ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

DüiTSCHLAND IN WOELING EN STRIJD.

DUITSCHLAND TEGEN FRANKRIJK..

I.

ocr page 6
ocr page 7

DÜ1TSCHLAND IN WOELING EN STRIJD.

HISTORISCHE ROMAN

dook

LOUISE MÜHLBACH.

Bewerkt door M. K.

DTJITSCHLAND TEGEN FRANKRIJK.

EERSTE DEEL. f 8iBUGT^A ^ i COféV. WmAlHZ

O W O. F R f M t pi

derde veel verbetebde druk.

Nijmegen amp; Arnhem. Gebr. E. amp; M. COHEN.

ocr page 8
ocr page 9

EERSTE BOEK.

HET KONINGSCHAP IN GEVAAR.

I.

DE GEZANT VAN FRANKRIJK.

„Majesteit,quot; zei de kamerdienaar Rietz, het kabinet des Konings binnentredende en hem op eon gouden blad een brief reikende : „majesteit, buiten in de voorkamer verscheen zooeven een vreemdeling, die mij volstrekt wegens gewichtige aangelegenheden wenschte te spreken. Toen ik hem nu naderde, overhandigde hij mij dezen brief en smeekte mij, hem aan Uwer Majesteits voeten te leggen. Hij verzekerde, dat het welzijn van den Koning van Frankrijk er van afhing dat ik dit deed, en dus heb ik mij, uit medelijden met den armen Koning Lodewijk, naar zijn verzoek gevoegd, en breng den brief. Zoo ik verkeerd heb gedaan, verzoek ik onderdanigst om vergeving.quot;

„Neen, mijn waarde Rietz, ge hebt niet verkeerd gedaan,quot; antwoordde Friedrich Wilhelm vriendelijk; „Het doet uw goed hart integendeel eer aan, dat ge met den zwaar beproefden en ongelukkigen Koning van Frankrijk medelijden hebt. Geef dus den brief!quot;

Hij nam hem, brak hem open met een zucht, die misschien de herinnering aan den „zwaar beproefdenquot; koninklijken Lodewijk gold, die vroeger gebieder, — thans nog slechts onderdaan van Frankrijk was. Maar toen Friedrich Wilhelm het papier uiteen had geslagen, om den inhoud te lezen, ontstelde hij, en een doodsche bleekheid vloog een oogenblik over zijn dik goedhartig gelaat. En tóch

ocr page 10

6

bevatte het papier niets anders dan een daarin gedrukte roos, waarboven twee gekruiste zwaarden, en daaronder met vaste, duidelijke hand geschreven : „De baron de Breteuil wordt aanbevolen door de onzichtbaren!quot;

Friedricb Wilhelm las de weinige, lakonieke woorden herhaaldeiyk over, vervolgens boog hij met een diepen zucht het hoofd, zooals een gehoorzame knecht buigt voor het bevel zijns meesters, en het niet waagt te morren of zich te verzetten.

„Leid den heer baron de Breteuil binnen,quot; zeide hij.

„Bedoelt Uwe Majesteit den vreemdeling, die buiten staat?quot;

„Ja; het is de baron de Breteuil. Haal hem!quot;

De kamerdienaar boog, en tegelijkertijd vloog een zonderlinge glimlach over zijn gelaat. Vervolgens keerde hij om en ging haastig naar de deur; maar de Koning riep hem terug.

„Ik weet, ge zijt een eerlijk en vertrouwd dienaar/' zeide hij zacht, terwijl zijne oogen met een snellen, yor-schenden blik door de kamer vlogen, als vreesden zij de aanwezigheid van eenigen bespieder en luisteraar: „Ik weet, dat ik mij op u verlaten kan.quot;

,,Als op een slaaf, die bereid is voor zijn aangebeden meester door het vuur te gaan!quot; betuigde Bietz.

De Koning voer met gesmoorde stem voort: „Ik wensch, dat niemand, ;— hoort ge, niemand — iets van deze audiëntie vernéme.quot;

„Ik begrijp. Majesteit; ik zal haar als een streng geheim bewaren en in geval van nood baar zelfs loochenen, indien mevrouw de gravin von Dönhof er mij soms naar vragen mocht.quot;

De Koning ademde ruimer en knikte glimlachend: „'t Is goed! Laat nu den baron de Breteuil binnentreden!'

Weinige minuten later sloop een kleine heer, met gepoederde pruik en met goud geborduurden blauw satijnen rok, in zijden kousen en schoenen met gespen en roode hakken, het koninklijke vertrek binnen. Nevens de deur staan blijvende en de hand op het gouden, met edelstee-nen ingelegde gevest van zijn staatsiedegen gelegd, maakte hij zijn diepe, plechtige buigingen, met de bevalligheid en deftigheid van een volleerd hofcavalier, uit den galanten tijd van Lodewijk XV.

ocr page 11

7

De Koning glimlachte, en vond bij zich zeiven, dat deze ongeluksbode ten minste meer aan de danszaal herinnerde dan aan de gevangenis, waarmede, naar men zeide, de arme Koning van Frankrijk thans steeds bedreigd was.

„Ge brengt mij den groet van mijn koninklijken neef van Frankrijk?quot; vroeg hij.

„Sire, ik heb de eer, niet alleen de brenger van groeten, — maar tevens van een eigenhandig schrijven mijns verheven meesters te zijn, en ik verzoek de gunst, het aan Uwer Majesteits voeten te mogen leggen.quot;

„Niet aan mijne voeten, maar aan mijn hart zult ge het leggen, baron,quot; riep de Koning levendig: „geef, baron, geef mij den brief!quot;

Baron de Breteuil haalde uit den zijzak van zijn rok een verzegelden brief, en reikte hem Friedrich Wilhelm met een kniebuiging over.

„Sire, toen mijn verheven koninklijke gebieder mij dezen brief heimelijk overhandigde, stonden tranen in zijne oogen, en met van aandoening bevende stem fluisterde hij mij toe: „Zeg mijn koninklijken neef, dat mijn kroon en mijn leven er van afhangen of hij mij helpen wil, en dat ik mijn laatste hoop met dezen brief in zijn handen leg!quot;

„Moge God mij verleenen, dat uit deze hoop een schoone vervulling kan bloeien!quot; riep de Koning met vuur, terwijl hij het couvert haastig openscheurde, en den daarin gesloten brief opensloeg. Maar, nadat hij hem een poos met verlegen en angstig gelaat beschouwd had, hief hij zijn blik tot den gezant op, wiens oogen met een bespiedende uitdrukking op 's Konings gelaat gerust hadden.

„Ge kent den inhoud van dit schrijven, baron?quot;

„Ik ken dien niet alleen, Sire, maar ik heb op bevel des Konings, dien van buiten geleerd, om, indien door een of ander ongelukkig toeval de brief verloren mocht raken, Uwe Majesteit den inhoud er van te kunnen melden.quot;

„Dan verzoek ik u dit te doen,quot; zei de Koning vriendelijk; „want ik beken, dat mij dit buitengewoon fijn en vliegend handschrift eenige moeielijkheden veroorzaakt, terwijl ik toch van begeerte brand, te vernemen wat mij de Koning schrijft.quot;

Baron de Breteuil nam met een diepe buiging het hem

ocr page 12

8

gereikt papier uit de handen des Konings, en las; „Mijnheer broeder! Ik heb door den heer de Moustier vernomen, hoeveel deelneming Uwe Majesteit niet alleen voor mijn persoon, maar ook voor het welzijn van mijn koninkrijk koestert. De door Uwe Majesteit getroffen schikkingen om mij, — zoodra het welzijn van mijn volk dit mocht vorderen, — verdere bewijzen er van te geven, hebben mijn gevoel levendig bewogen; ik roep thans met vertrouwen deze deelneming in, nu de parlijmannen en woelgeesten, in weerwil dat ik de constitutie heb aangenomen, geheel openlijk het doel en plan toonen, de monarchie te vernietigen. Ik heb mij tot den Keizer, tot de Keizerin van Rusland, tot de Koningen van Spanje en Zweden gewend, en hun een congres der groote mogendheden voorgesteld, dat intusschen door een gewapende macht ondersteund moest worden. Dit schijnt mij de beste maatregel, om de partijmannen tegen te houden, en mij het middel te geven, van niet alleen een meer gewenschte orde van zake n in te stellen, maar ook te verhinderen dat het kwaad, 'twelk ons heeft aangegrepen, zich over de andere Staten van Europa uitbreide. Ik hoop echter, dat Uwe Majesteit mijne idéën geheim zult houden, en nopens de stappen, die ik bij haar doe, het volstrekt ste zwijgen in acht zult nemen. Gij zult zeer goed gevoelen dat de omstandigheden, waarin ik mij bevind, de allergrootste voorzichtigheid gebieden. Derhalve is ook de baron de Breteuil eenig en alleen in mijn geheim, en Uwe Majesteit kan hem elke mededeeling toevertrouwen, alsmede met hem al de plannen ter redding van mijn'bedreigde monarchie, bespreken. Hierop hopende, blijt ik uw geheel toegenegen broeder Louis.quot; 1)

Toen Breteuil met het lezen van den brief ten einde was, ontstond er een pauze. De Koning had met half afgewend gelaat er naar geluisterd, als wenschte hij niet, dat Lodewijk's gezant op zijn gelaat den indruk las, dien de brief op hem maakte. Hij scheen nu in ernstige mijmering er over na te denken, en baron de Breteuil waagde het natuurlijk niet met een woord, een beweging, den Koning in zijn gepeins te storen.

1

Thiers, Hist, de la révolution.

ocr page 13

9

Na eenigen tijd wendde Friedrich Wilhelm langzaam zijn hoofd lot den gezant. — „Dit is inderdaad een brief, welks ontdekking voor onzen lieven broeder van Frankrijk zeer gevaarlijk had kunnen worden,quot; zeide hij met een licht schouderophalen : f,de partijmannen zouden hem van heimelijke onderhandelingen met de buitenlandsche mogendheden beschuldigen en zeggen, dat de constitutioneele Koning hiermede tegen de constitutie zondigt, welke hij gezworen heeft, trouw en ongeschonden te handhaven.quot;

„Sire, de Koning bezat, helaas, geen middel dit te ontwijken. Om zich zeiven en zijne familie, — ja den troon te redden, bleef hem niets over dan de constitutie, welke de nationale vergadering had samengesteld, aan te nemen.quot;

„Ik zeg ook niet dat hij het niet had moeten doen ; ik zeg slechts, dat ik de gevaarlijkheid van dezen brief inzie en begrijp, dat de Koning er de grootste geheimhouding voor vraagt. Wij willen vóór alles aan deze vraag voldoen, en ge moogt Koning Lodewijk zeggen, dat ge getuige zijt geweest, hoe ik zijn wensch als een bevel heb opgevat. Wacht r 1 ë

De Koning trad naar de schrijftafel, ontstak met de nieuwe, eerst onlangs in gebruik gekomen phosphorstok-jes een licht, nam vervolgens den brief des Koning, en dien tot een fidibus ineen vouwende, hield hij hem in het licht, tot het papier in laaie vlam brandde. Friedrich Wilhelm wachtte, tot het papier was verteerd, en van den brief niets meer overbleef, dan een klein hoopje zwarte asch, die op den breeden voet van den kandelaar lag.

„Heer baron de Breteuil,quot; zei de Koning, op deze asch wijzende; „bericht uwen verheven meester, dien ge met zooveel trouw en verknochtheid dient, dat ik de gevaarlijkheid van zijn toestand volkomen begrepen heb, en niemand buiten u en mij, het geheim van dezen briefkent.— En nu,quot; voer de Koning voort, terwijl hij zich in zijn armstoel zette; „laat mij nu vernemen, hoe het mijn goeden broeder van Frankrijk gaat en welke hoop hij voedt.quot;

„Sire, zijn hoop berust geheel alleen op den goeden wil en de hulp der vreemde mogendheden. Van buiten, — van gene zijde der grenzen, moet voor den Koning van Frank-rij k hulp en vei lossing komen, zoo hij niet door zijne vijanden binnenslands verdrukt zal worden.quot;

ocr page 14

10

„En evenwel heeft de Koning in een openlijken brie! mijneheeren zijn broeders, die aan Frankrijks grenzen een leger verzamelen, uitgenoodigd, — ja hun bevolen, naar Frankrijk terug te keeren; evenwel heeft hij hen voor hoogverraders verklaard, zoo zij het wagen mochten, zich legen zijn bevel te vei'zetten.quot;

„Sire, de Nationale vergadering heeft den Koning tot dien heilloozen brief gedwongen.quot;

„Gedwongen?quot; herhaalde Friedrich Wilhelm verwonderd; „Wanneer is het gehoord, dat een Koning door zijn eigen onderdanen gedwongen kon worden iets te doen, dat niet met zijn vrijen wil overeenstemt!quot;

„Sire, dit ongehoorde geschiedt thans in Frankrijk. De Koning heeft geen vrijen wil meer, en hij wordt tot vele zaken' gedwongen, die hij niet vrijwillig doen zou, wijl hij ze 'verfoeit. De Koning heeft van zijn verheven titel afstand gedaan; hij is niet meer Koning par la grace de Dieu, maar slechts nog Koning der Franschen! Hij heeft aan de wet, die de oude adellijke geslachten en de wapens en titels afschaft, zijn onderteekening en sanctie gegeven, hoezeer zijn hart zich daartegen verzette, en hoewel hij wist dat de oude, adellijke geslachten van Frankrijk, zich nooit in dezen hoon zouden voegen. De Koning heeft de oude verdeeling van Frankrijk vernietigd, de afzonderlijke provinciën opgeheven, hen hare voorrechten en privilegiën ontnomen, en Frankrijk in drie-en-tachtig departemen-quot;len verdeeld, van welke het eene niets meer beteekent dan het andere. De Koning heeft eindelijk plechtig voor het geheele volk de constitutie bezworen, en de „rechten van den menschquot; erkend. Maar ik zweer Uwe Majesteit, dat Koning Lodewijk al deze zaken van ganscher harte verfoeit, en slechts de gevaarlijke toestand, waarin hij zich bevindt, hem zulke vernederde concession kon afpersen.quot;

„Ja; het zijn inderdaad vernederende concessiën,quot; prevelde Koning Friedrich Wilhelm zacht voor zich: „en ik bid God, mij voor dergelijk onheil te behoeden.quot;

„Sire,quot; riep Breteuil, „geen Europeesch Vorst is daar veilig voor en draagt zijn kroon voortaan met zekerheid, zoo niet alle Vorsten zich verecnigen, om het toestroomen-de kwaad af te weren, en der revolutie een dam te stellen. De misdadige redevoeringen die in de Nationale ver-

ocr page 15

41

gadering le Parijs gehouden worden, schieten als vuurpijlen ' door geheel Europa, en ieder woord is een brandfakkel, die de verhitte gemoederen ontvlamt. Sire, in naam van alle Europeesche Vorsten, van alle bedreigde kronen smeek ik Uwe Majesteit, den Koning van Frankrijk bij te staan, en hem de werkdadige hulp niet te weigeren, om welke hij Uwe Majesteit bidt, door mijn nederigen en weinig weisprekenden mond. Maar het ongeluk van mijn koninklijken meester is zeZ/1 smartelijk welsprekend, en waar mijn mond zwijgt, mogen mijne tranen spreken!quot;

En terwijl Breteuil met tranen in de oogen voor den Koning op zijne knieën nederzonk, hief hi] zijne handen smeekend op, en riep; „Sire, in naam van God en de menschheid, in naam van alle Vorsten en alle monarchiën bezweer ik Uwe Majesteit; red den Koning van Frankrijk, red het koningschap Iquot;

De Koning zuchtte smartelijk en legde een oogen blik de hand op zijn oogen, als wilde hij zijn tranen terugdringen. Maar hij won hiermede tevens tijd om na te denken, te overleggen en een besluit te nemen.

„Ik wenschte dat het in mijn macht was dit te doen,'' ■ zeide hij : „ik wenschte, — in tegenstelling van dien held der ouden, die drakentanden zaaide om er krijgslieden uit te zien opgroeien, — uit mijn goede en eerlijke wenschen voor het welzijn van koning Lodewijk, een leger te kunnen verwekken, dat ik aan de koninklijke broeders en de dappere uitgewekenen to Koblentz en Keulen kon geven!quot;

„Sire, — er is slechts één woord noodig, één wenk van Uwe Majesteit, en het leger is er, en gij 'zult den Koning van Frankrijk bevrijden en verlossen van de dwingelandij der factiën!quot;

„Gij schat mijn macht te hoog,quot; zuchtte Friedrich Wilhelm ; „ofschoon niet mijn goeden wil, — die geheel mijn koninklijken neef gewijd is.quot;

„Sire, dat woord is voldoende, om legers uit de aarde te doen oprijzen, en de kronen van alle Vorsten te redden! Sire, ik bezweer Uwe Majesteit, spreek dit beslissende woord: zeg dat gij den verdrukten Koning, — de arme, gehoonde Koningin hulp en bijstand wilt'zenden, en de troon der leliën is gered!quot;

„Beantwoord mij, voor wij verder spreken, ééne vraag;

ocr page 16

12

Koning Lodewijk schrijft, dat hij zich tot den Keizer van Oostenrijk, alsmede tot de Koningen van Spanje en Zweden gewend, — en hun een congres voorgesteld heett. \\aart qij de overbrenger dezer dépêches?quot;

„Sire, ik begaf mij op bevel van mijn koninklijken gebieder het eerst naar Madrid, vervolgens naar Weenen, en van daar ben ik hier gekomen.quot;

„En wat antwoordde men u te Madrid en te \A eenen. Ik' bid u, antwoord mij niet als diplomaat, maar als man van eer; dat heet: zeg mij onbewimpeld de waarheid. Om een gewichtig besluit te kunnen nemen, moet men den politieken toestand zeer nauwkeurig kunnen overzien. Spreek dus!quot;

„Sire, ik zal de geheele waarheid zeggen en niets verhelen. De Koning van Spanje behield zich zijne beslissing voor, tot het antwoord der overige mogendheden ontvangen was, en hoewel ik hem zeide dat ik stellig wist, dat Zweden en Rusland ten minste voor het congres zouden stemmen, wees Spanje toch elke beslissing voorshands at.

,Maar wat antwoordde men u in Oostenrijk? Gij zult begrijpen dat ik begeerig ben te weten, hoe de nieuwe Keizer van Oostenrijk gezind is. Men weet, dat Keizer Jozef degenen, diehem bestormden om Frankrijk den oorlog te verklaren en zijne zuster te hulp te komen, het antwoord gaf; „Wat de broeder lijdt, gaat den Keizer van Oostenrijk niet aan. Oostenrijk heeft geen zuster,^en is tot hiertoe door Frankrijk niet beleedigd geworden. — Is dit ook de zienswijze van den tegenwonrdigen Keizer

Leopold?quot; . .

„Neen, majesteit. God zij dank! De nieuw Keizer van Oostenrijk blijft indachtig, dat hij tevens de broeder der Koningin van Frankrijk is, 6n erkont h6t als zijn plicht, zijne in haar eer en waardigheid, — ja zelf in haar leven bedreigde koninklijke zuster te hulp te komen, en hij heeft in een geheim verbond, 't welk ik in naam van mijn koninklijken meester mocht sluiten, zich verplicht, den Koning van Frankrijk gewapenderhand te hulp te snellen, en onverwijld met een leger tegen Frankrijk op

te rukken.quot; , „. , , ,

„Nu, heer baron,quot; riep de Koning heftig; „als de zaken zóó gesteld zijn, begrijp ik waarlijk niet, waarom ge u nog

ocr page 17

13

tot het arme, onbeduidende Pruisen wendt, en er bijstand voor uwen bedreigden Koning van verlangt! — Als Oostenrijk zich verplicht, een leger tegen Frankrijks grenzen te laten oprukken, zijt ge immers van de overwinning zeker, en de muiters te Parijs mogen sidderen en op een haastige vlucht bedacht zijn, want het hëldhaftige Oostenrijk zal hen alle vernietigen. Het verwondert mij inderdaad, mijnheer, dat ge tot mij komt, daar ge voor Koning Lode wijk met Oostenrijk en verbond hebt gesloten!quot;

„Sire, ik verzoek om vergeving, maar ik was met mijn, door Uwe Majesteit bevolen bericht nog niet ten einde, en ik verzoek het genadig verlof, er nog eenige woorden te mogen bij voegen. Oostenrijk heeft zijn hulp toegezegd, maar uitdrukkelijk de afzending van een strijdvaardig leger van zestigduizend man daarvan afhankelijk gemaakt: dat ook Zijne Majesteit de Koning van Pruisen zich bereid zou verklaren, legen Frankrijk te ageeren, en der Oos-tenrijksche armee ten minste een hulpleger van veertigduizend man ter zijde te stellen.quot;

„Opdat later, als de vereenigde legers overwonnen hebben,-Pruisen weder geïgnoreerd zou worden, en de roem der overwinning eeniglijk op Oostenrijk zou stralen ? Of dal later, als de verbonden legers het onderspit delven, de schuld alleen op Pruisen kunne geschoven worden, en wij de zondenbok zouden zijn voor alle fouten en misslagen ? Neen, heer baron; ik ben niet van zins mij andermaal tot speelbal van de luimen en den overmoed van Oostenrijk te maken, en ik wil mij jegens u, als gezant van Frankrijks Koning, oprecht deswege verklaren. — De slechte ondervindingen der jongste verledenheid heeft mij geleerd, dat Oostenrijk in zijn trots en hoogmoed volhardt, en nooit willens is, Pruisen als zijn gelijk-gerechtigden nabuur te erkennen, maar zich nog altoos als den heer, — en Pruisen als den vasal beschouwt, die den Keizer van Duitschland gehoorzaamheid en onderwerping schuldig is. Even als de Koning van Pruisen voor den Paus van Rome altoos nog de markgraaf van Brandenburg is gebleven, zoo is hij voor Oosterijk altoos nog de keurvorst, die bij plechtige gelegenheden den Keizer van Duitschland het waschbek-ken reiken, — en voor hem houden moet. Maar deze tijden zijn voorbij, en de strijd tegen den Oostenrijkschen hoog-

ocr page 18

14

moed, dien mijn voorvader, de groote keurvorst Friedrich Wilhelm, is begonnen en die sedert door alle beheerschers van Pruisen opgenomen en voortgezet is geworden. — deze strijd zal ook mij heilig zijn, en mij met het zwaard gewapend vinden! Wil hebben immers nog onlangs ondervonden, hoe het met de Oostenrijksche vriendschap gesteld is, en weten, waartoe de Oostenrijksche keizers-hoogmoed in staat is. Ik, Koning van Pruisen, was met drie legerkorpsen naar Silezië gerukt, om mijn bondgenoot, den beheerscher van Turkije, Sultan Mustapha, in den strijd tegen Oostenrijk en llusland bij te staan. Nu riep Oostenrijk mijne bemiddeling in, verklaarde zich bereid door Prui-sens hulp en bijstand, met de Porte vrede te sluiten, en de gezanten der drie mogendheden kwam te Reichen-bach tot een congres bijeen, waarin door mijn gezant Herzberg, ten minste een wapenstilstand met Turkije voor Oostenrijk gesloten werd. Dit was Pruisens werk alleen, en mij had Keizer Leopold van Oostenrijk het te danken, dat hij nu tijd won, zich te Frankfort tot Duitsch Keizer te laten kiezen en kronen, het oproerige België weder tot gehoorzaamheid terug te brengen, en vervolgens te Szistówa zijn vredesonderhandelingen met Turkije voort te zetten. En wat was nu Oostenrijks dank, toen deze onderhandelingen tot een goed resultaat gevoerd, — en de vrede met de Porte gesloten was? Oostenrijk sloeg met koele woorden Pruisens verdere bemiddeling af; Oostenrijk maakte in het vredestraktaat te Szistówa met geen enkel woord gewag van Pruisen en de voorafgevoerde onderhandelingen te Reichenbach; Oostenrijk ging in zijn overmoed zóóver, van Pruisen de verklaring te verlangen, dat het voor altoos van alle verdere veroveringen afzag; een verklaring, welke natuurlijk door Pruisen met verontwaardiging afgewezen werd. Dit, heer baron, is het laatste bewijs van de zoo beroemde „dankbaarheid van Oostenrijk,quot; en ik ben waarlijk niet belust, er nog meer bewijzen van te ontvangen!

En de Koning, die gedurende zijn rede was opgestaan en met luide, opgewonden stem gesproken had, zonk nu geheel uitgeput weder in den armstoel, en wuifde den met goud geborduurden, ambergeurigen zakdoek tegen het gloeiend gelaat.

ocr page 19

15

,,Sire,quot; fluisterde de baron de Breteuil: „ik waag het nochtans mijn bede te herhalen, en wend mij tot de grootmoedigheid van den hooghartigen Koning van Pruisen. Ik doe deze bede niet slechts in naam van den Koning van Frankrijk, ik doe haar ook in naam der heilige onzichtbare vaders, die —quot;

De Koning viel hem met een gebiedend: „zwijg!''in de rede, sprong weder op, om met haastige schreden heen en weder te gaan en met somber, schier angstig gelaat te overleggen. Toen bleef hij voor Breteuil staan, en met huiverende zachte stem, als vreesde hij een luisterend oor, zeide hij; „Breng deze onzichtbare vaders de verzekering van mijn verknochtheid en trouw. Zeg dat ik hun steeds een gehoorzaam zoon zal zijn, maar dat ik mij niet kan onttrekken aan de plichten, welke mijn kroon en mijn volk mij opleggen. En nu,quot; voer de Koning luid en met verheffing van stem voort: „hoor nu mijn laatste woord: ik ben bereid den Koning van Frankrijk ter bestrijding der revolutie en ter bevrijding van den Koning, bij te staan. Ik verklaar mij bereid, tot dit doel een hulpleger van tachtigduizend man naar de fransche grenzen te zenden, en het in gemeenschap met de armee der prinsen te laten ageeren, maar ik stel ééne voorwaarde.''

„Sire,quot; riep Breteuil verheugd: „noem deze voorwaarde ; en daar mijn meester, de Koning, mij volmacht heeft gegeven, om in zijn allerhoogsten naam verdragen te sluiten, mag ik het aangenaam vertrouwen koesteren, dat ik in staat ben, aan de eischen van Uwe Majesteit in alle opzichten, — en onder alle voorwaarden te voldoen.quot;

„Mijn éénige voorwaarde is deze: ik zend, zooals ik zeide, den Koning van Frankrijk een hulpleger van tachtigduizend man, — maar ik verlang, dat Frankrijk, —of liever de Koning van Frankrijk, — het met Oostenrijk afgesproken verbond opgeve, en daarentegen een vast alliantie-tractaat met Pruisen sluite. Kunt ge dit verbindend en geldig in naam van Koning Bodewijk sluiten, dan geef ik morgen bevel tot het oprukken mijner troepen, en ik hoop dat het naderen van mijn goed gewapend en dapper leger de dolle oproermakers in de fransche hoofdstad met schrik vervullen, — en tot rede brengen zal.''

„Of ook den Koning het leven kosten zal!quot; zuchtte Bre-

ocr page 20

16

■

teuil: „het fransche volk zal in zijn fier gevoel van eigen waarde in den uitersten toorn geraken over de inmenging van vreemde mogendheden in zijn binnenlandsche aangelegenheden, en indien het overwicht der aanrukkende legers niet van verpletterende en vernietigende kracht is, zoodat zij volkomen zeker van de overwinning zijn, dan wordt het gevaar, waarin de Koninklijke familie zweelt,

er slechts door vergroot.quot;

„Gij neemt dus mijn voorwaarde niet aan v vroeg de

Koning haastig. . . t. t.

Sire, zóó ver reikt mijn volmacht niet. Ik ben gemach-tigd verbonden te sluiten, maar niet om reeds gesloten verbonden weder te vernietigen, en hierdoor den Koning van Frankrijk een nieuwe vijandschap te bereiden. Ik verzoek onderdanigst mij te vergunnen, dat ik voor dit bijzonder geval, de bevelen en beslissing van mijn Konin -lijken meester inroep, want ik waag het niet die vooruit

16 ^Welnu, heer baron, doe dit,quot; zei de Koning vriendelijk: Ik beloof u, dat ik de belofte, welke ik u gegeven heb, vier maanden lang als verbindend voor mij beschouwen zal en zoo ge mij binnen dien tijd meldt, dat Koning Lodewiik genegen is, de door mij gestelde voorwaarde te vervullen, dan zullen mijn regimenten opmarcheeren, en eerst na hun zegevierend binnenrukken in 1 arijs, nalt

houden.quot; , j tt.

Een sombere glimlach trok om de lippen van den r ian-schen gezant, en hij boog treurig het hoofd. „Sue, i v verzoek mijn afscheid, opdat ik terstond op reis ga, en mij tot mün meester naar Parijs begeve; want in zijn hache-lijken toestand, kan elke minuut oponthoud van gewicht ziin.quot;

Ga, mijnheer de baron, en moogt ge geen hindernissen op uwen terugweg vinden! Zeg aan Koning Lode wijk, dat mijn hart het innigste deelneemt m zijn lot en ik gelukkig zou zijn, indien de Koning mij, door het aannemen mijner voorwaarde, het recht wilde geven, hem te bevrijden en zijn troon weder te bevestigen. Vaarwel, en ik zeg gaarne „tot wederziens!quot;

En met een gebiedende handbeweging naar de deur wijzende, boog de Koning zijn hoofd tot een laatste Nbe-

■

ocr page 21

17

J

groeting. Baron Breteuil verwijderde zich, achteruitgaande en met al de diepe buigingen, die de strengste etikette slechts vorderen kon, naar de deur, welke hij toen met een behendige greep achter zijn rug opende.

De Koning ademde ruimer, toen de deur zich achter den franschen gezant gesloten had — „Nu,quot; fluisterde hij zacht: „mij dunkt ik heb naar alle zijden mijn plicht ge'? daan, en niemand zal zich over mij te beklagen hebben. De Rozenkruisers en hunne vertegenwoordigers, de ringdi-recteur Bischofswerder en Wöllner, willen den oorlog; en niet alleen mijn gehoorzaamheid jegens de onzichtba-ren, — maar ook mijn eigen sympathiën doen mij dien wenschen. Maar — mijn schoone gravin wil den oorlog mei, en ik heb haar belootd — ha, ik wil haar toch dadelijk bericht geven. Dit zal het beste zijn oni haar met mij te verzoenen, en mij een gelukkigen avond te bezorgen.quot;

Hij zette zich haastig aan zijn schrijftafel, en met vliegende hand schreef hij: „Mijn dierbare Sophie, mijn verrukkelijke Hebe! Ge hebt gelijk gehad met uwe vermoedens. De baron Breteuil, — wiens aanwezigheid te Berlijn wij vernamen, — kwam werkelijk heden hier te Potsdam, om mij in naam van Koning Lodewijk een verbond aan te bieden. Maar zie nu een bewijs hoe sterk mijn liefde en aanbidding voor u is: niettegenstaande mijn groote sympathie voor den bedreigden Koning, heb ik tóch het verzochte verbond afgewezen en een middel gezocht, om mij, voorshands ten minste, neutraal te houden. Zult gij nu tevreden zijn? Zal uw ijverzuchtig hart nu erkennen dat ik u, alleen u bemin, dat gij alleen macht over mij hebt? Zal mijne dierbare, schoone Jakobijne,— die niet wil, dat ik tegen het oproerige Frankrijk het zwaard ophef, — nu tevreden zijn met haar koninklijken minnaar, die zich zoozeer beijvert, — zelfs tegen zijn eigen wenschen, — hare wenschen te vervullen? Zal ik heden avond, als ik bij haar kom, niet als een koninklijk gebieder, maar als een geliefd echtgenoot en minnaar door mijn aangebeden Sophie ontvangen worden ? Beantwoord, wree-de^ deze vragen van uw trouwen

Friedrich Wilhelm.quot; Mühlbaoh, Tiuitschland in woeling en strijd. V. 2

ocr page 22

18

Nadat de Koning het geschrevene nog eens met glimlachende tevredenheid overgelezen had, schoof hij het papier in een couvert, verzegelde het haastig en schelde zijn kamerdienaar Rietz.

„Bezorg dezen brief dadelijk aan de waarde gravin Bonhof, mijn getrouwe Het zou mij aangenaam zijn zoo ge zelf tot haar gingt, en hem aan de gravin zoudt overhandigen.quot; ;

„Majesteit, ik vrees dat dit onmogelijk zal zijn, zei Rietz de schouders ophalende: „Mevrouw de gravin Bonhof verfoeit mij juist evenzeer, als mij wijlen de gravin Ingen-heim verfoeide. Be overledene gravin noemde mij steeds Uwer Majesteits Figaro, maar de gravin Bonhof vergenoegt zich niet met zulk een dichterlijken titel, en als zij van mij spreekt, noemt zij mij niet anders dan de schoelje, of ook de homme entretenu de la femme entretenue.

Be Koning lachte: ,Ja, zij kan soms heel ondeugend zijn, onze schoone gravin Bonhof. Maar men moet haar dit ten goede houden; want zij bemint mij zeer, en is ijverzuchtig, wijl zij weet dat ik in mijne genegenheden zeer trouw ben, en de geliefde mijner jeugd nooit opgeven en verlaten kan. Ga naar de gravin, mijn lieve Rietz, laat haar den brief ter hand stellen en tevens berichten, dat ge op antwoord wacht. Zij zal u ditmaal wèl ontvangen en goed jegens u zijn, want zij zal met den inhoud van mijn brief tevreden wezen. En als ge dit bezorgd hebt, kunt ge u een genoegelijken avond te Berlijn verschaifen, en bij deze gelegenheid ook in het bewuste paleis onder de Linden een bezoek afleggen.quot;

„Bij mevrouw mijn echtgenoote, nietwaar, Majesteit? lachte Rietz.

Friedrich Wilhelm knikte. — „Luister, Rietz; ge zijt sinds vele jaren mijn vertrouwde, en ik weet, dat ik op uw trouw en gehechtheid kan rekenen. Ik wil u iets bekennen: ik ben ijverzuchtig, geloof ik. Er zwerven zoo vele jonge, schoone, en gevaarlijke cavaliers om Wilhel-mine, en ik vrees, dat zij geene Penelope is. Deze lord Templetown, die zich bestendig in hare nabijheid bevindt, verontrust mij, en ik haat den onbeschaamde, dia het waagt de vrouw te aanbidden, welk ik bemin.quot;

„Hoe, wat zegt Uwe Majesteit?quot; vroeg Rietz met geheel

ocr page 23

19

verbluft gelaat: „Lord Templetown waagt het, lt;le schoone gravin Bonhof te aanbidden, — de gemalin der linkerhand vau mijn verheven gebieder !quot;

„Wie zegt dat ik van haar spreek?

„Maar Uwe Majesteit had toch de genade te zeggen, dat lord Templetown de onbeschaamdheid had de vrouw te aanbidden, welke Uwe Majesteit bemint, — en dat is immers de gravin Dönhof?quot;

De Koning glimlachte, en terwijl hij zijn hand ophief, trok hij den kamerdienaar bij een der groote ooren, die sedert vele jaren zoo vele liefdesgeheimen van Friedrich opgenomen hadden.

„Gravin Dönhof heeft gelijk; ge zijt werkelijk een schoelje, mijn waarde kamerdienaar, en als ge de vermetelste en onbeschaamdste dingen zegt, verstaat ge het, uw sluw gezicht onder het masker van een onnoozelen sukkel te verbergen, op wien men zelfs niet verstoord kan zijn wegens zijn opzettelijke boosaardigheden, wijl ze er als niet opzettelijke domheden uitzien. Nu, mijn lieve sukkel, ik wil u dan bekennen, dat er buiten gravin Dönhof nog een andere vrouw is, die ik bemin, dat dit mijn dierbare vriendin Wilhelmine Rietz is. Ga dus tot haar, en zoo ge er den onbeschaamden lord weder vindt, verzoek Wilhelmine dan tot een geheim gesprek ; zeg haar, dat mij de menigvuldige bezoeken 'ï-an den dollen Ier zeer onaangenaam zijn, en ik wenschte, dat zij ze meer beperkte, of den indringenden monsieur zijn paspoort gaf.''

„Majesteit, zou het niet beter zijn, zoo ge de goedheid hadt, dit aan mijn zoogenaamde echtgenoote zelf te zeggen?quot; bad Rietz met deemoedige houding: ,,Ik durf waarachtig zulk een boodschap niet overbrengen, want ik vrees voor mijn oogen, welke ik toch zob hoog noodig heb, om mij door den doolhof van het leven te worstelen. Het zou dus van Uwe Majesteit zeer edelmoedig zijn, zoo zij aan de arme Wilhelmine Rietz zelve, en wel 'persoonlijk Hare bevelen mededeelde, in stede van mii in g-evaar te brengen.quot;

„Meent ge dat ze er toornig over zal zijn? Dit heet dus met andere woorden: gij gelooft dat Wilhelmine lord Templetown bemint?quot;

„O, Majesteit, zóó slecht denk ik niet van mijn echt-

ocr page 24

20

genoote, maar — een in haar liefde yekrenkte vrouw is tot alles in staat, zelfs om zich zelve in het ongeluk te storten, teneinde haar verraden liefde te wreken. Ik weet, dat in het paleis onder de Linden te Berlijn sedert tien dagen zeer veel geschreid en gejammerd wordt, want — sinds tien dagen heeft de voet Uwer Majesteit den drempel van dat paleis niet overschreden.quot;

„Mijn Hemel, is het waarlijk reeds zóólang?quot; vroeg de Koning verbaasd.

„Majesteit,quot; fluisterde Rietz zeer zacht: „ge hebt het paleis niet weder bezocht, sinds dien dag, toen de gravin Dönhof dat heftige zenuwtoeval kreeg, en — '

„Ge wilt zeggen, op welken de gravin Dönhof mij dat groote ijverzuchtige standje maakte, en ik haar beloofde — Maar is dit werkelijk reeds tien dagen geleden, en heb ik zóó lang mijn dierbare vriendin niet gezien?''

„Majesteit, u komt de tijd zeer kort voor, maar ik weet, dat deze tien dagen mevrouw mijne echtgenoote tien eeuwigheden schijnen, en daarom houd ik het voor mogelijk dat zij, enkel om zich te verstrooien óf om zich te wreken, aan de vurige liefdesbetuigingen van den rijken lord Tem-pletown gehoor zou kunnen geven, en —quot;

„Rietz,quot; viel Friedrich Wilhelm hem heftig in de rede : „geen woord meer! Ga naar Wilhelmine en zeg haar, dat ik morgen bij haar het middagmaal zal gebruiken, en zij 's avonds met mij in mijn kleine loge van het operagebouw, de nieuwe opera van Righini zal zien. Ik zal bewijzen dat ik mijn vriendin nooit verloochenen, en nóch de gravin Dönhof nóch iemand anders, mij van de heilige plichten kan afvallig maken, welke de vriendschap en mijn herinneringen mij opleggenj Ga en verricht mijn boodschap, heer kamerdienaar!quot;

,,Nu, bij den hemel,quot; prevelde Rietz, toen hij den Koning verlaten had, en met een vergenoegden glimlach de marmeren (reden van de groote dubbele trap in het nieuwe paleis te Potsdam afsteeg: „als mevrouw mijn echtgenoote nu niet erkent, dat ik haar een trouw bondgenoot ben, dan is zij onuitsprekelijk ondankbaar. IA; ben het, die haaiden „Koninklijken vriend'' terugvoert, en dit is, dunkt mij, wel zóóveel waard, dat zij hiervoor den Koning aanspoort, mijn lieve kleine tooneelspeelster Baranius een

ocr page 25

24

engagemonf voor 'haar levenlang te verzekeren. De eene hand wascht de andere, en madame Piietz en ik hebben dit reeds zóó menigmaal gedaan, dat onze handen van het vele wasschen zoo wit als sneeuw moesten zijn! En evenwel zijn er onbeschaamde menschen, die willen beweren dat er vuil aan onze handen kleeft, en zij onzindelijk zijn!quot;

Met een vergenoegden lach over zijn eigen geestigheid sprong de kamerdienaar in het gereedstaande Koninklijke rijtuig, en reed naar het paleis te Potsdam, nabij het Koninklijke slot gelegen, waar de gravin Sophie von Dönhof de tweede gemalin der linkerhand van den Koning, haar residentie had genomen, terwijl de Koningin, de gemalin der rechterhand, in het slot te Berlijn woonde, en Wilhelmine Paetz, de Koninklijke vriendin, in het paleis onder de Linden, dat zij van haren zoon, den graaf von Der Mark, geërfd had.

II.

PRINS LOUIS FERDINAND.

Toen de baron de Breteuil het kabinet des Konings verlaten had, verdween de eerbiedige stereotype glimlach van het gelaat des hovelings, en zijne trekken namen een neerslachtige, droefgeestige uitdrukking aan. Hij had fiasco gemaakt, volkomen tia.sco! Dit mocht hij zich niet verhelen; hij had gehoopt in het kabinet des Konings van Pruisen een marschvaardig leger voor den Koning van Frankrijk te zullen vinden, en in plaats hiervan, keerde hij met geheel ledige handen terug. Niels dan een belofte had de Koning hem gegeven; een belofte, wier vervulling oheel onmogelijk scheen, want baron Breteuil wist wel, at Koningin Marie Antoinette nooit zou toegeven dat baar gemaal, om Pruisen voor zich te winnen, een verbond met Oostenrijk, — dat heet met haar broeder, Keizer Leopold, — opgaf, hoezeer Koning Lode wijk zelf hiertoe misschien ook geneigd mocht zijn. Maar aan het Hof van den Koning van Frankrijk hei haalde zich slechts, wat destijds aan de Hoven van alle Vorsten plaats had: de Sou-

ocr page 26

22

vereinen regeerden niet, maar werden geregeerd; en 't waren de vrouwen die aan alle Hoven heerschten en den scepter in de hand namen; aan de eigenlijke bezitters er van slechts haar kleine zijden pantoffel overlatende, om die te kussen en er voor te buigen. —

Baron de Breteuil kende Lodewijk den Zestiende te goed, om niet. te weten, dat hij geen andere politiek zou volgen, dan die door zijne gemalin werd goedgekeurd; Marie Antoinette echter zou er nooit in bewilligen, dat de Koning zich van Oostenrijk losmaakte, en dus moest Lodewijk aan dit verbond vasthouden, schoon hij ook de heimelijke over-- tuiging koesterde, dat dit verbond hem den' dood kon brengen.

„En het zal hem den dood brengen,quot; zuchtte de heer de Breteuil stil voor zich, terwijl bij langzaam de mettapü-ten belegde trap afging: ,,ja; ik heb de vaste overtuiging, dat dit Oostenrijksche verbond den Koning ten verderf zal strekken; want de Oostenrijksche staatkunde is ten allen tijde vol listen en lagen geweest, en nooit is ons uit het huis van Oostenrijk iets goeds gekomen!quot;

Hij was nu het bordes voor het nieuwe Paleis afgetreden, en wilde juist met nedergebogen hoofd en treurig gelaat in zijn rijtuig stijgen, toen een jeugdige, forsche stem zijn naam riep, en een jong officier, over de ruime binnenplaats rennende, nevens den baron zijn paard inhield.

„Maar bedrieg ik mij niet? Zijt gij't werkelijk, mijnheer de baron de Breteuil? En gij herkent mij niet?''

„Mijnheer de officier, ik heb inderdaad niet de eer, —quot; stamelde de baron, die geheel verbluft naar de schildwachten keek, die voor den jongen officier het geweer schouderden, en naar de officieren, die op de binnenplaats koutend bij elkander hadden gestaan, en nu plotseling recht als een kaars in militaire houding stonden, met de rechterhand aan de slapen, en de oogen onafgewend op den jongen officier gericht.

„Ik heb inderdaad niet de eer,quot; herhaalde Breteuil verward.

„Dat wil zeggen, gij hebt inderdaad een slecht geheugen,quot; glimlachte de officier: „en 't is noodzakelijk, dal ik het, optriscb. Dit zal terstond geschieden.quot;

ocr page 27

23

Hij sprong met de vlugheid en kracht van een jongon Achilles van zijn paard, wenkte een op een afstand wachtenden jockey, beval hem het paard bij den leugel te leiden, en nam vervolgens zonder plichtpleging den arm van den baron, die in angstige vertwijfeling nog steeds peinsde, waar hij dezen vreemde gezien had, en wie de jonge man kon zijn, dien men met zooveel eerbied bejegende, en die zelf een zoo weinig aanmatigend en eenvoudig voorkomen had.

„Laat ons een oogenblik in het park gaan,quot; zei de jonge officier: „want hier zijn wij niet alleen, en ik houd niet van bespiedende oogen.quot;

Hij voerde den baron met haastige schreden naar het groote portaal, waardoor men in het prak trad, en wederom schouderden de beide zich daar bevindende schildwachten het geweer, zonder dat de jonge man zich verwaardigde er notitie van te nemen.

„Het moet een prins zijn,quot; dacht de baron: „en wel een prins van Koninklijken bloede; maar ik herinner mij toch niet hem gezien te hebben.quot;

„Zoo,quot; zei de officier, toen zij nu in een belommerde, dichte laan waren gekomen; „hier zijn wij alleen; hier kunnen wij onbemerkt praten. Zie mij nu eens aan, en span uw geheugen in.quot;

En de jonge man nam met een innemenden glimlach de blauwe pet met de roode band van zijn hoofd, en keek met zijn ernstige, donkerbruine oogen den verwarden Franschman vroolijk aan.

Breteuil aanschouwde den jongen man nu echter niet alleen met een verwarden, maar ook met een bewonderen-den blik. Deze reuzengestalte, die ver de gewone grootte van een man overtrof, vertoonde bij al de bevalligheid en lenigheid der vormen, tóch de kracht der jeugd, en de spierkracht van den geoetenden krijgsman; dit van jeugd en lust stralend aangezicht had toch een |breed, peinzend voorhoofd, dat als Jupiter's voorhoofd op het gelaat van Apollo Musagetes troonde. Om den fraaien mond met de volle purperroode lippen speelde een lachje, zacht als dat eener vrouw, en tóch. als dit lachje verdween, had de mond een ernstige, energieke uitdrukking, en men zag wel, dat deze lippen zich niet enkel openden voor teedere

ocr page 28

24

liefdewoorden, voor vriendelijken kout, maar ook voor ernstige bevelen en gebiedende strengheid. Maar het schoonste en verrassendste aan dit gelaat, waren de groote donkerbruine oogen met hun gloeienden vlammenblik, en hun zachte dweperij; oogen, wier uitdrukking elk moment veranderde, en die nu feeder en smachtend waren als die eener vrouw, en in 't volgend moment trotsch, gebiedend, ernstig als die van een veldheer, of van een geleerde.

„Nu?quot; vroeg de jonge man na een poos: „Hebt ge mij genoeg bekeken, en wordt uw geheugen helder?quot;

„Genadige heer,quot; antwoordde Breteuil met een eerbiedige uitdrukking; „zoo ik niet vreesde, u te vertoornen,'zouik urenlang zoo wenschen te staan en u te aanschouwen; want aan de schoonheid en het ideaal kan men zich nooit verzadigen. Maar gij hebt gelijk, mijnheer; mijn geheugen begint op te klaren. Ik geloot mij te Rome verplaatst, en zou mij kunnen verbeelden, in het vatikaan, voor het beeld van den Apollo van Belvédère te staan.''

, 0, dit is een compliment, den Franschman volkomen waardig. Een Apollo in Pruisische uniform! Men moet bekennen, baron, dat dit een zeer gelukkige gedachte is. Maar nu begrijp ik, waarom ge mij niet herkent; ge hebt mij nooit in uniform gezien, maar slechts in het luchtige zomergewaad van een achttienjarigen knaap. Sedert is echter een jaar verloopen, en ik ben als de aspergies opgeschoten, en nog een hoofd langer geworden; buitendien geeft de uniform mij een ernstig en deftig voorkomen, en de overste der garde-gendarmen, dien ge voor u ziet, heeft volstrekt geen gelijkenis met den uitgelaten knaap, dien ge frank en vrij, als de vogel in de lucht, verleden jaar te Spa zijn dolle streken zaagt uitvoeren, en die zelfs den ernstigen en achtbaren graaf van Provence ,deed lachen, als hij met den vroolijken graaf von Artois wedijverde in lustige grappen.quot;

„Ha, nu vallen mij de doppen van de oogen! Mijn Hemel, waar waren mijn gedachten, dat ik Uwe Koninklijke Hoogheid, den prins Louis, niet terstond herkende!quot;

„Zeg liever Louis Ferdinand, baron! Want weet, yrins Louis is hier een grootmachtig, zeer doorluchtig personage! Prins Louis is de zoon van den regeerenden Ko-

ocr page 29

25

ning; de 'broeder van den Kroonprins, die zoolang deze niet gehuwd is en geen nakomelingen heeft, altoos nog tot den Pruisischen troon gerechtigd is, indien soms de Kroonprins van het paard storten, of bij het baden verdrinken mocht, of door eenig ander ongeluk het leven verloor. Want prinsen zijn evengoed blootgesteld aan ongelukken, als andere stervelingen. Prins Louis is de zoon des Konings, terwijl ik slechts een der ongelukkige prinsen ben, die voor den Staat een last, — en voor zich zeiven óók geen pleizier zijn, vermits zij eeuwig blijven moeten wat zij zijn : een prins met een lijfrente ! Mijn vader is prins Ferdinand, de broeder van onzen grooten Koning, — en dus noemt men mij, prins Louis Ferdinand. Zoo! Nu kentgealmijn waardigheden en titels: laat ons daarom zonder omwegen en voorrede, terstond tot de hoofdzaak overgaan. Waarom zijt ge hier gekomen, en wat is het, dat u naar onze vervelende residentie Potsdam gevoerd heeft 7 Zeg het mij oprecht en eerlijk, baron; want misschien kan ik u op dezen gladden en glibberigen bodem alhier nuttig zijn, en u helpen, om menige Scylla en Charybdis te ontkomen. Ge kunt overtuigd zijn dat ik het eerlijk meen, en dat de eeden van vriendschap, welke ik verleden jaar te Coblentz en te Spa met de Fransche prinsen gewisseld heb, door mij niet vergeten zijn. Spreek dus tot mij, baron, als tot een genegen vriend, die de Fransche geëmigreerde prinsen lief heeft, de Fransche hoogverraderlijke Jakobijnen van ganscher harte verfoeit, en het innigste medelijden heeft met den ongelukkigen toestand van het Fransche koninklyke paar. Misschien, — hoezeer ik slechts een kleine prins ben, — kan ik u tóch nuttig zijn, of u een goeden raad geven. Dus — spreek'.quot;

Hij reikte den baron met een vriendelijk hoofdknikken de hand, en duldde het niet, dat deze Laar aan zijne lippen drukte. Daarop luisterde hij met gespannen aandacht naar de berichten, die de baron de Breteuil hem van de hoop en de plannen van Koning Lodewijk en zijne,zich te Coblentz bevindende broeders deed, en bovenal van zijn onderhoud met den Koning van Pruisen, van wien hij juist terugkeerde. De baron verheelde het den prins niet, dat de Fransche Koning volstrekt niet genegen zou zijn, de voorwaarde van Friedrich Wilhelm aan te nemen, dat hij

ocr page 30

26

dus zijn zending als volkomen mislukt en vruchteloos beschouwen moest, en armer aan hoop en uitzichten naai Parijs tot den Koning terugkeerde dan hij dezen verlaten

bad. . , , j ...

,Zeg mij, baronquot; vroeg de prins nadenkend: „wie zijn

uwe bondgenooten hier aan het Hof, en welke partij heeft u' een audientie bij den Koning bezorgd?quot;

Welke partij, mijn prins? Ik heb mij tot geen partij gewend. Ik ontving te Coblentz van een vriend, dien ik jaren geleden bij graaf Cagliostro leerde kennen, een aanbevelingsbrief aan ;s Konings eersten adjudant, den generaal von Bischofswerder. Deze ontving wél mijn bezoek, maai verklaarde, niets in de zaak die mij hier had gevoerd te kunnen doen, wijl hij geheel zonder macht en invloed was en zich van alle politiek verwijderd hield. Maar ik moest in mijn hotel blijven, dan zou het hem misschien gelukken, iemand van meer invloed in mijn belang te winnen, gr mij door dions bomiddGling, e6n aanbovGling bij den Koning te verschaffen. Htden morgen nu ontving ik van een onbekende hand een brief met de aanwijzing, dat ik dien heden te Potsdam door den kamerdienaar Rietz aan den Koning moest doen geworden, en het resultaat er van afwachten. Nu, het resultaat was, dat de Koning mij de audientie bewilligde, die zulk een ongun-

stigen uitslag gehad heeft.quot; „ , w j

Ja, mijn vriend, dat is natuurlijk, glimlachte de prins. ,watit ge zijt met het einde begonnen, ge zijt regelrecht op het doel afgegaan, in plaats van het voorzichtig te naderen. Ge hadt toch moeten weten, dat, als men een-Koning spreken en een gunst van hem verzoeken wil, men zich niet tot den Koning wend, maar eerst bij den haardsloker begint, vervolgens den kamerdienaar den kapper, en — vóór alles de kamenier, versta mij goed: de kamenier moet zoeken te winnen! Hebt ge u tot een onzer —- kameniers gewend, mijnheer de baron? ^

Neen, mijn prins, dat heb ik waarlijk niet gedaan. quot;En quot;ij wilt, dat de Koning van Pruisen voor u een leger tegen de .lakobijnen in het veld zendt, en hebt niet eeSns een kamenier in uw belang getrokken! ^

Hoogheidquot; zei de baron verward: „ik weet niet . . . yre weet niet of ik scherts,quot; viel de prins hem m de

ocr page 31

27'

rede: „neen, helaaas, ik scherts niet; ik verzeker u integendeel dat ik zeer ernstig ben, want ik verlang vurig naar een oorlog, die mij de gelegenheid geeft mij te onderscheiden, en ik zou gelukkig zijn, indien ik er iets toe kon bijdragen, om den Koning van Frankrijk en zijn schoone Koningin, weder in al hun rechten en macht hersteld te zien. Ik ben koningsgezind met al mijn hart, en schoon mij in de Koningen ook veel niet hehaa. t, vereer ik toch „het koningschapquot; en zou, zoo ik het bedreigd zie, tot mijn laatsten bloeddroppel er vóórwillen strijden! Bovendien ben ik de vriend uwer prinsen en heb verleden jaar, — toen ik op reis naar de baden met mijn ouders te Spa en Coblentz veel met hen verkeerde, —hun met handslag en eerewoord beloofd, dat, zoo het tot oorlog komt, ik aan hunne zijde voor Koning Lodewijk en den troon der Leliën strijden wil.quot;

„Ik ben in vertwijfeling, Doorluchtigheid, dat ik dit niet geweten heb, en de prinsen mij niet een aanbevelingsbrief aan den edelen, ridderlijken prins hebben gegeven, die—quot;

„Die 'overigens slechts een klein, onbeduidend jongeling zonder invloed en betrekking is! Dit hebben de Fransche prinsen wel geweten, en daarom kwam het hen overbodig, voor, zich mijner te herinneren. Maar ik herinner mij beter onze afspraak, en wie weet; het kon immers mogelijk zijn, dat het gaat als in de fabel van de muis, die den leeuw redt. Misschien gelukt het mij, voor u de gunst eener kamenier te winnen, en door deze den Koning. Wacht en hoop! Hoe lang kunt ge in het uiterste geval nog bier blijven?quot;

„Doorluchtigheid, ik wil u alles zeggen en bekennen; de grootste haast is noodig, want iedere dag, ja jeder uur trekt het net dat het ongelukkige koninklijke paar omstrikt, dichter toe, en ik moet mij haasten tot hen terug te kee-ren. Zoo ik hun ook geen hulp van buiten, geen legers breng, dan kan ik hen ten minste misschien nog helpen gelijk de muis in de fabel, waarvan Uwe Doorluchtigheid zooeven sprak. Ik kan misschien een maas openen in het net der Jakobijnen, opdat de koninklijke familie zou kunnen vluchten voor de bloedgierige koningsmoorders, die hen reeds nu naar het leven staan !quot;

„O, de ellendigen, de tempelschenders!quot; riep de prins

ocr page 32

22

vereinen regeerden niet, maar werden geregeerd; en 't waren de vrouwen die aan alle Hoven heerschten en den scepter in de hand namen; aan de eigenlijke bezitters er van slechts haar kleine zijden pantoffel overlatende, om die te kussen en er voor te buigen. —

Baron de Breteuil kende Lodewijk den Zestiende ^ goed, om niet. te weten, dat hij geen andere politiek zou volgen, dan die door zijne gemalin werd goedgekeurd; Marie Antoinette echter zou er nooit in bewilligen, dat de Koning zich van Oostenrijk losmaakte, en dus moest Lodewijk aan dit verbond vasthouden, schoon hij ook de heimelijke over-- tuiging koesterde, dat dit verbond hem den] dood kon brengen.

„En het zal hem den dood brengen,quot; zuchtte de beerde Breteuü stil voor zich, terwijl hij langzaam de met tapijten belegde trap afging; ,,ja; ik heb de vaste overtuiging, dat dit Oostenrijksche verbond den Koning ten verderf zal strekken; want de Oostenrijksche staatkunde is ten allen tijde vol listen en lagen geweest, en nooit is ons uit het huis van Oostenrijk iets goeds gekomen 1quot;

Hij was nu het bordes voor het nieuwe Paleis afgetreden, en wilde juist met nedergebogen hoofd en treurig gelaat in zijn rijtuig stijgen, toen een jeugdige, forsche stem zijn naam riep, en een jong officier, over de ruime binnenplaats rennende, nevens den baron zijn paard inhield.

„Maar bedrieg ik mij niet? Zijt gij't werkelijk, mijnheer de baron de Breteuü? En gij herkent mij niet?''

„Mijnheer de officier, ik heb inderdaad niet de eer,—quot; stamelde de baron, die geheel verbluft naar de schildwachten keek, die voor den jongen officier het geweer schouderden, en naar de officieren, die op de binnenplaats koutend bij elkander hadden gestaan, en nu plotseling recht als een kaars in militaire houding stonden, met de rechterhand aan de slapen, en de oogen onafgewend op den jongen officier gericht.

„Ik heb inderdaad niet de eer,quot; herhaalde Breteuil verward.

„Dat wil zeggen, gij hebt inderdaad een slecht geheugen,quot; glimlachte de officier: ,,en 't is noodzakelijk, dat ik het opfrisch. Dit zal terstond geschieden.quot;

ocr page 33

23

Hij sprong met de vlugheid en kracht van een jongon Achilles van zijn paard, wenkte een op een afstand wachtenden jockey, beval hem het paard bij den leugel te leiden, en nam vervolgens zonder plichtpleging den arm van den baron, die in angstige vertwijfeling nog steeds peinsde, waar hij dezen vreemde gezien had, en wie de jonge man kon zijn, dien men met zooveel eerbied bejegende, en die zelf een zoo weinig aanmatigend en eenvoudig voorkomen had.

„Laat ons een oogenblik in het park gaan,quot; zei de jonge officier: ,,want hier zijn wij niet alleen, en ik houd niet van bespiedende oogen.quot;

Hij voerde den baron met haastige schreden naar het groote portaal, waardoor men in het prak trad, en wederom schouderden de beide zich daar bevindende schildwachten het geweer, zonder dat de jonge man zich verwaardigde er notitie van te nemen.

„Het moet een prins zijn,quot; dacht de baron: „en wel een prins van Koninklijken bloede; maar ik herinner mij toch niet hem gezien te hebben.quot;

„Zoo,quot; zei de officier, toen zij nu in een belommerde, dichte laan waren gekomen; „hier zijn wij alleen; hier kunnen wij onbemerkt praten. Zie mij nu eens aan, en span uw geheugen in.quot;

En de jonge man nam met een innemenden glimlach de blauwe pet met de roode band van zijn hoofd, en keek met zijn ernstige, donkerbruine oogen den verwarden Franschman vroolijk aan.

Breteuil aanschouwde den jongen man nu echter niet alleen met een verwarden, maar ook met een bewonderen-den blik. Deze reuzengestalte, die ver de gewone grootte van een man overtrof, vertoonde bij al de bevalligheid en lenigheid der vormen, tóch de kracht der jeugd, en de spierkracht van den geoefenden krijgsman; dit van jeugd en lust stralend aangezicht had toch een |breed, peinzend voorhoofd, dat als Jupiter's voorhoofd op het gelaat van Apollo Musagetes troonde. Om den fraaien mond met de volle purperroode lippen speelde een lachje, zacht als dat eener vrouw, en tóch. als dit lachje verdween, had de mond een ernstige, energieke uitdrukking, en men zag wel, dat deze lippen zich niet enkel openden voor teedere

ocr page 34

liefdewoorden, voor vriendelijken] kout, maar ook voor ernstige bevelen en gebiedende strengheid. Maar het schoonste en verrassendste aan dit gelaat, waren de groote donkerbruine oogen met hun gloeienden vlammenblik, en hun zachte dweperij; oogen, wier uitdrukking elk moment veranderde, en die nu teeder en smachtend waren als die eener vrouw, en in 't volgend moment trotsch, gebiedend, ernstig als die van een veldheer, of van een geleerde.

„Nu?quot; vroeg de jonge man na een poos: „Hebt ge mij genoeg bekeken, en wordt uw geheugen helder?quot;

„Genadige heer,quot; antwoordde Breteuil met een eerbiedige uitdrukking: „zoo ik niet vreesde, u te vertoornen,'zou ik urenlang zoo wenschen te staan en u te aanschouwen; want aan de schoonheid en bet ideaal kan men zich nooit verzadigen. Maar gij hebt gelijk, mijnheer; mijn geheugen begint op te klaren. Ik geloot mij te Rome verplaatst, en zou mij kunnen verbeelden, in het vatikaan, voor het beeld van den Apollo van Belvédère te staan.''

, 0, dit is een compliment, den Franschman volkomen waardig. Een Apollo in Pruisische uniform! Men moet bekennen, baron, dat dit een zeer gelukkige gedachte is. Maar nu begrijp ik, waarom ge mij niet herkent; ge hebt mij nooit in uniform gezien, maar slechts in het luchtige zomergewaad van een achttienjarigen knaap. Sedert is echter een jaar verloopen, en ik ben als de aspergies opgeschoten, en nog een hoofd langer geworden; buitendien geeft de uniform mij een ernstig en deftig voorkomen, en de overste der garde-gendarmen, dien ge voor u ziet, heeft volstrekt geen gelijkenis met den uitgelaten knaap, dien ge frank en vrij, als de vogel in de lucht, verleden jaar te Spa zijn dolle streken zaagt uitvoeren, en die zelfs den ernstigen en achtbaren graaf van Provence ,deed lachen, als hij met den vroolijken graaf von Artois wedijverde in lustige grappen.quot;

„Ha, nu vallen mij de doppen van de oogen! Mijn Hemel, waar waren mijn gedachten, dat ik Uwe Koninklijke Hoogheid, den prins Louis, niet terstond herkende !quot;

„Zeg liever Louis Ferdinand, baron! Want weet, yrins Louis is hier een grootmachtig, zeer doorluchtig personage ! Prins Louis is de zoon van den regeerenden Ko-

ocr page 35

25

ning; de broeder van den Kroonprins, die zoolang deze niet gehuwd is en geen nakomelingen heeft, altoos nog tot den Pruisischen troon gerechtigd is, indien soms de Kroonprins van het paard storten, of bij het baden verdrinken mocht, of door eenig ander ongeluk het leven verloor. Want prinsen zijn evengoed blootgesteld aan ongelukken, als andere stervelingen. Prins Louis isdezoon des Konings, terwijl ik slechts een der ongelukkige prinsen ben, die voor den Staat een last, — en voor zich zeiven óók geen pleizier zijn, vermits zij eeuwig blij ven moeten wat zij zijn : een prins met een lijfrente ! Mijn vader is prins Ferdinand, de broeder van onzen groeten Koning-, — en dus noemt men mij, prins Louis Ferdinand. Zoo! Nu kentgealmijn waardigheden en titels: laat ons daarom zonder omwegen en voorrede, terstond tot de hoofdzaak overgaan. Waarom zijt ge hier gekomen, en wat is het, dat u naar onze vervelende residentie Potsdam gevoerd heeft'? Zeg het mij oprecht en eerlijk, baron; want misschien kan ik u op dezen gladden en glibberigen bodem alhier nuttig zijn, en u helpen, om menige Scylla en Gharyhdis te ontkomen. Ge kunt overtuigd zijn dat ik het eerlijk meen, en dat de eeden van vriendschap, welke ik verleden jaar te Coblentz. en te Spa met de Fransche prinsen gewisseld heb, door mij niet vergeten zijn. Spreek dus tot mij, baron, als tot een genegen vriend, die de Franschegeëtnigreerde prinsen lief heeft, de Fransche hoogverraderlijke Jakobijnen van ganscher harte verfoeit, en het innigste medelijden heeft met den ongelukkigen toestand van het Fransche koninklijke paar. Misschien, — hoezeer ik slechts een kleine prins ben, — kan ik u tóch nuttig zijn, of u een goeden raad geven. Dus — spreek!quot;

Hij reikte den baron met een vriendelijk hoofdknikken de hand, en duldde het niet, dat deze haar aan zijne lippen drukte. Daarop luisterde hij met gespannen aandacht naar de berichten, die de baron de Breteuil hem van de hoop en de plannen van Koning Lodewijk en zijne, zich te Coblentz bevindende broeders deed, en bovenal van zijn onderhoud met den Koning van Pruisen, van wien hij juist terugkeerde. De baron verheelde het den prins niet, dat de Fransche Koning volstrekt niet genegen zou zijn, de voorwaarde van Friedrich Wilhelm aan te nemen, dal hij

ocr page 36

26

dus zijn zending als volkomen mislukt en vruchteloos beschouwen moest, en armer aan hoop en uitzichten naar Parijs tot den Koning terugkeerde dan hij dezen verlaten had.

„Zeg mij, baronquot; vroeg de prins nadenkend: „wie zijn uwe bondgenooten hier aan het Hof, en welke partij heeft u'een audientie bij den Koning bezorgd?quot;

„Welke partij, mijn prins? Ik heb mij tot geen party gewend. Ik ontving te Coblentz van een vriend, dien ik jaren geleden bij graat Cagliostro leerde kennen, een aanbevelingsbrief aan ;s Konings eersten adjudant, den generaal von Bischotswerder. Deze ontving wél mijn bezoek, maar verklaarde, niets in de zaak die mij hier had gevoerd, te kunnen doen, wijl hij geheel zonder macht en invloed was, en zich van alle politiek verwijderd hield. Maar ik moest in mijn hotel blijven, dan zou het hem misschien gelukken, iemand van meer invloed in mijn belang te winnen, en mij door diens bemiddeling, een aanbeveling bij den Koning te verschalTen. Heden morgen nu ontving ik van een onbekende hand een brief met de aanwijzing, dat ik dien heden te Potsdam door den kamerdienaar Rietz aan den Koning moest doen geworden, en het resultaat er van afwachten. Nu, het resultaat was, dat de Koning mij de audientie bewilligde, die zulk een ongun-sti^en uitslag gehad heeft.quot; ,

^Ja, mijn vriend, dat is natuurlijk,quot; glimlachte de prins: „want ge zijt met het einde begonnen, ge zijt regelrecht op het doel afgegaan, in plaats van het voorzichtig te naderen. Ge hadt toch moeten weten, dat, als rnen eenquot; Koning spreken en een gunst van hem verzoeken wil, men zich niet tot den Koning wend, maar eerst bij den haardstoker begint, vervolgens den kamerdienaar, den kapper, en — vóór alles de kamenier, versta mij goed:de kamenier moet zoeken te winnen! Hebt ge u tot een onzer — kameniers gewend, mijnheer de baron?quot;

,Neen, mijn prins, dat heb ik waarlijk niet gedaan.

',',En gij wilt, dat de Koning van Pruisen voor u een leg'er tegen de Jakobijnen in het veld zendt,^ en hebt niet eens een kamenier in uw belang getrokken!quot; ^

,Hoogheid,quot; zei de baron verward; „ik weet met . . .

', Ge weet niet of ik scherts,quot; viel de prins hem in de

ocr page 37

27

rede: ,,neen, helaaas, ik scherts niet; ik verzeker u integendeel dat ik zeer ernstig ben, want ik verlang vurig iiaar een oorlog, die mij de gelegenheid geeft mij te onderscheiden, en ik zou gelukkig zijn, indien ik er iets toe kon bijdragen, ora den Koning van Frankrijk en zijn schoone Koningin, weder in al hun rechten en macht hersteld te zien. Ik ben koningsgezind met al mijn hart, en schoon mij in de Koningen ook veel niet behaa. t, vereer ik toch „het koningschapquot; en zou, zoo ik het bedreigd zie, tot mijn laatsten bioeddroppel er vóórwillen strijden! Bovendien ben ik de vriend uwer prinsen en heb verleden jaar, — toen ik op reis naar de baden met mijn ouders te Spa en Coblentz veel met hen verkeerde, —hun met handslag en eerewoord beloofd, dat, zoo het tot oorlog komt, ik aan hunne zijde voor Koning Lodewijk en den troon der Leliën striiden wil.quot;

„Ik ben in vertwijfeling, Doorluchtigheid, dat ik dit niet geweten heb, en de prinsen mij niet een aanbevelingsbrief aan den edelen, ridderlijken prins hebben gegeven, die—quot;

„Die 'overigens slechts een klein, onbeduidend jongeling zonder .invloed en betrekking is! Dit hebben deFransche prinsen wel geweten, en daarom kwam het hen overbodig voor, zich mijner te herinneren. Maar ik herinner mij beter onze afspraak, en wie weet: het kon immers mogelijk zijn, dat het gaat als in de fabel van de muis, die den leeuw redt. Misschien gelukt het mij, voor u de gunst eener kamenier te winnen, en door deze den Koning. Wacht en hoop! Hoe lang kunt ge in het uiterste geval nog hier blijven?quot;

„Doorluchtigheid, ik wil u alles zeggen en bekennen; de grootste haast is noodig, want iedere dag, ja jeder uur trekt het net dat het ongelukkige koninklijke paar omstrikt, dichter toe, en ik moet mij haasten tot hen terug te kee-ren. Zoo ik hun ook geen hulp van buiten, geen legers breng, dan kan ik hen ten minste misschien nog helpen gelijk de muis in de fabel, waarvan Uwe Doorluchtigheid zooeven sprak. Ik kan misschien een maas openen in het net der Jakobijnen, opdat de koninklijke familie zou kunnen vluchten voor de bloedgierige koningsmoorders, die hen reeds nu naar hel leven staan !quot;

„O, de ellendigen, de tempelschenders!quot; riep de prins

ocr page 38

'28

met van toorn gloeiende wangen en bliksemende oogen: „Ik haat, ik veracht hen; ik zou gelukkig zijn tegen hen de wapens te dragen, dit trouweloos gespuis te kunnen bevechten, dat het waagt, zijn misdadige hand tegen zijn Koning op te heften. Laat mij beproeven, baron, of het niet mogelijk zou zijn, den Koning tot een verandering van zijn besluit te bewegen Wacht tot heden nacht, en zoo go tot dan geen bericht ontvangt, vertrek dan eerst.quot;

„Ik zal tot middernacht wachten, Doorluchtigheid; de postpaarden zullen getuigd, alles zal tot mijn afreis gereed zijn; maar ik zou gelukkig wezen, zoo ik de boodschap ontving, dat ik tot morgen wachten, — dat ik nóg een audientie bij den Koning hebben zal. O, ik bezweer Uwe Doorluchtigheid, wend al uwen invloed aan, om den Koning tot een verandering van zijn besluit te bewegen: help mij genadiglijk aan een gunstiger resultaat. Ik zal het dan als mijn heiligen plicht beschouwen, mijn koninklijken meester te zeggen, welk een edelen, verheven vriend hij aan Uwe Doorluchtigheid heeft. Help den Koning van Frankrijk van zijn booze vijanden te bevrijden, hem weder te herstellen in zijn macht, en 's Konings dankbaarheid zal onbegrensd zijn, en Zijne Majesteit zal het een heiligen plicht achten, haar Uwe Doorluchtigheid te beloonen op elke wijze, die aan Uwe Doorluchtigheid wenschelijk mocht zijn, — zoowel wat titels, orden als schenkingen en subsidiën betreft.quot;

„Gij meent, dat ik om al dit tuig iels geef?-' vroeg de prins met een verachtend schouderophalen : „Wat zou de Koning van Frankrijk een Pruisischen prins kunnen ver-leenen, dat hij niet in zijn vaderland vinden kon? Orden en titels? Ik ben ridder der orde van den Zwarten Adelaar, en voer den titel van Pruisisch prins. — Schenkingen? Ik zou mijn vaderland nooit verlaten; en al mocht de Koning van F ram: rijk mij ook tot hertog van Normandië willen maken, ik zou tóch verkiezen, de kleine Pruisisch prins te blijven. En wat de subsidiën betreft, zoo zouden ten hoogste mijn schuldeischers hiervan voordeel hebben, en er zich over verheugen, 't Is echter mijn bedoeling niet, dezen Manicheers vreugde te bereiden, en dus baten subsidiën ook niets! — Ik verklaar mij tot ridder van het ko-ningschap en wil er mijn zwaard voor opheffen, wijl ik

ocr page 39

29

verlang naar strijd en veldslag, anders niet! Maar beloonen en betalen laat ik mij niet: want, zoo ik mijn bloed kan vergieten voor een edele zaak, ben ik genoeg beloond. Au revoir, mon cher baron, en waclit op mijn boodschap tot middernacht.''

„Waar beveelt Uwe doorluchtigheid, dat ik die in ontvangst zal nemen?quot;'

„Wacht met uw équipage voor den ingang van het park te Sanssouci, en wanneer ge van Potsdams torens het middernachtsuur hoort slaan, zonder van mij tijding ontvangen te hebben, vertrek dan, want dan zult ge weten; dat mijn pogingen vergeefscli zijn geweest! Vaarwel, baron, en God geve dat wij elkander wederzien !quot;

Hij groette den baron met een haastigen hoofdknik, en daar zij juist weder aan den ingang van den tuin waren gekomen, wenkte hij den jockey, die zijn paard bij den teugel leidde, sprong in den zadel en rendde, gevolgd door zijn jockey, over het ruime plein weg.

De baron de Breteuil oogde hem na, met een uitdrukking van diepe bewondering en weemoed, — „Ach,quot; fluisterde hij zacht, terwijl hij zich naar zijn rijtuig begaf: „ach, zoo onze prinsen dezen jongeling geleken, — zoo slechts-een droppel van dit ridderlijke bloed in Koning Lode wij k's aderen vloeide, dan zou het beter staan met Frankrijken den troon der Leliën. Maar, helaas,'t is melt; zoo! De Bourbons zijn uitgeleefd ; zij zijn een oude, afgeleefde, vermolmde stam, die geen frissche takken en geen groene bladeren meer voortbrengt, maar verrot en verdort! Om 'teven! Ik heb mijn Koning trouw gezworen, en wil dien houden tot den dood! Ik heb mij aan den dienst van den koninklijken martelaar gewijd, op wien de zonden zijner vaderen zich wreken, en ik ben bereid mijn bloed te geven voor het heilige idee van het koningsschap, zooals mijn voorvaders dit sedert eeuwen op de slagvelden gedaan hebben. Moge God mij geven, dat ik ten minste eerst op den dag sterf, als het mij gelukt is, den Koning te• bevrijden!quot; —

ocr page 40

30

111.

DE KROONPRINS.

De Kroonprins Friedrich Wilhelm van Pruisen, kwam zooeven van het exercitieplein terug. Hij had het regiment „Pruisen'' — tot welks overste de Koning hem verleden jaar beroemd had, — in weerwil van het ruwe Februariweer en den regenachtigen dag, twee uren lang laten exerceeren, marcheeren en zwenken, en had eindelijk de aangename zelfvoldoening, tot zichzelven te mogen zeggen, dat zijn regiment op de groote parade van morgen, zich door stiptheid en vlugheid zou onderscheiden, en zijn overste eer zou aandoen.

Dit was een gedachte, die den Kroonprins er genoegzaam voor schadeloos stelde dat hij geheel doornat was, dat zijn gelaat pijnlijk gloeide van den snijdenden wind, en dat zijne handen verstijfd waren van koü. Met lijf en ziel soldaat, gevoelde hij zich voor alle vermoeienissen en bezwaren volkomen beloond door het bewustzijn, dat zijn regiment „voorbeeldigquot; was en een tevreden glimlach deed zijn fraai, jeugdig gelaat schitteren, toen hij zich, fzonder de hulp van een kamerdienaar, van zijn natte kleeding ontdeed, en haar voor een andere uniform verwisselde. Toen, altoos nog met de gedachte aan exercitie en de soldaten vervuld, begat de Kroonprins zich naar zijn woonkamer, opende haastig een ouderwetsche kast, haalde er een menigte groote en kleine doozen uit, en plaatste die op de groote ronde tafel in het midden der kamer. Vervolgens schoof hij een stoel naderbij, en na zich gezet te hebben, opende liij met haastige hand de doozen, en schudde den inhoud voorzichtig op de tafel uit.

Zijn gelaat bleef volkomen ernstig, terwijl hij dit deed: en evenwel bestond de inhoud dezer doozen uit dingen, welke weinig geschikt schenen voor den Kroonprins van Pruisen, die reeds in 'tjaar 1788 meerderjarig was verklaard, en thans in 'tjaar 1791 een eigen hofhouding bezat, en reeds zijn twintigsten verjaardag had gevierd.

De inhoud van de doozen beslond uit looden soldaten: infanterie en kavallerie, met de meest mogelijke nauwkeu-righeid naar de verschillende Pruisische regementen ge-

ocr page 41

31

vormd en sierlijk genoeg bewerkt, om een aanschouwelijk niimaluurporlret van den Pruisischen soldatenstand te geven. Ook kanonnen, all'uiten, bomketels, tenten en loopgraven, schansen en wallen, — kortom alles, wat tot den krijgsdienst behoort en voor een leger noodzakelijk is, kwam uit deze doozen te voorschijn, en herschiep de tafel in een schouwplaats des oorlogs, waarop de lilliputsche armee volkomen ruimte voor haar plaatsing had.

Met deze plaatsing was de Kroonprinsquot; nu ijverig bezig. Hij regelde de regimenten, bouwde schansen en loopgraven, stelde de cavalerie in slagorde, liet de infanterie in rechte fronten of in gesloten carrés opmarcheeren, en toen, nadat hij met deze Pruisische miniatuurtroepen de eene helft der tafel, naar 't scheen, volgens een juist be-\ paald plan bedekt had, haalde hij uit de kast weder an-i dere doozen, en schudde haar inhoud op het nog ledig 1 gedeelte der tafel uit.

Deze doozen bevatten insgelijks soldalen, kanonnen en krijgsmaterieel; maar 't waren niet de uniformen der Pruisische armée; 't waren soldaten met roode broeken, I met reusachtige beremutsen, en grijze rokken; in kleur ; en snede hunner uniformen geheel verschillend van het J Pruisische miniatuurleger.

Het gelaat van den Kroonprens, dat vroolijken vriende-? lijk was geweest gedurende het plaatsen der Pruisische | troepen, nam een sombere, schier toornige uitdrukking | aan, toen hij deze roodbroeken, deze sappeurs en tirail-i| leurs opzette, en de goedhartige,zachte uitdrukking ver-| dvveen van zijn gelaat.

Het was wel te zien; 'twas geen vroolijk zorgeloos spel, 1 waaraan de Kroonprins zich in de eenzaamheid zijner ka-| rner overgaf; het was het sombere spel eener vurige verbeel-| ding, die uit den schijn der werkelijkheid schiep, en voor I welke het poppenspel zich tot leven en waarheid vormde. Zóó geheel verdiept was de Kroonprins in het opstellen der vijandelijke troepen, dat hij volstrekt geen acht sioeg op de buitenwereld, en niet hoorde dat de deur zacht geopend werd en een hooge, slanke jongelingsgestalte erin verscheen. Bovendien stond de Kroonprins met den _ rug naar de deur, en zijn oor, dat inwendig het krijgsgedon-; der der kanonnen hoorde, welke hij juist voor het Prui-

ocr page 42

32

sische front stelde, hoorde niets vati het zacht gedruisch achter hem.

De binnentredende, — die niemand anders was dan de vriend en neef van den Kroonprins, prins Louis Ferdinand, — bleef voorzichtig en met ingehouden adem bij de deur staan, en een , vroolijke glimlach bescheen zijn fraai gelaat, toen hij met levendige deelneming 't bedrijf van zijn neef gadesloeg. Hij zag de ipgimenten zich vormen, sloeg een blik op de Pruisische slagorde, en vervolgens op de liniën van het vijandelijke leger met zijn schansen en loopgraven, waartegen de Pruisische cavalerie juist onder de ijverige handen van den Kroonprins een aanval beproefde. Toen hij dit alles gezien had, sloop de prins op het dikke lapijl, dat de vloer bedekte, voorzichtig achter den rug van den Kroonprins verder in het vertrek, naar de piano, die opengeslagen tegen den wand stond, en juist toen de Kroonprins zijn cavalerie op den linkerflank der vijandelijke chevaux-legers richtte, liet de prins een luide, schetterende overwinningfanfare klinken.

De Kroonprins ontstelde een weinig, en wendde haastig 't hoofd naar den koenen muzikant, die zich echter geenszins liet storen, maar nu van de militaire fanfare tot een triomfmarsch overging, welke hij met de kunstvaardigheid van een virtuoos onder zijn vingers liet klinken, terwijl hij zijn fraai, glimlachend gelaat naar den Kroonprins wendde.

„Ge kunt niet verlangen, dat uwe cavalerie aanvalt en overwint zonder muziek en zang,'' zeide hij; „paarden hebben in 't gevecht evenzeer muziek noodig, als de soldaten. Het wekt ze op, vuurt ze aan, en zoo ge nu uw veldslag voort wilt zetten, zult ge dadelijk zien, welk een ontzaglijken invloed een ruiter- of triomfmarsch op uwe troepen uitoefent.''

„Ge spot met mij, Louis,quot; zei de Kroonprins met verlegen gebaar; „maar wie stond u ook toe, hier binnen te komen en mij te verrassen? Ik had uitdrukkelijk aan den lakei in de voorkamer gezegd, dat hij niemand bij mij zou toelaten.quot;

„De lakei in de voorkamer weet, dat ge uwen armen kleinen neef eens voor al het voorrecht hebt gegeven, om onaangediend bij u te komen; en heeft dus zeker ge-

ocr page 43

rneend dat dit verbod voor mij niet geldend was. Maar uu ge mij met zulke duidelijke woorden gezegd hebt, dat ik u ongelegen kom, verzoek ik u om vergeving, en zal eeu gunstiger uur afwachten.quot;

Hij stond haastig op en wilde zich naar de deur begeven, maar de Kroonprins was reeds aan zijn zijde, en hield hem met zacht geweld tegen.

„Blijf, Louis, ik bid u, en wees niet verstoord over mijn norsche handelwijs. Gij weet, ik ben een slecht hoveling en verta het niet te veinzen, en mijn ergernis met een goed gelaat te verkroppen.quot;

„Ge hebt u dus waarlijk over mij geërgerd?quot; vroeg de prins treurig.

„Ja,quot; antwoordde Friedrich Wilhelm: „ja, ik heb mij geërgerd, of beter gezegd — 'tis de schaamte over de bezigheid, waarbij ge mij vindt. Het schijnt zoo kinderachtig dat ik met soldaten speel, en als men 'taan het Hof verneemt, zal er weder duchtig gelachen worden om den linkschen en kinderachtigen mensch, die als een kleine jongen met looden soldaatjes speelt, in plaats . ..quot;

„In plaats van met de schoone hofdames den teederen Seladon te spelen, en eindelijk een dezer vele schoonen, die er alle hartelijk naar verlangen, den zakdoek toe te werpen. Maar wees onbezorgd, mijn kuische Endymion ; niemand zal het geheim vernemen, dat ik hier ontdekt heb; ja, ik geef u mijn woord van eer, dat ik zelfs in 't uur der vertrouwelijkste teederheid, aan mijn geliefde niets van uw leger vertellen zal.quot;

„Hebt gij dan een geliefde?'' vroeg de Kroonprins verwonderd en blozend.

Louis Ferdinand knikte. — „De derde, mon chèr. De eerste, een bekoorlijke jonge dame, op wie ik zóó verliefd was, dat ik alle dagen gedichten aan haar wijdde, van welke zij echter geen enkel ontving, heelt men mij ontvoerd, dat heet: , mevrouw mijne moeder vond een mijner gedichten, raadde wie de hemelsche Julia was, tot wie het gericht was, en deed, — wat ik, helaas, niet doen — zij bracht ma belle onder dak. Ik troostte mij met een tweede liefde, en koos hiertoe de jongste kamenier mijner genadige mama; maar ook deze minnarij ontging de waakzame oogen der prinses niet, en op zekeren dag

Mühlbaoh, Duitschlancl in woeling en strijd. V. 3

ocr page 44

34

was mijn schoone verdwenen, in nevel opgelost, vervlogen, wat weet ik! Nu heb ik mij met een derde liefde getroost, maar zij zal, vrees ik, een even treurig einde nemen als de twee eersten.quot;

„En dan zult ge vergoeding in een vierde liefde vinden,quot; zei de Kroonprins met eon lichten zweem van spotternij, die het fijne oor zijn neefs niet ontging.

„Ge drijft den spot met mij, neet,quot; zeide hij met schielijk verdonkerd gelaat: „maar ik verzoek u te bedenken, dat voor mij de schoonen hetzeltde zijn en beduiden, als voor u de looden soldaten: verstrooing, spel der verbeelding, middel tegen verveling.quot;

„Voor mij zijn mijn soldaten geheel iets anders, iets verheveners,'' gaf de Kroonprins op pedanten toon ten antwoord,

„Nu, wat zijn ze dan voor u?quot;

„Ze zijn mijn studie, mijn voorbereiding voor de toekomst. Ik maak met hen mijn krijgsplannen; ik strijd met hen, leer troepen bijeentrekken en zich ontwikkelen; ik vorm mij door mijn soldaten tot een veldheer der toekomst; ik besteed dus mijn tijd nuttig, terwijl gij met uwe minnarijen uw tijd verspilt, en —quot;

„Cousin,quot; viel prins Louis Ferdinand hem lachend in de rede : „ik hoor de waardige stem van uwen gouverneur graaf Brühl, die uit u spreekt. Hij heeft mij waarschijnlijk aan u als een waarschuwend voorbeeld voorgesteld. Maar 'tis niet zoo erg met mij, als zij u willen doen ge-looven, die mij uw vriendschap willen onttrekken. Geloof mij, Friedrich Wilhelm, ik ben niet zoo lichtzinnig en oppervlakkig als zij u zeggen, en achter dit vroolijke hulsel is vaak een zeer ernstig en treurig gelaat verborgen. Maar men moet toch een weinig den tijd verdrijven, en dus doe ik gelijk gij, en studeer óók; gij bereidt u voor tot uw koningschap; gij wilt generaal en veldheer worden en exerceert looden soldaten, wijl ge nog geen andere hebt. Ik, arme prins, ik bereid mij voor tot het eenige, dat mij vergund zal zijn: een ijverig minnaar, een beminnenswaardig verleider, of een teeder echtgenoot! Mijn kleine liefdesavonturen zijn derhalve niet anders dan de oefeningen, — de looden soldaten voor de groote, hemelbestormende eerste liefde, waarnaar ik verlang als de

ocr page 45

35

versmachtende naar een dronk water, als de stervende naar de heilige sacramenten, O, waar zijt ge, godin der liefde, waarnaar mijn hart smachtend verlangt; — waar zijt ge, hemelsch beeld eener toekomstige zaligheid? Ik roep 'u aan, ik bid tot u! Ik heb genoeg gespeeld met de looden soldaten der liefde-studie; daal nu neder in vleesch en bloed, gij gewenschte, gezegende, en verhoor het smeeken van uwen aanbidder!quot;

Hij was weder de piano genaderd, en terwijl hij sprak, liet hij tegelijk zachte accoorden klinken, die in de lucht wegstierven als de klanken van een Eolusharp, en vervolgens, toen hij ophield met spreken, opwaarts ruischtenin melodieuze stroomen.

De Kroonprins maakte van deze pauze gebruik, terwijl zijn vriend als in vervoering zijn inwendige verrukking liet uitstroomen in klanken en tonen die zijn geoefende vingens aan de piano ontlokten. Hij nam haastig zijn doozen ter hand, legde er de Pruisische soldaten, de rood-broeken en al het krijgsmaterieel der beide legers in, en borg ze weder ki de kast.

Het sluiten de kastdeur wekte den prins uit zijn fanta-siën, en riep hem terug uit de zalige sferen, tot welke hij zich zoo dikwerf op de gouden wieken der muziek, in ruischende fantasien verhief. Hij stond van de piano op, en zijn fraai gelaat had nu een geheel andere uitdrukking aangenomen. Niets van de lichtvaardigheid en den overmoed, die het vroeger kenmerkten, was er nu op te lezen eerst was hij dartel en dol geweest als een knaap, nu was hij ernstig en beraden als een man. Eerst geleek zijn frisch jeugdig gelaat dat van Antinous, nu herinnerde zijn ernstig gelaat met de vlammende oogen en de sombere plooi op het edel en hoog voorhoofd, aan het gelaat van Apollo, die in goddelijker! toorn Niobe's kinderen vermoordt, wijl zij zich op haar rijk geluk beroemd had.

„Friedrich Wilhelm, mijn lieve neef,quot; zeide hij met teedere stem; „vergeef mij mijn overmoed, die eigenlijk niets anders was, dan verborgen verdriet om tt, mijn lieveling. Het deed mij in de ziel leed, dat ik u met mijn vertrouwelijke zorgeloosheid verrast, — en zoodoende uw onschuldig geheim bespied had. Ik was er woedend en desperaat over, dat dit erbarmelijke hofgespuis den Kroon-

ocr page 46

no

prins van Pruisen zóódanig in de engte heeft gedreven dat hij zich vergenoegen moet, in zijn eenzame kamer met looden soldaten te spelen, om ten minste een bezigheid, een tijdverdrijf te hebben; daar zij overigens alles tot zich getrokken, alles ingenomen, hebben, om zoowel in het kabinet des Konings, als in de feestzaal, de groote heeren en gebieders te spelen. De generaal Bischofswerder hoopt schatten op schatten, en laat door zijn woekerachlige vrouw de rijke goederen verschacheren, welke de Koning hem in Polen geschonken heeft. De minister von Wöllner drijft handelsspeculatiën, en laat zich door de vervloekte Onzichtbaren steeds nieuwe wissels van den Koning op de schatkist bezorgen. De verfoeielijke Rietz drijft een schandelijken handel met grafelijke titels en ridderorden, en zijn zoogenaamde vrouw bezit landgoederen en paleizen. De gravin Dönhof krijgt millioenen en —quot;

„Waarom herhaalt ge mij dit alles?quot; vleide Koonprins hem driftig in de rede: „Waarom draait ge den dolk in de open wonde om, en laat mij dubbel lijden? Of meent ge soms dat ik niet lijd? Meent ge, dat de wonde niet pijnlijk is, en men haar met helschenen steen moet wrijven, om haar te genezen? Geloof mij, ik weet alles, ik zie alles, en ik lijd! Dat ik arm ben, — dat ik nauwelijks zooveel heb om nooddruftig te leven maakt niets uit; ik ben dit immers gewend van mijn vroegste kindsheid af. Maar dat ik dit vreeselijk ongebonden leven hier aan het Hof mede moet aanschouwen, zoodat ik mij van schaamte, van woede en toorn zou willen verwijderen en vluchten, maar tóch blijven en zwijgen en mij onderwerpen moet, — dit is een foltering, die eeuwig brandt, die eeuwig martelt, en waaraan ik lijd van mijn vroegste jeugd afaan! Het bewustzijn van schande en smaad is met mij groot geworden ; het heeft mij schuw, stijf en links, zwijgend en verlegen gemaakt; het heeft mijn jeugdigen moed en mijn vroolijkheid gebroken, en mij somber, norsch en vervelend gemaakt. En ik weet dat ik dit ben; ik weet, dat alle menscben om mij spotten en lachen; dat ik het mikpunt hunner geestigheid ben, dat niemand medelijden met mijn onzaligen toestand heeft, of mijne smarten kent. Mijn God en ik lijd toch zoo zeer; ik gevoel mij dagelijks zoo vernederd en gekrenkt, als ik gedwongen ben deze schrik-

ocr page 47

37

kelijke menscheii le zien, welke ik verfoei, welke ik haat, en die ik tóch beleefd en vriendelijk bejegenen moet, ter wille van mijn vader. O, 'tis een vreeslijk ongeluk een vader te hebben, dien men zoo gaarne zou beminnen, en dien men ■— niet achten kan! En deze vader is nog bovendien mijn Koning; en ik mor tegen hem, ik veroorloof mij zijn handelwijs te critiseeren, en mij slechts weerstrevend naar zijne bevelen te voegen. Ik ben een ondankbare zoon, een oproering onderdaan, een slecht Christen, die zich verzet tegen Gods geboden; ik weet dit alles, en zou willen sterven en in 'tgraf vluchten, om dit bewustzijn te ontvlieden: om voor al het vreeselijke, dat ik dagelijks zien en hooren moet, eindelijk rust te vinden in den dood! Ach, geloof mij; er isin't geheele land geen ongelukkiger mensch, dan de Kroonprins; niemand die meer smaad en vernedering, wroeging en berouw lijdt dan ik!quot;

En de Kroonprins, — geheel overweldigd door een gemoedsbeweging, die des te heftiger was, naarmate hij zich er zeldzamer aan overgaf, — de Kroonprins sloeg beide handen voor zijn aangezicht, en kermde en snikte luid!

IV.

PLANNEN VOOR DE TOEKOMST.

Prins Louis Ferdinand naderde hem met tranen in do oogen, en sloeg zacht zijn arm om den hals van den wee-nende. — „Mijn geliefde Friedrich, mijn éénige vriendquot;, zeide hij met bewogen, teedere stem: „gij ziet de zaken zwart in, en schildert ze u vreeselijker, dan zij in waarheid zijn. Vooral wat u zelvcn betreft, mijn Friedrich,— vooral hierin overdrijft ge, of liever, ge hebt een geheel verkeerd denkbeeld omtrent u en de menschen in 't algemeen. Wél moogt ge voor deze zedelooze en dolle bende, die thans hier heerscht. een steen des aanstoots zijn, en zij mogen zich vermeten, u bij hunne zwelgpartijen en ongebonden feesten te bespotten, wijl gij 't versmaad hebt met ben gemeejae zaak te maken. Maar de goeden en eerlijken.

ocr page 48

38:

de verstandigen en deugdzamen, — kortom hel volk over het algemeen, — die allen beminnen en vereeren u; voor die allen zijt ge een ster van hoop, tot welke zij beminnend opzien in deze booze tijden, en die hen troost wegens de schande van het tegenwoordige en de verdrukking der huichelaars en bloedzuigers, onder wier geesel zij zich moeten buigen, wijl de Koning hun de macht en het verlof ertoe geeft. O geloot mij, Friedrich Wilhelm: nooit is een Kroonprins meer bemind geworden, dan gij het zijt; nooit is meer naar zijn regeering verlangd, dan naaide uwe; nooit heeft men in een treurigen, verdrukten tijd met meer vreugde en vertrouwen op de toekomst gehoopt, dan uwe toekomstige onderdanen dit doen!quot;

„En dil juist is een nieuw ongeluk voor mij,quot; riep de Kroonprins, terwijl hij de handen van zijn met tranen bedekt gelaat liet nederglijden, en met wilden tartenden blik zijn neef aanzag: „men schat mij te hoog, wijl men het bestaande verfoeit; men verheft mij boven mijn verdiensten en krachten; men maakt van mij, gelijk ge zegt, een ster der hoop, die vér over het geheele land straalt en later, als de hoop tot vervulling is gekomen, — als ik Koning geworden ben, dan zal men zich teleurgesteld vinden; dan zal men zien, dat ik niet in-staat ben, al deze groote verwachtingen te vervullen, en zal men mijne onbeduidendheid als een misdaad rekenen!quot;

„Maar gij zijt niet onbeduidend, mijn geliefde vriend; ge zijt veleer een edel, rijk begaafd, schoon karakter. Ge moet slechts meer vertrouwen in u zei ven stellen ; ge moet met meer zekerheid en zelfgevoel in het worstelperk treden, om den strijd op te vatten tegen de onwaardige troep, die u van de u toekomende plaats verdrongen heeft. Toon dit gespuis, dat ge een krachtig, beraden karakter hebt; maak dat zij u vreezen, dat zij voor uw wraak sidderen, en ge zult zien hoe zij voor u kruipen, hoe zij u vleien,— hoe zij zoeken zullen, zich bij u bemind te maken.quot;

„Maar ik wil niet door hen bemind worden, ik m? niet dat zij1 mij met hunne indringende vriendelijkheid naderen; want ik verfoei deze eerloozen, die mij van het hoogste geluk, den heiligsten plicht beroofd hebben, — liet geluk van tot mijn vader op te zien als tot een schitterend voorbeeld voor zijn verkleefden en bewonderenden zoon; den

ocr page 49

39

plicht, om als een gehoorzaam eu onderworpen onderdaan met blijmoedig en eerbiedig hart voor mijn Konig te buigen. O, deze schandelijke menschen! Zij hebben van mij een slechten zoon gemaakt; want ik bemin en vereer mijn vader niet\ een slechten onderdaan, want ik w^aag het mijn Koning te berispen, en mij tegen zijne regeering te kanten. Maar ik zal mij wreken; ik zal deze boosdoeners stralTen, als de dag der vergelding gekomen is! Zij zullen mij onverbiddelijk vinden, en zoo groot als thans hun macht is, zoo groot zal hunne vernedering zijn! Dit zweer ik bij de tranen, welke mijn arme, gekrenkte moeder dagelijks weent, — bij den smaad en de beschimping, die ik dagelijks lijd: ik zal de boozen het kwaad vergelden dat zij ons gedaan hebben! Zoo,quot; voer hij in den adem schietend voort: ,,zoo, ik heb mijn hart eindelijk eens gelucht; ik heb den last, die mijn ziel drukte, verlicht en hij schijnt mij nu minder zwaar, sinds de deelneming en het medelijden van een vriend hem mij helpt di'agen. Maar nu willen wij 't er bij laten, en zoo ge mij waarlijk lief hebt, Louis, zoo ge mij waarlijk wèl wilt doen, herinner mij dan nooit aan dit uur; herinner nooit eraan, dat de onnatuurlijke zoon u bekend heeft, dat hij zijn vader niet lief heeft, niet hoogacht! Bewaar deze bekentenis als een treurig geheim, en zweer mij, dat ge het niemand zult openbaren.quot;

„Ik zweer het u, Friedrich Wilhelm,quot; zei de prins met plechtige stem, terwijl hij zijne hand in de hem gereikte hand van den Kroonprins legde: „ik zweer, dat ik nooit met een woord, met een zinspeling aan dit uur herinneren zal. Het zal op den bodem van mijn hart rusten als een schoone parel, en zelfs de hand eener Cleopatra zal het niet kunnen bereiken. Ik trek er den sluier der stilzwijgendheid over. — Zoo! Het is gedaan! De golven sluiten zich over mijn parel, en geen mensch vermoedt haar bestaan. — En nu, laat mij weder schommelen in de lichte boot op de bruisende golven, en weder de lichtzinnige, overmoedige jonge knaap zijn, die ik altoos geweest ben en waarschijnlijk altoos zijn zal. Maar nu, mijn allerge-nadigste Kroonprins en heer, nu verzoek ik Uwe Koninklijke Hoogheid mij als afgezant der Leliën een audientie te verleenen; want mij dunkt inderdaad: de bloem der

ocr page 50

40

onschuld on reinheid kan goon gepaster gezant en vertegenwoordiger vinden, dan den „dollen prins Louis Ferdinand,quot; zooals men mij de eer aandoet mij te noemen.quot;

„En wie zijn de leliën, die u tot mij zenden ?quot; vroeg de Kroonprins.

„Niet de leliën des velds, die zich niet kleeden en niet werken, maar de leliën van Frankrijk, de leliën der Bourbons. —Friedrich, ik kom tot u met een diplomatische zending. Wilt ge mij hooren. Mag ik een kleine politieke voordracht houden?quot;

„Ik wil u hooren. Spreek dus!quot;

Zij namen beiden op den kleinen divan plaats, en prins Louis begon zijn ,.politieke voordracht.quot; Hij verhaalde den luisterenden Kroonprins van het vriendschapsverbond, 't welk hij in het vorige jaar met de uitgeweken Fransche prinsen aan den Rijn gesloten had; van de ridderlijke trouw en toewijding der jonge Fransche edellieden, die allen gezworen hadden hun bloed en leven te willen wagen voor de bevrijding van het Fransche koninklijke paar; van de keur dezer edellieden, van de dolkridders, die,— nadat zij te Cohlentz met de sacramenten der stervenden gezegend waren geworden, — ieder afzonderlijk onder deze of gene vermomming naar Frankrijk terugkeerden, elk slechts gewapend met een dolk, vast besloten het koninklijke paar te redden, ot er voor te sterven. Vervolgens deelde hij den Kroonprins het gesprek mede. dat hij met den baron de Breteuil had gehad; het antwoord dat de Fransche gezant van den Koning had ontvangen, en de hoop, welke hij, prins Louis, den baron had gegeven; dat misschien het besluit des Konings nog veranderd, — en deze tot een alliantie met Oostenrijk ten gunste van Frankrijk kon gewonnen worden. —

„En deze verandering te bewerken,quot; voer de prins met hartstochtelijken ijver voort: „dit is uw zaak, mijn Friedrich. Gij moet ons helpen ; gij moet ons de baan des rooms openen, opdat wij eindelijk door daden bewijzen, dat wij waard zijn, Pruisische prinsen te zijn, en een uniform te dragen. O, Friedrich Wilhelm, geheel mijn ziel smacht naar oorlog en roem, en ook voor u zal hij een verlossing en redding ,zijn! Ge zult niet meer, zonder doel of plan, uwe rekruten op het exercitieveld behoeven te drillen en

ocr page 51

41

oorlog te spelen-, ge zult uw wezenlijke soldalen in't vuur brengen, en een wezenlijk slagveld hebben, om er lauweren te plukken! Verlos ons, Friediich Wilhelm, van deze godsjammerlijke werkeloosheid ; laat ons den schijnheiligen en huichelaars bewijzen, dat hun oogverdraaien en han-denvouwen en bidden niet zooveel waard is, als één enkel schot buskruit; laat ons de vrome vaders uit het veld slaan, als dappere zgt; en van Pruisen. Heipons, Friedrich Wilhelm, uit de ziu.iei ik ieid en verwijfdheid van het sybarietendom te koni jn, ei iie\cr do zwarte Spartaansche soep te slikken, dcu hier rog langer met nectar en ambrozijn gevoerd te worde;;. Ge .limi ons helpen, doe het dus!quot;

„Ik?quot; vroeg de Kroonpri,; v''.jo1 verwonderd: „Ik, de arme Kroonprins,, die volstre./ ^en invloed, geen macht, en geen vrienden heb, ik . .

„Wil slechts vrienden hebben, Friedrich Wilhelm,quot; viel prins Louis hem in de rede : „buig uw trotsch hoofd slechts een weinig en verneder u, om macht en aanzien, om vrienden te werven, en ge zult alles hebben wat ge begeert; — dit heeft mij onze schrandere oom, prins Heinrich, nog gisteren gezegd. Welnu, houden wij ons aan de vrouwen, om den oorlog tegen Frankrijk door te zetten. Oorlog! klinkt dat woord niet fraai als hemelsche muziek? Oorlog! Zwelt u het hart niet van vreugde als gij het hoort? Zweven niet voor uwe oogen lauweren en mirten; schoone vrouwen, die zich met tranen over ons buigen, met hare sneeuwwitte handen onze wonden verbinden, en onze dapperheid met teederheden, omhelzingen en kussen beloonen? Oorlog! Ziet ge geen generaalsepaulet-ten en ridderkruisen, tilels en waardigheden in de lucht zweven, en ge behoeft slechts de hand uit te steken; om dit alles te grijpen?''

„Ja; 'tis een fraai, een hemelsch woord; maar ik wensch slechts te weten wat ik kan doen, om dit woord tot daad te maken?quot;

„Moet ik het ronduit en eerlijk zeggen, watge hiervoor doen kunt?''

„Ronduit en eerlijk.''

„Welnu dan. Kroonprins Friedrich Wilhelm; ge hebt niets anders te doen, dan een heel klein beetje uw deugd

ocr page 52

42

te verloochenen en voor diplomaat te spelen. Weet ge, wie van de dames uw ergste vijandin hier aan't Hof is?'' „Tk weet slechts dat zij het alle zijn, uitgezonderd mijn arme moeder!quot;

„Uw ergste vijandin is de gravin Dönhof! — Waarom? Wijl gij den goddelijken moed hebt gehad, weinige dagen na haar zoogenaamde huwelijk met den Koning, zeer luid aan de Koninklijke tafel de beruchte markiezin Dubarry te verdedigen, die men beweerde, dat de Franscbe revolutie veroorzaakt had. Ge riept: „Zij heeft ten minste den moed der eerlijkheid gehad, en heeft haar ondeugd geen manteltje van deugd omgehangen!quot; — O, ik was er bij, en ik verzeker u, ik was verrukt, en had u gaarne om den hals willen vallen! Schoon en fier zaagt ge er uit, en uwe fonkelende oogen hadt ge stijf op de schoone gravin gericht, die onder het blanketsel verbleekte. Het hofgespuis zat daar met nedergeslagen oogen en met bevroren glimlach op de bleeke lippen, en de Koning onderhield zich zeer luid en levendig met den generaal von Bischofs-werder, om te toonen, dat hij uwe woorden door zijn eigen gesprek niet gehoord had. Maar de zachte oogen der Koningin hadden zich met tranen gevuld, en zij zag u aan, met zulk een uitdrukking van teederheid en fierheid, dat ik had kunnen weenen van aandoening en medelijden. Daarna zat ik den geheelen nacht aan mijn piano, en herhaalde in mijne fantasiën het geheele heerlijke tooneel; hoe de fiere en moedige zoon de eer zijner moeder wreekte, en de overmoedige maitresse met zijne woorden als met geeselslagen striemde. Sinds dien dag haat u de gravin, en is uwe ergste vijandin hier aan het Hof.

„'t Is waar, zei de Kroonprins: „zij is mijn vijandin, en mijn moeder heeft mij gewaarschuwd voor hare lagen; want men zegt, dat de gravin heeft gezworen den Koning te willen bewegen, mij van de troonopvolging uit te sluiten en mijn broeder Lodewijk tot zijn opvolger te verklaren.quot;

„Welnu dan, Friedrich Wilhelm, verzoen u met de gravin. Verneder u te doen wat al de Koninklijke prinsen, — wat zelfs de Koningin gedaan heeft. Breng de gravin Dönhof een bezoek; zeg, dat ge u bui^t voor hai-eschoonheid, voor haar geest en hare beminnelijkheid; verzoek om baar vriendschap; vorder als prijs voor de uwe, dat

ocr page 53

43

zij deu Koning tot een verbond met Oostenrijk overreed tegen het oproerige Fransche volk en ter bevrijding van het bedreigde Koninklijke paar; beken dat slechts zij alleen zulk een invloed op den Koning uitoefent, om hem tot dat besluit te brengen. Ge zult zien, de gravin zal in het trotsch gevoel barer overwinning op den jongen stroeven en deugdzamen Kroonprins, alles verleenen wat gij wilt, Zij zal u bewijzen, dat zij de Koningin des Konings is, en alles bereiken kan wat zij wil. Ga dus tot de gravin Dönhof; kus haar de hand, zeg haar een paar vleierijen, stel dan uwe voorwaarden, en wij zullen oorlog hebben; bet ligt dan in onze macht, ons tot helden, tot halfgoden te verheffen, ons ontsterfelijk te maken, — niet zooals koninklijken prinsen door geslachttafelen zijn, — maar onsterfelijk, zooals Hector en Achilles zijn geworden; onsterfelijk dooi' krijgsroem en zegepraal!quot;

De kroonprins had de opgewekte rede van den prins met sombere bedaardheid, met een verachtelijk optrekken der lippen aangehooid; toen nn de prins zweeg en zijn glinsterende oogen op Friedrich Wilhelm richtte, ontmoette hem deze met een koelen, strenge blik, voor welken de jonge, opgewonden, vurige prins de oogen beschaamd ne-dersloeg.

„Is u dit ernst, Louis? Kunt ge waarlijk den zoon mijner moeder, den toekomstigen Koning van Pruisen zulk een voorstel doen?''

„Ik meende slechts, dat, men somwijlen de zinspreuk der Jezuïten moest volgen,quot; prevelde de prins: „en dat men als de vrome vaders zeggen mocht ; „Het doel heiligt de middelen!quot; Waarom zou men niet voor een keer degenen die zooveel kwaad doen, dwingen het goede te doen? En het zou toch iets goeds zijn, de Fransche oproerlingen te vernietigen, het gezag van het koningschap te herstellen, den goeden Koning Lodewijk en de schoone Koningin Marie Antoinette te bevrijden. Iets hemolsch zou het toch zijn, zoo wij oorlog kregen, en eindelijk van de paradeplaats naar het open veld konden rukken!quot;

„De oorlog is voor de volken altijd een ongeluk,quot; zei de Kroonprins nadenkend: „zoo ik Koning ware, zou ik elk middel beproeven, om hem van mijne onderdanen verwijderd te houden. Maar nu ik yeen Koning ben, — nu

ocr page 54

44

T

mij geen yei-antwoordelijkheid treft, — nu zou ik den | offer

oorlog, gelijk gij,_ met vreugde welkom heeten als een ge- | wen:

legenheid om mij te onderscheiden, en mijne vijanden en i bezi bespotters te bewijzen, dat ik ten minste moed en dap- I „I

perheid bezit, en dat, zoo ik op hunne spotternijen zwijg, ; bezi

dit niet geschiedt wijl het mij aan moed ontbreekt, maar | der

slechts uit verschuldigden eerbied voor den Koning. Ik I De'

zou den oorlog als een verlossing begroeten; maar nooit | zon

zou ik mij zoo zeer vernederen, dat ik, om 'tgeen ik 1 alle

wensch, mijn hoofd boog voor hen, die ik veracht, en | tra

hén vleide, die ik in't diepste mijner ziel verwensch ! Ik kan | nof

dus niet doen wat gij begeert; ik kan de vrouw, die mijn | en

moeder zooveel tranen kost, — die zich quot;gedraagt als ware 1 set zij de regeerende Koningin, — ik kan de gravin Dönhof I de

geen vriendelijk gelaat vertoonen, mij niet voor haar tot 1 kr

bidden vernederen!quot; j wi

„Welnu dan, trotsche, deugdzame; ik wil er niet op aan- 1 ee

dringen dat ge rechtstreeks tot deze overmoedige en hoo- ; dt

vaardige dame gaat, want er is gelukkig nog een andere | le

weg om het doel te bereiken. Wat dunkt u, zoo wij heden \ gï

deden, waartoe u gisteren de Koning in mijn bijzijn uit- d

noodigde? Zoo wij naar Berlijn reden, en in het paleis j U

van madame Rietz het model voor het beeld van den graaf l n

von der Mark bezichtigden, 't welk Schaduw ontworpen,— ï (1

en daar tentoongesteld heeft? Wij zouden hierdoor,geheel | t

ongezocht, de moeder van den graaf von der Mark ont- i I moeten ; en zoo ge u verwaardigdet, vriendelijk met haar te

spreken, haar uwe wenschen mede te deelen, dan zoudtge i 1

overtuigd kunnen zijn, dat zij met al haar invloed en | ! hulpmiddelen ondersteunen zou. Vergun mij nog slechts een paar woorden, waarde vriend, voor ge mij in de rede valt,quot; ging de prins haastiger voort, toen hij zag- dat de Kroonprins spreken wilde: „laat mij u nog dit zeggen: Wilhelmine Rietz is een schrandere en goedhartige vrouw,

en de doodelijke vijandin von gravin Dönhof. Wij behoeven slechts aan mevrouw Rietz te zeggen dat de gravin Dönhof tegen den oorlog met Frankrijk is, dan zal zij er voor zijn, en zelfs in staat wezen, zich met Bischofswerder ,te verbinden, die, zooals men weet, een groot aanhanger van Oostenrijk is. Ik bid u, Friedrich Wilhelm, om den wille van dit edel en grootsch doel, breng ons dit kleine

:

ocr page 55

45

t

olïer, dat u zoo weinig kost! Laat ons, —naar's Konings wensclj, — het beeld van den jongen graaf von der Mark bezichtigen, en al bel overige zal zich dan van zelf schikken.quot;

„Niets zal zich schikken, want ik zal dit beeld niet bezichtigen!quot; riep de Kroonprins heftig „De graaf von der Mark is mijn mededinger geweest van de jeugd af. De Koning beminde hem zooals hij geen van ons, zijn wettige zonen beminde; voor hém was alle teederheid,—voor ons alle hardheid en onverschilligheid. Ik heb den Koning in tranen zien versmelten, toen degene, die hij nooit anders noemde dan „mijn geliefde, ftaaie zoon,quot; gestorven was, en ik moet u mijn slechtheid bekennen, — ik heb mij schier over dezen dood verheugd; ten minste heb ik niet de geringste droefheid gevoeld wegens den dood van dezen knaap, die toch mijn halve broeder was. Er is altoos een wrok legen hem in mijn hart achtergebleven; en met zulk een gevoel kan ik niet heengaan en het gedenkteeken voor den doode bezichtigen; want het zou zijn als kwam ik, de levende, om over den doode te triomfeeren Ik zou niet gaan en het beeld bezichtigen, indien het ook op een andere plaats, — en niet in het paleis zijner moeder ten toongesteld ware. Maar daarheen ga ik stellig niet; en nooit, — als ik het verhinderen kan, —zal mijn voet den drempel van het huis overschrijden, waarin de trompet-tersdochter woont, die bet waagt de mededingster eener Koningin te zijn!quot;

„Ach hemel!quot; zuchtte prins Louis met beklagelijk gelaat; „'tis toch heel lastig, als men zulke vaste grondbeginselen heeft en zoo heel deugdzaam is! Uw deugd is dus geheel onomkoopbaar; en er is geen enkel klein gaatje in uw goede grondbeginselen, waar men een haakje van intrige zou kunnen inslaan?quot;

„Neen, Louis; voor intrigeeren heb ik geen talent,quot; antwoordde de Kroonprins met een zachten glimlach; „ik ben er, geloof ik, te stijf toe; en mijn onbeholpen wezen dwingt mij steeds rechtuit te gaan, en op den rechten weg te blijven. Het ontbreekt mij aan de noodige behendigheid om op kronkelende zijpaden terecht te komen, en ik kan niets anders zijn dan een eerlijk mensch, die oprecht het goede wil, het schoone bemint, en moedig en trouw den strijd tegen het slechte en gemeene aanneemt. Vorder dus

ocr page 56

46

niets meer varr mij, lieve Louis, dan ik doen kan! Ik kan niet helpen, om door slinksche wegen en intriges den oorlog te veroorzaken; maar zoo hij er is, zal ik mij hartelijk verheugen, en in moed en beleid op het slagveld zal ik voor niemand wijken, dat beloof ik u.quot;

„Dus volkomen afgewezen,quot; klaagde prins Louis: „den zak gekregen in optima forma, zooals slechts ooit een trotsche schoone aan haren smeekenden minnaar uitgedeeld heelt! Goed, ik moet mij onderwerp n, en ik--ja, ik kan het niet laten, ik moet u zeggen, Friedrich: ik geloof dat ik u van heden af, nog meer beminnen en bewonderen zal. Ge zijt de edelste, de beste mensch; ge zijt, wat ik helaas van mij niet meer zeggen kan, — ge zijt een reine ziel! Ach, ik wilde dat mijn genadige ouders mij verleden jaar idet hadden medegenomen naar den Rijn, en dat ik te Coblentz niet de Fransche prinsen en de uitgeweken edellieden had leeien kennen. Zij hebben mij zeer veel geleerd, waarmoe ik liever onbekend had moeten blijven; zij hebben mij omtrent vele dingen de oogen ge1-opend; en de godin in den heiligen temel te Sais, waarvan Schiller zingt, heett voor mij geen sluier meer! De Fransche prinsen hebben hem voor mij weggetrokken! Maar ik wilde dat zij '[niet gedaan hadden; ik wilde dat ik u kon gelijken, u, onschuldige, reine! Uw hart is zoo zacht en klaar als een heldere beek, die in den zonneschijn door het veld vliet, en aan wier rand liefelijke bloempjes, vergeetmijnietjes en viooltjes bloeien. Mijn hart echter, is als een eeuwige branding, een eeuwig woelen van onderaardsche machten; daar bruischt en dondert het, daar weent en klaagt het. Daarin is 't werkelijk, zooals ik 't onlangs gelezen heb in het nieuwe treurspel van mijnheer Goethe: daarin is 't„vol vreugde en vol smart, tot den hemel juichend, tot den dood bedroefd!'quot; Somwijlen is een onbeschrijfelijke verrukking in mij, en ik zou dan de geheele wereld aan mijn hart willen drukken, van vreugde en zaligheid. Somwijlen is mijn hart gebroken door sombere wanhoop, door hartstochtelijk verdriet, en ik zou mij dan willen neêrzetten en weenen en klagen, zoodat het een steen vermurwen moest! In zulke uren behoed mij slechts de muziek voor den zelfmoord, geloof ik; en ik zou zeker een verloren mensch zijn, indien mij

ocr page 57

47

Goil geen troost in de tonen gegeven had. Ach, miin hart is zeer vol ; ge hebt mij zeer week gemaakt en ik zou kunnen weenen over mij zeiven, als een kleine jongen, wiens speelgoed is gebroken en die ontdekt, dat de pop, welke hij aanbad, niets anders is dan een opgevulde lederen zak!quot;

„Een genie zijt ge, Louis, maar geen lederen zak.quot; glimlachte de kroonprins; „het stormt en bruist weder in u van den goddelijken waanzin des gevoels, dat zich wil uitstorten in klanken, in muziek. Ga dus, gij gezegende van het genie ; de piano staat open, en ik wil mijn adem inhouden en naar uwe klaagliederen hooren!quot;

De prins was reeds op den stoel voor de piano neder-gezonken, en zijn handen gleden over de toetsen heen, zoodat zij ruischten als in den wilden storm van den hartstocht. Smart en toorn, wanhoop en hartverscheurende foltering krijschten en donderden, jammerden en klaagden uit de dwarrelende tonen, die in onafgebroken stroom voortbruisten. Soms schoot er als een bliksem, — als een kreet van verrukking door het geruisch, en de stormen bedaarden, en met zoete melodiën, met onschuldige kinderlachjes was de smart verkoeld en de hartstocht verhelderd, tot de herinnering de zon weder verjoeg, en de wolken zich weder in heftige donderbuien ontlastten.

De Kroonprins was stil op de teenen nadergeslopen, en slond met over elkander geslagen armen luisterend naar deze melodiën, wier gloeiende hartstochtelijkheid hem als met een onbekende smart en een verrukkend verlangen doortrilden, en tranen in zijne oogen dreven, zonder dat hij er zich van bewust was. Misschien was 'tslechts de sympathie, die hem bewoog; misschien vulden zich slechts zijn helderbruine oogen met de bittere droppels dezer heilige bron, welke de goden den mensch als zijn eenig eigendom gegeven hebben, — wijl hij de stroomen van tranen zag, die uit de oogen van den prins over zijne wangen vloeide; wijl hij het weerlicht der smart zag, dat over het fraaie, edele gelaat van den prins schoot; dal gelaat, 't welk als een spiegel zijner ziel straalde van verrukking, en zich dan weder verduisterde van smart. Plotseling, midden uit den stroom van den hartstocht, ging de prins over tol den luchtigen, lossen toonaard en

ocr page 58

met spottenden overmoed, sprongen en dansten de lichtvaardige inelodiën der franschc chansons, al.s onzalige dwaallichten uit de toetsen; deze chansons du Ponl-neuf, welke de Fransche uitgewekenen den prins geleerd hadden, en die in stoute woorden en tonen, slechts lustige spotliedjes waren op al wat rein en edel is, en die men-schen en goden, deugd en zedelijkheid hoonden.

Terwijl prins Louis deze kleine geestige spotduiveltjes uit de toetsen liet dansen, nam ook zijn gelaat een overmoedige, lichtzinnige uitdrukking aan. Hij schudde met een wilde beweging de tranen weg, die nog in zijne oogen stonden, een spotlachje speelde nu om deze volle lippen, die zooeven nog hadden getrild van smart, en zich op-eengeperst hadden van wilden toorn.

Plotseling, — midden in een begonnen melodie — sprong de prins op en wendde zich haastig lot den Kroonpiins, met een kalmte en gelatenheid, als voer hij slechts voort met een begonnen, — en door niets gestoord gesprek.

„Gij wilt dus niel naar madame Rietz gaan, en een weinig politiek drijven mei onze madame Pompadour?quot;

,,Neen, Louis, ik wil het niet, ik kan niet!quot;

„Goed, dan ga ik zelf; want ik verlang naar oorlog als naar een verlossing, en ik wil liever jong als een held op het slagveld sneven, dan als een jammerlijk onderhouden prins en afgeleefd grijsaard, eens in een zijden bed mijn nutteloos leven uitblazen. Vaarwel. Kroonprins Friedrich Wilhelm: ik rijd in dit uur nog naai Berlijn, om het beeld van den graaf von der Mark te bezichtigen, en met zijn moeder een weinig te politiseeren.''

Hij knikte den Kroonprins vriendelijk toe, en sprong toen naar de deur, als een jonge leeuw die zijn prooi vervolgt.

V.

DE ALLIANTIE.

Eenige uren later trad prins Louis Ferdinand het paleis van madame Rietz binnen, en de lakeien ijlden hem vooruit de marmeren trap op, om madame de aankomst van den Koninklijken prins te berichten.

Wilhelmine had juist haar toilet teneinde gebracht, —

ocr page 59

49

een uitgezocht, bekoorlijk toilet; —want de kamerdienaar llietz had haar de boodschap gebracht: dat de Koning, dien zij sinds tien dagen niet had gezien, haar heden,— in weerwil van het verbod der trotsche gravin, — bezoeken zou, en deze boodschap had natuurlijk de vriendin des Konings met zegevierende vreugde vervuld.

Zij zag er traai uit met de vlammende oogen, die schitterden van zegepraal; hare wangen behoefden geen blanketsel om met gloeiend purper te stralen; de glimlach harer volle, weelderige lippen was fier en zeker, en niet de minste schaduw verduisterde het hooge, heldere voorhoofd, waarop de jaren nog niet gewaagd hadden hunne lijnen te trekken. Al de glans der jeugd, der bevalligheid en schoonheid bestraalde nog de geheele gestalte dezer vrouw, die het groote geheim bezat, den Koning aan zich te boeien, hoezeer hij haar sinds lang niet meer beminde, en wier omgang hem echter onontbeerlijk was, wijl Wil-helmine alléén het verstond hem met haar scherts, haar geest en humor te vervroolijken; wijl hij van haar alléén wist, dat zij hem waarachtig en trouw beminde, en hij ten allen tijde op hare verknochtheid en genegenheid kon rekenen. Zij was de zijne geworden in een tijd, loen hij haar niets aan te bieden had dan zijne liefde; en Wilhel-rnine had die aangenomen als een hemelsch geschenk, niets meer begeerende dan het voortduren dezer liefde. Zij had voor den Kroonprins ontbeerd, en schande en nood geleden; en terwijl men Wilhelmine Rietz smaadde en verachtte, konden toch hare ergste vijanden niet beweren, dat men haar iets anders te verwijten had, dan de betrekking met haren koninklijken minnaar. Nooit had zij jegens den Koning, — dien zij haar leven, haar jeugd en hare eer geofferd had, — ook slechts door een vluchtige caprice, door een lichtvaardige koketterie, de trouw gebroken, welke zij hem uit vrijwillige liefde gezworen had, zonder voor Gods altaar hare gelofte bevestigd te hebben.

Dikwerf was zij door eene andere verdrongen geworden, maar altoos, zoodra deze vluchtige neiging was verdoofd, was de Koning tot Wilhelmine teruggekeerd met de volle overtuiging, dat slechts zij hem beminde, hem begreep en hem in trouwe vriendschap behoorde. Velen hadden Mühlbaoh, Dtiitschland in Woeling en Strijd. V. 4

ocr page 60

50

in de laatste jaren de schoone vriendin des Konings gehuldigd ;voorname en aanzienlijke mannen van rang, machl en rijkdom, hadden naar de gunst van Wilhelmine Itietz gedongen, haar hun naam en hun rang aangeboden, en waren met vreugde bereid geweest, van de naamlooze een voorname dame, een gravin ot barones te maken. Zelfs het buitenland had aan de koninklijke vriendin aanzien-zijke vrijers en hartstochtelijke minnaars gezonden, en lord Templetown en lord Spencer waren niet de eenige vreemdelingen van rang en rijkdom, die Wilhelmine huldigden en haar tot gemalin begeerden. Maar Wilhelmine had tot hiertoe ieder aanzoek afgeslagen, en nóch de schitterendste namen, nóch de verlokkendste uitzichten op rang en rijkdom, konden haar van hare eerste liefde en haar gelotte van trouw afvallig maken.

Of dit nu wezenlijke lietde of berekening was, — of Wilhelmine werkelijk uit innigen drang des harten den koninklijken geliefde harer jeugd trouw bleef, — dit waren vragen, welke de roode, lachende lippen van Wilhelmine zelfs niet aan de innigste en vertrouwdste vrienden zouden beantwoord hebben — zoo zij die gehad had. Maar Wilhelmine Rietz had volstrekt geen vertrouwden; zij sprak met niemand over hare hartsaangelegenheden en geheimen. De eenige medeweter van menige harer aangelegenheden was de kamerdienaar Rietz, maar nooit was hij haar vertrouwde geweest; nooit had zij het der moeite waard gevonden, hem in haar hart te laten zien; hem haar hoop, hare wenschen, of hare plannen voor de toekomst te laten, vermoeden.

Zij rustte op de causeuse, tegenover den grooten staanden spiegel. Terwijl zij haar fraai en verleidelijk beeld hierin aanschouwde, gleed een boosaardig lachje over haar gelaat, en zij haalde met een uitdrukking van trotsche verachting de fraaie, blanke schouders op, over welke een Venus Aphrodite zich niet had behoeven te schamen.

„En deze trotsche gravin geloofde mij in vergetelheid te kunnen brengen,quot; fluisterde zij, en haar zilverheldere stem klonk als muziek door het prachtig vertrek: „zij meende den Koning als een dansenden beer naar hare luimen te kunnen africhten en dacht, dat de wilde dieren op haar wapenschild hem in bedwang zouden houden, en

ocr page 61

51

liaar zouden helpen bij het temtnen. Zij verbeeldde zich mei baar beetje schoonheid en t,eest, hern \an mij le kunnen losrukken! Wat is zij toch, om tot zulk een vermetele inbeelding gerechtigd te zijn? Een gravin van geboorte,— des te erger dat zij hare voorouders niet hooger acht, maar den edelen naam hoont, dien zij haar hebben nagelaten ! Een schoonheid! — alsof er ooit een vrouwelijke schoonheid bestaan had, die een man nog boeide, nadat hij haar een jaar lang als onbetwist eigendom bezeten had! Eene hoogst beschaafde! — zoo de vrouwen slechts wisten, hoe dikwerf zij zich bij den minnaar juist dan onuitstaanbaar maken, als zij hem verheugen willen met diepe wijsheid en zeldzame bekwaamheid!quot;

Zij lachte weder en dacht er aan, hoe dikwerf zij opzettelijk tegenover den Koning de onwetende had gespeiild, om hem een gevoel van overwicht te geven, en hem de voldoening te gunnen, haar te kunnen onderwijzen.

„Mijn God, hoe kunnen deze trotsche schoonen wanen, iets anders te zijn dan het haft, dat op een helderen zomerdag in de zon speelt, en des avonds dood nedervalt, om onder mijne voeten vertreden te worden. Hoe kunnen zij zich inbeelden, mij op den duur te willen verdringen, mij aan wie de Koning geboeid is door al de herinneringen zijner jeugd; door hel lilteeken hier op mijn hand, wier bloed hij eens gedronken heeft; door de sebriftelijke belofte van eeuwige trouw, welke hij mij gedaan heett; mij, die het alléén verstaat hem te amuseeren, en de verveling zijns levens te doen vergeten? Wie wilt het wagen tegen mij te strijden en mij te overwinnen'?quot;

En met een luiden, vroolijken lach knikte zij haar beeld in den spiegel toe, en zong met fraaie, heldere stem: II reviendra toujours a son premier amour! Et quand il veut me fuir —quot;

Het haastig binnentreden van den lakei, brak haar zang af. Hij kwam om haar te berichten, dat prins Louis Ferdinand zich in de groote koepelzaal had begeven, om het model van bet beeld te zien, en dat hij wenschte, daarna madame Rietz zijne opwachting te maken.

Een heldere straal van vreugde flikkerde inhareoogen, maar zij sloeg haastig de lange zijden wimpers neder, en nam een geheel onverschillige houding aan.

ocr page 62

52

„Zijne Koninklijke Hoogheid zal mij welkom zijn. Hij kan hier binnenkomen als 'them heliefl! Is mijn dochter

tehuis?quot; _

„Om u te dienen, mevrouw. De jonge freule I amine von Coin is bij de comtesse von der Mark.quot;

„Zeg aan beide dames dat ik hen laat verzoeken, de kamer der comtesse niet te verlaten. Ik zal met prins Louis bij haar komen. Spoed u!quot;

Toen de lakei been was gegaan, zonk Wilhelmine weder in de zachte kussens de causeuse Slechts één enkelen blik wierp zij nog in den spiegel, maar het was slechts een vluchtige, onverschillige blik. Of prins Louis Ferdinand haar fraai en bekoorlijk zou vinden, dit was het wei wat haar bezig hield en haar deed peinzen. Wat bekommerde zij zich persoonlijk om dezen jongen prins, die gevoegelijk haar zoon kon zijn; want zij was twintig jaren ouder dan hij, en wat kon een vrouw van negen-en-dertig jaren aan de bewondering van een negentienjarigen jong-eling gelegen zijn? !

Maar quot;Wilhelmine Rietz had een dochlev, en deze dochter, de comtesse Marianne von der Mark, was dertien jaai* oud, slank, groot en met volkomen ontwikkelde vormen; vroeg rijp in denken en gevoelen, geleek zij een zestienjarig meisje. Alleen haar onschuldig, vrijmoedig gesnap, hare ongedwongen en vrije manieren bewezen, dat dit rijzige, schoone wezen met den fieren, zegevierenden blik en den ongedwongen vroolijken lach, nog op de grenzen van dien gelukkigen tijd stond, wanneer het kind nog niet al zijn droomen, zijn spelen en tooverfantasiën aan het rijper bewustzijn en de meerdere kennis der maagd heeft opgeofferd

Indien deze dochter — de dochter van den Koning misschien in staat ware, het hart van den jongen prins Louis te veroveren ! O, dat zou een triomf zijn geweest voor Wilhelmine Rietz, een waardige vergoeding voor den wreeden dood van haren zoon! Wilhelmine bloosde reeds van genoegen, hij de gedachte aan zulk een mogelijkheid.

„Mijn Alexander, gij bemindet uwe moeder zoo feeder, en indien hef wreede lot u mij niet ontnomen had, zou ik door u tot alle eer en waardigheden gestegen zijn! Zie nu neder op uwe arme moeder, die zoovele vernederingen

ocr page 63

53

en krenkingen dulden moest, en bid met uw engelen-stem den lieven God, dat Hij mij zegene en gelukkig make door uwe zuster. O mijn zoon, mijn zoon; help mij, opdat de fraaie prins Louis Ferdinand mijn schoonzoon worde!quot;

De deur opende zich en terstond achter den lakei, die hem met luide stem aandiende, trad de prins binnen. Met al de stoutmoedige genialiteit en ongedwongenheid van zijn karakter, naderde hij haastig de koninklijke vriendin, die van de causeuse wilde opstaan, en drukte haar glimlachen weder in de kussens terug.

„Gun mij toch 't gezicht van dit bevallige laissez-aller, madame. Het staat u zoo goed, en 'tis een heerlijke verkwikking na den treurigen aanblik, dien ik zooeven gehad heb, en die nog mijn oogen met tranen zou verduisteren, zoo ik ze niet aan deze fraaie groep hier versterken, en verkwikken kon.quot;

„Gij hebt dus het beeld van mijn zoon gezien ?quot; vroeg Wilhelmine zuchtend.

„Ja, mevrouw; ik heb het beeld van mijn lieven neet gezien!quot;

Wilhelmine bloosde onwillekeurig, en de eerzuchtige stem in haar hart fluisterde weder: „Hoe gelukkig zou ik zijn, zoo deze prins mijn schoonzoon werd!quot;

Louis Ferdinand was sluw genoeg het voordeel te zien, 'twelk hij door de erkenning der verwantschap met haar overleden zoon, bij diens moeder verworven had, en hij besloot, van dit voordeel parlij te trekken. Het gold immers zulk een groote, verheven zaak! Het gold de hydra der revolutie te bedwingen, de monarchie te redden, en de baan des roerns en der lauweren te openen! Om minder, of zeker niet om meer, had de verhevenste en fierste vrouw op aarde, de Keizerin Maria Theresia, haar edel en rein hoofd gebogen, zich verootmoedigd tot verzoeken, en degene als haar cousine toegesproken, welke haar reine deugd en strenge zeden verfoeiden. Indien Maria Theresia de maitresse eens Konings, de markiezin de Pompadour, ma cousine kon noemen, om hierdoor hare belangen te bevorderen en den vrede met Frankrijk te winnen, waarom zou dan niet de jonge Pruisische prins Louis Ferdinand tot verzoeken overgaan, en haar als zijne verwante toe-

ocr page 64

54

spreken, die men zoo dikwerf spottend de Pruisische markiezin de Pompadour noemde!

Dit dacht hij, terwijl hij met deelnemend gelaat naar de woorden Wilhelmine luisterde, die hem met vurige welsprekendheid en in krachtige uitdrukkingen de vree-selijke ramp schilderde, die haar door den dood van haren zoon, — de fierste en heerlijkste hoop haars levens, — getroffen had.

„Ja,'' zuchtte de prins: „het was een harde slag; en geloof mij, wij allen hebben u van ganscher harte beklaagd, ma cousine /''

Het vlamde weder in Wilhelmine's oogen, en zij greep met ongedwongen levendigheid de hand van den prins.

„Gij noemt mij uwe cousine? Gij veracht mij dus niet? Ge stemt niet in het algemeen hoongelach van het Koninklijke Huis? Gij, zoo jong, zoo schoon, zoo fier, gij verwaardigt u de dochter van den trompetter Enke uwe cousine te noemen, en gij toont daarbij een goedhartig, vriendelijk gelaat, en breekt niet uit in een luiden honen-den spotlach? Ge noemt mij waarlijk uive cousine, Koninklijke Hoogheid?quot;

Hij' zag haar met zijn goedhartige, bruine oogen glimlachend in het bewogen, en door opgewondenheid nog fraaier gelaat. — „Madame ; de jonge graaf von der Mark was toch buiten allen twijfel mijn cousin, want hij was de zoon van mijn verheven oom, den Koning. Nu, zoo de zoon mijn cousin was, dan is toch zijne moeder zekerlijk mijn cousine. Ik zou zeggen „mijn tante,'' zoo ge juist niet te schoon en te jong waart, om de tante van een zoo lang opgeschoten mensch te zijn, als ik ben. Laten wij het dus, — mijn leeftijd en uw jeugd in aanmerking genomen, — bij den liefelijken titel; mijn cousine.''

Wilhelmine wilde antwoorden, maar de woorden ontbraken haar ; een doodsche bleekheid bedekte plotseling hare wangen, hare gestalte begon te beven, zij wendde zich om, en wilde den met kant omzoomden zakdoek voor haar gelaat leggen — maar 't was reeds te laat; de tranen stortten in volle beken uit haar oogen, en stroomden langs hare wangen. Met een heftige beweging stond Wilhelmine van de causeuse op, cn ging met haastige schreden heen en weder, den zakdoek voor haar gelaat gedrukt, maar

ocr page 65

55

niet in staat het snikken te bedwingen, dat met krampachtig geweld uit haar hijgenden boezem drong.

De prins zag haar verwonderd en getrollen aan, en waagde het niet, _1it pijnlijk en verrassend tooneel door een woord, een teeken van medelijden of verbazing te storen. Als geboeid bleef hij op zijn fauteuil zitlen, en luisterde rnet nedergeslagen oogen en beklemd hart naar dit krampachtig weenen en snikken.

Maar plotseling verstomde het; Wilhelmine droogde hare oogen en wangen, wierp den van tranen vochtigen zakdoek ver van zich, en liet zich langzaam weder op de causeuse nederglijden.

„Vergeving, prins,'' zeide zij met zachte, bevende stem; „ik wist zelve niet, dat ik zoo zwak, zoo gevoelig was; anders zou ik meer op mijn hoede zijn geweest, en mij zelve bewaakt hebben. Sedert vele, vele jaren ben ik gewoon mijn hart te wapenen tegen alle soorten van vernedering en krenking; zoo lang ik denk en gevoel, heb ik slechts in trotseering en weerstand tegen al het mij aangedane onrecht mijn troost gevonden. Ik wist dat de geheele wereld mij verachtte, en ik vergold het de ge-heele wereld; ik wist dat de geheele wereld mij beschimpte, mij hoonde en bespotte, en ik dwong mijn blik de honende oogen, die op mij gericht waren, met tartende onverschilligheid te bejegenen, en ongevoelig te schijnen voor schande en smaad. Ik wist dat deze lichtzinnige, erbarmelijke Mofwereld mij als de buitengeslotene, de verworpene beschouwde, en tóch niet beter, niet deugdzamer, niet reiner was dan ik; en ik vergold deze dames beur verachting, heur boosaardigheid; ik gaf haar terug wat zij mij deden aan laster en verachting. O, geloof mij, prins; de uitdrukking der diepste versmading, het boosaardige woord van minachting zou mij niet meer gesmart hebben; want ik ben er aan gewoon, ik heb er mij tegen verstaald, en mijn hoofd, evenals mijn hart, heeft er geen gevoel meer van ! Maar aan een goed, deelnemend woord, aan een achtingsvolle vriendelijkheid van een lid van dit Hofgezelschap, voor 't welk ik een uitgeworpene schijn, hen ik niet gewoon ; hierop was ik niet voorbereid, en daarom trof mij uw goedhartig woord als een dolksteek, die mij dieper en smartelijker wondde, dan het hardste eii wreed-

ocr page 66

56

ste woord van beschimping had kunnen doen. Ik ben verhard tegen de boosheid, maar weerloos tegen de goedheid !quot;

„Dit bewijst slechts, madame,quot; zei prins Louis met zachte, vleiende stem: „dit bewijst slechts, dat een onuitputtelijke bron van goedheid in uw eigen hart huisvest.quot;

„O neen,quot; riep zij levendig : „neen ; het bewijst slechts, dat gij den tooverstaf bezit, waarmede Mozes een bron uit de harde rots deed ontspringen. Gij hebt de bron mijner tranen zien vloeien, mijn jonge, schoone Mozes. Gij zijt de eenige man buiten den Koning, die mij heeft zien weenen van smart en aandoening; en wijl ge jong zijt en edel, en nog niet verdorven door de slechtheid der wereld, zult ge ook weten en gevoelen, dat mijn tranen oprecht waren, en ik niet, — zooals de wereldwijze menschen meenen zouden, — slechts comédie gespeeld heb. —Zoo! En nu genoeg hiervan ! Reik mij de hand en laat u door mij de belofte geven, dat ge aan mij in dit uur een vriendin hebt gewonnen, die liet eerlijk meent, en zich gelukkig zou achten, zoo zij u misschien eens op een of andere wijze van dienst kon zijn.quot;

Prins Louis drukte deze kleine, witte hand aan zijne lippen. Zij was voor hèm niet de hand der gesmade en verachte vriendin des Konings, maar eenvoudig een vrouwenhand, wier schoonheid lang beroemd was, en welke ieder schilder en élke kunstenaar in de hoogste verrukking brengen moest.

„Geloof mij, mijn edele en lieve vriendin, datik dit uur nooit vergeten zal, en ik mij gelukkig zou achten, zoo ik u op een of andere wijze mijn deelneming ongenegenheid bewijzen kon.quot;

„Maar het staat het eerst aan mij het bewijs te geven,quot; zeide zij glimlachend: „ want ik heb mij vrijwillig het eerst u als vriendin aangeboden. En nu, mijn prins,quot; voer zij met een fijnen en schalkschen glimlach voort; „zeg mij nu schielijk wat ge van mij begeert, en waarom gij gekomen zijt.quot;

„Waarom ik gekomen ben?quot; herhaalde de prins verwonderd

Zij knikte. — „Ge wilt mij toch niet doen gelooven, dat ge alleen gekomen zijt, om het beeld van mijn armen

ocr page 67

57

vergeten zoon te bezichtigen, en gij mij zonder eenige reden ma cousine genoemd hebt? O, mijn prins; ik schaam mij nu over mijne aandoening en mijn verrast gevoel. Ik was dwaas, en dacht in dat oogenblik niet aan de aller-liefstste geschiedenis van Keizerin Maria Theresia, die aan Pompadour ma cousine schreef. Ge moet mij inderdaad voor zeer onnoozel houden, mon prince!quot;

Zij zag hem met een vollen, stralenden lach in het fraaie gelaat, en verwachtte wellicht dat de vroolijke, joviale prins met dezen lach zou instemmen. Maar prins Louis bleef ernstig, en de blik, dien hij op haar richtte, was treurig en vol deelneming.

„Arme vrouw, hoe slecht moeten de menschen jegens u gehandeld hebben, dat zij zooveel bitterheid in uw gemoed konden kweeken! —- Lach niet; want ik hoor tóch de tranen in uw lach, en het doet mij wee dit gelaat te zien, dan eersl zoo goed was, en nu zoo boosaardig, —en tóch zoo schoon is!quot;

Zij lachte niet meer, en wendde het hoofd ter zijde, om het trillen barer lippen niet te laten zien. Hij legde zacht de hand op haar arm, en toen hij sprak beefde zijn stem.

„Ik zou willen schreien over de slechte wereld en over' mij zeiven. Want gij hebt gelijk, arme, beklagenswaardige vrouw; gij kent het zwakke,egoïstische menschelijke hart ; ge hebt gelijk niet meer aan edelmoedigheid en deelneming te gelooven. Ge hebt gelijk; ja, ik heb met u gedaan, gelijk Maria Theresia met Pompadour! Ja, ik heb u ma cousine genoemd, wijl ik u vleien, — wijlik u voor mij winnen wilde. Maar, ik kende u toen nog niet, ik had toen nog niet door den spiegel uwer tranen in uw hart gezien, en ik bid u nu om vergeving; ik schaam mij over mijn yalschheid. Opdat ge zien moogt dat ik berouw heb, verwijder ik mij zonder u iets anders te verzoeken dan vergeving, en toegevendheid voor mijn eigenbaat en onbeschaamdheid !quot;

Hij boog voor haar en ijlde naar de deur. Maar Wil-helmine hield hem tegen en terwijl zij dit deed, lachte zij yroolijk en argeloos. Hij moment van opgewondenheid en innig gevoel had slechts als een zonneblik uit haar geschenen. Nu was het voorbij, en was zij weder de scboone

ocr page 68

58

vrouw met den zorgeloozen glimlach en den fonkelden, lartenden blik.

„Ik heb u niets te vergeven, maar slechts te danken, prins; want het maakt mij gelukkig u bij mij te zien,en geloof mij, ik zal er voor zorgen dat uw bezoek geen geheim blijft, maar tot een onderwerp der gesprekken van geheel Berlijn en Potsdam wordt. Al de schoone dames van de aristocratie en het Hof zullen het vernemen, dat de prins, — de geniale prins Louis Ferdinand, op wien zij alle verliefd zijn en naar wiens bezoek zij alle smachten, — bij mij is geweest; dat hij mij een lange visite gemaakt, — en mij gezegd heeft dat hij mij schoon, geestig en beminnenswaardig vindt. Want nietwaar, prins, ge vindt immers dat ik dat alles ben?quot;

, Ja, waarachtig; ik zweer u met een oprecht hart, dat ik dit vind.quot;

„O, zij zullen dit alles vernemen, de schoone dames! Uw bezoek is voor mij een kapitaal, dat mij rijkelijk interest zal opbrengen; want het zal al mijn vijanden vree-selijk ergeren, en den éénigen vriend, dien ik bezit, zeer verheugen. De hoogmoedige gravin Dönhof zal woedend zijn, dat ge tot degene komt, die zich geen manteltje van deugd heett omgehangen, terwijl gij van/iaar linkerhands-huwelijk met verachting spreekt.quot;

„Ha, ge kent dus deze kleine geschiedenis?quot; vroeg de prins lachend.

„Tk ken haar, en ik ken ook menige lieve kleine geschiedenis van li! Ik weet alles wat aan het Hof geschiedt, want gij kunt denken: schandaal is mijn godenspijs. En daarom zal ik ook zeer goede zaken maken met uw bezoek, en er voordeel uit weten te trekken. Ge ziet dus, prins, dat het volstrekt niet noodig is, mij om vergeving te verzoeken, en dat wij quitte zijn. Spieek dus onbevreesd ; zeg, waarin ik u nuttig kan zijn, en wees overtuigd dat ik het zijn wil.quot;

De prins nam weder plaats nevens haar op de canapé, en met zijn vlammende welsprekendheid, zijn wegslepend vuur, deelde hij haar al zijn wenschen en zijn hoop mede ; zocht haar medelijden op te wekken voor het ongelukkige koninklijke paar, haar te bezielen voor de gedachte; bet Koningschap, de monarchie redding en hulp te brengen.

ocr page 69

59

Zij had hern opmerkzaam,'met zichtbare spanning aangehoord, en evenwel had zij van alles wat hij haar gezegd had, slechts deze ééne gedachte gevat en in zich opgenomen: de gravin Dönhof is tegen den oorlog; de gravin Dönhof heeft verklaard, dat zij nooit haar toestemming tot dezen oorlog met Frankrijk zou geven, en dien met al haar macht en invloed op den Koning zou weten te verhinderen.

Toen prins Louis zweeg en op haar antwoord wachtte, zat Wilhelmine nog lang in diepe gedachten, maar hare oogen vlamden en de adem kwam hijgend uit haar borst.

.,Zij meent dus dat zij macht en invloed op den Koning heeft,' prevelde zij eindelijk voor zich; „zij verbeeldt zich dat het van haar oor.leel en /«are toestemming afhankelijk is, welke politiek de Koning volgt, en of het vrede of oorlog zal zijn. Ha !quot; riep zij vervolgens met luide, tartende stem : ,,ha, mijn overmoedige mededingster, ik zal u bewijzen wie hier macht en invloed heeft, gij of ik! Ik zal u vernederen en in het stof treden! Deze ellendige huichelarij en logenachtige deugd van het linkerhandshuwelijk zal eindelijk ontbloot worden, en zij zal inzien en erkennen, dat Wilhelmine Rietz geen huichelachtigen trouwring behoeft, om den geliefde harer jeugd aan zich te boeien, en dat het litteeken op mijn hand vaster verbindt, dan de trouwring aan haar vinger! — Mijn prins, ik beloof u, dat ik uwe wenschen ondersteunen zal! Niet om het Fr ansche koninklijke paar te hulp te komen ; want het is me tamelijk onverschillig of in Frankrijk een Koning regeert, en ik geloof dat het mij genoegen zou doen, zoo er een land was, waar schoenen-en kleermakers bewezen, dat zij insgelijk in staat zijn een land even goed en even slecht te regeeren als een geboren Vorst. Maar ik zeg u mijne medewerking en ondersteuning toe, wijl ik n gaarne van dienst wil zijn, en tevens, omdat ik de trotsche gravin gaarne zou ergeren. Zij is tegen den oorlog met Frankrijk, natuurlijk ben ik dus voor den oorlog; zij houdt hetjmet de Hofpartij, die de nieuwe orde van zaken niet geheel verwerpelijk vindt, en de nieuwe idéen van vrijheid en de „rechten van den menschquot; bewondert, — bijgevolg moet ik ze verfoeielijk vinden en mij met die Hofpartij verbinden, welke voor de vriendschap met Oostenrijk, — dus

ocr page 70

GO

voor den oorlog met Frankijk is, dat heet: met generaal von Bischofswerder en de vrome Rozenkruisers. Nu, mijnentwege; ik ben geen staalkundige, en heb niets te maken met deze norsche, onvriendelijke dame. Ik dien slechts mijn vrienden, mijne luimen en mijn vermaak. En een bijzonder vermaak doet het mij, de kaartenhuizen mijner verheven mededingster om te blazen, juist als zij meent zeer vast te staan. Wacht maar; ik zal heden blazen, blazen als de echte dochter mijns vaders, den trompetter! De Koning heeft mij zijn bezoek laten aankondigen, en luister, de pendule slaat juist vier uur. Nog een uur, en Zijne Majesteit zal komen. Dan begin ik mijn veldtocht, en nog vóór de nacht aanbreekt, zult ge vernemen, of mijn veldoverste dien heeft goedgekeurd.quot;

„O, als ik u aanschouw, u bella demonia colV angelico riso, twijfel ik volstrekt niet, of uw verheven veldoverste zal dien goedkeuren, en ik u mijn eerste lauweren te danken hebben!''

„Waarlijk,quot; riep zij lachend: „dat is een nieuw idée. Tot nu toe heeft men mij slechts van mirlhen gesproken, en 'tis voor het eerst dat ik er toe gekozen wordt, lauweren uit te deelen. Ik merk hieraan, dat ik oud word. Nu, het zij zoo ; wat stoor ik er mij aan, als slechts mijn hart jong blijft! Kom nu, prins, ik wil u tot afscheid nog het liefste toonen, wat ik op de wereld heb : mijne dochter! En deze kunt ge met volle recht ma cousine noemen ; want zij is de zuster van hèm, dien ge straks uw cousin hebt genoemd, — de gravin Marianne von der Mark.quot;

VI.

TWEE FEEËNKINDEREN.

Met vertrouwelijke ongedwongenheid nam Wilhelmine den arm van den prins, en voerde hem door een reek: schitterende, en met waarlijk koninklijke pracht gestoffeerde vertrekken, waarover de prins zijne luide bewondering te kennen gaf.

ocr page 71

f31

„Ja,quot; zeide glimlachend: „'t is voor de dochter van den trompetter althans voldoende, zulk een huis te bewo ■ nen, eh ik beklaag mij niet. Maar hier zijn wij voor de deur mijner dochter. Laat mij voor deurwachter spelen en de deur openen, om der comtesse met luide stem het naderen Zijner Koninklijke Hoogheid aan te kondigen!quot;

„Neen, madame; ik bid u, laat deze belachelijke formaliteit achterwege, en vergun mij voor u de deur te openen, om onder uwe bescherming te kunnen binnentreden.quot;

Hij haastte zich de deur te openen, en zij traden de kamer binnen die met haar bloemen, rosezijden gordijnen en tapijten, hare draperiën van wit neteldoek en rozeknop-pen een bekoorlijken aanblik bood. En als twee ver-lichamelijkte, levendgeworden rozeknoppen schenen deze twee jonge meisjes, die in teedere omhelzing op de met rosedamast overtrokken causeuse zaten; de lieve kopjes tegen elkander gevlijd, de door lange golvende lokken omlijste aangezichten met de schitterende oogen en de glimlachende purperlippen, naar de binnentredenden gekeerd.

„Maar, Marianne,quot; riep madame Rietz op berispenden toon: „welk een onervaren kind zijt ge nog altoos! Weet ge nog niet dat men opstaan en oen buiging moet maken, als een prins ons de eer van zijn bezoek bewijst?'

De beide jonge meisjes lachten slechts, en hans blanke, bloote armen omstrengelden elkander nóg inniger. Zij bogen hare hoofden nóg dichter bijeen, en de blonde lokken der eene vermengden zich met de bruine lokken der andere tot een dichten sluier, die do twee lachende aangezichten verborg. Niemand kon weten, wie van beide lieve kinderen het was, die nu zeide: „ Wij hebben gewed of de prins ons herkennen zou. De prins moet raden, wie van ons beiden de dochter des Konings is.quot;

„Een allerliefst idéé,quot; riep prins Louis Ferdinand lachend, terwijl hij haastig voorwaarts trad^: „deze twee bekoorlijke prinsessen uit de feeënwereld willen den armen sterveling een raadsel opgeven en mij, ongelukkige, dwingen, één barer te beleedigen. Als ik het waag tot één barer te zeggen: Gij zijt mijne cousine, dan is dit; een kind des hemels neder te halen op onze armzalige aarde.

ocr page 72

02

en van een dochter der feeën de cousine van een licht-zinnigen en prozaïsclien jongen knaap, als ik ben, te maken !quot;

„Nu, mijnheer de prins,quot; vroegen twee lachende stemmen onder den sluier: „mi, mijnheer de prins, kies! Wie van ons is uwe cousine'?' •

„h]n als ik de rechte tref, wat is dan mijn straf?quot; üe heide gesluierde kopjes drukten zich vaster tegen elkander, en onder de bruine en gooiden lokken hoorde men het fluisteren en lachen.

„Zoo gij de rechte treft mijn prins, moet ge nederknie-len en haar de hand kussen. Zoo ge de verkeerde treft, moet zij u een kus geven.quot;

„Genoeg nu met uw kinderachtigheid, Marianne,quot; riep Wilhelmine wrevelig, en zij wilde naar den divan ijlen om haar dochter op te richten, maar prins Louis hield haar tegen.

„Gun mij toch het genoegen dit lieve raadsel op te lossen, madame. Wees niet verstoord, en spreek niet van onbetamelijkheid; want waarachtig, de feënkinderen hebben niet noodig, zich door de erbarmelijke betamelijkheid van onze kleingeestige menschenwereld te laten ervaren.quot;

„Kies, mijn prins, kies,quot; lachten en lispten de liefelijke stemmen.

Prins Louis naderde den divan, en zag glimlachend en onderzoekend op deze beide kinderen, wier glinsterende oogen en blozende wangen van onder de dooreen gemengde lokken te voorschijn kwamen, 't Was zulk een bekoorlijk gezicht, dat zeiïs Wilhelmine Rietz hare ontevredenheid vergat, en glimlachend op de bevallige groep nederzag.

„Laat mij den schoonsten aller sluiers opheffen en de liefelijke verborgenheid onthullen,quot; zei de prins metvleiende stem, terwijl hij met hoog gekleurde wangen nederboog, en met lichte hand de haren ter zijde schoof van de beide heldere voorhoofden, die nog nooit door eenige zorg verduisterd, — door eenig verdriet beschaduwd waren geworden. Vervolgens aanschouwde hij met glimlachend gelaat deze twee lieve gezichtjes, waarop nog de morgendroom van een onschuldige kindsheid blonk. Beiden waren schoon, maar beur schoonheid geleek nog meer een belofte dan

ocr page 73

m

een werkelijkheid; en de bekoorlijkheid en pracht der maagd kwam nog eerst schuchter te voorschijn, achter de ongedwongen houding des kinds. Toen zich do beide bruine oogen der eene eu de beide blauwe oogen der andere tot den prins ophieven, en de purperen lippen zoo schalksch glimlachten, dacht prins Louis niet aan het raadsel van het tegenwoordige, maar aan het raadsel der toekomst.

,,0, mijn God,quot; riep hij onwillekeurig: „hoevele dolksteken zullen dezer vier glinsterende oogen aan mannenharten uitdeelen, en wie zal de gelukkige zijn, die deze dwingelandessen onderwerpt, en ze den dolk ontwringt, om ze tot slavinnen le maken?quot;

„Ik zal mij nooit tot slavin laten vernederen,quot; riep het blonde kind met een uitdrukking van beleedigden trots.

Die met de bruine oogen lachte luid; tusschen haar purperen lippen werden twee rijen der schitterendste tanden zichtbaar, en een donkerder rood kleurde hare zachte doorschijnende wangen.

„Slavinnen heerschen dikwerf het langst!'' riep zij: „Heeft de professor ons niet gisteren bij het onderwijs in de geschiedenis verhaald van de schoone Theodora, die óók slechts slavin was, en tóch Keizerin werd ? Ik voor. mij wil er óók mee beginnen slavin genoemd te worden, als ik er slechts mede eindig, een heerscheres te zijn!quot;

De glinsterende bruine oogen richtten zich met een spottenden en tartendcn blik op het gelaat van den prins, en schenen hem te lokken en tevens te dreigen.

Onwillekeurig boog hij voor haar zijn knie, en nam haar kleine, witte hand. — „Ma belle cousine, gij spreekt zooals het u, — zooals het de dochter van een Koning betaamt'quot;

Een luid, vroolijk lachen der beide meisjes was het antwoord; met welk lachen Wilhelmine Rietz echter niet instemde, maar zich misnoegd en teleurgesteld omwendde.

„Misgeraden, prins Louis, misgeraden! Ik ben uw belle cousine, en voor mij hadt ge moeten knielen.quot;

En het meisje met het blonde haar en de blauwe oogen, — het onmiskenbare evenbeeld van haar koninklijken vader, — reikte hem hartelijk haar hand.

De prins drukte, die innig aan zijne lippen. —„Wees gegroet, waardste cousine, en vergeef het mij, dat ik u te schoon en te bekoorlijk vond, om de nicht te zijn van

ocr page 74

64

zulk een leelijken en lichtzinnigen mensch als ik bon!quot;'

„Mij hield ge daar dus goed genoeg voor, mijn prins?quot; vroeg het bevallige bruinoogigekind, meteenliefelijkpruilen.

Zijn gloeiende oogen richtten zich strak op haar bekoorlijk aangezicht. — „Ge vergeet de voorwaarde te vervullen. Zoo ik de verkeerde koos, zou mij deze een kus geven. Was 't niet zoo, ma belle cousine ?quot;

„Ja, zóó was het, cousin,quot; antwoordde de blonde aarzelend ; want zij zag dat hare moeder, die achter den prins stond, haar toeknikte af te wijzen en te weigeren.

„Nu dan, mademoiselle, ik wacht,quot; zei prins Louis: „ik wacht op mijn lieve straf.quot;

Hij zag haar aan, en de bruine gazellenoogen van het maagdelijk kind ontmoetten de zijne, en boorden zich met hunne blikken zóó diep in zijn hart, dat hij het voelde als een smart, als een vreeselijk voorgevoel. Vervolgens boog zij zich blozend voorover, en hare purperen lippen drukten zich op zijn mond, snel en vluchtig als een bliksem, maar ook even vurig als deze.

Beiden waren verlegen en verward door dezen kus; beiden verbleekten. De jonge gravin von der Mark zag dit, en lachte luid.

„Waarlijk, Pauline; men zou meenen dat ge vergif op uwe lippen hebt. De prins is geheel bleek geworden!quot;

„Ge hebt gelijk, belle cousine; deze rozelippen hebben mij vergiftigd. Maar het is een zoet vergif en men sterft er niet door.quot;

En toen de prins lachend en overmoedig zoo sprak, wist hij niet, dat eenmaal dit zoete vergif, 't welk hij nu voor het eerst van deze lippen gedronken had, zijn geheel wezen doorgloeien, — en zijn geheel leven bepalen en vernietigen zou I —

Hij stond op, en boog diep voor de jonge dame. — „Pauline heet dus de bekoorlijke vriendin mijner schoone nicht?quot;

,.Ja, Pauline; zij is de dochter van den geheimraad von Coin,quot; was Marianne's verdrietig antwoord: „en het verwondert mij, dat prins Louis Ferdinand de dochter van een eenvoudig geheimraad, mot de dochter eens Konings verwarren kon!quot;

Prins Louis lachte, en eer Marianne het verhinderen

ocr page 75

65

kon, sloeg hij zijn arm om haai' heon, hief haar hoofd op, en kuste hartelijk en vurig hare trillende lippen.

„Ik maak gebruik van mijn recht als verwant; ik begroet mijn schoone cousine, zooals 'teen behoorlijken cousin betaamt.quot;

Zij maakte zich lachend uit zijn armen los, en vloog als een gazelle door de kamer; hij vervolgde haar en ook de lachende vriendin, die, om Marianne te beschermen, opgesprongen was, en zich bij haar gevoegd had. Dartelend en spelend als vlinders, zweefden de liefelijke teedere gestalten door de kamer. Ook de prins werd met haar een kind, en vergat in dit vroolijke en onschuldige spel voor een kwatieruurs de ernstige zending, die hem hier had gevoerd!

Het hart is zoo vergeetachtig als men jong is, en de rozen hebben nog geen doornen!

VVilhelmine was naar de open piano gegaan, en had met vlugge vingers een vroolijken wals aangeheven. De drie dartelende kinderen lachten en juichten, en in vluggen dans draaide de prins met zijn helle cousine in de ruime kamer rond, tot zij buiten adem en vermoeid op den divan nederzeeg. Hij echter was niet vermoeid, maar nam lachend de schoone Paulino von Göln in de armen, en vloog nu met haar in snellen wals op en neder. Zijn heete adem raakte haar wangen en hief de bruine lokken op, die haar hoog voorhoofd omgaven. Haar schitterende ga-zellenoogen zagen glimlachend tot hem op; hij boog zich lager tot haar, en zijn stem, die door de muziek verdoofd werd, fluisterde alleen voor haar verstaanbaar: „Ik xvist dat ik de verkeerde koos. Maar ik wilde uw kus niet missen. Ge hebt niet alleen mijn lippsn, ge hebt mijn hart gekust, Pauline!quot;

Dikwerf nog in eenzame nachten; — dikwerf, jaren lang hebben deze woorden in de ooren van het jonge meisje geklonken; dikwerf heeft zij ze herhaald met bevend lippen, er over peinzend en mijmerend, zooals men een orakelspreuk zoekt uit te leggen, en vorscht naar haar geheimen zin. Als een verlokkend dwaallicht heeft deze eerste vleierij, die het oor van 't meisje trof, hare zinnen verbijsterd, en zij is het misschien geweest, die haar gelokt heeft op een verkeerden weg, en hare misstappen veroorzaakte!

5

Mühlbach, Buitschland in woeling en strijd. V.

ocr page 76

66

Dikwerf ook, — omruischt door de vroolijke, weelderige en schttterende wereld, waartoe prins Louis Ferdinand behoord, — verrees voor hem het rooskleurig gelaat van het jonge meisje met de glinsterende gazellenoogen, de bruine lokken en de zwellende purperen lippen; en 't geen hij haar als een zoete vleierij gezegd had, bevatte nochtans een bitterzoete waarheid. Haar kus had zijn hart getroffen, en trok hem tot haar terug; — helaas, niet tot zijn geluk!quot;

Toen prins Louis haar verlaten had, en toen ook Pauline von Coin was heen gegaan, wendde Marianne, gravin von der Mark, zich tot hare moeder met den fieren en gebiedenden blik, dien zij van haar vader geërfd had.

„Mama, prins Louis Ferdinand is zeer fraai en zeer beminnelijk. Ge zegt altoos, dat ik vroeg moet trouwen. Prins Louis Ferdinand moet mijn gemaal worden!quot;

Wilhelmine Rietz zuchtte. — „Dwaas kind, tegenover den prins is er geen „moet.quot; Zoo hij u niet bemint, wordt hij uw gemaal niet.quot;

„Maar als de Koning 'them beveelt, mama, dan moet hij toch gehoorzamen?quot;

„Arme kleine! Er zijn dingen, tot welker bevel zelfs een Koning de macht en het gezag niet heelt! De koning kan den prins niet bevelen u te beminnen, en evenwel moest hij u gloeiend beminnen, om met u te trouwen, en om uwentwil een mésalliance te doen.''

„Mésalliance, wat is dat eigenlijk?quot;

„Het is: als iemand huwt beneden zijn stand.quot;

„Maar de prins kan niet vinden, dat ik beneden zijn stand ben. Mijn vader is een Koning, en dus ben ik even goed een prinses, als hij een prins is.quot;

„Neen, Marianne, dat zijt ge niet; wanti/c ben geen Koningin ; ik ben geen wettige gemalin.quot;

„Maar ge zijt toch de vrouw des Konings, mama?quot; vroeg Marianne met de nieuwsgierigheid van een jong meisje, dat het begeerigst is om datgene te vernemen, wat men haar verbergt: ,^Mama, ge zijt toch de vrouw de Konings? Zeg het mij, mama! Ik heb er mademoiselle Chasseport reeds dikwerf naar gevraagd, en ook mijnheor de Damp-martin ; ik heb van hen willen weten, waarom gij niet,— zooals ik, — gravin von der Mark heet, maar u naar den

ocr page 77

67

onbeschaamden kamerdienaar noemt, dien ik niet kan uitstaan, en die steeds zóó gemeenzaam is, dat ik hem de deur zou kunnen wijzen, zoo dikwerf hij er binnentreedt. Maar nóch mijn gouvernante, nóch mijn gouverneur geven mij antwoord, maar zeggen mij steeds, dat zij 't niet weten. Ik moet het toch weten, en daarom zeg mij, mama; ge zijt immers de vrouw des Koning —quot;

„Ja, Marianne, dat ben ik.quot;

„Zijne met hem gehuwde vrouw, mama?quot;

Er ontstond een pauze. De oogen van het jonge meisje waren strak op het gelaat barer moeder gericht, en deze sloeg de oogen neder, en verbleekte.

„Zijne met hem gehuwde vrouw, mamaVquot;

„Neen, mijn arm kind; niet de met hem gehuwde vrouw, maar een vrouw, die den Koning bemind heeft en hem trouw is geweest, een geheel leven door, waarop geen andere smet kleeft.quot;

Zij hief langzaam en met een smeekende uitdrukking de oogen tot haar dochter op, en beefde voor den blik. waarmede deze haar aanschouwde. Een blik vol minachting en toorn, een blik zonder liefde en zonder medelijden.

„Ge zijt dus een zeer slechte en verachtelijke vrouw, mama,quot; zei Marianne met harde, scherpe stem : „en nu weet ik, waarom de menschen altoos lachen en zulke spottende gezichten zetten, als wij beiden in den schouwburg verschijnen, of in onze équipage onder de Linden toeren. De predikant, die mij aannemen zou, heeft mij ook de tien geboden verklaard en mij gezegd, wat hel beteekent: „gij zult niet echtbreken,quot; en dat degene die dit gebod niet houdt, veracht en vervloekt is door God en de menschen. Gij zijt een echtbreekster, mama, en de menschen bespotten en verachten u, en zij bespotten en verachten ook mi)' en ik kan 't toch niet helpen, dat ik het ongeluk heb uwe dochter te zijn!quot;

Wilhelmine slaakte een smartkreet en boog het hoofd onder de bittere woorden, die als geeselslagen op haar ne-dervielen. Mocht de wereld haar verachten en bespotten haar dochter ten minste had er geen recht toe! Zij was voor haar altoos een trouwe, teedere moeder geweest; en bitterder dan alle smaad en hoon der wereld trof het haar, dat Marianne zich beklaagde over het ongeluk haar dochter ie zijn!

ocr page 78

G8

Mijn kind, gij oordeelt zeer aard en zeer voorbarig, en ziit een zeer wreed rechter over uwe arme moeder. Maai ik vergeef het u, want ge weet niet wat ge zegt, en ge zult later uwe woorden berouwen, als ge de wereld beter kent, en meer van hare dwaasheden en ondeugden ondervonden hebt,quot;'

Wilhelmina wendde zich haastig om, en keerde naar hare vertrekken terug, om in eenzaamheid en stilte de wonde te laten uitbloeden, welke haar eigen onbarmhartig kind haar geslagen had.

Maar de zonde heeft geen recht te weenen, en de schande moet met heldere oogen den hoon trotseeren!

Toen spoedig hierop de Koning kwam, om aan zijn veeljarig trouwe vriendin het beloofde bezoek te brengen, sing Wilhelmine hem mei vroolijk gelaat en schitterende oogen tegemoet, en nooit was haar geestigheid bevalligei en scherper, nooit haar onderhoud levendiger en vroohj-

ker geweest dan heden. — ...

Op den avond van dezen dag ontving prins Louis een anoniem schrijven, dat niets dan de woorden bevatte; „De gravin Dönhof zal woedend zijn, nu zij erkennen moet, 'dat er toch nog een andere wil bestaat dan de hare. ue graaf de Breteuil kan gerust vertrekken, en den Koning het officieele antwoord van Friedrich Wilhelm brengen, doch zoo de Koning van Frankrijk dan andermaal een gezant hierheen zendt, zal men hem vriendelijker ontvangen en tot hulp bereid zijn, zonder zulke harde voorwaarden ! In dezen nacht nog reist de generaal von Biscliots-werder naar Weenen, om den Keizer een vei bond met Pruisen tegen Frankrijk voor te stellen, en een samenkomst van beide souvereinen van Oostenrijk en Pruisen te bewerken. Uwe cousine.quot; 11« Prins Louis verscheurde zooals hij afgesproken en belootu had, het geheime briefje der „cousinequot; in duizend stukjes, en maakte er een brandstapeltje van, dat hij met de waskaars aanstak. • u u 1

Dit is het eerste vreugdevuur over een door mij Denaai-

de overwinning 1 Wie had toch gedacht, dat deze eeiste overwinning een diplomatische zou zijn, en dat de kleine onbeduidende prins Louis, met zijn bevallige cousine dei linkerhand, heden over de toekomst van drie machtige

ocr page 79

69

Rijken een beslissing zou bewerken! Waarachtig; de wereldgeschiedenis, die altoos zulk een ernstig en gewichtig gelaat vertoond, wordt dikwerf op recht vroolijke en kluchtige wijze gefabriceerd, en gewoonlijk zijn 't niet de achtbare gildemeesters, maar de dartele leerjongens, die het werk verrichten, flat later als een meesterstuk wordt uitgebazuind! Ik kan mij verbeelden, welke deftige gezichten de groote politici en staatsministers zetten, — en hoe de generaals er op pochen zullen, dat hunne stemmen zijn doorgedrongen in den Staatsraad, en den oorlog bewerkt hebben. En ik zal hierbij een zeer eerzaam gezicht zetten, en mijn geheim bewaren ; zoodat de wereldgeschiedenis, helaas,, nooit de waarheid vernemen, -- en nooit aan de menschheid het gewichtig bericht verkondigen zal: dat de kleine prins Louis Ferdinand en de trompet-tersdochter Wilhelmine Enke de eigenlijke staatsministers en generaals zijn geweest, die den oorlog tegen Frankrijk bewerkt hebben. —Ach, wereldgeschiedenis, gij lichtgeloo-vige en snapachtige bes; hoe dikwijls wordt gij bedrogen, en hoe dikwijls verhaalt ge slechts de groote uitwerkingen, zonder de kleine oorzaken te kennen, die haar veroorzaakt hebben! Nu, het zij zoo! Ik ben volstrekt niet begéerig als diplomaat te schitteren, maar ik smacht naar een lauwertak, die zeker voor mij op het slagveld zal bloeien!quot; —

VII.

HERFSTLUST EN WINTERLEED.

.,0 hoe schoon en hoe vroolijk is de wereld als men gelukkig is. Ik heb nooit vermoed, dat het zoo zoet is te leven, en de tijd zulke snelle vleugels heeft als thans, nu ik u bezit, mijn Lotje! Alles heeft voor mij een zonneglans, want de liefde bestraalt mijn aanzijn, en doet mij alles schoon en liefelijk voorkomen! Kom, goede genius mijns levens, laat mij u in mijne armen drukken, laat mij u danken met dezen kus!quot;

En Schiller drukte zijn jonge vrouw vast in zijn armen, en bedekte haar blozend gelaat met teedere kussen.

9

ocr page 80

70

Zij bloosde nog sterker onder zijn liefkozingen. — „O Friedrich, Friedrich; denk toch dat men door het keukenvenster heen hier in den tuin kan zien. Als onze oude huisjulïers ons zien, zullen zij den neus optrekken en spotten over den teederen echtgenoot, die reeds over het jaar gehuwd is, en zijne vrouw nog kust, als ware hij haar minnaar.quot;

„Ik hen ook uw minnaar, en ben het eerst recht geworden, sinds ik uw echtgenoot ben. En hoe zou het ook anders kunnen, daar met u het geluk, de vreugde en de vrede in mijn hart zijn binnengetrokken! Bemint men niet dagelijks opnieuw, 'tgeen men dagelijks opnieuw als iets verhevens en heerlijks erkent?''

„Laat mij zoo spreken en zoo vragen, mijn Friedrich, en neem mij de woorden niet uit den mond, die ik behoor te spreken. Ik ben een arm, onbeduidend wezen, dat niets kan, niets anders vermag dan u te beminnen, u te bewonderen, en u te behooren uit den innigsten drang des harten. Gij zijt de heerlijke, de bewonderde, de door het genie gewijde; gij zijt de lieveling der goden, en het is enkel hemelsche goedheid en hemelsche barmhartigheid, dat ge u vernedert tot het arme kleine men-schenkind, 't welk slechts leeft om u te aanschouwen, om u te beminnen!quot;

Schiller streek haar glimlachend de bruine lokken ter zijde, en kuste haar helder voorhoofd en hare teedere blauwe oogen. — „Dweepster! Uw eigen schoone ziel is't, die u mijn beeld verheerlijkt en mij u schoon doet schijnen, daar ik terwijl in waarheid soms een lompe ongelikte beer ben, die bromt en knort en zelfs het engelenkind aan zijn zijde soms zeer norsch behandelt. Heb ik dit niet nog heden weder gedaan? Volgde ik u niet hierheen in den tuin, om uit te brommen en dan uw vergiffenis te verwerven? En wat doet gij? In plaats van met de verwachte en een weinig gevreesde, maar zeer verdiende boet-pre-dikatie, ontvangt ge mij met zachte liefdewoorden, vliegt mij om den hals en roept; „O Schiller, hoe bemin ik u en hoe goed zijt gij !quot; — Moet nu niet mijn hart overvloeien van dank en vreugde, — moet de norsche echtgenoot zich nu niet geheel van . zelf in een verrukten minnaar veranderen? In een minnaar die niet in zinnelijken hartstocht

ocr page 81

71

zijne geliefde te hoog waardeert, maar met de zalige kalmte van 't bezit, zijn geluk dubbel geniet, wijl hij het met on-benevelden zin eerst naar waarde schatten kan?

Lotte dreigde hem glimlachend met den opgeheven vinger, en reciteerde met schalksche stem : „Ach, het schoonste feest des levens, eindigt ook des levens Mei; met den ring en met den sluier,'is ook's menschen waan voorbij!quot; Weet ge wel dat dit weinig past bij uwe liefdesbetuigingen van heden ? En weet ge ook wel, ondeugende, geliefde man, dat de slechte, afgunstige wereld wil beweren, dat voor Friedrich Schiller met zijn huwelijk 's levens Mei óók geweken, — en op den twintigsten Februari 1790, ook zipi schoonste waan vernietigd is?quot;

„Laat de slechte en afgunstige wereld denken en beweren wat haar belieft,quot; zei Schiller glimlachende: „wij beiden weten het toch beter; wij weten, dat de dichter en de man twee verschillende personen zijn, en dat de man niet zijn eigen gevoel door den dichter in de wereld laat uitbazuinen. U echter, mijn lieve Lotte, u zegt de man dat hij zeer gelukkig door u is, en hij den twintigsten Februari 1790 steeds zegenen en prijzen zal. Het leven is waarlijk geheel anders aan de zijde van een vrouw, dan verlaten en alleen. De zomer is nu dubbel zomer; de herfst met zijn vallende vruchten, zijn verwelkende bladeren, is voor den eenzame niet meer treurig en droefgeestig; maar gehuwd, begroet hij hem met stille vreugde; en de langere avonden zijn hem lief en welkom, want zij bieden hem een huiselijk genot aan de zijde zijner geliefde vrouw. Nu eerst, — sedert ge de mijne zijt, — geniet ik de schoone Natuur volkomen, en mij zeiven in haar. Alles om mij heen hult zich weder in dichterlijke gestalten, en vaak beweegt het zich in mijn borst Niets valt mij zwaar, en bij al mijn moeilijken arbeid heb ik vroolijken moed. Dit is een zegen, welken ik slechts aan mijn schoon huiselijk bestaan, aan mijn leven met u te danken heb, mijn Lotte.quot; ^

„Maar ik wenschte tóch, mijn Friedrich, dat ge minder met arbeid geplaagd waart,quot; zuchtte Charlotte; „Ik wilde,

1) Schiller's eigen woorden. Zie; Schiller's Briefwechsel mit Körner. Th. II. 187.

ocr page 82

72

dat ge den professor aan den spijker hingt, en alleen dichter kondt zijn, die niet noodig heeft geschiedwerken te schrijven en een tijdschrift uit te geven, maar slechts te schrijven had, wat de muzen hem in gelukkige uren van bezieling in de pen geven.quot;

„Dit heet, mijn Lotte,quot; zei Schiller niet zonder een lichten zweem van bitterheid: „dit heet; ge zoudt willen dat het den armen Schiller even zoo goed ging als den rijken Goethe. Hèm voorwaar is een heerlijk lot door de goden beschoren, en hèm heeft het lot't gemakkelijk gemaakt, een dichter te zijn! Voor hèm waren alle wegen gebaand, en hij wandelde op rozen en mirthen naar den Parnas; terwijl ik mijn voeten wondde aan harde steenen en, dooiden dagelijkschen ruwen arbeid voor het stoffelijk bestaan belemmerd, slechts moeilijk en langzaam voorwaarts kom. Ach, Lotte; somwijlen, als ik aan Goethe denk, heb ik een gevoel van haat en van lage, erbarmelijke afgunst, wijl Goethe spelend en zonder moeite verwierf, wat mij het lot zoo moeilijk heeft gemaakt; maar later schaam ik mij over deze kleingeestige afgunst, en uit mijn somberen haat tegen den machtige, die mij zoo ver overtreft, daagt als een gevoel van heldere, vroolijke liefde, die gaarne bereid is te bewonderen en te erkennen. Ja; ik kan soms zeer begeerig zijn te vernemen, hoe dit woelen in mijn ziel eindigen zal, en of de liefde of de haat de overwinning zal behalen.quot;

„Ik voorspel u dat het de liefde zal zijn,quot; riep Lotte met stralende oogen: „ja, gij zult Goethe eens liefhebben; want gij beiden behoort bij elkander en gij moet en zult elkander vinden en verstaan! Dit is mijn vast en blij vertrouwen, en daarom moet ik dikwerf lachen, als ik den lieven Goethe, telkens als hij te Jena komt, zoo stijf en deftig en ambtelijk voorbij ons huis over de straat zie gaan, en daarom verontrust het mij niet, als mijn edele Schiller zich zeiven lastert, en van haat en afgunst spreekt. Want achter al deze nevels en wolken zal eindelijk tóch de liefde helder als de zon doorbreken, en de twee grootste dichters van Duitschland, zullen ook de twee innigste vrienden worden. Het kan toch niet anders zijn; want het verhevene en heerlijke wordt immer tot elkander aangetrokken, en wat bijeen behoort, kan niet altijd gescheiden zijn en blij ven.quot;

ocr page 83

73

„Voorshands zie ik nog niets van een mogelijke toenadering,'' zei Schiller hoofdschuddend; „wij zijn elkander in den weg, en daarom ontwijken wij elkander. Ik draai het hoofd om. om Goethe niet te zien; want hij herinnert mij altoos, hoe licht zijn genie door zijn lot gedragen wordt, en hoe zwaar ik strijden moet, nog tot dit uur. Maar ge moet daarom niet denken, dat ik onrechtvaardig ben, en blind zou zijn voor Goethe's meerderheid.quot;

„Meerderheid ?' herhaalde Charlotte de schouders ophalende: „O Friedrich; dit is een woord, dat niet juist is.quot;

„Tóch, mijn Lotte, 'tis zoo. Als Goethe al zijn kracht wil aanwenden, kan ik mij niet met hem meten. Hij heeft veel meer genie dan ik, en hierbij veel meer rijkdom aan kennis, en vaster gevoel; en bij dit alles een door kunstkennis van allerlei aard gelouterden en verfijnden smaak, 'tgeen mij geheel ontbreekt. Had ik niet eenige andere talenten, en had ik niet zooveel scherpzinnigheid gehad, om deze talenten en vaardigheid op het gebied van het drama over te brengen, dan zou ik in dit vak volstrekt niet nevens Goethe zijn opgemerkt.quot; ')

„Neen!quot; riep Lotte driftig: „neen; ge ziet u zeiven in uwe bescheidenheid, over 't hoofd. Dat Goethe meer genie heeft dan gij, geloof ik nu noch ooit. Hij mag meer kunstvaardigheid in sommige vakken hebben, maar meer genie, neen, neen, neen!quot;

„Nu,quot; zei Schiller met een zachten glimlach ; „wij willen hierover niet twisten : in allen geval heeft Goethe meer gelijk dan ik; ik bedoel namelijk als dichter, niet als man. Want de man Friedrich Schiller, — in 't bezit van zulk een beminnelijke vrouw als Lotte is, — mag waarlijk den man Goetne niet benijden, en zou voor alles ter wereld zijn stil huwelijksgeluk, niet met de geniale onzedelijkheid van Goethe's liefdesbetrekkingen verruilen. Maar zie, mijn Lotte; daar komt de dienstmaagd, waarschijnlijk om ons aan tafel te roepen!quot;

Ja; Vike kwam werkelijk, om in naam der beide jut-frouwen, bij welke het jonge Imwelijkspaar woonde en in den middagkost was, aan te kondigen, dat er reeds gedekt was, en de overige dischgenooten reeds gekomen waren.

1) SoMller's eigen woorden Zie; Schiller's Briefwechsel mit Körner lil

ocr page 84

74

„Ach mijn Hemel, en ik ben nog in négligé!quot; nep Lotte, met jammerend gelaat op haar bescheiden morgenkleed en het geborduurde neteldoeksche voorschoot ziende.

„Kom, kom; wij moeten ons spoeden, want ik moet immers óók nog mijn uniform aanleggen,quot; lachte Schiller: „Hoor, Vike, zeg aan de lieve juffers, dat ze de soep nog tien minuten warm moeten houden; want zooveel tijd hebben wij noodig om toilet te maken.quot;

Stipt na tien minuten traden Schiller en Lotte arm in arm de gemeenschappelijke eetkamer binnen. Lotte in een eenvoudig wit kleed, de blauwzijden fichu om de fraaie volle schouders geslagen, het schoone bruine haar met weelderige lokken het hoofd omkronkelend. Schiller in het gewaad, dat hij zelf in een vroolijke luim als de uniform der heeren, voor de gemeenschappelijke middagtafel had vastgesteld, in blauwen rok met hemelsblauwe voering en versierd met groote zilveren knoopen.

Vier heeren in dezelfde uniform traden Schiller in zijn lichtblauwen rok tegenmoet, en wisselden met Lotte een vriendelijken groet. Het waren Schillers beide landgenoo-ten, de privaatdocent Riethammer, de huisonderwijzer Gö-ritz, de professor Fischenich en Fritz von Stein, de zoon van Charlotte, — de kweekeling van Goethe, —die het dagelijksch middageten deelden, en door Schiller's huisjuffrouwen gespijsd werden. Vrc/olijke begroetingen wisselde men over en weer, en verheugde zich over het wederzien, als had men elkander gisteren niet hier in dezelfde kamer ontmoet, maar elkander in vele dagen niet gezien.

„Schiller, vóór wij plaats nemen, heb ik een verzoek aan u,quot; zei Riethammer, naar hem toetredende: „een verzoek aan u en aan uw lieve vrouw.quot;

„Nu wat is er, landsman?quot; vroeg Schiller; „Ge zet immers zulk een ootmoedig en erbarmeliik gezicht, alsof den heer privaatdocent de drie gehuurde toehoorders waren ontloopen, waaruit zijn auditorium bestaat.quot;

„Integendeel; het betreft een toehoorder, die gaarne de eetkamer als auditorium, — en de tafel als de katheder van mijnheer den professor en hofraad Schiller zou wen-schen te beschouwen. JMaar ge hebt in de statuten van ons middaggezelschap vastgesteld, dat geen vreemde zonder

ocr page 85

75

ons aller verlof aan deze tafel raag deelnemen, en gij zijt zeer zuinig in het geven van dit verlof.quot;

„Vermits te veel nieuwsgierig volk van de gelegenheid zou gebruik maken ons hier te bezoeken, en wijl men bij het eten zijn gemak moet hebben. Maar wien hebt ge, Riethammer, en zoudt ge ons willen toevoegen?quot;

„Een zeer lief aangenaam mensch uit Denemarken; den dichter Baggesen, die van een Zwitsersche reis terugkee-rend, den omweg over Jena heeft gemaakt, eeniglijk om zt, zijn aangebeden dichter, te zien. Ilij heeft heden morgen reeds tweemaal naar u gevraagd; maar telkens heeft de dienstmaagd hem het bescheid gebracht, dat de heer hofraad heden geen bezoek ontving; en nu heeft de lieve mijnheer Baggesen zich tot mij gewend, toen ik voor het middagmaal hierheen ging; hij heeft mij zijn nood geklaagd en ik heb hem beloofd, een goed woord voor hem te doen, opdat ge hem zoudt veroorloven met ons te eten. Hij slaat builen voor de deur, en wacht, om toegelaten te worden.quot;

„En wat zegt mijn lieve Lotte er van?quot; vroeg Schiller; „Willen wij den vreemdeling, — die buiten voor de deur staat, als Lazarus aan de deur van den rijken man, — toegang verleenen?quot;

„Wij willen het,quot; knikte Lotte glimlachend: „mits de huisjulfrouwen er niets tegen hebben.quot;

,,0, deze hebben 't reeds vergund, en een kan water meer in de soep gedaan,quot; lachte Riethammer: „er zal daarbij heden, — zooals juffer Hanna mij in vertrouwen heeft gezegd, — schapenbout met wittekool zijn; en zij staat toe, dat de vreemdeling deel aan dit weelderige maal neemt.quot;

„Breng hem dan binnen, hij zal ons welkom zijn.''

En Riethammer draaide zijn kleine, ronde gestalte uit de kamer, en keerde vervolgens terug met een groot, slank heer met blond haar en lichtblauwe oogen, en een uii-drukking van zalige tevredenheid op het breed, goedhartig gelaat.

„Friedrich Schiller, ik heb gesmacht naar dit oogenblik, zooals de minnaar smacht naar den eersten glimlach zijner geliefde; zooals de wandelaar in den nacht, verlangt naar den eersten straal der morgenzon! — Friedrich Schiller, ik reik u mijn beide handen tot groet; de eene voor

ocr page 86

76

mij zeiven, de andere voor mijn vaderland, dat gelukkig zal zijn als ik het verhaal, dat ik den grooten Duitschen dichter gesproken heb, om wiens wil wij de Duitsche taal liefhebben, als ware zij'onze moedertaal; wiens liederen wij zingen, wiens treurspelen wij elkander voorlezen,en erbij weenen van verrukking en van smart. Er zijn waarlijk geen woorden om u te zeggen hoe gelukkig ik mij gevoel in dit uur, nu ik eindelijk tegenover Friedrich Schiller, den dichter van Don Carlos sta!quot;

Schiller dankte Baggesen met een viiendelijk woord, doch met schier beschaamd gelaat; verzocht den Deenschen dichter aan zijn zijde plaats te nemen, en hel van vreugde stralend gelaat van den enthusiast, dat hem aanvankelijk een weinig hinderde, begon spoedig Schiller te verlustigen en zijn humor op te wekken 't Was inderdaad aangenaam te zien, hoe bij ieder schertsend woord van Schiller, het gelaat van den Deen straalde van verrukking; inderdaad zeer aangenaam, zijn hartelijk lachen te hooren, als Schil er zich — opgewonden door den wijn, het vroolijke tatelgezlel-schap en zijn eigen voldoening, die de hartelijke bewondering van den vreemde hem verschafte, — aan losse scherts overgaf. Maar met welk een aandacht luisterde Baggesen vervolgens, als Schiller, van vroolijke scherts totpeinzen-den ernst overgaande, met de vrienden een of ander wetenschappelijk gesprek aanknoopte; als hij sprak over 't geen destijds in Duitschland alle geleerde en wetenschappelijke mannen bezig hield: over de drie werken van den Koningsberger philosoof Kant. Deze drie werken allengs en langzamerhand eerst bekend geworden, waren nu als de licht-sterren van een nieuwen tijd en een nieuwe kennis van God en de wereld, over Duitschland opgegaan. De „critiek van het zuiver verstand,quot; de ,.critiek van het practisch verstand,quot; en de„critiek van de oordeelskrachtquot; hielden destijds aller hoofden bezig, brachten aller gemoederen in beweging en tergden de dompers en mystieken, aan wier spits Wollner en het geheele leger der Rozenkruisers en Jezuïten, tot den heftigslen toorn. God zou God niet meer zijn in den zin der vrome geloovigen en mystieken; niet meer de hemeische, straffende en beloonende beheerscher dezer zondige, jammerlijke wereld; maar slechts in het menschelijke Ik zou hij zetelen, en uit het zelfbewustzijn

ocr page 87

77

des menschen gekend worden. Dc bestemming van's men-schen vrijen wil tot handelen, dit is het practisehe versland; dit is God, en de taak van den wil, is de verwezenlijking van de hoogste zedelijke wet, die beveelt: „Handel steeds naar grondregels, die geschikt zijn algemeene wetten te worden.'' Het zuiver verstand moet, als een bovennatuurlijke hersenschim het bestaan van God en de onsterfelijkheid verwerpen; maar het practisch verstand herstelt God en de onsterfelijkheid weder, om aan de deugd een evenredig equivalent in vooruitzicht te stellen. —

De studie dezer philosofie van den Koningsberger wijze hield destijds, zooals gezegd is, alle gemoederen en alle hoofden bezig; en dit licht, hetwelk van 'tOosten kwam, was zóó sterk, dat men deswege geen acht sloeg op het ontzettende onweder en de donkere wolken, die zich' in het Westen samentrokken. Niet de Fransche revolutie hield de beschaafde wereld bezig, maar de Kantiaansche philosofie, die voorwaar óók een revolutie bewerkte; een revolutie van den geest en de gedachten, — die zich verzette tegen het bovenzinnelijk geloof en de bovennatuurlijke dweperij.

Schiller had op aandringen van zijn vriend Körner, — die hem het nieuwste en laatste werk van den philosoof gezonden had, — dezer dagen de lectuur van de „critiek der oordeelskracht'' begonnen, en met levendige belangstelling, — schoon nog in afwijzenden zin, — sprak hij er over. Haggesen luisterde met vrome aandacht naar zijne woorden, en hing met verrukten blik aan den mond van den weisprekenden dichter. Eensklaps, toen Schiller nu zweeg, nam hij diens hand, en drukte die innig aan zijne lippen. „O Schiller, ons aller meester en heer; kon ik altoos bij u zijn! Als uw leerling aan uwe voeten zitten en van u leeren een goed mensch en een groot dichter te worden! O Schiller; was er toch ietsin de wereld, dat ik voor u doen kon, waardoor ik u mijn dankbaarheid, mijn liefde bewijzen konde! Het hart zou ik mij uit de borst willen nemen, en 't als een voetbankje onder uwe voeten leggen! Spreek, groot dichter, edel man; is er dan niets, waardoor ik u vreugde zóu kunnen bereiden?quot;

„Ja, er is iets,'' riep Schiller met glinsterende oogen: „Weg met de kool en de prozaïsche schapebout! Glazen

ocr page 88

78

hier; ^roote klinkende glazen, lieve knorrige huisjuffers, en zendt den knecht beneden naar den kelder, waar in een stillen, donkeren hoek, zich de bescheiden wijnkelder des dichters bevindt. Haalt mij van het vurige druivensap, dat mij de lieve Körner bij mijn huwelijksfeest zond, en dan, als de glazen gevuld zijn, laat ons dan drinken en zingen; Vreugde, schoone godenvonk!quot;

„Ja/ja, zoo zal het zijn!quot; jubelde Baggesen: „Schillers hemelsch lied aan de vreugde willen wij zingen; want vreugde moet in ons zijn, daar hij onder ons toeft de dichter Friedrich Schiller!quot;

De huisjuffers brachten de groote, klinkende glazen, die slechts bij bijzondere gelegenheden voor de kleine, zuinige, spitse glazen verruild werden, waaruit men anders gewoon was den zuren landwijn te drinken. De knecht kwam uit den kelder mei twee langhalzige, slanke llesschen, die het gouden druivensap inhielden. Schiller glimlachte en knikte ze toe, en noemde ze de herinneringsengelen van zijn heerlijk huwelijksfeest. Zijn oogen straalden en een zweem van rood schitterde op zijne wangen, toen hij het glas met gulden druivensap in de hoogte hief, en, den arm om Lotte's slanke taille geslagen, met luide krachtige stem aanhief:

Preude, shüner Gotterfunken,

Tochter aus Elysium ! 1)

Zij vielen allen met vroolijke jubelstern men in, legden hunne handen ineen en zongen met vervoering in koor;

Seid umschlungen Millionen,

Diesen Kuss der ganzen Welt,

Brüder — über'm Sternenzelt Muss ein guter Vater wohnen!

Schiller drukte op dit muss zóó luid en zóó krachtig, dat zijn stem vèr boven het koor der andere mannen uit-klok, zoodat dit muss als een tartenden kreet galmde tegen den philosoof, van wien zij vroeger gesproken had-

1) Wij gevea deze verzen onvertaald, omdat ze algemeen genoeg bekend zijn.

ocr page 89

79

den. Maar Scliiller's gelaat glimlachte tóch, en hij knikte zijn Lotte toe, toen hij zong van de „bekoorlijke vrouw,quot; en het aangezicht van den Deenschen dichter schitterde van verrukking, terwijl het lied nu voortgezet werd. Ieder der mannen zong een solo-vers, en dan viel het koor in met vroolijk juichen, en hoog boven alle stemmen klonk de heldere stem van Charlotte, als een jubelende leeuwerik boven de aardsche velden. Het laatste vers van den bezielenden rondzag, had Schiller te zingen. Hij stond dus van zijn stoel op, richtte zich in zijn volle lengte overeind, en met een uitdrukking van trotsche verachting op het edel aangezicht, reciteerde hij het laatste vers;

Rettung von Tyrannenketten.

Grosmuth auch dem Bösewicht!

Hoffnung auf den Sterbebetten,

Gnade auf dem Hoochgericht.

Auch die Todten sollen leben!

Brüder, trinkt und stimmet ein:

Allen Sündern soil vergeben Und dio Hölle nicht mehr sein!

Nu stonden allen op en met vroom gelaat, met bezielden blik, met van aandoening bevende stemmen, zongen zij de slotwoorden:

Eine heit're Abschidsstunde, t Süszen Schlaf im Leichentuch!

Brüder, einen sanfter Spruch Aus des Todtenrichters Munde!

Tranen stonden in aller oogen, en toen Schiller nu zijn arm om Lotte's hals sloeg en een innigen kus op hare lippen drukte, overweldigde de vervoering en de aandoening ook al de anderen, en ieder omhelsde de naast hem zittende, knikte hem vervolgens teeder toe, en reikte hem onder tranen glimlachend de hand.

„O Schiller,quot; riep Baggesen met schitterend gelaat, „o Schiller, ik wijd u mijn liefde, mijn trouw, mijn aanbidding voor het geheele leven! Ge zijt voor mij in waarheid de Messias, tot wien ik goloovig opzie, en wiens aanblik mijn

ocr page 90

80

hart met vreugde, en mijn ziel met goede en vrome gedachten vervult. God geve u vreugde, want ge zijt de vreugde der menschen; God geve u geluk, zooals Hij u aan de wereld heeft gegeven tot haar geluk! Broeders, laat ons klinken en drinken: Leve de l)este der mensehen, leve de grootste dichter, leve Friedrich Schiller!quot;

Zij lieten de glanzen klinken, zij jubelden luid den naam des dichters. Schiller echter nam zijn Lotte in den arm en kuste hare lippen, hief vervolgens zijn glas omhoog, en riep: ,,Eere de vrouwen, zij vlechten en weven hemelsche rozen door 't aardsche leven! Leve Friedrich Schiller's schoone wederhelft! Leve mijne Lotte.quot;

En weder was het een vroolijk juichen en klinken en zingen, waarmede zelfs de „lieve, oude huisjulfersquot; instemden, en met hare glazen naderden, om met de lieve gade van den hofraad te klinken, die zulk een goede, zachtmoedige en hartelijke vrouw was.

Baggesens gelaat straalde steeds hooger van onuitsprekelijke zaligheid, en hij zwoer met het opgeheven glas vol fonkelenden Rijnwijn den grooten goden hierboven, dat hij zich dit oogenblik en dezen dag herinneren zou zijn leven lang; dat hij hem in ieder volgend jaar zou vieren, als den heiligsten en schoonsten gedenkdag; hij zwoer, dat Schiller voortaan zijn heilige zou zijn, tot wien hij al zijn gedachten en gebeden wilde richten!

„Maar een wonderlijke heilige is het toch, dien gij daar gekozen hebt,quot; zeide Schiller lachend, terwijl hij den verrukten Deenschen poëet de hand vertrouwelijk op den schouder legde: „ja waarlijk, een zeer wonderlijke heilige; hij herinnert mij de allerliefste geschiedenis van den schrijnwerker te Donaueschingen, die mijn dierbare vader zoo gaarne vertelde. Deze schrijnwerker, die tevens een goede houtsnijder was, en een weinig van de beeldhou-werij geleerd had, ontving van den prior van het klooster te Donaueschingen den last, het houten beeld van den heilige, nauwkeurig naar het voorhanden wormstekige te vervaardigen, en wel zeer spoedig, daar men het bij de op handen zijnde processie gebruiken wilde. Maar het ontbrak den schrijnwerker aan het geschikte hout; nu viel hem in, dat hij in zijn tuin een ouden, half verdorden peroboorn had, die reeds sedert jaren geen bloesem of

ocr page 91

81

blad meer gezeten had. Dezen pereboom velde hij dus, en maakte er een beeld van den heiligen Ambrosius uit. Bij de eerstvolgende processie droeg men dit beeld om, en onder de toeschouwers bevond zich ook de schrijnwerker! Een der priesters, die zich bij de processie bevond, merkte nu op, dat de schrijnwerker niet zooals al de anderen, voor den heilige zijn hoofd ontblootte. Hij wenkte den schrijnwerker tot zich en vroeg hem toornig, hoe hij zich vermeten kon, met onverschillige houding en bedekt hoofd te blijven, en den voorbijtrekkenden heilige niet eerbiedig te groeten? „Eerwaarde vader,quot; antwoordde de schrijnwerker, „hoe kan ik dengene heden als heilige begroeten, dien ik nog voor vier weken als pereboom in mijn tuin heb gehad!quot; — Mijn lieve Baggesen; ik raad u, snijd mij niet tot uwen heilige, want ge zoudt later toch zelf niet meer aan mij gelooven, en de pereboom zou overal tóch voor den dag komen. Ik ben een mensch en met den latijnschen dichter roep ik: Homo mm, nihil humani a me alienum puto! Ik ben een mensch, en daarom klink met mij, lieve enthiisiastische Deen, — en zoo ge wilt, heb me daarom te liever, omdat ik een mensch ben!quot;

Maar Baggesen hief zijn glas op en zijn teederen blik op Schiller gericht, reciteerde hij de woorden, welke Shakespeare zijn Hamlet in de mond geeft; He was a man, take him for all in all, I shall not look upon his like again.quot;

Schiller knikte hierbij toestemmend, en daar de maaltijd nu afgeloopen was en men als gewoonlijk scheiden wilde, zette Baggesen zulk een treurig gezicht, dat het Schiller vermaakte en hem deed glimlachen

„Zoudt ge lust hebben, mijn lieve enthusiast, nog een uurtje met ons te kouten en u ons gezelschap te laten welgevallen?quot;

„Of ik daartoe lust zou hebben, Schiller? Een gelukkig mensch zou ik zijn, zoo ge mij nog een uurtje in uwe nabijheid wildet schenken, want mijn toekomst zou hierdoor nóg met een juweel verrijkt worden.quot;

„Ziedaar nu de dweper,quot; lachte Schiller: „hij spreekt van juweelen, die ik hem schenken zou, — ik de arme Duitsche dichter, wien dikwert het dagelijksch brood een juweel schijnt, waarnaar hij vergeefs verlangt ! Maar komt,

Mühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. V. C

ocr page 92

82

laat ons vroolijk zijn, en geen treurige gedachten koesteren. Ge zult uw juweel hebben, vriend Baggesen; nog een uurtje samenzijn met eerlijke en tevreden menschen. Komt, vrienden, gaan wij naar buiten in bosch en veld, en laat ons dan, na een vroolijke wandeling, even in den Ressourcetuin gaan en een partij kegelen.quot;

„Kegelen!'' riep Baggesen, verschrikt terugdeinzend en de handen als verwijten ten hemel heffend; „Kegelen ! Is 'twaar, is het mogelijk? Schiller, de groote Duitsche dichter kegelt ?quot;

„Ja, waarachtig, hij doet het; hij kegelt, speelt billart en óók somwijlen een partij whist of tarok. Hoe? Meent ge dan, mijnheer de Deen, dat wij Duitsche mannen niet het wijze Carpe diem van den romeinschen schertser verstaan, maar steeds met ernstigen blik mijmeren over de zorgen en nooden des levens ? Neen; kegelen willen wij en als de ballen donderend rollen, kunnen wij ons verbeelden dat wij woedende Jakobijnen en vrijheidshelden zijn, die in toorn hun kogels werpen tegen den houten Koning en zijn Zwitsersche garde!quot;

Zij namen afscheid van Schiller's echtgenoote en verlieten het huis om van de hoogte van een der vele bergen, die de fraaie muzenstad Jena omringen, en uitzicht te hebben op het schoone dal, dat zich met zijn Imizengroe-pen, bosschen en glinsterende rivier zeer heerlijk voordeed. Schiller's gelaat was vroolijk en vriendelijk, en zijn glanzend oog zweefde met blijmoedig peinzen over het heerlijke herfstlandschap. — „Men zou denken, dat in dit zonnig dal, in dit lachend stukje wereld, slechts vroolijke en gelukkige menschen konden wonen. Ik kan mij voorstellen, hoe een droefgeestig, de wereld en hare beslommeringen ontvloden wandelaar, die plotseling uit het bosch op deze plek treedt, — hoe hem het hart opengaat, bij het liefelijke beeld, dat zich eensklaps aan hem voordoet, en hoe hij met tranen van weelde de armen uitbreidt en roept: „Hier zou ik willen toeven; hier, in dit gelukkige dal zou ik willen uitrusten van alle zorgen en kwellingen des levens.quot; — Ach, arme, misleide wandelaar; daal slechts neder in het gewenschte dal en ge zult vinden, dat ook daar de zorg woont, en dat ook daar het menschelijke hart soms trilt van pijn en smart. Zoo ge het volmaakte

ocr page 93

83

Paradijs 'zoekt, moet ge in de onbewoonde wereld gaan waar nog geen rnensch den voet gezet heeft; — wantquot;daar alleen is de wereld nog schoon en volkomen!quot;

De vrienden stonden zwijgend nevens hem en luisterden naar de woorden, welke Schiller peinzend voor zich sprak. Na een pauze onttrok hij zich aan zijne mijmering, en wendde zich glimlachend tot de vrienden. — „Komt beneden in het liefelijke dal, en laat ons vroolijk zijn, en ons met dit gelukkige oogenblik verheugen!''

Hij ijlde Justig hen allen vooruit, en alleen Baggesen met zijn lange beenen was in staat den wijd stappenden dichter te volgen, die lachend en blijmoedig de hem naijlende, hijgende vrienden, wegens hun slakkengang bespotte. Vervolgens begaven zij zich in het locaal der Ressource, waar zich in den tuin, ter zijde der bloembedden, een kegelbaan bevond. Daar was Schiller van al de vrienden de ijverigste om de kegels op te nemen, en met mikkend oog en behendige hand de zware houten bal te werpen, zoodat zij zeker over de smalle houten baan liep, en in het vierkant der opgezette kegels rolde.

Met welk een ijver gaf Schiller zich nu aan het spel over; met welk een trotsche tevredenheid werd hij vervuld, als hij een gelukkigen worp gedaan had!

Waarlijk, niemand, die hem niet kende, had kunnen vermoeden; dat deze ijver kegelaar met het licht blozend gelaat, met het hooge voorhoofd, waarop de inspanning heldere zweetdroppels had te voorschijn gebracht, met de groote, blauwe oogen, die vol verwachting de rollende ballen volgden, — dat dit Friedrich Schiller was ; en dat deze hand, die in haar holle vlakte beproevend den bal woog, de treurspelen had geschreven, die als een electrieke vonk in geheel Duitschland aller harten ontvlamd hadden. Maar al de Jenaërs kenden hem, en al de bezoekers der Ressource drongen heden naar de kegelbaan, om den dichter der „Roovers,quot; om den heer professor in de ge-geschiedenis, te zien kegelen. De studenten lieten het zich niet ontnemen, voor hun geliefden professor het ambt van kegeljongens waar te nemen, en schoven den blootvoeti-gen, witharigen knaap, die anders dit ambt bekleedde, met een koenen duw ter zijde. Nooit behoefde Schiller zeker een bal te zoeken; altoos stonden reeds drie, vier

ocr page 94

84

studenLeii gereed, die voor den heer professor de besle, gladste ballen uitgekozen hadden en ze hem aanboden, en ieder hunkerde naar de eer, dat hii de door hem aangeboden nam. En zoo dikwerf Schiller een goeden worp had gedaan, hieven de studenten een krachtig hoera! aan, knikten de vrienden den dichter toe, die met fier opgeheven hoofd als een triomphator om zich schouwde, en wien in onschuldige tevredenheid, het geluk op de kegelbaan heden óók een triomf scheen.

Baggesen had slechts oog en oor voor den dichter, dien hij zich zoo geheel anders had voorgesteld; dien hij, toen hij Don Carlos, hiesco en Louise Miller had gelezen, steeds voor zich in den geest had gezien, gehuld in den schitterenden slerrenmantel van het genie, met het gelaat der treurspelmuze, verheven in elke beweging, met somber godenvuur in ieder woord dat hij sprak. Hij was verrukt in stede hiervan een lief, vriendelijk, argeloos mensch te vinden, die het niet beneden zijne waardigheid hield, gelijk andere gewone menschenkinderen te eten en te drinken en vroolijk te zijn, — ja zelfs te kegelen!

Met ingehouden adem volgde Baggesen Schiller's spel, en zijn gelaat schitterde bij eiken goeden, — en verduisterde bij eiken gemisten worp. Maar 't was heden in waarheid voor Schiller een gelukkige dag, en de gemiste worpen waren slechts weinig; want Schiller kwam tot onuitsprekelijke vreugde van Baggesen, als overwinnaar uit de ten einde gebrachte partij.

En zou men nu reeds scheiden? Zou nu elk huiswaarts gaan naar zijn stil studeervertrek, tot geleerde navorschin-gen, tot ernstige studiën, of tot dichterlijken arbeid? — Neen; de hand die heden zoo krachtig de ballen bad geworpen, zal nu wel te zwak zijn, om heden avond nog de pen te voeren! Maar n:et le zwak, om den handdruk der vrienden te beantwoorden.

„Zegt mij eens, gij, drie geleerden,quot; vroeg Schiller lachend: „gij heeren van den katheder en van de schooltafel, denkt ge heden avond werkelijk er nog aan, in de kata-kotnben der wetenschap af te stijgen?quot;

„Neen, neen, neen,quot; antwoordden Rietharnmer, Göritz en Fiechenich; „het heeft ons heden te goed op de vroo-

ocr page 95

85

lijke aarde bevallen, clan dat wij nog in de katakomben zouden willen afstijgen.quot;

„En gij, mijnheer de Deen; hebt gij over uw avond reeds beschikt, of zijt ge vrij?quot;

„Vrij, Schiller, als de vogel in de lucht, om te vliegen, waar ik mij in het Paradijs gevoel, dat heet : waar Schiller toeft.quot;

„Welnu, mijn lieve hartelijk broeders; komt dan met mij, en laat ons mijn lieve botte om een avondeten verzoeken! En da^ir zie ik nóg een paar lieve vrienden! Daar is Friedrich von llardenberg en Reinheid! Hoort, vrienden; wilt ge met ons gaan naar de bescheiden dichterswoning, en met ons het avondeten deelen? Ik zeg u echter vooruit: ge zijt niet bij bucullus genoodigd, maar bij Friedrich Schiller, dat is: op eenvoudigen kost. Op de schotels weinig, maar in het hoofd en. hart veel; dat is de zinspreuk van ieder Duitsche dichter, en tóch zou ik voor al de heerlijkheden van buculfus niet den eeretitel verkoopen: een D uitsch dichter te zijn! — Nu, wilt ge medegaan, mijn lieven?quot;

Of zij wilden! Zij namen het met vreugde aan, en zoo verliet Schiller met zijn genoodigde vijf geleiders, het locaal der Ressource, om naar huis te gaan. Maar onderweg ontmoetten hem nog eenige bevriende professoren, en er was geen reden, waarom hij dezen niet even goed bij zich op het avondeten zou noodigen, als hij dit de anderen had gedaan! Hij noodigde hen, en zij namen dankbaar aan; en botte, die op de bank voor de huisdeur zat en haren Schiller verwachtte, was niet weinig verwonderd, hem met zulk een talrijk gevolg te zien aankomen. Want er hadden zich nóg een paar vrienden bij aangesloten, en liet gevolg van den dichter bestond nu uit negen personen ; louter 'professoren, letterkundigen en dichters, allen zeer aanzienlijke en deftige heeren.

Derhalve vluchtte Lotte ook voor hen in het huis; wan! zij was reeds in een eenvoudig négligé, en volstrekt niet geschikt, door vreemde heeren gezien te worden. Zij hadden natuurlijk Schiller begeleid, en als zij nu voor de huisdeur van hem afscheid hadden genomen, zou Schiller bij zijn Lotte hoven komen, en dan zou het gelukkige paar een stillen genoegd ijken avond hebben!

ocr page 96

86

Zóó dacht Lotte toen zij haar kamertje betrad, en naar het venster ijlde, om heimelijk van achter de gordijn, de heeren voor de huisdeur even op te nemen. Maar er bevond zich niemand meer; daarentegen was het in het f voorhuis en op de trap zeer levendig, en het scheen dat vele mannen die op kwamen.

„Wat beduidt dat toch? Mijn Hemel, Frits zal toch niet ...quot;

„Lolo, lieve Lolo,quot; riep Schiller, het kamerlje binnentredende; „ik breng u een paar gasten ten avondmaaltijd. Wij waren zoo vroolijk en genoegelijk bijeen en wilden nog niet scheiden, en zoo heb ik de paar vrienden ge-noodigd met mij te gaan, en bij ons te soupeeren. Ge vindt dit immers goed, Lolo?quot;

„Zeker, mijn geliefde Frits. Dien gij noodigt, is mij welkom. Maar ik moet u zeggen, dat wij niet veel hebben heden avond. Voor een paar vrienden is 't echter voldoende, als zij 't voor lief willen nemen met een kop thee en een stukje koud vleesch. — Hoeveel zijn er met u gekomen?quot; »

Schiller zette een verlegen gezicht, en zag zijn jonge vrouw met smeekenden blik aan. — „Lotte, er zijn cr negen!quot;

„Negen?quot; riep de jonge vrouw verschrikt: „Maar ge wilt toch niet zeggen, dat die allen bij ons zullen soupeeren?''

,Ja, mij Lolo, dat wil ik zeggen. Ik heb ze allen verzocht, zoo de een na den ander, en dus heb ik 'tniet opgemerkt, dat er zoo veel waren. Ik heb dit eerst ontdekt, toen allen in de kamer kwamen, en deze geheel vol was en er stoelen ontbraken. Ja, Lolo; er zijn er waarachtig negen, en wij beiden er bij maken elt personen!quot;

„Maar 'lieve Frits, wat beginnen wij nu!quot; vroeg Lotte met schier weenend gelaat: „Ik ben immers met al het tafelgereedschap, met glazen en kopjes slechts voor zes personen ingericht, en dan heb ik maar weinig brood in huis, en een stukje koud vleesch. Dit alles is ten hoogste toereikend voor zes personen, en nu zijn wij met ons elven ! Wat beginnen wij nn ?quot;

„Wij zenden de dienstmaagd naar de Ressoureo, en laten er gebraad en brood on het. overige halen,quot; zei Schiller beklemd.

i

ocr page 97

87

„Ja, maar,quot; fluisterde Lotte; „wij hebben geen ,quot;geld om te betalen. Ge weet, Friedrich, wij hebben ons in de laatste dagen er zoo wat doorgeworsteld met een paar gro-schen, die wij nog hadden, en hebben alle dagen vergeefs verwacht, dat ons de postbode het geld zou brengen, waarom ge uwen uitgever verzocht had.quot;

„Maar het is nog altoos niet gekomen,quot; zuchtte Schiller: „ 't Is een merkwaardige eigenschap der uitgevers, dat zij nooit het honorarium ter rechtertijd zenden. Alle schrijvers en dichters klagen hierover.quot;

„Zou dit misschien daarvan komen, dat de schrijvers altijd geld noodig hebben?quot; vroeg Lotte met een heimelij-ken glimlach.

„Dat kan wel zijn, Lotte,quot; antwoordde Schiller mijmerend: „dit is echter zeker, dat Göschen mij het voorschot reeds sedert acht dagen beloofd heeft, zonder het mij te zenden.quot;

„En intusschen zijn wij zonder geld,quot; zuchtte Lotte: „en het gaat toch niet, dat wij uit de Ressource laten halen, zonder te betalen.quot;

„Neen, dat gaat niet. Lotte, —quot; Plotseling viel Schiller iets in, hij richtte zijn lange gestalte hoog op. — „Lotte, lieve Lotte, wij hebben geld. Maar ik heb vergeten 't u te zeggen! Juist toen ik heden morgen wegens de boetpredikatie bij u in den tuin wilde gaan, kwam een der studenten, en bracht mij het honorarium voor het privaatcollege. Ik stak het in mijn zak en heb het later vergeten, en —quot; hij taste met zijn slanke, witte vingers in den vestzak, en hield vervolgens triomfantelijk een goudstuk omhoog — „en hier is het! Een dukaat, mijn lieve Lolo! Mij dunkt, hiervan laat zich een deftig avondeten gereed maken!''

„Ja, zeker Friedrich; een zeer deftig,quot; riep Lolo vergenoegd: „geef hier, mijn Friedrich; nu zal alles heerlijk bezorgd worden, en ik wil dadelijk de dienstmaagd naar de Ressource zenden, om alles te halen! Mij dunkt, wij moesten een stuk varkensgebraad laten halen, en daarbij een schotel salade. Dunkt u niet, dat dit een knap avondeten zou zijn.quot;

„Gewis, Lotte; een heerlijk avondeten, en daarbij een paar flesschen landwijn en een paar kruiken bier. Nu

*

i 1

ocr page 98

88

mij dunkt, dal is een flink gastmaal voor een Duitschen professor.quot;

„En dunkt u niet, Friedrich, dat het lief zou zijn, zoo ik de dienstmaagd zond, en mevrouw Fischenich met haar twee lieve zusters, on de vrouw van Reinhold óók liet verzoeken nog een beetje te komen ? Het zijn zulke lieve vrouwen, en wij zouden dan recht genoegelijk zijn!quot;

„Ja, Lolo, dat is een heerlijk idee; zend, noodig ze, maar — hoe maakt ge het met liet tafelgereedschap?''

„O, de huisjuffers moeten 'tons leenen. Als ge juffer Hanna een goed woord geeft, leent ze u alles wat ge wenscht. Maar ge moet haar recht vriendelijk aanzien, als ge haar zegt dat ze ons tien couverts moet leenen, en ge moet zeggen, hoe dankbaar gij haar znlt zijn. quot;

„Goed, Lotte, ik zal er voor zorgen, en wij zullen de couverts hebben. Zend nu de dienstmaagd om het gebraad, en de kastelein van de Ressource moet terstond de gequi-teerde rekening medezenden. O, Lotte, hoe allerliefst is het toch in de wereld,ak men geld heeft en zijne vrienden onthalen kan !quot;

„Ja, allerliefst!quot;

En het jonge echtpaar lachte elkander toe, nam elkander in de armen, en sprong een vroolijke hopsa door het kamertje. Vervolgens ging Schiller om de huisjuffers een weinig te vleien, en van haar de couverts te krijgen. De lieve, oude juffers konden natuurlijk zijn vriendelijk lachen en zijn goede woorden niet weerstaan, en toen Male de oudste van beidon, toch een bedenkelijk gezicht zette en zeide, dat zij den ganschen volgenden dag zouden moeten wasschen en poetsen, viel de jongere Hanna haar met ophef in de rede :

„O, Male, hoe zouden wij ons kunnen beklagen, zoo wij voor Schiller een dag moesten werken? Bedenk toch, hoe vele dagen en nachten hij vooi ons gearbeid heeft. Want voor ons, —• even goed als voor' elk ander Duitsch men-schenkind, heeft Schiller toch zijn heerlijke treurspelen geschreven, die wij beiden zoo vereeren. En nu zouden wij voor den dichter van de Roovers niet één enkelen dag werken, Amalia?''

Male ontroerde bij deze plechtige toespraak, die haar met „Karl Moor'squot; geliefde gelijk stelde, en kon nietlan-

ocr page 99

89

ger tegenspreken, maar verklaarde zich met alles tevreden. En Schiller dankte beiden met een vriendelijken handdruk, en keerde toen haastig naar zijne gasten terug. Intusschen had Lotte een weinig toilet gemaakt, aan de dienstmaagd hare bevelen gegeven, en was nu bezig een paar vetkaarsen te ontsteken, die op de groen verlakte kandelaars zeer deftig stonden.

De privaat-onderwijzer Göritz, een zeer lief, vriendelijk mensch, was mevrouw Schiller hierbij behulpzaam, en plaatste de lichten; vervolgens bood hij zijn dienst aan voor het gereedmaken der tafel.

De heeren professoren onderhielden zich middelerwijl over de groote gebeurtenis, die destijds elkeen bezig hield : over de werken van den Koningsberger wijsgeer, en ginds in de vensternis stond Schiller met den zoogenaamden dichter Novalis, den heer von Hardenberg, en luisterde met gespannen aandacht naar de berichten, welke deze heden uit Parijs van zijn oom, den baron von Hardenberg, ontvangen had. De Koning van Pruisen had,dezen bekwamen diplomaat daarheen gezonden, om met de conventie te onderhandelen en te beproeven, of 't niet gelukken zou, de koninklijke familie uit de handen barer wreede vijanden te bevrijden. De heer von Hardenberg had zijn geliefden neef een zeer levendig en uitvoerig tafereel van den politieken toestand geschetst, en hem met levendige deelneming den ongeltikkigen toestand van het koninklijke paar geschilderd, en de krenkingen en vernederingen, die het van 'tvolk te lijden had.

Schiller vernam dit alles met de levendigstebelangstel-line, en zijn licht bewogen gelaat drukte al de verbazing en het medelijden uit, dat zijn ziel beroerde.

„Het luidt als een sprookje,quot; zeide hij : „men vertrouwt zijne ooren niet, meent een vreemde taal te hooren ! Een koninklijk paar, dat van zijn onderdanen te lijden heeft, een volk dat regeert en zijn Koning dwingt te gehoorzamen. 't Is waarlijk een grootsch idee, welke deze Fransche revolutie ten grond ligt; —de idéé der vrijheid, de idéé der volkssouvereinitcit, der gelijkheid en broederschap. O, dit zijn verhevene, goddelijk schoone woorden, en het drijft mij de tranen in de oogen als ik denk, dat in onzen tijd van vorstenheerlijkheid en despotisme,zulke

ocr page 100

90

verheven denkbeelden uitgesproken, — en tot daad gemaakt kunnen worden! Vrijheid, gelijkheid broederschap! En geheel een groot volk buigt voor deze woorden, die, gelijk de wettafelen van Mozes, der menschheid een nieuwen tijd en een nieuwe orde van zaken aankondigen! Ja, waarlijk; wij staan aan de poort van een nieuwen tijd, en zoo de achttiende eeuw begon met de verkondiging van een nieuw koningschap, zal zij misschien eindigen met de vestiging van een republiek. O, Novalis, welk een groote, onmetelijke gedachte van vooruitgang ligt in dit enkele woord: Republiek! De Vorsten mogen het met huivering en atgrijzen hooren, maar voor de volken is het toch een woord van openbaring, van belofte en . .

„Friedrich, lieve Friedrich,'' fluisterde Lotte, met echte huisvrouwelijke bedrijvigheid op hem toetredende; „denk eens, wij kunnen onze gasten niet plaatsen. De huisjuffers hebben mij wél haar eettatel geleend, want ik had Lrüritz tot haar gezonden en hen er om laten verzoeken. Maar aan deze tatel kunnen slechts tien personen zitten, en wij zijn thans, nu de dames komen, met vijftien personen.

Wat beginnen wij nu?'' „ • o u i

„Wij zetten een onzer lateis bij de andere, zei Schiller glimlachend.

„Maar de tafel is vierkant, en onze twee tafels rond.^

,,Nu, dan zetten wij een ronde tafel bij de vierkante.quot;

„Maar dat gaat niet, dat is onmogelijk!quot; verzekerde Lotte.

„Onmogelijk?'' riep Schiller: „Mu, het is een vraag van zóó hoog gewicht, dat wij haar onze gasten ter beslissing willen voorstellen.

En Schiller trad met deftige schreden midden in de kamer, en met volkomen ernstig gelaat zeide hij ; „Mijne vrienden, ik verzoek voor een oogenblik uwe aandacht.

Terstond verstomden alle gesprekken, en aller oogen richtten zich op Schiller.

„Mijne vrienden,quot; zeide hij glimlachend,: „de lieve Lotte hier, heeft mij een gewichtige vraag voor u ter beslissing voorgesteld. Met betreft een vierkant en een rond, dus eenigermate een quadratuur van den cirkel. Het vierkant en hel rond worden door twee lateis vertegenwoordigd, en gij hebt uit te maken, of zij naast elkander geplaatst

ocr page 101

91

•kunnea worden, en of ge beproeven wilt de quadraluur van den cirkel misschien door uw geleerde bestudeering van een gebraad en salade, aan den dag te brengen.quot;

„Ja, wij willen het beproeven,quot; riepen de vrienden lachend en welgemoed: „Wij willen het vierkant en het rond naast elkander plaatsen, en onze onderzoekingen over de quadratuur van den cirkel bij het gebraad en de salade beginnen!quot;

„Het komt immers?quot; vroeg Schiller heimelijk aan zijn Lotte: „De kastelein van de Ressource heeft immers alles gezonden?quot;

„Ja, hij heeft alles gezonden Friedrich, en denk eens, het kost alles te zamen slechts twee thaler. Bier en land-wijn er bij gerekend.quot;

„Voortreffelijk, Lolo! Nu willen wij dan ook lustig zijn en het voolijk hier genieten! Lieve gasten, een aangenaam avondeten, en nog geld in den zak! Zóó kan men zich wel in het leven verheugen!quot; —

En zij verheugden zich waarlijk in het leven op dezen gelukkigen herfstavond. De vierkante en de ronde tafel stonden zeer goed naast elkander, en het was een recht schilderachtig gezicht, toen op het helder witte tafellaken van de vierkante, de groote schotel met het bruin varkensgebraad prijkte, en op de ronde tafel, de kleinere blauwe schaal met de groene salade.

En schooner gezicht nog, toen om de beide lateis het gezelschap zich gezet had! Louter opgeruimde, vroolijke gezichten! Een schertsend woord op ieders lippen, een genegen vriendelijke blik in ieder schitterend paar oogen! Waarlijk; voor de genooton van dezen gelukkigen tafelkring, was de zorg met het donkere uilengezicht niet aanwezig; en het geluk, — dat anders slechts op gevleu-gelden voet den mensch voorbij vliegt,— hield een oogen-blik zijn vleugels in, zweefde met glimlachend gelaat over de kamer van den dichter, en verblijdde zich over den onschuldig \roolijken tafelkring. Koning Artus kon rnet zijne ridders niet genoeglijker gedronken hebben, dan Schiiler met zijn vrienden den landwijn en het bier dronk; de nachtegaalpastijtjes en de met het vleesch van jonge meisjes gevoederde visch van Lucullus, konden den Romeinen niet beter smaken, dan den lieven Jenaërs het varkensgebraad

ocr page 102

92

met salade! Geen geestiger onderhoud en diep ernstiger gesprekken konden bij de symposiën van Plato gehouden worden, dan hier aan de tafel van den Duitschen dichter en professor, en het ontbrak hierhij niet aan attisch zout en socratische vroolijkheid. —

En toen men gegeten en gedronken had, werden de tafels schielijk ter zijde geschoven, en de heeren professoren hielpen de dames lachend en genoegelijk bij het afnemen der tafels. Want Baggesen, — de zalige, van geluk stralende Baggesen, — had zijn tafelgezellin, de lieve Lolo gevraagd, of het ook soms gebeurde, dat degeleerde heeren professoren na den maaltijd een dansje of een gezellig spel begonnen, zooals dat bij hem, in het lieve Denemarken geschiedde? Lolo had luid de vraag van den Deen herhaald, en toen hadden niet alleen de dames, — maar ook de mannen geroepen; „Wij willen óók dansen en spelen! Wij willen den Deenschen dichter bewijzen dat wij Duitsche dichters en geleerden óók vroolijk kunnen zijn, en het carye diem van Horatius uitmuntend verstaan !quot;

Zij bewezen het Baggesen, deze Duitsche dichter en geleerden, in de universiteitsstad Jena. Hoe gelukkig was het, dat Lolo een piano van hare moeder als huwelijksgeschenk had gekregen, want zonder muziek geen dans; maar als de duitsche wals klinkt, heffen zich de Duitsche voeten op, en zelfs ouden menschen jeuken nog de teenen bij de vroolijke dansmuziek! De heer Göritz wist zeer fraaie walsen te spelen en niemamd kon die tonen weerstaan. Friedrich Schiller zelf opende nu de rij! Met mevrouw Fischenich in den arm walste hij zeer lustig en net op en neder, vervolgens kwam Lolo met Baggesen,— dien zij in allen haast den walspas geleerd had, — en achter hen de drie andere lieve vrouwen met hare geleerde dansers. En toen men genoeg gedanst had, begon men met gemoedelijke vreugde een lustig kinderspel; men speelde blindemannetje, — het modespel,'t welk Marie Antoinette in gelukkige dagen te Parijs had ingevoerd, en men te Versailles en Trianon met uitgelaten vroolijkheid, tot schrik der opperhofmeesteres „madame Etiquette,'' gespeeld had. Uit de donkere zalen en de belommerde bosschages, waar de levenslustige Koningin het met hare

ocr page 103

93

cavaliers gespeeld had, was het „blmdetnarmetjesspeiquot; vervolgens naar Parijs gekomen en mode geworden; was van daar in Duitschland overgegaan, vanwaar het was uitgegaan als een kinderspel, en waar het terugkeerde als een medespel voor volwassenen.

Thans speelde men „blindemannetjequot; in alle Hofkringen evenals in alle voorname gezelschappen; men speelde „blindemannetje,'' terwijl de ongelukkige Koningin Marie Antoinette lang opgehouden had, zich met onschuldige kinderspelen te verlustigen, en aan de gelukkige dagen van Versailles en Trianon nog slechts dacht, als aan de liefelijke morgendroomen van verdwenen geluk! —

Uit het huis van den Duitschen dichter was het nog niet verdwenen, het lichtgevleugeld geluk! Daar lachte men nog en genoot vroolijke uren; daar stond nog met diamanten letters carpe Diem op den wand van de eenvoudige kamer geschreven! Zij speelden „blindemannetje,quot; en hoe hartelijk lachte Schiller, als 'them gelukte, met zijne, als molenwieken draaiende armen een der dames te vangen, en hoe zacht en voorzichtig wist hij ter zijde te springen, als een der dames met den doek voor de oogen, hem reeds bijna als blindemannetje gevat had. Hoe lachten, juichten en schreeuwden allen bravo, als zijn ontglippen, tóch vruchteloos was, en als het blindemannetje bij een enkelen lichtstraal, den wegsluipende tóch nog ving! 1)

Eerst laat in den nacht scheidden de vroolijke, gelukkige, menschen; met tranen van dankbaarheid en liefde in de goede, eerlijke oogen, nam Paggesen afscheid van de schielijk gewonnen vrienden, en zwoer, dat hij dezen dag gedenken zou zoo lang hij leefde, en hem elk volgend jaar als een herinneringsfeest zou vieren!

O

1

Het blindemansspel werd destijds met groote harstochtelijkheid gespeeld ; en toen Schiller in de herfst vacantia met zijn vrouw voor veertien dagen naar zijn schoonmoeder te Rudolstadt was gegaan, schreef hij onder anderen vandaar aan zijn vriend Kürner: „Wij hebben hier twaalf dagen met eten, drinken, schaak-of blindemansspelen doorgebracht.quot; Zie: Schiller's Briefwechsel mit Körner. III. 207.

ocr page 104

94

VIII.

AAN DE POORTEN DES DOODS.

Ach, de goede Deensche enthusiast vermoedde niet, dat boven het huis, naar 't welk hij vroeg in den volgenden morgen zijn blik richtte, en in den geest nog eens afscheid nam van den Duitschen dichter, die daar woonde; — dat boven dit huis, dat voor hem glansde in de stralen der morgenzon, nu spoedig donkere wolken zouden samentrekken ; en dat in dezelfde vertrekken, die onlangs nog weergalmd hadden van scherts en vroolijkheid, spoedig jammer en wee zouden klinken!

Schiller werd ziek; een zware verkoudheid, welke hij zich op een reis naar Erfurt tot den Coadjutor Dalberg on den hals had gehaald, kwelde hem met bittere smarten en beangstigende benauwdheden, en eerst na weken herstelde hij van zijn lijden, ging, op den arm zijner Lotte steunende, in de kamer heen en weder, of rustte in den armstoel bij het venster; zag met de groote, blauwe oogen ten hemel, en volgde peinzend den gang der wolken, die langzaam voorbij zweefden. Toen hij weer tot genoegzame krachten was gekomen, en de arts meende, dat verandering van lucht in 't begin der lente voor den herstellende weldadig kon zijn, begaf Schiller zich met zijn Lolo tegen Paschen van het jaar 1791, naar Rudolstadt. Ten huize zijner schoonmoeder, mevrouw von Lengefeld, waren steeds kamers gereed voor de geliefde kinderen uit Jena; en daar was ook de trouwe schoonzuster Karoline, die thans van haar echtgenoot, den heer von Beulwitz, gescheiden was, en in volle vrijheid nu weder in het moederlijke huis woonde. Schoone dagen vol liefde en vroolijkheid, bracht de gelukkige familie gedurende dezen paaschtijd, in het huisje te Rudolstadt door.

Maar slechts dagen! Want „met de machten van het noodlot is geen eeuwig verbond te sluiten, en het ongeluk rijdt snel! — Nu kwam het aanrennen met vliegende manen en sombere oogen; nu wierp het den nauwelijks herstelden dichter weder op het ziekbed neder, en boorde als met dolken in zijn borst, en folterde hem met benauwd

ocr page 105

95

heden en smartelijk, hoesten, en stortte den vuurstroom der koorts door zijn trillende aderen.

Lolo, de arme jonge vrouw, was geheel verslagen, geheel moedeloos; en weende van droefheid en smart. Karoline weende niet; zij had steeds een troostwoord voor haar zuster, steeds een bemoedigenden, zachten glimlach voor den gelietden zieke. Zij zat uren lang aan zijn bed, en waakte met het oog der liefde over hem; las hem voor, als Schiller zonder pijn was, koutte hem met haar lieve, zachte stem in slaap, en zat stil en zacht nog nevens hem, als hij de oogen weder opsloeg, misschien om te zien, of zijn engel hem nog bewaakte. Dan glimlachte Schiller en reikte der vriendin zijn brandend heete hand, en knikte haar toe.

Op zekeren dag zat Karoline weder nevens hem, terwijl Lotte zich op dringend verzoek, in de kamer harer zuster een weinig had nedergelegd om te rusten, nadat zij den vorlgen nacht aan het bed van haren echtgenoot gewaakt had. Schiller had geslapen, geslapen zooals een door asthma en borstbenauwdheden geplaagde koortszieke slapen /can; nu sloeg hij langzaam de oogen op, en daar hij Karoline nevens zich zag, vroeg hij met zachte stem naar zijne Lotte.

„Zij slaapt een weinig,quot; antwoordde Karoline opstaande; „maar als ge haar spreken wilt, zal ik haar roepen.quot;

Schiller maakte een ontkennende beweging, — „Laat haar slapen, het arme kind ! 't Is mij aangenaam, Karoline, dat wij alleen zijn; want ik heb een vraag op het hart, die ik niet in Lolo's tegenwoordigheid tot u zou kunnen doen, en ik wil u verzoeken, haar mij eerlijk en oprecht te beantwoorden. Belooft ge mij dit?quot;

„Ja, Schiller; wat ge ook vragen moogt, ik zal u eerlijk en oprecht antwoorden.quot;

„Geef mij dan uw hand, Karoline. Fn nu zeg mij, vriendin: gelooft ge dat ik genezen zal?quot;

Hij richtte zijne, door de ziekte nog grooter geworden oogen, met een langen, vorschenden blik op Karoline's gelaat, maar zij ontweek dezen blik niet. Haar edel gelaat glansde nog hooger, en een hemelsche glimlach verheerlijkte hare trekken.

„Schiller, ik geloof het niet alleen, ik iveet het! De ge-

t

ocr page 106

96

nius die in u woont, is machtiger dan de krankheid, en hij zal haar dwingen dit lichaam te verlaten, dat nog op aarde wandelen moet, wijl het dichtersgenie zijn taak nog niet volbracht heeft! Ja, Schiller, ik weet dat ge genezen zult; want een wezen als gij, kan niet eindigen in den bloei zijner kracht, kan ons niet voor altoos ontnomen worden. Ge zult leven, en nog vele gelukkige jaren onder ons blijven!quot;

„Vele, gelukkige jaren,quot; herhaalde hij peinzend: „Ach, Karoline; met de gelukkige jaren zal het wel gedaan zijn, zoo ik ook jaren te leven heb! Geloof mij, als ik genees, ben ik toch tot een eeuwige ziekelijkheid vervallen en de worm des doods, die hier in mijn borst klopt, zal nooit weder geheel verstommen !quot;

„Ach, Schiller, zeg dit niet; ge zijt nog zoo jong, —in den eersten, krachtigen, mannelijken leeftijd!quot;

„Ja,quot; zuchtte hij smartelijk: „en tóch reeds aan ziekelijkheid vervallen! Ik zeg 't u als arts; ik zal misschien leven, maar leven om te lijden! Maar ik zal ook misschien nu reeds sterven; want ik ben heden zeer zonderling te moede, en vrees, dat een ergere borstkramp mij overvallen, — en misschien dooden zal.quot;

„Laat mij dan om den geneesheer zenden,quot; riep Karoline angstig; „laat ons middelen beproeven om de kramp te keer te gaan.quot;

„Neen, vriendin, laat ons sterk zijn en onderworpen, en verwachten wat het lot. over mij besloten heeft, want dit is het eenige wat wij doen kunnen. Aan den albestu-renden geest der Natuur moeten wij ons overgeven, en werken zoolang wij kunnen. Mijn werken bestaat wel is waar thans nog slechts in woorden, en ik kan niets meer doen, dan u den dank mijner liefde betuigen, voor al uw opoffering en trouw!quot;

„Ach, spreek niet, mijn vriend,quot; bad zij met angstige stem: „laat mij stil nevens u zitten en spreek niet!quot;

„Neen, Kaï-oline, ik moet een paar woorden tot u spreken, en juist daarom is 't mij welkom dat wij alleen zijn. —

Ik moet u het testament mijner liefde geven, en u tot de uitvoerster van mijn laatsten wil benoemen. Mijn testament is: bemint elkander; en mijn laatste wil is, dat

ocr page 107

07

ge mijn geliefde Lotte aanneemt, haai- sterkt en steunt, als het noodlot over haar losbreekt en zij verpletterd mocht worden. Gij zult in mijn geest en mijn zin de lieve, kinderlijke vrouw beschermen en ondersteunen; gij, mijn zuster, mijn vriendin, gij zult als mijne erfgename in den geest der liefde haar behoeden, en mijne vrouw bewaren voor verlatenheid en hulpeloosheid. Wilt ge dat?quot;

„Ik wil het, Schiller, zoo ik het kan; zoo de droefheid om u mij niet doodt. Ge waart de kracht en de vreugde , mijns levens; ik leefde in u en door u!quot;

„En ge zult ook verder in en door mij leven, Karo-line, want mijn geest zal bij u zijn en met u leven als de eeuwige liefde, de eeuwige trouw. Ik denk grootsch over u, Karoline, en daarom begeer ik van u, dat ge leven zult, zoo ik ook heen mocht gaan; en dat gij weten zoudt dat ik bij u ben, en zien zoudt met de oogen van uwen geest, die een gedeelte is van denzellden God, tot Wien mijn geest terugkeert. Ik begeer van u, dat ge sterk zijt in liefde, en de smart overwint, om mijn jonge vrouw in de hare te troosten. Wilt ge mijn begeerte vervullen, Karoline?quot;

Zij legde haar koude hand in de zijne die van koorts gloeide, en hunne oogen ontmoetten elkander in een langen, schitterenden blik. Met dezen blik zeiden hunne zielen wat hun lippen elkander nooit gezegd hadden; in dezen blik lag het diepe, onuitgesproken geheim huns levens, dat slechts God kende en kennen mocht!

„Ik wil uw begeerte vervullen, Friedrich. Ik wil leven en sterk zijn in liefde en trouw; ik wil uwe jonge vrouw beschermen en behoeden; in de liefde tot haar hebben wij ons beiden ontmoet; in de liefde tot haar wil ik volharden en leven, zelfs zoo ge ons ontnomen wordt, Friedrich. Ik wil zóó voor haar zorgen, zóó voor haar leven, als dacht ik, ge kondt elk oogenblik tot mij komen en rekenschap vorderen over den schat, dien ge mij hebt toevertrouwd !quot;

„Ik dank u, Karoline! Buig over mij, en druk een kus op mijne lippen, als het zegel uwer belofte!quot;

Karoline boog zich en kuste zijn gloeiend voorhoofd en zijne lippen. Geen traan kwam in hare oogen, geen smartelijke zucht trilde van hare lippen. Het was een dier

Mühlbach, Duitschland in Koeling en strijd. V. 7

ocr page 108

98

heilige en grootsche oogenblikken, waarin de ziel opwaarts vliegt tot reiner en verhevener oorden, waar geen droefheid, geen wolken zijn, en al het aardsche leed nog slechts nietige beuzeling en overwonnen beproeving is.

Karoline weende niet; een straal van hemelsche vrede glinsterde tegelijk op haar aangezicht en dat van Schiller, toen zij zijn hand in de hare houdende, voor zijn bed nederknielde, en haar hoofd zacht en stil nevens het zijne legde.

„Ik zou mét u willen sterven, Schiller, maar ik wil leven door u en — laat het mij zeggen, met u! Want er is een sterke, troostrijke hoop, een onwrikbaar geloof aan uwe genezing in mij. God zal u voor ons, voor uwe Lotte behouden!quot;

Hij schudde langzaam het hoofd. — „Ik ben een kind des doods, Karoline. Maar klinkt dit niet fraai en is het niet troostrijk? Een kind des doods — heet dat niet,dat de dood onze vader is, en ons weder opneemt en in zijne armen legt? O, mijn vriendin; een ziekbed is niet alleen een plaats van lijden, maar ook van leering, en ik heb het vele schoone en verhevene uren te danken! Ik dank het de kennis der liefde, van welke ik in deze dagen zoovele bewijzen en treffende getuigenissen ontvangen heb. Ik heb wel gezien, hoe ge mij met liefde omringd heb; hoe ge geijverd hebt om mij te dienen; ik heb gehoord hoe de van Jena overgekomen vrienden er om twistten, wie bij mij waken zou; en in al mijn smarten gevoelde ik mij tóch gelukkig in de ervaring, dat ik mijn vrienden dierbaar ben.''

„Ook den hertog Karl August zijt ge dierbaar,quot; zeide Karoline, met den vurigen wensch ge ideale vlucht van den zieke tegen te hemden: „eiken dag heeft hij een renbode hierheen gezonden, om naar uw toestand te vernemen. en nu hij gehoord heeft, dat ge betert, heeft hij gisteren tot uw versterking een half dozijn flesschen madera gezonden.

Schiller glimlachte flauw. — „Als ik hem niet drinken kan, zullen het mijn vrienden bij mijn doodkist doen.quot;

„Ook een groote, officieele brief is heden van den goeden hertog aangekomen. Lotte heeft hem opengebroken en gelezen, en 't is een nieuw bewijs van de liefde en

ocr page 109

99

deelneming van den hertog; want door dit schrijven ontslaat hij u voor dozen zomer1 van de collegelessen, en weft

1 rgt;y 0 7 0

u verlof.

„Het ontslaat zich van zelf,quot; zuchtte Schiller: „ik had tóch niet kunnen doen, wat mij onmogelijk is.quot; ^

„Maar ge ziet er toch aan. Schiller, dat ook de artsen uw toestand niet doodelijk houden; want na een conferentie met zijn lijfarts, dien hij tot een consult hierheen had gezonden, heeft de hertog deze dispensatie gegeven; wijl de artsen gezegd hadden, dat ge dezen zomer rust en verpoozing tot uw herstel hehoefdet. Zie, mijn lieve vriend ; als zij uw toestand voor hopeloos hielden, zou immers zulk een dispensatie geheel onnoodig zijn.quot;

„Zij willen mij moed geven,quot; zei Schiller, met een Hauwen glimlach : „ik ken immers deze artsenijen van troost en liefderijke misleiding, welke men den hopeloozen zieke voorschrift Maar ik zeide immers ook, Karoline, dat ik aan de mogelijkheid van herstel geloof, maar ik heb heden een treurig voorgevoel. Er is een zonderling dof, beklemd gevoel in mij; en quot;ik lig nu in de waarschuwende stilte, die in de Natuur het onweder voorafgaat. De pijn schiet-reeds soms als bliksemschichten door mijn borst, en ik hoor reeds de doffe wiekslagen van den dood, die boven mij zweeft als een zwarte onweerswolk. Ach, Karoline, mijn vriendin; ik vrees, dat uw liefderijke voorgevoelens u tóch bedrogen hebben, en heften einde gaat! O, welk een vreeselijke pijn — welk een ontzettende angst.quot;

Hij richtte zich haastig in zijn bed op, en leunde kermend en steunend zijn hoofd tegen den schouder van Karoline, die haar arm om zijn hals gelegd had, en hem ondersteunde. Een doodsche bleekheid bedekte zijn wangen, met groote droppels stond het zweet op zijn lijkkleurig voorhoofd, en zwaar en dof, als het reutelen van den dood, klonken de klaagtonen van zijn blauwe lippen.

Dit reutelen had Lotte in de belendende kamer uit haar sluimering gewekt, en zij kwam ijlings toegevlogen, plaatste zich aan de andere zijde van het bed, en sloeg haar arm insgelijks om den hals van Schiller, om hem te ondersteunen, hem te houden, zooals Karoline deed.

1

Schiller's eigen woorden. Zie: Schiller's Briefvvechsel mit Körner II.

ocr page 110

100

Hij gevoelde, midden ia zijne pijnen, de tegenwoordigheid zijner Lotte, en kiemde zijn lippen vast opeen, om het smartelijk steunen te onderdrukken, waarmede hij wist, dat hij haar het hart verscheurde. Vervolgens, toen de krampaanval ophield, opende hij Hauw de oogen, en zijn blik rustte met een lange, smartelijk teedere uitdrukking op het snikkend gelaat zijner jonge vrouw.

„Ach, mijn lieve vrouw, hoe smart het mij u te zien schreien, en hoe treurig is het, van u te moeten scheiden.quot;

„Ach, Friedrich, mijn gelietde, mijn eenig geluk, wilt ge dan van mij scheiden? Wilt ge uw arme Lotte alleen en eenzaam achterlaten op de aarde! Neen, 'tis onmogelijk; God kan niet zoo wreed zijn; Hij zal barmhartig wezen en u voor mij behouden!quot;

Zij wierp zich, door smart overweldigd,, in vertwijfeling, met wringende handen, met van tranen overstroomd aangezicht nevens het bed, nam de magere hand van Schiller, drukte haar gelaat er op en weende en snikte luid.

Schiller wendde langzaam zijn blik naar Karoline, en met tlauwe stem fluisterde hij; „Gij ziet hoe zij lijdt, en zult mijn belofte vervullen?quot;

Karoline knikte zacht, en boog zich vervolgens naar de troostelooze jonge vrouw. — „Moed, zuster, moed! Wilt ge hem, die zooveel lijdt, nog dubbel doen lijden door uwe droefheid?quot;

, Neen ; 'tis waar! Neen, hij zal door mij nietlijden!quot;

Zij droogde haastig hare tranen en drong het snikkend in haar borst terug, hield slechts de koude handen van den geliefde vast in de hare, en zag met teederen blik tot hem op.

„Hoe is 'tmet u, mijn Friedrich? Open eens uw geliefde oogen en schouw mij aan, opdat ge zien moogt, dat ik kalm en beraden ben! Zeg mij dat ge bij mij wilt blijven, dat ge uw arme Lotte niet verlaten wilt!'

De smeekende woorden der geliefde riepen den zwervenden geest weder terug in het sterfelijk hulsel, en Schiller, die eerst koud en bewegingloos gelegen had, sloeg met een zwaren zucht de oogen weder op.

„Mijn ziel is door de wereld gevlogen,quot; prevelde hij, „en ik heb de heerlijkheid des hemels aanschouwd. O, mijn Lotte; wat het lot over ons beschoren heeft, moeten

ocr page 111

101

wij dragen, en ons onderwerpen aan zijne beschikking! Mijn leven was arbeid en moeite, maar ook liefde en geluk. Daar ik nu aan de poorten der eeuwigheid sta, sla ik een terugblik in het leven, en vind geen dag, die mij beschuldigt; ik zie wèl menige donkere wolk, maar óók den helderen zonneglans der liefde, die alles overstraalt. Ik dank u, mijn Lotle, voor het geluk, dat ge mij bereid hebt. en waarvan het besef mij blijven zal tot mijn laat-sten ademtocht. Kus mij tot afscheid, mijn geliefde vrouw, en zoek dan uw smart te overwinnen, en laat mij sterven onder uwen glimlach.quot;

Zij breidde hare armen over hem uit en kuste hem; maar den glimlach kon zij niet op haar van smart trillende lippen roepen en de tranen niet bedwingen, die als beken uit hare oogen vloeiden.

„O, mijn geliefde; is het dan waar, is het dan mogelijk? Wilt ge mij verlaten? Van u is mij alle geluk gekomen en nu moet ook van u mij alle smart komen; ik moet door de wereld gaan in de sombere smart van mijn vroegtijdig weduwschap! Zoo zegen mij dan tot dit treurige aanzijn! Mijn hart sterft mèt u; ach, Friedrich, zegen mijn stervend hart!quot;

Zij knielde neder en legde haar gelaat op de witte kussens van het bed, aan welks andere zijde Karoline stond met gevouwen handen en opwaarts gerichten blik.

Schiller hief met moeite zijn hand op, en liet haar langzaam op het hoofd zijner vrouw zinken. — „Mijn geliefde, alles wat aan hemelschen zegen in mij is, stort ik op u neder! Moge de adem Gods, die mijn sterfelijk hulsel bezield heeft, u aanwaaien en doorstroomen, als hij mijn hulsel ontvliedt, opdat ge moogt weten en erkennen, dat mijn ziel niet gestorven is, maar leeft in de uwe, en dat...quot;

Zijn tong werd zwaarder, en slechts onverstaanbaar en als zuchten stamelden zijn verhleekende lippen nog eenige klanken, die spoedig door luid kermen en steunen afgebroken werden. Een nieuwe kramp, vreeselijker en ontzettender dan alle vorigen, greep de arme borst van den dichter aan en wrong zich in zijn vleesch, en deed hem kermen en schreeuwen van onbeschrijfelijke pijn en vreesdij ken doodsangst.

Lotte was onmachtig voor het bed des geliefden neder-

ocr page 112

102

gezonken; Karoline stond zonder tranen, in het volle bewustzijn van het zwaard, dat haar ziel doorwoelde, maar met den dapperen en toegewijden moed, dien slechts de ware liefde schenkt. Zij droogde het zweet van het klamme voorhoofd des dichters, en fluisterde in zijn oor woorden van troost en bemoediging, — woorden vol heilige, diepe liefde.

En midden door het woeden der pijnen heen, hoorde Schiller deze heilige orgeltonen, en uit het schimmenrijk des doods riepen zij hem weder tot het licht, weder op de aarde.

Schiller sloeg de oogen nog éénmaal op, en toen hij nu nevens Karoline den bevrienden arts, dokter Starke, zag, die van Jena was overgekomen, groette hij hem met een zachten glimlach en knikte hem toe.

„Ik dank u, vriend, dat ge nevens ons zijt in de ure van mijn dood. Zijt ge alleen gekomen, of zijn er nog anderen hier?quot;

„Uwe dischgenooten zijn met mij gekomen, vriend. Zij wachten in de andere kamer, of zij u begroeten mogen. O, Schiller: geheel Jena zou gaarne gekomen zijn om u te zien; geheel Jena weent en treurt om u!quot;

„Zij hebben ongeliik, te weenen en te treuren,quot; zei Schiller met wonderbare helderheid van stem: „ik heb thans alle pijn overwonnen, en mijn ziel rept reeds de vleugels om opwaarts te vliegen. Laat de vrienden binnentreden, opdat ze van mij leeren, hoe men gerust sterven kan.'*1) —

Karoline opende de deur, en nu traden zij binnen, de lieve vrienden, met wie Schiller nog onlangs zulke vroo-lijke uren had doorgebracht; daar waren Göritz en Fischenich, Hardenberg, Reinhard, Riethammer en Frits von Stein. De gezichten, die destijds zoo vroolijk gelachen hadden, waren nu treurig; de oogen, die destijds zoo helder geschitterd hadden, zwommen nu in tranen.

Zacht, op de teenen, naderden zij het bed, waarop Schiller lag, — het lijkkleurig gelaat naar de vrienden gewend, onbekwaam om te speken, maar tóch met een blik

1

Schiller's eigen woorden. Zie: Schiller's Leben verfaszt aus i'rinne-rungen der Familie und seinen eigenen Briefen. (Von Karoline von Wolzo-gen.) 229.

ocr page 113

103

in de groote, wijdgeopende oogen, die meer lot hen zeide dan woorden hadden kunnen doen.

Doodelijke stilte heerschte in de kamer; de vrienden hielden hun adem in, om met geen zucht of snik deze plechtige stilte te storen, die de nadering van den dood voorafging. Maar vervolgens werd deze stilte afgebroken door een stem, die als uit de verte, klankloos en toch verstaanbaar, als het fluisteren van luchtgeesten, sprak; „Ik groet u, hemelsch zonnelicht! Ge hebt Homerus beschenen, gij beschijnt ook mij!quot;

Toen werd alles weder stil; Schillers oogen namen een strakke uitdrukking aan, en openden zich wijder. De blauwe lippen deden zich open en lieten dat akelig, vreeselijk jammergeluid, dat afgrijselijk steunen hooren, 't welk den laatsten strijd, pleegt aan te duiden, dien de worstelende ziel te strijden heeft met het lichaam, dat haar zoekt vast te houden.

De vrienden zonken op de knieën, en het luide weenen, dat zij nu niet langer konden bedwingen, vermengde zich met het kreunen van den stervende.

Karoline alleen weende niet; zij greep slechts met krampachtige haast de hand van dokter Starke, die nevens haar stond, en met een gelaat, dat van smart trilde en bleek was als dat van Schiller, vroeg, neen, gilde zij; „Is hij dood? Sterft Schiller?quot;

De arts boog zich over het bed, van 't welk nu geen kermen, geen steunen meer klonk; hij luisterde aan de lippen, die nu niet meer bewogen en niet meer klaagden; hij onderzocht de oogen, waarin nu geen vonk meer glom van het „hemelsch zonnelicht.quot; Toen schoof de arts met bedroefd gelaat de dekens weg, en legde zijn oor aan de borst, die koud en geheel was als albast. Niets, geen toon, — doch ja, nu een zwak reutelen, een zachte, flauwe ademtocht!

„Neen, hij is nog niet dood. Er is nog leven in hem, en zoo lang er leven is, is er hoop! Warme doeken en vlugzouten ! Wij willen hem de voeten en de slapen wrijven, misschien is 't slechts een kramp, misschien gelukt het ons nog den dood te overwinnen !quot;

ocr page 114

104

IX.

HET FEEST TER GEDACHTENIS AAN SCHILLER.

De zee sloeg murmelend haar wit schuimende golven tegen het strand, als wilde zij aan de Deensche kust den groet brengen van het naburige land, — den groet van Zweden, welks kusten als in een nevelsluier aan den verren horizon zichtbaar waren. Een zonneblik hiet nu dezen nevelsluier op, en'bescheen met gouden glans de rotsklip Kullen, ginds aan de Zweedsche zijde; schoot een glinsterende lichtstreep over de zee heen, naar het kleine dorp Hellaback, dat te midden van groene boomen en van geurige tuinen, nabij het strand aan de Deensche zijde lag.

Een dezer tuinen, welks liefelijke parken, groene grasvelden en boomgroepen zich tot dicht aan den stellen zeeoever uitstrekten, was heden buitengewoon levendig, en het scheen alsof men er een feest vierde. Een schare in 'twit gekleede meisjes stond achter de hooge boomen, die het ronde grasperk nabij het strand, aan de eene zijde omsloten. Knapen in grieksche gewaden, even als de meisjes, de hoofden met bloemen bekranst, omgaven een met rozen omwonden lage zuil, die zich op twee breede marmeren treden, in 't midden van het grasperk verhief. Op den top dezer zuil lag te midden van kransen en bloemen, ^en opengeslagen boek op een met leliën opwonden lessenaar, waarboven een gouden letter was aangebracht, de letter S.

De zon, die de rotsklip Kullen en het dorp Hellaback bescheen, — de zon, die Homerus had beschenen, scheen ook op deze zuil, en de gouden S glinsterde en schitterde wonderbaar in de zomerlucht.

Nu naderden in de breede allée van ten hemel stijgende eiken, drie paren het ronde perk. Drie mannen en drie vrouwen, twee aan twee achter elkander gaande; de drie vrouwen in zwarte kleeding, omhuld door lange, zwarte sluiers van floers, die op het hooM met een krans van witte leliën bevestigd waren ; de mannen in zwarte feestkleederen, een zwart floers om den rechter bovenarm, en ook den ronden, vilten hoed omwonden door een hreeden band van dit rouwteeken. En even treurend als hun uitei-

ocr page 115

105

lijk voorkomen, waren ook de aangezichten dezer drie paren. Tranen blonken in de oogen der schoone vrouwen, diepe neerslachtigheid sprak uit het gelaat der mannen. Langzaam, met gebogen hoofd kwamen zij nu uit de allee op het ronde perk, en gingen over het gras naar de zuil. Op weinige schreden er van, plaatsten zich de drie paren in een halven kring, terwijl de twaalf knapen zich achteruitgaande van de zuil verwijderden, en daar tegenover óók een halven kring vormden, die zich bij den anderen aansloot. Nu trad van de drie mannen de grootste en oudste vooruit, tot dicht bij de zuil; en wie zou nu in deze sombere, in 't zwart geklecde gestalte met het ernstige van smart trekkende gelaat, met het bewolkte voorhoofd en den treurenden blik, den blijmoedigen Deenschen dichter hebben herkend, die in den laten herfst van het vorige jaar zulke vroolijke en gelukkige uren teJenamet Friedrich Schiller en diens vrienden had doorgebracht! Wie had in dezen gestalte vol treurigheid en smart den argeloozen, jovialen man herkend, die met Lotte in den blijden dans draaide, en zich zoo gelukkig gevoelde inde nabijheid van den Duitschen dichter. En toch was hü het. 't Was Baggesen, die daar voor de zuil stond, zijn hoofd tegen den lessenaar, leunde, waarop het opengeslagen boek lag, en smartelijk weende, Een diepe stilte heerschte rondom ; slechts als verwijderde klokkentonen en orgelrui-schen hoorde men de zee haar schuimende golven tegen den oever slaan, en den wind de kruinen der hooge eiken bewegen; en boven het gebogen hoofd van Baggesen schitterde de gouden S in den helderen glans der zon.

Na een lange, plechtige stilte hief Baggeïen zijn hoofd op, en wendde zich om tot de vrienden, de hand op de zuil geleund.

„O, mijn geliefden,quot; zeide hij met luide, doch bevende stem ; „toen ik te Jena den grootsten dichter zijner eeuw zeide, dat ik ieder jaar de gelukkige uren, welke ik in zijne nabijheid mocht doorbrengen, vieren zou als een feest der herinnering, toen dacht ik niet, dat dit feestgevierd zou worden vóór nog een jaar verloopen was, en dat wij het met tranen in plaats van met heilige vreugde in het hart zouden wijden! Schillers leven wilden wij vieren; daar kwam tot ons de verpletterende tijding van zijn

ocr page 116

106

overlijden. Onze zielen beefden bij dit vreeselijk bericht; onze harten bloedden, en schier met verwijtenden blik zagen wij op tot God hierboven en vroegen Hem, hoe Hij zoo wreed tegen ons kon zijn en tegen de geheele mensch-heid, dat Hij de wereld dit groote, zeldzame genie ontnam. Want gij zegt het mét mij: Schiller was een zeldzaam genie! Hij verrees heerlijk aan den dichterlijken hemel; wat zou hij in zijn toppunt geworden zijn! O God! waarom moest deze Raphael vóór zijne verheerlijking sterven. Maar hij is dood en weg! Scliiller is dood!quot; 1)

„Schiller is dood!quot; riepen de vrienden.

„Schiller is dood!quot; klaagden de heldere stemmen der knapen, en als een droeve echo klonk het uit het duister der hoornen, waar de in 't wit gekleede meisjes stonden ; „Schiller is dood!quot;

En nu vielen fluiten, klarinetten en waldhoorns in met lange zwaarmoedige tonen, en de wind ruischte in de eiken, en de zee murmelde met hare golven; Schiller is dood!quot;

Driemaal riepen de drie paren en de bekranste knapen het luid opwaarts ten hemel; „Schiller is dood!'' Driemaal herhaalde de levende echo achter de boomon; „Schiller is dood!quot; De onzichtbare muziek liet driemaal haar treurige klaagtonen ^hooren, terwijl de wind ruischte, en de zee goltde en de gouden S straalde in den glans der zon!

Maar, toen hief Baggesen zijn gebogen hoofd weder op, en met luide stem riep hij; „Vrienden, laten we onze zielen hooger verheffen; laat ons de onsterfelijkheid van het genie aanschouwen ! Schiller is niet dood, want hij leeft in zijne geschriften; hij leeft in de harten van allen, die zijn poëzie liefhebben, en zich verheffen en verkwikken aan deze openbaringen van het genie! Neen, Schiller is niet dood! Schiller leeft en zal eeuwig leven, in de onsterfelijkheid van zijn werken en zijn roem! Schiller leeft, en daarom moet ons hart vroolijk zijn, en daarom willen wij onze zielen verheffen, en zingen en jubelen in zijn geest, en aanheffen het lied aan de vreugde, 't welk Schiller voor de menschheid gedicht heeft;

1

Bagg^pen'seigen woorden. Zie: JohannesScherr, Schiller and seine Zeit. III.

ocr page 117

107

Freude, schoner Götterfunken,

ïochter aus Elysium,

Wir betreten feuertrunken,

Himmlische! dein Heiligthum.

Deine Zauber binden wieder,

Was die Mode streng getheilt.

Bettler werden Fürstenbrüder,

.Wo dein sanfter Fiügel weilt!

En nu ruischten de cymbalen, fluiten en hoorns luider; nu traden de in 'twit gekleede twaalf meisjes van ach telde hoornen op het grasperk, sloten met de knapen om de zuil een kring, en zweefden in hevallige grieksche rijen er om heen, terwijl zij met de mannen en vrouwen hunne jeugdige stemmen vereenigden, voor het jubelend koorgezang;

Seid umschlungen, Miilionen,

Diesen Kuss der ganzen Welt!

Brüder, überm Sternenzelt Muss ein guter Vat er wohnen!

Tranen van aandoening glinsterden in aller oogen; heilige geestvervoering straalde uit de aangezichten der drie beminnende paren, terwijl zij bij het gezang der knapen en meisjes elkander omhelsden, en den kus op de lippen drukten dien Schiller aan de geheele wereld gezonden had!

Het gezang ging verder, en de fluiten en cymbalen en hoorns, en het ruischen der hoornen, en liet murmelen der zeegolven accompagneerden het gezang der mannen en vrouwen en den reidans der knapen en meisjes.

Vervolgens, toen het lied verstomd was en de muziek zweeg, — toen op een wenk van Baggesen de knapen en meisjes zich verwijderd hadden, toen zetten de drie paren zich op het breede voetstuk der zuil neder. Baggesen nam het opengeslagen boek, Schiller's gedichten en treurspelen bevattende, van den lessenaar., en met luide stem begon hij te lezen. Nevens hem zat Sophie, zijn jonge, innig geliefde vrouw; haar ter zijde de graaf von Schimmelmann met zijne gade, en aan Baggesen's linkerzijde de bisschop Munter met zijn jonge echtgenoote, welke hij onlangs eerst uit Duitschland had medegebracht. Baggesen en deze vrouw

ocr page 118

108

waren hot geweest, die met hun geestdrift voor Schiller de vrienden ontvlamd, — en in geheel Denemarken propa-gande voor hem gemaakt hadden; en zelfs in Duitschland kon de liefde en bewondering voor den Duitschen dichter niet hooger stijgen, dan dit in Denemarken plaats had, hij Schillers hartstochtelijke vereerders.

Twee uren lang zat Baggesen met zijne vrienden op de treden der zuil, en las hun met bezield gelaat uit, „Don Carlosquot; voor, en de vrienden luisterden met stralende blikken, tot de innige, zalige aandoening hunne oogen ver

duisterde en met tranen omsluierde. t Vervolgens, toen de tragedie ten einde was, zong Sophie £ met haar liefelijke stem Schiller's hymne aan de liefde, ] voor welke de jonge gravin Schimmelmann de muziek gecomponeerd had, en ,,zalig door de liefde, goden door i de liefdequot; zonken de drie beminnende, gelukzalige paren c in elkanders armen, tot een teedere omhelzing. Hierop ver- L haalde Baggesen hen met stralend oog van de gelukkige | uren, welke hij te Jena ten huize van den didder had i doorgebracht, en eerst toen de zon met purperen gloed nederdook in de kalme, murmelende zee, — eerst toen begaven de drie paren zich naar de villa van graaf Schim- J melmann, om daar na het verheven feest van den geest, a ook het lichaam lafenis te schenken. In 't midden dei-tafel prijkte Schiller's portret, en de eerste toast gold den e onsterfelijken dichter, den gestorvene en toch eeuwig le- 1 vende: — het genie Friedrich Schiller! 1 Maar den volgenden morgen begaven zij zich weder t naar het strand, en daar waren weder de meisjes en de I knapen in de grieksche gewaden, met de bloemkransen in d het haar; en wederom vielen de cymbalen, hoorns en flui- z ten met klagenden toon in, toen Baggesen het tweede doodenfeest begon met den smartelijken uitroep: „Schiller E is dood!quot; en de echo achter de boemen met luide wee- s klacht herhaalde: „Schiller is dood!quot; Toen las Baggesen h hun de tragedie , Kabaal en liefdequot; voor; en hoe weenden de jonge vrouwen van aandoening over Louise's liefde en a over Ferdinand's vertwijfeling en onderdrukten tóch heur snikken, om geen woord te verliezen, en luisterden tot ein- o delijk Baggesen's eigen stem zweeg, tot hij zijn gelaat met het boek bedekte en in tranen losbrak, in tranen van aan- r;

ocr page 119

101)

doening voor Ferdinand en Louise, in tranen van smart over het verlies van den dichter Fried rich Schiller!

Maar hij verzocht zijn vrienden niet om verontschuldiging wegens deze storing; hij wist dat zij mèt hem weenden, dat zij uit diep bewogen harten instemden met zijn jammer.

„O, vrienden, wat hebben wij aan Schiller verloren! Waarom moest deze Raphael der poëzie zoo vroeg sterven nog vóór zijn verheerlijking!''

Ën terwijl zij weenend en jammerend nog zaten op de treden der zuil, kwam in ijlenden loop een bediende van graat Schimmelmann aansnellen, met een brief in de hand.

„Ik verzoek vergeving dat ik het waag, de heerschappen te storen. Maar een koerier is aangekomen van mijnheer den erfprins van Holstein- Augustenburg, en heeft een brief gebracht voor mijnheer den professor Baggesen. Op den brief staat uitdrukkelijk: „Terstond te overhandigen, zelfs zoo hierdoor het doodenfeest gestoord mocht worden!quot; „Geef hier den brief! Wacht de koerier opantwoord?'' „Neen, heer professor. Hij is reeds weder weggereden. Mijnheer de erfprins heeft hem gezegd, dat er geen antwoord noodig was, en hij heden zelf nog zou komen!quot;

„De erfprins zal zelf komen, en evenwel zend hij zulk een haastigen brief?quot; zeide Baggesen verwonderd, terwijl hij aarzelend den brief beschouwde: „Ik weet niet; mijn hart staat stil, en ik heb den moed niet het zegel te verbreken! Sophie, mijn geliefde, doe gij het voor mij! — Behelst deze brief een ongeluk, dan wordt het verzacht door uwe sympathie; bevat hij een vreugde, dan wordt zij verdubbeld door uwe deelneming.''

Sophie nam glimlachend het papier, en sloeg het uiteen Een verzegelde tweede brief viel uit het papier op haar schoot; zij sloeg er nauwelijks acht op, en doorliep eerst het schrijven van den Holsteinschen prins.

Baggesen's oogen vestigden zich doordringend op haar aangezicht, en bestudeerden eiken trek er van.

„Sophie, mijn geliefde, zendt ons de erfprins een ongeluk of een vreugde?''

„Geen van beiden, mijn geliefde, zijn brief is slechts een raadsel; want hoor, zoo luidt hij; „Mijn lieve enthusiast.

ocr page 120

110

miin lieve vriend! Gij weet het, hoe ik het betreurde,

door zaken verhinderd, — Scliiller's doodenfeest, da. yij, mijn vrienden, in zulk een edelen, dichterlijken geest be-rannen zijt, niet te kunnen bijwonen. Maar nu betreur ik het niet meer, want het is verkeerd om den doode te treuren, en slechts de levende heeft rechten. Ik kon met het doodenfeest mei u vieren, maar ik kan de vreugde niet weerstaan, met u het feest der opstanding te vieren, en dus, in weerwil van alle bezigheden en hindernissen, kom ik heden namiddag bij u. Den ingesloten brietaanu ontving ik heden met de paketboot, van onzen gezant uit Hamburg, en ook otïj bracht zij blijde tijdingen uit Duitsch-

land. Zoo willen wij dan heden namiddag vroolyk ver-eenio-d bü de Schillerzuil zijn lied aan de vreugde zingen! Intusschen, Baggesen, lees gij den brief van uwen Duitschen vriend! Uw hartelijk toegenegen Fnednchvon

AU Gesef mij0 den brief van den Duitschen vriend,quot; zeide Baggesen haastig; „hij zal ons het raadsel van dezen brie oplossen, en een hemelsch voorgevoel bevangt mij plotseling en zegt mij, dat hij ons vreugde zal brengen.

Sophie reikte hem den brief, en Baggesen verbrak met bevende banden het zegel. — „De brief is yanBeinhold, ia ik herken het schrift; hij is van Beinhold, dieteJena woont, en zich tot Schiller's vrienden mag rekenen U mijne vrienden, mijn hart klopt lot barstens toe, en toch heb ik een voorgevoel van iets goeds!quot; . .

„Lees, dierbare vriend, lees!quot; verzochten de vrienden, en

Baggesen opende het couvert, haalde den brief er uit, en vouwde hem open. Aller oogen waren op het gelaat van Bagsesen gericht, die bleek, met hijgenden adem den brief begon te 'lezen. Zij zagen, hoe plotseling een purperrood zün wangen kleurde; hoe hij beefde, hoe een zahge glimlach ziin geheel gelaat verhelderde, hoe tranen uit zijne oogen vloeiden, hoe hij naar adem hijgde, spreken wilde en tóch geen woorden vond, maar losbrak in een langen jubelkreet, waarmede hij overeind sprong, en zijne armen

quot;ten hemel hief. ' . ^ , .' . , , .,

O vrienden, geliefde vrienden! Schiller is mei dood! Het was slechts e^n valsch gerucht! Schiller leeft! Vergeef mij. God, dat ik U straks gelasterd en wreed genoemd heb.

ocr page 121

Ill

Ik dank U, God; Gij zijt barmhartig en goed, want Schiller is genezen van een zware, doodelijke ziekte; —Schiller leeft!quot;

„Schiller leeft! Schiller leeft!quot; riepen de vrienden hem juichend na, en de meisjes en knapen stemden mede in den gelukkigen kreet; „Schiller leeft!quot;'t Was als murmelde en bruiste en donderde en fluisterde de zee met iedere golf, die tegen den oever rolde: „Schiller leeft!quot; —

Ja, Schiller leefde! Dit berichtte vriend Reinhold uit Jena. Het gerucht van Schiller's zware ziekte was op de vleugelen van den wind door geheel Duitschland, en over de zee naar Denemarken gekomen. Op dien dag, toen Schiller te Rudolstadt van zijn vrienden afscheid nam voor het leven, had zich natuurlijk in degeheele stad het bericht van zijn dood verspreid, en de steeds ijverige faam had dit gerucht verder gebracht, en overal had zij verkondigd: „Friedrich Schiller is dood!quot;

Deze tijding was ook naar Denemarken, —endoorden erfprins van Holstein tot den graaf von Schimtnelmann gekomen, juist op hetzelfde uur toen de vrienden zich gereed maakten, een jubelfeest voor Schiller te vieren. Nu had men in smart en tranen het jubelfeest opgegeven, maar besloten, zoodra men zich later hersteld en opgebeurd had. en weder kalm was geworden, op dezelfde wijze als men den levende had willen vieren, ook den doode een feest te wijden.

Dit alles had Baggesen in een langen, uitvoerigen brief aan zijn vriend Reinhold te Jena gemeld, maar sedert waren maanden verstreken. Want in die gelukkige tijden, toen de berichten nog niet op de vleugelen van den stoom en langs de draden van den telegraaf op één dag door geheel Europa vlogen, — in die dagen, toen de postwagen, die van Berlijn naar Leipzig reed, nog voor deze reis drie dagen en drie nachten behoefde, — toen de vader met duizend tranen van vrouw en kind afscheid nam, als hij naar de beroemde mis. van Hamburg naar Leizig toog, wijl hij niet wist, of hij van deze gewichtige reis ooit in 't vaderland zou terugkeeren, — in die dagen toen woeling en strijd nog slechts in de gemoederen bruisten, maar nog niet in de machines en in de industrie gevaren waren, — had zelfs een wereldgebeurtenis verscheiden maan-

ocr page 122

112

den noodig om zich door Europa te verspreiden. Toen Baggesen hel bericht van Schiller's dood ontving; was de herstelde reeds met zijn Lotte lot een nakuurnaar Karlsblad vertrokken ; en eerst toen hij van daar weder teruggekeerd was naar Jena had Reinhold hem Baggesen's brief kunnen mededeelen. —

Dit alles berichtte Reinhold nu zijn vriend Baggesen; meldde hem, hoe de teedere belangstelling van Baggesen Schiller getroffen had, en hoe innig dankbaar hij zijn vriendschap gevoelde.

Baggesen las dit alles zijn vrienden voor, en met verheffing van slem ging hij voort te lezen: „Ik twijfel, of eenige andere artsenij heilzamer op Schiller gewerkt heeft, dan deze teedere belangstelling van den verwijderden, Deenschen vriend ! En wat, vriend, wat zal ik u van Schiller's lieve vrouw, van zijne Lotte zeggen ? Toen Schiller haar met bevende stem uw brief aan mij, dien ik hem gaf, had voorgelezen, trok zij mij, wijl juist eenige bekenden bij hen binnentraden, in een vensternis ter zijde, en fluisterde met ingehouden adem; „Ais ge Baggesen schrijft, zeg hem, — schrijf hem — zeg hemquot; — tranen smoorden haar stem, en ik, zelf de oogen vol tranen, kon slechts antwoorden; „ik kan hem niets roerender schrijven, dan wat ik nu zie en hoor.quot; Ja, Baggesen, het was roerend, de innige zielsvreugde dezer edele en goede menschen over uwe vriendschap, over uw rouwklacht te zien! Het was roerend om te zien, hoe Schillet's bleeke wangen zich kleurden met een flauw rood; hoe zijn blauwe oogen, — die sedert zijn ziekte nóg grooter en nóg schitterender zijn geworden, — in tranen zwommen. Hij is nog altoos zwak en zeer gevoelig, de edele,, veel geliefde dichter. Maar ik geloof evenwel, dat hij geheel herstellen, — en tot een vaste gezondheid zou komen, zoo 't hem niet aan de noodige rust en kalmte ontbrak; zoo hij meer tot zijn versterking en verkwikking kon doen, en niet noodig had, zonder verpozing en rust, bestendig te arbeiden voor zijn levensonderhoud. Maar dit verhindert Schiller's volkomen genezing, geloof ik; — dat hij ingeval van ziekte moet kiezen, of hij zijn tractement van tweehonderd thaler naar de apotheek, of naar de keuken moet zenden, en 'f ware wèl te wTenschen, dat een of andere weldadige

ocr page 123

113

beschermgeest hem een paar duizend thaler onder het hoofdkussen legde, opdat 's dichters hoofd lichter, — en niet bezwaard door zorgen mocht rusten. ^

Met verheugde aangezichten hadden de vrienden aanvankelijk naar de voorlezing gehoord, en van vreugde stralend had Baggesen in den beginne gelezen ; maar de laalste regels hadden de blikken verduisterd, en op Bag-gesen's voorhoofd stonden nu donkere wolken van toorn en smart tevens.

„Schiller lijdt,quot; klaagde hij nu, terwijl de tranen langzaam over zijn wangen vloeiden: „Schiller ontbeert! De rijkste dichter zijner eeuw; met gouden en diamanten schatten in zijn fantasie, — de groote Schiller moet, gebrek lijden en ontberen, en gedrukt worden door de nietige bekommeringen des levens. Ach, waarom ben ik niet rijk, om den ellendigen Mammon aan zijne voeten neder te leggen; niet rijk, om den edelen dichter het gemak en de verpozing te verschaffen, welke hij behoeft, om geheel te herstellen!quot;

„Ween niet en wees niet verstoord, Baggesen,quot; zei de bisschop Münter zacht: „de Duitsche natie bemint haar grooten dichter, en zal zich beijveren zijn toekomst te verzekeren.quot;

„Er bestaat geen Duitsche natie!', riep Baggesen toornig; „Er bestaan slechts verscheidene Duitsche volksstammen, die allen met elkander oneenig zijn; en daarom zullen zij zich ook niet vereenigen tot een eeregeschenk voor deu Duitschen dichter!quot;

„Maar ec zijn vele Duitsche Vorsten,'' zei graaf Schim-melmann : „en deze Vorsten van Duitschland zullen het zich tot een eer rekenen, Schiller de middelen tot zijn herstel en versterking te verschaften.quot;

„Ge hebt dus niet gehoord, wat ik u zooeven heb voorgelezen? De hertog van Weimar betaalt den grooten dichter een tractement van tweehonderd thaler! De hertog van Weimar kent Schillers leven, weet dat hij arm is aan aardsche goederen, en betaalt hem tóch slechts een bedelaarsloon, en weet den genezende geen andere verkwikking te zenden dan een half dozijn, — danzesarm-

1) Zie: Johannes Scherr; Schiller «nd seine Zeit. III. Mühltaoh, Duitschland in woeling en strijd. V.

8

ocr page 124

114

zalige llesschen madera! Zoo de Vorst echter, die Schiller het naast staat, niets beters voor hem weet te doen, hoe kunt, ge dan denken, dat andere Duitsche Vorsten iets zouden doen? Zouden ze niet moeten gelooven dat de hertog van Weimar het hun te kwade zou duiden, zoo zij zich veroorloofden voor den Duitschen dichter te zorgen, daar het lot toch den hertog van Weimar dit voorrecht gegund heeft?quot;

„Bedroeven wij 'ons toch niet in dit uur,quot; zei graaf Schimmelmann zacht: „geven wij ons toch eerst aan de vreugde over, dat de dierbare dichter leeft; dat hij voor ons, voor de menschheid behouden is! Eerst als wij deze vreugde geheel in ons opgenomen hebben, als wij onze zielen er geheel mede vervuld hebben, — eerst dan laat ons bedenken op welke wijze men verder nog zijn vreugde door daden kan bewijzen!''

Maar Baggesen, den lieven, den enthusiastischen Bagge-sen, was 't onmogelijk zich enkel aan de vreugde over Schiller's leven over te geven; onwillekeurig was zijn ziel bewolkt door de gedachte aan Schiller. — Toen later op den dag de erfprins van Holstein kwam, om, zooals hij schertsend en vol vreugde zeide, met de vrienden het op-standingsfeest van den Duitschen dichter te vieren, zuchtte Baggesen en schudde treui'ig zijn hoofd. Zwijgend en in zich zelve gekeerd, volgde hij de vrienden naar het ronde grasperk aan het strand, waar de zuil stond. Treurig was zijn gelaat, terwijl de knapen en meisjes de rei dansten, en de cymbalen en fluiten en hoorns vroolijk de zee en de eiken toejuichten: „Schiller leeft!quot; — Maar daarop, als door een plotseling besluit gesterkt, trad hij naar de zuil, waarboven nog altoos de gouden S fonkelde, nam het boek van den met leiiën omkransten lessenaar, en terwijl de zes vrienden zich nederlieten op de treden der zuil, bleef Baggesen er vóór staan en las luide, met verheffing van stem, Schiller's gedicht van de verdeeling der wereld :

Wo warst du denn, als ich die Welt yertheilte?

Ich war, sprach der Poët, ich war bei dir!

Mein Ange hing an dienem Angesichte,

An deines Himmels Harmonie mein Ohr;

Verzeih' dem Geiste, der von deimen Lichte Berauscht, das Irdische verlor'.

ocr page 125

115

Was thun? sprach Zeus, die Welt ist weggegeben, Der Herbst, die Jagd, der Markt ist nicht mehr mein.

Willst du in meinem Himmel mit mir leben?

So oft du kommst, er soil dir offen sein!

En vervolgens, toen Baggesen met bezielde stem, met tranen In de oogen dit gedicht had gelezen, wendde hij zich diep bewogen tot den vorst. — „O, mijn Vorst, mijn edelmoedige vriend, zult ook gij spreken gelijk Zeus tot den dichter spreekt? Zult ook gij voor den edelen dichter niets anders hebben dan vriendelijke woorden, en zal overal de deeling reeds geschied zijn, als de dichter nadert, om ook zijn aandeel te vorderen van het genot des levens? O, ware ik rijk, ik zou u, mijn edelen vriend, deze vraag niet voorleggen; ik zou mij gelukkig achten, wijl het mij vergund mocht zijn, een scherfje van mijn dankbaarheid aan de voeten des dichters te leggen. Maar gij, mijn prins, en gij, lieve graat, gij beiden zijt rijk, en voor het eerst mijns levens benijd ik u daarom!quot;

„Wat wilt ge hiermede zeggen, vriend?quot; vroeg de prins verwonderd: „Wat heeft onze rijkdom te maken met de herstelling van den waarden dichter?quot;

Graaf Schimmelmann echter wendde zich glimlachend tot Baggesen: „Geef onzen edelen vriend den brief van Heinhold, en hij zal u begrijpen!quot;

De erfprins las het schrijven eerst met opmerkzaamheid, vervolgens met bewogen gelaat, en toen hij daarop het papier aan Baggesen teruggaf, stonden tranen in zijne oogen.

„Ja,quot; zeide hij, „ik begrijp u, vriend, en ik begrijp óók dat gij, de edele, onbaatzuchtige dichter, heden degenen benijdt, wien het lot in plaats van de heilige poëzie, een weinig van de onheilige schatten der aarde heeft toevertrouwd. Lieve graaf, zijt ge óók niet van meening, dat wij niet tot het dichtergenie spreken mogen in den zin van den verheven Zeus? De God heeft den hemel voor den dichter geopend; — wij echter, — wij arme kinderen der aarde, wij willen den dichter onze dankbaarheid betuigen, door hem gouden middelen te geven, om zich de vruchten van den herfst, van de jacht en van de markt te verschatTen. Dunkt u dit óók niet, graaf Schimmelmann?quot;

De graaf knikte toestemmend. — „Men moet een god

ocr page 126

llü

zijn om te mogen vergeten, dat de dichter ook mensch is, en deel wenscht te hebben aan de genietingen des levens. Laat ons beproeven een weinig weder goed te maken, wat god Zeus vergeten heeft.quot;

Baggesen juichte luid, en met tranen van dankbaarheid en aandoening, drukte hij beide vrienden aan zijn hart.

X.

DE BRIEF UIT DENEMARKEN.

De zomer van 'tjaar 1791 was verstreken, en groote, gewichtige historische en politieke gebeurtenissen hadden plaats gehad; gebeurtenissen, die in hare gevolgen de ge-heele wereld schokken, — de aarde met menschenbloed mesten, — en de wereld met oorlog en ramp bezoeken zouden!

Koning Lodewijk van Frankrijk had in April van dat jaar beproefd, om met de Koningin en zijne kinderen uit het oproerige Frankrijk te vluchten, dat zich niet meer voegen wilde in de ketenen van slaafsche onderworpenheid, en de vrije menschheid hooger achtte, dan het gebiedende koningschap. Maar de koninklijke familie was midden in haar vlucht opgehouden, — en door het volk met hoon en bespotting naar Parijs teruggevoerd. „Wie den Koning toejuicht, zal gegeeseld, — die hem beleedigt zal opgehangen worden!quot; Deze woorden stonden, op groote plakkaten gedrukt, aan alle hoelien der straten te lezen, door welke de Koning aan de zijde der Koningin, na de verijdelde vlucht, zijn intocht te Parijs deed.

Nog was het, — zooals men ziet, een misdaad die met den dood gestraft werd, den Koning te beleedigen. Maar die hem huldigde, zou reeds een onteerende straf ondergaan! En inderdaad; niemand waagde het nu meer het koningschap te huldigen, sedert Mirabeau, de moedige, de bezielde held der vrijheid, en tegelijk de dappere ridder van het koningschap, ten grave was gedaald. Het Koningschap vond in de Constituante nog slechts gloeiende beschuldigers en schuwe verdedigers; en de revolutie, die

ocr page 127

117

tot hiertoe slechts stil en heimelijk was opgetreden, verhief nu trotscher haar hoofd, en liet de roode vlag wapperen boven den troon der leliën!

Europa beefde, en staarde angstig, aarzelend naar Frankrijk, waar juist het eerste bedrijf van het groote treurspel der revolutie begonnen was, en hield den adem in, en luisterde in angstwekkende stilte, die in de Natuur het losbreken van heillooze onweders voorafgaat!

Maar, dank zij de pogingen en intriges der Fransche Prinsen te Cohlentz, — dank zij den vurigen ijver van prins Louis Ferdinand, — dank zij der belangstelling der Rozenkruisers te Berlijn en der Jezuïeten te Weenen: de twee machtigste Duitsche Vorsten, de Keizer van Oostenrijk en de Koning van Pruisen, wilden niet zwijgend het on-weder aanzien en het laten uitwoeden, maar beproeven zijn losbarsting te verhinderen. Bischofswerder en de oorlogzuchtige partij, hadden aan het Pruisische Hof gezegevierd over de gravin Dönhot en de partij, die den vrede met Frankrijk wilde bewaren en meende, dat niemand het recht had, zich in de inwendige aangelegenheden van een land te mengen, en in den strijd van een volk met zijn Vorst, partij te kiezen.

De Koning van Pruisen had zich in 't midden van Augustus naar Pillnitz begeven, tot een bezoek bij den Keurvorst Friedrich August van Saksen. Tegelijkertijd was ook Keizer LeopoM van Oostenrijk met zijn troonopvolger Frans, daar aangekomen, en van Coblentz was de graaf van Artois, de broeder van Koning Lodewijk, gekomen, om den krijgslust der Duitsche Vorsten aan te vuren en ze op te roepen, ter hulp van zijn benarden Koninklijken broeder.

Onder den glans van schitterende feesten, — onder de tonen van ruischende dansmuziek, bij comedie en maskerades en weelderige feesten, dreet men te Pillnitz bet hooge en gevaarlijke spel der politiek ; en van Pillnitz vaardigden Keizer Leopold en Koning Friedrich Wilhelm het vermaarde manifest uit, waarin zij voor geheel Europa verklaarden : „dat zij den Koning Lodewijk XVI te hulp wilden snellen; dat zij het niet langer dulden konden, den Koning van zijn macht en aanzien beroofd Ie zien, maar dat zij alle middelen zouden aangrijpen, om den Koning

ocr page 128

118

van Frankrijk in staat stellen, in de volkomensle vrijheid de grondslagen eener monarchale regeering te vestigen, die evenzeer de rechten der Souvereinen, als het welzijn der Franschen bedoelde.quot; Als noodig middel ter bereiking van dit doel, achtten de beide Souvereinen zich verplicht, „hunne troepen marschvaardig en tot den oorlog gereed te maken, opdat zij elk uur in staat zouden zijn, te velde te trekken!quot;

Maar het oproerige, tartende Frankrijk, liet zich geen vrees meer aanjagen door zulke bedreigingen der Duitsche Vorsten, en deze bedreigingen hadden geen andere uitwerking, dan dat zij den toestand van den Koning van Frankrijk slechts nóg hachelijker maakten, en den toorn der revolutie nóg hooger ontvlamden, tegen den troon der Leliën.

Terwijl zo.» de tronen begonnen te wankelen, en de oogen der Koningen zich met een onbepaalde vrees naar Frankrijk richtten, leefde men aan het Duitsche muzenhof te Weimar en in de Duitsche universiteitsstad Jena nog altoos in de ongestoorde rust der dichtkunst en der wetenschappen. Goethe had zijn Tasso voltooid, en de wereld verrukt en opgetogen door zijn romeinsche elegiën; reeds weder . aan een nieuw dichtwerk bezig, weerde hij het streng af, in zijn dichterlijke scheppingen door onaangename politieke berichten uit de buitenwereld verontrust te worden. — Tot Schiller kwamen wèl somwijlen zulke berichten ; want de neef zijner vrouw, de heervon Wolzogen, bevond zich te Parijs, en gaf den vrienden dikwerf bericht van de heillooze dingen, die daar gebeu -den. Maar ook voor Schiller klonk dit slechts als het verwijderd ruischen der zee, wier bulderen en donderen men kon hooren, zonder er door verontrust te worden.

Schiller was met zijn Lotte teruggekeerd van Karlsbad, en het werkzame en bedrijvige leven te Jena, was voor hem weder begonnen. Maar schoon de dichter weder bezig was, de professor1 mocht het niet zijn ; en de artsen hadden het voor geheel ondoenlijk verklaard, dat Schiller weder den katheder besteeg.

„Dat heet, slechts voor dezen winter,quot; zeide Lotte haastig, toen zij Schiller op verzoek van den arts deze mede-■ deeling deed.

ocr page 129

-119

Hij glimlachte zacht en schudde langzaam zijn hoofd. „Mijn lieve Lotte; ik dorst niet naar academische, eer en ben gaarne bereid er voor altoos van af te zien. Het lot, geloof ik, heeft er mij niet toe bestemd, een professor in de geschiedenis te zijn, en op den katheder lauweren te oogsten. Ik gevoel het hoe langer hoe meer, dat ik een dichter ben, en dus wil ik al mijn kracht en bekwaamheden aanwenden, om aan mijn roeping te beantwoorden, en in de dichtkunst iets degelijks te leveren.quot;

„Alsof ge dit niet reeds gedaan badt, Schiller !quot; riep zij met vuur, „alsof ge niet reeds de eerste dichter der Duit-sche natie waart!quot;'

„En Goethe?quot; vroeg Schiller glimlachend: „Geloofmij, Lotte, ik misken mijn waaide niet; maar ik ken ook Goethe's groote waarde en weet ook, dat hij mij overtieften dat, — zoo hij al zijn kracht samenvat, — ik mij niet met hem meten kan. Stil, weerspreek mij niet, mijn Lotte. Voor u, vrouwen, is de man, dien gij bemint, natuurlijk altoos de grootste van zijn geslacht ; en ik, mijn dierbaar kind, zal trachten uwe liefde eer aan, te doen, daar ik u buitendien reeds zoo veel dank schuldig ben.quot;

„Gij mij dank schuldig?quot; vroeg zij beschaamd en met gloeiende wangen.

„Ja ik, mijn Lotte. Ge zijt voor mij de engel der kalmte en des vredes. Het verheugt mij, zelfs als ik arbeid, te weten dat ge om mij zijt. Uw lief leven en bedrijf om mij been, de kinderlijke reinheid uwer ziel en de innigheid uwer liefde, geven mij zelfs een rust en harmonie, die [mij anders bij mijne ziekelijkheid onmogelijk zou zijn. Ach, Lotte, was ik slechts gezond, dan behoefden wij niets meer, om te leven als de goden!'' 1)

„Ge zult spoedig weder gezond zijn, mijn Friedrich. en mij dunkt, dat de goden op den Olympus veel minder van de zaligheid geweten hebben, dan wij. Zij twistten zooveel, en wij. Goddank, wij leven steeds in de schoonste harmonie.quot;

„Behalve de dissonanten, welke de ziekelijkheid en de geldelijke nood in onze harmoniën krijschen. Lotte. En

1

Schillers eigen woorden. Zie: Schiller's quot;Briefwechsel mit Körner U. 2G9.

ocr page 130

120

slechts daarom doet het mij leed, dat ik geen colleges meer kan geven; want de collegegelden der studenten zullen wij missen!quot;

„Ja, inderdaad, dat zullen wij,quot; zuchtte Lotte: „ik geloof zelfs, dat zij ons nu reeds ontbreken ! 't Is helaas volkomen ebbe in mijn kas.quot;

„En ik,quot; zeide Schiller met een treurigen glimlach ; „ik heb oogenblikkelijk volstrekt geen kas; want het laatste tweegroschenstuk, dat er zich in bevond, heb ik straks den jongen gegeven, die mij de schoone druiven bracht, welke ons Fischenich uit zijn tuin zond.quot;

„Ach, dat is inderdaad heel erg, Friedrich; want ik, om de waarheid te zeggen, ik heb ook niets meer in mijn huishoudkas; want ik heb zooeven het laatste er uit genomen, om de kleermakersrekening te betalen, die reeds ten derden male gezonden werd. Ge weet, de rekening van den rok en den langen overjas voor de reis naar Karlsbad. Wij beloofden, terstond na onze terugkomst de rekening te betalen, en nu werd de man zoo dringend, en ik heb hem dus betaald. Ik dacht niet dat uw kas óók ledig was.quot;

„Ledig, volkomen ledig, Lotte. — Ja, waarlijk, armevrouw, ge hebt een slecht huwelijk gedaan, ge hebt een bedelaar gehuwd.quot;

v „Ja, maar den bedelaar die bij Zeus kwam, en voor wien deze den hemel altoos openlaat,quot; riep Lotle: „den bedelaar, die rijker is dan alle Koningen der aarde, en voor wien de Vorsten hun hoofd in het stof moesten buigen! Spreek niet zulke deemoedige en treurige woorden, Friedrich, en zet niet zulk een droefgeestig gezicht, wijl zich bij ons niet, zooals bij Koning Midas, alles in goud verandert. Wij zullen daarom ook niet, — zooals deze goudgierige vorst, — aan een overvloedige tafel verhongeren moeten, en de tintelende wijn in den beker zal niet tot goud stollen, als ge hem aan de lippen brengt!quot;

„Ik wilde dat hij het deed. Lotte, slechts een paar dagen, slechts een week, en ik zou met vreugde zoolang mijn wijn ontberen!''

„Ge zoudt echter zeer verkeerd doen, Friedrich; want, ge weet wel, dat de artsen u bevolen hebben, dagelijks

ocr page 131

121

tot uw versterking een paar glazen goeden wijn te drinken, en uw gezondheid is van meer belang, dan al het goud der aarde!''

„En ik ben waarlijk rijker, dan al het goud der aarde mij zou kunnen maken,quot; riep Schiller diep bewogen; „ik bezit een schat, die kostelijker is dan alle aardsche schatten ; ik bezit een lieve vrouw, die mij bemint, en die ik met geheel mijn ziel weder bemin! Ó mijn Lotte, als ik uw lief gezicht zie, en uwe vroolijke, glimlachende oogen, dan gevoel ik mij gelukkig, sterk en vroolijk; (fan lieb ik frisschen levensmoed en gevoel, hoe het leelijke oude wijf in den grijzen spinnewebsmantel, — hoe de zorg schuw ter zijde kruipt en wegsluipt, wijl de oude vervelende heks gevoelt, dat zij mij volstrekt niets doen kan, in de nabijheid mijner geliefde Lotte! Maar het blijft toch altijd fataal, dat wij weder geen geld hebben, en ik beken u, L )tte, ik weet op dit oogenblik niet waar ik het krijgen zou. Bij Göschen ben ik sterk in voorschot: vriend Kör-ner heeft ook de twintig Louis d'or, welke hij mij voor de reis naar Karlsbad geleend heeft, nog niet terug ontvangen, en de hertog van Weimar, op witm mijn laatste hoop was gevestigd, heeft helaas, den bemiddelaar, die voor mij sprak, geantwoord ; dat ook hij zich niet in schit-terende omstandigheden bevond, daar hem zijn rang van Pruisisch generaal, zeer groote uitgaven veroorzaakte 1;. Als wij nu slechts voor een paar dagen raad wisten en ons konden helpen, dan zou ik mij haasten het manuscript voor Thalia gereed te maken, en dan zal de uitgever —quot;

Een luid kloppen aan de deur brak Schiller's woorden af, en zonder een „binnenquot; af te wachten, werd de deur geopend, en brievenbesteller trad binnen.

„Ren brief voor den heer hofraad Schiller! Komt uit Denemarken, kost twintig groschen port!quot;

„Wat? Zooveel port voor een enkelen brief,quot; riep Schiller verlegen, terwijl Lotte haar blozend gelaat omwendde.

„.Ta, de brief is wèl duur,quot; merkte de brievenbesteller

1

Johannes Scherr: Schiller und seine Zeit IIJ.

ocr page 132

422

aan; „maar hij komt ook van ver over zee, en zulke brieven zijn altoos ongefrankeerd, wijl zij dan zekerder gaan, en bij de vele tollen en grenzen geen gevaar loopen, ergens te blijven liggen.''

,,Maar ik begrijp niet, wie mij uit Denemarken te schrijven heeft,quot; riep Schiller misnoegd: „en nog minder wie zich kan veroorloven, mij ongefrankeerd te schrijven. Ik doe het best den brief niet aan te nemen, maar hem ongelezen terug te zenden; want wat zal hij bevatten? Een of ander epistel van een armen schelm, die mijn boeken heeft gelezen en mij zijn dank zegt, of — zooals onlangs met den ongefrankeerden brief uit Zurich — die mij den mantel uitveegt, omdat mijn geschriften hem niet bevallen, 'tls het best, dat ik den brief niet aanneem. Daar, neem hem terug, vriend!quot;

Maar Lotte hield Schiller's arm tegen en greep haastig naar den brief, dien Schiller den besteller reikte — „Neen, lieve, neen, niet terugzenden De brief is misschien van belang, misschien van den goeden Baggesen. Wij willen hem behouden!quot;

„Dan, mevrouw, verzoek ik u om twintig groschen,quot; „Ik heb helaas juist geen klein geld, en de meid is er niel, om te gaan wisselen. Ik verzoek u, ga naar juffer Amalia en verzoek haar, het porto voor mij te verschieten, ik zal liet haar straks, zoodra ik gewisseld heb, terstond teruggeven quot; —

,,En nu,' zei Lotte haastig, toen de brievenbesteller was heengegaan: „laat ons nu den kostbaren brief lezen. Frits. Daar, open hem schielijk; want, ik beken dat ik vreeselijk nieuwsgierig ben.quot;

„Eva's dochter,quot; glimlachte Schiller hoofdschuddend, terwijl hij langzaam het zegel verbrak en het papier uii-een sloeg: „Ik ken dit schrift niet. Laat ons eerst zien, hoe de schrijver zich onderteekent.quot;

Hij keerde het papier om, en zag naar het einde. — „Zonderling, er staan twee namen; daar staat: Friedrich von Augustenburg en graaf Schimmelmann.quot;

„De vriend van Baggesen; de vriend, die met hem het doodenfeest voor u houden wilde. O, lieve, laat ons schielijk lezen wat deze beide mannen u schrijven Lees mij den brief voor, ik bezweer u, Friedrich, lees hem luid;

ocr page 133

123

want ik vermoed dat hij iets goeds bevat, en ge moogt mij daarop niet laten wachten.quot;

Zij hing zich aan Schiller's arm, zag vol spanning, met ingehouden adem en wijdgeopende oogen tot Schiller op, die den brief in de hand hield, en nu begon te lezen : „Twee vrienden, door wereldburgerzin te zamen verbon den, zenden u dit schrijven, edele man ! Beiden zijn u onbekend, maar beiden vereeren en beminnen u ! Beiden bewonderen de hooge vlucht van uw genie, dat verscheidene uwer nieuwste werken, lot de verhevenste onder alle menschelijke stempelen kon. Zij vinden in deze werken de denkwijze, den geest, het enthusiasme, die den band hunner vriendschap knoopten, en gewenden zich bij het lezen er van, aan de idéé, den schrijver als lid van hun vriendschappelijk verbond te beschouwen. Groot was dus ook hun droefheid bij het bericht van zijn dood, en hunne tranen vloeiden niet het spaarzaamst, onder het groot getal goede menschen, die hem kennen en liefhebben. Deze levendige belangstelling, welke gij ons inboezemt, edele en geëerde man, verdedigt ons bij u tegen den schijn van onbescheiden indringen. Het verwijdert elke miskenning der bedoeling van dit schrijven ; wij deden dit mèt een eerbiedigen schroom, dien ons de kieschheid uwer gevoelens inboezemt. Wij zouden die zelfs vreezen, zoo wij niet wisten, dat ook de deugd van edele en beschaafde 'zielen een zekere maat is voorgeschreven, welke zij zonder aikeuring van het verstand niet overschrijden mag. Uw door te veelvuldige inspanning en arbeid verzwakte gezondheid behoeft, naar men ons zegt, voor eenigen tijd een groote rust, zoo zij weder hersteld, — en hef, uw leven bedreigend gevaar, afgewend zal worden. Maar uwe betrekkingen, uw geldelijke omstandigheden verhinderen u, u aan deze rust over te geven. Wilt ge ons wel de vreugde gunnen, u het genot er gemakkelijker van te maken. Wij —quot;

Hier zweeg Schiller, een doodsche bleekheid bedekte plotseling zijn wangen, hij bleef steken, beefde en reikte Lotte het papier.— „Lees gij, ik kan het niet.quot;

Zij nam haastig het papier, en terwijl Schiller, wiens knieën beefden, wiens voeten hem ontzonken, zich op een stoel nederliet, steunde zijn jonge vrouw met donker gloei-

ocr page 134

124

emie wangen, met een gelaat dat steeds heerlijker glansde, zich op de armleuning van zijn stoel, en als muziek, zoo rein en trisch en vroolijk klonk haar stem, toen zij voortging met het lezen van den brief:

„Wij bieden u tot dat einde voor drie jaren een geschenk aan, van duizend thaler jaarlijks. Neem-dit aanbod aan, edele man! Het aanschouwen onzer titels doe u dit niet afwijzen, wij weten die te waardeeren. Wij kennen geen anderen trots, dan slechts dien, menschen te zijn; burgers in de groote republiek, wier grenzen meer dan het leven van enkele geslachten, — meer dan de grenzen van het heelal omvatten. Gij hebt slechts menschen, uw broeders voor u, die door zulk een aanwending van hun rijkdom, slechts een eenigszins edeler soort van hoogmoed bevredigen. 'tZal van u afhangen, waar ge deze rust van uwen geest genieten wilt. Hier bij ons zou het u niet aan bevrediging van uwen geest ontbreken, in de hoofdstad, die, benevens de zetel der regeering, een groote handelsstad is en zeer kostbare boekverzamelingen bevat. Hoogachting en vriendschap zouden van verschillende zijden wedijveren, u het verblijf in Denemarken aangenaam te maken ; want wij zijn niet de eenigen, die u kennen en liefhebben. En zoo ge na herstelde gezondheid wenschen mocht, in dienst van den Staat aangesteld te worden, zou 'tons niet moeilijk vallen, dezen wensch te vervullen ; doch wij zijn niet zoo kleingeestig en baatzuchtig, deze verandering van uw verblijf tot een hoofdvoorwaarde te maken. Wij laten dit aan uw eigen vrije keus over. Voor de menschheid wenschen wij eenen liarer leeraars te behouden, en aan dezen wensch is iedere andere overweging , ondergeschikt.quot;1)

Lotte had de laatste regels met bevende stem, met tranen in de oogen, en tóch met een van vreugde stralend gelaat gelezen, terwijl Schiller de handen voor zijn aangezicht gelegd, - - en stil en onbeweeglijk gezeten had.

Thans, nu zij zweeg, zag Schiller op, en niet in staat te spreken, niet in staat zijn tranen te verbergen, trok hij

1

Deze brief is medegedeeld door Schiller's schoonzuster Karoline. Zie : Schiller's Lebcn 233.

ocr page 135

i'25

zijn geliefde, zijn kloeke jonge vrouw in zijn armen, en haar vast en zalig omhelzende, weenden beiden tranen van aandoening zooals slechts gelukkigen, beminnenden en goeden ze kunnen weenen!

Toen, na een lange pauze, de armen ten hemel opheffende, het gelaat stralend, de wangen blozend van vreugde, riep Schiller met zulk een luide stem, alsof hij werkelijk geloofde, dat zijn onbekende vrienden en weldoeners de woorden zijner dankbaarheid konden hooren:„Tk dank u, edelen, goeden, ik dank u! Waarnaar ik zoolang ten vurigste verlangde, hebt gij vervuld. Ik ben nu van alle zorgen vrij; ik heb de langgewenschte onafhankelijkheid des geestes! Gij hebt ze mij gegeven! U zal ik het te danken hebben, dat ik nu, bevrijd van alle broodzorg, geheel voor de scheppingen van mijn geest kan leven. O God, ik heb nu eindelijk den tijd om te leeren, te verzamelen, en voor de eeuwigheid te werken !'' 1)

En met dezen jubelkreet zijner dankbaarheid, die beter dan alle klachten verried, hoezeer de „broodzorgquot; hem de ^onafhankelijkheid des geestesquot; verstoord, — hoeveel zij bijgedragen had om zijne gezondheid te ondermijnen, —, met dezen jubelkreet nam Schiller den brief der edele Deensche vrienden, hief hem hoog op, als wilde hij hem God hierboven reiken, en ijlde toen er mede naar zijn schrijftafel, om het epistel der liefde en vereering dadelijk te beantwoorden.

Maar de pen vermocht het niet; de hand des dichters, die in de grootste oogenblikken van 't scheppen de pen rustig gevoerd had, • - deze hand beefde heden en hoewel Schiller voor vreemd leed en vreemde vreugde zoo dikwerf bezielde woorden had gevonden, zoo verstomden zij toch nu op de lippen van den dichter, nu het zijn eigen vreugde, zijn eigen geluk gold!

„Ik kan niet, ik kan niet schrijven,quot; riep Schiller, de pen ter zijde werpende: „te veel woorden, te veel gedachten stormen in mijn hart, en verwarren mijn zin. Ik weet slechts, dat mijn geheele toekomst een dankzeg-

1

Schiller's eigen woorden. Zie: Briefweohsel Schiller's mit Kor-ner. II.

ocr page 136

126

ging, een belooning voor mijne verwijderde weldoeners zal zijn. Ik weet slechts dat ik vrij ben, en 't is mij, als repte mijn ziel krachtiger bare vleugelen, als waren plotseling alle lasten en alle boeien van mij genomen! O Lotte, Lotte, ik ben vrij! Geen schulden, geen vernederingen, geen zorgen meer! Ik ben vrij, en kan nu met vrij en vroolijk hart voor de dichtkunst leven, en, zoo God wil, ook werken voor de onsterfelijkheid scheppen!''

ocr page 137

TWEEDE BOEK.

TEGEN DE REVOLUTIE.

I.

DE VERBANNING.

Het voorname Hofgezelschap, voor 't welk de heer von Leuchsenring in den winter van 'tjaar 1792 zijn voorlezingen over de wijsbegeerte hield, scheen heden bijzonder ingenomen met zijne voordracht. Leuchsenring had hun heden zijne denkbeelden over de vrijheid ontwikkeld, en met bezielde woorden zijn toehoorders uitgelegd, dat de vrijheid der gedachten en politieke instellingen, thans in Frankrijk tot waarheid en werkelijkheid worden zou, en dat het een verheven schouwspel was^ te zien, hoe daar een geheel volk, de grootsche gedachten van vrijheid, gelijkheid en broederschap huldigde.

De Kroonprins Friedrich Wilhelm, die deze voordracht van zijn vroegeren gouverneur heden bijwoonde, was de eerste geweest, die aan het einde ervan, door levendig applaudiseeren, — als bevond hij zich in den schouwburg, — zijn goedkeuring te kennen af, en toen de gravin Dönhof vervolgens met haar van juweelen fonkelenden waaier, levendig in haar kleine hand had geslagen, hadden de dames haar voorbeeld gevolgd. Het was een ruischen van waaiers en een applaudisseeren zonder einde, toen Leuchsenring met een zachten glimlach en een

ocr page 138

128

diepe buiging, deze hulde van zijn auditorium ontving.

lira vin Uunliof, de tweede gemalin van Friedrich Wilhelm, de Koningin der linkerhand, hief nu haar waaier wenkend tot Leuchsenring op, en „de schoone Elzasser,quot;— zooals men hem in den Hofkring noemd, — ijlde tot haar, om van de lippen zijner trotsche begunstigster, de bevestiging barer tevredenheid te vernemen.

„Ik dank u zeer bijzonder voor uwe voordracht van heden,quot; zei de gemalin der linkerhand, met, een huldigende buiging van haar fraai hoofd; ,,gij hebt mij eeniger-mate mijn eigen gedachten opgehelderd, en mij de overtuiging barer juistheid gegeven, iiet Koningschap heeft zich in Frankrijk overleefd, en men zal 't moeten dulden, dat daar de vrijheid zich op den troon plaatst, en de i-epubliek zich de kroon opzet, welke de Bourbons zich, helaas, niet meer waardig betoond hebben. Ik geef toe, dat men deze republiek, die zekerlijk uit de Fransche worstelingen zal ontstaan, van harte vijandig kan zijn, en den vurigen wensch kan koestelen haar te onderdrukken. Maar als men dit niet kan, is het beter bonne mine au mauvais jeu te maken, en deze nieuwe Koningin der wereld te erkennen.quot;

„En welk een heerlijke Koningin is zij ook, deze republiek,quot; riep freule von Bielefeld, de Hofdame van prinses Auguste, met een vlammenden blik op den schoonen Elzasser: „haar kroon schittert van de verheven ideëen, om wier wil de menschheid sinds duizenden jaren strijdt en worstelt.quot;

„Ge hebt gelijk, freule,quot; zei de heer von Leuchsenring met zijn heldere, welluidende stem: „zoo de republiek zich in Frankrijk vestigt, is daardoor voor het eert het rijk Gods op aarde tot kracht gekomen.quot;

„Zeer fraai gezegd,'' knikte gravin Dönhof met een genadig lachje: „ik zal den Koning uwe voorlezing van heden verhalen, en ik twijfel niet of Zijne Majesteit zal er zeer tevreden over zijn. De Koning is, zooals ge weet, een genadig beschermer van alle grootsche ideéen, en hij weet dat ik uwe voorlezing heden bezoeken wilde. Houd u bereid, haar misschien voor Zijne Majesteit te herhalen.quot;

„Het zou een gunst zijn, welk ik slechts u, mijn hooge

ocr page 139

129

beschermster te danken zoude hebben,quot; zei de heer von Leuchsenring, terwijl hij de hand, welke de schoone gravin hem reikte, eerbiedig aan zijn lippen drukte.

„Dank het eerst uw schoone en ijverige vriendin, freule von Bielefeld,quot; glimlachte de gravin: „want zij is het geweest, die door haar levendige lofspraak over uwe voorlezingen, mij er toe gebracht heeft, die vanaf heden bij te wonen.quot;

■ Met een laatsten genadigen hootdknik ruischte de gravin heen, en ging met trotsch opgeheven hoofd door de zaal. De voorname dames en heeren traden bij hare nadering eerbiedig ter zijde, en bogen voor haar veel dieper en eerbiediger, dan zij het voor de Koningin der rechterhand gedaan zouden hebben; want de eerste was inderdaad de wezenlijke, de regeerende Koningin, en haar glimlach of het fronsen van haar voorhoofd was voor het koninklijke Hof, een zeer gewichtige en belangrijke zaak.

Heden, — toen zij door de zaal en door de rijen der ootmoedige hovelingen ging, — heden stond een zeer genadig lachje op het aangezicht der gravin, en slechts één oogenblik verduisterde het zich. Dit was, toen zij voorbij den jongen Kroonprins ging, die dicht bij de deur, nevens prins Louis Ferdinand stond. De gravin had beiden met een genadigen hoofdknik gegroet, maar de prinsen schenen dit niet gemerkt te hebben, want geen hunner beantwoordde den groet, of achtten het der moeite waard, voor de voorbijgaande te buigen.

„Deze jonge knapen zijn zeer insolent,quot; zei de gravin voor zich, toen zij de trap afging, terwijl een met goud gegalonneerde lakei haar voorijlde, om de équipage te doen naderen, en een andere lakei, achter haar gaande, den langen sleep van het roodbruindluweelen kleed ophief, opdat het niet in aanraking zou komen met de treden van een trap. — „Ja, waarlijk, zeer insolent,quot; voer de gravin in haar alleenspraak voort, toen zij zich nu in de zachte kussens van het rijtuig nederliet, en naar haar paleis terugreed; „Ik zal mij bij den Koning beklagen; hij moet zijn lummelingen zoon bevelen, dat hij Maandag op mijn soirée verschijnt en mij, zooals betaamt eerbiedig de hand kust. En wat prins Louis betreft; ik ben de vermetele oppositie van dezen kleinen, onderhouden zoon van Mühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. V. 9

ocr page 140

130

een onderhouden prins, inderdaad moede, en ik zal een kort proces met hem maken. Ik zal hem tot overste laten bevorderen, en hem ergens naar een vervelend garnizoen eener kleine stad verplaatsen. Dat zal zijn straf zijn! —

„Overigens,quot; voer de gravin met een trotschen glimlach in haar zelfgesprek voort: „overigens ben ik tevreden, deze voorlezing bezocht te hebben, 't Is een handschoen dien ik mijn vijand in 'taangezicht werp, en Bischofswerder en Wöllner en dat ellendige schepsel, Wilhelmine Rietz, zullen beven, als zij zien dat ik openlijk partij trek voor de Fransche republiek en hare vereerders. Ja, zij zullen beven; want zij zullen nu weten, dat ik de republiek bescherm, en 't hun niet gelukken zal, den Koning tot een onzinnigen oorlog tegen het machtige Frankrijk te bewegen. Neen, neen, het zal niet gebeuren! Ik wil geen oorlog tegen Frankrijk! Geen oorlog voor het verraderlijke Oostenrijk! En wij zullen nu eens zien, me hier heerscht en gebiedt; ik, 's Konings gemalin, of de verfoeielijke intrigante, die zich de vriendin der jeugd van mijn gemaal noemt!quot; —

Ginds, in de groote balzaal van het hotel de Pologne, waar de heer von Leuchsenring zijn voorlezing had gehouden, stonden nog altoos zijn vrienden en aanhangers om den „schoonen Elzasser,quot; en werden niet moede zijn heerlijke voordracht en den interessanten inhoud ervan te prijzen; en niemand was in zijn lofspraak overdrevener en milder, dan freule von Bielefeld, de hofdame van prinses Auguste, do dochter des Konings.

Leuchsenring zag met innig dankgevoel in het opgewonden gelaat der schoone hoiïreule, en toen zijn oogen de hare ontmoetten, vloog een donkerroode gloed over hare blanke, doorschijnende wangen.

„Ik zal prinses Auguste van uwe wonderschoone voorlezing van heden vertellen, mijnheer von Leuchsenring, en ik hoop, dat Hare Koninklijke Hoogheid u bij zich zal ontbieden, om ze voor haar te herhalen.quot;

„Het zou een groot geluk voor mij zijn, en ik zou weten, dat ik dit alleen aan u te danken had!quot;

En Leuchsenring kuste de hand der Hoffreule, — maar, anders dan hij die der gravin had gekust. Zijne lippen

ocr page 141

131

hechtten zich lang en gloeiend op haar ideine hand, en zijn vingers drukten hierbij krachtig de kleine teêre, vingers, die zacht dezen druk beantwoordden. Vervolgens wendde de freule zich haastig om, en verwijderde zich; het geheele schitterende en uitgelezen auditorium drong haar na, naar de uitgangsdeuren.

Alleen de Kroonprins Friedrich Wilhelm en zijn neef prins Louis waren gebleven. Zij hadden zich in een vensternis teruggetrokken, en zagen van daar geduldig het heengaan der toehoorders aan.

Leuchsenring ontwaarde hen nu, en ijlde op hen toe.— ,.Hoe genadig van Uwe Koninklijke Hoogheden dat zij nog hier verwijlen, en mij de gelegenheid geven, hen nog heden mijn dank te betuigen.quot;

„Ge bedoelt zeker wegens de goedkeuring, welke ik u betuigd heb?quot; vroeg de Kroonprins verlegen.

„Gewis, Koninklijke Hoogheid; dat bedoel ik. Het heeft mijn hart waarlijk verheugd, dat Uwe Koninklijke Hoogheid mijn bede vervuld, — en de voorlezing van heden bijgewoond heeft. Maar onuitsprekelijk gelukkig was ik, toen Uwe Koninklijke Hoogheid mij zoo openlijk uw goedkeuring te kennen gal; want dit bewees mij, dat de gedachten, welke ik uitsprak, weerklank vonden in het hart van den toekomstigen Koning van Pruisen.quot;

„O mijn waarde,quot; riep prins Louis Ferdinand lachend: „als de gedachten, welke gij uitspraakt, werkelijk in 't leven zouden treden, zou mijn waarde neef er wel nooit toe komen. Koning van Pruisen te worden; want het zou hem dan wel gaan, zoo als 'tden ongelukkigen Koning Lode-wijk in Frankrijk gaat, en hij zou de souvereiniteit aan het oproerige volk moeten afstaan.quot;

„Uwe Koninklijke Hoogheid is dus niet ingenomen met mijne verheven ideën?quot;

„Neen,quot; riep de prins: „neen, ik ben volstrekt indien zin geen vroom Christen, en ik wil niets te doen hebben met de christelijke leer van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Ik ben een soldatenkind; ben zelf met lijf en ziel soldaat, en heb dus grooten lust, het zwaard te trekken tegen de nieuwe leer en hare grondstellingen, deze afschuwelijke republikeinen te vernietigen, en het bedreigde Koningschap in Frankrijk weder te helpen zegepralen. Al-

ocr page 142

432

leen om u dü te zeggen, mijn waarde lieer von Leuchsen-ring, ben ik hier gebleven; alleen om u le verkondigen, dal ik uw vrijheidsleer verloeielijk vind, en ik mij van heden af, openlijk tot uwen tegenstander en vijand verklaar. Ik zal den dag zegenen, op welken Zijne Majesteit het zwaard opheft tegen het oproerige Fransche volk, en ik zal met geestdrift ten strijde trekken tegen den gehaten vijand, ■zelfs zoo ik wist, dat ik niet zou terugkeeren.quot;

„Gij zoudt dit waarlijk niet, mijn prins,quot; zei Leuchsen-ring met vervoering ; „want een nieuwe zon van kennis is opgegaan over de menschheid, en in nacht, duisternis en dood moet alles verzinken, wat zijn oogen sluit voor haar hemelschen glans. Ik ben gelukkig en verheugd, dat de Kroonprins niet denkt gelijk gij, wijl ik dan beven zou voor zijn toekomst en voor zijn troon. Want slechts die troon zal voortaan nog zeker staan, die de grootsche ideëen welke in Frankrijk verheerlijkt worden, tot zijn steun maakt, en het volk uit de slavernij tot de vrije menschheid verheft. Slechts als de Koning zich als den eerste zijner menschenbroeders beschouwt, het volk door zijne vertegenwoordigers laat deelnemen aan de regeering, en zijn eigen wil aan de meerderheid van den volkswil onderwerpt, — slechts dan kan in onze dagen een Koning er nog op hopen, zijn kroon niet te verliezen, en veilig zijn plaats op den troon te behouden. Ik verheug mij dat gij. Koninklijke Hoogheid, niet de zienswijze van prins Louis deelt, maar aan mijne woorden uwe goedkeuring geschonken hebt,''

„Gij vergist u, mijnheer von Leuchsenring.quot; zei de Kroonprins haastig en met zeer verlegen voorkomen.

„Hoe? Vergis ik mij? Heeft Uwe Koninklijke Hoogheid aan mijn voordracht Hare goedkeuring niet betuigd ?quot;

„Ja, ik heb het gedaan, — maar ik deed het slechts uit achting voor mijn voormaligen gouverneur en leeraar; uit eerbied en dankbaarheid voor de vele moeite, welke gij u voor mij gegeven hebt. Maar ik wenschte niet, dat ge mij verkeerd verstaan zoudt, en dus ben ik met den prins, mijn neef, hier gebleven, om het u te zeggen. Ik ben u zeer dankbaar, mijnheer de leeraar, maar ik — nu ja, om het ronduit te zeggen — ik vind uwe tegenwoordige wijs-

ocr page 143

133

geerige lessen zeer verwerpelijk, en zoo ik Koning ware, zou ik 't niei dulden, dat men dergelijke grondstellingen,— die mij zeer hoogverraderlijk en revolutionnair schijnen,— zoo openlijk verkondigt. Ik moest u dit zeggen, Leuch-senring, wijl ge mij geleerd hebt de waarheid te beminnen, en vrijmoedig voor mijne grondstellingen uit te komen. Indien ik mij in uw plaats bevond, zou ik misschien denken gelijk gij ; daar ik echter, — zooals de markies de Mirabeau heeft gezegd: — mij de moeite heb gegeven, onder een troonhemel geboren te worden, moet ik mij nu ook de moeite geven, mijn geboorte eer aan te doen, en de ideén van het Koningschap, van de monarchie en het absolutisme te verdedigen.quot;

„Hoe, is u dit ernst. Koninklijke Hoogheid?quot; vroeg Leuchsenring verbleekend: „Gij, zoo jong, met een zoo warm hart en loyalen zin, gij wilt uw oor sluiten voor de verheven lessen en openbaringen der menschenliefde en menschenwaarde ? Dus zijn al mijn lessen, mijn vermaningen vergeefsch geweest, en de „rechten van den mensch, welke zelfs de Bourbon Koning aangenomen en bezworen heeft, vinden in uw jong en edel hart geen weerklank ? Gij, mijn waarde, mijn geliefde prins, gij hebt den treurigen moed, het absolutisme te willen verdedi-gen ?quot;

„Ja, dat wil ik en dat zal ik,quot; zei de Kroonprins beraden : „ik zou liever gestorven zijn, dan mij te laten vernederen, zooals Koning Lodewijk XVI gedaan heeft; en liever wil ik als een absoluut Koning door Gods genade, onder de trappen van mijn troon begraven worden, dan nog twintig jaren te regeeren als een constitutioneel Koning door 's volks genade! — Dit moest ik u zeggen, mijn waai de heer von Leuchsenring, opdat ge mij niet verkeerd zoudt verstaan. Ge hebt mij genoodigd uw voorlezing van heden bij te wonen, en ik heb uw wensch vervuld, en ten slotte uw voorlezing geapplaudisseerd, uit eerbied voor mijn voormaligen gouverneur, en wijl ik u in 't bijzijn der vergadering geen dementi wilde geven. Maar de waarheid was ik tóch verplicht u te zeggen ; en wijl ik nu gevoel, dat de waarheid mij van u scheidt, zoo wil ik ten minste in vrede van u afscheid nemen. Ik verzoek u,mij niet weder op uwe voorlezingen te noodigen, want ik

ocr page 144

134

zal nicL komen. Adieu, mijnheer von Leuchsenring, en wees overtuigd, dat het mij leed doet, zóó van u te moeten scheiden.quot;

En de Kroonprins snelde, — zonder zijn voormaligen leeraar den tijd tot eenig antwoord te laten, — naar de uitgangsdeur.

Prins Louis was hem gevolgd, maar aan de deur gekomen, keerde hij zich om, en trad nog eens tot Leuchsenring, die somber en in zich zelve gekeerd de prinsen nageoogd had.

„Vergun mij u een goeden raad te geven,quot; zeide hij, „reken niet te zeker op de macht uwer partij, en laat u niet verblinden door rle bescherming eener machtige gravin en eener verliefde Hoffreule. Er zijn menschen, die machtiger zijn dan deze schoonc dames, en even zulke vurige aanhangers der monarchie zijn, als gij van de republiek zijt. Neem dit ter harte, mijnheer von Leuchsenring; en zoo ge misschien papieren mocht hebben, die u en anderen konden compromitteeren, verbrand ze ! Hoort ge wel, verbrand ze!quot;

En terwijl de prins den heer Leuchsenring lachend toeknikte, ijlde hij met wijde schreden door de zaal, den Kroonprins na, die juist langzaam de trap afging.

„Ge hebt hem gewaarschuwd, Louis?quot;'

„Ja, Friedrich Wilhelm, ik heb 't gedaan, wijl ge het wenschtet, schoon ik u beken dat ik den afschuweiijken revolutionnair wel een kleine bekoeling door gevangenschap gun.quot;

„Neen, neen ; men moet hem niet in hechtenis nemen! Ik zal 't niet dulden!quot; riep de Kroonprins levendig : „Men moge hem verbannen, dit heeft hij verdiend ; want hij is een Jakobijn, en verheerlijkt de republiek, welke wij met recht verfoeien; maar men moet hem niet gevangene-men ; noch martelen of kwellen. Ik heb hem veel te danken, en ofschoon ik zijn grondstellingen verfoei, blijf ik toch altoos zijn persoon genegen, en zou hem geen goed met kwaad willen vergelden!quot;

ocr page 145

135

II.

HET GELEGENHEIDSHUWELIJK.

„Dus weder eene hoop vervlogen!quot; zuchtte de heer von Leuchsenring, terwijl hij de groots zaal verliet, en naar zijn bijzondere vertrekken terugkeerde: „Ik had gehoopt dat het zaad, dat ik in dit jonge hart gestrooid had, zou opschieten, en voor de vrijheid en het verheven idéé van den nieuwen tijd, goede vruchten zou dragen. Maar 't is ver-geefsch, en dit geslacht van Vorsten is onverbeterlijk. Mirabeau heeft wél gelijk; deze Vorsten hebben niets geleerd en niets vergeten, en derhalve kunnen zij zich in den nieuwen tijd niet vinden, en derhalve zijn zij aan den ondergang gewijd. Ik wilde dezen jongen prins van het verderf redden; ik wilde zijn oogen openen, opdat zij zien zouden en den afgrond kennen, aan welks rand alle tronen en alle kronen staan! Maar dwaling en vooroordeel sluit hen allen de oogen, en zij zullen allen nederstorten in den afgrond, dien de revolutie voor hunne voeten heeft geopend, en waaruit de republiek, als zegevierende heer-scheres des wereld, moet te voorschijn komen! Want zij willen niet anders, deze verblinde Koningen en Koningskinderen !quot;

En met een diepe zucht en treurig hoofdschudden ontdeed zich Leuchsenring van den fraaien, met goud gebor-duurden blauw-tluweelen rok, om dien met een gemakkelijk, elegant huiskleed te verwisselen. Vervolgens liet hij zich met een gevoel van onuitsprekelijk welbehagen op den divan neder, en haalde uit zijn borstzak het sierlijk welriekende billet doux, dat freule von Bielefeld hem straks bij het scheiden, vluchtig in de hand had gedrukt.

Zonderling, ook de freule waarschuwde hem! Ook zij sprak van gevaren, die hem bedreigden ; ook zij vermaande hem, op zijn hoede te zijn, en alle papieren te vernietigen, die hem konden compromitteeren.

„Och wat! De vrouwen zijn altoos angstig als zij beminnen, en Josephine is zeer romantisch! Zij zou zoo gaarne van mij een held maken, die van duizend gevaren omringd is, en uit alle zegevierend te voorschijn komt! Maar, als men de zaken met prozaïsche oogen beschouwt,

ocr page 146

436

dan krimpen de gevaren tot niets ineen. Bischofswerder en Wöllner haten mij, dat is waar! Zij zullen't mij nooit vergeven, dat ik de wereld gewaarschuwd heb voor de vermomde bende, die zich hier te land Rozenkruisets noemen, en de vrijheid van denken en onderzoeken weder tot den dwang der kerk zouden willen terugdringen. Maar wat kan hun haat mij schaden, daar de gravin Dönhof mij beschermt, om de eenige reden, dat genen mij haten ? Hoe meer zij mij aanvallen, des te vuriger zal zij mij verdedigen en 't als een eerezaak beschouwen, hunne aanvallen af te slaan en te bewijzen, dat zj; de machtigste is! Zij is. Goddank, zeer eerzuchtig en zeer heerschzuch-tig, deze schoone gravin, en dit— Maar wat is dat? Klopt er niet iemand aan mijn deur?quot;

Hij richttè zich uit zijn behagelijke houding op en luis-teide. Inderdaad; er klopte iemand aan zijn deur,nu luider en heftiger dan den eersten keer!

Zonderling! Wie kon zoo laat nog bij hem komen, daar toch de bezoektijd lang voorbij was; daar de nacht reeds was aangebroken, en de deuren van het hotel lang gesloten waren ?

„Maar er werd ten derdemale geklopt, en een stem riep: „Mijnheer von Leuchsenring, doe open!quot;

Dit was niet de stem van een vriend, van een bezoeker, die verzoekt binnen te worden gelaten, — maar het was een luide, gebiedende stem.

„Nu, zulk een persoon zal ik geen toegang verleenen! Niemand heeft mij te gebieden! Ik ben een vrij man!''

„Doe open! Ik beveel het in naam des Konings!quot; —

Aan zulk een eisch moet zelfs een vrij man, een republikein zich onderwerpen, zoo hij zich in koninklijke landen bevindt!

Leuchsenring ging met bedaarden tred naar de deur, en opende haar.

„Ha, zijt gij 't mijnheer de graaf von Schulenburg-Keh-nert,quot; riep Leuchsenring met een spottenden glimlach, terwijl hij van de deur terugtrad.

„Ja, ik ben het,' zei de graaf barsch, en hij haastte zich binnen te treden, en de deur achter zich te grendelen.

„Waartoe deze omstandigheden, mijnheer de graaf? Ge

ocr page 147

137

ziet immers dat ik mij volstrekt niet verzet, hoewel ik weet wat uw bezoek beteekent.quot;

„Nu, mijnheer, wat beteekent het? Ik zou wel nieuwsgierig zijn het van u te vernemen.quot;

„Het beteekent, dat mijne vijanden Bischofswerder en Wöllner tot de sterkste middelen hun toevlucht genomen, — dat zij zich met Wilhelmine Rietz vereenigd hebben, om mij te doen vallen, en dat deze mij haar gunsteling zend, om door hem mijne papieren te laten onderzoeken, en mij wellicht naar de gevangenis te brengen.quot;

„Gij vergist u, mijnheer! Men denkt er volstrekt niet aan zich met uwe gevangenschap te belasten en u te vergunnen, u als martelaar uwer verheven ideën te beschouwen. Als men een vogel heeft, wiens gekras iemand lastig en onaangenaam is, welnu, dan opent men zijn kooi, [Iaat hem er uitvliegen, en vergunt hem, zich elders een nest te bouwen.quot;

„En ik ben een lastige vogel?''

„Ja, mijnheer; en derhalve kom ik in naam des Konings om uwe papieren te onderzoeken, en u vervolgens uw pas te geven.quot;

„En mag men vragen waar heen deze pas luidt?quot;

„Nu, natuurlijk naar het vaderland der vrijheid en volksgelukzaligheid, naar Frankrijk, dat immers de twijfelachtige eer heeft u als Elzasser tot zijne zonen te rekenen. Geef mij nu de sleutels, opdat ik de papieren in uwe kasten en tafels onderzoeken kunne, en veroorloof mij de opmerking, dat, zoo het u mocht invallen u te verzetten, ik de vier soldaten uit de voorkamer hier roep.quot;

„Ik ben overtuigd, dat ge de brutale macht medebrengt, en ik denk er dus volstrekt niet aan, mij te verzetten. Hier zijn de sleutels van mijn schrijftafel en van mijne kasten, maar ik zeg u vooraf: uwe navorschiingen zullen vruchteloos zijn want ik ben gewoon, alle compromitee-rende brieven en papieren te verbranden. Mijn geheugen alleen is de kast, waarin ik hun inhoud bewaar.quot;

„In allen geval een groote verzekering voor uwe vele minnarijen, mijnheer,quot; merkte de heer von Schulenburg aan, terwijl hij de schrijftafel opende.

„Ge ziet, heer graaf, de schrijftafel gelijkt volkomen uw hoofd, want zij is ledig,quot; zei Leuchsenring lachend.

ocr page 148

138

„Mijnheer! wacht u mijn toorn te tergen, anders —quot; „Wat anders? vroeg Leuchsenring bedaard; „Voleind uw bedreiging, want —quot;

Op dit oogenblik echter werd de deur heftig opengerukt, en freule von Bielefeld ijlde binnen.

„'tls dus waar?quot; risp zij hartstochtelijk; „Men wil u gevangen nemen, Leuchsenring ? Men wil u een proces aandoen? Wij zullen den verheven vriend en leeraar verliezen, wiens ideeën ons verrukten, tot wien wij opzagen, als tot den Messias van den nieuwen tijd!quot;

En met uitgebreide armen, vloog de schoone freule vol opgewondenheid op Leuchsenring toe. Deze echter, weerde haar met zacht geweld af.

„Mijn waarde freule, ge verliest uit het oog, dat wij een getuige hebben, dat —quot;

„Neen.quot; viel zij hem heftig in de rede: „ik verlies niets uit het oog! Maar wat stoor ik mij aan deze getuigen van het ruwe geweld, van de laaghartige boosheid; ik veracht ze, ik bespot ze! Mijnheer de graaf von Schulenburg Keh-nert, wat wilt gij hier?quot;

„Daaromtrent, mijn genadige freule, ben ik m geen verantwoording schuldig; veeleer moet ik mij veroorloven u te verzoeken, deze kamer te verlaten, want zoover ik weet, hebt gij geen recht er u in op te houden. Maar om u ge rust te stellen wil ik u zeggen, dat niemand er aan denkt het kostbare leven of de persoonlijke vrijheid van dezen veelgeliefden heer von Leuchsenring te bedreigen. Zoodra ik de papieren onderzocht, of er geene gevonden heb, zal ik de eer hebben den heer von Leuchsenring naar de beneden gereedstaande reiskoets te geleiden. Hij zal er een gendarme als reismakker in vinden, en deze zal hem tot aan de Fransche grenzen uitgeleide doen. Daar mijnheer von Leuchsenring zulk een vurig voorvechter der Fransche revolutie is, zal hij 'tons dank weten, dat wij hem op de snelste wijze naar het land zijner idealen en verwachtingen zenden quot;

„En gij, mijn dierbare vriend, mijn aangebeden leeraar,quot; vroeg de hoffreule met een teederen, in tranen zwemmen-den blik op Leuchsenring: „wat denkt ge te doen?quot;

„Daar ik geen middel heb om het geweld te crotseeren, zal ik vertrekken, antwoordde Leuchsenring treurig; „Ik

ocr page 149

130

beken ook, dal ik zonder droefheid dit land verlaten zou, waarin de duisterlingen en de huichelaars over gedach-tenlooze slaven heerschen, indien niet —quot;

„Nu, waarom zwijgt ge?'' vroeg de freule levendig: „Waarom wilt ge niet voortspreken?quot;

„Wijl mijnheer de graaf von Schulenburg Kehnert mijn zaken onderzoekt, en wijl ik voornemens ben, als een arm balling zonder uitzichten, zonder plannen, zonder hoop van Berlijn te vertrekken.quot;

„Neen, dat zult ge niet doen!quot; riep de hoffreule levendig; „Mijnheer de generaal, ge zult er niet op staan, dat mijnheer von Leuchseniing nog in dezen nacht vertrekt, zoo hij u belooft, dat hij morgen vroeg Berlijn verlaat om naar Parijs te gaan?quot;

„Ik zal er op staan, ingeval niet een wezenlijke gewichtige reden van verhindering, het verschuiven der reis tot morgen vroeg, noodzakeliik maakt. Is zulk een reden voorhanden, mijnheer von Leuchsenring, noem ze mij dan.quot;

„Neen, zij is niet voorhanden,quot; zei Leuchsenring bedaard.

„Ja, zij is voorhanden,'' riep de holTreule levendig: „mijnheer von Leuchsenring kan Berlijn eerst morgen vroeg verlaten: wijl hij heden nacht nog een gewichtige en on-uilstelbare zaak te verrichten heeft.quot;

„Welke zaak, genadige freule?quot;

„Zijn huwelijksvoltrekking!quot;

„Mijn huwelijksvoltrekking?quot; vioeg Leuchsenring met verschrikt gelaat.

„Ja, uw huwelijksvoltrekking!quot; herhaaldde de holTreule teeder: „Ge denkt toch niet, mijn vriend, dat zij, welke ge bemint, u alleen in den vreemde en in ballingschap zal laten gaan ? Ge denkt toch niet, dat zij zoo laag en erbarmelijk is, om niet alles op te geven, alles te verlaten om uwentwille? Die waarachtig bemint, volgt slechts de wetten der liefde en trouw, en verscheurt moedig al de banden, die het hart dwang willen aandoen. Leuchsenring; ge hebt mij dikwijls gezegd, dat ge mij bemint; iK zeg u yiu, dat ik uwe liefde beantwoord, en ik bied u mijn hand tot eeuwig verbond. Ik wil uwe gade worden, om met u ballingschap, armoede en gevaren te deelen.quot;

„Neen, neen, dit is onmogelijk,quot; riep Leuchsenring le-

ocr page 150

1 iO

vendig: „ik mag zulk een edelmoedig olTer niet aannemen.quot;

„Gij moet het aannemen; ik sta er op uw vrouw te worden,quot; riep de freule teeder. „Heer gener aal, wilt ge er nu in bewilligen, de reis tot morgen vroeg uit te stellen? Een huweliiksvoltrekking is toch wel een reden van verhindering, en ge zult immers de echtgenoote van den heer von Leuchsenring eenige uren tijd gunnen, om hare noodzakelijke goederen te pakken?quot; *

„Ik zal gaan, orn van Zijne Majesteit nadere instructiën te verzoeken,quot; antwoordde de generaal: „maar ik verwittig u, dat ik de wacht in de voorkamer achterlaat, en zij van mij streng bevel heeft, niemand te laten passeeren.quot;

„En is 't u waarlijk ernst, Josephine! vroeg Leuchsenring, toen de generaal zich verwijderd had: „Wilt ;.;e inderdaad uw schitterende betrekking alhier opgeven, om mij te volgen? De aangebeden, gevierde hoffreule der koninklijke prinses, wil de vrouw van een arm manzon-der rijkdom, zonder rang en aanzien worden?quot;

„Mijn geliefde; ik zou een slechte en onwaardige leerlinge van mijn dierbaren leeraar zijn, zoo ik niet van hem geleerd bad, de ijdele dingen dezer wereld te verachten, en rang en rijkdom gering te schatten. Er is slechts één waardeerbaar goed: de persoonlijke vrijheid; en van deze maak ik gebruik, als ik mijn hart, mijn liefde, mijn leven aan uwe voeten ler en tot u zeg; neem mij mede en beschouw mij als uw eigendom, want dat ben ik, en dat wil ik eeuwig zijn! De nieuwe tijd der gelijkheid, vrijheid en broederschap geeft aan de vrouw dezeltde rechten als aan den man, en met dit recht geliefde, dierbare man, vraag ik: Wilt ge mij tot uwe vrouw nemen? Wilt ge met mij huwen en mij vergunnen, mijn leven met u te deelen, en u ter zijde te staan in liefde en trouw?quot;

„Ik wil het,quot; zei Leuchsenring, de hem gereikte hand der freule vast in de zijne sluitende: „ik wil u beminnen als de vrije, edele gezellin mijns levens; ik wil in mijne vrouw het vrije recht van den mensch eeren, en haar nooit als mijn slavin, mijn dienares beschouwen, maar steeds als de gelijkgerechtigde zuster mijner ziel, de geliefde vertrouwde van mijn hart. Ik ben bereid met u voor het altaar te treden, om aan den vorm te voldoen, en naar de

ocr page 151

141

volgens mij, verouderde gebruiken en vooroordeelen voor een geestelijke u trouw beloven, hoewel mijn woord als man, dat ik u hier in deze kamer geef, voor mij dezelfde verbindende kracht heeft. Maar ge hebt het dezen slaaf der wet gezegd, dat wij het huwelijk dezen nacht wilden voltrekken, en zoo zal het geschieden!quot;

„Ja zoo zal het geschieden,quot; herhaalde freule von Bielefeld : „ik heb reeds alles voorbereid, alles geregeld, want ik vermoedde dat het zoo gebeuren zou. Daarom had ik u gewaarschuwd; daarom had ik uw bediende last gegeven mij dadelijk te berichten, zoo hier iets buitengewoons mocht plaats hebben. Hij was op de trap geweest, toen de generaal met de soldaten het hotel binnentrad en van den portier eischte, dat hij hem naar uwe vertrekken zou voeren, en onmiddellijk verliet hij het hotel en kwam tot mij, om mij te melden wat hier geschieden zou.quot;

„Zoo zal ik dan aan de waakzaamheid van den trouwen bediende, het geluk mijner toekomst te danken hebben,'' zeide Leuchsenring, terwijl hij teeder zijn arm om de geliefde legde, en haar aan zijn hart drukte. —

Graaf von Schulenburg-Kehnert kwam spoedig terug met het bericht, dat de Koning den voormaligen onderwijzer van den Kroonprins, uit aanmerking juist van deze hoedanigheid, de verzochte genade verleenen en vergunnen wilde, dat hij eerst morgen vroeg zijn reis naar Frankrijk aannam, maar dat het den generaal bevolen was, tot zoolang niet van zijn zijde te wijken.

„Dan zult ge de eer hebben mijn echtvereeniging met de freule von Bielefeld bij te wonen,'' zeide Leuchsenring met een vriendelijke hoofdbuiging.

„Ge wilt u dus werkelijk laten trouwen?quot; vroeg de graaf: „Ik dacht dat de nieuwe vrijheids-ideeën, welke gij huldigt, zulk een plechtigheid volkomen noodeloos maakten.quot;

„En hierin hebt ge volkomen gelijk,quot; antwoordde Leuchsenring ernstig; „ik houd niet van deze uiterlijke plechtigheid, en ben niet van meening, dat door de tegenwoordigheid van een zoogenaamden geestelijke, — die niets meer is dan een door de gemeente betaalde dienaar, — de openlijke verklaring van wederzijdscbe liefde heiliger en ge-wijder zou zijn, dan_ wanneer eenig ander getuige de ge-

ocr page 152

4/j2

lofte van trouw en liefile bijwoonde. Maar daar de freule von Bielefeld, mijn dierbare bruid, van een andere meening is, wil ik haar hierin gaarne toegeven, en mijne meening aan de hare onderwerpen.quot;

„Neen, dierbare man, dat zult ge niet,quot; riep de freule in vervoering; „ik wil u bewijzen, dat ik een gewijde en trouwe leerlinge van u ben, en uw wil voortaan ook de mijne is! Ik ben bereid ons huwelijk terstond hier in deze kamer te doen plaats hebben.quot;

Leuchsenring's gelaat straalde van verrukking, en nooit was hem de hoifreule schooner en beminnenswaardiger voorgekomen, dan nu, toen hij voor haar zijn knie boog, en met bezielde, enthusiastische woorden haar dankte, voor dit. grootmoedig bewijs barer ware en edele liefde.

Zij boog zich tot hem, en kuste zijn hoog, effen voorhoofd. „Sta op, mijn vriend, en laat ons terstond tot onze huwelijksvoltrekking overgaan!quot;

„Dat is alles zeer traai, zeer verheven en verrukkend,quot; zei graaf von Schulenburg-Kehnert de schouders ophalende: „maar voor een huwelijksvoltrekking is toch in allen geval de tegenwoordigheid vaneen geestelijke noodig, en die moet toch eerst gehaald worden.quot;

„Gij vergist u, heer graaf; de geestelijke,dien wij behoeven, is reeds aanwezig.quot;

„Is reeds aanwezig? Waar dan?quot;

„Vraag mijn waarde bruid, wie hij is?quot;

„Gij zelf zijt het, beer graaf,quot; antwoordde freule von Bielefeld glimlachende: „gij zijt de geestelijke, die ons huwelijk sluiten zal.quot;

„Ik?quot; vroeff de graaf geheel verbluft. „Ik zou een geestelijke zijn? Ik zou een huwelijk sluiten?quot;

„Ja, mijnheer, gij zelf. Elk beambte der openbare macht is gerechtigd en bevoegd tot zulk een ambt, en bet burgerlijke of gewetenshuwelijk, — dat het eenige huwelijk der toekomst zal zijn, — behoeft geen huichelaars in tabbaard en geen uiterlijk vertoon. Ge kent toch zeker de bij een huwelijksvoltrekking gebruikelijke vragen?'

,,Of ik ze ken,quot; zuchtte de graaf; „daar ik thans voor den vierden keer getrouwd ben, heb ik er reeds viermaal antwoord op gegeven, en ze zijn mij tamelijk eigen geworden.quot;

ocr page 153

143

„Dan, mijnheer,quot; lispte freule von Bielefeld met haar teederste en zoetste slem: „dan verzoeken wij u, voor ons als geestelijke te fungeeren, en de gebruikelijke vragen tot ons te richten.quot; f

De graaf lachte luid. —„Het is u dus wezenlijk ernst? Ik zal de geestelijke zijn, die uw huwelijk inzegent?quot;

„Ja, 't is ons volkomen ernst,quot; antwoordden beiden eenstemmig.

„Nu,'' riep do graaf vroolijk: „het zij dan zoo. Het is ten minste een alleraardigste grap, die den Koning en het geheele Hof een aangenaam amusement zal verschalTen. Zijt ge dus bereid tot de plechtige handeling?quot;

„Ja, wij zijn bereid.quot;

En hand in hand, met ernstig gelaat, plaatste hel minnend paar zich tegenover den graaf, die luid kuchte en aanvankelijk vergeefs zijn lachspieren trachtte te bedwingen, en zijn gelaat een plechtige uitdrukking te geven. Vervolgens, na een pauze, begon hij met verheffing van stem: „Ik vraag u, mijnheer von Leuchsenring: is 't uw ernstige, trouwe wil de hier tegenwoordige freule Josephine von Bielefeld tot uw echte vrouw te nemen, haar als zoodanig te beminnen, te eeren en te hoogachten tot den dood?'

„Ja,quot; antwoordde de heer von Leuchsenring plechtig.

De graaf wendde zich nu tot de bruid, en deed haar dezelfde vraag, welke zij met een verheugd „ja'' beantwoordde.

„Zoo laat mij dan de ringen wisselen, ten teeken van de gesloten verbintenis.quot;

„O mijn hemel, ik heb geen ring aan den vinger,quot; riep freule von Bielefeld: „ik had ze alle reeds afgelegd, toen de knecht kwam.quot;

„En ik,quot; zei de heer von Leuchsenring: „ik draag nooit ringen.

„Hoe maken wij 't nu, mijn waarde vriend? 't Zou toch jammer zijn, als wegens de ontbrekende ringen, het huwelijk niet voltrokken kon worden!quot;

„Inderdaad, 't zou jammer zijn, maar —quot;

„Ik stel u een hulpmiddel voor,quot; viel de graaf hem in de rede, daar hij begeerig scheen zijn rol verder te spelen: „ziet hier de ringvingers mijner beide handen. Zij

ocr page 154

144

zijn boido versierd met twee trouwringen. Hier reclils draag ik de trouwringen mijner beide eer^'e vrouwen! Lieve, dierbare wezens, die beide bij de eerste^bevalling overleden zijn. Hier links is de trouwring mijner geliet-de derde, en die daarboven van mijn tegenwoordige echt-genoote. Zoo ge 't mij wilt vergunnen, sehenk ik u de beide trouwringen mijner rechterhand, ter gedachtenis aan dit plechtig uur, en wij kunnen dan het wisselen der ringen doen plaats hebben.quot;

„Zijt ge hiermede tevreden, dierbare Josephine?'

„Ja, mijn geliefde; hoezeer 'teen treurig voorteekenis, ons huwelijk met de ringen van twee overledenen te vol-trekken''

„Voor den verlichten, verstandigen mensch bestaan et-geen voorteekens,'' antwoordde Leuchsenring ernstig; „Toe • val is alles, en aan de gouden ringen, welke de goudsmid maakt, kleeft geen beteekenis. Mijnheer de generaal, wij nemen dankbaar uw vriendelijk geschenk aan, en verzoeken u, het huwelijk te voltrekken.quot;

De graaf trok van den ringvinger zijner rechterhand de eenigszins afgesleten dunne trouwringen, en overhandigde ze aan het bruidspaar. Vervolgens liet hij zich hunne handen reiken, en wisselde met volkomen ernstig gelaat de ringen, die zij haastig aan den vinger hadden geschoven.

„Zoo is dan nu het plechtige huwelijk voltrokken, zei-de hij vervolgens buigende: „gij zijt nu man en vrouw, en wat God heelt vereenigd, zal de mensch niet scheiden. Mevrouw von Leuchsenring, vergun mij uw hand te kussen, en u mijn gelukwensch aan te bieden.quot;

Zij reikte hem met een lieielijken glimlach haar hand, maar eer de graaf die genomen had, trok Leuchsenring

haar haastig terug.

Pardon, heer graaf; ge hebt nu niet meer met de hoffreule te doen, maar met mijne vrouw, en 't is billijk dat zij den eersten kus van mij ontvangt.' En hij bracht de kleine hand, welke hij in de zijne hield, aan zijne lippen en bedekte haar met kussen.

„O, mijnheer de vrijgeest,quot; riep de graaf lachend; „zoudt

ge misschien jaloersch zijn?quot;

„Ja, mijnheer donkergeest, ik bon jaloersch, en ik zou

ocr page 155

145

niemand raden mijn jaloezie te tergen ! Maar, als ge't veroorlooft, laten we ons nu met ons vertrek bezighouden.quot; —

Toen de morgen aanbrak, reed van het hotel Portugal een reiskoets af. Daarin zat de heer von Leuchsenring met zijn jonge vrouw; voor op den bok nevens den koetsier de Pruisische gendarme, die den gevaarlijken profeet der vrijheid, tot aan de Pruisische grenzen begeleiden zou.

De graaf von Schulenburg-Kehnert had het jonge paar tot aan de afreis niet verlaten, en de jonge vrouw aan zijn arm naar de reiskoets geleid. Nu, in de deur van het hotel staande, oogde hij de wegrijdenden na, en een beha-gelijk lachje speelde om zijn dunne, bloedlooze lippen.— „Nu, ik denk, de dwaze freule zal genoeg gestraft worden voor haar romantische liefde. Deze fantastische vrijheidsheld schijnt zeer jaloersch te zijn, en zijn groote denkbeelden van vrijheid, gelijkheid en broederschap volstrekt niet op zijne vrouw te willen toepassen. Zij was toch anders een tamelijk lustige vogel, en — Nu, wij zullen zien! In allen geval wil ik heden voormiddag naar de lieve Rietz gaan, en haar de heerlijke geschiedenis vertellen. Zij zal er tranen om lachen, en 't zal een klein amusement voor onzen armen, zich vervelenden heer zijn 1quot;

III.

BRIEF EN AFSCHEID.

Het pleit was dus beslecht! Pruisen had zich met Oostenrijk verbonden, om het oproerige Frankrijk te overwinnen, en het ongelukkige koninklijke paar te bevrijden, dat in de Tuileriën als in een gevangenis smachtte. In 't laatst van April had de conventie reeds den oorlog aan Oostenrijk verklaard, en een week later was het beslissend tractaat gesloten, dat Pruisen tot bondgenoot van Oostenrijk maakte. De krijgszuchtige partij had dus gezegevierd, de vredespartij het onderspit gedolven. Wilhelmine Rietz triomfeerde; want zij was het immers geweest; die den llühlljaoh, Duitschland in Woeling en Strijd. V. 10

ocr page 156

146

Konino tot dit verbond met Oostenrijk bewogen had, om hierdoor haar macht en haar overwicht te toonen.

De cravin Dönhof gevoelde zich diep gekrenkt en yei-nederd en terwijl de prinsen juichten, terwijl de Koning, de Generaals en de officieren luid en trotsch van de overwinningen spraken, welke men in Frankrijk zou behalen — terwijl het hun scheen, als hadden zij reeds den bedreigden Koning Lodewijk en de schoone Koningin Made Antoinette uit de handen der 0Pr0erlingen ■ hield de quot;ravin Dönhot zich eenzaam en atgezondeid in hare vertrekken. Vergeefs had de Koning heden, — den daquot; dat hij met de prinsen uit Berlijn wilde vertrekken, om zich naar den Rijn te begeven — driemaal zijn trot-sche gemalin der linkerhandquot; zijn bezoek laten aankondigen' De gravin had telkens onder een of ander voor-wendsel oGW6i^6rd hGin t6 ontvangGii. ,

Ik kan toch Berlijn niet verlaten, zonder van de gia-vin afscheid te nemen,quot; zei de Koning zuchtend. .,De gravin is toch zulk een schoone, beminnenswaardige

daminderdaad is zij dat. Majesteit,quot; zei de vertrouwde kamerdienaar Piietz: „een zeer hemelsche dame van waar ach-

tig Romeinsch karakter, maar een weinig te republikeinsch

oezind Zii was de beschermster van mijnheer \on Leuch-senring, die immers geheel openlijk propaganda maakte voor het republikeinsche Frankrijk; en de g^miswaa -schijnlijk boos op Uwe Majesteit wijl deze razende lepu-blikein gedwongen werd Berlijn te vei laten. i . „f

'tls mogelijk, Rietz; maar ik wil toch niet zonder afscheid van*3 haar gaan.'Zij is de --t^Td^viquot; er kleinen quot;-raai van Brandenburg, en ik zal de „layin eeuwif dankbaar voor zijn, dat zij mij door dezen heven kleinen zoon een vergoeding heeft gegeven vooi den dierbaren quot;raaf von der Mark, dien mijn hart nooit vergeten kan. Ga dus tot haar, mijn getrouwe, zeg de g^aT' ^ ik morgen vroeg Berlijn verlaat, en persoonlijk afsche

van haar wensch te nemen! j j

Tot uwen dienst, Majesteit. Maar mag ik mij onderda-nigst veroorloven, 'een vraag lot mijn genachgen Konmg

te0richten?quot;

,,Ik veroorloof 't u. Spreek.

ocr page 157

147

„Uwe Majesteit wil mevrouw de gravin bezoeken, wegens den kleinen graat' van Brandenburg. Maar kan dan de arme Willieimine het helpen, dat de graaf von der Mark gestorven is?quot;

„Neen, Rietz, zij kan het niet helpen; 't is veeleer voor haar, evenals voor mij een groot ongeluk, en wij moeten haar derhalve zoeken te troosten. (ïe kunt ook tot ham' gaan en haar berichten, dat ik heden avond bij haar sou-peeren wil. Spoed u mijn getrouwe, en breng mij spoedig het antwoord van mijn trotsche gravin.quot;

„Nu,quot; zeide Pdetz bij zich zeiven, toen hij door de straten snelde: „nu, mevrouw mijn echtgenoote zal, denk ik, wegens mij tevreden zijn! Zij heeft van den Koning begeerd, dat zij hem op den veldtocht begeleiden mocht, maar de Koning heelt het haar geweigerd; toen heeft de lieve Wilhelmine in haar toorn hem een bloodaard genoemd, en beweerd, dat Zijne Majesteit haar eeniglijk niet wilde medenemen, uit vrees voor de wijzneuzige gravin Bonhof. Be Koning is hierop óók in toorn geraakt, heeft Wilhelmine zijn vriendschap opgezegd, zich voor altoos van haar los verklaard, en is in weerwil van haar smee-ken en jammeren, verstoord van haar gegaan. Sedert zijn drie dagen verstreken, zonder eenige toenadering van de zijde des Konings. En wie is nu de bemiddelaar? Wie verzoekt den Koning op de meest kiesche en liefelijkste wijze, de verlaten vriendin te bezoeken ? Figaro, zooals de hoogzalige gravin von Voss mij geliefde te noemen ; Figaro doet het, hij verwerft zich de onuitsprekelijke verdienste, zijne Suzanna met den graaf Almaviva te verzoenen. Nu, ik denk dat Suzanna, er mij dankbaar voor zal zijn en mij helpen zal, mijn beschermeling, den rijken Anderbeck den adel te bezorgen, waarvoor de ezel mij drieduizend thaler beloofd heeft. Het zou razend ondankbaar zijn van mijn lieve Suzanna, zoo zij mij hierin niet wilde helpen, tot dank, dat ik den Koning weer lot haar breng.quot;

Nu had hij het paleis der gravin Dönhof bereikt, snelde de trap op, en berichtte den toeijlenden kamerdienaar de boodschap des Konings.

„Ik verzoek den heer kamerdienaar beleefd, een oogenblik te wachten, tot ik het antwoord van Hare Genade de gravin breng,quot; lispte de kamerdienaar eerbiedig.

ocr page 158

148

„Nu, het zij zoo,quot; antwoordde Rietz trotsch: „hoewel mvj' duukt, dat er geen verder antwoord noodig is. Want als de Koning mevrouw de gravin met zijn bezoek wil vereeren, is dat zoo goed als een bevel, en er is geen verdere toestemming noodig. Maar ga, ga, en haast u terug te komen, want ik ben niet gewoon te wachten en te antichambreeren.quot; . .

De kamerdienaar ijlde heen, en keerde na weinige minuten met zeer verlegen houding terug.

„Mevrouw de gravin is, helaas, zeer ongesteld, en kan zells het geluk niet genieten, het bezoek van Zijne Majesteit te ontvangen. Hare Genade laat ten zeerste om verschooning verzoeken, en heeft dit ook schriftelijk gedaan in dezen brief, welken mevrouw de gravin u laat verzoeken, terstond aan Zijne Majesteit te overhandigen.quot;

„Ik geloof, mijn vriend,quot; riep Rietz lachend; „dat mevrouw de gravin zich zelve verschooning zal hebben te vragen, dat zij het genadig bezoek van Zijne Majesteit heden ten derden male afwijst. Ook de lankmoedigheid van den lankmoedigsten Koning neemt ten laatste een einde. Zeg dit aan mevrouw de gravin, van wege den kamerdienaar Rietz!''

En met trotsch gelaat en hoog opgeheven hoofd verliet de Koninklijke kamerdienaar het paleis van de gravin Dönhof, en begaf zich naar het schitterende paleis onder de Linden, dat Wilhelmine Rietz bewoonde.

Maar 't scheen, dat Rietz heden met zijn Koninklijke boodschappen geen geluk zou hebben. Ook Wilhelmine Rietz ontving zijn bezoek niet, maar liet hem door haar kamerdienaar melden, dat zij bedlegerig, ziek, — en derhalve volstrekt niet in staat was, de aangeboden genade van het Koninklijke bezoek aan te nemen, maar zich onderdanigst liet verontschuldigen.

„Gekheid!quot;' zei Rietz norsch: „men is niet ziek, als de Koning iemand de eer van zijn bezoek wil bewijzen.quot;

„Maar ik verzeker u, mijnheer, dat de genadige vrouwe werkelijk ziek is, en de arts haar streng verboden heeft, eenig bezoek te ontvangen.quot;

,Nu dat zullen wij dadelijk eens zien,quot; riep Rietz; „als zij zulk een ezel als gij zijt bij zich kan toelaten, zal

ocr page 159

149

haar deur toch zeker óók wel voor haar lieven, dierbaren

echtgenoot open zijn!quot; ,

En met een krachtige elleboogbeweging den kamei-dienaar van de deur terugstootend, opende hij die, en ging stoutmoedig door de reeks prachtige vertrekken naar Wilhelmine's boudoir. Niemand was er om hem tegen te houden ; zonder aan te kloppen opende Rietz de deur van het boudoir, en trad binnen.

Daar zat Wilhelmine op den divan, maar m zulk een zonderling ongewoon gewaad, dat Rietz als vastgewortela aan de deur bleef staan, en sprakeloos en met verblutt gelaat Wilhelmine aanstaarde, zoodat zij in een luiden

vrooliiken lach losbrak. , , ,

Nu • ziit ge in een zoutpilaar veranderd, heer kamerdienaar? Gaat het u bij mijn gezicht als Lot's vrouw toen zij omkeek naar het verwoeste Sodom . Vindt ge aat ik daar eenige gelijkenis mede heb?' , j ,

„Volstrekt niet, integendeelzei Rietz herademend.

ge ziit de meest frissche, bekoorlijkste kleine kadet, dien ik

ooit in mijn leven gezien heb, en ik zou u met het grootste genoegen dadelijk tot luitenant slaan alsiklvoning

ware

„Maar ik laat mij door niemand slaan, zelfs niet door een Koning,quot; riep Wilhelmine lachend: „integendeel, ik wil den Koning slaan, — geheel uit het veld slaan , en daarvoor heb ik deze allerliefste kadetsumform laten

maken.quot; i •• v, ^

En wil mijnheer de kadet de goedheid hebben, mij het

raadsel dezer uniform op te lossen? Wil mijnbetooverde en betooverende gade mij zeggen, wat het beduidt, dat Hoogstderzelve zich voor mij ziek laat melden, en het zelts waac;t het aangekondigde bezoek Zijner Majesteit af te wijzen, hoewel zij toch nooit frisscher wangen en gezonder voorkomen heeft gehad, dan juist heden?quot;

, Dit is wel is waar een staatsgeheim, maar vermits wij heiden het eigenlijk toch zijn, die den Staat regeeren, is het ook billijk, dat wij de staatsgeheimen met elkander deelen. Wilt ge mij een onbepaalde geheimhouding beloven, dan wil ik u geheim mededeelen.quot;

„Wilt ge mijn onbepaalden geheimhouding koopen ; dan wil ik het u beloven.quot;

ocr page 160

150

„Hoe hoog is de koopprijs?''

„Slechts een kleinigheid; een heel klein voddig adelsdiploma voor den rijken, dommen Anderbeck, anders niets.quot;

„Ge zult het diploma hebben, mijn lieve adelsbakker,quot; lachte Wilhelmine : „Binnen acht dagen beloof ik, dat ge het uitgevaardigde, en door Zijne Majesteit onderteekend adelsdiploma uit mijn handen ontvangen zult. Ge begeleidt immers den Koning in den veldtocht?quot;

„Zekerlijk, ma ioute belle. Hoe zou de Koning kunnen te velde trekken, zonder zijn waardigen kamerdienaar Rietz ?quot;

„En zonder zijn dierbare vriendin Wilhelmine? — Ik heb dus nu uwe onbepaalde geheimhouding gekocht, kamerdienaar ?quot;

„Stom als het graf, mijn echtgenoote. Ge zoudt den muur uw geheim kunnen toetluisteren, en hij zou het niet beter verzwijgen dan ik. Laat dus hooren! Verklaar mij, wat dit bekoorlijke, maar ongewone toilet beteekent ?quot;

„Het beteekent — kniel voor mij neder en buig uw hoofd lager, opdat, ik mijn geheim in uw groote ooren kan fluisteren.quot;

Rietz liet zich mot een luiden lach op een knie neder voor den divan, waarop Wilhelmine zat, die nu haar purperen lippen dicht bij zijn oor bracht.

Het moest een zeer gewichtige en lange verklaringzijn, welke Wilhelmine haren vertrouwde nopens haar toilet gaf, want zij fluisterde zeer lang, en het aanvankelijk lachend gelaat van den kamerdienaar, was bij dit fluisteren geheel ernstig geworden.

Toen zij geëindigd had, stond hij van zijn knieën op en maakte voor haai1, die nu lachend tot hem opzag, een diepe buiging.

,.Mijn echtgenoote, ik maak u mijn compliment 1 Ge zijt de schranderste en verleidelijkste Eva, die ooit een Adam den appel heeft gereikt. Uw Adam zal toebijten ! Wees er van verzekerd, Eva ! Verlaat u geheel op mijn geheimhouding en mijn ijver. Ik zal uw geheim niet verraden, en de Koning zal mij wel vergtmnen, dat mijn strijdtlustige kleine neef mij op den veldtocht vergezelt. Adio, bella carissima! He Koning verwacht zijn Figaro, en gij weet wel, — Koningen mag men nooit laten wachten !quot;

ocr page 161

15i

Hij kuste de vingertoppen der fraaie hand, welke Wil-helmine hem reikte, en ijlde heen. —

De Koning had zijn Figaro werkelijk verwacht, en ging hem, toen hij zijn kabinet binnentrad, haastig tegemoet.

„Nu, mijn getrouwe, wat brengt ge mij ? Is mijn schoone gravin verheugd mij te zien? Yerwacht zij mij?''

,,Sire, ik ben geheel verslagen en vertwijfeld, het Uwe Majesteit te moeten zeggen. Maar mijn plicht eiscbt het! Sire, de gravin von Dönhof laat zich van het bezoek Uwer Majesteit verschoonen! „Haar (Genade bevindt zich niet wel. Haar Genade ontvangt niemand,'' zoo zeide mij de kamerdienaar. „Maar Zijne Majesteit de Koning zal toch wel een uitzondering maken ?quot; vroeg ik verstoord, en de kerel had de onbeschaamdheid mij te antwoorden ; „Ik weet niet! Ik zal 't gaan hooren.quot; Toen sloop bij als een hagedis weg, en kwam terug met de boodschap: „Het spijt Hare Genade, Zijne Majesteit onder geen voorwaarde te kunnen ontvangen. Hare Genade was ongesteld, had de hierbij gaande regels geschreven, en verzocht mij, die aan Zijne Majesteit te overhandigen.quot; En met deze onbeschaamde woorden reikte de hagedis mij dit briefje, 'twelk ik de eer heb Uwe Majesteit aan te bieden.quot;

„Nu,quot; riep de Koning verstoord: „zoo de gravin instaat was te schrijven, nad zij ook wel mijn bezoek kunnen ontvangen! Voyons, waarmede zij zich verontschuldigt.quot;

Hij opende den brief en trad met het opengeslagen papier naar het venster, om den inhoud beter te kunnen lezen.

De kamerdienaar had zich bescheiden naar de deur teruggetrokken, en daar stond hij, en tuurde met zijn listige oogen heimelijk naar den Koning; sloeg elke verandering van zijn gelaat gade, en trachtte uit zijne trekken den inhoud van den brief te raden. Hij zag dat de Koning, reeds dadelijk toen hij den brief begon te lezen, versteld stond, hoe een blos van verrassing over zijn wangen vloog, hoe zijn voorhoofd meer en meer verduisterde, en hij toornig de lippen op elkander drukte.

En voorwaar, de Koning had wel reden over dezen brief van zijn trotsche , gemalin der linkerhandquot; verbaasd en vertoornd te zijn; want hij was in een voor een Koning zeer ongewonen stijl geschreven.

ocr page 162

152

„Sire,quot; schreef de gravin, „ik geef u geheel op, als ge u met zulk een lichtzinnigheid in zulk een gewichtige en moeilijke onderneming inlaat. Of ge rnoet aan de spits van 200,000 Pruisen en 250,000 Oostenrijkers optrekken, óf van alle hoop op de overwinning afzien. Met een handvol manschappen zult ge uw leven slechts op't spel zetten en uwe eer blootstellen. Ge zult van de grenzen teruggeslagen worden. Uw ridderlijke luim maakt u tot een don Quichot, die insgelijks uver berg en dal trok, om overal het recht te herstellen, alles aanviel wat hem in den weg kwam, en er op lossloeg, zonder het getal en de sterkte zijner vijanden in aanmerking te nemen.quot; ^

„O, prevelde de Koning, terwijl hij bet papier in zijn hand verfrommelde : „o, mijn trotsche gravin, deze onbeschaamdheid zal u berouwen. Ge hebt mijn liefde weten te dooden, en ge zult zien, dat mijn toegevendheid en lankmoedigheid óók hare grenzen hebben!quot;

Hij wierp het papier met een toornig gebaar op den grond, en vertrad het met zijne voeten, zóó heftig en grimmig, als wilde hij mét het papier ook de lietde van haar vertreden, die hem zulke trotsche en beleedigende woorden geschreven had. Vervolgens wendde hij zich tot Rietz, die hem met stil genoegen had gadegeslagen.

„Rietz, laat het rijtuig voorkomen ! Ik wil terstond naar Wilhelmine! Zij ten minste zal zich verheugen mij te zien, zij zal bedroefd zijn bij het afscheid. Ge hebt haar immers gezegd dat ik kom?quot;

„Zekerlijk, Majesteit,quot; antwoordde de kamerdienaar aarzelend ; „ik heb 't haar gezegd, — of liever, ik wilde 't haar zeggen, maar —quot;

„Nu,quot; viel de Koning hem in de rede, toen hij verlegen draalde: „nu wat beteekent dit maai' f Wilhelmine zal het toch óók niet in 't hoofd krijgen, zich van mijn bezoek te verschoonen ?quot;

„Sire, zij zou zekerlijk de gelukkigste vrouw van de geheele wereld zijn, zoo zij met he^ bezoek van haren aangebeden Koning begunstigd kon worden, maar dit is helaas tot haar eigen onuitsprekelijke smart, onmogelijk. Ik heb

1) Zie: Üampniartui, Charakterzügeansdem Leben rriedriuh Willielm's II. Voorts: Vertraute Briefe. II.

ocr page 163

153

baar slechts door den kier der deur gezien en even gesproken, maar toen kwam de chirurgijn, en sloot mij de deur voor den neus dicbl.''

„De chirurgijn?quot; vroeg de Koning verschrikt; „Mijn God, wat heeft de chiiurgijn bij haar te doen?''

„Siro, hij bad madame Rietz juist adergelaten. De dokter dien ik op de trap ontnaoette, zette een zeer bedenkelp gezicht. Hij zeide, de Genadige vrouw leed aan een hevige koorts, en bare zenuwen waren zóó aangedaan, dat de ziekte licht tot een wezenlijke zenuwkoorts kon overgaan, zoo zij niet met de grootste voorzichtigheid en zorg behandeld werd. Madame Rietz, meende hij, moest voor eenige dagen een heftige gemoedsbeweging ondervonden hebben, en dit was de oorzaak barer ziekte. Op denzelfden dag toen Uwe Majesteit madame Rietz de laatste maal met uw bezoek had vereerd, is zij plotseling ziek geworden. Haar kamervrouw had haar, door een diepe onmacht overvallen, op den grond liggend gevonden en den dokter ontboden, wien het eerst na zeer veel moeite gelukte, haar in 't leven terug te roepen.quot;

„Arme Wilhelmine!quot; zuchtte de Koning; „ifc ben hel die haar ziek heeft gemaakt. Zij wilde mij op den veldtocht vergezellen,_ en ik weigerde bet; zij bad en smeekte, ik bleef bij mijn weigering, en toen werd zij driftig en deed mij verwijlen, die mij boos maakten, zoodat ik haar in toorn verliet. Dat licoft haar nu ziek gemaakt; en dus moet ik nu vertrekken, zonder mij met haar verzoend te hebben! Maar ik kon baar toch onmogelijk toestaan, mij zoo openlijk voor de geheele wereld levergezellen! Welk een opzien en moeilijkheid zou dit verwekt hebben ! Hoe zou de Koningin hebben geschreid, de gravin vertoornd zijn geweest, en hoe zou mijn deugdzame heer zoon zijn voorhoofd gerimpeld hebben! Neen, neen; hel was onmogelijk! Ik mocht haar niet veroorloven mij openlijk te vergezellen, en aan de wereld ergernis te geven. Dunkt u dat óók niet, mijn waarde Rietz

,,0, Majesteit, ik zou mij nooit verstouten een andere meening te behben dan Uwe Majesteit, 't Is inderdaad waar; er zou een vreeselijk moordgeschreeuw ontstaan zijn, indien madame Rietz zoo sans (/me in't gevolg Uwer Majesteit verschenen ware. De wereld is in 't openbaar

ocr page 164

154

en met de tong zeer zedelijk, 't geen haar evenwel niet verhindert, in stilte en met daden zeer slecht te zijn.

't Is waar quot; zei de Koning hoofdschuddend. ,5de men-schen zijn over 't algemeen slecht en zedeloos, en evenwel moet men zich helaas vernederen, der openbare meening veel in te willigen, en zich eenigermate door haar te laten beheerschen! Nu berooft mij deze dwingelandcs van een

lieven genoegelij ken avond. Want't was immers slechts een

offer 't welk ik der openbare meening bracht, toen ik Wü-helrnine weigerde mij te vergezellen ;^en de arme is nu van verdriet en smart ziek geworden! r,. .

Ja waarlijk, zei is te beklagen,' zuchtte Rietz; „want hare 'ziekte beneemt de arme nu ook den verheven troost, ten minste voor haar onbelameliik gedrag van onlangs vergiffenis te ontvangen, en van Uwe Majesteit afscheid te kunnen nemen! Maar zij moet zich in het onvermijde-liike schikken, en zich op het wedeizien troosten!

Maar wie weet hoe lang dit duren zal! zei de Koning

stil' voor zich: ,,llet Fransche gespuis zal zeker onze krijgsmacht niet lang weerstaan en ons niet verhinderen, de grenzen over te trekken Maar 'tis een verre weg tot Parijs, en vóór dat wij daar alles weder in orde gebracht, en den Koning zijn geheele macht teruggegeven hebben, zal toch een quot;eruime'tijd verstrijken, 't Kan vele maanden duren, eer !k mijn lieve Wilhelmine wederzie! Nu, men moet zich in alles schikken en van de loekomst hopen, wat het tegenwoordige weigert! Ik wil naar de Koningin gaan, en afscheid van haar nemen! De goede ziel bemint mij immers zoozeer, en heeft zoo dringend om mijn bezoek gebeden ! Ga, Rielz, en maak ook uwe toebereidselen voorde reis, want ge begeleidt mij natuurlijk'

Maquot;quot; ik mij een verzoek veroorloven. Majesteit!

''Nu, wat is het?quot; .. . ..

Ik bid om de groote gunst, een rijtuig voor mij alleen te quot;mogen hebben; want de geheim-secretaris Hartmann,

met wien ik gewoonlijk samenrijd, snorkt zoo afschuwelijk,

dat hij mij altoos in mijn slaap stoort.quot;

De Koning lachte; „Goed, het zij zoo! Ge zult een

riituig voor u alleen hebben!quot;

Ik dank u onderdanigst! 't Zal mij dan toch ook geoorloofd zijn, een gezelschap naar mijn keuze mede te nemen .

ocr page 165

155

„O, zie toch dien huichelaar! Hij spreekt over de slechte wereld, en behoort er zelf toe! Ge meent, dat ik niet raad luien ge tot uw gezelschap gekozen hehl? Ge meent misschien, dat ik niets weet van uwe betreking met de schoone tooneelspeelster Baranius?quot;

„0, Majesteit; 't is waar, ik houd veel van de schoone Baranius, en zij bemint mij hartstochtelijk I Maar nooit zou ik het toch wagen, mij een geluk te veroorloven, dat aan mijn genadigen Koning ontzegd is. De openbare meening oefent ook op mij haar dwingelandij uit, en ik onderwerp mij aan haar! Mijn wensch was van zeer zedelijken aard! Ik wensch slechts mijn neet, die door de genade Uwer Majesteit op de kadettenschool te Berlijn geplaatst is, mede te nemen, opdat hij zich vroegtijdig aan %t gezicht van een slagveld en het kanongedonder gewennen zou.quot;

„Doe dat, mijn brave Bietz; ik denk, dat uw neefje niet alleen kanongebulder en strijdgewoel zal bijwonen, — maar ook onzen feestelijken intocht fte Parijs zal zien ; en hij moet zijn goeden oom er zeer dankbaar voor zijn, dat hij hem laat deelnemen aan gebeurtenissen, die in de geschiedenis zulk een voorname plaats zullen beslaan!

„Tk hoop óók, dat hij mij dankbaar zal zijn,quot; zeide Bietz met een eigenaardigen glimlach, terwijl hij de vleugeldeur opende, en diep boog voor den hem voorbijgaan-den Koning.

Zeer vroeg in den volgenden morgen verliet de Koning, begeleid door den minister graaf Schulenburg-Kehnert, Berlijn. De Koninklijke prinsen waren reeds den vorigen dag met hunne regimenten uitgerukt, om zich naar de algemeens verzamelplaats bij Maintz te begeven. Toen de Koning in zijn rijtuig wilde stijgen, begroette het volk, dat in dichte massa's het plein voor het Slot vulde, hem met luide hoerakreten, en 's Konings somber gelaat verhelderde zich een weinig, terwijl hij naar alle zijden heen groette, maar het verduisterde toch ook weder schielijk Toen hij echter voorbij het paleis met dicht behangen vensters reed, waarachter Wiihelmine Bietz woonde, ontsnapte een zware zucht de lippen des Konings, en hij prevelde zacht: „Arme Wilhelmine! Ik wenschte dat ik haar had kunnen medenemen !quot;

Verder door do breede straat der Linden rijdende, kwam

ocr page 166

156

Mi ook voorbij het paleis der gravin Donhof. Daar wai en de vensters alle wijd open, en aan een er van stond met glimlachend aangezicht de gravin von Donhofgt;e^equot;

lend en bloeiend, hoewel zij gisteren nog zoo ziek was geweest, dat zij het bezoek van haren koninklijken gemaal

^Zlpooog haastig en vriendelijk haar llv'aai,tr^tschr|V0^' hoofd, en wenkte hem groetend met de hand. Maar de Koning beantwoorde haar groet niel. Hij zag str^en ernstJ tot haar op, en 'twas een geluk voor de gravin dat zij de woorden niet hoorde, welk de Koning fluisterde, toen hii in den hoek van 't rijtuig terugzonk

„Onbeschaamde, hoogmoedige vrouw! Haar brief van gisteren is onze scheidingsacte. Ik bemin haar metmeei, en wil niets meer van haar weten!quot; ■ , , nte.

Onafgebroken ging de reis voort; op elke wisselplaats stonden talrijke paarden gereed om den Koning en zijn o-evolg verder te brengen. Het was echter slechts een klein gevolg, en de geheele Koninklijke reisstoet bestond slechts uit vier rijtuigen in welk laatste zich de kamei-dienaar Rietz bevond, aan de zijde van zijn hupschen neef, den kadet. Overal op de wisselplaatsen steeg de kamerdienaar uil en begaf zich naar het rijtuig des Komngs, om diens bevelen te vragen; en de landraden en bea™Jquot; ten, die zich tot begroeting van Zijne ,0P

wisselplaatsen bevonden zagen met g1quot;00^ eerbied vriendelijk de Koning zijn kamerdienaar hehandelde en hadden groot respect voor het machtig personage, t welk de Koning met zulk een bijzondere gunst scheen te vereeren. Rietz echter verstond 'tzeer goed het voorkomen van een voornaam heer aan te nemen, en zoodra het rijtuig des Konings van de wisselplaatsen wog was gleden, hoorde men zijn luide stem, die bevelen gaf, de lan0za-men met heftige woorden schold, en zelts gebiedend te^en den landraad ben de beambten uitvoer Zij heten 't zich allen ootmoedig welgevallen; want Rietz was immers de alvermogende gunsteling des Konings, en men wi hij wraakzuchtig was, en 't zeer slechte gevolgen kon hebben, al men hem beleedigde.

Als qrand seigneur reed Rietz mol zijn neefje den geheele dag in 't gevolg des Konings, overal met eei bied

ocr page 167

157

bediend, rnel respect en zwijgende onderdanigheid begroet. Dit streelde zijn eerzucht, en hij ergerde zich als de nacht aanbrak, en duisternis de menschen verhinderde hem te zien en zich voor hem te verootmoedigen. Bovendien had de Koning hem op de laatste wisselplaats voor den nacht van zijn verderen dienst ontslagen; hij moest dus niet meer aan het koninklijke rijtuig komen, en de menschen vernamen niet meer op de wisselplaatsen, hoe hoog hij in 's Koning genade stond. Maar zij wisten het tóch; de postmeesters lieten 't zich welgevallen, dat de kamerdienaar luid schold en vloekte, als de paai^den niet terstond ook voor zijn rijtuig gereed stonden, en de landraden kwamen nederig aan het rijtuig van den kamerdienaar, en baden 's Konings gunsteling eerbiedig om vergeving, wegens dit verzuim.

Maar thans, op de wisselplaats Höxter, duurde dit verzuim toch te lang. De Koning en de twee andere rijtuigen waren reeds weggereden, en nóg waren de paarden voor het rijtuig van den kamerdienaar niet aangespannen.

Hoe kon men hèm, 's Konings gunsteling, zóó behandelen! Hij sprong woedend uit zijn rijtuig, stiet de menschen, die hem in den weg traden, woest ter zijde, en schreeuwde met luide, toornige stem in de duisternis van den nacht: „Waar is de landraad? Hoe durft men mij hier zoo lang laten wachten! De nalatige landraad moge zich in acht nemen; ik zal mij bij den Koning over zijn traagheid beklagen! Hij wordt afgezet, zonder genade afgezet? Waar is de landraad? Paarden hier, spoedt u, luiaards, paarden hier! Roep den landraad!quot;

„Hier is de landraad!quot; riep een machtige, toornige stem in de duisternis van den nacht; „Wie verstout zich, hier zoo onbehoorlijk om den landraad te roepen?''

„Heer landraad,quot; riep de kamerdienaar met meer go-matigde stem; „heer landraad, ik heb u geroepen en ik ben —quot;

„Stil!'' donderde de basstem; „ik verlang volstrekt niet te weten wie ge zijt, want dan zou ik mij misschien gerechtigd gevoelen, op uw onbehoorlijke taal en tieren, met een paar oorvegen te antwoorden, 't Is mij geheel onverschillig wie ge zijt; maar wie ge ook zijn moogt, ge moet weten, dat niemand buiten mij, hier bevelen te geven heeft.

ocr page 168

158

De duivel zal liem den kop wassclien die zich verstout hel te doen. Weg met u! Maak dat ge in uw rijtuig komt,

heer schoenpoetser!quot; ^ l , ,1.100™

Toen de donderende stem zweeg, luisterden al de aanwezigen met ingehouden adem naar de antwoordende slem van den machtigen heer, dien allen kenden, en dien de landraad gewaagd had zoo zwaar te beleedigen Zelfs de postilion, die juist met de paarden aankwam, bleef staan zonder zijn paarden in te spannen, en wachtte nieuwsgierig naar 'tgeen komen zou.

Maar er kwam niets! Het antwoord van den gevieesden en diep beleedigden heer bleef uit ; men zag slechts een hooge, zwarte schaduw naar het rijtuig zweven, en stil er in verdwiinen. Vei volgens hoorde men een luiden helderen lach er uitkomen, en een volle heldere vrouwenstem riep ;

Miin lieve heer oom, ge zijt een wonderlijke lataard. iia, ïia! een heerlijk idéé, u een schoenpoetser te noemen.

V.

TE MAINTZ.

Toen het rijtuig van den Koning van Pruisen stilhield, bevond zich voor de hoofdtrap van het Keurvorste-Uik paleis te Maintz een schitterend en uitgelezen gezelschap. Daar was de Keurvorst, de zoon van Mana Theresia; daar waren de Pruisische prinsen, de Kroonpu en prins Louis Ferdinand aan de spits; daar waren ook de beide Fransche prinsen, de graven van Artois eni io-vence, die van Koblentz waren overgekomen om den Koning te begroeten, die hen wilde bijstaan Frankrijk te overwinnen, en den ongelukkigen Koning, hun broeder, te bevrijden. Eindelijk was daar de hertog Ferdinand van Brunswijk, de generalissimus der vereenigde OostenujK-

sche en Pruisische legers. ^ . n • . wu „i^

Allen ontvingen den Koning Friedrich Wilhelm met eerbiedige begroeting, en geleidden hem naar de groo e

1) Zie: Vertmute Briefe. II.

ocr page 169

150

receptiezaal, waar zich de geheele generaliteit en alle hooge beambten van den Keurvorst bevonden. Het was eei^ zeer plechtig en grootsch looneel, toen de Koning de vergadering begroette, en het was voor elkeen treilend en verhelfend, toen de beide Fransche prinsen met luide dankbetuigingen, met tranen in de oogen den Koning naderden, en hem Frankrijk's redder, den beschermer van het ongelukkige koninklijke, paar noemden.

„Sire, gij zijt de reddende engel voor ons ongelukkig vaderland, voor hot weenende, diepgebogen Frankrijk,quot; riep de graaf van Provence: „Gij wordt er verlangend verwacht, en men zal op alle plaatsen Uwe Majesteit te-genjubelen, als den bevrijder, den redder! Onder de banier der leliën die in 't midden staat tusschen Pruisens en Oostenrijks adelaren, zal Uwe Majesteit ons dierbaar vaderland binnenrukken. De poorten der vestingen zullen zich overal als door een tooverslag, voor u openen. De verachtelijke revolutionnairen, die door list en bloeddorst voor het oogenblik te Parijs de heerschappij bemachtigd hebben, zullen bij 't eerste bericht dat de verbonden legers, onder de aanvoering van Uwe verheven Majesteit, de hoofdstad naderen, van schrik verstijven, of zich door een latharlige vlucht redden voor het naderen van den wraakengel. Want deze misdadigers weten zeer goed, dat zij machteloos zijn; dat zij geen veldheeren en geen armée bezitten, en het getiranniseerde volk slechts wacht op het oogenblik: dat Uwe Majesteit komt, om de wapens op te vatten, en met Uwe Majesteit tegen Parijs op te rukken.quot;

„Uwe Koninklijke Hoogheid gelooft dus, dat Frankrijk's bevolking ons niet ongaarne ziet komen?'' vroeg de Koning: „en dat wij naar Parijs zullen marcheeren, zonder onzen weg door een bloedstroom te kenmerken?quot;

„Ik geloof het niet, sire; ik ben ervan overtuigd; ik weet het! Onze vertrouwden berichten het ons; onze vrienden, — en meer dan drievierde der natie behoort tot hen; laten ons bezweren te komen. De vestingen Longwy, Verdun en Sedan zijn wel is waar bezet door de zoogenaamde republikeinsche armée, maar zij zijn buiten machte zich staande te houden, en de bewoners dezer vestingen zullen tegen de bezetting opstaan.quot;

„Nu,quot; zei de Koning glimlachend; „moge het lot geven

ocr page 170

160

dat hel zoo zij. Wij gaan immers niel, naar Frankrijk om veroveringen le maken, maar om den Iroon der leliën te herstellen en den goedgezinden onze hulpzame hand te bieden, tot onderdrukking hunner tirannen. Dat ons dit gelukken zal, hieraan twijfel ik niet; maar ik wenschte slechts, dathetzonder veel bloedvergietenkonplaatshehben.quot;

„Sire,quot; riep de graaf van Artois vroolijk: „als men geen vijand heeft, die ons tegenover staat, is er immers niemand, wiens bloed men behoeft te storten. En Uwe Majesteit zal op haar weg naar Parijs geen vijand vinden. Uwe Majesteit vergunne slechts genadig, dat de prins van Gondè en ik ons met onze trouwe en genegen regimenten bij uwe armée aansluiten en met haar te zamen Frankrijk binnenrukken, en Uwe Majesteit zal zien, dat de Fransche troepen bij geheele regimenten tot ons overloopen, om met ons tegen Parijs op te rukken, en den Koning te bevrijden.quot; 1)

„Wat zegt Uwe Doorluchtigheid hiervan?quot; vroeg de Koning, zich tot den hertog van Brunswijk wendende; „Zijn dit geen zeer verheugende uitzichten, heer generalissimus?quot;

„Inderdaad, Maiesteit,quot; antwoordde de hertog, een weinig verlegen en aarzelend: „Het zijn verblijdende uitzichten, en zoo zij zich bevestigen, zou de veldtocht zich dus in een pleiziertocht naar Parijs veranderen.quot;

„Doorluchtigheid, het hangt van u af, dat deze uitzichten zich bevestigen,quot; zei de graaf van Artois haastig „het komt er slechts op aan, dat Uwe Doorluchtigheid bij haar binnentreden in Frankrijk, door een manifest aan het Fransche volk het doel barer komst verkondigt, en het oogmerk dat u hierheen voert.quot;

Het gelaat van den hertog-generalissimus verduisterde zich. — „Mijn prins,quot; zeide hij; „ik weet niet of het te vrij van mij is, als ik u verzoek m:j te vergunnen, op deze vraag Uwer Koninklijke Hoogheid in den raad te antwoorden, die binnen een uur zal plaats hebben, en waaraan ook de minister van den Koning van Frankrijk, de markies de Bouillé, zal deelnemen.quot;

„Gij moet toch mij en mijn broeder óók veroorloven deel te mogen nemen aan dezen raad,quot; riep de graaf van

l'i De eigen woorden van den prins van Artois. Vergelijk P. Förster. Neue und neueste Preusiscbe Gesohichte, I.

ocr page 171

401

Provence levendig: „ik verzoek u, ons niel nis Frausche prinsen te beschouwen, maar slechts als de ministers van mijn koninklijken broeder, die ons volmacht heeft gegeven, en wien wij in den raad wenschen te vertegenwoordigen.quot;

De hertog boog glimlachend, en gaf met vriendelijke woorden zijn toestemming te kennen, terwijl hij inwendig van toorn gloeide tegen deze aanmatigende en voorbarige Fransche prinsen, die geheel uit het oog verloren, dat Oostenrijk en Pruisen op voorstel van den hei tog uitdrukkelijk tot voorwaarde hadden gesteld, dat de Fransche prinsen met hun samengeraapte, ongeoefende regimenten niel met de bondgenooten tegelijk de grenzen overschrijden, — maar wachten zouden, tot hun leger ten minste tot twintigduizend man aangegroeid was, om dan als een zelfstandig legercorps de bondgenooten te volgen.

Fen uur later reed geheel het schitterend gezelschap naar het lustslot van den Keurvorst, dat op een boogte gelegen, een heerlijk gezicht op het weelderig-bloeiende Pdjngevvest schonk. De Koning was er verrukt over ; verrukt door al de heerlijkheid en pracht, die hem omgaf,— verrukt door het schitterende vuurwerk,'t welk der Keurvorst bij het aanbreken der duisternis liet afsteken, en dat met gouden Schrift het naamcijfer van Friedrich Wilhelm droeg. Hij sprak levendig en als van de overwinning zeker, van de ,,wandeling naar Parijsquot; ; hij gal zijn vreugde er over te kennen, dat 'them eindelijk vergund zou zijn, het ruiterstandbeeld van Hendrik IV op den Pont-neuf te zien, en tranen van aandoening schitterden in zijne oogen, toen Artois hem met bezielde woorden schilderde met welke tranen van dankbaarheid Marie Antoinette haar koninklijken redder begroeten, — hoe vroolijk bewogen en gelukkig de goede, zacbtzinnige lijder Koning Lode-wijk zou zijn. —

't Is zulk een verheven gevoel de redder, de hulprijke redder voor de ongelukkigen te zijn; men is zelf dubbel machtig en sterk, als men aan de onmachtigen en zwakken bijstand verleent! —

De Koning gevoelde deze trotsche voldoening, en hij verheugde zich gewis op de toekomst, die hem als veroveraar en redder in Frankrijk, voor geheel Europa zou doen schitteren; maar niettemin was een diep weege voel in zijn

Mühlbaoh, Duitschland in Woeling en Strijd. V. 11

ocr page 172

162

hart, en er dreef als een zwarte wolk boven zijn hoofd.

Hij stond aan het venster van zijn woonvertrek en ademde als verlicht, want eindelijk was hij alleen, en vrij ; was hij van al de fraaie toespraken, toasten, glimlachende gezichten, en vleiende loftuitingen bevrijd. Eindelijk was hij alleen, en kon zich aan zijn gedachten, aan zijn droomerijen overgeven.

Het was een heete zomeravond, en er was een zwoele lucht in de kamer. De Koning stiet het venster open, leunde naar buiten in den donkeren nacht, en luisterde naar het ruischen der hoornen in het park, dat het Slot omgaf; naar het murmelen der golven van den Rijn, die zacht en met harmonisch geluid tegen den oever sloegen ; en zag op ten hemel, aan wiens donker gewelf de schitterende, geheimzinnige sterrenwereld fonkelde. Daar ginds aan gene zijde van den Rijn schittert het sterrenbeeld Frederiks eer. —

„Wil het mij den weg naar Frankrijk wijzen, en zal ik óók eens mijn ster en mijn eer aan den hemel geteekend vinden ?quot; —

Er ging een rilling door zijn ziel, en hij verwijderde zich van het venster, want hij vroeg zich, of de nachtwind, die juist langs zijn aangezicht had gestreken, niet htt wuiven van een geest was geweest. De onzichtbare vaderen hadden 't hem door den mond van Bischofswer-der verkondigd, en Cagliostro zelf had hem eens gezegd, dat de nachtwind uit de zuchten der geesten bestond, die in den dood geen rust hadden, wijl zij in hun leven geen geloof gehad, — en buiten de voorportalen van den heiligen tempel der onzichtbaren gestaan hadden. De verloren zonen, die in hun leven den wind hadden gezaaid, en nu in den dood den storm moesten oogsten !

Er overviel den eenzamen Koning een weemoedige, neerslachtige stemming, en hij zuchtte diep. — „Ook ik heb veel wind gezaaid, zal ook ik den storm oogsten? Frie-drich's naam schittert aan den hemel in een fonkelend sterrenbeeld ; zal mijn naam in duisternis verdwijnen, en mijn geest rusteloos als stormwind over de aarde moeten trekken ?

Afschuwelijke gedachten! Van waar komen ze tot mij? Ik trek uit ten strijde en ter overwinning, en sta hier aan 't venster als een berouwhebbend zondaar, die zich

ocr page 173

163

liever in zak en asch, — dan in de veldheers-uniform zou willen kieeden. Weg met deze gedachten en treurige voorgevoelens! 't Is slechts de stilte en de eenzaamheid, die mij zoo treurig maken!quot;

Een luid vroolijk lachen drong uit het park tot den eenzamen Koning door, en de toon van vroolijk pratende stemmen trof zijn ooren.

„'t Zijn de Fransche prinsen,'' prevelde de Koning: „en ik hoor ook mijn zoon en den dollen Louis Ferdinand. Zij zijn gelukkig, zij zijn vroolijk! Hun drukt geen zorg den blijden zin. De Fransche prinsen lachen, en tóch trekken wij uit, om tegen hunne landgenooten te strijden ; en tóch smacht hun broeder, hun Koning in smaad en gevangenschap. Ach, alles wordt vergeten op aarde, en geen smart en geen liefde is bestendig. Neen, geen liefde is bestendig! Ik heb een geliefde en ik heb een vriendin, en ik dacht dat beiden mij beminden, beiden mij trouw zouden zijn! Maar zij zijn slechts vrouwen, gelijk alle; en zij hebben uit trotsch, uit hoogmoed den vertrekkenden minnaar, den vertrekkenden vriend haar deur gesloten, en hem zonder afscheid in gevaar en dood laten quot;aan! Ik ben alleen!quot; —

De zucht des Konings werd overstemd door het luid lachen der prinsen, die zich op een marmeren bank, juist onder het venster der koninklijke kamer, hadden nedergezet.

„Vraiment,quot; ratelde de luide, krassende stem van den graaf van Artois: „vraiment, mes princes, je ne vous con-cois pas. Gelooft ge inderdaad nog aan de vrouwen en aan eene wezenlijke liefde?

„Ja, wat mij betreft,quot; antwoordde de ernstige, jeugdige stem van den Kroonprins Friedrich Wilhelm: „ik geloof aan een wezenlijke liefde, en ik verlang er naar, met recht vroom en feeder hart.quot;

„Ge hebt dus nog nooit bemind? Uw hart is dus nog volkomen maagdelijk?''

„Ja; ik heb nog nooit bemind. Maar spreken wij niet meer hiervan, want ik draag in 't hart een ideaal der liefde, t welk ik niet gaarne.uit zijn heilige kas zou nemen, om het misschien door u bespot te zien. Ik heb nog nooit een vrouw bemind ; maar als ik ooit bemin, zal het voor

ocr page 174

104

eeuwig zijn, want het schijnt mij, dat men slechls écns rein en volkomen beminnen kan.quot; ^

„Le coeur est toujours vierge pour un nouvel amour,quot; neuriede de onwelluidende stem van den graaf van Ar-tois; „wat zegt ge van de denkbeelden van uwen neef, prins Louis, zijt ge óók zoo deugdzaam ? Gelooft gij óók slechts aan een éénige liefde, die het geluk van uw leven zal uitmaken?quot;

„Ik? Neen, waarachtig niet! Ik bemin alle vrouwen; zij zijn alle voor mij een aangenaam raadsel, en hoe on-doorgrondelijker het raadsel is, des te meer behaagt het mij en des te begeeriger ben ik, het op te lossen. Ik heb niet den edelen, ernstigen en kuischen zin van den Kroonprins; ik ben een lichtzinnige, dolle knaap, die niet aan ééne liefde, maar aan honderd liefden gelooft. Ik verheug mij ook niet eeniglijk op de lauweren, die ik in Frankrijk hoop te plukken, maar ook op de schoone, pikante vrouwen; want men zegt, dat er niets verleidelijker en bekoorlijker is, dan de Fransche vrouwen. Heer graaf, als wij te Parijs zijn moet ge mij bekend maken met eenige uwer bekoorlijke, geestige en pikante vrouwelijke land-genooten.quot;

„Met genoegen, mijn prins. Maar wij behoeven met op onzen intocht te Parijs te wachten, om eenige beminnelijke en pikante vrouwen te leeren kennen. Ma foi, il y en a partout! Zij dragen alle nog in haar kleine handen een stukje van den appel, dien de slang haar aller moeder Eva gegeven heeft. Wij hebben eenige betooverende exemplaren dezer bekoorlijke Eva's dochters te Koblentz, en in ons leger en de omstreken. Want, Dieu soit loué, er zijn ook onder de Fransche vrouwen moedige harten, die het gevaar van den oorlog niet yreezen, als zij slechts aan de zijde van den bien-aimé zijn. Wij hebben vele schoone vrouwen te Koblentz; en 'tzijn niet enkel Fran-Qaises, maar ook de Duitsche vrouwen beginnen zich te vormen, en nemen gaarne deel aan onze vroolijke feesten. Mes princes, ik geef mij de eer u voor eenige dagen bij mij te Koblentz te noodigen; want ik wil u bewijzen, dat men ook in het legeikamp zeer vroolijk en gelukkig leven kan, en gij behoeft niet te wanhopen aan de Duitsche vrouwen. Er steekt een goede voorraad beminnelijkheid

ocr page 175

165

en genialiteil in haar, en zij profiteeren wondergoed van de opvoeding, die wij ons het genoegen geven haar te doen toekomen. De Duitsche vrouwen zijn zeer leerzaam ; en sinds wij te Koblentz en in deszelfs omstreken zijn is reeds een geheel andere geest en zin in de vrouwenwereld ontstaan. Uit de liefelijk beschaamde Duitsche jonge maagden, vormen zich allengs ze erverleidelijke en pikante jonge Aspasia's.quot;

„Ik weet niet,quot; zei ie ernstige, zachte stem van den Kroonprins; ..ik weet niet, of ik de Duitsche vrouwen hiermede geluk moet wenschen. Ik, ten minste, vind een liefelijke, bedeesde Duitsche jonge maagd veel betoo-verender en schooner, dan een vrijmoedige, geestige As-pasia.quot;

„Mon cher prince, vous faites le prude! Maar ik zal u óók opvoeden evenals de Duilsche vrouwen. Ge zult bij ons te Koblentz zeer spoedig tot een andere meening komen,''

„Ik verzoek u mij te vergunnen hier te blijven,quot; antwoordde de Kroonprins ernstig: „mijn regiment is nog niet geheel krijgsvaardig, en eenige eskadrons moeten nog onder mijn bijzonder toezicht exerceeren en zwenken lee-ren. Ik heb dus geen tijd uw vroolijke feesten bij te wonen, want ik moet mijn soldaten tot het ernstige feest dei-gevechten voorbereiden.''

„Altijd hoogwijs, altijd zedeprekend.quot; prevelde de Koning: „niets van de uitgelatenheid, den overmoed der jeugd. Mijn heer zoon is een geboren moralist; en hij is waarlijk meer geschikt voor een eerzaam huisvader, dan voor een genialen Koning. O, waarom kan ik niet in zijn plaats zijn, en met de prinsen naar Koblentz gaan, om mij van de verveling des levens te herstellen, en voor een paar gelukkige uren te vergeten dat ik Koning ben ! Hij spreekt van Duitsche Aspasia's, en hij heeft gelijk, er zijn er! Wilhelmine is zulk een Aspasia, en — Ach!quot; viel de Koning zich met een luiden zucht in de rede: „ach, waarom heb ik haar geweigerd mij te verzeilen; ach, waarom is zij niet bij mij, mijn Aspasia! Zij verstaat het zoo goed mij te vervroolijken, en mij de zorgen weg te schertsen!''

Een zacht kloppen aan de deur, — dit zich vervolgens

ocr page 176

166

zacht opende, en door welke de breede, hooge gestalte van den kamerdienaar binnenschoof.

„Majesteit, ik verzoek vergeving, zoo ik het waag u te storen. Maar Uw Majesteit heett bevolen, dat ik tegen elf uur Hoogstdezelve uit haar slaap zou wekken, wijl de krijgsraad dan geopend zou worden. Ik hoop dat Uwe Majesteit een verkwikkenden slaap gehad, — en zich een weinig hersteld heeft van de vermoeienissen der reis, en van de feestelijkheden van heden?quot;

„Ik heb volstrekt niet geslapen, Rietz, niet eens gerust. Ik ben treurig en ontstemd; alles staat mij tegen, en ik wenschte dat ik 't huis was gebleven, want de lauweren bekooren mij volstrekt niet.quot;

„Het zijn ook, in den grond bezien, zeer vervelende groene bladeren,quot; glimlachte Kietz ; ,.hun eenige verdienste bestaat hierin, dat men er, als zij gedroogd zijn, karpers meê kan kruiden.quot;

De Koning lachte. — ,,Ge zijt een afschuwelijk materialist, Rietz; en de godin Bellona zou u bij uwe groote ooren trekken, als zij u hoorde.quot;

„Maar de godin Venus zou er mij misschien het hoofd met rozen voor omkransen. Majesteit; en ik voor mij houd veel meer van rozen dan van lauwerbladeren. Beveelt Uwe Majesteit nu, dat ik Zijne Doorluchtigheid, den her-tog-generalissimus verwittige, dat Uwe Majesteit gereed is, en —quot;

„Wacht nog; dat heett immers zoo'n grooten haast niet Ik gevoel mij niet wél, en zou liever niet naar den krijgsraad gaan.quot;

Er werd weder geklopt, en de binnentredende lakei kondigde den hertog-generalissimus aan.

„Sire,quot; zei de hertog binnentredende; „ik verzoek verlof, mijn hoogen krijgsheer naar den Raad te mogen begeleiden.''

„En ik,quot; riep de Koning norsch: „ik verzoek verlof, dien niet te mogen bijwonen. Waartoe zou ik het eigenlijk ook doen! Gij zijt generalissimus; gij hebt van mij volmacht, het krijgsplan, — dat wij in 't groot hebben vastgesteld, — in de bijzonderheden te bepalen, en met de andere generaals te bespreken.quot;

„Majesteit, ook de fransche Prinsen zullen den Raad

ocr page 177

467

bijwonen. Ik vrees, dat de graaf van Arlois, zoo hij door het gezag Uwer Koninklijke Majesteit niet beteugeld wordt met zijn eischen zeer ver zal gaan; want deze Fransche heeren zijn zeer aanmatigend en zeer overmoedig.quot;

„Ge hebt gelijk, mon cousin; en daarom wensch ik hem zoo veel mogelijk te ontwijken. Geloof mij, juist om deze reden is het beter, dat ik den Raad niet bijwoon; want het zou ergernis geven, en dat wil ik, ter liefde der goede zaak, vermijden. Ga dus, generalissimus; raadpleeg heden over het krijgsplan en het manifeest, en deel mij morgen het resultaat uwer beraadslagingen mede. Ik ben zeker dat alles goed is, wat mijn wijze, in den krijg ervaren heer neef bepaald heett,quot;

Het was tevergeefs dat de hertog nog weêrstreven en beproeven wilde, den Koning van gedachte te doen veranderen. Friedrich Wilhelm bleef bij zijn weigering; en toen de hertog zich zuchtend en inet treurig gelaat verwijderde, riep de Koning zijn vertrouwden kamerdienaar weder uit de zijkamer tot zich.

V.

DE DUIÏSCHE POMPADOUR.

„Uwe Majesteit gaat dus niet naar den Raad?quot; vroeg Rletz levendig.

„Neen, ik ga niet; ik ben onpleizierig, en wil rust hebben. Een plotselinge zwaarmoedigheid heeft mij bevangen ; onzichtbare geesten hebben mij hun adem toegewaaid, en mij doodsgedachten toegefluisterd.quot;

„Ik weei wel een middel om ze te verdrijven,quot; zei Rietz met een Figaro-glimlach.

„Nu, welk middel1?quot;

„Zoo Uwe Majesteit mij genadiglijk wilde veroorloven mijn neetje, den kadet voor een poos tot U te brengen/'

„Ge zijt een nar, Rietz.quot;

„Majesteit, 't is een heel aardige, kluchtige smaak, die het zeer goed verstaat de droefgeestigen te vervroolijken

ocr page 178

168

en den zuchtende een lachje af te dwingen. Ik zal hem halen, Majesteit, ik zal hem halen.quot;

Zonder antwoord af te wachten, sloop Rielz uit de kamer.

„Een zonderling mensch,quot; zei de Koning glimlachend: „maar een trouwe, genegen ziel! Iemand, op wien ik mij verlaten kan; — en zulke zijn er niet veel! Nu, Rietz,quot; riep de Koning, toen de deur zich weder opende, „brengt

ge r amp;

De Koning verstomde midden in zijne woorden en zag verbaasd, verbijsterd naar de deur.

Wie was het, dien nu binnentrad, de deur zacht achter zich dichtgetrokken had, en nu staan bleef en bedeesd tot den Koning opzag?

Het was een slanke, tamelijk hoog opgeschoten kadet, wiens gestalte prachtig uitkwam in de nette uniform. Maar dit gelaat, deze glimlachende mond, deze oogen met het diepe ondoorgrondelijke vuur, deze fraaie witte handen, die zich smeekend tot hem uitstaken . . .

„Wie zijt ge? Wat is dat voor een gelaat? Ik ken het, ik ken deze oogen en dezen zoeten glimlach? Wie zijt ge?quot;'

„Ik ben een vrouw, die u bemint; mei omdat ge Koning zijt, niet omdat ge macht en rijkdom bezit, maar omdat mijn hart niet anders kan; omdat 't het uwe is geweest zoolang het gevoelt, omdat het 't uwe zijn zal, tot het ophoudt te kloppen.'

En dit zeggende, ijlde zij op hem toe, viel voor den Koning op de knieën, en hief haar gevouwen handen smeekend tot hem op.

.^Vergeef mij, heb ontferming met mij! Ge wildet mij niet vergunnen u te volgen; ge wildet mij veroordeelen ver van u te beven voor uw leven, voor het leven van den man, dien ik alleen op de wereld bemind heb, die de vader mijner kinderen is, en wiens genade op mij schijnt als de zon mijns levens! O Friedrich, geliefde mijner jeugd, vriend mijner ziel; tolu spreek ik, niet tol den Koning,— tot u smeek ik: stoot mij niet van u, laat mij op uwen drempel liggen, gelijk de slavin op den drempel van haren heer; de wereld zal niets van mij vernemen en weten! Niemand zal vermoeden, dat de arme kadet, die zich in uw gevolg bevindt, en wien ge somwijlen een goedig lachje, een vriendelijk woord schenkt, — dat hij degene

ocr page 179

169

is, welke ge eens bemind, welke ge eens eeuwige trouw gezworen hebt, en die na tevreden is, als zij u deemoedig en stil volgen kan, om n te troosten, als anderen u smart veroorzaken, om u te vervroolijken als ge treurig zijt, om zich door u te laten onderrichten en met aandachtige stilte te luisteren naar uwe woorden, die voor haar ooi-de liefelijkste muziek schijnen. O Friedrich Wilhelm, verstoot niet het éénige vrouwenhart, dat u waarachtig en trouw bemint; laat het stil en ongezien u volgen, en beminnen en voor u zorgen. Niemand kent mij, niemand weet van mij! Verstoot den armen kadet toch niet!''

Hare oogen, waaruit de tranen in stroomen neder-vielen, hieven zich smeekend tot hem op en zagen, dat ook zijne oogen in tranen blonken. Met een langen jubelkreet sprong zij op, sloeg de armen om zijn hals, en leunde haar hoofd aan zijn schouder.

„Laat mij hier rusten! Stoot mij niet van u, mijn krijgsheer ! Ontferming voor den kleinen kadet!quot;

Hij trok haar vast tegen zich aan, boog tot haar en drukte een kus op het bruine haar, welks lange, heerlijke vlechten zij om zijnentwille had laten afsnijden, om geheel aan haar rol getrouw te zijn.

„Gezegend zijt gij, Wilheltnine, dat ge gekomen zijt! Gezegend zij uw liefde en uw trouw, want zij geeft mij hel geloof, de hoop en het vertrouwen weder, dat ik zonder u anders verliezen zou. Mijn geliefd kind, mijn zoete geliefde, mijn dierbare vriendin, ik zeg 't u in dit uur, en moogt ge het nooit vergeten: ik zou een arm man zijn, zoo ik u niet had, en al de diamanten welke de Koning van Pruisen in zijn kroon draagt, zijn zonder waarde en donker, bij de eeuwig fonkelende star uwer liefde, en wat hooger is dan alle liefde; — uwer vriendschap! Ik geloof aan u, Wilheltnine. Ik weet, dat zoo de geheele wereld mij verliet, gij mij toch trouw zoudt blijven. Ik weet, dat, al mocht ik in dezen oorlog mijn kroon, mijn macht en mijn land verliezen, gij de éénige zoudt zijn, die mij zou volgen in de eenzaamheid en verlatenheid; — die, zoo het zijn moest, voor mij zou bedelen.quot;

„O,quot; lispte Wilhelmine, altoos nog het hoofd aan zijn borst geleund: .,o deze woorden zijn een hemelsche belooning voor een geheel leven voJ vernedering en beschim-

ocr page 180

170

ping; .een belooning voor alle liefde en de trouw, die ik u heb toegewijd.quot;

„En deze belooning zal u blijven voor uw geheel leven, mijn dierbare vriendin,quot; voer de Koning voort: „in dit uur zweer ik u, dat ge mij dierbaar en waard zult zijn zóólang ik leef; zweer ik u, dat het uwen lasteraars en benij-ders nooit gelukken zal, u bi] mij verdacht te maken; dat nooit mistrouwen tegen u in mijn ziel opkomen zal! 't Moge zijn, dat mijn wankelmoedig en licht bewogen mannenhart soms nog ontgloeide in liefde voor anderen; t moge zijn, dat ik soms nog andere vrouwen mijn geliefde noem, — maar nooit, dit zweer ik u bij God en bij mijn eer, nooit zal ik een andere vrouw mijn vriendin noemen, en nooit zal u een geliefde of een vriend de heilige en gewijde plaats betwisten, welke de vriendschap voor in mijn hart inneemt. Onze verbintenis is voor 't geheele leven, en zoo ik van anderen scheid, van m zal ik het nooit doen; u zal ik nooii verlaten! Tot getuigenis hiervan, neem dezen ring. Mijn wapen en mijn kroon zijn er .op gegraveerd; ge zult hem steeds dragen, en die hem aan uw vinger ziet, zal weten dat ge my behoort, en dat ge zóó hoog staat in mijn achting en vriendschap, als geen andere vrouw op aarde!quot;

„Die hem ziet zal weten dat ik uw slavin ben,quot; riep zij de hand des Konings, die haar den ring aan den vinger stak, kussende; „die hem ziet zal weten, dat ik het onvervreemdbare eigendom van mijn genadigen en goeden heer ben, en geen ander mensch op aarde ooit op mij aanspraak kan maken, dan gij alleen! — Maar neen, niemand zal hem zien; hij zal het kostbare en trotsche geheim van mijn leven blijven, en niet vóór ik sterf, zal men hem mijn lijk aan den vinger steken, en hem mij medegeven in het graf. Zoolang ik leef wil ik deemoedig en stil de uwe blijven, zooals ik nu deemoedig en stil uw kleine kadet ben.quot;

„Neen, dat zult ge niet zijn, Wilhelmine,quot; riep de Koning haar glimlachend aanschouwende: „Ge zijt een te Iraa'ie en beminnelijke knaap; ge zoudt alle vrouwen ongelukkig maken, en ik heb medelijden met de vrouwen, wijl gij er toe behoort. En daarbij, Wilhelmine; ik had ongelijk u van mij verwijderd te houden, en u niet te

ocr page 181

171

vergunnen, in mijne nabijheid te zijn. Ik wil mijn onrecht weder goedmaken; ik wil 't aan de wereld laten weten hoe dierbaar ge mij zijt, en hoe onontbeerlijk mij uwe nabijheid is. De kleine kadet moge verdwijnen, en Wil-helmine, des Konings vriendin, mag er uit te voorschijn komen.quot;

„O neen, Friedrich, niet zoo! Uwe grootmoedigheid is te overmatig, en mijn Friedrich Wilhelm bewilligt de vriendin meer, dan de Koning zich vergunnen may. Laat mij, zoolang ge hier verwijlt, in duisternis en verkleeding aan uwe zijde blijven; het geheim is zoo zoet, en het verborgen geluk is bloeiend en gunstig als een viooltje. Maar als gij van hier gaat, zal ik ergens in uwe nabijheid als Wilhelmine Rietz weder te voorschijn komen, en werken, intrigeeren en bezig zijn voor mijn Koning, voor mijn geliefden heer!quot;

„Voor uw vriend, voor uw geliefde,quot; zeide de Koning, haar innig aan zijn hart drukkende : „O Wilhelmine, welk een heerlijke gedachte was het van u, tot mij te komen; hoe erkentelijk wil ik mijn lieven kamerdienaar zijn, dat hij mij zoo heimelijk en stil mijn vriendin heeft toegevoerd.quot; —

Terwijl in de eenzame, door den kamerdienaar bewaakte vertrekken, de Koning nu zijn opmerkzaam luisterende vriendin verhaalde van den aanstaanden veldtocht, van zijn hoop, om zonder bloedvergieten door Frankrijk te trekken; terwijl hij haar zijn ongeduld schilderde, om het ongelukkige koninklijke paar te bevrijden, en haar beloofde, dat Wilhelmine zijn zegevierenden intocht te Parijs zou bijwonen; terwijl beiden slechts van de toekomst en haar schitterende verwachtingen spraken, zaten in een andere kamer van het keurvorstelijk Slot de veldheeren, ministers en generaals in een ernstigen, gewichtigen krijgsraad bijeen. Men besprak de aanstaande operation, den weg, dien men wilde inslaan, — en daar de Fransche prinsen verzekerden, van hunne vertrouwden en boodschappers verwittigd te zijn, dat de vestingen Longwy, Sedan en Verdun zich zonder slag of stoot voor de geallieerden zouden openen, en dezen door de bewoners als hun redders zouden begroet worden, —besloot men dien weg in te slaan, om naar Parijs te komen. Vervolgens ging men over

ocr page 182

172

lot de beraadslaging van het manifest, dat als de heraut zou zijn, die den bondgenooten in Frankrijk vooruitging. Koning Friedrich Wilhelm had reeds te Berlijn een concept voor dit manifest laten opstellen, en de minister Schulenburg had het den Franschen prinsen door hun minister en vertrouwde, den markies de Simon, ter goedkeuring laten voorleggen. Maar de driftige graaf van Artois had dit ontwerp voor te gematigd en te vreedzaam verklaard, en een ander ontwerp voor het manifest ingezonden.

Dit ontwerp nu was het, dat in den krijgsraad ter tafel kwam, en zeer heftige en onstuimige verklaringen ten gevolge had. Het manifest was opgesteld in de gloeiende taal van haat en wraakzucht tegen de oproerlingen en muiters, die in Frankrijk de heerschappij aan zich getrokken hadden, en het Koningschap bedreigden. Het richtte zich in vurige taal tot de getrouwen en welgezind en, en riep ze op, om met het zwaard, met mes en dolk de verraders te bevechten, en de revolutionnairen te verdelgen. Het beloofde het herstel van het Koningschap; beloofde den adel en de geestelijkheid weder in hunne rechten te herstellen, en hen hunne bezittingen en privilegiën terug te geven. Het beloofde vergiffenis aan de berouwhebbende republikijnen die hunne wapens nederlegden en zich bij de binnenrukkende geallieerden aansloten; het dreigde met onverbiddelijke wraak aan degenene, die in weêrstand volhardden, en het waagden zich te verzetten tegen de wrekers van het Koningschap.

Bovenal was het Parijs, dat bedreigd en aan de onverbiddelijke wraak zou overgeleverd worden, indien het zich niet aanstonds met onvoorwaardelijke gehoorzaamheid, weder aan zijn rechtmatigen Koning en de erkende wetten onderwerpen wilde.

„De Keizer en de Koning verklaren op hun woord van eer, dat zoo bij hunne nadering het kasteel derTuileriën bedreigd of overweldigd wordt, — zoo Hunne Majesteiten, do Koning, de Koningin en de Koninklijke familie de geringste gewelddadigheid, de minste beleediging wedervaren, zonder dat onmiddellijk voor hunne veiligheid en vrijheid gezorgd wordt, — dat dan Hoogstdezelve een voorbeeldige, te.i allen tijde in het geheugen blijvende

ocr page 183

173

wraak zouden nomen. De slad Parijs zou dan aan een militair exécutie overgeleverd, — zij zou lot den grond geslecht worden, en de hardste lijfstraffen zouden zij ondergaan, die aan hoogverraad schuldig zijn.quot;

Tegen deze dreigendé en tartende passage in't bijzonder richtte zich het verzet van den hertog van Brunswijk. Hij, als generalissimus van de geallieerde legers, moest het manifest onderteekenen; hij had dus ook het recht te vorderen, dat de inhoud met zijne inzichten overeenkwam.

,,Ik vrees, wij zullen ons geen vrienden maken met dit manifest,quot; zeide hij de schouders ophalende; „Wij stellen ons er niet in voor als beschaafde legers, maar als bullebakken, waarmeê men stoute kinderen bang maakt. Zoo wij als overwinnaars binnenrukken, past het ons, grootmoedig te zijn en te vergeven ; zoo wij echter, — wat God verhoeden moge, — Parijs niet bereikten en geen overwinnaars waren, dan hebben wij ons slechts 'belachelijk gemaakt en den hoon en de bespotting dergenen verdiend, welke wij vernietigen wilden, en die wij niet onderwerpen konden !quot;

l)e Fransche prinsen verzetten zich tegen deze zienswijze van den hertog met hartstochtelijke heftigheid ; zij beweerden dat de overwinning ontwijfelbaar was, en dat de weinigen, die het wellicht mochten wagen zich te verzetten, door de met wraak dreigende taal van het manifest, met schrik vervuld, — zich zouden onderwerpen, en tot hun plicht wederkeeren.

Maar de hertog bleef bij zijn meening en weigering, en verklaarde bepaald, dat hij aan het manifest zijn onder-teekening niet geven kon, zoo deze plaats er niet uitgelaten werd.

De prinsen moesten eindelijk toegeven ; een breede roode streep werd door deze regels getrokken, die Parijs met zulke vreeselijke straifen bedreigden ; en nu onderteekende de generalissimus het manifest, op voorwaarde, dat het den volgenden morgen de goedkeuring van den Koning en van den zich te Maintz ophoudenden Keizer Frans ont-ving, die voor weinige dagen te Frankfort tot Duitsch Keizer gekroond was geworden.

De hertog koesterde misschien in stilte de hoop, dat de dreigende en uitdagende taal van het geheele manifest den

ocr page 184

174

monarchen mishagen zou, en zij een verandering er van zouden voorstellen. Maar hij had zich, helaas, vergist. Zoowel de Keizer als de Koning gaven hunne toestemming tot het manifest, en de generalissimus verheugde zich in stilte, dat het hem ten minste'gelukt was, de belangrijke passage over Parijs uit het manifest te verwijderen.

Maar ook hierin zou de hertog zich spoedig teleurgesteld zien ! De graaf van Artois had op zich genomen, het manifest door een vertrouwden, zekeren hode naar Parijs te zenden, opdat het daar niet alleen in den Moniteur verschijnen, — maar ook in duizende exemplaren gedrukt en verspreid zou worden. De edele en argelooze hertog had erin bewilligd, aan de ijverige Fransche prinsen de zorg voor het drukken en de verspreiding van het manifest over te laten, en hij had in zijn Duitsche eerlijkheid en goede trouw er niet aan gedacht, dat eenig gevaar hieraan verbonden kon zijn. Op deze eerlijkheid had de lichtzinnige en slinksche prins wel gerekend en wellicht gedacht, dat de hertog het manifest, wanneer het gedrukt was, niet meer inzien en le^en zou. En in deze meening had de graaf van Artois zich niet ontzien, de plaats weder in te voegen, op wier verwijdering de hertog nadrukkelijk had aangedrongen, en die in het ontwerp uitgeschrapt was geworden.

Het manifest verscheen te Parijs met het bijvoegsel en de wraakbedreiging voor Parijs; en tandenknarsend en met woede in het hart, moest de hertog-generalissimus den hoon en de bespotting van Frankrijk en geheet Europa op zich laten komen en het dulden, dat men hem woorden liet spreken, welke hij uitdrukkelijk geweigerd had te gebruiken. *)

Weinige dagen na dezen krijgsraad, verliet de Koning het Keurvorstelijk lustslot Favorite, om bij Bingen een wapenschouwing te houden over de armee der Fransche prinsen ; een armée die uit twaalfduizend man bestond, en waarin zich al de Koningsgezinden en uitgewekenen vereenigd vonden.

Toen de uit vierduizend man bestaande cavalerie voorbij den Koning trok, wendde de graaf van Artois zich

Ij Mémoires d'un homme d'etat Vol. I.

ocr page 185

175

met een trotschen en stralenden glimlach tot den Koning.

„Sire, dit is mijn edele garde. Vierduizend man, die uit louter uitgeweken aristocraten en officieren bestaat. Ge ziet baronnen, die het zich een eer rekenen als gewone soldaten te dienen, en kapiteins, zelfs generaals, die met vreugde als onderofficiers dienst doen. De liefde voor den Koning en het bedreigde vaderland, doet het allen, dezen edelen mannen en jongelingen als een eer voorkomen, zelfs zonder eqauletten en zonder rang in mijn leger te dienen !quot;

„Dat is edel, dat is grootsch!quot; riep de Koning, met schitterenden blik de voorbijrijdende edele en adellijke krijgslieden begroetende; „Hoe gelukkig en trotsch zal uw Koninklijke broeder zijn, als hij zich weder door zulk een lijfwacht omgeven ziet!quot;

„Sire,quot; zei de prins haastig; ,,gij kunt deze dappere krijgslieden beloonen voor hunne toewijding; gij kunt ons allen, — die met vreugde bereid zijn, den Koningen het vaderland ons leven ten offer brengen, -— gij kunt ons allen onuitsprekelijk gelukkig maken, ons allen een groote gunst verleenen.quot;

„O zeg mij wat ik doen kan. Ik zal gelukkig zijn, eeni-gen wensch te kunnen vervullen, voor u en deze edele schare.quot;

„Sire, ik verzoek Uwe Majesteit in naam van mijn geheel leger; vergun ons, dat wij de spits der armeé vormen; dat wij do eersten zijn, die den Franschen bodem betreden ; dat wij bij het ontmoeten der oproerlingen, in de voorste gelederen mogen strijden.quot;

De Koning schudde ernstig weigerend zijn hootd. — „Ik kan en mar/ dezen wensch niet toestaan, mijn prins. Ik bestrijd de revolutie, om den Koning en den adel van Frankrijk te redden. Indien ik deze bloem der natie liet afmaaien, voor wien zou ik dan gewerkt hebben'?quot; 1)

Fn om elke tegenwerping van den prins af te snijden, wendde de Koning zich om en riep den Kroonprins tot zich, om hem op deze cavalerie opmerkzaam te maken, die zeker in geen leger der wereld haars gelijke zou vinden.—quot; 0

1

's konings eigen woorden. Zie: Mémoires d'uu homme d'état. Vol. I.

ocr page 186

176

Op deuzelfden dag, dat de Koning verder naar de Fi an-sche grenzen trok, verliet ook Wilhelmine Rietz begeleid van haren „oomquot; den geheimkamerdienaar, de vesting Mainlz en begaf zich naar Spa. Eenige stations vroeger had men overnacht, en daar had de kadet zich weder in de schoone en geliefde vriendin des Konings herschapen.

Als zoodanig deed zij haar intocht te Spa, en als zoodanig werd zij daar geëerd en gehuldigd. Eenige weken nog bleef de armée der geallieerden aan deze zijde van den Rijn bij Rubenach, Luxemburg en Trier, en deFransche uitgewekenen, de prinsen en legerhoofden hadden tijd en rust genoeg, om zich te Spa te- verpoozen van de vermoeienissen en de verveling van het kampementsleven.

Wilhelmine Rietz was voor allen het middelpunt: men vergat haar afkomst en haar naam; de gunst des Konings was haar rang, en men noemde haar slechts „de vriendin des Konings.'1 Ter wille van dezen rang en naam, omfladderden haar de voorname uitgewekenen, die door haar den Koning tot haastig voorwaarts rukken en beslissend handelen wilden bewegen; huldigden haar de voornaamste cavaliers, en moest zelts de trotse he en eerzuchtige generalissimus, de hertog van Brunswijk, haar vriendelijkheid en voorkomendheid betoonen, welke hij anders nooit met een blik verwaardigd zou hebben.

Wilhelmine, — de gevierde koningin van dezen schitte-renden kring, die haar huldigend en bewonderend omgaf, — Wilhelmine nam al deze hulde met volkomen ongedwongenheid aan, en op de eerbiedige vleierijen antwoordde zij vaak met een luid, spottend gelach, dat haar aanbidders zeer in verwarring bracht, en dat zij zekerlijk zeer onbetamelijk en gemeen zouden geheeten hebben, indien niet de schoone lachster „de vriendin der Koningsquot; ware geweest.

En als zoodanig ontving zij dagelijks van den Koning een koerier, die haar een Koninklijk eigenhandig schrijven bracht, en haar au fait hield van alles wat geschiedde. Later, toen het leger in 't begin van Augustus verder voortrukte, en de Fransche grenzen overtrok, — verzuimde de Koning geen dag, aan zijn geliefde vriendin te Spa, bericht te zenden. Die dus altoos nauwkeurig weten wilde wat gebeurde, moest in de gunst slaan bij 's Konings vriendin.

ocr page 187

177

Zelfs de voorname Fransche dames, de uitgeweken hei-toginnen, prinsessen en gravinnen, die zich te Spa ophielden, achtten het niet beneden hare waardigheid, met de vriendin des Konings vriendelijk te verkeeren en haar gezelschap te zoeken. Zelfs de graaf van Artois had het noodig geacht, aan zijne gemalin door een bijzonderen koerier een brief te zenden, waarin hij het haar tot plicht stelde, de vriendin des Konings bijzondere oplettendheid te bewijzen; en de hertogin de Liancourt, de minnares van den graaf van Ai tois, wist zeer juist, dat de kas van haar minnaar geheel ledig was, en de invloed der „vriendin des Koningsquot; noodzakelijk, om Friedrich Wilhelm andermaal te bewegen voor de slechte, weinig zekerheid biedende wissels van den graaf van Artois, goede en waardige Pruisische thalers uit te betalen.

De gravin van Artois en de hertogin de Liancourt gaven dus aan de overige dames het voorbeeld van voorkomendheid en welwillendheid jegens de dame welke zij in hare vertrouwde kringen la Pompadour Prusienne noemden.

Wilhelmine wist dit en lachte er om, en liet zich de huldigingen der voorname dames even ongedwongen welgevallen, als de loftuitingen der edellieden en prinsen. Maar in één punt was zij ernstig en onverbiddelijk: zij verlangde volstrekt, dat zoowel de gravin van Artois als de hertogin de Liancourt haar een visite zouden maken, en verklaarde, dat zij slechts op deze voorwaarde een uit-noodiging tot de soirées der Koninklijke prinses zou aannemen. — De graaf van Artois was echter in zeer groote geldverlegenheid; en daar men te Spa toch ook eenigszins in een kampement leefde, waar men de etikette een weinig ter züde kon zetten, vervulde de gravin van Artois den wensch der Duitsche Pompadour, en gaf aan den drang der hertogin de Liancourt toe.

Beide dames reden naar de Duitsche Pompadour, en brachten der vriendin des Konings een bezoek.

Wilhelmine scheen hierover noch verheugd noch verwonderd, maar nam het als een zeer natuurlijke en noodzakelijke beleefdheidsformaliteit aan, waarvoor zij de koninklijke prinses verder geen woord van dank te zeggen had. Maar zij wees toch nu de uitnoodigingen der gravin Mühlbach, Duitscltland in Woeling en Strijd. V. 12

ocr page 188

178

van Artois niet meer af; en toen de hertogin de Liancourl Wilhelmine persoonlijk den wensch en het verzoek der koninklijke prinses overbracht, om morgen bij haar te dinee-ren, gaf Wilhelmine hare toestemming, met een lachje en eene uitdrukking, alsof zij een gunst verleende, in plaats van die te ontvangen.

En zoo zat zij nu den volgenden dag aan de tafel der schoonzuster van den Koning van Frankrijk, en had de eereplaats ter rechterzijde van de gravin van Artois, — der Sardinische prinses.

'tWas een schitterend en uitgelezen gezelschap; dames en heeren van den hoogsten legitimistischen adel omgaven de koninklijke prinses; de fijnste geestigheid, de scherpste ironie en de ongedwongenste toon verlevendigden de conversatie; en met verbazing en bewondering ontwaarden deze aristocratische heeren en dames, dat de Duitsche Pompadour hen allen evenaarde in geestigheid, ironie en schalkschheid. Hare bonmots waren de scherpste; en tusschen haar en den ouden, als geestig beroemden hertog de St. Simon, ontstond een gesprek, waarin tot verrukking van het gezelschap, de geestigste bonmots en de vinnigste scherts, als schitterende vuurpijlen heen en weder vlogen.

Aan zulk een interessante en beminnelijke vrouw wilde men gaarne alle eer en onderscheiding verleenen; haar gaarne den rang toestaan, die de gunst des Konings haar in de oogen dezer Fransche dames gegeven had. De gravin van Artois wilde ook hierin aan hare dames het voorbeeld geven: en toen nu het opwekkende woordenduël met den ouden hertog ten einde was, wendde de prinses zich met een genadigen glimlach tot Wilhelmine.

„Men moet bekennen,quot; zeide zij luid; „dat ge in dit gevecht de zege behaald hebt! De hertog moet zich voor overwonnen verklaren. Ik maak u als overwinnares mijn compliment, lieve gravin!quot;

Wilhelmine's oogen straalden op in een demonischen glans; een spottend lachje speelde om haar purperen lippen, en zij wierp haar hoofd trotsch achterover.

„Koninklijke Hoogheid,quot; zeide zij met verheffing van stem; „gij geeft mij daar een titel, waarop ik volstrekt geen aanspraak heb; ik ben noch gravin, noch barones,

ocr page 189

179

noch eenig ander gedisüngueerd persoon. Mijn vader was eenvoudig regitnentstrompeUer, en mijn echtgenoot is, — zooals ik hem onlangs hoorde noemen, — schoenpoetser des Konings, dat heet; zijn kamerdienaar. Dit zijn mijne waardigheden, madame en ge zult het mij toestemmen, dat de trompettersdochter, de echtgenoot van den koninklijken schoenpoetser, geen aanspraak heeft op den titel van gravin. Het idéé is zeer kluchtig; inderdaad zeer kluchtig T'

En Wilhelmine barstte in een luiden, vroolijken lach uit, en zag met vergenoegden blik in den kring rond, op het verlegen, geërgerde tafelgezelschap. Zij hadden allen de oogen nedergeslagen; alleen het wakkere oog van den hertog de St. Simon ontmoette Wilhelmine's schitterende oogen.

„Ge hebt volkomen recht het kluchtig te vinden, dat wij u tot ons willen trekken,quot; zeide hij vroolijk; „wij arme menschenkinderen hebben titels en namen noodig om iets te beteekenen. Gij echter hebt een titel, die u boven al deze nietigheden der wereld verheft, en gij doet dus als de Narischkins te Peterburg. Dezen voeren óók geen titel, d. w. z. geen grafelijken of vorstelijken titel; zij heeten Narischkin, hiermede is alles gezegd en hiermede weet ieder, dat Peter de Groote zijn eerste keizerin uit het huis Narischkin koos. De Narischkins zijn de verwanten der Gzaren, zij behoeven geen anderen titel. Zoo behoeft ook madame Rietz geen anderen titel; want zij bezit den hoogsten rang en titel, zij is de „vriendin des Konings!quot;

„'t Is waar,quot; zei de prinses van Artois met een dankbaren blik op den hertog: „dit is de hoogsle titel, en ik verzoek vergeving, madame dat] ik u uit vergissing een minderen titel wilde geven!quot;

Wilhelmine lachte en was vroolijk en beminnelijk als te voren. Toen zij echter na het diner in haar hotel teruggekomen was, en zich weder alleen bevond in hare vertrekken, verdween de vroolijke glimlach van haar gelaat, en haar blik verduisterde.

„Madame Paetz,quot; zeide zij, voor den spiegel tredende en met een toornige uitdrukking zich zelve beschouwende; „madame Rietz, ge zijt een onnoozele en onhandige vrouw.

ocr page 190

180

en ik zal u geheel en al mijn achting en genegenheid ont trekken, zoo ge geen rede verstaat, en beter voor u zorgt, 't Is een impertinentie, dat ge nog altoos slechts den naam van den schoenpoetser, uwen echtgenoot, voert, en ik zeg u; zoo ge 'tniet verstaat u uit deze vernedering op te heffen, — en zoo ge u niet tot gravin, of misschien tot Vorstin verheft, dan veracht ik u! Ik geef u nog drie jaren tijd! Zoo ge u echter in deze drie jaren niet tot gravin ontwikkeld hebt, wil ik niets meer van u weten, en ge zult er dan toe veroordeeld zijn, levenslang den naam van den koninklijken schoenpoetser te dragen!quot;

VI.

DE VOORLEZING AAN HET HOF.

Aandachtig luisterende, zat het voorname Hofgezelschap in een kring bijeen. De hertogin Ainalia naast haar schoone dochter, de hertogin Louise; vervolgens mevrouw von Kalb en Charlotte von Stein,—een geheele kring van dames, aan beide zijden het salon vullende, en achter haaide heeren, die het voorrecht hadden tot dit gezelschap te behooren, 't welk de hertogin Amalia eiken Vrijdag om zich verzamelde. Wieland, met zijn vroolijken, goedhartigen glimlach, stond achter den stoel zijner beschermster en vriendin, de hertogin Amalia; Herder, met zijn eerwaardig en trotsch voorkomen, bevond zich in zijn onmiddellijke nabijheid; ook Bertuch en Böttiger, de kunstkenner ; Hufe-land en Bode waren er, en naast hen de Hofcavaliers, die zich dooi' geest, vernuft of beminnelijkheid het voorrecht waardig hadden betoond, de Vrijdag-soirees van hertogin Amalia te mogen bijwonen; want niet rang of Hofstaat gaf het recht aan deze soirées, — die uitsluitend aan de kunsten en wetenschappen waren gewijd — te mogen deel nemen, maar alleen geestesbekwaamheid, genie en talent.

De blik van deze dames en heeren was op déngene gericht, die in 't midden van den halfronden kring tegenover hen aan een kleine tafel zat, waarop naast den zil-

ocr page 191

181

veren kandelaar met drie waskaarsen, een glas water stond en eenige bladen papier lagen. Deze heer, die daar afgezonderd van het overige gezelschap zat, en hen uit de papieren voorlas, — deze man met het edele, fiere aangezicht, de groote, vlammende, bruine oogen, het hooge voorhoofd, om 't welk dicht, bruin haar golfde, — deze heer was de geheimraad von Goethe, de minister, die zich echter had verwaardigd, heden in den Hofkring der hertogin als schrijver en dichter te figureeren, en de heeren en dames op een voordracht te onthalen.

Zij luisterden allen met gespannen aandacht naar hem; de hofdame von Göchhausen, — wier gelaat schier altoos een glimlachende, ironische uitdrukking vertoonde, — zette heden een ernstig gezicht; hield haar anders zoo scherp bespiedenden blik onafgewend op haren lieveling gericht, en lette dus volstrekt niet op de dame die naast haar zat, op Charlotte von Stein. Hoe was Charlotte von Stein verouderd, sinds den dag dat zij zich van Goethe gescheiden had; welk een scherpe, bittere trek speelde om hare dunne opeengedrukte lippen; hoe betrokken was dit voorhoofd 't welk Goethe vroeger zoo dikwerf met de helderheid des hemels vergeleken had, en dal zijn lippen gekust hadden met den zegen der liefde en der vriendschap! Niets van dezen zegen is meer op dit sombere voorhoofd; slechts de ouderdom heeft met zijn onverbiddelijke hand eenige lijnen er doorgetrokken, heeft de vroeger zoo aangebedene vriendin en geliefde van den dichter Goethe in eene oude vrouw veranderd, en haar gelaat misschien de bittere, - scherpe uitdrukking gegeven, die nu het aanvallig glimlachje van eertijds vervangen heeft. Of is iets anders schuld hieraan ? Is Charlotte von Stein nog jong van harte, en wrokt zij tegen het lot, omdat het een bejaard masker op haar gelaat heeft gelegd; dat het haar teruggestooten heeft in de rijen dergenen, die uitgesloten zijn van vreugde, liefde, huldigingen en vleierijen! Wrokt zij tegen den on-barmhartigen ouderdom, die met zijn onzichtbare hand haar de kroon van rozen en mirten, de kroon der liefde uit het haar genomen, — en haar daarentegen de kroon van zilveren populieren en asters, de kroon der ontbering, op het verbleekende haar gelegd heeft?

Er is iets hiervan in haar oogen te lezen! In deze oogen,

ocr page 192

482

die; schitteren en vlammen met somberen glans, en op Goethe zijn gericht met een ondoorgrondelijken blik vol smart en mijmerij. — Ach, hoe veel zeide deze blik, en hoe volstrekt niets verstond Goethe er meer van!

Arme Charlotte! — 'tis het hardste voor een schoone en gevierde vrouw, oud te worden ; hierloe behoort een groote kracht, en een groote hoeveelheid geest, liefde en hart! Charlotte had deze kracht niet gehad; haar geest en gemoed waren verbitterd, en hare liefde was in haat verkeerd.

Ja, zij haatte nu hém, dien zij vroeger zoo gloeiend bemind had ; zij beschuldigde hem, zij ontheiligde haar eigen liefde, terwijl zij met hatelijke en scherpe woorden den geliefde van haar verleden smaadde.

En evenwel, — toen zij nu tegenover hem zat, toen zij weder zijn stem hoorde, die eens voor hare ooren de heerlijkste muziek scheen; toen zij naar zijne woorden luisterde, gelijk zij zoo vaak gedaan had in gelukkiger dagen; — toen was het, alsof de wolken die haar hart beschaduwden, zich verdeelden en den hemel weder openden ; den hemel der herinneringen! In van zilver schitterende kleederen trokken zij haar voorbij, de zalige geesten van den vervlogen liefdestijd, en maakten haar weekendeden de ijskorst smelten, waarmede zij het omgeven had. —

O, gij schoone dagen der liefde, waarom zijt ge zoo vluchtig? Waarom kunnen wij niet onze hand op uw zilveren vleugels leggen en u boeien, opdat ge bij ons moet blijven? Waarom is op aarde niets onvergankelijk, zelfs de liefde niet? —

Hoe hij daar zit met den vurigen blik dezer oogen, die mij niet meer zoeken,met den koelen glimlach om deze lippen, die niet meer met hartstochtelijken gloed naar de mijne verlangen; deze lippen die den eed van eeuwige liefde hebben gebroken, dien zij eens in mijn beduizeld ooi-fluisterden !

O liefde, o jeugd en o geluk, waarom duurt uw leven slechts een korten zomerdag, gaat onder met de zon en verdooft in eeuwigen nacht! De zon komt den volgenden dag terug, maar de liefde niet! Ais zij eenmaal is ondergegaan, verrijst zij niet weder uit den nacht, en de gevallen sterren schijnen niet meer, —

ocr page 193

183

Cbarlolle boog treurig het hoofd en een traan gleed zonder dat zij 't wist, over haar wang neder ! Zij schrikte toen zij den schitterenden droppel op haar geschoeide hand zag nedervallen, en hief haastig het hoofd op. Niemand kon dezen traan gezien hebben, niemand dan hij die tegenover haar zat, niemand dan Goethe!

Had hij hem gezien? Neen; zijn stem was even helder en bedaard als altijd, en zijne oogen had hij nedergesla-gen op het papier, van 'twelk bij zijn verhaal voorlas: het verhaal van zijn bezoek bij Gagliostro's moeder te Palermo. Vroeger had alleen Gharlolte dit verhaal gehoord; want in een zijner brieven had hij bet Charlotte medegedeeld; — nu waren zelfs bare brieven niet meer haar eigendom, zij behoorden der wereld, niet meer aan baar!

Met diepe opmerkzaamheid luisterde het Hofgezelschap naar Goethe's verhaal. Hoe levendig en fijn was deze schildering der eenzame, achtenswaardige moeder van Gaglio-stro, van vrouw Balsamo; hoe treffend het verhaal van bare liefde, van haar hoop voor den zoon, en hoe het moederhart opsprong van blijdschap, bij den groet van haren zoon. 't Was een misleiding geweest, dat Goethe zich aan de eerzame arme matrone had voorgesteld, als afge-zondene van haar zoon; maar hij had de oude vrouw ten minste een oogenhlik vreugde bereid, en later had Goethe, in Duitschland teruggekomen, haar de somme gelds gezonden, die haar zoon haar schuldig was gebleven; de som, om welken zij haar zoon door Goethe zoo smeekend bad laten verzoeken, en welke zij zou geweigerd hebben, als zij geweten had, dat 't een aalmoes van den vreemden Sign ore was.

Toen Goethe nu met zijn voorlezing ten einde was, stond hij op en boog diep voor de beide hertoginnen, die hem tot zich wenkten, en hem met levendige woorden dankten voor de interessante voordracht.

,,En hebt ge niets meer van de matrone Balsamo vernomen, waarde Goethe?quot; vroeg hertogin Amalia.

„Doorluchtigheid, ik heb destijds terstond een brief van dankbetuiging ontvangen voor de som, welke de goede hertog mij gegeven, — en die het gezin toen zeer gelukkig gemaakt had. Maar dit geluk zal niet van langen duur

p

D1

:n

Ül

te f !

t . e-

r-

e-

3n

lt;

311

zij

sr-

ji-

a-

ie-

n;

H

de

an

en

:oo

dl-

Det

slfs

die

ip-

jne

• 'm

fde

'2

oor

ven

en

3en

Ier-

val -

lt;4|

ocr page 194

184

zijn geweest, en het arme moerlerliart is thans gewis door zwaren kommer bevangen.quot;

„Waarom, Goetlie? Weet ge iets van haar zoon, den kwakzalver ?

„Ja, Doorluchtigheid, ik weet van hem. Ik ontving gisteren uit Rome brieven, en daarin schrijft men mij onder andere dingen, ook van Jozef Balsatno den zoogenaamden Cagliostro.quot;

„Den Groot-Kophta,'' merkte de hertogin glimlachend aan; „En wat is er met hem?'

„Hertogin, het is rnet Cagliostro eindelijk gegaan als met mijn drama Groot-kopkta, voor 't welk hij mij als model heeft gediend: beiden zijn gevallen! Het drama de Groot-Kophla hier op het tooneel te Weimar, en de wonderdoener Cagliostro op het tooneel der wereld. Hij is overal als bedrieger onlmaskerd en onlangs als gevangene te Rome binnengebracht geworden, aangeklaagd van fmis-daden waarop de dood staat. Zijne menigvuldige bedriegerijen en afpersingen hebben eindelijk aan velen zi]-ner bewonderaars de oogen doen opengaan en hem doen vallen in handen der wereldlijke rechters. De onzichtbar en, voor wie hij in den beginne zoo intrigeerde en ijverde, schijnt hij eveneens trouweloos geworden te zijn, want hoewel hij een hunner broeders is, hebben zij zich zijn lot niet aangetrokken. Waarschijnlijk hebben zij hem ook niet bijgestaan, omdat hij te veel van hun geheimen en kuiperijen kent, en hen derhalve gevaarlijk en lastig kon worden. Hij is voor de Rozenkruisers een uitgeperste citroen, en zij werpen hem weg!quot;

„Gij gelooft dus, dat zij den armen kwakzalver zullen dooden'?quot;

„Ik vrees het. Doorluchtigheid! ik vrees het, om den wille zijner arme familie, die door zijn loten zijn verlies reeds zwaar getroffen wordt; want zijn moeder en zusters houden zeer veel van hem, en hij is haar eenige hoop!quot;

„Arme, beklagenswaardige vrouwen, quot; zuchtte hertogin Louise: „dunkt u niet, heer geheimraad, dat wij iets voor haar zouden kunnen doen ?quot;

Goethe's oogen schitterden door een straal van vreugde en innige dankbaarheid. — „Het edele en grootmoedige

ocr page 195

185

oi' 1 hai't Uwer Doorluchtigheid spreekt uit, wat ik wenschte,

maar niet durfde te zeggen.quot;

m ,,Mijn lieve schoondochter heeft, als altoos, terstond het

rechte getroffen,quot; knikte Amalia glimlachend: „gij hebt s- gelijk, Goethe; het is een edel en grootmoedig hart. Ik er veroorloof mij u een voorstel te doen, waarde Louise. ?n Willen wij niet dadelijk een collecte voor de arme familie Balsamo doen? Een der dames mag als bedelares rondgaan rd met een overdekt bord, en bij elk onzer voor de goede

vrouw Balsamo en hare dochters collecteeren.quot; ils „Het voorstel is voortrelïelijk, genadigste moeder, en

ds ik neem het volgaarne aan,quot; antwoordde hertogin Louise de j levendig.

n- De hofdame Göcbhausen had reeds door een lakei schielijk

is een bord met een servet laten halen, en vroeg nu de herto-ne gin Amalia, welke van de dames zij het overhandigen zou. is- „'tls mij onverschillig, lieve Thusnelda; kies zelve!quot;

e- Een boosaardige glimlach speelde om de dunne lippen ij- der freu'e. „Nu,quot; zeiile zij: „daar Uwe Doorluchtigheid im mij volmacht geeft, kies ik de lieve mevrouw von Stein. n- Hier, mijn waarde vriendin, — in naam mijner meeste-

ri- res — ga bedelen voor madame Balsamo; zamel geld in ;e- en stel het vervolgens haren beschermer, onzen lieven !rs Goethe ter hand.''

ir- Over Charlotte's wangen vloog een donkere blos, en hare

te handen beefden toen zij het bord aannam. Sinds bijna 3r- drie jaren had zij vermeden, ooit in de onmiddellijke na-lO- hijheid van Goethe te komen ; sinds drie jaren hadden hunne 'm handen elkander niet aangeraakt, hunne blikken elkander slechts vluchtig getroffen, hadden zij niet met elkander en gesproken; en nu zou zij voor hem collecteeren, — zou zij tot hem treden, hem toespreken, en hem overgeven 11e wat zij gecollecteerd had. Het was een ondeugend genoe-ids gen, 't welk de kleine, schalksche hofdame zich bereid had, iu- ■ en hare oogen straalden van lust, en zij zag triomfantelijk in den kring rond, en amuseerde zich met al deze jin verlegen en betrokken gezichten, welke zij alom ont-lor waarde. Toen boog zij even voor hertogin Amalia en fluisterde haar in 'toor: „Zij heeft hem gekweld en laten de lijden. Ik straf haar een weinig, en 'tdoet mij pleizier [ge ook haar een weinig te kwellen.quot;

ocr page 196

186

„Thusnelda, ge zijt een heks,quot; fluisterde de hertogin, terwijl zij de Hofdame met haar blanke hand een tikje op de wang gaf.

Intusschen had Charlotte hare gewone kalmte en gelijkmoedigheid herkregen, en ging nu met het bord den kring rond,'om de giften in te zamelen. Zij glimlachte; haar stem beefde niet bij de vragende en dankende woorden, en tóch was een onuitsprekelijk wee in haar hart, en zij zou hebben willen vluchten, zeer ver vluchten in de duisternis, opdat zijne oogen haar niet zouden zien. Want zij gevoelde, zonder naar hem te zien, dat zijne oogen op haar rustten, dat zijn blikken haar volgden, en dat deed haar wee in 't diepst van haar hart.

De omgang was volbracht; Charlotte von Stein trad naar hertogin ' Louise, verzocht haar het servet op te hellen, en de^ giften in oogenschouw te nemen.

De hertogin deed het, en verheugde zich over de rijkelijke giften, en riep Goethe om uit de handen der edele bedelares het geld in ontvangst te nemen.

Hij trad ijlings toe, en nu stonden zij tegenover elkander, spraken te zamen, beiden glimlachend, en toch beiden treurig en ernstig in hun ziel, en nauwelijks luisterende naar de onverschillige, vriendelijke woorden welke zij spraken, — naar de woorden zijner dankbaarheid en barer verontschuldiging.

„Ge hebt mij volstrekt niet to danken, mijnheer von Goethe; ik volgde immers slechts het bevel yan mevrouw de hertogin, en deed dus niets meer dan mijn plicht!quot;

„En dit is ten laatste het grootste wat men in de wereld doen kan, genadige vrouw,quot; antwoordde Goethe bedaard.

Als een dolksteek trof dit woord haar hart, en onwillekeurig ontroerde zij.

„Hebt ge pijn, lieve'?'' vroeg freule Göchhausen, die haar genaderd was.

„Ja, ik heb pijn,quot; zeide zij zacht; „mijnheer von Goethe, neem het geld, en vergun mij u morgen mijn bijdrage te zenden. Ik heb mijn beurs niet bij mij.quot;

„Wat ge geeft is morgen even welkom als heden. Evenwel,quot; voer Goethe met zachte stem voort: „evenwel hebt ge mij heden reeds een geschenk gedaan, dat kostelijker is, dan alle goud en alle schatten der wereld.'

7 O

ocr page 197

187

„Ik u?quot; vroeg Charlotte zacht en verlegen.

^Gij mij! Want ik weet toch, dat de traan die over uw wang vloeide niet mijn voordracht, maar slechts ons en ons verleden gold.quot;

Zij hief haar hoofd op en aanschouwde hem fier. — „Ik heb niet geweend, mijnheer von Goethe.quot;

.,Neen, zij heeft niet geweend,quot; bevestigde freule Göch-hausen, die de luider gesproken woorden had opgevangen : „Neen, zij heeft niet geweend; en waar wij allen tranen in de oogen hadden, bleven de hare droog, want ge weet immers, Goethe: zij is mevrouw von Stein, — en sieenen vergieten geen tranen.quot;

„Zij is Charlotte von Stein,quot; zei Goethe glimlachend: „en ge zult den schrijver van Werther moeten toestemmen, dat Lotjes soms weenen, óók zelfs als zij niet beminnen.''

,,En waarom weenen zij dan, mijn sentimenteele dichter?quot; vroeg freule Göchhausen spottend: „Weenen zij over haar eigen ongevoeligheid, over haar ijverzucht, over baar eigenzinnigheid, of over hare teergevoeligheid?quot;

„Neen; zij weenen over de vergankelijkheid van al het aardsche, en dat ook het heiligste gevoel hieraan onderworpen is.''

En Goethe keerde om en trad naar hertogin Amalia, om haar den origineelen brief te loonen, dien hij van de weduwe Balsamo ontvangen had.

„Weet ge niets van Cagliostro's schoone vrouw?''vroeg de hertogin: „Zij moet wonderschoon zijn en daarbij beweren, dat zij honderd jaar oud is. Mevrouw von der Beek verklaarde haar voor dé schoonste vrouw op aarde. Wat mag van haar geworden zijn?''

„Ik weet het niet, Doorluchtigheid. Doch onlangs hoorde ik: zij was heimelijk van haar man weggegaan, trok als een reizende zinnelooze door Duitschland, en trachtte zich onder allerlei vermommingen on valsche namen aan de nasporingen der rechterlijke macht, die haar wenschte te vatten, te onttrekken.quot;

„Ik wensch dat het haar gelukken moge,quot; zei Amalia glimlachend: „een schoone vrouw is een zeer zeldzaam kunstwerk der Natuur, en men moet het ontzien, en toegevendheid hebben met zijne zwakheden.quot;

ocr page 198

'18.8

Op dit oogenblik ijlde een lakei toe, en reikte aan hertogin Louise een brief, dien zoo even een koerier gebracht had.

„Van mijn gemaal,quot; zei Louise glimlachend: „de hemel geve dat het geen slechte tijdingen zijn.quot;

Zij trok zich in een vensternis terug, en toen zij den brief gelezen had, riep zij Goethe tot zich. — „Hier is een briefje voor u, dat mijn gemaal mij zendt, met den uit-drukkelijken wensch, het u persoonlijk te overhandigen, en het verzoek dat hij er in doet, met mijn voorspraak te ondersteunen.quot;

„Doorluchtigheid, de hertog heeft mij slechts bevelen, — geen verzoeken te doen. Mag ik den brief lezen?quot;

„Doe het, Cioethe, doe het terstond; want ik wacht op uw antwoord.quot;

Goethe doorliep den brief, en wendde zich toen weder tot de hertogin. —„Zijne Doorluchtigheid, die zich met zijn legercorps in de onmiddellijke nabijheid van den Koning van Pruisen bij Maintz bevindt, wenscht dat ik mij daarheen begeve en gedurende den veldtocht, — of zooals hij zich uitdrukt, „de wandeling naar Parijsquot; aan zijn zijde blijve. Hij bericht mij, dat zijn jacht-équipage met vier paarden hem ten spoedigste moet nagezonden worden daar hij meent, die bij het voorwaartsrukken te zullen, noodig hebben, en hij wenschtdatik van deze gelegenheid gebruik make om tot hem te komen.quot;

„En wat zegt ge van dezen wensch, dien mijn gemaal niet als hertog, maar als vriend te u richt?quot;

„Ik zeg, dat ik Uwe Doorluchtigheid verzoek mij te mogen verwijderen, om mijn koffer te kunnen pakken en morgen vroeg op reis te gaan,quot; antwoordde Goethe, terwijl hij glimlachend voor de hertogin boog.

„Dit is gesproken als een trouw vriend, en ik dank u in naam van mijn echtgenoot. Ga Goethe, en de hemel geve, dat ge mèt den hertog spoedig tot ons terugkeert.quot;

Zij reikte hem haar hand, en Goethe drukte er zijn afscheidskus op. — „Ik verzoek Uwe Hoogheid, mij bij mevrouw de hertogin Amalia te verontschuldigen, dat ik zonder afscheid vertrek. Zij staat ginds in den kring der dames, en ik zou gaarne stil en zonder veel gerucht, aftrekken.''

ocr page 199

189

VIL

EEN LAATSTE AFSCHEID.

Goethe verliet het slot Belvedère, en nam met rustigen tred den terugweg naur de nabijgelegen stad aan. Het was een heerlijke zomernacht; de hitte van den dag was bekoeld door den luwen wind, die zacht ruischend dooide hooge boomen der breede laan voer, in welke Goethe met lichten tred voortschreed. De maan stond groot en vol aan den hemel, op welks donkerblauwe diepte, dui-zende sterren schitterden en vonkelden.

Goethe zag tot haar op, terwijl hij door de allée ging, en het was hem alsof wonderbare tonen in zijn gemoed gt; weerklonken, en onwillekeurig moest hij aan haar denken, aan haar die hij heden gezien had met een traan in de oogen, aan haar, die er lieden, in den vroolijken kring, treurig en somber uitzag.

„Hoe komt het, dat ge zoo treurig zijt, nu alles vroolijk schijnt? Men ziet het aan uwe oogen; gewis, ge hebt geweend

Hij , fluisterde dit in den nacht, tot de sterren, die op hem nederschenen, en het genie repte in hem de machtige wieken, en aan de sterren en zich zeiven gaf hij antwoord op de vraag, die hij zooeven den nacht had toegefluisterd.

„En heb ik eenzaam ook geweend, het was om eigen smart; en tranen, vloeiend, o zoo zoet, — verlichten mij het hart.quot;

Hij bleef staan, in gedachten verdiept, droomend luisterende naar de stemmen, die in zijn borst fluisterden ; naaide heilige orgeltonen, met welke de herinnering aan de gestorven liefde weder opruischte in zijn ziel. Een plechtige, verheven stilte heerschte rondom, slechts in de verte hoorde men nu en dan het blaffen van een hond, of liet krijschend geluid van een of anderen nachtvogel. ; Eenzaam in 't midden der Natuur stond de dichter; de fraaie, krachtige gestalte door de maan verlicht, die zijn schoon gelaat als met een lichtkrans omgaf en een gouden band om zijn voorhoofd legde, als wilde hij den dichter kronen met den glans van het onsterfelijke licht. Een

ocr page 200

400

heilige, grootsche verrukking trok hem door de ziel; een onuitsprekelijke aandoening vervulde zijn hart, en maakte hem tóch tegelijk verheugd en gelukkig. Zijn ziel vierde den heiligen godsdienst der Natuur, en in 't midden van dezen van sterren schitterenden, door de maan verlichten nacht, was de dichter Goethe misschien vromer en gods-dienstiger dan al degenen, die hem van ongeloof beschuldigden, en niet in de kerk der Natuur, maar in de kerk van steen en kalk hun godsdienstoefening hielden! Onwillekeurig nam hij den hoed af, als gold het eerbiedig de Godheid te groeten. Wier tegenwoordigheid hij aanschouwde in de zacht verlichte sluimerende schepping, in de vonkelende sterren.

„O, sterren, hoe dikwerf heb ik reeds tot u gesproken, hoe dikwerf hebt gij het arme menschenkind reeds gezien, juichend van vreugde, lachend van aangezicht, of zuchtend van smart en het bleeke gelaat door tranen bevochtigd! O, sterren, daalt tot mij neder en verhaalt mij een weinig van de ondoorgrondelijke verborgenheden der schepping!quot;

Hij zag tot haar op met glimlachenden blik, als verwachtte hij werkelijk, dat zij aan zijne bezwering zouden voldoen en tot hem nederdalen. Daarop glimlachte hij eensklaps, knikte haar toe en schudde zijn fier hoofd, zoodat de bruine lokken in den nachtwind fladderden.

„De sterren, men begeert ze niet; verheugt zich over hare pracht, en met verrukking ziet men op, in menigen stillen nacht!quot;

Hij knikte ze nog eens toe en ging toen voort, den hoed in de hand, de gloeiende wangen door den nachtwind gekoeld. Plotseling bleef hij staan, en luisterdeen gluurde met schepen adelaarsblik door de laan heen.

't Scheen hem als hoorde hij het langzaam rollen van een rijtuig, als zag hij op eenigen afstand voor zich een gestalte wandelen op het smalle voetpad, waarop hij zelf ging. Misschien zeide hem zijn hart wie deze gestalte was; misschien was 't slechts de nieuwsgierigheid om het te weten, die veroorzaakte dat hij sneller voorttrad.

Ja, zijn oor had zich niet bedrogen; 't was een rijtuig, dat langzaam over den weg rolde, — een elegante open kales, die hij bij den maanschijn even goed herkende als

ocr page 201

194

de dame, die voor liem uit wandelde. Deze équipage bequot; hoorde aan mevrouw von Stein, en zij was, bekoord door den heerlijken zomernacht, uitgestegen, om met vrije schreden in den nacht te wandelen.

Sneller stapte Goethe voorwaarts, en was nu dicht aan hare zijde. Zij schrikte én slaakte een zachten kreet, maaibij verontschuldigde zich zelfs niet, nam haar arm en legde hem op den zijnen, met die machtige, gebiedende wilskracht, welke ook de fierste vrouw niet waagt te weêrstreven.

,,CTod groet u, Charlotte,quot; zeide hij met innig bewogen stem: „God groet u met Zijn maneschijn en al Zijn sterren. O lieve, verzet u niet, beproef niet mij uw arm te onttrekken; ik boud u vast en voor een oogenblik zijt ge weder de mijne! Mijn vriendin, mijn zusterziel!quot;

„Neen, ik wil het niet,quot; zeide zij heftig: „laat mij los, mijnheer von Goethe, ik wil in mijn rijtuig stijgen!quot;

„Neen, Charlotte; ge zult nog een weinig aan mijn zijde wandelen, arm in aim met mij, zooals gij vroeger zoo gaarne deedt! Zie toch om u heen, Charlotte; werp toch cle koude schors weder van uw edel en schoon hart, en wees weder u zelve!quot;

„Neen, nooit! Ik zou moeten blozen , voor mij zelve, zoo ik ooit weder vervallen kon in de smartelijke dwaling van vroegere jaren!quot;

„Arme Charlotte, ge noemt dwaling wat toch de hoogste openbaring der menschelijke ziel was. Keer tot haar terug, Charlotte; en zoo uw trotsch ik er voor blozen wil, welnu, dan ziet het niemand dan de nacht, die zijn donkeren sluier op uw lief, blozend aangezicht legt. Charlotte, wij hebben elkander eens zoo vurig bemind, waarom moeten wij dan nu vijanden zijn?quot;

,,Ik ben niet uw vijandin,quot; riep zij met haastige, hijgende woorden: „maar ik kan nooii vergeten, welke vreeselijke smarten en vernederingen ik door u geleden heb! Uwe tegenwoordigheid doet mij wee ; en zoo vaak ik u ontmoet, loopt een rilling door mijn hart, want het is mij, als zag ik een koud wezenloos spooksel, dat ik eens als een godheid heb aangebeden. O, ik weet, ge zult er om lachen, ge zult verachtelijk de schouders ophalen, en aan uw roem en glorie denken. Maar wat geef ik er om, dat ge een

ocr page 202

192

groot (lichter, een aanzienlijk minister zijt! Ik zie in u slechts den man, dien ik bemind heb, aan wien mijn ziel hing met teedere genegenheid, met aanbiddende bewondering, en dien ik tot mijn diepste smart en vertwijfeling als een trouwelooze, als een woordbreker heb leeren kennen !quot;

„Ge doet mij onrecht, Charlotte,quot; zeide hij zacht :„'t Is immers niet mijn schuld, dat alles vergankelijk is; niet mijn schuld dat de rozen verwelken, — dat op den zomer de winter, op de rijzende morgenzon het ondergaande avondrood volgt. Dit is de wet der Natuur, waaraan wij ons allen onderwerpen moeten; want vergankelijk is alles, en in lederen levende is de dood. Maar uit deze schipbreuk van het eindige en vergankelijke, het eeuwige, het onsterfelijke te redden, dit is de hoogste wijsheid van den mensch, en wie dit vermag heft zich uit het vergankelijke, tot de gewesten van het onsterfelijke.quot;

„Fraaie woorden, schoone frazen!quot; riep zij verbitterd: „Met woorden laat zich veel bewijzen, maar het is toch niet te loochenen dat ge mij verlaten en verraden hebt! En om wie verraden? Om de dochter van een gemeenen dronkaard, om een meisje zonder beschaving, zonder zeden, zonder naam! O, 't is om te lachen of om te ver-twijfelen! Charlotte von Stein is verlaten geworden, ter wille van een schepsel, dat te gering is om mijn kamenier te zijn! Ik heb tien jaren lang geloofd aan een edel, verheven mensch, en heb toen moeten erkennen, dat hij tot geen groot, rein gevoel bekwaam is; dat hem de liefde slechts in de oogen lag, niet in de ziel! Hij heeft mij opgegeven ter wille van een boeleerster; hij heeft gemaakt, dat ik mij over zijne en mijn eigen liefde schamen moet, dat —quot;

„Genoeg,quot; viel Goethe haar streng in de rede: „genoeg verwijten en beschuldigingen. Ik kon mij anders laten vervoeren u te antwoorden en te bewijzen, dat niet aan mijne zijde alléén de schuld ligt. Doch dit wil ik niet! Ik zie echter tot mijn diepste smart, hoezeer uw gemoed verbitterd is, en hoe weinig uwe door uw haat verduisterde blik in staat is de dingen duidelijk en zóó te zien, als zij werkelijk zijn. Ik dacht dat drie jaren van rust en nadenken, de opwellende ijverzucht van het eerste oogenblik

ocr page 203

193

tol kalmte zouden gebracht hebben, en gij onze betrekking tot elkander, van een hooger en reiner standpunt zoudt beschouwen; gij zoudt dan erkend hebben, dat deze neiging, die ik het jonge meisje wijdde, volstrekt niet in staat is, zelfs een schaduw te werpen op mijn schoon en onlichamelijk gevoel voor u.quot;

„En hierin hebt ge u bedrogen,quot; zeide zij bitter: , ik ben niet verheven genoeg, om zulk een gevoel te begrijpen, en niet gering genoeg, om met deemoedige bescheidenheid te verdragen, dat ge nevens mij nog een andere geliefde hebt. Ik ben slechts een vrouw, — geen engel, die boven de zwakheden der menschen verheven is quot;

„'tls waar, ge zijt slechts een vrouw.quot; riep hij schouderophalend; „Ik zie nu, dat geen vergelijk tusschen ons mogelijk is, en gij tot zulk een verheven en reine zielenliefde, gelijk ik ze van de vriendin verwachtte, volstrekt niet in staat zijt! Ik heb mij in u vergist, want ik heb, — in weerwil onzer vervreemding, — deze drie laatste jaren altoos nog aan een verzoening, aan een hernieuwing van het verledene geloofd, en ge waart altijd nog voor mij, wat ge zoolang geweest zijt; mijn teedere, geliefde zielsvriendin! Nu zie ik wel, dat mijn geloof dwaas was, en in dezen nacht scheid ik nu van mijn verleden en van mijne herinneringen! Vaarwel, Charlotte! Ik verlaat binnen weinige uren Weimar, en gij zijt de éénige, van wie ik afscheid heb genomen, - een eeuwig afscheid! Want als ik terugkom, zal ik niet meer Charlotte, — maar slechts mevrouw von Stein wederzien. Veroorloof mij, dat ik u naar uw rijtuig geleide!quot;

Zij antwoordde niet, trad slechts haastiger voorwaarts, en stiet zijn hand onwillig terug, toen hij haar bij het instijgen behulpzaam wilde zijn.

„Ik heb geen hulp noodig, en wil op niemand steunen dan op mij zelve. Friedrich, sla de kap van 't rijtuig op, want de nachtlucht is frisch en ik ben koud!''

Terwijl de bediende zich haastte aan het bevel te voldoen, had Goethe met bedaarden, gelijkmatigen tred zijn weg vervolgd. De maan wierp de lange schaduw van zijn gestalte achter hem, en deze schaduw viel een oogenblik over haar eigen hoofd, eer hij verder ging.

Charlotte von Stein huiverde inwendig, en dook versla-Mühlbaoh, Duitschland in woéliny en strijd. V. 13

ocr page 204

494

gen in den hoek van 't rijtuig; terwijl dit snel voortrolde, zat zij daar met troosteloos hart, en weende bitterlijk.

„Ja, vergankelijk is alles, ook de liefde, ook het geluk!quot;

Goethe zag haar voorbijrijden, en zag niet naar haar heen. Zij was nu voor hem verzonken in bet verledene; de teedere draden, die zijn hart nog aan haar geboeid hadden, waren gebroken, en zonderling genoeg, — in plaats van zich hierover bedroefd te gevoelen, was ;t hem als een bevrijding, een verlossing. Hij had zich misschien somwijlen als schuldig gevoeld, zich zeiven verwijten gedaan.— Nu echter gevoelde hij zich van alle schuld verlost, en eenigermate vrijgesproken. Want hij had willen verzoenen, en was teruggestooten geworden; hij had zijn trots overwonnen en was haar tegemoet gekomen; zij had hem teruggestooten, en de gekrenkte ijdelheid was sterker geweest dan ieder ander gevoel.

„Wij zijn quitte,quot; riep hij in den nacht het voortrollende rijtuig na: „Geen verwijt treft meer mijn hart, en alle schuld is verzoend!quot;

Met lichten tred ging hij verder, en spoedig was de stad bereikt en het lieve oude huis, dat zijn vorstelijke vriend hem geschonken had. Zacht stak hij den sleutel in het slot en opende de deur, zacht trad hij het stille huis binnen. Een kleine lamp stond in de gang en bescheen de trap, dien hij met lichten voet opijlde. Niemand verwachtte hem; want zelfs de dienstboden hadden van Goethe bevel, zich altoos op het bepaalde uur ter rust te begeven, en geen notitie te nemen van zijn komen en gaan. Slechts de kleine lamp moesten zij voor hem nederzetten, en zij alleen mocht hem verwachten.

Met kloppend hart, zacht op de teenen, trad hij de stilte kamer zijner lieveling binnen. Aan de deur bleef hij staan, en luisterde. Lange, rustige ademhalingen alleen stoorden de diepe stilte, en leidden hem voort naar het groote, met witte gordijnen omhulde bed, ginds aan den wand. Voorzichtig sloeg hij de gordijnen ter zijde, en aanschouwde toen met een innigen blik het liefelijke beeld, dat het dolfe licht der lamp, die aan de zoldering hing, aan hem vertoonde. Daar lag Christina in een luchtig nachtgewaad, dat haar volle, schoone armen bloot hield; een dezer armen

ocr page 205

195

had zij naar achter geslagen, en daarop rustte'haar hoofd. De bruinroode lokken beschaduwden haar voorhoofd, en vielen in ongekunstelden rijkdom ter weerszijden langs de frissche rooskleurige wangen. Haar purperroode lippen glimlachten in den slaap, en lieten, half geopend, twee rijen schitterend witte tanden zien. In haar anderen arm rustte een kind, een lief knaapje van omstreeks twee jaren. Van de poezele dikke beentjes had hij de bekleeding weggewoeld, met het eene handje had hij zich in de verwarde haarlokken zijner moeder gehouden, en daaronder kwam zijn rond armpje te voorschijn, en het ronde kopje met do van gezondheid bolle wangen, rustte aan den zedig bedekten boezem der moeder.

Het was een treffend beeld van liefde, onschuld en vrede, dat Goethe voor zich zag, en hij gaf zich met vollen ziele-lust aan deszelts beschouwing over.

„Waarlijk,quot; fluisterde hij glimlachend; „gij beiden zijt wel waard, dat men voor u den strijd tegen de wereld en de vooroordeelen aanneemt, en zelfs verwijten en vermaningen bedaard over zich laat heengaan. Gij zijt mijn schoonste eigendom; en 'fis wél billijk, dat ik voor zulk een kapitaal van geluk, mijn rente betaal aan de wereld!quot;

Nog eens beschouwde hij het liefelijke beeld, als wilde hij het zich diep in het hart prenten; vervolgens boog hij zich neder, en drukte een kus op hare lippen.

„Christina, mijn lieveling, ontwaak! Ik heb u noo-dig!quot;

Reeds bij de eerste woorden had zij de groote, bruine oogen opgeslagen; nu schoof zij haastig het kind ter zijde, wierp een rokje over, gleed met de sierlijke voetjes in de pantoffels, en sprong uit het bed.

„Wat is er, mijn heer en mijn geliefde? Wat moet ik doen ?quot;

„Ge moet mijn goederen bijeenzoeken, mijn lief kind; ge moet mijn koffer pakken.quot;

„Wilt ge weg?quot; riep zij smartelijk: „wilt ge ons verlaten?

Ach, heer, wat zullen wij beiden dan zonder u beginnen ? 't Is hier zoo vervelend, zoo akelig als ge niet bij ons zijt, heer!quot;

Zij sloeg hare armen om hem heen, drukte zich vast aan zijn borst en weende.

ocr page 206

196

„Wees moedig, mijn lieveling; moedig en vrool'jk, zoo •als ge altijd zijt. De hertog roept mij, ik moet lot hem; dit is mijn plicht en ook mijn genoegen. Ik verheug mij op het krijgsgewoel, op het frissche leven in het leger-kamp op al de nieuwe tafereelen en ervaringen, die mij wachten, 'tis van tijd tot tijd noodig zijn fantasie te ver-frisschen, en nieuwe beelden in zich op te nemen. Laat mij heengaan, mijn lieveling; ik keer immers tot u en tot mijn stil geluk terug. Ween niet, kind; ge weet, ik haat

vrouwentranen.quot;

Zij droogde haastig hare oogen, en toen hij naar de hand aan de zachte kin legde, en haar hoofd tot zich op-hief, 'glimlachte zij weder, en haar voorhoofd verhelder-

, Ik wil niet weenen, heer, en wil alles doen wat gij wilt. Bemin mij slechts en ons klein knaapje, en denk aan ons

als ge weg zijt.quot; _ .....

,Ik denk altoos aan u, lieveling; want ge zijt mijn eenig geluk, en ik kan alles verlaten en opgeven, — alleen m heiden niet. Ik zal u zeer missen, en ge moet mij iets van u medegeven; iets, dat gij gedragen hebt, een pantoliel ot wat het ook zij. Ik zal dan minder eenzaam zijn, en mij

nader bij u gevoelen.quot; ^ , . .

O ik wilde dat ik mij zelf in uw kolïer kon pakken, mijn dierbare heer; ik wilde dat ik mij in kleinduimpje kon veranderen, en gij mij in uw borstzak staakt en mede-

naamt!quot; ,,, .

Maar dit gaat niet, en daarom wees verstandig l-hns-tina; doe uw plicht en maak den gelielde het afscheid

niet zwaar.quot; .

En nadat hij haar zoo vermaand had, knikte zij hem toe en sloop ijlings weg, om eerst voor Groethe in zijn arbeidskamer de lichten te ontsteken, vervolgens den ko feite halen en zorgvuldig alles wat tot zijn gemaak kon dienen, mèt de kleederen in den koffer te pakken.

Goethe zag haar hierbij aan met vroolijk welbehagen, en toen zij nu druk en bedrijving in zijn arbeidskamer bï) hem was, en hem met ernstige houding de boeken en porteieuilles hielp zoeken en kiezen, welke Goethe op reis mede zou

1) Goethe's eigen woorden. Zie; Lewes, Goethe's Leben. II.

ocr page 207

107

nemen, toen lachte Goethe, en trok haar vast aan zijn borst.

,,0 Chrisje, mijn lieve; welke dwaze, domme schepsels zijn toch de menschen ! Zij meenen, dat ik slechts mijn geliefde en mijn kind hier bij mij in huis heb, en 't mij daarom zeer eenzaam moet zijn in dit ruime huis.quot;

,,Nu, en hebben zij geen gelijk?quot; vroeg Christina verwonderd.

„Neen, lieveling, zij hebben geen gelijk ; want ik heb buiten mijn geliefde en mijn knaapje, nog een jongen botanicus, die mij helpt in mijn studiën over de plantenwereld; dan nog heb ik een bibliothecaris, die mijn boeken in orde houdt, en eindelijk heb ik een vriend bij mij, met wien ik over alles spreek, waarin ik belang stel, en die hoofd en hart op de rechte plaats heeft, en dus in staat is alles te begrijpen, alles met mij te deelen. Maar dit alles zijt OÜ voor roil in een persoon: mijn geliefde, mijn botanicus, mijn bibliothecaris, en bovenal mijn 'vriend. —O Chrisje, geloof mij, dit is de heiligste en schoonsle naam, dien u mijn liefde geven kan! Ge zijt mijn vriend, en 't geen ik misschien voor mijn geliefde verzwijgen zou, zeg ik u, mijn vriend!quot;

Hij trok haar weder aan zijn hart, en terwijl hij als zegenend zijn hand op haar hoofd legde, hieven zijn groote, bruine oogen zich ten hemel op, en zijn lippen spraken zachte woorden, welke Christina niet verstond.

„Wat prevelt ge, geliefde?quot; vroeg zij.

Hij boog en drukte een kus op haar voorhoofd, en sprak met schitterenden blik:

Selig, wer sich vor der Welt Ohne Hass verschliesst,

Einen Freund am Busen halt Und mit ihm geniesst 1).

]) Zalig, die 'zich zonder haat van de wereld afsluit, en een vriend aan 't harte houdt, met wien hij geniet.

ocr page 208

198

VIII.

TE VERDUN.

„Eindelijk oorlog! 'lis mij als ware er met hel eerste kanonschol een nieuw mensch uil mij gerezen, gelijk Minerva uit hel hoofd van Jupiter! Goddank; de geheele voddekraam der prinselijke heerlijkheid en elikelle is nu van mij gevallen, en ik ben slechts mensch mei menschen, soldaat met soldalen!quot;

„Zeer fraai,quot; antwoordde Kroonprins Fiiedrich Wilhelm op deze ontboezeming van prins Louis Ferdinand- „zeer fraai, mijnheer de enthusiast! De vrijheid, gelijkheid en broederschap, waartegen wij te velde trekken, vindt dus in u een vurig Tverdediger, en ik begrijp niet hoe ge met zulk een gezindheid hel zwaard wilt voeren tegen de verheven voorvechters van het nieuwe Evangelie, waartoe ook gij behoort!quot;

„Ik strijd voor het koningschap,quot; riep Louis Ferdinand met stralenden blik: „ik strijd voor mijn lauweren en mijn roem! Deze muiters, die Parijs beheerschen, hebben hun Koning en Koningin Leleedigd, hen van hun vrijheid en aanzien beroofd. Ik strijd voor de vrijheid van hel Koningschap in Frankrijk, maar niet voor de vrijheid der republikeinen, die in den grond ook slechts hierin bestaat; dal ieder als een barbaar doen kan, wat hem behaagt! — Maar waarom willen wij hier philosofische redeneeringen houden, in plaats van te luisteren naar de verheven muziek der kanonnen, en te bespieden, welke uilwerking zij op de belegerden maken!quot;

„Zekerlijk niet de uitwerking, welke de Fransche prinsen geprofeteerd hebben,quot; morde de Kroonprins: „wal hebben zij ons al niet verleid van hel royalisme der Franschen, en hoe zij naar onze komst reikhalsden, en hoe dadelijk, — zoodra wij den Franschen bodem betraden, —geheele regimenten lol ons zouden overloopen. Hel zijn lichtzinnige, winderige snaken, deze Fransche prinsen, en ik moet zeggen, als mij iets in de ziel stuitend is, dan zijn het deze uitgewekenen!quot;

„Zij zijn echter aangename gezelschappen, en welen het leven te genieten,quot; riep prins Louis lachend: „ik heb nooit

ocr page 209

199

een doller, fraaier feest bijgewoond, dan dat mij de prinsen te Koblenz hebben gegeven, waarbij ik de bekoorlijkste en beminnelijkste vrouwen gezien heb.quot;

„Ik bedank voor haar bekendschap,quot; antwoordde de Kroonprins droog; „zijn mij reeds de uitgeweken onaangenaam, hunne vrouwen met het lichtzinnig geniaal wezen, zijn mij geheel onuitslaanbaar. Het zijn valsche schepsels, man én vrouw, — en hunne valscneid heeft ons nu in de ellende gebracht waarin wij zitten. Want ge zult toch niet ontkennen, dat wij in ellende zijn!''

,,Ik ontken het, ik ontken het volkomen,quot; riep prins Louis lachend: ,,'t is waar, wij hebben te strijden tegen den regen, die, — 't is God geklaagd, — van den hemel nederstroomt, sedert wij op Franschen bodem zijn; te strijden tegen den modder, die den weg grondeloos maakt, en voor de egelantie en netheid uwer geliefde soldaten zeer nadeelig mag zijn. Maar wij zijn ook te velde, en niet op de paradeplaats, en zóóveel is zeker: — voorwaarts gekomen zijn wij. Vooreerst heeft Longwy zich aan ons overgegeven.quot;

„Ja; maar de commandant der bezetting heeft zich, toen hij zag dat hij de vesting niet houden kon, het leven benomen, en de aftrekkende soldaten hebben niet geroepen; Vive le Roi! maar: Vive la liberté!'

„Intusschen behoort Longwy ons, en ook Verdun zal zich overgeven! De kanonnade is reeds heden nacht begonnen; de schrik zal de vreedzame burgers wel tot toegeven aansporen. Zij zullen den commandant dwingen de vesting over te geven, zooals zij in Longwy hebben gedaan !quot; —

Een vreeselijk kanongebulder uit de Pruisische batterijen overstemde de woorden van den prins, en op den heuvel, dien de beide jonge mannen opgereden waren, om de vesting Verdun in oogenschouw te nemen, kon men zeer duidelijk de vreeselijke uitwerking zien, welke de neervallende bommen en granaten teweegbrachten. Hier zag men huizen instorten, terwijl ginds hooge vuurkolommen uit de daken opschoten. Men kon zelfs bij de korte poo-zen van stilte, duidelijk het gelui der alarmklokken en het jammergeschrei der menschen hooren, en men zag zwarte drommen menschen in vreeselijken spoed over de wegen snellen.

ocr page 210

200

„Onze batterijen zullen spoedig kunnen zwijgen, want zij hebben nu een zeer nadrukkelijke taal gevoerd,quot; zei Louis Ferdinand, naar de stad ziende: „o, Friedrich; God geve, dat de vesting zich voor ons opene, dat wij eindelijk deze ondragelijke belegeringen doorstaan hebben, en de vijand zich in een open veldslag voor ons stelle. Want op het open veld groeien onze lauweren, niet op vestingwallen! Ik zeg u, Friedrich; ik verlang even onuitsprekelijk naar een lauwerkrans, als slechts het verliefdste meisje naar haar mirtenkrans kan verlangen! —Ha, daar begint de muziek opnieuw!quot;

De kanonnen openden weder hun vuurmonden en droegen nieuw verderf in de vesting. Nieuwe brandfakkels vlamden op, en weder zag men huizen instorten en kerktorens verdwijnen.

„Verdun kan zich niet langer houden,quot; zei de Kroonprins, luisterende naar het vreeselijk geschreeuw, en het akelig klokgelui.

„Ge hebt gelijk; het kan zich niet houden, en tvil zich ook niet houden,quot; riep Louis: „zie maar; de poort gaat open, en een ruiter met een witten doek op den degen-punt komt er uit. 't Is een parlementair ! Kom ; laat ons hem te gemoet rijden, en hern naar de tent des Konings voeren!''

En met lossen teugel renden de twee prinsen den heuvel af, den officier tegemoet, die met treurig gelaat en somberen blik, van Verdun kwam aanrijden, —

Ja, de prinsen hadden gelijk; Verdun kon, of wilde niet langer weerstand bieden! Binnnen in het raadhuis zaten de burgers bijeen, voor een laatste, beslissende raadpleging. Aller gezichten waren bleek, vele van tranen overstroomd. Anderen staarden in sprakelooze woede vóór zich, of balden in machtelooze woede de handen.

Het was een plechtige raadsvergadering. Ieder dezer burgers was zich van de beteekenis van dit oogenblik bewust, en luisterde nu met ingehouden adem naar de woorden van den eersten burgemeester, die in 't midden der vergadering stond tegenover den commandant Beaurepaire die de burgerij ten raadhuize bad laten oproepen, om van hen het laatste besluit te hooren.

„Ge meent niet, mijnheer de commandant, dat onze vesting in staat is de belegering uit te houden?quot;

ocr page 211

201

„Ik meen, dat wij ons liever onder de muren der stad moeten laten begraven, dan den gehaten vijand de poorten te openen!quot; riep de commandant Beaurepaire, en zijn edel aangezicht straalde van blijmoedige toewijding tot in den dood: „Ik meen, dat elk burger in deze ure soldaat moet zijn, en met zijn bloed en leven instaan voor onze vesting !quot;

„Dit is een meening, maar geen antwoord op mijn vraag,quot; zei de maire met waardigheid: „ik wensch .van den heer commandant te vernemen, of Verdun in staat is, met goed gevolg het bombardement van den vijand te doorstaan?''

„En ik heb hierop slechts te antwoorden, dat het ons allen eervoller moet schijnen, onder de rookende puinhoo-pen van Verdun te sterven, dat te leven in schande! Ik heb er op te antwoorden dat ik zulk een schande niet zou kunnen overleven! Ik bezweer de burgers van Verdun moedig te zijn in geduld en volharding, en in weerstand vol te houden, in de hoop, dat ons ontzet en hulp van de onzen komt. Dumouriez is stellig in aantocht, en ge weet immers: onze spionnen hebben ons bericht, dat Lafayette met zijn troepen aanrukt tegen den gehaten vijand ! Laat ons dus wachten, — nog slechts vier-en-twin-tig uren wachten op het aankomen der onzen.quot;

„Vier-en-twintig uren! Dit heet, onze stad geheel in de asch te leggen, onze vrouwen en kinderen aan den vuur-of hongerdood prijs te geven, en dan eindelijk ons aan de woede van den vijand op genade of ongenade te moeten overgeven! Neen; wij /«mne» niet nog vier-en-twintig uren wachten!quot;

„Neen, wij kunnen niet nog vier-en-twintig uren wachten!quot;' herhaalden de burgers de woorden des burgermeesters: „Wij kunnen geen uur, geen minuut meer wachten! Wij willen, wi] verlangen de overgave!quot;

„Dat heet, gij verlangt mijne, — gij verlangt uw eigen onteering!'' riep de commandant met vlammende oogen, met het doodzweet op het marmerwitte voorhoofd: „O, vaderen der stad, ik bezweer u, bedenkt de gevolgen van uw lafhartigen wensch! Wij zullen onteerd zijn voor geheel Frankrijk, en de conventie, die te Parijs zetelt, zal over ons den vloek der verachting uitspreken en ons voor

ocr page 212

202

geheel Frankrijk brandmerken als de verraders des Vaderlands! Beter het leven te verliezen, dan zijn eer te krenken !quot;

„Neen, neen,quot; riepen de burgers: „hef leven is het kostbaarste goed, en onze eerste plicht is, onze vrouwen en kinderen te beschermen. Wij willen geen uitstel! Wij willen overgave der vesting!quot;

„Mijnheer de commandant,quot; riep de burgemeester, het woeste geraas stilte gebiedende: „mijnheer de commandant, ik vraag u op uw eed en geweten: is Verdun zonder ontzet in staat het bombardement van den vijand op den duur uit houden?''

„Zonder ontzet? Neen!quot; antwoordde de commandant met treurige stem.

Er ontstond een ademlooze, plechtige stilte; vervolgens stond de burgemeester op, nam de zwart fluweelen baret van zijn zilverwit haar, en sprak luid en plechtig; „Mijnheer de commandant, in naam der burgerij van Verdun gebied ik u, krachtens mijn ambt, den weerstand op te geven; een parlementair naar het vijandelijke leger te zenden en te berichten, dat Verdun zich overgeeft, — dat het voor den vijand de poorten opent.quot;

„Het zij zoo, heer burgemeester!quot; riep Beaurepaire met een stem, die als de donder door de ruime zaal klonk ; „Moge Verdun zich aan de schande overgeven! Ik geet mi] over aan Gods genade!quot;

Toen een snelle flikkering, een knal, en door zijn eigen pistoolschot doodelijk getroffen, zonk de commandant op den grond neder. —

Buiten klonken en dreunden de klokken, sloegen de bommen met vreeselijk gerucht in de muren, en dan hoorde men het klaaggeschrei en angstgehuil der vrouwen, die beneden voor het raadhuis verzameld waren, en tot de vensters der vergaderzaal krijschten en jammerden om de overgave der vesting, om het einde van den nood.

De burgemeester en de burgers stonden op. Zij hadden den beldhaftigen commandant een laatste hulde gebracht, door op hunne knieën voor hem te bidden; maar nu gold het, voor de levenden te zorgen on het onheil een perk te stellen. Veel was er te doen, en de grootste spoed was noodzakelijk. De burgemeester verwijderde zich, om een

ocr page 213

203

pai'lemenlair naar den vijand af le zenden, en de burgers haastten zich, om de blijde tijding van de overgave dei-vesting, door de geheele stad te verspreiden.

De groote raadzaal, waar het straks zoo onstuimig was toegegaan, was spoedig ledig, en in 't midden er van lag alleen nog de held, die voor zijn eer gevallen was; — lag daar met wijdgeopende oogen, die zonder glans staal den naar de zoldering der zaal, aan wier ouderwetsch plafond de leliën van Frankrijk en de witte vlag der Bourbons niet door de driekleur der Republiek verdrongen waren.

Op den morgen van den volgenden dag opende Verdun zijn poorten voor de binnenruivkende veroveraars, en tegelijk voor de uittrekkende bezetting. Met sombere gezichten, met geschouderd geweer, — want vrije aftocht was hun bij de capitulatie toegezegd, — met geweer en wapens verlieten de belegerden de vesting en trokken voorbij de vijanden, die in lange rijen ter zijde van den weg stonden. Somber waren de gezichten der overwonnenen, tartend hun blik, en voorbijgaande riepen zij met dreigende stem: „Tot wederzien in de vlakten van Chalons!quot;

Maar nu, toen de bezetting afgemarcheerd was, hieven de aanrukkende geallieerden hun triomfmuziek aan, en trokken binnen door de open poortén; en gejuich en vroo-lijke begroeting klonk hen legen.

„Heil den bevrijders, den redders! Heil den Pruisen, den verlossers!''

De vrouwen van Verdun zijn het, die zoo de vijanden begroeten, de overwinnaars, die haar van den krijgsnood bevrijden. De burgers laten haar begaan, en hoezeer hun 'thart ook bloeden mag hij den aanblik van den triomfeerenden vijand, de mond zwijgt en verraadt niets.

Daar komt de Koning van Pruisen aan de zijde van den hertog van Bronswijk, dicht achter hem komen zijn beide zonen, de Kroonprins en prins Ludwig, nevens dezen prins Louis Ferdinand. Fen geheele zwerm van generaals sluit zich bij hen aan; onder dezen was de hertog van Weimar, de Pruisische generaal. Zeer dicht bij dezen ziet men een hooge gestalte te paard, een gestalte in een eenvoudige burgerkleeding, die een zonderling contrast vormt bij de met goud geborduurde uniformen. In den

ocr page 214

'204

schitterenden sloet valt deze eenvoudige gestalte in'toog, en de vraag gaat van mond tot mond: „Wie kan deze vreemde in burgerkleeding zijn? Hoe komt hij in dezen schitterenden kring?quot;

De hertog van Weimar wendt zich glimlachend tot hem: „Merkt ge nu, Wolf, dat wij in een vreemd land zijn? In Duitschland kent u elkeen, maar hier geldt ge niets, en niemand vermoedt dat de lauweren, welke wij najagen, reeds lang het Jupiter's hoofd omkransen.quot;

„Ach hertog, ik weet niets meer van lauweren en van dichter-hoogheid: alles is vergeten, alles verdord; ik ben slechts een arme landsknecht, die ziet, en begrijpt uit hoeveel heerlijkheid en jammer, uit hoeveel grootheid en ellende de wereld is samengesteld!quot;

Hoort, hoe de fanfaren schetteren, de trompetten schallen! De Koning komt op het marktplein aangereden, en daar wordt hij ontvangen door veertien der schoonste, liefste meisjes. De dochters der eerste familiën van Verdun komen in witte kleeding, in feestelijken tooi den Koning van Pruisen tegemoet, om hem te danken voor de bevrijding der stad, om met kransen en bloemen, met liefelijke woorden en zoete lachjes, den overwinnaar te huldigen.

De schoonste barer, een achttienjaiig meisje, nadert den Koning, reikt hem op een met bloemen versierde schaal en in een sierlijk kistje, de beroemde dragees van Verdun, verzoekt hem met vriendelijke woorden er van te proeven, en de gelukkige stad Verdun hierdoor een bewijs zijner genade en genegenheid te geven.

„O Koning, wij waren verloren in jammer en ellende, ge hebt ons gered ; gij hebt ons het leven, de vrijheid wedergegeven; gij hebt onze geliefde stad van het verderf gered. Ik dank u. Koning, want —quot;

Waarom zwijgt zij plotseling? Waarom verbleeken de purperen wangen, en waarom sterft de glimlach op hare wangen? Geheel toevallig heeft zijden somber dreigenden blik van een man ontmoet, die tegenover haar in de rij der burgers staat, die den Koning voor de deur van het raadhuis kwamen begroeten. Zij kent dezen man ; zij weet dat hij tot de ijverige republikeinen behoort, en zij leest in zijn oogen een aanklacht en een bedreiging. Haar hart

ocr page 215

205

beeft van een zonderling, schrikbarend voorgevoel, en — maar liet is dwaas zich aan zulke kinderachtige gedachten te storen ! De glimlach keert op hare lippen terug, en haar lieve wanden blozen weder.

„O Koning, grootmoedig overwinnaar, ontvang de arme gitten onzer dankbaarheid, en maak ons gelukkig door van deze vruchten te eten !quot;

De Koning nam met een genadigen glimlach, de hem aangeboden geurige giften uit de handen van hel schoone meisje. Maar de hertog van Brunswijk boog zich tot hem : „Majesteit,quot; zeide hij zacht: „ik bezweer u, eet niet van deze dragees, wij zijn in een vijandelijke stad.quot;

En achter hem üuisterde ook de stem van zijn zoon, prins Ludwig; „Majesteit, vergeving, maar men vreest de Danaërs, ook als zij geschenken brengen. Zoo deze vruchtten eens vergiftigd waren ?quot;

De Koning schuddde langzaam zijn hoofd, en zijn vriendelijk oog rustte op het bekoorlijk aangezicht van het jonge meisje, dat met argeloozen, biddenden blik voor hem stond. Zijn van nature grootmoedig en edel hart zag dat hier geen verraad te vreezen was.

„Mijn schoon kind,quot; zei Friedrich Wilhelm vriendelijk: „ik neem gaarne dit geschenk aan, dat mij gebracht wordt door zulke fraaie handen, en als een tweede Adam proef ik van de vruchten, welk een zoo allerbekoorlijkste Eva mij aanbiedtquot; Hij nam een der sierlijke appels van kandy-suiker, en at hem met zichtbaar behagen.

„Allerheerlijkst, bekoorlijke Eva! Ik geloof niet dat er een Adam is, die zulke vruchten weerstaan kan ! Komt mijn prinsen, ge zult er óók van proeven, en, tegenover deze schoone Eva twijfelt ge niet, hoop ik, dat wij hier in het Paradijs zijn !quot;

Hij reikte den Kroonprins de vruchten, en wendde zich toen glimlachend weder tot de schoone, die in naam der stad Verdun den Koning noodigde op liet balfeest, waarmede de stad des avonds van den volgenden da^, voorne-

ö oquot;

mens was de overwinnaars te huldigen.

I

J

ocr page 216

200

IX

EEN BALFEEST IN HET VIJANDELIJK LAND.

Friedrich Wilhelm had de uitnoodiglng bereidwillig aangenomen, en op den volgenden avond waren de vensters van het Raadhuis geïllumineerd en schitterende bloemkronen hingen neder van de zoldering der zaal, waarheen gisteren de glanslooze oogen van den dooden commandant staarden ; in satijn geschoeide voetjes huppelden in vroolijken dans over het parket der zaal, waarop gisteren het lijk van den man lag, die de schande der stad Verdun niet had willen overleveren.

Heden, in dezen balnacht, zag men in deze zaal slechts blijde gezichten, slechts stralende oogen ; hoorde men slechts lachen en vroolijke scherts. De Koning van Pruisen was het middenpunt van al de opmerkzaamheid, van al de huldigingen dezer veertien schoone dames, die'hem gisteren morgen bij zijn intocht begroet hadden, en ook thans de patronessen van het fraaie balfeest waren. Met de schoone woordvoerster, de blondlokkige Ingenue Morand, danste juist de Kroonprins de francaise ; hem ter zijde prins Louis Ferdinand met een der dames, die met de overwinnaars Verdun waren binnengetrokken. Want de uitgewekenen, — in hun volkomen zekerheid op de overwinning, — waren niet alleen ten oorlog tegen Frankrijk getrokken, maar hadden ook hunne vrouwen, minnaressen en vriendinnen medegenomen. Al deze schoone, lichtvaardige vrouwen, die de uitgewekenen in ballingschap gevolgd waren, keerden nu met hen naar Frankrijk terug, en op het leger der bondgenooten volgde steeds een onafzienbare trein van allerlei soort wagens, van de schitterendste koetsen af, tot de eenvoudigste open wagentjes, waarin de echtgenooten en minnaressen, tot zelfs de kameniers geplaatst waren !

Maar niet alleen de Fransche dames bevonden zich in dezen avontuurlijken wagentrein; ook vele Duitsche dames, die te Koblenz, Mainz en Trier met de schoone Frangaises vriendschap gesloten hadden, waren door deze of hare mannen licht overreed geworden, de ,,pleizierpar-tijquot; naar Frankrijk mede te maken, en deel te nemen aan

ocr page 217

207

de vroolijke „wandeling naar Parijs,quot; welke de geallieerden beraamd hadden, en waaraan hare mannen als soldaten, de vrouwen als vrijwilligers deel namen !

Met zulk een dame uit het schoone gevolg der armée, danste prins Louis Ferdinand, namelijk met de Duitsche barones von Ehrenfels, en hij was verrukt, hier in deze vreemde omgeving een dame te ontmoeten, met welke hij te Koblenz op het feest van den prins van Artois reeds bekend was geworden, en welke hem toen door den Fran-schen prins als de geniaalste, schoonste en beminnelijkste der Duitsche vrouwen was voorgesteld. Hij had sinds dikwerf aan deze trotsche verleidelijke schoonheid gedacht en :t verheugde hem, haar hier weder te ontmoeten. Hij zeide dit de barones, terwijl zij bijeen stonden en hunne handen zich bij het dansen ineen sloten; en de woorden van begroeting, van genoegelijke herkenning, vloeiden vurig en welsprekend van de warme lippen des prinsen.

„Gij wist dus inderdaad niet dat ik aan dezen pleizier-tocht deel nam?quot; vroeg zij glimlachend, en baar groote, donkerblauwe oogen hieven zich met een stralenden blik tot den prins op.

„Ik vermoedde het niet, schoonste barones; en hoe kon, hoe durfde ik ook denken, dat een in den overvloed des rijkdoms en der behagelijkheid levende dame, gelijk gij, zicli aan de moeilijkheden en ontberingen van een veldtocht zou blootstellen.quot;

„Ge hebt immers toch mijn echtgenoot te Koblenz gezien? — Neen? Nu, dan weet ge misschien ook niet, dat mijn echtgenoot aan de bede van zijn vriend, den prins van Condé, toegegeven beeft, om aan de avonturen van dezen veldtocht deel te nemen, en zich als vrijwilliger bij den generalen staf bevindt?quot;

„En gij, barones,quot; (luisterde Louis: „hebt óók aan de bede van den prins toegegeven, om de reis mede te maken?quot;

„Ik?quot; zeide zij, en er vloog als een wolk over haar voorhoofd: „ik ben altoos waar mijn echtgenoot is.'t Is immers de plicht der vrouwen, haar echtgenoot te gehoorzamen en te volgen, en mijn man houdt zeer streng aan dezen plicht.quot;

„Hij is zeer benijdenswaardig, dat hij dit mag, barones; en ik beken u, dat ik in zijne plaats even zoo zou doen

ocr page 218

208

Hij is natuurlijk jaloersch eu vindt dat men van zijn schat slechts zeker is, als men dien zelf bewaakt.quot;

„Ja,quot; zeide zij met een eigenaardigen glimlaclj, die niet opgeruimd of vroolijk, — maar koel, schier dreigend klonk ; „ja, hij is jaloersch, en de prins van Gondé plaagt er hem dikwijls meê; maar hij meent het zeer ernstig. Ziet ge hem, mijnheer mijn echtgenoot? Ginds staat hij, en ziet met zeer ernstigen en dreigenden blik naar ons. De blauwbaard! Alsof 't mogelijk ware een vrouw te bewaken, als zij niet bewaakt wil zijn; en alsof er een andere bewaker barer deugd kon zijn, dan zij zelve. De arme man! Hij vreest voor mij het kampementsleven en de wilde losbandigheid van dezen avontuurlijken tocht.quot;

„En gij?'' vroeg prins Louis, zijn blik diep borende in deze oogen vol oupeilbaren gloed en diepte: „Vreest (jij niet?quot;

„Neen,quot; zeide zij, en een fiere waardigheid troonde een oogenblik op haar doorschijnend wit voorhoofd ; „neen ; ik vrees niet, want ik ben bij mij!quot; —

Trotsche woorden uit zulk een fraaien, rooden mond, trotsche woorden van de lippen eener vrouw, die de vriendin der hertogin de Liancourt was, en welke de graaf van Artois zijn hulde waardig keurde. —

Prins Louis gevoelde zich als verblind door hare schoonheid, als verbijsterd door haar tevens stout en toch waardig gedrag, en hij zeide het haar met gloeiende woorden, welke zij glimlachend aanhoorde, zonder dat hare wangen hooger kleurden, ot haar groote oogen zich verlegen ne-dersloegen. En evenwel sprak hij tot haar met dat wegslepende vuur, met die waarheid van het gloeiend gevoel, dat anders gewoonlijk de vrouwen verbijstert. Zoet vergif, dat dikwijls genoeg de harten der vrouwen en de eer hunner mannen gedood heeft!

Maar dit vrouwenhart scheen geharnast tegen zulk vergif, en zij beantwoordde met even groote kalmte de hartstochtelijke blikken van den; prins, als de dreigende oogen van haren echtgenoot, die na den tweeden dans tot hen trad en zich aan den prins liet voorstellen, om deel te nemen aan het onderhoud, dat nu, na het einde van den dans, in een der diepe vensternissen der groote zaal voortgezet werd.

ocr page 219

209

Dicht bij hen, in een andere vensternis, stond óók een jong paar in een levendig gesprek bijeen. Het was de Kroonprins Friedrich Wilhelm en het schoonejneisje, dat heden morgen den Koning, in naam der vrouwen van Verdun, begroet had.

„Ik moet u iets zeggen, mademoiselle,quot; fluisterde de Kroonprins op zijn bedeesde, lakonische wijze, die tóch iets heel goedhartigs en innemends had: „Ik moet u iets zeggen, dat u recht dwaas schijnen mag, en evenwel is het de uitdrukking van de vreugde en het genoegen, die ik reeds dadelijk bij uwen eersten aanblik gevoeld heb. Ge zijt niet als andere Francaises ; gij zijt als een Duitsche maagd, en toen ge gisteren morgen bij uw aanspraak zoo liefelijk bloosdet en aanvankelijk stameldet, en een hulpzoekenden blik op de dame wierpt, die aan uw zijde stond, — toen had ik terstond van mijn paard willen springen en voor u ne-derknielen, zoo bekoorlijk, zoo verrukkend scheent ge mij in uwe liefelijke verwarring''

„Het was mijne moeder, die nevens mij stond,quot; zeide zij met een zoeten glimlach: „ik had haar verzocht, — zoo mij in mijn angst en verlegenheid de woorden ontbreken mochten, mij zacht een weinig te helpen. O, ik ben nooit in mijn leven zoo beangst geweest, als toen ik zoo openlijk voor alle menschen, en wel voor een Koning spreken moest! Ik wilde het ook zeker niet doen, maar de andere dames stonden er op dat ik, als de jongste, volstrekt de spreekster moest zijn.quot;

„Niet alleen als de jongste, maar ook als de schoonste,quot; verbeterde de Kroonprins.

„Hiervan hebben de dames niets gezegd,quot; glimlachte zij, „en ik maak ook volstrekt geen aanspraak op zulk een voorrecht. Maar ik was de jongste harer, en daarom had ik geen recht, mij tegen aller wil te verzetten, te meer wijl mijn moeder tot haar behoorde.quot;

„Ge deedt het dus eigenlijk niet gaarne ? Gij hadt liever niet gesproken?quot;

„Ik had liever niet gesproken,quot; fluisterde zij: „want ik vreesde, mij door mijn verlegenheid belachelijk temaken, en ik wil u de geheele waarheid zeggen, mijnheer de prins, — ik deed het óók niet gaarne, wijl — vergeef mij, zoo ik nu iets zeer doms en ongepasts zeg, — ik Kühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. V. 14

ocr page 220

210

sprak niet gaarne, wijl het mij leed deed, dat ik degenen met zooveel vreugd en verrukking begroeten moest, die toch eigenlijk de vijanden van mijn vaderland zijn, en die niet als onze gasten, — maar als onze overwinnaars kwamen! O mijn God,quot; fluisterde zij toen sterk blozende, en met smeekenden blik tot den Kroonprins opziende: „ik vrees dat ik nu iets zeer ontamelijks heb gezegd, en ge verstoord op mij zult zijn!quot;

„Neen, mademoiselle ; ge hebt daar iets zeer schoons en zeer edels gezegd, en ik acht en vereer er u te meer om. Gij hebt uw vaderland lief, en hebt een fijn eergevoel, wat niet alle mannen van zich zeggen kunnen. Maar ik verblijd mij tóch, dat ge een gehoorzame dochter zijt geweest, en voor ons arme overwinnaars verschenen zijt; want anders zou ik misschien niet het geluk hebben gehad, u te leeren kennen. Dit is echter voor mij een groot geluk, geloof mij, mademoiselle; geloof dit van een mensch, die niet gewoon is vleierijen te zeggen, en die zich tot nu toe tamelijk verwijderd gehouden heeft van de vrouwen. Ik geloof, mademoiselle, dat gij de eerste jong dame zijt, welke ik vleierijen zeg; als ge de uitdrukking van mijn waar gevoel zoo noemen wilt!quot;

Zij glimlachte, en terwijl zij beschaamd blozende het hoofd boog, fluisterde zij : „'t Is zonderling, zeer zonderling!quot;

„Wat is zonderling? Zeg mij; wat is zonderling?'

„Nu, mijnheer de prins, ik bedoel, wat ge zegt; want ge zijt de eerste jongeheer, met wien ik spreek, en die mij vleierijen zegt. Ik ben reeds sedert vier dagen uit het klooster der lieve vrouwen teruggekeerd, bij welke ik opgevoed ben, en in deze dagen heeft niemand aan iets anders gedacht, dan aan het lot onzer ongelukkige stad. Maar ik verzeker u ook, heer prins: mevrouw de priores zou in heiligen troon ontsteken, zoo zij mij hier zag. Zij was een zeer strenge dame en heeft ons altijd gezegd, dat wij nooit naar de vleitaal van jonge mannen moesten luisteren, want de booze sprak uit hen, en trachtte ons in verzoeking te brengen.quot;

„Ik bid u, vrees niet voor mij,quot; bad de Kroonprins op innigen toon; „en zoo ge mij in uw vaderlandsliefde toch volstrekt als een vijand beschouwen wilt; zeg dan even-

ocr page 221

wel niet, dat ik met den booze iets te doen heb! Neen, mademoiselle ; ge moogl mij vertrouwen als een eerlijk mensch, die u met de reinste ziel zijn bewondering betuigt.quot;

„O, ik vrees ook volstrekt niet, mijnheer de prins,quot; lispte zij glimlachend: „en ik heb reeds geheel vergeten, dat ge tot onze vijanden behoort. Ge ziet er zoo trouw en eerlijk uit; volstrekt niet trotsch en hoogmoedig, zooals ik mij de prinsen altoos heb voorgesteld, maar zeer braaf en vriendelijk als een goed mensch.quot;

„En een goed mensch te zijn, is ook voor een prins de hoogste eeretitel, mademoiselle. Ik beloof u in dit uur,— dat ik zekerlijk nooit vergeten zal,— dat ik er steeds naar zal streven, een goed mensch te blijven, en dezen eeretitel altoos te verdienen, dien mij uw reine en lieve lippen schenken. Geef mij uw hand, mademoiselle, en vergun mij, dat ik u tot uwe moeder terugvoer; wantik zie daar den Koning,mijn heer vader, die mij wenkt, en ik moet gehoorzamen.''

Hij geleidde het jonge meisje door dit woelige, pratende, en lachende gezelschap naar de hooge statige vrouw, die juist met den graaf van Artois sprak en lachte, en ijlde toen naar den Koning, die in de vroolijkste stemming de huldigingen aannam, welke men den koninklijken overwinnaar bracht.

Het feest ging voort en ruischte met steeds hoogere jubeltonen, toen in de lange zalen de bulfetten waren opgericht, en de champagne den laatsten band der etikette verscheurd, — en de tong van den laatsten boei bevrijd had. De vrouwen waren zoo aanvallig, schoon en beminnelijk; de heeren genoten na de velerlei vermoeienissen en ontberingen der laatste dagen de vreugde van dezen dag met dubbel welbehagen, en genoten met verrukte harten het schoone en verkwikkelijke dat dit gelukkig uur hen aanbood. Men glimlachte nu niet meer, men lachte; men zeide aan de schoone vrouwen geen vleierijen meer, men zwoer ze, dat men haar beminde, en vurige blikken antwoordden op deze eeden, en de glimlach, waarmede men naar hunne betuigingen luisterde, was geen afwijzende en verachtende meer.

De schoone vrouwen van Verdun hadden in de laatste

ocr page 222

212

dagen zeer veel angst en smart uitgestaan; zij hadden beur mannen slechts met sombere gezichten gezien, geheel zonder deelneming en bewondering voor haar lijden en schoonheid; 'twas dus wel natuurlijk, dat de schitterende oogen der overwinnaars en de welsprekende vleierijen hunner bewondering een weldadigen indruk op haar beangstigde harten maakten.

Zij verheugden zich mét de overwinnaars over het vroo-lijke tegenwoordige; hierop alleen waren de stralende oogen gericht, en zij zagen niet in de toekomst; zagen zelfs niet het dreigend gelaat van den man, die onder de toeschouwers ginds boven op de galerij zat, en met toornig gezicht naar beneden schouwde in het schitterend gewoel der zaal.

Het was dezelfde burger van Verdun, die gisteren morgen reeds, bij haar rede tot den Koning, de arme Ingenue verschrikt en beangstigd, — en een oogenblik haar hart met een heilloos voorgevoel vervuld had. Zij zag hem niet, want zij stond juist nevens den graaf van Artois, die ijverig en met hartstochtelijke woorden tot haar sprak; zij zag niet den dreigenden blik van den boozen vijand, die juist met den vinger naar beneden op haar wees en tot den naast hem zittende een vraag scheen te richten. Hierop haalde hij uit zijn borstzak een oud versleten zakboekje, nam er een potlood uit en schreef op een vuil blaadje papier met langzame, zware hand den naam Ingenue Morand, en vervolgens na elkander de namen der andere dertien dames, die mét Ingenue Morand den Koning en de binnenrukkende vijanden begroet hadden.

Toen schoof hij het papier met het boekje weder in zijn zak, en wendde zich met een grijnzenden lach tot den naast hem zittende.

„Burger, weet ge wat ik zooeven gedaan heb?quot;

„Hoe kan ik dat weten, burger Clement? Ik heb geen acht op u geslagen, maar naar de schoone dames beneden gekeken! Wat hebt ge dan voor merkwaardigs gedaan?quot;

„Ik heb veertien doodvonnissen geschreven,quot; zeide hij met gesmoorde, toornige stem.

„O, dat is een aardige scherts! Veertien doodvonnissen op zulk een fraai balfeest! Nu, gelukkig zullen uwe dood-

ocr page 223

213

vonnissen niet uitgevoerd worden, want toevallig zijt gij geen Koning van Frankrijk, en hebt dus geen macht uwe doodvonnissen te laten voltrekken.

„Kortzichtig mensch!quot; zei burger Clement, schouderophalend : „Uwe oogen zien slechts wat is niet wat zijn zal \ Ik zeg u echter: er zal spoedig geen Koning van Frankrijk meer zijn, en ik zal de veertien doodvonnissen laten voltrekken, die ik zooeven geschreven heb!quot;

Hij stond op, wierp nog een laatsten grimmigen blik naar beneden in de zaal, en verwijderde zich met somber gelaat en een vloek op de wrokkende lippen. —

Ingenue Morand vermoedde niets van dit doodvonnis, 't welk de grimmige burger Clement zoo even voor haar geschreven had; zij was vroolijk en gelukkig, haar gelaat straalde hooger op, als zij de blikken van den Kroonprins ontmoette, en zij luisterde met kloppend hart naar zijn vriendelijke en hartelijke woorden.

De morgen begon reeds te schemeren toen de Koning zich verwijderde, en hiermede het gezelschap het teeken van vertrek gaf. De Kroonprins ijlde naar mademoiselle Ingenue, om met een handkus van haar afscheid te nemen, en aan hare moeder vergunning te verzoeken, haar in haar huis te mogen bezoeken. Dit werd hem bereidwillig toegestaan, en opdat hij het huis en de straat niet zou missen, mocht hij de beide dames geleiden. Mademoiselle Ingenue nam bevend en blozend zijn arm, en ging met den Kroonprins vooruit; terwijl de moeder met den knecht volgde.

Niemand hoorde de woorden, welke het jonge paar te zamen sprak, toen het met lichlgevleugelde schreden in het morgenrood, dal aan den hemel schemerde, voortging ; en die het gehoord had, zou verbaasd zijn geweest over de onschuld en reinheid des harten van deze twee, welke het toeval bijeen had gebracht, en die in dit vluchtig oogenblik toch een duurzame en onvergetelijke minuut der eeuwigheid doorleefden!

De prins sprak niet tot haar met hartstochtelijke en gloeiende woorden; hij deed geen betuigingen, geen liefdesverklaringen, maar sprak tot het jonge meisje zooals men tot een zuster, tot. een vriendin spreekt; hij vertelde haar van zijn moeder, van zijn zusters, van zijn schoon

ocr page 224

214

vaderland, en beklaagde het, dat mademoiselle niet zijn landgenoote was.

„O mijnlieer de prins,quot; zeide zij glimlachend: „waarom beklaagt ge dit? Ik bemin innig mijn vaderland en ben er trotsch op, een dochter der eroote Fransche nalie te zijn.quot;

„Ik wilde evenwel, dat ge een Duitsche waart,quot; zeide hij peinzend: „een Duitsche prinses, want—quot;

Hij zweeg en zuchtte, drukte haar arm vaster aan zijn borst, en zwijgend gingen zij verder. Toen zij voor haar woning aangekomen waren, zeide hij haar een vluchtig bonne nuit, maar zij verzocht hem, haar deze woorden in zijn taal te zeggen, want zii wilde die leeren, en toen hij nu „Guie Nachtquot; zeide, herhaalde zij die twee woorden zoo lang, tot hij met haar uitspraak tevreden was. Daarop reikten zij elkander de hand, en wisselden lachend den Duitschen groet: Gute Nacht\

„Gute Nacht 1quot; fluisterde Ingenue, toen zij mijmerend en peinzend de breede treden van haar huis opging; „goeden nacht,quot; herhaalde zij met een zoeten glimlach, toen zij nederzonk op haar maagdelijk bed, en nog in den slaap fluisterden haar glimlachende lippen: „Goeden nacht!''

Ook Louis Ferdinand had, toen hij van zijne danseres, de barones Ehrenfels, afscheid nam, — de vergunning verzocht, haar te mogen bezoeken. Maar zij had glimlachend haar hoofd geschud.

„Neen, prins, laten wij 't aan het toeval over, of het ons in deze bewogen dagen weer samenvoert, óf stellen wij het tot rustiger tijden uit. Ik heb thans geen plaats, om zulk een hoog bezoek te ontvangen. Immers, Uwe Koninklijke Hoogheid zal mij toestemmen, dat een reiskoets geen geschikt salon ij, om mij de eer van uw bezoek te gunnen, en wij mogen tot Parijs wel op geen ander salon hopen. Dus, zoo ge wilt, laat ons zeggen: tot wederziens te Parijs! Hoewel ik u bekennen moet, mijn prins, dat het mij schijnt, alsof de hoogere machten met de onderaardsche samengespannen hebben, ons niet naar Parijs te laten komen. Ik vrees, prins, de wandeling zal een weinig belemmerd worden door den regen die uit den hemel stroomt, en de aarde tot modder oplost. Een zeer prozaïsche gedachte, nietwaar ? Maar het proza is helaas, in het leven veel machtiger dan

ocr page 225

215

de poëzie, en het zal ook dezen keer de bovenhand behouden. Vaarwel, mijn prins, en het beste is, dat wij zeggen; „tot wederziens in Duitschland!quot;

„Zeg mij dan ten minste, waar ik u in Duitschland te zoeken heb, en waar ge woont; want ge hebt mij gezegd, dat ge niet te Koblenz woont.quot;.

„Ik woon waarheen het toeval mij drijft, — of de wil van mijn heer mijn echtgenoot, die daar juist met den graaf van Artois de treden van het raadhuis afstijgt. Haastig, Jean, haastig! Laat de paarden jagen, want ik wil niet in dit gezelschap rijden!quot;

Zij sprong in het rijtuig, dat de lakei ijlings dicht sloeg, en vervolgens op den bok steeg bij den koetsier, die de paarden zweepte, zoodat zij in een harden galop voortjoegen.

De schoone barones had zich in den hoek van het rijtuig gevlijd, en het gerucht der over de straatkeien rollende wielen, overstemde de woorden, die als een gebed of als een angstkreet van hare lippen klonken-

„Hoe schoon is hij, hoe ridderlijk en beminnelijk! Moedig als Achilles en schoon als Alcibiades! O, almachtig God, geef dat ik hem niet beminne! Wees sterk, mijn hart, en blijf in uwe verstijving, 't Ware een ongeluk, een vreeselijk ongeluk, zoo mijn hart ontwaakte; want het zou voor zijn liefde strijden als een leeuwin, en hem vermoorden die haar weerstaan wilde! O, geef, almachtig God, dat ik hem niet weder ontmoet; want ik gevoel, dat ik hem beminnen zou!''

V.

TERUG.

Na nog eenige dagen in welverdiende (?) rust te hebben doorgebracht, rukte het „overwinnend leger'' der ge-alliërden voorwaarts uit Verdun, om door Champagne naar Parijs te marcheeren. Maar het ging slechts langzaam voort, want de onafgebroken nederstroomende regen had

ocr page 226

'210

de wegen grondeloos gemaakt, en niet alleen de paarden en zware kanonnen zonken diep in den modder van den kleigrond, maar ook de soldaten in hunne zware monteering konden zich slechts met moeite voorwaarts bewegen, en bleven dikwijls in den modder en 't slijk van den weg steken. Spoedig genoeg vertoonde het geheele leger het beeld van treurige verwoesting, van hulpelooze uilputting. Er stelde zich wel is waar aanvankelijk geen vijand tegen, maar Frankrijks bodem scheen op zich zelve een onbedwingbare vijand, en verdedigde eiken voet gronds en hield de soldaten terug met onverwinnelijke macht. Met doornatte kleederen, met versleten schoenen, — of, zoo die in den modder waren blijven steken, barrevoets, — bewogen zich de soldaten moeilijk voorwaarts op de wijde vlakte die voor hen lag; spoedig ontbrak het aan middelen om de armée te onderhouden; de fouragewagens zoowel als de kanonnen en de munitiewagen, bleven in het slijk steken. Het leger begon gebrek te lijden, en bij de bezwaren van den marsch, voegden zich nu nog de folteringen van den honger en de ontberingen van allerlei aard.

„Maar dit is de oorlog, de schoone, hartverkwikkende, gezonde oorlog! Wij hebben hem gewild, wij hebben hem afgebeden, en wij mogen ons nu niet beklagen dat hij er is, met zijn geheel gevolg van duiveltjes en kwelgeesten! Ha! hoe bulderen en jubelen de kanonnen als wilden zij ons verkondigen, dat nu de vijand er is, de vijand, dien wij wenschen!

Op! Te paard, mijneheeren, te paard! Laat ons zien wat er te doen is!quot;

Met een enkelen koenen sprong was prins Louis Ferdinand te paard en rende, gevolgd door eenige officieren, de hoogte op, van welke men in de vlakte kon nederzien, aan wier uiterste einden zich de torens van Grandpré aan den horizon atteekenden. Van daar donderden de kanonnen, en zag men den kruitdamp in ontzaglijke wolken ten hemel stijgen.

Prins Louis Perdinand had slechts oog en oor voor deze wolken en voor dit kanongebulder, en lette volstrekt niet op de andere groep, die zich dicht bij hem, aan gene zijde van den heuvel bevond: een Pruisische troop huzaren,

ocr page 227

217

met een jong officier aan den spits ; en voor dezen stonden verscheidene oudere officieren en een heer van hooge gestalte in burgerkleeding, die zich met fiere vriendelijkheid met den jongen officier onderhield, en door deze met eerbiedige hoffelijkheid werd aangehoord.

Plotseling wendde de prins zich om, en rende meteen vreugdekreet naar de andere groep.

„Wees gegroet, Goethe! Dit is een fraaie morgengroet, dat ik u hier ontmoet, en wijl in het veld alle onderscheid van rang ophoudt, kan de groote, beroemde dichler zich wol verwaardigen, den kleinen onberoemden prins een ge-nadigen handdruk te verleenen.quot;

Hij reikte zijne hand aan Goethe, die heden zijn kales verlaten had, en to paard was gestegen, om op de gronde-looze wegen iets beter voorwaarts te komen.

De dichter boog zijn hoofd diep tot op den hals van zijn paard, en terwijl hij de hand van den prins nam, drukte hij in eerbiedige woorden zijn onderdanigen dank uit, voor de hooge genade van Zijne Koninklijke Hoogheid.

Prins Louis Ferdinand zag hem verwonderd aan, en schudde met spijtigen blik zijne bruine lokken. — ,,Ik zie wel, Goethe, ge denkt zeer gering van mij; ge meent, dat ik den dommen hoogmoed mijner kaste heb en mij verbeeld, zelfs onzen beroemdsten dichter nog een eer te bewijzen, zoo ik een genadig woord tot hem richt, Maar ge doet mij onrecht, Goethe; ik hen mij mijn onbeduidendheid zeer goed bewust, en breng u uit een eerlijk hart mijn hulde en bewondering. Er zijn helaas! van de kaste der bezoldigde prinsen in Duitschland zeer vele exemplaren, maar er is slechts één Goethe, en ik ben verheugd ii te kunnen danken voor zoovele schoone uren van verheffing en genot, welke mij uwe gedichten verschaffen. En terwijl ik u nu van aangezicht tol aangezicht zie, komt een goddelijke vreugde in mijn hart; want ik zie, ge zijt ni6t alleen een dichter, maar ook een man van Gods genade. Hoogheid en waardigheid tronen op uw Jupiters-yoorhoofd en ik dank God, dat ik geen vrouw ben, want ik zou, geloof ik, doodelijk op u verlieven!quot;

„O. mijn prins, ge herhaalt daar slechts wat ge in mijn bewonderende blikken gelezen hebt; en ik beken: ge zijt

ocr page 228

218

een groot hartenkenner, daar ge rladelijk lezen kunt, wat in het mijne geschreven staat.''

„Dat zijn de'hartenkenners, ie ware hartenkenners!quot; riep de prins juichend, terwijl hij den arm uitstak naar de streek, vanwaar juist weder het majestueuse kanongedonder dreunde en zwarte rookwolken ten hemel stegen: „'lis generaal Clerfait, die uit de Nederlanden aangekomen, — en de Franschen in de linkerflank gevallen is! De gelukkige, benijdenswaardige; hij staat reeds in't gevecht, terwijl wij het nog altoos vruchteloos verlangen! Maar luister, het kanongedonder komt nader; het schijnt dat 't gevecht ten einde is! Clerfait zal het Fransche gespuis uiteengedreven hebben, en jaagt het nu voor zich uil. Nu is het tijd voor ons, hem te gemoet te gaan! Op, kameraden, op, Iaat ons voorwaarts gaan, laat ons recog-noseeren ! Meer luitenant, volg mij met uwe huzaren !quot;

„Koninklijke Hoogheid, ik verzoek vergeving, maar ik mag mijn post niel verlaten! De regiments-commandant heelt mij streng bevel gegeven, hier met mijn huzaren tot nader orde te blijven staan.quot;

„Ik zal u bij den regiments commandant verantwoorden, heer luitenant,quot; riep de prins trotsch: „Volg mij!quot;

En mei een gebiedend: „voorwaarts!quot; liet de prins zijn paard zwenken en reed de hoogte af. Hem na in wilden draf zijne begeleiders; hem na Goethe, aan de zijde van den majoor von Weirach; hem na de officier met zijn huzaren, die luid juichten van lust en vreugde, dat het de prins was, die hen aanvoerde; prins Louis Ferdinand, dien ieder Pruisisch hart tegenklopte, die de vreugde en de trotsch van elk Pruisisch soldaat was!

Maar het hart van den Pruisischen huzarenofficier was tóch vol zorg, en deelde niel in de vreugde zijner soldaten. Gehoorzaamheid is de eerste plicht van den soldaat, en zijn post te verlaten is een misdaad, waar de dood op staat.

Voorwaarts in snelle jacht vliegt de ruiterbende: voorwaarts, daarheen, waar rook opstijgt en 't kanon buldert, en waar men een donkere streep aan den horizon ziet afgeteekend.

Deze donkere streep is de colonne van den vijand!' quot;Voorwaarts, voorwaarts hem tegen!

ocr page 229

'219

Hoe draven en snuiven de paarden ; hoe opgewekt worden de gezichten der soldalen ; hoe schittert het gelaat van den jongen prins, die hen allen vooruitrijdt, van trotsche vreugde en lust!

Daar komt in de verte een ruiter aanrennen, op een geweerschot afstand houdt, hij zijn paard in ; hem volgt een tweede, een derde. Zij houden een oogenblik in, en zien naar den naderenden troep.

„Dat zijn de eerste vijanden! dat zijn de Fransche chasseurs ! Voorwaarts, mijn vrienden ! Voorwaarts !quot;

Verder gaat het in snellen draf. Maar de chasseurs wenden hunne paarden en rijden in vollen galop weg. Één echter wendt nog eens zijn paard om, daarop een snel weerlicht, een knal, en dicht langs liet oor van den prins vliegt de kogel van den chasseur voorbij.

Louis Ferdinand lacht, schudt zijn bruine lokken, en rijdt voorwaarts.

Maar de huzaren luitenant slaakt een zucht en zijn bezorgde blik ontmoet Goethe's oogen, die reeds lang belangstellend en opmerkzaam op hem gerust hadden.

Hij rijdt op den dichter toe : „Mijnheer von Goethe, ik heb gezien welke groote vereering de prins u toedraagt, en ik verzoek u dringend, wend uw invloed aan, opdat de prins terugkeere. Hij stelt mij aan de gtoolste verantwoording bloot; want ik heb hel strengste bevel, mijn post niet le verlaten, en 'tis buitendien waarlijk niet verstandig dat wij den vijand tergen, die achtor Grandpré in een vaste stelling gelegerd is. Zoo de prins niet omkeert, zal in korten tijd de geheele voorpostenkelen in alarm zijn ; men weet dan in het hoofdkwartier niet wat dit beteekenen moet, en de eerste ontevredenheid komt dan op jmj'neder, geheel buiten mijn schuld. Ik bid u, kom mijn verlegenheid te hulp!''

„Ik wil 'tten minste beproeven, en soms vindt een goed woord een goede plaats.quot;

Goethe spoort zijn paard aan, en laat het draven, tot hij zich aan de zijde van den prins bevindt.

„Ha, Goethe, welkom aan mijn zijde ! Als de lieveling der goden bij ons is, kan het geluk ons niet ontgaan !quot; . „O prins, ik wilde liever in dit oogenblik de lieveling van prins Louis zijn, en zou er zells de gunst van den aanminnigen god Amor voor geven,quot;

ocr page 230

220

„Ge zijt mijn lieveling! Wat er goeds en dichterlijks in mij zijn mag, behoort u, buigt voor u!quot;

,.Als dat zoo is, prins, waag ik het, u een verzoek te doen!quot;

„O nu niet, nu niet! Zie slechts; daar komt al weder een troep chasseurs te voorschijn, nu zijn er reeds verscheidene. Ik tel reeds acht paarden ! Voorwaarts! voorwaarts!''

„Neen, terug, prins. Ik bid u, om Gods wil, terug!quot;

Prins Louis wendde zich met een vlammenden', toorni-gen blik tot Goethe. — „Hoe, gij wilt toch niet zeggen, dat wij moeten omkeeren, in 't gezicht van deze Fransche kikvorschen ?quot;

„Ik zou zekerlijk niet wagen dit te zeggen, zoo Uwe Koninklijke Hoogheid een leger, of slechts een paar regimenten achter zich had; want het goddelijk vuur dat uit uwe oogen schiet, zou elk soldaat tot de moedigste daden ontvlammen. Maar zie slechts even achterom, prins, naaide kleine schaar, die u volgt, en bovenal naar den armen officier, die in wanhopenden tweestrijd is tusschen zijn gehoorzaamheid als soldaat, en zijn eerbied voor den geliefden prins. Hij heeft slreng bevel zijn post niet te verlaten, en de arme jongen zou toch te beklagen zijn, zoo hij, niet den dood der helden, — maar dien des verraders sterven moest!''

„'t Is onmogelijk, Goethe; ik kan in 't gezicht van den vijand niet omkeeren. Hèt zou een vlucht gelijken.quot;

„Neen, prins ; het zou het fier gevoel van een edele zelfoverwinning gelijken. — Terug, mijn prins, terug,quot;

„Het gaat niet, mijn dichtervorst, ik kan 't niet! 'tls of een hoogere macht mij voorwaarts drijft.quot;

„Bestrijdt deze macht, prins! 'tls de hoogste moed, zic/i zeiven te overwinnen ! De betoovering van uw wezen en uwen rang heett den armen officier verleid, van den weg van zijn plicht af te wijken ! Wees grootmoedig, prins, en voer hem op den rechten weg terug !quot;

De prins hield zijn paard stil, wierp nog een blik vol smart en leedwezen naar de chasseurs, die nu in nog grooter troep zichtbaar waren geworden, en commandeerde een luid; „terug!quot;

Toen wendde hij, — met een haastigen, vluchligen groet voor Goethe, — zijn paard om, en rende in vollen

ocr page 231

galop de zijnen voorbij, die nu insgelijks omwendden, om naar den verlaten post op de hoogte terug te keeren. Maar Louis Ferdinand hield daar geen hall, hij draafde verder den heuvel af, en spoorde woedend zijn paard aan, dat beneden op de vlakte slechts met moeite voort kon, en bij eiken tred tot aan de knieën in den kleiachtigen bodem zonk. —

„En dit zal mijn lot zijn, zoolang ik leef!quot; morde hij grimmig tusschen de samengedrukte tanden: „altijd afhankelijk, altijd door vreemden wil beteugeld, altijd den gloeienden zielswensch in boeien geslagen door de prozaïsche noodzakelijkheid ! Ik dorstte naar daden, gelijk het gejaagde hert naar een droppel water; er is een onuitsprekelijk verlangen en begeeren in mij naar roem, naar geluk, naar liefde; en ik zal dit alles niet erlangen, ik zal altoos een „fata morganaquot; najagen! In stede van de zalen des roems en den tempel des geluks en der liefde,— zal ik ten laatste slechts een somber paleis met ouderwetsch huisraad vinden, dat de kleine, bezoldigde prins van zijn vader, — den bezoldigden prins, — geërfd heeft, en dat hij eens zijn wettige kinderen kan nalaten, zoo er in een of ander klein vorstenhuis een overgebleven prinses te vinden is, welke men met een kleinen uitzet aan den man wil brengen. Maar hiertoe wil ik mij niet overgeven !'' riep hij luid, en hief dreigend de hand ten hemel: „Neen, hiertoe wil ik mij niet overgeven, dat zweer ik u, goden, dat zweer ik u, Jupiter Pluvius, die 'tuit den hemel laat nederstroomen op mij, armen menschenzoon, alsof ge het leem, waaruit hij is gekneed, weder wildet oplossen in zijn oorspronkelijk niet.quot;

In soortgelijke gedachten verdiept, reed hij langzaam voort op den doorweekten bodem, en wendde zich nu van den grooten weg naar een zijpad, 'tgeen hem verder verwijderde van het dolle en woeste leven in't legerkamp, dat te midden van deze élijk-en waterzee was opgeslagen. Het walgde hem, dit geschreeuw en geraas te hooren; deze dolle, zedelooze liedjes, welke hier de soldaten brulden, terwijl ginds een andere troep bijeen stond, vloekende en scheldende op al de natte en vuile ellende die hen omgaf, en dan weder plotseling zweeg om te luisteren naar het gindsche kanongedonder, dat thans spaarzamer

ocr page 232

222

en zeldzamer klonk, en de hoop wekte, dat er een veldslag geëindigd en gewonnen was.

XI.

LORULEY IN HET BOSCH.

Prins Louis Ferdinand ademde ruimer, toen eindelijk het woeste gerucht een weinig achter hem verdoofde en hij het dichte bosch inreed, dat hem met zijn breede takken beschutte tegen den regen, en dat op minder lossen en doorweekten grond, zijn hijgend paard vergunde sneller voort te komen. Zoo reed hij op den hreeden weg, dien men midden door het bosch had gebaand, en waarover de bladerkruinen zich sloten. Er heerschte een majestueuze stilte om hem heen, de regen droppelde zacht op de dichte, groene twijgen, en wekte somwijlen een vogel in zijn nest, zoodat hij zich met zacht getjilp klagend ophief en omhoog vloog, om hier of daar een droger plekje te zoeken. In de verte slechts hoorde men een dof geruisch, als het accompagnement van het lied,'t welk de eenzaamheid en de stilte der Natuur in de ziel van den prins deed klinken; en hij hoorde het met aandachtige ziel, en luisterde naar het zacht gefluister van een andere stem, die heimelijk en stil in zijn hart klonk, en zong van verlangen en liefde.

Plotseling werd de stilte om hem heen door een luid gerucht van stemmen gestoord, een vrouwelijke en een mannelijke stem, in een heftige woordenwisseling; — de eerste toornig, do andere smeekend.

De prins reed, haastig voorwaarts, naar de plaats van waar hij het getuid der stemmen vernam; plotseling hield hij zijn paard in en luisterde, want het was hem, als kende hij de vrouwenstem, bij wier klank zijn hart sterker klopte, en die hem met zoete vreugde vervulde.

„Neen, ik wil niet omkeeren!quot; riep deze stem op toor-nigen toon: „Ik verbied u mij tegen te houden. Ge hebt jegens mij niet gehandeld, zooals 'teen edelman, een ridderlijken prins betaamt. Met welk recht hebt ge u durven veroorloven mijn lieden weg te zenden? Met welk recht

ocr page 233

223

houdt ge mij tegen, rlaar ik u zeg, dat ik hier niet langer blijven wil, dat ik dit kampementsleven en dit geheel lichtvaardig en erbarmelijk drijven moede en zat ben?quot;

„Ik houd u tegen met het recht, 't welk mij de vriendschap voor uw echtgenoot. —'t welk mij de liefde voor u geeft, allerschoonste! Ge wilt ons heimelijk ontvlieden, zonder zelfs afscheid van uwen echtgenoot te nemen, die nog niets van uw avontuurlijke vlucht vermoedt Hij is trouwens een gehuwd man, en die zijn allen blind met ziende oogen. Maar minnaars zien scherp, en ik bemin u! Ge weet het, madonna; ik heb 't u te dikwerf herhaald, dan dat ge mij niet eindelijk gelooven zoudt. Ja, ik bemin u, ^daarom hield [ik u in 't oog, en daarom zag ik, wat de blinde echtgenoot niet bemerkte. Ik zag, dat mijn allerschoonste, aangebedene, ons samenzijn verveelde, en dat haar het avontuurlijkverblijf in den Wagenburg, — dat toch ook zijn vroolijke zijde heeft, — volstrekt niet meer bevallen wilde.quot;

„Ik wilde dat ik nooit den dwazen inval had gehad, hier te komen!quot; riep zij toornig: „ik wilde dat het u nooit gelukt ware, mijn echtgenoot zóódanig te bepraten, dat hij besloot den veldtocht mede te maken! Ik wilde dat ik nooit te Koblenz was gekomen; nooit met u bekend geworden, — nooit deze verleidelijke vrouwen gezien had, die mij begoochelden door hare aanvalligheid, en welke ik wilde nastreven in de dwaasheid mijns harten, zonder te bedenken, dat hiertoe het lichte Fransche bloed behoort, en dat ik altoos nog, in weerwil mijner dwaasheid, het hart eener Duitsche vrouw in mijn boezem draag. Ik haat u allen, ik haat mij zelve; ik haat mijn echtgenoot, die mij door zijn toegevendheid in dezen gehaten toestand heeft gebracht, waaraan ik nu met geweld een einde wil en moet maken!quot;

„Ge zult er een einde aan maken, allerschoonste, door vrijwillig met mij terug te keeren tot de vrienden, tot de dames, die u zoo innig liefhebben, — tot de heeren, die u aanbidden. God zij geloofd, dat mijn oogen open waren! Ik zag heden morgen, terwijl ge bij de hertogin waart, de lieve kamenier op den kleinen fouragewagen wegrijden, en dit maakte mij achterdochtig. Ik zag u wegrijden met uw beide knechts, en ik volgde u in het bosch.quot;

ocr page 234

224

„Ge zijt mij gevolgd, prins? Ge hebt u veroorloofd mijn knechts in naam van mijn echtgenoot weg te zenden, en ge wilt mij nu dwingen terug te keeren? Maar ik zeg u: wil niet, en ge zult mij niet dwingen te doen wat ik niet wil!''

,,0, ma touie belle, ge bedriegt u! Er zijn menschen, die men ook tot hun geluk dwingen moet, en ge zult mij later dank weten, dat ik u verhinderde uw misanthropische luim te volvoeren. Ge zult het mij dank weten, ma belle, zoodra wij maar eerst te Parijs zijn, en het Paradijs aller aardsche vreugden u omgeeft.quot;

„Ik wil niet daarheen, heer graaf; ik wil voort! Laat mij den weg vrij! Laat de hand van mijn paard af! Help! help!quot;

Met een luiden kreet van toorn rende prins Louis Ferdinand toe, met gloeiende wangen en bliksemende oogen het bruine haar in den wind vliegend, hoog op zijn ros gezeten, — een heldenjongeling een Achilles.

„Prins Louis Ferdinand! Hier! Help mij! Red mij!quot;

„Hier ben ik barones, en ik wil u beschermen, u verdedigen tegen allen en tegen ieder!quot;

Hij sprong dicht nevens haar, en legde zijn hand op haren arm, dien zij hem toestak.

„Ha,quot; riep de graaf van Artois met een luiden lach; „is het zóó met onze waarde barones gesteld! Ik wilde een deugdzame vlucht vermijden, en heb in plaats hiervan, naar 't schijnt, slechts een teeder rendez-vows gestoord! Dit is heel kluchtig, vraiment heel kluchtig, en ik verzoek duizendmaal verontschuldiging wegens mijn mala-dresse! O, barones, barones, welk een bekoorlijke diavo-lezza zijt ge, en welk een koenen veroveraar moet ik in u ontdekken, mon cher prince. Terwijl ik sedert maanden vergeefs voor deze trotsche spijtig mijn liefdebetuigingen zucht, komt gij met lachenden mond en verovert stormenderhand dit Paradijs, waarnaar ik te vergeefs smacht 1 Maar het zou niet galant zijn, het zoetenog langer te willen storen, en mij blijft niets anders over, dan als de gefopte in de comédie weg te sluipen. Maar, ik ga tóch met vergenoegd hart; want zooals de zaken ?m staan, vrees ik niet meer, dat ge ons verlaten zult, mijn schoone barones maar zeg slechts: tot wedcrziens in den Wagenburg !quot;

ocr page 235

225

Hij booy mot een spottcnden glimlach diep tut op clen lials van zijn paard voor clo barones, groette den prins met een vriendelijken hoofdknik, wendde zijn paard om en reed vroolijk flaitend weg door 't bosch.

Louis oogde hem met een somberen blik en met bewolkt voorhoofd na, — „Lichtvaardig mensch, zonder trouw en zonder geloof! Waarachtig, ik begin te begrijpen, dat de Franschen deze verrotte vruchten van den vrijheidsboom willen afschudden! En voor zulke vruchten strijden wijl Voor zulke vruchten donderen ginds de kanonnen en sneven brave mannen, terwijl de prins hier deugd en zeden hoont!''

Hij had dit niet küd met zijn lippen gezegd, maar slechts wrokkend in zijn hart, terwijl hij de gestalte van den graaf van Artois naoogde, die nu in het dichte bosch verdween.

Toen wendde hij zich met een haastige beweging tot de barones, die met gloeiende wangen en afgewend gelaat, onbeweeglijk op het fraaie paard zat, dat, — als be-gx^eep het de verlegenheid zijner meesteres, — onbeweeglijk en stil was gelijk zij zelve.

„Ge wilt ons dus werkelijk verlaten, barones?quot; vroeg hij met zachte slem.

Zij wendde haar hoofd tot hem en zag hem aan met glinsterende oogen, met een doordringenden blik. — „Ja, mijn prins, ik wil weg, ik moet weg. Weg!quot; — Zij riep het met hartstochtelijke heftigheid, en haar luide stem wekte de echo van het bosch, die nu met wegstervende zuchten herhaalde: „Weg! weg!''

„Ik waag het niet te smeeken, — niet u te bezweren, dat ge blijft,quot; antwoordde prins Louis zacht: „Ik heb alles gehoord wat ge den graaf van Artois gezegd hebt, en mijn hart bloedt, wijl het u gelijk moet geven. Ja, ge mooyt hier niet langer blijven, dit gevoel ik wel; en tóch zou ik het bloed mijns harten droppelsgewijze willen geven, zoo ik hiervoor het recht erlangen kon, tot u te zeggen; „blijf. Ik bezweer u blijf!'1'

„Mijn prins,quot; zeide zij op strengen toon: „uw bloed is veel te edel, te kostbaar, om voor zulk een geringe zaak als eene vrouw is, gestort te worden. Spaar het voor grootscher doel en voor edeler taak. Wij, vrouwen, zijn het niet waardig, dat een edel man voor ons zijn Mühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. V. 15

ocr page 236

220

bloed stort, of ook slechts zich voor ons beziele met een verheven gevoel. Wij zijn zwakke, erbarmelijke wezens, die niet eens de kracht hebben, door te zetten wat zij begonnen zijn. Ge ziet het aan mij. Ik wilde de avonturen van dezen veldtocht- medemaken; ik hunkerde naar het zeldzame, onbekende genot der vrijheid, — de ongedwongenheid, waarvan de hertogin de Liancourt mij zooveel verhaald heeft. Ik wilde een geestige, vernuftige vrouw zijn, die den strijd en de woeling der tijden als een gouden stroom door haar ziel laat vloeien, en nu heb ik niet eens de kracht, op den ingeslagen weg voort to gaan. Ik heb weder de edele opwellingen eener deugdzame vrouw, die zich zelve zou willen ontvlieden, en in het stille, vreedzame leven van het verledene terug keeren, hoewel zij weet dat dit onmogelijk is.quot;

„Zoo het onmogelijk is, waarom wilt ge dan gaan?quot; vroeg prins Louis, en zijn groote, bruine oogen rustten met verterend vuur op haar verbleekend aangezicht.

„Wijl ik moetquot; riep zij; ..wijl er geen andere redding voor mij is dan terug te keeren in de stilte en eenzaamheid van mijn verleden! Wijl hier in mijn hart een waarschuwende stem dag en nacht fluistert en dreigt: Keer om, of ge zijt verloren! Keer om, en wek de demons niet, die in uw ziel sluimeren!quot;

„En gij luistert naar zulke stemmen?quot; vroeg prins Louis glimlachend; „Ge meent niet, dat zij verstommen zouden, zoo de zon scheen, en in plaats van het erbarmelijke langzaam voortkruipen, — de wandeling naar Parijs met vroo-lijke snelheid voorwaarts ging?''

Zij boog treurig het hoofd. — „Ge bespot mij, en gij hebt er het recht toe! Deze stemmen, die thans, — nu het misschien te laat is, — mij waarschuwen, hadden moeten spreken toen ik het vaderland verliet, om het geluk, de vreugde, den dollen lust des levens na te jagen ! Ge hebt recht, prins; bespot mij, want ik heb niet eens den moed, geheel te zijn, wat ik zijn wilde. Ik ben gelijk een wild paard, dat zich van toom en teugel losrukt, en met ongebonden lust over de wijde vlakte holt, vervolgens echter voor den eersten slagboom die hem voorkomt, aarzelend stilstaat en vreest, over deze laatste hindernis te springen. Ga, prins, lach om mij, want ik ben onge-

ocr page 237

227

neeslij k; en in plaats van mij aan te moedigen tot een stouten sprong, keer ik om en vlucht!''

„Ik ben niet zoo vermetel u te zeggen, dat ge ongelijk hebt,'' zei de prins treurig: „ge hebt misschien het rechte gekozen, en evenwel drukt een onuitsprekelijk wee mijn hart ineen, en ik zou aan uwe voeten kunnen nederzinken en weenen, — weenen om een verloren Paradijs!quot;

„Dwaze tranen! Men weent niet om een gebroken speeltuig, prins; en wal zijn wij, vrouwen, voor u anders dan speeltuig, waarmede ge u verlustigt een vluchtig uur lang, en dat ge vervolgens gebroken onder uwe voeten vertreedt. Ge ziet, ik heb geen illusiën meer, — zelfs niet eens over mij zelve. Of misschien is dit mijn laatste illusie, dat ik nog beproeven wil, mij van den afgrond te redden, waaraan ik sta, en waarin ik storten moet, zoo ik niet vlucht. Tracht ook cjij mij niet tegen te houden, prins; 'tis onherroepelijk, ik wil weg. Ginds te Montfaucon verwacht mij mijn kamenier, en zal daar reeds een postchais voor mijn reis besteld hebben. Van daar zend ik aan mijn echtgenoot een brief, dien ik bij mij heb, en die hem mijn plotseling vertrek en mijn terugkeer naar het vaderland verklaart. En nu vaarwel, mijn prins, en ik zeg het uit de diepste innigheid mijns harten: mogen wij elkander op on/en weg nooit weder ontmoeten!quot;

, Ge haat mij dus? Wat heb ik u dan gedaan, om uw haat te verdienen?quot;

„Gij mij? O neen, neen! 't Is slechts wijl ik medelijden met u heb, en niet gaarne — ga, p.ins, keer naar het leger terug. Vraag de Fransche prinsen, vraag al de edellieden van het Mot van Coblenz, — vraag de hertogin de Liancourt, en allen zullen u zoggen wat ik u thans zeg: hoed u voor mij ! hoed u voor de barones von Ehren-berg, want zij is een liefdelooze kokette, en wee hem, die in hare strikken valt, want hij is verloren! Nu weet ge alles prins, en nu ga!quot;

„Nu weet ik, dat gij een grootmoedig hart hebt, dat ge even moedig als schoon, — even edel als goed zijt! Ja, men heeft mij voor u gewaarschuwd; ja, men heeft mij gezegd, dat ge wreed zijt in uw koketterie, dat geen mannenhart li weerstaat, en dat ge het onmeêdoogend breekt, zoodra het zich aan u heeft overgegeven.quot;

ocr page 238

228

„Mon heeft u de waarheid gezegd, prins,quot; zeide zij treurig. „Ga dus! Verlaat mij!quot;

„Waarom'?quot; vroeg hij, en zijn fraai gelaat straalde als dat eens triomphators: „Gelooft ge misschien, dat ik bang ben? Gelooft ge misschien dat ik terugdeins voor den strijd met uw kuisch en gloeiend hart, 't welk slechts daarom wreed schijnt, wijl het nog geen man heeft gevonden, die uwe liefde waardig is, dien ge zoudt kunnen hoogachten? Ge hadt recht met de liefde van deze Fransche prinsen en edellieden te spotten en haar onder uwe voeten te treden; want hunne lichtvaardige harten weten niets van de ware liefde, die tegelijk een smart is en een verrukking ; die ons verheit tot de zalige goden en ons tócli nederbuigt in het stof, aan de voeten der geliefde aangebeden vrouw, voor wie wij een god zouden willen zijn, om wederliefde te erlangen, en ons evenwel slechts stof gevoelen in haar kleine, witte hand. Wat weten toch deze mannelijke poppen met de verdorde harten en de lot walging herhaalde liefdefrazen op de matte lippen, — wat weten zij van liefde, van geestvervoering, en hoe kunnen zij het wagen, een hart als het uwe te willen veroveren!quot;

„Niemand raag dit willen wagen, prins, want ge weet immers, ik hen gehuwd.quot;

„Hij zag haar diep in de oogen, vatte met een haastige greep den toom van haar paard, trok het dicht bij zich, èn toen haar beide handen vattende, staarde hij haar met zulk een vurig, gloeienden blik aan, dat een diepe bleekheid van inwendige aandoenig hare wangen over-toog.

„Beantwoord mij één vraag! Niemand hoort uw aait-woord buiten mij en God; en bij dien God hierboven zweer ik u, dat ik het aan geen sterfelijk wezen verraden zal! Beantwoord mij mijne vraag uit de diepste waarachtigheid uwer ziel, want ik geloof dat hiervan zoowel uw eigen toekomst, als de mijne afhangt. Wilt ge dit doen?quot;

„Ja, ik wil het! Ik zweer u, wat ge ook moogt vragen, ik zal u naar waarheid antwoorden,quot; zeide zij, en haar groote, diepe oogen richtten zich met een ernstige uitdrukking op het fraaie, jeugdige gelaat, dat zich dicht lot het hare boog. en welks adem hare wangen raakte en de blonde lokken bewoog.

ocr page 239

220

„Zeg mij dan: hebt gij uw echtgenoot ooit bemind?quot;

„Neen! Ik ben het kind van arme ouders! Hij heeft mij van hen gekocht, en mij laten opvoeden. Toen mijn opvoeding voltooid was en ik het klooster verliet, voerde hij mij het eerst naar het trouwaltaar, en een priester maakte van den slavenhandel een fraai, geheiligd huwelijk. Dat is mijn levensgeschiedenis, en zoo ge wilt, ook mijn verontschuldiging. Ik heb mifti echtgenoot nooit bemind, en, ik geloof schier, ik haai hem!quot;i

Toen zij dit gezegd had, sloeg de prins zijn arm om haar- slanke gestalte, trok haar met onweerstaanbaar geweld tot zich, en drukte een gloeiende kus op hare lippen.

„Ik bemin u, schoone, trotsche, betooverende vrouw! Ik bemin u, niet als de anderen met de afgeleefde barten en ontnuchterde zinnen! Ik bemin u, zooals men bemint, wanneer men twintig jaar oud is en nog geen teleurstelling ondervonden, — nog geen liefde gevoeld heeift. Ge zijt mijn eerste liefde, ge zijt de morgendroom mijner jeugd! Ik heb u verlangd, ik heb u verwacht, en ik heb u in mijn hart een altaar opgericht, waarop ik u thans verhef, om u te aanbidden als mijn heilige, om u te beminnen met al den gloed van mijn onstuimig hart, dat verrukt is door uwe schoonheid, dat aan u gelooft, gelijk het aan den hemel, aan de zon en alle sterren gelooft!quot;

„En deze liefde zal ondergaan en verdooven, gelijk de zon ondergaat na een korten zomerdag, zooals de sterren verdooven na een zalig lichtenden nacht! Neen, prins; gij zult mi] niet beminnen, ik wil het niet!quot;

Hij lachte luid, lachte zóó luid, zóó onbekommerd, als slechts de jeugd, het geluk (in de onschuld lachen kan.

„Gij wilt het niet ? O, geliefdste, ge zult het wel leeren moeten, u naar mijn wil te buigen ; want de ware liefde heeft de kracht Gods, en ieder menschenhart moet er voor buigen. En met deze goddelijke kracht mijner liefde beveel ik u thans, met mii om te keeren, en bii ons te bliiven in het leger!quot; •

Zij zag hem schier verschrikt aan, vervolgens wierp zij haar hoofd trotsch in den nek, en riep met een uitdrukking van onweerstaanbare energie: „Neen, ik wii niet blijven ! Vaarwel!quot;

ocr page 240

230

Met de snelheid van een geoefende rijderes liet zij haar paard steigeren, en rende tuen in vollen galop door den boschweg.

Maar even snel volgde haar prins Louis, en was spoedig weer aan haar zijde. Zij lette niet op hem, sloeg met haar karwats, wier gouden, met robijnen laezette greep haar hand vast omspannen hield, het paard, zoodat het, in weerwil van den vochtigen, slijkerigen bodem, als een pijl voorwaarts vloog, en scheen den prins niet te bespeuren. En evenwel was hij zóó dicht aan hare zijde, dat de paarden elkander raakten, dat zij aaneen schenen te kleven, gelijk de paarden in den circus, als zij, niet samengespannen, en tóch gebonden door den éénen wil, die beiden be-heerscht, op het gemeenschappelijk doel toejagen; zijde aan zijde gedrongen, als met één ademtocht, de manen vliegende, de slanke voorpooten uitstrekkende, in de vaste maat van den onafgebroken galop. —

Zij spraken beiden geen woord. Haar gelaat was trotsch en somber, en de ernst, die op haar breed marmerwit voorhoofd lag, had iets akeligs, schrikbarends, en gaf tóch tegelijk aan haar zeldzame schoonheid een nieuwe bekoorlijkheid, een nieuwe aantrekkelijkheid. — Zijn gelaat straalde van vreugde, zijn wangen gloeiden, zijn oogen vlamden, en trotsch en tartend zag hij er uit, als wilde hij met blijmoedig hart de geheele wereld ten strijde uitdagen, zeker zijnde van de overwinning.

Zij had reeds eens gezegd, na het bal toen zij hem had wedergezien: „Hij is dapper als Achilles, en schoon als Alcibiades.quot;

Misschien zeide zij dit weder in haar hart, gevoelde zij weder met onbepaalden schrik de liefde voor hem in haar hart ontwaken, — niet als een bloem, die de lentezonnestraal wekt, maar als een jonge leeuwin, die, ontwaakt met geheel het instinct van haar ras, bezitten wil wat zij begeert, en verscheurt, wat haar verhindert.

„Ik tuil niet, neen, ik wil niet!''riep zij eenmaal toornig en luid, als gaf zij slechts antwoord op de vraag, welke de demons in haar hart fluisterden, en daarop dreef zij haar paard tot razender galop.

Maar hij lachte en vatte met een snellen greep de hand met de rijzweep, welke zij juist had opgeheven om, met een

ocr page 241

231

toornigen slag het hijgende en vermoeide paard te treilen.

„Nu zijt ge mijn gevangene,quot; zeide hij met een van geluk stralenden glimlach : „ik heb u overwonnen in den razenden wedren, en zoo zal ik ook uw hart overwinnen, opdat het mij erkenne als zijn overwinnaar, en zich aan mij overgeeft met een gelukzalige wederliefde.quot;

Zij antwoordde niet; de paarden, door den haastigen gebiedenden ruk van den toom ingehouden, stonden nu stil, naar adem hijgende, met snuivende neusgaten en trillende flanken ; en ook de schoone, bleeke vrouw hijgde naar adem, en haar geheele gestalte beefde, en met gesloten oogen legde zij het hoofd achterover, met een uitdrukking gelijk Niobe, als zij opziet tot de goden, en om ontferming smeekt voor haar dierbaarst aardsch geluk.

Prins Louis was als verblind door deze wonderbare schoonheid ; door dit schoone en trotsche wezen, door de afwisselende uitdrukking van den demon en den engel, die beiden in deze vrouw woonden, fn haar een betoove-rende, onweerstaanbare bekoorlijkheid verleenden. Hij zeide het haar met dat wegslepende vuur eeher eerste liefde, die nu als een gloeiende stroom door al zijn aderen schoot, en iederen bloeddroppel in vlam zette; hij zeide het haar juichend van geluk, zalig door zijn eigen gevoel, zeker van de overwinning; en toen zijn bezielde woorden, als een hemel bestormende ode aan de hoogste godheid uitgesproken, verstorven waren, sloeg zij de oogen op, en staarde hem aan met een koelen, schier verachtenden blik.

„'t Is het oude lied, dat ik reeds zoo dikwerf, tot wal-gens toe gehoord heb, en dat in mij slechts een grenzenlooze verveling verwekt. Ge hebt reeds heel veel geprofiteerd van uw leermeester, prins, en uw liefdesverklaiing doet de school van den graaf van Artois alle eer aan! Ik maak u mijn compliment, mijnheer! Maar laat ons nu ernstig zijn, want het is genoeg met kinderachtige scherts! Ik dank u, dat ge de goedheid hebt gehad, mij een veilig geleide te geven door dit donkere bosch, zooals 't in de ridderromans pleegt te heeten. Goddank, wij hebben nu het einde bereikt, en ziedaar de kleine groep huizen ; dit is het dorp Montfaucon en daar verwacht mij mijn kamenier met de postchais ; ik heb uwe bescherming en geleide niet verder noodig! Vaarwel!quot;

ocr page 242

'232

Hij staarde haar aan met toornigen blik, met vast op-eengedrukte lippen; maar toen, als dour toovermacht getrokken, ontmoetten hunne blikken elkander, rustten vast ineen, eerst toornig, vervolgens opvlammend in een wonderbaren glans van vreugde.

,.En tóch bemint gij mij,quot; riep hij juichend: „en ik zal tóch dit trotsche hart overwinnen!quot;

„Het zou een ramp zijn,quot; lluisterde zij ; „ik waarschuw u nogmaals: hoed u voor deze liefde, en geloof mij, ik ben die niet waardig.quot;

„Ge zijt het hoogste, het schoonste geluk waard, en ik zal 't u leeren kennen, want ik bemin u ! Maar ge moet niet voor mij beven ; ik wil deemoedig zijn, en alles zal geschieden gelijk gij wilt. Ik zal 't niet meer wagen mij tegen u te verzetten, en zoo ge nu nog wilt vertrekken, zal uw wil mij heilig zijn.quot;

„Ik wil vertrekken,quot; zeide zij koel en trotsch.

„Goed, het zij zoo! Maar ik zeg u, 'tis vruchteloos; de liefde gaat toch mèt u, en zal tóch uw hart deemoedigen en onderwerpen!quot;

„Dan zal ik haar onder mijn voeten vertreden,quot; zeide zij met trots gekrulde lippen : „en nu, laat ons scheiden ; keer terug tot uwe vrienden, en laat mij terugkeeren tot den éénigen vriend, die mij in 't vaderland verwacht.quot;

„O, dat is het dus! Ge gaat heen, wijl het verlangen u huiswaarts trekt naar den vriend, die u verwacht.quot;

„Zoo is het,quot; zeide zij vermoeid : „deze vriend verwacht mij in zijne kerk, en wellicht word ik kalmer, zoodra ik hèm mijn innigste gedachten heb medegedeeld ! Maar vóór wij nu scheiden, wil ik een verzoek tot u richten. Wilt ge 't mij toestaan

„Elk verzoek; slechts niet, dat ik u vergeten, — dat ik ophouden zal u te beminnen!quot;

„Ik verzoek dit: dat ge niet trachten wilt mij weder te zien; dat ge mijn echtgenoot opzettelijk zult ontwijken, en nooit een vraag tot hem ot iemand anders zult richten, om inlichting te erlangen nopens de plaats waar ik leet, leef en — lijd!quot;

Zij zag hem met zulk een smeekenden blik aan, dat 'them diep in het hart trof en hij bereid was, haar alles toe te staan, wat zij eischen mocht.

ocr page 243

233

„Uwe wil zal geschieden, geliefdste. Ik zal niet vragen en niet uitvorschen, maar, ik weet toch, dat ik n zal weder-vinden: want mijn hart zal nooit ophouden u te zoeken, tot het u gevonden heeft.quot;

Zij knikte slechts even met het hoofd. — „Laten wij 't aan het toeval, aan de almachtigste Godheid, over. En nog eens; men zal u veel van mij vertellen, avontuurlijks en slechts; — hoor alles aan en strijd het niet tegen, want alles is waar, en ook het slechte wat men u zeggen kan, is altoos nog niet het slechtste, dat men zou kunnen zeggen, en alles is waar! Want ik ben de Loreley, de booze nix van den Rijn, die de dolle gril heeft gehad, met de lichtzinnige Franschen over den Rijn te gaan. Ik ben de Loreley, de booze nix!

Zij lachte luid, en een demonisch vuur schitterde in hare fraaie oogen, toen zij hem een vluchtigen groet toeknikte, en vervolgens met haar rijzweep haar paard sloeg, zoodat het wild steigerend voorwaarts sprong.

„Volg mi] niet, ik verbied het u! Ik de Loreley \quot; Blijmoedig en vroolijk klonk haar lach, terwijl zij uit het bosch reed en over de zachte glooiing naar het dorp; en tóch deed het den prins, die aan den zoom van het bosch stilhield en haar naoogde, in 't diepst zijner ziel wee, en maakte zijn hart gram van bittere minnepijn. Hij hoorde slechts haar lach, doch kon haar gelaat niet zien, noch de tranen, die in volle stroomen over hare wangen liepen, terwijl zij lachte, en de woorden niet hooren, welke nu haar bevende lippen murmelden; „O, hij heeft gelijk; de liefden gaat toch mét mij, en zij zal mijn hart deemoedigen en onderwerpen! Wee mij fquot;

ocr page 244

INHOUD.

EERSTE BOEK.

HET KONINGSCHAP IN GEVAAR,

Biadz

I. De Gezant van Frankryk..........5

II. Prins Louis Ferdinand..........21

III. De Kroonprins..............30

IV. Plannen voor de toekomst.........37

V. De Alliantie...............48

VI. Twee feeënkinderen...........60

VII. Herfstlust en winterleed..........69

VIII. Aan de poorten des doods.........94

IX. Het feest ter gedachtenis aan Schiller.....104

X. De brief uit Denemarken . .........116

TWEEDE BOEK.

TEGEN DE REVOLUTIE.

1. De verbanning..............127

II. Het gelegenheidshuwelijk ..........135

III. Brief en afscheid.............145

IV. Te Maintz...............158

V. De Duitsche Pompadour..........167

VI. De voorlezing aan het Hof.........180

VIL Een laatste afscheid...........189

VUL Te Verdun....... .......198

IX. Een balfeest in het vijand lijko land.....206

X. Terug..........-......215

XI. Loreley in het bosch...........222

ocr page 245

MÜZIEK-CAT ALOGUS

van Gebr. E. amp; M. COHEN, te Nijmegen en Arnhem.

Verzameling van 100 populaire stukken piano-muziek,

VERSCHENEN ONDEE DEN TITEL!

Bravo-Album voor de Piano.

Pry» per afzonderiyk stuk 30 cent en per Bundel van 10 stukken f 1.00.

Abt, „Blau ist dn Kliimleinquot; Volkslied aus T.-ünngen, voor

Piano en Zang. No. 7 (Bundel VIII).

Abt, Schlaf wohl, do süsser Engel du. Voor Piano en Zang.

No. 72 (Bundel I).

Arditl, Kas-wals. „II Bacio.quot; Wals voor Piano. No. 25 (Bundel V.) Ascher, gt;roolyk Voorwaarts! „Vaillancequot; Militaire Polka voor

Piano. No. 29 (Bundel V).

Badarzfiwska, Het ^eb^d eener Jankvronw. „La prière d'une vierge.quot; Keurig Salonstuk voor Piano. No. 34 (Bundel IV).

Berb, In de schoone fflri .,Wonnige Maienzeit.quot; Polka Mazurka.

Vroolijk muziekstuk voor Piano. No. 43 (Bundel IV).

Berb, Aroudlied. „Chant du Soir.quot; No. 91 (Bundel VIII).

Bellini, Aria's nit de Opera Sorma. De fraaiste en meest bekendo

melodieën. No. 78 (Bundel I).

Benza, LieTe Moeder, dat doet de wind. Chansonnette voor Piano

en Zang No. 6 (Bundel VIII).

Beyer, Wastl-Polka Rondeau sur la danse favorite: „Wastl-Polka

de Titl.quot; Voor Piano. No. 40 (Bundel IV).

Beyer, Dnitscbe-Pulka Gemakkelijke en bekende Polka voor Piano.

No. 41 (Bundel IV).

Beyer, Aurora-Wals. Rondeau-Valse voor Piano. No. 52 (Bundel VI).

ocr page 246

236

Itramhs, Hongaarsdin daus. (Ungarisehe Tanze nr. 6.) Prachtig Salonstuk voor Piano. No. 70 (Bundel II).

Carmen. Musique de Bizet. Fantalsie. Morceau de salon pour le piano. No. 20 (Bundel V).

Chopin, Marche fnuèbre. Beroemde Treurmarsch voor Piano. No. 66 (Bundel II)-

C/ibulka, Scène de Ballet. Pizzicato voor Piano. No. 88 (Bundel VII).

Désormes. Naar de Parade in de Mallbaan. Polk Marsch met Zang. Amusant en vroolijk stuk. No. 49 (Bundel VI).

Donuette, tte llegimentsdochter. „La fllle du régiment.quot; Keur van de schoonste aria's uit deze opera. No. 44 (Bundel III).

bnitschlands Nationale Lkderen. „Die Wacht am Rhein, Heil dir im Siegerkranz en Des Deutschen Vaterland.quot; Voor Piano met Zang. No. 60 (Bundel VIII).

Dnrand, Ten dans Reschaard. „Pomponnette.quot; Dans-aria, style Louis XV. No. 92 (Bundel VIII).

Eileuberg, tte Kaboutertjes. „Die Heinzelmannchen.quot; Morceau caractéristique voor Piano. No. 38 (Bundel IV).

Ëilenberg, Be Wacbtparade komt! „Die Wachtparade kommt!quot; Characterstück voor Piano. No. 39 (Bundel IV).

Ëilenberg. Be Molen in het Zwarte Woud. „Die Mühle im Schwarz-wald.quot; Idylle. Fraai Salonstuk voor Piano. No. 51 (Bundel III).

Ëilenberg, Carmen Syha. (Waldesruh.) Fraai Salonstuk voor Piano. No. 69 (Bundel II).

Ëilenberg, Terugkomst der Troepen. „Heimkehr der Truppen.quot; Characterstück. ISlo. 76 (Bundel I).

Esmeralda, Muziek van Levey. Engelsche tekst van Halliday, waarnaast Hollandsche overzetting met Pianobegeleiding. No. 19 (Bundel V).

Espen, Slechts Gfl alleen. „Nur du allein! — C'est vous que j'aime. Salonstuk voor Piano. No. 89 (Bundel VIII).

Flotow (tou), Aria's uit de Opera Martha. Keur van melodieën, uit deze, aan schoone motieven zoo ryke opera. No. 59 (Bundel III).

Flinke, la Coquette. Polka-Mazurka voor Piano. No. 61 (Bundel II).

Gauue, Invaliden-Marsch. „Le père la victoire.quot; Marche frangaise.

Meer bekend als melodie van „De Heilsoldaatquot; en het socialistische „Vrijheidslied.quot; No. 79 (Bundel I).

ocr page 247

237

Ciiuschals, MiieUa-na/urka. Nieuwe opwekkende Polka-Mazurka. No. 47 (Bundel HI).

Gilnschals, (ierlengddu Bodcu, „Vöglein mein Bote.quot; Salonstuk voor Piano. No. 85 (Bundel VIII).

(JaDSchals, Ninifeadans. „Nixemeigen.quot; No. 90 (Bundel IX).

Gudard, fludrilcna Danse Espagnole pour piano. No. 93 (Bundel VIII).

Gobbaerts, Tramway-Calop. Fraai Salonstuk voor Piano. No. 21 (Bundel V).

Gobbaerts, le Hor des Alpes. Mélodié'de .Proch naar Schillek's „Jüngling am Bache.quot; Voor Piano. No. 37 (Bundel IV).

GoeUehy, Ik m-laug uaar ü. „L'espoir du retour.quot; Caprice.Fraai Salonstuk voor Piano. No. 82 (Bundel IVj.

Goanod, Wals uit de Opera Faust, voor Piano. No. 16 (Bundel VII).

Hirsch, Bloemen-(]orso. „Blumen-Gavotte.quot; No. 94 (Bundel X).

lö Vhat! Studentenlied voor Piano en zang. No. 15 (Bundel VIII).

Ivauoviclj^Douauflellen. Rumeensche Wals. No. 95 (Bundel IX).

Jerwits, Sneeuwklokjes. „Veilchen im Schnee.quot; Gravotte. No. 74

(Bundel I).

Jfli komt ran avond de deur «iet meei' uit! Met het trio; Het zachte, zoete, Heye, teedere Pst! Pst! Pst! Marsch voor Piano. No. 14 (Bundel VII;.

Komm merbirn.! Tyrolerwals en Hongaarsche Polka. Voor Piano. No. 22 (Bundel VII).

Krog, Oer Tyroler und sein Kind. „Wenn ich mich nach der Heimath sehn.quot; Voor Piano en Zang. No. 10 (Bundel VIII).

Lamothe. De Indische Post. „La malle des Indes.quot; Galop voor Piano. No. 55 (Bundel III).

Leeocq, La fille de Hladame Angot. Quadrille in 5 afdeelingen. Amusant stuk voor Piano, zeer gezochte dans. No. 68 (Bundel II).

Lichuer, In vrool(Jke luim. „In heitrer Laune.quot; Zeer amusant stuk voor Piano. No. 27 (Bundel IX).

Lindeman, Lindeman, Wat gaan jou de meisjes an? Vroolijke

Ghansonnette. Hollandsche coupletten voor Piano. No. 63 (Bundel II).

Ludo.ic. Oranjebloesems. Brillante Wals voor Piano. No. 48 (Bundel III).

Lntz; l'as de ((oatre. Nieuwste dans-aria. No. 87 (Bundel VII).

lïïasvagni, Caralleria llnsticaua Intermezzo sinfonico. No. 80. (Bundel I).

ocr page 248

238

leiidelssohn, Bodueits-Harjcli aus „Ein Sommernachts traum quot; No. 13 (Bundel IX).

fieudelssohn-Uartholdy, VenetiaaBseh-GoBilelUed. No. 86 (Bundel VII)'

fflétra, lie goede Bazaar. „Les volontaires.quot; Marsch-Polka voor Piano. No. 23 (Bundel V).

nillöcker. Voor 't Vadirland. Marsch naar motieven uit „Der Bettelstudent.quot; Voor Piano. No. 31 (Bundel VI).

Bljii Nederland, ik heb IJ lief. Volkslied van Oostveen Muziek van v. Rossüm, voor Piano en Zang. 3e druk. No. 1 (Bundel IX).

Neeke, Champagner ffein, dn edler Weiu! Wals voor Piano. No. 11 (Bundel IX).

Nessler, Behüt' dich (Jott, es war' zn schöü gewesen. Jüng Wee-nER's Afscheidslied uit „Der Trompeter von Sakkingen.quot; Voor Zang en Piano. No. 26 (Bundel V).

Oesten, Vergeet my niet, het woord der liefde. „Das Bild der Rose.quot; Gemakkelijk muziekstuk voor Piano. No. 36 (Bundel IV).

Oude Tante (Be). Kerrnismarsch voor Piano. No. 3 (Bundel IX).

Paladilla, lundolinata. Tekst in 4 talen (Italiaansch, Fransch, Duitsch en Hollandsch). Voor Piano en Zang. No. 18 (Bundel V).

Peter, Be lideele Kopcrsmid. Humoristische Marsch met Zang. (Hollandsche coupletten). Een geschikt stuk met accomjoagne-ment van piano om op vroolijke partijen, bruiloften etc. te worden voorgedragen. No. 67 (Bundel II).

Half, Lievelings-hloempje „Fleurette.quot; Romance voor Piano. No. 84 (Bundel IX).

R-diensch, Kanapee-flamb, voor Piano. No. 12 (Bundel X).

Reissijer, „Spauien 'ist mein Biemathlaiiil.quot; „Fern im Süd das schöne Spanien.quot; Lied van Em. Geibel, voor Piano en Zang. No. 8 (Bundel X).

Rlvner, Jagers-lüarsch, „Landjager-Marsch.quot; Een keurige Marsch voor Piano. No. 24 (Bundel VII).

Roth en Ferroii, Onze Bon Joans. „Unsre Don Juans.quot; Lustige

Marsch voor Piano. No. 73 (Bundel I).

Sartorio, Royal polonaise, voor Piano. No. 96 (Bundel IX).

Schlichting, Stettiner Kreuz-Polka Voor Piano. No. 100 (Bundel X).

Schnéklüd, Akrobaten Galop. „The Acrobat's Galop.quot; Vroolijk Salonstuk voor Piano. No. 53 (Bundel III).

ocr page 249

239

Schrader, De Speeldoos. Effectvol Salonstuk. Imitatie voor Piano No. 45 (Bundel III).

Schrammel, ffien bleibt fl'icn! Marsch für Pianoforte. No. 97 (Bundel X).

Schubert, Am Meer. Gedicht von Heinrich Heine. Mit Begleitung von Pianoforte. No. 82 (Bundel VI).

Schubert, Les Lanciers. Quadrille. De meest gezochte Quadrille voor Piano. No. 71 (Bundel I).

Schnier-Marsch. (Schuieren moet je maar!) Met het trio: Uaagsche Leen voor Piano. No. 2. (Bundel X).

Simon, De kleine Kokette. „La petie coquette,quot; Melodieus Salonstuk voor Piano. No. 83 (Bundel VII).

Simon, Raleltongetje. „Plappermaulchen.quot; Melodieus Salonstuk voor Piano. No. 98 (Bundel X).

Stranss, An der »chönen blanen Donan. Een der meest gezochte Walsen van Strauss voor Piano. No. 28 (Bundel V).

Stranss, Egyptische Hlartch. Keurige karakteristieke Marsch voor Piano. No. 42 (Bundel IV).

Stranss, La YardOTienne. Voor liefhebbers van dansen een onmisbaar muziekstuk. No. 58 (Bundel VI).

Stranss, Jlorgenblatter-Wals. Groote brillante Wals voor Piano. No. 64 (Bundel II).

Snppe (tou), Boccacelo-JIarsch. Praai Salonstuk voor Piano No. 56 (Bundel III).

Sn^anna-Wals. Vroolijk muziekstuk met Zang en Wals voor Piano. No. 46 (Bundel VI).

Vanderlandsche Volksliederen. „Wien Neerlandsch bloed, Wilhelmus en Wü leven vrij.quot; Onze 8 nationale liederen. No. 57 (Bundel VI).

Verdi, Miserere en Romance uit De Troubadour, voor Piano. No. 17 (Bundel VII).

Verdreren van huis Ballade voor Piano en Zang. No. 5. (Bundel X).

Vergnnning-Wals. Naar de bekende Melodieën: „Heimliche Liebe,quot; „Laura,quot; enz., voor Piano. No. 9 (Bundel IX).

Wagner, Jloederziel alleen. „Mutterseelen allein.quot; Gemakkelijk muziekstuk voor Piano. No. 33 (Bundel VI).

M'agner, Hoor en Marsch nlt de opera Tannhitnser. Fraaie muziek en keurige Marsch uit deze opera. No. 50 (Bundel V).

Wagner, Voor Iroon en Vaandel. „TJnter dem Doppel Adler.quot; Marsch voor Piano. No 99 (Bundel X).

ocr page 250

240

Wiildmaiiii, liet Visschi rsmt'iNjcs. „Das kleine Fischornuidchen.quot; Salonstuk naar hot bekende lied voor Piano. No. 85 (Bundel VI).

Waldmaun, looals g|j! ,So wie du!quot; Wals voor Piano. No. 75. (Bundel I).

Mallerstein, Eene eerste liefde. „Un premier amour.quot; Redowa

voor Piano. No. 30 (Bundel VII).

Mallerstein, Jenuy Lind's Polka farorite. Fraaie melodische Polka

voor Piano. No 62 (Bundel II).

M'aldtenfel, Aan de Schoonste der Schooneu. „La plus belle.quot; Groote brillante en zeer fraaie Wals voor Piano. No. 54 (Bundel III).

M'aldtenfel, 31|jn droom. „Mon rêve.quot; Fraaie Wals voor Piano.

No, 65 (Bundel II).

Weber (tod), Zigenner-flarseh uit de opera „Preciosa.quot; No. 81 (Bundel VI).

Weuzel, Toen de rozeu bloeiden. „Es war zur Rosenzeit.quot; Gavotte. No. 77 (Bundel I).

„Zoo gaat ie goed, zoo gaat ie beter,quot; met „Nicolaasquot; en „ffy geneeren ous nog niet.quot; Kermis Marsch voor Piano. No. 4 (Bundel X).

IW De bundels a / I.— hebben een vasten inhoud waarvan niet kan worden afgeweken.

ocr page 251

LOUISE MUHLMCHS

historische Jlomans

Bewerkt door IM, K.

Duitschland in Woeling en Strijd

DUITSCHLAND TEGEN FRANKRIJK.

195

ocr page 252
ocr page 253

DÖ1TSCHLAM) IN WOELING EN STRIJD.

DUITSCHLAND TEGEN FRANKRIJK.

ii.

ocr page 254
ocr page 255

Vak 15:

DU1TSCHLAND IN WOELING EN STRIJD.

t

HISTORISCHE ROMAN

door

LOUISE MUHLBACH.

Bkwerkt door M. K.

DUITSCHLAND TEGEN FRANKRIJK.

BIBtlOTEC A CONV. WiJCHENS

oud. f hf '. m i h.

TWEEDE DEEL.

derde veel verbeterde druk.

Nijmegen amp; Arnhem. Geer. E. amp; M. COHEN.

ocr page 256
ocr page 257

DERDE BOEK.

PRINS LOUIS FERDINAND

1.

GEMOEDSUITSTORTINGEN.

„God zij geloofd! Een eerste overwinning op hetFran-sche gespuis! Wat hebben zij geloopen bij Bois-le-comte voor generaal Glerfait en zijn dappere troepen! En zij waren toch tienduizend man, en Glerfait had slechts een paar regimenten lichte Pruisische ruiterij! Ik zeg u, Frie-drich Wilhelm, dit bericht is balsem voor mijn krank hart, en heeft het bijna weder gezond gemaakt! Een eerste overwinning op de Sans-culottes! Verheug u dus Friedrich, jubel toch met mij!quot;

„Ik wilde dat ik het kon Louis,quot; zei de Kroonprins schouderophalend: „maar ik kan helaas de zaak niet met zulke triomfantelijke oogen aanschouwen als gij, en ik vrees, wij zullen ons met deze kleine overwinning, spoedig over groote nederlagen moeten troosten !quot;

„En waarom vreest ge dat mijn waarde? Waarom wilt ge u niet liever verheugen over hetgeen wij reeds gewonnen hebben, om u hierdoor te laten bezielen tot een gelukkige hoop

„Wijl ik niet, gelijk gij, slechts naar het kanongebulder en het trompetten en blazen der regimentsmuziek luister, maar ook een weinig geluisterd heb naar het fluisteren en brommen der diplomaten.quot;

„Wat? Zijn deze slangen en hagedissen reeds weder in het Paradijs van ons kampementsleven geslopen?quot; vroeg prins Louis Ferdinand driftig, terwijl hij werkelijk ver-.schrfkt, zijn paard met een korten ruk inhield.

ocr page 258

6

De Kroonprins knikte. — „Zij zijn er in, midden er in. Louis, en ik vrees, zij zullen ons het Paradijs van het kampementsleven bederven, — daar gij nu toch eens deze prachtige uitdrukking gebruikt hebt voor het jammerlijk leven, dat wij hier in slijk en regenbuien leiden, met geen anderen vijand voor ons, dan den honger en den regen, en met geen ander uitzucht in de toekomst, dan dat het nóg erger wordt. Een fraai paradijsleven, dat moet ik zeggen; als men tot het lijf doornat is, zonder hoop ooit weder droog te worden, of de beroemde zon van Provence ooit van aangezicht tot aangezicht te zien; als men niets te eten krijgt, en ziet hoe den armen hongerigen soldaten de kleeren^letterlijk van het lijf rotten. Het hart bloedt mij, als ik de arme kerels zoo treurig en gehavend zie nsarcheeren! Vroeger waren zij vroolijk en welgemoed, en nu hoort men nergens meer een lustig lied of een aardige grap; alles is stil en verdrietig, en daarbij zien de kerelb er uit, dat men zich moet schamen als men ze aanziet. Mijn hart heeft letterlijk gebloed, toen ik heden mijn regiment liet opmarcheeren; niets dan misnoegde, hongerige gezichten en vuile gescheurde uniformen!quot;

„Nu inderdaad,quot; lachte Louis Ferdinand schouderophalend; „zoo proper als op de paradeplaats te Potsdam kan uw regiment er niet uitzien, en uit uwe doozen kunt ge geen frissche, nieuw opgepoetste kerels nemen. Maar wat is aan een beetje modder; —een beetje haveloosheid, en een beetje honger gelegen! Wij hebben toch een eerste overwinning op de Franschen behaald, en de kerels hebben het hazenpad gekozen. Dat heeft onzen soldaten beter gesmaakt dan een middagmaal, en buitendien kunnen zij zich niet beklagen, dat wij iets op hen vóór hebben; wij zien er immers óók niet zeer salonachtig uit, en ik kan niet zeggen, dat ik mij in overvloed gebaad heb. Maar ik beklaag mij niet, want dat is juist de oorlog; en 't is iemand een lust te ontberen, te hongeren en te dorsten, als men ziet, dat het zelfs den Koning niet beter gaat. Hij heeft óók niets'te eten, en de regen doorweekt hem evengoed als ons allen. Mij behaagt echter de Koning in zijn doornatte uniform bier in het veld veel beter, dan in zijn met goud gehord uurden flu weel en rok in 't salon te Potsdam, en 'tis heerlijk van Zijne Majesteit, dat hij

ocr page 259

7

't niet beter wil hebben dan wij anderen, en niet eens een mantel omgedaan beeft, toen wij beden morgen op marsch gingen !quot;

„Maar de uitgewekenen hebben hierover een groot woord gevoerd,quot; zei de Kroonprins glimlachend: ,,en 't heeft mij verlustigd, hun bekommerde gezichten te zien. De markies de Bouillé kwam naar mij toerijden met allertreurigst gebaar en schier snikkend, en op den toon van den diep-sten jammer verzocht hij mij, Zijne Majesteit te bezweren, zich niet zoo roekeloos aan het slechte weder bloot te stellen, maar ten minste in den plasregen een mantel om te slaan. — Ik antwoordde den waardigen markies, dat wij allen ons juist verheugden, den Koning zoo zonder mantel, en zich aan al de ongemakken van het weder prijsgevende te zien, en dat bij ons de Koning gewoon is, alle vermoeienissen van zijn leger te deelen. Weet ge wat mij de teedere hoveling hierop antwoordde ? Hij zei-de mij: wij bewonderen Zijne Majesteit, doch't was maar ongelukkig, dat de Fransche prinsen nu gedwongen waren, 's Konings voorbeeld te volgen, en ook zonder mantel te gaan. Zij waren tengevolge hiervan reeds tot de huid doornat, — jammerde de markies, en hierbij vloeiden hem de tranen over de wangen alsof een wolk uit den grijzen hemel hierboven, zich in zijne oogen verloren had, en jer uit regende. Ik haat dit Fransche hofgepeupei, deze poma-dehelden, die iemand den lust aan dezen oorlog konden bederven, als men bedenkt dat het om hunnentwille is dat wij en onze arme soldaten al deze ellende en nood dulden!quot;

,,Niet om hunnentwille, Friedrich,quot; zei prins Louis levendig; „om het koningschap, om de idéé, en eindelijk ter wille van den haat, dien wij allen gevoelen moeten tegen de muiters en oproerlingen, de sans-culottes en republikeinen ; — om dit alles voeren wij oorlog. Maar ik moet, helaas, toestemmen, dat de Fransche prinsen iemand geen geestdrift inboezemen kunnen voor de zaak, welke zij vertegenwoordigen, en dat, hoe meer men hen ziet, men zich des te meer teleurgesteld in hen vindt. Men kan het de Fransche natie niet kwalijk nemen, dat Monsieur en de graaf van Artois haar niet bevallen. Mij bevallen zij evenmin, en hoezeer mij de lichtzinnige en vroolijke manieren

ocr page 260

8

van den graaf van Artois aanvankelijk zeer verlustigd hebben; en hoezeer ik zelte zulk een ezel was, hem na te streven, en mij naar mijn wezen te vormen, ben ik toch nu van deze bewondering volkomen genezen, en ontwijk hem gaarne, zooveel ik maar kan.quot;

„En Monsieur, mijnheer de graaf van Provence, met zijn valsche oogen en imichelachtig voorkomen, deze is mij eerst recht een gruwel.quot; morde de Kroonprins ; „wij weten immers allen, dat liij mede schuld draagt aan 't geen in Frankrijk is gebeurd, wijl bij de Koningin haatte en haar uit Frankrijk verdrijven wilde, uit wrok en vijandschap, dat zij hem ter zijde gedrongen, — en meer invloed dan Monsieur op den Koning gewonnen had. En als men hem nu hoort, met welk een geveinsde teederheid hij van zijn verheven schoonzuster spreekt, en hoe hij haar ongeluk beklaagt, en van haar onkreukbare en zuivere deugd spreekt, — hij, die toch met zijn pamfletten, paskwillen en spotdichten de arme Koningin het meest verdacht beeft gemaakt! Ik kan het volstrekt niet uitstaan, en zijn zalvende redenen maken mij altoos zoo ongeduldig, dat ik altijd liever heenga, om hem geen barscb antwoord te geven. En wat de prinsen ons al hebben voorgezwetst van de liefde en vervoering, waarmede bet Fransche volk hen verwachtte! 't Is alles logen, alles huichelai'ij ! Ik wasjuist te Verdun bij madame Morand, toen de Fransche prinsen hun intocht deden, zeer statig en plechtig in open rijtuigen. Maar ik heb niet bespeurd, dat dit eenige blijdschap verwekte. Te Longwy was het nóg erger; daar lachten de menschen, toen de graaf van Provence op zijn ouden schimmel, met den olijftak in de band, zijn intocht deed.quot; ')

„Ik had het wel eens willen zien,quot; lachte prins Louis: „maar zeg mij eens, mijn lieve geheimhoudende jongeling, wie is madame Morand, uit wier venster gij te Verdun den intocht der prinsen hebt gezien ?quot;

„Madame Morand is een zeer eerwaardige en beminnelijke dame, welke ik op het bal in bet raadhuis heb lee-ren kennen.quot;

„En heeft deze dame niet een zeer aardige en beminnelijke dochter ? — Waai'om wordt ge plotseling zoo rood

1) Het eigen woordelijk verhaal van den Kroonprins. Zie: F. Förster, Neue und neueste Geschichte. Preussens. I, 210

ocr page 261

9

en wendt uw gelaat af? Ha, ik heb u betrapt! Ge zijt eindelijk óók in de strikken van den loozen god gevallen; ge hebt eindelijk óók eens uw terughoudendheid verloren tegenover een uit stof geboren vrouw?quot;

„Ik bid u, Louis, lach niet,quot; riep de Kroonprins knorrig: „het doet mij leed u zoo te hooren lachen, en met alles wat rein en goed is, spotten, 't Is treurig, dat ge aan niets meer gelooft, en geen achting meer hebt voor de vrouwen. Maar ik bid u ernstig, niet moer te schertsen en te spotten over mademoiselle Morand, en veel minder, te denken dat ik soms verliefd op haar hen, of zelfs een liefdesbetrekking met haar aangeknoopt zou hebben. 0 neen ; ik acht haar veel te hoog hiervoor, en zij is een veel te quot;rein en onschuldig wezen, dan dal aan iemand in hare tegenwoordigheid minder edele of misdadige gedachten konden invallen, en —quot;

„En gij zijt zelf veel te deugdzaam,quot; viel houis hem in de rede: ,,dan dat ge ooit zulke misdadige gedachten zoudt kunnen koesteren, om een vrouw voor een vrouw te houden, en niet voor een uit den hemel nedergevallen engel! Wat deze schoone, kleine Morand betreft, zoo —quot; „Zoo bid ik u, niet meer van haar te spreken,quot; riep de Kroonprins driftig: „het doet mij pijn haar te hooren belasteren,! Ik wil u echter iets zeggen : zoo zij een geboren prinses was, — al ware 't uit het kleinste, erbarmelijkste vorstenhuis, als ware het uit Reuss-Schleiz-Loben-stein, dan zou ik mijn hart veroorloven, met andere gevoelens aan haar te denken, en zou er alles op zetten, haar te winnen en tot mijn gemalin te verwerven. En dit moet ik u 'óók zeggen: dat mademoiselle Morand, zoo zij een geboren prinses ware, niet beter opgevoed, bevalliger en van fijner manieren kon zijn, dan zij thans is, en dat zij den machtigsten troon der wereld geen oneer zou aandoen. Daar zij echter tot mijn spijt geen geboren prinses is, moet ik het mij ontzeggen, mij met andere, dan rustige en vriendschappelijke gedachten met haar te onderhouden, en ik verzoek u dus, mij niet weder met zulke plagerijen te kwellen. Ik wilde, dat de schoone mademoiselle Morand mijn wettige gemalin kon worden! Daar dit echter geheel onmogelijk is, hoed ik mij wèl, mij dikwerf met haar liefelijk beeld bezig te houden, hoewel het zeer duidelijk

ocr page 262

10

in mijn hart staat. Maar voor een ongelukkige liefde, of zelfs voor een lichtzinnigen hartstocht, ben ik nu eenmaal niet geschapen, en ik hoop, dat mijn hart zich nooit in dergelijke afdwalingen verliezen zal. En dit zii ons laatste woord over de schoone en deugdzame mademoiselle Morand.quot;

„Benijdenswaardig mensch!quot; riep prins Louis: „Welk een edel, deugdzaam en goed hart, welk een echt ridderlijke geest! Ach, Friedrich, ik wenschte, dat ik u kon gelijken; ik wenschte, dat mijn geest even rein en deugdzaam was als de uwe! Ik benijd u en evenwel — en evenwel beklaag ik u!quot;

„Ge beklaagt mij?quot; vroeg de Kroonprins, en de glimlachende blik zijner fraaie, bruine oogen richtte zich op het ernstige, schoonequot; gelaat van prins Louis; „Mag ik weten waarom ge mij beklaagt?quot;

„Ik beklaag u, wijl gij nooit de zalige smart, de hemelbestormende vervoering van een wezenlijken hartstocht gevoelen zult. Ach, als alle gedachten, alle droomen vervuld zijn met de éénige geliefde, aangebeden vrouw; als men voor een kus van haar, zijn bloed droppelsgewijs zou willen geven; als iemands hart tot berstens klopt, bij den klank harer stem; als bij de aanraking van haar vinger, iemand bet bloed als vlammend vuur door de aderen jaagt; als men duizend levens zou willen geven, voor één uur in hare tegenwoordigheid, — dati is men gelukkig, dan benijdt men de goden hunne olympische vreugden nie/; dan is men zelf een god, en alle verrukkingen der aarde en des hemels vlammen in onze zielen, en juichen in onze harten! O, zalige, zalige liefde, o gloeiende hartstocht! Wie u gevoelt mag van zich zeggen, dat hij het Paradijs verworven heeft, en die zal 'took geduldig lijden, zoo de God der goden hem uit het Paradijs verjaagt! Hij zal toch altoos terugkomen, toch altoos met het heiligste gevoel zijns harten het Paradijs veroveren, en zich altoos weder aan de verlokkingen der aangebeden Eva overgeven! Ik groet u, mijn Eva; ik verlang naar u, en hoezeer ik in uwe oogen mijn verderf, —en in uwen glimlach mijn dood gelezen heb, laat ik tóch niet van u af: ik wil u zoeken en wedervinden. al moest ik een jaar mijns levens voor één minuut in uwe armen geven!quot; — Als een gloeiende

ocr page 263

11

vuurstroom vloeiden deze woorden van zijn lippen; als in een verheerlijking straalde zijn fraai, verrukt aangezicht; en zijn groote, vlammende oogen staarden met een zalig glimlachenden blik in de verte, als aanschouwden zij daar de Eva, welke hij had opgeroepen met zijn liefdes-dithyrambe.

Den Kroonprins werd het bang en onaangenaam te moede ; hij zag met een schuwen blik naar den prins, van wiens hartstochtelijke vervoering hij volstrekt geen begrip had.

„Ge zijt wederom verliefd,quot; Louis, zeide hij schier verstoord : „ge hebt u weder door de zwarte oogen van een andere kokette laten verleiden, en zult nu ter eere uwer liefde, weder een menigte dolle en overmoedige streken uitvoeren, die mevrouw moeder vreeselijk beangstigen, en den heer vader toornig maken!quot;

„'t Kan zijn, mijn veelgeliefde, wijze neef,quot; lachte prins Louis: „maar ik ben nu ten laatste toch aan den angst van mama en den toorn van papa ontwassen, en moet mijn eigen weg gaan, zonder mij nog langer aan den leiband van vrome, kinderlijke liefde te laten leiden!quot;

„'t Zou echter, geloof ik, beter zijn zoo gij het deedt, vriend; want voor menigen gevaarlijken val, en voor me-nigen afgrond zoudt ge dan zeker beveiligd zijn!quot;

„Maar dan zou ik mij op geen enkel gebied verdienstelijk kunnen maken; en liever wil ik in een afgrond mijn leden verpletteren, en zoo boeten voor mijn eigen schuld dan in mijn bed te sterven, en op mijn grafsteen geen opschrift te hebben dan dit; ,,Hij was een gehoorzaam zoon en ging vreedzaam door het leven, behoed door mama, en op eerbare wegen gehouden door papa.quot; quot;

„Ge zijt en blijft een overmoedig genie,quot; zei de Kroonprins : ,,en het baat volstrekt niet, u moraal te willen prediken. Men moet u maar laten begaan. Maar ik zou u toch willen bezweren, vriend, uw hartstocht een weinig te beteugelen, en er u niet door te laten beheerschen. Artois heeft mij met allerlei boosaardige aanmerkingen verhaald, dat hij u betrapt had bij een renrlez-vous met een der dames, die met de Fransche prinsessen van Ko-blentz zijn gekomen. Hij zegt dat zij de gevaarlijksle nix van den Rijn is, en door haar echtgenoot er op afgericht om rijke, aardige en bijzonder aanzienlijke edellieden te

ocr page 264

12

betooveren. Het schijnt een zonderlinge echt te zijn, waarin mijnheer de baron von Ehrenfelt met zijn soi-dissaut echtgenoote leeft. Zij moet de edellieden door hare koketterieën lokken, en geschenken van hen afpersen; en hij ruïneert hen vervolgens ais bankier bij het Faro, want hij is speler van beroep. Artois heeft mij vier tot zes voorname edellieden genoemd, die door dit lieve echtpaar letterlijk zijn uitgeplunderd, en heeft mij tot plicht gesteld u te waarschuwen.quot;

„Maar hij heeft zich wel gewacht zich zeiven met deze waarschuwing te belasten ; want hij weet zeer goed, welk antwoord ik hem er op zou gegeven hebben.quot;

„Nu, mag ik vragen welk?quot;

„Uit antwoord!quot; riep prins Louis met bliksemende oogen en van toorn blozende wangen: „Ik zou gezegd hebben ; „Lasteraar en logenaar, denk aan het bosch van Grandpré!quot;quot; Vervolgens zou ik hem mijn handschoen op zijn lasterlijke, laffe lippen hebben geslagen, en de schelm zou het opgenomen hebben als een vroolijke grap, en uit deze doodelijke beleediging, een zeer aangenaam amusement gedraaid hebben. Ik bid u, Friedrich, luister niet naar deze lasterlijke aantijgingen, of zoo ge het tócb wilt, wees dan ten minste zoo barmhartig, mij niets van die logens te herhalen. Ge doet mij er smart mede, pijnlijke smart, — want ik zeg u, ik bemin deze vrouw; de gedachte aan haar is mijn vreugde, mijn verrukking, mijn foliering en mijn lust. Ik zou mij om harentwille tot don Quichot kunnen maken, en de geheele wereld doortrekken om haar te zoeken!quot;

„Nu, dan zoudt ge waarlijk niet ver te zoeken hebben,quot; zei de Kroonorins spottend : „Elk kind te Koblentz kent, zooals mij Artois zegt, — het roofridderpaar, want zoo noemt daar iedereen den baron en de barones, — en als men vraagt hoe het Slot heet, dat ginds aan den oever van den Rijn beneden Koblentz op de steile rotspunt ligt, antwoorden de menschen; „Dat is de muizenval!quot; en niemand denkt er aan, het slot Windeck bij zijn wezenlijken naam te noemen.quot;

„Slot Windeck!'' riep prins Louis juichend: „Nu heb ik 't dus, nu weet ik het. En heb tóch trouw mijn gelofte gehouden; ik heb niet gevraagd en niet onderzocht, en

ocr page 265

13

weet nu toch en heb gevonden, wat ik niet zoeken mocht! Ik tlank u, Friedrich, ik dank u! want nu ben ik gelukkig, nu beu ik vroolijk en tevreden, en nu bid ik God uit den diepsten grond mijns harten, dat wij heden, of morgen, of overmorgen, eindelijk een veldslag mogen hebben, die over de overwinning beslist en aan den oorlog een einde maakt, of ons ten minste een wapenstilstand geeft, opdat ik geen déserteur moge worden, die het vaandel^ontvlucht!quot;

„Ik bid u om Godswil, Louis, spreek niet zulken onzin!'' riep de Kroonprins geheel verschrikt en angstig, terwijl hij een schuwen blik achterom sloeg op de officieren, die achter beide prinsen voor de gelederen der soldaten stonden: „Goddank,quot; voer hij gerustgesteld voort. „Zij luisteren allen naar het kanongebulder, dat uit de streek van Valmy tot ons komt.quot;

„En hebben daarbij een tamelijk verdrietig voorkomen;quot; vulde Louis Ferdinand aan: „zij kunnen 't nog altoos niet vergeten, dat zij gisteren hun middagmaal moesten missen, en verder macheeren, toen men juist met het koken bezig was. Ik beken ook, dat het mij zelfs eenigszins leed doet, als ik er aan denk, dat ik juist voornemens was mij met mijne officieren aan een ketel bouillon neder te zetten, toen het bevel tot oogenblikkelijken opmarsch kwam; en het tieren der soldaten vond in mijn hart een lichten weerklank. Als iemand het middagmaal voor den neus wordt weggenomen, zonder uitzicht en hoop op een avondeten, dan behoort dit niet tot de verrukkendste momenten van het oorlogsleven, en ik beken, dat mij thans een klein ontbijt zeer welkom zou zijn.''

„Nu, 't is geen schande te bekennen, dat het mij evenzoo gaat,quot; zei de Kroonprins glimlachend: „men heeft wel het recht, om te erkennen dat men honger heeft, als men in vier-en-twintig uren niets heeft gegeten. Zoo men maar wist hoe het eindigen, — en wat van de dag van heden eigenlijk worden zal. Wij zijn gisteren zoo haastig opgebroken, wijl men ons zeide, het gold den vluchtenden vijand te vervolgen. Wij zijn met stormmarsch voortge-rukt, en nu des morgens zien wij ons tegenover den vijand; 'tis echter geen vluchtende vijand, maar hij staat, en schijnt tot den slag bereid. God geve, dat het er eindelijk toe komt!quot;

ocr page 266

14

„Het zal er toe komen, het moet er toe komen. Hoort ge niet, hoe ginds rechts de kanonnade steeds sterker wordt? Dat is de prins van Hohenlohe, die reeds met de voorhoede van den vijand in gevecht is. O, zoo toch maar de zon te voorschijn kwam, zoo deze ondragelijke nevels optrokken, en men zien kon!—Den gehaten, den verlangden, den geliefden vijand zien kon!quot;

II.

EEN BLADZIJDE UIT DE GESCHIEDENIS.

Dit gesprek werd door de beide prinsen, in den vroegen morgen van den 20 September, — voor het front hunner kolonne staande, —gevoerd. Men had zich den geheelen vori-gen dag, in weerwil van den onophoudelijk nederstroo-menden regen, — in weerwil van den doorweekten weg met zijn modder en diepe waterpoelen, voorwaarts bewogen, vervolgens had men bij Sommetourbe een korte nachtrust gehouden, en toen ging het in den stroomenden regen, in den grauwen morgennevel, zonder ontbijt, zonder brood, in doornatte kleederen, in verscheurde schoenen, verder.

Waarheen? Dat was de vraag, die van mond tot mond ging, die als een onoplosbaar raadsel de gelederen dei-soldaten doorliep, welke de officieren zacht de een tot den ander herhaalden, welke de commandanten en generaals niet waagden zich zeiven te beantwoorden. De vraag, welke slechts de beide operste legerhoofden, de generalissimus hertog van Brunswijk en de Koning Eriedrich Wilhelm van Pruisen hadden kunnen beantwoorden, indien — zij zeiven het over 't antwoord eens waren geweest.

Maar de Kroonprins had volkomen gelijk gehad met te zeggen, dat hij den oorlog niet vertrouwde, wijl de diplomaten zich met hunne kunsten en intriges er in gemengd hadden. Zij waren inderdaad in de laatste dagen, in het hoofdkwartier van 't leger zeer druk in de weer geweest, en parlementairs en bemiddelaar waren heen en weder

ocr page 267

15

gegaan. De generalissimus was een veel te voorzichtig en bedachtzaam veldheer, dan dat hij niet, vóór een open veldslag te wagen, alle kansen onderzocht, alle mogelijkheden van vrede en vergelijk in overweging zou genomen hebben. Hij had derhalve ook het oor niet willen sluiten voor de zachte stemmen, die tot hem spraken van een mogelijke vereeniging der Fransche en Duitsche legers tegen het oproerige Parijs, dat in deze Septemberdagen een bloedende prooi der Sectionisten en Jakobijnen was geworden. En deze van bloed druipende revolutionairen handen de koninklijke familie gevangen genomen en bedreigden haar leven, met naar wraak dorstende grimmigheid.

Heimelijke boden waren van de arme koninklijke gevangenen uit den Temple gekomen en hadden korte, laconieke brieven van Lodewijk den Zestienden, zoowel aan den Koning van Pruisen, als aan den generalissimus, den hertog van Brunswijk, zoomede aan de Fransche prinsen gebracht.

In al deze brieven bezwoer de Koning den bondgenoo-ten terug te keeren, geen vijandelijke aanvallen te doen, maar Frankrijk te verlaten, om zijn leven en dat zijner familie te redden.

„Zoo de geallieerden de Fransche armee in een veldslag overwinnen,quot; schreef de Koning: „zullen de vijanden'van het koningschap, die thans te Parijs de onbepaalde macht en heerschappij in handen hebben, het mij en mijne familie laten ontgelden. In plaats van ons te bevrijden, zullen zij slechts onzen dood, — en het uitroepen der republiek verhaasten.quot; —

„Wij moeten dus met zulke gezwinde marschen en met zulk een overweldigende macht naar Parijs gaan,quot; sprak de Koning; „dat wij er zijn, vóór de moordenaars en muiters den tijd hebben gehad, hun bloedige misdaad te voltooien.quot;

„Wij moeten met voorzichtigheid en overleg te werk gaan,quot; zei de hertog van Brunswijk; „wij moeten alle kansen, alle mogelijkheden onderzoeken, en zoo wij van de overwinning niet volkomen wis en zeker zijn, is het beter om-te-keeren en eiken slag te vermijden, want wij redden hierdoor misschien het leven van den Koning, terwijl een

ocr page 268

16

verloren yeldslag, — of misschien reeds in 't algemeen een veldslag, — het doodvonnis voor de koninklijke familie is.quot;

En daar waren de geheime boden van generaal Dumou-riez, de bemiddelaars van generaal Kellermann, die den generalissimus toefluisterden: „Keer om; redhetFransche koningspaar, door de vijandschap tegen de Fransche natie op te geven!quot; — „Gun mij tijd,quot; fluisterde door zijn boden de generaal Dumouriez; „tijd, om mij zeiven, sterk en gewapend, met mijn leger tegen Parijs te wenden, en mij tot beschermer van het constitutioneele koningschap te verklaren. In-Parijs is alles in de grootste verwarring; de Septembriseurs zijn de schrik der Parijzenaars, en zij verwachten mij en mijn leger verlangend, om van deze bloedige revolutionaren bevrijd te worden, en zich onder de bescherming onzer bajonetten, voor het constitutioneele koningschap te verklaren. Laat dus de vijandelijkheden slechts zóó lang rusten, tot ik te Parijs ben gekomen, en de koninklijke familie uit de handen harer woedende vijanden bevrijd heb.quot;

Maar daar waren anderzijds de Fransche prinsen ; zij belegerden het oor des Konings en fluisterden: „Sire, voorwaarts naar Parijs; voorwaarts met geforceerde marschen, om het bedreigde koningschap te redden. Het geheele Fransche leger is koningsgezind, en zal, zoodra de geallieerden dicht tegen hen overstaan, met klinkende muziek en vreugdekreten overloopen, en gemeene zaak maken met de bevrijders van het vaderland en de koninklijke familie. Voorwaarts dus, sire, voorwaarts naar Parijs.quot; —

En de Koning, in zijn fier en moedig hart met de Fransche prinsen instemmend, had met zijn machtwoord den 19 September het voorwaartsrukken doorgezet, en hierdoor het leger zijn middageten en nachtrust doen verliezen. De generalissimus had voor den wil des Konings gebogen, en van Sommetourbe was men voorwaarts gerukt tot Valmy.

Daar stond men nu op den morgen van den 20 September, en vóór nog de morgennevel was opgetrokken, verkondigde het uit de verte dreunende kanongebulder, dat de voorhoede der geallieerden, — welke de prins van Hohenlohe aanvoerde, — reeds in gevecht was met de Fransche armée.

ocr page 269

17

Dit kanongedonder zeide echter den Koning, dal de Fransclie prinsen hem misleid hadden; dal het Fransche leger, in plaats van juichend lot de bevrijders over te ioopen, jnet verbittering streed legen de geallieerden, als tegen hunne vijanden.

Dit kanongedonder zeide den generalissimus, dat de sluwe Dumouriez en de krijgskundige Kellermann hem slechts door onderhandelingen opgehouden hadden om tijd te winnen, teneinde hunne legercorpsen te vereenigen en tegenover den vijand een vaste positie in te nemen.

'1 oen nu de morgennevel optrok, moest zelfs de Koning erkennen, dat de vrees van den generalissimus wèl gegrond was. Terwijl de geallieerden gedraald, — en naar de inblazingen der onderhandelaars gehoord hadden, waren de legercorpsen van Kellermann en Bournonville aangekomen, hadden zich met Dumouriez vereenigd, en namen nu op de hoogten bij Valmy en verder benedenwaarts in de vlakte, een veilige en onaanlastbaren stelling in. Want op dehoog len slonden de ka-nomien van Kellermann en bedreigden vandaar den vijand bij zijn aanrukken met gewis verderf en donderden hun dreigenden strijdkreet reeds uitdagend den geallieerden toe.

Hunne voorhoede, onder den prins van Hohenlohe, had intusschen ook eenige hoogten tegenover den vijand bezet, en gaf nu mei de Pruisische batterijen antwoord op hel donderen der Fransche kanonnen.

In hel Pruisische hoofdkwartier streden intusschen twee verschillende meeningen met toornige heftigheid. De Fransche prinsen bezwoeren den Koning bevel tot den aanval te geven, de aanrukkende legers met den stormpas tegen den vijand le laten avanceeren, hem tot den slag te dwingen, en hierdoor het overloopen der Fransche armee gemakkelijker te maken.

De hertog van Brunswijk echter, — in zijn hoedanigheid van generalissimus, — bestreed deze idéen der Fransche prinsen en der oorlogspartij quand-même, en verklaarde: dal het aannemen van den veldslag thans een ontzaglijke misslag zou zijn, en een onvermijdeliike nederlaag ten gevolge zoude hebben.

Terwijl nu de veldheeren twistten en streden, stond het leger der geallieerden strijdvaardig in slagorde; de generaals waren bij hunne brigaden, de kolonels bij hunne regimen-

Mühlbach, Duitschland in Woeling en Strijd. VI. 2

ocr page 270

18

ten, de kapiteins en luitenants bij hunne compagnien en pelotons. Alles wachtte, alles verlangde ongeduldig, verbitterd door strijdlust, ook door honger, — den beslis-senden veldslag; luisterde naar het sissen der kanonkogels, die heen en weer vlogen, verbeidde den gewenschten kreet: „Voorwaarts! Op den vijand!quot; — maar verbeidde

dezen kreet steeds tevergeefs!

Was 't dus wonder, dat men zich eindelijk, — het wachten moede — zijn honger herinnerde; dat men ten minste dezen zocht te bestrijden, daar elke andere strijd nog op

zich liet wachten? . ,-u -j

De dorpen, gehuchten en hoeven, die in de nabijheid la^en en zich in den kring der slaglinie bevonden, werden met alles wat zij eetbaars bevatten, den hongeringen so daten spoedig een buit. Ieder wilde zich schadeloos stellen voor het gestoorde middagmaal van gisteren; ieder wilde zich versterken voor nieuwe vermoeienissen en bezwaren. En niet alleen de gewone soldaten, — ook de officieren, de kapiteins en oversten namen deel aan het algemeen fourageeren; en terwijl de kanonnen donderden, begon ieder het gevecht met den woedenste aller vijanden, met

den honger! n , •* i *

Op de punten der sabels stak men de buitgemaakte,

snel geplukte hoenders in het haastig ontstoken vuur, om ze te braden. In de gloeiende asch lagen de buitgemaakte eieren, — welkome lekkerbeten voor de t ransche^ uitgewekenen, die slim en handig de eersten waren ge veest, om de gastvrijheid van hun vaderland in de hoenderhokken en provisiekamers te onderzoeken. Benijde gunstelingen des geluks die eieren koken en wittebrood erbij eten kon-den! Welk een lekker, heerlijk maal!

Zelfs een Koning kon dit heden benijdenswaardig voorkomen ; zelfs de 'Koning had te midden der conferentie, die beslissen zou over het leven en bloed van zoo vele duizenden, een oogenblik aan zijn persoonlijke gedachten en wenschen gehoor gegeven, en met een zachten zucht, tamelijk hoorbaar bij zich zei ven gezegd: „Ik heb honger!

En geen vlugge kamerheeren waren heen geijld om deze ongehoorde mare den Hofmaarschalk en den kok te berichten; geen lakeien hadden zich gerept de tafel te dekken, en met plechtigen ernst de spijzen op te brengen!

ocr page 271

19

Do Koning heeft honger! — Maar geen kuk, geen tafel-dekker is er, en ongedekt blijft de kleine wit geschuurde tafel in het boerenhuis, dat de Koning tot zijn hoofdkwartier verheven heeft, en waarin men nog altoos krijgsraad hield over de groote vraag van den dag.

De Koning heeft honger! — Maar nóg meer hongert hij naar strijd en overwinning en voorwaarts rukken, dan naar lichamelijk voedsel; een edel toorn welt in zijn borst op en de krijgszuchtige geest van zijn grooten oom schittert in zijne oogen.

„Het is onmogelijk nu nog terug te wijken. Wij zouden ons belachelijk maken, voor geheel Europa! Laat het nu genoeg zijn met dralen en overwegen! Wij zijn naar Frankrijk gegaan om te strijden en te overwinnen. De bevolking heeft ons met ongeduld verwacht, met gejubel welkom geheeten. Onze voorhoede heeft gisteren een overwinning op het Fransche leger behaalt, en dit is, zooals onze spionnen ons berichten, thans in haastigen, overijlden aftocht. Waarom heeft men mij dit niet eerder bericht? „De Fransche armée zal mij ontkomen, wijl niemand oppast!quot; ^

„Sire,quot; riep de generalissimus heftig; „sire, ik waag te beweren, dat zij, die Uwe Majesteit gezegd hebben \iat het Fransche leger in aftocht was, voorbedachtelij k en met opzet onwaarheid hebben gesproken, om hun doel te bereiken en hunne roekelooze plannen uit te voeren!quot;

„Dat zijn zeer stoute en vermetele woorden, welke gij u veroorlooft,quot; riep de Koning toornig met luide stem : „de Fransche armée is op de vlucht, zeg ik; en 't zijn nog slechts de laatste overblijfsels er van; die ginds op de hoogten van Valmy geposteerd zijn en hunne laatste kogels verschieten, vóór zich aan ons over te geven.quot;

„Sire, 'tis de geheele Fransche armeé in slagorde geschaard, even als de onze, die ons, op de hoogten van Valmy en de vlakte verwacht!quot;

„Nu, als dat werkelijk zoo is, generalissimus,quot; riep de Koning verstoord ; „dan begrijp ik niet waarom wij nog een oogenblik aarzelen, — en ons bedenken kunnen. Ook wij

1) 's Konings eigen woord. Zie: Memoirenl von Major van liassen» bach, III.

ocr page 272

20

7iin in slagorde geschaard, ook wij zijn tot den strijd gereed. Laat ons dus beginnen, en wij zuljen dan zien, wie

de overwinnaar van dezen dag zal zlJri - zekere

Sire ik bezweer u, wil met ons veideil, on/.e zeKeie

nederlaag ! Onze soldaten zijn uitgeput van de lange vermoeienissen en ontberingen, terwijl de vijandelijke ai me kracbtiquot;- en friscb is. De vijand heeft bovendien thans een onneembare stelling ingenomen, en Uwe Majesteit vergeve mTheTwoord : het zo^ onbezonnen zijn, zoo wij een aanval met »esloten colonnes tegen dezen onaantastbaren vijand uil d en (Toen — want hij zou met onze nederlaag eindigen!

Rpter zou' ten laatste zelfs een nederlaag zijn, dan dit bespoüeliik dralen en aarzelen!quot; riep.de Koning toornig On Seheeren; laat ons dezen krijgsraad eindigen en doen waarom wij naar Frankrijk zijn gegaan: laat ons dpViP opzoeken, en hem aanvallen waar w, hem

quot;'Hu'sloncl op van zijn mallen sloel, die hem heden lol beraden toon; „Ik zal met toegeven. Ben ik van uwe toe

Sle7a°gneLZ£imUS, gezljl van onze toestemming volkomen quot;li ^ ^ quot;^leuoor'

vel bestegen had, en reeds zijne bevelen gaf tot het voor

}enhoVuden aMet triomfantelijk gelaat hield de Konfng op den kleinen heuvel stil, en gaf den zich achter hem bevin-denen officieren zijne bevelen. De Kroonprins, stralend

vreugde en verrukking, rende toe. en ~eeren

mi lop bevel had gegeven, de trom tot het opmareneeren Te roereu! hoorde min zijn luide stem, d,ezijureg.ments-mnyiek b6va.l fenfcirGn Ig lo-tGn klinkGTi.

Nu iuichte de muziek en vond onmiddellijk wee -„alm bii al de regimenten ; en aan het juichen der muziek paarde zich het gedonder der batterijen die, voorwaait

ocr page 273

21

geschoven, de kanonnon van het Fransche leger\ met luid gebulder beantwoordden.

Maar in dit beslissend oogenblik reed de hertog van Brunswijk met somber gelaat tot den Koning.

„Sire, als het inderdaad uwe bedoeling is het gezamenlijke Fransche leger aan te vallen, moet ik u verzoeken, dit op uw eigen verantwoording te doen; want ik zie mij dan gedwongen, mijn rang en mijn ambt als generalissimus der geallieerden, neder te leggen.

De Koning zag hem met verrast en toornig gelaat aan: „Gij veroorlooft u veel. Uwe Hoogheid. Uwe woorden klinken als bedreigingen, en mijnheer de generalissimus vergeet, dat hij tegenover een souvereinen Koning staat. In dit beslissend oogenblik kan ik uwe demissie niet aannemen.quot;

De hertog beantwoordde den vlammenden, toornigen blik des Konings met een tartende uitdrukking. — „Sire, en ik kan in dit beslissend oogenblik niet als generalissimus handelen. Ik bezweer Uwe majesteit, indien ik als zóódanig optreden zal, moet Zij mij laten doen, wat mijn overtuiging is.quot;

De Koning wendde zijn hoofd af. — „Doe het dan!quot;... Toen wendde hij zijn paard, en reed naar een andere zijde van den heuvel. Dra klonk een commandowoord door alle regimenten. Maar dit commando luidde: „Geweer aan den voet!''— De soldatengehoorzaamden. Het vreugdegejuich, dat zooeven nog door de krijgslustige regimenten geklonken had, verstomde, de muziek liet hare laatste fanfare galmen, en nu hoorde men heen en weder het donderen der kanonnen, die den strijd voortzetten, en elkander hunne vernielende groeten toezonden.

De regimenten stonden werkeloos; alleen de vuurmonden zetten den veldslag voort. Fluitend suisden de fransche kogels aan, met toornig brommen vlogen de pruisische heen; dood en verderf door de vuurwapens over en weer. Somber zwijgend zien ginds en hier de soldaten het toe.

De Koning stond voor zijn colonne midden in den vuri-gen kogelregen, de Kroonprins en de andere Pruisische prinsen stonden nevens hem.

„Ach, Louis, heb ik het niet vooruit gezegd? De diplomaten, de diplomaten!quot;

ocr page 274

22

„'tis onmogelijk,'' fluisterde prins Louis terug; „deslag is begonnen, wij kunnen dien onmogelijk meer tegenhouden!'' . . , ,

En terwijl zij somber en verdrietig het vreeselyk gedonder van het geschut hoorden, welks kogels zich vaak dicht nevens hen in den grond woelden, ziet men een enkelen ruiter zich van een der regimenten afzonderen, en vet dei voorwaarts rennen op zijn donker paard.

Zijn haar fladdert in den wind, zijn oog gloeit, en om den fraai geteekenden mond speelt die glimlach, die den van God gezegenden dichter zelfs niet in de moeiehjkste

en grootste oogenblik verlaat.

Ik heb zooveel gehoord van kanonnenkooi ts, zcicle Goethe tot zich zeiven, terwijl hij voorwaarts reed: „ik moet weten en doorgronden wat dat is! n

Zoo reed hij verder tot aan het voorwerk La Lune. Um hem heen speelden de kanonkogels, suisden vijandig om ziin hoofd, als wilden zij met schertsende onstuimigheid den dichter groeten, die met hunne bedreigingen en gevaren spotte. Nu stond hij plotseling onmiddellijk m de kogelstreek, en met nieuwsgierigen blik zag hy heen en

Over hem heen vlogen zoowel de vijandelijke, als viieud-

schappelijke kogels. Den dood droegen zij alle; ma^' z,-)0' wel de dood als het leven zweeft boven het hoofd van den dichter, en geeft hem den zegen der onsterfelijkheid.

Daar slaan zij onmiddellijk vóór hem in den vochtigen bodem; daar brommen zij achter hem, als waren de on-deraardsche geesten er toornig over, dat een enkel mensc i het waagt, zich tegen hen te verzetten. En plotseling woidt het den dichter zonderling te moede! ..

Het zijn niet meer kogels die om hem zweven,— t zijn onzichtbare geesten! Zij fluiten langs zijn ooren, zij von kelen in zijne oogen met vuurvlammen, zij persen zi]n hart ineen, zoodat hij nu eens meent te zullen stikken, en dan weder dat zijn borst zal bersten.

En de geesten klinken en zingen en gonzen, en zijn hoofd brandt als in vuur, en al zijn aderen kloppen. Wat is dat? Is 't werkelijk de koorts? ,. . . En oogenblik denkt hij nog . . . dan grijpt de koorts

hem aan!

ocr page 275

23

Zij schudt hem tot in het diepste merg .. .

„Wat zijn dal voor vogels, die boven mij iluiten? wat zijn dat voor golven die om mij heen bruisen?quot;

Er gaat hem een rilling door 't geheele lichaam! 't Is hier niet de streek, waar 't een dichter wèl is.

„tiet kon toch zijn, dat een dezer kogels opstuille en dan . . . dan mij trof! liet kon toch zijn, dat een kogel uit het fransche geschut mij verpletterde . . . mij en dit brandende hoofd, dat zooveel nog te doen en te denken heeft! — Ja, ik moet mij sparen, moet voor anderen nog leven en scheppen!quot; — Heeft hij dit gedacht ? Weet hij, dat hij nu zijn paard haastig omwendt? Weet hij, dat hij terugjaagt, als ware do vijand dicht achter hem? —

Hij was zich slechts bewust, dat hij als in gloeiende vlammen terugtrad; 'twas hem slechts, alsof vlatnmen sissend hem vervolgden.

Wild fladderden de lokken om zijn hoofd; zijn oogen fonkelden, hij zag alles . . . zag de hooge boomen, zag den kruitdamp, en tóch scheen dit alles in een bruinrooden gloed gedompeld te zijn!

Terug, slechts terug, hij wist niets anders! — Terug,-slechts terug! —

En toen hij de plek had bereikt, waar de kogels hem niet meer konden trelfen, was als door een wonder al de hitte en gloed verdwenen; nu vloeide plotseling het bloed weder bedaard door zijne aderen, en Goelhe lachte om zich zelve en wist nu, dat hij de kanonnenkoorts in zijn eigen leden gevoeld had, en wist óók, dat het volstrekt

geen behagelijk en aangenaam gevoel was!--

De Koning bleef met zijn prinsen nog altoos op den heuvel; hy scheen niets van deze kanonnenkoorts te gevoelen, maar reed bedaard tusschen de voorposten op en neder, en gaf luid zijn ontevredenheid te kennen, als een der manschappen voor een aansuizenden kogel nederbuk-te, of zelfs beproefde dien te ontwijken. Tweemaal nog liet hij zich in onderhandelingen met den hertog van Brunswijk in; tweemaal in zijn ijver gaf hij bevel tot het voorwaartsrukken, van het leger. Maar de generalissimus was onwrikbaar. Hij sprak telkens weder van het gevaar van 't voorwaartsrukken van de hoop, dat de aangeknoopte, geheime onderhandeling, zekerder tot het doel zou voe-

ocr page 276

24

ren dan hel wagen van een slag, en de generaals slemden mei hem in,' en rieden lol dralen, lol afwachten.

Want, óók de vijand draalde immers, en scheen den aanval 'te willen vermijden. In plaats van in stormpas onder het vuur hunner spelende batterijen voorwaarts te marcheeren, regelrecht op de gelederen de geallieerden, scheen hel zelfs, als trokken de liniën der Franschen

achteruil. „

Alleen de kanonnen voerden nog van weêrszijden een oorlogzuchtige taal, en droegen den dood in degelederen der opmarcheerende regimenten.

Somber zwijgen heerscht nu onder de soldaten, bewolkt zijn de voorhoofden der stafofficieren en generaals, en alles luisterde naar de beide veldheeren, die afgezonderd en alleen op den kant van den heuvel stonden.

Niemand kon een woord van hun gesprek verslaan, maar de prinsen, die het dichtst bij hen stonden, konden toch duidelijk, zoowel uil de gebaren van den Evening als van den hei tog lezen, dal deze onderhandeling geen vriendelijke was, en dat het verschil van meening, 'tgeen sedert de laatste dagen de twee veldheeren gescheiden had, nog niet vereftend was.

Met somber voorkomen staarde de Kroonprins naar hen j — prins Louis Ferdinand met vlammende oogen en doodsbleek gelaal.

„Ik zeg u en blijf er bij,quot; bromde de Kroonprins: „de diplomaten hebben weder alles bedorven.''

„Ik hoop nog altoos dat ge u vergist, Friedrich,'' fluisterde prins Louis met bevende slem: „ik heb in mijn jong leven weinig gebeden, en heb lot hiertoe met den lieven God steeds op een tamelijk koelen voet gestaan, zoodat wij elkander nauwelijks groetten, — maar heden buig ik in gedachte ootmoedig voor Hem mijne knieën, en smeek tol de allerhoogste Majesteit des hemels, dal Hij de genade moge hebben, zelf de zaak ter hand te nemen en te beslissen !quot;

„En zoo Hij nu beslist in den zin van den generalissimus?quot; vroeg de Kroonprins.

„Dat is onmogelijk, volstrekt onmogelijk!quot; riep prins Louis heftig; „De Koning des hemels lieeft niets gemeens met de diplomalen en rcchtsverdraaiers! Hij, die den

ocr page 277

25

bliksem nederschiet en tot de menschen spreekt met het rollen des donders, Hij zal aan dezen oorlog Zijn zegen geven. Want het is een heilige oorlog; en wij voeren hem immers voor de verhevenste idéen der menschheid; voor het koningschap, voor het gezag en de wet!quot;

„Dat zeggen zij ginds óók,quot; morde de Kroonprins; „en verzekeren ons, dat zij strijden voor de verhevenste idéen ; maar zij geven ze slechts een anderen naam dan wij. Ik wilde, Louis, dat ik de Fransche prinsen niet had leeren kennen, en evenmin de geheele troep uitgewekenen; want zij hebben mijn vroolijke verrukking en mijn fier vertrouwen op de gerechtigheid der zaak, welke wij verdedigen, geheel en al geschokt; en zoo ik niet als Koningszoon,— maar als mensch mij de vraag voorstel: of ik deze Fransche prinsen beminnen en hoogachten kan, en of ik ze bekwaam acht, tot het geluk van een geheel volk bij te dragen, dan kan ik niet anders, of ik moet deze vraag met een luid neen ! beantwoorden.quot;

„Waarachtig, ik liet mij óók niet met hen trouwen!quot; bromde prins Louis; „Als ik een vrouw was, en zij sleepten mij voor het altaar, zou ik ook daar nog met een luid neen hun liefdesaanzoek afwijzen! Ik heb waarlijk óók geen reden jegens de fransche prinsen bijzonder goed gezind te zijn, want ik heb niets goeds van hen geleerd, en 'tzou voor mij heler zijn geweest, zoo ik deze lichtzinnige edellieden met de uitgedoofde harten, en den eeuwigen spot en hoon over alles wat schoon en goed is op de lippen, nooit ontmoet had. En waar zijn zij thans, deze lieve P'ran-sche prinsen? Mij dunkt, zij houden zich heden tamelijk verborgen, en nu de kanonnen der fransche armée met ieder schot ons toedonderen: „Graaf Arlois heeft gelogen; wij hebben de geallieerden me/met verlangen verwacht! Graaf Arlois heeft gelogen ; wij loopen niet met klinkende mu-ziék over tot den vijand des vaderlands!quot; — nu schijnen de Fransche prinsen zich beschaamd te verschuilen.quot;

„Beschaamd! Deze fraaie heeren zijn «ooii beschaamd,quot; bromde de Kroonprins: „en zie, hier is terstond het bewijs ! Daar komt immers de lieve graaf van Artois met zijn cavaliers aangereden, en begeeft zich tot den Koning. De lichtvaardige glimlach speelt nog altoos om zijn lippen, trots het kanongedonder, en men zou waarlijk denken.

ocr page 278

26

dat hij niet weet, dat de kogels geen liefdeboodschappen, — maar den dood tot ons overbrengen!quot;

111.

DE KANONNA.DE VAN VALMY.

Ja, de Kroonprins had de waarheid gezegd; de graaf van Artois scheen het werkelijk niet te weten. Zijn voorkomen was zóó vroolij k en onbezorgd, als bevond hij zich op een lustig feest, en hij boog voorden Koning, toen hy nu op hem toereed, met een bevalligheid en glimlachende sierlijkheid, alsof hij hem slechts om de vergunning verzocht, het tournooiperk in te rijden, en het vroolijke schouwspel ter eere van deze of gene lichtvaardige schoone te mogen beginnen.

Sire,quot; zei de broeder des Konings met zijn zorgeloos voorkomen: „Uwe Majesteit ziet nu, dat ik gelijk had te zeggen, dat het Fransche leger niets vijandigs tegen de geallieerden, — onze waarde bondgenooten, —bedoelt. Want zoo zij wilden, zouden zij tot den aanval overgaan en voorwaarts marcheeren, daar zij het beste terrein voor zich hebben, en hunne kanonnen de geheele vlakte

bestrijken.quot; , • j

, Ik wenschte, dat zij voorwaarts marcneerden. nep de Koning levendig; „zij zouden dan ten minste aan dezen ondragelijken toestand van onzekerheid een einde maken, en wij zouden moeten beslissen, of wij met onze geheele legermacht eindelijk den gehaten vijand tegen treden, en den beslissenden strijd aannemen, of voor hem terugwijken

willen.quot; j

„Dat zou tegen de eer en de wijsheid zijn! riep de prins

levendig.

„Ge hebt gelijk; ja, waarlijk, ge hebt gelijk, zei deKo-ning opo-ewonden; „ik ben niet met mijn leger hier gekomen voor een kluchtspel of een spiegelgevecht. Ik heb den oorlog ondernomen, om mijn koninklijken neef van Frankrijk bijstand te bieden en de oproerlingen te verslaan,

ocr page 279

27

die het waagden, zich tegen hem te verzetten; en ik beschouw dezen oorlog eenigermate als een familiezaak van alle Koningen, en waaraan mijn hart even veel deel neemt als mijn hoold. Ik kan en wil het derhalve niet langer dulden, werkeloos te blijven; wij willen er ernst van maken, — heiligen, moedigen ernst, en onze vijanden zullen nu erkennen moeten dat wij gekomen zijn, om hen te bevechten en te onderwerpen. Genoeg gedraald en overlegd!quot;

En hij wenkte haastig zijn generaal-adjudant tot zich. ,,Generaal Kohier, laat de tamboers slaan, laat de vaandels opbellen, en geef bevel, dat alles zich tot den aanval gereed boude!quot;

De generaal-adjudant rende heen, en nu werd het weder levendig in de gelederen der krijgslieden. Men hoorde hen juichen en hoera! roepen; de trommels roffelden, de vanen verhieven zich en wapperden vroolijk in den wind, de soldaten ijlden naar de samengekoppelde geweren, en schouderden ze.

De hertog van Brunswijk, die in een druk, ernstig'gesprek met eenige generaals en officieren was, en 's Konings bevel niet gehoord had, hief nu bij het tromgetrollel het hoofd op en wierp een verbaasden, schier verschrikten blik op de golvende, bewogen gelederen.

„'t Is een vergissing, eenVreeselijke vergissing!quot; riep hij ; „'tls onmogelijk voorwaarts te gaan! Mijneheeren adjudanten, spoedt u, om de zaak weder goed te maken en de rust te herstellen.quot;

De adjudanten renden heen, en nu klonk weder bij al de regimenten het commandowoord; „Geweer aan den voet!quot; Nu verstomden de trommen, daalden de vaandels, en de gezichten der soldaten en officieren namen weder hun verdrietige, morrende uitdrukking aan.

Ook het gelaat des Konings had zich weder verduisterd, en toen de hertog- generalissimus nu tot hem reed, ontving hij hem met een toornigen blik en dreigende uitdrukking.

„Sire, ik bid om vergeving,quot; zei de hertog levendig: „'tls onmogelijk, thans voorwaarts te gaan, want het zou niet alleen ons waarschijnlijk verderf, — maar het geheel zeker verderf voor de Koninklijke familie in Frankrijk zijn!quot;

ocr page 280

28

„Ik versta Uwe Hoogheid niet, en ik mag u ook niet verstaan,quot; riep de Koning; „ik heb waarschijnlijk verkeerd gehoord; want het schijnt mij onmogelijk, dat ik goed verstaan heb, en dat de generalissimus van twee groote verbonden legers, werkelijk in het oogenblik dat wij eindelijk tegenover den gehaten vijand staan, het waagt te zeggen, dat wij den aanval niet mogen ondernemen, daar de aangenomen veldslag tot ons verderf zou voeren.quot;

„Sire, ik veroorloof mij slechts de woorden van den graaf van Artois te herhalen, die zeide, dat de Fransche armée het beste terrein voor zich had, en met hunne op de hoogten geplante kanonnen, de geheele vlakte bestreek. De prins heeft de waarheid gezegd; en zoo wij onze legers nu voorwaarts laten rukken op de vlakte, zouden de kanonnen van den vijand, die nu slechts honderden treffen, voor vele duizenden den dood, — voor het geheele leger den ondergang aanbrengen.quot;

„Dan vraag ik Uwe Hoogheid slechts, wat de geheele ka-nonnade te beduiden beeft?quot; vroeg de Koning heftig.

De hertog boog zich dichter tot den Koning. — „Sire,quot; zeide hij zacht en met nadruk: „ik bezweer u, nog een uur geduld te oefenen. De onderhandelingen met generaal Dumouriez zijn in vollen gang, en de kanonnen donderen slechts zoo luid, opdat zij het heimelijk fluisteren onzer agenten overstemmen zouden. Een hunner is zooeven uit het Fransche leger teruggekeerd, waarheen hij vermomd gegaan was, om met generaal Dumouriez te onderhandelen en ik hoop, dat wij alles tot een gelukkige uitkomst zullen brengen. De generaal laat mij berichten, dat hij geen schrede voorwaarts zal laten doen, vóór hij mijn antwoord ontvangen heeft; en er zal voorshands niets anders gebeuren, dan dat onze kanonnen den strijd voortzetten. De beslissing zal mijn tweede onderhandelaar, de overste Massen-bach brengen.quot;

„Een narrenspel, een waar narrenspel,quot; zei de Koning: „Op «, generalissimus, komt de verantwoordelijkheid van dezen slag, die gewis eens in de geschiedenis een belachelijke rol zal spelen 1quot;

„Sire, ik ben bereid zelfs den vloek der belachelijkheid op mij te nemen, zoo 't mij hierdoor slechts gelukt, duizenden menschen het leven te behouden, en de

ocr page 281

29

koninklijke familie van een zekeren ondergang te redden.quot; —

En voort donderden de kanonnen, en droegen den dood hier en ginds. De regimenten stonden met het geweer aan den voet, en slechts hunne verwenschingen, die uit wrokkende harten opkwamen, zetten den zonderlingen strijd voort. Vijf uren van een onafgebroken kanongedonder waren dus verstreken, duizenden waren weerloos door de vijandelijke kogels verpletterd geworden, en grimmigheid en toorn ziedde in aller gemoederen. Ieder vroeg den anderen: „Hoe zal deze dag eindigen? Zal't nog tot een slag komen, of is alles slechts een bloedige grap?quot;

De Koning stond nog altoos op den heuvel, en zag verdrietig voor zich. Zijn generale staf bevond zich achter hem, 'sKonings bevelen wachtende. Slechts het gelaat van den graai van Artois was altoos nog glimlachend, en somwijlen beproefde hij het, den Monarch uit zijn somber gepeins te wekken, en eenig gesprek te beginnen. Maar Friedrich Wilhelm bleef norsch en verdrietig, en liet zich tot geen gesprek in.

„Ik heb honger,quot; antwoordde hij op een der vroolijke aanmerkingen van den graaf: „ik geloof vergeten te hebben, heden te dejeuneeren, of misschien had men niets meer voor mij over; ik heb honger!quot;

Nu nam het gelaat van den prins een ernstige uitdrukking aan. Hij antwoordde niet, maar liet zijn paard eenige schreden achteruit doen, en wenkte een der heeren van zijn gevolg.

„Kom, vicomte,quot; duisterde bij hem toe: „wij hebben hier niets te doen; de kanonnade zal zonder ons wel voortgaan, en er zijn voor ons gewichtiger dingen te doen, dan hier te luisteren.quot;

Hij rende den heuvel af, gevolgd door den vicomte ; voor het kleine huis beneden, dat den Koning en den prinsen tot kwartier gediend had, hield hij zijn paard stil en sprong er af.

„Vicomte,quot; zeide hij: „laat ons nu toonen wat wij geleerd hebben. De Koning van Pruisen heeft honger, en daar wij ons hier op Franschen bodem bevinden, betaamt het ons wél, jegens de dikke Majesteit van Pruisen, Fran-sche gastvrijheid uit te oefenen. Ik zeg het met bloedend hart, wij moeten hem eenige der kostbare eieren opofferen.

ocr page 282

30

welke wij heden zoo aardig buit gemaakt, — en verborgen iiebben. Het gelaat van den armen Monarch way zeer somber, wij moeien beproeven het op te vroolijken.quot;

Hij ijlde haastig het huis binnen, 't welk door zijn bewoners reeds lang verlaten was, en dat nu geheel onbe-beerd stond. Uit de keukenkast, wier sleutel hij bij zich droeg, nam de prins van Artois nu zes eieren, en terwijl hij den vicomte beduidde, op den haard vuur te ontsteken, zette de prins zich met ijverige inspanning aan het werk. Hij nam een pan, en zocht in de keukenkast de noodige ingrediënten: meel, boter en suiker, wat de eigenaars van het huis, bij hun haastige vlucht voor de geallieerden, achtergelaten hadden, — en was spoedig met geheel zijn ziel er in verdiept, de eieren stuk te slaan, het wit en de dooiers in verschillende pannen te doen, en vervolgens met een ijzeren spaan, welke hij gelukkig genoeg was onder het keukengereedschap te ontdekken, het wit tot schuim te kloppen.

Terwijl hij dit deed, kwamen de herinneringen aan vervlogen tijden bij hem op, en hij lachte luid, toen hij nu in de pan keek en het witte schuim aanschouwde.

„Weet ge nog. vicomte, welke fraaie eierkoeken ik voor ons te Trianon bereidde, als wij ten gevalle onzer Koningin, de idylle van het dorpsleven speelden?quot;

„O, Monseigneur, ik dacht er juist óók aan,quot; zuchtte de vicomte, wien het nu gelukt was het vuur te doen branden: „ik herinner mij een fraaien, gelukkigen dag, toen Uwe Koninklijke Hoogheid den molenaar van Trianon, de pachtersvrouw en den schoolmeester, — dat heet;den Koning, de Koningin en den graaf van Provence, op een feest in de boerderij noodigde. De pachtersvrouw had uitdrukkelijk bevolen, dat het avondeten in de open lucht zou gebruikt worden, en uit niets anders dan een eierkoek zou bestaan. Zij had uit haar pachthoeve zelve hiervoor de eieren en de melk gebracht, de koninklijke molenaar had het meel geleverd, en het geheele hooge dorpsgezelschap begaf zich toen in de keuken, om te zien hoe mijnheer de maire de eierkoek bakte. Want Uwe Koninklijke Hoogheid had er zich op beroemd, dit zeer goed te verstaan, en Hunne Majesteiten wilden zich van de waarheid van dit wonder overtuigen.

ocr page 283

31

„En het wonder werd uitgevoerd,quot; zei de graaf van Ar-tois, terwijl hij ijverig met de ijzeren schuimspaan bezig was; „Ja; het wonder werd uitgevoerd, en mijn waarde schoonzuster verzekerde mij, dat haar geen koeken in de prachtige Keizerlijke zalen tehuis, of in de prachtsalons der Tuilenen zóó heerlijk gesmaakt hadden, als deze door mij gebakken eierkoek, dien wij in de keuken der boerderij van Trianon aten. O, vicomte, het waren toen toch gelukkige tijden! Hoe vergenoegd waren wij, hoe onschuldig schertsten wij, en welke allerliefste guiterijen wist de Koningin steeds te verzinnen, en hoe hartelijk lachte zij, als zij haar gelukt waren! Gewis; men heett haar juist dit tot misdaad willen maken, en het is haar als een zwaar vergrijp aangerekend geworden, dat zij vroolijk en opgeruimd was. Een Koningin, zeide men: mocht niet vroolijk zijn als andere menschenkinderen; en het blijgeestig lachen schaadde haar Koninklijke waardigheid. Arme Marie Antoinette! — Zij heeft het sedert met vele tranen moeten boeten, dat zij toenmaals lustig en vroolijk was- — Vicomte, ik geloof dat het schuim nu stijf genoeg is, uw vuur is ook goed, en ik zou nu mijn eierkoek kunnen bakken. Maar de hoofdvoorwaarde is, dat hij gegeten wordt zoodra hij uit de pan komt, en ik moet derhalve weten, of de Pruisische Majesteit nu haar twist met den eigenzinnigen generalissimus uitgestreden, — en tijd heeft, zich een weinig te restaureeren, en liet lichaam eenige versterking te ver-schaiïen. Begeef u dus tot Zijne Majesteit, en zoo het mogelijk is, verzoek hem dan in mijn naam, zich voor een oogenblik hier in huis te begeven.quot;

De vicomte deed. zooals hem bevolen was; besteeg het buiten vastgebonden paard, en reed den heuvel weder op. Altoos nog donderden de kanonnen, altoos nog stonden de regimenten der geallieerden in slagorde geschaard, met het geweer aan den voet.

De koning en de hertog hadden intusschen hun wrokkend zwijgen opgegeven, en waren in een levendig onderhoud.

„Sire,quot; zeide de generalisimus : „de overste Massenbach, dien ik als tweeden onderhandelaar tot generaal Dumou-riez gezonden had, is zooeven teruggekeerd, en brengt ons een gewichtige boodschap. De generaal bezweert ons terug te trekken, want hierdoor alléén, en door bet vermijden

ocr page 284

32

van don slag zou het mogelijk zijn het leven der Koninklijke familie te redden. De Seplembriseurs woeden nog altoos te Parijs; en de hoofden van de conventie hebben besloten, dat bij den eersten veldslag, die aan zoo vele zonen van Frankrijk het leven zou kosten, de hoofden van den Koning en van de Koningin den gevallenen als zoenoffers volgen zouden. De conventie beschuldigt den Kuning van heimelijk met de buitenlandsche Vorsten te onderhandelen, en hun legers tot zijne hulp te^en zijn eigen onderdanen geroepen te hebben. Aan den ridderde Maison-Rouge, die, gelijk uwe Majesteit weet, als een der trouwste aanhangers van het koninklijke paar regeert, is het met zeldza-men moed en koene vermetelheid gelukt, trots alle voorzorgsmaatregelen, den Koning in den Temple te spreken,en vervolgens een brief van hem aan generaal Dumoriez over le brengen. De generaal heeft mijn afgevaardigde, den overste Massenbach, dit kostbare document overhandigd, opdat hij het aan Uwe Majesteit en mij zou toonen, en daarmede de noodzakelijkheid der door hem verzochte maatregelen bevestigen. Uwe Majesteit kent het schrift van den Koning van Frankrijk?quot;

„Ja,quot; antwoordde de Koning levendig: „ik ken het; laat mij het schrift zien.quot;

De hertog reikte den Koning een zakje van zwarte zijde.

„Zie, Majesteit; op deze wijze heeft de ridder den brief gelukkig door geheel Frankrijk gebracht. Hij heelt dit zakje in den staart van zijn pruik gevlochten; en hoe dikwijls men hem ook onderzocht heeft, niemand heeft er aan gedacht zijn pruik te visiteeren.quot;

De Koning opende haastig het zakje, en nam het gekreukt strookje papier er uit — „Ja,quot; prevelde hij : „'t is het schrift van mijn koninklijken neef. Maar zijn hand heeft gebeefd terwijl hij schreef, en naar het schijnt, heeft hij geschreven zonder bet te kunnen zien. De regels zijn ineengeloopen; ik moet bekennen, het is mij uiterst moeie-lijk, dit ineengevloeid schrift te ontcijferen. Kunt gij het, generalissimus, lees het mij dan voor.quot;

De hertog boog, nam het hem gereikte blaadje, en onder het donderen der kanonnen, dat de Fransche armée overzond, las de generalissimus deze woorden van Koning Lodewijk den Zestiende:

ocr page 285

yy

„Als mijn vrienden mijn dood en dien mijner familie verhinderen willen, moeten zij alles aanwenden om de geallieerden te bewegen uit Frankrijk terug te trekken, en el-ken slag met de Fransche armée te vermijden. Mijn leven zweeft dag en nacht in gevaar. Ik zou gaarne bereid zijn te sterven, indien de Koningin en mijn kinderen dit gevaar niet met mij deelden. Wil men ons redden, zoo kan dit slechts geschieden, door alle vijandelijkheden terstond te_ doen ophouden. Ik bezweer mijne getrouwen, hiertoe mede te werken, en aan mijn ongelukkig land en mij zeiven den vrede te geven. De eerste slag kost ons allen het leven. Dit moge men bedenken!quot;

De Koning had zwijgend, en met gebogen hoofd naar de voorlezing van den hertog geluisterd.

Nu liet hij zich het papier ter hand stellen, en herlas het met treurig gelaat.

„'t Is een smartkreet, die mijn eigen ziel wee doet,quot; zeide hij zacht voor zich ; „al de zorg en doodsangst van den goeden Koning, spreekt uit deze regelen. Maar wij moeten zijn wensch eerbiedigen, en als het dan niet anders zijn kan, moet ik er mij in schikken niets te doen, maar af te wachten.quot;

„Uwe Majesteit bewilligt er dus in, dat wij den slag vermijden ?quot; vroeg de generalissimus levendig.

„Ik bewillig er in, zooals de kranke er in bewilligt, zichquot; de hand te laten afzetten, opdat misschien de arm behouden worde !quot; zei de Koning : „Geef uwe bevelen generalissimus ; ik verwijder mij, want ik mag deze treurmuziek niet hooren.quot;

Hij wendde zijn paard om, en nu waagde het de vicomte hem te naderen, en zacht fluisterend hem de boodschap van den graaf van Artois over te brengen.

De Koning knikte, en reed langzaam den heuvel af naaide hut. De vicomte rende voor hem uit, wierp zich van het paard, en ijlde naar de keuken.

„De Koning komt, monseigneur; hij volgt mij op den voet!quot;

Het was belachelijk te zien met welk een ij verigen haast de Fransche prins nu naar den haard vloog, hot toebereide deeg in de pan met bradende boter goot, en niets hoorde van het donderen der kanonnen buiten; slechls metang-

Mühlbaoh, Duitechland in woeling en strijd. VI. 3.

ocr page 286

34

stigen blik den inhoud der pan gadesloeg, en dien met het mes keerde en schoof, opdat hij niet zou aanzetten of verbranden !

„Help den Koning van het paard, Vicomte; de eierkoek is gereed.quot;

Toen de Koning het huis, binnentrad ijlde de graaf van Artois hem uit de keuken tegemoet, op een dampenden schotel den eierkoek houdende ; — „Sire, Uwe Majesteit zeide straks dat zij honger had, en daar ik niets anders voor den veldslag of iets voor Uwe Majesteit doen kon, was het mijn plicht, ten minste voor eenig voedsel te zorgen. Sire, ik bid uw Majesteit om de genade, dezen eigengebakken eierkoek te willen eten.quot;

De Koning lachte luid. — „Een heerlijk idéé, prins; ik beken dat ge mij in dit oogenblik niets aangenamers had kunnen doen; hoe heerlijk geurt het!'' — Hij trad ijlings over den drempel der deur, welke de vicomte eerbiedig voor hem geopend had, het kleine lage vertrek binnen en liet zich aan de houten tafel neder, waarop de koninklijke prins van Frankrijk den eierkoek voor hem geplaatst had. Met ongewonen ijver begon de Koning te eten, en eerst na eenigen tijd viel het hem in, ook den prins aan tafel te noodigen. Deze nam het gretig aan, en terwijl buiten fanfaren klonken, de kanonnen donderden en 'het bevel tot den aftocht door de gelederen der geallieerden liep, zaten de Koning van Pruisen en de prins van Frankrijk in de boerenhut, en aten met welbehagen den dampenden eierkoek ! 1)

Niets van dit welbehagen was op de aangezichten der soldaten en hunne aanvoerders te lezen. Met brandende begeerte hadden allen de slag gewenscht, en toen zij nu eindelijk tegenover den vijand stonden, nu de slag onvermijdelijk scheen, nu moesten zij voor den dreigenden vijand ootmoedig terugtrekken, en de honderden en duizenden, die heden gevallen waren, mossten vruchteloos hun leven opgeofferd hebben.

Hoe vroolijk had heden in de vroegte de eene kameraad den andere verhaald, dat nu de dag der wraak voor zoo-

1quot;) Zie: Tagebuoh des Kronprinsen von Preussen. en F. Pörster. Nene und neueste Geschichte. I.

ocr page 287

35

vele ontberingen, — voor zoovele in slijk en ellende doorgebrachte weken, gekomen was. Hoe had ieder gezworen den gehaten Franschen op dezen dag der wraak geen pardon te geven! Hoe had men zich bezield gevoeld door toorn en haat! En nu zou alles vruchteloos zijn! Alles vergeefs!

Tweemaal had de generalissimus het zijn generaals en stafofficieren moeten herhalen, eer zij het gelooven wilden, dat de aftocht beginnen moest. En toen zij het geloofden, waren hunne aangezichten verbleekt, en men had tranen gezien in de oogen van mannen, die nooit geweend hadden, en zij hadden zich zwijgend omgewend.

De krijgstucht had hun de tong geboeid, maar de wrok was hun diep in het hart gebleven.

Ook de prinsen konden en wilden de tijding niet gelooven, en renden tot den generaal Kohier, die juist van de standplaats des generalissimus terugkwam.

„Hoe is 't?'' vroeg de Kroonprins den generaal: „wat heeft men besloten?quot;

De grijze generaal blikte somber in het jeugdig gelaat van den Kroonprins, dat van opgewondenheid gloeide. —■ „Wat men besloten heeft, prins? Men heeft den terugtocht besloten.quot;

„Den terugtocht?quot; riep prins Louis Ferdinand, toen hij deze woorden gehoord had: „dat is onmogelijk!quot;

„Onmogelijk?quot; zeide de oude generaal de schouders ophalend: „zeker, onze oude Frits zou dat óók gezegd hebben; en ik zou ook wel willen weten, wat wij hier te doen hebben, als wij niet vechten mogen. Maar waar is het tóch: wij zullen teruggaan.'

„Dat heet,quot; riep prins Louis Fredinand woedend, terwijl hem tranen van toorn over de wangen liepen: „dat heet: wij hebben het Fransche gespuis onze eer als buit achtergelaten, dat heet: wij zullen —quot;

„Stil,quot; viel de kroonprins hem in de rede: „den soldaat betaamt het te gehoorzamen, Louis; wij moeten ons onderwerpen en eerst onzen plicht doen; tot weenen en klagen blijft ons later nog tijd.quot;

Maar zij weenden allen 'en klaagden allen, — de soldaat even goed als de officier. Toen na een onafgebroken kanonnade van vijf uren het doodend geschut zweeg.

ocr page 288

36

heerschle op de ruime vlakte van Valmy een sombere stilte, die na het vreeselijk voorafgaand gerucht, slecht te afgrijselijker werkte. Zwijgend en verdrietig deden de soldaten den noodzakelijksten dienst, en de rugwaartsche beweging welke men uitvoerde, om uit de kogelstreek des vijands te komen, was door geen andere muziek begeleid, dan halfluide en toornige verwenschingen.

Toen de avond aanbrak, legerde de armée zich op den drassigen, vochtigen bodem; en zóó verdrietig, moedeloos en verslagen gevoelden zich allen, dat men niet eens vuur wilde ontsteken om de soep te koken; want gramschap en toorn hadden zelts den honger doen vergeten.

Ook de anders zoo vroolijke en welgemoede kring der officieren, waarbij Goethe zich gevoegd had, en dien hij anders met zijn humor en sarkastische luim leven en warmte wist in te blazen, was heden verdrietig en stil. Vermoeid en afgemat zaten de anders zoo vroolijke kameraden bijeen; ter zijde van hen op den hoogen rand van een sloot, had Goetho zich nedergevlijd. Het hoofd op den linkerarm geleund, zag hij op tot den hemel, aan welken het avondrood verdoofde, en zijn laatste flikkerend rooskleurig licht over de witte wolkjes schoot. Het gelaat van den dichter was ernstig en peinzend, en zijn groote, bruine oogen schenen zich te onderhouden met den grooten Geest, die boven de wolken troont.

„Nu, Goethe,quot; vroeg de heer von Weirach, hem naderende; „hebt ge ons heden geen enkel vertroostend woord te zeggen? Is oak het genie van den dichter verstomd door leed en smart? Geeft uw lier geen toon aan voor onze klachten?quot;

„Toch wel,'' zei Goethe, terwijl hij zich oprichtte en met vlammende oogen de vrienden aanschouwde, die hem nu allen naderden: „toch; er is nog één toon en één klank op mijn lier, en het oog van den geest ziet in de toekomst en geeft u dezen troost- Met den dag van heden, begint een nieuw tijdperk in de wereldgeschiedenis, in gij kunt zeggen: wij zijn er bij geweest /'' ^

1) Goethe's eigen woorden. Zie; Feldzug in Champagne. Gl.

ocr page 289

37

IV.

DE NIEUWE EN DE VROEGERE GELIEFDE.

De oorlog was, — ten minste voor het jaar 1792, — ten einde, en de geallieerden hadden Frank rijks bodem verlaten. Aan deze zijde van den Rijn hadden zij post gevat, en rustten uit van den moeielijken en onvermakelij ken veldtocht. Goethe was met den hertog teruggekeerd naar het geliefde Weimar, en toen hij Christina weder aan zijn hart drukte, en zijn kleine knaap weder de volle ronde armpjes om zijn hals sloeg, waren al de ontberingen en al de vermoeienissen der verloopen maanden weder vergelen. Met dubbel welbehagen genoot hij het schoone, 't welk zijn goed gesternte hem zoo rijkelijk verleende; verheugde zich over het deftige huis aan het marktplein, 't welk de onbekrompen vriendschap van den hertog hem schonk; verheugde zich over de vrienden, die hem met teederen groet welkom heetten, en was gelukkig, dat de inwendige bouw van het nog niet geheel voltooide huis, hem gelegenheid gaf tot veelvuldige werkzaamheid, tot liet uitvoeren van vele plannen, die hem reeds lang een geliefkoosd idéo waren geweest, als hij zich in den geest bezighield met den bouw van een huis, zoo als zijn fantasie het wenschte.

Nu kon hij veel van deze plannen verwezenlijken; kon ten minste een fraai bordes verordenen naar de teeke-ningen, welke hij uit Italië had mede gebracht, en een aangename bezigheid bood hem en zijne Christina het woeste groote erf, dat achter het huis lag, en dat in de naaste lente in een tuin met fraaie bloembedden en grasperken met beelden, herschapen zou worden. —

Ook de Koning van Pruisen had zich met de koninklijke prinsen van het oorlogstooneel verwijderd; maar zij waren niet teruggekeerd naar Derlijn en Potsdam, — zij waren naar Frankfort aan den Main vertrokken, en daar zocht de levenslustige Koning zich schadeloos te stellen voor de al geleden ontberingen en nooden, voor al de ergernissen en nederlagen. Hier te Frankfort, waren geen nederlagen, geen sombere gezichten. De dames der oude vrije Rijksstad, lonkten den Koning verleidelijk en veelbe-

ocr page 290

38

lovend toe, en was hij in den veldtocht al geen overwinnaar geweest, nu was hij dit toch op menig dameshart.

Feesten, vermakelijkheden van allerlei aard waren er nu in de vrije Rijksstad, en de Koning van Pruisen met zijne prinsen waren het middelpunt van al deze feesten.

En evenwel is het voorhoofd van den levenslustigsten aller prinsen bewolkt en somber; evenwel neemt prins Louis Ferdinand geen deel aan al deze feesten, — of als hij dit moet, wijl de koning het beveelt, is tóch zijn gelaat misnoegd, en zijn schoone, bruine oogen staan vaak zeer somber.

Hij wrokte tegen het noodlot. Hij kon 'tnog altoos niet verkroppen en vergeten, dat de veldtocht zoo roemloos geëindigd was, en als hij alleen was met zijn vertrouwden, gaf hij zijn bedrukt gemoed lucht, door klachten en heftige verwenschingen tegen de legerhoofden, en beschuldigde hen van kleinmoedigheid en besluiteloosheid. —

Slechte lijdingen waren trouwens uit Frankrijk aangekomen ; Koning Lodewijk was afgezet, en de republiek uitgeroepen! De Koning, gescheiden van zijn gemalin en zijn kinderen, in schandelijke gevangenschap smachtende, behandeld als een misdadiger, beschuldigd door zijn eigen onderdanen, en eindelijk ook door hen veroordeeld! Veroordeeld om te sterven als een misdadiger! Te vallen onder de vreeselijk guillotine, die met haar bloedige valbijl reeds zoovele der aanzienlijkste en edelste hoofden had afgesneden!

Toen de tijding van het op 21 Januari 1793 voltrokken doodvonnis aan den Koning van Frankrijk, te Frankfort aankwam, zou bij den bankier Beermann juist een balfeest plaats hebben, en ook de Koning van Pruisen bad voor zich zeiven en de prinsen, zijne tegenwoordigheid op dit feest beloofd. De minister Haugwitz, die als politiek raadsman den Koning naar Frankfort begeleid had, was de eerste en naar hij meende, ook de éenige, die door een koerier uit Maintz deze heillooze tijdingen uit Frankrijk ontvangen had, en hij hoedde zich wel ze aan iemand mede te deelen. — Waarom zou men den Koning bet vroo-lijke feest verbitteren! Waarom hem de tijding van een ramp brengen, daar hij tóch niet meer in staat was, dezen ramp te keeren ?

't Was den volgenden dag hiervoor nog altoos tijd, en

ocr page 291

39

men mocht den Koning en den prinsen en het geheele lustige gezelschap wél vergunnen, den avond van heden nog in vreugde en vroolijkheid door te brengen. M-en weet immers, dat 's Konings hart ontgloeid is in liefde voor de schoone jul'fer Sophie Beermann, de zuster van den rijken bankier, die juist ter eere van deze liefde, het feest van heden gaf.

De zalen waren prachtig versierd; bloemfestoenen tooiden, — trots de winterkoude — de met goud geborduurde satijnen behangsels bekleede muren; in de venetiaansche spiegels weerkaatsten de lichtkronen den glans barer kaarsen, die de helderheid van den dag door de ruime vertrekken wierpen; op het vergulde balkon der balzaal stemden de muzikanten reeds hunne instrumenten, om, z gt;odra de Koning van Pruisen binnentrad, hem te ontvangen met een juichende fanfare. De rijk gegalonneerde lakeien stonden in de vestibule gereed om de gasten te ontvangen, en door de nu nog stille, rustige zalen ging de bezitter van zooveel glans en heerlijkheid, om nog eens alles in oogenschouw te nemen en zich te overtuigen, dat al zijn verordeningen goed uitgevoerd waren. Vervolgens, — na gezien te hebben dat hij tevreden mocht zijn, — verliet de bankier de feestzalen, en begaf zich naaide door zijn zuster bewoonde vertrekken, de kamenier vooruitzendende, om te berichten, dat hij mademoiselle om een onderhoud liet verzoeken.

De schoone Sophie trad haar broeder tegemoet, in al den glans van het voltooide toilet, en hij beschouwde haar met stille tevredenheid, en liet zijn oogen lang op het halssnoer van paarlen en juweelen rusten, dat haar blanken, slanken hals versierde.

„Waarachtig, cher /rére,quot; riep Sophie lachend: .,ge bekijkt mijne juweelen, alsof geer de waarde van wilt schatten en berekenen.quot;

,,Dat doe ik ook,quot; zei haar broeder ernstig: „ik dacht juist, dat het heden voor 'teerst is, dat ge dezen familie-tooi draagt; en tóch is 't reeds een jaar geleden dat ik, bij den dood onzer moeder, u dien gaf, opdat ge hem dragen en gebruiken zoudt, zoo lang tot ik zou trouwen ; wanneer hij dan natuurlijk aan mijn vrouw moet komen. Maar ge hebt dezen kostbaren tooi dit geheele jaar niet

ocr page 292

40

éénmaal aangelegd en nu berekende ik zooeven, hoeveel kapitaal en rente ge aan uw hals draagt.quot;

„En vergat hierdoor mijn persoon te beschouwen,quot; riep zij schouderophalend: ,, Vraiment; ge hebt geheel en al de manier van een bankier, die in alles, — zelfs in zijn zuster, slechts kapitaal en rente ziet, en alles munten en verzilveren wil, — zelfs de harten!quot;

„Ik verzoek u zuster,quot; zei haar broeder bedachtzaam: „geef u niet het air, alsof ge het slachtoffer mijner berekeningen waart, en alsof deze geheele speculatie van mij uitging. Ge weet echter zeer goed, dat dit niet zoo is. In uw fraai, schrander hoofd is het denkbeeld ontstaan, den Koning van Pruisen te veroveren, en gij zijt tot mij gekomen en hebt gezegd: „Anton, broeder, wat geeft ge mij, zoo ik u tot schoonbroeder van den Koning van Pruisen maak?quot; Hierop heb ik u geantwoord: „Zoo ge het er toe brengt, de gemalin zijner linkerhand, — en dus de opvolgster van de afgedankte gravin Dönhof te worden, schenk ik u den familietooi, die, zooals ge weet, driemaal honderdduizend rijksgulden waarde heeft.quot; — „En verder?quot; hebt ge gevraagd. — „En verder,quot; heb ik geantwoord: „verder laat ik u mijn aandeel in de moederlijke erfenis over, namelijk: tweemaal honderdduizend gulden.quot; Toen ge hierop nogmaals vroegt: „En verder?quot; toen heb ik gezegd: „Verder schenk ik u onze villa buiten de Hep-penheimer poort, doch op ééne voorwaarde.quot; Toen ge mij vroegt naar deze voorwaarde, antwoordde ik u : „Die voorwaarde is, dat ge, den dag voor het trouwen, den Koning er toe zoudt brengen, mij tot zijn eenigen Hofbankier te benoemen, zoodat alle geldzaken des Konings door mij bezorgd worden.quot;

„Waarom vertelt ge mij al deze dingen, welke ik immers weet?quot; vroeg Sophie ongeduldig.

„Enkel om u to herinneren, dat ge u niet voor uwe familie opoffert, maar dat wij een gemeenschappelijke speculatie doen.quot;

„Ik bid u,quot; riep zij verstoord: „gebruik niet zulk koopmansuitdrukkingen; zij doen mij in de ziel wee!quot;

„Men moet toch de dingen bij hun waren naam noemen,quot; merkte haar broeder bedaard aan: , gij doet dit immers óók, als tijd en uur het vereischt, en mijn broe-

ocr page 293

41

derlijk woord was u destijds niet voldoende: dat ik u het landhuis en bovendien nog tot het onderhoud er van een half millioen wilde schenken, zoo ge mij tot Hof-bankier des Konings deed benoemen ; neen, ge verlangdet het schriftelijk te hebben, en ik moest u op een voor getuigen opgemaakte acte deze schenking verzekeren, die u op den dag voor uw huwelijk overhandigd zou worden.quot;

„Dit wil zeggen, op den dag van heden,quot; riep de schoo-ne Sophie levendig; „Ha, nu begrijp ik uw zoo plechtig voorkomen, c.her frére. Ge komt om mij die acte ter hand te stellen.quot;

„Dat heet: ik kom om haar tegen een ander document in te ruilen,quot; antwoordde de bankier glimlachend; „ik heb het mijne bij mij, en als 't u behaagt, ruilen wij heden de documenten, opdat morgen het wisselen der rin-g^kunne volgen. Ge hebt immers mijne benoeming ge-

-„Neen,quot; zeide zij een weinig verward: „neen, ik heb haar niet gereed ! Ik dacht niet, dat ge 'tzoo razend stipt zoudt nemen, en ik stelde het in orde brengen uwer benoeming, tot na mijn trouwen uit.quot;

„Dat heet,quot; zeide hij op strengen toon: „dat heet, £;e steldet uw huwelijk uit.quot;

„Tóch niet, broeder; mijn huwelijk zal morgen plaats hebben, en ik houd het voor beter en raadzamer, de aangelegenheid uwer benoeming liever een dag later, — in plaats van vroeger te bespreken. De Koning is zeer achterdochtig, en hij kon aan mij beginnen te twijfelen, zoo hij vermoedt, dat een of andere geldaangelegenheid bij deze zaak in het spel was.quot;

„'t Is waar,'' merkte haar broeder met een honenden lach op: „'tis waar; de Koning heeft het trotsche geloof, dat mijn schrandere zuster hem slechts om zijn persoon bemint, en zijn rang en waardigheden volstrekt niets daarmede te maken hebben, 't Is grappig, waarlijk grappig; en men moet juist een trotsche Koning zijn, om iets dergelijks te gelooven.quot;

„Ik verzoek u over mijn heiligste gevoelens niet met zulk een lichtvaardigheid te spreken, quot; zei Sophie blozend: „ik bemin den waarden Koning werkelijk om hem zeiven, en 't zou zeer wreed zijn, zoo ge dit wildet betwijfelen'

ocr page 294

42

Even wreed, als zoo ge or aan twijfelen wildet, dat ik de voorwaarden onzer overeenkomst getrouw vervullen zal. Wat is er aan gelegen, of ge uwe benoeming twee dagen vroeger of later ontvangt? Ge krijgt haar stellig.quot;

„Ér is mij zeer veel aan gelegen,quot; antwoordde de bankier op scherpen toon: overeenkomsten moeten wederzijds gehouden worden, anders zijn zij nietig. En ik moet u zeggen, datj ik in den grond zeer tevreden ben, als deze overeenkomst niet tot stand komt. Het kosl mij ten minste twee millioen, en ik weet niet of het kapitaal, 't welk ik op deze wijze beleg, mij als hofbankier den interest dekt. Ik bid ii zuster, zet niet zulk een verstoord gezicht, 't Is eene geldzaak, en 'tis derhalve zeer natuurlijk, dat ik mijn voordeel bereken; ik ben echter in den laatsten tijd tot de overtuiging gekomen, dat er geen voordeel voor mij bij is.quot;

„Gij rekent het dus voor niets, de schoonbroeder van een regeerend Koning te zijn; dat wil zeggen; macht, eer, rijkdom en aanzien te winnen?'

„Mijn liefkind; als men niet zelf een regeerend Koning is, en een leger ter zijner bescbikking heeft, dan is men als rijk bankier met ziine millioenen óók altijd een machtig man; want milloenen zijn even veel waard'alseen armee. Dit alles heb ik bij mij zeiven overlegd, en heb óók aan de hoogmoedige, trotsche houding mijner zuster gezien, dat de toekomstige gemalin van den Koning van Pruisen haar armen broeder liever als schoenpoetser voor de deur, — dan als gelijke aan haar zijde plaatsen zou! Dit heeft mij beleedigll en lot nadenken gebracht. Ik heb gedacht, dat ik beter zou doen zelf te trouwen; door een rijke partij eenige milioenen in mijn zaak te brengen, en liever een aanzienlijk bankier, — dan de altijd een weinig verachte, broeder der koninklijke gemalin van de linkerhand te zijn.quot;

,,Ha, ik begrijp volkomen!quot; riep de schooneSophie ver-hleekend; „ge wilt in 't huwelijk treden met de gravin Luchesi, die mijn verklaarde vijandin is, en die het den Koning niet kan vergeven, dat hij niet haar, — maar mij bemint. Hoe het maar; ons contract blijft echter geldig, en ge zult als eerlijk man vervuilen, wat ge mij beloofd hebt.quot;

ocr page 295

43

„Zoodra gij als eerlijke vrouw ook mwc belofte vervult.quot; zei haar broeder glimhchend: „mij mijne aanstelling als Hot ban kier geeft, ben ik — schoon ook met bloedend hart — bereid u de scbenkingsacte te geven.quot;

„Maar ik heb u reeds gezegd, dat ik die nog niet bezit!quot; riep zij driftig.

„Dan zult ge ook de scbenkingsacte en het door u opgemaakt contract niet bekomen!quot; antwoordde haar broeder met een spottende buiging: „Wij hebben nu elkander niets meer te zeggen, mijn schoone zuster. De zaken mogen bun gang gaan. In allen geval zullen wij heden een schitterend bai bebben, en het overige zal zich wel vinden.quot;

Hij wendde zich om en wilde zich verwijderen, maar Sopbie ijlde hem na, en greep hem heftig bij den arm.

„Gij hebt iets slechts in den zin broeder! Ge hebt mij nog altoos niet vergeven, dat ik somwijlen trotsch en onwillig jegens u geweest ben, en nu wilt ge wraak nemen!quot;

„O,quot; zeide hij spottend: „welke wraak zou toch de arme, bescheiden bankier aan de machtige dame kunnen nemen, die morgen reeds de gemalin eens Konings zal zijn ?quot;

Hare groote, schitterende oogen waren strak op het kalme, ondoordringbare gelaat van den bankier gericht, en zochten in zijn gelaat te lezen.

„Anton, ge ziet mij aan met den kwaden blik, dien onze vader had, als bij ons voor een of ander vergrijp streng bestrafte. Wees barmhartig, broeder; geef mij ten'minste het contract terug, dat ik voor u geschreven heb, gebruik bet niet als wapen tegen mij!quot;

Hij maakte zacht en met kalmen glimlach zijn arm van haar hand los. — „Welke zonderlinge gedachten hebt ge, zuster; ge rekent als een koopman, en zijt töch een toekomstige gravin. Maar ik geloof, ik boor reeds rijtuigen naderen! Ónze gasten zullen komen, vergeef dus, dat ik mij nu verwijder.quot;

Hij deed met een heftige beweging de deur open, en eer Sophie 't verhinderen kon, was hij verdwenen.

„Ik vermoed iets kwaads,quot; zeide zij zacht voor zich; „'twas dwaas van mij hem onvoorzichtig te behandelen;

ocr page 296

44

ik had moeten bedenken, dat hij licht geraakt is en nooit vergeeft. Maar ik dacht slechts aan het groote doel dat ik beoog, en ik was zoo zeker het te bereiken. — Ik ben het ook nóg!quot; riep zij luid; „De Koning bemint mij, hij gelooft aan mij, en als ik maar eerst zijn wettelijke gemalin ben, heb ik niets meerite vreezen! Nog maar vier-en-twintig uren, en ik hen het! En dan zal ik mijn broeder de aanstelling bezorgen, en daarvoor mijne millioenen ontvangen! —

Nog maar vier-en-twintig uren, en al mijn groote oogmerken zijn bereikt; en ik zal er mij dan wel voor weten schadeloos te stellen, dat ik nu de onbaatzuchtige, de tee-der beminnende dweepster moet spelen, 't Is een lastige rol; maar mij dunkt, ik heb haar met groot talent ge-s peeld, en ik zal er mij wél voor doen betalen! Nog maar vierentwintig uren!quot; —

Maar de schoone en schrandere bankiersdochter bedacht niet, dat het lot slechts één oogenblik behoeft, om met een adem zijns monds het trotsehe gebouw, waaraan wij jaren lang gebouwd en gewerkt bobben, als een kaartenhuis om te blazen!

Zij heeft geglimlacht en gezucht en onbaatzuchtige liefde gezworen, de schoone Sophie: zij heeft Koning Friedrich Wilhelm verstrikt in haar liefdenet, en hij gelooft aan haar en is bereid, haar voor hare groote, onbaatzuchtige liefde te beloonen, door haar tot zijn gemalin te verhelfen. Maar de trotsehe schoone heeft' niet bedacht, dat het liefdenet, waarin zij den koninklijken leeuw gevangen houdt, door een muis doorknaagd kan worden, zoodat de mazen scheuren en de buit haar ontsnapt!

En de muis was er reeds, zonder dat zij het vermoedde; zij lag in de portefeuille van haar broeder, in de gedaante van het document, waarin Sophie den bankier voor diens millioenen en hulp, hare belooning beloofde.

Wie zal dit gewichtig papier uit de portefeuille van den wrokkenden bankier halen ?

Een blanke, fraaie vrouwenhand, die er zich reeds naar uitstrekt, zonder dat de schoone Sophie Beermann het vermoedt , de blanke, fraaie hand van haar, welke Sophie reeds waande overwonnen te hebben, en die zij van allen het minst vreesde; — de hand van Wilhelmine Rietz!

ocr page 297

45

Deze hand klopte juist aan de deur der voorkamer, die tot de vertrekken van prins Louis Ferdinand voerde.

De lakei snelde toe, en vroeg de dicht in een mantel gehulde dame met het gesluierd gelaat, die buiten stond, naar haar begeeren en haar naam.

„Ik wil prins Louis Ferdinand spreken,quot; zei de dame met ongeduldige, schier gebiedende stem: „ga, en zeg aan Zijne Koninklijke Hoogheid, dat een dame uit Berlijn, hem wegens een dringende aangelegenheid wenscht te spreken.quot;

„Maar Zijne Koninklijke Hoogheid is niet tehuis,quot; gaf de knecht ten antwoord, terwijl hij beproeven wilde, de deur dicht te trekken; „Zijne Koninklijke Hoogheid is uitgegaan.

„Logen; ik heb hem bij 't voorbijgaan aan het venster zien staan. Geen complimenten, mijn vriend. Hier, neem dit en haast u!quot;

Het geldstuk, 'twelk de gesluierde hem reikte, oefende op den lakei den betooverenden invloed uit, dien het steeds op dienstbare geesten pleegt uit te oefenen. Hij liet met geheel veranderde en eerbiedige manieren, de dame de voorkamer binnengaan en verzocht haar, hier een oogen-blik te blij ven ; hij wilde gaan vragen, of de prins genegen was haar te ontvangen.

„Waar is de prins?quot; vroeg zij.

„Daar, achter gindsche deur. 't Is de huiskamer van den prins. Wij wonen hier zeer bekrompen.quot;

Hij ging door de kamer en legde de hand op een deurknop, en verwonderde zich een weinig, dat de dame hem gevolgd was, en dicht achter hem stond. — „Zij moet zeer veel haast hebben en 't is zekerlijk, in weerwil van het geldstuk, een bedelarij,quot; dacht de lakei, terwijl hij voorzichtig de deur opende en naar binnensloop.

„Een dame?quot; vroeg na een korte poos een luide stem binnen: ,,Maar ge weet immers. Karei, dat ik u eens voor al verboden heb, dames aan te dienen! Ik ontvang geen damesbezoek!''

„Sedert wanneer niet? vroeg een stoute, lachende stem achter hem: „Sedert wanneer is de schoonste, jongste en vroolijkste prins zulk een ernstige damesvijand geworden?quot;

Prins Louis wendde zich haastig om. — „Welk een stem is dat? Mij dunkt, ik —quot;

ocr page 298

40

„Ik ken die! nietwaar, dat wildet ge zeggen? Ja, ge kent dn stem, en misschien ook het gelaat!quot;

Zij sloeg den sluier terug, en liet den prins in haar altoos nog fraai en bekoorlijk gelaat zien.

„Mijn Hemel, gij zijt het, die —quot;

„Stil, mon prince, verwijder den bediende!quot;

„Ga, Karei; pas op de deur en Iaat niemand binnenkomen, zoolang deze dame hier is!quot;

„En nu,quot; voer de prins voort, toen de lakei zich verwijderd had; „veroorloof mij nu vooraf u mijn hand te bieden, om u naar den divan te leiden, en dan quot;

„Dan wenscht ge te weten wat mij tot u voert?quot; vroeg Wilhelmine Rietz lachend, terwijl zij zich nederliet en den prins met een wenk barer hand beduidde, nevens haar op den divan plaats te nemen.

„Ik beken inderdaad, dat ik het zou wenschen te weten,quot; zei de prins glimlachend. _

„Ge hebt niet vergeten, prins, dat wij op den bewusten dag, toen ik u mijn hulp voor den Franschen oorlog beloofde, elkander trouwe vriendschap en wederzijdsche hulp beloofd hebben?quot;

„Neen, madame, ik heb dit niet vergeten. Ik vergeet nooit wat ik beloofd heb.quot;

„Een groot en trotsch woord!quot; riep Wilhelmine glimlachende: „maar ik vertrouw op dit woord, en daarom ben ik tot u gekomen. Ge ziet mij verwonderd aan; ge vraagt, waarom ^ de vriendin des Konings zoo in stilte en zonder éclat tot u komt? Ik zie hierin, mon cher prince, dat ge nog weinig weet van 'tgeen hier geschiedt, en niet ingewijd zijt in de intriges, die hier om u heen gespeeld worden.quot;

„'tls waar,quot; zei prins Louis: „ik bekommer er mij niet om; ik ben melancholiek, mijn schoone vriendin, en a^es wat ik hier zie en hoor, hindert mij.quot;

„En evenwel moet ge mij voor een oogenblik een opmerkzaam oor schenken,'' zei Wilhelmine: „het betreft inderdaad schijnbaar slechts mijn gering persoon; maar ge zult spoedig erkennen, dat grootsche staatkundige zaken, er mede verbonden zijn. De partij, die er lang naar getracht beeft, mij ten val te brengen en mij van den Koning te scheiden, heeft nu haar meesterstuk uitgevoerd. En

ocr page 299

47

zoo cjij mij niet bijstaat, prins, ben ik verloren. Maar,quot; voegde zij er schielijk bij; „niet alleen ik, maar de ge-heele koninklijke familie van Frankrijk is dan verloren! -Gij glimlacht ongeloovig? Luister slechts: De graaf de Lucchesini, Bischofswerder en Wöllner hebben zich nu eenmaal in het hoofd gezet, mijn arme, kleine persoon voor altoos van den Koning te scheiden. Zij vreezen mijn invloed en weten, dat de onzichtbare vaders eerst dan hun geheele macht op den Koning zullen uitoefenen, als de zichtbare vriendin verwijderd is. O, 't zijn zeer schrandere en sluwe heeren, en zij vei'staan het meesterlijk, hunne plannen en intriges aan te leggen. Daar is mademoiselle Beermann, de schoone zuster van den rijken bankier; deze hebben zij tot hun werktuig gekozen, en er is een allerliefste comedie op touw gezet. De schoone Sophie Beermann heeft zich met mijne vijanden verbonden om mij te verwijderen, en den Koning geheel in haar net te trekken. Daar zij mijn invloed vreest, heeft de schoone 't als een bewijs van 's Konings liefde verlangd, dat hij mij streng zou verbieden, hier naar Frankfort te komen En Zijne Majesteit, mijn dierbare vriend, heeft de zwakheid gehad, mij een zeer strengen brief naar Spa te zenden, waarin hij mij beveelt, mij onverwijld naar Charlottenburg in mijn landhuis te begeven, en er zoolang te blijven, lot, de Koning in zijne Staten teruggekeerd is.quot;

„Het schijnt echter dat deze strenge brief u niet verschrikt heeft, madame,quot; glimlachte de prins: „want wij bevinden ons hier, helaas, niet in uw landhuis te Charlottenburg. Weet de Koning dat ge hier zijt?quot;

„Indien hij het wist,quot; antwoordde zij fier: „zou hij bij mij zijn. Maar mijn vijanden hebben het oor des Konings geheel voor zich gewonnen. Er was slechts één mensch in de omgeving Zijner Majesteit, die hen dit kon betwisten ; dat was mijn soi-disant echtgenoot, mijnheer de geheim-kamerdienaar Bietz, die trouw mijn zijde houdt.

Daar men geen middel kon vinden om hem te winnen, moest men hem verwijderen, en de Koning heeft de bijzondere genade gehad, den geheimkamerdienaar — als koerier met de vertrouwelijke mededeeling aan de Keizerin van Rusland, wegens de nieuwe verdeeling van Polen, — naar Petersburg te zenden. Voor deze reis zijn vier weken noo-

ocr page 300

48

dig, en deze vier weken waren voor de intriganten volkomen genoeg, om lumtie cotnedie uit te voeren. Zij is reeds in het vierde bedrijf, en zoo ge mij niet helpt, prins, zal morgen vroeg het slottooneel plaats hebben; dat heet: de schoone, sluwe mademoiselle Sophie Beermann zal morgen vroeg met den Koning van Pruisen, als gemalin der linkerhand getrouwd, — en ik voor altoos uit Pruisen verbannen worden!quot;

„Dat zijn inderdaad treurige uitzichten, matoute belle,'' zei de prins de schouders ophalend; „maar ik begrijp niet, wat ik er aan doen kan, om ze vroolijk te maken.quot;

„Dat heet,quot; antwoordde zij glimlachend: „gij gevoelt u volstrekt niet geroepen, madame Wilhelmine Rietz bijstand te verleenen; maar ik herinner u nu aan uwe belofte van wederzijdsch hulpbetoon.quot;

„En ik antwoord nogmaals, dat ik mijn belofte als een held uit den riddertijd vervullen zal,quot; zei de prins lachend.

„Ge zult spoedig begrijpen, prins, dat het hierbij ook voor u groote belangen betreft. Gij zijt toch altoos nog van meening, dat de oorlog tegen Frankrijk een punt van eer voor Pruisen is? Ge zijt er nog altijd vóór, den oorlog tegen de oproerlingen voort te zetten, en zoo mogelijk de ongelukkige Koningin van het schavot te redden, waarop haar gemaal reeds gevallen is?''

„Ja,quot; riep de prins, en zijn persoon verlevendigde zich, zijn gelaat gloeide, zijn geheele gestalte beefde van vreugde: „ja, ik dorst naar de hernieuwing van dezen oorlog! Ik ben ontroostbaar over de nederlagen, welke de vorige veldtocht ons gebracht heeft! Ik zou, geloof ik, van wrevel kunnen sterven, zoo de vrede, — dien sommigen zeggen, dat de hertog-generalissimus bedoelt, — werkelijk tot stand kwam!quot;

„Hij zal tot stand komen, prins, als de Koning mademoiselle Sophie Beermann trouwt!quot;

„Wilt ge mij zeggen, in welk verband deze liefdezaak der Konings, met den veldtocht tegen Frankrijk staat?quot;

„In een zeer eenvoudig, prins. Mademoiselle heeft den Koning diets gemaakt, dat zij hem geheel onbaatzuchtig, slechts om zijn persoon bemint; zij heeft tot hiertoe zijn geschenken geweigerd, en nóch de juweelen, nóch het landgoed, dat hij haar als bruidschat aanbood, nóch de

ocr page 301

49

titels welke bij zijn toekomstige gemalin wilde verleen en, aangenomen. Zij wil niets, volstrekt niets, dan zijn hart en het bezit van zijn aangebeden persoon! De lieve Ko-ning is geheel verrukt door deze onbaatzuchtigheid, welke hem, behalve de vriendin zijner jeugd, — behalve ik, — nog niemand bewezen heeft. Allen hebben zijne juweelen, zijn goederen, zijn titels aangenomen; alleen Sophie Beer-mann maakt nu een uitzondering, en daarom wil de Koning haar beloonen, zooals men alleen de ware liefde be-loonen kan, door het bezit van het geliefde voorwerp. Maar nu wil ik u het geheim van deze onbaatzuchtige liefde iïhgt;dedeelen. üe hertog van Brunswijk is volstrekt vóór het sluiten van den vrede. Hij vreest, dat de aanstaande veldtocht even zoo zal eindigen als die van verleden jaar, en hij zou dus den Koning er toe willen brengen uit de coalitie tegen Frankrijk te treden.quot;

^Verfoeielijk!quot; riep prins Louis in toorn: „dat wil zeggen: wij zouden met smaad en schande naar huis keeren, terwijl wij ons beloofd hebben, als overwinnaars Parijs binnen te trekken!quot;

„De generalissimus is bevreesd gewordenhernam Wil-helmine; „de vele oneenigheden van den veldtocht van verleden jaar, hebben hem angstig gemaakt. Ik wil dit alleen als reden zijner vredelievendheid aannemen, en geen acht slaan op de boosaardige geruchten, welke men elkander toefluistert. Maar zoo de hertog slechts door d_e vrees voor mogelijke nederlagen is omgekocht, dan is zijne schoone bondgenoote, mademoiselle Sophie Beermann toch door geheel andere middelen omgekocht. De Fran-sche generaal Dumouriez is een zeer bekwaam en sluw onderhandelaar der Fransche republiek; hij kentdemen-schen en hunne zwakheden, en heeft overal zeer behendige spionnen. Weet ge wel, waarom de nieuwe geliefde des Konings zoo bovenmate onbaatzuchtig kan schijnen? Om de eenvoudige reden, dat de generaal der fransche Republiek Sophie Beermann zeven millioen francs heeft laten bieden, zoo zij den Koning beweegt, vrede met Frankrijk te sluiten!quot;

De prins sprong op, en zijn gelaat gloeide: „Kunt ge dat bewijzen, madame?quot;

„'t Is moeielijk zulke zaken te bewijzen, want de Mühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. VI. 4

ocr page 302

50

schrandere dame heeft alles mondeling in deze zaak behandeld. Maar 'tis werkelijk zoo met de zaak gelegen, en opdat go mij zoudt gelooven, mon cher -prince, zal ik u een brief mededeelen, die mij voor eenige dagen een koerier van de hertogin de Liancourt te Charlottenburg heeft gebracht, dat heet: ik bedoel met Charlottenburg: het schoone Spa, waar ik incognito verwijlde. De brief, dien de hertogin mij zond, bezweert mij om hulp en bijstand, en er was een schrijven van haar minnaar, den graaf van Artois, bij. Ge kent het schrift van dezen prins?quot;

„Ik ken het,quot; antwoordde prins Louis haastig, terwijl hij het papier aannam, dat Wilhelmine hem overreikte: „Ja, dat is zijn schrift! Mag ik den brief lezen'?''

„'tls immers mijn geloofsbrief; lees dus prins, of zoo ge wilt, lees ik hem u voor, want het is moeielijk het kleine, gekrabbelde schrift te ontcijferen, en ik heb veel tijd noodig gehad voor ik er in slaagde. Maar zie in het papier, opdat ge u overtuigt dat ik goed lees.quot;

Zij legde den opengeslagen brief voor zich op de tafel, en toen Louis nevens haar plaats had genomen, las zij langzaam, ieder woord met haar witten vinger aanwijzende :

„Ik bezweer u ma helle duchesse, zet alles in beweging om de vriendin des Konings voor ons te winnen. Onze vijanden zijn werkzamer dan ooit, en het is generaal Du-mouriez, den legeraanvoerder der afschuwelijke zoogenaamde republiek gelukt, zicli in de omgeving des Konings machtige vrienden te koopen. De vrouw, welke de Koning tegenwoordig bemint, quot;is even sluw als hebzuchtig. De generaal heeft zich verplicht, voor de belofte, dat de Koning vrede met Frankrijk zou sluiten, haar zeven millioen francs te betalen. De onderhandelaars bevinden zich reeds te Frankfort. De hertog van Brunswijk is gewonnen, het vredesdocument is reeds opgesteld, en zoodra het voorgenomen huwelijk des Konings plaats heeft, zal zijn nieuwe gemalin hem er toe bewegen, het geheime vredestractaat te onderteekenen, waarvoor zij van Frankrijk zeven millioen ontvangt. Men zal dan nog eenigen tijd den schijn aannemen, als wilde men den oorlog. Men zal een leger opslaan, strooptochten doen, maar eiken slay vermijden

ocr page 303

51

en de rupubliek den tijd gunnen, zich te constitueeren. Ik bezweer u, mijn geliefde, tracht dit helsche plan door onze dierbare vriendin, madame Rictz, te verijdelen. Zij alléén is in staat ons te helpen, en zij zal dit, want zij is een groote en edelmoedige ziel.quot; —

„Dit is de brief van den graaf van Artois,quot; zei Wilhel-mine glimlachend: „gij ziet uit de slotwoorden, lieve prins, dat hij er op berekend was, door mij gelezen te worden. Men zegt mij wél dergelijke mooie woorden in 't gezicht, maar nooit achter mijn rug. Om het even; de zaak staat vast, en ik heb mij herinnerd, dat ik u eertijds te Berlijn mijn bijstand voor den veldtocht tegen Fi'ankrijk heb toegezegd.quot;

„En ik herinner mij, dat wij elkander wederzijdsche hulp en bijstand beloofd hebben!quot; riep de prins, terwijl hij Wilhelmines hand aan zijne lippen bracht: „Laat ons nu als trouwe bondgenooten tegenover elkander staan. wil den oorlog tegen Frankrijk, gij wilt den vrede met den Koning. Ik wil strijden tegen de Franscherepubliek, gij wilt de nieuwe geliefde overwinnen. Hoe kunnen wij onze belangen te zamen vereenigen?quot;

„Ik ben gekomen om u dit te zeggen, lieve prins. Niemand buiten u, weet dat ik hier ben, en niemand mag het vernemen; want mademoiselle Beermann zou geloof ik, in staat zijn, den Koning in zijn eigen kamers gevangen te houden, tot na de huwelijksvoltrekking, zoo zij mijne nabijheid vermoedde, 't Is echter dringend noodzakelijk, dat wij schielijk en beslissend handelen en de booze vijandin verwijderen, die mij van mijnen waarden Koning scheiden, — en m de lauweren onthouden wil, welke gij van den franschen veldtocht verwacht. Gelukkig heb ik óók mijn spionnen, en van hen heb ik vernomen, hoe het met de onbaatzuchtige liefde der schoone Sophie Beermann gesteld is. Het zou mij gemakkelijk zijn, den Koning van hare listen en intriges te overtuigen, indien ik slechts tot hem kon! Maar mijne vijanden hebben hem omlegerd, en ik durf mij niet aan hen te vertoonen, of zelfs naar den broeder der schoone te gaan; want hare spionnen zouden het terstond vernemen, en men zou mij gevangen nemen, — in naam des Konings natuurlijk, — wijl ik gewaagd had zijne bevelen te verachten, en in

ocr page 304

52

plaats van te Gharlottenburg, — mij hier te Frankfort op te houden. Wat ik echter niet kan doen, dat kunt (jij doen, mijn prins. Gij kunt gedurende het bal van heden zeker wel een oogenblik vinden, om onopgemerkt den Koning te naderen; ge kunt hem dan eenige woorden in 't oor fluisteren, en deze woorden zullen ten gevolge hebben, dat de Koning het bal verlaat en zich naar zijn woning terug begeeft. Ge kunt den Koning dan vergezellen, of beter nog, — ge tracht den Koning te bewegen met u naar uwe woning te gaan, wijl hier de geheime agent is, die hem gewichtige berichten heeft mede te deelen.quot;

„En de geheime agent zijt nietwaar ?quot;

„Natuurlijk, dat ben ik,quot; zeide zij: „ik heb het geheele plan van den veldtocht, dat wij te volgen hebben, opge-teekend, en als ge wilt, loopen wij het nu te zamen punt voor punt door.''

V.

DE ONÏKOÜP1NG.

De muzikanten hadden juist hun schetterende fanfare geblazen, want de Koning was, begeleid door Bischofswer-der, von Schulenburg en Lucchesini, de balzaal binnengetreden, waarin het schitterende en uitgelezen gezelschap reeds bijeen was. Hertogen en Vorsten, veldmaarschalken en generaals, ambassadeurs, graven, baronnen en rijke bankiers omgaven den Koning, zooals „de sterrenkrans zich om de zon schaart,quot; en men zag niets dan van goud schitterende uniformen, schitterende ordeteekens, kostbare bril-lanten, paarlen en edelsteenen, die op de bloote schouders en armen en in het geurende haar dei' dames fonkelden.

Maar de oogen der schoone Sophie Beermann fonkelden nóg fraaier dan de diamanten aan haar blanken hals, en de glimlach van hare purperen lippen kwam den Koning nóg helderder voor dan de glans der purperrobijnen in den diadeem, die op haar voorhoofd in het blonde haar prijkte. Zij was waardig de gemalin eens Konings te zijn, dit zeide de Koning met trotsche vreugde tot zich zelve.

ocr page 305

58

locn hij de majestiKuse gestalte, het edele,schoone gelaat zijner uitverkorene aanschouwde, en naar de muziek harer innemende en geestrijke woorden luisterde, 't Was heerlijk te denken dat deze schoone, gevierde, veelgezoclite vrouw de zijne wilde worden, slechts uit liefde, slechts uit vrije keuze van haar hart. Geen andere reden kon haar hiertoe bewegen. Zij behoefde niet om uiterlijke voor-deelen hém te kiezen. Hertogen en regeerende Vorsten hadden naar haar gedongen, en zij had hunne aanzoeken afgewezen, hoezeer één harer aanbidders, een regeerend Hertog, haar als bruidschat de toestemming des Keizers van Duitschland had gebracht, om haar te erkennen als de wettige gemalin van den Hertog. Zij was echter niet eerzuchtig, anders zou zij den Hertog genomen hebben. Zij was ook niet belangzuchtig en egoïstisch, anders zou zij het geschenk, dat de Koning haar als zijn bruidschat had aangeboden, aangenomen hebben. Maar zij wilde evenmin gravin als voorname vrouw worden, en wat gaf zij om brillanten en geldaanbiedingen ? Zij droeg op haar schoone en volle schouders brillanten, welke een Koningin baai-kon benijden, en voor de oostersche robijnen, die in beur haar fonkelden, had zij meer dan één heerlijkheid kunnen koopen. Neen ; geen uiterlijke reden had de schoone, rijke, gevierde Sophie Beermann kunnen bewegen, de altoos twijfelachtige positie eener gemalin van de linkerhand naast den Koning in te nemen; slechts de liefde had haar er toe gebracht, — de zuiverste, onbaatzuchtigste, vurigste liefde. Het was schoon, het was verrukkend, zóó bemind te worden. Vele vrouwen hadden Friedrich Wilhelm bemind, wijl hij Koning was, en hij had ze kunnen danken voor hare liefde met rijke geschenken, met titels en waardigheden. Maar hoe zou hij deze bekoorlijke, be-tooverende vrouw danken; haar, die niets begeerde, niets wenschte, die slechts stil en in bescheiden teruggetrokkenheid aan zijn zijde wilde bloeien, gelijk de liaan, die zich om den stam van den eik hecht? Hij kon haar slechts door liefde beloonen, want zulk een liefde begeert slechts liefde. —

't Was schoon dit te denken, 't was een gevoel dat den Koning weder jong en jeugdig maakte, dat hem herinnerde aan de zonnige dagen zijner jeugd, toen de liefde als

ocr page 306

54

een frissche Meibloesem uit zijn eigen hart was ontkiemd. Hij ontroerde toen hij dil nadaciit, en er trok als een schaduw voorbij zijn oogen, een schaduw der herinnering. Waar was zij, die hij toenmaals bemind had, zij, de geliefde zijner jeugd? Hij meende voor zich het bleeke, verwijtend aangezicht, en de door tranen verduisterde oogen van haar te zien, die hem steeds bemind heeft; die hem trouw is geweest, en die hij nu toch voor altijd vergeten en verstoeten had. Er trilde een smart door zijne ziel, en ruischte er met een jammerkreet. Maar de Koning onderdrukte dien haastig, en wendde zich dubbel ijverig tot zijn trotsche, nieuwe liefde, die in al de frischheid der jeugd nevens hem stond, en de'treurende gestalte der verouderde geliefde zijner jeugd spoedig deed vergelen. De muzikanten op het vergulde balkon hieven de polonaise aan, en de Koning,— wien de liefde weder jong had gemaakt, — bood de schoone Sophie de hand, om met haar het geheele gezelschap voor te gaan door de rijen der schitterende zalen, in de veranderlijk wendingen der polonaise.

Terwijl allen aldus bezig waren met den dans, en slechts oogen hadden voor het koninklijke paar dat hen voorging, merkte niemand op, dat de heer des huizes, de rijke bankier, uit de zaal was gegaan, en dat ook prins Louis Ferdinand geen deel nam aan den dans. In eene kleine afzonderlijke kamer, die slechts de ingewijden mochten betreden, zaten de prins en de bankier in een ernstig en gewichtig onderhoud. Het gelaat van den bankier had zich gedurende de openbaringen, welke de prins hem deed, verduisterd, en een toorniffe blik straalde uit ziine oogen.

„Uwe Koninklijke Hoogheid gelooft dan waai lijk,quot; zeide hij met. wrokkende stem : „dat mijn zuster in slaat zou zijn, van Duitschlands vijanden geschenken aan te nemen?quot;

„Mon cher,quot; antwoordde de prins lachend: „goudstukken hebben geen vaderland, en men ziet niet naar hunne herkomst. Hier is de brief van den graaf van Artois, die u als bewijs moge dienen. Maar ik heb ook nog andere bevvijzen. Mademoiselle Beermann heeft den bemiddelaar in deze zaak, een aanzienlijk bankier te Genève, de be-

ocr page 307

55

lofle gegeven, dat na den afloop der zaak, — en als zij door hem de bedongen gelden heeft ontvangen, hij tot Mofbankier en eenig agent van Koning Friedrich Wilhelm van Pruisen benoemd zou worden.quot;

„Dat is onmogelijk!quot; riep de bankier verbleekend : „Mijn zuster kan niet zoo valsch en verraderlijk tegen haar eigen broeder gehandeld hebben!quot;

De prins haalde glimlachend een samengevouwen papier uit zijn borstzak. — „Zie hier het bewijs, mon cher; de origineele brief, dien mejuffrouw Beermann aan dezen bankier geschreven heeft. Ge kent toch hel schrift uwer zuster?quot;

„Ik ken het,quot; zeide de bankier, terwijl hij het papier opmerkzaam beschouwde: „ik ken en herken het! Neem dit papier terug. Koninklijke Hoogheid, het brandt als vuur in mijn hand.quot;

„Gelukkig is deze bankier zeer bevriend met een machtig personage, dat u welwillend is,quot; zei de prins, terwijl hij glimlachend het papier weder in zijn zak schoof: „en hij heeft, natuurlijk voor een goede som, deze persoon het gewichtig document overgegeven. Maar die persoon weet ook, dat gij, heer bankier, van uwe met beloften en geschenken zeer milde zuster, óók een dergelijke toezegging ontvangen hebt. En zoo ge ons nu helpen wilt, de intriges van mademoiselle Beermann, — die waarlijk niet als zuster jegens u gehandeld heeft, — te verijdelen; zoo ge niet naar de eer streeft, de scheel aangeziene en ter zijde geschoven broeder van de koninklijke maitresse en Hire te zijn, — dan beloven wij u, dat ge in plaats daarvan de hooggeachte en eenige Hofbankier van den Koning van Pruisen zult worden, en dat, zoo ge ernaar verlangt, ook een adelsdiploma en een ridderorde u niet ontgaan zullen.quot;

„Wat moet ik doen om de intriges mijner onnatuurlijke zuster te verijdelen?quot; vroeg de bankier.

„Niet veel,quot; antwoordde de prins: „ons slechts helpen om den Koning te bewijzen, dat de liefde der schoone Sophie niet zoo onbaatzuchtig is, als zij wil doen schijnen. En ik veroorloof mij derhalve de vraag, of ge misschien in 't bezit van zulk een bewijs zijt?quot;

„Ja,quot; riep de bankier met opvlammende oogen; „ja, ik ben

ocr page 308

DG

in 't bezit van zulk een bewijs! Mijn soboone zuster heeft zich schriftelijk jegens mij verplicht, mij tot Holbankier des Konings te doen benoemen, en mij binnen een jaar tot graaf van het Duitsche rijk te verheffen, zoo ik haar hiervoor de familiebrillanten, het aandeel van de moederlijke erfenis, een villa, en bovendien nog ongeveer een millioen als geschenk wil geven.quot;

„Bezit ge zulk een document?quot; vroeg de prins verheugd. De bankier stond op, ging naar zijn' schrijftatel, en nam uit een geheime lade een toegevouwen papier.— ,Hier is het bewijs,quot; zeide hij: „mij dunkt, met dit papier in de hand, zal de Koning niet meer aan de onbaatzuchtigheid mijner waarde zuster gelooven.quot;

„En mij dunkt, met dit papier in de hand, zullen wij u morgen tot Hofbankier kunnen doen benoemen. Wilt ge mij dit papier toevertrouwen ?quot;

„'t Is het instrument mijner wraak,quot; zei de bankier; „ik leg het vol vertrouwen in uwe handen.quot;

„En dit instrument zal morgen voor u een goede melodie zingen,quot; zei de prins opslaande: „keer nu lot het gezelschap terug. Het spreekt van zelf, dat ge uwe zuster niets laat vermoeden van 't geen tusschen ons gesproken is. Integendeel, ik verzoek u, uw zuster zeer vriendelijk te naderen, en haar zoo mogelijk in een levendig gesprek te wikkelen, zoodat hare opmerkzaamheid eenige oogenblikken van den Koning afgetrokken wordt. Slechts zóó lang, tot ik, — nadat ik dit document in andere handen bezorgd heb, — in de balzaal teruggekeerd, en eenige woorden mst den Koning gesproken heb.''

De bankier beloolde het, en terwijl hij zich naar de zaal begaf, wierp de prins zich in zijn gereedstaand rijtuig, dat in galop met hem voortjoeg, maar hem óók, nadat nauwelijks een kwartier verloopen was, reeds naar het schitterend verlicht huis van den bankier terugvoerde. De polonaise was geëindigd, en de Koning, wiens zwaarlijvigheid niet volkomen in harmonie was met de jeugdige opgewondenheid zijns harten, had zich een weinig van de schoone koningin van het bal, in een vensternis teruggetrokken om zijn hijgenden adem eerst weder tot rust te laten komen, — toen prins Louis Ferdinand hem naderde.

ocr page 309

57

„Sire, mag ik liel wagen, voor een oogenblik uwe opmerkzaamheid le verzoeken?quot;

„Nu, wat is er, mon beau cousinT' vroeg de Koning adernscheppende; „Er is een wolk op uw voorhoofd, en ge wilt mij waarschijnlijk zeggen wat dit beteekent. Wat is er toch? Hebben de geëerde ouders uit Bei'lijn geschreven, en willen zij den lieven zoon naar buis roepen, of worden wij weder door hebzuchtige schuldeischers verontrust?''

„Sire,quot; antwoordde de prins: „'tis nóch het een, nóch het ander. De nietige belangen van mijn eigen leven verdwijnen voor het groote treurige bericht, dat ik zooeven vernam. Koning Lodewijk de Zestiende van Frankrijk heeft zijn hoofd onder de guillotine moeten leggen, en is door zijn eigen volk vermoord geworden!quot;

De Koning ontstelde en verbleekte. — „Dat is niet waar, d?t is onmogelijk!'' prevelde hij haastig: „De hertog van Brunswijk heeft mij nog gisteren de zekerste hoop gegeven, dat het zijn onderhandelaars gelukken zou, den Koning te bevrijden. Men heeft u misleid, cousin, en vanwaar zoudt gij ook deze tijding ontvangen hebben, die aan mijn ministers, aan mij zei ven onbekend is?''

,,Sire, men verzwijgt dikwerf voor de Koningen,'t geen onaangenaam is. Men heeft de vroolijkheid van dit feest wellicht niet door de treurtonen van een lijkmarsch willen storen. Maar het feit staat, belaas, vast!quot;

„Wie zegt het, wie beweert het?'' vroeg de Koning levendig.

„Een geheim agent van den graaf van Artois, dien deze mij heeft gezonden, met het dringend verzoek, hem tot Uwe Majesteit te voeren, wijl men hem nog geheime en gewichtige documenten heeft toevertrouwd, welke hij slechts in de handen des Konings mag nederleggen.quot;

„Waar is hij?'' vroeg de Koning haastig: „Waarom is hij niet tot mij gekomen?quot;

„Sire, wijl hij niemand vond, die hem tot Uwe Majesteit voeren wilde. De agent wendde zich tot mij en verzocht om mijne bemiddeling. Ik achtte het den ongeluk-kigen Koning verschuldigd te zijn, dat ik de boodschap van zijn treurenden broeder ten minste tot Uwe Majesteit liet komen, en ik heb mij dus aan uwen toorn gewaagd om

ocr page 310

58

u te zeggen: Majesteit, de geheime agent van den graaf van Artois, die mij de vreeselijke tijding gebracht heeft, bevindt zich in mijne vertrekken, en verwacht de bevelen van Uwe Majesteit.quot;

„Ik wil hem spreken, en wel terstond,quot; zei de Koning bewogen; „kom, cousin, ge ziet, de dans begint juist op nieuw. Wij willen ons in het boudoir terugtrekken, dat men ter mijner verpoozing heeft ingericht. Vandaar sluipen wij naar buiten, en begeven ons naar uwe woning.quot;

„Mijn r ijtuig staat gereed,quot; zei de prins: „want ik hoopte op de genade mijn Konings.quot;

Juist toen de dans was begonnen, baande de Koning zich onbemerkt een weg door het gedrang, dat eerbiedig ter zijde week, en trad het boudoir binnen. Even onbemerkt kwam men buiten, en in vollen galop aan de woning van den prins.

De Koning had gedurende den rit geen woord gesproken ; ook nu ging hij zwijgend de trap op, terwijl de prins hem vóórging, en in persoon voor den Koning de deuren opende.

Nu bleef de prins voor de met een portière behangen deur, staan. — „Majesteit,quot; zeide hij: „achter deze deur, in mijn woonkamer, bevindt zicli de geheime agent van den graat van Artois. De prins heeft het mij in een bijzonder schrijven tot plicht gesteld, hem een audiente bij Uwe Majesteit te verschaffen. Ik heb dezen plicht vervuld en verzoek nu de genade, mij te mogen verwijderen.quot;

„En ik,quot; zei de'Koning: „ik verzoek u, naar het bal-feest terug te keeren en mademoiselle Beermann te zeggen, dat zij mijn plotselinge verwijdering wegens dringende zaken, gelieve te ontschuldigen. Ik zal in een kwartier-uurs weder bij haar zijn. Heb tevens de goedheid, den broeder der dame mijn wensch te kennen te geven, dat mijn toevallige verwijdering geheel onopgemerkt moge blijven, en het feest ongehinderd voortga. Ge behoeft niet tot mij terug te keeren, laat slechts het rijtuig beneden wachten.quot;

Hij knikte den prins een vriendelijken afscheidsgroet toe en opende de deur, waarachter, —zooals prins Louis gezegd had, — de geheime agent van Artois hem wachtte.

Maar niemand, naar het scheen, was in de kamer aan-

ocr page 311

59

wezig. Op de lafel voor den divan stonden twee zilveren armkandelaars, wier hooge waskaarsen oen helder licht door het ruime vertrek verspreidden. De Koning zag alles. De beide hooge spiegels tusschen de ramen, die zijn eigen beeld weerkaatsten; de vergulde meubels, op welke het kaarslicht glinsterende streepen trok, evenals het groo-te, geschilderde scherm, dat den haard verborg. Maar hij zag te vergeefs rond naar den bode van den graaf van Artois.

„Ha, daar is een deur,quot; prevelde de Koning: „misschien is hij in dit tweede vertrek.quot; — Hij ging door de kamer om deze deur te openen, en kwam toen voorbij het vuurscherm, en terwijl hij dit deed, sprong een gestalte van achter hetzelve te voorschijn. Twee zachte armen sloegen zich om zijn hals, en oen stem, die zijn hart deed trillen, fluisterde in zijn oor: „Ge hebt u van mij willen scheiden, maar ik ben weder bij u! De liefdester onzer jeugd schijnt weder over ons. O, mijn geliefde, ge hebt mij eens uw goed gesternte genoemd, en dat hen ik. En ik smeek u, laat mij niet vergaan in den nacht van eeuwige droefheid!quot;

Zij zonk aan zijne voeten neder en omklemde zijn knieën. Het kaarslicht viel vlak op haar, en bescheen het van tranen overstroomde aangezicht, dat sedert zoo vele jaren de vreugde en do troost des Konings was geweest.

Ook nu terwijl hij haar aanschouwde, kon de Koning, in weerwil der beschaming, wolke hij gevoelde, een ge-veel van vreugde niet onderdrukken. Onwillekeurig, slechts aan zijn eigen gevoel toegevende, boog hij zich neder en trok Wilhelmine in zijn armen op. Maar toen, als door schrik bevangen, liet hij haar los, en dwong zijn gelaat tot een ernstige toornige uitdrukking.

„Hoe komt gij hier, madame? Hoe durft ge het te w7a-gen mijn verbod te trotseeren, daar ik u toch bevolen heb, te Charlottenburg te blijven?''

„De Koning heeft het bevolen,quot; zeide zij met baar zachte, welluidende stem: „maar ik wil van u zeiven vernemen, Friedrich Wilhelm, of ook mijn vriend, mijn geliefde, dit bevel bekrachtigd heeft?''

„Ik zal u moeten verzoeken, madame, u van zulke uitdrukkingen en benamingen verder niet te bedienen!quot; zei

ocr page 312

00

do Koning met een heftigheid, die Wilhelmine bewees dat zij slechts geveinsd was: „Alles heeft zijn tijd in hot leven, en men moot ook met zijn verloden weten te breken. Ge zult mij nooit ondankbaar vinden, Wilhelmine,quot; — hij merkte 't niet op, dat hij haar weder met den ver-trouwelijken naam toesprak; — „neen, nooit ondankbaar. Maar ge kunt niet vorderen, dat 't geen bij alle menschen aan den tijd onderworpen is, bij ons alleen eeuwig zou zijn. Ge hadt u deze verklaringen kunnen besparen, en ik vind het zeer vermetel, dat de prins zich onderstaan heett mij op deze wijze te misleiden.quot;

„Sire, ik bid om vergeving voor den prins,quot; zei Wilhelmine zacht: „hij heeft Uwe majesteit niet misleid. Ik kom werkelijk tot u als de geheime agent van den graaf van Artois, en 'twas een plicht der loyaliteit van den prins, dat hij mij de verzochte samenkomst met Uwe Majesteit verschafte. Dit alleen deed den goeden prins er toe besluiten. Hij zag in mij slechts den afgezant van de ongelukkige koninklijke familie, niet de versmade, verstooten vrouw. Van de wonden welke mijn hart heeft ontvangen, vermoedt hij niets. En ik beken het in ootmoed, dat ik hem heb doen gelooven, dat het voor Uwe Majesteit een aangename verrassing zou zijn, mij weder te zien. Vergeef dus den prins. Beloof mij, Sire, hem geen verwijt hiervan te zullen maken.quot;

„Ik beloof het,quot; zei de Koning op zachter toon: „en wijl ge nu toch hier zijt, zoo laat mij hoeren wat ge mij namens den Franschen prins te zeggen hebt.quot; Hij voerde Wilhelmine, misschien zonder er bij te denken, naar den divan, ging er op zitten, en beduidde haar met een handgebaar, dat zij zich naast hem zou zetten.

Zij deed het met ernstig en bescheiden voorkomen. En toen de schier sinds een jaar gescheidenen nu weder nevens elkander zaten; toen hij weder de fraaie, volle gestalte, het sprekende gelaat, de fonkelende oogen der geliefde zijner jeugd zoo dicht bij zich zag, overviel den Koning een onuitsprekelijk gevoel van welbehagen. Hij ademde diep, als werd zijn hart van een zwaren last bevrijd, en met een vriendelijken glimlach aanschouwde hij haar.

„Spreek, Wilhelmine; deel mij de boodschap van den prins mede.quot;

ocr page 313

01

Toen zij nu sprak, was het den Koning alsof een lang versturven schoone muziek, met zoete melodién weder op-ruischte. En hij luisterde naar haar met mijmerend wei-gevallen.

Het waren trouwens zeer sombere klanken, welke hij hoorde. Den doodsklacht wegens den door zijn volk terecht-gestelden Koning! De smartkreet der gevangen Koningin Marie Antoinette, die de Duitsche Vorsten smeekte om spoedige hulp, opdat ook niet haar kinderen op't moordschavot zouden sterven. ,,Dat ik sterven moet en sterven zal,quot; schreef de Koningin in den brief, dien een harer getrouwen aan den graaf van Artois had gebracht, en dien deze door de hertogin de Liancourt aan de vriendin des Konings gezonden had, „dat ik sterven moet en sterven zal, is mijn troost en mijn hoop. Ik smeek dus niet voor mij. Ik smeek voor den Koning van Frankrijk, voor Lo-dewijk den Zeventiende. Ik smeek voor de kronen van alle Europeesche Vorsten, want zij zijn allen bedreigd. Als het hoofd van Koning Lode wijk XVII na dat zijns vaders valt, waggelen de kronen op de hoofden aller Vorsten, en zij allen zullen nederstorten in den afgrond der revolutie. Hebt dus ontferming met u zeiven, mijn broeders, mijn vrienden, mijn neven! Redt het koningschap, redt mijn zoon! Slechts wanneer de oorlog schielijk en krachtig wordt hervat, is deze redding mogelijk. Want alléén de in Parijs binnenrukkende overwinnaars, zullen de deuren van den Temple kunnen openen, waarin de Koning van Frankrijk smacht!quot; —

De Koning had dezen brief met diepe ontroering gelezen, en uitte luid zijn leedwezen; hij merkte niet op, dat hij als in vorige dagen met zijn vriendin zijn denkbeelden wisselde, en haar deel liet nemen aan 't geen zijn ziel vervulde. Wilhelmine was schrander genoeg, hem er niet aan te herinneren, maar eenvoudig en stil, zonder eenig tee-ken van tevredenheid of vreugde, het gesprek voort le zetten.

„Zij heeft gelijk, de arme Koningin Marie Antoinette,quot; zei Friedrich Wilhelm: „zoo de revolutie in Frankrijk zegeviert, zoo het koningschap door de muiters onder den voet wordt getreden, dan zijn al onze kronen bedreigd. Maar ik zal het niet dulden, ik zal het koningschap redden

ocr page 314

62

met mijn sterken arm en mijn vasten wil! Ik zal al dezen vredeshelden en geruststellers trotseeren; ik zal voor alle bemiddelaars mijn oor sluiten, en de veldtocht van dit jaar zal snel en krachtig gevoerd worden. Geen dralen, geen bedenken meer! Mijn armee zal marschvaardig gemaakt worden; en zoo de hertog-generalissimus het niet wil, zal ik als Koning verlangen, dat ten minste mijn leger den veldtocht opent.quot;

„De hertog zal het niet willen,quot; zei Wilhelmine bedaard.

„Vanwaar weet ge dat?quot; vroeg de Koning, en zonder het te weten hernam hij den gewonen, vertrouwelijken toon.

„Ik weet,quot; zeide zij kalm: „dat de hertog met de Fran-sche generaals Dumouriez en Keilerman in geheime onderhandeling staat. De partij,quot; voer Wilhelmine zacht voort, en zij legde teeder haar warme hand op die des Konings: „de partij, die mijn geliefden Koning thans omgeeft, is voor den vrede, en dit is de reden, waarom men mij van Uwe Majesteit verwijderd heeft; men wist zeer goed, dat mijn hart onomkoopbaar is, en dat in alles^wat ik doe en denk, voor mij slechts de eer en de waardigheid van mijn koninklijken heer boven alles staat.quot;

De Koning nam een ernstig voorkomen aan. — „Ik begrijp u niet, Wilhelmine, en ik weet niet wat ge zeggen wilt.quot;

„Ik wil zeggen,quot; riep zij, terwijl zij van de sofa nedergleed, en de knieën des Koning omvatte: „ik wil zeggen, dat slechts ik alleen u waarachtig en onbaatzuchtig bemin! Ik wil zeggen, dat degene, welke ge uw edel en schoon hart hebt toegewijd, u misleid en bedriegt.quot;

„Madame,quot; riep de Koning verstoord: „wacht u wél, te beschuldigen!quot; — Hij wilde opspringen, maar Wilhelmine had zijne knieën slechts nog vaster omstrengeld, en dwong hem te blijven zitten.

„Friedrich Wilhelm!quot; riep zij : „gij zult en mij hoo-ren! Ik wil het niet dulden, dat een intrigante uw edel hart bedriegt! Ik wil u redden uit de banden, waarmede men u geboeid heeft! Onverschillig of de bliksemstraal van uwen toorn mij later verplettert. Ik zal sterven met het zalig

ocr page 315

03

gevoel, dal ik mijn Koning, mijn geliefde, mijn vriend gered heb. — Zij heeft u gezegd, deze valsche Delila, zij heelt u gezegd, dat zij u bemint om uw zelfs wille. Zij heeft uwe juweelen, uw titels, uwe schatten afgewezen, en gij, in de edelmoedigheid en onschuld uws harten, hebt haar geloofd, Fried rich Wilhelm. O ja, er was een tijd, toen een vrouw aan uwe zijde stond, die u waarachtig om uw zelfs wille beminde en dit bewees, door voor u te hongeren, voor u te ontberen, voor u te lijden! Maar weinigen gelijken haar, en dit durf ik zeggen, deze vrouw, die nu aan uwe voeten ligt en de liefde barer jeugd trouw in haar ziel bewaard heeft, — deze vrouw zal geeu navolgster vinden! Friedrich Wilhelm, zij hebben uw argeloos hart begoocheld; met listen en logens heeft Delila mijn Sim-son bedrogen, en zij lacht in haar hart om hem, wijl hij haar gelooft, en zij spot met zijne onnoozelheid en berekent het uur, dat zij hem zal laten boeten. Want na de bruiloft, mijn Koning en beer, — na de huwelijksvoltrekking zal Sophie Beermann de titels en orden, de juweelen en 'tgeld niet alleen aannemen, — maar zij zal ze eisc^ien, want zij is een listige, geldzuchtige vrouw, en slechts hare schranderheid heeft voor een oogenblik haar hebzucht doen zwijgen. O, zie mij niet zoo toornig aan, Friedrich W7ilhelm,quot; voer zij fier voort: „ik beschuldig, en Goddank, ik ben in staat mijn beschuldiging te bewijzen. Ziehier, mijn geliefde, hier zijn de documenten, die het staven dat deze eerzuchtige bankiersdochter een logenaarster, — ja meer dan dat, dat zij een verraadster is!quot;

De Koning sprong op. — „Ik wil niets meer hooren, madame!quot;

„Ge zult mij hooren!quot; riep zij met vuur: „Bij het hoofd mijner kinderen, Friedrich Wilhelm, — bij den geest van onzen overleden zoon, die om ons zweeft in dit uur, bij hèm bezweer ik u, dat ge mij hooren zult. Zoo ik miju aanklacht niet bewijs, geef ik u het recht, mij voor eeuwig van u te verbannen, en ik zal het dan nooit weder wagen, voor uw aangezicht te verschijnen! Maar eerst moet ge mij hooren! —Alexanuer, mijn zoon Alexander!quot; riep zij luid, terwijl zij hare armen ten hemel hief: „Daal neder tot mij; zweef om het hoofd van uwen vader, en Huister in zijn ziel en smeek hem, dat hij zijn

ocr page 316

64

oor niet sluite voor de rechtvaardiging uwer moeder!quot;'

Do Koning huiverde ea wierp een schuwen blik door de kamer, als zag hij naar den geest, dien Wilhelraine bezworen had. Want de geesten der afgestorvenen zijn bij ons in de uren der beslissing, en hunne onzichtbare oogen zien alles wat wij doen.

't Was den Koning als lichtten in zijn ziel de oogen van zijn geliefden Alexander, en toen hij nu angstig naar Wilhelmine zag, ontmoette hij in hare oogen den smeekenden blik van zijn zoon.

„Spreek, Wilhelmine,quot; zeide hij zacht: „ik wil u hoo-ren. Ge hebt beschuldigd, bewijs uwe beschuldiging, of zoo waar een God boven ons is, en zoo waar de geest van onzen zoon om ons zweeft, zult ge uw straf ontvangen !''

Zij boog ootmoedig het hoofd. — „Ik onderwerp mij,quot; zeide zij ; „maar hoor en lees.quot;

Zij reikte den Koning het toegevouwen document,'t welk prins Louis haar gebracht had. — „Wat is dit voor een papier?quot; vroeg de Koning.

„Het is een document,quot; zeide zij plechtig; „door hetwelk de Bankier Beermann zich verbindt, aan zijne zuster millioenen te betalen, juweelen en een landhuis te geven, zoo zij na de huwelijksvoltrekking met Uwe Majestei't, hem daarvoor schadeloos stelt, door Uwe Majesteit haren broeder tot Hofbankier te laten benoemen, zoodat alle geldzaken des Konings door zijn handen gaan. Het is dit document, dat de onbaatzuchtigheid der schoone bankiersdochter in het ware licht stelt.quot;

De Koning trad haastig naar de tatel, sloeg met bevende handen het papier open, en las het.

Wilhelmine's oog rustte met een vorschende uitdrukking op zijn^ aangezicht en zag de wolken die er over heen trokken; en het toornig rimpelen van zijn voorhoofd, riep een haastig weder verdwijnenden glimlach van triomf op hare lippen.

„Sire,quot; zeide zij, toen de Koning tot het einde gelezen had; „hier is nog een ander papier, ik verzoek u ook dat te lezen.quot;

„Wat bevat het?quot; vroeg de Koning op wrokkenden toon, en Wilhelmine lispte met haar zoetste stem ; „'t is een do-

ocr page 317

65

CLiment, waarin mejuffrouw Sophie Beermann den bankier te Genóve belooft, dat, zoo zij door zijne bemiddeling de bedongen zeven millioen francs heeft ontvangen, zij dezen heer tot Hotbankier van Zijne Majesteit den Koning van Pruisen benoemen zal, zoodat al diens geldzaken door zijne handen gaan.quot;

De Koning greep het papier met toornig gebaar uit haat-hand, en las het met bliksemende oogen.— „Het is waar,quot; prevelde hij: „'tstaat alles zoo geschreven, 'tls geen bedrog, want ik ken haar schrift. Zeg mij nog dit, Wilhel-mine: waarvoor zijn deze zeven millioen francs bedongen?quot;

„Sire, 't is het zondenloon, dat de toekomstige gemalin mijns Konings ontvangen zou, zoo het haar gelukt ware datgene te bereiken, wat zij den hertog van Brunswijk had beloofd, en wat. deze met den Franschen generaal had afgesproken.quot;

„En wat was dat?quot; vroeg de Koning.

„Sire, 't was de vrede met de Fransche Bepubliek, de vrede tot eiken prijs. Om dien te bewerken, heeft mademoiselle Sophie Beermann zich verbonden: want zij rekende op de hartstochtelijke liefde, welke zij den Koning van Pruisen heeft ingeboezemd.quot;

„Maar bij God! zij heeft zich misrekend!quot; riep de Koning met donderende stem, terwijl hij de beide documenten op den grond wierp en met voeten trad: „Zij heeft zich misrekend, de bedriegster, de ongevoelige huichelaarster! Ach, welk een erbarmelijk iets is toch het leven, en hoe slecht zijn de harten der menschen!quot;

De Koning zonk, geheel overweldigd door zijn onstuimig gevoel, op den divan neder en sloeg zuchtend de handen voor zijn aangezicht. Wilhelmine durfde het niet wagen hem te storen; zij kende den Koning en wist, dat zij zijn toorn en smart tijd moest laten om uit te woeden. Zacht en stil liet zij zich aan zijne voeten nederglijden, legde haar hoofd op zijn knie, en zag met diep bewogen gelaat, tot den weenende op.

Diepe stilte omgaf beiden. Men hoorde niets dan het zuchten, het onderdrukte snikken van den Koning, die om zijn laatsten liefdedroom weende. Spoedig echter mengden zich onder deze zuchten andere zuchten, en een tweede snikkende stem werd hoorbaar.

Mühlbaoh, Dnitschland in rvoeling en strijd. VI.

ocr page 318

06

De Koning ontroerde, en liet de handen van zijn aangezicht nederglijden. —„Waarom weent ge, Wiihelmine? ' riep hij toornig; „waarom weent ge met uwe oogen, terwijl ge toch lacht in uw hart, en u over de vernedering verheugt, welke ik ondergaan heb!quot;

„Ik verheug mij niet, Friedrich Wilhelm!quot; zeide zij zacht; „Ik zou een jaar mijns levens er voor geven, zoo ge deze smart niet behoefdet te lijden ! 't Is zoo treurig zich in de menschen vergist te hebben; 't is zoo troosteloos een liefde te moeten begraven! Ach, Friedrich Wilhelm, waarom kon ik u deze smart niet besparen! Ik lijd mèt u, want ik bemin u; hoezeer ik weet, dat uw ziel zich van mij gewend heeft, en ik niets meer voor u ben! Ge hebt mij verstoeten en verbannen, wijl deze vrouw het wilde. Ge hebt mij veroordeeld tot een eeuwige scheiding, en ik heb bet verdragen, en geen verwijt togen u is in mijn hart opgerezen. Maar ik kon niet dulden, dat ge aan een schandelijk bedrog ten offer vielt, en daarom ben ik gekomen, want het is mijn heilige plicht den vader mijner kinderen te redden. Nu heb ik dezen plicht vervuld; ge kent nu de vrouw die u bedrogen heeft, in al haar laagheid en slechtheid. Wees grootmoedig jegens haar, Friedrich Wilhelm, en laat uw verachting haar eenige straf zijn. Mijn werk is nu voltooid, en nu ik u gered weet, wil ik mij gehoorzaam aan uwen wil onderwerpen en doen, wat ge bevolen hebt. Vaarwel, Friedrich Wilhelm en mogen alle engelen des hemels u omzweven!quot;

Zij kuste zijn hand, die nog vochtig was van zijn tranen, hief zich langzaam van hare knieën op en sloop met gebogen hoofd naar de uitgangsdeur.

De Koning sprong op en zijn blik volgde haar met ontstelde uitdrukking. — „Waar gaat ge heen, Wiihelmine?'' riep hij haastig.

Zij wendde langzaam het hoofd om en aanschouwlt;le hem met de oogen vol tranen. — „Ik ga naar Gharlottenburg,quot; zeide zij zacht; „ik ga ïiaar de plaats mijner verbanning.

En zij stak de hand uit om de deur te openen.

Maar de Koning ijlde op haar toe, en rukte haar hand van den deurknop. — „Gij zult niet gaan!quot; riep hij haastig; „Ge zult bij mij blijven, Wiihelmine!quot;

En toornig in liefde en smart sloeg hij zijn beide armen

ocr page 319

(37

om haar gestalte, en drukte haar innig tegen zich Zij slaakte een vreugdekreet, drukte zich vast aan zijn hart en leunde haar hoofd aan zijn borst.

„Ach, Wilhelmiue.'' zeide hij diep bewogeri: „ik zie het wel; gij alleen bemint mij waarachtig, en zoo de geheele wereld mij ook bedroog, (jij alleen blijft mij trouw. Ik heb u verlaten en versmaad, en evenwel was mijn hart bij u, en zoo ik aan de beden der verleidster gehoor gaf en u verbande, zoo geschiedde dit slechts met het geheime bewustzijn, dat ik met het innigste mijner ziel u toch alleen toebehoorde, en dat één adem van uwen mond, het geheele kaartenhuis dezer liefde zou omstooten. Ik vreesde uw macht over mij, en daarom wilde ik vermijden u te zien. Zult ge mij nu kunnen vergeven, Wilhelmine? Is uwe liefde groot en sterk genoeg, mijn geliefd kind, éénige en trouwe vriendin mijner ziel, is zij sterk genoeg, dat zij nog eens vergeven en vergeten kan

„'t Is alles reeds vergeten en vergeven!quot; zeide zij zalig glimlachend tot hem opziende: „Ik weet niets, dan dat ik u bemin, Friedrich Wilhelm. Nu ik zoo mijn hoofd aan uwe borst leun, denk ik aan het uur, toen wij in onze jonge jaren den eed van eeuwige liefde wisselden ! Weet ge 't nog, Friedrich Wilhelm? Wij sneden ons beiden in den arm, om met ons bloed den liefdeëed te bezegelen. En toen het bloed opwelde, kuste ik de wonde en dronk uw bloed en gij deed insgelijks. Ge hebt mijn bloed gedronken, gelijk ik het uwe, en onverbreekbaar is een aldus gesloten verbond. Want uw bloed vloeit door mijne aderen, en het mijne zal eeuwig door de uwe stroomen ! Zie hier het litteeken op mijn hand, het schoone gedenkteeken van dat uur.quot;

Zij hief de hand op, de fraaie blanke hand, welke de Koning steeds zoo bemind had, en hij nam haar haastig en drukte ze aan zijne lippen.

„Heb ik u weder, betooverend wezen, mirtenbloem mijner jeugd,quot; zeide hij glimlachend; „wees zacht en goed, geliefde hand ; leg u als balsem op mijn hart en genees deszelfs wonden.quot;

En Wilhelmine streelde liefkoozend zijn gloeiend gelaat, en fluisterde teedere woorden in het oor des Ko-nings.

ocr page 320

68

Hij sloot haar vast in zijn armen, en luisterde naar deze woorden. Deze, ten minste, — dit wist hij, — waren geen misleiding, en zoo ook alles dat hem omgeeft, huichelt en bedriegt, en zoo ook valschheid en verraad op aller lippen is, — de geliefde zijner jeugd kan hij vertrouwen, aan haar boezem mag hij in zaligen vrede zijn hoofd leunen, want Wilhelmine is geen Delila.

Hij zeide haar dit met sidderende lippen en bevende stem, en boog zijn hoofd en kuste haar voorhoofd. — „Ge hebt mij bevrijd, lieveling; bevrijd uit de handen der booze Delila, die mij verraden wilde. Hoe zal ik u danken, hoe uwe liefde en trouw beloonen ?quot;

„Hoe dankt men het hondje, dat trouw ons volgt op alle wegen; dat, zoo wij het van ons gestooten hebben, deemoedig weder tot ons kruipt en den voet likt, die het stiet 9 Wij danken het, door het bij ons te dulden. En dit, mijn Friedrich, is alles wat ik van u verzoek. Duld mij ! Laat u door mij beminnen! Maar er is toch nog iets waarmede ge mij beloonen kunt. Geef mij uw Koninklijk woord, dat ge nooit er aan denken zult, mij te verstoeten en uit uwe tegenwoordigheid te bannen. Uw koninklijk woord, dat ge mij ook nooit bevelen zult waar ik wonen moet, maar dat ik altoos mijn persoonlijke vrijheid ongehinderd behouden zal.quot;

De Koning glimlachte. — „Ik geef u mijn Koninklijk woord hierop, Wilhelmine. Uw persoonlijke vrijheid zal u voor altijd verzekerd zijn ; en ge zult nooit, — noch naar Charlottenburg, noch ergens elders, gebannen worden. O, Wilhelmine, als ik u aanschouw, overvalt mij een diepe weemoed, en ik schaam mij over mijn zwak hart, dan nu lot speeltuig geworden is in de handen eener bedriegster.quot;

„Denk niet meer aan haar,quot; Friedrich.

„Ik zal alleen nog aan haar denken om mij te wreken!quot; riep de Koning.

Wilhelmine streelde glimlachend en vleiend zijn gloeiende wangen. — „Neen,quot; zeide zij : „dat zou mijn Koninklijken heer onwaardig zijn. Het zou ook te veel waarde aan deze Delila verleenen. Geloof mij ; het is voor haar straf genoeg dat zij Simson niet bedwongen heeft, en die zal haar deren zoolang zij leeft. Men straft met zwijgende

ocr page 321

69

verachting veel beter, dan met toornige wraak. Spreek nooit weder met haar, neem 'geen notitie van haar bestaan. Of nóg beter; noodig haar met haar broeder op de feesten welke gij geeft, en spreek met haar, gelijk met al uwe andere gasten. Geloof mij, Friedrich, dit is de hardste straf, welke gij haar kunt opleggen.''

„Maar ik zal die niet kunnen uitvoeren,quot; hernam de Koning: „mijn hart zou gloeien van toorn, zoo ik de verraadster zag.quot;

„Dan bemint ge haar dus nog!quot; riep Wilhelmine smar telijk; „Gij bemint haar nog, hoewel ge weet hoe schandelijk zij u bedrogen heeft.quot;

„Neen,quot; riep de Koning: „ik veracht haar! En 'tis mij vreeselijk te denken, dat ik haar niet straffen zou voor haar misdaad.quot;

„Mijn dierbare vriend,quot; vleide Wilhelmine: „doe gelijk ik u gezegd heb, en de misdadige zal haar straf ontvangen. Men doodt met speldeprikken veel zekerder, dan met een pistoolschot. En wil men volstrekt schieten, dan is 't niet noodig dat men de pistolen met kruit en lood laadt, men kan ook met koud water dooden. En met koud water en met koud bloed willen wij uwe Delila dooden!''

„Welaan, het zij zoo!quot; zei de Koning: „Maar ge moet mij tvvee dingen beloven. Ten eerste, dat ge hier te Frankfort blijft zoo lang ik er ben. Ten tweede, dat ge een of andere gunst, de vervulling van een of anderen wensch van mij verzoekt!quot;

, Wat het eerste betreft,'' riep zij: „dat beloof ik met vreugde. Het hondje blijft bij zijn meester, zoo lang tot hij het beveelt heen te gaan. En wat de gunst betreft, welke ik verzoeken mag, ik heb ditmaal twee wenschen gereed.quot;

„Zij zijn reeds vooruit toegestaan,quot; zei de Koning: „noem ze dus.quot;

„Mijn eerste verzoek is dit - dat ge terstond morgen vroeg voor den rijken heer Beermann een document laat uitvaardigen, waarin ge hem tot uw Hofbankier benoemt, zoodat al de geldzaken van Zijne Majesteit den Koning van Pruisen door zijn handen gaan.quot;

„Hoe?quot; riep de Koning verbaasd: „Ik zou den broeder

ocr page 322

70

dezer verfoeielijke vrouw nog zulk een onderscheiding ver-leenen ?quot;

„'tls een speldeprik voor zijn zuster,quot; glimlachte quot;Wil-helmine: „De broeder is niet met haar in het verbond, en aan hèm hebben wij dit document te danken, 't welk mijn Koning de baatzuchtige bedoelingen der schoone Sophie verried. Uwe Majesteit heeft mij de gunst toegezegd, en ik bid om de vervulling er van.quot;

„Zij is vervuld,quot; zei de Koning zuchtend : „noem mij uw tweeden wensch.quot;

„Mijn tweede wensch is deze,quot; voer Wilhelmine voort: „Uwe Majesteit bevele, dat al de onderhandelingen met de generaals der zoogenaamde Fransche republiek, dadelijk en voor altoos afgebroken worden. Uwe Majesteit geve bevel, dat de oorlog tegen Frankrijk, zoodra de lente begint, niet alleen in schijn, — maar met alle kracht weder hervat wordt.quot;

„Dit kan ik u gaarne en met vreugde beloven,quot; zei de Koning: „want deze wensch is volkomen in overeenstemming met mijn eigen wil en wensch. Maar het verwondert mij, hoe mijn dierbare vriendin er toe komt, zich plotseling met de vervelende politiek bezig te houden.quot;

„Een tweede speldeprik voor de schoone Sophie,quot; glimlachte Wilhelmine: „zij is immers een ijverige staatkundige, en zou van den Geneefschen bankier zeven millioen ontvangen, zoo zij den vrede met Frankrijk bij Uwe Majesteit bewerkte. O, ik denk de schoone dame in den loop van den volgenden dag nog zóó vele speldeprik ken to,e te brengen, dat haar geheele ziel er gewond door wordt en zij naar den dolksteek verlangt, die aan haar lijden een einde maakt. Ge geeft er mij toch verlof toe, Friedrich Wilhelm?quot;

„Ik geef het u. En dit, geloof ik, is de beste belooning welke ik u geven kan voor uwe liefde en trouw.quot;

Wilhelmine lachte en knikte. — „Ge hebt gelijk, mijn geliefde. De dag van morgen zal voor mij een vreugdedag zijn, en hij was tóch bestemd om mij het dierbaarste, wat ik bezit, voor eeuwig te ontrukken.quot;

„Spreek niet meer hiervan,quot; zei de Koning somber; „als ik er aan denk, dat ik werkelijk de dwaasheid wilde begaan, morgen een huwelijk met deze intrigante te sluiten,

ocr page 323

quot;71

overweldigt de toorn weder mijn hart, en ik schaam mij over mij zeiven. Ik moet voort, Wilhelmine, want het is hoog tijd de noodige bevelen te geven, en de getroffen verordeningen af te zeggen.quot;

„Waarom af te zegden?quot; vroeg Wilhelmine lachend; „Laat de schoone Sophie in haar bruidstooi op u wachten.. Dat zal wederom een fraaie speldeprik zijn. En nu. Majesteit, verzoek ik nog ééne gunst. Wilt ge mij de arrangementen voor den dag van morgen overlaten ?quot;

„Volstrekt en onvoorwaardelijk,quot; zei de Koning; „want ik zie wel, geen hofmaarschalk zou het feest der wraak beter kunnen arrangeeren, dan het schandere hoofd en de bekwame handen mijner dierbare Wilhelmine.quot;

VI.

DE DAG DER WRAAK.

In het hotel van den bankier, was intusschen gedurende de afwezigheid des Konings, het balfeest rustig voortgezet. Aanvankelijk had de schoone Sophie zich wel een weinig verontrust gevoeld wegens de afwezigheid des Konings. Maar, toen prins Louis Ferdinand kwam en haar den groet en de verontschuldigingen van haren koninklijken minnaar bracht, — toen hij haar in naam van Zijne Majesteit verzocht, zich in 't vroolijke feest niet te laten storen, zelfs al mocht de Koning, door plotselinge zaken verhinderd, niet terugkeeren, — toen gevoelde Sophie zich weder volkomtn gerust gesteld. De muzikanten schetterden hun vroolijke klanken in de balzaal neder, waar de met juweelen getooide, en met bloemen bekranste vrouwen aan den arm barer dansers op en neder zweefden. Lust en vroolijkheid straalde op alle gezichten, en een schitterende stoet van voorname met orden gestemde cavaliers omgaf de koningin van het feest, de schoone Sophie, — die morgen reeds, gelijk allen wisten, de gemalin van den Koning van Pruisen zou worden. Het trotsche bewustzijn van dezen triomf straalde van haar hoog, helder voorhoofd, waar boven de diadeem van diamanten schitterde.

ocr page 324

72

Haar broeder stond in de vensternis en zag naar haar, toen zij hem juist in de armen van den Vorst von Solms voorbij danste, en het fonkelen der diamanten trof zijn oogen.

„Zij zal ze niet lang meer dragen,quot; zeide hij met een boosaardigen glimlach: „Ik zal er een waardiger hoofd voor vinden, 'tls grappig, te denken hoe onbaatzuchtig mijn lieve zuster is, en hoe heerlijk zij er voor beloond zal worden. Ik zou dit feest heden niet willen missen, al moest het mij ook dubbel zooveel kosten, als het mij werkelijk kost.quot;

Dit teest mocht den bankier inderdaad zeer veel kosten; want het was met koninklijke pracht ingericht, en de trotsche geldvorst had niets gespaard, om den Koning.waardig te ontvangen. Sinds weken was men met de toebereidselen tot dit feest bezig geweest, en bijzondere koeriers waren naar alle einden van Europa gezonden geworden, om de uitgezochtste lekkernijen voor de tafel te halen. Een koerier naar Thum, waar de vetste forellen waren; een andere naar Petersburg om den visch te halen, van welke de Koning den bankier had verteld, dat hij dien slechts ééns in zijn leven gegeten, — en keizerin Katharina hem dezen zeldzamen visch door een bijzonderen koerier naar Berlijn gezonden had. Uit Spanje had een derde koerier de schoonste muskadeldruiven gehaald, en van Nizza waren aardbeien en kersen aangebracht. Dit alles moest nu op de koninklijke tafel prijken, waaraan slechts weinige uitverkorenen plaats zouden nemen. Maar ook aan al de andere tafels, die in de groote eetzaal opgeslagen waren, zouden de gasten van den bankier hetzelfde kostbare onthaal genieten.

Geheel Frankrijk zou van de pracht van dit feest gewagen, en morgen op de beurs zou men niet van coupons en papieren spreken, maar van al de gerechten en wijnen, die gisteren op het feest van den rijksten bankier van Frankfort waren.

De tafels waren gedekt, de balmuziek was verstomd, en men wachtte nog slecht op de aankomst des Koning, om zich naar de eetzalen te begeven. In afzonderlijke groepen stonden de gasten rondom. Het luid schateren van lachende stemmen en vroolijken kout verstomde allengs; een

ocr page 325

73

fluisteren en lispelen ging door de zaal, en de oogen der gasten richtten zich op de schoone Sophie, met een zonderlinge, nieuwsgierige uitdrukking.

Zij stond in het midden van de gi oote schitterende bal-zal onder de fonkelde lichtkroon, in een levendig gesprek met eenige Vorsten en graven, die tot nu toe tot haar ijverigste aanbidders hadden behoord. Hare hrillanten glinsterden nog altijd, en de glimlach harer lippen was onveranderd; een onuitsprekelijke angst vervulde evenwel haar hart, en elk der op haar gerichte blikken boorde zich in haar aangezicht en deed haar wee, en het fluisteren en lispelen verschrikte haar ziel meer, dan het donderen der kanonnen gedaan zoude hebben.

Zij gevoelde dat men haar gadesloeg, en zij zou er om geglimlacht hebben, schoon ze ook geweten had, dat de dood in dit oogenblik achter haar stond.

Een kamerheer des Konings trad nu de zaal binnen en naderde haar eerbiedig. Zelts het zachtste fluisteren verstomde, en met ademlooze spanning waren al de blikken op de groep in 't midden der zaal gericht.

De kameiheer boog zoo diep, als hij slechts voor een wezenlijke Koningin had kunnen doen, en terstond was de glimlach der schoone Sophie blijder en helderder dan te voren. Zij kent het vleien der hovelingen; zij weet dat hun glimlach en hun beleefdheid de thermometer is, waarnaar men de gunst der Koningen berekenen kan. —„Genadige dame,quot; zei de kamerheer luid genoeg om door al de dichtstbijstaanden verstaan te worden; „Zijne Majesteit de Koning laat zich verontschuldigen, dat hij het balfeest niet langer kan bijwonen Er zijn koeriers aangekomen met gewichtige tijdingen uit Frankrijk, en de Koning moet zich dus wegens regeeringszaken het genoegen ontzeggen, aan uwe zijde te zijn. Dit zijn de eigen woorden van Zijne Majesteit. En hij wenscht dat het feest,— ook schoon hij er niet is, —ongestoord voortgang hebbe.quot;

Als balsem verkwikte ieder dezer zoete, vleiende woorden het hart der trotsche, eerzuchlige schoone, en de glimlach troonde weder met allo heerlijkheid op haai'fraai gelaat.

Het fluisteren in de zaal ruischte weder op tot hooge-re accoorden van onderhoud. De prins van Solras reikte

ocr page 326

74

de koningin van 't bal den arm en voerde haar naar de groote estrade in de eetzaal, waarop zich de koninklijke tafel bevond, die eeniglijk voor Zijne Majesteit, zijn toekomstige gemalin en eenige uitverkoren prinsen bestemd was. Nu nam de prins van Solms de plaats des Konings in, en hij fluisterde Sophie de hartstochtelijkste betuigingen zijner liefde in het oor en zwoer haar, dat hij van af den dag van morgen, de ongelukkigste der menschen zijn zou.

Zij hoorde hem glimlachend aan, en zag van de estrade met trotschen blik neder op de lange tafels, waaraan in bonte, schitterende rijen de gasten zaten, en gevoelde zich als Koningin fier en zeker in haar hart.

Dat de ministers des Konings, evenals de koninklijke prinsen zich verwijderd hadden verwonderde niemand; want daar er gewichtige tijdingen waren aangekomen, mochten er wel beraadslagingen in 's Konings kabinet plaats hebben.

Allengs had het gerucht zich verspreid, dat berichten uit Frankrijk de terechtstelling van den Koning gemeld hadden. Een rilling van ontzetting liep nu door het ge-heele gezelschap, de gesprekken verstomden, en zelfs de heerlijke spijzen, die den bankier zoo vele duizenden gekost hadden, wilden nu den gasten nauwelijks meer smaken.

Vroeger dan anders geschied zou zijn, stond Sophie van de tafel op en daalde aan den arm van den prins van Solms, de estrade af, om naar de groote zaal terug te keeren en er het afscheidscour der gasten te ontvangen.

Een uur later waren de schitterende zalen donker en eenzaam. De kaarsen waren uitgedoofd, de muziek was verstomd, de koetsen hadden de gasten weggevoerd, en een eenzame stilte heerschte nu in de van bloemen geurende vertrekken.

De bankier had zich naar zijn kamers begeven, zonder als gewoonlijk, van zijn zuster afscheid te nemen. Ook Sophie had zich in de hare teruggetrokken. Haar kamenier was uit de toiletkamer gekomen om haar meesteres van den rijken tooi te ontdoen, en in stede van de kostbare kleederen, haar het lichte nachttoilet aan te leggen.

Maar Sophie had haar met een ongeduldige handbeweging bevolen, zich ter rustte te begeven; zij zou zich zelve ontkleeden, en wenschte alleen te zijn.

ocr page 327

75

Na was zij alleen, en m.et heftige schreden ging zij door de beide kamers op en neêr. De snelle beweging deed de vlam der kaarsen op de zilveren kandelaars, die in de beide kamers op de marmeren tafels brandden, heen en weer waaien. En dar glinsterden de briljanten aan den hals van Sophie [sterker, en er schoot als een weerlicht achter haar, als zij in het fonkelend wit satijn gewaad door de stille kamers ruischte.

Maar van den glimlach, dien zij lot het laatste oogen-blik tegenover hare gasten bewaard had, was nu geen spoor meer op het schoone aangezicht te zien..Een onbepaalde angst drong als een spook in hare ziel en zij huiverde inwendig, bevend gelijk de duit beeft, als de gier hoog boven haar in de lucht zweeft.

De gier des ongeluks! Zij gevoelt dat hij dicht bij haar is, dat hij zijne klauwen gereed houdt om haar te verscheuren. En evenwel ziet zij hem niet, en niets verkondigt haar zijne nabijheid, behalve de angst van haar eigen geweten.

Uren lang wandelde zij zoo rusteloos heen en weder, in haar hart elk woord overwegende, 't welk de Koning heden met haar gesproken had; in haar gedachten elk zijner gebaren onderzoekende, tot zij eindelijk tot het resultaat was gekomen, dat niets aan hem veranderd was geweest en haar vrees dwaas was. Nu glimlachte zij weder en noemde zich een zottin, maar kon evenwel den angst uit haar hart niet bannen. Zij nam de brillanten diadeem uit heur haar, en legde haar met het halssnoer en den bracelet in hel groote juweelkistje, op welks deksel de naam harer moeder ingelegd was.

„Mijn nakomelingen zullen een schitterender naam op dit deksel vinden,quot; fluisterde zij met trotsch gelaat, toen zij de gouden letters beschouwde; .,het comediespel heelt morgen een einde, en ik zal mij er niet mede vergenoegen Sophie Beermann te blijven. Het zal mij wel gelukken den Koning te bewegen, mij den titel van quot;Vorstin op te dringen, en ik zal 'them als een gunst toerekenen dien titel aan te nemen. „Ja, mevrouw Eleonore Beermann,quot; voer zij voort, terwijl zij nu haar witte vingers over den naam harer moeder streek ; „uwe kleinkinderen zullen een vorstenkroon en. een wapen met open vizier op dit deksel

ocr page 328

76

stempelen, en ge zult de eer hebben, de stam-moeder van een koninklijk geslacht te zijn!quot;

Zij trok het sleuteltje uit de kostbare etui, die zoovele heerlijkheden bergde, en droeg het kistje zelve in haar slaapkamer. Zeer dicht bij haar bed op de console moest het staan, want zulke schatten kan men niet zeker genoeg bewaren!

Toen zij vervolgens op haar bed nederzonk, viel een laatste blik op de etui, wier gouden opschrift door het licht der lamp, die aan de zoldering hing, werd beschenen.

„Ik zal morgen de gemalin eens Konings zijn,quot; prevelde Sophie, en de triomfantelijke glimlach stond nog op hare lippen, toen zij roeds ingeslapen was. Zij had na zoovele aandoeningen gedurende den dag, een langen, verkwikken-den slaap en ontwaakte eerst, toen het gewenschte „morgenquot; heden was geworden, en de kamenier met plechtig gelaat de slaapkamer harer meesteres binnentrad, om baatte wekken. Want^ tegen tien uur zou immers in de woonkamer der schoone Sophie, hare huwelijksvoltrekking met den Koning plaats hebben.

Sedert den vroegen morgen waren de decorateurs en behangers bezig, deze woonkamers in een kapel te herscheppen. En nu waren al deze toebereidselen reeds ten einde; een altaar, van bloemen, satijn en kant samengesteld, stond in het midden van het ruime vertrek, en op de stoelen, die er tegenover stonden, zou het koninklijke bruidspaar plaats nemen. Slechts de broeder der bruid, de minister Schulenburg, de prins van Solms en de generaal von Bischofswerder zouden de trouwgetuigen zijn. En deze heeren waren, zooals de kamenier berichtte, terwijl zij het toilet harer meesteres in orde bracht, reeds in de receptiezaal vereenigd en verwachtten nog slechts den Koning en zijn bruid.

Het trouwen zou geheim zijn, maar geheel Frankfort wist er van, en den dienstboden was't vergund geworden, de bruid in haar staatsie te zien. De mirtenkrans stond in het blonde haar schier even fraai, als gisteren de bril-lanten diadeem. Maar hij was toch slechts de tooi van een oogenblik, en men draagt hem slechts ééns in 'lieven! De brillanten behouden altijd haar waarde!

Dit dacht Sophie, toen zij voor den grooten spiegel

ocr page 329

77

stond, haar voltooid toilet beschouwde en den mirtenkrans een weinig lager op het voorhoofd drukte. Haar blik zweefde naar de console, waarop zij gisteren het juweelkistje had gezet; zij ontroerde, en een gloeiend rood vloog over hare wangen.

„Waar is mijn juweelkistje, mademoiselle Zephyrine? Wie heeft zich veroorloofd, het van de console te nemen?quot;

Mademoiselle boog eerbiedig. — „Ik verzoek vergeving, Genadigste. Mijnheer Beermann had mij gister avond bevolen heden zeer vroeg, — eer Hare Genadigste ontwaakt was, — het kistje te halen en het hem te brengen; mijnheer uw broeder wilde er nog iets inleggen. Het moet een verrassing zijn voor madame. Ik bid u mij niet te verraden, dat ik het gezegd heb.quot;

„Een verrassing?quot; prevelde Sophie; „het tooisel is zóó compleet, dat mijn broeder een ware verkwister zou zijn, zoo hij het nog vermeerderde.quot;

Mademoiselle Zephyrine glimlachte ; — „Niets is verkwist, wat bestemd is om mevrouw te versieren. Madame is nu gereed; moet ik mijn heer uw broeder biervan verwittigen ?quot;

Madame schudde fier het hoofd. — „'t Is niet noodig, mademoiselle; het geheele ceremonieel is bepaald geworden, en ik begeef mij terstond tot de heeren in de zaal.quot;

In de gang die van de vertrekken der schoone Sophie naar de receptiezaal voerde, stond het geheele dienstpersoneel geschaard, en allen bogen tot den grond, toen nu de schoone bruid in het eenvoudig wit kanten kleed, met den mirtenkrans in het haar, voorbijging, groetende als een Koningin, trotsch als een Juno.

Twee lakeien stonden voor de receptiezaal gereed, en rukten de breede vleugeldeuren open. En toen nu Sophie de zaal binnentrad, ijlden de prins van Solms en haar broeder haar tegemoet, en bogen zich als voor een wezenlijke Koningin.

Er ontbrak niemand meer. Niemand behalve de geestelijke en de Koning. Maar stiptheid is de hoffelijkheid der Koningen, en daar het uurwerk van den hoogen dom juist het tiende uur slaat, kan men ieder oogenblik de équipage van den Koning verwachten. De geestelijke, die het huwelijk voltrekken moet, zal in diens gevolg zijn. — Dit deelde

ocr page 330

78

Bischofswerder der schoone Sophie mede, terwijl hij haar eerbiedig naderde, en met opgetogen woorden hare schoonheid prees.

De prins van Solms zeide niets, maar zuchtte, en deze zucht was voor Sophie welsprekender, dan alle woorden

konden zijn. .

Toen Bischofswerder zich vervolgens met ijvengen haast van haar wendde, om met den bankier nog eenige arrangementen betreffende het Irouwceremonieel te bespreken, riep een wenk harer oogen den zuchtenden Vorst dichter

bij zich. .

„Waarom zet ge zulk een treurig gezicht, mon prince!

„Gij vraagt dat nog ? Hebt ge ooit gehoord, dat een veroordeelde in de ure zijner terechtstelling vroolijk is?quot;

„O, als hij weet, dat hij aan de terechtstelling niet sterft, evenmin als men van opium sterft, hoewel het iemand schijnbaar den dood brengt. De smart is vaak slechts de overgang tot genezing, en mannenharten hebben een wonderbare geneeskracht in zich.quot;

„Ik vrees dat mijn hart die niet bezit.quot;

, Ge wilt zeggen, dat deze geneeskracht reeds te zeer verbruikt is?quot; glimlachte Sophie; „Maar vrees niet, er is altoos nog- balsem voor alle wonden.quot;

„Niet voor de mijne,quot; zuchtte de Vorst: „of liever, er is een balsem voor de wonde van mijn hart, maar ik mag ze niet gebruiken, en dat is het smartelijkste van mijn lijden.quot;

„Waarom niet?quot; vroeg zij, en haar groote oogen rustten met hun schitterenden glans op zijn aangezicht, zoodat hij er zich verblind door gevoelde als door den zonneschijn. Hij boog zich dichter tot haar oor.

„Ge vraagt, waarom niet, tooveres? Wijl ik geen hoogverrader mag en kan worden jegens den Souverein, dien ge door het geschenk uwer liefde tot Koning der wereld verheven hebt.quot;

Zij haalde de schouders op en glimlachte. - „Ge zijt nu reeds een hoogverrader. Vorst, wijl gij het waagt in het uur van mijn trouwen dit tot mij te zeggen. Maar men vergeeft den koortszieke, wat hij in het uur van zijn ijlen zegt, en dus, prins, vergeef ik u.quot;

Haar broeder naderde haar, en een spottende uit-

ocr page 331

79

drukking stond op zijn gelaat te lezen — „Ik begin onge-mst te worden, zuster. Vindt ge liet niet zonderling, dat de Koning nog altijd op zich laat wachten?quot;'

Sophie wierp trotsch haar huofd in den nek, en vestigde een toornigen blik op haar broeder. — „Waarom zonderling, mon frère? Zijne Majesteit zal nog gewichtige bezigheden gehad hebben. Ik weet niet waarom ik mij verontrusten zou.quot;

Zij zeide dit met volkomen vaste stem. Maar er trok tóch als een wolk over haar gelaat, en hare wangen verbleekten een weinig, toen zij haar blik op den generaal Bischofswerder wendde, en diens verlegen en ontstelde houding zag.

„Generaal, dunkt u óók niet, dat wij ons niet behoeven te verontrusten, en dat het slechts bezigheden,— en geen ongevallen zijn, die de komst van den Koning vertragen? '

„Zijne Majesteit is, Goddank volkomen wél,quot; antwoordde Bischofswerder: „ik informeerde hedenmorgen in 's Ko-nings paleis. Maar Zijne Majesteit sliep nog en kon mij niet ontvangen.quot;

Een oogenblikkelijke pauze ontstond. Vervolgens hoorde men in de stilte het draven van paarden en het donderende aanrollen van een équipage.

„Ha, daar is de Koning!'' riep Sophie verheugd. En in hare opgewondenheid de etikette een weinig verzakende, ijlde zij zelf naar het venster, waar de heeren haar volgden.

In dit oogenblik, en juist toen de gestalte der schoone Sophie in haar bruidstooi aan het venster zichtbaar werd, hield de équipage voor het huis stil.

De équipage van den Koning. Een open kales en daarin zat de Koning, — maar niet alleen. Een dame zal naast hem en in plaats van uit te stijgen, riep de Koning slechts den lakei, die van den bok was gesprongen, eenige woorden toe, en zette toen zijn levendig gesprek met de dame voort, terwijl de lakei het huis binnentrad.

„Wie is deze dame; wie is zij?'' fluisterde Sophie met verbleekende lippen: „Zeg mij, generaal Bischofswerder, kent ge deze dame? Is eene van de verwanten des Konings ten bezoek gekomen?quot;

Bischofswerder staarde mét groote oogen naar beneden. „Ik ken haar niet. Ik weet niet dat iemand van de Konink-

ocr page 332

80

lijke familie aangekomen is. Ha, nu heft zij den sluier op. Laat ons zien!quot;

Ja, zij hief den sluier op, wendde het hoofd naar het huis en zag omhoog; vervolgens, toen zij aan het venster de bruid met den mirtenkrans, en aan hare zijde Bischofs-werder ontwaarde, klonk van hare lippen een heldere, vroolijke lach, die tot Sophie's oor doordrong, en haar hart als een dolksteek trof. Maar in hetzelfde oogenblik klonk van Bischofswerder's lippen een kreet van verrassing.

„Mevrouw Rietz!quot; riep hij ontsteld: „'t Is Wilhelmine Rietz!quot;

Juist kwam de lakei uit het huis terug, sprong op den bok, en de Koninklijke équipage rolde heen.

Sophie trad bleek en sprakeloos van het venster terug. De heeren stonden om haar heen in pijnlijke verlegenheid, en zelfs de Vorst van Solms wist in dit oogenblik haar geen woord te zeggen. Nu werd de deur geopend, en de boekhouder van den bankier verscheen met bedremmeld gelaat op den drempel.

„Vergeving, dat ik het waag binnen te treden. Maar ik heb een eigenhandig schrijven van Zijne Majesteit den Koning te overhandigen.quot;

Hij reikte het groote verzegelde papier, dat zeer weinig op een minnebrief geleek, den bankier over en verdween.

quot;„Geef hier, broederquot; riep Sophie gebiedend: „Dit schrijven is natuurlijk aan mij gericht, en zal ons deze zonderlinge gebeurtenis ophelderen.quot;

Zij stak de hand uit, om het papier te ontvangen. Maar haar broeder hield het terug.

„Vergeving, zuster; de brief is aan mi; geadresseerd, en zoo ge 't mij vergunt open ik hem.quot;

Hoe langzaam en voorzichtig, met welke bedaarde handen verbrak hij het zegel, haalde het papier uit het couvert en vouwde het open, terwijl het hart van Sophie tot berstens toe klopte, en de blikken der heeren met adem-looze spanning op den bankier waren gericht, die nu den inhoud van het groote papier met rustigen blik las.

„De Koning bewijst mij een groote genade,quot; zeide hij vervolgens, en dezelfde spotlach, die Sophie heden reeds eens had verschrikt, speelde weder om de dunne lippen van haar broeder: „de Koning benoemt mij tot zijn Hof-

ocr page 333

81

bankier, zoodatalle geldzaken van Zijne Majesteit door mijne handen zullen gaan. Tevens heeft Zijne Majesteit de groote genade, mij tot den adelstand te'verhellen en mij het recht te geven, mij voortaan Beermann von Hohenstrass te noemen.quot;

„Dit is een genade,quot; riep de Vorst van Solms: „welke gij in de eerste plaats aan uwe schoone zuster te danken hebt! Men ziet wel, welk een macht zij zelts op het hart van den Koning oefent. En 't is een bewijs van hooge kieschheid, dat Zijne Majesteit eerst den broeder tot den adelstand verheft, vóór het huwelijk met de zuster gesloten is.''

Niemand antwoordde op de enthusiastische loftuiting van den Vorst. Sophie's gelaat was kleurloos geworden, en de glimlach, die anders altoos zoo zegevierend op hare purperen lippen getroond liad, was nu geweken.

„Generaal,quot; fluisterde zij, haar ijskoude hand op Rischofs-werder's arm leggende: „Generaal, hebt ge u waarlijk niet vergist? Was het inderdaad die afschuwelijke vrouw, Wilhelmine Rietz?''

„Neen,quot; fluisterde Bischofswerder: „ik heb mij niet vergist, zij was het. Ik ken haar gelaat, en heb in hare oogen een boosaardige vreugde gelezen. Ik vrees —quot;

„Ik vrees niets!'' viel Sophie hem fier in derede: „De Koning heeft mij zijn plechtig woord gegeven, hij is met alle banden van liefde en eer aan mij geboeid. En dat hij mijn broeder zooeven deze onderscheiding heeft verleend, is een nieuw bewijs van zijne genade en goedheid voor mij. De Koning zal deze lastige vrouw, die zich nogmaals tegen zijn wil aan Jiem opgedrongen heeft, eerst weder verwijderen, om dan met vrije hand en vrijen wil tot mij te komen. Ik begrijp nu quot;t gedrag van den Koning volkomen. Hij kwam in een open rijtuig voor ons huis, om mij de hindernis te toonen, die hem voor het oogenblik terughield. Maar de benoeming van mijn broeder is een liefdeboodschap, die aan mij gericht was. Ge zult zien, mijne heeien: de équipage des Konings zal zeer spoedig weder voor onze deur staan, en dan zal de Koning zich er alleen in bevinden, ót de priester zal in zijn gevolg zijn.quot;

Geen der heeren weersprak hare woorden, en de Vorst

Mühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. VI. G

ocr page 334

82

van Solms beproefde zelfs een gesprek met haar aan te

knoopen en in overdreven zacht gefluisterde woorden, haai

zijne bewondering en aanbidding te betuigen

Maar Sophie lette weinig op hem. Zij hield steeds het hoofd naar het venster gewend, en som wijten angstige blik naar haar broeder, die zich zacht me, 8en(.

raai Bischofswerder onderhield.

Wederom hoorde men nu door de stilte der voorname en eenzame straat, het naderrollen van een rijtuig.

Dat is hii, 'tis de Koning!quot;

Zij kon hare nieuwsgierigheid niet bedwingen en ijlde naar het venster, en zag nu de vier paarden met roode strikken en linten aan den hals en het glmsterend zihe-veren tuio-- zii zag de open kales en den Koning die ei in Z mw° niet alleen! Welmine RieU zat altoos nog aan zijne zijde, doch het gelaat net meer gesluierd En de Koning zag niet naar het huis om, maai sprak levendig met zijn vriendin, terwijl het rijtuig voorbij-

het rolde voorbij! En Sophie P.eerrnami dced wat schoone vrouwen altoos in cntieke en verwa de toestai den gewoon zijn te doen, — zij slaakte een gil en viel den Vorst van Solms onmachtig in de armen.

Toen zij weder bijkwam, bevond zij zich alleen in haai slaapkamer uitgestrekt op de zijden kussens van haar bed waarop zii dezen nacht van zulk een grootsche toekomst gedroomd had. Het was een wezentijke en diepe onmacht oeweest, die haar geest bevangen had. Zij had met gemerkt dat men haar naar haar slaapkamer had gedragen en 'twas haar ook nu nog moeilijk, zich het gebeurde te herinneren. Toen zij dit d0eed, ontstelde zij en bracht haar

'^De mirtenkrans was er nog. Men had met dien van haar hoofd los te maken. Er was dus altoos nog «reen beslissend antwoord van den Koning §ek°m]equot;-is dus altoos nog hoop. De Koning zal alles opheldere , de Koning zal zich verontschuldigen. , i

Zii sprong van het bed op en drukte op de schel, die op de nachttafel stond. Terstond werd de deur der toiletkamer geopend en mademoiselle Zephryne trad binnen, met

me™ het vroolijk, blijmoedig gelaat, dat zij anders al-

ocr page 335

83

tnos had, maar met verlegen voorkomen en nedergesla-gcn oogen.

„Zij wil mij nicl aanzien/' dacht Sophie toornig: „zij vreest dat haar oogen mij hare boosaardige vreugde zullen verraden.quot; En Sophie dwong zich bedaard te schijnen, en vroeg met vaste stem: „Zijn de heeren nog in het salon? Is de Koning gekomen?quot;

„Neen, madame. De andere heeren hebben zich verwijderd, en Zijne Majesteit is nog niet gekomen.quot;

„Ook geen boodschap van hem?quot;

„Neen, madame; óók geen boodschap,quot;

„Wat hebt ge daar in de hand, mademoiselle?quot;

„Genadigste, mijnheer uw broeder gaf mij dit verzegeld pakket, met bevel het Uwe Genade te overhandigen.quot;

Sophie greep het haastig. — „Ga in de toiletkamer, mademoiselle; ik zal u roepen als ik u noodig heb!quot;

Zij was nauwelijks heengegaan, toen Sophie met bevende handen het papier losscheurde, dat het groote pakket inhield. Vervolgens schoot een straal van vreugde over haar bleek gelaat.

„Ha, het juweelkistje mijner moeder met defamiliebril-lanten! 't Is een goed teeken, dat mijn broeder 't mij zendt. Laat ons zien welk kleinood hij er bij heeft gevoegd.quot;

Zij nam het sleuteltje, dat ter zijde in het gouden vakje stak, en sloeg het deksel open. Maar toen slaakte zij een kreet, en staarde met ontstelden blik op het kistje.

Het was was ledig! De juweelen en robijnen en paarlen waren verdwenen, en de openingen in het blauwe fluweel, waarin de haken en gespen gezeten hadden, staarden haar aan als ledige grafkuilen. In 't midden van het kistje, waar vroeger de robijnendiadeem haar plaats had, lag een kaartje, en op dat kaartje stond dooi' de hand van haren broeder geschreven: „Ludwig Beermann von Hohenstrass en Glolilde gravin von Luchesi bevelen zich aan als verloofden.quot;

O, hoe zou Wilhelmine zich verheugd hebben, zoo zij hare mededingster had gezien, hoe deze het kaartje aanstaarde, het vervolgens vallen liet en beide handen tegen haar hart drukte, dat heftig klopte en dan weder stil stond; —

ocr page 336

84

haar hart, waarin zulk een heftige smart woedde, .lat het Sophie waa alsof er een dolk m boorde . . , .

Zou Wilhelmine Rietz den moed hebben gehad te beweren dat het slechts een speldeprik was dien haar trotsene mededinester had ontvangen? Zou dit haar mogelijk zijn geweest tegenover deze huiverende gestalte, deze bleeke

finnen, deze starende oogen? . j- . „

De vrouwen gelooven, ten opzichte harer mededingsters,

nooit aan de oprechtheid harer liefde, evenmin als aan hare

vertwiifeling, en Wilhelmine .zou de schouders opgehaald en gezegd hebben; „Zij spedt comedie! t Is een goed bestudeerde rol, en mademoiselle Beermann is een goede

00 Maar dezen keer zou zij ongelijk hebben ^ad' S°pbie Beermann was immers alleen; — alleen met haai toom, haar wanhoop, haar vernederd hart; waarom zou zij dus

C0Neen;Sde tranen, die met volle gloeiende stroomen uit hare oogen vloeiden, waren wezenlijke tranen ;t comediespel, toen zij het kaartje verscheurde, de stukken on den grond wierp en er met de voeten op tiad, gee

comediespel, toen zij met den hartstochtelijken toorn eener Medea den mirtenkrans uit beur haar nam, hem verscheurde, zooals zij het kaartje had verscheurd, en om zich heen strooide, zoodat het scheen, alsof eea sto™^d 'le afzonderlijke bloemen en stengels dooi de zaal had

^Maar toen zij vervolgens een half uur later met trotsch en kalm gelaat mademoiselle Zephyrine binnen riep, en haar beval tot haren broeder te gaan, en hem te verzoeken dadelijk bij haar te komen, toen speelde zij wel comedie, en speelde óók comedie, toen zy me eenghmlacl op de lippen haar broeder tegemoet ging, toen d^ze het

boudoir binnentrad.

Ik heb u verzocht, cher frère, bij my te komen, om u mijn gelukwensch wegens uwe verloving aan te biedem Haar broeder zag haar zeer verwonderd aan. Haai stem was zoo veranderd, zoo schor en rauw, hare wezenstrekken waren zoo onbeweeglijk en haar glimlach was zoo strak en onveranderlijk, alsof zij een maskei o\ei gelaat had gelegd.

ocr page 337

85

„Ik dank u, zuster,quot; zeido hij : „ge zult het begrijpelijk vinden, dat ik thans, nu de eer onzer familliedoor u zulk een gevoeligen schok heeft geleden, mij haasten moet, dien weder uit te wisschen. Bovendien legt mij het adellijk wapen, dat ik van nu af voeren zal, toch eenige verplichtingen op, en ik moet er aan denken, aan mijn nieuwen adel opvolging en duurzaamheid te verzekeren, opdat mijne nakomelingen mij eens als hun stamheer in den stamboom schrijven.''

Zij knikte zacht met het trotsche, schoone hoofd. — „Zeer goed gezegd ; een goed bestudeerde fraze. Maar mag ik vragen, wat het met het ledige juweelkistje te beduiden heeft? De brillanten zijn mijn moederlijk erfdeel, ook zou ge mij niet, gelijk ge gedaan hebt, het bezit er van schriftelijk verzekerd hadt.quot;

„Deze schriftelijke verzekering is ongelding, zooals mijn schrandere zuster zal inzien,quot; zei de bankier met een boos-aardigen glimlach ; „ge hebt de verplichtingen niet vervuld, om u in het bezit der brillanten te stellen, en zij vallen natuurlijk aan mij terug; want ge weet zeer goed, dat naar de statu ten van onze familie, de echtgenoote van den stamhouder der firma de brillanten bekomt. Daar ik nu, zooals ik reeds de eer had u te verwittigen, trouwen zal, behooren de brillanten natuurlijk aan mijne toekomstige echtgenoote. Ik heb ze reeds ter verbetering aan den juwelier gezonden en de groote étui, welke ik er voor laat vervaardigen, zal het nieuwe wapen van mijn adellijk huis en den naam van mijne echtgenoote dragen. Daar ik nu meende, dat u het kistje, 't welk den naam onzer moeder draagt, als gedachtenis dierbaar zou zijn, heb ik dit u gezonden.''

Zij knikte weder. — , Ge hebt het mij gezonden, wijl ge hooptet mij hierdoor te kwetsen. Wij kennen dit, broeder. Wij hebben nu niets meer met elkander te maken, dan ons de waarheid te zeggen. Dus nu zonder omwegen! Heeft de Koning iets opzonden ?quot;

„Neen.''

„Is er in 't geheel geen boodschap van den Koning gekomen ?quot;

„Geen andere dan die gij gezien hebt. De Koning heeft mij tot zijn Hofbankier benoemd; dat heet: hij heeft mij

ocr page 338

86

dezelfde gunst bewezen, die gij mij beloofd had, en welke gij bovendien ook aan den heer bankier Momtholon le Genève hadt toegezegd.quot;

De bleekheid op Sophie's wangen werd sterker, en een oogenblik wankelde haar hooge gestalte; doch slechts een oogenblik, toen nam zij weder haar vaste, fiere houding aan ; want zij gevoelde, hoewel zij hem niet aanzag, dat de booze blik van haar broeder op haar rustte, en hij zich in haar lijden verheugde. Zij moest dus weer comedie spelen, en haar rol was nog niet ten einde.

„Ik zie wel,quot; zeide zij; „men heeft zich de moeite gegeven, mij met allerlei intriges te omspinnen, en ik ben er het offer van geworden. Het zou mijner niet waardig zijn de beschuldigingen te wederleggen, welke men mij heeft medegedeeld.'' n .

Ge moest liever bekennen, dat het waarheden zijn, zei de bankier ruw: „ik heb de bewijzen in handen, en om u niet verder te misleiden en de schuld te zijn, dat ge u aan ijdele hoop overgeeft, wil ik u zeggen, dat ten minste naar ik geloof, ook de Koning de waarheid nopens u weet. Het document, door hetwelk ge u verplicht hebt, voor de familiebrillanten, eenige millioenen en het landhuis, mij den bewusten titel en adel te verschaffen, bevindt zich, naar ik vermoed, in de handen des Konings.

Sophie slaakte een kreet en alle geveinsdheid vergetende, vloog zij op haar broeder toe, greep hem bij de schouders en hem in 't aangezicht starende, siste zij met doodsbleeke lippen: „Verrader, dal hebt gij gedaan! Gij hebt mij verkocht, — verkocht als een tweede Judas Is-kariot

Hij lachte luid, en maakte zich van hare armen los. '„Deze vergelijking past niet, mijn schoone zuster,quot; zeide hij ; vgij zijt geen Messias, en dus ben ik ook geen Iska-rioth. Ge hebt een gewaagd spel gespeeld. Ge waart met alleen eerzuchtig, ge waart ook Zieamp;zuchtig! Ge wildet niet alleen Koningin der linkerhand, maar ook millionaire zijn! Maar de luchtkasteelen zijn ingestort, en de droomen van grootheid, glans en macht moet ge u uit het hoofd stellen. Heb dus de goedheid, niet zulk een hoogmoedige en trotsche houding aan te nemen, maar bedenk als 't u belieft, dat ge geheel en al afhankelijk zijt van de goed-

ocr page 339

87

heid en welwillendheid uws broeders; want ge weet immers, dat volgens het testament onzer moeder, uw moederlijk ertdeel onopeischbaar in mijn zaak blijft, en gij slechts de rente er van ontvangt. Deze renten bedragen zesduizend gulden 'sjaars, en ik twijfel volstrekt niet of mijn schoone, schrandere zuster zal, —als zij zich buitenslands begeeft, waar niemand de tragisch-comische geschiedenis van haar huwelijksverbintenis kent, — gewis wel oen of ander geruïneerd edelman oploopen, die haar zijn hand en zijn naam geelt. Ik zou u dringend raden, zuster, terstond, — nog heden op reis te gaan, onder een of anderen naam, bij voorbeeld als jonge weduwe. Ge kunt immers rouwkleederen aantrekken, want, naar mij dnnkt, zouden die in uw toestand zeer goed passen.

Haar gelaat was weder even koel en ondoordringbaar geworden, als het bij 't binnentreden van haar broeder geweest was. — „Ge bedriegt u,quot; zeide zij: „ik zal hier blijven. Daar ge van testamenten spreekt herinner ik u aan dat van onzen vader, 't welk bepaalt,^dat ik tot aan mijn huwelijk, den linkervleugel van ons familiehuis met zijn volledige inrichting ter mijner beschikking zal hebben, zelfs ingeval de chef van het huis trouwt. Ik zal van dit recht, 't welk het testament mij verleent, gebruik maken.quot;

„Ge wilt toch niet zeggen,quot; riep de bankier verschrikt: „dat ge hier wilt blijven? Hier, in mijn huis, na hetgeen gebeurd is?quot;

„Wat is er dan gebeurd0quot; vroeg zij fier : „Ik weet niets; ik ben altoos nog wat ik gisteren, wat ik altijd was: de dochter van den rijken bankier Beermann, die zijn familie millioenen heeft nagelaten ; de zuster van den tegen-woordigen chef van ons huis, wie iedereen eerbied en achting schuldig is, — zelfs haar broeder.'t Is mogelijk dat de kwade wereld van nu af allerlei sprookjes en anecdo-ten over mij verspreidt, maar ik zal de lasteraars door mijn fier, kalm gedrag bewijzen, dat het slechts logens en praatjes zijn!quot;

De bankier zag met verbaasden, schier bewonderenden blik zijn zuster aan.

„Waarachtig,quot; zeide hij: „ge zoudt waard zijn geweest een Koningin te worden, en 'tis jammer van u, dat ge

ocr page 340

88

slechts een intrigante waart; doch evenwel niet sluw genoeg, om uwe intriges als een meesterstuk ten einde te brengen. Ik geloof, ge zoudt liever sterven, dan de wonden te toonen, waaraan ge heimelijk doodbloedt.quot;

„Ja, zekerlijk, dat zen ik!quot; zeide zij met een trotschen glimlach; „Liever sterven! Maar ik heb volstrekt geen wonden, en denk er niet aan dood te bloeden, maar het leven te genieten ! Hebt ge mij geen ander nieuws mede te deelen?quot;

„Eén enkel, dat u misschien interesseeren zal,quot; zei de bankier bedaard: „de minister Schulenburg is naar Berlijn vertrokken; de Koning heeft hem verwijderd, want hij is ontevreden over de geheime politiek, welke zijn minister tot hiertoe gedreven heeft. Zijne Majesteit heeft bevolen dat het leger terstond op voet van oorlog gebracht en marschvaardig gemaakt zal worden, want de Koning wil den oorlog tegen Frankrijk met alle kracht voortzetten. Er heeft heden morgen een heftig tooneel plaats gehad tusschen Zijne Majesteit en den generalissimus, die, naar men zegt en zooals gij met zekerheid zult weten, in geheime vredesonderhandelingen met Frankrijk stond. Dat alles is nu voorbij. De oorlog wordt weder krachtig voortgezet en de zeven millioen, welke mijn schoone zuster uit Genéve verwacht, zijn hierdoor helaas verloren gegaan 1quot;

Ditmaal ontbrak Sophie de kracht tot een antwoord. Zij greep heftig de leuning van den stoel, waarnaast zij stond en hield 'zich vast om niet neder te zinken.

Het boorde weder in haar hart; zij had weder haar speldeprik te ontvangen.

„Hebt ge mij nog iets te zeggen?quot; vroeg zij dof: „Nog een of ander bericht, welks mededeeling u verheugt?quot;

„Neen. Wij zullen thans ook wel minder van den Koning vernemen, want ook generaal Bischofswerder is op hoog bevel vertrokken. In plaats van hem, heeft mevrouw Wil-helmine Bietz in het logement de Duitsche Keizer een ge-heele reeks kamers voor den tijd van een maand gehuurd, en de Koning heeft haar reeds een bezoek in dit hotel gebracht.quot;

„'t Is jammer, dat ge niet in den tijd der middeleeuwen hebt geleefd,quot; zei Sophie: „ge hadt zoo goed vooi beulsknecht kunnen dienen, want ge verstaat het meesterlijk

ocr page 341

80

folteringen Ie bereiden! Om 'teven, ik zal er niet van sterven. Ik verzoek u nu, broeder, mij te verlaten, want ik wil mijn toilet maken. Is Vorst van Solms nog hier?quot;

„Neen, hij heeft zich met de andere heeren verwijderd.quot;

„Hij heeft een leening bij u gesloten; hoe hoog beloopt zijn schuld

„Ha, ik begrijp !quot; zei haar broeder; „'t Is niet veel, slechts vijftigduizend gulden. Ik zou de betaling van het kapitaal niet verlangen; men zou immers de intrest van uw jaar-lijksche renten kunnen aftrekken.quot;

Zij wierp hem een toornigen blik toe, die hem verpletterd zou hebben als een bliksemstraal, zoo de bankier er niet geheel ongevoelig voor ware geweest.

„Verlaat mij !quot; zeide zij gebiedend. De bankier boog met spottenden eerbied en ging heen.

Sophie schelde en beval een bediende naar den Vorst van Solms te zenden om hem te verzoeken, terstond bij haar te komen. Vervolgens begaf zij zich in haar toiletkamer, om met hulp van mademoiselle Zephyrine het bruidsgewaad voor een niet minder fraai en bevallig morgentoilet te verwisslen.

Een half uur later trad zij haar boudoir binnen. Een weinig blanketsel had de bleekheid barer wangen bedekt, haar oog glinsterde weder met den gewonen glans, en op de purperen lippen troonde weder het lachje, van 't welk de Koning vroeger gezegd had, dat het een onweerstaanbare tooverkracht op eiken man uitoefende.

Toen men haar den vorst van Solms aandiende, ging zij hem levendig en verheugd te gemoet, en reikte hem hare kleine, van juweelen fonkelende hand. Hij boog zich diep, wellicht om zijn verlegen gelaat niet te laten zien, en kuste vurig deze kleine hand.

Vroeger had hij het nauwelijks gewaagd hare vingertoppen aan te raken! Sophie begreep met den scherpen blik eener schrandere vrouw het onderscheid, en de gloeiende handkus scheen haar een beleediging. Maar zij durfde nu hierop niets aanmerken en ontving derhalve den Vorst met zulke vriendelijke woorden, als hem anders slechts zelden ten deel waren geworden.

Was hij er verheugd over?

Hij zeide er niets van, vroeg slechts met deelnemende

ocr page 342

90

woorden naar den welstand der dame, en waagde niet aan liet piinliik tooneel van heden morgen te herinneien. Gii ziit zonderling, mon prince,' zeide zij, en de vioegeie

harmonische lach, dien de prins steeds de schoonste muziek

had genoemd, klonk vroolijk en helder van hare lippen .

Waarlijk zonderling, mon prince] in plaats van rmj opheldering te verzoeken wegens de comedie diewy heden morgen beleefd hebben, doet ge alsof wij het vijfde bedujt vanS een treurspel hadden gespeeld, en ons niets meer overbleef, dan de lijken te verwilderen. Ik wat my betnit,

quot;evoel mii volstrekt niet als een lijk Ik doe, gelijk net

m de Engelsche comedies geschiedt; ik treed als epiloog voor u op om eenige ophelderingen te geven nopens de personen en den alloop van hel stuk. Ik moet u tins zeggen dat ik het ben, die nog in hel laatste oogenbhk bet

^mequot; S'lvfdeï» vroeg de Vorst

vallen, d'at de Koning gisteren av0.nd9 Madame niet terugkeerde. Weet ge, waarom hij heenging? Madame Rietz, zijn afgedankte maitresse, was aangekomen en had hem tot zich laten roepen. Ken vertrouwd vriend bencht-

te het mij terstond gisteren avond, en ge dat mij deze laagheid ten hoogste verstoorde. Want ik had noch titels, noch jaweelen, noch geschenken van(^ Koning aangenomen, en slechts tot éemge voorwaarde vooi mijn huwelijk met den Koning gemaakt dat de ^mng madame Rietz voor altijd uit zijne nabijheid verbannen, - en haar onder geen voorwendsel vergunnen zou, hiei te Frankfort te komen. Derhalve, daar ik nu vernam dat deze eenige voorwaarde niet was nagekomen, schreef i aan Zijne Majesteit hedenmorgen zeer vroeg en zeidehem, dat ik slechts dan bereid zou zijn.zijn gmaïm te ^ madame Wilhelmine Rietz terstond onder mihtaii^leide naar Gharloltenburg moest vertrekken, en ik mij \an mijn woord ontslagen achtte, zoo dit niet in den loop van een uur o-ebeurde. Ge ziet hieruit, mon pnnce dat ik het hen, die den Koning heeft afgewezen, en ik hoop dat ge mij

volkomen gelijk zult geven.quot;

„Volkomen gelijk! antwoordde de Voist, een diepe

ocr page 343

91

buiging makende: „Al wat de schoone, schrandere mademoiselle Beermann doet, is goed en eervol. Ge weet hoezeer ik u bewonder en aanbid, mademoiselle, en hoe onuitsprekelijk ik den Koning benijdde om de liefde, welke uw edel, lier hart hem had gewijd.quot;

„Lieve Vorst,quot; zeide zij met haar zilverhelderen lach: „als de vrouwen trouwen is het niet precies noodzakelijk, dat de liefde haar geleidster' zij, maar gewoonlijk is het de schranderheid, de berekening. Amor is een zoete lieve knaap, die zich dikwerf in een hoekje van het hart verschuilt en wiens lippen stom blijven, als de lippen zijner meesteres het verbindende ja uitspreken. Wie weet of niet uw wanhoop over mijn huwelijk, en het geloof dat ik u werkelijk een groote smart hierdoor toebracht, mede oorzaak is, dat ik zoo krachtig mijn scheiding van den Koning bewerkte. Ge moet weten. Vorst, J het hart der vrouwen is als een wonderbaar gesloten kistje, welks inhoud zij zelve vaak niet kennen; dat dikwerf eerst in het oogenblik der beslissing openspringt, en menigmaal dan een geheel ander beeld vertoont, dan zij zelve vermoedden. Wat zoudt ge zeggen, zoo ik u beken, dat ik uw beeld er in gevonden heb. Vorst?quot;

„Het zou mij onuitsprekelijk gelukkig maken!quot; riep de Vorst, terwijl hij opgewonden haar hand greep en vast aan zijne lippen drukte: „Ja, onuitsprekelijk gelukkig, en tóch ouk onuitsprekelijk ellendig!'

„Waarom ellendig?quot; vroeg zij met haar zoetsten glimlach.

„Daarom ellendig, wijl ik de poorten van het Paradijs, 't welk ge mij toont; tóch niet meer zou mogen binnengaan, want mijn toekomst is gesloten! Daar ik niet hopen mocht, dat de schoonste der schoonen ooit mijn echtge-noote kon worden, heb ik in de wanhoop mijns harten en in dé onverschilligheid over mijn toekomst, de voorwaarden aangenomen, welke mijn broeder, het hoofd van ons huis, mij gesteld heeft. Ik heb gisteren het contract onderteekend, 't welk mij verplicht de oudste dochter van mijn broeder tot vrouw te nemen, en het huwelijk zal reeds binnen acht dagen voltrokken worden.quot;

„Ha, dat is waarlijk een zonderlinge samenloop, een heel kluchtig ongeluk! Gij zijt wanhopig omdat ik huwen

ocr page 344

92

wilde en terwijl gij mij nog heden morgen uw wanhoop over mijn vermeende echtverbintenis uitdrnktet, waart gij zelf reeds verloofd, nietwaar?quot;

„Ja, zoo is het; maar mijn wanhoop was daarom niet minder waar en oprecht. Gvj liebt immers zelve gezegd, Sophie: 'tis niet altijd de liefde die ons naar het huwelijksaltaar voert. De mijne blijft u voor eeuwig, en alleen verstand en berekening leiden mij naar het altaar, met mijn leelijke en onbeminnelijke nicht. Ik zal u nooit vergeten, en ik zou de gelukkigste man zijn, zoo ge mij be-kendet, dat de liefde, welke ik voor u gevoel, in uw hart weerklank vond. Ge zijt thans vrij, niets bindt u; laat mij hopen, dat ge de gevoelens wilt beantvvoorden, welke ik u van ganscher harte toedraag. Hoor mij en versmaad niet wat de teederste liefde u biedt. Mijn nicht, of liever mijn toekomstige vrouw, is rijk; haar overleden moeder was een Engelsche prinses, die een rijken bruidschat gehad had; het geheele vermogen valt mijn nicht ten deel, en gaat, luidens het huwelijks-contract, op mij over. Mijn nicht is leelijk en misvormd. Maar zij heeft nu eenmaal den dollen inval gehad op mij te verlieven, en haar vader, die haar afgodisch bemint, heeft haren wensch om met mij te trouwen, niet willen weigeren. Dit huwelijk maakt mij tot millionair, maar tot een ongelukkig mensch, zoo gij mij niet bemint, Sophie. Word mijn dierbare geliefde; ik bied u, wat de vurigste liefde bieden kan: een schitterende jaarwedde, een villa, een hotel in een of andere stad naar uwe keuze, waar wij wonen willen. En ik vorder hiervoor niets van u, dan een weinig liefde, dat heet voor mij een onuitsprekelijk geluk.quot;

^Dat heet, gij biedt mij de schande!quot; zeide zij trotsch en'koel: „Ge hebt de onbeschaamdheid, van haar, die heden morgen de gemalin van een Koning zou worden, uw maitresse te willen maken?quot;

„Ma toute helle,quot; zei de prins schouderophalend: „ge bedient u daar van zeer stoute woorden. En na t geen gebeurd is, schijnen zij mij zeer weinig gepast voor uwe fraaie lippen, ik herhaal, dat . . . .quot;

Zij sprong op, en den arm uitstrekkende, wees zij met een trotsch gebaar naar de deur. — „Gij hebt mij niets te herhalen; verwijder u!quot;

ocr page 345

93

Do prins sprong op. — „Mademoiselle, ge verstout u____!quot;

„Geen woord,meer!quot; viel zij hem in do rede: „Vertrek!quot; Hij lachte luidkeels, en zag haai1 met een stouten, tar-terden blik aan. — „Mademoiselle, ge zijt heden zeer fier! De eerzuchtige droornen van uw huwelijk met den Koning spoken nog in ^uw hoofd. Maar ge zult u wel bedenken en na acht dagen zult ge inzien, dat het dwaas van u is, mijn welgemeend voorstel af te wijzen; want als men in uw toestand is, schijnt het altijd nog een aangename retraite, de maitresse van een Vorst te zijn; men is dan althans nog niet geheel en al versmaad. Bedenk dit, mademoiselle; ik geef u acht dagen bedenktijd en verwacht dan uw antwoord.''

Hij knikte haar lachend toe en ging heen.

Zij stond hoog opgericht met uitgestrekten arm, den dreigenden blik naar de deur gewend. Maar toen hij er uit was gegaan, toen zij nu wist, dat ook het laatste bedrijf van de comedie was afgespeeld, slaakte zij een wilden kreet, zonk op den grond neder, wrong de handen, en een kermen en steunen, zooals de gefolterden op de pijnbank uitstorten, klonk van hare lippen!

VII.

OP HET BAL.

Op den avond van dien dag, was er bij den Oostenrijk-schen gezant een schitterende soiree, wier kroon en parel de schoone Sophie, de jonggehuwde, had moeten zijn. Dit was natuurlijk niet gezegd, daar het huwelijk der linkerhand niet op officieele wijze gepubliceerd kon worden; maar iedereen had het toch geweten, en iedereen had dit feest willen bijwonen, waarop Sophie Beermann, de dochter van den bankier, voor het eerst als gemalin eens Konings zou verschijnen.

Dit feest zou nu plaats hebben,, maar er ontbrak de hoofdzaak: er ontbrak de Koningin der linkerhand.

Evenwel, de Koning had zijn toezegging niet terug genomen, de Koning zou komen!

ocr page 346

94

De geheele aristocratie, zoowel van den adel als van de beurs, liaastte zich dus in de zalen van het Oostenrijksclie gezantschap te verschijnen. Wie had willen achterblijven, daar men hopen kon, nopens de ongehoorde gebeurtenis van den dag, eenige opheldering te erlangen!

„Het huwelijk is uitgesteld. Hebt ge 't reeds gehoord ?

„Niet uitgesteld, neen; de trotsche mam'sel is eenvoudig ter zijde gesteld geworden.quot;

„Een heerlijke uitdrukking! Het herinnert aan de pronkstukken, welke men tot lokking van de koopers voor het venster legt, ^en later, als zij verkleurd zijn, bij het uitschot werpt.quot;

„Ge neemt een vergelijking uit uw eigen beroep, maar het past,quot; antwoordde de generaal lachend den grooten tabrikant, die uithoofde van zijn rijkdom en zijne leesten, met een uitnoodiging op het feest van den Oostenrijkschen ambassadeur vereerd was geworden: „Ja, mam sel Beer-mann is van heden af niets meer dan een verkleurd winkelstuk, en 't zou mij verwonderen, zoo haar broeder nog een kooper van haar vond.quot;

„Maar stil, stil! Daar komt de Koning!' -jij

En het gezelschap, dat zich zooeven nog verlustigd had met kwaadspreken, spotten en honen, — ditzelfde gezelschap nam nu een ernstig, plechtig voorkomen aan, en schaarde zich aan weerszijden der groote zaal; want men zag reeds in de eerste kleine zaal de groote gestalte des Komngs, gevolgd door prinsen en generaals, ambassadeurs en Hof-

CciVculörs

Een plechtige stilte nu, en vervolgens het schetteren der muziek, want de Koning is de balzaal binnengetie-den!

Het zijnquot;, misschien dezelfde muzikanten, die gisteren ook op het bal van den bankier hun jubeltonen heten klinken, en zij schetteren heden even lustig als zij het

gisteren deden.

'tls ook gedeeltelijk het zelfde schitterende gezelschap, dat zich in de zalen bevindt. Gisteren hebben zij de schoo-ne Sophie, de Koningin van het feest, gehuldigd; gisteren hebben Vorsten en graven voor haar gebogen; gisteren hebben de schoonste en edelste dames der aristocratie zich om haar verdrongen en haar beur vriendin, haar

ocr page 347

95

ideaal genoemd! Heden is slechts spot en hoon over de ijdele zollin op de lippen, en zij verscheuren onmeêdoo-gend hel vrouwenhart, dal verlredeii in het stof ligt.

Maar voor den Koning buigen zij heden even deemoedig als zij het gisteren deden! Aan hém is niets veranderd; hij is altoos de beminnelijke cavalier, de betooverende Koning gebleven. Men maakt hem niet tot verwijt, dal hij de overmoedige bankiersdochter vernederd en versmaad heeft. Hoe kon de burgerlijke mam'sel hel wagen de aanmatiging zóóver te drijven, een wezenlijk, wettig huwelijk met haren Koninklqke minnaar te begeeren! Zelfs de meest kiesche, de deugdzaamste dames der aristocratie waren er over verstoord en verheugden zich wegens de diepe schande van haar, die hel gewaagd had, hun mededingster te zijn !

Vrouwen zijn zonder medelijden, als het betreft een barer medezusters met' de punt harar kleine tong, — en met de slag van haar satijnen waaier te verscheuren.

Aan den Koning is geen verandering zichtbaar; zijn gelaat schijnt even welwillend als men dit gewoon is te zien, en zijne oogen glinsteren de dames toe als vroeger. Hij gaat voorbij hare rijen en zegt lot ieder een vriendelijk -woord, argeloos, vriendelijk, zooals hij 't gisteren heeft gedaan. In de oogen der dames heeft hij heden aan bekoorlijkheid gewonnen, en ieder poogt hem vriendelijker toe te lachen, en op zijne schertsende woorden met pikanten humor te antwoorden. En ware hij ook niet de Koning, hij zou heden toch de lion van den avond zijn; want het liefdesavontuur heeft hem intéressant gemaakt, en heden even als gisteren opent de Koning het bal met de polonaise; slechts danst hij heden haar niet met de schoone Sophie Beermann, maar met de gemalin van den Oosten-rij kschen ambassadeur.

Door de zalen slingert zich de schitterende stoet, als een van goud glinsterende, naar bloemen geurende, bril-lanlen slang, wier hoofd de Koning is. Hij spreekt met zijn danseres over onverschillige zaken, maar achter hem hebben de paren gelegenheid, fluisterend en grinnekend en kwaadsprekend elkander te onderhouden over de groole gebeurtenis van heden morgen. En 't is een algemeene verachting en niemand heeft medelijden met haar, welke men gisteren nog zoo hoog gevierd heeft!

ocr page 348

96

Zij zal het natuurlijk niet wagen op hel bal van heden te verschijnen, hoewel zij genoodigd is. Dit is een onmogelijkheid, waaraan niet te denken valt. Maar zal haar broeder versehijnan, de rijke bankier Beerrnann? —Men zegt dat hij zeer tevreden is met de wending, die de zaak zijner zuster genomen heeft; 't zou voor zijn trotschen koopmanszin steeds zeer beleedigend zijn geweest, de broeder der Koningin van de linkerhand te zijn — een bespottelijke rol welke hij gaarne heeft afgewezen. — Men zegt ook, dat hij nu met de gravin zal trouwen, en de Koning hem tot den adelstand heeft verheven.

Maar op het bal zal hij natuurlijk tóch niet verschijnen, want hij vreest de babbelarijen der menschen.

De polonaise was ten einde, en het geheele gezelschap was nu weder vereenigd in de groote danszaal; men stond in groepen in 't rond en lachte en schertste in de nabijheid des Konings, en fluisterde en lasterde in meer verwijderde groepen. Plotseling ging een beweging door de zaal. De gravin Luchesi, — de schoone dochter van den verarmden graaf Luchesi, — verscheen met haar vader in de zaal, en aan haar zijde — men bedroog zich met, 'twas geen vergissing, — verscheen de bankier Beer-mann, lachend, vroolijk, met vergenoegd gelaat, alsof niets in zijn huis was voorgevallen.

De Koning, wiens levendige blik de binnentredenden ontwaarde, zweeg in 't midden van zijn gesprek met de gemalin van den üostenrijkschen gezant, en ging levendig en met vriendolijken glimlach de binnentredenden tegemoet.

Het gezelschap was ditmaal niet in staat de gewone hoffelijkheid in acht te nemen, en met zijne gesprekken voort te varen. Elk woord, elke lach verstomde en men hoorde de stem des Konings, toen hij nu de schoone gravin Luchesi en haren vader begroette.

„Ik verheug mij, genadigste gravin, de eerste te zijn, die u zijn gelukwensch brengt wegens uwe verloving met mijnheer von Beermann Hohenstrass, mijn waarden en geëerden Hofbankier.quot;

En terwijl de Koning dit zeide, reikte hij den bankier met een vriendelijken hoofdknik zijn hand. — „U, mijn waarde, heb ik nog bijzonder te feliciteeren; want gij zult

ocr page 349

97

de stamheei- van een fraai geslacht worden met zulk een stamvrouw aan uwe zijde. — Kom, gravin, ik wil met u den eersten wals dansen, en mogen 't slechts een paar schreden zijn, ik wil tóch dat ge zeggen kunt: de eerste schreden in uw nieuw leven aan de zeide des Konings, uw genegen dienaar, gedaan te hebben.''

De Hofmaarschalk gaf het teeken, en de muzikanten schetterden hun vroolijke wijzen. En de Koning trad aan de zijde der sehoone gravin ten dans.

Het gezelschap, hoezeer stom van verbazing wegens de wonderbare nieuwigheden, welke de mond des Konings hen verkondigd had, moest zich toch naar de etikette schikken; moest tot den wals voortreden en zich wenden in lichten dans en argeloos toezien, terwijl de groote nieuwigheden allen op de ziel brandden.

De bankier Beermann was dus opgenomen in het hooge gezelschap; de Koning had hem tot aristocraat gemaakt, hij was wezenlijk verloofd met een gravin. Misschien zijn al deze geruchten niet waar, die heden in de stad in om loop zijn ; want de Koning schijnt de familie Beermann nog altoos zeer genegen. Flij spreekt na den dans reeds weder met den bankier; hij voert nu de jonge gravin Luchesi naar de gade van den Oostenrijkschen ambassadeur, die haar vriendelijk de hand reikt.

Zou het evenwél mogelijk zijn? Zou het huwelijk misschien zóó heimelijk hebben plaats gehad, dat men er niets van vernomen heeft? —

Daar is de minister von Haugwitz, hij zal het weten, hij zou immers huwelijksgetuige zijn.

De heeren zijner kennis omgeven hem, zelfs de dames dringen tot hem door' En 't is een fluisteren, een verzoeken en vragen; „Slechts één woordje, excellentie, zegens slechts dit: Heeft het huwelijk werkelijk plaats gehad? ... is Sophie Beermann de gemalin der linkerhand geworden? . . . of is het waar dat de Koning haar verstooten heeft? . . . Slechts dit enkel woord, excellentie.quot;

„Verstooten is niet het juiste woord, dames. Het is eenvoudig niet tot trouwen gekomen: Hij heeft het vergeten, en hij zal het voor altijd vergeten.quot;

Een vroolijk „hal'' klonk van alle lippen, vooral van de lippen aller sehoone vrouwen. Ha, het is dus tóch waar! De Ittühlbaoh, Duitschland in woeling en strijd. VI. 7

ocr page 350

98

overmoedige vrouw is voor haar hoogmoed gestraft! Zij is teruggevallen in het niet, men kent haar niet meer!

Dat zeggen rozelippen, die gisteren nog den kus der vriendschap op Sophie's voorhoofd gedrukt, - en haaide verzekering van; onuitsprekelijke liefde in't oor gelluis-terd hebben!

Maar 't is mooi, dat men nu ten minste de waarheid heeft vernomen; dat men met zekerheid weet, en niet weifelt tusschen het mogelijke en onmogelijke! ^

„Ik zou haar nu wel eens willen bespieden,quot; fluistert de jonge gravin von Werth haren cavalier toe, terwijl zij zich in een langzamen wals voortbewegen: „ik wilde haar wel eens zien, hoe zij de handen wringend in haar eenzame kamer heen en weer gaat, — zij, die heden avond de Koningin van het bal dacht te zijn!''

„Ja, het moet een zeer amusant gezicht zijn,quot; sprak de cavalier: „niets is kluchtiger dan een teleurgestelde schoone.quot;

„Gelooft ge dat zij het zal overleven?quot; vroeg de gene-raalsvrouw von Leiningen haren danser: „Mij dunkt na zulk een vreeselijken smaad blijft haar niets over, dan zich het leven te benemen.quot;

„Mijn Genadigste, vrouwen van deze soort hebben een zeer taai leven,quot; glimlachte de prins; „zij zijn als tijger-katten, die van twintig wonden genezen kunnen, en weder frisch en vroolijk nieuwe prooi najagen.quot;

Toen de dans ten einde was, wist ieder in de zaal het groote nieuws en men sprak er van, terwijl men thee dronk en zich aan het heerlijk banket vergastte. En men lachte en lasterde, — maar eensklaps werd alles stom. Een wonderbare stilte heerschte plotseling als door een tooverslag in de ruime zaal; het kletteren der kopjes, het praten en lachen, zelfs het ruischen der waaiers en zijden robes verstomde, eu een stilte van verbazing volgde op de vroolijke beweging.

Als vastgenageld stond elk op zijn plaats; alle wangen verbleekten, en verschrikt, ontsteld staarde ieder naar de groote vleugeldeur der zaal, als zag hij er een spook.

En dit spook was toch niets anders dan een hooge, schoone vrouwengestalte, gehuld in een wit satijnen kleed, — het haar getooid met paarlen en robijnen, den

ocr page 351

on

heerlijken hals, de blanke armen vonkelend van juweelen, en de groule zwarte oogen, die sül en ernstig in tie zaal staarden, en schitterden als sterren.

Ja, als door ontzetting geboeid stonden allen daar, de vroolijke deelnemers aan het feest; in het midden der zaal onder de lichtkroon, de Koning in een vroolijk gesprek met een groep schoone dames en cavaliers. In de groep dezer dames bevond zich ook de gemalin van den Oosten-rijkschen gezant, de gastvrouw des huizes, welke men bij het binnentreden natuurlijk de eerste begroeting moest brengen. De vlammende blik van Sophie had haar terstond ontdekt, en met trotsch opgeheven hoofd ging zij midden door de zaal, recht op haar toe.

Sprakeloos, met ingehouden adem, volhardde het geheele gezelschap in de stilte der ontzetting. Zelfs de Oosten-rijksche ambassadrice, — anders een zoo fijne en onwrikbare werelddame, — kon nauwelijks den glimlach op hare lippen houden, toen nn degene, die zij gisteren met zoo-veele liefdebetuigingen begroet had, haar naderde.

„Mevrouw de gravin,quot; zei nu Sophie Beermann, diep buigende, — en haar stem was zoo helder en duidelijk als ooit: „ge hebt mij de eer bewezen, mij op dit feest te noodigen, en ge ziet dat ik het geluk niet kon weerstaan, aan uwe uitnoodiging gevolg te geven.quot;

De gravin boog en prevelde eenige woorden, die niemand verstond. Maar zij gaf aan mademoiselle Beermann niet als vroeger de hand, zij richtte geen woord verder tot haar en wendde zich weder tot den Koning, die met onveranderd vroolijk gelaat naast haar stond, en zonder eenige verlegenheid het onderhoudt met haar voortzette-

Sophie keerde zich om en ging door de zaal naar de groepen der dames, die ter zijde stonden, — allen goede bekenden van haar, vriendinnen van gisteren en eergisteren, — maar heden kende haar niemand. Zij waren bij hare nadering allen in zulk een levendig gesprek gewikkeld, dat zij de naderende niet zagen, zoodat zij haar konden ignoreeren. Sophie ging hen voorbij en trad naar een andere groep.

Jonge meisjes zijn gewoonlijk medelijdend; heur hart is nog onverdorven, en de slechtheid der wereld heeft haor nog niet voor medelijden verstompt. Maar te midden dezer

ocr page 352

100

ion'fc meisjes staan ee nigeharer moeders, en deze aanschouwen de naderende met den dreigen blik der Me-

gere, en schrikken haar terug.

Zii voorbij on wodcr n3-3.r ogü cinciGiG groep. ^ ^

Het ziin de deugdzame vrouwen, die een vereemging gevormd hebben ter redding van gevallen meisjes; een vereeniging van deugd en erbarming. Sophie nadert hen met een biddenden glimlach. De weldadigen en goeden zullen haar toch aannemen! Zij waagt het een dezer da-mes, — degenen bij wie zij eergisteren nog voor duizend thaler op de lijst voor de gevallenen heeft ingeschreven, — toe te spreken, Maar de vrome Vorstin wendt zich met verachtenden blik van haar af, en treedt terug, alsof een leelijk insekt haar had aangeraakt. Nu gebeurde er iets, dat de harten van allen die het hoorden, doodehjk verschrikte, want bet was even ongepast als onbetamelijk Er klonk een luide spotlach van Sophie s lippen! Zij zegt geen woord, maar ieder voelt dezen lach als een slag op zijn wang, en deze gloeit er van. 't Was goed, dat de muziek in dit oogenblik weer begon ; een vroohjke, schertsende wijze, een Duitsche wals. De paren treden ten dans. Haar om welke anders de cavaliers zich verdiongen en die zij baden om een dans, haar gaan heden allen voorbij, en 't werd geheel eenzaam en ledig om haar. Maar zij bleef staan. Zij trad niet terug om voor de dansers plaats te maken. Zij verborg zich met hare schaamte en ellende niet in de ledige ruimte, achter den dichten drom dansers. Zij bleef staan even fier en hoog opgericht, als zij gisteren deed in de schitterende balzaal, toen een schare van onderdanige dienaren en ijverige slaven zich om haar veidiong. Zij bleef staan en staarde met groote oogen in het gewoel der zaal, bleek als een marmeren beeld, schoon als een

quot;^En nu ging midden door de zaal de hooge gestalte van een jonü officier. Het was juist een pauze van den dans.— Ieder zag het, en aller blikken richtten zich op hem. En ieder herkende in hem den schoonen, jongen prins Louis Ferdinand. En het scheen aan de vrouwen alsof zijn gelaat nooit fraaier geblonken had, alsof zijn oogeri nooit schitterender waren geweest dan in dit oogenblik. Regelrecht naar Sophie Beermann ging hij, boog even

ocr page 353

101

diep voor haar als hij het gisteren had gedaan en zeide met luide stem; „Mijn genadigste, ik verzoek u om de eer van een dans.quot;

Ieder had deze woorden gehoord en allen zagen dat Sophie haar hand in de haar gereikte hand van den prins legde. Maar niemand buiten hem hoorde, hoe zij zacht en met gebroken stem fluisterde; „Gods zegen op u, mijn prins; ge hebt barmhartigheid uitgeoefend, toen allen mij verlieten. Moge het lot u beloonen voor 'tgeen ge aan mij gedaan hebt.quot; Hij scheen het niet gehoord te hebben, want hij antwoordde niet. Maar zijn groote bruine oogen groetten haar met een blik vol ontferming en hij hief haar hand, wier ijskoude hij door den handschoen heen voelde, aan zijn lippen. „Laat ons nu den dans beginnen,quot; zeide hij zacht. Zij schudde treurig het hoofd. „Prins, ik was gewapend en geharnast tegen allen smaad en hoon, maar uwe grootmoedigheid heeft mij ontwapend; ik ben weerloos en kan niet meer.quot;

Zij zonk onmachtig ineen. Men droeg haar naar buiten, en den volgenden morgen wist geheel Frankfort, dat Sophie Beermann door een heftige zenuwkoorts overvallen was.1)

VUL

HET HUWELIJKSAANBOD.

„Hier ben ik,quot; zei Prins Louis Ferdinand, terwijl hij des voormiddags na dit bal de schitterende kamer binnentrad, waar Wilhelmine Rietz hem verwachtte ; „ge hebt mij bij u ontboden, mijn schoone vriendin?quot;

„Ja,quot; zeide zij, zich een weinig uit de liggende houding op de causeuse oprichtende; „ja, ik heb mijn waarden prins om zijn genadig bezoek laten verzoeken. Want daar

1

Sophie Beermann, (wier naam in werkelijkheid eenigzins anders luidt,) genas evenwel van deze ziekte en het gelukte haar ook den Koning in zóóverre te verzoenen, dat hij vriendelijk notitie van haar nam, toen hij weder te Frankfort kwam, en Wilhelmine Rietz niet aan zijn zijde was. Sophie Beermann volgde den Koning zelfs naar Berlijn, en huwde daar met den gezant van een kleinen Duitschen Vorst,

ocr page 354

102

ik nu niet meer geheel incugnito hier ben, maar op al mijn wegen door bespiedersoogen, door luisteraars en vijanden omgeven word, durf ik hot niet meer wagen, mij in het hol van den jongen leeuw te begeven, van wien men zegt, dat niets zijn heerlijkheid en schoonheid weerstaat. Men zou mij de eer béwijzen, te vergeten dat ik uw moeder zou kunnen zijn, en geenszins de schoonheid en jeugd bezit die vereischt wordt, om het hart van den gevierden en begeerden prins ook slechts voor één kwartier uurs bezig te houden.quot;

„Ge weet toch, dat Ninon de l'Enclos in haar tachtigste jaar nog zóó betooverend was, dat haar eigen kleinzoon zich uit liefde voor haar doodschoot?quot; vroeg de prins terwijl hij zich op den lagen tabouret, die door den divan stond, liet nederglijden en Wilhelmine's fraaie hand aan zijn lippen drukte. „Ge hebt alle vereischten om na vijftig of zestig jaren een tweede Ninon de l'Enclos te worden, en ik dank God, dat ik uw kleinzoon niet ben.quot;

„Maar ik zou God danken, zoo ge mijn zoon waart!quot; riep quot;Wilhelmine levendig.

„Ach, gejweet niet wat ge zegt,quot; zuchtte de prins: „'t Is een tamelijk ondankbare taak, mijne moeder te zijn. Zij heeft aan mij zeer veel goede lessen en vermaningen te verspillen, en ik daarentegen verspil zóó veel van haar goed geld, dat ma chère maman soms geheel desperaat is over haar onberaden zoon!quot;

„En zij zou tóch een feest geven en eenige dieren laten slachten, — welke ik niet noemen wil, maar die in den Bijbel opgeteekend staan, — zoo de aangebeden zoon, van wien alle vrouwen zouden wenschen, dat hij door haar de verloren zoon werd, tot haar terugkeerde! Nu voorwaar is hier weinig uitzicht op; want, ge weet het,wij beiden hebben doorgedreven, dat de oorlog in dit jaar krachtig en met allen ijver hervat zou worden. Wij hebben gezegevierd, prins; wij hebben al onze vijanden uit het veld geslagen! O, prins, het was een heerlijke drijfjacht en ik zou den dag van gisteren voor geen milliosn willen geven! Dat heet, ik zon er mij toch op bedenken! Een millioen is altoos een aardige zaak. Dunkt u óók niel, prins?quot;

„Hiernaar moet ge mijn schuldeischers vragen,quot; zei de prins lachend; „hun zou het inderdaad een zeer fraaie

ocr page 355

103

zaak schijnen, zoo ik toevallig in 't bezit van een millioen kwam. Maar voor den dag van gisteren zou ik het toch niet willen ontvangen, want het zou mij voorkomen als bloedgeld. Ik moet u bekennen, mijn vriendin, toen ik gisteren avond de arme Dido in de zaal van den Oosten-rij kschen gezant ontmoette, schaamde ik mij een weinig eti moest de oogen nederslaan.''

„Ja, en gij hebt mij eigenlijk de grap een weinig bedorven,'' zei Wilhelmine; nu zijn wij midden in de zaak aangekomen, om wier wille ik u verzocht hier bij mij te komen. Ik moet op u brommen, prins ; het was waarlijk een overdreven grootmoedigheid de vermetele mam'sel te hulp te komen. Hoe kon zij het wagen op het teest te verschijnen? Zij had het verdiend dat men haar met zulk een verachting bestrafte, en bare tegenwoordigheid geheel ignoreerde. En juist toen de straf in vollen gang was, en de geeselslagen op haar vernederde sciiouders nedervielen, komt deze jonge, grootmoedige ridder en bevrijdt haar.quot;

„Ik kon waarlijk niet anders handelen!quot; zei de prins: „en ik moet u de geheele waarheid bekennen: ik gevoelde een soort van bewondering voor deze koenheid, waarmede zij verscheen, 't Was, alsot haar kleine hand in een wespennest tastte;-en zij was zóó gestoken en zóó onedelmoedig gewond, dat ik, zonder te bedenken wat ik deed, mij over haar erbarmen moest.quot;

Wilhelmine streelde met een liefkozende beweging het voorhoofd van den prins. — „Ge zijt een goed mensch, en ik moet u zeggen, dat ik van aandoening geweend heb, toen mij de Koning vertelde, wat gij gedaan hadt. Geloof mij, er zouden minder verharde en wreede vrouwenharten zijn, als er meer zulke edele en grootmoedige mannenharten waren. Ik wil n nu zeggen wat eigenlijk het doel is, waarom ik een onderhoud met u wenschte. Ik wilde u een weinig beloonen, of zoo deze uitdrukking te stout is; u een weinig vergelden voor het goede, dat ge mij gedaan hebt. Door uwe bemiddeling ben ik met den Koning-verzoend.''

„En door uwe bemiddeling is mijn hoogste wensch vervuld,quot; zei de prins glimlachend: „de oorlog tegen Frankrijk is weder hervat. Wij zijn dus quitte on ge hebl mij niets te danken.quot;

ocr page 356

104

„Integendeel, ik dank u voor het geluk van mijn gebeele toekomst, want zij was ditmaal werkelijk bedreigd, en ik ben geen ondankbare. Luister dus; de Koning heeft beden morgen de genade gehad, mij in de nieuw verworven landstreken in Polen eenige goederen te schenken. Ik heb echter volstrekt geen lust als burchtvrouw in eenzaamheid mijn dagen door te brengen. En zoo ik een rentmeester op mijne goederen plaatste, zou hij mij natuurlijk bedriegen en bestelen, want wij vrouwen, weet ge wel, worden altoos bedrogen. Ik zou dus gaarne een dezer goederen aan u verkoopen.quot;

„Dat zou inderdaad een slechte zaak voor u zijn, madame!quot; lachte de prins; „'t Is moeielijk te koopen, als men niet weet vanwaar de kooppenningen te halen.quot;

„De kooppenningen?quot; zei Wilhelmine de schouders ophalend: Wij schrijven ze in den rook en hiermede is de zaak afgedaan.quot;

„Hoe?quot; vroeg de prins met verwonderd en trotsch gelaat; „Hoe? Madame wil de genade hebben, aan mij een der goederen te schenken, welke de Koning haar eerst heden morgen geschonken heeft?quot;

Zij sloeg de oogen neder. — „Ja, waarlijk,quot; zeide zij; ,,ge maakt mij opmerkzaam, dat mijn aanbod voor een koninklijken prins niet passend was. Maar ik zou u zoo gaarne een genoegen doen, en u mijn dankbaarheid bewijzen. Ge hebt schulden, nietwaar? Men heeft mij gezegd, dat mijnheer uw vader zeer verstoord is wegens de vele rekeningen, die hier uit Frankfort van juweliers, kooplieden, kasteleins en dergelijken, hij hem ingekomen zijn. Prins Ferdinand heeft in zijn toorn gezegd; mijn zoon is de schuldenaar van de gebeele wereld, hij is aan God en den duivel schuldig!quot;

„Nu, dan heeft hij de twee eenige personen genoemd, aan wie ik niets schuldig ben!quot; riep de prins lachend: „Overigens heeft hij gelijk!quot;

, Ge hebt dus te veel geld verteert, mijn waarde prins?quot; vroeg Wilhelmine glimlachend.

De prins lachte luid — „Ik weet niet, ma foute helle, ik weet niet. Maar zie, de wereld is zoo vervelend en er zijn zoo vele kleine, allerliefste handen, die zich naar iemand uitsteken, en zij zijn als een afgrond; men meent

ocr page 357

105

ze te vullen en zij zijn toch altoos weder ledig.quot;

„En dan,quot; zei Wilhelmine vleiend: „er zijn ook zoo vele armen en bedelaars en schandelijke huichelaars, die zich tot het grootmoedige hart van den prins wenden, wijl zij weten dat hij steeds rijkelijk geeft 't geen zij van hem verzoeken, en dat hij geeft, zelfs als hij niets meer heeft!quot;

„Waarom zijn de bankiers zoo dwaas mij altoos nog te leenen! Zij moeten er voor boeten. Zij denken, geloof ik, wijl ik een koninklijk prins ben, moest mijn woning met dukaten bevloerd zijn, die zich telkens weder vernieuwen en als paddestoelen opschieten, en dat ik met de ster, die op mijn borst is genaaid, altoos weder nieuwe millioe-nen uit het niet kan roepen. Maar dit is, helaas, een groote dwaling, en ik kan het mijn heer vader volstrekt niet kwalijk nemen, dat hij verstoord en wanhopend over mij is. Ik zou het óók zijn, indien ik de vader van zulk een zoon was.quot;

„En ik,quot; riep Wilhelmine met vervoering: „ik herhaal het: ik zou trotsch zijn, prins, zoo ik de moeder van zulk een zoon ware, als gij zijt! Luister, mijn prins, ik wil geheel eerlijk en openhartig met u spreken. Mijnheer uw vader, prins Ferdinand, is boos op u; mevrouw uwe moeder weent zich de oogen uit wegens de vele minnarijen, die mijnheer haar zoon aanknoopt 'en waarvan men baar alle dagen iets nieuws verhaalt. Uw schuld'eischers roepen ach en wee! en belegeren, zooals men mij gezegd heeft, eiken morgen de deur van uw kamer.quot;

,,'tls waar,quot; prevelde de prins; „ik ga daarom altoos door de achterdeur; en terwijl zij in mijn kamer nog klagen en kermen, ben ik lang verheugd buiten op d'e straat.quot;

„Ik zal u een middel zeggen, hoe in eens van al deze hindernissen en nooden af te komen, uwe ouders te verzoenen en uw schuldeischers te betalen.quot;

„Madame!', riep de prins vroolijk bewogen: „Zoo ge dit laatste kunt, zijt ge een tooveres! Wat bet eerste betreft, zou ik wel tot stand kunnen brengen ; want zij beminnen mij tóch len laatste, mijn goede ouders ! Maar mijn schuldeischers te betalen, daaraan wanhoop ik!quot;

„Ik niet, mijn lieve prins,quot; iispte Wilhelmine; „maar

ocr page 358

406

noem zoo ongeveer de som, welke ge denkt schuldig te zijn.quot;

„Ik weet het waarlijk niet,quot; zei de prins verlegen: „ik houd geen boek van geld dat ik niet heb; niet eens van

't geen ik heb.quot;

„Om 't even,quot; zei Wilhelmine ; „geef mij slechts het recht uwe schulden te betalen, en ik betaal ze.quot;

„Een recht?quot; vroeg de prins verwonderd; „Ik begrijp niet wat ge meent, mijn vriendin.quot;

„Ge zult mij spoedig begrijpen,quot; zei Wilhelmine teener „herinnert ge u den bewusten morgen, toen ge bij mij kwaamt om het beeld van mijn zoon, van mijn dierbaren Alexander te bezichtigen?quot;

„Gewis herinner ik mij dien!quot; riep prins Louis levendig: „Ge hadt daarna de goedheid mij uw lieve dochter voor-te stellen, en het was een allerliefst gezicht, toen wij binnentraden en de beide jonge, lieve meisjes innig omstrengeld, ons met den baars luier voor ^t aangezicht begroetten. O, ge ziet, ik heb niets vergeten; ik heb alles in mijn geheugen bewaard, ik zie nog het bekoorlijke, blonde kopje mijner lieve cousine, en het sclmlk-sche lachje barer jonge vriendin. Hoe heet zij ook weer? Het was een wonderschoon meisje en ik heb sedert dikwijls aan haar gedacht.quot;

„Ik wilde, dat ge liever aan mijn dochter hadt gedacht! zei' Wilhelmine haastig: „Want, om u de waarheid te zeggen, mijn dochter heeft sedert zeer veel aan it gedacht. ZalDik u eens zeggen, prins, wat zij op dien morgen, nadat ge ons verlaten hadt, tot mij zeide? '

„Zoo het niet al te erg is, verzoek ik het u.quot;

„Zij zeide: Mama, gij zegt altijd_ dat ik spoedig moet trouwen; welnu, ik wil niet jirins Louis Feitiinand

trouwen.quot; .

„O het lieve, goedhartige kind!quot; zei de prins: „zij beeft een zeer grootmoedig hart, en daar zij wist hoeveel kwaad men van haar armen neef spreekt, wilde zij goed van mij spreken. Dit is zoo juist de manier van goede kinderen: dien zij in bescherming willen nemen, met dien zeggen zii, dat ze willen trouwen.quot;

„Neen, tóch niei, prins!quot; zei Wilhelmine: „Mijn dochter heeft dit niet gezegd als een goedhartig kirul, maar als

ocr page 359

107

oen jong meisje, dat ia u het ideaal heeft gevonden voor haar dweepend hart.quot;

De prins stond op. — „Ik hoop, madame,quot; zeide hij somber; „ik hoop dat ge niet in ernst spreekt; want het zou mij waarlijk leed doen voor het hart mijner jonge cousine als het door zulk een dwaling bevangen was.quot;

„Noem het geen dwaling, prins, en maak niet langer uitvluchten; ik ben een vrouw, die gewoon is recht en moedig op haar doel af te gaan. En dus vraag ik u dan anbewimpeld: prins Louis Ferdinand, wilt ge de echtgenoot mijner dochter, de gravin van der Mark, worden ? ü antwoord niet, hoor mij bedaard. Ge weet, de gravin von dei-Mark is de dochter des Konings. En menig prins en menig regeerend Vorst zou het niet voor een mésalliance houden, zoo hij met de schoone gravin, met des Konings dochter, in het huwelijk trad. Maar gij zijt van Koninklijken huize, en 't is dus betamelijk, dat uwe gemalin niet beneden uwen rang zij. De vader der gravin von der Mark, uw koninklijke oom, zal dus van (ien Keizer van Oostenrijk begceren, dat hij zijn geliefde dochter toteene Rijksvorstin benoeme, en men zal dan aan de Rijksvorstin een klein souverein vorstendom in Polon weten te bezor-. gen. En mij 'dunkt, prins Louis Ferdinand zal het dan niet beneden zijn waardigheid kunnen achten, aan de souvereine Rijksvorstin zijn hand te geven en haar tot zijne gemalin te maken. Antwoord nog alijd niet, ik ben nog niet geheel ten einde met mijn verklaringen. Op den dag der verloving zullen voor het geluk van het schoone, geliefde bruidspaar slechts vrome zegenwenschen en dankgebeden ten hemel stijgen, en er zal niemand zijn, die verstoord is op den fraaion prins Louis! Dit zij mijne zorg, en ik zal te dien einde vóór de verlooving al uw schuld-eischers bevredigen en uwe schulden betalen.quot;

„Dat zou onmogelijk zijn! zei de prins lachend; „Bedenk als 't u belieft, dat ik alle dagen nieuwe schulden maak, en dat, terwijl ge heden en morgen de schare mijner schuldeischers laat oproepen, om de sommen te berekenen en ze overmorgen te betalen, ik in deze dagen weer een massa nieuwe schulden gemaakt heb. De bevrediging mijner schuldeischers is even onmogelijk, als het vat der Danaïden met water Ie vullen. Het geld loopt

ocr page 360

108

door mijn beurs, gelijk het water door haar vat en ge ziet hieruit, mijn schoone en goede vriendin, dat ik volstrekt niet te helpen ben, en ik in dit punt van mij zeiven moet bekennen, dat ik een geheel verloren sujet bon, wien ge onmogelijk zulk een fraai en jong meisje, als de gravin von der Mark is, ten ofïer moogt brengen. Ge ziet mijn schoone vriendin, ik ben ten minste geen Minotau-rus, die schoone meisjes als olTers begeert. Ik vergenoeg mij met de offers welke mij de Manicheërs brengen en hun wraakgeschrei is de vroolijke muziek bij hun oiler-geld.quot;

„Maar de liefde van een schoone, teedere, jonge vrouw die u geheel genegen is en wier bruidschat groot genoeg zou zijn, om alle billijke en mogelijke wenschen, zelfs van een verwenden prins, te bevredigen, zou misschien meer orde en regel in uw leven kunnen brengen.quot;

,,Dit is juist mijn ongeluk, madame; ik heb geen billijke en mogelijke wenschen, maar enkel onbillijke en onmogelijke. Hoe meer ik heb, des te meer wil ik uitgeven en zoo men mij heden een millioen geeft, vind ik morgen dat dit een veel te geringe som is, om ook slechts hel kleinste gedeelte mijner wenschen te bevredigen. Want zoo ik een millioen had, zou ik er aan denken mij een too verpaleis van saffieren en amethisten te bouwen, zooals Aladijn in het sprookje, en de sterren van den hemel willen hebben, om ze als kaarsen op mijn kandelaars te doen schijnen. Neen, neen, geef mij op, madame en God beware mijn schoone cousine, de gravin von der Mark, ervoor, dat zij ooit het ongeluk hebbe een echtgenoot te krijgen, die mij maar in 't minst gelijkt!quot;

De groote oogen van Wil heimine hadden, terwijl hij sprak, vorschend op het levendig, bewegelijk gelaat van den prins gerust en elk zijner uitdrukkingen onderzocht.

„Gij ontwijkt mij, mon prince,quot; zeide zij: ,,maar ik bid u, laat ons eerlijk met elkander spreken, want het geluk mijner dochter is van ons onderhoud afhankelijk. Dus, franchement, prins; er is een huwelijksplan,dat de Koning begunstigt. De graaf von Stolberg vrijt naar de hand mijner dochter; go ziet, dus, dat baar geboorte geen hindernis is, om haar een schitterende partij te laten doen; want graaf Stolberg wordt na den dood zijn vaders regeerend

ocr page 361

1»)

graaf van het rijksvrije graafschap Stolberg, en mijn dochter zou als regeerende rijksgravin altoos in de maatschappij een even aanzienlijke positie innemen, als —'

„Als wanneer zij de gemalin van een armen, kleinen prins was, die van een jaarwedde leeft, wilt ge zeggen? Neen, mijn waarde, zij zal als regeerende rijksgravin een veel belangrijker positie innemen, en ik zou het nooit wagen, tegen zulk een gewichtig persoon als graaf Stolberg, als mededinger op te treden quot;

„Mijn prins,quot; zei Wilhelmine droog : „gij zijt vermetel en moedig genoeg om geen waagstuk te schuwen, als uw hart er toe drijft. Daarom laat mij franchement een vraag tot u richten : wilt ge mijn dochter niet trouwen, omdat ge eene andere bemint ? Ik bezweer u, zeg mij de waarheid; want ik herhaal het, de toekomst mijner dochter is hiervan afhankelijk, en ik geef u mijn woord van eer, dat niemand vernemen zal, wat ge mij nu zeggen zult. Dus eerlijk en oprecht: bemint ge een andere ?

„Nu dan,quot; antwoordde de prins na kort bedenken, en zijn bewegelijk gelaat nam nu een ernstige, beraden uit drukking aan; „nu dan, eerlijk en oprecht: Ja, ik bemin een andere.quot;

„En ge zult met deze andere in 't huwelijk treden, zonder te vreezen haar ongelukkig te maken ?quot;

De prins legde zijn hand op Wilhelmine's schouder.— „Ik bid u, vriendin, viaag mij niet, het doet mij wee; want mijn hart is zóó gewond, dat de aanraking vaneen rozeblad of van uw zachte vingers het reeds pijn veroorzaakt. Verlang dus geen verdere bekentenis dan deze : ik bemin ! Maar het is geen liefde die met een huwelijk of het geluk zou kunnen eindigen, maar een liefde van smart, van strijd en misschien zelfs van misdaad: een liefde, die als een meteoor boven mijn hoofd schittert, en als een meteoor zal vergaan. Dit is alles wat ik zeggen kan. En nu, mijn lieve vriendin, heb medelijden met mij en veroordeel mij niet.quot;

Zij reikte hem met een treurigen glimlach hare hand — „Wij blijven vrienden,quot; zeide zij: „ook schoon de wen-schen, welke ik voedde, niet tot vervulling komen; ook terwijl ik weet, dat hetgeen ge mij gezegd hebt, de schoone oogen mijner dochter bedroeven zal. Ik beklaag u niet

ocr page 362

110

om den wille uwer liefde, want liet is goddelijk schoon, zoo te beminnen als gij doet; — schooner, door den bliksem verpletterd te worden, dan langzaam aan de nachtlamp der alledaagscheid zijn hart te laten verbranden. Vaarwel, mijn prins, en nietwaar, wij blijven vrienden?quot;

„Wij blijven het,quot; zeide hij, de hem gereikte hand van Wilhelmine aan zijn lippen drukkend: „zoo ge ooit een vriend noodig hebt, roep mij, en ik zal steeds tot uw dienst bereid zijn.quot;

„En ik zeg hetzelfde van mij. Zoo ge ooit een vriendin noodig hebt;;; enquot; - voegde zij er glimlachend en aarzelend bij : — „zoo ooit de Manicheërs te dringend worden en geen offers meer willen brengen, wend u dan tot mij ; het zal mij altijd verheugen u te helpen.''

Zij scheidden en prins Louis keerde peinzend en nadenkend naar zijne woning terug. Op de voorplaats kwam hem zijn kamerdienaar met verschrikt gelaat tegemoet. — „Om godswil. Koninklijke Hoogheid, waarom gaat ge langs den hoofdtrap. De gebeele voorzaal is vol menschen.quot;

„Ha, ik begrijp,quot; zei de prins glimlachend : „ge wilt niet zeggen vol menschen, maar vol schuldeischers.quot;

„'fis zoo, Koninklijke Hoogheid; 'fis heden de eerste van de maand en 't schijnt dat Uwe Koninklijke Hoogheid op dezen dag betalingen heeft beloofd. Er zijn drie mannen uit de Jodenwijk, buiten den juwelier en den behanger, en allen zwoeren, dat zij de voorkamer niet eerder verlaten zouden, vóór zij betaald waren.quot;

„Ge hebt gelijk,quot; zei de prins, terwijl hij omkeerde: „het zou dwaasheid van mij zijn, langs den hoofdtrap naar boven te gaan. Ik zal bescheiden, zooals't een deemoedigen schuldenaar betaamt, langs den achtertrap naar boven sluipen.quot;

Hij keerde om en ging weder den trap af.

„Maar, Koninklijke Hoogheid,quot; riep de kamerdienaar lluisterend naar beneden: „wat moet ik den menschen zeggen ?quot;

De prins bleef staan en zag met ernstig gelaat naar den kamerdienaar op, die over de trapleuning boog: „Ongelukkige ! Wat ge hun zeggen zult ? Ge zult hun zeggen ; zoo zij mij heden de dubbele som willen leenen van 't geen ik hun schuldig ben, dan wil ik hun hiervoor een

ocr page 363

ill

vierde gedeelte van hunne rekeningen betalen. Ik hoop, zij zullen met deze billijke schikking tevreden zijn.quot;

En de prins ging met ernstig gelaat de trap af, sloop over een kleine binnenplaats en bereikte ongehinderd den achtertrap, langs welken hij ongezien in zijne vertrekken kon komen.

Maar het scheen, dat de Manicheërs en schuldeischers met de schikking, welke de prins hen liet voorstellen, geenszins tevreden waren, maar zich hierover een weinig verstoord gevoelden.

De prins, die zich in zijn woonkamer bevond, welke slechts door een deur van de voorzaal gescheiden was, hoorde nu zeer duidelijk hunne toornige en scheldende stemmen; maar hij lachte er om, sloop zacht naar de deur en keek door het sleutelgat.

„Ja,quot; prevelde hij zacht voor zich; „daar is de behanger Vollgold. Hij heeft de woning der kleine danseres gemeubileerd, want bet arme ding was al te slecht gehuisd, en ik had medelijden met haar. Zij is te Frankfort gekomen om er fortuin te maken; maar in haar prullewinkel kon zij geen graven en rijke heeren ontvangen en daarom heb ik haar geholpen Voor den behanger is 't niet meer dan billijk dat hij wachten moet, want hij heeft mij den vier-dubbelen prijs gerekend. Ha, en daar is ook de juwelier Meinert! 't Is waar, ik ben hem iets schuldig. Die dametjes van de opera houden zooveel van brillanten, en mademoiselle Lucie was verrukt over mijn voorstel, om haar in plaas van de armbanden, zoo als de anderen dragen, een paar met brillanten bezette banden voor haar kleine voeten te geven, welke zij om haar kleine, dunne enkels kon leggen! Hij kan wachten, de juwelier. En daar zijn de Manicheërs met de leelijke gezichten, die naar woeker en percenten rieken. Foei, ik ruik het zelfs door 't sleutelgat heen. Zij moeten wachten, allen wachten!''

Hij richtte zich weder van het sleutelgat op en trad zacht achteruit; maar hij had vergeten den grendel voor de deur te schuiven.

Nu hoorde men buiten een luid gerucht, scheldende en toornige stemmen.

Daarop werd de deuiquot; heftig opengeslagen en di ie of vier mannen vlogen met woedende gebaren binnen, terwijl men

ocr page 364

112

door de wijdgeopende deur, den kamerdienaar in de voorkamer op den grond zag liggen.

„Genadige heer, wij moeten ons geld hebben !quot;

„Koninklijke Hoogheid, wij moeten betaald worden; wij kunnen niet langer wachten!quot;

't Was een woest verward geschreeuw en prins Louis, die midden in de kamer stond, hoorde hen glimlachend en met volkomen kalmte aan.

„Ge moet uw geld hebben?quot; zeide hij, toen de woedende losbarsting der vergramde schuldeischers eindelijk verstomde : „Ge kunt niet langer wachten ? Dat is heel fraai, mijne heeren, maar ik verzoek u mij slechts een middel aan de hand te doen, hoe ge uw geld zult krijgen, zoo gij het mij niet leent om u te betalen.''

„Maar Zijne Koninklijke Hoogheid heeft ons op dezen dag betaling beloofd.quot;

„Onder de bepaling, dat ge .mij vooraf op dezen dag geld zoudt leenen. Zoo ge dit niet wilt, is 'tuw eigen schuld als ge niet betaald wordt. Maar zoo ge mijn voorstel aanneemt, dan blijven wij ook verdere goede vrienden; en zoodra ik meerderjarig ben, zult ge niet alleen tot den laatsten .penning betaald worden, maar ik maak u ook tot mijn Hofbankier. Hé, mijn lieve Baruch David, ik doe u een voorstel: betaald gij den heer juwelier, en geef mij bovendien honderd Louis dor, want ik heb noodzakelijk geld noodig.quot;

„En de twee honderd Louis d'or, die Uwe Koninklijke Hoogheid mij schuldig is?''

„Schrijf die niet in den schoorsteen, maar in uw grootboek,quot; zei de prins ernstig: — „voeg er met de nauwkeurigheid van een goed rekenmeester, alle maanden den interest bij, en ten dage van 't jongste gericht, — of liever, op den dag mijner meerderjarigheid, kom dan met uw grootboek bij mij, en ik betaal mijn Hofbankier Baruch David.quot;

Hij zag den geldschieter met zulk een vriendelijk en glimlachend gelaat aan, dat deze zich evenzeer door zijn voorkomen als door zijn woorden, gerustgesteld gevoelde.

„Geeft Uwe Koninklijke Hoogheid mij Haar woord van eer er op, dat zij mij op den dag llarer meerderjarigheid betalen, — en dien titel zal geven?quot; vroeg hij.

ocr page 365

113

De prins knikte. — „Mijn wooi'd van eer, Barucli David !quot;

De Jood bedacht zich een oogenbiik en wendde zich toen tot den behanger. — „Geef mij de rekening, mijnheer, ik zal haar betalen; kom hier in de voorkamer, ik heb'geld bij mij, want ik dacht wel dat het zoo gaan zou.quot;

Beiden gingen de voorkamer binnen en de prins wendde zich toen tot de andere twee schuldeischers, om ook hun toorn te bevredigen en hen tot nieuwe leeningen genegen te maken. Maar zij schudden norsch het hoofd en het gelukte den prins eindelijk slechts, een verder uitstel van betaling van hen te erlangen.

„En ik? - Koninklijke Hoogheid!quot; vroeg de juwelier, toen de beide zich verwijderd hadden: „Ik wacht reeds zeer lang en gij kunt niet begeeren, dat de betaling nog langer uitgesteld wordt.quot;

„Ik begeer dit ook volstrekt niet, mijn waarde,quot; zei de prins fier: „hebt ge niet gehoord dat Baruch David mij tweehonderd louis d'or heeft beloofd? Hoeveel bedraagt uw rekening?quot;

„Genadige heer, zij bedraagt juist zooveel: tweehonderd louis d'or.quot;

„Welnu dan, mijn waarde, ge ziet dat ik voor u gezorgd heb. Hei! Baruch David, zijn de tweehonderd Louis d'or gereed'?quot;

„Ik heb ze juist hier op de tafel neergeteld, genadige heer,quot; zei Baruch David, terwijl hij in de deur verscheen.

„Ge hoort het, mijnheer de juwelier; mijn toekomstige Hoibankier heeft het geld voor u uitgeteld,quot; zei de prins: „Geef mij nu de kwitantie en neem uw geld;1 wij hebben afgedaan.quot;

De juwelier boog diep. — „En nietwaar. Zijne Koninklijke Hoogheid zal mij toch de genade bewijzen, mij haar klandizie niet te onttrekken ?quot;

„Ik zal u deze genade bewijzen,quot; zei de prins met een trotschen hoofdknik: „'t Kan zijn, dal ik reeds morgen eenige juweelen noodig heb. Zoo ge iets nieuws en fraais hebt, breng het mij. Adieu! — Baruch David, kom een oogenblik bij mij binnen, en sluit de deur achter u!quot;

De Jood trad weder in de kamer en drukte aarzelend de deur achter zich in 't slot.

8

Mühlbaoh, Dnitschland in ivoeling en strijd. VI.

ocr page 366

114

Prins Louis ging met levendige schreden eenig keeren in de kamer op en neêr, terwijl de Jood met deemoedige houding aan de deur stond en het slechts van tijd tot tijd waagde, de oogen tot den prins op te heffen, en hem te aanschouwen.

Nu bleef Louis voor hem staan en legde zacht de hand op den schouder van den kleinen, mismaakten man. — „Baruch David,quot; zeide hij met zachte stem; „ge zijt een goed mensch ; ik zou u geen leed willen doen en u misleiden. Ge weet toch, dat ik eerst twintig jaar oud hen en het nog twee jaren duurt, vóór ik meederjarig word ?quot;

„Ik weet het. Koninklijke Hoogheid,quot; zei Baruch David en zijn zwarte oogen richtten zich tot de hooge gestalte van den prins op, met een uitdrukking vol liefde en bewondering: „Ja, ik weet het. Koninklijke Hoogheid. Ik heb nog twee jaren te wachten, en ik zal wachten. Maar 't is mij aangenaam, dat de prins de genade heeft gehad, mij bij zich binnen te roepen, want ook ik heb hem iets te zeggen: de menschen meenen, dat het gespuis in de jodenstraat geen hart en geen eer in het lijf heeft. Zij sluiten 's avond de ijzeren poorten, die ons van de stad Frankfort scheiden; want zij meenen, dat wij allen dieven en moordenaars zijn, en dat hun have en goed niet veilig voor ons zoude zijn. Maar des daags, als de poorten open zijn, komen de Christenen tot de verachte Joden in de straat, en spreken enlluitsteren menig teeder en smeekend woord, opdat de Jood hun geld zou leenen. En later meenen zij tóch, er hem geen dank voor schuldig te zijn, wijl hij hooge procenten neemt; — de Jood, die geen recht kan krijgen, zoo hij de schuld invorderen, — en den schuldenaar voor 'tgerecht wil trekken! ^ Maar wij zijn tóch niet slechter dan de Christenen, genadige heer, en wij hebben óók een hart in onze borst. En ik weet niet hoe het komt; maar als ik Uwe Koninklijke Hoogheid aanzie, klopt mijn oud jodenhart, en 't is mij een vreugde zulk een fraai en jong prins te zien, die zelfs met den Jood menschelijk omgaat. En daarom wilde ik slechts zeggen,quot; voer hij met deemoe-

1) De Lezer gelie-e te bedenken, dat deze episode ontleend is aan den tijd, waarin vooral de Israëlieten, (in 'tbijzonder in Duitschland,) zeer veel van liunne medeburgers te lijden hadden.

ocr page 367

115

dig gelaat eti nedergeslagen oogen voort, als schaamde li ij zich voor 'tgeen hij zeggen wilde: „daarom wilde ik slechts zeggen, Koninklijke Hoogheid, dat ik van u geen woekerrente nemen kan. Vijf procent is de gewone interest, dien ieder voornaam Christelijk bankier berekent en dus zal ik óók slechts vijf procent rekenen voor de vierhonderd Louis d'or tot den dag der meerderjarigheid van mijn prins. En de interest behoeft niet vooruit betaald te worden, maar eerst op den dag der meerderjarigheid en ik reken óók geen interest op interest.quot;

„Maar mensch!quot; riep prins Louis verwonderd: „hoe komt ge toch tot zulk een edelmoedigheid ? Gij olfert mij een kapitaal. Wat beduidt dit?''

„Ik weet het zelf niet,quot; zei de Jood peinzend: „er is zoo iets in mij, dat het niet anders duldt. Maar ik weet het ook misschien wel, en ik wil'tu zeggen, prins. Ge hebt straks uw hand op mijn schouder gelegd, en dat heeft mij goedgedaan tot in mijn hart. De anderen zouden ons steeds met den voet willen stooten. En gij zijt toch een prins, en hebt mij de hand op den schouder gelegd! En dan is er iets in uwe stem dat klinkt als muziek, en ik moet hierbij altoos aan mijn zoon denken! Hij had zulk een stem als gij en hij was mijn eenig kind. Hij stierf van verdriet er over, dat de menschen hem zoo verachtten en toen hij op sterven lag, nam hij mijn hand en zeide: „Vader, ik ga naar den hemel, waar alle menseden kinderen Gods zijn en waar erbarming is. Denk hieraan, vader, en laat uw hart niet verharden, maar hoop op den hemel.quot; — Toen hij vervolgens achterover zonk en zoo verheerlijkt er uitzag, toen was hij schoon en mij dunkt — zoo Uwe Koninklijke Hoogheid 't niet kwalijk neemt — hij geleek op u; hij had juist zulk een jeugdig, frisch, zalig schitterend aangezicht als gij. En daarom gaat mij, 't hart open, als ik Uwe Koninklijke Hoogheid zie, want ik denk dan aan mijn eenigen zoon, die in den hemel is, waar alle menschen kinderen Gods zijn !quot; — De oude man zweeg, want zijn stem versmoorde in tranen.

Vóór hem stond prins Louis; deze zeide ook niets, maar de tranen liepen hem over de wangen, en plotseling — aan zijn innigste en heiligste gevoelens toegevende — trad hij dicht op den Jood toe, legde zijn arm om den hals van

ocr page 368

11 ö

den ouden man en drukte een kus op zijn voorhoofd.

„Baruch David, dat is een kus, die u uw zoon zendt; uw zoon, die in den hemel op u wacht, waar alle raen-schen kinderen Gods zijn!quot;

De oude man schreeuwde 't luid uit en zonk als verslagen op zijne knieën, — „O, genadigste heer, ge hebt den ouden Jood gekust. Ik dank u, ik dank u. Van heden at wil ik zeggen, dat de menschen — niet alleen in den hemel de kinderen Gods zijn, zij zijn het ook op aarde. Ik dank u, mijn prins. Ge hebt mijn ouden dag verhelderd, maar niemand zal het weten en vernemen wat gij aan mij gedaan hebt; het zal een geheim blijven tusschen mij en God. Maar één genade moet ge mij bewijzen, één enkele genade.''

„Spreek, Baruch David. Wat moet het zijn'?quot;

„Gij vergunt den ouden Jood dat hij de vierhonderd Louisd'or yiiet in zijn grootboek aanteekent. Zij zijn betaald, overrijk betaald! Met den kus dien ge mij gegeven hebt, hebt ge de geheele rekening voldaan. Nietwaar, ge vergunt mij dit, prins?quot;

„Neen, mijn oude,quot; zei de prins ernstig; „het zou immers den schijn hebben, als ware ik daarom goed geweest, om u voor mij te winnen. Neen, oude, het moet blijven zooals het is, en op den dag mijner meerderjarigheid betaal ik u mijn schuld en gij wordt mijn Hof bankier.quot;

„Maar ik hoop, dat Uwe Koninklijke Hoogheid toch nog soms de goedheid zal hebben, van mij te leenen?quot; vroeg de Jood zeer dringend, terwijl hij zich langzaam van zijn knieën oprichtte.

„Hoop dat niet, Baruch David,quot; zei de prins lachend; „het zou een slechte zaak zijn, die gij deedt, en (jij ten minste zult door mij niet lijden. Vaarwel, mijn oude, en ik zeg niet; vergeet mij niet; want ik weet, ge zult aan mij denken.quot;

Hij reikte den Jood zijn hand; deze kuste haar met vuur, en tranen smoorden zijn stem, zoodat hij niets meer zeggen kon, maar zwijgend heenging.

Prins Louis oogde hem na met een langen peinzenden blik. — „Wij zijn toch liefdelooze, hardvochtige menschen, wij Christenen,quot; zeide hij zacht voor zich ; „ik wil mij voornemen steeds goed te zijn jegens de joden, en

ocr page 369

117

niet te vergeten, dat ook zij kinderen Gods zijn, zelfs zoo zij mij dwingen mochten, woekerrente te betalen. — Ditmaal is de zaak weder geschikt en wij zouden nu weder nieuwe schulden kunnen maken, daar de oude betaald zijn. Maar ik wil toch verstandig zijn en hiermede zoolang wachten als mogelijk is. Mijn genadigste moeder zal toch wel reden willen verstaan, en mij op mijn klaagbrief eenige (luizende thaler zenden en dan zijn wij Weder vlot!''

„Genadigste heer,'' zei de kamerdienaar, terwijl hij zacht en voorzichtig de deur opende; „er is een heer in de voorkamer, die dringend Uwe Koninklijke Hoogheid wenscht te spreken.''

,.Nog een schuldeischei'?quot; riep de prins verschrikt.

De kamerdienaar ontkende. — „Ik geloof 't niet; want hij verzoekt zeer deemoedig en zegt, het zou een groote genade zijn, welke Uwe Koninklijke Hoogheid hem bewees, zoo Zij hem ontving.quot;

„Ha,quot; riep de prins lachend; „'t kan een wolf zijn, die zich in een schapevacht heeft gestoken, om op die wijze tot mij te komen. Maar in allen geval, ben ik met de anderen klaar gekomen en zal het ook met dezen worden. Laat hem binnen komen! Hoe heet hij?quot;

„Hij heeft mij zijn kaartje gegeven ; hier is het, Koninklijke Hoogheid.quot;

„Mijnheer Adalbert, violist en componist,quot; las de prins op het hem gereikte kaartje; „Ge hebt gelijk, Louis, 'tis geen schuldeischer; 'tis hoogstens iemand die schuldenaar zou willen worden. Laat hem binnen komen!quot;

IX

HET CONCERT.

Een jong, bleek man, in gekleurden frak en witten das, trad binnen en boog eerbiedig. ^

De prins ontving hem met de vriendelijkheid en welwillendheid, welke hij steeds kunstenaars, — en bovenal muzikanten bewees. Hij vroeg liefderijk naar de begeerte van den jongen man, die stamelend en verlegen verhaalde,

ocr page 370

118

dat hij voornemens was een concert te Frankfort te geven, doch dat hij in groote geldverlegenheid was en niet wist, wat van hem worden zou, zoo het concert hem geen winst afwierp. Hij moest bijgevolg inteekenaars verzamelen en verzocht dus, dat de prins op de lijst zou teekenen.

Hij had dit alles blozend en met zeer treurige stem gezegd en men zag aan 't voorkomen van den jongen kunstenaar, hoe diep beschaamd hij zich gevoelde door de noodzakelijkheid, zijn kunst zóó te vernederen, om het dagelijksch brood voor zich te bedelen.

Ook prins Louis had, hem hoorende, gebloosd en beschaamd de oogen nedergeslagen; want hij wist, dat hij den arme niet kon helpen, en zijn lust tot gelduitgeven hem ditmaal van de vreugde beroofde, voor den kunstenaar een weldoener te zijn.

„Ik wenschte dat ik u kon helpen,quot; zeide hij met zachte stem: „en schaam mij, dat ik het niet kan. Neem het niet voor een ijdel woord, als ik u zeg, dat ik u gaarne een paar honderd thaler zou willen geven, als ik ze slechts had. Maar ik heb ze niet en mij ontbreken op dit oogen-blik de middelen, om ze mij te verschatten. Ik wil u gaarne mijne tegenwoordigheid op uw concert toezeggen, en op uw lijst voor eenige kaartjes teekenen ; dit is, helaas, al wat ik kan.quot;

,,'t Is genoeg voor mij, prins,'' zei de jonge man met een treurigen glimlach: „mijn naam is nog onbekend, en hoezeer ik met trotsch zelfgevoel durf zeggen, dat ik wezenlijk een kunstenaar ben, zal toch niemand mijn concert bezoeken, om een onbekenden kunstenaar te hooren. Zoo echter de naam van een prins, die zoo muzikaal is als Uwe Koninklijke Hoogheid, aan 't hoofd van mijn lijst staat, mag ik hopen, dat de voorname wereld uw voorbeeld volgt en mij komt hooren. En hiermede is de eerste schrede gedaan, en ik hoop dat het tweede concert om mij zeiven zal bezocht worden. Daarom dank ik Uwe Koninklijke Hoogheid uit het diepst mijner ziel, want Zij zal de grondvester mijner toekomst zijn.quot;

De prins knikte, nam de hem gereikte inteekeniijst en schreef zijn naam boven aan.

„Ziehier, mijn vriend, ik heb voor vier billetten getee-kend; laat mij dit bedrag nu met vier ducaten betalen.''

ocr page 371

119

Maar de kunstenaar wees het geld, dal de prins hem wilde reiken, bepaald af.

„Koninklijke Hoogheid, ge hebt mij uwe bescherming, verleend en uw naam, die hier op 'l papier slaat, is de beste betaling, die ik zou kunnen wenschen. Gij zult mij niet zoo erg willen vernederen, mij geheel en al als een bedelaar te beschouwen. Ik dank u voor de bewezen weldaad en hoop, dat gij, zoo mijn concert tot stand komt, ondervinden zuil, dat gij die niet aan een onwaardige besteed hebt.''

Hij boog en verwijderde zich.

„'t Is toch afschuwelijk als men geen geld heeft,quot; bromde |de prins voor zich: „die jonge kunstenaar zag er zoo eerlijk en goed uit en ik zou hem zoo gaarne geholpen hebben.quot;

Plotseling viel hem iets in; hij trok de deur open, en ziende dat de kunstenaar niet meer in de voorkamer was, riep hij haastig zijn kamerdienaar.

Toen deze geheel verschrikt binnenstoof, riep de prins: „De jonge man moet weder bij mij komen! Loop hem na, Louis; zeg den heer dat ik hem dringend spreken moet. Hij zal nauwelijks op straat zijn, Loop hem na en breng hem terug!quot;

De kamerdienaar ijlde weg en weinige minuten latei-trad mijnheer Adalbert, buiten adem en hijgend, weder in de woonkamer van den prins.

„Uwe Koninklijke Hoogheid heeft mij geroepen?quot;

„Ja, mijn waarde,quot; zei de prins: „ik heb u laten verzoeken nog eens boven te komen. Er is mij een middel ingevallen, hoe ik u misschien tóch nog zou kunnen helpen en hoe wij er misschien stellig op rekenen konden, een volle zaal te krijgen. Voorshands is mijn naam gewis hier te Frankfort meer bekend dan de uwe en hierin ligt een middel om u te helpen. Laat groote plakkaten drukken en aan alle hoeken der straten aanplakken; laat met groote letters in de courant zetten, dat ge een concert wilt geven, en dat daarop prins Louis Ferdinand een pianoconcert van zijn eigen compositie zal spelen.quot;

„Maar, Koninklijke Hoogheid!quot; riep de kunstenaar verheugd en verschrikt tevens ■ „Dat is immers onmogelijk!quot;

„Ónmogelijk? Waarom toch?quot; vroeg de prins glimla-

ocr page 372

120

chend; „Gelooft ge, dat ik fiasco zal maken? Vrees niet. Ik hoop u eer te zullen aandoen en ik zal mij lot aan het concert nog duchtig oefenen. Kondig het concert aan, en vóór alles, mijn waarde, stel den prijs van elk billet op een louis d'or. Geloof mij, ge zult een vol concert heb ben en later zal 't uw zaak zijn, door uw kunstvaardigheid u een tweede concert te verzekeren.quot;

,Genadige heer,quot; riep de kunstenaar verheugd: „gij zijt niet slechts een prins, gij zijt een edel en een goed mensch. En dat is meer waard dan alle ordesterren en alle titels en waardigheden der wereld. Mogen alleengelen des hemels en alle cherubijnen der toonkunst u beloonen voor de goedheid, welke ge mij bewijst!''

Twee dagen later vond het concert van den violist Adalbert in de groote concertzaal te Frankfort werkelijk plaats. Reeds den dag tevoren was geen enkele plaats meer te krijgen geweest. De groote billetten die aan alle hoeken der stralen aangeplakt waren en aan de stad Frankfort verkondigd hadden, dat de algemeen bewonderde en geliefde prins Louis op een concert openlijk spelen zou, hadden gemaakt dat elk zich gehaast had, zich niettegenstaande den duren prijs, van plaatsen voor dit concert te voorzien. Alle schoone dames der aristocratie, —zoowel van den adel als van het geld, — wilden op dat concert tegenwoordig zijn. En degenen, die niet hopen konden ooit weder de gelegenheid te hebben, het beroemde pianospel van den prins te hooren, waren verrukt, voor een goudstuk deze gelegenheid te kunnen koopen.

De zaal was dus eivol en toen de prins op de estrade verscheen, waarop men de piano voor hem geplaatst had, brak zulk een storm van toejuiching los, dat het minuten duurde, vóór de stilte hersteld was.

Vervolgens echter, toen de prins Louis zich bleek van geestdrift en toch glimlachend van genoegen, voor het instrument plaatste en begon te spelen, toen heerschte in de ruime zaal een ademlooze stilte.

De schitterende oogen van al de jonge, getooide dames waren met teedere verrukking op den schoonen, jongen man gericht, die niet alleen een prins, maar een wezenlijk virtuoos was. De oogen der ernstige mannen en kunstenaars zelfs blonken van genoegen, wegens het fraaie spel

ocr page 373

121

en de selioone compositie. Men was uit nieuwsgierigheid gekomen, en vond nu met verbazing, dat men een werkelijk kunstgenot smaakte.

En^ de verbazing barstte in daverende toejuiching los, toen de prins de voordracht zijner compositie geëindigd had en van de piano opstond. Hij wilde zich verwijderen, maar altoos weder viel het luid applaus als een gouden regen op hem. En hij boog glimlachend, en groette naar alle zijden. Hij moest eindelijk aan het hartstochtelijk verlangen toegeven, en zich weder aan de piano zetten om te spelen.

Het was een volkomen triomf; maar niet minder schitterend was ook de triomf van den jongen kunstenaar, die den genialen prins niet alleen een volle zaal en een volle beurs, — maar ook roem en geluk te danken had; want hij was een groot en wezenlijk kunstenaar.

Dit zeiden hem de luide en verrukte toejuichingen van het publiek, die hem van dezen dag af in alle steden van Duitschland en Europa tientallen jaren bleven vergezellen.

Toen hij na het concert den prins met luide en welsprekende woorden zijn dank betuigde, reikte deze hem glimlachend de hand.

„Mijn waarde,quot; zeide hij; „ik geloof dat ik u meer heb te danken dan gij mij; ge hebt mij heden een spijs laten proeven die heerlijker is dan ambrozijn, en bedwelmender dan nectar. Toen de menschen mij zoo toejuichten, en toen deze wonderbare muziek van het handgeklap om mij heenruischte, toen had ik een gevoel, als ware ik aan de aarde ontrukt; en geen veldheer kan trotscher zijn wegens een gewonnen veldslag, dan ik het in dat oogenblik was. Waarachtig; zoo ik niet de eer had soldaat te zijn, zou ik kunstenaar wenschen te wezen. De trompetten, die ten strijde roepen, klinken niet schooner, — kunnen geen heerlijker muziek geven, dan de handen, die ons bijval toeklappen. Ge hebt mij voor niets te danken, want ik heb mijn loon ontvangen.quot;

Een schaar cavaliers, die allen het concert bijgewoond hadden, naderde nu den prins, die met den kunstenaar op de estrade stond Aller lippen vloeiden over van bewondering en dank, en elk prees met luide woorden de zeldzame kunstvaardigheid van den prins.

ocr page 374

m

Plotseling ontroerde deze en een gloeiend rood vloog over zijn gelaat.

Hij had onder degenen, die zich om hem verdrongen, iemand gezien, dien hij in zijn hart misschien lang te vergeefs gezocht had, en naar wien te vragen hem verboden was geworden.

Het was de baron von Ehrenberg, die zich nu een weg baande door de schaar cavaliers, om den prins te naderen.

„Genadige heer, veroorloof mii, dat ook i/c u mijn hulde breng. Ik ben verheugd over het gelukkig toeval, dat mij juist heden naar Frankfort voerde. Ik mag toch hopen, dat Zijne Koninklijke Hoogheid zich mijner nog herinnert?quot;

,0, gewis! Hoe zoudt ge kunnen denken dat ik u vergeten had, baron von Ehrenberg?quot; zei de prins verlegen: „Ge ziet ik weet uw naam zeer goed. Wij ontmoetten elkander in het legerkamp, bij den graaf van Artois.quot;

„Hoe genadig van Uwe Koninklijke Hoogheid, dat zij mij niet vergeten beeft,quot; vleide de baron: „Had ik kunnen vermoeden, dat Uwe Koninklijke Hoogheid zoo genadig is, zich mijner te herinneren, dan zou ik mij reeds lang veroorloofd hebben, flaar mijne opwachting te maken. Want ik ben meermalen te Frankfort geweest, maar altoos slechts voor korten tijd ; en hoe zal mijne echfgenoote zich beklagen, dat zij dit wonderschoon concert niet heeft kunnen bijwonen !quot;

„Zij is dus niet hier?quot; vroeg de prins met afgewend gelaat, op schijnbaar onverschilligen toon.

„Neen, Koninklijke Hoogheid, zij is niet hier; zij heeft de zonderlinge gril, volstrekt op het slot Windeck te willen blijven. Wij plegen, anders den winter in Koblentz door te brengen; want Zijne Koninklijke Hoogheid weet: schoone vrouwen hebben grillen, en mijn gade wilde dezen winter volstrekt in de eenzaamheid van het slot Windeck blijven.quot;

„Zij is toch niet ziek? vroeg de prins levendig.

„O neen. Koninklijke Hoogheid, zij bloeit als een roos ; en de vrienden die ons bezoeken, vinden, dat zij nooit schooner en vroolijker was dan thans. Het zou voor ons een onuitsprekelijk geluk zijn zoo Uwe Koninklijke Hoogheid ons de genade wilde bewijzen, dat wij u, zoo niet tot onze vrienden, althans tot onze begunstigers mochten rekenen. Het oude slot Windeck zou schitteren in een nieu-

ocr page 375

123

wen glans, indien Uwe Koninklijke Hoogheid hel met Hare tegenwoordigheid wilde vereeren.quot;

De prins zag hem met een vollen, helderen glimlach in 't gelaat. „Ge noodigt mij, baron, n op liet slot Windeck te bezoeken?quot;

„Indien Uwe Koninklijke Hoogheid zulk een uitnoodi-ging niet te vermetel vind, dan veroorloof ik liet mij.quot;

„Is 't een vormelijke en ernstig gemeende uitnoodiging, baron ?quot;

„Waarachtig, prins; men meent het altijd ernstig, als men om het toestaan van een geluk bidt.quot;

„Nu, dan neem ik het aan; waarde baron, ik kom, — ik breng u een bezoek op het slot Windeck.quot;

„Wanneer komt Uwe Hoogheid? Ge zijt natuurlijk altoos welkom; maar ik vraag het slechts, om zeker te zijn, dat wij niet bet ongeluk zouden hebben u te missen.quot;

„Hoe ver is het slot Windeck van hier?quot;

„In zeven uren is men er, Koninklijke hoogheid.quot;

„Nu dan, ik kom morgen; maar hoor, baron, zeg er niets van aan mevrouw uwe echtgenoote; ik wil haar verrassen en vermijden dat zij toebereidselen maakt. Laat mij geheel onverwacht komen. Ontvang mij als een oud vriend sa:ïs cérémonie.quot;

„Het zal geschieden, zooals Uwe Koninklijke Hoogheid beveelt,quot; zeide de baron diep buigende: „Dus morgen,quot;

„Ja, morgen;quot; antwoordde de prins, hem tot afscheid de hand reikende. Toen keerde hij zich om, en verliet met gevleugelde schreden de concertzaal Voor de deur ontmoette hem de jonge kunstenaar; hij wilde den prins nog eens met gloeiende woorden danken.

Maar deze lachte en omhelsde hem, en ijlde toen voorwaarts door de straat.

En toen hij in zijne woning aangekomen was, en zich hijgend van het haastig loopen, op den divan nederwierp, breidde hij de armen uit, en riep op verrukten toon: „Morgen! Ik zal haar morgen wederzien! Ik heb mijn woord gehouden; ik heb haar niet gezocht, ik heb geen stap gedaan om haar te vinden, maar de genadige guden willen dat ik haar wederzie. Ik dank u, groote, goede goden! Morgen, o gezegenden morgen!quot;

ocr page 376

124

X.

HET SLOT WINDECK.

Hoog op een rots, dicht bij den groenen Rijnstroom ligt de oude burcht Windeck, de stamplaats van de oude Duit-sche vrijheeren von Ehrenberg en Windeck.

Eertijds behoorde deze familie tot de rijksteen aanzienlijkste geslachten van den goheelen Rijngau, en de mid-deleeuwsche overleveringen van de burchten aan den Rijn en hunne trotsche bezitters, wisten veel te verhalen van de avontuurlijke daden der baronnen van Ehrenberg en Windeck, en van de koene en lustige streken, welke zij hadden uitgevoerd. Hoe zij als openbare roovers beneden in het woud, dat den rotsburcht omgaf, de kooplieden opgewacht hadden, als zij, van de missen van Frankfort, Spiers en Trier naar huis keerende, met de gevulde geld-riemen om het lijf, langs den rijweg, die door het woud liep, naar Keulen trokken. Met welke kunsten en listen dan de adellijke straatroovers de gewapende soldaten en soldeniers, welke de kooplieden ter hunner bedekkingen bescherming gehuurd hadden, omkochten en onschadelijk maakten, en dan de schreiende kooplieden lachend en met hoffelijke beleefdheid, van hunne volle geldgordels bevrijd hadden!

In deze gelukkige dagen, toen de rooverij een vermaak voor den adel, — en een trotsch voorrecht voor degburcht-heeren was, hadden de baronnen van Windeck en Ehrenberg zich tot rijkdom en macht verheven, en vele landgoederen in de vruchtbare dalen van den Rijngau waren hun ten deel gevallen, en uit de buitgemaakte geldriemen der kooplieden waren hunne burchten en kasteelen, wijnbergen, bosschen en bouwlanden ontstaan.

Maar toen waren de slechte en gevaarlijke dagen der beschaving en der Wet gekomen, welke de openbare rooverij tegengingen, en in welke men als een schande en een misdaad brandmerkte, wat men vroeger als een aloud voorrecht der Duitsche rijksbaronnen en vrijheeren beschouwde.

Toen was langzamerhand de rijkdom en de macht der baronnen van Windeck en Ehrenberg verminderd Zij

ocr page 377

125

haddon er zich nooit mede ingelaten, hunne rijkdommen door een geregelde beheering te verzekeren; hunne landerijen en goederen door landbebouwing te verbeteren en in orde te houden. Langzamerhand waren de bosschen en wijnbergen verkocht, en de bezittingen der rijke baronnen geslonken.

Vooral de laatste baron had een erg verkwistend leven geleid. De oude menschen uit dien tijd wisten nog te verhalen van de weelderige leesten, welke de oude, rijke baron beneden in zijn landhuis dicht bij Koblentz, en boven op zijn burcht Windeck gegeven had.

Alle avonden waren de vensters verlicht geweest, en hadden ver in den Rijngau verkondigd, dat de baron von Windeck cn Ehrenberg weder de geheele nabuurschap tot een feest vereenigd had.

Veel ook had men verteld van de prachtige inrichting van den burcht Windeck; van de paarden, die in de stallen en stoeterijen verzorgd en gefokt werden, van de parken en van de weelde der tafel, die met zilverwerk overladen was.

En zacht had men elkander in 't oor gefluisterd: de baron van Windeck was een erge losbol en speler, en zijn rijkdom had hij bijeengebracht aan de speelbank, welke hij -onder een anderen naam, op eenige plaatsen aan den Rijn onderhield.

Maar vervolgens waren er ongelukkige tijden gekomen. Eenige koene Russen en Engelschen hadden meermalen de bank doen springen, en bijna een millioen was verloren gegaan.

Toen had de oude baron von Windeck — zoo verhaalden de menschen — in zijn wanhoop gedaan, wat vroeger menig speler deed, die aan de speelbank rijkdom en eer verloor, — hij had door een pistoolschot een einde aan zijn leven gemaakt.

Zijn erfgenaam, de tegenwoordige baron von Ehrenberg, had uit de schipbreuk zijns vauers weinig gered. Maar hij was tóch trouw gebleven aan de oude tradities van zijn huis, en had steeds een lustig en vroohjk leven geleid, vooral sinds hij gehuwd was met een schoone jonge dame, die hem wel geen vermogen had aangebracht, maar de dochter was van een armen edelman, die zich aan de

ocr page 378

120

speelbank geruïneerd, — en vervolgens doodgeschoten had. In een vlaag van edelmoedigheid had de oude baron von Ehrenberg, de dochter van dezen ongelukkige, — tuen nog een kind, — tol zich genomen, haar in een opvoedingsgesticht geplaatst, en na zijn dood had zijn zoon haar tot gade genomen.

Zij woonden op den burcht Windeck, en langzamerhand begon daar weder een lustig en vroolijk leven.

Vanwaar de baron von Ehrenberg de middelen er toe haalde, wist niemand. Want zijn vader had hem niets dan schulden nagelaten, en de oude burcht Windeck was het eenige, dat hem was overgebleven.

Maar reeds na weinige jaren, had de baron von Ehrenberg te Koblentz een prachtig huis voor zich laten bouwen. En als hij daar des winters met zijne echtgenoote resideerde, werden er alle avonden groote en schitterende partijen gegeven.

Alle voorname heeren en edellieden van den Rijngau vond men er op winteravonden vereenigd, vroolijke dansmuziek klonk in de stilte van den nacht, équipages rolden vroeg des morgens naar alle zijden en vroolijkheid en leven heerschlen steeds in 't fraaie hotel. Des zomer resideerde de baron von Ehrenberg met zijn gade op den burcht Windeck. En daar was steeds een lustig jagen en drijven van voorname heeren en dames, die ten bezoek kwamen naar den ouden burcht. Vooral sinds de Fransche uitgewekenen Koblentz en de omstreken bewoonden, was 't op het slot Windeck een rijk en weelderig leven geweest. Men zeide, de graaf van Artois, de prins van Condé en al de frdfaie cavaliers van het fransche Hof waren dagelij ksche gasten op het slot Windeck geweest, hadden de schoone gravin het hof gemaakt, en met den baron jachtpartijen gehouden of zich aan landelijke vermaken overgegeven.

De baron, — zoo verhaalde men, — had, welke gebreken hij ook mocht hebben, altans niet dat der ijverzucht; hij liet zijn gade tamelijk veel vrijheid, en had eigenlijk slechts één hartstocht, dien hij van zijn vader had geërfd; den hartstocht van het spel.

Des avond, als de jacht, of de vischvangst, of de landelijke feesten ten einde waren, vereenigde men zich in

ocr page 379

127

de ridderzaal op den burcht Windeck tot een ander feest.

Dan schaarde tnen zich otn de lange tafel, en de kaarten vlogen uit de vlugge handen van den baron, die als bankier fungeerde, voor het „rouge et noir.quot;

De barones presideerde aan de andere tafel, en draaide met haar schoone witte hand zelve het rad, waarin de balletjes der roulette lustig rolden.

Ook des winters, als de baron met zijne echtgenoote in zijn huis in de stad resideerde, gaf men dergelijke geheime feesten. En de kwade tongen wisten veel te vertellen van geruïneerde edellieden, die rijk het hotel van den baron waren binnen getreden, en het volkomen uitgeplunderd weder verlieten.

Het was dus in den omtrek zeer in 'toog gevallen,dat in dezen winter de baron von Ehrenberg alléén zijn huis in de stad te Koblentz had bewoond, terwijl zijn gade eenzaam en alleen op het slot Windeck gebleven was.

Allerlei gissingen fluisterde men elkander in't oor: van groote oneenigheid, die tusschen het echtpaar heerschte, en van de diepe droefgeestigheid der schoone barones, die het vorige jaar, toen de uitgewekenen nog te Koblentz waren, de bestendige gezellin van het vroolijke, fransche gezelschap was geweest.

De barones wist misschien niets van al deze geruchten, of stoorde er zich niet aan; zij bleef eenzaam den gehee-len winter door op het slot Windeck. Maar haar echtgenoot kwam toch alle weken ééns van Koblentz tot haar, en bleef dan gedurende een dag bij haar.

De menschen in het dorp Ehrenberg waren dus zeer verwonderd, toen zij heden, — hoewel de baron eerst voor twee dagen het slot Windeck verlaten had, — zijn rijtuig reeds weder den berg zagen oprijden. En zij fluisterden elkander toe, dat er iets buitengewoons moest zijn gebeurd; want de baron werd overigens niet voor een zeer teeder echtgenoot gehouden.

Maar de barones Leonore scheen volstrekt niet verwonderd te zijn. Zij zat in haar balkonkamer, die een ver uitzicht in het dal bood, in haar armstoel aan het venster, en las rustig voort in het boek dat zij in de hand hield, en zag volstrekt niet op, toen haar echtgenoot binnentrad.

ocr page 380

120

speelbank geruïneerd, — en vervolgens doodgeschoten had. la een vlaag van edelmoedigheid had de oude baron von Ehrenberg, de dochter van dezen ongelukkige, — toen nog een kind, — tol zich genomen, haar in een opvoedingsgesticht geplaatst, en na zijn dood had zijn zoon haar tot gade genomen.

Zij woonden op den burcht Windeck, en langzamerhand begon daar weder een lustig en vroolijk leven.

Vanwaar de baron von Ehrenberg de middelen er toe haalde, wist niemand. Want zijn vader had hem niets dan schulden nagelaten, en de oude burcht Windeck was het eenige, dat hem was overgebleven.

Maar reeds na weinige jaren, had de baron von Ehrenberg te Koblentz een prachtig huis voor zich laten bouwen. En als hij daar des winters met zijne ochtgenoote resideerde, werden er alle avonden groote en schitterende partijen gegeven.

Alle voorname heeren en edellieden van den Rijngau vond men er op winteravonden vereenigd, vroolijke dansmuziek klonk in de stilte van den nacht, équipages rolden vroeg des morgens naar alle zijden en vroolijkheid en leven heerschten steeds in 't fraaie hotel. Des zomer resideerde de baron von Ehrenberg met zijn gade op den burcht Windeck. En daar was steeds een lustig jagen en drijven van voorname heeren en dames, die ten bezoek kwamen naar den ouden burcht. Vooral sinds de Fransche uitgewekenen Koblentz en de omstreken bewoonden, was quot;t op het slot Windeck een rijk en weelderig leven geweest. Men zeide, de graaf van Artois, de prins van Condé en al de fraaie cavaliers van het fransche Plof waren dagelij ksche gasten op het slot Windeck geweest, hadden de schoone gravin het hof gemaakt, en met den baron jachtpartijen gehouden of zich aan landelijke vermaken overgegeven.

De baron, — zoo verhaalde men, — had, welke gebreken hij ook mocht hebben, altans niet dat der ij verzucht; hij liet zijn gade tamelijk veel vrijheid, en had eigenlijk slechts één hartstocht, dien hij van zijn vader had geërfd: den hartstocht van het spel.

Des avond, als de jacht, ot de vischvangst, of de landelijke feesten ten einde waren, vereenigde men zich in

ocr page 381

127

de ridderzaal op den burcht Windeck tot een ander feest.

Dan schaarde men zich om de lange tafel, en de kaarten vlogen uil de vlugge handen van den baron, die als bankier fungeerde, voor het „rouge et noir.quot;

De barones presideerde aan de andere tafel, en draaide met haar schoone witte hand zelve het rad, waarin de balletjes der roulette lustig rolden.

Ook des winters, als de baron met zijne echtgenoote in zijn huis in de stad resideerde, gaf men dergelijke geheime feesten. En de kwade tongen wisten veel te vertellen van geruïneerde edellieden, die rijk hel hotel van den baron waren binnen getreden, en het volkomen uitgeplunderd weder verlieten.

Het was dus in den omtrek zeer in 'toog gevallen, dat in dezen winter de baron von Ehrenberg alléén zijn huis in de stad le Koblentz had bewoond, terwijl zijn gade eenzaam en alleen op het slot Windeck gebleven was.

Allerlei gissingen fluisterde men elkander in't oor: van groote oneenigheid, die tusschen het echtpaar heerschte, en van de diepe droefgeestigheid der schoone barones, die het vorige jaar, toen de uitgewekenen nog te Koblentz waren, de bestendige gezellin van het vroolijke, fransche gezelschap was geweest.

De barones wist misschien niets van al deze geruchten, ot stoorde er zich niet aan; zij bleef eenzaam den gehee-len winter door op het slot Windeck. Maar haar echtgenoot kwam toch alle weken ééns van Koblentz tol haar, en bleef dan gedurende een dag bij haar.

De menschen in het dorp Ehrenberg waren dus zeer verwonderd, toen zij heden, — hoewel de baron eerst voor twee dagen het slot Windeck verlaten had, — zijn rijtuig reeds weder den berg zagen oprijden. En zij fluisterden elkander toe, dat er iets buitengewoons moest zijn gebeurd; want de baron werd overigens niet voor een zeer , teeder echtgenoot gehouden.

Maar de barones Leonore scheen volstrekt niet verwonderd te zijn. Zij zat in haar balkonkamer, die een ver uitzicht in het dal bood, in haar armstoel aan het venster, en las rustig voort in het boek dat zij in de hand hield, en zag volstrekt niet op, toen haar echtgenoot binnentrad.

ocr page 382

128

„Heeft mijn schoone barones misschien niet gezien, dut haar teedere echtgenoot weer hier is?'' vroeg de baron, terwijl hij haar naderde en de hand bood.

Zij legde bedaard het boek op de kleine marineren tafel, en hief haar bleek, schoon gelaat tot hem op. — „Ik heb het gezien,quot; zeide zij.

„F,n ge heet mij niet welkom, Leonore? Gij schijnt volstrekt niet verheugd te zijn, dat ik er weer ben.quot;

„Waarom zou ik met u comedie spelen?quot; zeide zij koel: „'t Is genoeg als wij valsch en geveinsd zijn voor de men-schen. Waarom zouden wij ons, als wij alleen zijn, die moeite geven?quot;

„Weet ge, mijn lieve, dat 'tgeen ge daar zegt, niet zeer vleiend is?quot; sprak haar echtgenoot: „Men zou waarachtig denken dat gij mij moede zijt, en u volstrekt niet verheugt mij hier te zien.quot;

„üit is ook werkelijk niet het geval,quot; antwoordde zij : „ge weel, ik behoef eenzaamheid en stille, om veel in mij te overwinnen. En nadat ik in den vorigen winter zooveel voor u gewerkt heb, — en nadat wij zulk een on-stuimigen en vreeselijken zomer onderweg en in het krijgsgewoel hebben beleefd, hebt ge mij als een gunst, toegestaan, dezen winter eenige maanden in stilte en afzondering op den burcht Windeck door te brengen.quot;

„Ja, eenige maanden,quot; antwoordde haar echtgenoot: „maar deze tijd is nu verstreken, en ik kom nu om mijn schoone dierbare gade, naar wie ik onbeschrijfelijk verlangd heb, weder te halen; haar te verzoeken mij te begeleiden, en met mij weder ons hotel te Koblentz te bewonen.quot;

„Ik wil niet,'' zeide zij met trotsche kalmte: „neen, ik wil niet terugkeeren in de schande en smaad van mijn vorig leven, 't Is genoeg vernedering en ellende, welke wij in dit laatste jaar gehad hebben; en ik heb mij in de eenzaamheid der laatste maanden gesterkt tot het vaste besluit, de oude misdaden niet weder te willen vernieuwen. God gave, dat ik de herinnering aan alle smaad en vernedering, welke ik geleden heb, kon dooden. Maar zij gaat steeds mét mij; zij martelt mij dag en nacht. En ik weet bet wel: ik ben een verlorene, een verstootene; ik veracht mij zelve en schaam mij over mijn eigen daden!quot;

„Mijn waards te,quot; zei de baron glimlachend: „de eerste

ocr page 383

129

plicht van wellevendheid vordert, dat men niet laakt en critiseert hetgeen een ander bezit, waarover hij zich verheugt en dat hij als een geschenk ontving. Ik bezit u als mijn geliefde vrouw; ik verheug mij in u en ge hebt u aan mijn geschonken. Ik verzoek u dus, dat ge aan de plichten der wellevendheid voldoet, en mijn dierbare Leo-nore niet laakt en beschimpt.quot;

„'t Is waar,quot; zuchtte zij: „ik ben niets dan een werktuig in uwe handen; een ellendig speeltuig uwer luimen. Maar ik zeg u, 'tis nu voorbij. Ik herhaal u: ik blijf hier in do eenzaamheid en de feesten, welke gij te Koblentz viert, wil ik niet langer deelen.quot;

De baron haalde de schouders op, nam glimlachend een stoel, die hij dicht bij dien zijner echtgenoote trok en zette zich naast haar.

„Mijn dierbare Leonore,quot; zeide hij: „zoo ge een weinig van de gewone ondeugd der vrouwen bezat, zoudt ge nieuwsgierig zijn en mij ten minste de eer bewijzen, mij te vragen, waarom ik weder hier bij u beu?quot;

„Ge hebt het mij reeds ongevraagd medegedeeld; ge zijt gekomen om mij te halen. Maar ik zeg u, ge zijt te vergeefs gekomen. Ik blijf!quot;

„Nu, goed,quot; zei de baron glimlachend: „eerlijk gezegd, ik heb nog een andere reden, waarom ik gekomen ben. Ik wilde u een bezoek aankondigen. Het bezoek van mijn lieven vriend, die u hier op den burcht Windeck wil begroeten.quot;

„Een lieve vriend?quot; herhaalde zij, en hare lippen beefden een weinig; „Hebben wij dan vrienden?''

„Het schijnt zoo,quot; antwoordde haar echtgenoot; „ik was gisteren te Frankfort. Eenige cavaliers van den Koning hadden mij te Koblentz bezocht en toen vergeten, dat zij nog een eereschuld te betalen hadden. Ik ging naar Frankfort, om hen er aan te herinneren. Geheel Frankfort was ■gisteren echter in een zonderlinge opgewondenheid, en weet ge waarom? Eenvoudig wegens een concert, dat gisteren avond te Frankfort zou plaats hebben en ook werkelijk plaats had; want ik was onder de hoorders. Het was inderdaad een zeer interessant concert en ik beklaag het met geheel mijn hart, dat mijn schoone Leonore mij niet naar Frankfort begeleiden kon. Ge zoudt met de meeste Mühlbaoh, Dmtschland in Woeling en Strijd. VI. 9

ocr page 384

4 BO

belangstelling den virtuoos hebben gehoord, die op dat concert optrad, en wiens spel alle hoorders verrukte en tot wezenlijke vervoeiing bracht.quot;

„Ik ben tamelijk onverschillig voor virtuositeit,quot; zeide zij bedaard.

,.Misschien zoudt ge het ditmaal niet zijn geweest; want om u de waarheid te zeggen, — deze virtuoos was prins Louis Ferdinand.quot;

Een doodsche bleekheid overtoog plotseling hare wangen, zij legde het hoofd achterover en sloot de oogen.

„Nietwaar?quot; vroeg hij: „dit verrast u? Ge dacht niet dat de prins de genialiteit had, zich in het openbaar te laten hooren en 't spijt u, dat ge hem niet gehoord hebt? Ik begrijp het volkomen. Ik zelf was echter zeer verheugd, na het concert, de kennismaking met den prins te mogen hernieuwen.quot;

Zij rees op en staarde hem met groote oogen aan.

„Ge hebt den prins gesproken?quot;

Hij knikte glimlachend. — „Ik heb hem gesproken en Zijne Koninklijke Hoogheid was uitermate minzaam en vriendelijk jegens mij. Hij vroeg met zeer veel deelneming naar mijn waarde echtgenoote.quot;

„Dat is niet waar,quot; riep zij heftig: „de prins heelt dat wici ^Gclcidin r

„Ik geloof dat ik hiertoe de aanleiding gaf en dat ik het was, die het eerst van mijn schoone Leonore sprak. Waartoe zou ik het geheele gesprek herhalen? Genoeg, ik heb den prins genoodigd, ons op het slot Windeck te bezoeken en Zijne Koninklijke Hoogheid had de buitengewone genade, ons zijn bezoek toe te zeggen. Ik heb dus van den nacht gebruik gemaakt om onmiddellijk naar hier terug te keeren en u deze blijde tijding te brengen. En ik geloof, de prins zal óók tamelijk ongeduldig zijn, de oude kennis weder te vernieuwen, en zal nog heden op het slot Windeck aankomen.quot;

„Ik zal hem niet ontvangen!quot; riep zij levendig, terwijl zij opsprong en met driftige schreden in de kamer op en neer ging: „Neen; ik verklaar u hiermede, vast en bepaald: ik zal prins Louis Ferdinand niet ontvangen! Ik heb vast besloten, hem nooit weder te zien!quot;

„En ik,quot; zeide hij met luide gebiedende stem; „ik be-

ocr page 385

m

voel u, dal ge prins Louis Ferdinand heden hier unl-vangt eu liem vriendelijk welkom lieet.quot;

„Hel zal nicl gebeuren!quot; riep zij heilig; „Ik wil iiiel langer de slavin uwer luimen zijn! Ik wil doen wat de eer en de plichl mij gebieden. Ik zal den prins mei onlvangen!quot;

„En ik blijf er bij: ge zuil hel wèl doen,quot; herhaalde haar echlgenool bedaard: „wal beleekenen deze opgewonden droomen van eer en zeden? Deze liggen toch vele jaren achler u en ge hebt ze onder het 'stof van uwe fraaie voelen vertreden. Men moet ten minste den moed hebben, madame, datgene wal men is, yeheel le zijn: en als men een verleden heeft, gelijk gij, en als men een kokette en geen eerbare vrouw is, moet men ten minste de moedige beradenheid hebben, hel lustige leven, dal men begonnen is, en de opwekkende ondeugden, waaraan men zich zoo genoeglijk heeft oveigegeven, tol hel einde voort le zeiten. Ik heb u dezen geheelen winter geduld en toegevendheid beloond, maar nu is 't genoeg. Zie mij aan! Ik beveel 'l u: zie mij aan!''

Zij hief langzaam, en als door zijn blik geboeid, de oogen Lot hem op, en geheel onwillekeurig volgde zij zijn hand en den uitgestoken vinger, dien hij op de donker-roode vlek aan zijn voorhoofd legde.

„Madame,quot; zeide hij mei luide, vaste slem: „zie dii hielen denk aan het verlcdene.''

Zij huiverde inwendig en sloeg sidderend de oogen neder, „'lis waar; ach, 'lis waar,quot; zuchtte zij zacht: „mijn verleden is hel dreigende spook, dat altoos voor mij staal en mij vervolgen zal tol in het graf. Ik kan dal spook niet ontgaan, hel steekt immer zijn armen naar mij uit en houdt mij omklemd als met ijzeren banden!quot;

„Er is evenwel ook veel aangenaams, dat uit hel verleden op ons tegenwoordige terugstraalt,quot; zei de baron ernstig; „ik zie daar twee fraaie, glinsterende kinderoogen en hoor somwijlen een liefelijke en melodieuze stem,'die mijn hart verkwikt als muziek.quot;

l)e barones ontroerde, en nu school een donkerroode gloed over haar gelaat.

„Ik heb u nog niet aZ/es verhaald,quot; voer haar echtgenoot bedaard voort: „ik was niet slechts le Frankfort, maar ook elders.quot;

ocr page 386

432

„Gij waart bij haar? riep zij met, een luiden kreet die schier als een juichkreet klonk: „Ge hebt haar gezien ?quot;

De baron knikte. — „Ja, ik heb haar gezien en ik zeg u, zij bloeit als een rozeknopje; en zelfs ik, die geen zeer gevoelig hart heb, — ik moet bekennen, dat mij haar gezicht verrukte.quot;

„O, ge hebt haar gezien !quot; riep zij met vuur: „Vertel mij van haar; denkt zij aan mij? Heeft zij niet naar mij gevraagd ?quot;

Hij knikte. — „Meer dan dat; zij heeft haar eerste schrijfoefening gemaakt en u geschreven.quot;

„Geef mij den brief, Rudolf!quot; riep zij levendig: „Ik bid u wees barmhartig, geef mij den brief mijner dierbare Magdalena.quot;

„Bedaar,quot; zeide hij op kalmen toon: „'t is toch lief dat er nog een middel is, om mijn schoone tijgerin te bedwingen, en mij eenige teedere namen en klanken te verschaffen. Ik ben uu weder uw Rudolf en uw stem klinkt zoo zacht en aangenaam, als ik haar in langen tijd niet g?-hoord heb.''

„Ik bid u, heb medelijden,quot; riep zij smeekend: „geef mij den brief!quot;

„Ge zult hem hebben,quot; zeide hij, „zoodra ge mij uw plechtig woord hebt gegeven, dat ge prins Louis Ferdinand hier ontvangen, — Item vriendelijk verwelkomen en geheel zóó jegens hem zijn zult, als ge anders jegens de cavaliers pleegt te zijn, die ons met hun bezoek verheugden.quot;

„Vorder dit niet van mij,quot; zeide zij plechtig: „ge vordert mijn verderf.quot;

„Fraaie woorden, die mij niet verschrikken. Ik herhaal u: beloof mij wat ik begeer en ik geef u den blief van Magdalena.quot;

„Beloof mij,quot; riep zij: „dat ge eindelijk het verschrikkelijk geheim wilt onthullen; beloof mij, dat ik haar eenmaal, — schoon ook zonder dat zij 't weet, zien zal en ik wil alles doen wat ge begeert.quot;

Hij lachte luid. — „Uat heet: ik zou den tooverstaf, waarmede ik mijn tijgerin bedwing, uit mijn hand geven,quot; zeide hij : ,neen, mijn waarde vrouw, het blijft bij onze

ocr page 387

afspraak. Eerst als ge tien jaren lang mij een gehoorzame en genegen gade zijt geweest en stipt mijn wenschen en bevelen gehoorzaamd hebt, eerst dan zal ik u het geheim mededeelen, en zult ge degene zien, naar welke uw hart verlangt.quot;

„Dit is een onrechtvaardig, wreed verlangen van u,quot; zeide zij zuchtend.

Hij haalde in plaats van eenig antwoord een samengevouwen en verzegeld papier uit zijn borstzak te voorschijn. „Hier is de brief; hij is de uwe, zoo ge mij belooft den prins te ontvangen en te doen wat ik hegeer.quot;

Hare groote oogen richtten zich met een blik vol onuitsprekelijke teederheid en verlangen op den brief, diende baron hoog in zijn hand hield. Er blonk als een zonnestraal over haar gelaat, en op hare knieën nederzinken-de hief zij beide handen op en riep:

„Geef mij den brief en God moge ontferming met mij hebben. Geef mij den brief, en laat mij lezen wat mijn geliefd kind mij schrijft!quot;

XI.

WEDERZIEN.

Aan den voet der rots, waarop het slot Windeck troont, ligt het dorp Ehrenberg, het oude erfgoed van den baron von Windeck en Ehrenberg. Eenige tientallen jaren had het een anderen bezitter gehad; want bij den dood van den laatst overleden baron, was het insgelijks aan zijne schuldeischers vervallen en de buit van een woekeraar geworden. Maar zoodra de geldelijke omstandigheden van den zoon weder een beteren keer hadden genomen en hij, dank zijn onbekende hulpmiddelen, een welgesteld heer was geworden, had hij het stamgoed van zijn geslacht uit de handen des woekeraars gelost, en hij mocht zich nu met recht weder vrijheer van Ehrenberg en Windeck noemen; want niet alleen de burcht op de hoogte, maar ook het fraaie landgoed beneden in het dal, waren nu opnieuw zijn eigendom. Tot het dorp, dat met zijn nette

ocr page 388

184

huizen in het dal beneden den burcht, aan den voet van het hosch was gelegen, behoorde een kerk. Zij lag hooger dan het dorp, ter halverwege van het slot. En 't was een fraai gezicht als men beneden aan den Rijnstroom staande, een blik wierp op het statige dorp, dat met de nette kerk, die aan het bosch grensde, een fraaien achtergrond vormde. Nabij de kerk, naar den kant van't bosch, stond de pastorie — een klein bescheiden gebouw, des zomers door wijngaardranken omlijst, des winters, met zijn laag dak en eenvoudig uiterlijk, zich nauwelijks onderscheidend van de hutten der dorpbewoners. Maar zij kenden toch allen zeer goed de kleine pastorie; en wiens hard vol kommer of bezwaard was, en wie hulp of raad behoefde, wandelde naar den goeden geestelijke Theophil. Hij had voor ieder een vriendelijk woord, een open hart. En hoewel hij nog jong was, zoo scheen het toch den oudsten menschen van het dorp, als kon hij hun het best raad geven en als had hij al het lijden en alle smarten der wereld in zijn hart geleden en overwonnen, alsof hij de patriarch der wijsheid en der goedheid ware. Van zijn geschiedenis wist niemand iets in het groote dorp, en wat vóór jaren gebeurd was aan de oevers der Elbe, waar een reddende engel den strijdende en vertwijfelende destijds de hand gereikt had, — dit wist alleen het hart van den predikant, en hij sprak hiervan alléén met zijn God. Wie deze engel was geweest, die hem toenmaals van den dood had gered, dat wist Theophil. Hij kende den naam, en hij eerde en beminde hem als een heilige. In zijn kleine studeerkamer bevond zich slechts één sieraad, één enkel portret: — het portret van den dichter Friedrich Schiller Een krans van immortellen en maagdepalm omgaf de lijst. En zelfs in den winter, als sneeuw en ijs den tuin bedekten, wandelde de predikant eiken moi'gen in den tuin, om eenige groene bladeren te zoeken en het portret van zijn geliefden dichter, van zijn reddendenen-gel, opnieuw te omkransen. Als hij in den zomer, des Zondagsmiddags, na het einde der godsdienstoefening, de leden zijner gemeente onder den groenen lindeboom verzamelde, las hij hun met luide stem de nieuwe gedichten van Friedrich Schiller voor; verklaarde hen, wat zij niet verstonden, en ontvouwde de schoonheid en de

ocr page 389

135

poëzie voor hunne oogen en ooren, als een heerlijke hemelbloem. En dan straalden zijne oogen van geesl vervoering en een zalige glimlach aweefde om zijne lippen.

„Friedrich Schiller' — dit was iederen avond het laatste gebed, 't welk voor den dichter van des predikerslippen klonk, eiken morgen zijn eerste groet, dien iiij naar buiten in de wereld zond: „Friedrich Schiller, — moge God in den hemel allen zegen en alle gunst up u in geluk en zaligheid doen nederdalen. Vele duizende harten hebt ge verheugd en geroerd, vele duizende zielen buigen voor u in liefde en aanbidding. Maar geen hart bemint u meer, — en geen ziel behoort u trouwer, dan die van den armen predikant Theophil!quot; — Menige smart en menig verdriet heeft Theophil moeten lijden, na den be-wusten nacht van wanhoop en troost. Dikwerf had hij den moed schier verloren, maar nooit was de vreeselijke 'gedachte van dien nacht weder ais booze vijand bij hem opgekomen en 'tgeen hij destijds in de moedige en zegenrijke hand van Friedrich Schiller gezworen had, dat heeft hij trouw gehouden, l i ij heeft blijmoedig geleden en krachtig overwonnen, wat hij le overwinnen gehad had. Niemand weet dit, dan God alléén. Want alleen aan God komt het toe, de inwendige smart van den predikant te kennen, en slechts Ilij alleen weet van zijn ontbering, zijn strijden, zijn leed!

Maar de eenzaamheid en verlatenheid van zijn predikambt is een boete, welke Theophil zich zeiven heeft opgelegd. En of onder de toga, die hij bij zijn ambt draagt, 'het hart van een jongen man klopt, — of het ooit van liefde gegloeid, of het de smart overwonnen heeft, — dit is een geheim, en slechts God mag het weten — Hij is de troost der lijdenden, de raadgever der kranken; hij is de dienaar Gods op aarde.

De kerkdeur is open en de stralen der verwarmende Maartzon vallen met een lange, gouden streep door het venster in de ledige ruimte. Slechts des Zondags heefter in de kleine kerk godsdienstoefening plaats, maar open is zij eiken dag tegen het middaguur; en wie zijn hart beladen en zwaar vindt, en wie het zou willen verlichten door een vertrouwelijk gesprek, die vindt in dit uur den predikant Theophil gereed om te troosten en le raden naar

ocr page 390

130

zijn beste kracht. Ook heden, een uur na het gesprek van Leonore met haren echtgenoot, was Theophil naar zijn kerk gegaan, en had zich, zooals altoos wanneer het elfde uur sloeg, in de catechisatiekamer begeven, om daar te stu-deeren en te wachten. Ook ditmaal had hij niet vergeefs gewacht. Aan de andere zijde van de tafel, diep in haar sluier gehuld, zat nu een bleeke, met smart beladen vrouw. Terwijl zij met de armen op de tafel leunde en haar gelaat in hare handen rusten liet, deelde zij met zachte stem den jongen predikant hare klachten, hare angsten, haar vertwijfeling en liefdenood mede.

Hij had haar zwijgend aangehoord, en zijn gelaat werd bleek en kleurloos als het hare, en de tranen rolden van zijne wangen neder.

„Mijn vriend,quot; steunde zij nu, toen haar verhaal ten einde was: „Ik kan het niet verdragen; ik heb geleden en gestreden en het is vergeefs geweest. Ik sta aan een afgrond en niets zal er mij van terughouden.quot;

„De liefde Gods zal u terughouden,quot; prevelde de zachte stem des predikants: „Hij zal met zijn helpende hand den afgrond bedekken en hem u doen vermijden. Wend u tot Hem, mijn dochter, en smeek tot Hem met deemoedig hart, dan zal Hij u helpen.quot;

„Neen!quot; riep zij, en gillend klonk dit neen door de stilte der kamer: „Neen; God hoort niet naar mijn stem. Ik heb dikwijls op mijn knieën gelegen, handenwringend, en tot Hem mijn smartkreet omhoog geroepen; — Hii heeft mij niet verhoord!quot;

„Hij heeft u gehoord, mijn dochter, en Hij zal uw hart sterken, opdat het zich zelf overwinne en u de kracht geve, al het andere te ontberen; opdat ge eens met vrijen blik tegenover de oogen van het kind kunt treden, dat Hij aan uw hart zal leggen, als de verzoening uwer schuld en de bélooning uwer boete. Ga heen, mijn dochter, en wees sterk; sterk in zelfverloochening, sterk in het ongeluk!quot;

„Amen!quot; zeide zij zacht, richtte zich van haar zetel op en wankelde met gebogen hoofd door de kerk. Niet eenmaal wendde zij het hoofd om en zag niet, hoe de jonge predikant met bleek ernstig gelaat en starenden blik haar nazag en vervolgens zijn oog ten hemel richtte met

ocr page 391

137

een uitdrukking, welks diepe smart en geheim leed slechts God kon verklaren.

Langzaam ging Leonore langs den boschweg weder naar den burcht Windeck. Op het slotplein ontmoette zij haren echtgenoot, die juist op 't punt stond te paard te stijgen. Zijn jachthonden sprongen vroolijk huilende om hem heen en zijn beide jagers zaten reeds te paard. Want de baron wilde met hen naar buiten om een hert te jagen, dat de jagers hadden opgespoord. Slechts vluchtig groetten beiden elkander; vervolgens rende de baron, gevolgd door zijne jagers en honden, van 't slotplein weg, en Leonore ging langzaam het breede bordes op en keerde naar hare vertrekken terug.

,,Hij zal niet komen,quot; zeide zij tol zich zelve; „God heeft tóch misschien tnijn gebed verhoord en verandert zijn zin, zoodat hij niet komt!quot; — Zij legde sluier en mantel af en hernam haar plaats aan het balkonvenster. Het boek, in welks lectuur haar echtgenoot haar gestoord had, lag nog open op de kleine marmeren tafel en zij nam het weder in de hand. Zij wilde lezen en staarde in het boek, maar wist niet wat zij las en hoorde slechts naar de stem, die in haar borst fluisterde: „Zal hij komen? Zal ik hem wederzien? Ik heb geworsteld en gestreden, en ik dacht, ik had overwonnen, had de sneeuw der berusting over mijn hart gestrooid, zoodat alle bloesems er voor altoos in verstijfd waren. Maar plotseling, nu ik zijn naam heb gehoord, is het, als ware de lentezon weder over mij opgegaan; het ijs is gebroken en alle bloesems ontluiken en roepen hem en noemen hem. Ach God! geef dat hij niet komt; help mij in mijn angst en nood!quot;

Zij dacht misschien dit alles in bet boek gelezen te hebben en zij dwong nu haar dwalenden blik er in te zien. Maar hij liet zich niet dwingen; hij zweefde naar buiten, en zag door het venster naar beneden in het dal, en tuurde over den weg, die van het dorp herwaarts voerde.

,,Zal hij komen? zal ik hem wederzien?quot; —

Zij zag en tuurde uit het venster naar buiten en hoorde niet dat zacht achter haar de deur werd geopend, de knecht naar binnenkeek, daarna terugtrad en vooreen heer plaats

ocr page 392

438

mïiakte. Deze wenkte den knecht naar buiten te gaan en sloot zacht de tleur. i . , , •

„Zal hij komen? Zal ik hem wederzien?quot; zoo riep net in haar hart, zoo fluisterden hare lippen, en zij boog liet hoofd verder uit het venster en zag naar heneden op den weg.

Zacht en onhoorbaar sloop hij over het tapijt der kamer op de teenen voort. Eu nu, toen hij zeer dicht bij haar was, nu klonk het als eeu juichkreet van zijne lippen; „Leonore!quot; — Zij wendde zich om, gaf een luiden gil en wist niet dat zij voorwaarts ijlde; wist niet dat zij zich aan zijn borst wierp, dat zij haar hoofd tegen zijn schouder leunde, dat hij zijne armen vast om haar sloeg en met zalig genot haar voorhoofd kuste.

Maar plotseling herinnerde zij zich en met een wilde toornige beweging stiet zij hem van zich en trad lier

achteruit. . „ jow t

„Waarom zijt ge gekomen, prins Louis Ferdinand Wat

wilt ge hier op het slot Windeck?quot;

„Ik wil u zien, Leonore, en ik ben gekomen, wijl uw echtgenoot hel mij vergund heeft. O zie, ik ben deemoedig geweest. Ik heb niet naar u gevraagd, ik heb u niet gezocht. Slechts met de engelen in den hemel en de geheimste gedachten mijner ziel heb ik gesproken van Leonore, welke ik het laatst zag in 't bosch van Verdun. Maar zij is tóch altoos bij mij geweest, en lieve kleine liefde-godjes hebben van mijn zuchten en verlangen een onzichtbare brug gebouwd en nu ben ik er overgekomen, nu ben ik bij u? Zie mij niet zoo toornig aan, berisp mij niet en wil mij niet tot nieuwe ontbering, tot nieuwe scheiding veroordeelan. Wij hebben geworsteld en gestreden; maar het lot is genadig en barmhartig en 't voert

mij tol u.quot; n,r -j

„Zeg liever: het lot is onbarmhartig en wreed, zeidezy somber: „zoo het u genadig ware geweest, dan had hot de herinnering aan mij in uw hart uitgewischt; hel had u gezegd, dat Leonore von Ehrenbcrg niets te maken heeft met den jongen, schoenen prins Louis Ferdinand. Heb ik u niet gezegd en gebeden, dat ge mij niet zoudt uilvorschen ? Heb ik het u niet tol plicht gesteld, naar- de stemmen te hooren, die u van mij vertellen zouden en te gelooven,

ocr page 393

130

dal hetgeen zij zeggen geen logen en laster, — maar waarheid is?quot;

„Tk heb gedaan wal gij bevolen hadl, Leonore,''zeide hij op leederen toon: „ik bem mijn oor niel gesloten en heb met kalm gelaat naar de lasteraars en logenaars gehoord. Maar in mijn ziel heeft een storm van goddelijk vuur gewoed; en de liefde hield in mij steeds den brandstapel gereed, waarop al bet booze en slecbte, wat men van u zeide, tot asch verbrandde. Wat scheelt liet mij, wat gij geweest zijt; wat scheelt bet mij, wat zij liegen en schreeuwen van uw verleden. Ik bemin u! Hoort ge, ik bemin u, Leonore! Pin alle geluk en zaligheid der aarde is voor mij slechts bij u. Aan uwe voeten als ge mij vertreden,— in uwe armen, als ge mij zegenen wilt!quot;

„Rampzalige!'' riep zij opgewonden: „ge weet niet wat ge zegt. De booze vijand is bet, die u tot mij voert. Vlucht mijn prins, vlucht, nu het nog tijd is! Want ik herhaal het u: het ongeluk breekt over u los, zoo ge voor de dwaze en waanzinnige liefde voor mij niet voor altijd de deur van uw hart sluit. Vlucbt, mijn prins, nóg is het tijd!quot;

En in heftige ontroering, met schreiende oogen wierp zij zich voor hem op de knieën. ^

„Prins Louis Ferdinand! In naam uwer moeder, in naam uwer zuster, in naam van alles wat rein en onschuldig, goed en schoon is, bezweer ik u: wend u van mij! Vergeet, dat ge mij ooit gezien hebt; wend u om en keer nooit tot mij terug! Ge zijt goed, go zijt edel, ge zijt grootmoedig! Ik bezweer u, verlaat mij! Niet alleen om uw zelfswille, maar ook om mijnentwille bezweer ik u: vlucht van mij en verlaat mij voor altoos. Nóg is de weg vrij, die u van mij voert, de deur is open. Vlucbt! En zoo go mij ooit bemind hebt, — zoo ge medelijden en erbarming voor mij hebt, vergeet dan, dat ik ooit leefde! Keer niet tot mij terug, al mocht ook mijn echtgenoot het u verzoeken; zoo liij met vleiende woorden u nadert, luister niet naar hem. Ga heen en keer nooit lot mij terug!quot;'

Hij boog zich tot baai' en trok haar in zijne armen.

„Ik bemin u, Leonore! Hebt gij 't niet gehoord en weergalmt het niet in eiken druppel van uw bloed, in eiken ademtocht van uw hart, van uwe lippen ? Ik bemin

ocr page 394

140

u! En al waart ge de Loreley zelve, ik zou niet van u allaten.quot;

„Ik ben het, ik ben de Loreley; ik ben erger dan dit!quot;

„En al waart ge uit de diepten der hel opgestegen, ik zou niet van u afzien!quot;

„Ik ben het; ik ben uit de diepten der hel tot u opgestegen, om uw hart te verlokken, om u in het ongeluk te storten; daarom laat af van mij!quot;

.,lk zie niet van u af!quot; riep hij met schitterende oogen en stralend gelaat: „Ik hen bij u en blijf bij u, want ik bemin u! Mijn ziel, mijn hart behoort u! En zie, hier lig ik aan uwe voeten! Zet uw kleinen voet op mijn nek, vertreed mij, als ge wilt; het is schooner aan uwe voeten te sterven, dan te leven in de armen van een ander. Ik wil niets, — ik begeer niets, dan u alleen. Ik heb u gezocht sedert ik u 't laatst gezien heb, met elke gedachte mijner ziel, met eiken zucht mijns harten. En nu ik u weder heb, blijf ik bij u, al wist ik dat wij beiden er onzen ondergang door vinden zouden. Wees nu niet wreed en niet wild, mijn zoete Loreley. Er is slechts één woord van verlossing voor u en voor mij, laat het voor mij van uwe zoete lippen klinken. En geloof het vast: ik bemin u en laat niet van u af!quot;

„Dan moge God zich over ons erbarmen,quot; riep zij gillend: „want ik bemin u ondanks mij zelve!quot;

Mij juichte luid en sloot haar vast in zijne armen, en hunne lippen ontmoetten elkander in een kus van zaligheid en verrukking!

ocr page 395

VIERDE BOEK.

HET JAAR 1793.

1.

MONSIEUR GILLER.

Heden gaf men in den schouwburg des Marais te Parijs een nieuw drama en dit was voor de schouwburg!ustige Parijzenaars, zelfs in deze dagen van bloed en wilde moord-tooncelen, nog een gewichtige en aantrekkelijke gebeurtenis. Overdag had men het groote drama der wereldgeschiedenis te spelen en dan was de guillotine het vreeselijke tooneel, waarop de ongelukkige helden en heldinnen de tragedies moesten spelen welke de mannen van het schrikbewind ter uitvoering stelden. Treurige tragedies, die telkens met het nedervallen van het bloedige mes en het rollen der afgehouwen hoofden eindigden.

Want zij treft zeker en onfeilbaar, de guillotine, dio de uitvinding van een menschlievenden arts is, en wier mes de goede Koning Lode wijk de XVT in zijn weten-schappelijken ijver een andere, schuinere richting had gegeven, opdat het sneller tusschen de beide wervelbeenderen van den ruggegraat zou varen, en minder pijnlijk het hoofd van den romp zou scheiden!

En een jaar later, nadat de goede Koning deze verbetering aan de guillotine had gebracht, - een jaar later had zij hem zei ven met haar schuinsch mes, het arme lij-dershoofd van den romp gescheiden! —

Door een merkwaardig toeval had de guillotine den Koning in het leven gedragen, en op haar rustende, had hij weder het leven verlaten. Want de min, die hem terstond na de geboorte voedde en verpleegde, en over zijne eerste

ocr page 396

142

opvoeding waakte, beetle Guillotin, en Guillotine heette de bloedige min, die Lodewijk weder ait bel leven nam!

Hel woord, dal bij argeloos gezegd had bij zijn krooning, toen de aarlsbisscbop den knielenden koning de kroon op bel hoofd bad gezel, — dit woord bad zicii aan hein vervuld. „Zij doet mij pijn,quot; bad Lodewijk gezegd, en onwillekeurig had hij met de hand naar de kroon gegrepen, als wilde hij baar weder van zijn hoofd nemen.

Ja, zij had hem pijn gedaan, de kroon, — en bij was onder haar last besweken op de guilloline en in hetgiat.

Dezen éénigen keer bad het publiek, t welk in dichte drommen rondom zal, niet gejubeld; zelts de „liicoteuses hadden vergelen, in haar kous, als anders, een teeken te maken, als een hoofd onder de guillotine viel, en menige smartkreet en menige zucht was gesmoord geworden onder bet tromgeroffel, dat met zijn dol gerommel aan de ontstelde stad Parijs verkondigde, dat bet hoofd van haren Koning juist was nedergerold in de vreeselijke mand, die dagelijks zooveel hoofden der edelslen verzwolg! Maai men mocht hel afgrijzen en de ontzetting, die ieders hart bewoog, tóch op zijn gelaal niet laten zien; want de gevreesde mannen der conventie hebben een scherp oog, en hunne bespieders loeren rond in alle straten en op alle pleinen en luisteren in de gezinnen — en wee degenen, die den moed hebben te klagen of treurig te zijn ; want dit is een den dood waardige misdaad en de guillotine is immer gereed het tc straiten.

Men moet dus vroolijk en blijmoedig zijn m het van bloed druipende Paiijs. De schrikmannen hebben bet zoo bevolen en hel sidderende volk moet gehoorzamen.

Men geeft dus heden in den schouwburg des Marais een

nieuw drama; -„Robert, chef des brigandsquot; 'lis een veelbelovende titel, en het publiek stroomde met geheele drommen naar den schouwburg en reeds lang vóór de gordijn opgetrokken wordt, zijn de ruimten gevuld met een kyk-I ustige, nieuwsgierige menigte. Zelts de gestrenge heeien der conventie hebben hel niet versmaad, zich in de loge van den eersten rang, — die vroeger door de booge aristocratie en bet Koninklijke Hof bezet was, neder te laten, om bet schouwspel bij te wonen. Thans zijn zij de aristocratie, deze beeren Danton, Pioland, Glavière, Gusline.

ocr page 397

143

En wee degenen, die hun hoofd niet buigen willen voor deze nieuwe arisloeraUe, die den ouden adel van Frankrijk vernietigd en weggejaagd heeft, en tie woorden: Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap in den mond voert, maar het evenwel voor een doodswaardige misdaad houden zou, zoo eenig ander het wagen mocht zich als huns gelijke te beschouwen! —

Nu ging de gordijn op. Het ruischen en gonzen der bewogen menigte verstomde en alles luisterde en zag oplettend naar het tooneel. Men ziet daar een voornaam heer — een nietswaaidigen schurk van een aristocraat — die, wijl hij de jongstgeboren zoonis, zijn ouderen broeder haat, en den afvvezende belastert en smaadt bij zijn zwakken vader. Men ziet daar een schoon, jong meisje, een weeze, welke de oude graaf als kind heeft aangenomen en bestemd is, de vrouw van zijn oudsten zoon te worden. Maar de slang, die zich aan zijn boezem voedt en de gedachten en de liefde van den ouden graaf vergiftigt, — de slang, die de broeder van den afwezigen erfgraaf is, bemint dit jonge, bekoorlijke meisje, deze van liefde dwepende dochter uit het volk, die de bruid is van den afwezigen erfgraaf. Want natuurlijk; een dochter uit het volk, een nederig geboren meisje is deze jonge, schoone Amalia, welke de oude graaf ten gevalle zijner echtgenoote — die zoo innig een dochter verlangde — als kind had aangenomen. En wijl zij een dochter is uit het volk, zoo is ook haar hart edel en onverdorven; en slechts deugd en zedelijkheid en hemelsche liefde wordt duor haar vertegenwoordigd. En aangezien de jongere zoon Frans het kind van den graaf is, kleven aan hèm al de ondeugden, die aan deze uitge-stootene, verachte en gesmade kaste eigen zijn. De jonge graaf Frans is een huichelaar, een logenaar en bedrieger, — een misdadig mensch, waarvan elk burgerlijk hart zich met ontzetting moet afsvenden; en er geheel op berekend, den afkeer van de gehate aristocratie in de harten der Parijzer burgers nóg hooger te doen stijgen! — Ja, graaf Frans bemint met misdadigen hartstocht deze schoone Amalia, de dochter uit het volk, en aan zijne listen en lagen is het reeds gelukt, den ouden, zwakken graaf zóódanig tegen zijn oudsten zoon in te nemen, dat hij hem heeft verstoeten en hem zijn liefde en zijn erfdeel ont-

ocr page 398

144

trokken heeft. Hierover is dan de jonge erfgraaf Robert in wanhoop eu woede geraakt en heeft zicli onder de roovers begeven. Maar toch is hij een zeer edel en groot-moedig man geblevGii. Hij heefl afstand gedaan van de aristocratie en zijn grafeiijken titel heeft hij onder den voet getreden; hij heeft zich vrijwillig tot een zoon des volks gewijd. Wraak wil hij nemen op deze adellijke bende, die alles voor zich neemt en het volk niets overlaat; die liegt en bedriegt en in zonden en ondeugden leeft. Met een bende gelijkgezinde edele roovers heeft Robert zich verbonden, en nu bedrijft hij openbare rooverij in de bos-schen van Duitschland, en ieder voorbijtrekkenden adellijke berooft hij van zijn goed en doodt hem, als hij weigert het vrijwillig af te staan. Maar niets behoudt die edele roover van al de schatten, welke hij buit maakt. Als hij des daa^s genoeg geroofd en gemoord, — en de adellijken gestraft heeft, dan'sluipt hij des nachts in de hutten der armen, der bezwaarden en bekommerden en geeft hun de rijkdommen, welke hij den voornamen ontnomen heeft. Hij troost hen in hunne armoede en maakt de hongen-ffen verzadigd en de weenenden gerust.

Het Fransche publiek luisterde met ingehouden adem naar de stoule tirades o\er de waarde van den mensch en de misdadigheid der aristocratie. Het juichte luid bij elk woord, dat de edele roover hoofd man Robert ter eere zijner bende zeide; - het brulde en schreeuwde van woede, als de lasterende graaf Frans van zijn broeder als van een misdadiger tot den ouden graaf sprak; het was

verrukt en in vervoering, als de schoone Amalia met harts-

tochtelijke verachting den om hare hand wervenden graaf van zich stiet en den afwezigen geliefde, — den woesten rooverhoofdman Robert, eeuwige trouw zwoer.

Slechts aan twee personen, die dicht bij het tooneel in de uiterste loge zaten, schoen dit stuk geenszins te behagen. Zij waagden het zelfs bij een der tooneelen — toen het rooverschap met uitbundigen lof door de schoone, jonge Amalia gehuldigd werd, en het publiek luid begon te applaudisseeren — met de voeten te schuifelen eu tamelijk hoorbaar te fluiten. Een heer, die naast dal paar zat, boog met toornig gelaat lot de dame, die even haul als' haar' buurman met de voelen klampte.

ocr page 399

145

„Burgeres,quot; zeide hij op strengen toon: „ik zie dat ge vreerad zijt in Parijs, en de wijze niet kent waarop wij onzen bijval te kennen geven. In Parijs is 't gewoonte dat men, als men zulk een heerlijk stuk ziet en er zich in verheugt, in de handen klapt en bravo! roept; maar men stampt niet/zooals 't in sommige plaatsen gebruik moet zijn, met de voeten, of Quit.quot;

„Ik dank u voor uw vriendelijke onderrichting,quot; zei de dame met een spottenden glimlach : „maar ik moet u zeggen, burger, dat mij dit stuk volstrekt niet bevalt.quot;

„En ik moet u zeggen, dat ik dit zeer zonderling vind, burgeres,quot; antwoordde de andere; „als het mij, een lid der conventie bevalt, begrijp ik niet hoe het u zou kunnen mishagen.''

De heer, die naast de dame zat, boog — misschien om haar haastig antwoord te voorkomen, — met vriendelijken groet naar den heer.

„Ik dank u, burger Lacroix, dat ge mijn vrouw zoo goed onderricht.quot;

„Ge kent mij dus?quot; vroeg de burger Lacroix met een meesmuilenden glimlach.

„Wie zou u niet kennen? Elk, die de eer heeft, de zittingen der Conventie bij te wonen, heeft uw voortreffelijke redevoeringen gehoord en weet, met welk een moed en energie gij onlangs spraakt, op den dag toen het doodvonnis van Louis Capet in stemming kwam.''

„Ik beroem mij daarop,quot; zei Lacroix: „'t Is een erfdeel, dat ik mijn kinderen nalaat, en dat evenveel waard is, als de erfenissen der zoogenaamde aristocraten en adellijken. — En zeg mij, burger, is 't niet een ware schurk en dief, deze graaf' Frans, die in het stuk voorkomt!quot;

„Ja een rechte schurk en dief,quot; herhaalde de ander glimlachend : „en ik hoop, het lot zal hem in het laatste bedrijf nog bereiken, en hem straffen zooals hij verdient.quot; . „'t Verwondert mij echter, dat uw vrouw hier niet meê tevreden is, en gij óók met uwe voeten gestampt hebt. Zoo ge een goed burger, — en een vriend van het volk zijt, moet dit stuk u behagen.quot;

„Het Lehaagt mij ook, burger. Maar zoo wij beiden er niet over verrukt zijn, komt dit, wijl het oorspronkelijke stuk nog fraaier is, en wijl men het niet zeer goed ver-Mlihlbaoh, Uuitsclilmid in woeling en strijd. VI. 10

ocr page 400

140

taald heeft. Want ge moet weten, burger Lacroix, dat wy Duitschers zijn, en dat dit stuk door een Duitschen dicii-ter geschreven is, dien wij kennen en zeer liefhebben; wij hadden derhalve gewenscht, dat men het had overge-zot, zooals het eigenlijk in de Duitsche, oorspronkelijke taal is. Wij hebben dus onze afkeuring niet te kennen eeleven, omdat men het slechte mensch, den graaf, voor-stelt, zooals hij wezenlijk is, maar 't was slechts een geheel onwillekeurige uiting onzer ontevredenheid wegens de

vertaling.quot; , , . . , . , p,

„Dat laat ik geiden,quot; zei Lacroix, deftig met het hoofd knikkend: „in dit opzicht kunt gij beiden gelijk hebben. Maar zeg mij toch, wie is de Duitsche dichter, die zulk een fraai stuk geschapen heeft, en die waarachtig waard zou zijn een Fransch burger, — en lid onzer groote natie te zijn. Wie is hij, en hoe heet bij toch?''

, Hij heet Friedrich Schiller, en hij is de edelste en heerlijkste dichter der Duitsche natie. Hij is de dichter der vrijheid, — en is de martelaar van zijn edele en f'Tootsche vrijheidsidéeën geworden. Want reeds in zijn jeugd heeft hij geleden onder een tirannieken Vorst; en dit stuk hier, dat ge thans ziet, burger Lacroix, is een smartkreet zijner gepijnigde ziel geweest, die veel te lijden had onder de tirannie van een wreeden Vorst. Het was zijn eerste groote stuk, en toen hij het drukken het, heeft hij op den titel een opspringenden leeuw geplaatst, en daaronder geschreven: In tyrannos, dat zooveel wil zeggen als: dit zij den tirannen een afschrikkend voorbeeld.quot; . , . i.

„Dat is zeer fraai,quot; zei Lacroix; „maar wat zegt het

volk er van?quot;

Het volk heeft zijn grooten dichter met verrukking bequot;roet, en volgt hem met liefde en enthusiasme op al zijne wegen!quot; riep de jonge vrouw met stralenden blik: „Elk Dultsch meisje en elk Duitsch jongeling kent den Duitschen dichter Friedrich Schiller, en wat hij zegt, vindt een echo in alle Duitsche harten!quot;

„Dan moet ge allen zeer naar de republiek en naar de vrijheid verlangen,quot; zeide Lacroix: „en nu verwondert het mij slechts, dat ge niet reeds lang uw kleine Vorsten weggejaagd, — of gedaan hebt als loij, en hun het hoofd

ocr page 401

147

hebt afgeslagen, liet heil der mensohen is eerst te vinden als er geen Vorsten meer zijn, en als, gelijk de burger Chain-iort ze8l; de laatste Vorst aan de darmen van den laatsten priester is opgehangen! —- Maar stil, het gordijn gaat weêr op; wij willen nu zien, hoe de huichelachtige graaf gestraft wordt, en hoe de edele roover eindelijk gerechtigheid verkrijgt.quot;

En hij werd gestraft, de huichelachtige graaf Frans. Het publiek zat met ingehouden adem, met gespannen deelneming, toen Frans door gewetensknaging gefolterd, in doodsangst, zijn vreeselijk lot eindigde. En het reusachtige gewrocht van den Duitschen dichter, — hoe verminkt en bedorven ook, — had evenwel iets van zijn grootschheid en reuzenkracht behouden, en bracht een ongehoorde uitwerking te weeg.

Ten laatste, -— als de edele roover hoofd man Robert weder met zijne Amalia vereenigd is, als hij, vol ontzetting wegens zijn eigen vele moorddaden en wegens hel vele gestorte bloed, den dolk opheft om zich zeiven te dooden, in plaats van op het schavot te sterven, brak het publiek in een eenstemmingen luiden smartkeet uit, en hier en daar richtten zich de mannen van hunne zitplaatsen op, als wilden zij op het tooneel springen en den arm tegenhouden, die reeds het blinkende moordwapen had opgeheven. En als in dit oogenblik een bode van den Duitschen Keizer buiten adem op het tooneel vliegt, om den rooverhoofdman te melden, dat de Keizer hém en zijn geheele bende pardon en volkomen vrijstelling van straf verleent, — toen brak het geheele publiek in een stormachtig gejubel uit, en alle handen klapten verheugd, en alle oogen glinsterden van vi'eugde en genoegen.

Het was een verheven tooneel, toen Robert, de rooverhoofdman, nu in het midden van liet tooneel stond, de geliefde Amalia omarmende, die haar hoofd aan zijn borst leunde, en om hen heen de roovers, — welken t vonnis des Keizers juist begenadigd, en tot eerlijke mannen ge-maakt had, — op hunne kniëen nu uitbarstende in luide jubelkreten op hun edelen rooverhoofdman. En deze aanschouwde verrukt zijn roovers om hem heen. — „Men noemt u roovers,quot; zeide hij met donderende stem: „maar ge zijt eerlijke en edele menschen; men veroordeelt

ocr page 402

148

u tot galg en rad, maar gij verdient lauwerkronen!quot; 1)

„Een wondersclioon stuk,quot; zei Lacroix, toen nu de gordijn viel; „ik heb in langen tijd niets zoo heerlijks ge-i»gt;

zien!

Het publiek was geheel en al van zijne meening, en applaudisseerde ontstuimig, en riep met gillende stem om den naam van den auteur. Maar het gordijn ging niet omhoog, en de regisseur verscheen niet voor het voetlicht, om het publiek den naam te melden; misschien kende

hij hem niet, misschien had de vertaler vergeten, den naam

des dichters te vermelden. Het publiek wilde hem in-tusschen weten. Het schreeuwde en brulde steeds luider: „De auteur! de auteur!quot;

„Noem gij hem toch,quot; zei Lacroix tot zijn buurman: „of laat hem door de heldere stem van uwe vrouw het publiek toeroepen.quot;

„De auteur! de auteur!quot; schreeuwde het pubhek opnieuw.

En nu stond werkelijk de kleine vrouw van haar zitplaats op, en boog voorwaarts met gloeiende wangen en stralende oogen. — „Lauteur est Frédéric Schiller!quot; riep zij in het tierende gewoel, — „de auteur is Friedrich Schiller!quot; .

Alle blikken richtten zich naar de loge, en een duisteren en murmelen volgde op het luide schreeuwen, en duidelijk hoorde men hier en daar: „'t Is Lacroix, het lid dei-Conventie! de groote burger der vrijheid, die voor den dood des Konings gestemd heett!quot;

Hij hoorde het, en glimlachte vergenoegd over deze aangename vleierij, en knikte zijn vrienden en bekenden onder het publiek toe. Maar dit scheen den naam nog niet verstaan te hebben, want hier en ginds riep een luide stem; „Hoe heet de auteur?''

„Hoe heet hij?quot; herhaalde Lacroix de vraag tot de dame nevens hem.

„Hij heet Schiller!quot;

En Lacroix stond op, en riep donderend in de zaal; „Hij heet Schiller!quot;

„Een onbekende naam,quot; zeiden de lieden hoofdschud-

1

.Schiller und seine Zeit.quot; Von Johannes Scherr. III. 41.

ocr page 403

149

dend tot elkander; „Schiller, een onbekende naam, maar een groot dichter.quot; Zij herhaalden den naam, toen zij den schouwburg verlieten, en hij ging spoedig, verminkt en onverstaanbaar voor het Duitsche oor, door geheel Parijs— de auteur van het drama „Robert de roover,quot; dien de Franschen als „Gillerquot; bestempelden.

De voorzichtige Lacroix echter had dezen naam, door zijn buurman in zijn zakboekje laten schrijven, en nu stond met groote letters in het zakboekje van den Franschen koningsmoorder : ^De auteur van de Roovers heet Schiller.quot;

Het jonge paar, dat naast den koningsmoorder had gezeten, verliet arm in arm den Schouwburg.

„Wij hebben heden een groote plechtigheid bijgewoond, mijn waarde vriend,'' zei de jonge vrouw, terwijl zij aan de zijde van den gelietden man door de straten ging: „Voor het eerst sedert wij te Parijs zijn, heeft mijn Duitsch hart hooger geklopt bij de herinnering aan hel vaderland, en ik gevoel mij trotsch en gelukkig, dat in deze groote Fransche republiek, het werk van een Duitsch dichter geëerd en geprezen wordt.quot;

„En ik, Josephine,quot; antwoordde Leuchsenring; „ik gevoel mij woedend en verstoord, dat men het schoone gewrocht van onzen Duitschen dichter tot een caricatuur verminkt heeft. Ik dacht, dat ge van dezelfde meening waart, want ge stemdet immers met mijn afkeuringsuiting in.quot;

„Wijl dit enkele tooneel al te schrikkelijk was!quot; riep zij lachend; „wijl ik dacht, wat onze goede Duitschers, — en wat Schiller zelf wel zeggen zoude, als hij zag wat de Fransche republiek van zijne Roovers gemaakt heeft. Maar het is altoos toch heerlijk, dat de roem van den Duitschen dichter zelfs tot hier is dooi-gerlrongen. En mij dunkt, gij moest het hem schrijven, mijn lieve Leuchsenring; ge'kent immers den grooten Friedrich Schiller?''

„Ik heb, om hem te leeren kennen, de reis van Straatsburg naar Frankfort gedaan,quot; zei Leuchsenring innig; „hij was toen uit de Karelsschool van zijn tirannieken Vorst gevlucht, en iiad te Frankfort een schuilplaats gevonden. Ken kommervolle schuilplaats wel is waai', en ik kan u zeggen, Josephine, dat hel Duitsche volk destijds zeer wei-

ocr page 404

'150

nig medelijden en symphatie voor zijn grooten dichter had; — want, ik geloof, er waren dagen, datFriedrich Schiller honger leed!'

„Dat heet,quot; zeide zij gevoelig: „er waren dagen, op welken hij van het manna en het ambrozijn der godenlietde verzadigd werd.''

„Mijn kind,'' antwoordde Leuchsenringhoofdschuddend: „dat zijn woorden, die zeer fraai klinken, maar den hon-gerigen dichter geven zij geen voedsel, en maken den 'honger niet minder smartelijk. En dit is het, wat mij dikwerf geërgerd en gekrenkt heeft in de Duitsche natie; dat zij geen dankbaarheid heeft voor hare dichters. Zij verheugt zich in hunne werken, maar voor de werken vergeet zij den dichter en vraagt er niet naar, of hij lijdt of ongelukkig is. En 'tis verheven en groot in de Fransche natie, dat zij hare dichters viert, en hen gaarne dankt voor 't geen zij gedaan hebben. Ware de auteur van de Roovers een Fransch dichter, dan zou de natie hem danken, en zeker zou de Conventie bevelen, dat eenige der inbeslaggenomen goederen van de aristocraten, den dichter der vrijheid en des volks als geschenk gebracht werden ; want de Fransche natie is zelfs in hare afwijkingen nog groothartig en verheven, en het verheugt mij dat ik de grootsche idee van vrijheid en broederschap, het ideaal mijns levens, tot waarheid geworden vind!quot;

„Het verheugt mij óók,quot; zei Josephine, met eenigszins verlegen stem; „maar ik moet tóch bekennen, mijn vriend, dat het mij soms een weinig hindert, mij zoo kortaf „ci-toyenne'' te hooren noemen, en op gelijke lijn te moeten staan met elke vischvrouw en iedere dame van de hal.quot;

„Ik heb het reeds lang opgemerkt !quot; riep Leuchsenring toornig en met heftige stem: „Ik heb 't lang opgemerkt, dat de grootsche idéé van vrijheid in u begint te kwijnen; het oude aristocratische bloed en de duitsche hoogmoed zit altoos nog in uwe aderen, en wij zullen het nog beleven, dat de vrouw van den burger Leuchsenring terug verlangt naar haar duitsche ridderzaal, en berouw heeft, van de vermolmde privilegiën van hare kaste afstand gedaan te hebben.quot;

„Als ge op zulk een beftigen en strengen toon lot mij spreekt,quot; riep zij niet minder heftig: ,;kon 'l wel zijn dat

ocr page 405

'51

ik berouw heb en mij beklaag, niet de Hofdame van prinses Auguste van Pruisen, — maar de arme gezellin van zulk een toornig en wild mensch te zijn als gij zijt, Leuch-senring.quot;

„Ja,quot; riep hij heftig: ik heb inderdaad reeds veel van u geleerd, en uw toorn en uw drift hebben mij reeds een weinig aangestoken ; want ik moet u zeggen, Josephine, ik was een zeer zachtmoedig en goedhartig man, toen ik nog in Duitschland was, en mijn vrienden te Berlijn hebben mij de getuigenis gegeven, dat het zeer moeilijk was mij te tergen en tot toorn te prikkelen. Maar u is het helaas gelukt, en als ik u niet zoo innig beminde, zou 't waarlijk kunnen zijn, dat ik het soms beklaagde, onzen romantischen hartstocht toegegeven te hebben; want het schijnt somwijlen, als ware de HoiVlame niet tevreden met de plaats aan mijne zijde. En dan zou 't misschien een geluk zijn geweest, dat wij ons gewetenshuwelijk niet te Straatsburg nog tot een burgerlijk huwelijk hadden gemaakt, en ons door een geestelijke hadden laten inzegenen. Dit was uw eerste ongelijk, want gij beweest mij daardoor, dat ge wantrouwen jegens mij koesterdet, en dat mijn woord als man u niet evenveel gold, als de eed dien ik u voor den geestelijke aflegde.quot;

„Zeg liever,quot; fluisterde zij met zachtere stem: „zeg liever, dat ik te lathartig was om de vooroordeelen der üuit-sche wereld voor altijd het hoofd te bieden, en geloof mij, ik heb nooit berouw gehad, dat wij ons zoo onverbreekbaar met elkaar verbonden hebben. Mijn leven en mijn geheel aanzijn behoort u, en nooit zal ik iets andei's wen-schen, dan de trouwe gezellin en gade van den burger Leuchsenring te zijn.''

„God geve,quot; zuchtte Leuchsenring: „dat dit immer uw meening blijve, en dat deze eerste twist, die ons schoon levensgeluk verduisterde, ook de laatste moge zijn.quot;

„Dat geve God,quot; herhaalde Josephine: „ik beloof u, mijn driftigen aard te bedwingen en zacht te worden, zooals 't een gehoorzame vrouw betaamt.quot;

Leuchsenring antwoordde niet, en had Josephine zijn gelaat kunnen zien, zij zou misschien in nieuwe drift uitgebarsten zijn wegens den twijfelenden en spottenden glimlach die om zijn lippen speelde. En hadden zij in

ocr page 406

152

de toekomst kunnen schouwen, zij zouden er menigen geweldigen storm en menige donkere wolk aan hun hu-welijkshemel hebben gezien, maar óók tusschen deze donkere wolken de ster der liefde hebben ontwaard, die altijd weêr zegevierend door de wolken brak, Zwijgend, arm in arm, wandelden zij voort, door de nu reeds eenzamer wordende straten van Parijs, naar hun kleine, bescheiden woning. Geen knecht ontving hen aan de deur; geen dienstmaagd hielp de burgeres Josephine bij het ontklee-don en bij het bereiden van 't avondeten. De Hofdame was nu waarlijk slechts de kleine, bescheiden burgeres, en 't was haar taak, haar huishouding waar te nemen en voor haar man te zorgen, evenals dit de minste burgeres van Parijs te doen had. De glans van het verleden was van haar gevallen, en de vrijheid, gelijkheid en broederschap de fransche Republiek hadden van de Hofdame van prinses Auguste, een eenvoudige burgerhuisvrouw gemaakt. —

Üp den dag na de opvoering der Roovers in den schouwburg des Mai-ais, had er een plechtige zitting der Conventie plaats, — de Conventie, die aan Frankrijk de vrijheid en broederschap had gegeven, en met de guillotine en de rollende hoofden, van broederschap en vrijheid sprak — de Conventie wilde nu voor geheel Europa getuigenis afleggen, dat zij niet alleen de kracht, — maar ook de macht had, waardigheden te verleenen en geesten te vereeren, en met het purper der heerlijkheid te kronen en te sieren. De groote mannen van vreemde natiën, de helden van het zwaard en der gedachte, de heroën der vrijheid, zouden door de Fransche natie erkend, door de Conventie verheerlijkt worden. En de nationale vergadering van het Fransche volk wilde hiermede een bewijs geven, dat het vernuft nog altoos de roem van Frankrijk was, dat men het erkende en eerde — zoowel onder de regeering der vrijheid, als men het vroeger gedaan had onder de slavernij van het koningschap. Roland, de voormalige minister van Koning Lodewijk, — nu een der voorstanders van de Conventie, — had het voorstel gedaan: men zou de groote mannen van het buitenland ; Washington, Kosciusko, Klopstock en Pestallozzi tot eereburgers der Fransche natie verheffen, en de medevoorzitters der Conventie Clavière,

ocr page 407

153

Danton en Custine hadden het voorstel van hun collega ondersteund, en voor de Nationale Vergadering de beteeke-nis van deze mannen en hunne groote verdiensten uiteengezet. Juist toen men tot het stemmen wilde overgaan, verhief zich van de banken der uiterste linkerzijde de gedeputeerde Lacroix.

„Als gij besluit aan de grootste dichters en helden van het Buitenland de schitterendste eer te bewijzen,quot; zeide hij: „dan weet ik nóg iemand, dien wij deze [eer niet onthouden mogen.quot;

„Wie is dat?quot; vroegen verscheidene mannen.

„'t Is een dichter!quot; riep Lacroix in vervoering; ,,een dichter, wiens heerlijk drama ik gisteren avond gezien heb; een dichter, die de aristocratie haat, en wien een edele roover veel liever is dan een slechte graaf. Deze dichter heet Giller, en ik dring er op aan, dat men mijnheer Giller, den üuitschen dichter en publicist, tot burger der vrije en groote Fransche natie verheffe.quot;

De vergadering antwoordde met een storm van bijval; want er waren zeer velen onder de aanwezigen, die gisteren even als Lacroix in den schouwburg'geweest,' — en door Friedrich Schiller's dichtwerk opgetogen waren. En Roland, Clavière, Danton en Custine ondersteunden het voorstel van den gedeputeerde Lacroix, en onder de groote mannen, welken de Conventie heden het eereburgerschap toekende, bevond zich nevens Klopstock, ook de Duitsche dichter Friedrich Schiller!

II.

DE BREUK MET DE REVOLUTIE.

Friedrich Schiller wist niets van 't geen in de Conventie te Parijs geschied was; wist zelfs niets van de bloedige gebeurtenissen van 21 Januari. Sinds langer dan een week waren geen nieuwsbladen meer uit Frankrijk naar Duitsch-land gekomen, en de l'arijsche Moniteur, waaruit anders Schiller in zijn stille kleine schuilplaats Jena zijn kennis

ocr page 408

454

van de groote wereldgebeurtenissen putte, was sedert acht dagen uitgebleven. Wél deden de laatste bladen dezer courant, welke hij ontvangen had, reeds vermoeden, dat daar iets vreeselijks gebeuren zou, maar men geloofde het toch nog zeer verwijderd, en hoople nog op de mogelijkheid eener redding en schikking.

„Zij zullen het niet wagen hun Republiek het vreeselijke zegel van den koningsmoord op 'tvoorhootd te drukken.quot; zei Schiller tot zijn vriend Körner, die van Dresden voor eenige dagen te jena was gekomen, ten bezoeke van zijn geliefden vriend: „Neen, zij zullen het niet wagen; en mochten eenigen zoo vermetel en bloeddorstig zijn, de groote meerderheid van de Conventie zal toch in het laatste oogenblik nog terugtreden voor het verschrikkelijke, ontzettende, waarmede hun eigen vleesch en bloed zou gebrandmerkt worden.quot;

Körner schudde treurig zijn hoofd. ■— , Wie de vrijheid wil, moet zich ook hare uitspattingen laten welgevallen,quot; zeide hij: „revolution komen nicl tot stand zonder verschrikkingen, en de republikeinen zullen altoos met veel onschuldig bloed gedoopt worden. Bedenk, vriend, hoeveel bloed zelfs de revolutie des geestes, de reformatie heeft gekost, en de arme Thomas Munzer was eigenlijk toch wel evenveel waard, als de arme Lodewijk XVI. Wie zich tegen de groote ideön van vrijheid, gelijkheid en broederschap verzet, moet de macht hebben ze onder zijn voeten te treden, óf hij moet zich laten welgevallen, door haar vertreden te worden. Als de wereld, gelijk Hamlet zegt, uit hare voegen is, dan zijn altoos zij, die de roeping en den last liebben haar weder in orde te brengen, in de noodzakelijkheid, de machine met menschenbloed in te wrijven en beweeglijk te maken. En mij dunkt, de heeren Fran-schen laten het aan deze inwrijving niet ontbreken.quot;

„Maar zij zullen eindelijk toch uit deze bacchantische bedwelming hunner jonge vrijheid ontwaken. Het kind is onder smarten geboren en heeft den bloed- en tranendoop ontvangen, en zoo het zich nu tooit met de kroon der vrijheid, gelijkheid en broederschap, zal het daarom toch niet do kroon des Konings aantasten; maar 't zal aan de wereld de groote en schoone les geven, dat de vrijheid zich ook met de wet kan verdragen, en dat de burger

ocr page 409

155

eerst dan een vrij man is, als hij zich eerbiedig voor een waardigen heerscher buigt.quot;

„Ik vrees,quot; zuchtte Körner: „gij beschouwt met uwen edelen geest de zaak uit een te ideaal standpunt. Ik heken u eerlijk, dat mij deze bombast der woordvoerders van Parijs zeer stuit; maar evenzeer stuit mij de verrukking onzer Duitsche dichters. Ik schaam mij als ik zie, dat een dichter als Klopstock, niettegenstaande zijn ouderdom, nog in zulk een jeugdig enthusiasme kan geraken over de Fransche vrijheidshelden, die de guillotine in Parijs geplant hebben. En ik heb niet zonder blozen en gramschap de ode gelezen, welke de dichter van den Messias ter verheerlijking der Fransche vrijheid geschreven heeft. Hij mag mijnentwege in zijn kindsch en grijs enlhusiasme, de republiek, die zich in Frankrijk, in weerwil van den Koning, gevestigd heeft, vieren en hoog verheffen, — maar mij dunkt, hij moest zich in zijn Duitsch hart toch te trotsch gevoelen om te verkondigen; dat niet Duitschland „de vrijheidstop besteeg,quot; zooals hij in zijn ode uitbazuint.quot;

„'t Is waar,quot; zei Schiller nadenkend; „de Duitschers houden, als zij in enthusiasme komen, zeer weinig maat. Maar het schijnt dat de grootsche, nieuwe ideeën, die gewis van Parijs uitgaan en het heil der wereld in heur schoot dragen, ook tegelijk alle nationaliteit en alle onderscheid van volksgevoel opheffen. Wat te Parijs geschiedt, is, zoo 't schijnt, een gemeenschappelijk goed van alle volken geworden, en de broederschap,gelijkheid en vrijheid wil een nieuw wereldburgerschap scheppen, dat, niets meer van Fran-schen, Duitschers, Spanjaarden en Engelschen weet, maar alle volken vereenigt tot één groote familie. In dien zin meende het waarschijnlijk Georg Forster, toen hij bij het planten van den vrijheidsboom ie Maintz zeide : Deze dag is de grootste en schoonste mijns levens.'' ^

„Het zal hem gewis nog wel eens berouwen, en hij zal inzien dat 't een dwaling was,quot; zei leKörner schouderophalend:

„Hij heeft zich óók laten begoochelen door de oproeping, welke generaal Dumouriez, toen bij met zijn Sansculottes over de grenzen trok, lot de natie uitvaardigde, „aan de

J) Historisch: Zie Johannes Scherr. 111. 37.

ocr page 410

156

verdrukte menschheid in Duitscliland,quot; zoo als de edele generaal uitroept, en ons bombastische vrijheidsfrazen als siuiif in de oogen strooit, opdat wij zouden verblind worden en niet zien, dat hij slechts komt om teroovenente plunderen, en het eigendom van de Duitsche verdrukte menschheid tot zich te trekken.quot;

„Gelukkig voor u, vriend,quot; glimlachte Schiller: „dat de groote cnthusiasten te Weimar uw lasterlijke woorden niet hooren ; want ge moet weten, zij zijn daar allen zeer in verrukking over de Fransche vrijheid, en Wieland en Herder zijn bepaalde Apologeten er van geworden.quot;

„En Goethe?quot; vroeg Körner levendig.

0 C

Schiller haalde de schouders op. —„Ik weet weinig van hem,quot; zeide hij: „Ge weet, er heerscht nu eenmaal geen vriendschap tusschen ons, en hij laat zich buitendien, naar ik geloof, ook weinig met staatkundige twisten in. Goelhe is een man van feiten ; en de ideale wereld waarin hij leeft, heeft weinig te maken met het Fransche burger-of Koningschap. Hèm omstralen de eeuwige goden, en waar hij ook is, is hij op den Olympus, en de goden zijn hem nabij. Ge weel het immers, vriend: Goethe is een der gezegenden en gevierden, en de grensoorlogen der menschen bekommeren hem weinig.quot;

„Hij heeft toch den oorlog medegemaakt, en is met den hertog in Champagne geweest.quot;

„Ja,quot; antwoorde Schiller: „en hij zal weder met hem gaan, als de oorlog opnieuw begint. Maar hij zal altoos de onpartijdige toeschouwer blijven, die als vriend zijn hertog volgt, en bereid is vreugde en leed met hem te deelen, maar wien het ongeluk der natiën evenmin aan't hart ligt als het ongeluk van één enkel mensch, al ware het ook een Koning. Ik echter, vriend, ik ben slechts een arme zoon der aarde; ik zit niet aan de tafel der goden, gelijk de groote Goelhe, en daarom treft mij ook het aardsche leed van den armen Koning, en ik meen, hoe belachelijk 't u ook schijnen moge, dat ik voor hem het woord mocht opnemen, en voor hem in naam van de geheele natie, ja der geheele menschheid, mocht redeneeren en spreken!quot;

„Ge wilt den Koning verdedigen tegen zijn beschuldigers'?quot; vroeg Körner levendig.

Schiller knikte. — „Ik zou het willen. Deze onderneming

ocr page 411

sehijiit mij gewichtig genoeg oui de pen van oen verstandig man bezig te houden, en een JJnitsdi schrijver, tüe zich met vrijheid en welsprekendheid over deze groote strijdvraag uitlaat, zou misschien op de weifelende hoofden dei-menigte eenige indruk kunnen maken. Als een enkele uit de geheele natie een openbaar oordeel uitspreekt, is men ten minste voor het eerste oogenblik geneigd, hem als den woordvoerder zijner geheele natie te beschouwen, en ik geloof, dat de Franschen in deze zaak, voor een vrij oordeel niet geheel ongevoelig zijn. Buitendien is deze stof er zeer toe geschikt, zulk een verdediging der goede zaak toe te laten, die aan geen misbruik blootgesteld. Een schrijver, die voor de zaak van den verdrukten Koning openlijk strijdt, mag bij deze gelegenheid wel eenige gewichtige waarheden meer zeggen dan een ander, en heeft ook wel iets meer crediet; terwijl hij de zaak van het koningschap verdedigt, is 't hem tevens geoorloofd, den Koningen eenige gewichtige waarheden te zeggen, en voor de vrijheid te strijden, terwijl hij het misbruik ervan zoekt te verhinderen.quot; ^

„Dit alles is zeer Iraai en groot gedacht!quot; zei Körner: „Maar ik houd het voor gevaarlijk, en geloof dat het verstandiger is, te zwijgen.''

„Verstandiger is het gewis!quot; riep Schiller met schitterende oogen; „maar niet heter-, bij zulke groote gebeurtenissen mag men niet onverschillig en werkeloos blijven. Had ieder vrijzinnig mensch gezwegen, dan zou nooit een stap tot onze bevrijding geschied zijn; er zijn tijden wanneer men openlijk spreken moet, wijl er ontvangbaarheid voor is, — en zulk een tijd schijnt mij de tegenwoordige te zijn!quot; 2)

„'t Is een illusie, mijn vriend!quot; zuchtte Körner; „maar zij doet uw edelen geest en hart eer aan, en zal eens een lauwer blijven in den krans van uwen roem. Gij draagt een ideaal van vrijheid en humaniteit in het hart, gelijk het uw edele markies Posa heeft; maar ik vrees, ge zult gelijk deze er mede schipbreuk lijden en moeten inzien, dat onze eeuw niet rijp is voor uwe idealen!quot;

1). Schiller's eigen woorden, Zie: Briefweohsel mit Korner. Ill,

2) Schiller's eigen woorden. Zie; als voren.

ocr page 412

158

„Misschien wèl!quot; riep Schiller in vervoering; „Elke eeuw heeft een schoon bouwland voor groole ideeën, en onder de massa thevindt zich altoos een aantal verheven men-schen, die het zaad uitstrooien op dit land, waaruit voor de menschheid edele vruchten groeien zullen. Noem mij niet onbescheiden, viiend, zoo ik mij tot deze zaaiers reken, wijl ik aan de menschheid, wijl ik aan de grootheid der eeuw geloof! Ik wil u nu ook bekennen, dat ik reeds een verdedigingsschrift voor den ongelukkigen en beklagens-waardigen Koning van Frankrijk begonnen heb, en ik wil het nu met ijver voortzetten en 'tdan dadelijk aan mijn vriend Hieltmann te Parijs zenden, opdat hij liet er verspreide. Ik geloof 'tis een goede daad, en ik wil er niet mede dralen, want . . . .quot; Juist opende zich de deur en de lieve Lotte trad binnen, om beide vrienden, die gedurende dit gesprek de morgenkoffie gedronken hadden, vriendelijk te begroeten, en den lieven Frits tot morgengroet hare lippen aan te bieden.

„Nu raad eens,quot; zei de jonge vrouw glimlachend: „wat ik onder mijn voorschool verborgen heb?quot;

„Nu, wat is het, mijn kleine Sphinx?quot; zei Schiller, vol liefde zijn jonge vrouw omvattende.

„'t Is iets, waarnaar ge mij sedert acht dagen eiken morgen vraagt,quot; zeide zij glimlachend.

„Nu dan is bet uw hart,quot; glimlachte Schiller: „want ik vraag eiken morgen, of uw hart nog 't mijne is en het mij nog behoort!quot;

„Dat is niet waar!quot; riep zij lachend: „Ge vraagt mij dit nooit! Ge hebt, evenals alle gehuwde mannen, de vaste en zekere overtuiging, dat mijn hart u onherroepelijk eigendom is, en ge vraagt mij niet!quot;

„Ik vraag niet met woorden, Lotte; ik vraag met mijn oogen, en geloof, ik versta u, Lolo. Maar nu wilde ik toch het raadsel weten : wat hebt ge daar onder uw voorschoot?quot;

„Ik heb een stuk wereldgeschiedenis, dat de bodin uit Weimar zooeven van mevrouw Charlotte von Kalb gebracht heeft. De hertog heeft heden per koerier de fran ■ sche nieuwsbladen, — die aan de grenzen lang zijn opgehouden geweest, — ontvangen, en ze aan mevrouw von Kalb gezonden, en deze zendt ze nu met een vriendelijken groet door onze bodin naar hier.quot;

ocr page 413

450

Schiller had mei driftige hand de hem gereikte papieren gegrepen, en ontvouwde ze.

„Hier is het laatste blad,quot; zeide hij verheugd : „de andere nommers zijn van vroeger datum; dit is van den 24 Januari; laat eens zien wat bet bevat.quot; — Hij doorliep haastig de gedrukte regels welke hij in de hand hield. Plotseling verbleekte hij en het papier beefde in zijn hand ; hij wierp het met een smartkreet en een beweging van afschuw op de tafel.

„Nu, wat is er?quot; vroegen Körner en Lotte tegelijk. Schiller sprong op en ging met groote stappen in de kamer op en neer; vervolgens bleet hij staan, en een sombere uitdrukking sprak uit zijn gelaat, toen hij met plechtige stem zeide:

„Er is iets vreeselijks, iets ongehoords gebeurd; de Koning van Frankrijk is door zijn eigen volk op de guillotine vermoord geworden!quot;

Lotte slaakte een kreet en drukte, als wilde zij het ontzettende niet zien, beide handen voor haar aangezicht. De bedaarde en weinig enthusiastische Körner beefde, en scheen dooi' een huivering bevangen. Een lange pauze ontstond vervolgens zeide Schiller met verheffing van stem en plechtig gelaat;

, Zij hebben zelf hun oordeel uitgesproken ; zij hebben wind gezaaid, en zullen storm oogsten ! Het groote, goddelijke beeld Vrijheid is door hen bezoedeld geworden, en daar is weder de jongeling van Sais, die de waarheid wilde kennen en door haar verpletterd werd. Gelijk deze Athener zal de geheele Fransche natie verpletterd worden door haar eigen waan, en zal boeten moeten in bloed en tranen, voor hetgeen zij gezondigd heeft in bloed en tranen! Het ideaal der vrijheid is van zijn voetstuk gevallen en ligt nu in stukken op den grond, waarvan eens een machtige hand voor de onder het juk gebrachte natie een kerker zal bouwen, waarin alle vrijheden gevangen en begraven zullen worden! Ik maak mij los van deze fransche revolutie en deze van bloed druipende Republiek; ik wil niets meer met haar te doen hebben, want zij heeft zich tot een gruwel gemaakt en de vrijheid geschandvlekt, in wier naam zij gemoord en verdrukt heeft.quot;

ocr page 414

400

„.Ta, ik maak mij los van do Fransche republiek!quot; voer hij mei luider stem voort, en zijn edel bleek gelaal schitterde van geestvervoering en opgewondenheid : „maar aan de grootsche ideeën der vrijheid zal ik steeds trouw blijven; en ik wil niet toegeven en gulooven, vriend Körner, dat het is zooals gij zegt: dat onze eeuw niet rijp is voor mijne idealen. De geesten van enkelen moeten zijn gelijk de levende zonnen, die de zeldzame en schoone vrucht der bewuste vrijheid tot rijpheid laten gedijen. En zoo dit ideaal niet in de werkelijkheid van het leven kan treden, moeten wij het koesteren en kweeken, en het redden in de reine sferen der gedachte, der poëzie en der kunst. De kunstenaar is wél de zoon van zijn tijd, maar hij is niet enkel zijn kweekeling en gunsteling. En de dichter heeft de heilige roeping, dal hij zijn eeuw het ideaal loo-nen, en verlangen ernaar moet opwekken. En zoo wil ik dan scheppen en werken als kunstenaar en als dichter; ik wil met woord en daad pogen, aan de wereld de richting ten goede te toonen, en als zij niel letten wil op mijn stem en op mijne handelingen, dan wil ik met ootmoed mijn hoofd buigen, doch zonder te wanhopen, nóch aan de menschheid, nóch aan de vrijheid, trots alle gruwelen, die geschieden!quot;

„Dit is gesproken als een edel mensch en een groot dichter!quot; zei Körner, Schiller's hand vol liefde vattende.

„Het is gesproken als Friedrich Schiller!quot; riep Charlotte, terwijl zij haar arm om den hals van den geliefde sloeg: „Heil der menschheid, dat zij een dichter heeft gelijk Friedrich Schiller!quot;

„En heil den armen, zwakken Friedrich Schiller, dal hij een vrouw heeft gelijk zijn Lotte !quot; zei Schiller feeder, terwijl hij een kus op het voorhoofd zijner vrouw drukte: „en een vriend als Körner,quot; voegde hij er bij, den vriend toeknikkende: „en laat ons nu (ie treurige gebeurtenis vergelen en vroolijk met elkander zijn, dal wij hier in onzen kleinen wereldhoek de muzen en gratiën een schuilplaats kunnen bereiden. Ik wil doen gelijk Goethe: ik wil mij niet meer bemoeien mei politiek. Ik heb ongelijk gehad mij om de wereldtwisten te bekommeren, en voor 'een vreemden Koning te willen schrijven; daar toch Apollo, de god der goden, mij de genade heeft bewezen, mij tot zijn priester te beroepen. Wees dus niel bezorgd, vrienden

ocr page 415

m

den; er zal mei iler tijd toch 110^ iets degelijks van mij worden, en ik hoop werken lo scheppen, waaraan gij vreugde zult beleven. En vreugde te hebben, is toch liet schoonste en heerlijkste dat de mensch op aarde begeeren kan. En (jij zult óók vreugde hebben, mijn lieve Lotte; wij willen dit jaar naar buiten in de wereld, — naar buiten naar het lieve Zwabenland; want ik verlang mijn geboorteplaats en mijn ouderlijk huis weder te zien, en wie weet, voer hij met zachte, fluisterende stem en glimlachenden mond voort, wie weet welke mysteriën en vreugde daar in het lieve Zwabenland uit het vaderlijk huis voor mij bloeien mogen!quot;

„Ja, wie weet!quot; zeide Charlotte met nedergeslagen oogen en een donkeren blos, die vriend Körner deed glimlachen.

In dit oogenblik werd het buiten op de straat levendig. Men hoorde het gerucht van vele voetstappen en het draven van paarden, en toen de drie naar het venster ijlden, zagen zij geheele kolonnes soldaten te voet en te paard in snellen draf voorbijkomen. Toen de straat vervolgens wederom een oogenblik ledig was geworden, kwam een rijtuig aanjagen, — een open kales, — en daarin zat de hertog Karei en naast hem de dichter en minister Wolfgang von Goethe. Zij waren in een druk gesprek, en geen van beiden zag op naar de kleine vensters, waarachter Friedrich Schiller met zijn vrouw en zijn vriend stond.

Als een vluchtig beeld trok de verschijning voorbij, en alles werd weder stil op de straat.

,,Wat kan dit beduiden?'' vroeg Schiller peinzend.

, Ik zal 't u zeggen,'' glimlachtte Lotte: „de godin, de Sphinx, die alle geheimen van Weimar kent en oplost, heeft het mij verkondigd: de oorlog breekt weder los, er zijn koeriers uit Frankfort van den Koning van Pruisen aangekomen. De oorlog breekt weder los, en onze hertog begeeft zich met zijn soldaten weder naar den Rijn, en Goethe vergezelt hem natuurlijk.quot;

„Ja, Goethe vergezelt hem,quot; herhaalde Schiller levendig: „de dichter moet met den Vorst gaan, zoo is het recht en zoo moet het zijn. Goethe vergezelt zijn hertog, en gij, mijn Lotte, vergezelt uwen armen dichter dit. jaar naar Zwaben, want de liefde moet óók met den dichter gaan 1quot;

11

Mühlbaoh, Buitschland in Woeling en Strijd. VI.

ocr page 416

162

III.

EEN LAATSTE POGING.

Zij hadden een langen tijd zwijgend tegenover elkander aan de ontbijttafel gezeten. De baron had, terwijl liij langzaam nu en dan uit den rijk vergulden kop zijn mokka slurpte, met oplettendheid de verschillende nievvsbladen gelezen, welke zijn rijknecht, zoowel op dezen als eiken morgen als hij op het slot Windeck overnachtte, van Kobïentz had moeten halen. Want hij was een groot politicus, de baron von Ehrenberg en Windeck, schoon hij de politiek niet om haar zelf beminde, maar enkel om naar hare constellaties zijne berekeningen te maken.

Hij had nu ijverig zoowel de nieuw aangekomen Fran-sche, — als de weinige Duitsche nieuwsbladen, — die destijds slechts tweemaal in de week verschenen,— gelezen en legde ze naast zich op de tafel, als een uitgeperste citroen, waarmede hij niets meer te maken had.

„Er zal dit jaar in de Duitsche badplaatsen geen vermaak en geen bezigheid zijn,quot; zeide hij, toen hij de laatste mokka uit zijn kop geslurpt en dien een weinig hard op 't schoteltje nedergezet had, als wilde hij door dit gerucht Leonora uit haar nadenkend zwijgen wekken.

Zij lette er echter volstrekt niet op, maar volhardde in haar zwijgen en werkte bedaard voort aan het fijn en sierlijk borduursel, waarmede zij bezig was.

De baron sloeg een blik op haar en een llauwe glimlach speelde om zijn lippen.

„De oorlog is nu bepaald verklaard,quot; voer hij langzaam en bedaard voort: „De Koning heeft reeds met zijn prinsen en zijn geheelen generalen staf Frankfort verlaten, en zich weder naar het leger begeven. Ook de hertog van Bronswijk is daar weder aangekomen, en wij zullen nu wel spoedig weder van nieuwe heldendaden, in de manier van het vorige jaar, van de geallieerden vernemen. Hieruit volgt dan. dat in de Duitsclie landen in dezen zomer weinig gezelschap zal zijn, en ons bezoek dus geheel nutteloos is.quot;

Hij-zweeg weder, als verwachtte iiij een antwoord. Maai' Leonora volhardde in haar zwijgen.

ocr page 417

1G3

„Ik weet niet,quot; zeide de baron na een pauze: „ik weet niet of mijn schoone eohtgenoote mij de eer heeft bewezen, naar mijne woorden te luisteren. Ik verzoek een trenadiy teeken.quot;

Zij hief langzaam hare oogen van haar borduurwerk op, en aanschouwde hem met een blik, die hem onwillekeurig de oogen deed nederslaan.

„Ik heb alles gehoord,quot; zeide zij: „en, naar ik geloof, ook alles begrepen.''

„Misschien ook nietquot; antwoordde hij, glimlachend het hoofd buigende: „'t Zou mogelijk zijn dat ge verkeerd hadt verstaan, en daarom wil ik uitdrukkelijk herhalen, wat ge noodzakelijk weten moet. 't Is onmogelijk dal ge dezen zomer op het slot Windeck blijft. De eenzaamheid en stilte zijn-evenmin goed voor u, als voor onze omstandigheden. Ge moet mede naar buiten in de wereld, mijn schoone Leonora; en wel, wijl ik, zooals bekend is, zeer patriottisch ben en levendig belang in de politiek stel, zoo zullen wij dit jaar, evenals in het vorige, den veldtocht mede maken, en ons weder bij de suite van den graaf van Artois aansluiten.quot;

Leonora sidderde, en een purpergloed schoot over hare wangen. Zij antwoordde echter niet, m lar boog haar hoofd en ging ijverig met hare bezigheid voort.

„Ge schijnt hier volstrekt geen belang in te stellen,quot; zei de baron spottend, „en evenwel hoop ik, dat ge u amuseeren zult. De hertogin de Liancourt, alsmede de prinses van Artois met haar geheel gevolg van fraaie, lustige cavaliers en bekoorlijke dames, zullen zich weder in de nabijheid van 't leger ophouden, en het zal weder een even vroolijk en ook voordeelig leven worden, als in den vori-gen zomer, 't Kan zijn dat de veldtocht dit jaar gelukkiger uitvalt, en wij werkelijk ditmaal naar Parijs komen. Hiermede zouden wij dan immers het doel van 't verlangen mijner schoone Leonora hebben bereikt.quot;

„Ik verlang volstrekt niet naar Parijs,quot; antwoordde zij langzaam: „ik wensch op het slot Windeck te blijven.quot;

11 ij haalde de schouders op.

„Hoe jammer, dat ik thans niet, — gelijk ik anders zoo gaarne doe, de wenschen mijner dierbare Leonora als bevelen beschouwen kan! Ik heb in dezen winter, daar ge

ocr page 418

104

mij de eer niet beweest, mijn partner te zija, aanzienlijke verliezen geleden, die hersteld moeten worden, en gij moet de groote goedheid hebben, mij hierbij behulpzaam te zijn.quot;

„Laat ons dan ten minste elders gaan, dan naar het krijgsleger,quot; zeide zij, en haar stem verried nu reeds iets van hare inwendige aandoening.

„Ik heb u immers reeds verklaard,quot; antwoordde hij zuchtend; „dat elders voor ons niets te maken is. Verontschuldig als 'tu blieft deze koopmansuitdrukking, maar zij kwam mij onwillekeurig op de lippen. Ik wilde zeggen, dat elders volstrekt geen amusement voor ons te vinden zal zijn. Het leven is bovendien zulk een tlauw en vervelend iets, dat men van de weinige opwekkingen, die het biedt, gebruik moet maken. En ge zult moeten toestemmen (uit uw ondervinding van het vorige jaar) dat dit krijgstooneel zelfs veel verstrooing en afwisseling bood. Laat ons het dus weder opzoeken en zeg zelve, mijn waarde Leonora: was het niet pikant en vermakelijk, als wij in onze koetsen elkander wederkeerig bezochten, en als de groote reiskoets van de prinses van Artois in een speelsalon werd herschapen, waarin wij, de cavaliers en de schoone dames, nauw opeendrongen, ons met de roulette verlustigden, die uw bekoorlijke hand voor ons draaide? Het zou zonderling, — en mij dunkt, zelfs zeer dwaas zijn, zoo wij deze vroolijke tooneelen van het verledene niet weder hernieuwden.quot;

„Het waren treurige en ontzettende tooneelen,quot; antwoordde Leonora langzaam en zwaarmoedig: „ik denk ei-dikwijls aan, en zij doen mij huiveren. Ik herinner mij de beide jonge cavaliers, die zich, in hunne wanhoop over hunne groote verliezen, in den vorigen zomer het leven ontnamen. Ik herinner mij de verachtende blikken, waarmede eenige voorname uitgewekenen mij, na zulk een nacht, dien wij met het hazardspel hadden doorgebracht, — aanschouwden, en mij den rug keerden, toen ik hen toelachte.quot;

Men moet, als men in onzen toestand is, niet zoo teergevoelig zijn, mijn lief kind. Leer toch eindelijk wijsheid door de dwaasheid van anderen. Leer toch begrijpen, dat er op aarde slechts ééne macht is, en deze macht het

ocr page 419

165

geld is. Ik hob mij een groot doel voorgesteld; en wanneer ge mij geholpen hebt, het te bereiken, wil ik om u heen eeu wonderwereld scheppen, die zelfs den lieren geest mijner Leonora verrukken en bevredigen zal. Dit doel, ge kent het, maar ik wil 't u nog eens herhalen, dit doel is: dat wij rijk worden, onmetelijk rijk. Die over millioenen te bevelen heeft, hèm behoort de wereld. — En verbeeld li slechts, mijn schuone Leonora, als wij, door mijn handigheid, door uwe schitterende schoonheid en liefelijke verleidingskunsten, — als wij over vier of vijf millioen te beschikken hebben, welk een heerlijk en benijdenswaardig leven zou dat zijn! Wij zullen dan niet hier in dit koude Noorden, onder deze vervelende en prozaïsche men-schen blijven, waar de vrouwen over elke schoonheid controle houden, en de mannen zich vermeten naar den oorsprong te onderzoeken, waaruit onze rijkdom is gevloeid — neen, wij zullen naar Italië trekken, en daar zal ik mijn schoone Leonora in Napels een heerlijk hotel voor den winter en aan den voet van den Vesuvius of in het schoone Tivoli bij Rome een villa voor den zomer koo-pen; zomer en winter zal zij in een stroom van lust en vreugde leven; overal zal zij heerschen. De giovine van Italië zal aan de voeten van de Koningin der schoonheid liggen. O Leonora, bedenk dit, en verhef u uit uw verslagenheid. De wereld is waarachtig niet waard dat men zich om harentwille eene vreugde ontzegt, en de moraal en de deugd zijn belachelijke begrippen, die in ieder land verschillend opgevat en verschillend uitgelegd worden. Zoo ik hier, bij voorbeeld, aan mijn schoone Leonora vergun, nevens mij een geliefden vriend en aanbidder te hebben dan roepen de deugdzame vrouwen moord en brand, en de mannen veroorloven zich beleedigende aanmerkingen. Zoo wij echter in Ilalië wonen, zal niemand hierin iets bijzonders vinden; want elke principessa en contesza, zoo goed als de gewone burgervrouw, heeft in Italië haar cicisbeo, wien de echtgenoot vergunt de kleine oplettendheden en huldigingen jegens zijn gade, die hèm lastig mochten vallen, te bewijzen en haar cavalier en aanbidder te zijn. O Leonora, als ik aan het paradijs denk, dat ik om u heen wil scheppen, dan is 't mij, alsof mijn koud hart nog eens jong wordt, en mijn fantasie herleeft

ocr page 420

I(i6

in gouden droomen. De tuinen van Armida wil ik om u heen scheppen, en gelijk een Armida zult ge aangebeden worden door eiken Roland, die u nadert, om zijn liefde-olïers, zijne brillanten en saffieren, zijn schatten aan uw voeten neder te leggen!quot;

„Afschuwelijk,'' zeide zij met een uitdrukking van de diepste verachting: „ik heb u bedaard aangehoord, niet, wijl ik uwe plannen wilde leeren kennen, maar om te weten, tot welk een graad van vernedering uw geldzucht u gebracht heeft.quot;

„Zeg liever, mijn levenswijsheid,,' antwoordde hij met een bedaarden glimlach: „ik ken de wereld en de menschen, en ik veracht beiden genoeg om mij te verbeelden, dat ik ze beheerschen kan. Geld! geld! geld! Dat is de leus van al wat leeft; en er kleeft geen vlek aan de millioenen, welke men bezit, maar slechts aan die, welke men bezitten wilde, en naar welke men vergeefs getracht heelt. Help mij, Leonora, dat dit woord niet op ons toepasselijk zij; wees wederom u zelve. Een groot geldman heeft gezegd: Het eerste millioen is moeilijk te verdienen, de anderen komen dan van zelf. Dat is de waarheid, Leonora. Help rnij, ons eerste millioen te verkrijgen, dan wil ik u ontzien, dan moge het kapitaal voor zich zelf arbeiden.quot;

„Ik kan niet!'' riep zij met een smartkreet, dien zij niet langer kon bedwingen : „Het is mij alsof de geheele wereld op mij nederstort. Ik kan dit leven niet voortzetten, 't Staart mij aan, als met een Medusagelaat, en ik gevoel mijn innigste leven er door vernietigd en verstijfd. Laat mij vrij — ban mij uit uw leven, — laat mij in eenzaamheid en stilte. Ik wil niets begeeren dan dit; — geen schatten, geen deel aan uw vermogen. Laat mij hier boven, tot het gezegende uur is gekomen, waarop ik hoop; tot ik mijn geliefd kind gezien heb. Dan wil ik mij terugtrekken in stilte en eenzaamheid, en de wereld zal nooit iets meer van mij vernemen.quot;

„Dat heet,quot; zeide bij: „ge wilt in een stift gaan. Een fraai en romanesk idee, die uw teergevoelig hart alle eer aandoet! Voor een jaar zoudt ge er om gelachen en 't voor onmogelijk gehouden hebben, dat ge u aan zulk een fantasie zoudt kunnen overgeven.quot;

„Ja,quot; hernam zij : „'t is waar ; voor een jaar was mijn hart

ocr page 421

167

licht en mijn geest lichtvaardig — ik was uwe leerlinge, uw werktuig en uw creatuur, 't Zou beter zijn geweest, als het zoo gebleven ware.quot;

„Gewis, het zou beter zijn geweest,quot; herhaalde hij: „want zekerlijk was het voor u zoowel als voor mij een ongeluk, toen ge op zekeren dag ontdektet, dat uw hart nog niet gestorven was, of liever, dat het voor het eerst ontwaakt was. Want, nietwaar, ge verbeeldt u immers, dat ge bij uw eerste liefde staat?quot;

Zij sprong op, en aanschouwde hem met gloeienden en toornigen blik.

„Zwijg!quot; zeide zij. „Hoon mij niet! 't Is genoeg wat ik lijd; leg uw ruwe hand niet op mijn wonde.quot;

„Fraai! fraai!quot; riep hij: „Nu zijt ge ten minste weder u zelve, 't Is mij ditmaal zeer moeilijk geweest, de leeuwin uit haar rust op te schrikken ! Maar luister nu, mijn schoone,onvergelijkelijke leeuwin; Gij bemint den prins Louis Ferdinand; dit is de reden uwer dweeperij en van uw veranderd deugdzaam wezen.''

„Ja,quot; riep zij harstochtelijk: „ge weet het, ik bemin hèrn; ge weet het, dat geheel mijn ziel, geheel mijn hart hem behoort. Ge hebt'het in mijne blikken gelezen, ge hebt het gezien in iedere beweging, in elk woord, als hij hier was; want ik heb 't wel gemerkt; ge hebt ons gadegeslagen en 't was u een vermaak, deze ontkiemende liefde tot den gloeiendsten hartstocht aan te vuren, En ge zijt als een booze demon, die haar gevoed en gekweekt heelt, tot zij in laaie vlammen opsloeg, door welke mijn geheel wezen verteerd en vernietigd is. Zie nu uw werk; zie, wat ge van mij gemaakt hebt! Hij is heengegaan, wijl ik het hem bevolen had, en evenwel verlangt mijn ziel naar hem, en geheel mijn wezen gloeit hem tegen.quot;

„Hij zal terugkomen,quot; viel de baron haar met een spotlach in de rede: „natuurlijk zal hij terugkomen, zoodra wij hem er de gelegenheid toe bieden.quot;

„Maar ik wil hem deze gelegenheid niet bieden!quot; riep zij, wild met de voeten stampende: „Ik wil mij losrukken van deze helsche macht, die de liefde op mij uitoefent. Ik wil niet den dag beleven, dat hij zich ontnuchterd en koel van mij afwend. Hij zal deze liefde voor mij als een fraaien, heerlijken droom in zich bewaren, en er

ocr page 422

1G6

in gouden droomen. De tuinen van Armida wil ik om u heen scheppen, en gelijk een Armida zult ge aangebeden worden door eiken Roland, die u nadert, om zijn liefde-offers, zijne brillanten en saffieren, zijn schatten aan uw voeten neder te leggen!quot;

„Afschuwelijk,'' zeide zij met een uitdrukking van de diepste verachting: „ik heb u bedaard aangehoord, niet, wijl ik uwe plannen wilde leeren kennen, maar om te weten, tot welk een graad van vernedering uw geldzucht u gebracht heeft.quot;

„Zeg liever, mijn levenswijsheid,,' antwoordde hij met een bedaarden glimlach: „ik ken de wereld en de raenschen, en ik veracht beiden genoeg om mij te verbeelden, dat ik ze beheerschen kan. Geld! geld! geld! Dat is de leus van al wat leeft; en er kleeft geen vlek aan de millioenen, welke men bezit, maar slechts aan die, welke men bezitten wilde, en naar welke men vergeefs getracht heeft. Help mij, Leonora, dat dit woord niet op ons toepasselijk zij; wees wederom u zelve. Een groot geldman heeft gezegd: Het eerste millioen is moeilijk te verdienen, de anderen komen dan van zelf. Dat is de waarheid, Leonora. Help mij, ons eerste millioen te verkrijgen, dan wil ik u ontzien, dan moge het kapitaal voor zich zelf arbeiden.quot;

„Ik kan niet!'' riep zij met een smartkreet, dien zij niet langer kon bedwingen: ,,Het is mij alsof de geheele wereld op mij nederstort. Ik kan dit leven niet voortzetten, 't Staart mij aan, als met een Medusagelaat, en ik gevoel mijn innigste leven er door vernietigd en verstijfd. Laat mij vrij — ban mij uit uw leven, — laat mij in eenzaamheid en stilte. Ik wil niets begeeren dan dit; — geen schatten, geen deel aan uw vermogen. Laat mij hier boven, tot het gezegende uur is gekomen, waarop ik hoop; tot ik mijn geliefd kind gezien heb. Dan wil ik mij terugtrekken in stilte en eenzaamheid, en de wereld zal nooit iets meer van mij vernemen.quot;

„Dat heet,quot; zeide hij: „ge wilt in een stift gaan. Een fraai en romanesk idee, die uw teergevoelig hart alle eer aandoet! Voor een jaar zoudt ge er om gelachen en 't voor onmogelijk gehouden hebben, dat ge u aan zulk een fantasie zoudt kunnen overgeven.quot;

„Ja,quot; hernam zij : „'t is waar ; voor een jaar was mijn hart

ocr page 423

167

licht en mijn geest lichtvaardig — ik was uwe leerlinge, uw werktuig en uw creatuur, 't Zou beter zijn geweest, als het zoo gebleven ware.quot;

„Gewis, het zou beter zijn geweest,quot; herbaalde hij: „want zekerlijk was het voor u zoowel als voor mij een ongeluk, toen ge op zekeren dag ontdektet, dat uw hart nog niet gestorven was, of liever, dat het voor het eerst ontwaakt was. Want, nietwaar, ge verbeeldt u immers, dat ge bij uw eerste liefde staat?quot;

Zij sprong op, en aanschouwde hem met gloeienden en toornigen blik.

„Zwijg!quot; zeide zij. „Hoon mij niet! 't Is genoeg wat ik lijd; leg uw ruwe hand niet op mijn wonde.quot;

„Fraai! fraai!quot; riep hij: „Nu zijt ge ten minste weder u zelve, 'tls mij ditmaal zeer moeilijk geweest, de leeuwin uit haar rust op te schrikken ! Maar luister nu, mijn schoone,onvergelijkelijkeleeu\vin;Gij bemint den prinsLouis Ferdinand; dit is de reden uwer dweeperij en van uw veranderd deugdzaam wezen.''

„Ja,quot; riep zij harstochtelijk: „ge weet het, ik bemin hèrn; ge weet het, dat geheel mijn ziel, geheel mijn hart hem behoort. Ge hebt'het in mijne blikken gelezen, ge hebt het gezien in iedere beweging, in elk woord, als hij hier was; want ik heb 't wel gemerkt: ge hebt ons gadegeslagen en 't was u een vermaak, deze ontkiemende liefde tot den gloeiendsten hartstocht aan te vuren. En ge zijt als een booze demon, die haar gevoed en gekweekt heelt, tot zij in laaie vlammen opsloeg, door welke mijn geheel wezen verteerd en vernietigd is. Zie nu uw werk; zie, wat ge van mij gemaakt hebt! Hij is heengegaan, wijl ik het hem bevolenquot; had, en evemvel verlangt mijn ziel naar hem, en geheel mijn wezen gloeit hem tegen.quot;

,,Hij zal terugkomen,quot; viel de baron haar met een spotlach in de rede: „natuurlijk zal hij terugkomen, zoodra wij hem er de gelegenheid toe bieden.quot;

„Maar ik wil hem deze gelegenheid niet bieden!quot; riep zij, wild met de voeten stampende: „Ik wil mij losrukken van deze helsche macht, die de liefde op mij uitoefent. Ik wil niet den dag beleven, dat hij zich ontnuchterd en koel van mij afwend. Hij zal deze liefde voor mij als een fraaien, heerlijken droom in zich bewaren, en er

ocr page 424

168

niot uit ontwaken tol de verbleekte werkelijkheid; —■ daarom wil ik hem niet wederzien, en daarom zult ge niet van mij begeeren, dat ik met u weder heentrek tot de ver-foeielijke speculatie van ons verleden.quot;

„Hoe fraai klinkt dit alles, en hoe fraai ziet gij er uit, als ge zoo spreekt,quot; zeide hij volkomen bedaard: „en welk een voorbeeldig echtgenoot ben ik; -- ik geraak niet in ijverzuchtige woede, als mijn waarde gade mij hare liefde voor een ander openbaart, en haar fantastische hymne op deze liefde aanheft.quot;

„Ik wenschte, dat ge in woede geraaktet;quot; riep zij hartstochtelijk: „Ik wenschte, dat ge de hand ophieft en mij nedersloegt, zoodat ik nooit weder van den grond opstond. Ik wenschte, dat ge mij in razende ijverzucht vermoordet. Het zou mij beter zijn te sterven, dan te leven in deze foltering van liefde en hartstocht. O, Koenraad, heb toch ontferming, laat ons heengaan, vér van hier.quot;

„Ge hebt gelijk, wij willen later naar Italië gaan.quot;

„JNeen, niet later; niet eerst als ge rijk zijt, alsgemil-lioenen door logen en bedrog en laagheid verkregen hebt. Laat ons thans gaan, ons vermogen is toereikend om daar een behagelijk leven te leiden. Laat ons heengaan van hier! Ontferm u over mijn ziel; ontferm u over mijn arm, gewond en verscheurd hart!quot;

Hij lachte luid, en zij trilde bij dezen lach, alsof een moordwapen haar borst had getroffen.

„Waarom weg van hier, Leonora? Hebt ge nog altoos de oude hersenschimmen van eer en fatsoen?quot;

„Nu ja;quot; antwoordde zij met nadruk; — „altoos nog de oude hersenschimmen. Ik gruw als ik aan mijn kind,aan mijn geliefde dochter denk. Ik smacht haar te zien, 't is het doel mijns levens; en evenwel, als ik er aan denk, hoe ik haar zal tegemoettreden, schaam ik mij over mij zelve en wend mijn hoofd af van mijn eigen verschijning. Ik zou voor mijn dochter een goede moeder willen zijn. Ik wilde, als ik haar eindelijk zag, tot haar kunnen zeggen ; Zie, ik ben uit een afgrond opgestaan, — ik ben rein geworden en goed, wijl ik u bemin, Magdalena. Neem mij aan uw hart, mijn kind, en beloon mij door liefde voor 't geen ik in liefde gedaan heb.quot;

„'I Is onmogelijk!quot; riep hij heftig. „Mijn doel staat vast;

ocr page 425

169

illt; heb u vooraf gezegd, wal dit doel is, en ge moet met mij gaan tot wij het bereikt hebben.quot;

„Cïa dan ten minste niet naar het leger,quot; sprak zij, terwijl zij hevig aangedaan voor hem op hare knieën viel; „ik wil u volgen waarheen ge wilt, maar niet daarheen. Denk dat ik een zwakke, een teedere en hartstochtelijke vrouw hen; denk dat ik hem gloeiend bemin en niet meer de macht, — en misschien ook niet den wil iii mij heb, om hem te weertaau. Hij bemint mij hartstochtelijk. Ik heb hem van mij verwijderd, wijl ik niei wilde, dat hij de achting voor mij verliezen zonde. — Laat mij hem niet wederzien! Ik openbaar u de zwakheid van mijn hart; ik zeg ii: ik sta aan een afgrond. Nóg kan ik mijn oogen vrij opheffen tot God en tot mijne dochter, — laat het zóó blijven, laat mij hèm niet wederzien !quot;

„Dwaze dweepster; ge zult hem wederzien, en ge moei hem wederzien. Ik wil het zóó! 'lis mij tamelijk onverschillig of hij u acht; ik weet slechts dat hij u bemint,— ik weet dat de liefde hem blind maakt en dat hij een rijk cavalier is.'1

Zij verborg haar gelaat in hare handen en gilde: „O, schande en wee over u!quot;

Hij zag op haar neder, hoe zij daar met bedekt gelaat aan zijne voeten nederknielde, en slechts een koud spottend lachje speelde om zijn lippen.

„Kom, Leonora, sta op,quot; zeide hij na een pauze: „waar toe dat jammeren en klagen? Gij hebt het leven, zooals ik het u bood, aangenomen in dat uur, waaraan ik u niet weer herinneren wil. Gij hebt gezworen, mij trouw te zijn en mij trouw ter zijde te staan, en ik heb hiervoor van wraak en gerechtigheid afgezien. Staak dit Jammeren en dwaze klagen. Ieder moet zijn lot aannemen en het dragen, zooals hij 'tzich zeiven bereid heeft. Maak u gereed en neem uwe maatregelen. Binnen veertien dagen reizen wij naar het krijgstooneel, — want, ik herhaal het u; de graaf van Artois met zijn gemalin en zijn geliefde, en de geheele stoet van fraaie cavaliers is er reeds aangekomen.quot;

„Laat mij dan ten minste vooraf mijn dochter zien!quot; bad zij, het van tranen overstroomd aangezicht tot hem opheffende. „Ik bezweer u, laat mij mijn kind zien, opdat ik uit haar aanblik troost en kracht scheppe, om . . . .quot;

ocr page 426

170

„Om een deugdzame dame te worden?'' viel hij baai-spottend in de rede; „Neen, mijn schoone Leonora, alles blijft zooals bet bepaald is.quot;

Zij sprong op en legde in bartstocbtelijke aandoening bare banden op zijn schouders. — „Ik bid u, Koenraad, laat mij mijn kind zien. 't Is het eerste en eenige, wat ik van u smeek, sedert dien vreeselijken dag. Ge weet, ik heb alles nauwkeurig en trouw gedaan wal ge van mij begeerdet. Vervul deze eenigste bede! O, vervul baar, en ik zal u een onderworpen gade zgn! Ik zal alles doen wat gij begeert! Ik wil zelfs met u naar hel oorlogstooneel te-rugkeeren, en daar de vreeselijke rol weder spelen, welke ge'mij hebt opgelegd; maar laat mij mijn kind zien.''

Hij wilde zich uit hare klemmende handen losrukken, maar zij hield hem des te vaster,

„'t Is lijd voor de jacht; waarloe dit nutteloos praten en strijden? Hoor, het slaat elf uur. 'I Is het uur voor bet rendez-vous, dat ik mijn buren, welke ik tot de klopjacht heb genoodigd, bepaald heb ; zij verwachten mij beneden bij de kleine kerk. Laat mij los.quot;

„Koenraad, laat mij mijn kind zien! Ik bezweer u. Bedenk, dat van dit oogenblik het heil van mijne ziel en de uwe athangt; — bedenk dat uw leven . .

Hij zag haar met een grimmigen blik en een wreeden glimlach aan, die haar plotseling deed zwijgen.

„Mijn leven?quot; vroeg hij met sissende stem: „Waarom ziet ge mij weder zoo wreed aan, leeuwin? Zijl ge reeds weder gereed mijn leven te bedreigen? Ontwaakt die oude, wilde lust weder in u?quot;

Zij sloeg voor zijn doorborenden blik de oogen neder, en de handen, die hem zooeven nog zoo vast geklemd hadden, zonken krachteloos neder.

„Laat mij mijn kind zien,quot; prevelde zij zacht en sidderend.

Nu klonk van buiten het vroolijk schetteren der hoorns.

„Zij roepen mij,quot; zei de baron, en hij ijlde naar bet venster, rukte hot open en riep: „Ik kom, ik kom!quot;

Van beneden klonken vroolijke mannenstemmen: „Ge hebt op u laten wachten, baron, wij komen u halen.quot;

„Ik kom dadelijk,quot; riep hij.

Hij verwijderde zich van bet venster en trad weder

ocr page 427

171

naar Leonora, die macliteloos op een stoel was nederge-zegen.

„Laat dit iiet laatste tooneel zijn,quot; zeide hij; „neem hot leven aan zooals het zijn moet, en wees verstandig. Ik hoop, als ik terugkom, mijn dierbare Leonora met de toebereidselen tot onze reis bezig te zullen zien. Adieu!quot;

Hij knikte haar toe, en verliet zonder antwoord af te wachten, de kamer.

IV.

DE SLEUTEL

Onbewegelijk zat zij daar en staarde voor zich uit; luisterende naar de stemmen, die in haar hart lluister-den — heillooze, demonische stemmen, die van gloeienden haat en van vurige liefde spraken. Yan gloeienden haat tegen haar echtgenoot, aan wien het noodlot haar geketend had, en dien zij behoorde gelijk een slavin haren meester, — van vurige liefde voor hèm, die verre van haar was, en naar wien haar hart riep met iedere gedachte en met eiken ademtocht baars levens.

Zij zelve had hem van zich verwijderd ; op hare knieën had zij hem gebeden van haar te gaan en haar niet weder te zien; — met al de kracht van een hartstochtelijk en sterk hart had zij hem gesmeekt, de hei innering aan deze liefde, rein en verheven te behouden, en haar zelve te bewaren als een heilige herinnering.

En hij had onder duizend tranen en heete zuchten aan haar smeeken toegegeven, en was heengegaan.

Maar thans, nu hij weg was, verlangde zij naar hem als naar een troost van God; als naar een eersten zonnestraal na een langen donkeren nacht! Waarom,ach waarom had zij het gedaan, waarom haar hart deze smart opgelegd, van haar ziel dit offer gevorderd?

Om den wille van haar kind; om den wille van het lieve, dierbare meisje, dat het doel van haar verlangen, dat de goddelijke gedachte van haar hart was.

ïe midden van haar lichtvaardig leven en wereldschen

ocr page 428

172

lust was do gedachte aan haar kind als het heiliye kruis geweest, tot hetwelk zij dikwerf had opgezien, en nu had om dit kruis zich een andere liefde geslingerd en haar opgetrokken uit het slijk der laagheid en ondeugd, waarin de hand van haar echtoenoot haar had nederge-stooten.

Dit dacht, dit overwoog zij, terwijl zij bewegingloos op haar stoel zat en op den grond staarde.

Plotseling, geheel onwillekeurig, viel haar dwalende blik op een glinsterend voorwerp, dat op den grond lag, — een kleine blanke sleutel. Aanvankelijk staarde zij er op, zonder er acht op te geven, maar vervolgens scheen het, alsof dit glinsterend voorwerp haar uit haar peinzen en mijmeren wekte. Zij stond onwillekeurig op om den sleutel op te rapen en vervolgens beschouwde zij hem.

„Wat is dit voor een sleutel? Ik ken hem niet; hij behoort mij niet!quot;

Plotseling ontroerde zij, en een kreet ontglipte aan hare lippen — een kreet van triomf en verrassing.

„'t Is de sleutel van zijn schrijftafel,'' prevelde zij met trillende lippen: „de sleutel, dien hij nooit afgeeft; dien hij 's nachts onder zijn hoofdkussen verbergt en des daags in zijn zak bij zich draagt. Ja, 't is deze sleutel — ik heb hem nog nooit in naijne handen gehad, — hij behoedde hem voor mij als het licht zijner oogen. Hoe komt deze sleutel hier?quot;

Zij staarde er op en peinsde, en herinnerde zich nu, hoe straks, toen hij met haar worstelde en zij hem vasthield, de ketting, waaraan zijn horloge bevestigd was, los was getrokken. Zij had iets hooren rinkelen, zonder er acht op te slaan, hij had naar zijn horloge gegrepen, en in hetzelfde oogenblik had het geluid der jachthoorns zijn aandacht getrokken. Ja, toen was de sleutel op den grond gevallen, en hij wist het niet.

Een donkere gloed overtoog hare wangen. Zij hief triomfantelijk (.len sleutel in haar hand omhoog, als wilde zij hem God hierboven toonen.

„Ik heb hem, en nu zal ik vernemen waar mijn dochter is!quot;

Nu ijlde zij door de kamer heen, zacht op de teenen, als vreesde zij door onzichtbare geesten bespied en gade-

ocr page 429

473

geslagen te worden — zocht op de teenen door de beide aangrenzende vertrekken, naar de kamer van haar edil-genoot.

Daar stond de schrijftalei, waartoe de sleutel behoorde, en zij stak hem in het slot.

Maar tevergeefs; de sleutel paste wel, maar hij liet zich niet omdraaien. Het was een kunstslot, en men moest het geheim kennen om het te kunnen openen.

Met welk geduld draaide ze eraan; hoe dikwerf haalde zij den sleutel er weder uit, dien beschouwende en met opmerkzamen blik het werk besludeerende, en dan in het sleutelgat ziende, om de beweging te onderzoeken en langzaam, zeer langzaam naar alle zijden den sleutel omdraaiende.

Urenlang op de knieën liggende, was zij alleen hiermede bezig, niet lettende op den tijd, niet wetende dat het middaguur gekomen was! En toen zij zich dit plotseling herinnerde, -- niet wijl zij honger had, maar wijl zij dacht dat de dienstboden haar lang toeven mochten opmerken, en zij den baron mochten zeggen, dat zij niet gegeten had, dat zij uren lang in zijn kamer was geweest, — toen staakte zij haar ijverig werk en navorscliingen, en keerde terug naar haar eigen kamer, waar zij nu was toen de knecht kwam om aan te kondigen, dat de tafel gereed was.

Na den maaltijd had zij immers weder rust en tijd om hare pogingen voort te zetten, zonder gestoord te worden ; want eerst laat des avonds zou haar echtgenoot tehuis komen, en in dien tusschentijd zou zij het geheim van het slot ontdekt hebben, zeker!

Zij zette zich volkomen bedaard aan haar eenzaam diner, liet zich door den lakei de schotels toedienen, en dwong zich te eten.

Vervolgens, toen dit gedaan was, gaf zij bedaard bevel, dat men haar niet storen, — en elk bezoek afwijzen moest, zoo soms iemand naar het slot Windeck kwam. Zij wilde alleen zijn en bevond zich niet wel, zeide zij, en zij hield zich kalm tot zij in hare vertrekken teruggekeerd was.

Maar toen sloot zij de deur, en ijlde door alle kamers heen, weder naar de schrijftafel, knielde ei' voor en begon haar vorig onderzoek opnieuw.

Eindelijk, eindelijk gelukte het haar, het slot te openen-

ocr page 430

174

Met een luiden jubelkreet trok 7,ij gt;le lade open, met bevende handen woelde zij in de papieren.

Hij ontvangt brieven van haar, en deze brieven bewaart hij; en hij ontvangt berichten van de priores van het klooster waar Magdalena wordt opgevoed, en ook deze brieven bergt hij in zijn schrijftafel.

Zij moet ze vinden — zij zal ze vinden, deze papieren, die haar zeggen waar Magdalena is!

Met bevende handen onderzoek zij alles.

Niets, geen spoor van deze geliefde brieven, naar welke haar ziel smacht als naar een troost van God. Niets —

Daar, achter in deze lade bespeurt zij nu een gouden knopje. Zij drukt er tegen, en er opent zich een deurtje, een geheim vak! Met sterk kloppend hart laat zij haaa sidderende hand in de opening glijden. Ja, er zijn papieren in, zij zal nu vernemen waar haar kind, haar geliefd kind is! Slechts twee papieren bevat het geheime vak!

Haastig sloeg zij het eerste uiteen, haastig vloog zij met de oogen den inhoud van den briel door. Plotseling verbleekten hare wangen, een kreet van ontzetting drong van hare lippen, zij staarde op het papier, als kon zij den inhoud niet begrijpen. Zij wierp den brief op den grond,'en sloeg het andere papier uiteen,

Eenige korte regels waren er op geschreven, en een zegel was onder deze regels gedrukt.

Zij las ze weder en altoos weder. Vervolgens drong een luide, gillende lach van hare bevende lippen, en als door den bliksem getroffen, zonk zij onmachtig op den grond neder.

Hoe lang zij zoo gelegen had, wist zij niet; zij voelde slechts dat een ruwe hand haar greep, zij hoorde slechts dat een gillende stem haar in 't oor schreeuwde; „Diefegge, verraadster!quot; — en toen zij de oogen opsloeg, zag zij in het dreigende, bleeke gelaat van haren echtgenoot, die haar met bliksemende oogen aanstaarde, en hare beide handen vasthield.

,;Ge hebt mijn schrijftafel geopend?quot;

,Ja,quot; zeide zij, en drukte van woede en toorn haar tanden opeen; „Ja, ik heb het gedaan !quot;

„Ge hebt het geheime vak geopend, en de papieren gevonden ?quot;

ocr page 431

175

„Ja,quot; herhaalde zij, — en zij sprong op en stond nu met bliksemende oogen voor hem; „Ja, ik heb ze gevonden en ik weet nu, dat ge mij jaren lang belogen en bedrogen hebt; ik weet nu, dat het kind, waarnaar ik verlangde, — dat mijn éénige hoop en vreugde was, dat dit kind reeds voor een jaar gestorven is, en dat gij als logenaar en bedrieger jegens mij gehandelt hebt, goddelooze huichelaar! Ik weet alles. Daar ligt de doodacte op den grond, en daar de brief, waarin de priores u meldt, dat het kind gestorven is. Ge hebt jegens mij gehandeld als een ellen-dige schurk, en als een ellendisen schurk wil ik u straffen.quot;

Zij wierp zich met opgeheven hand op hem, maar hij greep die en hield haar vast.

„Moordenares,'' siste hij: „wee u, als uw hand het nog eens waagt zich tegen mij op te heffen. Denk aan denge-ne, dien ge bemint: moet hij zich van u verwijderen?quot;

„Hij moet het,quot; riep z1quot; woedend: „hij kan het! Wat is mij aan de wereld gelegen, wat is mij aan de menschen gelegen? Ik ben een ellendig, veracht schepsel, maar toch niet zoo verachtelijk als (jij zijt. Jaren lang mij te beliegen en te bedreigen, mij aan een waan over te geven! O'tis wreed, zóó wreed, dat men er om lachen moest, zoo bet niet ware om zijn bloed in tranen te laten wegstroomen!''

De tranen welke zij tevergeefsch poogde tegen te houden, stroomden uit hare oogen, een krampachtig sidderen vloog door haar geheele gestalte, en als het reutelen van een stervende kwam uit haar borst.

„Logen was mijn geheel leven, en van logen ben ik omgeven, van logen en bedrog!quot;

Het scheen als had hij medelijden met haar smart en jammer. Hij liad naar haar toe, en legde zijn handen op haar schouders.

Maar zij sprong terug, als had een vergiftig insekt haar aangeraakt. „Raak mij niet aan, ik gruw van u, leugenaar en bedrieger! Ik ben verloren, verloren! Mijn ziel heeft haar laatsten steun verloren, en nu zal ik nederzinkenin den afgrond — leddeloos. Zij'was mijn goede engel, nu ben ik aan den duivel vervallen, en de zonde houdt mij in hare strikken omvat! Wat zou mij nu nog staande houden, wat zou mij bewaren, nu deze laatste troost van mij geweken is? Ik wilde goed en deugdzaam zijn om

ocr page 432

470

harentwille, — ik wilde mijn oor voor (lea glocienden hartstocht sluiten om harentwille. — Ik wilde den demon, die aan mijn zijde staat, zelfs den trouw der gade bewaren om harentwille. En nu is alles verloren, alles T'

„En nu is alles gewonnen, alles weder in orde,'' zeide hijquot; met spottende stem: „Nu zult ge niet meer gekweld worden door zelfverwijt en dooi' teeder berouw, 'tls mij aangenaam dat ge nu eindelijk het geheim weet. Ja, het arme kleine kind is voor eenigen lijd gestorven. Ik wilde u verschoonen van deze treurige tijding; want ge weet wel, mijn schoone Leonora, ik hen er steeds op bedacht alle smart van u verwijderd te houden.quot;

„Dat heet, ' riep zij, zich hooger oprichtende en hem met bliksemende oogen aanstarende„dat heet, ge wildet mij in afhankelijkheid van u houden. Ge wist dat dit kind de band was, die mij aan u boeit, en daarom be-droogt ge mij en liet mij gelooven dat het nog leefde. Ge wist dat ik mij voor altijd van u zou afwenden, indien deze laatste band verscheurd was, en daarom hui-cheldet ge, en omgaaft mij met een weefsel van bedrog en valschheid.quot; , .

„Er is iets waars in,quot; antwoordde hij kalm: „maar tis toch niet geheel zoo. Ge zijt ook buiten dat aan mij gebonden, want ge zijt mijn vrouw, en wij zijn zoowel voor de wereld als voor God plechtig door de hand des geestelijken gehuwd. Het huwelijk is onverbreekbaar, en ik heb een recht op u en op uw leven. Bedenk ook wèl; ik heb nog een ander recht op u, dan dat, hetwelk den eed dien wij voor den geestelijke gedaan hebben, mij gegeven heeft. Ik heb dit

recht op u.quot; , , , j

Hij wees weder op zijn voorhoofd en op de donkerroode vlek aan zijne slapen, die thans, nu hij bleek was van inwendige opgewondenheid, nóg donkerder scheen.

„Zie op dit zegel van ons eeuwig verbond, en herinner u dat ge de mijne zijt.quot;

Zij beefde inwendig en sloeg hare oogen neder. „Ik geef u tijd te kalmeeren en tot u zelve te komen, zeide hij na een poos met bedaarde stem : „'t Is goed, zooals ik u reeds vroeger zeide, — dat ge het geheim kent. Ge zult nu van het eeuwige zelfverwijt los en bevrijd zijn, en weder geheel bereid om het leven te genieten,

ocr page 433

177

en het vluchtige uur niet af te wijzen. Dit is de eenige wijsheid des levens: het oogenhlik te genieten en niet naar de toekomst te vragen.quot;

„Ge zijt de hooze geest, die mij in banden houdt,quot; prevelde zij huiverend; „Wee mij; er is voor mij geen bevrijding, geen redding meer!quot;

„Neen, geen bevrijding,quot; herhaalde hij; „wij zijn aaneen-gekluisterd door de liefde en door uw misdaad. Wees nu verstandig en schik u in het onvermijdelijke.quot;

Zij legde met een plechtige beweging haar hand op zijn schouder, en zag hem vast en strak in het gelaat.

„Geef mij de vrijheid,quot; zeide zij zacht; „ontsla mij van den eed, die mij aan u bindt; ik wil trachten weder goed te maken wat ik misdaan heb.quot;

„Op welke wijze wilt ge dat doen?quot; vroeg bij.

„Ik wil mij met mijn smart en mijn foltering, mijn liefde en mijn zelfverwijt in een stift terugtrekken, en daar wil ik in mijn eenzaamheid dag en nacht voor u bidden. Laat mij daarheen gaan, Koenraad! 't Is een laatste kreet mijner worstelende ziel, laat mij daarheen gaan!quot;

Hij lachte luid. — „'tls een fantastisch idéé van uw verliefd hart,quot; zeide hij : — „anders niet! En zoo ge heden aan deze dweperij gehoor gaaft, zou 't u morgen berouwen. Ge zijt een kind der wereld, en de wereld heeft hare rechten en oefent hare aantrekking op u uit. Wees niet dwaas, mijn lieve, — dwing mij niet tot gewelddadige middelen. Wij reizen naar onze vrienden, en wij zullen, hoop ik, op het oorlogsveld menig vroolijk too-neel beleven, en menig allerliefst blijspel uitvoeren.quot;

„Ge wilt het?quot; vroeg zij, en haar gloeiende blikken boorden zich in zijn aangezicht; „Ge staat er op? Ik zeg u dat ik prins Louis Ferdinan 1 hartstochtelijk bemin. Ik zeg, dat, zoo ik thans aan hem denk, er voor mij geen plicht van deugd, van eer, van zedelijkheid meer bestaat; want mijn kind is dood, en ik heb mijn laatsten steun verloren! Ik heb niets meer dan mijn liefde, mijn hartstocht! Ik zeg het u. en ge wilt mij niet terughouden, ge wilt mij met hem samenbrengen ?quot;'

„Ik ken u beter dan gij u zelve kent,quot; zeide hij gelaten ; „ik bouw op uw trouw, en ik weet dat ge een rein en sterk hart hebt.quot;

HüMljaoh, Buitschland in Woeling en Strijd. VI. 12

ocr page 434

178

Nu was zij liet, die in een luiden spottenden lach uitbrak. Maar het klonk als een bedreiging, en de blik, dien zij thans op hem richtte, deed den baron huiveren.

„Welnu,quot; zeide zij: „zooals ge beveelt; uw slavin onderwerpt zich aan uwen wil. Wij gaan waarheen ge wilt, maar wee u en mij, dat ge het gewild hebt!quot;

V.

VOOR MAINTZ.

De oorlog tegen Frankrijk was dus weder begonnen, maar ditmaal op een nieuw tooneel. Ditmaal was Duitsch-land het oorlogstooneel, waarop de groote strijd der republiek tegen de monarchie zou worden voortgezet.

De Franschen hadden in 't begin van't jaar 1793 de ves-tino- Maintz veroverd, en generaal Custine, de eerste generaal der republiek, die Duitschlands grenzen overschreed, had een pralend manifest aan het Duitsche volk uitgevaardigd, waarin hij de „verdrukte Duitsche volken en de door hunne vorstelijke tirannen gemartelde onderdanenquot; opriep, deel te nemen aan de algemeene volksbevrijding, en de broederhand aan te nemen, welke het Fransche volk hen toereikte door zijne soldaten, die naar Duitschland waren gekomen met geen ander doel, dan de onderdrukten behulpzaam te zijn, om hunne vrijheid te winnen.

En menig opgewonden hoofd en vervoerd hart bad dit manifest toegejuicht; had zich door de hoogdravende woorden laten begoochelen en geloofde en hoopte werkelijk, dat uit Frankrijk voor de verdrukte menschlieid het volksheil en de volksvrijheid komen zouden.

Inzonderheid te Maintz had een aantal jonge, vurige mannen een club gevormd, die zich ten taak stelde, de groote idéën der Fransche republiek verder onder het Duitsche volk te verbreiden, en de vrijheid, gelijkheid en broederschap, die te Parijs met het bloed der aristocraten en het mes der guillotine bezegeld was, ook tot leus van alle vrijheidlievende Duitschers te maken.

De leden der club hadden dus de Franschen met luid

ocr page 435

179

gejubel ontvangen, en onder hunne bescherming was het geweest, dat George Forster op het groote marktplein te Maintz den eersten vrijheidsboom geplant had.

Fransche regimentsmuziek had hierbij de ju helende fanfare geblazen, en de Duitsche clubgenooten hadden hunne vurige vrijheidsliederen erbij gezongen. Maar het volk zag slechts met verbitterd gelaat en sombere blikken bij deze uitspattingen der ideaalpolitieken toe. Het begreep niets van de idealen welke genen vierden — het wist slechts, dat de Franschen Duitschlands vijanden waren, en dat zij de duitsche stad Maintz veroverd hadden.

Het volk begroette derhalve met heimelijke vreugde het bericht, dat de geallieerden weder te velde waren getrokken, en dat zij aanrukten om Maintz te belegeren, en de Franschen er weder uit te verdrijven.

Wel is waar, durfde niemand het wagen deze vreugde uit te drukken, want het was een sterk legerkorps, dat in en om Maintz gelegerd was, en het was gevaarlijk zich als vijand verdacht te maken.

Maar 't was ook een sterk legerkorps, dat naderde, om de Duitsche vesting van de Fransche veroveraars te herwinnen. Meer dan honderdduizend Oostenrijkers en Pruisen trokken met vereende kolonnes nader, en sloten een hal ven kring om de vesting.

Legerkampen werden opgeslagen, batterijen opgericht, en de geheele linker Rijnoever was spoedig niets meer, dan één groot legerkamp.

Zoo lag de fraaie, prachtige stad en vesting Maintz aan den Rijn als een gevrijde schoone, — aan de eene zijde der geallieerden, aan de andere zijde der Franschen.

Het hoofdkwartier der geallieerden bevond zich nu te Marienborn, juist in 't midden van den halven kring kampementen en batterijen, die aan den linkeroever van den Rijn, boven Maintz begonnen, de stad op een afstand van een half uur omgaven, en zich beneden de stad weder aan de rivier sloten. In dezen halven kring lagen buitendien de dorpen Weissenau, Hechtsheim, Montbart en de kapel van het heilige kruis.

De voorposten der geallieerden bevonden zich te Rret-senheim en Thalheim, dicht bij het middelpunt bij Marienborn. Niet ver van Bretsenheim bij het klooster Zahlbach

ocr page 436

180

hadden de Franschen een batterij opgericht, die werkzaam genoeg het veld en den grooten .veg bestreek. Vriend en vijand lagen zóó dicbt bij elkander, dat men wederzijds zeer goed elke beweging bespieden, — en voor elkander op zijn hoede kon zijn ; wederzijds echter ook eiken dag in gevaar was voor het vijandelijke geschut. Ie Marien-born bevond zich een zeer voornaam gezelschap. Elk boeren huis diende een generaal, een stafofficier, een Vorst of hertog tot kwartier. .

In het huis van den schout woonde de hertog van Wei-mar, dicht naast hem zijn trouwe gezel en vriend Goethe; niet ver van daar in verscheidene kleine boerenhutten, hadden de Fransche prinsen hunne Hofhouding opgeslagen ; _ daar was de graaf van Artois, met zijn schoone vriendin de hertogin de Liancourt, die met een aantal vroolijke en geniale vriendinnen was gekomen, om met den graaf van Artois en de Fransche cavaliers het vroolijke kampementsleven en de avonturen van het veldleger to deelen.

Des nachts, als het gerucht der krijgsoefeningen verstomd was, hoorde men uit dit huis zeer lustig gejuich ; alle vensters waren verlicht, en in de stilte van den nacht vernam men het schetteren der muziek en den klank van vroolijke liederen.

Maar de Pruisische prinsen hielden zich ditmaal verwijderd van de uitgewekenen. De Koning had midden onder de soldaten zijn legertent laten opslaan voor zich en zijne zonen. Prins Louis Ferdinand had in het tolhuis bij Ma-rienborn zijn kwartier genomen.

De graat van Artois met zijn cavaliers, had hem reeds tweemaal een bezoek gebracht, maar was door hem met koele beleefdheid, — en zulk een zichtbaren weerzin ontvangen, dat de Fransche prins, in weerwil van zijn hoogmoed en lichtzinnigheid, tóch begrepen had, dat prins Louis Ferdinand hem wenschte te vermijden.

Hij had dus met een trotsch schouderophalen gezegd; „Men moet den kleinen, armen prins aan zijn verliefde droomerijen ovei laten.quot;

'tls mogelijk dat prins Louis Ferdinand zich soms werkelijk aan verliefde droomerijen overgaf; want als do militaire dienst hem niet riep, bleef hij dikwerf halve dagen

ocr page 437

181

lang in zijn klein kwartier. En als des nachts uit de huizen van Marienborn, waar de ingekwartierden woonden, de vorstelijke dansmuziek en het lustige zingen klonk, vernam men ook uit het kleine tolhuis de tonen der muziek. Maar het waren fraaie ernstige wijzen, die de stille nachtlucht opving; en met vroom gelaat zat dan prins Louis Ferdinand voor het klavier, dat een gelukkig toeval hem in het tolhuis had doen vinden, en gaf zich aan zijn muzikale fanlasiën en zalige droomen over. hJn deze zalige droomen voerden hem terug naar het slot Windeck, naar het dierbaar romantisch balkonkamertje, welks vensters uitzagen in het diepe dal en op den groenen Rijnstroom,— hoe zijne vingers over de toetsen gleden, en zijn stralend oog zich opwaarts hief, en een gelukkige glimlach omzijn lippen speelde, als hij aan het uur dacht, toen hij haar had wedergezien in haar kamer, toen hij haar eeuwige liefde zwoer, en zij hem juichend omving met beide armen! „Ik bemin u; mocht de wereld over ons in puin storten. Ik bemin u!quot; —

Hemelsche droomen van het jongelingshart: heerlijke verrukking der liefde, die van eeuwigheid en onvergankelijkheid droomde, het hart met zaligheid en de ziel met groote voornemens vervulde.

„Ik bemin u!quot; Dat zeggen de tonen, welke prins Louis Ferdinand aan het klavier ontlokte. — „Ik bemin u, Leonora! Ten tvveedenmale hebt ge mij van u gestooten, maar wij behooren tóch bij elkander, en wij zullen ons wederzien, en dan zult ge de mijne zijn, geheel de mijne. Wij zijn twee zielen, die tot elkander behooren en in den hemel één worden. Wij zijn twee bronnen, die voortruischen op den levensstroom. De wind heeft ze vaneen gedreven, maar zij zullen zich weder bijeen vinden, en weder samen-ruischen in één stioom van verrukking. O Leonora, gij zegen mijner ziel, gij hart van mijn hart, ik vind u weder, ik ben bij u, en tóch van u gescheiden.quot;

En schoon ook zijn instrument veistomde en de tonen vervlogen — de zoete melodiën dezer liefde bleven toch in zijn hart, en zongen en klonken elk uur en eiken dag. Deze heerlijke muziek der liefde, die den prins vervulde, deed zijn aangezicht stralen en gaf hem dien vroolijken overmoed des geluks, dien slechts de jeugd en de liefde kent.

ocr page 438

182

Als allen mismoedig en verslagen waren, bleef prins Louis Ferdinand vroolijk en blijmoedig; - als allen klaagden over de eentonigheid en verveling van het kampementsleven, lachte Louis Ferdinand en wist allen te bezielen door zijn vroolijkheid en scherts.

Het tolhuis van Marienborn was dan ook eiken dag de verzamelplaats der jonge Pruisische officieren, en prins Louis Ferdinand was de afgod van ieder Pruisisch soldaat. Zij juichten hem toe als hij in het legerkamp verscheen; — zij waren gelukkig, als hij hen toelachte, en trotsch, als hij een woord van begi'oeting met hen wisselde.

„Ik moest jaloersch op u zijn,'' zeide de Kroonprins Friedrich Wilhelm vaak lachend; „ge zijt mijn mededinger, of liever, ik waag het volstrekt niet, tegen u te willen optreden. Gij neemt stormenderhand de harten van onze soldaten in.quot;

„Ik wenschte liever de vesting Maintz stormenderhand te kunnen innemen,quot; antwoordde prins Louis Ferdinand lachend: „maar zij is een schoone, die zich niet zoo dadelijk aan ons overgeeft, en ik vrees, wij zullen zeer lang om baar moeten vrijen.quot;

„Des te roemrijker zal de overwinning zijn,quot; antwoordde de Kroonprins: „want overwinnen zullen wij, in weerwil van alle declamaties der clubgenooten en alle fraaie beloften van generaal Custine.quot;

„Ja, overwinnen zullen wij,quot; zij prins Louis Ferdinand nadenkend; — „als het maar niet weder zulk een overwinning wordt, als verleden jaar bij Valmy. Daar zegevierden wij óók, maar wij trokken toch terug. En ik heb menigmaal zeer droefgeestige gedachten hierover. Mij dunkt; 'tis ons weder geen ernst met den veldtocht, en't is slechts de comedie van het vorige jaar, welke wij dit jaar voort-spelen.quot;

„Als dit zoo is,quot; zei de Kroonprins mokkend; „dan hebt gij, mijn voortreffelijke cousin, er een weinig schuld aan.''

„Ik?quot; vroeg prins Louis Ferdinand verwonderd; „Wat heb ik dan te maken met de hooge politiek en de knoeierijen der diplomaten?''

„Ge hebt daar, helaas, zeer veel meê te maken; want waarl gij het niet, die deze vrouw, — welke ik niet noemen mag en welke ik haat, — die deze Wilhelmine Rietz

ocr page 439

183

weder te Frankfort bracht, en met den Koning verzoende? Zij is sedert weder zeer machtig geworden, en de minister von Haugwitz, dien de Koning weder bij zich heeft laten terugroepen, is niets anders dan een gehoorzaam werktuig in hare handen, — en dit, mijn lieve cousin, hebt gij tot stand gebracht!quot;

„Maar indien ik dit niet tot stand had gebracht, zou er van den oorlog volstrekt niets gekomen zijn!quot; riep prins Louis Ferdinand : „Thans hebben wij ten minste nog hoop, dat het tot iets komen zal. Maar zoo de afschuwelijke intriganten, die destijds te Frankfort aan den Main den Koning omgaven, — zoo die hun wil hadden gehad, zou de vrede nu reeds een afgedane zaak zijn, en de bloeddorstige muiters te Parijs zouden nu de lieve vrienden en kameraads van ons zijn, en ons, gelijk de haan in de fabel, geen andere vrijheid moer laten, dan die van de saus te kiezen, waarin wij gebraden willen worden. Ik voor mij heb echter volstrektquot; geen lust om gebraden te worden, en dus kwam het mij beter voor, liever door de schoone Wilhelmine het sluiten van den vrede verhinderd, — en den oorlog hervat te zien dan ons dooi1 de schoone Sophie en den heimelijken Oostenrijker Bischofswerder tot een vrede met Frankrijk te laten verlokken, die toch niets anders beteekent, dan dat Frankrijk en Oostenrijk elkander over onze hoofden heen de hand reiken, en te zamen de saus bepalen, waarin wij gebraden zuilen worden. - Zie zoo, daar hebt ge nu een kapittel uit de hooge politiek van prins Louis Ferdinand,quot; voegde de prins er lachend bij; „ik neem 't u niet kwalijk, zoo ge het bij de fabels van Lafontaine wilt inlasschen, en er om lacht en spot. Maar zeg mij eens, vriend, waarom verschijnt ge heden in zulk een fraaie uniform, en welk feest viert ge toch in de Koninklijke legertent,'dat mijn fraaie cousin heden zoo sierlijk en deftig is?quot;

De Kroonprins bloosde een weinig. — „Er is niets,quot; zeide hij; „wij hebben volstrekt niets bijzonders.quot;

Prins Louis Ferdinand zag hem glimlachend in het verlegen gelaat. — „Volstrekt niets bijzonders? En tóch waagt mijn lieve cousin het niet, mijn blik te ontmoeten? Ge denkt misschien, de arme kluizenaar in het tolhuis weet niets en hoort van niets? O, er zijn ook gedienstige

ocr page 440

18i

babbelaars hier in 'l leger, en deze hebben mij verhaald van een bezoek, dat men heden verwachtte.quot;

„0, ja,quot; prevelde de Krooniirins verlegen; „'t Is waar, men verwacht heden bezoek, üe hertog van Mecklenburg zal bij den Koning komen, en het leger in oogenschouw nemen.quot;

„Zoo. De hertog van Mecklenburg alleen? Geheel alléén ?quot;

De Kroonprins wendde zijn hoofd ter zijde. — „Neen, ik geloof, niet alleen. De beide prinsessen, zijn dochters, zullen hem begeleiden, en dit herinnert mij er aan, dat het tijd zal zijn hen tegemoet te rijden. De Koning heeft gewenscht, flat mijn broeder Lodewijk en ik den hertog en de prinsessen de honneurs zouden maken; hen aan 't begin van het legerkamp opwachten, om hen tot aan de koninklijke tent te geleiden. Zij zullen tegen den middag komen, dus zal het tijd zijn.''

,,Ja, zekerlijk, dan zal het tijd zijn !quot; riep prins Louis Ferdinand lachend: „Anne kleine Morand, die misschien te Verdun thans zucht om den fraaien Pruisischen prins. Arme Morand, zoo ge haar op dit oogenblik zien kondt!''

„Ik bid u,quot; viel nu de Kroonprins hem met ernstig, verduisterd gelaat in de rede: „ik bid u, herinner mij niet aan haar. Ik heb mij niets te verwijten. Ge weet het; mijn geweten is volkomen rein, en de schoone mademoiselle Morand heeft mij natuurlijk reeds lang vergeten.quot;

„Dat meent ge, wijl gij haar vergeten hebt. Maar spoed u, mijn fraaie Kroonprins; 't zal zeker boog tijd zijn, dat ge de schoone Mecklenburgsche prinsessen tegemoet rijdt. O, Friedrich Wilhelm, de liefde is toch iels fraais, en het zou waarachtig de moeite niet waard zijn te leven, indien het hart in onze borst niet zoo hef'.ig klopte en ons met zulke verrukkende droomen vervulde.quot;

De Kroonprins antwoordde niet, maar groette zijn neef met een haastigen hoofdknik en ijlde heen.

Pr ins Louis Ferdinand leunde in het venster en oogde hem na, en verheugde zich over de statige verschijning van den jongen, krachtigen ruiter, die in galop heenrende en spoedig uit de oogen van den vriend verdwenen was.

Maar de groote weg was loch niet verlaten en eenzaam ; er heerschte nog altoos een frisch, woelig leven, en prins

ocr page 441

185

Louis verlustigde zich, de afwisselende tooneelen gade Ie slaan, die hem als de figuren eener looverlantaarn vluchtig voorbij zweefden en elke minuut veranderden. Nu was het een troep zingende soldaten, die met biilen en spaden voorbijtrok om zich tot den arbeid in de loopgraven en batterijen te begeven, dan een afdeeling infanteristen, die ernstig en zwijgend voorbij marcheerden ; vervolgens kwamen weder marketentsters in vroolijk gesprek met soldaten, of voerlieden, die met Kunne karren van de naburige dorpen koren en levensmiddelen hadden gehaald.

Plotseling naderden dwarlend van beide zijden van den weg twee ontzaglijke slotwolken ; links van het dorp Ma-rienborn kwam een troep ruiters, in van goud schitterende uniformen aanrennen, terwijl van de rechterzijde eenige wagens met meel en koren en andere granen naderden. Deze wagens waar zeer zwaar beladen, dit zag men wel, en de militaire bespanning was niet voldoende geweest, om ze door het diepe zand der ongebaande wegen, welke zij te passeeren hadden gehad, voorwaarts te brengen. Men had dus voorspan gerekwireerd, en voor ieder dezer wagens zag men een paar krachtige boerenpaarden, door hun eigenaars met zweepslagen en luid geschreeuw voortgedreven.

Nu echter, — voordat nog de ruitertroep was aangekomen, — hield de eerste dezer wagens vlak voor het tolhuis stil onder het venster, waarin prins Louis lag. De boer, die met verdrietig gelaat op zijn dampend handpaard zat, w^endde zich nu achterom en liep met morrende stem:

„Nu mogen wij toch afspannen en naar ons dorp terug-keeron? üp den grooten weg zult ge wel alleen verder komen!quot;

„Nu mogen wij immers afspannen?quot; riepen de beide boeren van de dichtstbijstaande wagens, en zonder antwoord af te wachten, sprongen alle drie boeren van hunne paarden, om de strengen, weermeê ze aan de wagens gespannen waren, los Ie maken.

Maar de eerste boer scheen hierbij weinig acht te geven op zijn paard en op 'tgeen om hem heen geschiedde. Hij zag steelswijs en nieuwsgierig omhoog naar het venster, waarachter prins Louis lag. —„Wie is de mooie jongeheer, die daar boven op ons nederziet, alsof hij in de ko-

ocr page 442

186

medio was?quot; vroeg hij grommig een «Ier soldaten, die bet dicbtstbij bem stonden.

„Kent ge bem niet?quot; Dat bewijst duidelijk, welke een domme kerel ge zijt, en geen echte Duitscher! 't Is Immers prins Louis Ferdinand.quot;

Hm!quot; zei de boer nadenkend met tartend gelaat omboog ziende: „Dit is dus de fraaie prins Louis Ferdinand, op wien, zoo als mijn vrouw tehuis verteld beeft, al de meisjes in den omtrek verzot zijn. En bij woont hier in het tolhuis?quot;

„Hij woont in het tolhuis,quot; antwoordde de soldaat; „en ik zou 't den Franschen niet raden, tot hier te komen; de prins heeft altoos oog en oor open, en ziet alles wat voorbijgaat.quot;

„Waarom zouden zij dan ook bierkomen ? bromde de boer: „Zij weten immers niet dat de fraaie prins hier woont. Nu, 't verheugt mij dat ik hem gezien heb.quot;

Hij wilde juist weder op zijn paard stijgen, toen een heftige stoot hem ter aarde wierp. De troep ruiters, die van de tegenovergestelde zijde van den weg kwamen, waren nu in vollen galop genaderd, en de boer, die hen niet opgemerkt bad, was door den eersten ruiter nedergewor-pen.

Ook de andere ruiters waren voorwaarts gerend, midden tusschen de wagens en de paarden, en nu ontstond er een schreeuwen en roepen, een vloeken en schelden door elkander, tot grooie verlustiging der ruiters, en hoogste woede der anderen.

Niemand lette op den boer, die ter aarde was gevallen; niemand had hem opgemerkt, en de wagen, die, door de soldaten aangedreven, voorwaarts rammelde, ging hem met beide raderen over den voet. Hij schreeuwde, riep en jammerde. Maar er verstreek een geruime tijd eer de ruiters, —• die den prins Louis Ferdinand met luide woorden en vrooliiko kreten begroetten, —hem opmerkten. Nu sprongen eenige ruiters van hunne paarden; ook de soldaten, (lie zich in de nabijheid bevonden, ijlden toe, en allen omgaven nieuwsgierig den boer, die krimpend en kermend van pijn op den grond lag. Maar niemand dacht er aan, den overredene te helpen. Nu baande plotseling midden door den kring, die om hem stond, Prins Louis Ferdinand zich een

ocr page 443

187

weg, schoof de ruiters ter zijde, vatte den jammerenden boer om het lijf, hief hem met reuzenkracht op, en eer de anderen zich van hunne verbazing hersteld hadden, droeg hij hem weg, naar zijn kamer en legde hem op zijn eigen bed neder. De boer had intusschen het bewustzijn verloren, zijn klagen was verstomd, en met gesloten oogen, doodsbleek, lag hij nu daar. Prins Louis ijlde naar het venster en riep tot eenige soldaten, met den meesten spoed wondheelers te halen, om den ongelukkige te helpen. Eeni-gen der ruiters waren inmiddels den prins in zijn woning gevolgd, en toen hij zich nu omwendde, zag hij achter zich den graaf van Arlois, den prins van Condé met een gevolg van cavaliers en heeren.

„Ge gelijkt waarlijk den barmharligen Samaritaan.quot; zei de graaf van Artois met een eenigszins spotachtig gelaat; „ge ontfermt u over het ongeluk, waar ge het vindt, en hebt een hart voor iederen kinkel, die op den weg schreeuwt.quot;

„Wat wilt ge, prins?quot; antwoordde prins Louis schier verlegen en blozend: „Ik heb nog altoos een dom Duitsch hart in de borst, en de lessen van den wijzen giaaf van Arlois zijn er nog niet diep genoeg in doorgedrongen. Ik zou zeker verstandiger hebben gedaan, het voorbeeld dezer heeren te volgen, en den armen kerel in zijn pijn te laten liggen. Maar de domme Duitsche gemoedelijkheid zit iemand nog altoos in de leden! En wat zal ik er nu van hebben'?quot; voer hij met een zachten glimlach voort: „Ik zal er van hebben, dat ik nu uit mijn eigen kwartier verdreven ben, en niet weet waar ik dezen nacht mijn hoofd zal nederleggen.quot;

„Veroorloof mij,quot; zeide nu een stem, die het hart van den prins deed sidderen: „veroorloof mij u te mogen zeggen, waar gij voor dezen nacht kwartier vindt.quot;

„Hal'' riep de prins: „zijl gij hier, mijn waarde baron Ehrenberg?quot;

En met gloeiend gelaat reikte de prins hem de hand. De baron nam haar aan en boog eerbiedig.

„Ja, mijn waarde prins, ik ben bier, en ik veroorloof mij om de genade Ie .verzoeken, dat ge heden nacht in ons kleine huis kwartier wilt nemen. Ik ben eerst gisteren hier met mijn vrouw aangekomen, en ik heb geluk-

ocr page 444

188

kigerwijs ginds in bet (iorp Marienborn een ledig huis gevonden.quot;

„Dat beet, ondankbare,quot; zei graaf Artois: „ik bad u deze schuilplaats bezorgd en het huis voor u gereserveerd !quot;

De baron boog.

„Ik erken het, en ben u zeer dankbaar, genadigste heer, want ik zal nu de gelegenheid hebben onzen jongen prins een kwartier te geven. Ge neemt het immers aan, genadigste heer? Mijn vrouw zal gewis zeer verheugd zijn u weder -te zien.quot;

„Wie weet!quot; zei prins Louis; „Gij belooft mij gastvrijheid, zonder te weten of de barones er mede tevreden is!''

„Flij weet het! Hij weet het!quot; lachte graat Artois: „Hij zou 't anders met wagen het u aan te bieden, want hij is een zeer deemoedig en onderdanig echtgenoot, gelijk wij allen weten; nietwaar, mijneheeren cavaliers?quot;

„Ja, een zeer deemoedig echtgenoot!quot; bevestigden de cavaliers.

„Ge hoort bet, genadigste heer,quot; zei de baron : „en ik veroorloof mij te verzekeren, dat in ons huis ruimte genoeg is voor zulk een welkomen gast!quot;

„Hooren wij eerst wat de geneesheeren zeggen!quot; liep de prins: „Daar zijn zij immers, de geleerde heeren der wetenschap, en zij hebben te beslissen of ik mijn kwartier moet afstaan!quot; Hij voerde met een vriendelijken hoofdknik de geneesheeren naar den boer, die juist uit zijn onmacht ontwaakt was, en die luid kermend en jammerend het onderzoek van zijne beenen toeliet. Hij had een dubbele beenbreuk opgedaan, en de chirurgijns verklaarden, dat hij ten minste voor eenige dagen, in volkomen rust te bed moest blijven.

De boer, die zijn bewustzijn weder herkregen, — en deze uitspraak gehoord had, kermde nu zóó jammerlijk, dat de cavaliers zich haastten de kamer te verlaten.

Prins Louis Ferdinand geleidde hen naar beneden op de straat. — „Er zal nu niets meer overblijven,quot; zeide hij, zich tot den baron wendende: „ik zal van uw vriendelijke uitnoodiging gebruik maken, op het gevaar af, voor mevrouw uwe echtgenoote een lastige gast te zijn.quot;

„Op dat gevaar af kunt ge het wagen,quot; antwoordde de baron, glimlachend buigende; „ik zal vooruitijlen, om aan

ocr page 445

-189

mijn echl^enoote lo berichten welken hoogen gast zij de eer zul hebben le ontvangen!quot; — Hij besteeg zijn paard en ijlde in vollen galop den weg op naar het dorp Ma-riënborn. De prins gaf aan de geroepen ondergeschikten zijne bevelen, besteeg zijn paard en rende aan de zijde van den graaf van Artois, en gevolgd door de andere cavaliers, den weg op. Aan den ingang van het dorp ontving hem baron von Ehrenberg, om hem tot geleide te dienen naar zijn kwartier.

„Ge zult ons toch de ear bewijzen, graaf Artois, met ons te gaan?quot; zei de baron, terwijl hij zich tot den graaf wendde. Maar deze weigerde.

„Men moet bescheiden zijn, mijnJieve baron! Het wederzien van goede vrienden te storen is echter een onbescheidenheid, waaraan ik mij niet schuldig wil maken. Ik verwacht u heden avond bij mij, wij zullen een vroo-lijken nacht hebben, hoop ik!quot;

En de prins reed met zijn gevolg weg.

Zwijgend reden nu de beide heeren door de nauwe dorpsstraat naar het kleine huis, dat, zooals de baron spottend zeide, thans de eer zou hebben de residentie van den prins te zijn. Louis Ferdinand antwoordde er niet op. Hij was bleek geworden, en zijn groote oogen waren onafgewend op het huis gericht, voor welks deur zij nu van hunne paarden stegen. Hij verlangde de lieve gestalte weder te zien, welke hij sedert maanden ontbeerd had. Hij hoopte haar stem te hooren, die hem begroette en vroolijk welkom heette. Maar alles bleef stil.

Zij vertoonde zich niet, en alleen de knecht stond gereed om de heeren te ontvangen.

„Laat ons binnen gaan, Koninklijke Hoogheid!quot; zei de baron, terwijl hij den prins door het kleine voorhuis geleidde en een lage bruine deur opende; „Ik hoop, wij vinden de barones in baar klein salon.quot;

't Was een armoedige donkere kamer, maar den prins scheen zij toch een sierlijke feestzaal, want zij was er in, Leonora!

Zij trad hem tegemoet, bleek van inwendige aandoening, gelijk hij zelf, en de band, welke zij hem bood, beefde in de zijne en was koud als de zijne.

Zij spraken geen woord tot elkander, en tóch begrepen

ocr page 446

190

zij wat hunne glinsterende oogen elkander zeiden, en wat hunne kloppende harten bekenden en wisten, zonder woorden en zonder leekens.

üe baron had zich in de kleine lage vensternis teruggetrokken, en stond daar met over elkander geslagen armen, met een sardonischen glimlach op de lippen.

Zij wisten het niet, dat hij hen aanschouwde, hen gade sloeg.

Zij hadden elkandei zooveel te zeggen, dat er geen woorden waren, om alles uit te spreken wat in hunne zielen gloeide.

En wat zouden zij elkander hebben kunnen zeggen, wat zij niet wisten, wat niet nit hunne blikken, uit hun gelaat, uit hun glimlach sprak?

Ook de baron glimlachte nog altoos — „Wonderlijke menschen, deze verliefden,quot; zeide hij bij zich zei ven: „zij maken van een ellendige boerenhut een tempel der godheid ; zien elkander aan alsof zij voor 't eerst de zon zagen, en uit de duisternis tot het licht waren gekomen, 'tls kluchtig dit te zien, maar ook vervelend, en ik zal medelijden hebben met hen en met mij zeiven.quot; Hij trad zacht uit de vensternis te voorschijn, en verliet op de teenen sluipende de kamer.

Het dichtslaan der deur scheen de gelieven uit de zoete bedwelming der zalige aanschouwing te wekken, en hen te doen begrijpen dat ze alleen waren.

Prins Louis opende zijne armen en Leonora zonk aan zijne borst. Met een enkelen luiden vreugdekreet sloeg hij nu zijne armen om haar geliefde gestalte, en drukte haar vast aan zich.

„Dus heb ik u weder! Ik ben weder bij u! Ge ziet wel, het lot is minder wreed dan gij; het voert mij weder tot u 1quot;

„Het lot is wreeder, veel wreeder dan ik!quot; fluisterde zij. „Maar herinner mij thans niet hieraan, laat mij een oogenblik zalig zijn en rusten, en gevoelen dat ik in het Paradijs ben!quot;

Zij leunde haar hoofd aan zijn borst, en twee tranen vloeiden langzaam over hare wangen.

Hij zag deze tranen en hief haar hoofd op en kuste de tranen van hare wangen, zooals een dorstige de eerste

ocr page 447

191

droppels van verkwikking nil een heilige bron slorpt. „O ween niet, Leonora!quot;

„Ik ween niet van smart; neen, niet vau smart,quot; lispte zij zacht: „gun mij deze tranen,zeldzame droppels van geluk! Er zullen vele andere volgen, bittere droppels van smart. Maar deze behooren aan de zaligheid des weder-ziens!quot;

„Ge verheugt er u dus over, Leonora; ge behoort mij nog, ge bemint mij nog?''

Zij hiel haar gelaat op, en zag hem aan met een glimlach vol verbazing en verwondering.

„Ge vraagt bet? Ja, ik bemin u! O God in den hemel hij vraagt of ik hem nog bemin!quot;

En nu was zij het, die de armen ophief en de slanke gestalte van den geliefde omvatte! Nu was zij het, die zijne wangen kuste, gloeiend en hartstochtelijk, en hem een welkom op de lippen drukte.

„Ja, ik bemin u. Louis Ferdinand! Gij waart mijn verlangen, en mijn troost nacht en dag! Ik bemin u: ik heb op aarde geen andere gedachte dan u, geen andere wensch dan u gelukkig, verheugd en geëerd te zien! Ik wensch te uwe slavin te kunnen zijn om u te dienen, Louis! Ik wenschte, wij waren in Rusland en ik was lijteigene en ik had het recht van op uwen drempel t; liggen! Ik wenschte voor u te kunnen sterven, Louis, daar het mij ontzegd is voor u le leven!quot;

„Ge zult voor mij leven!'' riep hij juichend, haar vast aan zich drukkende; „Ge zijt hel leven van mijn leven, en niets zal ons voorlaan scheiden!''

„En alles scheidt ons!quot; riep zij smartelijk: „Alles scheidt ons! Ach, hel schoone oogenblik der misleiding, de droom des geluks is nu voorbij, en ik zie nu weder om mij heen. En luister naar mij, Louis, eer hij weder de kamer binnentreedt, hij, mijn echtgenoot —quot;

„Spreek niel van hem, nu niet, geliefde; laat ons slechts denken, dal wij eindelijk weder te zamen zijn!quot;

„Ik moet van hem spreken! Luister Louis; zoo ge mij bemint, zoo ge mij niet ongelukkig wilt maken, --zóó ongelukkig als nog nooit een vrouw op aarde was, — belool mij dan dil eenige: sla alle uilnoodigingen af, die hij u doet; en wat hij ook zeggen moge, laat u niet verleiden,

ocr page 448

106

„Als zij het vernemen, zullen ze mij dooden,quot; zeide bij nadenkend; „zij zijn machtig en sterk, en zij zullen ons toch allen verslinden en bij de Fransclie republiek inlijven. En als ik dit niet geloofd had, zou ik het niet gedaan hebben.quot;

„Wal gedaan?' vroeg zij met ingehouden adem.

„Schoone dame,quot; fluisterde hij ; „ge hebt u over mij ontfermd, en de prins heeft jegens mij gehandeld als een goed man, en daarom wil ik u iets zeggen; de prins wordt door een groot gevaar bedreigd. De Pranschen willen dezen nacht een uitval doen, en zij hebben mij geld beloofd

en ook mijn zoon, zoo wij wilden uitvorschen waar de prins

Louis Ferdinand woont en al de hooge en voorname hee-ren hier, en daarom namen wij het aan, met voorspan-paarden de soldaten te volgen. Ik had het ongeluk van 't paard te vallen, maar mijn zoon is er gelukkig afgekomen, en hij zal hun gezegd hebben, dal prins Louis Ferdinand in het tolhuis woont.quot;

„En wat willen zij doen, de Franschen T'vroeg Leonora

hijgend. .

Hij hief het hoofd op, zag angstig om zich heen en fluisterde toen; „Zij willen hem dezen nacht gevangennemen en naar Maintz voeren; hem en den graaf Kalk-reuth, den generaal.quot;

„Wanneer willen zij dit doen? quot;Weet gij het uur? i „Om middernacht,quot; fluisterde de zieke; „ja, legen middernacht willen zij opbreken, en mijn zoon voert hen aan, want hij heeft de huizen opgenomen. Zoo ge kunt, waarschuw hem ; om middernacht komen de Franschen.''

„Weet ge dat stellig? Is 'tgeen koortsdroom? Zijl ge een verstandig man ? Zegt ge de waarheid ?'

„Ik zeg de waarheid, en zoo ge nog kunt, schoone dame, zoo het niet te laat is .. .quot; Hij staakte zijn fluisteren en luisterde naar de torenklok, die juist begon te slaan.— „'lis middernacht,quot; prevelde de boer, terwijl hij, vermoeid van het vele spreken, in 't bed terugzonk,

„De tijd is er! En ik kan hem niet waarschuwenden niemand is hier! Wat zal ik doen, wat kan ik doen?quot;

Zij wilde schellen, maar ze trok haar hand terug. „Er is niemand hier dan de knecht,quot; stamelde zij angstig; „en wie weel of hij spoedig genoeg zal loopen. De baron

ocr page 449

107

is uit. De kamenier slaapt. Ik zelve, ik zelve moet hem waarschuwen!quot;

En zij had het nauwelijks gedacht en gezegd, of zij vloog op, naar beneden langs de krakende trap, weg uit het huis.

De nacht was stil en donker, de wolken joegen langs den hemel, en in de verte aan den horizon gromde een on-weder. De wind suisde door de straten en over den weg.

Zij lette op niets, zij ijlde door de dorpsstraat, den weg op naar het tolhuis. .. tt

„Zal ik hem nog hereiken, zal het nog mogelijk zijn?'

Plotseling bleef zij staan en luisterde, 't Was haar als had zij gerucht gehoord. Maar alles was stil. Somwijlen slechts hoorde men het hinneken van een paard, het roepen van een schildwacht.

Steeds verder, verder zette zij haren loop voort; niet vreezende voor zich zelve, niet eens er aan denkende, dat zij, — een vrouw, zich alleen en weerloos op den weg bevond, dicht hij het legerkamp der soldaten, die misschien stelend en roovend konden rondsluipen. Wat bekommerde hel haar? — Slechts wat hèm kon gebeuren, daaraan dacht zij. Zij wilde den geliefde redden, hem waarschuwen voor het naderend gevaar.

Thans, dicht bij het huis bleef zij staan. De adem stokte in haar horst, en haar hart klopte vreeselijk, want nu had zij duidelijk gerucht gehoord, en 't kwam nader en nader langs den weg van de vesting Maintz.

Een geheele troep soldaten scheen het te zijn.

Duidelijk hoorde zij in de stilte het marcheeren van vele menschen; duidelijk zag zij, — nu hare oogen aan de duisternis gewoon waren, — een donkere massa zich op den weg voortbewegen.

Nu ijlde zij voort; hare voeten raakten nauwelijks den grond; want niet ver van zich, zag zij langs een anderen weg, een tweede troep aankomen.

Daar lag het tolhuis, eenzaam en stil: geen licht aan de vensters, geen schildwacht voor het huis. Zij klopte met torsche hand aan de deur. Deze was gesloten,en niemand gaf antwoord.

„Prins Louis Ferdinand, ontwaak, ontwaak!quot;

Alles bleef stil, en luider en luider, gillender klonk haar stem door den nacht.

ocr page 450

108

„Prins Louis Ferdinand, ontwaak, ontwaak! De vijand is nabij, de vijand komt, de vijand !''

Boven opende zich rammelend het venster.

„Wie roept mij?''

„Ik, ik ben het! Ik kom u waarschuwen,red u,red u!quot;--

Had hij zich vergist, was het slechts een droom geweest, die hem gewekt had ? Hij meende nog de stem te hooren, die waarschuwende geliefde stem, die hem geroepen had!

HÜ staarde naar buiten in den nacht en zag een schaduw op den weg voortvliegen. Toen was alles stil.

P~„Het was een droom,'' prevelde de prins voor zich, terwijl hij van het venster terugtrad. „Maar misschien heeft de genadige God mij dezen droom gezonden om mij te waarschuwen. Ik wil op mijn hoede zijn!quot;

Hij wierp zich haastig in de kleederen, en loen hij hiermede juist gereed was, werd het beneden levendig voor het huis. Hij hoorde fluisterende slemmen; hij hoorde dat men de huisdeur naderde, eerst toegang begeerde, en vervolgens werd met de kolven tegen de deur geslagen. De deur kraakte en vloog open. 't Was geen droom, geen verbeelding. Hij ijlde uit zijn kamer, de kleine zoldertrap op, die naar het dak voerde. Het dakluik was open ; — er uit nu op het dak. Toen hurkte hij in de duisternis achter den schoorsteen en hoorde, hoe beneden de Franschen de kamer doorzochten en vloekten eh schimpten, wijl zij hem niet vonden. Nu was het hem, als klommen zij op de zoldertrap. Hij sprong op, en luisterde naar beneden. Daar was alles stil — geen gerucht hoorbaar. Met een stouten sprong was hij beneden. En nu voorwaarts inde duisternis over de weiden naar zijne soldaten, die beneden verder in het dal gelegerd waren. Zijn luid geroep wekte ben, en voorwaarts nu het dorp in, om den hertog van Weimar, den generaal von Kalkreuth en al de stafofficieren te wekken. De alarmtrom werd geroerd, de trompetten bliezen, en nauwelijks was een half uur verloopen, of het geheele leger was in alarm en de regimenten vormden zich. De vijand, die in drie troepen was opgemarcheerd, werd aangevallet. Het was een heftig gevecht; men streed aan weerszijden vol verbittering en haat. De aanbrekende morgen vond echter de Duitschers als overwinnaars, en in

ocr page 451

\99

wilden stormpas ijlilen nu de Franschcn terug naar de vesting. —

„U heb ik de vrijheid, u heb ik het leven te danken, Leonora!''

Zij zag op hem neder, toen hij in zijn bestoven uniform voor haar op zijne knieën lag, hare beide handen greep, en ze aan zijne lippen drukte. —

Terstond na den geëindigden strijd en nadat men de Franschen weder in de vesting terug bad gedreven, was hij naai' haar toegeijld om te vragen en te onderzoeken, of zij het was geweest, die hem gewaarschuwd had, en of zij gelukkig weder tehuis was gekomen van den gevaarlijken tocht.

„De liefde beschermde mij in het gevaar,quot; zeide zij met een zoeten glimlach: „en ik wist niet, dacht er niet aan, dat voor mijn eigen leven gevaar was! Ik dacht slechts aan it!quot;

„En ge waart voor mij de godin der vrijheid; dat wil zeggen; de godin des levens; want ik zou het niet hebben overleefd door dit republikeinsch gespuis als gevangene rondgesleept te worden, en hun tot triomf te moeten dienen. Wat ik nog schoons en groots zal beleven, dat is alles uiu werk, Leonora. En zoo het mij eens nog gelukken mag mij te onderscheiden, en voorden armen kleinen prins een weinig roem, erkentenis en eer te behalen, zult gij het weten, mijn dierbaar, geliefd wezen, dat gij de eerste, innigste grond en de heiligste aanleiding er toe zijt! O, ik wil u dwingen, trotsch te zijn op den kleinen prins, die hier vol ootmoed aan uwe voeten ligt. Ik wil U dwingen aan mij te denken, schoon ik ook vér van u ben! De faam zal u den naam Louis Ferdinand in het oor trompetten, tot de geliefde Leonora mij gedenkt, en haren nederigen, getrouwsten minnaar haar trotsch hart over-geeft.quot;

Zij legde met een onuitsprekelijke uitdrukking van liefde, (smart en geluk te gelijk), haar beide handen op zijn voorhoofd. en liet ze zacht over zijn blozende wangen neder-glijden.

„Achilles,quot; zeide zij zacht: „mijn godenjongeling Achilles. Zoo heb ik u genoemd toen ik u voor het eerst zag, en dezen naam zult ge eeuwig in mijn hart behouden. Ja,

ocr page 452

200

ge zijt Achilles, lt;le lieveling der goden en der menschen. Alle vrouwen zullen u beminnen ; de schoonste en de hoogste, tot het kleinste boerenmeisje toe, dat u ziet voorbijgaan als een hemelsche verschijning, en dan met vreugde haren minnaar verteld, dat ze een god heett gezien. Ja, zij zullen u alle beminnen, alle aanbidden. Ach en gewis zal dan reeds lang de arme Leonora uit uw hart geweken zijn. Hoe spoedig zullen jongere en schoonere haar verdrongen hebben!

Hij wilde haar antwoorden, maar zij drukte met een bevalligen glimlach hem met den vinger de lippen dicht.

Stil, o stil,quot; zeide zij haastig; „geen woord meer. Betuig niets. Ik weet, dat ge in dit oogenblik uwe betuigingen oprecht meent. Uw hart is nog zoo jong, en ge gelooft nog aan de waarheid uwer eeden.quot;

„En geloott gtj er niet aan?quot; vroeg hij met schier treurig gelaat.

Zij schudde zacht haar hoofd, enhareoogen vulden zich met tranen.

„Ik hebt 't u immers reeds dikwerfgezegd, Louis,quot; tluis-terde 'zij treurig; „ik ben een ongelukkig schepsel, en ik heb het geloof aan het heilige en groote verloren. Maar neen. Ik doe mij onrecht. Ik heb het geloof aan u. En ik weet dat ge in dit oogenblik waar zijt. En waar en eerlijk wil ook t'k zijn. Gewaarschuwd heb ik u dikwijls, u mijn lieveling, u mijn Achilles, — gewaarschuwd voor do Loreley, die u in het bosch ontmoette. Ge bebt niet willen hoeren naar mijne waarschuwing, en God geve, dat bet niet tot uw ongeluk is. Alleen tot het mijne. O bet zou schoon en zoet zijn voor u te sterven, jLouis. Dat gevoelde ik, toen ik dezen nacht eenzaam over den weg ijlde, en achter mij de vloeken en verwenscbingen der vijanden hoorde, en toen hunne kogels boven mijn hoofd suisden. „Het zou zoel zijn, nu voor hem te sterven,quot; dit zeide mijn hart, en ik wil 't u bekennen, een oogenblik stond ik stil, keerde mij om tot de vijanden en bad God; „Zend mij een kogel, die mij doodt. Hij zal df»n welen dat ik voor hem gestorven ben, en mijn dood zal slechts een ingang zijn tot het zalige leven.''

„O wreede, geliefde,quot;' fluisterde hij, haar teeder omvattende: „ge bedacht niet w^elk een vreeselijkesmart ge mij

ocr page 453

201

zotult aandoen; ge bedacht niet, dat mijn geheel leven in tranenfloers gehuld zou zijn geweest. Leven moet ge om mijnentwil. Leven en beminnen, Leonora!quot;

„Ja,quot; riep zij: „leven en beminnen. Zoolang tot het onweer over ons losbreekt, de storm woedt en de bliksem mij nederslaat. Hij is welkom, welkom, als hij na een schoonen, zonnigen dag komt. Hij is welkom, als hij mij in uwe armen treft, Louis. Welkom, als . . ,

Zij zweeg en ontstelde, want zij zag dat de deur zich zacht opende, en haar echtgenoot binnentrad.

Het gerucht der dichtvallende deur kondigde hot den prins aan, en Lij sprong overeind, te laat echter om niet door den baron aan Leonora's voeten gezien te worden.

Maar deze scheen hel niet gezien te hebben. Mij groette den piins met volkomen onbevangen voorkomen, en wenschte hem geluk met de affaire van heden nacht en vroegen morgen; hij feliciteerde Leonora, dat het haar gelukt was den prins te waarschuwen, en^ voegde'er argeloos bij: dat dit kleine avontuur reeds het gesprek van het geheele leger was, en dal ieder den heldenmoed en de beradenheid der jonge barones bewonderde en erkende.

„Maar, Koninklijke Hoogheid,quot; zeide hij vervolgens met een glimlach: „eigenlijk ben ik het toch, dien ge uwe vrijheid te danken hebt! Ik was toch de eerste aanleiding, dat de verraderlijke boer in ons kwartier werd gebracht, en het schijnt, de liefelijke gestalte van onze schoone Leonora heeft zijn gevoelloos hart week gemaakt, zoodat hij deemoedig zijn verraad bekende. Dit alles zou niet geschied zijn, indien het toeval het niet gelukkiglijk zóódanig beschikt had, dat ik met den prins er juist bij kwam, toen de boer voor het tolhuis stond, om uw kwartier te bespieden.quot;

„Ik wil dit gaarne toegeven,quot; antwoordde de prins glimlachend, wien het nu, gedurende de lange en misschien opzettelijk zoo bedaard gesproken rede van den baron gelukt was zijn verlegenheid te overwinnen, en zijn tegenwoordigheid van geest te hernemen: „ik dank u dus van harte, waarde baion, en ik zou gelukkig zijn, zoo ik u deze dankbaarheid e^ns metterdaad kon bewijzen.quot;

Een sarcastische glimlach vloog over het gelaat van den baron:

ocr page 454

202

„O mijn genadi^sle prins, ge bewijst mij nu immers reeds uwe dankbaarheid! De vriendelijkheid en goedheid, welke ge mij en mijne Leonora betoont, is mij dank genoeg! Overigens weet ge nog niet, in welk groot en wezenlijk gevaar gij u bevonden hebl. 't Was een vrij goed beraamd plan der Franscben, Zij hadden werkelijk het doel, Uwe Koninklijke Hoogheid en den generaal von Kalkreuth gevangen te nemen, en u beiden als gijzelaars naar de vesting Maintz te voeren. Ook graaf' Artois hoopten zij in hunne macht te krijgen, alsmede den hertog van Weimar. De vijand is bijzonder goed door zijne bespieders bediend, en de andere voorspanboeren, die met de wagens tot aan het tolhuis waren gekomen, verhaalden van spionnen, die bun zeer nauwkeurige berichten hadden gegeven, 't Schijnt, dat ze zelfs in het dorp Ma-riënborn hunne handlangers en vertrouwden hadden ; want men heeft op eenige huizen, — zelfs op ons huis hier, pekkransen gevonden, en eenige gevangengenomenen hebben reeds bekend, dat het hun doel was geweest, het geheele dorp in brand te steken, opdat men dan des te zekerder de aangeduide, gewichtige personen zou kunnen bemachtigen. Men ziet dus, van welke kleine omstandigheden dikwijls het lot van den mensch en de beslissing der wereldgeschiedenis afhangt,quot; voegde de baron er met een gewichtig gelaat bij: „ware het paard van den graaf van Artois niet zoo wild geweest, en had het den boer niet neêi geworpen, zoodat hij onder de wielen van den wagen kwam, en ware Uwe Koninklijke Hoogheid niet zoo rnenschlievend, — en mijne waarde echtgenoote niet zoo hulpvaardig geweest, dan zouden wij misschien thans allen gevangenen zijn, en ons in de kasematten van Maintz bevinden.quot;

„Gij hebt vergelen te zeggen, baron,quot; riep prins Louis met stralenden blik: „ware de barones niet zoo onverschrokken geweest, dat zij, in weerwil van den nacht en het gevaar, tot mij kwam om mij te waarschuwen, dan zou dat alles geschied zijn: nu echter heb ik, — hebben onze regimenten, aan haar alleen vrijheid, eer en roem te danken! Maar thans moet ik mij herinneren dat ik soldaat, — en bovendien nog een kleine prins ben, die zelfs de eer heeft, rnet den Koning verwant te zijn. De soldaat

ocr page 455

203

moet zijn veldheer, — de prins zijn Koning bericht brengen. En dus wil ik mij nu naar liet leger van Zijne Majesteit begeven.quot;

„En spoedig tot ons terugkeeren?quot; zei de baron.

Leonora zeide niets; zij reikte hem slechts haar hand, maar trok haar haastig teiug, toen hij ze aan zijne lippen wilde drukken.

Hij boog eerbiedig voor haar en ging heen, gevolgd door den baron, die hem, toen hij Ie paard steeg, deemoedig den stijgbeugel hield, en haastig nog slechts eenige woorden met hem wisselde. Vervolgens keerde hij in het huis tot Leonora terug, die nog op dezelfde plaats stond, midden in de kamer, zooals de prins haar verlaten had.

„Gij zult moeten toestemmen,quot; zeide hij met een spottende buiging: „dat ik inderdaad een zeer welwillend echtgenoot ben en niet meer zie, dan ik mag zien. Ik verzoek u nu ook een even welwillende gade te zijn en het bezoek te ontvangen, dal ik u hierbij aankondig. Graaf van Artois komt heden avond met eenigen zijner cavaliers, en tevens zal ook prins Louis Ferdinand hier komen!quot;

„Hebt ge hen genoodigd?quot; vroeg zij op scherpen toon.

„Ja,quot; antwoordde hij bedaard: „ik heb hen genoodigd.quot;

„En ge zult spelen ?quot; vroeg zij: „ik bedoel roulette, en —quot;

,,Ja, wij zullen spelen, en de schoone barones von Eh-renberg zal de genade hebben, met haar blanke hand de roulette te draaien.quot;

Zij slaakte een kreet, en sloeg beide handen voor haar aangezicht.

Hij boog zich glimlachend tol haar, en lluisterde haar in 'toor: „Madame, ik verzoek u, dat alles zóó geschiedde als ik het hebben wil. Ik heb u in mijn handen; ik vorder gehoorzaamheid en onderwerping. Als ge lust hebt te weerstreven, dan ga ik terstond tot prins Louis Ferdinand, en verhaal hem de geheele geschiedenis mijner schoone Leonora.quot;

„Ga,quot; riep zij hartstochtelijk; „ga! 't Is beter voor hem en voor mij, dat ge het doet en dat hij alles weet.quot;

Hij haalde de schouders op. — „Ik heb een veel te goedaardig en teeder hart, dan dat ik u zulk een kommer zou veroorzaken. Maar wees nu verstandig, en ik zal voor u steeds een toegeeflijk man zijn. Zoolang, tot deze

ocr page 456

'204

laalsle droom van geluk — nietwaar, zoo noemt men dit in uw fantastische taal? — tot deze laatste droom van geluk uilgedroomd is, en mijn schoone Leonora weder verstandig geworden zal zijn. De prins zal komen, en gij zult hem ontvangen.quot; —

Zij antwoordde slechts met tranen en snikken; hij ging naar huiten, een vroolijk liedje neuriënde.

Maar ditmaal zouden de plannen van den baron zich niet verwezenlijken. De avond kwam, het vroolijke gezelschap vereenigde zich in het kleine boerenhuis van den baron. De graaf van Artois verscheen met zijn schoone hertogin, die als bekoorlijke page gekleed steeds in zijn gevolg was. De cavaliers kwamen en de lustige dames, die dikwijls van Koblentz het leger bezochten. Maar prins Louis Ferdinand bleef heden ver van het vroolijk gelag en het speelgezelschnp. — Misschien wijl de Koning hem bij zich had gehouden, misschien wijl hij zich Leonora's bede herinnerde, om alle uitnoodigingen van den baron af te wijzen en zijne gezelschappen niet te bezoeken.

VI.

IN MET BOSCH.

Even veranderlijk als hel weder, is het leven op het oorlogstooneel. Gisteren nog scheen men zich in bet hoofdkwartier voor eenige weken aan een behagelijk legergenot te mogen overgegeven, en terwijl de soldaten schansen bouwden en batterijen vooruitschoven, konden de vroolijke tooneelen in de boerenhuizen van Mariënborn nog ongehinderd voortgezet worden; zoo hoopte men ten minste.

Maar in den krijgsraad der geallieerden was anders besloten geworden. Men vond, dat het hoofdkwartier beter beschut moest worden en men verscheidene regimenten verleggen moest voor den bouw der schansen ^en het aanleggen van batterijen. Nu werd het een hoofdzaak, dat de stafofficieren hunne kwartieren in Mariënborn moesten vinden, en het vroolijke gezelschap der uitgewekenen, de schoone vrouwen en caveliers, moesten voor de ei'nstige gestalten

ocr page 457

205

der krijgslieden wijken. Zij trokken-terug naar Viel stadje Ni.'rstein, iti welks nabijheid — te Bodenheim—zich ook het koninklijke hootdkwartier bevond. Daat waren ledige huizen genoeg, waarin men kwartier kon nemen; want er-waren vele vreesachtigen en moedeloozen, die niet scbenen te gelooven aan de overwinning der geallieerden, en liever gevlucht waren, om niet in de handen der bloeddorstige Sansculottes te vallen. Geheele huizen stonden ledig, en het lustige gezelschap der uitgewekenen kon er ongehinderd bezit van nemen, en zich er behagelijk inrichten. Spoedig genoeg had men zich gevestigd, en het scheen allen alsóf de lieve stad Koblentz, waar men zich zoo lustig ingericht, — en jaren lang zoo behagelijk gewoond had, nu ter lietde van de Fransche prinsen en uitgewekenen, verder naar beneden aan den Rijn gerold was Zij gevoelden zich zóó tehuis en op hun gemak te Nierstein, dat zij het plaatsje schertsend den naam van Nieuw-Ko-blentz gaven. Men was daar weder vroolijk en welgemoed, alsof 'er volstrekt geen oorlog in de wereld was, ^en alsof de vreugde de éénige godin was, welke men te huldigen had.

Ook baron Ehrenberg had met zijne echtgenoote een huisj in bezit genomen, en dit lieve huis was nu weder de verzamelplaats der fraaie en lustige wereld. En Leonora hield de eer van haar huis op als vroeger; behalve dat hare wangen bleeker waren en haar glimlach treurig; behalve dat de blikken, welke zij somwijlen op haren echtgenoot richtte, van haar haat en spijt spraken.

Maar, als men des avonds en den hal ven nacht vroolijk was geweest, — gespeeld en gejubeld had, dan namen de heeren tóch des daags een ernstig gelaat aan, en begaven zich weder naar het leger, om de kleine schermutselingen bij te wonen, de schansen te bezoeken, het voortrukken dor geallieerden, — en de- bewegingen van den vijand in en oquot;m de vesting Maintz in oogenschouw te nemen.

Vaak begeleidden dan de schoone dames der uitgewekenen hare cavaliers te paard, en reden met hen door het leger, en lieten zich als koene rijdsters door de soldaten bewonderen.

Leonora echter nam geen deel aan deze promenades. Zij begeleidde haren echtgenoot nooit naar het leger, en nooit

ocr page 458

200

ook kwam prins Louis Ferdinand bij haar te Nieuw-Ko-blentz.

Was de liefde reeds verdampt ? Was de droom reeds ten einde?

De ordonnans van prins Louis Ferdinand, die dagelijks van Mariénborn naar Nierstein moest rijden, had hierop antwoord kunnen geven! De geurige briefjes, welke prins Louis dagelijks met zulk een verrukking ontving, en met zulk een hartstochtelijke innigheid aan zijne lippen drukte, vóór hij ze las, — en de lange, dicht ineen geschreven vellen papier, welke Leonora over dag aan haren boezem droeg, om ze in de stilte van den nacht, — als zij alleen was en de baron beneden in 't salon nog met zijne vrienden dobbelde en kaartte, — met verheugden blik en schitterend aangezicht te lezen, — deze hadden het kunnen bevestigen, dat de droom nog niet ten einde, dat de zon nog niet ondergegaan was.

Neen, [zij straalde helder in beider harten; zij was de gouden brug, waarop de zielen naar elkander zweefden, en op welke de harlen tezamenkwamen, en zich met hunne gedachten vereenden. Hij had het haar immers beloofd, geen deel te nemen aan de feesten van den baron, en dat hij deze belofte vervulde, was een teeken zijner liefde.

En de wereld is zoo schitterend helder, en het leven zoo schoon, als men nog geloot heeft, en nog op de onvergankelijkheid van het aardsche vertrouwt!

De geheele wereld lag voor de gloeiende blikken van den prins als een gouden, zonnigen morgendroom, en hij begroette elke opgaande zon met lust en vreugde, want zij kondigde den nieuwen dag aan, — en de nieuwe dag brengt hem een nieuwen brief van Leonora.

En daarbij : is het niet schoon met iederen dag te kunnen hopen, dat iets groots zal gebeuren, dat men de gelegenheid zal kunnen hebben, heldendaden te verrichten ? Niet ter wille van den roem — niet om geprezen te worden door de menschen, — neen; om in hare pogen een dankbaren blik te zien, van hare lippen een liefdewoord te hooren!

Nooit had het kampleven den prins grootere vreugde bereid, nooit bad hij eiken dag met koener verwachting

ocr page 459

207

tegemoet gezien, flan nu. Leonora was er; Leonora zou van hern hooren, zou vernemen dat hij een lield was, deemoedig en bescheiden tegenover haar; — stout en vermetel op den dag des gevechts! —

Steeds verder rukten de schansen voorwaarts tegen den vijand, maar ook steeds verder vooruit bouwden de Fran-schen verschansingen en stelden hunne batterijen op.

De beslissende dag werd voorbereid met geduld en voorzichtigheid; de beslissende dag zal komen, maar hij is er altoos nog niet, — kleine voorpostengevechten, schermutselingen eiken dag; geweervuur, somwijlen ook kanongedonder.

Maar des avonds is er rust, ginds en hier; en de vijanden aanschouwen elkander uit de verte met grimmig gelaat en verheugen zich op den aanstaanden slag, die eindelijk de vereffening, de beslissing moest brengen.

Men weet het wel: in Maintz is onder de belegerden thans een sombere vijand geslopen; een vijand, dien de waakzame posten aan de poorten en op de wallen niet hebben kunnen tegenhouden.

Die vijand is de honger, en bij hem voegt zich spoedig een vreeselijke en machtige vijandin: de ziekte. Deze twee zijn de nieuwe bondgenooten der geallieerden, en zij dringen zich in de muren, die thans nog beschut zijn tegen de aanvallen der belegeraars. Maar honger en ziekte maken den Franschen en de clubgenooten te Maintz slechts nóg vermeteler, en dagelijks wagen zij uitvallen, en steeds verder schuiven zij hunne positiên voorwaarts, om van daar de schansen der geallieerden aan te tasten.

Zulk een vooruitgeschoven positie verwekte sinds eenige dagen het ongenoegen en de levendige bezorgdheid van liet Oostenrijksche regiment, dat er dicht bij geposteerd was.

„Wij moeten de vijanden uit die stelling verdrijven,quot; zei de Oostenrijksche overste tot zijne manschappen: „die het met mij beproeven wil, volge mij. Ik laat u de keus; slechts vrijwilligers zullen mij begeleiden.quot;

,,lk hoop, dat de vrijwilligers niet enkel Oostenrijksche kinderen behoeven te zijn!quot; riep een wakkere, vroolijke stem achter hem. En toen de overste omzag, boog hij eerbiedig, want hij zag achter zich prins Louis Ferdinand, begeleid door verscheidene officieren en soMaten. Hij was

ocr page 460

208

gekomen om van een heter standpunt de positie van den vijand in oogenschouw te nemen, en had de woorden van den overste gehoord.

„Ge hebt gelijk, mijne lieve overste,quot; zei prins Louis, wiens moedige oogen zonder verrekijker de stelling van den vijand nauwkeurig konden beschouwen: „ge hebt gelijk; wij mogen die lieden daar niet laten, zij bedreigen ons te zeer. — Vrijwilligers voor! Wij willen dezen fran-sche zwetsers toonen, dat onze geweren óók een goede taal spreken. Wij willen hen tot zwijgen brengen. Vrijwilligers voor!quot;

Van alle zijden renden de soldaten toe, Oostenrijkers en Pruisen, zoo als hot viel, en prins Louis plaatste zich aan hun spits, naast zich den overste, en voorwaarts nu, den vijand tegemoet

Deze echter scheen op dezen aanval voorbereid te zijn, en dien verwacht te hebben. Met een heftig geweervuur ontvingen de Franschen de naderenden; man aan man stond men thans tegenover elkander, en een verwoed gevecht begon.

Verwenschingen klonken van weerszijden, de geweren knetterden, de zwaarden flikkerden door de lucht.

Maar ach, de vijand heeft de overmacht! Achter hen, welke men aanvalt, staat een nieuwe schaar en dekt den rug der anderen. Elk schol der Franschen is goed gemikt en treft een geallieerden.

Het voorhoofd van prins Louis, anders zoo heidei', verduistert zich thans. Met smart en woede ziet hij links en rechts, voor en achter zich de kameraden ter aarde zinken, getroffen door het vijandelijk schot. En nu moet zijn mond een woord uitspreken, dat hem wee doet tot in bet diepst zijner ziel.

„Terug, kameraden, terug! Wij moeten wijken!quot;

Zij hadden slechts op dit commando gewacht, en wendden zich nu om, om in vollen draf 't bereik der vijandelijke kogels te ontgaan. Maar in den snellen loop nog treffen hen de goedgemikte schoten, en voorwaarts uit zijn stelling, dringt de vijand den vluchtenden na. Juist suist een geweerkogel langs het oor van prins Louis Ferdinand. En dicht naast hem, — die terug blijft achter de anderen, wijl hij zich schaamt te moeten vluchten, — dicht

ocr page 461

209

naast hern Lrefl een kogel een Oostenrijksehen soldaat vau het regiment Pellegrini. Hij zinkt met een luiden kreet neêr. Maar terwijl hij dit doet, roept hij zijn kameraden toe: „Neemt mij mede, neemt mij mede, vrienden. Laat mij hier niet liggen! Ontfermt u mijner!quot;

Niemand let op hem. Verder, in razenden loop vluchten de Oostenrijkers en Pruisen, zóóver, tot de kogels der Franschen hen niet meer kunnen bereiken, Daar blijven zij staan en zien achterom. De prins Louis rent op hen toe.

„Vrienden, ontfermt u over den armen gewonden kameraad. Een uwer ga, lade hem op zijn rug en brenge hem hier, vóór de vijand hem bereikt en gevangen-neemt.quot;

Niemand verroert zich. Met somberen blik zagen allen naar den armen gewonde, die alleen midden op den weg lag, — somber op den vijand, die sterker voortdringt, en spoedig den arme bereikt zal hebben.

„Kameraden, ik bid u nog eens; ontfermt u over den gevallene! Laat hem niet in handen van den vijand komen !quot;

Prins Louis roept dit met angstige, biddende stem. Maar onbewegelijk blijven de soldaten, en slechts somberder wordt hun blik en treuriger hun gelaat. De kogels van den vijand suizen vlak over de plaats heen, waar de soldaat ligt, en een donkere, zwarte massa rukt juist naar deze plek toe.

„Gij wilt niet, kameraden?quot; riep prins Louis woedend en met van toorn vlammend gelaat; „Gij wilt den arme niet, redden ?quot;

Niemand geeft antwoord. Nu springt Louis Ferdinand van het paard, en in snellen loop ijlt hij voorwaarts, naar de plaats waar de soldaat ligt. De kogels vliegen om hem heen. Met ingehouden adem staan de Oostenrijkers en Pruisen, en oogen hem na; zelfs een oogenblik staat de vijand stil bij het voorwaarts dringen, en staart naar dit zonderlinge tooneel en eiet den jongen officier, — niet lettende op de kogels die om hem heen suizen, — naar de plaats ijlen, waar de gewonde ligt. Nu tih hij hem op, nu knallen de schoten van den vijand om hem heen; om hém, die den gewonden soldaat op zijn rug

Mühlbaoh, Buitschland in Woeling en Strijd. VI. 14

ocr page 462

210

neemt, en nu in snellen loop voorwaarts naar zijne broeders ijlt. 1)

De kogels_ suizen om hem heen, maar hun suizen klinkt niet zoo hel'der als het jubelen der soldaten, die luid juichen, nu zij den jongen Achilles met van vreugde stralende oogen zien, op zijn lug den gewonden Oostenrijk-schen soldaat dragende.

Langzaam laat de prins nu den gewonde op den grond nedergiijden, en met een dankbaren blik, nauwelijks in staat te spreken, ziet de gewonde soldaat tot hem op.

,,Ik kan u niet danken, genadige heer, maar God hier boven moge 't u beloonen.quot;

De Oostenrijksche soldaten omringden den prins, kusten zijne kleederen en zonken voor hem op de knieën. En de Pruisische soldaten stonden beschaamd, en waagden niet de oogen op te heffen tot den jongen held, die allen toelacht, en in wiens ziel het jubelt en juicht: „Zij zal mij danken! Zij zal mij beloonen! Leonora zal over mij tevreden zijn!quot;

En van mond tot mond gaat de mare van deze heldendaad van prins Louis Ferdinand. Men heeft moeten wijken voor de overmacht des vijands, maar de prins heeft heden tóch een overwinning behaald: de harten der soldaten heeft hij veroverd!

Des avonds bij het wachtvuur spraken allen er van, en allen verhaalden van den grootmoedigen Pruisischen prins, die zich ten gevalle van een armen üostenrijkschen soldaat, aan den kogelregen der vijanden en 't gevaar van doodgeschoten te worden had blootgesteld, en hem op zijn rug weggedragen had van de doodelijke plek.

En des morgens was bij het tolhuis, waarin de prins nog altoos zijn kwartier had, een zeldzaam gedrang en gewoel van statige uniformen; epauletten en sterren. De Oostenrijksche generaals en stafofficieren, de officieren en zelfs de gewone soldaten wilden den prins danken, den prins Louis Ferdinand, die den armen soldaat gered had.

De prins echter was snel langs de achterdeur gevloden, om alle dankbetuiging te ontgaan, om alle loftuitingen te ontwijken.

1

Varnhagen von Ense. Venuisdite Scliriften. I. 59

ocr page 463

21 i

„Maar van baar, van haar wil ik een dank hebben; zij zal mij mei een liefdeblik beloonen; als zij mij zegt, dat zij over mij tevreden is, dat zij trotscb op mij is, dan heb ik mijn loon ontvangen!quot;

Zoo rende hij met een vroolijken glimlach, met snel kloppend hart, den weg op. Boden waren vooruitgeijld en hadden haar verkondigd, dat bij heden zelf zou komen, om baar te zien, en hadden haar bezworen,hem tegemoet te komen, — den verren weg te deelen.

In het kleine dorp Bodenheim, op de afgesproken plaats, ontmoetten zij elkander. Hij zag baar op den schimmel aanrennen, den blanwen sluier aan baar hoed in de lucht wuivend, het lange blauwe rijkleed om bare voeten fladderend. En bij zette zijn paard de sporen in de zijden, en rende voorwaarts in razenden galop. En zij deed hetzelfde, en jubelend begroetten nu beiden elkander en reikten elkander de hand, reden zijde aan zijde op hunne hijgende paarden, zagen elkander aan en glimlachten.

„Gij stoute, geliefde Acbilles! Hoe wreed, u aan zulk een gevaar bloot te stellen — boe gelukkig, dat geen kogel u getroi'ten beeft!quot;

„En zou 't geen schoone dood zijn geweest, Leonora? En zou 'tniet zoet zijn, te sterven met het bewustzijn, dat gij om mij treurt, dat gii om mij weent0''

„Ik zou geen tijd hebben tot treuren en tot weenen, Louis, want uw dood ware ook de mijne. Denk er aan, wat ik u zeg: de kogel, die u treft, doorboort ook mijn hart! Denk er aan wat ik u zweer; bet uur van uwen dood is ook mijn sterfuur! Daarom, zoo ge wilt, dat ik leven zal, Louis, spaar dan uw leven.quot;

„En zoo ge wilt dat ik leven zal, Leonora, zeg mij dan dat ge mij bemint, en dat ge mij nooit zult vergeten.quot;

Zij haalde slechts licht de schouders op. —„Vergeten? Ik wilde, Louis, dat ik u kon vergeten.quot;

Hij zag de wolken, die over haar voorhoofd trokken, zag hare wangen verbleeken.

„Gij moogt alles, vergeten, Leonora, alles, — behalve: dat ik u bemin, en dat de liefde u een nieuw leven en een nieuwe wereld openen zal.quot;

„Zij heeft bet gedaan. Louis. Maar ik blik in deze nieuwe wereld met angstig hart, want ik weet dat ik baar niet

ocr page 464

212

waardig ben ; en ik beangstig mij voor het Paradijs, want ik ken de slang die er in woont; ik ken den toornigen god, die mij verdrijven zal uit het Paradijs.''

Hij lachte, zooals gelukkigen lachen, drong zijn paard dichter tegen het hare, en legde den arm om hare slanke taille.

„Laat hem maar komen, den god, ik bestrijd hem, — ik, uw ridder en uw slaaf! Laat hem maar komem ; ik vrees noch god, noch duivel, noch hel, als ik bij u ben, Leonora.quot;

„En ik,quot; lispte zij zacht: „ik vrees de hel en den demon, die altoos bij mij is.quot;

Maar zij dwong zich tóch, vroolijk te zijn en te glimlachen, en de hartstochtelijke woorden van den prins en de glanzende uitdrukking van zijn gelaat, zegevierden over de wilde demons en de sombere en treurige stemmen, die in haar eigen hart spraken en fluisterden.

En toen zij nu hand in hand den weg langs, en het bosch inreden, dat zich boven hen met zijne groene kruinen als een tempel welfde, zeide zij zacht tot zich zelve: „Moge het ongeluk morgen komen, dit heden is nog het mijne. Moge de bliksemstraal der vernietiging mij morgen in stof veranderen, — heden gloeit de zon, en de hemel schittert; — ik wil dit zalige uur genieten.'' —

En het was een zalig uur, dat zij doorbrachten in de eenzaamheid van het groene, geurige bosch. Zij waren afgestegen van de paarden, welke zij met de teugels aan een boom hadden gebonden. De zon scheen helder door de twijgen heen. en de dikke boomstammen en het dichte loof schiepen nevens de heldere zonnige plekken, donkere scha-duwplaatsen op het groene mos en geurig bladerenloof. Onder den stam van een dikken linde lieten zij zich neder, hand in hand, in het groene mos. En de eenzaamheid en de stilte vervulden hun hart met heilige verrukking en onuitsprekelijke zaligheid. Zij spraken zacht te zamen, als vreesden zij de stilte te storen, of de vogels te verschrikken, die in de boomen zaten en zacht hunne minneliederen lieten klinken. En het hooglied der liefde, en de onvergankelijke harmonie der verrukking klonk en galmde van hunne lippen, en slechts God en de Natuur hoorden dit hooglied der twee zalige menschen.

ocr page 465

213

Maar hot uur des geluks ruischt schielijk voorbij, on Leonora was beraden en bezonnen genoeg, dit te weten. Zuchtend stond zij van haar geurige rustplaats op, en't was vergeefs dat Louis haar bezwoer nog langer met hem te blijven, in het Paradijs der onschuld en liefde.

Zij schudde treurig het hoofd. — „Laat mij gaan, Louis, nog eer de engel met het vlammend zwaard komt, om ons te verdrijven. Denk wat ik u gezegd heb, destijds in het bosch van Verdun. Ik ben de Loreley, de boozo Loreley! En daarom heb ik medelijden met u, schoone dolende ridder; en daarom ga ik nu, opdat niet het ongeluk op u en op mij kome nederstormen!—Ik lieb beloofd tegen den middag tehuis te zijn, en ik wil niet dat de booze demon, die aan mijn zijde is, verneme waarheen ik gegaan ben. Vaarwel, Achilles! En nog eens bezweer ik u, onthoud wat ik u gezegd heb; uw dood is ook mijn dood! Daarom, zoo ge^ wilt dat ik leve, spaar uw leven.quot;

Zij namen afscheid van elkander en wendden hunne paarden. En het scheen alsof zelfs de schrandere dieren wisten, wat deze wending beduidde, — want zij lieten den kop hangen en gingen langzaam en dralend voorwaarts, — óf was het slechts, wijl hunne berijders niet aan hen dachten, den teugel lieten hangen en omkeken, de een naar den ander.

Plotseling wendde Louis zijn paard en was nu weder aan hare zijde, omvatte haar met beide armen en kuste hare lippen en oogen.

„Vaarwel! Vaarwel! Tot wederziens!quot;

Toen rende hij haastig terug. En nu bracht ook zij haar paard in sneller draf, en keerde terug naar de gehate woning.

VIL

DE MISLUKTE VLUCHT.

„Ik ben en blijf de goedhartige echtgenoot,quot; zeido de baron met een spottenden glimlach terwijl hij haar van

ocr page 466

244

't paai'd hielp : „ik wist, waarheen mijn schoone Leonora reed en was bescheiden genoeg, haar niet te volgen.quot;

Zij antwoordde niet, trad het huis binnen en ging naar hare vertrekken, om zich te verkleeden; want er zou zich heden een vroolijk gezelschap ten hunnent vereenigen, en de prins van Artois en de geheele troep uitgewekenen met hunne lichtvaardige dames, zouden heden bij den baron von Ehrenberg en zijn schoone echlgenoote ter tafel zijn.

De baron ontving zijne gasten met onveranderlijke vroo-lijkheid en denzelfden spottenden glimlach. Maar Leonora was stil en in zich zelve gekeerd, en zelfs de ironische aanmerkingen van haren echtgenoot, en de lichtvaardige scherts van den graaf van Artois en zijne cavaliers, konden haar niet uit haar peinzen en mijmeren wekken.

Vroeger dan zij anders deed, verliet Leonora op dezen avond het vroolijke speelgezelschap, en 'twas tevergeefs, dat de baron haar met uiterlijke vriendelijkheid en met heimelijke bedreigingen verzocht, nog langer in het gezelschap te blijven. Zij weigerde met trotsche kalmte en begaf zich naar hare vertrekken.

Daar ging zij met haastige schreden nog menig uur op en neder, de lippen vast opeen gedrukt, met bleeke wangen en donkere wolken op het voorhoofd.

„Het gaat zoo niet langer,'' prevelde zij eenmaal zacht; „Dit zweven tusschen hemel en hel zal mij waanzinnig maken. Ik kan het niet verdragen; ik wil weg, weg! — IIèm wil ik mij toevertrouwen: hij moet mij een toevluchtsoord wijzen, waar ik mij verbergen kan voor den demon, die mij vervolgt, en voor wien ik mij redden wil.quot;

En met de wonderbare snelheid van haar levendig en hartstochtelijk karakter, vatte zij de gedachte op, die zooeven eerst in haar ziel ontstaan was.

,,Ja, ik wil weg! ik wil weg. In dit uur nog! terstond moet het geschieden! Niemand let op mij, niemand weet van mij. De bedienden zijn beneden in de zaal bij de gasten bezig, en mijn echtgenoot denkt nu slechts aan de kaarten en de roulette. Ik wil weg! Terstond, — lot mijn eenigen vriend, tot mijn vertrouweling. Tlij zal mij redden, hij zal mij verlossen uil al deze nooden.quot;

ocr page 467

215

Zij wierp haastig een doek om, stak eenig gelr] bij zich, sloop vervolgens uit haar kamer, en luisterde, bij de trapleuning staande, naar beneden. Alles was stil, niemand op de voorplaats : — alles stil, ledig en eenzaam ! Slechts achter de deur die naar het salon voerde, hoorde zij levendige stemmen, lachen en spreken, het ratelen derroulet-ten, het klinken van geld.

„Zij zijn bezig, niemand let op mij !quot;

Zacht op de teenen sloop zij over het portaal naar de trap, — zacht op de teenen, langzaam en voorzichtig de treden af. Zij kraakten niet onder hare voeten. Somwijlen bleef zij staan en luisterde weder naar beneden, en zag dat de voorplaats nog eenzaam en slil was. Zoo sloop zij de trap af, haastig door de gang naar de huisdeur.

Deze stond slechts aan, en onhoorbaar kwam zij op de straat.

Maar den knecht, die achter de trap had gestaan, en wien de baron bevolen had hem dadelijk bericht te geven, indien iets bijzonders in huis moch tplaats hebben, — dezen knecht had zij niet gezien.

Hij echter had haar gadegeslagen. En toen zij nu de huisdeur zacht achter zich had dicht getrokken, ging hij in de kamer, waar de baron met zijne gasten was, en achter zijn stoel tredende, fluisterde hij hem haastig eenige woorden toe.

De baron knikte zacht met hel hoofd gaf hem haastig een bevel, en ging vervolgens bedaard met het begonnen spel voort.

Het geluk der kaarten was hem heden bijzonder gunstig, en 'twas dus zeer edelmoedig en onbaatzuchtig, dat hij nu den heeren voorstelde, voor heden het spel te eindigen, wijl het geluk al te veel aan zijn zijde was.

Zij namen het dankbaar aan, en men scheidde met het blijde vooruitzicht, morgen weder bijeen te komen.

Leonora ging intusschen met haastige schreden voorwaarts. 't Was een donkere nacht, en in de kleine stad, wier straten nog onverlicht waren, bewoog zich niets meer. Al de huizen waren gesloten, de vensters donker.

Nieuw-Kobientz lag thans in diepen slaap gedompeld.

Nu trad zij aan hel einde der straat door de kleine

ocr page 468

216

steeds open zijdeur der poort naar buiten, op den weg. En zij ademde diep en hief den blik ten hemel.

„Gij sterren, die daar boven zoo stil en zoo vreedzaam schijnt, helpt mij en staat mij bij; weest mijn gidsen op den eenzamen weg! Lieve sterren, bidt voor mij tot den God der genade, dat hij mij verlosse en bevrijde, opdat het mij gelukke, het naaste dorp te bereiken. Daar zal ik wel een voertuig vinden; en dan voort, voort, naar mijn vriend en vertrouweling Theophil.quot;

Zij hief de gevouwen handen op in een sprakeloos gebed tot God, en toen voorwaarts, met haastigen tred voorwaarts !

De nacht was eenzaam en stil, niets bewoog zich om haar heen. Maar de wind, die soms door de hooge peppels voer, die aan beide zijden van den weg stonden, beangstigde haar, en zij schrikte voor de dikke stammen, als vreesde zij een bespieder, een vijand er achter, die haar tegen kon houden.

Arme Leonora! De vijand nadert reeds, en ge zijt hulpeloos, en ge kunt hem niet ontwijken.

Zij hoorde achter zich het draven van paarden, en zij wist dat het haar gold.

Zij sprong achter den stam van den grooten populier. Misschien beschutten haar de nacht en de duisternis; misschien bespeurden hare vervolgers haar niet en renden voorbij.

Maar één had haar gezien, en dicht bij den boom hielden de paarden stil.

„Ge hebt gelijk, Friedrich!quot; riep de baron met bedaarde, vriendelijke stem: „Ja, ge hebt gelijk; daar is de barones. Houd mijn paard, opdat ik de genadige vrouw behulpzaam zij, het hare te bestijgen.quot; Hij wierp den rijknecht, die het paard der barones had bereden, den teugel van zijn paard toe en sprong er af.

„Hier zijt ge dus, waardste barones,quot; zeide hij: ]„juist ter plaatse, welke ge mij hebt aangegeven. Ge wildet een eenzame wandeling doen, en wij hadden afgesproken, dat ik u hier afhalen zou. Ge ziet, ik ben een zeer gehoorzaam echtgenoot, en kom nu met de paarden. Als 't u belieft nu op te stijgen, kom dan. Zoo ge echter wenscht, dat wij nog een weinig in de fraai nachtlucht verder

ocr page 469

217

wandelen, dan kan ons de rijknecht met de paarden volgen.quot;

Leonora antwoordde niet. Zij stond tegen den stam van den populier geleund, en zelfs in de duisternis van den nacht zag hij haar vlammende oogen en haren toornigen blik.

„Geen scène, als ik u verzoeken mag,'' zeide hij zacht en met dreigende stem, terwijl hij haar naderde en zijn hand op haar arm legde: „het romaneske avontuur dezer deugdzame vlucht heeft hier een einde, en ge gaat zonder tegenspraak met mij.quot;

„Ik ga met u,quot; antwoordde zij kalm: „ja, ik ga met u ; maar God weet hoe lang.quot;

„Wij zijn immers beiden nog jong, Goddank, beiden goed gezond,'' antwoordde hij met een luiden lach : ,,hé, Fried-rich, voer het paard hierheen, opdat mevrouw beter kunne opstijgen, want ik voel hier een steen. Wees zoo goed, waarde Leonora, mij de hand te reiken en op den steen te klimmen, dan is hel lichter op te stijgen.''

Zij kneep haar hand zóó geweldig in zijn arm, dat hij pijn gevoelde, maar hij lachte luid.

„Het moet vreeselijk zijn, als men de klauwen der leeuwin in zijn vleesch voelt,quot; zeide hij: „Maar Goddank, er is nog een middel, zelfs leeuwinnen te temmen. Hier, mijn waarde Leonore, hier is de steen, en ik bid u, wees voorzichtig, opdat ge bij 't opstijgen den stijgbeugel niet mist.quot;

Zij antwoordde niet, maar sprong in den zadel, vatte met een driftigen greep den teugel, en wilde wegrennen.

Maar de baron had dit voorzien, en hield haar kleed met zijne handen vast.

„Nog niet! nog niet! dierbaarste barones,quot; zeide hij spottend: „Ge moet de goedheid hebben te wachten tot ik in den zadel ben! Opdat wij gelijkmatiger in onze nachtelijken wandelrit zijn, wil ik een slip van uw kleed steeds in de hand houden. Wij blijven dan beter bij elkander.quot;

„En ik ben niets dan een arme, zwakke vrouw!quot; prevelde zij tandenknarsend voor zich^ terwijl hij vlug en behendig in den zadel sprong.

„Nu is bet goed, Friedrich. Ge kunt ons nu te voet volgen,' riep de baron den rijknecht toe : „nu voorwaarts, mijn schoone Leonora; voorwaarts in gelijkmatigen galop.quot;

ocr page 470

218

Hij sloeg mei de rijzweep op de paarden, en gelijkmatig renden zij nu voorwaarts, —gelijkmatig met razenden spoed.

„En gij meendet mij dus te kunnen ontvluchten riep de baron met honenden lach, terwijl de nachtwind om beiden suizde, en de paarden snuivend met hen voott-vtogen.

,.lk meende ons beiden nog te kunnen redden!quot; riep zij op grimmigen toon: „Ja, ons beiden nog te kunnen redden.quot;

„Ge wilt mij dreigen, leeuwin!quot; lachtte hij :„Ge meent dat ik uw klauwen vrees!quot;

,,Ik weet, dat ge niets vreest!quot; riep zij terug: „Niets vreest in den hemel noch op aarde. Maar mij zult ge vreezen, want ik haat, ik verfoei u! Ik vloek u, mijn ver-derver! mijn booze demon! Ik ben een zondares, een misdadige, maar gij hebt mij daartoe gemaakt. Ik wilde mij opheffen uit het slijk der ondeugd, maar gij hebt het niet geduld. Ik vloek u! Ik wilde God verzoenen en aan het berouw mijn leven ten offer brengen, maar gij stiet mij in de hel terug. Ik vloek u!quot;

„En ik,quot; riep hij spottend; „vergeef u ! ik heb de moordenares, de misdadige vergeven, en daarom zal God toegevendheid met mij hebben op den jongsten dag. Ja, ik Vergeef u, want ik bemin u, ik bemin u!''

„En ik, — ik verwensch u!'' gilde zij zóó luid, dat het afgrijselijk door den nacht huilde — het vreeselijke woord, het vreeselijk gesprek van de beiden, die suizend op de paarden voortjoegen.

Voor hun huis aangekomen, sprong de baron van het paard, om zijne echtgenoote bij het alstijgen behulpzaam te zijn; en de lakeien en knechts vlogen uit de huisdeur met lantaarns toe om het nachtelijk tooneel te verlichten. Leonora weerstreefde niet langer; zij liet zich langzaam van het paard glijden, en nam met trotsche kalmte den haar gereikten arm van den baron.

Hij' voerde haar het huis binnen, en langs de trap naar boven in haar heider verlichte kamer.

Daar stonden zij nu en aanschouwden elkander; —hij met een spottenden glimlach, zij met een dreigenden blik en hoog opgericht hoofd, — een gevallen engel en een

ocr page 471

'219

valsche demon, elkander dreigende, beiden peinzend op hun verderf.

„Ik hoop, Leonora, ge zult nu eindeiijk begrepen hebben, dat ge mij niet ontvluchten kunt, en dit zal uw laatste poging zijn.quot;

„Het is mijn laatste poging,quot; antwoordde zij, langzaam haar hoofd buigende; „ik geef het nu op, u en het ongeluk te ontvluchten.quot; •

„Waarom spreekt ge van ongeluk ? Er zal een dag komen, dat ge weder verstandig zijt en om deze hersenschimmen iacht, die u thans als met waanzin omsponnen hebben.quot;

„Ge hebt dus besloten dit vreeselijk leven van misdaad, schande en vernedering voort te zetten ?quot;

„Ik heb besloten voort te leven zooals wij leven, tot wij de verlangde millioenen bijeen hebben.''

„En al mijn smeeken en al mijn jammeren zal vergeefs zijn? Ge weet, dat ik mij ongelukkig gevoel; ge weet, dat ik in vertwijfeling ben ; dat ik mij zou willen redden uit het verderf. Ge wilt het niet toestaan, en onverbiddelijk blijven?quot;

„Onverbiddelijk ! Want ge zijt de mijne, en ik laat u niet vrij. Slechts de dood kan mij van mijn zoete Leonoia scheiden, en ik hoop, dat hij nog ver van ons zal blijven.quot;

Zij legde langzaam haar hand op zijn schouders en wendde haar bleek, beraden gelaat tot hem.

„Koenraad, hoor mij. De prins is rijk; — hij is grootmoedig en bemint mij. Ik wil mij aan hem openbaren en de waarheid zeggen. Ik wil hem mijn en uvv vreeselijk lot verhalen. Ik wil hem bezweren, dat hij mijn ziel redt. Ik herhaal u; bij is grootmoedig en hij is rijk, en 'tis zijn eerste jeugdige liefde. Ik wil hem van deze liefde bevrijden, door hem oprecht en eerlijk te zeggen wie ik beu. Hij zal mij verachten, maar hij zal mij redden!

„Ik begrijp u,quot; antwoordde hij gelalen ; „ge meent, hij zal mij een goed kapitaal bieden en u van mij loskoopen. Mijn lieve, hij zal mij misschien een honderdduizend thaler geven, als hij werkelijk zoo edelmoedig is, —maar ik moet u bekennen, mijn schoone Leonora is mij meer waard dan dat. En dan vind ik op den grond mijns harten nog een vonkje eergevoel, dal zich tegen dien handel

ocr page 472

220

verzet. Doe dus geen moeite, want het zou vergeefs zijn. Ik heb een recht op u, en de wet beschermt mij in dit recht. Hebt ge mij nog iets te zeggen of toe te vertrouwen ?quot;

Zij liet langzaam haar hand van zijn schouders neder-zinken. — „Neen ! Alles is uit en ten einde tusschen ons ; alles! Ik verzoek u, mii nu te verlaten, want ik ben vermoeid.quot;

Hij boog voor haar, nam haar hand, welke zij hem zonder te weerstreven liet, en drukte er een kus op.

Nu ontroerde zij en onttrok ze hem haastig.

„Goeden nacht!quot;

, Goeden nacht, mijn waarde Leonora. En ik hoop, dat ge na dezen allerliefsten wandelrit, een goeden nacht en een gezonden slaap zult hebben.quot;

Hij boog nog eens, en verliet toen de kamer.

Zoodra hij de deur achter zich dicht had getrokken, hief zij haar beide handen dreigend naar de deur op, — met een beweging, als had zij een dolk in de hand, dien zij hem wilde nawerpen.

„Rampzalige! Ge hebt uw doodvonnis uitgesproken,quot; zeide zij tusschen de samengedrukte lippen: „ik heb alles beproefd — alles is te vergeefs geweest! Thans ben ik aan u vervallen, gij donkere machten ; nu behoor ik u ! Ik wil mij redden tot eiken prijs, en zoo de hemel mij verlaten heeft, zal de hel zich over mij ontfermen, 'tls beslist, hij heeft het zoo gewild !quot;

En plotseling scheen zij nu bedaard en gelaten te zijn. Geen traan kwam meer in hare oogen, geen klacht klonk van hare lippen.

Maar zij ging uren lang in de kamer op en neer, onverpoosd, zonder vermoeienis, — zooals de leeuwin doet, wanneer zij achter de ijzeren tralies rusteloos naar vrijheid tracht, en naar een uitgang uit dezen vreeselijken kerker, die haar van de vrijheid en het paradijs scheidt. —

De zon ging op en de dag brak aan, maar zij bemerkte het niet. Het werd levendig in het huis, levendig op de trap, maar zij lette er niet op.

De leeuwin, de gevangen leeuwin, ging altoos nog met haastige schreden en gloeiende oogen in haar hok op en neer, en bloedige gedachten van redding en moord tluis-terden in haar ziel.

ocr page 473

221

-Redding tut eiken prijs!

Wat bekummert het de leeuwin, zuo zij uil liaar huk kan ontspringen, uf zij een niensch verscheurt! Waarom zoekt hij haar tegen te houden! Zijn bloed komt over hem, die haar wil tegenhouden.

Lustige stemmen en vroolijk lachen klinkt nu van de straat omhoog, en een opgeruimde welbekende stem wekt de leeuwin uit haar peinzen, en roept haar tot het tegenwoordige terug. Zij trad aan 't venster, en achter de kleine gordijn verborgen, zag zij naar beneden. Een troep ruiters stond voor de deur, aan hun spits de graaf van Ar-tois.

„Baron! baron von Ehrenberg! Ge moet ons begeleiden naar een fraai avontuur.quot;

Zij zag den baron nu uit de huisdeur komen, en het paard van graaf van Artois naderen. En onwillekeurig balde zij haar rechterhand en dreigde naar beneden, fluisterende: „Wee over uiquot;

Zij hoorde hen lachen en schertsen, en vernam de luide krijschende stem van den graaf van Artois.

„Ja, waarachtig; een vroolijk avontuur zal het heden geven, en wij komen u afhalen. Het betreft heden een allerliefste affaire. De belegerden hebben een nieuwe kleine schans opgeworpen en voor de Duitsche schans geschoven. Men heeft ons bericht, dat deze schans stormenderhand zal genomen worden, en — mort de ma vie! 'tzou een aangename afwisseling in ons kampleven en ons tehuis zitten zijn, zoo wij bij deze affaire tegenwoordig waren. De hertog van Weimar, dien ik er om verzocht heb, zendt mij juist een koerier met de boodschap, dat er heden iels gebeuren zal; en daar men ook ruiterij wil gebruiken, kunnen wij er allen bij zijn.quot;

Leonora stond achter de gordijn, en luisterde met ingehouden adem.

„Als hij het aanneemt,quot; fluisterden hare bleeke lippen: „als hij het aanneemt, dan heeft hij zijn doodvonnis uitgesproken.quot; Zij luisterde weder, maar ontstelde en verwijderde zich van 't venster.

„Hij heeft het aangenomen,quot; zeide zij zacht voor zich: „Hij wil met hen gaan en deelnemen aan het gevecht.quot;

Van de straat klonken altoos nog de pralende, vroolijke

ocr page 474

222

stemmen. Men hoorde liet slaan der hoeven op de straat-slecnen, en hoorde ook, lioe do baron nu met luide stem den rijknecht toeriep, zijn paard voor te brengen.

„Is de barones reeds zichtbaar?quot; vroeg de gi'aaf van Artois: „Kunnen wij haar onzen morgengroet brengen?quot;

„Ik zal gaan zien, genadige heer, en wil haar zeggen, welk een eer ge haar wilt bewijzen.quot;

„Hij komt,quot; stamelde Leonora inwendig rillend: „Hij komt!quot;

Zij legde haar rechterhand op haar hart, dat zeer onstuimig k lopte, en hijgde naar zelf beheersching en kalmte. Toen hij de deur opende en bij haar binnentrad, scheen zij volkomen gelaten, en beantwoordde met een lichte hoofdbuiging zijne begroeting.

„Ik kom om afscheid te nemen, mijn dierbare Leonora.quot;

„Ik heb 'tgehoord,quot; antwoordde zij rustig: „er zal heden een gevecht plaats hebben, en ge wilt er deel aan nemen.quot;

„'t Is een zaak van eer, en ge weet, ik ben zeer gevoelig op het punt van eer. Graaf van Artois meende gisteren, dat ik een slecht soldaat zou zijn, en niet van het fluiten der kogels hield. Ik zeide hem, dat ik aan de eerste affaire deel zou nemen, om hern te overtuigen, dat ik er geheel onverschillig voor ben. Men wil heden een schans bestormen. Hel zal een tamelijk levendige affaire zijn.quot;

Zij antwoordde niet, maar ging met driftige schreden eenige keeren heen en weder, en tiij zag haar glimlachend aan. Plotseling bleef zij voor hem staan, en zag hem [met een grooten zonderlingen blik aan.

„Ga niet met den graaf van Artois,quot; zeide zij: „ik raad u, blijf tehuis. Want ik heb gisteren van prins Louis gehoord, dat de strijd om deze schans zeer ernstig zal zijn, en vele menschenlevens zal kosten. Ga niet met den graaf! Het zou uw verderf kunnen zijn!quot;

,.Iioe?quot; vroeg hij verbaasd: „mijn teedere Leonora vreest plotseling voor mij ?quot;

Zij knikte langzaam met het hoofd.

,ja, ik vrees voor u. En ik herhaal u: ga niet, neem geen deel aan den strijd.quot;

Hij haalde de schouders op.

„Ik moet en ik wil! Ik zal wel zorgen mij niet al te

ocr page 475

223

veel iiati gevaar bloot te stellen. En zoo mij een kogel treft, wat zou het zijn? In liet ergste ^eval maak ik u tot weduwe, en ik geloot', ge zoudt het mij vergeven, en met uwe tranen de vervloeking uitwisschen, die ge heden nacht tegen mij uitgebracht hebt.quot;

„Koenraad!quot; riep zij met luide, angstige stem; „ik bid u, ga niet!''

Zij nam zijn beide handen, en zag hem angstig in het gelaat.

„Ga niet! Gij gaat in uw verderf!quot;

Hij maakte zich onstuimig en tartend uit hare handen los.

„Uwe liefde ontwaakt een weinig laat, Leonora, — te laat, om mij te kunnen terughouden. — Adieu, madame! en ik hoop, wij zien elkander na deze affaire gelukkig weder.quot;'

Hij verliet de kamer.

Leonora zonk op hare knieën, en het gelaat in haar handen verbergende, prevelde zij: „Hij heeft het gewild!quot;

Nu sprong zij weder op en luisterde naar het venster, en hoorde den hoefslag der paarden, die in galop wegjoegen. Hij met hen, — hij haar duivel, haar démon!

Zij was nu alleen, geheel alleen in het huis; want de beide bedienden hadden den baron begeleid en haar kamenier was gisteren, door een boosaardige koorts overvallen, naar het gasthuis gebracht. En tóch grendelde zij de deur, als vreesde zij, er mocht iemand binnentreden en haar in het werk verhinderen, dat zij nu ging verrichten.

Maar 't was toch slechts een prettig werk, een maskerade! — Het soldatencostuum, dat zij in het vorige jaar voor zich had laten maken, en waarin zij dikwijls haren echtgenoot naar het leger begeleid had,— zooals al de lustige dames in dergelijke costumes met hunne cavaliers gedaan hadden, — dit soldatencostuum was nog voorhanden. Zij had het ook dit jaar medegenomen, en zij snelde naar haar garderobe, zocht het met haastige iianden, en kleedde zich er mede.

't Was goed, dat zij de nieuwe mode van het kort gesneden haar had amgenomen, want deze haardracht paste goed voor den jongen soldaat, die nu voor den

ocr page 476

224

spiegel stond, en zich mei optnerkzumen blik beschouwde.

Nu de militaire pet diep in de oogen gedrukt, het jachtgeweer opgenomen, dat steeds geladen in den hoek barer kamer had gestaan, — want in deze oorlogstijden moest men steeds bedacht zijn op een overval van stroopers of vijandelijke soldaten.

Zij onderzocht het slot en de lading. Alles is in orde!

Nu voorwaarts; het zal heden een heete affaire geven, een vroolijk avontuur, en de jonge soldaat die nu haastig door de straten van Nieuw-Koblentz gaat, dien niemand kent, niemand opmerkt, de jonge soldaat wil er óók bij zijn.

Zoo gaat hij rustig uit de stad naar buiten, en daar t rekken op den weg wagens met soldaten heen, die haastig voort moeten. De jonge soldaat mengt zich onder de anderen, en zoo gaat het voorwaarts, naar de plaats, waar heden de strijd zal plaats hebben.

vin.

VÓÓR DE SCHANS.

Stormenderhand moest de vooruitgeschoven vijandelijke schans genomen worden!

„Wij kunnen met onze belegeringswerken niet vooruit komen, zoo deze schans niet weg is.quot;

Dit zeide juist generaal von Kalkreuth, tot de hem omgevende generaals en stafofficieren. Prins Louis Ferdinand behoorde tot hen. Niet alleen wijl hij een prins was, maar wijl de Koning hem tot generaal-majoor had bevorderd, tot dank voor de heldendaad der redding van den Oostenrijkschen soldaat.

En de jonge generaal-majoor trad nu op den commandeerenden generaal toe.

„Excellentie, ik verzoek om een gunst! Om de gunst, het bevel over den aanval te mogen hebben.quot;

„Genadige heer, 't is een gevaarlijke gunst, welke gij verlangt,quot; antwoordde generaal von Kalkreuth ernstig: ,,het zal een harde strijd geven. Want, naar men zegt,

ocr page 477

225

hebben de Franschen naast de schans cavallerie geplaatst, en 'tzal noodig zijn, dat wij ook cavallerie er tegen aanvoeren, hoewel de onze slechter zal avanceeren dan de vijandelijke, die in een veilige hinderlaag ligt en op een gunstig terrein manoeuvreeren kan.quot;

„Waarom zegt ge mij dit, generaal?quot; — vroeg prins Louis Ferdinand met glimlachenden blik en vroolijk gelaat: „Hoe meer gevaar, des te schooner de overwinning! En wij zullen overwinnen, dat beloof ik u, generaal. Ik verzoek u, geef mij 't bevel over den aanval.quot;

„Uw wil geschiede, prins,quot; antwoordde generaal von Kalkreuth buigende.

En hij gaf zijn orders aan de ruiterij en het voetvolk, den prins te volgen en zijne bevelen te gehoorzamen.

Daar kwam de graaf van Artois met zijn cavaliers aanrennen.

„Prins Louis Ferdinand, ge zult mij toch vergunnen met deze heeren hier aan de affaire deel te nemen? Wij zijn vrijwilligers, die zich gehoorzaam aan uwe bevelen onderwerpen. Ik verzoek u buitendien, prins, dat ge mij zoo ver mogelijk vooruit zendt, want ik twijfel niet; als de Franschen mij herkennen en vernemen wie tegenover hen staat, dan zullen zij niet wagen te vuren.quot;

„Ik vrees, prins, dat gij u vergist,quot; antwoordde Louis glimlachend: „wij hebben met Fransche republikeinen te doen, en de sansculottes hebben geen goede manieren.quot;

„Ge zult zien, dat ge u vergist!quot; riep de Fransche prins met trotsch zelfgevoel: „Laat mij vooraan, laat mij uw heraut zijn! Als ik de Franschen toeroep: Ik ben Artois! Tot mij, mijn getrouwen! Ik ben Artois . .

„Dan zullen zij u met eenige goed gemikte schoten antwoorden,quot; viel de prins lachend in: „als 't u behaagt aan de affaire deel te nemen, — 't zij zoo — maar ik ben voor uw leven verantwoordelijk en ge zult mij vergeven, zoo ik u niet in bet dichtste vuur zend. — Maar nu is het tijd den aanval te regelen en den strijd te beginnen.quot;

En nu hoorde men niets meer dan commando's, het draven van paarden en het roepen en commandeeren der ■officieren en der opmarcheerende, voorwaarts rukkende manschappen.

Mühlbaoh, Dmtschland in Woeling en Strijd. VI. 15

ocr page 478

226

'iWas een hard, bloedig gevecht, verbitterd van weerszijden.

De schans werd door de Franschen met heldenmoed verdedigd. De ruiterij rende vooruit, en 't scheen reeds bijna, als ware de cavailerie der geallieerden overhoop geworpen. Maar de luide stem van den prins klonk overal en bemoedigde de aanvallers.

Spoedig had de razernij van den strijdlust aller harten overweldigd! De soldaten juichten, terwijl zij voorwaarts drongen, en juichend ontving hen de vijand.

Ook de uitgewekenen gevoelden zich als door den zwijmel van den strijdlust bevangen en letten niet op de suizende kogels en de ilikkerende zwaarden.

Voorwaarts! voorwaarts! Immer tegen den vijand!

Somwijlen hoorde men de stem van den Franschen prins, die riep; „Ik ben Artois! Graaf Artois! Hoort mij, mijn vrienden!quot; Maar ginds in de schans hoorde men dan ook lachen en spottend juichen. En weder donderden dan de kanonnen, knetterden de geweren.

Ook de baron von Ehrenberg had zich in het gewoel geworpen. Een troep vooruitrukkende soldaten had hem van den Franschen prins en diens gevolg gescheiden. Hij was midden in 't gedrang van een voortrukkend bataillon geraakt en tegen zijn wil moest hij nu mede, vooruit tegen de schans.

Vruchteloos poogde hij zich uit het gedrang te trekken, vruchteloos zocht hij in het rond, naar een uitweg uit het dichte gewoel.

Nu viel zijn zoekenden blik op een jongen soldaat die dicht bij hem stond en op hem scheen toe te dringen. Zijn donkere oogen rustten met een zonderlinge, dreigende uitdrukking op den baron. En de baion huiverde en wist zelf niet, welk een verschrikkelijk voorgevoel plotseling in hem oprees. Men had hem verder voortgedrongen en hij wendde het hoofd ter zijde, om nog eens den jongen soldaat op te nemen — maar deze was van zijne zijde verdwenen.

„Tot mij, grenadiers! hierheen!quot; riep. juist de luide juichende stem van prins Louis: „Grenadiers van Manstein, voorwaarts! voorwaarts!quot;

En Juichend in stormpas ging het nu voorwaarts, voor-

ocr page 479

227

aan prins Louis Ferdinand. De schans bestormd, vooraan altoos nog de prins, — de eerste overal, en de eerste was hij ook boven op de schans, — en met gevelde bajonet en verrukten kreet volgden hem zijne grenadiers.

Kogels fluiten om hen heen, maar de schans is bestormd.

De vijand trekt terug; maar nog bij het wijken, treffen zijn goed gemikte schoten.

Een luide kreet klinkt uit de gelederen der grenadiers, — prins Louis Ferdinand zinkt zwaar gewond op de schans neder.

In hetzelfde oogenblik klonk een andere kreet uit de gelederen der soldaten. Niemand lette er op.

Prins Louis Ferdinand is gevallen, — wat bekommert het den treurenden, wie anders nog gevallen is.

De schans is veroverd, maar tot welk een treurigen prijs! Na de heftige opgewondenheid der laatste uren, met hun gewoel, hun woest getier, hun schreeuwen en brullen, maakt de nu plotseling ontstaande stille een des te vreeselijker indruk. Duidelijk hoorde men het steunen, het kermen der gewonden en stervenden, die rondom op de schans lagen.

Slechts hij, om wien zich zijne officieren met treurige blikken verdrongen, — slechts prins Louis Ferdinand laat geen klaagtoon hooren. Zijn sterken en machtigen geest gelukte het, niet alleen den smartkreet en het kermen van pijn te onderdrukken, maar hij dwong ook zijn bewustzijn hem bij te blijven, en drong de verschijnende onmacht telkens terug door de kt acht van zijn wil.

De toegeijlde artsen knielden nu neder naast den prins, om zijn wonde te onderzoeken.

Hij, — de tanden vast opeengedrukt, — liet dit geschieden zonder eenig geluid.

Zijne officieren stonden er bij met bleeke aangezichten, bewogen door smart, en verder in een halven kring de soldaten, treurig op hun geliefden aanvoerder starende, en niet zacht gefluister onder elkander twistend om de eer, wie den gewonde op de baar leggen, — en naar het hoofdkwartier dragen zou.

Bij de twistenden stond de jonge soldaat, wiens blik straks den baron zoo ontsteld had; hij stond en keek met

ocr page 480

228

groote oogen naar do bleeke, bloedende gestalte van den prins.

Zijn geheele ziel lag in dezen blik, zijn lippen beelden van aandoening en verwachting. Hij luistert naar de uitspraak der artsen, en nu glanst als een zonneschijn over zijn aangezicht; want met zijn ziel, zijn hart heeft hij gehoord, wat de artsen gezegd hebben: „'t Is een zware verwonding, maar niet doodelijk. Het schot is door den enkel gegaan. De prins zal lang te lijden hebben, maar genezen.quot;

Ook de andere soldaten vernamen het nu van hunne officieren, die zich tot hen wendden en het hun mededeelden, en een vroolijk juichen en een donderende jubelkreet vervulde de lucht.

De prins, die de pijn had doorgestaan, had geen kracht om deze uitdrukking van de liefde zijner getrouwen te weerstaan. Een doodsche bleekheid bedekte zijn gelaat en door een diepe onmacht bevangen, boog hij het hoofd achterover.

Maar hij zal leven, hij zal leven! Dit is de blijde lijding voor al zijne getrouwen. En daar is de draagbaar, en al de soldaten dringen toe. Ieder wil behulpzaam zijn, ieder wil hem dragen. Liefderijke armen lillen hem behoedzaam op en leggen hem zacht op de baar neder.

De jonge soldaat staat op een afstand en ziet het met smachlenden teederen blik; hij steekt de handen uit,[onwillekeurig, als moest hij het zijn, die hem draagt en koestert. Maar vervolgens wendt hij zich om, want tranen vloeien uit zijne oogen, — en het past niet dat een soldaat weent!

't Is daarom misschien dat hij zich omwendt, dat hij vliedt, vliedt in ijlenden loop. Weg uit de schans, weg de hoogte af naar het leger, terug naar Marienborn!

Op den weg vóór hem beweegt zich nu een lange stoet. Daar was óók een baar en soldaten droegen haar op hun schouders Op deze baar lag een bleeke bloedende gestalte uitgestrekt en met eiken tred, dien de soldalen voorwaarts deden, drong een steunen van hare lippen. De jonge soldaat hoorde het en huiverde, en liep op een grooten afstand den stoet voorbij, vervolgens over den weg naar een klein rijtuig, dat bij 't begin van het dorp gereed

ocr page 481

229

stond. Nu er ia en vuurt gaat liet rijtuig, in vollen ren, naar Nieuvv-Koblentz.

Eenige uren later naderde een lange stoet het huis, dat baron von Ehrenberg te Nierstein bewoonde. Een baai-hield voor het huis stil, en op de baar lag de baron von Khrenberg, gewond en den dood nabij. De artsen hadden terstond op het slagveld zijne wonde onderzocht en zich vervolgens hoofdschuddend verwijderd.

Een schot was hem door den hals gegaan. Hij kon nog eenige uren te leven hebben, maar hulp was er niet voor den gewonde. Dit hadden de artsen den graaf van Artois gezegd, die met belangstelling den baron van dienst trachtte te zijn. En met deze treurige tijding zond nu de graaf van Artois een zijner cavaliers, die naast den gewonde ging, tot de barones von Ehrenberg.

De cavalier trad het huis binnen en vroeg naar de barones, terwijl de bedienden voorzichtig en behoedzaam den gewonde het huis binnen, naar boven in zijn kamer droegen, en hem op zijn bed legden.

De barones von Ehrenberg was in haar kamer en ontving de boodschap van den graat van Artois met ernstig en treurig gelaat.

„Misschien hebben de artsen zich vergist,quot; zeide zij: „misschien gelukt het evenwel door mijne verpleging en zorg den gewonde te behouden en te redden. Ik zal in elk geval mijn plicht doen en bij hem blijven.quot; —

Toen de cavalier van den prins van Artois haar daarop verlaten had en alle vreemde menschen zich uit het huis verwijderd hadden, bleef zij nog een oogenblik alleen in hare kamer, wrong haar handen vaster ineen, drukte ze tegen hare lippen, als wilde zij een kreet van ontzetting tegenhouden.

Toen trad zij met volkomen gelatenheid en kalmte uit de kamer en begaf zich in het vertrok, waar de gewonde lag. De bedienden waren om hem heen bezig. De barones beval hen heen to gaan en buiten hare bevelen te wachten, want volkomen rust was nu voor den zieke noodzakelijk, en zij alleen wilde bij hem blijven.

Zacht op de teenen slopen nu de bedienden naar buiten en Leonora was alleen met haren echtgenoot, die kreunend op zijn bed lag.

ocr page 482

230

Nu ^ing zij op hem toe en beschouwde hem, bleek als een lijk, maar de blik vlammend van een demonisch vuur.

Hij zag haar naderen. Zijne oogen waren wijdgeopend, en ook zijn blik was somber en vlammend, en dreigend de uitdrukking van zijn gelaat.

Zij stond nu naast zijn bed ; zonder medelijden en zonder liefde zag zij hein aan met een kouden en strengen blik.

Het trilde over zijn gelaat; hij opende de lippen en wilde spreken, maar slechts een gorgelend geluid kwam uit zijn keel.

De vloek, de verwenschingen, die uit zijn voorkomen spraken, vonden geen woorden meer en klonken evenwel gillend luid in Leonora's ziel.

Zij verstond en wist wat deze lippen zonder woorden spraken.

Zij verstond en wist, wat het beduiden moest, dat hij nu langzaam en dreigend de hand ophief en ze tegen haar balde, als wilde hij baar in het aangezicht slaan. Maar deze hand zonk mat en krachteloos neder, en nog eens opende hij de lippen en beproefde te spreken, maar slechts een gorgelende klank werd hoorbaar.

Ja, slechts God en Leonora wisten, wat deze lippen zeggen wilden.

Zij stond nog altoos bij het bed, — zonder medelijden koud en streng, als het eeuwige noodlot, als de wreekende schikgodin. En koud en streng klonken nu langzaam deze woorden van hare lippen:

„Ge hebt mijn geheele leven vernietigd! Ik was goed en onschuldig, toen ge mij tot uwe vrouw hebt genomen, zonder naar mijn wil, naar mijne liefde te vragen. Ge hadt een teedere, beminnende gade van mij kunnen maken, — een goede vrouw, een goede moeder. — Ge hebt een boeleerster en bedriegster, een verworpen schepsel van mij gemaakt, dat ik zelve verachten en van 'twelk ik mij zou afwenden, zoo ik het op de straat tegenkwam. Ge hebt mijn ziel bedorven en mijn hart vergiftigd! Ge hebt mij belogen en bedrogen! En toen mijn ziel inbaar laatste vertwijfeling tot u kreet om ontferming en redding — toen hebt ge mij bespot en verstooten, en mij nederge-

ocr page 483

worpen in den afgrond van laagheid en ontzetting tegelijk. Ge hadt geen medelijden met mij, en toen heb ik zelve mij over mij ontfermd, en mij bevrijd van den demon, die mij in ketens en banden hield!quot;

Hij kon niets zeggen, niets antwoorden op deze koude strenge woorden.

Hij hief slechts langzaam weder de hand op en wees met den vinger op de roode vlek aan zijn voorhoofd en vervolgens op de wonde aan zijn hals. En zij zag en begreep zijn beweging, knikte langzaam met het hoofd en zeide: „ja, ten tweedenraale. Als God en hel lot den mensch verlaat, moet hij zelf zijn god en lot zijn, en zich zeiven helpen!quot;

Er trok een donkere wolk over zijn aangezicht, de oogen verloren hun glans, de lippen trilden. Vervolgens werd zijn gelaat lijkkleurig.

En nu, misschien door dien aanblik in 't diepst van haar hart vermurwd, knielde Leonora bij het bed neder.

Hij bewoog de lippen, hij scheen te willen spreken. De oogen, die straks zoo dreigend tot haar hadden gezien, namen nu een zachte, schier smeekende uitdrukking aan.

Zij begreep wat deze oogen haar wilden zeggen'en legde nu zacht haar hand op zijn stuiptrekkende, krampachtig ineengesloten handen.

„Ik vergeef u!quot; zeide zij luid en plechtig; „vergeef gij ook mij, want wij hebben beiden zwaar gezondigd.quot;

Hij hief het hoofd een weinig op en knikte langzaam tot antwoord. Vervolgens zonk het koofd wedfer terug, de blik werd strak.

En strak zag Leonora hem aan en zag hoe het leven uit deze gestalte week, die zoolang haar schrik en foliering was geweest, — zag, hoe het voorhoofd, dat zooeven nog rood was, nu geel en vaal werd.

Een kreet van ontzetting drong uit hare borst; zij drukte beide handen voor haar aangezicht en hare lippen (luisterden woorden, vier woorden, die slechts God hoorde en de stervende. —

Drie dagen later vond in de kleine kerk, die aan den zoom van 't bosch boven het dorp Ehrenberg ligt, een ernstige en sombere plechtigheid plaats. Men had het lijk

ocr page 484

'232

van dcti baron von Windeck en Ehrenberg uil Nierslein daarheen gebracht.

Want de laatste baron von Windeck en Ëhren berg, die op het slagveld als een dappere zulk een eervollen dood had gevonden, zou nu met alle eer en waardigheid begraven worden.

De Fransche prinsen waren in persoon gekomen, om de plechtigheid bij te wonen. De Koning van Pruisen had een zijner adjudanten en verscheidene officieren tot de begrafenis afgevaardigd, en de kleine kerk had wel nooit zulke voorname en aanzienlijke bezoekers gehad als op dezen dag, toen men het lijk van den baron in het midden der kerk had tentoongesteld en het de laatste eer bewees, vóór de bedienden van den baron de doodkist in den grafkelder droegen, waar zij naast den ongelukkigen laatsten baron — die zich zeiven het leven had benomen — hare rustplaats vond.

Toen deze plechtigheid volbracht was, begaven zich de Fiansche heeren en al de rouwdragenden weder naar het slot Windeck, om de barones hun rouwbeklag te brengen en afscheid van haar te nemen.

Maar Leonora ontving geen dezer heeren; zij had de plechtigheid niet bijgewoond. Zij was na den dood van den baron naar het slot Windeck gereisd en was daar aangekomen een dag voor dat het lijk er aankwam. Al de huisbeambten en dienstboden van den baron hadden het lijk bij den ingang van het Slot ontvangen; de predikant The-ophil was er geweest, om een gebed te verrichten en het in de zaal te begeleiden. Maar de barones had hare vertrekken niet verlaten en was niet gekomen om den dooden echtgenoot te ontvangen.

Onzichtbaar voor alle bezoekers, alsook voor hare dienstboden, was zij in hare vertrekken gebleven; ook den predikant Theophil — haar vertrouweling Theophil, die tot haar gewild had — ook hem had zij laten afwijzen.

Zij kon niemand spreken, had zij hem door haar kamenier laten zeggen. Maar na de begrafenis zou hij in de kerkekamer blijven, dan wilde zij tot hem komen om hem te spreken.

Nu was de doodkist nedergelaten in den grafkelder, de zware valdeuren hadden zich gesloten, de prinsen, de of-

ocr page 485

fieieren on alle overige deelgenooten van de plechtigheid hadden zich verwijderd. De kerk was weder eenzaam en stil en aan niets was er te zien dat haar bedienaar zooeven eene treurige plechtigheid voltrokken had.

De deur stond open en de zonneschijn en de zachte zomerlucht drongen binnen in de stille kerk. In een der banken zat ïheophil; hij had met gebogen hoofd en gevouwen handen. En de woorden, die zijne lippen prevelden, vonden een echo in de ledige ruimte, en weerklonken als geestengefluister.

Door de open deur trad nu een hooge, in zwart gehulde vrouwengestalte. Langzaam ging zij door den breeden gang en naderde den predikant. Hij hoorde haar niet, want haar tred was zacht en hare voeten schenen nauwelijks den grond aan te raken, zoo onhoorbaar zweefde zij voort. Nu stond zij naast de bank en raakte zacht met de hand den schouder van den biddenden predikant aan. Ilij beefde, schrikte en stond haastig op.

Zij sloeg den zwarten sluier terug en liet hem haar fraai, doodsbleek gelaat zien, en deze diepe, ondoorgrondelijke oogen, die hem aanschouwden met een uitdrukking van onuitsprekelijke droefheid.

„Wees gezegend, mijn dochter,quot; zeide hij langzaam en zag haar aan.

Zij echter schudde schier tartend het hoofd.

„Spreek geen zegenbede over mij uit,quot; zeide zij bitter, en akelig klonk de echo barer woorden door de kerk: „zegen mij niet; ik wil u spreken. Kom en hoor, wat ik u te zeggen heb.quot;

Zij wendde zich langzaam om en richtte hare schreden naar de kerkekamer en naast haar ging met gebogen hoofd de predikant Theophil in zijne zwarte toga.

Zoo traden beiden het vertrek binnen en zetten zich aan weerszijden der tafel tegen elkander over.

De predikant hield zijn hoofd gebogen en wachtte met ernstig gelaat op hetgeen Leonora hem zeggen zou.

In de kerk was liet uu geheel stil. Slechts een vogeltje, dat uit bet bosch, diengrooten tempel Gods, verdwaald was in de kleine kerk der menschen, — een vogeltje zat op den rand van het groote boogvenster en liet zijn iuid vroo-lijk getjilp hooren.

ocr page 486

230

Nu ^ing zij op hem toe en beschouwde hem, bleek als een lijk, maar de blik vlammend van een demonisch vuur.

Hij zag haar naderen. Zijne oogen waren wijdgeopend, en ook zijn blik was somber en vlammend, en dreigend de uitdrukking van zijn gelaat.

Zij stond nu naasl zijn bed ; zonder medelijden en zonder liefde zag zij hein aan met een kouden en strengen blik.

Het trilde over zijn gelaat; hij opende de lippen en wilde spreken, maar slechts een gorgelend geluid kwam uit zijn keel.

De vloek, de verwenschingen, die uit zijn voorkomen spraken, vonden geen woorden meer en klonken evenwel gillend luid in Leonora's ziel.

Zij verstond en wist wat deze lippen zonder woorden spraken.

Zij verstond en wist, wat het beduiden moest, dat hij nu langzaam eu dreigend de hand ophief en ze tegen haar balde, als wilde hij haar in het aangezicht slaan. Maar deze hand zonk mat en krachteloos neder, en nog eens opende hij de lippen en beproefde te spreken, maar slechts een gorgelende klank werd hoorbaar.

Ja, slechts God en Leonora wisten, wat deze lippen zeggen wilden.

Zij stond nog altoos bij het bed, — zonder medelijden koud en streng, als het eeuwige noodlot, als de wreekende schikgodin. En koud en streng klonken nu langzaam deze woorden van hare lippen;

„Ge hebt mijn geheele leven vernietigd! Ik was goed en onschuldig, toen ge mij tot uwe vrouw hebt genomen, zonder naar mijn wil, naar mijne liefde te vragen. Ge badt een teedere, beminnende gade van mij kunnen maken, — een goede vrouw, een goede moeder. — Ge hebt een boeleerster en bedriegster, een verworpen schepsel van mij gemaakt, dat ik zelve verachten en van 'twelk ik mij zou afwenden, zoo ik het op de straat tegenkwam. Ge hebt mijn ziel bedorven en mijn hart vergiftigd! Ge hebt mij belogen en bedrogen! En toen mijn ziel in haar laatste vertwijfeling tot u kreet om ontferming en redding — toen hebt ge mij bespot en verstoeten, en mij nederge-

ocr page 487

worpen in den afgrond van laagheid en ontzetting tegelijk. Ge hadt geen medelijden met mij, en toen heb ik zelve mij over mij ontfermd, en mij bevrijd van den demon, die mij in ketens en banden hield!quot;

Hij kon niets zeggen, niets antwoorden op deze koude strenge woorden.

Hij hief slechts langzaam weder de hand op en wees met den vinger op de roode vlek aan zijn voorhoofd en vervolgens op do wonde aan zijn hals. En zij zag en begreep zijn beweging, knikte langzaam met het hoofd en zeide; „ja, ten tweedentiaale. Als God en het lot den mensch verlaat, moet hij zelf zijn god en lot zijn, en zich zeiven helpen!quot;

Er trok een donkere wolk over zijn aangezicht, de oogen verloren hun glans, de lippen trilden. Vervolgens werd zijn gelaat lijkkleurig.

En nu, misschien door dien aanblik in 't diepst van haar hart vermurwd, knielde Leonora bij het bed neder.

Hij bewoog de lippen, hij scheen te willen spreken. De oogen, die straks zoo dreigend tot haar hadden gezien, namen nu een zachte, schier smeekende uitdrukking aan.

Zij begreep wat deze oogen haar wilden zeggen'en legde nu zacht haar hand op zijn stuiptrekkende, krampachtig ineengesloten handen.

„Ik vergeef u!quot; zeide zij luid en plechtig; „vergeet gij ook mij, want wij hebben beiden zwaar gezondigd.quot;

Hij hief het hoofd een weinig op en knikte langzaam tot antwoord. Vervolgens zonk het koofd wedfer terug, de blik werd strak.

En strak zag Leonora hem aan en zag hoe het leven uit deze gestalte week, die zoolang haar schrik en foltering was geweest, — zag, hoe het voorhoofd, dat zooeven nog rood was, nu geel en vaal werd.

Een kreet van ontzetting drong uit hare borst; zij drukte beide handen voor haar aangezicht en hare lippen lluis-terden woorden, vier woorden, die slechts God hoorde en de stervende. —

Drie dagen later vond in de kleine kerk, die aan den zoom van 'tbosch boven het dorp Ehrenberg ligt, een ernstige en sombere plechtigheid plaats. Men had het lijk

ocr page 488

'232

van deu baron von Windeck en Ehrenberg nil Nierstein daarheen gebracht.

Want de laatste baron von Windeck en Ehrenberg, die op het slagveld als een dappere zulk een eervollen dood had gevonden, zou nu met alle eer en waardigheid begraven worden.

De Fransche prinsen waren in persoon gekomen, om do plechtigheid bij te wonen. De Koning van Pruisen had een zijner adjudanten en verscheidene officieren tot de begrafenis afgevaardigd, en de kleine kerk had wel nooit zulke voorname en aanzienlijke bezoekers gehad als op dezen dag, toen men het lijk van den baron in het midden dei-kerk had tentoongesteld en het de laatste eer bewees, vóór de bedienden van den baron de doodkist in den grafkelder droegen, waar zij naast den ongelukkigen laatsten baron — die zich zeiven het leven had benomen — hare rustplaats vond.

Toen deze plechtigheid volbracht was, begaven zich de Fiansche heeren en al de rouwdragenden weder naar het slot Windeck, om de barones hun rouwbeklag te brengen en afscheid van haar te nemen.

Maar Leonora ontving geen dezer heeren; zij had de plechtigheid niet bijgewoond. Zij was na den dood van den baron naar het slot Windeck gereisd en was daar aangekomen een dag voor dat het lijk er aankwam. Al de huis-beambten en dienstboden van den baron hadden het lijk bij den ingang van het Slot ontvangen; de predikant The-ophil was er geweest, om een gebed te verrichten en het in de zaal te begeleiden. Maar de barones had hare vertrekken niet verlaten en was niet gekomen om den dooden echtgenoot te ontvangen.

Onzichtbaar voor alle bezoekers, alsook voor hare dienstboden, was zij in hare vertrekken gebleven; ook den predikant Theophil — haar vertrouweling Theophil, die tot haar gewild had — ook hem had zij laten afwijzen.

Zij kon niemand spreken, had zij hem door haar kamenier laten zeggen. Maar na de begrafenis zou hij in de kerkekamer blijven, dan wilde zij tot hem komen om hem te spreken.

Nu was de doodkist nedergelaten in den grafkelder, de zware valdeuren hadden zich gesloten, de prinsen, de of-

ocr page 489

233

ficieren on alle overige deelgenooten van de plechtigheid hadden zich verwijderd. De kerk was weder eenzaam en slil en aan niets, was er te zien dat haar bedienaar zooeven eene treurige plechtigheid voltrokken had.

De deur stond open en de zonneschijn en de zachte zomerlucht drongen binnen in de stille kerk. In een der banken zat Theophil; hij bad met gebogen hoofd en gevouwen handen. En de woorden, die zijne lippen prevelden, vonden een echo in de ledige i uimte, en weerklonken als geestengefluister.

Door de open deur trad nu een hooge, in zwart gehulde vrouwengestalte. Langzaam ging zij door den breeden gang en naderde den predikant. Hij hoorde haar niet, want haar tred was zacht en hare voelen schenen nauwelijks den grond aan te raken, zoo onhoorbaar zweefde zij voort. Nu stond zij naast de bank en raakte zacht met de hand den schouder van den biddenden predikant aan. Hij beefde, schrikte en stond haastig op.

Zij sloeg den zwarten sluier terug en liet hem haar fraai, doodsbleek gelaat zien, en deze diepe, ondoorgrondelijke oogen, die hem aanschouwden met een uitdrukking van onuitsprekelijke droefheid.

„Wees gezegend, mijn dochter,quot; zeide hij langzaam en zag haar aan.

Zij echter schudde schier tartend het hoofd.

„Spreek geen zegenbede over mij uit,quot; zeide zij bitter, en akelig klonk de echo barer woorden door de kerk: „zegen mij niet; ik wil u spreken. Kom en hoor, wat ik u te zeggen heb.quot;

Zij wendde zich langzaam om en richtte hare schreden naar de kerkekamer en naast haar ging met gebogen hoofd de predikant Theophil in zijne zwarte toga.

Zoo traden beiden het vertrek binnen en zetten zich aan weerszijden der tafel tegen elkander over.

De predikant hield zijn hoofd gebogen en wachtte met ernstig gelaat op hetgeen Leonora hem zeggen zou.

In de kerk was het pu geheel stil. Slechts een vogeltje, dat uit het bosch, dien grooten tempel Gods, verdwaald was in de kleine kerk der menschen, — een vogeltje zat op den rand van het groote boogvenster en liet zijn luid vroo-lijk getjilp hooren.

ocr page 490

234

Maar uit de kerkekamer klonk nu een luide kreet, een kreet van ontzetting.

Het was niet Leonora; 't was de predikant, die hem slaakte. Het vogeltje zelfs schrikte er van, het verstomde in zijn gezang en vloog schuw door de kerk en weder naar buiten door de open deur.

In de kerkekamer was het weder stil geworden, — slechts duisterende stemmen klonken dooreen. Vervolgens zweefde door den langen kerkgang opnieuw de hooge gesluierde gestalte van Leonora en trotsch opgericht, zooals zij gekomen was, ging zij weder uit de kerk.

Maar in de kerkekamer zat als verslagen de predikant Theophil; zijn gelaat was doodsbleek en de tranen stonden hem in de oogen. Hij wrong de handen tot God omhoog en prevelde: „Vergeef haar, o Heer! Heb barmhartigheid en genade. Zij beeft onuitspiekelijk geleden, verschrikkelijk was haar smart. Vergeef haar ter wille der liefde, die Christus aan het kruis gepredikt beeft voor alle misdadigers en verlorenen. Vergeef haar!quot;

DE GEWONDE PRINS.

De zwaar gekwetste prins Louis Ferdinand was per schip naar Mannheim vervoerd geworden. Daar had de Koning van Pruisen voor hem een klein huis laten inrichten en zijn eigen lijfartsen had hij gezonden, om de verpleging van den prins op zich te nemen. De wonde was zwaaien pijnlijk tegelijk. De wondkoorts had dagen lang in den prins geijld en gewoed en meer dan een week was verstreken, zonder dat de prins Louis Ferdinand tot kalm bewustzijn gekomen was en zijne omgeving gekend, — of iets van zijn toestand geweten bad. De eerste vier dagen te Mannheim waren zeer ernstig en treurig, — zoowel voor den prins als voor zijne omgeving geweest, want het ontbrak den in koorts ij lenden prins aan oppassing en lief-

ocr page 491

235

derijke toespraak, en er was nergens voor hen een werkelijke verzorgster en troosteres te vinden, die met zachte hand zijn wonde kon verhinden en hem liefderijk oppassen.

Op den vierden dag van zijn verblijf te Mannheim kwam echter een der zusters uit het stift van Donau-werth en diende zich vrijwillig aan, om de verpleging van den zieke op zich te nemen.

Zij droeg het gewaad der pleegzusters; slechts had zij, terwijl deze gewoonlijk het gelaat ongesluierd dragen, een zwarten sluier voor en zij zeide den lijfarts des Konings, die haar met vreugde welkom heette, dat zij een gelofte had afgelegd, van nooit zonder sluier te gaan en dat zij deze gelofte moest houden, óók hij het bed van den zieke. Dit had voor den arts geen verdere heteekenis en was geen verhindering en de pleegzuster nam de verzorging van den zieke op zich. Zij zat nacht en dag aan zijn bed, reikte hem den verkoelenden drank, en als hij ijlde en schreeuwde en zich in weerwil van den lijdenden voet poogde op te richten, dan legde zij zacht hare handen op zijn schouders, drukte hem neder en fluisterde kalmee-rende en teedere woorden in zijn oor. En dan was het, alsof een hoogere toovermacht op hem inwerkte; hij werd stil en luisterde naar deze stem, die tot hem sprak als een zoet lied dat den kranke in slaap suste. Somwijlen ook in de stilte van den nacht, als de koorts woedde en de innigste gedachten uit de ziel van den kranke zich in liefdeklachten, liefdedweeperijen, uitten — somwijlen ook hoorde hij dan de stem der zuster, die op zeldzame wijzen en in fraaie tonen liederen zong, tooverliederen, die den kranke bevredigden en in slaap wiegden.

En zoo was allengs de koorts geweken voor de bemoeïn-gen der artsen en de verpleging der zuster, en prins Louis Ferdinand was nu herstellende en zag weder met vroolijk bewustzijn en blijmoedig vertrouwen in het leven. Maar van den dag af, dat hij nu buiten gevaar was en zijn bewustzijn herkregen had, van dien dag af kwam de pleegzuster zeldzamer bij hem.

Zij had den arts gezegd, dat zij na zoovele nachtwaken nu eenige dagen rust behoefde. Maar zoo de toestand van den kranke verergeren mocht, dan moest men haar laten

ocr page 492

236

roepen uit haar verblijf, dat zij in een huisje dicht bij de woning van den prins gevonden had.

De gezonde natuur van den prins liet zulk een verergering van zijn toestand niet verwachten. Hij sprak en laclile reeds weder en ontving het bezoek zijner vrienden met vroolijken moed. Slechts somwijlen was hij wrevelig, als hij hoorde van de gebeurtenissen des oorlogs, van de gevechten en veldslagen. En hoezeer hij den val van Maintz en de bezetting der vesting door de geallieerden met blijdschap vernam, verduisterde toch spoedig zijn blik en zijn hart treurde over eigen werkeloosheid.

„En ik ben veroordeeld tot rust,'' zeide hij spijtig tot den lijfarts die juist zijn wonde onderzocht had en liem tot plicht stelde, nog eenige weken rustig te bed te blijven en het zieke been niet te gebruiken.

„Er zijn lauweren en onderscheidigen voor elkeen; alleen voor mij slechts zieken kost en windsels.'t Is om wanhopig te worden, dokter! Maar ik zeg u, vóór ge het vermoedt, ga ik deserteeren en dien mij bij den Koning als hersteld aan.quot;

„Zoo ge dit beproeft. Koninklijke Hoogheid,quot; antwoordde de lijfarts bedaard : „zult ge waarschijnlijk voor de deur van uw huis ineen zinken, en wij kunnen de geheele kuur op nieuw beginnen, en de pleegzuster, aan wie ge eigenlijk het leven hebt te danken, kan haar moeielijken dienst weer van voren aanvangen.quot;

„Reeds daarom,quot; riep de prins levendig: „zou ik het doen om mijn pleegzuster, mijn weldoenster weder bij mij te hebben. Waarom heeft zij na ij verlaten ? Waarom bekommert zij zich volstrekt niet rneer om mij, daar ge zegt, dat ik ziek ben en nog verpleging behoef?quot;

„Zij heeft zich te veel ingespannen. Koninklijke Hoogheid, want zij heeft u verpleegd als eene moeder, 't Was inderdaad aandoenlijk en opwekkend te zien, met welke trouwe opoffering zij vooi' Uwe Hoogheid zorgde; hoe zij zich dag noch nacht rust gunde en haar eigen leven geheel vergat, om het uwe te behouden.quot;

„En ik heb haar niet eens kunnen danken!'' riep de prins; „Zij heeft zich geheel en al aan mij ontrokken en evenwel, als ik de oogen sluit, 's nachts, als ik slaap, zie ik haar bij mij, en 'tis mij als hoorde ik haar stem. O, ik

ocr page 493

verlang naar haar. Ik moet haar danken! Dokter, ge moet haar tot mij brengen.quot;

De arts schudde zijn hoofd. — „Ik vrees, zij zal niet komen. Er is iets eigenaardigs, iets'geheimzinnigs bij deze zuster; zij is altoos gesluierd en spreekt tot niemand. Zij heett het voorkomen eener boetelinge en handelt daar ook naar. Zij vroeg mij heden, hoe Uwe Koninklijke Hoogheid zich bevond en toen ik haar zeide: alles gaat goed, — boog zij langzaam het hoofd en zeide; „Dan heeft hij mij niet meer noodig en ik kan heengaan.quot;

De prins maakte een ongeduldige beweging. — „Ik heb haar nog wél noodig; zij mag nog niet heengaan, niet zonder persoonlijk mijn dank ontvangen te hebben. Ik bezweer u, dokter, roep de pleegzuster bij mij. Zeg haar, dat bij deze gedachte de koorts in mij reeds weder begint te woeden en dat zij uit barmhartigheid tot mij komen moet. En 't is waar, dokter, 't is geen overdrijving; ik voel, hoe het mij gloeiend heet naar 't hoofd stijgt en de pijn in mijn wonde wordt heviger. Ga, en roep de zuster. Overtuig u zelve; voel mijn pols, voel, hoe het bloed door mijn aderen jaagt.quot;

De dokter nam de hem gereikte hand, voelde den pols en schudde langzaam het hoofd.

„Ge hebt een zonderlinge natuur. Koninklijke Hoogheid, 'tls waar; de pols is koortsig en men zal uw wil moeten doen en de pleegzuster halen.quot;

Hij verliet den prins en begaf zich naar het nabijgelegen huis, waar de zuster woonde. Een rijtuig stond voor de deur en in het voorhuis ontmoette hein de pleegzuster, altoos nog gesluierd en berichtte hem, op zijn vraag, dat zij op 't punt stond te vertrekken.

Toen de lijfarts haar het verzoek voordroeg, schudde zij langzaam het hoofd. — „Ik heb slechts de kranken te verplegen ; de gezonden behoeven mij niet meer,quot; zeide zij bedaard.

„Maar de prins zal op nieuw ziek worden, zoo ge hem zoo plotseling verlaat; hij is in een koortsige opgewondenheid, hij verlangt naar u; kom ten minsle tot hem, om zijn dank te ontvangen.quot;

Zij schudde weder het hoofd.

„Geloof mij, dokter, 't zou hem nog meer opwinden, als

ocr page 494

ik bij hem kwam; maar ik wil hem een vaarwel schrijven, zoo gij het hem brengen wilt.quot; De arts verklaarde zich gaarne hiertoe bereid en beiden keerden terug naar de door de zuster tot nu toe bewoonde kamer. Zij had wellicht kort te voren nog geschreven, want op de tafel stonden nog alle schrijfbehoeften gereed. Haastig wierp zij een paar regels op 't papier, vouwde het dicht en verzegelde het. — ,,Geef dit den prins, en ge zult zien, hij zal niet meer naar mij verlangen,quot; zeide zij: „en nu vaarwel, dokter.quot;

Zij reikte hem de zachte, kleine hand en hij drukte die aan zijne lippen.

„Wilt ge mij ten minste niet uw naam en adres zeggen? Ge zijt aan het ziekbed als een engel van barmhartigheid geweest, en bet kon zijn, dat ik u voor een anderen kranke noodig had en u mocht willen ontbieden. Laat mij dus weten waar gij te vinden zijt.quot;

„Neen, dokter,quot; antwoordde zij langzaam; ,,ik ben slechts de geringste aller pleegzusters en ge zult onder haar velen vinden, die mij niet alleen gelijken, maar mij overtreffen. Laat mij dus in stilte heengaan en verlang niet te weten wie ik ben.quot;

Zij knikte hem toe en verliet ijlings het vertrek.

Toen hij haar volgde en in de huisdeur verscheen, was zij reeds in 't rijtuig gesprongen, dat nu ijlings met baai-wegreed. — De lijfarts keerde tot prins Louis Ferdinand terug, die hem inet ongeduld verwachtte.

„Nu, zal zij komen, mijn lieve pleegzuster? Brengt ge haar mede dokter?quot;

„Neen, ik breng slechts een groet van haar, slechts dit papier.quot; — Hij reikte den prins het papier en deze nam bet met onrustig gebaar aan.

„Een brief? Wat moet ik hier meè? Wat baat mij dit papier?quot; En zijn toornige blik richtte zich op het adres. Toen echter overtoog plotseling een blos zijn wangen, een kreet van verrassing en verrukking drong van zijne lippen. — „Dokter!quot; riep hij met jubelende stem; „dokter, heeft zij dat geschreven, de pleegzuster?quot;

Hij zag hem geheel verwonderd en verbaasd aan.

„Ja, dat heeffzïj geschreven; ik was er bij toen zij het adres schreef.'' — De prins juichte luid van vreugde en drukte het papier aan zijne lippen.

ocr page 495

„Ga, dokter, ga! Laat mij met dit papier alleen; niemand mag het zien dan ik alleen!quot; — De lijfarts zag hem met ongerusten blik aan en schudde het hoofd. De prins lachte van genoegen.

„Ge denkt, dat ik in koorts spreek; nu ja, ik stem het toe, maar 't is een koorts, die mij gezond maakt, gezond tot in het hart! Maar ga, lieve dokter, ga, want uwe patiënten wachten op u!quot;

De arts vertrok hoofdschuddend, en nu scheurde Louis Ferdinand het papier open, sloeg het uiteen en las met haastigen blik de weinige woorden, die er in geschreven stonden; woorden, die zijn hart met verrukking vervulden. Niets meer had zij geschreven dan dit:

„Ik was bij u toen ge krank waart, nu keer ik terug in mijn weduwestilte; terug naar het slot Windeck, endaar denkt aan u en daar bemint u

Uwe Leonore!quot;

Hij drukte het papier aan zijne lippen, kuste elk woord, juichte luid van blijdschap en riep het den wanden in de eenzame kamer toe; „Zij is weduwe, zij is vrij! O mijn Leonore, ge deskt aan mij en bemint mij, en ge zijt weduwe! Nu wil ik gezond worden, want ik moet tot haar!quot;

En van dezen dag af verklaarde de prins zich genezen. Vergeefsch waren de bevelen van den arts, vergeefsch het smeeken zijner vrienden; het was onmogelijk hem langer op zijn bed te houden.

„Laat mij ten minste uit deze folterkast; ik wil immers zacht en zoet zijn als een lam, ik wil slechts in den leunstoel liggen en somwijlen een paar schreden in de kamer heen en weer doen.quot;

„Maar ge moet dan ten minste een kruk nemen; ge moet het zieke, zwakke been steunen, opdat ge niet uw leven lang hinkt.quot;

Hij wierp met verachting de hem gereikte krukken weg.

„'t Is volstrekt niet noodig, dokter, dat een mensch twee beenen heeft om te gaan. Voor den wijze is één been genoeg!quot; riep hij lachend en hief zich op van zijn bed

ocr page 496

en slrompelde vergenoegd en lachend in de kamer heen en weer, tot schrik der artsen en tot onuitsprekelijk vreugde zijner lachende vrienden.

Alle overmoed, alle jeugdige lust was weder in's prinsen hart gekomen, sedert hij den liefdegroet van Leonore had ontvangen, sedert hij wist dat zij vrij was! Gezond moest hij nu worden, — gezond tot eiken prijs, want gezondheid is wederzien! Hij zal het kranke, ellendige been wel dwingen hem dienst te doen. De liefde is een tooveres, de liefde zal den zieke kracht geven, zij zal tot den zwakken voet zeggen: „Ga!quot; en hij zal gaan! — Welke vroo-lijke kapriolen maakte nu de prins, hoe huppelde hij nu in de kamer op en neer!

„Een ballet wil ik voor u dansen, een fraai ballet, zooals de schoone danseressen voor u zullen uitvoeren, als wij als overwinnaars in Berlijn terugkeeren!quot;

En de overmoedige hinkte op een been in de kamer heen en weder, nam bevallige houdingen aan en maakte hierbij zulke koddige grimassen, dat zelfs 't eerwaardig gelaat van den ouden lijfarts zich tot een vroolijken lach vertrok en de jonge oificieren 't uitgierden van lachen. Plotseling, juist toen de prins op één been balanceerde en met bevallige beweging de armen in de lucht hief, werd de deur geopend, en de kamerdienaar ijlde binnen ; „Zijne majesteit de Koning-komt!quot;

„De Koning! Friedrich Wilhelm!quot; riep de prins verschrikt, en met drie sprongen hinkte hij naar zijn bed terug, legde zich er op, trok de deken tot aan de kin omhoog en nam een ernstig voorkomen aan.

„De Moor moet komen, mijn kleine Moor moet wuiven!quot; — Zijn kleine zwarte knecht, die onlangs eerst uit Berlijn was gekomen, ijlde binnen, plaatste zich achter 't hoofdkussen van den prins en wuifde hem met ernstig gelaat koelte toe.

De Jonge officieren hadden ijlings de kamer verlaien; alleen de lijfarts zat nog met achtbaar en ernstig gelaat bij 't bed van den prins, toen nu de deur zich opende en de Koning binnentrad.

„O genadigste heer!quot; riep de prins van zijn bed: „Hoe genadig en goed, dat gij zelf naar den armen zieke omziet!quot;

De Koning knikte hem vriendelijk toe, zette zich bij

ocr page 497

hef bed van den prins neder, en gaf hein met genadige en vriendelijke woorden zijn medelyden te kennen wegens zijn verwonding.

„Het geheele leger neemt deel aan uw ongeval,quot; zei de Koning: „want ge weet wel, dat ge de lieveling mijner soldaten zijt, en ik zou schier ijverzuchtig op u kunnen zijn !quot;

Met welk een bescheidenheid wees prins Louis Ferdinand den lof des Konings af!

„Ik heb slechts mijn plicht gedaan, Majesteit, en slechts herhaald, wat ik van mijn hoogen koninklijken heer en leermeester geleerd heb. Ik ben uw leerling, en zoo ge mij prijzen wilt, genadige heer, dan is het slechts, alsof de meester zijn werk prijst. Maar hoe gaat het toch mijn lieve neven ? Hoe is 't met den Kroonprins en prins Ludwig ?quot;

De Koning glimlachte,

„Zij lijden beiden aan een ziekte, die gij niet kent. Cousin. Zij zijn beiden verliefd.quot;

„Ach,quot; riep de prins; „dat is een erge ziekte, en daartegen helpt geen dokter. Slechts dokteressen kunnen haar genezen! Wie zijn de schoenen, die mijn beide koene en beraden Cousins zoo ziek hebben gemaakt?quot;

„Het zijn de prinsessen van Mecklenburg,''antwoordde de Koning: „sedert het bezoek der prinsessen in het leger, zijn mijn beide heeren zoons zeer zwaarmoedig en droefgeestig geworden, en ik geloof zij zullen beiden ziek worden, zoo wij hun niet het recept van een verloving kunnen voorschrijven.quot;

„Maar uwe Majesteit heeft dit immers gedaan?quot;

„Nog niet, maar ik denk wèl dat het geschieden zal. De Kroonprins heeft, gelijk ge weet, zijn eigen fantastische idééën. Hij wil naar de hand der schoone Louise van Mecklenburg niet als Kroonprins van Pruisen, — maalais een verliefd jongeling dingen, en zal met mijn toestemming naar Frankfort gaan, waar de prinses zich thans ophoudt. Spoed u, neef, weder gezond te worden, opdat ge de verloving kunt bijwonen. Misschien dat ge dan door dit goede voorbeeld aangestoken wordt, en zelf er toe besluit te trouwen.quot;

„Misschien doe ik het, Majesteit, wie kan het welen!quot; glimlachte de prins: „Zou Uwe Majesteit mij er verlof toe geven ?quot;

Mühlbaoh, Duitschlaud in Woeling en Strijd. VI. IC

ocr page 498

'242

Ik geef hel u hiermede plechtig en met vreugde, heer neef,quot; zei tie Koning opstaand: „Ja, ik wensch dal ge zou spoedig eenigszins mogelijk Irouwdet, want, ik ben overtuigd, ge zult ons een schoon en beminnenswaardige gemalin aan ons Hof te Berlijn brengen, en ik ben 'niet zulk een barbaar, om hiertoe mijne bewilliging Ie weigeren. Trouw dus zoo spoedig mogelijk, Louis! van mijn toestemming zijt ge zeker.quot;

„Ge zijt getuige, dokter,quot; riep de prins lachend: „de Koning heeft mij vergund te trouwen, en maak gij nu dat ik gezond word, want mijn schoone bruid wacht op mij.quot;

„En hoe heet zij, heeft zij reeds een naam ?quot; vroeg de Koning glimlachend.

„Tot heden nog niet, Majesteit, thans heet zij nog Rellona.quot;

„Niet Bellona,quot; antwoordde de Koning goedhartig: „zij heet Victoria, en heeft het hoofd van haren jongen held met een lauwerkrans gesierd.quot;

,,En haar bruidsgeschenk is de wonde aan mijn been geweest,quot; zei de prins glimlachend, terwijl hij zich van zijn'bed wilde oprichten, om den Koning uit te geleiden. Maar Friedrich Wilhelm drukte hem met zacht geweld op zijn bed terug. — „Ik ben niet gekomen als uw Koning, maar als uw neef. Vaarwel, Louis, tot spoedig wederzien!''

De Koning ging naar buiten, gevolgd door d^n lijfarts, die met achtbaar gelaat verhaalde van 's prinsen pijnlijke verwonding en van de hoop, hem spoedig weder hersteld te zien. Maar toen de dokter na eenigen tijd weder de kamer binnentrad, waren ook de vrienden er al weer, en werd er weer vroolijk gelachen en gejuicht. De prins was weder van zijn bed opgestaan, hinkte vergenoegd door de kamer, en maakte in' den overmoed zijner vreugde en zaligheid de lustigste kaprblen en de koddigste sprongen.

„Dokter, ik dans nu mijn bruiloftsdans; de Koning-heeft mij vergund te trouwen, cn hier is mijn schoone gemalin wij willen te zamen dansen!quot; Dit zeggende nam hij een stoel en draaide er mede rond, als een overmoedig kind.

ocr page 499

X.

UE DAG DEK BEZÜEKEiN.

Het was heden wèl de dag der deelnemingbeluigin^s-visiles. De kamerdienaar kwam spoedig weder binnenijlen en diende liet bezoek van den Oosten rij kschen gezant, den prins von- Heuss aan. Hij was den Koning van Pruisen in de veldtocht gevolgd, en wilde nu ook, — daar hij don Koning naar Mannheim begeleid had. - Friedrich Wilhelrn's voorbeeld volgen, en prins Louis Ferdinand zijne deelneming komen betuigen. En de vroolijke,, overmoedige knaap veranderde weder in den deftigen prins, die, in den fauteuil rustende, van kussens en dekensom-geven, het bezoek van den prins von Heuss ontving. Do vroolijke makkers en gezellen van den prins, die sedert hij aan de hetere hand was, hem gaarne gezelschap hielden, hadden de kamer weder verlaten.

De lijlaits had zich óók verwijderd, en geheel alleen ontving de prins het bezoek van den Oostenriikschen gezant, die hem in 's Keizers en in zijn eigen naam zijn beklag deed, wegens zijne verwonding.

Prins Loüis Ferdinand ontving hem vroolijk en welgemoed, en wilde juist een opgeiuimd gesprek beginnen, toen prins Heuss met een langen, vorschenden blik door de kamer, haastig vroeg; „Zijn wij alleen. Koninklijke Hoogheid ?quot;

„Geheel alleen!quot; antwoordde de prins glimlachend; „Zoo ge plan hebt mij een liefdesverklaring te doen, lieve prins, dan zal niemand u hinderen of u beluisteren.quot;

„Inderdaad!quot; riep de prins: „Het is mijn doel u een liefdesverklaring te doen Prins, ge moet weten, dat ge de afgod van eiken Oostenrijkschen soldaat zijt geworden en dat elk Oostenrijksch hart u tegen klopt.''

„En waarmede heb ik dit verdiend?quot; vroeg de prins verwonderd.

„Gij vraagt nog. Koninklijke Hoogheid? Gij hebt jegens een onzer soldaten gehandeld als een moedig held, als een edel prins en als een goed mensch! Het was een daad, zooals slechts de helden der oudheid, de helden van Homorus verricht hebben, en gij hebt u hiermede tot het

ocr page 500

ideaal voor geheel Oostenrijk gemaakt! Al de schoone, dwepende dames beminnen prins Louis Ferdinand, die zich over den geringsten soldaat ontfermde, en hem met levensgevaar uit den kogelregen droeg! Zooals Uwe Koninklijke Hoogheid weet, was ik onlangs te Weenen, om den Keizer persoonlijk den groet des Konings te brengen en de overgave van Maintz te berichten. Ik wenschte, dat gij geboord hadt met welke opgetogenheid elke dame naar u Vroeg, hoe ieder een beschrijving van u wilde hebben, en van u wenschte te hooren. Zelfs de oogen der nieuwe Keizerin glinsterden van verrukking als zij van u sprak, en in de oogen van den Keizer, — die tot de jeugdige dwepers behoort, — blonken tranen, toen ik hem nauwkeurig en omstandig, zooals hij het begeerde, uw heldendaad schilderde.quot;

„Dat is inderdaad van een onbeduidende zaak le veel ophef maken,quot; zei de prins de schouders ophalende: ,,ik handelde zonder overleg en zonder berekening, zooals mijn hart mij ingaf, en ik heb waarachtig niet gedacht, dat men aan een geheel natuurlijke zaak zulk een belang zou schenken. Ik moet daarom ook allen lof en alle toejuiching afwijzen ; ik verdien ze niet.''

„Gij verdient het schoonste en het beste, prins,quot; antwoordde de Vorst veelbeteekenend: „ik herhaal u; geheel Weenen, de geheele armee, ja, het geheele Keizerlijke Hof is over u verrukt! Ook de Keizerlijke Aartshertoginnen,quot; voer hij met zachter stem voort; „ook de jonge schoone zusters des Keizers dweepen met u, zooals slechts jonge meisjes doen kunnen, en 't zou nu misschien slechts op den goeden wil van Uwe Koninklijke Hoogheid aankomen, om zich tot 's Keizers schoonbroeder te maken. De Aartshertogin Mathilde is een schoone, talentvolle, beminnenswaardige prinses, en ik beken Uwe Koninklijke Hoogheid, dat zij een dwepende belangstelling voor u koestert.''

„Zij heeft waarlijk ongelijk,quot; zei de prins innig: „ik verdien het volstrekt niet, en ben ook niet in staat, mij die waardig te maken.quot;

„De Keizerin,quot; voer de vorst bedaard voort: ,,ook de Keizerin liet mij roepen vóór mijn vertrek, en stelde het mij tot plicht, Uwe Koninklijke Hoogheid terstond te bezoeken en haar te zeggen, welk innig belang de Keizerlijke

ocr page 501

iamilie in u stelt, en hoe gelukkig zij zich allen gevoelen zouden, zoo men u in Oostenrijk de heldendaad kon be-ioonen, tvelke gij jegens een Oostenrijksch soldaat volbracht hebt. Laat mij nu zeggen, prins, het hangt slechts van u af, of ge een grootsche en buitengewone loopbaan voor u openen wilt. Ik bid u, duid het mij niet euvel, zoo ik oprecht en eerlijk tot u spreek. Gij zijt in Pruisen slechts de kleine prins, die van een jaarwedde leelt, de zoon van een prins uit de tweede linie; gij hebt geen hoop ooit tot den troon te komen, en uwe plaats aan het Hof zal nooit de eerste zijn.''

„Ik verlang dat ook niet!quot; zei de prins levendig: „Ik beken u oprecht, dat mij de eer en de etikette van het Hof in 't diepst mijner ziel gehaat zijn, en't mij volkomen onverschillig is, of ik bij de groote Hofceremoniën in de eerste, tweede of derde linie sta.quot;

„Maar Uwe Koninklijke Hoogheid is eerzuchtig,quot; zei de Vorst: „eerzucht is een deugd van elk mannenhart, en een jonge held gelijk gij, kan slechts het hoogste doel voor oogen hebben. Ik geloof, gij kondt dit hoogste doel veel sneller bereiken, zoo gij de sclioonbroeder van den Keizer van Oostenrijk werdt. Een schitterende loopbaan zou zich voor u openen, en de tegenwoordige Pruisische generaal-rnajoor zou in Oostenrijk zeker gemakkelijk veldmaarschalk worden. Ik verzoek, dat Uwe Koninklijke Hoogheid dit in overweging neme, en misschien de genade hebbe, mij binnen eenige dagen antwoord te zeggen.quot;

„Mijn waarde Vorst,quot; antwoordde de prins glimlachend: „er is hiertoe volstrekt geen overleg en bedenktijd noodig, zooals de jonge meisjes dien vorderen, als zij een geliefd man haar jawoord willen geven, en slechts voor den schijn aarzelen. Ik ben het Oostenrijksche keizerlijke Hof ten zeerste verplicht voor de goede meening en de edele bedoeling! Maar ik ben een Pruisisch soldatenkind en zou er niet toe kunnen besluiten, een andere uniform dan de Pruisische aan te trekken. Ik ben wel is waar slechts generaal-majoor, en het hoogste, waartoe ik bet eens zou kunnen brengen, is generaal te worden. Maar het is ook het hoogste doel mijner eerzucht, een volkomen generaal te zijn. P.ui tendien, Vorst, ben ik een Pruisisch prins, en zulk een mag slechts in Pruisen dienen : dit is sinds de dagen van

ocr page 502

den groofen Keurvorst, onzen doorluchtigen voorvader, een on verbreekbare wet in de Pruisische koninklijke familie. En zoo ik ook slechts een klein bezoldigd prins uit de tweede linie ben, mijn hart klopt tóch warm, als echt Pruisisch hart uit de eerste linie. Ik kan en mag dezen regel van mijn Huis en familie niet breken ; ik mag slechts de Pruisische uniform dragen, en ik geloof, ik zou die niet afleggen, zelfs zoo men mij tot 'heerscher op een vreemden troon beroepen wilde! Ja, ik zou mij zeer bedenken, of ik een aangeboden kroon wilde aannemen, en zou dit slechts doen, indien ik overtuigd was, dat het belang van mijn vaderland, het belang van Pruisen er door bevorderd werd! De Keizer, uw hooge meester, zal mij dus vergeven; en ik hoop, hij zal daarom geen slechtere meening van mij voeden, wijl ik een goed Pruis en een getrouw dienaar mijns Konings ben.quot;

„Hij zal u daarom te hooger schatten! zei de Vorst levendig; j.en het leedwezen der jonge Aartshertogin zal te grooter zijn. Maar de liefde maakt de vrouwen zelfs tot heldinnen, en wie weet of de Aartshertogin niet zóóveel heroïsme zou hebben, om alles op te geven en het gebod van den Bijbel te volgen, 't welk zegt; dat de vrouw den man moet volgen. Wellicht, als Uwe Koninklijke Hoogheid genezen is, gelieft het u naar Weenen te komen en de Aartshertogin te vragen, of zij dit gebod kent en volgen wil?quot;

„O, Vorst,quot; lachte de prins; „hoe weinig kent ge mij! Ik bon een slecht Christen ; ik weet volstrekt niet wat in den Bijbel staat, en 't zou mij dus onmogelijk zijn de Aartshertogin er naar te vragen. Verzoek haar, dat zij er mij niet om verachte, dat ik een slecht Christen ben; ik ben mischien een goed mensch.quot;

,,En in allen geval een fier hart,quot;viel de Vorst von Reuss hem in de rede, terwijl hij opstond om afscheid te nemen.

„Een kleine, bezoldigde prins!quot; lachte prins Louis Ferdinand ; „maar ik denk eens een degelijk soldaat te worden. En ge hebt gelijk, vorst Reuss, ik ben eerzuchtig, en dit i; mijn eerzucht. Breng den Keizer mijn onderdanigste groeten en mijn dank voor zooveel genadige gezindheid.quot;

,,Dat heet,quot; lluislerde do gezant, diep buigende; „dat heel, ik breng als een afgewezen minnaar een met fraaie woorden verguld blauwtje naar huis. Maar de bewondering

ocr page 503

en liefde voor Uwe Koninklijke Hoogheid is'desniettemin nog gestegen, on vergroot slechts het leedwezen over de-ongelukkige afwijzing!quot; —

Ja, 't was heden werkelijk de dag der bezoeken bij den prins, want nauwelijks had de Vorst von Renss zich verwijderd, of de kamerdienaar trad andermaal bij den prins binnen, en kondigde aan, dat de geheimraad von Goethe zijn onderdanigste opwachting wenschte te maken.

Prins Louis'hinkte hem lachend tegemoet, en reikte den binnnentredende zijn beide handen.

^Hoe verheugd ben ik, u te zien, Goethe,quot; zeide hij; „of verlangt ge dat ik u in allen vorm, met al uwe titels en waardigheden zal begroeten, zooals gij u bij mij liet aandienen?quot;

„Genadigste heer, ik deed hel uit bescheidenheid,quot; glimlachte Goethe, en zijn schoone, bruine oogen richtten zich met vriendelijke deelneming op het fraaie, nog een weinig bleeke aangezicht van den prins: „Tegenover een held ol halfgod moeten wij, arme stervelingen, ons met de loga onzer waardigheden bekleeden, om toch iets te beteekenen, en niet als een zandkorrel onder de voeten van den held vertreden te worden.quot;

„Dan hadt ge u moeten laten aandienen als de dichter van het lijden des jongen Werther's.quot;

„Ach, Koninklijke Hoogheid, ge spreekt daar van de zonde mijner jeugd, die ik zwaar berouwd en geboet heb, en

„En die evenwel een onverwelkbare lauwerkrans om uw hoofd heeft gelegd,quot; viel de prins hem schielijk in de rede: „Zoo ge wist hoeveel tranen ik over uwen Werlher gestort heb.quot;

„En zoo ge wist, hoe dikwerf ik dezen onuitslaanbaren senlimenteeïen Werther verwenscht heb, en't mij berouwd heeft, hem geschreven te hebben. Maai'voorwaar, er moeten ook zulke sukkels zijn, en het is zoo juist een product van de storm- en drangperiode mijner jongelingsdagen.^

„Welke gij thans natuurlijk reeds lang te hoven zijt?quot;

„Ja, lang te boven. Koninklijke Hoogheid De Werther in mij zeiven is afgedaan en begraven, en ik hen er blij om. Ach, ik wilde dat, ons geheel geliefd Duitschland verlost ware uit allen storm en drang, en in inwendige vrede werken kon aan zijn verheffing en louteiing.quot;

ocr page 504

„Gij houdt niet van den oorlog?quot; vroeg de prins levendig.

„De poëzie heeft stille en 'vrede noodig, Koninklijke Hoogheid. Ik heb in dit gewoel geheel vergeten, dat men mij soms de eer heeft aangedaan mij een dichter te noemen; en als ik mij dit herinnerde, geschiedde het slechts met diepe beschaming en ootmoed. Hoe klein en nietig kwam ik mij voor met al mijn streven en phantasiën, bi] hetgeen ik in werkelijkheid bijwoonde, en levendig voor mijne oogen gebeurde. Men gevoelt zich nietig en klein ; en machteloos zijn allo woorden en schilderingen van gevechten, van groote daden, geestvervoering en ontbering, van lijden en vreugde, als men dit alles in het leven voor zich ziet. Waar bestaat, een tragedie van zulk een ontzettende kracht, als een slagveld, of de strijd van verbitterde vijanden, die in hun strijdlust vergeten, dat de dood ook boven hen zweeft, terwijl zij slecnts met iedere zenuw van hun leveneer naar trachten, hem den vijand toe te werpen? — En dan, na deze grootsche tooneelen het verheven naspel; de reusachtige epiloog bij de noodlotstragedie van Mars en Bellona. Welk een naspel was het, dat wij te Maintz hebben gezien.quot;

„Waart ge te Maintz, na den uittocht der Franschen ?quot;

„Ja, mijn prins, ik was er; en wat ik daar gezien en opgemerkt heb, zal tot de belangrijkste herinneringen van mijn geheele leven behooren.''

„En ik kon er niet zijn,quot; riep de prins smartelijk: „ik moest ellendig en jammerlijk hier op het ziekbed liggen, terwijl mijn broeders streden, en roem en lauweren verwierven.quot;

„Prins, den schoonsten lauwer hadt ge reeds vóór de anderen genomen,quot; zei Goethe licht buigende; „Maintz zou niet gevallen zijn, zoo niet uw heldenmoed, prins Louis Ferdinand, de gevaarlijke schans bestormd had. Er bleef den geajlieerden slechts weinig te doen over, nadat zij door uw heldenmoed reeds zoover vooruit gerukt waren. En voorts was het eigenlijk niet de dapperheid der geallieerden, — hoe groot zij ook was, — die de belegerden tot overgave dwong. Het was de vijand, die in de vesting was geslopen: de honger en de ziekte. Wij, die bniten voor de vesting lagen, wij hebben dikwijls geklaagd over

ocr page 505

allerlei ontbering en nood, maar 't geen ik binnen Maintz gezien heb van jammei' en ellende, overtreft alle schildering, en het hart wordt er door gebroken. Daarbij was 'ttóch ook weder grootsch en schoon, den toorn des volks te zien; en te aanschouwen hoe de Nemesis met groote wrekende oogen het hoofd van den vroeger zoo overmoe-digen vijand ter aarde drukte, en hoe de grooten klein werden onder de hand van het noodlot.quot;

„Ik bid u,quot; riep de prins levendig : „verhaal mij, verhaal mij wat ge te Maintz gezien hebt. Ha, Goddank, nu zijt ge weder Goethe, de groote, verheven Goethe, wiens oog schittert, en die van al het klatergoud van het geheimraad- en ministerschap niets meer aan zich heeft. Verhaal mij, mijn dichter, van het groote drama, dat ge te Maintz gezien hebt.quot;

Goethe deed, wat prins Louis hem verzocht had. Hij verhaalde hem van de platgeschoten huizen en paleizen, van de uitgehongerde gezichten, van de zieken en stervenden, die in elk'huis aanwezig waren. Hij verhaalde hem bovenal van den toorn van het Maintzer volk tegen de clubgenooten, deze atvallige zonen van het Duitsche vaderland, die met de Fran?chen gemeene zaak gemaakt, — en luid gejuicht hadden, dat Maintz nu een Fransche stad was. Het volk had gedurende de Fransche bezetting, dit drijven der ontaarde Duitsche mannen en hun jubel moeten aanschouwen. Het had zich moeten laten welgevallen, dat op de pleinen van Maintz vrijheidsboomen werden opgericht ter eere der Fransche republiek. Hef had zwijgend moeten verdragen, dat alles naar Fransche wijze was ingericht geworden, en zij voor verraders en misdadigers werden verklaard, die de nieuwe orde van zaken niet toejuichten, en het niet als een zegen voor het Duitsche vaderland wilden erkennen, dat Duifschland door Frankrijk veroverd werd. Maar toen nu de vesting gevallen was, toen was de haat in ieders hart ontvlamd, en de verwen-schingen, die diep in de ziel gesluimerd hadden, waren nu ontwaakt en dreigend op de lippen gekomen. De Fransche commandant. Custine had voor zich en de zijnen, vooi' al de Fransche soldaten een vrijen aftocht verkregen, en 'twas hun door de geallieerden toegezegd, dat zij on-beleedigd en zonder vernedering hun uittocht uit de vesting

ocr page 506

Maintz zouden doen. De Maintzers hadden zich hieraan onderworpen, maar de clubgenooten hadden zij dood. en verderf gezworen.

Deze echter hadden dit wel geweten, en waren er op bedacht geweest, zich te redden. Bij den uittocht derFran-schen hadden zij zich bij dezen aangesloten ; maar het volk had goed acht gegeven, en terwijl het de Franschen rustig liet uittrekken, had het de clubgenooten van hunne zijde gerukt, hen met vloeken en bedre:gingen vervolgd, zoo het hun niet gelukte hen machtig te worden; maar wee degenen, die, — door de Franschen niet genoegzaam beschermd, - in de handen des volks gevallen waren. Goethe verhaalde den prins van afgrijselijke tooneelen, welke hij bad bijgewoond ; hoe hij gezien had, dat het volk met woedend geschreeuw de mannen, welke het als clubgenooten herkende, bemachtigd had. Hij was er bij geweest, dat sommige bijzonder gehate personen onder vreeselijk geschreeuw geslagen en gedood werden; slechts eens was 'them gelukt, een der aangevallenen voor de woede des volks te beveiligen, en door verstandige redenen de wraakzucht te verwinnen.

Goethe verhaalde dit alles den prins in levendige, aanschouwelijke voorstelling, en prins Louis Ferdinand luisterde met ingehouden adem.

„Ge moet dit alles voor de nakomelingschap bewaren, Goelbe,quot; zeide hij: ,,'tis een stuk wereldgeschiedenis, dat gij moet schrijven.quot;

Goethe schudde licht het hoofd. „Noen, Koninklijke Hoogheid,quot; zeide hij: „ik heb bij deze oorlogs- en staatkundige gebeurtenis slechts den treurenden wijsgeer op mijn manier vertegenwoordigd, en voor de wereldgeschiedenis treed ik met eerbied teruir; want ik houd het bis-torische vak voor het a!lerondankh.iarste en gevaarlijkste, en retireer tot de aesthetika, moralia en physika, om mij eens recht pedant uit te drukken.quot;

„Fjn bovenal tot de dichtkunst!'' riep prins Louis Ferdinand: ,,Die moogt ge niet opgeven en u van haarreti-reeren. Ge wilt niet dat ik mij over Werther's lijden verheug, maar ge moet mij toch vergunnen, dal ik over do romeinsche elegiën verrukt ben.quot;

„'t Verheugt mij dat ge het zijl, prins. Want ik moet

ocr page 507

u slechts dezo zwakheid bekennen; ik zelf heb eenige voorliefde voor deze romeinsche elegiën en 't gebeurt mij soms, dat ik stil in mij zelf er een reciteer. Soms, in het kampementsleven en als ik bezocht werd door allerlei ontberingen, door honger en vermoeienis, zeide ik tot troost een dezer elegiën op en dan kwam mij het tegenwoordige niet zoo jammerlijk voor.quot;

„O Goethe, welk een van God gezegend mensch zijt ge toch 1quot; riep prins Louis Ferdinand; „Van God gezegend, óók omdat ge een vrouw hebt gevonden, die u tot zulke hernelsche gedichten bezielen kon. Zij was een Romeinsche. nietwaar? Èen dier fiere, indrukwekkende Romeinsche vrouwen, op wier breed schoon voorhoofd geschreven staat dat zij de dochter van Juno en Venus zijn. Nietwaar, Goethê? Vertrouw mij een weinig van uwe godin toe. Zij is een Romeinsche, nietwaar?quot;

„Neen, Koninklijke Hoogheid. Zij is een Weimarsch kind, en zoo ge wilt, prins, dat ik het u toevertrouw, wil ik er nog bijvoegen; zij is mijn geliefde, mijn vrouw!quot;

„Is zij het nog?quot; vroeg de prins haastig: „Hebt ge haar liefde niet met de hernelsche elegiën uitgezongen?quot;

„Prins, had ik de elegiën niet reeds geschreven, ik zou hel nog heden doen,quot;' antwoordde Goethe; „ofschoon sinds vier jaren zijn verstreken. Mijn meisje is niet voornaam en misschien niet mooi, en Ho Weimarsche dames trekken den neus voor haar op. Ik echter bemin haar en mijn kleinen knaap, en mijn liefde is haar wapen en adelbrief.quot;

„Ha!quot;' riep prins Louis Ferdinand verrukt; „Gij zijl met alleen een groot dichter, ge zijt ook een voortreffelijk, een edel mensch. 'tls fraai van u, Goethe, dat ge de nederige geliefde niet verloochent.''

„Prins, men verloochent slechts datgene, waarover men zich schaamt, en waarvoor men te blozen heeft Ik schaam mij echter over mijn Christina niet, en een eerlijk man mag niet over zijn eigen gevoelens blozen. Amor is een kind der goden, en tot welke vrouw hij ons voert, hij adelt haar en geeft haar rang en waarde.quot; ')

„Ge hebt, gelijk,quot;' /.ei prins Louis nadenkend ; „de liefde

1) Goethe's eigen woorden. Zie: Feldzug in der Champagne.

ocr page 508

heiligt en verheerlijkt. Ach, Goethe, het geheele leven zou niets waard zijn, en geen belooning hebben voor al den strijd en moeite, voor al de ei barmelijkheden van rang en waardigheid, van eer- en roemzucht, - zoo niet de liefde er was, en al het strijden en worstelen beloonde en verheerlijkte.quot;

„Dat zij verheerlijkt,quot; zeide Goelhe met verrukking en glimlachend in 't schitterend gelaat van den prins ziende; „dat zie ik juist in uwe oogen.quot;

Prins Louis bloosde als een jong meisje, dat bij haar eersten minnebrief betrapt wordt; hij bloosde en glimlachte en reikte, als tot bekentenis, den dichter zijn hand.

Toen Goethe hem spoedig hierop verliet, bleef hij peinzend en nadenkend alleen; boog het hoofd achterover in den leunstoel, en herhaalde mijmerend met een heerlijken glimlach Goelhe's woorden: „Amor is een kinfl der goden, en tot welke vrouw hij ons voert, hij adelt haar en geeft haar rang en waarde.quot;

Goethe had intusschen met haastige schreden het huis verlaten, en ging nu naar mijnheer von Itzenplilz, die hem dicht bij de woning van den prins op de straat wachtte.

„Vergeef mij mijn vriend,quot; zeide hij : „dat ik u heb laten wachten. Ik dacht den prins slechts een beleefdheidsbezoek te doen, maar vond in plaats van den prins een jongen held, van wien ik mij niet zoo licht, kon losscheuren. — Maar ik ben nu geheel tot uw dienst en gereed met u tot den voortreffelijken overste te gaan, die zoozeer wenschte, kennis met mij te maken.quot;

Goethe nam den arm van den majoor; en ging met hem de straat af.

„De overste von Webern is geheel verrukt door uwe geschritten,quot; zei de majoor: ,,en hij was zeer verheugd toen ik hem gisteren berichtte, dat ge zijn wensch wildet toegeven en kennis met hem wilt maken. Ik beloofde dat wij heden middag bij hem zouden dineeren, en de arme verwacht ons wel reeds sinds een uur. Maar wat maakt het uit? — Als men de eer heeft den grooten Goethe bij zich te zien, mag men de uren en minuten niet tellen en wegen. En hier zijn wij voor het huis. 't Verwondert mij

ocr page 509

dat de overste niet reeds de deuren met guirlandes van eikenloof en bloemen versierd heeft; wij zullen dit alles wel in de eetzaal vinden.quot;

Zij gingen het huis binnen, maar niemand wachtte hen in 't portaal op, niemand kwam hen tegemoet toen zij de trap waren opgegaan, en nu de eetzaal binnentraden. De majoor von Itzenplitz scheen eenigszins verwonderd, terwijl Goethe glimlachend in de eetzaal rondkeek, en zonder een woord te zeggen op de tafel wees, waarop eenige ledige schotels en gebruikte wijnglazen verrieden, dat het diner reeds afgeloopen was.

Eindelijk kwam een bediende met verlegen gelaat binnen en berichtte; dat de familie reeds voor een uur gedineerd had, en de heer overste zich in zijn kamer bevond en de heeren verwachtte. De beide heeren volgden den bediende, en de overste trad hen met tamelijk verdrietig en somber gelaat tegemoet, verontschuldigde zich geenszins, dat hij reeds gegeten had, en noodigde beide heeren nauwelijks plaats te' nemen. Na een kort, tamelijk koel onderhoud stond Goethe weder op en nam afscheid. En de overste von Webern beproefde niet hem terug te houden, dankte kort voor zijn bezoek, en deed de heeren met eenige gewone complimenten uitgeleide tot op het portaal. Zij gingen de trap at — de majoor met somber, verlegen gelaat, Goethe met een vroolijken glimlach en ongedwongen houding.

't Schijnt,quot; zei de majoor, toen zij nu uit het huis waren : „dat de goede heer overste het zeer kwalijk heeft genomen, dat wij te laat zijn gekomen, nadat wij hem het uur van den maaltijd bepaald hadden. Zoo ge 't vergunt, keer ik een oogenblik tot hem terug, om hem te zeggen, dal prins Louis Ferdinand schuld is van ons te laat komen, en niet onze eigen kwade wil.quot;

„Doe'dat, vriend,quot; zei Goethe glimlachend; „want men moet hen, die ons welwillend zijn, niet ontstemmen en beleedigen. Maar ik verzoek u, zeg mij later, wat de overste op uwe verontschuldiging geantwoord heelt.quot;

Hij ging met langzame schreden door de straat, en bleef staan toen hij omziende, nu den majoor ontwaarde, die hem haastig volgde.

„Nu, wil de overste ons vergeven, waarde vriend?quot;

ocr page 510

De majoor glimlachte een weinig verlegen. ^ „Ik denk hij zal ons vergeven. Ik bracht mijne verontschuldiging voor, en . . ..quot;

„Nu, en toen, waarom aarzelt ge?quot;

„En hij,quot; riep de majoor met een plotseling uithrekenden lach ; „hij, de goede overste bekende mij hierop, dat er geen verontschuldiging noodig was. Integendeel, hij was recht blij dat wij na het diner waren gekomen, want hij moest bekennen, hij had zich den grooten dichter Goethe, den dichter van Werther, geheel anders voorgesteld ; en het deed hem leed, dat een man, die zulk een boek had geschreven, dat hem zooveel tranen had gekost, er zoo vergenoegd en welvarend kon uitzien, geheel als een gewoon-mensch. Dat was hem volstrekt niet bevallen, en Goethe, zouals hij hem nu had gezien, was volstrekt niet de groote dichter, zooals hij hem zich had voorgesteld: want die moest bleek en teringachtig zijn, en geheel anders spreken dan alle overige menschen.quot;

Goethe lachte luid van inwendig genoegen, en vond het oordeel van den overste verrukk ;lijk ; hij verheugde zich er op, wat zijn geliefde hertog Karei er van zeggen zou, dat men het zijn Wolfgang tot verwijt maakte en hem verachtte, wijl hij niet teringachtig, bleek en uitgehongerd was!

„Maar hongerig ben ik nu toch wel een weinig, en daar uw overste ons niets te eten heeft gegeven, zullen wij dit hotel binnengaan, mijn vriend, en naar den nectar en het ambrozijn omzien, die een table d'hote oplevert.quot;

Het was een vroolijk, prettig gezelschap, dat zij reeds aan de table d'hóte bijeen vonden. KoningFriedrich Wilhelm van Pruisen was met een schitterend en talrijk gevolgd van Maintz naar Mannheim gekomen. Een deel van dit gevolg, alsmede een aantal schoone en bevallige dames, hadden in dit hotel hun intrek genomen ; daar was een vroolijk lachen en schertsen, en klinken van glazen, die men tegen elkander stiet bij de geestige toasten.

En een aantal ijverige kellners ijlde met dampende spijzen om de tafel heen, waar het allen zeer scheen te belia-gen. Goethe met zijn vriend namen plaats aan het hooger einde der tafel, waar nog eenige plaatsen open vva-

ocr page 511

ren. Eu terwijl hij at en dronk met blijmoedig welbehagen, en mei den inajour scherlsle over de mislukte onlrnoeling niet den overste, voer het lustige gezelschap, dal aan de andere zijde der tafel zat, met zijn luide, tierende vroolijk-heid ongehinderd voort.

„Wie kunnen dat zijn, die zoo blijgeestig en welgemoed zijn?quot; vroeg Goethe zijn buurman.

„Zij behooren allen tot het gevolg des Konings,quot; antwoordde de majoor: „het zijn heeren van het Hof en cavaliers, en ik zie er menig graaf en baron bij. Maar quot;tzijn meest ^roote heeren van het maaksel van den geheimkamerdienaar Rietz, en de „adelbakker,quot; zooals de menschen hem noemen, zit midden onder hen. Zie, gindsch groot, reusachtig mensch, die zoo stoutmoedig om zich ziet t n zoo luid lacht, en nu juist den grooten roemer met Rijnwijn vult, dat is de geheimkamerdionaar Rietz, de alvermogende adelbakker.''

Juist toen hij dit gezegd had, schoof de geheimkamerdienaar Rietz met luid gerucht zijn stoel achteruit, stond op, ledigde den gevulden roemer in één teug, en ging vervolgens langs de lange tafel tot aan Goethe, bleel voor hem staan, en groette hem met een vriendelijken hoofdknik.

„Ge zijt Goethe, nietwaar, mijnheer von Goethe? — Do minister van den hertog van Weiinar, en bovendien de beroemde dichter, die het lijden van Werther en menig ander fraai boek heeft geschreven; Nietwaar, ge zijt immers deze heer?'

„Ik kan 't niet loochenen,'' antwoordde Goetlie opgewekt; „ik heb voor lijden het lijden van den jongen Werther geschreven, maar ge zuil weinig symphatie voor den romanheld gevoeld hebben, mijnheer de geheimkamerdienaar.quot;

„Ik beken het eerlijk,quot; lachte Rielz: „dat ik volstrekt niets voor hem gevoeld heb, 'lis juist mijn zaak niet boeken te lezen; ik lees slechts het groote boek van het ge-w7one leven. Maar gehoord heb ik toch zeer veel van u. Zijne Majesteit de Koning leest met verrukking de gedichten, die ge over een Romeinscbe vrouw hebt geschreven, en mevrouw mijne echlgenoote, Wilbelmine Rietz, heeft schrikkelijk veel geweend om den teringachtigen mijnheer

ocr page 512

Werlher die de domheid beging zich dood te schieten, wijl een vrouw hem niet beminde.quot;

„Gij zoudt het niet gedaan hebben?quot; vroeg Goethe met luiden lach.

„Neen waarachtig niet,'' antwoordde Rietz; „ik zou het niet gedaan hebben; „ik zou haar een knip voor den neus hebben gegeven, en naar een andere zijn gegaan. Maar 't verheugt mij tóch bijzonder dat ik u thans leer kennen, mijnheer Goethe, mijnheer von Goethe. — 't Verheugt mij niet alleen, wijl ge een beroemd, groot dichter zijt, maar ik heb er ook nog een persoonlijk belang bij, dat ik u hier gevonden en hier gezien heb.quot;

„Een persoonlijk belang? — In hoeverre?quot;

„Dat zal ik u zeggen,quot; antwoordde Rietz, terwijl hij vertrouwelijk zijn hand op Goethe's schouder legde, en hem met zijn gloeiend aangezicht en kleine waterige oogen tamelijk dicht naderde: „Weet ge, men heeft altoos beweerd: fraaie geesten en menschen van genie moesten klein en mager sijn, moesten er ziekelijk eu zwak uitzien; en als ik dat niet wilde toestemmen, voerde men allerlei voorbeelden aan — van Voltaire en van Gellert, en noemde ook Schiller, die er teringachtig, bleek en mager moet uitzien. En dit. heeft mij altoos geërgerd en ik heb 't nooit kunnen begrijpen, dat men er jammerlijk van gestalte en ellendig en verhongerd moet uitzien, als men bijzonder wijs of bekwaam is. Ik verbeeld mij toch ook, dat ik niet op 't hoofd ben gevallen, maar een tamelijk snuggere kerel ben, en ge ziet, ik ben er gezond en sterk bij, en tamelijk forsch van ledematen.quot;

„Een Herkules zijt ge,quot; antwoordde Goethe meteen vrien-delijke'n glimlach en een innemende buiging.

„Ik dank u voor dit compliment, maar ik kan het u teruggeven, en 't verheugt mij waarlijk van ganscher harte, dat ge zulk een schoon, gezond en sterk man zijt, wien gezondheid en levenslust uit de oogen stralen. Ja,'t verheugt mij van harte, dat ge een gezond man zijt; daar toch niemand ter wereld betwislen kan, dat ge evenwel een genie zijt. En daarom verzoek ik u, geef mij de hand, en ontvang den warmen handdruk van een man, die zich verheugt, een weinig op u te gelijken in uiterlijke figuur en postuur, 't Is mij aangenaam dat een dichter en man

ocr page 513

van genie er zoo doorvoed en krachtig uitziet, en ik wenscli ons beiden een recht langen duur van ons behagolijk gezond aanzijn.quot; ')•

En de doorvoede en trotsche geheim kamer lieer schudde den dichter vertrouwelijk de hand en verliet daarop met zijn vroolijk en tierend gezelschap de zaal.

Goethe oogde hem na met een vroolijken lach.

„Zie nu, Vriend,quot; riep hij; „hoe genadig en liefderijk het lot is. De overste veracht mij, omdat ik niet zwakkelijk ben en de kamerheer prijst mij, omdat ik zulk een gezond en forschgebouwd mensch ben, die bijna de eer heeft op hem zeiven te gelijken. — Maar kom nu, vriend; wij zullen nu naar onzen goeden hertog gaan, want ik wil vertrekken.quot;

„Vertrekken?quot; vroeg de majoor treurig: „Ge wilt ons verlaten, nadat wij ons zoo vele maanden in uwe tegenwoordigheid verheugd hebben, en veredeling en leering uit uw verkeer genoten?quot;

„Mijn hart drijft mij tot de lieve, stille huiselijkheid terug,quot; zeide Goethe met stralend gelaat; „ik heb nu genoeg van uw trompetten en blazen, uw zegekreten en doodsgekerm. Het drijft mij naar huis; daar wil ik een kring om mij trekken, waar — buiten liefde, vriendschap, kunst en wetenschap — niets meer binnen kan. Veel kwaads heb ik hier gezien en ondervonden, en vele treurige uren zijn mij voorbijgegaan. Maar over het verleden wil ik niet klagen, want ik heb ook veel belangrijks geleerd en mij vele edele en moedige vrienden verworven, waaronder ik in de eerste plaats u reken, beste majoor. Doch nu is het tijd dat ik den dichter weder 't woord geef en als ik in mijn lief Weimar naar de kluchten van Reintje de Vos hoor, waaraan ik thans werk, en met het prisma mijn studiën over de kleuren voortzet, zal de herinnering aan ons kampementsleven toch altijd als een fraai heldendicht in mijn ziel klinken en onvergetelijk in mij voortleven.quot;

17

1). De eigen woorden van den geheimkamardienaar Rietz. Zie : Goethe. Belagerung von Maintz, 2üG.

Kühlbaoh, Duitschland in Woeling en Strijd. VI.

ocr page 514

XI.

HET WEDERZIEN.

Leonora was teruggekeerd naar het slot Windeck. Zij was altijd alleen en had nauwelijks hare kamers verlaten. In de balkonkamer, waarin zij den prins het eerst gezien had, zat zij uren lang aan het venster, en zag op het zonnige landschap en sloeg een treurigen blik ten hemel. Zij had in deze dagen van eenzaamheid veel gedacht, veel gedroomd, had nedergeschouwd in haar hart en gezien, dat er slechts liefde in woonde, hartstochtelijke liefde.

Zij had veel gedacht en er was evenwel geen berouw, geen leedwezen, geen beschaming in haar. Met het verleden had zij gesloten; het lag achter haar als een onweerswolk, die zich met al haar donder en bliksem boven haar ontladen had, en nu was afgetrokken in de verte, haar niet meer bedreigende met gevaar, geen bliksems meer verbergende, die haar verpletteren konden.

„'t Was een droom uit de hel,quot; zeide zij bij zich zelve: „nu beu ik ontwaakt en zie den hemel open, en ik wil hem veroveren met mijn liefde, ik wil goed en rein worden door de liefde.

Zij zat weder gelijk toen, in de hoekkamer aan het venster, in haar armstoel en wachtte ; en niettegenstaande haar hartstochtelijk karakter scheen het wachten haar zoet en vervulde haar hart met een onbestemde zalige vreugde. Want zij wist dat hij komen zou. Niemand had het haar gezegd; zij had geen boodschap van hem ontvangen en zij quot;wist het tóch; zij wist dat zijn hart naar haar verlangde, en dat zijne gedachten elk uur bij haar waren! Want hare liefde had den blik der ziensters, het second sight der Schotsche vrouwen, die door de nevels der hooglanden heen zien in de bloemrijke velden van het Zuiden, en de zon zien stralen door alle wolken baars levens.

Ja, zij wist. dat hij komen zou; zij had eiken morgen met glimlachende vreugde den hemel en de voorbijtrekkende wolken, de zonnestralen en de bloemen gevraagd; „Komt hij heden?quot;

En als de dag verstreken was, had zij niet getreurd dat zij vergeefs gewacht had, maar met van vreugde stralende

ocr page 515

oogen lot zich zeive gezegd; „Hij zal morgen komen!quot;

Maar heden, nu zij daar zat aan het balkonvenster en nederzag in het zonnige dal, was er als een zalige zekerheid in haar binnenste; en toen zij nu met glanzende oogen ten hemel zag, iluisterde zij glimlachend; „Hij komt heden, ik gevoel het aan mijn hart dat hij mij nadert, 't Is alsof een stroom van gloed en vuur en zonneschijn over mij losbreekt, en dit verkondigt mij zijne nadering!quot;

Zij was gelijk een jong meisje, mijmerend en bijgeloo-vig in den gloed harer liefde — zich het toeval uitleggende als een voorspelling en alles wat haar omgaf toepassende op hare liefde, op haar geluk.

Heden morgen, toen zij van haar bed opstond, had een voorbijvliegende vogel zich plotseling op den dorpel van haai' venster gezet en daar jubelend zijn morgenlied laten klinken. Leonora had hem toegewenkt en gezegd ; „Gij verkondigt mij zijn nadering; gij zijt de heraut van zijn komst!''

De vogel was weggevlogen toen zij het venster opende.

Maar de ruischende morgenwind had (oen de blaadjes van een bloeiende roos in haar venster gewaaid, en zii had de blaadjes genomen en aan hare lippen gedrukt, en met een kus gezegd: „Hij komt heden.quot;

Ja, het verleden was achter haar nedergezonken in nacht en vergelelheid. Al deze vreeselijke jaren, welke zij had doorgebracht aan de zijde van hém, dien zij haar demon had genoemd, — zij waren vergeten en begraven, met hem die in den grafkelder der kerk lag. Uit de asch van het verleden wilde zij de liefde laten opbloeien als een puiperen roos, maar bedacht niet, dat de rozen zoo spoedig verwelken, en de eerste §torm ze ontbladert en voor altijd van hare schoonheid berooft. Maar heden schijnt de zon hoog! Het is zomer, — een warme zomerlucht in de ge-heeie Natuur. Door het open venster dringen balsamieke geuren binnen uit den bloemtuin, die onder haar venster ligt. Uit het dal hoort men vroolijk zingen en schalmeijen, en in den zonneschijn slingert ginds de Rijn zich ais een zilveren lint door het landschap.

Plotseling ontstelde Leonore — een donkere blos overtoog hare wangen. Zij stond op; met ingehouden adem, tot geen beweging in staat, bleef zij staan, blik en hoofd naar

ocr page 516

quot;ZTTTT

de deur gewend. Zij had daar buiten een stem gehoord, die haar hart deed verstijven, —niet van schrik, maar van vreugde. Zij had een tred gehuurd, dien zij kende, en zij wilde hem tegemoet gaan, maar hare voeten waren als vastgeworteld. En 't was zonderling, dat zij in dit oogen-hiik der hoogste verwachting, der hoogste verrukking, slechts denken en duisteren kon ; „Mocht ik sterven, sterven in dit oogenhlik !''

De deur werd geopend en de hooge, slanke gestalte, die op den drempel verscheen, deed alle gedachten aan sterven en vergaan uit hare ziel verdwijnen.

Hij breidde zijne armen voor haar uit en juichte haar toe ; „Leonora, mijn geliefde !quot;

Nu vond zij de kracht hem tegemoet te ijlen ; nu wierp zij zich aan zijn hart, omstrengelde hem vast met hare armen en riep; „O Louis, mijn geliefde, ik heb u weder!quot;

Zij hielden elkander omhelsd, hunne zielen spraken tot elkander, hunne harten klopten tegen elkander.Zij gevoelden niets en dachten niets; slechts de vreugde des wederziens doorgloeide beiden, en de oneindige verrukking van het zalige liefdegevoel. — Toen de zwellende golven van hun geluk bedaarder ruischten, voerde hij haar terug naar den armstoel in het balkonvenster en liet zich, als vroeger, op den kleinen tabouret aan hare voeten neder. Hij legde zijn gevouwen handen op hare knieën, en zag tot haar op, — lot haar, die hem met stralende oogen, met een zaligen glimlach aanschouwde, en hem met de teedere blanke handen over de bruine lokken en de roode wangen streek.

„Nu zijt ge weder u zelf, Louis. De blos der gezondheid schijnt weder van uw aangezicht en ik behoef niet te vragen hoe het u gaat. Ge zijt genezen.quot;

„Ja, ik ben genezen, en dit dank ik de lieve barmhartige zuster, die mij verpleegd heeft.—O mijn zoete vriendin, ge hebt mij het leven gered, ik dank het u.quot;

Zij schudde glimlachend het hoofd. — „Dank mij niet, Louis. Uw leven was mijn leven en ge ziet, ik heb m steeds uit zelfzucht verpleegd. Want ik zou hebben moeten sterven zoo gij waart gestorven, en het leven scheen mij toch zoo schoon; ik wilde het nog niet missen, — voor mij en voor u.quot;

I'

ocr page 517

Ja, het leven is schoon,quot; fluisterde hij zacht, haar hand aan zijne lippen brengende; „schoon, als yij er zijt. — Ge hebt mij echter nooit gezegd, nooit met klare duidelijke woorden gezegd, dat ge mij bemint. Zeg het mij nu, Leonora, geheel eenvoudig, zeg het mij.quot;

„Ik bemin u, ik bemin u!quot; zij nam zijn hoofd tusschen haar beide handen, zag hem aan, glimlachte en fluisterde met haar purperen lippen: „Ik bemin u.quot;

Nu sprong hij overeind en trok haar op in zijne armen, kuste hare oogen, haar voorhoofd en hare lippen en riep: „Ge zijt de mijne, ja, ge /Ajt de mijne!quot;

„Ja,quot; lispte zij: „de uwe; slechts de uwe in de geheele wereld alleen. Niemand heeft aanspraak op mij, niemand bemint mij. Ik ben slechts de uwe, slechts de uwe. En ik wil het blijven, zoo lang, tot de bliksem nederschiet en mij verplettert; zoo lang, tot het noodlot u met toornige armen van mij rukt en zegt; „Ga heen naar de woestijn, want ge zijt nu weder alleen; hij is van u gegaan.quot;

„Dat zal nooit gebeuren, nooit!quot; bezwoer bij onder kussen: „Ik bemin u alleen. En ons leven zal voortvloeien als een gouden stroom van geluk, waarop de zon schijnt, en aan welks oever geurige bloemen staan. Spreek mij niet van stormen, niet van verlaten en opgeven! Ik wéét dat mijn liefde voor u eeuwig is; eeuwig als de hemel, de zon en de sterren!quot;

„En ik, Louis, ik weet dat de liefde verdwijnt.quot;^

„Ook de uwe?quot; vroeg hij op schier toornigen toon.

„O,quot;' glimlachte zij; „met mijn liefde is het anders; — zij is mijn leven en kan slechts met mijn leven verdwijnen. 't Is alsof een bliksemstraal des hemels mijn hart in vlam gezet heeft, en zoo zal het vlammen en gloeien, tot liet vuur is verteerd en mijn hart in asch vergaan. — Gij echter, — ge zijt zoo jong, zoo fier, zoo schoon en de liefde; die voor mij het leven is, kan voor u slechts een versiersel des levens zijn; — duizende vrouwen, schooner, jonger, beminnenswaardiger dan ik, zullen komen om mij van u te verdringen.quot;

„Maar ik zal dan mijn arrnen om u strengelen en ze allen van mij afwijzen ...quot;

„Tot op zekeren dag degene komt, wier liefelijken blik en zoet wezen gij niet kunt wederstaan,quot; zeide zij treurig:

ocr page 518

„zij zullen ons scheiden, ik weet het wel, — zij hebben er duizend middelen toe.quot;

„Ik treed ze allen onder mijn voeten!'5 riep hij hartstochtelijk.

„Zij zullen u dwingen te trouwen.''

„Mij dwingen!?'' riep hij met een trotüchen lach; „Wat vroeger mijn leed was, is thans mijn geluk. Ik ben een kleine, bezoldigde prins. De staatkunde heeft niets te maken met mijn huwelijk en zoo ze komen mochten om mij een huwelijk voor te stellen, zal ik hen tegenjubelen: ik ben een bezoldigde prins! Laat mij het recht, naar mijn hart te kiezen!quot;

„Maar zij zullen tot uw eerzucht spreken, Louis. Go zijt niet alleen een prins, — ge zijt soldaat. Zij zullen u eer en waardigheden aanbieden en er zal een dag komen, dat mijn Achilles de arme verwelkte mirten en rozen onder zijne voeten treedt, om zijn hoofd met lauweren te sieren.quot;

,,Ik heb geen andere eerzucht meer, dan door u bemind te worden. Mijn eerzucht geef ik aan de winden prijs; allen roem verwerp ik als kinderspeelgoed. Hier sta ik op het glansrijkst punt mijns levens; want ik sta voor en zeg het u, en vraag u nu, Leonora, vraag u uit den diepsten grond mijns harten en mijner ziel: wilt ge'mijn vrouw zijnT'

Zij wankelde en bloosde, en deinsde achteruit als door een 'plotselingen zaligen schrik aangegrepen. Hij echter volgde haar, sloot haar in zijne armen en fluisterde weder in haar oor:

„Wilt ge mijne vrouw zijn ?quot;

Zij wankelde nog en luisterde naar zijne woorden, die in haar oor klonken als zoete muziek, als hemelsche verlokking. En plotseling, toen hij zacht en langzaam ten derdenmale vroeg, sloeg zij hare armen vast om zijn hals en riep en juichte:

,,Ik wil het, ik wil uwe vrouw zijn!quot;

„Mijn vrouw voor God en de menschen,quot; zeide hij plechtig, terwijl hij haar zóó vast aan zich drukte, als wilde hij haar in zijne armen verstikken : ,,ja, voor God en de menschen. En terstond in dit uur zal het geschieden. Toen ik hierheen reed, kwam ik voorbij de kerk, de

ocr page 519

deur stond open en de predikant op den WIP dacht ik en jubelde het in mij: „Hij is er, hij wacht op ons. Ik zal met mijne Leonora de kleine kerk binnengaan en tot hem zeggen: leg onze handen ineen, in den naam van God, \vant zij is mijne vrouw en ik bemin haar!quot; Kom Leonora, kom, gij barmhartige zuster, die mij teruggebracht hebt in bet zoete, in het hemelsche leven. Kom en geef mij nu de bekoorlijkste vrouw. De predikant wacht, wij willen tot hem.quot;

Zij rilde inwendig, en de kreet die nu van hare lippen klonk, was geen kreet van verrukking.

„Neen; Louis, neen ; niet zoo spoedig, niet zoo haastig-mag het geschieden. Ik wil u volgen, waarheen ge wilt ik wil met u gaan door het geheele leven. Maar dezegen van den predikant is niet noodig. Ik ben de uwe en trotseer den smaad.quot;

„Maar ik wil het niet,quot; zeide hij trotsch en heftig: „ge zult hieraan herkennen hoe heilig en hoe groot mijn liefde voor u is, en ik wil bet oCter, dat ge mij biedt, niet aannemen.quot;

„Ge moet het aannemen! quot;Want uw leven mag niet alleen aan de liefde behooren, mijn lieveling, mijn Achilles! Ge moogt het u niet afsluiten door een huwelijk, dat u hindert en bindt, en u den toegang sluit voor het groote tournooi van roem en eer. 't Was groot en hemelscbvan u, dat ge de gedachte voeddet mij uw hand te geven, maar bet zou laag en egoïstisch van mij zijn, zoo ik die wilde aannemen. Ik heb de muziek dezer woorden vernomen, en zij zal eeuwig in mij weerklinken. En wat nu ook geschieden moge, het klinkt en zingt in mij: Wilt ge mijn vrouw worden ? En hiermede is een zegen over mijn geheel aanwezen uitgesproken. Ik bemin u, en ik ben de uwe. Dit is mijn antwoord op uw vraag. Ge zult door mij niet te lijden en te strijden hebben. En dat zoudt ge moeten; want niemand zou mij welkom heeten aan uwe zijde en zij zouden mij smaden en verwenschen. En zij hebben er het recht toe, Louis; want bet verleden rijst weder met al zijne verschrikkingen bij mij op ...quot;

„En ik trotseer het met de tooverkracht mijner liefde,quot; zeide hij hartstochtelijk: „spreek niet voort, Leonora; zeg niets

ocr page 520

262

„zij zullen ons scheiden, ik weet het wel, — zij hehben er duizend middelen toe.quot;

„Ik treed ze allen onder mijn voeten!'' riep hij hartstochtelijk.

„Zij zullen u dwingen te trouwen.''

„Mij dwingen!?'' riep hij met een trotnchen lach: „Wat vroeger mijn leed was, is Ihans mijn geluk. Ik hen een kleine, bezoldigde prins. De staatkunde heeft niets te maken met mijn huwelijk en zoo ze komen mochten om mij een huwelijk voor te stellen, zal ik hen tegenjubelen: ik ben een bezoldigde prins! Laat mij het recht, naar mijn hart te kiezen !quot;

„Maar zij zullen tot uw eerzucht spreken, Louis. Go zijt niet alleen een prins, — ge zijt soldaat. Zij zullen u eer en waardigheden aanbieden en er zal een dag komen, dat mijn Achilles de arme verwelkte mirten en rozen onder zijne voeten treedt, om zijn hoofd met lauweren te sieren.quot;

„Ik heb geen andere eerzucht meer, dan door u bemind te worden. Mijn eerzucht geef ik aan de winden prijs; allen roem verwerp ik als kinderspeelgoed. Hier sta ik op het glansrijkst punt mijns levens; want ik sta voor en zeg het u, en vraag u nu, Leonora, vraag u uit den diepsten grond mijns harten en mijner ziel: wilt ge'mijn vrouw zijn?quot;

Zij wankelde en bloosde, en deinsde achteruit als door een 'plotselingen zaligen schrik aangegrepen. Hij echter volgde haar, sloot haar in zijne armen en fluisterde weder in haar oor:

„Wilt ge mijne vrouw zijn ?quot;

Zij wankelde nog en luisterde naar zijne woorden, die in haar oor klonken als zoete muziek, als hemelsche verlokking. En plotseling, toen hij zacht en langzaam ten derdenmale vroeg, sloeg zij hare armen vast om zijn hals en riep en juichte;

„Ik wil het, ik wil uwe vrouw zijn!''

„Mijn vrouw voor God en de menschen,quot; zeide hij plechtig, terwijl hij haar zóó vast aan zich drukte, als wilde hij haar in zijne armen verstikken : „ja, voor God en de menschen. En terstond in dit uur zal het geschieden. Toen ik hierheen reed, kwam ik voorbij de kerk, de

ocr page 521

263

deur stond open en de predikant op den drempel. Toen dacht ik en jubelde het in mij: „Hij is er, hij wacht op ons. Ik zal met mijne Leonora de kleine kerk binnengaan en tot hem zeggen: leg onze handen ineen, in den naam van Grod, want zij is mijne vrouw en ik bemin haar!quot; Kom Leonora, kom, gij barmhartige zuster, die mij teruggebracht hebt in het zoete, in het hemelsche leven. Kom en geef mij nu de bekoorlijkste vrouw. De predikant wacht, wij willen tot hem.quot;

Zij rilde inwendig, en de kreet die nu van hare lippen klonk, was geen kreet van verrukking.

„Neen/ Louis, neen ; niet zoo spoedig, niet zoo haastig mag het geschieden. Ik wil u volgen, waarheen ge wilt ik wil met u gaan door het geheele leven. Maar de zegen van den predikant is niet noodig. Ik ben de uwe en trotseer den smaad.quot;

„Maar ik wil het niet,quot; zeide hij trotsch en heftig: „ge zult hieraan herkennen hoe heilig en hoe groot mijn liefde voor u is, en ik wil het oiïer, dat ge mij biedt, niet aannemen.quot;

„Ge moet het aannemen! quot;Want uw leven mag niet alleen aan de liefde behooren, mijn lieveling, mijn Achilles! Ge moogt het u niet afsluiten door een huwelijk, dat u hindert en bindt, en u den toegang sluit voor het groote tournooi van roem en eer. 't Was groot en hemelsch van u, dat ge de gedachte voeddet mij uw hand te geven, maar het zou laag en egoïstisch van mij zijn, zoo ik die wilde aannemen. Ik heb de muziek dezer woorden vernomen, en zij zal eeuwig in mij weerklinken. En wal nu ook geschieden moge, het klinkt en zingt in mij: Wilt ge mijn vrouw worden? En hiermede is een zegen over mijn geheel aanwezen uitgesproken. Ik bemin u, en ik ben de uwe. Dit is mijn antwoord op uw vraag. Ge zult door mij niet te lijden en te strijden hebben. En dat zoudt ge moeten; want niemand zou mij welkom heeten aan uwe zijde en zij zouden mij smaden en vervvenschen. En zij hebben er het recht toe, Louis; want het verleden rijst weder met al zijne verschrikkingen bij mij op . . .quot;

„En ik trotseer het met de tooverkracht mijner liefde,quot; zeide hij hartstochtelijk: „spreek niet voorl, Leonora; zeg niets

ocr page 522

204

meer. Het staat in mij onveranderlijk vast. Kom, volg mij. Ik heb den predikant gezegd: hij zou mij in de kerk verwachten, want ik had iels gewichtigs mei hem te spreken. Hij wacht, Leonora, kom!quot;

„'tls onmogelijk,quot; zeide zij zacht: „onmogelijk.quot;

„Waarom onmogelijk? Is 't niet zijn ambt, huwelijken le sluiten en den zegen uil te spreken over harten, die elkander beminnen? Kom dus, kom!quot;

Hij omvatte haar en wilde haar voorttrekken, maar zij beefde en trok zich uit zijne armen.

„Neen, Louis, niet in de kerk; want hij ligt er begraven. Ach, de demon zou ontwaken, indien ik aan uwe hand de kerk binnentrad.quot;

„Ik tart hem,quot; lachte hij moedig: „ik tart alle demons en alle duivels, want ik bemin u! Kom, ik herhaal het: de predikant wacht !quot;

Zij stond met gebogen hoofd, staarde Ier aarde en legde de handen voor haar aangezicht. Maar hij sloeg zijn armen om haar heen, en fluisterde in haar oor zoete woorden van liefde en bezwering. Haar arm, zwak, gloeiend hart weerstond deze woorden niet en zij liet zich door deze too verachtige muziek begoochelen.

„Welaan, Louis, alles zij zooals ge wilt. Laat mij vooruit gaan. Hij is mijn vertrouweling; hij kent mijn hart en al mijne gedachten, en ik wil tot hem spreken, tot hem en tot God. Laat mij vooruit gaan, en zoo ge wilt, volg mij na een half uur.quot;

Hij hief haar hoofd op en zag haar diep in de oogen.

„Ge wilt mij bedriegen, liefelijke Sirene? Ge hebt mij dikwijls gezegd: ge waart de Loreley. Wil Loreley haren armen dolenden ridder nu verlaten en hem ontvlieden? Neen, neen, mijn zoete Loreley. Uw ridder is niet zoo licht te misleiden en hij verlaat zijn Loreley niet. Ik begeleid u naar de kerk en wacht voor de deur tot ge mij roept. Zoo zal het zijn! En nu geen tegenspraak, geen aarzelen meer! Kom.quot;

„Kom,quot; herhaalde zij en een uitdrukking van tartende beradenheid bestraalde plotseling haar schoon gelaat: „Ja, kom, 't zal alles zijn, zooals gij wilt. En is het slechts een gulden droom, dan moge het lot er ons uit wekken; wij zeiven willen het niet doen.quot;

ocr page 523

Arm in aim gingen zij nu den kleinen hoscliweg af die tiaar tie kerk voerde. Zij spraken weinig, slechts de blikken, welke zij elkander toewierpen, slechts de druk Inm-ner handen was hun taal. Soms bleven zij staan, aanschouwden elkander en glimlachten beiden. En de hemel straalde uit hunne oogen, en de zon, die door de twijgen scheen, overstroomde hen met licht en gloed.

„Ben ik werkelijk op aarde?quot; vroeg hij eens glimlachend, en zag haar aan, als stond zij als een hemelsche verschijning voor hem.

„Neen,quot; fluisterde zij: „wij wandelen in het Paradijs en God geve, dat de engel met het, vlammende zwaard ons niet verdrijft. Gij hebt dat niet verdiend, Louis, cjij niet. Moge het lot barmhartigheid uitoefenen om uwentwille.quot;

Nu stonden zij voor de kleine kerkdeur en prins Louis had gelijk gehad: de predikant verwachtte hen. Op den drempel der kerkdeur stond hij, en een uitdrukking van waardigheid sprak uit zijn bleek aangezicht.

Hij boog licht zijn hoofd voor de naderenden en trad terug in de kerk. Prins Louis kuste Leonora's hand en zag haar diep in de oogen.

„Ge zult hem met uw betooverend wezen overreden, dat hij mijn wensch vervult; en als hij bewilligd heeft, roep mij dan. Ik wijk niet van deze plaats hier, Leonora. Ik sta hier als een boeteling aan de poort van het heilige huis en wacht op mijne verlossing.quot;

Zij knikte hem glimlachend toe. Maar haar lach was treurig en het trilde om hare lippen als van pijn. Vervolgens keerde zij zich om en trad de kerk binnen.

XII.

HET GEHEIM.

„Mijn vriend, ik heb met u te spreken.quot;

„Over uw verleden?quot; vroeg hij met zachte stem. Zij schudde langzaam haar hoofd — „Neen, ge kent al mijne gedachten, en óók — voegde zij er met nauwelijks hoorbare stem bij — al mijne daden. Ik ben heden niet

ocr page 524

'2t)ü

gekomen tot mijn raadgever, maar tot den predikant dezer kerk; tot den predikant, die het recht heeft huwelijken in te zegenen en in naam van God de handen der gelieven ineen te leggen.quot;

Hij huiverde inwendig. — „Ik hoop, dat ik u niet versta, Leonora,quot; zeide hij zacht: „Kom mede want ik vermoed, dat gij mij iets gewichtigs hebt te zeggen en het is daarom niet gewenscht dat iemand anders hoort, wat ge mij te zeggen hebt.quot;

Hij ging haar voor met slependen tred, als gevoelde hij zich vermoeid en uitgeput en het hoofd gebogen, volgde hem zwijgend Leonora. Zoo kwamen zij in de kerkeka-kamer, en de predikant sloot de deur achter hen.

„Leonora,quot; zeide hij toen luid: „nietwaar, ik heb u verkeerd verstaan? Ge wildet niet zeggen, dat gij het zijt, die trouwen wiltquot;

Zij hief hare oogen met een oneindig smeekende uitdrukking tot hem op.

„Ik wilde het zeggen,quot; sprak zij zóó zacht dat hij hare woorden niet hoorde, maar ze slechts begreep aan de beweging barer lippen.

„Gij, Leonora, gij wilt trouwen ? Ongelukkige, hoe kunt ge daaraan denken. Uw leven moet integendeel eene vooi t-durende boete zijn.quot;

„Neen!quot; riep zij driftig; „neen ! Ik heb op aarde zoo veel geleden, zoo vreeselijk geduld, ik wil ook mijn deel hebben aan geluk en vreugde. Gij weet het, mijn vriend ik bemin hem, ik ... quot;

„Stil!quot; viel hij haar met gebiedende stem in de rede: „Waag het niet u zeiven te lasteren door zulk een bekentenis/ Het betaamt u slechts vol berouw op uwe knieën neder te zinken en God hierboven te smeeken om ontferming en genade; want ge weet wel, op aarde zou er geen ontferming en genade voor u zijn, indien de men-schen wisten, wat gij misdreven h^bt!quot;

„God is barmhartig!quot; riep zij; „Hij zal mijn vreeselijk geheim niet verkondigen. En gij Theophil, gij zult het ook niet, want zoo trouweloos zult gij toch niet zijn om datgene te verraden wat ik u, om mijn hart te verlichten, in vertrouwen heb medegedeeld. Theophil, slechts God en gij kent mijn verleden en' gij zult beiden barmhartig zijn. Hier

ocr page 525

267

lig ik aan uwe voeten, voor u, beclienaai'van Gods Woord. Ontferm li over mij. De vloek is van mijn leven genomen, geef gij mij nu den zegen der liefde. In haat en ellende heb ik mijn jeugd doorgebracht; laat nu de zon der liefde mij beschijnen. Erbarm u over mij !quot;

,,Ik kan niet, Leonora, ik mag niet!quot; zeide hij door smart bewogen; „'t Is mij onmogelijk u op eenige wijze heliulpzaam te zijn in uw voornemen. Dit beschouw ik als eene heiligschennis.''

„Mijn geheel leven was een heiligschennis,quot; jammerde zij zacht, altoos nog op hare knieën voor den predikant liggende, die hoog opgericht met ineengeslagen handen voor haar stond, en het bleeke gelaat ten hemel gericht had : „Ja, mijn geheel leven was een heiligschennis en evenwel was ik niet de schuldige. In ellende en jammer werd ik ter-nedergestooten zonder eigen schuld. Aan zonde en misdaad was ik vervallen, vóór ik nog iets gedaan had om iets zoo vreeselijks te verdienen. Ik was jong, ik was onschuldig en rein. Waarom ontfermde God zich niet over mij, waarom had niemand ter wereld medelijden met het arme on-scliulrlige schepsel, dat alleen en verlaten op aarde stond'? Waarom reikte mij niemand de hand en trok mij weg van den rand des afgronds? Waarom waren er slechts handen, die mij lernederstieten, -— ter neder in ondeugd en verderf? En de handen, die. dit deden, waren het juist die moesten tegenhouden; de handen van mijn echtgenoot. Thans, nu ik verbrijzeld op den grond lig en nu eindelij k de liefde vol barmhartigheid de hand naar mij uitstrekt om mij te redden en op te heffen, nu wilt gij, Theophil, deze hand van mij wegtrekken, wilt mij opnieuw aan den vloek overleveren, wilt het geluk niet tot mij laten? Ontferm u over mij mijn vriend, want prins Louis Ferdinand bemint mij uit geheel zijn oprecht hart, ofschoon ik hem gezegd heb, dat mijn leven met schuld beladen is, ofschoon ik hem gewaarschuwd heb. Maar desniettegenstaande bemint, hij mij; en in den jeugdigen moed zijner liefde gevoelt hij de kracht, de hel te verwinnen, en mij te verheffen tot de reinheid des hemels. Laat het zoo zijn, Theophil. Ik heb in uwe blikken gelezen, en weet, wat builen ons beiden alleen God weel, — ik weet,Theophil, dat ge mij bemind hebt, — dat ge mij nóg bemint.quot;

ocr page 526

268

Hij slaakte oen kreet van ontzetting en drukte zijn handen voor zijn gelaat, dat doodsbleek was geworden, en een smartelijk kreunen drong uit zijn borst.

Zij had geen medelijden met zijn smart en voer voort:

„Ik heb het geheim in uwen blik gelezen en ik bezweer u thans, Theophil, bewijs wat de liefde vermag. Overwin u zeiven. Overwin het menschelijke in u, en wees goddelijk groot en vol barmhartigheid. Laat mij niet denken, dat aardsche liefde en aardsche ijverzucht u kleingeestig maakt en gij mij terug wilt stooten in den afgrond, wijl ge voor aardsche afgunst toegankelijk zijt. Bewijs mij, dat de liefde Gods groot is, en red mij van het verderf, lied mij voor mij zelve en mijn verleden !quot;

Ilij stond voor haar, de handen voor zijn aangezicht gedrukt, kermend en weenend. Alle menschelijke smart, quot;welke hij diep in zijn ziel had besloten, stroomde nu in zijne tranen naar buiten, in den kreet zijner wanhoop. Maar eensklaps, met al de kracht van zijn ernstig gemoed overwon hij zich zeiven, en worstelde naar beradenheid en kracht. In hem klonk het als een gebed: „Friedrich Schiller! ik denk aan het uur toen ik u beloofde een edel en goed mensch te zijn. Nu zal ik het olïer van mijn leven volbrengen.quot; Hij liet de handen van zijn gelaat nederglij-den, dat bleek was als dat van een lijk.

Vervolgens hief hij de oogen, die straalden als in geestvervoering, ten hemel en zijn bleeke lippen beefden toen hij zacht zeide ; „De liefde Gods moet ons meer zijn, dan alle menschelijke liefde.'' Toen boog hij zijn hoofd voor haar, die nog altoos met gevouwen handen voor hem op den grond lag.

„Sta op, barones von Ehrenberg en volg mij in de kerk.quot;

Zij sprong op met een luiden vreugdekreet en wilde zijn hand vatten, maar hij onttrok ze haar langzaam.

„Niet zoo, niet zoo,quot; zeide hij plechtig. „ Wij hebben niets met elkander te maken op aarde. De predikant Theophil mag voor u geen liefde kennen en geen aardsche begeerten. Kom, barones van Ehrenberg.quot;

Zij huiverde bij dezen naam, want het klonk als een bedreiging; — en sidderend, met beklemd hart volgde zij den predikant, die nu de kerkekamer verliet en weder in de kerk trad.

ocr page 527

'2(59

„Eindelijk!quot; riep een luide, vroolijke stem hem legen, en bij den kansel stond prins Louis Ferdinand, fraai en heerlijk om te aanschouwen, als een Achilles, met glinsterende oogen en gloeiende wangen: „Eindelijk!quot; herhaalde hij: „liet heeft lang geduurd, eer mijn Leonora den vromen predikant voor onze wenschen gewonnen heeft, dat zie ik wel. Maar nu, nietwaar mijn vriend, nn wilt ge mijn vurige wensch vervullen, nu . . .

Hij zweeg en de glimlach bestierf op zijne lippen, toen hij het bleeke, strenge gelaal van den predikant zag, wiens oogen met een somberen blik op hem rustten.

„Is 'tu ernst, prins Louis Ferdinand?'' vroeg de predikant langzaam : „Is quot;t uw bepaalde wil, de weduwe van den baron von Ehrenberg tot uwe gade te verheffen?quot;

„Ja!quot; riep hij, en als een jubeltoon klonk en weergalmde bet door de kerk.

„En hebt ge hiertoe de toestemming uwer ouders, de toestemming uws Konings?quot;

„Die zijn niet noodig,quot; zeide bij glimlachend: ,wij zullen ons huwelijk geheim houden tot den dag mijner meerderjarigheid, en Goddank, dat zal niet lang meer duren.quot;

„Wacht dan tot dien dag. Ik bezweer u, prins, wacht tot zoo lang,quot; zei de predikant op smeekenden, dringenden toon.

Maar prins Louis Ferdinand nam voor alle antwoord de hand van Leonora en stond zoo met haar, hand in hand, voor den predikant.

„Wij zijn een paar, dat elkander bemint,quot; zeide bij met vroolijke, blijmoedige stem: „onze handen liggen ineen. Zegen onze verbintenis.quot;

Hij schudde langzaam zijn hoofd. — „Ga tot een anderen predikant. Laat u elders trouwen indien het uw onwrikbaar voornemen is barones Leonora von Ehrenberg tot uwe vrouw te nemen.quot;

Prins Louis Ferdinand werd ongeduldig en zeide op be-slissenden loon: „Neen, nog in dit uur zal zij mijne vrouw worden. Ik duld geen langer uitstel; gij kent Leonora, zij is uwe vertrouwelinge en daarom kom ik tot u, wijl gij ons de naaste zijl.''

„Heb medelijden met mijn hart,quot; Huisterde Leonora, zich dicht aan 't oor des predikants buigende.

ocr page 528

270

En prins Louis vatte nu de liand van den predikant en zeide tot hem op bijna smeekenden toon: „Zegen ons, mijn vriend; zegen onze liefde. Geef mij uwe hand, Leonora,en laat ons nederknielen aan de voeten van den dienaar des Heeren; hij zal medelijden hebben met onze liefde, hij zal ons den zegen niet weigeren.quot;

„Ik kan hem niet. geven,quot; riep Theophil door smart bewogen, met treurige stem: ,,lk kan niet, prins, ik mag niet! Moge een ander het doen, ik raag het niet. Zeg het hem toch zelve, Leonora; iaat Crod en uw geweten tot uw hart spreken, en zeg hem, dat ge nooit zijne vrouw kunt worden, dat ge nooit uw hand in de zijne leggen moogt. Overwin u zelve, barones Leonora von Ehrenberg. Denk aan hèm, die ginds in het graf rust en scheid van dezen jongen man, ora hem nooit weder te zien. Dit zij uwe liefde; dit zij het offer, waardoor ge het noodlot en den wrekenden God verzoenen kunt. Ik bezweer u, Leonora, zeg in dit ernstig oogenblik dezen jongen man in mijne tegenwoordigheid: Ik kan niet de uwe worden ; ik wil in dit uur van het leven dezer wereld afstand doen en mij in eenzaamheid terugtrekken, om te boeten en te verzoenen. — Zeg dit, Leonora, opdat ik niet gedwongen worde te spreken tot redding van u beiden.quot;

„Neen!quot; riep de prins, zijn arm om haar gestalte leggende: „Neen, dit zult ge niet zeggen. Ge zult niet uw leven vernietigen, Leonora, het behoort mij!''

„In naam van God bezweer ik u, mijn dochter!quot; riep de predikant met luide, plechtige stem; „in naam van God vorder ik van u, geef uwe liefde op, en gebied dezen jongeling, dat hij van u ga voor altijd. De liefde voor u zou een vloek zijn, die zijn leven vergiftigde. Overwin u zelve en verzaak!quot;

Zij hief de hand tot hem op en riep en schreide: „Ik kan niet, Theophil, ik kan niet, want ik bemin hem oprecht en vurig!quot;

Nu trok er als een donkere wolk over het bleeke voorhoofd van den predikant en zijn oog, dat anders zoo zacht en teeder zag, wierp nu een blik van toorn op haar.

„Dan moge God zich over u en den Prins ontfermen!quot; riep hij, de handen over zijn borst vouwende. „Prins Louis Ferdinand, luister naar mijne woorden! Ge rnoogt deze

ocr page 529

271

vrouw niet tot uwe echtgenoote maken, want haar liand is met bloed bevlekt!quot;

„Wat wilt ge zeggen?quot; riep Leonora verschrikt: „The-ophil, wat bedoelt gij?quot;'

„Zijne Koninklijke Hoogheid zal het mij vergeven,quot; zeide hij langzaam: „indien ik hem de waarheid zeg tot heil van hem en het Koninklijke Huis. Prins Louis Ferdinand, ge moogt niet met de barones von Ehrenberg in 't huwelijk treden, want zij is een moordenares!quot;

Louis slaakte een kreet en sloeg zijn verschrikten blik op Leonora. Zij stond daar hoog opgericht, bleek als een marmeren beeld; staarde den predikant met groote oogen aan en wendde vervolgens langzaam het hoofd tot den geliefde, als wilde zij hem vragen met haar blik, of hij die ontzettende mededeeling geloofde.

Hij schudde heftig het hoofd. — „Neen, mijn Leonora, neen, ik geloof hem niet! Slechts u alleen zal ik gelooven, en als gij zegt; 'tis niet waar, dan bouw ik op uw woord, al mocht de geheele wereld tegen u opstaan en u beschuldigen ! Spreek dus, Leonora; spreek een enkel woord. Zeg neen, en ik zal in uw naam en in naam van God hem ter verantwoording roepen, die het gewaagd heeft u van een misdaad te beschuldigen!quot;

„Spreek, Leonora,quot; zei Theophil met ernstige, gebiedende stem : „in naam van den man, wiens bloedig lijk wij hier in deze kerk begraven hebben, in naam van uwen echtgenoot bezweer ik u, de waarheid te zeggen! Red u beiden, door het vreeselijk geheim te openbaren!quot;

Een pauze ontstond. Beide mannen hielden met gespannen gelaat en ingehouden adem hunne blikken op de barones gericht. Zij stond nog altoos hoog opgericht, den blik strak, de lippen vast gesloten! Toen na een vreeselijke pauze, schudde zij langzaam het hoofd.

„Niet hier!'' zeide zij, en haar stem was zóó zacht, dat beiden zich moesten buigen, om te verstaan wat haar bevende lippen tluisterden. — „Niet hier! Wat ik te bekennen heb, past niet voor deze heilige plaats! Volg mij Louis! Luiten in Gods vrije Natuur, wil ik u zeggen en a/Zes bekennen!quot;

Zij wendde zich om en richtte haar schreden naar den uitgang; maar nu ijlde de predikant Theophil haar na.

ocr page 530

'272

greep haar kleed en zonk voor haar op de knieën.

„Vergeving, Leonora; ik kon niel anders, want gij hebt mij door uw stilzwijgen gedwongen tut spreken. Hetgeen ik zeide, geschiedde zoowel voor uw eigen welzijn als voor de onbesmette toekomst van prins Louis Ferdinand. Maar ik moest het doen om u beiden te sparen voor de wroeging die later — en wie weet reeds hoe spoedig — onvermijdelijk komen zou. Ik mocht niet dulden, dat ge tot eeuwige schuld en onverzoende misdaad vervallen zoudt! ik moest u redden, zelfs op 't gevaar af, dat ge mij zoudt verwenschen en vervloeken! Maar nu lig ik in het stof voor u, zooals 't mij betaamt, en smeek u om vergeving, want mijn smart is groot!'

„Sta op, Theophil,quot; zeide zij langzaam en op zachten toon: „hef u op van uwe knieën, want het betaamt den bedienaar van Gods woord niet te. buigen voor een zondares. Ge hebt als mensch gedaan wat als mensch uw plicht was, en mij betaamt het niet den predikant te oor-deelen. Er zij vrede tusschen ons en zoo wij elkander op aarde niel meer mochten wederzien, reik mij dan de hand, en laat ons als vrienden scheiden. Smeek met uwe reine lippen voor mij God om genade.''

„Leonora, ach Leonora,quot; smeekte Theophil met bleeke, bevende lippen: „gij weet, ik heb het nog nooit gewaagd uw hand aan te raken, ik was altijd slechts de ernstige predikant, nooit de wereldsche mensch. Thans, in dit gewichtige oogenblik dat over uw leven beslissen zal, mag de mensch uit mij spreken, en één enkelen keer zich veroorloven, u zijn jammerkreet te laten hooren. Leonora, uw hand!quot;

Zij reikte hem haar bleeke hand, diekoud was als marmer, en hij drukte die aan zijne lippen, en zijn tranen vielen langzaam en gloeiend er op neder.

„Vaarwel, Leonora tot wederziens, vaarwel!quot;

Langzaam schudde zij het hoofd. „Ik zal u niet wederzien, maar gij mij wel! Ge zult toch komen om mijn lijk de laatste eer te bewijzen?quot;

„Ge zult niet sterven, ge moogt niet sterven!quot; riep Theophil met een jammerkreet: „Het zou mij ook onmogelijk zijn te doen wat gij vraagt. Gij moet integendeel door een verborgen leven en het ondersteunen van weezen, armen

ocr page 531

273

en noodlijdenden trachten uit te boeten wat gij misdreven hebt. Dan zult gij eindelijk den vrede vinden die gij thans te vergeefs zoekt. Vaarwel, Leonora!quot;

Zij boog zich langzaam tot hem.

„Vaarwel, Theophil, vaarwel en bid voor mij!quot;

XIII.

DE LORELEY.

Prins Louis Ferdinand had als verbijsterd beiden aangestaard. Misschien had hij hunne woorden niet gehoord of niet begrepen. Onbeweeglijk was zijn blik op Leonora gericht, en werktuigelijk volgde hij haar nu, toen zii door de kerk naar buiten ging.

Het kleine boschpad sloeg zij in, dat naar de hoogte leidde — Louis Ferdinand volgde haar, zonder een woord te spreken, waggelend als in den droom, en ging achter haar over de ruwe rotstreden daar den top der rots, die duizelingwekkend boven een afgrond uitstak, en ]aan wier voet de schitterende Rijnstroom met zijn groene golven in den zonneschijn glansde.

Op deze steile hoogte, op dit plateau waren een paar ruwe banken in de rots gehouwen, en Leonora zonk er op neder en beduidde met een handbeweging den prins, aan hare zijde plaats te nemen. Hij deed het werktuigelijken aanschouwde haar voortdurend met zijn groote oogen, die zoo diep en treurig en zoo vol smart waren. Haar kwamen de tranen in de oogen. Zij legde een oogenblik de handen voor haar aangezicht en droogde de tranen. Plotseling klonk van zijn lippen een kreet, een vreeselijke jammerkreet.

„'t Is niet waar! Neen! 'tis niet waar! Ik bemin haar, en ik geloof haar! Leonora is geen moordenares!quot;

En terwijl hij dit zeide zonk hij van zijn zitplaats neder op zijne knieën, en aanschouwde Leonora met een langen, teederen liefdeblik.

„Zeg, dat hij gelogen heeft; zeg, dat ge deze misdaad niet begaan hebt! Alles wil ik verdragen, alles wil ik

Uühlbaoh, Duitscliland in Woeling en Strijd. VI. 18

ocr page 532

'274

dulden! De wereld moge u steenigen, ik wil van deze steenen diamanten maken, en u een diadeem er van om't hoofd vlechten. De vromen en trotschen mogen u honen, ik zal deemoedig voor u mijn hoofd buigen en u mijn engel, mijn heilige noemen. Maar slechts dit, slechts niet. Zeg dat uwe handen rein zijn van bloed en moord; in naam van God en van onze liefde bezweer ik u, zeg mij de waarheid!quot; ......

En als betooverd door deze bezwering, hief zij zich langzaam van haar zitplaats op en stak beide armen op ten hemel.

„In naam van God en onze liefde geef ik u antwoord en beken: ik ben aan de misdaad schuldig, waarvan men mij beticht heeft! Ik ben de moordenares van mijn echtgenoot!quot;

Een vreeselijke dubbele kreet klonk van beider lippen. Zij was met dezen kreet teruggezonken op de uitplaats, en hij had zijn hoofd op zijne knieën gebogen, en kermde en steunde nu luid.

Een diepe stilte ontstond. Door de boomen, wier kruinen nauwelijks den top der rots bereikten, ruischte de wind als met heilige orgeltonen, en hoog boven hunne hooiden vloog nu een gier, wiens krijschende kreet alleen de stilte verbrak. Vervolgens, na een lange pauze, begon Leonora te spreken, en hij, — op zijne knieën liggende, het hoold laag op de borst gebogen, — luisterde, en haar stem klonk als het treurig gelluister der Aeolus-harp.

„Mijn leven is ellende geweest en smart,' sprak zij, „sinds ik denken kan. De dochter eens spelers, was het eerste moment, 'twelk ik mij herinneren kan, dat, toen men mij naar het lijk mijns vaders voerde, die met verbrijzeld hoofd, onkenbaar en bloedend op den grond lag en vóór hem stond een man met somber gelaat, en een knaap aan zijne zijde. De man vloekte mijn ongelukkigen vader, die als zijn schuldenaar heen was gegaan in den dood. En de knaap naderde mij en streelde mijne wangen noemde mij een liefkind en verzocht voor mij, zijn vader o».i barmhartigheid. Ik was echter evenzeer bevreesd voor den vader als voor den zoon, en wilde het bloedige lijk mijns vaders niet verlaten. Toen lachten zij en noemoen hem een misdadiger, en bespotten mij om mijn smart.

ocr page 533

275

Maar wijl de knaap mij lief liatl gevonden, bad hij vuur mij bij zijn vader. En zij ontfermden zich over mij, zooals zij het noemden, en in plaats van mij te dooden, — dat beter voor mij zou zijn geweest, zouden zij mij naar een kostschool en lieten mij allerlei kunsten leeren en tot een dame der wereld opvoeden. Vervolgens op een dag kwam de zoon, die nu een jongeling was geworden, en voerde mij naar zijn huis. En wederom lag daar een lijk met verbrijzeld hoofd; het was het lijk zijns vaders, die zich gedood bad, gelijk de mijne, want God is rechtvaardig, en het noodlot bereikt eiken boosdoener! Hij vroeg mij niet, de baron, of ik hem beminde, of ik zijne vrouw luilde worden. Hij voerde mij tot den predikant en die legde onze handen ineen, en zoo werden wij man en vrouw. Ik beminde hem niet; ik had nog niemand bemind op aarde, en was door niemand bemind geworden. Hij had mij van de school genomen, en nu maakte bij zicb tot mijn leermeester! Hij leerde mij de kunsten der wereld en maakte van het arme, onwetende meisje een volkomen kokette, een volleerde boeleerster; leerde mij de wereld verachten en de menschen bespotten, en voordeel trekken van de zondige liefde, welke ik met mijne schoonheid den mannen inboezemde. Spoedig was ik niets dan een ellendig werktuig in zijne handen! Maar er kwam een dag, een zalige, vreeselijke dag, toen de scholierster een vrouw, een moeder werd! En plotseling kwam mij de wereld anders voor ; plotseling kwam het bewustzijn der zonde in mij, ik zag in de reine 'glimlachende oogen van mijn kind, dat in mijne armen lag en lachend tot mij opzag. Ik droomde van een betere wereld. Maar hij spotte met mijn goede voornemens en mijn deugdzame grillen, zooals hij 't noemde, en ik volgde hem weder in de wereld, maar was toch een andere, hoewel ik deed en sprak naar zijn wil. De liefde voor mijn kind woonde diep in mijn hart, en ik begon het vreeselijke leven dat ik leidde, te verachten. Hij echter vorderde steeds meer, steeds vreeselijkers van mij. Ik was de Loreley, die de mannen verleiden, hun schatten ontnemen en lachen moest, als zij zich nederstortten in den afgrond. En ik kon niet meer lachen, want ik gruwde voor mij en voor hem. Ik dacht aan mijn kind, voor 't welk ik zoo gaarne een goede moeder wilde zijn! Vaak

ocr page 534

276

Smeekte ik hem, mij vrij te laten en zich mijner te ontfermen! Maar ik ontmoette slechts liefdelooze spotternij en hoon, en dus zweeg ik eindelijk. Maar de wrok en haat zwegen niet in mij, maar groeiden met den dag; en eindelijk verfoeide ik hem, — hèm, die toch de vader van mijn kind was! Intusschen bruiste het wilde bloed mijns vaders door mijne aderen, — van mijn vader, die zijn eigen vrouw had vermoord, wijl hij haar ontrouw had bevonden. En ik was zijn echte dochter! Ik droomde van moord en wraak, en droomde zóólang tot ik niet meer terugdeinsde voor de vreeselijke daad. Ik haatte mijn echtgenoot, en had besloten mij van hem te bevrijden tot eiken prijs I — Hoort ge mij, Louis V viel zij zich plotseling in de rede: „Hoort ge mij, Louis?quot;

Hij lag altoos nog met bedekt aangezicht op zijne knieën, en slechts somwijlen drong een smartelijk steunen uit zijn borst.

„Ik hoor!quot; zeide hij met doffe stem: „ja, ik hoor!quot;

„Ik had besloten,quot; voer zij voort: „dit leven niet langer te verdragen. In een nacht, toen ik meende dat hij in een diepen slaap was, stond ik zacht van mijn bed op, sloop naar buiten in het belendend vertrek, waar mij kind in zijn wieg voor het bed der slapende min lag. Zacht tilde ik mijn kind op, en vluchtte er mede naar mijn woonkamer. Daar lagen mijn reiskleederen, daar lag ook het geld, 't welk ik noodig had, daar lagen ook de pistolen, 'waarmede ik mij wapenen wilde tegen eiken aanval. Haastig kleedde ik mij, niemand was in mijn vertrouwen; niemand had ik gezegd, waarheen ik vlieden wilde. Ik wist slechts, dat des morgens vroeg een schip voorbijkwam, dat den Rijn af naar Holland ging. Met dit schip wilde ik weg, en van daar vér weg in de eenzaamheid der wereld. üit was mijn geheele plan. Ik wist verder niets. Ik wilde de ondeugd, de misdaad ontvlieden. Toen ik gekleed was, wikkelde ik mijn kind in een shawl, nam het in mijne armen en wilde juist de kamer verlaten, toen de deur zich opende, en daar stond met koel, spottend gelaat mijn echtgenoot !

Hij stond daar en lachte om mij. Nu overweldigde mij een wilde woede, ik ijlde op een pistool toe, greep het en richtte het op zijn voorhoofd. Het schot knalde, en hij

ocr page 535

277

zonk met een luiden, kermenden kreet op den grond. Maaibij was niet dood, en toen ik hem voorbij snelde, greep mij de band van den zwaar gewonde bij de kleederen; ik worstelde met bem en wilde weg, ik gruwde van de vreese-lijke, bloedende gestalte. Ik gruwde voor mij zelve. Het scbot bad de dienstboden gewekt. Zij vonden den zwaargewonde, en mij aan zijne zijde; zij begrepen misschien alles, want zij weken scbuw voor mij terug, en niemand waagde het mij aan te raken. Ik zelve huiverde voor mij. In waanzin bad ik de daad volbracht; nu zij geschied was, nu schrikte ik voor mij zelve, want bij was immers de vader van mijn kind! Toen wij weder alleen waren, — nu de dienstboden zich verwijderd hadden, om de wondheelers te halen, — zonk ik neder tot den zwaar gewonde en smeekte hem om ontferming en vergeving. Hij zag mij aan met een strakken, vreeselijken blik, die in mijn ziel boorde en al de stemmen en al de geesten van berouw in mij wekten. Ik wrong — voor zijn bed op mijn knieën liggende,, — de banden en smeekte om ontferming, en zwoer dat ik hem nooit verlaten wilde, dat mijn geheel leven hem gewijd zou zijn, en smeekte slechts om vergeving. Hij hief zijn arm op en wees naar het kind; ik droeg bet arme wicht tot bem op het bed. Hij wees met moeite op bet hoofd van het kind, en zijn bleeke lippen fluisterden: „Zweer het, de hand op haar hoofd gelegd!quot; Ik deed, zooals bij eischte; ik legde mijn hand op't hoofd mijns kinds en zwoer hem, dat ik hem nooit verlaten wilde dat ik bij bem blijven, — en zijn wil doen zou, zoolang ik op aarde leefde.

Toen ik gesproken bad, boog hij zacht het hoofd en sloot de oogen door een diepe onmacht bevangen. En ik, ik meende dat bet de dood was, die zijn wangen verbleekte en zijn lippen deed beven, en wierp mij op hem, legde mijn hand op zijn hart en herbaalde den eed, dien ik op bet hoofd van mijn kind gedaan had, dat: zoo hij het leven behield, ik niets ziin wilde dan zijn slavin, zijn gehoorzame dienstmaagd! De artsen kwamen en onderzochlen de wonde, en toen hij uit de diepe onmacht ontwaakte, fluisterde hij zacht: „Ik zelf, ik zelf heb het gedaan!quot; — Het schot bad de hersenpan gekwetst, maar 't was mogelijk dat hij gered kon worden. — Een zorgvuldige verpleging

ocr page 536

278

redde hem. Want ik bleef dag en nacht aan zijn bed, en verzorgde en verpleegde hem, gelijk ik gedaan zou hebben, als ik hem bemind had. Na vele weken was hij genezen, maar de donkerroode vlek aan zijn voorhoofd was het onvergankelijke teeken mijner misdaad. Toen hij voor het eerst weder vrij opstond en wandelen kon, liet hij mij mijn hand op deze vlek leggen, liet mij den eed mijner trouw herhalen en beloven, dat ik zijn slavin zou zijn, zijn creatuur, zoo hij mij hiervoor mijn misdaad vergaf en mij niet beschuldigde als zijn moordenares. Ik beloofde het; ik sloeg een blik op mijn kind, dat naast hem stond, en mij zoo vriendelijk en lief aanzag. Ik beloofde alles wat hij vorderde. — Maar er was sedert dien vreeselijken nacht toch een verandering in mij ontstaan, en ik was stil en treurig, en kon het vorige leven niet weder beginnen met den overmoed en lust van vroeger, en hij gevoelde dit en dacht aan wraak en straf. Op zekeren morgen toen ik van een eenzame wandeling kwam, was hij weg en met hem mijn kind, mijn eenig geliefd dochtertje. Ik zocht hen in het geheele Slot, ik vroeg naar hen bij de dienstboden. Ik vloog naar beneden op de plaats, en toen ik hen ook daar niet vond en slechts hoorde, dat mijnheer met het kind in het rijtuig weggereden was, reed ik naar ons huis te Koblentz; maar zij waren ook daar niet, en in wanhoop en smart bracht ik een geheelen dag en een geheelen vreeselijken nacht door. Toen de nieuwe morgen aanbrak, lag ik in een ijlende koorts te bed.

Hoe lang dit aanhield, weet ik niet. Ik had in mijn ijlen steeds geroepen om mijn dochter, en had mijn echtgenoot beschuldigd als haar moordenaar. God had geen ontferming. Hij liet mij niet sterven! Ik ontwaakte weder uit mijn bewusteloosheid en nu vond ik mijn echtgenoot voor mijn bed, en zij zeiden, hij had mij verpleegd, zooals ik het hem had gedaan, dag en nacht. — Ik vroeg naar mijn kind. Niemand wist waar het gebleven was, en hij gaf mij geen antwoord ; zeide slechts, zoodra ik genezen was, zou ik alles vernemen, ik moest mij dus spoeden, weder gezond te worden. Toen ik eindelijk weder van mijn bed kon opstaan, zeide hij mij: dat hij het kind verwijderd had, wTijl mij hare nabijheid stil en droefgeestig had gemaakt, en ik niet meer dezelfde was geweest.

ocr page 537

279

Hij had daarom het kind in een klooster gebracht, en de priores zou haar aannemen en laten opvoeden tot een deugdzaam meisje. Ik bezwoer hem, mij de plaats te noemen, waai' het kind was. Hij weigerde dit. „Dat zal uw boete zijn,quot; zeide hij koel en ruv/: „uw boete en strat, voor den moord dien ge aan den rader van uw kind wildet plegen. Verdraag en duld, en wees weder u zelve. En als ge tien jaren lang trouw en gehoorzaam volgens mijn wil geleefd hebt, dan zult ge uw kind weder hebben, dan zult ge vernemen waar het is.quot;

God alleen kent de tranen, die ik gestort heb om mijn kind. God alleen kent het smartelijk verlangen, 't welk ik dag en nacht gevoelde, en hoe ik geschreid heb in den jammer mijns harten, 't Was alles te vergeefs. En ik lachte weder en scheen vroolijk en gelukkig, en was weder de Loreley, die de mannen tot kwaad verleidt. Ik was het ook den dag toen ik u zag, Louis ; toen ik gevoelde, dat ik u beminde, wijl ge vóór mij stondt a)s het ideaal waarvan ik gedroomd had in de schoonste en heiligste uren, mijns levens. Ja, ik beminde u. Ik wist het, toen ik u zag, en ik bad God, dat hij mij u nooit weer zou doen ontmoeten. Maar het noodlot wilde het anders. Vruchteloos heb ik God, — vruchteloos u zeiven gesmeekt. Herrin-namp;r u deze woorden in het bosch van Verdun ; „Ik ben de Loreley, die den menschen ongeluk brengt. Ontvlied mij, en zweer dat ge mij niet meer ontmoeten wilt,quot; Ge zwoert het. Maar de demon aan mijne zijde verheugde zich over mijn ramp, en maakte dat ge uw eed schondt. Ge kwamt tot mij terug! Nu schoten de vlammen der liefde in mij op en verbrandden alles, wat van goede voornemens en berouw in mij was. Ik wist niets anders dan dat ik u beminde, u meer dan alles, meer dan mij zelve beminde. Ja, meer dan mij zelve; want uit Helde wilde ik van u afzien, — smeekte den somberen geest, die spottend aan mijn zijde stond, dat hij mij redden, dat hij met mij weggaan zou, vèr, vér weg. Maar hij had geen medelijden met mij, en verheugde zich en bespotte mijn liefde. En toen ontdekte ik dat hij mij bedrogen, — jaren lang bedrogen had. Het kind, ter liefde waarvan ik zooveel geleden had, dat de éénige troost en stem mijns levens was, — dit kind was sinds drie jaren dood. En hij had

ocr page 538

280

mij haar dood verzwegen en mij bedrogen en belogen drie jaren lang.

Toen ik dit vernam, rees de oude haat in mij op, en evenwel, dewijl ik u beminde, was ik teeder en zacht, en verzocht hem om vrijheid, deed een laatste poging om zijn hart te bewegen. Vruchteloos. Hij wees op de donkere vlek aan zijn voorhoofd en herinnerde mij aan mijn eed, dat ik hem zoolang ik leef, niet verlaten zou. Zoo/aw/ ik leef! herhaalde mijn gloeiende toorn en haat. Ik wist dat slechts de dood mij van hem scheiden kon. Wat zal ik u zeggen van mijn vertwijfeling, van mijn haat, van mijne kwellingen.

Toen hij uittrok met den prins van Artois ten strijde voor de verschansingen, volgde ik hem verkleed in het strijdgewoel, en toen romdom mij de geweren zich ophieven en de schoten knalden, schoot ook ik. Maar niet in de vijandelijke gelederen. Mijn schot ging elders heen, ik hoorde een kreet, en zag hem vallen.quot;

„Vreeselijk ! Vreeselijk !quot; riep Louis Ferdinand, en sprong overeind met doodsbleek gelaat en staarde haar aan. — „Gij hebt dit gedaan ? Gij hebt dit gedaan, Leonora ? Gij zijt zijn moordenares?quot;

Ook zij had zich opgericht en stond tegenover hem, even bleek als hij. De lange lokken wuifden in de wind, die uit de diepte opsteeg, en haar zwart weduwengewaad opblies, als wilde hij haar op de vleugels wegdragen.

„Ik heb het gedaan: ik ben de Loreley, zeide zij langzaam : „ge weet het, Louis; maar de Loreley zal niemand meer verleiden, niemand!''

Plotseling sloeg zij hare armen om zijn hals en kuste hem hartstochtelijk, kuste zijne oogen en zijn lippen; „Ik bemin u, ik ben de Loreley! Vaarwel, Achilles, schitterende droom mijns leven, vaarwel! Ik ben de Loreley!quot;

Toen stiet zij hem met een onweerstaanbare kracht achteruit, zoodat hij tuimelend nederzeeg — nu klonk een kreet een vreeselijke kreet, en toen hij zich van den grond oprichtte was het plateau ledig.

Nog ritselde en ruischte iets. Vervolgens hoorde hij diep beneden zich een gil.

De Loreley was nedergezonken, en de golven van den Rijn sloegen over haar lichaam samen.

ocr page 539

281

Met waanzinnige ontzetting, — tot geen nadenken, geen overleg in staat, wilde hij haar naspringen. Daar hielden hem twee handen vast; en toen hij zich omwendde, zag hij den predikant Theophil, die hem verschrikt in het bleeke gelaat staarde. — „Ik vermoedde wat hier geschieden zou,quot; zei de predikant langzaam : „ik stond op een afstand te luisteren, en hoorde alles. Kniel neder en bid met mij voor de dierbare, wier ziel thans opstijgt ten hemel, en daar genade moge vinden bij God den Almachtige! Ontferm u, God, ontferm u over haar. Zij heeft veel gezondigd, maar ook veel geleden. Ontferm u, o God!quot;

ocr page 540
ocr page 541

INHOUD.

D E R D E li 0 E K.

PRINS LOUIS FERDINAND.

Biadz

I. Gemoedsuitstortingen ..........5

II. Een blad uit de geschiedenis.......14

III. De kanonnade van Valmy.........26

IV. De nieuwe en de vroegere geliefde......87

V. De ontknooping.............52

VI. De dag der wraak............71

VII. Op het bal...............93

VIII. Het huwelijksaanbod...........101

IX. Het concert...............117

X. Het slot Windeck. ............124

XI. Wederzien...............133

VIERDE ROEK.

HET JAAR 1T93.

I. Monsieur Giller..................141

II. De breuk met de revolutie.........153

III. Een laatste poging............102

IV. De sleutel...............171

V. Voor Maintz..............178

VI. In het bosch..............204

VIL De mislukte vlucht ...........213

VUL Vóór de schans.............224

'IX. De gewonde prins.............234

X. De dag der bezoeken............243

XL Het wederzien..............258

XII. Het geheim...............265

XIH. De Loreley...............273

ocr page 542

I

■ ■

I

- r U

.

1

Lu A

... •

I

I

ocr page 543

Oebr. E. amp; M. COHEN, te Nijmegen en Arnhem.

Magazijnen van Goedkoops Boeken.

GRAPPIG LIEDEREN-ALBÜM

Csmique scènes. Luimige ohansonnetten. Amusante zotternijen. Pittige humor.

60 cent.

MKT MUZIEK.

met Muziek.

48 der meest gezochte Chansonnetten, Comische zangen, Duetten enz. voorgedragen door de meest gerenomeerde Cafc-chan-tant gezelschappen.

INHOUD.

Oolyk en vrooljjk. Gezelschapsliederen. Vrooljjke zangen. Geestig piquant.

60 cent.

MET MUZIEK.


Ach, ik heb haar maar zacht op den schouder gekust.

Achsterihhe en zijn Jetje. (ComAschDuet).

Ach was ik een dier toch, dan had ik mijn zin.

Daar staan twee vrienden hand in hand. [Afscheid.)

Daarom hoeft niemand naar China te gaan.

Dat is maar alleen aan den huisknecht bekend.

Dat is nu alles wel historisch waar.

Dat wensch ik toch eerst eens bij licht te bezien.

De maatschappij ik beken 't mijne hee-ren. {JVieiiw handboekderwellevendheid).

De meisjes dezer dagen, {Modetwist). Duet voor heer en dame.

De twee stijfkoppen. Groot comisch duet met parlando's en pianobegeleiding.

Een domkop van hooge geboorte. (7 Is mij te geleerd).

Evenzoo, als zekere lieden. {Gezelschapslied voor solo en koor).

Oist'ren vrienden kunt gij 't denken. (Candidaat-arts).

Helaas! vergeefs blijf ik roepen. (Kat-ten-Duet met planohegeleiding).

Het kussen kan aan allen toch won-dergoed bevallen.

Het lied van Pst! Pst! Pst!

Hest liedje van kloe, kloe.

Ik ben de rariteiten-man. {Dc Rariteiten-Verzamelaar). Pikant-comisch.

Ik ben majoor van altijd-dorst. [Komische scène).

Ik ben mijn leven moede. [Chansonnette).

Ik ben rampzalig, ja diep rampzalig

Ik ben Richard Leeuwenhart. [Comische scène).

Ik had een oude tante. [De oude tante).

Bovenstaand Grappig L ieder

Ik heb een lief oud oompje. [Pendant

der Oude Tante).

Ik kan niet zonder liefde leven. (Er

zijn geen mannen meer).

Ik wil de wereld eens bezien. [Ik vertel

u van vreemde streken).

In de oogen ligt het wezen. [Taal der oogen).

Is' dat alles zeg, of komt er soms nog wat?

Ken je wel klein Klaasje. [Nicolas, ha, ha).

Komt menschen, komt nu bij mij koo-

pen. [Het Bloemenmeisje).

Komt vrienden laat ons vroolijk zijn.

[Toast). Trio.

E.eenen en braaf schulden maken. [Zoo

iets kan alleen de vrouw). Liefdeklacht. [Duet).

Madam Angot. [Door ieder aangebeden). Mosterd na den maaltijd.

Mijn levensloop is lied en lust.

Xeemt plaats naast mij naast 't volle

vat. [De roode nttis).

Ons van de kavallerie, ons hindert zoo

iets niet.

Ruiterlied.

Schwamm drüber!

Stapt nu in, Blij van zin. [Gondellied). Wanneer ik op de weide naast u mij nederzet. [Herder en Herderin). Allerliefst duet voor Heer en Dame. Wat aan den eenen vreugd geeft, doet

and'ren vaak verdriet.

Wat doet men niet uit liefde voor 't

mannelijk geslacht.

Wie nooit nog heeft een roos gehad.

[Lof van den wijn).

Wie vraagt u iets, mijn waarde? (Co-

mische voordracht met par ando's). iBooals gij. ( Wals-Coupletten).

en Album kost slechts 60 cent.


ocr page 544

CAFÉ-CH ANT ANT-ALBUM

Luimige ohansonnetten. Comique scènes. Amusante zotternijen. Pittige humor.

60 cent.

MET MUZIEK.

met Muziek.

-18 iler nieuwste en meest geliel'lvoosile coupletten en comique scènes, gezongen en voorgedragen door de grootste celebri-teiten op dat gebied.

INHOUD.

Gezelschapsliederen. Ocljjk en Vroolijk. Grappige Zangen. Geestig piquant.

60 cent.

MET MUZIEK.


Alles wil grooter zijn [Coupletten).

Als hel brandweerkorps. {Brandweer van Weesperdam).

Als ik haar van ver bespeure. (Dejlesch).

Als vroeg in den morgen. {Och, lieve Lodewijk).

Daarmee snapt men mij niet meer.

De Echo wil 'tgelooven, die was van alles schuld.

De Entemoloog. {Insecten-verzamelaar). Comische scène.

De oogen hemelsblauw. (O, gij Veronika).

De snijders hebben een opstand verwekt. {Kleermakers-revolutie).

Een boer, die veel last had van pijn in de maag. {Het kriebelt, het krabbelt).

En toen wou hij wel weer naar beneden, maar toen kon hij niet.

«ij ziet, stilstaan kan ik niet. {Perpetuum mobile). Danscoupletten met pianobegeleiding.

'k Heb een stuk in mijn kraag. {Comische scène met parlando's).

Het puntje op de I. {Coupletten).

Ik ben de eenige zoon.

Ik en mijn fleschje zijn immer te zamen.

Ik heb den aap in de kous. {Voordracht met parlando's).

Ik min slechts vroolijkheid, den wijn en liberteit. {Liberie, Libertas!) Comische scène met parlando's.

In deez' harde wereld. {Verdreven van huis).

In onzen tijd steelt iedereen. (Sjji(si/oc-venlied).

Jan Sul van Lindelaakt. {Comische scène met parlando's).

kaatst moest ik op schildwacht staan, sakkerloot! {De schildwacht).

Laatst zat ik in ons stads-theater. {Adelina).

Liefste Lotje, bloem der schoonen. {Billet doux).

Marietje zei teeder de moeder. {Lieve moeder dal doet de wind). Fraaie melodie.

Mensch, erger je niet. {Comische voordracht met parlando's).

Mij kan geen wijn bevallen. {Het wijntje van Bordeaux).

Mijn hartedief noemt zich Christoffel. {In de groote wereld doet men dat niet).

Mijn Juultje is zeer lief. {Romeo en Julia). Comisch duet.

Mijn schat heeft in de wangen twee kuiltjes lief en klein.

O, gij Khinoceros!

O, kon ik toch uw poedel zijn. {Aan myne liefste).

Op een soupeetje. {Comische verzuchting met parlando's.

Vas achttien, toen was 'k al druk aan 't vrijen. {Snoeper, de onbestorven Weduwnaar.)

Peter, lieve schutspatroon. (De echo).

Ilietsjie, Poetsjie, Tietsjie, Tatsjie,Rom, Bom, Bom!

Velen drinken wijl de honger. {Drinklied).

Voor uw lachjes dank ik u. {'k Houd dol veel van de vrouwen).

Vriendschap is het zout van het leven. {Vriendschap, Liefde en Wijn).

Vrijen en trouwen en weer scheiden. {Parijs).

Waar alles mint, kan ik alleen niet haten.

Wat een mode-dame noodig heeft is kolossaal, pyramidaal.

Welaan dan, gedronken den fonkelenden wijn. {Reislied).

Wis kent gij Faust. {Hendrik hoe gruwt ge my).

Wij, wij, wij, wij zitten hier.{Bierlied).

Keg, wilt ge 't fijne van die zaak verklaard. {Zus Prundencc).

Zooals de ouden zongen, zoo piepen ook de jongen.

Zoo zijn er! [Coupletten).


Bovenstaand Café-chantant-Album kost slechts 60 cent.

ocr page 545

NIEUW LIEDEREN-ALBUM.

Humoritisch. Boertig en Kluchtig Snedig en Pittig Lakoniek en Satiriek.

60 cent.

MET MUZIEK.

met Muziek.

Ucvattende 48 Voordrachten,

Chansonnetteu, Coupletten, Comique scènes, Duetten, enz.

(JEZONGEN DOOR

Judels, Faassen, Bamberg Alb recht en beroemde Hollandsche komieken

I \ II O IJ D.

Prettige liederen. Calee chantant

stukken. Geestige verzen. Geliefdemelodieen.

60 cent

MET MUZIEK.


Ach ik ben zoo aioede. {Sluimer-Polka).

Al is iemand cttk nog zoo dom. (Itozes en de profeten).

Als een jongman een lieve maagd. {Een zot figuur).

Als ik denk aan mijn beminde. {Oude liefde roest toch niet.)

Dat is wel geen onheil, maar 't hindert je toch.

Die lieve, die goede, die brave Heer van Hecht. (De Huisvriend).

Die versjes saam kan lijmen. {Rijmwoordenboek).

Echo zeg mij bid ik u.

Een bakkersbaas niet zeer vertrouwd. (Vele kleintjes maken een yroote).

Een bedelaar raakte op zekeren tijd. {Au vraag ik'/)

Een eerlijke snijder verklaart zich failliet. {Schreeuwen en zwijgen).

Een ieder mensch heeft op deez' aard. {Het klokje).

Een meisje zoo beeldschoon en 18 jaren oud. Ct Is mogelijk ja, doch waarschijnlijk is 'tniet).

Een vroolijk leven leiden wij. {Studentenleven).

En geen mensch weet waarom.

Er ontbreekt nog zooveel aan, voorwaar. (Veel geschreeuw en weinig wol).

Gebukt voor d'aadlaar trotsch en wreed. {Necrlands hoop en heil. Volkslied.) Met pianobegeleiding.

Heeft men eenmaal A. gezegd. Men moet ook zeggen B.

Helaas, daar is thans geen veranderen meer aan.

't Hupsch Katootje alle dagen. {Men-menschenliefde).

Ik ben een kantoorbediende.

Ik zei tot mij zelv' op een zonierschen morgen. {Oost, west, thuis best).

In Numansdorp heeft Men zoo iets nog nooit gehad. {Mej. Hippeldaiis.)

'tls komiek.

Ja, wèl is de kostschool een heerlijk gesticht. {De kostschool).

Klein, klein moet zij niet zijn. {Tromo-lustige jongeling).

Kleine kinderen hebben kleine voetjes. {Alles heeft een oorzaak).

I-aatst reed ik met een vigelant. {'t Is eikokkerij).

Lieve vronw, kleed u eens net. {Henriette Sontag's-Polka.) Duet.

Maar er hapert, ach er hapert iets aan, dat is waar.

Maar 'k zeg het daarom niet.

Men wil and'ren steeds verwijten. (TFaar blijf ik?).

Xeemt men een coquette. (Hmaelyks-keuze).

Niets te handelen?

O, de mannen zijn sluwerds, 'k vertrouw er geen een.

Reeds veel is gesproken. {Het ongeluks-kind).

Schoon is de hemel en schoon is de w'aereld. {Appoüonia).

Strijken, strijken, vlijtig strijken. {Stryklied). J ' J 5 J

Voor amor staat de weg naar 't harte open. {Corde sensible des dames).

Wacht maar een beetje, het heeft nog den tijd.

AVanneer een jeugdigpaar gaat trouwen. {Een supplement.)

Want die mannen, zij deugen geen van al. (O, die mannen.)

Wat wandelen er Dames en Heeren alom. {Katten natuur).

Wie trouwt handelt goed, maar wie niet trouwt doet beter.

'k Zag in de kerk Mijnheer Van Dolen. {Machinaal).

Zeker baron of een graaf of zoo wat. {Spreekwoorden).

Zoodra de baard ietwat ontspruit. {Het vrijen).

Zoo'n mensch, hoe schoon van vorm

en leest, is leelijker dan ik.

Bovenstaand album met muziek kost slechts 60 cent.


ocr page 546

(X 1 2,3

Ir 'Kff' ■Vtlr nÊ [L quot;IK

Sohalksoh en koddig.

Geest en Leven. Boertig en kluchtig. Snaaksch en grappig.

60 cent.

IET MUZIEK,

met Muziek.

Album met 48 der beste en meest gezochte coupletten en Voordrachten, gezelschapsliederen, enz., gezongen door JUDELS, BAMBERG, FAASSEN, enz.

INHOUD.

Om te deolameeren.

Om te zingen. Chansonnetten. Duetten en Terzetten.

60 cent.

MET MUZIEK,


Als ik dat vooruit geweten had, dan

was het niet gebeurd.

'k Ben bekend in alle wijken. {De verwaande Klaas).

Bij duist'ren nacht, voor 't kerkgebouw.

(Is 't leelijkste, zeg ik).

De wereld wil bedrogen zijn. Die Engelschen, kijk, dat zijn menschen. Die thans nog per trekschuit varen.

{Vliegen, vliegen, vliegen, vliegen).

Dokter „O weequot; en Dokter „Goed zoo,

{Komisch Dieet).

Een dienstmaagd is wel te beklagen.

{Dienstbodenklacht).

Een jong'ling droomt van stil genot.

{Droombeelden)

Er bloeit een bloempje in den dauw.

{Vergeet mij niet).

field, geld, geld, zoo schreeuwt de gan-

sche bende. {Studenten-geldnood.)

Heeft men iets verloren. {Dat komt wel weerom).

Heeren, Dames! geen reclames. {Danslied).

Heimann Levi ist mein Name. {De

koopman).

Het Café Concert.

Hoe men de wereld ook moog' noemen.

{De wereld een herberg).

Hoever de meisjes 'tdrijven. {Mannen-klacht).

Ik ben verzocht thans wat te deklamee-ren. {Een voordracht zonder voordracht)» Ik min u, kind, 'k aanbid u. {Minnaarsklacht).

'tls enkel om de duiten. .r. „

Jan Champagne is mijn naam. {Liejde

en Champagne).

Ja, wij zijn trotsch op d'erfgrond der Bataven. {Neêrlands trots). Volkslied. Klaartje was de dochter van den mo-lcnalt;ir

l*ieve kind'ren, geeft wel acht. {School'

Bovenstaand Album, „Salon des

meester's A B C). Komisch ïerzett. Mag ik u o liefste vragen. {Wat een halt soms lijden kan). jMelodie voor Bariton.

Mannen draaien met de winden.

Meisje, ik min u zoo trouw.

Mieke, 'k kan 't niet langer zwijgen.

(Beloven! . . . maar doen? . . .? Moederlief als 't gouden daglicht.'_(iViei

alleen). Dramatisch lied.

'k Moet vrienden u eens wat vertellen.

{De dorpsgeleerde).

\a 't zingen van een chansonnet. {Bis-

Coupletten).

O! als de borst van heimwee zwelt.

{De Tyroler en zijn kind).

O ja, een kus bevalt ook mij.

Ontplooi u. Oranje ! {Oranjelied).

O wat vermaak klein vee te weiden. Pro patria. Volkslied.

Slaap kindje, slaap. {Komische slaap-

coupletten).

Steeds moed gehouden.

Veld en bosch staan frisch en groenen, {Ik zal hem vergeten). Lied voor ïenor of Sopraan.

Waarom ik haar nog min. Lied voor

Sopraan of ïenor. .

Waarom word ik zoo schaars bemind.

{De doodgraver).

Wanneer men het leven eens goed wil

bekijken. {Huishouding en orkest). Want al wat blinkt is juist geen goud. Wat dolle kuren ieder dag. {De wereld

loopt verkeerd).

Wat of dan toch wel een Sausneger

zou zijn. ... ,

Wie zal het zijn. {Huwelijkskeuze voor

mannen.) .. . , .

Wij meisjes bij elkaar zijn gek, ja dat is waar. {Het grootc gekkenhuis). \ ooi-dracht voor Dames.

5Kijt gogroet, o stille avond.

Variétés,quot; kost slechts 60 cent.

ocr page 547
ocr page 548
ocr page 549
ocr page 550

55

v ^ ;■* gt;,- ,*:, S: . ■ A- J

*:-ï 4^??')

yT . A ■ dv »4 gt;v«r. ■*

.• w,.-' Jtgt; 'c^r -

^ gt;a e teamp;hamp;ïv t- £amp;■

- v TTv ^. v« f» ^ amp;*•*'*■■■

J r/-'gt; -nquot;quot; quot;Siir/

' -sT-#•w. * f t u ' .* *'

-TV#

'i % ■ r■-.%3

s C^h IT ^ f' ••'■*.Aquot;1 v■lt;*'■' r-- 1 /«•

lt;:-V^

* ' % ^4. - * -* •'

* .®.v . ■* ' Wi ' ' ^ ,.

#v .,4 r ^ _ r^ ^r-?-JUL*^2-;v

^ ^ »;,gt; %;••%.■ .-v /i - # r

h* 9yr, ^ . ♦ quot;gt;■• -^T- ^ -o

V.1' J *-% . JV, ^ ''VJ -

; - «'- 'i; ^ it ^quot;Vr

ts.. H?'

a ^» ■ '., amp;-,. '!*•-! - *r- gt; ' i

^ 4 ^_ è* *fey, j - •,■? •ïflÉh.-.%.J!?t;. jèkv V I 4*

«- I , ^

» *»t»»»»v

^■:% TS^-' Cv'