen van den grooten Koning gebracht hebt, en 't is dus ook billijk en recht dat gij, als ae vertegenwoordiger van den heer hertog, ons bekend maakt met den inhoud van het testament. Ik machtig u het ons voor te lezen. Neem daar, tusschen mijn beide heeren staatsministers, aan de tafel plaats. — Lees nu!quot;

Graaf von Hardenberg legde het document op de tafel, en met luide, helder klinkende stem begon hij het testament van den Koning te lezen, als volgt: 1)

„Ons leven is een vluchtige overgang van het oogenblik onzer geboorte tot dat van onzen dood. Gedurende deze korte tijdruimte is de rnensch beslomd, voor het welzijn der maatschappij, wier lid hij is, te arbeiden. Sedert ik aan het bestuur der Staatszaken gekomen ben, heb ik met al de kracht, welke de Natuur mij gegeven heeft, en naar mijn zwakke inzichten er naar gestreefd den Staat, dien ik de eer had te besturen, gelukkig en bloeiend te ma-

1

liet oorspronkelijke is in de Fransche taal opgesteld. Het bovenstaande is een getrouwe, woordelijke vertaling, naar den door Preuss medege-deelden, oorspronkelijke!! tekst, 11, pag. 401 zijner „Lebensbeschreibung.quot;

ocr page 249

235

ken. Ik lieb recht en gerechtigheid laten heerschen, ik heb orde en stiptheid in de finantiën gebracht, en in de armée de krijgstucht ingevoerd, die haar op de andere troepen in Europa het overwicht heeft gegeven. Nadat ik op deze wijze mijn plicht jegens den Staat vervuld heb, zou ik mij een eeuwig verwijt hebben te maken, zoo ik hetgeen mijn familie betreft, wilde veronachtzamen; om dus de oneenigheden te vermijden, die wegens de erfenis onder mijne nabestaanden konden oprijzen, maak ik hun door deze plechtige acte mijn laatslen wil bekend.

1. „Ik geef gaarne en zonder leedwezen dezen levensadem, die mij bezielt, aan de weldadige Natuur terug, die mij verwaardigd heeft dien te ontvangen, en dit lichaam aan de elementen, waaruit het is samengesteld. Ik heb als philosoof geleefd, en ik wil ook als zoodanig begraven worden zonder pronk, zonder vertoon, zonder glans; ik wil noch ontleed noch gebalsemd worden. Men begrave mij te Sanssouci op de hoogte der terrassen, in het grafgewelf, 'twelk ik mij heb laten gereed maken. De prins van Nassau is op deze wijze in een boschje bij Kleef bijgezet. Mocht ik in den oorlog of opreis sterven, dan moet men mijn lichaam op de eerste de beste plaats deponee-ren, en het later, — des winters, — naar Sanssouci zenden, en het bijzetten, zooals ik hier boven heb aangegeven.

2. „Ik laat aan mijn lieven neef Frederik Willem, den eersten erfgenaam der Kroon, het koninkrijk Pruisen, provinciën, staten, kasteden, vestingen, plaatsen, ammunitie, arsenalen; de door mij veroverde of geërfde landen; al de juweelen der Kroon, die in handen der Koningin, mijn gemalin zijn; het gouden en zilveren tafelgereedschap, dat te Berlijn is; mijne landhuizen, bibliotheken, muntdlt;abinetten, scldlderijgalerijen, tuinen enz., enz. Buitendien laat ik hem na de schatkist, zooals zij zich op den dag van mijnen dood bevindt, als een goed, dat den Staat behoort, en 'twelk slechts mag aangewend worden, om de bevolking te verdedigen of te ondersteunen.

3. „Zoo ik soms eenige kleine schulden mocht nalaten, wier betaling mij de dood verhinderde, zal mijn neef ze betalen. Zulks is mijn wil.

4. „Ik laat aan de Koningin, mijne gemalin, de reve-

ocr page 250

236

nuën welke zij trekt, met bijvoeging van tienduizend thaler jaarlijks, twee tonnen wijn jaarlijks, vrij hout, en vrij wild voor haar tafel. Op deze voorwaarde heeft de Koningin zich verplicht, mijn neef tot haren erfgenaam te benoemen. Buitendien, — daar er geen gepaste woning is, welke men haar tot residentie zou kunnen aanwijzen, — bepaal ik mij er toe (om den vorm), Stettin als zoodanig te noemen. Ik begeer tegelijkertijd van mijn neef, dat hij voor haar een voegzaam verblijf in het Slotte Berlijn gereed houdt, en hij haar de achting betoone, die aan de weduwe van zijn oom en een prinses toekomt, wier deugd zich nooit verloochend heeft.

5. „Gaan wij nu tot de vrije nalatenschap over. Ik ben nooit óf gierig óf rijk geweest, ook heb ik nooit over groote zaken beschikt. Ik heb de revenuen van den Staat als de bondskist beschouwd, die geen ongewijde hand mag aanraken. Ik heb de openbare inkomsten nooit tot mijn bijzonder nut aangewend. De uitgaven, welke ik voor mij gedaan heb, hebben nooit do som van tweemaal honderd duizend thaler overtroffen ; ook laat mij mijn administratie een volkomen gerust geweten, en ik vrees niet in het publiek er rekenschap van te geven.

6. „Ik benoem mijn neef Frederik Willem tot universeel erfgenaam van mijn persoonlijk vermogen, waarvan hij echter de volgende legaten te betalen heeft.quot;

Nadat de Koning toen in vier en-twintig volgende nummers aan al zijne verwanten een legaat, hetzij in geld, brillanten of andere zaken had vastgesteld; — nadat hij de pensioenen voor de invalide officieren en soldaten van zijn leger en zijn dienstpersoneel bepaald had, vervolgde het testament:

„Ik beveel mijn opvolger, zijn geslacht in de personen zijner ooms en tantes en al zijner verwanten, te achten en te eeren. Het toeval, dat het lot der menschen bepaalt, regelt ook de opvolging; maar, door Koning te worden, geldt men niets beters dan de anderen. Ik beveel derhalve al mijne verwanten aan, in goede eendracht te leven, en als het zijn moet, bereid te zijn, hunne persoonlijke belangen aan het welzijn van het vaderland, en het voordeel van den Staat te offeren.

„Mijn laatste wenschen zullen, als ik sterf, het geluk

ocr page 251

237

van dit Rijk gelden. Moge het steeds met rechtvaardigheid, wijsheid en kracht geregeerd worden; moge het de gelukkigste Staat zijn door de zachtheid der wetten; moge het steeds billijk en goed ten aanzien zijner financiën geadministreerd, — en ten moedigste verdedigd worden door een leger, dat steeds voor de eer en den schoonen roem ademt, en moge het duren en bloeien tot het einde aller eeuwen!quot;

( '„Amen! Amen!quot; riep de Koning, vroom de handen vouwende, toen de baron von Hardenberg met de voorlezing ten einde was: „Amen! 't Zal alles gebeuren zooals mijn groote, verhevene oom heeft bepaald! God zegene Pruisen, en geve mij kracht het te regeeren en gelukkig te maken! Ik dank u, heer baron, en wensch u, morgen, vóór ge vertrekt, nog tot een vertrouwelijk onderhoud te zien.quot;

Hij knikte den gezant toe, en daar deze zich nu in begeleiding der beide staatsministers op den wenk des Ko-nings verwijderde, wendde zich Frederik Willem met een vriendelijken glimlach en een genadigen hoofdknik tot prinses Amalia en haar beide broeders, die zich even als de Koning van hunne zitplaatsen hadden opgericht.

„Mijn verheven, hoogzalige oom heeft mij vooral de zorg voor het welzijn van mijne ooms en tantes aanbevolen,quot; zeide hij: „Ik mag echter verzekeren, dat deze aanbeveling niet noodig was, en ik ook buitendien met vreugde bereid zou zijn geweest, naar mijn vermogen, en zooveel ik vermag, tot hun geluk en welzijn bij te dragen. Ik bid u dus, zeg mij in dit uur een of anderen wensch, die u aan het harte ligt, en wiens vervulling wij als een gedachtenis aan deze plechtige testament-opening in eere willen houden. Spreek dus, mijn geliefde oom, prins Hein-rich; noem mij een gunst, welke ik u bewilligen kan.quot;

De prins ontroerde een weinig, en een gloeiend rood schoot een oogenblik over zijn gelaat, dat eene getrouwe copie van dat des overleden Konings was. Het woord „gunst,quot; 't welk de glimlachende mond des Konings had uitgesproken, trof als een giftige pijl zijn hart, en boorde er zich diep in.

„Sire,quot; zeide hij op scherpen toon: „ik heb niets te be-geeren, en geenerlei gunst van u te verzoeken. Of het

ocr page 252

238

moest als een yunsl worden beschouwd, dat mij in al mijne aanspraken en aanfrelegenheden ter zake van erfenis, gerechtigheid wedervare, en mijne rechten gehandhaafd worden.quot;

„Gerechtigheid te oefenen is geen (/wns?, maar een plicht,quot; antwoordde de Koning zacht: „en zeker zal mijn waarde oom Heinrich in al zijne aanspraken en erfaangele-genheden, volgens recht beschermd wwden.quot;

„Ook in mijne erfaanspraken op de opvolging in het markgraafschap Schwedt?quot; vroeg prins Heinrich haastig, en een doorborende blik zijner oogen, die groot, glanzend en scherp waren, als de oogen van Frederik, trof het aangezicht van zijn neef.

Frederik Willem trok de schouders op. — „Dit is een politieke vraag, wier beslissing aan den ministerraad, — niet aan de familie-conferentie — toekomt,quot; antwoordde hij.

„Dat heet met andere woorden,quot; krijschte Amalia met een honenden lach: „prins Heinrich zal steeds tot de lieve familie, maar nooit tot de ministers en raadgevers des Konings behooren.quot;

De Koning richtte zich, wellicht om aan het gesprek een andere wending te geven, — haastig tot prins Ferdinand. „En gij, mijn dierbare oom, hebt gij ons geen bij zonderen wensch mede te deelen ?quot;

De prins glimlachte. „Ik ben niet eerzuchtig, en mijne financiën zijn gelukkig in goede orde. Ik beveel mij en mijn gezin in de welwillendheid van onzen Koning. Het zou mij bijzonder verheugen, zoo mijn oudste zoon Louis met de protectie van zijn koninklijken oom verwaardigd mocht worden.quot;

„Hij zal als mijn eigen zoon beschouwd worden en avanceeren,quot; zei de Koning haastig: „ik wensch, dat hij de vriend en makker van mijn zoon Frederik Willem zij, en dezen een weinig mededeele van zijn geest en zijn vuur. De jonge prinsen zijn er als toe geschapen, elkander aan te vullen, en het zal mij aangenaam wezen, zoo zij recht innige vrienden zijn. En nu, mijn waarde geliefde prinses tante,quot; voer de Koning voort, terwijl hij zich tot Amalia wendde: „thans verzoek ik ook u, mij uwe wenschen mede te deelen.quot;

De prinses haalde de schouders op. „Ik ben niet eer-

ocr page 253

'239

zuchtig,quot; zooals broeder Heinrich, — en heb voor geene kinderen te zorgen, zooals broeder Ferdinand. Mijne behoeften zijn gering, en ik bemin de menschen niet genoeg om rijkdommen le wenschen, opdat ik ledige zakken zou kunnen vullen, en de ontberenden tot genietenden maken. Het leven is met mij niet zacht en edelmoedig te werk gegaan, waarom zou ik liet nu jegens de menschen zijn? Er is slechts één menscb, dien ik gelukkig wenschte te maken, want hij heaft, gelijk ik, jaren lang ongeluk beleefd, en weet een treurig lied te zingen van de hardheid en wreedheid der menschen. Sire, ik eisch en begeer niets voor mij, maar ik eisch een zonnestraal voor dengene, dien men vele jaren de zon ontstolen, — en hem begraven heeft in een langen kerkernacht! Ik eisch voor een grijsaard de schemering van het geluk, 'twelk men zijn jeugd en zijnen mannelijken leeftijd misdadig ontnomen heeft. Sire, er kleeft in mijn geheugen slechts één enkele schaduw op de nagedachtenis van mijn verheven broeder. Deze schaduw heet; Ffederik von Trenck. Oefen (jij gerechtigheid. Geef aan Frederik von Trenck zijne goederen weder, welke men hem op onrechtvaardige wijze ontnomen heeft; geef hem zijn adel en zijn militairen rang terug, waarvan men hem beroofd heeft. Sire, doe dit, en ik, — wie het ongeluk tot een booze fee heeft gemaakt, — zal voortaan niets meer zijn, dan een goedhartige, verdroogde oude mummie, die haar handen vouwen, en met haren laatsten ademtocht bidden wil voor den goeden, grootmoedigen Koning, die Frederik von Trenck gelukkig heeft gemaakt!quot;

„üat zal geschieden, zooals mijn waarde tante wenscht,quot; zeide de Koning bewogen ; „wij willen Frederik von Trenck zijne goederen en zijn militaire en burgerlijke eer teruggeven ; wij willen hem ook aan ons Hof noodigen, en hij zal niet te vreezen hebben, dat hij weder in de kase-matten van Maagdenburg gesleept wordt, schoon ook prinses Amalia hem vriendelijk en genadig toelonkt.quot; 1)

De prinses trok haar oud, door pokdalen misvormd gelaat tot een glimlach, die echter slechts een grijns werd.

1

Frederik von Trenck moest, zooals bekend is, de gunst der prinses Amalia met veeljarige gevangenschap boeten.

ocr page 254

240

en zij wist zelve niet, dat de sluier, die plotseling hare oogen verduisterde, een traan was. Het was zoovele jaren geleden, dat zij niet gelachen en niet geweend had, en zij deed het heden voor het eerst weder. Heden voor het eerst na vele jaren, dankte zij des avonds God, dat Hij haar dezen dag had laten beleven; wenschte zich niet den dood, maar bad God, haar nog het leven te laten, zóólang tot zij Frederik von Trenck wedergezien, en van hem vergiffenis ontvangen had, dat hij door haar zoo ongelukkig was geworden! Heden voor het eerst bewoog een gevoel van dank en vreugde het verbitterde gemoed der prinses, en het kwam uit de diepte haars harten, toen zij bij het afscheid, na de voorlezing van het testament, tot Frederik Willem zelde: „Ik wilde dat ik niet een booze, — maar een goede fee was, want dan kon ik u het recept geven, om uw volk gelukkig te maken, en zelf gelukkig te zijn!quot; —

De Koning glimlachte. Hij had immers dit recept reeds! Hij had het in het levenselixer ontvangen, dat Cagliostro hem gegeven had. Deze droppels waren het recept voor zijn persoonlijk geluk, en wat het geluk zijns volks betrof, zoo moesten zijne lievelingen, Bischofswerder en Wöllner, immers wel de recepten kennen, die het geluk des volks konden bewerken. In hunne handen zal de Koning gerust het roer des Staats kunnen leggen. Zij zijn de lievelingen der onzichtbare vaders, de uitverkorenen en machtigen, en zij zullen Pruisen regeeren, — zij, DE ROZENKRUISERS !

Dit dacht de Koning met vreugde, en dit fluisterden met bekommering de tegenstanders der vrome ordebroeder, de vijanden van Bischofswerder en Wöllner, elkander in het oor. En het getal hunner vijanden was groot, en zeer aanzienlijke mannen behoorden er toe. Ook aan het Hof was een partij, die in bittere, maar geheime vijandschap tegenover de Rozenkruisers stond.

XII.

LEUGHSENRING.

Aan het hoofd dier oppositie onder de Hofpartij stond de onderwijzer en gouverneur van den Kroonprins, Goethe's

ocr page 255

'241

vriend, de genoot der voormalige „Mainbündler,quot; Franz Michael Leuchsenring, dien Frederik de Groote naar Berlijn had geroepen, opdat hij als Fransch onderwijzer den toekomstigen Koning van Pruisen de Fransche taal onderwijzen, en hem een nauwkeurige kennis verschaffen zou van de Fransche literatuur en de Fransche dichters.

Tot hèm begaf zich op den dag na de voorlezing van het testament de baron von Hardenberg, de veeljarige vriend van den heer gouverneur, en het wederzien van beide langgescheidenen was zeer hartelijk geweest. F venwel was aan den scherpen en fijnen blik van den Bruns-wijkschen minister de wolk niet ontgaan, die Leuchsenring's voorhoofd beschaduwde, en hij wees nu, — nadat zij de eerste begroetingen gewisseld, en de eerste vluchtige vragen en opmerkingen over hunne wederzijdsche omstandigheden gedaan handen, met zijn fijne, witte hand naar Leuchsenring's voorhoofd.

„Ik zie daar een schaduw,'' zeide hij glimlachend: „een schaduw, welke ik nooit vroeger op het voorhoofd van mijn vriend gezien heb. Is de schoone Leuchsenring niet meer de lieveling der vrouwen, en bijgevolg ook der Muzen? Of is er weder een of andere gehate medeminnaar die zóó vermetel is, u de gunst eener geliefde te betwisten? Ik ken dat immers; ik heb u meermalen als Orlando Furioso gezien, toan wij elkander in Napel's gezegende landouwen ontmoetten, en ons ^vriendschapsverbond sloten. Ach, amico mio, waarom zijn wij niet meer in het bella Italia! Waarom heeft de nuchterheid den levens ons haar proza aangewaaid, en van u den ouderwijzer eens prinsen, van mij een vorstendienaar gemaakt! Maar,passons la dessus, en beantwoord mij de vraag; Waar is de medeminnaar? Moet ik, zooals driemaal te Napels, ook te Berlijn uw secondant zijn?quot;

Leuchsenring glimlachte. „Ik zie met genoegen, waard-ste baron, dat uwe ministerportefeuille u niet veranderd heeft. Ge zijt nog altoos de vroolijke cavalier, de zorge-looze man van de wereld; terwijl ik, inderdaad, — ik kan het niet meer loochenen, — terwijl ik een misanthroop ben geworden. Het is voorbij met de onbezorgdheid, voorbij met de liefde; en de vrouwen hebben, helaas, niets Uühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. III. Itt

ocr page 256

242

gemeens met de wolk, die uw scherpe jlik op mijn voorhoofd heeft opgemerkt.quot;

,,Ongelukkige, ge zijt dus een politicus geworden,quot; riep harou von Hardenberg glimlachend: „het is dus waar, wat men mij gezegd heeft; gij schrijft geen minnebrieven meer, maar geleerde verhandelingen; ge zij t een partij man geworden. ?quot;

,,'tls waar,quot; zeide Leuchsenring heftig: „ik ben van toom en baat vervuld; ik zie met ontzetting het groote logen-net, dat de mannen der duisternis, — dat heet de Roze-kruisers, en damp;~4ea«ïten, — over de menschen willen spannen. Ik gevoel, dat het mijn taak is, dit net te ver-sclieuren, en aan de wereld de strikken te openbaren, waarin de menschheid zal gevangen worden.quot;

,.Bravo, bravo,'' zeide Hardenberg levendig; „zóó behaagt ge mij, want ik zie, dat het u volkomen ernst is mest uwe plannen, en dat ik aan uwe gezindheid niet twijfelen mag. Nu wil ik u ook terstond een bewijs van mijn vertrouwen geven, door u om raad te vragen in mijne persoonlijke aangelegenheden. Ik kom juist van een audientie bij Koning Frederik Willem. Het schijnt, dat Zijne Majesteit eenige caprice voor mij heeft, en door een vrouwelijken trek in mijn gelaat, is ingenomen. Kortom; de Koning beeft mij het genadig voorstel gedaan, in zijn dienst ie treden, en het bestuur van een ministerie op mij te nemen.quot;

, Eu wat hebt gij geantwoord?quot; vroeg Leuchsenring levendig.

„Ik heb genadig eenigen bedenktijd verzocht. Ik ken de toestanden hier te weinig, en wilde eerst met u er over spreken, mijn vriend. Zeg mij dus uwe meening. Zou ik aannemen?quot;

,,Zeg mij eerst, vriend, wie ge zijt, dan zal ik u antwoorden. Zeg mij of ge een afvallige zijt, een Rozekruiser, dat hfft fwn — dan of ge de trouwe genoot van

ons verbond zijT gebleven? Geef mij uw hand, laat mij die aanraken met het geheime teeken, en nu geef mij antwoord of ge een verbondsbroeder zijt.quot;

,,lk ben het,quot; zeide Hardenberg, wiens joviaal gelaat nu een ernstig uitdrukking had aangenomen, en die de hem gereikte hand van Leuchsenring op eigenaardige wijze

ocr page 257

2i3

met zijne vingers aanraakte: „Voel aan den druk dezer hand, dat ik trouw ben gebleven aan't bezworen verbond; dat ik uw ordebroeder, — een trouw en ijverig vrijmetselaar gebleven ben.quot;

„Geloofd zij God, mijn vriend, dat gij het zij tlquot; riep Leuchsenring: „Dan behoort ge tot mij, — behoort tot degenen, die de toekomst voorbereiden, en het tx-eurige tegenwoordige een dam tegenstellen in den geest der men-schen. En nu, mijn vriend, wil ik u ook uw vraag beantwoorden; nu zeg ik u: Neem deze u gedane aanbieding niet aan, maar spaar u voor de toekomst, voor het toekomstige geslacht. Treurige en rampvolle dagen staan Pruisen te wachten, en de genius van het Duitsche vaderland moet zijn hoofd omhullen en weenen over het-geem hier gebeuren zal, en wat wij allen met schrik en afgrijzen zien naderen. De demons der duisternis stijgen op, en willen hun sluier spreiden over Pruisen. Bijgeloof, huichelarij, Jezuitisme, en zondige weelde hebben zich verbonden, om de geesten en de harten in boeien te slaan, en een tijd van verduistering zal voor Pruisen aanbreken, zooals die gewoonlijk groote omwentelingen en groote wereldgebeurtenissen voorafgaat! Geloof mij, wij staan op een krater! De koninklijke boeleesters willen dien met bloemen en kransen bedekken, de koninklijke Rozekrui-sers willen met hunne elixers en wonilerdranken de oogen benevelen, opdat zij het vreeselijke niet zien zullen; maar, zij houden het noodlot niet tegen; zij maken slechts, dat het te schielijker aanrolt, en onder zijne raderen alles verplettert, wat het in den weg wil treden. Even als het kwade steeds het goede voortbrengt, zoo moet ook de 'slavernij steeds de vrijheid bevorderen, en haar de overwinning bezorgen. De druk, dien de heerschers sedert eeuwen op de dienenden hebben geoefend, zal thans zijn wrekende vruchten dragen. De slaven zullen de boeien verbreken, het juk afwerpen, en zich tot vrije mannen vechten.quot;

„Ach, mijn vriend, quot;riep Hardenberg^schouderophalend; „gij ziet onbereikbare idealen zich verwezenlijken, waaraan ik, helaas, niet gelooven kan. Zeg mij, met welke middelen zullen toch de arme, onderdrukte volken hunne ketens verbreken, en zich tot vrije mannen verheften?quot;

„Ik zal h^t u zeggen, en uwe ziel zal huiveren; De sla-

ocr page 258

244

ven zullen zich vrijmaken, de vertreden volken zullen zich oprichten door een vreeselijk middel, door de revolutie. Zij gist in alle gemoederen, zij bruist in alle hoofden. De tijd van rust en behagelijke sentimentaliteit is voorbij. Woeling en strijd, stormen en woeden en bruisen en zingen niet alleen meer in de hoofden en harten der dichters, — zij zijn doorgedrongen tot elk menschelijk hart, en wat de dichters gezongen en gedacht hebben, is in de harten der volken overgegaan, en dat er wil uitstormen, het oude verwoestende, het nieuwe scheppende. Frederik Schiller heeft met zijn „Hooversquot; de brandfakkel geworpen in de gemoederen der jeugd, en de Vorsten en de samenver-bonden Hoven voeden en onderhouden het ontstoken vuur met de vodden hunner van goud glinsterende lompen en hun verdref uitwasemende ondeugd. Ik zeg u, het vuur zal ontvlammen, want de woeling en drang der vrijheid is in de menschheid, en God heeft de ondeugden der Vorsten tot den geesel gekozen, waarmede de volken getuchtigd zullen worden, opdat deze zich uit het stof verheffen, en uit slaven mannen zullen worden! Ook Lode-wijk de Vijftiende van Frankrijk met al zijne zonden en gebreken, was een werktuig in Gods hand; ook Koningin Marie Antoinette met hare lichtzinnigheid, haar levenslust en verspilling is het, en ook Frederik Willem van Pruisen met zijn lichtzinnigheid, zijn goedhartigheid en zorgeloosheid, is een werktuig in Gods hand, en moet de vrijheid en de verheffing der geesten helpen bevorderen. En ook dit huichelachtig ottergebroed, deze logenachtige, bedriegelijke ordebroeders, deze Rozekruisers en Jezuïten moeten Gods oogmerken dienen; want de leugen bestaat slechts, om de waarheid aan 't licht te brengen, en slavernij moet slechts de vrijheid bevorderen. Daarom klaag en jammer ik ook niet, als hier de ondeugd en de erbarmelijkheid een poos zegevieren, want het pessimisme is alléén onze troost en onze hoop, en hoe slechter het thans gaat, des te beter zal het later worden. Hoe meer Jezuïten thans hier hun heilloos spel drijven des te meer zal er later uitgeroeid en vernietigd worden!quot;

„Gij ziet spoken en vertelt sprookjes, mijn opgewonden vriend,quot; zei Hardenberg glimlachend: „er zijn geen Jezuïten in Pruisen.quot;

ocr page 259

245

„Zij zijn overal,quot; viel Leuchsenring hem in de rede, terwijl hij levendig de hand op den arm zijns vriends legde, en dion heftig drukte: „Ja, mijn vriend, er zijn Je-zuïten. Zij verkeeren onder ons, en zitten nevens ons aan tafel; zij drukken ons als vrienden de hand, en vleien ons als onze bewonderaars; zij glimlachen ons toe als onze geliefden, zij laten geen middel onbeproefd, om onze harten te bezweren en onze geesten in boeien te slaan. —

De Rozekruisers: wat zijn zij anders dan vermomde Jezuïten? De mystiek der Rozekruisers moet het verstand benevelen; ondeugd en zonde moeten den geest knakken, en uit de beneveling en verstomping zullen de verleiden en omstrikten zich redden in de Katholieke kerk, die in haar moederschoot een rustplaats heeft voor alle gefolterde gewetens, die zegen en vergiffenis heeft voor alle ondeugden en misdaden! Derhalve verleiden deze Rozekruisers den goedhartigen en lichtzinnigen Koning tot uitspattingen en zingezot; derhalve beangstigen zij zijn zacht gemoed met wonderverschijningen en spoken! Redding zal hij zoeken in zijn gewetensangsten, en redding zal hij vinden in de Katholieke kerk! O ik ken ze, deze vermomde Jezuïten, deze Rozekruisers, en zij weten, dat ik ze doorzien heb, en daarom haten zij mij, en daarom roepen zij moord en brand, wijl ik hunne listen en streken openlijk aan den dag gebracht, — en verklaard heb, dat de Rozekruisers niets anders zijn dan Jezuïten, die het Katholicisme willen uitbreiden over de aarde. Ik heb dit ontsluierd, en heb het aan de wereld verkondigd in een geschrift, 'twelk de slapenden gewekt, — en de twijfelenden overtuigd heeft, doch de Rozekruisers met haat en woede tegen mij heeft vervuld.quot;

,,Ik heb er van gehoord,quot; zeide Hardenberg nadenkend: „men heeft mij verhaald van een fulminant artikel, 'twelk gij onlangs in het Rerlijnsch maandschrift, tegen de geheime genootschappen gericht hadt, maar ik heb het helaas niet te zien kunnen krijgen,quot;

„Dat geloof ik wel,quot; lachte Frans Leuchsenring; „de lieve Rozekruisers hebben de geheele oplaag van dit nom-rner opgekocht en onder zich gehouden, en zij zullen

ocr page 260

246

zoodra een nieuwe oplaag gedrukt is, ook deze koopen ; want zij trachten de waarheid en het vrije woord te onderdrukken en onder hunne voeten te treden. Maar het zal hun niet gelukken, want het vrije woord is als de Pheniks; het stijgt uit de ach en de vernietiging steeds weder op; het zingt zijne lofzangen, het dondert zijn vloek, net zit als de roode haan op het dak der boozen en misdadigers, en daarom zouden zij mij willen vermoorden, wijl ik gesproken heb. Maar het vrije woord zal evenwel zegevieren, en wij, vrijmetselaars en broeders van de orde der illuminaten, wij zullen het vrije woord ten laatste de overwinning doen behalen. ^ Wij vrijmetselaars zijn de soldaten der vrijheid en verlichting, en ons getal is groot, en alle voorname en uitstekende mannen te Berlijn be-hooren tot onze orde, en strijden tegen de duisterlingen en Jezuïten, tegen de Rozekruisers en mystieken. Illuminaten hebben wij ons genoemd, want illumineeren willen wij de duisternis der Rozekruisers, en voor de waarheid willen wij de illuminatie verwinnen op de logen ! O vriend, het is een harde strijd, die zich hier in Pruisen voorbereidt, want het getal der Jezuïten en Rozekruisers is onmetelijk, en een Koning beschermt en behoedt ze. Het getal illuminaten is betrekkelijk nog klein, en slechts de Koningen van den geest en der wetenschap, — niet echter de macht en het geld, behooren tot het verbond. Maar wij zullen evenwel zegevieren op de Jezuïten; wij staan op den wachttoren van Pruisen, en onze protestantsche oorlogskreet is Luther's woord: „het Woord zal men laten staan!quot;

„Goed en moedig gespi'oken, mijn dappere vriend,quot; riep Hardenberg; „waarlijk, uw vuur ontvlamt mij, uw geestdrift grijpt mij aan, en ik wil deelnemen aan uwen groo-ten, heerlijken strijd. Neem mij op in uwe orde, verhef den vrijmetselaar tot illurninaat.quot;

„Het zal geschieden,quot; knikte Leuchsenring: „heden avond wordt bij het edele opperhoofd van ons verbond, bij Ni-colai, een vergadering der orde gehouden; gij kunt mij

1) Dit artikel van Leuchsenring tegen de geheime genootschappen, bevindt zich in het door Gedike en Biester uitgegeven „Berlinischen Monatsschrift,quot; aflevering van Augustus 1786, en maakte destijds in alle kringen en klassen der maatschappij buitengemeen opzien.

ocr page 261

247

derwaarts vergezellen, en ik zal uwe aanneming bewerken quot;

,,En dan, nietwaar, — dan, als ik in uwe orde ben opgenomen, als ik tot de illuminaten behoor, dat beet tot de vijanden der Rozekruisers en Jezuïten, — dan zult ge het goedvinden, dat ik bet voorstel des Konings aanneem, en hier te Berlijn een staatsambt aanvaard?quot;

„Neen, mijn vriend, ik kan u dezen raad niet geven, en ik mag het niet goedkeuren.''

„Hoe? Ge wilt mij niet tot uw strijdgenoot hebben? Gij versmaadt mijn bijstand?quot;

„Ik versmaad dien niet; ik bespaar hem voor betere tijden. Gij zijt voor mij een groote kracht, en het zou jammer zijn, zoo zij werkeloos gemaakt werd vóór den tijd. Dit zou echter geschieden, zoo ge reeds nu hier kwaamt. De ftozekniisers zijn niet alleen machtig, maar ook sluw. Zij zouden zeer spoedig ontdekken, dat ge tot hunne vijanden behoort, en zij zouden u uw ambt en uwe macht even spoedig weder ontnemen, en u verbannen en van hier drijven. Zij zouden met u doen, gelijk zij met mij gedaan hebben.quot;

„Hoe hebben zij met u gedaan? Wat konden zij doen tegen den opvoeder en gouverneur van den Kroonprins, dien Frederik de Groote heeft benoemd, en welk leed kon • den zij hem toebrengen?''

Leuchsenring nam glimlachend een opengevouwen brief van zijn schrijftafel, en reikte hem den baron Hardenberg. Lees dit papier,quot; zeide hij; „Tk heb het voor twee uren ontvangen, en het zal u antwoord geven op uwe vraag.quot;

Hardenberg doorliep met een haastigen blik de weinige regels, die op het papier geschreven stonden, en liet het toen met treurig gelaat weder op de tafel vallen.

„Ontslagen,quot; prevelde hij: „men waagt het reeds, den wil van den nauwelijks begraven Koning te weerstreven, en zendt u uw ontslag!quot;

„Men gaat nog verder,quot; zeide Leuchsenring toornig; „dat men mij ontslaat, is niet het ergste; maar men benoemt in mijn plaats een opgewekte, een Rozekruiser, — dat is erger. De generaal graaf Brühl is tot gouverneur van den Kroonprins benoemd, en zal de laatste hand leggen aan de opvoeding van den jongen prins.quot;

[; if i i i

tlflftl

ocr page 262

248

„En dus zult ge Berlijn verlaten?quot; vroeg Harden berg schielijk; „Welnu, mijn vriend, dan doe ik u een ander voorstel. Ge wilt niet dat ik hier blijve; welaan, verzei mij dan! Volg mij naar Brunswijk, spaar ook u zeiven en uw kracht voor hetere tijden, hehoud u voor de toekomst!'' „Neen ik blijf!quot; riep Leuchsenring heraden ; „Ik zal den Rozekruisers het genoegen niet geven mijn post te verlaten, maar ik wil hem verdedigen tot mijn laatsten hloed-droppel. Ik blijf, en de Rozekruisers en Jezuïten zullen in mij hun steeds waakzamen en onverbiddelijken vijand vinden, en al de dappere mannen, wien God het zwaard des geestes en het vrije woord in de moedige vuist gelegd heeft, zullen met mij strijden. De Rozekruisers zullen de dagen der duisternis oproepen over Pruisen, maar de Illuminaten zullen de duisternis bestrijden en verlichten; de boozen en de zwakken, de door zinnelust en ruwe genotzucht omstrikten hehooren de Rozekruisers, maar de deugdzamen, de sterken, en allen die in den geest van waarheid en kuischheid leven, — de geheele jongelingschap, zullen aan de zijde der Illuminaten staan en mét ons strijden. O, mijn vriend het zal een strijd van den geest worden, zoodals de grimmige Hunnen dien voerden, nog over den dood; want de storm en drang der jeugd is onbedwingbaar, onweerstaanbaar; voor de hemelsche macht der waarheid moeten de helsche geesten der logen ten laatste tóch wijken, en het licht zal eindelijk de overwinning behalen op de duisternis. Dit is mijn hoop, dit is mijn geloofsbanier, en daarom blijf ik hier, trots mijne vijanden, de Rozekruisers. De strijd, de oorlog der geesten is mijn lust; dit beweegt, dit verheft en ver-frischt mij! Maar als de zege aan ons is, als de nieuwe tijd begint, als wij het oude omvergehaald hebben, en't er op aankomt het nieuwe op te bouwen, — dan, mijn vriend, dan is uw tijd gekomen; dan zult gij de bouwmeester zijn, die met frissche en jeugdige kracht den herbouw van Pruisen onderneemt en bevordert. Voor den duisteren tijd der Rozekruisers en van Koning Frederik Wilhelm zijt gij niet bruikbaar; maar daarna komen de lichte en heldere dagen van den jongen Koning, en dezen zult gij ter zijde staan als vriend; raadgever en helper! Want geloof mij: Koning Frederik Willem de Tweede zal Prui-

ocr page 263

249

sens horizon slechts voorbijdrijven als een donkere onweerswolk, die met bliksem en donder, met storm en nood den helderen dag van het volksleven verduistert; maar de onweerswolken en de duisternis zullen voorbijgaan, en later zal hel weder dag werden, en de zon zal weder schijnen. Ge zijt nu hier te Berlijn gekomen, om Pruisens ongeluk te zien, ik wil u nu ook nog iets an-\ ders laten zien. Ik wil u Pruisens toekomst en Pruisens hoop vertoonen! Kom!quot;

Hij nam den arm van zijn vriend, en voerde hem naar het venster van de benedenverdieping, vanwaar men een ruim uitzicht had in den tuin, die het huis begrensde. Het was slechts een eenvoudige kleine tuin ; de paden met geel zand bestrooid, de bedden aan weerszijden met palm omzet, en met gewone tuinbloemen gevuld. Tusschen de beide bloemperken op het gele kiezelpad, stond onderden met vruchtenbeladen appelboom een wit geverfde bank, en op deze bank zaten twee knapen, of liever jongelingen, in eenvoudige burgerkleeding. De eene van hen, fraai van gestalte en met innemend aangezicht, had de groote vlammende oogen ten hemel gericht, — en te oordeelen, naar zijne gebaren en bewegingen, zijn opgeheven handen, zijn luide spraak, wier volle toon tot aan de vensters kionk, — scheen hij een vurig gedicht te reciteeren. De andere, de hoog opgeschoten, zestienjarige knaap, met zachte, blauwe oogen, een edel gelaat, en een goedhartige trek om de fraaie, trissche lippen, luisterde met goedkeurend gebaar en een zachten glimlach, naar zijn vurigen makker.

Op dezen laatste wees Leuchsenrings opgeheven vinger. „Zie daar,quot; zeide hij: „Dat is de toekomstige Koning van Pruisen, de aanstaande Frederik Willem de Derde. Hém moet gij helpen en bijstaan, want hij zal zulks noodig hebben. Hij zal moeten oogsten, wat de Jezuïten en Roze-kruisers thans hier zaaien; hij zal de wrange vruchten moeten inzamelen, waarvan hier thans de takken worden geënt. Behoud u voor Frederik Willem den Derde, baron Hardenberg, en laat u daarom Ihans niet verslijten en verstompen, in on vrucht baren dienst van Frederik Willem den Tweede.quot;

„Dat is dus de Kroonprins van Pruisen,quot; zeide Harden-

ocr page 264

250

berg naar buiten ziende: „die daar met het blonde haar en den zachten, bedecsden blik? Ik wenschte, dat ge mij den anderen hadt gewezen, en deze fraaaie mensch, deze jeugdige Apollo met den goddelijken glimlach en de vlammende oogen, de toekomstige Koning van Pruisen ware!quot;

„Dat is prins Louis, de broederszoon van den tegenwoor-digen Koning. Gij hebt gelijk; hij heeft het voorkomen van een jeugdigen Apollo, en zijn aanblik verheugt het hart. Zoo hij de toekomstige Koning van Pruisen ware, zou hij óf ten hemel opvoeren, óf in den afgrond storten, want hij is een genie, en hij zal niet langs gewone wegen door het leven gaan. Neen; het is goed, dat niet hij, — maar zijn zachte, jonge vriend ginds, eens de kroon van Pruisen zal dragen. Zij hebben hem wel is waar versutt en onderdrukt, den armen knaap. Zij hebben zijn aangeboren blooheid en linksche manieren door een harde en ruwe opvoeding vergroot: zij hebben hem een beperkten blik, een kleingeestige denkwijze gegeven, en alle groote en geniale gevoelens Lij hem trachten te verstikken. Hij is schuw gemaakt, en heeft geen vertrouwen in zich zeiven; maar hij heeft een gezond en degelijk verstand, een eerlijk en goed hart, en dat is voor een Koning beter, dan genialiteit en een vurige geest. Mijn vriend, ik weet niet hoe het komt, — maar ik bemin dezen armen, beschroomden knaap, die in zijn jeugd reeds zooveel heeft moeten missen en dulden; die geleerd heeft te ontberen als het kind van arme menschen, en die toch nooit geklaagd heeft. Ik bemin den prins, die zulk een liefdevol warm hart heeft, en wien tóch steeds het woord ontbreekt voor zijn gevoel; ik beklaag hem; want ik weet dat zijn jeugdige geest verduisterd wordt door een verdriet, dat hij als een heilig geheim in de diepte zijns harten bewaart, en 't welk zich slechts soms in enkele gebaren en woorden verraadt, 'tls het verdriet van een braven en teederen zoon, die zijn vader zou wenschen te beminnen en aanbidden, maar het niet waagt hem aan te zien, omdat hij de vlekken en schaduwen op het gelaat zijns vaders niet zien wil!''

„Arm jongeling,quot; zeide Hardenberg deelnemend: „Nog zoo jong en reeds zooveel wrange ondervinding van de nietigheid en erbarmelijkheid de wereld ! Maar mis-

ocr page 265

251

schien is het zóó goed, en als hij den doop der tranen ontvangen heeft, en door het ongeluk gezalfd is, mag hij een Koning van Gods genade worden! Ik wil doen wat ge zegt, Leuchsenring; ik wil mij bewaren voor de toekomst, en, zoo God het geeft, wil ik met vreugde uwen jongen Koning der toekomst, eens mijn geest en mijne krachten wijden!quot;

„God zal het geven, vriend; een verheugd voorgevoel zegt het mij, Hij zal het geven! Het kan zijn, dat ik het niet meer beleef, en de storm der revolutie, of de listen der Rozekruisers mij vóór mijn tijd van hier verdrijven. Maar gij zult blijven, en zult eens aan dit uur denken, waarin ik u den jongen Kroonprins Frederik quot;Willem den Derde geloond, — en u tot hem verwezen heb. Hij is Pruisens toekomst: en in de duistere tijden, die thans aanbreken, is het wel noodig, dat men een licht hebbe, tot hetwelk men opziet. Zie dus op den Kroonprins van Pruisen en zijn genialen vriend prins Louis Ferdinand!quot;

ocr page 266

L N H O ü D.

EERSTE BOEK.

DE NIEUWE TIJD.

Bladz.

Hoofdst. I. Friedrich von Schiller........5

„ II. De nood des levens........14

„ III. Henriette von Wolzogen......27

„ IV. Leed en vreugde.........39

„ V. Charlotte von Kalb........48

VI. De titel.............67

„ VII. Het afscheid van Mannheim.....75

VIII. Plannen voor de toekomst.....80

„ IX. De laatste rit..........93

TWEEDE BOEK.

DE NIEUWE KONING VAN PRUISEN.

Bladz.

Hoofdst. I. Na den dood......, . . . 121

„ II. Le roi est mort! Vive le rol! . . . . 130

„ Hl. De gunstelingen.........139

IV. De hofdame...........149

„ V. Figaro.............154

„ VI. Het verbond..........169

„ VIL De voorwaarden.........184

„ VHI. Nieuwe liefde..........192

„ IX. De beslissing...........201

„ X. De geestenbezwering........211

„ XI. Het testament..........229

„ XII. Leuchsenring..........240

ocr page 267

Het beroemde Standaardwerk:

MACAÜLAY,

lt;3-escliied.e2n3.is T7-a.n Eng'ela-nd..

Vroeger f 21.10. thans voor slechts f 4.90. In 4 fraaie prachtbanden f 6.90.

MACAÜLAY,

Gresohiedenis van Engeland sedert de troonsbestijging van Jacobus II. Derde druk, opnieuw bewerkt door Dr. J. C. yan Deventer, 4 deelen.

Dit werk van den wereldberoemden schrijver is wel bet interesantste boek dat ooit over historie het licht zag.

MACAÜLAY begaafd met een stalen geheugen en een weergalooze belezenheid, met een zeldzaam voortreffelijken stijl, waarheidsliefde en onpartijdigheid, neemt onder de historieschrijvers de eerste plaats in. Zijn arbeid wordt bewonderd door alle beschaafde natiën en wij mogen er gelukkig op wijzen dat ook hier te lande reeds een derde druk van zijn voortreffelijk werk DE GKSC'HIGDEKIK VA\ EX«ELA\D noodig is geweest.

Waar hij het volk in leven en streven, in ongebonden stijl schetst, zijn wij als met hem In den beschreven tijd tegenwoordig. Zijn onvermoeide werkzaamheid en veel omvattenden geest wist bronnen te vinden door anderen niet opgemerkt; kostbare parelen voor de historie.

De eigenaardigheid van zijn zeldzaam fraaien stijl is kracht, levendigheid, vloeienden rijkdom en een helderheid die het herlezen van een volzin uitsluit. Nooit is herlezing noodig. Zijn boeienden verhaaltrant, grondige kennis, scherp oordeel en daarnevens fijnen smaak is zoo uitermate aanlokkelijk, dat zelfs de romanlezer de hier beschreven historie met graagte verslindt. Door den omvang zijner kennis, door de kracht zijner bewijsvoering, door den gloed en den hartstocht, waarmede hij als geschiedschrijver optreedt, heeft hij een der prachtigste boeken over geschiedenis geleverd.

HENRI TAINE verhaalt: Toen het tweede deel van DE OEMflllEDE-WIS VAX EXGELAXD verscheen, waren daarvan reeds 30,000 exempl. vooruit besteld.

Wat MACAÜLAY opeenstapeld is verbazingwekkend. Ik ken geen geschiedschrijver, die vaster, rijker gestoffeerd, beter geordend geheugen bezit. Als hij de daden van een persoon of een partij verhaalt, doorloopt hij in een oogwenk alle gebeurtenissen van zijn leven en alle beginselen van zijn gedrag.

Niemand heeft ooit de geschiedenis zoo goed onderwezen, niemand ze ooit zoo nauwkeurig gekend.

Niemand verklaart beter en verklaart meer dan MACAULAY. Men zou zeggen hij heeft een weddenschap met zijn lezers aangegaan: ge moogt nog zoo afgetrokken, nog zoo dom, nog zoo onwetend zijn; naar mij luisteren zult gij: mij begrijpen moet ge; van mij leert gij.

Het is haast onmogelijk een deel van MAC AULA Y uit de handen te leggen voordat men de laatste bladzijde heeft verslonden.

Als een zeldzame bijzonderheid zij vermeld, dat de critiek zich over MACAULAY aldus uit: „Geen enkele daad niet met de eer en rechtschapenheid in hare strengste opvatting bestaanbaar, werd hem ooit, zelfs fluisterend, ten laste gelegd.quot;

Het voortreffelijk werk van MACAULAY, GESCHIEDENIS VAN ENGELAND, 4 flinke deelen, is verkrijgbaar voor slechts f 4.90 of fraai gebonden voor f6.90.

ocr page 268

Serie Ooetlkoope Werken.

Onderstaande werken van MULTATULI kunnen gerekend worden tot zijne beste pennevruchten te behooren. Elke bladzijde tintelt van geestigen humor en hekelende satire. Zijn Di;ii6E\D.E\-EE\l«K IIOOFDSTtK-Ki;\ OVER SPEri \EITEITE\'j ademt »eest en Tcrnurt. Zijn MIEL1-OE!\EX-STll DIEX bevat een rijkdom van denkbeelden en diepe inen-schenkennis. KOO-EEXS: VBYE ARBEID zijn met meesterhand bewerkte schetsen over ■ndisehe toestanden.

Deze goedkoope serie bestaat uit 3 doelen. I. Millioenen-itudlen.

Derde, herziene druk. II. Duizend-en-eenigre hoofdstukken over Specialiteiten.

Derde, herziene druk.

III. Nog eens: Yr^Je-arbeid in Nederlandsch-lndie.

Derde, herziene druk, — waarbij gevoegd AART ADMIRAAL, Multatuli en z\)ne werken geschetst.

Prijs der geheele serie (3 deelen) ingenaaid ƒ3,75: gebonden in groen linnen stempelbanden / 4,80.

Per afzonderlijk deel genomen kost elk werk ingenaaid / 1,90 en gebonden f 2,40.

Hoewel elk dezer werken van M0LTAT[JLI op zichzelf oompleet is en ook als zoodanig wordt geleverd, worden de bezitters der „Verzamelde Werkenquot; er opmerkzaam op gemaakt, dat ze daarbij aansluiten en op dezelfde wijze (druk, formaat en band) zijn uitgegeven. Zij vormen daarmede een geheel, zoodat de bezitters van beide Seriën

de werken van MULTATULI COMPLEET

hebben. — Door toevoeging aan onze Serie van het werkje

laFfc ||®UatftU ca ïifae wsrken, piclsMi

bekomt men bovendien een juweeltje van stijl en kritiek, dat tevens een overzicht, aanteekeningen, en uittreksels bevat uit zijne verschillende werken.

ocr page 269

Ia het Zwarte Werelddeel.

De Werken van de beroemde Reizigers in Afrika:

STANLEY ert ËMIN PACHA.

Hunne Avonturen en Ontmoetingen, Tochten en Ontdekkingen.

3 Deelen groot kwarto formaat, fraaie druk. R^jk geïllustreerd met de origineele plateu der Engelscbe editie en keurig bewerkte kaarten, voor slechts f 7.50, of in 3 prachtbanden f 10.50.

-»4!!—I—----

wordt het authentiek verhaal gegeven van den wondervollen tocht in het donkere Afrika gedurende drie achtereenvolgende jaren door twee groote ontdekkingsreizigers, in streken, waar nog nooit een beschaafd mensch is doorgedrongen; in maagdelijke wouden, waar geen blanke ooit vóór hen een voet heeft gezet; in het ontzaglijk groote wonderland, waarvan nog niets aan de wereld bekend was. In een prachtigen stijl, op boeiende wijze en onderhoudend geschreven, worden hier de tochten en avonturen medegedeeld. Het schetst de zeden en gebruiken dier wilde rassen en geeft een aanschouwelijk beeld van de gevaren en ontberingen, waaraan de expeditie ten prooi was en waarmede zij had te kampen; de gevechten, moordtooneelen, hinderpalen, enz.

In de laatste jaren is zeker geen historisch verhaal verschenen, of een ontdekkingstocht beschreven, zóó boeiend, zóó onderhoudend en zóó belangwekkend, ook voor aardrijkskunde en natuurwetenschappen. Een boek, dat een werkelijkheid schildert, die de stoutste fantasie verre overtreft.

Wie den grooten ontdekkingsreiziger met zijne menigte volgelingen op zijn driejarigen reuzentocht gevolgd heeft; wie uit verschillende verspreide couranten-artikelen hem en zijne medereizigers gadesloeg; wie vernam van zijn reuzentocht door eeuwenoude bosschen, bijna zoo groot als een half werelddeel, met voor ons nog geheel onbekende voortbrengselen uit het planten-, dieren- en delfstoffenrijk; wie hoorde verhalen van de leefwijze, gewoonten, taal en zeden van onbekende volksstammen, menschenetende wilden en valsche dwergen, die is nieuwsgierig het authentieke verhaal van STANLEY'S tocht door het hart van Afrika te lezen en te genieten. Al zijn avonturen, krijgsverrichtingen, ontdekkingen en ontmoetingen worden in dit werk met een meesterschap over taal en stijl, naar waarheid en juist medegedeeld, zooals alleen ST IK LEY tot zijne beschikking heeft.

De Reizen van STANLEY, waarby gevoegd JEPHSOIV, EMIIV PACHA, vormen één geheel.

Bijna 300 Platen versieren den fraaien tekst.

De prijs van slechts ƒ 7.50, of /10.50 voor de drie fraai gebonden deelen

is fa.belsictLtig' g-oedJsoop.

In dit merkwaardige en belangrijkste boek dezer eeuw

ocr page 270

Het beroemde Meesterwerk:

THOMAS CARLYLE, Igt;e 'lio

KKX UKHVUiKUmiXUiU TAFRHKEV.

Rijk geïllustreerde uitgave.

3 Fraaie deelen voor slechts Z'7.50. In 3 artistieke Prachtbanden /'10.50.

Deze uitgave van l'ARLYLE'S beroemd boek, het interessantste werk over de Fraiittclie Revolutie geschreven, is de 4e Xeilerlandsclie druk. De tekst daarvan werd opnieuw met den oorspronkelijken vergeleken en van talrijke hoogst belangrijke aanteekeningen en verklaringen voorzien door H. van E.

Het formaat is in groot kwarto; de tekst met fraaie duidelijke letter.

Het geheel vormt drie deelen, ingedeeld als volgt;

Deel I. DE B4NTIL.LE. 335 pagina's.

Deel II. DE fOX^TITUTIE. 310 pagina's.

Deel lil. DE GUILLOTINE 359 pagina's.

Aan dezen vierden druk van CARLYLE's Fransche Om wenteling is bovendien toegevoegd

Een beredeneerd chronologisch overzicht,

Een volledig alpliabethlsch register op het werk, benevens de volgende prachtige platen en portretten, verzameld naar authentieke gegevens.

SOI stuks keurige tekstplaten.

331 „ prachtige portretten. 13 „ spotprenten,

36 „ toepasselijke slnitilgiiren.

Degelijker en fraaier, interessanter en belangrijker werk over de Frcn-sche Omwenteling bestaat er niet en vooral deze uitgave van dit overheerlijke boek onderscheidt zich gunstig van elke andere, in welke taal ook verschenen.

Het is de ééuige geïllustreerde editie die bestaat.

De critiek over boek en uitgave laat zich aldus uit:

„THOMAS lt;'%RL¥LE is een schrijver, die op historisch gebied groo-ten naam heeft gemaakt. jDoor den gespierden stijl, door de eigenaardige wijze waarop het belangrijke onderwerp, de revolutie, behandeld wordt — als één groot drama — door de ontleding van personen en zaken, door den rijkdom van ziel- en zedekundige beschouwingen, oefent CARLÏLE's meesterwerk een groote aantrekkingskracht uit. Het is niet een boek, dat vluchtig moet worden doorlezen, het is een boek, welks inhoud stemt tot nadenken. Het was daarom een gelukkige gedachte, daarvan een vierden druk, voorzien van illustratiën, uit te geven, tevens aan een bevoegde hand op te dragen, aanteekeningen bij verschillende onderdeelen van den tekst te schrijven en door die verduidelijking van ettelijke, voor velen, duistere plaatsen het werk geschikt te maken om in ruimeren kring te worden gelezen. Door deze aanteekeningen en door de zeer fraaie illustiatiën,) welke den tekst sieren, heeft CARLYLE's werk veel meer aantrekkelijkheid verkregen.

Over de in dit werk zoo meesterlijk geschetste handelingen van Danton, Robespierre, Marat en zoovele anderen,

zullen wij hier niet uitweiden. Wij zullen niet goed-of afkeuren de daad van

Charlotte ('orday en van heu die haar met verbazing, woede of bewondering omstuwen,

noch een oordeel vellen over de regeering van

Lodewijk XVI en zijne geuialin Marie-Antoinette,

maar wel durven wij bev-eren, dat de denkende mensch onzer dagen die gebeurtenissen steeds voor oogen heeft wegens den ontzaglijken invloed op de thans loopende zaken, daar de geschiedenis, die ons op het oogenblik omgeeft, eene daaraan vastgesnoerde keten is. Het is op gezag van onzen historieschrijver HOFDIJK, dat wij van dit werk hier vermelden:

Wie het boek van CARLYLE ten einde heeft gelezen, heeft de Fransche Omwenteling mee doorleefd.

ocr page 271

Vak 152

»^?^:*WVVVvVV:':'^quot;,-Vquot;:rVgt;'V-'-V- V V ■ V '• '» ■ ■'» V '• '• -'••■ '• v V- '• '♦'•■ • v '•quot; '••quot; '•'• '• '• •' '• '♦ »' v • w. '♦ •'♦quot;■• gt;. .%'*:-xV.-:-/»'.-.-.V;«i5-:

LOUISE MUHLBACH S

historische Jlsmans

Bewerkt door ]\T. Iv.,

Duitschland ia Woeling en Strijd

- i:

VORSTEN EN DICHTERS.

* *

NIJMEGEN—ARNHEM.

rEBRs. E. amp; M. CS HEN.

193

i

'i

ocr page 272
ocr page 273

duitschland in woeling en strijd.

torsten en dichters.

II.

ocr page 274
ocr page 275

^5

/ •

DUITSCHLAND IN WOELING EN STRIJD,

HISTORISCHE ROMAN

door

LOUISE MÜHLBACH. Bewerkt door M. K.

VORSTEN EN DICHTERS.

BIBLIOT-CA

TWEEDE DEEL. || COMV.WUCHEHS

ORn. FB' '•

derde veel verbeterde druk.

Nijmegen amp; Arnhem. Gedr. E. amp; M. COHEN.

ocr page 276
ocr page 277

DERDE BOEK.

DICHTERLIJKE HARTEN.

i.

SCHJLLER TE DRESDEN.

„Het is alles laster, onwaardige, schandelijk laster!quot; riep Schiller, met gloeiende wangen en bliksemende oogen in de kleine kamer op en neêr gaande.

De beide vrienden, de jonge consistoriaalraad Körner en de boekhandelaar Göschen, stonden bij elkander in de vensternis, en zagen met bedroefd gelaat en deelnemendeii blik naar den dichter, die met hijgende borst in de kamer heen en weer liep, en telkens als hij de beide vrienden naderde, hun een van toorn vlammenden blik uit zijn groote, blauwe oogen toewierp. Plotseling bleef hij voor hen slaan, en staarde hen aan.

„Waarom antwoordt ge niet?quot; vroeg hij met lulde, toornige stem: „Waarom laat ge u beiden door mij beschuldigen dat ge leugenaars zijt, en rechtvaardigt u niet eens?quot;

„Wijl wij aan uw rechtmatlgen toorn den tijd willen gunnen uit te woeden,quot; zeide Körner met zijn zachte, weeke stem: „Wij hebben u tot onze eigen smart een wonde moeten slaan, en 't ü; natuurlijk dat de wonde brandt, en u tot klagen drijft.quot;

„Kn wij rechtvaardigen ons niet tegen uwe verwijten, vriend,quot; voegde Göschen er bij; „wijl zij ons niet treffen, en het slechts de uitbarstingen van rechtmatigen toorn zijn. Geloof ons toch, vriend, wij hadden gewenscht u

ocr page 278

6

deze stonde te kunnen sparen, maar onze vriendschap voor u was sterker dan ons roedelijden.quot;

„Ja, ja, zoo gaat het,'' riep Schiller met een bitteren lach: ,,uit vriendschap zijl gij mcedoogenloos, uit vriendschap brengt ge mijn hart doodelijke wonden toe, en wat de wreedste vijand wellicht den moed niet zou hebben, mij toe te fluisteren, schreeuwt mij de onmeedoogende vriendschap liefdeloos in 't aangezicht: Schiller ge zijt bedrogen! Schiller, het meisje, dat ge bemint, is een lief-delooze kokette, die u niet bemint: die u slechts aan den leiband houdt om u geschenken af te persen, en te kunnen zeggen, dat een dichter haar aanbidt!quot; Maar ik wil zulke onwaardige insinuation niet gelooven! Ik wil myn liefde niet als hoon en spotternij beschouwd zien! Gij zult den onzaligen, erbarmelijken triomf niet hebben, mij los te scheuren van dit meisje, 't welk ik bemin. Ja, thans zult ge 't weten, en thans wil ik het u en de geheele wereld openbaren; Ik bemin Marie; ik bemin de schoone, gevierde, bewonderde freule von Arnim. Haar behooren mijne gedachten, mijne wenschen, en mijn hoop. Zij is voor mij het ideaal der schoonheid der jeugd, der vrouwelijke beminnenswaardigheid. Ik juich deze nieuwe liefde toe, want ik weet dat zij mij verheffen zal boven het stof en de erbarmelijkheid der aarde, en mij verhoogen tot de eeuwige, onsterfelijke goden!quot;

„Arme vriend,quot; zuchtte Körner; ,,de godenleven evenals uwe liefde slechts in uw dichterlijke verbeelding. Wees verstandig, Schiller!quot;

„Verstandig!quot; riep hij, toornig met den voet stampende; „Dat heet, de dorre, kleurlooze alledaagschheid, in plaats van het met bloemen bekranste levensfeest. Neen, ik wil niet verstandig zijn, want verstandig zijn noemt gij: het heerlijkste schepsel der aarde voor een geroeene kokette te houden!

„Nu gaat ge te ver. Schiller,quot; zeide Gösschen levendig: „niemand heeft dat gezegd. Niemand heeft de dochter zoo zwaar beschuldigd; slechts van de moeder hebben wij gezegd, dat zij uwe liefde voor hare dochter misbruikt; dat zij nooit een ernstige verbintenis met hare dochter zal toestaan, en dat de schoone jonge dame dit zeer goed weet, en evenwel uwe hulde aanneemt, hoezeer zij reeds den

ocr page 279

7

man kent, dien hare moeder voor haar bestemd heeft, en wien zij zonder wederstand ten laatste ook huwen zal. Het was onze vriendenplicht u dit te zeggen, opdat ge niet nog langer in uwe edelste gevoelens bedrogen wordt, niet aan eene onwaardige uwe liefde, uw vertrouwen en ook uw geld verspilt.quot;

„Dat is het,quot; riep Schiller met een bitteren lach: „nu hebt ge het rechte woord gezegd. Mijn geld, of liever mm; geld wilt ge zeggen! Ge zijt ongerust wegens den ellen-digen mammon! Ge hebt mij voorschotten gedaan, en don Carlos is altoos nog niet gereed. Nu vreest ge, dat mijn liefde mij zou verstrooien en van mijn werk aftrekken, en hierdoor zouden u tweehonderd thaler renteloos zijn gemaakt, en —quot;

„Frederik Schiller,quot; viel Körner hem levendig in de rede, terwijl Göschen zich met bevende lippen en met tranen in de oogen afwendde: „Frederik Schiller, nu wordt ge onrechtvaardig, en dat mag de vriend ook in zijn diepste smart niet zijn! Het ellendige geld heeft niets met dit offer onzer vriendschap gemeens, en niet om zijnentwille hebben wij tot den harden liefdedienst besloten, den blinde ziende te maken. Ge weet wel, dat Göschen een edel, onbaatzuchtig vriend is, wiequot;h het een trots en vreugde is, den edelen dichter van don Carlos uit den nood te helpen, maar wien het ook smart, als hij zien moet, hoe de goede, argelooze mensch verspilt, wat de dichter verworven heeft.quot;

„(tls waar, o het is waar,quot; riep Schiller smartelijk: „ik ben onrechtvaardig. Ik doe u verwijten, in plaats van ze mij zeiven, en mij alléén te doen! O, mijn vrienden, vergeeft mij ter wille der smarten die ik lijd! Ge zijt beiden zoo gelukkig; gij hebt alles wat het leven schoon en bekoorlijk kan maken. Ge zijt welgesteld, kent niet de zorgen voor het levensonderhoud, kent ook niet de nog groo-tere en smartelijker foltering, u alléén, zonder liefde, zonder een wezen, dat geheel alleen behoort, door de wereld te slaan. Gij hebt ieder een geliefde vrouw, die met hart en ziel haar geliefden man toebehoort; gij hebt beiden een onbekrompen huiselijk leven, dat u vergunt jegens vrienden gastvrij te zijn, en eiken mensch van bijzondere talenten, welkom bij u te heelen. Maar ziet wy nu

ocr page 280

8

aan, mij den eenzame, den balling, den armen bedelaar, die niets op aarde het zijne noemt, dan het weinigje geest en gloed, dat in zijn hoofd en hart brandt; die zijn toevlucht tot de idealen moet nemen, om door de ruwe werkelijkheid niet al Ie hard aangetast te worden. Mijn God, waarom moet ik alleen van de rijkbezetle tatel des levens hongerig opstaan, waarom moeten voor de sterren slechts ellendige nachtlichten bij mijn arbeid zijn, en de zon slechts een oeconomische warmtebrenger, die ik voor niets anders te danken heb, dan dat zij mij den duren winterbrand voor de kachel bespaart? Gun mij toch mijn deel van het gastmaal, 'twelk de goden voor alle stervelingen bereid hebben; laat ook mij genieten van de goude vruchten van Hesperiën. O, vrienden, hebt toch medelijden met den armen zwerver, die met bestoven voeten en gewonde borst door het leven is gegaan, en nu bij de groene oase zou willen nederzinken en rusten, en he-melsche verkwikking genieten!quot;

Hij zonk buiten adem, hijgend op een stoel, en sloeg zijn beide bevende handen voor zijn van smart vertrokken gelaat.

De beide vrienden stonden met droevige aangezichten naast hem, en geen hunner had den moed, deze vlaag van smart door een bemoedigend of troostend woord te storen.

Er ontstond een pauze, waarin niets de slilte verbrak, dan het luide zuchten van Schiller en de enkele, onverstaanbare woorden, welke hij zacht voor zich prevelde. Maar plotseling sprong hij op, en toen hij de handen van zijn gelaat liet nederglijden, was zijn voorkomen geheel veranderd. Zijn aangezicht gloeide niet meer van inwen-digen toorn, maar fier en tartend was zijn houding, en toen hij nu met een wilde beweging het lange, gele haar, dat zijn voorhoofd beschaduwde, ter zijde schudde, geleek hij een leeuw, die zijne manen schudt, en gereed is den strijd met den naderenden vijand te beginnen.

„'tls nu genoeg gelamenteerd en als een vrouw gejammerd,quot; zeide hij: „Ik wil een man zijn, die den moed heeft, het bitterste te hooren en de grootste smart te trot-seeren. Herhaalt mij nu alles wat gij gezegd hebt. Ik zal u niet weder met klachten of verwijten in de rede vallen. Ik weet immers, dat ge het goed met mij meent, en dat

ocr page 281

9

ge slechts als weldadige artsen het mes en het vuur wilt aanwenden, opdat de wonde mijns haiten niet in een doodelijk verderf overga. Spreekt nu, mijn vrienden ! Herhaalt mij alles!quot;

Hij ging haastig door de kleine kamer naar het venster, plaatste er zich voor, met den rug naar de kamer gekeerd, en trommelde ongeduldig met de koude vingers tegen de glasruiten.

„Wat zullen wij u herhalen, Frederik, daar toch reeds alles in uw hoofd en hart brandt,quot; zeide Körner zacht: „waartoe nog eens den dolk in de wonde omdraaien en u zeggen, dat uw edele on schoone liefde niet erkend, niet gewaardeerd wordt. O, de edelste en schoonste vorstin der aarde mocht zich een uitverkorene, een gezegende noemen, als Frederik Schiller, die dichter door Gods genade, de lieveling der goden haar bemint, en evenwel wordt zijn edele, schoone liefde door een koele, berekende vrouw misbruikt en tot geld gemunt voor ijdel klatergoud, waarmede men zich voor andere, voor rijkere minnaars tooit.quot;

„Bewijzen!quot; riep Schiller gebiedend, terwijl hij zóó heftig op de ruiten trommelde, dat zij rinkelden en trilden.

„Bewijzen zijn in zulke gevallen moeilijk door anderen te geven,quot; zei Körner zacht: „men kan hem, die met gesloten oogen gaat, niet bewijzen, dat bij aan den rand van een afgrond staat; men kan hem slechts waarschuwen,— hem slechts smeeken dat hij de oogen opene, om het gevaar te zien dat hem bedreigt. Wij hebben het nu voor onzen plicht gehouden, u te herhalen wat geheel Dresden weet, wat al uwe bekenden en vrienden zeggen: dat deze mevrouw von Arnim naar Dresden is gekomen, om hier voor haar schoone dochter een rij!lt;e, voorname partij te zoeken, en zij den dichter Frederik Schiller slechts de verkeering met hare dochter veroorlooft, opdat de hulde van den dichter anderen minnaars het schoone meisje nóg begeerenswaardiger moge doen schijnen.quot;

„En recht helsche speculatie!quot; zeide Schiller met een honenden lach: „Maar ge zijt mij nog altijd de bewijzen schuldig, en zoolang ge mij die niet geeft, zal 't mij wel veroorloofd zijn te twijfelen. De praatjes der goede stad Dresden hebben voor mij volstrekt geen gewicht; de boosaardige vermoedens en aanmerkingen van oppervlakkige

ocr page 282

10

kennissen zijn mij óók geheel onverschillig. Maar wie zijn de vrienden, die ook aan dit sprookje gelooven, en die u verplicht hebben het mij te vertellen ? Noem mij ten minste één hunner.quot;

„Ik wil u althans een vriendin noemen,quot; zei Göschen treurig; „en deze is de zuster mijner vrouw.quot;

Schiller keerde zich haastig om, en zijn gelaat had nu een uitdrukking van schrik. „Sophie Albrecht?quot; vroeg hij. „Zij, de edele, fijn gevoelende kunstenares? Zij,—in wier huis ik Marie het eerst gezien heb, — zou zij zulk een onwaardige verdenking hebben kunnen uitsprekten?quot;

„Zij is het, die 't mij ten plicht heeft gesteld u te waar-schuwen/'antwoordde Göschen zuchtend: „juist wijl gein haar huis mevrouw von Arnim en haar schoone dochter het eerst ontmoet hebt, juist daarom acht zij het haar plicht u te waarschuwen, en u den afgrond te toonen,aan welks rand gij staat. Zij heeft terstond bij de eerste ontmoeting met schrik gezien, welk een diepen indruk de zeldzame schoonheid van freule von Arnim op u maakte, en hoe ge later blindelings in het net liept, 't welk de oude spin, de speculeerende moeder, voor u gespannen had. Deze mevrouw von Arnim is zonder vermogen. De weduwe van een Saksischen officier, die haar niets dan zijn naam en zijn schulden heeft nagelaten. Zij leeft van een klein pensioen dat de Koning haar geeft, en heeft buitendien van een rijken verwant een paar duizend thaler bijeeii0ebraclit, waarmede zij hier naar Dresden is gekomen, om hare speculaties te beginnen, dat heet: hier voor eenigen lijd een soort van Imis le houden, gezelschappen en bovenal rijke jongelieden bij zich te zien, waaronder dan wel een iljke huwelijkscandidaat voor hare dochter zal te vangen zijn. Dit ten minste is yeen laster; want mevrouw von Arnim heeft de groote naïviteit gehad, dit mijn schoonzuster Sophie Albrecht zelve te bekennen; terwijl zij lachend op de kluchtige omstandigheid opmerkzaam maakte, dat de eerste huwelijkscandidaat die zich opdeed, een arme dichter was, die haar dochter noch rang, noch titel, noch vermogen had aan te bieden. Toen de kunstenares haar herinnerde, dat Frederik Schiller haar dochter echter den hoogsten rang en titel, -- dien van een dichter, aanbracht, dal zijn onsterfelijke roem de

ocr page 283

11

diamantenkroon was, waarmede hij zijn bruid sierde, zei-de de sluwe mevrouw von Arnirn schouderophalend, dat een kroon van wezenlijke diamanten haar welkomer zoude zijn, en een gravenkroon in hare oogen veel meer waarde had, dan de schitterendste dichterkroon. Zij had echter ook nu reeds het vooruitzicht, zulk een voor hax^e dochter te verkrijgen, en de bewondering welke de dichter haar schoone dochter betoonde, had haar reeds tot een beroemdheid gemaakt.quot;

„Gij spreekt slechts van de moeder; altijd slechts van de moeder,quot; antwoordde Schiller: .,ik ken echter deze triviale vrouw; ik weet dat haar hart niet is dan een open geldzak, waarin slechts het metaal klank en glans heeft. Ik ken deze vrouw, die elk oogenblik bereid zou zijn, Marie voor geld en rang te verkoopen, al wist zij ook, dat het geluk van haar kind de koopprijs zou zijn. Maar wat bekommert mij de moeder. Spreek mij van de dochter. Zij is het, die ik bemin; zij is het van wie ik mijn toekomst, mijn geluk verwacht.quot;

,,Arme vriend,quot; zuchtte Korner, terwijl hij Schiller naderde, en zacht de hand op zijn schouder legde. Schiller ontroerde bij deze aanraking en deze deelnemende woorden.

„Beklaagt mij niet, maar beschuldigt!quot; riep hij toornig; „Spreekt; wat hebt ge tegen Marie von Atnim te zeggen? O, o, ik hoor het reeds! Gij wilt zeggen, dat zij hare moeder gelijk is; dat zij aangestoken is door de erbarmelijke wereldwijsheid der oude intrigante, dat ik voor haar óók niets anders ben, dan een middel, waarmede zij zich voor een anderen minnaar tooit.quot;

„Ge hebt het gezegd, Frederik Schiller, en 't is zoo,quot; antwoordde Körner zacht: ,,ja, de jammerlijke wereldwijsheid der'intrigante moeder heeft op het edeler wezen haren dochter gezegevierd ;en otscboon misschien haar hart er ook onder lijdt, zij volgt tóch de treurige lessen harer moeder, en maakt van uwe liefde een speculatie,quot;

„Dat is niet waar, dat is laster!quot; zeide Frederik Schiller, terwijl hij met groote stappen heen en weder liep: „Neen, neen, ik geloot u niet. Zeg van de moeder wat ge wilt, maar bezoedel het onschuldig gemoed der dochter niet met zulke lasteringen zonder bewijzen!quot;

ocr page 284

42

„Welke bewijzen eischt ge?quot; vroeg Göschen schouderophalend; „Ik heb u verhaald, wat mevrouw von Arnim aan Sophie Albrecht gezegd heeft, dat namelijk reeds een rijke vrijer voor haar dochter gevonden was.quot;

„In de oogen der moeder. Maar wie zegt u, dat de dochter hem aanneemt, en Marie tot deze schandelijke intrige toetreedtquot;?quot;

„Of zij dit doet,'' zeide Körner langzaam; „daaromtrent kunt gij zelf u het best zekerheid verschatfen.quot;

„Hoe kan ik dat?quot; vroeg Schiller, inwendig huiverend.

„Heeft freule Marie u niet veroorloofd haar des avonds te bezoeken?quot;

„Ja, dat heeft zij gedaan.quot;

„Slechts als ge aan het venster van haar kleine slaapkamer een licht ziet staan, slechts dan moogt ge, volgens dit afgesproken teeken, niet komen. Is 'tniet zoo?quot;

„Ja, het is zoo, en ge kunt het wel weten, want ik heb het u zelf gezegd. Als Marie het licht aan dat venster plaatst, is dat een teekon, dat mij verzoekt niet te komen, wijl dan slechts de intieme familiekring bijeen is, waartoe ik zeker tot nu toe niet behoor.quot;

„Ge kunt u misschien overtuigen, of freule Marie u hiermede de stipte waarheid heeft gezegd. Ge zijt toch voornemens haar heden te bezoeken?quot;

„Ja, ik wil haar bezoeken,quot; riep Schiller vroolijk; „ik wil voor haar nederknielen en haar in den geest vergilfe-nis vragen voor het groote onrecht, 'tweik men gewaagd heeft haar edel wezen aan te doen.quot;

„Ik geloof niet dat zij u heden ontvangen zal,quot; zeide Körner zacht: „het zoogenaamde familiegezelschap zal wel weder vereenigd zijn, en ge zult waarschijnlijk een licht aan het bewuste venster zien!quot;

„Waarom gelooft ge dat?quot;

„Wel, wijl ik toevallig verscheidene jonge officieren heb gesproken, die voor heden avond bij mevrouw von Arnim genoodigd zijn. Zij vroegen mij, of gij er heden avond eindelijk ook niet zoudt komen, en bejammerden het, dat zooals mevrouw von Arnim gezegd had, uw schuwheid en menschenhaat het n onmogelijk maakten, in vreemde ge zeischappen te verschijnen. Ik ontkende dit natuurlijk, en verzekerde hen, dat mevrouw von Arnim slechts met

ocr page 285

13

hen geschertst had; maar zij zeiden, ook freule von Arnira had hun vaak gezegd, dat Frederik Schiller zeer men-schenschuw was, en alle groote gezelschappen vermeed. Zoo dit niet het geval was, zeiden de jonge heeren, zou toch de heer Schiller heden avond op het thé dansant bij mevrouw von Arnim verschijnen, of het moest zijn, dat de tegenwoordigheid van den graaf von Kunheim, zeer onaangename gevoelens bij hem opwekte.quot;

Schiller ontstelde eenigszins en zijn hoog voorhoofd werd bewolkt. „Wie is graaf Kunheim?quot;

„Dat vroeg ik óók, en de jonge officieren antwoordden mij lachend dat graaf Kunheim een rijk grondbezitter uit Pruisen was, die op zijn doorreis naar de badplaats Teplitz, voornemens was eenige dagen te Dresden te vertoeven, waar hij in een gezelschap kennis met freule von Arnim had gemaakt, en zóódanig door hare schoonheid en bevalligheid geboeid was geworden, dat hij nu reeds zes weken te Dresden geweest, — en een dagelijks bezoeker ten huize van mevrouw von Arnim was.quot;

„En zij heeft mij nooit van hem gesproken,quot; prevelde Schiller met bevende lippen, en het voorhoofd vochtig van het angstzweet, dat er met groote droppels opstond.

„Neen, zij heeft u er niets van verteld,quot; herhaalde Kör-ner: „En heden avond zal graaf Kunheim weder bij haar zijn, terwijl men voor u een licht in het venster zet, om u te verkondigen, dat de voor u ondoordringbare familiekring om de schoone, jonge dame en hare moeder ver-eenigd is.quot;

„Als dat zoo was, o mijn God, als dat zoo was!quot; riep Schiller met verwarden blik, met hijgende borst: „Zoo dit fraaie, engelachtige wezen werkelijk den wreeden moed had, mijn arm, argeloos hart —quot;

Hij had den moed niet het bittere woord, dat zijn ziel deed huiveren, uit te spreken, maar sloeg met een zwaren zucht zijn handen voor zijn aangezicht en stond lang, door droefheid en smart overstelpt, onbeweeglijk. Zijn beide vrienden lieten hem aan zich zeiven over, want zij kenden dit licht beweegbare, en toch zoo sterk dichterlijk hart; zij wisten dat Frederik Schiller, als hij geweend en gejammerd had als een kind, toch later altoos weder de sterke, moedige man was, die gelijk Perseus het Medusahoofd, elke

ocr page 286

u

smart moedig tegenging, en elk oogenblik bereid was den strijd met alle kwaad en boosheid aan te nemen. Ook nu was er slechts een korte tijd noodig, tot de moedige mannenborst zich weder sterk genoeg gevoelde, om den last der smarten te dragen. Schiller liet de handen van zijn gelaat nederglijden, wierp het hoofd trotsch in den nek, en schudde met een wrevele beweging zijn blonde lokken.

„Ge hebt gelijk, ik moet mij zekerheid verschaffen,quot; zeide hij ; „ik wil zien, of het licht heden werkelijk in het venster staat.quot;

„Hij zag op het groote zilveren horloge, — een geschenk zijns vaders, dat bij zijn ouderwetschen vorm, en met het eenvoudig haarsnoer in' plaats van den gouden ketting, inderdaad weinig voor den minnaar van freule von Arnim paste. — „Het is acht uur,quot; zeide hij: „dat heet, het uur óf van mijn geluk, óf van mijn terechtstelling is gekomen. Gaat, mijn vrienden, gaat. Ik wil mij kleeden, en dan —quot;

„Maar wilt ,'ge ons niet veroorloven u tot het huis te verzeilen,quot; verzocht Körner: „wilt ge uw vrienden niet vergunnen u ter zijde te blijven, en u te troosten, als de treurige zekerheid over u komt? Of uw triomf te zien, wanneer, — gelijk ik van ganscher hai'te wensch, — men ons valsch bericht heeft?quot;

Schiller schudde het hoofd. „Neen,quot; zeide hij plechtig: „er zijn groote oogenblikken, waarin de mensch de demons slechts bedwingen kan, als hij geheel alleen met zijn eigen zielskracht den strijd met hen aanneemt. Voor mij is thans zulk een oogenblik gekomen; laat mij het alléén tegentre-den. Gaat, mijn vrienden!quot;

II.

VERGULDE ARMOEDE.

In de groote gezelschapszaal van Mevrouw von Arnim was de lichtkroon reeds ontstoken, en in de open zijkamer was de voor dezen avond gehuurde bediende bezig

ocr page 287

15

de kaarsen op de armblakers te ontsteken, terwijl een tweede bediende op een groot presenteerblad de kopjes in orde en gelid stelde, en met rinkelden ijver een lepeltje in ieder kopje wierp. Doch thans hield hij met deze bezigheid op, en wendde zich tot de bejaarde dame, die nevens hem stond, en een tamelijk grooten koek in de dunst mogelijke stukken trachtte te snijden.

„Mevrouw,quot; zei de huurbediende met onderdanige houding „er ontbreken nog tien theelepeltjes, wilt gij zoo goed zijn, mij die te geven.quot;

„Ha, 'tis waar,quot; knikte de dame: „ik heb u eerst het dozijn gegeven, dat ik in dagelijksch gebruik heb, en moet de andere uit de kast halen. Ge zult ze aanstonds hebben.quot;

„Mevrouw,quot; kwam nu de tweede huurbediende tot haar: „er zijn niet genoeg kaarsen. Op iederen luchter behooren zes kaarsen; ik heb in 't geheel nog maar zes stuks.quot;

„Dan zal er niets anders overblijven dan de kaarsen door te snijden, en ze hierdoor te verdubbelen,quot; antwoordde de dame, die juist bezig was de gesneden stukken te tellen om te zien of er niet reeds genoeg waren; „Drie-en-dertig,quot; prevelde zij, terwijl zij den vinger op het laatstgesne-den stuk drukte. „Mij dunkt, het zal welgenoeg zijn. Wij zijn met twintig personen, en er zullen zeker velen zijn, die slechts éénmaal koek nemen. Er blijft dan nog een goed stuk voor morgen over, en daarop kunnen wij dan nog Schiller op de koffie noodigen.quot;

Op dit oogenblik verscheen in een zijdeur een dienstmaagd met vuurrood gelaat, en in tamelijk slordige kleeding, het vuile voorschoot met een slip in de hoogte houdende.

„Mevrouw,quot; zeide zij: „ik ben bij den winkelier geweest om boter en suiker te halen, maar hij heeft mij niets willen geven.quot;

„Hij heeft u niets willen geven?quot; herhaalde mevrouw von Arnim: „Wat beteekent dat? Ik begrijp u niet!quot;

„Mevrouw,quot; voer de keukenmeid met nedergeslagen oogen en op halffluisterenden toon voort; „de winkelier zegt, dat hij geen waren meer geeft vóór zijn rekening, waarom hij reeds dikwerf gemaand heeft, betaald is.quot;

„Dat is een onbeschaamd mensch,quot; riep mevrouw von Arnim toornig; „een lompe kerel, bij wien ge niets meer halen moet, Lisette. Ik zal hem terstond morgen vroeg

ocr page 288

16

betalen als ik geld gewisseld heb, maar mijn klandisie onttrek ik hem voor altoos, en ik verbied u hierbij ten strengste, ooit iets bij dezen onbeschaamden mensch te koopen. Ga naar den nieuwen winkelier ginds op den hoek der Oude markt, breng hem mijn groete en zeg hem dat men mij zijn waar zóó heeft geprezen, dat ik van heden af 'tgeen ik noodig heb van hem wil nemen. Hij moet u een boekje geven, waarin al wat ik koop, opgeteekend wordt, omdat ik per maand wil betalen.quot;

„Mevrouw,quot; zei de keukenmeid: „als ik toch nog uitga, zou 'tdan niet goed zijn, dat ik bij den poelier in de Wils-drufferstraat aanliep, en nog een kalkoen kocht? Want, mevrouw, het is volstrekt onmogelijk dat wij met één kalkoen toekomen.quot;

„Maar Lisette,,' antwoordde de genadig vrouw wrevelig-„wat praat ge toch? Toen ik met u het souper besprak, hebt gezelve gezegd, dat wij voor gebraad, aan één kalkoen rijkelijk genoeg hadden.quot;

„Ja, mevrouw; gij zeidet toen dat er slechts twaalf personen genoodigd zouden worden, maar nu zijn er twintig.quot;

„Dat is hetzelfde, Lisette! Waaraan twaalf personen genoeg hebben, daar kunnen ook twintig personen van eten; en het is ook niet noodig, dat de menschen hun genoegen er aan eten. Ik was onlangs op een avondgezelschap, waar men soupeerde. Er was niets anders dan een gebraden kalkoen, en een taart daarna. Wij waren met ons twee-en-twintigen, en hoezeer ieder persoon eon groot stuk gebraad op zijn bord had, bleef, zooals ik duidelijk gezien heb, toch nog de helft van den kalkoen over. Ga dus en haal boter en suiker; maar één kalkoen is volkomen genoeg. Alles komt slechts op het trancheeren aan,quot; voer mevrouw voort, toen de keukenmeid zich verwijderd had: en ik druk u vooral op 't hart, Leonhard, het voorsnijmes goed te slijpen, om dunne en sierlijke stukken te snijden. Er is niets gemeener, dat groote dikke stukken gebraad te presenteeren, 't Heeft dan den schijn, alsof men zich niet in een voornaam gezelschap, maar in een restauratie bevindt, waar elk heen gaat, om zijn genoegen te eten!quot;

„Mevrouw weet wel, wat ik doen kan,quot; meesmuilde de oudere loonbediende met zijn dikke lippen; „mevrouw

ocr page 289

17

heeft hel reeds immers meermalen ondervonden. Zonder mij te beroemen, maar ik weet het onmogelijke mogelijk te maken. Ik heh, bij voorbeeld, gisteren bij de gravin weduwe von Versen bediend; een gezelschap van vierentwintig personen, en als gebraad één enkele haas, maar ik had hem gesnede*n in stukken, ja, stukken dat het een lust was. De rug aan de binnenzijde bij eiken wervel doorgeslagen. Achttien wervels gaven achttien fatsoenlijke stukken, de bouten, ieder in tien stukken verdeeld, dus in 't geheel acht-en-dertig stukken. Er bleef nog zóóveel over dat mevrouw de gravin later meende, er heden nog wel een klein gezelschap op te kimnen noodigen, en mij uit dankbaarheid twee groschen meer betaalde.quot;

„Snijdt zóó, dat ik den halven kalkoen overhoud,''zeide de barones met waardigheid ; „en ik beloof u óók twee groschen boven het gewone loon.quot;

De knecht boog, en wendde zich vervolgens naar de tafel, die tot een bulïet was, geïmproviseerd, en waaraan de jongere bediende bezig was, de servetten in sierlijke figuren op te stellen. „Hier zijn drie flesschen witte wijn, mevrouw,quot; zei Leonhard nadenkend: „Ik vrees zeer, dat, zoo ik de glazen ook slechts halfvol schenk, ik er toch niet tweemaal meê zal rondkomen.quot;

„Ik heb van deze soort, helaas, geen voorraad meer,quot; zei de barones met deftigheid; „en 'tzal dus beter zijn een lichtere soort te nernen, waarvan ik nog verscheidene in mijn provisiekamer heb. Ik zal dus deze drie flesschen weder medenemen en u anderen wijn brengen.quot;

Zij nam met een snellen greep de drie flesschen, en verdween er mede door de zijdeur.

„Weet ge wat de barones thans doet?quot; grijnsde de ervaren loonbediende Leonhard, terwijl hij op zijn lichte dansschoenen door de kamer sloop, en eenige stoelen rangschikte.

„Zij haalt anderen wijn,quot; antwoordde de jongere, die juist met den grootsten ijver bezig was van de punten eener samen gevouwen servet een zwanenhals te vormen.

„Zij haalt anderen wijn,quot; herhaalde Leonhard spottend: „dat heet: zij gaat naar de provisiekamer, neemt een kruik water, een trechter en een ledige flesch mede, sluit de

Mühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. IV. 2

ocr page 290

18

deur achter zich, en als zij die later weder opent, komt zij in plaats van met drie, — met vier volle flesschen eruit stappen, en slechts de waterkruik is ledig.quot;

De jongere keek verschrikt op, en merkte niet eens dat zijn zwanenhals weder tot een gewoon servet samenviel, „Ge wilt toch niet zeggen, mijnheer Leonhard, dat de barones den wijn met water verdunt?''

„Jongmensch, men noemt dat niet verdunnen, maar eenvoudig „doopen,quot; en het is eigenlijk zeer gepast, dat in een Christelijk gezelschap, waar alle menschen gedoopt zijn, ook de wijn zijn doop ontvangen heeft. Onthoud dit, mijn opvolger.quot;

„Uw opvolger?quot; Waarom uw opvolger?quot; vroeg de jongere levendig, terwijl hij een broodje onder de meloen schoof, welke hij juist van een servet gevouwen had;

„Wilt ge rentenier worden, en mij uw klanten overdoen,, mijnheer Leonhard?quot;

„Zulk een klant als deze hier, zeer gaarne,quot; bromde de andere: „dat wil zeggen, als ik eerst mijn geld heb bekomen, en de barones mij tot den laatsten penning betaald heeft!quot;

„Zij is u dus schuldig gebleven?quot; vroeg de jongere

verbluft. _ • t

„Schuldig gebleven, sinds ik haar bedien, nep Leonhard met nadruk; „schuldig gebleven voor vier dinés en acht soirees. Zij heeft telkens beloofd te betalen en nooit woord gehouden, en ik zou zekerlijk reeds lang niet zijn wedergekomen, zoo ik niet wist, dat dan mijn geld geheel en al verloren is. Zoo krijg ik toch telkens een paar gros-chen in mindering. Heden,quot; voer hij spottend voort: „heeft zij mij immers nog twee groschen extra beloofd. Ja, beloofd wel, maar woord houden! Woord houden 1 En ik zie wel, waar het heen wil. De barones wil mij kwijt zijn, en dus zal ik langzamerhand ter zijde worden geschoven, en wel door u. Heden zullen wij te zamen bedienen, en den volgenden keer, als zij weder een gezelschap van vrijers bijeenscharrelt, zult gij alléén gehaald worden om te bedienen, en daarom noem ik u mijn opvolger. Ik hoop, dat ge aan mijn voorbeeld een les zult nemen; want het is schrikkelijk om te zeggen, maar toch waar: ik sta hier voor u als een levend voorbeeld, hoe de barones

ocr page 291

49

een nobelen loonbediende zijn welverdiend loon afzet. Maar geduld, geduld; ik zal dit slagveld mijner daden niet verlaten, zonder mij ten minste gewroken te hebben. Zoo de barones, — waarom ik haar straks zal verzoeken, — mij heden niet betaald, zal ik een dubbele, een vreeselijke wraak nemen. Ik zal, nog vóór het gezelschap bijeen is, zoo lomp zijn met de vier flesschen gedoopten wijn te vallen en ze te breken. Vóór het gezelschap bijeen is, want als ik het later deed, zouden de gasten het gerinkel hoo-ren en dus welen, dat er wijn voorhanden was geweest; als ik het echter vooraf doe, gelooft niemand dat ik de tlesschen gebroken heb.quot;

„Dat is aardig, heel aardig,quot; griinsde de jongen-.„ik zal het onthouden, en u navolgen.quot;

„Ik heb 't u immers reeds gezegd, ik ben een levend voorbeeld, mijn opvolger,quot; sprak Leonhard deftig; „Ge kunt van mij leeren, hoe men lijdt e* hoe men zich wreekt.quot; \

„Gij spraakt van een dubbele wraak, meen ik. Waarin zal de tweede wraak bestaan?quot;

„De tweede wraak zal hierin bestaan, dat ik in weerwil van de beloofde — let wel op de woorden van uw ongelukkig levend voorbeeld, — in weerwil van de beloofde twee groschen, de ongelukkige kalkoen, — die, zoo ik aan haar lange sporen gezien heb, ten minste als bejaarde grootmoeder aan hare familie ontrukt is, — mei in kleine doorschijnende stukjes snijd, niet de helft ervan overlaat, maar de -geheele kalkoen ontleed, en wél in zulke groote, dikke stukken, dat ik niet éénmaal rond kan dienen, en als ik bij de barones aankom, zich nog slechts de hals en de pooten op den schotel zullen bevinden. Onthoud dat voor de toekomstige tijden, mijn opvolger! Thans wil ik tot de barones gaan, als parlementair vóór den veldslag. Zoo zij mijn rechtmatige vredesvoorwaarden afwijst, zult ge dat aan de rinkelende gevolgen hooren, en dan weten, hoe een loonbediende van eer zich wreekt. Ik ga nu, mijn opvolger, en herhaal u voor het laatst; ik ben voor u een levend voorbeeld!quot;

En met een deftig knikken van zijn fraai gekapt en gepoederd hoofd, sloop de loonbediende op zijn dansschoenen door de kamer, en verdween door de zijdeur, die in

ocr page 292

20

eeu klein vertrek voerde, dat op de keuken uitkwam. De barones was noch in dit vertrek, noch in de keuken, maar bevond zich, gelijk Leonhard volkomen juist voorspeld had, in de provisiekamer, waarvan zij de deur achter zich gesloten had. Het levend voorbeeld lachte triomfantelijk, en kromde zijn langen knokigen wijsvinger tot een klopper, dien hij bescheiden tegen de gesloten deur richtte.

„Wat is er?quot; vroeg de stem der barones binnen: „Wie klopt?quot;

„Ik ben het, Mevrouw, en ik wilde u onderdanigst om de vier flesschen wijn verzoeken.quot;

„Dadelijk,quot; riep de stem, en Leonhard, die zijn oor aan het sleutelgat legde, hoorde nog slechts een plassend ge-ruisch, als wanneer men water door een trechter giet. Vervolgens werd alles stil, en het levend voorbeeld sprong ijlings van de deur terug.

Deze werd nu geopend, en mevrouw von Arnim keek er uit. „Kom, neem den wijn; daar staat hij.quot;

Leonhard danste de twee treden op, trad de provisiekamer binnen en nam van de tafel, waarop de tlesschen stonden, twee in elke hand.

„Thans, Mevrouw,quot; zeide hij, terwijl hij een diepe buiging maakte, en de armen met de flesschen langzaam heen en weder bewoog, als een goochelaar, die zich, vóór hij zijn kunsten begint, eerst in behoorlijk postuur stelt: „thans, barones, verzoek ik u zoo goed te zijn, mij eenige oogen-blikken gehoor te verleenen.quot;

De barones knikte trotsch. „Spreek Leonhard, maar maak het kort, want het gezelschap zal spoeuig komen.quot; De jongere loonbediende was nog altoos met het in or de brengen van het buffet bezig, en terwijl hij de couverts plaatste en de messen en vorken regelde, dacht hij er diepzinnig over na, hoe gevaarlijk toch de levensbaan is van een zoo zeer aan de luimen des toevals blootgestelden loonbediende, en overwoog in zijn gemoed de bittere, smartelijke lessen, welke het levende voorbeeld hem gegeven had. Plotseling werd de stilte om hem heen door een luid kletterend gerucht, een plassen en rinkelen gestoord. De jongere schrikte geweldig, en wendde het hootd luisterend naar de zijdeur. Zeer duidelijk hoorde men van daar de heftige, uitvarende stem der barones en de onder-

ocr page 293

danige, zich verontschuldigende van het levende voorbeeld.

„Ha,quot; prevelde de jongere nu met verheugd grijnzen: .,hij heeft zijn eerste wraak genomen, hij heeft de vier llesschen wijn gebroken. Bijgevolg heeft de barones hem niet betaald en zal mij waarschijnlijk óók niet betalen! Dat is zeer treurig, want ik heb mij opzettelijk voor heden avond een paar witte katoenen handschoenen gekocht.quot;

Neen, de barones had niet betaaakl, had Leonhard weder, als altijd, op den volgenden dag verwezen, en hij had dus zijn wraak genomen. Met onuitsprekelijke tevredenheid raapte hij nu van den vloer der keuken de glasscherven op, en liet het onweer van scheldwoorden, dat de barones, op den drempel der provisiekamer staande, over hem nederdonderde, zwijgend uitwoeden.

„Hoe zal ik het nu maken, Avat zal ik nu beginnen?quot; vroeg zij ten laatste. „Ik kan toch onmogelijk een souper zonder wijn geven!quot;

Leonhard was juist met het wegruimen der glasscherven gereed, en richtte zich nu op.

„Mevrouw,quot; zeide hij eerbiedig: „het spijt mij zeer van het ongeluk dat gebeurd is, en ik verzoek onderdanig het bedrag der vier flesschen wijn te willen aftrekken, als gij mij later mijn loon voor de vier diné's en acht soirees, behalve die van heden, betalen zult!quot;

„Natuurlijk zal ik dat doen,'' riep de dame: „maar dit helpt mij niet voor heden avond!quot;

„Ik veroorloof mij een voorstel te doen,'' lispte het levende voorbeeld met onderdanige houding: „Uwe Genade nam straks de drie tlesschen zwaren wijn mede, en gaf mij vier tlesschen lichteren wijn er voor in de plaats. Konden wij nu niet, — daar ik het ongeluk heb gehad deze vier flesschen te breken. — weder tot de vorige drie tlesschen zwaren wijn terugkeeren? Daar ik in de zijkamer den wijn inschenk, kon ik hem een weinig doopen, en in ieder glas eerst een weinig water gieten. Dunkt Uwe Genade niet dat dit gaan zou'?quot;

De Genadige antwoordde slechts met een vernietigenden blik, dien het levend voorbeeld bedaard glimlachend opnam, en eerbiedig ter zijde trad, toen do Genadige hem met vorstelijke houding voorbijruischte en zich verwijderde.

ocr page 294

22

111.

MARIE VON ARNIM.

Met gloeiende wangen en bliksemende oogen ging de Genadige verder, niet naur het salon, maar opende een andere zich in 't vertrek bevindende deur, en trad de daarachter gelegen kamer binnen.

Het was een eenvoudige slaapkamer zonder eenige versiering, met twee bedden zonder gordijnen, met een eenvoudige toilettafel naast het eenige venster, dat in een enge zijstraat uitzag, en slechts weinig licht in de lage smalle ruimte binnenliet. Voor de toilettafel, waarop een enkel licht biandde, zat een jong meisje van verrassende schoonheid. Het lieve, kleine ovale hoofd eener Venus, de groote, slanke, edel gevormde en kuische gestalte eener Juno. Het donkerbruine, glanzende haar was naar de toen malige mode a la Titus, in honderde lokjes gekruld, door welke een gouden band liep, die voor op het hoofd in een slangenkop samenliep. De groote, blauwe oogen, die zoo wonderbaar uitkwamen bij het donkere haar, had zij op den spiegel gericht, en om de schoone, purperen lippen bewoog zich een stille, treurige glimlach, als zij in den spiegel haar eigen gestalte aanschouwde: het schoone, blozende aangezicht, de volle blanke schouders en armen, de dunne, sierlijke taille, die door het eng-sluitend, blauw zijden kleed nóg voordeeliger uitkwam Zij droeg geen ander sieraad dan den gouden band in het haar; haar eenigste sieraad was haar jeugd, haar schoonheid en bevalligheid, en de tranen die aan hare wimpers hingen, waren kostbaarder juweelen, dan men ooit in de diepte der aarde had gevonden, — want deze kwamen onge-zocht uit /le^diepte van haar hart.

Zij quot; had noch het openen der deur, noch het binnenkomen der barones gehoord, zoozeer was zij verdiept in haar smartelijk zoete droomen, en eerst toen hare moeder dicht bij haar stond, werd zij door hare nabijheid uit haar mijmeren gewekt.

„Wat is er, waarde mama?quot; vroeg zij haastig: „Zijner reeds gasten? Moet ik komen?quot;

Zij wilde bij deze vraag haastig opstaan, maar hare moe-

ocr page 295

23

der drukte haar gebiedend weder op den stoel neder.

„Blijf, Marie, er is nog niemand; Lisette zal ons berichten als er iemand komt. Ik heb nog een paar woorden met u te spreken.quot;

Het meisje zuchtte smartelijk, vouwde haar handen in den schoot, en liet haar hoofd met stille onderwerping op do borst zinken. — „Ik vermoed waarvan ge spreken wilt, moeder,quot; fluisterde zij.

„Ik geloof wel dat ge 't vermoed, en het is ook waarachtig niet moeielijk,quot; zeide de barones, terwijl zij haar zware gestalte op den stoel nevens het toilet liet neder-vallen : „ik wil met u over onze toekomst, over uwe plichten spreken. Het gaat niet langer zoo! Ik kan dit leven niet langer verdragen; ik wil niet langer aan de vernederingen blootgesteld zijn, welke mij schoenmaker en kleermaker, winkeliers en loonbedienden, en al die ellendige sujetten veroorzaken, die een paar groschen van mij te vorderen hebben. Een vormelijk spitsroeden-loopen heb ik lieden den geheelen dag weder moeten dulden, en ik zou luid kunnen jammeren en schreien, zoozeer heb ik mij geërgerd en gekrenkt gevoeld.quot;

„Arme moeder!quot; zuchtte Marie: „Ach, waarom zijn wij niet in het kleine, rustige Pillnitz gebleven, waar het ons zoo goed ging; waar wij met onze bescheiden middelen toekwamen, en onze armoede niet behoefden te tooien en te vergulden!quot;

„Moet ik het u voor de honderdste maal zeggen, waarom wij dit gedaan hebben?quot; krijschte hare moeder. „Ik ben met u uit Pillnitz naar Dresden vertrokken, wijl er te Pillnitz slechts gepensionneerde ambtenaars, invalide officieren, eenige grijze gerechtsbeambten, maar geen jonge heeren, — en het allerminst trouwlustige, vermogende heeren voor u waren.quot;

„Voor mij, mama? Heb ^ik er dan ooit «aar verlangd gehuwd te zijn?quot;

„Gij misschien niet; want ge zijt een eenvoudige, dwaze dweepster, — maar ik heb er naar verlangd, want ik zie de noodzakelijkheid in, dat ge een gepast en rijk huwelijk moet doen.quot;

„Zoo gij deze noodzakelijkheid inziet, moeder,quot; riep Marie met losbarstende smart: „was het zeer wreed van u,

ocr page 296

24

ook nog andere mannen dan zulke welgestelde, huwbare mannen in ons huis toe te laten. Zoo wij ons hier werkelijk slechts in een huwelijksbureau bevinden, hadden wij alleen dezulken mogen vergunnen zich in te schrijven, die de noodige vereischten er toe bezitten.quot;

„Ge wordt, merk ik, zeer scherp en sarcastisch,quot; zei de genadigste schouderophalend; „ge hebt iets geprofiteerd van uwen omgang met Schiller,quot;

Marie ontroerde smartelijk bij dezen naam, en een diepe zucht wrong zich van hare lippen. — „Gij hadt in dit uur den naam van dezen edelen man niet moeten noemen ; heden niet, nu ik hem weder bedriegen, — weder misleiden moet.quot;

De barones haalde de schouders op. — „Laat die teergevoeligheid, Marie. Monsieur Schiller is een zeer goed en hupsch mensch, hij moge nog bovendien een groot dichter zijn, — maar een épouseur is hij niet. Hii kan nauwelijks zooveel verdienen, om er zelf schraal van televen, en zich kaal en knap te kleeden. Hoe zag hij er gisteren weder uit, toen hij ons bezocht! Ge zult toestemmen,dat het onmogelijk is hem in die versleten, slordige kleeding in een gezelschap te brengen, waarin zich slechts rijke cavaliers en élégante officieren bevinden.quot;

„Hij zag er niets anders uit, moeder, dan toen wij hem het eerst bij mevrouw Albrecht ontmoetten, en tóch noo-digdet gij hem toen, ons een bezoek te brengen. Ja, moeder; gij zijt het, die hem in ons huis gebracht, — en de verkeering met Schiller aangemoedigd hebt.-'

„Het berouwt mij ook niet dit gedaan te hebben,quot; zei mevrouw von Arnim bedaard; „de heer Schiller is een aanzienlijk en beroemd man, en men tooit zich met zijn verkeering als met een medaille. Men bewijst hierdoor aan de wereld, dat men zelf verstandig en geestig is; want anders zou zulk een verstandig en geestig man ons immers zijn omgang niet waardig achten. Geloof mij, deze verkeoi'ing met Schiller is ons hier voor onze maatschappelijke positie van zeer veel nut geweest; zij heeft de algemeene aandacht op ons gevestigd, en uwe schoonheid en jeugd in het ware licht gesteld. De voornaamste en rijkste cavaliers houden het nu voor een groote eer, in ons huis te komen, en sedert zij weten dat Frederik

ocr page 297

25

Schiller uw aanbidder is, zou ieder hunner den roem willen verwerven, den beroemden dichter de loef af te steken, en de aangebedene dame van 's dichters hart, tot gade te krijgen. Ge hebt zeer veel vrijers, Marie, en hebt dit groo-tendeels te danken aan uwe verkeering met Schiller.quot;

„Maar dit is schandelijk, dit is een misdaad!quot;' riep Marie met losbarstende tranen.

„Waarom toch?quot; lachte mevrouw von Arnim ; „Hij heeft ons tot aas moeten dienen, om er goudvisschen mede te vangen, en ik zie niet, dat men dit een misdaad kan noemen. Waarom is de wijze man zoo dom op u te verlieven, daar hij toch weten moet, dat een huwelijk tusschen u en hem volstrekt onmogelijk is?quot;

„Waarom onmogelijk?quot; vroeg Marie haastig, hare tranen drogende, en hare moeder met toornigen trots in 't glimlachend gelaat ziende.

„Waarom onmogelijk? Wijl gij van een te goede en voorname familie zijl, om met een burgerman zonder uitstekenden rang en stand, in 't huwelijk te mogen treden.quot;

„Moeder, Frederik Schillers rang en stand zijn hooger en schitterender, dan alle minister-en graventitels. Er zijn in het, heilige Duitsche Rijk vele bonderde vorsten, graven en ministers, maar slechts één dichter Frederik Schiller. Gevierd en hooggeëerd door geheel Duitschland zal de vrouw zijn, wie Frederik Schiller eens zijn naam geeft, en die hij tot zijne echtgenoote verheft.quot;

„Nu, 't is mij wel,quot; zei mevrouw von Arnim met minachting: „slechts dit staat vast, dat gij deze vrouw niet zijn moogt.quot;

„En waarom niet?quot; vroeg Marie blozend: „Waarom, zou ik, — zoo Schiller mij werkelijk bemint en naar mijn hand dingt, — zijn hand niet aannemen ? Wijl hij niet rijk is? Hij draagt millioenen in zijn hoofd, en hij zal ze tot geld maken. Tot zóólang echter zal ik mij weten te behelpen. Ik heb slechts weinig behoeften, en ge weet wel, moeder, dat ik het versta, mij in het minste te schikken. Gun mij dus, op mijn wijze gelukkig te zijn ; want ik wil u de geheele waarheid zeggen, moeder: ik bemin Frederik Schiller, en als hij mij tot zijne vrouw begeert, zal ik het gelukkigste schepsel Gods op aarde zijn!quot;

„Onzin,quot; zei de barones schouderophalend: „mij ver-

ocr page 298

26

bluft ge niet met zulke frazen. Ge zult zoo goed zijn, deze dwaze liefde uit uw hoofd te zetten, en met den edelen en rijken heer te huwen, dien ik voor u bèsternd heb.quot;

„Moeder,quot; riep Marie de handen wringend : „moeder, wees niet zoo wreed, heb deernis met mij. Eisch niet, dat ik zelt mijn geheel levensgeluk vernietig; want ik zeg het u : ik kan slechts gelukkig zijn aan Schiller's zijdequot;.

„Maar waarom behoeft ge gelukkig te zijn?quot; vroeg haar moeder koel: „Welk recht hebt ge boven alle andere men-schen op geluk? Meent ge dan, dat ü: gelukkig ben ? Ik ben het nooit geweest, en heb mij ook nooit verbeeld, dat ik er recht op had, gelukkig te zijn. Het leven is een tamelijk harde noot; men breekt de tanden als men beproeft haar te kraken, en zoo hel gelukt, ziet men ten laatste slechts, dat de noot ledig was. Het komt er volstrekt niet op aan, of men persoonlijk gelukkig is, maar slechts hierop, dat men zijne plichten vervult, en jegens andere menschen doet wat men verschuldigd is. Nu zijt gij verschuldigd, uw moeder te vergoeden, wat zij voor u en uw broeder gedaan en opgeofferd heeft. Uw vader stierf, toen gij beiden nog kleine kinderen waart, en van het ellendig luitenantspensioen konden wij natuurlijk niet leven. Maar ik mocht u toch niet laten hongeren; ik moest u toch een opvoeding naar onzen stand geven, en u instaatstellen eens in de wereld de plaats in te nemen die aan uw stand toekomt. Ik bedacht mij geen oogenblik, en hoezeer ik destijds nog jong was, en misschien een tweede, voordee-lig huwelijk had kunnen doen, liet ik om uwentwille al dergelijke plannen varen, verkocht mijn traaien en prachtigen uitzet, en trok met u naar de kleine stad Pill-nitz, om in deze eenzaamheid en verveling slechts voor mijne plichten, — de opvoeding mijner kinderen, televen. Ge weet dat het zoo is, nietwaar?quot;

,,lk weet het,quot; zeide Marie, terwijl zij de hand harer moeder vatte en die aan hare lippen drukte: „Gij hebt met opoffering en zelfverloochening slechts voor uwe kinderen geleefd, en wij danksn u alles wat wij zijn.'

,,Dit is helaas tot heden nog niet veel,quot; riep de genadige: „Uw broeder is eerst een arme tweede luitenant, die van zijn tractement niet leven kan, en gij zijt slechts een arme adellijke freule, die óf gouvernante worden, —

ocr page 299

27

óf een rijk huwelijk doen moet. Want mijn geldmiddelen zijn thans geheel uitgeput; ik heb voor en na alles verkocht, wat ik aan sieraden en kostbaarheden bezat, al het zilverwerk, alle voorwerpen van eenige waarde; mijn laatste kleinood, het halssnoer, dat ik van mijne moeder had geërfd, heb ik ten laatste nog weggedaan, om voor de opbrengst ervan ons de mogelijkheid te verschaffen, hier te Dresden een jaar lang te leven. Maar dit jaar loopt ten einde, en mijn geld nog meer; wij kunnen ons hoogstens nog vier weken hier staande houden, dan zal het kunstmatig gebouw onzer maalschappelijke positie boven ons instorten, en alles zal gedaan zijn. Go zult zelve uw brood moeten verdienen; uw arme broeder zal half verhongeren, en uw moeder zal waarschijnlijk naar de gijzeling moeten wandelen, — want als haar goed beraamde, wijze plannen mislukt zijn, heeft zij geen geld meer om haar schuld-eischers te betalen. Dit alles echter zal uw werk zijn, aan u zal alles te wijten zijn!quot;

„O, mijn God, ontferm u over mij,quot; jammerde Marie; „Wijs mij een uitweg uit deze foltering!quot;

„Deze uitweg heet; gouvernante óf gravin,quot; zeide mevrouw von Arnim bedaard; „ge zult in uw dwaas hart meenen dat er nog een derde is; de vrouw van den dichter Schiller te worden. Maar ik zal tot zulk een mesalliance nooit mijn toestemming geven; want een mesalliance is slechts te verontschuldigen, als zij door een buitengewonen rijkdom verhuld wordt. Maar de dichter Schiller is arm en zal het eeuwig blijven, want hij is een idealist en geen practisch man ; en ik zou wel willen weten, welk voordeel 't mij brengen zou, als de dichter Schiller mijn schoonzoon werd. Kan hij mij vergoeden, wat ik weggegeven en opgeofferd heb? Kan hij mij mijne juweelen, mijn huwelijksgift, mijn zilverwerk teruggeven? Gij weet, dat hij dit niet kan, en nooit zal kunnen. Het is echter mo heilige en onloochenbare plicht, mij schadeloos te stellenen te beloonen [voor al de offers, welke ik u gebracht heb; mij voor mijn ouden dag een behagelijk en zorgeloos leven te bezorgen, dat ik, om der wille van u en uw broeder, tot hiertoe nooit gekend heb. Gij moet met den rijken graaf Kunheim trouwen; ge moet zeer voorkomend jegens hem zijn, en hem zóódanig aanmoedigen, dat hij u zijn

ocr page 300

28

hand aanbiedt, en dan moet ge die aannemen. Ik beveel het u!quot;

.,Maar moeder, dat is onmogelijk!quot; riep Marie wanhopig; „Ik bemin den graaf niet, ik kan niet met hem huwen. Ontferming, moeder, ontferming!' — Zij zonk op hare knieën, en hief de handen smeekend tot hare moeder op: „Ik herhaal het, ik bemin Frederik Schiller.quot;

„Wat mij betreft,quot; zei de baronnes met verachtend gebaar: „bemin Frederik Schiller, maar hnw met den rijken graat Kunheim. Geen vrouw is het beschoren, terstond met het voorwerp harer eerste liefde te kunnen huwen, en het ideaal, dat zij in haar hart heeft gedragen, als echtgenoot aan hare zijde te stellen. Ge zult slechts het algemeene lot der vrouwen deelen; ge zult van uw eerste lietde afzien, en een verstands-huwelijk sluiten. Ik wil u echter tot troost zeggen, dat deze soort huwelijken gewoonlijk veel gelukkiger uitvallen, dan zulk een mariage cTaniOMr (quot;zonder'geld. Want de grootste liefde des harten sterft, als de maag hongert; daarentegen vindt de bran-dendste liefdesmart eindelijk genezing, als men dagelijks in een koets met vier paarden een wandelrit, kan doen. Rijd nu maar in uw koets, en gun er mij óók een plaats in ; ik ben vermoeid, want ik heb mijn levenlang op de scherpe steenen van den straatweg moeten gaan, en mijn voeten zijn er door gewond. Marie, ik bid u, mijn kind, heb medelijden met uwe arme moeder, die zooveel ontbeerd en geleden heeft; heb medelijden met uw broeder, wiens geheele carrière bedorven is zoo wij hem geen onderstand kunnen verleenen. Hij zou dan gedwongen zijn, den militairen stand vaarwel te zeggen, en zich misschien als loonschrijver bij een advocaat te verhuren, om zijn kost te verdienen. Marie, lieve Marie, ik smeek u, heb medelijden met uw moeder en uw broeder. In uw hand ligt geheel ons geluk, verleen het ons!quot;

Marie antwoordde niet, zij lag nog op hare knieën, had haar gelaat met hare handen bedekt en weende bitterlijk. Haar moeder zag op haar neder, zonder één trek van medelijden of ontferming op haar breed, vleezig gelaat.

„Gebruik verstand, Marie,quot; hernam zij na eenig zwijgen: „laat u het geluk van uw moeder en broeder

ocr page 301

29

meer waard zijn, dan de vluchtige caprice van uw hart. Verzaak de kinderachtige droomerijen uwer sentimentaliteit, en zoek in het geluk uwer familie uw eigen geluk!quot;

„Welaan, het zij zoo, ik wil ze verzaken!' riep Marie, terwijl zij zich langzaam van hare knieën oprichtte; „Ik wil u en mijn broeder mijn eigen geluk ten offer brengen, doch slechts op ééne voorwaarde.quot;

,,En die is?

„Dat al deze intriges en heimelijke streken, waarmede gij Schiller bij ons boeidet, thans ophouden ; dat hij de geheele waarheid verneme en wete. Er zullen geen tee-kens worden gegeven, om hem te zeggen, dat hij niet komen mag; er zal niet met hem gepraald worden, terwijl meri hem toch tegelijk verloochent; hij zal niet mogen hopen, dat zijn aanzoek wordt aangenomen, maar hij moet weten dat het afgewezen wordt; en zoo hij dan niet versmaadt tóch nog bij ons te komen, zal onze deur steeds open voor hem zijn, en nooit zal het licht hier in mijn venster hem meer terugwijzen. Dit is mijne voorwaarde. Neemt ge haar aan, dan ben ik bereid het masker weder voor mijn gelaat te leggen en de rol te spelen, welke uw bevel en de zorg en nood des levens mij opleggen.quot;

„Nu ja, ik neem haar aan,quot; antwoordde mevrouw von Arnim: „maar ik wil er u opmerkzaam op maken, dat dit toch zijn bezwaar heeft. Schiller is van een driftig, licht opbruischend karakter; hierbij ontbreekt hem de fijne aristocratische beschaving, die iedere uitbarsting van drift tegenhoudt. Zoo hij bijvoorbeeld heden avond kwam, zou dit licht een zeer onaangename scène kunnen geven, en hij zou in slaat zijn, u of mij verwijten te doen, zonder zich te ontzien, dat anderen hem hoorden.quot;

„Hij zou het recht wel hebben ons verwijten te doen,quot; zuchtte Marie: „en ik heb besloten, liever zijn toorn te dragen, dan hem nog langer te misleiden.quot;

„Maar ik ben dit volstrekt niet,quot; zeide de barones: „en voor mij zijn alle dergelijke scènes dramatiques een gruwel. Maar gij wilt het en hebt het als voorwaarde gesteld, en dus moet ik het wel aannemen. Wees nu echter ook wijs en verstandig, en maak dat graaf Kunheim zich zoo mogelijk nog heden verklaart, en Schiller uwe verloving als een fait acompli verneemt.quot;

ocr page 302

30

„Ik zal liet zoo inrichten,quot; zeide Marie met een Iegelijk lieren en treurigen glimlach: „Wees nu onbezorgil; de schoone droom is ten einde, en ik ben ontwaakt. Het is een treurig ontwaken, en ik zal veel te weenen hebben; maar mijn tranen zullen u niet beschuldigen, en zoo ik ongelukkig ben, zal ik toch nooit zeggen, dat gij de 001-zaak van miin ongeluk zijt geweest. God heeft het zuo gewild, dit zal mijn troost zijn, — God heeft het zoo gewild, en ik onderwierp mij.quot;

„En gij doet zeer goed, en zult er mij later nog voor danken, dat ik u bewaard heb voor het ongeluk, de vrouw van een armen Duitschen dichter te worden. Kom nu, mijn geliefde dochter, laat nu alle twisten tusschen ons verzoend zijn, en geef mij een kus hierop.quot;

Maar, in plaats van zich in de geopende armen harer moeder te werpen, trad Mario langzaam en stil een schrede achteruit. „Neen,quot; zeide zij; „kus mij thans nie^ want wij zouden elkander wederkeerig slechts een Judaskus kunnen geven. Wij hebben beiden den Heiland verraden en verkocht, om des snooden Mammons wil!quot;

„O,quot; riep mevrouw von Arnim met gedwongen lach. „ge noemt dus in uwe overgevoeligheid den heer Schiller uw Heiland?quot;

„Neen, niet hèm, hoewel hij het voor mij geweest is. De ware en wezenlijke Heiland is de liefde, de sterke, trouwe, echte liefde, — en aan deze zijn wij beiden verraderlijke Judassen geworden. Laat ons er niet verder ovei spreken, want ge ziet het, ik heb een besluit genomen. Kom, geef mij uw hand, moeder; laat ons naar het salon gaan en onze gasten ontvangen. Maar vooraf willen wij

hier het licht uitdoen/'

„Ja, dat willen wij; of liever, ik zal het licht naar de keuken brengen, waar een weinig meer verlichting niet schaden kan ''

Zij nam de brandende kaars van de toilettafel. — „Kom nu, mijn dochter, ga naar het salon en ontvang onze gasten. ik wil nog eens even naar de keuken gaan, om te zien uf alles in orde is.quot;

Zij verlieten beiden het slaapvertrek; Marie, om zich naar het salon te begeven, — de barones om in de keuken te onderzoeken, of de nieuwe winkelier de waren had laten

ocr page 303

31

volgen. Hij had het werkelijk gedaan, en het gelaat der barones verhelderde bij deze tijding; want hierdoor was haar een zware last van 'thart genomen. Zij kon nu immers nog zenden, om eenige llesschen wijn van den winkelier te laten komen, en dan ontbrak niets meer aan haar soiree. Zij gaf haastig nog eenige bevelen, en keerde toen met de brandende kaars naar de slaapkamer terug.

„Hij mag heden niet komen,quot; zeide zij stil voor zich; „het geheele plan kon dan mislukken; want Marie is in zijn tegenwoordigheid steeds als geheel omgekeerd, en graaf Kuiiheim zou dan zeer spoedig inzien, dat zij hem niet bemint. Neen, Schiller mag heden niet komen, en ik zal hem derhalve het teeken geven. Marie zal mij eens, als zij de rijke gravin Kunheim is, er voor danken, dat ik heden mijn belofte niet vervul. Ja, gewis dat zal zij !''

Zij ijlde naar het venster, en zette het licht op de vensterbank. Zonderling! in dit oogenblik klonk uit de enge straat een luid lachen; — een lachen, dat zelfs het onbeschroomde hart der barones onaangenaam aandeed; want het was een ruw, honend gelach, het klonk schier als een bespotting, als een bedreiging.

Maar de barones vergat deze onaangename gewaarwording zeer spoedig; want zij begaf zich nu in bet salon, om hare gasten te ontvangen, die nu kort na elkander aankwamen. Mevrouw von Arnim begroette allen met haar stereotypen glimlach, en hoffelijke phrasen. Zij voerde de weinige oude dames, welke zij genoodigd had om aan haar feest eenig aplomb te geven, naar het boudoir nevens het salon, en engageerde een invaliden majoor, met haar een partij whist te spelen. Vervolgens, toen zij de gerustheid had, de oude dames geboeid, — en hunne lastertongen onschadelijk gemaakt te hebben voor alles wat in het salon geschiedde, — keerde zij er terug, en toonde den jongen cavaliers en officieren, die thans aanwezig waren, het glimlachende, lieftallig gelaat eener dame, die bereid is, voor iedereen een liefderijke en teedere schoonmoeder te worden. Ook eenige jonge jdames waren wegens het decorum genoodigd, — dames met niet zeer innemende gezichten, in kale, vervallen toilletten; dames, welke men gewoon is als vriendinnen voor te stellen, — doch die niets anders zijn dan het foelie, dat aan den juweel een

ocr page 304

32

nóg schitterender licht verleent. De vriendinneu waren de bliksetnaileiders voor de jonge tweede luitenants, die zich tevreden moesten stellen met haar onderhond, terwijl de hoogere officieren en de rijke cavaliers zich in een dichten kring verzameld hadden om de godin, welke zij huldigden: om de schoone Marie von Arnim.

Zij was thans volkomen weder de schitterende schoonheid; zij toonde haar aanbidders een rooskleurig, vroolijk gelaat; hare blauwe oogen waren glanzend en helder, en lieten niets vermoeden van de tranen, die thans naar het hart teruggedrongen waren. Om haar rozelippen speelde een glimlach, en vroolijk-schertsende woorden vloeiden uit denzelfden mond, die straks zulke smarlelijKe woorden van jammer en klacht gesproken had. Graaf Ehrhard von Kunheim was geheel verrukt, geheel betooverd door deze bevalligheid, deze schoonheid; zijn gloeiende blikken waren onafgewend op de schoone freule gericht, en de hulde, welke zij van alle zijden ontving, scheen hem een vleiende schatting voor de dame, welke hij uitgekozen had, en die hij nu vast bepaald had, tot zijne gemalin te verheffen. 'tWas zeer fraai, zeer aangenaam, zijn toekomstige gade zoo gevierd en aangebeden te zien; hij had de geheele wereld aan hare voeten gewenscht, want des te grooter zou dan immers zijn triomf zijn geweest, zich boven de geheele wereld voorgetrokken te zien

Hij zag met een trotschen blik naar den kring der cavaliers; hij luisterde met gevleide ooren naar de phrasen van aanbidding en bewondering, welke allen de schoone freule wijdden, die eens zijn echtgenoote, zijne gravin zou zijn, en hij besloot bij zichzelven, dat hij nog heden zijn aanzoek wilde doen, — nog heden al haar andere minnaars wilde toevoegen: „De schoone Marie von Arnim behoort mij! Zij is mijne verloofde!quot; — dat zou een triomf zijn! Een heerlijke triomf. Jammer maar, dat de één niet tegenwoordig was, de één, wien te verdringen, den graaf Kunheim juist de schoonste triomf en de grootste eer scheen.

„Freule,quot; vroeg hij, het vroolijke onderhoud afbrekende, dat Marie juist meteenige cavaliers voerde: „freule, ge hadt mij belootd mij met uwen protégé, den heer Schiller, bekend te maken. Komt hij misschien heden nog?quot;

De glimlach stierf op hare lippen, de glans in hare oogen

ocr page 305

33

verduisterde, en a!s hulpzoekend staarde zij in bet rond. Maar nu ontmoette haar oog den scherpen, dreigenden blik harer moeder, die op haar toetrad en haar te hulp kwam, en zij gevoelde dat er geen ontkomen meer was, dat zij aan haar lot was overgeleverd.

„Ik vrees, dat mijnheer de raad Schiller niet komt,quot; zeide de barones op haar lieftallige wijze.

„Neen, hij komt niet,quot; zei Marie haar werktuiglijk na, en van alle zijden klonken nu betuigingen van leedwezen en lofspraken voor den genialen dichter, dien men zoozeer bewonderde, en wiens nieuwste gedichten men ten hoogste ven ukkend, en zeer charmant noemde.

„'t Is inderdaad jammer, dat ge ons den beroemden dichter nooit hebt kunnen voorstellen,quot; zeide graaf Kunheim op welwillenden toon tot de schoone Marie von Arnim, en zij dwong zich tot een Hauwen glimlach en fluisterde: „Ja, 'tis inderdaad jammer.quot;

„Waarom komt hij toch niet?quot; vroegen eenige cavaliers aan mevrouw von Arnim: „Zeg ons toch. Mevrouw, waarom komt de raad Schiller steeds als ge alleen zijt, en hij zeker is, hier geen gezelschap te ontmoeten?quot;

„Mijn Godlachte de barones; „hij is even schuw voor de menschen, als de uil voor het licht. Wij hebben hem ons plechtig woord gegeven, dat wij op de dagen als hij bij ons is, niemand anders willen ontvangen, en dat, zoo er gezelschap bij ons is, en wij hem niet tijdig kunnen boodschappen, — wij hem een teeken zullen geven dat wij niet alleen zijn.quot;

„En ge doet dit werkelijk, genadigste freule?quot; vroeg graaf Kunheim.

„Ja, wij doen het/' antwoordde Marie zacht.

„En mag men vragen, waarin het teeken bestaat, 'twelk den menschenschuwen dichter verkondigt, dat andere aard-sche stervelingen zijne godin genaderd zijn?quot;

„O, dit is geen geheim,quot; riep mevrouw von Arnim haastig; „Ik zal het u zeggen, mijnheer de graaf. Het teeken bestaat hierin, dat wij in het venster van onze toiletkamer een licht plaatsen. Zoodra hij dit licht ziet, keert hij om, en draait ons huis den rug toe.quot;

„Bijgevolg, zoo voor hem geen licht opgaat, komt hij?quot; vroeg graaf Kunheim haastig.

Mühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. IV. 3

ocr page 306

34

„Ja, gewis,quot; lachte de barones; „dan komt hij.

„Zoo er dus heden geen licht in het venster stond, zou hij heden komen?''

„Zekerlijk; want hij zweert immers altijd, dat hij eigenlijk slechts leeft, en denkt, en dicht, als hij mijn dochter ziet. Gewis zou hij heden gekomen zijn, zoo ik hem het tee-ken niet gegeven had.quot;

„Maar, moeder,quot; riep Marie misnoegd; „gij vergist u; wij hebben immers heden geen teeken gegeven.quot;

„Geen teeken gegeven ?quot; herhaalde graaf Kunheim haastig : „Ge hebt hem dus genoodigd, en hij is weggebleven?quot;

„Neen, neen, heer graaf,'' riep mevrouw von Arnim op levendigen toon; „hij is weggebleven, wijl ik hem het teeken gegeven heb.quot;

„Toch niet, mijn waardste Mevrouw,quot; zeide een bedaarde, koele stem achter haar; „ge hebt hem wél het teeken gegeven, maar hij is evenwel gekomen.quot;

„Schiller!quot; riep Marie verbleekend maar toch glimlachend en met stralende oogen. Zij wilde voorwaarts ijlen, hem tegemoetgaan, hem de hand reiken, maar hare moeder had reeds haar breede gestalte tusschen Marie en den dichter geschoven, en zag hem nu met een dreigend, tartend gelaat aan, als wilde zij hem zeggen, dat zij geheel bereid was, den strijd met hem te beginnen.

„Wees mij hartelijk welkom, heer raad Schiller,quot; zeide zij met scherpe stem; „ge bewijst ons waarlijk een groote eer, en 't verheugt ous, u eindelijk ook eens op een ge-zelschaps avond bij ons te mogen zien. Al deze heeren zullen zeer gelukkig zijn, persoonlijk kennis met u temaken; want juist toen gij binnenkwaamt, spraken wij van u, en al deze heeren betreurden het ten zeerste, dat ge niet hier tegenwoordig waart, en —quot;

„Ik weet het,quot; viel Schiller, wiens gelaat bleek was als marmer, haar met bevende stem in de rede; „ik weet het. Ik heb alles gehoord, want ik stond reeds een tijdlang in de deur; maar ge voerdet zulk een levendig gesprek, dat niemand mii opcjemerkt heeft, en ik kon dus alles zien en hooren,quot;

„Dan zult ge gehoord hebben, mijnheer de raad,quot; zei graaf Kunheim, hem naderende; „dat wij allen met den levendigen wensch bezield waren, kennis met u te ma-

ocr page 307

35

ken. Ik acht mij gelukkig, dat deze wensch thans vervuld wordt, en veroorloof mij, mij zeiven aan u roor te stellen, Ik ben graaf van Kunheim.quot;

Schiller echter scheen de hand niet te zien, welke de graaf hem toestak, maar boog slechts koel, en liet vervolgens zijn blik naar Marie zweven, die zich teruggetrokken had en bevend, met kloppend hart in de vensternis stond. Welk een blik was het, dien hij op haar richtte; welk een toornige, verwijtende, verachtende blik! Maar zijn lippen bleven stom, en toen hij nu zijne oogen weder van haar afwendde, hief hij het hoofd trotscher op. en een honende glimlach speelde om zijn dunne, vast opeenge-drukte lippen.

Met dezen glimlach wendde hij zich tot de cavaliers, en begroette hen met een trotsche hoofdbuiging, als een Koning, die de hulde zijner onderdanen ontvangt.

„Gij hebt gewenscht mij te zien, mijne heeren,quot; zeide hij ; „hier ben ik. Na gesprekken, welke in hier zooeven onwillekeurig beluisterde, hield ik hel voor mijn plicht, mij voor een oogenblik aan u te vertoonen, om een kleine dwaling te herstellen, welke mevrouw von Arnim u mede gedeeld heeft.quot;

„Een dwaling?quot; vroeg de barones, een weinig in verwarring: „Ik weet inderdaad niet wat ge meent?'

„Ik zal het u zeggen, waardste mevrouw. Ge hebt aan deze heeren gezegd, dat ik zoo schuw was voor de men-schen, als de uil voor het licht. Dat is echter het geval niet en ik verzoek de aanwezige heeren, dit niet, te ge-looven. Ik ben niet schuw en haat de menschen niet, maar benim ze, en heb eerbied voor elk menschelijk gelaat, want Gods geest straalt ons uit ieder menschenoog tegen. Ik bemin de menschen; en zelfs de smarten, welke zij mij somwijlen bereiden, en de teleurstellingen welke ik ondervind, zullen mij nooit doen wankelen in mijn geloof aan de menschheid, en —quot;

„O Schiller,quot; riep Marie, uit de vensternis tredende, en niet meer in slaat, hare diepe aandoening te verborgen: „Schiller, geeft mij uw hand, zeg mij —quot;

„Freule,quot; viel hij haar koel in de rede: „?t heb ik niets meer te zeggen; slechts dezen heeren hier! [k wenschin uwe oogen niet voor een dwazen menschenhater gehouden

ocr page 308

30

le worden, rrnjneheeren; daarom veroooiioof ik mij, een tweede dwaling van mevrouw von Arnim te herstellen. Zij heeft u gezegd, dat ik haar verzocht had, mij door het licht in 't venster te verwittigen als de dames hier gezelschap hadden, wijl mij dit lastig en onaangenaam was, Dit is echter niet het geval, maar de zaak is juist omgekeerd. Deze dames, en voornamelijk freule Marie von Arnim, hebben mij verzocht slechts dan hier te komen, als het venster donker bleef; daarentegen haar nooit te bezoeken, zoo in het venster licht stond. Freule von Arnim —quot;

„Schiller,quot; viel zij hem met luide, bevende stem in de rede, terwijl zij haar hand op zijn arm legde: „Schiller, ik bezweer u, ga niet verder!quot;

„Freule von Arnim verklaarde mij ook, waarom zij dit wenschte,quot; voer Schiller voort, alsof hij de smeekende stem van Marie volstrekt niet gehoord had, alsof hij den druk haren bevende hand niet voelde: „Freule von Arnim zeide mij, dat op avonden, wanneer mij het afgesproken teeken gegeven werd, zich bij hare moeder steeds een kring van de naaste familieleden en verwanten bevond, en indezen kring durfde zij geen vreemde brengen. Mijneheeren, het verheugt mij in u allen de lieve neven en ooms der genadige 'freule te kunnen begroeten, en ik breng de genadige freule mijn gelukwensch, wegens dezen schitterenden naasten familiekring. — Er blijft mij nog over te zeggen, waarom ik gewaagd heb hier binnen te komen, ofschoon wegens de aanwezigheid van den naasten familiekring, het licht in 't venster geplaatst was.quot;

„Maar er stond geen licht in 't venster,quot; riep Marie buiten zich zelve; „gij vergist u! Ik wenschte, dat ge heden hier kwaamt, en ik heb dus uitdrukkelijk met moeder afgesproken, dat —quot;

„Het licht was er,quot; viel de barones haar in de rede; „ik had er geplaatst, ik! — Stil, val den heer raad niet in de rede; hij zeide immers, er was nóg iets dat hij ons zeggen wilde. Ga voort, heer raad! waarom zijt ge gekomen, in weerwil van het afgesproken teeken?quot;

„Wijl ik weten wilde, wat dit licht in waarheid te be-teekenen had,quot; zeide Schiller kalm en met waardigheid: „Ge ziet, Mevrouw, ik vrees het licht niet, en ik

ocr page 309

37

zoek de waarheid, — hoezeer ik bekennen moet, dat het een smartelijke en bittere waarheid is, die ik heden gevonden heb. Maar de mensch moet zich schikken, moet den moed hebben, de waarheid in het aangezicht te zien, zelfs zoo zij voor hem het hoofd van Medusa ware. Ik heb haar gezien, en het komt mij schier voor, alsof de eeuwige Goden mij een weinig van de kracht van Perseus hebben verleend; want ge ziet het, ik ben niet in steen veranderd, ik lijd nog. En nu, daar ik de dwalingen van de genadige dame heb opgehelderd, nu verzoek ik vergeving, dat ik het gewaagd heb, een ernstige schaduw op haar vroolijk feest te werpen. Het zal de laatste maal zijn dat ik het doe! Vaartwel, dames!quot;

Hij maakte een lichte buiging, maar sloeg zelfs geen enkelen vluchtigen blik meer op de schoone freule Marie von Arnim; hij zag niet dat zij in onmacht neerzeeg, dat graaf Kunheim haar in zijne armen opving, haar ophief en naar den divan droeg, waarop hij haar zacht en met zorgvuldigheid liet nederglijden, terwijl de vriendinnen met reukfleschjes en spiritus toeijlden, om de bewuste-looze weder bij te brengen.

Neen, Frederik Schiller zag dat niet; hij ging langzaam door het salon en de voorkamer naar den uitgang. Nevens de deur stond het levende voorbeeld, en zag met een uitdrukking van onuitsprekelijke bewondering tot de hooge, slanke gestalte des dichters op, die zijn twee lievelingsstukken, de „Rooversquot; en Fieskoquot; geschreven had ; voor wien hij zou willen nederknielen om hem de voeten te kussen tot dank, dat hij de genadigste zoo beschaamd had.

„O, heer Schiller, groote heer Schiller,quot; prevelde hij, terwijl hij zich haastte voor den dichter de deur te openen ; „gij zijt niet de eenige, dien zij bedrogen heeft. Ook mij heeft zij bedrogen; ook ik ben een levend voorbeeld van hare valschheid. Doch wacht maar, verheven dichter, wacht maar; — ik zal niet alleen mij zei ven, maar ookit wreken, mijnheer Schiller. Ik zal de stukken nóg grooter snijden, en de kalkoen zal niet half rondkomen. Ik wil ons beiden wreken, mij en Schiller!quot;

Doch Schiller had geen woord gehoord van't geen Leon-hard zeide; hij was hem voorbij, de trap af, de straat op ge-

ocr page 310

38

ijld, en daar stond hij een oogenblik stil, zag op naar de vellichte vensters, tot zijn blik verduisterd werd door den sluier der tranen, die zich tegen zijn wil in zijne oogen drongen. Toen zij heet en brandend over zijne wangen vloeiden, ontroerde hij en schudde het hoofd met toornige smart, en drukte de vuisten tegen zijn oogen, opdat zij niet meer weenen zouden, geen enkelen traan meer! Voort! Weg van dit huis! Weg! —

IV.

ZIELEN IN HET VAGEVUUR.

Als door furiën vervolgd, met onbedekt hoofd, het gele haar fladderend in den nachtwind, zoo rende hij voort, — voort door de straten, voort over de lange Elbebrug, voorbij het hooge crucifix, dat glinsterde in den manneschijn, en nu beneden het Brühlsche terras langs den oever en verder naar buiten, steeds nader naar de rivier die kabbelend langs den oever golft, en van vrede en van eeuwige stilte murmelt.

De maan wierp een zilveren licht op de rivier en een lange schaduw aan den oever, de schaduw van den dichter, die vol smart en kwelling voortijlde. Waarheen? Hij wist het niet, wist niet dat hij aan den oever van een open graf ging; hij|volgdeslechts instinctmatig het verlangen, in de diepste eenzaamheid en stilte te vluchten; zich te redden waar geen menschenoor hem hooren, geen men-schenoog hem zien kon. Hij wilde alleen zijn met zijn smart. — alleen in dit beslissend uur, waarin het gold een schoone bloesem uit zijn hart te rukken, en haar als giftig onkruid onder zijne voeten te vertreden. Alleen wilde hij zijn met de tranen die uit zijn ziel opwelden, met de wanhoopsklachten die zich uit zijne bevende lippen persten. Alleen in het heilige, groote uur, waarin de dichter nogmaals den doop der smart ontvangen zou,

ocr page 311

39

om zijne poëtische kinderen, — zijne gedichten te voeden met het bloed, dat uit de wonden zijner borst stroomt.

Thans was hij het berkenboschje ingetreden, dat toenmaals nog eenige honderde schreden verder beneden het terras den oever begrensde; thans ging hij in 'tdonker en in geruislooze stilte voort. Dat was het wat hij gezocht had en wat hij behoefde. Alleen! alleen met God en zijne smarten! Een kreet, een luide smartkreet drong uit zijn borst, en scheen de slapende vogels in de boo-men gewekt te hebben, want er liep als een fluisteren en klagen door de takken, en het ruischte en suiste in de lucht, alsof de „vogels het aan de stralen der maan verhaalden: „Zietdaar een mensch die lijdt, een mensch die worstelt met de smart! Troost hem met uw zilverschijn, vriendelijke maan; deel hem uw vrede mede, gij van sterren fonkelende zomernacht!quot;

De maan had zeker deze roepstem en het medelijdend klagen der vogels en nachtgeesten gehoord; want plotseling komt haar stil lichtend gelaat uit de wolken te voorschijn, en hare volle zilveren stralen verlichten het boscb en zoeken dengene, die de zalige geest der sluimerende Natuur gewekt heeft met den wanhoopskreet zijner wakende, folterende smarten.

Daar ligt hij op den grond, uitgestrekt gelijk een doo-de, als een door een zware onmacht overvallene. De maan echter ziet, dat hij niet gestorven, — niet bewusteloos is; de maan ziet de tranen die over zijn gelaat rollen, hoort het jammeren en zuchten, dat zijn hijgende borst ontstroomt, het klagen van den genius die lijdt op men-schelijke wijze, en in wiens verheven geest God toch woont, die hem zal geven van Zijn kracht en heerlijkheid, opdat hij de aardsche smart overwinne. De maan beschijnt zijn door tranen besproeid aangezicht, en het is alsof zij hem groet met een hemelschen glimlach, en de sterren staan stil en knikken den dichter beur vredegroet toe, en de vogelen luisteren in de twijgen, alsof zij het weeklagen van den dichter verstond, die nu zijn hoofd weder heeft opgericht, en wien de stilte en eenzaamheid van dezen door de maan verlichten, — door de sterren getooi-den nacht, de brandende zielesmart lenigt.

„Het is dus waar, ik ben dus slechts bestemd om te lijden

ocr page 312

40

en teleurstellingen te ondergaan? De stroom der jaren rolt mij voorbij, maar geen brengt mij de gouden vi-uch-ten, welke het leven iederen mensch heeft toegezegd: de gouden vruchten van Arcadië. Mijn ziel heeft ze toegejuicht, mijn hart heeft ze verlangd, maar zij vallen verwelkt aan mijne voeten neder, en de lente is voor mij reeds uitgebloeid, terwijl zij nog nauwelijks begonnen is. Alles is misleiding en ijdele waan! Slechts de logen maakt den mensch gelukkig; de waarheid doodt hem, als een bliksem Gods! Ik heb u heden weder aanschouwd, waarheid, onverbiddelijke godheid, en mijn hart brandt van smart, en mijn ziel jammert van pijn. De dichter is een profeet, dit moet ik nu zelf ondervinden; want aan mij, het arme menschenkind, wordt bevestigd, wat de dichter uit mij gezongen heeft, en ik lijd grenzenloos.quot;

Hij sloeg de handen voor zijn aangezicht, en de maan zag de tranen die tusschen zijne vingers dropen, en in de stilte van den nacht hoorde hij de van smart bewogen, bevende stem des dichters, die met zachte tonen ruisch-te, als een door zuchten bewogen Eolusharp der ziel:

'k Betaal u in een ander leven,

Geef uwe jeugd aan mij!

Niets kan ik u dan dezen wissel geven; —

Ik nam den wissel voor het andere leven,

En ik gaf haar de vreugde mijner jeugd!

Geef m\j de vrouw, zoo dierbaar aan uw harte,

Geef uwe Laura mij!

Aan gindsche zij van 'tgraf grijpt 'tloon voor uwe smarte! Ik rukte haar bloedend uit 't gewonde harte,

Ik weende luid, en gaf ze haar!1)

„Ik weende luid, en gaf ze haar,quot; herhaalde Schiller nog eens, en een smartelijke snik wrong zich uit zijn borst; „Moet het dan zoo zijn? Is de mensch werkelijk slechts tot lijden geboren, en hebben degenen gAIijk, die zeggen, dat het leven slecht een tranendal, — en niet der moeite waard is het te dragen? quot;

Hij verzonk in diep gepeins, en scheen met smartelijk bittere overweging over deze vraag na te denken. De Natuur hield haar adem in, om naar het antwoord te luisteren, zelfs de vogels tjilpten niet meer, en de nachtwind

1

Schiller's gedicht: „Die Resignationquot; is uit dezen tijd afkomstig.

ocr page 313

41

waagde het niet meer te ruischen in de boomtoppen Wat zal zij klinken, wat zal zij zingen, de Eolusharp der ziel? Welk antwoord zal de dichter geven op deze wanhopende vraag van den mensch?

Hij ziet op naar de maan, die hem in zachten vrede toelonkt; hij ziet de sterren, die op hem schijnen met lachende heerlijkheid, en er is iels in hem, dat alle verdriet en weemoed trotseert, en een stem, — een hemelsche zachte en toch krachtige stem, klinkt in hem als een geheime openharing der Godheid zelve. Hij luistert naar die stem, en de wieken zijner ziel bewegen zicli weder; hij springt op en rekt zich, breidt de armen uit naar de maan en de sterren, en zijn ziel verheft zich tot alle hemelen, en ziet de heerlijkheid aller werelden.

„Neen,quot;' roept hij met luide, blijmoedige stem; „neen, de aarde is geen jammerdal, zij is een paradijs Gods! Neen, het leven is geen kleed, dat men mag verwerpen, maar 'tis wél waard dat men zijne smarten drage, en ze over-winne. — En ze overwinne! .. . Geef hiertoe den mensch de kracht, gij genius, die in mij woont; verlicht hiertoe de duisternis mijner menschelijke ziel, gij vlam Gods, heilige poëzie! Neen, 't ware beneden de waardigheid des mans, te vergaan in lafhartigen jammer; schande ware het voor de eer des mans, om ter wille van een trouwelooze vrouw het hoofd te buigen onder het juk der smarten, en zich aan tnoedelooze droefheid over te geven. Ik groet u, gouden, fonkelende lichten des hemels; gij zult niet medelijdend op mij neerzien, maar met trotsche sympathie; want van den grooten geest die u geschapen heeft, ben ik een deel; ik ben geest van Gods geest, — ik ben de heer der aarde. Weg met u, aardsche smarten! Weg schorpioenen, ik wil u den voet op 't hoofd zetten, en over u triomfeeren. Gij zult mij niet deren, neen, ge zult niets op mij vermogen! — Ik ben een man, wie is het meer?quot;

En jubelend, zegevierend riep hij nog eens in den nacht naar den hemel: „ Ik ben een man\quot;

Thans was 't niet de maan, die zijn aangezicht bescheen • — maar het was de trotsche glimlach der zelfoverwinning' het waren niet de sterren, die in zijne oogen blonken, maar 't was de opgewekte moed der ziel, die zich uit het stof der aarde had opgericht.

ocr page 314

42

„De strijd is volstreden, de smart is overwonnen! Ik groet u, zalig stille nacht; gij zijt de balsem mijner smarten geweest; nu zullen zij spoedig genezen en verdwijnen!''

Hij keerde om en begaf zich op den terugweg; schreed met lichte voeten door het boschje, on verder iangs den oever der Elbe, die hier en ginds met kreupelhout en struikgewas omzoomd was.

Plotseling bleef hij staan en luisterde, 't Was hem geweest alsof hij ginds, aan gene zijde van het hout, dicht bij den oever de Elbe, klaaggeluiden en het kermen eener menschelijke stem gehoord had. Ja, hij had zich niet vergist, zeer duidelijk hoorde hij het. Daar, achter het struikgewas, was een mensch, die jammerde en klaagde.

Zacht, — zorgvuldig vermijdende gerucht te maken, — naderde Schiller het hout, boog de takken behoedzaam uiteen, en zag en luisterde.

Een zonderling, verrassend tooneel vertoonde zich aan hem. Hij zag voor zich de rivier, op wier murmelende golven de sterren dansten en de maan zilveren lichtstrepen trok, en op den smallen oeverzoom, in het volle licht der maan zag hij een knielend, half ontkleede menschelijke gestalte; een jongeling met bleek, uitgeteerd gelaat, het lange, zwarte haar lladderend in den nachtwind, het aangezicht van smart verwrongen, de ingevallen wangen met tranen overstroomd, die in het maanlicht als juweelen fonkelden Nevens hem in het zand lag zijn bovenklee-ding, zijn hoed en een boek, 't welk men naar het uiterlijk voor een Bijbel zou houden. De jongeling had de half ontbloote armen ten hemel geheven, de handen krampachtig gesloten, en zijn stem beefde van smart en tranen toen hij nu sprak:

„Ik kan niet meer; vergeef mij, o God in den hemel, ik kan niet meer! Gij weet het, ik heb geworsteld en gestreden! Gij weet het, ik heb alles beproefd om televen, om hel hoofd te bieden aan deze folteringen,die mijn ziel verscheuren! Gij weet het, hoevele nachten ik vol smart op mijne knieën voor U gelegen, en U gesmeekt heb om een straal van ontferming, om een uitkomst uit de/en nacht van wanhoop. Maar Gij hebt niet gewild. Gij Almachtige, daar omhoog boven de sterren; Gij hebt geen medelijden gehad met den worm, die zich in het stof

ocr page 315

43

kromde, met den bedelaar, die U jammerend zijn hand toestak, en U om een aalmoes smeekte. Schenk mij dm nu ten minste vergiffenis, en neem mij op in Uwe barmhartigheid ! Ik keer terug tot u, o God; neem mij genadig aan! En gij, harde, wreede, vreugdelooze wereld, jammerdal van smart en ontbering, wees verwenscht en ontvang den vloek van een stervende, die niets dan foltering van u ontvangen heeft! Vaarwel, en —quot;

Hij richtte zich van zijne knieën op en sprong voorwaarts met uitgebreide armen, het diepe, zwijgend graf tegemoet, dat gereed scheen hem te ontvangen, en — een ijzeren klauw scheen hem plotseling te vatten en terug, te trekken, wierp hem neder in bet oeverzand, en voor hem stond een hooge, reusachtige gestalte met gouden haar, het hoofd omstraald, de oogen glinsterend, bet gelaat gloeiend van edele verontwaardiging.

„Zelfmoordenaar!'' donderde een machtige stem: „Wie geeft u het recht, dengene te vermoorden, dien God geschapen heeft? Misdadiger jegens u zeiven, menschenmoorde-naar, val neder in het stof, en smeek God om vergeving!quot;

„Ik heb God gesmeekt, weken,'maanden lang,quot; prevelde de bevende, hijgende gestalte, die zich op den grond kromde, en bet niet waagde op te zien tot de in licht gehulde verschijning, die als een toornige engel Gods boven hem scheen te zweven; „Alles is vruchteloos geweest; geen lichtstraal heeft geschenen in den nacht mijner smarten. Ik wil sterven, wijl ik het leven niet langer/fan dragen! Ik wil een toevlucht vinden in den dood, wijl ik eindelijk rust wil hebben van den knagenden honger, die sedert, vier dagen in mijne ingewanden woelt, en van den mensch een wild dier gemaakt heeft! Ik —quot;

De klagende, snikkende stem zweeg, de bevende leden trokken niet meer, en toen Schiller tot hem nederboog, zag bij in een strak gelaat met doode, dolfe oogen, met halfgeopenden mond, met doodsbleek, verwrongen aangezicht.

Schiller boog zich lager, legde zijn oor aan de borst van den ongelukkige en vatte de slappe, matte hand, om den pols te zoeken. Maar het hart stond stil, en de pols klopte niet meer onder de tastende banden.

„Het is een onmacht, niets dan een onmacht,quot; fluisterde

ocr page 316

44

Schiller; „men sterft niet zoo schielijk en zoo zonder stuiptrekking. Ik moet hem wekken! — Arme ongelukkige, vergeef het mij, dat ik u terugroep in de folteringen des levens; maar daar wij menschen zijn, mogen wij ons niet willen verzetten tegen de wetten der Natuur, en ons lot niet trotseere.n. Ik moet u bijbrengen, arm mensch!quot;

Ilij boog zich naar de rivier, schepte water in zijn holle handen, en begoot er het voorhooirl van den onmachtige mede, en daar deze nog altijd onbeweeglijk op den grond lag, schepte hij steeds voort, en wreef hem de slapen en de borst met de handen, en blies hem zijn eigen adem in den geopenden, strakken mond.

Allengs begon het leven weder te ontwaken in de be-weginglooze gestalte, kwam de straal van bewustzijn weder terug in de strakke, doffe oogen, en de bevende lippen lispten een klagend woord, 'twelk de ziel des dichters met jammer, en zijne oogen met tranen van medelijden vulde.

Daar lag het op den grond, stuiptrekkend van smart, Gods evenbeeld, en de allererbarmelijkste, de allergemeenste klacht van het uit stof geboren dier, was de angstkreet der weder ontwakende, menschelijke ziel: „Ik heb honger! o, ik heb honger!''

„En ik heb niets, niets om zijn honger te stillen,quot; zeide Schiller angstig: „niets om van het dier weder een mensch te maken!''

„Ach, wee mij,'' kermde de ongelukkige: „deze foltering is vreeselijk! Waarom hebt ge mij gewekt, om ze opnieuw te gevoelen? Wie gaf u het recht mij terug te houden van den dood?quot;'

„Wie gaf u het recht te sterven? vroeg Schiller streng.

„De honger,quot; steunde de ander: „de vreeselijke honger met zijn schorpioenentanden! Zoo ge wilt dat ik leven zal, geef mij dan ook het brood des levens! Brood! Geef mij brood! O, zie! ik hef mijn handen tot u op en bedel! Ik wilde in den dood gaan om niet te moeten bedelen ; maar gij hebt mij overwonnen, gij hebt mij in het stof gebogen en nu bedel ik tot u: Geef mij brood! Laat mij niet verhongeren!quot;

„Ik wil gaan om 't voor u te halen,quot; zei Schiller zacht: „maar neen; gij zoudt van mijne afwezigheid gebruik kun-

ocr page 317

45

nen maken, om de noodlottige daad te volbrengen. Zweer mij, dat ge op mijn terugkomst wachten. — dat ge hier zult blijven tot ik terugkom.quot;

De ongelukkige antwoordde niet, en toen Schiller zich tot hem 'boog, zag hij, dat hij ten tweedemale in onmacht was gevallen.

„Als hij ontwaakt zal ik teruggekomen zijn.quot; fluisterde Schiller, en hij sprong op: met groote slappen, met for-sche sprongen ijlde hij langs den oever naar het kleine huis, dat beneden het Brühlsche terras lag, en den schippers en schuitenvoeders tot herberg diende. Er brandde nog licht in de gelagkamer, en enkele gasten zaten nog koutend en rookend achter de bierkruiken. Schiller trad naar de toonbank, gaf een geldstuk, liet zich eenig wittebrood en een llesch wijn geven, en rende met de gewonnen schatten naar den ongelukkige, die juist weder uit zijn onmacht ontwaakt was, en met moeite het hoofd trachtte op te beffen.

Schiller knielde neder, bief zacht en teeder als een moeder, het waggelend hoofd van den ongelukkige op, en liet het op zijn knie rusten. — „Geduld slechts, arme, geduld! Tk breng u lafenis, ik breng u brood!quot;

Hoe haastig grepen de bevende handen er naar, hoe begeerig brachten zij bet aan den mond. Hoe verhelderde zich zijn gelaat, toen hij nu gedronken had uit de llesch, welke Schiller aan zijne lippen zette, en hoe hij toen weder naar het wittebrood greep, als naar een heerlijke lekkernij !

De dichter kon dezen aanblik niet verdragen; het deed hem wee in het diepst zijner medelijdende ziel. Zijn blik hief zich treurig en verwijtend ten hemel, en een toornige smart trilde om zijne lippen.

„Gij hebt Uw wereld zoo groot en zoo rijk geschapen, o God! Er is voedsel en verkwikking voor allen! De boomen hangen vol vruchten en de mensch mag ze niet plukken; liet brood geurt aan de vensters de bakkers, en de mensch mag het niet nemen, schoon hij ook verhongert. Hij bezwijkt van doodelijke smart, en de woekeraar rijdt hem voorbij in een rijke karos, en ziet trotsch en verachtelijk neder op den ongelukkige, die geen andere misdaad heeft, dan dat hij arm is. O eeuwige, goddelijke

ocr page 318

46

rechtvaardigheid, ik zoek u vruchteloos achter de wolken; ik roep u te vergeefs aan, in de paleizen der rijken en in de hutten der armoede!quot; —

„O welk een lafenis, welk een verkwikking was dat!quot; zuchtte de ongelukkige: „Gij zijt mijn redder, mijn verlosser geworden; gij hebt mij de knagende foltering ontnomen. Ik dank u! Laat mij deze hand kussen, die zich over roij ontfermde! Ge wilt ze mij niet geven, ge^ onttrekt ze mij? Ge veracht mij, den zelfmoorder, den lafhartige? Ge hebt er wèl recht toe.quot;

„Neen,quot; zeide Schiller zacht: „ik veracht u niet; ik heb medelijden met u, want ook ik ken de smart; ook ikheh in mijn ziel de schorpioensteken der armoede ondervonden. Neen, ik veracht u niet. Alle menschen zijn broeders en moeten elkander bijstaan. Alle zorgen zijn zusters, en moeten elkander troosten. Spreek dus. broeder, zeg mij hoe ik u helpen kan; laat uw zorg tot mijn zusterziel klagen, en ik wil beproeven u te troosten.quot;

„Gij zijt een engel, dien God mij gezonden heeft,quot; snikte de ander: „Uwe lippen spreken het eerste woord van deelneming, dat ik sinds vele maanden gehoord heb, en in tranen zou ik mijn ziel voor u willen uitstorten. Ja, mijn broeder, ge zult de treurige geschiedenis van mijn troosteloos leven vernemen, en dan zult ge mij verontschuldigen, en mij vergeven, dat ik misdadiger wilde worden tegen mij zeiven. Neig uw oor tot mij, broeder, en luister.quot;

Schiller liet zich tot den ongelukkige nederglijden op den oever, en zat nevens hem in 't gras. De bleeke jongeling legde zijn zwak hoofd tegen den schouder, die zich hem aanbood, zoo vast en sterk als een rots in den storm. Een pauze ontstond. Degene, die zooeven eerst van de poorten des doods teruggekomen was, zocht zijn verwarde en dwalende gedachten te verzamelen, terwijl hij, die,— sterker dan de ander, — in rampzalige uren vroeger met vasten mannenmoed het ongeluk getrotseerd en de smart overwonnen had, in zijn hart nu de stem van 't medelijden vernam voor den broeder, die, minder sterk dan hij, minder moedig, het leven wilde ontvlieden, wijl zijn ziel geen vleugels had, om hem op te heffen boven het stof en de ellende der aarde. —

ocr page 319

47

„Wien 'de almachtige, alomtegenwoordigen Godheid de vleugels der vervoering niet heeft gegeven, hoe kan die vliegen? In het stof moet hij kruipen en voedsel zoeken, en hij moet sterven als het dier, dat alleen door zijn maag levensgenot ontvangt, wien de genius niet beschijnt met een hemelschen straal in den geest, — voor dien is het nacht en duisternis; voor dien schitteren geene sterren, en hij doet wel, zich te redden in het graf, dat van ramp en smart bevrijdt! Ik dank U, eeuwige God, dat ge mij vleugels hebt gegeven; ik dank u, mijn genius, dat ge mij voorlicht op doornige paden, en mij helpt te overwinnen!quot;

Schiller sprak dit niet met zijne lippen, ^maar slechts in 't binnenste zijner ziel; hij zag op tot de maan, aan wie hij vroeger zijn eigen smarten had geklaagd, en glimlachte zacht tot de sterren, die met onveranderlijke helderheid voorttrokken langs beur hemelbaan. —

„Ja, glimlacht maar, glimlacht! Gij weet niets van men-schelijk lijden. De eeuwige wetten hebben u uwen weg afgebakend. Waarom ook niet ons? Waarom niet den menschen! Waarom moeten alleen wij in de woestijn om-doolen, om het geluk te zoeken en altoos slechts smart te vinden! Wij verbeelden ons Gode gelijk te zijn, en zijn toch niet beter dan de worm, die zich kromt van smart, en dien de voet van den voorbijganger achteloos vertreedt!quot;

Dit dacht Schiller; dit klaagde en klonk in hem zei ven, terwijl de bleeke jongeling nevens hem, met stotterende stem, vaak afgebroken door zijne tranen en snikken, de geschiedenis van zijn lijden verhaalde.

Het was een eenvoudige, onopgesmukte geschiedenis vol stille smart en beschaamden nood; een geschiedenis gelijk wij ze dagelijks konden hooren, zoo onze ooren open waren voor de stille klacht der smart, die vaak tot ons spreekt uit het bleeke aangezicht van den voorbijganger; een geschiedenis van ontberingen en hopeloos strijden, als die waarvan de onopgemerkte geleerdheid, het eenzame studeervertrek weet te verhalen! Waartoe te herhalen wat zoo oud is als de wereld? —

En mislukt leven, een mislukt beroep. De zoon der armoede voelde in zich den drang naar wetenschap en

ocr page 320

48

kennis; hij meende schatten te zien blinken in zijn geest, en zijn eerzuchtig hart iluisterde hem toe: „Ge zult eens een beroemd kanselredenaar worden! God gaf u de bezieling ; de bezieling zal u het woord geven, waarmede gij de harten der menschen zult roeren!quot; Het was een arme kleermakerszoon, maar zijn vader zag met üots op den zoon, die steeds de beste getuigschriften lebuisbracht uit de school, die allen scholieren als een toonbeeld van vlijt werd voorgesteld. Het was een eer, een glorie voor de geheele familie, zoo de zoon van den kleermaker een geleerde, een geestelijke worden kon. Alles, wat de ouders met moeieiijken arbeid gespaard en verworven hadden, gaven ze willig en met vreugde voor den zoon, opdat hij een geleerde, de trots zijner familie zou worden. Wat hoopt niet de ouderliefde, wat ziet zij niet roemrijks en schoons in profetischen geest!

De jonge Theophil had zijn examens gelukkig afgelegd, en zich naar de universiteit te Leipzig begeven; daar trof hem de treurige tijding van den dood zijns vaders, en riep hem tot bijstand zijner moeder naar Dresden terug. Nu vernam hij, 't geen hij, — die slechts voor zijn boeken, zijne studiën had geleefd, — tot biertje niet vermoed had; hij vernam dat zijn liethebbende vader, om den zoon te ondersteunen, schulden had gemaak, in de handen van woekeraars was gevallen, en alles verpand en beleend had. Toen daarop het nieuwe halfjaar kwam, en hij zijn zoon niets meer zenden en geven kon, — toen had de brave vader, de onvermoeide arbeider, zich nedergelegd en was gestorven van verdriet. En nu kwamen de woekeraars en de schuldeischers en legden beslag op alles, en sloegen geen acht on het jammeren der ongelukkige moeder, niet op de verzekeringen van den tandenknarsenden, wanhopigen zoon; de wet kende hun alles toe, zij namen alles! Schier een geluk moest de arme Theophil het noemen, dat het verdriet, en de schande het hart zijner moeder brak. In het gasthuis der Ursulinnen had hij voor haar ten minste een onderkomen gevonden, en reeds na zes dagen vond zij het laatste onderkomen in de enge, nederige doodkist, welke de weldadigheid van het gasthuis haar verleende.

Maar waar was een onderkomen te vinden voor Theophil, — voor den armen zoon, die zoo plotseling uit zijn stu-

ocr page 321

49

deerkamer verdreven werd in de woestijn des levens, en nergens een oase vond, om te rusten en adem te scheppen van den vermoeienden tocht! Hij had aanvankelijk moedig gestreden, dapper geworsteld. Hij wilde niet bezwijken, niet versagen. Men heeft immers zoo weinig noodig om te leven, en hij was bereid voor dat weinige zoo veel te geven: al zijn kennis, al zijn met zooveel moeite, door lange nachtwaken en ijverige studie verkregen wetenschap. Hij ging tot de voornamen, de rijken, de geleerden en kunstenaars; hij bood zijne diensten aan, hij wilde les geven, onderwijzer van kinderen worden. Maar waar waren zijne getuigschriften? Welke waarborgen had hij aan te bieden! Men wendde zich schouderophalend van hem af, men hield den arbeidzoekende voor een bedelaar en keerde hem den rug toe, of bood hem met verachtend medelijden een karige aalmoes! Hij wees die aarzelend af; hij wilde immers niet bedelen, hij wild arbeiden. Men bespotte hem wegens zijn ontijdigen trots, men noemde zijn toorn bedelaarsonbeschaamdheid! Welke dagen van strijd, van honger, van vernedering; welke nachten zonder huisvesting, zonder rust en verkwikking! Dit berkenboschje hier aan den Elbeoever, was zijn slaapvertrek sedert menigen bitteren nacht; in de eenzaamheid, hier op het mosleger, dat de Natuur hem had gegeven, had hij geworsteld met zijn wanhoop, en evenwel had hij gevoeld hoe zij steeds dichter op hem toekroop, hoe zij hem greep met here koude, ijzeren spinnepooten, zoodat hij haar niet meer ontkomen, — zich niet meer redden kon. Vervolgens had de honger tot hem gesproken met de stem van den verzoeker, en had. hem in de bange ziel gefluisterd, dat de misdaad hem redden kon; dat de diefstal, waartoe de wanhoop hem dreef, hèm niet tot verwijt strekte, maar wel de menschelijke maatschappij en hare liefdeloosheid. Toen, in den angst en nood zijner ziel, had hij, om de misdaad te ontvlieden, zich willen redden in den dood, had voor de stem van den verzoeker rust willen zoeken in het stille, zwijgende bed der rivier. —

Theophil had dit alles met haperende stem, met tranen, met zuchten van berouw en smart verhaald; hij had niets verschoond, niets verzacht. Hij had een sombere schilderij van zijn leven geschetst, en het had de oogen van Schil-

Uvihlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. IV. 4

ocr page 322

50

Iers geest wee gedaan, en den blik zijner ziel verduisterd.

Thans, nu Theophil hijgend en snikkend zweeg, nu legde de dichter zacht zijn hand op het met koud zweet bedekte voorhootd van den jongeling, en hief het aangezicht vroom en met plechtigen ernst ten hemel.

„Gij hebt de jammerklacht des menschen heden vernomen in tweederlei gestalte. Geest der werelden,quot; zeide hij zacht: „zij heeft tot U gesproken in den toorn van den man en in den wanhoopskreet des jongelings Geef beiden van Uwen vrede, geef beiden van Uw kracht! Leer den man de berusting, die erkent, dat men op aarde niet wandelt om gelukkig te zijn, maar om te strijden; leer den jongeling, dat de donkerste nacht altijd slechts de voorbode der opgaande zon, — en van den komenden dag is, en dat hij in de duisternis nooit vertwijfelen moet, maar steeds hopen op het licht.quot;

„Gy hebt gehoopt, uw loon hebt gij ontvangen,quot; fluisterde Theophil met een smartelijken glimlach:

Gij hebt gehoopt, uw loon hebt gij ontvangen,

üw geloof was het u toebedeeld geluk;

Ge zoudt het uw wijzen kunnen vragen, —

Wat men aan 't oogenblik heeft geweigerd,

Brengt geen eeuwigheid terug.quot;

Schiller beefde, en zijn helder, blauw oog richtte zich vorschend op den jongeling, die in zonderlingen gedach-tenloop, de laatste regels van dit gedicht tot de uitdrukking van zijn vertwijfeling koos; waarvan zich Schiller vroeger in zijn smart óók een paar regels had toegeroepen.

„Van wien zijn de verzen, die ge daar even spraakt? Zijn zij van u?quot; vroeg hij.

„Neem,quot; zei de andere, zacht het hoofd schuddende: „vanwaar zou mij de kracht komen voor zulke heerlijke poëzie. Deze verzen zijn van Schiller, van den lieveling der goden en der Muzen; van den grooten dichter, tot wien geheel Duitschland in liefde en vereering opziet, dien iedere vrouw en iedere man met trots en vreugde onze dichter noemt.quot;

„Gij kent dus Frederik Schiller, dien ge met zulk een vervoering prijst?quot;

„Neen; ik heb hem nooit gezien, en ik wensch hem ook

ocr page 323

51

niet te zien! Ik bemin en aanbid hem, daar hij voor mij slechts de verhevene geest, — de onlichamelijke genius is. Ik zon hern misschien benijden, zoo hij in menschelijke gedaante voor mij verscheen.quot;

„Benijden, waarom?quot;'

„Wijl hij de gelukkige, de uitverkorene is! Ik mag den dichter niet zien in lichamelijke gedaante, — niet weten dat hij eet en drinkt gelijk andere menschen!quot;

,,En ook lijdt gelijk andere menschen,quot; zeide Schiller zacht. „Neen, dat is onmogelijk; neen, dat kan niet zijn!quot; riep Theophil levendig: „Hij draagt den geheelen hemel en den glimlach der godheid in zijn geest; hij kan niet lijden, niet ongelukkig zijn!

Schiller antwoordde niet; hij had zijn hoofd achterover geworpen, zag op ten hemel, en de maan scheen weder in zijne oogen, en de sterren fonkelden in de tranen, die langzaam over zijne wangen rolden

„Hij kan niet lijden en niet ongelukkig zijn!quot; herhaalde hij zacht, en het was hem, alsof hij zich zag groeien en sterk worden in zich zeiven, als legde zich een diamanten pantser om zijn hart. Hij sprong op en rekte de slanke, hooge gestalte, schudde de armen en wrong de spieren.— Hier is merg, hier is mannenkracht; stijf zijn de pezen en strak de spieren, en een genius heeft deze borst tot. woonplaats gekozen, deze mannenborst, opdat haar de last der smarten licht worde, en zij dien afschudde als uitgebrande vodderijen.

Hij gevoelde het: zijn gunstig lot had hem dezen ongelukkige doen vinden, opdat hij zou erkennen, dat de sterke alleen de smart waardig kan dragen, dat de zwakke er door in 'tstof vertreden wordt. —

En hij ontfermde zich nu jegens den zwakke, en boog zich goedhartig tot hem. „God heeft gewild, dat ik u van den dood redde,quot; zeide hij zacht: „Hij legt mij hiermede ook den plicht op, u in 't leven te behouden. Ik wil mijn plicht vervullen. Zeg mij, welke plannen ge gemaakt hebt in de dagen, toen uw vader nog leefde?quot;

„Ik hoopte, als ik mijn laatste half jaar voleind had, misschien als huisonderwijzer in een of andere familie te kunnen komen en zóóveel te verdienen, dat ik naar Keulen kon reizen, om aldaar in het katholieke Seminarie

ocr page 324

52

mijne studiën le voltooien, en dan later de wijding te ontvangen.quot;

„Ge zijt Katholiek?quot;

„Mijn. vader was afkomstig van den Rijn, e.n mijne moeder was een Poolsche; beiden waren Katholiek, en 'twas beider idiaal, dat hun zoon eens de wijding ontvangen,— en priester worden zou. Nu heb ik slechts de wijding van het ongeluk ontvangen, en in berouw en boete zal ik mijn hoofd moeten hullen en sterven.quot;

„Jonkman, gij lastert God en loochent Zijne genade, als gequot; zoo spreekt. Hij heeft mij hier gezonden, opdat ik u zou redden, en bij God, ik wil mijn werk niet ten halve doen, maar het voltooien! — Hoeveel hebt ge noodig om uwe studiën ten einde te brengen, en u een toekomst

te verzekeren?''

„Ik waag het niet te zeggen, heer; het is een zeer

grootesom.quot;

„Zouden honderd thaler toereikend zijn?quot;

„O,quot; riep Theophil, schier verschrikt: „dat is veel meer dan ik behoef, meer dan ik ook bezeten heb!quot;

„Zoo ik nu beloofde u deze honderd thaler te geven ; — ze 'u over acht dagen hier op de zelfde plek, op hetzelfde uur als heden, te overhandigen, zoudt ge mij dan zweren tot zoolang te volharden in geduld en hoop, en geen misdadige poging meer tegen uw leven aan te wen-den *?''

„Ik TIOU het u zweren,quot; antwoordde Theophil met trillende, snikkende stem.

„Bij den geest van uw vader en van uw moeder , den geest van mijn vader en mijne moeder!quot;

„Welnu dan, mijn broeder, ik zal, hoop ik, als God wil, u heden over acht dagen het geld brengen. Ik zou zeggen morgen, zoo ik het zelf bezat. Maar ik ben arm, gelijk gij, broeder. Neen, ik laster. Ik ben rijk, want ik heb vrienden, en deze zullen u geven wat ge behoeft, als ik

hen er om verzoek.quot;

„En gij zult hen mijn geschiedenis verhalen?' vroeg Theophil bevende van schaamte.

„Ik zal dat wel moeten, om deelneming te verwekken; maar ik zal noch uw naam, noch uwe omstandigheden zóódanig aanduiden, dat iemand den persoon kan raden van

ocr page 325

53

wieii ik. spreek. En hebt ge mij niet gezegd, dat ge hier volstrekt geen vrienden, geen bekenden hebt?quot;'

„'tls waar,quot; zuchtte Theophil, terwijl hij treurig zijn hoofd op zijn borst nederboog: „het ongeluk kent slechts zich zelf, en de zorgen zijn zijne eenige vrienden. En echter mag het niet uit de duisternis treden en schuwt het, zijn wonden te vertoonen. Maar ik heb geen recht meer tot zulk een trots, en ik buig mij in het stof. Spreek voor mij, mijn edele, grootmoedige redder, mijn verlosser. Gods barmhartigheid zal op uw tong tronen en het bewustzijn, een mensch van schande en misdaad gered te hebben, zal uwe woorden onweerstaanbaar te maken. Ja, ik gevoel in mij de blijde overtuiging, dat God u tot mij gezonden heeft als een bode van vrede en verzoening, en ik wil u gelooven en u vertrouwen, en ik wil leven, wijl gij zegt, dat ik leven moet!quot;

„Leef, mijn broeder, en hoop,quot; zeide Schiller zacht; „verwacht mij over acht dagen, juist op hetzelfde uur, hier op deze plek, en ik hoop u hulp te brengen. Maar ge moet tot zoolang iets hebben om te leven, waarvan ge het arme schepsel voedt, opdat de ziel kracht behoude. Neem dit, mijn broeder; neem, alles wat ik in mijn beurs heb. Het zijn slechts vier thaler, maar zij zullen toereikend zijn, om u voedsel en huisvesting te bezorgen.''

Theophil nam het geld en kuste de hand die het hern reikte. — „Ik heb trotsch de giften geweigerd, welk de overmoed der rijken mij bood, en wilde mij liever inden, dood redden, dan van hunne liefdelooze milddadigheid hulp te ontvangen. Maar van u, broeder Samaritaan, — van u neem ik deemoedig de gift der liefde aan, en buig gewillig mijn hoofd onder den last-der dankbaarheid!quot;

„Zoo, laat ons nu scheiden,quot; zei Schiller zacht: „over acht dagen zien wij elkander weder. Maar één verzoek heb ik nog aan u te richten.quot;

„Zeg wat ge mij te bevelen hebt, en ik zal gehoorzamen zonder tegenspraak en zonder vragen.quot;

„Ik verzoek u, niet te trachten mij uit te vinden, ofte vernemen wie ik ben. De maan heeft ons onze aangezichten getoond, maar met een zilveren sluier bedekt. Beproef niet dezen sluier door het daglicht weg te trekken, en mijn naam te vernemen. Dat ge niemand van onze ont-

ocr page 326

moeting van heden nacht spreken zult, daarvan hen ik zeker; maar ik wenschte ook voor ons beiden elke nadere ontmoeting te vermijden, en ik hid u dus: ganietteveel uit, en vermijd de hoofdstraten van Dresden; want zoo ik u ontmoette, zou mijn hart mij dringen u de hand te reiken en tot u te spreken, en dat zou niet wenschelijk zijn.quot;

„Ik ken hier verderop beneden aan de Elbe een klein, bescheiden huis, waar men voor billijken prijs woning en kost vindt,quot; antwoordde Theophil eenvoudig: „ik zal van hier daarheen gaan: en er tot het afgesproken uur blijven. Mijn voet zal Dresden niet betreden.quot;

„Goeden nacht, broeder.quot; zeide Schiller, hem de hand reikende: „Hier is de plek, waar wij elkander weder zullen ontmoeten. Intusschen wendt gij u rechts en ik wend mij links, en mogen goede geesten deze plaats in hunne hoede nemen tot onze terugkomst.quot;

V.

SCHEIDEN EN MIJDEN.

Schiller begaf zich met haastige schreden naar de stad. In de straten was alles reeds stil en eenzaam; de maan wierp heldere lichtstrepen over de straat, die Schiller nu met haastigen tred volgde Hij kwaam voorbij het huis, waar zij woonde, om wier wil hij heden zoo veel geleden had. Hij zag niet op, maar boog zijn hootd lager op zijne borst, en een gevoel van onuitsprekelijk wee beving hem. Maar hij had geen medelijden met zich zeiven, hij wilde zich zelfs geen klacht, veroorloven.

Hij bibberde van koude, in weerwil van den gloed, die op zijn voorhoofd brandde, toen hij nu zijn eenzame woning binnentrad. Niemand heette hem welkom, niemand bood hem tot een deelnemenden groet de hand. Zijne beide vrienden hadden lang op zijn terugkomst gewacht, doch toen uur op uur verliep zonder dat Schiller terugkwam, hadden zij zich verwijderd. Zij kenden 't karakter van hun vriend ; zij wisten dat Schiller, — als zijn gepioed

ocr page 327

55

in oproer was, als hartstochten in hem woedden, — de eenzaamheid zocht, om onopgemerkt zijne driften te laten uitrazen, en zijn woede tot bedaren te brengen.

„Hij zal naar Loschwitz zijn gegaan, en weder een paai dagen het paviljoen bewonen, waarin hij don Carlos gedicht heeft,quot; zeide Körner: „Zijn genius wijst den dichter steeds het rechte pad, en in zijn eigen ziel draagt hij den balsem voor zijne wonden. Ik zelf zal morgen vroeg naar Loschwitz gaan, en zeer heimelijk, — zonder dat hij het merkt, — onderzoek doen. Is hij daar, welnu, dan willen wij hem stil laten begaan, en wachten tot de hartstocht uitgewoed is, en de vriend tot zijne vrienden terugkeert.quot;

„Maar als hij er nu niet is?quot; vroeg Göschen bezorgd, terwijl zij naar buiten op de straat gingen ; „Ik heb Schiller nog nooit in zulk een heftigen en toornigen gemoedstoestand gezien als heden. Als er maar geen ongeluk gebeurt, en de vreeselijke ontnuchtering hem maar niet overweldigt, zoodat hij in zijn wanhoop —quot;

„Spreek niet verder,quot; viel Körner hem ijlings in de rede; „laat mij dat vreeselijke woord niet hooren. Beleedig den afwezigen vriend niet, misken niet den verheven genius. De pijl der smart, die den gewonen mensch de vleugels der ziel verlamt, voert de ziel des dichters tot de zon en tot de Godheid op.''

Maar heden in dezen eenzamen, donkeren nacht zou Körner's woord zich nog niet vervullen aan de ziel des dichters. Hij had wèl de vertwijfeling bestreden, maar de smart was gebleven, knaagde in hem, en liet hem geen rusl, geen vrede vinden. Zijn bed, waarop lichamelijke afmatting hem nederwierp, werd voor hem een bed van smarte; want zijn gedachten en herinneringen waren de doornen, die hem wakker hielden, en zich met onuitsprekelijke pijn in zijn hart boorden.

Zonder geslapen te hebben en afgemat, doch in koortsige opgewondenheid, stond Schiller den volgenden morgen op, toen de zon reeds hoog aan den hemel stond, en zag met een langen, somberen blik om zich heen in de kleine eenvoudige woonkamer, waar hij nu uit het slaapvertrek binnentrad. Alles kwam hem in deze kamer veranderd en somber voor. Gisteren was alles zoo genoegelijk, zoo vriendelijk; had alles hem toegelachen als in feestdosch.

ocr page 328

56

De bloemen daar in de kleine vaas, welke Körner hem uil Loschwitz had gebrachl, hadden gisteren heerlijk gegeurd en met de fraaiste kleuien geschiilerd. Heden riekten zij naar ontbinding, en hingen verflenst. De boeken en papieren lagen verward dooreen op de schrijftafel. Alles in de kamer wekte bij Schiller die woeste, troostelooze gewaarwording, alsof een dierbare vriend ons plotseling verlaten heeft, en men na zijn vertrek de eenzame kamer binnentreedt, welke hij bewoonde.

Ja, eenzaam was de kamer, en van hem vertrokken was het geluk, de liefde, de hoop, de opgewektheid. Hoe kan men werken, hoe kan men dichten zonder opwekking, zonder vrienden?

„Elegiën op de trouwelooze geliefde,'' antwoordde hij zich zeiven luid en op spottenden toon: „een van tranen vochtig gedicht met het opschrift: „Toen ik haar zag in den kring harer minnaars,''of ook; „De bedrogen Seladon.quot;

Hij lachte luidkeels, trad naar het venster en trommelde op de glasruiten, zooals hij gedaan had, toen Körner en Göschen de geliefde bij hem in verdenking hadden gebracht. Het rinkelen den glasruiten herinnerde hem daaraan, en hij trok haastig zijne handen terug, en ging weder in de kamer. Maar plotseling deinsde hij ontsteld terug, slaakte een luiden kreet, als had hij een geestverschijning gezien, en staarde naar de deur.

In deze deur stond Marie von Arnim, bleek, maar met kalm aangezicht; de groote blauwe oogen met een smee-kende uitdrukking op hem gericht, die, altoos nog met een gebaar van ontzetting rugwaarts gebogen, en de rechterhand in bet gele haar op zijn hoofd woelende, voor haar terugweek.

Zij liet hem den tijd niet, zich van zijn verbazing te herstellen, maar sloot de deur achter zich, wierp hoed en mantel op een stoel en trad recht op Schiller toe.

„Schiller,quot; zeide zij met bevende stem : „ik ben gekomen, wijl ik niet wil dat ge mij verachten zult; wijl ik niet wil, dat de gedachte aan mij een schaduw in uwe herinnering zal achterlaten.quot;

Hij had zich thans hersteld; een bitter gevoel van drift en toorn woedde in hem, en dreef hem de woorden op de lippen.

ocr page 329

57

„Waarom zoudt ge ook niet gekomen zijn,quot; vroeg hij: „Wal buitengewoons is hierin ? De voorname dames gaan immers wel in per soon naar haar kleermaaker en schoenmaker, om bestellingen en inkoopen te doen. Waarom zouden zij ook niet tol een dichter gaan, om een gedicht te bestellen. Nietwaar, 'lis immers om een bruiloftsgedicht te doen, dat de genadige freule von Arnim voor haar huwelijk met den heer graaf von Kunlieim bij mij bestellen wil? Want ik vergis mij immers niet? Dit was immers de naam van den bevoorrechten cavalier uil den engsten familiekring van gisteren, van wien men mij gezegd heeft, dat hij niet de genadige freule huwen zal?'

„Ja hij was het,quot; antwoordde zij zacht; „ge ziet, Schiller, ik heb u niet in de rede gevallen; ik heb uwe wooiden op mij laten nederkomen, zooals de boetelinge degeesel-slagen ontvangt, zonder te klagen en te jammeren, schoon ook het bloed uil de geslagen wonden vloeit. Maar wees nu barmhartig. Schiller; laat het straf genoeg zijn, en hoor mij.quot;

„De inhoud van het gedicht, ik begrijp,quot; zeide Schiller, altoos nog met dreigend gebaar en toornig gelaat; „Het gedicht moet toch waarschijnlijk een soort van voorstelling van den bruidstijd zijn, van de eerste kennismaking af lot de liefdesverklaring en de geheime verloving; het rozenperk der liefde. In deze dwepende poëzie als komieke figuur gevoegd de belachelijke gestalte van een armen poëet, die het in dwazen zelfwaan gewaagd had, zich evenals den heer graaf voor een hooggeborene te houden, en dus de vermetelheid had, ook zijn hart tot de schoone freule te wenden, die natuurlijk met zijne vermetelde liefde spotte!''

„Neen, Schiller, — die zich de trotschte, de gelukkigste vrouw geacht zou hebben, zoo de omstandigheden haar veroorloofd hadden, vrij en oprecht hare liefde te mogen bekennen.quot;

„De omstandigheden,quot; riep Schiller ruw: „ja, die zijn altoos de zondebokken, waarop de zwakken en trouwloo-zen steunen, en die hunne onstandvastigheid tot verschooning moeten dienen. O, genadige freule, ik erken echter het moeielijke der omstandigheden volkomen. Gij hadt de liefde van den dichter slechts als een lokspijs gebruikt, om u rijke en voorname minnaars in 't net ie voeren. Deze

ocr page 330

58

rol is niet zeer vleiend en niet zeer dankbaar voor mij, maar het is toch altoos een rol, — en een dramatisch dichter kan niet enkel goede rollen verlangen. Laten wij 't er dus bij, en spreken wij van uw bruiloftsgedichl. Wanneer moet het klaar zijn?quot;

„Schiller!/ riep zij buiten zich zelve en in tranen losbarstende; Schiller, wilt ge dan geen medelijden met mij hebben?quot;

„Hebt gij medelijden met mij gehad?quot; vroeg hij, plotseling van den spottenden, tot den toornigen toon overgaande, en Marie, die ootmoedig met gevouwen handen en smeekend voor hem stond, met blikken aanschouwende, die allengs vlammender en toorniger werden: „Ik vraag u, hebt gij medelijden met mij gehad? Kwam, bij uw sluwe berekening, ooit de gedachte bij u op, dat ge mij een smart veroorzaaktet, voor welke geen balsem, geen genezing bestaat ? Want men verdraagt en lijdt het geduldig, als de dood of de macht van het noodlot twee harten vaneenscheurt, !die elkander beminnen; er is een troost voor, als men zich aan de omstandigheden onderwerpen, — en scheiden moet van zijne liefde, om voor de harde wetten der menschelijke maatschappij te buigen. Men behoudt de ongestoorde heilige herinnering aan ver-ledene, zalige uren; men behoudt de hoop op den tijd, die alle hindernissen uit den weg kan ruimen. Maar wat blijft mij, — mij dien men in zijn liefde, zijn zaligheid, zijn ideaal bedrogen heeft? Mij, wien de herinnering aan dit bedrog, als een dreigende schaduw in 't hart staat, en zich als een waarschuwend spook in de toekomst uitstrekt? Waar zal ik geloof, waar zal ik hoop en vertrouwen herwinnen, nu gij, die ik beminde, mij bedrogen hebt? Gij hebt niet alleen mijn geluk verwoest, ge hebt ook den genius der dichtkunst in mij beleedigd. Onverschillig en treurig zal mij alles zijn. Als hoon en spot zal mij het woord van geestvervoering klinken, en zelfs de gedachten mijner phantasie zal ik mistrouwen, als ik haar het woord van liefde, den eed van trouw op de lippen leg; want niets is meer edel, niets is meer rein en kuisch en schoon, nu gij mij zoo snood hebt kunnen bedriegen!quot;

Hij' wierp een laalsten vlaminemien, toornigen blik op haar, en wendde zich af, trad in de vensternis, en keek

ocr page 331

59

naar buiten op de straat. Marie von Arnim volgde hem zacht, en legde haar koude, bevende hand op zijn arm.

,,Schiller, indien ik werkelijk degene was voor wie ge mij houdt, zou ik dan wel tot u gekomen zijn, op het gevaar af, dat anderen mij hier bemerken, en het bericht van mijn bezoek bij u in de stad verspreiden ? Ik ben gekomen, Schiller, wijl ik niet wilde, dat de schoonste muziek mijn levens met een wanklank eindigde; wijl ik niet wilde, dat ge met toorn aan mij terugdenken zoudt, terwijl ik toch slechts bejammering en medelyden verdien.'

„Bejammering! Medelijden!quot; herhaalde Schiller schouderophalend.

„Ja,quot; voer zij zacht voort: „ik verdien het. Ik ben niet slecht, niet trouweloos en valsch. Ik ben slechts een'arm meisje, wier hart en hand door het lot geboeid zijn, zoodat zij niet doen kan, wat zij wil en wenscht. Een arm meisje, dat Gods gebod moet volgen, 't welk haar beveelt hare ouders te gehoorzamen, en zich aan hunne bevelen te onderwerpen. Ach, begeer niet van mij, Schiller, dat ik u in alle bijzonderheden bekend make mei de ellende waaronder mijn familie lijdt: met de rampen, de vernederingen en den kommer, welke degene te dulden hebben, die hun nood onder den sluier van welgesteldheid verbergen, en de ijzeren armoede tooien en vergulden, zoodat hij er als goud en weelde uitziet. Geloof mij, Schiller, wij zijn zóó arm, dat wij niet meer weten, waarvan wij den volgenden dag zullen leven, of hoe wij ons redden zullen voor onze schuldi ischers.quot;

„En gaaft tóch lustige dinés, en ontvingt tóch den adel ijken, naasten familiekring zoo dikwijls te soupeerenquot; spotte Schiller, zonder zich om te wenden tot Marie, die deemoedig achter hem stond.

„Mijn moeder wilde het zoo, Schiller. Zij had haar laatste bezitting en goed bijeengebracht, om hier naar Dres den te komen, opdat ik hier een rijke partij zou vinden. Schiller, ge zult mij gelooven, als ik u zweer, dat ik niets hiervan vermoed heb, — dat ik geheel argeloos en onbevangen hier gekomen ben, — dat mijn eerste en grootste vreugde geweest is, u hier Ie Dresden te leeren kennen, en door u opgemerkt te worden! Schiller, ik heb een zoeten, een heerlijken droom gedroomd.quot;

ocr page 332

00

„En het licht in het venster was de nachtlamp in dezen droom,quot; spotte hij.

„Ik rechtvaardig mij vergeefsquot;, zeide zij zacht: „mijn moeder gelastte mij, en ik moest gehoorzamen. Toen zij mij gisteren verklaarde, dat er voor haar nog slechts ééne redding uit allen nood was, namelijk, zoo ik het aanzoek van den rijken graaf Kunheim aannam, onderwierp ik mij, na lang vruchteloos smeeken, na lang strijden, aan hel moederlijk bevel; maar ik stelde tot voorwaarde, dat gij de waarheid zoudt vernemen, dat gij weten zoudt wat ik lijden moest; dat dus gisteren avond geen licht in het venster zou staan, om u van ons verwijderd te houden. Mijn moeder beloofde het mij, maar zij is wreed genoeg geweest, haar belofte niet te vervullen.quot;

„Zoodat ik dus nog heden, bedrogen en verraden, als een geloovige zot zou rondwandelen, zoo ik niet het waarschuwende licht getart, — en den sterken slagboom van den naasten familiekring had doorgebroken!quot;

„Ik dank het lot, dat het de bedoelingen mijner moeder verijdeld heeft;quot; zeide zij zacht; „als men gedwongen is iemand het geluk te weigeren, 'twelk men hem zoo gaarne schenken zou, is men verplicht hem ten minste de waarheid te zeggen, schoon zij hem ook wee doet en zijn hart wondt. De waarheid is een tweesnijdend zwaard, en zij wondt niet alleen hem, die haar ontvangt, maar ook hem, die ze geeft. — Ik ben gekomen. Schiller,quot; voer zij na een poos, diep ademend, met bevende stem voort: „gekomen om afscheid van u te nemen, om u te zeggen: Schiller wij zullen elkander in het leven niet weder ontmoeten; laat ons in vrede scheiden!quot;

„Niet weder,quot; prevelde hij, terwijl hij langzaam zijn hoofd naar haar heen wendde, die hij vroeger steeds zoo fier, zoo vroolijk, zoo schitterend van schoonheid en jeugd gezien had, en die nu zoo deemoedig en onderworpen naast hem stond, en met tranen, met smeekende blikken tot hem opzag.

„Nooit weder!quot; zuchtte zij: „Onze levenswegen moeten voortaan ver van elkander gescheiden zijn, want ik zal met den man huwen, wiens rijkdom mijn moeder en mijn broeder redden zal, en voor wien ik hiervoor, zoo ook geen beminnende, — toch een dankbare en trouwe echtgenoote

ocr page 333

61

zijn wil. Heden middag zal mijne verloving met den graaf Kunheim gesloten worden, en ik heb het laatste uur mijner vrijheid gebruikt om tot u te komen, om van u at-scheid te nemen, en u vergiffenis te smeeken voor het verdriet, dat ik u buiten mijn schuld veroorzaakt heb.quot;

„Buiten uw schuld?'' riep Schiller heftig, zich nu geheel tot haar omwendende en haar met zijn groote, vlammende oogen aanstarende: „Hoe kunt ge zeggen, dat ge mij buiten uw schuld smart veroorzaakt hebt? Ge wist immers dat ik u beminde. Ik had het u gezegd, en ge hadt mijn bekentenis aangenomen, en mij hoop gegeven! O God, hoop terwijl gij toch moest weten, dat mijn liefde hopeloos was?quot;

„Gij spreekt slechts van w,'1 zuchtte zij met zachte, bevende stem; „Gij denkt geen enkelen keer aan mij, en het valt u volstrekt niet in, te denken, dat ook ik geleden, dat ook ik gehoopt heb! Ja, Schiller, gehoopt heb ik, dat mijn moeder aan mijne beden, mijn smeeken gehoor zou geven, want ik heb haar gebeden, gesmeekt, vurig en innig; ik heb haar op mijne knieën bezworen, mij te veroorloven mijn geluk te zoeken in mijn geest ennaarmyn wensch. Ik heb dit nog gisteren gedaan. Schiller. Ach, ik kende toen nog niet den wanhopigen toestand, waarin mijne moeder zich bevond; ik wist niet dat haar eer, — zelfs hare vrijheid in gewaar was! Toen zij mij bekende, toen zij mij de geheele treurige waarheid onthulde, had ik een gevoel alsof mijn hart brak, alsof plotseling alle bloesems mijns harten verwelkten, en winterkoude mij omgaf. Want ik erkende, dat het mijn plicht was, mijn eigen wenschen en hoop aan mijne moeder ten olïer te brengen. Ik deed wat mijn plicht was; ik verloochende mijn eigen geluk, om mijne moeder te redden, om den avond van haar leven ten minste een laatsten zonnestraal te verzekeren. Ik heb mij onderworpen, — ik zal de gade van den graaf Kunheim worden.quot;

„En zult hem zeggen, dat ge zijn edele liefde met vreugde aanneemt en hartelijk beantwoordt.quot;

„Neen, ik zal voor den edelen man niet liegen, en ik heb dit niet gedaan. Toen hij mij gisteren avond zijn hand aanbood en om mijn liefde vroeg, heb ik hem eerlijk en oprecht mijn geheele hart ontsluierd ; heb hem ge-

ocr page 334

62

zegd dat ik hem hoogachtte, hem vertrouwde; dat ik hem een dankbare en getrouwe gade wilde zijn, doch dat mijn hart niet meer vrij was en er een liefde in woonde, die nooit zou sterven en vergaan, — want het was Schiller, dien ik beminde!quot;

„Hebt gij hem dat gezegd?quot; vroeg Schiller met bewogene stem. — „En hij0''

„Hij heeft mij gelijk gegeven, dat, wie Schiller bemint, hem nooit vergeten kan; maar hij heeft gezegd, dat hij mij om deze liefde nóg hooger achtte, en er nooit jaloersch op zou kunnen zijn. Hij zeide, dat mijne liefde voor Schiller het altaar van onzen echt en van ons huis zou zijn, waarop wij onze beste gewaarwordingen nederleggen, — en't welk wij ons altoos waardig wilden betoonen.quot;

„Edel, grootmoedig man,quot; riep Schiller: Ja, bijverdient gelukkig te zijn en u te bezitten. Ga, Marie, en doe uw plicht! Laat de lentebloesem uws harten verdorren, en voor den echtgenoot de volle zomerroos uwer liefde bloeien. Gij kunt dit, Marie, want — ik zeg het u thans zonder wrok en zonder toorn: — want gij hebt mij nooit bemind! O neen, weerspreek het niet, wil mij niet overreden dat het niet zoo is. In dit uur, waarin mijn ziel zich zelve verheft boven alle eigen wenschen en begeerten, — in dit uur verheugt het mij, dat ik inzie: gij hebt mij nooit bemind. Want ik weet, dat een gunstig lot u hierdoor bewaard heeft voor de diepe en bittere smart, die i/c gevoel; ik weet dat ge gelukkig zult zijn aan de zijde van den edelen, hooghartigen man, die naar u dingt O, ik zeg niet, dat ge mij terstond zult vergeten; ik heb te goede gedachte van mij zelve, om dit te kunnen gelooven. Neen, ge zult aan de herinnering aan mij nog tranen wijden, 'maar uw verloofde zal er zijn, om deze tranen te drogen ; hij zal vol deelneming met u van uwe liefde spreken, als van een schoonen lentedroom; en ge zult vinden, dat het ontwaken uit dezen droom op een van bloemen rijken zomerdag óók schoon is, en daarmede zult ge u troosten. En vervolgens, in veel latere dagen, als al de smarten, welke ik thans gevoel, uitgebrand zijn, — op een dag als gij een hoogst gelukkige, hoogst geëerde matrone zijt, als 'ik uitgeleden, lang heen ben gegaan naar het onbekende land, vanwaar geen terugkeeren is; —op een dag als gij in

ocr page 335

68

den kring uwer kinderen en kleinkinderen, die om u weenen, liet laatste uur voelt naderen, dan zult ge u nog eens dezen lentedroom herinneren. Hij zal u groeten als een zonnestraal van het nieuw opgaande leven, en ge zult glimlachend tot uwe kinderen zeggen; „Ik laat u goud en schatten na, een schitterenden naam, en rang en rijkdom voor de wereld. Maar ik laat u nog een heerlijker gedachtenis na. Mij heeft Schiller bemind, en de liefde van een dichter is een zegen, die erfelijk is van geslacht tot geslacht. De naam uws vaders maakt u voornaam en aanzienlijk, — maar de liefde, welke de dichter Schiller uwe moeder toedroeg, maakt u beroemd en onsterfelijk! Maakt u deze liefde waardig. Gaat heen naar het graf des dichters die eenzaam en arm gestorven is, en bidt voor hem!quot;

„Neen, Schiller, dat zal niet alles zijn, wat ik hun zal zeggen, die eens om mijn sterfbed zullen staan,quot; zeide Marie, hare tranen drogende, om hem met hare groote, glanzende oogen, vol en strak in het treurig gelaat te zien: ^,lk zal hun zeggen: „Ik keer nu terug tot God en mijn eerste, mijn onvergankelijke liefile Stervend mag ik het met trots en vreugd bekennen: ik heb Schiller bemind! Ik bemin hem nog!quot;

En Schiller, als begeesterd door haar luiden, bezielden toon, door het gloeiend gelaat dat hem tegenstraaide, — Schiller breidde, nauwelijks wetende wat hij deed, zijne armen voor haar uit. Zij wierp zich aan zijn borst, zij drukte haar hoofd tegen zijn hart, hij sloeg zacht zijn armen om haar leest, en liet zijnhand op haar hoofd rusten.

Het was een stil, plechtig oogenblik, een zalige en treurige laatste omhelzing. Hunne lippen zwegen, maar hun harten spraken te zamen met heilige gedachten en wen-schenlooze gebeden.

Vervolgens na een pauze hief Schiller teeder en zacht het hoofd, dat nog altoos aan zijn hart rustte, tusschen zijn beide handen op, en aanschouwde het lang. De tranen, die uit zijne oogen vloeiden vielen, als gloeiende paar-len juist op hare oogen, en gleden toen, vereend met haar eigen tranen, over haar gelaat neder. Schiller boog zich en kuste deze oogen, die zijn tranen gedronken hadden, en kuste de lippen, die heet en innig zijn kus beantwoordden. Vervolgens liet hij Marie zacht uit zijne armen los, en

ocr page 336

64

drukte nog slechts een oogenblik haar handen aan zijne oogen.

Zij keerde langzaam om, ging naar de deur, en hernam hoed en mantel. — „Vaarwel, Schiller!quot;

„Vaarwel, Marie!''

Hij bewoog zich niet van de plaats, ging niet tot haar, stond altoos nog stil en onbeweeglijk, toen zij de deur geopend had, op den drempel stond, en hem met een laat-sten, langen blik aanschouwde.

Nu stoorde een licht gerucht de stilte; het sluiten der deur, waardoor Marie verdwenen was. Schiller stond nog op dezelfde plek, en zag naar de deur. Was het plotseling zoo donker geworden, had do zon zich verduisterd, of waren 't slechts de tranen in zijne oogen, die maakten dat hem de deur even donker en zwart scheen als een overeindstaande doodkist? Was het plotseling zulk stormweer geworden, beefde de grond onder hem door een aardbeving, of trok slechts de storm van den hartstocht over zijn hoofd? Was het slechts zijn kloppend, bevend hart dat zijne voeten deed waggelen, en veroorzaakte, dat hij naar een stoel strompelde, en luid kreunend er op nederzonk? —

Hel uur, waarin een mensch worstelt met zijn smart, het uur van zelfverloochening en overwinning is heilig, en slechts Gods oog mag het zien, maar geen mond mag beproeven het te schilderen; tenzij de gewijde mond des dichters zijn smart verheerlijkt hebbe lot poëzie, en hem het uur der zelfverloochening ook het uur der bezieling geworden is! —

Er weent en jammert iemand achter deze deur. Is het Marie, die buiten staat en weent en jammert ?

Er spreekt iemand luid en in vervoering achter deze deur. Is het de dichter, die daar binnen een grafschrift op zijn liefde dicht:

Geef mij de vrouw, die aan uw hart zoo dierbaar is,

Geef uwe Laura aan mij !

Tk scheurde haar bloedend van het gewonde hart,

Ik weende luid, en . . . gaf haar.--

Er werd herhaaldelijk luid en heftig aan de deur geklopt. Schilller schudde het verwarde haar van zijn gelaat weg, en opende.

ocr page 337

05

VI.

HET LIED AAN DE VREUGDE.

Het was de brievenbesteller, die den dichter een roos-kleurigen, welriekenden brief uit Weimar bracht.

Schiller opende hem met bevende hand, en ademde diep, toen hij het schrift herkende, — het schrift van mevrouw von Kalb. ,,0 edel, trouw vrouwenhart!quot; fluisterde hij: „IJebt ge mij niet vergeten! Denkt ge aan mij in liefde en verlangen—

Neen, zij had hem niet vergeten, beminde hem nog altoos, riep hem tot zich met de smeekende woorden der liefde, met de welsprekende bede van vurig verlangen.

„Schiller, de wereld is eenzaam zonder u, die de in nigste gedachte mijner gedachten, de diepsle ziel mijner ziel zijt! Frederik, die scheiding van u heeft mij het heiligste geheim van mijn hart en het uwe geopenbaard, en het is dit: Wij zijn de twee helften, die in den hemel één zijn geweest, en nu op aarde elkander steeds zoeken en nastreven moeten, om weder hun eeuwige ondeelbaarheid en eenheid van ziel te erlangen. Schdler, als wij weder vereend zijn hand in hand, elkander oog in oog aanschouwen, dan zullen wij ons gevoelen, als waren wij aan de aarde ontrukt, dan zullen wij weder in den hemel zijn. Frederik, kom tot uwe Charlotte!quot; —

„Ja, ik ga tot mijn Charlotte, ik kom!quot; riep Schiller zeer luid, en drukte het papier aan zijn lippen: „Gij hebt mij gered, gij hebt mij aan mij zelve teruggeven, Charlotte! Ik beu niet meer eenzaam, niet meer onbemind. Uw hart roept mij, uw ziel verlangt naar mij, en het is mij alsof mijn ziel vleugels krijgt, die mij wegdragen boven alle leed dei' aarde.' Ja Charlotte, dierbaarste vriendin mijner ziel, tot u, tot u! Gij zult mij troosten, mij oprichten; uw vriendschap zal de balsem zijn voor alle wonden van mijn hart, O almachtig, eeuwig lot, ik dank u, dat ge mij in den diepsten nood mijns harten, dezen roep der vriendschap doet hooien! Ik dank u, dat er nog één ziel is, die mij behoort; ik loof u, dat ik niet beschaamd en weenend als een onbeminde, eenzame bedelaar ter zijde moet staan, terwijl de gelukkigen aan de rijk bezette tafel

Mührbaoh, Duitschland in woeling en strijd. IV. 5

ocr page 338

66

des levens genieten! Ik heb ten minste ééne ziel, die de mijne is, en ik wil haar heilig houden, haar beminnen en danken, mijn leven lang. Weg met de tranen, weg met het jammeren om een gedroomd geluk! Vaarwel, Marie! U zij vergeven, en ik wil aan u denken zonder wrok, en mij verheugen, als het u goed gaat, als ge een gelukkige gravin wordt! Vaarwel, Marie !1) Wees gegroet, Charlotte, ik kom tot u! Ik kom!quot;

Hij ging lang in de kamer op en neer, en het werd steeds helderder in zijn ziel, steeds lichter in zijn geest. De man had overwonnen, de dichter had zich wederge-vonden.

„Ik wil tot Körner gaan! Ik verlang naar den vriend,quot; zeide hij, nam zijn hoed en ging naar buiten op de straat. Fier en krachtig ging hij, bevrijd van alle boeien was zijn geest, hoog opgeheven droeg hij het hootd; naar den hemel gewend waren de groote, blauwe oogen, en een glimlach stond op de dunne fijne lippen.

Zóó trad hij bij Körner binnen, die juist op't punt stond naar Loschwitz te gaan, om naar den dichter te vernemen. Hij stak hem beide baden toe, en groette hem met een warmen vriendschapsblik.

„Hier ben ik, vriend, daar hebt ge mij weder. De verloren zoon keert terug van zijn dwaling, en verzoekt vriendelijk kwartier in uw hart. Zult ge hem ontvangen, vriend Körner?quot;

„Ik zal hem ontvangen, vriend; ik zal, — zooals in den Bijbel staat, — het beste dier uit mijn stal slachten, om den teruggekomene waardiglijk te onthalen. Ik zal een feest geven aan al onze vrienden, en zij zullen mét mii jubelen en roepen; Hij is er weder! Gezegend zij het uur zijner terugkomst!quot;

Schiller wierp zich in de open armen van zijn vriend

1

Marie von Arnim huwde met den rijken graat' von Kunheim, en vertrok met bem naar Pruisen op zijn landgoed. Zij heelt Schiller nooit wedergezien, maar hem ook nooit vergeten, en zoolang hij leefde, hing het welgelijkend portret van Schiller in haar slaapkamer, over haar bed. Hèm go d 's avonds haar laatste, — 's morgens haar eerste blik. Na den dood van haar echtgenoot, in 'tjaar 1814, vertrok gravin Kunheim weder naar Uresden, en leefde daar in afzondering en stilte tot aan haar dood, die eerst in 'tjaar 1847 plaats had. Maar zij kon niet, —zooals Schiller voorspeld had,— op haar sterfbed tot hare weenende kinderen en kleinkinderen spreken, want zij stierf zonder kroost.

ocr page 339

67

en drukte hem innig aan 'zijn hart. — „Ik heb u veel nood en kommer veroorzaakt, vriend! Ik was een weerbarstige, wilde knaap, die van wilgentakken een schalmei wilde maken, om daarop het hooglied der Natuur en der liefde te blazen. Maar mijn lippen verstaan het niet op de schalmei te blazen, en niemand dan mij zeiven zult ge deswege verwijten doen. Wat kunnen de schoonen het helpen, dat zij den lang opgeschoten, leelijken en stuurschen gezel niet beminnen kunnen, daar er zooveel knapper, rijker en gelukkiger mannen in de wereld zijn? Marie von Arnim heeft gelijk gehad, met den rijken en schoonen graaf Kun-heim te trouwen, ge moet haar hierover niet berispen, en ook niet zeggen, dat zij mij bedrogen heeft. Zij heeft slechts gedaan, 'wat wij allen doen moeten op aarde: zij heeft haar plicht gedaan, en God zal er haar voor zegenen, en haar vrede geven in haar sterfuur. Zoo, en nu is 't afgedaan, en we spreken er niet meer van.quot;

„Neen, vriend, spreken wij er niet meer van,quot; zeide Körner hartelijk: „spreken wij slechts van de vreugde, dat ge ons wedèrgegeven zijt, dat ge weder gelooft aan ons en onze vriendschap. O hoe gelukkig zal mijn goede vrouw zijn, den dierbaren vriend weder te hebben, en hoe blij zal Göschen zijn, als ge hem weder vriendelijk en liefderijk de hand reikt!quot;

„Die arme, goede Göschen,''zei Schiller nadenkend; „Ik ben gisteren hard en onrechtvaardig jegens hem geweest; ik heb hem van onedele beweegredenen beschuldigd.quot;

„Hij denkt er niet meer aan,quot; sprak Körner geruststellend; „hij heeft geen geheugen voor woorden, welke de smart uit u sprak; hij zal slechts gelukkig zijn u weder te hebben, weder vriendelijk aangezien te worden.quot;

„Hoe zijt ge allen zoo goed en verdraagzaam jegens mij,quot; zeide Schiller getroffen: „en hoe weinig heb ik dit aan u verdiend. Ik ben in waarheid te moede, alsof ik na een lange scheiding tot u terugkwam; alsof ik in den laatsten tijd u allen slechts aanschouwd had door een nevel, die tusschen ons lag, en waarin één enkele ster mij bescheen, en — Stil, niets hiervan! De nevel heeft zich opgelost in damp en niets, en ik zie u weder, mijn vrienden, en wil mij over u verheugen, zoolang wij nog te zamen zijn.quot;

ocr page 340

68

„Schiller, ge wilt ons toch niet verlaten ?quot; vroeg Körner smartelijk.

„Ik ben een arme zwerver, vriend, die nergens een verblijf heeft, en nu hier, dan daar een weinig rust op zijn tocht. Er zal ook voor mij ten laatste wel een tijd komen, dat ik wandelstok en ransel afleg, en zeggen mag: Hier wil ik rusten! Hier is mijn woonplaats! Maar slechts de goden weten ot deze woonplaats mij in het graf, of aan het hart eener vrouw zal verbeiden.quot;

„O, mijn vriend, thans geen zwaarmoedige gedachten, nu ik zou willen juichen van geluk en vreugde, u weder te hebben!quot;

„Gij hebt gelijk, vriend, geen zwaarmoedige gedachten! Tot de vreugde willen wij onze gedachten wenden; het eerste lied dat ik dicht, zal de vreugde prijzen. O, ik wil niet meer de menschen ontvlieden, niet meer de eenzaamheid zoeken! Ge hebt het gezegd, Körner, en het zij zoo! Geef den teruggekeerde een feest; roep de vi'iendener bij, opdat wij ons nog eens vereenigen tot een vroolijke „ronde tafel,quot; opdat wij nog eens het feestmaal der vriendschap en vreugde te zamen vieren Geef mij een feest der terugkomst en des afscheids tegelijk.'' —

En Körner gaf dit feest. De verloren vriend, die zich in den laatsten tijd in quot;t vuur zijner liefde, van al zijne vrienden teruggetrokken had, was nu wedergekeerd, en dit was wel de vreugde en het feest waardig. Hij riep zijn vrienden tot zich, hij had voor ieder een zacht woord, een teederen groet, en Göschen beloonde hij overrijk, want hij gaf hem het voleindigde manuscript van don Carlos, dat nu in de wereld zou treden, om den krans der onsterfelijkheid te weven om het hoofd des dichters, en de geestdrift voor hem, in duizende harten opnieuw te ontvlammen en te versterken! —

Zes dagen na Schillers „terugkomstquot; had het feest plaats naar Körner's belofte; de heilige ronde tafel der vriendschap. Daar was Körner met zijn schoone jonge vrouw, daar waren Therese Huber en Göschen, daar waren de kunstenares Sophie Albrecht met haar echtgenoot, en eeni-ge vrienden uit Leipzig, welke Körner zelf voor dit feest genoodigd had, en die met vreugde gekomen waren, om den dichter nog eens te zien.

ocr page 341

69

Daar zat hij aan de vroolijke „ronde tafel,quot;[den arm om Körner's hals gelegd, in de rechterhand de bokaal met den fonkelenden rijnwijn. Zijn oog schitterde, en vol bezieling was de uitdrukking van zijn aangezicht. Naar boven was zijn blik gericht, en misschien zag hij „den hemel open en het aangezicht der zaligen,quot; want een schoone en gelukkige glimlach speelde om zijne lippen. ^

„Aanschouwt hem, den lieveling der Muzen, riepKör-ner; „zou men niet zeggen, dat zij hem juist omstrengeld hielden, en hem fraaie wondersprookjes in het dichterlijk

hart fluisterden?quot; ...

„Zij doen het misschien ook, vrienden; zij fluisteren mij een liefeliik jubellied in 'toor, opdat ik het u zou herhalen, u, de lievelingen der goden! Maar vóór ik dit doe, wil ik u een geschiedenis verhalen, en zoo zij uwe harten niet roert en uwe beurzen niet opent, dan zijt ge koudbloedige egoïsten, en zal het met u gaan als met koning Midas, voor wien zelfs de wijn en de spijs in goud veranderden, wijl hij een hardvochtige vrek was. Ik veroordeel u hiertoe, zoo ge den moed hebt, mijn geschiedenis aan te hooren, zonder er tot tranen en tot weldadigheid door bewogen te worden!quot;

En op innigen toon, met welsprekende schildering verhaalde Schiller aan zijn luisterende vrienden, zijn avontuur

in ^den bewusten nacht, zijn gesprek met den jongeling, dien hij van zelfmoord redde. Zóó treilend waren de woorden, waarmede hij den nood en het vruchteloos worstelen en strijden van den armen jongeling schetste, dat geen hart onbewogen, geen oog droog bleet.

Toen zijn verhaal nu ten einde was, toen bij zijne vrienden had gezegd, welke belofte hij den armen Theophil gedaan had, stond Schiller van zijn stoel op, nam het bord dat voor hem stond, on ging er mede om de tafel, bleef staan bij eiken stoel, en stak als een bedelaar met zachte, smeekende woorden zijn bord toe, en als uit de milde handen de thalers en goudstukken nederrinkelden op het bord, dan knikte Schiller, en glimlachte en dankte met een innigen blik voor de ruime gift.

Nu was hij weder op zijn plaats aangekomen, en telde het geld. Zeventien goudstukken en dertig thaler! — „Ik dank u, mijn vrienden, ik dank u! Gij hebt een menschen-

ocr page 342

70

leven gered, ge hebt een ziel uit het vagevuur verlost! Morgen-nacht breng ik mijn beschermeling uwe liefdegiften, en de zegen van een goed mensch zal dan op uwe gesloten oogen nederdalen, en ge zult met zalige droomen en een gelukkig ontwaken beloond worden. En nu, mijn geliefden, moet ge van de lippen des dichters den dank ontvangen, die in zijn hart gloeit. Nu zult ge het jubellied der vreugde hooren, dat, — zooals Körner straks zei-de, — de Muzen mij in 't oor hebben gefluisterd. Neemt de glazen en luistert en als ik met het hoofd tot u knik, herhaalt dan de woorden, welke ik het laatst gezegd heb.quot;

Schiller stond op, haalde een klein saamgevouwen papier uit zijn borstzak, sloeg het open en doorliep het vluchtig, vervolgens liet gij het achteloos op de tafel nedervallen, want zijn lied klonk en gloeide hem in hoofd en geest, het stond geschreven in zijn hart, het juichte van zijne lippen:

„Vreugde schoone sprank der Godheid,

Telg des hemels!quot;

Zijn oogen straalden van geestdrift en vervoering, zijn wangen gloeiden, een hemelsche glimlach bescheen zijn geheel aangezicht, terwijl hij zijn „hymne aan de vreugdequot; uitsprak, en ook de vrienden der gelukkige ronde tafel greep verhevene aandoening en zalige Ijvervoering aan. Zij richtten zich op van hunne plaatsen, reikten elkander de hand en aanschouwden elkander met oogen, die blonken van vreugde, hoewel er tranen in stonden. Nu op het toppunt van verrukking, nu vloog er plotseling als een smartelijke trilling door Schiller's aangezicht, en zijn stem daalde en beefde van aandoening.

„Ja, wie ook slechts ééne ziel De zijne noemt op het wereldrond; —

Doch wie dit niet kón, verlate stil En weenend ons verbond.quot;

„Doch wie dit niet kon, verlate stil en weenend ons verbond,quot; herhaalden de vrienden, en de tranen vloeiden

ocr page 343

71

uit hunne oogen, en de handen drukten elkander vaster, en met ingehouden adem luisterde het oor naar de woor-den des dichters, wiens stem zich nu weder verhief in zalige geestdritt Het was als een eeredienst der vreugde, der vriendschap en der liefde. Hooger vlamden de harten op, steeds machtiger ruischten de golven de verrukking in de vrienden harten.

„Weest omarmd, millioenen!

Dezen kus aan de geheele wereld.quot;

Zij hielden elkander omstrengeld, zij weenden, maar van verrukking, van vervoering De kus, die van mond tot mond ging, was aan de geheele wereld geschonken; want alles wat de wereld hun had aan te bieden aan liefde, vriendschap en geluk, vonden de vrienden vereend om deze gelukkige ronde tafel, waaraan Schiller het hooglied aan de vreugde had toegewijd!

VII.

WEDERZIEN.

De nacht was gekomen, een donkere, beschaduwde nacht. De maan, die heden voor acht dagen met zulk een zilverglans op de rivier had gespeeld, en zulke lange lichtstrepen door het berkenbosch aan den oever der Elbe had getrokken, — de maan was heden geheel door wolken bedekt, die, door een onweerstorm gedreven, haastig langs den hemel joegen, en zich op de rivier terugspiegelden, zoodat het scheen, alsof afgronden en graven er zich in openden.

Theophil stond aan den oever op dezelfde plek, waar hij voor acht dagen geknield en gebeden had, en staarde omlaag in de zwarte rivier, omhoog naar de jagende wol-kcn-

„Zoo hij nu zijn woord niet houdt, — zoo hij zij edelmoedig gegeven belofte nu niet vervullen fcan, wijl geen milde handen zich voor zijne beden geopend hebben.

ocr page 344

72

Wat dan? Opent zich ginds mijn graf? Murmelen de golven mijn stecflied? — Neen, neen, wees moedig, The-ophil, volhard in geduld, wees sterk in hoop ! Zijn stem was zoo zacht, zoo vol verzekering, toen hij mij beloofde dezen nacht hier te komen, en mij hulp te brengen. Gelijk de reddende engel Gabriël is hij mij verschenen, en ik wil gelooven, dat God hém mij gezonden heett in men-schelijke gedaante, en dan weet ik ook, dat Hij hem mij nog ten tweedenmale zal zenden. Hoop, mijn hart, en wees sterk in geloof!quot;

Hij vouwde de handen tot een stil gebed, en luisterde naar elk gerucht, dat, buiten het murmelen der golven, die de wind tegen den oever sloeg, en het ruischeu der boomen, de stilte verstoorde.

Ginds, links de rivier verder opwaarts, straalden lichten, want daar was de stad, waaruit de wanhoop hem voor acht dagen verdreven had, en welke zijn voet sinds niet weer had betreden. Daar, — hoog boven de rivier, blonk het met gouden glans, straalde helder omhoog door den donkeren nacht het crucifix op de Elbebrug, dat in donkere nachten door den vromen zin der geloovigen met een krans van lampen verlicht werd, opdat het den troost-behoevenden tegen zou stralen uit den nacht.

Theophil zag het crucifix schitteren, en het straalde in zijn hart, en wekte vrome gedachten en moedige besluiten in hem op. — „Ik wil dulden en verdragen in geloof en vertrouwen Ik wil boeten door onderwerping en vrome opoffering, voor 'tgeen ik gezondigd heb in wanhoop en moedeloosheid. Mijn geheele leven behoort U, mijn Heer en Gnd, en aan Üwen dienst zal het gewijd zijn. De armoede en het ongelijk wil ik dienen. Ieder, die lijdt, zal mijn broeder zijn; elk, die struikelt, wil ik de hand reiken; die weent, zal aan mij zijn trooster vinden, en zoo ik niets anders voor hem doen kan, wil ik toch met hem bidden. Dit zweer ik U, mijn Heer en God, bij het crucifix. dat mij tegenschijnt door den nacht!quot;

Van den toren der Katholieke kerk klonk de groote klok en sloeg met langzame, zware slagen juist het elfde uur De wind droeg de tonen over, en Theopliil's hart huiverde, want hij dacht er aan, dat hij deze klok gehoord had op het oogenblik, toen hij zich in den bewusten nacht

ocr page 345

73

gereed maakte, om neder te storten in zijn graf, en] dat zij hem toen als zijn doodsklok geklonken had.quot;

„O God, mijn God, nooit zal ik het slaan van dit uur hooren zonder ontzetting. Het zal voor mij eeuwig de arme zondaarsklok des misdadigers zijn! Geef, mijn Heer en God, dat ik in zulk een uur mijn misdaad verzoenen, — en weder goed kan maken; geef, dat ik mij in zulk een uur gedrage als een berouwhebbend zondaar! Ik zweer, dat ik het wil!quot; riep hij luid; „Ik zweer dat het elfde uur mij eiken dag herinneren zal aan mijn misdaad, mij eiken dag gereed zal vinden mijn leven, dat ik in wanhoop wilde offeren, te geven voor anderen, te offeren voor het welzijn der menschheid!quot;

„Ik neem uw eed aan in naam van God en de mensch-heid,quot; zeide een plechtige stem nevens hem, en een hand legde zich op zijn schouder: „Hier ben ik, mijn broeder. Vergeef mij, dat ik u heb laten wachten, maar dringende zaken hielden mij op, en 'twas moeielijk, onbemerkt door de vrienden, die met mij waren, hierheen te sluipen. Gij hebt, terwijl ge op mij wachtet, afspraken gemaakt met God en uw geweten, en goede besluiten zijn in u gerijpt. Blijf er bij, mijn broeder; wees standvastig en moedig, verhef uwen geest boven het tijdelijke, laat uw ziel opstijgen boven de nietigheid van het aardsche leven, en ge zult ondervinden, dat de vreugden desgeestesu rijkelijk schadeloos stellen voor al den kommer der aarde. Hier breng ik u het geld; er zijn honderd twintig thaler, en gij zult, naar uwe berekening, er genoeg aan hebben, om uwe studiën te voleindigen en vervolgens u een verdere loopbaan te openen. Neem het geld, mijn vriend, en laat ons scheiden.quot;

„Scheiden, zonder dat ik uw naam verneem, mijn weldoener en redder?quot; vroeg Theophil, terwijl hij de hand, die hem het geld reikte, in de zijne vasthield: „Scheiden ! Zonder hoop u ooit bij het daglicht te zien en u mijn dank te brengen?''

„Dank mij, mijn broeder, door gelukkig te zijn; draag het daglicht in u, dan zult ge ook mijn gedachtenis in uw hart dragen, en mij vergolden hebben. Waartoe zou ik u mijn naam zeggen? Ik ben uw broeder, dit zij u genoeg. Ga, word braaf, en doe anderen goed, die lijden

ocr page 346

74

en ongelukkig zijn gelijk gij waart. Dit zij mijn dank, want: wat ge den minste mijner broeders doet hebt ge mij gedaan. Onthoud dit!quot;

De stem zweeg. Theophil wist dat hij weder alleen was. Hij vouwde zijn hunden, waarin hij de rol met geld hield, boog het hoofd op zijn borst en bad, en herhaalde de woorden, die in de stilte van den nacht en het ruischen van den wind als heilige orgeltonen in zijn ooren geklonken hadden: „Wat ge den minste mijner broeders doet, hebt ge mij gedaan. Onthoud dit!quot; —

„Ik zal het onthouden! Het zal nooit uit mijne ziel wijken. Ik zal dit onthouden, en het kwaad dat ik gedaan heb weder goed trachten te maken. Ik wijd mij aan den dienst Gods alleen. Het heilige crucifix, dat mij door den nacht tegenstraalt, heett mijn ziel beschenen en hare duisternis verlicht. Ik ga naar Keulen in het seminarie, want ik wil priester worden, — een vroom, nederig prie-ter van Gods kerk. Weg, aardsche ijdelheid, aardsche hoogmoed en aardsche hoop! En priester der barmhartigheid wil ik worden, want God heeft mij barmhartigheid bewezen, en mij een engel gezonden om mij te redden. Ik zal dit onthouden!quot; —

Terwijl Theophil eenzaam en zonder vrienden thans naar Dresden terugkeerde, om van daar zijn nieuw levenspad in te slaan, reed Schiller in den postwagen naar Weimar. Toen hij den armen Theophil het ingezamelde geld had overgegeven, was hij naar het posthuis geijld, waar zijn vrienden hem wachtten, om hem te zien wegrijden en den vertrekkenden een laatst vaarwel toe te roepen.

„Zegt liever tot wederziens! Ik kom terug, spoedig terug! Tot wederziens!quot; riep Schiller nog uit den postwagen zijn zwijgende, treurende vrienden toe, vervolgens stelde het rijtuig zich ratelend in beweging, en reed naar buiten in den luwen zomernacht. ^

„Charlotte verwacht mij,quot; herhaalde Schiller met opgewekte vreugde, terwijl hij zich legen het harde kussen vlijde: „Charlotte verwacht mij. Zij is de vriendin mijner

1) Schiller ging den 18 Juni 1787 van Dresden naar Weimar op reis, en kwam er den 21 Juli aan.

ocr page 347

75

ziel. Onze geesten behooren bij elkander, en aan niijne vriendin wil ik de wonden mijns harten toonen, opdat zij ze geneze met den balsem van teedere vriendschap!quot; —

Maar zonderling; hoe meer hij het einde zijner reis naderde, des te hooger klopte zijn hart, des te minder pijnlijk waren de wonden, welke het ontvangen had, des te biijder klopte het door de vreugde des wederziens.

„O Charlotte, geliefde Charlotte, ware ik nu maar bij u! Ik gevoel het: het vuur dat mij uit Mannheim heeft verdreven, is nog niet verdoofd, en er is slechts èèn ademtocht van uw mond noodig om het weder in laaie vlammen te zetten.quot; —

Daar is Weimar! Daar hobbelt de postwagen de stad binnen. Schiller is op klassieken bodem! Op den bodem, waar Duitschlands grootste dichters en denkers wonen. Daar is Wieland en Herder, daar is Bertuch en Rode, daar zijn kunstenaars en tooneelspelers van naam en roem, daar is de geniale hertog Karl August! En tóch is Wei-mar verweesd; want Goethe is er niet, hij heeft reeds sedert een jaar Weimar verlaten, en is de wereld ingetrokken.

Schiller wist dit, maar wat bekommerde hem dit nu! Hij had zeer verlangd, eindelijk den klassieken bodem van Weimar te betreden; zijn hart had geklopt van vreugde, als hij er aan dacht, dat hij nu de beroemde mannen van aangezicht tot aangezicht zien zou, wier geschriften hij met zooveel verrukking gelezen had, en welke hij nu toch reeds tegemoet kon treden met het gevoel, dat hij hun niet onwaardig was, dat ook hij reeds zijn plaatsin-nam in de republiek der geesten.

Deze gedachten hadden hem bezig gehouden gedurende de geheele reis, en nu plotseling waren zij verdwenen,en hij dacht nog slechts aan Charlotte von Kalb, — aan de vriendin, welke hij sedert twee jaren niet gezien had, en wier trouwe vriendenmond hem geroepen had in het uur zijner grootste bedruktheid.

Hij had in het logement ,.de Erfprinsquot; zijn intrek genomen; het was reeds tamelijk laat in den avond, —zóó laat, dat het kwalijk mogelijk was, nog een bezoek bi-j een dame te maken. Maar hij kon het niet uithouden in de eenzame stille kamer; hij moest naar buiten op de straat,

ocr page 348

76

— moest ten minste het huis zien, waar zij woonde. En zoo er nog licht was achter de vensters, zoo zij nog op was — Hij dacht niet verder, maar ijlde de trap af, beval den bediende die in het voorhuis heen en weer ging, hem te geleiden en hem het huis te wijzen, waar mevrouw von Kalb woonde, en liep met zulke groote, snelle schreden door de aangeduide straat, dat de bediende hem nauwelijks kon volgen, en hem buiten adem nahijgde.

Daar is het huis, waar mevrouw von Kalb woont, een klein bescheiden huis, bij het park gelegen, en er brandt licht in de vensters der benedenverdieping, en een slanke, vrouwelijke schaduw ziet hij juist langs de nedergelaten gordijnen zweven. -— „Het is haar gestalte, ik zou haar onder duizenden herkennen. Het is Charlotte!quot;

Hij wendde zich met een haastige beweging tot den bediende : „Ik wil nog den fraaien zomernacht in 't park genieten. Ga naar huis, want ik zal den terugweg wel vinden.quot;

Hij oogde den knecht na, tot deze om den naasten hoek der straat verdwenen was, vervolgens ijlde hij naar de huisdeur, en opende die zacht, opdat de schel er boven, zijn binnenkomen niet verraden zou.

„Ik wil haar verrassen,quot; prevelde hij; „ik wil zien, welken indruk mijn onverwachte komst op haar maakt.quot;

De schel had slechts even geklonken, zóó zacht, dat men het zekerlijk in de kamer niet gehoord had. Slechts een knecht kwam van achter, en vroeg eerbiedig, wat mijnheer begeerde.

„Mevrouw von Kalb heeft mij ontboden. Zij is hier in deze kamer, nietwaar?quot;

„Ja, merouw is daar. Mag ik de eer hebben, u aan te dienen ?quot;

„Waartoe, daar mevrouw mij verwacht. Ik mag onaangediend bij haar binnenkomen.quot;

Dit had hij met zachte, gesmoorde stem gezegd; Charlotte moest hem niet hooren, moest niets van hem weten, eer hij voor haar stond. Nu opende hij zacht de deur, trok haar weder achter zich dicht, en stond tusschen de deur en de zware fluweelen portière, die de kamer voor hem verborg. Maar door de scheiding der portière zag hij haar, zijn vriendin. Zij zat achterover geleund in den fauteuil,

ocr page 349

77

en haar fraaie oogen staarden droomend vóór zich uit. Hare wangen waren bleek van inwendige aandoening naar het scheen, en om hare lippen speelde een glimlach. Aan wien dacht zij? Van wien droomde zij?

„Charlotte! Dierbare Charlotte!quot;

Zij slaakte een kreet, en stond van haar stoel op.

„Charlotte, ge hebt mij geroepen, en hier ben ik! Wilt ge mij welkom heeten, Charlotte? '

Zij stond als verstijfd, maar daar was het fraaie, het gewenschte gelaat met de fiere, edele uitdrukking, met den zachten glimlach om den schoonen mond. Daar was Schiller,] naar wien zij twee jaren verlangd had; dien zij bemind, — twee lange, lange jaren vurig en trouw bemind had, zonder hem te zien.

Maar nu was hij er, stond tegenover haar, breidde zijn armen tot haar uit. Zij dacht niets, zij gevoelde niets; zij wist niets anders, dan dat Schiller er weder was, weder tot haar teruggekeeid.

O zalig, zalig wederzien! O vreugde der aanschouwing, des rustens hart aan hart!

„Wees gegroet, mijn Schiller; wees welkom vriend mijner ziel!quot;

Zij wierp zich aan zijn hart, en hij sloeg zijn armen om haar heen, als waren 't twee ijzeren ketens, waarmede hij haar boeien en houden wilde voor eeuwig. Ja, voor eeuwig!

„Zeg mij, Charlotte, dal ge mij bemint; spreek het woord uit, 't welk te Mannheim uwe kuische lippen niet wilden bekennen. Jaag mij niet weder in den nacht in de duisternis des levens, zooals ge déstijds te Mannheim gedaan hebt. Ik ben vermoeid van den tocht, en de wereld walgt mij, en de menschen zijn allen valsch en bedriegelijk. Slechts gij alleen zijt trouw, slechts u alleen kan ik vertrouwen. O laat mij eindelijk een tehuis gevonden hebben, een plaats waar ik mijn hoofd nederleggen, en rusten kan. O zeg mij, Charlotte, dit hier het tehuis is voor mijn hart. Zeg mij dat ge mij bemint! — Ge antwoordt mij niet, Charlotte? Waarom zwijgt ge?''

Hij opende de armen, om haar los te laten, om haar te aanschouwen. Maar zij richtte het hoofd niet op, haar gestalte hing zwaar in zijn armen. Zij was bezwijmd!

ocr page 350

78

Hij hief haar op en droeg haar naar den divan, knielde voor haar neder, en toen zij daar lag met gesloten oogen en koude lippen, boog hij zich over haar, drukte zijn gloeiende lippen op de hare, en riep haar met teedere woorden in het leven terug.

„Charlotte, vriendin, ontwaak! Vergeef mij, dat ik in den overmoed van 't geluk gewaagd heb, u te verrassen. Gij, sterke geest, gij, groot hart, gebied uw lichaam! Keer tot mij terug, vriendin mijner ziel! Ik wil zacht zijn en stil; ik wil aan uwe voeten zitten als een kind, en slechts opzien in uw lief gelaat, slechts in uwe blikken lezen dat ge mij bemint. Sla de oogen op, ziel mijner ziel, hart van mijn hart! Laat mij uw geliefde stem hooren, zeg mij een woord van troost, van hoop, van liefde!quot;

En Charlotte, — geroepen door de stem, naar welke haar hart sinds twee jaren verlangd had, aanschouwd door de oogen die altijd in haar ziel geschenen hadden, — Charlotte ontwaakte, en zag zalig glimlachend op in het geliefde aangezicht, dat zich over haar hoog, en 't welk voor haar de zon des levens was. Zij hief hare armen op en sloeg ze om zijn hals, en kuste zijn lippen en zijne oogen.

,,lk groet u, mijn ster; ik kus u, verkondiger van mijn heil en mijn geluk.quot;

„Ge moet mij zeggen dat ge mij bemint, Charlotte. Mijn hart smacht naar dit woord, want het is ziek, het bloedt aan een diepe wonde, en gij moet het genezen. Ik ben tot u gekomen, om bij u genezing te zoeken! ik wil van uwe lippen de Lethe drinken, die mij alles doet vergeten, behalve dat gij mij bemint, Charlotte. Ach, het is zoo treurig, zich eenzaam en onbemind te voelen! ik klem mij aan uw hart, zooals de schipbreukeling zich aan de bloem klemt, die hem tegendrijlt, en van welke hij redding hoopt. Charlotte laat mij niet vergaan, red mij! Uw liefde zij voor mij de haven, waar ik bescherming tegen alle stormen, — waar ik rust en vrede, opwekking en geluk wedervind. Zeg, dat ge mij ontvangen wilt in deze haven, dat ge niet streng en wreed den smeekende, hopende wilt afwijzen.quot;

Zij sloeg haar beide armen vast om zijn hals en kuste zijn voorhoofd, — „Ik bemin u, Schiller, ik bemin u, en

ocr page 351

79

heb den moed het u te zeggen, heb den moed alle beperkingen te verbreken, en mij trouw en vast aan uwe zijde te stellen. Ik heb den moed het voor de gebeele wereld te getuigen, het zelfs mijn echtgenoot te bekennen: „Ik bemin Frederik Schiller, 't verbond der zielen en harten is tusschenons gesloten. Verscheur dien band, als gij kunt!'' Ik bemin u, Schiller, en hiermede heb ik u alles gezegd. Hiermede weet ge, dat ik de uwe wil zijn voor God en de menschen, dat geen hindernis ons meer scheiden kan!''

„En uw echtgenoot?quot; vroeg Schiller beklemd.

„Hij is een goed en hooghartig man,quot; zeide Charlotte glimlachend; „Hij zal mij niet tegen mijn wensch aan zich willen boeien. Ons huwelijk was een gedwongen, slechts ontstaan uit overleg en berekening, en het is nooit gelukkig geweest. Wij hebben schier altoos gescheiden geleeld; zijn geestesleven was niet het mijne, en hij wist en begreep niets van mijn denken en gevoelen. In eenzaamheid en stilte heb ik geleefd, terwijl mijn echtgenoot te Parijs zijn dagen in verstrooiing, weelde en vermaak doorbracht, en aan het Hof der koningin Marie Antoinette eeu welkome gast is. Wij hebben hoogachting en vertrouwen voor elkander, maar beminnen elkander niet, en gewis zal mijnheer von Kalb, als ik hem er om vei-zoek,— als ik hem mijn liefde beken, er in bewilligen ons huwelijk te ontbinden, opdat ik geheel en onverdeeld den dierbaren man behoore, dien ik niet alleen bemin, maar ook zóó hoogacht dat ik hem met vreugde mijn geheel leven toewijden, — en hem behooren wil tot in en over den dood.quot;

„Het zij gelijk ge zegt, mijn Charlotte, vriendin mijner ziel,quot; riep Schiller, terwijl hij zich over hare handen boog en ze kuste: ,,Niets zal ons scheiden, en ook de dood zal ons tevergeefs met zijne verschrikkingen dreigen; wij willen hem trolseeren in de vreugde van ons zielen-verbond, Ja, wij willen den dood trotseeren, en de geheele wereld!quot; —

En zij hielden woord; zij trotseerden de geheele wereld. Zij maakten geen geheim van het verbond hunner harten, zij loochenden voor niemand dat zij bijeen behoorden. Charlotte was een dier vrouwen, die, als zij een

ocr page 352

80

sterke, groote liefde in het hart dragen, met den heldenmoed harer geestvervoering de wereld het hoofd bieden, en vrij en zonder terughouding heur liefde bekennen. Zij vermeed dus niet, dagen lang met Schiller in haar klein huis alleen te zijn; zich met hetn af te zonderen van de maatschappij, otn zich door hem zijn nieuwste gedichten, zijn twee nieuwe novellen, en bovenal zijn „don Carlos'' te laten voorlezen. Zij vermeed het ook niet, zich openlijk voor de wereld, met Schiller te vertoonen. Zij was trotsch op den man dien zij beminde; hoe had zij hem dus voor de wereld kunnen verloochenen? Zij bekende hetn te behooren, zij hielp hetn zijn bescheiden huishouden inrichten: zij versierde de beide kleine kamers, welke hij gehuurd had; zond hem tapijten, bloemvazen en armstoelen, om het zich behagelijk te maken. Zij gevoelde zich als zijn moeder, zijn zuster, zijn geliefde, zijn vriendin; wilde met den vurigen ijver harer ziel, den gloeienden storm baars harten de plichten dezer vier wezens in zich vereenigen, en wist, dat aan hare liefde de goddelijke kracht hiertoe niet ontbreken zou. Zij vroeg echter in haar vertrouwen en argeloosheid ook niet of de geliefde man bereid was, zich mèt haar te verhellen in de woeling van den hartstocht, — met haar van hemel tot hemel te vliegen, zich met haar in den gloeienden stroom der fantasie te wiegelen, en wars van alle aardsche verandering, in eeuwig jong, bovenaardsch gevoel te zwelgen.

Zij legden gemeenschappelijk bezoeken al bij de heroën der kunst en litteratuur te Weimar, en zij reden ook te zamen naar Tiefurt, waar de hertogin Amalie haar zomerverblijf had genomen.

De hertogin ontving den dichter van „don Carlosquot; en „Fiescoquot; met levendige vreugde, — „Ik was boos op u wegens de Roovers heer raad Schiller,quot; zeide zij : „ook Kabaal en Liefde was niet naar mijn smaak. Maar Fiesco en bovenal don Carlos hebben mij met u verzoend. Ge zijt in waarheid een groot dicliter, en ik voorspel u een schitterende toekomst. Blijf hier bij ons te Weimar!quot;

„Ja, mijnheer Schiller,quot; riep de kleine mismaakte hofdame von Göchhausen, terwijl zij voor Schiller trad, en hem met een sierlijke buiging een roos aanbood: „Blijt

ocr page 353

81

te Weimar. In naam der Muzen moet ik u, heur lieveling, hier deze roos overhandigen en u sub rosa zeggen, dal Weimar het verblijf der goden is, en de negen verliefde maagden zich hier het best gevoelen.quot;

„Göchausen, neem u in acht,quot; lachte de hertogin; „Ik zal 't Goethe zeggen, welk een weerhanig, ontrouw wezen gij zijt. Zoolang hij hier was, bloeiden de rozen mijner Thusnelde slechts voor hèm, en alleen voor Goethe was zij de bode der Muzen en goden. En nu luistert het trouwelooze schepsel reeds, naar 'tgeen de muzen haar voor Frederik Schiller toefluisteren. Maar ik neem het haar volstrekt niet kwalijk; de dichter van don Carlos verdient het, dat men hem huldigt, en als de Muzen zelve voor Goethe en Schiller kunnen dwepen, waarom zou dan Göchausen het niet doen? Kent gij Goethe?quot;

,.Neen, ik ken hem niet persoonlijk,'' zeide Schiller zacht; „maai' ik bewonder hem als dichter, en ik zal gelukkig zijn, als ik hem ook eens als mensch mag bewonderen en beminnen.quot;

„Ge hadt vroeger moeten komen, om hem recht te lee-ren beminnen,quot; zuchtte hertogin Amalie; „ge hadt hem moeten leeren kennen, toen zijn hart nog vlamde van geestvervoering en gloed, toen nog de storm en drang des dichters in laaie vlammen uit zijn hoofd stegen, en alles in hun vuurstroom bezielden en medesleepten. O, het was een schoone tijd, toen Goethe in ons midden stond, als de uit den hemel nedergedaalde genius der poëzie en ons allen ontvlamde met een zaligen goddelijken wellust. Maar deze schoone tijd is voorbij, en zelfs Goethe zal hem ons niet wederbrengen. Hij is nog altoos een groot dichter, maar — hij is een voornaam man, een geheimraad geworden! Pas op, mijn lieve raad Schiller, dat onze voorname hoflucht u óók niet aanwaait en verstijft, en u de natuurlijke frischheid der bezieling uit het hart waait. Goethe was een god Apollo, vóór hij geheimraad werd, en in den staatsraad van een hertog zitting en stem had. Hoed u minister te worden, want het past niet samen minister én dichter te zijn. Wij zien het aan Goethe.quot;

„Neen, wij zien het niet aan hem,quot; riep freule Göch-hausen ijverig; „Goethe kan alles wat hij wil, en is alles wat hij gelieft te zijn. Goethe zal nooit ophouden dichter Uüblbaoh, Duitschland in woeling en strijd. IV. ö

ocr page 354

82

te zijn; hij is het in zijn geheele wezen; het dichterbloed stroomt door al zijn anderen, en de minister hangt hem slechts ais een lapje aan den pink; hij kan het, ten allen tijde afschudden, en weder zich zelf zijn. Dit heeft hij bewezen, toen hij voor anderhalf jaar plotseling vertrok, en voor de heerlijkheid van ons Hof, en voor zijnstaats-raadstitel en voor al zijn eer en waardigheden naar Italië vlood, en allen luister der hertogelijke genade aan den spijker hing, om in Italië weder de dichter door Gods genade te zijn!quot;

,,Ei, zie eens, mijn Thusnelde vindt haar oude geestdrift weêr!quot; riep de hertogin lachend; „Dit wilde ik slechts; ik wilde door den toorn, uwe liefde voor Goethe weder doen ontvlammen 1 Ge hebt nu gezien, heer raad Schiller, wat de eigenlijke gezindheid mijner Thusnelde is en hoe trouw zij haar verwijderden lieveling blijft.quot;

„Trouwer dan hij hel waarschijnlijk zijn voormalige lievelingen is,'' zei Göchhausen met een boosaardigen glimlach : „de mannen kunnen nu eenmaal niet trouw zijn, en ik ben overtuigd, zoo Werther zich niet vóór den tijd had doodgeschoten, hij zich er later over getroost zou hebben, dat zijn aangebeden Lotje getrouwd was, en hij haar niet hebben mocht! — Ja, lach maar, hertogin, ik heb tóch gelijk. Is Goelhe zelf er geen voorbeeld van1? Heeft hij zelf niet Charlotte Kastner bemind? Zoo hij zich toen dood had geschoten, zou hij zich later niet bij Charlotte von Stein hebben kunnen troosten, om weder ontroostbaar te worden, en tóch ten laatste, in plaats van zich dood te schieten, een zeer genoegelijke troostreis naar Italië te doen. Ach Hemel, de Charlottes zijn den dichters zeer gevaarlijk; maar ik zou elke Charlotte willen waarschuwen, geen dichters to beminnen, want — Ach, Hemel, ik verzoek vergeving, mevrouw von Kalb!quot;

„Waarom, mijn waarde freule von Göchhausen?quot;

„Wijl ik er niet aan dacht, dat gij óók Charlotte heet,quot; fluisterde de boosaardige hofdame met nedergeslagen oogen.

Charlotte lachte, maar was na dit bezoek toch stiller en nadenkender dan anders. Hare oogen rustten vaak met een eigenaardig vragende uitdrukking op Schiller, en toen hij 's avonds nevens haar zat op den divan, legde zij zacht

ocr page 355

83

haar beide handen op zijn schouders, en zag hem diep in de oogen.

„Ge bemint mij, Frederik, — nietwaar, ge bemint mij ?quot;

„Ik bemin u, niettegenstaande ge Charlotte heet. Niet waar, — dit wilt ge toch vragen V

Zij glimlachte, en leunde haar hoofd tegen zijn schouder. „Ach, Schiller, ik wilde dat het verbond onzer harten eerst zijn onverbreekbare wijding ontvangen had. Ik wilde dat mijn echtgenoot, in onze scheiding had bewilligd, en ik vrij was u te kunnen toebehouren.quot;

„Behoort ge mij dan niet, Charlotte?quot; vroeg Schiller. „Hebben wij niet het onverbreekbaar verbond der zielen gesloten ? Weet niet de geheele wereld, dat wij bijeen hoo-ren, dat wij onafscheidelijk zijn? Eerbiedigt men niet zelfs in de maatschappij onze betrekking, en behandelt haar met achting voor ons beiden? De menschen zijn zoo bescheiden ons te verlaten, wanneer zij bemerken, dat wij alleen willen zijn; zooals onlangs mijnheer von Einsiedel deed, die kwam om u te bezoeken, doch weder heenging, toen de knecht hem zeide dat ik bij u was. Heeft niet zelfs de hertogin Amalia de oplettendheid gehad, ons gisteren samen te noodigen? want dat dit gescheidde wijl zij onze betrekking kende, heeft mij Wieland gezegd. 1) Ge ziet dus, mijn waardste vriendin, dat niemand aan ons verbond twijfelt, en niemand zich wil houden, alsof hij het niet weet.quot;

„Waarom noemt gij mij uw waardste vriendin?quot; vroeg zij beklemd.

„Waarom? Wijl ge het zijt, Charlotte. Meent ge óók niet, dat de vriendschap de hoogste graad der liefde is?quot;

Zij zeide beklemd „ja,quot; en zat tóch, toen Schiller haar later des avonds verlaten had, nog lang nadenkend en peinzend, en zuchtte diep: „Ik wenschte dat mijn echtgenoot hier was, en het woord der scheiding eerst gesproken was!quot; —

Er verliepen intusschen nog eenige maanden, eer de heer von Kalb te Weimar kwam, en Charlotte, wier edel en vurig hart de lange onzekerheid, de voortdurende huichelarij niet verdragen kon, — Charlotte schreef aan haar

1

Schiller's eigen woorden. Zie: Sohillei's Briefwechsel mit Körner. Th. I.

ocr page 356

84

echtgenoot, bekende hem vrijmoedig haar liefde en betrekking tot Schiller, en verzocht hem als haar besten en veeljarigen vriend om raad, en de bevordering van haar liefde en geluk.

Het antwoord van den heer von Kalb kwam per om-gaanden post. „Mijn waarde vriendin,quot; schreef hij lakonisch : „juist wijl ik uw beste en veeljarige vriend ben, juist daarom wil ik uw brief beschouwen, alsof ik hem volstrekt niet ontvangen had. Hij is in mijn geheugen uitge-wischt, en ik weet slechts, dat ik u als mijn echtgenoote, — als de moeder van mijn zoontje, hoogacht en bemin, en uw geluk de innigste wensch mijns harten is. Laten wij dergelijke kleine verwarringen van het hart aan den tijd over, die een zeer kalmeerende en bloedstillende balsem is. Ik kom binnen eenige maanden immers te Weimar, en wij zullen dan zien, of deze balsem niet op u en een licht bewogen dichtergemoed, zijn heilzamen invloed heeft uitgeoefend. Mocht dit hef ,'geval niet zijn, en zoudt ge mij dan mondeling herhalen, wat ge mij in uw brief geschreven hebt, dan zal het immers nog altoos tijd zijn om te zien, hoe de belangen van ons zoontje, met die van uw hart te vereenigen zijn. Dus wacht nog slechts eenige maanden met de beslissing.''

Ook aan Schiller had de heer von Kalb geschreven, doch zonder eenige toespeling op Charlotte's mededee-lingen.

Het was een brief vol hartelijke deelneming, vol innige vereering voor den dichter, vol ernstigen verzekeringen van hartelijke vriendschap. Hij eindigde met aan Schiller te berichten, dat hij binnen weinige maanden te Weimar zou komen, en Schiller zou hem dan bereid vinden, hem eiken dienst te bewijzen en ieder offer te brengen, dat de dichter van zijn vriendschap verwachten kon.

Schiller vouwde den brief peinzend dicht, en een gloeiend rood vloog over zijn wangen. — „Hij zal komen,quot; zeide hij zacht voor zich: „het zal een zonderlinge ontmoeting voor mij zijn, en mij stijgt de blos der schaamte nu reeds op de wangen, als ik eraan denk. Hij bemint mij, noemt mij zijn vriend, en kent tóch mijn betrekking tot zijne vrouw! Zal ik dan werkelijk den moed hebben, van zijn vriendschap een offer te verzoeken, enquot; — vroeg

ocr page 357

85

hij zeer zacht: — „wensch ik dan dit offer werkelijk zoozeer 9 Ik kwam hier om een dierbare vriendin te zoeken, die mij troosten zou, en vond een geliefde, die mij me-desleepte in den draaikolk van den hartstocht. Nu drijven wij heide in deze eindelooze kringen rond, en wie weet, of niet ten. laatste het huwelijk de klip zal zijn, waartegen onze harten breken. Behoed ons voor een gewelddadig einde, Geest der werelden; behoed mij ervoor, geest der poëzie, en laat mij een vreedzame, stille wijkplaats vinden voor alle stormen des levens! Er is efengeheim in iedere menschelijke borst, slechts aan God of den tijd is het vergund, het op te lossen. Wachten wij dus, en hopen !quot; —

Na eenige maanden echter, toen de heer von Kalb te Weimar kwam scheen het geheim nóg dieper gezonken in de harten van Schiller en Charlotte, en geen van beiden had den moed, den sluier op te helïen en het beslissende woord te zeggen. Charlotte von Kalb was bleeker en stiller dan gewoonlijk, en hare oogen waren vaak rood van tranen, maar zij klaagde niet, en deed geen poging, om haar echtgenoot tot een verklaring te dringen.

Slechts eens, toen zij haar klein vijfjarig zoontje, dat pas van een ziekte hersteld was, met zorgvuldige moederliefde in hare armen hield, trad de heer von Kalb tot haar, en zag haar met vriendelijk vorschenden blik aan.

„Zoudt ge ooit kunnen besluiten dit kind, ons kind, te verlaten, Charlotte; het aan vreemde verzorging, vreemde opvoeding over te geven?quot;

„Nooit, o nooit!quot; riep zij innig, terwijl zij hare armen teederlijk om de kleine, zwakke gestalte van haar zoontje legde; „Neen, niet voor al de schatten der wereld, niet voor al het geluk der aarde, zou ik mij van mijn geliefd kind kunnen scheiden!quot;

„En dit zoudt ge tóch moeten, Charlotte, zoo ge den naam van u wierpt dien de vader van uw kind draagt,quot; zei de heer von Kalb zacht.

Niets meer voegde hij erbij, maar Charlotte had hem goed begrepen, en begreep ook de bedoeling, toen haar echtgenoot terstond hierop glimlachend zeide, dat hij naar

ocr page 358

86

Schiller wilde gaan, om met den ecteZm, lieven vriend een -wandeling te doen.

Zij oogde haar echtgenoot met treurigen blik na, en sloeg toen de oogen weder langzaam op het bleeke kind, dat op haar schoot ingeslapen was. De tranen vielen uit haar oogen neder, en hare bevende handen vouwden zich bo-wi het hoofd van 't knaapje.

„Geef ons allen vrede, mijn God, gij, die de Geest zijt der eeuwige liefde! Geef ons kennis en verhef onze harten, opdat zij de ware liefde erkennen, en met gelouterde trouw bereid zijn, haar alles te offeren!quot; -—

Op den avond van dien dag, na een lange wandeling, ■welke Schiller met den heer von Kalb gedaan had, en op -wellce beide mannen slechts met vuur over de hoogste lelangen des geestes gesproken hadden, schreef Schiller aan zijn vertxxmwden vriend Körner te Dresden: „Kunt ge mij gelooven, dat het mij moeilijk, schier onmogelijk is. over Charlotte te schrijven? En ik kan u zelfs niet zeggen waarom. Onze betrekking is, als de geopenbaarde godsdienst, op het geloof gegrond. De resultaten van lang onderzoek, van langzame vorderingen van den mensche-lijken geest, zijn bij deze op geheimzinnige wijze aangekondigd, wijl het verstand te langzaam hiertoe zou gekomen zijn. 'tls hetzelfde geval met Charlotte en mij. Wij zijn met het vermoeden van het resultaat begonnen, en moeten nu onzen godsdienst door het verstand onderzoeken en bevestigen. Zoowel hier als ginds vertoonen zich dus noodwendig al de tijdperken van dweepzucht, twijfelzucht, tijg-eioof en ongeloof, en vervolgens waarschijnlijk ten laatste een zuiverder en billijker verstandsgeloof, dat het alleen zaligmakende is. Het komt mij voor, dat de kiem -van een onverbreekbare vriendschap in ons beiden voorhanden is, maar zij wacht nog op hare ontwikkeling. In Charlotte's gemoed is overigens meer eenheid dan in het mijne, hoezeer zij ook veranderlijker in haar stemming en luimen is. Langdurige eenzaamheid en een eigenzinnige neiging- van haar karakter, hebben mijn beeld dieper en -vaster in haar ziel gegrond, dan bij mij het geval kon zijn met het hare. — Haar echtgenoot is aangekomen, en hij is geheel en al de oude jegens mij, hoewel hij onze betrekking kent. Ik weet niet of de tegenwoordig-

ocr page 359

87

heid van dezen man, mij laten zal zooals ik ben. Ik gevoel in mij reeds eenige verandering, die verder gaan kan.quot; !)

VIII.

GOETHE EN MORITZ.

„Op; op, mijn vriend! Tob niet langer! Verheug u in bet leven, en laat de zorg acbter u! Open wijd de oogen en zie hoe schoon de eeuwige, oorspronkelijke Geest dei-werelden alles heeft gemaakt, en hoe heerlijk uit Zijn eigen, innigste wezen! Wij hebben de onsterfelijke^, goden en de onsterfelijke Kunst te Rome aangebeden en bestudeerd; wij hebben geleefd met de ouden, laat ons nu een paar hemelsc he schoone dagen leven met de eeuwige jeugd, de eeuwig verstervende, de eeuwig herbloeiende Natuur! Laat ons leven als kinderen Gods in de heerlijkheid Zijner wereld, die ons omgeeft met schitterende schoonheid en pracht!quot;

't Was Goethe die zoo sprak. Niet mijnheer de legatie-raad Goethe, die tegen 't einde van 't jaar'178 3 van Garisbod heimelijk zijn vrienden, zelfs zijn geliefdste, mevi'ouw von Stein ontvloden was, om naar Italië, het land zijner zielsbegeerte, te gaan. Neen; niet deze Goethe was het, die in den laatsten tijd te Weimar zijn onbeteugeldheid had afgezworen en het Werther-costuum, het buitensporig wezen en de storm en drang van jeugdigen lust verzaakt,

— en een ernstig, deftig voorkomen had aangenomen, zooals voor een hoogeren ambtenaar past! Neen. hij die bier zoo sprak, was de dic/iier Wolfgang Amadeus Goethe,

— de dichter, die zijn innigste wezen en zijn had weder-gevonden in het gezegende, schoone Italië; wien goddelijke lust in de ziel vlamde, en de poëzie in het hart en op de lippen gloeide; de opgewekte navorscher, die in de kleinste bloem zocht naar den eeuwigen geest haars Scheppers

1) Scliiller und seine Zeit. Von Johannes Scherr II, S. 89.

ocr page 360

88

en voor wien uit den menpcheliiken vorm, in verhevene heerlijkheid de God zich onthulde.

Het was deze Goethe, die gezegde woorden van bemoediging en opbeuring sprak, en hij richtte ze tot Philip Morilz, met wjen hij nu sinds bijna twee jaren in Rome en Ilalie geleefd, — en met wien hij ernst en scherts, vreugd en droefheid van allerlei aard gedeeld had. Zij waren beiden naar Italië gereisd, om daar een nieuwe menschheid uit zich te laten opbloeien. Goethe, om weder geheel zich zeiven, de oorspronkelijke, scheppende genius te worden. Moritz, om te genezen van het lijden zijns harten, en zijn geest te verkwikken met de wonderen van Kunst en Natuur, die voor ieder, die oogen heett om te zien, verriizen in Italië, het land van Kunst en poëzie. Philip Moritz had oogen om te zien, en de geliefdste vrouw had hem gebeden, zich niet op te sluiten voor de schatten, welke de God der schepping en de goden der Kunst hem aanboden.

Marie von Leuthen, de geliefde zijns harten, was het geweest, die hem gebeden had naar Italië te gaan, opdat hij genezen zou van de wonden, welke het leven hem geslagen had, en de hoop weder in zijn hart zou laten trekken. 1)

,,Ga, had zij tot hem gezegd : „u verwachten Italië en de Kunst, die den troost in zich draagt voor alle smarten. Genees door hen, en als ge na twee jaren dan terugkeert,

— nieuwgeboren naar den geest en tóch trouw,van hart,

— en als ge mij dan vragen wilt of ik u bemin, dan zal ik u verheugd het antwoord geven.quot;

En Philip Moritz was gegaan, om in Italië de wedergeboorte zijns geestes te zoeken. Te Rome had een gelukkig toeval hem weder met Goethe vereenigd. Evenals Goethe hem eertijds te Berlijn had opgezocht,2) had Philip Moritz nu zijn aangebeden dichter, zijn „Apollinoquot; opgezocht te Rome, en sedert waren zij trouwe gezellen geweest. Moritz hing aan Goethe met bewonderende aanbidding; Goethe had voor den zonderlingen, vaak somberen of overspannen-vroolij ken vriend de teederste toegevendheid.

1

Zie: Duitschland in woeling enz, T. De oude Frits. Deel 2.

2

Zie hetzelfde werk. Deel I.

ocr page 361

89

de liefderlijkste oplettendheid. Gemeenschappelijk bezochten zij de kunstschatten van Rome; gemeenschappelijk deden zij uitstapjes in de omstreken, te voet of te paard, zooals het trof. Op zulk een uitstapje naar Frascati was Moritz met het paard gevallen en had den arm gebroken, Goethe had hem verpleegd als een liefliebbend broeder; de lange dagen en weken was hij de eenige trooster en gezelschaphouder van den lijder geweest. *

„Juist kom ik van Moritz,quot; schreef hij op zekeren dag aan mevrouw von Stein: „zijn genezen arm is heden ontzwachteld. Het gaat zeer goed. Wat ik in deze veertien dagen bij dezen lijder als oppasser, biechtvader en vertrouwde, als finantieminister en geheimsecretaris ondervonden en geleerd heb, kan ons in 't vervolg te stade komen. Het fataalste lijden en de edelste genietingen, gingen dien tijd steeds elkander ter zijde.quot; ')

Het „fataalste lijdenquot; was het deel van den armen, zieken, zwaarmoedigen Moritz alleen geweest. De „edelste genietingenquot; had hij gedeeld met den gelukkigen vriend, met Goethe, den lieveling der goden.

Beiden hadden nu in den naherfst Rome verlaten, waren naar Gastel Gandolfo gegaan om er in het gastvrije huis van den kunstenaar Jenkins het landleven te genieten. Met hèn waren kunstenaars en dichters, geleerden en dilettanten getrokken. Een lustig, vroolijk leven had zich geopend in het bekoorlijke Gastel Gandolfo; elkeen wilde genieten en zich in het leven verheugen, en met mededeelenden lust, ook de vrienden tiekken in den tooverkring der vreugde. En daarom bedroefde het Goethe, zijn vriend weder zoo somber en treurig te vinden, geheel verdiept in ernstige studiën, den geest der talen navorschende; doch niet met frisschen, vroolijken moed, maar in treurige afzondering en stroeve mijmering, waaruit hij zich soms op Goethe's dringend aanhouden, tot heftige vroolijkheid, en dartelen spot verhief, om spoedig weder te verzinken in stille droefgeestigheid.

„Laat ons leven als kinderen Gods in de heerlijkheid Zijner wereld, die ons omgeeft met stralende schoonheid en pracht!quot;

1) Italienischg. Reiie. Gosthe's, Werke, Bd. XXIII,

ocr page 362

90

Moritz hief zijn edel, bleek gelaat van het boek op, waarin hij gepeinsd had, en zag met een tegelijk teede-ren en treurigen blik, in Goethe's vroolijk, opgewekt gelaat.

„Benijdenswaardige gelukkige,quot; zeide hij; „wie zóó mocht kunnen gevoelen en gedenken als gij! Wien zóó de Itali-aansche hemel in 't hart mocht stralen, en Gods adem door de ziel trekken!quot;

„Beproef het slechts, Moritz,quot; riep Goethe: „beproef, en het zal gaan! Maar vóór alles, zeg mij; wat bedrukt toch weder uw ziel, en welke zwarmoedige rimpels zijn het, die daar op het voorhoofd van mijn Jupiter tonans schijnen en trekken?quot;

„De zwaarmoedige rimpels van een bang voorgevoel,mijn vriend,quot; zei Moritz zuchtend, terwijl hij het boek ter zijde wierp, en zich van zijn stoel oprichtte; „ik ben toornig op mij zeiven, dat het zoo is. Ik doe mij zeiven lange vermaningen en preeken, maar alles is vergeefs! Italiës hemel schijnt mij niet meer schiLerend; de geheele wereld om mij heen komt mij een graf voor, en zelfs de godengestalten van Rome spraken in den Uiatsten tijd vruchteloos tot mij, want mijn oor was doof voor hun verhevene taal en hunne openbaringen der schoonheid.quot;

„Maar spreek dan, mensch, brombeer, monster!quot; riep Goethe ongeduldig; „Wat is er nu weder, en welke klep van noordsche zwaarmoedigheid is weder opengegaan in uwe noordsch hart? Welke Kobolds suizen weder in uwe hersens. Welke grillen piepen u in de ooren en maken van den geleerden en kunstminnenden schrijver en taalvorscher een grommig oud wijf, dat sloffend door Gods schoone wereld kruipt, en als een mol in de aarde woelt, in plaats van als een adelaar tot de zon te vliegen?quot;

„Corpo di Bacco!quot; riep Moritz, woedend met de vuist op de tafel slaande, zoodat de boeken dansend in de lucht vlogen, en de inktkoker zijn zwarten inhoud over het papier goot; „Corpo di Dacca! nu is 'tgenoeg met uw grofheden en afschuwelijken spot. Hoe kunt ge u vermeten mij voor een oud wijf te schelden, en mij bij een mol te vergelijken? Wat beweegt u mijn noodsch hart te honen? Gij, die een klomp ijs in uw borst draagt, een uitgebrande kool, die zelfs geen godin weer zou kun-

ocr page 363

94

nen doen ontvlammen? 0, als een van ons een ijsklomp is, zijt gij het, mijnheer Wolfgang Amadeus Goethe! Ja, een ijsklomp zijt ge, wiens hart nooit meer ontdooit, maar in wien het als een eeuwigen winter begraven ligt! Wat weet hij er van, of een mensch lijdt die bemint, en naar de bekoorlijkste, edelste, geliefdste vrouw verlangt, en door vrees en doodsangst gefolterd, zich zeiven verteert met de slangen tanden der zorg, en blind is in zijn smart voor al het schoone van Gods wereld!quot;

„Dat is het dus,quot; zeide Goethe hartelijk; „ik heb dus toch mijn doel bereikt; ik heb met den ijzeren hamer mijner spotreden zóólang op het aanbeeld van uw verstokt gemoed geslagen, tot het vonken gespat, — en vuur gegeven heeft. Dit wilde ik slechts, groot argeloos kind ; ik wilde slechts den man in u opwekken, schold u slechts daarom voor een oud wijf, en verzoek u nu duizendmaal vergeving wegens dezen laster. Want die de furiën heeft gezien, die op de trappen van St. Pieter liggen en ons bezocht hebben in de Chiesa Maria della Pace, weet welk een vreeselijk schepsel een oud wijf is, en welk een be-leediging het is, daarmede vergeleken te worden! Ik bid u ootmoedig om vergeving, Filip Moritz, professor in de geleerdheid, kunstkenner en etymoloog van den eersten rang. — Wat echter uw treurig voorgevoel en uw vrees betreft, dat uwe geliefde een ongeluk zou zijn overkomen, — dit zijn toch waarlijk slechts de grillen van een minnaar, die zeepbellen in de lucht blaast en dan vreest, dat ze hem als kanonkogels op het hoofd zullen vallen. Wat, in den naam van God en alle heilige en profane Maria's,— wat brengt er u toch toe, plotseling zulke bazuinkianken van verlangen te slaken, en ze daarna voor het graflied uwer liefde te houden ? Zijt ge beiden, — overspannen, verliefde kinderen der smart, — dan niet met elkander overeengekomen, dat deze twee jaren der Italiaansche reis een proeftijd voor uwe liefde en trouw zouden zijn, en gij in al dien tijd tot uw terugkomst, geen enkelen keer een brief met elkander zoudt wisselen?quot;

„Ja, dit zijn wij overeengekomen,quot; knikte Moritz; „Marie wilde het zoo; wilde mijn ziel beproeven of ik zelfs onder Ttaliës heerlijkheden haar trouw blijven, en haar gedenken zou in liefde.quot;

ocr page 364

92

„Welnu? Wat drukt u dan het hart ? Wat trekt u weg? Wat vreest en jammert ge?quot;

„Lach niet, Goethe,quot; prevelde Philip Moritz zacht: ^schimp ook niet, gelijk de verachtende godenzoon, den armen aardworm. Ik zal 't u zeggen en bekennen: een droom heeft mij verontrust en gefolterd. Een droom, die sinds drie nachten terugkeert. Ik zie Marie bleek, met ingevallen wangen, met gebroken oogen te bed liggen, ik zie de oude Trui handenwringend nevens haar op de knieën en hoor een hartbrekende stem, die in mijn oor roept: „Philip, mijn geliefde Philip, kom! laat mij in uwe armen sterven!quot; Dit is de droom, die mij sedert drie nachten vervolgt; dit zijn de woorden die mij telkens uit den slaap wekken, en wier hartverscheurenden toon ik nog hoor, als ik reeds volkomen wakker ben.quot;

„Droomen zijn bedrog,quot; zei Goethe de schouders ophalende; „en dat ge er aan gelooft, bewijst slechts, dat Amor de verstandigste mannen in dwaze kinderen herschept, en zelfs geleerden en wijzen tot zotten kan maken.quot;

„Ik wilde, dat hij het u maakte, spotter met de liefde en het huwelijk, zeide Moritz verbitterd: „ik wilde, dat de goddelijke waanzin over u kwam, en god Amor, wien ge bespot, u met een onverwinbare liefde bezocht, zoodat de ijsklomp van uw hart versmolt, in de vlammen van ondragelijke folteringen en brandend verlangen! Ik wilde dat gij, wijze, die hier in Italië alle levende schoonheid en alle levende vrouwen ontvloden zijt, als waren zij slangen van het Paradijs, — ik wilde dat één barer u dwong van den appel te eten, en God den Vader te aanschouwen in Zijn toornige heerlijkheid ! Ik wilde —quot;

„Houd op met uwe verwenschingen,quot; viel Goethe hem lachend in de rede; „want ge weet immers: kinderenen gekken zeggen dikwerf de waarheid, en uwe voorspellingen zouden vervuld kunnen worden. Moge mijn goed geluk mij toch bewaren A'oor een nieuwe liefde en voor nieuwe vlammen! Neen^ neen, er is geen vuur meer in mijn hart, geen liefdevuur; nog slechts de warme asch der vriendschap is er in, waaruit wel nu en dan een vonkje opvliegt en als een lampje flikkert, opdat ik zou kunnen lezen, dat in deze warme asch de naam mijner geliefde vriendin Charlotte geschreven staat.quot;

ocr page 365

93

„'tis een jammerlijk iets, zulk een warme vriendschaps-asch,quot; spotte Moritz; „en zij past volstrekt niet voor den dichter van Werther.quot;

„Waarachtig,quot; riep Goethe: „de kerel zou, geloof ik, in staat zijn, de goden aan te roepen, opdat zij mij zelven een Wertheriade zouden brengen!quot;

„Ja, ik zou er niet alleen toe in staat zijn, maar ik doe het werkelijk,quot; zei Moritz ijverig; „ik roep de goden aan, dat zij u zegenen en vloeken mogen met een hemelbestormende, zaligmakende en vernietigende liefde; wat dit is het éénige dat u ontbreekt, om alle menschelijkheid uit u te drijven, en in de liefdevlammen u zelven tot halfgod te verheerlijken! Ja, Wolfgang Goothe, dichter door Gods genade, wien de onsterfelijken vergund hebben, dat hij nu weder een „Iphigenaquot; en een „Egmontquot; geschapen heeft: ja, ik wensch u een gloeiende, vlammende geestverwarren-de liefde!quot;

„Wensch mij haar nietquot; zeide Goethe zacht: „Ik wil u iets bekennen, Moritz: ik geloof, voor zulk een liefde niet vatbaar te zijn; ik ben niet in staat mijn geheel ik weg te geven en te verliezen aan een ander ik, en alle ander denken, willen en begeeren te onderwerpen aan het eenig denken, willen en begeeren de liefde. Misschien is 't mij vroeger een gebeurd; en mijn Werther heeft gesproken van mijn eigen leven, en ik heb hem geschreven met het bloed mijns harten, dat voor Charlotte Kastner bloedde. Maar ge ziet, — doodgeschoten, gelijk Werther, heb ik mij toch niet, en slechts gestaald is sinds mijn hart, zoodat het steunen kan op zijn eigen kracht, en zich niet meer laat medeslepen door den storm van den hartstocht. Dien ken ik niet meer, dien zal ik nooit meer kennen!quot;

„In Rome te zijn,' bromde Moritz: „in Rome te zijn met niets anders in het hart, dan de warme vriendschaps-assche voor Charlotte von Stein, en koud te blijven tegenover de schoonste vrouwen der wereld!quot;

„Dat is niet waar, dat is laster,quot; zei Goethe glimlachend : „Mijn hart is niet koud gebleven, maar is in aanbiddende liefde ontgloeid voor de verhevenste en heerlijkste vrouw; voor de godin der schoonheid, kuischheid en deugd. Zij is mijn eerste liefde in Rome geweest, en zal ook mijn éénige zijn. Ik heb zóólang naar haar verlangd, totdat zij

ocr page 366

94

eindelijk aan mijn bidden gehoor heeft gegeven, en mijn armoedige kamer is binnengegaan. Ja; ik bezit haar nu, zij is de mijne. Geen woorden geven een denkbeeld van haar, zij is als een gezang van Homerus!quot; ^

„Ik zou wel willen weten,quot; riep Morilz geheel verwonderd : „ja waarlijk, ik zou willen weten van wie ge spreekt ?quot;

„Ik spreek van haar,quot; zeide Goethe, terwijl hij met de opgeheven hand wees naar de groote, kolossale gipsenbus-te van Juno Ludovisi, die hoog tegen den wand op een console stond. Hij ging er heen, en hief zijn glinsterende oogen en zijn edel fier gelaat op tot het beeld der kui-sche godin, en groette haar met een heerlijken, van geluk-stralenden glimlach.

„Ik groet u, geheimzinnige, verhevene godin, op wier voorhoofd de kuischheid en de liefde tronen! Als ik u aanschouw, komt er als een openbaring in mij, en ik weet dan, dat ge alles terugstraalt, wat ooit de verbeelding der dichters, het brein der geleerden, de vroomheid der priesters bedacht en verzonnen hebben! Gij zijt de zegenende Isis der Egyptenaren; ge zijt Venus Aphrodite en moeder Maria, allen te zamen, en ik sta voor u met vrome huivering en aanbid u, terwijl ik u bemin!quot; —

„O Jezus Maria, en o heilige Januarius!'riep plotseling een krijschende vrouwenstem, en een vrouw in de schilderachtige kleederdracht der Italiaansch landvrouwen, ijlde door de haastig opengerukte deur binnen: „Signori, o Signori, een wonder, een miraculo!quot; '

„Wat is er dan, Signora Abazza,quot; vroeg Goethe lachend, toen Moritz zich, geheel beangstigd door het getier der oude hospita, in de vensternis had teruggetrokken.

„Wat er is?quot; hijgde de Oude vrouw, op een stoel ne-derzinkende: „wat er is, Signori? Er is een wonder! Mijn kat bidt God den Vader aan!quot;

„Wat beteekent dat, Signora?quot; lachte Goethe, terwijl Moritz uit de vensternis nader sloop, en nieuwsgierig de oude Italiaansche vrouw in het opgewonden gelaat staarde.

„Wat dat beteekent Signor? Precies wat ik zeg! Ik was binnen in uw slaapkamer om uw bed op te maken, en als altoos had mijn kat mij vergezeld. Plotseling hoor

1) Goethe's eigen woorden. Zie: Italienische Eeise, S. 159.

ocr page 367

95

ik haar blazen en mauwen, en toen ik omzag, denkende dat haar iets kwaad was gebeurd, zie ik haar — maar kom zelf en zie. Het is een wonder, Signori! een wonder!quot;

Zij sprong op, en ijlde weder naar de deur der slaapkamer, keek er in, en wenkte toen de vrienden.

„Zacht, Signori, zacht, opdat we haar niet storen!quot;

Goethe en Moritz slopen op de teenen nader, en keken in de belendende kamer, waaruit nu en dan enkele tonen, als het jammergeschrei van een kind, klonken.

Daar op de ouderwetsche commode, tegenover Goethe's bed, en helder beschenen door het zonnelicht, dat door 't breede venster binnenstroomde, stond de kolossale buste van den god der goden, den almachtigen Zeus. Voor deze buste van verheven schoonheid en majestueuze rust, recht op de twee achterpooten, stond de grijze kat der Sig-nora Abazza. De twee voorpooten had zij den god op de breede borst gelegd, zich hing uitrekkende, zoodat hare oogen den god juist in het majestueuze gelaat kon zien, haar tong de lippen met dea goddelijken glimlach en den baard met de krullende lokken aanraken kon. Met ijverigen lust kuste zij de goddelijke lippen, en lekte zij den krulbaard, somwijlen slechts een oogenblik ophoudende om in het majestueuze aangezicht te zien en een teederen krijschenden jammertoon te slaken, vervolgens weder heftig baard en lippen likkende. Met glimlachende verwondering aanschouwden Goethe en Moritz haar; de Italiaansche vrouw met verbaasde, vrome ontzetting.

„Kom hier bij mij, mijn kleine,quot; riep de Signora eindelijk: „kom, mijn liefje; ik wil u melk geven en suiker! Kom bij mij!quot;

Maar hoezeer zij ook lokte, vleide en bad, de kat liet zich niet storen in haar vromen eeredienst, liet zich zelfs niet storen toen Goethe met forschen tred de kamer binnentrad, en de commode naderde. Zij likte steeds voort, en liet haar teedere klaagtonen hooren; en signora Abazza stond met gevouwen handen en zwoer dat de kat precies zong als pater Ambrosio, en zij gevoelde zich zeer vroom en godvruchtig in haar hart.

„Maar ik moet toch aan deze kattenmis een einde maken,quot; riep Goethe lachend: „want als de kat haar teeder likkende godsdienstoefening nog langer voortzet, zal een

ocr page 368

96

ander tniraculo gebeuren; de goddelijke lokken zullen zich oplossen, de lippen, die ons wijsheid en majesteit verkondigen, zullen spoedig niets anders meer zijn dan natte vormlooze gips, en in plaats van den god, zullen} wij een weeke pap hebben. Hei, pater kat, weg met u! Ge raoogt den god niet in een gipsklomp veranderen!quot;

Hij joeg met dreigende stem en opgeheven hand de kat weg, en eerst toen zij verschrikt en mauwend van de commode afgesprongen, — en uit de deur gevlucht was, keerde Goethe met zijn vriend in de huiskamer terug.

„Er gebeuren teekenen en wonderen,quot; zeide Moritz peinzend: „en door een geheimzinnige wereld van droomen en verkondigingen zijn wij omgeven.quot;

„Wij zijn dit slechts als wij droomers zijn,quot; riep Goethe vroolijk: „den onbevangene vertoont zich alles in eenvoudige natuurlijkheid.quot;

„En hoe verklaart ge u de ijverige godsvrucht der kat?quot; „Op zeer prozaïsche, onbelangrijke wijze,quot; lachte Goethe: „ge weet, verheven droomer, ik heb de buste des gods eerst voor een paar dagen versch uit den vorm lateq gieten, en vóór zulk een gieting, wordt de vorm met vet gesmeerd. Hiervan is een weinig in de holten van den baard en de lippen blijven kleven, dit heeft de scherpe neus der kat bespeurd, en zij wilde het weglikken,quot; ^

Philip Moritz hief met komische vervoering oogen en armen ten hemel. — „O, hoort don lasterenden spotter, den koelhartigen materialist, eeuwige, verhevene goden! Straft toch den lasteraar, die zijn eigen dichterlijk genie bespot; straft hem met een laatsten gloeiend verterenden hartstocht; maakt zijn koud, trotsch hart week voor een erbarmelijke liefdefoltering! Drukt den hoogmoedige neder in het stof, opdat hij erkenne en wete, dat hij in weerwil zijner dichterheerlijkheid, slechts een mensch is, en het niet mag wagen, zich aan de menschelijke liefde, — aan het menschelijke lijden te onttrekken. Stort van de vuurstroomen van uwen gloed uit, Venus Aphrodite, op den hoogmoedigen dichter, en —quot;

„Houd op, houd op!quot; riep Goethe lachend, den vriend

1) Deze kattengeschiedenis verhaalt Goethe nauwkeurig zoo in zijn Itali-aansche reis. Zie: Goethe's saoimtliche Werke. XXIII. S. 181.

ocr page 369

97

met levendig geweld de bezwerende armen nederlrekken-de: „ge herinnert mij met uwe bezwering waarachtig aan Theseus, die den toorn van den grooten Zeus afriep op het hoofd van den schuldig gewaanden zoon, en wiens gruwzame bede de donderaar vervulde.

„Signori, Signori!quot; riep signora Abazza buiten.

„Wat is er, kom maar bimien, wat is er weder?quot;

„Signor Zucchi is met zijn hemelsche Signora uit Rome aangekomen,quot; zei de oude vrouw in de deur der voorkamer verschijnende, „en volgens hunne belotte hebben zij op de post naar brieven en couranten gevraagd, en Signora Angelika zendt nu, wat op de post was aangekomen.quot;

Zij reikte Goethe een klein verzegeld pakje, 'twelk hij haastig opende en den inhoud onderzocht.

„Couranten! couranten!quot; zeide hij schouderophalend, terwijl hij de samengevouwen papieren op de tafel wierp; „Wat gaan mij in de levende Natuur de doode couranten aan ?quot;

„Leest gij ze niet?quot; vroeg Moritz: „Ge verlangt niette hooren, hoe het er uitziet in het heilige Duitsche rijk, en of de Keizer geen nieuwen oorlog tegen het hoogmoedige Pruisen ondernomen heeft?''

„Neen; ik wil niets weten van oorlog,quot; zeide Goethe zacht: „lit ben een kind des vredes, en wil voortaan vrede hebben met de geheele wereld, daar ik hem nu eenmaal met mij zelve gesloten heb.quot; ^

„Vergun mij dan, dat ik even zie naar oorlog en vrede,'' zeide Moritz, terwijl hij een der couranten van de tafel nam en haar opensloeg. Drie brieven vielen eruit op den grond, en met een luide vreugdekreet wierp zich Goethe er op.

„Twee brieven voor mij. God zij geloofd! Een brief van mijn Charlotte, en de andere van mijn lieven vriend Herder. En ziedaar ook een brief voor u, vriend Moritz.quot;

„Een brief voor mij?'' vroeg Moritz ontroerd, haastig den hem gereikten brief openbrekende: „Wie schrijft aan mij ?quot;

„Lees en gij zult zien,quot; zeide Goethe vriendelijk: „ik wil eerst Herders brief lezen, want ik denk dat hij mij

1) Goethe's eigen woorden. Zie : Italienische Reise XXIV. S. 129. Mühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. IV. 7

ocr page 370

98

zijn oordeel zal schrijven over mijn Egmont, dien ik hem gezonden heb.quot;

Hij liet zich op den stoel neder voor de ronde tatel; tegenover hem zat Moritz. Beiden verdiepten zich nu geheel in de lectuur hunner brieven, en Goethe was er zóódanig in verzonken, dat hij niet ontwaarde, hoe bleek Moritz was geworden; hoe het papier in zijne handen beefde; — dat hij volstrekt niets hoorde van de zuchten, die bang en zwaar over Moritz's bevende lippen kwamen.

„O, ik wist het, wel,quot; prevelde nu Goethe: „ik wist het wel, zij zouden mijn Klaartje niet begrijpen; zij zouden naar een nuance zoeken tusschen de deern en de godin. Ik heb echter hare betrekking tot Egmont zóó ongemeen gehouden, haar liefde meer in het begrip der volmaaktheid van den geliefde, hare verrukking meer in het genot van het onbegrijpelijke, dat deze man haar behoort, — dan in de zinnelijkheid gelegd; ik heb haar als heldin laten optreden, en haar in het innigste gevoel van de eeuwigheid barer liefde aan haar geliefde laten voorgaan, voor wiens ziel zij dan door een ophelderenden droom verheerlijkt wordt. En nu komen de kunstrechters, en verlangen van mij een tusschennuance. Hoe zou ik die aanbrengen? Waar?'' 1)

„Goethe,quot; viel Moritz hem in de i'ede, terwijl hij opstond en hem den brief, dien hij telkens weder herlezen had, overreikte: „Goethe, lees dit en bespot mij nóg, zoo ge kunt, om mijn droomen en voorgevoelens!''

„Wat is het?'' vroeg Goethe opziende: „Mijn God, hoe bleek zijt ge, en wat beeft gel En wat is dat vriend? Tranen in uwe oogen? Ge hebt slechte berichten?quot;

„Ja, slechte tijding,quot; steunde Moritz: „Marie is ziek, Lees!quot;

Goethe nam den brief, en liep hem met haastigen blik door. Het was een brief van den ouden schoolraad Ge-dicke te Berlijn, en hij berichtte Moritz, dat Marie von Leuthen sinds langen tijd niet wel was, dat zij aanvankelijk hare ongesteldheid geheim had gehouden, doch het nu bekende en dat zij dringend naar Moritz verlangde. De arts was van oordeel, dat het wederzien van den go-

1

Goetha's eigen Woorden. Zie; Italienische Eeise XXIV, S. 146.

ocr page 371

99

liefde na een lange scheiding, een weldadigen invloed op de zieke kon hebben, en haar malte levensgeesten zou kunnen opwekken en dus werd de afwezige bij dezen uitgenoodigd, zoo spoedig mogelijk naar Berlijn terug te komen, teneinde de zieke genezing te brengen.

„Zonderling, waarlijk zonderling,'' zeide Goethe: „uw droom zal zich dus verwezenlijken, en het voorgevoel zal werkelijkheid worden!''

„Een troostelooze, ontzettende werkelijkheid,quot; steunde Moritz: „Marie zal sterven; ik zal.haar niet wederzien!'' „Neen, o neen,quot; troostte Goethe: „ge ziet het te donker in, en uw opgewonden verbeelding schildert u schrikbeelden. Ge zult haar wederzien; de too verkracht uwer nabijheid, het hemelsche vuur uwer liefde zal haar redden en verwarmen. De vrouwen zijn immers zulke wonderbare, zulke fijn-gevormde schepsels, dat, zoo zij beminnen, de algemeene wetten op haar niet toepasselijk zijn. Zij sterven aan de liefde én leven van de liefde. Marie is ziek, wijl zij met angst naar u verlangt,; zij zal genezen als zij u in de oogen ziet, en daarin de oude, eeuwig jonge liefde en trouw leest.

„Marie zal sterven,quot; zuchtte Moritz: „en God geve slechts, dat ik nog bijtijds kan komen, om den doodssnik van hare lippen te kussen!quot;

„Ge wilt dus vertrekken? Ge wilt Italië verlaten, en naar Duitschland terugkeeren?quot; i

Moritz haalde de schouders op. — „Waarlijk, Goethe, aan deze vraag zie ik, dat uw hart koud en zonder liefde is! — Ik vertrek nog in dit uur!''

Goelhe reikte hem beide handen, en zijn schitterende oogen blikten met innige deelneming op het bleeke gelaat van den vriend.

„Ik ben nóch koel, nóch zonder liefde, Moritz. Ik begrijp u en uw diep leed, en besef zeer goed, dat ge gaat, en den verlangenden roep uwer zieke geliefde volgt. Ver sta mij niet verkeerd, vriend; en als ik met het vernuft der alledaagschheid soms de heilige vlammen, die in ons beider zielen gloeien, temper, denk dan, dat ik reeds menige bittere vrucht van den boom der kennis gegeten heb en mij tegen een herhaalde vergiftiging verzet. Maar een godslasteraar ben ik toch niet, en verre zij het van mij

ocr page 372

dOO

u te willen doen wankelen in uw besluit. De liefde is de heilige God, die vaak ons handelen en denken bepaalt, en het is de liefde, die u roept! Ga, mijn vriend, volg haar stem, en moge zij u troost brengen en hemelsch genot. Ga! ik wil u helpen alles te beschikken en te regelen! Wij willen terstond aan 't werk gaan! Binnen aenige uren vertrekt de vetturin naar Rome, en heden avond nog, kunt ge de postkoets naar Milaan bestijgen.''

En met ijverige inspanning hielp Goethe nu den vriend zijn zaken in orde brengen en pakken, en was zóó teeder en zorgvuldig voor hem, dat het Moritz tranen in de oogen dreef, en hem het afscheid nóg smartelijker maakte.

Angelika Kaufmann, de beroemde schilderes, — sedert eenigen tijd gehuwd met den ouden schilder Zucchi, -zond tevergeefs tweemaal tot haren vriend Goethe, en liet hem tot een wandeling noodigen. Vergeefs kwamen ook de jonge kunstenaars, die ter uitspanning van Rome naar Gastel Gandolto waren getrokken, zongen voor Goethe's deur een vroolijk liedje, en tierden en schreeuwden en kermden en klaagden om hun kunstgenoot, hun tochtge-zel; want naar het gebergte wilde het geheele lustige ge. zeischap trekken, om er te teekenen en te schilderen, te spelen en te schertsen tot den avond.

Goethe liet ze alleen vertrekken en bleef bij zijn vriend, zocht hem te troosten en op te beuren, zocht hem hoop en moed in te boezemen; en toen de koffer gepakt was en gesloten zou worden, liet Goethe zeer heimelijk en behendig een goed gevulde beurs in een hoekje van den koffer glijden, sloot hem toen haastig, en reikte Moritz den sleutel.

„Nu is alles gereed, vriend; hoor eens hoe de vetturin buiten voor de deur met de zweep klapt en zijn lieve Italiaansche vloeken uitslaat, vermits hij een weinig heeft moeten wachten. Wij willen hem een bijzondere belooning toestaan, opdat hij zijn paarden in den draf zet, zoodat zij u nog ter rechter tijd te Rome brengen, en u den postwagen niet doen missen.quot;

.,0 vriend,quot; zuchtte Moritz: „moge het lot mij vergunnen, dat ik tijdig te Berlijn kome, om Marie nog levend te vinden. Dat is alles wat ik begeer! Ge ziet, het leven heeft mij deemoedig en bescheiden gemaakt; want het is

ocr page 373

101

mij rijk aan ongeluk en smart, — arm aan vreugd geweest. Twee schoone bloemen vond ik op mijn weg: de liefde van Marie en de vriendschap van Goethe. Maar ook deze zal ik verliezen, de dood zal de eene, het leren de andere dezer bloemen vertreden.quot;

Goethe legde hem zacht de hand op den schouder, en zag hem met zijn groote, bruine oogen diep in het bewogen aangezicht. — „Wat het eeuwige lot besloten heeft, over de bloem uwer liefde, moeten wij met kalmte en onderwerping afwachten, want de dood is de almachtige koning, voor wien ook het hoogmoedigst menschenhoofd zich eerbiedig buigen moet. Maar de bloem der vriendschap, welke wij beiden tusschen ons hebben laten groeien en bloeien, en aan wier bestaan wij ons verkwikt hebben, deze willen wij bewaren en behoeden voor alle stormen des levens, en met trouwen wil, met onze beste gedachten een beschermend-dak er over bouwen. Ge moogt gelijk hebben, dat de gloed der liefde in mij verdoofd en uitgebrand is, maar het stille vuur der vriendschap brandt helder en verkwikkend genoeg in mijn hart, en zal slechts met mijn dood vergaan. Wees hieraan steeds gedachtig, en schoon ge ook meent, dat ik een koel minnaar ben, zult ge toch nooit ondervinden, dat ik een koel vriend ben. Dit zij ons vaarwel, vriend, en denk hieraan!quot;

„Ik zal aan u denken tot mijn opbeuring en troost,quot; zeide Moritz innig: „al het goede en schoone, wat ik in deze laatste jaren beleefd en ervaren heb, dank ik u, en dat heb ik met u alleen genoten! Vaarwel, mijnPylades! Als de door de furiën gejaagde Orestes kom ik mij zeiven voor; zoo word ik uitgedreven in de wereld, den dood en de wanhoop tegemoet! Vaarwel, en denk aan mij !quot;

Zij hielden elkander lang omarmd, vervolgens voerde Goethe zijn vriend zwijgend naar het rijtuig stelde met een goed drinkgeld den grommenden voerman tevreden, en drukte voor 't laatst de hand van den vertrekkende, warm in de z:jne.

ocr page 374

102

IX.

LEONORA.

Goethe oogde nog lang op het breede hordes van het huis het voortrollend rijtuig na, en luisterde naar het klinken der kleine schellen en klokjes, waarmede de paarden van den vetturin waren versierd. Toen ook allengs in de verte wegstierf, keerde Goethe met een laatsten zucht langzaam om, en ging het huis weder binnen.

Maar zijn kamers schenen hem heden eenzaam en verlaten, en zelfs zijn teekeningen en schilderijen, die hem anders den geheelen dag hier bezig hielden, schonken hem geen vreugde. Hij gevoelde zich niet alleen eenzaam,— hij gevoelde zich ook alleen, en de ledigheid, die hem omgaf, maakte zijn hart bedrukt.

Met een misnoegde beweging wierp hij penseel en palet ter zijde, en stond op. — „Ik wil menschen opzoeken, menscben,quot; zeide hij stil voor zich: .,ik wenschte, dat ik wist, waarheen die dolle vrienden getrokken zijn, dan ging ik ze na, om deel te nemen aan hunne dwaasheden, en door de wijsheid der zotheid, de malligheid mijner smart tel laten verdrijven. Maar er zal niemand tehuis zijn gebleven, om het mij te zeggen. Neen; niemand zal zulk een misantroop zijn geweest om tehuis te blijven, en ik zal blij mogen zijn, als signora Abazza en haar kat mij gezelschap houden.quot;

Hij ging met haastige schreden de breede marmeren trap af, en trad door het ruime voorhuis naar liet bordes, dal tot den tuin voerde. Alles was eenzaam en stil; geen leven, geen menschengestalte in de lange lanen met de donkere, gesnoeide taxushagen aan weerszijden. Geen vrooiijke kout, geen lachen en schertsen klonk uit de myrtenboschjes, en de wind schudde vergeefs de overrijpe vruchten van de oranjeboomen op den weg neder; de vrooiijke kunstenaars waren er niet, die ze anders gewoonlijk opraapten, om er een lustig balspel mede te beginnen. Mismoedig steeg Goethe van het bordes af in den tuin, en ging, de handen op den rug gevouwen, langzaam door de taxusallée, om zich naar het yroote paviljoen te begeven.

ocr page 375

103

dat aan het einde van den tuin op een heuvel was gebouwd, en welks open ruimten een wonderschoon gezicht op het Albanisch meer en zijn boschrijke oevers opleverden. Langzaam ging Goethe daarheen; niet lettende op hetgeen hem omgaf, voorbij de marmeren beelden, die zich hier en ginds in de gesnoeide taxusnissen verhieven, en met plechtige majesteit op den wandelaar nederzagen, voorbij de kaskaden, wier schuimend water uit zwanen-en dolfij-nenmonden, in wit marmeren bekkens nederruischte. De Natuur, die hem anders in al hare bijzonderheden verheugde, en wier verborgenheden hij in mossoorten, paddestoelen en kevers even gaarne naspoorde, als in de cypressen, den adelaar en het hemelgewelf, — de Natuur had den dichter heden geen innemend woord te zeggen; want hij hoorde slechts het afscheidswoord, dat een geliefde vriendenstem in zijn ziel riep.

Een zonderlinge zwoelte, een angstige stilte, zooals in de Natuur gewoonlijk den storm en het onweder voorafgaat, was in hem, en zijn gemoed was gedrukt, als door het voorgevoel van een naderend onheil.

Maar Goethe was de man niet, om zich lancj door zulk een neerslachtigheid te laten beheerschen. Plotseling bleef hij staan, sloeg de bruine lokken met een heftige hoofdbeweging uit het gelaat, en zijn groote vlammende oogen wierpen een toornigen blik in het rond.

„Wat wilt ge van mij, holoogige droefgeestigheid?quot; riep hij met toornige stem; „Achter welke dezer hagen houdt ge u verscholen, en staart mij aan met uw doffen blik? Wèg van mij, wég! Ik wil niets met u te doen hebben: ge zult uw vochtige kille hand niet op mijn warm men-schenhart leggen, ik wil —quot;

Plotseling zweeg hij, en zag met verbaasden blik op naar het paviljoen, aan welks voet hij zich bevond. Paar, boven, in de wijdgeopende deuren van het paviljoen, naar den tuin gekeerd, stonden teeder tegen elkander geleund, twee meisjesgestalten. Door de open ruimte van het paviljoen achter haar, trof een zonnestraal vlak de deuropening, en omgaf de beide gestalten als met een lijst van doorschijnend goud, en verheerlijkte hare aangezichten als met een stralenkrans. Groot en slank was de eene; de donkere tint, de bruinachtige, licht roode wan-

ocr page 376

104

gen; de purperen lippen, de zacht gebogen, fijne neus, het breede, lage voorhoofd, de groote, glinsterende zwarleoogen, het glanzende zwarte haar, en iels onuitsprekelijks in het geheele voorkomen en wezen, verrieden de romeinsche vrouw, de fiere nakomelinge der romeinsche Caesars. Geheel verschillend in haar uiterlijk voorkomen was het jonge meisje, dat zich nevens de romeinsche bevond. Slanker en kleiner haar gestalte, sierlijk en toch in de schoonste evenredigheid hare vormen, als die eener juist uit de golven gestegen, uit schuim geboren godin. Blond haar golfde in rijke lokken langs het hooge, doorschijnend witte voorhoofd, en viel neder op de teedere, door een witten mousselinen doek zedig bedekte schouders: De groote zwarte oogen waren van een zachter glans dan die der romeinsche; door een meer roosachtigen blos overtogen waren de fijne wangen; een onschuldige glimlach speelde om de purperen lippen, en een heldere glans van kinderlijke onschuld blonk op het bekoorlijk gelaat. Den rechterarm, — waarvan de witte mouw van het eenvoudig neteldoeksche kleed was neèrgegleden, en zijn fraaien vorm onbedekt zien liet, — had zij opgeheven en om den hals der romeinsche gelegd, en het liefelijke hoofd zacht tegen ha-reu schouder gevlijd. Zóó stonden zij daar, verguld en omlijst door zonneglans, en zagen mijmerend op den tuin met zijn herfsttint neder.

En beneden aan den voet van den heuvel, waarop het paviljoen zich verhief, stond Goethe met verheerlijkt aangezicht, en schouwde met opgetogen blik naar het quot;bekoorlijke beeld.

„'t Is Apollo zetf, die mij dit goddelijke beeld zendt,quot; zeide hij zacht: „en ik wil het diep in mijn hart prenten, opdat het eens als levend geworden poëzie er weder uit te voorschijn kome. Ja, gij zijt het, bekoorlijken,waarvan mijn ziel droomde in deze dagen, toen voor mijn verbeelding Torquato Tasso's beeld verscheen ; onsterfelijk wil ik u beiden maken voor de geheele wereld, zoover het den dichter vergund is van zich zeiven te zeggen, dat hij iets onsterfelijks kan scheppen. Apollo, goede, verhevene, ik dank u voor deze openbaring! Het zijn mijn beide prinsessen, mijn beide Leonora's, en hier staat fasso, tot haar opziende met verrukte aanbidding! O, bewaart mij

ocr page 377

105

slechts, Goden; behoedt mij, dat ook mijn hart niet ont-gloeie van liefde, dat mijn lot niet dat van Tasso gelijke!quot;

„Ha, Signor Amadeo!quot; riep nu boven hem een volle, luide vrouwenstem, en de romeinscbe, wier vlammende oogen juist den dichter aan den voet des heuvels aanschouwd hadden, ging nu met haastigen treed- tot aan de kleine trap van ruwe steenen, die naar den heuvel opvoerde. Zij wenkte met de hand, zij groette met het hootd, terwijl het blonde meisje nog altoos rustig in de deur van het paviljoen stond, en glimlachend naar beur vriendin zag, die zoo ijverig signor Amadeo wenkte.

„Kom toch boven, Signor, opdat wij met vroolijken kout den tijd verdrijven. Moeder is in bet paviljoen, en spoedig zullen nog eenige vrienden en vriendinnen komen. Wij willen spelen en vroolijk zijn.quot;

,,Ja, spelen en vroolijk zijn!quot; riep Goethe als een blijde echo naar boven, ijlde de treden op, en reikte der romeinscbe de hand.

„Wees gegroet, schoone Amarilla, en ontvang mijn dank voor de vriendelijke uitnoodiging.quot;

Signora Amarilla knikte hem toe, en wendde zich toen tot de vriendin — „Zie eens, Leonora —quot;

„Leonora!quot; viel Goethe haar als verschrikt in de rede „beet de Signora Leonor'a?quot;

Signora Amarilla zag hem geheel verbaasd aan. —„Ja, Leonora. Waarom toch niet? Vindt ge dien naam zoo vreemd?quot;

„O neen, dit juist niet; en tóch is 'teen zonderling toeval, dat —quot;

De romeinscbe lette in hare levendigheid niet op de woorden welke Goethe mompelde, maar ijlde tot haar vriendin, greep bare hand, en trok haar met zich voort. Zij volgde schier weerstrevend, had het liefelijke hoofd gebogen, en hooger gloeiden haar wangen.

„Zie toch, Leonora; daar is signor Amadeo, van wien ik u heden reeds zooveel heb verteld. De Signor, die te Rome in het huis naast het onze op het Corso woont; de Signor, wien onlangs de artisti de fraaie serenade brachten, waarvan geheel Rome drie dagen sprak. Wij hielden den Signor dus voor een rijken Inglese, die zich zulk een kostbaar genoegen verschafte; maar hij zegt, dat

ocr page 378

10(3

hij slechts een arm Duitsch dichter is, hetgeen ik evenwel niet geloof. Zie toch op, Leonora, en aanschouw dien heer. Hij is immers een goede kennis van moeder en mij, en ik heb u reeds zooveel van hem verteld.quot;

Terwijl signora Amarilia met lachenden mond en met de rapheid van tong eener romeinsche zoo sprak, stond Leonora aanvankelijk met gebogen hoofd, en vóór haar Goethe met stralend gelaat, de groote glinsterde oogen onafgewend op de bekoorlijke maagdengestalte gericht. Was het zijn gloeiende blik, die zijn bezwerende kracht op haar uitoe-fende^ _ waren het de vlammende gedachten zijner ziel, die haar betooverden? Langzaam hief zij het hoofd omhoog, langzaam sloeg zij de door lange, zwarte wimpers beschaduwde oogleden op, en de groote zwarte kinderoogen richtten zich op Goetbe, en ontmoetten zijne gloeiende, zalige blikken. Beiden ontroerden, beiden klopte het hart hoog in den boezem. Hare wangen gloeiden, de zijne verbleekten, en 't was hem. alsof een wervelwind plotseling in zijn hart woedde, en hem optrok ten hemel, of nederslingerde in een afgrond. Als bedwelmd deinsde hij terug; als naar redding zoekende greep Leonora plotseling de hand barer vriendin.

Signora Amarilia had niets gezien, niets opgemerkt van de stomme groeten en het aanschouwen van beiden; de romeinsche vermoedde niets van het teedere tooverspel der harten, en koutte vroolijk voort.

„En thans, Signor Amadeo, geef ik mij de eer, u ook de jonge dame voor te stellen, en ge zult mij te danken hebben voor deze onderscheiding. Zie dus hier mijn liefste en dierbaarste vriendin signora Leonore Bandetta. Haar broeder is eerste boekhouder in de handelszaak van den heer Jenkins; en wijl hij door heimwee naar het ouderlijke huis te Milaan werd bevangen, en zich geheel eenzaam en alleen gevoelde in zijn woning, verzocht hij zijne ouders, hem zijne zuster Leonora te willen zenden opdat zij bij hem zou blijven en zijn huishouden besturen. Dus is de schoonste Milaneesche te Bome gekomen, en ik heb haar op een feest bij den heer Jenkins leeren kennen, en wij zijn vriendinnen geworden. Wij beminnen eikander teeder, en daarom heb ik niet opgehouden met bidden, tot mijnheer Jenkins signor Bandetto overreed heeft, mij zijn zuster voor

ocr page 379

107

een paar weken af te staan, om hier in Gastel Candolfo bij ons te logeeren. Heden is mijn Leonora gekomen, en blijft veertien dagen bij mij, en hemelsche veertien dagen zullen dit worden. Zoo, en nu weel ge de geheele geschiedenis; kom nu, en laat ons in het paviljoen gaan.quot;

Zij ijlde vooruit, en trok haar peinzende vriendin mede; terwijl Goethe haar langzaam, in zonderlinge verwarring volgde.

Binnen, in de zaal, ontving haar de moeder van signoia Amarilla, en nog eenige andere jonge meisjes waren daar. Spoedig kwamen er nog eenige kennissen bij, jonge kunstenaars en dichters, en het werd zeer vroolijk en lustig in 't paviljoen. Men schertste en lachte, men dreef allerlei kortswijl, en begon eindelijk het geliefde spel der Romeinen : het lottospel. —

O, arme Moritz, arme vriend, die treurig en vol smart daarheen rijdt in den van bellen klinkenden vetturin,— hoe goed voor u dat uw blik niet terug kan zien! Dat hij den vriend, om wien zijn hart treurt, niet ziet zitten tusschen de beide schoonste meisjes, tusschen Amarilla en Leonora, vroolijk schertsende met de romeinsche, en toch met blik en gedachten slechts naar Leonora gewend! O Moritz, hoe goed dat ge niet zien kunt, hoe Goethe's oogen schitteren, hoe zijn gelaat straalt van wonderbare vervoering, hoe hij lacht en vroolijk is: de jongste onder de jongen, de schoonste onder de schoonen! —

Signora Amarilla is nu bankboudster geworden, en Goethe is haar partner. Hij geoit haar van zijn geld, deelt met haar de winst, maar het verlies draagt hij alleen. De moeder der schoone Amarilla' zit tegenover beiden aan de lange tatel; ziet het met vroolijk welbehagen, en lacht om de scherts van signor Amadeo Goethe, en verheugt zich, hoe de kleine schat van Amaiilla zich ophoopt en vermeerdert. Maar plotseling verduisterd haar gelaat een weinig, en de schitterende oogen der Signora stralen niet meer van vreugde. Dat komt, wijl Signor Amadeo Goethe, die vroeger de partner barer dochter bij het lottospel is geweest, zich nu, — daar Leonora bankboudster is geworden,— lot partner der jonge Milaneesche beeft aangeboden; en zij hoeft het aangenomen, laat zich door hem leiden en raden bij dit ongewoon spel, en verliest allengs haar bedeesdheid.

ocr page 380

108

spreekt reeds zeer opgeruimd en vertrouwelijk met signor Amadeo, die met blijde bereidvaardigheM al hare kleine wenschen vervult, wien jeugdige lust uit de oogen schijnt, bij het vroolijke spel van het onschuldig kind.

Het bankhouderschap veranderde weder, en ging van Leonora op hare buurvrouw over. Maar Goethe bood zich niet aan, ook voor deze partner te zijn, en bleef rustig tusschen de beide schoone meisjes'zitten. Terwijl Amarilla met al de levendigheid van haar zuidelijk temperament haar opgewonden aandacht uitsluitend op het spel had gericht, — terwijl allen met gloeiende, glinsterende oogen naar de uitgeroepen getallen hoorden en ze op de voor hen gelegen kaarten met kleine stukjes glas bedekten, zat Goethe achterover geleund in zijn stoel, het schoone gelaat naar zijne buurvrouw gewend, die niet meer deel mocht nemen aan 'tspel, maar met een onschuldig glimlachje tot hem gezegd had, dat zij liever niet meer wilde spelen, teneinde de twee scudi, welke zij gewonnen had, niet weer te verliezen.

„Men moet het geluk niet tarten,quot; zeide zij, terwijl zij de kleine muntstukken, die te zamen de waarde van twee scudi bedroegen, met haar teedere kleine handen ophief, en ze een voor een als zware regendroppels in haar schoot liet vallen, en met sierlijke bedrijvigheid, onwillekeurig de kleine bajocchi en paoli steeds weder spelend ophief en liet nedervallen.

Goethe zag glimlachend op de fraaie handen en het rollende geld, en dacht aan Correggio's heerlijke schilderij: Danaé en de gouden regen; hij glimlachte voor zich: „het is goed dat de oude godèn niet meer op aarde omwandelen, en de onschuld met gouden regen in verzoeking brenger^! Zou ook zij, dit lieve kind, begoocheld zijn geworden door den gouden regen van den goddelijken verlader?quot;

En Leonora liet altoos nog de kleine geldstukken neder droppelen, schudde de gouden lokken, en zag hem met haar groote kinderoogen ernstig aan.

„Ge lacht, Signor, maar het is waar! Men moet Fortuna niet tarten, want zij wreekt zich aan degenen die haar vertrouwen.quot;

„Is zij zulk een ondeugende godin, signora Leonora?quot; vroeg Goethe vroolijk.

ocr page 381

109

„Fortuna is geen godin,quot; antwoordde zij ernstig: „For-tuna is een duivel, Signor. Zij is een dochter -van de verleidster, die, in het Paradijs tot de moeder der menschen sprak; en als men naar hare inblazingen hoort en zich door hare verlokkingen laat begoochelen, dan sterven de goede gedachten, en men bezwijkt voor de verzoeking.quot;

„Gij lastert de edele godin, Signora,quot; zei Goethe hoofdschuddend: „gij beschuldigt Fortuna, en waarlijk, ge doet hieraan dubbel onrecht, want heeft zij u heden niet toegelachen, en zijt ge tóch niet onschuldig en rein?quot;

„Juist aan mij kan ik u bewijzen, Signor, dat zij een verleidster, een duivel is,quot; zeide zij met gesmoor de, haastige stem: „ik wil u mijne gedachten zeggen,Signor,want ik weet niet, er ligt iets in uwe oogen, dat mij; dwingt u de waarheid te bekennen. Hoor dus, Signor. Toen ik straks dank zij uwen goeden raad en uwe bekwaamheid, de eerste kleine paoli won, verheugde ik mij en dacht: ik wil ze de oude Theresa geven, die iederen morgen, als ik naar de mis ga, op de treden van de trap van Santé Maria della Pace ligt; — de kerk, in wier nabijheid wij te Rome wonen. De oude Theresa steekt mij eiken morgen haar oude verschrompelde, bevende hand toe, en het is zeer zelden dat ik er een gilt in kan leggen; want mijn broeder is niet rijk, Signor, en wij moeten alles wat hij verdient, zuinig bijeenhouden. Het doet mij echter altoos in 't diepst mijner ziel leed, als ik de oude Theresa geen aalmoes kan geven, en ik ga haar dan zeer treurig en beschaamd voorbij. En nu verheugde ik mij over de eerste paoli welke ik won, en rekende na, hoe ik dat geld in koperen munt wilde verwisselen en het dan een geheele week voor de oude Theresa toereikend zou zijn. Toen gaaft ge mij echter weder eenige paoli's en zeidet, dat ik reeds een geheele scudi had gewonnen. En zie, plotseling verbleekte nu het beeld der oude Theresa in mijn hart, en ik dacht eraan, dat mijn broeder onlangs een nieuwen zijden halsdoek had gewenscht, en ik hem dien koo-pen kon voor mijn scudi. Ge lacht om mij, nietwaar Signor? Ge hebt gelijk, Signor, en het is onbescheiden van mij, zulk een wijs heer mijn malle meisjesgedachten mede te deelen.quot;

ocr page 382

no

„Neen, signora, ik lachte niet om u,quot; zeide Goethe op zulk een innigen toon, dat zij verwonderd en verbaasd naar hom luisterde, als hoorde zij een zachte, verrukkelijke muziek: „neen, signora, ik lachte niet om u, maar ik verheug mij slechts, wijl uw eigen woorden uwe beschuldiging tegen Fortuna weerspreken. De godin heeft slechts goede gedachten in u opgewekt!quot;

„O, ik ben nog niet ten einde, Signor!quot; riep zij levendig: „Luister maar verder! ik had vast besloten mijn scu-di uit te geven voor een zijden halsdoek, dien ik mijn broeder wilde schenken, en mijn oude bedelares was vergeten. Nu won ik weder, en andermaal, en ge lachtet, Signor, en schuddet de domme paoli in mijn hand, zeggende: „Nu zijt ge rijk, Signora, want ge hebt reeds meer dan twee scudi gewonnen.quot; En toen ge dit zeidet, ontroerde ik heimelijk; want binnen in mijn borst hoorde ik een stem, die vleiend tot mij sprak: „Speel tnaar voort, Leonora, speel voort. Win nóg een scudi, en dan kunt ge voor uwe drie scudi de koralen oorringen koopen, welke ge zoozeer bewonderd hebt, en niet kondet koopen.quot; Ik hief reeds de hand op, om opnieuw te zetten, en dacht niet meer aan de bedelares of aan mijn broeder, — dacht slechts aan mij zeiven aan mijn ijdelen wensch, en aan de stem die in mij vleide. Maar plotseling huiverde ik, en dacht aan de laatste woorden, welke mijn biechtvader Ig-natio tot mij gesproken had, toen ik te Milaan afscheid van hem nam: „Als de stem der verleidster tot u spreekt, bid dan, mijn kind, opdat de verzoeking van uwijke.quot;En ik bad, Signor; terwijl speelden en ge mij weder een paar paoli gaaft, bad ik zacht in mij zelve, en deed der heilige moeder Gods de gelofte, dat ik mijn geld niet tot ijdelen opschik voor mij zelve, — maar alleen voor mijn broeder en de arme oude bedelares besteden zou. En ik zal mijn gelofte vervullen. Maar zeg; stemt ge mij nu niet toe, Signor, dat Fortuna een booze demon is, een dochter der verleidster, die in het Pardijs tot onze eerste moeder Eva gesproken, — en de menschheid uit het Paradijs verdreven heeft?''

Goethe antwoordde haar niet; hij keek, inwendig bevende, met een ontroering die hem zeiven onverklaarbaar was, naar het lieve meisje, wier wangen rood waren geworden

ocr page 383

Ill

door hel ijverig spreken, wier aangeziclit straalde van den heiligen glans van onschuld en maagdelijkheid. Toen zij nu opgehouden had met spreken, klonk haar zoete stem nog altoos in zijn oor; in weerwil der gonzende, murmelende stemmen, die om hem heen ruischten, getallen uitriepen en lachten, — hoorde hij nog altoos deze stem, en dacht met diepe aandoening over hare onschuldige woorden na.

„Stemt ge het nu toe, Signor?quot;' herhaalde zij ijverig haar vraag.

Goethe's groote oogen schouwden haar met een blik vol onuitsprekelijke zachtheid en goedheid aan. — „Signora, gij ten minste leeft nog in het Paradijs, en moge de toornige engel met het vlammend zwaard nooii dit reine voorhoofd aanraken, 't welk de engel der onschuld gekust en geheiligd heeft.quot;

„Het spel is uit, wij zijn gereed!quot; riep de gebiedende stem van Amarilla's moeder, en in het gedruisch van het opstaan, van het geldtellen, van het schertsen en praten, verstierven de woorden, welke Goethe er nog zacht bijvoegde, en naar welke Leonora met ingehouden adem nog luisterde, toen zij reeds lang vervlogen waren.

Het gezelschap richtte zich op, en stond koutend in af-zonderlijke groepen hier en daar in het paviljoen. Een hand legde zich zwaar op den arm van Goethe, die naar een open venster was getreden, en met een onbepaald gevoel van zaligheid en smart naar buiten zag op het meer, dat door de ondergaande zon purperrood gekleurd was. Goethe wendde zich langzaam om, en zag signora Frezzi, Amarillas moeder, nevens zich staan. Haar gelaat was ernstig, haar voorhoofd bewolkt, en geen glimlach speelde om de anders zoo vroolijke lippen.

„Signor Amadeo, ge zijt een vreemdeling, en kent natuurlijk niet de gebruiken van ons gezegend land,quot; zeide zij met zacht verwijt in haar gesmoorde stem.

„Heb ik gezondigd, Signora?quot; vroeg hij vroolijk: „Heb ik een misslag begaan?quot;

„Ja, Signor, dat hebt ge; en ik moet het u zeggen, als de moeder mijner Amarilla, opdat het onschuldige kind niet beleedigd worde.quot;

„Mijn hemel, Signora,quot; vroeg hij verschrikt: „waardoor zou ik Amarilla kunnen beleedigd hebben?quot;

ocr page 384

112

„Ik zal liet u zeggen, Signer. Ge kent mijn dochter reeds sinds uw concert te Rome, en toen wij elkander voor acht dagen hier te Gastel Gandolfo wederzagen, hebt ge zelf getracht, de romeinsche kennismaking te hernieuwen. Sedert waart ge bij alle wandelingen en gezelschappen de cavalier mijner dochter. Met is door alle kennissen en vrienden zoo opgenomen, alsof het uw 7-eeht was, en niemand zou zich veroorloven, u van Atnarilla's zijde te dringen. Want het is een oud goed gebruik, dat ieder meisje en ieder man zich gedurende de Villegiatur, ^ eeti vriend en een vriendin kiezen. Dit verbindt tot niets, zoodra de Villegiatur ten einde, en men weder naar Rome teruggekeerd is; maar het verbindt de paren gedurende de Villegiatur tot trouwe volhardingen liefderijke oplettendheid.quot;

„En in hoever heb ik tegen deze verplichting gezondigd ?quot;

„In zóóverre, signor, dat ge sedert acht dagen, voor het geheele gezelschap als de amico mijner dochter gegolden hebt en thans, nu ge nauwelijks kennis met hare vriendin Leonora hebt gemaakt, u met denzelfden ijver en dezelfde oplettendheid tot deze wendt. Dat past niet, Signor, en ik moet u verzoeken —quot;

„Ik moet u eerst iets verzoeken, Signora,quot; viel hij haar in de rede, en zijn stem was streng en gebiedend, en zijn blik was ernstig: .,ik moet u verzoeken niet te vergeten, dat ik een vreemdeling ben, en dat mij ook in den vreemde, de gewoonten en gebruiken van mijn vaderland bijblijven. In mijn vaderland is 't gebruik, dat de mannen zich jegens alle dames oplettend en beleefd betoonen, en in gezelschap elk met achting en voorkomendheid bejegenen. Mij komt dit beter en aangenamer voor, dan ééne dame bij voorkeur zijn hulde te wijden, en alle andere met minachtende koelheid voorbij te zien. Ge zult mij dus moeten veroorloven te doen, wat ik beter en verkieslijker vind.quot;

Hij ging vóór haar, regelrecht door het paviljoen naar het boogvenster, waar beide meisjes stonden. Zij lachten hem toe. Amarilla had juist een tak bloeiende mirthe, die door 't venster had gestoken, afgebroken en Leonora's haar er mede getooid. Zij wees met trotsche vreugde op haar vriendin.

1) Zorneruitspanning.

ocr page 385

113

„Zie eens, hoe fraai zij is, Signor! Ziet zij er met de bloemen der liefde in 't haar niet uit ais de godin dei-liefde?quot;

Leonora bloosde en wendde haastig het hoofd om, naar het open venster. De mirthetak viol uit het glanzend haar aan Goethe's voeten neder. Hij b ukte en raapte hem op; een wonderbare verrukking stroomde door zijn ziel, en zijn hart klopte zoo luid en onstuimig als het sedert jaren niet geklopt had, toen hij Arnariila den tak reikte, om dien weder in Leonora's haar te bevestigen.

„Hoe lang zal het duren,quot; zeide Amarilla glimlachend, terwijl zij ijverig bezig was, liet gebogen hoofd der vriendin met den bloemtak de tooien: „hoe lang zal het duren, eer ik in allen ernst den bruidskrans in dit goudgn haar bevestig?''

Zij zag bierbij met glimlachenden blik tot Goethe op, en deze blik deed hem beven; 'twas als een vurige bliksem, die plotseling de raadselachtige duisternis van zijn hart verlichtte.

Hoe stil en zwijgend was tot hiertoe dit hart geweest, sinds Goethe zich in Italië bevond! Hoe ijverig had Goethe aanvankelijk vermeden, het uit zijn droomige rust te wekken, — uit deze herinneringen aan zijn gehelde verwijderde vriendin, — en aan de gewaarwordingen van het tegenwoordige terug te geven. Hoe zorgvuldig had hij alle verkeering met vrouwen vermeden, om slechts voor de kunst, de Natunr en zijne studiën te leven! En thans, nu hij zich door alle studiën, door alle leeren en streven, door alles wat zijn ziel en gedachten uitsluitend bezighield, zoo geheel vervuld waande — dat hij volstrekt niet meer dacht aan zijn stil, vreedzaam hart, en geen gevaar meer er voor mogelijk hield, nu klopte het plotseling zoo heftig in zijn borst, en gaf hem al het zoete gevoel, het onstuimige bageeren van vorige, vervlogen dagen terug!

Het was hem zeiven zóó verrassend, zóó overweldigend, dat hij geen deel kon nemen aan het onschuldig gekout van het gezelschap, of tegenover dit betooverend kind onverschillig kon schijnen. Hij verliet het paviljoen, sprong de treden af, en ging met haastigen tred naar de dichtste, donkerste paden van het park; en daar ging hij heen en weder, uren lang, en luisterde naar de zoete stemmen, Mühlbaoh, Duitschlancl ia Woeling en Strijd. IV. 8

ocr page 386

114

die in zijn hart iluisterden, en dacht glimlachend aan de verwensching, welke Moritz over den ijsklomp van zijn hart had uitgesproken, en die zich nu op zulk een liefelijke en wegslepende wijze aan hem vervuld had!

„Ik dank u, eeuwige goden, dat gij mij in Italië nog de hoogste openbaring der poëzie beschikt, dat ge de heilige vlammen der lielde in mijn hart wilt laten ontgloeien! Ik heb met u gespot, Venus Aphrodite, en gij straft den zondaar met uw zoelsten toorn; ge laat hem gevoelen, dat de eeuwige jeugd nog vol zalige verrukking in hem gloeit en vlamt. Want de liefde is de eeuwige jeugd en ... ik bemin! Ja, ik bemin! Ik bemin!''

Hij riep het luid in den stillen nacht, toen hij laat des avonds, terwijl allen reeds ter ruste waren gegaan, nog steeds in de donkere taxusalleen op en neder ging, — in deze alleen, waarin vroeger de vrome paters der orde van de heilige Ignatius heen en weder gewandeld, en wellicht nagedacht hadden over de middelen, welke hun de macht en heerschappij der geheele wereld in handen konden geven.

Want dit paleis, 't welk thans den rijken heer Jenkins en zijn vrienden tot Villeggiatur diende, was vroeger de zomerresidentie van den generaal der Jezuïten geweest, wier klooster zich dichtbij, aan het andere einde van het park bevond. In deze taxusalleën had paus Urbanus eens met zijn vriend den generaal der Jezuïten heen en weder gewandeld, en te zatnen hadden zj overlegd hoe zij zich de Vorsten en volken onderdanig, — zich tot heeren der wereld wilden maken.

Goethe dacht hieraan, nu hij, uit een donkere allee komende, plotseling het groote, grijze paleis, gehuld in den glans der maan, zoo stil en majestueus voor zich zag.

„Waarachtig,quot; zeide hij stil voor zich: „de heilige vaders hebben 't mij aangedaan, zij hebben den loozen god in een Jezuïtengewaad gestoken; zoo is hij mij nageslopen, en terwijl ik geloofde met een eerzamen priester over geleerde dingen te spreken, heeft de overmoedige schalk zóódanig mijn hart begoocheld, dat ik alle wijsheid afzweren, en een dwaas zou willen worden met de dwazen!quot;—

„Maar wat moet hiervan worden, dwaas?quot; vroeg hij

ocr page 387

115

vervolgens zich zeiven: „Wuarloe zal liet voeren, met deze liefde voor het schoone bekoorlijke kind?quot;

Hij luisterde naar den nachtwind, of deze hem antwoord zou geven; hij zag op naar de maan, of zij hem met haar breed, glanzend gelaat het raadsel der toekomst ontsluieren kon, en hierbij klonk en zong het zacht in zijn hart, en grinnikte en lachte het in hein, met de spottende woorden van zijn eigen lied;

„Trouwen, kind, is een wonderlijk woord.

Hoor ik het, dan loop ik terstond weder voort!quot;

Hij neuriede het voor zich, terwijl hij nu langzaam op het huis toetrad; hij wilde zich dwingen de woorden van zijn liedje tot zijn eigen meening te maken. Maar de maneschijn is een zeer zonderlinge toovenaar, en op de bloemkelkjes der droomende mirten en boven de zilveren wateren der murmelende kaskaden verscheen voor hem de bekoorlijke, liefelijke gestalte van een meisje, dat hem met donkere oogen groette, en wier gouden lokken om haar engelengelaat als een stralenkrans van beminnelijkheid en onschuld schitterden.

En Goethe boog glimlachend zijn hoofd, en tluisterde verder de woorden van zijn liedje;

„Trouwen wij maar;

Het overige zal wel gaan!quot;

X.

EEN LIEFDEDROOM.

Machtig, geharnast en vol leven, zooals Minerva plotseling uit het hoofd van Jupiter te voorschijn kwam, verhief zich de liefde plotseling uit Goethe's hart. Een enkele dag had haar verwekt, een enkele nacht haar sterk, machtig en zegevierend gemaakt.

Toen Goethe den volgenden morgen, na een onrustigen slaap en verrukkende droomen, zijn kamer verliet en naar de groote zaal beneden ging, — waar vroeger de generaal

ocr page 388

110

der Jozuiten zijn ernstige, godzalige menschen onthaalde, en die nu voor de vroolijke kunstenaars en levenslustige mannen en vrouwen tot verzamelplaats diende, — had hij het moedig en vroolijk besluit genomen, zich te laten dragen door de bruisende, zilveren golven des gevoels, er op te rusten, zonder te onderzoeken waarheen zij hem schommelden; volkomen overtuigd, dat zij hem naar eenig betooverd eiland van gelukzaligheid zouden brengen, waar aan het mirtengeurende strand twee zachte armen hem omvangen, twee schitterende oogen hem sprookjes in het opmerkzame hart zouden fluisteren.

Beneden in de gezelschapszaal was het nog stil en eenzaam. De kunstenaars waren eerst laat van de pleizier-partij van gisteren tehuis gekomen, en bevonden zich nog in hunne kamers. Angelika Kaufmann, die met haar ouden echtgenoot, den schilder Zucchi, anders steeds de eerste placht te zijn aan de ontbijttafel, had heden laten zeggen, dat een ondragelijke hoofdpijn haar pijnigde, en zijn het ontbijt in haar kamer zou nemen. Signora Frezzi echter, Amarilla's moeder, vermeed opzettelijk de gezelschapszaal, om Goethe niet te ontmoeten, wiens barsch gedrag haar gisteren beleedigd had.

Op de kleine ronde tafels die hier en daar in de zaal stonden, lagen de nieuwspapieren, die gisteren aangekomen waren. Goethe zette zich aan een dezer tafeltje, en vouwde een dier groote Engelsche dagbladen open, die het vermaak en de urenlange lectuur der blauwoogige dochters van Albion plegen te zijn.

Twee vroolijke meisjesstemmen stoorden hem in zijn 'lectuur, en maakten dat hem 't bloed in de wangen steeg, en hij haastig het blad ter zijde wierp.

't Waren Amarilla en Leonora, die uit het park kwamen en het salon binnentraden. Zij waren beiden in een luchtig, eenvoudig morgengewaad, bekoorlijk om te zien met het frissche morgenrood op heur wangen, en de granaatbloemen in bet krullende haar.

Amarilla's rondzwevende, glinsterende oogen ontdekten Goethe het eerst, en zij groette hem met lachenden mond, ijlde op hem toe, en reikte hem de hand tot morgengroet.

Leonora stond op een afstand, maar hare glimlachende lippen en de schitterende blik harer groote oogen, spraken

ocr page 389

117

tot Goethe welsprekender, dan al Amaril la's woorden dit vermochten.

Hij ging tot haar en reikte Leonora de hand. Toen zij bedeesd, — en toch met een uitdrukking van kinderlijk vertrouwen, haar kleine hand in de zijne legde, gevoelde hij eene onbeschrijfelijke vreugde, en zijne oogen rustten op haar, met een uitdrukking van zalige verrukking.

Amarilla zag dit niet, want zij was bezig met het in orde brengen der kleine ontbijttafel en de koffie rond te dienen, welke de knecht op haar bevel gebracht had. Leonore, — die onder Goethe's blikken ontroerde, verbleekte, en toen weder bloosde, — Leonora trok nu met een zenuwachtige beweging haastig haar hand terug; hare teedere, beschaamde oogen hieven zich langzaam tot Goethe op, en richtten zich op hem met zulk een smee-kende, angstige uitdrukking, dat zijn hart beefde van aandoening en vreugde tevens. —--

Wees sterk, mijn hart, geef u niet te vroeg aan deze heerlijke betoovering over! Zuig eerst met verrukking den geur dezer purperen bloem in, welke men liefde noemt, vóór gij haar plukt en aan uw hart drukt. Wees sterk, mijn hart, en geniet de reine weelde van het opgaande zonlicht! — — —

Zij was langzaam van hem weggezweefd, en toen zij nu nevens Amarilla aan de tafel stond en haar hielp het ontbijt in orde te brengen, was alle beklemdheid van haar geweken; het schuchtere duifje gevoelde zich als behoed door de vleugels der oudere, sterkere duit, en nevens haar, onder de beschutting van het nest, vreesde zij den gier der smarten niet meer, wiens geweldigen wiekslag zij instinctmatig vernomen had.

Leonora lachte nu weder, mengde zich argeloos in het vroolijk gekout, dat Amarilla met Signor Amadeo begonnen was, en liet zich aan zijn zijde neder, om met hem en Amarilla te ontbijten. Het was een heerlijke, verkwikkende morgen; door de breede open glazendeuren woei de frissche morgenwind wolken van geuren in de zaal; men hoorde bet ruischen der oranje- en mirtenboomen, het murmelen en plassen der kaskaden, en kon door de breede, opening der detu' de witte marmerbeelden in de

ocr page 390

118

boschjes zien, die door den glans der morgenzon met een rooden, warmen levenstint bewasemd schenen.

En irisch en helder, als de jonge morgen, schenen de beide lieve meisjes, tusschen welke Goethe zat, en wier argelooze kout hem in dit uur bekoorlijker en leerzamer voorkwam, dan hem ooit het diepzinnigste gesprek met de geestige vrouwen, of het grondigst onderhoud met de grootste geleerden en navorschers geweest was.

Doch zijn oplettendheid was toch eigenlijk slechts op de milaneesche gericht; op het schoone meisje met het blonde haar, de donkere oogen en de teedere doorschijnende wangen, wier afwisselend, komend en verdwijnend rood een spiegel geleek, die elke verandering van stemming en gevoel teruggaf.

Amarilla, met haar vroolijke, plagende luim, had een groot Engelsch dagblad genomen, het sierlijk samengevouwen, en het over haar zwart haar en voorhoofd gelegd, op de wijze als de fazolletta der Albaneesche boerinnen, en zij danste er mede in de kamer heen en weder, terwijl zij halfluid op de melodie der tarantella, een der kleine boertige minneliedjes zong, die, op half sprekende, half zingende wijze, slechts door de voordracht van een Italiaansch meisje, hun betooverende bekoorlijkheid erlangen.

„Zij is dol,quot; zeide Leonora lachend: „zij gelijkt een bij, die uit elke bloem honig zuigt en zich verbeeldt, dat de wereld slechts geschapen is, opdat de bloemen bloeien, en quot;de bijen er haar zoete spijs zouden uitzuigen.quot;

„En zijt gij niet van deze meening, schoone Leonora?'' vroeg Goethe, zich met teederen blik tot haar buigende.

Zij schudde zacht het liefelijke hoofd. — „Neen,quot; zeide zij: „ik weet, dat de bloemen evenals de bijen slechts als een kleine zandkorrel in het groote heelal zijn, en dat beur willen en streven volstrekt geen beteekenis hebben. En ik denk vaak,quot; voer zij zachter en met lief, nadenkend gelaat voort: „ik denk vaak, dat wij arme, eenvoudige meisjes óók niet beter zijn, en in de oogen Gods niets meer gelden dan de bloemen en de bijen, en het er volstrekt niet op aankomt, of wij leven en sterven.quot;

„Denkt ge zóó gering van u?quot; vroeg Goethe met zach-

ocr page 391

419

\

to, dringende stem: „Ge weet niet, dal de Almachtige zich soms over de menschen ontfermt, en hun een engel van onschuld, van liefelijkheid en schoonheid zendt, opdat bij diens aanblik, de menschelijke ziel zich troosten, en het menschelijke hart zich verkwikken zou. Ge w?eet niet, dat gij voor mij deze engel zijl?quot;

Zij schudde langzaam haar hoofd. — „Ik weet slechts, Signor, dat ik een arm, onwelend meisje ben, en ik vaak recht hartelijk verlang, uil mijn domheid te komen en te begrijpen, wat verstandige mannen spreken. Het is ook niet geheel mijn schuld, dat ik zoo dom ben, dat —quot;

„Zeg niet zulk een leelijk woord,quot; viel Goelhe haar levendig in de rede: „de goddelijke onwetendheid der onschuld moogt ge niet met domheid verwisselen, zooals gij doet, en u zelve hiermede krenkt.quot;

„Neen, ik zeg slechts de waarheid,quot; riep Leonora: „en ge ziet, ik zoek mij immers te verontschuldigen, en zeg dat het niet de schuld van ons, arme meisjes is, dat wij zoo dom en onwetend zijn. De wijze menschen, onze ouders en opvoeders, vreezen onze oogen te openen, zij zijn bang en meenen, dal een meisje niets moet weten en leeren. Zij laten ons geen schrijven leeren, wijl zij vreezen, dat we dan niets zouden doen dan minnebrieven schrijven. Zij zouden ons ook geen lezen laten leeren, zoo wij ons niet met het gebedenboek moesten bezighouden. Wij leeren nauwelijks ons in onze eigen taal behoorlijk en goed uit te drukken, en niemand denkt er aan, ons in een vreemde taal te laten onderwijzen, en ons de boeken der wereld te openen.quot; ')

„En gij zoudt gaarne in deze boeken der wereld kunnen lezen, Leonara?quot; vroeg Goethe.

Zij knikte. — „Ik zou er alles voor geven, om Engelsch te leeren! Ik hoor vaak mijnheer Jenkins met mijn broeder, madame Angelika en mijnheer Zucchi mei de heeren Volpat en Gamoccini Engelsch spreken, en dan overweldigt mij een wezenlijke treurigheid, en ik heb dan een gevoel van benijding, 'twelk ik anders nooit ken. Zie, Signor; de schoone Amaril la maakt zich van het groote

1) De eigen woorden der schoone Milaneesche. Zie: Goethe's gesaramelte Werke. XXIV. 135.

ocr page 392

120

Engelsche dagblad een fazoletta en danst er «lede; en ik, ik zou alles er voor geven, zoo ik lezen en verstaan kon, wat in deze dagbladen geschreven staat; want ik weet, dat zij berichten uit de gebeele wereld bevatten.quot; ^

„Ge zoudt er alles voor geven, zoo ge deze nieuwsbladen zoudt, kunnen lezen? Wat geeft ge tnii, zoo ik het u 1 eer -''

„O,quot; riep zij, vergenoegd in haar kleine handen klappende: „o leer het mij! Ik zal heel dankbaar zijn, heel dankbaar! Het zal mij gelukkig maken, en ik weet, ge zijt edel en grootmoedig, en zoudt er reeds uw beste be-Jooningf in vinden, een onwetend meisje gelukkig te hebben gemaakt

„JMeent ge, Signora, dat ik werkelijk zoo onbaatzuchtig Lea T vroeg Goethe haar diep in het bewogen aangezicht ziende: „Neen, Leonora; ge vergist u waarlijk! Ik ben jriiet zoo aan de goden gelijk en zonder wenschen als gij meent!quot;

Buiten op het terras klonk juist Amarilla's schetterende stem in de liefelijke melodie, welke ieder Italiaansch meisje en jongeling kent en zingt; welke de vogels inde oranjehagen en de bloemen in de bosschen kennen, wijl zij die duizendmaal door de smeekende, juichende stemmen der verliefden hebben booten zingen en klinken:

„Jo ti voglio ben' assai Ma tu non pens', a me!quot;

Leonora, door Goethe's diepen, innigen toon verschrikt, wendde haastig haar hoofdje naar het terras, en glimlachte, toen zij zag hoe Amaril la daar zingend heen en weder trippelde, en van de mirten en granaten, van de magnolias en rhododendrums, die in groote tobben op het terras stonden, enkele bloemen en twijgen plukte, en ze tot een bouquet vormde.

Leonora wees met haar opgeheven fijnen wijsvinger daar-heen, en over haar gelaat vloog een vroolijke, beminne-lyke glimlach.

„Zie slechts, Signor,quot; fluisterde zij: „ik zeide u zooeven

1) A.ls voren.

ocr page 393

m

dat men ons niet leert schrijven, wijl men vreest dat wij minnebrieven zouden schrijven. Zie nu, hoe wij, arme meisjes, uit domheid schrander moeten zijn, en hoe wij minnebrieven schrijven. Wij nemen in plaats van letters bloemen, dat is het ééuig onderscheid.quot;

„Meerit ge dat Amarilla thans met hare bloemen een minnebrief samenstelt?quot;

„Stil, verraad haar niet, Signor; sla óók uwe oogen neder, opdat geen profane blik de letters ontheilige, welke God en de zon geschapen hehben!''

„Maar den jongeling mag ik tuch zien, die ginds van de taxushaag nader sluipt ?quot; vroeg Goethe.

„Van welken jongeling wilt ge sprekenvroeg Leonora geheel verschrikt.

„Wel, van den jongen Gamoccine, die ginds voorzichtig van achter 't struikgewas te voorschijn komt, en voor wien waarschijnlijk de geurige minnebrief is bestemd, dien A-marilla juist triomfantelijk omhoog houdt.

„Neen; zie niet daarheen, Signor,quot; riep Leonora, terwijl zij in de grootste verwarringen naar een groot nieuwsblad greep, en het Goethe reikte; ,,Ge zeidet, mij te willen lee-ren deze nieuwsbladen te lezen, en de moeielijke Kngel-sche woorden te verstaan. Leer het mij, Signor, o leer het mij. Ik zal u een dankbare leerlinge zijn!quot;

Goethe nam het nieuwsblad, en hield het glimlachend voor haar. Den linker arm had hij op de leuning van den biezenstoel gelegd, waarop Leonora zat, met de rechterhand hield hij het nieuwsblad voor haar liefelijk gelaat,en toen hij nu met ernstig gebaar begon, haar woord voorwoord de plaats in het nieuwsblad, waarop haar rooskleurige vinger wees, te lezen en te vertalen, luisterde zij met ingehouden adem, en merkte het niet, dat haar hoofd dicht naar het zijne gebogen was, dat haar wang bijna de zijne raakte, dat haar blond geurig haar zich mengde met zijn bruine lokken. Geheel haar ziel was slechts vervuld van den ijverigen wil om elk woord, dan Goethe haar zeide,op te nemen, en in haar geheugen te prenten. Hare oogen hingen aan de zijne, en vlogen als ijverige bijen van het nieuwsblad naar zijne lippen, en wisten niet, dat zij een angel bezaten, die in het hart van haar schoonen ijverigen onderwijzer, een zoet gif boorde.

ocr page 394

122

De leermeester te zija van een schoon, teeder jong meisje is een gevaarlijk beroep voor een man, als hij jong is, en een vurig hart bezit. Uit een boek te lezen, wang tegen wang, zóó nabij, dat de adem zijns monds hare lippen kust, dat hij het snelle kloppen van haar hart hoort, — wanneer heeft ongestraft een vrouw dit durven wagen, zoo het niet haar geliefde of haar echtgenoot was, met wien zij las! Francesca ;da Rimini zou niet vermoord zijn geworden dooi haren ijverzuchtigen echtgenoot, zoo zij met haar schoonen zwager Paolo Malatesta niet Lancelot gelezen had.

Wij lazen eens, wijl 't beiden zeer vermaakte, Van Lancelot, hoe liem de liefde omving.

Wij waren eenzaam, zonder achter denken.

Het boek wekt' in on.i op des harten drang,

Trok onzen blik, en deed ons vaak verbleeken!

Doch ééne plaats was er, die ons verwon:

Als de geliefde zich had laten kussen Uen zoeten mond, door haren stouten minnaar.

Toen nadert hij, die nooit mij zal verlaten,

Toen kuste bevende ook hij mijn mond!

G-aleotto Wcis hot book, on diG het sanisnsteld© — Van dezen dag lazen wij sinds niet!quot;!)

Zij lazen óók; „wijl 't beiden zeer vermaakte, en waren eenzaam zonder achterdenken!'

Amarilla zong en trippelde en lonkte Imiten op het terras, en letle niet op beiden, die daar zoo ernstig en aandachtig nevens elkander zaten, en de Engelsche courant bestudeerden. Het toeval had gewild,_ dat de plaats, welke Leonora's vinger had aangewezen, juist het eenvoudig aau-doenlijk verhaal was van een man en een meisje, die elk-ander niet mochten toebehooren, wijl hij gehuwd was. Het meisje, niet in staat hare liefde te bedwingen, en toch quot;ekweld 'door berouw en wroeging, had in de donkere wateren van den Theems haai1 iietde en leed begraven, en toen haar minnaar het vernam, had hij zich vergiftigd, en in een achtergelaten brief slechts verzocht, dat men beulen in één graf zou begraven.

Leonora was zóó inspannen met het opmerken en

1

Dantes Alighieri's Diviniv Commedia. V. gez: str; 12i. 139.

ocr page 395

123

vertalen der enkele woorden, dat zij volstrekt niet lette op den zin. Zij nam met ingehouden adem de woorden | van gloeienden hartstocht van de lippen van haar edelen leermeester, en borg ze in haar geheugen als een nieuw verworven schat, en juichte luid van verrukking, als het haar, nu zij de overzetting herhaalde, gelukte, zelve den zin te vatten, en geheele zinsneden en perioden in hare moedertaal terug te geven. Zij was zóó schoon in haai'onschuldige vreugde, het gelaat zóó bezield, het oog zóó glanzend, de glimlach barer purperen lippen zóó liefelijk en | vriendelijk, dat Goethe bij haar aanblik een rilling van verrukking gevoelde, en bij zich zeiven zeide, dat het zoet, betooverend moest zijn, dit bekoorlijk, geestig, frisch wezen de schatten der wetenschap en kennis te openen, — van haar te leeren, terwijl men haar onderwees.

Zij lazen altijd nog; beiden waren geheel verdiept in hun studie, en zagen niet dat de deur, dip lot bet vertrek voerde, zich zacht opende, en een jongeling met vroolijk gelaat en helderen glimlach er in verscheen. Toen hij echter beiden zag, zoo dicht bijeen, schouder aan schouder, wang aan wang; — zij den blik gebogen op het papier, hij, de gloeiende oogen onafgewend met hartstochtelijke teederheid op haar gloeiend aangezicht, gericht, — toen de jongeling beiden zóó zag, verdween de vroolijke uitdrukking van zijn gelaat, zijn wangen verbleekten, en een bliksem van toorn en wraak schoot op beiden neder. Zij voelden dien niet, zij waren geheel verdiept in hun studie, en Leonora, wie het juist gelukt was een zinsnede geheel uit het geheugen te vertalen, riep nu luid de slotwoorden van het verhaal: ,,Het was hun zoeter te sterven in liefde, dan te leven zonder liefde!quot;

Zacht en onhoorbaar trad de bleeke jongeling mei de toornige oogen weder terug in de gang, en sloot de deur achter zich.

Zij lazen voort en wisten er niets van, en eerst toen de zaal zich langzamerhand met bekenden en vrienden vulde, staakten zij hun studie, beiden zuchtend, beiden elkander aanziende met een blik, die vol teederheid, vol leedwezen was.

Nu verschenen de ijverige bedienden van hot huis ; zij plaatsten de tafeltjes tot een lange tafel bijeen, en brach-

ocr page 396

124

ten het pranzo voor de talrijke gasten in orde. Mijnheer Jenkins kwam nu, aan zijn arm Angelika Kaufmann bin-nenvoerende, die met een hartelijken groet naar Goethe trad, en op haar vriendelijk zachte manier hem verweet, dat hij haar veronachtzaamd en vergeten had.

Goethe antwoordde zijn vriendin echter niet met het vroolijke, vrije voorkomen, zooals hij vroeger deed, en haar scherpe kunstenaarsblik ontdekte een verandering in zijn gelaat.

„Ge zijt heden morgen door een der Muzen of godinnen van den Olympus bezocht geworden,quot; zeide zij: „haar kus brandt nog op uwe wangen, en het hemelsche vuur vlamt nog uit uwe oogen. Zeg, vriend, welke Muze of welke godin was het, die u gekust heeft?quot;

Goethe lachte. — „Waarom, Angelika, — waarom zou het een onsterfelijk wezen zijn geweest?-' gt;

„Wijl ge zulk een steenen hart hebt, dat geen sterfelijke vrouw het kan verteederen. Ge weet immers, uw vriend Moritz noemde u steeds den noordschen ijsbeer, en verzekerde, dat ge een ijsklomp in plaats van een hart in de borst bad. Hij had gelijk, nietwaar?quot;

„Wee mij, zoo hij geen gelijk had, maar gelijk kreeg!quot; zuchtte Goethe, aan de heillooze liefdevoorspelling en ver-wensching denkende, welke Moritz hem naar 't hoofd had geslingerd.

Men zette zich om de tafel, men maakte complimenten over de plaatsen. Nevens Goethe te zitten, scheen allen een eereplaats, en daarom gaf mijnheer Jenkins aan de schilderes Angelika de eereplaats aan Goethe's rechter zijde, en overlegde juist wie hij de plaats ter linker zijde wilde gunnen, toen Leonora zich met onbevangen en vroolijk gebaar, — als ware het geheel natuurlijk en als sprak liet van zelve, — op den stoel naast hem zette.

„Ik kan niet van u scheiden, Maestro/' glimlachte zij: ,.ge moet mij nog eenige woorden herhalen en verklaren. Denk eens, ik heb vergeten wat gij mij straks gezegd hebt, en kan de woorden niet bijeenbrengen, die zeggen; „Zoet is het te sterven in liefde.quot;

Angelika's verbaasde, bevreemde blik zeide Goethe, dat zij de woorden van het jonge meisje gehoord had en dit maakte hem verlegen en verward; hij antwoordde Leonora

ocr page 397

125

zóó verlegen, als Angelika hem nooit gezien had, en deze verlegenheid verried haar het geheim zijner verandering.

„Ik vergiste mij,quot; zeide zij zacht, met haar zoeten glimlach „'t was geen godin of Muze, die u bezocht heeft-üe God der goden zelf heeft uw hart gekust, vriend, en uwe oogen geopend, zoodat zij zien.''

Ja, zij zagen, deze vlammende oogen, en de liefde had des dichters hart verteederd. Een juichen, een verrukking was in hem, als in de eerste dagen zijner jeugdige liefde; alles scheen hem veranderd, alles had voor hem hoogere bekoorlijkheid. Toen hij na den maaltijd met zijn vrienden in den tuin wandelde, was 't hem alsof zijn voeten niet meer de aarde raakten, alsof zijn hoofd ten hemel reikte, en zijne oogen de pracht der zon en den glans der sterren aanschouwden.

En in zulk een nieuwen glans verschoen hem ook de wereld om hem heen. Hij was naar het paviljoen gegaan, waar hij Leonora gisteren het eerst gezien had, en daar hoopte hij haar ook nu te vinden. Amarilla had haar, toen men van tafel was opgestaan, ter zijde genomen, en haar een paar woorden in toor gefluisterd. Goethe had gezien, dat Leonora ontroerde en verbleekte, en dat zij slechts weerstrevend haar vriendin volgde, die haar met zich trok naar den tuin.

Daar, boven in het paviljoen, hoopte hij haar weder te vinden. Maar zij was er niet; enkele groepen stonden in de rondte, en aanschouwden door de open zaal de landstreek. Goethe boog zich uit een der vensters, en zijn verrukte blik zweelde naar buiten over het landschap. Nooit was het hem zoo fraai voorgekomen als heden. Iets onverklaarbaars, een tooverachtige glans was er over verbreid; in een wonderbaren lichtglans straalde hem het verrukkende natuurtafereel tegen, en hij dacht in dit oogenblik volstrekt niet aan het „schilderachtige in het landschap,quot; hij aanschouwde het tafareel niet met de oogen des kunstenaars, die het geziene in olie of aquarel wil wedergeven, — hij zag slechts met de oogen van den verrukten, betooverden mensch, voor wien zich plotseling een tooverachtige wereld heelt geopend, — een wereld van schoonheid en liefde. ^

1) Zie: öoethe's Werke. XXIV. 137 der Italiaansche reis.

ocr page 398

420

Eensklaps hoorde hij in zijne nabijheid Arnarilla's vroo-lijk lachende stem, en zijn hart zeide hem, dat zij niet ver was, — zij, welke hij wenschte; Leonora! Haastig keek Goethe om. Ja, daar was Leonora; daar stond zij in de open deur van het paviljoen, en nevens haar een jongeling, met wien zij in een druk, zacht gesprek was.

„Gij hier, Signor A.madeo,quot; riep Amarilla op hem toetredende; „wij hebben u overal gezocht, wij —quot;

„Signora,quot; viel Goethe haar in de rede, zacht zijn hand op haar arm leggende: „Signora, ik bid u, zeg mij wie is de jongeiing met wien uwe vriendin Leonora daar zoo ijverig spreekt?quot;

„Nu, wij zochten u juist, om u dit te zeggen, en u den jongen Matteo voor te stellen. Hij is gekomen, om Leonora te zeggen, dat zijn oude rijke oom, wiens eenige erfgenaam khij is, in den vorigen nacht plotseling overleden is, en dat nu zijn huwelijk geen hindernis meer in den weg slaat.quot;

„Wat gaat het uwe vriendin aan, of deze heer Matteo rijk geworden is, en trouwen kan?quot;

„Wat haar dat aangaat?quot; lachte Amarilla: „Nu, ik zou meenen dat het haar zeer veel aangaat, want Matteo is immers haar bruidegom, en nu zal het over acht dagen haar bruiloft zijn.quot;

Geen spier van zijn aangezicht bewoog zich, geen blik verried de foltering, de smart zijner ziel. Hij wendde zich om, en staarde naar buiten op het landschap, dat hem zooeven met zulk een betooverenden glans legenstraalde. Thans scheen 't hem verduisterd, en eeuwige nacht en eeuwige blindheid op zijne oogen gedaald.

Én terwijl hij daar zoo in stomme verbazing stond, wist hij niets van het kleine drama, dat haastig, door niemand opgemerkt, achter hem plaats had; voelde niets van het dubbel oogenpaar, dat op hem gericht was: de oogen van Leonora met teedere deelneming, de oogen van den jongeling met verwoeden haat.

„Ik heb gezien, hoe hij verbleekte en ontstelde,quot; beet hij, — dicht aan Leonora's oor gebogen, — haar toe: „Het verschrikte hem te hooren, dat ge mijn bruid zijt.'t Schijnt dat ge hem zorgvuldig verborgen hebt gehouden, dat ge verloofd zijt, en op't punt staal in het huwelijk te treden?quot;

ocr page 399

127

„Ik heb het niet verborgen gehouden, Matteo,quot; zeide zij zacht: „ik heb het slechts vergeten.quot;

„'•quot;en teedere bruid, die haar bruidsstaat vergeet, zoodra een ander, misschien een schooner man, aanwezig is!quot;

„Ach, Matteu,, (luisterde zij met tranen in deoogen: „ge doet mij onrecht!quot;

Hij zag deze tranen, en zij maakten hem razend. — „Kom nu, en stel mij aan don fraaien Signor voor,quot; beval hij grimmig: „zeg hem in mijne tegenwoordigheid, dat wij binnen acht dagen bruiloft hopen te vieren . Maar zoo ge ook slechts één traan daarbij weent, vermoord ik hem, en —quot;

„Ik verzoek u, Signor,quot; zeide een stem achter hem: „ik verzoek u, Signor, laat de deur vrij en laat mij door.quot;

Deze stem was ernstig, rustig en koel; en ernstig, rustig en koel was ook het gelaat, waarmede Goethe den jongeling aanschouwde. Geen enkelen blik richtte hij op Leonora, geen woord had hij voor haar, die bedeesd, angstig haar oog tot hem ophief. Hij ging haar voorbij, de trap af in den tuin, en steeds sneller werden zijne schreden, hoe verder hij zich van haar verwijderde, — van haar, die hem gisteren als het opgaan van een nieuwen dag, als de zonneglans van een nieuwe jeugd verschenen was, en die heden een donkeren, woesten nacht over zijn ziel verbreidde en hem in het treurige, trillende hart, den laatst,en afscheidsgroet der verdwijnende jeugd toeriep.

Hij verliet het park en ging steeds verder in het dichtst van 't bosch, en waar het geheel eenzaam en stil was, waar niets hem omgaf, dan het ruischen der boomen en het droomend gezang der vogels, daar wierp hij zich neder in het mos, en een kreet, één enkele vreeselijke kreet galmde door het bosch, en verriedt aan God en de Natuur het smartelijk geheim van een edel menschenhart, dat worstelde met zijn foltering, en de smart niet verwinnen kon, die in hem woedde.

Eerst laat des avonds keerde Goethe uit het bosch terug, ging naar zijn kamer en sloot zich op, wilde niemand zien, met niemand spreken; moest eerst de demons bedwingen, die tot hem spraken en fluisterden met wilden hoon en spottende vei twijfeling. Hij moest die eerst bedwingen, zooals het den man betaamt, die niet de slaaf

ocr page 400

128

mag zijn van zijn hartstocht, die voor niemand het hoofd buigt, ook niet voor de smart, hoezeer zij hem ook verscheuren moge. — Neen, Goethe wilde niemand zien vóór hij de demons bedwongen had. Niemand, en — haar voor alles niet!

Vroeg in den morgen, wandelde hij weder met de portefeuille onder den arm, naar het bosch, en liet tehuis voor zijne vrienden slechts de boodschap achter, dat hij niet aan 't middagmaal verschijnen, — en eerst later tehuis komen zou, omdat hij was uitgegaan om te teekenen en te schetsen.

Niemand mocht weten wat hij leed, — niemand, ook zij niet! Het bosch is geheimhoudend, de boomen verraden niet wat hun het snikkend menschenkind klaagt, dat daar aan hunne voeten ligt, en worstelt met zijn eigen hart.

„Ik wil niet lijden, ik toil mij niet laten beheerschen! Neen! Ik ben niet te Rome gekomen, om hier een Wer-theriade te spelen, en door de oogen van een mooi meisje mijn vrede en rust als stroo te laten verbranden! Ik wil niet lijden. De smart zal geen macht op mij hebben! Ik wil en moet haar overwinnen! — Weg van mij! Weg, grijze, holoogige gezel! Ik heb niets met u te maken; ik treed u onder mijne voeten, zooals men een adder vertreedt!quot;

Hij sprong op, stampte woedend met den voet op den grond, en ging vervolgens dieper het bosch in, zich dwingende tot kalmte en gelatenheid, tot beschouwing dei-Natuur.

„Ik beveel mij bedaard te zijn!quot; riep hij zich met donderende stem toe: „Ik wil paddestoelen en mos verzamelen, ik wil kevers zoeken en vlinders vangen. Ik wil! Zoo help mij toch, geest der Natuur; sta mij toch bij, algoede moeder! Geef mij vrede, vrede!quot;

Met forscher tred en fier opgeheven hoofd ging hij dieper in het stille bosch, 't welk de morgenzon met schitterende lichten als doorschijnende smaragden bescheen, en slechts somwijlen sprak hij gebiedend voor zich : „Ik wil vrede hebben, vrede!quot;

En terwijl Goethe in de eenzaamheid worstelde met zijn hart, en vrede wilde maken met zich zei ven, worstelde

ocr page 401

129

eenzaam en stil, ook een ander hart met zijn smart. Een teeder maagdelijk hart, dat van het gebed hoopte, wat de sterkere man van eigen wilskracht verwachtte. Zij wist niet eens wat het was, dat plotseling haar hart beschaduwde; zij gevoelde zich veranderd, herschapen; een overklaarbare angst was in haar en joeg haar rond in het park, door alle lanen, en deed haar de eenzaamheid zoeken Zij vroeg zich slechts dit: „Wat had zij, misdaan, dat Signor Amadeo haar geheel niet meer had aangezien, dat hij haar vermeed? Waarom ging hij heden, reeds den derden dag, 's morgens vroeg uit, —- kwam eerst 's avonds laat weder tehuis, en scheen dan toch vroo-lijk met alle anderen, doch had alleen voor haar nooit een woord, een blik ?quot;

Deze vragen kwelden en folterden haar den geheelen dag; zij kon er geen rust door vinden, zij lieten haar geen tijd om te eten, geen tijd om te slapen.

„Welk leed heb ik hem gedaan? Waarom is hij verstoord op mij ? Waarom vermijdt hij mij ?quot;

Zij zat boven in het paviljoen, en herhaalde zich weder deze vragen, die haar sinds drie dagen martelden, toen plotseling Matteo, die haar gevolgd was, voor haar trad, haar aanziende met een blik zóó vol toorn en haat, dat zij onder dien blik beefde, gelijk de duif onder de klauwen van den gier.

„Wat scheelt u, Leonora?quot; vroeg hij met ruwe stem: „Waarom weent gij ?quot;

„Ik weet het niet, Matteo,quot; fluisterde zij : „heb slechts een weinig geduld, het zal wel overgaan.quot;

Hij lachte spottend. — „Ik wil u zeggen wat u scheelt!quot; riep hij woedend: „U ontbreekt eer, u ontbreekt trouw! Ge zijt een eerloos, trouweloos schepsel; ge zijt de liefde niet waard, welke ik u gewijd heb!quot;

„O, Matteo, wat zegt ge? Wat heb ik gedaan?quot;

„Wat gij gedaan hebt? Ik zal het u zeggen,quot; riep hij woedend; „Ge hebt u laten begoochelen door de vleiende woorden van den verleider. — Stil, spreek niet tegen! Ik heb u gezien, terwijl ge bijeen zat, terwijl hij u het zoete vergif in uw oor, in uw hart stortte, en gij het begeerig inzoogt. Ik haat hem, ik veracht hem, en ik haat u en vervloek u. Zie! Hier is mijn verlovingsring, ik werp

HUhlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. IV. 9

ocr page 402

130

hem aan uwe voeten neder en zal hém nooit oprapen, nooit! Wij zijn gescheiden en vrij! Nooit zal Matteo zich zoover vernederen, een meisje te huwen, dat haar trouw iegens hem gebroken heeft!'

„Ik jegens u? O, Matteo, gij liegt! Gy liegt, zeg

ik Ik lieg!quot; riep hij verwoed; „Welaan, zweer mij dan bij de heilige maagd, dat uw hart rein is; zweer mij bij alle hieligen, dat ge' mij bemint, dat ge hèm niet bemint,

Sitmor Amadeo niet!quot;

Zij opende den mond en wilde spreken, maar geen woord kwam over haar lippen j hare liefelijke tiekken namen een uitdrukking van ontsteltenis aan: hare oogen staarden voor zich uit, als zagen zij een schrikkelijk spook, en zij stak huiverend de handen uit, om het at te

weren. „ , ± ,

„Nu,quot; riep hij: „spreek toch! Zweer toch, dat ge hem

Yiict bemint!quot;

Hare armen zonken slap langs haar gestalte neder, en een doodsche bleekheid bedekte haar gelaat, toen zij langzaam, maar met heldere, kalme stem zeide: „Ik kan met zweren, Matteo. — Ik weet, ik gevoel het nu: ik bemin hcïïi!'J

Matteo antwoordde met een kreet van woede en vloog op Leonora toe, en zijn gebalde vuist trof zóó geweldig haar schouder, dat Leonora met een gil ter aarde stortte. Hij stond bevend van woede over haar heengebogen, en verwenschte haar, en verklaarde zich voor altoos van haai los. Vervolgens wendde hij zich met oen laatsten vloek om, en ijlde de trap af naar den tuin.

In het paviljoen was het stil; onbeweeglijk, als door den bliksem verpletterd, lag Leonora met gesloten oogen, bleek en stijf als een doode op den grond.

Door de open ruimte keek spiedend een bleek vrouwengelaat naar binnen, en bespeurde het arme kmd dat op den grond lag. — „Zij is in onmacht gevallen. Ik

moet haar helpen!quot; t-, , . •

Angelika Kaufmann was het, die dit zeide. Zij had buiten, dicht bij de zaal gezeten en geschilderd, en alles gehoord wat daarin gesproken was, en zij kwam nu in liet paviljoen, om de arme verslagene hulp en troost te brengen.

ocr page 403

131

Zij knielde naast haar en hief haar zacht op, legde haar hoofd op hare knieën, nam het reuktleschje uit haar zak, en liet haar den sterken geur inademen.

Het meisje sloeg de oogen op, en staarde droomend in het edele gelaat, dat met zooveel deelneming en goedheid over haar boog.

„Signora Angelika,quot; fluisterde Leonora: „Gij erbarmtu over mij. iMijn God, mijn God!quot; fluisterde zij, inwendig huiverend; „gij waart dus in de nabijheid? Gij hebt alles gehoord?quot;

De edele kunstenares boog zich dieper, en kuste haar bleeke lippen. — „Ja, ik heb alles gehoord, Leonora!quot;

„En gij zult mij verraden!quot; riep zij ontsteld: „Gij zult het hem zeggen, hèm!quot;

„Neen, Leonora; ik zal niemand een woord verraden van 'tgeen ik hier gehoord heb.quot;

„Zweer het mij, Signora. Zweer, dat ge mijn geheim bewaren, — dat ge het aan /iem niet verraden zult, schoon er ook mijn leven van afhing.quot;

„Ik zweer het u, Leonora, en zal hem uw geheim niet verraden. Stel vertrouwen in mij, mijn kind! Ik heb geleden, gelijk gij lijdt, en mijn hart draagt de litteekens van zware en smartelijke wonden. Ik ken het leed der hopelooze liefde!quot;

„Ik lijd ook, — lijd vreeselijk,quot; fluisterde Leonora: „ik zou willen sterven; het zou redding zijn!quot;

„Arra kind, de dood is niet zulk een teedere vriend, om dadelijk tot onze redding te komen, als wij hem roepen! Men moet leeren het leven te verdragen, en terwijl men den dolk uit de bloedende wonde trekt, met lachenden mond tot hem zeggen: Paeti, Paeti, non dolit!quot;

XL

AFSCHEID VAN ITALIË. ]

Hij was genezen, de dichteradelaar! De wieken zijner ziel, welke Amor's vergiftige pijl verlamd had, waren weder versterkt. Zes dagen van eenzaamheid, van rusteloos

ocr page 404

432

wandelen, zes dagen mei God en de Natuur alleen, zes dagen van worstelen met zijne eigene zwakheid en met zijn eigen kracht, zes dagen die hem zes jaren hadden verouderd, — hadden hem de smart leeren overwinnen, en hem weder vroolijk en sterk gemaakt in zich zeiven.

Op den morgen van den zevenden dag, trad hij weder het tuinsalon binnen, en groette de vriendin met hartelijke woorden en onverminderde vriendelijkheid. Niemand merkte eenige verandering bij hem op, behalve dat Goethe een weinig bleeker scheen, en de groote bruine oogen nóg grooter schenen dan anders. Slechts eens vloog een smartelijke uitdrukking os-er zijn gelaat; het was toen hij Signor Zucchi vroeg, waarom toch heden zijn lieve vriendin Angelika niet met haar echtgenoot beneden was gekomen aan het ontbijt.

„Zij is in 'tgeheel niet hier,quot; antwoordde Zucchi; „Zij is reeds vóór drie dagen naar Rome gegaan.quot;

„Naar Rome?quot; vroeg Goethe verwonderd; „Wij wilden immers te zamen een reis door'tAlbanisch gebergte doen, en nu verlaat zij ons? Wanneer komt zij terug?quot;

„Dit zou men den artsen moeten vragen,quot; zeide Zucchi.

„Is Signora Angelika ziek?quot; vroeg Goethe verschrikt.

,.0 neen, niet zij! Maar ge weet wel, het jonge meisje, die blonde Milaneesche met de gazelle-oogen, is plotseling ziek geworden. Angelika vond haar voor vier dagen in onmacht boven in het paviljoen, en ge kent immers hare zachtaardigheid en goedheid. Zij trok zich het jonge meisje aan, en zocht haar te troosten en op te beuren, en haar met haren bruidegom te verzoenen, met wien zij in onmin was geraakt. Maar de Milaneesche schijnt een eigenzinnig schepsel te zijn, en verklaarde, niet met mijnheer Matteo te willen trouwen, maar altoos bij haar broeder, en ongehuwd te willen blijven. Zij bad en bezwoer Angelika zóólang, totdat deze besloot haar tot haar broeder te Rome te brengen. Doch toen zij te Rome aankwamen, had het jonge meisje reeds de koorts en sprak als in waanzin; nu ligt zij aan de zenuwkoorts, en Angelika, — in plaats van haar groote schilderij af te maken, waarvoor een En-gelschman haar reeds vierduizend scudi heeft geboden,— Angelike heeft zich tot ziekenverpleegster gemaakt!quot;

Goethe had zwijgend, met gebogen hoofd naar Zucchi's

ocr page 405

133

verhaal geluisterd. Toen deze geëindigd had, hief hij het hoofd op, en sloeg een haastigen blik om zich heen. Hij zag overal slechts onverschillige gezichten, ontmoette slechts opgeruimde trekken Niemand sloeg hem gade, niemand vermoedde de geheime geschiedenis zijner dagen van smart.

Ook hij scheen volkomen rustig en onbezorgd, uitsluitend bezig met zijn schilderijen en teekeningen. Maar toen de vrienden hem vroegen, of nu niet de voorgenomen voetreis door het Albanisch gebergte ondernomen zou worden, wees Goethe het af, zeggende, dat hij spoedig naar Rome moest terugkeeren, om voor zijn vrienden in Duitsch-land een omwerking van „Egmontquot; te voltooien. —

Nog denzelfden dag begaf Goethe zich naar Rome en zijn eerste gang was tot Signor Randetto, om naar den toestand van diens zuster te vernemen. Zij was nog zeer gevaarlijk ziek, de artsen gaven weinig hoop. Signora Angeli-ka Kaufmann was bij haar, en paste haar op als eene moeder.

Des avonds laat kwam Goethe nog eens terug, om naar Leonora's toestand te vragen, en zoo deed hij den volgenden dag en alle dagun, en zijn oogen glansden sterker als hij telkens een beter bericht nopens haar welstand ontving.

Twee weken was Goethe te Rome geweest, zonder te schilderen of te dichten; zelfs de goden van het Relvedere en de heilige gewelven der St. Pieterkerk had hij vermeden. De wonde zijns harten was wél gesloten, maar nog niet vereelt, en Leonora's ziekte hield haar gevoelig en pijnlijk.

Heden, toen hij van Leonora's broeder terugkwam, toen hij Angelika Kaufmann gesproken en zij hem gezegd had, dat alle gevaar voorbij was, — heden trad Goethe voor het eerst weder met een helderen blik in zijn atelier, en zag voor het eerst, hoe woest en wild het er gesteld was. Verward dooreen lagen de boeken en teekeningen op tafels en stoelen; bestoven en grijs zag Ludovisi's Juno's edel hoofd van den wand neder, en over de gestalte van den Amor, die zijn boog spant, had de wrevele huishoudster het morgenkleed van den dichter gehangen, als ware Amor een kapstok!

Goethe lachte luidkeels; lachte voor het eerst sedert lange weken, bevrijdde den arme van den smadelijken last, knikte hem toe, en groette den glimlachenden god met zijn

ocr page 406

134

groote bruine oogen, keek hem strak in het lachend aangezicht, en scheen hem te willen tarten met zijn eigen koen mannengelaat. Hij hief dreigend de hand tegen hem op, toonde hem met spottend gebaar de wanorde rondom in de kamer, en lachend en zuchtend weder den god in 't aangezicht ziende, improviseerde hij tot hem de volgende toespraak:

Cupido, looze, eigenzinnige knaap.

Gij verzocht mij verblijf voor eenige uren;

Hoeveel dagen en nachten zijt ge gebleven,

En zyt nu heer en meester in het huis geworden.

Van mijn legerstede ben ik verdreven.

Nu zit ik ter aarde, alle nachten gekweld;

Uw moedwil stookt vlam op vlam in den haard,

Verbrandt den wintervoorraad en verzengt mij, arme.

Ge hebt mijn huisraad verplaatst en verschoven.

Ik zoek, en ben als verblind en verdoold,

Gij woedt zoo onbehoorltik, ik vrees dat het zieltje Ontvlucht, om u te ontvluchten, en de hut ontruimt

En van dit uur af, dat Goethe voor god Amor dit grafschrift zijner liefde had geschreven, — van dit uur afwas hij genezen; was het sterke mannenhart geheeld van alle smarten, en had zijn goddelijken vrede, en zijn vroolijk-heid wederge vond en. Hij behoorde weder aan de goden, de Muzen, de poëzie en de Natuur. Maar vooral aan de poëzie! In de uren van smart hadden de kunsten hem niet kunnen bevrijden en sterken, maar wonderbare gedachten en verheven gevoelens had zijn inwendig oog aanschouwd, en de smart had uit hem gezongen en geklonken, en hem opnieuw de dichterlijke wijding gegeven.

De smart was overwonnen, en óók de liefde. Toen hij Leonora na hare genezing wederzag, —- toen zij hem met bevende stem dankte voor zijn deelneming, zijn ijverig navragen gedurende haar ziekte, toen glimlachte Goethe en knikte haar toe, even vriendelijk als een vader zijn kind, als een broeder zijn zuster.

Zij gevoelde wel de beteekenis van dezen glimlach, ^n in de stilte van den nacht kon men haar hooren weenen in haar kamertje, maar zijlbeklaagde zich niet. Zij wist, dat de^korte liefderoos van Goethe was gevallen, als een verwelkte bloem van den laurierboom, en dat zij in zijn leven niets meer was dan een herinnering. Zij nam dit

ocr page 407

135

bewustzijn aan; zij droeg het als een talisman tegen alle smarten in zich, en de blos kwam weder op hare wangen, en hare oogen schitterden weder, en nimmer in haar leven zal zij Goethe vergeten hebben, zooals ook hij /iaar nooit vergat. De herinnering aan de schoone, bekoorlijke Mila-neesche scheen als een heldere, door geen schaduw verduisterde ster in Goethe's geheele leven, en nog in zijn ouderdom, toen het hart koud was geworden, dat destijds in Rome zoo vurig geklopt had, zeide en schreef Goethe van haar: „De herinnering aan haar, is mij nimmer uit het hart en de ziel gegaan.quot;

Op den korten liefdedroom met Leonora volgde spoedig een ander smartelijk ontwaken; het ontwaken uit het be-tooverend Italiaanscbe leven, de terugkeer naar Duitsch-land! Het was tegelijk een smart en een vreugde. De diepe smart der scheiding van Rome, en tegelijk de vreugde van het aanstaande wederzien des vaderlands, der vrienden en bovenal der vriendin, Charlotte von Stein!

„Om harenhville heb ik mijn hart overwonnen,quot; zeide Goethe tot zich zeiven; „ik heb haar gezegd, dat ik met vrije hand en vrij hart tot haar wilde terugkeeren, en ik doe het. Charlotte's liefde, Charlotte's vriendschap zal mij troosten voor alles, wat ik hier opgeef en verlaat! En voorts zijt gij er. Muzen; gij zult mij volgen naar het vaderland en in het stille huis te Weimar zult ge den dichter bezielen tot blijden arbeid! Want een dichter ben ik, dat weet ik, dat gevoel ik thans in mij, — en dus wil ik dan de volgende tien jaren, in welke ik hoogstens nog werken mag, dit talent volmaken en, zoo ik hoop, nog iets even goeds maken, als toen mij het vuur der jeugd zonder groote studie veel deed gelukken. Ik wil vlijtig en vroolijk zijn! Ik wil leven, arbeiden en genieten, en dat kan ik te Weimar even goed, als ik het te Rome heb gedaan ! Den Italiaanschen hemel draag ik in .mij, en mijn Torguato Tasso zal het gedenkteeken zijn dat ik voor Italië en mij zeiven opricht. Vaarwel dus, verheven, goddelijk Rome! En wees van mij gegroet in den geest, kleine vriendelijke stad, waar de Vorst woont, dien ik bemin, en de vriendin aan wie mijn ziel behoort. Wees van mij gegroet, Weimar!quot;

ocr page 408

VIERDE BOEK.

HART EN WERELD

i.

DE TERUGKOMST.

In het koninklijk Slot van Berlijn, was het heden groo-te receptie bij de schoone prinses Ferdinand, wier geboortedag het heden was. De geheele voorname wereld van Berlijn was er genoodigd. Hierdoor kwam het, dat al de datnes der hooge aristocratie zich met niets anders bezig hielden, dan met haar toilet, — deze eerste en gewichtige aangelegenheid voor de bekoorlijke schepsels, welke geheel en al het tegenbeeld zijn van de leliën des velds die niet zaaien en niet werken, maar welke de Heer evenwél kleedt. Deze schoone leliën in de salons zaaien en weiken evenmin; zij wachten er echter niet op, dat de Heer ze kleedt, maar nemen deze zorg zelve op zich, en maken daarvan eene hoofdzaak haars levens! — Ook voor de gravin von Moltke was het een hoofdzaak, te meer wijl hare scVioonheid begon te verwelken, en derhalve te meer toilet en tooi behoefde! Het rose satijnen kleed lag gereed, en wachtte slechts op de rozenguirlande, die den zoom moest versieren. Ook het zwarte weelderige baar zou met een rozenkrans worden.'getooid, want de gravin beminde de rozen bij voorkeur; zij meende, de roséwederschijn van liet kleed en de bloemen moest ook haar gelaat met jeugdigen roséglans omgeven. De bloemen waren reeds sinds acht dagen bij de eerste bloemenmaakster der residentie, bij Marie von Leuthen besteld, en gravin wachtte juist

ocr page 409

137

op de terugkomst van den bediende, dien zij had uitgezonden om de bloemen te halen. Sinds twee jaren,'— sinds den dag toen zij haar bloemenwinkel in de Frede-riksstraat opende, — was Marie von Leuthen de bloemen-maakster van alle voorname dames geweest. Het behoorde tot den goeden toon. bij haar kransen, bouquetten en guirlandes te koopen. Niemand wist ze zoo goed te schikken als zij; niemand wist ze zoo fraai en kunstig naar de Natuur te maken, en bovendien kon men zich hierbij den schijn geven, als protegeerde men de jonge ongelukkige vrouw, wier lot een geheele week lang in de voorname wereld van zich had doen spreken! Daarbij was de bloemen-maakster met haar werk zeer duur, en des te meer was het een zaak van eer, te kunnen zeggen; „Ik neem al mijn bloemen bij mevrouw von Leuthen. Zij is buitengewoon duur, maar haar werk is goed, en buitendien is 't een soort van plicht haar te ondersteunen, door bij haar te koopen. Zij behoort toch eenigermate tot ons; zij heeft een geheeïen winter onder ons geleefd, wij hebben bij haar gegeten, en menig aangenaam uur in haar hotel doorgebracht. Het is dus een zaak van eer haar te ondersteunen, door hare bloemen te koopen.quot;

Zoo was Marie von Leuthen, nadat zij zelve niet meer de eerste modedame der residentie was, toch als de eerste bloemenmaakster der residentie in de mode gebleven, en het behoorde, zooals gezegd is, tot den bon ton, zich met bloemen uit haar magazijn te tooien.

Mevrouw de gravin Moltke schrikte derhalve niet weinig, toen de terugkomende bediende haar de boodschap bracht, dat de bestelde bloemen niet gereed waren, en mevrouw von Leuthen verschooning verzocht, ze niet te kunnen leveren.

„Maar hebt ge haar dan niet gezegd, dat ik de bloemen noodzakelijk moest hebben?quot; vroeg de gravin verstoord.

„Om u te dienen, mevrouw; ik heb 't de oude Trui gezegd; ik heb haar zelfs heftige verwijten gedaan, dat zij bestellingen aannam, die haar meesteres niets kon uitvoeren; maar de oude meid wierp mij de deur voor den neus dicht, en gaf gern ander antwoord dan; de bloen en zijn niet klaar!quot;

„Maar zij kunnen misschien nog klaar komen,'' zei de

ocr page 410

138

gravin „zij heeft waarschijnlijk zeer veel te doen voor heden avond, en het komt er misschien slechts op aan, haar een hooger prijs te bieden, om boven anderen bevoorrecht te worden. Mijn rijtuig moet voorkomen. Ik wil zelve met de overmoedige vrouw spreken!quot;

Een kwartieruurs later stond het rijtuig der gravin voor den bloemenwinkel in de Frederiksstraat, waar boven de deur met groote letters te lezen was: „Marie von Leuthen bloemenmaakstei'.quot;

De dienaar haastte zich de winkeldeur wijd te openen; mevrouw de gravin zweefde den winkel binnen en groette de oude vrouw, die haar tegemoet kwam, met een trotsche, onmerkbare hoofdbuiging.

„Ik wensch mevrouw Leuthen zelve te spreken,quot; zei de gravin met gebiedende stem.

„Mevrouw de gravin weet toch sedert twee jaren, dat mevrouw von Leuthen nooit te spreken is,'' zei de oude vrouw op scherpen, snijdenden toon; „Mevrouw de gravin heeft reeds meermalen, gelijk al de andere nieuwsgierige dames, beproefd mijne mevrouw te spreken, maar het is altoos te vergeefs geweest. Mevrouw von Leuthen heeft geen tijd over om te praten en zich te laten bekijken. Zij werkt, en ik neem de bestellingen aan. Mevrouw de gravin moet derhalve zoo goed zijn, aan de oude Trui te zeggen wat zij te zeggen heeft.quot;

„Ik ben gekomen om „mijn bloemen te halen,quot; zei de gravin wrevelig; „mijn bediende heeft mij gezegd, dat men zich had veroorloofd hem, de boodschap te geven, dat de bloemen niet gereed waren, en ook niet gereed zouden komen. Ik houd dit echter voor onmogelijk; want ik heb de bloemen besteld, en als een werk wordt aangenomen, moet het ook op den bepaalden tijd worden geleverd.quot;

„Uw bediende heeft u de waarheid gezegd, mevrouw de gravin,quot; antwoordde de oude Trui grommig; „de rozen komen niet gereed.quot;

„En waarom niet, als ik vragen mag?quot;

„O, waarom zoudt gij niet mogen vragen? Natuurlijk moogt ge vragen,quot; zei Trui de schouders ophalende; „het antwoord luidt; De rozen zijn niet klaar gekomen, wijl mevrouw von Leuthen niet gewerkt heeft.quot;

ocr page 411

139

„Ha, is mevrouw reeds zóó ver gekomen, dal zij rust wil nemen?quot; vroeg de gravin scherp.

De oude Trui hief hare oogen met een zonderlinge uitdrukking tot het hoogmoedige gelaat der gravin op, en een smartelijke trek vloog over haar oud, verweerd aangezicht. Maar zij onderdrukte dien schielijk, en nam weder een verdrietig, streng voorkomen aan.

„Wat gaat het de voorname dame aan, of mijn Marietje rust wil nemen, of dat de lieve God dit wil?quot; zeide zij ruw: „Genoeg, de rozen kunnen niet klaar komen, en zoo mevrouw de gravin er boos om is, beknorre zij alleen de oude Trui; want haar schuld is het, daar zij de bestelling niet aan mevrouw von Leuthen heeft overgebracht.quot;

„Dat is zeer slecht, zeer impertinent,quot; riep de gravin: „Waarom hebt ge de bestelling dan aangenomen?quot;

„Ja, dat is waar; ik had het niet moeien doen,quot; prevelde de oude voor zich; „maar ik dacht, het zou beter worden, en in plaats hiervan, — Mevrouw de gravin,quot; brak zij zelve haar rede af: „ik heb u niets verder te zeggen en moet u verzoeken, u mei mijn antwoord tevreden te stellen. Heden worden er in liet geheel geen bloemen meer afgeleverd, en ik zal dadelijk den winkel sluiten.quot;

„Ge zijt een lompe vrouw,quot; riep de gravin toornig: „zoo ge u verstout degenen, die uit genade en barmhartigheid uw ten onder gekomen madame ondersteunen, op zulk een onbeschaamde wijze te beleedigen, zult ge maken dat men uw madame de klandisie onttrekt, en niets meer bij baar laat maken.quot;

„Doe wat gij wilt, mevrouw de gravin,quot; zei de oude Trui somber: „maar doe mij nu 't genoegen en ga heen.quot;

De gravin wierp de vermetele oude vrouw een verpletterenden blik toe, en ruischte met rood gelaat weder uit den winkel, om in haar équipage te stijgen.

Trui haastte zich. de deur van den winkel achterhaar te sluiten, en de gordijn aan de binnenzijde neder te laten.

„Wie weet, of ik deze deur ooit weder zal openen,quot; zuchtte zij : „wie weel, of zij ooit weder bloemen zal maken!quot;

En de oude vrouw liet zich op een stoel nederglijden en barstte in een stil weenen uit. Maar toen zij in de

ocr page 412

140

zijkamer gerucht hoorde, toen een heldere stem haar naam riep, droogde de oude schielijk hare tranen, dwong zich een vroolijk gelaat aan te nemen, en ijlde haastig door den verduisterden winkel naar de zijkamer.

„Hier ben ik, mijn Marietje,quot; zeide zij binnentredende; „hier ben ik.quot; En zij ijlde op de bleeke vrouw toe, die daar aan de groote ronde tatel in den leunstoel zat. —

Was dit wezenlijk Marie? Was deze bleeke vrouw met de groote schitterende oogen, de ingevallen wangen met den teringachtigen blos, — was dit werkelijk de fiere schoonheid, die vroeger met koninklijke verachting rijkdom en rang weggeworpen had, die met vroolijken moed zich zelve een nieuw leven wilde scheppen en, na wraak te hebben genomen op haar onwaardigen echtgenoot en op haar onnatuurlijke moeder, de wereld was ingegaan^ om zich door het werk barer handen een nieuw bestaan te vestigen? Die vrouw was van een rijzige, weelderige gestalte geweest, deze hier was ingevallen, en in weerwil van het ruime plooienrijke wollen kleed, dat haar omhulde, zag men tóch, dat niets van de vroegere schoonheid en volheid aan deze schouders, deze armen en deze onnatuurlijk slanke gestalte was overgebleven. En evenwel, — hoe weinig deze bleeke vrouw van haar vorige schoonheid behouden had, — lag een onuitsprekelijke bekoorlijkheid, een treffende betoovering over haar voorkomen. De ziekte, die hare gestalte doorwoeld en het innigste merg haars levens verwoest had, — deze ziekte was tóch niet bij machte geweest aan hare oogen den glans, aan hare wangen den blos te ontnemen. Weliswaar, deze schitterende oogen en roode wangen waren de heillooze kenteekenen dier ziekte, die hare slachtoffers totdenlaat-sten oogenblik de hoop op genezing, en den schijn van beterschap laat! Doorschijnend en helder was het voorhoofd der zieke, en om de smalle, fijne lippen zweefde nu vaker dan anders een zachte, stille glimlach. Mager,— men mocht zeggen zonder schoonheid, was deze gestalte, maar zij had hierdoor iets bovenaardsch, iets geestachtigs verkregen. Men dacht, als men dit teedere schepsel aanschouwde, als men haar onhoorbaar en licht door de kamer zag zweven, er niet meer aan, dat zij een aardsche vrouw was. Maar men herinnerde zich de sprookjes en legenden

ocr page 413

141

van elfen en feeën, die somwijlen op de aarde nederdalen, om een in den hemel en in het rijk der geesten begaan misdrijf te boeten, en een bovenaardsch vergrijp te verzoenen, door te leeren als menschen te lijden en smarten te dragen! Zij had gewerkt; bloemen van de verschil-lendste soort: rozen en lelién, viooltjes en vergeet-mij-nietjes, tulpen en meizoentjes, en hoe zij alle verder heeten mogen, de lieve kinderen der lente en der zon, — lagen in afzonderlijke blaadjes en knopjes, half voltooid, of nog enkel groen en steel ontberende, verstrooid dooreen op de tafel. Marie hield een stengel leliën in de teere, doorschijnende hand, en Trui zuchtte toen zij dit zag, en dacht dat zij als de engel des doods geleek, die de stervenden met zijn leliëntak den morgengroet van een nieuw leven toewenkt.

„Wat was daar toch te doen, mijn lieve oude?' vroeg Marie, terwijl zij zich als vermoeid van den arbeid, achterover in den leunstoel vlijde: „Wie sprak toch zoo luid ? Nu, waarom antwoordt ge niet? Waarom zegt ge mij niet, wie er was? Mijn God,quot; riep zij eensklaps, als door een plotseling schrik bevangen, „'twas toch niet — Ach Trui, om Godswil, zeg mij wie was het? En zoo hij het was, Trui, zoo hij eindelijk gekomen is, dan —quot;

„Stil, mijn Marietje, stil,quot; viel de oude vrouw haar in de rede, en zij dwong zich vroolijk te schijnen: „ge zijt nog altoos hetzelfde jonge, ongeduldige meisje als vroeger! Neen, neen, hij was het niet! 't Was slechts de gravin Moltke, die u volstrekt spreken, — en een garnituur rozen van u wilde hebben.quot;

„De gravin Moltke,quot; zei Marie nadenkend, en met haar bevende, bleeke vingers hief zij mijmerend een paar bloemen op, en liet ze weder nedervallen: „Zij was er ook op dien schrikkelijken dag, toen —quot;

„Spreek daar niet van, denk er niet aan,quot; bad de oude vrouw: „ge weet, de dokter heeft gezegd, als ge weder geheel sterk en gezond wildet worden, moest ge geen treurige gedachten voeden, maar vroolijk trachten te zijn.quot;

„Ik ben ook vroolijk. Trui,quot; antwoordde Marie glimlachend: „Elke dag brengt mij hém nader, ieder uur verkort de lange scheiding. O, ik zegen thans de erge ziekte die mij voor twee maanden overviel; want toen dacht ge dat

ocr page 414

142

ik zou sterven, en gij deedt, wat ik nooit zou gedaan hebben, — gij liet hem door den goeden schoolraad Gedicke zeggen, dat hij moest terugkomen, wijl ik zeer ziek was. O, ik dank u. Trui, dat ge mij dit bekend hebt, en ik weet, dat hij nu spoedig komen zal. Maar het is wreed geweest, hem zoo te verschrikken en te beangstigen. Ik hoop echter, dat de schoolraad hem later weder geschreven, — en gemeld heeft, dat het gevaar overwonnen is, en hel met mij nu veel beter gaat!quot;

, Ja, Marietje; bij heeft hem dit geschreven, terstond nadat de brief uit Rome aankwam, die berichtte, dat de heer professor op reis was gegaan, en waarin hij verzocht, dat men hem te Stuttgart post restante bericht zou geven. De lieve mijnheer Moritz weet nu, dat het gevaar voorbij is en 'tmet u weder goed gaat. Want, niet waar, het gaat immers goed met u, mijn Marietje'?quot;

„O ja, het gaat met mij goed, zeer goed,quot; antwoordde zii glimlachend: „ en het wordt eiken dag beter. Het is mij somwijlen alsof ik vleugels bad, waarmede ik hoog boven de aarde zweefde, en alles klein en nietig als op een verren afstand zag. Slechts u, mijn Trui, u zie ik altoos zeer nabij, en zijn lief aangezicht staat altoos dicht voor mij, zijn groote zwarte oogen schijnen altoos als iwee sterren in mijn hart. En 'tis mij zoo hemelsch wèl, als ik ze zie, en zoo licht en vrij, alsof alle kommer en alle aardsch zorgen van mij geweken waren. Slechts somwijlen wordt het mij een weinig donker voor de oogen, en als ik werken wil, beven mijn handen en dan steekt het mij in de borst. Maar ge behoeft u daarover niet te verontrusten, Trui; het is slechts weinig, en 'tzal wel overgaan !''

„Ja, het zal overgaan,quot; zei Trui, en zij wendde zich af, om haastig de tranen weg te wisschen, die haar tegen haar wil in de oogen waren gekomen: „Gewis, mijn Marietje; ge zult nu spoedig weder geheel gezond en sterk worden, en uwe zwakheid is slechts het gevolg van de zware ziekte, die ge gehad hebt.quot;

Marie antwoordde niet; zij wierp slechts een haastigen, onderzoekenden blik op het goede, oude gelaat van Trui, en hief toen langzaam, met een biddende uitdrukking hare oogen ten hemel. Maar toen vloog er als een glimlach

ocr page 415

143

over haar aangezicht, en de heillooze rozen op hare wangen gloeiden sterker.quot;

„Ja, ik zal spoedig genezen. Trui,quot; zeide zij schier vroo-lijk: „gij verpleegt en koestert mij immers ook als een moeder haar jong kind, en dus moet ik eindelijk ook wel weder opnieuw geboren, — en aan het leven weder gegeven worden. En het is ook zeer noodig, mijn goede oude; want ik denk dat on/e bloemenvoorraad wel uitgeput is, en onze kasten ledig zijn. Nietwaar, het iè zoo? Ge hebt de gravin von Molkte geen rozengarnituur gegeven, wijl geen rozen meer voorhanden waren?quot;

„Ja, het is zoo, Marietje, als je het volstrekt weten wilt. Al de rozen zijn verkocht, en dat is zeer natuurlijk; want geen elegante dame wil andere bloemen dragen dan van u. En ge hebt volkomen gelijk, Marietje; ge moet spoedig weder geheel gezond worden, om weder schoone rozen te kunnen maken. Maar om geheel gezond te worden, moet ge nog een paar weken rust nemen en volstrekt melt;s doen, maar alleen aan uw versterking en herstel denken.quot;

„Een paar weken!'' herhaalde Marie, en er lag iets als een zachte spot in den toon barer stem; „Een paar weken! Ach Trui, als men die zoo vóór zich heeft, schijnen zij iemand een eeuwigheid, waarvan men zich geen einde kan voorstellen, en die — Mijn God, ge denkt toch niet, dat nog weken zullen voorbijgaan, eer Philip komt?quot;

„Maar, Marietje, waarom zou ik dat gelooven?quot; zei de oude vrouw geruststellend; „Hij is immers reeds languit Rome vertrokken en kan, zooals de schoolraad berekend heeft, nu elk uur hier verwacht worden.quot;

„O, hoe goed doet dit, welk een heerlijke muziek ligt in uwe woorden. Trui,quot; zuchtte Marie; „Hij kan elk uur verwacht worden! Weet ge wel, moedertje, dat ik nog altoos een zeer dwaas kind ben? Ik heb Philip twee jaren verwacht en ben er altoos vroolijk, altoos geduldig bij gebleven, want ik wist dat de scheiding noodzakelijk was, dat zij hem tot zegen zou gedijen. Vóór de rozen bloeien, groeien de doornen, en men wordt er door gewond, als men de heerlijke bloemen plukt! Dit heb ik steeds bij mij zelve gelegd, gedurende deze twee lange jaren, en heb zonder morren de smart verdragen, welke de doornen mij veroorzaakt hebben. Maar Trui, nu ik

ocr page 416

144

weet dat ik hem spoedig zal wederzien, nu rekt zich elk uur voor mij tot een eindelooze foltering, en alle versland is vruchteloos, alle geduld is uitgeput. Ik heb een gevoel, als zou ik van verlangen naar hem kunnen sterven. En ziet ge, ik wil niet sterven; ik moet nog leven, heel lang leven, om de rozen te plukken, nadat ik zooveel geleden heb van de doornen. Ach, Trui, zoo het maar niet ie veel is geweest; zoo ik maar niet sterf van de vele wonden! Soms schijnt het mij, alsof al mijn kracht uitgeput is, en — daar is weder de doorn, die in mijn borst boort en in mijn hart steekt, O, welk een pijn!quot;

Zij zonk kermend in den stoel achterover, en legde haar bevende hand op beur hart. Trui ijlde tot haar, wreef haar koud klam voorhoofd met opwekkend vocht, en haalde haastig uit de wandkast de kleine tlesch met de versterkende droppels, welke de arts voor zulke aanvallen van zwakheid voorgeschreven had.

„Hier, neem, mijn Marietje, open uw lippen! Neem deze droppels, zij zullen u verzachting brengen.quot;

Zij opende langzaam de oogen, en greep met bevende hand naar den lepel, dien Trui haar aanbood, en bracht dien aan haar bleeke lippen.

„Zoo mijn liet kind, dat zal u goed doen,quot; zei de oude vrouw, en haar stem was heel vast, en liet niets vermoeden van de tranen, die inbare oogen kwamen; „de dokter zegt, dat zulke kleine aanvallen niet schaden, en zij langzamerhand geheel zullen ophouden.quot;

„Zij zullen langzamerhand geheel ophouden,quot; fluisterde Marie na een pauze: „Ophouden, zooals mijn leven! Ik wil niet sterven! Neen, ik wil niet!quot;

En met een heftige beweging sprong zij op, en ging met haastige schreden heen en weder door de kleine kamer. Eenige bloemen, door haar kleed aangeraakt, waren op den grond gevallen, en Marie's voet trad nu op rozen en viooltjes. Zij bleef staan, en zag treurig op de bloemen neder.

„Zie, Trui,quot; zeide zij vervolgens met een tlauwen glimlach : „ik beklaagde mij straks, dat ik van zoovele doornen geleden had, en nu lijkt het, alsof het lot mij een vergoeding wilde geven. Het bestrooit mijn weg met rozen, als voor een bruid, die ten huwelijk gaat, — óf vooreen lijk, dat men ten grave brengt!quot;

ocr page 417

145

„Maar, miju kind, welke zonderlinge woorden zijn dit!quot; riep Trui verontrust: „De dokter vindt u dagelijks beteren zegt dat alle gevaar voorbij is, en nu spreekt ge zulke treurige woorden, dat iemand de tranen in de oogen komen, en men zelve geheel bedroefd wordt. Dit is verkeerd van u, Marietje; want ge weet wel, de dokter heeft gezegd, dat gij gemoedsaandoeningen moet vermijden, kalm en opgeruimd moet trachten te zijn.quot;

Zij stond voor de tafel, steunde met beide handen er op en waggelde toch, als een door den storm bewogen lelie, „'t Is waar, moedertje; ik moet vroolijk zijn, en wil het ook! Ik bid u, vergeef mijn heftigheid. Het is slechts, weet ge, — het is slechts, wijl ik nog zoo gaarne leven, — nog zoo gaarne een paar rozen plukken wilde, na door zoovele doornen gebloed te hebben. Ge moogt mij dus niet beknorren,quot; voer zij vleiend voort, terwijl zij haar arm om den hals der oude vrouw legde: „neen, ge moogt mij niet beknorren, moedertje.quot;

„Ik knor niet, lief mal kind,quot; zei Trui lachend: „ik wil 't immers zelve zoo gaarne dat ge leeft, en zoo ik uw leven met mijn hartebloed koopen kon, ge weet wel, dat ik mijn bloed gaarne droppelsgewijze voor u geven zou.quot;

„Ja, dat weet ik,quot; riep Marie innig, haar hoofd op Trui's schouder leggende.

„'t Is echter gelukkig niet noodig,quot; voer de oude vrouw vroolijk voort: „mijn Marietje zal leven en gelukkig zijn, zonder dat de oude Trui er iets toe doen kan. Mijnheer Philip Moritz zal alles doen; hij zal ons gezond en gelukkig maken.quot;

„U óók?quot; zeide Marie, en een vroolijke glimlach bestraalde haar gelaat: „ja, waarlijk, Trui; ik geloof, dat gij hem óók bemint, en ik moest eigenlijk jaloersch op u zijn, want gij bemint mijn Philip.quot;

„Ja, ik bemin hem, ik ben geheel verzot op hem,quot; lachte Trui: „ik verlang dag en nacht naar hem, want ik verlang, mijn lief kind gelukkig te zien. Maar, nu moet ge ook recht aardig en verstandig zijn, Marie; opdat ge sterk en krachtig zijt, en mijnheer de professor vreugde aan u heeft, en niet denkt dat ge nog ziek zijt.quot;

„Ge hebt gelijk, Trui, ge hebt gelijk; ik moet gezond worden, opdat Philip niet voor mij verschrikt. O, ik ben

Uühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. IV. 10

ocr page 418

146

immers eigenlijk reeds gezond, en mij ontbreekt niets meer dan een weinig kracht. Maar dat zal óók wel komen, en ik wil mij daarom zorgvuldig wachten voor aandoeningen treurige gedachten. Maai' zij komen telkens weder, en des nachts, als ik slapeloos lig eu het bloed mij in de aderen en het hart brandt, zitten zij als grijze spoken aan mijn bed, en vertellen mij niet alleen oude treurige geschiedenissen uit het verledene, — neen, ook treurige geschiedenissen van de toekomst. Een krekel piept bestendig in mijn hart met scherpen klaagtoon, en des nachts hoor ik hem zeer duidelijk zeggen; ,,Marie, ge moetsterven; ge hebt vele rozen voor andere menschen gemaakt, maar het leven heeft geen rozen voor u, enquot; — maar 't is onzin, — en wij willen er niet meer van spreken!quot;

„Wij willen er om lachen,quot; zeide Trui: „dat is nog beter,quot; en zij bukte zich, om de vertreden bloemen op te rapen, en tevens schielijk hare tranen te drogen: „Die arme dingen! Zie eens, Marie, ge hebt ze geheel plat gedrukt, deze kleine viooltjes!quot;

Zij reikte Marie lachend de bloemen, en deze beschouwde ze peinzend. — „Er is een aandoenlijk fraai gedicht van vertreden viooltjes.quot; zeide zij zacht: „Philip had er veel meê op, want zijn aangebeden vriend Goethe had het gemaakt, en op een dag toen ik Philip de eerste viooltjes toonde, welke ik gemaakt had, glimlachte hij en drukte de kleine bloempjes aan zijn lippen, en zeide mij uit het gedicht de laatste regels. Het is mij alsof ik nóg zijn fraaie stem hoor. die voor mijn hart steeds als muziek klonk: „En sterf ik dan, dan sterf ik toch door haar, door haar, aan hare voeten toch!quot;

„Daar begint ge wedei',quot; zuchtte Trui : „en komt weder met zulke treurige woorden. Het is niet goed, Marietje, gewis, het is niet goed!quot;

„Ge hebt gelijk, moedertje,quot; riep Marie, en zij wierp de beschadigde bloemen op de tafel: „wat bekommeren wij ons over die vertreden viooltjes! Wij hebben er niets meê te maken! Hier, ik neem mijn troon weder in,quot; voer zij op schertsenden toon voort, terwijl zij zich weder in den leunstoel zette: „mijn troon als bloetnenfee, als de prinses in het sprookje, en gij zijt mevrouw de opperhof-meesteres, die mij de verveling moet verdrijven. Verhaal,

ocr page 419

147

oude, verhaal, of de prinses wordt boos, en dreigt: u met den lelientak.quot;

En zii nam met haar doorschijnend witte hand eenige takken leliën van de tafel, en dreigde glimlachend de oude vrouw.

„O, ik ben niet bang,quot; zei Trui: „ik weet zeer fraaie geschiedenissen, en kan er verscheidene vertellen. Ik heb veel vernomen, toen ik gisteren uw boodschappen verrichtte, Marietje.quot;

„Mijn boodschappen? O ja, 'tis waar; ik verzocht u het kleine gedenkteeken op het graf mijns vaders te bezichtigen. Het is er immers opgericht?quot;

„Ja. Marietje, het is reeds opgericht, en het groote kruis van wit marmer staat piachlig; de woorden, welke gij er met gouden letters op hebt laten beitelen, zijn zóó eenvoudig en roerend, dat ze mij tranen in de oogen deden komen „Hij is ingegaan in de eeuwige rust, en vrede zij met hem en ons allen. Op aarde bidt voor hem zijn dochter, moge hij in den hemel óók bidden voor zij ne dochter Marie!quot; — O, deze woorden komen zoo fraai uit,zij schijnen in de zon als heldere vlammen.quot;

„En zij schijnen ook in mijn hart, ïrui. Ik ben gelukkig, dat ik zonder verdriet en zonder verwijt aan mijn vader kan denken. Wij waren verzoend, hij kwam dikwijls bij mij; hij liet zich door mij verhalen, zag uren lang naar mijn arbeid, en verheugde zich als ik een bloem gereed had.quot;

„'tls waar, de oude man was geheel veranderd,quot; zeide Trui: „zijn geweten was ontwaakt, geloof ik, en hij zag welk een heerlijk kind hij had, en hoe schrikkelijk hij zich jegens u bezondigd had.quot;

„Spreek zoo niet, Trui. Al het andere is vergeten, en ik wdl er nog slechts aan denken, dat hij mij liefhad, toen hij stierf. Het woord van zegen, dat zijn stervende lippen tot mij spraken, heeft alle kwade woorden uitgewischt en uit mijn geheugen geveegd. Laat het ook zoo met u zijn Trui! Beloof mij, dat ge slechts met goedheid aan mijn vader denken wilt.quot;

„Ik beloof het u,quot; zei de oude vrouw aarzelend: „hoewel — Nu, laten wij de dooden rusten, en spreken wij van levenden. Denk eens, Marietje, wie ik ontmoette,

ocr page 420

148

toen ik van het kerkhof terugkwam?—Mevrouw von Leu-then!quot;

„Mijn moeder,quot; zeide Marie, en haar hand legde zich weder op heur hart: „mijn moeder!quot;

„Ja, uw onnatuurlijke moeder,quot; riep Trui heftig: „de vrouw die de schuld is van al uw ongeluk en jammer;de vrouw, welke ik haat en nooit zal vergeven, zelfs niet in de ure van mijn dood.quot;

„Ik heb haar reeds vergeven,quot; fluisterde Marie; „hoewel ik hoop, dat mijn sterfuur nog ver is. Waar zaagt gij de generaalsvrouw?quot;

„Zij reed in een fraaie koets, en zag er zeer deftig en prachtig uit. Toen zij mij in de verte zag, riep zij een paar gebiedende woorden tot den bediende, die nevens den koetsier op den hoogen bok zat, en met een ruk hielden deze de paarden in, en mevrouw had de onuitsprekelijke genade, mij bij zich aan het rijtuig te wenken.quot;

„Ik hoop toch dat ge gingt?quot; vroeg Marie levendig.

„Ja, ik deed het; maar eeniglijk, wijl ik dacht dat gij boos op mij zoudt zijn, zoo ik het niet deed. Ik trad dus naar 't rijtuig, en de generaalsvrouw knikte mij als een koningin een genadigen groet toe, en vroeg, hoe het mijn lieve meesteres ging, en of ge u steeds gelukkig en tevreden gevoeldet, of 't u nog altoos niet berouwde, wat ge gedaan hadt. Waarop ik haar zeer vroolijk antwoordde, dat gij, — in plaats van berouw te hebben, — zeer gelukkig en tevreden waart, en eerstdaags bruiloft zoudt houden met den lieven professor, die misschien reeds he-- den hier aankwam. Toen zette mevrouw eerst een zeer leelijk gezicht, herstelde zich echter en zeide dat het haar zeer verheugde, en ook zij had onlangs veel vreugde gehad, en gevoelde zich ook zeer gelukkig en tevreden, want haar groote naam en aanzienlijke betrekkingen, hadden haar eindelijk toch eer en aanzien gebracht. Zij was opper-hofmeesteres bij de gravin von Ingenheim geworden, en op haar bijzonderen wensch had Zijne Majesteit de Koning haar vergund, haar familienaam weder aan te nemen, en zich weder gravin von Dannenberg te noemen. Zij had een zeer groot tractement, een kamerjuffer en een bediende, en de Koning had haar bij het aanvaarden barer

ocr page 421

149

betrekking een prachtige koets met haar wapen op het portier, en twee fraaie paarden daarbij geschonken; de Koning was altoos zeer genadig jegens haar, en evenzeer de gravin von Ingenheim. Nu, ik zeg u, Marietje, mevrouw was buiten zich zeiven van geluk en vreugde, en ontzaglijk trotsch op haar betrekking. Ge weet immers wie de gravin von Ingenheim is?quot;

Marie schudde langzaam het hoofd. — ,,Ik geloof het geweten te hebben, maar ben het vergeten.quot;

,.Nu ja, gij hebt geen geheugen voor zulke slechte zaken. Ik wil 't u zeggen, Marietje, wat de gravin Ingenheim is: zij is de gemalin van de linkerhand onzes Konings, en heette vroeger freule von Yoss, en was hofdame bij de Koningin-weduwe. De Koning heeft haar tot gravin gemaakt, en zijn slechte raadgevers en vleiers hebben hem gezegd, dat hij zich rechtmatig met de schoone gravin kon laten trouwen, hoewel hij reeds een wettige gemalin heeft. Maar de voorname Bijbeluitleggers, welke wij thans hier hebben, zij zoo ontzaglijk slim en beproeven zelfs den lieven God knollen voor citroenen te verkoopen; zij hebben den Koning gezegd, dat er in den Bijbel stond: „Laat uw rechterhand niet weten wat uw linker doet,quot; en dat moest beteekenen: „het gaat de gemalin uwer rechthand volstrekt niet aan, of ge ook nog een gemalin aan uw linkerhand neemt.quot; Nu. dit heeft de Koning gaarne geloofd, en de vrome heer geheimraad Wöllner, die een geordend geestelijke is, heeft zeZ/de huwelijksvoltrekking op zich genomen, en is daarvoor thans een zeer groot, aanzienlijk man aan het Hof. Dus, bij deze nieuwbakken gravin Ingenheim is de nieuwbakken gravin von Bannenberg nu opperhofmeesteres en eeredame geworden; hierop is zij trotsch, en acht het niet beneden hare waardigheid bij de gemalin der linkerhand in dienst te zijn. Een beroemde professor tot schoonzoon te hebben, was haar te min, dat noemde zij schande. Maar voor deze vergulde schande buigt zij zich, en maakt er strijkages voor, en doet alsof zij met haar azijnzuur versland niet zeer goed weet, dat de gemalin der linkerhand niets beter is dan een bijzit, en de oude adel der rijksgravin von Dannenberg een vlek krijgt, als hij met den splinternieuwen adel der gravin von Ingenheim in zoo nauwe betrekking komt.quot;

ocr page 422

150

„Laat het zoo zijn, Trui, en maak u niet driftig,quot; zei Marie vermoeid: „het verheugt mij, dat de generaalsvrouw het geluk en de bevrediging gevonden heelt, waarnaar zij zoolang zocht, en ik gun haar dat geluk van ganscher harte. Iedereen moet er naar streven op zijn manier op aarde gelukkig te zijn, en wij kunnen 't niemand kwalijk nemen, dat zijne manier niet de onze is.quot;

„Maar wij kunnen 't iedereen kwalijk nemen, zoo hij het op een oneerlijke wijze zoekt, en dat heeft de generaalsvrouw gedaan, en —quot;

„Stil, Trui,quot; viel Marie haar in de rede: „ge vergeet dat de generaalsvrouw mijn moeder is.quot;

„O, waarom zou ik hieraan denken,' riep Trui heftig; „waarom zou ook ik eindelijk niet vergeten, wat zij haar geheele leven vergeten heeft. Ik haat de generaalsvrouw P „En ik,quot; zeide Marie zacht, terwijl zij de handen vouwde en met een vromen blik opwaarts zag; „ik vergeef haar uit den grond mijns harten en wensch haar al het geluk, dat zij verlangt.quot;

„Ach, Marietjequot;, riep de ^oude vrouw, terwijl zij op Marie toeijlde, hare handen nam, en ze met kussen bedekte; „mijn Marietje, welk een goede engel zijt gij, en welk een afschuwelijke, slechte oude vrouw ben ik! Vergeef mij, mijn geliefd kind; ik wil óók in mij zelve keeren en dagelijks beter worden, en van u leeren, goed en vroom te zijn.quot;

„Alsof gij dat niet waart, mijn moedertje,quot; glimlachte Marie, haar arm om den hals der oude vrouw leggende, die zich nevens haar op het lage voetbankje had gezet, en teeder tot haar opzag: „Alsof ge niet de beste, liefderijkste, goedhartigste en moedigste ziel waart! Wat ware van mij geworden zonder u, en hoe zou ik deze eenzame, schrikkelijke twee jaren hebben doorgebracht, zoo gij mij niet als eene moeder ter zijde waart geweest. Wie heeft met mij gewerkt, en mijn kleine huishouding in orde gehouden? Wie heeft mij verpleegd toen ik ziek was? Wie heeft mij getroost als ik moedeloos was; wie heeft mij in treurige oogenblikken opgebeurd, — en in vroolijke met mij gelachen? Gij, mijn moedertje, hebt dat alles gedaan ; uw rechtschapen, groot, moedig hart heeft mij staande gehouden en gedragen, heeft mij behouden en beschermd. Ik

ocr page 423

151

dank u voor al liet goede, dat ge mij gedaan heht; ik dank u voor uwe liefde, en als ik sterven moet, zal mijn laatste levensadem en mijn laatste gedachte nog een zegen voor mijn lief, dierbaar moedertje zijn!''

Zij hielden elkander vast omarmd, en een tijdlang hoorde men niets dan zuchten en een half onderdrukt wee-nen. Maar toen liet de oude Trui, met een laatsten innigen kus, het geliefde kind haars harten uit heur armen los, en dwong zich tot een vroolijken lach.

„Nu, daar zijn wij weder bij de aandoeningen en de tranen aangelandquot; zeide zij, „en wij wilden vroolijk en vergenoegd zijn, opdat wij onzen lieven Philip niet met roodgeweende oogen zouden ontvangen, indien hij soms heden nog komen mocht.quot;

„Ge houdt het dus werkelijk voor mogelijk dat hij komt? Heden nog?'' vroeg Marie met luide, opgewekte stem.

„De schoolraad heeft immers gezegd, dat wij hem eiken dag en ieder uur konden verwachten,quot; anlwoordde Trui glimlachende: „dus willen wij vroolijk en opgeruimd zijn, mijn geliefd kind; want de dagen van smart en treurigheid zijn voorbij, en voortaan zal uw leven niets anders zijn dan geluk en vreugde.quot;

„Gelooft ge dit waarlijk. Trui?'' vroeg Marie, en haar groote glinsterende oogen richtten zich met een langen, vorschenden blik op het bleek, gerimpeld gelaat der oude vrouw. Deze had den moed te glimlachen, en den angstigen blik barer lieveling te ontwijken.

„Wel, gewis geloof ik dat werkelijk,quot; zeide zij ongedwongen; „en waarom zou ik niet? Komt uw geliefde niet na een tweejarige scheiding terug, en zullen wij geen bruiloft vieren en een gelukkig huishouden vestigen? Want wij zijn immers niet arm; wij hebben ons immers door het werk onzer bandon een klein vermogen bespaard, en zoo wij al voor ons Marietje geen équipage kunnen houden, — nu, zij heeft toch zóóveel om, als zij rijden wil, altijd een droschke te kunnen nemen, en het is toch precies hetzelfde, of men met vier paarden of met één paard rijdt, zoo men slechts door het slijk en het stof komt. Maar luister nu, Marietje; ik ben nog niet ten einde met mijn nieuws, ik heb u nog iets te vertellen, dat u aangenaam zal zijn.quot;

„Ha, verhaal dan spoedig goede Trui; want aange-

ocr page 424

152

name berichten doen mij zeer goed, en de tijd gaat zoo pleizierig voorbij als gij verhaalt. Dus, wat aangenaams hebt ge te berichten?quot;

„Mijn lief kind, ge hebt mij dikwijls gevraagd, of ik niets van mijnheer Ebenstreit had gehoord en of ik niet wist, wat van hem geworden was. Ge hebt in uw hemelsche goedheid zelfs dikwijls gemeend, dat ge hard en wreed jegens hem waart geweest.quot;

„Dat hen ik ook geweest, Trui, Ik had mij aangematigd de rol van het noodlot te spelen, en de bestraffiing op mij te nemen, die toch slechts aan God toekomt, 't Is waar, ik had mij bitter over hem te beklagen, en hij was de schuld van mijn ongeluk, maar ik ben óók niet vrij van schuld, en ook hij had zich over mij te beklagen. Ik had voor Gods altaar met hem gestaan; ik had hem tenminste toch uiterlijk als mijn echtgenoot erkend, maar ik heb hem gehaat en verfoeid, en geen der plichten vervuld, welke ik echter van 'toogenblik af op mij genomen had, toen ik mij openlijk voor de wereld als zijn gade vertoonde.quot;

„Maar ge waart het tóch niet, Marietje; ge hadt bij de huwelijksvoltrekking geen geluid gegeven, geen/a gezegd.quot;

„Ach, spreek niet zoo, Trui; met zulke uitvluchten bedriegt men zijn geweten en overreedt slechts zich zelve, dat men geen kwaad gedaan heeft. Maar als men, gelijk ik, vele nachten slapeloos te bed ligt, dan ontwaakt ook het sluimerende geweten ; alle drogredenen en alle eigenliefde houden op, en men ziet de dingen, zooals zij werkelijk zijn. Ja; ik weet dat ik niet vrij van schuld ben jegens Ebenstreit, en ik wenschte wel te weten waar hij is, opdat ik hem zou kunnen schrijven, en mij met hem verzoenen, vóór —quot;

„Vóór ge trouwt, wilt ge zeggen, mijn Marietje'? Nu, luister eens. Tk weet waar de heer Ebenstreit is ; ik weet dat het hem goed gaat, en ook hij verlangt u te zien en te spreken. Nu, mijn dierbaar kind, wat zegt ge van dit nieuws?quot;

„Ik zeg dat het mij verheugt, Trui, en ik wenschte, dat Ebenstreit zoo spoedig mogelijk kwam, want alles is onzeker op aarde, en zoo hij later kwam —quot;

„Ja, zoo hij later kwam,quot; viel Trui haar in de rede: „kon

ocr page 425

153

onze lieve professor reeds hier zijn, en dan zonden wij geen tijd hebben, ons met iemand anders op te houden. Ziet ge, dat heb ik teT^stond bedacht en daarom, toen de heer Ebenstreit mij verzocht —quot;

„Hoe? Hebt ge hem gezien, gesproken?quot;

„Natuurlijk heb ik dat mijn kind. Van wien zou ik anders al mijn berichten nopens hem hebben ? Dus, toen hij mij verzocht, bij u te bewerken dat hij u spreken mocht, zeide ik hem, dat hij over twee uren hier aan huis zou komen, en buiten in 't voorhuis wachten. Zoo ge het veroorlooft, Marietje, zou ik hem dus binnen brengen! De twee uren zijn thans om, mijn lief kind. quot;Wilt ge mij dus veroorloven dat ik hem haai?quot;

En de oude vrouw stond van haar bankje op, en wendde zich naar de deur, die naar 't voorhuis voerde.

„Wacht nog een oogenblik,quot; zeide Marie verbleekende; „ik moet mij eerst herstellen, eerst moed scheppen. Ge weet, Trui, ik ben zoo zwak, en daar is weder de doorn in mijn borst! Hij boort, hij boort zoo vreeselijk!quot;

Zij sloot de oogen, leunde het hoofd achterover en lag nu stil en rustig, slechts zacht kreunende en kermende.

Trui bleef dicht bij de deur staan, en aanschouwde met oogen vol tranen het bleek, ingevallen gelaat, dat voor haar altijd nog het ideaal van alle schoonheid en liefelijkheid was.

Langzamerhand hiel Marie de zware oogleden weder op, „Haal hem nu, Trui; maar wij willen bedaard en kalm met elkander spreken, en vermijden het verleden aan te roeren.quot;

Trui ijlde naar de deur, en sloop naar buiten. Marie oogde haar na met een langen smartelijken blik. „Die goede, trouwe oude!quot; fluisterde zij; „Geloott zij waarlijk aan mijn genezing, of wil zij mij er slechts aan doen ge-looven? Ach, ik zou immers zoo gaarne leven, zoo gaai ne nog op aarde een weinig gelukkig zijn!quot;

ocr page 426

154

II.

DE VERZOENING.

De deur opende zich weder, en Trui trad binnen, gevolgd door een langen, mageren heer. Zijn wangen waren ingevallen, bet blonde haar en de i-oode baard waren grijs geworden; maar tóch scheen het Marie, alsof de Eben-streit jonger, krachtiger was dan degene, dien zij voor twee jaren op den vreeselijken dag der wraak voor het laatst gezien had. Zijn gelaat had een krachtige, energieke uitdrukking aangenomen; zijn oogen, die vroeger zoo flauw en dof waren geweest, schitterden met een ongewonen glans en richtten zich nu met een uitdrukking van innige deel-neming op Marie.

Zij reikte hem haar beide vermagerde handen, en hij ijlde voorwaarts, zonk voor haar op de knieën, vatte hare lianden, en zijn gelaat er in verbergende, weende hij luid.

Een langen tijd zwegen zij. De oude Trui had zich zacht tot in den uitersten 'hoek der kamer teruggetrokken, en daar stond zij, half verborgen achter de gordijnen van het ledikant en drukte die tegen hare lippen, opdat haar geliefd kind haar niet zou hooren weenen en snikken.

„Marie, mijn vriendin, mijn weldoenster,quot; zeide Eben-streit eindelijk na een lange pauze; „ik ben gekomen om li te danken. Uit Nieuw-Orleans kum ik, met geen ander oogmerk, met geen anderen wensch, dan dien ik thans vervuld zie, — hier op mijne knieën voor u te liggen, uwe tjanden in de mijne te houden en u te zeggen; ik dank n, mijn weldoenster! Gij hebt een nieuwen mensch van mij gemaakt; ge hebt den boozen geest der zelfzucht uit mij gedreven, gij hebt den goeden geest plaats bereid. Ik dank u, Marie; want door u heb ik het geluk, den ^vrede en de achting voor mij zeiven wedergevonden! Marie, toen wij elkander het laatst zagen, was ik een door eigenbaat en ijdelheid verstokt geldmensch ; ge hadt wel gelijk te zeggen dat ik op de plek, waar het warme men-schenhart moest kloppen, slechts koele berekening, ellen-digen geldtrots droeg. Maar gij tradt voor mij als de engel met het vlammende zwaard. Gij sloegt met uw verheven, goddelijken toorn hel zwaard zóó diep in mijn borst, dat

ocr page 427

155

zij zich opende gelijk de doos van Pandora, en alle booze geesten en slechte gedachten er uit vlogen, en op den bodem van mijn door smart gelouterd hart, slechts de hoop en de liefde terugbleven. Toen ik u destijds verliet, — toen ik naar buiten liep op de straat, was ik zinneloos, razend; ik wilde een leven eindigen, dat mij gehoond en zonder waarde scheen. Maar een reddende hand hield mij tegen; een vriendenstem sprak mi] troost in, en vervolgens, toen ik weder in staat was te denken, stond als met vlammend schrift in mijn hart en mijn ziel geschreven: „Marie zal mij leeren achten. Ik wil een nieuw mensch worden, opdat Marie mij niet verachte!quot; En dit vlammend schrift heeft mij voorgelicht op de ruwe paden en in de duisternis mijns levens, het is mijn zon en mijn ster geweest! Ik heb er naar gezien, gelijk de zeeman op den Oceaan naar het kompas ziet, dat zijn weg bestuurt en leidt. En eindelijk nu dreef het mij terug tot mijn straffenden engel, dien ik smeek voor mij een engel van verzoening te worden. Ik smeek u, Marie, vergeef mij het kwaad, dat ik u gedaan, — vergeef mij het ongeluk dat ik over u gebracht heb, en laat mij beproeven weder goed te maken en te verzoenen!quot;

Marie had hem aanvankelijk met verbaasd gelaat, met verwonderden blik aangehoord, vervolgens hadden hare trekken allengs de uitdrukking van diepe ontroering aangenomen. De purperroode lippen had zij vast opeenge-drukt, hare groote oogen hadden zich met tranen gevuld, die langzaam als groote paarlen nederrolden over hare wangen, w^aarop nu weder de onzalige rozen des doods gloeiden. Nu, toen Ebenstreit haar smeekte hem te vergeven, toen zij, — voor haar nedergebogen in het stof, — den man zag, wiens beeld sinds twee jaren als een eeuwig verwijt, als een dreigende beschuldiging voor haar geweten had gestaan, nu drong een lange smartkreet uit haar hijgende borst. Zij richtte zich uit haar leunstoel op, en hief beide armen ten hemel.

„Te veel, te veel, o God!' riep zij met luide, trillende stem ; „Gij oefent barmhartigheid en genade, in plaats van met de zondares in 't gerecht te treden! Alles, wat aan trots en overmoed in mij was, verdwijnt in ootmoed en berouw, en ik buig mijn hoofd in het stof voor U, en voor

ocr page 428

156

dezen man, dien ik beleedigd, — dien ik gekrenkt heb!quot;

En eer nog Ebenstreit, die was opgestaan, nu hij zag met welk een geweldige aandoening Marie zich oprichtte, — eer nog Ebenstreit het kon verhinderen, was Marie thans op hare knieën nedergezonken, en hief haar gevouwen handen op.

„Ik smeek u, Ebenstreit, vergeef mijl Ik heb u gekrenkt en beleedigd; ik heb in haat en toorn aan uwe zijde geleefd, in plaats van te pogen u op een beteren weg te leiden, en mèt u bet goede en rechte te zoeken, van 't welk wij beiden zoo ver verwijderd waren. Maar zie mij aan, Ebenstreit, zie, wat deze jaren van boete van mij gemaakt hebben, en hoe uit de trotsche tiranes, die zich aanmatigde u te gebieden, een arme boeteling is geworden, die u deemoedig om vergeving smeekt. 0, spreek het uil, het woord der verlossing, zeg dat ge mij vergeven wilt! — Neen, tracht niét mij op te richten, laat mij op mijne knieën, tot uwe grootmoedigheid zich mijner ontfermt, tot zij het woord heeft gesproken, waarnaar mijn ziel smacht.quot;

„Nu welaan dan, Marie,quot; snikte Ebenstreit, het gelaat met tranen bedekt; „gij wilt het en ik zeg dus: Marie, ik vergeef u met geheel mijn ziel, vergeef u al mijn smarten, mijn tranen, en zeg u dat uit deze smarten troost,— en uit deze tranen hoop voor mij gebloeid zijn. God ze-gene, hoede enbeloone u, mijn weldoenster, mijn vriendin !quot;

Zij had het hoofd tot hem opgericht, met gevouwen handen naar zijne woorden gehoord, en allengs had zich een gelukkige glimlach over haar gelaat verspreid.

„Ik dank u, mijn vriend, ik dank u,quot; fluisterde zij nu zacht, — en zonder moeite, als gedragen door haar inwendige verheffing, richtte zij zich op, en stond nu met een vriendelijken glimlach tegenover Ebenstreit.

„Ween niet, mijn vriend,quot; zeide zij: „al het treurige is nu afgedaan en ligt achter ons. Wij willen ons nu nog slechts in het geluk verheugen, 't welk ons beiden na lange dwalingen weder bijeenvoert . .. voor een korten tijd. Ge moet mij vertellen boe dit alles gegaan is, en hoe gij geleefd en gestreden hebt.quot;

„Neen,quot; zeide hij innig: „eerst wil ik dit alles van u vernemen, en hooren hoe het u gegaan is.quot;

„Mijn vriend,quot; zeide zij glimlachend, terwijl zij zich

ocr page 429

157

langzaam weder in den leunstoel nederzette: „ziellier deze tafel met de arme bloemen van zijde en draad en waterverf. Dit is de geschiedenis mijner laatste twee jaren. Deze leliën en viooltjes zijn zonder glans en geur, en zoo is ook mijn leven geweest, zonder glans en geur. Het leven had voor mij geen rozen, maar ik maakte ze voor anderen; ik leefde, wijl. toch een hemelsche bloem voor mij bloeide, — ik leefde, wijl deze ééne bloem in mijn hart bloeide: —de hoop op wederzien! Vraag mij niet meer; ge zult spoedig al het andere zien en vernemen, en ik weet het, ge zult u om mij verheugen, zoodra mijn hoop een schoone, gelukkige werkelijkheid wordt!quot;

„Gewis zal ik mij er over verheugen,quot; zeide hij innig: „want uw geluk is sinds onze scheiding mijn bestendig gebed geweest, en eerst als ik u vereenigd zie met den edelen man, van wien ik u zoo wreed en liefdeloos gescheiden heb, eerst dan zal ik mijn schuld verzoend, — en ook voor mij een rustige, gelukkige toekomst mogelijk houden.quot;

Zij reikte hem haar hand en glimlachte. Maar het was zulk een roerende, weemoedige glimlach, dat hij Ebenstreit dieper bewoog, dan klagen en wanhopende woorden zouden hebben gedaan.

„Verhaal mij uw leven,quot; zeide zij zacht: „zet u hier bij mij, en laat mij weten hoe het u gegaan is, sinds dien be-wusten dag; wat gij gedaan, — hoe ge geleefd hebt.quot;

Hij nam een stoel en zette zich bij haar. De oude Trui kwam uit den achtergrond te voorschijn, en plaaste^ zich naast den leunstoel barer meesteres, nieuwsgierig luisterende naar Ebenstreit's woorden.

„Ik kan u mijn verleden niet zoo voorstellen,quot; zeide hij glimlachend: „als gij het straks deedt, toen ge hier op uwe bloemen weest. Ik zou u hiertoe uitgeroeide wouden, ontgonnen bouwland, ingedijkte rivieren, opgerichte hutten en schuren moeten vertoonen. Toen ik u in razende wanhoop verliet, ontmoette ik op straat den bankier Splitt-gerber. Hij had naast de huisdeur gestaan en op mij gewacht. Ik wilde mij van hem losscheuren, maar hij hield mij vast. Ik riep hem toe, dat ik rust wilde hebben, — rust in het graf voor mijn schande, mijn wanhoop. Maar bij greep mij nóg vaster, trok mij met onweerstaanbaar

ocr page 430

158

geweld voort, lilde mij schier als eau kind in zijn rijtuig, dat in snellen draf met ons voortjoeg, naar buiten, in het diclitste gedeelte van den Thiergarten. Ik riep, ik raasde, ik wilde uit het rijtuig springen. Maar aan de zijde waar ik zat was het portier zonder kruk, en liet zich niet openen. Ik wilde voorbij Splittgerber uit het andere portier en riep: „Laat mij gaan! Niemand zal mij dwingen te leven! Ik wil sterven, ik moet sterven!quot; Maar nu grepen mij de handen van den ouden man als ijzeren klemmen, drukten mij op de bank neder, en in mijn ooren klonk een luide, vreeselijke stem. Zij klonk als de bazuin van het jongste gericht, en ik kan mij nog heden niet overtuigen, dat het die van den ouden, goeden Splittgerber was. Deze stem schalde in mijn oor: „Gij hebt het recht niet te sterven, want ge hebt nog niet geleefd! Ga eerst heen en leer te leven, opdat ge den dood moogt verdienen!'' Maar ik gevoelde mij als verpletterd door deze vreeselijke woorden, en zeeg bewusteloos ineen.quot;

„Gij hebt het recht niet te sterven, want ge hebt nog niet geleefd,quot; herhaalde Marie zacht: „heb t/c wèl geleefd, en is het daarom dat — Zij onti'oerde en brak haar woorden af: „Verder, mijn vriend, verhaal voort!quot;

„Wat verder met mij gebeurde weet ik niet. Ik herinner mij slechts duister, dat ik was als een afgescheidene ziel. die rusteloos iu het heelal rondvliegt, en overal een woonplaats en een toevluchtsoord zoekt, en die toch nergens vindt. Ik was lang in de hel, en leed al de folteringen der gepijnigden; ik lag als Prometheus op de pijnbank; de gier verslond mijn lever, en ik riep vergeefs tot God om erbarming. Toen mijn dwalende ziel weder op aarde terugkeerde in het armzalige hulsel mijns lichaams, en ik weder tot bewustzijn kwam, verhaalde men mij, dat ik lang ziek was geweest, en geraasd en gewoed had. De oude goede Splittgerber had mij als een zoon verpleegd, en toen ik eindelijk genezen was, deed hij mij allerlei schitterenden aanbiedingen. Ik zou zijn compagnon worden, zou een vennootschap van zijn huis te Nieuw-York oprichten, en meer dergelijke voorstellen. Ik sloeg alles af, ik hoorde altoos nog de bazuinstem roepen: „Gij hebt het recht niet te sterven want ge hebt nog niet geleefd. Ga heen en leer te leven, opdat ge den dood moogt fer-

ocr page 431

159

dienen!quot; Ik wilde den dood verdienen, dit was alles wal ik dacht; niemand zou er mij toe behulpzaam zijn. Ik wilde het volbrengen alleen. Ik alleen! Met het armzalig overschot van mijn vermogen ging ik heen, zonder aan iemand te zeggen waarheen. Met de oude wereld had ik afgesloten, en nu ging ik naar de nieuwe. Ik reikhalsde naar strijd en gevechten, naar werk en inspanning. Ik kocht een stuk land in Amerika, groot genoeg om er in Üuitschland een klein hertogdom van te maken; ik huurde eenige arbeiders, — landverhuizers, wien de wanhoop uit hel mat gelaat, de wrevel uit de sombere oogen scheen, — en met hen begon ik mijn werk! Het was een ontzaglijk reuzenwerk! Het gold een prairie en een woest woud in vruchtbapr akkerland, — in een voordeelig jachtgebied te herscheppen. Wat de Titans der gelukkige godenwereld misschien niet tot stand hadden gebracht, vol voerden deze arme menschen, aan wie de wanhoop moed, het tarten van 't ongeluk bovenmenschelijke kracht gaf. Het was een hard werk, Marie; geloof deze handen, die met den ijverigsten ambachtsman zouden kunnen wedijveren om den prijs van vereelting en hardheid. Maar het was een werk vol hemelschen zegen, want wij zagen dat onze arbeid niet vruchteloos was. Wij zagen dat hij gedijde. Thans is het land, 't welk ik woest gekocht heb, in een heerlijke bouwstreek herschapen, waar, in nette hutten tevreden arbeiders wonen, en zich in den zegen van hun arbeid verheugen. In 't midden van dit dorp staat mijn eigen huis, een eenvoudig houten huis, maar aangenaam genoeg voor een arbeider gelijk ik ben. Boven de deur is een opschrift, dat luidt; „Leer werken, dan leeft ge.quot; En in mijn woonkamer aan den wand hangt een groot bord, waarop geschreven staat: „Geld is de verzoeking, arbeid is de verlossing. De ware rijkdom bestaat slechts in een edel hart, en in de vreugde van den arbeid.quot;

„Ge zijt een edel, goed man,quot; fluisterde Marie meteen innigen blik: „O, hoe dank ik u, dat ge gekomen zijt; hoe verheug ik mij over uwe terugkomst.quot;

„Ik ben niet teruggekomen om hier te blijven,quot; zeide Ebenstreit, haar hand aan zijne lippen drukkende: „Ik ben slechts gekomen om u te zien, Marie, en mijn rekening met den hemel te sluiten, terwijl ik die sluit met

ocr page 432

160

den engel der sLivaf, die mij uit mijne zonden verdreven heeft. Ge ziet, Marie, er is altoos nog iets van den ouden verdoemden geldman in mij, want zelfs tegenover God en u waag ik het, van rekeningen te spreken. Alsof het schul-denregister der ziel een rekening was die ooit verelfend kon worden! Neen, ik blijf uw schuldenaar, zoolang ik leef. En ook uw schuldenaar, Trui,quot; wendde hij zich met een glimlachenden blik tot de oude vrouw, die hem verwonderd aanzag,quot; en peinzend het hoofd schudde.

„Nu, ik zou toch niet weten, hoe ge mijn schuldenaar kondt zijn,quot; zeide zij nadenkend: „van mij hebt ge toch niets ontvangen dan smaad en hoon, en die zijtge mij inderdaad schuldig gebleven. Zoo ge ze mij nu wilt teruggeven en mij een oude zottin, een domme, kortzichtige vrouw, een onuitstaanbare persoon wilt noemen, dan zijt ge hiertoe volkomen gerechtigd, wegens de grofheden welke ik u vroeger wel heb toegevoegd. Ik moet zeggen, dat ge hierin gelijk hebt, en het verheugt mij dit te moeten zeggen, en ik neem vrijwillig alles terug, wat ik u vroeger geleend heb. Ge zijt een goed mensch geworden, mijnheer Ebenstreit, en de lieve God zelf zal vreugde aan u hebben, want er staat geschreven; Als één zondaar zich bekeert is er meer vreugde in den hemel, dan over ja^phenderd rechtvaardigen. — Dus, mijn goede, lieve heer Ebenstreit, geef mij nu al mijn grofheden en smaad terug, en geef mij vervolgens de hand, en zeg: Trui, wij zijn elkander nu niets schuldig gebleven, en ten slotte zijt ge toch een oude, trouwe vrouw, die het hart op de rechte plaats heeft, en — óók den mond!quot;

Ebenstreit glimlachte en reikte haar zijn hand, —„Uw handslag neem ik aan, Trui, maar de grofheden en smaad geef ik niet terug, die moogt ge behouden. Ik ben in een hoogeren en schooneren zin uw schuldenaar; want uw moedig en trotsch gelaat heeft mij dikwerf voorgezweefd, en soms, als mij een werk al te zwaar scheen, meende ik nevens mij uw stem te hooren, die zeide: „Werk, werk slechts ! Koop uw ziel vrij met het zweet dat van uw voorhoofd vloeit, gij. zielverkooper, want anders schenkt ude oude Trui op aarde en in den hemel geen vergiffenis. Werk, werk! In het zweet uws aanschijns zult ge uw brood eten, anders kunt ge nooit in het hemelrijk komen, gij

ocr page 433

1(51

zielverkooper!quot; Go weet toch, dat dit de eene titel was, dien ge mij ooit bewilligd hebt?quot;

„Nu, mijnheer Ebenstreit, ik had ook nog andere titels voor u,quot; zei de oude vrouw beschaamd: „maar dit was wel is waar de hoofdtitel, wegens de vijfhonderd thaler, die —quot;

„Stil,quot; viel Marie haar in de rede, terwijl zij zich langzaam oprichtte en naar de Üeur zag: „stil! Heb ffe niets gehoord. Trui?quot;

„Wat dan, mijn geliefd kind? Wat zou ik gehoord hebben r

„Er hield een rijtuig voor de deur stil, en mijn hart klopte, als verwachtte het een groote vreugde of een groot leed. liet was mij, alsof ik voetstappen in het voorhuis boorde. —,Ia, ja, ik ken zijn gang, hij was het. . . Stil, hoort ge niets?quot;

Allen zwegen, hielden den adem in en luisterden.

„Ja, bet schijnt alsof iemand buiten slaat,quot; fluisterde de oude vrouw; „Ik wil eens gaan zien of —quot;

„Er wordt geklopt,quot; „riep Marie: „Trui er is iemand, die —quot;

„Wees bedaard, mijn Marietje, wees bedaard,quot; suste Trui: „als ge u zoozeer opwindt, zal't u schaden. Er wordt weder geklopt, en —quot;

„Trui, wees barmhartig,quot; riep Marie: „ga, open de deur. Laat mij niet wachten, want ik geloof, dat ik nog slechts weinig tijd te leven heb. Ik kan niet wachten! Open!quot;

Trui was reeds naar de deur gesneld en bad haar geopend. Zij ontstelde, wenkte naar buiten, drukte de deur weder dicht en wendde zich tot Marie, die buiten adem, hoog opgelicht, nevens de bloemtafel stond.

„Marietje,quot; zeide zij, en poogde tevergeefs haar stem kalm te houden: „Marietje, er is inderdaad iemand die mij spreken wil, maar bet is een vreemde, en bij wil misschien bloemen bestellen. Ik wil even naar buiten gaan en 't hem vragen.quot;

Zij wilde de deur weder openen, maar Marie ijlde op haar toe en hield haar tegen. — „Ge wilt mij misleiden. Trui. Ge weet, wie buiten staat; ge kent kem, en ik, ik weet het óók. Mijn hart zegt het mij: — Philip, mijn Philip, kom binnen! Kom tot mij, Philip!''

Hühlbaoh, Buitschland in Woeling en Strijd. IV. 11

ocr page 434

162-

„Marie !quot; riep builen een krachtige mannenstem, de deur werd driftig geopend, en met uitgebreide armen ijlde hij binnen, — „Marie! waar zijt ge! Marie!''

Zij slaakte een kreet, een luiden gillenden vreugdekreet, vloog op hem toe, en wierp zich in zijne armen.

„O, zijt gij het, mijn gehelde? God zegene u, dat ge gekomen zijt!quot;

„Mijn Marie, mijn geliefde,quot; zeide hij snikkend : „God zegene u dat ge mij verwacht hebt!quot;

III.

DE ONVERBIDDELIJKE DOOD.

Zij hielden elkander vast omstrengeld, rustten hart aan hart, en vergeten waren alle stormen, al het lijden; vergeten de geheele wereld, en alles wat om hen heen gebeurde. Zij zagen het niet, dat de oude Trui met van vreugde stralend gelaat, met gevouwen handen daar stond en hen aanschouwde, en toen haastig den heer Ebenstreit volgde, die zacht op de teenen uit de kamer sloop. Zij hoorden het niet, toen de deur zeer zacht achter beiden gesloten werd, zoodat zij nu alleen en'onopgemerkt waren in de stille kamer. En al waren beiden ook gebleven, en al waren honderde oogen uitvorschend op lien gericht geweest, zij zouden er zich niet om bekommerd hebben ; zij zouden toch alleen zijn geweest, — alleen met hunne liefde, met hun geluk, met hunne vieugde des wederziens!

Haar hoofd rustte nog altijd aan zijn borst, hij hield haar nog altijd vast aan zijn hart gedrukt. — „O Marie, de droom mijns levens is nu vervuld; ik houd u in mijne armen, en gij zijt de mijne! De rustelooze zwerver is nu het belootde land zijner woning ingegaan, en liefde en vrede heeten hem welkom!quot;

„Ja, mijn Philip,quot; fluisterde zij zacht, „liefde en vrede heeten u welkom. De smart is nu voor altijd van ons genomen, en wij zullen gelukkig zijn!quot;

„Ja, gelukkig, mijne Marie! Kom, hef uw aangezicht op, laat mij in uwe oogen zien, laat mij er uw liefde in lezen.quot;

ocr page 435

163

Hij wilde met zijn hand haar hoofd opheffen, maar zij drukte het nóg vaster aan zijn hart.

„Neen, mijn Philip; laat mij nog zóó rusten,en droomen van zalig geluk.quot;

„Ach, Marie, ik heb twee lange, smartelijke jaren naar uwe oogen verlangd; laat mij ze eindelijk zien, mijn schoone, dierbare geliefde.quot;

„Wacht nog een oogenblik, Philip, wacht,quot; lispte zij, hem met beide armen vast omklemmende, en met haar gelaat nog altoos aan zijn borst geleund: „Ik heb u nog iets te zeggen, mijn geliefde! Ik ben ziek geweest, zeer ziek, en zij hebben gemeend dat ik zou sterven! Zoo ge mij een weinig bleek en veranderd vindt, komt het, omdat ik nog niet geheel hersteld, — maar eerst aan 't genezen ben. Denk hieraan en schrik niet — en nu, aanschouw mij! Welkom, welkom, mijn Philip!quot;

Zij hief haastig haar hoofd op, en een stralende uitdrukking van geluk was op haar gelaat; de grafrozen op hare wangen gloeiden, purperrood waren hare lippen, en schitterend de donkere, zwarte oogen. De dood was misschien geroerd door de diepe verrukking van beiden, die vele jaren gegaan waren onder de donderwolken der smart, en nu waanden, dat zij een schuilplaats hadden gevonden tegen alle stormen, en een balsem voor alle smarten; de dood had misschien, — daar hij van God komt, — óók een goddelijke erbarming gevoeld, en hield zich stil verscholen achter de roode wangen en purperen lippen, en vergunde 'taan de vreugde, het gelaat van Marie met een laalsten straal der avondzon te verhelderen, en haar gezond en sterk te doen schijnen.

Philip ten minste zag hem niet; hij liet zich misleiden door de grafbloemen, door den zonnestraal. Hij had verwacht, Marie veel meer vervallen en zwakker te vinden. De schoolraad Gedicke had er hem op voorbereid, haar als een hopelooze, een stervende te zullen ontmoeten, die nog slechts door het verlangen om hém te zien, op aarde teruggehouden werd; en nu stond zij vóór hem met rooskleurige wangen, een glimlach op de lippen en met oogen, die schitterden van vreugde en lust!

„O Marie, mijn kleinood, mijn gewenscht geluk, hoe schoon zijt ge, hoe bekoorlijk! Waarom spreekt ge toch

ocr page 436

164

van ziekte, van bleekheid en van de sporen der ziekte? Ik zie er niets van: ik zie u gezond, gelukkig, en schoon,— zoo schoon als ik u steeds in mijn droomen zag; zoo schoon als ik mij u altoos gedacht heb, wanneer ik te Rome en te Florence tegenover de madonna's en heiligenbeelden van Raphael en Giuilo Romano stond. Aanschouwt mij slechts met uwe donkere oogen, zeide ik tot hen, vraagt mij slechts of ik u niet bewonder en aanbid, 't Is waar, gij zijt schoon en liefelijk, maar ik ken één Marie, die schooner en reiner is dan gij allen! Ik ken één Marie, uit wier oogen maagdelijkheid, reinheid en deugd stralen; zij glimlacht niet zoo koket als gij, Marie della Stdia,zij ziet niet zoo droefgeestig als gij, Maria di Fuligno. Een heilige liefde schijnt uit hare oogen, en edele gedachten zetelen op haar rein voorhoofd! Dat is mijne Marie! En nu heb ik u en behoud ik u, mijne Maria, en niets kan ons nu nog scheiden !quot;

„Neen,quot; zeide zij innig; „niets kan ons nu scheiden dan de dood.quot;

„De dood heeft niets met ons te maken, mijn geliefde. Wij willen leven. O, welk een gelukkig, heerlijk leven !quot;

„Ja, leven, leven!quot; riep zij met een uitdrukking van hartstocht, van smartelijk verlangen, waarvoor Moritz's hart beefde; want het was, alsof met een scherpen wanklank-een snaar gesprongen was van de harp, waarop zij juist het hooglied des levens en der liefde beginnen wilde; en hij zag in dit oogenblik den dood, die achter de rozen barer wangen en den glimlach barer puperen lippen gluurde.

„Kom, mijn dierbare geliefde, laat ons gaan zitten. Ziedaar uw troonzetel, en hier aan uwe voeten ligt hij, die u aanbidt; die met verruking tot u opziet, mijn Madonna, mijn Marie!quot;'

Hij had haar zacht naar den leunstoel geleid, en was vervolgens aan hare voeten nedergehurkt. De gevouwen handen op hare knieën geleund, zag hij tot haar op met een vlammenden, hartstochtelijken blik. Zij boog zich vol zalige vreugde over hem heen, en streek met haar teêre, zwakke hand over zijn zwart krullend haar en over het breede voorhoofd, 'twelk zij vroeger steeds zoo bewolkt

ocr page 437

165

en somber had gezien, en dat heden zoo helder en klaar was als de hemel in haar eigen borst!

„Dus heb ik u eindelijk weder, gij ster mijns levens! O, als ik u aanschouw, gevoel ik dat het leven schoon is, en dat één uur van geluk, niet te duur betaald wordt met lange jaren van smart en ontbering. Wij hebben het duur moeten betalen, mijn Philip, maar nu is het er, het verlangde geluk. Wij houden het in onze omstrengelde handen, en niets ter wereld kan het ons weder ontrukken!quot;

„Neen, niets op aarde, mijn geliefde! Als Odysseus ben ik nu teruggekeerd van mijn zwerftochten door het leven, en daar lig ik nu aan de voeten mijner Penelope, en ik heb óók, geloof ik, de minnaars verdreven, die zich bij mijne dierbaarste wilden indringen. Was 't niet een minnaar die uit de deur sloop, toen ik binnentrad?quot;

„Een minnaar uit het verledene,quot; knikte zij glimlachend: „Herkendet ge hem niet?quot;

„Heb ik hem dan ooit gekend ? — Doch wat raakt het ons, nu hij weg is! Ik behoef hem niet weg te jagen, en zal ook de oude Trui niet als koppelaarster ophangen, zooals Odysseus de oude wijven deed.quot;

Beiden lachten. Het was die onschuldige, kinderlijke lach, waarmede het geluk zelfs de ernstigste aangezichten verheldert, en hen die veel ondervonden en zwaar geleden hebben, op den drempel van het wedergevonden Paradijs ook de onschuld hunner jeugd en den glimlach hunner kindsheid doet terugvinden.

„O, mijn Marie, hoe schoon zijt gij, als gij lacht. Mij dunkt dan, dat al deze jaren van smart niet gaweest zijn; dat wij beiden er slechts van hebben gedroomd, en nu wij ontwaken, weder in het dakkamertje zijn. Ge zijt weder mijn jonge, lieve leerlinge, en de conrector Moritz komt om freule von Leuhten les te geven in de Italiaansche taal. Ja, ja, het is zoo; wij zijn nog dezelfden, en zie, daar liggen ook de bloemen op uw tafel als eertijds, toen mij de oude Trui voor de eerste les binnenvoerde Iquot;

Hij nam een handvol bloemen van de tafel en hield ze in zijn beide samengevouwen handen., O geliefde bloemen! Zi} is uw God en uw godin geweest! Gelijk God uit het niets, heeft zij u geschapen, gelijk de godin Flora strooit zij u uit op het pad der menschen. Maar heden zult ge

ocr page 438

166

het schoonste, het heerlijkste loon ontvangen voor uw aanzijn ; heden zult ge haar zelve versieren, mijn geliefde Flora!quot;

Hij sprong op en nam heele handen vol viooltjes, ver-geet-mij-nietjes, anjelieren en leliën van de tafel, en strooide ze op Marie's hoofd, over haar schoot en aan hare voeten neder.

„Laat mij van nu af aan uw pad met bloemen bestrooien, mijn lieveling. Moogt ge nooit meer aan scherpe steenen uw teeiere voeten wonden en ruwe wegen bewandelen! Bloemen mogen onder uwe schreden ontluiken, en ik zal de tuinier zijn, om ze te kweeken.quot;

„En gij zelf zijt mijn hemelbloem, mijn keizerslelie,quot; zeide zij, hare handen tot.hem uitstekende. Hij nam ze, en terwijl hij ze aan zijn lippen drukte, nam hij zijn'vorige plaats aan hare voeten weder in.

„Hoe schoon is het, u in de oogen te zien,quot; zeide zij: „en hoe krachtig ziet ge er uit, gebruind door Italics zon en gesterkt door den strijd met het leven. Van u\ mijn geliefde, heeft het ongeluk een held gemaakt; ge zijt grooter, trotscher, forscher geworden.quot;

,,En zijt ook gij geen heldin, Marie, — een zegevierende heldin?quot;

„Een zegevierende heldin,quot; herhaalde zij treurig; — „een heldin die met den dood strijdt. — O, zie mij niet zoo verschrikt aan, mijn Philip. Het gaat mij goed. Het is slechts de vreugde, de verrassing, die mij een weinig zwak maakt. Maar ge vindt immers, dat ik er niet ziek uitzie, dus ben ik niet ziek. Gij zegt dat ik genezen zal, dus zal ik genezen. Zeg 't nog eens, herhaal het mij. Nietwaar, ik ben niet ziek? Ik zal genezen?quot;

„Ge zult genezen, mijn Marie; ge zult weder opbloeien in geluk en vreugde.quot;

„O, gij zegt dit met zulk een treurige stem, alsof ge zelf niet geloofdet wat ge zegt! Maar ik wil niet sterven, neen, ik wil niet! Ik ben nog zoo jong; ik heb nog zoo weinig geleefd. Het leven is mij nog zoo veel vreugde schuldig gebleven. Ik wil niet sterven! Ik wil leven! Leven!quot;

Zij riep dit met een luiden angstkreet, als ware het leven de gewapende krijgsman, die haar verdedigen moest

ocr page 439

167

tegen den aansluipenden dood met den verraderlijken dolk in de hand. Maar het leven had voor haar geen wapen meer; het trok zich schuw terug voor den koning, die machtiger is dan de koning des levens, en wiens scepter een zeis is, waarmede hij hoofden maait, gelijk de maaier-de klaprozen op de velden!

„Philip, mijn Philip!'' kreet Marie, en een rilling liep door haar gestalte: „Blijf bij mij, mijn geliefde ! Het wordt zoo donker voor mijne oogen, en nu boort het al weder, het boort zoo vreeselijk! Ach, Philip, ge hebt de bloemen aan mijne voeten gestrooid, maar de doornen zijn in mijn hart gebleven. En zij doorboren, zij verscheuren mijn hart! Het wordt nacht! nacht!... Trui!quot;

De oude vrouw, die als een trouwe hond buiten voor de deur had gestaan, ijlde nu binnen naar haar geliefd kind, dat met gesloten oogen, bleek en onbeweeglijk, door Moritz's armen omvangen, in den leunstoel lag.

,,Trui, roep den dokter,quot; riep hij ontsteld: „haal hulp Hulp! Hulp! Zij mag niet sterven! Zij moet bij mij blijven! Ach God! God! Gij kunt niet willen dat zij mij ontrukt wordt! Ge hebt mij haar stem laten vernemen te Rome, toen ik ver van haar gescheiden was; ik heb den roep dezer geliefde stem gevolgd, en ben hierheen gekomen met razenden spoed. Ge kunt het niet willen, dat deze geliefde stem nu voor altoos voor mij verstommen, — en een eeuwig zwijgen mij omgeven zal! Trui, help toch! Roep dokters!''

„Het is vruchteloos, lieve mijnheer, vruchteloos.quot; fluisterde Trui, wier tranen stil over hare wangen rolden: „er is geen hulp meer, dit hebben mij alle dokters verzekerd, en zij hebben gezegd, dat het zoo gaan zou en het ten einde liep. Maar misschien is het ditmaal slechts een barer aanvallen, misschien kunnen wij haar nog eens bijbrengen.quot;

Waren het nu de sterke geestrijke vochten, waarmede Trui haar de slapen wreef, de sterke muskusdroppels, welke zij in Marie's halfgeopenden mond droppelde, of was het de smeekende stem, waarmede Moritz haar naam riep en haar bezwoer, hem niet te verlaten, niet van hem te gaan? — Marie sloeg de oogen weder op, en haar blik vol teederheid viel op het bleeke, ontstelde gelaat van

ocr page 440

168

hèm, die nu weder krachteloos aan hare voeten was ne-dergezonken, haar gestalte met zijn beide armen omvattende, alsof hij haar aan den dood wilde ontscheuren, die reeds zijn arm naar haar had uitgestoken.

„Ik sterf, mijn Philip,quot; zeide Marie zacht, en haar stem klonk als de verstervende tonen eener Eolusharp; „het baat niet u nog te willen misleiden, want de waarheid is er, en wij moeten haar beiden verdragen.quot;

„O, Marie, ik kan niet,— ik kan 't niet verdragen!quot; kermde hij, zijn hootd aan hare'knieën verbergende ;,.God is immers barmhartig; Hij zal medelijden hebben met mijn jammer, met mijn liefde! Hij zal u genezing brengen!quot;

„De genezing, welke Hij mij brengt, is er reeds,quot; lispte zij zacht; „die genezing is de dood! Ik heb het larg gevoeld, heb lang in vreeselijke'nachten gestreden en geworsteld met de gedachte dat ik sterven moest; ik kon het niet begrijpen, en twijfelde aan Gods barmhartigheid en goedheid. Mijn hart was een trotsch hart, en wilde zich niet deemoedig aan Gods wil onderwerpen; en ik bad om een weinig geluk en leven dengene, die onverbiddelijk is, en voor wiens ooren het klaaggeschrei des menschen niet luider klinkt dan de laatste ademtocht des kevers, dien men vertreedt. Ten laatste heb ik het ingezien en begrepen, dat alle jammeren vergeefs is, en er niets anders overblijft dan zich te onderwerpen , ootmoedig te zijn en stil, en God te danken voor elk uur als voor een genadig geschenk, en iederen zonnestraal aan te nemen, als een bewijs Zijner goedheid. Zoo heh ik mij overwonnen, en mijn weerbarstig hart is zacht geworden en verzet zich niet meer tegen de hand des Almachtigen, voor Wien de mensch is als een worm, en een zandkorrel als een berg. Word óók zacht en stil, mijn Philip, en leer u onderwerpen aan de eeuwige wetten Gods!''

„Neen, dat kan ik niet,quot; riep hij op hartverscheurenden jammertoon: ,,ik kan mij niet onderwerpen! Mijn hart verheft zich in toorn, en ik zou het uit mijn borst willen rukken van droefheid, als ik u zoo zie lijden Iquot;

„Ik lijd niet meer, Philip,quot; zeide zij met een hemelschen ■ glimlach: „de pijn is van mij genomen, en 'tis mij als zweefde ik in een rooskleurige wolk hoog boven alle aard-sche smart. Ik zie thans uit deze hoogte, hoe nietig de

ocr page 441

161)

smarten dezer aarde zijn, en hoe weinig zij verdienen dat men er zelfs één traan om weent. Klein en armzalig is alles hier beneden, groot en verheven is alles daarboven. O Philip, hoe schoon zal het zijn, als wij elkander wedervinden daarboven. In een zalige omhelzing zullen onze geesten dan zweven van ster tot ster, en de heerlijkheden aller werelden, de verborgenheden van alle scheppingen zullen ons geopenbaard worden, en ons leven zal niets zijn dan aanschouwen en kennen, dan openbaring en weten! De wolk zweeft hooger, hooger! Philip, ik zie u niet meer!quot;

„Maar ik zie u, u mijn geliefde!quot; riep Moritz wanhopig, greep met beide handen haar achterover zinkend hoofd, en bedekte het met tranen en kussen: „Ga niet van mij, Marie, blijft bij mij, gij, eenig geluk mijns leven! Laat mii niet eenzaam in de wereld achter!quot;

Zijn smeekende stem had die goddelijke kracht, van welke de Grieken verhalen, dat zij den steen leven ingeblazen, — en het koude marmerbeeld in een warme beminnende vrouw herschapen had. Zijn smeekende stem riep den geest der beminnende vrouw nog eens terug in het verkillende lichaam,

„Gij zult niet eenzaam zijn, Philip,quot; lispte zij: „het is zeer treurig, eenzaam door de wereld te moeten worstelen. Ik ga, Philip, maar ik wil niet dat gij eenzaam zult zijn.quot;

„Ik ben het, Marie, als gij mij verlaat; daarom blijf, blijf!quot;

„Ik moet weg, Philip,quot; hijgde zij zacht: „maar gij zult een andere aan uw zijde plaatsen! Een andere zal mijn plaats innemen. Hoor mijn laatsten wensch. mijn laatste bede, Philip; Neem een vrouw, huw!''

„Onmogelijk, Marie; ge kunt niet zoo wreed zijn dit te willen.quot;

„Ik heb er veel over nagedacht; veel geworsteld met mijn hart, en weet nu dat het zóó zijn moet. Gij moogt niet eenzaam zijn; ge moet een vrouw aan uwe zijde hebben, die u bemint. Zweer mij, dat gij die zoeken wilt. Zweer het mij, opdat ik sterve met een laatste vreugde.quot;

Zij hief met moeite haar band op, en hare gebroken oogen waren smeekend op hem gericht. Hij kon ze niet weerstaan; hij sloot de arme bleeke vingers in zijn stuip-

ocr page 442

170

trekkende, brandende handen, en zwoer dal haar wil geschieden zou, dat hij doen wilde wat zij bevolen had.

Toen gleed een glimlach over haar aangezicht, en hare oogen zochten de oude, trouwe vrouw, die haar bemind had als een moeder, en die nu niet langer hare tranen behoefde te verbergen, zooals zij het sinds vele maanden met een heilige, heldhaftige geveinsdheid gedaan had.

„Trui,quot; lluisterde Marie: „gij hebt zijn eed gehoord, en ge zult hem vermanen dien te vervullen, en dat hij binnen een jaar huwt. Kus mij, Trui, en zweer het mij!quot;

De oude Trui had geen woorden dan hare tranen geen anderen eed dan den kus, dien hare bevende lippen op haar lievelings voorhoofd drukten, dat reeds bedekt was met het kille zweet, 'twelk als de morgendauw eener andere wereld het voorhoofd bedekt van hen, die vermoeid zijn en sterven, wijl zij daarboven ontwaken zullen tot een nieuw leven!

„Kus mij óók, Philip, mijn geliefde!quot; riep Marie angstig; „Kus mij! Houd mij! Laat hem mij niet naderen, den dood, den grimmigen dood!quot;

Hij kuste haar, sloot haar vast in zijne armen, hield haar aan zijn borst gedrukt, en Trui breidde smeekend de armen uit in de lucht, alsof zij hem, den , grimmigen dood,quot; wilde afweren.

Maar hij is de koning der aardsche koningen, en aan hèm is vervallen al wat leeft op aarde!

Stil werd het in de kleine kamer. Want heilig is het uur der scheiding; heilig het oogenblik, als de onsterfe-liike ziel zich ontworstelt aan het sterfelijk hulsel, en dit mag niet door klachten en tranen ontwijd worden!--

Na een lange pauze klonk de hartverscheurende kreet van een man, en het luide weenen eener vrouw. — Marie was gestorven, maar met een dankbaren glimlach op de lippen 1

ocr page 443

171

IV.

GOETHE'S TERUGKOMST UIT ROME.

„Goethe is er weder! Gisteren avond is hij onverwacht, in stilte aangekomen, heeft zich terstond naar [zijn zomerhuis in het park begeven, de brug opgehaald, en niemand tot hiertoe gezien!quot;'

Dit was het nieuws dat op den morgen van den negentienden Juni 1788 geheel Weimar doorliep, en dat vreugde en verwachting, — misschien ook eenige ontstemming en spanning verwekte. Elkeen was begeerig hèm weder te zien,' die als de genius der opgewektheid en des ge-luks te Weimar getroond had, en die deze beide schoonste idealen der menschheid met zich uit de Thuringsche hoofdstad had ontvoerd. Want Weimar had zich sinds Goethe's vertrek zeer veranderd. Het was, — zooals hertog Karei August vaak zuchtend tot zijne vertrouwden placht te klagen, — het was vervelend en „aartsspietsbur-gerlijkquot; geworden. De geniale overmoed, de dichterlijke onbezorgdheid, de onschuldige scherts en de dichterlijke vervoering en opwekking, — dit alles was met Goethe verdwenen. Weimar lag somber en stil aan de murmelende oevers der Ilm, en de eerzame burgers en philisters dei-eerzame stad erkenden het als een zegen en weldaad, dat de heillooze igeest, die zooveel rumoer en onordelijkheid had veroorzaakt, nu weder uit de lieve stad vertrokken was, en alles weder den gewonen gang ging. Aan het Hof was het óók stil en vervelend: zóó stil, dat de geniale hertogin Amalia het niet langer kon uithouden, en zich met bare vrienden Wieland en Herder gereed maakte om te vertrekken, en zich in Italië door het leven der kunst, den helderen hemel en de zorgelooze verkeering met men-schen, schadeloos te stellen voor de verveling der laatste jaren.

En in dit vervelende en verveelde Weimar keerde Goethe terug. Geen wonder dat dit bericht de stad in alarm bracht, en een weinig levendigheid en beweging in de slapende maatschappij verwekte. —

Zeer vroeg in den morgen was de bediende van Goethe in het hertogelijke Slot verschenen, en had met een van

ocr page 444

472

vreugde stralend gelaat den kamerdienaar van hertog Ka-rel August do blijde boodschap gebracht, en in naam zijns meesters gevraagd, wanneer de heer geheimraad zijn opwachting mocht maken. De hertog had hierop slechts zeer kort geantwoord: dat hij den heer geheimraad bescheid zou laten zeggen; anders niet! Maar reeds een Jialf uur later verliet de hertog, in plaats van bescheid te zenden, in eigen persoon geheel alleen zijn residentieslot, en liep met ongewonen spoed over het marktplein, door de straten en de belommerde alléén van het park, naar Goethe's tuinhuisje. De brug was wel opgehaald, maar de llm was door de zonnehitte zóódanig uitgedroogd, dat weinig meer dan een breede goot tusschen de steenen en 't zand was overgebleven; en wat gaf de geniale heer er om, of zijn laarzen bij het doorwaden dezer goot een weinig nat en de broek zijner Pruisische uniform een weinig vuil werden. Hij kwam immers niet om een staatsievisite te maken, maar om een dierbaren vriend, geheel sans gêne na een lange scheiding weder te omhelzen. Dus voorwaarts door zand en slijk en water! Daarover ligt het klein, bescheiden huis van den geliefden, verlangden vriend. Voorwaarts dus! —

Goethe's bediende was nog niet teruggekeerd van zijn boodschappen; niemand was er, om den hertog aante dienen, en zoo er al iemand ware geweest. Karei August zou hem tóch afgewezen hebben, want hij wilde immers zijn vriend verrassen. Zeer zacht sloop hij de smalle kleine trap op, en nu met een ruk de deur opengetrokken!

„Welkom, mijn Wolf! Duizendmaal welkom! Komaan mijn hart, geliefdste broeder!quot;

„Zijne Hoogheid de hertog! Mijn God, welk een groote, onverwachte eer!quot;

En Goethe richtte zich haastig op van de kleine canapé, en boog diep en eerbiedig voor den hertog, die nog altoos met open armen bij de deur stond.

„Wolf, zóó ontvangt ge uw vriend]? Ik zweer u, ik ben tot u geijld gelijk een verliefde knaap naar het eerste rendez-vous met zijn meisje. Mijn hart klopte zóó luid, toen ik de trap naar u opklom, dat ik 't op mijn lippen kon voelen. Ea nu ontvangt ge mij met zulk een koelen groet?quot;

ocr page 445

473

„Ik bid Uwe Hoogheid, overtuigd te zijn, dat ook ik vol innige vreugde ben over het geluk, mijn geliefden en ge eerden heer weder te zien, en dat dit oogenblik mij met mijne terugkomst verzoent, en —quot;

„Wolf, zeg eens; speelt ge comedie? Wilt ge een grap met mij uitvoeren, of zijt ge werkelijk te Rome zulk een gruwelijk philister, zulk een hoffelijk kameel geworden?quot;

„Ik een gruwelijk philister? Ik een holfelijk kameel?quot; vroeg Goethe met schitterende oogen, en het was nu weder Goethe met het Apollo-gelaat, zooals hij te Rome en Gastel Gandolfo was geweest, en het was weder de dichter uit Ralië, en niet de geheimraad uit Weimar. En toon nu de vrienden elkander aanschouwden, — toen de vroolijke, bruine oogen van den hertog Goethe's vurige, hartstochtelijke oogen ontmoetten, -— liet de dichter ook het laatste vertoon van den geheimraad varen. Zijn fraai gelaat verhelderde zich, en met een luiden jubelkreet vloog hij vooruit, en wierp zich in de armen van den hertog.

„God moge 't mij vergeven, zoo ik zondig tegen de achting en den eerbied. Ik had mij immers voorgenomen als een respectabel en welgedresseerd geheimraad en hoveling terug te komen. Maar 't is toch mijn schuld niet, dat uw vriendelijk gelaat al mijn philisterwijsheid te schande maakt, — dat de dagen van het verledene als gouden lichtgestalten boven u zweven, en al mijn goede voornemens tot niets maken. Lieve hertog en dierbare vriend, ik moet u nog eens omarmen!quot;

Hij deed het met hartstochtelijke drift, en de hertog lachte slechts zoo luid, om zijn aandoening te verbergen, en den vriend te doen gelooven, dat de tranen, die in zijn oogen stonden, niet uit de diepte zijns harten kwamen, maar slechts de gevolgen van zijn lachen waren.

„Ge zijt dus nog altoos de wilde, ontoerekenbare genius, die ge vóór de reis waart. Wolf! Ge zijt grillig als een schoone vrouw, en meesterachtig als een tiran? Ge zijt nog altoos Goethe?quot;

„Niet altoos mijn waarde heer! Ik heb mij ook voorgenomen hier te Weimar voor de geheele deftige wereld den deftigen geheimraad uit te hangen, en aan mevrouw de hertogin Louise en alle overige vrome zielen geen ergernis te geven door mijn geniaal gedrag. Maar voor een

ocr page 446

170

trekkende, brandende handen, en zwoer dal haar wil geschieden zou, dat hij doen wilde wat zij bevolen had.

Toen gleed een glimlach over haar aangezicht, en hare oogen zochten de oude, trouwe vrouw, die haar bemind had als een moeder, en die nu niet langer hare tranen behoetde te verbergen, zooals zij het sinds vele maanden met een heilige, heldhaftige geveinsdheid gedaan had.

„Trui,quot; lluisterde Marie: „gij hebt zijn eed gehoord, en ge zult hem vermanen dien te vervullen, en dat hij binnen een jaar huwt. Kus mij. Trui, en zweer het mij!quot;

De oude Trui had geen woorden dan hare tranen geen anderen eed dan den kus, dien hare bevende lippen op haar lievelings voorhoofd drukten, dat reeds bedekt was met het kille zweet, 't welk als de morgendauw eener andere wereld het voorhoofd bedekt van hen, die vermoeid zijn en sterven, wijl zij daarboven ontwaken zullen tot een nieuw leven!

„Kus mij óók, Philip, mijn geliefde!quot; riep Marie angstig: „Kus mij! Houd mij! Laat hem mij niet naderen, den dood, den grimmigen dood!quot;

Hij kuste haar, sloot haar vast in zijne armen, hield haar aan zijn borst gedrukt, en Trui breidde smeekend de armen uit in de lucht, alsof zij hem, den , grimmigen dood,1' wilde afweren.

Maar hij is de koning der aardsche koningen, en aan hèm is vervallen al wat leeft op aarde!

Stil werd het in de kleine kamer. Want heilig is het uur der scheiding; heilig het oogenblik, als de onsterfelijke ziel zich ontworstelt aan het sterfelijk hulsel, en dit mag niet door klachten en tranen ontwijd worden!---

Na een lange pauze klonk de hartverscheurende kreet van een man, en het luide weenen eener vrouw. — Marie was gestorven, maar met een dankbaren glimlach op de lippen!

ocr page 447

171

IV.

GOETHE'S TERUGKOMST UIT ROME.

„Goethe is er weder! Gisteren avond is hij onverwacht, in stilte aangekomen, heeft zich terstond naar [zijn zomerhuis in het park begeven, de brug opgehaald, en niemand tot hiertoe gezien!quot;'

Dit was het nieuws dat op den morgen van den negentienden Juni 1788 geheel Weimar doorliep, en dat vreugde en verwachting, — misschien ook eenige ontstemming en spanning verwekte. Elkeen was begeerig hèm weder te zien,' die als de genius der opgewektheid en des ge-luks te Weimar getroond had, en die deze beide schoonste idealen der menschheid met zich uit de Thuiingsche hoofdstad had ontvoerd. Want Weimar had zich sinds Goethe's vertrek zeer veranderd. Het was, — zooals hertog Karei August vaak zuchtend tot zijne vertrouwden placht te klagen, — het was vervelend en „aartsspietsbur-gerlijkquot; geworden. De geniale overmoed, de dichterlijke onbezorgdheid, de onschuldige scherts en de dichterlijke vervoering en opwekking, — dit alles was met Goethe verdwenen. Weimar lag somber en stil aan de murmelende oevers der Tim, en de eerzame burgers en philisters dei-eerzame stad erkenden het als een zegen en weldaad, dat de heillooze ^geest, die zooveel rumoer en onordelijkheid had veroorzaakt, nu weder uit de lieve stad vertrokken was, en alles weder den gewonen gang ging. Aan het Hof was het óók stil en vervelend: zóó stil, dat de geniale hertogin Amalia het niet langer kon uithouden, en zich met hare vrienden Wieland en Herder gereed maakte om te vertrekken, en zich in Italië door het leven der kunst, den helderen hemel en de zorgelooze verkeering met men-schen, schadeloos te stellen voor de verveling der laatste jaren.

En in dit vervelende en verveelde Weirnar keerde Goethe terug. Geen wonder dat dit bericht de stad in alarm bracht, en een weinig levendigheid en beweging in de slapende maatschappij verwekte. —

Zeer vroeg in den morgen was de bediende van Goethe in het hertogelijke Slot verschenen, en had met een van

ocr page 448

172

vreugde stralend gelaat den kamerdienaar van hertog Ka-rel August de blijde boodschap gebracht, en in naam zijns meesters gevraagd, wanneer de heer geheimraad zijn opwachting mocht maken. De hertog had hierop slechts zeer kort geantwoord: dat hij den heer geheimraad bescheid zou laten zeggen; anders niet! Maar reeds een half uur later verliet de hertog, in plaats van bescheid te zenden, in eigen persoon geheel alleen zijn residentieslot, en liep met ongewonen spoed over het marktplein, door de straten en de belommerde alléén van het park, naar Goethe's tuinhuisje. De brug was wel opgehaald, maar de llm was door de zonnehitte zóódanig uitgedroogd, dat weinig meer dan een breede goot tusschen de steenen en 't zand was overgebleven; en wat gaf de geniale heer er om, of zijn laarzen bij het doorwaden dezer goot een weinig nat en de broek zijner Pruisische uniform een weinig vuil werden. Hij kwam immers niet om een staatsievisite te maken, maar om een dierbaren vriend, geheel sans gêne na een lange scheiding weder te omhelzen. Dus voorwaarts door zand en slijk en water! Daarover ligt het klein, bescheiden huis van den geliefden, verlangden vriend. Voorwaarts dus! —

Goethe's bediende was nog niet teruggekeerd van zijn boodschappen; niemand was er, om den hertog aante dienen, en zoo er al iemand ware geweest. Karei August zou hem tóch afgewezen hebben, want hij wilde immers zijn vriend verrassen. Zeer zacht sloop hij de smalle kleine trap op, en nu met een ruk de deur opengetrokken!

„Welkom, mijn Wolf! Duizendmaal welkom! Komaan mijn hart, geliefdste broeder!quot;

„Zijne Hoogheid de hertog! Mijn God, welk een groote, onverwachte eer!quot;

En Goethe richtte zich haastig op van de kleine canapé, en boog diep en eerbiedig voor den hertog, die nog altoos met open armen bij de deur stond.

„Wolf, zóó ontvangt ge uw vriend^? Ik zweer u, ik ben tot u geijld gelijk een verliefde knaap naar het eerste rendez-vous met zijn meisje. Mijn hart klopte zóó luid, toen ik de trap naar u opklom, dat ik 't op mijn lippen kon voelen. En nu ontvangt ge mij met zulk een koelen groet?quot;

ocr page 449

173

„Ik bid Uwe Hoogheid, overtuigd te zijn, dat ook vol innige vreugde ben over liet geluk, mijn geliefden en go eerden heer weder te zien, en dat dit oogenblik mij met mijne terugkomst verzoent, en —quot;

„Wolf, zeg eens; speelt ge comedie? Wilt ge een grap met mij uitvoeren, of zijt ge werkelijk te Rome zulk een gruwelijk philister, zulk een hoffelijk kameel geworden?quot;

„Ik een gruwelijk philister? Ik een hoffelijk, kameel?quot; vroeg Goethe met schitterende oogen, en het was nu weder Goethe met het Apolio-gelaat, zooals hij te Rome en Gastel Gandolfo was geweest, en het was weder de dichter uit Ralië, en niet de geheimraad uit Weimar. En toon nu de vrienden elkander aanschouwden, — toen de vroolijke, bruine oogen van den hertog Goethe's vurige, hartstochtelijke oogen ontmoetten, — liet de dichter ook het laatste vertoon van den geheimraad varen. Zijn fraai gelaat verhelderde zich, en met een luiden jubelkreet vloog hij vooruit, en wierp zich in de armen van den hertog.

„God moge 't mij vergeven, zoo ik zondig tegen de achting en den eerbied. Ik had mij immers voorgenomen als een respectabel en welgedresseerd geheimraad en hoveling terug te komen. Maar 't is toch mijn schuld niet, dat uw vriendelijk gelaat al mijn philisterwijsheid te schande maakt, — dat de dagen van het verledene als gouden lichtgestalten boven u zweven, en al mijn goede voornemens tot niets maken. Lieve hertog en dierbare vriend, ik moet u nog eens omarmen!quot;

Hij deed het met hartstochtelijke drift, en de hertog lachte slechts zoo luid, om zijn aandoening te verbergen, en den vriend te doen gelooven, dat de tranen, die in zijn oogen stonden, niet uit de diepte zijns harten kwamen, maar slechts de gevolgen van zijn lachen waren.

„Ge zijt dus nog altoos de wilde, ontoerekenbare genius, die ge vóór de reis waart. Wolf! Ge zijt grillig als een schoone vrouw, en meesterachtig als een tiran? Ge zijt nog altoos Goethe?quot;

„Niet altoos mijn waarde heer! Ik heb mij ook voorgenomen hier te Weimar voor de geheele deftige wereld den deftigen geheimraad uit te hangen, en aan mevrouw de hertogin Louise en alle overige vrome zielen geen ergernis te geven door mijn geniaal gedrag. Maar voor een

ocr page 450

474

klein kwartieruurs en tegenover mijn heer en vriend laat ik het masker vallen, en ben weder de oude of de' jonge Goethe, Ulv Goethe, mijn hertog en mijn vriend!quot;

„Goddank, Wolf', Goddank! Ik wist niet wat van u te denken en werd heel korzelig, toen ik u met zulke stijve manieren en uw hovelingsgelaat tegenover mij zag. Ik dacht dit is niet de Goethe, dien ik verwachtte; 'tis slechts zijn uitwendig omkleedsel, — zijn inwendig mensch is in Italië achtergebleven-quot;

„Ach, 'lis ook zoo, hertog,quot; klaagde Goethe: „mijn inwendige mensch is nog niet geheel teruggekeerd, en kan zich slechts met moeite losscheuren van het schoone land der kunst en poëzie. Maar sedert ik u zie, sedert ik in uw fraai, moedig gelaat zie, gevoel ik reeds dat ik tehuis kom, dat ik genees van mijne smarten! Uw blik legt zich als balsem op mijn hart, en het houdt op te bloeden, begint zich over de terugkomst te verblijden, en als een geluk te erkennen, wat ik slechts gedaan heb uit rede en plichtsgevoel.quot;

„Go zijt dus ongaarne teruggekomen, Wolf? 't Was slechts het verstand en niet het hart, dat u hierheen beeft gedreven?quot; .

„'t Was slechts het verstand, heer, en de bewustheid, dat het voor mijn inwendigen mensch noodzakelijk was. O, wees niet verstoord dat ik dit zeg; maar in dit uur moet ik mijn geheele hart nog eens open en blootleggen voor mijn vriend, en hij moet iedere zenuw er van kennen en aanschouwen. Ja, mijn hertog; ik ben niet teruggekeerd door den drang mijns harten, maar slechts door de noodzakelijkheid van het bewustzijn, dat: zoo nog iets goeds en schoons van mij worden zou, ik moest terug-keeren naar de stilte en vrede der kleine slad. Ik moest deze sirene Italië ontvlieden, die mij met alle toover-kunsten tot zich trok, en op 't punt was mij geheel te verwinnen, om van dichter, — die ik werkelijk ben, of althans nog worden kan, — een mislukt talent te maken, dat in vele zaken zekere kunstmatige vaardigheid erlangt, maar het toch in geene tot waarachtige kunst brengt. Zoo ik in Italië ware gebleven, zou ik ten laatste misschien een zeer aardige aquarelschilderij, of een tamelijk goed standbeeld naar de regelen der antieken saam-

ocr page 451

175

geknutseld, — en nog drama's en gedichten bovendien gefabriceerd hebben; maar ik had toch tevergeefs aan de tempeldeuren van een enkele kunst geklopt; geen enkele tempel zou zich voor mij geopend hebben, om mij binnen te laten als de begunstigde, de uitverkorene! Aan elke tempeldeur zou ik afgewezen en weggezonden zijn naar den tempel eener andere kunst, om daar mijn loon te ontvangen, en nergens als waardig erkend te worden! Wie iets grootsch en volkomens wil voortbrengen, moet met al de kracht zijner ziel slechts in één richting werkzaam zijn. Hij mag slechts naar één doel streven, niet in de breedte zijn talenten uitwerken, maar al zijn talenten tot één enkel samenvatten, Hij moet naar de hoogte streven, in zijn geest een top voor zich zien dien hij wil beklimmen, en alle hindernissen die hem mochten tegenhouden, uit den weg willen ruimen. Dit heb ik erkend. Doorluchtigheid, en óók erkend, dat ik in het geheel toch slechts één talent, een werkelijk groot talent bezit, dat mij ten toppunt kan voeren, en dit is mijn talent voor poëzie. Al het andere is slechts bijzaak, en als ik mij zóó beschouw, moet ik aan de heerlijke marmergroep te Rome denken, aan den Nijl met zijne bijrivieren. Daar ligt de prachtige godengestalte geheel in zich besloten, verheven en schoon, mannelijk en krachtig. Op de forsche armen, de machtige schouders, de gespierde beenen dansen en zweven allerliefste knaapjes, met liefelijke bevalligheid tegen hem leunende, hem omklemmende, en met zijn leden dartelend. Dat zijn de bijrivieren van den god-Nijl, die daar zoo majestueus nederligt. Hij zou altoos een god blijven, zoo hij ook geheel alleen en eenzaam lag; men zou hem steeds bewonderend aanschouwen en zich in zijn schoonheid verheugen, schoon ook deze liefdegodjes en knaapjes niet om hem dartelden. Maar deze zouden zonder hém niets zijn; zij zouden niet alleen kunnen staan op hun verbogen beentjes, zouden als kleine onbeduidende voorwerpen onopgemerkt blijven, zoo zij niet tegen hèm leun-nen en op hèm steunden! Zoo zijn ook bij m?)'alle andere talenten en bekwaamheden slechts als het bijwerk van het standbeeld, en de hoofdgestalte is bij mij de dichter, de poëet. Ja, — Hoogheid, zóó is het waar en waarachtig, de poëet in mij is mijn Nijl, en de andere talentjes zijn mijne

ocr page 452

176

bijriviertjes, die mij toevloeien, — zich in mij verliezen, om mij kracht en sterkte te geven, opdat mijne golven machtiger zouden ruischen, met heur gezang de lucht vervullen, de wereld doorgalmen en een echo vinden in den hemel en in de hel!quot;

,,0, Wolf,quot; riep de hertog, nu Goethe diep ademend een oogenblik zweeg: „o Wolf, hoe gelukkig ben ik, dat ge er weder zijt! Het is alsof de zon terugkeerde, en ik plotseling uit een dompigen stal weder in Gods frissche lucht trad, en aan de hand des vriends den weg ging naar een schitterenden tempel, die mij, sinds hij er niet was, gesloten is gebleven. O Wolf, Wolf, ik was reeds op het punt een zeer prozaïsche, vervelende kerel te worden, en den stal voor een aangenaam woonverblijf te houden. Ik dank God, dat gij gekomen zijt, om mij van den vloek van het proza te verlossen. Spreek verder, mijn vriend ; want uwe woorden klinken als muziek, die ik sedert lang niet gehoord heb.quot;

„Ik moet ook nog verder spreken, hertog. Alles moet nu eens van het hart; want wie weet of het zich nog dikwijls zoo zal kunnen openen en zich van het foedraal ontdoen, waarin ik het arme ding gepakt heb, toen ik van het zonnige, gelukzalige Italië afscheid nam. Ach, Doorluchtigheid, ik moet het u echter zeggen en bekennen: ik ben, sedert ik weder de grenzen van Duitschland overschreden heb, reeds twintigmaal op 't punt geweest, trots mijn verstand en mijn overtuiging, weder om te keeren, alles achter mij te laten, en liever te Rome als een gelukkige, nietsdoende dilettant, — dan in Duitschland als een hooggeplaatst beambte en beroemd dichter te leven. Ik erger mij over mij zeiven, maar moet het tóch zeggen en bekennen: ik gevoel mij onttooverd, sedert ik weder in Duitschland ben, en vele dingen die mij in 't geheugen schitterend voorkwamen, zie ik plotseling met nuchtere oogen, en zij behagen mij niet! Ik verlang naar Italië terug, en gevoel toch in het diepste mijner ziel, dat ik hier blijven moet, om datgeen te worden waartoe het lot mij bestemd heeft. Ik zou willen schreien als een stoute knaap om zijn gebroken speelgoed, en er mij zeiven oorvegen voor geven, dat ik dit wil. En dus bezweer ik u nu, hertog, heer en vriend, sta mij bij, opdat ik [geneze,

ocr page 453

177

opdat deze storm en drang in mijn binnenste tot rust komen. Zie slechts wat een schandelijke, onnutte ironie mijns wezens dit is. Ik heb den storm- en drangperiode van mijn dichterlijken arbeid gelukkig overwonnen, — mij vrijgemaakt van den bombast der sentimentaliteit en den geweldigen aandrift tot het schrijven van verheven onzin. Ik veracht dit alles uit den grond mijns harten, en ben om den sentimenteelen kerel Werther vaak zóó woedend op mij zeiven, dat ik hem zou willen verloochenen, gelijk een vader den onechten zoon, die hem en de geheele wereld zoo veel tranen gekost, — en zoo veel smart bereid heeft. En nu is er een nieuw ontstuimig dringen en woelen in mij, en mijn hart schreit naar Italië, als naar een verloren paradijs. Dus help mij nu, hertog, help mij weder een verstandig mensch te worden!quot;

En dit zeggende stampte Goethe wild met den voet, en zijn aangezicht straalde van vlammenden toorn.

„Ge ziet er uit als de donderende Zeus,quot; zei de hertog; „ge zijt nóg verhevener teruggekomen, dan ge vertrokken zijt, en ik begrijp zeer goed, dat alle godinnen en nimfen van Italië getracht hebben den hemeling vast te houden, die tegelijk de verhevenheid van Zeus en de schoonheid van Apollo in zich vereenigt.quot;

„Hertog,quot; riep Goethe heftig; „ik bezweer u, spreek ernstig! Vernietig mij niet met uwen spot!quot;

„Nu ja dan, ernstig,quot; zei Karei August vriendelijk: „Kom hier, Wolf; zet u hier bij mij op de canapé, waarop wij vroeger zoo dikwijls in broederlijk onderhoud gezeten hebben. Zoo moet het ook heden weer zijn ; want ik zie het tot mijn vreugde, Wolf, ge zijt geheel dezelfde gebleven, en daarom verkwikt mij ook uw krachtig wezen en uw Titantoorn op u zeiven. Wij willen nu raadplegen, maar dit zeg ik u vooraf; Het heimwee naar Italië moet ge verwinnen; gij moet hier blijven; want slechts hier in de stilte en den vrede der beperktheid, kunt ge het hoogste doel uws wezens bereiken, en het toppunt beklimmen waarvan ge zooeven spraakt. Dit hebt ge ook zelf erkend, en zijt immers daarom uit Italië teruggekomen. Blijf dus nu ook u zeiven trouw, en ga met onafgewenden blik en moedigen geest op uw verheven doel toe. Vervul uw grootsche roeping als dichter, en ik wil trachten u hier-

Mühlbaoh, Buitschland in woeling en strijd. IV. 12

ocr page 454

178

toe den tijd en eervolle afzondering te verschaffen!''

„O hertog en heer, ge zijt in waarheid mijn redder en verlosser,quot; riep Goethe: „wat stil in mij trilt en smeekt, brengt gij aan 't licht, en raakt terstond met den vinger de piek, waar de ziekte zit. Ja, dit is het: tijd en afzondering moet ik hebben. Mijn betrekking tot zaken is uit mijn persoonlijke betrekking tot u ontsproten. Laat nu na zooveel jaren een nieuwe betrekking tot u, uit de tegenwoordige ontstaan. Laat mij aan uwe zijde de geheele maat mijns bestaans vervullen, dan zal mijn kracht, als een nieuw geopende, gezuiverde bron, naar uwen wil te leiden zijn! Zorg ook verder voor mij; ge doet mij meer goed, dan ik zelf kan, — dan ik wenschen en verlangen mag. Ja, ik hoop voor u nog meer te worden, dan ik tot hiertoe was, zoo ge mij slechts laat doen, wat niemand dan ik kan, en het overige aan anderen opdraagt. Ik kan slechts zeggen: Heer, hier ben ik; maak van uw knecht, wat qij denkt dat goed is.quot; 1)

„Ik wil u vooreerst zeggen, quot;Wolf, wat niemand dan gij doen kunt: Mijn hart verheugen, mijn geest verheffen, en weder zonneglans en geesteslicht in dit verweerde oude nest brengen. Ik heb tijdens ge van hier waart een afschuwelijke ontdekking aan mij gedaan, welke ik u nu als een diep geheim wil mededeelen : Er zit een ontzaglijke hoeveelheid philisterdom in mij, en zoo mij niet een krachtige stoot en opwekking van buiten gewordt, en zoo de geest niet op de wateren rust, word ik tot slijk, en heb een groote gelijkenis met het staande water van een vijver. Op den bodem van het water zwemt wel menig vet vischje en groeit menig bloempje, maar het kroos drijft er boven en bedekt alles. Gij alleen kunt, wat geen ander kan: gij kunt mijn geest van het kroos bevrijden, en hem weder helder maken. En zoo ge u straks op uw poëtische manier mijn knecht noemdet, kan ik deze zinsnede slechts omkoeren en tot u zeggen: „Knecht, hier ben ik, doe met uw heer wat gij denkt dat goed is!quot;

„O, mijn hertog, zie toch, ge jaagt mij den blos der schaamte op de wangen. Gij alleen zijt de heer, en gij hebt slechts te doen wat ge wilt.quot;

1

Goethe's eigen woerden. Zie: Briefweclisel des Herzogs Carl August mit Goethe, II

ocr page 455

179

„Ik zal u dus zeggen wat ik wil, mijn Wolf, en wil liet kort maken; want ik zie wel, het kwartieruurs van hartontboezeming en ongedwongenheid is bijna verloopen, en achter het godengelaat des dichters, komt reeds weder het achtbare gelaat van mijnheer den kamerpresident en geheimraad te voorschijn. Ik wil, dat ge in uw rang en waardigheden blijven zult, die ge vervuldettoenge naar Italië vertrok. Maar ik onthef u van uwe betrekking als kamerpresident en van de leiding der oorlogs-comtnissie. Daarentegen laat ik u het recht, de vergaderingen bij te wonen als uw zaken het veroorloven, en ik zal uitdrukkelijk bevelen, dat, zoo dikwerf ge dit doet, ge uw plaats op den voor mij bestemden stoel moet innemen. 1) Daarentegen moet ge het opperbestuur over de bergbouw-commissie en alle op kunst en wetenschap betrekking hebbende inrichtingen behouden; voornamelijk draag ik u het bestuur van den schouwburg en het opperbestuur der universiteit van Jena op. Overigens echter is 't uw hoofdtaak, mij met raad en waarschuwing als een trouw vriend ter zijde te staan, en mij altijd onbewimpeld en zonder hovelingskunsten de zuivere, onopgesmukte waarheid te zeggen. Weet ge; dit zijn de zaken, welke gij te verrichten hebt, en ge ziet wel, ik heb het tóch nog verstaan in uw ziel te lezen, schoon wij ver gescheiden waren, en ik heb getracht u de toekomst eervol en niet al te moeilijk te maken. En opdat ge niet zoudt denken. Wolf, dat dit slechts frazen zijn, en ik eerst door uwe tegenwoordigheid op deze gedachten gekomen was, heb ik hier het schriftelijke bevel voor het bureau mijner kamer en den brief medegebracht, waarin ik u al deze dingen bekend maak, en welken ik juist wilde verzenden, toen uw laatste brief mij uw aankomst meldde.quot;

„Alsof mijn waarde, edele hertog ooit getuigenis behoefde voor hetgeen hij zegt,quot; riep Goethe, terwijl hij zacht de hertogelijke hand afweerde, die hem de papieren wilde toereiken: „Uwe gezegende oogen hebben al de woorden, welke gij tot mij gesproken hebt, in mijn hart geschreven, en daar staan zij, en schijnen mij toe als altaarkaarsen uwer edele gezindheid en uwer genadige vriendschap.quot;

„Ha, ik zie het, daar is weder geheel en al de kamer-

1

Juist in deze woorden was het bevel des liertogs bij bet bureau zijner kamer vervat.

ocr page 456

180

president.quot; riep de hertog lachend, terwijl hij opstond: „en nu is het voor mij ook tijd, mij naar mijn hertogelijk Slot terug te begeven; voornamelijk daar ik mij verbeelden kan, dat ik anderen als een barbaar en tiran zou schijnen, wijl ik hun door mijne aanwezigheid den tijd ontsteel, waarop zij zulk een beter recht meenen te hebben.quot;

„Hertog, ik weet niemand die een hooger en meer gegrond recht op mijn tijd en mijn persoon zou hebben, dan gij, mijn dierbare beschermer en vriend.quot;

„Nu, Wolf, 'tis goed, dat alleen ifc deze woorden hoor,quot; riep Karei August vroolijk: „er zijn, geloof ik, een paar vrouwenooren, aan wie zij een onaangename wanklank zouden schijnen. En ik wil niet de schuld hebben, dat het wederzien terstond door een twist gestoord wordt. Ik ga dus, Wolf, en hoe nieuwsgierig ik ook ben, om van uw beloofde land, uwe ontdekkingen en aankoopen te hooren, bespaar ik mij dit alles voor heden middag, want ge moet heden bij mij eten. Wolf; gij moet mijne huisgoden begroeten, en hun voor uw terugkomst een weinig wierook uwer welsprekendheid wijden. Adio dus, mijn terugge-komene, en tot wederziens. Maar ik bid u, waarde Wolf, kom niet bij mij als geheimraad, maar kom als de dichter Goethe. Het officieele masker en de ster op de borst moogt ge aan het hofgepeupel en de lieve groote wereld vertoo-nen, maar vertoon mij uw Apollogelaat en de sterren uwer oogen.

„Mijn waarde, goede hertog,quot; zei Goethe innig: „ikgevoel mij zóó welgemoed en gesterkt, sedert ik u gezien en gehoord heb, dat het mij is alsof ik mij in nectar gebaad had, en met ambrozijn gelaafd was geworden. Als ik met u ben, zal ik altoos vroolijk en gelukkig zijn, en niets ontberen en niets missen. Maar, nietwaar, mijn waarde hertog zal niet verstoord op mij zijn, als ik voor anderen somwijlen ernstiger en stiller quot;schijn dan vroeger, en ge zult dan weten, dat het slechts het verlangen is naar het verre goddelijke land, waarnaar mijn hart verlangt?quot;

„Ik zal het weten, Wolf, en ik zal uw verlangen eeren; maar ik twijfel, of dit ook door alle anderen geschiedt, en of de eene, welke ik meen, wel bijzonder tevreden zal zijn. Hebt ge haar reeds gezien, WollVquot;

ocr page 457

181

„Wie bedoelt Uwe Doorluchtigheid?quot; vroeg Goelhe met volkomen onnoozel gelaat.

De hertog lachte. — „O Wolf, Wolf, ik hoop niet dat ge, zooals Hector en Patrocles de wapens, uwe namen hebt verruild, en gii thans von Stein zijt geworden. Ik hoop dat ge trouw en feeder tot uw oude geliefde terugkeert. O, daar heb ik een woordspeling gemaakt zonder het te willen. Pardon, ik had niets kwaads in den zin, maar daar 't eens gezegd is, herhaal ik: dat ge trouw en feeder tot uw oude geliefde terugkeert. En nu, blijf hier. Wolf, begeleid mij niet, ik ben zonder ceremonie gekomen, en wil ook zoo weder heengaan! Tot wederziens dus, heden aan den maaltijd.''

Hij knikte een vriendelijken groet, en verliet haastig de kamer. Goethe oogde hem na en zijn voorhoofd werd bewolkt. — „Mijn oude geliefde!quot; zeide hij zacht voor zich: „Bij God, ik wenschte dat hij dit woord — niet gezegd had. Het klinkt zoo vreemd!''

V.

WEDERZIEN, NIET WEDER VINDEN.-

Charlotte von Stein zat voor haar spiegel en beschouwde met angstige oplettendheid haar gelaat, en onderzocht eiken trek, elk licht plooitje, dat zich op de heldere huid van haar voorhoofd en wangen vertoonde.

,.Neen,quot; zeide zij toen met een zeker blijmoedig vertrouwen: „neen, men ziet het mij niet aan, — niemand zal het op mijn aangezicht lezen ! Het is een geheim tus-schen mij en mijn doopacte!quot;

Hoe verstandig sterk van geest zij ook was, was Charlotte von Stein 'toch ook onderworpen aan den lallen angst barer sekse, om haar doopacte op haar aangezicht te lezen ; zoo ontbrak ook haar den moed, die zich tevreden stelt met de eeuwige jeugd van den geest, en van diens hulsel niet verlangt,'dat het geen spoor moet behouden van den harden strijd des levens en van de ruwe vingers, waarmede het lot iedereen aangrijpt die leeft.

ocr page 458

482

Een vrouw die bemint, heeft altoos de zwakheid, dat zij niet oud wil worden, ten minste niet voor het oog van hèm, wien zij haar hart en ziel gewijd heeft, — voor't oog van hem, dien zij bemint. En zij bedenkt niet, dat zij hiermede den geest des geliefden van armoede beschuldigt, door te meenen, dat de geliefde om den vorm het wezen veronachtzaamt, en slechts met de oogen, niet met den geest bemint —

In de eerste jaren barer kennis makingen ontkiemende neiging; had Charlotte von Stein op Goethe's teedere liefdesbetuigingen steeds met een liefelijken glimlach geantwoord: „Ik ben te oud voor u! Bedenk, dat ik vijf jaar ouder ben dan gij, dat heet, dat men mij voor uw moeder zou kunnen aanzien.quot; En Goethe had dan gelachen, en met hartstochtelijke teederheid de fraaie hand dezer vrouw gekust, die hem de kalme vriendschap eener moeder aanbood, welke hij aanbad met de hartstochtelijke teederheid van een minnaar!

Maar sedert waren tien jaren verloopen ! Charlotte dacht daar thans aan terwijl zij zich in dein spiegel beschouwde, en zij zuchtte, wijl zij zich zelve bekende, dat zij een misslag begaan had. Een grooten misslag; want zij was uit de koele sfeer der moedei lijke, of veeleer der vriendschappelijke teederheid getreden; zij had zich laten vervoeren door Goethe's liefde, en de twee vlammen hunner harten hadden zich vereenigd l tot een éénige goddelijke liefdevlam. Het was zoo zoet geweest, door den schoonsten man te worden aangebeden, naar zijn betuigingen te hoo-ren, en aan zijn smeeken om een teedere beantwoording zijns gevoels te gelooven; zoo betooverend, iederen dag reeds des morgens vroeg een brief te ontvangen, met hartstochtelijke verzekeringen zijner liefde, met heilige eeden van hare eeuwigheid. Zij had deze van liefde en hartstocht gloeiende brieven zóólang gelezen, tot de woorden in haar eigen hart gloeiden, tot—die dag kwam voor de gelieven, van welken Dante zegt: „Op dezen dag lazen zij niet meer,quot; de dag, op welken Charlotte haren verrukten minnaar bekende, dat zij zijn liefde beantwoordde ! Den volgenden dag had zij weder een zijner teedere brieven ontvangen, den volgenden dag had Goethe haar geschreven:

ocr page 459

183

„Den eenigen, Lotje, welken gij beminnen kunt,

Eischt ge geheel voor u, en met recht.

Ook is hij alleen de uwe. quot;Want sinds ik bij u ben,

Schijnt mij de heftigste woeling van het snelste leven

Slechts een licht floers, door 't welk ik uwe gestalte

Bestendig als in wolken aanschouw.

Zij beschijnt mij vriendelijk en trouw.

Zooals door de beweeglijke stralen van 't noorderlicht

Eeuwige sterren flikkeren.quot;!)

Nog eenige dagen later had Goethe haar geschreven; „O gij beste! Ik heb mijn geheel leven lang een idealen wensch gehad, hoedanig ik bemind wilde zijn, en heb de vervulling steeds in den droorn van den waan vruchteloos gezocht. Nu, daar de wereld mij dagelijks helderder vvordt, vind ik dien eindelijk in u op eene wijze, dat ik hem nooit verliezen kan. Vaarwel, liefste uitzicht mijns geheelen levens; vaarwel, eenige, in wie ik niets behoef te leggen, om alles in u te vinden.quot;1)

Dit kleine gedicht en dit briefje bad Charlotte steeds in een sierlijk gouden medaillon bij zich gedragen; zij waren voor baai een talisman van eeuwige jeugd, eeuwig geluk en zalige zekerheid geweest.

Zij greep ook nu naar dezen talisman: wendde zich van den spiegel af, die haar volstrekt niets verblijdends zeggen wilde, en tot de beide reliquiën die haar zooveel vreugde quot;en geluk, zooveel liefde en verrukking verkondigden. — De reliquiën! Ach, hoeveel, waarop wij als op iets tegenwoordigs, iets vol levens zien, is slechts de reliquie van het verleden, en hoe weinige mannen zijn er bij wie van de liefde, wier eeuwigheid zij vroeger met duizende eeden bezwoeren, nog iets anders in het hart is overgebleven, dan een reliquie! Een dor stukje been van een heilige, voor wien men eens altaren oprichtte, en dien men aanbad als een onsterfelijke, een onveranderlijke. Ach. liefde, arme heilige, — hoe dikwerf worden uw altaren omver geworpen, en hoe schielijk verwelkt uw schoonheid en jeugd, zoodat niets van u overblijft, dan een weinig stof en asch — een reliquie! — i

Charlotte von Stein hield de beide brieven in hare han-

1

Idem. 170—171.

ocr page 460

184

den, en 't kwam haar niet in do gedachte, dal ook zij slechts reliquiën waren; zij hield ze nog altoos voor de welsprekende getuigen eener warme, levensfrissche liefde. Een glimlach verfraaide en verjongde haar gelaat, terwijl zij las; vervolgens kuste zij de beide binden en borg ze weder in het gouden medaillon, dat zij aan een fijnen gouden ketting om den hals droeg.

Waartoe behoefde zij zulke geschreven bewijzen, nu hij zelf er weder was; nu zijne lippen haar spoedig weder met een enkelen kus, beter dan duizend geschreven woorden zeggen konden, dat hij haar nog altoos beminde.

„Hij blijft echter lang uit,quot; fluisterde Charlotte's kloppend hart: „hij kon reeds hier zijn, het is reeds zoo laat!quot;

Haar schoone, bruine oogen wendden zich met een onge-rusten blik naar de klok; vervolgens glimlachte zij. Haar hart liep den tijd vooruit, het was nog vroeg in den morgen, en het zou nauwelijks geoorloofd zijn, dat hij op zulk een vroeg uur reeds bij haar kwam.

Maar nu klopte haar hart sterker, want het was haar als hoorde zij voetstappen in de kleine voorkamer, als naderde iemand de deur.

„O God, hij is 't! Nu houd u goed, mijn hart, en barst niet van vreugde, want — Ja, hij is 't! Hij is 't!quot;—

Zij vloog hem tegemoet, reikte hem haar beide handen, en haar aangezicht straalde van blijdschap. — „O Goethe, welkom, duizendmaal welkom!quot;

„Duizendmaal dank, Charlotte, dat uw lief, trouw hart mij zóó welkom heet!''

Hij zag haar met zijn groote, zwarte oogen even teeder aan als vroeger, en vervolgens, — vervolgens kuste hij haar .... de hand.

Charlotte onderdrukte slechts met moeite een zucht, maar zij kon den schrik niet onderdruk Ken, die haar ge-heele gestalte doorliep. Hij voelde dien trekken in hare handen, welke hij nog omvat hield, en het verkondigde hem misschien, wat Charlotte's hart oTitroerde, Hij liet hare handen los, sloeg zijn arm om haar gestalte, en drukte haar vast aan zijn hart.

„Hier ben ik; nu hebt ge mij weder, dierbaarste. God weet het, ik kom tot u terug metdezelidelielde en trouw,

ocr page 461

185

waarmede ik u verliet. Gij kunt mij gelooven, hartelijk geliefde; want waarlijk, gij voornamelijk, of gij alléén, hebt mij teruggevoerd. .Bemin mij daarom ook recht hartelijk, Charlotte; beloon mij door trouwe liefde en hartelijke vriendschap voor het offer, dat ik u gebracht heb.quot;

„Met was dus een offerV vroeg zij met een zweem van scherpte in haar toon, dien zijn oor goed hooide.

„Ja, mijn dierbare, het, was een offer; want het is een onbehagelijk, koud, prozaïsch leven, dat iemand in Duitsch-land de ziel doet huiveren, als men uit hel warme, zonnige, gelukkige Italië komt.quot;

.,üan doet het mij werkelijk leed, dat ge er niet gebleven zijt,quot; zeide zij met meer gevoel dan schranderheid.

Hij blikte haar verbaasd aan. — „Het doet u leed dal ik teruggekomen ben? Ik dacht, dat ge u zoudt verheugen.quot;

„Ik kan mij over niets verheugen, wat ik slechts door een offer uwerzijds verkregen heb.quot;

„O lieve, laat ons niet over woorden twisten,quot; zeide hij schier treurig; „laat ons niet nutteloos alsem in den vreugdebeker des wederziens mengen. Wij hebben elkander, behouden elkander, en willen ei'naar trachten, elkander nooit te verliezen.quot;

„Zoo wij er eerst naar trachten moeten, dan hebben wij elkander reeds verloren.quot;

„Maar ik ben teruggekomen om elkander geheel en vroo-lijk weder te vinden,quot; zeide hij edelmoedig en vriendelijk, wijl hij tranen in hare oogen zag en een ontstemming en treurigheid haar gelaat verduisterden, die het — noch traaier, noch jonger maakten.

Maar de herinneringen met hare schitterende oogen lachten hem toch toe uit het gelaat der vrouw, welke hij tien jaren lang zoo vurig bemind had, en het was toch een onuitsprekelijk aangenaam, weldadig gevoel, na zoo vele omzwervingen en stormen, weder in de woonplaats des harten; — weder geborgen te zijn in de veilige haven van het geluk en liefde, waar geen stormen en gevaren meer heerschen, maar waar men zich in een verkwikkende stilte verheugen, — en rusten en liefelijk droomen kan.

Hij zette zicli nevens Charlotte op den divan, legde zijn arm om haar hals, zag haar glimlachend aan, en met haar hand in de zijne, begon hij haar nu te vertellen van

ocr page 462

m

zijne reizen, van de kleine bijzonderheden en voorvallen, die zich niet schrijven, maar slechts mondeling vertellen laten.

Zij luisterde met aandacht en genoegen naar zijn vurige welsprekendheid, zijn levendige schilderingen, en tóch, — hoe belangrijk zijne mededeelingen ook waren, tóch was er een thema, dat haar belangrijker zou zijn geweest, welks variaties van zijn dierbare lippen zij nóg liever gehoord zou hebben. Het thema zijner liefde voor haar, van zijn verlangen naar haar, van zijn geluk haar weder te bezitten, haar zoo schoon, zoo onveranderd weder te zien.

Van dit thema sprak Goethe volstrekt niet, en in plaats van zich te laten tevredenstellen met in zijn teedete blikken, in zijn glimlach, in zijn toegewijd en vertrouwelijk wezen zijn liefde te erkennen, smachtte zij er naar de hartstochtelijke verzekering hiervan van zijne lippen te vernemen. Zij luisterde derhalve naar zijn levendige schilderingen slechts met een half oor, slechts met een treuri-gen glimlach, en scheen niet het innig, levendig deel aan zijne woorden te nemen, als zij vroeger gedaan had. Hij merkte dit en brak zijn verhaal af, om haar te zeggen hoe gelukkig hij was, weder bij haar te zijn, en hoe zij nog altoos het schoone, bekoorlijke wezen was, als toen hij haar verlaten had.

Nu barstte Charlotte in tranen uit, en vervolgens omhelsde zij hem plotseling met vurige drift, en leunde haar hoofd tegen zijn borst.

„O lieve, dierbare, laat geen vervreemding fusschen ons komen; wordt ook niet koel en terughoudend jegens mij, zooals ge jegens andere menschen zijt.quot;

„Ben ik dat?quot; vroeg hij geraakt, en het verwijt, hetwelk hij ten minste niet van haar verdiende, trof hem onaangenaam en ontslemde de vroolijke bespraaktheid, waarmede hij haar verhaald had; „Ben ik waarlijk koel en terughoudend?'' vroeg hij, daar zij niet terstond antwoordde, ten tweedemaal.

„Ja, Wolf,quot; zeide zij levendig; „ge weet het zelf, de wereld beschuldigt u hiervan.quot;

„Wijl ik voor haar niets dan een open kermiskraam ben waarin ieder nar kan kijken, en het nieuwsgierige volk alles betasten, beschouwen en bedillen kan, als warende

ocr page 463

187

heilige gewaarwordingen der ziel slechts goederen, welke men heeft uitgestald. Wijl ik veeleer ben, als een door hooge muren omgeven vesting, die hare wel verdedigde poorten slechts voor de ingewijden en uitverkorenen opent, en alleen dezen zijn innigste wezen ontsluit. In dien zin geef ik het toe, dat, 'tgeen men „de wereldquot; noemt, —-en dat toch slechts het kletsende, nieuwsgierige, bluffende, maar geestelooze gepeupel is, — dat deze wereld mij koel en terughoudend noemt. Maar heb ik mij ooit zoo tegen mijne vrienden, en vóór alles: heb ik mij ooit zoo tegen u beloond ?quot;

„Neen, God zij gelootd, neen, geliefde Wolf,quot; riep zij levendig en innig, wèl bewust dat zij een misslag had begaan,0 dien zij wenschte weer goed te maken ; „neen tegen mij zijt ge altoos vriendelijk, mededeelzaam en openhartig geweest, en daarom — quot;

„En daarom,quot; viel hij haar in de rede: „daarom nadt ge mij in 't uur van ons wederzien geen verwijt moeten doen, dat ik niet verdien, mijn lieve.quot;

Hij stond op en nam zijn hoed.

„Och, Wolf,quot; zeide zij met smartelijke stem : „wilt ge reeds weder heengaan?quot;

„Ik moet wel, mijn waarde. Ik moet nog een olïiciëele visite maken, om geen aansloot te geven ; want ik zou degenen, die ik bezoeken wil, heden aan de hertogelijke tafel 'kunnen ontmoeten ; en dus betaamt het wel, dat ik hen vooraf mijn opwachting maak.quot;

„Is het misschien ook slechts daarom, dat ge mij hebt bezochtquot; vroeg zij, en de tranen, welke zij niet langer kon bedwingen, stroomden nu over hare wangen : „Ach. Wolf, zeg het mij : hebt ge mij slechts een bezoek gebracht, wijl ge wist dat ge ook mij aan de hertogelijke tafel zoudt ontmoeten lt;?

Hij zag haar met een blik van smartelijke verbazing aan. „O, Charlotte, dierbare Charlotte, is het mogelijk dat twee jaren van afwezigheid u zóó veranderd hebben ? '

Zij ontroerde, en een gloeiende blos vloog over haar aangezicht; want zij, de arme, dacht aan 'tgeen straks haar spiegel had gezegd, en Goethe's vraag klonk haar als de treurige echo van haar spiegel.

„Ben ik waarlijk zoo veranderd?quot; zuclitle zij, en haar hoofd zonk mat op haar borst neder.

ocr page 464

188

„Neen,quot; riep hij, en de oude liefde, de oude innigheid greep zijn hart zóó geweldig aan, dat hij 't als een diepe smart gevoelde: „neen, Charlotte, ge kunt niet veranderd zijn ; het is slechts het moment der eerste ontmoeting, dat ons heiden beheerscht. Wij zullen elkander weder vinden met alle vertrouwelijkheid en hartelijkheid; wij zullen ons leven weder zoo voortzetten, gelijk wij het vroeger hebben gedaan ; wij zullen weder één zijn in liefde, vriendschap en geestesverkeer. O Charlotte, het is onmogelijk dat twee jaren van afwezigheid de heilige banden zouden kunnen verscheuren, die onze zielen vereenigen ! Laat ons beiden trachten dat dit niel zal gebeuren, want het zou een ongeluk voor mij zijn, ja, ik mag zeggen ook een ongeluk voor w / En, denk ik, wij beminnen elkander zóó innig en trouw, dat wij met al de kracht van onzen geest er naar streven zullen, ieder van het dierbare hoofd des an-anderen het ongeluk verwijderd te houden! Dit zij voor heden mijn vaarwel, dierbaarste, en daar ik juist van u verneem, dat ge óók aan het Hof dineert kan ik met vreugde zeggen : Tot wederzien? !quot;

Hij omhelsde haar en drukte een kus op hare lippen, — een kus, die meer wee deed en beur hart meer kwetste dan een koel afscheid gedaan zou hebben; want deze zoo zachte, vriendschappelijke kus was voor haar een tweede echo, van hetgeen haar spiegel gezegd had.

Toen de deur zich weder achter zijne geliefde, zoolang verbeide gestalte gesloten had, zonk Charlotte op hare knieën neder, verborg het hoofd in de kussens van den divan, en weende luid.

Goethe ging met borg opgeheven hoofd, met ernstig gelaat om zijne bezoeken af te leggen, en zij wien hij deze gunst bewees, vonden dat hij koeler en terughoudender was wedergekomen, dan hij was heengegaan.

Maar des middags aan de hertogelijke tafel was hij niet koel, niet terughoudend; daar was hij spraakzaam, vlammenschietend ; daar vloeiden hem de bezielde woorden van dichterlijke schildering, als gouden nectar van de lachende lippen ; daar glinsterde zijn blik en gloeiden zijne wangen en zijne schilderingen van Italië brachten al zijne toehoorders in verrukking en bewondering! Alle— slechts Charlotte von Stein niet! Zij zat naast Goethe, en vaak

ocr page 465

489

wendde hij, terwijl hij sprak, zijn flikkerende oogen tot haar, als sprak hij tol haar alleen; maar Charlotte gevoelde, dat hetgeen hij zeide toch voor allen bestemd was. Had hij slechts eens, — slechts een enkelen keer voor haar een heimelijk woord, een vluchtigen handdruk, een aanstooten der schouders, — die zoo dicht bijeen waren, — beproefd; slechts eens door een zacht, voor haar alleen verstaanbaar teeken laten gevoelen, dat tusschen hen beiden nog iets geheel bijzonders, verborgens bestond,'twelk zij beiden slechts kenden! — Vroeger, vóór zijnreis, had Goethe steeds naar zulke gelukkige oogenblikken van alleenzijn in gezelschap gezocht; het had hem verrukt met een gefluisterd woord, een heimelijken handdruk te zeggen, dat hij haar beminde. Heden miste zij met smart deze liefdeblijken, om wier wille zij hem vroeger dikwerf berispt had! Zij was dus stil; zij luisterde schijnbaar met minder deelneming dan het overige levendige, in loftuitingen onuitputtelijke gezelschap. Maar Goethe luisterde onder al den luiden bijval toch slechts naar het lichte goedkeurende woord der vriendin, en toen hij dit niet vernam, was hij stil en betrok zijn gelaat.

Maar beiden hadden elkander te lang, le teeder bemind, dan dat zij niet teruggedeinsd zouden zijn voor de gedachte, dat zij van elkander zouden kunnen scheiden, en elkander niet langer zouden verstaan. Charlotte weende wel in stilte, en beschuldigde hem van ondankbaarheid; Goethe snikte wel in stilte, en beklaagde zich over Charlotte's lichtgeraaktheid en gevoeligheid; maar het was hem tóch heilige diepe ernst, alle ontstemming te vermijden, en de schoone harmonie hunner harten weder te herstellen.

Hij nam de lieve en zalige gewoonten van vroeger weder aan, en schreef Charlotte die kleine brieven, welke vroeger steeds als liefdeboden heen en weder gevlogen waren. Maar Charlotte's fijn vrouwenoor gevoelde, dat de meloiiie ervan toch in een anderen toon, — dat zij van het vroolijke, levensfrissche dur in het ernstige, droefgeestige mol overgegaan was, — en dus liet zij ook hare antwoorden in denzelfden toon klinken, en dat ontstemde Goethe Hij schold op den donkeren grijzen hemel van Duitschland, en klaagde om het verboden paradijs van Italië, terwijl Charlotte het toch zeer goed begrijpen en ge-

ocr page 466

190

voelen moest, dat zijn misnoegdheid en zijn toorn slechts tegen haar gericht waren.

'Maar hij kwam toch nog bijna eiken dag bij haar, was vriendelijk en spraakzaam, las haar voor uit zijn begonnen drama Torquato Tasso, deelde haar zijne plannen voor nieuwe werken mede, en liet haar deel nemen aan zijn geestesleven. Dan vergat ook Charlotte haar kleine smarten en krenkingen, vergat de gevoeligheid van haren gelietde, en werd weder de geestige vriendin met den helderen blik en het vlugge begrip. „

In zulk een uur bad Goethe zijn „geliefde vriendin hem de brieven terug te geven, welke hij gedurende deze twee jaren uit Italië aan haar gericht had.

Charlotte zag hem verwonderd aan.—„Mijn brieven,— mijn geliefde brieven, welke ik zóó heilig gehouden heb, dat ik zelfs mijn vertrouwde vrienden er nooit uit voorgelezen heb, — deze brieven zou ik u teruggeven?''

„Waarlijk, mijn dierbare, ik verzoek u dit te doen. Ik ben voornemens iets over mijn Italiaansche reis uiUe geven ; ik heb ook reeds Wieland voor zijn „Mercuurquot; eeni-ge fragmenten over mijn Italiaansche reis beloofd, en om die samen te stellen, heb ik immers niets anders noodig, dan de aan u gerichte brieven te laten afschrijven.quot;

„Dat wilt ge doen, Wolf?quot; vroeg zij verstoord: „Door een klerk wilt ge laten lezen en copieeren, wat ge mij geschreven hebt?quot;

„Nu,quot; antwoordde hij lachend: „het spreekt van zelf dat ik deze brieven vooraf rédigeer en er niets in laat staan, wat persoonlijk voor u, mijn dierbare, en slechts voor uwe geliefde oogen bestemd was. Ik had natuurlijk dit doel reeds in Italië op 't oog, toen ik u deze brieven schreef; en ge zult opgemerkt hebben, dat mijn brieven aan u, steeds eenigermate in twee deelen vervallen. Het eerste is slechts aan u, mijn dierbare Charlotte, aan u, mijn vriendin, mijn geliefde, gericht; en ik heb daar slechts den toon van liefde, gevoel en verlangen aangeslagen, zooals zij steeds voor u op de harp mijns harten klonk'. Hel andere gedeelte is louter van verbalenden en schilderenden aard, en verhaalt u alles wat ik gezien en gehoord, beleefd en gewerkt heb. Dit laatste gedeelte heb ik ter uitgave bestemd.quot;

„Maar dat is ongehoord,quot; riep Charlotte toornig; „het

ocr page 467

191

is een handelwijze, waarmede ik uw schrander overleg geluk moet wenschen, maar die uw hart weinig eer doet.quot;

„Charlotte, ik geloof in mijn betrekkingen tot u nooit iets gedaan te hebben, wat mijn hart geen eer aandoet!''

„Betrekkingen tot mij,quot; herhaalde zij gekrenkt: „dit is inderdaad een geheel nieuw woord voor de heete en gloeiende liefde, welke ge eens beweerdet, dat nooit in uw hart kon verdooven.quot;

„O Charlotte, dierbare, geliefde Charlotte,quot; zuchtte hij treurig; „heb toch medelijden met ons beiden. Roep toch weder in uwe oogen den helderen vrijen blik terug, dien ge vroeger hadt. Ge waart anders zoo grootmoedig, zoo hooghartig; wordt nu niet kleingeestig, maar zie ook onze betrekking met onbevooroordeelde, kalme oogen. Hoe kunt ge er mij een verwijt van maken, dat ik er aan gedacht heb, een gedeelte mijner brieven aan u, in 't licht te geven ? Blijven zij dan niet nog altoos de uwe, zijn zij daarom minder aan u gericht ?*'

„Neen, zij blijven niet de mijne, — zij zijn niet aan mij gericht,'' antwoordde zij toornig; „zij dragen slechts toevallig op het adres mijn naam, — deze brieven, die reeds toen gij ze schreeft, ter uitgave bestemd waren, en welke de schrandere berekening van den schrijver terston i zóó chemisch geprepareerd heeft, dat men er slechts een gering deel sentimentaliteit en gevoel van heeft te scheiden, om terstond het manuscript geheel voor den druk gereed te hebben ! O, en ik arme verblinde zottin, verbeeldde mij, dat deze Goethe, die mij verlaten kon, om naar Italië te gaan, — dat deze Goethe, wien mijn ziel met al de zuchten van verlangen en liefde gevolgd was, mij nog beminde. Ik was zoo hoogmoedig te gelooven, dat zijn gedachten, zijn liefde, zijn vertrouwen zich alleen tot mij richtten, als hij mij schreef; en nu moet ik vernemen, dat ik voor hem niets meer was, dan vertegenwoordigster van het groote, veelhoofdige monster,pufcHe/i genaamd, en dat hij slechts tot dit sprak, als hij tot mij scheen te spreken Iquot;

„Charlotte, ik bezweer u, ga niet voort op deze wijze. Ach, gij weet niet wat ge doet, hoezeer uw hoon en spot mijne ziel wonden ! Charlotte ; bij de heiligste herinneringen aan de schoonste en heerlijkste jaren mijns levens

ocr page 468

192

bezweer ik u, treed niet uit den reiuen, schitterenden licht-atmosfeer, waarin ge mij tot hier toe altoos verschenen zijt! Charlotte, bij al de aanbidding, vereering en liefde, welke ik u heb toegewijd, bezweer ik u, blijf op uw iioogte, daal niet neder van het altaar, waarop u mijn liefde geplaatst heeft, vermeng u niet met de menigte der gewone vrouwen, die mokken als de geliefde niet feeder genoeg voor haar is, en scènes maken, zoo zij zonder recht of reden jaloersch zijn. Gij behoort niet tot dezen ; blijf dus op uw hoogte, en laat mij u aanbidden en beminnen, zooals ik tot hiertoe gedaan had.quot;

„ 'ooals ge, helaas, welgedaan hebt, maar niet meer doet!quot; riep Charlotte met losbrekende tranen en met somber, misnoegd gelaat, zonder te bedenken, dat vrouwentranen tegenover mannen slechts ve.rsleten en stompe wapens zijn, en een vrouw zeer jong, zeer schoon en zeer aangebeden moet zijn, om zich te veroorloven, hare schoonheid met de wolken van misnoegdheid te beschaduwen.

Goethe zag haar verrast, verschrikt aan ; en zijn oog wijlde met een vragenden, verbaasden blik op Charlottes aangezicht, als zocht hij naar de bekoorlijkheid, die hem vroeger zoo zeer verrukt,— naar den geest, die hem vroeger zoo sympatetisch aangetrokken had. En toen zij vervolgens haar dwepende, door tranen verduisterde oogen op hem richtte, ontstelde hij, en wendde zich haastig af, alsof hij plotseling een spook, een onwelkom nevelbeeld voor zich gezien had!

Maar Charlotte had reeds met haar vluggen en schran-deren geest begrepen, dat zij een dwaasheid had begaan; zij onderdrukte schielijk hare tranen en met de macht, welke slechts vrouwen op haar gemoedstemming hebben, dwong zij zich te glimlachen.

„Gij wendt u van mij, Wolf,quot; zeide zij op fee leren toon ; „ge antwoordt mij niet?quot;

„Mijndierbare,quot; zeide hij zacht : „welk antwoord zal ik u geven, daar ge geen vraag tot mij .eiicht hebt? Ge hebt beweerd dat ik u niet meer beminde en aanbad, zooals ik vroeger gedaan heb. üp zulk een bewering, Charlotte, mag ik niet antwoorden; want het zou een heiligschennis, een zonde tegen het verbond zijn, 'tgeen ik meende dat door een jarenlang bestaan zóódanig geheiligd en be-

ocr page 469

493

vestigd was, dal niets het kon verbreken, on dat het boven allen twijfel, en alle verzekeringen verheven was.quot;

„Ge bemint mij dus, Wolf? Ge bemint mij altijd nog?quot;

„Jaquot;, zeide hij, en het klonk Charlotte, als lag een zonderlinge toon in dit korte woord. Wederom was 't baar, alsof zij de echo der heillooze toefluisteringen van baai-spiegel hoorde!

Een oogenblik bleven beiden sprakeloos, misschien wijl zij te zeer met hunne eigen gedachten bezig waren. Toen zij vervolgens weder spraken, was het van onverschillige zaken, van de onbeduidende praatjes van bet Weimarsche Hof.

Vervolgens nam Goethe met eenige vriendelijke, liefdevolle afscheidswoorden zijn hoed en vertrok, repte zich door de kleine straat en ging in het park, welks stille donkere alléén hij sinds vele jaren zijn geheimste gedachten en diep verborgen gewaarwordingen had toevertrouwd. Dit park was voor Goethe een trouw vriend, een zwijgende vertrouwde geweest, en hij wendde zich ook heden naar deze donkere paden, die vroeger, tijdens Goethe's lijden — toen Charlotte den teederen vriend en geliefde vaak zoo hard en wreed had afgewezen, — zijn zuchten en klachten gehoord hadden. Ook heden leed Goethe, maar het was een lijden, weinig op dat gelijkende,'t welk hij eer li] ds aan deze donkere lanen en stille paden geklaagd had. Destijds had een vertwijfeling, die evenwel vol hoop en vreugde was geweest, zijn ziel vervuld. Want welk een waarlijk beminnende, wien de wreedheid zijner geliefde tot wanhoop brengt, gevoelt toch niet in zich het vroolijke vertrouwen, dat het hem gelukken zal, deze wreedheid te verwinnen en van een ongelukkig, — een gelukkig minnaar te worden. Destijds had Goethe dikwerf deze alléén met zijn zuchten en klachten vervuld, en tranen van onbedwongen smart, van gekrenkten mannentrots waren hier uit zijne oogen gevloeid. — Heden echter zuchtte, noch klaagde hij ; zijn oog was zonder tranen, doch somher, en een diepe weemoed, meer wrevel dan treurigheid, lag in zijne trekken. Hij zeide niets, ging met haastige schreden in de donkere alléén heen en weder; nu bief hij den sierlijken wandelstok op, dien hij onachtzaam in de hand had, en sloeg met een haastige beweging de kleine rank der bloeien-

Mühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. IV. 13

ocr page 470

194

de kamperfoelie af, die uit het struikgewas ter zijde hing, zoodat zij aan zijne voeten nederviel, en toen prevelden zijne lippen: „Zij is zeer veranderd. Zij is een oude vrouw geworden, en ik — ik kan mij toch niet belachelijk maken, en voor minnaar spelen bij —quot;

Hij zweeg midden in zijn rede, en scheen te schrikken voor zijn eigen half gefluisterde woorden. Vervolgens bukte hij, hief de kamperfoeliebloem op, en beschouwde haar met peinzenden, glimlachenden blik.

„Arme bloem,'' zeide hij zacht: „ik had ongelijk u te slaan. Gij zijt niet fraai, maar ge riekt zoo zoet, en het komt misschien daardoor, dat het altoos goede en zachtmoedige volk u zulk een mooien naam gegeven heeft. Ze noemen u: „hoe langer hoe liever!quot; Ik wil u niet vertreden, arme hoe langer hoe lieven, want ge riekt zoo heerlijk, en ik weet niet, — maar het is mij alsof uit uwe kelken, mij Charlotte's oogen aanstaarden!quot;

Hij slak de geknakte bloem in het knoopsgat van zijn rok, en alsof deze kleine bloem hem een voldoende oplossing zijner peinzende gedachten had gegeven, verliet Goethe de donkere allée, en trad in het licht. Haastig ging hij voort, en stond juist op het punt den weg naar zijn tuinhuisje in te slaan, toen hij van de andere zijde van dien weg een jong meisje haastig op zich toe zag komen. Goethe kende, haar niet, maar haar eenvoudige kleeding en haar geheele voorkomen verrieden hem, dat dit lieve, jonge wezen geen aanspraak maakte, tot de „voorname wereldquot; te behooren. Neen, dit meisje behoorde niet tot de „voorname wereld,quot; dit zeide haar eenvoudig katoenen kleedje, dat haar sierlijke volle en bekoorlijke gestalte omhulde ; dit zeiden de grove lederen schoenen, die echter een zeer klein voetje omsloten; dit zeiden de bloote handen, die echter blank en fijn waren. Op haar hoofd droeg zij geen dier lichte, kleine hoeden, zooals destijds de voorname dames gewoon waren, Ier zijde op den hoogen toupet van beur gepoederd haar te dragen. Haar hoofd was onbedekt en door weelderige, kunstelooze bruine lokken omlijst. Jeugd, onschuld en frischheid lagen als een zonnestraal op dit aangezicht; een donkere blos van beschaamdheid gloeide op de wangen, toen Goethe's heldere blik haar aanschouwde. Vervolgens hieven zich hare groote

ocr page 471

195

blauwe oogen tot hem op, met een uitdrukking van zachte bede en teederen deemoed, en op haar zinnelijk gekrulde purperen lippen zweefde een bekoorlijke verlegen glimlach. Deze jonge, liefelijke verschijning had gewis geen gelijkenis met de gele, vale kamperfoeliebloem, welke Goethe in het knoopsgat droeg, zij geleek veeleer het donkere mosroosknopje, dat aan den boezem van het jonge meisje prijkte, en waarmede zij de beide punten van den kleinen, met kant bezetten witten doek samenhield, die los en luchtig haar fraaie weelderige schouders bedekte.

Thans, nu Goethe voor haar staan bleef en haar met vragenden, /verwonderden blik aanschouwde, hief zij met een liefelijke beweging de rechterhand op, waarin zij een samengevouwen papier hield.

„O, Mijnheer de geheimraad, ik bid u, neem dit en lees,quot; „Wat bevat dit papier ?quot; vroeg Goethe, en zijn stem was zacht en vleiend als een liefkoozende zefier.

„Het is een verzoekschrift van mijn lieven broeder uit Jena,quot; klonk haar lieflijke, heldere stem: „Ik heb hem beloofd dit papier slechts aan den geheimraad Goethe zeiven te overhandigen, en hem hartelijk te verzoeken, aan de bode van mijn lieven broeder te voldoen. O, lieve heer geheimraad, doe het. Wij behooren tot zulk een arm, ongelukkig gezin; wij moeten allen zooveel werken, en verdienen zoo weinig; wij moeten ons zoo bekrimpen, en hebben zoo weinig feestdagen in ons leven. Het zou echter een groote, heerlijke feestdag voor [ons allen zijn, zoo mijnheer de geheimraad en kamerpresident vervullen wilde, wat mijn lieve goede broeder zoo dringend smeekt.quot;

Goethe hield onafgewend zijn oogen op deze liefelijke verschijning gericht, die als een verlichaamlijke Psyche voor hem stond en hem in haar bekoorlijke, weelderige jeugdige schoonheid, als een uit Italië overgewaaide mir-tenbloem toescheen.

„Hoe heet ge dan, mijn lief meisje?quot; vroeg hij meteen vriendelijken hoofdknik.

„ik heet Christina Vulpius, mijnheer de geheimraad.quot; lispte zij zacht met nedergeslagen oogen.

„Toch niet de dochter van dien woesten, liederlijken dronkaard, die —quot;

„Ach, mijnheer, hij is mijn vader,quot; viel zij hem, met

ocr page 472

196

zulk een smartelijk verwijt in de liefelijke stem in de rede, dat Goethe zich beschaamd gevoelde over zijn ongepaste woorden, en als voor een dame der voorname wereld, den hoed voor haar afnam.

„Vergeving, mejuffrouw, ik had ongelijk. Vergeef mij mijn onbedachte woorden. Nu begrijp ik, dat ge uw gezin arm en ongelukkig noemt. Mij dunkt echter, dat het ongeluk toch nog niet gewaagd heeft, deze rooskleurige wangen en schitterende oogen met zijne ruwe vingers aan te raken.quot;

Zij glimlachte. — „Ik ben nog zoo jong, mijnheer, en dan neemt men alles lichter op, en hoopt steeds dat het beter zal worden. En daarbij, als het mij te benauwd wordt in het donkere kamertje, dan loop ik hierheen naar het park. 't Is immers de tuin voor iedereen, en de zo-rnervreugde voor den arme. Hier loop ik rond, zoek bloemen in het gras, zing met de vinken om strijd, en klauter in de boomen als een jong eekhorentje. Hoe zou ik dus niet gelukkig zijn, schoon er later tehuis ook veel gekijf, sober eten, grommige gezichten en veel werk is ■!quot;

„Maar mij dunkt,quot; zei Goethe, terwijl hij de witte,fijne band, die hem nog altoos het verzoekschrift toehield, zacht in de zijne nam: „mij dunkt, dat deze hand zich niet te beklagen heeft over hard en zwaar werk. Zii eeliikt een wit lelieblad.quot;

„Zij heeft ook reeds vele leliënbladen vervaardigd, mijnheer,quot; antwoordde zij lachend: „Mijn werk bestaat in het bloemenmaken. Ik bemin de bloemen, loop des Zondags den geheelen dag in het bosch rond, en zoek fraaie bloemen, die ik dan namaak. Mijn veldbloemenbouquets zijn zeer gezocht, en worden mij door de modisten goed betaald. Want het is thans mode, en de voorname dames van het Hof willen alle veldbloemenbouquets op heur hoeden dragen. Nog eergisteren heb ik een bouquet geleverd, 't welk de modiste terstond dezelfden dag aan mevrouw de barones von Stein heeft verkocht, en ik zag het gisteren reeds op haar hoed.quot;

De hand, die zooeven nog zoo vriendelijk de blanke sierlijke vingers van het jonge meisje had omvat trilde een weinig, en over het glimlachend aangezicht vloog een lichte schaduw. De naam van mevrouw von Stein klonk

ocr page 473

197

voor Goethe van 's meisjes glimlachende lippen zoo zonderling, — als een waarschuwing voor dreigend gevaar !

Hij nam een ernstiger voorkomen aan, liet de hand los, en behield slechts het verzoekschrift.

„Wat staat er in?quot; vroeg hij op het papier wijzende: „Zeg mij den inhoud, ik lees dien liever van uwe lippen dan van het papier.quot;

„Ach, mijnheer de geheimraad,quot; zeide zij met lispende, vleiende stem: „het betreft mijn armen, lieven broeder. Hij is zulk een braaf, goed mensch, en zeer vlijtig en geleerd. Hij woont te Jena, vertaalt boeken uit het Itali-aansch en Fransch, en verkoopt de vertalingen aan boekhandelaars. Nu is aan de universiteits-bibliotheek te Jena de plaats van secretaris open; deze zou mijn broeder zoo gaarne hebben, en hij zou zoo gelukkig zijn, als hij haar kreeg. Hij heeft het dus gewaagd, zich tot Uw Hoogwelge-borene te wenden en u zeer dringend te verzoeken, zijn voorspraak te willen zijn. Ik heb op mij genomen aan mijnheer den geheimraad dit verzoekschrift te overhandigen, en er nog heel veel tot aanbeveling bij te voegen. Ach, mijnheer ^de geheimraad, ik had een geheele rede opgesteld, welke ik u zeggen wilde.quot;

„Nu, mijn lief meisje, zeg mij dan deze rede. De nachtegalen en vinken zwijgen reeds, en wachten dat ge beginnen zult.quot;

„Ach, mijnheer.quot; prevelde zij zacht, en een gloeiend rood vloog over haar aangezicht: „ach, mijnheer, ik weet niet hoe het komt, maar het gaat niet!quot;

Hij boog zich glimlachend dichter tot haar, zóó dicht, dat de juist opruischende wind's meisjes goudbruine lokken over zijne wangen streek.

„Waarom gaat het niet, mijn lief kind? Waarom kunt ge mij uw fraaie rede niet laten hooren?quot;

„Wijl, wijl — Ik heb u altijd slechts van verre gezien, en dan scheent ge mij zoo voornaam; ge gin gt zoo stijf en deftig, en ik had zoo ontzaglijk veel eerbied voor den waardigen ouden heer geheimraad, en nu ik u voor het eerst van nabij zie, nu —quot;

„Nu?quot;

„Nu,quot; riep zij plotseling met een vroolijken lach: „nu

ocr page 474

498

zie ik, dat mijn geheele rede niet past. en gij er veel te jong voor zijt!quot;

„Waarom toch?quot; vroeg Goethe glimlachend: „Beproef het eens!quot;

Zij hief hare oogen met een vragende, kinderlijke uitdrukking tot hem op. — „Gelooft ge, dat het indruk op u zou maken, en mijn fraaie rede uw hart gunstig voor mijn broeder zou stemmen! Zoo ge dit denkt, mijnheer, wil ik spreken; want mijn broeder is een heel goed mensch, en ik zou alles willen doen, om hem gelukkig te maken.quot;

„Nu beproef 't eens met uwe redequot; antwoordde Goethe, wiens oogen straalden van verrukking over het bekoorlijke wezen, dat hem met hare schoonheid, naïveteit en onbevangenheid aan de lieve Leonora te Rome herinnerde. Ja, zij was het; 'twas Leonora, — behalve dat de dochter van het Zuiden in een Duitsche overzetting voor hem verscheen, die echter niet minder fraai, niet minder vol leven en verrukkend was.

„O, Leonora, kind der Zon en der Natuur, zou ik het geluk hebben u hier weder te vinden; hier, waar mijn hart verkilde, en vruchteloos smachtte naar een zonnestraal van verrukking uit liefelijke vrouwenoogen ? Ja, Leonora, dit is uw zoete glimlach en uw vlammende kinderblik; gij zijt het, en zijt het ook weder niet. Uit uw gelaat straalde God en de Natuur, een geheele hemel scheen uit uwe trekken. Uit dit lieve aangezicht straalt óók de bekoorlijkste Natuur, doch naar den God zoek ik vergeefs, en in plaats van den hemel, zie ik zoeten aardschen lust!quot;

Dit dacht Goethe, terwijl Christina Vulpius met haar welluidende stem, — blozend, glimlachend, bevallig — beschaamd en evenwel stoutmoedig en schalksch, hem haar goed gestelde rede begon voor te dragen. Maar in Goethe's blikken, die gloeiend als zonnestralen op haar gelaat rustten, scheen zich te veel van zijne gedachten te verraden, — want eensklaps midden in een begonnen zin, zweeg Christina, stotterde nog eenigen verlegen woorden, maakte een haastige, boersche buiging, en keerde zich toen als een verschrikte ree om, en vlood heen.

ocr page 475

199

VI.

GOETHE EN SCHILLER.

„Ik wist niet dat dit vervelende Weimar zulk een be-tooverenden schat verbergt,'' prevelde Goethe, toen hij de schoone,. voortijlende gestalte, — die nu tusschen het houtgewas verdween, naoogde.

„Ha, Goethe! Welkom Goethe!quot; riep achter hem de verheugde stem eener vrouw: „hoe lief, dat wij elkander hier ontmoeten!quot;

Hij wendde zich haastig om, en zag voor zich mevrouw von Kalb, aan den arm van een lang, blond heer. — Daarom was de schoone Christine ontvloden! Zij had beiden zien naderen! Zij was dus niet alleen schoon, — zij was ook bedeesd en bescheiden! —

Goethe zeide dit tot zich zeiven, terwijl hij met vroolijk gelaat den groet van mevrouw von Kalb beantwoordde, en de geschoeide hand, welke zij hem reikte, kuste.

„Ue beide heeren kennen elkander natuurlijk T vroeg zij.

,.Ik weet niet, dat ik de eer heb,quot; antwoordde Guethe, die weder volkomen de koele terughoudendheid van den geheimraad had aangenomen.

„Wie zou hem niet kennen, den beroemdsten en grootsten dichter van Duitschlandzei de andere heer: „Ik ken den dichter Goethe reeds lang; want ik was er bij, toen hij de Karelschool te Stuttgart bezocht. Hij natuurlijk merkte den armen Kareis scholier niet op, maar deze was gelukkig en trotsch, den beroemden dichter Goethe te zién. En even gelukkig ben ik heden den geheimraad Goethe te leeren kennen!quot;

Er lag misschien een lichte spot in deze woorden, maar het groote, blauwe oog blikte even zacht en vriendelijk als altijd. Doch over Goethe's voorhoofd vloog een lichte schaduw.

„Gij herinnert er mij met recht aan,quot; zeide hij met ernstige waardigheid: „dat er uren zijn, waarin de dichter er zich in moet schikken, ook man van zaken en beambte te zijn. Ge ziet het aan dit papier in mijn hand, mevrouw, dat ik juist een beambte ben, die plichten heeft te vervullen, en daarom zult ge mij wel verontschuldigen !quot;

ocr page 476

200

Hij

tuinhuis in.

„Hij wordt inderdaad eiken dag koeler en terughoudender.'' zeide mevrouw von Kalb, hem naoogende'; „als ik bedenk, hoe hij in de eerste jaren was toen hij hier kwam, en hoe hij nu is! Dèslijds stralend en schoon als Apollo, vlammend van geestvervoering, wegslepend in zijn onstuimigheid en zijn geniaal wezen, zoodat men moest denken, dat er voor hèm op aarde geen beperkingen en boeien bestonden, maar dat hij ieder oogenblik de vleugels kon uitbreiden, om zich tot de zon te verheffen. — Nu een stijve geheimraad met achterhoudend voorkomen, met ondoorgrondelijke ziel en hoogmoedig wezen ! O, Schiller, geen vrouw verandert zich zóó vreeselijk, en is zóó trouweloos aan zich zelve, als de mannen. Ik zou willen weenen, zoo treurig heeft mij Goethe's aanblik gestemd!quot;

„En ik,quot; zeide Schiller met wrokkende stem; „ik zou mij voor een nar willen uitschelden, wijl ik den hoogmoe-digon heer met een vriendelijk woord tegemoet getreden ben ! Hij veracht mij natuurlijk, ziet met voorname minachting op den onbekenden dramaschrijver neder, die—quot;

„Frederik,quot; zeide mevrouw von Kalb zacht en teeder „mijn Frederik, een genius als u betaamt geen kleingeestige nijd —quot;

„O, ik benijd hem ook niet,quot; viel hij haar driftig in de rede: „ik voel óók in mijn borst het heilige vuur,'t welk Prometheus niet voor hèm alleen uit den hemel heeft gehaald ! Ook mijn geest heeft zijn vleugels, die hem naar de zon zouden willen opvoeren, zoo, — Ja, zoo er niet die armzalige boeien waren, waarmede mijn voeten aan de aarde gebonden zijn!quot;

„En tóch, mijn geliefde vriend,quot; zeide Charlotte met vuur: „toch zal ik gelukkig zijn deze boeien met u te deelen; toch zou het mij liever zijn, met u in een beschei-dene hut te leven, dan in een schitterend paleis aan de zijde van een niet beminden man te wonen.quot;

„Gij zijt een engel, Charlotte.quot; fluisterde Schiller: „gij schat mij te hoog, en ik weet het maar al te goed, hoe weinig ik het verheven beeld gelijk, dat uwe levendige verbeelding zich van mij geschapen heeftquot;

groette stijf en deftig,

Hij keek Charlotte niet aan, terwijl hij dit zeide; zijn

en sloeg den weg naar zijn

ocr page 477

201

houding was verlegen, zijn groote oogen waren ten hemel gericht, en zagen weinig van de paden, op welke zijn voetenquot; wandelen. Hij volgde Charlotte, liet zich door haar leiden als een droomend, argeloos vertrouwend kind, en was toch anders zulk een sterk man, van zoo krachtigen geest.

Zij voerde hem in de donkerste, eenzaamste allee — in dezelfde allee, waar Goethe vroeger heen en weder gewandeld had. De kleine tak, dien hij had algeslagen, en van welken Goethe de bloem geplukt, — en in zijn knoopsgat gestoken had, lag nog midden op het pad, en Charlotte's voet trad er achteloos over, zonder te gissen, dat deze vertreden bloemen haar een geschiedenis hadden kunnen verhalen, die haar zelve tot waarschuwing had mogen dienen. —

Maar van het vrouwenhart is hetzelfde te zeggen, wat Mirabeau van de Vorsten zeide: „lis n'ont rien appris. ct rien oublié!quot;

Neen, ook zij leeren niets en^ vergeten niets, de arme vrouwenharten! Nooit hebben zij van 'tlot eener andere vrouw willen leeren, dat de liefde niet onsterfelijk is, en de eeden der mannen, gelijk Horatius zegt: „verwaaien als bladeren in den wind.quot; Nooit hebben zij deze eeden willen vergeten, en op bladeren in den wind, bouwen zij luchtkasteelen voor de eeuwigheid! - -

Zij lieten zich neder op de kleine steenen bank, die midden in de allée, in een van bloeiend struikgewas en gesneden palm gevormde nis, was geplaatst. Daar zaten zij hand in hand, en Charlotte's groote oogen waren met een tegelijk smartelijke en teedere uitdrukking, op Schiller's edel en peinzend gelaat gericht.

„Frederik, hebt ge mij niets te zeggen?quot;

Hij hief langzaam de oogen tot haar op, en zij merkte het door de onstuimigheid van haar eigen gevoel misschien niet op, dat zijn blik eenigszins verlegen en ongerust was.

„Het is fraai hier,quot; zeide hij zacht: „deze stilte, dit welsprekend zwijgen der Natuur heeft voor mij iets onuitsprekelijk weldadigs en verkwikkends, vooral als ik het aan uwe — zijde genieten kan, mijn geliefde vriendin. Onze zielen zijn als twee harpen, die volkomen in denzelfden

ocr page 478

202

toon gestemd, — en zóó dicht bijeen zijn, dat, als men de snaren 'der eene harp aanraakt, die der andere terstond met dezelfde tonen als een echo klinken.

„O, God geve dat het altoos zoo blijft, mijn Frederik. God geve dat geen onweder de harmonie dezer harpen verstoort!quot;

„En vanwaar zou dat onweder komen, mijn dierbare vriendin, geliefde zuster mijner ziel? Neen, ik ben zeker, dat dit nooit zijn kan. De liefde, die ons vereenigt, is immers verheven boven alle verandering en misleiding. Niets kan haar verstoren of veranderen; want zij hecht niet aan het uiterlijke, en is derhalve niet af hankelijk van ouderdom en vermoeienis. Geen waarlijk schooner en reiner betrekking kan ik mij denken, dan die van een broeder tot zijn zuster, zoo beiden elkander beminnen en zich in juiste overeenstemming begrijpen. Dit, mijn dierbare Ghaalotte, moeten wij ons tot troost en hartsterking zeggen, zoo andere vurige wenschen, welke ik lang, gelijk ge weet, in Jtdiepst mijns harten gekoesterd heb, zich niet vervullen mogen. Ach, Charlotte; ik behoor immers niet tot dezulken, voor wie het leven zacht en helder heenvloeit, en op wier wenschen de sterren der vervulling schijnen. Ontberen is steeds mijn lot geweest, en ook mijn waarde, hebt mij hierin smartelijk onderricht. Gij weet, hoe ik destijds te Mannheim, met hartstochtelijke smart aan uwe voeten smeekte, mijne liefde aan te nemen, de ketenen te verscheuren, die u aan den onbeminden man boeiden, en de mijne te worden, mijne vrouw] Uw deugd, uw vrouwenwaarde wezen mij af, en nu, nadat eindelijk uw hart zich voor onze wenschen en hoop geneigd voelde, — nu ge het wagen wildet, u met mij te verbinden en mijne gade te worden, nu treedt ons een andere hindernis tegen, en schijnt onze uiterlijke verbinding voor altoos onmogelijk te willen maken.quot;

„Welk een hindernis is dal, Frederik? Van wien komt zij?quot;

„Zij komt van uwen echtgenoot, Charlotte. Hij schijnt u waarachtig te beminnen, en zich niet met de gedachte gemeenzaam te kunnen maken, dat hij u missen en van u scheiden zou.quot;

„Hebt ge hem gesproken, Frederik? Hebt ge hem op-

ocr page 479

203

recht, en eerlijk onze, — uwe wenschen medegedeeld, en om de vervulling er van verzocht?quot;

„Ik heb het dikwijls beproefd, maar hij heeft mij steeds ontweken. Telkens, als hij merkte dat ik aan ons onderhoud deze wending trachtte te geven, biak hij het af, en ging schielijk tot een ander onderwerp over. Hieraan bemerkte ik hoezeer hij u bemint; en het doet mij diep in de ziel leed, als ik moet denken, dat ik dezen goeden en edelen man verdriet veroorzaken, — en hem een schat ontrooven wil, welken ik naar mijn eigen gevoel kan berekenen, hoe dierbaar hij hem is.quot;

„O, Frederik,quot; zeide zij zacht; „welk een vreeselijke smart is het te zien, dat de fraaiste lentebloemen verwelkenen sterven, onverschillig of zij door den kouden nachtvorst, — ot door te grooten zonnegloed verwoest worden!quot;

„Ik begrijp u niet, Charlotte,quot; zei Schiller met een weinig meer verlegenheid, dan het „niet begrijpenquot; toelaten kon.

„En ik,quot; riep zij met vlammende oogen: „ik wilde dat ik u óók niet begreep! Zeg mij, Frederik, o zeg mij, behoort uw hart aan mij ? Is niets veranderd in uw gevoel voor mij ?quot;

Hij biet zijn groote oogen met een ernstigen en pein-zenden blik tot haar bewogen gelaat op. — „Gij doet daar een vraag, Charlotte, waarop slechts God het antwoord kan geven. Want wie kan van zichzelven zeggen, dat hij de trouwe en waarachtige hartenkenner van zijn eigen gevoel is? Alles is aan wisseling onderworpen; de zee heeft haar ebbe en vloed, de zon heeft haar op- en ondergang. Maar de zee keert altoos weder tot de verlaten duinen terug, en de zon komt altijd weder op, na den donkeren nacht. En even als de zee en de zon bij alle verandering toch eeuwig onveranderlijk blijven, zoo is dit ook met de ware liefde het geval. Het kan soms den schijn hebben, alsof zij zich terugtrok en verzandde, maar in een volgend uur reeds klotsen hare golven met hartstochtelijke woede weder over de zandige duinen, en verkondigen luid het heilige lied: dat de liefde eeuwig is, dat zij de Goden lot menschen, en de menschen tot goden maakt.quot;

„Een wonderbaar woord,quot; riep Charlotte; „het onder-

ocr page 480

204

werp van een heerlijk lied, 't welk de dichter Frederik Schiller, hoop ik, voor de wereld zingen zal! Maar ik vraag den dichter, of ook de man Frederik Schiller hetzelfde zegt? Of deze lofzang, op de liefde, welke de lippen des dichters zooeven gesproken hebben, uit het hart van den man klonk, en of die tot mij gericht was?quot;

„Ach, dierbare, waartoe dat napluizen en ontleden? De dichter en de man zijn één; en wat van de lippen des dichters klinkt, is ook uit de gedachten des mans ontsproten ; als hij der liefde een bezielden lofzang wijdt, en dit aan uwe zijde doet, laat u daardoor dan opwekken en weet, dat hij aan u gericht is!

Hij legde zijn arm om haar hals en trok haar hoofd aan zijn borst, gelijk hij vaak had gedaan in uren van dwepende teederheid Maar Charlotte gevoelde tóch, dat dit vroeger anders was geweest dan thans, en de arm, die haar omvatte, met minder vurigen druk om haar hals rustte. Poch zij hield met geweld den zucht terug, die uit haar borst wilde opwellen, drukte haar hoofd vast tegen zijn borst, en fluisterde zacht: „O, Frederik, de lofzang der liefde weerklinkt in mijn hart; o Frederik, hoe dank ik God, dat ge mij bemint!quot;

Hij zweeg, en slechts de warmer druk van zijn arm gaf haar antwoord. Toen zwegen beiden. Zij lag met gesloten oogen aan zijn borst; hij hield haar omvangen, maar zijn hoofd was opgeheven, en zijne oogen schouwden met treu-rigen blik op het dichte bladerloof, en hieven zich vervolgens langzaam ten hemel, die zich als een doorschijnend gewelf van blauw kristal over den groenen omtrek verhief. Een diepe, plechtige stilte heerschte rondom; 't was alsof de Natuur in deze groene hallen onder 't hemelgewelf haar morgengodsdienst vierde; eerst met een stil gebed, vervolgens met het koor der zangers, die nu bier, dan ginds uit de donkere twijgen der hooge boomen hun schetterend lied deden klinken,1 tot eensklaps een holle wind door 't geboomte streek, zoodat zij ruischten als met heilige orgeltonen, die hef gezang der vogels deden verstommen.

Naar deze heilige orgeltonen, naar dit ruischen van den wind in de boomen luisterden de twee, die daar op de kleine steenen bank zaten, met vrome, verrukte har-

ocr page 481

2Ü5

ten. Beiden stom, en beiden tóch zoo welsprekend in hun zwijgen. Hij, het edele bleeke gelaat opwaarts gericht, de oogen ten hemel gewend met een scherpen, schitterenden blik, die in het blauwe gewelf naar de geheimen van het oneindige scheen te vorschen; zij, het hoofd aan zijn borst gedrukt, naar geen hemel meer vorschend en zoekend, daar zij den hemel aan zijn borst gevonden had! Maar de wind, die nog altoos de boomen liet klinken in orgelge-ruisch, scheen nu Charlotte uit haar zoete rust te willen wekken. Een blad dwarrelde uit de boomen neder, streek als met een geestenvinger over haar gelaat en viel in haar handen, die zij in haar schoot hield samengevouwen. Zij ontroerde, en zag neder op het geschenk van den wind en de boomen.

Een dor, geel blad hadden zij haar gegeven! Als de heraut van den naderenden hertst had dit verwelkte blad haar gelaat aangeraakt, en haar wakker geschrikt uit den hemelschen zomerlust!

„Een slecht voorteeken,quot; prevelde zij huiverend, en met bevende vingers vertrommelde zij het blad.

„Wat fluistert ge, Charlotte?quot; vroeg Schiller, wiens bezielde blik in zich zeiven was gekeerd, en die niets gezien had van het kleine tusschenspel in de groote tragedie dei-gewaarwordingen van het hart; „Wat verschrikt u plotseling?quot;

.,Niets; 'tis niets,quot; zeide zij opstaande: „Kom, mijn vriend, laat ons gaan; ik vrees dat een onweder opkomt.quot;

Hij keek geheel verwonderd naar het blauwe gewelf. „Ik zie geen enkel wolkje,quot;

„Des te beter, Frederik,quot; zeide zij schielijk: „des te beter. Er zal ons dus niets verhinderen, den bepaalden tocht naar Rudolstadt te doen.quot;

Haar groote oogen streken hierbij met een snellen blik over zijn aangezicht, en zij zag een lichten blos op zijn wangen komen, en dat hij vermeed haar blik te ontmoeten.

„Het blijft er immers bij, mijn dierbare vriend, dat wij morgen naar Piudolstadt rijden? Ik heb mevrouw von Lengefeld reeds sinds lang beloofd, haar te Rudolstadt te bezoeken, en het verheugt mij onuitsprekelijk, baarheide dochters weder te zien. Caroline von Beulwitz is een zeer

ocr page 482

206

edele, hooghartige jonge vrouw, en zij draagt het lot van haar ongelukkig huwelijk met waren heldenmoed. Haar zuster Charlotte echter staat haar ter zijde, als een jonge lentebloem nevens de fraaie, eerst even ontloken purperroos.quot;

Schiller's gelaat straalde van reine vreugde. Hij sloeg op Charlotte von Kalb een teederen en dankbaren blik, en deze blik trof haar hart, en ontvlamde er het smartelijk vuur der ijverzucht. — Arme Charlotte! Haar had de Natuur het gele herfstblad in 't gelaat gewaaid, en degene, welke zij van nu af haar medeminnares moest noemen, had zij zelve zooeven als een „jonge lentebloemquot; aangeduid!

„Hoe schoon weet ge met weinige trekken te schilderen, lieve Charlotte,quot; zeide Schiller vroolijk: , uw beeld is als een goed geslaagd portret, en vertoont de beide dochters van mevrouw von LengefeM, zooals zij werkelijk zijn. Caroline als de volle schoone roos, en Charlotte als een liefelijk geurend viooltje nevens haar.quot;

„En aan welke van deze bloemen geeft ge de voorkeur? '

„Dit is moeilijk te zeggen, lachte Schiller: „het beste is; ze nevens elkander te zien, en ze ongescheiden te laten. Ik kan mij de zusters volstrekt niet gescheiden, — maar altijd bijeen voorstellen, en slechts zóó gepaard, leveren zij een harmonisch beeld op.quot;

Charlotte ademde ruimer. — Hij bemint dus geen van beiden. Zijn hart heeft geen keuze tusschen haar gedaan!

„Het is zeer aardig,quot; zeide zij: „dat het toeval veroorzaakt heeft, dat mijn vriendinnen, buiten mijn toedoen, ook de uwe zijn geworden. Hoe hebt ge toch d3 familie von Lengefeld leeren kennen?quot;

„O, onze bekendheid dagteekent reeds van lang,quot; antwoordde Schiller glimlachend : „reeds voor vier jaren, — spoedig na mijn vlucht uit Stuttgart, — leerde ik de dames ten huize van mevrouw von Wolzogen kennen, en thans is het haar vriend, mijn vriend Wilhelm von Wol-zogen, die mij tot haar te Paidolstadt gebracht heeft.quot; 1)

„Vlen zegt dat mijnheer Wilhelm von Wolzogen een vurige liefde voor zijn nicht Caroline koestert?quot;

1

Schiller's Leben, door Caroline von Wolzogen, bl. 115.

ocr page 483

207

„Ditmaal heeft liet „men zegt,quot; geloof ik, de waarheid gezegd. Wolzogen bemint ziju schoone nicht Caroline hartstochtelijk.quot;

„En zij? Bemint Caroline hem even hartstochtelijk?quot;

„Wie kan de geheimen dezer edele en teedere vrouw willen doorgronden! Hare lippen zijn gebonden door het heilige slot, 't welk het huwelijk met den onbeminden heer von Beulwitz er aan gehangen heeft: en Caroline von Beulwitz is een veel te fiere en kuische vrouw, dan dat zij ooit, zelfs jegens haren niet beminden echtgenoot, zich aan ontrouw —quot; Het woord bleef op Schiller's lippen hangen, want hij gevoelde nu, hoe zeer zijn woorden de vrouw aan zijn zijde moesten kwetsen, — de vrouw wier vonnis hij hiermede had uitgesproken! — Maar de vrouwen bezitten een wonderbare gave, om datgene niet te hooren, wat zij niet hooren willen, en te glimlachen, schoon ook een mes haar hart doorboort.

Zoo scheen ook Charlotte von Kalb Schiller's woorden niet in den kwetsenden zin gehoord te hebben, en zij glimlachte hem vriendelijk toe.

„En Charlotte, het arme kindquot;, vroeg zij deelnemend: „heeft zij eindelijk haar liefdesmart overwonnen? Is haar jong kinderhart genezen van de diepe wonde, waaraan het gebloed heeft?quot;

Mevrouw von Kalb glimlachte nog altijd, terwijl zij aldus het mes uil haar eigen hart had getrokken, om het haren geliefde te reiken, opdat ook hij den doodelijken stoot ontvangen zou. — Paeti, paeli, non dolel!

Maar hèm deed de stoot pijn, en hij kon het niet van zich verkrijgen te glimlachen. — „Wat meent ge?' vroeg hij somber: „Wie heeft het gewaagd dit schoone, zoete kinderhart te wonden?quot;

„Nu,quot; zeide Charlotte, en de glimlach op hare lippen werd steeds helderder, want zij voelde dat zij het mes steeds dieper boorde: „nu, dat is immers een algemeen bekende geschiedenis, en het verwondert mij inderdaad, mijn geliefde vriend, dat gij er niets van weet. Charlotte von Lengefeld heeft zich met de teederste liefde aan een edelen jonkman verloofd, en het was beider vurigste wensch, elkander voor het geheele leven te behooren. Maar de rijkdom hunner gevoelens stond helaas in scherp contrast

ocr page 484

208

met de armoede hunner uiterlijke omstandigheden. Mevrouw von Lengefeld, — die een zeer schrandere en on-dervindingrijke dame is, — verklaarde aan de gelieven, dat een huwelijk tusschen hen beiden volstrekt onmogelijk was, wijl zij beiden te arm waren, om een zelfstandig bestaan te vestigen, en wijl ook de toekomst hiertoe geen uitzicht aanbood. Dus moesten beiden, hoezeer ook mot tranen en bloedende harten, zich aan de harde noodzakelijkheid onderwerpen, en voor altijd van elkander scheiden. De jongeling heeft bij het Hessische leger dienst genomen, en is over zee naar Amerika gegaan, om nimmer terug te keeren. Het jonge meisje is in smart en droefheid teruggebleven, en naar men zegt, beeft zij aan haar familie de heilige gelofte gedaan, nooit met een ander man te huwen, wijl het lot haar van den eenen, dien zij beminde, gescheiden had.quot;

En toen Charlotte, met de wreedheid, die alle vrouwen eigen is, als zij beminnen en ijverzuchtig zijn, dezen laat-sten stoot had toegebracht, — zag zij glimlachend en teeder tot haren geliefde op. Maar zijn gelaat bleef volkomen kalm, en Charlotte's verhaal scheen meer de verbeelding des dichters, dan het hart van den man getroffen te hebben.

„'tls waar,'' zeide'hij zacht voor zich: „elk menschelijk hart biedt stof voor een tragedie. Het geheele leven is ten laatste niets meer dan een groot treurspel, welks maker de eeuwige wereldgeest is. Wij, kleine menschenkin-deren zijn hierin niets meer dan de arme acteurs, welke de wereldgeeiit in 't leven heeft gebracht tot geen ander doel, dan om in zijn tragedie de rol te spelen, welke hij ons heeft voorgeschreven. En wij arme acteurs verbeelden ons, vrije, onafhankelijke wezens, — ja, heeren der schepping te zijn, en spreken van zelfbestemming en vrijen wil! Ach, deze zelfbestemming is toch niets dan de zelfvergoding van den armen slaaf, die meent met geknakte hoop en vernietigde idealen zich vrijgekocht, — en ten minste zijn vrijheid verworven te hebben. — „Kom, Charlotte,quot; zeide hij toen, plotseling zijn peinzende betrachtingen stakende: „kom, mijn dierbare vriendin, laat ons gaan. Ik voel dat de gedachten in mijn hoofd en hart branden, ' en de dichter levend wordt in den mensch. Ik

ocr page 485

209

moet werken, schrijven, om weder tol rust en vrede met mij zei ven te komen!quot;

„En vindt ge geen rust en vrede meer bij mij, Frede-rik? Hebben zij uitgeklonken deze heilige feestklokken der inwendige overeenstemming? Roepen zij ons niet meer tot het jubelfeest der zielen, opdat zij als twee zonnestralen elkander licht, glans en warmte verleenen ?quot;

,,0, Charlotte; ook de zielen hebben heur stemming, schoon ook de grondtoon der liefde eeuwig dezelfde blijlt. Houd u slechts daaraan; laat deze nooit vergaan, en wees niet boos, als somwijlen de snaren mijner ziel door een of andere onweersbui ontstemd worden.quot;

„Ik ben nooit boos op u,quot; zeide zij treurig en innig teveus: „uw vrede en uw geluk is alles wat ik begeer, en u die te bezorgen, zal de taak mijns geheelen levens zijn. O, gij moet gelukkig worden, Frederik Schiller! Ik gevoel dat dit de heilige roeping is, welke het lot mij heeft opgedragen, en om wier wille het mij in de wereld heeft gebracht; ik moet er toe bijdragen, u gelukkig te maken en uw hart vreugde, uw ziel opgewektheid te geven. Ja, gij moet blijde zijn! Uw genius schijnt over u, en lacht uw werk toe; hij neemt alle zorgen van het hoofd desj met lauweren bekroonden dichters, en geeft u roem, eer en aanzien! Maar ik wil u geluk en opgewektheid geven, want ik bemin u, en gij, gij hebt mij duizendmaal gezegd, dat ge mij bemint en uw geluk in mijn hart rust! Ik wil 't gelooven, Frederik; ik wil er aan vasthouden, eeuwig en altoos; ik wil met verheugden blik in de toekomst schouwen en hopen, dat wij nog alle hindernissen overwinnen, — en elkander toebehooren zullen. Gij zegt, dat mijn echtgenoot u ontwijkt en u niet wil verslaan. Welaan, dan zal ik hem dwingen ons te verstaan; ik zelf zal hem met klare, duidelijke woorden zeggen, wat wij beiden van hem wenschen en hopen iquot;

„Neen, Charlotte,quot; zeide Schiller; „dit is het werk van een man, en laat dit aan mij over! Er zal wel een oogen-blik komen, dat hij niettegenstaande zijn pogingen, ons niet meer kan ontwijken; ik zal van dat oogenblik gebruik maken, en voor ons beiden spreken. Zie mij niet zoo twijfelend aan, Charlotte. Ge hebt mij onderwezen in de moeilijke kunst van wachten en geduld hebben!

Kühlbaoh, Buüschland in woeling en strijd. IV. 14

ocr page 486

240

Leer nu ook zelve een weinig van deze kunst, maar vergeet niet, dat de ster onzer liefde eeuwig voor ons schijnen zal!''

VII.

DE EERSTE ONTMOETING.

Den volgenden morgen reed Schiller met mevrouw von Kalb naar Rudolstadt, om de familie Lengefeld een bezoek te brengen. Charlotte zag het wel, dat Schiller's gelaat steeds vroolijker werd, hoe meer zij de kleine Thuringsche stad naderden, die zoo liefelijk als een bouquet lentebloemen te midden van boschrijke hoogten ligt.

Mevrouw von ^Lengefeld stond voor de deur van haar klein, lief huis, en ontving de welkome gasten met voorname deftigheid, doch tevens met vriendelijke goedheid. Achter haar kwamen de trissche en fraaie rozengezichten harer beide dochters te voorschijn, beiden de glinsterende oogen op Frederik Schiller gericht; beiden hem vroolijk welkom toeroepende, en hem met bekoorlijken blos de handen tot groet reikende.

Hoewel Charlotte von Kalb zich levendig met mevrouw von Lengefeld onderheid, luisterde zij toch naar ieder woord, en lette op lederen blik en elk gebaar. Zij hoorde, dat Schiller de beide zusters met dezelfde vriendelijkheid begroette; zij zag, dat zijn oogen met den helderen straal van hartelijkheid en deelneming op heiden rustten, en het gelaat van mevrouw von Kalb nam een voolijker uitdrukking aan, want in haar jubelde het: „Hij bemint hen niet, hij trekt de eene niet boven de andere voor. O, hij heeft mij wel de waarheid gezegd: hij bemint'fcei-den als een paar zusters, en zijn liefde en teederheid beboeren mij!quot;

En nu haar hart tot deze blijde overtuiging was gekomen, nu was Charlotte von Kalb ook verheugd en opgewekt in haar geheele wezen, schertste en lachte met de beide jonge dames, was vriendelijk, voorkomend jegens

ocr page 487

241

mevrouw von Lengefeld, en vol teedere achting en oplettendheid jegens Schiller. Daarbij was haar onderhoud schitterend vun geest en van grondige kennis, en de vroolijkste, pikantste scherts, de diepzinnigste en belangrijkste opmerkingen sprongen als schitterende vuurpijlen van hare glimlachende lippen.

„Hoe geestig, verstandig en beminnelijk is toch deze vrouw,quot; zei de oudste van beide zusters, Caroline von Beulwitz, toen Schiller met beiden een wandeling in den kleinen bloemtuin achter het huis deed, terwijl mevrouw von Kalb bij mevrouw von Lengefeld in het salon bleef.

Schiller ging in 't midden tusschen de beide zusters, en op ieder zijner armen rustte een der blanke fraaie handen van de zusters. Hij scheen vroolijk en gelukkig, zijn gelaat straalde van genoegen, en zijn tred was licht en zwevend, terwijl hij met zijne armen de handen der zusters vast aan zich drukte.

„Ik zou zóó met uw beiden terstond regelrecht naar den hemel willen gaan,quot; zeide hij blijmoedig: „en ik houd het volstrekt niet voor onmogelijk dat ik dit aanstonds ook doe; want heden schijnt mij niets onmogelijk, en het komt mij voor, alsof de hemel op aarde was nedergedaald, óp-dat ik er met u beiden zoo regelrecht zou kunnen binnengaan !quot;

„Laat ons dan schielijk omkeeren en naar huis gaan, opdat wij beveiligd zijn voor zulk een hemelvaart,quot; zeide Caroline von Beulwitz glimlachend, en haar zuster Charlotte lachte luidkeels.

„O, Caroline, ik wilde dat wij deze hemelvaart konden doen. Welk een verbazing zou het veroorzaken, en hoe zou men ons zoeken, terwijl wij drieën hierboven op de wolken gingen wandelen !quot;

„En hoe erg, — maar ten onrechte, — zou mevrouw von Kalb op ons verstoord zijn, dat wij haar geliefden vriend hadden ontvoerd,quot; zei Caroline ironisch.

„Juist daarom zou het mij een onbeschrijfelijk genoegen doen,quot; riep Charlotte lachend.

„Mij' waarlijk óók,quot; betuigde Schiller; „het zou misschien zoo kwaad niet zijn, als men soms door zulke hemelvaarten alle aardsche banden kon verscheuren, en vrij als de vogel in de lucht boven al het gewoel en verdriet der

ocr page 488

'242

aarde in een helderen ether kon zweven, met de geliefd sta in den arm. O, mijn dierbare vriendinnen, waarom kunnen wij niet heden onze hemelvaart doen?''

„Heden? — Neen, heden gaat het niet.''zeide Charlotte, zich voorwaarts buigende, om voorbij Schiller haar zuster een veelbeteekenenden wenk te geven : „nietwaar, Caroline, heden mogen wij deze aarde niet verlaten, want wij hopen dat zij ons vroolijke en gelukkige uren brengen zal.quot;

„Daar hebt ge nu weder die geheimzinnige houding en het veelbeteekenend toewenken,quot; riep Schiller levendig : „er is iets op til, er moet iets gebeuren, iets buitengewoons nietwaar? Zeg mij, Lolo, wat moet er gebeuren?'

Charlotte lachte vroolijk en schudde haar bruin krulkopje. „Ik weet van niets.''

„Maar gij, waarde Caroline, op wier zoete lippen steeds de waarheid en de goedheid tronen, gij zult mij zeggen of ik mij niet bedrieg, en of zich heden nog een geheim onthullen zal.quot;

„Ja, mijn vriend,'' zeide zij glimlachend : „het is zoo. Wij hebben een klein geheim voor u, maar ge weet, hoop ik, dat wij nooit iets tegen u zouden kunnen doen, en quot; „En ik geloof,quot; viel de jongere zuster haar in derede: „dat het geheim zich juist onthullen zal, wantik hoor het naderen van een rijtuig. Luistert, het houdt voor onze deur stil. Ja dat is het geheim ! Kom, vriend laat ons het te gemoetgaan!quot;

En zij wilde Schiller en haar zuster haastig met zich voorttrekken, maar Caroline hield haar met zacht geweld tegen. — „Nog een oogenblikje, Lolo! Zeg eens, vriend; stelt ge in ons wel het vertrouwen, ons zonder te vragen en zonder ongerustheid te volgen, zelfs zoo wij u bekennen, dat wij u een geheim te gemoet voeren?quot;

Schiller nam de handen van beide zusters in zijn rechterhand, en ze met zijn vingers vast omspannende, drukte hij ze aan zijn borst.

„Ik zal u beiden volgen met verheugd en trotsch hart, waarheen ge mij ook voeren moogt. Ik stel in u beiden zulk een onwrikbaar vertrouwen, dat ik mijn geluk, mijn leven, mijn eeuwige zaligheid in uw beider geliefde handen zou kunnen leggen, en al de geheimen der we-

ocr page 489

213

reld zou Irotseeren, als gij het zijt, die ze mij brengt!quot;

„Maar ge zoudt toch gaarne weten luelk geheim het is, nietwaar?quot; vroeg Lolo.

„Neen,quot; antwoordde Schiller met een uitdukking van innig vertrouwen: „neen; het staat bij mij vast, dat het slechts iets goeds moet zijn, 'twelk mijn lieve geniën mij willen te gemoet voeren. Komt dus, mijn vriendinnen!quot;

„Schiller,quot; zeide Caroline met bewogen gelaat en bevende stem; „wij danken u voor de hooge eer, welke ge ons bewijst, en die wij beiden als een heilig geschenk in onze harten zullen dragen, zoolang wij leven. Maar ge zult nu ook niet, — gelijk de andere dames besloten hadden,— verschalkt en overrompeld worden, — maar 'tzal van uw vrijen wil alleen afhangen, of ge tot de plannen uwer vrienden wilt toetreden. Schiller, ge hebt zooeven een rijtuig hooren stilhouden. Weet ge wie gekomen is! Mevrouw von Stein en Goethe!quot;'

„Nietwaar, dat is een verrassing?quot; riep Lolo glimlachend.

„Ja,quot; zeide hij met bewolkt gelaat: „ja, een verrassing, maar geen aangename. De heer geheimraad Goethe heeft mij niet getoond, mijn verkeering te wenscben, en ik zou niet willen dat hij kon denken, dat ik mij opdrong tot zijne kennismaking. Er is plaaats genoeg voor ons beiden in de wereld, om elkander te ontwijken, als't hem belieft. En hoezeer ik Goethe's genie ook erken, en mij door zijn dichterlijke scheppingen bekoord, ja verrukt gevoel, ben ik evenwel niet nederig genoeg, om niet te meenen, dat ook ik een dichter ben, dat men ook mij eenige achting en verdienste zou moeten toekennen, en niets zou mij onwaardiger schijnen, dan Goethe twee schreden tegemoet te gaan, terwijl hij een schrede terugtreedt, of slechts blijft staan, om mijn nadering af te wachten.quot;

„Maar dit is niet zoo. Schiller; neen, gewis, het is niet zoo,quot; riep Charlotte ijverig, terwijl Caroline hem slechts met glinsterende oogen aanschouwde en zich over zijn edele, (iere houding en moedige woorden scheen te verheugen. „Zeg 'them toch, Caroline; 'want u gelooft hij meer, en in u heeft hij grooter vertrouwen. Zeg hem hoe liet gesteld is.quot;

„Vriend,quot; zeide Charlotte zacht: „Goethe wist evenmin

ocr page 490

214

van uwe aanwezigheid alhier, als gij van de zijne. De beide dames von Stein en von Kalh hebben alles beschikt; en wij hebben er gaarne de hand toe geleend, dat de beide grootste dichters van onze tijd, de edelste geesten onzer eeuw, eindelijk elkander zouden naderen en van de voor-oordeelen' terugkomen, welke zij jegens elkander voeden. Terwijl wij u deze verklaring geven, geschiedt ze aan Goethe binnen door de dames, en ge kunt wel denken, dat Charlotte von Kalh de eer van haar geliefden vriend Schiller te hoog houdt, om Goethe niet te overtuigen dat hij, Schiller, niets weet van eenig afspraak, en ge u ten zeerste zoudt verzetten, een kennismaking te zoeken, die zijnerzijds niet gewenscht werd.quot;

„Komt, mijn vriendinnen, laat ons in huis en tot het gezelschap gaan,quot; riep Schiller met een gedwongen glimlach : „Het past wel, dat ik den voornameren en grooteren man een schrede tegemoet ga, en —quot;

Hij zweeg, want juist verscheen op het kleine bordes, dat uit het huis in den tuin voerde, te midden der beide Charlotte's, Goethe's edele, fiere gestalte.

„Ge ziet wel,quot; fluisterde Caroline haastig; „Goethe denkt even als gij en is gaarne bereid — u een schrede tegemoet te gaan.quot;

Intusschen was Goethe te midden der beide dames bedaard de twee treden afgegaan, zonder zijn levendig en opgewekt gesprek met de dames te staken. Maar toen hij zag, dat Schiller hem met haastige schreden naderde, trad ook Goethe hem sneller tegemoet, en zijn' fraai en fier gelaat verloor geen oogenblik de uitdrukking van opgeruimde welwillendheid en edele kalmte.

„Mevrouw von Kalb heeft mij verweten, dat ik mij onlangs zoo haastig en zonder complimenten verwijderde, toen wij elkander in het park ontmoetten,quot; zei Goethe vriendelijk; „Ik stem gaarne toe, dat ik ongelijk had maar tevens beken ik, dat het mij niet betamelijk voorkwam, dat wij beiden slechts door een loutere gril van het toeval kennis zouden maken.quot;

„En tóch is het heden wederom het toeval,quot; antwoordde Schiller schielijk; „het toeval dat mij vergunt den dichter Goethe te begroeten.quot;

„Maar thans hebben de schoonste en bekoorlijkste ban-

ocr page 491

215

den het veroorzaakt,quot; riep Goethe, bevallig voor de dames buigende, „en ik doe gelijk de ouden, en zeg eerbiedig; „Wat ons de groote goden beschikken, kan slechts goed en schoon zijn!quot;

Maar als had hij hiermede aan de wenschen zijner vriendin genoeg voldaan, en den heer Schiller genoeg opmerkzaamheid betoond, wendde Goethe zich weder tot de dames, en voer voort met het onderhoud, dat hij bij de intrede van den tuin begonnen was. Zij hadden hem om inlichtingen nopens het leven en karakter der schilderes Angelika Kaufmann gevraagd, en met levendige, hartelijke deelneming verhaalde Goethe van haar leven, van haar genie, en van hare edele gezindheid

Vervolgens, — toen het gezelschap zich later in het tuin-salon om de ronde tafel aan den eenvoudigen maaltijd vereenigde, — verhaalde Goethe, aangespoord door Charlotte von Stein, van zijn Italiaansch leven, van het onvergetelijke Rome, van hel eeniglijk voor een kunstenaar, ja voor een wezenlijk verheven mensch waardig leven, 't welk men in Italië leidde. Zijn voorhoofd straalde steeds hooger, terwijl hij sprak; zijn gelaat schitterde van een adel en een schoonheid, die niet in den uiterlijken vorm hun oorsprong hadden, maar uit een verhe\ene, inwendige bezieling stroomden, en zijn aangezicht bestraalden, gelijk de uit den Vesuvius opstijgende vuurzuil, den schoenen aardschen berg, als in een hemelsche verheerlijking, rooskleurig en doorschijnend doet voorkomen.

De blikken der dames hingen met verrukking aan het fraaie gelaat, aan de schitterende oogen, de bespraakte lippen, die met vlammende geestvervoering verhaalden van Italië, — van het land van belofte der kunst en poëzie.

Schiller zat hierbij zwijgend in zich zelve gekeerd, met nedergeslagen oogen, met een stil, schier onverschillig gelaat; — zelden met een zacht woord instemmende met de luide opgetogenheid der vrouwen; zich nooit met een ot andere vraag, of opmerking tot Goethe wendende, evenals deze zich nooit met zijn rede onmiddellijk tot Schiller richtte, maar als een voornaam groot heer tot allen sprekende, verzekerd dat allen met eerbied en bewondering naar zijn woorden luistfrden. —

„Ik ben niet tevreden met de uitkomst van dezen dag,quot;

ocr page 492

216

zuchtte mevrouw von Kalb, toen zij des middags met Schiller naar Weimar terugkeerde; „ik had mij zulk een fraai, heerlijk resultaat van deze ontmoeting met Goethe beloofd. Ik hoopte dat ge beiden elkander zoudt leeren beminnen en vertrouwen en nu zijt ge elkander voorbijgegaan als twee sterren, die elkander toevallig op haar baan ontmoeten, maar die verder gaan, zonder elkander aan te trekken. Zeg mij ten minste, mijn vriend, hoe hij u bevallig is.quot;

.,Vraag mij, hoe mij een gletscher bevalt, en of ik mij warm en opgewekt in zijne nabijheid gevoel. Ja, een gletscher is deze Goethe; groot en verheven, glinsterend en stralend als de Mont-Blanc, maar zijn dampkring is koud, en voor zijne grootschheid verstijven alle bloesems van genegenheid. Ik beken het, het zou mij ongelukkig maken, dikwerf in Goethe's tegenwoordigheid te zijn. Hi] heeft zelfs jegens zijn naaste vrienden geen oogenblik van ontboezeming, hij is aan niets te vatten; hij is, geloof ik, een egoïst in den hoogsten graad; hij bezit het talent de menschen te boeien en zich zoowel door kleine als groote oplettendheden verplichtend te maken, maar zich zeiven weet hij altijd vrij te houden. Hij geelt zijn bestaan door weldaden te kennen, doch slechts als een god, zonder zich zeiven te geven; — dit komt mij een overlegde en berekende handelwijze voor, die volkomen op het hoogste genot der eigenliefde aangelegd is. Zulk een wezen moesten de menschen niet om zich heen laten opkomen. Mij is hij, — dit beken ik, — hierdoor volkomen gehaat, hoezeer ik zijn geest ook bewonder, en er groote gedachten van heb.quot; ^

„En ge zult ook nog leeren, zijn geheele wezen te beminnen, Frederik.quot;

„'t Kan zijn ; ik wil het niet betwisten,quot; zei Schiller nadenkend : „want 't is waar, een zeer zonderlinge mengeling van liefde en haat is het, die hij in mij verwekt heeft; een gevoel, niet geheel ongelijk aan dat, 'twelk Brutus en Cassius ten aanzien van Gesar mogen gehad hebben; ik zou zijn geest kunnen ombrengen,en hem tóch weder hartelijk beminnen.quot; 1)

1

Idem.

ocr page 493

217

En ter zelfder tijd, dat, „Brutusquot; aldus zijn uit haa en liefde gemengd gevoel uitte, sprak ook „Gesarquot; zijn oordeel over Brutus uit; dit was echter niet een mengsel van haat en liefde, maar schier van trots en minachting; want van de hoogte des kapitools mocht de held, die de moeilijkheden van den weg reeds achter zich had, en wien de welverdiende lauwerkrans reeds het edele, door de goden gezegend voorhoofd omgaf, wèl met eenige trotsche voldoening en medelijdende minachting nederzien op dengene, die nog met de moeilijkheden van den weg worstelde, en de demons nog niet overwonnen had, die hem den weg naar de hoogte bestreden.

„Mijn waarde, geliefde Wolf,quot; zeide mevrouw von Stein op de tehuisreis tot Goethe: .,ik had gehoopt dat ge jegens Schiller een weinig vriendelijker en voorkomender zoudt geweest zijn. Gij hebt nauwelijks op hem gelet.quot;

„Ik houd hem voor Ie belangrijk, om tegenover hem te kunnen schijnen wat ik niet ben,quot; antwoordde Goethe levendig: „en ik ben hem niet genegen in mijn hart. Zijn wezen, zijn geheel bestaan staat mij tegen; ik heb een antipathie tegen hem, welke ik niet verwinnen kan, en niet verwinnen wil.''

„Maar Goethe is niet de man, die zich door antipahiën laat leiden, zoo hij er geen redenen voor heeft.quot;

„Welnu dan,quot; riep Goethe met een heftigheid, zooals hij zich sedert zijn terugkomt uit Italië zelden veroorloofde: „welnu dan, ik heb óók mijn redenen. Schiller vernietigt wat ik met moeite geschapen heb; bouwt weder op, wat ik waande eindelijk omvergeworpen te hebben; dezen afschuwelijk storm en drang der gemoederen, deze hemelbestormende gevoeligheid, dat wilde gloeien en zweven en zwenken, dat zoo vol onbestemds en nevelachtigs is, en met tranen en zuchten en joelen en juichen geen heldere, verhevene gedachten, geen reine, zelfbewuste geestdrift laat opkomen. Zijn Roovers walgen mij, deze „Frans Moorquot; is slechts het gewrocht van een wel krachtig, — maar onzuiver talent. En ik moet nu bij mijn terugkomst zien, dat die ethische en theatrale paradoxen, van welke ik mij eindelijk heb trachten te zuiveren, door Schiller weder met een meèslependen stroom over geheel Duitschland uitgestort worden! Het rumoer, dat hierdoor

ocr page 494

218

in het vaderland verwekt is geworden, — de bijval, welken iedereen aan deze wilde misgeboorten eener verhitte verbeelding schenkt, verschrikt mij, en het komt mij voor, alsof ik geheel vruchteloos gestreefd en gewerkt had, en als ware ik verlamd en ter zijde gesteld, en nu maar moest ophouden met de dicht- en schoonheidskunst. Want hoe is het mogelijk, zulke voortbrengsels van geniale waarde en wilden vorm te overstemmen'? Als Duitschand voor den Roover Karei Moor in verrukking komt, en smaak kan vinden in een monsterachtige caricatuur, als de on-menschelijke Frans Moor, dan is het gedaan met de zuivere aanschouwing der kunsl, welke ik getracht heb voor mij zeiven en ook voor mijne gedichten te erlangen, en ik zou voor altoos willen verstommen; want dan is al mijn pogen, al mijn dichten en trachten verloren en overbodig!quot; 1)

„Maar, mijn waarde vriend, gij spreekt slechts van Schiller's eerstelingen, waarop toch nu zoo menig edeler en gelouterder werk gevolgd is. Hebt ge dan zijn don Carlos niet gelezen?''

„Ik heb het gelezen, en 't gaat hiermede niet beter dan met de Roovers. Laat het zoo zijn, en wil niet beproeven, een vereeniging tusschen ons beiden te bewerken. quot;Wij zijn nu eenmaal twee antipoden des geestes, en meer dan één middellijn der aarde ligt tusschen ons en scheidt ons. Laat ons dus ook beide als polen yelden, die juist daarom nooit kunnen samenvallen.quot; 2)

,.Hoe opgewonden zijt ge, mijn geliefde vriend,'' zuchtte Charlotte; „er is dus nog iets dat. u uit uw Olympische rust en kalme gelijkmoedigheid kan nedertrekken tot de aardsche hartstochten!quot;

Goethe lachte haar toe. „Homo sum, nihil humani a me alienum piUcTquot; zeide lii] \'roolijk: „Ja, Charlotte, ik heb in Italië de groote goden van den Olympus leeren kennen; ik weet, hoe ver, — ach, hoe ver ik van hen sta, en zeg het met allen deemoed der erkenning: „Ik ben een mensch, en niets menschelijks is mij vreemd,quot;

„Ik wenschte dat ge nooit in Italië waart geweest,quot; zuchtte Charlotte treurig.

1) Goethe's eigen woorden. Zie: Goethe's sammelte Werke. Th 23.

2) Idem.

ocr page 495

219

„En ik,quot; riep hij heftig; „ik wenschte dal ik er nooit van teruggekomen was; nooit het in vormen rijke, schoone Italië verlaten had, om weder te keeren naar het onbehouwen Duitschland, en den helderen hemel voor een somberen te verruilen!quot;

„Ach, Goethe,quot; riep Charlotte met losbrekende tranen: „hoe liefdeloos en wreed zijt ge jegens mij!quot;

„Jegens w?quot; vroeg hij verschrikt: „Mijn God, verstaan wij elkander dan waarlijk niet meer? Neemt Charlotte geen deel meer aan mijn lijden, even als aan mijn vreugde? Begrijpt ge niet het diepe wee, dat in mijn hart trilt, als ik aan Italië denk?quot;

„Hoe zou ik het niet begrijpen!quot; riep zij: „Sedert ge mij onlangs uw liefdes-avontuur met de schoone Leonora verhaald hebt, begrijp en versta ik alles; want ik weet immers nu, dat uw hart in Italië is teruggebleven, en het verlangen der liefde u uit het koude Noorden naar Italië terugtrekt.quot;

Hij zag haar met een langen, smartelijken blik aan. „O, Charlotte, nu moet ik u wel liefdeloos en wreed noemen, want ge zijt het in waarheid. Juist hetgeen ge als het grootste bewijs mijner liefde en vriendschap moest aanmerken, — het eenige, onbeperkte vertrouwen, 't welk niets, zelfs niet de kleinste beweging der ziel, niet de minste trilling van het hart verbergt en verzwijgt, juist dit vertrouwen schijnt u aan mij te doen twijfelen, in plaats dat het u had moeten bevestigen, hoe ge voor mij het hoogste, liefste wezen zijt, juist wijl ik u alles zeg, alles beken!quot;

„Ik, mijn vriend, heb u Goddank, niets te zeggen, niets te bekennen,quot; riep zij geraakt; „Ik heb u geenoogenblik vergeten! Zoowel mijn ziel als mijn hart is u trouw gebleven, en terwijl gij aan de voeten eener andere als een smachtend minnaar nederknieldet, smeekte ik knielend aan God om geluk en zegen voor den trouwelooze, die mij misschien in hetzelfde uur vergat en verried, en thans nog de wreedheid zóó ver drijft, van voor mij te klagen en te jammeren om zijn verloren Italiaansch paradijs, en—quot;

„Charlotte,quot; viel hij haar met smartelijke heftigheid in de rede; „ik bezweer u, spreek niet verder, want ge weet niet wat ge doet; ge weet niet welk een onbeschrijfelijk

ocr page 496

220

leed uwe woorden mij veroorzaken. Ach, mijn vriendin, mijn geliefde; moeten dan alle tempels vallen en alle idealen verwoest worden? Charlotte, ontwaak! Wees weder u zelve; niet de ijverzuchtige, kleingeestige vrouw, maar de edele, hooghartige vriendin, die verheven is boven gewone zwakheden en weet, dat de eeuwige, goddelijke liefde, die ons beide vereenigt in onverstoorbare reinheid, ook dan nog blijlt bestaan, als somwijlen nog nevens haar, kleine lieve aardsche bloempjes ontluiken. Wees toch toegevend jegens mij en jegens ons beiden, en wil niet dat ik met mijn veertig jaren als een grijze kluizenaar, reeds dood ben voor alle kleine, vluchtige opwellingen van het hart.quot;

„Ik heb geen verstand van dergelijke drogredenen,quot; zeide zij scherp: „en wat gij vluchtige opwellingen van het hart noemt, schijnt mij eenvoudig een trouwloosheid en heiligschennis der liefde, welke ge mij vroeger gezworen hebt, dat nooit vergaan en veranderen kon.''

Goethe boog treurig het hoofd. — „Het schijnt werkelijk alsof wij elkander niet meer verstaan,quot; zeide hij zacht: „maar ik wil gaarne toegeven, dat de schuld aan mij ligt, en ik verzoek u dus om vergeving. Ik zal ook voortaan voorzichtiger zijn, en u geen mededeelingen meer doen, van welke ik moet veronderstellen dat zij u krenken.quot;

„Dat heet, ge wilt mij alleen uw vertrouwen onttrekken, maar evenwel niet ophouden te doen, wat mij krenken moet.quot;

Het trilde op zijn gelaat, een toornige blik schitterde in zijne oogen, en zijn wangen verbleekten, maar hij drukte de lippen samen, om het heftige woord terug te dringen, 't welk zijn wrevel hem wilde afpersen.

Charlotte schrikte, en ook zij verbleekte; want het was voor de eerste maal, dat Goethe's oogen zich met zulk een blik op haar gericht hadden; dat deze koude straal van toorn haar hart getroffen had; voor de eerste maal, dat zij op zijn gelaat de hartverscheurende taal der minachting en onverschilligheid gelezen had. Een luide smartkreet wrong zich uit haar borst, en de tranen stroomden als heldere beken uit hare oogen.

Goethe zocht haar niet te troosten; hij zat zwijgend aan haar zijde, en terwijl hij zijn groote, sombere oogen op

ocr page 497

221

haar gericht hield, zeide hij tot zich zeiven : „Het is een treurig lot voor de vrouwen, dat haar smart zich terstond in tranen moet uitstorten; want er zijn zoo weinig vrouwen, die schooner worden als zij schreien. De tranen van gekrenkte liefde staan slechts goed op jorw/e aangezichten, maar Charlotte is er niet jong genoeg meer voor. Zij ziet er oud en leelijk uit als zij weent.quot; —

Arme Charlotte! —

Op den laten avond van dezen dag verliet Goethe, — den hoed diep in de oo^en gedrukt, de gestalte geheel gehuld in een mantel, — zijn huis door een kleine zijdeur, die uit zijn tuin in een enge kleine steeg voerde. Vroeger, — vóór zijn Italiaansch reis, — was hij dikwerf in de avondschemering en des morgens vroeg uit dit deurtje geslopen, om langs den korteren en stilleren weg naar zijn geliefde Charlotte te gaan; en ook dikwerf had dit deurtje zich geopend om Charlotte von Stein, de schoone, geliefde vriendin, in den tuin van den vriend te laten binnentreden. Maar heden had Goethe gewacht tot de donkere nacht het aan de oogen der nieuwsgierige buren onmogelijk maakte, hem op te merken en na te zien, en heden richtte hij zijn schreden niet naar het deftige huis bij het park, waar mevrouw de barones von Stein woonde. Hij sloeg een geheel andere richting in; door straten en stegen ging hij naar een armoedig huis, met donkere kleine vensters. Slechts achter één venster brandde nog licht, en de schaduw eener sierlijke vrouwengestalte zweefde langs de nedergelaten gordijn. Toen Goethe] echter met haastigen vinger tweemaal aan de vensterruit klopte, verdween de schaduw, en vervolgens hoorde men het zacht en voorzichtig openen der huisdeur. Wie het huis had gadegeslagen zou gezien hebben, dat spoedig hierop twee schaduwen achter het gordijn zichtbaar werden, twee schaduwen in een teedcre omhelzing!quot;

ocr page 498

222

VIII.

WILHELMINA RIETZ.

De Rozenkruisers en Illuminaten, die Koning Friedrich Wilhelm den Tweede met hunne onzichtbare netten omsponnen hielden, hadden overwonnen. De Koning was in hun macht, en zij waren het, die den Pruisischen staat regeerden, en door hun onbegrensde macht op 's Konings gemoed, de eigenlijke koningen van Pruisen waren. Generaal von Bischofswerder stond den Koning ter zijde, als dienst grootste vertrouwelingen geestenbezweerder. Wöllner was thans van kamer-raad tot geadeld Pruisisch minister bevorderd, en hém was de leiding der gewetens en harten van het Pruisische volk opgedragen geworden. Tegen het einde van 'tjaar 1788 had deze bevordering van Wöllner tot minister van eeredienst en onderwijs plaats gehad, en de eerste groote daad van den nieuw benoemden minister was het beruchte edict, dat het geweten der menschen in banden leggen, — en hen bevelen wilde wat zij geloo-ven, — en in zake van God en den godsdienst, als waar en onomstootbaar aannemen moesten. Het was niet meer geoorloofd, met het licht der rede en de fakkel der verlichting, de instellingen der Evangelische Kerk te beschijnen, en te verhelderen wat in een mystieke duisternis bleef. Het werd veelmeer streng verboden met de drogredenen van het verstand de geboden en de instelingen van den geopen-baarden godsdienst te onderzoeken; en hij, die niet met onvoorwaardelijke, zwijgende onderwerping het orthodok-sche Kerkgeloof aannam, was een misdadiger. De geestelijken en onderwijzers, die dit niet doen wilden, werden met ontzetting van hun ambt en nog hardere straffen bedreigd, en het geheele volk het kerkbezoek, en den eerbied voor de geestelijken tot strengen plicht gemaakt.

Maar de heer minister von Wöllner was een veel te sluw en listig man, om niet te weten, dat dit edict bij een volk, dat door Koning Frederik de vrijheid van geweten, van denken en van gelooven als het heerlijkste

ocr page 499

223

geschenk had erlangd, de groolste misnoegdheid den iuidsten biaaam zou verwekken; en dat het verstand en den geest, welke hij verboden had zich in de Kerk te doen gelden, zich nu door de drukpers en de openbare meening, door luiden blaam en scherpe veroordeeling, hierover zouden wreken. Wöllner moest dus trachten, dit door een krachtig middel te verhinderen, en hij vond dit middel in de censuur. Deze guillotine van den geest werd in Pruisen terzelfdertijd opgericht, als in Frankrijk docter Guil-lotin met den goeden Koning van Frankrijk uit een mensch-lievend doel over een valbijl peinsde, die de hoofden der misdadigers zóó schielijk van den romp zou scheiden, dat geen pijnlijk gevoel er van overbleef! De goede Koning Lodewijk XVI en zijn menschlievende arts vonden toen de valbijl uit, en naar haren uitvinder verkreeg zij den naam guillotine, en werd de bloedrechteres over Frankrijk. De goede Koning Friedrich Wilhelm liet terzelfdertijd door zijn menschvijandigen geestelijken arts von Wöllner de „valbijl des geestesquot; oprichten, die de gedachten dooden, — en den geest verminken en ontheiligen zou! Deze guillotine des geestes, censuur geheeten, was het tweede groote geschenk, dat het ministerie Wöllner aan het Pruisische volk bracht. Het werk der vrijheid en verlichting van Frederik den Groote had Wöllner hiermede vernietigd; maar de werken van Frederik den Groote gaf dezelfde Wöllner, de vrome, orthodokse man in het licht, en alleen voor het drukken van deze werken des verlichten koninklijken spotters met den godsdienst, bestond er (jeen censuur en geen geestesdwang! De uitgave dezer werken van Frederik den Groote bracht den vromen uitgever ervan, — den minister von Wöllner, — een goede rente op, en naast den godsdienst, dien de vrome minister beleed, boog hij tóch nog met hoogere aanbidding voor den afgod; het geld zijne knieën, en zocht van dien afgod steeds nieuwe giften te winnen!

De groote Koning leefde nog slechts in zijne geschriften, maar niet meer in zijne Staten, en zijn geest werd uit de regeering verdreven; de mannen, die hem hadden gediend, graaf Herzberg aan 't hoofd, werden verwijderd en werkeloos gemaakt; de vrijzinnige wetten, welke hij had gegeven, werden opgeheven; het licht der beschaving, dat hij

ocr page 500

224

voor zijn volk had ontstoken, werd uitgebluscht, en duisternis en nacht daalden nu op Pruisen neder Duisternis en nacht op de geesten en harten .van een geheel volk! — De eed was vervuld, dien de kringdirecteuren den Groot-kophta en Grootmagus der R,ozenkruisers in den bewuslen nacht hadden gedaan, toen Frederik de Groote op sterven lag, Bischofswerder en Wöllner hadden dit werk tot stand gebracht: het rijk van de orde der Rozenkruisers was uitgebreid in Pruisen, en aan de onzichtbare vaderen was de macht en het gezag der regeering verleend. De onzichtbare Orde en hare meesters alléén heerschten thans in Pruisen; de Koning was teruggebracht tot hun geloof, en in het stof lag hij aanbiddend voor de onzichtbaren, die hem be-heerschten, en zijn geest en geweten leidden naar hun welgevallen.

Er waren wel is waar nog moedige strijders en koene mannen, die zich aan den dwang der geesten niet wilden onderwerpen, en de guillotine-censuur poogden te trot-seeren; mannen, dien den strijd aannamen tegen de moordenaars der gedachte en der vxüjheid. Daar waren Nicolai en Büsching, daar was Leucbsenring, de opvoeder der prinsen, — en zij werden niet moede te waarschuwen, zij zochten do geesten weder op te wekken, welke de vrome scherprechters wilden dooden. Het „Berlinische Monatsschriftquot; van Nicolai was de kampplaats dezer soldaten der verlichting en waarschuwing, en in dit tijdschrift werd, trots de censuur en het geloofs-edict nog gestreden tegen den dwang; daar viel de practisch verstandige Nicolai nog met bittere spotternij de nieuwe voorschriften aan; daar liet nog Leucbsenring de waarschuwende stem hooren tegen de orde der Rozenkruisers en hare onzichtbare bestuurders. Maar de guillotine van den geest sneed hen eindelijk den levensdraad af, en het Berlijnsche maandschrift, — het laatste bolwerk van de vrijheid des geestes, — zonk neder in de snippermand der censoren, gelijk de hoofden der aristocraten in Frankrijk, door de andere guillotine afgesneden, nederzonken in de mand van den scherprechter!

Maar Koning Friedrich Wilhelm was gehoorzaam aan den wil der onzichtbaren en onderworpen aan de bevelen der verheven meesters, welke deze hem verkondigden door de

ocr page 501

lippen van hunne vertegenwoordigers Bischofwerder en Wöllner. Deze mogen regeeren, deze mogen de tucht der geesten op zich nemen, de Koning heeft andere zaken te doen; den Piozenkruisers zullen de geesten behooren, doch aan den Koning de harten zich onderwerpen! —

In de prachtige zaal van haar paleis onder de Linden te Berlijn, zat de vriendin des Konings in schitterend toilet, het haar met bloemen getooid, den fraaien blooten hals, de wonderschoone naakte armen met golvende banden en juweelen versierd. Zij had zich onachtzaam in den fauteuil achterover geworpen, en zag met vlammenden blik in den grooten staanden spiegel van venetiaansch glas, die, in zijn kostbare lijst van echt zilver, met robijnen en paarlen ingelegd, een der laatste geschenken van den Koning was. Zij beschouwde zich in den spiegel, en een frissche, trotsche glimlach speelde om haar volle, weelderige lippen.

„Ik ben nog altoos schoon,quot; zeide zij: „mijn lippen gloeien, mijn oogen glimlachend nog, terwijl zij verwelkt is en sterft. Waarom heeft zij het ook gewaagd, mijn mededingster te worden, en den Koning van mij te lokken ! Zij wist immers, dat ik sinds jaren zijne geliefde was, en dat de Koning mij plechtig heeft gezworen, mij nooit te verlaten! Maar zij wilde mij verdringen, en boet nu dezen overmoed met haar leven! Zij sterft, 't waar, met een grafelijke kroon op haar bleek hoofd, en ik leef nog altoos als madame Rietz, als de soi-disant echtgenoote van den kamerdienaar, — maar mijne wangen zijn nog bloeiend, en mijn oogen schitteren nog. Zoo ik nog geen gravin ben, ik kan het nog worden, en ik heb immers bij mij zelve gezworen, dat ik het worden wil: gravin, prinses, en misschien ook hertogin^ al naar het valt. Zij allen zullen dit niet verhinderen, deze voorname koninklijke gemalinnen van de linker- en van de rechterhand, en allen ten trots, zal ik tóch mijn weg opwaarts stijgen, terwijl zij heur weg afwaarts gaan! Zij rijden naar het graf, terwijl ik nog lang in mijne, met het grafelijke wapen versierde équipage rijden zal. En bij den hemel en bij god Amor! Mij dunkt, dat het zelfs aangenamer is, in een équipage eenvoudig als madame Rietz te zitten, dan als gravin Ingenheim naar het graf te rijden!quot;

Mühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. IV. 15

ocr page 502

226

Ze lachle vroolijk, toen zij dit zeide, en knikte haar beeld in den spiegel toe. De brillanten en robijnen fonkelden als sterren aan haar hals en hare armen, inden weerschijn van ontelbare kaarsen, die van de kristallen lichtkronen en guéridons, haar licht uitstroomden door het salon. Het was een rijk, heerlijk salon; gestoffeerd met de weelde en pracht, zooals die in koninklijke vertrekken passend kon zijn, en al de andere zalen en kamers van het hotel waren even vorstelijk, als dit salon. De Koning had jegens Wilhelmine's geliefden zoon, den jongen graaf Alexander von der Mark de belofte vervuld, welk hij hem eertijds te Charlottenburg gegeven had. De teedere vader had zijn knappen zoon het paleis onder de Linden geschonken, 'twelk deze gewenscht had, en met zijn moeder en zuster had de kleine graaf Alexander von der Mark dit paleis beti-okken, dat, op bevel zijns vaders, zóó gestoffeerd en ingericht was geworden, „dat het voor den geliefden zoon eens Konings, een waardige en passende woning zou zijn.quot; Maar de kleine graaf von der Mark had niet lang de vreugde gesmaakt, met zijn schoone moeder uit de vensters van zijn hotel naar de parades te zien, welke de Koning ter liefde van zijn zoontje daar liet houden, en waarbij hij steeds onder de vensters, waar Wilhelmine zich met hare kinderen bevond, zijn standplaats nam, en de troepen voorbij zich défileeren liet. De kleine graaf was reeds een jaar na zijn standsverhooging en zijn intrek in het fraaie paleis te Berlijn, gestorven. *) De Koning had hem diep betreurd en beweend, en nooit werd het beeld van den schoonen en lieven knaap uit het hart zijns koninklijken vaders gewischt. De Koning was zóó ontroostbaar geweest, zóó wanhopend over het verlies van den knaap, dat Wilhelmine haar eigen tranen had moeten drogen, haar eigen smart onderdrnkken, om den Koning te troosten en op te beuren. Wilhelmine Rietz had in dezen zwaren tijd van jammer den Koning zóóveel lietde en trouw, zóóveel zelfverloochening en onderwerping betoond, dat hierdoor de lietde en bewondering des Konings voor zijn „dierbare vriendinquot; nóg meer gestegen waren.

1) Tegen het einde van liet jaar 1787.

ocr page 503

227

„Ge zijt een groote vrouw, een heldin,quot; zeide hij tot haar; „Elke andere vrouw zou klagen en jammeren; yij zwijgt en glimlacht, hoezeer ik weet, hoe smartelijk de glimlach uw teeder moederhart valt. Elke andere vrouw zou beven en met zorg en angst de toekomst tegemoet zien, wijl de dood van haar zoon heilloos voor haar'eigene positie zou kunnen worden, en zij zou derhalve de eerste dagen der smart aangewend hebben, om van mij de verzekering en bevestiging van haar eigen bestaan te erlangen. Gij hebt van dit alles niets gedaan, ge hebt met mij geweend en geklaagd, ge hebt mij vertroost en opgebeurd, en niet eens gevraagd, wie de erfgenaam van mijn lieven, kleinen Alexander zijn zal, en welk een gedachtenis hij u nagelaten heeft.quot;

Wilhelmine schudde het hoofd met een berekenden treu-rigen glimlach, van welken zij wel wist, hoe goed hij haar fraai, bleek aangezicht stond.

,,Ik behoef geen gedachtenis aan mijn geliefden zoon,quot; zeide zij; „want mijn hart zal altijd aan hem denken. Ik heb niet gevraagd wie Alexander's erfgenaam zou zijn, wijl ik er niet aan gedacht heb, dat hij iets nagelaten had] want alles wat ik en mijne kinderen bezitten, behoort den Koning, en is zijn eigendom, gelijk wij zei ven het zijn. Ik heb ook niet gebeefd en mij bezorgd gemaakt om mijn eigen bestaan en positie, want ik heb op mijn Koning en heer hetzelfde vertrouwen als op God in den hemel, en ik weet, dat mijn geliefde nooit zijn heiligen eed breken, — mij nooit verstoeten of verloochenen zal 1quot;

„Neen nooit, Wilhelmine,quot; riep de Koning: „ge zijt de edelste, hooghartigste vrouw; ge zijt en blijft mijn dierbare, aangebedene vriendin, en mijn liefde voor u zal langer duren en standvastiger zijn, dan eenige andere liefde. Vertrouw mij steeds en wees zonder vrees en zonder zorg. Wilhelmine. Wat uwe vijanden ook beproeven, — welke intriges en kuiperijen zij ook aanwenden mogen, om u van mijne zijde te dringen, het zal hun mei gelukken! Al het andere mag en zal vergaan, maar de liefde voor m en het vertrouwen in u, zullen duren tot mijn dood, en geene vrouw op aarde, al mocht ik haar ook nóg zoo gloeiend beminnen — zal in staat zijn, u van mijn zijde te dringen, u in ballingsshap te stooten!quot;

ocr page 504

'228

„Wilt ge mij dit zweren, Friedrich Wilhelm? Wilt ge uw vinger hier op liet litteeken aan mijn hand leggen en mij zweren, dat gij mij nooit door mijne vijanden zult laten verstoeten, dal gij mij altoos mijn plaats aan uw hart

wilt laten behouden?quot; , ,

De Koning legde zijn hand op het litteeken, dat hij zeer goed kende, en 't welk hem het uur in de gedachtenis liep, toen Wilhelmine haar hand opzettelijk wondde, opdat hij met haar hloed den eed zijner liefde en trouw jegens haar schrijven zou. - „Ik leg mijn vinger op dit litteeken,quot; zeide hij: „en zweer hij de gedachtenis aan mijn dierbaren zoon Alexander, dat ik nooit zijn gelielde moeder veronachtzamen of vergeten wil, maar dat ik haai beminnen, eeren en hoogcichten zal tot het einde. En nu? daar ik u dit gezworen heb, zie nu ook, dat ik aan u gedacht. — en voor u gezorgd heb.quot; — En terwijl hij haar hartelijk omarmde en kuste, overhandigde de Koning haai de schenkingsacle van het paleis onder de Linden, en de geheele nalatenschap van den graaf Alexander \on dei

Mark. — , ,,

Sedert woonde Wilhelmine Rietz met haar dochter in het paleis onder de Linden; haar huis behoorde lol de gezochtste en gezelligste van Berlijn, en het geestigste en aanzienlijkste gezelschap vond men in de zalen der koninklijke vriendin. Wèl ontbrak het den gezelschapszalen aan dames, eu nooit ruischte de zijden robe eener aristocrate over den glanzenden vloer. Maar het onderhoud was desniettemin niet minder opgewekt en levendig ; want Willielmi-ne's geest, haar schitterend vernuft, haar fijne satire, wist zij steeds opnieuw aan te vuren en te verlevendigen, en de uitstekendste geleerden, kunstenaars en dichters achtten het een groote eer, in het salon van madame Wilhelmine Rietz ontvangen te worden. Zij eerde de wetenschappen, beminde de kunsten, was zelve een weinig dichteres, en bovenal bezat zij een helderen geest, die met snelle bevatting al het gehoorde in zich opman, en uit het verkeer met geleerden en kunstenaars, voedsel wist te trekken. De mannen, die haar salon bezochten, verontschuldigden

er zich gaarne mede, dat Wilhelmine Rietz de beschermster

der kunsten en wetenschappen, — en bovendien een zeer geestige vrouw was, van wie men bekennen moest, dat

ocr page 505

229

zij veel verstand, veel kennis en zeer aangename vormen van verkeering bezat.

De Koning zelf, — een geestrijk man, een Mecenas dei-kunsten en wetenschappen, — beminde deze gezelschappen bij madame Rietz; hij kwam eiken avond in haar salon, want hij was zeker, er opwekking en onderhoud te vinden; zeker, dat hij bij zijn pikante, geestige en opgeruimde vriendin Wilhelmine Rietz steeds verstrooiing en vervroolijking vond, welke hij bij zijn schoone aristocratische gemalin der linkerhand, steeds tevergeefs zocht.

De schoone Julie von Voss, genoemd gravin Ingenheim, had het zich nooit kunnen vergeven, dat zij aan de wen-schen harer familie, aan de beden van haren koninklijken minnaar, — en eindelijk aan de zwakheid van haar eigen hart had toegegeven, en de gemalin der linkerhand, nevens de gemalin der rechterhand geworden was. Haar verstand en haar trots zeiden haar, dat dit kleine manteltje der eerbaarheid tóch niet groot genoeg was, om daaronder haie vernedering en de dubbelzinnigheid van haar bestaan te verbergen, en zij vertoornde zich over haar van goud pronkend, schijnbaar zoo gelukkig bestaan, dat toch niets anders was dan een versierde logen, een met titels en eer getooide schande. De Koning vond zijn schoone en eens zoo vurig beminde Julie zeer dikwerf in tranen; zij was nooit vroolijk, lachte nooit, klaagde over wroeging, en deed zich zelve en haren koninklijken geliefde^vaak zelfs bittere verwijten.

Wroeging, droefgeestigheid, verwijten en tranen echter waren ingrediënten van onderhoud, waarvan Friedrich Wilhelm niet hield, en welke hij ontvlood, om in het salon en aan de zijde zijner pikante, geestige vriendin verstrooiing, vroolijkheid en scherts te vinden. —

Wilhelmine Rietz dacht aan dit alles, terwijl zij met juweelen versierselen in een met zilver geborduurd satijnen kleed, in haar salon op den fauteuil zat en, — daar het gezelschap, 't welk zij verwachtte, nog niet gekomen was, — zich met haar eigen spiegelbeeld onderhield! Zij had steeds gevonden, dat zulk een onderhoud met haar wis cuus in den spiegel, zeer intéressant was; want deze twee dames hadden geen geheimen voor elkander, maar waren een paar vriendinnen, die zonder preutschheid en huiche-

ocr page 506

230

larij elkander steeds haar innigste gedachten mededeelden-„Ge zult tóch nog eene gravin worden,' zeide Wilhel-mine nu: „eene gravin, én wat ge overigens wilt. De lachende dame daar in den spiegel knikte haar toe en riep vroolijk: „Ja, een gravin en prinses wat mij betrett, maar niet zulk eene, die van wroeging sterft, en zicli kastijdt met zelfverwijten. Ook niet zulk een, die door machtig veel bidden en kostbare liefdadigheid zich met de wereld tracht te verzoenen, en zich een stoel in den hemel wil verwerven. Neen; ik zal een gravin zijn, die het leven geniet, hare vijanden dwingt voor haar te buigen, door hare feesten en diners de wereld tracht te verzoenen, en er zich weinig om bekommert, wat na haar dood gebeuren mogen. Want ik zeg, gelijk rnijn groot voorbeeld, de markiezin de Pompadour: Aprés rnoi le déluge!quot;

IX.

DE GEWAANDE ECHTGENOOTEN.

In dit aangenaam onderhoud met haar spiegelbeeld, weid

Wilhelmine gestoord door het haastig openen der deur, en het binnentreden van haar soi-disant echtgenoot, den kamerdienaar Rietz. . ,, , , ,

Wilhelmine zag hem in den spiegel, en zag ook dat haai vriendin in den spiegel rood werd van misnoegdheid, en de wenkbrauwen samentrok. Zonder zich om te wenden, of zich uit den armstoel op te richten, het zij den kamerdienaar dicht bij haar fauteuil komen, en toen zeide zij met wrevele, gebiedende stem; „Waar waren mijne lakeien? Waarom hebt ge u niet laten aandienen. f De heer kamerdienaar Rietz, de factotum der Konings, lachte luid; „Wijl ik geen lust nad, misschien afgewezen te worden, ma belle; en wijl het mij boyendien ongepast schiint mii bij mijne vrouw laten aandienen. Lens voor al- miin beste, verschoon mij van deze zotternij, en maak ons beiden het leven niet moeilijk! Laat degenen die u het hof maken, - laat de hertogen, prinsen, graven en

ocr page 507

231

professoren, en welk dwaas volkje verder bij u binnendringt, — laai die anlichambreeren, en zich doen aanmelden, maar mij moet ge evenzoo ontvangen als den Koning, dat heet: onaangediend. Ik beloof u daarentegen, dat ik nimmer van mijn voorrecht gebruik wil maken, als ge gezelschap hebt, of u in een of ander aangenaam iête-a-tête bevindt. Wilt ge mij dat bewilligen? Stemt ge dit toe?quot;

„Nu, het. zij zoo, als het niet anders kan,quot; zei Wilhel-mine, terwijl zij op een tabouret wees, die nevens haar fauteuil stond: „Ga zitten en laat mij weten wat u tot mij voert.quot;

Maar, in plaats van zich op de tabouret neder te laten rolde Rietz met de grootste bedaardheid een prachtigen fauteuil nader, op wiens hooge rugleuning een koninklijke kroon was aangebracht.

„Als de Koning niet tegenwoordig is, heb ik wel het recht van dezen leunstoel gebruik te maken,quot; zeide hij, terwijl hij zich behagelijk in den buitengewonen breeden fauteuil liet nederglijden ; „bovendien houd ik ervan, ge--makkelijk te zitten. Zoo, en daar ik nu geïnstalleerd ben, kan de conferentie van ons beide gekroonde hootden beginnen. Weet ge, of vermoed ge soms van welken aard deze conferentie zijn zal ?quot;

„Neen,quot; antwoordde Wilhelmine, terwijl zij haar sierlijken kleinen voet, in met goud geborduurd satijn geschoeid, op de tabouret zette, en hein met welgevallen beschouwde: „neen, waarlijk, ik vermoed niets, maar verzoek u het mij spoedig te zeggen, want ik verwacht gezelschap.quot;

„Ha gij verwacht gezelschap! Nu, carissima, dan begin ik onze conferentie met u te zeggen : geef den portier bevel, aan al uwe bezoekers te zeggen, dat ge plotseling ziek zijt geworden, en dus niemand kunt ontvangen.quot;

„Vóór ik zulk een bevel geef, verzoek ik de redenen te weten.quot;

„De redenen? Nu, ik wil u slechts ééne reden zeggen, in plaats van vele. Het mocht uw gasten niet aangenaam zijn, zoo hun hier in het salon het glas der vensterruiten en de steenen, die ze verbrijzeld hadden, om de ooren vlogen.quot;

„Mijn waarde,quot; zei Wilhelmine, altoos nog de punt van

ocr page 508

232

haar voet beschouwende; „zoo ge een onbedwingbaren lust gevoelt grappen te maken, dan vindt ge in de voorkamer mijne lakeien, die zich daarmede zullen amuseeren. quot;

„Ik dank u; ik wil liever hier in het salon ernstig met mevrouw mijn echtgenoote spreken. Maar als ge't wenscht, schel ik een der onbeschaamde vlegels uit de voorkamer binnen, en geef hem in uw naam bevel alle bezoeken af te wijzen. Bovendien zou het goed zijn, op aide verdiepingen van uw paleis de binnenluiken te laten sluiten. De vensterruiten moet ge trouwens prijsgeven, maar de luiken zullen ten minste de steenen niet in de kamer laten dringen. Ge hebt immers zulke vensterluiken?quot;

,,Ge blijft er dus bij?quot; vroeg Wilhelmine de schouders ophalende: „Ge hebt zeker met iemand een weddenschap gedaan, dat ge mij verschrikken zoudt, en het sluiten der vensterluiken moet het bewijs zijn, dat ge de weddenschap gewonnen hebt. Nietwaar, zóó is het?quot;

„Neen, carissima, zoo is het niet, en bid ik u, laat nu deze rol van onverschrokken heldin varen; zij staat u wèl zeer goed, maar op mij maakt ge er geen indruk mede, en —quot;

„Dat is ook volstrekt mijn doel niet,quot; zeide zij, zich in haar fauteuil uitstrekkende en achterover leunende, als een vermoeide tijgerin, die geheel afgemat schijnt, en toch altoos nog tot den sprong op den vijand gereed is.

„Luister, mijn allerschoonste,quot; riep de kamerdienaar ongeduldig; „nu is 't genoeg! Zoo het u werkelijk geheel onverschillig is, of men uw paleis verwoest en u als gifmengster beschuldigt, dan is 't voorwaar niet anders, en heb ik niets meer te zeggen : dan dat ik dwaas was te gelooven, dat ik u moest trachten te redden, vermits wij toch eens een of- en defensief verbond met elkander hebben gesloten, en ik bijgevolg niet onverschillig mag toezien, als uwe vijanden u in het verderf storten.quot;

De tijgerin was opgesprongen ; bare oogen vlamden, en geheel haar wezen was ontroering en gloed.

„Spreekt ge in ernst, Rietz ? Is dat alles geen van uwe apenstreken? Hebben mijne vijanden iets voor? Willen zij mij aanvallen? Wat is het? Spreek schielijk. Wat zegt ge daar voor zottepraat van gifmengster ? Zou t/c dat zijn?quot;

ocr page 509

233

„Gewis zoudt (jij dat zijn, en het verheugt mij dat dit tooverwoord mijn slapend doornroosje eindelijk in het leven teruggeroepen heeft. — Ja, als gifmengster willen uwe vijanden u beschuldigen; 'tis toch gelukkig, dat ik overal mijn spionnen heb, die mij veel nuttigs aanbrengen.quot;

,,En wien zou ik vergiftigd hebben?quot;

„Nu, de gravin Ingenheim natuurlijk. Wie anders zoudt go toch vergiftigen, dan uwe medeminnares?quot;

„Mijn medeminnares!quot; herhaalde Wilhelmine met een verachtend schouderophalen. „De gravin Ingenheim was ziek. Is haar ziekte toegenomen?quot;

„De gravin Ingenheim ligt op sterven.quot;

„Op sterven!quot; herhaalde Wilhelmine, en een verheugde blik schoot uit de oogen der tijgerin: maar zij onderdrukte dien snel. „Dit is natuurlijk een overdrijving der hee-ren artsen, die zich later de verdienste willen toeschrijven de gravin gered te hebben. Ik ken dat! De gravin was nog voor vier dagen tamelijk wel; ik ontmoette baar in de kleine loge des Konings in den schouwburg, en zij onderhield zich, zooals deze hoogmoedige lieden het noemen, buitengewoon genadig met mij quot;

„Ja, en juist bij deze gelegenheid zoudt ge, zooals deze hoogmoedige lieden zoeken te verbreiden, de misdaad begaan hebben. De gravin klaagde over hitte en dorst, nietwaar?quot;

„Ja, dat deed zij inderdaad, en daar de gravin half onmachtig op een stoel nederzonk, verzocht mij de Koning de gravin te willen bijstaan.quot;

„Gij antwoorddet daarop, dat de gravin vóór alles een bruischpoeder moest nemen, en gelukkigerwijs draagt ge zulke poeders steeds bij u. Vervolgens opendet ge de logedeur, gaaft aan een per buitenstaande lakeien bevel dadelijk een glas water met suiker te halen, en toen hij het biacht, naamt ge uit uw zak een doosje, schudde er een wit poeder uit in het water, en toen dit hoog op bruischte, reiktet ge het haastig aan de gravin, die terstond het geheele glas uitdronk. Is het niet zoo?

„Precies zoo, en ik bewonder te meer deze nauwkeurigheid, daar niemand buiten ons drie zich in de loge bevond.quot;

„Gij vergeet den lakei, die het water bracht en u het

ocr page 510

234

poedev er in zag doen. Hij heeft heden voormiddag, toen de gravin plotseling een vreeselijke bloedspuwing kreeg, terstond den broeder der gravin, den minister von Vosz, de geschiedenis medegedeeld; en nu is de geheele hooge familie en het geheele hofgezelschap in alarm, en als de oravin, zooals de geneesheeren beweren, heden nog stem, zal er uit dit glas water een storm ontstaan, van welken men hoopt, dat hij u van uwe hoogte naar beneden, — en zoo mogelijk in de gevangenis zal waaien!quot;

Domme intriganten!quot; zeide Wilhelmine op verachte-lij ken toon*. ,,Ü6 Koning zal do lastoraaars niot all6Gn af-wijzen, maar hen ter 'verantwoording roepen. Hiervoor

laat mij zorgen.quot; j ,

„Mijn waarde, eer ge voor de bestraffing der lasteraars zorgt, moest ge liever de voorzichtigheid hebben, een weinig voor u zelve te zorgen. Ik zeg u, de zaak is ernstigei dan ge 'tin uw trotschen en moedigen geest meent. De geheele bende is losgelaten, en Bischofswerder en Wöllner helpen de hofcamarilla en stoken het vuur aan. Zij hebben ijlings een vergadering van Rozenkruisers opgeroepen, en een geheim bevel uitgedeeld. Ik ken dat bevel; want ge moet'weten, dat ik mij sedert veertien dagen in deze orde heb laten opnemen, en dienende broeder in de buitenhal van den tempel ben geworden. Wat zegt ge van dit idee; dienend broeder in de buitenhal van den tempel!

En de kamerdienaar barstte in een luiden homerisch en lach uit, die zijn reuzengestalte als een aardbeving deed

schudden. . .

„Ik wenschte, dat ge uw vroolijke luim thans een weinig matigdet en mij zeidet,hoehetbevel derRozenkruisersluidt.quot;

De kamerdienaar nam schielijk weder een ernstig voorkomen aan. — „Het bevel luidde: Al de dienende broeders moeten heden avond ten tien uur de allerliefste bezigheid op zich nemen, zich hier voor uw paleis te begeven, de vensters met steenen in te gooien,—die toevallig aan den voet der Linden hier en ginds op gestapeld liggen, wijl men voornemens is de straat te herstellen, en hierbij aanhoudend te schreeuwen: „Moordenares! Gif mengster! Weg met haar! Vloek! vloek over de moorde-nares!quot; — Dat zal een allerliefst koor worden, nietwaar, mijn onschuldige ongel?quot;

ocr page 511

235

„Ja wél een koor, waarover de engelen in den hemel zich zullen verblijden, zelf zoo zij niet zulke onschuldige engelen mochten zijn als ik in deze zaak ben. Ik dank u voor deze mededeeling, want zij is inderdaad voor mij zeer gewichtig,quot;

„Maar wees zoo goed te bedenken,quot; grijnsde Rietz: .,dat ik voor deze mededeeling mijn lidmaatschap niet alleen in gevaar breng, maar zeer waarschijnlijk verlies, — en in elk geval nooit in het binnenste van den heiligen tempel en tot de onzichtbare meesters komen zal! Elk intredend broeder moet immers met een vreeselijken eed zweren, dat hij nooit, — gold het ook zijn leven of dat zijner ouders of kinderen, — verraden zal, wat door de hoofden van 't verbond in naam der onzichtbare orde besloten werd; en ik heb mijn eed gebroken, ik heb u de bevelen mijner meesters verraden! O, o! ik ben een verlorene! De onzichtbaren zullen mij uitwerpen, zoo zij ooit vernemen wat ik gedaan heb!quot;

„Wees gerust, ik zal u nooit verraden,quot; zeide Wilhel-mine glirniachend: „ik verwonder mij slechts, dat men u in de orde opgenomen, —en in uwe tegenwoordigheid zulke bevelen gegeven heeft.quot;

,,0, mijn allerschoonste; men weet immers niet dat] de heer Muller uit Oraniënburg, — die zich voor veertien dagen in de groote algemeene vergadering liet aannemen, — dat deze eigenlijk de kamerdienaar Rietz is. Ge moet namelijk weten, dat de vergaderingen altijd slechts in een geheimzinnige, halve duisternis worden gehouden, zoodat men elkander, niet herkennen kan, en men elkander slechts aan zekere teekens, handdrukken en woorden in de samenleving herkent. De een kent den ander niet, en er kunnen in een gezelschap twintig Piozenkruisers bijeen zij-n, zonder wederkeerig te vermoeden dat zij bonds-broeders zijn. Slechts de ringdirecteuren kennen de namen van al de broeders, en ik ben natuurlijk niet zulk een ezel geweest om mijn werkelijken naam op te schrijven en in de urn te werpen, nadat ik bij de aanneming mijn vier Fridrichs d'or had betaald, en hiervoor het geheime teek en der kennis, in het quot;schemerlicht der buiten-tempel hal ontvangen had. De verhevene vaders Bischofswerder en Wöll-ner vermoeden volstrekt niet, dat ik, — de gehate kamer-

ocr page 512

23G

dienaar llietz, — hun mededinger in de genade des Ko-nings, — dat ik bij de heden gehouden vergadering tegenwoordig was, en óók het bevel tot verwoesting van uw paleis ontvangen heb.quot;

„Bij God, de verraders zullen mij deze boosaardigheid duur betalen !quot; riep Wilhelmine met vlammende oogen en toornig voorhoofdfronsen: „De strijd moet eindelijk uitgestreden worden; ik ben het moede, steeds met de wapens in de hand te moeten loeren naar 'de listen, hinderlagen en aanvallen mijner vijanden. Ik wil eindelijk rust hebben, en óf zij óf ik moeten overwonnen worden.quot;

„Als ik mij veroorloven mag de godin Minerva een raad te geven, dan is het deze: Maak vrede met deze vijanden, opdat ge in geval van nood tegen uwe cmrfere vijanden: tegen de volbloed aristocraten en de hofcamarilla bij de Rozenkruisers hulp en steun vindt. Geloof mij, ik meen het eerlijk en trouw, en waarom zoude ik het ook niet ? Wij hebben immers een verbond gesloten; wij hebben gezworen, dat wij elkander steeds en overal behulpzaam zouden zijn, om onze plannen te bevorderen, — onze wen-schen te vervullen. En waarachtig, mijne'allerliefste echt-genoote is mij in dit opzicht een voortreffelijke levensgezellin geweest en heeft den eed, dien zij mij gedaan heeft, werkelijk allervoortrelfelijks vervuld! Dankzij hare hulp sta ik, waar ik staan wilde; ik heb alles verkregen wat ik wenschte, en bij God, er zijn gewis weinig rnenschen, die dat van zich zeiven kunnen zeggen. Ik wenschte invloed, macht en geld, en ik heb ze. Door de genade van mijn lieven Koning heb ik invloed en macht, en door de domheid der dwazen, welke gij, mijn allerschoonste, tot mij zendt met hunne verzoeken om een adellijk patent of een ridderorde, heb ik geld in overvloed. Ik heb in de drie jaren, sedert wij koning zijn, ten minste tweehonderd edellieden geschapen, waaronder in 't eerste jaar van ons, koningschap, alleen meer dan twintig graven, behalve de vrijheeren en barons!quot;

„Ja; men kent deze heeren graven,quot; lachte Wilhelmine: „zij worden immers door de heeren van den onden adel nooit anders dan de nieuwbakken zesenlachligers genoemd.quot;

Rietz lachte. — „En welk een lief aantal van Johanni-

ocr page 513

237

terkiuisen en ordes van den Adelaar heb ik bovendien uitgedeeld, en welke aardige sommen heel't dit in mijn kas gebracht! Ik wenscbte een lief huisje bij Potsdam, en ik heb het. Ik wenscbte een goed bezette tafel, waaraan ik dagelijks een paar voorname heeren en lustige makkers kan ontvangen; — en waarachtig de voorname heeren „van mijn maakselquot; verdrongen elkander om de gunst, aan mijn tatel te zitten en de heerlijke pastijen te nuttigen, waarvoor mijn Fransche kok beroemd is. Ik leid een leven van genot, zooals ik het in mijn fraaiste droomen gewenscht heb, en vermits ik dit deels aan uwe aanbeveling en protectie te danken heb, is het zeer natuurlijk, dat ik mij dankbaar betoon, en u bijsta en help zoo veel mogelijk is.quot;

„Ik dank u, cher ami,quot; knikte Wilhelmine vrindelijk: „Ge zijt mij inderdaad steeds een goed en hulpvaardig vriend geweest, en ik heb u gedeeltelijk te danken, dat mijn schulden betaald, — mijne inkomsten verdubbeld zijn en ik de meesteres in dit fraaie paleis ben. Voorwaar, er blijft mij nog veel te wenschen over; immers ge weet, ik heb het ongeluk eerzuchtig te zijn, en —

„En de titel van madame Rietz is niet voor u de muziek der sferen?quot;

„Niet geheel, mijn lieve vriend, hoezeer ik beken dat er veel muzikaal aplomb in ligt. Maar ik —quot;

De deur, die naar de voorkamer voerde, werd haastig geopend, en een lakei verscheen, in de hand een zilveren bord houdende, waarop een dichtgevouwen papier lag.

„Dit billet is zooeven voor mijnheer den kamerdienaar Rietz gebracht,quot; zei de lakei, en sloop zacht op de teenen weder naar builen, toen Rietz het had aangenomen.

„Madame,quot; zei de kamerdienaar, nadat hij het billet haastig geopend had: „madame, iiet gevreesde is thans gebeurd. De gravin Ingenheim is dood.quot;

„Dood!quot; herhaalde Wilhelmine huiverend; „Arme vrouw! Zij heeft haar korten triomf zeer duur moeten betalen, en de menschen hebben wél gelijk, als zij zeggen dat de arme vrouw aan vergif gestorven is; de schande barer positie, haar wroeging en berouw waren de gifdroppels, welke zij dagelijks inslikte, en waaraan zij gestorven is. Men moet een vasten geest en zeer sterke ze-

ocr page 514

238

nawen hebben, om de geliefde eens Konings te zijn. Arme kleine, het spijt mij van haar!' ^

Ge zijt waarlijk bewonderenswaardig, zeide Hielz. mi beweent uwe mededingster, terwijl gij zelve door haar met het grootste gevaar bedreigt zijt. Ge moet 1 hans een besluit nemen en bepalen, of ge heden werkelijk uw ge-

zeischap ontvangen wilt.quot; . , , *

Ach, mijn vriend,quot; zuchtte Wilhelmine: ,,hoe kunt ge denken dat ik ^op een dag, waarin wij zulk een verlies lilden, mij aan de vreugde der gezelligheid zou overgeven!— Neen, de smart des Konings is ook de mijne; en in plaats van met anderen vroolijk te zijn en te lachen, zal ik met den koninklijken weduwnaar weenen.'

Rietz lachte luid. — „Ge zijt een onvergelijkbare vrouw. Even schrander als schoon; evenzeer demon als engel, en ik begrijp volkomen, dat ge niemand te vreezen hebt, en uw macht vast staat als de rots in zee!

Wilhelmine antwoordde niet, maar trok aan de schel, en beval den binnentredenden lakei, den portier te berichten, dat heden geen soiree zou plaats hebben, 611 hij aan al de bezoekers moest melden, dat madame Rietz heden wegens den rouw om den plotselingen dood der gravin Ingenheim, niemand kon ontvangen, en zij ook m de eerste acht dagen geen bezoek zou aannemen. —

,Maar, mijn vriend,quot; zeide Wilhelmine vervolgens, terwijl zij begon de fonkelende robijnen en juweelen van hals

en armen te nemen; „verlaat mij nu; want ik miJ

haasten deze weelderige kleederen af te leggen^opdat, als de Koning komt, hij mij in rouwgewaad vmdl.

„Hoe? Gelooft ge, dat de Koning thans, in dit uur, — nuquot; hij zijn linker gemalin verloren heelt, tot u zal ko-men V

Ik ben er van overtuigd. Zijne Majesteit weet, welk een hartelijk deel ik neem, in alles wat hém betreft. Hij weet, dat hij bij mij steeds deelneming en medegevoel vindt; dat ik met hem lach als hij vroolijk is, — met hem ween, als hij treurig is. En waar zou hij heden a,nders zijn toevlucht nemen met zijn verdriet, dan bij mij?quot;

,'t Is waar,quot; zei Rietz met een kluchtig gebaar. „waai

anders zou hij met zijn verdriet een toevlucht nemen, dan

bij de eerste sultane! — Goed, ik ga; Validé, en ik be-

ocr page 515

239

loof u dat, zoo Zijne Majesteit soms in de overmaat zijner smart vergeten had, dat hij hij u een toevlucht kan vinden, ik onzen lieven „Koning- weduwnaarquot; er aan herinneren zal, en hem de gedachte zal toefluisteren, zich bij u te redden.quot;

„Doe dat, mijn vriend; maar spoed u, opdat niet mijn vijanden het oor des Konings belegeren en hem andere troostredenen zeggen, dan ik hem kan toefluisteren.quot;

„Ik ga, sultane. Zeg mij nu nog, of ge de vensterluiken niet wilt laten sluiten?quot;

„Waartoe? Ik ben niet bang voor een paar Steenen, en zoo het al te erg wordt, — welnu, dan gaan wij naar de achterkamer, en beschouwen vandaar in volkomin veiligheid de kanonnade. — Wanneer zegt ge, dat zij beginnen zal?quot;

„Zoodra het donker is geworden; want deze lieden der duisternis schuwen voor hunne daden het daglicht. Er staat maneschijn in den almanak; ik vermoed dus, dat eerst tegen tien uur het „soevereine volk,quot; zoo als het janhagel zich thans te Parijs noemt, u zijn verheven bezoek zal geven, en het zou dus goed zijn, zoo ge den politiedirec-teur liet verwittigen, opdat hij een wacht voor uw paleis ter bescherming liet stellen.quot;

„Ik zal mij wèl wachten dit te doen,quot; riep Wilhelmine lachend: „Het soevereine volk moge zijn wil hebben, en de vensterruiten van mijn hotel inslaan. Hoe luider het tiert en mij voor gifmengster scheldt, des te liever is 't mij; want de Koniug zal 't dan óók hooren, en hij zal medelijden met mij hebben.quot;

„Wilhelmine,quot; riep Rietz in verrukking: „'tisjammer dat ge mijn echtgenoote zijt, en ik dus niet naar u vrijen kan. Ik geloof dat ik in staat zou zijn, smoorlijk op u te verlieven!quot;

„Doe dat om 's hemels wil niet, mijn vriend,quot; zeide zij: „wat een ongelukkige liefde past volstrekt niet voor uw gestel. Ga nu ; want ge ziet dat de pendule reeds op acht uur wijst, en ik hoor reeds vele rijtuigen aankomen en zich weder verwijderen.quot;

De kamerdienaar drukte op Wilhelmine's fraai witte hand een klinkenden kus, en verwijderde zich toen ijlings. Zij oogde de groote, zware gedaante met een spottend

ocr page 516

240

gebaar na, en een welluidende lach, rein en helder als zilveren paarlen, klonk van haar volle lippen. — „Te denken, dal dit gevaarte de eer heeftj mijn echtgenoot te heelen,quot; zeide zij: „dat ik altoos nog de vrouw van een kamerdienaar ben! En waarom? Alleen omdat ik niet van adellijke geboorte ben, gelijk — gelijk die fijne popjes, wier schande men in grafelijke titels en hermelijnen mantels hult, en die tóch onder den last dezer zelfverworven waardigheden bezwijken en sterven. Ik — ik zal hieraan niet sterven. Neen, ik zeker niet!quot;--

X.

EEN STEENWORP.

Een half uur later werden de vleugeldeuren van het salon wijd opengeslagen, en de Koning trad, zonder plichtpleging en zonder begeleiding binnen, — gelijk hij altoos placht te doen. Wilhelmine ijlde hem te gernoet, en haar fraai gelaat had een treurige uitdrukking, en haar won-derschoone gestalte was in rouwkleeding gehuld. Men had kunnen meenen, dat haar zuster of moeder gestorven was, zoo droevig was de blik, dien zij langzaam op het bleek, ontsteld gelaat des Konings sloeg.

„O, mijn dierbare heer,quot; lispte zij; „hoe genadig en goed, dat Uwe Majesteit in dit uur van zvvaren kommer, aan mij gedacht heeft, en mij de gunst van uw bezoek bewiist.quot;

Hij streek zacht over haar fraai glanzend haar, en drukte haar hoofd aan zijn borst. — „Ik denk altijd aan u, mijn vriendin; en 'tis mij steeds een troost, mij uwe stralende oogen en uw schoon, bloeiend gelaat voor te stellen, wanneer ik door zorg of kommer bezocht word, wat helaas zeer dikwijls het geval is.quot;

„Uwe Majesteit is heden door een zeer zwaren kommer getroffen! Het hernelsche wezen, dat wij allen zoozeer bemind en geëerd hebben, is van ons heengegaan!quot;

„Ja;quot; zei de Koning zuchtend, en zijn gelaat had veeleer een uitdrukking van verveling dan van treurigheid; „ja.

ocr page 517

241

de gravin Ingenheim is lieden namiddag gestorven. Maar liaar dood heeft mij niet verrast; want de goede gravin was immers reeds sinds een half jaar, sedert de geboorte van haar zoon lijdend, en mijne artsen hebben 't mij reeds voor maanden gezegd, dat de gravin de tering had, en den herfst niet overleven zou. Zij was in den laalsten tijd zeer larmoyant geworden, de arme gravin; als ik bij haar was, weende zij veel en deed zich zelve en mij verwijten. Dat wordt len laatste vervelend, en dus heb ik haar in de laatste weken minder alleen gezien, om de arme zieke niet op te winden. En daarbij wilde zij altoos de gezonde spelen,quot; voer de Koning voort, terwijl hij zich op den leunstoel nederliet, waarop Rietz tevoren met zooveel behagelijkheid gezeten had: „Ja, altoos de gezonde; en zij verbeeldde zich dat men op haar gelaat, — dat toch zoo bleek en mager was, — volstrekt geen spoor van haar vreeselijke ziekte kon zien. Zij hield zich steeds sterk, nam deel aan alle gezelschappen, en was zelfs nog voor vier dagen in den schouwburg. Ge weet immers, ge ontmoettet haar nog in mijn kleine loge.quot;

„Ja, ik weet het,quot; fluisterde Wilhelmine, terwijl zij zich op een kleine lage tabouret aan de voeten des Konings nederzette, de wonderschoone witte armen, die uit de wijde zwart kanten mouwen als blanke leliën te voorschijn kwamen, op 's Konings knieën steunde, en met smachtende, teedere blikken tot hem opzag.

Zij kende de macht dezer blikken zeer goed, en wist dat het onzichtbare netten waren, waarmede zij den Koning altijd weder tot zich trok.

„O,quot; prevelde de Koning; „zoo de arme Julie uwe oogen en uw gezondheid hadde gehad! Maar zij was ziekelijk, en er is op den duur niets vervelender, dan zieke vrouwen. Spreken wij er niet meer van, want het bedroeft mij ! 'tls goed voor mijn arme Julie, dat zij eindelijk van haar eeuwige gewetenspijn en ijverzuchtige liefde, rust in het graf heeft gevonden.quot;

Dit was het grafschrift, waarmede Friedrich Wilhelm afscheid nam van de gedachtenis der teedere en liefelijke vrouw, die aan zijn liefde voor haar alles had opgeofferd, en die gestorven was, wijl het hartzeer des bewustzijns, dat zijn liefde voor haar reeds lang gestorven was, haar

Mühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. IV. 10

ocr page 518

242

had gedood, eu zij hern nog slechts tol last was geweest met haar bleeke wangen en hare ziekte.

Maar thans, nu het grafschrift gesteld was, verhelderde het gelaat des Konings, en de weerschijn ervan verhelderde terstond ook Wilhelmine's lokken. Zij glimlachte, richtte zich op van de tabouret, en haar ronde witte armen met hartstochtelijke innigheid om 's Konings hals slaande, riep zij; „O, hoe kan men sterven, als men het geluk mag hebben, aan uwe zijde te leven!quot;

Oe Koning trok haar vast in zijn armen en kuste haar. — „Gij zult leven, Wilhelmine; Goddank, gij zult leven, want gij bemint mij waarachtig en trouw, en gij zoudt niet sterven in het ellendig gevoel van berouw en wroeging. Gij zijt beproefd en trouw bevonden, Wilhelmine, en daarom is er ook niets in de wereld, dat mij van u zou kunnen scheiden.''

„Niets, miin dierbare heer en gebieder?quot;

„Niets, Wilhelmine, zelfs niet een nieuwe liefde. Het is wel mogelijk, dat de vlammen van teederheid, die steeds iti mijn hart gloeien, zich soms in ongedurige flikkering ginds en herwaarts wenden, — maar nooit zullen zij zich van ii terugtrekken, en nooit zal de plaats ledig en koud worden, waarop in de dagen onzer schoone jeugd, onze eerste liefdesvlammen ontbrandden.quot;

„God zegene Uwe Majesteit voor dit woord,quot; riep Wilhelmine met vuur, de handen des Konings aan hare lippen drukkende.

„Ik bid u,quot; zei Friedrich Wilhelm ; „laat het nu genoeg zijn met Majesteit en formaliteit. Wij zijn immers alleen, en ik ben het zoo hartelijk moede, steeds het koninklijke hermelijn achter mij te sliepen. Neem het mij af, Wilhelmine, en denk dat wij weder jong en gelukkig zijn.quot;

„O,quot; fluisterde zij; „gij zijt altoos jong, mijn Friedrich, want de eeuwige jeugd gloeit in uw hart en straalt van uw verheven voorhoofd. Maar ik, —• zie mij aan, Friedrich Wilhelm,^ — [ik ben oud geworden, en de jaren hebben met onbarmhartigen vinger hun cijfer op mijn voorhoofd geschreven.quot;

De Koning zag haar aan, en vond niets hiervan op het schoon, glimlachend en bloeiend gelaat zijner Sirene. Hij luisterde naar haar zoete stem, en het iied barer liefde

ocr page 519

243

zong al zijne bekommeringen en zorgen in slaap. Vervolgens, loen de pendule in langzamen gang het tiende uur naderde, — toen Wilhelraine in bekoorlijk tête-d-tête met den Koning het souper van fijne sterkgekruide spijzen en uiigozochte kostelijke en fijne wijnen gebruikt hady — toen vertelde hem de Sirene, met zoeten glimlach en vlammende oogen, de geschiedenis der nieuwe intrige, die de Hofca-marilla tegen haar, als een bende honden op een edel hert, had losgelaten ; vertelde hem, dat hare vijanden zelts geen volksoploop schuwden, om Wilhelmine van een misdaad te beschuldigen.

„Dit is een sprookje, waarmede men u heeft willen verschrikken,quot; zei de Koning lachend: ,ik zou wel willen weten, hoe men het zou aanleggen, om een volksoploop te bewerken, zonder dat mijn politiedirecteur iets er van vernam, en het dus verhinderen kon!''

Wilhelmine boog haar zachte lippen aan het oor des Konings, en met haar heeten adem op zijn wang, fluisterde zij hem de geschiedenis van de beschikkingen der Rozenkruisers in het oor.

De Koning schrikte. — „Neen,quot; zeide hij; „dat is onmogelijk; Bischofswerder en Wöllner zijn mijn trouwste en genegenste vrienden, en zullen nooit iets tegen u ondernemen; want zij weten dat ge mij dierbaar zijt, en uwe tegenwoordigheid een voorwaarde van mijn rust en tevredenheid,— ja, ik mag zeggen, van mijn geluk is!quot;

„En zoo zij juist daarom mijn verwijdering wilden bewerken, om u geheel in hunne macht te krijgen, en het eenige wezen, dat het waagt u de waarheid te zeggen,— dat in u slechts den dierbaren, edelen man, niet den Koning bemint, van uwe zijde en van uw oor te verdringen? Ach, Friedrich Wilhelm, mijn trouwe, ontbaatzuchtige liefde is in hunne oogen immers een misdaad, en daarom willen ze mij beschuldigen; daarom willen ze mi] betichten van een andere misdaad, om mij als een onkruid uit uw hart te kunnen scheuren, en onder hunne voeten te vertreden!quot;

„Het zal hun nooit gelukken,quot; verzekerde Friedrich Wilhelm: „maar ik kan niet gelooven, dat —quot;

De Koning zweeg plotseling, want op dit oogenblik klonk het van de straat als het golven en bruisen van een aan-

ocr page 520

244

rollende zee; luider en steeds luider golfde het nader,en toen eensklaps, klonk het als het brullen des donders, tegen de rinkelende vensters naar boven: „Moordenares! Gifmengster! Vloek, vloek over de gifmengster!quot;

Wilhelmine bleef met volkomen kalm gelaat aan 's Ko-nings voeten zitten; maar hij was bleek geworden, en luisterde met ontstelden blik naar den kant van 't venster.

„Gij hoort het, mijn gebieder,quot;' zeide zij met minachting; „het zijn juist de woorden, welke ik u straks gezegd heb, en die heden in de vergadering der Rozenkruisers als parool gegeven zijn.quot;

„Moordenares ! Gifmengster!quot; klonk het andermaal: „Vloek over de gifmengster!quot;

„Ik wist dat men dezen aanval wagen zou,quot; fluisterde quot;Wilhelmine altoos nog glimlachend: „zoo ik mij schuldig had gevoeld, zou ik gevlucht zijn, of mijn Koning vooraf om bescherming gesmeekt hebben. Maar ik wensohte dat Uwe Majesteit zien zou hoe ver de boosheid mijner vijanden gaat en welke gruwelijke middelen zij aanwenden om mij te verdrijven.quot;

„Ge hebt gelijk, dat ge zoo gehandeld hebt,quot; zei de Koning ernstig; „ge zijt een heldhaftige en moedige vrouw, en nooit —quot;

Een vreeselijk gekraak brak zijn woorden af; het rinkelde en kletterende,er suisde iets door het gebroken venster heen; met een luiden, gillenden kreet wierp Wilhelmine zich over de gestalte des Konings, en omklemde hem met hare armen, als wilde zij hem tegen de geheele wereld beschermen.

„Mij mogen zij vermoorden, maar u, mijn geliefde, u moeten zij geen haar van uw geliefd hoofd krenken!quot;

Deze woorden, met luide, juichende stem geroepen, klonken in de ooren van den Koning als een jubelhymne der liefde, en nooit tot zijn dood, nooit vergat hij ze.

De steen was met luid gerucht nedergevallen, maar er volgde geen tweede. Het vloeken en tieren klonk nog altoos naar boven, maar de menigte scheen toch verschrikt over haar eigen vermetele daad, en aarzelde, eer ze tot nieuwe feitelijke aanvallen overging.

Wilhelmine liet den Koning, dien zij nog altijd met hare armen, met haar geheele gestalte beschut had, los,

/

ocr page 521

245

— en trok hem met zacht geweld uit den leunstoel op.

„Kom, mijn geliefde, kom; u dreigt hier gevaar. Zij zullen spoedig op nieuw beginnen.quot;

,.Wilhelmine,quot; zeide hij bewogen : „neem den steen op en geef hem mij.quot;

Zij bukte, en daar hierbij de zwart kanten doek vun haar schouder gleed, zag hij een purperroode streep op haar verblindend witten schouder.

„Ge zijt gewond, Wilhelmine; mijn God! ge zijt gewond!quot; riep de Koning ontsteld. Zij had zich echter schielijk weder opgericht, en reikte hem met haar sirenenlach den steen.

„Het is niets mijn Koning; het geschut van het lieve volk heeft mij slechts een weinig geki'abd. Het doet wel een weinig pijn, maar mijn armen zijn niet gebroken.quot;

„Yoor mij hebt ge deze wond ontvangen, voor mij,'' zei de Koning diep bewogen: „met uw dierbaar lichaam hebt ge mij beschermd en behoed. O, Wilhelmine; nooit zal ik dit vergeten, en deze steen zal mij een eeuwige gedachtenis zijn aan uwe liefde, uw heldhaftige trouw en genegenheid!''

Een nieuw vreeselijk kraken en donderen klonk nu, wederom rinkelden de vensters, en er vlogen een paar steenen door de gebroken glasruiten binnen. Tegelijkertijd werden de deuren opengerukt, de lakeien ijlden binnen, om bleek, en bevend te berichten dat het volk met steenen tegen de ingangsdeuren van het paleis donderde, en deze deuren reeds begonnen to wankelen.

„Red u. Majesteit, red u !quot; riep Wilhelmine ontsteld : „Heb de genade, u door den hofmeester door den tuin naar de kleine achterdeur te laten geleiden, die in de Beerenstraat uitkomt; daar zal alles rustig zijn, en Uwe Majesteit zal zonder gevaar naar het Slot terugkeeren.quot;

,,En gij, mijn dierbare, en gij?quot; vroeg de Koning.

,,0 ik,quot; zeide zij met heldhaftige kalmte: „ik zal mijne vijanden afwachten, en zoo zij mij dooden, zal ik ten minste weten dat mijn Koning gered is, en gij mij niet voor een misdadigster houdt!quot;

Wederom vlogen de steenen in het salon, en er ontstond nu een tooneel van vreeselijke verwarring, terwijl buiten het gepeupel met luid gehuil de moordenares vervloekte,

ocr page 522

246

on bedreigingen uitbraakte tegen de gifmengster. Stoelen door de steenen getroffen, vielen krakend in stukken; vazen en glazen braken rinkelend op de marmeren tafels, waarop zij stonden, terwijl de steenen dreunend op den vloer rolden. Daartusschen hoorde men de smeekende stem van Wilhelmine, die den Koning bezwoer te vluchten, ten minste deze kamer te verlaten, en met haar naar de niet aan de straat uitkomende vertrekken te gaan.

Maar de Koning bleef standvastig, en gaf nu met luide stem zijn bevelen aan de bevende lakeien. Hij gebood hun de binnenvensterluiken te sluiten, en de lakeien deden het, terwijl zij gebukt op handen en voeten, als schuwe honden over den vloer kropen naar de vensters, vervolgens van onder op met een haastigen ruk de knippen openden, en de blinden dicht schoven. Vervolgens beval de Koning den hofmeester, door den tuin te ijlen, om den politiedirecteur te berichten, dat de Koning in het door het volk bestormde paleis was, en hem Hei bevelen, het oproerige volk te verjagen. Nadat deze bode was afgezonden, en de steenen nog slechts machteloos tegen de gesloten vensterluiken sloegen, wenkte de Koning al de aanwe-zenden heen te gaan, en bleef nu weder alleen met de geliefde zijner jeugd.

„quot;Wilhelmine,quot; zeide hij : „gij hebt u heden als een heldin betoond, en nooit zal ik dit vergeten. Waf echter de be-leediging betreft, welke men u heden heeft aangedaan, ik belool u, dat ge hiervoor een schitterende vergoeding-erlangen zult, en dat degenen, die u vernietigen wilden, zich voor u zullen buigen!quot;

Een half uur later was het geschreeuw verstomd, en er vlogen geen steenen meer tegen de vensters. De politiedirecteur had van de gewapende macht hulp geréqui-reerd, en voor de dreigende geweerloopen en de blinkende sabels, bad het volk zich haastig verstrooid.

De Koning had zich door den tuin verwijderd naar de Eeerenstraat, waar zijn rijtuig besteld was geworden. Maar den steen, die Wilhelmine's schouder had getroffen, had hij medegenomen, en terwijl hij haar kuste, had hij gezegd ; „Houd u morgen middag te twaalf uur gereed, en verwacht mij hier; want ge zult dan de voldoening ontvangen, welke ik u beloofd heb, mijn vriendin !''

ocr page 523

247

Wilhelmine was alleen achtergebleven; zij ging met glimlachenden, triomfantelijken blik in het salon op en neder, en scheen zich te verlustigen in deze verwarring en verwoesting. Soms, als bij het heen en wedergaan haar voet een steen raakte, lachte zij luid, stiet hem weg en riep; „Zoo zal ik u allen ter zijde stooten, mijn vijanden! Over u allen heen gaat mijn voet, en de steenen, welke ge tegen mij geworpen hebt, zullen mij slechts tot een trap dienen, om hooger te stijgen!quot; —

„Ik heb mijn zaak goed uitgevoerd,quot; zeide zij vervolgens, baar rusteloos op en neer wandelen weder beginnende: ik heb den Koning de valschheid en boosheid zijner vrienden bewezen en mijne vijanden getoond, dat ik hen niet vrees en niet voor hen vlucht. O, heer Bischofswer-der en heer Wöllner, ge zult ten laatste toch moeten inzien, dat het tevergeefs is mij te bestrijden, en het beter ware, u met mij te verbinden en mij te erkennen !quot; —

Vervolgens zette zij haar eenzame wandeling tusschen de gebroken voorwerpen en de steenen weder voort, en met den bloedstreep op haren schouder en de flikkerende oogen, geleek zij weder een tijgerin, op wraak peinzende tegen de vijanden, die baar gewond hebben.

Thans, te midden van haar gepeins, werd de tijgerin gestoord door een gerucht, dat van de straat naar boven klonk, en op bet zacht rollen van den donder geleek.

Wilhelmine stiet een der luiken open, waarachter bet venster nog slechts het raam vertoonde, en keek spiedend naar beneden, op de breede straat de Linden, die nu donker en ledig was. Maar het rollen naderde steeds, en tegelijk een roode glans, die soms |belder omboog flikkerend enkele punten der straat verlichtte, vervolgens weder verdwijnende, de duisternis nóg duisterder scheen te maken. Maar langzamerhand breidde zich de roode glans steeds meer over de straat uit, en nu kon Wilhelmine alles onderscheiden. Zij zag de donkere, omhulde gestalten, die met brandende fakkels aankwamen, en zag vervolgens de vier met zwarte dekens behangen paarden, die een langen zwarten wagen voorttrokken. Op dezen wagen stond een doodkist. De zilveren versierselen ervan, schenen bloedrood in den glans der fakkels, en, als in den morgengloed

ocr page 524

248

van een nieuw opgaanden dag gedoopt, flikkerde en straalde de grafelijke kroon op het hoofdeinde der doodkist. Mannen met fakkels volgden de kist, en achter hen rolden langzaam een paar gesloten koetsen. — Het was de lijkstoet der gravin Julie von Ingeiiheim, die uit Berlijn reed, om het lijk naar buiten, naar het familiegoed Buch te voeren, waar hare voorouders het verwachtten.1) Wil-helmine stond aan het venster, en zag den afgrijselijk spookachtigen stoet in de stilte van den nacht voorbijtrekken, en oogde hem na, lot het laatste rollen der wielen was weggestorven. Vervolgens verwijderde zij zich van het venster; een onzalige glans straalde uit hare oogen en een fiere, zegevierende glimlach speelde om hare lippen.

„Zij is doodzeide zij zacht: ,,de grafelijke kroon fonkelt nog slechts op haar doodkist. Ik leef nog, en deze wonde op mijn schouder is de tuingrond, waaruit mijn grafelijke kroon zal opgroeien. Het moge nog lang duren, maar ik heb tijd om te wachten, want ik — ik sterf niet zoo spoedig! Ik overleef u allen, die mij het hart van den Koning betwisten; want onze liefde'is met bloed bezegeld, en de eeden, die hij u gedaan heeft, ziin slechts inden wind gezaaid!quot; —

Den volgenden dag op het bepaalde uur kwam de Koning in het paleis van madame Rietz. Hij kwam met een schitterend gevolg; al zijn ministers, de edellieden van zijn Hof, zelfs de Kroonprins Friedrich Wilhelm, begeleidden den Koning. De jonge Kroonprins had zich wel aan het bevel van zijn lieer vader moeten onderwerpen en hem begeleiden; maar terwijl hij de schitterende vertrekken doorging, was zijn voorkomen somber, en toen nu in het groote salon de bezitster van al deze heerlijkheden hem tegemoet trad, — toen de Koning zelf haar aan hem voorstelde als zijn lieve, trouwe vriendin, — toen schoot uit de anders zoo zachte oogen van den Kroonprins, een

1

In den grafkelder der familie von Vosz. die 'zich in de kerk van haar familiegoed liuch bevond, werd het lijk der ongelukkige gravin Ingenheim bijgezet ; het lijk ging niet tot ontbinding over, en dit bevestigde slechts het geloof des volks, dat de gravin geen natuurlijken dood gestorven was, en gaf na den dood van Friedrich Wilhelm II nog eenmaal aanleiding tot een volksdemonstratie tegen haar vermeende moordenares, Wilhelmine Rietz.

ocr page 525

249

blik van dreigende verachting over het gelaat der glimlachende vriendin.

Zij gevoelde de beteekenis van dien blik; hij voer als de klingquot; van een dolk door haar hart, en een voorspellende stem fluisterde in haar ziel „Deze jongeling zal u verderven! Hoed u voor hem, want hij is de engel der wraak, die u straffen zal!quot;

Maar zij verborg haar schrik en glimlachte, luisterde naar de woorden des Konings, die aan zijne ministers, den generaal Bischofswerder, en zijne edellieden het oproerig tooneel van den vorigen avond verhaalde, en hun de stee-nen loonde, welke hel volk naar binnen had geworpen, en die op uitdrukkelijk bevel des Konings, niet hadden mogen weggeruimd worden.

„Het was een oproer,quot; zei de Koning; „een oproer van het gepeupel, dat zich thans overal souverein waant, den heer en meester spelen, — en zijn Koning wellen zou willen voorschrijven. Ik haat dit gepeupel en al degenen die zich er van bedienen, om met zijn ruwe vuisten hun eigen plannen uit te voeren, en nooit zal ik genade en vergiffenis hebben voor zulke muiters en hoogverraders!quot;

Zijn oog wendde zich met een vasten, toornigen blik op Bischofswerder en Wöllner, en zij schenen de geheime beteekenis van dezen blik te verstaan, want zij sloegen de oogen neder.

Maar de koning wendde zich nu tot Wilhelmine, en terwijl hij met zachte hand den kanten doek van haar schouder trok, wees hij op de donkere, met bloed beloopen plek, en op de wonde in het midden ervan.

„Ziet.quot; riep hij opgewonden: „ziet, mijneheeren! Deze wonde heeft madame Bielz ontvangen, toen zij zich ter bescherming van mijn persoon, over mij wierp, mij met hare gestalte beschutte en den steenworp opving, die mij andei's juist in het gelaat zou hebben getroffen. Mijn zoon, ge ziet hier de redster uws vaders, kus haar de hand en dank haar! Ook gij allen, mijneheeren ministers en edellieden, dankt de redster uws Konings, de heldhaftige vrouw, die mij beschermd heeft.quot;

Het was wèl een schillerende voldoening, welke de Koning zijne vriendin verschafte; een Irotsche vreugde voor haar eerzuchtig liarl, toen nu de Kroonprins haar nader-

ocr page 526

250

de, toen zij als Koningin den generaals en ministers haar hand ten kus reikte, en de woorden van dank om haar heen klonken, als het gonzen der bijen om een prachtige bloem. Maar toch was er een bittere giftdroppel in al dien honing, en wederom zeide de waarschuwende stem in haar binnenste: „Hoed u voor den Kroonprins, want hij is de engel der wraak, die u straffen zal!quot;

Zij had weder den somberen, dreigenden blik gezien, dien de Kroonprins op haar wierp toen hij voor haar boog, om op bevel des Konings haar hand te kussen, en zij alleen wist, dat zijne lippen haar hand mW aangeraakt hadden. Nadat de Koning glimlachend had aanschouwd, hoe zijn ministers en edellieden de „redster van zijn leven,quot; hun dank brachten, wendde hij zich tot het portret van zijn lievelingszoon, den graaf von der Mark, die in levensgroo-te beeltenis, met de groote zachte kinderoogen, van den wand op hem nederzag.

.,Mijn zoon,quot; zei de Koning met luide, bewogen stem: „ik zweer uwen zaligen geest, die zekerlijk in dit uur onder ons wijlt, — ik zweer, dat ik uwe, moeder, welke gij zoo teederlijk bemind hebt, vergelden wil al het goede en schoone, dat zij « gedaan heeft; dat ik haar beloonen wil voor de trouw, welke zij mij bewezen heett, toen zij in dezen nacht haar leven in gevaar bracht, om mij te behoeden en te beschermen. Mijn zoon ; ik zweer u, dat ik zoo lang ik leef, de redster mijns levi us dankbaar zal zijn, en dat het hare vijanden nooit gelukken zal, de hooge meening, welke ik van haar koester, te schaden en haar in de schaduw te stellen. Als bewijs en eed hiervan, mijn zoon, kus ik deze wonde, welke uw trouwe, edele moeder voor mij ontvangen heeft!quot;

En de Koning boog zich op Wilhelmine's schouder, en kuste dien.

' Ja; het was een grootsch, plechtig oogenblik, en Wilhelmine's trotsch, eerzuchtig hart verhief zich van weelde. In één enkelen vluchtigen blik verschenen voor haar ziel de beelden eener schitterende, machtige toekomst, en terwijl zij zich op de hand des Konings boog, zwoer zij bij zich zelve, dat, deze beelden waarheid zouden worden!

Daarna echter, toen zij haar hoofd weder ophief, toen zij de oogen wendde naar de beeltenis van haren zoon.

ocr page 527

251

ontroerde zij, en wederom voelde zij de kling van een dolk in haar hart. Ten derden male hadden hare oogen don blik van den Kroonprins ontmoet, en ten derdenmale fluisterde de voorspellende stem in haar hart: „Hoed u voor den kroonprins! Hij is de engel der wraak, die u straffen zal!quot; ■—

XL

DE JEUGD OVERWINT.

Charlotte von Stein verwachtte in haar tuinsalon met kloppend hart dengene, die vroeger nooit op zich had laten wachten, en dien zij nu reeds driemaal tevergeefs verzocht had om een stil morgen bezoek in het tuinsalon, dat sinds tien jaren zoo dikwijls zijne eeden, zijn verzekeringen van eeuwige, onvergankelijke liefde gehoord had. Thans echter had Goethe sinds drie dagen telkens uitvluchten gevonden, om dit eenzame morgenbezoek aan Charlotte te ontwijken ; hij had zich verontschuldigd met overstelpende bezigheden, met een begonnen werk,'t welk hij ongestoord wenschte te voltooien, of met kiespijn, die hem plaagde.

Maar Ghai lotte wilde niet begrijpen, dat hij voorwendsels gebruikte, om misschien de donkere wolk, die boven beiden zweefde, den tijd te gunnen, voorbij te trekken. Met de eigenzinnige koenheid, quot;zoo eigen aan schrandere en gevierde vrouwen, — waarmede zij liever het zwaard grijpen 'om den gordiaanschen knoop door te hakken, in 'plaats van dien zacht en langzaam met hare teedere en behendige vingers te ontwarren, — met deze eigenzinnige koenheid had Charlotte von Slein ten vierdenma-le haar vraag om een ongestoord onderhoud herhaald, en Goethe had eindelijk toegestemd.

Charlotte verwachtte hem nu ; haar blik was onafgewend op de deur gericht, en haar hart klopte hoorbaar. Maar zij wilde zich dwingen bedaard te zijn, hem vriendelijk en zacht tegemoetlredon. Zij wist immers dnt Goethe niets zoozeer haatte als heftigheid en toorn bij eon vrouw;

ocr page 528

252

dat niets hem meer hinderde, dan dat' men hem verwijten deed; want dan verhief zich zijn mannentrots en vrijheidsgevoel, en hij, die anders zoo liefderijk en zacht scheen, werd dan toornig en woest. Charlotte wist dat, en zij wilde hem niet tergen; want het gold immers, hem weder terug te voeren in de zijden banden, waarmede zij hem zoolang fgeboeid had; hem weder als den gevangen koning, den overwonnen held voor den triomfwagen te zien. — „Ik wil niet met hem breken,quot; zeide zij bij zich zelve; „want ik gevoel, dat ik hem nog altijd bemin;ook wil ik niet, dat de nawereld van mij spreke, als van de verlaten] geliefde des beroemden dichters! Neen, neen; ik wil mij met hem verzoenen, en alles zal weder worden zooals het geweest is! Alles! En nu: — wees rustig, mijn hart, wees rustig!quot;

Zij nam van de tafel, waaraan zij zat, met bevende lianden ' een boek, onverschillig wat het was; zij wilde slechts hare gedachten regelen, slechts haar geest dwingen rustig te worden. Zij sloeg het boek open en richtte hare nog altoos fraaie oogen zonder belangstelling er op. Het was een deel van Voltaire's werken, dat Goethe baai-gisteren gezonden had, toen zij hem om lectnur had laten verzoeken. Zij herinnerde zich dit nu, en dat zij nog niets in het] boek gelezen had. Het was misschien nog tijd dit verzuim in te halen, indien Goethe soms naar het boek mocht vragen. Zoo bladerde zij heen en weder, maar plotseling hield zij stil, en las met half luide stem;

Qui n'a pas l'esprit de son age,

De son age n'a que le malheur!

Een wonderlijk woord, dat als met de hand van een lijk over haar warm, trillend hart streek! Ontbrak ook haar misschien de geest van haar leeftijd, en droeg zij slechts het ongeluk ervan op haar verwelkend aangezicht ? — Zij wierp het boek met een toornig gebaar ver van zich, sprong op, en ging naar den spiegel.

„Ben ik dan werkelijk oud? Staat het ongeluk van den ouderdom werkelijk (op mijn gelaat, terwijl de geest der jeugd en liefde no^' in mijn hart brandt ?quot;

Zij tuurde angstig in haar aangezicht naar het scbrift-teeken van dezen heilloozen vijand der vrouwen, die

ocr page 529

253

onverbiddelijk achter haar jeugd, hare schoonheid voort-sluipt; onzichtbaar mèt haar gaal op al de rozenpaden des levens, en vervolgens, als hij ten laatste zichtbaar nevens haar wordt, al degenen verjaagt, die hare schoonheid gehuldigd, haar bemind en aangebeden hebben! —

Charlotte zuchtte, want zij erkende op haar voorhoofd deze schriftteekens des vijands, die reeds uit de onzichtbaarheid te voorschijn begon te treden, en zich niet langer liet verbergen en terugstooten; zij zuchtte, en boog treurig haar hoofd.

„Ja; het staat daar geschreven dat ik zes-en-veertig jaar oud ben, en iedereen kan het lezen! Ook hij; ach, ook hij!quot; — Maar na een poos richtte zij het hoofd weder op. — „Schaam u, Charlotte; beleedig den vriend, den geliefde niet! Hij bemint u immers niet om den wille uwer uiterlijke schoonheid, maar hij bemint u om uw hart en verstand. Uw geest heeft hem aangetrokken: uw hart heeft hem geboeid, en geest en hart zijn niet verouderd, zijn niet veranderd. Jong zijt ge in den geest, en vlammen gloeien in uw hart! Hierdoor zal Goethe's liefde ook telkens opnieuw ontvlammen, en het zal hem volkomen onverschillig zijn, of de ouderdom u een masker voor het aangezicht gelegd heeft; want hij bemint u ter wille der eeuwige jeugd, die u in geest en hart vlamt! Ja, zóó is het, zóó zal het eeuwig blijven; want Goethe is geen man, zooals andere mannen zijn, — hij bekommert zich niet om de uiterlijke verschijning, hij ziet slechts op het inwendige wezen, en dat bemint hij aan mij, en dat zal hij eeuwig beminnen, want dit. Goddank, dit is niet veranderd, dit zal de eeuwige jeugd behouden! Daarom wees vroolijk, Charlotte; daarom wees gelukkig, en vrees het ongeluk van uwen ouderdom niet. Voltaire heeft zich verkeerd uitgedrukt, en ik corrigeer Voltaire. Zijn spreuk moet aldus luiden:

Qui n'a pas l'esprit de la jeunesse,

N'aura que le malheur de la vieillesse.

„Ja, zóó moet het heeten, en zóó is het: Die niet den geest der jeugd in zich draagt; dien brengt de ouderdom slechts ongeluk aan!quot; —

Met dezen geest der eeuwige jeugd op het heldere voor-

ocr page 530

254

hoofd en met een blij moedigen glimlach op de lippen, ging GliarloUe den geliefden vriend tegemoet, toen hij spoedig hierop bij haar binnentrad. Maar hij zag het heden niet; hij kwam met ernstig, ingetogen gelaat; vast overtuigd dat heden het onweder, dat zoolang boven hen gerommeld had, zich ontlasten zou; en daarom had hij zich inwendig gewapend en toegerust, en scheen uiterlijk streng en afgemeten, wijl zijn hart zoo week was en zich vast samensloot, om zijn tranen en zijn smart in zich te bedwingen!

,,Goethe,quot; fluisterde zij hem haar beide handen reikende: „ik dank u, dat ge gekomen zijt.quot;

„Ctiarlotte,quot; zeide hij zacht: „hoe kunt ge mij danken voor hetgeen ik voor mij zeiven even gaarne doe, als vooru.quot;

„Ik heb u evenwel toch driemaal moeten verzoeken; en driemaal hebt ge een voorwendsel gebruikt, om te weigeren,quot; riep zij, al haar goede voornemens vergetende, en medegesleept door haar gevoel.

„Een voorwendsel?quot; herhaalde hij: „Nu ja dan, als ge wilt, ja, ik gebruikte een voorwendsel; en juist daaraan kunt ge zien, waarde Charlotte, hoeveel belang ik er in stel, u iedere krenking te besparen; want tot elk ander zou ik vrij en eerlijk gezegd hebben: „ik wt7 niet komen, liet is beter voor ons beiden, een nadere verklaring te vermijden.quot; Gij had misschien wijzer gedaan, lieve Gnar-lotte, zoo ge dit dus gevoeld, — en ook beproefd hadt, zwijgend uw misnoegdheid op mij te verwinnen, in plaats van verklaringen uit te lokken, welke wij beiden liever moesten vermijden.quot;

„O, ik heb niets te vermijden, ik kan elke verklaring geven; want er is geen dag en geen uur in mijn leven met u, Wolf, waarin ik niet mijn hart en mijn ziel voor u zou kunnen openleggen, en u van elke gedachte rekenschap en verklaring zou kunnen geven. Neen, ik heb geen verklaring te vermijden. Ik bemin u en ben u trouw, dat is de geheele inhoud van mijn leven, gij echter, gij—quot;

„Och, lieve,quot; viel hij haar in de rede: „doe mij niet weder verwijten; mijn hart is er reeds zóó door ontstemd, en de vleugels mijner ziel zijn zóó verlamd, dat mijn verbeelding zich nooit weder tot een vrije, lustige vlucht zal kunnen verhellen!quot;

„Nu doet ge mij verwijten!quot; riep zij smartelijk: „Nu

ocr page 531

255

moet ik, ongelukkige, de schuld er van dragen, dal de vleugels uwer ziel verland zijn! O, Woll, dal is waarlijk wreed! Mij te verwijlen!quot;

„Neen, Cliarlotte,quot; antwoordde hij altijd nog bedaard; „neen ik maak u geen verwijten; boe zou ik het kunnen! Zoo ge veel van mij moet dulden, is het immers ook billijk, dat ik door u lijde. Het is ook veel beter dal men vriendelijk afrekent, dan dat men elkander steeds wil toegeven, en zoo dat niet gelukt, elkander uit den weggaat. Met u echter kan ik hel minste afrekenen, wijl ik bij elke afrekening uw schuldenaar blijf En als wij bedenken, hoeveel men van alle metischen verdragen moet, zullen wij immers jegens elkander toegevend zijn, lieve!quot; ^

„Ach,quot; zuchtte zij treurig: „zoo willen wij dus beproeven, niet meer in geluk, — maar in toegevendheid met elkander te leven!quot;

„Ik hoop dat toegevendheid met wederzijdsche zwakheden ons weder tot geluk zal voeren. Van mij ten minste durf ik zeggen, dat ik met een beminnend hart, gaarne bereid ben tot toegevendheid!''

„Ik wist niet, dat ik uwe toegevendheid zoozeer noodig had,quot; zei Charlotte fier.

„Tóch wil ik ze u schenken; en zoo ge het hooren wilt, zal ik u gaarne zeggen, dat bijvoorbeeld uw vele verwijten en ontstemmingen, hoe gevoelig ik er ook voor ben, mij echter geen verdriet en wrok in 't hart achtergelaten hebben.quot;

„Dit komt zeker daarvan, Goethe, wijl uw rechtvaardig en edelmoedig hart u gezegd heeft, dat mijne verwijten billijk waren en mijn ontstemmingen, — zooals ge mijn treurigheid noemt, — u zeiven wel als natuurlijk moesten voorkomen. Zeg mij, Wolf; welke verwijlen heb ik u gedaan? Wat heb ik gezjgd, waartoe ik niet door uw veranderd, koel gedrag, volkomen gerechtigd was?'

„Dat is het,quot; riep Goethe, die nu zijn toegevende vriendelijkheid begon te laten varen, en zich door Charlotte's trotsche lichtgeraaktheid gekrenkt gevoelde: „dal is het;—■ daarin ligt het verwijt, en ik moet zeggen : het onverdiende

1) Goeth's eigen wooden. Zie : Goethe's Briefvveclisel mit Prau von Stein III. 326.

ocr page 532

256

verwijl. DU is het eeuwige lied dat ik hooren moet, sedert ik: teruggekeerd ben ; Ik beu veranderd, ik bemin u niet meer. En evenwel is immers mijn terugkomst, mijn blijven alhier het grootste, het sterkste bewijs mijner liefde voor u! Want om uwentwil ben ik teruggekeerd; om uwentwil heb ik mij uit Italië losgerukt van al de schoonheden, die mij omgaven, en —quot;

„En ook van de schoonheid, die uw trouweloos hartin boeien heeft geslagen!quot; viel zij hem in de rede.

Hij lette et' niet op en voer levendiger voort; — „en om uwentwil ben ik, hoezeer ik bij mijn terugkomst gevoelde, dat het leven hier nauwelijks dragelijk voor mij was, evenwel gebleven. Ik zag Herder met de hertogin op reis gaan; zij bood mij dringend een ledige plaats in haar rijtuig, zij wenschte mij mede te nemen naar Italië,— maar ik bleef; bleef om uwentwil. En evenwél moet ik mij in hetzelfde oogenblik hardnekkig laten herhalen; ik had maar kunnen wegblijven, ik nam tóch geen deel aan de rnenschen; het was geen vreugde, met mij te zijn.quot; ^ „Dat heb ik niet gezegd.quot;

„Ja, dat hebt ge gezegd, en nog veel meer! Koelhartig, zonder deelneming hebt ge mij genoemd! Vraag toch alle andere vrienden, of ik minder deelnemend, — of ik terughoudender, werkeloozer voor mijne vrienden ben dan vroeger ? Of ik thans niet veeleer hun en de maatschappij eerst recht toebehoor?quot;

„Ja, dat is het! De vrienden en de maatschappij behoort ge meer, wijl ge mij minder toebehoort; wijl ge u overgeeft aan de algemeenheid en hiervoor ons innig, geheim en bijzonder tweelingsleven opgeeft; wijl ge voor mij het beste, innigste vertrouwen verloren hebt!quot;

„O, Charlotte,'' riep hij smartelijk; „hoe levendig heb ik telkens ondervonden, dat het er nog is, als ik u eens in een stemming vond, om met mij over belangrijke onderwerpen te spreken. Maar dat beken ik gaarne,quot; — voer hij met toenemende heftigheid voort, en nu, — daar de sluizen der verwijten eenmaal geopend waren, — niets meer in staat was hare uitstrooming te beletten, — „dat beken ik gaarne; de wijze op welke ge mij tot hiertoe behandeld

1) Goethe's eigen woorden. Zie als voren.

ocr page 533

hebt, kan ik niet verdragen. Als ik spraakzaam was, hebt ge mij de lippen gesloten ; als ik mededeelzaam was, hebt ge mij van onverschilligheid, — als ik voor vrienden werkzaam was, van koelheid en nalatigheid beschuldigd. Al mijne handelingen hebt ge gecontroleerd, mijn manieren gelaakt, en mij altoos mal a mon aise gebracht. Hoe konden vertrouwen en openhartigheden gedijen, als ge mij met overlegden luim van u stiet?quot; 1)

„Met overlegden luim?quot; herhaalde Charlotte met losbrekende tranen: „Alsot mijn luimen, — mijn treurige, sombere luimen, niet het zeer natuurlijk gevolg van het verdriet waren, dat gij mij veroorzaakt.quot;

„Ik zou wel willen weten welk verdriet ik u veroorzaak. Zeg het mij, Charlotte; beschuldig mij, wellicht gelukt het mij, u te overtuigen dat ge ongelijk hebt.''

„Ce wilt het, Goethe; nu, welaan, het zij zoo,'' riep zij opgewonden: „ik beschuldig u, dat uw hart trouweloos is; dat de liefde, welke ge mij duizendmaal gezworen,— van welke ge mij gezegd hebt. dat zij met u leven en met u sterven zou, — ik beschuldig u, dat uw hart deze liefde vergeten heeft; in tweevoudige lietde vergeten heeff, in een edele en in een lage liefde.quot;

„Charlotte, bedenk wel wat ge zegt; overweeg uwe woorden, opdat zij mijn ziel niet kwetsen!quot;

„Hebt gij misschien uwe woorden overwogen ? Gij hebt mijn ziel gekwetst, — op de doodelijkste, de vreeselijkste wijze gekwetst. Of meent ge soms, dat ik het niet als een vreeselijke smart heb gevoeld, mij in 't aangezicht te zeggen, dat ge te Rome een andere vrouw hebt bemind, en dat ge waart weggegaan, om deze lietde te ontvlieden?quot;

„Ik was weggegaan om u te behouden, Charlotte; om u trouw te blijven.quot;

„Welk een behouden is dat, als de liefde reeds verloren is; welk een trouw is het, als zij nog slechts hangt aan het uiterlijke woord? En zelfs als ik dit toegeef, als ik begrijp dat de schoonheid van het jonge, bekoorlijke Ita-liaansche meisje u vervoerde, u een oogenblik de trouw deed vergeten, — wat moet ik echter zeggen van 'tgeen

17

1

Goethe's eigen woorden. Zie: Goetlie's Briefwechsel mit Fran von Stein. III. .327.

Mühlbaoh, Diiitscliland in Woeling en Strijd. IV.

ocr page 534

258

hier, in mijne nabijheid geschiedt? Wat moet ik van den grooten dichter, den edelen mensch, den hooghartigen, beminnenden vriend denken, als hij zijn genoegen vindt in het heimelijk en onedel verkeer met eene persoon, die noch beschaving nóch stand heeft — die tot de ellendigste, tot het diepst verval gekomen familie behoort, en welke ik zelfs voor te weinig fatsoenlijk houd, om mijn kamenier te zijn! — O, te denken, te weten, dat de dichter Goethe, — de geheimraad Goethe, de geleerde Goethe, — dat deze des avonds vermomd en heimelijk het ellendige, erbarmelijke huis binnensluipt, om de dochter van een dronkaard te bezoeken. Te denken dat mijn Goethe, de lieveling mijns harten, mijn trots en mijn liefde, — dat deze zich van mij heeft gewend voor eene vrouw, die zóó laag is, dat hij zelf zich over haar schaamt, en slechts heimelijk tot haar sluipt, angstig zorg dragende, dat niemand hem herkenne!quot;

„Zoo ik dit gedaan heb, is het om uwentwille geschied,quot; riep hij, bleek van inwendige ontroering, met bevende lippen en vlammende oogen: „Zoo ik heimelijk tot haar ben geslopen, deed ik het, wijl ik wist dat uw blik verduisterd is en gij nu niet meer in staat zijt, van een verhevener standpunt op zulke nederige, aardsche, en zinnelijke betrekkingen neder te zien. Zoo ge wijs en hooghartig waart, Charlotte, zoudt ge een betrekking ignoreeren die toch geheel en al buiten de sfeer ligt, waarin wij beiden leven. En welk een betrekking is het? quot;Wie wordt er door tekortgedaan? Wie maakt, aanspraak op de gevoelens, welke ik voor het arme schepsel koester? Wie op de uren die ik met haar doorbreng ?quot; 1)

Charlotte hief met een luiden smartkreet hare armen ten hemel: „O God, o God! hij bekent het! Hij bekent deze afschuwelijke betrekking.quot;

„Ja,quot; zeide hi] trotsch: „hij bekent het, maar hij verzoekt u ook: Help mij, dat de betrekking, die u zoozeer hindert, niet ontaarde, maar stand boude zooals zij bestaat. Schenk mij weder uw vertrouwen; beschouw de zaak uit een natuurlijk gezichtspunt, veroorloof mij, u hierover een be-

1) Goethe's eigen woorden. Zie: Briefwechsel mit Charlotte von Stein; III. 328.

ocr page 535

259

daard, waar woord te zeggen, en ik kan dan nog hopen, dat alles zich tusschen ons rein en goed horstellen zal.quot; 1)

„Ik niet,quot; riep zij, het hoofd achterover werpende, en met den hoogmoed en de minachting eener deugdzame vrouw, voer zij voort: „er kan niets goeds en reins tusschen ons hersteld worden, zoo deze vrouw tusschen ons staat; — deze vrouw, die mij doet blozen van schaamte en vernedering, als ik bedenk dat uw hand, die de mijne vat, misschien de hare heeft aangeraakt, dat deze lippen — O, Wolf, ik huiver van toorn en afkeer, als ik denk, dat ge mij mocht kussen, terwijl gij haar kort te voren gekust hebt!quot;

„Ge zult dit nooit meer behoeven te denken,quot; zeide hij met ruwe stem en doodsbleek gelaat: „ik heb uit liefde voor u veel verdragen, maar nu zijt ge buiten de grenzen gegaan, die de eer des mans zelfs de geliefdste vrouw niet mag vergunnen te overschrijden! Ik herhaal u slechts: ge zult niet meer den afkeer behoeven te overwinnen, door mij gekust te worden, terwijl ik misschien, gelijk ge meent, kort te voren eene andere gekust heb. En wat deze andere betreft: ik moet n nu nog zeggen, dat ge volkomen gelijk hebt mij te verwijten, dat ik heimelijk tot haar sluip, en mijne betrekking met haar verborgen houd. Ge hebt gelijk, dit is een onrecht, een lafhartigheid ; de man moet oprecht en vrij zijn daden bekennen, en dat zal ik doen! Vaarwel, Charlotte; ge hebt mij den weg gewezen, dien ik gaan moet, en ik zal hem gaan. Zoo wij op dezen weg echter elkander niet weder mochten ontmoeten, laat mij u dan nu nog zeggen, dat ik u de schoonste en gelukkigste jaren mijns levens te danken heb. Ik heb geen grooter geluk gekend, dan het vertrouwen in u, dat altijd onbegrensd was. Zoodra ik het nu niet meer uitoefenen kan, ben ik een ander mensch, en moet mij in het vervolg nóg meer veranderen!quot; 1)

Hij zweeg en streed met de tranen, die uit zijn hart op wilden stijgen in zijne oogen. Charlotte staarde hem aan met ontsteld gelaat en hijgenden angst. Haar hart stond stil, hare lippen waren halfgeopend, maar zij hield

1) Goethe's eigen woorden. Zie: Briefwecbsel mit Charlotte von Stein. III. 328.

ocr page 536

260

den smartkreet in haar hart tei'ug, gelijk hij de tranen in het zijne. —

Een warm, teeder, vergevend woord had hem misschien tot haar terug kunnen roepen, en in klagen en tranen, in berouw en vergeving, had zich alle misverstand kunnen oplossen; — maar Charlotte was te zeer de fiere vrouw, te zeer geraakt en gekrenkt in hare liefde en ijdelheid, om zich tot dat woord te vernederen. Zij had sinds tien jaren zulk een groote macht op Goethe's geheele wezen en doen uitgeoefend, dat zij misschien meende, dat hij nochtans bij haar zou blijven, en zich voor haar verootmoedigen zou in berouw en boete.

Maar zij bedacht niet, dat een man vergeven kan, als de vrouw zijne liefde mistrouwt; maar dat hij niet vergeven zal, zoo zij zijn trotsch kwetst en zijn eer krenkt! —

Charlotte sprak niet; zij stond als verstijfd, en zag dat hij zijn hoed nam, dat hij voor haar boog — hoorde, dat hij met bevende, bleeke lippen prevelde: „Vaarwel! Dierbare, eeuwig geliefde Charlotte, vaarwel!quot;

Toen werd het stil om haar heen, toen zag zij hem niet meer! Haar dwalende blik vloog zoekend door de geheele kamer, en toen zij hem niet vond, — toen zij haar diepe, vreeselijke verlatenheid bewust werd, zonk Charlotte, als door den storm gebroken en geknakt, op hare knieën neder, breidde de armen uit naar de deur, door welke zijn geliefde gestalte verdwenen was, en haar bleeke sidderende lippen prevelden: „Vaarwel! Laatste droom mijner jeugd, vaarwel! Laatste verrukking, laatste geluk, laatste hoop, vaarwel! Het is nu nacht en eenzaamheid en koude om mij heen! Mijn liefde, mijn jeugd zijn van mij geweken en de ouderdom is er, en de eenzaamheid des harten! Niemand zal mij meer beminnen! Ik zal alleen zijn! Vreeselijk alleen! Vaarwel!quot; —

Terwijl Charlotte dus klaagde en streed met haar hart, wandelde Goethe met haastige schreden door het park; ging naar de donkere allée, de Arertrouwde van zoovele gewichtige jaren, en wandelde lang met somber gelaat en beklemd hart op en neder. Toen hij haar na uren van

1) Goethe's eigen woorden. Zie: Briefwechsel mit Charlotte von Stien. II. 330.

ocr page 537

/ 261

strijd en peinzende overweging verliet, was er op zijn schoon en edel gelaat een uitdrukking, zooals het vroeger nooit vertoond had. Een sombere, trotsche ernst sprak uit zijn trekken, en zijn oogen, die anders zulk een vu-rigen, bezielden blik hadden, glinsterden wel, maar het was een somber vuur, dat er in brandde.

„Nedergevaren ter helle, en weder opgestaan uit den dood,quot; mompelde hij met een spotlach op de lippen, en ging haastig door de straten naar de kleine steeg, waarin het geringe huisje stond, dat mèt den dronken vader en de arme zusters en broeder, Christina Vulpius bewoonde.

Zij kwam hem met een kreet van verwondering, van vroolijke verrassing tegemoet; want liet was voor het eerst dat Goethe bij het daglicht dit kleine huis en armoedig kamertje betrad, waarin Christina woonde. Hij stak haar de armen toe, en zij vloog aan zijn hart, sloeg hare wonderschoone armen om zijn hals, en kuste hem.

Goethe drukte haar vast tegen zich en liet haar liefelijk hoofd je aan zijn borst rusten. Vervolgens hief hij het langzaam met zijne handen op, en zag lang en peinzend in haar groote blauwe oogen, die hem als schitterende sterren tegenstraalden.

„Christina,quot; vi'oeg hij zacht en glimlachend: „Christina, wilt ge mijn vrouw worden?quot;

Een donkere gloed bedekte haar liefelijk gelaat en hals, vervolgens brak zij uit in een helderen, frisschen lach, die als vroolijke vinkenslag klonk, en tusschen de koralen lippen twee rijen der fraaiste tanden liet zien.

„ïk uw vrouw, mijn liefste?quot; Waartoe deze scherts, en waarom plaagt ge uw arme Christina, overmoedig, trotsch heer?quot;

„Het is geen scherts, Christina, en ik plaag u óók niet. Ik vraag u in vollen ernst: wilt ge mijn vrouw worden?quot;

,Jn vollen ernst?quot; herhaalde zij, en hare groote kin-deroogen waren met verbaasde verwondering op Goethe gericht, die haar met een teederen glimlach aanschouwde.

„Nu, geef toch antwoord, Christina!quot;

„Geef gij eerst antwoord, mijn liefste en mijn heer; antwoord op mijn vraag: Bemint gij mij ? Ben ik nog altoos het kind van uw hart, uw liefste liefje, uw geliefde leeuwerik, uw geurig viooltje?quot;

ocr page 538

262

„Ge zijt dit alles nog, en zult het eeuwig en altijd voor mij blijven, mijn kind en mijn liefle, mijn leeuwerik en viooltje!quot;

„Nu, laat mij dan blijven wat ik ben, mijn liefste en mijn heer. Ik ben veel te gering, om de vrouw te zijn van den voornamen heer; ik zou een belachelijke figuur maken, zoo ik mij wilde aanmatigen, nevens u mijn plaats te hebben om de voorname geheimraadsvrouw te spelen: en gij zoudt zells ten laatste kunnen meenen, dat ik uwe lielde slechts had aangenomen wijl ik op den achtergrond het huwelijksaltaar en de wereldsche grootheid gezien had.quot;

„Ik zou het niet meenen, mijn lieveling; ik weet dat ge mij bemint.quot;

„Versta mij dan goed, liefste, en weet ook, dat ik blijven moet gelijk ik ben; want gelijk ik ben, was ik naar uw zin, maar voor geheimraadsvrouw ben ik te min!quot;

Zij lachte luid om het aardige rijm, knikte Goethe toe en vlijde zich teeder in zijne armen. — „Laat mij uw viooltje zijn en blijven, en laat mij in't verborgen bloeien, door niemand gezien, door niemand opgemerkt dan door u, mijn liefste en heer. Ik wil u dienen, ik wil uwe dienstmaagd zijn ; voor u werken en arbeiden, voor u koken en naaien, hiertoe ben ik geschikt; daarvoor pas ik, maar ik kan geen voorname dame worden, en uw grootschen, beroemden naam dragen. Zoo ik het deed, zoudt ge soms om mij blozen en u over mij schamen; maar ben ik uw liefste, dan zult ge u misschien over mij verheugen; kunt om mij lachen, als ik domheden bega, en behoeft u nooit te schamen over het kleine onwetende ding, dat zoo heel stil achter u sluipt en niets anders begeert, dan slechts in uwe nabijheid te zijn, en dat ge het soms vriendelijk aanschouwt.quot; 1)

„Altijd, Christine, altijd wil ik u vriendelijk aanschouwen; altijd zult ge in mijne nabijheid zijn,quot; betuigde Goethe diep bewogen.

„Altijd in uw nabijheid!quot; riep zij juichende van liefde en geluk: „ü, doe het, mijn liefste, neem mij bij u!Laat mij uw dienstmaagd zijn, uw keukenmeid, uw huishoud-

4

1

Christina Vulpius wees in waarheid Goethe's huwelijksaanzoek af. Zie Lewes, Goethe's Leben II. 121.

ocr page 539

263

ster; ik wil u dienen en gehoorzaam zijn, ik wil u eeren en hoogachten als mijn meester, ik wil u beminnen en trouw zijn als mijn liefste!quot;

„En ik,quot; zeide Goethe, zijn hand op haar goudbruin krullend haar leggende: „ik zweer u bij den eeuwigen geest der liefde en der Natuur, dat ik u beminnen, — dat uw geluk de heiligste zorg mijns levens zijn zal. Ik zweer u, dat ik u wil eeren als mijne vrouw, u beschermen en behoeden als mijn kind, en uw gade en vader wil zijn tot den dood!quot;

Hij boog en kaste haar wang en voorhoofd, en zag haar diep in de stralende oogen. — „En nu, kom, mijn lieveling, kom!quot;

„Waarheen? Het is helderlichte dag, en ge kunt toch niet openlijk met mij over straat willen gaan?quot;

„Openlijk met u over straat, èn op helderlichten dag!quot;

„Maar dat gaat immers niet,quot; zeide zij geheel beschaamd en verschrikt: „het past toch niet voor zulk een voornaam en beroemd heer, met zulk een dom en gering meisje als ik ben, over straat te gaan. Wat zouden de menschen er van zeggen?quot;

„Laat hen zeggen wat ze willen! Kom, mijn viooltje, ik wil u in mijn tuin overplanten, en daar zult ge bloeien en geuren mij tot vreugde en lust.quot;

Zij weerstreefde niet langer: sloeg haastig den doek om hare schouders, drukte den hoed met de eigengemaakte rozen op de bruine lokken, en trad met hem uit het nederige, vaderlijke huis, ging fier en gelukkig aan Goethe's zijde door de straten, en volgde hem naar het deltige huis op de markt, dat van nu af haar woonplaats zou zijn.

Goethe leidde haar de breede trap op, en door het voorvertrek in zijn gezelschapskamer. Beide zwegen, maar hunne oogen schitterden, en een glimlach stond op hunne lippen.

Goethe nam haar den hoed af, en trok den doek van hare schouders; toen drukte hij haar aan zijn hart, en met de groote, glinsterende oogen ten hemel geslagen, riep hij met luide, plechtige stem:

„Dikwerf heb ik gedwaald, en mij toch weder gevonden.

Maar gelukkiger nooit; nu is dit meisje mijn geluk!

Is ook dit een dwaling, — verschoont mij dan, gij wijzere goden, En ontnuchtert mü eerst ginds, aan het koude strand!quot;

ocr page 540

264

XII.

DE JEUGD OVERWINT, OPNIEUW BEWEZEN.

Zij hielden zich nog steeds ver van elkandor verwijderd deze twee heroenen der dichtkunst, wier glans geheel Duitschland bestraalde, en tóch was er een wonderbare gelijksoortigheid in hun inwendig leven, hoe verschillend ook hunne uiterlijke omstandigheden waren. Goethe, de gewaardeerde dichter, de voorname man, die nooit de zorgen en nooden des levens gekend had; Schiller, nog altoos begrepen in den storm en drang vanhetstreven en worstelen, het schoone en goede scheppende, maar nog schooners en grootschers in zijn geest aanschouwende, en daarbij in uiterlijk bescheiden stand, steeds worstelende met den nood en de zorgen des levens. En deze zorg en nood des levens werden niet verminderd, toen Schiller in 'tjaar 1789 de betrekking van jprofessor der geschiedenis te Jena verwierf, want — aan dit protessoraat was geen tractement verbonden!

„Een zekere mijnheer Friedrich Schiller,quot; zoo schreef destijds — niet de dichter, maar de kamerpresident-—Goethe, in zijn raad verslag aan den hertog Karei August: „een zeker mijnheer Friedrieh Schiller, die zich door een Geschiedenis van den afval der Nederlanden bekend heett gemaakt, moet genegen zijn, zich aan de universiteit van Jena te verbinden. De mogelijkheid van deze aanwinst mag te meer gewaardeerd worden, daar men haar gratis zou kunnen verkrijgen.quot; 1)

Gratis! — De hertogen van Weimar, Meiningen, Altenburg en Gotha, die gemeenschappelijk de universiteit van Jena onderhielden, konden den dichter van „don Carlos,'' „Fiesco,quot; „Kabaai en Liefde,quot; en der „Roovers,quot; — den dichter van zoo vele heerlijke liederen, den schinjver van de geschiedenis der Nederlanden, — slechts een professoraat zonder tractement aanbieden!! Zij hadden voor hem slechts een titel, slechts eene aanstelling, die hun zeiven den roem bracht, den Duitschen dichter erkend te hebben, maar die voor hen tegelijk een geldbesparing was!

1

Zie Schiller und seine Zeit. Von Johannes Scherr. II. 148.

ocr page 541

265

Schiller nam het dus aangeboden professoraat aan, met den hooghartigen zin des dichters, voor wien de eer en de roem hooger staan dan het geld; en die voor degenen welke het hem onthouden en hun voordeel met hem doen, slechts een medelijdend schouderophalen en een trotschen glimlach heeft. Schiller's vrienden waren wel is waar ontevreden met deze soort van aanstelling zonder tracte-ment; zijn practische vriend Körner wilde er hem wel aan herinneren, ook een weinig aan de behoeften des levens te denken, en den heer staatsminister te laten merken, dat het niet heel edel was, hem enkel den titel, maar niet het tractement van een professor te verleenen. Maar Schiller wilde in zijn fieren onafhankelijkheidszin, van niemand als een gunst verzoeken, wat door hen niet als plicht erkend werd; hij wilde niet bedelen en bidden om het dagelij ksch brood voor den 23Jquot;ofessor, daar hij hopen mocht, dat de dichter hem zou kunnen voeden. Hij was immers gewoon te ontberen en zich te bekrimpen; gewoon te strijden met des levens nood, en de nood als zijn trouwste levensgezellin nevens zich te hebben. De dichter zag steeds met zalige vervoering ten hemel, verheugde zich over Gods heerlijkheid, en was „bij Hem,quot; terwijl de wereld verdeeld werd onder degenen, die het beter dan de dichter verstonden, hunne handen open te houden, zich de schatten der aarde toe te eigenen en er om te bedelen! Zijn hart was zoo rijk en zijn geest zoo bescheiden, niet naar uiterlijkheden strevende, maar alleen naar het hoogste doel gericht. Hij wilde geen schatten en rijkdommen verwerven, en zelfs de rijke vrouw, welke Körner hem ten huwelijk voorsloeg, wees hij af; want niet het practisch verstand, maar slechts het beminnende hart, moest hem een gade bezorgen.

Het beminnende hart! Had Schiller niet zijn Charlotte, evenals Goethe die had ? Hetzelfde jaar 1789, dat in de geschiedenis van Goethe's hart zoo gewichtig was, en hem voor altoos scheidde van zijn vriendin Charlotte, — dat zelfde jaar zou ook voor de geschiedenis van Schiller's hart gewichtig zijn, en de beslissing aanbrengen tusschen hém en zijn vriendin Charlotte!

Het ging haar, gelijk het omstreeks dien zelfden tijd mevrouw von Stein was gegaan. Ook Charlotte von Kalb

ocr page 542

266

had Schiller, gelijk gene Goethe, dikwijls te vergeefs bij zich laten verzoeken. Hij was haar altoos ontweken, had steeds het voorwendsel gebruikt, dat de bezigheden van zijn nieuw professoraat hem te zeer aan Jena bonden, en hem volstrekt niet veroorloofden, zelfs één dag naar Wei-mar over te komen.

Toen zond Charlotte een renbode naar Jena met den la-conieken brief: „Zoo gij niet heden bij mij komt te Wei-mar, kom ik heden bij u te Jena. Antwoord!quot; En Schiller's antwoord luidde; „Ik kom!quot;

Zi] verwachtte hem nu; hare groote bruine oogen waren onafgewend op de deur gericht, en in haar bevend en kloppend hart gevoelde zij een onuitsprekelijken angst, een namelooze smart.

„Hij moet mij niet zwak vinden,quot; prevelde zij; „neen, ik zal niet weenen en niet klagen. Moge mijn fierheid mij ondersteunen, opdat ik vrij |en glimlachend de beslissing van onze toekomst aanneme, en hem niet laat vermoeden wat ik lijd. Ik wil hem mijn hart verhullen; en het zal dan van hém afhangen, of hij met beminnende hand het hulsel verwijderen, — en weder de warme klopping en gloeiende liefde ervan verstaan wil.quot;

En zoo ging Charlotte von Kalb, toen Schiller nu kwam, met verhuld hart den geliefden vriend tegemoet!

„Daar zijt ge eindelijk, mijn Friedrich!quot; zeide zij; „De bedreiging mijner komst was dus noodig, om u tot mij te roepen?quot;

„Neen, liefste vriendin,quot; antwoorde Schiller met vroo-lijke stem en kalmen blik; „ik zou ook buitendien thans tot u gekomen zijn; want ge weet, ik heb u van ganscher harte lief, en het was mij een behoefte u eindelijk weder te zien. Maar ik had zoo veel te doen, en zoo veel te bezorgen.quot;

Een bittere glimlach zweefde een oogenblik om Charlotte's lippen, maar zij onderdrukte dien snel. — „Ik vind het zeer natuurlijk, dat de nieuwe heer professor veel te doen heeft, en hem geen tijd overblijft, orn zijne vriendin te bezoeken. Maar, Friedrich; het was noodzakelijk, dat ik met u tot een verklaring moest komen; want het leven heeft mij thans op een tweesprong geplaatst, en ik moet nu kiezen, welken weg ik wil inslaan.quot;

ocr page 543

267

„Jk weet van uw hart en uwe schranderheid, dat ge steeds den rechten weg zult kiezen, Charlotte,quot; zeide Schiller een weinig beklemd.

Zij Loog zacht toestemmend het hoofd. — „Toen wij elkander het laatst spraken, was ik driftig, opgewonden ; ik deed u verwijten, wijl ge niet met mijn echtgenoot gespi'oken, — niet eindelijk de noodzakelijke beslissing uitgelokt hadt. Ik geloof zelfs dat ik weende, en u voor een trouwlooze, een ondankbare uitschold.quot;

„Waarom de herinnering daaraan weder op te wekken, Charlotte? Ik heb gepoogd dit alles ie vergeten en te verkroppen, en mij slechts te herinneren, dat men met zijne vrienden niet nauw rekenen mag, en hun ook de ontstemmingen ten goede moet houden. Wij hebben beiden een schoonen droom, gedroomd, Charlotte, en hebben helaas, moeten erkennen, dat in deze prozaïsche wereld de romantische luchtkasteelen zich wei laten verwezenlijken.quot;

„Bedoelt ge met de uitdrukking „romantische luchtkasteelenquot; de plannen, welke wij beiden voor onze toekomst gemaakt hadden?quot;

„Jaquot;, antwoordde Schiller na eenig aarzelen: „ja, ik moet dit, helaas, doen. Een huwelijk met u, was voor mij het heerlijkste, prachtigste luchtkasteel mijner verbeelding; en aan de zelfzucht mijner liefde moge het vergeven worden, zoo ik waande, dat op een zaligen dag dit luchtkasteel zou kunnen nederdalen op de aarde, en voor mij en u zijn gouden poorten zou openen! Maar op deze zalige verrukking volgde spoedig het koele overleg, en dit zeide mij, dat al deze hemelsche droomen zich wieHaten verwezenlijken.quot;

„Waarom niet?quot;

„Wijl ik niet in staat ben u een vergoeding te bieden voor al de groote offers, welke ge mij zoudt moeten brengen, en ik terugschrik voor de gedachte, dat ge eens berouw zoudt kunnen hebben over 't geen gij gedaan hadt. Ge zijt een voorname vrouw, gewoon aan de behagelijkheid en den welstand van een aristocratisch huis. Ik ben slechts een arm Duitsch professor, gewoon aan de zorgen en den nood des levens, en niet in staat mijn echtgenoote een ruim leven aan te bieden. Die mij neemt, moet zeer bescheiden eischen hebben, — moet afstand van vroeger geluk doen, om met mij een bestaan te beginnen, dat voorloo-

ocr page 544

268

pig quot;slechts hoop en vooruitzichten aanbiedt. Er zou reeds voor een jong meisje, dat eerst de wereld intreedt, veel zelfverloochening toe hehooren om de gade van den armen professor en dichter te worden, — hoeveel meer dus voor een voorname dame, welke ik uit een paleis in een nederige hut zou moeten voeren, alles zou moeten ontnemen, rang en welstand, ja zelfs den zoon, dien zij bemint, — en niet zou weten, of ik haar voor dit alles een vergoeding kon aanbieden! Ach, Charlotte; het leven met mij is een harde arbeid, en uwe handen zijn te teeder, om er niet door gewond te worden. Vergeef den dichter dus, zoo hij in de verrukking zijner liefde slechts gedacht heeft aan het geluk, 'twelk uw bezit hem schenken zou, zonder te bedenken, dat hij zijn geluk niet mag koopen ten koste van het uwe.quot;

„Ge hebt gelijk, mijn lieve vriend,quot; zeidezij : „men mag zich nooit door de liefde tot zelfzucht laten verleiden, en het geluk van den geliefde moet ons hooger staan, dan ons eigen geluk. Üit willen wij beiden bedenken, en daarnaar handelen. Gij denkt aan mijn geluk, laat mij dus ook het uiue in 't oog houden, en zoo bezweer ik u dan bij den grooten geest der waarheid en liefde, die op dit uur boven ons zweeft, zeg mij de waarheid ; beantwoord mij de vraag, welke ik doen wil, even eerlijk en oprecht als ge dit voor God zoudt doen ; Bemint ge mij zóó sterk, zóó vurig en uitsluitend, dat ge slechts door mijn bezit gelukkig zoudt kunnen worden?quot;

„Charlotte, dit is inderdaad een vraag, welke ik slechts aan God zou kunnen beantwoorden !quot;

„God woont in iedere menschelijke borst, en bij een God der liefde, die Zijn hand over mij uitgestrekt houdt,eisch ik van u het antwoord der waarheid up mijn vraag: Bemint ge mij zóó sterk, zóó vurig en uitsluitend, dat ge slechts door mijn bezit gelukkig zoudt kunnen worden?quot;

Er ontstond een pauze. Een lange pauze. — De geest der waarheid en der liefde, wiens tegenwoordigheid Charlotte zoo plechtig verkondigd had, aanschouwde alleen deze beide bleeke gestalten, die tegenover elkander stonden en elkander oog in oog zagen, met het bittere smartgevoel, dat niets op aarde bestendig is, dat alles verandert en vergaat... dus ook de liefde!

ocr page 545

209

„Neen,quot; zeide Schiller toen zacht: „neen; ik bemin u niet zóó sterk, zóó vurig en uitsluitend. Ik geloof ook niet, dat wij rnet elkander gelukkig zouden zijn; want als men een eeuwige verbintenis door het huwelijk aangaat, mag er geen hartstocht bij zijn, en daarbij, Charlotte, staat ge voor mij te hoog, — en een zoo uitstekend wezen als gij, kan, geloof ik, als vrouw mij niet gelukkig maken. Ik moet een vrouw hebben, die ik tot iets maak; die myn schepsel is, die mij alleen behoort, welke ik alleen gelukkig kan en moet maken, en aan wier bestaan het mijne zich verfrisschen kan. Een vrouw, die jong, onervaren en zacht is; niet gemaal en voornaam, — maar die nog beschaafd en gevormd moet worden; die aan mij verknocht is, en die poogt mij een zachte, opgeruimde kalmte en vrede te schenken.quot; 1)

„Een vrouw, — met één woord, — die jong is,quot; zeide Charlotte met fiere bedaardheid ; „of liever, een jong meisje, dat een wit blad is, waarop mw liefde het eerste woord wil schrijven.quot;

„Ja, Charlotte, zóó is het! Gij verstaat mijn hart, zooals ge het altijd verstaan hebt.quot;

„Ik doe van heden afstand van deze kennis, en geef u nog den laatsten raad, u tot freule von Lengefeld te wenden, en haar te vragen, of zij misschien niet het witte blad wil zijn, waarop ge uw naam kunt schrijven. Ik geef u den laatsten raad, met freule von Lengefeld te huwen; want zij schijnt mij werkelijk al de voorrechten te bezitten, welke ge voor uwe vrouw begeert; zij is niet geniaal en niet voornaam, zij heeft geen ondervinding, en men kan haar inderdaad geen uitstekend wezen noemen.quot;

,,Maar een edel en beminnenswaardig wezen,quot; riep Schiller met vuur: ,,een wezen vol onschuld en goedheid; een bevallig schepsel vol hartelijkheid en gevoel, vol zachtmoedigheid en teederheid; daarbij heeft ze een edel hart en een geest, die tot beschaving en vorming geschikt is. Zij heeft zin voor al wat geestig, — eerbied voor al wat groot en schoon is, en is daarbij zoo bescheiden en kiesch, zoo bekoorlijk, vroolijk en kinderlijk ongedwongen.quot;

„Met één woord, zij is een ideaal,quot; zei Charlotte spot-

1

Schiller's eigen woorden. Zie; Schiller's Briefwecbsel mit Körner. II

ocr page 546

270

tend: „Maar blijf met uwe gedachten nog slechts een oogen-blik bij mij. Ge hebt mij, op mijn wensch, de waarheid gezegd; hoor haar nu ook van mij. Wij hadden elkander deze verklaringen kunnen besparen, maar ik wilde op den gronds uws harten zien, om te weten of ik u niet een al te diepe wonde toegebracht door u te zeggen, wat ik u zeggen moet. Thans ben ik deswege gerust, en hoor dus nu ook van mij de waarheid. — Ook mijn romantische luchtkas-teelen zijn ingestort, — zóólang reeds, dat ik er nog nauwelijks een herinnering van heb, en er slechts op terugzie, als op een dwazen droom, die nooit tot werkelijkheid kan en mag komen. Ik ben nu weder wakker, en blijf wat ik ben: de echtgenoote van den heer von Kalb, de moeder van mijn zoon. Het tegenwoordige houdt mij weder omvangen, en het verledene met al zijne herinneringen en dwaasheden is uitgewischt.quot; 1)

„Het verheugt mij dit van u te hooren,quot; zei Schiller met, kalme, heldere stem, de groote blauwe oogen met fieren, strengen blik op het koude, trotsche gelaat van Charlotte gericht houdende; „het verheugt mij, dat het verledene zoowel voor u als voor mij is uitgewischt, wTant dan mag ik vrijmoedig met u over het geluk spreken, 't welk ik hoop, dat mijn toekomst beschikt is. Ik bemin Charlotte von Lengefeld, en thans, nu gij mij hebt afgewezen, ben ik gerechtigd haar te verzoeken, mijne gade te worden.quot;

„Ga heen en doe het,quot; antwoordde zij bedaard: „onze wegen loopen uiteen, maar mijn zegen blijft bij u; slechts onze zienswijze in de toekomst is verschillend, en dus volgt, dat brieven ons verder lastig zouden zijn, en ook de brieven van het verledene voor ons geen belang meer hebben. Ik verzoek u de mijne terug.quot;'2)

„Ik vermoedde, dat deze terugvordering een reden was, waarom ge wenschtet mij te spreken; want ge hebt er mij reeds meermalen om geschreven. Ik heb dus uwe brieven medegebracht. Hier zijn ze! — Ik heb ze alle trouw bewaard en beken, dat het mij een groote smart was, van deze reli-quiën van het verledene te scheiden.quot;

1

Charlotte's eigen woorden. Zie: Schiller's Leben, von Karoline von Wol zogen.

2

Charlotte's eigen woorden. Zie: Charlotte. Ein, Lebensbild. 80.

ocr page 547

271

Hij reikte haar het verzegelde pakje, dat hij uit zijn borstzak had gehaald; zij nam het echter niet aan, maar wees slechts met de hand naar de tafel.

„Ik dank u, en zal nu uwe brieven gaan halen !quot;

Zij ging met haastigen tred de belendende kamer binnen, wier deur zij zacht achter zich dichttrok.

Met bevende handen haalde zij uit het kistje, waarin zij Schiller's brieven bewaarde, en welks sleutel zij altoos bij zich droeg, zijne brieven te voorschijn. Zij kuste ze, drukte ze aan haar hart, aan hare oogen, en kuste ze weder en telkens weder, — maar toen zij zag, dat een traan op het papier was gevallen, droogde zij dien zorgvuldig af, ging haastig door de kamer, en opende weder de deur.

Op den drempel bleef zij bedaard, met lier opgeheven hoofd staan.

„Schiller, hier zijn de brieven!''

Hij trad nader en nam ze uit haar hand, welke zij schielijk terugtrok. Vervolgens keerde zij zich om, ging naaide andere kamer terug, en sloot de deur achter zich. —

Dit was het afscheid; het scheiden na veeljarige liefde!

Met treurigen blik, met diep wee in het hart verliet Schiller het huis, waarin zij wijlde, die hij eens zoo vurig bemind had. Doch spoedig verhelderde zich zijn blik, en het wee zijns harten verstierf door het zalige gevoel, dat hij nu vrij was; vrij om degene, welke hij beminde, zijn hart, zijn hand, zijn leven aan te bieden!

En weinige dagen later geschiedde, waarnaar het hart des dichters verlangde. Hij ging naar Rudolstadt, en de beide zusters ontvingen hem met oprechte blijdschap, met gulle hartelijkheid.

Beiden! — Maar slechts één der zusters was vrij! slechts Charlotte kon over haar hand beschikken! Caroline niet! Haar boeide de gelofte van trouw de hand, en zoo ook de heer von Beulwitz misschien bereid ware geweest van haar te scheiden, er waren nog andere banden voor Caroline. Zij was de vertrouwde harer zuster. Zij wist, dat Charlotte een teedere liefde voor Schiller koesterde.

Zij waren te zamen in de lieve, stille kamer der zusters alléén met hun drieën, want de moeder was voor eenige dagen van huis. Tusschen de beide zusters zat Schiller,

ocr page 548

272

en een zalige verrukking vlamde uit zijne oogen, en als verheerlijkt straalde zijn aangezicht.

„O, mijn dierbare, mijn bekoorlijke geliefden! Hoe zalig ben ik, weder bij u te zijn! alle banden zijn van mij gevallen, en als een zalige geest gevoel ik mij in uwe nabiiheid.quot;

„Schiller,quot; duisterde Caroline, zacht haar hand op zijn arm leggende: „Schiller, ik heb u een woord te zeggen. Kom!quot;

Zij voerde hem in de vensternis, en boog zich dicht tot hem; zóó dicht dat haar trillende lippen de blonde lok kusten, die over zijn oor hing: „Schiller,quot; duisterde zij; „gij bemint mijn zuster, en ik weet, dat zij ook u bemint. Vat moed, beken haar uwe liefde, en God zegene u beiden!quot;

Toen zij dit gezegd had keerde zij om, zweefde met onhoorbare schreden door de kamer en ging, — naar boven in haar eenzaam stil slaapvertrek; sloot de deur achter zich en zonk op hare knieën.

Zonder tranen was haar oog, en boven alle smart verheven, in dit oogenblik van heilige opoffering, de groote sterke ziel dezer edele vrouw, wier kuische lippen, zelfs niet voor God, met woorden het edele geheim vermochten te uiten, hetwelk als een heiligdom op den bodem haars harten rustten. Slechts hare oogen hief zij tot God op, en in haar smartelijken, onderworpen blik, kon God haar ofier lezen! —

„Wees gelukkig, Schiller! Heil en zegen over u en mijne zuster! Heil en zegen over u beiden, welke ik bemin met een liefde, die met vreugde in den dood gaat, met vreugde smart en verloochening draagt! Wees gelukkig, Schiller, dan ben ik het óók!'' —

Toen zij na lange gebeden, na lang worstelen met zich zelve, weder naar beneden in de huiskamer ging, scheen haar gelaat als verheerlijkt, en een zalige glimlach speelde om hare lippen, toen zij het geliefde paar nu in een tee-dere omhelzing, hart aan hart rustende aantrof.

„O, Caroline, dierbare Caroline, zij heeft het mij beleden, en gij hadt gelijk! Zij bemint mij, zij is de mijne! En dus zijt gij 'tóók, Caroline, ge zijt de mijne; en voor alle eeuwigheid behooren wij dus bij elkander!quot;

„In alle eeuwigheid, mijn vriend, mijn broeder!quot;

ocr page 549

273

Zij legde zacht hare beide armen om Schiller's en Lotje's hals, en zóó hielden zij elkander teeder en innig omstrengeld.

„Nu ben ik de haven van het geluk binnengeloopen,quot; zeide Schiller, diep bewogen: „nu heb ik mijn tehuis gevonden, en eeuwige rust en eeuwige vrede is in mij. Als een stralenkrans zweeft uwe liefde om mij heen, geliefde zusters, en als in een verheerlijking aanschouw ik nu de geheele wereld! O, Caroline, nu zullen al de hooge verwachtingen, welke ge voor mij voedt, zich verwezenlijken; want het geluk zal mij boven mijzelve verheffen. O, Lotje, nu zult ge nooit meer zeggen, dat ik somber en ernstig voor mij zie; want uwe liefde zal een eeuwigen zonneschijn op mijne dagen uitbreiden, en ik wil van u weder het lachen en de ongedwongen vroolijkheid leeren. O, God, ik dank u; Gij hebt ook mij het geluk laten vinden ! Ook ik ben in Arcadié geboren!quot;

Zij hielden elkander vast omstrengeld; zij weenden van geluk en zaligheid, en hunne zielen wisselden eeden van heilige, trouwe liefde met elkander. —

Het waren zalige verlovingsdagen, welke Schiller nu beleefde. Mevrouw von Lengefeld had spoediger dan de gelieven verwachtten, hare toestemming gegeven tot het huwelijk harer dochter Lotje met Schiller, en de hertog Karei August bracht den dichter tot huwelijksgeschenk, den titel van Hofraad en een tractement van tweehonderd thaler voor zijn professoraat te Jena. De titel van hofraad verheugde het hart van mevrouw von Lengefeld, en verzoende haar aristocratisch gemoed een weinig met de gedachte, haar dochter, — die op 'tpunt was geweest hofdame te worden, — nu met een burgerman gehuwd te zien. — De tweehonderd thaler tractement schenen Schiller een goede grondslag voor de oprichting van zijn nieuwe huishouding; hij was het immers gewoon, zich met weinig te vernoegen, en — „ruimte is in de kleinste hut voor een gelukkig beminnend paar!quot;

En zij waren een „gelukkig beminnend paai',quot; en niet de kleinste wolk verduisterde den helderen hemel van hun geluk. Zoo zich een wolk vertoond had, — de spiedende oogen van zuster Caroline zouden haar gezien en verdreven hebben, vóór de geliefde twee, aan wie zij haar hart had

Mühlbaoh, Duitschland in Woeling eu Strijd. IV. 18

ocr page 550

274

gewijd, ze slechts bespeurd hadden. Want Caroline's oogen waakten en behoedden de gelukkigen, en als hun goede genius stond zij nevens hen.

Somwijlen zag Schiller met droomenden, glimlachenden blik in de heldere glinsterende oogen zijner Lotje, en dan vroeg hij als ongeloovig en twijfelend, ot zij hem werkelijk beminde ?

Dan glimlachte Charlotte, en verzekerde, dat zij hem reeds lang bemind had, en Caroline dit bevestigen kon, want deze had haar geheim gekend.

„En zij was het, die mij uw zoet geheim mededeelde,quot; riep Schiller: „ja, Caroline was de weldoende engel, die mijn pijnigend geheim zoo liefderijk tegemoet kwam.quot;

„Ja, zij is een engel,quot; zeide Charlotte peinzend: „ik zie tot haar op, als tot een mij vér overtrellend hooger wezen, en somwijlen, — laat ik het u maar bekennen, mijn geliefde, — somwijlen kwelt mij de gedachte, dat Caroline meer voor u kon ziin dan ik, en eii mij voor uw geluk niet noodig hadt.quot;

Hij zag met een uitdrukking van zaligen vrede in haar liefelijk gelaat. — „Uwe liefde is alles wat gij noodig hebt, om mij gelukkig te maken. Dit juist is het hoogste geluk in onze verbintenis, dat zij op zich zelve berust, en zich in een eenvoudigen kring, eeuwig om zich zelve beweegt; dat mij de vrees niet meer bevangt voor u en Caroline ooit minder te zijn, of minder van u te ontvangen. Onze liefde heeft geen angst, geen zorg noodig! — Hoe zou ik mij tusschen u beiden over mijn leven kunnen verheugen? Hoe zou ik mijn eigen ziel steeds genoeg meester kunnen blijven, zoo mijne gevoelens voor u beiden, voor elk uwer, niet de zoete zekerheid hadden, dat ik aan de eene niet onttrek, wat ik voor de andere ben? Vrij en zeker beweegt zich mijne ziel onder u, en steeds vol liefde komt zij van de eene tot de andere terug; beide dezelfde lichtstraal, dezelfde ster, die slechts verschillend wordt teruggekaatst uit verschillende spiegels. Caroline komt mij in leeftijd meer nabij, en gelijkt mij dus meer in den vorm onzer gevoelens en gedachten. Zij heeft meer gevoel in mij opgewekt dan gij, mijn Lotje, maar ik zou voor alles niet wenschen, dat dit anders ware; dat ge anders waart dan ge zijt! — Wat Caroline boven u bezit, moet gij

ocr page 551

275

van mij ontvangen; uw ziel moet zich in mijn liefde ontvouwen, en gij moet mijne schepping zijn, Uw bloeitijd moet in de lente mijner liefde vallen!quot; 1)

„Ja,quot; riep Charlotte, hem innig omhelzende; „uwe schepping wil ik zijn, en gelukkig wil ik mij gevoelen in het bewustzijn, u te behooren, — iets tot vreugde van uw leven te kunnen bijdragen!quot; 2)

Op den morgen van den twintigsten Februari 1790 kwam van Rudolstad naar Jena een gesloten rijtuig gereden, dat met snellen draf over den weg rolde. Maar in het kleine dorp dicht bij de universiteitsstad — in het dorp We-ningenjena hield het rijtuig stil, recht voor de kleine dorpskerk met den spitsen toren, en den gouden weerhaan op de spits.

De koster stond met achtbaar voorkomen in den Zon-dagschen rok voor de open kerkdeur, en sprong haastig toe, om het portier tf openen. Een groot, slank heer in donkeren rok steeg uit; zijn gelaat was bleek, maar een wonderbare glans was in zijn blik, en verhevene gedachten rustten op zijn hoog voorhoofd, terwijl een zachte glimlach op zijne lippen zweelde. Hij hielp met teedere zorgvuldigheid een oudere dame uit het rijtuig; toen volgde een jongere dame met bleeke wangen, maar met oogen, waarin de liefde en vrede Gods straalden. Ten laatste nog wilde een jonger meisje, een meisje met rooskleurige wangen en een beschaamd| kinderlachje op de frissche lippen, uit het rijtuig stijgen, maar de groote slanke heer duldde het niet, dat hare teedere voetjes de trede aanraakten, Hij tilde de slanke, liefelijke gestalte in zijne armen op, en droeg haar uit het rijtuig over de ruwe straatkeien, door de open deur in de kerk.

De beide andere dames volgden het paar met zachten glimlach; achter hen ging de koster; het hoofd schuddende over deze zonderlinge, stille plechtigheid, deed hij wat de heer pastoor Schmidt, die reeds in vol ornaat tusschen de brandende waskaarsen voor het altaar stond, hem bevolen had. Hij sloot en grendelde de deuren der kerk, zoodat niemand zien kon, wat er in gebeurde. —

1

Schiller's eigen woorden.

2

2'1 Lotje's eigen woorden,

ocr page 552

276

En ook gij, ruwe winterstormen, houdt uwen adem in en waait zachter; en gij, blauwe, koude hemel, zie vriendelijker en warmer; en gij, zon daar boven, zend een warmer straal door de vensters der kleine dorpskerk te Weningen-jena! Want daar binnen voor het altaar, staat aan de zijde zijner lieve bruid, de dichter Friedrich Schiller. Charlotte weent, maar zij weent van aandoening en van zalig geluk. Hare moeder staat nevens haar, heeft de handen gevouwen en bidt, Caroline's oogen zijn ten hemel gericht, en God verstaat haar blik en het stomme smeeken barer lippen!

Schiller's gelaat is helder en zalig; blijdschap en kalmte schitteren op zijn voorhoofd; mannelijke ernst spreekt uit zijn groote blauwe oogen, die helder en vast den predikant aanschouwen, die voor het altaar staat, en uit het heilige boek beiden, welke hij in 't huwelijk verbinden zal, de heilige plichten van hun verbond verkondigt. —

O, waait zachter, ruwe winterstormen! Blaast uwen killen adem niet op de borst des dichter!

Veel reeds heeft hij geleden door winterstorm en koude: op ruwe paden is hij gegaan, heeft ontbeerd en gestreden, beeft vaak door den winterstorm de bloesems zijns harten gebroken gezien.

O, waait nu zachter! Laat het lente worden, en de knoppen zijner hoop tot een fraaien zomertuil bloeien!

Schijn met helderen glans in de kleine kerk, zonne Gods; groet den dichter Friedrich Schiller, — den dichter der Duitsche natie, die met stille bescheidenheid, zonder praal en glans, het schoonste feest zijner liefde viert. Maar:

Ach! het schoone feest des levens Eindigt ook des levens Mei.

Met den ring en met den sluier,

Is ook 'slevens waan voorbij! —

ocr page 553

INHOUD.

DERDE BOEK.

DICHTEBIiIJKE HARTEH.

Bladz

I. Schiller te Dresden ...........5

II. Vergulde armoede....... ......14

III. Marie von Arnim............22

IV. Zielen in het vagevuur..........• . 38

V. Scheiden en mijden............54

VI. Het lied aan de vreugde..........65

VII. Wederzien)...............71

VIII. Goethe en Moritz.............87

IX. Leonora................102

X. Een Liefdedroom.............115

XL Afscheid van Italië ...........131

VIERDE BOEK.

;HART EK WERELD.

I. De terugkomst.............136

II. De verzoening . ............154

III. De onverbiddelijke dood .........162

IV. Goethe's terugkomst uit Rome.......171

V. Wederzien, niet wedervinden........181

VI. Goethe en Schiller............199

VII. De eerste ontmoeting...........210

VIII. Wilhelmine Rietz'............222

IX. De gewaande echtgenooten.........280

X. Een steenworp.............240

XI. De jeugd overwint............251

XII. De jeugd overwint, opnieuw bewezen.....264

ocr page 554
ocr page 555

Gebr. E. amp; M. COHEN, te Nijmegen en Arnhem.

Magazijnen van Goedkoope Boeken.

RODA EROUGHTON,

Met Vuur

gespeeld.

Uit het Engelsch Met een Voorbericht van

II. DG VEER,

Schrijver v. d. ÏVmt-Pdnfjh voor 'tjonge Holland.

Derde met zorg herziene druk.

Ingcnaaiil sleclils I' 1.50, gelionden in kcuriüen stem-pelbaml f l.OO.

De Veer heeft ons een weldaad bewezen met zijne begunstiging van de uitgave. Met treffende kracht hnnd-haaft de kunstenares 'tgeheele werk door haar hoofdpersoon. Prisch is haar woord van 't begin tot het einde, levendig en geestig haar spreektoon en daardoor boeiend; fier en edel haar stijl en daardoor indrukwekkend.

Nederl. Spectator.

BERTHOLD AUERBACH,

T)E H0IIT7ESTEE.

Uit het Hoogduitsch door

Mevr. Van Westrlieene.

Tweede druk. Ingenaairl f 0.90, in keurigen stempelb. f 1.25.

Een der beste werken van dien gevierden Auteur, aangename, onderhoudende stijl, gemoedvol en natuurlijk.

BODA BEOUSHTON,

JN ANCY.

Uit hetEngelscli.

Ingenaaid /quot;1.50.

Gebonden in stem-pelband fLOO.

Om het talent der schrijfster te waardeeren, moet men het boek met attentie lezen; zeker, men zal genieten en Nancy, denaïve vertelster lief krijgen. Nancy, een ferme, levenslustige, wilde deerne, die met de jongens kan meedoen, wier karakter niet in een vormelijk keurslijf is geperst, die zich laat zien zooals ze is, die den broers geen duw of scherpe repliek schuldig blijft .... Een allernatuurlijkst wezen zooals we ze niet ongaarne zien.

Leeskabinet.


Karl Frenzel, VJROXJW quot;VENUS.

Roma uit de hsdendaagsche kunstwereld.

Voor slechts ^ ' Voor slechts

Uit het Hoogduitsch door

ƒ O 90 ƒ O 90

' _ J. V. HENDRIKS. _'

De zonderling klinkende titel doet niet aanstonds vermoeden, hoeveel schoons en belangwekkends in dezen kunstroman wordt aangetroffen. Er zit niet alleen leven en beweging in dit boeiend verhaal, maar wat meer is, er zit diepte van gedachte in, zooals er moet gezeten hebben in de schilderij, waaraan het boek zijn naam en de schrijver zijn stof ontleent.

E. BULWER LYTT0N, KENELM CHILLINGLY.

Naar het Engelsch,

Drie deelen voor slechts f l.SO.

Allen die de meesterwerken van dezen Schrijver gelezen hebben, als: De familie Beaufort, Ponipeji, Mijn roman, Wat zal hij er mee doen? enz., erkennen, dat Kenelm. Chillingly met evenveel talent geschreven is.

Over dit, Bulwee's laatste werk, zegt Büskeii Huet; „In dezen roman is de laatste z'ielestrijd en de laatste gedachte van een grooten geest weggelegd.'1

FRIED. GERSTACKER,

ARBEID a pelt.

Sociale roman. — Nieuwe druk. iugen.iamp;id slechts f 1.50,

in prachtliand f l.OO.

De recensent in 't Leeskabinet noemt dit de leste en tevens de beste van (ierstac/cer's romans. In werkelijkheid is deze roman dan ook hoogst interessant en boeiend met uitmuntend geslaagde karakterteekeningen. Er zijn bladzijden in dezen roman, aangrijpend schoon, overheerlijk en meesterlijk van stijl.


ocr page 556

^ / Li IsS 13

Gebr. E. amp; M. COHEN, te Nymegen en Arnhem.

Magazijnen van Goedkoope Boeken.

Degelijke, oorspronkelijke romans voor spotprijzen!

Huf van Buren, Marcellus Emants, Ohappuis, de Veer.

De Mannen van Sint-Maarten.

Historische Roman door J. HUF VAN BUREN.

RENÉE.

Een oorspr. verh. door H. T. CHAPPUIS.


3 zware, groot-80 declen voorr4.50,

iwr in plaats van f 12.00.

Deze uitmuntende historische roman van den gevierden auteur,

geeft een beeld onzer historie uit het begin der XVe eeuw.

Het tafereel handelt hoofd-/ oorspronkelijk meesterstukje in zakelijk te Utrecht en be-/ (jeu trant van Brougthon, Met vuur vat veel wetenswaardigs / 7, n- n, gt;

over de zeden en gebrui-/^ (/espeeZci. Men zou aan Ohappuis

TWEEDE DEUK.

n plaats van f 1.90 slechts f 0.90. In fraaien prachtband f 1.40.

Deze boeiende novelle is een meesterstukje

ken uit dien tijd in on- / kleinen roman zelfs de voorkeur derhoudenden en

geven.

H. de Veer,

boeienden vorm.

2 flinke deelen voor f 1.90.

Marceilus Emants,

JONG HOLLAND.

Oorspr. roman in 2 groot-80 dln. In plaats van f 5.75

TOEN.....EN NU.

Oorspr. novellen. Slechts f 0.90

In plaats van fl.30.


Zeer gezochte roman uitmuntend in-stijl.

In de wasohtobbe. — Mijn ontvangst op de kostschool. — Hoe 't op de kostschool toeging. — Jong lijden. — Met „de Vliegerquot;. — Op de Nieuw-markt. — Naar buiten uit de steengroef.— Kermis. — Mijn stadje. — Een kloek man.— Voor en na het ontgroenen. — Hoe kostelijk wij ons amuseerden. — Onze oude Willem.

slechts f 1.90.


ocr page 557
ocr page 558

--

'

'

, ■ ■ • . ... ; - .

*

vgt;t.

■

:W€-• :

S-:-: f .' \

■A...

-

|.' .----• • --

• -

■-

-

ig;

ocr page 559
ocr page 560

%* Zó' %- ♦It *.' ■■'